ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

flEUWE j^ÏANDLEIDING.

•i

ocr page 6

. , ,e Provincie

Alverna Olö

1

ocr page 7

'Z

jNflEUWE J'ÏANDLEIDING

u

'' i / iï-

in de dagen der

jflartijksdie geesletijke t

door

eer\ fj. d. f5!4.

VOLGENS HET DÜITSCHE WERK

Exemticnvortrilge

door

ÖFII fafpF paitraifins o. Bnin^ Tpttii,

nan Jp Orbg Jcf faftrs I(aprijiipn.

Hoogst nuttig voor hen die retraite moeten prediken en ook voor diegenen, welke zelf retraite houden.

kerkklijk goedgekeurd.

1893.

M. WATERREUS, Drukker amp; Uitgever, Roermond.

ocr page 8

Censur und. Approbationen.

Opus, cui titulus »ExercitienvortKlge von P. Lorenz v. Brund. Thöny, Prediger der nordtirolischen Kapuziner-Ordensprovinzquot; ex mandato Reverendissimorum Superiorum nostrorum attente perlegi-mus nihilque fidei catholica; bonisque moribus contrarium in eo invenimus; ideoque ob solidam doctrinam, spiritalem unctionem necnon dictionis elegantkim piivlo dignissimum censemus.

P. Alphonsus Maria ab Eppan

s. Theologuc Lector.

P. Gregorius ab Antholz

Lector juris can.

Bulsani, die 7. Aug. 1887.

Nos Fr. Bernardus ab Andarmatt,

Toüus Ordinis Fratrmn Minorinn S. Francisci Capucinorum Minister Generalis l. t.

Cum opus, cui titulus: »Exercitien-Vortr;lgequot; a R. P. Laurentio a Brund. Thoeny, Ordinis nostri Alumno et Provincie Tirolis sep-tentrionalis Concionatore compositum, a duobus ejusdem Ordinis TheologicC Lectoribus, quibus id commisimus, revisum et approba-tum fucrit, ut, servatis aliunde servandis, typis mandari illud possit ac valeat, prassentium tenore perlubenti animo facultatem conccdimus.

In quorum fidem etc.

Datum RomiL', e^ Nostro Conventu Generalitio, die 23. Aug. 1887.

(L. s.) Fr. Bernardus ab Andermatt

qui supra.

Opus de quo supra approbamus et ut imprimatur permittimus. Datum Merani, 14. Nov. 1S87.

-j- Eugenius Caroius,

Episcopus Tridentin. et princcps.

Exemplar impressum ad Curiam Episcopalem transmittatur.

Dr. Jos. Hutter,

Pro-Cancel.

Licentia Ordinis: Imprimi potest.

Datum Tilburgi, 5 Sept. 1893.

Fr. Albertus,

Min. Prov. 1. i.

ocr page 9

af« t08ttrlctiks||ecre« itt Ie ee»}w»t{(eil.

Pp örti tJDDt!auDnö hv Dpfciiiitgnt.

INLEIDING.

Over de eenzaamheid.

„Ducam cam in solitudinem, et loquar

ad cor ejus.quot;

„Ik zal mijn volk naar de eenzaamheid geleiden en tot zijn hart sprekeu.quot;

Oseas. II. 14.

anneer wij een blik slaan in het dage-lijksche leven, dan bemerken wij aanstonds, hoe alles door liet gebruik vermindert en verslijt; nies en schaar worden stomp en moeten, wil men zc blijven gebruiken, opnieuw gescherpt worden; een uurwerk moet van tijd tot tijd eene of andere her-stelli-ng ondergaan; een huis, boe stevig ook gebouwd, zal den invloed van weer en wind gevoelen, moet dus intijds worden nagezien. Wat voor het dagelijksche leven geldt, geldt ook voor onze ziel. Onze ziel heeft nu en dan behoefte aan eene geestelijke vernieuwing, daar er op haar zoo gemakkelijk eenige kleine zondevlek, of ten minste eerig stof van onvolmaaktheden blijft kleven, en dit mogen wij nimmer dulden, daar wij geroepen

ocr page 10

zijn tot een volmaakt christelijk leven. Die behoefte nu aan geestelijke vernieuwing is voor ons des te dringender, wanneer wij bij een onpartijdig oordeel over ons zeiven moeten bekennen, dat wij van den dienst van God afgevallen en tot de zonde overgeloopen zijn, dat wij de ware vrijheid van kinderen Gods verruild hebben voor eene goddelooze slavernij, dat wij het huis des Heeren verlaten hebben, terwijl wij daarin hadden moeien waken en werken. Doch verondersteld, dat het zoover nog niet gekomen is, aangenomen, dat wij ons slechts aan trage rust hebben overgegeven, dat de booze vijand, terwijl wij sliepen, velerlei onkruid op den akker onzer ziel heeft uitgestrooid, dat wij door den sleur van het dagelijksche leven lauw geworden zijn, zoodat wij gelijk staan met een teringlijder, ook in dit geval is eene geestelijke vernieuwing voor ons noodzakelijk.

Om nu het uitgedoofde licht der heiligmakende genade op nieuw in onze ziel te ontsteken, of om bijtijds, zoo wij het leven der ziel, hoewel kwijnend, nog bezitten, onzen geestelijken dood te voorkomen, daarom spreekt de oneindig barmhartige God tot ons, evenals eertijds tot het volk van Israël, dat Hem verlaten had om aan de afgoden te offeren: „ik zal u naar de eenzaamheid geleiden en daar tot uw hart spreken.quot;

Deze woorden zullen wij nader beschouwen en zien, welke beteekenis er voor ons ligt opgesloten in deze twee zinnen : 1° ik zal u naar de eenzaamheid geleiden; 2° ik zal tot uw hart spreken.

Stellen wij ons daartoe levendig voor den geest, dat de Heer ons tegemoet komt, ons vriendelijk groet en ons zijne milddadige hand toereikt, om ons op te helpen uit den afgrond onzer ellende, en met zich mede te voeren. Beginnen wij dan in Zijnen H, Naam.

I.

,,lk zal u naar de eenzaamheid geleiden/'

Deze woorden, die door verschillende schriftverklaarders verschillend worden uitgelegd, hebben in den eigenlijken zin betrekking op het joodschc volk. Eenigen verstaan daardoor de bevrijding uit de slavernij van Egypte en den uittocht naar

ocr page 11

— 7 —

de woestijn, waar zij van God de steenen tafelen der 10 geboden en de Ark des Verbonds ontvingen. Anderen, zooals de HH. Cyrillus en Hiëronymus, denken daarbij aan de verlossing der Joden uit de Babylonische gevangenschap, en hun terugkeer naar Jerusalem, dat inmiddels eene woestenij geworden was. Wederom anderen geven aan die woorden dezen zin, dat God c'e Joden uit de Synagoge zou binnenleiden in de Kerk van Christus. — In overdrachtelijken zin echter verstaan alle schriftverklaarders en geestelijke schrijvers daaronder de zondige ziel, waarmede God medelijden heeft, en die Hij daarom van de zonde naar de uitwendige en inwendige eenzaamheid wil geleiden, om haar te vermanen, te bekeeren en te versterken. In dezen laatsten zin gelden die woorden ook voor ons. Blijven wij derhalve hierbij staan, en overwegtn wij elk woord, want elk woord heeft eene diepe beteekenis.

lU, — dat is, niet een van uwe overheden, niet een der Apostelen, neen, ik zelf, Mi'; die ben, die ik benquot;, (Exod. III. 14,) het Wezen boven alle wezen, uw Heer en uw God, ik wil u naar de eenzaamheid geleiden. Zouden wij ook maar één oogenblik kunnen aarzelen ons aan de lei üng van zulk een leidsman toe te vertrouwen ? Het is immers dezelfde leidsman, die het joodsche volk gedurende 40 jaren in de woestijn heeft geleid, en in al hunne behoeften voorzag, dezelfde, die ben het beloofde land heeft binnengevoerd, dezelfde, die hen daarna van overwinning tot overwinning voerde.

De Zaligmaker sprak tot Matthaeus (IX. 9.) „kom, volg mijquot;, en hij volgde Hem. „Kom, volg mijquot;, zegt Jezus thans ook tot ons. Hij stelt zich niet tevreden met ons uit te noo-digen, zooah men een vriend op een maaltijd noodi^t, neen, Hij zelf wil ons bij de hand geleiden naar de eenzaamheid, zooals men een blinde, een kind geleidt. Jezus zelf wil ons uit het verkeer met de wereld, uit onze verstrooiingen, uit den maalstroom onzer zorgen, uit onze dagelijks wederkeerende bezigheden geleiden naar de stille afzondering, naar de eenzaamheid des harten. Hij roept tot ons door den mond van den profeet Jeremias: (L. 8.) „vlucht uit Babyion, vertrekt uit het land der Chaldeérsquot;, dat wil zeggen: verlaat uwe werkzaamheden, die uwe aandacht van het werk uwer zaligheid aftrekken, verlaat den omgang met de menschen waarin zoo

's if

ll

I

I

'fill

li 'lil ;V • üj

Jil

?■

si

! ■Ji: •i

'fl 1

^1-

I

'' ;JÏi 1

■fl

ocr page 12

veel gevaar voor uwe zaligheid gelegen is. Wilt gij den zondvloed ontgaan, treedt dan met Noë binnen in de ark, (Gen. VIL i.) dat is: treedt binnen in uw hart; in de afzondering zult gij het heil vinden, daarbuiten echter in den zondvloed ondergang en verderf.

„Tk zal u naar de eenzaamheid geleiden.quot; De eenzaamheid die reeds onder de heidenen welsprekende verdedigers gevonden heeft, (Socrates, Plato, Seneca, Cicero e. a.) is door vele kerkvergaderingen aangeprezen, door vele pausen en niet het minst door Pius IX en Leo XIII als het krachtigste middel ter heiliging beschouwd en dringend aanbevolen. En met recht. In de eenzaamheid immers kunnen wij helder en onbevooroordeeld nadenken over den toestand onzer ziel en worden wij door heilige overwegingen, geestelijke lezingen en andere godsdienstige oefeningen tot verbetering van ons leven gebracht. Zij vei toont ons alle aardsche zaken in het ware licht; zij laat ons de wereld en hare ijdelheden van alle kanten zien, opdat wij ons daaraan niet zouden hechten. Zij schenkt rust aan onze vermoeide 7iel, kracht, ijver en liefde om de plichten van onzen staat naar behooren te vervullen. Zij is het graf der zonde, de reinigingsplaats der ondeugden en gebreken, het paradijs der ziel, en de kracht, die ons ten hemel opvoert, want allen, die ooit tot de volmaaktheid zijn opgeklommen, hebben het te danken aan de eenzaamheid. (H. Basilius) In de plechtige stilte der eenzaamheid vernemen wij alleen de stem van God en van ons geweten; verwijderd van het gewoel der wereld, gevoelen wij veel inniger de tegenwoordigheid en de nabijheid van God, zijn wij dieper doordrongen van zijne eigenschappen, zijn onze gebeden vuriger, worden wij opgewekt tot berouw over het verledene, tot grootmoedige besluiten voor de toekomst. In de eenzaamheid daalt de 11. Geest over ons neer en maakt ons van wereldsche menschen hemelsche, van zinnelijke menschen geestelijke; in de eenzaamheid ontspringt een stroom van tranen, waarin wij ons kunnen baden en reinigen; daarin blijven wij bewaard voor den drievoudigen strijd, die uit het zien, hooren en spreken ontstaat, en hebben wij slechts met één vijand te kampen, met ons bedorven hart alleen.

De geschiedenis ook overtuigt ons van het groote nut der

ocr page 13

— 9 —

eenzaamheid, daar zij door ontelbare wonderen van Gods goedheid en liefde is verheerlijkt. Op den eenzamen berg Moria vernieuwde God al de beloften, die Hij den aartsvader Abraham had gedaan; bij den eenzamen berg Horeb ontving Mozes zijne goddelijke zending, op den eenzamen berg Sinaï de steenen tafelen der wet; op den eenzamen berg Karmel verkreeg Elias dien vurigen ijver, die hem bezielde; en in het eenzame verblijf te Nazareth is het Woord vleesch gewerden; in de stilte van den nacht is de Verlosser der wereld geboren; in de woestijn werd Joannes de Dooper vervuld van den H. Geest; voordat Jezus begon te prediken verborg hij zich 40 dagen en nachten in de woestijn; op den eenzamen Thabor aanschouwden de 3 bevoorrechte leerlingen Hem in den glans zijner veranderde gedaante; voordat Hij Zijn lijden gaat beginnen, begeeft Hij zich naar den eenzamen Olijfberg om te bidden; terwijl de Apostelen zich afgezonderd hebben in de opperzaal te Jerusalem, daalt de H. Geest over hen neer; in de eenzaamheid van het eiland Pathmos ontving de evangelist Joannes de geheimnisvolle openbaringen. In de eenzaamheid werden de Apostelen voorbereid voor hun ambt, werden de verkondigers van het evangelie onderwezen, werden de grootste zondaars bekeerd, de boetvaardigen versterkt de on-volmaakten veranderd in heiligen; in de eenzaamheid hebben pausen, bisschoppen, priesters en leeken nieuwe kracht gevonden tot vervulling hunner plichten.

O heilige en geheiligde eenzaamheid, waarin de goddelijke Bruidegom met zijne bruid vereenigd, het aardsche met het bovenaardsche, het menschelijke met het hemelsche verbonden wordt 1

Ja, wij verlangen naar u, wij komen tot u. Reik ons, o Heer, uwe behulpzame hand. „Gij waart in uwe barmhartigheid een leidsman voor het volk, dat gij verlost hebt,quot; (Exod. XV. 13.) ook voor ons zult gij een veilige gids wezen. Zoovele kinderen der wereld leven in zonde, zonder aan u te denken, zonder tot u te gaan. Gij roept ze niet in de eenzaamheid, ons onwaardigen roept Gij, niet om onze verdiensten, want die hebben wij niet, maar alleen om uwe oneindige goedheid en liefde.

Verheugen wij ons dan, mijne geliefden, in God onzen Hei-

m

4|| fii i 1

? il

'Él feil

Él

•Uji : 'ail 1

; Mi :|

•ifHa 1

fills 1

■j.. jKjia

I

I wi : ^

; •l'::!

m

i

ml'

vil1 m

Ir

ocr page 14

land, loven en prijzen wij onzen Verlosser, chnken en beminnen wij Hem, want Hij wil ons naar de eenzaamheid geleiden en waartoe f — Welk doel heeft Hij daarmede? Hij zelf geeft ons het antwoord; „Ik wil daar tot uw hart sprekenquot;

II.

Nadat wij, B. G. overwogen hebben, wat het eerste deel mijner tekstwoorden voor ons beteekent, kan de zin van het tweede deel niet twijfelachtig zijn. In het eerste deel toont God ons zijne barmhartige liefde, ook in het tweede zal Hij zich niet verloochenen. — De Heer wil ons dus niet streng oordeelen, zooals wij maar al te zeer verdienen om onze zondige gedachten woorden en werken, om onze vele nalatiglie-den, waaraan wij ons in het geheim of in het openbaar hebben schuldig gemaakt; Hij schrijft niet, evenals voor koning Balthassar met zichtbare hand het „Mane, Thecel, Pharesquot; (Dan. V. 25.) op ons voorhoofd, d. i. geteld, gewogen, verdeeld; — neen Hij wil ons niet verooideelen, Hij wil zich over ons ontfermen, ons vergiffenis schenken, tot ons hart spreken evenals eene teederminnende moeder tot haar lijdend kind.

In welk een toestand onze ziel zich ook moge bevinden, Hij wil tot ons hart spreken in de dagen der heilige eenzaamheid. Hij wil tot ons hart spreken, ingeval wij in staat van doodzonde zijn. In weerwil van de goede voornemens, die wij zoo dikwijls gemaakt hebben, in weerwil van de goede voorbeelden, die ons den weg wezen, in weerwil van de H.H. Sacramenten en de ontelbare genaden, die ons ten dienste stonden, in weerwil van dat alles zijn wij ontrouw geworden, en evenwel wil God nog toonen, dat Hij de „bouwmeester is van het huis, waarin wij een afgod ten altaar verheven hebben,quot; (I Cor. III. 9,) dat Hij de „wijnberg geplant heelt, waarvan een ander de vruchten heeft geplukt;quot; (fer. II. 21.) Hij w'il ons tooren, hce diep wij gevallen zijn, en welke straffen wij te verwachten hebben, wanneer wij in onze zonde volharden. Zijn wij gestorven, en liggen wij nog als een lijk in huis, d. w. z. hebben wij alleen met het hart, maar nog niet met dadon gezondigd, zoo wil Hij ons evenals de gestorvene dochter van

ocr page 15

- Tl —

Jaïrus (Marc. V. 41.) bij de hand nemen en ons met de woorden: „Sta op!quot; in het leven terugroepen. Hebben wij met daden gezondigd, is alzoo openbaar geworden, wat inwendig verborgen was, heeft men ons reeds als lijk het huis uitgedragen, zoo wil Hij vol medelijden naderen en evenals tot den gestorven jongeling van Naïm ook tot ons roepen: „Ik zeg u, sta op!quot; (Luc. VII. 14.) En tot het leven wedergekeerd, zullen wij aan onze verheugde moeder, de H. Kerk, worden teruggeschonken. Zijn wij voortgegaan het kwaad te doen, zijn wij reeds eenigen tijd begraven, gaat er reeds een kwade reuk van ons uit door ons slecht voorbeell, dan zal Hij ons toeroepen: „Lazarus, kom te voorschijnquot; (Joës XI. 43.) F.n tot wie Hij gezegd heeft: „al wat gij op aarde zult ontbinden, zal ook in den hemel ontbonden zijnquot; (Matth. XVI. 19.) hun zal Hij dan bevelen: „ontbindt hem, en laat hem gaan!quot; (S.Aug. Serm. 44.)

Luisteren wij dan wel toe, wat de Heer lot ons hart zal spreken; Hij wil ons tot zich trekken, in ons uitroeien, hetgeen verkeerd is, planten hetgeen nuttig, besproeien hetgeen droog, verlichten hetgeen duister, verwarmen hetgeen koud is, opdat wij voortaan God loven en alles, wat in ons is. Zijnen H. Naam prijze. (Ps. CII. 1.)

Hij wil tot ons hart sprei en, ingeval icij ia/au zijn.

Bezitten wij niet meer onzen vroegeren ijver in het gebed, zijn wij, naarmate wij ouder werden, tegelijkertijd kouder geworden, begaan wij wel geene doodzonde, doch vreezen wij de dagelijksche zonden niet; zij wij geduldig alleen dan wanneer wij niets te verduren hebben, zachtmoedig, wanneer men ons niet tegenspreekt, ooi moedig, wanneer men ons eeit; zijn wij gehoorzaam alleen dan, wanneer men ons bevelen geeft, die naar onzen zin zijn, beminnen wij onze naasten alleen dan, wanneer zij ons vleien of ten minste geen verdriet aandoen; willen wij wel heilig worden, maar streven wij niet naar de deugden, waarin de heiligheid bestaat; wenschen wij die deugden wel te bezitten, maar gebrniken wij de middelen niet om ze te verkrijgen; overwinnen wij onze n.ituurlijke neigingen niet, vreezen wij den strijd, vluchten wij de moeite, deinzen wij teiug voor het geweld, waarmede wij het rijk der hemelen moeten veroveren, (Matth. Xf. 12.) zoo wilde barmhartige^

ocr page 16

12

God ons evenals in het Boek der Openbaring den bisschop Timotheus, nog bijtijds wijzen op die tering der ziel en in broederlijk vertrouwen tot ons zeggen: „Dit heb ik tegen u, dat gij nalatig geworden zijt in uwe eerste liefde.quot; (Apoc. II. 4. 5.) Doe derhalve boete, en keer terug tot uwen eersten ijver, dien gij vroeger getoond hebt; begin derhalve ingetogen te zijn zooals vroeger, en het onnoodige verkeer met de wereld zooveel mogelijk te vermijden; leg u wederom toe op de overweging en de geestelijke lezing, op het gewetensonderzoek en het bezoeken van het Allerheiligste; streef er wederom naar de plichten van uwen staat even getrouw te vervullen als vroeger, en uwe inwendige en uitwendige zinnen te versterven, opdat Ik soms niet genoodzaakt worde u de geschonken genaden te ontnemen, en ze aan anderen te geven, die ze beter dan gij zullen gebruiken en daarom op den dag der vergelding in uwe plaats de kroon der gerechtigheid zullen ontvangen.quot;

God wil tot ons hart spreken, ingeval wij vroom en god-vreezend zijn.

Hebben wij getrouw met de genade van God medegewerkt, zijn wij in de voetstappen der heiligen getreden, zijn wij in werkelijkheid, wat onze naam te kennen geeft; christenen, dat is; leerlingen van Christus, zoo wil God tot ons spreken zooals Hij gesproken heeft met Mozes en Josue, zooals Hij gesproken heeft met Paulus, den Apostel der heidenen, zooals Hij de kluizenaars in de woestijn heeft onderwezen, zooals Hij de martelaren heeft getroost; Hij wil zich in vertrouwelijke samenspraak met ons onderhouden en evenals aan den bisschop van Smyrna ook aan ons zijne tevredenheid betuigen. (Apoc. II 9.) Hij wil ons den vrede geven, die alle gevoel te boven gaat, (Pluip. IV. 7.) den inwendigen troost, de verlichting des geloofs, den grondslag der hoop, het vuur der liefde, het verlangen naar lijden, den ijver in de deugd, dat alles wil Hij ons geven, benevens zijn goddelijken zegen, opdat wij gelijk David van deugd tot deugd mogen opklimmen. (Ps. LXXXIII. 8.)

Den zondaar en den lauwen, alzoo den ouden mensch, met zijne booze werken helpen uittrekken en den nieuwe aantrekken, den vrome en ijverige met groote geestdrift bezielen, ziedaar in korte woorden bet doel, dat de liefdevolle God in de

ocr page 17

— 13 —

dagen der eenzaamheid met ons wil bereiken, dat is de be-teekenis der woorden: „ik zal u naar de eenzaamheid geleiden en tot uw hart spreken.quot;

Daar nu de goede God slechts ons geestelijk welzijn, ons hoogste geluk voor oogen heeft, daar Hij dit echter, zooals de II. Aug. ons leert, niet verzekeren zal zonder onze medewerking, wat hebben wij dan te doen, opdat God zijn doel in ons bereike?

Hij wil ons naar de eenzaamheid geleiden; wij moeten Hem dus bereidwillig volgen. In de eenzaamheid wil Hij tot ons hart spreken; wij moeten dus met vurig geloof en gespannen aandacht naar Hem luisteren; met vurig geloof, want naar gelang ons geloof grooter is, zullen ook zijne weldaden overvloediger zijn; met gespannen aandacht, opdat wij geen enkel van de woorden des levens, die uit zijn mond voortkomen, mogen verliezen.

Komen wij dan met een groot geloof, want dat is het geld, waarmede wij Gods genadegaven kunnen koopen. Luisteren wij dan met gespannen aandacht, dan zullen wij den Heer gemakkelijk verstaan. Hoe verder wij de vensters onzer gedachten openzetten, des te meer goddelijke lichtstralen zullen er tot onze ziel doordringen. (Cf. S. Chrys. in hom. sup. caec. nat.)

Ten slotte moeten wij hetgeen God tot ons spreekt, wel ter haite nemen en ons leven daarnaar inrichten. En als wij dit doen, B. G., als Jesus onze leidsman, onze weg, ons doel is, dan zal de hel voor ons vreezen, dan zal de hemel zich over ons verheugen, dan zal de H. Kerk zich zelve en ons geluk wenschen; dan zal na de dagen der heilige afzondering, de oude, lauwe en zwakke Adam niet meer leven, dan zullen wij uit de eenzaamheid terugkeeren als dappere strijders tegen het rijk der hel, als ijveraars voor de eer van God, als navolgers der heiligen, als voorbeeld der geloovigen, gereinigd van de melaatschheid der zonde, gewapend met krachtige besluiten, verrijkt met een schat van genaden.

Laten wij dan in deze vrome hoop de geestelijke afzondering beginnen en met den koninklijken profeet bidden: „ik prijs u, o Heer, daar Gij zoo goed zijt mij uwe voorschriften te leeren 1 Zie, hier ben ik; ik kom om uwen wil te volbrengen. (Ps. XXXIX, 8.) Laat nederdalen, o Heer, de dauw uwer woorden.

ocr page 18

— 14 —

uw dienaar is van verlangen bezield ze te hooren. Spreek, Heer, uw dienaar luistert. (I Reg. Ill, io.) Uwe geboden wil ik overwegen en letten op uwe wegen. (Ps. CXVIII, 15 ) Verleen mij daartoe uw krachtigen bijstand, opdat ik, wat ik hoor, moge aannemen, wat ik aanneem, moge beminnen, wat ik bemin, moge willen, en wat ik wil, ook ijverig moge volbrengen ! Amen.

ESHSTE DAG.

EERSTE OVERWEGING.

Over de bestemming van den mensch.

„Deum time et mandata ejus observa; hoe est enim omnis homo.quot;

„Vrees God en onderhoud zijne geboden; dit toch is de geheele mensch.quot;

(Eccles. XII. 13.)

T~^.en verstandig mensch zal bij alles, wat zijne aandacht gaande maakt, zich zeiven afvragen: waartoe zou dat moeten dienen, wat is het doel, dat de maker gehad heeft bij het vervaardigen daarvan? en hij zal niet rusten, voordat hij het antwoord op deze vraag vernomen heeft. Doch waar het het voornaamste wezen der geheele schepping betreft, wordt deze vraag zoo weinig gedaan. Zoo zelden vraagt men zich af; waartoe is de mensch op de wereld, welk is het doel, dat God gehad heeft bij de schepping van den mensch f In onze kinderjaren in den katechismus is ons deze vraag wel gedaan, doch het antwoord daarop hebben wij werktuigelijk uitgesproken; als onbedachtzame kinderen hebben wij het antwoord slechts oppervlakkig overwogen en er later zoo weinig meer aan gedacht. De mensch is geschapen om in dit leven God te dienen, om Hem zoodoende hiernamaals eeuwig te aanschouwen. Deze waarheid, deze bestemming is ons door God zeiven aangewezen, want de H. Geest zegt: „vrees God en onderhoud zijne geboden; dit toch is de geheele mensch.quot;

Dus niet in het najagen van wereldsche eer of grootheid, niet in het genieten van wereldsche of zinnelijke vermaken, niet in het verwerven van wetenschappen of rijkdommen, in

ocr page 19

niets van dat alks is de bestemming van den men^ch te zoeken, maar alleen in God te dienen en zijne geboden te onderhouden ; daarin alleen is zijne bestemming en bijgevolg ook zijn waar geluk te vinden, dat alleen is de menscb, ja de geheele mensch. Van de waarheid dezer woorden was de vrome Thomas ^ Kempis zoo doordrongen, dat hij uitriep: „alles is ijdelheid, behalve God te beminnen en Hem alleen te dienen.quot; (Navolging van Christus B. I. Hdst. I. 3). O, mochten ook wij evenzoo onze bestemming begrijpen; mochten ook wij even diep ervan doordrongen zijn, dat aïles wat de aarde ons aanbiedt, ons niet gelukkig kan maken, dat ons hart in God alleen zijn rust kan vinden, omdat het voor God alken geschapen is. (S. Aug.)

Maar helaas 1 hoezeer zijn wij gehecht aan het aardsche! de liefde voor het vergankelijke heeft ons hart zoozeer vervuld, dat er weinig of geen plaats meer is voor God. En wat is het gevolg daarvan? Dat wij God weinig vreezen, zijne geboden slecht onderhonden en daardoor gevaar loopen onze bestemming niet te bereiken. Om dan dit gevaar te ontkomen, zullen wij trachten ons te overtuigen van de waarheid der woorden: „alles is ijdelheid, behalve God te dienen en Hem alleen te dienen. Op de iste plaats zullen wij overwegen : dat niets van al het aardsche ons tevreden kan stellen, op de 2de plaats: dat God alleen dit kan.

Erkennen wij, dat niets van al het aardsche ons tevreden kan stellen, dan zullen wij van zelf inzien, dat wij niet voor deze wereld bestemd zijn, dat wij alles, wat zij ons kan aanbieden, als ijdelheid moeten verachten. Erkennen wij, dat alleen God ons tevreden kan stellen, dan zullen wij vanzelf inzien, dat wij voor een verheven doel, voor God bestemd zijn dat wij derhalve, om dat doel te bereiken. Hem alleen dienen, Hem alleen beminnen moeten.

Beginnen wij deze overweging dan met de verzuchting van den koninklijken profeet: „ik ben de uwe, o Heer, maak mij zalig 1quot; (Ps. CXVIII, 94,)

I.

„Niels van al het aardsche kan ons tevreden stellen.quot;

Reeds de eerste blik, dien ik op een mensch werp, leert mij,

ocr page 20

— i6 —

dat hij het eerste, het voornaamste van alle schepselen is, die wij aanschouwen. Zijne rechte gestalte, zijn edel gelaat, zijne oogen vol uitdrukking, die wondervolle beweeglijkheid zijner gelaatstrekken, zijn open voorhoofd, zijns geheele houding getuigt van eene waardigheid hem alleen eigen, Knoop ik een gesprek met hem aan, dan bemerk ik aanstonds, dat hij niet uit een lichaam alleen bestaat, maar dat hij ook eene ziel heeft, en dat het lichaam slechts het omhulsel, het verblijf is van een geest, die drie hoofdvermogens bezit: verstand, vrijen wil en hart. En vraag ik hem dan, of hij, alle geluk in zich zeiven alleen vindt, dan zal hij beslist antwoorden, „neen, er is veel, dat mij ontbreekt, ik gevoel onbevredigde begeerten, aandrang naar hetgeen buiten mij ligt.quot; En zoo is het, doch de mensch, die het geluk niet in zich zeiven vindt, zal misschien tevreden gesteld worden door hetgeen de wereld hem kan aanbieden ?

Wij zullen zier.

i». Het verstand van den mensch wil kennen, streeft naar wijsheid, naar wetenschap en de mensch vindt daarin roem en eer. Maar vindt hij ook rust en geluk f Laat hij zich 30, 50, 6d jaren lang inspannen, om de verschillende oorzaken na hunne gevolgen op te sporen, laat hij alle delfstoffen cn steensoorten kennen en waar zij gevonden worden, laat hij al de namen der planten en hunne samenstelling kennen, al de dieren van het kleinste insect tot den grootsten viervoeter, waar zij wonen en waarvan zij leven, laat hij het geheele zonnestelsel kennen en de banen, die de sterren doorloopen, laat hij weten het oogenblik, waarop zons- en maansverduisteringen beginnen, laat hij kennen al de landen en steden, al de zeeën en rivieren, de hoogte der bergen en heuvelen, al de volkeren en hunne geschiedenis, al de talen, die er op aarde gesproken worden, al de wetten der natuur, laat hij met bewonderenswaardige vaardigheid alle soorten van raadselschrift oplossen, zal dar ten slotte zijn dorst naar wetenschap voldaan zijn? Ach, hoe meer hij weet, des te meer zal hij vergeten en ondervinden, dat hij ontelbare dingen niet weet, hij zal moeten verzuchten: „nu weet ik, dat ik niets weet 1quot;

Laten wij het geval aannemen dat hij in de letterkunde geprezen wordt als de grootste dichter, als de diepste denker,

ocr page 21

— 17 —

als de scherpzinnigste opmerker; laat hij de gunst verwerven van koningen en rijksgrooten, laat hij den hoogsten top van menschelijken roem bestijgen; hij zal zich gevleid en benijd gevoelen, doch zal hij waarlijk gelukkig zijn? Geloof het niet. Eene hofdame, die bij koning Lodewijk XIV van Frankrijk in hooge gunst stond, en om hare edele hoedanigheden door iedereen geeerd en geacht was, verklaarde zelf aan één harer vriendinnen: „ik kan u verzekeren, dat ik, hoewel alles bezittende wat het leven gelukkig kan maken, toch in mij zelve eene groote leegte gevoel.quot; Vrij mogen wij dan onzen geest verrijken met alle wijsheid en wetenschap, vrij mogen wij dan den lof van alle menschen inoogsten, en daarna, zooals men zegt, op onze lauweren gaan rusten, dat alles zal ons niet tevreden stellen, want daarin ligt onze bestemming niet, dat alles is ijdelheid. Zelfs koning Salomon moest dit erkennen: Eccles. I. 16. „Zie, zoo sprak hij, ik ben groot geworden, en allen die voor mij geweest zijn, heb ik in wijsheid overtroffen, en mijn verstand heeft veel met wijsheid overwogen en geleerd, maar ik heb bevonden, dat daarin moeite en kwelling des geestes gelegen is.

20 De vrije wil van den mensch is het vermogen om datgene, wat hij voor goed en waar houdt, te beminnen zonder drang van binnen en zonder dwang van buiten. Na den zondeval van Adam is de vrije wil verzwakt door de eigenliefde, traagheid en begeerlijkheid. Aangetrokken door het verblindende schijnschoon der wereld streeft hij naar rijkdom, heerschappij en macht, en denkt daarin zijn geluk en zijne rust te vinden. Maar vindt hij daar, wat hij zoekt? De weg naar den rijkdom, hoe is hij overal bezaaid met doornen! Welke moeite geeft de hebzuchtige mensch zich niet om geld en goederen te verzamelen 1 Welk eene inspanning in werkplaatsen, winkels en kantoren, te water en te land, in steden en dorpen! Als er iets te verdienen is, is geene inspanning te groot, geen offer te zwaar. Hoevele slapelooze nachten en rustelooze dagen, totdat men het verlangde verkregen heeft! En als hij dan ten slotte zijne beurzen met goud heeft gevuld, zijne bezittingen heeft uitgebreid en zijne inkomsten heeft vermeerderd, is hij dan ook tevreden ? Hoe zou dit kunnen, daar vrees, kommer en zorgen den rijkdom onafscheidelijk verge-

NIEUWE HANDLEIDING. a

ocr page 22

— i8 —

zeilen. Een gierigaard bij zijne schatten is gelijk aan een hond, die aan zijn hok is vastgeketend. Wat zijn die schatten voor hem? De band, die hem bindt en hem zijne vrijheid ontnomen heeft. Hij moge honger, dorst of koude gevoelen, hij ziet er tegen op die ongemakken te verdrijven ten koste van eenig geld, vant altijd zal hij nog meer bij elkaar willen schrapen.

Maar al moge hij zich niet aan deze verachtelijke ondeugd overgeven, al moge hij een ruim gebruik maken van zijne schatten, het blijft toch waar, dat rijkdommen den mensch niet gelukkig kunnen maken, want met moeite verkregen, worden zij met vrees en angst bewaard, en met smart verloren.

Maar zal hij, die na veel moeite en opoffering tot heerschappij en macht gekomen is, gelukkiger zijn ? O neen 1 Heeft hij macht over een huis, hij zal een dorp willen hebben, heeft hij een dorp, hij zal zijne heerschappij willen uitstrekken over een stad, daarna over een provincie, ten laatste zal een koninkrijk hem niet groot genoeg zijn, maar zal hij een werelddeel aan zich willen onderwerpen, en als hij zoover is, zal hij nog evenals Alexander de Groote weenen, bij de gedachte, dat er nog landen zijn, waar zijn gezag niet gevestigd is. En al zat hij op een hoogen troon van goud, staat die troon dan onbewegelijk als marmer, kan hij niet ineenstorten? Waar blijft dan de schitterende glans zijner kroon? Wat blijft er dan over van al die loftuitingen en vleierijen, die hij in de dagen zijner grootheid overal vernam? Alles is dan voorbij. Dan staat hij daar van alles ontbloot evenals een boom door den storm ontbladerd. Waar zijn dan de schijn-vrienden, de gezellen zijner drinkgelagen en prachtige maaltijden? Dat alles was een droom in den nacht en is door den aangebroken dag verdreven; het waren voorjaarsbloemen, uia verwelkten toen de zomerhitte kwam; eene schaduw was het, die voorbiiüing, een zeepbel, die uiteenspatte, een spinneweb, dat vaneen gereten werd. Doch hij moge troon en kroon zonder vrees bezitten, hij moge voor geene vijanden vreezen, dat kan toch i i t altijd duren, de dood al toch eenmaal den scepter aan zijne hand ontwringen. Ook het bezit derhalve van alles, wat den mensch groot en begeerlijk toeschijut, kan hem het ware geluk niet schenken. Ook daarin ligt zijne bestemming

ocr page 23

niet, dat alles is ijdelheid. Het hart zal misschien den mensch kunnen bevredigen? Wij zullen zien.

3° Het hart is de zetel der wenschen en neigingen, der deugden en hartstochten. Het is maar een klein ding, ternauwernood genoeg om den honger van een roofvogel te stillen, en nochtans zijne verlangens zijn zoo groot, dat de geheele schepping die niet kunnen voldoen; gemakkelijker toch zal men de haren van het hoofd tellen, dan de begeerten van het hart. (S. Aug.) Of zijn het misschien de zinnelijke lusten, die het hart, dat van jongs af tot het kwade geneigd is, kunnen verzadigen? (Gen. VI. 5,) Laat de mensch gelijk de redelooze dieren aan de lage driften der natuur toegeven zoo dikwijls hij wil, laat hij zich gelijk de zwijnen wentelen in het slijk der onzuiverheid, nooit zal het hart zeggen; „het is genoeg.quot; Moge ook het verstand hem wijzen op het vernederende, het verachtelijke van zulke verlangens, het hart zal toch immer blijven verlangen, en niet tevreden zijn, zoolang er nog iets te wenschen is. — Is het dan misschien de vriendschap, die het hart voldoen kan? — Mijne gelaatstrekken, mijn spraak, mijne manieren, mijne gaven van geest en hart zullen iemand bevallen; hij acht mij, hij prijst mij, hij bemint, ja, hij bewondert mij; hij kan mij niet genoeg zien, niet genoeg hooren, niet genoeg spreken, men zou zeggen, dat hij mijne onafscheidelijke vriend is. Doch hoe lang zal dat duren? Niets is wisselvalliger dan zulke vriendschap. Steekt een bosje stroo in brand, oogenblikkelijk hebt gij een groote vlam, maar ook spoedig is alles tot asch verteerd: zoo gaat het ook met de vriendschap der wereld. Vandaag kent men mij, morgen wil men niets van mij weten; vandaag betoont men mij liefde, morgen koelheid en onverschilligheid; vandaag ben ik gezocht, morgen verlaten. Ook de vriendschap der wereld kan dus ons hart niet voldoen. — Gelijk de bloemen, waarvan wij een ruiker maken, reeds beginnen te verwelken, zoodra zij afgesneden zijn, zoo vergaan ook alle genoegens, die wij op de wereld buiten God genieten; onder het genot zeiven nemen zij af en verdwijnen. — Kunnen wij dan den honger en dorst van ons onverzadelijk hart stillen met fijne spijzen en dranken ?

Als wij het beproeven zal het met ons gaan evenals met dien man, die een schoon vermogen verkwist had en daarna

ocr page 24

— 20

uitriep; „ik heb reeds voor 20.000 gulden wijn gedronken en nog heb ik dorst!quot; — Zal dan het hart zijn geluk vinden in andere aardsche goederen? Men hoopt het, ja, doch men komt bedrogen uit, want men vindt daarin niets anders dan kwellende zorg en voortdurende marteling. Zij zijn gelijk aan een gouden beker, wiens rand met honig bestreken is, doch wiens inhoud een bittere drank is. Zij zijn wat het water is voor een koortslijder. Zij schijnen den dorst geheel te kunnen les-schen, maar zij verwekken hem nog heviger. Hoe meer wij uit de bedorven bronnen dezer wereld drinken, des te meer onrust en kwelling zullen wij ondervinden. Wanneer de gos-deren der wereld den mensch konden bevredigen, dan zouden de rijken, de grooten, de koningen volkomen gelukkig zijn; de dagelijksche ondervinding echter leeirt ons het tegendeel. (S. Alph.) Vragen wij het eens aan Salomon, den man, die alles wat de aarde aanbiedt, overvloedig genoten had, of hij daarbij gelukkig was, en zijn antwoord luidt: ,,Ik zeide tot mij zeiven; Eccles. II ,,ik zal gaan, mij met wellust verzadigen en

al het goede genieten; doch ik zag, dat het ijdelheid was......

Ik ondernam groote werken; ik bouwde huizen, en plantte wijnbergen, legde lusthoven aan, waarin ik alle boomsoorten plaatste, ik maakte vijvers om de boomen te besproeien. Ik had dienstknechten en dienstmaagden, ik had ook vee en groote kudden van schapen, meer dan allen, die mij in Jeruzalem waren voorgegaan; ook had ik veel goud en zilver verzameld, schatten van koningen en landen; ook zangers en zangeressen, het vermaak der menschen-kinderen, bekers en vaatwerk om wijn te schenken en al mijne voorgangers in Jerusalem heb ik overtroffen; ook de wijsheid bleef bij mij. Ook heb ik aan mijne oogen alles vergund, wat zij verlangden, aan mijn hart alle wellust toegestaan. En ik moet erkennen, dat in dat alles ijdelheid is en kwelling des geestes.quot;

Zoo luidt de bekentenis van den wijsten aller koningen, zoo oordeelt Salomon niet in één hoofdstuk, maar in het geheele boek van den Prediker.

Alle tijdelijke zaken zijn niet in staat het verstand, den wil en het hart van den mensch te bevredigen, dewijl zij onvolmaakt en onbestendig zijn. En dat oordeel zal door eenieder gedeeld worden, die zoo verstandig is om alles te beschouwen,

ocr page 25

zooals het in werkelijkheid, niet zooals het in de verbeelding is. In de dagen van gezondheid schijnt alles ons toe bestraald met een schoon licht, en dan worden wij zoo gemakkelijk verleid, daarin behagen te vinden; wanneer wij echter op onze stervenssponde liggen uitgestrekt en de kaars ons in de hand gegeven wordt, dan, bij dat matte licht, zal alles ons geheel anders voorkomen, dan is die verleidelijke en verblindende glans verdwenen. De stervende paus Honorius verzuchtte: „Het ware voor mij beter geweest, dat ik in de keuken van mijn klooster gebleven was om de schotels te reinigen.quot; Evenzoo sprak paus Leo XI op zijn sterfbed: „Het ware voor mij beter geweest portier in mijn klooster gebleven te zijn.quot; Toen Filips II, koning van Spanje, zijn einde voelde naderen, riep hij zijn zoon bij zich, verwijderde het koninklijk kleed, toonde hem zijn borst door het ongedierte aangetast, en sprak: „aanschouw, prins, hoe men sterft en hoe de grootheid der wereld vergaat.quot; En die zoon, koning Filips III op 43 jarigen leeftijd stervende, riep uit: „o ware ik toch nooit koning geweest, had ik mijn leven doorgebracht in de woestijn, alleen bezig met den dienst van God! Dan zou ik met grooter gerustheid voor Gods rechterstoel verschijnen en niet zoo groot gevaar loopen, veroordeeld te worden!quot; (S. Alph.)

Zoo is het dan onfeilbaar waar, dat niets ter wereld ons bevredigen kan, noch wijsheid, noch eer en roem, noch rijk-döm, noch grootheid en macht, noch zinnelijk genot, noch wereldsche vermaken. Al verkrijgen, bezitten en genieten wij alles, altijd blijft er in ons eene leegte, die door niets van al het aardsche kan worden aangevuld. — Wat volgt nu daaruit? Daaruit volgen voor ons deze gewichtige waarheden:

i0 als niets van het aardsche ons gelukkig kan maken, dan zijn wij ook niet voor deze zichtbare wereld bestemd, maar voor eene hoogere. Zijn wij bestemd voor eene hoogere wereld, dan moeten wij ook met alle krachten daarnaar streven. Dit is de hoofdzaak, al het andere is maar bijzaak. „Quae sursum sunt, quaerite, non quae super terram,quot; d. i. streeft niet naar hit aardsche, doch naar het bovenaardsche. (Col. III. 2.)

20 als niets van het aardsche ons gelukkig kan maken, dan zijn wij dwaas, daarin ons geluk te zoeken, dewijl wij het niet zullen vinden. „IJdelheid derhalve is het, vergankelijke rijk-

ocr page 26

— 22

„dommen te zoeken en daarop te hopen. IJdelheid is het, „naar eerambten te streven. IJdelheid is het, de vleeschelijke „lusten in te volgen en datgene te begeeren, waarvoor men „zwaar gestraft moet worden. IJdelheid is het, een lang leven „te wenschen en zich om een goed leven weinig te bekom-„meren. IJdelheid is het, zijne zinnen alleen op het tegenwoor-„dige leven le zetten en niet van te voren te zorgen voor het „toekomstige. IJdelheid is het, te beminnen wat snel voorbij-„gaat, en niet daarheen te snellen, waar de vreugde eeuwig „blijft.quot; Aan deze woorden van den vromen Thomas a Kempis kunnen wij nog toevoegen; IJdelheid is het ook, wanneer wij aan sommige kleinigheden in kleeding, spijs of drank, of aan sommige personen gehecht zijn, wanneer wij in onze bezigheden onze eer, niet de eer van God zoeken. In één woord : ijdelheid is alles, wat niet dient tot onze bestemming.

Laten wij nu, van deze waarheid doordrongen, in ons zeiven treden, en zonder te letten op de inblazingen van onze eigenliefde een nauwkeurig onderzoek instellen; laten wij voor den rechterstoel van ons geweten onpartijdig de beweegreden en bedoelingen van onze denk- en handelwijze ontleden, laten wij dan vonnissen en veroordeelen, wat verkeerd, verbeteren wat gebrekkig en voor altijd bevestigen wat goed is! Amen!

TWEEDE OVERWEGING.

Over de bestemming van den menscü.

f Voortzetting.)

„Deum time et mandata ejus observa; hoe est enim omnis homo.quot;

„Vrees God en onderhoud zijne geboden; dit toch is de geheele menseh.quot;

(Eeeles. xii. 13.)

/^al een of ander goed volkomen beantwoorden aan de behoeften der menschen en aan hun ingeschapen aandrang tot geluk, clan moet het zeker, waar, volmaakt en bestendig zijn; mist het één van deze 4 eigenschappen, dan kan het den mensch niet gelukkig maken. Een goed moge nog zoo groot en schoon zijn, is het bezit ervan niet zeker, of hebt gij er het genot niet van, dan kan het u niet gelukkig maken, even-

ocr page 27

min als gij verwarmt wordt door het kleed, wat een ander draagt; hoe vuriger het verlangen is naar een zeker goed, des te grooter is oo'.i de smart, die men gevoelt, evenals een hongerig dier, da,t een stuk vleeïch ziende hangen, telkens daarnaar springt zonder het te kunnen bereiken. Geniet gij een goed, dat eigenlijk geen waar goed is, dan kan het u ook niet gelukkig maken. Wie toch zal een krankzinnige gelukkig noemen, omdat hij zich verbeeldt een groot koning te zijn, over land en volk te heerschen, en aan een welvoorziene tafel gezeten te zijn, terwijl hij ternauwernood voedsel genoeg heeft, om zijn leven te onderhouden. Zoo iemand is veeleer te beklagen en verdient ons medelijden. Het goed moet ook volmaakt zijn. Ontbreekt tl slechts éüne zaak, zoo zijt gij niet gelukkig. Vraag eens aan een hongerigen bedelaar, die achter u een schitterende schouwburg binnengeslopen is, of hij zich gelukkig gevoelt bij het aanschouwen van al die pracht, van het spel, van alles wat oog en oor verrukt? Hij zal u antwoorden: „dat alles is wel schoon, maar het vult den maag niet.quot; Eindelijk, het moet een duurzaam, een bestendig goed zijn. Hoe grooter de vreugde en het genot is, des te meer is men bekommerd bij het vooruitzicht van het einde, ja het genot zelf wordt veel verminderd bij de gedachte; het zal weldra gedaan zijn. — Geen enkel der aardsche goederen nu heeft deze 4 eigenschappen, integendeel zijn zij allen meer of minder onzeker, meer of minder bedriegelijk, meer of minder onvolmaakt, meer of minder onbestendig, bijgevolg kan geen enkel ons bevredigen, tiet is dan ook duidelijk, dat wij in alles, wat de wereld ons kan aanbieden, ons geluk niet kunnen vinden, evenmin als de kinderen den regenboog bereiken, wanneer zij buiten adem geloopen, bij den boom aankomen, waar zij meenden hem met de hand te kunnen grijpen. Doen wij derhalve niet geüjk die kinderen, maar zoeken wij een boven-aardsch goed, waarin geen schijn, maar volle waarheid is, waarin alles zeker en bestendig is, waarin geen ouderdom, geen vergankelijkheid, geen dood is, een goed, dat altijd bloeit, niet vermindert, niet vergaat, zoeken wij God, want Godal/wn kan ons bevredigen.

O hoogste goed. Gij, door wien wij zijn, wat wij niet waren, door wien wij zullen worden, wat wij nog niet zijn. (Hilar tr.

ocr page 28

— 24 —

in ps. CXXXV, 15.) geef, dat wij u mogen kennen en door uwe kennis tot uwe liefde mogen komen, opdat wij u beminnen, u eenmaal eeuwig mogen bezitten en u bézittend u zonder einde mogen genieten. (St. Aug.)

II.

God alleen bevredigt ons, en wel a. ons verstand, b. onzen wil, c. ons hart.

a. God bevredigt ons verstand, want Hij is alles, wat het verstand als het hoogste erkent.

i0 Hij is het hoogste goed. Om ons hiervan te doordringen, herinneren wij ons hoe wij op de vraag: „wat is God?quot; hebben leeren antwoorden: God is een zuivere geest, Hij heeft geen lichaam en bestaat niet uit deelen of ledematen. „God is een geestquot; (Joës. IV. 24.) zegt het H. Evangelie, en „een geest heeft geen vleesch en beenderen.quot; (Luc. XXIV. 39.) Ook de engelen zijn zuivere geesten, ook zij hebben geen lichaam, doch behalve het verschil, dat er reeds tusschen het schepsel en den schepper bestaat, bestaat er nog een groot onderscheid tusschen de onstoffelijkheid der engelen en die van God. Is er bij de engelen onderscheid tusschen hun wezen en hun bestaan, bij den goddelijken geest zijn wezen en bestaan één. Is er bij de engelen onderscheid tusschen hun wezen en hunne vermogens, bij God niet. Zijn bij de engelen vermogen en handeling onderscheiden, bij God niet. De goddelijke geest derhalve, die overal en in alles is, is geheel gehoor, geheel gezicht, geheel werking.

Aan dat goddelijk wezen worden dikwerf menschelijke handelingen en ledematen toegeschreven, zoodat wij de kracht, waarmee God ziet, oogen, de kracht, waarmede Hij hoort, ooren, de kracht, waarmede Hij werkt, handen noemen, doch dit is zinnebeeldig te verstaan, want Gods kracht is in zich één en onverdeeld. Als wij nu de engelen reeds bewonderen om hunne volmaaktheden, hoe hoog moet dan onze bewondering stijgen bij het overdenken, dat zij nog oneindig ver overtroffen worden door den Geest der geesten, die alle grenzen van tijd en natuur te boven gaat. De H. Catharina van Siena riep dan ook in vervoering uit:

ocr page 29

„Gij, o God, zijt het goed, dat alle goed te boven gaat. Gij zijt het gelukzalige goed, het onbegrijpelijke, het onschatbare goed!quot; De H. Gregorius van Nyssa noemt God „het onuitsprekelijke goed, dat ons verstand niet bereiken kan. De H. Bernardus zegt dat men geen beter goed kan uitdenken dan Gcd, want al het andere goed is slechts van Hem afkomstig. Daarmede is echter nog n:et alles gezegd, want zooals de H. Schrift ons leert: de Heer is ook

2° een God van weienschappen en alles ligt open voor Zijn alziend oog. Van alle eeuwigheid kent Hij zich zeiven. „Ook is er geen schepsel dat: voor zijn aangezicht verborgen is.quot; (Hebr. IV. 13.) Hij is het eeuwige licht, dat alle duisternissen verdrijft en alles doordringt; daar Hij overal tegenwoordig is met zijn wezen, kan er niets aan zijn oog ontgaan; daar bij Hem geen opeenvolging van tijd is, is er voor Hem geen verleden, dat Hij zou kunnen vergeten, en ziet Hij het toekomstige evenals het tegenwoordige

Wat kan dan halen bij de wijsheid van den Alwijze, die alle wetenschappen bezit, alle schuilhoeken des harten doorziet, wiens wijsheid zich uitstrekt van het eene einde der wereld tot het andere, ja, nog oneindig ver daarbuiten; bij de beschouwing dier wijsheid, die alles zoo liefdevol regelt, roept de Apostel in verwondering uit; (Rom. XI. 33.) „o diepte der rijkdommen van Gods wijsheid en wetenschap 1 Hoe onbegrijpelijk zijn Zijne oordeelen, hoe onnaspeurbaar Zijne wegen 1 Wie heeft den zin des Heeren gekend, of wie is Zijn raadsman geweest?quot; „Waarlijk groot is de wijsheid des Heeren.quot; (Eccl. XV. 19.) Beschouwen wij Gods werken. Hoe kunstvol is niet de grashalm, de bloem, de korenaar! Hoe doelmatig zijn niet de lichamen ook der kleinste diertjes samengesteld, om het leven te behouden en te verdedigen tegen hunne vijanden 1 Welk een kunstwerk is niet elk deel van het men-schelijk lichaam ! Hoe wonderbaar openbaart zich niet Gods wijsheid en kennis in het besturen der wereld 1 Kortom: hemel en aarde verkondigen met evenveel tongen, als er schepselen zijn, Gods oneindige wijsheid, die geene grenzen kent! (Ps. CXLVI. 5.)

Wat ons verstand als het hoogste, het volmaaktste kan be-deijken, is God; wat ons verstand verlangt te weten, dat vindt

ocr page 30

het op oneindige wijze in God. Verlangt gij een onstoffelijk goed, gij vindt het in God, den zuiversten der geesten. Dorst gij naar wijsheid en wetenschap, God is de oneindige wijsheid zelve.

Hoe bedriegelijk is somwijlen de aardsche wetenschap. Op een lossen grond van onderstellingen wordt soms een wankelbaar gebouw opgetrokken; aan hoevele dwalingen is men blootgesteld bij het verkrijgen van kennis.

Zou zulke wetenschap clan het verstand van den mensch kunnen voldoen, dat slechts rust kan vinden op een onwrikbaar vasten grondslag, op God, want Hij is

3° de waarheil. Waarheid in Zijn wezen, waarheid in Zijne werken, waarheid in Zijne beloften, waarheid in Zijne bedreigingen, waarheid altijd en overal. Wat kan hierbij de aardsche wetenschap halen, die ons wel eenige oogenblikken aangenaam kan bezig houden, zonder ons nochtans te verzadigen. De weg van den reiziger wordt wel veraangenaamd, als hij hier en daar een schoonen bloementuin mag aanschouwen, maai hij gaat voorbij, het doel van zijn tocht ligt verder. Zoo kan ook ons verstand geen ware rust vinden in die vergankelijke bloemen van de wetenschappen dezer wereld. „Het hooi verdort, de bloem valt af, zegt de profeet Isaias, maar het woord des Heeren blijft eeuwig.quot; (XL. 8.) Wat, o mijn God, kan dan ons verstand bevredigen buiten U, die de eeuwige Waarheid zijt! Dringt slechts een enkele lichtstraal van uw goddelijk wezen door tot mijne ziel, dan ben ik reeds verheugd, dan gevoel ik mij zalig en mijn verstand rust vol vreugde in U 1 Welk een geluk is het reeds voor den mensch U door een spiegel in een raadsel te mogen zien, en de handen vouwend op de knieën te vallen om u te aanbidden en te verheerlijken! (I Cor. XIII. 12.) Hoezeer gevoelen wij nu de waarheid der woorden, die Christus sprak in zijn hoogepriesterlijk gebed; „U, den alleen waren God en Zijn Afgezant, Jesus Christivs, te kennen, dat ;s het eeuwige leven.quot; (Joës. XVII. 3.) — Dewijl nu God alleen mijn verstand kan bevredigen, zoo kan mijne bestemming hier op narde ook geen andere zijn dan Hem te kennen. Hem te beminnen cn te dienen! — Ben i'; li iertoe alleen op deze wereld, hoezeer moeten dan al mijne krachten daarheen gericht zijn, met welk een ijver moet ik

ocr page 31

— 27

dan alle middelen gebruiken om die bestemming te bereiken. Hoe moeten al mijne gedachten zijn ingespannen om God steeds beter te leeren kennen; hoe moet ik bij mijne gebeden dikwijls om licht boven vragen, dikwijls verzuchten om de ware wijsheid. Hoe moeten al mijne gesprekken erop ingericht zijn om steeds dieper door te dringen in de kennis van God! En vooral, hoezeer moet mijn leven in overeenstemming zijn met die kennis, en dit te meer, wijl wij hierin geene teleurstelling te vreezen hebben; God immers bevredigt ook onzen wil.

b. God bevredigt onzen wil, want alles wat onzen wil het sterkste bekoort, het is in God te vinden.

Verlangen wij macht? Allen, Christenen en Joden, ja zelfs de heidenen en afgodendienaars, zij zullen éénparig bekennen dat God almachtig is. Zij mogen Christus loochenen, den al-machtigen God kunnen zij niet loochenen. (S. Aug.) De duivel zelf, de vader der leugentaal, moet getuigenis afleggen van Gods almacht. God kan alles, bij Hem is, zooals het evangelie zegt, niets onmogelijk, er de gekroonde profeet spreekt: „Onze God is in den hemel. Hij maakte alles, wat Hij wilde.quot; (Ps, CXIII. ii.) „Hij sprak, en het was, Hij beval, en het was geschapen.quot; (Ps. CXLVIII. 5.) Hij sprak slechts: het worde, cn alles was gemaakt, zonder dat er te voren iets bestond. En nu alles is, gehoorzaamt het aan Zijn wil. Of wie kan aan de kracht van zijn arm weerstand bieden ? Wat is de aarde voor Gods almacht? ,,Een stofje in de weeg.ichaal, een druppel morgendauw, die ter aarde \alt.quot; (Sap. XL 22.) Hij spreekt en de aarde schudt op hare grondslagen. Hij zegt tot de zon: ,,ga op,quot; en zij gaat op en doorloopt hare baan; maan en sterren verschijnen en verdwijnen op zijn bevel.

Aanschouw den regenboog en prijs den Maker, de handen des Heeren hebben hem gespannen. Als Hij beveelt, doorklieft de bliksem h3t luchtruim, spreekt Hij, vol eerbied zwijgt de wind, als Hij wil, bedaart de onstuimige zee. (Eccli. XL1II.) Waarlijk de Heer is geducht, en bovenmate groot, en wonderbaar is Zijne macht! De geheele schepping, het instandhouden en besturen van alles, wat Hij gemaakt heeft, is een schitterend bewijs zijner macht en heerschappij. Wenschen wij dan macht ? Welnu, God is de almacht.

Verhngen wij rijkdom? Wij zijn arm en behoeftig; God

iü

! j

M

1; ,i!

tl?

ocr page 32

— 28 —

echter is rijk, Hij heeft overvloed, en niets ontbreekt Hem. Wie toch kan rijker zijn dan Hij, door Wien alle rijkdommen zijn gemaakt. Van Hem zijn alle goederen der natuur. Van Hem is de dag en de nacht, de tijd en de eeuwigheid; van Hem is het zilver en het goud; (Agg. 11. 9) van Hem is het wild •in de bosschen, het vee op de bergen; aFde vogelen des hemels kent Hij als zijn eigendom, en het veld ontvangt van Hem zijne schoonheid. (Ps. XLIX. 10—12.) Van Hem zijn onze oogen, onze ooren, onze tong, onze handen en voeten, onze krachten, onze gezondheid, ons leven, ons verstand en vrije wil, kortom alles wat wij aanschouwen, wat wij bezitten, het is alles van God.

Van Hem zijn ook alle goederen der genade. De weinige deugden, die wij zeiven bezitten, zij zijn van Hem, de heldhaftige deugden, die wij in de heiligen bewonderen, de werken van versterving, waardoor zij den hemel hebben veroverd, het was alles van God. Zoekt gij echter naar het eigendom van den mensch, dan vindt gij de zonde. Neem de zonde weg, en wat er dan nog van den mensch overblijft, behoort aan God. (S. Aug.)

Van Hem zijn ook alle goederen der heerlijkheid. De mil-lioenen van engelen, de glorie en de eer waarmede zij gekroond zijn, de rechterstoelen der Apostelen, de troonen der profeten, de scepters der aartsvaders, de kronen en palmtakken der martelaren en maagden, de lofzangen der rechtvaardigen, alles wat den hemel versiert, het is van God en van Hem alleen ! Verlangen wij dan rijkdom, welnu. God is de ware rijkdom.

Verlangen wij ten slotte levenskracht? God is het leven zonder begin en zonder einde. (Sap. XVI. 13.) Hij, die macht heeft over leven en dood, die tot aan de poorten des doods voert en weer terugvoert. Hij heeft het leven in zich zeiven. (Joës. V. 26.) Hij heeft aan alle planten, aan alle dieren het leven geschonken. Hij blies in het aangezicht des menschen den adem des levens. En als dit aardsche leven door den dood ontbonden wordt, zullen wij dan niet, gelijk wij hopen, aan het eeuwige leven deelachtig worden? (I Pet. III. 22.) Immers wij zijn erfgenamen daarvan, ja God heeft het ons reeds gegeven, en tot getuigenis daarvan Zijn eenigen Zoon gezonden. (I Jois. V. 11.)

ocr page 33

— 29 —

Wat wij derhalve ook mogen verlangen, wij vinden alles in God. Willen wij machtig zijn en heerschen, dan hebben wij Hem slechts te dienen, want alles vermogen wij in Hem, die ons versterkt, Hem dienen, is heerschen. Willen wij rijk worden, dan hebben wij God slechts tot vriend te houden, en wij zijn de rijksten van allen. (S. Chrysost.) Willen wij gelukkig leven, dan behoeven wij slechts Gods'geboden te onderhouden; die een kind van God blijft en zich met zorg op zijne heiligmaking toelegt, is heerlijker en veel gelukkiger dan hij, die kroon en purper draagt; hij leeft voortdurend in inwendige rust en zoeten vrede, hij heeft geen aanleiding tot vrees en ongerustheid, want „hij zal, zoo heeft de H. Geest het zelf verzekerd, eeuwig leven, bij den Heer is zijn loon en de zorg over hem bij den Allerhoogste.quot; (Sap. V. 16.)

Zoo is het God alleen, die, daar Hij alles is, wat wij kunnen verlangen, onzen wil volkomen bevredigt. Het is den mensch van nature eigen zich te buigen voor hem, dien hij als machtig groot en rijk erkent; doch dit gevoel van onderdanigheid, dat tegenover menschen zoo licht 'gevaar loopt in lafheid en vleierij te ontaarden, is tegenover God altijd redelijk en edel. Voor Hem derhalve moeten wij al onze krachten inspannen, want, zegt de H. Paulinus van Nola, „aan wien kunnen wij billijker ons leven toewijden dan aan Hem, van wien wij het hebben ontvangen?quot; Zeggen wij dan tot onze oogen: „Gij zult God dienen en daarom niets anders dan zijne werken zien!quot; Zeggen wij tot onze ooren: „Gij zult God dienen, en daarom naar niets luisteren, dan naar hetgeen uit Gods mond voortkomt.quot; Zeggen wij tot onzen mond: „Gij zult God dienen, en daarom slechts spreken tot eer van God.quot; Schrijven wij het in onze handen: „Gij zult God dienen, en daarom slechts werken van deugd verrichten.quot; Schrijven wij het op onze voeten: „Gij zult God dienen, en daarom den weg Zijner geboden bewandelen!quot; Zoo levende en niet anders zullen wij gevoelen, dat God geheel onzen wil bevredigt; daarbij zullen wij tevens het voordeel hebben, dat ook ons hart het ware geluk smaakt, wat het anders bij de wereld zoekt, zonder het echter te vinden, want

c. God alleen bevredigt ons hart, daar wij in Hem alleen alles vinden, wat ons hart het meeste bekoort.

ocr page 34

— 3° —

Beminnen wij het schoone? Aanschouwen wij de natuur, hoe verrukkelijk doet zij zich aan ons voor 1 Hoe betooverend is menig schepsel, hoe bekoorlijk menige gestalte; schoon is het rijk der bloemen; schoon zijn de kleuren van den regenboog; schoon is de zilveren glans van het gesternte, schoon het licht der zon; doch wat er ook aan den hemel schittert, op aarde leeft, in het water zwemt, in de lucht vliegt, wat ook het oog bekoort, het oor verrukt of de zinnen streelt, het is alles het werk van Gods hand. Hoe oneindig ver moet dan de Schepper dit alles in schoonheid overtreffen !

De schoonheid der natuur bij God vergeleken is als eene duistere nacht tegenover den helderen namiddag, want God is de schoonste natuur, de onmetelijke zee van schoonheid, ja de schoonheid zelf. Zijne schoonheid is eenig in haar soort, geheel onuitsprekelijk; geen pen kan haar beschrijven, geen woord kan haar uitdrukken, geen penseel kan haar weergeven, zelfs geen geest kan haar zich voorstellen. God liet somwijlen aan Zijne heiligen tijdens hun leven een enkele straal Zijner schoonheid aanschouwen, en daarna gevoelden zij dan zulk een smachtend verlangen om die schoonheid voor immer te genieten, dat het leven hun een walg was en zij met den Psalmist verzuchtten: „wee mij, dat mijn pelgrimschap zoo lang duurt.quot; (Ps. CXIX. 5.) „Wanneer toch zal ik komen en voor Gods aangezicht verschijnen!quot; (Ps. XLI. 3.) Met volle recht schrijft dan ook de H. Gregorius van Nazianze: „niets is liefelijker, niets is schooner dan de Godheid.quot;

Beminnen wij de deugd? — God is heilig. Hij wil en bemint slechts het goede, bemint en wil het slechts op de volmaaktste wijze en verafschuwt het kwaad met een eeuwigen, oneind;gen haat. Hij is een spiegel zonder vlek, een licht zonder duisternis; rechtvaardig is Hij op al zijne wegen, en heilig in al zijne werken. Recht en gerechtigheid zijn de grondslagen van zijn troon; genade en waarheid staan immer voor zijn aangezicht. De verhevenste hemelgeesten knielen aanbiddend neder voor den glans zijner heiligheid, en slechts met omsluierd gelaat wagen zij het eerbiedig Hem het driemaal heilig toe te roepen. O Heer, wie is gelijk aan U, zoo heerlijk in heilig-heiii, zoo vreeswekkend en lofwaardig?quot; (Exod. XV. 11.)

ocr page 35

Verlangen wij met geheel ons hart naar de Zaligheid? Waar kunnen wij die anders vinden dan bij God, die de zaligheid der engelen in den hemel uitmaakt en zelf de zaligheid is? De valsche zaligheid die wij in de goederen der wereld meenen te vinden, is slechts eene schaduw; die haar najaagt, jaagt een droombeeld na, dat hem echter ontsnappen zal, telkens als hij meent het te kunnen grijpen.

Zulke teleurstellingen evenwel zullen wij nimmer van God ondervinden; als wij God zoeken, zal Hij zich gemakkelijk laten vinden. Zullen wij dan nog langer ons geluk zoeken, waar het niet te vinden is? Het is waar; de schepselen kunnen verleidelijk, het leven bekoorlijk, het genot aanlokkelijk zijn ; ook de vriendschap is zoet voor 's menschen hart, doch wij misleiden ons zeiven, als wij meenen daarin ons geheele geluk te zullen vinden.

God alleen kan geheel ons hart bevredigen. Doch daaruit volgt dan ook onmiddellijk, dat wij geene andere bestemming kunnen hebben dan God te zoeken. Dat gebiedt de natuur van onze ziel, die onrustig zal zijn, zoolang zij haar rust niet vindt in God. Dat vordert ook de natuur van God, die dat verlangen naar geluk in ons hart heelt gelegd en die, wanneer Hij dat verlangen niet kon bevredigen, een dwingeland zou zijn. De weg om tot dat geluk, tot die rust der ziel te geraken, is door de onfeilbare Waarheid zelf aangewezen, als Hij de bestemming des menschen aangaf: „vrees God en onderhoud Zijne geboden, dit toch is de geheele menschquot; en de Goddelijke Leidsman naar den hemel heeft deze uitspraak bekrachtigd als Hij sprak: „neemt mijn juk op en gij rust vinden voor uwe zielen.quot; (Matt. XI, 29.) Het water der rivieren stroomt immer voort, totdat het in de zee is opgenomen, de magneetnaald komt niet tot rust, tenzij zij de richting naar het noorden wijst, zoo mogen ook wij, redelijke schepselen, niet rusten, totdat wij oprechte dienaars van God geworden zijn. Dan zal Hij, de Rechtvaardige, reeds in dit sterfelijk leven ons zoo gelukkig maken, dat wij vervoerd van vreugde met den H. Franciscus zullen uitroepen: „mijn God en mijn al.quot; Dan zullen wij dien zoeten troost en vrede des harten genieten, die een voorsmaak des hemels is, en daarin zullen wij steeds nieuwe kracht vinden om voort te gaan op den weg van Gods gebo-

ocr page 36

den, totdat wij eindelijk dat groote geluk zullen [bereiken, God te bezitten en te genieten van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen.

DERDE OVERWEGING.

Over den aard der zonde.

Vae nobis, quia peccavimus.

Wee onzer, want wij hebben gezondigd.

(Thren. V. 16.)

X)e oude heidensche Thraciërs weenden, wanneer een huisgezin door de geboorte van een nieuwen wereldburger werd vermeerderd, als wilden zij daardoor hun medelijden uitdrukken met dat zwakke kind, dat zijn intrede deed in dit dal van tranen en jammer. En inderdaad — als men het leven niet beschouwt met de oogen des geloofs, als men alleen bedenkt hoe spoedig het goed geteld is, dat wij hierbeneden genieten, als men overweegt, hoe kort het duurt, als men nagaat, hoe bijna al onze schreden door lijden geteekend zijn, dan kan men dat thracische gebruik niet als onredelijk veroordeelen. Hoeveel woorden heeft de taal niet, waardoor wij iets smartelijks uitdrukken. Men spreekt van; pest, honger, dorst, duurte, misgewas, oorlog, armoede, zwakte, kommer, zorg, nood, tegenspoed, ellende, ongeluk, en nog veel meer.

Met het oog op al dergelijke rampen hadden de heidenen geen ongelijk de aarde een tranendal te noemen. Doch wij christenen, hoewel ook voor ons de weg des levens over doornen gaat, wij, door het geloof verlicht, beschouwen die tijdelijke wederwaardigheden niet als de grootste rampen. Wij weten, dat zij soms straffen zijn in de hand van den rechtvaardigen God, soms beproevingen, die een liefdevolle Vader ons overzendt. Deze wetenschap troost ons en bemoedigt ons om ze met gelatenheid te dragen, en zoo wordt wat voor de heidenen een ramp was, voor ons een krachtig middel ter bereiking van ons eeuwig doel. Evenwel bestaat er ook voor ons, christenen, een ramp, een ramp grooter dan de heidenen kenden, een ramp, die niet zoozeer het lichaam, maar veel meer en wel op de allereerste plaats de ziel treft en doodt. Die ramp is de zonde. Zij is in lijnrechten strijd met onze

ocr page 37

— 33 —

bestemming hier op aarde God te kennen, Hem te beminnen, Hem te dienen en Hem hiernamaals eeuwig te aanschouwen.

Wat een hagelslag is voor het veldgewas, wat een storm is voor de vruchtboomen, wat een orkaan is voor de schepen op zee, dat alles en nog veel meer is de zonde voor den zondaar, de oorzaak van zijn tijdelijken en eeuwigen ondergang, de oorzaak van ieder ongeluk. (S. Chrysost.) Zij is altijd een ramp, zij is de eenigste, de grootste ramp, derhalve is er niets anders te vreezen dan de zonde. Hadden wij tot dusverre niets gevreesd dan haar, wij zouden heden zonder zonde zijn. Misschien echter hebben wij haar niet gevreesd, en zijn wij. God weet het, hoe dikwijls, met haar in verbond getreden en droegen daarom haar afschuwwekkend merkteeken. Daarom is het noodig goed te beseften, wat wij gedaan hebben; wij moeten den aard dier ramp noodzakelijk leeren kennen, en tot dat einde zullen wij de vraag beantwoorden: wat is de zonde ? —

„Wij smeeken U, o Vader des Lichts, geef ons verstanden kennis, opdat wij den aard der zonde mogen doorgronden, om ze in deze dagen bitter te beweenen, oprecht te biechten, rouwmoedig uit te boeten en ze voortaan als de grootste aller rampen te vluchten.quot;

I, Wat is de zonde? De H. Augustinus antwoordt: Zij is eene vrijwillige oveitreding van Gods gebod, eene ongehoorzaamheid tegen den Heer der heerscharen.quot;

Een schilder, die een schilderij maakt, een handwerksman, die iets vervaardigt, hebben daarmede een doel. Hadden zij dit niet, zij zouden doelloos, en bijgevolg onverstandig handelen. Wat voor den mensch geldt, geldt nog veel meer van den grootsten aller kunstenaars, van den Schepper des hemels en der aarde. Welk is dan het doel, waarvoor alles gemaakt is ? Dat doel moet gelegen zijn of in God zeiven, of buiten Hem. Daar er echter vó6r de schepping niets bestond buiten God, is het duidelijk dat alles geschapen is om God zeiven, tot zijne eer, tot zijn lof en roem. „De Heer heeft alles gemaakt om zich zeiven,quot; zegt de H. Geest. (Prov. XVI. 4.) De geheele schepping moet derhalve overal en altijd Gods wil vervullen. De redelooze schepselen doen het gedwongen

NIEUWE HANDLEIDING. 3

ocr page 38

— 34 —

van den zangvogel in het woud af, die ons oor verrukt door eene melodie, rijk van tonen, tot aan het nietig insect op den grond, dat telkens zijn eenstemmig geluid herhaalt; van af den ceder op den Libanon, die trotsch zijn kruin ten hemel heft, tot aan het nederig velilgewas, van af de zon, die telken dage opnieuw haar baan om de aarde beschrijvend, aan alles leven en vruchtbaarheid mededeelt, tot aan de ster, die nauwelijks zichtbaar voor ons oog in den stillen nacht aan het uitspansel schittert. Ja, zelfs de onzichtbare krachten der natuur volbrengen Gods wil; de zachte koelte ruischt op zijn bevel, en het felle hemelvuur schiet uit, keert tot God terug en zegt: „hier ben ik.quot;

En terwijl alles zich beijvert aan den Schepper hulde te brengen, en alles instemt in het lied God ter eete gezongen, klinkt daartusschen een schrille wanklank, die de harmonie verstoort. Wat de redelooze schepselen gedwongen doen, moet de mensch, met verstand en vrijheid begaafd, vrijwillig doen. De zondaar echter doet het niet. God beveelt; „Gij zult aan éénen God gelooven en Hem alleen dienen !quot; de zondaar antwoordt: „ik heb mij andere goden uitgekozen en wil u niet dienen'.quot; (Jer. II, 20.) God beveelt: „Gij zult den naam van den Heer uwen God niet ijdel gebruiken,quot; en de zondaar zegt: „ik wil niet, dat deze over mij heerscht.quot; (Luc. XIX. 14) God gebiedt den sabbath te heiligen, ouders en overheden te eeren, de zondaar heeft zijn eigen wil tot wet verheven. God verbiedt doodslag, onkuischheid, diefstal en leugentaal, de zondaar brengt door zijn laster den naaste een zedclijken doodsteek toe, is onkuisch en onrechtvaardig, liegt en bedriegt. God vermaant ons door den mond van den Prediker: „Vrees God en onderhoud zijne geboden, want dat is de geheele mensch, den zondaar echter komt het niet in het hoofd op goed te doen.quot; (Ps. XXXVquot;. 4.) Wat is de zonde dus anders dan eene overtreding van Gods gebod, eene ongehoorzaamheid tegen God zeiven.

O zonde 1 o ongehoorzaamheid !

II. Wat is de zonde? De zonde is nog meer, zij is eene onbeschaamdheid buiten alle maat. Zoo een soldaat zijn overste in het aangezicht beschimpte, men zou hem met alle

ocr page 39

reclit onbeschaamd noemen. Maar wat doet de zondaar anders, wanneer hij zondigt? Hij moge dan al tot zich zei ven zeggen: „Wie ziet mij; het is duister rondom mij heen, de muren verbergen mij en niemand bemerkt mij,quot; Eccli. XXIIF. 25. doch de H. Geest zegt: „er is een oog, dat alles ziet, er is een blik waaraan niets ontsnapt. O zondaar, daal met uwen geest vrij neder in de hel. God ziet u; (Ps. CXXXVIII. 9.) trek m de vleugelen aan van het morgenrood, en vlieg naar het meest verwijderd zeestrand, ook daar houdt Gods rechterhand u vast! Stijg op ten hemel, daar vindt gij Zijn verheven troon ! Zondig in den stikdonkeren nacht. God is uw getuige 1 Zondig in de Kerk, God is uw getuige 1 Zondig op het veld, of in het woud. God ziet u ! Zondig op straat of in huis, God ziet u 1 Zondig alleen of met anderen. God ziet u ! Zoek waar gij wilt, nooit of nergens zult gij Hem kunnen ontgaan, die alles weet en overal tegenwoordig is 1

Waar ik ben en wat ik doe. God, mijn Vader, ziet mij, en als ik zondig, zondig ik voor zijne heilige oogen. De heidenen ten minste hadden nog zooveel ontzag voor hunne goden, dat zij het niet waagden hen in hunne tegenwoordigheid te belee-digen, (S. Cyrill. Hieros.) en daarom aanbaden zij goden, die hen niet altijd en overal zagen. Eenigen aanbaden de zon, opdat zij, daar deze alleen des daags schijnt, ten minste des nachts voor haar gezicht zouden verborgen zijn, anderen aanbaden de maan, zoodat zij bij dag bevrijd waren van het toezicht hunner godheid. Dwaas waren zij ongetwijfeld, maar zij wisten niet beter; wij echter, als wij zondigen, zijn veel dwazer en onbeschaamd. Wij zijn door het geloof verlicht; van onze jeugd af is het ons ingeprent, dat God altijd het oog op ons gevestigd houdt, dat Hij altijd aan onze zijde is, ja, dat Hij in ons is en ons geheel doordringt gelijk het vuur het gloeiend ijzer, gelijk het licht den diamant, dat wij in Hem leven, in Hem ons bewegen en zijn. Zondigen wij nu, dan zondigen wij derhalve voor Zijn oog, bij Hem, in Hem, in Zijn schoot!

O zonde! o onbeschaamdheid!

III. Wat is de zonde? De zonde is nog meer; zij is de zwartste ondankbaarheid. Als er eene wet is, die geene uit-

ocr page 40

— 36 —

zondering toelaat, dan is het wel deze, dat een weldaad dankbaarheid vraagt. Alle schepselen zijn derhalve tot dankbaarheid aan den Schepper verplicht, dewijl zij allen meer of minder weldaden van Hem hebben ontvangen of nog ontvangen. Doch wie heeft meer weldaden van God ontvangen dan wij, Christenen? Voor ons schiep Hij den eeuwigen hemel, voor ons versiert Hij zoo schoon de aarde, Hij roept ons in het leven en overlaadt ons met zooveel bewijzen zijner almacht, wijsheid en goedheid, dat de psalmist vol bewondering uitroept; „wat is dan toch de mensch, dat Gij aan hem denkt?quot; Ps. VIII. 5. Alles heeft Hij onderworpen aan de heerschappij des menschen, opdat de mensch zich zeiven onderwerpen zou aan Gods heerschappij; alles zal den mensch toebehooifen, opdat de mensch aan God zou toebehooren. Voor den mensch komt God de Zoon op aarde nedergedaald, om hem door zijn kostbaar Bloed te verlossen, om hem het recht op den hemel, dat door de zonde was prijsgegeven, terug te schenken. Zoodra de Christenmensch het levenslicht aanschouwt, vloeien de reinigende wateren des Doopsels over zijn hoofd, en Gods engelenscharen staan gereed om hem te verwelkomen als een medeërfgenaam van het geluk, hetwelk zij reeds genieten, ja God de Vader zelf wacht hem op, om hem als Zijn kind te kunnen begroeten, en God de H. Geest daalt neder in die reine ziel en beschouwt haar als een waardigen tempel. Bij eiken stap verder in het leven ontvangt hij nieuwe weldaden van God, die ten slotte zoo mateloos goed is, dst Hij den mensch in Zijne onmiddelijke nabijheid wil zien, dat Hij hem tot huis-en dischgenoot maakt en zelfs het Lichaam en Bloed van Zijn eenigen Zoon aan hem ten spijs en drank geeft in het gezegend Altaarsacrament. „Mijn God, wat is toch de mensch, dat Gij zoo aan hem denkt !quot; En niettegenstaande dat alles weigeren wij aan God onze dankbaarheid! Wij beleedigen onzen Schepper, onzen Verlosser, onzen Heiligmaker juist met die werktuigen, die Hij ons tot onzen dienst gaf. Onze oogen, onze ooren, onze tong, onze handen en voeten, ons verstand, onze verbeelding, onzen wil, dat alles heeft Hij ons gegeven als even zoovele werktuigen, waardoor wij des te gemakkelijker onze eenige en eeuwige bestemming zouden bereiken, doch

ocr page 41

— 37 —

in plaats daarvan misbruiken wij ze om God te beleedigen. Is dat geen snoode ondankbaarheid ?

O zonde, o ondankbaarheid !

IV. Wat is de zonde ? De zonde is nug meer; zij is eene onteeriug van God. Evenals eenmaal tot de Joden, zoo kan de goddelijke Heiland ook tot alle zondaren het verwijt richten: „gij hebt mij onteerd,quot; Joan. VIII. 49. dat is: gij hebt mij de eer ontstolen, die mij toekwam. Het is eene regel zonder uitzondering door allen aangenomen, dat hoe hooger iemand geplaatst is, men ook met des te meer eerbied zijne bevelen moet aannemen en volbrengen. Wie nu is gelijk aan God ? Welk een eerbied zijn wij dan aan Hem verschuldigd? Als God de Heer aan zijne profeten welsprekende woorden in den mond gaf om tot het volk te prediken, dan was dat alleen om de zonde te verbannen, en het volk tot gehoorzaamheid aan te sporen. Als Hij aan zijne Apostelen den H. Geest schonk, dan was dat alleen, opdat zij geschikt zouden zijn zijn H. Wil kenbaar te maken aan de wereld. Als Hij ons zijne bijzondere genade schenkt, dan is dit alleen om ons tegen de zonde te wapenen. Stelt Hij de HH. Sacramenten in, dan is dit alleen om ons van de bedrevene zonden te reinigen, en om ons gereinigd voor nieuwe zonden te bewaren. Stelt Hij herders over ons aan, het is om over ons te waken, opdat wij ons niet door de zonde zouden laten verrassen. Bezoekt Hij ons met tijdelijke rampen, kastijdt Hij ons op aarde, het is om ons van de wereld en hare goederen te onthechten. Belooft Hij ons de kroon der onvergankelijke glorie, het is slechts op voorwaarde, dat wij zijne geboden zullen eerbiedigen, en de aanvallen van den vorst der zonde znllen afslaan. Bedreigt Hij ons met de eeuwige pijnen der hel, het is om ons van de zonde af te schrikken. — Doch aan al die wijze oogmerken, die God heeft, aan alle voorschriften, die Hij geeft, aan alle middelen, die Hij aanbiedt, aan alle voorzorgen, die Hij neemt, daaraan stoort de zondaar zich niet, hij trotseert en veracht ze. Wat is dan de zonde anders dan een smadelijke onteering van God? „Wat,quot; zal de zondaar zeggen, „God onteeren! ik ontneem Hem zijne eer niet; niettegenstaande mijne zonden blijft Hij immers almachtig, alvvijs, enz.quot; Luister. Een machtig

ocr page 42

vorst vaardigt een gewichtig bevel uit voor de hoofdstad van zijn rijk en laat het, met eigen hand onderteekend, aan de poort van zijn paleis vasthechten. Een boosdoener nadert, ziet het handschtift, rukt woedend het bevel af, verscheurt het en verstrooit het in den wind. Is dan de vorst niet onteerd, ofschoon hij nog evengoed als te voren de kroon draagt? Daarom ook zal hij met recht zijn straf ontvangen. Maak nu, zondaar, zelf de toepassing op u en roep dan beschaamd uit:

O zonde! o onteering!

V. Wat is de zonde? De zonde is nog meer; Zij is eene ontheiliging van God. God is het allerhoogste, het allervolmaaktste wezen. Als zoodanig moet Hij ook het allerheiligste wezen zijn, en dus het goede beminnen, en het kwaad haten en verafschuwen. Nu maakt echter de zondaar, dat God medewerkt tot hetgeen Hij met oneindigen haat vervolgt, medewerkt tot de zonde. Immers om te kunnen zondigen, moet de zondaar leven; leven echter kan hij niet, tenzij de Heer des levens hem het leven verleent. Ora te kunnen zondigen, moet de zondaar aarde en lucht hebben, en waar blijft hij, als God hem die ontneemt ? Om te kunnen zondigen, moet de zondaar zien, hooren, denken, willen, verlangen, spreken, gaan, moet hij de krachten van lichaam en ziel aanwenden. Kan hij dit zonder God? Vraag het aan de natuur, zij zal het u zeggen, vraag het aan de vogelen des hemels, zij zullen u antwoorden, vraag het aan de visscher. der zee, aan de bloemen des velds, zij zullen u leeren, dat diezelfde hand, die hen uit het niet te voorschijn bracht, hen ook onderhouden moet, willen zij niet andermaal in het niet verdwijnen. „Men moet niet denker,quot; zegt de romeinsche katechismus bij de verklaring van het eerste artikel des geloofs, „dat na de voltooiing van het scheppingswerk al het voortgebrachte kan blijven bestaan, zonder de onbegrensde macht des Scheppers. Want gelijk alles door de hoogste macht, wijsheid en goedheid God.; is geschapen uit het niet, zoo zou ook alles terstond weder in het niet terugzinken, als niet Zijne Voorzienigheid voortdurend over zijne schepping waakte en ze in stand hield met dezelfde macht, waardoor zij ontstonden.quot; De H. Thomas van Aquine zegt: „Alles wat werkt, werkt door de kracht Gods.quot; „De

ocr page 43

trouw en de goedheid Gods, zegt de eerwaardige Ludovicus de Ponte is zoo groot, dat Hij, wanneer de inensch tot de zonde besluit, hem zijne medewerking niet onttrekt, opdat de mensch met vrijen wil zou handelen.quot; Zonder Gods bijstand derhalve kan de zondaar al yijne begaafdheden noch gebruiken, noch misbruiken. Misbruikt hij ze nu tot de zonde, dan noodzaakt hij God door den algemeenen invloed dien Hij op alles uitoefent, daartoe mede te werken, en zou dit dan geene ontheiliging zijn van de wezenljke heiligheid zelve. O zonde! O ontheiliging!

Hadt gij, mijne ziel, daaraan altijd gedacht, gij zoudt u niet zoi lichtzinnig aan de zonde hebben overgegeven. „Als men met lichamelijke oogen zien kon, wat een enkele zonde is,quot; zegt de H. Catharina van Genua, „men zou liever in een gloeienden oven zijn, liever levendig willen verbranden dan éene zonde in zich omdragen. En als de zee louter vuur was, men zou, om de zonde te ontvluchten, zich er midden in werpen tot aan den bodem toe, en men zou er niet uit willen komen, als men wist dat men dan weder de zonde zou ontmoeten.quot;

Doch ik ben stekeblind geweest, ik overwoog niet, wat ik deed, ik volgde de bedriegelijke verleiding, ik plukte bloemen, die tusschen mijne vingers verwelkten en ik beleedigde U, o hoogste Gebieder, met lachenden mond. Gij gebiedt de elementen en zij gehoorzamen aan Uwen wil, en ik, van geboorte een slaaf, verstoutte mij u te weerstaan, niet in 't geheim, maar in Uw aangezicht, midden in den glans uwer majesteit, te weerstaan met die oogen, die ooren, die tong, die handen, dien wil, dat verstand, met die gaven, die Gij rrij uit barmhartigheid geschonken hebt. Ik beleedigde U, onteerde U, ontheiligde U!

O mijn God en mijn al, geef mij tranen, bittere tranen om te treuren en te weenen! — Want schrikkelijke zonden drukken mij als een zware last, zij zijn gestegen tot boven het getal mijner hoofdharen, boven het getal der zandkorrels aan het zeestrand. Zij hebben mij geketend met ijzeren boeien. Ik durf mijne handen niet ten hemel opheffen, want zij dragen het teeken mijner schandelijke slavernij. Ik durf mijne oogen

ocr page 44

— 4° —

niet tot U opslaan, want zij zijn bezoedeld door het aanschouwen der verboden vrucht, ilie zij schoon vonden.

Tot wien zal ik vluchten ? Tot U alleen, algoede God 1 Ontferm U mijner naar de mate uwer barmhartigheid 1 Wasch mij meer en meer van mijne ongerechtigheid en reinig mij van mijne zonde! Amen.

TWEEDE DAG.

EERSTE OVERWEGING.

Over ukn aard der zonde.

f Voortzetting.)

Va; nobis, quia peccavimis.

Wee onzer, want wij hebben gezondigd. (Thren. V. 16.)

T^.r leefde te Constantinopel eene weduwe, met name Olym-pias, die, rijk gezegend was met tijdelijke en hemelsche goederen; daar zij door eenige machtige en hebzuchtige mannen wederrechtelijk vervolgd en tot de uiterste ellende gebracht was, schreef zij een langen brief aan haar geestelijken leidsman, den H. Joannes Chrysostomus, om haren nood te klagen. De heilige antwoordde haar en zeide, dat zij, wat haar overkomen was, niet als een ongeluk moest beschouwen, „want,quot; zoo vroeg hij: „welk kwaad kan men u aandoen?quot; Men zal u misschien uw geheele vermogen ontnemen, doch dan zijt gij ontheven van de zorg het te bewaren en naar evenredigheid van uwe bezittingen aan de arme-i mede te deelen. Men zal u misschien uit de stad verbannen en u verdrijven van het eene land naar het andere, doch dan hebt gij gelegenheid om ter eere Gods te verrichten, wat zoovele anderen doen alleen om hunne nieuwsgierigheid te bevredigen. Men zal u misschien dooden, doch dan noodigt men u uit iets vroeger eene schuld te betalen, die wij allen toch eenmaal zullen moeten aflossen, en dan voert de dood u in het land der eeuwige vreugde. Herinner u daarom dit ééne woord, dat ik u reeds dikwijls gezegd heb en zonder ophouden zal herhalen, name-

ocr page 45

lijk; „ééne zaak slechts is als een ramp te beschouwen, en dat is de zonde.quot; In onze vorige overweging hebben wij ten minste eenigermate gezien, hoe waar dit woord is van den H. Kerkvader, doch om ons daarvan nog dieper te overtuigen en die eenige ramp met den grootst mogelijken afschuw te vluchten, willen wij nog eenige karaktertrekken der zonde beschouwen. —

O H. Geest, Geest van genade, die de geheimste schuilhoeken van het hart doorvorscht, en al onze overtredingen in hunne geheele grootheid, met al hare omstandigheden en gevolgen kent, verlicht in dit oogenblik onzen benevelden geest, opdat wij mogen erkennen hoe diep rampzalig wij ons zeiven gemaakt hebben door de zonde, en zuo tot oprechte boetvaar-heid mogen gebracht worden !

Verzuchten wij eerst het schietgebed: »ontferm u mijner, o God, ontferm u mijner.quot;

VI. Wat is de zonde? De zonde is eene verachting van God, want zij geeft aan het schepsel de voorkeur boven den Schepper. Zoo dikwijls reeds is ons verhaald, hoe Judas, de plichtvergeten Apostel, zijn Heer en Meester verried, hoe hij Hem voor hst bloedgeld van 30 zilverlingen aan zijne bitterste vijanden overleverde, en telkens als wij dit verhaal weder hoo-ren, trillen wij van heilige verontwaardiging, alsof dat verhaal nog al den gloed der nieuwheid heeft. Zoo diep treft ons de smaad, die den Zaligmaker toen werd aangedaan. Als wij er aan denken, hoe de lafhartige Pilatus de Joden liet kiezen tusschen de reinste onschuld en een grooten booswicht, tus-schen den Gever van alle gaven en een moordenaar, en als wij dan dien hemeltergenden kreet der Joden vernemen; „kruisig Hem, laat ons Barrabas loslquot; dan kunnen wij geen woorden vinden, krachtig genoeg om dat gedrag van Pilatus en van het volk te brandmerken. Zien wij echter wel toe, dat wij niet zelf bedrijven, wat wij in anderen niet streng genoeg weten te veroordeelen. God ook vraagt den zondaar: „met wien wilt gij mij gelijk stellen?quot; (Is. XL. 25.) en tevens beklaagt Hij zich over de verachting, die Hem is aangedaan: „Zij ontheiligden mij bij mijn volk om een handvol gerst en om een stuk brood.quot; (Ezech. XIII. 19.)

ocr page 46

Maar hoe kunnen wij ons daaraan schuldig maken? De II. Alphonsus verklaart het ons: indien wij de vriendschap Gods opofferden voor een koninkrijk, of zelfs voor de geheele wereld, dan zouden wij een groote misdaad bedrijven, dewijl Gods vriendschap meer waard is dan de wereld, ja dan duizend werelden. En waarom beleedigen wij God den Heer? Om een weinig aarde, voor een oogenblik van toorn, voor een zinnelijk genot, voor iets, wat als rook voorbijgaat, voor eene beuzeling..... Wij zouden die zonde niet bedreven hebben, wanneer wij daardoor eene hand of een weinig geld hadden moeten verliezen, doch dat wij God verloren, daarover bekommerden wij ons niet. Is dat geen achterstelling, geen grievende verachting, die wij God dan aandoen? Zie, onder den boom in het Paradijs ligt een appel God wijst er naar met den vinger, en zegt: „gij zult niet stelen. Het staat ons vrij te kiezen tusschen den appel en God, die hem liet groeien. Eerst aarzelen wij, dan buigen wij ons vastberaden ter aarde, en nemen de verboden vrucht, die de slang ons aanwijst. Is dat geen achterstelling, geen grievende verachting die wij God dan aandoen? Door het H. Doopsel zijn wij kinderen Gods en erfgenamen van Zijn rijk geworden. Het ligt slechts aan ons of wij die erfenis eenmaal zullen verwerven.

Doch evenals Ezau verkoopen wij ons eerstgeboorterecht. Voor een kortstondig genot, voor een weinig stof der aarde, voor een nieuwsgierigen oogslag, voor een ijdele eer, verzaken wij aan den hemel en werpen wij ons in de klauwen des duivels. Is dat niet de grievendste verachting, die wij God dan aandoen? Doch hoe kunnen wij nog daaraan twijfelen, daar de Heer zelf de zonde eene verachting zijner oordcelen noemt,

(Ezech. V, 6.) eene verachting der vreeze Gods, (Eccli. Xl.IX, 6)

eene verachting van Hem zeiven, (Is. I, 2.) eene verachting Zijner raadgevingen, (Prov. I, 25.) eene verachting der goddelijke goedheid, (ad. Rom. II, 4.)

Hadden wij, toen wij zondigden, er toch aan gedacht, dat wij Hem, die alle achting verdient, verachtten !

O zonde 1 o verachting van God!

VII. Wat is de zonde! De zoude is nog meer: zij is een opstand tegen God.

ocr page 47

— 43 —

Wanneer een volk zijn plicht van onderdanigheid uit het oog verliest, wanneer het plotseling door wilde vrijheidszucht aangegrepen, zijn eed van trouw aan den koning breekt, wanneer het den verschuldigdcn eerbied weigert en in overmoedige verwatenheid den rechtmatigen vorst van den troon werpt, aanvankelijk de regeeringloosheid uitroept, doch daarna een stout-moedigen volksleider uit iijn midden kiest en hem den scepter in de hand geeft, dan noemt men dit een vloekwaardigen opstand. Doch veel vloekwaardiger nog is de zonde. „Ik ben de Heer uw God,quot; zoo verkondigt de Koning der Koningen aan zijne millioenen engelen en vol ontzag voor zijne indrukwekkende majesteit verbergen zij het gelaat achter hunne vleugelen, en antwoorden: „Gij zijt de driewerf heilige God, de Heer der heerscharen.quot;

Alleen de zondaar ontkent het. Want wanneer hij zondigt, wil hij óf dat God hem ziet óf dat Hij hem niet ziet. Dat God hem ziet, kan hij niet wenschen uit vrees; bijgevolg wenscht hij, dat God hem niet ziet, dat wil zeggen, dat God niet overal tegenwoordig is. Wanneer hij zondigt, wil hij, dat God zijn misdaad kenne of niet kenne. Het eerste kan hij uit vrees niet wenschen, bijgevolg wenscht hij, dat God de zonde niet kenne, dus ophoude alwetend te zijn. Wanneer hij zondigt, wil hij dat God zijne zonde hate of niet hate. Het eerste jaagt hem vrees aan, bijgevolg wil Hij, dat God zijne zonde niet hate, dus ophoude heilig te zijn. Wanneer hij zondigt, wil hij, dat God zijne zonde strafte of niet straffe. Het eerste vervult hem met angst, bijgevolg wil hij dat God zijne zonde niet straffe, dus ophoude rechtvaardig te zijn. Nu zijn de alomtegenwoordigheid, de alwetendheid, de heiligheid en rechtvaardigheid niet enkel goddelijke eigenschappen, maar God zeH, zijn wezen. Dewijl echter de zondaar wil, dat die eigenschappen ophouden te bestaan, wil hij dat God zelf ophoude, dat er dus geen God meer zij. Door losbandige zucht naar vrijheid \ervoerd, zegt hij aan God de gehoorzaamheid op, en beproeft het. Hem van den troon te stooten. „Waarlijkquot;, roept dan ook de H. Bernardus uit, „eene gruwzame en ontheiligende vermetelheid is de zonde, daar zij wenscht dat Gods macht, wijsheid en rechtvaardigheid ten gronde gaan. Eene vloekwaardige boosheid is het. God van zijne godheid

ocr page 48

— 44 —

te willen berooven. De zonde vernietigt, zooveel zij kan, God zelf. Die eene doodzonde bedrijft, werpt steenen naar God en verbrijzelt in zijn liart Gods beeld,quot; En de H. Hierony-mus zegt: „de zondaar is een booswicht, die zooveel het in zijn vermogen is, de hand aan God slaat en Hem doodt. En meen niet, dat deze kerkleeraars in hunne heilige verontwaardiging overdrijven. Zij zijn in volkomen overeenstemming met de H. Schrift. „Gij hebt mijn juk verbroken,quot; (Jer. II. 20) zegt God zelf, en gij hebt gezegd; „ik wil u niet dienen.quot; „De zondaars,quot; zegt David, „hebben het zwaard getrokken tegen God, en den boog 'gespannen.'' (Ps. XXXVI. 14). De vrome man Job getuigt van den zondaar, dat hij met opgeheven hoofd God tegemoet is getrokken en zich met groote halstarrigheid tegen Hem heeft gewapend. (Job. XV. 26.) Nog meer. Niet met de tong, maar door zijne daden spreekt de oproerling tegen God : „Weg van mij 1quot; (H. Greg, mor. 1. 15 c. 44 n. 50.) „Weg van mij met uw gebod van nederigheid,quot; roept de hoogmoedige. „Weg van mij met uw gebod van naastenliefdequot;, roept de gramstorige, „weg van mij met uw gebod van matigheid,quot; roept de zinnelijke menscb, en zoo roepen alle zondaars te zamen [in koor : „weg van mij niet uwe geboden.quot; En inderdaad. God wijkt uit hunne harten en met Hem Zijne genade, zijne hemelsche zegen. Hoe toch zou de eeuwige Liefde kunnen troonen in het hart van den lief-delooze, de eeuwig Barmhartige in het hart van den meedoo-genlooze, de zuiverste Reinheid in het hart van den onkuische, de allerheiligste in een hart met zonde besmeurd ? God neemt de vlucht uit zulk een verblijfplaats ! Maar God is toch overal tegenwoordig! Ja, ook in den zondaar is God nog, echter niet meer zooals vóór de zonde; toen was Hij daar als een Vader lij zijn kind, als een heer in zijn huis, als een koning in zijn paleis, als een bruidegom in het bruidsvertrek, als een herder bij zijn schaapje, maar nu is Hij daar evenals Hij in den dooden steen, in een plant, in een dier is. Zoo is de zondaar goddeloos geworden en los van God 1

Een volk, dat zijn rechtmatigen vorst verjaagt, kan misschien eenige reden van verontschuldiging vinden in het ondragelijk zware juk, dat het opgelegd was, in de alle vrijheid belemmerende dwingelandij, die het moest verdragen. De zondaar

ocr page 49

evenwel, en dit maakt zijn opstand oneindig verfoeieiijker, kan nimmer dergelijke verontschuldigingen inbrengen. De oneiiidige Waarheid, die den mensch kent, die weet van welk maaksel wij zijn en van ons niets vraagt, wat büven onze krachten is, Hij getuigt zelf, dat zijn juk zoet en zijn last licht is. Hij vernedert ons niet door eene ondragelijke en den mensch ont-eerende slavernij, neen, juist om ons de ware vrijheid te verwerven, juist om door onderdanigheid aan Hem als koningen te heerschen, zijn wij vrijgekocht door het Bloed van zijn eenigen Zoon. En de zondaar, niettegenstaande hij dit alles weet, is trouweloos genoeg om in opstand te komen, en het juk van God af te werpen.

Een volk kan zich door schoone beloften van een volksleider laten medesleepen, en hem, daar het toch niet zonder opperhoofd zijn kan, in plaats van den onttroonden koning, de kroon op het hoofd zetten. Ook de zondaar kiest zich een anderen koning en buigt voor hem de knie; hij schijnt den opstand tot het hoogste punt van boosheid, ja tot onzinnige dwaasheid te willen opvoeren door die keuze. God immers, die getrouw is, had hem den hemel beloofd, bijaldien ook hij getrouw bleef in zijn dienst. Daar komt echter een verleider en fluistert hem in: ,,uw vader heeft u een zwaar juk opgelegd.quot; Hij spiegelt hem voor, dat hij het bij hem veel dragelijker zal vinden; doch tevens weet de zondaar, dat die verleider een leugenaar was van den beginne af, en dat hij zijne onderdanen niet met roeden geeselt, maar met schorpioenen, en toch luistert de zondaar naar hem, hij volgt hem, en zegt: „Gij zijt mijn koning!quot; O, dwaze zondaar! En hoe heet zijn nieuwe heerscher? „Wij hebben, zegt de H. Thomas van Aquine, zoovele goden, als wij ondeugden hebben.quot; Ben ik dus vertoornd, dan is de gramschap mijn God. Volg ik mijne zinnelijke lusten in, dan is mijn buik mijn God. De gierigaard en de onrechtvaardige dansen om het gouden kalf en branden voor dien afgod hun wierook. Kortom, alles wat op de weegschaal van mijn hart meer weegt dan God, dat is mijn God. (S. August.) Dat is de tyran, aan wien ik mij onderworpen heb, en die mij evenals Pharao mijn loon zal uitbetalen onder zweepslagen. O noodlottige en vloekwaardige opstand! En bleef de boosheid der zonde nog maar hierbij bepaald; zij gaat echter nog verder.

ocr page 50

— 44 —

te willen berooven. De zonde vernietigt, zooveel zij kan, God zelf. Die eene doodzonde bedrijft, werpt steenen naar God en verbrijzelt in zijn liart Gods beeld,quot; En de H. Hierony-mus zegt: „de zondaar is een booswicht, die zooveel het in zijn vermogen is, de hand aan God slaat en Hem doodt. En meen niet, dat deze kerkleeraars in hunne heilige verontwaardiging overdrijven. Zij zijn in volkomen overeenstemming met de H. Schrift. „Gij hebt mijn juk verbroken,quot; (Jer. II. 20) zegt God zelf, en gij hebt gezegd: „ik wil u niet dienen.quot; „De zondaars,quot; zegt David, „hebben het zwaard getrokken tegen God, en den boog gespannen.quot; (Ps. XXXVI. t4). De vrome man Job getuigt van den zondaar, dat hij met opgeheven hoofd God tegemoet is getrokken en zich met groole halstarrigheid tegen Hem heeft gewapend. (Job. XV. 26.) Nog meer. Niet met de tong, maar door zijne daden spreekt de oproerling tegen God : „Weg van mijlquot; (H. Greg. mor. ]. 15 c. 44 n. 50.) „Weg van mij met uw gebod van nederigheid,quot; roept de hoogmoedige. „Weg van mij met uw gebod van naastenliefdequot;, roept de gramstorige, „weg van mij met uw gebod van matigheid,quot; roept de zinnelijke mensch, en zoo roepen alle zondaars te zamen [in koor: „weg van mij niet uwe geboden.quot; En inderdaad, God wijkt uit hunne harten en met Hem Zijne genade, zijne hemelsche zegen. Hoe toch zou de eeuwige Liefde kunnen troonen in het hart van den lief-delooze, de eeuwig Barmhartige in het hart van den meedoo-genlooze, de zuiverste Reinheid in het hart van den onkuische, de allerheiligste in een hart met zonde besmeurd ? God neemt de vlucht uit zulk een verblijfplaats ! Msar God is toch overal tegenwoordig ! Ja, ook in den zondaar is God nop, echter niet meer zooals vóór de zonde; toen was Hij daar als een Vader Lij zijn kind, als een heer in zijn huis, als een koning in zijn paleis, als een bruidegom in het bruidsvertrek, als een herder bij zijn schaapje, maar nu is Hij daar evenals Hij in den dooden steen, in een plant, in een dier is. Zoo is de zondaar goddeloos geworden en los van God 1

Een volk, dat zijn rechtmatigen vorst verjaagt, kan misschien eenige reden van verontschuldiging vinden in het ondragelijk zware juk, dat het opgelegd was, in de alle vrijheid belemmerende dwingelandij, die het moest verdragen. De zondaar

ocr page 51

— 45 —

evenwel, en dit maakt zijn opstand oneindig verfoeieiijker, kan nimmer dergelijke verontschuldigingen inbrengen. De oneindige Waarheid, die den mensch kent, die weet van welk maaksel wij zijn en van ons niets vraagt, wat boven onze krachten is, Hij getuigt zelf, dat zijn juk zoet en zijn last licht is. Hij vernedert ons niet door eene ondragelijke en den mensch ont-eerende slavernij, neen, juist om ons de ware vrijheid te verwerven, juist om door onderdanigheid aan Hem als koningen te heerschen, zijn wij vrijgekocht door het Bloed van zijn eenigen Zoon. En de zondaar, niettegenstaande hij dit alles weet, is trouweloos genoeg om in opstand te komen, en het juk van God af te werpen.

Een volk kan zich door schoone beloften van een volksleider laten medesleepen, en hem, daar het toch niet zonder opperhoofd zijn kan, in plaats van den onttroonden koning, de kroon op het hoofd zetten. Ook de zondaar kiest zich een anderen koning en buigt voor hem de knie; hij schijnt den opstand tot het hoogste punt van boosheid, ja tot onzinnige dwaasheid te ■willen opvoeren door die keuze. God immers, die getrouw is, had hem den hemel beloofd, bijaldien ook hij getrouw bleef in zijn dienst. Daar komt echter een verleider en fluistert hem in: „uw vader heeft u een zwaar juk opgelegd.quot; Hij spiegelt hem voor, dat hij het bij hem veel dragelijker zal vinden; doch tevens weet de zondaar, dat die verleider een leugenaar was van den beginne af, en dat hij zijne onderdanen niet met roeden geeselt, maar met schorpioenen, en toch luistert de zondaar naar hem, hij volgt hem, en zegt: „Gij zijt mijn koning!quot; O, dwaze zondaar! En hoe heet zijn nieuweheerscher? „Wij hebben, zegt de H. Thomas van Aquine, zoovele goden, als wij ondeugden hebben.quot; Ben ik dus vertoornd, dan is de gramschap mijn God. Volg ik mijne zinnelijke lusten in, dan is mijn buik mijn God. De gierigaard en de onrechtvaardige dansen om het gouden kalf en branden voor dien afgod hun wierook. Kortom, alles wat op de weegschaal van mijn hart meer weegt dan God, dat is mijn God. (S. August.) Dat is de tyran, aan wien ik mij onderworpen heb, en die mij evenals Pharao mijn loon zal uitbetalen onder zweepslagen. O noodlottige en vloekwaardige opstand! En bleef de boosheid der zonde nog maar hierbij bepaald; zij gaat echter nog verder.

ocr page 52

— 46 —

VHF. De zonde is nog meer. Zij is tegelijkertijd een Gods-moord. Als wij met aandacht den heiligen kruisweg bidden en de verschillende statiën oplettend overwegen, als wij ons in den geest verplaatsen naar het gerechtshof van Pilatns en daar getuigen zijn van die onrechtvaardige veroordeeling, van die wreede geeselslagen, die in niet te tellen hoeveelheid het H. Lichaam des Zaligmakers verscheuren, als wij zien, hoe men Hem, gekroond met den gruwzamen bloeddiadeem, den zwaren last des kruizes oplegt, hoe Hij driemaal van uitputting neder-valt en men Hem met zweepslagen weder opjaagt, als wij beschouwen, hoe men Hem de kleederen van het met wonden bedekte lichaam afrukt. Hem op de slachtbank nederwerpt, als wij de doffe hamerslagen over den Golgotha hooren weergalmen onder de voortdurende spotternij van soldaten, volk en priesters, dan roepen wij bevend van verontwaardiging uit: „o, gruwzame tijgers, gevoellooze onmenschen,quot; en wij slaan de oogen vol tranen weemoedig op tot den Gekruisigde en zeggen vol medelijden: ,,o mijn Jezus — zoo gemarteld — o, wat lijdt Gij veel! Ach, mijne liefde is gekruisigd !quot; Doch neen — toornen wij niet tegen de Joden, beweenen wij niet Hem, die voor ons weende ; weenen wij veeleer over ons zeiven en onze zonden, want zoo dikwijls wij zondigen, doen wij, wat de Joden gedaan hebben. Schamen wij ons uit menschelijk opzicht onzen plicht te vervullen, dan verloochenen wij Jesus, evenals Petrus. Veroordeelen wij onzen evenmensch, dan veroordeelen wij Jesus, evenals Pilatus. Geven wij ons over aan zinnelijkheid, dan geeselen wij Jesus, evenals de romeinsche soldaten, zoeken wij menschelijke eer ten koste van onze ziel, dan kronen wij Jesus met doornen, evenals die beulen. Werpen wij ons kruis weg, dan leggen wij het op de schouders van Jesus — ja, zoo dikwijls wij eene doodzonde bedrijven, bespotten en kruisigen wij Jesus opnieuw, zooals de Apostel Paulus in zijn brief aan de Hebreers getuigt. (VI, 6.)

Zijn wij dan niet even onmenschelijk, als die onmensche-lijke Joden, niet even gevoelloos, als die gevoellooze beulen? Wat zeg ik! In zeker opzicht zijn wij nog duizendmaal ge-voelloozer. De Joden martelden den Heiland zonder ten minste zijne liefde te kennen; wij echter martelen Hem, nadat Hij zijne liefde tot ons met den dood bezegeld heeft. De Joden

ocr page 53

— 47 —

doodden liet sterfelijk lichaam, wij den in eeuwigheid levenden Godmensch, Van de Joden kon Christus in waarheid getuigen: „zij weten niet, wat zij doen.quot; Wij echter zijn ons wel bewust van onze handelingen en hare gevolgen. De Joden hebben Christus slechts eenmaal gekruisigd, doch wij, hoe dikwijls hebben wij ons reeds aan Godsmoord schuldig gemaakt. En ten slotte, de misdaad der Joden, was, hoewel zij immer verfoeielijk blijft, in Gods onbegrijpelijke raadsbesluiten het middel ter verlossing der xielen; doch, en dit maakt de zonde in ons tot eene oneindige boosaardigheid, onze zonde is het middel in de hand van den duivel om al de voordeden van Jesus' bitter lijden en sterven te vernietigen. Begrijpen wij nu, dat wij in onmenschelijke boosaardigheid de Joden nog ver overtreffen? Begrijpen wij nu, wat de zonde is? — Doch hoe zullen wij ooit kunnen begrijpen, wat geen Salomon op aarde, wat geen engel in den hemel begrijpt! Want

IX de zonde is ten laatste eene oneindige beleediging van God. Volgens een stelregel door alle rechtsgeleerden aangenomen, is eene beleediging grooter en zwaarder, naargelang de persoon, die er door getroffen wordt, hooger in aanzien verheven is. Zoo iemand een gewoon sterveling bespot, wordt hij door God bedreigd met het eeuwige vuur. (Matth. V. 22.) Brengt iemand zijn vriend eene wond toe, dan geldt voor hem de bedreiging: „wie menschenbloed vergiet, diens bloed zal vergoten worden.quot; (Gen. IX. 6.) Veracht iemand zijn vader, beschimpt hij zijne moeder, aan hem zal vervuld worden, wat geschreven staat: „het oog, dat zijn vader veracht en zijne moeder bespot, zal door de raven uitgestoken en door de jonge adelaars opgegeten worden.quot; (Prov. XXX. 17.) Vergrijpt iemand zich aan den persoon des konings, dan is het een majesteitsschennis, die met den dood gestraft wordt, zooals de 700 inwoners van Thessalonica ondervonden, die een standbeeld van Theodosius den Groote onteerd hadden. En wie zijn in deze gevallen de beleerligden? Menschen van dezelfde nntuur als de beleediger; de beleediging blijft derhalve altijd eene eindige beleediging. Wanneer echter God de beleedigde is, dan overschrijdt de beleediging de grenzen van het eindige en wordt zij oneindig. Wie immers is de beleedigde? Hij, voor

ocr page 54

Vin. De zonde is nog meer. Zij is tegelijkertijd een Gods-moord. Als wij met aandacht den heiligen kruisweg bidden en de verschillende statiën oplettend overwegen, als wij ons in den geest verplaatsen naar het gerechtshof van Pilatiis en daar getuigen zijn van die onrechtvaardige veroordeeling, van die wreede geeselslagen, die in niet te tellen hoeveelheid het H. Lichaam des Zaligmakers verscheuren, als wij zien, hoe men Hem, gekroond met den gruwzamen bloeddiadeem, den zwaren last des kruizes oplegt, hoe Hij driemaal van uitputting neder-valt en men Hem met zweepslagen weder opjaagt, als wij beschouwen, hoe men Hem de kleederen van het met wonden bedekte lichaam afrukt, Hem op de slachtbank nederwerpt, als wij de doffe hamerslagen over den Golgotha hooren weergalmen onder de voortdurende spotternij van soldaten, volk en priesters, dan roepen wij bevend van verontwaardiging uit: ,,o, gruwzame tijgers, gevoellooze onmenschen,quot; en wij slaan de oogen vol tranen weemoedig op tot den Gekruisigde en zeggen vol medelijden: „o mijn Jezus — zoo gemarteld — o, wat lijdt Gij veel! Ach, mijne liefde is gekruisigd!quot; Doch neen — toornen wij niet tegen de Joden, beweenen wij niet Hem, die voor ons weende; weenen wij veeleer over ons zeiven en onze zonden, want zoo dikwijls wij zondigen, doen wij, wat de Joden gedaan hebben. Schamen wij ons uit menschelijk opzicht onzen plicht te vervullen, dan verloochenen wij Jesus, evenals Petrus. Veroordeelen wij onzen evenmensch, dan veroordeelen wij Jesus, evenals Pilatus. Geven wij ons over aan zinnelijkheid, dan geeselen wij Jesus, evenals de romeinsche soldaten, zoeken wij menschelijke eer ten koste van onze ziel, dan kronen wij Jesus met doornen, evenals die beulen. Werpen wij ons kruis weg, dan leggen wij het op de schouders van Jesus — ja, zoo dikwijls wij eene doodzonde bedrijven, bespotten en kruisigen wij Jesus opnieuw, zooals de Apostel Paulus in zijn brief aan de Hebreers getuigt. (VI, 6.)

Zijn wij dan niet even onmenschelijk, als die onmensche-lijke Joden, niet even gevoelloos, als die gevoellooze beulen? Wat zeg ik! In zeker opzicht zijn wij nog duizendmaal ge-voelloozer. De Joden martelden den Heiland zonder ten minste zijne liefde te kennen; wij echter martelen Hem, nadat Hij zijne liefde tot ons met den dood bezegeld heeft. De Joden

ocr page 55

— 47 —

doodden liet sterfelijk lichaam, wij den in eeuwigheid levenden Godmensch. Van de Joden kon Christus in waarheid getuigen: „zij weten niet, wat zij doen.quot; Wij echter zijn ons wel bewust van onze handelingen en hare gevolgen. De Joden hebben Christus slechts eenmaal gekruisigd, doch wij, hoe dikwijls hebben wij ons reeds aan Godsmoord schuldig gemaakt. En ten slotte, de misdaad der Joden, was, hoewel zij immer verfoeielijk blijft, in Gods onbegrijpelijke raadsbesluiten het middel ter verlossing der zielen; doch, en dit maakt de zonde in ons tot eene oneindige boosaardigheid, onze zonde is het middel in de hand van den duivel om al de voordeelen van Jesus' bitter lijden en sterven te vernietigen. Begrijpen wij nu, dat wij in onmenschelijke boosaardigheid de Joden nog ver overtreffen? Begrijpen wij nu, wat de zonde is? — Doch hoe zullen wij ooit kunnen begrijpen, wat geen Salomon op aarde, wat geen engel in den hemel begrijpt! Want

IX de zonde is ten laatste eene oneindige beleediging van God. Volgens een stelregel door alle rechtsgeleerden aangenomen, is eene beleediging grooter en zwaarder, naargelang de persoon, die er door getroffen wordt, hooger in aanzien verheven is. Zoo iemand een gewoon sterveling bespot, wordt hij door God bedreigd met het eeuwige vuur. (Matth. V. 22.) Brengt iemand zijn vriend eene wond toe, dan geldt voor hem de bedreiging: „wie menschenbloed vergiet, diens bloed zal vergoten worden.quot; (Gen. IX. 6.) Veracht iemand zijn vader, beschimpt hij zijne moeder, aan hem zal vervuld worden, wat geschreven staat: „het oog, dat zijn vader veracht en zijne moeder bespot, zal door de raven uitgestoken en door de jonge adelaars opgegeten worden.quot; (Prov. XXX. 17.) Vergrijpt iemand zich aan den persoon des konings, dan is het een majesteitsschennis, die met den dood gestraft wordt, zooals de 700 inwoners van Thessalonica ondervonden, die een standbeeld van Theodosius den Groote onleerd hadden. En wie zijn in deze gevallen de beleedigden? Menschen van dezelfde natuur als de beleediger; de beleediging blijft derhalve altijd eene eindige beleediging. Wanneer echter God de beleedigde is, dan overschrijdt de beleediging de grenzen van het eindige en wordt zij oneindig. Wie immers is de beleedigde? Hij, voor

ocr page 56

wien de poorten des hemels schudden, de cherubijnen in het stof nedervallen, de Serafijnen van liefde gloeien, de zon verbleekt, de aarde beeft. Hij, die door den adem zijns tnonds de bergen als was doet smelten, door wien alles leeft, op wiens wenk alles vergaat. Hij, die in de holte zijner hand de zee bevat, in wiens kroon de hemellichamen als diamanten schitteren, Hij is het, dien men beleedigt door de zonde. En wie is het, die den oneindigen God die beleediging aandoet. De mensch, naar het lichaam een zwak riet, een opgesierd beenderhuis, een levend hospitaal, een hand vol stof, een beeld gevormd uit slijk, eene toekomstige spijs der wormen, eene voorbijsnellende schaduw, een niets; naar den geest, door Gods adem bezield, levend slechts op kosten van den Schepper, hopend slechts op kosten van den Verlosser, beminnend slechts op kosten van den Heiligmaker. Dat is Hij, die het wagen durft God te belee-digen; terwijl hij alles aan God te danken heeft, is hij uit zich zeiven niets. Is dan de zonde geen allerhoogste, geen oneindige beleediging, daar zij den Allerhoogste, den Oneindige treft. O zonde! o bodemlooze afgrond! O onoplosbaar raadsel! O onbegrijpelijk geheim! — En al sprak ik hierover nog ie, icq, loooo jaren lang, en al verklaarde ik met de welsprekendheid der engelen ook maar deze eene zijde der zonde, ik zou hare boosheid nog niet naar hare waarheid geschetst hebben, evenmin als men de zee ledigt door er een emmer vol uit te putten. En al zouden wij millioenen jaren nadenken, hoe groot de beleediging is, die God door de zonde wordt aangedaan, wij zouden hare hoogte nog niet gemeten, hare breedte nog niet uitgerekend, hare diepte nog niet gepeild hebben, en wij zullen nimmer zoover komen zoolang wij niet beseffen, wie God is. En dit zullen wij in eeuwigheid niet, daar Hij onbegrijpelijk voor ons is; bijgevolg zullen wij ook nimmer bevatten, wat de zonde is. Dat weet God alleen, daar Hij alleen zich zeiven kent. Wij zullen dan ook geen ijdele moeite doen, wij kunnen niets doen dan herhalen dat de zonde is een onbegrijpelijke ongehoorzaamheid, een grenzen-looze dwaasheid, een afschuwelijke ondankbaarheid, een gruwzame onteering, een onuitsprekelijke ontheiliging, eene diepe verachting, een vloekwaardige opstand, een ten hemel schreiende Godsmoord, eene door den Alwetende alleen begrepen

ocr page 57

beleediging Gods is. 01 hoezeer had de H. Joannes Chryso-stomus gelijk toen hij zeide, dat er niets te vreezen was als de zonde, daar zij alleen de eenige ramp is, die ons kan overkomen. En wij, arme zondaars, hebben ons daaraan overgegeven. Wee onzer, want wij hebben gezondigd. Wanneer aan de Israelieten een groot ongeluk was overkomen, dan scheurden zij hunne kleederen ten teeken van rouw en droefheid dan zaten zij treurend neder zonder spijs of drank te gebruiken en zij vervulden de lucht met hunne weeklachten.

Zouden wij dan, nu het grootste ongeluk, de zonde, over ons is gekomen, ongevoelig blijven? Daarom verzuchten wij ook dikwijls met oprecht berouw, met innige droefheid: „wee onzer, want wij hebben gezondigd.quot; Verscheuren wij niet onze kleederen maar onze harten, zitten wij trewrend neder, onze dagen doorbrengend in boete en versterving, en roepen wij het medelijden in niet van menschen, maar van den Beleedigde zelf, van den rechtvaardigen, doch tevens oneindig barmharti-gen God. — „Ja, o God, wee onzer, want wij hebben gezondigd. Wij hebben de vriendschap en de gunst van de bedorven kinderen der wereld hooger geschat dan uwe liefde, om een ijdele eer hebben wij verzaakt aan de eer van uwe kinderen te zijn, wij deinsden terug voor de bitterheid der zelfverloochening, wij hebben het ongetemde paard der lichtzinnigheid bestegen, en zorgeloos zijn wij voortgehold naar het veld der zonde. — Waar zullen wij ons verbergen voor uw aangezicht, o Heer!

Doch neen, met den verloren zoon willen ook wij tot u terugkeeren, want Gij zoekt ons. Gij hebt medelijden met onze ellende, Gij bemoedigt ons, en neemt ons in genade aan. Met het hart vervuld van berouw, met de oogen vol tranen van droefheid, keeren wij derhalve terug naar het huis van U, onzen Vader, wij erkennen onze lichtzinnigheid en wij beloven u met de hulp uwer oneindige liefde en genade, u voortaan trouwer te dienen, en te vreezen, wat alleen te vreezen is, de zonde.quot; Amen.

4

NIEUWE HANDLEIDING.

ocr page 58

- 48 -

wien de poorten des hemels schudden, de cherubijnen in het stof nedervallen, de Serafijnen van liefde gloeien, de zon verbleekt, de aarde beeft. Hij, die door den adem zijns monds de bergen als was doet smelten, door wien alles leeft, op wiens wenk alles vergaat. Hij, die in de holte zijner hand de zee bevat, in wiens kroon de hemellichamen als diamanten schitteren. Hij is het, dien men belcedigt door de zonde. En wie is het, die den oneindigen God die beleediging aandoet. De mensch, naar het lichaam een zwak riet, een opgesierd beenderhuis, een levend hospitaal, een hand vol stof, een beeld gevormd uit slijk, eene toekomstige spijs der wormen, eene voorbijsnellende schaduw, een niets; naar den geest, door Gods adem bezield, levend slechts op kosten van den Schepper, hopend slechts op kosten van den Verlosser, beminnend slechts op kosten van den Heiligmaker. Dat is Hij, die het wagen durft God te belee-digen; terwijl hij alles aan God te danken heeft, is hij uit zich zeiven niets. Is dan de zonde geen allerhoogste, geen oneindige beleediging, daar zij den Allerhoogste, den Oneindige treft. O zonde! o bodemlooze afgrond 1 O onoplosbaar raadsel! O onbegrijpelijk geheim! — En al sprak ik hierover nog io, ioo, ioooo jaren lang, en al verklaarde ik met de welsprekendheid der engelen ook maar deze eene zijde der zonde, ik zou hare boosheid nog niet naar hare waarheid geschetst hebben, evenmin als men de zee ledigt door er een emmer vol uit te putten. En al zouden wij millioenen jaren nadenken, hoe groot de beleediging is, die God door de zonde wordt aangedaan, wij zouden hare hoogte nog niet gemeten, hare breedte nog niet uitgerekend, hare diepte nog niet gepeild hebben, en wij zullen nimmer zoover komen zoolang wij niet beseffen, wie God is. En dit zullen wij in eeuwigheid niet, daar Hij onbegrijpelijk voor ons is; bijgevolg zullen wij ook nimmer bevatten, wat de zonde is. Dat weet God alleen, daar Hij alleen zich zeiven kent. Wij zullen dan ook geen ijde-e moeite doen, wij kunnen niets doen dan herhalen dat de zonde is een onbegrijpelijke ongehoorzaamheid, een grenzen-looze dwaasheid, een afschuwelijke ondankbaarheid, een gruwzame onteering, een onuitsprekelijke ontheiliging, eene diepe verachting, een vloekwaardige opstand, een ten hemel schreiende Godsmoord, eene door den Alwetende alleen begrepen

ocr page 59

beleediging Gods is. Ol hoezeer had de H. Joannes Chryso-stomus gelijk toen hij zeide, dat er niets te vreezen was als de zonde, daar zij alleen de eenige ramp is, die ons kan overkomen. En wij, arme zondaars, hebben ons daaraan overgegeven. Wee onzer, want wij hebben gezondigd. Wanneer aan de Israelieten een groot ongeluk was overkomen, dan scheurden zij hunne kleederen ten teeken van rouw en droefheid dan zaten zij treurend neder zonder spijs of drank te gebruiken en zij vervulden de lucht met hunne weeklachten.

Zouden wij dan, nu het grootste ongeluk, de zonde, over ons is gekomen, ongevoelig blijven? Daarom verzuchten wij ook dikwijls met oprecht berouw, met innige droefheid: „wee onzer, want wij hebben gezondigd.quot; Verscheuren wij niet onze kleederen maar onze harten, zitten wij treurend neder, onze dagen doorbrengend in boete en versterving, en roepen wij het medelijden in niet van menschen, maar van den Beleedigde zelf, van den rechtvaardigen, doch tevens oneindig barmharti-gen God. — „Ja, o God, wee onzer, want wij hebben gezondigd. Wij hebben de vriendschap en de gunst van de bedorven kinderen der wereld hooger geschat dan uwe liefde, om een ijdele eer hebben wij verzaakt aan de eer van uwe kinderen te zijn, wij deinsden terug voor de bitterheid der zelfverloochening, wij hebben het ongetemde paard der lichtzinnigheid bestegen, en zorgeloos zijn wij voortgehold naar het veld der zonde. — Waar zullen wij ons verbergen voor uw aangezicht, o Heer!

Doch neen, met den verloren zoon willen ook wij tot u terugkeeren, want Gij zoekt ons, Gij hebt medelijden met onze ellende. Gij bemoedigt ons, en neemt ons in genade aan. Met het hart vervuld van berouw, met de oogen vol tranen van droefheid, keeren wij derhalve terug naar het huis van U, onzen Vader, wij erkennen onze lichtzinnigheid en wij beloven u met de hulp uwer oneindige liefde en genade, u voortaan trouwer te dienen, en te vreezen, wat alleen te vreezen is, de zonde.quot; Amen.

4

NIEUWE HANDLEIDING.

ocr page 60

TWEEDE OVERWEGING.

Df, zondaar op den jongsten dag.

Si Justus vix salvabitur, impius et pec-cator ubi parebunt?

Als de rechtvaardige ternauwernood zalig zal worden, waar zullen dan de goddelooze on de zondaar [blijven?

I Pet. IV. 18.

Zooals wij in de beide laatste overwegingen gezien hebben, is de zonde in lijnrechten strijd met Gods wezen, de heiligheid zelve, waaruit volgt, dat God de zonde verfoeien en vervolgen moet met een oneindigen haat. Dat Hij dit dan ook inderdaad doet, heeft Hij duidelijk bewezen. Of is de plaats van eeuwige folteringen geen bewijs van dien haat, die zelfs door eene eeuwigheid van onuitsprekelijke smarten nog niet voldaan wordt. En de geschiedenis van Christus bitter lijden, spreekt zij ons niet zoo verstaanbaar mogelijk van Gods haat tegen de zonde, daar Hij zelfs Zijn eenigen Zoon niet spaarde, tlie de zonden der menschen op zich genomen had. Doch er zijn er zoovelen, die de waarheid dier feiten niet kennen of loochenen, die de kracht dier bewijzen niet gevoelen of liever niet willen gevoelen. Daarom zal God nog eenmaal een bewijs geven van Zijn gloeienden haat tegen de zonde, een bewijs, dat door iedereen, niemand uitgezonderd, zal worden gezien, een bewijs welks kracht niemand zal kunnen loochenen. Hij zal dat bewijs geven aan hemel, asrde en hel, bij het algemeen oordeel, dien vrees-wekkenden dag, dien de evangelisten met bevende hand beschrijven, en ons afschilderen met aangrijpende kleuren. „Dan, quot; zoo zeggen zij, „zullen er teekenen zijn in de zon, de maan en de sterren. De hemel zal zich in duisternis hullen; de krachten der natuur zullen geschokt worden, en het gerommel van den donder zal als het klokkengelui het naderende einde der stervende wereld aankondigen. De zee zal bruischen, de aarde zal steunen in hare ingewanden, en de menschen zullen verdroogen van angst in bange afwachting van de dingen, die komen zullen. Dan zal op de wolken des hemels het H. Kruis-teeken verschijnen in een stralenkrans, omgeven van de legerscharen der engelen. Dat teeken zal ten vreugde zijn voor de rechtvaardigen, doch den zondaren zal het schrik aanjagen.

ocr page 61

— SI —

want het verkondigt de komst van den grooten Koning, die afrekening zal houden met levenden en dooden, dat wil zeggen, met rechtvaardigen en zondaren. (Soph. I. 14.) Ja, waarlijk voor de zondaars is die dag een dag van gramschap, een dag van verwarring en angst, een dag van ongeluk en ellende. Wat den zondaar op dien dag zal wedervaren, gaat alle verbeelding, alle beschrijving te boven, want vooreerst zal de beschaming, en daarenboven nog de veroordeeling hem treffen. Dien ver-schrikkelijken dag, dié eens zal aanbreken, zullen wij heden ernstig overdenken, opdat wij door de gedachte daaraan met heilige vrees vervuld worden, en door ons zeiven te oordeelen het oordeel des Heeren mogen voorkomen.

I.

Beschaming zal op dien dag den zondaar overdekken.

Nog zijn de tonen die de herauten des goddelijken Rechters uit hunne geweldig klinkende bazuinen gestooten hebben, niet weggestorven, nog weergalmt de aarde van den roep der engelen: idooden staat op en komt ten oordeel,quot; of daar 'gehoorzaamt de Schepping, de rotsen splijten vaneen, de ijzeren poorten der onderwereld worden verbrijzeld, de dood moet zijne prooi afstaan, de zielen uit den afgrond bevrijd, vereenigen zich met de lichamen, die uit de graven verrijzen, en allen komen in het dal van Josaphat bijeen. De engelen als dienaren der eeuwige Gerechtigheid, scheiden de goeden van de kwaden, gelijk een herder de schapen van de bokken afzondert, en plaatsen de goeden rechts, de kwaden links, opdat zij allen loon naar werken ontvangen. Dan zal de zondaar met smaad overladen worden, want alles, wat hij gedaan heeft, wordt dan a.) geopenbaard en wel b.) geopenbaard voor de geheele wereld.

a.) De H. Bernardus onderscheidt een drievoudige komst des Heeren; n. 1. tot den mensch, in den mensch en tegen den mensch. De eerste maal komt Hij tot den mensch, om hem te redden, de tweede maal in den mensch, om hem te te heiligen, de derde maal tegen den mensch, om hem te oordeelen. De eerste komst is Zijne intrede in de wereld door de menschwording, de tweede komst is Zijne nederdaling in het hart door de heiligmakende genade, de derde komst is als

ocr page 62

Zijn verschijnen ten oordeel. De eerste maal is Hij gekomen uit oneindige barmhartigheid, de tweede maal komt Hij uit onuitsprekelijke liefde, de derde maal zal Hij komen uit onverbiddelijke rechtvaardigheid. Dan zal Hij plaats nemen op Zijn verheven rechterstoel, omgeven door millioenen hemelgeesten. Daar wordt het boek voorgedragen, waarin alles staat opgc-teekend, waarover de wereld moet geoordeeld worden. Daarin leest men de zonden, die wij zelf bedreven hebben of waarvan wij de oorzaak geweest zijn. Daarin ziet men al het goede, dat wij hadden kunnen en moeten doen, doch uit traagheid hebben nagelaten. In dat boek staat geschreven, hoevele genaden, aanmoedigingen en verlichtingen die wij ontvangen, misbruikt en in den wind geslagen hebben. Daarin staan al de gedachten en begeerten, die onze ziel bezoedeld hebben, de woorden, waardoor wij God bedroefd en den evenmensch geërgerd hebben, kortom, alle zonden van ons geheele leven naar hun soort, getal en omstandigheden.

Voor het gebruik der aardsche wetenschappen heeft men verschillende soorten van aardsrijkskundige kaarten; men heeft er, die op een betrekkelijk kleine oppervlakte de geheele aardbol te aanschouwen geven; de groote sleden zijn daarop niets meer dan stippen, terwijl de kleinere steden er niet eens op aangeduid zijn; men heeft andere, waarop men alle huizen van een stad kan onderscheiden en tellen; men heeft er ten laatste ook, die de verschillende onderdeelen en de geheele inrichting van een huis aangeven.

Evenzoo, wanneer wij in dit leven, om al onze zonden te kennen, eens een blik achterwaarts werpen, dan is het alsof wij op een wereldkaart zien; wij mogen staren en nauwkeurig zoeken, het kan niet anders of verschillende misslagen zullen aan ons oog ontsnappen; vele overtredingen zijn uit het geheugen gewischt, terwijl de overige niet beschouwd worden in die sprekende kleuren en die scherp geteekende gedaante, welke zij hadden, toen zij bedreven werden. Doch bij het algemeen oordeel zullen wij op ons leven terugzien als op een kaart, die tot in de kleinste bijzonderheden uitgewerkt is. Op het eerste gezicht schijnt alles nog in een duistere wolk gehuld, wij zien niets dan lijnen, doch langzamerhand trekt die nevel voor onze oogen weg en wij ontwaren een leger van misdrijven

ocr page 63

met al hunne verwikkelingen. En hoe langer wij staren, waartoe wij door eene geheim/.innige en onweerstaanbare macht zullen gedwongen worden, hoe langer wij staren, des te duidelijker zal iedere zonde van dat leger zich aan ons oog opdringen, scherp omlijnd met al hare i igene karaktertrekken. Van het eerste oogenolik af, dat wij ei s verstand begonnen te gebruiken tot aan de laatste ademtocht van ons leven zal alles voor onze helderziende oogen worden blootgesteld. Wij mogen in dit leven vergeten, zooveel wij willen, wij mogen ons verstrooien, om niet altijd aan onze fouten te denken, dat zal niets ons baten. Daar zien wij gedachten weder, die eens als een bliksemflits door ons brein gingen, en waarin wij één enkel oogenblik behagen hadden, daar zien wij woorden weder, die in een onbewaakt oogenblik onzen mond ontsnapten, gelijk een vogel de geopende kooi, daar zien wij werken weder, die wij bedreven zónder nadenken, oogslagen, die wij onwilllekeurig geworpen hebben, vreemde zonden, waarvan wij het bestaan zelfs niet vermoedden, doch die wij niettemin veroorzaakt hebben door onzen raad, ons zwijgen, onze toegevendheid, ons voorbeeld. In het leven worden wij dikwijls door onze eigenliefde vervoerd, om onze misslagen en gebreken te verschoonen en te verbergen met voorwendsels, waarvan het geweten öns maar al te dikwijls de nietswaardigheid aantoont; doch die stem in ons binnenste wordt dan tot zwijgen gebracht. Op den laatsten dag echter zal het geweten zoo luide spreken, dat wij gedwongen zullen zijn ernaar te luisteren ; en dan zullen al die ijdele verontschuldigingen slechts dienen, om ons nog meer te beschamen, daar wij dan ons zeiven in al onze boosheid en ellende zullen zien, terwijl wij tijdens ons leven misschien een goeden dunk van ons zeiven hadden. Zoo zal de blinddoek van onze oogen wegvallen

„Als de rechter ten oordeel komt, zal openbaar worden, wat verborgen was, en niets zal ongewroken blijven.quot; (Dies irae.) Dan zullen de zondaars onder het gewicht hunner eigene schande verpletterd worden en zij zullen de bergen en rotsen toeroepen: „Valt op ons en bedekt ons voor het aanschijn van Hem, die ten trone zit.quot; (Apoc. VJ, 16.) Immers indien een spiegel een hatelijk voorwerp is voor een misvormd en ijdel persoon, wat zal het dan zijn, wanneer de zondaar zijne misvormde ziel

ocr page 64

in al hare afschuwelijke naaktheid moet aanschouwen ? En toch zou die beschaming, hoe verschrikkelijk ook, nog te dragen zijn, indien er geene getuigen bij waren. Doch hij zal prijsgegeven worden aan de verachting van allen; de geheele wereld zal zijne verfoeielijkheid aanschouwen en hem verafschuwen.

b.) Lang genoeg heeft de schijnheilige zich verborgen achter hat masker van vroomheid, lang genoeg heeft de christen in naam sich bedekt met den mantel van deugd, lang genoeg heeft hij zijne overheden zand in de oogen gestrooid, de wereld en zich zeiven bedrogen; het is tijd, dat het voorhangsel wegvalle, de misleiding een einde neme. De tijd is gekomen, dat men niet meer de woorden, maar de werken gelooft. (Nahum III. S- 6.) „Zie ik kom, spreekt de Heer der heerscharen, ik zal uwe schanddaden voor uwe oogen ontdekken, en uwe naaktheid voor alle volken en uwe schande voor alle rijken ten toon stellen. Smaad zal ik op u werpen, u met verguizing verladen en u ten voorbeeld stellen.quot; Dan ziet de medebroeder de zonden van zijn medebroeder, de leek die des priesters, de priester die van den leek, de biechteling die van den biechtvader, de biechtvader die van den biechteling, de overste die van den onderdaan, de onderdaan die van den overste. Dan ziet de een, wat de ander achter zijn rug gedacht, gesproken, gedaan heeft, en de andere erkent dan de listen, de plannen en valsche oogmerken van zijn valschen vriend. Dan heeft de wolf zijne schaapskleederen afgelegd, en het geweten van koningen en bedelaars, van geleerden en dwazen, van ouders en kinderen, van christenen en heidenen ligt open ten aanschouwe van een ieder. Dan zien allen de geheimste plooien van eenieders hart. O, wee dan den zondaar, wanneer de duizende volken als in een opengeslagen boek lezen, wat hij in het geheim misdreven heeft. Als in zijn leven die zonden, waarvoor hij zich zeiven schaamt, eens aan zijne ouders en vrienden moesten bekend gemaakt worden, hij zou liever willen sterven, dan die schande te ondergaan. Wat zal het dan zijn, wanneer niet slechts eenigen, maar alle menschen het znllen weten, en hem met verachting zullen aanstaren,, omdat hij zoo diep gezonken is? Terwijl hij dan aan den schandpaal gehecht, de aarde met akelig wanhopige kreten vervult, zal bij zijn blikken laten rondgaan, of hij ten minste

ocr page 65

— 55 —

niet eenig blijk van medelijden mag ontmoeten. Dan zal hij de andere zondaars zien, doch met hoonenden lach zullen zij hem verwelkomen, en hem de woorden van den profeet toevoegen: „Ook gij zijt getroffen als wij.quot; Wij meenden, dat gij het pad der deugd bewand-jldet; het blijkt nu, dat uw deugd slechts schijn en huichelarij was; gij zijt nu aan ons gelijk geworden. Afgerukt is uw masker, weggesleurd naar 't schimmenrijk uw trots, ineengestort is uw lijk, de mot zal uw legerstede, de wormen uwe bedekking zijn.quot; (Isai. XIV. 10.) Dan zal hij zijne oogen vol schiik van hen afwenden, en ze richten naar de rechterzijde, doch nieuwe beschaming wacht hem. Daar zal hij den glans der onschuld zien, die zoovelen reiu bewaard hebben in grooter gevaren, dan hij te doorstaan had. Daar zal hij boetplegingen zien, die zoovelen in stilte geoefend hebben, terwijl hij zich in 't geheim aan de zonde overgaf. Daar zal hij verdiensten zien, die zoovelen verzameld hebben met minder genaden, met zwakker natuur, dan hij had. Op dat gezicht zal hij verzuchten: „dat zijn zij dan, die ik eenmaal heb uitgelachen om hunne werken van deugd, die ik beschimpte. Ik, dwaas die ik was, ik hield hun leven voor uitzinnigheid en hun uiteinde roemloos. Zie, hoe zij nu onder de kinderen Gods geteld worden, en hun aandeel hebben met de heiligen. Zoo ben ik dan afgeweken van den waren weg; het licht der gerechtigheid heeft wel geschenen, maar niet voor mij, ik bleef liever in de duisternis, de zon van kennis is wel opgegaan, maar om voor mij terstond weer onder te gaan. Wat baat mij nu mijn moedwil, waarmede ik Gods geboden overtrad, wat baten mij nu mijne rijkdommen, de gezondheid des lichaams, mijne macht. Dat alles is voorbijgegaan als een schaduw.quot; Zoo zal dan de zondaar spreken, en de uitverkorenen zullen hem aanschouwen met verachting en verfoeiing.

O, hoe zal hij dan die beschaming willen ontvluchten, maar tevergeefs, want elk oog van die millioenen menschen, die hem dan aanstareo, zal zijn als een tweesnijdend zwaard, dat op hem gericht is en hem belet van die noodlottige plaats heen te snellen naar den afgrond van ellende, bereid voor den duivel en zijne engelen.

Doch wat de zondaar dan niet meer zal kunnen, kan hij nog, zoolang hij leeft. Wie wij ook zijn, hoe zwaar wij ook

ocr page 66

mogen misdaan hebben, het staat nog in onze macht die beschaming te voorkomen. God zelf geeft ons daartoe de middelen aan de hand, zij zijn: dat wij ons zeiven en dat wij evenmensch niet veroordeelen. Wij moeten ons zeiven oordeelen, d. w. z. wij moeten niet luisteren naar het pleidooi der eigenliefde, maar naar de aanklacht van het geweten, wij moeten onze overtredingen verbergen onder werken van boetvaardigheid. Als wij ons zeiven oordeelden, zegt de H. Paulus, zouden wij niet geoordeeld worden.quot; Wij moeten onzen naaste niet veroordeelen, want de Zaligmaker zelf zegt ons; oordeelt niet, en gij zult niet geoordeeld worden. Veroordeelt niet, en gij zult niet veroordeeld worden. (Luc. VI. 37.) Vergeeft en u zal vergeven worden, geeft en u zal gegeven worden. Zoo zijn wij meester over ons lot, wij hebben de toekomst in onze handen. Als wij streng zijn voor ons zeiven en barmhartig voor anderen, dan zullen wij op dien schrikwekkenden dag niet met beschaming overladen worden voor de geheele wereld.

II.

Was het nog maar alleen de beschaming, die dien dag voor den zondaar zoo vreeselijk doet zijn! Tot dusverre hebben wij den rampzalige nog maar gezien in tegenwoordigheid zijner medemenschen; de rechter heeft nog niet gesproken. Dan, daar staat Hij op van zijn zetel om met eigen mond het onherroepelijk en rechtvaardig vonnis uit te spreken. Reeds uit het gramstorig gelaat van den Rechter kan de zondaar opmaken, dat zijn vonnis eene veroordeeling zal zijn; sidderend hoort hij dan ook de verpletterende woorden, die hem als een donderslag in de ooren dreunen; „Gaat weg van mij, vervloekten, in het eeuwige vuur, dat bereid is voor den duivel en zijne engelen.quot; (Matt. XXV. 41.) „Gij zult mijn volk niet meer zijn en ik niet meer uw God.quot; (Os. I, 9.) Voorwaar, geen vuur, dat in vernielingskracht bij deze woorden kan halen. Elke lettergreep van dat vonnis stort nieuwe smart uit over den vertwijfelden verdoemeling. Welk eene scheiding, welk een vloek, welk een vuur, welk een gezelschap, welk eene eeuwigheid is het, waartoe de goddelooze veroordeeld wordt! O vernietigend vonnis, dat a.) rechtvaardig is, wijl er niets tegen

ocr page 67

ingebracht kan worden, en tegelijk b.) onherroepelijk, zoodat het niet meer veranderd kan worden.

a.) Wanneer een zoon of een vriend nog niet alle edel gevoel heeft afgeschud, zal het hem ongetwijfeld diep in 't gemoed grijpen, zoo zijn vader of zijn vriend hem om zijn verregaande lichtzinnigheid en onverbeterlijkheid voor altijd het huis ontzegt. Als Filips II, koning van Spanje, eens twee zijner hofdienaren onder het H. Misoffer met elkander zag pralen, sprak hij daarna; „gij beiden komt mij niet meer onder de oogen,quot; en op die woorden van een vergramden koning ontstelden zij zoodanig, dat de een stierf en de ander krankzinnig werd. Welk een verschrikkelijke uitwerking zullen dan op den laatsten dag te veroordeelende woorden hebben in den mond van een vertoorden God. Alleen de eenvoudige bekentenis van Jesus bij zijne gevangenneming; „ik ben het,quot; wierp de geheele gewapende bende ter aarde. Wat zal het dan zijn, wanneer Jesus als wrekend rechter het vonnis van verwerping zal uitspreken over de zondaars. „Weg van mij,quot; uwen Verlosser, dien gij gekruisigd hebt, van den hemelschen Vader, uw Schepper, dien gij veracht hebt, van den H. Geest, wiens genadegaven gij misbruikt hebt; weg van mij en van de allerzaligste Maagd, die ik u als moeder gegeven had, weg van mij en van de engelen, tot wier gelukzalig gezelschap gij ook geroepen waart, weg van mij en van het hemelsche rijk, „gij vervloektenquot; — vervloekt in uwe plannen en oogmerken, vervloekt in uwe woorden en geschriften, vervloekt in uwe werken en genietingen, vervloekt naar lichaam en ziel. „In het eeuwige vuur,quot; dat ik in mijne gramschap heb ontstoken, dat zoo lang zal branden, als mijn baat tegen de zonde duurt, in het vuur, dat brandt en niet verteert, dat pijnigt en niet doodt, dat vlamt en niet verlicht; in den vuurpoel, die bereid is voor den duivel en zijn aanhang Het werd ontstoken voor de oproerlingen in den hemel; dat oproer hebt gij op aarde herhaald, het is billijk, dat gij dezelfde straf ontvangt.

Noodlottige verbanning! Wat zal de veroordeelde daartegen kunnen inbrengen ? „Wat kan ik doen, vraagt Job, als God ten oordeel opstaat, en als Hij mij gaat ondervragen, wat zal ik antwoorden ?quot; (Job XXXI, 14.) „Quid sum miser tunc dic-turus? Wat zal ik rampzalige dan kunnen zeggen?quot; Dat mij

ocr page 68

de noodige genaden ontbraken? Waren dan die goede voorbeelden, die ik zag, die geestelijke lezingen en overwegingen, die ik hield, die vele biechten en Communion, die vermaningen en onderrichtingen, die H. Missen en gebeden, die inspraken van het geweten, waren die allen niet genade op genade f Daarom zullen zij, die met veel minder genaden den hemel verworven hebbsn, tegen mij opstaan. Zal ik mij dan misschien kunnen verschoonen met de zware bekoringen, waaraan ik was blootgesteld, met de gevaren en gelegenheden, waarin ik moest leven, met mijn zwakke natuur, met mijne heftige hartstochten, dia ik te bestrijden had ? Doch waarom heb ik dan aan de bekoringen geen weerstand geboden? waarom toen niet gebeden? waarom de gevaren niet vermeden, de gelegenhede:i niet gevlucht? Waarom de gewone middelen niet aangewend om de hartstochten te dooden? Waarom de biecht van dag tot dag uitgesteld? „Wat zal ik rampzalige dan kunnen zeggen? Zal ik misschien mijne onwetendheid in godsdienstzaken kunnen voorwenden? Maar ik ben toch geen vreemdeling in Jerusalem ? Van mijne jeugd af ben ik onderwezen in de waarheden des geloofs, zoo dikwijls ben ik gewezen op mijne plichten als christen. Heb ik niet dikwijls gehoord, dat ik mij zeiven moest verloochenen, mijn kruis opnemen en Christus navolgen, indien ik mijne ziel wilde redden? Daarom zal ik verstommen evenals die man, die zonder bruiloftskleed was aangezeten, „üp dien dag, zegt dan ook de H. Joannes Chrysostomus, als hemel en aarde, lucht en water en het gansche heelal als getuigen onzer zonden zullen optreden, zullen wij geene verontschuldiging kunnen inbrengen, en ook als alles zwijgt, zullen toch onze gedachten en werken ons bij God aanklagen.quot;

En om ons alle mogelijke kans van uitvlucht af te snijden, zal het gekrenkte, geweten opstaan, en ons toeroepen: „ik heb niet opgehouden u de waarheid te leeren, ik ben niet moede geworden u te herinneren aan de woorden des H. Ceestes: „die het gevaar bemint, zal er in vergaan.quot; (Eccli. III. 27.) Hoe luide heb ik geroepen: „vlucht de zonde! doet boetvaardigheid!quot; Hoe dikwijls maakte ik u opmerkzaam op het goede voorbeeld van anderen. Maar tevergeefs. Het zwijgen werd mij opgelegd, doch ik riep nog luider: „verbeter u; keer terug; het is hoog tijd!quot; Doch ik predikte in de woestijn. Perdilio

ocr page 69

tua ex te, Israel. Gij hebt u zalven ten gronde gericht!quot; (Os. XIII. 9.) Ach, mijn God, zoo worden dan de woorden bewaarheid: „op den dag des oordeels zullen zij zonder hoop en troost zijn, want het geslacht der goddeloozen vindt een ongelukkig einde,quot; (Sap. III. 18.) en ik zal het moeten erkennen: „rechtvaardig zijt gij, o Heer, en billijk is uw oordeel.quot; (Ps. CXVIII. 137.)

b.) Wanneer een schulcige door den gewonen rechter veroordeeld is, kan hij een beroep doen op eene hoogere rechtbank, waar het uitgesproken vonnis dikwijls verzacht, soms geheel vernietigd wordt. Maar op wien zal de zondaar zich beroepen, die door God zelf veroordeeld is? Voor hem is er geen medelijden, geen voorspraak, geen genade meer. Dan spreekt alleen de eeuwige Gerechtigheid; dan komt Hij ons oordeelen, die voor ons veroordeeld heeft willen worden; dan komt Mij rekenschap vragen van ons leven, die het ons door Zijn kruisdood heeft verworven. En Hij, die ons zooveel geschonken heeft, weet ook, wat Hij mag vorderen. Daar zullen wij dan staan zonder verdedigers, zonder toevlucht, zonder kans op hooger beroep. Maar is dan werkelijk ook de laatste straal van hoop verdwenen? Zullen wij dan, ongelukkigen, geen tweeden zegen kunnen ontvangen zooals Ezau ? God versmaadt immers niet een vernederd en verbrijzeld hart; zal Hij dan geene barmhartigheid betoonen op den laatsten dag? Neen, „ver van de zondaars is het heil, zegt de Psalmist, omdat zij uwe wetten niet onderhielden.quot; (Ps. CXVIII. 155.) Neen, zegt Christus, ik zal mij niet ontfermen over u. „Jerusalem, hoe dikwijls heb ik uwe kinderen willen verzamelen, gelijk een hen hare kuikens onder hare vleugelen, doch gij hebt niet gewild!quot; (Matt. XXIII, 37.) „Aanschouwt de wonden, die gij mij geslagen hebt; herkent gij de zijde, die gij doorboord hebt? Door u en voor u is zij geopend geworden, en gij hebt daar niet willen ingaan!quot; (S. Aug.) „Ik heb geroepen, en gij hebt geweigerd; ik strekte mijne hand uit, en gij hebt er niet op gelet. Mijn raad hebt gij in den wind geslagen, en u aan mijne waarschuwingen niet gestoord; nu zal ik ook lachen in uw ondergang en u bespotten!'' (Prov. 1, 24.) „Wat heb ik nog aan mijn wijnberg moeten doen, dat ik niet gedaan heb? Ik verwachtte, dat zij druiven zou voortbrengen, en zij gaf wrange

ocr page 70

— 6o —

vruchten. Oordeelt derhalve tusschen mij en mijn wijnberg 1quot; (Is. V, 3.) Nu zal ik u toonen wat ik daarmede zal aanvangen; de omheining zal ik wegnemen, en hij zal geplunderd worden; den muur zal ik omverhalen en hij zal vertrapt worden. Ik zal hem laten vervallen tot eene woestenij; hij zal niet ^snoeid, noch omgespit worden; distelen en doornen zullen er in opgroeien, en aan Je wolken zal ik verbieden daarover te regenen. De wijnberg is het huis van Israël; zijne schoone planten zijn de mannen van juda; ik heb gewacht, totdat zij zouden doen, wat recht is, en ik zie niets als ongerechtigheid. Daarom geen uitstel, geene genade meer. Wee mij zondaar, wanneer ik zoo in 't nauw gebracht word, quem patronum rogaturus, tot wien zal ik mij wenden, om tenminste door de voorspraak van de vrienden des Rechters eenige verzachting van het vonnis te verwerven. Tot de Moeder van Barmhartigheid, de toevlucht der zondaren ? Doch in mijn leven heb ik niet naar de stem harer moederlijke en liefdevolle vermaningen willen luisteren, zij zal zich dan ook van mij afwenden. De maan zal haar licht niet meer geven, Maria zal zich verbergen. (S. Bernard.) Zullen de engelen dan mijne voorsprekers zijn? Doch de engelen zullen mij niet meer beschermen, daar ik hunne bescherming altijd verijdeld heb. De heiligen dan? Doch ik heb ze niet ook maar van verre willen navolgen, daarom zullen zij mij niet willen kennen. Mijne medebroeders ! Doch zij zullen zich met afkeer van mij afwenden, daar ik hunne vermaningen altijd in den wind geslagen heb. Daar staat echter iemand op om tot God het woord te gaan richten, maar het is de duivel, die juist mijne bestraffing zal vorderen, en tot God zeggen zal: „Gij zijt rechtvaardig. Heer, en billijk is uw vonnis.quot;

De teerling is geworpen, het lot van den zondaar is beslist, het proces is afgeloopen, het vonnis uitgesproken; van nu af zal de hel zijn eeuwige verblijfplaats zijn. Hartverscheurend is het tooneel, wat nu gaat plaats grijpen. De veroordeelde'moet scheiden, scheiden voor eeuwig, scheiden van zijne ouders, broeders, vrienden en bekenden, van de engelen en heiligen, scheiden van het gelukzalig gezelschap, dat ter rechterzijde vergaderd is. „Vaartwel dan aartsvaders en profeten! Vaartwel, apostelen en martelaren! Vaartwel, belijders en maagden! Vaartwel, Cherubijnen en Seraphijnen! Vaartwel allergeluksa-

ocr page 71

ligste Maagd! Gij allen hebt voor mij gedaan, wat in uw vermogen was, maar ik heb mij niet willen redden! Vaartwel, zaligmakend kruis, vaartwel, hemelsch Jerusalem! Vaartwel voor eeuwig, gij gelukkigen, die thans de vreugde des hemels gaat genieten, terwijl ik, in het gezelschap van alle verdoemden en duivels verzink in den afgrond van ellende, waaruit geen redding meer mogelijk is.quot; Krassend van wanhoop en tegelijk met alle zondaars wordt hij voortgesleurd en begraven in den vuurpoel. De ijzeren deuren van dien ontzettenden oven worden gesloten, gegrendeld en verzegeld, en de Rechtvaardige Rechter, die de sleutel meeneemt, zal nimmer meer die poorten ontsluiten. O ijzingwekkend graf, heillooze afgrond! O rechtvaardige God, hoe vreeselijk is het in uwe handen te vallen! O aangrijpend tooneel, bij welks overweging alleen reeds de haren te berge rijzen, en het bloed in de aderen verstijft! — Ach, dat is dan het einde van den hoogmoed, van den nijd, van de gramschap; zoo eindigen dan die zinnelijke lusten; daar loopt clan die geestelijke traagheid op uit; dat is dan de straf voor de ergernis, voor de 'ongerechtigheid, dat is dan het droevig uiteinde van de doodzonde! Diepe beschaming in tegenwoordigheid vatValle menschen, rechtvaardige veroordeeling uit den mond van den Rechter; o wat zijn de vruchten van een zondig leven toch bitter. Zouden wij dan niet alle krachten inspannen om zulk een ramp te ontkomen i Wie zal op dien dag van verschrikking aan den rechtvaardigen Rechter geen aanbevelingsbrief willen vertoonen. Welnu, zoo gemakkelijk kunnen wij ons dien bezorgen, door ons leven te besteden aan de getrouwe onderhouding van Gods geboden. Hij die ons die geboden gegeven heeft, zal ons daarnaar oor-deelen. De geboden Gods ziedaar het wetboek, dat wij, christenen, te onderhouden hebben. En volgen wij dan dien vromen kluizenaar na, die drie bladen papier had; het éóne was zwart, en herinnerde hem aan den dood; het tweede was sneeuwwit en herinnerde hem aan de vreugde des hemels; het derde was vuurrood en herinnerde hem aan het vuur der hel. Zoo moeten wij ook in dat boek met drie bladen eiken dag van ons leven lezen en overwegen; dan zullen wij de zonde vluchten', het goede doen, en zoo niet verloren gaan, maar eenmaal zalig worden. Amen.

ocr page 72

DERDE OVERWEGING.

Dk zondaar in de hel.

Quis potcrit habitare cum igne devo-rnnte. cjuis habitabit cum arcloribus sempitcrnis ?

Wie zal l)ij liet verslindend vuur kunnen wonen, wie zal wonen bij den eeuwigen gloed? (Is. XXXIII. 14.)

Aan de poorten der hel hebben wij afscheid genomen van den zondaar. Met de snelheid van den bliksem is hij neder-gestort in dien jammerpoel, waar eeuwige duisternis, bitter weenen, kreten van wanhoop, de knagende worm des gewetens, verteerende smart en folterende pijnen voor immer zijn deel zullen zijn. De schrikwekkende afgrond is boven zijn hoofd gesloten; de rampzalige is nu in den dood, die niet sterft, in zijn uiterste zonder eind, in de eeuwigheid, die immer opnieaw begint. Bevend van schrik zullen wij hem het lot gunnen, dat hij zich zelf op den hals gehaald heeft. Wij wenden ons af van dat tooneel, doch neen — laten wij hem een bezoek brengen om te zien, hoe het hem daar vergaat 1 Al kunnen wij daardoor niet eenige verzachting aanbrengen in zijne pijnen, dan zal dat bezoek ten minste voor ons toch niet geheel zonder nut zijn, want de H. Joannes Chrys. zegt: „daal tijdens uw leven neder in de hel, om er na dit leven niet te moeten verblijven, want niemand zal in dien vuurpoel vallen, die hem in zijn leven vöor oogen gehad heeft; alleen hij, die hem niet vreest, zal zijne folteringen moeten verduren.quot; Om echter onzen geest niet te zeer in te spannen, zullen wij slechts de pijnen overwegen die hij in zijne vijf zintuigen ondergaat. Welaan dan! Wij dalen af in het land der duisternis, in die einde-looze vuurzee.

Jesus, Maria, Josef, staat ons bij !

I. God is oneindig rechtvaardig, derhalve moet Hij de zonde straffen óf in den tijd óf in de eeuwigheid. In dit leven echter geniet de zondaar dikwijls alle geluk, zijn leven vloeit kalm daarheen, en hij begrijpt niet, hoe men deze aarde een tranendal kan noemen, bijgevolg zal hij na dit leven zijne straf moeten verwachten, God zal hem pijnigen zooals Hij zelf zegt

ocr page 73

juist daardoor, waardoor hij gezondigd heeft. Hij heeft gezondigd met de oogen. Wie zal ze optellen, zijne schandelijke oogslagen, zijne nieuwsgierige, afgunstige, toornige en wraakzuchtige blikken? Gestraft za! hij daarom worden in zijne oogen. Hoe i1

10 dat hij niet ziet, wat hij altijd zoo gaarne zag en

2° dat hij immer zien zal, wat hij niet wil zien.

i0 Het oog ziet gaarne licht en schoonheid, maar noch het één, noch het ander zal het daar zien. Een blinde, hij moge rijk en gezond zijn, hij blijft altijd beklagenswaardig. Dat hij in het boek der jchoone natuur geen letter kan lezen, reeds dit alleen maakt, dat hij zijn leven in droefheid slijt. Hoe bitter beklaagt zich de blinde Tobias: „Hoe kan ik vreugde smaken, daar ik het licht des hemels niet aanschouw!quot; (Tob. V. 12.) Niets is er, wat zulk een ongelukkige opvroolijkt. Hoe smartelijk zpI het dan den verdoemde'zijn, daar hij het eeuwige licht des hemels, de zon der gerechtigheid niet kan aanschouwen. Zoo weinig verlangen hij in dit leven had naar de aanschouwing Gods, zoo vurig zal dan zijn verlangen zijn. Gescheiden van de wereld en alle wereldsche dingen, zal hij Gods onuitsprekelijke schoonheid en beminnelijkheid erkennen en ze schatten als het hoogste geluk des hemels, maar onvervuld blijft zijne begeerte, onbevredigd zijn verlangen. Hoe bedroefd waren de geloovigen van Milete, toen de H. Paulus afscheid van hen nam. Hij herinnert hen aan de leer, die hij hun predikte, aan de vermoeienissen die hij voor hen verduurde, aan de liefde, die hij hen betoonde, en ten slotte zegt hij, dat zij voor de laatste maal zijn gelaat aanschouwen. Op die tijding barst de geheele vergadering in zuchten en tranen los; (Act. Ap. XX. 37.) zij vallen hem om den hals en kussen hem, en met weemoed in het hart doen zij hem uitgeleide naar het schip. Doch wat is het aanschijn en de beminnenswaardige persoon van een Apostel vergeleken bij de oneindige schoonheid Gods? Als de aanschouwing Gods de vreugde der engelen, het genot der heiligen, de zaligheid der zaligen uitmaakt, dan moet ook noodzakelijk de grootste smart der verdoemden daarin bestaan, dat zij voor immer beroofd zijn van het bezit van God. Mochten zij ten minste bij al hunne pijnen de troost genieten God van tijd tot tijd een oogenblik te zien,

ocr page 74

_ 64 -

de hel zou ophouden een hel te zijn, maar neen, nooit zullen zij iets zien, wat zij verlangen te zien; nog meer, zij zullen moeten zien, wat zij niet willen, n. 1. de uiterste duisternis en de afgrijselijkste schrikbeelden.

20 De hel wordt door Job „een duister landquot; (Job X. 21.) genoemd, waar schaduwen des doods wonen; de evangelist Matthaeus noemt haar „het land der uiterste 'duisternis, waar geween is en knarsing der tanden,quot; (Matt. XXII 13.) en de H. Bernardus beschrijft de hel als een plaats waar. tastbare duisternis heerscht. Het is dus duidelijk dat er daar geen sprake is van het weldoende licht, dat ons leven hier op aarde opvroolijkt, ook zelfs niet van eene zachte schemering, die na de duisternis van den nacht met blijdschap wordt begroet. Daar heerscht die schrikwekkende duisternis, waarvan de 9dc egyptische plaag een afbeeldsel is geweest. Drie dagen en drie nachten was het toen in geheel Egypteland zoo stikdonker, dat niemand een ander mensch kon zien, noch van zijne plaats durfde opstaan. Alle licht doofde uit, zoo lezen we in het boek der Wijsheid; (Sap. XVII.) geen kracht van vuur kon de duisternis verdrijven, geen zonnestraal dien akeligen nacht verlichten, somwijlen echter werd die tastbare duisternis door eene ijzingwekkende flikkering verlicht en dan meenden zij spookgedaanten te zien, die hen opjaagden, of wilde dieren, die hen in woeste vaart voorbij ijlden, of wel zij hoorden den slag van nedervallende steenen, of de machtige stem van loeiende beesten of het gesis van schuifelende slangen, kortom alles deed hen van schrik in onmacht zinken. Zulk eene flikkering zal ook van tijd tot tijd de duistere hellekolk verlichten, maar niet tot troost, neen tot grooter smart. En bij dat onnatuurlijk licht zal de zondaar zien en door toorn aangegrepen worden, zoodat hij op zijne tanden zal knarsen en verdorren. „Peccator videbit.quot; De zondaar zal dat stikdonkere hol zien, waarbij de afgrijselijkste kerkers der oude tijden nog niet in vergelijking kunnen komen, hij zal zien dien bodemloozen afgrond, waar geen mogelijkheid is van redding, die afschuwelijke hellegedrochten, die in duizendvoudige gedaanteveranderingen hem telkens opnieuw schrik zullen aanjagen, die knetterende vuurbergen en gloeiende wanden van zijn troosteloos verblijf, die stroomen van zwavel, die bliksemstralen door de hand

ocr page 75

des Almachtiger) geslingerd, die fokerwerktuigen, uitgevonden niet door heulen, maar door de goddelijke wraak tot alli|d nieuwe pijnigingen. „T'eccator videbit.quot; Do zondaar zal zien die millioenen medevervloekten die in vertwijfeling zich zeiven verscheuren en elkander vervvenschen; de verleider en zijn rampzalig slachtoffer zien elkander, en de blik hunner oogen getuigt van onuitsprekelijke verachting. Welk een indruk zal die blik maken op dat oog, dat zoo vurig begeerde alles te zien wat schoon en aangenaam was, een geen traan van medelijden kon storten bij de armoede en het gebrek van anderen, ook geen traan van berouw over eigen zonden en ondeugden. Afgrijselijk gezicht, dat gezicht der heil Voorwaar; de ongelukkige helbewoner zal niet zien, wat hij gaarne zou zien, en bovendien nog moeten aanschouwen, wat hem afgrijzen inboezemt; daarom zal hij vertoornd worden en op de tanden knarsen, want het verlangen der zondaars zal ijdel zijn. O, mochten wij daar dikwijls aan denken, en in die gedachte de kracht vinden onze oogen te bedwingen, ze nimmer te vestigen op zondige of gevaarlijke voorwerpen of personen, opdat wij later niet genoodzaakt zullen zijn, die schriktooneelen der hel te moeten aanschouwen.

11. Afschuwwekkend is het, wat de zondaar in de plaats van kwellingen tegen wil en dank moet zien, even smartelijk zal het zijn, wat zijne ooien moeten aanhooren, want: waarin iemand gezondigd heeft, daarin zal hij ook gestraft worden. Ilij heeft misdaan met het gehoor, door te luisteren naar die slechte of dubbelzinnige taal, die godslasteringen, eerrooverijen, dat kwaadspreken, die lastertaal, vleierijen en leugentaal. Voor al dat misbruiken zijner ooren heeft hij geen boetvaardigheid gedaan, het is derhalve billijk, dat hij daarvoor gestraft worde in de eeuwigheid en wel zoo, dat hij iquot; nimmer hoort, wat hij zoo gaarne zou hooren, en 2'' altijd hoort, wat hij verfoeit.

10 De welluidende tonen van het harpenspel, de zoetvloeiende klanken en rijke akkoorden van het orgelspel, de bezielde stemmen van schoone melodieën en symphonieën, het liefelijke gezang der vogels, het geklater van een waterval, ook geestdriftvolle voordrachten, vroolijke gesprekken, aangename scherts en opgeruimd lachen, hoe gaarne wordt dat alles niet aange-

N1EUWE HANDLEIDING. 5

ocr page 76

hoord; hoe kan dat een mensch zoodanig aangrijpen, dat hij geheel van stemming verandert, en hem van somber en neerslachtig als hij soms is, plotseling tot het andere uiterste van uitgelaten dartelheid kan vervoeren. En al moge, hetgeen de mensch hoort, die overweldigende uitwerking niet hebben, toch brengt een liefelijk geluid den mensch in eene zachte stemming en lenigt dikwijls groote smart. Doch ook deze verzachting is ontzegd aan die plaats van eeuwigdurende folteringen. Niets wordt daar vernomen, dat het gehoor op eeni-gerlei wijze kan streelen. En bleef het daar nog maar bij. Eene volmaakte stilte, hoe gewenscht soms voor eenigeoogen-blikken, zou op den duur onuitstaanbaar worden.

20 Dit zou echter voor de verdoemelingen nog eene al te lichte straf zijn. Tegen wil en dank zullen zij altijd gehuil, gekerm, gezucht hooren; razen, vloeken, godslasteringen en verwenschingen. Ziedaar, wat hun oor voortdurend zal verscheuren. Wij vinden het onaangenaam altijd te moeten zijn in gezelschap van iemand, die voortdurend klaagt; wij vermijden zulk een mensch zooveel mogelijk; het onophoudelijk weenen van kleine kinderen is ons reeds lastig, het voortdurend blaffen van een hond put ten laatste het taaiste geduld uit. Maar wat is dat alles, vergeleken bij het eeuwige tandengeknars der helbewoners, bij het knetteren der vlammen, bij het kraken en vaneensplljten der rotsen, en den doffen nagalm, die eeuwig in hunne ooren zal klinken, den nagalm van hun vonnis: „Weg van mij, uw God en Heer, zonder Wien gij nimmer gelukkig kunt zijn, weg van mijn vaderhart, dat u veracht en verstoot! Weg van mij, vervloekten, — vervloekt door mijnen mond, die u een onverzoenlijken haat heeft gezworen, vervloekt door Maria, die uwe moeder niet is, vervloekt door alle engelen en heiligen, die met u geene gemeenschap meer hebben, vervloekt door den hemel, waarop gij geen i*cht meer bezit, vervloekt door de aarde, die gij verlaten hebt, vervloekt door de hel, die gij bewoont.quot; Zoo dreunt het immer en altijd voort in dat land van eeuwige marteling, en tujschen de hartverscheurende kreten der gefol-teyden en de spottende verwenschingen der duivelen klinkt het altijd weer opnieuw: ,,Wag van mij, naar het eeuwig vuur.quot; Welk eene afgrijselijke kwelling voor de ooren! O,

ocr page 77

— 67 —

mochten wij toch dikwijls daaraan denken, en in die gedachte de kracht vinden om boetvaardigheid te doen voor' het misbruik, wat wij van onze ooren gemaakt hebben, om ze voortaan te versterven en niet meer te luisteren naar zondige gesprekken.

III. Niet minder smartelijk dan de kwelling van het gehoor, zal de straf zijn, die de zintuigen van den smaak, de long en bet gehemelte, zullen moeten verduren. Hoe dikwijls hebben zij den zondaar verleid tot snoeplust en zinnelijkheid in spijs en drank, tot overtreding der vastengeboden, tot overdaad en gulzigheid; hoe dikwijls ook is de tong het werktuig geweest van slechte gesprekken, van vloeken, spotten en lasteren. Al de zonden, door tong en gehemelte bedreven, zullen ook in die lichaamsdeelen gestraft worden i0 door onverzadigbaren honger, 2° door gloeienden dorst

1° Welk een scherp zwaard de honger is, kunnen wij zoo niet uit eigene, dan toch uit anderer ervaring opmaken. Hoe duidelijk bewijst de geschiedenis niet door vele schrikwekkende feiten tot welke uitersten de honger den mensch kan drijven. Esau verkoopt van honger zijn eerstgeboorterecht voor een engelen schotel linzemoes. Bij de belegering van Jerusalem at men om den honger te stillen leer en perkament, ja het is gebeurd, dat moeders hunne eigene kinderen hebben gegeten. In het leger van koning Cambyses werd, nadat reeds alle paarden en het leer opgeteerd waren, van elke 10 soldaten door het lot 1 aangewezen om geslacht en opgegeten te worden. Men verhaalt zelfs van een koning van Denemarken, Hasmond, dat hij n.i eerst zijne paarden en honden gegeten te hebben, daarna zich zei ven het vleesch af knaagde. In Parijs werd in de i5de eeuw onder Hendrik IV voedsel bereid van fijngemalen doodsbeenderen. En wat er in diezelfde stad in den laatsten oorlog van 1870 geleden is van den honger, ligt nog versch in het geheugen, hoe men op ratten en muizen jacht maakte, om ze als voedsel te gebruiken. Doch dat alles is nog zwak bij de uitdrukking die de psalmist gebruikt, als hij den honger schetst, die de verdoemden zal folteren. „Fa-mem patientur ut canes,quot; (Ps. LVIII. 7.) zegt hij, zij zullen honger lijden als honden, die van hun meester verjaagd, schuw rondloopen. En wat een hond in zulk een toestand kan nufc-

ocr page 78

tigen, is te walgelijk om genoemd te worden en trouwens aan iedereen bekend. Zoo zullen ook de ongelukkigen in de hel door een onuitstaanbaren honger gekweld worden en nimmer zullen zij iels vinden waarmede zij dien honger zullen kunnen verdrijven.

20 Daarbij komt nog een brandende dorst, die hen onophoudelijk zal verteren. Xerxes, die machtige koning der Perzen noemde een soldaat die hem eens bij een hevigen dorst een weinig troebel water bezorgde, zijn weldoener; de Israëlieten in de woestijn hadden reeds zoovele en zulke groote weldaden van Mozes gekregen, zij hadden dikwerf en zoo duidelijk gezien dat de kracht Gods in hem was, dat zij een onwankelbaar vertrouwen in hem hadden kunnen en moeten stellen; desniettegenstaande werden zij toch door den dorst, die hen kwelde, tot oproer verleid en begonnen zij Ie morren tegen Mozes en tegen God. Lysimachus bood zijn kroon aan in ruil voor een glas water, en toen de tyran Nero voor zijne vijanden moest vluchten, noemde hij zich zeiven nog gelukkig, dat hij zijn dorst kon lessen met het drabbige water, wat hij in een moeras vond. Als wij dit alles overwegen, dan moeten wij besluiten, dat de dorst eene vreeselijke kwelling is, maar toch kan die kwelling hier op aarde niet in vergelijking komen met hetgeen de verdoemden in de hel door den dorst zullen te lijden hebben. Toen de rijke vrek uit het evangelie in de hel begraven lag, smeekte hij, niet om een enkel glas water, zelfs niet om een lepel vol; hij begeerde niet eens, dat Lazams zijn geheelen vinger in 't water zou dompelen, L.uc. XVI, 24. neen, alleen maar, dat hij den top van zijn vinger in het water zou steken, om daarmede zijn brandende tong te verkoelen, en het werd hem geweigerd. Groote God! welk eene marteling, welk eene verbijsterende foltering moet die dorst in de hel zijn, als men één enkele waterdruppel eene verkwikking noemt! Wie kan zich daarvan een denkbeeld vormen 1 — Zoo zullen zij gekweld worden door honger en dorst, zonder ooit eenig voedsel of eenigen drank te zullen verkrijgen. Doch neen, zij zullen spijs ontvangen, maar niet om den honger te stillen; ook drank zullen zij hebben, maar niet om den dorst te lesschen, neen, om tong en verhemelte nog meer te pijnigen. „Ik zal ze spijzigen met alsem, zegt de Heer, en gal zal ik

ocr page 79

hun te drinken geven.quot; (Jer. XXIII, 15.) „Drakengai en onge-neeselijk adderenvergift, dat is hun wijn.quot; (Deut. XXXII, 33.) „Vuur en zwavel, zegt de Psalmist, is de inhoud van hun beker. (Ps. X, 7.) En de H. Joannes verzekert, dat de verdoemde zal drinken van den wijn der goddelijke gramschap, en daarbij met vuur en zwavel zal gekweld worden. Met zulke verschrikkelijke uitdrukkingen schildert het woord Gods de straf voor de overtredingen van tor g en verhemelte. O, mochten wij toch bij het gebruik van spijs en drank daar dikwijls aan denken, opdat wij onzen smaak versterven, en vooral denken wij er altijd aan in onze gesprekken, opdat wij onze long nooit anders gebruiken dan tot eer van God, tot heil en stichting van onzen evenmensch.

IV. En omdat ieder zintuig des lichaatns zijne eigene pijn zal hebben, zal ook het reukorgaan niet verschoond blijven, want, waarin iemand gezondigd heeft, daarin moet hij ook gekastijd worden. De zondaar heeft gezondigd daar hij zijn reukorgaan niet heeft verstorven; hij heeft alles vermeden en verwijderd, wat hem onaangenaam zou kunnen aandoen, hij heeft zich alles veroorloofd en verschaft, wat hem streelde, en daarom zal hij nu gestraft worden door een ondragelijken stank. Als de Goddelijke Zaligmaker over de uitverkorenen en de verworpelingen spreekt, vergelijkt llij de laatsten met bokken. Waarom ? Mij dunkt hoofdzakelijk daarom, wijl de genoemde dieren zich van anderen onderscheiden door hun onaangena-men en akeligen geur. Wat zal het dan ondragelijk zijn in de hel, waar zulke onreine bokken van menschen in tallooze menigte zijn opgesloten ? waar de gekwetste lichamen dier ongelukkige slachtoffers in den eeuwigen poel geroosterd worden, en de walm hunner folteringen zonder ophouden omhoog stijgt? (Apoc. XIV. 11.) Daarom zegt ook de profeet Isaïas: „in plaats van welriekende geur zal er stank zijn,quot; Is. III. 24. en „van hunne lijken zal er stank uitgaan.quot; ibid. XXXIV. 3. — Het gebeurt niet zelden, dat nog levende lichamen een ondragelijken geur verspreiden, als zij door het ongedierte worden aangetast, of reeds bij het leven in bederf overgaan. Zoo was koning Antiochus voor zijn geheele leger ten afschuw; zijne trouwste vrienden en dienaren vluchtten van hem weg. Om

ocr page 80

— 70 —

Herodes, die door de wormen werd veileerd, te verplegen, moesten de dienaren voor veel geld gekocht worden. Maxen-tius, de kerkvervolger, liet de martelaren levend aan lijken vastbinden, om ze door den reuk te martelen; grooter pijniging kon hij niet uitdenken, en inderdaad, moesten wij ook maar een paar dagen in zulk een toestand doorbrengen, wij zouden ziek worden van walging. Maar welke pijn zal dan het reukorgaan der verdoemden moeten verduren, daar, volgens de getuigenis van den Serafijnschen leeraar Bonaventura, een enkele verdoemde genoeg zou zijn, om als hij uit de hel kwam door zijn stank de geheele wereld te verpesten!

V. Dan, allee wat wij tot dusverre beschouwd hebben, het moge vreeselijk en overweldigend zijn, het is toch nog maar kinderspel in vergelijking met de smart, die het gevoel van den verdoemeling zal kwellen. „Waarin iemand gezondigd heeft, zal hij ook gestraft worden.quot; Hoeveel heeft de zondaar niet misdaan door het gevoel! met angstige oplettendheid heeft hij alles vermeden, wat hem onaangenaam en pijnlijk was, hij heeft alles gezocht, en zooveel mogelijk trachten te genieten, wat de zinnen streelde, wat zijn weekelijk lichaam koesterde. Daarom gebiedt de Rechtvaardige; „Geeft hem pijn en kwelling naar evenredigheid van het genot, dat hij genoten heeft.quot; (Apoc. XVIII. 7.) „En hij zal hun vuur geven, opdat zij branden en het- voelen in eeuwigheid.quot; (Jud. XVI. 21.) Wie is er, die de kracht van het vuur kan verdragen? Een vonk op de hand pijnigt ons reeds; een gloeiende kool in de hand, de gedachte alleen reeds doet ons sidderen; als het ons aangedaan werd, wij zouden krankzinnig worden van pijn. Doch hoe ontzettend veel krachtiger zal het helsche vuur zijn, dat kunstvuur, door de wijsheid van God uitgevonden, door Gods gramschap aangestoken, door Zijn adem aangewakkerd? Bij dat vuur vergeleken is al het aardsche vuur gelijk aan eene frissche avondkoelte in de meimaand. En dat grimmige vuur is de eeuwige verblijfplaats van den veroordeelde, het is de inhoud van zijn kelk. „Die menigte veroordeelden is als een hoop vlas, wat door de vlammen verteerd wordt,quot; (Ps. X. 7.) zegt de H. Geest. „Gij zult ze in het vuur werpen,quot; (Eccli. XXI. 10.) zegt de Psalmist, en in de vlammen zullen zij knetteren als

ocr page 81

— V —

doornen, en smelten als was.quot; (Ps. CXXXIX. n.) En de H. Apostel Paulus leett ons, dat Jesus met vuurvfcmmen -wraak nemen zal op hen die God niet erkennen en riet gehoorzamen aan het evangelie van onzen Heer Jesus Christus.quot; (II. Thess. I. 8.) In die zee van vlammen zal de zondaar gelijken op een gloeiend stuk ijzer in den smeltoven. Zijne oogen schieten vuur, zijn adem is vuur, uit zijne ooren komen vlammen, hij is geheel vuur, hij voedt het vuur en het vuur voedt hem, hij is in het vuur, dat verteert en behoudt, dat vernielt en herstelt, dat altijd pijnigt en nimmer doodt; het vuur is daar gelijk aan zout, dat het vleesch voor bederf bewaart en het geheel doordringt. „Een ieder wordt daar in het vuur gezouten,quot; Maijc. IX. 48. zegt de evangelist Marcus. In zulk een wanhopigen toestand zoekt hij den dood en vindt hem niet, wenscht hij te sterven, en de dood ontvlucht hem, zucht hij en niemand ontfermt zich over hem, roept; hij uit de diepte en niemand luistert naar hem, klaagt hij van smart en niemand troost hem. O welke gruwzame pijn is die pijn van het gevoel in de hel! En voeg daarbij nog alles, wat ge vreeselijks en angstwekkends kunt uitdenken, het blijft toch maar een flauw beeld van die ons begrip ver te boven gaande kwelling der hel, wamt „geen oog heeft het gezien, geen oor heeft het gehoord, en nooit is het in eens menschen hart opgekomen, wat God bereid heeft, voor die Hem niet dienen, die Hem beleedigen.quot;

„O schrikaanjagend land, land van pijn en ellende, land waar geen orde, maar eeuwige wanorde heerscht. Ik schrik er voor in de handen van den levenden dood en het stervende leven te vallen. Ik sidder over het geheele lichaam, wanneer ik aan die plaats van folteringen denk!quot; roept een H. Bernar-dus uit, en wij, zondige menschen, zullen wij dan geen vrees gevoelen, zullen wij nog meer zondigen?

Dat moge hij doen, die zich sterk genoeg acht, het in het eeuwige vuur te kunnen uithouden, maar wij niet, o God. Wij verzaken aan de zonde, wij veroordeelen, verfoeien en vervloeken ze; wij willen ze betreuren, ze biechten, ze door boetvaardigheid en berouw uitwisschen, en ze voortaan vermijden en vluchten in alle eeuwigheid. — Amen.

ocr page 82

— 72 —

DERDE DAG-.

EERSTE OVERWEGING.

Over de lauwheid.

Surge, qui dormis, et illuminabit te Christus.

Stu op, gijr die slaapt, en Christus zal u verlichten. (Eph. V. 14.)

ot nu toe heeft de Heer zoo niet uitsluitend, dan toch hoofdzakelijk tot het hart van diegenen gesproken, die van Zijn dienst zijn afgevallen, die de ware vrijheid voor eene godde-looze slavernij verruild hebben, die het huis verlaten hebben, waarin zij hadden moeten waken en werken. Ook voor de lauwen echter en de jjverigen waren deze woorden des Heereu niet zonder nut, dewijl zij daardoor herinnerd werden aan hunne bestemming, en zij de afschuwelijkheid der zonde en hare vreeselijke straften wederom overwegende, nieuwe voornemens gemaakt hebben om die grootste aller rampen te vluchten. Nu echter wil de liefdevolle Heiland zich tot de lauwen wenden met het oogmerk hen te wijzen op het gevaarvolle van hun toestand, hen te beteren en hen met het vuur Zijner liefde te ontvlammen; Hij is niet tevreden als wij al het kwaad zorgvuldig vermijden. Hij wil bovendien nog, dat wij het goede met heiligen ijver zullen volbrengen. Dan, de grootste bekwaamheid van een geneesheer is niet in staat om een gevaarlijk zieken mensch te genezen, die zijn toestand niet inziet, die n«et eens gelooft, dat hij ziek is, en daarom de hem aangeboden geneesmiddelen hardnekkig weigert te gebruiken. Evenzoo kan ook de goddelijke Geneesheer der zielen den lauwen christen niet genezen van die tering der ziel, zoolang de lijder rijet erkennen wil, dat hij eigenlijk een stad is zonder verdedigingsmiddelen, een onbebouwde akker, een stilstaand water, zoolang hij gelooft, dat hij niet misdoet in zijne gesprekken, dat zijne gehoorzaamheid alleen wit eerbied en plichtbesef voorkomt. Als de lauwe niet inziet dat zijne liefde zonder gloed, zijn gebed zonder aandacht is, dat zijne overwegingen zonder nut en stichting, zijne godvruchtige werken zonder degelijken grondslag zijn, is er geen hoop op zijne genezing, Kennis

ocr page 83

— 73 —

derhalve van liet gevaar, waarin hij verkeert, ziedaar, wat hem hoofdzakelijk noodig is. Om ons dan wet te overtuigen van de zwaarte en de gevaarlijkheid der ziekte, willen wij luisteren, wat de goddelijke Zaligmaker tot den lauwe spreekt. Stellen wij ons dan in de tegenwoordigheid Gods, en bedenken wij hoe de lauwheid verafschuwd wordt 10 door God den Vader,

2° door God den Zoon,

3° door God den H. Geest.

Bidden wij met aandrang, dat de H. Drievuldigheid met een drievoudigen lichtstraal ons verstand verlichte, opdat wij ons zeiven wel mogen kennen, en wat Haar in ons mishaagt, bitter beweenen en spoedig verbeteren. Verzuchten wij dan met het schietgebed: „Kom ons te hulp, o Jesus, kom ons te hulp!quot;

I.

Wat is de lauwheid? De lauwheid is geen donkere nacht, doch ook geen klaatlichte dag; zij is het twijfelachtig duister der avondschemering, dat den nacht voorafgaat. Wat is de lauwheid? Zij is niet de koude dood, doch ook niet het frissche leven, maar eene ziekte, die den naderenden dood aankondigt. Wat is de lauwheid? Zij is niet de ongenade Gods, doch ook geen ware liefdegloed, maar eene geestelijke ziekelijkheid; zij is geen gezworene vijandschap, doch ook geen innige vriendschap, maar koele onverschilligheid; zij is een heen en weer slingeren tusschen deugd en zonde, een bedenkelijke toestand tusschen goed en kwaad, een half doen en een half laten, eene traagheid der ziel, die aan God den Vader zeer mishaagt en daarom door Hem verafschuwd wordt.

God de Vader haat de lauwheid niet alleen, omdat zij in zich reeds hatelijk is, maar ook, omdat zij zoozeer strijdt'met het doel, waarmede Hij den mensch geschapen heeft. Als men iemand vraagt, waartoe hij op de wereld is, dan kan hij antwoorden: „vraag het aan Hem, die mij adem en leven heeft gegeven, want ik ben niet uit mij zeiven gekomen, maar God de Vader heeft mij op de aarde geplaatst. En vraagt men dan aan den Schepper, waartoe Hij den mensch heeft geschapen, dan antwoordt Hij: „tot mijne eer heb ik hem gemaakt.quot; —

ocr page 84

Tot Gods eer en verheerlijking akoo, tot zijn lof en roem zijn wij hier op aarde. Wij zijn van God, wij moeten dus ook voor God leven, wij zijn van God alleen, voor Hem alleen dus moeten wij leven; wij zijn geheel van God, geheel ons zeiven moeten wij dus aan Zijn dienst toewijden; wij zijn altijd van God, nooit derhalve mogen wij ons aan Zijne gehoorzaamheid onttrekken, wij zijn overal van God, waar wij ons dan ook bevinden, wij zijn en blijven onderworpen aan Zijne heerschappij. Ons verstand moet Hem kennen, want Hij wil niet alleen van zich zeiven, maar ook van ons gekend worden. Onze wil moet Hem dienen, want Hij wil gediend worden niet alleen door Zijn eenigen Zoon, die Hem gehoorzaam is geweest, zelfs tot den kruisdood toe, maar ook door al Zijne schepselen wil Hij gediend worden. Ons hart moet hem beminnen, want Hij wil bemind worden niet slechts door Zijn Zoon en den H. Geest, den Geest van liefde, niet alleen ook door Zijne hovelingen, de engelen in den hemel, die Hem van aangezicht tot aangezicht aanschouwen, maar ook door ons, die Hem niet anders zien dan door een spiegel, in een raadsel, wil Hij bemind worden. Onze oogen moeten zijne werken oplettend gadeslaan, onze ooren moeten aandachtig luisteren naar Zijne woorden, onze mond moet luide Zijn lof verkondigen, onze handen moeten zich smeekend tot Hem uitstrekken, onze voelen moeten onverpoosd den weg bewandelen, dien Hij ons heeft aangewezen, want willen wij hiernamaals deel-genooten zijn van zijn geluk, van zijne zaligheid, dan moeten wij eerst hier getrouwe dragers van zijn juk bevonden worden. O, welk een eer voor ons, zulk een Meester te mogen dienen, om daarna met Hem te mogen heerschen in eeuwigheid. Doch dit verheven doel van den Schepper werken wij tegen niet alleen, wanneer wij ons geheel daartegen verzetten, zooals wij doen door dc doodzonde, maar ook, wanneer wij niet met al onze krachten medewerken ter bereiking van dat doel. —

Welnu, leggen wij de hand op het hart en vragen wij ons zeiven eens in gemoede af: denkt mijn verstand niet zeer dikwijls aan ijdele dingen, peinst het riet op eer, aanzien, waardigheden en niets waardige genietingen der wereld ? Spelen op het tooneel mijner verbeelding niet allerlei beelden hun ijdelen rol? Is mijn wil niet wankelend en zwak in den dienst van

ocr page 85

God, niet aarzelend wanneer liet er op aankomt een offer te brengen? Heeft mijn wil beslist den oorlog verklaard aan zijne lievelingsneigingen? Herinnert hij niet onwillekeurig aan een tweeslachtig wezen, daar hij nu eens de wereld, dan weder God dient? Wil hij niet twee heeren gelijk dienen? En mijn hart, is dat niet verdeeld ? helt het niet over, nu eens tot medelijden, dan weer tot hardvochtigheid? zoekt het niet steeds de wereld met God in overeenstemming te brengen? Waai is in ons de algeheele overgeving aan God, die wij in de heiligen bewonderen ? Waar is de versterving onzer oogen, de waakzaamheid over onze tong en ooren? Waar is de ingetogenheid in onze handelingen, de aandacht bij het gebed, bij het ontvangen der HH. Sacramenten? Waar is de stipte onderhouding van de geboden Gods en die der H. Kerk, de vervulling der plichten van staat? Wat hebben wij tot dusverre gedaan voor de eer van God, voor den bloei der H. Kerk, voor het heil van den naaste? Voelen wij oprechte droefheid bij het overwegen der beleedigingen, die Gods majesteit worden aangedaan? Woekeren wij met de ons toevertrouwde talenten? Ach, op hoevele punten moeten wij ons zeiven beschuldigen van tekortkomingen, en daaruit leeren wij overtuigend, dat de lauwheid onze ziel heeft aangegrepen, dat wij niet al onze krachten inspannen om te leven tot Gods eer, dat wij derhalve God den Vader tegenwerken. Hieruit volgt onmiddelijk, dat er iets in ons is, wat God de Vader haat en verafschuwt. En zullen wij dat dan ook niet haten?

God de Vader haat de lauwheid, zooals blijkt uit hetgeen de evangelist Matthaeus ons leert. Matth. XIII. 47. Het rijk der hemelen, zoo lezen wij, is gelijk aan een net in de zee uitgeworpen, waarmede men alle soorten van visschen verzamelt. Wanneer het vol is, trekken de visschers het op, en aan den oever nedergezeten, vergaderen zij de goede visschen in de vaten, maar de kwaden werpen zij weg. Alzoo zal het zijn in de voleinding der wereld: de engelen zullen uitgaan, de boozen afscheiden uit het midden der rechtvaardigen en hen in den vuuroven werpen, waar geween en geknars der tanden zal zijn. De goede visschen stellen de rechtvaardigen voor, de kwade visschen de verworpelingen. Maar wat verstaan nu de visschers onder kwade visschen? Niet alleen, die reeds

ocr page 86

— 76 —

dood zijn, maar ook de niageren. Derhalve moet men in de toepassing niet alleen de groote zondaars, maar ook die aan den rand der doodzonde staa^, de lauwen tot de boozen rekenen, die weggeworpen zullen worden. Zouden wij dan niet sidderen voor zulk een lot, of twijfelen wij er misschien aan, of het werkelijk zoo zijn zal? Laten wij dan nog verder luisteren naar hetgeen de Heer zegt. God de Vader haat de lauwheid, en dit bewijst Hij ten duidelijkste door dien tragen knecht te veroordeelen, die zij talent, wel is waar niet had verloren of verkwist, maar het toch ook niet gebruikt had, zooals hij het had kunnen en moeten gebruiken. Hij haat de lauwheid, want Hij zelf heeft die verschrikkelijke woorden in den mond van den profeet Jeremias gelegd: „Vervloekt zij hij, die het werk des Heeren bedriegelijk doet.quot; Jer. XLVIII. 10. Vervloekt derhalve zal zijn niet slechts hij, die den wil des Heeren in 't geheel niet, maar ook hij, die hem maar oppervlakkig lauw en slechts ten halve vervult. Ja, Hij haat de lauwheid in die mate, dat Hij vertoornd tegen den lauwe opstaat en hem de volgende strenge woorden toevoegt; „ik ken uwe werken, dat gij noch koud, noch warm zijt; Apoc. 111. 15—ig. o, waart gij maar koud of warm! Daar gij echter lauw zijt, en noch koud, noch warm, zoo zal ik beginnen U uit mijn mond te spuwen. Gij zegt wel: ik ben rijk, heb overvloed en aan niets behoefte, en gij weet niet, dat gij ellendig, armzalig, arm, blind en naakt zijt. Ik raad u aan, in het vuur gelouterd goud van mij te koopen, opdat gij rijk zult worden, en witte kleederen aantrekke, opdat de tchande uwer naaktheid niet openbaar worde, en uwe oogen met zalf te bestrijken opdat gij zult kunnen zien.quot;

ü vreeselijke waarschuwing! Laten wij dan toch, nu wij heden die stem vernemen, ons hart niet verharden. Laten wij inzien, hoezeer God de Vader de lauwheid haat, die ons arm aan deugden maakt. Vleien wij ons toch niet, dat wij rijk zijn aan geestelijke goederen, maar volgen wij den welgemeen-den raad, dien een liefdevolle Vader ons geeft! Openen wij onze oogen en beschouwen wij onze armoede en ellende, en naderen wij ootmoedig tot den vuuroven der goddelijke liefde, om ons daaraan te verwarmen, en bedekken wij onze naaktheid met het helder witte kleed van goede werken! Smeeken wij

ocr page 87

met aandrang om fle genade, de lauwheid voortaan als eene vergiftige slang te vluchten, niet slechts dewijl zij door Gorl den Vader, maar ook dewijl zij door God den Zoon gehaat wordt.

II.

Een rijk man plantte eens een boompje; het schoot welig op, waarover de heer zich verheugde. Doch zie, daar wordt het op zekeren dag door vijandige handen erg beschadigd. Zoo groot aanvankelijk zijn vreugde geweest was over den voorspoedigen groei van het boompje, zoo groot was nu zijn smart, daar het ten gevolge der mishandeling begon te kwijnen. Door medelijden getroffen, gaf hij het over aan de zorgen van Zijn eenigen Zoon. Deze begeeft zich in den tuin, graaft het kwijnende boompje behoedzaam uit, zoekt er eene geschikte plaats voor, zet liet in den goed bemesten grond, begiet en omheint en verzorgt het jaar in jaar uit. Doch hoe slecht wordt zijne moeite beloond! In plaats van schoone vruchten geeft het niets dan wild opschietende takken. Zal nu ten laatste het geduld des Zoons bij zulk een vergeefschen arbeid niet uitgeput raken r Zal zijne hand niet moede worden dat boompje te verzorgen? Zal hij niet toornig worden, het boompje uitroeien en op diezelfde plaats een ander planten, waarvan hij meer vruchten kan verwachten? Zonder twijfel, zal iedereen zeggen. — Welnu, dat boompje is het beeld van den lauwen christen. God de Vader heeft hem geplant, maar Gods vijand, de duivel heeft in het paradijs den mensch beschadigd en bedorven, waarop de Vader uit droefheid en medelijden hem overgaf aan Zijn éénigen Zoon. Deze heeft den mensch overgeplant op den vruchtbaren grond zijner H. Kerk, Hij heeft hem verkwikt met den dauw zijner hemelsche zegeningen, begoten met liet kostbaar Bloed Zijns harten; dagelijks is Hij den boom komen bezichtigen om hem te steunen en te leiden, kortom Hij deed alles, wat de liefde Hem kon ingeven, en daarvoor verlangde Hij, dat de boom vruchten zou dragen, zooals Hij zelf getuigde: „niet gij hebt mij uitgekozen, maar ik u, opdat gij vruchten zoudt voortbrengen, en uw vrucht zou blijven.quot; (Joes. XV. 16.) En welke zijn de vruchten, die de Heer van den christen mensch verwachtte f

ocr page 88

Zijn het tijdelijke en vergankelijke? Neen, het zijn geestelijke vruchten van deugden en goede werken, die verwacht worden; echter moeten zij niet uit slaafsche vrees voor het strenge oordeel, maar uit liefde tot God ontspruiten, want Christus heeft gezegd: „dit is het eerste en het grootste gebod : gij zult den Heer uwen God liefhebben uit geheel uw hart, uit geheel uwe ziel, uit geheel uw gemoed en uit al uwe krachten!quot; Bij die vruchten van liefde tot God moeten ook vruchten groeien van naastenliefde, want het tweede gebod: „gij zult uwen naaste beminnen gelijk u zeiven, is gelijk aan het eerste; ook vruchten van armoede des geestes, van gehoorzaamheid, want Christus heeft een voorbeeld gegeven, opdat zijne leerlingen, de christenen, het zouden navolgen; vruchten ook van zachtmoedigheid en nederigheid, want Christus roept ons toe: „leert van mij, dat ik zachtmoedig en nederig van harte ben,quot; vruchten van geduld in het dragen van ons kruis want Hij spoort ons aan; „neemt uw kruis op en volgt mij na; vruchten van verachting der wereld, want Hij vermaant ons; „bemint de wereld niet, noch wat daarin is;quot; vruchten van zelfverloochening, want Hij wekt ons op; „die Mij wil navolgen, hij verloochene zich zeiven.quot; Vruchten van versterving, want Hij vermaant ons door den mond van Zijn grooten Apostel: „die Christus toebehooren, hebben hun vleesch met zijne begeerlijkheden gekruisigd.quot; In één woord: Christus verwacht van ons vruchten van deugd en volmaaktheid overeenkomstig zijne vermaning; „weest volmaakt, gelijk uw hemelsche Vader volmaakt is.quot; Welnu, dragen wij zulke vruchten? Laten wij eens onderzoeken. Wij vluchten hetgeen wij zeker als doodzonde beschouwen, doch de dagelijksche zonden vreezen wij niet, en de gewone gebreken en onvolmaaktheden tellen wij weinig. Is dat eene edele vrucht, gerijpt in de zonnewarmte der goddelijke liefde? Wij haten onzen evenmensch niet, maar wij beminnen hem ook niet zoo oprecht, zoo krachtdadig en bestendig als ons zeiven. Is dat de vrucht van ware naastenliefde? Wij bedriegen, stelen of rooven niet; maar wij zijn alleen dan tevreden, als het ons voor den wind gaat. Is dat de ware vrucht van verachting der wereld? Wij gehoorzamen aan de bevelen onzer geestelijke en wereldlijke oveiheden, maar niet gewillig, niet terstond, niet met liefde. Is dat de zoete

ocr page 89

— 79 —

vrucht van gehoorzaamheid? In 't oog vallende misdaden tegen de H. Zuiverheid zullen wij niet bedrijven, maar waarom weerstaan wij niet met meer ijver aan de zinnelijke neigingen ? waarom zijn wij gaarne in gezelschap van personen van het andere geslacht? waarom bestrijden wij niet voortdurend die aangeboren behaagzucht? waarom lezen wij met zekere voorliefde boeken en geschriften die lichtzinnige onderwerpen behandelen? Is dat de lelieblanke bloesem der kuischheid? Wij zullen ons niet in dwazen hoogmoed boven anderen verheffen, maar wij willen toch niet gaarne bij anderen achtergesteld worden; wij gelooven zoo gemakkelijk eenige bekwaamheden en verdiensten te hebben boven anderen. Is dat de liefelijke vrucht der nederigheid r Wij hebben beloofd en vast besloten ons zeiven te verloochenen; maar kunnen het toch niet van öns verkrijgen de eigenliefde te onderdrukken. Is dat al de vrucht der zelfverloochening? Waar zijn dan in ons de vruchten, die wij moeten voortbrengen? De Zoon Gods, die ons met zooveel zorg en moeite heeft opgekweekt, zoekt druiven, en vindt een wilde loot van lauwheid, die niets dan wormstekige 'en wrange vruchten draagt. Zal Hij daarmee tevreden zijn? Zeker niet, want „iedere boom, die geen goede vruchten voortbrengt, zal uitgehouwen en in 't vuur geworpen worden.quot; (Matt. III. 10.) Dat moge misschien niet terstond geschieden, de Heer moge misschien op voorspraak van anderen dien onnutten boom nog eenigen tijd sparen, later toch zal de vloek zeker in vervulling gaan, indien de Heer bij een volgend bezoek nog geene vruchten vindt. (Luc. XIII. 8.) Denken wij aan den vijgenboom, waarvan de evangelist Matthaeus ons verhaalt. (XXI. 19) Als de Zaligmaker op één Zijner reizen honger had, en langs den weg een vijgenboom vond, die wel rijk aan bladeren, maar geheel zonder vruchten was, sprak Hij over dien on-vruchtbaren boom Zijn vloek uit, en hij verdorde terstond. Nu was het nog niet eens de tijd der rijpe vruchten. Was dan in een onbezield wezen in een schepsel zonder vrijen wil, die onvruchtbaarheid als schuld aan te rekenen? Neen, maar de Heer doelde daarmede op de eerste plaats op de Joden, die ook wel rijk aan bladeren waren, maar geene vruchten droegen, op de tweede plaats echter doelde Christus op de tragen en lauwen onder Zijne volgelingen, die gelijk die vijgenboom on-

ocr page 90

vruchtbaar mochten zijn. Daarom zal Jesus ook over ons, ingeval wij onvruchtbaar blijven, die vloekwoorden uitspreken; ,,In eeuwigheid zal er uit u geen vrucht meer vooitkomen.quot; — Schrikwekkend oordeel, dat ons ten duidelijkste getuigt van den haat des Verlossers tegen de lauwheid! Het moet dan wel een gloeiende haat zijn, die den zachtmoedigen Zaligmaker tot zulk een verpletterend vonnis vervoert! Zullen wij daaraan zonder vrees kunnen denken? En, indien wij onze geestelijke traagheid ook nu nog niet verafschuwen, wat verdienen wij dan anders dan op ditzelfde oogenblik evenals die vijgenboom te verwelken en te verdorren? Doch neen, oneindig goede Heiland, wij zullen en willen nimmer beminnen, wat Gij haat, nimmer bedrijven, wat Gij zoo streng veroordeelt. Wij betreuren, wij vervloeken onze lauwheid, onze onverschilligheid. Zij zal verdwijnen uit ons hart, onzen wil, uit onze woorden en werken. Een nieuw geestelijk leven, een nieuwe ijver zal voortaan heerschen op den verlaten troon, en dit nog te meer, daar de lauwheid ooi gehaat is bij God den H. Geest.

III.

De H. Geest haat de lauwheid, dewijl zij weerstand biedt aan de genade. Gelijk het lichaam leeft door de ziel, zoo leeft de ziel door de liefde Gods. De liefde nu wordt bij voorkeur toegeschreven aan den H. Geest; Hij is de persoonlijke liefde en werkt in onze ziel door de genade, opdat zij daarvan doordronger, het leven hebbe, dat wil zeggen: heilig en onbesmet blijve voor zijn aanschijn. Door en met de genade wil de H. Geest ons heiligen, en daarom noemen wij Hem ook den Heiligmaker. Wat doet nu de lauwe christen met de genade van den H. Geest ? Ofwel, hij neemt ze in het geheel niet aan, ófwel hij gebruikt ze niet, ófwel hij misbruikt ze; in ieder geval biedt hij weerstand aan den H. Geest, en maakt zich derhalve een voorwerp van zijn haat.

a.) Voortdurend klopt de H. Geest aan de deur van ons hart, doch hoe dikwijls wijzen wij Hem af! Hij klopt door het goede voorbeeld van zoovele medechristenen en medebroeders, die naar de vermaning des Apostels wandelen, waardig de roeping, waartoe wij allen geroepen zijn; (Eph. IV. i.)

ocr page 91

doch dat stichtend voorbesld treft ons niet. Wij lezen de levens der heiligen en bewonderen hunne deugden, maar zij wekken ons niet op. De H. Geest klopt bij het godsdienstig onderricht, maar wij luisteren niet naar Hem. Hij klopt aan de deur van ons hart door de bedreigingen van onze overheden, maar wij blijven ongevoelig. Hij klopt door de inspraken, door de verlichtingen van ons verstand, door de teedere aanmoedigingen van ons hart, doch dat alles blijft zonder het gewenschte gevolg. — Als het voor een niensch reeds eene pijnlijke be-leediging is door een mensch afgewezen te worden, hoeveel te meer dan voor den H. Geest, als Hij zich afgewezen ziet door een ellendig schepsel, dat geheel van Hem afhankelijk is en zonder Hem niets vermag! — Bedenken wij toch, wat wij doen, als wij den H. Geest afwijzen en Zijne genaden verwerpen !

b.) Doch wij zullen de aangeboden genaden niet altijd versmaden, neen, dikwijls ook nemen wij ze aan. Men ziet ons in Gods huis, wij bidden tegelijk met de andere geloovigen, doch ons verstrooid gebed, onze oneerbiedige houding zeggen duidelijk genoeg, wie wij zijn. Wij naderen tot de tafel des Heeren, wij ontvangen meermalen het sacrament van boetvaardigheid, wij verrichten meerdere geestelijke oefeningen.

Al die genaden nemen wij aan, maar welk gebruik maken wij er van ? — O, hoe spoedig vergeten wij de gegevene vermaningen ! Hoe weinig beantwoorden wij aan de tot ons gerichte aanmoedigingen 1 Welk nut trekken wij uit al de biechten en communiën, uit onze overwegingen en geestelijke lezingen? — Ach, als wij ontwaken, alleen om weer spoedig in te slapen, als wij opstaan, alleen om weldra weer te gaan liggen, als wij beginnen, alleen om kort daarna weer op te houden, als wij de reddende hand wel aangrijpen, maar toch ons zeiven niet redden: zal dat dan aan onzen Helper geen pijnlijk verdriet doen? Wanneer wij aan een bedelaar een rijke aalmoes gegeven hebben, can treit liet ons diep in de ziel, als wij later vernemen, dat hij die aalmoes niet naar onzen wensch heeft besteed. Zal het dan niet evenzoo den H. Geest krenken, wanneer wij iets dergelijks doen ?

c.) Bedroeven wij den H. Geest reeds als wij Zijne genade niet naar behooren gebruiken, dan zal het Hem zeker zwaar

NIEUWE HANDLEIDING. 6

ocr page 92

— 82 —

beleedigen, wanneer wij ze geheel misbruiken. Dat wij dit doen, bewijzen ten duidelijkste de fouten, die wij dagelijks wetens en willens bedrijven; dat bewijst onze ontevredenheid over de beschikkingen der goddelijke Voorzienigheid; dat bewijzen die vrijwillige verstrooiingen en oneerbiedigheden bij onze gebeden; dat bewijzen onze onvoorzichtige gesprekken, onze ongepaste scherts, onze liefdelooze oordeelvellingen; dat bewijst de weinige waakzaamheid over onze oogen en ooren, onze traagheid in het afslaan der onreine bekoringen, onze bevrediging der zinnen; dat bewijzen die uitvallen van gramschap, die uitingen van ongeduld; dat bewijzen ten slotte die strafwaardige nalatigheden in de vervulling der plichten van onzen staat, onze eerzucht, behaagzucht en gemakzucht. Of wat is het anders ? Als wij reeds zoovele jaren lang zoo overvloedige genaden hebben ontvangen en toch nog zoo oivolmaakt, zoo vol gebreken zijn, terwijl anderen met evenveel, ja misschien met nog minder genaden in dien tijd heilig geworden zijn, mogen wij dan niet veilig besluiten, dat wij de genaden van den H. Geest dikwerf hebben verkwist en misbruikt? Welke vorst zal niet vertoornd worden, als hij ondervindt dat een zijner meest bevoorrechte dienaren misbruik maakt van het hem geschonken vertrouwen? Kan het een veldheer onverschillig zijn, wanneer een soldaat, dien hij boven alle anderen verheven heeft, zich schuldig maakt aan allerlei overtredingen? Hoe gevoelen wij ons zeiven, wanneer wij aan iemand weldaden hebben bewezen en wij dan ondervinden, dat hij van die weldaden misbruik maakt? Is er wel iets, dat ons zoo verachtelijk voorkomt als de ondank van hen, die wij uit den nood hebben geholpen? Zal de H. Geest dan niet evenzeer de lauwheid hater., die het kostbaarste goed, de genade, niet gebruikt, maar ze misbruikt, en daardoor rechtstreeks zijn doel tegenwerkt? Met volle recht vermindert Hij daarom de genaden, die Hij vroeger aan den lauwe schonk of onttrekt ze geheel en al; want wie met het hem toevertrouwde talent niet woekert, zal volgens het getuigenis der H. Schrift ervan beroofd worden, en een ander, die het niet begraaft, maar er mede woekert, zal het ontvangen. — En wat zal er dan van ons geworden, als de H. Geest ons zijne genade onttrekt? Wat zullen wij vermogen zonder Zijn goddelijken bijstand?

ocr page 93

- 83 -

Wij zullen vallen, diep vallen; enkele keeren zullen wij misschien nog opstaan, maar ten slotte vallen wij, om voor goed te blijven liggen; dan zullen wij inslapen in de doodzonde, en niemand zal ons meer in dien slaap storen, want reeds toen God ons opwekte, wilden wij liever blijven sluimeren.

Verschrikkelijk uiteinde der lauwheid! Welaan dan, ontwaken wij uit onze sluimering, opdat niet een ander de kroon ontvange, die voor ons is weggelegd; staan wij op, werpen wij ons neder voor Gods aanschijn en smeeken wij onder tranen van berouw: „o Heer, wij bidden u, laat ons genade vinden voor uwe oogen; wij zijn niet waardig uwe kinderen genoemd te worden, doch sta ons toe, dat wij voortapn evenals Ruth ten minste de aren verzamelen, die aan de handen der maaiers ontvallen.quot; Keeren wij dan, onze traagheid betreurende, tot onzen eersten ijver terug, begeven wij ons tot den arbeid op den akker onzer ziel, om uit te roeien, wat verkeerd, en te planten, wat goed is. Worden wij niet moede, zoolang voor ons het licht van den dag schijnt; dan zal de haat der H. Drievuldigheid, dien wij tot nu toe verdienden, door Gods barmhartigheid veranderen in drievoudigen zegen. Zegenen zal ons God de Vader, die ons geschapen heeft, zegenen God de Zoon, die ons verlost heeft, zegenen God de H. Geest, die ons geheiligd heeft, zegenen nu in den tijd en eenmaal in de gelukzalige eeuwigheid. Amen.

TWEEDE OVERWEGING.

Over het vagevuur.

Miseremini mei, miseremini mei, saltern vos, amici mei, quia manus Domini tetigit me.

Ontfermt u mijner, ontfermt u mijner, ten minste gij, mijne vrienden, want de hand des Ileeren heeft mij getroffen. (Job. XIX, 21.)

P^Iébben wij de vele plichten, die het H. Geloof en onze verhevene roeping ons op de schouders leggen, ten minste in de hoofdpunten vervuld, hebben wij de doodzonde steeds als de eenigste en grootste ramp vermeden, of indien wij zoo on-

ocr page 94

gelukkig waren te bezwijken voor de bekoring, hebben wij onze ziel weder afgewasschen in het bad der wedergeboorte, in het H. Sacrament van boetvaardigheid, en hebben wij toch niet geleefd als getrouwe kinderen des lichts, waren wij integendeel in den dienst des Heeren nalatig en traag en scheidden wij uit dit leven met geringe fouten of met de schuld van tijdelijke straffen beladen, wat zal dan ons lot zijn? Zullen wij dan regelrecht opstijgen om plaats te nemen in de rijen der zaligen, of zullen wij door satan medegesleurd worden naar zijn rijk ? Geen van beiden. Den hemel zijn wij nog niet waardig, want slechts de onbesmette deugd mag ingaan om den prijs der onsterfelijkheid uit de hand der goddelijke barmhartigheid te ontvangen; ook de hel verdienen wij niet om de eenvoudige reden, dat wij geen geslagen vijanden van God zijn; derhalve moeten wij, van de vreugde des hemels uitgesloten, zoolang in een tusschenplaats, die men het vagevuur noemt, verblijven, totdat wij door lijden gezuiverd zijn, en alles wat onrein, wat onvolmaakt was, geheel is uitgewischt. — In die plaats van lijden willen wij heden en voortaan alle dagen van ons leven in den geest nederdalen, om de ellende der daar vertoevende zielen te beschouwen, opdat wij van heilzame vrees bevangen, bijtijds maatregelen nemen en alle pogingen aanwenden om niet door de straffende hand des Heeren getroffen te worden. — Moge Maria de Moeder der zielen daartoe den bijstand van boven voor ons afsmeekenl

Rampzalig was het lot, dat Jerusalem trof, den oogappel van het uitverkoren volk Gods. Niettegenstaande de hulp, die het uit Egypte ontving, niettegenstaande het door kunst en natuur bijna onneembaar was gemaakt, moest het zich toch overgeven aan den veroveraar Nabuchodonosor. Met de vertwijfeling de,-wanhoop hadden de inwoners zich verdedigd, met eigen hand hadden moeders hunne kinderen gekookt, om zoo mogelijk, den hongerdood te ontkomen; niets mocht baten. Het uur der vergelding had geslagen; de steenen van het heiligdom werden verstrooid, torens en verdedigingsmuren geslecht, de huizen geplunderd. Duizenden werden verslagen, de zon.;n Israels werden met aarden vaatwerken gelijk gesteld, en de overblij-venden werden met hun koning Zedekias als gevangenen naar Babyion gevoerd. De profeet Jeremias aanschouwt den gehee-

ocr page 95

- 85 -

len gruwel der verwoesting en hij drukt zijne smart daarover uit in klaagliederen, aangrijpend van weemoed. Hij vergelijkt daarin Jerusalem met eene treurende weduwe, aan wie hij deze verzuchting in den mond legt: ,,0 gij allen, die voorbijgaat langs den weg, geeft acht en ziet of er eene smart is gelijk aan mijne smart 1quot; (Thren. r, 12.) Dezen noodkreet, die van een bitter lijden getuigt, kunnen wij in navolging van den H. Bonaventura ook die arme zielen in den mond leggen, die in het vagevuur gepijnigd worden. Ook zij verzuchten met on-uitsprekelijken weemoed : „O gij allen, die nog op aarde zijt, geeft acht en ziet, of er eene smart is gelijk aan de onze iquot; En inderdaad, dien noodkreet zullen wij begrijpen als wij zien i0 hoeveel die zielen in het vagevuur moeten lijden, en daarbij bedenken

20 dat zij zich in het minste niet kunnen helpen.

H

IC» li

lil

1 fit

■■■' 1'

I.

Hoewel de zielen in de zuiveringsplaats overeenkomstig Gods rechtvaardigheid verschillende pijnen moeten verduren naar gelang den aard, en het aantal der te zuiveren zondesmetten en der nog niet geheel afgeboete tijdelijke straffen, worden al de pijnen toch gewoonlijk tot twee soorten teruggebracht: n. 1. de pijn van het vuur, en de straf van het verlies.

a.J Wij zullen ons niet verdiepen in de vraag naar het wezen van dat geheimzinnig vuur, dat door God bestemd is voor die ongelukkige zielen, die Hij toch met eene onuitsprekelijke liefde bemint. De H. Schrift leert ons niet genoegzaam, en de H. Kerk heeft er zich nog niet over verklaard, welk soort van vuur daar brandt. Wij zullen ons liever bepalen bij de werking van dat vuur, bij hetgeen die arme zielen daarvan te lijden hebben, en als wij over dat punt de door God verlichte kerkleeraars ondervragen, dan kunnen zij nauwelijks woorden vinden, krachtig genoeg om de smartelijkheid der pijnen te schetsen. Stellen wij ons eens voor, dat wij op een gloeienden rooster werden gebraden gelijk een H. J.aurentius, dat wij aan het kruis werden genageld gelijk een H. bisschop Nestor, op de pijnbank verscheurd gelijk een H. Vitalis, dat wij den leeuwen werden voorgeworpen gelijk een H. Ignatius,

PW

i •• sTi S*: -i

lil ? m

iï

ocr page 96

— 86 —

dat ons lichaam, na eerst met geesels geslagen te zijn, daarna door de tanden der wilde dieren geheel opengereten, met gloeiend ijzer geblaakt, ten slotte in een net aan een wilden stier werd voorgeworpen en door hem herhaaldelijk in de hoogte geslingerd gelijk een H. maagd Blandina, dat wij eerst vreeselijk mishandeld, dan over potscherven en gloeiende kolen gerold werden gelijk eene II. Agatha, met ijzeren nagelen doorstoken gelijk een H. diaken Daniël, met pijlen doorschoten gelijk een H. Sebastianus, dat wij met het hoofd omlaag boven kokende zwavel werden gehangen gelijk een H. Victorinus of levend begraven gelijk een H. Castulus, verbeelden wij ons, dat wij 20 jaren lang verzuchten in eene duistere gevangenis gelijk Maria Stuart, dat wij langer dan een gemiddeld menschenleven op een smartelijk ziekbed liggen uitgestrekt gelijk de H. Lid-wina van Schiedam, verbeelden wij ons, dat wij dagen achtereen een duldeloozen honger moeten verduren, dat wij aan een verteerenden angst ten prooi moeten zijn evenals iemand, die elk oogenblik naar de galg kan gevoerd worden, of dat men ons het vleesch afrukt gelijk de H. Barbara, of met geweld alle tanden uitbreekt gelijk de H. Apollonia, dat men ons de oogen uitsteekt gelijk den H. Victorieus en Fuscianus, dat men ons de huid van het lichaam scheurt gelijk den H. Apostel Bartholo-meus, denken wij aan alle folteringen, die de heidensche tirannen hebben uitgedacht om de geloofsbelijders te pijnigen, denken wij aan al het lijden en alle smarten die van Adam af door de menschen geleden zijn en nog geleden zullen worden tot het einde der wereld toe: hoe gnawzaarn al die kwellingen bij elkaar genomen ook mogen zijn, het kan nog niet in vergelijking komen met hetgeen de arme zielen in het vagevuur te lijden hebben. De H. Magdalena de Pazzi verzekert, dat al het lijden der martelaren nog maar een lusthof is in vergelijking van de pijnen des vagevuurs. Noem alles op, wat gij wilt, zegt de H. Joannes Chrysostomus, vuur, zwaard, wilde dieren en alles wat gij maar verschrikkelijks kunt bedenken, het is nog geen schaduw van pijn in vergelijking met het lijden dier zielen. De H. Hilarius noemt het een vuur, dat van geen vermoeienis weet. De H. Paus Gregorius schrijft: ik geloof, dat dat voorbijgaande vuur dier zuiveringsplaats on verdragelij ker is dan alle weeën ter wereld. De H. Augustinus spreekt als zijn oor-

ocr page 97

- 87 -

deel uit, dat dat vuur vinniger is, dan alle straffen die men in de wereld lian zien, denken of ondervinden. De H. Thomas is met den H. Gregoiius, Cyrillus en anderen van gevoelen, dat éénzelfde vuur de verdoemden in de hel en de rechtvaardigen in het vagevuur pijnigt, met dit verschil dat het eene eeuwig is, en het andere voorbijgaand, totdat zij volkomen gelouterd zijn. Als dit zoo is, dan zullen wij maar niet beproeven de kracht van dat vuur te schilderen, tevergeefs zouden wij naar eene marteling van den wreedsten beul, naar een ramp van den bloedigsten oorlog, naar eene ellende in de armoedigste hut, naar eene doodende foltering in het grootste hospitaal zoeken, om eenigermate het smartelijk lijden van dat vuurbad te kunnen weergeven. Met alle welsprekendheid der wereld zullen wij het nooit verder brengen, dan dat wij moeten getuigen; de straf van het vagevuur is duizendmaal grooter dan de grootste pijn van dit leven.

b.) Hoe onuitsprekelijk ook het vuur die arme zielen pijnigt, nog veel smartelijker is de kwelling, die zij inwendig verduren, daar zij voor eenigen tijd beroofd zijn van het zalig aanschouwen Gods en daarbij liet folterende bewustzijn hebben hunner bedrevene fouten. Deze kwelling lijden min of meer alle zielen in het vagevuur, ook zij, die geene andere straffen te verduren hebben. Het is den mensch eigen te verlangen naar hetgeen hij bemint, en hoe vuriger de liefde is, des te sterker zal ook het verlangen zijn het voorwerp der liefde te bezitten. De zielen in het vagevuur nu kennen de oneindige volmaaktheid, schoonheid en beminnelijkheid Gods veel beter dan ooit een menschenverstand op aarde haar kan kennen; tengevolge dier boogere kennis Gods achten en beminnen zij Hem als het allerhoogste goed boven al het geschapene, zij verlangen daarom niets zoo vurig als Hem te bezitten en te genieten. Daarenboven krachtens de heiligmakende genade, die zij bezitten, behooren zij toe aan God, en God aan hen. Zij hebben een onbetwistbaar recht op de omhelzingen van hun innig geliefden goddelijker! bruidegom, op het bezit der hemelsche goederen; naar dat volmaakte geluk verlangen zij dan ook met een aandrift, die evenals hunne brandende liefde ons zwak menschenverstand ver te boven gaat.

Groot ongetwijfeld was het verlangen der koningin van Saba

a

m

I 11

iilf

1: flfip

||H

!]

Nin

ïll^l : tl

i:l i

ij

li il

I l

lil ■ llï I V!'.

m : i'ii

!i

i

ocr page 98

— 88 —

om Salomon in al zijne heerlijkheid te zien en zijne wijsheid te bewonderen; groot was liet verlangen van den grijzen Tobias naar de terugkomst van zijn zoon, groot was het verlangen van den aartsvader Jakob om zijn teergeliefden zoon Jozef, dien hij zoo vele jaren als dood beweend had, terug te zien; groot was het verlangen van Absalon om weer tot het aanschijn zijns vaders te mogen worden toegelaten, groot was het verlangen van den grijzen Simeon om den langverwachten Messias te mogen begroeten. Hoe vurig verlangt een arme gevangene naar de vrijheid, een uit den koers geslagene zeevaarder naar eene veilige haven, een in 't buitenland vertoevende zoon naar het dierbaar vaderlijk huis, hoe vurig verlangt eene bruid naar het gelukkig cogenblik, dat haar bruidegom uit de verre landen, waarheen hij vertrekken moest, terugkeert, om haar naar het altaar te geleiden 1 En toch, zulk een verlangen, hoe brandend ook, staat nog mijlen ver achter bij het onuitsprekelijk verlangen van die afgestorvene zielen naar de aanschouwing van hun hoogste en eenig goed, want naar de uitspraak van den H. Antoninus is hunne begeerte zoo vurig, dat geen enkele begeerte, die men op aarde kan koesteren, daarbij kan halen. O, hoe diep moet dan het leedwezen zijn dier vurig beminnende zielen, dat zij nog niet verkrijgen, waarnaar zij zoo verzuchten! Hoe vuriger de liefde is, des te vuriger het verlangen, maar ook des te dieper de smart over het gemis van het voorwerp der liefde. Of wat anders getuigen die heete tranen, die aan de oogen van goede vrienden, ouders en kinderen ontrollen en neervallen op een geschreven brief, een onschatbaar aandenken van een betreurden afgestorvene ? De tranen, die het versch gedolven graf op den stillen godsakker bevochtigen, waarvan spreken zij anders dan van het heengaan van een dierbare, wiens gemis eene vlijmende smart veroorzaakt? Doch wat is de smart eener natuurlijke liefde in vergelijking met de smart welke die zielen ondervinden, die branden van eene bovennatuurlijke liefde tot God en toch van Hem gescheiden zijn? Gelijk het aanschouwen en genieten der Godheid de hoogste zaligheid der engelen en heiligen in den hemel uitmaakt, zoo moet ook het gemis dier zaligheid, het niet-bezitten van den goddelijken Bruidegom voor die arme bruid van het vagevuur, de ondragelijkste

ocr page 99

— Sg —

aller pijnen zijn. Dit getuigt de H. Augustinus, ais hij zegt: „geen bezit te mogen nemen van bet rijk Gods, is zulk eene straf, dat zij met geen enkele kwelling kan vergeleken worden,quot; en op eene andere plaats zegt hij: „bet is eene on-geloofelijke marteling van liet aanschouwen Gods, ook maar voor een korten tijd, verstoken te blijven. Hetzelfde getuigt ook de H. Joës Chrysost, als hij schrijft; „Gods aanschijn te moeten ontberen, zijn gelukzalig genieten te moeten derven, is de allerzwaarste straf.quot; Dit bevestigt de engelachtige lecraar Thomas van Aquine met de woorden: „de herooving Gods is de grootste aller pijnen, die in het vagevuur kunnen gevonden worden.quot; De honigvloeiende Bernardus verzekert: „Zoo zoet is de Heer, dat zelfs zijne korte afwezigheid de grootste smart veroorzaakt.quot; Alle kerkvaders en geestelijke schrijvers getuigen eenparig, dat de berooving van Gods tegenwoordigheid de grootste aller rampen is. — En wat dat gemis nog onnoemelijk smartelijker en grievender maakt, is het knagend bewustzijn van eigen schuld. „Eigen schuld plaagt den mensch het meest,quot; zegt het spreekwoord. En inderdaad: moeten wij soms veel lijden, de overtuiging, dat wij onschuldig zijn, maakt het ons minder zwaar, dan wanneer wij tot ons zeiven moeten zeggen: „wat heb ik dwaas gedaan, wat heb ik onbezonnen gehandeld, wij hebben loon naar werken.quot;

En juist deze beschuldigingen zullen die arme zielen onophoudelijk tot zich moeten richten. Het boek van hun geweten ligt immer open voor hunne oogen, opdat zij daarin zullen lezen, hoevele en welke overtredingen en verzuimenissen zij op hun aardschen pelgrimstocht begaan hebben, en hoeveel trappen zij dientengevolge gedaald zijn in de hemelsche glorie, die hen wacht. Vol droefheid zullen zij dan zich zeiven beschuldigen: „O, hoe gemakkelijk had ik mijn oog van die verleidelijke voorwerpen kunnen afhouden, hoe gemakkelijk had ik mijne oorcn kunnen sluiten voor die eerroovende gesprekken; ik had mijne woorden beter moeten overwegen, mijn drift moeten beteugelen, mijn smaak die voldoeningen moeten ontzeggen, mijne zinnelijkheid die versterving moeten opleggen, mijne hartstochten moediger moeien bestrijden, die opwellingen van ijdelheid en eigenliefde krachtiger moeten onderdrukken, de plichten van mijn slaat nauwgezetter moeten ver-

ocr page 100

— go —

vullen; doch ik was te traag, te lauw, ik was reeds tevreden als ik maar geen groote overtredingen beging, terwijl ik de dagelijksche zonden veel te licht telde: daarom heb ik zelf mij deze ramp op den hals gehaald en wat mij nog oneindig meer leed doet, mijn boven alL's beminnelijken Schepper, Verlosser en Heiligmaker verdriet aangedaan. Ach, had ik toch aandachtiger gebeden, den kostbaren tijd beter besteed, meermalen oefeningen van berouw, goeds meening en liefde verwekt; had ik toch met inniger godsvrucht de H. Missen bijgewoond, nauwkeuriger gebiecht, oprechter boetvaardigheid gedaan; had ik toch grooter liefdewerken gedaan, geduldiger mijn kruis gedragen, mij zeiven meer overwonnen en vernederd, dan zou ik reeds op een schoonen troon gezeten zijn, en droeg ik reeds de schitterende kroon der gerechtigheid; zoo ben ik dan door eigen schuld nog verbannen uit mijn vaderland, zoo verzucht ik nog in den kerker, en mag Hem nog niet aanschouwen, in wien ik geloofd, op wien ik gehoopt, wien ik bemind heb. O, wanneer zal ik dan eindelijk komen en verschijnen voor het aanschijn van mijnen Heer? Ps. XLI. 3. Iedere minuut, iedere seconde mijns levens had mij nader tot God gebracht, iedere gelegenheid, die zich aanbood had mijne verdiensten vermeerderd, iedere genade had zich verdubbeld, iedere bekoring had mij een hoogeren graad van glorie bereid, indien ik naar het voorbeeld der heiligen dat goddelijk toonbeeld aller deugden, Jesus Christus, getrouwer had nagevolgd, doch ik wilde geen hoogeren trap van volmaaktheid bereiken. O, welk eene onherstelbare schade heb ik mij daardoor berokkend, hoeveel lijden mij daardoor op den hals gehaald!'' Zulke wroegingen doorvlijmen die gepijnigde zielen als scherpe pijlen. En, als wij bij het bijzonder oordeel een genadig vonnis mogen vernemen, dan zullen ook over onze lippen dergelijke klachten komen, ingeval wij ons niet beijveren het goede te doen, terwijl wij nog den tijd hebben, ingeval wij voortgaan het gedrag van onze naasten onbillijk te hekelen, ingeval wij morren over de bepalingen en voorschriften onzer overheden, ingeval wij in alles onzen eigen wil, onze eigen inzichten willen doen gelden; wij zullen ook eenmaal bittere klaagliederen aanheffen, wanneer wij aan den maaltijd steeds het beste en smakelijkste verlangen, wanneer wij de plichten

ocr page 101

— 9i —

die wij volgens onzen staat moeten vervullen, niet om God, maar om wereldsche inzichten vervullen, kortom in die plaats van pijnen zullen ook wij eenmaal vol berouw bittere verwijten tot ons zeiven richten, wanneer wij er ons niet op toeleggen onze gewone gebreken te verbeteren en voortgang te maken in de deugd. ,,Vol berouw,quot; ja, en gave God, dat het berouw ons dan baten mocht tot afdoening der schuld, die wij tot den laatsten penning toe zullen moeten betalen! Doch wij weten het allen, het berouw komt dan te laat, de tijd van verdienen is voorbij; er blijft niets over dan geduldig te lijden, want de zielen in het vagevuur kunnen zich in het minste niet helpen.

11.

Een groote troost is het voor de menschen, dat zij elk ongemak des levens kunnen verzachten. De arme kan van huis tot huis gaan en om het dagelijksche brood sineeken. Lijdt iemand koude, hij kan zich dikker kleeden of zich bij het vuur verwarmen. Een zieke kan de hulp van den geneesheer inroepen, kan zich op de linkerzijde keeren, wanneer de rechter hem pijn doet. Een dienstknecht, wien het in zijne tegenwoordige betrekking niet bevalt, ziet uit naar verbetering. De radelooze kan raad gaan vragen bij goede vrienden; de bedroefde vindt allicht een of ander medelijdend hart, dat hem troost en opbeurt; doch de zielen der afgestorvenen missen ook dezen troost, zij kunnen zich zeiven niet helpen, want daartoe ontbreken hun de tijd en de gelegenheid.

n.J De H. Evangelist Joannes Apoc. X. 5. 6. zag in één zijner openbaringen een engel die op de zee en op de aarde stond, en de engel verhief zijne hand ten hemel en bij Hem, die in alle eeuwigheid leeft, die den hemel, de aarde, de zee en al wat daarin is, geschapen heeft, zwoer hij: „dat er geen tijd meer zal zijn.quot;

Deze eed is voor de geloovige zielen letterlijk vervuld. Geen enkele dag, geen enkel uur, geen enkel oogenblik staat meer ter hunner beschikking. Hun proeftijd, hun werktijd, hun zaaitijd, hun diensttijd is voorbij, de pelgrimstocht is volbracht. De nacht waarin men niet meer zal kunnen werken, is voor

ocr page 102

hen aangebroken. Ingegaan in het huis hunner eeuwigheid hebben zij geen tijd meer om deugden te oefenen, om bekoringen te bestrijden, om verdiensten te verzamelen, om boete te doen; tijd en eeuwigheid sluiten elkander uit, want in de eeuwigheid kan et geen opeenvolging van oogenblikken bestaan. Op welken trap van deugd derhalve de onverbiddelijke dood hen gevonden heeft, daar blijven zij in de geheele eeuwigheid, „de boom blijft liggen, waar hij gevallen is.quot; Eccli. IX. 3.

b.) Zij missen den tijd, zij missen eveneens de talrijke middelen en gelegenheden tot voldoening en heiliging, die op aarde ter hunner beschikking waren. Zij bezitten geen tijdelijke goederen meer, om zich door het geven van milde aalmoezen van hunne zonde los te koopen. Zij bezitten geen macht meer om aan hun uiterste wilsbepalingen kracht bij te zetten. Zij kunnen zich niet meer voor een biechtvader neerwerpen, om de absolutie te ontvangen. Zij kunnen den god-delijken Heiland niet meer in de H. Communie ontvangen, nimmer meer in het H. Misoffer, dien afgrond van Gods barmhartigheid, hunne geestelijke belangen door de handen des priesters aan God voordragen, zij kunnen nimmer meer door vasten en verstervingen, door het winnen van aflaten, door verschillende werken van christelijke liefde, door werken, die hoewel op zich zelf onverschillig, toch verdienstelijk zijn zoo zij in staat van genade en met eene goede meening verricht worden, door niets van dat alles kunnen zij hunne dage-lijksche zonden en tijdelijke straffen uitdelgen. „Die zielen zijn zoo arm, zegt de H. Alphonsus Lig., dat zij volstrekt niets hebben om voldoening te kunnen verschaffen.quot; Zij kunnen in dat vuur niet werken, zij zijn altijd in lijdenden toestand, verzekert de H. Bernardus. • Slechts door lijden betalen zij allengs hunne schuld af, totdat de laatste penning is aangezuiverd. De H. Joannes Cap. V._ verhaalt in zijn evangelie van een mensch, die acht en dertig jaren ziek was geweest en tusschen eene groote menigte van kranken, blinden, kreupelen en verlamden lag, wachtende op den engel, die het water van den vijver in beweging zou komen brengen; op de vraag des Zaligmakers of hij gezond wil worden, antwoordt hij dat hij niemand heeft om hem in het bad af te laten. Evenzoo kunnen de zielen in het vagevuur ook voor zich zeiven niets

ocr page 103

verrichten om tot het geluk des hemels te worden toegelaten.

O, hoe onbeschrijfelijk groot moet dan wel hare ellende zijn!

Doch wat zij niet meer hebben, dat bezitten wij nog, God zij gedankt. Wij hebben nog tijd, krachten, middelen en gelegenheden om het goede te doen, het kwade te vermijden. Wat zullen wij en moeten wij ons dan ernstig voornemen? — i0 Uat wij medelijden zullen hebben met die arme zielen, die daar zoo bitter lijden dat wij hun de behulpzame hand zullen reiken om hunne spoedige verlossing te bewerken, dat wij zooveel wij kunnen, barmhartigheid zullen betoonen, opdat wij bij het bijzonder oordeel op onze beurt ook met barmhartigheid mogen behandeld worden. — 20 Dat wij, zoolang het levenslicht voor ons nog schijnt, onzen zondenlast zullen af-boeten en met heiligen ijver alles in 'twerk zullen stellen, wat wij in ons doodsuur zullen wenschen gedaan te hebben. Om echter niet vruchteloos te arbeiden, moeten wij eerst de zonde zelf uitwisschen, want de tijdelijke straffen worden niet vergeven, zoolang de zonde zelf onze ziel nog besmeurt. Beginnen wij dan het werk van boetvaardigheid met eerst onze ziel te reinigen. Onderzoeken wij nauwkeurig ons geweten, verwekken wij een hartelijk en oprecht berouw over alle misslagen, die wij begaan hebben tegen God, tegen ons zeiven, tegen den naaste, tegen de plichten van onzen staat, en werpen wij ons tot eene rouwmoedige belijdenis neder aan de voeten des priesters, vóórdat ons de gelegenheid daartoe wordt benomen. Nog komt ons de Heiland in zijne barmhartigheid tegemoet; Hij opent reeds de deur vóórdat wij aangeklopt hebben; Hij hoort ons reeds, vóórdat wij roepen; vóórdat wij weenen, stort Hij reeds zijne schatten over ons uit, vóórdat wij er om smeeken, hebben wij reeds ontferming gevonden. Hij vaagt niet, hoelang het reeds geleden is, dat wij zijn vaderlijk buis zijn ontloopen. Hij ziet slechts naar ons berouw en luistert slechts naar de zuchten, die over onze lippen komen: „Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en tegen U!quot; Klagen wij dan ons zeiven aan en beweenen wij onze zonden, zoolang God ons nog het leven laat, opdat wij bij de intrede in het andere leven, waar de tranen geen waarde meer hebben, niet tevergeefs behoeven te weenen. „Hier is gebed, daar onderzoek, hier barmhartigheid, daar rechtvaardigheid, hier zacht-

ocr page 104

— 94 —

moedigheid, daar gestrengheid, hier vrijheid van wil, daar oordeel,'' waarschuwt ons de H. Ephrem. En vrijgesproken van onze zonden, en als nieuwe schepselen met Christus uit het graf opgestaan, zullen wij door ononderbroken boeteple-ging onze schulden geheel uitdelgen, zullen wij ook om onze heilige besluiten niet te vergeten en om het vagevuur te ontgaan, dagelijks aan het vagevuur denken, want, die er bestendig aan denkt, zal er niet in komen. Amen.

DERDE ()VERWEGING.

Over de hooge waarde der gehoorzaamheid.

Melior est obedientia quam victimae.

Gehoorzaamheid is beter dan offers.

(i, Reg. XV. 22.)

Xn zijne oneindige barmhartigheid heeft de Heer tot dusverre gesproken tot den grooten zondaar; Hij heeft hem gewezen op. het doel zijns levens. Hij heeft hem laten zien, wat het is Hem, den Algoede, den rug toe te keeren en te zondigen, Hij heeft hem laten zien het oordeel en de eeuwige straffen, die den overtreder zijner geboden wachten in het andere leven. Dezelfde barmhartige God heeft ook gesproken tot de lauwe ziel, Hij heeft erover geklaagd, hoe pijnlijk Hem die lauwheid en onverschilligheid was en tot welk een smartelijk vagevuur zij voert. Dit alles heeft Hij gesproken met een gelaat indrukwekkend door hoogen ernst, terwijl Hij den vinger dreigend had opgeheven, opdat gene zou opstaan uit het graf van Lazarus, deze zich zou oprichten van het rustbed, waarop hij in trage rust was ingedommeld. Daardoor opgeschrikt hebben beiden, de zondaar en de lauwe heilzame besluiten gemaakt, het geweten te reinigen, het leven te beteren en voortaan door nauwgezette onderhouding van Gods geboden een Hem wel-behagelijk leven te leiden.

Om nu den een zoowel als den ander in die goede voornemens te versterken en voornamelijk ook om de tot nu toe vurig geblevene ziel aan te sporen op denzelfden weg voort te gaan, verandert de Heer van stem en taal, zijn gelaat neemt de uitdrukking aan van een teeder minnenden Vader,, en in

ocr page 105

— 95 —

vriendelijke woorden toont Hij aan, hoe voortreffelijk rle gehoorzaamheid, hoe verheven de maagdelijke reinheid, hoe groot het loon der vrijwillige armopde is. Eerst zullen wij overwegen de hooge waarde der gehoorzaamheid !

Gelijk een boom gekend wordt uit zijn hout en uit zijne vruchten, zoo kent men de waarde der deugden uit hun aard en hunne werkingen. Om dan de hooge waarde der gehoorzaamheid goed te beseffen, zullen wij eerst haar wezen en daarna hare werking beschouwen.

I.

Wat is de gehoorzaamheid? Evenals alle vragen, zoo wordt ook deze vraag door verschillenden verschillend beantwoord. Eenigen noemen haar „eene deugd, die de bevelen en voorschriften der overheden tot voorwerp harer beoefening heeft.quot; De H. Thomas van Aquine zegt dat zij is „eene zedelijke deugd, welke den wil des menschen geneigd maakt om den wil der overheid te vervullen.quot; De H. Bonaventura noemt haar een met volle kennis en vrijen wil gebracht offer van eigen wil. Anderen weer verklaren haar als eene nauwgezette, vrijwillige vervulling van datgene, wat bevolen is en omdat het bevolen is. Zij openbaart zich door den inwendigen en uitwen-digen eerbied voor de overheden, door de ootmoedige onderwerping aan hunne verordeningen en door de nauwgezette vervulling van hun kenbaar gemaakten wil.

Uit al deze bepalingen leeren wij, dat de gehoorzaamheid van alle zedelijke deugden de voornaamste en verhevenste is, wel niet van oorsprong, maar toch van waarde; daarom was de Ap. Paulus er bijzonder op bedacht, om alle menschen, van welk geslacht, stand of ouderdom ook, tot ijverige betrachting der gehoorzaamheid aan te sporen. „Kinderen zoo zegt hij, gehoorzaamt uwen ouders in den Heer.quot; (Eph. VI. i ) „Dienstknechten, weest uwen meesters naar den vleesche onderdanig.quot; (Eph. VI. 5.) En tot allen zonder uitzondering zegt hij: „weest gehoorzaam en onderdanig aan uwe overheden, zij toch waken over uwe zielen, als moetende rekenschap daarvan afleggen.quot; (Hebr. XIII. 17.) Nu kun men de waarde dezer deugd nog verhoogen, door zich op eene bijzondere wijze tot

ocr page 106

— 96 —

de beoefening daarvan te verplichten, en hoe zwaarder de verplichting, des te verhevener ook de deugd; grootere verplichting kan men zich wel niet opleggen, dan wanneer men, in eene geestelijke orde tredende, eene plechtige gelofte van gehoorzaamheid allegt, zooals wij dat bij onze H. Professie hebben gedaan. Welk eene waarde zal dan deze deugd verkrijgen voor ons! Om dit te bewijzen, verdeelt de H. Thomas van Aquine de goederen, die de mensch bezit en die hij om God kan verlaten, in 3 soorten; in de goederen der fortuin, de goederen des lichaams en de goederen der ziel. De geringste in waarde zijn de goederen der fortuin, zooals geld en goed; de middelste zijn de goederen des lichaams, zooals: gezondheid, de ledematen en het gebrui'c ervan; de hoogste en edelste zijn de geestelijke goederen, de goederen der ziel: verstand, verbeelding, de vrije wil. Onder al deze goederen is wel de vrije wil het voornaamste, dewijl de mensch daardoor van al het andere een goed of slecht gebruik kan maken. Wat doet nu de grootmoedige ziel, die heldhaftig gelofte aflegt van gehoorzaamheid? Zij veracht uit liefde tot God haar grootste goed; zij doet afstand van eigen vrijen wil om dien zonder voorbehoud te onderwerpen aan den wil van een mensch, de overheid; zij verbindt zich om van zijn wil afhankelijk te zijn en te blijven altijd en overal; van haar eigen wil behoudt zij niet het geringste, zij legt hem geheel aan banden, geeft hem gevangen, doodt hem, gelijk de H. Joannes Damascenus zich uitdrukt, met een geestelijk zwaard, en zoo gedood, brengt zij hem aan God ten offer, niet voor eenige weken of jaren, maar voor den geheelen levensduur. De ware gehoorzaamheid, zegt Petrus Canisius zoo schoon, de ware gehoorzaamheid, die alleen voor God verbindt en het eeuwig heil des menschen bevordert, onderwerpt den mensch geheel en al met zijne werken, niet zijn wil en verstard aan zijne overheden, maakt den mensch geheel gelijk aan het eenvoudig schaapje, dat zich door den herder laat geleiden, waarheen hij wil. De ware gehoorzaamheid bestaat dan ook niet alleen in uiterlijke handelingen, maar door het innerlijke offer van gemoed, wil en hart....quot; Eene waarlijk gehoorzame ziel leeft derhalve niet meer haar eigen leven, zij heeft het verloren, zij is aan zich zelve afgestorven en handelt dus overeen-

ocr page 107

— 97 —

komstig haar goddelijk voorbeeld Jesus Christus. Matth. X. 39. Die gelofte aflegt van gehoorzaamheid, verbindt zich tot een regel, dien zijne oversten hem stellen, verplicht zich tot lederen arbeid, dien zij hem opleggen, tot alle oefeningen, die zij hem voorschrijven; hij stelt zich onder hunne leiding, onderwerpt zich aan hunne tucht, en wijdt zich alzoo geheel toe aan den dienst van God, zoodat hij met den gekroonden profeet naar waarheid kan zeggen: „mijn wezen is zooveel als niets voor u, o Heer.quot; Ps. XXXVIII. 6. Hoe welgevallig aan God dit offer van eigen wil is, zegt de H. Geest met de woorden : Wil dan de Heer brand- en slachtoffers, en niet liever, dat men gehoorzame aan de stem des Heeren? Want gehoorzaamheid is beter dan offeranden, en volgzaamheid beter dan offervet van rammen.quot; I Reg. XV. 22. En waarom? Omdat, antwoordt de H. Paus Gregorius, door slachtoffers slechts vreemd vleesch wordt aangeboden, terwijl men door gehoorzaamheid zijn eigen wil opoffert. Met volle recht beweert daarom de H. Thomas van Aquine, dat men aan God geen groo-ter offer kan brengen, dan wanneer men zijn wil aan dien van een ander onderwerpt. Hieruit zien wij duidelijk, dat de gelofte van gehoorzaamheid de beide andere geloften verre overtreft. Door de gelofte van armoede immers offeren wij uitwendige goederen op, door de gelofte van zuiverheid ons lichaam, door de gelofte van gehoorzaamheid echter brengen wij lichaam en ziel ten offer, alles dus wat wij hebben en zijn, ons geheele wezen. Nu begrijpen wij dat de heiligen geen woorden genoeg konden vinden om de gehoorzaamheid te prijzen en te verheerlijken. Zoo schrijft de H. Augustinus: de gehoorzaamheid is meer waard dan alle andere deugden.quot; De 11. Hieronymus noemt haar eene kunst. Afstand doen van hetgeen men heeft, is geen kunst: dat hebben de heidenen wel gedaan, zooals de wijsgeer Crates, Diogenes en meer anderen, maar afstand doen van hetgeen men is, dat is een kunst van een Christen, en van Apostelen. Thomas a Kempis aarzelt niet de gehoorzaamheid eene soort martelaarschap te noemen. De martelaren offeren hun leven, de gehoorzame het gebruik des levens. Joannes Climacus zegt: onder de gehoorzaamheid leven is niets anders dan zijn last op de schouders van an-

NIEUWE HANDLEIDING. 7

ocr page 108

deren leggen, op de armen van anderen zwemmen en in 't water drijven om niet te verzinken, zonder gevaar de onstuimige levenszee over te steken en wel langs den kortsten weg.quot; ,,0, welk een kostbaar offer is het,quot; roept de II. Richardus a. S. Victore uit, „zijn wil geheel te verloochenen en naar dien van een ander te richten zonder eenig voorbehoud.quot; De H. Thomas v. Aq. gecfc de gelofte van gehoorzaamheid aan als het meest behoorende tot het wezen van een religieuze orde en als datgene, wat iemand eigenlijk tot een religieus maakt. Al leeft men ook in vrijwillige armoede en zuiverheid, ja zelfs al heeft men zich tot daartoe verbonden door eene plechtige gelofte, men is daarom nog geen religieus; om dit te zijn, moet men de gelofte van gehoorzaamheid hebben afgelegd, want de gehoorzaamheid vooral maakt den religieus. Ditzelfde leert ook de H. Bonaventura; de geheele volmaaktheid van een kloosterling, zegt hij, bestaat in den volkomen afstand van eigen wil, om dien van een ander te volgen; en de geloften van armoede en zuiverheid, waardoor wij afstand doen van rijkdommen en vleeschelijke genietingen, zijn slechts hulpmiddelen, opdat wij, vrij van de zorgen des levens en van de banden des vleesches, des te ijveriger ons zouden kunnen toeleggen op de vervulling van onze hoofdverplichting, de gehoorzaamheid. Het zal u derhalve niets baten, voegt hij er nog bij, alle aardsche göederen verlaten te hebben, als gij niet aan uw eigen wil verzaakt, en dien weigert te onderwerpen aan uwe overheden.'' — De H. abt Fulgentius noemt alleen hen ware kloosterlingen, die hun wil afgelegd hebben en bereid zijn, niets te willen of af te wijzen, maar alleen den raad of het voorschrift des oversten volgen. Ja, nu kennen wij u, heilige gehoorzaamheid ! Gij zijt de alpha en omega, het begin en het einde, de ziel van het kloosterleven, het merk-teekcn der uitverkorenen, de geestelijke ladder van Jakob. — /ouden wij u dan niet liefhebben? — Met de heerlijkste getuigenissen van kerkleeraars, met de schoonste aanbevelingen van geestelijke schrijvers toegerust, komt gij mij tegemoet, zouden wij u dan niet met liefde opnemen en met geestdrift omhelzen? Ja, gij en gij alleen zult voortaan ons vaandel, onze engel, onze eenige geleidster zijn, want verheven zijt gij in uw wezen, en daar een goede boom ook goede vruchten

ocr page 109

voortbrengt, kan het niet anders of uwe vruchten, uwe werkingen zullen ook even voortreffelijk zijn als uw wezen!

II.

Met alle waarheid noemt de H. Augustinus de gehoorzaamheid „de moeder van alle deugden,quot; want vooreerst brengt zij in het hart, waar zij ingang vindt, allerhande deugden mee, ten tweede, behoudt en volmaakt zij de reeds aanwezige, ten ten derde drukt zij op alle werken, zelfs op de onbeduidenste en onverschilligste, den stempel van verdienstelijkheid.

1° Als de H. Basilius van de gehoorzame ziel spreekt, vergelijkt hij haar met een bloemperk, dat met veelvuldige bloemen versierd is, en naar alle kanten een aangenamen geur verspreidt. Gelijk de bloemen in den tuin, zoo vindt men de deugden in de ziel van den gehoorzamen religieus. Daar bloeit de gerechtigheid, want de vrije wil, vroeger tot zonde misbruikt, is door de gelofte van gehoorzaamheid gebonden en onderworpen aan de door God gestelde overheid. Door diens wenschen en bevelen te volbrengen, volbrengt hij slechts, wat God wil, die gezegd heeft: „die u hoort, hoort Mij, die u veracht, veracht Mij.quot; Luc. X. 36. Daar bloeit de deugd van ootmoedigheid; want is men waarlijk gehoorzaam, dan wantrouwt men zich zeiven, men veracht de inblazingen der eigenliefde, en vraagt niet naar de bedoeling der oversten. Evenals een schaap zich laat geleiden door den herder en hem overal volgt, zoo laat hij zich door zijne overheden besturen en geleiden, zonder ooit te vragen, naar het „hoe,quot; „waaromquot; of „hoelang.quot; Als hij ooit eene vraag stelt, dan is het die van den Apostel Paulus, toen hij, van het licht des hemels getroffen, uitriep: „Heer, wat wilt Gij, dat ik doen zalrquot; Act. Ap. IX. 6. Als de overste spreekt: „wien zal ik zenden,quot; Is, VI. 8. of „wie zal voor ons gaan?quot; dan antwoordt hij met den profeet Isaias: „zie, hier ben ik, zend mijlquot; Zegt hij iets, dan zijn het deze woorden van David: „bereid is

mijn hart,..... mijn hart is bereid.quot; Ps. LVI. 8. En dit is toch

voorzeker wel het duidelijkste kenmerk van ootmoedigheid. Daar bloeit ook de ware wijsheid en wel in hoogen graad; want die zich onderwerpt aan de bepalingen der overheden.

ocr page 110

- IOO -

legt daardoor alle verantwoording op hen, ontlast zich van duizenderlei moeielijkheden en bezwaren, zorgen en twijfelingen, behoedt zich voor ontelbare misstappen, die hij zou kunnen begaan, indien hij zijne eigene inzichten volgde. „Wie zich zeiven tot meester kiest, zegt de H. Bernardus, maakt zich tot leerling van een dwaas. Ik weet niet, hoe anderen over zich denken, maar wat ik zeg, weet ik uit eigen ondervinding; ik kan veel gemakkelijker anderen in groot aantal besturen, hen met meer zekerheid geleiden, dan mij zeiven alleen.quot; „Het is derhalve eene wijze ootmoedigheid, en eene ootmoedige wijsheid, het besluit te maken voortaan te leven onder

den wil van anderenquot;....... Moge ook de overste in de bevelen,

die hij geeft, dwalen, gij dwaalt toch nooit, als gij gehoorzaamt. Moge hij ook onverstandig zijn, wanneer hij gebiedt, gij zijt toch altijd zeer verstandig, wanneer gij hem volgt. Zoo blind de gehoorzaamheid ook schijnt, zij ziet toch altijd zeer klaar. Zelfs de zonden der overheden, wanneer, zooals helaas kan gebeuren, zij, bij het bevelen zich laten geleiden door afkeer, vooroordeel, zelfzucht, hartstocht of kwaden luim, zelfs die zonden worden voor u een bron van verdiensten, dewijl uwe gehoorzaamheid voortkomt uit heilige liefde. O, hoe voorzichtig en wijs zijt gij derhalve, gehoorzame ziel, gij behoeft nimmer te vreezen, verkeerd geleid te worden, gij zijt zeker, dat God uw geleider is! In het hart van den gehoorzame bloeit ook de deugd van sterkte, want de gehoorzaamheid zet hare beoefenaars aan, hunne ongeregelde neigingen standvastig te onderdrukken, zij schenkt hun de kracht om, moge de menschelijke natuur ook terug deinzen, om de hardste en zwaarste dingen te ondernemen en ten uitvoer te brengen; de gehoorzame kent geen talmen, hij weet niet van uitstellen, traagheid is hem vreemd, hij voorkomt zelfs de wenschen zijner oversten; zijn oogen staan altijd open om te zien, zijne ooren om te hooren, zijne tong is immer gereed om te spreken, de handen om te werken, de voeten om te gaan, zoodra de gehoorzaamheid dat van hem vraagt; een woord, een wenk, een oogslag van zijn bestuurder is genoeg, en zonder talmen spoedt hij zicht voort om de opdracht hem gedaan te volbrengen. Voorwaar een heldhaftige moed, eene onbezweken sterkte, waarvan de gehoorzame ziel blijken geeft!

ocr page 111

In zijn hart bloeit ook de deugd van boetvaardigheid. Nimmer zal hij zich aan de strengheden zijns regels onttrekken ; eiken dag en ieder oogenblik verloochent hij zich zeiven, neemt zijn kruis op en volgt den Heiland na, die gehoorzaam is geweest tot aan den dood des kruisas. Kan men ooit schooner harmonie van deugden bewonderen ? Ünileedt eene waarlijk gehoorzame ziel en gij zult bevinden dat zij alle deugden bezit, volgens de getuigenis van den H. Thomas van Aquine, die zegt: „waar de gehoorzaamheid heerscht, daar kan geen enkele deugd ontbreken.quot; De H. Augustinus had dan wel gelijk, als hij zulk een ziel vergeleek met een bloemperk, waar het oog met welgevallen op rust om de uitgelezen verscheidenheid van schoone en welriekende bloemen, die het daar beschouwt, en wij gelooven den H. Gregorius als hij ons verzekert, dat de gehoorzaamheid de eenigste deugd is, die al de overige in de ziel plant en de reeds geplante behoudt en versterkt.

2° Het is bekend, dat iedere deugd door hare beoefening sterker wordt, evenals de magneet door de uitoefening zijner aantrekkingskracht. Nu is alles, wat ons de heilige regel, alles, wat de oversten ons voorschrijven, niets anders dan de beoefening nu eens van deze, dan weer van die deugd. Als ik derhalve alle geboden en raadgevingen getrouw opvolg, dan oefen ik mij in de daaraan beantwoordende deugden, zoodat ik die behoud en versterk. Zoo vermeerdert de gehoorzaamheid op de voornaamste plaats het geloof; want zij maakt, dat men in de oversten de plaatsbekleeders van God erkent, dat men hun wil beschouwt als Gods wil en zich met geloof daaraan onderwerpt. De gehoorzaamheid vermeerdert de hoop, want wat kan er uit zulk eene geloovige onderdanigheid aan Gods II. Wil anders voortkomen dan het levendigste vertrouwen op Gods bijstand en zegen, een vertrouwen, dat zelfs onder don last der moeielijkste bevelen niet bezwijkt, ja dal integendeel toeneemt, naarmate de moeielijkheden zich ophoopen, een voltrouwen, dat den Apostel bezielde, toen hij uitriep: ,,alies kan ik in Hem, die mij versterkt!quot; — een grenzenloos vertrouwen op Hem, die, wanneer Hij ons een last oplegt, toch altijd machtig genoeg is, onze zwakke schouders (e ondersteunen, opdat wij onder de zwaarte van den last niet zouden bezwij-

ocr page 112

102

ken, een onwankelbaar vertrouwen op Hem, die onze krachten gewogen heeft en ons niets zal opleggen, wat te zwaar is. Is de gehoorzame dienaar niet altijd getrouw en moet dientengevolge ook niet zijne hoop op de eeuwige vergelding ieder oogenblik aangroeien ? Ieder oogenblik immers krijgt hij groo-ter aanspraak die zaligmakende woorden eenmaal te mogen vernemen: „welaan, gij goede en getrouwe dienstknecht, daar gij over weinig getrouw zijt geweest, zal ik u over veel stellen, treed binnen in de vreugde uws Heeren!quot; De gehoorzaamheid versterkt ook de goddelijke liefde; een vuur wordt grooter, naarmate men er meer brandstof in werpt, zoo wordt ook het vuur der goddelijke liefde gevoed en vermeerderd door de offers, die ik aan God breng; dagelijks zal dat vuur zich uitbreiden door het lijden, dat ik uit gehoorzaamheid draag, door de ontberingen, die de gehoorzaamheid van mij vraagt, door de werken van boete, die de gehoorzaamheid mij oplegt, door alles wat ik uit gehoorzaamheid doe en laat, spreek, denk, schrijf, wil en verlang. Kan ik mij nog duidelijker uitdrukken? Luister dan. Iedere schrede, die ik uit gehoorzaamheid zet, is eene schrede verder in de liefde tot God, eene schrede dichter bij den hemel. Zooveel oogenblikken als ik doorgebracht heb in de beoefening der gehoorzaamheid, zooveel graden bezit ik van liefde en genade. Gedragen op de vleugelen der gehoorzaamheid, verhef ik mij altijd hooger en hooger op den weg der volmaaktheid, loop ik met rassen spoed van deugd tot deugd en vlieg ik over alle gevaren, over alle struikelblokken heen, die zich zoo menigvuldig op den levensweg voordoen. Wilt gij de lengte en de breedte eener deugd bepalen, meet ze dan met den maatstaf der gehoorzaamheid, want zij bevat iedere deugd in die mate van volmaaktheid, die zij zelf bezit. Wilt gij uwe deugd vermeerderen, laat u dan geleiden door de gehoorzaamheid, zij zal u oefenen nu eens in het geduld, dan in de nederigheid, nu eens in de versterving, dan in de armoede, in de liefde en in andere deugden, en gij zult daarin voortgang maken, naarmate gij toeneemt in de gehoorzaamheid! Er is nog meer; niet alleen versterkt zij onze deugden, zij versiert ook alle werken, zelfs al zijn zij uit zich Onverschillig, met den glans der deugd, en maakt ze alzoo verdienstelijk voor den hemel.

ocr page 113

— io3 —

3° Eten, drinken, spelen, slapen, loopen enz. zijn op zich zelf beschouwd, onverschillige handelingen en hebben geene zedelijke waardi; doet men Int echter uit gehoorznamheid, dan wordt het geadeld, geheiligd, bovennatuurlijk verhoogd en de eeuwige belooning waardig. Op die onverschillige handelingen drukt de gehoorzaamheid het stempel der deugd, zoodat zij, van hoegenaamd geen waarde als zij eerst waren, gangbare munt worden, waarmede men het rijk des hemels kan koopen. Gelijk iemand, die zich op een zeilend schip bevindt, onder het eten, drinken en slapen toch immer voorwaarts gaaf, dewijl hij door vreemde krachten wordt voortge-stuurd, zoo verkrijgt de gehoorzame altijd nieuwe verdiensten door het verrichten van onverschillige handelingen. (H. Ber-nardin.) De geestelijke orde, zegt de H. Aloysius van Gonzaga, is een opgetuigd schip, waarmede men zonder zich te vermoeien of in te spannen, groote reizen kan maken, daar men niet slechts verdiensten vergadert door vasten, door zich te kastijden, door overwegen, maar zelfs door uit gehoorzaamheid niets te doen, te rusten, te eten, zich te ontspannen, want in dat alles volbrengt men Gods wil. Van hoeveel waarde is dan ook zelfs de nietigste handeling, als zij uit gehoorzaamheid geschiedt. Het moge vreemd klinken, maar toch is het waar, als ik beweer dat uit gehoorzaamheid elen beter is dan vasten zonder gehoorzaamheid, dat uit gehoorzaamheid geschoeid te gaan beter is dan zonder gehoorzaamheid te bevriezen, dat spelen uit gehoorzaamheid beter is dan zonder gehoorzaamheid te overwegen. Wanneer ik nu uit gehoorzaamheid spreek, is dat beter en verdienstelijker dan wanneer ik zonder den zegen der heilige gehoorzaamheid daarginds in China voor Christus gekruisigd zou worden. Wat ik uit gehoorzaamheid doe, is deugd, en wat ik tegen de gehoorzaamheid doe, is zonde. Neen, het is geene overdrijving, als ik met Scaramelli beweer, dat de gehoorzaamheid niet de Midas van de fabel is, maar een Midas in werkelijkheid, die alles wat hij aanraakt, in het kostbare goud der deugd verandert, en die voordeelige verandering past hij toe niet alleen op het koper van in zich onverschillige handelingen, maar ook op het alledaagsche tin van in zich onnutte, onvruchtbare en ijdele werken. Hier hebben wij dus in het zedelijke leven den steen der wijzen, de ware

ocr page 114

— I04 —

werlielijke kunst om goud te maken. Het is dan ook overbodig er nog meer bij te voegen om die voortreffelijkheid dier deugd te laten zien. Wij zeggen het den zaligen Petrus Ca-nisius na: „waar deze hoofddeugd ontbreekt, daar is het gedaan met vrede en eendracht, daar valt de nederigheid, het geduld, de eenvoud, en in de plaats daarvan groeien; onwil, hoogmoed, bedilzucht, gemor, klagen, ontevredenheid, ontrouw, argwaan, eigenzinnigheid, halstarrigheid en meer dergelijk onkruid; waar de gehoorzaamheid den toon aangeeft daar bloeit iedere deugd, want zij baart vele deugden, bevestigt de reeds verworvene en schenkt een hooge waarde aan hetgeen op zicb zelf waardeloos is. Geen wonder derhalve, dat de H. Ca-tharina van Siena uitroept; „O, hoe zoet en heerlijk is die deugd, waarin alle andere zijn opgesloten. Zij is ontvangen en geboren uit de liefde, zij is eene koningin; wie haar tot bruid heeft, is gelukkig, is vol vreugde, en smaakt de zoetste rust. ü gehoorzaamheid, gij schip, dat ons zonder moeite en zonder gevaar in de haven der eeuwige zaligheid brengt. Gij maakt ons gelijkvormig aan den eengeboren Zoon des Vaders. Gij zijt de dageraad, die ons het naderende licht der goddelijke genade aankondigt; gij zijt eene zon, die ons verwarmt, door uw liefdegloed, gij maakt de aarde, dat is alle krachten van lichaam en ziel, vruchtbaar. Gij zijt een verborgen edelgesteente, die door de wereld niet gekend en met voeten

getreden wordt!..... Geen wonder dat de H. Ignatius aan zijne

broeders schrijft: „Hoe vurig ik ook verlang, dat gij met alle geestelijke gaven en deugden verrijkt zijt, zoo wensch ik toch voornamelijk, dat de deugd van gehoorzaamheid het meest in u uitschittere.quot; Zoolang de gehoorzaamheid onder u zal bloeien, zal men ook alle andere deugden zien bloeien en die vruchten zien voortbrengen, welke ik in uwe zielen wensch.quot; Geen wonder, dat de eerbiedwaardige Pater Leonardus,, stichter der orde van de Moeder Gods, aan zijne volgelingen in plaats van alle regels niets anders gaf dan het eenige woord: „gehoorzaamheid,quot; op een vel papier geschreven. Geen wonder, dat de Egyptische kluizenaars het gebouw der volmaaktheid optrokken alleen op de grondslagen der gehoorzaamheid, en dat zij daarom, zooals Gassianus verhaalt, alle bevelen hunner oversten zoo blijmoedig vervulden, alsof het geboden van den hemel

ocr page 115

— IOS —

waren, die zij niet verder moesten onderzoeken. Geen wonder, dat de zalige Petrus Canisius verzekert: ,,met vreugde zal ik mij alles, wat de gehoorzaamheid voorschrijft, laten welgevallen; iedere plaats, die zij mij zal gelieven aan te wijzen, zal zij voor mij in een paradijs veranderen.quot; Geen wonder, dat de H. Theresia uitroept: „als de gehoorzaamheid het vraagt, ga ik tot aan het einde der wereld. Ik geloof zelfs, dat hoe groo-ter de moeielijkheden zijn, ook des te grooter mijne vreugde zal zijn van zulk eene kleinigheid voor zulk een grooten God te kunnen doen, aan wien ik zooveel verschuldigd ben. Het is mijne vaste overtuiging, dat men Hem het meeste dient, door iets te doen uit zuivere gehoorzaamheid aan de overheden.quot; Geen wonder, dat alle geestelijke schrijvers zoo aandringen op de heilige gehoorzaamheid, dat alle stichters van geestelijke orden haar zoo dringend hebben aanbevolen. Geen wonder ten laatste, dat de H. Vader Franciscus in zijn testament schrijft: „ik wil trouw gehoorzamen aan den minister-generaal van deze broederschap, alsook aan iederen gardiaan, dien hij mij zal geven, en ik wil in zijne handen zoo gevangen zijn, dat ik tegen de gehoorzaamheid en tegen den wil van mijn oversten niet zal kunnen gaan of handelen; want hij is mijn heer, dat is, mijn bestuurder in de plaats van God.quot; En hij deed naar zijne woorden. Wat zullen wij nu doen of laten, na dit alles overwogen te hebben? Waren wij gehoorzaam, dan mogen wij tranen van vreugde weenen dewijl wij eene zoo voortreffelijke deugd beoefend hebben, die ons rijk heeft gemaakt aan verdiensten, ons innig met God heeft verbonden, en on.; den hemel nabij heeft gebracht. Waren wij ongehoorzaam, dat wij dan tranen weenen van berouw, en ons verbeteren! In ieder geval, wij willen den gouden sleutel der gehoorzaamheid ter hand nemen om de deur des hemels te openen. Wij willen lot aan het laatste oogenblik van ons leven gehoorzamen met zachtmoedigheid, zonder tegenstreven, niet ijver, zonder talmen, met blijmoedigheid, zonder morren, met nederigheid, zonder tegenwerping, in eenvoudigheid zonder klagen, gehoorzamen vooral met liefde en uit liefde tot Hem, die uit liefde tot ons gehoorzaam ib geworden tot aan den stnaadvollen dood des kruizes. Amen!

ocr page 116

— io6 —

VIERDE DAG.

EERSTE OVERWEGING.

Over ue H. Deugd der engelen.

Eo quod castitatem amaveris, eris be-nedicta in aeternum.

Omdat gij de kuischheid hebt liefgehad, zult gij gezegend zijn in eeuwigheid.

(Judith. XV, ii.)

o zuiverheid, onverzoenlijke vijandin der wellust, der dartelheid, van den opschik des lichaams en der ij delheid in kleeding 1 O zuiverheid, die de uitgezochte spijzen haat en de dronkenschap verafschuwt! Ü zuiverheid, die de oogen beteugelt en het geheele lichaam uit de duisternis naar het licht voert! O zuiverheid, die het vleesch in bedwang houdt en het met het oog ten hemel gericht, beheerscht! O zuiverheid, voedster der heilige liefde en der engelachtige gezindheid! O zuiverheid, die het hart rein bewaart! O zuiverheid, gave Gods, moeder der geestelijke vreugde, dood der treurigheid, gij verlicht den vrome, gij verdrijft de traagheid, gij stort geduld in het hart! O zuiverheid, kostbaar kleinood, gij woont in de zielen der zachtmoedigen en nederigen en stempelt den mensch met het teeken zijner goddelijke afkomst? O zuiverheid, bloeiende roos, voorloopster en huisgenoote des H. Geestes, gij reikt den eere-prijs uit niet alleen aan hen, die altijd maagd zijn gebleven, maar ook aan gehuwden! Gezegende dienaren van den Verlosser, laten wij haar uit geheel ons hart liefhebben, opdat wij vreugde schenken aan den Geest Gods die in ons als in Zijn tempel woont, op.iat wij mogen gezegend worden in eeuwigheid!'quot; Met deze woorden bezingt de H. Ephrem de H. Zuiverheid. En inderdaad, hij zegt niets te veel. üit zullen wij moeten toestemmen, als wij onder den bijstand vau de H. Moeder Gods, altijd Maagd, deze eenige stelling overwegen, dat de H. Zuiverheid de vreugde des hemels uitmaakt. Die overweging zal ons tevens aanzetten voortaan ook onze vreugde daarin te zoeken en haar des te getrouwer te beoefenen. Daar ik mij echter onwaardig gevoel over eene zoo verhevene deugd te spreken, zal ik mij niet zoozeer van mijne eigene woorden,

ocr page 117

— io7 —

maar veel meer van die der HH. Vaders en kerkleeraars be dienen. „O Jesus, verlicht mij en vereenig mij zoo met u, dat niets meer mij van u kan scheiden 1quot;

De H. Zuiverheid maakt de vreugde des hemels uit, en wel 1° de vreugde der H. Drievuldigheid,

2° de vreugde der engelen en heiligen.

I.

Zij maakt de vreugde uit der H. Drievuldigheid.

a.) Het scheppingsverhaal getuigt ons, dat alles, wat God schiep, zeer schoon was, maar boven alle andere schepselen werd de mensch door den Schepper geeerd. Noch de hemel, noch de maan, noch de zon, noch de schoone sterren werden geschapen naar het beeld van God. Wij alleen werden gemaakt als een afbeelding van het wezen, dat alle begrip te boven gaat, als een gelijkenis van de onvergankelijke schoonheid, wij alleen ontvingen in ons aangezicht het goddelijk zegelmerk. Dit schoone beeld nu, die afstraling van Gods heerlijkheid werd door de erfzonde bevlekt en bezoedeld, evenals een schoon gelaat ontsierd wordt door het roet. Weliswaar, werden wij in het H. Doopsel weder schoongewasschen van die smet, doch als een treurig gevolg daarvan bleef toch de booze begeerlijkheid nog achter. Als wij nu in onthouding leven, niet alleen niet toegeven aan de opwellingen der booze begeerlijkheid, maar ook dien prikkel door alle mogelijke middelen trachten te onderdrukken, en zoo meer en meer te verzwakken, dan herstellen wij het ontsierde beeld van God in ons weder in zijn vorigen luister, wij reinigen het met het zweet van onzen moeielijken en ononderbroken kampstrijd. Zouden wij daarmede geen groote eer geven aan den hemelschen Vader, die ons in stilte gadeslaat, zouden wij daarmede geen groote vreugde verschaffen? Als wij in onthouding leven, vervullen wij bovendien den wil van God, ons door den Ap. Paulus kenbaar gemaakt: „dit is de wil Gods, uwe heiligmaking ; (I Thess. IV, 3.) dat gij u onthoudt van de onkuischheid, dat eenieder uwer zijn eigen lichaam wele te beiitten in heiligheid en eere en niet in drift van begeerlijkheid, gelijk ook de heidenen, die niet weten van God.quot; Om de zuiverheid te bewaren.

ocr page 118

— io8 —

moeten wij eenigermate in opstand komen tegen onze eigene natuur, en geweld gebruiken, want wij weten, hoe moeielijk de strijd is, en hoe wij alle krachten moeten inspannen om niet verslagen te worden. Wij moeten loopen op gloeiende kolen zonder ons te branden, tusschen scherpe zwaarden doorgaan zonder ons te kwetsen, IJzeren wilskracht hebben wij noodig, altijd wakende oogen, het taaiste geduld, een vasten schutsmuur en vooral de hulp van boven. (S. Chrys.) Wel was de strijd der martelaren heldhaftiger, doch onze strijd legen het vleesch is gevaarlijker, omdat hij onophoudelijk is endoor de nabijheid van den vijand veel dreigender. (Thom. Aq.) Wanneer nu ouders en overheden zich verheugen over een zoon of een onderdaan die de hem opgedragen last, niettegenstaande de grootste moeielijkhedeu volbrengt, dan zal de hemelsche Vader zich ongetwijfeld nog veel meer verheugen, wanneer wij met groote offervaardigheid zijn wil volbrengen en ons van alle vlek der onzuiverheid rein bewaren.

b.) Als wij in onthouding leven, schenken wij ook vreugde aan God den Zoon. Wij weten, dat de tweede persoon der H. Drievuldigheid voor ons is mensch geworden, aan den boom des kruizes ons van zonde en dood heeft verlost en voor Zijn terugkeer tot den Vader de H. Kerk heeft geslicht. De H. Kerk is volgens de uitdrukking des Apostels ,,een lichaam,quot; waarvan Christus ,,het hoofd,quot; is, de geloovigen de ledematen zijn. Zijn wij nu alleen bezorgd, voor hetgeen des Heeren is, dat wij heilig zijn naar lichaam en naar geest, (I Cor. Vil. 34.) hoe wij Gode zullen behagen, streven wij er zorgvuldig naar, ons niet met het slijk der zinnelijke lusten te bezoedelen en blijven wij diensvolgens altijd reine en schoone ledematen, zou len wij dan aan het hoofd van dat geheimzinnig lichaam, aan God den Zoon, geene buitengewone eer en vreugde verschaffen? Is dit het geval, dan moet Christus ook Zijn welbehagen in de H Zuiverheid met woorden of daden te kennen hebben gegeven. Kn ilii heeft Hij gedaan. Wie was Jesus? Volgens de II. Thomas van Aquine en Bonavenlura was Hij een maagd, daar Hij de zuiverheid zelf was, volgens den H. Ambrosius was Hij „het uitgangspunt der maagdelijkheid,quot; volgens Methodius „de eerste der maagden,quot; volgens den H. Augustinus „de koning der maagden,quot; volgens de uit-

ocr page 119

— log —

drukking der H. Kerk: „de zuiverheid der maagden.quot; (lit. de S. Nom. Jesu.) Wie was de gelukkige, door Jesus als Zijne moeder uitverkozen ? Eene waardige dochter van God den Vader, het sieraad der onschuld, de reinste naar lichaam en ziel, die zelfs de engelen in heiligheid overtrof, de onbevlekte, ongeschondene Maagd Maria. Wien verkoos Jesus tot Zijn voedstervader en beschermer? Den maagdelijken H. Jozef. Wie werd waardig gekeurd als voorlooper Zijn weg te bereiden? De reine Joannes de Dooper. Welke leerling mocht bij het laatste Avondmaal aan Zijne borst rusten en de vertrouweling zijn van Zijn goddelijk hart ? De onschuldige leerling der liefde, Joannes, die als maagd door Hem uitverkozen, altijd maagd bleef.

De goddelijke Heiland kon in het gezelschap Zijner leerlingen een gierigen Judas dulden, een ongeloovigen Thomas, een Petrus, die Hem driemaal verloochende: een onzuivere echter wilde Hij er niet in opnemen. Liet Hij tijdens Zijn aardsch leven verschillende giftpijlen van kwade tongen op Zich afschieten, liet Hij zich menigmaal bespotten en verguizen, liet Hij zich uitschelden als „den vriend der zondaren,quot; als ,,een volksverleider,quot; nooit heeft Hij toegelaten, dat men op Zijne vlekkelooze zuiverheid ook maar de ge; ingste smet wierp. Zijn dit geen sprekende bewijzen, hoe dierbaar de H. Zuiverheid aan Zijn goddelijk Hart is? Spreekt de Verlosser met andere menschen, dan laat Hij zich „Meester,quot; „Heer,quot; „herderquot; of leeraarquot; noemen, spreekt Hij echter met maagden, dan wil Hij hun „Bruidegom genoemd worden; daarom is de H. Kerk ook gewoon aan de maagdelijke zielen den eerenaam van „bruiden van Christusquot; te geven.

Leert Christus dat het huwelijk onontbindbaar is, dan stelt hij de maagdelijkheid als eene zoo verhevene zaak voor, dat slechts zij haar begrijpen, wien God de genade van onthouding schonk. „Niet allen vatten dit woord, zegt Hij, zij alleen, wien het gegeven is.quot; (Matth. XIX. II.) Wil Hij aantoonen hoe heerlijk het voor de uitverkorenen zal zijn bij de verrijzenis des vleesches, dan verzekert Hij, dat wij dan maagden zullen zijn en blijven gelijk de engelen in den hemel. (Luc. XX. 35) Wij moeten derhalve wel met opzet de oogen gesloten houden, als wij na dit alles niet erkennen, hoe de H. Zuiverheid de

ocr page 120

— no —

grootste vreugde uitmaakt van den 2lt;len der goddelijke Personen.

c.) Door in onthouding te leven, verschaften wij vreugde ook aan den H. Geest, wiens tempels wij in het H. Doopsel geworden zijn. Het leven des lichaams is de ziel, het leven der ziel is God; dewijl de geest Gods in de ziel en door de ziel in het lichaam woont, kunnen wij met recht ons lichaam eene woning van den H. Geest noemen. Daarom vraagt de Apostel aan de onzuiveren: weet gij niet, dat uw lichaam een tempel is van den H. Geest, die in u is, welken gij van God hebt, en dat gij u zeiven niet toebehoort? (I. Cor. VI. 19.) Met deze vraag wil hij hun het schandelijke laten beseffen van de zonde, waardoor zij den tempel aan den H. Geest toegewijd, hun lichaam, ontheiligen en schandvlekken. Wat doet integendeel de zuivere en reine? Hij houdt zijn lichaam in eere, neemt het kruisteeken als een wapen in de hand, strijdt tegen zich zeiven, verdrijft door de goddelijke liefde de aardsche en met het vuur van den H. Geest dooft hij den gloed der zinnelijkheid uit. (S. Aug.) Gelijk wij gaarne eene reine woning zien, zoo schept de H. Geest behagen in den rein bewaarden tempel van den maagdelijken mensch. Daarom deelt Hij aan zoo iemand Zijne bijzondere genaden mede, in hem stort Hij de schatten uit der hemelsche wijsheid. Hij schenkt hem een dieperen blik in de geheimen van het christelijk geloof. Hij wekt zijn vertrouwen op en doet hem ontbranden in liefde tol God en den naaste. Zoeken wij bewijzen hiervoor? Dan hebben wij slechts de geschiedenis der Kerk na te gaan, en wij zullen het woord des Heeren bewaarheid vinden: „Zalig zijn de zuiveren van harte, want zij zullen God zien.quot; Matth. V. 8, Want, gelijk de H. Joës. Chrys. zich uitdrukt, „slechts met reine oogen kunnen wij staren in de zon der gerechtigheid.quot; Wie waren die wonderen van wetenschap waarover de wereld nu nog verbaasd de handen in elkaar slaat? Maagdelijke reine zielen waren het. Wie waren de vertrouwelingen der engelen? Alweder maagdelijk reine zielen. Wie waren de grootste heiligen, die wij vereeren? Nogmaals maagdelijk reine zielen. Wie waren de grootste weldoeners der volken, de oprechtste vrienden der menschheid? Mannen en vrouwen, die de deugd der engelen beoefenden. Doch wat zoeken wij nog langer naar bewijzen, hoezeer de H. Geest behagen schept in de H. Zuiverheid,

ocr page 121

daar Hij zelf gezegd heeft; „alles wat men kan hoogschatten komt niet in vergelijking met eene kuische ziel.quot; Eccli. XXVI. 20. Akoo geen adel, geen hooge afkomst, geen kroon, geen scepter, geen waardigheid, geen geld, geen goed, geen wijsheid, geen wetenschap, niets van dat alles komt bij den H. Geest in aanmerking; de menschen mogen liet achten, hoogschatten, beminnen en zoeken, de H. Geest verkiest eene reine ziel, want „zij is een heerlijk geschenk van ons leven, en schitterender dan goud, ivoor of edelgesteente,quot; schrijft de H. Gre-gorius van Nazianze. Kan men schooner getuigenis geven van die schoone deugd, dan die door den H. Geest zeiven gegeven is? Zoo maakt zij dan waarlijk de vreugde uit van God den Vader, van God den Zoon en van God den H. Geest; het kan dan ook niet anders of zij moet tevens de vreugde uitmaken van alle engelen en heiligen.

II.

De H. Zuiverheid is de vreugde der engelen en heiligen, want

a.J de gelukzalige hemelbewoners stemmen zoo volmaakt met God overeen, dat zij alles beminnen, wat Hij bemint, over alles zich verheugen, waarover God zich verheugt. Nu heeft de driecenige God, gelijk wij overwogen hebben, een buitengewoon behagen in de kuische ziel, bijgevolg moet zij ook eene groote vreugde zijn voor de engelen en heiligen.

i.J Vervolgens: naar de leer der openbaring verheugen zich de engelen en heiligen op eene bijzondere wijze over de vereering, die wij hen brengen. De voortreffelijkste vereering echter, die wij hen kunnen brengen, is en blijft de navolging hunner deugden. Welnu, als wij in onthouding leven, dan volgen wij op de eerste plaats de engelen na, ja wij worden zelf engelen in het vleesch. De maagdelijke reinheid, wat is zij verheven ! Wanneer men andere deugden wil beoefenen, wordt men door de wet geleid, de maagdelijkheid, die boven de wet verheven is en het leven richt naar een voortreffelijk doel, zij is de uitdrukking van het toekomstige leven en een beeld van de zuiverheid der engelen, (S. Athanas.) want het oog op de engelen gericht, spannen wij al onze krachten in en streven wij er met allen ijver naar om zooveel mogelijk aan hen gelijk te worden.

ocr page 122

— 112 —

Hoe dan ? Zij huwen niet en worden niet uitgehuwelijkt. Wij doen evenzoo. De engelen staan immer voor Gods troon en dienen Hem. Wij doen evenzoo. De engelen blijven rein en onbesmet. Ook wij trachten het te blijven. (S. Chrys.) Beschouwen wij het leven van den H. Evangelist Joannes en andere heiligen, die door kuischheid hebben uitgeschitterd; welk onderscheid zien wij dan tusschen hen en de engelen? Voorwaar geen ander, dan dat het voor die heiligen op aarde ongelijk veel moeielijker was om zoo rein als de engelen te leven. Een kuische mensch en een engel zijn daarom slechts onderscheiden in zaligheid, niet zoo zeer in deugd. De zaligheid der engelen is grooter, doch de kuischheid in den mensch is verdienstelijker, (S. Bernard.) want de kuische behoudt in den strijd, wat den engel geen strijd kost. Terwijl de engel zonder vleesch is, overwint de reine in het vleesch. Dat is de hooge waarde der maagdelijke zuiverheid ! Zij maakt de aardbewoners met de hemelburgers gelijk ; zij maakt dat die met het lichaam bekleed zijn, niet door onstoffelijke krachten ovei wonnen worden, zij maakt de stervelingen tot navolgers der engelen. (gt;. Chrys.) Wat kan ik meer zeggen tot lof der kuischheid? (S. Ambros.) Gij zuiveren zijt nu reeds, wat gij eenmaal worden zult; reeds in deze wereld bezit gij den roem der onsterfelijkheid, dewijl gij door deze wereld heengaat, zonder er door besmet te worden; blijft gij rein, dan zijt gij engelen in het vleesch en leeft een hemekch leven, want in het lichaam te leven alsof men zonder lichaam was, is niet een aardsch, maar een hemelsch leven. (Thom. Aq.) Verheug u derhalve, en ga voort de engelen na te volgen in de deugd die hen bijzonder eigen is. Daardoor volgt gij op de tweede plaats oo^ de heiligen na. Want, als wij vragen, langs welken weg de heiligen tot de glorie des hemels zijn gekomen, dan antwoorden zij: „langs den weg der zuiverheid.quot; Nimmer zou de allerzaligste Maagd er in toegestemd hebben Moeder van God te worden, als die waardigheid ook maar het geringste gevaar had opgeleverd voor hare vlekkelooze lelie. Liever verzuchtte Jozef van Egypte in de gevangenis, liever verdroeg de twaalfjarige Agnes de marteling van het vuur, liever liet zich de H. Agatha gruwzaam de borst afsnijden, de H. Pelagius zich in stukken houwen, de H. Dymphna zich ter dood brengen;

ocr page 123

liever sneden zich de H. Abdis Ebba en hare nonnen (a0 774 in Schotland) den neus en onderlip af; liever wilden de H. Ca-simirus, de H. Ursula en hare gezellinnen en millioenen anderen in den bloei huns levens sterven, liever dan het schoonste sieraad, hunne H. Zuiverheid te verliezen. En de andere heiligen, die in den huwelijken- of weduwstaat de volmaaktheid bereikt hebben, zij hebben het eenmaal ontvangen sacrament voortdurend geheiligd. Iedere heilige derhalve roept ons met den Apostel toe: „weest mijne navolgers, gelijk ik het ben van Christus!quot; (I Cor. XI. I.) Dien roep volgen wij, hunne navolgers zijn wij door rein en onbevlekt te leven.

Door de H. Zuiverheid derhalve zijn wij navolgers der uitverkorenen, navolgers der engelen, door hunne getrouwe navolging zijn wij hunne ware vereerders, door hunne ware vereering verschaffen wij hun ecne groote vreugde; derhalve schenken wij vreugde aan de hemelbewoners door onze zuiverheid.

c.) Het is ten slotte bekend, dat een oprechte vriend zich verheugt in het geluk van zijn vriend en daardoor diens geluk, om zoo te spreken, ook tot zijn eigen geluk maakt. Welnu edeler en oprechter vrienden kunnen wij toch zeker wel niet bedenken dan de engelen en heiligen, die gloeien van de heiligste liefde voor ons. Zij moeten daarom het levendigste belang stellen in onze deugd, als in de oorzaak van ons tijdelijk en eeuwig geluk. Nu maakt de H. Deugd der engelen ons geluk uit in het leven, in den dood en daarna. De tijd laat niet toe, dit alles in het bijzonder aan te toonen; wij zullen thans niet beschouwen, hoe de kuischheid eene ziel rein, goed en hemelsch gezind maakt, ook niet, hoe zij haar met boven-aardsche schoonheid opluistert, wij zullen niet spreken van den vrede, die alle begrip te boven gaat en van den zoeten troost, die de kuische op aarde smaakt, ook niet van de achting en liefde, die alle vromen en weidenkenden hem toedragen, ook niet van den eerbied, dien hij zelfs den wellusteling afdwingt; wij zullen niet nagaan, hoe dt reine ziel onder de bijzondere bescherming des hemels staat, hoe haar voorspraak bij God alles vermag, ook niet, hoe de zuiverheid zelfs aan het lichaam eene eigendommelijke wijding en bekoorlijkheid schenkt, ook niet hoe de zuiverheid, door het bewaren van de krachten des lichaams, een waarborg is voor een lang,

NIEUWE HANDLEIDING. 8

ocr page 124

— 114 —

onbezorgd leven en een gelukzaligen dood; neen, wij zullen alleen de bijzondere onderscheiding overwegen, die den kuische in de andere wereld ten deel valt. Wanneer de reine ziel na haar vertrek uit het lichaam het huis des hemelsclien Vaders binnentreedt, dan zal Maria de Moeder des Heeren vergezeld van de Maagdenrijen haar tegemoet snellen. De goddelijke Bruidegom zal haar ontvangen en zeggen; Welkom, mijne vriendin, mijne duif, de winter is nu voorbij en de regen heeft opgehouden.quot; De engelen, van licht omstraald, zullen in bewondering uitroepen: „Wie is zij, die daar opgaat ali de dageraad, schoon als de maan uitgelezen als de zon?quot; De dochters vsn Jerusalem zullen haar begroeten en de koningen zullen haar loven, terwijl de onschuldige kinderen zullen zingen: Gezegend, die daar komt in den naam des Heeren! (S. Hieron.) En de feestelijk versierde bruiloftszaal binnenge-tieden, wordt zij daar gekroond met de schitterende kroon der maagdelijkheid, wordt zij geteekeml op het voorhoofd met de namen van Jesus en zijn Vader, en ingelijld in die schare van honderd vier-en-veertig duizend vlekkeloozen, die vrijgekocht en afgezonderd zijn uit de menschen als de eerstelingen voor God en het Lam. Zij zal medezingen het lied, dat alleen door de maagden zal kunnen gezongen worden, en zij zal het Lam volgen, overal waar het gaat. (Apoc. XIV.) De andere zaligen die het goddelijk Lam daarbij niet zullen kunnen volger, zullen de verheerlijkte zien en haar niet benijden, zij zullen zich verheugen dat zij in haar aanschouwen, wat zij zelf moeten missen. Zij zullen haar jubellied hooren en zich mede verblijden. (S. Aug.) En hoe groot dan die gemeenschappelijke vreugde zijn zal — mijn tong vermag niet het te zeggen; zelfs een H. Joannes, die met Gods geheimen vertroir.vd was, zelfs een H. Paulus die tot in den derden hemel was opgenomen geweest, en alle HH. T.eeraars waren niet in staat om uit te drukken, wat de lieer voor zijne uitverkorenen bereid heelt.

Zoo is derhalve de I-I. Zuiverheid de vreugde der H. Drievuldigheid, de vreugde der engelen en heiligen, de vreugde alzoo van geheel het hemelsche hof. Beminnen wij dan deze kostbare, wonderbare en heerlijke gave; beminnen wij dat onvergelijkelijke edelgesteente, die bron van het onvergankelijke leven, en trachten wij deze teedere en gemakkelijk kwetsbare

ocr page 125

en verliesbare lelie steeds te bewaren? Welke voorzorgen neemt niet een rijk man, die weet, dat men het op zijn geld heeft gemunt? Hij versterkt de deuren van zijn huis, met zorgvuldigheid sluit hij zijne schatten weg en bewaakt ze voortdurend. Ook des nachts, wanneer de slaap zijne oogen geloken heeft, waakt hij nog, want bij het minste gerucht wordt hij wakker; dan staat hij op, luistert toe, en doorzoekt het geheele huis, daar hij vreest in één nacht alles te verliezen, waarvoor hij vele jaren met moeite heeft gearbeid. Zoo moeten ook wij op onze hoede zijn, dat de vijanden die in ons en buiten ons steeds op den loer liggen, ons die deugd der engelen niet ontrooven. De vensters en deuren onzer ziel, onze oogen en ooren, moeten wij afsluiten, opdat de dief daardoor niet bin-nensluipe. Zoodra eene onzuivere neiging zich in ons vertoont, moeten wij die vonk uitdooven voordat zij een brand veroorzaakt, en mocht ons desniettegenstaande toch nog iets overkomen, dan zijn wij daarvoor niet verantwoordelijk, dewijl het tegen onzen wil gebeurt. In eten en drinken moeten wij zeer matig zijn, want de bloem der zuiverheid bloeit slechts op den mageren grond der versterving, slechts tusschen de doornen der boetvaardigheid. Ieder gevaar, iedere kwade gelegenheid, allen overtolligen omgang met personen van het andere geslacht, alle onnoodig bezoek van wereldsche menschen moeten wij vermijden als vergiftige slangen, want „die het gevaar bemint, zal er in omkomen.quot; (Eccli. III. 27.) Nimmer moeten wij de handen in den schoot liggen, nimmer onzen tijd in ledigheid doorbrengen, want „de ledigheid heeft veel kwaad geleerdquot; (Eccli. XXXIII. 29.) en als wij geen bezigheid hebben, zal de duivel ons bezig houden. (Matth. XXVI.) Wij moeten bidden en waken, waken en bidden; want gelijk een dief, wanneer hij hoort roepen, de vlucht neemt, en de huisgenooten, door dat geroep gewekt, opstaan om te helpen, zoo zal ook ons gebed den duivel verjagen eu alle engelen en heiligen ons ter hulp doen snellen. Eindelijk, wij moeten immer leven in heilige vreeze en voorzichtigheid, dat wij nergens onzen voet stooten. Welaan dan, reine zielen, zien wij toe, dat wij nimmer iets denken, spreken, wenschen of doen, wat onwaardig is aan Hem, aan wien wij verloofd zijn! Gebruiken wij de aangewezen middelen, en wij zullen, beschermd en gesteund

ocr page 126

— 116 —

van binnen en van buiten, bij de genadebron des tabernakels als engelen God dienen tot een verrukkelijk schouwspel voor den geheelen hemelschen hofstoet nu in dit leven, en ook eens in de eeuwigheid. Amen.

TWEEDE OVERWEGING.

Over het loon der armoede

Non erit eis haeriditas; ego Dominus hae-reditas corum, ego pos^essio eonim.

Zij zullen geen erfdeel hebben; ik de Heer zal hun erfdeel, ik zal hun bezitting zijn. (Ezech. XLIV. 28 )

^jadat Christus volgens het evangelieverhaal van den H. Matthaeus over de deugd der maagdelijke zuiverheid gesproken had en de onschuldige jeugd, die men lot Hem bracht, zegenend de handen had opgelegd; nadat Hij geleerd had, dat de stipte onderhouding zijner Geboden voldoende was ter bereiking der eeuwige zaligheid, begon Hij te handelen over de evangelische armoede; deze raadde Hij aan een jongeling, die begeering was naar het eeuwig heil, en in diens persoon aan al degenen, die tot een hoogeren trap van christelijke volmaaktheid willen opklimmen. Hij zeide namelijk: „wilt gij volmaakt zijn, ga dan heen, verkoop alles wat gij hebt, en geef het den armen, dan zult gij een schat bezitten in den hemel, en dan kom en volg Mij na!quot; Matt. XIX. 21, Doch die jongeling rijk gezegend met aardsche goederen, ging op het hooren van deze woorden treurig heen, daardoor het bewijs leverend, dat zijn hart aan zijne tijdelijke goederen gehecht was, en dat de rijkdom, zelfs voor menschen die overigens goed van wil zijn, een groote hinderpaal is op den weg der zaligheid. Petrus echter werd, toen hij die woorden vernam, bemoedigd en in naam van de omstaande leerlingen zeide hij tot den Zaligmaker: „Zie, Heer, wij hebben alles verlaten en zijn u gevolgd; wat zal ons dan geworden?quot; Ook wij, mijne geliefden, hebben ons op het standpunt der Apostelen geplaatst; om wille van Christus, die in ons hart sprak: ,,kom volg mij,quot; hebben ook wij alles wat wij hadden, verlaten, blijmoedig en

ocr page 127

— ii7 —

vrijwillig hebben wij de geloften van armoede afgelegd, en afstand doende van alle recht om te verkrijgen en te bezitten, zijn wij den burgerlijken dood gestorven. Wij willen niets gebruiken buiten het noodzakelijke, en zelfs dit nog verachten wij en ontberen het soms zonder te klagen, zoodat ook wij wel met Petrus mogen vragen: ,,wat zal ons geworden?'' En evenals tot de Apos'.elen, zal Jesus ook ons antwoorden: „voorwaar, ik zeg u, dat gij, die mij gevolgd zijt, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des menschen op den zetel zijner heerlijkheid zal gezeten zijn, ook op twaalf zetels zulc zitten, oordeelende de twaalf stammen van Israel. En alwie zijn huis, of broeders, of zusters, of vader, of moeder, of vrouw, of kinderen, of akkers, om mijnen naam verlaat, die zal het honderdvoudig ontvangen en het eeuwige leven bezitten.quot; Daarmede wordt ons voor de vrijwillige armoede op plechtige wijze eene rijke belooning toegezegd voor dit leven en voor het eeuwige leven.

Wij zullen deze beide belooningen overwegen, opdat wij, met het oog daarop, worden aangemoedigd uit zuivere liefde tot God gaarne arm te zijn en te blijven, in armoede te leven en in armoede te sterven.

I.

„Alwie zijn huis, of broeders, of zusters, of vader, of moeder, of vrouw, of kinderen, of akkers om mijnen naam verlaat, die zal het honderdvoudig ontvangen.quot; Zoo luidt de troostvolle belofte voor het tegenwoordige leven. Wij nu hebben om den Heer beter te kunnen dienen, ons huis, onze ouders, broeders en zusters, al wat wij mochten bezitten, verlaten, en daarmede ook afstand gedaan van alle genot en vreugde, die de uitwendige goederen ons kunnen verschaffen. Bijgevolg moeten wij met eenige verandering alles, het stoffelijke en het onstoffelijke, honderdvoudig, dat is in veel grooter en voordeeliger maat terug ontvangen.

a.) De stoftelijke goederen op de eerste plaats ontvangen wij honderdvoudig terug. Niemand toch zal ontkennen dat wij, die arm den armen Christus volgen, de dagelijksche weldaden van

ocr page 128

— ii8 —

Gods vaderlijke goodheid even goed kunnen genieten als zij, die men landeigenaars, ridders, baronnen, graven, vorsten of koningen noemt. Schenkt de zon ons minder licht, minder warmte dan aan de rijken der wereld? Straalt de maan voor hen met schooner glans dan voor ons ? Zingen de vogels vroo-lijker melodieën voor hen dan voor ons? Genieten wij minder dan zij de schoonheid der natuur? Dit alles hebben wij evengoed in, als juiten het klooster. Nog meer. In de heilige vrijplaatsen, die wij bewonen, vinden wij alles, wat wij uit offervaardigheid verlieten, veel meer en veel beter terug. Wij hebben, om in de voetstappen van Christus te kunnen treden, één huis verlaten, maar voor dat ééne huis heeft God er ons zoovele gegeven, als de geheele orde telt, want in ieder klooster, waar wij aankomen, zullen wij zoo goed als tehuis zijn. Wij hebben één vader, ééne moeder het vaarwel toegeroepen; in de plaats daarvoor hebben wij nu vele vaders en oversten, die ons eene moederlijke liefde toedrager, en veel inniger bezorgd zijn voor ons waar geluk, dan onze ouders het konden zijn, — vaders en oversten, die onze dienaren zijn, die ons bezoeken en vermanen, in nederigheid en liefde terechtwijzen, die ons niets opleggen, wat strijdt tegen onze ziel, tegen onzen regel. Wij hebben afscheid genomen van onze broeders en zusters naar het vleesch, doch daarvoor zijn er duizenden en nogmaals duizenden onze broeder geworden naar den geest; zij zijn met ons vereenigd door den band eener levendiger en oprechter liefde, dan er in wereld bestaat; want zij beminnen ons in God, om God en zonder eenig eigenbelang, terwijl de broeders naar het vleesch ons dikwijls Om hun eigen voordeel en omdat zij ons noodig hadden, beminden. Het is dus wel een goede ruil, dien wij gedaan hebben. Is dat niet honderdvoudig terug ontvangen ?

Terwijl wij verder in de wereld slechts in een twijfelachtig bezit onzer goederen ons konden verheugen, terwijl wij evenals zoovele anderen van den vroegen morgen tot den laten avond hadden moeten tobben en zwoegen voor een kommervol bestaan, zijn wij thans, nadat wij om God van alles afstand deden, door den Heer zelf opgenomen; (Ps, XXII. I.) Hij is onze herder geworden en heeft ons op goede weiden gebracht, zoodat wij Zijne vraag: „hebt gij aan iets gebrek gehad?'

ocr page 129

(Luc. XXII. 35.) evenals de apostelen zonder bedenken met „neenquot; kunnen beantwoorden. Dezelfde wonderen, schrijft de II. Eucherius, die in de dorre woestijn geschiedden voor de Israelieten, worden eiken dag herhaald voor de vrijwillige armoede. Uit den schoot der goddelijke Voorzienigheid daalt het honderdvoudige neer op dc arme kloostercellen, de zegen des hemels overstroomd ze. De kloosterling heeft slechts het noodige, is daarmede tevreden en maakt geen aanspraak op overvloed, welks bezit slechts bezwaart, welks gehechtheid slechts bezoedelt, en welks vtlies slechts droefheid veroorzaakt. En toch kunnen wij niet met Paulus getuigen: „wij leven, als niets hebbende en toch alles bezittend!quot; (II Cor. VI. 10.) Als onze zolders leeg zijn, laat de Heer ons dan niet oogsten zonder dat wij gezaaid hebben? God roert de harten der geloovigen ten beste voor ons, zij openen hunne milde hand en vrijgevig deelen zij ons zooveel van het hunne mede, dat wij, onze tafel gedekt ziende, niet slechts dagelijks kunnen zeggen: „de armen zullen eten en verzadigd wordenquot; maar dat wij ook in staat zijn honderden noodlijdenden te spijzigen, die aan onze poort om bijstand komen aankloppen. Het klinkt haast ongeloofelijk, als ik, om maar een voorbeeld te noemen, verzeker, dat in ons klooster te Ster/ing, waar toch de toeloop der armen nog bij lange na niet het grootste is, behalve het meel, de tuinvruchten en andere eetbare warei, jaarlijks gemiddeld 14000 porties soep en 26000 boterhammen uitgedeeld worden. Wat een ontzaggelijke som zal dat zijn, als ik daarbij tel, wat aan de 26 kloosterpoorten van onze provincie wordt weggeschonken! Hadden wij in de wereld ook met een aanzienlijk vermogen zulke groote aalmoezen kunnen geven, en al waren wij daartoe in staat geweest, zouden wij het gewild hebben? Zouden wij dan niet blijde zijn, trouw gezworen te hebben aan het vaandel der heilige armoede, vooral als wij daarbij nog in aanmerking nemen, dat wij op onze reizen in de herbergen dikwijls beter bediend worden, dan hij, die zijn gelag betaalt, dat wij overal waar de naam des Heeren wordt aangeroepen, met zooveel liefde worden ontvangen, als had Jesus op ons voorhoofd deie woorden geschreven: „wie u ontvangt, ontvangt Mij, en die Mij ontvangt, ontvangt Hem, die Mij gezonden heeft.quot; Matt. X. 40. Zouden wij, vraag

ocr page 130

120

ik, niet blijde zijn, de gelofte van armoede e hebben afgelegd, als wij denken, welke teedere behandeling wij ondervinden in geval van ziekte? Ontvangen wij dan niet het honderdvoudige terug van die aardsche goederen, die wij grootmoedig verlaten hebben f

b.) Doch genoeg over de stoffelijke voordeden. Wat zal ik nu wel zeggen van den overvloed der geestelijke voordeelen, die de 11. Armoede ons oplevert, en die zooveel grooter zijn als de ziel het lichaam overtreft.

De armoede bewaart ons voor zde zonden. Die rijk willen worden, zegt de Apostel, vallen in bekoringen en in de strikken des duivels en vele onnutte en schadelijke begeerten, die de rnenschen ten verderve voeren, want de hebzucht is de wortel van alle kwaad. (I Tim. VI. 9. 10.) Zij is de bron van den hoogmoed, van den toorn, van den nijd, van processen, vijandschap en vele andere zonden. Dien wortel hebben wij uitgeroeid, die bron hebben wij verstopt, toen wij van alle bezit afstand deden en gelofte aflegden van armoede; derhalve blijven wij voor vele gevaren en zonden bewaard. „Gelijk de leeuwen, tijgers, hyena's en al die wilde dieren rustig in de kooi liggen en onschadelijk zijn, zoolang zij achter de ijzeren staven blijven opgesloten, eveneens sluimeren ook dc hartstochten, zoolang de ijzeren staaf der armoede ze in bedwang houdt.quot; Gelijk die dieren sterven in ongewone onderworpenheid, zoo sterven in ons die geboeide begeerten. Zullen wij dan zoo dwaas zijn onze gelofte te verbreken en de gevangene hartstochten los te laten ? Of zullen wij ons niet veel meer beijveren, om de perken der armoede ook in het geringste niet te buiten te gaan? Nog te meer, dewijl de armoede, en ziehier een tweede voordeel, den strijd tegen de vijanden onzer ziel en de beoefening der deugden lichter maakt. „De booze geesten, zegt de H. Gregorius, hebben geen eigendom op aarde. Naakt moeten wij strijden met naakten. Wanneer een gekleede met een naakte worstelt, zal de gekleede spoedig ter aarde liggen, daar men hem bij het kleed kan aanvatten. Wat is echter alle tijdelijk bezit anders dan een soort kleed; die derhalve met den duivel wil worstelen, werpe, wil hij niet overwonnen worden, zijn kleed af.quot;

Wij hebben alle bezit weggeworpen, daarom zullen wij, ge-

ocr page 131

lijk een zwemmer zonder kleeren beter zwemt, gelijk een voetganger zonder vracht gemakkelijker loopt, ook veel lichter de overwinning behalen op de hel en de wereld, en lichter het pad der deugd bewandelen; veel gemakkelijker zullen wij de kalmte des gemoeds bewaren, veel gemakkelijker onze zonden beweenen, veel lichter een medelijdend hart hebben, in vrede leven, God dienen en de ziel van ons en onzen naaste redden. Met recht noemt daarom de H. Ambrosius de armoede, „de pleegmoeder aller deugden,quot; en de H. Bernardus noemt haar ,,de groote vleugel, die ons met machtigen slag snel opwaarts voert naar den hemel.quot; Een derde geestelijk voordeel van de armoede is, dat zij ons vrij maakt, ware rust ai tevredenheid schenkt.

De zuivere en hoogste vrijheid is het, volstrekt niets noodig te hebben; doch dit is voor de menschelijke natuur te verheven, en komt alleen het goddelijk wezen toe. De daaraan meest nabijkomende vrijheid is het, maar weinig noodig te hebben, en daartoe kernen wij door de ontberingen die de evangelische armoede ons oplegt. Terwijl zij ons van het aardsche aftrekt, bevrijdt zij ons tegelijk van alle onrust, die het bezit van tijdelijke goederen met zich medebrengt evenals een sterke stroom slib met zich meevoert; terwijl zij alle vrees en zorgen, die als scherpe doornen het hart v?n den wereldschen mensch kwetsen, uit onze ziel verdrijft, legt zij ons in de wieg der goddelijke Voorzienigheid, waar het gebrek aan behoeften onzen rijkdom, onze behoeftigheid onzen overvloed uitmaakt en schenkt zij ons eene tevredenheid, die tegen alle schatten der machtigen kan opwegen. Wat zien wij in Thebaïs? Onder een schaduwrijken palmboom rustend, voedt zich de eerste kluizenaar Paulus met het wonderbare brood, hij lescht zijn dorst met een dronk water uit een bron en kleedt zich met saamgevlochten bladen van den palmboom; met dit weinige tevreden, prijst hij dankbaar den hennel, verheerlijkt God door vertrouwen en deugd. Vragen wij aan den armen Jesuiet P. Anton. Julius, of hij vergenoegd leeft, en hij zal ons antwoorden, dat, wanneer hij al de pracht en al de schatten der wereld in een ei kon insluiten, hij dat ei zou wegwerpen en verbrijzelen. Vragen wij het ons zeiven of wij met onzen armen stand tevreden en gelukkig zijn, dan zullen wij meer met vreugdetranen en innige

ocr page 132

— 122 --

ontroering dan wel met woorden getuigen, dat wij, sinds wij met Christus arm geworden zijn, in alles rijk genoeg zijn, dat God zelf, sinds wij niets meer in Israël bezitten, (Ps. XV. 5.) ons erfdeel, onze rijkdom, ons alles geworden is, dat wij met Hem onder een dnk, ja aan Zijn Hait innige blijdschap smaken, en dat één dag, doorgebracht in het huis van God ons liefelijker voorkomt dan duizend dagen en weken elders. — En vatten wij al de opgenoemde voordeelen, stoffelijke en geestelijke, die de vrijwillige armoede ons hier in dit leven oplevert, te zamen, moeten wij dan niet met innige overtuiging bekennen, dat ons een gelukkig lot is ten deel gevallen, dat wij weinig gegeven en veel bekomen, één korreltje gezaaid en er honderd in de plaats teruggekregen hebben? Hebben wij dit tot dusverre echter nog niet gevonden en ondervonden, aan wien anders de schuld, dan aan ons? Hebben wij dan geen slaand bewijs, dat wij nog niet volkomen arm zijn, dat wij alleen uitwendig en niet inwendig afstand gedaan hebben van het tijdelijke, dat wij ons hart niet van alles, wat God niet is, hebben losgescheurd? — een zeker teeken, helaas, dat wij de armoede, (Matth. XIII.) die parel van het evangelie, die geliefde bruid van onzen heiligen ordestichter, verlaten hebben, dat wij onzen H. Vader onwaardig zijn en tot het getal van die valsche armen beboeren, die arm zijn in dier voege, dat hun niets ontbreekt? (S. Bernard.) Waarlijk, het is zoo, ik ben mijnen beloften ontrouw geworden, o mijn God, en ik heb mij beroofd van wat Gij mij beloofde, doch met Uwe genade zal het anders worden; ik wil van alles afstand doen, alles verlaten om U in volkomene armoede te dienen, opdat ik mij weder Uwe beloften moge waardig maken! Houd ik mijn woord, dan zult Gij ook Uw woord houden, mij beloonen in den tijd, en nog veel meer in de eeuwigheid.

II.

„Zie, wij hebben alles verlaten en zijn U gevolgd, wat zal ons dan geworden ?quot; Een groot loon hier in dit leven, maar een nog veel grooter in het andere want „voorwaar ik zeg u,quot; zoo spreekt de Heer, „bij de wedergeboorte,quot; dat is, bij de algemeene opstanding, wanneer de geheele mensch naar lichaam

ocr page 133

en zie! vernieuwd en als het ware opnieuw geboren wordt, als de Zoon des menschen op den troon zijner heerlijkheid zal zitten, dan zult gij, die Mij gevolgd zijt ook zitten op twaalf zetels om de twaalf stammen Israels te oordeelen.''' Dit is volgens de verklaring van den H. Augustinus de bijzondere eereprijs, de zeldzame onderscheiding, die de Fleer nevens de Apostelen aan alle evangelische armen zal toekennen bij het laatste oordeel. Welke nieuwe rijkdommen, welk een nieuw leven voor ons, wanneer eenmaal die dag van gramschap en wraak aanbreekt, waarop alle volkeren van de eerste tot de laatste zullen geoordeeld worden. Gelijk een boom des winters bladerloos daar staat, doch in de lente zich met nieuw loof en nieuwen bloesem tooit, zoo zal onze ziel, die in den kouden winter van het aardsche leven beroofd was van alle tijdelijk bezii-, zich dan versierd zien met het kleurenrijke kleed der heerlijkheid. Zoodra de bazuinen met hunne metalen stemmen roepen: „dooden, staat op en komt ten oordeel,quot; zal zij zich weder vereenigen met het lichaam, dat in grooter luister zal stralen, naarmate het kleed, dat het op aarde droeg, geringer en meer versleten was. Terwijl de kinderen der duisternis van angst en schrik zullen sidderen, zullen wij, zooals de H. Ber-nardus zegt, met kalm gelaat het schouwspel der goddelijke gerechtigheid afwachten. Christus verschijnt daar aan het hoofd der engelen en heiligen in die ontzaggelijke vergadering der menschen. Hij zet zich neder op zijn rechterstoel en rondom Hem nemen plaats allen, die om Hem arm geworden of gebleven zijn. Dan oordeelen zij met den alwetenden Rechter, voor wiens alziend oog niets verborgen is, niet alleen de stammen Israels, maar, gelijk Augustinus, Theophylactus, en Euthy-mius beweren, al degenen, die geoordeeld moeten worden, en zij oordeelen niet met een eerbiedig, doch welsprekend stilzwijgen, gelijk de koningin van het Zuiden en de Ninivieten door hun voorbeeld de Joden zullen veroordeelen, neen, de H. Hieronymus en Chrysostomus zeggen, dat zij met duidelijke woorden het vonnis der verwerping zullen uitspreken over de boozen, en „woorden van zaligheid zullen richten tot de uitverkorenen.

Nadat de vrijwillige armen hun verheven ambt naar behooren hebben vervuld, vernemen zij zeiven uit den mond van Jesus

ocr page 134

124

die verblijdende woorden: „komt, gezegenden mijns Vaders, neemt bezit van het rijk, dat van de grondlegging der wereld af voor u bereid is 1quot; O zoete, wonderzoete uitspraak, die de Koning dei Koningen richt tot u, die thans op aarde voor niets geteld, veracht, vervolgd en verbannen, in' armoede en ootmoed, in zelfverloochening en kastijding, in onschuld en boete uw leven slijt! „Komt, mijne leerlingen, die met Mij het kruis hebt gedragen, komt van het lijden tot de vreugde, komt van den zwaren arbeid tot de nimmer eindigende rust; komt uit den harden strijd tot de onverwelkbare kroon der overwinning: komt van uwe vermoeienissen tot de onuitsprekelijke belooning; komt, gezegenden van mijn en uw hemelschen Vader, wiens getrouwe kinderen gij waart; neemt bezit van het rijk, waarnaar gij hebt gestreefd, dat gij met het zwaard in de hand hebt veroverd; het rijk, welks rijkdom onmetelijk, welks vreugde onbegrijpelijk, welks pracht onbeschrijfelijk is, — het rijk, waar geen dood, geen ziekte, geen vermoeienis, geen ellende, geen honger, geen dorst, geen hitte, geen koude, geen gebrek, geen nood, geen droefheid, geen scheiding, geen eind meer is !quot;

Christus heeft gesproken. Hij staat op en stijgt ten hemel met Zijne glorievolle Moeder en de koren der hemelsche geesten. Dan volgt gij met de tallooze scharen der uitverkorenen, in blinkend gewaad, met schitterende kronen op het hoofd, met palmtakken en leliën in de hand en vol geestdrift zingt gij het betooverende jubellied tot lof en roem van den Zoon des menschen. Daar openen zich de eeuwige poorten en met van vreugde stralende oogen aanschouwt gij de bewonderenswaardige heerlijkheid van uw hemelsch vaderland. Gij aanschouwt God den Vader, die u geschapen, God den Zoon, die u verlost, den H. Geest, die u geheiligd heeft. Gij aanschouwt en ontvangt het geluk, dat uwe stoutste gedachten overtreft, dat uwe hoogste wenschen te boven gaat, uw verlangen geheel bevredigt. Verlangt gij schoonheid? Gij zult glanzen als de zon. Matth. XIII. 43. Vrijheid en kracht? Gij zult zijn als de engelen. Matth. XXII. 30. Verzadiging en bedwelming? Gij zult van de heerlijkheid Gods verzadigd worden en bedwelmd door den overvloed van zijn huis. Ps. XXXV. 9. Welluidendheid? Met de verheerlijkten zult gij het Alleluja

ocr page 135

- 125 —

aanheffen en u in dit gezang verlustigen. Gezelschap en vriendschap? Gij zult plaats nemen met de engelen en heiligen. Eer en rijkdom? Eer en rijkdom zijn in den hemel tehuis Ps. CXI. 3. Verlangt gij waar en gelukkig leven? Voor het kleine wordt het groote, voor het korte het eeuwige, voor het vergankelijke het altijddurende, voor het aardsche het hemelsche, voor het sterfelijke het onsterfelijke leven u geschonken, welks jeugd niet verandert, welks kracht niet afneemt, welks schoonheid niet verflenst, welks licht niet uitdooft, welks vreugde niet voorbijgaat. Wat onbreekt u dan nog? Gen. XV. I. Verlangt gij nog meer ? God zelf zal uw overgroot loon zijn, en in Hem hebt gij alles. Gij zult Hem aanschouwen, en daar gij Hem aanschouwt. Hem beminnen, daar gij Hem bemint. Hem loven, daar gij Hem looft, zijne vreugde en zaligheid genieten zonder einde. Altijd zich baden in de onmetelijke zee van goddelijke wellust, altijd drinken uit den beker der ongeschapene wijsheid, altijd den lof des Allerhoogsten zingen, waarvan de eeuwige gewelven weergalmen, altijd zich verlustigen in de H. Drievuldigheid, altijd u, o zaiigste Maagd Maria aanschouwen, altijd vereenigd zijn met U, bewoners van het Paradijs, voor immer zijn doel bereikt te hebben om het nimmer te verliezen, welk oneindig verheven goed! Als reeds Socrates, de heiden zich verheugde in de hoop na zijn dood den dichter Hesiodus, Homerus, en andere beroemde mannen te zullen zien, hoe zouden wij ons dan niet verheugen na dit leven vol ellenden den drieëenigen God en met en in Hem alle goed te mogen bezitten en genieten! En wij hebben goede gronden voor die vreugdevolle hoop, als wij ons voorbeeld Christus den Heer in ware armoede en nederigheid navolgen, want „alvvie zijn buis, of broeders, of zusters, of vader, of moeder, of vrouw, of kinderen, of akkers om mijnen naam verlaat, zal het honderdvoudige ontvangenquot; nu in den tijd en in de toekomstige wereld des eeuwigen levens. Het honderdvoudige nu, de hoogste onderscheiding op den dag der eeuwige vergelding, dat is het heerlijke loon der armoede die „niets heeft en rijk aan alles, gelukzalig en zonder zorgen is, die niets begeert en niets verliezen kan, daar zij haar schat op eene veilige plaats heeft weggelegd.'1 (Constit, Capuc. in Cap. 6.) „Dat is die hoogte der hoogste armoede, roept de H. Fran-

ocr page 136

120

ciscus uit, welke u, mijne geliefde broeders, tot erfgenamen en koningen van het hemelrijk verheven heeft. Aan goederen heeft zij u arm gemaakt, maar rijk aan deugden. Dat zal uw weg zijn, die u naar het land der levenden geleidt. Haar moet gij, geliefde broeders, geheel en al toebehooren en om den naam des Heeren Jesus Christus moet gij in eeuwigheid niets anders onder den hemel willen hebben, opdat gij daarboven in den hemel alles moogt verkrijgen, genieten en bezitten!

GEBED.

In den hemel was alles in grooten overvloed, maar de armoede was daar niet te vinden. Op aarde echter was armoede in overvloed, en de mensch kende hare waarde niet. Naar haar verlangend, daaldet Gij, Zoon Gods, tot ons af, om haar te kiezen, U met haar te verloven, en door uwe achting voor haar ze ons aan te prijzen. (3. Bernard.) In een stal geboren, was de armoede bij U, zij dekte uwe tafel, zij kruidde uw maal, zij vervaardigde uw kleed, zij sliep aan uwe zijde; zij vergezelde U op al uwe wegen als eene trouwe levensgezellin, zoodat Gij verzekeren kondet; „de vossen hebben hunne holen, de vogelen hun nest, doch de Zoon des menschen heeft niets, waarop Hij zijn hoofd kan neerleggenquot; (Luc. IX. 58,) Zij was bij U in uw lijden, zij besteeg met u de galg des kruizes en in uw verteerenden dorst liet zij u een dronk toereiken, die u meer tot kwelling dan tot lafenis was, in hare armen adem-det Gij uwe heilige ziel uit. Gestorven en hegraven, stondt Gij op en keerdet terug naar den hemel; — en de bruid, door u geadeld, de H. Armoede, hebt Gij aan mij en uwe uitverkorenen toevertrouwd en uwe bij testament gemaakte beschikking, namelijk het honderdvoudige loon op aarde, het eeuwige leven in den hemel, hebt Gij als bruidschat en toegift ons ter hand gesteld; maar ach, — ik heb de met mij verloofde armoede niet lang in mijn huis geduld; ik heb ze verdreven uit mijne cel, uit de keuken, uit de eetzaal, uit de sacristie, uit de Kerk, uit mijn hart en mond; ik heb haar de straat opgejaagd, waar men haar slechts met afkeer bejegent, en tot mijne nadeel heb ik bemerkt, dat zij den geheelen bruidschat in haar zak heeft medegenomen, dat ik zonder haar niet meer ben, wat

ocr page 137

— 127 —

ik kon en moest zijn! Doch, barmhartige Zaligmaker, laat mij mijne dwaasheid bevveenen, en mijne schuld afwasschen in uw bloed, dat Gij voor mij, onwaardige, vergoten hebt; voer haar weder terug, de verstoolene weduwe, opdat ik het voor uw altaar gesloten verbond weder vernieuwe en bezegele. Gedoog niet, dat ik haar nogmaals bezoedele, of ook zelfs maar met een enkel draadje zonder vergunning mij toegeeigend, haar geesele; laat mij liever sterven dan haar nog ooit te beleedi-gen! Amen.

DERDE OVERWEGING.

Over de liefde van Jesus' goddelijk Hart.

Manete in dilectionc mca!

Blijft in mijne liefde! (Joes. XV. 9.)

2lt;o heeft dan de Heer tot eenieder in't bijzonder gesproken. Uit de diepste diepte der hel liet Hij i-e machtige donderstem dreunen : „rampzalige zondaar, sla op !quot; Met de schrikwekkende oordeelstrompet blies Hij hem de geweldig schetterende tonen in de ooren: „oordeel u zeiven.quot; En opgeschrikt is de zondaar weder ontwaakt, berouw en droefheid grepen hem aan, en nu staat hij als een boetvaardig zondaar wel met gebogen hoofd, maar bemoedigd en blijde in heilige gewetensrust voor Zijn aanschijn. Het hart van den lauwe doorboorde Hij met de lans der heilige vreeze en beschaming; de vermomde wereld-ling heeft de wereldsche kleur en spraak afgelegd en staat nu verbeterd en in den geest vernieuwd zwijgend voer Hem. Het ijvervolle leven en streven, van den vromen religieus heeft Hij geprezen, zoodat deze verlicht en getroost, aangevuurd en gesterkt, vol vertrouwen de oogen tot Hem opslaat. Alle drie omgeven Hem thans als kinderen hun Vader, als leerlingen hun meester, zich verblijdend over hunne geloften, en opmerkzaam luisterend naar een volgend woord uit zijn goddelijken mond. Jesus ziet hen vriendelijk aan, en geeft hun als eenmaal aan de Apostelen de loffelijke getuigenis: „nu zijt gij allen rein 0111 het woord, wat ik tot u gesproken heb;quot; (Joës XV. 3.) dan neemt Hij zijn heilig Hart in de eene hand en met de

ocr page 138

— I2S —

andere daarheen wijzend geeft Hij aan allen gezainentlijk voor de toekomst deze korte, maar gewichtige vermaning: „blijft in mijne liefde, volhardt in de liefde tot Mijl En in de liefde tot Mij volhardt gij, wanneer gij blijft in de liefde, die ik — de Godmensch heb en altijd zal hebben voor mijn Hemelschen Vader en voor de menschen, mijne broeders op aarde, — in de liefde waaraan de geheele wet en de profeten en daarom ook uw regel hangt, in de liefde, die het gebod der geboden is en zonder welke gij met al uwe natuurlijke en bovennatuurlijke gaven en deugden slechts een klaterend metaal, eene klinkende schel zijt, (I Cor. XIII, i.) in de vurige liefde tot God en den naaste, waarvan mijn hart gloeit, zoo gloeit, dat het in laaie vlam staat. — Aanschouwt en overweegt dezen zetel, deze bron van liefde, opdat gij voortaan trouwe religieuzen zijt en blijft, die „handelen en wandelen naar mijn hart en geest.quot; Reg. II. 35. Ja, o Heer, wij willen uw vurig verlangen vervullen, wij willen die hemelsche schatkamer van uw allerzoetst Hart binnengaan, wij willen overwegen:

i0 Uwe liefde tot God, uw hemelschen Vader.

20 uwe liefde tot de menschen, uwe broeders op aarde, opdat wij ons hart inrichten naar het uwe, leeren beminnen en in uwe liefde mogen volharden in eeuwigheid; O zoet Hart van Jesus, toon ons uwe liefde, ontsteek ons in uwe liefde, wees onze liefde en blijf onze liefde!

I.

Overwegen wij de liefde van Jezus Hart tot God, Zijn hemelschen Vader!

Als reeds ieder hart, hoe klein het ook zijn mag, niet geheel doorgrond kan worden, hoeveel te minder zal dan ons zwak oog de hoogte van Jesus' goddelijk Hart kunnen meten, zijn ondoorgrondelijke diepte peilen, hoeveel te minder zal ons beperkt verstand zijn vollen inhoud kunnen begrijpen ? Gelijk men echter den boom aan zijne vruchten kent, zoo kent men ieders hart en bijgevolg ook het Hart van Jesus aan Zijne woorden en werken. Om dan eenigermate ten minstede liefde van het Allerheiligste Hart te leeren kennen, hebben wij slechts na te gaan, hoe Jesus in zijne liefde spreekt en handelt.

ocr page 139

a.J „Waar het hart vol van is, daar loopt de mond van over.quot; Een goed mensch brengt uit de goede schatten van zijn hart goed te voorschijn, een slecht mensch brengt uit de kwade schatten van zijn hart kwaad te voorschijn. Matth. XII, 35. Zoo sprak de goddelijke Verlosser. Van welken aard nu waren zijne woorden? Bij zijne intrede in de wereld sprak Hij: „ik ben gekomen, 0 Vader, om uwen wil te volbrengen.quot; Als Hij voor de eerste maal in het openbaar optreedt, is Hij in het huis zijns Vaders te Jerusalem. Daar zit Hij in het midden der leeraren, onderhoud;: zich met hen, zooals wij veilig mogen veronderstellen, vol zalving over de dingen zijns Vaders, zoodat allen, die Hem hooren, verbaasd staan over zijne vragen en antwoorden.

Kort voor Zijn terugkeer tot den Vader getuigt Hij van zich zeiven: ,,ik heb het werk volbracht, dat Gij, o Vader, mij opgelegd hadt.quot; Eer Hij sterft aan het kruis, roept Hij: „Vader, in uwe handen beveel ik mijnen geest!quot; Zijn eerste en Zijn laatste woord zijn betuigingen van liefde, en zoo waren al Zijne woorden tijdens Zijn aardsch leven. Opent Hij Zijn mond, het is ter eere Zijns Vaders; verheugt Hij zich in den geest, omdat den kleinen geopenbaard is, wat den wijzen en verstandigen verborgen is, dan prijst Hij den Vader: „ik prijs u Vader, Heer des hemels en der aarde,quot; (Luc. X. 21.) enz. Maakt Hij melding van Zijne zending, dan schrijft Hij alles toe aan Zijnen Vader: „alles heeft de Vader mij in handen gegeven.quot; (ibid. 22,) Onderwijst Hij, dan leert Hij den wil des Vaders vervullen. Prijst Hij zijne toehoorders dan is het, omdat zij de eer zijns Vaders bevorderen; berispt Hij hen, het is omdat zij des Vaders wet overtreden. Gaat Hij lijden, dan heet het: „Vader, niet mijn, maar uw wil geschiede.quot; Hij ijvert voor niets anders dan voor de meerdere eer zijns Vaders. Hij beroemt zich op geen andere liefde, dan op de vurigste liefde tot den Vader, welke gelijk Hij zelf bevestigt, zoo innig is, dat Hij Zijn wezen met dat Zijns Vaders volkomen vereenigt. Ik en de Vader zijn één; ik ben in den Vader, en de Vader is in mij. De Vader bemint mij en ik bemin den Vader en blijf in Zijne liefde! ' Wie ziet in deze woorden van liefde niet enkel de bewijzen, maar ook de zalige werktuigen der liefde, die Jesus Hart den hemelschen Vader

NIEUWE HANDLEIDING. 9

ocr page 140

— 13° —

toedraagt? Deze liefde bewerkte de volkomen vereeniging van beider wezen. „Ik en de Vader zijn één.quot; Zij bewerkte volmaakte overeenstemming van wil en hart; „de Vader bemint mij en ik bemin den Vader,quot; en dat alles zonder eenig voorbehoud, zonder eenige onderbreking, zonder einde. „Ik blijf in Zijne liefde.quot; — Zoo liefdevol spreekt Jesus in Zijne liefde tot den Vader, en Zijne woorden Zijn geen ijdele woorden.

Van de liefde spreken is niet moeielijk, dat kan ook iemand, die arm aan liefde is, maar wat Christus betuigde met woorden, warm van liefde, dat betuigde Hij nog veel meer door zijne werken, want alwat Hij doet, doet Hij uit liefde, wat Hij lijdt, lijdt Hij uit liefde.

b.) Als de goddelijke Verlosser op een zijner reizen door Samaria trok en aankwam bij de stad Sichar, in het land, dat Jacob aan zijn Zoon Jozef geschonken had, zette Hij zich vermoeid neder bij de put die door Jacob was gegraven. De leerlingen gaan ondertusschen naar de stad om de noodzakelijke levensmiddelen voor zich en hun Meester te koopen, terwijl de Heer bij de Jacobsput gezeten een merkwaardig onderhoud heeft met de Samaritaansche vrouw. De leerlingen, uit de stad teruggekeerd, bieden Hem voedsel aan, maar Hij wijst hunne uitnoodiging van de hand met de beteekenisvolle woorden; „ik heb een andere spijs, die gij niet kentlquot; En als de leerlingen elkander verwonderd vragen, welke spijze Hij bedoelt, lost Hij zelf hun twijfel op, door te zeggen: „het is mijne spijs den wil des hemelschen Vader te doen.quot; Gelijk een hongerige of een dorstige, zoo wil Jesus zeggen, aan niets anders denkt, van niets anders spreekt, nergens anders op uit is, dan op voedsel of drank, zoo is ook geheel mijn denken en streven alleen daarheen gericht, dat ik den wil mijns Vaders volbreng.

O, welk eene liefde tot God moet er branden in het hart dat even vurig de goddelijke geboden wenscht te vervullen als een hongerige en dorstige verlangt naar spijs en drank 1 En zulk een liefdevol hart is uw Hart, o Jesus! In liefde tot den Vader zijt Gij uw sterfelijk leven begonnen, in liefde hebt Gij het doorgebracht! Uit liefde tot den Vader werdt Gij een banneling in Egypte, uit liefde keert Gij weder naar Nazareth terug, uit liefde trekt Gij op naar het feest te Jerusalem, uit liefde gaat Gij weder naar huis, uit liefde blijft Gij dertig

ocr page 141

1«

li

' i nffll

quot;l

— i3i —

jaren lang onbekend in de stille eenzaamheid der timmermans werkplaats, uit liefde verricht Gij de geringste bezigheden van het huiselijke leven. Uit liefde gaat Gij naar den Jordaan, waar uw eeuwige Vader de woorden laat hooren: „Deze is mijn geliefde Zoon, in wien ik mijn welbehagen heb; hoort naar Hem!quot; Uit liefde begeeft Gij u naar de woestijn, uit liefde vast Gij veertig dagen en nachten, uit liefde bidt Gij, eet Gij, drinkt Gij, rust Gijl Liefde ademend, liefde predikend, liefde ontstekend trekt gij langs de wegen en paden van Palestina. Uit zuivere liefde offert Gij gewillig uw leven, want uw dood, wat is hij anders dan het schitterendst bewijs, de triomf uwer gloeiende liefde? „Tk zal niet veel meer met u spreken,quot; zoo verklaart Gij aan uwe apostelen, voordat Gij van hen afscheid neemt, „want de vorst dezer wereld komt. Hij heeft niets aan mij, d. w. z. hij vermag niets tegen mij, wanneer ik zelf het niet wil, „maar opdat de wereld moge erkennen, dat ik den Vader bemin, en doe, zooals Hij mij bevolen heeft, staat op en laat ons gaan!quot; Waarheen dan, goddelijke Heiland? Vooreerst naar Gethsemani, waar een bloedige doodsangst uw liefdevol hart verteert, dan naar Jerusalem, waar valsche beschuldigingen, diepe beschaming, trouwelooze verloochening van Petrus, smartelijke geeselslagen, scherpe doornen, het onrechtvaardigste doodvonnis u wachten, ten slotte naar Golgotha, waar stompe nagelen uwe zachte harden en voeten zullen doorsteken, waar schrikkelijke kwellingen u zullen dooden, waar de lans van den soldaat uw gebroken hart zal doorboren. Om de met vloek beladen wereld te verlossen, was een enkele droppel van uw kostbaar bloed, was de geringste uwer god-menschelijke daden meer dan toereikend geweest, maar alleen opdat wij zouden erkennen en zien, hoezeer Gij den Vader lief hebt, opdat wij ons aan uw liefdegloed zouden verwarmen, wilt Gij den vollen kelk des lijdens, dien de Vader u toereikt tot den bodem toe ledigen, wilt Gij het kruis dat Hij u op de schouders legt, dragen, al moge het nog zoo zwaar drukken, wilt Gij het onbegrijpelijke verlossingswerk voltooien, dat de Vader u opgedragen heeft. — Kan er een edeler, schooner bewijs gegeven worden van liefde tot Godf Wie kan zich vuriger liefde denken, dan die van Jesus' goddelijk Hart tot zijn hemelschen Vader? Doch, hoe beter ik

IWP

'ïic

iiilSiS

m

ocr page 142

— i32 —

deze liefde ken, des te meer moet ik mij schamen, wanneer ik uwe woorden, o Heer: „zoo gij mijne geboden onderhoudt, zult gij in mijne liefde blijven,quot; Joes XV. 10 en „ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat gij het zoudt navolgen,quot; overwegend een blik sla in mijn hart. Voor u was de wil des Vaders meer waard dan spijs en drank, en ik luister meer naar de ingevingen der eigenliefde, dan naar de stem van God, die tot mij spreekt door mijne regels, constituties, kloostergebruiken en overheden, ik zoek meer den bedriegelijken schijn van ijdelen roem der menschen, dan het verheffend zelfbewustzijn van Gods welbehagen. Uw hart klopte voor den Vader, en mijn hart, klopt, ach hoe dikwijls! voor nietige en vluchtige dingen. U waren Gods bevelen dierbaarder dan uw leven, en mij valt het geringste lijden, de kleinste moeielijk-heid, de onbeduidendste verloochening van eigen wil, het lichtste offer, dikwerf zwaarder, dan u de dood. Uw hart gaf zich zonder eenig voorbehoud aan God over, en ik verlang niet zelden, dat Hij met een hoekje van zijn huis tevreden zij, ik stel niet zelden de ark en het afgodsbeeld, Jehova en Baal naast elkander. Uw hart bleef in de liefde tot den Vader, en mijn hart is in zijne goede voornemens gelijk aan een windwijzer, zoo bewegelijk, zoo wankelmoedig, zoo onstandvastig, zoo ontrouw. Vandaag beween ik mijne fouten, morgen bega ik ze wederom; vandaag beloof ik trouw, morgen verbreek ik mijne belofte. Zoo was ik, zoo deed ik, doch nu zal het anders worden!... In 't vervolg zal voor God geen moeite mij te zwaar, geen tijd te lang, geen kruis te pijnlijk, geen offer te groot zijn! Gaarne wil ik voortaan van mijn hemelschen Vader spreken en hooren spreken, gaarne aan Hem denken, gaarne Hem dienen! Zijn wil zal in de toekomst het groote drijfrad zijn, dat mij in beweging zet; het H. Evangelie zij mijn weewaar-naar ik handele, het leven der heiligen de school, die ik be-zoeke, de beoefening der deugden, de eenige bezigheid, die ik verrichte; de hemel zij het eenige voorwerp mijner begeerten en verlangens, en Gij, o Jesus, zult het toonbeeld zijn waarnaar ik mij zal vormen, en indien ik weder verkoel, dan wil ik bij het vuur van Uw goddelijk Hart mij verwarmen, mij in liefde ontsteken, bij dien oven van gloeiende liefde tot God en de menschen.

ocr page 143

II.

Overwegen wij de liefde van Jesus' Hart tot de menschen, zijne broeders op aarde. Betoont iemand zich goedig en liefderijk voor zijne medemenschen, dan zegt men gewoonlijk, dat hij een goed hart heeft. Van wien echter kan men dit met meer waarheid zeggen, dan van den goddelijken Heiland? Heeft God de Vader zoozeer de van Hem vervreemde wereld liefgehad, dat Hij zijn eenigen Zoon niet spaarde, diezelfde Zoon heeft ons zoozeer bemind, dat Hij zich voor eenieder onzer geheel en al heeft opgeofferd niet om onze verdiensten, niet om zijn eigen voordeel, maar alleen uit liefde tct ons. Door ons tot het einde toe te beminnen en die liefde met zijn bloed te bezegelen, heeft Hij op de treffendste wijze zich goed en liefderijk vertoond voor hen, die het a.) het minste verdienden, voor zondige menschen, b.) en voor hen, die het het meeste noodig hadden, voor lijdende menschen.

a.) Wil de liefdevolle Verlosser zijne liefde voor de arme zondaren kenbaar maken, dan vergelijkt Hij zich nu eens met den barmhartigen Samaritaan, die den door roovers gruwzaam mishandelden reiziger opneemt, naar huis voert, met de bezorgdheid eener moeder verpleegt tot zijne genezing toe, dan weder met de vrouw die om den verloren drachma weder te vinden, het geheele huis zorgvuldig uitveegt, en nauwkeurig zoekt en de geheele nabuurschap laat deelnemen in hare vreugde over de wedervinding van het verlorene, dan weder met den goeden vader van den verloren Zoon, die den eindelijk terugkeerende tegemoet snelt, hem met blijdschap omhelst en onder vreugdetranen kust, hem met een nieuw gewaad bekleedt en ter zijner eer een feestmaal aanricht, een anderen keer met den bezorgden herder, die, als hij van too schapen er een verloren heeft, de 99 achterlaat, over berg en dal trekt, het ééne zoekend, tot hij het vindt, het wedergevondene op zijne schouders neemt en vol vreugde naar de kudde terugbrengt. Ken Jesus de liefde van zijn allerheiligst Hart aanschouwelijker voorstellen dan door deze treffende en teedere gelijkenissen? Wat Jesus in die gelijkenissen met woorden leerde, heeft Hij bevestigd door al zijn doen en laten, want uit geheel zijn leven straalt oprechte liefde voor den zondaar. Die liefde was

ocr page 144

— 134 —

het, waaraan zijne vijanden zich ergerden. „De Pharizeën en Schriftgeleerden morden tegen Hem en zeiden: deze neemt de zondaars op en eet met hen.quot; (Luc. XV. 2.) Die liefde was het, die Hem den naam van vriend der zondaars bezorgde; „deze mensch is een vriend der tollenaars en zondaars.quot; (ibid. 1. c.) Zijn eerste en laatste wenschwas: te zoeken en zalig te maken, wat verloren was. (Luc. XIX. 10.) En om dat vurig verlangen van zijn hart te bevredigen, o hoe veel en hoe groote dingen onderneemt Hij niet! Hij onderwijst. Hij predikt. Hij vermaant. Hij waarschuwt. Hij bedreigt. Hij straft, Hij bidt. Hij bezweert. Nu noodigt Hij zich zeiven als gast bij den tollenaar Zachaeus, om van hem een zoon Abrahams en een dischgenoot in het rijk zijns Vaders te maken. Dan redt Hij de overspelige vrouw van den tijdelijken en eeuwigen dood. Dan onderhoudt Hij zich met de samaritaansche vrouw, om haar de bron der ware wijsheid te openen, haar tot boete en zaligheid te voeren. In het huis van Simon laat Hij toe, dat Magdalena met hare tranen zijne voeten besproeit, terwijl Hij met de tranen hare ziel reinigt. Hier slaat Hij een blik vol medelijden en goedheid op den gevallen Petrus, opdat hij zich oprichte door berouw en boetvaardigheid. Daar zegt Hij tot den verlamde: „mijn Zoon, uwe zonden word-n u vergeven.quot; (Mare. II. 5-) in den folterenden doodstrijd vergeet Hij zich zeiven en zijn lijden en denkt nog: aan wien ? Aan een boosdoener, die met Hem gekruisigd is. Hij ontslaat hem van zijne zonden en schenkt hem vergiffenis: „heden nog zult gij met Mij zijn in het Paradijs.quot; Hij denkt nog aan Zijne moordenaars om voor hen te smeeken: „Vader vergeef het hun, want zij weten niet, wat zij doen,quot; — O, welk een hart, welks laatste zucht een liefdezucht, welks laatste woord een troostwoord voor een zondaar, welks laatste bede eene voorbede is voor alle zondaars ! O liefdevol hart, wat kan ik vuriger verlangen, dan uwe liefde waardig te zijn, dan door u bemind te worden, en we-derkeerig u te beminnen ? Ja, God zij gedankt, ik word door u bemind, ik bemin u en ik blijf in uwe liefde, indien ik i0 geduld en toegevendheid heb met de zwakheden en gebreken van mijnen evenmensch, „draagt elkanders lasten en zoo zult gij de wet van Christus vervullen,quot; 20 indien ik altijd de mij aangedane beleedigingen en verongelijkingen, van ganscher

ocr page 145

harte vergeef: vergeeft en ook aan u zal vergeven worden,quot; indien ik 30 den zondaar met broederlijke liefde terechtwijs, vermaan en bekeer: „als uw broeder tegen u misdoet, berisp hem, en heeft hij berouw, vergeef het hem indien ik 40 altijd voor de zondaars om de genade der bekeering bid: „bidt voor elkander, opdat gij zalig wordt, want veel vermag het aanhoudend gebed des rechtvaardigen;quot; indien ik 50 in alles een goed voorbeeld geef: „in alle zaken vertoon u als een toonbeeld van goede werken, in de leer, in onberispelijkheid van levenswandel.quot; In één woord: ik blijf in uwe liefde, wanneer ik uwe geboden standvastig onderhoud, „indien gij mijne geboden onderhoudt, zult gij in mijne liefde blijven,quot; zoo spreekt Gij, o Heer, die zoozeer hebt liefgehad hen die dit het minste verdienden, de zondaars.

b.) Wat den liefdevollen Heiland het meeste ter harte ging, was het geestelijke, het eeuwige welzijn der menschen, de zaligheid der onsterfelijke zielen; maar ook voor het lichamelijke heil toonde Hij zich bezorgd. „Komt allen tot Mij, zoo sprak Hij, die zwoegt en belast zijt, en ik zal u verkwikken!quot; Zij kwamen in groote menigte, Jesus hield woord en verlichtte hunnen last, O, konden wij Hem zien, den vriendelijken helper, konden wij eens zien dat bovenmenschelijke medelijden in zijn oog, die zachte minzaamheid op zijn gelaat, die almacht in zijne gebaren, konden wij Hem eens zien, den troostenden Godmensch, hoe niet koningen en vorsten, niet grooten en rijken, niet gezonden en geleerden, maar lammen, blinden, stommen, dooven, armen, melaatschen, zieken en gebrekkigen van allerlei soort Hem omringden 1 Daar brengen zij een verlamde en op Jesus' machtwoord staat hij op. Daar wordt een blindgeborene bij Hem geleid en op Jesus' bevel openen zich de oogen voor het zonnelicht. Nu eens raakt eene bloedvloei-ende vrouw zijn kleed aan en wordt oogenblikkelijk gezónd. Dan weer hooren wij een melaatsche roepen: „Heer, als Gij wilt, kunt Gij mij reinigen!quot; Jesus wil en hij is gereinigd. Aan doofstommen geeft Hij het gehoor en de spraak, bezetenen bevrijdt Hij van den duivel, nu eens geneest Hij een waterzuchtige, dan is het de schoonmoeder van Petrus, die Hij van de koorts verlost. Hier treedt Hij een huis vol droefheid binnen, neemt de gestorvene dochter van Jaïrus bij de

ocr page 146

— i36 —

hand en zij staat op uit den dood. Daar geeft Hij aan den stervenden zoon des hoofdmans de gezondheid weder, daar spreekt Hij bij de lijkbaar des joDgelings van Naïm: „jongeling, ik zeg u, sta op!quot; De doode verheft zich, begint te spreken, en gaat met zijne moeder naar huis. Daar ligt een lijk reeds vier dagen in het graf; de Heer laat zijn stem hooren en Lazarus komt levend te voorschijn. Hier spijzigt Hij 5000 menschen met vijf brooden en twee vischjes. Op zulke en andere wijzen zocht Jesus overal te helpen. Waar Hij echter niet helpen kan, omdat men Hem niet helpen laat, daar toont Hij groote droefheid. Met tranen aan zijn oog ontsprongen om de menschelijke ellende, met bittere tranen heeft Hij de droefheid van zijn goddelijk Hart geopenbaard. Hoe heeft Hij gezucht en geweend over Jeruzalem; „O mocht ook gij en wel op dezen uwen dag erkennen wat u tot vrede strekt, nu echter is het voor uwe oogen verborgen!quot; „Dikwijls, zoo schrijft een heiden, zag men Hem weenen, doch nimmer lachen.quot; Wat zoeken wij nog verder naar bewijzen voor de liefde van Jesus' Hart! Hij geeft zelf ons het krachtigste, het meest afdoend bewijs, als Hij zijne liefde tot ons vergelijkt met de liefde van den Vader tot Hem. „Gelijk de Vader mij liefheeft, zoo heb ik u lief gehad, dat is, zooals de Vader mij bemint, met eene oneindige liefde, zoo bemin ik u ook oneindig. Tevergeefs derhalve trachten wij Jesus' liefde in al zijne grootheid ons voor te stellen, dewijl zij oneindig is en dus alle beschrijving te boven gaat, zoodat wij slechts met verbazing kunnen uitroepen: „O liefde boven alls liefde! O onbeschrijfelijke, niet te volprijzen liefde van Jesus' Hart tot ons, zijne broeders op aarde.quot; — Nu spreekt echter dat liefdevolle Hart: „ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat gij evenzoo zoudt doen.quot; „Bemint elkander, gelijk ik u heb bemind.quot; Dit is mijn gebod, dat gij elkander liefhebt, gelijk ik u heb liefgehad.quot; Zoo spreekt Gij, o Jesus, en daarmede verlangt Gij van ons geen wonderen van naastenliefde, zooals Gij gedaan hebt, want dit is voor ons onmogelijk, maar Gij vordert werken van naastenliefde, die wij dagelijks kunnen en moeten doen. Zoo richt Gij door den mond van onzen Serafijnschen Vader de volgende vermaning tot ons: waar ook de broeders zijn en zich zullen bevinden, zij zullen elkander als huisge-

ocr page 147

— 137 —

nooten beschouwen en hun nood met vertrouwen elkander openbaren, want indien eene. moeder haar zoon vcedt en bemint, hoeveel te meer moeten broeders naar den geest elkander beminnen en verzorgen?quot; (regul. C 6.) Als wij dan bemerken, dat een medebroeder onze hulp van noode heeft, zouden wij die dan mogen weigeren ? Als wij zien, dat kommer en verdriet hem ter neder drukken, zullen wij hem dan niet helpen ? Als wij gewaar worden, dat hij dwaalt, zouden wij hem dan niet met goedheid op den rechten weg brengen r Als wij weten, dat hij gevallen is, zouden wij hem dan niet de hand toereiken? Als wij hem hooren klagen en zuchten, zouden wij hem dan niet troosten? Zullen wij elkander geen liefde en achting, genegenheid en welwillendheid toedragen, geen geduld, hulp en medelijden betoonen? Ongetwijfeld. Zullen wij in ons hart afkeer en vijandschap, wrok en gramschap, haat en nijd onderhouden? Zal er uit onzen mond een woord van bitterheid en wraak, van versmading en kwaadspreken, van leugentaal en spotternij komen? Zal men in onzen wandel ooit eenige ruwheid, grofheid, hardheid of boosheid, voorliefde of achterstelling, bedrog of iets anders ontdekken, wat strijdig is met de broederlijke liefde? —: Neen, eeuwig neen, want dan, o Jesus, houden wij op uwe leerlingen, religieuzen, priesters, ware christenen en redelijke menschen te zijn. Dan zouden wij niet in uwe liefde, maar in den doodblijven; want wie zijn broeder niet liefheeft, blijft in den dood, in uwe ongenade; wie zijn broeder haat, die is een menschenmoorder en heeft het eeuwige leven niet in zich. (I Joës. III. 14, 15.) De liefde maakt ons tot religieuzen; zonder haar wordt het klooster een hel en wij worden duivelen. Wat is de reden dat een schip lek wordt ? In den regel, omdat de planken niet meer dicht genoeg aan elkander aansluiten. Zoo is de oorzaak, dat een klooster ten gronde gaat, gewoonlijk deze, dat de leden er van niet vast genoeg met elkander verbonden zijn door den band der liefde. (S. Bernard.) O goddelijk Hart van Jesus, dat brandt van liefde voor God en de menschen, laat derhalve niet toe, dat iemand binnen deze heilige muren het gebod der liefde met eene gedachte, woord of werk schende, maar ontsteek al onze harten opnieuw met het vuur uwer liefde, opdat wij God bovenal en onzen naaste gelijk ons zeiven beminnen, uwe geboden onder-

ilft

f i

ri

1 m

a' t|

1

ocr page 148

- 138 -

houden, in uwe liefde blijven nu in den tijd en eens in de eeuwigheid! Amen.

VIJFDE DACJ.

SLUITING.

Over ue hulp van Maria.

Sub tuum praesidium confugimus Sancta

Dei genitrix.

Onder uwe bescherming nemen wij onze toevlucht, o Heilige Moeder Gods.

(Uit het gebed der H. Kerk.)

Irl'j loopt nu ten einde, de schoone, gelukkige tijd van vernieuwing des geestes waarin de oneindig Barmhartige even dringend als liefdevol tot ons hart gesproken heeft. Het laatste uur heeft geslagen; wee onzer echter, wanneer dit werke-kelijk zoo zou wezen! Neen, de heilige oefeningen beginnen nu eerst voor ons te zijn, wat zij ons geheele leven lang moeten zijn en blijven, willen wij zalig worden; want wie wordt zalig? Die de wereld veracht zooals 'Alexius, die bidt gelijk de H. Theresia, die de armoede liefheeft gelijk de H. Franciscus van Assisië, die volkeren bekeert, gelijk de H. Franciscus Xaverius, enz. ? Neen, wij mogen beginnen als Lucifer in den hemel, als de Apostel Judas op aarde, als wij niet volharden in ons streven naar christelijke volmaaktheid, als wij de aan den ploeg geslagene hand terugtrekken, als wij moedeloos den aangevangen bouw onzer deugd in den steek laten, als wij ons vaandel verlaten en de dood ons als laffe vluchtelingen inhaalt, dan gaan wij verloren, even onfeilbaar als de eeuwige Waarheid getuigt dat „alwie volhard zal hebben ten einde toe, zalig worden zal.quot; (Matth. X. 22.)

Wij hebben slechts den grondslag gelegd, waarop wij verder moeten voortbouwen. Wij hebben voor de toekomst de schoonste voornemens gemaakt. Zullen wij die ook onderhouden ? De schuilhoeken van ons geweten hebben wij nauwkeurig doorzocht en ze van alle smet en stof gereinigd; zullen wij ze weder bezoedelen? Wij hebben tot ons zeiven gezegd; „ik wil mijn vleesch met mijne begeerlijkheden kruisigen, met de

ocr page 149

— 139 —

grootste waakzaamheid letten op mijn in- en uitwendige zinnen.'' Zullen wij dat woord, dat wij den Hemel verpand hebben, nimmer breken? Wij hebben ons vast voorgenomen naar de volmaaktheid te streven, en de daartoe dienstige middelen aan te wenden. Zullen wij nimmer moede worden in dat werk ? De grondslagen zijn gelegd. Zullen wij den aangevangen arbeid voortzetten en gelukkig voltooien ? Zullen wij altijd en overal ons houden aan den gezworen eed van trouw? Ach, hoeveel vragen, die wij slechts met een bedenkelijk schouderophalen kunnen beantwoorden. De geest is wel gewillig, doch het vleesch is zwak; de loerende duivel is sluw, de wereld vol gevaar; zullen wij dan tot onzen laatsten ademtocht in het goede volharden? Loodzware, sombere gedachten, die ons verstand benevelen, ons hart doen sidderen! — Doch laten wij den moed niet zakken! Wij hebben, dit sterkt en troost ons, eene moeder die niet vergeet, dat zij onze moeder is. Zij is de moeder van het Allerheiligste Hart, zij helpt overal, in alles, alle menschen, ten allen tijde. Dit zullen wij overwegen, ten einde ons zelven daardoor aan te sporen, om steeds met volle vertrouwen tot haar onze toevlucht te nemen.

I.

Maria helpt overal. Het is eene uitgemaakte zaak, die steunt op de uitspraken der H. Schrift en der overlevering, alsook op de onwraakbare getuigenissen van het verstand, de geschiedenis en de ondervinding, dat de Heiligen Gods voor ons bidden en ons helpen door hunne voorspraak. Dit geschiedt voornamelijk op die plaatsen, die hen bijzonder zijnquot;toegewijd en waar zij met meer dan gewoon vertrouwen worden aangeroepen. Deze plaatsen noemt men „bedevaartsplaatsen,quot; omdat zoovele menschen hulp zoeken, biddend daarheen trekken, en door hun gebeden de hulp der heiligen over zich afsmeeken. Deze bedevaartplaatsen nu zijn gewoonlijk daar, waar de bedoelde heilige geleefd, of geleden heeft, of gestorven of begraven is. Zoo helpt bijvoorbeeld de H. Apostel Petrus voornamelijk in de St. Pieterskerk te Rome, de H. Apostel Jacobus te Compostella in Spanje, de H. Franciscus en de H. Clara te Assisië, de H. Margaretha te Cortona, de H. Antonius te

ocr page 150

— 140 —

Padua, de H. Carolus Borromeus te Milaan, de 19 HH. Martelaren van Gorkum te Brielle, de H. Lidwina te Schiedam, de H. Bonifacius te Dokkum enz. Terwijl echter de Heiligen hunne hulp hoofdzakelijk op eene bepaalde plaats verkenen, helpt de II. Maagd ons overal waar zij maar vereerd wordt. Zij helpt in ieder werelddeel, in ieder land, in iedere provincie, in iedere stad, in ieder dorp, in ieder huis, in iedere cel, ja, in iedere hoek, waar men maar roept: Maria, help onsl

Maar zij helpt ook bijzonder daar, waar zij bijzonder vereerd wordt. En zulke plaatsen vindt men in alle katholieke landen der wereld. Wie kent niet Onze Lieve Vrouw te Kevelaar, Onze Lieve Vrouw te Lourdes, te Lorette, te Handel, te 's Hertogenbosch, te Scherpenheuvel, te Sittard, te Roermond en zooveel andere plaatsen! Zoek waar gij wilt, trek naar Noord en Zuid, naar Oost en West, gij zult ondervinden, dat Maria overal de machtige, goedertierene, en getrouwe Maagd is, die hare vereerders nergens vergeet. En daar zij ons niet vergeet, laten wij haar dan ook niet vergeten! Vergeten wij haar niet tehuis, vergeten wij haar niet op reis, vergeten wij haar niet in de Kerk, vergeten wij haar niet in de eenzaamheid, vergeten wij haar niet in gezelschap! Roepen wij haar aan overal en zij zal ons nergens verlaten ! Vluchten wij vol vertrouwen tot baar in allen nood, want

II.

Zij helpt in alle behoeften. Aan de aartsvaders, profeten, apostelen, martelaren, belijders en maagden heeft God, gelijk de H. Hieronymus zegt, slechts een gedeelte der genade geschonken; Hij heeft, om de woorden van den Apostel Paulus te gebruiken, aan den ééne dit, aan den andere dat talent toevertrouwd. Dewijl nu de heiligen met het hun toevertrouwde talent als getrouwe beheerders woekerden, zoo heeft deze heilige uitgemunt in deze deugd, gene in gene deugd, en daardoor hebben zij de macht verkregen om de noodlijdende menschen in deze of gene aangelegenheid te helpen. Daarom helpt deze heilige in dit lijden, een ander in dat, en wel eenieder in dat, waarin en waardoor hij buitengewone verdiensten verworven heeft. /.00 helpt de H. Fidelis vooral tegen hoofdpijn, de H.

ocr page 151

— 141 —

1

Lucia tegen ooglijden, de H. Apollonia tegen tandpijn, de H. Klasius tegen keelziekten, de H. Agatha tegen borstlijden, de H. Moeder Anna tegen barensnood, tegen langdurige ziekte de H. Lidwina, tegen brandwonden de H. Laurentius, tegen hondsdolheid de H. Hubertus; in pest roept men den H. Rochus en Sebastianus aan, tct behoud van den goeden naam den H. Joannes Nepomucenus, in onzuivere bekoringen den H. Casi-mirus en Aloysius. De H. Antonius van Padua brengt de verlorene zaken weder; de H. Juliana roept men aan om de genade der H. Communie in het sterven. De H. Voedstervader Jozef is de schutspatroon van die met den dood worstelen. De H. Wendelinus, de H. abt Antonius en Valentinus zijn de patronen der huisdieren, de H. Stephanus der paarden. De H. Florianus helpt in brandgevaar, de H. Martinus en Mauritius in den oorlog, enz. Alleen de allerzaligste moedermaagd helpt in alle behoeften van lichaam en ziel, Zij is vol van genade. In Maria stortte de Heer de geheele volheid der genade uit, niet slechts die haar heiligde, maar ook de naar buiten werkende genade, daarom helpt zij in alle mogelijke aangelegenheden. Zijt gij ziek? Zij is het behoud der kranken, Zijt gij bedroefd? Zij is de troosteres der bedrukten. Wordt gij bestreden door bekoringen tegen de H. Deugd? Zij is de allerreinste, de allerzuiverste maagd. Verlangt gij genade ? Zij is de moeder der goddelijke genade. Zoekt gij ontferming? Zij is de moeder der barmhartigheid. Streeft gij naar wijsheid ? Zij is de zetel der wijsheid. Zijt gij zwak? Zij is de machtige mapgd. Zoekt gij vreugde ? Zij is de oorzaak onzer blijdschap. Begeert gij godsvrucht? Zij is het uitmuntend vat van godsvrucht. Wenscht gij gerechtigheid? Zij is de spiegel er van. Zijt gij gevangen in de zonder Zij is de toevlucht der zondaren. Hebben wij behoefte aan voorspraak? Zij is onze middelares. Vraagt gij, wat gij maar vragen moogt. Zij is de hulp der christenen. Wilt gij bewijzen daarvan ? Wilt gij weten, of zij kroon en scepter schenkt? Van haar hebben Leo en Stephanus hun scepter. Of zij wetenschap meedeelt? Suarez en Albertus de Groote hebben van haar hunne verbazende wetenschap. Of zij welsprekendheid kan ingeven? De H. Bernardinus en Bernardus hebben aan haar die bewonderenswaardige gave te danken. Of zij de overwinning schenkt? De overwinningen op

i

•; -t

i #

In

13! I

I 11

m

vU 4ri

: ? jï

il

i m

illl :? 1 il

:j IJ

ï 1 ■l: ; :

■ il : ■#

li li: lil

-v l:ij

lil

i.

ocr page 152

— 142 —

de Turken bij Lepanto en bij Weenen zijn op hare aanroeping verkregen. Of zij in den dood bijstaat? De H. Phiiippus Be-nitius, Joannes de Deo, en Antonius ondervonden haar machtigen bijstand in het stervensuur. Wij zouden geen einde vinden, schrijft de H. Alphonsus de Ligorio, als wij uit de levensgeschiedenis der heiligen de ontelbare bewijzen wilden opsommen, die ons van de waarheid overtuigen, dat Maria voor hare ijverige vereerders de bitterheid des doods verzacht. Wilt gij nog meer? Ga dan in welke Mariakerk gij wilt, die duizende en duizende gedenkstukken, zijn zij dan niet allen even zoovele bewijzen van Maria's hulp ? Kortom, geen moeder draagt voor haar zoon zooveel zorg als Maria voor ons; niemand beschermt ons in wederwaardigheden zoo als zij, niemand wordt van den kwade bevrijd, dan door haar, de allerzuiverste, niemand ontvangt genade, dan door hare hand, niemand verwerft barmhartigheid dan door haar, niemand wordt zalig, dan door de allerzaligste.

Welk eene hoop, welk eene genade, welk een zegen wij ook van God mogen hebben ontvangen, wij hebben het te danken aan Maria, want dat is Gods wil, dat wij alles door haar verkrijgen. (S. Bernard.) Laten wij ons dan verheugen en tot Maria gaan in iedere ziekte, in ieder lijden, in iederen nood, in iederen twijfel; gaan wij tot haar in angsten, in gevaren, in bekoringen, in alle aangelegenheden des levens, want

III.

Zij helpt ook alle menschcn. De heiligen Gods Zijn voorsprekers voor den noodlijdende en wel iedere heilige meer bijzonder voor de hem toevertrouwde pleegkinderen, dan voor anderen. Zoo is de H. Petrus hoofdzakelijk voor de Romeinen een voorspreker, de H. Martelaar Justus voor de geloovi-gen van Triest, de H. Martinus voor het bisdom Tours, de H. Benedictus voor de Benedictijnen, de H. Alphonsus voor de Redemptoristen, Ignatius voor zijne zonen, Dominicus voor de Predikheeren, Franciscus voor zijne talrijke kinderen, enz. Maria echter is door hare waardigheid van aller moeder en koningin, ook aller patrones en voorspreekster. Haar blik vol medelijden gaat over allen zonder onderscheid, armen en rijken,

ocr page 153

— 143 —

priesters en leeken, jongen en ouden, gezonden en zieken, geleerden en ongeleerden, goeden en boozen van welke taal of of stand of land zij ook zijn. Gelijk Gods wijze Voorzienigheid voor allen zorgt, zoo zorgt Maria ook voor allen die tot haar hunne toevlucht nemen. Voor allen opent zij den schoot der barmhartigheid, opdat allen hare hulp ondervinden, opdat de gevangene verlossing, de zieke genezing, de bedroefde vertroosting, de deugdzame de genade der volharding, de engelen vreugde, de allerheiligste Drievuldigheid eer, en God de Zoon zijn menschelijk lichaam van haar ontvange; zelfs voor den grootsten zondaar, die het kostbare kleed der heiligmakende genade heeft verloren en in den zwarten nacht der zonde evenals Gain ronddwaalt, schijnt zij als eene glanzende morgenster. Zelfs hij mag met betraande oogen tot Maria vluchten en haar toeroepen: „Gij hebt genade gevonden, ik heb ze verloren. O schenk ze mij weder 1quot;

En op die verzuchting spreidt zij den gouden mantel der ontferming uit, en neemt hem met de anderen op, zooals de H. Gertrudis eens in eene geestverrukking aanschouwde. De allerheiligste Maagd verscheen haar eens in een met goud ge-stikten mantel, die van onder wijd uitgespreid was. Daaronder vloden tegelijk met de menschen ook allerhande wilde dieren, als: dolle honden, hongerige wolven, wilde zwijnen, schrikwekkende draken en vergiftige slangen, die zij niet afweerde, maar allerminzaamst opnam. Daarover verwonderd, vroeg de Heilige, wie deze dieren waren, waarop zij ten antwoord ontving: „mijne geliefde dochter, het zijn de groöte zondaars, die bevreesd voor Gods vertoornd aangezicht, angstig tot mij snellen om bij mij bescherming te zoeken. Ik neem ze allen op, wanneer ze met een vast vertrouwen en een ernstig voornemen om hun leven te beteren tot mij hunne toevlucht nemen.quot; — Ja, „indien al de uitverkorenen des Heeren ons niet schijnen te hooren en te verhooren, als zij ons als 't ware in den steek laten, dan ontfermt zich Maria toch nog over ons, (S. Dominicus) en zorgt voor ons. Dit kan ons een H. Gregorius van Nazianze met de geloovigen van Cappado-cië getuigen, ook een H. Ephrem met de Syriërs, Cyrillus en Athanasius met de Egyptenaren, Joannes Damascenus met de Arabieren, Cyprianus en Augustinus met de Afrikanen, Joannes

ocr page 154

— 144 —

Chrysostomus met de Grieken, Bonaventura, Thomas van Aqaine, Bernardinus van Siena, Antonius van Padua, en Antoninus met de Italianen en duizend anderen. Dat kunnen bewijzen ten laatste al die boeken uit de vorige eeuwen, in welke Maria als de hulp der Christenen geprezen wordt, want zij beschermt allen te zamen en ieder in 't bijzonder, zooals Albertus de Groote zich uitdrukt. Indien alzoo de allerzaligste Maagd allen beschermt, dan beschermt zij ook ons! Welke blijde gevoelens moet deze gedachte in ons opwekken! Welke liefde, welke dankbaarheid, welk groot vertrouwen op Maria moet ons dan bezielen!

IV.

Zij helpt altijd. Hoe teeder en bewonderenswaardig is de liefde eener goede moeder voor haar kind 1 Geen penseel kan die liefde naar behooren schilderen, geen pen haar beschrijven, geen tong haar schetsen. Doch meer dan de beste aardsche moeder haar kind kan beminnen, bemint onze geestelijke moeder Maria ons; want gene bemint uit kracht der natuur, deze uit kracht der genade. Zooveel de genade sterker is dan de natuur, zooveel is ook de bovennatuurlijke liefde inniger dan de natuurlijke. Indien reeds eene lichamelijke moeder haar kind altijd liefheeft, indien zij derhalve ten allen tijde daarvoor angstig bezorgd is, hoeveel te meer dan zal Maria hare geestelijke kinderen ten allen tijde beminnen, en daarom ten allen tijde voor hen zorgen ?

a.) Ik zal hieromtrent niet in bijzonderheden afdalen; ik zal er alleen op wijzen, dat Maria, zoolang zij op aarde leefde, niets zoo zeer behartigde als het geestelijk en tijdelijk welzijn harer pleegkinderen. Denken wij alleen aan de bruiloft te Cana, hoe zij haar goddelijken Zoon op de verlegenheid van den gastheer opmerkzaam maakte met de woorden: ,,Zij hebben geen wijn meer.quot; Denken wij er aan, hoe grootmoedig zij Jesus aan den hemelschen Vader voor ons opoffert in den tempel te Jerusalem en op den Calvarieberg. Denken wij aan de beloften, die zij op haar sterfbed in den persoon der apostelen aan ons deed; „ik ga niet van u heen, om u te verlaten. In den hemel zal ik u beter kunnen helpen.quot; (S. Joan.

ocr page 155

— i4S —

Damasc. de dorm. B. V. M.) Roepen wij ons enkel een paar getuigenissen in 't geheugen, die bewijzen, dat zij die beloften tot op dezen dag getrouw heeft vervuld. „Wie, o zalige Maagd,quot; zoo vraagt de H. Eutychianus, „wie heeft ooit uwe alvermogende hulp ingeioepen en is door u verlaten geworden?quot; „Wie, vraagt Paus Innocentius III, wie heeft ooit tot Maria gebeden, zonder door haar te zijn verhoord?quot; Hoe beter zij r;u in den hemel de ontelbare behoeften kent, des te meer toont zij door weldaden hare onvergelijkelijke barmhartigheid. Zij is immers onze moeder. Kan eene moeder dan haar kind vergeten fquot; vraagt de H. Bonaventura. Neen, zoo antwoordt de H. Bernardus in naam van alle christenen, want men heeft nimmer gehoord, dat iemand, die tot haar zijne toevlucht nam om hare voorspraak in te roepen, onverhoord is gebleven.quot; — Meer hebben wij niet noodig, om een onwankelbaar vertrouwen te stellen in de liefde van zulk eene teedere moeder.

b.) Gelijk zij tot nu toe aan een ieder hare behulpzame hand geboden heeft, zoo reikt zij die ook ons toe. Zij reikte die ons reeds toe in onze kindschheid, om onze onschuld te bewaren, om ons te beveiligen tegen het besmettelijke vergift der verleiding en ons de onschatbare genade der roeping tot het kloosterleven te schenken. Zij reikt diezelfde behulpzame hand ons nog toe in den mannelijken leeftijd, om ons standvastig in het goede te behouden. Zij zal die óns toereiken in den höógen ouderdom, om de zwakheid en gebreken van dien leeftijd met moed en volharding te kunnen verdragen. Zij helpt ons alle dagen van ons leven meer dan de eeheele strijdende en zegevierende Kerk ons kan helpen. En wanneer wij eenmaal met den dood zullen worstelen, wanneer onze lippen verbleeken, onze oogen verflauwen, onze ledematen verstijven, wanneer alles ons verlaat, Maria verlaat ons niet. „Zij zendt, verzekert de H. Bonaventura, den aartsengel Michaël en de andere engelen ter verdediging harer stervende dienaren, om hen te beschermen tegen de aanvallen des duivels, en de zielen te ontvangen van hen, die zich in het leven op eene bijzondere wijze aan haar hebben aanbevolen.quot; Daarmede nog niet tevreden, verschijnt zij ook persoonlijk bij het sterfbed van hen, die haar oprecht en trouw hebben gediend, gelijk zij geopenbaard heeft aan de H. Mechtildis. En bij hare

NIEUWE HANDLEIDING. 10

ocr page 156

— 146 —

verschijning vluchten alle vijanden heen, want wanneer zij voor ons is, wie kan dan tegen ons zijn? Zoo geleidt de allerzaligste Maagd ons door hare hulp over de brug des doods naar het land der eeuwigheid tot voor Gods rechterstoel. Daar aangekomen is zij onze beste voorspreekster.

c.) De H. Bonaventura vordert van een goeden advocaat drie zaken: 10 dat hij het twistgeding voor een rechtvaardigen rechter verdedige, 20 dat hij het wete te verdedigen tegen eene arglistige en sluwe tegenpartij, en 30 dat hij wete te winnen, ofschoon het bijna verloren schijnt.

Maria nu bepleit 10 onz-j zaak voor „den rechtvaardigsten rechter,quot; (II Tim. IV. 8.) voor haar goddelijken Zoon; 20 zij bepleit onze zaak tegen de helsche slang, ,,die listiger is dan alle dieren der wereld.quot; (Gen. III. 1.) 3° Zij bepleit onze misslagen tegen de oneindige majesteit. „Zij opent haar mond voor de wijsheid en de wet van goedertierenheid zweeft op hare lippen.quot; (Prov. XXXI. 26.) Als verstandige en welsprekende voorspreekster vraagt zij, dat haar goddelijke Zoon genade voor recht late gelden. En zal Hij iemand kunnen straffen, voor wien zij tusschenbeide komt ? Reeds een heiden, Alexander de Groote, sprak; één enkele traan mijner moeder vernietigt vele doodvonnissen.quot; Wat zal er dan bij het bijzonder oordeel gebeuren? De H. Bernardus'geeft het antwoord: „de Zooi Gods zal zijne moeder, en God de Vader zal den Zoon verhooren.quot; Met recht bidt daarom de honigvloeiende leeraar tot Maria; „door U wordt de hemel bevolkt, de hel ontvolkt, de plaatsen der afvallige engelen in 't hemelsch Jerusalem weder aangevuld.quot; En indien het mocht gebeuren dat: deze of gene om niet genoeg afgeboete zondestraffen of dagelij ksche zonden veroordeeld moet worden tot het vagevuur, o, dan toont zij zich nog eene liefdevolle en behulpzame moeder voor die arme zielen in dat oord van kwellingen. „Er is,quot; zoo openbaarde zij zelve aan de H. Brigitta, „er is in de plaats van zuivering geen pijn, welke niet door mij verlicht, gelenigd en verzacht wordt.quot; Dezelfde heilige zag ook, hoe de allerzaligste maagd voor die arme zielen om ontferming smeekte, hoe Christus de Heer, haar genadig het oor leende, en zeide, dat die zielen, die de grootste pijn verduurden, van dat oogenblik af in de middelste kwamen, die zich in de

ocr page 157

— 147 —

middelste bevonden, in de lichtste overgingen, die echter in de lichtste waren, tot de zalige rust werden toegelaten.

Zoo is Maria de verlosseres der gevangenen, de oorzaak des heils, de deur des hemels. En heeft zij eindelijk de ziel aan hare moederhand het eeuwige vaderland binnengeleid, dan mag die ziel — haar kind — in het huis des hemelschen Vaders in haar gezelschap wonen, deelnemen in haar onuitsprekelijk geluk, met haar zich verheugen van eeuwigheid tot eeuwigheid.

O koningin des hemels! O middelares der genade 1 O vreugde der deugdzamen, toevlucht der zondaren, hóe waar is het, dat gij ten allen tijde helpt 1 Gij helpt overal, gij helpt in alle behoeften, gij helpt alle menschen gij helpt ten allen tijdel

Hemelen, juicht dan met mij, aarde, verheugt u met mij, engelen, jubelt met mij, alleen gij, helsche geesten, siddert, Maria staat mij met hare hulp ter zijde! Zoolang ik haar volg, dwaal ik niet, zoolang ik tot haar bid, behoef ik niet te vreezen; geleidt hare hand mij, dan zal ik niet vallen. Wandel ik onder hare bescherming, dan ducht ik niets. Onder haar geleide word ik niet moede. Door haar ondersteund en gesterkt, bereik ik zeker mijn doel. Evenals tot Maria Lataste spreekt zij ook tot mij: „Kom tot mij, zoo gij iets noodig hebt; kom tot mij in uwe bekommeringen, in uwe droefheden, in al uwe beproevingen. Gij weet, dat ik niet lang laat wachten en geene lange gebeden vraag; gij weet het, een enkel woord, dat uit het hart komt, is mij genoeg. Kom tot mij als een kind in eenvoud, in oprechtheid, vol vertrouwen. Behandel mij als uwe moeder en ik zal u als mijn kind behandelen. Bemin mij als uwe moeder en ik zal u beminnen als mijn kind. Noem mij van nu af voortaan uwe moeder, en ik zal u mijne dochter noemen. Geef mij alles, wat u toebehoort, en ik zql u al mijne hemelsche schaften geven. Wees onderdanig aan mijn Zoon! Heb vertrouwen in mij en gij zult zeker voortgang maken in de volmaaktheid.

Ja, mijne moeder, met een kinderlijk vertrouwen bezield snel ik tot u! Al mijne goede voornemens in deze dagen der eenzaamheid gemaakt, leg ik neder in uw moederhart, dat zoo bezorgd is voor mijn heil; al mijne vrome verlangens, al mijne behoeften, mijne heilige geloften, mijne verkregene genaden, al

ocr page 158

— 148 —

mijne verdiensten en inspanningen mijn lichaam, mijne ziel, mijn verleden, mijn tegenwoordige, mijn toekomst, mijn lijden en vreugde, alles, wat ik ben, wat ik heb en wat ik hebben zal, alles draag ik aan u op. Dagelijks wil ik u vereeren, altijd wil ik u als mijne moeder liefhebben, en het voorbeeld uwer heilige deugden getrouw navolgen. Gij echter, wees en blijf mijne goede moeder en geleid mij aan uwe hand in het eeuwige vaderlard, waar ik dan met u, o allerzaligste, en met uw goddelijken Zoon zal leven en jubelen in de glorievolle heerlijkheid en in de heerlijke eeuwigheid! Amen.

i1

^ !

ocr page 159

Di'ie vi'agei) vai) ^eer gi'oot gewiél^t dooi' l^et ^eweter\ ^e^teld eT\ l)eki\twooM.

Pp hn Donpaonnè.

Waartoe ds geestelijke oefeningen?

Ecce nunc tempus acceptabilc; ccce nunc

dies salutis!

Ziet, nu is het de wel aangename tijd, ziet, nu zijn het de dagen van heil.

(II Cor. VI. 2.)

e H. Paulus, vol ijver om voor de rijk-begenadigde gemeente van Corinthe zijne bediening als gezant, en nog meer als medewerker van Christus te vervullen, gebruikt niet enkel gebeden, maar ook vermaningen, dat zijne geestelijke kinderen zich moesten afzonderen van alles, wat hunne Christelijke roeping onwaardig was; door God tot zijne kinderen aangenomen, moesten zij zich die verhevene gunst waardig toonen; wie met de verkregen genade niet zou medewerken, wie in plaats van in nieuwheid des levens te wandelen, in de vorige zonde zou volharden of weer terugvallen, in hem zou de geheele genade der verlossing zonder vrucht zijn. Daarom vermaant hij hen dringend, ijverig

ocr page 160

— i5° —

hun voordeel te doen met de genade, en hun leven daarnaar in te richten, en wel terstond, zonder uitstel, want nu is het de welaangename tijd, nu zijn het dagen van heil.quot; Alwie deze ongebruikt laat voorbijgaan, kan ze later niet meer vergoeden. Met dezelfde woorden, waarmede de Apostel de Co-rinthiers zoo dringend opwekt tot krachtige inspanning, met diezelfde woorden spoor ook ik in dit oogenblik u aan, mijne geliefden, en vermaan u, dat gij u met heiligen ernst afzondert van alles, wat niet onmiddelijk betrekking heeft op God en goddelijke zaken, dat gij u met lichaam en geest naar de eenzaamheid begeeft, om daar te rusten aan Jesus' liefdevol Hart, om de bezigheid der bezigheden met grooter zorg te verrichten, om nauwgezet uw hart te onderzoeken, te verwijderen, wat verkeerd is, aan te vullen wat er ontbreekt, en voor eene nimmer eindigende toekomst te bevestigen, wat vroom is en goed.

„Maar waartoe weder geestelijke oefeningen? want i0ikheb er geen behoefte aan, 2° ik heb er geen voordeel van.quot;

Gewichtige tegenwerpingen, als zij waar, ijdele uitvluchten, als zij niet waar zijnl In ieder geval is het bij het begin der geestelijke oefeningen wel der moeite waard, ja zelfs noodzakelijk, ze eenigszins meer van nabij te onderzoeken en te weerleggen, daarom wil ik in mijn iste deel het woord: „ik heb er geen behoefte aan,quot; beschouwen, en in mijn 2de deel het woord; „ik heb er geen voordeel van.quot;

Verleen mij hiertoe, o Heer, uw krachtigen bijstand, opdat ik dit moge doen tot uwe meerdere eer zoowel als tot ons nut en heil!

I.

Waartoe de geestelijke oefeningen? Ik heb ze niet noodig.quot;

i0 Wie wendt dit voor? De vrome religieus. Hoe — hebt gij er geen behoefte aan! Luister! Gij hebt eene ziel, eene onsterfelijke ziel, geadeld door de wijding der H. Kerk. Gij hebt haar sedert de laatste geestelijke oefeningen zuiver bewaard van alle ontheiliging, in haar straalt de vlam van een levendig geloof, zij wordt gedragen door den geest van een onwankelbaar vertrouwen, in haar gloeit het vuur van eene

ocr page 161

— IS1 —

wereld verachtende liefde tot Godl Gij hebt een gnveien, nauwgezet, onomkoopbaar; immer hebt gij naar zijne stem geluisterd, al zijne vermaningen opgevolgd, zijne terechtwijzingen vlijtig in toepassing gebracht 1 Gij hebt een lichaam: bestemd tot deelneming aan de eeuwige vreugde der ziel; altoos hebt gij het rein bewaard als een tempel van den H. Geest, nimmer hebt gij het door een of andere vlek bezoedeld, gij hebt zijne vijf zintuigen standvastig bedwongen, zijne neigingen krachtdadig ten onder gebracht! Gij zijt een kloosterling, uitverkoren tot den bijzonderen dienst des iïeeren; gij hebt de Heilige regels en Constituties in geen letter overtreden, voortdurend gestreefd naar hoogere volmaaktheid, het gebouw uwer deugd niet op zand, maar op den hechten grondslag eener diepe nederigheid opgetrokken; de oude mensch ligt reeds in het graf, ja hij is bijna vergaan! De valsche grondstellingen en vooroordeelen der wereld zijn over boord geworpen, de waarheden en uitspraken des evangelies hebben in u niet alleen wortel geschoten, neen, zij staan daar vaster dan de ceders op den Libanon, en dragen maandelijks, ja dagelijks de edelste vruchten. Gij kent al het zoete der versterving, ontbering en zelfverloochening en zoekt in niets roem dan in het kruis van Christus! Gij zijl een priesier van den Allerhoogste, bestemd om als het zout der aarde de geloovigen voor het bederf der zonde te bewaren, de ziekten der ziel te genezen, door woord, voorbeeld en gebed aan allen te leeren hoe zoet de Heer is; gij zijt bestemd de HH. Geheimen op te dragen, de Sacramenten toe te dienen, een tweede Christus te zijn. Uwe talrijke en zware plichten hebt gij op den kansel, in den biechtstoel, aan het ziekbed, nauwgezet vervuld. Gij gaat naar het altaar als Jesus, staat aan het altaar als een engel, verricht den H. Dienst als een heilige! Met welk een gespannen aandacht leest gij de kerkelijke getijden 1 Welk eene voorzichtigheid in uwe gesprekken, welk een ernst in uwe gebaren, welk eene behoedzaamheid in uw handel en wandel! Er ontbreekt niets; alles is in de schoonste overeenstemming; gij hebt alzoo geene behoefte meer aan geestelijke oefeningen I — Hoe? Wat? Zelfs indien gij werkelijk zoo waart, zijn het niet juist de oefeningen, die u het meeste versterken op den weg der deugd? Zoudt gij ooit mogen zeggen: „ik ben heilig ge-

ocr page 162

— 148 —

mijne verdiensten en inspanningen mijn lichaam, mijne ziel, mijn verleden, mijn tegenwoordige, mijn toekomst, mijn lijden en vreugde, alles, wat ik ben, wat ik heb en wat ik hebben zal, alles draag ik aan u op. Dagelijks wil ik u vereeren, altijd wil ik u als mijne moeder liefhebben, en het voorbeeld uwer heilige deugden getrouw navolgen. Gij echter, wees en blijf mijne goede moeder en geleid mij aan uwe hand in het eeuwige vaderlard, waar ik dan met u, o allerzaligste, en met uw goddelijken Zoon zal leven en jubelen in de glorievolle heerlijkheid en in de heerlijke eeuwigheid! Amen.

c/^vo

ocr page 163

©i'ie vi'ageii vai) keei' gi'oot gewicl\t dooi' l\et ^ewetei\ ^e^teki ei\ bek^twooM.

Pf kn DDnpaDnnö.

Waartoe de geestelijke oefeningen?

Ecce nunc tempus acceptabilc; ccce nunc

dies salutis!

Ziet, nu is het de wel aangename tijd, ziet, nu zijn het de dagen van heil.

(II Cor. VI. 2.)

E H. Paulus, vol ijver om voor de rijk-begenadigde gemeente van Corinthe zijne bediening als gezant, en nog meer als medewerker van Christus te vervullen, gebruikt niet enkel gebeden, maar ook vermaningen, dat zijne geestelijke kinderen zich moesten afzonderen van alles, wat hunne Christelijke roeping onwaardig was; door God tot zijne kinderen aangenomen, moesten zij zich die verhevene gunst waardig toonen; wie met de verkregen genade niet zou medewerken, wie in plaats van in nieuwheid des levens te wandelen, in de vorige zonde zou volharden of weer terugvallen, in hem zou de geheele genade der verlossing zonder vrucht zijn. Daarom vermaant hij hen dringend, ijverig

ocr page 164

— 15° —

hun voordeel te doen met de genade, en hun leven daarnaar in te richten, en wel terstond, zonder uitstel, want nu is het de welaangename tijd, nu zijn het dagen van heil.quot; Alwie deze ongebruikt laat voorbijgaan, kan ze later niet meer vergoeden. Met dezelfde woorden, waarmede de Apostel de Co-rinthiers zoo dringend opwekt tot krachtige inspanning, met diezelfde woorden spoor ook ik in dit oogenblik u aan, mijne geliefden, en vermaan u, dat gij u met heiligen ernst afzondert van alles, wat niet onmiddelijk betrekking heeft op God en goddelijke zaken, dat gij u met lichaam en geest naar de eenzaamheid begeeft, om daar te rusten aan Jesus' liefdevol Hart, om de bezigheid der bezigheden met grooter zorg te verrichten, om nauwgezet uw hart te onderzoeken, te verwijderen, wat verkeerd is, aan te vullen wat er ontbreekt, en voor eene nimmer eindigende toekomst te bevestigen, wat vroom is en goed,

„Maar waartoe weder geestelijke oefeningen? want i0ikheb er geen behoefte aan, 2° ik heb er geen voordeel van.quot;

Gewichtige tegenwerpingen, als zij waar, ijdele uitvluchten, als zij niet waar zijn 1 In ieder geval is het bij het begin der geestelijke oefeningen wel der moeite waard, ja zelfs noodzakelijk, ze eenigszins meer van nabij te onderzoeken en te weerleggen, daarom wil ik in mijn iste deel het woord' ,,ik heb er geen behoefte aan,'' beschouwen, en in mijn 2de deel het woord; „ik heb er geen voordeel van.quot;

Verleen mij hiertoe, o Heer, uw krachtigen bijstand, opdat ik dit moge doen tot uwe meerdere eer zoowel als tot cns nut en heil!

I.

Waartoe de geestelijke oefeningen? Ik heb ze niet noodig.quot;

10 Wie wendt dit voor.'' De vrome religieus. Hoe — hebt gij er geen behoefte aan! Luister! Gij hebt eene ziel, eene onsterfelijke ziel, geadeld door de wijding der H. Kerk. Gij hebt haar sedert de laatste geestelijke oefeningen zuiver bewaard van alle ontheiliging, in haar straalt de vlam van een levendig geloof, zij wordt gedragen door den geest van een onwankelbaar vertrouwen, in haar gloeit het vuur van eene

ocr page 165

wereld verachtende liefde tot God! Gij hebt eengnveten, nauwgezet, onomkoopbaar; immer hebt gij naar zijne stem geluisterd, al zijne vermaningen opgevolgd, zijne terechtwijzingen vlijtig in toepassing gebracht! Gij hebt een lichaam; bestemd tot deelneming aan de eeuwige vreugde der ziel; altoos hebt gij het rein bewaard als een tempel van den H. Geest, nimmer hebt gij het door een of andere vlek bezoedeld, gij hebt zijne vijf zintuigen standvastig bedwongen, zijne neigingen krachtdadig ten onder gebracht! Gij zijt een kloosterling, uitverkoren tot den bijzonderen dienst des Heeren; gij hebt de Heilige regels en Constituties in geen letter overtreden, voortdurend gestreefd naar hoogere volmaaktheid, het gebouw uwer deugd niet op zand, maar op den hechten grondslag eener diepe nederigheid opgetrokken; de oude mensch ligt reeds in het graf, ja hij is bijna vergaan I De valsche grondstellingen en vooroordeelen der wereld zijn over boord geworpen, de waarheden en uitspraken des evangelies hebben in u niet alleen wortel geschoten, neen, zij staan daar vaster dan de ceders op den Libanon, en dragen maandelijks, ja dagelijks de edelste vruchten. Gij kent al het zoete der versterving, ontbering en zelfverloochening en zoekt in riets roem dan in het kruis van Christus! Gij zijl een priester van den Allerhoogste, bestemd om als het zout der aarde de geloovigen voor het bederf der zonde te bewaren, de ziekten der ziel te genezen, door woord, voorbeeld en gebed aan allen te leeren hoe zoet de Heer is; gij zijt bestemd de HH. Geheimen op te dragen, de Sacramenten toe te dienen, een tweede Christus te zijn. Uwe talrijke en zware plichten hebt gij op den kansel, in den biechtstoel, aan het ziekbed, nauwgezet vervuld. Gij gaat naar het altaar als Jesus, staat aan het altaar als een engel, verricht den H. Dienst als een heilige! Met welk een gespannen aandacht leest gij de kerkelijke getijden! Welk eene voorzichtigheid in uwe gesprekken, welk een ernst in uwe gebaren, welk eene behoedzaamheid in uw handel en wandel! Er ontbreekt niets; alles is in de schoonste overeenstemming; gij hebt alzoo geene behoefte meer aan geestelijke oefeningen! — Hoe? Wat? Zelfs indien gij werkelijk zoo waart, zijn het niet juist de oefeningen, die u het meeste versterken op den weg der deugd f Zoudt gij ooit mogen zeggen: „ik ben heilig ge-

ocr page 166

— 152 —

noeg?quot; Niet voorwaarts gaan, is dat niet duidelijk eene achteruitgang? Als gij echter zoo even bij de beschrijving uwer heiligheid hebt gebloosd, wijl gij vol schaamte haar als spotternij erkennen moest, wijl zij u deugden toont, die gij niet bezit, als in u nog zeer veel te wenschen overblijft; maak dan de geestelijke oefeningen mee, gij hebt er behoefte aan, om het ontbrekende aan te vullen! — Justus justificetur adhuc; Sanctus Sanctificetur adhuc I „zegt de Heer. Die gerechtvaardigd is, worde nog meer gerechtvaardigd, die heilig is, worde nog heiliger!

2° Waartoe weder de geestelijke oefeningen! Ik heb er geen behoefte aan !quot;

Wie spreekt er zoo ? De lauwe. Arme mensch, hoe kunt gij zoo spreken. Weet het wel; een rad dat ophoudt gedreven te worden, verliest zijne beweegkracht. Het gloeiendste ijzer wordt weder koud en hard, wanneer het niet nu en dan in het vuur gelegd wordt. Is een wandelaar lang op den weg, hij zal langzamerhand vermoeid en uitgeput raken. Dit hebt ook gij met uwe bedorvene natuur ondervonden. De zwakheid en de booze neigingen van het vleesch, dat de ziel bezwaart en naar omlaag trekt, zij waren oorzaak dat gij van de goede voornemens, bij eene vroegere retraite gemaakt, allengs zijt afgeweken. Gij hieldt op de veerkracht van den geest, het vuur van den ijver voortdurend te versterken door heilzame overwegingen, dientengevolge werdt gij vermoeid, hoe langer hoe loomer, gij zocht uit te rusten, maar gij koost ontspanningen, die u nog meer verstrooiden. Zonder er u zeiven rekenschap van te geven, dwaalt gij met uwe gedachten rond in het ver-ledene en in de toekomst, terwijl gij maar zelden op het tegenwoordige ernstig den blik vestigt. De eenzaamheid beviel u niet langer, gij begaaft u in bekoringen, vermeedt nog wel. de grootere zonden, maar niet altijd den schijn van kwaad, gij begingt kleinere overtredingen, eerst in onbedachtzaamheid, weldra echter met opzet en in onverschilligheid. Kortom, gij zijt nu degene, tot wien God het verwijt richt; „habco ad-versum te, quod caritatem tuam primam reliquisti! Apoc. II. 4. „dit heb ik tegen u, dat gij uwen eersten liefdeijver verlaten hebt.quot; — Zijt gij alzoo begonnen de oefeningen van godsvrucht achter te laten, hebt gij den smaak voor het hemelsche verloren.

ocr page 167

— i53 —

om dien voor het aardsche te verkrijgen, is het leven in het klooster u te eng geworden, zijt gij lauw en traag, dan hebt gij eene noodzakelijke behoefte aan een geestelijk stortbad, om u van uwe smetten te reinigen; gij hebt een krachtig zuiveringsmiddel van noode, om alle ongezonde en overtollige stoffen te verwijderen. Gij moet een hechten grondslag leggen, om het wankelende gebouw te herstellen en het na zijn herstel in goeden toestand te houden, gij hebt behoefte aan de geestelijke oefeningen, voordat aan u bewaarheid wordt, wat de H. Matthaeus schrijft; „et cecidit, et fuit ruina illius magna.quot; Matt. VIL 27. De slagregen is nedergevallen, de stortvloeden zijn gekomen, de stormen hebben gewaaid en het huis bestormd, en het is gevallen, en zijn val was groot.quot;

30 Waartoe weder de geestelijke oefeningen! Ik heb er geen behoefte aan!quot;

Wie spreekt er zoo? De zondaar. O hemel, welk een groot geheim is toch de onstandvastigheid van het menschelijk hart! Verschrikkelijk is het en wel in staat ons vrees en siddering aan te jagen, wanneer wij zien, dat eene klaarblijkelijk deugdzame ziel langzamerhand slecht wordt; wanneer wij bemerken, dat een kloosterling, een priester, die meer dan alle andere menschen verplicht is een Gode welgevallig leven te leiden, zijne verhevene waardigheid vergeet, aan walgelijk aardsch genot de voorkeur geeft boven de onuitsprekelijke vreugde, die hem bereid is in het huis des Heeren, dat hij, die opgevoed is in rijke prachtkleederen, slijk omarmt. (Thren. IV. 5.) En gij, krachteloos geworden zout, onnutte dienstknecht aan het altaar, op den kansel, in den biechtstoel in peccato mor-tali, tu, qui Christum sexcenties dilacerasti, gij durft nog vragen; ,,waartoe de geestelijke oefeningen ?quot; Is het u met deze vraag werkelijk ernst, dan hapert het u ontegenzeggelijk óf in het hoofd óf in het hart, In het eerste geval is uw opwerping een bewijs van zinneloosheid, in het tweede geval van boosheid. In het eerste geval zijt gij onvatbaar voor eene verstandige wederlegging, in het andere eene verdere bespreking onwaardig; derhalve zeg ik op uwe vraag eenvoudig niets, Is echter uwe vraag niet ernstig gemeend, dan vereischt zij ook geen ernstig antwoord; want het is 200 klaar als de dag, dat de vrome weinig, de lauwe minder, gij echter hoegenaamd geen enkelen

ocr page 168

— iS4 —

gtond hebt om tegen de geestelijke oefeningen opwerpingen te maken.

Slaan wij, wie wij ook mogen zijn, slechts een enkelen blik op onze groote behoeftigheid, op ons gebrek aan goed, dan zien wij duidelijk in, dat wij ons zeiven tot een nieuw geestelijk leven moeten opwekken, om ons voor algeheele verlamming te redden, dat wij bijgevolg groote behoefte hebben wn de geestelijke oefeningen.

Daar alzoo de eerste opwerping vervalt, wil ik trachten de tweede te wederleggen, namelijk; „de geestelijke oefeningen brengen mij geen nut aan.quot;

II.

„Ik heb er niets aan.quot; — Wie zegt dit? —

i0 De vrome. Hoe kan iemand, die naar volmaaktheid streefr, zoo spreken? De soldaten moeten, nadat zij hun diensttijd in het leger volbracht hebben, jaarlijks opkomen om opnieuw te exerceeren en niemand zal het wagen die exercities nutteloos te noemen; zouden dan voor u, soldaat van God, de jaarlijksche geestelijke oefeningen zonder nut zijn ? De profeten die zich van alle aardsche beuzelingen hadden losgemaakt die in het innigste verkeer stonden met God, zij maakten zich gelijk aan den pelikaan en den eenzamen dakmusch om 's Heeren wet te overwegen, en zij achtten dit voorzeker niet overbodig. (Ps. Cl. 7. 8.) De apostelen, die der wereld afgestorven konden uitroepen: „wat is er in den hemel of wat verlang ik op aarde anders dan u. God mijns harten?quot; (Ps, LXXII. 25.) zij begaven zich op de roepstem des Zaligmakers meermalen uit het gewoel der wereld naar de eenzaamheid. Daar werden zij door den Heiland onderricht, opgevoerd tot apostolische volmaaktheid en voorbereid voor hunne zending over de ge-heele wereld. (Marc. VI. 30.) Zij hielden geestelijke oefeningen en hielden ze niet voor nuttelooze kwellingen. De heiligen, de vrome priesters, in de wereld en in de kloosters, trokken zich jaarlijks één- twee- soms meermalen terug om zich alleen met God en met zich zeiven bezig te houden. En zou datzelfde voor u zonder nut zijn ? Het toonbeeld van alle deugd was in de woestijn 40 dagen en nachten, beklom den berg om te

ocr page 169

bidden, stond in den vroegen morgen op begaf zich naar eene afgelegene plaats en was daar in gebed. En datgene, wat uw leermeester u met woord en voorbeeld leert, zoudt gij nutteloos durven noemen? Dat zij verre. Het is juist in de dagen der geestelijke oefeningen, dat Jesus u nader bekend maakt met zijne liefdevolle plannen voor uwe zaligheid, dat de genaden van den H. Geest in volle stroomen over uwe ziel worden uitgestort, dat gij verlichting vindt en troost en sterkte voor uwe roeping, dat gij als met den sneltrein naar den hemel reist, terwijl gij anders langzaam en te voet gaat. Wilt gij alzoo sneller voorwaarts gaan, wilt gij uwe hemelsche schatten aanzienlijk vermeerderen, den band met God nauwer toehalen, sta dan op, mijne vriendin, en kom, mijne duive, in de spleten der rots, in de holte der muur! Cant. II. 13. 14. Vlucht in Jesus' geopende wonden, zoek uw vaderland in de diepte zijner verborgenheden, want nu is het de welaangename tijd, nu zijn het de dagen van heil!

2° ,,De geestelijke oefeningen baten mij niets,quot; zoo beweert de lauwe. Wij zijn reeds gewoon aan zijne vermetele taal, en daarom bevreemdt zij ons niet. Wij gelooven zelfs, dat, zoo voor niemand de geestelijke oefeningen zonder nut blijven, het op de eerste plaats voor den lauwe is; doch tot onzen troost zegt ons de H, Francisca van Chantal, dat zij bij ondervinding weet, dat de geestelijke oefeningen voor kloostergemeenten zijn, wat het water is voor de bloemen. Wanneer een bloemperk sedert meerdere dagen niet begoten is, dan verdrogen de planten; de bladeren verwelken, de stengels laten het hoofd zakken, en de bloemen hebben niet de kracht om te ontluiken. Nauwelijks echter wordt de aarde besproeid, of de aanblik verandert, de planten worden terstond verjeugdigd, de stengels richten zich op, de bladeren worden frisscher en groener, de bloemen ontluiken. Zoo gaat het ook met u, wanneer in de dagen der retraite de hemelsche dauw der goddelijke genaden, den uitgedroogden grond van uw hart overvloedig bevochtigt en verkwikt.

Was de overweging der eeuwige waarheden u vreemd geworden, door de gehoorzaamheid aangespoord en door het voorbeeld uwer medebroeders opgewekt, houdt'gij in de retraite dagelijks drie overwegingen, of woont ze ten minste bij. Daarbij

ocr page 170

— IS6 —

zult gij inzien, dat de deugd alleen eene waarde heeft, waartegen goud en edelgesteente niet kunnen opwegen; gij wordt opmerkzaam gemaakt op de grootheid en de menigte uwer nalatigheden en overtredingen; gij gevoelt afschrik voor u zeiven en verzucht: „ach, zoovele genaden en nog immer de oude zonden, zoovele communiën en nog immer de Oude neigingen, zoovele middelen en nog immer de oude Adam!quot;

Aangaande het verledene zult gij uwen schuldbrief door eene oprechte biecht uitwisschen, en aangaande de toekomst de heilzaamste maatregelen nemen om niet weder in het oude vaarwater te geraken. Als gij dan verder de werking der genade niet verhindert, dan zult gij na de geestelijke oefeningen ongetwijfeld niet meer dezelfde „broeder Slendriaanquot; wezen, die gij nu zijt. Wilt gij derhalve, lauwe ziel, naar den geest vernieuwd worden, treed dan uwe kamer binnen, sluit de deur achter u toe, en geef u aan u zeiven terug, want nu is het de welaangename tijd, nu zijn het dagen van heil! Is. XXVI. 20.

30 „De geestelijke oefeningen baten mij niets,quot; zoo meent dc zondaar. Waarom toch? „Ik ben te dikwijls gevallen, ik heb God te zwaar beleedigd, ik durf op geene vergeving meer hopen; wat baten mij derhalve de geestelijke oefeningen!quot; — Foei! — Dat is de taal van den broedermoorder Cain. Hoor, wat Lodewijk Blosius u daarop antwoordt: „Zijt gij gevallen? „Sta op, begeef u naar den geneesheer uwer ziel; de schat-„kamers zijner barmhartigheid staan voor u Open! Zijt gij „weder gevallen? Sta nogmaals op, zucht, smeek en de barm-„hartigheid van uw Verlosser neemt u opnieuw aan! Zijt gij „in korten tijd honderd- of duizendmaal gevallen, sta in de „hoop op vergiffenis even dikwijls op als gij gevallen zijt, en „opstaande dank den Heer, dat Hij u niet dieper liet vallen „en niet langer liet liggen! Wanneer gij, wat God moge ver-„hoeden. Hem na ontelbare genadegaven hebt verloochend, „en zijne Sacramenten met voeten getreden, erken ootmoedig „uwe schuld, verfoei uwe misdaden, neem u vast voor uw „leven te beteren en nimmer meer te zondigen, en wees dan „zeker van de vergiffenis, want geen boosheid, geen zwakheid „kan zoo groot zijn, of zij moet onderdoen voor Gods birm-„hartigheid die geen grenzen kent!quot; Nog meer. Neem ter harte, wat de Heiland zelf tot u spreekt door den mond van

ocr page 171

— i57 —

den godvreezenden Karmeliet P. Joannes a Jesu Maria: waarheen wilt gij vluchten, mijne dierbare, die mij beleedigd hebt? Ben ik u dan tot eene onvruchtbare woestijn geworden, dat gij zegt: ik ga heen en keer nimmer terug 1 Denk, mijn zoon aan de goedertierenheid mijns harten, waaruit gij leeren kunt, hoe groot mijne mildheid en zoetheid is. Lees de H. Schriften en gij zult verwonderd staan, hoe spoedig ik mij over den zondaar ontferm. Nimmer verhief ik mijn hand tegen hem, die mijn hemelschen Vader wilde dienen. Mijn kind, vlucht derhalve den omgang met de zondaren en zoek mijn aangezicht door ware boetvaardigheid!quot; — En dat de Heer zich ook werkelijk van u zal laten vinden, bewijst Hij immers duidelijk doordat Hij u in de heilige eenzaamheid roept. Daarin kunt gij en zult gij uwe namelooze ellende leeren kennen en oprecht beweenen, opdat aan u vervuld worde wat bij Isaias en Jeremias geschreven staat: „op wien zal ik nederzien tenzij op den arme, op den vermorzelde van geest, en op hem, die voor mijne woorden siddert.quot; (Is. LXVI. 2.) „Zie, ik beloof hun gezondheid, en zal hen genezen en de zegeningen der waarheid en des vredes openbaren.quot; (Jerem. XXXIII. 6.) Vertrouw derhalve, mijn zoon, want nu is het de welaangename tijd, nu zijn het de dagen van heil!

Zeg mij dus nimmer: „ik heb de geestelijke oeleningen niet noodig, zij baten mij niets!quot; De vrome heeft ze noodig, nog meer de lauwe, de zondaar het meest; zij zijn nuttig voor den een zoowel als voor den ander, zij zij nuttig voor ons allen. Hiervan overtuigd zullen wij ons nu uitwendig en inwendig naar de eenzaamheid begeven, om ons met deze drie vragen bezig te houden: 10 wat had ik tot dusverre moeten doen ? 20 wat heb ik gedaan ? 30 wat moet ik voortaan doen ? Daar echter alle goede gave van boven komt, zoo werp ik mij, voordat wij onze overwegingen aanvangen, neder voor den Heer, onzen Schepper, en met opgeheven handen smeeken wij tot Hem: ,.Gelooid zijt gij, o God! Wij zijn het volk uwer weide en de schapen uwer hand.quot; (Ps. XCIV. 7.) In uwen naam vergaderd, willen wij naar uwe stem luisteren en onze harten niet verharden, (ibid. 8.) Zie op eenieder ontfermend neder, schenk eenieder kracht en verstand, opdat eenieder moge erkennen, wat hij had moeten doen, wat hij gedaan

ocr page 172

- 158 -

heeft, en wat hij voortaan zal doen. Help echter ook mij, den behoeftigste van allen, want ik kan slechts het woord spreken, Gij echter moet den zin openbaren. Ik draag geheimen voor. Gij echter moet de beteekenis ontsluieren. Ik verkondig uwe geboden, help Gij ze onderhouden! Ik werk van buiten, onderricht Gij echter het hart. Ik roep met woorden, geef Gij door het hooren het begrip, door het begrijpen den wil, door het willen het volbrengen, in het volbrengen de volharding ten einde toe! Amen.

BERSTS D A Cr.

EERSTE OVERWEGING.

Mijne bestemming.

Dominum Deum tuum timebis, et illi soli servies.

Den Heer uwen God zult gij vreezen en Hem alleen dienen.

(Deut. VI. 13.)

W^aartoe ben ik op aarde? Wat is mijne bestemming? Wat is mijn laatste doel? Wat had ik in mijne verloopene levensjaren moeten doen? Oneindig gewichtige vragen, die, voorgesteld in eene vergadering van nietswaardige volgelingen van den beuzelachtigen tijdgeest door den een met schamper hoongelach, door den ander met goedkoope spotternij, door dezen met een dubbelzinnig schouderophalen, door genen met een voornaam stilzwijgen zouden worden beantwoord; de H. Schrift echter en de overlevering, de ware philosophie en de geschiedenis antwoorden éénparig: „den Heer uwen God zult gij vreezen en Hem alleen dienen.quot; Het vergankelijke geluk na te jagen, u een grooten naam te maken, u een schoonen eere-krans te vlechten, geld en goed te verwerven, u te baden in alle genietingen van het vleesch, dat mijne ziel, is en kan uw einddoel niet zijn. Gij zijt op aarde om God te kennen, Hem te dienen. Hem te beminnen en Hem hiernamaals eeuwig te bezitten. Dat is uw levensplicht, dat is uw hoofdbezigheid, dat is het eenig noodzakelijke, daarin bestaat de geheele mensch.quot;

ocr page 173

(Eccles. XII. 13.) Dat is het, wat gij tot nu toe hadt moeten doen. En inderdaad 1 Is er wel iets gemakkelijker, natuurlijker en billijker, dan Hem te dienen, die u het eerste gediend heeft, dan Hem te beminnen, die u het eerste heeft bemind. Dit nu heeft de Heer werkelijk gedaan en doet Hij nog; wees aandachtig en overweeg met een levendig geloof onder den bijstand des H. Geestes de volgende punten:

10 Voordat heuvels en bergen bestonden, voordat eb en vloed elkander afwisselden, voordat de aarde en haar schoonheid gevormd was, is God van eeuwigheid tot eeuwigheid. In zijn onafhankelijk leven volgen oogenblikken, weken en jaren elkander niet op. Het leven van God is onveranderlijk, zonder tijd, zonder begin, zonder einde, zonder gisteren, zonder morgen, God is de eeuwige jeugd en de eeuwige ouderdom. Wat nu deed God gedurende die geheele eeuwigheid? Hij beminde zich zeiven en Hij beminde u, want Hij begon niet eerst u te beminnen, nadat gij met het kostbare bloed van zijn eenigen Zoon met Hem verzoend waart, — neen, — reeds voor de schepping van het heelal beminde Hij u. Zijne liefde tot u dagteekent derhalve niet maar van voor twee- of drieduizend jaren, zij is evenoud als Hij zelf is. Eeuwig beminde Hij u, eeuwig dacht Hij aan u en overlegde Hij hoe Hij zich zeiven ter eere en u ter liefde den hemel zou scheppen en versieren, hoe Hij de aarde zou inrichten, u en alles rondom u zou vormen, om uw leven op aarde aangenaam en liefelijk te maken. Met volle recht derhalve mag Hij door den mond van den profeet Jeremias de verzekering geven: „met eeneeeuwige liefde heb ik u bemind.quot; Jerem. XXXI. 3. Zie, mijne ziel, dat is Gods liefde, Gods goedheid! Hoe wonderbaar! En dien liefdevollen God zoudt gij niet beminnen, dien goeden God niet dienen?

20 Om zijne liefde uitwendig te openbaren, spreekt God, het Wezen boven alle wezens: „fiatquot; het worde! En alle dingen, van het zonnestelsel af tot het nietigste zandkorreltje toe, werden, ontstonden oogenblikkelijk. Hemel en aarde komen uit de scheppende hand des Almachtigen te voorschijn als een keizerlijk paleis, rijk getooid met koninklijke pracht. Hij schenkt der zon haar licht, en glans aan het gesternte, om u te verlichten, Hij versiert de bloemen met verschillende kleurscha-

ocr page 174

— i6o —

keeringen om u te verlustigen, Hij leert aan de vogelen hun trillend lied, opdat zij het zingen voor u, Hij doet de bron uit de rots opborrelen om u te laven, te verkwikken, Hij schept de zuivere lucht, die gij kunt inademen, het vuur om u te verwarmen, de menigvuldige planten en de tallooze diersoorten, om u daarmede te voeden, en met hunne huid u te bekleeden. Hij vormt eindelijk u zeiven om heerschappij te voeren over de visschen der zee en de vogelen in de lucht, over het dierenrijk, over de geheele aarde, en over al wat zich op aarde beweegt. Gen. I. 26. Hij vormt een lichaam waarin al de schoonheden, die men in de zichtbare natuur bewondert, in de schoonste harmonie vereenigd zijn, een lichaam, bij welks aandachtige beschouwing de beroemde geneesheer Galenus uitroept: O gij, die ons geschapen hebt! Als ik het menschelijk lichaam beschrijf, geloof ik een lofzang te zingen ter uwer eer. Als ik de schoonheden uwer werken ontdek en openbaar, geloof ik u meer te eeren, dan wanneer ik de tempels laat geuren van kostbare reukwerken!quot; En een heidensch dichter zingt van den schepper: terwijl de dieren in het stof nederblikken, geeft Hij den menschen een opwaarts schouwend oog, Hij leert hem het gelaat omhoog te heffen hemelwaarts, om de sterren gade te slaan.quot; (Ovid. Metam. I.) Hij geeft hem ooren om te hooren, eene tong om te spreken, handen om te werken, voeten om te gaan, Hij voegt zenuwen, spieren, aderen, beenderen en gewrichten te zamen, evenals de raderen en hef-boomen in een kunstig samengestelde machine. In dat meesterstuk van bouwkunst blaast Hij een verstandig, bevallig, groot en wonderbaar wezen in.quot; (Macar. hom. I.) de vrije, onsterfelijke ziel. Hij heeft er zijne gelijkenis in gedrukt, heeft haar tot zijn beeld, tot zijne muntstuk gemaakt, (Aug.) dewijl Hij haar het verstand gaf om te kennen, den vrijen wil om vrij te handelen, het hart om te beminnen. — Leer daaruit, hoe gij meer dan alle overige schepselen door den schepper met roem en eer zijt gekroond! Niet de zon, niet de maan, niet de fonkelende sterren aan het firmament zijn als afbeeldingen Gods geschapen, gij alleen zijt een afbeeldsel van het wezen, dat alle verstand te boven gaat, gij alleen zijt gelijkend op de onvergelijkelijke schoonheid. Van alle wezens is er niets zoo groot, dat met uwe grootheid kan vergeleken werden.

ocr page 175

— i6i —

(Greg. Nyss.) Alles, wat bestaat, heeft God geschapen om u, u echter om zich zeiven, alles, opdat het u diene, u echter, opdat gij Hem dienen zoudt. Is. XLIII. 7. „Tot mijne eer heb ik u gemaaktquot; zegt de Heer.... O grootheid! O gunst, die gij alleen met uwe gelijken deelt! — zie, dat is Gods liefde, Gods goedheid 1 En dezen liefdevollen God zoudt gij niet beminnen, dezen goeden God niet dienen ?

30 Verlangt gij nog duidelijker bewijzen van Gods liefde en goedheid? Van af het oogenblik, dat Hij u schiep, heeft Hij u behouden en verzorgd. Hij, die de lelien des velds kleedt, en de musch op het dak voedt. Hij schonk u brood, wanneer gij hongerig, water, wanneer gij dorstig, een kleed, wanneer gij naakt waart. Hij verleende u kracht in den arbeid, rust in vermoeidheid, geneesmiddelen in ziekte, troost in lijden, sterkte in beproeving, licht in duisternis, raad in twijfeling, onderrichting in onwetendheid, ijver en genade tot de deugd. Hij is de draagstoel, waarin gij gedragen wordt, de schutsmuur, die u omringt, de staf, die 11 ondersteunt, het oog, dat u gadeslaat, het oor, dat u hooit, de mond, die u onderricht, de hand, die u geleidt, de vuist, die 11 verdedigt, het hart, dat u liefheeft, de schoot die u opneemt. Noem mij ee'i enkel oogenblik, waarin zijn blik niet vol zorgzame liefde op u nederzag. Wijs mij de plaats, den weg, waarop Hij u verlaten heeft, als gij niet eerst Hem den rug hadt toegekeerd! Was Hij niet bij de drie jongelingen in den gloeienden oven te Babylon, was Hij niet met Daniël in den leeuwenkuil, met Jonas in den buik van het zeemonster, met Jeremias in den welput te Jerusalem, met Jozef van Egypte in den duisteren kerker? Hij vergezelt den missionaris op zijne apostolische reizen. Hij helpt de barmhartige liefdezusters in den dienst der gasthuizen. Hij bestuurt de hand van den geleerde bij het schrijven, ffiet den schilder mengt Hij de kleuren, voor den bedelaar roert Hij het hart des rijken. Hij zegent het zaad van den landman, voert den zoekenden herder het verdwaalde schaap tegemoet. Hij ondersteunt de tronen der heerschers, Hij beschermt den steenrots van Petrus, Hij repelt alles met wijsheid en liefde. Daar Hij weet, wat u het beste en het nuttigste is, geeft Hij u immer, wat het meeste strekken kan tot zijne eer, tot uw heil, tot welzijn van uw naaste.

NIEUWE HANDLEIDING. II

ocr page 176

— 102

Schijnt het niet, als had Hij voor u alleen te zorgen en zorgt Hij niet voor allen, als voor eenieder in het bijzonder? Tee-der en vol angst is de zorg eener liefhebbende moeder voor haar eenig kind; doch zou zij het ooit kunnen vergeten, u kan de Heer nimmer vergeten. (Is. XLIX. 15.) Zonder ophouden strekt zijne zorg zich uit over uw lichaam, uwe ziel, uwen tijd, uwe eeuwigheid. Wat zeg ik? Wat u zelfs in den droom niet ingevallen is te doen, dat heeft God gedaan, de haren van uw hoofd heeft Hij geteld en hun aantal opgetee-kend in het boek zijner Voorzienigheid. (Matth. X. 30.) Nog meer: Hij heeft zelfs eene lijfwacht van engelen aan uwe zijde geplaatst, hemelsche geesten tot uwen dienst bestemd, om u te brengen tot het bezit van het erfdeel, dat Hij voor u in het andere leven bereid heeft. O, wie zal die onmetelijke, die oneindige oceaan van Gods onvergelijkelijke goedheid meten? Wie kan beschrijven die onbeschrijfelijke liefde Gods tot zijn kind? Wie kan die vurige genegenheid en de daaruit voortspruitende teedere zorgen schetsen? Voorzeker niemand, zelfs niet, al sprak hij de meer dan 3000 verschillende talen der menschen. Zie, dat is Gods liefde, Gods goedheid! O hoe wonderbaar! — En dien liefdevollen God zoudt gij niet beminnen, dien goeden God niet dienen?

40 Zoo zou men mogen verwachten van ieder hart, waarin nog niet alle gevoel is uitgedoofd; evenwel, zonder te denken aan Gods liefde en goedheid, zonder te denken aan de bedreiging van tijdelijke en eeuwige straffen hebben Adam en in hem alle menschen, den Heer veracht, zij hebben gezondigd en daardoor zijn gramschap verdiend. Doch wat hebben zij verkregen? De verdiende straf? Neen, de onverdiende ontler-ming, vergiffenis van het bedrevene, genade voor de toekomst. En de oneindige schuld, wie boet haar uit? — In plaats van den schuldenaar wordt de schuldeischer gegeeseld, in plaats van den slaaf, ondergaat de koning de straf, in plaats van den knecht, betaalt de Heer, in plaats van het schepsel boet de schepper. De Zoon Gods verschijnt in het slavenkleed van het sterfelijk lichaam, om in het vleesch uit te delgen, wat in het vleesch misdreven was; Hij daalt uit den hemel op aarde neder, opdat ik met en door Hem opstijge van de aarde tot den hemel; Hij verlaat zijne heerlijkheid, om mijne heerlijk-

ocr page 177

heid te verdienen, Hij vernedert zich om mij te verhoogen, Hij verootmoedigt zich, om mij te verheffen. Het geringste lijden, de kleinste vernedering van Jesus Christus zou om de oneindige waarde van zijn persoon voldoende geweest zijn voor de verlossing van het menschelijk geslacht; (Thom. Aq.) wat echter voldoende was voor de verlossing, was nog niet voldoende voor zijne liefde, daarom Iaat Hij zich vervolgen, opdat ik niet vervolgd zou worden; Hij laat zich veroordeelen, opdat ik niet veroordeeld zou worden. Hij laat zich gevangen nemen, om mij te verlossen, laat zich boeien, om mij te bevrijden, laat zich wonden, om mij te genezen, laat zich het leven benemen, om mij het leven te schenken. Waar in den hemel of op aarde vind ik zulk eene liefde? Welke engel, welk mensch heeft zich zoo voor mij vernietigd? Wie heeft zulke armoede, zulk gebrek, zulke ellende op zich genomen? Wie heeft voor mij zoo groote smarten verduurd, zoovele geeselstriemen verdragen, zoovele wonden ontvangen, zooveel bloed vergoten, zulk een dood ondergaan, als mijn Zaligmaker? „Eene grootere liefde heeft niemand, dan die zijn leven opoffert voor zijn vriend.quot; (Joës. XV. 12.) Maar Jesus geeft het voor zijn geslagen vijand, want in plaats van den oproerigen mensch, sterft de beminnende Godmensch op het bloedig schavot des kruizes. Waarlijk, zoo kan geen mensch, zoo kan geen Serafijn, zoo kan enkel God alleen u liel hebben, mijne ziel! Zie, dat is Gods liefde, Gods goedheid! O hoe wonderbaar! En dien liefdevollen God zoudt gij niet beminnen, dien goeden God niet dienen ?

50 Evenals de opgaande zon in haren kringloop altijd hoo-ger en hooger stijgt, en I:oe hooger zij op haar hemelbaan staat, ook des te warmer stralen naar het aardrijk zendt, zoo klimt ook Gods liefde altijd hooger en hooger. Van de bribbe klom zij op het kruis; van het kruis klimt zij opwaarts naar het altaar en zendt van daar die levenwekkende en verwarmende, die verlichtende en verkwikkende stralen der sacra-menteele genaden neder in de harten der menschen. Gelijken alle overige uitingen der goddelijke liefde en goedheid op knoppen en bloesems, hier in het tabernakel bezitten wij de edelste vrucht. Gelijk de lichtstralen zich vercenigen in het brandpunt eener lens, zoo vereenigen zich daar, op dien troon

ocr page 178

— 164 —

van liefde alle wonderen van goedheid. Hier wordt de orde in zekeren zin gestoord, hier is natuur geen natuur meer. Hier wordt de grootste schijnbaar de kleinste, de machtigste schijnbaar de zwakste, de rijkste schijnbaar de armste. Die niemand noodig heeft, handelt hier, als had Hij iedereen noo-dig. Hier spreekt en doet God, als hadden niet de menschen aan Hem, maar Hij aan de menschen verplichting, als moest Hij voor hen, en niet zij voor Hem leven, als moest Hij, de Heer, den knecht dienen, en niet de knecht Hem. Zie, hoe Hij den glans zijner godheid omhult, zijne verheerlijkte mensch-heid verbergt en zich omsluiert met het blanke gewaad der H. Hostie! Zie, hoe Hij ofschoon ontkend door de blinde heidenen, ofschoon verlaten door velen zijner vrienden, vervolgd van zijne vijanden, dikwijls mishandeld door de hand des boosdoeners, ofschoon verraden door zoo menige Judas-ziel, hoe Hij, niettegenstaande dat alles, dag en nacht in ons midden verblijft, getrouw aan het woord, wat Hij eenmaal sprak: „Zie, ik ben bij u alle dagen tot aan de voleinding der wereld.quot; Zie, hoe Hij hier luistert naar uw smeekingen, hoe Hij uwe zuchten verzamelt, uwe tranen telt, uwe oefeningen van deugd in ontvangst neemt, die met zijne oneindige verdiensten vereenigt en dan God den Vader aanbiedt voor UI Zie, hoe Hij van uit zijne kleine residentie, de wereld bestuurt, de harten neigt, de zwakken sterkt, de bedroefden vertroost, den twijfelmoedigen raad geeft, de dwalenden terecht wijst, de wankelenden ondersteunt, de gevallenen opricht, de strijdenden zegent, de overwinnaars bekroont, de gewonden geneest, de stervenden bijstaat! Zie, hoe hij in de gedaante van brood met alle schatten zijner genaden tot u komt, aan de deur uws harten aanklopt, zijn intrek neemt in uw binnenste, opdat niet gij Hem, maar Hij u beware, u kleede, u gelukkig make, opdat niet gij Hem, maar Hij u verrijke en versterke ten eeuwigen leven! Hier behoef ik Hem, het leven slechts te nuttigen, hier behoef ik Hem, het leven, slechts te drinken, om het leven te hebben en gansch levend te zijn. Hij geeft zich. Hij vereenigt zich met mij, met alles wat Hij heeft, en wat Hij is, opdat Hij voortaan in mij en ik in Hem blijve en leve. O ondoorgrondelijk geheim' God in den mensch, en de mensch in God! God in mij en ik in God!

ocr page 179

O innigste vereeniging! O zich zelf overtreftende liefde! Hoewel God almachtig is, iets grooters had Hij toch niet kunnen geven; hoewel Hij oneindig wijs is, kostbaarder geschenk kon Hij toch niet uitdenken, hoewel Hij oneindig rijk is, meer kan Hij ons niet geven dan zich zeiven. (S. Aug. tract. 84. in Joann.) Alzoo dat is Gods liefde! Gods goedheid! O, hoe wonderbaar! Doch neen, niet wonderbaar. Is het dan wonder, wanneer de almachtige wonderen doet? (Hugo a S. Vict.) Is het dan wonder, wanneer de allerrijkste groote gaven schenkt ? Is het dan wonder, wanneer de onbegrijpelijke goediieid onbegrijpelijk goed is? Is het dan wonder, wanneer de eindelooze barmhartigheid geen einde kent, wanneer de oneindige liefde mij in tijd en eeuwigheid oneindig bemint? Is het dan wonder, wanneer God, goddelijk denkt, goddelijk spreekt, goddelijk handelt?

Dit en ook dit alleen zou wonderbaar, en meer dan wonderbaar, het zou onbegrijpelijk ondankbaar, ja volslagen onzinnig zijn, wanneer ik u, oneindige liefde, niet zou beminnen, wanneer ik u, matelooze goedheid, niet eeuwig kon dienen, wanneer ik u, mijn hoogste goed, nog ooit zou bedroeven, verlaten, beleedigen! —..... Daarom, o hoogste weldoener, voeg,

om de maat uwer reeds verleende gaven en genaden te doen overloopen, er nog deze écne bij, die ik geen enkele mijner lichamelijke en geestelijke krachten anders aanwende dan volgens uw goddelijken wil! Verlicht, o eeuwige wijsheid, mijne duisternis, opdat ik aan niets anders denke, dan aan 11 en wat op u betrekking heeft! Kom, o onuitsprekelijke almacht, mijne zwakheid te hulp, opdat ik niets wensche, verlange, begeere, najage, dan wat gij wilt en begeert 1 O ontfermende liefde, beziel gij mijn hart, opdat het buiten u niets beminne en be-zitte. O alles overtreftende goedheid, geef, dat mijn oog slechts op 11 gericht zij, dat mijn oor slechts naar u luistere, dat mijne tong slechts van u spreke, u love en prijze, dat mijne handen slechts voor u arbeiden, dat mijne voeten slechts uwe wegen bewandelen, u zoeken, dat ik mijn lichaam en ziel aan u alleen opdrage, al mijn doen en laten aan u alleen verpande en toewijde tot aan den laatsten snik mijns levens! Amen.

ocr page 180

— 164 —

van liefde alle wonderen van goedheid. Hier wordt de orde in zekeren zin gestoord, hier is natuur geen natuur meer. Hier wordt de grootste schijnbaar de kleinste, de machtigste schijnbaar de zwakste, de rijkste schijnbaar de armste. Die niemand noodig heeft, handelt hier, als had Hij iedereen noo-dig. Hier spreekt en doet God, als hadden niet de menschen aan Hem, maar Hij aan de menschen verplichting, als moest Hij voor hen, en niet zij voor Hem leven, als moest Hij, de Heer, den knecht dienen, en niet de knecht Hem. Zie, hoe Hij den glans zijner godheid omhult, zijne verheerlijkte mensch-heid verbergt en zich omsluiert met het blanke gewaad der H. Hostie! Zie, hoe Hij ofschoon- ontkend door de blinde heidenen, ofschoon verlaten door velen zijner vrienden, vervolgd van zijne vijanden, dikwijls mishandeld door de hand des boosdoeners, ofschoon verraden door zoo menige Judas-ziel, hoe Hij, niettegenstaande dat alles, dag en nacht in ons midden verblijft, getrouw aan het woord, wat Hij eenmaal sprak: „Zie, ik ben bij u alle dagen tot aan de voleinding der wereld.quot; Zie, hoe Hij hier luistert naar uw smeekingen, hoe Hij uwe zuchten verzamelt, uwe tranen telt, uwe oefeningen van deugd in ontvangst neemt, die met zijne oneindige verdiensten vereenigt en dan God den Vader aanbiedt voor Ui Zie, hoe Hij van uit zijne kleine residentie, de wereld bestuurt, de harten neigt, de zwakken sterkt, de bedroefden vertroost, den twijfelmoedigen raad geeft, de dwalenden terecht wijst, de wankelenden ondersteunt, de gevallenen opricht, de strijdenden zegent, de overwinnaars bekroont, de gewonden geneest, de stervenden bijstaat! Zie, hoe hij in de gedaante van brood met alle schatten zijner genaden tot u komt, aan de deur uws harten aanklopt, zijn intrek neemt in uw binnenste, opdat niet gij Hem, maar Hij u beware, u kleede, u gelukkig make, opdat niet gij Hem, maar Hij u verrijke en versterke ten eeuwigen leven 1 Hier behoef ik Hem, het leven slechts te nuttigen, hier behoef ik Hem, het leven, slechts te drinken, om het leven te hebben en gansch levend te zijn. Hij geeft zich. Hij vereenigt zich met mij, met alles wat Hij heeft, en wat Hij is, opdat Hij voortaan in mij en ik in Hem blijve en leve. O ondoorgrondelijk geheim! God in den mensch, en de mensch in God! God in mij en ik in God!

ocr page 181

O innigste vereeniging! O zich zelf overtreffende liefde! Hoewel God almachtig is, iets grooters had Hij toch niet kunnen geven; hoewel Hij oneindig wijs is, kostbaarder geschenk kon Hij toch niet uitdenken, hoewel Hij oneindig rijk is, meer kan Hij ons niet geven dan zich zeiven. (S. Aug. tract. 84. in Joann.) Alzoo ds.t is Gods liefde! Gods goedheid! O, hoe wonderbaar! Doch neen, niet wonderbaar. Is het dan wonder, wanneer de almacht.'ge wonderen doet? (Hugo a S. Vict.) Is het dan wonder, wanneer de allerrijkste groote gaven schenkt? Is het dan wonder, wanneer de onbegrijpelijke goedheid onbegrijpelijk goed is? Is het dan wonder, wanneer de eindelooze barmhartigheid geen einde kent, wanneer de oneindige liefde mij in tijd en eeuwigheid oneindig bemint? Is het dan wonder, wanneer God, goddelijk denkt, goddelijk spreekt, goddelijk handelt?

Dit en ook dit alleen zou wonderbaar, en meer dan wonderbaar, het zou onbegrijpelijk ondankbaar, ja volslagen onzinnig zijn, wanneer ik u, oneindige liefde, niet zou beminnen, wanneer ik u, matelooze goedheid, niet eeuwig kon dienen, wanneer ik u, mijn hoogste goed, nog ooit zou bedroeven, verlaten, beleedigen! —..... Daarom, o hoogste weldoener, voeg,

om de maat uwer reeds verleende gaven en genaden te doen overloopen, er nog deze ééne bij, die ik geen enkele mijner lichamelijke en geestelijke krachten anders aanwende dan volgens uw goddelijken wil! Verlicht, o eeuwige wijsheid, mijne duisternis, opdat ik aan niets anders denke, dan aan u en wat op u betrekking heeft! Kom, o onuitsprekelijke almacht, mijne zwakheid te hulp, opdat ik niets wensche, verlange, begeere, najage, dan wat gij wilt en begeert! O ontfermende liefde, beziel gij mijn hart, opdat het buiten u niets beminne en be-zitte. O alles overtreffende goedheid, geef, dat mijn oog slechts op u gericht zij, dat mijn oor slechts naar u luistere, dat mijne tong slechts van u spreke, u love en prijze, dat mijne handen slechts voor u arbeiden, dat mijne voeten slechts uwe wegen bewandelen, u zoeken, dat ik mijn lichaam en ziel aan u alleen opdrage, al mijn doen en laten aan u alleen verpande en toewijde tot aan den laatsten snik mijns levens! Amen.

ocr page 182

— i66 —

TWEEDE OVERWEGING.

Mijne levenstaak.

Servile Deo corde perfecto et animo voluntario.

Dient God met een volmaakt hart en met een bereidwillig gemoed.

(I Paral. XXVIII. 9)

T^.en hoveling, die evenals zoovele duizenden wereldlingen zorgeloos van den eenen dag in den anderen leefde, beval, toen hij op zijn sterfbed lag, tot heilzame waarschuwing voor anderen op zijn graf dit opschrift te zetten: „Hier ligt iemand, die in de wereld leefde en haar verlaten heeft, zonder te welen, waartoe hij er in gekomen is.quot; — Zullen deze woörden ook eenmaal op mijn grafkruis moeten gebeiteld worden? Neen, want ik wist reeds van kindsbeen af, dat ik hier op aarde gekomen ben om God te kennen, te dienen en te beminnen, en Hem hiernamaals eeuwig te bezitten en te genieten. Dewijl ik echter begreep, dat in de wereld begeerlijkheid der oogen, begeerlijkheid des vleetches en hoovaardij des levens oppermachtig den scepter zwaaide, en dat het mij derhalve buitengewoon moeielijk zou vallen te midden van dat Babylon van bederf een godgevallig leven te leiden en mijn einddoel te bereiken, daarom heb ik het land der afgodendienaars eens voor altijd vaarwel gezegd, ik ben gevlucht in mijn stille cel, om ongehinderd, vrij en volmaakt mijne levenstaak te vervullen, om heilig te worden. Frederik Christiaan, markgraaf van Bay-reuth, schreef met den steen Van zijn zegelring op het venster zijner kamer: „haast u en redt uwe ziel!quot; evenzoo schreef ook ik bij mijne intrede in de orde deze wooiden in mijn hart: „ik wil heilig worden.quot; Voorzeker een edel en lofwaardig voornemen 1 Kan ik het echter wel volbrengen, en wanneer ik het volbrengen kan, ben ik daartoe wel verplicht?

Ja: 1° ik kan,

2° ik moet heilig worden.

Van deie waarheden wil ik mij heden diep doordringen, door de gronden daarvan aandachtig te overwegen. In de heilige namen van Jezus en Zijne boven allen gezegende Moedermaagd Maria!

ocr page 183

De heiligheid bestaat riet, zooals velen verkeerdelijk denken in buitengewone godsdienstoefeningen en zonderlinge gebruiker.. Neen; volgens den grooten Thomas v. Aq. (11. II. 9. Si.) is zij negatief de afwezigheid der zonde, en positief het godvree-zende, deugdzame en plichtvervullende leven. Kan ik echter de zonde vermijden en godvruchtig leven? Kan ik heilig'zijn? Ja. Waarom? Om drie redenen vooral. Ik heb 10 voor mijn verstand de noodige kennis, 20 voor mijn wil de doeltreffende middelen, en 3° voor mijn hart de opwekkendste voorbeelden.

10 Om heilig te leven moet ik voor alles weten, wat ik te doen en te laten heb. Welnu, dit weet ik ze^r goed, want reeds bij mijne schepping heeft God mij de kennis gegeven van hetgeen Hem behaagt en niet behaagt.

Hij gaf mij de natuurwet („lex scripta in cordibus homi-numquot;) die mij als aene zedelijke macht tegemoet komt, mij eenerzijds den weg der zedelijke waarheid aantoont en verlicht, anderzijds mijnen wil opwekt om dien weg te bewandelen. De natuurwet zegt mij, dat ik God als het hoogste goed moet aanbidden, beminnen en dienen. Zij zegt mij, dat ik aan een ander niet moet doen, wat ik niet wil, dat mij geschiede, dat ik derhalve leugen en bedrog, roof en moord, haat en vijandschap, kwaadspreken en lasteren, enz. vermijden en integendeel datgene aan mijnen naaste moet doen, wat ik wensch, dat mij gedaan worde. Zij zegt mij, dat ik verplicht ben verstandige zorg te dragen voor mijn lichaam en ziel. En opdat ik mij niet zou kunnen beklagen, alsof er nog iets aan ontbrak, schrijft God op steenen tafelen, wat ik ook in mijn hart kan lezen. Hij geeft mij de zoogenaamde goddelijke wet en stelt mij in de tien geboden duidelijk en klaar voor oogon, wat ook mijn geweten mij voorhoudt. Zijne stem klinkt van buiten, om mij in mijn binnenste terug te dringen. (S. Aug.) Om deze wet te volmaken, om mij daaromtrent beter in te lichten, komt Christus en stelt mij zijn H. Evangelie ter hand, dien hemelschen spiegel, die mij Gods vaderhart laat zien, dien troostvollen uitnoodigingsbrief, die zijne eeuwige goedheid mij toezendt, dien wonderbaren vuurtoren, die mij verlicht in den duisteren levensnacht, dat goddelijk schoolboek.

ocr page 184

— i68 —

waarin voor den jongeling, die godvreezend wil leven, goede raad, voor den man, die getrouw zijne plichten tracht te vervullen, stortte, voor den grijsaard, die zijn dagwerk goed eindigen en zalig sterven wil, verkwikkende troost te vinden is. En om mijn zwak geheugen ter hulp te komen, laat God mij ook nog de korte samenvatting van het evangelie, den heiligen regel, geven. Bovendien ontvang ik nog meer kennis door alle kerkelijke en burgerlijke wetten, voorschriften en verordeningen, door alle geestelijke boeken en geschriften, alle onderrichtingen en vermaningen van den prediker, biechtvader, en overheden, zoodat ik met vreugde bekennen en uitroepen mag: „O mijn God, hoe goed zijt gij! Gij hebt mij uwen wil bekend gemaakt, ik bezit voldoende kennis, om heilig te leven!quot;

2° Doch wat zou mij de kennis baten, als mijn zwakke wil geen krachtige middelen had om te doen, wat ik als goed en te laten, wat ik als slecht erken ? Ook daarvoor zorgt God, want Hij geeft mij de noodige middelen. Wel wetend, dat ik uit mij zeiven niets vermag, schenkt Hij mij den bijstand Zijner genade, zoodat ik daardoor ondersteund met den Apostel kan zeggen: „alles kan ik in Hem, die mij versterkt.quot; Hij schenkt mij de gaven der natuur, die betrekking hebben op de behoeften van het tijdelijke leven, als: het behoud des levens, de kracht, gezondheid, lichaamsbeweging, het verstand, de kennis en de andere gaven der ziel. Hij schenkt mij zijne bovennatuurlijke weldaden, die mij bekwaam maken en versterken om heilig te leven, en wel: het bruidskleed der heiligrnikende genade, die mij in het Doopsel en in het Sacrament van Boetvaardigheid inwendig heiligt, en die Hij bij elk ander Sacrament, waardig ontvangen, vermeerdert, — de dadelijke genade, die voorbijgaande en herhaaldelijk wederkeerende inwerking van God, die het verstand verlicht tot kennis der waarheid en den wil beweegt tot het willen en volbrengen van bovennatuurlijke werken. Zij is het, die mijne handelingen voorkomt door dien onwillekeurigen drang, die mij op zachte wijze tot het goede trekt. Zij is het, die mijne goed begonnen handeling vergezelt door hare hulp in het voortzetten. Zij is het, die mij ondersteunt tot de voleinding der goed voortgezette handeling. Zij is het eindelijk, die mij in de bekoring staande houdt en mij bewaart voor duizenderlei afdwalingen. In hoevele zonden

ocr page 185

— 169 —

zoude ik gevallen zijn, wanneer ik de gelegenheid liad gehad; door Gods genade echter had ik die niet! Andere zonden zou ik begaan hebben, als de bekoring mij aanhoudend bevochteu had; God echter gaf mij de genade haar le overwinnen. Van vele andere misstappen heeft Gods barmhartigheid mij zoo ver verwijderd, dat ik ze zelfs natuurlijkerwijze verafschuwde en niet eens neiging daartoe gevoelde. Niet alleen dat; — de vele volle en gedeeltelijke aflaten, het heilige misoffer, de kerkelijke plechtigheden en zegeningen, de voorgeschreven geestelijke oefeningen, de vastgestelde dagorde, de broederlijke samenleving, de verwijdering van alle verstrooiende wereldtche bezigheden, enz.; zijn zij allen niet buitengewoon krachtige middelen, om mij te reinigen en te heiligen? Waarlijk, aan middelen tot deugd ontbreekt het mij niet, ik heb die in overvloed! O God, hoe goed zijt gij, hoe komt gij mijn wil te hulp !

30 Doch niettegenstaande de beste reiskaarten en een welgevulde buidel heeft menige reiziger toch niet den moed, den berg, die zijn kruin tot in de wolken verheft, te bestijgen, omdat hij niemand ziet voorgaan. Maar heb ik ook grond om te twijfelen of ik in staat ben de stralende hoogte der heiligheid te beklimmen? Neen; — ontelbare voorbeelden van deugd lichten mij voor op den weg des hemels, en machtiger dan geestdriftvolle woorden wekken zij mijn verlangen op om hen na te volgen. „Ik zag, schrijft de begeesterde leerling der liefde, Joannes, na een hemelsch gezicht, ik zag eene groote schare, die niemand kon tellen, uit alle landen, stammen, volken en talen; zij stonden voor den troon en het Lam, in witte kleederen gekleed en zij houden palmtakken in de handen.quot; (Apoc. VII. 9.) Die overgelukkige schare — hoe is zij tot nu toe vermeerderd! Daartoe behooren de aartsvaders, profeten en apostelen, die millioenen martelaren, belijders, maagden; vróuwen en weduwen. Er zijn heiligen van eiken leeftijd, elk geslacht, eiken stand. Kr zijn velen, die hunne onschuld nimmer verloren, en velen, die eens groote zondaars en zondaressen waren. Zij allen schitteren nu als vonkelende sterren aan het firmament van het leven der Kerk. Midden onder hen straalt Christus, „de zon der gerechtigheid,quot;' en Maria, door hare brandende liefde zoo liefelijk als de volle maan. Al die heiligen waren menschen evenals ik, zij waren van nature zwak en

ocr page 186

— 170 —

velen misschien zwakker dan ik, zij hadden met hindernissen en gevaren, met hunne verkeerde neigingen en innerlijke aanvechtingen te kampen evenals ik, en velen meer dan ik. Zijn zij in staat geweest, heilig te worden, waarom zou ik het ook niet kunnen? Zeker, uit zich zei ven konden zij niets, maar zij hebben gebeden en bidden kan ook ik. Door getrouw met de genade mede te werken, werden zij heilig; datzelfde kan ook ik en nog veel gemakkelijker dan zij, dewijl zij mij door hunne verdiensten en hulp ondersteunen, en door hun voorbeeld aanwakkeren. En zou ik te^ traag zijn om mijn oog op te slaan naar die hemelsche lichten, aanschouw ik niet onder mijne tijdgenooten vele godvreezende wereldlingen, priesters, kloosterlingen, wier onvermoeide inspanning tot de deugd mij den weg wijst op mijne aardsche pelgrimsreize, en mij tevens aanvuurt tot vrome navolging ? „Iets wordt niet te zwaar geacht, als men het reeds door anderen gedaan en volbracht ziet,quot; beweert de H. Ambrosius. Welke zonde is er niet vermeden reeds vóór mij? welke strijd niet gestreden reeds vóór mij? welke overwinning niet behaald reeds vóór mij? welke deugd niet beoefend reeds vóór mij? Welke voetstappen zijn er nog niet gezet op den weg des hemels ? Geen enkelen stap kan ik zetten of ik treed in de voetstappen van een of anderen heilige.

O mijn God en Heer, welken dank ben ik u dan niet verschuldigd, daar gij mijn verstand verlicht door de noodige kennis, mijn zwakken wil versterkt door passende middelen, mijn aarzelend hart door de verhevenste voorbeelden bemoedigt en mij door dat alles in den gelukkigsten toestand plaatst om naar uw welbehagen te handelen en te wandelen; laat men dan zeggen, wat men wil, ik zie het duidelijk in: ik kan heilig worden. Wat ik kan, dat moet ik ook.

II.

Ik moet heilig leven. Waarom? 10 om God, 20 om mijn naaste, 30 om mij zeiven.

1° God is de heiligheid zelve. Hij is heilig in zijn wezen, en heilig in zijne werken; daarom heeft niemand Hem ooit anders kunnen behagen, dan door heiligheid, en niemand, die

ocr page 187

— i7i —

daarmede versierd was, heeft Hem ooit mishaagd. Daarom ook wil Hij niet, dat ik Hem navolge in de almacht, wijsheid en verhevene majesteit, wel echter in de heiligheid, want het betaamt aan den oorsprong der heiligheid, dat Hij heilige, onbevlekte dienaars hebbe. „Dat is de wil Gods, uwe heiligmaking.quot; (I Thess. IV, 3.) „Streeft naar vrede met allen, en naar de heiligmaking, zonder welke niemand God zien zal.quot; (Hebr. XII, 14.) Omdat God heilig is, geeft Hij als zijn vei langen te kennen: „heiligt u en weest heilig, want ook ik, uw God, ben heilig.quot; (Levit. XX, 7.) „Die rechtvaardig is, worde nog rechtvaardiger, en die heilig is, worde nog heiliger.quot; (Apoc. XXII, 11.) Omdat God heilig is, bidt Hij ons: „daarom bid ik, dat uwe liefde altijd meer en meer aangroeie.quot; (Philipp. I, 9.) Omdat Hij heilig is, vordert Hij een heilig leven: „doet aan den nieuwen mensch, die naar God geschapen is in rechtvaardigheid en heiligheid.quot; (Eph. IV, 24.) „Gij zult mij een priesterlijk koninkrijk, een heilig volk zijn!quot; (Exod. XIX, 6.) Omdat Hij heilig is, gebiedt Hij: „Gij zult volmaakt en onbevlekt zijn met den Heer uwen God.quot; (Deut. XVIII, 13.) „Weest volmaakt, gelijk uw hemelsche vader volmaakt is,quot; (Matth. V, 48.) d. w. z. onderhoudt zijne geboden, leeft overeenkomstig zijn wil, wandelt op zijne wegen. En dat het God met deze verlangens, met deze beden en eischen, met die uitdrukkelijke geboden werkelijk ernst is, bewijst Hij het niet handtastelijk door slechts voor de heiligen de deuren des hemels te openen f Want „wie zal ingaan in de heilige plaats ?quot; „De onschuldige van handen en de reine van hart.quot; (Ps. XXIII, 3.) En ook bewijst Hij het door die deuren te sluiten voor alles, wat onheilig is, „niets, wat besmeurd is, zal den hemel binnengaan.quot; Heilig alzoo moeten al mijne gedachten, begeerten en verlangens, heilig al mijne woorden en handelingen zijn. Niets, wat Gode onwaardig is, mag ik in of aan mij toelaten. Ik moet heilig leven om God.

20 Ik moet heilig leven om mijnen naaste. Vraag ik aan mijne overheden, wat zij van mij verlangen, dan zullen zij mij zeggen, evenals Paulus sprak tot zijn leerling Timotheus: „houdt vast aan het voorbeeld der heilzame woorden, die gij van mij gehoord hebt, in geloof en in liefde in Christus Jezus. Bewaar het u toevertrouwde pand door den H. Geest, die in u woont.quot;

ocr page 188

— 172 —

(I Tim. I. 13.) „Man Gods, streef naar gerechtigheid, vroomheid, geloof, liefde, geduld en zachtmoedigheid. Strijd den goeden strijd des geloofs, grijp het eeuwige leven, waartoe gij geroepen zijt en waarvan gij belijdenis hebt afgelegd voor vele getuigen.quot; (I Tim. VI, 11.) Kortom: onder vier oogen en in het bijzijn van anderen, nu eens middelijk, dan weer rechtstreeks, in onderrichtingen, vermaningen, waarschuwingen en bedreigingen, door belooningen en bestraffingen geven zij mij op de ondubbelzinnigste wijze te verstaan, dat ik naar heiligheid moet streven. Vraag ik aan mijne ondergeschikten, waartoe zij mij verplichten, dan zullen zij mij met den H, Chry-sostomus antwoorden: ,,wie het toezicht over anderen op zich heeft genomen, moet door zijne deugden zoozeer boven anderen uitsteken, dat hij evenals de zon het licht der sterren door zijn glans verduistert.quot; Zij zullen mij met den apostel der heidenen toeroepen: „wees een voorbeeld voor de geloovigen in woord, in wandel, in liefde, in geloof, in reinheid van zeden.quot; (I Tim. IV, 12.) „Toon u in alles een voorbeeld van goede werken.quot; (Tit. II, 7.) Vraag ik aan mijne gelijken, hoe ik moet leven, zij zullen mij eenstemmig verplichten te wandelen, mijne roeping waardig, God naderbij te komen, om ook anderen tot God te voeren, een licht te worden om ook anderen te verlichten, rein te leven, om ook anderen te reinigen, heilig te zijn, om ook anderen heilig te maken. — Vraag ik aan de wereldlingen, wat zij van mij verwachten, dan zal ik stemmen vernemen, die zeggen: „gebruik de wereld, als gebruiktet gij haar niet. Wees en blijf, wat wij u noemen: een eerwaardige een geestelijke, een priester, een kloosterling. Anderen zullen, hoe slechter zij zijn, ons des te meer tot deugd verplichten, en iedere onbeduidende vlek aan mij onverschoonbaar vinden en daarmede niet alleen mij maar de geheele geestelijkheid zwart maken. Weder anderen verontschuldigen hunne zonden door mijne onvolmaaktheden en stellen mij aansprakelijk voor hunne misdaden. Kortom allen, zij mogen zijn, wie zij willen, vorderen van mij een heilig leven. Ik moet alzoo heilig zijn om mijnen naaste.

30 Ik moet ten laatste heilig leven om mij zeiven. Daartoe verplicht mij mijn geweten. Ik ken die inwendige stem, die mij vermaant en waarschuwt, die veroordeelt en recht spreekt

ocr page 189

die beslist over mijn doen en laten. Zij gaat niet uit van vleesch en bloed en heeft geene gemeenschap met zinnelijke neigingen; zij doet hare eischen gelden, al verzetten de zinnen er zich tegen, zij weigert, wat zij begeeren. Zij gaat ook niet uit van vreemde meeningen en kan daardoor niet omgepraat of veranderd worden. Zij keurt af, wat menschelijke dwaasheid of boosheid prijst, en prijst, wat de dwaze menigte bespot en verwerpt. Als een heraut van den hemelschen koning verkondigt het geweten diens bevelen en gebiedt die te volbrengen. Als een waakzame getuige verklaart het, wat ik gedaan en niet gedaan heb. Als onomkoopbaar rechter oordeelt het, of mijne handeling goed of niet goed gedaan is. Als nauwgezette uitvoerder van het uitgesproken vonnis, vervolgt, pijnigt, kwelt en straft het mij met onverbiddelijke gestrengheid om het bedreven kwaad. Zoolang het iets in mij aantreft wat berisping verdient, laat het mij zijne verwijtingen hooren, het klaagt over het verledene, mort over het tegenwoordige, en neemt zich in acht voor de toekomst. Dan eerst, wanneer ik alles geregeld heb, wanneer ik met David van deugd tot deugd opklim, eerst dan is het tevreden, eerst dan schenkt het mij troost in het leven, vreugde bij het sterven, verkwikking daarna. Zoo zet het geweten mij aan een heilig leven te leiden, wat ik mij overigens reeds duizende malen heb voorgenomen. Of heb ik niet bij iedere biecht en Communie het voornemen gemaakt, elke vrijwillige zonde te vermijden en het goede te doen. Heb ik niet bij ieder Christelijk onderricht, dat ik bijwoonde, bij de geestelijke lezing, de overweging, bij het gewetensonderzoek het besluit gemaakt, vroom en goed te blijven ? Ben ik niet om diezelfde reden in de heilige orde gegaan?.... En als dat alles mij nog niet voldoende is: verplicht de heilige stand, waartoe ik behoor, mij niet ten strengste naar volmaaktheid te streven?

Zeker, het is eene onloochenbare en onwedersprekelijke waarheid: „ik moet heilig leven.quot; God, de naaste en ik zelf verplichten mij daartoe.

Wat moet mij dan meer ter harte gaan, dan dien plicht waarvan niemand mij kan ontslaan, nauwgezet te vervullen en mij immer meer en meer te heiligen ? Hoe getrouw moet ik steeds overeenkomstig mijn weten en geweten denken, spreken.

ocr page 190

— 172 —

(I Tim. I, 13.) „Man Gods, streef naar gerechtigheid, vroomheid, geloof, liefde, geduld en zachtmoedigheid. Strijd den goeden strijd des geloofs, grijp het eeuwige leven, waartoe gij geroepen zijt en waarvan gij belijdenis hebt afgelegd voor vele getuigen.quot; (I Tim. VI, 11.) Kortom: onder vier oogen en in het bijzijn van anderen, nu eens middelijk, dan weer rechtstreeks, in onderrichtingen, vermaningen, waarschuwingen en bedreigingen, door belooningen en bestraffingen geven zij mij op de ondubbelzinnigste wijze te verstaan, dat ik naar heiligheid moet streven. Vraag ik aan mijne ondergeschikten, waartoe zij mij verplichten, dan zullen zij mij met den H, Chry-sostomus antwoorden: „wie het toezicht over anderen op zich heeft genomen, moet door zijne deugden zoozeer boven anderen uitsteken, dat hij evenals de zon het licht der sterren door zijn glans verduistert.quot; Zij zullen mij met den apostel der heidenen toeroepen: „wees een voorbeeld voor de geloovigen in woord, in wandel, in liefde, in geloof, in reinheid van zeden.quot; (I Tim. IV, 12.) „Toon u in alles een voorbeeld van goede werken.quot; (Tit. 11, 7.) Vraag ik aan mijne gelijken, hoe ik moet leven, zij zullen mij eenstemmig verplichten te wandelen, mijne roeping waardig. God naderbij te komen, om ook anderen tot God te voeren, een licht te worden om ook anderen te verlichten, rein te leven, om ook anderen te reinigen, heilig te zijn, om ook anderen heilig te maken. — Vraag ik aan de wereldlingen, wat zij van mij verwachten, dan zal ik stemmen vernemen, die zeggen: „gebruik de wereld, als gebruiktet gij haar niet. Wees en blijf, wat wij u noemen: een eerwaardige een geestelijke, een priester, een kloosterling. Anderen zullen, hoe slechter zij zijn, ons des te meer tot deugd verplichten, en iedere onbeduidende vlek aan mij onverschoonbaar vinden en daarmede niet alleen mij maar de geheele geestelijkheid zwart maken. Weder anderen verontschuldigen hunne zonden door mijne onvolmaaktheden en stellen mij aansprakelijk voor hunne misdaden. Kortom allen, zij mogen zijn, wie zij willen, vorderen van mij een heilig leven. Ik moet ylzoo heilig zijn om mijnen naaste.

30 Ik moet ten laatste heilig leven om mij zeiven. Daartoe verplicht mij mijn geweten. Ik ken die inwendige stem, die mij vermaant en waarschuwt, die veroordeelt en recht spreekt

ocr page 191

— 173 —

'ia

im

die beslist over mijn doen en laten. Zij gaat niet uit van vleesch en bloed en heeft geene gemeenschap met zinnelijke neigingen; zij doet hare eischen gelden, al verzetten de zinnen er zich tegen, zij weigert, wat zij begeeren. Zij gaat ook niet uit van vreemde meeningen en kan daardoor niet omgepraat of veranderd worden. Zij keurt af, wat menschelijke dwaasheid of boosheid prijst, en prijst, wat de dwaze menigte bespot en verwerpt. Als een heraut van den hemelschen koning verkondigt het geweten diens bevelen en gebiedt die te volbrengen. Als een waakzame getuige verklaart het, wat ik gedaan en niet gedaan heb. Als onomkoopbaar rechter oordeelt het, of mijne handeling goed of niet goed gedaan is. Als nauwgezette uitvoerder van het uitgesproken vonnis, vervolgt, pijnigt, kwelt en straft het mij met onverbiddelijke gestrengheid om het bedreven kwaad. Zoolang het iets in mij aantreft wat berisping verdient, laat het mij zijne verwijtingen hooren, het klaagt over het verledene, mort over het tegenwoordige, en neemt zich in acht voor de toekomst. Dan eerst, wanneer ik alles geregeld heb, wanneer ik met David van deugd tot deugd opklim, eerst dan is het tevreden, eerst dan schenkt het mij troost in het leven, vreugde bij het sterven, verkwikking daarna. Zoo zet het geweten mij aan een heilig leven te leiden, wat ik mij overigens reeds duizende malen heb voorgenomen. Of heb ik niet bij iedere biecht en Communie het voornemen gemaakt, elke vrijwillige zonde te vermijden en het goede te doen. Heb ik niet bij ieder Christelijk onderricht, dat ik bijwoonde, bij de geestelijke lezing, de overweging, bij het gewetensonderzoek het besluit gemaakt, vroom en goed te blijven? Ben ik niet om diezelfde reden in de heilige orde gegaan?.... En als dat alles mij nog niet voldoende is: verplicht de heilige stand, waartoe ik behoor, mij niet ten strengste naar volmaaktheid te streven?

Zeker, het is eene onloochenbare en onwedersprekelijke waarheid: „ik moet heilig leven.quot; God, de naaste en ik zelf verplichten mij daartoe.

Wat moet mij dan meer ter harte gaan, dan dien plicht waarvan niemand mij kan ontslaan, nauwgezet te vervullen en mij immer meer en meer te heiligen? Hoe getrouw moet ik steeds overeenkomstig mijn weten en geweten denken, spreken,

a

111

i ui

•%

I

i m

ocr page 192

— 174 —

handelen? Hoe ijverig moet ik de mij aangeboden middelen gebruiken! Hoe naarstig de voorbeelden der heiligen navolgen! O, wat zou ik tot mijne verontschuldiging kunnen aanvoeren, indien ik eenmaal, rechtvaardige God, voor uw rechterstoel zou staan bevlekt met zonden? Onwetendheid ? Neen. Onmogelijkheid? Ook niet. Gij, hemel en aarde en ik zelf zouden mij moeten veroordeelen, omdat ik niet wilde, wat ik konde en wat ik moest; daarom geef mij, bid ik u, de genade en met de genade den vasten wil om voortaan met onverzwakten ijver naar heilig heid te streven, heilig te leven en heilig te sterven. Amen!

DERDE OVERWEGING.

Mijn wetboek.

Servite Deo corde perfecto et animo voluntario.

Dient God met een volmaakt hart en met een bereidwillig gemoed.

(I Paral. XXVIII. 9.)

Ik kan heilig worden, dewijl ik de noodige kennis, de passende middelen en de opwekkendste voorbeelden van deugd heb. Wat ik kan, dat moet ik ook. Ik moet trachten heilig te worden, omdat God het van mij verlangt, de naaste het van mij vordert, mijn geweten en mijn verheven stand mij daartoe verplichten. Nu is het maar de vraag: wat moet ik doen, om heilig te worden of langs welken weg kom ik tot de kloosterlijke volmaaktheid? En het antwoord op die vraag is: door de nauwgezette onderhouding mijner heilige ordensregelen. Dit antwoord wil ik nu tot onderwerp mijner overweging nemen in de heilige Namen van Jesus en Maria.

Het toonbeeld van volmaakte heiligheid, het heerlijkste voorbeeld van alle deugden is Jezus Christus; want zijne heiligheid is in haren omvang zoo algemeen, in hare beweegreden zoo rein, in haar kracht zoo ingespannen, in haren duur zoo bestendig, dat zelfs een der grootste helden des ongeloofs, een aartsvijand der christelijke openbaring, Rousseau, het le.en van Jezus beschouwende, in geestdrift uitroept: „Is het mogelijk, dat hij, wiens geschiedenis in het evangelie beschreven

ocr page 193

wordt, slechts een mensch is? Welke zachtmoedigheid, welke reinheid van zeden, welke verhevenheid in zijne leerstellingen, welke diepe wijsheid in zijne woorden, welke sterkte en tegenwoordigheid van geest, welke voorzichtigheid, welke juistheid in zijne antwoorden, welke heerschappij over zich zeiven! Waar is de mensch, waar de wijze, die zonder zwakheid en zonder snoeverij zoo kan handelen, lijden en sterven iquot; (Rouss. lib, IV. Emil.) — Welnu, wat deed Christus, onze goddelijke leermeester? Hij volbracht altijd, in alles en overal den wil Gods. In deze wereld komende sprak Hij: „ik ben gekomen, o Vader, om uwen wil te doen.quot; Bij de bron van Jacob gezeten, verklaart Hij: „het is mijne spijze, den wil te doen van Hem, die mij gezonden heeft, en zijn werk te verrichten.quot; (Joës. IV. 34.) In zijn hoogepriesterlijk gebed betuigt Hij: „ik heb u verheerlijkt op aarde, ik heb het werk volbracht, wat gij mij te doen gegeven hadt.quot; (Joës. XVII. 4.) In den hof van Olijven viel Hij op zijn aangezicht neder e.i riep uit: „Vader, niet mijn, maar uw wil geschiede!quot; (Luc. XXII. 42.) Wat Jezus sprak, dat heeft Hij ook gedaan. Zijn 'geheele leven was een nooitonderbroken vervulling van Gods wil.

Wanneer nu Christus het toonbeeld der heiligheid, bestendig den wil Gods vervulde, dan moet ook ik, als ik heilig wil leven, hetzelfde doen; want, „die zegt, in Christus te willen blijven, d. i. heilig te willen leven, die moet leven, zooals Christus geleefd heeft,quot; (I Joës. II. 6.) schrijft de Apostel Joannes, die moet evenals Christus Gods wil volbrengen.

Wat nu verlangt Gods wil van mij? Is het wellicht, dat ik altijd vaste op water en brood of mijne spijzen met asch en bittere kruiden vermenge, gelijk zoovelen mijner heilige ordebroeders gedaan hebben? Neen; hij is tevreden, wanneer ik mijne gewone vastendagen onderhoud, wanneer ik mijn lichaam niet op al te keurige spijzen onthaal, of het door te zeer opwekkende dranken bedwelm. Vraagt God wellicht, dat ik mij als de boetvaardige Magdalena zal geeselen, dat ik als de H. Joannes de Dooper een kameelharen kleed zal dragen, dat ik als een H. Aloysius de oogen steeds ternedergeslagen zal houden? Ook niet; Hij is tevreden, wanneer ik mijn lichaam in bedwang houd en aan mijne zintuigen geene ongeregelde vrijheid veroorloof. Wil Hij, dat ik verafgelegene woestijnen

ocr page 194

— 176 —

opzoeke, mij verberge in duistere bosschen, in diepe rotskloven, waarin geen verkwikkende zonnestraal doordringt, en daar waak en bid evenals de kluizenaars van Egypte? Of vraagt Hij, dat ik blootvoets naar Indië en China zal gaan, om onder duizend moeielijkheden en ontberingen als de H. Franciscus Xaverius geheele volkstammen voor het H. Geloof te winnen en naar den schaapstal van Christus te voeren? Deze en nog moeielijker werken had God van mij kunnen vorderen; doch Hij verlangt ze gewoonlijk maar van den een of ander. En wanneer deze of gene zich geroepen en geschikt acht tot buitengewone ondernemingen, dan nog mag hij dien stouten weg niet betreden, voordat zijne geestelijke overheden hem zenden en zegenen. Verlangt de Heer van mij niets buitengewoons, wat wil Hij dan? Niets anders dan dat ik mijne heilige regelen nauwgezet en voortdurend onderhoude.

Dit volgt op de eerste plaats daaruit, dat God mij de onuitsprekelijke genade gegeven heeft van de roeping tot het kloosterleven. Niet ik kwam op de gelukkige gedachte, al mijne vroegere betrekkingen in de wereld af te breken en in de stille eenzaamheid mijn leven geheel toe te wijden aan Hem, die het mij geschonken had; — God zelf is het, die uit duizend schepselen één uitzocht, en dat ééne was ik, die uit duizend schaapjes één bevoorrechtte, en dat ééne was ik, die uit duizend menschen één tot zijn bijzonderen dienst verkoos, en die ééne was ik, God is het, die in zijne oneindige barmhartigheid mij uit het net waarin ik als een gevangen vogel verstrikt was, bevrijdde, die mij van de kinderen der wereld afzonderde en mij, een ledig staanden arbeider, gelijk de huisvader van het evangelie, toeriep: „ga ook gij in mijn wijngaard, en wat billijk is, zal ik u geven!quot; (Matth. XX, 4.) God is het, die mij zonder mijne verdiensten over alle hindernissen heeft heengezet en mij aan zijne vaderhand in de Serafijnsche orde heeft gevoerd, zoodat Hij met volle recht kan zeggen: „niet gij hebt Mij, maar ik heb u uitgekozen.quot; (Joës. XV. 16.) Met mij te roepen tot het kloosterleven, heeft Hij niets anders gewild, dan dat ik een leven zou leiden dien staat waardig, want, zoo verzekert Hij: „ik heb u aangesteld, opdat gij gaat en vruchten voortbrengt,quot; vruchten van heiligheid, „en dat uw vrucht blijve,quot; in tijd en eeuwigheid — zulk een leven.

ocr page 195

— 177 —

mijn staat waardig, leid ik dan alleen, wanneer ik de heilige ordensregelen nauwgezet onderhoud, bijgevolg is dit en niets anders Gods wil.

Dit volgt op de tweede plaats daaruit, dat de Heer mij die regelen heeft gegever. — Als reeds geen enkele door de Kerk goedgekeurde ordensregel, volgens de openbaring die God eens aan zijne heilige dienares Brigitta deed, eene bloote uitvinding van den menschelljken geest is, dan is het zeker wel het minste de mijne, zooals reeds een oppervlakkige blik op de geschiedenis mijns regels kan getuigen. Het is immers bekend dat mijn H. Vader Franciscus, toen het getal zijner volgelingen tot twaalf gestegen was, lang en vurig gebeden heeft om verlichting betrekkelijk de te volgen levenswijze en ten laatste verhooring gevonden heeft. Hij zegt zelf in zijn testament: toen de Heer mij broeders gaf, toonde niemand mij, wat ik doen moest, maar de Allerhoogste zelf openbaarde het mij, dat ik naar den geest van net evangelie moest leven, en ik liet het met weinge en eenvoudige woorden beschrijven-quot; Die regel aanvankelijk in 23 hoofdstukken samengevat, liet Franciscus op Gods bevel in het jaar 1209 door Christus'plaatsbekleeder, Innocentius III bevestigen, en bij die gelegenheid sprak de kardinaal Joannes a S. Paulo, toen zijne ambtgenooten allerlei bedenkingen inbrachten, in tegenwoordigheid van Zijne Heiligheid deze merkwaardige woorden; „als gij het verzoek van dezen armen man van de hand wijst onder voorwendsel, dat zijn regel nieuw en te streng is, dan moeten wij vreezen, dat wij eenmaal ook het evangelie verwerpen, daar de regel, welks goedkeuring hij verzoekt, met de leer des evangelies in overeenstemming is; want als wij zeggen, dat de evangelische volmaaktheid of de gelofte haar te beoefenen, iets onverstandigs of onmogelijks behelst, dan lasteren wij Jezus Christus, den Stichter ervan.quot; Wel wetend, dat zijn regel van hemelschen Oorsprong was, verzette zich de H. Ordestichter terstond en beslist tegen iedere verzachting. Toen namelijk broeder Elias, provinciaal van Toscana, broeder Joannes van Strachia, provinciaal van Boulogne en meer anderen den kardinaal beschermer Hugolinus verzochten zijn invloed aan te wenden, opdat Franciscus, in het belang zijner orde den regel zou verzachten en wijzigen naar dien van den H. Basilius, Augustinus en Bene-

NIEUWE HANDLEIDING. 12

ocr page 196

- 178 -

dictus, nam de heilige den hoogen prelaat eerbiedig bij de hand, geleidde hem tot de in kapittel vergaderde broeders, en sprak: „Mijne broeders. God heeft mij op den weg der eenvoud en nederigheid geroepen om de dwaasheid des kruizes te volgen. Tot zijne eer, tot mijne beschaming, en tot geruststelling van uw geweten, zal ik u mededeelen, wat Hij mij gezegd heeft. Franciscus, zeide Hij, ik wil, dat gij in de wereld een dwaas zult zijn, en door uwe woorden en daden de dwaasheid des kruizes zult prediken. Gij met de uwen zult slechts Mij navolgen en geene andere levenswijze.quot; „Spreek mij derhalve niet,quot; zoo ging hij voort, „van een anderen regel, ik zal slechts dien volgen en voorschrijven, dien God mij in Zijne genade gaf. Zij, die zich daarvan verwijderen, en hunne broeders medesleepen, zullen vrees ik, de wraak des hemels ondervinden en ten laatste vol schaamte weder op dezen weg moeten terugkeeren.quot; En zich tot Hugolinus wendende, zeide hij, o. a.: „niets van hetgeen ik doe en spreek, schrijf ik mij zeiven toe; in het besturen mijner orde verlaat ik mij niet op eigen inzicht; in lange gebeden bespreek ik alles met den hemelschen Vader, den hoogsten bestuurder, die ons door zoovele zichtbare teekenen zijn wil heeft bekend gemaakt, om het werk, wat Hij door zulk een ellendigen mensch, als ik ben, begonnen heeft, te bevestigen en te volmaken tot heil der zielen en tot luister van onze Moeder, de H. Kerk. Wie de wijsheid der wereld verkiest boven den wil des Heeren, die stelt zich ontwijfelbaar bloot aan zijn eeuwigen ondergang.quot; Met deze woorden verwijderde zich Franciscus, wTaarop de kardinaal zich tot de oversten wendde en zeide : „mijne geliefde broeders, gij hebt gezien, hoe de H. Geest gesproken heeft door den mond van dezen apostolischen man.... Neemt u in acht, dat gij den geest Gods niet bedroeft, en weest niet ondankbaar voor de geraden, die Hij u geeft. Hij woont waarlijk in dezen man, en openbaart u door hem de wonderen zijner macht; als gij hem hoort, hoort gij Christus, als gij hem veracht, veracht gij Christus. Vernedert u derhalve en gehooorzaamt hem, zoo gij aan God behagen en de vrucht uwer roeping niet verliezen wilt!quot;

O, hoe blijkt mij uit dat alles ten duidelijkste, dat mijn heilige regel de verklaarde wil Gods is ! Doch nog beter zal ik dit

ocr page 197

— 179 —

erkennen uit het volgende. In het jaar 1223 kwam Franciscus op de gedachte zijn regel, die tot dan toe tlechls mondelijks door den H. Stoel was goedgekeurd, door den hem gunstig gestemden paus Honorius III plechtig te laten bevestigen. Daar openbaarde een hemelsch visioen hem, dat hij de te bevestigen regel moest inkorten, en in nauwer samenhang brengen. Op goddelijken aandrang begaf hij zich met de broeders Leo en Bonizo naar den berg Colombo in een splelonk, bad en vastte daar als een andere profeet Elias 40 dagen en nachten op water en brood, en liet de tot dan toe gevolgde voorschriften en raadgevingen in twaalf hoofdstukken samenvatten, zooals de H. Geest ze hem opgaf. Naar het klooster teruggekeerd, overhandigt hij het ontwerp aan Zijn generaal-vicarius broeder Elias om het door te lezen en te bewaren. Deze vindt het veel te streng en geeft voor het verloren te hebben, met het doel het te verdonkeremanen; daarom laat de heilige het nogmaals op papier brengen. Broeder Elias in zijn begeerte naar verzachting, was met den heiligen regel niet ingenomen, hij zoekt eenige provinciaal-ministers voor zijn boos opzet te winnen, stelt zich aan het hoofd zijner aanhangers, gaat naar Franciscus en op dezes vraag, wat hij verlangt, geeft hij ten antwoord: ,,daar de ministers vernomen hebben, dat gij hun een nieuwen regel wilt geven, die de krachten van den mensch te boven gaat, zoo hebben zij mij bewogen u in mijne hoedanigheid als generaal-vicarius te smeeken den regel te verzachten, dewijl zij niet van wille zijn dien aan te nemen, omdat hij te streng is.quot; — Op deze heilige woorden slaat de heilige zijne oogen hemelwaarts en roept uit: „Mijn Heer, heb ik u niet gezegd, dat die menschen mij niet zouden geloovenr Wat mij betreft, ik zal met mijne volgelingen, die de armoede liefhebben, den regel tot aan den dood onderhouden; alleen hen, die niet willen, kan ik daartoe niet dwingen.quot; En zie, daar verschijnt Christus in eene lichtgevende wolk en spreekt niet voor allen verstaanbare stem. „kleinmoedige, waarom maakt gij u ongerust, alsof het uw werk ware? Ik heb u den regel in de pen gegeven, niets daarvan is van u. Ik verlang, dat hij letterlijk opgevolgd worde zonder eenige bijvoeging. Ik weet, wat de menschelijke zwakheid in staat is te dragen en welken bijstand ik haar verkenen zal. Die den regel niet wil volgen, moet uit de orde

ocr page 198

- 178 -

dictus, nam de heilige den hoogen prelaat eerbiedig bij de hand, geleidde hem tot de in kapittel vergaderde broeders, en sprak: „Mijne broeders. God heeft mij op den weg der eenvoud en nederigheid geroepen om de dwaasheid des kruizes te volgen. Tot zijne eer, tot mijne beschaming, en tot geruststelling van uw geweten, zal ik u mededeelen, wat Hij mij gezegd heeft. Franciscus, zeide Hij, ik wil, dat gij in de wereld een dwaas zult zijn, en door uwe woorden en daden de dwaasheid des kruizes zult prediken. Gij met de uwen zult slechts Mij navolgen en geene andere levenswijze.quot; „Spreek mij derhalve niet,quot; zoo ging hij voort, „van een anderen regel, ik zal slechts dien volgen en voorschrijven, dien God mij in Zijne genade gaf. Zij, die zich daarvan verwijderen, en hunne broeders medesleepen, zullen vrees ik, de wraak des hemels ondervinden en ten laatste vol schaamte weder op dezen weg moeten terugkeeren.quot; En zich tot Hugolinus wendende, zeide hij, o. a.: „niets van hetgeen ik doe en spreek, schrijf ik mij zeiven toe; in het besturen mijner orde verlaat ik mij niet op eigen inzicht; in lange gebeden bespreek ik alles met den hemelschen Vader, den hoogsten bestuurder, die ons door zoovele zichtbare teekenen zijn wil heeft bekend gemaakt, om het werk, wat Hij door zulk een ellendigen mensch, als ik ben, begonnen heeft, te bevestigen en te volmaken tot heil der zielen en tot luister van onze Moeder, de H. Kerk. Wie de wijsheid der wereld verkiest boven den wil des Heeren, die stelt zich ontwijfelbaar bloot aan zijn eeuwigen ondergang.quot; Met deze woorden verwijderde zich Franciscus, waarop de kardinaal zich tot de oversten wendde en zeide; „mijne geliefde broeders, gij hebt gezien, hoe de H. Geest gesproken heeft door den mond van dezen apostolischen man.... Neemt u in acht, dat gij den geest Gods niet bedroeft, en weest niet ondankbaar voor de geraden, die Hij u geeft. Hij woont waarlijk in dezen man, en openbaart u door hem de wonderen zijner macht; als gij hem hoort, hoort gij Christus, als gij hem veracht, veracht gij Christus. Vernedert u derhalve en gehooorzaamt hem, zoo gij aan God behagen en de vrucht uwer roeping niet verliezen wilt!quot;

O, hoe blijkt mij uit dat alles ten duidelijkste, dat mijn heilige regel de verklaarde wil Gods is! Doch nog beter zal ik dit

ocr page 199

— 179 —

erkennen uit het volgende. In het jaar 1223 kwam Franciscus op de gedachte zijn regel, die tot dan toe tlechts mondelijks door den H. Stoel was goedgekeurd, door den hem gunstig gestemden paus Honorius III plechtig te laten bevestigen. Daar openbaarde een hemelsch visioen hem, dat hij de te bevestigen regel moest inkorten, en in nauwer samenhang brengen. Op goddelijken aandrang begaf hij zich met de broeders Leo en Bonizo naar den berg Colombo in een splelonk, bad en vastte daar als een andere profeet Elias 40 dagen en nachten op water en brood, en liet de tot dan toe gevolgde voorschriften en raadgevingen in twaalf hoofdstukken samenvatten, zooals de H. Geest ze hem opgaf. Naar het klooster teruggekeerd, overhandigt hij het ontwerp aan Zijn generaal-vicarius broeder Elias om het door te lezen en te bewaren. Deze vindt het veel te streng en geeft voor het verloren te hebben, met het doel het te verdonkeremanen; daarom laat de heilige het nogmaals op papier brengen. Broeder Elias in zijn begeerte naar verzachting, was met den heiligen regel niet ingenomen, hij zoekt eenige provinciaal-ministers voor zijn boos opzet te winnen, stelt zich aan het hoofd zijner aanhangers, gaat naar Franciscus en op dezes vraagt wat hij verlangt, geeft hij ten antwoord: „daar de ministers vernomen hebben, dat gij hun een nieuwen regel wilt geven, die de krachten van den mensch te boven gaat, zoo hebben zij mij bewogen u in mijne hoedanigheid als generaal-vicarius te smeeken den regel te verzachten, dewijl zij niet van wille zijn dien aan te nemen, omdat hij te streng is.quot; — Op deze heilige woorden slaat de heilige zijne oogen hemelwaarts en roept uit: „Mijn Heer, heb ik u niet gezegd, dat die menschen mij niet zouden gelooven? Wat mij betreft, ik zal met mijne volgelingen, die de armoede liefhebben, den regel tot aan den dood onderhouden ; alleen hen, die niet willen, kan ik daartoe niet dwingen.quot; En zie, daar verschijnt Christus in eene lichtgevende wolk en spreekt met voor allen verstaanbare stem: „kleinmoedige, waarom maakt gij u ongerust, alsof het uw werk ware? Ik heb u den regel in de pen gegeven, niets daarvan is van u. Ik verlang, dat hij letterlijk opgevolgd worde zonder eenige bijvoeging. Ik weet, wat de menschelijke zwakheid in staat is te dragen en welken bijstand ik haar verkenen zal. Die den regel niet wil volgen, moet uit de orde

ocr page 200

— i8o —

treden, en anderen zal ik in hunne plaats roepen.quot; — „Nu ziet gij toch, roept daarop Franciscus van af de rots, waarop hij geknield lag, Elias en zijne ontstelden metgezellen toe, „nu ziet gij toch, dat uwe samenzwering in tegenspraak is met den wil van God; in plaats van te bedenken, wat hij voor u doen kan, hebt gij alleen raad gehouden met het zwakke menschelijk beleid. Hebt gij de stem vernomen, die uit de wolk sprak f Als zij niet meer weerklinkt in uwe ooren, dan zal ik u haar nog eens laten hooren.quot;

De diep beschaamde generaal-vicarius trekt met zijne med-gezellen af, zonder een woord te spreken.

Hoe — als nu die gansche schare van wederspannigen geen enkel woordje wist tegen te werpen, daar zij met eigene ooren vernomen hadden, dat God zelf de maker is van den heiligen regel en dat hij dien letterlijk vervuld wil zien, — zal ik dan, die zooeven dezelfde stem hoorde, eenigen twijfel kunnen koesteren; zal ik weigeren met paus Nicolaas III te bekennen dat mijn regel het getuigenis der allerheiligste Drievuldigheid in in zich draagt, dat hij van den Vader des lichts afkomstig is, dat hij aan de Apostelen geleerd is door de leer en het voorbeeld van God den Zoon, en door den H. Geest aan den godvreezenden Franciscus is ingegeven? Ja, naar de bemerking van den H. Bonaventura, is mijn regel een uittreksel uit het evangelie mijns Heeren Jezus Christus, dewijl haar geheele inhoud geput is uit de reinste evangelische bron. Hij is niet nieuw, maar vernieuwd, hij is dezelfde, die de Zoon Gods aan zijne Apostelen voorschreef, toen Hij hen uitzond tot de prediking van de blijde boodschap. God heeft hem mij gegeven door de hand van zijn dienaar Franciscus en hem plechtig bezegeld door de teekenen der wonden, die Hij den ordestichter indrukte. Wie dien regel stipt onderhoudt, laat zich in al zijne begeerten, woorden en werken door de gehoorzaamheid geleiden, hij verzaakt aan zijn eigen wil en oordeel, hij ontvlucht den valschen, verblindenden schijn der wereld, en volgt arm den armen Verlosser, rein naar ziel en lichaam streeft hij het leven der zalige geesten na, hij onttrekt zich aan het gewone doen en leven der wereldlingen, en door algemeene menschen-liefde en blijmoedige welwillendheid treedt hij in de nauwste verbinding met de geheele menschheid. Wie naar den letter en

ocr page 201

den geest van den heiligen regel leeft, zal niemand beoordeelen, niemand verachten, dan zich zeiven; hij zal jegens eenieder zachtmoedig en nederig, vreedzaam, ingetogen, bescheiden en beleefd zijn, tot een verblijdend schouwspel voor engelen en menschen. Wie zich den heiligen regel tot richtsnoer kiest, hij zal als een ware boeteling het vleesch met zijne begeerlijkheden kmisigen, hij zal waken, terwijl anderen slapen, vasten, terwijl anderen hun lichaam goeddoen, zich versterven, terwijl anderen zich zelve zoeken; hij zal aanhoudend bidden, en zoodanig tot heil der zielen arbeiden, dat hij door het vermijden der gevaarlijke ledigheid, liet vuur der godsvrucht niet uitdooft, in één woord: hij zal altijd en overal doen, wat en zooals God het van hem verlangt. Wie doet, wat en zooals God het van hem verlangt, die vervult den wil van God; wie den wil Gods vervult, leeft, zooals Christus geleefd heeft; wie, evenals Christus, de spiegel der gerechtigheid, leeft, hij snelt op het pad der volmaaktheid van deugd tot deugd.

Wil ik derhalve volmaakt worden, wil ik mijn doel, mijn einde gelukkig bereiken, dan moet ik mijn heiligen regel getrouw en standvastig onderhouden, niet maar, zooals tot nu eene korte poos na de biecht, niet enkel tijdens de retraite, of de visitatie of de verkiezingen, neen, maar ieder oogenblik mijns levens. Noch ter rechter, noch ter linker zijde mag ik ooit afwijken; (Josue. I. 7.) ik moet er wel aan denken, dat de heilige engelen, gelijk de H. Ephrem mij verzekert, het verbond, wat ik met God gesloten heb, schriftelijk hebben opgeteekend, en het in den hemel bewaren, om daarmede op den oordeelsdag te voorschijn te komen. Onwrikbaar moet ik den heiligen eed onderhouden, dien ik voor u, o God, aan den voet van het altaar heb afgelegd, (Ps. CXVIII. 4.) want gij hebt bevolen uw geboden stipt en nauwgezet te vervullen 1quot; (Prov. VII. 2.) En bewaar ik ze als mijn oogappel, versta ik ze oprecht en eenvoudig zonder uitvluchtten, en leef ik^ernaar tot aan mijn laatsten snik, dan zal ik eens gelukkig op den drempel der zalige eeuwigheid aanlanden; mijn professiebrief zal voor mij hier beneden een teeken zijn der hoogste eer en vreugde, en daarboven eene geldige toegangskaart tot de eeuwige woontenten; in den hemel word ik vervuld met den zegen des hemelschen Vaders, en ook reeds hier op aarde m«t den zegen

ocr page 202

182 —

van zijn welbeminden Zoon, met den H. Geest, den Trooster, aan wien zij eer en heerlijkheid nu en in eeuwigheid! Amen 1

TWEEDE DAG.

E E R S T E 0 V E R W E G I N G. Het roRTUET van den lauwe.

Vae duplici corde!

Wee den dubbelhartige!

(Ecclicus. II. 14.)

]Vlet welken ijver dient men een koning? De edelsten en voornaamsten des rijks wedijveren om de eer aan het hof te mogen zijn. Eenieder hunner betuigt op de onderdanigste manier zijn eerbied en moeielijkheden van hunne betrekking tellen zij voor niets. Hun geheele leven brengen zij door in eene vergulde slavernij, zonder daarover te morren ofte klagen. Hoe dikwijls moeten zij niet eene onaangename bejegening ondervinden, maar toch is niets in staat den ijver te verminderen, waarmede zij hunne heerendiensten aanbieden. Het is ^waar, de koning is een mensch evenals zij, maar hij is koning, hij draagt kroon en scepter als teekenen zijner macht, en dat is voldoende, om hen aan zijne majesteit te binden.

Als dit het geval is tegenover ^een gekroond schepsel, met welken vurigen ijver had ik dan tot nu toe den Schepper der schepselen, den koning der koningen moeten dienen? — Heb ik het echter gedaan? Dit is de tweede vraag, die ik in deze dagen van zaligheid mij zeiven ernstig wil stellen en oprecht beantwoorden. Heb ik tot nu toe God bemind? God volmaakt gediend? mijn heiligen regel stipt onderhonden? — Ach, als ik luister naar de stem mijns gewetens, als ik de hand op het hart leg en onderzoekend mijn blik laat gaan over den tijd, die sedert de laatste retraite verloopen is, dan moet ik helaas, met den eerwaardigen Thomas a Jesu vol droefheid verzuchten: „voor u, o Heer, ben ik lauw en stel ik mij tevreden met het weinige, dat ik voor u doe, zonder te bedenken, wat ik voor u doen moet!quot; — Dat dit werkelijk zoo is, zal ik klaar

ocr page 203

- I83 -

inzien, wanneer ik mij zeiven in mijn portret beschouw, wat ik nu doen zal tot eere van Jezus en tot mijne zaligheid.

I.

Niet ten onrechte noemen de schrijvers van het geestelijke leven de lauwheid eene tering der ziel; want gelijk een lichamelijk wegkwijnende mensch allen lust tot den arbeid verliest, en het werk, wat hij nog doet, slecht verricht, zoo heeft ook de lauwe weinig lust om het goede te doen; dit toont hij a.) doordat hij veel goed verzuimt te doen, b.) doordat hij veel goed bederft, en c.) doordat hij ten laatste afkeer krijgt van het goede.

a.) De lauwe ziel verzuimt veel goed te doen. Wanneer eenmaal de verderfelijke lauwheid in het hart wortel geschoten heeft, dan is ook de kracht der liefde grootendeels verlamd. De lauwe gevoelt geen bijzondere neigii'g meer om verdienste op verdiensten te stapelen en daarom geeft hij zich niet de noo-dige moeite om op den weg der deugd vooruit te komen. Hij bekent het ronduit dat hij geen engel is en ook niet tracht te worden, maar dat hij zich tevreden stelt, den zoogenaamden gulden middelweg te bewandelen. Die buitengewone oefeningen van deugd, die wel is waar niet bevolen, maar toch aanbevolen worden als zeer bevorderlijk voor den geestelijken wasdom, zij mogen volgens zijn zeggen, in de heiligen wel bewonderd, maar niet nagevolgd worden. Alsof hij van God een eigenhandig geschreven vrijbrief bekomen had, zoo zeker gelooft hij zich van zijne eeuwige zaligheid, omdat hij geene bepaalde doodzonde bedrijft, ofschoon hij geene bijzondere vrees koestert voor de dagelijksche zonden. Niet alleen de buitengewone, maar ook de gewone oefeningen van deugd, die de ijverige religieus nooit zal verzuimen, worden door hem als bagatellen beschouwd en zonder eenige wroeging nagelaten. Heeft hij in den vroegen morgen het teeken van opstaan vernomen, hij zal niet terstond zijne legerstede verlaten, hij versterft zijne zinnelijkheid niet. Zijne eerste gedachten zijn in den regel niet op God gevestigd, maar zij houden zich nog bezig met de droomen van den nacht. Bij de overweging, die hij liever eindigt dan begint, ontbreekt de noodige ijver en ernst. Zijne voorbereiding voor de H. Mis is kort en gebrekkig;

ocr page 204

— 184 —

bij het opdragen ervan gaat hij onverschillig over deze en gene rubrieken heen, als hadden zij weinig te beteekenen. De dankzegging is niet, zooals zij wezen moet. Bij het ontbijt, dat hij zoo spoedig mogelijk gebruikt, neemt hij het met het stilzwijgen, evenals met alles, niet zeer nauw. De geestelijke lezing wordt niet zelden op de lange baan geschoven of achtergesteld bij eene profane lektuur, en als zij nog gedaan wordt, dan is hef, om er maar van af te zijn. Bij het werk, dat voor den lauwe dikwijls in niets anders bestaat dan in eene drukke ledigheid, acht hij het niet der moeite waard, nu en dan den blik hemelwaarts te slaan, en het hart tot God te verheffen. Op eene ernstige, geregelde studie, die hem vooral zoo noodig is, legt hij zich niet toe. Heilige ingetogenheid, bescheidenheid, orde, versterving der in- en uitwendige zinnen zijn zijne gezellinnen niet. Aan tafel past hij wel op zijn smaak niet te beleedigen. Bij de ontspanning is hij voor zijne medebroeders alles behalve tot stichting. Hoeveel tijd wordt er door hem onnoodig in gemakzucht verslapen? In plaats van het Allerheiligste brengt hij bezoeken bij een persoon buiten in de wereld, waar men liever zijn rug dan zijn neus ziet. Bij het gewetensonderzoek des avonds zit zijne eigenliefde op den rechterstoel, en zij gaat bij hare processen even oppervlakkig als partijdig te werk. Hoevele kostbare oogenblikken hij verspilt met ijdele praatjes, hoevele gelegenheden tot zelfverloochening, hoevele inspraken en voorlichtingen hij ongebruikt laat, dat weet de Alwetende alleen. De talrijke oefeningen van liefde tot God en den naaste, van zachtmoedigheid, nederigheid, geduld en overgeving, die dagelijks met gouden letters worden aangeteekend op het batig saldo van een ijverigen medebroeder, zij schitteren op zijne balans door hunne afwezigheid. Zoo gaat de eene dag voorbij gelijk de andere, de eene week gelijk de andere. De wereldlingen, die uit eigen schuld verzuimden op een gunstig tijdstip een aanmerkelijke winst te behalen, slaan zich voor het hoofd en doen zich de bitterste verwijten; en ik, lauwe ziel, die dagelijks ontelbare verdiensten laat verloren gaan voor eene gansche eeuwigheid, ik leg mij 's avonds zoo gerust en onbezorgd neder, als of ik mijn schaapjes reeds op het droge hadl — O, arme ziel! b.) Ofschoon de lauwe eenerzijds veel goed verzuimt te

ocr page 205

doen, zoo verricht hij toch van den anderen kant nog vele werken, die in zich goed zijn, maar hij bederft ze allen. — Niet elke in zich goed handeling is in Gods oogen eene geldige, gangbare munt. De weegschaal des heiligdoms, waarop de menschelijke werken gewogen worden, is de goede meening en de liefde Gods, Ontbreekt deze noodzakelijke voorwaarde, dan zijn ze gelijk aan ongezouten spijzen, planten zonder sap, beenderen zonder merg, noten zonder kern, een levenloos lichaam, en daarom hebben zij weinig verdienste. Zoo zijn de dagelijksche werken van den lauwen religieus. Uiterlijk bidt hij wel, maar zonder innerlijke aandacht; hij overweegt maar zonder inspanning des geestes, zonder gevoel. Hij leest de levens der heiligen, maar hij wordt daardoor niet deugdzamer, niet godvreezender, niet vromer. Hij woont de prediking bij der evangelische waarheden, aanhoort godvruchtige gesprekken, doch zonder de noodige oplettendheid, zonder het minste verlangen zich te beteren. Hij verneemt de heilzame vermaningen zijner overheden, maar hij slaat die zoo spoedig weder in den wind, dat het den schijn heeft, alsof hij zijne twee ooren alleen daarvoor heeft, dat, hetgeen het eene oor ingaat door het andere spoorloos kunne verdwijnen. Hij vervult ook wel de plichten van zijn staat, doch hij doet het zonder eenig gevoel van plicht, zonder hoogere bedoeling, slechts werktuigelijk, als eene machine. Men ziet hem ter biechte gaan, maar enkel uit fatsoen, uit gewoonte, zonder waar berouw, zonder ernstig voornemen. Hij beklimt het altaar, nadert tot de tafel des Heeren, doch zonder reine, gloeiende liefde tot Jezus; en daarom is de intrek des Heeren in zijn hart meer een alle-daagsche, dan een feestelijke, meer een treurige dan een vreugdevolle te noemen. Datzelfde kenmerk van slordigheid en afgesletenheid dragen meer of minder al zijne handelingen. Het degelijke gehalte, den zedelijken ernst, het volmaakte leven missen zij. En moge het al gebeuren, dat somwijlen in zijn binnenste een heilige ijver ontwaakt, dan is het maar voor enkele oogenblikken, evenals het laatste opflikkeren van een stervend nachtlicht, waar men een druppel olie bij gegoten heeft. Daarom kan de Heer tot hem evenals tot den bisschop van Laodicea het verwijt richten, waarmede hij zich denkt te kunnen verontschuldigen: „gij denkt rijk te zijn aan heilige

ocr page 206

— i86 —

liefde, maar gij misleidt u zeiven, gij zijt arm; gij houdt u voor versierd met den lauwerkrans der deugd, in werkelijkheid echter zijt gij naakt, gij meent de waarheid duidelijk te zien, maar gij zijt blind.quot; (Apoc. III. 17.)

O treurig gevolg dier stompzinnige lauwheid der ziel!.... Den geheelen nacht visschen en toch niets vangen, levenslang arbeiden en bitter weinig verdienen; o, hoe betreurenswaardig! — Moorddadige lauwheid, gij berooft mijne ziel van haar schoonsten tooi, van haar edelste schatten, gij verblindt hare oogen, boeit hare handen, vergiftigt haar hart, wiegt haar in slaap, zoodat zij ten laatste een afkeer krijgt van deugd en vroomheid!

a.) Volgens de leer van den grooten Thomas van Aquine is de afkeer voor de geestelijke dingen de gevaarlijkste toestand der ziel, het zekerst kenmet'lt; der lanwheid. De maag, die zelfs de krachtigste voedingsmiddelen verafschuwt, houdt men voor zeer ziek. Zou dan mijne ziel niet bedenkelijk ziek zijn, als ik bij de hoogste godsdienstplechtigheden slechts lusteloosheid, bij de heiligste oefeningen slechts walging, bij de krachtigste heilmiddelen slechts afkeer gevoel? Voor ijdelheden heb ik wel hart en zin, naar de ontspanning snel ik heen als had ik vleugelen, tot de vervulling der plichten van mijn staat moet eene ijzeren noodzakelijkheid mij aanzetten. Wordt de tafel gedekt, dan juicht mijn zinnelijke maag, nadert het uur van gebed, dan drukt een zware last op mijn lichaam. Onder de overweging dompelt de traagheid mij in den slaap, en bij het breviergebed neemt een onweerstaanbaar geeuwen mij het vers uit den mond. Als de tong zegt: „ik verblijd mij in uwe uitspraken:quot; — ik bemin uwe gerechtigheid,quot; dan komt mijn koud hart daar tegen op, en verwijt mij een leugen. In den omgang met wereldlingen vind ik vermaak en genot, in den dienst van God slechts verveling. Uren lang babbelen vermoeit mij niet, maar een preek, een exordium is mij spoedig lang genoeg. Werken, die ik buiten de gehoorzaamheid om en dikwijls tegen den wil mijner overheden onderneem, koslen mij weinig inspanning, maar iedere noodige moeite tot het waardig ontvangen en toedienen der sacramenten is mij zwaar. Om mijne aangevallene eer te verdedigen, is mijne tong spoedig klaar, doch om voor de beleedigde eer van God in de

ocr page 207

bres te springen, daarvoor heb ik moed noch kracht. De eenzaamheid beschouw ik als de vogel zijn kooi, die het zijne vrijheid ontneemt. Dewijl het mij niet veroorloofd is naar hartelust met de wereld te verkeeren, breng ik haar over naar mijne cel. De afgelegde geloften beschouw ik als boeien, die ik draag, omdat ik ze niet kan afwerpen. Kortom, in het ge-heele kloosterleven stel ik slechts uiterst weinig belang, ik gevoel slechts tegenzin, walging en afkeer, en zij zijn volgens hunne geboorte niets anders dan de onzalige kinderen van eene lang gekoesterde lauwheid.

En bleef het hier nog maar bij. De afkeer van het goede sleept mij verder mede en beneemt mij de vrees voor de zonde, zoodat ik mij ook weinig beijver het kwade te laten.

II.

Wie God vurig bemint, hij gevoelt geen last, hij vreest geene moeite, hij tracht met onvermoeide waakzaamheid alles te vermijden, wat den beminde mishaagt, om liet oneindig goede vaderhart in niets te bedroeven. Dit zekere kenteeken eener ware liefde tot God vindt men niet bij den lauwe, want a.) hij telt de dagelijksche zonden zeer gering, b.) hij vermijdt de zware zonden niet uit edele en oprechte beweegredenen, en daarom c.) is het te vreezen, dat het vonkje van lie'de in hem weldra zal uitgedoofd zijn.

a.) De lauwe telt de dagelijksche zonden weinig. De H. Geest zelf vergelijkt de lauwe ziel met den akker van een luien landbouwer. „Ik ging, zoo lees ik in het boek der spreuken (XXIV. 30.) ik ging voorbij den akker van een tragen mensch en voorbij den wijngaard \ an een dw aze, en zie, alles was met distelen vervuld en doornen bedekten de oppervlakte, en de steenen ringmuur was verwoest.quot; — Evenals een akker langzamerhand zijne vruchtbaarheid verliest en het onkruid voortwoekert, wanneer men verzuimt hem behoorlijk te bearbeiden, zoo gaat het ook met het hart van den lauwe. De lauwe wil en wil niet; hij heeft een wil, die wenscht, niet, die beveelt. Hij wil het doel en de middelen om het te bereiken gebruikt hij niet. De toegezegde belooning staat hem aan, maar de voorgeschreven kampstrijd doet hem terugdeinzen;

ocr page 208

— i88 —

daarom bevecht hij zijne booze neigingen niet, bewaakt In zijne zinnen niet, boeit hij den draak van den hartstocht niet, en wanneer hij het somwijlen beproeft te doen, zijn die pogingen niet ernstig, niet krachtig, niet standvastig. Hoevele vergiftigde kruiden en distelen groeien en bloeien er daarom niet op dien geestelijkerwijze zoo verwaarloosden akker! Wie telt al die vrije, onvoorzichtige, achterdochtige, vrijpostige blikken zijner altijd rondziende oogen ? Wie telt ze, die vermetele, die nuttelooze, die ijdele, die liefdelooze en onzuivere gedachten, die zich kruisen door zijn brein ? Wie telt ze, die snoode, die begeerige, die heb- en wraakzuchtige wenschen, die zijn hart koestert? Wie telt ze bijeen, die talrijke zondige beelden, die op het tooneel zijner levendige verbeelding verschijnen, omdwalen en verdwijnen? — Men ziet hem in het koor als een zoutzak tegen den muur leunende, terwijl zijn vluggen geest, daarbuiten als een vlinder van bloem tot bloem rondfladdert. Men ziet hem in den tuin, in de kloostergangen, in de cel, en men kan het hem aanzien, dat hij niets te doen heeft. Men hoort zijne gesprekken en men heeft gelegenheid daarbij waar te nemen, hoevele onbescheidene, leugenachtige, snoevende, lichtzinnige, scherpe en eerroovende woorden hij zich laat ontvallen. Ontevredenheid, ongeduld en zinnelijkheid zijn zijne dischgenooten. Hoe vurig begeert hij alles te zien, alles te hooren, alles te weten 1 Hoe lichtvaardig verzet hij zich tegen sommige oude en eerbiedwaardige plaatselijke gebruiken en verordeningen! Met welk eene scherpzinnigheid weet hij de geboden van den heiligen regel uit te leggen volgens de beginselen van een beredeneerd laxistnus? Wilt gij hem nog beter leeren kennen? — Hij is traag bij het werk, vlug om te rusten, vlug om toornig te worden, langzaam in het vergeven, streng voor anderen, toegevend voor zich zeiven, scherp in 't beoordeelen van anderen, vol vrees om zelf beoordeeld te worden, overijld in 't berispen, bang voor berisping, overmoedig op den Thabor, moedeloos op Golgotha. In zijne voornemens is hij Ongetrouw, in zijne manieren onwel-voegelijk, in zijne levenswijze ongeregeld.

Ofschoon hij zijne dagelijksche misslagen drinkt als het water der bron, vleit hij zich toch nog tot de bevoorrechte leerlingen van Jesus te behooren.

ocr page 209

— 189 —

Maar hoe bedriegt gij u, lauwe ziel! De geringste zonde mishaagt zoozeer aan God den Vader, dat zij Hem meer bedroeft, dan al de deugden en boetewerken der heiligen Hem verblijden. De geringste zonde mishaagt zoozeer aan God den Zoon, dat de bloedige geeselstriemen en de foltering der doornenkroon Hem niet zoo pijnlijk waren als het gezicht der be-drevene zonden. De geringste zonde mishaagt zoozeer aan God den H. Geest, dat H :j haar nimmer zou toestaan, al kon men daardoor alle menschen redden, alle verdoemden uit de hel bevrijden. En gij meent God nog te beminnen en door Hem bemind te worden, wanneer gij zoo herhaaldelijk, zoo onverschillig, zoo gevoelloos bedrijft, wat Hij met al de uitgestrektheid van zijn haat vervolgt! Zouden wij niet veeleer allen grond hebben om te betwijfelen, of gij nog wel in staat van genade zijt, temeer daar gij de openlijke zware zonden niet uit edele en goede beweegredenen vermijdt, en daarom vroeg of laat in een onbewaakt oogenblik zult struikelen, wankelen, vallen en verzinken in uwe verborgene schande.

b.) Het ligt voor de hand, want zeg mij ronduit, mijne ziel, waarom veroorlooft gij u thans nog geene overtreding der kerkelijke vastenwet, waarom geen in 't oog vallend verzet tegen uwe overheden, waarom geen groven laster tegen den naaste? Waarom wilt gij geen langere vijandschap in het hart dragen, waarom geen zondigen omgang onderhouden, waarom durft gij geen onrechtvaardig goed in bezit te houden, geen valschen eed afleggen, enz.? Is het soms uit zuivere en brandende liefde tot God, wiens oneindige volmaaktheden u verrukken? Neen. — Is het uit angstige vrees het heiligste wezen daardoor te mishagen ? Neen. -— Is het uit hartgrondi-gen afschuw voor de boosheid eener doodelijke zonde? — Ook niet. — Zulke beweegredenen, die eene naar volmaaktheid strevende ziel als eene welversterkte muur omringen, zijn bij u reeds lang prijsgegeven. Wat 11 voorloopig nog van den gapenden afgrond der doodzonde terughoudt, is het onheilspellend knetteren van het helsche vuur. Gij zijt blijde, dat kleinere misslagen niet eeuwig gestraft worden en dat gij vele lievelingsneigingen kunt involgen, zonder daarom in Gods volslagen ongenade te vallen. Welnu, die waarschuwende geest is niets dan slavelijke vrees, geen kinderlijke liefde, zoolang gij eene

ocr page 210

— igo —

zonde daarom niet bedrijft, om niet veroordeeld te worden, bemint gij niet God, maar u zeiven. De doodzonde vermijden enkel en alleen om zich te vrijwaren voor de folterende knaging des gewetens, om de bedreigingen der wet te ontkomen, om zijn eigen belang — dat is toch waarlijk niet de zuiverste en edelste beweegreden.

Het is daarenboven eene meer dan voldoende oorzaak van Gods onverschilligheid jegens u, want

t.J Zooals de mensch is jegens God, zoo is ook God jegens den mensch. Is God jegens u onverschillig geworden, dan onthoudt Hij u natuurlijk zijne bijzondere genaden en gunstbewijzen. Onthoudt Hij u zijne bijzondere genaden in dringende behoefte, dan bewandelt gij den gewonen glibberigen weg naar het verderf. Het een of ander doet slechte gedachten in u opkomen; uit de gedachten komt de begeerlijkheid voort, uit de begeerlijkheid de instemming, uit de daad de gewoonte, uit de gewoonte de behoefte, uit de behoefte de eeuwige dood. Zoo geraakt gij stap voor stap in het kwade verstrikt en geboeid aan den poel der zonde. Dit is de leer van Thomas a Kempis, als hij zegt: „wie kleine gebreken niet vermijdt, valt van lieverlede in grootere zonden.quot; (Imit. I. 25.) Datzelfde leert ook onder anderen een heilige Isidorus van Sevilla, als hij schrijft; „menschen, die niet zorgen hunne kleine gebreken te verbeteren, vallen door Gods toelating in grootere,quot; (Seut. lib. II C. 12.) En de eeuwige Waarheid drukt op deze getuigenissen haar zegel met de woorden: „wie het kleine niet acht, gaat langzamerhand ten gronde.quot; (Eccli. XIX, 1.)

O ontzettende, niet genoeg te behartigen uitspraak 1 — Ach, zoo staat het met mijl Zoo ben ik! Zoo doe ik! — Weinig bekommerd het goede te doen, het kwade le laten, tuimel ik half wakend en half slapend den berg af aanvankelijk stapvoets, doch weldra in galop van het kleinere naar het grootere, van het grootere naar het grootste, naar de diepste diepte der zonde.

Vervloekte lauwheid! die mij aan een leiband trapsgewijze naar beneden voert tot den bodemloozen afgrond, hoe moet ik u niet vreezen als een spook! Hoe, moet ik u als mijne gevaarlijkste vijandin haten, verafschuwen, voortdurend bestrijden en overwinnen. Hoe moet ik mij tegenover u niet wape-

ocr page 211

— i9i —

nen met den revolver van heiligen ijver en met het pantser van onwankelbare trouw. Ik kan, ik zal, ik moet het doen, als ik eeuwig zalig en niet voor eeuwig verdoemd wil zijn; daarom bid, smeek en roep ik; O Heer, help mij, red mij, laat mij toch niet verloren gaan!'' Amen.

TWEEDE OVERWEGING.

Dk (iEESTELI.IKE TERING.

Vae tluplici cordc.

Wee den dubbelhartige. (Eecli. II. 14.)

j^feeft de lauwheid de ziel aangetast, dan steelt zij den geestelijken troost; de sterkte neemt af, de krachten verminderen, de geest verstompt, de genade wijkt, het verstand sluimert in, de ijver sterft, de broederliefde verkoelt; wat nog meer? de wet wordt ontdoken, het recht wordt verkracht, het geoorloofde wordt veroordeeld, het ongeoorloofde geduld, de yreeze des Heeren wordt afgeschud. Men reikt ten slo.te der schaamteloosheid de hand, springt vermetel van de hoogte in de diepte, van den hemel in de hel, van het huis in den put, van den troon in de gracht.

Met deze woorden schildert de H. Lernardus (Serm. 65. in Cant.) den voortgang van den lauwe tot zijn ondergang. Hoe kort die beschrijving ook zij, is zij niettemin rijk genoeg aan inhoud om iedere lauwe ziel met heilzame vrees te vervullen en haar als een slapende haas op te schrikken. Het is echter helaas, niet zoo; evenals eene verroeste koperen pan uitetst moeielijk glad geschuurd kan worden, evenals eene oude wond in het lichaam slechts met de grootste moeite geneest, zoo is ook de lauwheid eene zeer hardnekkige ziekte, die

I. moeielijk gekend,

II. moeielijk genezen wordt.

Deze twee punten wil ik thans overwegen om van de lauwheid een nog helderder begrip te krijgen en tevens een nog grooteren afschuw daarvoor op te vatten.

I.

Het eerste en noodzakelijkste bij ieder genezingsproces is de

ocr page 212

192 —

kennis der kwaal. Zonder twijfel is daarom iedere ziekte, dien men niet goed kent, en derhalve in 't geheel niet of niet behoorlijk geneeskundig behandelt, levensgevaarlijk. Houdt men een zieke voor gezond of in ieder geval buiten gevaar, dan zal men zich niet bekommeren om de kunst van den geneesheer, noch om den apotheker. Intusschen neemt de ziekte hand over hand toe en brengt den lijder iederen dag dichter bij het graf. Zoo gaat het ook met den lauwe, want a.) hij kent gewoonlijk zijne geestelijke ziekelijkheid niet, /5.) noch het gevaar, waarin hij verkeert.

a.) De lauwe kent zijne geestelijke tering in het geheel niet of slechts hoogst zelden. Vraag ik bewijzen? Duizenden en nogmaals duizenden mijner tijdgenooten beschouw ik zeker niet ten onrechte als lauwe vaders, lauwe moeders, lauwe zonen, lauwe dochters, lauwe priesters, lauwe religieuzen. Vraag ik echter of zij mijne meening deelen, dan zullen de meesten mij béslist ontkennend antwoorden. Duizenden en nogmaals duizenden afgestorvenen zie ik in de pijnen des vagevuurs, en zij leggen de smartelijke bekentenis af, dat zij tijdens hun leven op aarde hand aan hand gingen met de lauwheid, en daarbij dachten, dat hunne geestelijke aandeelen zeer goed stonden. Duizenden en duizenden vind ik in de helsche vlammen, die mij verzekeren dat zij in den valschen waan ver verwijderd te zijn van de lauwheid, hare grenzen ver overschreden hadden, en met de doodzonde in onderhandeling getreden waren. Verlang ik meer bijzondere bewijzen? In het boek der openbaring vind ik een voorbeeld, dat mij meer bewijst dan honderd uitspraken der HH. Vaders. In den eersten tijd der ontluikende Kerk voerde te Laodicea een man den bisschoppelijken staf, die in zijn eersten ijver zoo verflauwd en zoo traag geworden was, dat de Heer reeds op het punt stond hem de verleende genade geheel en al te ontnemen. Ondertusschen meende de ongelukkige dat hij zijne herderlijke plichten nog altijd getrouw vervulde en schitterde van deugden en verdiensten. Daarom verwijt God hem ernstig en met aandrang zijne schuldige blindheid met deze woorden: „gij zegt; ik ben rijk, heb overvloed, en aan niets behoefte,quot; dat is: ik heb de christelijke volmaaktheid bereikt en behoef derhalve niet meer vooruit te gaan, — „en ge weet niet, dat gij ellendig, erbarmelijk.

ocr page 213

— 193 —

arm, blind en naakt zijt!quot; (Apoc. III. 17.) Evenals die lauwe bisschop zich vreeselijk misrekend had, zoo gaat het ook met iedere lauwe ziel. Omdat zij nog menigvuldige gebeden verricht, omdat zij de geboden vastendagen onderhoudt, de HH. Sacramenten ontvangt en toedient, den heiligen regel met zich draagt en zijne bepalingen, ten minste wat de hoofdzaak betreft, onderhoudt, enz. meent zij een der meest bevoorrechte schaapjes der Christelijke kudde te wezen. Daarbij telt zij niet de vele verzuimde werken, die zij toch had moeten en kunnen verrichten. Daarbij overweegt zij niet dat zij hare verplichting om naar religieuze volmaaktheid te streven alles behalve naar behooren is nagekomen, bedenkt zij niet dat zelfs hare edelste handelingen veel overeenkomst hebben met die appelen, die op het oog schoon en heerlijk zijn, maar door den worm in het hart gestoken, allen geur en smaak verloren hebben. Met zich zelve volkomen tevreden, zien zij in zich slechts rijkdom en overvloed, terwijl Hij, die harten en nieren doorgrondt, al hare ellende en armoede aanschouwt. — In dezen valschen waan wordt zij nog versterkt door te zien op het verderfelijke voorbeeld van hen, die nog veel lichtzinniger zijn dan zij, of die zich reeds aan den dienst van niet te betwijfelen kwaad hebben overgegeven. Zij ziet, hoe zoo menige slechte religieus zich op de beerenhuid nedervleit en bijna den ganschen dag den luiaard uithangt; zij hoort hoe hij iederen stap en ieder woord zijner overheden meedoogenloos over den hekel haalt, en denkt dan: „Zoo doe ik, Goddank, niet. Het ontgaat haar niet, hoe ijskoud het in zeer vele Christenharten geworden is, hoe de hoogmoedige niets dan ijdele grootheid en menschen-gunst verlangt, hoe de hebzuchtige als een zinnelooze om het gouden kalf rondspringt, hoe de wellusteling de voldoening zijner vleeschelijke driften najaagt, hoe de onmatige voort-zwelgt tot zelfverwoesting toe, enz. Met het oog op hen bidt zij met den pharizeër in den tempel; ik dank u, o Heer, dat ik niet ben gelijk andere menschen, niet gelijk die tollenaar, niet gelijk die wellustige Magdalena, niet gelijk die opgeblazen vrijgeest, niet gelijk die haatdragende Herodes 1'' Zoo houdt zij zich voor rijk, omdat zij zich met een straatarme, voor groot, omdat zij zich met een dwerg, voor vroom, omdat zij zich met den goddelooze vergelijkt, voor sterk, omdat zij hare

NIEUWE HANDLEIDING. 13

ocr page 214

krachten meet met zwakken, voor gezond omdat zij den blik slaat op een lijk. — En ziet zij van den anderen kant ook al, hoe de oprecht godvreezende ziel zelfs voor de geringste onvolmaaktheid siddert, hoe zij zelfs geoorloofde voldoeningen zich ontzegt, hoe zij iedere gelegenheid om zich zeiven te verloochenen met blijdschap aangrijpt, daar zal zij zich niets van aantrekken, zij weet zich dan wel te verontschuldigen door te zeggen; die heeft meer en grooter schulden af te boeten dan ik, of als dit niet waar is, noemt ze haar eene overdre-vene scrupulante, die geen maat weet te houden. Zoo verblind ziet zij natuurlijk haar ziekelijken toestand niet in. Betreurenswaardige blindheid!

b.) Het onmiddelijk gevolg dier blindheid is dat zij evenmin het gevaar ziet, waarin zij verkeert. De eigenliefde is ontegenzeggelijk eene goede, maar zeer slawe schilderes. Zij verstaat uitmuntend de kunst eigen gebreken te bemantelen, of ten minste te verschoonen, maar het gedane goed weet zij met de helderste kleuren te doen uitkomen. Daar zij echter hoofdzakelijk in het hart van den lauwe haar werkplaats heeft, zoo maakt zij hem wijs, dat zijn toorn prijzenswaardige ijver, zijne lafheid nederigheid, zijne moedeloosheid berouw is, zijn geheele doen en laten, ofschoon wel is waar juist niet voorbeeldig, toch zeer te verontschuldigen is. Van daar komt het, dat de lauwe goedsmoeds er op aanleeft, zonder te bemerken, dat zijne liefde tot God het vriespunt nadert, zonder voor zijne zaligheid eenig gevaar te duchten. Ofschoon zij vele duizende gaven der natuur en der genade die zij van den hemelschen Vader ontving, zoo al niet verkwist, of verspeelt of in ontucht verbrast, dan toch in de aarde verborgen heeft, valt het hem evenwel bij lange na niet in, dat de noodlottige woorden, door den Heer tot den ontrouwen dienaar gericht, ook op hem van toepassing zijn; (Matth. XXV. zó —20) „gij boo^e en luie knecht 1 gij wist, dat ik oogst waar ik niet gezaaid, en verzamel waar ik niet uitgestrooid heb; gij hadt derhalve mijn geld aan de wisselaars moeten geven, dan had ik bij mijn terugkomst het mijne met winst terug ontvangen. Neemt daarom het talent en geeft het aan hem, die tien talenten heeft; want aan hem, die bezit zal gegeven worden, opdat hij in overvloed hebbe; wie echter niet bezit, aan hem

ocr page 215

zal ook dat, wat hij schijnt te bezitten, ontnomen worden Iquot; — Ofschoon hij jaren lang het heilige ordeskleed draagt, zonder den wereldschen mensch te hebben uitgetrokken, ofschoon hij tot nu toe een der vruchtbaarste plekjes in Gods tuin beslaat zonder de verwachte vruchten van deugd voort te brengen, zoo gelooft hij evenwel niet, dat die vijgenboom aan den weg die wel rijk aan bladeren was, maar geen vrucht droeg, eene afbeelding is van hem, en de woorden, welke Jesus tot dien boom sprak; „uit u zal in eeuwigheid geen vrucht voortko-men,quot; (Matth. XXI. 19.) wil hij niet op zich zeiven zien toegepast. Hoewel hij zicli niet beroemen kan op dii ijverige, waakzame, werkdadige liefde, die zich openbaart door zorgvuldige verwijdering van alle gebreken en onverpoosde beoefening van alle goed, hoewel de olie in zijne lamp bijna verbrand is, en het lichtje zoo aanstonds zal uitgaan, zoo denkt hij evenwel niet aan het bekende treurige lot der vijf dwaze maagden 1 (Matth. XXV.)

Neen, door die ziekte aangetast gevoelt hij geen knaging van het geweten; hij vreest niet voor het aan een draad hangende zwaard van Damocles; evenals de in slaap gevallen Jonas, weet hij niets van den geweldigen storm, die zijn levensscheepje heen en weer slingert; hij siddert niet uit angst voor den dood, hij beelt niet voor de verschrikkingen der hel, hij is gevoelloos voor de zaligheid van het eeuwige leven. Letterlijk wordt aan hem bewaarheid, wat bij den profeet Sophonias te lezen staat: „zij zullen wandelen als blinden, omdat zij tegen den Heer gezondigd hebben.quot; (Soph. I.) Van pijn geen pijn meer te gevoelen, van koude geen koude, van louter boomen geen bosch meer te zien, zorgeloos over zwak ijs heen te loopen zonder gewaar te worden, hoe het onder de voeten buigt en begint te wijken, welk een bedenkelijke, welk een betreurenswaardige toestand!

Mijne ziel, houd dien toestand toch altijd goed voor oogen, beschouw hem van binnen en van buiten. Is hij niet het sprekende beeld van uwen geestelijken slaap? — Weet gij nu, dat gij niet weet, wie gij 2ijt? Ziet gij nu in, dat gij het u bedreigende gevaar niet inziet? Zoo ja, wat zult gij dan aanvangen? U redden, uwe ziekte genezen? — Ongetwijfeld. — Het is noodig, het is hoog tijd; maar het zal niet zoo gemakkelijk

ocr page 216

— 196 —

g^an, want de lauwheid is een hardnekkige kwaal en moeielijk te genezen.

II.

De tuberculose is eene zeer gevaarlijke ziekte, daar de bekwaamste geneesheeren en de uitgezochtste medicijnen weinig kunnen uitrichten bij een longlijder. Niet minder bedenkelijk en moeielijk te genezen is de geestelijke tering van den lauwen religieus, a.J omdat het zelfs den ijverigsten geneesheer der zielen zelden gelukt haar te genezen en /kJ omdat de krachtigste middelen bij haar in den regel niets uitwerken.

a.J Ongetwijfeld kan de almachtige ten allen tijde onmid-delijk kinderen Abrahams verwekken uit steenen, ieder hart hoe verstokt ook, evenals dat van een Saulus, vermurwen en bekeeren zonder de hulp van anderen ; doch dit doet Hij slechts bij hooge uitzondering. Gewoonlijk bedient Hij zich van de menschen als werktuigen, om menschen binnen de palen hunner plichten terug te brengen of te houden. Daarom roept Hij ten allen tijde menschen, die tegen het rijk der zonde te velde trekken en het bestrijden met het tweesnijdend zwaard van Gods woord. Zulke soldaten der goddelijke majesteit waren de aartsvaders, profeten, apostelen, missionarissen en zijn tegenwoordig de bisschoppen en priesters. En o, hoevelen zijn er tot nu toe door dat leger Gods voor Christus en den hemel krijgsgevangen gemaakt, die eerst in den dienst des duivels stonden! David heeft een overspel en moord op zijn rekening. De Heer zendt tot hem den profeet Nathan. Deze vermaant en bekeert den gevallen koning. Zonder gevaar voor vermetel en liefdeloos oordeel mogen wij aannemen, dat de goddeloosheid en zinnenlust der Ninivieten de maat der gewone boosheid te buiten gingen. Daar nadert de profeet Jonas, verkondigt hun de aanstaande straffen Gods, en hunne goddeloosheid maakt plaats voor den geest van onderwerping, hun zinnenlust wijkt voor boetvaardigheid. Welke verrotting, welke zedelijke bedorvenheid ontwaren wij in alle rangen der heidensche wereld. Daar verschijnen de geloofsgezanten en de afgoden Verdwijnen. De moordenaar neemt in plaats van den dolk den rozenkrans ter hand. Waai uitgelaten zwelgpartijen gehouden werden, dan hoort men nu lofzangen weergalmen ter eere van

ocr page 217

— 197 —

den drieëenigen God. Die zich vroeger gelijk zwijnen wentelden in het slijk der ontucht, leiden nu een engelachtig leven. Tallooze voorbeelden schitteren in de geschiïdrollei;, dat ge-heele provinciën, steden, huisgezinnen naar het kruis gekropen zijn, wanneer een met den geest van Joannes den Dooper bezielden man Gods hun hunne zondenlijst voorhield.

Klop iemand, die in diepen slaap verzonken ligt, op den schouder, vol schrik ontwaakt hij en staat ijlings op. Maar wek iemand, die sluimert, dan wrijft hij zich langzaam de oogen, ziet u verwonderd aan, rekt zijne ledematen uit, geeuwt en draait zich langzaam op de andere zijde, om genoegelijk verder te droomen. Hiermede wil ik zeggen; de grootste zondaren zag en ziet men van den kansel vermaand, op het ziekbed, in den biechtstoel, in zich zei ven keeren; waar echter zijn de verzuchtingen, waar de tranen, waar de ondubbelzinnige teekenen eener oprechte verandering van geest, wanneer de lauwe ziel tot het Sacrament van boetvaardigheid nadert, of eene geestelijke onderrichting bijwoont? Zeg den lauwe, dat de weg des hemels niet met rozen, maar met doornen bezaaid is, dat niet de slaper, maar de onvermoeide strijder de kroon des eeuwigen levens zal verwerven; bewijs hem, onomstooteiijk, dat hij noodzakelijk ijveriger moet bidden, meerdere raaien tot de H.H. Sacramenten naderen, beter zijne zintuigen bedwingen, meer beslist zijne hartstochten bestrijden, nauwgezetter de heilige regels en constituties moet onderhouden, wat zal hij doen? De H. Geest antwoordt in het Boek der Spreuken: „de wen-schen dooden den luie; want zijne handen willen niets verrichten; den geheelen dag wenscht en verlangt hij,quot; (Prov. XXI, 25.) d. w. z. hij wenscht beter te worden, de volmaaktheid te bereiken, maar hij komt er niet toe, dewijl hij het bij wenschen laat. „Gelijk de deur draait op hare hengsels, zoo de luiaard in zijn bed,quot; (Prov. XXVI, 14.) dat is: hij blijft op zijne plaats, draait zich om en wil niet opstaan. Daar het hem dus ontbreekt aan ernst en vastberadenheid, daar hij wil en niet wil, dat hij er voor terugdeinst de offers te brengen, die hij verplicht is, zoo zal hij doorgaans al uwe vermaningen ter bekeering in den wind slaan.

Doch misschien hebben de medicijnen, die hij gebruikt, beter gevolg? — Neen, ook de krachtigste geneesmiddelen hebben

ocr page 218

— 19S —

gelijk bij een teringlijder zoo ook bij hem geene of slechts eene onbeduidende uitwerking.

b.) Een algemeen middel tegen geestelijke ziekten is zonder twijfel het gebed. De HH. Vaders noemen het zinnebeeldig het kanaal waardoor de genaden des hemels ons toestroomen, de keten, waarlangs wij ons tot God optrekken, den sleutel, die ons den hemel ontsluit, de verschansing, waarachter wij de vijandelijke aanvallen kunnen en moeten afweren. „De mensch, die goed bidt, zoo schrijft de H. Aegidius, wordt naar den geest verlicht; hij erkent zijne veelvuldige ellende, gevoelt eene heilzame vrees en verachting voor zich zeiven, hij komt tot waar berouw, het hart wordt verbeterd, het geweten gereinigd.quot;

En inderdaad, hoevele millioenen arme zondaars hebben gebeden met het berouw en de nederigheid van een koning Manasses, en evenals de tollenaar en de goede moordenaar de genade der bekeering verkregen? Is dat ook bij den lauwe het geval? Maar hoe zou dit kunnen? Hoe wil God hem verstaan, hem verhooren, als hij zich zei ven niet verstaat, en niet hoort? Wanneer enkel het lichaam in het koor is, terwijl zijn geest daarbuiten rondzwerft, wanneer enkel de mond zich beweegt en psalmen zingt, terwijl het hart zwijgt: dan kan er toch moeielijk sprake zijn van vruchten des gebeds,

Gelijk het mondgebed van den lauwe doorgaans zonder uitwerking is, zoo is het ook met zijne overwegingen. Terwijl de beschouwing der eeuwige waarheden voor de ijverige ziel, om zoo te spreken, een vuuroven is, waarin het hart zijne hardheid verliest, week, warm wordt, en gloeit van een heilig verlangen, is zij voor den lauwe dikwerf niets meer, dan een droge stroo-bos. Hij leest, hoort, schrijft, spreekt van Gods bedreigingen en beloften; hij denkt er aan, zonder dat zij op hem een bijzonderen indruk maken, daar hij er aan gewoon is, gelijk de molenaar aan het geratel van den'molen.

De voortdurende knaging des gewetens is als een helsche steen (lapis infernalis.) De groote zondaar, die pijnigende smart niet langer kunnende uitstaan, werpt eindelijk in den biechtstoel zijn geheelen zöndenlast af, en begraaft dien in den Oceaan van Gods barmhartigheid; de verblinde lauwe echter gevoelt den knagenden tand van den worm daar binnen te weinig, om zoo spoedig mogelijk zijne verderfelijke rustplaats te ontvluchten.

ocr page 219

Niet zelden ook is het de schande van het kwaad die den booswicht tot bezinning brengt. Zoo bijvoorbeeld, schaamt de wellusteling, de dronkaard, in heldere oojenblikken zich over zijne uitspattingen, die hem beneden het redelooze dier verlagen, of het is de bezorgdheid dat zijne schanddaden aan het licht zullen komen, die hem met geweld binnen de perken houdt. Niet zoo is het met den lauwe; want zijne geestelijke tering is niet zoo in het oog vallend, niet zoo onteerend; integendeel, de hoogwijze grondstelling: „ne quid nimisquot; volgend, meent hij den gulden middelweg te bewandelen.

Een ander middel om den zondaar te bekeeren en den boetvaardige op den goeden weg te houden, is het waardig ontvangen der 11H. Sacramenten waardoor de ziel gereinigd verlicht, verbeterd, versterkt, tot het goede opgewekt wordt. Ook de lauwe legt zich neder in dat bad en belooft voortaan zorg te dragen om niet weder te hervallen. Schoone woorden, voorwaar, doch wanneer volgt de daad ? Met die dorre beenderen van het voornemen moet God tevreden zijn. Waar is het gemeste lam ? Waar de geofferde Isaac of in zijne plaats de ram, met andere woorden: waar blijft de aflegging zijner lievelingsneiging? Daarom blijft de lauwheid voortbestaan, omdat zij als een stevige dam de beek der sacramenteele genaden verstopt.

Het laatste radikale middel, dat de goddelijke geneesheer voorschrijft, zijn de biltere pillen van het lijden en de wonderzalf der wederwaardigheden. De H. Schriftuur, de geschiedenis van alle tijden en plaatsen, en de eigene ondervinding vertoonen ons gansche rijen van zulke menschen, die door kruis en lijden volmaakt genezen werden. Zullen die medicijnen in staat zijn om ook den lauwe te genezen ? bezwaarlijk, want wanneer de maag eenmaal gewoon is aan geneesmiddelen, dan grijpen de aangewende artsenijen haar slechts weinig meer aan. Daar nu de lauwe ziel reeds zoo vele geneesmiddelen gebruikte zonder eenige merkbare verbetering, zullen ook de pillen van het lijden weinig reden geven om te hopen. De lauwe ziel zal veeleer, wanneer God haar op eene gevoelige wijze bezoekt, zeggen, dat zij zulke pijnlijke zweepslagen niet verdient, en in plaats van de straffende hand nederig te kussen en te bidden: „digna factis recipimiiF,quot; zal zij over Gods beschikkingen zuchten, morren en klagen.

ocr page 220

Groote God, zoo gaat ook dit laatste middel denzelfden weg op als de vroegere.

üaar dit nu zoo is, daar de bekwaamste geneesheeren, en de krachtigste geneesmiddelen uit de apotheek van den H. Geest bijna niet in staat zijn iets in den lauwe uit te werken, zoo kan het ons niet verwonderen, als een H. Bernardinus van Siëna schrijft: „ik heb vele woekeraars, gruwzame soldaten, lichtekooien en heidenen zich tot den Heer zien bekeeren, maar ik sidder, daar ik nog nooit heb opgemerkt, dat een lauwe zich bekeerde.quot; Hetzelfde bekent een H. Cassianus. „Wij hebben, zegt hij, zeer dikwijls ijskoude menschen tot geestelijken ijver zien komen, van een lauwe echter hebben wij het nimmer gezien.quot; Doch wat die twee genoemde heiligen getuigen nimmer gezien te hebben, daarvan is de H. Bernardus eenmaal getuige geweest. Hij zag namelijk tot mijnen en uwen troost een lauwe tot den eersten ijver zijner liefde terugkeeren; doch zonder bedenken noemt hij dit geval een wonder.

Verschrikkelijke en tevens troostende waarheid — verschrikkelijk, omdat hij er slechts eén, troostend, omdat hij er toch één zag! — Een wonder der genade is noodig, om mij van de kwaal der lauwheid te genezen. En dit wonder, o Heer, gij kunt, gij moet het aan mij werken, want ik wil nimmer ophouden tot u te smeeken; ,,gij zijt de wonderdokter, die buitengewone middelen toedient als de gewone niet meer helpen! Ruk mij derhalve den blinddoek voor de oogen van mijn verstand af, opdat ik mijne diepe ellende aanschouwe en er-kenne; schenk aan mijn wil en mijn hart eene wonderbare kracht, opdat ik met het mes van een waar berouw en vermorzeling mijn geestelijk gezwel uitsnijde, door eene oprechte belijdenis de etterstoffen uitperse, door voortdurende boetvaardigheid en voldoening de rechte pleister en de beste zalf op mijne wonden legge, en in de zonnewarmte van heilige liefde weder geneze, aansterke, bekwaam worde u te dienen, zooals ik u van rechtswege dienen moet in tijd en eeuwigheid 1 Amen.

ocr page 221

— 20I —

DERDE OVERWEGING.

Dt' ELLENDE VAN DEN LAUWE IN HET LEVEN.

Vae duplici corde!

Wee den dubbelhartige i

(Eccli. II. 14.)

Wee den menscti, die zijn hart verdeelend, de eene helft aan God, de andere helft aan den duivel schenkt. Waarom wee? Omdat hij door zulk eene verdeeling ongelukkig wordt. Evenals de mensch, die, gelijk eene door de bladluis aangetaste plant, verkwijnt noch in zich, noch buiten zich eenig vermaak, eenig genoegen vindt, evenals zoo iemand voor zich en voor anderen een zware last is, zoo heeft ook de vrome, die zijn hart verdeelt en lauw wordt, lijden op lijden te wachten en voortdurende kwelling, want I hij mist den inweudigen troost, en II den uitwendigen vindt hij niet.

Deze twee punten wil ik in de HH. Namen van Jezus, Maria en Jozef overwegen, opdat ik niet enkel inzie, wat ik tot nu toe gedaan heb, maar ook leere vreezen voor de gevolgen van mijn gedrag, om het des te meer te verafschuwen en des te spoediger te verbeteren.

I.

De lauwe mist den inwendigen troost, want hij heeft, a.J geen waren vrede des harten, b.) geen ware rust des gewetens, c.) geen ware vreugde des geestes.

a) Hij heeft den waren vrede des harten niet. Dat is de ware vrede, wanneer men door niets van God gescheiden, zich enkel in God verheugt. Waar het vleesch niet in opstand is tegen den wil, waar de wil aan het verstand, en het verstand aan God gehoorzaamt, daar is ongestoorde opgeruimdheid van gemoed, daar is het rijk Gods. (S. Leo.) daar is de vrede, een goed zoo groot, dat men in de geheele wereld niets aan-genamers hooren, niets schooners wenschen, niets nuttigers bezitten kan. (Aug. de civ. Dei.) Nu huizen er echter in het hart van den lauwe altijd nog gekoesterde hartstochten, die de harmonie van het zieleleven verstoren, daar zij onophoudelijk roepen: „geef hier! geef hier!quot; — Van den eenen kant

ocr page 222

weigert hij, van den anderen kant willigt hij in wat zij begee-ren, in zoover het namelijk zonder openlijke doodzonde geschieden kan. Daardoor wapent hij hen echter tegen zich, daardoor worden zij evenals verwende jonge paarden nog onhandelbaarder, iederen dag stouter en onbeschaamder in hunne eischen en verwtkken zij in het hart storm op storm. Ja, weldra komen zij zoovor, dat zij met onstuimigheid streng verboden dingen verlangen, en dan kost eene weigering hem de zwaarste zelfopoffering. Moet hij, b. v. bet hem opgelegde werk volbrengen, moet hij zich toeleggen op het gebed, de eigenliefde vraagt hem om rust; maar hij mag niet rusten; hoe ongaarne derhalve zal hij zijn plicht vervullen. Wordt hem eene beleediging toegevoegd, dan ontbrandt een gevoel van toorn, dat alle krachten der ziel in beroering brengt. Als hij dan dat hoog opvlammende vuur moet blusschen, als hij zich niet met daden mag wreken, hoe zwaar zal het hem dan vallen. Ziet hij, dat men een ander voortrekt en hem eene betrekking geeft, die hij zelf begeerd had, hoe heftig komt de nijd dan bij hem in opstand, en hoevele verdrietige uren heeft hij dan, omdat zijne plannen in duigen gevallen zijn. Wordt hem aan tafel niet voorgezet, wat zijn fijne tong streelt, dan vergalt een bittere tegenzin zijn maaltijd. Daar hij zijne zintuigen niet beteugelt, ontstaan in hem door het gehoorde en geziene geheele zwermen van booze gedachten en begeerten, die hij te moeielijker zal kunnen verjagen, naar mate hij gemakkelijker de onzuivere geesten heeft losgelaten. Hoe kan er dan sprake zijn van waren vrede in het hart van den lauwe, daar hij zijne neigingen en hartstochten, die onrust stokende huisgenooten, niet aan boeien legt? Daar hij dit echter niet ernstig doet, heeft hij geen waren vrede des harten, en evenmin ware gewetensrust.

b.) Reeds bij de schepping werd ons de kennis ingestort van hetgeen wij te doen en te laten hebben. Dat bewustzijn, die stem Gods in ons, die wij het geweten noemen, is de oprechte getuige en rechter van onze gedachten, begeerten, woorden en werken. Doen wij alles, wat en zooals het geweten het ons voorschrijft, dan vernemen wij terstond zijne lofprijzingen; zoo niet, dan is het een rechter, die altijd beschuldigt, een beul, die immer pijnigt, een haan, die altoos kraait, een

ocr page 223

klok, die zonder ophouden tikt, een vloed, die voortdurend bruischt en stroomt, een orgelpijp die aanhoudend piept; het wrokt en bromt, het verwijt en bestraft ons, naar 0112e verdiensten. Nu begaat de lauwe religieus wel eiken dag meer of minder misslagen, nu eens tegen God, dan weder tegen zich zeiven, dan weder tegen den naaste; bijgevolg ondervindt hij eiken dag meer of minder de bittere verwijten van dien in-wendigen onomkoopbaren scherprechter. Daarom kan hij nimmer met den godvreezenden David van zich getuigen: „ik wandelde in mijne onschuld, en daar ik op den Heer hoopte, zal ik niet bezwijken. (Ps. XXV, I.) Veeleer moet hij met den heidenschen dichter Ovidius verzuchten : „gelijk hel ijzer door den roest en het boek door de mot wordt verteerd, zoo voelt mijn hart voortdurende beten!quot; Hij geniet alzoo geene ware gewetensrust en hij heeft ook geene ware vreugde des geestes.

c.) Als de goddelijke Zaligmaker zijn juk zoet, zijn last licht noemt, wil Hij daarmede niet zeggen, dat men den last zijner geboden in 't geheel niet gevoelen zal, neen. Hij spreekt alleen daarom van een zoet juk, van een lichten last, omdat de zalving zijner genade de geboden verlicht, omdat geheimzinnige vertroostingen de bittere en ruwe keerzijde verzachten en daardoor het treurige der plichten in eene amgename vreugde veranderen. Deze vreugde, die zeer verschilt met dat voorbijgaande, teedere gevoel, dat vrome zielen menigmaal in het gebed ondervinden, die vreugde, woont in den diepsten grond van het hart, gelijk het fijnste goud in den schoot der aarde; die vreugde weegt ruimschoots op tegen allen strijd en opofferingen, die men zich in het belang der deugd getroost; die vreugde wordt echter door den H. Geest alleen aan hen geschonken, die zich standvastig overwinnen, zich over al het aardsche heenzetten en God den Heer getrouw dienen. Welnu, behoort de lauwe tot zulke ijverige zielen? Neen; anders was hij niet lauw; daarom ook wordt hem het verlovingsfeest met den hemelschen Bruidegom, het vreugdevolle verkeer met de eeuwige wijsheid Ontzegd. (Laur. Just.) Als een arme Lazarus in den dienst van God zal hij ternauwernood de broodkruimels te eten krijgen, die afvallen van den geestelijken vreugdedisch eener naar volmaaktheid strevende ziel.

O, lauwe kloosterling! Gij zult het kruis van Christus op

ocr page 224

204

uwe schouders nemen, het gelijk Simon vm Cyrene gedwongen dragen en slechts met veel moeite verder sleepen I Gij zult vele offers brengen, maar zonder echte offervaardigheid! Gij zult vasten, bidden, omdat gij vasten en bidden moet, maar gij zult er geen smaak in vinden. Innige vreugde, zalig genot, volledige tevredenheid zult gij bij geen uwer werken gevoelen, omdat gij ze niet verricht, zooals gij ze verrichten moet! Hoe ongelukkig zijtgijdan! Zonder vrede 1 Zonder rust! Zonder vreugde! Wee u, dubbelhartige. Er. was het u nog maar gegeven eenigen troost te vinden buiten u, dan zoudt gij ten minste van dien kant nog eenigzins gelukkig kunnen zijn. Dan, helaas! gij zoekt wel uitwendigen troost, maar nergens zult gij dien vinden!

II.

De lauwe kloosterling heeft evenals iedere christen reeds bij het H. Doopsel in 't algemeen, en evenals iedere religieus meer in het bijzonder bij het afleggen zijner geloften aan de wereld en hare ijdelheden verzaakt; niettemin richt hij van lieverlede, voor zoover het zonder zwaar vergrijp geschieden kan, zijn leven in volgens de gebruiken en de grondstellingen der wereld-lingen om evenals zij uitwendigen troost te zoeken, om het gemis van den inwendigen te vergoeden. Zoo komt hij er toe om a.) troost voor het verstand te zoeken in de eer, b.) troost voor den wil in het bezit, c.) troost voor het hart in het genot.

a.) Hij zoekt troost voor het verstand in de eer. Er gaan, zoo schrijft de beroemde Dr. Emmanuel Veith (Homilienkr. I. p. 38.) twee vrouwen over de straat, die in kleeding en manieren zeer veel van elkander verschillen. Van de eene zeggen de menschen: „ziet die beleefde, die deftige dame, van hooge geboorte en grooten rijkdom, hoe eenvoudig is hare kleeding, hoe bescheiden, hoe zedig haar geheele houding!quot; Van de andere daarentegen heet het; „ziet, die gemeene vrouw van lage afkomst, zonder fatsoen, zonder vermogen, vol schulden, in welken onbetamelijken schijnglans pronkt zij, hoe overmoedig gedraagt zij zich!quot; Wie zijn die vrouwen? De rijke vrouw in eenvoudig gewaad is de ware eer, die de mensch bij God heeft. Deze kent geen hoogmoed, geen aardschen opschik, geen behaagzucht; hare schatten verbergt zij evenals Christus

ocr page 225

— 205 —

op aarde zijne glorie. Zij is de onafscheidelijke levensgezellin van den waren ootmoedigen religieus. Dc andere is de ijdele eer, die zich met ingebeelde of van anderen geleende voortreffelijkheid opsmukt, evenals de kraai in de fabel van Phaedrus met de pauwenveeren, die zich zelve vergoodt, en waarvoor de Heer waarschuwt met de vreeswekkende woorden: „wat de mensch hoogacht, is een gruwel voor God.quot; Haar heeft de lauwe kloosterling te zamen met alle eerzuchtige wereldlingen zich tot bruid verkozen. Uit haren beker wil hij drinken, van haren wijn zich bedwelmen. Hij bidt niet meer zooals vroeger, met oprechtheid: „non nobis, Domine, non nobis, sed nomini tuo da gloriam,quot; neen, als hij leest en studeert, als hij onderwijst en predikt, als hij biecht hoort en zieken bezoekt, als hij schrijft en spreekt, als hij alleen en bij anderen is, altijd zoekt hij ijdelen lof der menschen. Wat zal hij echter vinden? Dc goeden, die zijne lage bedoeling doorgronden, zullen zich aan hem ergeren. De verstandigere, meer begaafde wereldlingen, die naarmate zij zelf minder deugd bezitten, des te meer vorderen van kloosterlingen, zij zullen hem verachten in plaats van hem hoog te schatten. Anderen zullen zijn verstand, zijne wetenschap, zijne welsprekendheid, zijne bekwaamheid, zijne fatsoenlijke manieren enkel voor den schijn roemen en slechts door weinigen wordt hem betaald, wat hij zócht en hoopte; maar ook hun lof, wat is het? Geen ware, dewijl hij de ziel niet bevredigt, maar haar veeleer verontrust door de treurige toegift: „gij hebt het goede reeds in uw leven ontvangen,quot; hij is geen bestendige lof, want hoe gaat het gewoonlijk in de wereld? Dien men vandaag prijst, berispt men morgen, dien men vandaag hoogschat, veracht men morgen; vandaag verheft men iemand tot de wolken, morgen wordt hij onder de voeten getreden; hij is geen onverdeelde lof, want er zijn altijd af-gunstigen, die mij met slijk werpen, terwijl anderen bloemen voor mij uitstrooien; hij is ten laatste een armzalige lof, zoodat ook op den lauwe de woorden van toepassing ziju, die de Heer eenmaal tot de Joden sprak doör den mond van den profeet Aggaeus: „neemt ter harte, wat gij doet. Gij zaait \ eel en brengt weinig in, gij eet en wordt niet verzadigd, gij drinkt en wordt niet dronken, gij kleedt u en wordt niet warm, en wie loon ontvangt, werpt het in een zak vol gaten.quot;

ocr page 226

— zóó -

(Agg. I. 5.) Hoe zeer bedriegt zich alzoo de lauwe! In de ijdele eer zoekt hij troost voor het verstand en vindt dien niet!

b.) Evenmin vindt hij troost voor zijn wil in het bezit van tijdelijke goederen. Hoe zou hij iets in zijn bezit kunnen krijgen? Hij kan wel wenscher, dat de bron zilver in plaats van water oplevere, dat de akker goud voortbrenge in plaats van graan, maar verwerven, bezitten kan hij goud noch zilver, noch zelfs een zakelijk recht, omdat de gelofte der heilige armoede hem iedere gelegenheid daartoe afsnijdt. Maar al stond het hem ook vrij, rijk te zijn, al mocht hij zich ongehinderd op wereldsche bezigheden toeleggen, die zijn heiligen stand vreemd zijn, dan zou hij toch nog niet gelukkig worden, daar vergankelijke zaken niet kunnen geven, wat zij niet hebben. Geld gezondheid, schoonheid, kunsten, dat alles is geen waar goed; behalve wanneer zij besteed worden ten dienste der mensch-heid, zegt een zeker dichter. Hem blijft derhalve niets anders mogelijk, dan zijne cel vol te dragen met boeken, beelden, prentjes en andere kleinigheden; maar ook in het gebruiken en aanwenden daarvan is hij afhankelijk van den wil zijner overheden. Beschikken zij nu daarover naar hun goedvinden, beperken zij het vrije gebruik ervan, of brengen zij dergelijke zaken tot een bescheiden aantal terug, zooals het met de armoede overeenkomt, dan zal men den lauwe religieus hoo-ren klagen en kermen, evenals een kind dat door de moeder van zijn speelgoed en daarmede van al zijn pret beroofd is.

Onder den druk der afhankelijkheid, waarin hij geplaatst is, kan hij het moeielijk uithouden, hij begint te woelen, hij wil zich loswerken, en in het huishouden alles regelen en besturen; daarbij stuit hij echter dil wijls op tegenspraak die, zijn eigenliefde als een dolksteek kwetst; daarom streeft hij naar eene hoogere plaats, naar dit of dat ambt, om zoodoende een gemakkelijker, vrijer leven te hebben. Maar wee hem en wee anderen, wanneer hij niet geroepen als Aaron, maar langs slinksche wegen tot de eerste plaats is opgeklommen! De zegen des hemels vergezelt geene zijner ambtsverrichtingen, geen zijner ondergeschikten zal met hem recht tevreden zijn. Hij zelf zal door velerlei zorgen gekweld worden, zijne moeiten zullen mislukken en hem daardoor verdrieten, de vrees voor de groote verantwoording zal hem beangstigen. Gelijk

ocr page 227

de onbc.onnen knaap, die, op zijn weg een rozenstruik vindend, haastig toeschiet om de schoone bloemen te plukken maar zich daardoor tot bloedens toe verwondt aan de scherpe doornen, zoo vergaat het ook den ongelukkige meer of minder bij al zijne^pogingen om in het bezit van tijdelijke goederen troost te zoeken voor zijn wil. Wat hem vroeger toescheen zoete honig zijn, zal dan voor hem in bittere gal veranderen.

c.J Evenmin als zijn wil troost vindt in het bezit, evenmin zal zijn hart troost vinden in het genot. Inwendig dor als een uitgedroogd veld, zoekt hij zijn vermaak in nietswaardige gesprekken. In het klooster wordt hij een man van de nieuwtjes, een hartstochtelijk krantenlezer, een held van het spel. Daarmede nog niet tevreden, zal hij met de wereldlingen al te vriendschappelijke betrekkingen aanknoopen, niettegenstaande het verbod: „nolite transire de domo in domum,quot; hunne huizen bezoeken en in onnutte praatjes den tijd dooden. Wel verre van zijne zinnelijkheid te versterven, zal hij gedurende en ook buiten den maaltijd rekening houden met zijn smaak, hij zal voor ieder zwaar werk terugdeinzen en voor zoover het hem mogelijk is, het grootste gemak houden. Dit is het zaad, dat hij uitstrooit. Wat zal hij daarvoor inoogsten? De nieuwsgierigheid zal hem menigwerf in verlegenheid brengen, de speelzucht zal hem verdriet bezorgen, het overmatige verkeer met de wereld zal hem veel spot en hoon bereiden, de zinnelijkheid en gemakzucht zullen hem de rechtmatige bestraffingen zijner overheden en de verwijtingen zijner ongeschikten op den hals halen. Dit zijn de onvermijdelijke gevolgen, die al zijne genoegens als een bittere nasmaak vergallen. En heeft hij eenmaal de plaats, waar hij verwijlt, lief gekregen, zal dan wanneer de stem der gehoorzaamheid hem wegroept, desmaitdjr scheiding niet even groot zijn als het vermaak, wat hij daar vindt? In één woord, wat zijn de genoegens, die den lauwe verblijden? Het zijn bloemen, die beginnen te verwelken, zoodra men ze geplukt heeft. Terwijl hij de genoegens nog smaakt, nemen zij reeds af en verdwijnen als een zeepbel. Waarheen hij zich dan ook mag wenden: naar boven of naar beneden, voor- of achterwaarts, links of rechts naar binnen of naar buiten, nergens vindt hij, wat hij zoekt. Hij zoekt dege-

ocr page 228

- 2o6 -

(Agg. I. 5.) Hoe zeer bedriegt zich alzoo de lauwe! In de ijdele eer zoekt hij troost voor het verstand en vindt dien nietl b.) Evenmin vindt hij troost voor zijn wil in het bezit van tijdelijke goederen. Hoe zou hij iets in zijn bezit kunnen krijgen? Hij kan wel wenscher, dat de bron zilver in plaats van water oplevere, dat de akker goud voortbrenge in plaats van graan, maar verwerven, bezitten kan hij goud noch zilver, noch zelfs een zakelijk recht, omdat de gelofte der heilige armoede hem iedere gelegenheid daartoe afsnijdt. Maar al stond het hem ook vrij, rijk te zijn, al mocht hij zich ongehinderd op wereldsche bezigheden toeleggen, die zijn heiligen stand vreemd zijn, dan zou hij toch nog niet gelukkig worden, daar vergankelijke zaken niet kunnen geven, wat zij niet hebben. Geld gezondheid, schoonheid, kunsten, dat alles is geen waar goed; behalve wanneer zij besteed worden ten dienste der mensch-heid, zegt een zeker dichter. Hem blijft derhalve niets anders mogelijk, dan zijne cel vol te dragen met boeken, beelden, prentjes en andere kleinigheden; maar ook in het gebruiken en aanwenden daarvan is hij afhankelijk van den wil zijner overheden. Beschikken zij nu daarover naar hun goedvinden, beperken zij het vrije gebruik ervan, of brengen zij dergelijke zaken tot een bescheiden aantal terug, zooals het met de armoede overeenkomt, dan zal men den lauwe religieus hoo-ren klagen en kermen, evenals een kind dat door de moeder van zijn speelgoed en daarmede van al zijn pret beroofd is.

Onder den druk der afhankelijkheid, waarin hij geplaatst is, kan hij het tnoeielijk uithouden, hij begint te woelen, hij wil zich loswerken, en in het huishouden alles regelen en besturen; daarbij stuit hij echter dil wijls op tegenspraak die, zijn eigenliefde als een dolksteek kwetst; daarom streeft hij naar eene hoogere plaats, naar dit of dat ambt, om zoodoende een gemakkelijker, vrijer leven te hebben. Maar wee hem en wee anderen, wanneer hij niet geroepen als Aaron, maar langs slinksche wegen tot de eerste plaats is opgeklommen! De zegen des hemels vergezelt geene zijner ambtsverrichtingen, geen zijner ondergeschikten zal met hem recht tevreden zijn. Hij zelf zal door velerlei zorgen gekweld worden, zijne moeiten zullen mislukken en hem daardoor verdrieten, de vrees voor de groote verantwoording zal hem beangstigen. Gelijk

ocr page 229

— 207

de onbegonnen knaap, die, op zijn weg een rozenstruik vindend, haastig toeschiet om de schoone bloemen te plukken maar zich daardoor tot bloedens toe verwondt aan de scherpe doornen, zoo vergaat het ook den ongelukkige meer of minder bij al zijne_pogingen om in het bezit van tijdelijke goederen troost te zoeken voor zijn wil. Wat hem vroeger toescheen zoete honig zijn, zal dan voor hem in bittere gal veranderen.

c.) Evenmin als zijn wil troost vindt in het bezit, evenmin zal zijn hart troost vinden in het genot. Inwendig dor als een uitgedroogd veld, zoekt hij zijn vermaak in nietswaardige gesprekken. In het klooster wordt hij een man van de nieuwtjes, een hartstochtelijk krantenlezer, een held van het spel. Daarmede nog niet tevreden, zal hij met de wereldlingen al te vriendschappelijke betrekkingen aanknoopen, niettegenstaande het verbod: „nolite transire de domo in domum,quot; hunne huizen bezoeken en in onnutte praatjes den tijd dooden. Wel verre van zijne zinnelijkheid te versterven, zal hij gedurende en ook buiten den maaltijd rekening houden met zijn smaak, hij zal voor ieder zwaar werk terugdeinzen en voor zoover het hem mogelijk is, het grootste gemak houden. Dit is het zaad, dat hij uitstrooit. Wat zal hij daarvoor inoogsten? De nieuwsgierigheid zal hem menigwerf in verlegenheid brengen, de speelzucht zal hem verdrjet bezorgen, het overmatige verkeer met de wereld zal hem veel spot en hoon bereiden, de zinnelijkheid en gemakzucht zullen hem de rechtmatige bestraffingen zijner overheden en de verwijtingen zijner ongeschikten op den hals halen. Dit zijn de onvermijdelijke gevolgen, die al zijne genoegens als een bittere nasmaak vergallen. En heeft hij eenmaal de plaats, waar hij verwijlt, lief gekregen, zal dan wanneer de stem der gehoorzaamheid hem wegroept, de smai t d Jr scheiding niet even groot zijn als het vermaak, wat hij daar vindt? In één woord, wat zijn de genoegens, die den lauwe verblijden? Het zijn bloemen, die beginnen te verwelken, zoodra men ze geplukt heeft. Terwijl hij de genoegens nog smaakt, nemen zij reeds af en verdwijnen als een zeepbel. Waarheen hij zich dan ook mag wenden; naar boven of naar beneden, voor- of achterwaarts, links of rechts naar binnen of naar buiten, nergens vindt hij, wat hij zoekt. Hij zoekt dege-

ocr page 230

- 2o8 —

lijke volheid, en hij vindt ledige holheid; hij zoekt het geestelijke en eeuwige, en hij vindt het lichamelijke en tijdelijke; hij zoekt zekere werkelijkheid en hij vindt het verblindende dwaallicht; hij zoekt rust, vrede en troost, en hij vindt het tegendeel, zoodat hij ten slotte moede van het zoeken, gedwongen is met den H. Augustinus te bekennen: „Ons hart is en blijft onrustig, totdat het rust vindt in God!quot;

Hoe ongelukkig zijt gij dan, mijne ziel, die uw hart verdeelt tusschen den Schepper en het schepsel! „wee u dubbelhartige.quot; God haat u en de wereld bemint u niet. God onttrekt u zijne genade en de wereld ondersteunt u niet. God houdt u zijne omhelzing onwaardig en de wereld vergunt u niet eenmaal haar tijdelijk geluk. Den inwendigen troost: des vredes, der rust en der vreugde mist gij en den uitwendigen vindt gij niet. Met volle recht derhalve schrijft Thomas a Kempis van u: „als gij lauw begint te worden, begint gij u kwalijk te gevoelen.quot; (1. I cap. V.) En gaat gij voort lauw te zijn, dan gaat gij ook voort ongelukkig te leven, want, zoo verzekert de H. Bernardus, de lauwen, als zij het lang blijven, bezwijken onder den last en bevinden zich als in eene hel.... (serm. 3 de ascens.) Denk hieraan, overweeg het en kies uw geluk of ongeluk! Gij hebt beide in uw hand! Wat gij wilt, zult gij hebben! Slaat gij uwe wortels in den tijd, dan vallen zij af in de eeuwigheid! Amen.

DERDE DAG.

EERSTE OVERWEGING.

Het ongeluk van den lauwe in den dood.

Vae duplici corde!

Wee den dubbelhartige 1

(Eccli. ii, i/..)

T~)e zoete vrede des harten, de reine vreugde van een kalm geweten, de innige zalving der genade, die al het bittere verzoet, het rijk Gods in de ziel, de onuitsprekelijke vervoering der liefde tot Jezus, de liefelijke smaak eener teedere godsvrucht, de overvloedige zegen des hemels, die den rechtvaardige

ocr page 231

209

overal vergezelt, de achting der wereld, die hoewel zij de deugd niet bemint, haar toch dikwerf prijst, de geheimzinnige voldoening van trouwe plichtsvervulling, van al die hart- en zielverkwikkende vruchten zal ik niet eene proeven, als ik blijf heendroomen in mijn trage simmering der ziel. Beroofd var; het goddelijke en menschelijke tegelijk, ben ik ongelukkig mijn leven lang. En sta ik niet op, nu het nog tijd is, verbeter ik mij niet ernstig, leef ik vooit in mijne gewone lauwheid, dan zal ook mijn ongeluk, waarvan ik zelf de schuld ben, geen einde nemen; ik zal dan ongelukkig zijn ook in den dood. Dit zal ik thans overwegen.

Opdat echter deze ernstige overweging ten minste eenigen indruk op mij make, wil ik mij in den geest op mijn sterfbed verplaatsen en mij levendig voorstellen hoe het in mijne laatste oogenblikken met mij zal gaan.

Jezus, Maria, Jozef, staat mij bij 1

Vestigen wij den blik op het groote, uitgestrekte rijk der natuur! Welk eene verscheidenheid, welk een rijkdom, welk eene schoonheid wij daar ook mogen bewonderen, overal toch lezen wij ons doodvonnis. De bloemen bloeien en verflensen. De vruchten wassen, rijpen en vallen af. De zon schenkt in haar licht van goud den dag en voert hem i weer mede naar de duistere schaduwen van den nacht. In de lente ontwaakt blijde de natuur, in den winter slaapt zij weder in. Dat doodvonnis is geschreven niet enkel voor de redelooze natuur, maar ook voor alle menschen, bijgevolg ook voor mij. Ieder jaar, iedere maand, iederen dag, ieder uur, ieder oogenblik kom ik dichter bij mijn einde, met iederen tred nader ik mijn graf, totdat ik er instort. Wat zal men echter van mijn dood denken? wat zeggen? — De dood is gelijk aan de gevolgtrekking van een syllogisme; zooals de praemissen zijn, zoo is ook de conclusie, zooals de opzet is, zoo is ook de slotsom, of zooals de H. Bemardus zegt: „qualis vita, finis ita.quot; Als de dood nude getrouwe afspiegeling is van het leven, dan zou het tcch wel een wonder zijn, als iemand, die in bestendige lauwheid heeft voortgeleefd, een gelukkig en zalig sterfbed had. In 't algemeen kan men dan ook veilig aannemen, dat de lauwe op zijn doodsbed ongelukkig is, a.) hij moge dan zijne ellende beschouwen b.) of niet.

NIEUWE HANDLEIDING. 14

ocr page 232

— 210 —

a.) Beschouwt hij den vreeselijk ernstigen toestand, waarin hij zich thans bevindt en slaat hij zijn onderzoekenden blik allereerst op hetgeen buiten hem is, dan ontwaart hij, hoe alles, wat hij krampachtig vasthoudt, aan zijne vingers ontglipt. Nog maar tot een kleine wereld beperkt, ziet hij van zijn ziekbed af de cel, die hij bewoonde, den overvloed, die daar heerschte, de boeken, geschriften en kleinigheden, waaraan zijn hart hing; hij ziet zijne broeders, zijne vrienden en begunstigers, dien hij eene ongeregelde liefde toedroeg, zijne betrekkingen en eerambten, zijne vermaken en genoegens, die hij vast omstrengeld hield, evenals een tlingerplant zich kronkelt om den boom, zijn leven en alles, waaraan hij door de gewoonte eene behoefte heelt gekregen, hij ziet dat alles, en overal leest hij het harde, het schrikwekkende woord: „scheiden.quot;

De onverbiddelijke dood verbreekt al die dierbare banden, die hem aan de aarde binden. Met een geweldigen ruk verbreekt hij iedere verhouding al is zij nog zoo schoon in de oogen der menschen. De stervende moet alles verlaten en wordt van alles verlaten. Doodziek zijr.de is hij nutteloos voor de aarde en de aarde voor hem. De zijnen drukken hem en hij drukt den zijnen de hand tot een laatst vaarwel. Alles, waarop hij in zijn leven steunde, valt als een kaartenhuis in elkander. Het ambt, dat hij bekleedde, wordt reeds door een ander waargenomen, de achting en eer, die men hem bewees, vallen zijn opvolger ten deel. Zijne vermaken en genoegens blijven op het bed, waarop hij sterft, gaan niet verder met hem mede. De tijd gaat voor hem gesloten worden en daarmede verhuizen al zijne gemaakte plannen naar het rijk der onmogelijkheden. De ijdele hoop, die hij koesterde, vervliegt als rook in den wind. Zijn hoofd is zwaar, zijn oog is verduisterd, zijn tong verdroogd, de keel samengenepen, de borst beklemd, het leven gaat uit, de organische zelfstandigheid vergaat. En alles wat dierbaar en aangenanm is, het leven en de goederen van het tijdelijke leven op eens en zonder eenige schadeloosstelling te zien verdwijnen, is dat niet hard, is dat niet verschrikkelijk? „Niet zonder smart neemt men afscheid van hetgeen men te zeer liefheeft,quot; zegt de H. Au-gustinus. De liefde onstaat en vergaat niet in een oogenblik; daarom wordt in het binnenste hart eene diepere wond gesla-

ocr page 233

gen, naarmate men sneller en onverwachter het beminde wegneemt. Hoe ontroostbaar zal dan de lauwe religieus zijn, als de dood hem met geweld en plotseling van alles beroolt en hem uit de wereld laat gaan even naakt als hij er is gekomen is. Zal het hem niet te moede zijn als iemand die in een onpeilbaar diepen afgrond wegzinkt, zonder iets te vinden, waaraan hij zich kan vastklampen? Thans, aan den rand van het graf, dat hem tegengaapt, nu iedere toon van menschelijken roem en lof verstomt, iedere glans verbleekt, nu de ijdele droomen, die zijne verbeelding betooverden, nu de verleidelijke goederen, die hem aantrokken, hem hunne hatelijke keerzijde laten zien en als zwarte schrikbeelden verschijnen, nu alles in zijn ware en natuurlijke kleur voor hem staat, thans erkent hij met het grootste leedwezen, hoe onzinnig hij gedacht, hoe dwaas hij gehandeld heeft door zoo vaak het lagere te verkiezen boven het hoogere, het tegenwoordige boven het toekomstige, het vergankelijke boven het onvergankelijke, het schepsel boven den Schepper. De H. Hieronymus riep op zijn sterfbed verheugd zijne vrienden toe: „mijne geliefden, komt gij mij verwittigen, dat ik moet vertrekken? God ver-gelde u die blijde tijding! Neemt deel in mijne vreugde; weest getuigen van mijn geluk! Ziet, nu is het kostbaarsteoogenblik van mijn leven daar! O zalig oogenblik! Zoete en kalme slaap der rechtvaardigen, kom en sluit mij de oogen. O dood, hoe schoon, hoe aangenaam zijt gijlquot; Doch in plaats daarvan zal de lauwe integendeel verzuchten tot de omstanders: „hoe, gij brengt mij de Jobstijding, dat ik moet vertrekken? Neemt deel in mijne smart, weest getuigen van mijn ongeluk. Het angstigste oogenblik mijns levens is daar. O dood, hoe bitter zijt gij mij! Hoe gruwzaam is de scheiding, die gij veroorzaakt, hoe vreeselijk het geweld, dat gij gebruikt!quot;

Overtuigd van de ijdelheid van al het aardsche mag hij den blik slaan in zijn binnenste, doch ook daar vindt hij al even weinig troost. Bij het licht der eeuwigheid, nu hij op haren drempel staat, aanschouwt hij zijn deerniswaardigen zedelijken toestand; hij ziet die herhaaldelijk verbroken voornemens, de lichtzinnigheid, waarmede hij zich telkens in het gevaar begaf en met de zonde schertste, de zorgeloosheid ten opzichte van zijne neigingen en begeerten, het nalaten van

ocr page 234

212 —

het gewetensonderzoek, den tegenzin in de noodzakelijke verloochening van zijn eigen „ikquot; het ontvluchten van Christus kruis, de onverschilligheid voor de stem des gewetens, het ontelbare leger zijner gebreken en zonden: over geen zijner gesproken biechten is hij gerust, met geen zijner Communiën is hij recht tevreden, een ieder zijner goede werken draagt in zich het meer of minder onteerende brandmerk der lauwheid Hoe moet hij, op het gezicht der grootste wanorde in het boek zijns gewetens, beschaamd staan, van schrik verbleeken en uitroepen: „O. wie verplaatst mij weder in die maanden, in die dagen, toen God mij bewaakte? Toen zijne lamp zoo glanzend scheen bovenmijn hoofd, toen zijn licht mij door de duisternis geleidde. (Job. XXIX. 2.) Zooals ik was in mijn jeugd, toen God verborgen woonde in mijne tent ?quot; Maar mijn levensklok is afgeloopen, nog maar weinige slingeringen en zij staat stil. Ik ben een prins van het bloed van een Godmensch en ik heb mij mijnen hemelschen adeldom zoo onwaardig gedragen ; gij zijt mijn God, en ik heb u zoo weinig geeerd; gij zijt mijn Heer, en ik heb u zoo slecht gediend; gij zijt mijn Vader, en ik heb u zoo dikwijls bedroefd; gij zijt mijn schat, en ik heb u zoo gering geacht; gij zijt mijn herder, en ik heb u zoo zelden gevolgd; gij zijt mijn geluk en mijn verlangen naar u was zoo gering; gij zijt mijn hoogste goed, en ik heb u niet zoo ijverig gezocht, als gij verdiendet; gij zijt mijn leven, en ik was jegens u zoo koel, zoo koud, zoo karig! Ik ben die wijngaard van den dwazen man, waarvan de grond met doornen van ontelbare gebreken bedekt is. Ik ben die vijgenboom aan den weg, die niets heeft dan bladeren van geveinsde deugd. Ik ben dat veld, dat den nedervallenden regen opneemt en niets anders voorbrengt dan distelen. Ik heb mijne beste krachten gewijd aan den dienst der wereld, dien ik had moeten verlaten; ik heb mijn vleesch, dat weldra eene spijs der wormen zal zijn, vertroeteld. Hoe armzalig zijn de verdiensten die ik kan aan-toonen, hoe veelvuldig is het kwaad, dat ik gedaan heb, hoe onvolmaakt het goed, dat ik deed, hoe talrijk de nalatigheden, die ik op mijne rekening heb. Ach, hoe zal het met mij afloopen, als ik voor den alwetenden en strengen Rechter moet verschijnen, om rekenschap af te leggen, van ieder werk, ieder woord, iederen wensch, iedere gedachte, ieder verlangen, iedere

ocr page 235

— 213 —

genade, ieder oogenblik. Wee mij rampzalige! (I Maccliab. VI. ii.) In welke droefenis ben ik geraakt, in welke zee van verdriet zwem ik thans; ik ben verzadigd van bitterheid, bedwelmd van alsem; (Thren. III. 15.) de slaap is van mijne oogen geweken, mijn moed is weg en mijn hart is mij ontzonken van droefheid. (I Macchab. VI. 10.) Mijn harp is een klacht geworden, en mijn orgelspel een stem der weenenden. (Job. XXX. 3:.)

Hooren wij den lauwe met recht zoo klagen en jammeren, is dat zijn zwanenzang, zullen wij hem dan niet beklagen en ongelukkig noemen? Doch dat ongeluk zou voor hem nog een wenschenswaardig geluk zijn, als hij daardoor bewogen werd om een smartelijker berouw te verwekken, een oprechter biecht te spreken en zoo Gods vaderhart tot ontferming te stemmen. Doch, helaas, de treurige ondervinding leert, dat vele lauwe religieuzen op hun sterfbed niet eens denken aan hun rampzaligen toestand, veel minder dien overwegen en dientengevolge in eene verderfelijke blindheid en gerustheid blijven en sterven.

b.) „Dat is de rechtvaardigste straf, waarmede de zondaar gestraft wordt, dat hij op zijn sterfbed zich zeiven vergeet, zooals hij in het leven God vergeten heeft.quot; Zoo schrijft de H. Augustinus.

Deze straf treft den in het kwaad vergnjsden booswicht niet alleen, maar ook billijkerwijze den zoon, die in zijne geestelijke lauwheid hardnekkig is geweest. Terwijl zoo menige wereldling op zijn ziekbed door de gedachte aan het oordeel overweldigd, al zijn best doet, om zich tot die reis naar de eeuwigheid voor te bereiden, ziet men niet zelden, dat een lauwe kloosterling op zijn sterfbed nog meer bezorgd is voor het tijdelijke dan voor het eeuwige. Hij neemt veel spoediger zijn toevlucht tot de kunst der geneesheeren en in plaats van zijn eeuwig geluk zooveel mogelijk te verzekeren, let hij veel meer op, de voorgeschreven medicijnen op de minuut af te gebruiken ten einde het uitgaande levens-lichtje nog een weinig te behouden. Als een lafhartige leerling van den lijdenden Verlosser verdraagt hij de smarten der ziekte met zulk een ongeduld, dat hij wel verre van zijne schulden te verminderen, die nog vermeerdert. Tevergeefs wachten de medebroeders op zijn verzoek hem de Sacramenten

ocr page 236

der stervenden toe te dienen. Eindelijk door zijn overste in allen ernst op het stervensgevaar gewezen, zal hij de laatste hulpmiddelen van den godsdienst wel ontvangen, maar hoe dor, hoe koud! Dien afkeer, dien hij zijn geheele leven lang had voor de werken van godsvrucht, nu dubbel gevoelend, onderzoekt hij zijn geweten slechts oppervlakkig en bekommert hij zich weinig om waar berouw. De belijdenis geschiedt als naar gewoonte gebrekkig, vluchtig en slordig. Het goddelijk Lam, dat hem straks zal behandelen als een zich wrekende leeuw, ontvangt hij met onverschilligheid, alsof hij geen onderscheid weet te maken tusschen het hemelsche manna en eene gewone spijze. Wordt hij gezalfd met de heilige olie, dan spant hij zich weinig in om eenige vrome gevoelens in zich op te wekken; daarom ontvangt hij door de Sacramenten der stervenden ook niet die sterkte, die hij nu meer dan ooit noodig heeft. Middelerwijl nadert de laatste stormachtige aanval, een kampstrijd op leven en dood, want het geldt voor de hel eene onsterfelijke ziel voor eeuwig te winnen of te verliezen. De helsche slang, die hem tot nu toe in de armen der lauwheid liet voortsluimeren, roept al hare kunst te hulp, spant hare reuzenkrachten in om door hevige bekoringen, door verschillende twijfelingen in het geloof, door schandelijke voorstellingen tegen de H. Zuiverheid, enz. hem den doodsteek te geven, en hem in het eeuwig verderf te storten, zal dan, ik vraag het u, die weerlooze, die niet strijdvaardige, die zwakke en verdwaalde ziel dien woedenden aanval der hel kunnen afslaan? Zal zij, die in kleine schermutselingen dikwijls haar vaandel verliet, in den moeielijksten strijd de overwinning behalen? Ach, maar al te gemakkelijk helaas zal zij in het beslissende oogenblik, waarvan een eeuwig geluk of ongeluk afhangt, het onderspit delven. Tot straf harer vloekwaardige lauwheid kan de rechtvaardige God toelaten, dat zij in eene doodzonde valt en met het leven des lichaams het leven der ziel verlie^e. — Rampzalige nederlaag 1 Betreurenswaardig uiteinde! Schrikwekkende dood, die door een nog schrikwekkender leven gevolgd wordt!

Waarlijk, ongelukkig is de lauwe religieus op zijn sterfbed; ongelukkig, wanneer hij stervend in zich keert en zijne ellende beschouwt, nog ongelukkiger, wanneer hij in zijne verblinding dit niet doet!

ocr page 237

Die vrucht groeit ook voor mij. Ik zucht over dat treurige vooruitzicht en in werkelijkheid volgt er geene verbetering. In mijn doodsuur zal ik op de schietbaan staan, gereed tot schieten; dan moet ik op het doel aanleggen, de roos treffer, een prijs behalen, en ondertusschen verzuim ik de noodzakelijke schietoefeningen, door niet alles, altijd en overal op God den Heer te richten. Ik moet eenmaal den bedenkelijken sprong doen over den afgrond, die het tijdelijke leven scheidt van het eeuwige en nochtans zorg ik niet mij in het springen te oefenen, daar ik te traag ben om ijverig mijn geest tot de hemel te verheffen. Steeds moet ik reisvaardig wachten aan het station, totdat de roep weerklinkt: „instappen 1 naar het vaderland 1quot; en in plaats van mijn reiskoffer te pakken, houd ik mij bezig met kinderspelen! Lichtzinnige handelwijze van een vagebond in het geestelijke leven! Slordige huishoudingl Zoo kan het niet langer gaan!

Almachtige Vader, geef mij toch, zonder mijne verdienste, hetgeen ik u vraag: reinig mij, zuiver mij, zooals gij het goedvindt; verander mij, zooals gij ziet, dat het mij noodig is; bind mij, zooals het u behaagt; geleid mij, waarheen gij wilt. Geef mij de genade, dat ik mijn huis herstelle, regele en goed inrichte; dat de vermorzeling des harten mijne moeder zij, de gedachte aan den dood mijne levensgezellin, de verzuchtingen van mijn hart mijne kinderen, het lichaam mijn dienstknecht, de onvermoeide ijver in het streven naar onvergankelijke goederen mijn broeder, en de HH. Engelen mijne vrienden, gij echter, wees en blijf mijn Heer, mijne hulp, mijne liefde, mijn alles! Amen.

TWEEDE OVERWEGING.

Df ellende van den lauwe na den dood.

Vae duplici corde!

Wee den dubbelhartige!

(Eccli. II. 14,)

I^[et verstand en het geloof leeren ons, dat bij den laatsten ademtocht eens menschen niet alles met hem gedaan is. Neen, zoodra mijne lichamelijke oogen zich gesloten hebben voor

ocr page 238

- 2l6 -

het aardsche tranendal, zullen zij een ander tooneel aanschouwen in eene nog niet geziene wereld. O groote, gewichtige stap, wel in staat om de nadenkende ziel aan te grijpen en met bange vrees te vervullen! De alwetende, gestrenge, rechtvaardige rechter richt tot mij de ernstige woorden: „redde rationem villicationis tusel Geef rekening van uw gedrag.quot; Gelukkig, eeuwig gelukkig, wanneer ik dan de gouden vruchten van een onvermoeid streven naar volmaaktheid kan nederleggen aan de voeten des Heeren! Maar ook wee mij, wanneer ik als een trage knecht voor Hem sta! „Voe duplici corde!quot; Het is derhalve de vraag hoe ik voor Gods aangezicht zal verschijnen. Naar welke zijde zal de evenaar der weegschaal, waarop mijn eeuwig lot wordt gewogen, overhellen? Dit kan ik opmaken uit het bekende spreekwoord: „zooals men leeft, sterft men, zooals men sterft, blijft men in alle eeuwigheid.quot; Leef ik lauw, dan sterf ik in de lauwheid, en sterf ik in de lauwheid, dan ben ik ongelukkig in den dood en zal ik het ook na den dood zijn. Wee mij dan, want ik ben ongelukkig:

i0 bij het oordeel,

2° na het oordeel.

Opdat deze twee punten een diepen indruk mogen maken in mijn hart, ei ik daardoor een vast en heilzaam besluit moge maken voor mijne ziel, wil ik mij nu mij zeiven voor vor den geest stellen en mijn lot na den dood aandachtig overwegen.

Alles tot meerdere eer van God den Vader, rden Zoon en den H. Geest!

I.

De marmot wordt op de Alpen gedurende haar winterslaap door den jager opgespoord, slapend gevangen, slapend verkocht, slapend in de keuken gebiacht en ontwaakt eerst dan, wanneer haar het mes op de keel gezet wordt. Evenzoo wordt de slapende lauwe door den boozen vijand gevangen, aan het bijzonder oordeel overgeleverd, en ontwaakt eerst dan, wanneer hij voor Gods rechterstoel staat, waar voor hem it.) geene verontscliuldiging, b.) geene hulp, c.) geene ontferming meer is.

a.J Door de majesteit des Allerhoogsten omgeven, overziet de ziel, die zooeven het lichaam heelt verlaten, in het helder-

ocr page 239

ste licht haar geheelen levensloop; van haar eersten tót den laatsten ademtocht ligt alles als een open boek voor haar. De duisternis harer vooroordeelen is verdreven, de muren, die haar beletten den blik te slaan in het inwendige, zijn ingestort, het geweten heeft weer de oorspronkelijke gevoeligheid terug. Wat het in de moraal en den heiligen regel uitvloeisels noemde van een overspannen geest, wat het in misdadig zelfbedrog verachtte als nietswaardige angstvalligheden, dat alles zal het nu op de juiste waarde schatten. Waarover het vroeger heenvloog als een vogel, dat is nu een berg geworden, die het verplettert. De vlekken en zonden der jeugd, die als kinderlijke dwaasheden beschouwd werden, de gebreken en zonden van den ouderdom, die als noodzakelijke onvolmaaktheden niet vermeden werden, alle zondige handelingen en nalatigheden tegen zich, tegen God en den naaste: zij staan naar hun getal, soort, omstandigheden en grootheid als naakte en onloochenbare feiten geschreven op de rekening. Hoe beeft gij van schrik, o ziel, op dat ontzettend, overweldigend gezicht! Doch schep moed en spreek, voordat uw vonnis wordt geveld, als gij tegen een of ander punt van beschuldiging iets ter verzachting kunt inbrengen, maar zorg, dat de Heer u niet met uwe eigene woorden slaat!

„Ik leefde, zoo brengt de ziel al haperend in 't midden, ik leefde zcoals het grootste deel der menschen.quot; Is het niet juist het grootste deel, zoo klinkt het antwoord des goddelijken rechters, dat den breeden weg des bederfs bewandelt? Matth. VII 13. „Het menschelijk opzicht vervoerde mij.quot; „Maar heb ik niet geleerd alleen hem te vreezen, die èn lichaam èn ziel kan verderven in de hel?quot; „Ik heb gedwaald uit ónwetendheid.quot; „Maar gij waart leeraar in Israël en hadt het derhalve kunnen en moeten weten.quot; „Ik had te veel verstrooiende bezigheden en kon niet naar behooren zorgen voor mijne zaligheid.quot; Maar gij hebt het meer dan eens gehoord: „slechts écne zaak is noodig.quot; „Gij hadt wel den tijd om kwaad of om niets te doen, en die tijd was u gegeven om goed te doen.quot; Ik was te zwak om de zevenhoofdige slang mijner hartstochten te dooden.quot; Waarom hebt gij dan niet meermalen en beier gebruik gemaakt van de versterkende middelen, die de H. Kerk u aanbood? Ach, zwijg toch, trage,

ocr page 240

- 2l8 -

ontrouwe dienstknecht, uw verontschuldigingen zijn hatelijker, dan de aanklachten!

b.) Vol ontroering zwijgt de ziel, ziet naar rechts en links en haar smeekende blik zegt: „Maria, help mijlquot; Doch Maria de maan, verbergt zich voor de zon der gerechtigheid. Haar blik zegt: „heilige beschermengel help mij,quot; doch de engelbewaarder antwoordt: „neen, niet meer; hoe dikwijls toch heb ik u vermaand en gewaarschuwd; hoe gaarne had ik u aan alle gevaren ontrukt, van alle gelegenheden verwijderd, maar gij hebt mijne pogingen verijdeld, mijne waarschuwingen in den wind geslagen.quot; Haar blik zegt: „o heilige patronen, helpt mijlquot; Doch zij antwoorden: „neen, niet meer! wij waren uwe getrouwe beschermers op aarde, wij hebben genade op genade voor u afgebeden, maar gij hebt u onzen naam onwaardig'ge-toond, gij hebt dien geschandvlekt en onze bescherming tegengewerkt!quot; Haar blik zegt: „gij uitverkorenen des Heeren, komt mij te hulp!quot; Zij zeggen: „neen, niet meer, want wij hebben u krachtdadig geholpen, wij zijn als heldere lichten u op uw doornig pad door woord en daad voorgegaan; gij hadt moedig onze voetstappen moeten drukken, maar lafhartig hebt gij uw vaandel verlaten, en tot Christus' vijanden overloopend, hebt gij de schande eens verraders op u geladen.quot; Haar blik zegt: „o, wie zal mij helpen?quot; en intusschen stelt de Satan den eisch: „rechter, vel het vonnis, opdat zij, die de uwe niet wilde zijn door de genade, de mijne zij door de zonde!quot; En zoo, van allen verlaten, verheft zij vol angst den blik tot Jezus, om ontferming smeekend, doch tevergeefs.

c.) „Ik ben het, spraks eens de barmhartige, als Hij zelf voor den rechter stond; ,,ik ben het, spreekt de Rechtvaardige, die nu ten oordeel zit.quot; Ik ben het, die u riep als uw verlosser, die u kastijdde als uw vader, die u waarschuwde als uw broeder, die u vermaande als uw vriend. Gij hoordet mijne stem, maar wildet er niet naar handelen ! Gij hadt mijne voorbeelden, maar wildet die niet navolgen! Gij hadt mijne genade, mijn bloed, mijne Sacramenten; maar gij gebruiktet die niet, zooals gij hadt kunnen en moeten doen; daarom weg van mij, gij gast zonder bruiloftskleed, gij wijnstok zonder druiven, gij tuin vol onkruid! Wat ik u van te voren zeide, zal terstond geschieden: „ik zal u uit mijnen mond spuwen!quot; Zoo spreekt

ocr page 241

de almachtige, dien niemand ontkomen, de alwijze, dien niemand misleiden, de rechtvaardige dien niemand omlcoopen kan. Met dat verpletterende vonnis is het oordeel afgeloopen, doch het ongeluk van den lauwen religieus is nog niet ten einde, daar dit eerst zijn toppunt bereikt na het oordeel.

II.

Nadat de rechter, die hart en nieren doorgrondt, het onherroepelijke oordeel geveld heeft, slingert Hij den rampzalige in den eeuwigen afgrond, waar geen licht schijnt, geene rust heerscht, de knagende worm niet sterft, het vuur niet uitdooft, waar geen hoop op verbetering, geen einde van het kwaad is, waar de ellende mateloos, de kommer voortdurend, de dood onsterfelijk is, waar het vuur zoo brandt, dat het niet verteert, waar de rampen zich immer vernieuwen, waar men zonder hoop op vergiffenis zoo leeft, dat men nimmer sterft, waar men sterft om altijd een nieuw leven te beginnen. Dat mag u schrikwekkend toeschijnen, zegt de H. Chrysostomus, maar hoor nog verschrikkelijker dingen. Duizendvoudige straffen der hel vrees ik niet zoo zeer als de verstooting uit den gelukzaligen kring der heiligen en den haat der goddelijke majesteit. Ontzettend is de hel, ontzettender het van toorn gloeiende gelaat des rechters, maar het ontzettendst van alles is de eeuwige beroo-ving der glorievolle, eeuwig gelukzalige Drievuldigheid. Uitgesloten van de onvergankelijke goederen, en beroofd te worden van hetgeen God bereid heeft voor die Hem beminnen, is een lijden, zoo diep ingrijpend, dat alleen reeds helsche foltering zou wezen, ook al kwamen er geene pijnen van gevoel bij. Ja, het is veel lichter de smart van duizendmaal duizend vlammen te verduren, dan het zachtzinnige oog van Christus van toorn te zien gloeien en voor eeuwig van zijn allerheiligst Hart te moeten scheiden, En toch is dat het schrikwekkende loon der onboetvaardige lauwheid! O mijne ziel, tracht het te begrijpen, als gij kunt! Neem het ter harte! Word vurig voor God, voor Gods rijk, voor de leer des evangelies, voor uw verheven staat en roeping I Verander den zin, heilig uw wandel, kruisig het zondige vlcesch, breng de ongetemde neigingen onder de heerschappij van den geest; neem dagelijks uw kruis

ocr page 242

220

op, verloochen u zelve, volg Jesus na; talm niet, toef niet, ontzie niets; gebruik geweld, om de nimmer eindigende rampen te ontgaan, die bereid zijn voor de onverbitterde lauwheid!

Niet iedere lauwe voorzeker zal na den dood het treurigste lot treffen, daar niet iedere lauwheid van dien aard is, dit zij de ziel doodt. Maar gesteld, dat de geestelijke slaper in het laatste oogenbük ontwaakt, in zich zeiven keert en in de genade Gods zijn leven eindigt, dan nog is zijn toestand na den dood hoogst ongelukkig te noemen; want hij wordt dan naar het vagevuur verwezen, waarin, volgens den H. Augustinus, het vuur pijnlijker is dan alles, wat een mensch in het sterfelijke leven kan lijden, waarvan Caesar van Arles schrijft, dat het harder is dan alles, wat men in deze wereld aan pijnen kan uitdenken, zien of ondervinden, dat Gregorius de Groote onverdragelijker noemt dan iedere tijdelijke rampspoed, dat naar de H. Catharina van Siena geen menschelijke tong kan schetsen, geen verstand kan bevatten. En, hoelang zal hij die onmetelijke pijnen moeten lijden, hoelang in dat bed van vlammen moeten vertoeven? Het was in den jare 840 als Lodewijk I in den Heer ontsliep even godvruchtig, als hij geleefd had, waarom men hem met recht den bijnaam van „den vromequot; gaf. Tijdens zijn leven had hij de vijanden van het H. Geloof vervolgd, kloosters gesticht. Kerken gebouwd en versierd. Voor zijn dood begaf hij zich naar een eiland, niet ver van Mainz, waar hij biechtte en gedurende de veer-tigdaagsche vasten niets anders nuttigde dan het H. Sacrament des Altaars. Daarna, zoo schrijft Spondanus, verdeelde hij zijne schatten onder de Kerken, armen en zijne kinderen, vergaf grootmoedig aan zijn afwezigen zoon Lodewijk alles, wat hij tegen hem misdaan had, wapende zich met het teeken des H. Kruizes, verjoeg diiaimede de duivels, die hem in zijne laatste oogenblikken verschenen en lastig vielen, verhief zijne oogen ten hemel en vol vreugde blies hij zijn laatsten ad?m uit den 2osten Juli in het 64ste jaar zijns levens, het 27sle zijner regeering. Wie zou niet aannemen, dat die godvreezende keizer, die zooveel goed stichtte, zoo milde aalmoezen gaf, zoovele HH. Missen hoorde, enz., dat hij, zooals men zegt, regelrecht naar den hemel ging? ,,Maar uwe gedachten zijn niet de mijne,quot; verzekert de Heer. Drie en dertig jaar na zijn zalig

ocr page 243

221

afsterven verschijnt de keizer aan zijn zoon Lodewijk II, destijds koning van Beieren, omringd van vlammen en hem met aandrang smeekend, dat hij hem toch uit de pijnen des vage-vuurs zou verlossen. De H. Vincentius verhaalt in zijne onderrichting over het wijwater dat iemand om een enkele dage-lijksche zonde een jaar lang in het vagevuur heeft moeten lijden. Omdat de vrome zuster van den H. Damianus eens eene vroolijke muziek met te veel vermaak aanhoorde, werd zij veroordeeld tot vijftien dagen vagevuurstraf. Bleef voor den grooten dienaars God fr. Joannes de Via, die in 1641 overleed, de toegang tot den hemel zoo lang gesloten, o hoe vele jaren zal dan de lauwe religieus in die zuiveringsp.'aats moeten doorbrengen, wanneer hij b. v. dagelijks slechts 5, bijgevolg in een jaar 1825, in tien jaren 18.250 misslagen begaat?

Maar ten slotte wordt dan toch dat smartelijke vuur gebluscht, en als wij hem dan vergezellen naar het hemelsche vaderland, dan bemerken wij ook daar een ontzettend verlies, door zijne geestelijke traagheid veroorzaakt.

Hoe grooter deugd op aarde, des te hooger glorie in den hemel. Iedere moeite, iedere inspanning zal als een fonkelende parel schitteren in de onverwelkbare kroon. Ieder lijden geduldig voor God verdragen, wordt daar omgezet in eene bloeiende roos, waar zelfs een druppel water aan den evenmensch geschonken, niet onbeloond blijft. Hoeveel duizenden trappen van heerlijkheid alzoo, hoeveel duizenden genietingen, die verdiend hadden kunnen worden door getrouwe medewerking met de genade, door standvastige verstervingen en goede werken, maar voor de lauwe ziel onherstelbaar verloren zijn door hare lichtzinnige nalatigheid. Een der hoogste eereplaatsen in het huis des hemelschen Vader had zij kunnen bereiken; en om hare traagheid neemt zij slechts een der laagste in. Zoo is hare lauwheid haar gedurende de geheele eeuwigheid ten nadeel.

Hoe ongelukkig is derhalve de lauwe kloosterling bij en na het oordeel! Hoe ongelukkig zal ik zijn, wanneer ik in mijne lauwheid volhard en daarin sterf. Sterf ik onboetvaardig, dan ben ik voor eeuwig verloren, sterf ik boetvaardig, dan wacht mij een vreeswekkend vagevuur. Kom ik ten laatste als gelouterd goud uit den smeltkroes te voorschijn, dan verkrijg ik slechts een geringen graad van zaligheid, O lauwheid, pest

ocr page 244

— 222

der ziel, afschuwelijk, en langzaam vergift, dat mijn tijdelijk en eeuwig geluk verwoest! Ach, hoe kon ik tot nu toe zoo dwaas zijn, mij op mijn gemak neder te vleien en zorgeloos in te slapen, in plaats van overeenkomstig mijn plicht naar volmaaktheid te streven. Hoe kon ik zoo vermetel zijn, het mij toevertrouwde talent in de aarde te begraven ia plaats van het op rente te zetten. O Jezus, mijn Heer en mijn God, mijn verlosser en rechter, ik wil niet deugdzamer schijnen dan ik ben, vol schaamte en met diepe droefheid beken ik het: reeds ontelbare malen heb ik verdiend als een ontrouwe, nut-telooze en ondankbare dienstknecht uit uw mond uitgespuwd te worden. Slechts aan uwe onbegrensde lankmoedigheid, die de maat mijner zonden ver te boven gaat, heb ik het te danken, dat ik nog niet versmacht onder de verdoemden. Om uwe leerlingen uit den slaap op te wekken, hebt gij in den hof van Olijven uw gebed onderbroken; o, laat ook voor mij, uw tragen leerling de bron uwer barmhartigheid ontspringen; vergeet mijn hoogmoed, die u vertoornde; zie néder op den ellendige, die nederig tot u roept; erken naar uwe goedheid, wat in mij uw eigendom is, neem alles weg, wat niet van u komt, wek mij op uit den doodslaap, geef mij den moed en de kracht, die ik noodig heb, opdat ik eindelijk den ouden mensch met zijne werken aflegge, en een nieuwe aantrekke, die geschapen is naar uw beeld en gelijkenis. Amen.

DERDE OVERWEGING.

De oude Adam.

Expoliantes vos veterem hominem cum actibus suis, induite novum eum, qui renovatur in agnitionem secundum imaginem ejus, qui creavit illlum.

Den ouden mensch met zijne werken uitgedaan hebbende, trekt den nieuwen aan, die vernieuwd wordt tot kennis naar het beeld van Hem, die hem geschapen heeft.

(Coloss. III. 9. 10.)

l ot dusverre heb ik overwogen, wat ik als mensch, als christen, als priester en kloosterling had moeten doen en dankbaar moet ik bekennen: „Heer, gij hebt mij uwen wil bekend

ocr page 245

— 223 —

gemaakt.quot; Ik heb overwogen, wat ik gedaan heb en vol schaamte en droefheid moet ik met den verloren zoon uitroepen: „Vader, ik heb gezondigd tegen den Hemel en tegen u.quot; Luc. XV. 18. Zoovele kostbare oogenblikken heb ik verkwist, zoovele schatten van genade verspild, ik ben straatarm geworden, zoodat ik verlangde mij te verzadigen met den draf der dieren!....quot; O kon ik door tranen en berouw een enkel van die verlorene uren terugkoopen, die ik in ledigheid heb doorgebracht 1... Kon ik mijne ondoordachte en zondige woorden herroepen, mijne slechte handelingen ongedaan maken, doch „factum infectum fieri nequit,quot; gedane zaken nemen geen keer!quot; Het verledene is helaas niet meer te veranderen! Wat moet ik dan beginnen, wat moet ik in de toekomst doen? Ziedaar de derde vraag van oneindig gewicht, die ik in deze dagen van zaligheid nog te beantwoorden heb. Neig daarom, o Heer, aw oor en verneem mijne voornemens; open uw oog en aanschouw mijne ellende, open uw mond en leer mij, wat gij van mij verlangt! „Trekt den ouden mensch met zijne werken uit, en trekt den nieuwen aan, die vernieuwd wordt tot kennis naar het beeld van Hem, die hem geschapen heeft.quot;

Dat is het, wat Gij mij door den mond des Apostels beveelt; dat is uw rechtvaardige, billijke eisch. Ik moet den ouden mensch uitdoen en een nieuwen aantrekken. Deze twee punten wil ik thans overwegen en ter harte nemen, opdat ik de volle beteekenis dier woorden naar behooren moge begrijpen en mijn leven er naar inrichten.

Alles in uw heiligsten Naam!

I.

„Trekt den ouden mensch met zijne werken uit!quot; Wie is die oude mensch, dien ik moet uittrekken? Het is de zondige Adam, de door de erfzonde bedorvene natuur, wier lagere neigingen in opstand zijn tegen Gods wet. Welke zijn zijne werken? Zijne werken zijn de zonden van zijne begeerlijkheid der oogen, begeerlijkheid des vleesches, en hoovaardij des levens en de vrijwillige gehechtheid daaraan. Wil ik derhalve den ouden mensch en zijne werken uitdoen, dan moet ik afleggen: i0 den hoogmoedigen Adam, met al, wat hij doet, 2° den

ocr page 246

222

der ziel, afschuwelijk, en langzaam vergift, dat mijn tijdelijk en eeuwig geluk verwoest! Ach, hoe kon ik tot nu toe zoo dwaas zijn, mij op mijn gemak neder te vleien en zorgeloos in te slapen, in plaats van overeenkomstig mijn plicht naar volmaaktheid te streven. Hoe kon ik zoo vermetel zijn, het mij toevertrouwde talent in de aarde te begraven in plaats van het op rente te zetten. O Jezus, mijn Heer en mijn God, mijn verlosser en rechter, ik wil niet deugdzamer schijnen dan ik ben, vol schaamte en met diepe droefheid beken ik het: reeds ontelbare malen heb ik verdiend als een ontrouwe, nut-telooze en ondankbare dienstknecht uit uw mond uitgespuwd te worden. Slechts aan uwe onbegrensde lankmoedigheid, die de maat mijner zonden ver te boven gaat, heb ik het te danken, dat ik nog niet versmacht onder de verdoemden. Om uwe leerlingen uit den slaap op te wekken, hebt gij in den hof van Olijven uw gebed onderbroken; o, laat ook voor mij, uw tragen leerling de bron uwer barmhartigheid ontspringen; vergeet mijn hoogmoed, die u vertoornde; zie néder op den ellendige, die nederig tot u roept; erken naar uwe goedheid, wat in mij uw eigendom is, neem alles weg, wat niet van u komt, wek mij op uit den doodslaap, geef mij den moed en de kracht, die ik noodig heb, opdat ik eindelijk den ouden mensch met zijne werken aflegge, en een nieuwe aantrekke, die geschapen is naar uw beeld en gelijkenis. Amen.

DERDE OVERWEGING.

De oude Adam.

Expoliantes vos veterem hominem cum actibus suis, induite novum eum, qui renovatur in agnitionem secundum imaginem ejus, qui creavit illlurn.

Den ouden mensch met zijne werken uitgedaan hebbende, trekt den nieuwen aan, die vernieuwd wordt tot kennis naar het beeld van Hem, die hem geschapen heeft.

(Coloss. III. 9. 10.)

'X'ot dusverre heb ik overwogen, wat ik als mensch, als christen, als priester en kloosterling had moeten doen en dankbaar moet ik bekennen: „Heer, gij hebt mij uwen wil bekend

ocr page 247

gemaakt.quot; Ik heb overwogen, wat ik gedaan heb en vol schaamte en droefheid moet ik met den verloren zoon uitroepen: „Vader, ik heb gezondigd tegen den Hemel en tegen u.quot; Luc. XV. 18. Zoovele kostbare oogenblikken heb ik verkwist, zoovele schatten van genade verspild, ik ben straatarm geworden, zoodat ik verlangde mij te verzadigen met den draf der dieren!....quot; O kon ik door tranen en berouw een enkel van die verlorene uren terugkoopen, die ik in ledigheid heb doorgebracht!... Kon ik mijne ondoordachte en zondige woorden herroepen, mijne slechte handelingen ongedaan maken, doch „factum infectum fieri nequit,quot; gedane zaken nemen geen keer!quot; Het verledene is helaas niet meer te veranderen! Wat moet ik dan beginnen, wat moet ik in de toekomst doen? Ziedaar de derde vraag van oneindig gewicht, die ik in deze dagen van zaligheid nog te beantwoorden heb. Neig daarom, o Heer, hw oor en verneem mijne voornemens; open uw oog en aanschouw mijne ellende, open uw mond en leer mij, wat gij van mij verlangt! „Trekt den ouden mensch met zijne werken uit, en trekt den nieuwen aan, die vernieuwd wordt tot kennis naar het beeld van Hem, die hem geschapen heeft.quot;

Dat is het, wat Gij mij door den mond des Apostels beveelt; dat is uw rechtvaardige, billijke eisch. Ik moet den ouden mensch uitdoen en een nieuwen aantrekken. Deze twee punten wil ik thans overwegen en ter harte nemen, opdat ik de volle beteekenis dier woorden naar behooren moge begrijpen en mijn leven er naar inrichten.

Alles in uw heiligsten Naam!

I.

„Trekt den ouden mensch met zijne werken uit!quot; Wie is die oude mensch, dien ik moet uittrekken? Het is de zondige Adam, de door de erfzonde bedorvene natuur, wier lagere neigingen in opstand zijn tegen Gods wet. Welke zijn zijne werken? Zijne werken zijn de zonden van zijne begeerlijkheid der oogen, begeerlijkheid des vleesches, en hoovaardij des levens en de vrijwillige gehechtheid daaraan. Wil ik derhalve den ouden mensch en zijne werken uitdoen, dan moet ik afleggen: i0 den hoogmoedigen Adam, met al, wat hij doet, 20 den

ocr page 248

— 224 —

zinnelijken Adam, met al, wat hij doet 30 den aardsgezinden Adam, met al, wat hij doet: dan moet ik afleggen den ouden Adam niet enkel met zijne werken, maar bok met zijne vrijwillige slechte neigingen en gezindheden.

i0 Ik moet uittrekken den hoogmoedigen Adam met al, wat hij doet. Wie is de hoogmoedige Adam? Die door de vleiende toespraken van den helschen slang met zich zeiven ingenomen, zich verheft, zich in de hoogte steekt. Wat doet hij ? Hij maakt van zich zeiven meer dan hij is. Zijne houding indrukwekkend, zijne manieren gemaakt; zijne woorden vloeien over van ijdel-heid, want hij beschouwt zich zeiven als begaafd, ofschoon hij onbeholpen, als geleerd, o^choon hij ongeleerd, als geacht, ofschoon hij veracht, als vroom, ofschoon hij vol gebreken is. Daarom verlangt hij lof, die hem niet gegeven wordt, eer, die hij niet verdient, eene plaats, die hij niet kan vervullen. Verkrijgt hij niet, wat hij verlangt, dan is is hij ontstemd, dan klaagt hij over partijdigheid, geringschatting zijner verdiensten, dan koestert hij wrevel en nijd tegen hen, die hem voorgetrokken zijn.

Daar de hoogmoedige te veel met zich zeiven is ingenomen, weigert hij aan God de verschuldigde eer, schrijft hij het goede, dat hij bezit of meent te bezitten aan zich zeiven toe en heeft hij bij al zijne handelingen zijne eigene en niet Gods eer op het oog. Heeft hij talenten, dan zegt hij: „ik heb veel gestudeerd, ik heb veel ondervonden en er mijn voordeel mede gedaan.quot; Is hij gezond, dan heet het; „ik neem mij in acht.quot; Gelukt hem eenig werk, dan spreekt hij Assuerus na: „in de kracht mijner hand heb ik dit volbracht.quot; (Isai. X. 13.) Dwaas, wat zegt gij in uwe opgeblazenheid? Alleen op die werken moogt gij u beroemen, die gij voor uwe geboorte verricht hebt; want de goederen, die gij bij uwe geboorte verkregen hebt, heeft God u geschonken, even goed, als het leven. Die deugden alleen zijn van u, die gij zonder ziel beoefend hebt, want God blies u eene ziel in. Alleen dien heiligen strijd moogt gij op rekening brengen van uwen ijver, dien gij buiten het lichaam hebt gestreden, want het lichaam is niet uw, maar Gods werk. „Wat hebt gij derhalve, dat gij niet ontvangen ' ebt; hebt gij het echter ontvangen, wat verheft gij u dan, alsof gij het niet ontvangen hadt,quot; (I Cor. IV. 7.)

ocr page 249

— 225 —

Daar de hoogmoedige zich zeiven te hoog schat, acht hij den evenmensch te weinig, telt het goede, wat hij in anderen niet kan ontkennen, te gering, hoort ongaarne den lof van anderen verkondigen, weet altijd iets af te keuren op diens gestalte, spreek- en handelwijze, trekt altijd eiger;e inzichten voor die van anderen, wil alles beter weten en verstaan dan anderen, weerspreekt allen, terwijl hij zelf geen tegenspraak kan dulden, is slechts dan tevreden, wanneer eenieder naar zijne pijpen danst, wil altijd gebieden en nimmer gehoorzamen, altoos onderrichten en nooit leeren, en zoo komt hij ten laatste er toe, dat hij evenals die Phariseër in den tempel met minachting nederziet op zijn e.enmensch en hem smadelijk bejegent.

Zoo doet de hoogmoedige Adam; zoo heb ook ik tot nu toe meer of minder gedaan. O boven alle maat betreurenswaardige dwaasheid 1 Blindheid des geestes, die ik niet genoeg kan beweenen! Ik, die den naam van een christen draag, die geloof in Jesus en rdjn evangelie, die er mij op beroem een leeraar en leidsman van Let volk te zijn, die een „minderbroederquot; genoemd word, ik brandde van de fakkel der hoo-vaardij. Ik dorstte naar eer en aanzien, onder het vaandel der nederigheid streed ik voor de eerzucht, in de school van den ootmoedigsten Meester was ik vol hoogmoed. Waarlijk, een anderen duivel had ik niet noodig, dan mij zeiven alleen, om met Lucifer in den diepsten afgrond der hel te vallen!

O Jesus, ontferm u mijner! Red mij in weerwil van uw woord, dat gij den hoogmoedige wederstaal! Ik haat, verafschuw, vervloek mijne dwaasheid en wil den ouden mensch voor eeuwig verbannen. Weg dan met alle verwaandheid en groot-sprekerij. „Een ander moge mij prijzen, niet mijn eigen mond, een vreemde, niet mijne eigene lippen.quot; (Prov. XXVII, 2.) Weg dan met alle eergierigheid en eerrooverij, want „alle goede gaven en alle volmaakt geschenk komt van boven, van den Vader der lichten.quot; (Jac. I. 17.) Weg met alle waanwijsheid en heersch-zucht, want „wie onder u groot wil zijn, hij zij uw dienaar; wie onder u de eerste wil zijn, hij zij uw knecht.quot; (Matth. XX, 26.) Weg met de hoovaardigheid, die smetstof der geestelijke vallende ziekte, die koningin aller ondeugden, die, als zij eenmaal in het hart zetelt, het ter verwoesting overlevert aan de hoofd-

NIEUWE HANDLEIDING. 15

ocr page 250

— 220

zonden! Ik wil afleggen den Adam met zijne trotschheid in het hart, die groot van zich denkt, met zijne trotschheid in den mond, die groot van zich spreekt, met zijne trotschheid in werken, die groot met zich doet.... Ik wil eindelijk afleggen den hatelijksten hoogmoed, die, zich verbergend onder den dekmantel der nederigheid evenals een wolf in een schapen-wacht, al het goede in mij verstikt en vernietigt. Zoo zij het, zoo geschiede het, o Heer, met Uwe allesvermogende genade!

20 Ik moet uittrekken den zinnelijken Adam met zijne werken. Wie is de zinnelijke Adam ? Die vol ongeregelde begeerten naar zinnelijk genot, zoekt wat het lichaam streelt, en ontvlucht, wat het pijnlijk aai doet. Welke zijn zijne werken? Het is die weeke vertroeteling des lichaams, die zich bij iedere gelegenheid op belachelijke wijze vertoont. Het is die buitensporige slaap, waaraan hij zich niet enkel 's nachts, maar ook bij dag overgeeft. Het is die ongeregeldheid in voeding, waardoor hij bij ontijden, te goed, te veel, te begeerig, te kostelijk eet en drinkt. Dit alles zijn dingen die iederen mensch, maar nog te meer iederen christen onwaardig zijn, wiens leven volgens de kerkvergadering van Trente (Sess. XIV.) eene voortdurende boetedoening wezen moet; vooral echter zijn zij den priester en den kloosterling onwaardig, daar zij den gsest ontzenuwen en het lichaam overmoedig maken. Wanneer het lichaam, zoo zegt ons de H. Ambrosius (Serm. 7, in ps. ri8) door voedsel en slaap ontgloeit, dan vergaat alle geestkracht in slapheid en lost zich op in droomen. De begeerte naar zondig vleeschelijk genot komt binnengeslopen; het hart geraakt in verwarring, heeft geen afschrik meer voor het vuil der onzuiverheid, heeft geen verlangen meer naar de reinheid der ziel en de roem der maagdelijkheid wordt niet meer geteld.quot;

De werken van den zinnelijken Adam zijn vervolgans die overbodige gesprekken, die kinderachtige grappen, waarop hij jacht maakt, en die alles behalve passen bij den godsdienstigen ernst eener aan God toegewijde ziel, nuttelooze bezoeken, die gevaarlijk zijn voor de deugd; evenzoo de schadelijke en niet ■ minder schandelijke ledigheid, die den mensch verlaagt beneden de bijen en mieren, die, zooals het spreekwoord zegt: „des duivels oorkussen,quot; het 't begin van alle kwaad is. Het is die afschuwelijke wellust, die de oneindig Heilige God zoozeer haat in ieder

ocr page 251

227

mensch, maar vooral in den priester, dat het Concilie van Con-stans leert: God heelt meer behagen in het gebrul der leeuwen, in het geloei der ossen, in het geknor der zwijnen, dan in het gezang van wellustige priesters.quot; De werken van den zinnelijken Adam zijn verder c'e vrees voor kruis en lijden, voor moeite en inspanning, „want in den arbeid der anderen is hij nieten hij wordt met de anderen niet gegeeseld.quot; (Ps. LXXII. 5.) Het is die ongelukkige afschrik van arbeid en opoffering, die in zich lijnrecht Gods inzichten en 's menschen betere natuur tegenover staat, en de bron is van ontelbare fouten. Terwijl de brave medebroeder onder den drukkenden last zijner beroepsbezigheden haast bezwijkt, en nog vreest aan zijne plichten te kort te komen, leest de „broeder doenietquot; haastig de Mis, ontbijt om dan te luieren. Hoe dikwijlgt; op een dag ziet men liem door de gangen slenteren, zoo gemakkelijk mogelijk' op de banken zitten, de huizen der wereldlingen inloopen! Hoe dikwijls hoort men hem morren, alles beoordeelen en afkeuren, klagen over verveling en gebrek aan onderhoud 1 O wraakroepende doodslag van tijd en leven! — Het is ten laatste het ontvluchten der altijd noodzakelijke in- en uitwendige versterving en boetvaardigheid, die reeds de heidensche wijsgeer Epictetus leerde door de woorden: „verdragen, ontberen;quot; en zonder deze kan ik geen rechtschapen mensch, laat staan een dienaar van den Gekruisigde zijn.

Dat zijn de werken van den zinnelijken Adam; dat waren, ik ontveins het niet, tot nu toe meer of minder ook de mijne. Ach, wie zal tranen aan mijne oogen geven, om dag en nacht mijne schuld te beweenen! Ik, die zoo dikwijls de hel verdiende, die volgens recht gekastijd moest worden, ik koesterde mijn lichaam, dacht slechts aan genietingen, gaf mij over aan een lui, weekelijk en geesteloos leven, dat door de H. Schrift en het gezond verstand tegelijk verworpen wordt; daarom ben ik nu omkleed met boosheid, en uw goddelijk aanschijn onwaardig, o Heer! Wanneer ik nu nog niet sidder voor u en voor mij zeiven, dan ben ik weldra rijp voor mij zeiven, dan ben ik weldra rijp voor de verwerping. Doch neen, niet ik, die verga van schaamte en berouw, maar de oude Adam zal den dood sterven. De zelfzuchtige valle, de zinnelijke mensch wijkei Weg dan met mijne slaapzucht! „Ser vel septem horas

ocr page 252

228

dormisse sat est.quot; „Is het tijd om op te staan, dan geen oogen-blik meer gedraald.quot; (Eccli, XXXII. 15.) Weg met mijne gemakzucht, want het vuur zal niet uitgaan, zoolang ik er brandstof op werp; de zinnelijkheid zal niet zwijgen, zoolang ik haar blijf bevredigen. Weg met alle ongeregeldheid in spijs en drank, waqt als ik het lichaam goed doe, geef ik voedsel aan de booze lusten! Weg met alles wat het oog bekoort, het oor verrukt, den neus behaagt, het gehemelte prikkelt, het gevoel streelt, het vleesch welgevallig is! Zoo geschiede het, o Jezus, met uwe goddelijke hulp!

30 Ik moet uittrekken den aardsgezinden Adam met zijne werken. Wie is de aardsgezinde Adam? Wiens gedachten en streven op tijdelijke goederen gericht zijn. Wat doet hij? Hij schat het aardsche te hoog, alsof het kostbaar, zeker en bestendig is, hoewel geen aardsch goed volmaakt, geen vreugde zonder tranen, geen rust zonder einde, geen vermaak zonder vrees, geen kracht zonder zwakheid, geen bezit in zekerheid is. Hij bemint de schepselen op ongeregelde wijze, daar hij ze gebruikt niet als middelen tot hooger doel, maar ze om hen zelve hoogacht; daarom verlangt en streeft hij er naar met den aandrang van een hongerigen wolf. Geen weg is hem te moeielijk, geen tijd te lang, geen moeite te zwaar, geen middel te laag om het zoo vurig begeerde goed in zijn bezit te krijgen. In weerwil van het uitdrukkelijk verbod: „bemint niet de wereld, noch wat in haar is,quot; (Joës. II. 15.) want, „wie een vriend der wereld wil zijn, is een vijand van God.quot; (Jac. IV. 4.) In weerwil zijner woorden bij de tonsuur gesproken: „de Heer is mijn erfdeel en het aandeel van mijn kelk,quot; (Ps. XV. 5.) in weerwil van zijn plicht om als een aan God gewijde de tijdelijke goederen te verachten en die verachting door woord en voorbeeld ook aan anderen te prediken, in weerwil van dat alles denkt hij aan wereldsche bezigheden, spreekt hij van de wereld, verlangt hij naar de wereld, stelt hij zijn hoop op de wereld en met een hart vol tijdelijke begeerten en wenschen beklimt hij dagelijks het altaar. Heeft hij eindelijk het doel van zijn ellendig streven bereikt en het verlangde verworven, dan hecht hij zich daaraan zoodanig, dat men moet zeggen: „niet hij bezit dat goed, maar dat goed ■ bezit hem.quot; Hoewel hij het tijdelijke gebruiken moet, als ge-

ocr page 253

brnikte hij het niet, zoekt hij toch daarin zijne vreugde, zijn vrede, zijn geluk. En wat vindt hij anders dan waarachtig ongeluk, en bedriegelijk geluk. Terwijl hij zijn dorst geheel scheen te kunnen lesschen, heeft hij hem juist opgewekt en ontvlamd. De begeerte om nog meer te bezitten maakt hem gejaagd, de vrees om het verworvene ten spijt van alle inspanning weder te verliezen, maakt hem angstig. En als hij het verliest, welke droefheid, welke gramstorigbeid, wat een eindeloos geklaag! Rampzalig is hij, omdat hij ijdele, vergankelijke dingen slechts met moeite verwerft, beklagenswaardig is hij, dewijl hij ze met vrees bewaart, arm is hij, dewijl hij ze met smart verliest, blind, omdat hij niets anders ziet, naakt, daar hij geen ander goed heeft, dwaas, daar hij zich door zulk een valschen schijn laat verblinden. Zoo is, zoo handelt de aardsch gezinde Adam.

Zoo was, zoo deed ook ik helaas meer of minder. Ik liet mij verleiden, vervoeren en binden door de schijngoederen der wereld. Als eene spin gaf ik mij moeite, een web te weven, om de vliegen van een vergankelijk geluk te vangen, als een visch beet ik in het mij toegeworpen aas van liefde en vriendschap en toen ik het tegelijk met den angel inslikte, verloor ik den smaak voor het hemelsche. Ik beminde den overvloed, vreesde het gebrek, schepte behagen in de manieren en gebruiken, iil de gaven en geschenken der wereld, nooit had ik te veel, nooit genoeg. Ofschoon ik door mijne intrede in het klooster aan de wereld een eeuwigen oorlog verklaard had, zag ik evenals de vrouw van Lot, op Sodoma terug, verlangde ik evenals de Israëlieten in de woestijn naar de vleeschpotten van Egypte, ik gaf aan God mijn lichaam, mijn geest echter aan de aarde; daardoor beging ik, ellendig tweeslachtig wezen, niets meer of minder dan een meineed tegen den hemel, hoog verraad tegen mijn H. Orde, sluipmoord tegen mij zeiven. Doch neen, mijn God, niet langer wil ik zoo schandelijk mijn gegeven woord van trouw verbreken! Al mijne gedachten, wenschen, verlangens, lichaam en ziel wil ik losscheuren van alles wat Gij niet zijt. Ik wil den aardgezinden Adam met zijne werken uittrekken. Ik wil niet meer voor hem in het stof kruipen, hem niets meer toegeven, hem niet meer de hand reiken, niet meer met smachtenden blik naar hem opzien; mijn

ocr page 254

— 230 —

hart zal zonder eenige genegenheid voor hem zijn, mijn haat en minachting voor hem wil ik niet meer afleggen.

Weg dan met den ouden hoogmoedigen, zinnelijken en aards-gezinden mensch met zijne werken! Weg met alle gehechtheid aan hem! Vijandschap wil ik stellen tusschen mij en hem, ik wil hem verdelgen, zijne altaren omverwerpen, zijne beelden verwoesten en voortaan U alleen beminnen, U alleen dienen, U alleen gehoorzamen, want Gij zijt mijn Heer en mijn alles, mijn erfdeel in eeuwigheid ! Amen.

VIERDE DAG.

EERSTE OVERWEGING.

De nieuwe Adam.

Expoliantes vos veterem hominem cum actibus suis, induite novum, eum, qui renovatur in agnitionem secundum imaginem ejus, qui creavit illlum.

Den ouden mensch met zijne werken uitgedaan hebbende, trekt den nieuwen aan, die vernieuwd wordt tot kennis naar het beeld van Hem, die hem geschapen heeft.

\Coloss iii. 9. 10.)

„T rel t uit den ouden mensch met zijne werken,quot; d. w. z. legt af de zondige gezindheid van den hoogmoedigen, zinnelijken en wereldschen Adam met de daaruit voortkomende werken, en „trekt den nieuwen aan, die vernieuwd wordt tot kennis naar het beeld van den Schepper!quot; Wat beteekentdat? Dit: neemt aan de gezindheid en de handelwijze van een nieuwen mensch, die naar Christus gevormd is. Die vernieuwing geschiedt in de bekeering en het Doopsel om weder tot de verlorene kennis van God en de goddelijke dingen te geraken; de vernieuwing zelf echter bestaat daarin, dat het beeld Gods, wat door de zonde en de afstamming uit Adam verloren gegaan was, weder in den mensch hersteld worde.quot; (Allioli. 1. c.) Om derhalve aan Jesus gelijkvormig te worden, moet ik mijne oogen op hem vestigen, zijne gezindheid aannemen, zijne handelingen navolgen, zoodat ik uiterlijk en innerlijk een beeld

ocr page 255

van Jesus ben. Daar nu Jesus, de nieuwe Adam, in alles lijnrecht staat tegenover den ouden Adam, daar ik in Hem in plaats van hoogmoed en ongehoorzaamheid nederigheid zie sn onderdanigheid, in plaats van zinnelijkheid en.onreinheid, boetvaardigheid en zuiverheid, in plaats van aardsgezindheid en hebzucht, hemelsch -n zin en armoede, daarom moet ik, na de hoovaardij des levens, de begeerlijkheid des vleesches en de begeerlijkheid der oogen afgelegd te hebben, aantrekken: 1° den ootmoedigen en daarom gehoorzamen Jesus, 20 den boetvaardigen en daarom reinen Jesus, 3° den hemelschen en daarom armen Jesus.

Dat moet ik doen^ als ik een christen, als ik uw leerling wil zijn, want Gij hebt gezegd; „die mij dient, zal mij navolgen.'' Vertoon u dan, o jesus, aan de oogen van mijn geest, opdat ik U, het vlekkeloozo toonbeeld, oplettend en aandachtig be-schouwe, en geef mij de genade om de liefelijke trekken der deugd aan U te ondeenen en getrouw in mij weer te geven. Alles tot Uwe goddelijke eere, o Jesus!

I.

Ik moet aantrekken den nederigen en daarom gehoorzamen Jesus.

Diep steekt in mijne bedorvene natuur de wortel van den hoogmoed. Ik wilde niet erkennen, dat ik slechts stof en voor God niets meer ben dan een bedelaar, die dagelijks zijn genadebrood eet, en oogenblikkelijk ineenstort, indien zijne hand mij loslaat. Ik wilde God zijn, daarom is God mensch geworden ; ik wilde mij verheerlijken, daarom heeft de Zoon Gods zijne eeuwige heerlijkheid afgelegd en de gestalte van een dienstknecht, de gestalte mijner zwakheid aangenomen, en is de onzichtbare niet enkel zichtbaar, maar in de diepste verachting verschenen. Hij leefde in bestendige verootmoediging, niet alleen om mijn schuldbrief uit te wisschen, maar ook om mij te onderrichten dat ik, die door hoogmoed gevallen was, slechts langs den ladder der nederigheid tot het ware heil kan komen. Adam werd geschapen in volle schoonheid en mannelijke kracht, J«us echter. Hij, die den aardbol tusschen duim en vinger houdt, wil een zwak hulpbehoevend [kind zijn, wil krijten

ocr page 256

— 23° —

hart zal zondar eenige genegenheid voor hem zijn, mijn haat en minachting voor hem wil ik niet meer afleggen.

Weg dan met den ouden hoogmoedigen, zinnelijken en aards-gezinden mensch met zijne werken! Weg met alle gehechtheid aan hem! Vijandschap wil ik stellen tusschen mij en hem, ik wil hem verdelgen, zijne altaren omverwerpen, zijne beelden verwoesten en voortaan U alleen beminnen, U alleen dienen, U alleen gehoorzamen, want Gij zijt mijn Heer en mijn alles, mijn erfdeel in eeuwigheid ! Amen.

VIERDE DAG.

EERSTE OVERWEGING.

De nieuwe Adam.

Expoliantes vos veterem hominem cum actibus suis, iaduite novum, eum, qui renovatur in agnitionem secundum imaginem ejus, qui creavit illlum.

Den ouden mensch met zijne werken uitgedaan hebbende, trekt den nieuwen aan, die vernieuwd wordt tot kennis naar het beeld van Hem, die hem geschapen heeft.

\Coloss III. 9. 10.)

„T rel t uit den ouden mensch met zijne werken,quot; d. w. z. legt af de zondige gezindheid van den hoogmoedigen, zinnelijken en wereldschen Adam met de daaruit voortkomende werken, en „trekt den nieuwen aan, die vernieuwd wordt tot kennis naar het beeld van den Schepper!quot; Wat beteekent dat? Dit: neemt aan de gezindheid en de handelwijze van een nieuwen mensch, die naar Christus gevormd is. Die vernieuwing geschiedt in de bekeering en het Doopsel om weder tot de verlorene kennis van God en de goddelijke dingen te geraken; de vemieawing zelf echter bestaat daarin, dat het beeld Gods, wat door de zonde en de afstamming uit Adam verloren gegaan was, weder in den mensch hersteld worde.1' (Allioli. I. c.) Om derhalve aan Jesus gelijkvormig te worden, moet ik mijne oogen op hem vestigen, zijne gezindheid aannemen, zijne handelingen navolgen, zoodat ik uiterlijk en innerlijk een beeld

ocr page 257

van Jesus ben. Daar nu Jesus, de nieuwe Adam, in alles lijnrecht staat tegenover den ouden Adam, daar ik in Hem in plaats van hoogmoed en ongehoor/.aamVieid nederigheid zie en onderdanigheid, in plaats van zinnelijkheid en.onreinheid, boetvaardigheid en zuiverheid, in plaats van aardigezindheid en hebzucht, hemelsch -n zin en armoede, daarom moet ik, na de hoovaardij des levens, de begeerlijkheid des vleesches en de begeerlijkheid der oogen afgelegd te hebben, aantrekken: 1° den ootmoedigen en daarom gehoorzamen Jesus, 2° den boetvaardigen en daarom reinen Jesus, 3° den hemelschen en daarom armen Jesus.

Dat moet ik doen, ab ik een christen, als ik uw leerling wil zijn, want Gij hebt gezegd: „die mij dient, zal mij navolgen.'' Vertoon u dan, o Jesus, aan de oogen van mijn geest, opdat ik U, het vlekkeloozo toonbeeld, oplettend en aandachtig be-schouwe, en geef mij de genade om de liefelijke trekken der deugd aan U te ontkenen en getrouw in mij weer te geven. Alles tot Uwe goddelijke eere, o Jesus!

I.

Ik moet aantrekken den nederigen en daarom gehoorzamen Jesus.

Diep steekt in mijne bedorvene natuur de wortel van den hoogmoed. Ik wilde niet erkennen, dat ik slechts stof en voor God niets meer ben dan een bedelaar, die dagelijks zijn genadebrood eet, en oogenblikkelijk ineenstort, indien zijne hand mij loslaat. Ik wilde God zijn, daarom is God mensch geworden ; ik wilde mij verheerlijken, daarom heeft de Zoon Gods zijne eeuwige heerlijkheid afgelegd en de gestalte van een dienstknecht, de gestalte mijner zwakheid aangenomen, en is de onzichtbare niet enkel zichtbaar, maar in de diepste verachting verschenen. Hij leefde in bestendige verootmoediging, niet alleen om mijn schuldbrief uit te wisschen, maar ook om mij te onderrichten dat ik, die door hoogmoed gevallen was, slechts langs den ladder der nederigheid tot het ware heil kan komen. Adam werd geschapen in volle schoonheid en mannelijke kracht, Jasus echter. Hij, die den aardbol tiisschen duim en vinger houdt, wil een zwak hulpbehoevend [kind zijn, wil krijten

ocr page 258

— 232 —

en weenen, zich laten opnemen en nederleggen. Acht dagen oud ontvangt Hij bij de Besnijdenis, het teeken der zondaren, laat Hij zich door Herodes vervolgen en vlucht naar Egypte, Hij, voor wiens adem de bergen versmelten. In het vaderland teruggekeerd, leeft Hij dertig jaren verborgen en onbekend in de hut te Nazareth, en voert geen vorsten- of graventitel, maar dien van den zoon des timmermans. Hij, de koning der koningen, de Heer der heerscharen. Voordat Hij zijn predikambt begint, laat hij zich doopen, Hij, in wiens bloed wij allen moeten gewasschen worden; Hij, voor wien alle knie zich buigt van die in den hemel op de aarde en onder de aarde zijn. Hij trekt het geheele land door, predikend, wonderen werkend, overal weldoend om daarvoor haat en vervolging, spot en hoon, ondank en lastering in te oogsten. Wel had Hij zijne woorden en werken met zekeren luister kunnen omgeven, maar Hij heeft het niet gewild. Zijne leerlingen mochten grooter en treffender wonderen verrichten, voor zich behield Hij de nederigste verrichtingen. Noemt men Hem goed, dan zegt Hij: „God alleen is God,quot; (Matih. XIX, 17.) wil men zijne wonderen vermelden, dan verbiedt Hij zulks; wil men Hem koning maken, dan neemt Hij de vlucht. Aangaande zijne verheerlijking op Thabor legt Hij zijnen leerlingen het zwijgen op. Bij het laatste Avondmaal bedient de Heer zijne dienaren en wascht hunne voeten. Welke nederigheid Hij beoefende en leerde, totdat Hij als een misdadiger op het schandhout sterft, dat kan eens menschen verstand niet bevatten, de tong niet uitspreken. En zelfs na zijne Verrijzenis en Hemelvaart blijft Hij onder de gedaante van eene Hostie onder ons, verdraagt Hij geduldig en zwijgend den haat en de mishandelingen zijner vijanden tot aan het einde der wereld, en overal vertoont Hij zich aan ons oog als den Gekruisigde, om ons in huis en in kerk, op weg en steeg altijd aan zijne oneindige vernedering te herinneren. Met hoeveel waarheid kon derhalve de Apostel schrijven: „Hij heeft zich zeiven vernederd.quot; (Philip. II. 8.) Doch niet slechts met het verstand en het hart, ook met den wil, dus geheel en al wilde Hij zich vernederen, daarom onderwierp Hij zijn wil aan dien van anderen, dat is, Hij werd onderdanig. Aan wie? Vooreerst aan zijneu hemelschen Vader. Tot hoever? Tot aan de menschwording, tot aan de deelneming in de men-

ocr page 259

— 233 —

schelijké sterfelijkheid, 'tot aan de drievuldige bekoring des duivels, tot aan de verwerping door liet joodsche volk, tot aan de bespuwing, tot aan de geeseling, wat zeg ik, tot aan den dood, ja tot aan den dood des kruizes. Doch het is niet zwaar zijnen Vader te gehoorzamen.

Aan wie gehoorzaamde Hij nog meer? Hij gehoorzaamt aan deugdzame menschen. Maria, Zijne moeder, beveelt en de Zoon Gods is gehoorzaam. Jozef gebiedt en Hij is onderdanig. Dertig jaren gaan voorbij in onafgebroken gehoorzaamheid aan Zijne ouders. Nog meer. Hij gehoorzaamt aan arme en zondige menschen. Een blinde roept, en Jesus gaat tot hem. Een melaatsche vraagt om gereinigd te worden, en Jesus spreekt: ik wil, word gereinigd. Moeders verlangen, dat Hij hnnne kinderen zegene, en Hij doet het, ontelbare zieken komen tot Hem om genezing, en Hij geneest allen. Zelfs aan Zijne vijanden gehoorzaamt Hij. Zij willen Hem binden en Hij laat het toe. Zij willen Hem geeselen en Hij verzet zich niet. Zij willen Hem kronen met doornen, en Hij verhindert het niet. Zij willen Hem kruisigen en Hij wordt gekruisigd. O nederigheid, o gehoorzaamheid van Jesus 1 Beschaamd en sprakeloos sta ik voor u. God vernedert zich en ik zal mij verheffen 1 God onderwerpt zich aan de menschen en ik zal heerschen ! Neen, eeuwig neen! Waar de meester is, daar moet ook de leerling zijnl Ik wil beminnen, wat gij bemindet, zoeken, wat gij zocht, doen, wat gij deedt. Ik wil mij zeiven gering schatten en de minachting liefhebben; bereidwillig en met vreugde wil ik gehoorzamen en niet meer letten op den persoon, die beveelt, niet meer op zijne eigenschappen of zijn bevel, maar blindelings gehoorzamen gelijk gij, mijn Jesus. Gij zult mijn voorbeeld zijn, ik uw afbeeldsel.

II.

Ik moet aantrekken den boetvaardigen en daarom zuiveren Jesus. De goddelijke Heiland heeft boetvaardigheid gedaan niet slechts om te voldoen voor de zonden der wereld, die Hij op zich genomen had, maar ook om mij te onderwijzen. En welke boetvaardigheid? Ach, welke boete in den schoot zijner moeder, bij zijne geboorte en bloedige besnijdenis!

ocr page 260

Welke smarten verdroeg Hij bij den kindermoord te Bethlehem, welke ontbjringen op de vlucht naar Egypte, in Egypte en op de terugreis! Welke strengheid beoefent Hij tijdens zijn verborgen leven te Nazareth I Zijne woning is armoedig, zijn kleed van wol, zijn voedsel zijn geringe spijzen, zijn vasten is bestendig, zijn gebed zonder Onderbreking ! Op zijne reizen van de eene plaats naar de andere verdraagt Hij hitte en koude, honger en dorst, vermoeienis en kwelling, de gebreken zijner leerlingen, de halsstarrigheid der Joden, de valsche oordeelen en verdachtmakingen, de tegenspraak en lastering, de ondankbaarheid, den toorn en den haat zijner vijanden. Zijn de opgenoemde boetewerken gelijk aan een stroom, zijn laatste boetetijd kan vergeleken worden met eene onmetelijke zee van lijden; welk een vreeselijken doodstrijd immers verduurt hij in den hof van Gethsemani. Als een berg drukt het trouwelooze verraad van een Judas op zijn goddelijk Hart. Ontzaggelijk veel verdraagt Hij bij zijne gevangenneming, bij het heen- en wedersleuren naar de gerechtshoven van godde-looze rechters, bij de verschillende valsche beschuldigingen, bij de vuistslagen, bij de walgelijke bespuwing en in den duisteren kerker. Welke ontzettende boete pleegt Hij, wanneer Hij aan het hof van Herodes als een dwaas wordt bespot, wanneer Hij door Pilatus, die zijn geweten in overeenstemming wil brengen met den eisch der wereld, gelijk gesteld wordt met een gevangen moordenaar, wanneer hij aan een schandpaal gebonden met roeden gegeeseld, met scherpe doornen gekroond, als een spotkoning gehoond wordt; wanneer Hij verscheurd, vaneen gereten en met wonden bedekt aan het volk wordt voorgesteld, tot den kruisdood veroordeeld, met het schandhout beladen, van zijne kleederen beroofd, aan het kruis genageld, in den gloeiendsten dorst met gal en azijn gelaafd, in zijn bitteren doodstrijd bespot en gelasterd, vervloekt en ver-wenscht wordt; wanneer Hij zijne innig geliefde moeder met zich ziet lijden, zijn verrader en den moordenaar aan zijn linkerhand onboetvaaidig ziet sterven, zoo velen verstokt ziet blijven; wanneer zijne allerheiligste ziel van eiken troost verstoken is; wanneer Hij daar sterft onder de handen der beulen, in duizend angsten, verlaten van de zijnen, veroordeeld door een verworpen volk, als de ergste onder de misdadigers 1...

ocr page 261

O boete boven alle boete! Bewonderenswaardige boetvaardigheid van mijn Verlosser en Meester!

Wat kon er op dien ruwen bodem van zulke boetvaardigheid beter gedijen dan de lelie der onbevlekte zuiverheid? Dcch wat zeg ik ? Ik verlaag u tot de heiligen. Neen. Gij zijt niet slechts rein, gij zijt de reinheid zelve, de reinste onschuld; slechts in zooverre is iemand zuiver, a!s hij op u, Jesus, gelijkt! Wie toch zoudt gij anders kunnen zijn dan de zoon der maagdelijkheid! Van eeuwigheid in den goddelijken schoot des Vaders geteeld, in den tijd ontvangen in den maagdelijken schoot van Maria, hebt gij het zuiverste lichaam aangenomen, aan de ziel onbeperkte macht daarover gegeven, zijt gij op maagdelijke wijze geboren en altijd de spegel der maagdelijkheid gebleven, zonder ooit door de minste vlek van begeerlijkheid bezoedeld te zijn geworden Uit uwe oogen, van voorhoofd en wangen straalt het licht der hoogste onschuld. Maagdelijk zijn uwe handen, maagdelijk uwe voeten, maagdelijk is uw lichaam; zuiver zijn uwe gedachten, zuiver uwe begeerten, zuiver uwe wenschen, zuiver uwe woorden, uwe werken, uwe geheele menschheid. Als gij Joannes den Dooper tot uwen voorlooper. Jozef tot uwen voedstervader, Joannes den evangelist tot uw bevoorrechten leerling verkiest, dan is het om hunne zuiverheid. Als gij de kinderen tot u laat komen en ze liefkoost, dan is het, omdat zij nog onschuldig zijn. Uwe vijanden mogen den giftigsten zwadder van ellendige lasteringen tegen u uitspuwen, maar onzuiver laat gij u niet noemen. Spreekt gij van andere menschen, dan wilt gij hun Heer en Meester genoemd worden. Spreekt gij echter van maagden, dan noemt gij u haar koning, haar bruidegom. En gij zijt het ook, want gij zijt de eerste, de aanvoerder der maagdenrijen, gij zijt de zuiverheid der zuiveren. Zal ik dan, die tot het uitverkoren deel uwer kudde behoor, dat kostbare edelgesteente, die bron des onvergankelijken levens, de H. Zuiverheid, niet boven alles hoogschatten en liefhebben, niet met angstige zorg bewaren? Dat moet i'; doen, indien ik zalig wil worden, want ik kan niet zalig worden, zoo ik niet uitverkoren ben; ik ben niet uitverkoren, zoo ik niet aan u gelijkvormig word, zooals geschreven staat; „die God te voren gekend heeft, heeft Hij te voren bestemd, om gelijkvormig te worden

ocr page 262

— 236 —

aan het beeld zijns Zoons.quot; (Rom. VIII. 29.) Daarom wil ik den slang der onreinheid den kop vertrappen en alles vermijden, wat Hem, aan wien ik verloofd ben, onwaardig is. En daar de bloem der zuiverheid niet op weeken gio id, maar op den ruwen bodem der versterving groeit, en slechts bloeit onder de doornen der boetvaardigheid, daarom wil ik mijne zintuigen met een dichte haag omgeven, voortdurend het vleesch met zijne begeerlijkheden kruisigen, mij zeiven verloochenen, dagelijks mijn kruis opnemen, altijd de versterving van Jesus in mijn lichaam ronddragen, opdat ik een getrouw beeld worde van mijn boetvaardig en zuiver voorbeeld.

III.

Ik moet aantrekken den hemelschen en daarom armen Jesus. Evenals de goddelijke Heiland het verhevenste toonbeeld is van boetvaardigheid en zuiverheid, zoo is Hij het ook van hemelsgezindheid en armoede; hemelsch immers is het dubbele doel van Zijn komen en blijven op aarde. Hij wil aan God de door de zonde ontstolene eer terugschenken en den tnenschen den ontroofden vrede terugkoopen, zooals het lied der engelen op het veld van Bethlehem vermeldt: „Gloria in excelsis Deo et in terra pax hominibus.quot;

Aan dat doel beantwoordend en hemelsch is zijne geheele gezindheid, zijn streven, want met den geest en de handelwijze eener van God afkeerige wereld wil Hij niets gemeen hebben. Alles, wat Hij denkt, spreekt of doet, het is alles ter eere van zijn hemelschen Vader. Ik zoek niet mijne eer, maar de eer van Hem, die mij gezonden heeft. Ik doe altijd wat Hem behaagt, ja het is mijne spijze den wil te doen van Hem die mij gezonden heeft. Maar tevens doet Hij dat alles tot zaligheid der menschen. „De Zoon des menschen is gekomen om te zoeken en zalig te maken wat verloren was.quot; Noemt Pilatus Hem koning der Joden, dan zegt Hij; mijn rijk is niet van deze wereld. Komt men Hem zeggen, dat zijne moeder en bloedverwanten op Hem wachten, dan verklaart Hij: ,.mijne moeder en mijne broeders zijn zij, die Gods woord hooren en volbrengen. Hemelsch is zijne leer, zooals het geheele evangelie bewijst. Hij leert bidden: Onze Vader, die in de he-

ocr page 263

— 237 —

melen zijt.quot; Hij vermaant: zoekt op de eerste plaats het rijk Gods en zijne gerechtigheid,quot; want „ééne zaak slechts is noorlig.quot; Hemelsch is zijn handel en wandel, daarom is Hij van al het tijdelijke ontbloot en arm.

Door zijne menschwording trekt Hij het schamele kleed mijner armoede aan; bij zijne geboorte is een stal Zijn koninklijk paleis, een handvol hooi zijn rustbed; de adem der dieren verwarmt den Meester van het heelal. Een arme timmerman is Zijn pleegvader, een arme maagd Zijne moeder. In den tempel wordt voor Hem het ofter der armen gebracht. Arm is Zijne kleeding, arm Zijne voeding, arme visschers, die zelfs het weinige dat zij bezitten, moeten verlaten, verzamelt Hij als leerlingen rondom zich. Hij heeft niet eens een tienling, om de belasting op te brengen, geen huis om uit te rusten; geen zaal om met de zijnen het paaschlam te eten. Alles moet Hij leenen. „De vossen hebben hunne holen en de vogelen des hemels hunne nesten, de Zoon des tnenschen echter heeft niets om zijn hoofd op neder te leggen.quot; (Luc. IX, 58.) In armoede sterft Hij aan het kruis; door de milddadigheid van den rijken Jozef van Arimathea wordt Hij begraven; arm wil Hij blijven na zijne verrijzenis, arm ook nu in den tabernakel vertoeven. O hemelsche, o arme Jesus! Als ik u aanschouw en toch niet verzaak aan den hatelijken geest der wereld, dan ben ik niet voor eenige verbetering vatbaar. Gij zijt zoo arm en ik zou tijdelijk voordeel en gewin zoeken.... In de herberg van dit leven ben ik maar een voortrekkend reiziger en ik zou handelen als een blijvend eigenaar 1 Neen, „de vleeschelijke gezindheid is de dood, de geestelijke gezindheid echter is leven en vrede.quot; (Rom. VIII. 6.) „Die den geest van Christus niet heeft, is niet van Hem.quot; (id. 9.) ,,Wie niet verzaakt aan alles wat hij bezit, behoort niet tot de leerlingen van Jesus;quot; (Luc. XIV. 33.) want de ijdelheid en de waarheid, het eeuwige en het vergankelijke, het geestelijke en het lichamelijke, het lage en het hoogste laten zich niet zoodanig met elkander vereenigen, dat ik twee heeren tegelijk dienen kan.

Wil ik in waarheid zijn, wat ik genoemd word: een christen, een priester, een kloosterling, dan moet ik van mijne geestelijke vleugelen de lijm van gehechtheid aan het aardsche verwijderen, om arm den hemelschen en armen Jesus te volgen.

ocr page 264

— 238 —

Hiervan doordrongen verhef ik in plechtige stilte mijne hand ten hemel en zweer bij Hem, die eeuwig leeft: „de ootmoedige en gehoorzame, de boetvaardige en zuivere, de hemelsche en arme Jesus zij voortaan mijn ideaal, mijn richtsnoer, mijn studieboek, dat ik voor mijne denk-, spreek- en handelwijze wil raadplegen, om mij daarnaar te richten, opdat voortaan niet meer ik, maar Christus in mij levelquot; (Gal. II. 20.) Amen.

TWEEDE OVERWEGING.

De leeraar der liefde.

Suadeo tibi emere a me aurum ignitum probatum, ut locuples fias.

Ik raad u aan in liet vuur gelouterd goud van mij te koopen, om rijk te worden. (Apoc. III, 18.)

J~Joezeer heb ik mij zeiven tot nu toe misleid 1 Ik meende rijk te zijn aan ware liefde, en ik was arm, getooid met deugden en verdiensten, en ik was naakt, klaarziend in de waarheid en ik was stekeblind. Om mijne blindheid heb ik licht noodig, en dat schijnt mij tegen in Christus, het licht der wereld. Om mijne naaktheid heb ik goede en heilige daden noodig, die als een schoon gewaad mijne naaktheid bedekken, en die daden wil ik verrichten door getrouw den ootmoedigen en gehoorzamen, den boetvaardigen en zuiveren, den hemelschen en armen Jesus na te volgen. Om mijne armoede heb ik geestelijken, bovennatuurlijken rijkdom noodig. Doch hoe kan, hoe moet ik rijk worden ? „Ik raad u aan,quot; zegt de Heer tot mij evenals tot den lauwen bisschop van Laodicia in het boek der openbaring, „ik raad u aan in het vuur gelouterd goud van mij te koopen om rijk te worden.quot; Onder dat in het vuur gelouterd goud verstaan de H. Ambrosius, Rupertus en eenige andere schriftverklaarders de wijsheid, de wetenschap der heiligen, welke in het hart de liefde tot God en den naaste ontsteekt. De meeste uitleggers evenwel nemen volgens Richardus, Beda, Ansbertus en Hugo met meer reden aan, dat met dat goud de zuivere, ongeveinsde, door lijden beproefde liefde zelve bedoeld is, die ik niet met zilver, maar

ocr page 265

- 239 —

door gebed, overweging en tranen moet verwerven om rijk te worden aan genaden en hemelsche goederen; bijgevolg moet ik volgens den raad des Heeren tot den Heer gaan, zijne liefde overwegen, om te leeren waarachtig lief te hebben. Dan waar vind ik de liefde 'van Jesus oprechter, vuriger en meer beproefd, dan in het H. Sacrament der liefde? Daar leert Hij mij

A. de ware liefde tot God,

B. de ware broederliefde.

Daarom kom ik, mijn Heiland, tot u in uw H. Sacrament met het doel uwe oneindige liefde te zien en liefde te leeren 1 Doch uw zwakke leerling is niet in staat alle indrukken in eens te vatten en te behouden; daarom, bid ik u, leer mij voor het oogenblik slechts een deel, leer mij de ware, volmaakte liefde tot God!

A.

De Zaligmaker in het H. Sacrament leert mij ware liefde tot God.

De ware liefde Gods is die deugd, waardoor ik mij a.) geheel aan God overgeef, b.) aan Hem zoek te behagen, en c.) mij met Hem tracht te vereenigen. Deze drie punten, deze onmisbare eigenschappen der ware, volmaakte liefde tot God leert Jesus mij door zijn verheven voorbeeld in het geheim zijner liefde.

a.) Hij leert mij de overgeving aan God, den aard en de wijze daarvan door zijne algeheele overgeving aan God den Vader en aan mij. Reeds de eerste oogslag op den tabernakel herinnert mij aan de woorden van den H. Paulus: „Hij heeft zich zeiven vernederd,quot; (Philip. II. 8.) „Hij heeft zich zeiven ontdaan,quot; (Philip. II. 7.) „Hij heeft mij bemind en zich geheel voor mij overgegeven,quot; (Gal. II. 20.) „als gave en offer Gode ten liefelijken geur.quot; (Eph. V. 2.) Sla ik de oogen des geloofs op het altaar, dan zie ik Jesus, mijn God en Heer. Zie ik echter met de oogen des lichaams, dan ontwaar ik niets anders dan de gedaanten van brood en wijn. Wanneer of waar heeft de Zaligmaker den glans zijner heerlijkheid en majesteit zoo verborgen, wanneer of waar heeft Hij zich zoo vernietigd, wanneer of waar zich zoo prijsgegeven als in het hoogheilig Altaarsacrament?

ocr page 266

— 238 —

Hiervan doordrongen verhef ik in plechtige stilte mijne hand ten hemel en zweer bij Hem, die eeuwig leeft: „de ootmoedige en gehoorzame, de boetvaardige en zuivere, de hemelsche en arme Jesus zij voortaan mijn ideaal, mijn richtsnoer, mijn studieboek, dat ik voor mijne denk-, spreek- en handelwijze wil raadplegen, om mij daarnaar te richten, opdat voortaan niet meer ik, maar Christus in mij levelquot; (Gal. II. 20.) Amen.

TWEEDE OVERWEGING.

De leeraah der liefde.

Suadeo tibi emere a me aurum ignitum probatum, ut locuples fias.

Ik raad u aan in het vuur gelouterd goud van mij te koopen, om rijk te worden. (Apoc. III, 18.)

J~ïoezeer heb ik mij zeiven tot nu toe misleid! Ik meende rijk te zijn aan ware liefde, en ik was arm, getooid met deugden en verdiensten, en ik was naakt, klaarziend in de waarheid en ik was stekeblind. Om mijne blindheid heb ik licht noodig, en dat schijnt mij tegen in Christus, het licht der wereld. Om mijne naaktheid heb ik goede en heilige daden noodig, die als een schoon gewaad mijne naaktheid bedekken, en die daden wil ik verrichten door getrouw den ootmoedigen en gehoorzamen, den boetvaardigen en zuiveren, den hemelschen en armen Jesus na te volgen. Om mijne amioede heb ik geestelijken, bovennatuurlijken rijkdom noodig. Doch hoe kan, hoe moet ik rijk worden ? „Ik raad u aan,quot; zegt de Heer tot mij evenals tot den lauwen bisschop van Laodicia in het boek der openbaring, „ik raad u aan in het vuur gelouterd goud van mij te koopen om rijk te worden.quot; Onder dat in het vuur gelouterd goud verstaan de H. Ambrosius, Rupertus en eenige andere schriftverklaarders de wijsheid, de wetenschap der heiligen, welke in het hart de liefde tot God en den naaste ontsteekt. De meeste uitleggers evenwel nemen volgens Richardus, Beda, Ansbertus en Hugo met meer reden aan, dat met dat goud de zuivere, ongeveinsde, door lijden beproefde liefde zelve bedoeld is, die ik niet met zilver, maar

ocr page 267

— 2 39 —

door gebed, overweging en iranen moet verwerven om rijk te worden aan genaden en hemelsche goederen; bijgevolg moet ik volgens den raad des Heeren tot den Heer gaan, zijne liefde overwegen, om te leeren waarachtig lief te hebben. Dan waar vind ik de liefde 'van Jesus oprechter, vuriger en meer beproefd, dan in het H. Sacrament der liefde? Daar leert Hij mij

A. de ware liefde tot God,

B. de ware bröederlielde.

Daarom kom ik, mijn Heiland, tot u in uw H. Sacrament met het doel uwe oneindige liefde te zien en liefde te leeren 1 Doch uw zwakke leerling is niet in staat alle indrukken in eens te vatten en te behouden; daarom, bid ik u, leer mij voor het oogenblik slechts een deel, leer mij de ware, volmaakte liefde tot Godl

A.

De Zaligmaker in het H. Sacrament leert mij ware liefde lot God.

De ware liefde Gods is die deugd, waardoor ik mij a.) geheel aan God overgeef, b.) aan Hem zoek te behagen, en c.) mij met Hem tracht te vereenigen. Deze drie punten, deze onmisbare eigenschappen der ware, volmaakte liefde tot God leert Jesus mij door zijn verheven voorbeeld in het geheim zijner liefde.

a.) Hij leert mij de overgeving aan God, den aard en de wijze daarvan door zijne algeheele overgeving aan God den Vader en aan mij. Reeds de eerste oogslag op den tabernakel herinnert mij aan de woorden van den H. Paulus: „Hij heeft zich zei ven vernederd,quot; (Philip. II. 8.) „Hij heeft zich zeiven ontdaan,quot; (Philip, II. 7.) „Hij heeft mij bemind en zich geheel voor mij overgegeven,quot; (Gal. II. 20.) „als gave en offer Gode ten liefelijken geur.quot; (Eph. V. 2.) Sla ik de oogen des geloofs op het altaar, dan zie ik Jesus, mijn God en Heer. Zie ik echter met de oogen des lichaams, dan ontwaar ik niets anders dan de gedaanten van brood en wijn. Wanneer of waar heeft de Zaligmaker den glans zijner heerlijkheid en majesteit zoo verborgen, wanneer of waar heeft Hij zich zoo vernietigd, wanneer of waar zich zoo prijsgegeven als in het hoogheilig Altaarsacrament?

ocr page 268

— 240 —

Toen Hij geboren werd in den Stal van Betblehem geleidde een engel de herders tot Hem, een schitterende ster de drie Wijzen uit het Oosten, om Hem te aanbidden. Verschijnt Hij op twaalfjarigen leeftijd in den tempel te Jeruzalem, dan verraden zijne vragen en antwoorden eene bovenmenschelijke wijsheid. Doorleeft Hij zijne dagen in moeielijkheden zonder tal, in verachting en tegenspraak, dan geven toch zijne ontelbare wonderen en teekenen een onwraakbaar getuigenis voor zijne Godheid. Zelfs in dat ten hemel schreiende oogenblik, waarop Hij onder duizend vloeken en verwenschingen zijner beulen, aan het kruis den laatsten adem uitblaast, geven zon en sterren, levenden en dooden, rotsen en steenen getuigenis van zijne oneindige grootheid en almacht. — Hier echter verbergt Hij niet enkel zijne Godheid, maar ook zijne menschheid. Voor den Onmetelijke is zelfs de enge ruimte^des tabernakels nog te wijd, want Hij kiest zich een nog kleiner woning, de H. Hostie, om onder hare gedaante te verblijven. De almachtige Gebieder, zonder wiens wil geen geest denkt, geen verstand onderscheidt, geen hart gevoelt, geen lidmaat zich beweegt, geen pols slaat, geen wezen leeft, ontdoet zich hier van zijne vrijheid en onbeperkte macht dermate, dat Hij gehoorzaamheid bewijst aan lederen, ook aan den armsten en zondigsten priester. Die mij draagt, kan ik brengen, waar ik wil, uitstellen, waar ik wil, geven aan wien ik wil, wegnemen, wanneer ik wil. De Onafhankelijke is op het altaar mijn gevangene; hij verdraagt het, dat ik Hem aan het volk vertoon en Hem bewijs, dat Hij in mijne macht is; Hij laat het toe, dat ik Hem weder achter slot en grendel wegsluite. De Eeuwige, die mij het leven schonk, schijnt op mijne consecratiewoorden het leven te verkrijgen, om het weder te verliezen, als de sacramenteele gedaanten ophouden te bestaan. Hier heeft de Schepper van het heelal de gedaante niet van een levend, maarvan een levenloos schepsel. O wonder van zelfvernedering! Geheim van weerloosheid en hulpbehoevendheid 1

In die onbegrijpelijke verootmoediging belijdt Jesus de macht en de majesteit zijns hemelschen Vaders, erkent Hem als het hoogste goed, en werpt zich van liefde gloeiend in zijne armen. In dat nederig omhulsel geeft Hij zich over ook aan mij. Hij is daar in die onvergelijkelijke liefde en opoffering.

ocr page 269

— 241 —

opdat ik zonder schrik en vrees, vol vertrouwen tot Hem zou naderen en mij overgeven aan Hem en door Hem aan God den Vader. Door die vernietiging van zich zeiven leert Hij mij ook, hoe ik God beminnen en mij aan God moet overgeven. Zijne overgeving aan den Vader en aan mij is eene volledige; dus moet ook de mijne aan Hem en door Hem aan den Vader volledig zijn. Hij ontdoet zich geheel van al het hemelsche, opdat ook ik al het aardsche aflegge, aan al het aardsche verzake, mij van mij zeiven losscheure, alle zinnelijke neigingen uit mijn hart verbanr.e, om van God alleen gekend te zijn, om Hem alleen toe te behooren, om Hem uit geheel mijn hart, uit geheel mijne ziel, uit al mijne krachten te beminnen.

God is onverdeeld, Hij is altijd en overal geheel; daarom ook wil Hij geen deel van mij en mijne liefde; Hij verlangt mij altijd en overal zonder verdeeling. Hij verlangt mij geheel en al, zoodat ik niets hoegenaamd voor mij of voor anderen terughoude; daarom zegt Hij: (Matth. XXII. 37., „gij zult den Heer uwen God liefhebben met geheel uw hart, met geheel uwe ziel en met geheel uw gemoed.quot; (Prov. XXIII. 26.) „Geef mij, mijn zoon, uw hart.quot; „Plaats mij als een zegel op uw hart.quot; (Cant. VIII. 6.) En Hij voegt er bij: „als een zegel op uw arm,quot; „laat uwe oogen mijne wegen bewaren,quot; Waarom f Om daar mede te kennen te geven, dat mijne overgeving, mijne liefde tot God, niet slechts inwendig, maar ook uitwendig moet zijn, wil zij waar en volmaakt wezen. Zij moet zich door daden toonen, door werken van deugd openbaren, door acht te geven op Gods verlangen en wil en daarnaar te handelen. Deze werkdadigheid, dat leven der liefde leert /csus mij door zijn leven in het II. Sacrament der liefde.

b.) Geheimvol was het verborgen leven van Jesus in het huisje te Nazareth; maar nog veel geheimvolller is het in de tent des tabernakels; want oogenschijnlijk is het zoo verborgen, zoo stil en zonder beweging, dat men zou meenen, de goddelijke Heiland ligt hier begraven. En evenwel leeft Hij hier, denkt Hij gevoelt Hij, ziet Hij, spreekt Hij, handelt Hij, betoont Hij zijne onbegrensde liefde tot zijn hemelschen Vader en tot mij daarom zag de bruid van het Allerheiligste Sacrament, Maria Magaretha Alacoque, de liefdevlammen van Jesus Hart niet

NIEUWE HANDLEIDING. l6

ocr page 270

— 24a —

ingesloten, maar opgaande. Ieder oogenblik, bij dag en bij nacht, jaar in jaar uit doet Christus wat en zooals het aan God behaagt, zoodat Hij ook thans nog evenals aan de put van Jacob kan getuigen: „mijne spijze is het den wil te vervullen van Hem, die mij gezonden heeft, om zijn werk te volbrengen.quot; (Joës. IV. 34..)

Daardoor leert de Verlosser mij, dat ook ik mij beijveren moet een stil en heilig leven te leiden, zonder mij te bekommeren om het oordeel der wereld, om haar gunst of ongenade, om haar lof of afkeuring. Het moet mij genoeg zijn altijd en overal Gods wil te volbrengen, den eeuwigen Vader te behagen. Maar hoe kan, hoe zal dit geschieden ? Jesus in het H. Sacrament toont mij de wijze om Gode welgevallig te handelen; want zonder ophouden looft en prijst, dankt, bidt en verzoent Hij voor mij de goddelijke majesteit. Doch dit doet hij vooral bij het H. Misoffer. Wel heeft Hij reeds door het bloedig offer aan het kruis de macht van dood en hel gebroken, aan God de door de zonde ontstolen eer teruggeschonken, Gods toorn gestild, het losgeld voor de met schuld en vloek beladen menschheid ten volle betaald, doch wat voldoende was voor mijne verlossing, was nog niet voldoende voor zijne brandende liefde; daarom daalt Hij bij iedere H. Mis op het offeraltaar neder, neemt mijne zondeschuld op zich en offert zich op onbloedige wijze op, om aan zijn Vader de verschuldigde aanbidding, dankzegging en voldoening te schenken, en tevens, om voor mij bij den troon zijner genade alles alquot; te smeeken, wat mij naar lichaam en ziel noodig is. En dit heilaanbrengend offer draagt Hij op niet op eene enkele plaats, maar overal, waar de vaan van het katholieke geloof is geplant. Ook draagt Hij het niet alle tien jaren op, maar ieder uur ongeveer 12.500 maal, dagelijks 300,000, jaarlijks 109.500.000 maal.

Dewijl nu volgens den H. Cyrillus ook mijn persoon de levendige afbeelding van Christus, de weerspiegeling zijner gestalte moet zijn, dewijl de H. Kerk reeds bij mijne priesterwijding mij toeriep na te volgen dien ik aan het altaar in de handen draag, daarom moeten mijn lichaam en mijne ziel gelijken op eene zuiver gestemde harp, die door de vingeren van den H. Geest bespeeld beurtelings lofzangen, dankliederen.

ocr page 271

smeekgebeden en klanken van verzoening laat hooren. Een bestendig offer van lef moet ik zijn, door slechts tot meerdere eer van God te denken, te spreken, te lezen, te schrijven, te handelen. Een vooriclurend dankoffer moet ik zijr. door al de mij van God verleende weldaden hoog te schatten, dankbaar mijn hart te verheffen tot den Gever van alle goed, door mijne natuurlijke en bovennatuurlijke gaven ijverig aan te wenden tot verheerlijking der allerheiligste Drievuldigheid, tot heil van mij en mijnen naaste, door nauwgezet mede te werken met de goddelijke genade en zorgvuldig alles te vermijden, wat de genade in mij zou kunnen verzwakken of geheel krachteloos maken. Een ononderbroken smcekoffer moet ik zijn, door een man van gebed te blijven, steeds met aandrang en kinderlijk vertrouwen mijne voorgeschrevene en afzonderlijke oefeningen van godsvrucht te verrichten, door altijd genade en zegen van den goeden God over mij en anderen af te smeeken. Een levend zoenoffer moet ik zijn, door den smartelijken en glorievollen weg der verzoening te bewandelen, door alles te doen tot uitboeting voor mijne zonden en voor de zonden der wereld, door iedere gelegenheid tot in- en uitwendige versterving met vreugde aan te grijpen, gaarne den mij toegereikten druppel uit Jesus' lijdenskelk te drinken, door de moeielijkheden en ontberingen van mijn staat als kostbare reliquieën van Christus' kruis te omhelzen en die te beminnen als evenzoovele treden, die mij voeren tot de gelijkvormigheid met mijn goddelijk voorbeeld.

Door dit viervoudig offer betuig en versterk ik mijne liefde tot God, evenals de spierkracht des lichaams gestaald wordt door den arbeid; maar niettegenstaande dat alles is mijne liefde tot God nog niet volmaakt, want de ware liefde streeft naar innige vereeniging en levensgemeenschap met het voorwerp der liefde.

Die innige vereeniging met God leert Jesus mij in den tabernakel door zijne innige vereeniging met God de?! Vader en met mij.

c.) De verrezen en ten hemel geklommen Zaligermaker zetelt aan de rechterhand zijns hemelschen Vaders en tevens woont Hij in de tent des tabernakels, hier en daar zoo innig met Hem veieenigd, dat Hij één van wezen met Hem is, ge-

ocr page 272

— 244 —

lijk Hij zelf getuigt; „ik en de Vader zijn één.quot; (Joes. X. 30.) „Ik ben in den Vader en de Vader is in mij.quot; Krachtens die innige vereeniging is Hij ook met den Vader één van werken en willen; ik bemin den Vader en de Vader bemint Mij,quot; en die vereeniging is volmaakt en onverbreekbaar: „ik blijf in zijne liefde.quot; Wel is waar kan ik met den Vader niet één van wezen zijn, maar ik moet toch in werken en willen met Hem vereenigd zijn door de liefde. Daar nu de Heiland verklaart, „dat niemand tot den Vader komt, tenzij door Hem,quot; (Joes. XIV. 6.) geeft Hij mij te kennen, dat mijne vereeniging met den Vader slechts door Hem kan geschieden; daarom verbindt Hij zich met mij door de genade, opdat ik door Hem met den hemelschen Vader verbonden worde. Maar die verbinding moet nog veel inniger worden; daarom komt Hij in mijn hart en vereenigt met mij alles, wat Hij als viensch bezit. Hij geeft mij die oogen, die zoovele tranen weenden, die handen, die zoovele zieken genazen, die voeten, die zoovele schreden gezet hebben, die tong, die zulke schoone woorden sprak, dat hart, dat van liefde gloeit, dat lichaam, dat voor mij gewond werd, die ziel, die bedroefd was tot den dood toe. Hij geeft mij alles, wat Hij als God bezit; die almacht, die hemel en aarde schiep, die wijsheid die van het eene einde reikt tot aan het andere en alles liefelijk regelt, die heiligheid, die zelfs in de engelen nog vlekken ziet, die majesteit, waarvoor de cherubijnen vol ontzag het gelaat achter hunne vleugelen verbergen, die liefde, die geene grenzen kent. Hij vereenigt met mij alles, wat Hij als Verlosser bezit; zijn lijden zijne deugden, zijne voldoening zijne verdiensten, zijne heerlijkheid, om mij te leeren, dat ook ik alles, wat ik bezit, wat ik ben en doe met Hem vereenigen aan Hem geven en door Hem aan den Vader opdragen moet. Nog meer. Hij vereenigt zich met mij met alles wat Hij is, zoo innig, dat de H. Cyrillus van Alexandrië naar waarheid kan schrijven: „gelijk twee gesmoltene kaarsen zich met elkander vereenigen, zoo wordt ook hij, die de H. Communie ontvangt, één met Jesus.quot; O wondervolle verbinding, ongehoorde vereeniging! Christus vereenigt in het Allerheiligste Sacrament zijn wezen met mijn wezen, opdat mijn wezen door Hem met de geheele H. Drievuldigheid in verbinding kome.

ocr page 273

Mijn beminde wordt de mijne, opdat ik de zijne worde. Hij vereenigt zijne sterkte met mijne zwakheid, opdat ik in Hem sterk worde. Hij vereenigt zich op het innigste met mij, opdat ook ik alles wat ik ben, geheel met Hem vercenige: mijn wezen met zijn wezen, mijn geest met zijn geest, mijne gedachten met zijne gedachten, mijn hart met zijn hart, mijn wil met zijn wil, zoodat ik voortaan slechts beminne, wat God bemint, hate, wat God haat, wille wat God wil, zooals God wil, wanneer God wil en omdat God wil. In die innige ver-eeniging met God verafschuw en vlucht ik dan elke, ook de kleinste zonde, zelfs de geringste onvolmaaktheid is mij dan gehaat. In die vereeniging richt ik al mijne gedachten, begeerten, woorden en werken naar Gods welbehagen. In die vereeniging ben ik met alle beschikkingen van Gods Voorzienigheid tevreden, is rnij al het bittere zoet, wordt mij ook het zwaarste offer licht. In die vereeniging wordt elk mijner handelingen bovennatuurlijk geadeld, word ik rijk aan schatten van deugd en verdiensten, ben ik gelukkig, ben ik zalig. Dien liefdeband kan en zal ik behouden, bevestigen, bezegelen door goede werken, herhaalde oefeningen van liefde en door het veelvuldig en waardig ontvangen der geestelijke en werkelijke Communie. In die vereeniging zal ik standvastig volharden, want, zoo verzekert Jesus, die mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, blijft in mij, en ik in Hem. Noch de vrees voor den dood, noch de hoop het leven te behouden, noch droefenis en angst, noch honger en naaktheid, noch gevaar, vervolging en zwaard van den kant der menschen, noch de macht en het geweld der hel, noch eer, noch smaad, noch eenig schepsel zal mij, zooals de Apostel Paulus zegt, kunnen scheiden van de liefde tot God, die ik Hem toedraag om en dcor de genade, die Christus voor mij verworven heeft. (Rom. VIII. 35.) In die gemeenschap van leven, in die vereeniging met God zal ik leven en sterven, zoodat ik met denzelfden Apostel kan uitroepen; „Ik leef, doch niet ik, maar Christus leeft in mij.quot; (Gal. II. 20.) Dat is, mijne zondige natuur is in mij als ontbonden, dewijl ik niet meer lichamelijk leef, maar geestelijk in Christus, en wederom: „Christus is mij het leven en sterven een gewin.quot; (Philip. I. 21.) Want in Hem, door Hem en voor Hem leef ik, en wanneer ik sterf, dan word ik nog volmaak-

ocr page 274

— 246 —

ter met Hem en met den Vader en den H. Geest vereenigd. Zoo zal mijn leven en dood mij strekken tot zaligheid en verheerlijking.

Zoo leert gij mij dan, o Jesus, van den leerstoel des tabernakels de a'geheele overgevirg aan God, de bestendige opoffering voor God, de innige vereeniging met God, in één woord de ware, de volmaakte lieide tot God, die mij in tijd en eeuwigheid gelukkig maakt. O hoe gewichtig en waar, hoe nuttig en heilzaam zijn derhalve uwe woorden: „ik raad u aan in het vuur gelouterd goud van mij te koopen om rijk te worden.quot; Geef mij dan, bid ik u, de genade dat ik uw wel-gemeenden raad opvolgend, voortaan dagelijks uwe oneindige liefde in het Hoogheilig Sacrament beschouwe, overwege en daardoor meer en meer verwarmd, ontstoken, ontvlamd en als een kaars verteerd worde. Amen.

DERDE OVERWEGING.

De leeraar der lieide.

Suadeo tibi emere a mc aurum ignitum probatum, ut locuples fias.

Ik raad u aan in het vuur gelouterd goud van mij te koopen om rijk te worden. (Apoc. III, 18.)

]VIet de liefde tot God hangt de liefde tot den evenmensch ten nauwste samen; de natuur immers, het wezen van beiden is gelijk. Alleen haar voorwerp is in zoo verre verschillend, dat door de eerste God onmiddelijk, door de andere God middel jk wordt bemind, namelijk in zijne schepelen, die van Hem het leven hebben ontvangen. Hem toebebooren en tot Hem gaan. De naastenliefde komt voort uit de liefde tot God, en deze wordt op hare beurt weer behouden en vermeerderd door de naastenliefde. Daaruit volgt dat de ééne de noodzakelijke voorwaarde is voor de ardere, dat de ééne ondenkbaar en onbestaanbaar is zonder de andere, dat zij beide zoo onafscheidelijk met elkander verbonden zijn, dat ik God niet beminnen kan zonder den naaste, en den naaste niet zonder God; daarom schrijft Joannes de Apostel der liefde met recht: indien iemand

ocr page 275

— 247 —

zegt: „ik bemin God'' (I Joes. IV. 20.) en hij haat zijn broeder, (een kind en evenbeeld God.1:) die is een leugenaar; want wie zijn broeder, dien hij ziet, niet liefheeft, hoe zal hij God liefhebben, dien hij niet ziet?quot; Zal derhalve mijne liefde tot God volmaakt zijn, dan is het noodzakelijk, dat ook mijne liefde tot den naaste volmaakt zij. Maar hoe zal ik mijn evenmensch volmaakt liefhebben? Dit leert Jesus mij in het H. Geheim zijner liefde. Daar voert Hij mij door zijn onvergelijkelijk verheven voorbeeld van de lagere tot de hoogere, van de hoo-gere tot de hoogste trappen der liefde, want Hij leert mij:

a.J de algemeenste,

b.J de werkdadigste,

c.) de grootmoedigste broedeiliefde.

O Jesus mijn voorbeeld, ik ben wel niet waardig u te naderen, doch zie, ik wil mij aan u gelijkvormig maken; daarom bid ik u, leer mij beminnen zooals Gij bemint, leer mij de ware, volmaakte liefde tot den naaste!

B.

a.) „Dit is mijn gebod, dat gij elkander liefhebt, gelijk ik u heb liefgehad.quot;' (Joes. XV. 12.) Wat Jesus met deze woorden eens gebood, dat leert Hij nog voortdurend door zijn schoon voorbeeld in het H. Sacrament der liefde. De Zalig-maker' in het H. Sacrament leert de algemeenste broederliefde, want Hij bemint daar alle menschcn. Hij bemint den priester en den leek, den geleerde en den ongeleerde, den rijke en den arme, den jongeling en den grijsaard, den keizer en den werkman, Hij bemint eenieder zonder ónderscheid, zonder aanzien van taal, stand, of geslacht, want „bij God is geen aanzien des persoons.quot; (Rom. II. 11.) Gelijk Hij zijn zon laat opgaan over goeden en kwaden, zoo vallen de zachte stralen zijner liefde ook op allen, hoewel niet op allen gelijkerwijze. Zijne boezemvrienden zijn de Hem toegewijde dienaren, zijne vrome leerlingen naar den graad hunner liefde tot God, die in hen gloeit, zijne getrouwe vrienden en allen, die zich zijne genegenheid bijzonder waardig maken; vervolgens bemint Hij ook die christenen, die door eigen schuld Hem niet zoo na aan het hart liggen, eindelijk ook die verdwaalde scha-

ocr page 276

— 248 —

pen, die nog niet in zijn schaapstal zich bevinden. Zelfs de zondaar, zijn ergste vijand is een voorwerp zijner liefde, in zoover hij een werk is der goddelijke almacht. Alleen de zonde als zoodanig en het rijk der hel zijn van zijne liefde volstrekt uitgesloten.

Vervolgens bemint Hij op alle plaatsen, want in ieder werelddeel, in alle landen en provinciën, in steden en dorpen, overal waar men Hem niet verhindert en de deur wijst, zooals eens te Bethlehem, wil Hij de tent zijner lielde opslaan, zich daarin metterwoon vestigen om van daaruit iedere ziel toe te roepen; „Zie, hoe ik 11 tot nu toe bemind heb, zie, hoe innig ik u nog bemin.quot;

Hij bemint ook ten allen tijde, want zoolang er een Adamskind op aarde zal ademhalen, wil Hij in liefde bij hem verwijlen, zooals Hij zelf verzekert: „ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding der wereld.quot; (Matth. XXVIII. 20.)

Hij bemint met alle krachten der ziel, met het verstand, als ik mij zoo mag uitdrukken, want Hij erkent en acht ons hoog als Gods evenbeelden, door den Vader geschapen, door Hem verlost, door den H. Geest geheiligd; Hij bemint ons met zijn wil, daar Hij eenieder het beste toewenscht, want Hij verheugt zich als het ons wel gaat, als Hij ons ziet uitmunten door heiligheid, schitteren door zuiverheid, branden van liefde. Onze kracht is zijne vreugde.

Hij gevoelt het diepste medelijden met onze zwakheden en ons lijden, en wel zoo dat Hij zelf in ons lijdt. „Van het begin der wereld af, zegt de H. Paulinus, lijdt en overwint Christus in de zijnen. Hij is het begin en het einde, omhuld in de oude wet, omhuld in het evangelie, altijd wonderbaar in zijne heiligen, in wie Hij lijdt en zegepraalt. Hij is het, die in Abel gedood, in Noë bespot werd; in Abraham moest Hij zijn vaderland verlaten, in Izaak was Hij het'offer, in Jacob de dienstknecht; in Jozef werd Hij verraden en verkocht, in Mozes verbannen, in de profeten gesteenigd en vervolgd, in de Apostelen over land en zee voortgejaagd, in de martelaren herhaaldelijk gekruisigd. In ons verdraagt Hij smaad, en de wereld haat Hem in ons.quot;

Hij bemint ons met alles wat Hij heeft en is, want met zijne godheid en menschheid, met zijne deugden en verdiensten

ocr page 277

— 249 —

wooht en leeft Hij in ons midden. En vraag ik ten slotte naar den grens zijner liefde, dan is zijn antwoord: „Gelijk de Vader mij bemint, zoo bemin ik u,quot; (Joës. XV. 9.) dat is: gelijk de liefde des Vaders voor mij oneindig is, zoo is ook mijne liefde voor u oneindig. O liefde boven alle liefde, o nooit volprezen liefde! Jesus, die door de liefde in den tabernakel gevangen gehouden wordt, leert mij door zulk eene bewonderenswaardige liefde:

10 Alle menschen van alle tijden en plaatsen in mijne;liefde te omvatten: op de eerste plaats mij zeiven, dan mijne onder-hoorigen, weldoeners en vrienden, allen, die onder het vaandel van Christus strijden of gestreden hebben, eindelijk ook de arme zondaars, andersdenkenden en ongeloovigen, met uitsluiting nochtans van de zonde en de dwaling. Mijne liefde tot den naaste moet gelijk zijn aan een grooten ring, die den hemel, de aarde en het vagevuur omspant. Hoezeer misdoe ik dan door afkeer en wrok, verachting en haat, liefdeloos oordeel en toorn tegen den naaste?

20 Leert Hij, dat ik om Gods wil een ieder oprecht hét allerbeste moet toewenschen, mij verblijden met de blijden, weenen met weenenden, lijden met de lijdenden, zooals Paulus schrijft: „verblijdt u met de blijden en weent met de weenenden.quot; (Rom. XII. 15.) Afgunst en nijd, koelheid en gevoelloosheid moet ik derhalve haten als kenteekenen en wapenen des duivels. Naar het voorbeeld van Jesus moet mijne liefde tot den naaste geen ijdele klank zijn, maar eene werkelijke behoefte van het hart. Doch daarbij moet het niet blijven. De goddelijke leermeester voert mij nog een trede hooger en niet tevreden met een groot hart, leert Hij mij ook eene groote hand te hebben, want door zijne werkdadigste liefde toont Hij mij, dat ook mijne liefde zich in werken moet openharen, dat mijne welwillendheid ook weldadigheid moet worden.

b.) Hoe sterker, hoe teederder de liefde in het hart is, des te milddadiger geven gewoonlijk de handen. Zoo gaf b.v. Jo-nathas aan den godvreezenden David, met wien hij een verbond van innige vriendschap gesloten had, niet enkel zijne schitterende wapenrusting, maar ook zijne kleederen. „En daar Jesus, zoo zegt ons Joannes, de zijnen, die op de wereld waren, beminde, heeft Hij hen ten einde toe bemind,quot; (Joës. XIII. 1.)

ocr page 278

— 250 —

zóó, dat Hij hen in het Allerheiligste Sacrament des Altaars hun het hoogste bewijs zijner liefde gaf. Daar heeft Hij, \ol-gens de uitdrukking van het Concilie van Trente, alle schatten zijner liefde in eens uitgestort, en ons, naar de bemerking van den H. Augustinus, zooveel gegeven, dat Hem niets meer te geven overbleef. Daar woont Hij als de vriendelijkste helper, die ons in geestelijken en lichamelijken nood ter zijde staaf, als de beste middelaar, die voor ons ten beste spreekt bij den hemelschen Vader, als de voortreffelijkste spijze, die onze zielen voedt.

Er is geen naam van liefde, of Jesus heeft hem aangenomen; nu eens noemt Hij zich vader, broeder, vriend, dan weer meester, bruidegom, dienaar, om te kennen te geven, dat Hij alles voor allen geworden is. En inderdaad. Hij is het ook. Verborgen onder broodsgedaante heeft Hij de hand vol genadegaven, het hart vol liefde, den mond vol van de teederste woorden van uitnoodiging: „Komt allen tot mij die zwoegt en beladen zijt, en ik zal u verkwikken.quot; (Matth. XI 28.) Niemand, die komt, wordt afgewezen, eenieder neemt Hij vol liefde op, hoort en verhoort hem. Roept de blinde: „Heer dat ik zien moge,quot; Hij schenkt hem het licht der oogen. Spreekt de me-laatsche: „Als gij wilt, kunt gij mij reinigen,quot; dan krijgt hij ten antwoord: „ik wü, word gereinigd.quot; Den doove schenkt Hij het gehoor, den stomme de spraak, den lamme de beweging, den zwakke kracht, den zieke gezondheid. Onder de strijdenden is Hij rechter, onder de booswichten wreker, voor de weezen een voogd, voor de weduwen een verzorger.quot; (H. Ephrem.) Zegenend strekt Hij zijne handen uit over have en goed, over wouden en velden, over menschen en dieren en dagelijks werkt Hij ontelbare wonderen tot tijdelijk welzijn der hulpbehoeftigen.

En hoeveel meer nog doet Hij tot heil der zielen? Dezen opent Hij door het licht der genade de oogen des verstands. Genen verleent Hij het gehoor en tevens den wil om de stem van den roependen herder te volgen. Den geestelijk verlamde stelt Hij in staat het pad van Gods geboden te bewandelen. Wat kan ik zoeken, dat ik bij en in Hem niet vind? Wil ik hulp? Hij is de kracht. Ben ik gewond? Hij is de geneesheer. Gloei ik van de koorts der hartstochten? Hij is de verkwik-

ocr page 279

— 251 —

kende waterstroom. Ga ik gebukt onder schulden? Hij is de onschuld en reinigt mij van de melaatschheid der zonde. Verzucht ik in bekommering? Hij is mijn koning. Word ik vervolgd? Hij is mijn beschermer, Ben ik een banneling? Hij is mijn vriend. Ben ik een wees? Hij is mijn vader. Wil ik gaan? Hij is de weg. Wil ik niet dwalen? Hij is de waarheid. Wil ik niet sterven? Hij is het leven. Wat ik noodig heb, vind ik bij Hem; wat ik vraag, verkrijg ik van Hem, wat ik zoek, heb ik in Hem. In waarheid openbaart Hij zich dus als mijn vriendelijkste helper. Nog meer.

In het offerkleed is Hij mijn middelaar bij den hemelschen Vader; Hij prijst hem voor mij, smeekt hem voor mij, dankt hem voor mij, verzoent hem voor mij, zoodat ik met blijdschap mag uitroepen: „Er is een middelaar tusschen God en de menschen: Jesus Christus.quot; (I Tim. II. 5.) „Wij hebben [een voorspreker bij den Vader, Jesus Christus, den Gerechte.quot; (I Joës. II. 1.)

Is er nog iets mogelijk, nog iets denkbaar, o Heer, dat gij voor mij kunt doen? Ja, het is het uiterste, het hoogste, dat met alle beschrijving den spot drijft. Meer dun eene moeder haar kind voedt, zijt gij in het H. Sacrament mijn voedsel. Gij voedt mij met uw vleesch, drenkt mij met uw bloed, vereenigt u met mij en mij met u, opdat ik in en door u leve, gelijk een rank aan den wijnstok.

Door U, den eerstgeborene onder de broeders, op bovennatuurlijke wijze met den naaste verbroederd, zal ik zoo werkdadig beminnen als gij bemint, en mij altijd en overal door de lichamelijke en geestelijke werken van barmhartigheid onderscheiden, dewijl ik hier dreigend gevaar en schade door mijne zorg van den evenmensch afwend, daar door heilzamen raad het goed, de gezondheid, de eer van anderen bewaar en red, dewijl ik nu eens door woorden van zachtmoedigheid het uitbreken van tweedracht voorkom, of de reeds verhitte gemoederen verzoen, een ander maal door alle mogelijke hulp den last der armoede, het kruis en het lijden verlicht, door troost de tranen der bedroefden afdroog, enz. Naar uw voorbeeld, o Jesus, wil ook ik der wereld ten verlosser en middelaar zijn, door mij, met het gouden zwaard der heilige liefde geslacht, op te offeren voor het heil der zielen en de bekeering

ocr page 280

— 252 —

der zondaren, voor de belangen der H. Kerk en de leniging der tnenschelijke ellende. Met hoe grooter razernij de machten der duisternis, vereenigd met de woedende dienaren van het kwaad het rijk Gods bestoken, met des te meer ijver en moed wil ik de gezant en de voortzetter van Chrisfus werken zijn, door lof- dank- smeek- en zoengebeden aan den voet der altaren, door godsdienstonderricht op den kansel, in den biechtstoel, aan het ziekbed, en in den catechismus, door de studie niet van profane wetenschappen, zij toch zijn beneden de waardigheid van een gezalfde des Heeren, maar door de studie van 4 de wetenschap der heiligen, de kennis van God en van mij zeiven. Zoo voor allen biddend, allen stichtend, allen helpend, voor allen mij opofferend, zullen aan mij die schoone woorden van den Apostel Paulus bewaarheid worden: „ik heb mij tot dienstknecht van allen gemaakt, om meerderen te winnen.quot; (I Cor. IX. 19,) „Alles ben ik geworden voor allen, om allen zalig te maken.quot; (ib. 22.)

Mijn goddelijke leermeester echter voert mij, om mij nog meer aan Hem gelijkvormig te maken, op tot het hoogste toppunt der christelijke liefde. Hij wil dat ik ook eene groote ziel hebbe, die zelfs bemint als het zinnelijk gevoel er zich tegen verzet, als de natuur in opstand komt, als het overwinning kost; daarom leert Hij mij na de werkdadigste, ook de grootmoedigste liefde,

c.) Als de beroemde veldheer Themistocles, die onschuldig uit zijn vaderland was verbannen, tot Artaxerxes kwam, was die koning van Perzië zoo verheugd, dat hij 's nachts driemaal ontwaakte en uitriep: „Ik heb Themistocles 1 Themistocles heb ik!quot; (Plutarch.) Hoe overgelukkig moet dan wel de wereld zich gevoelen, den Zoon Gods zoo nabij te bezitten. Doch helaas, aan het wonder der brandende liefde van Jesus wordt een gruwzame afgrond van boosheid en koelheid tegenovergesteld. Terwijl de godmensch in het H. Sacrament zich ten diepste vernedert, verheft zich des te overmoediger eene menigte ondankbaren, om aan Hem al het lijden te vernieuwen, dat Hij eens van de Joden verduurd heeft. Hoevele versteende harten wijzen Hem de deur, evenals de hardvochtige inwoners van Bethlehem. In hoevelen vindt Hij niets dan een openen stal, waar de winterstormen der hartstochten vrij spel hebben, en die

ocr page 281

— 253 —

slechts door het ongedierte van kwade neigingen bewoond is. Evenals toen zie ik Hem ook nu naar Egypte vluchten, wanneer Hij, door den priester gedragen, naar een zieke sne)t zonder op zijn weg vergezeld en aanbeden te worden. Evenals te Nazareth, zie ik Hem hier van millioenen miskend en veracht. Even spoedig als de lafhartige leerlingen in den hof van Olijve i, verlaten trouwelooze zielen Hem, zoodra voor hen het uur der beproeving slaat. Allen, die Hem in woorden, werken en geschriften hoonen, zijn zij ni-ït gelijk aan Herodes, die Hem in een wit kleed bespotte? De schandelijke oneerbiedigheid in de kerken, de ontheiligingen van het Allerheiligste, de zonden aan het altaar, de talrijke Judas-communiën, wat zijn zij anders als eene vernieuwde veroordeeling, geeseling en kruisiging des Verlossers? Er is geen uur, dat erniet eene menigte heiligschennissen begaan worden, dat men niet Jesus in het Sacrament, in zijne H. Moeder Maria, in zijn stedehouder, den Paus, in zijne bisschoppen en priesters, in zijne geloovigen krenkt, mishandelt en beleedigt. Wie telt de zonden, die onophoudelijk als zwarte schaduwen opstijgen, om het licht der wereld, den glans des Vaders te verduisteren? Wie telt al die openlijke ergernissen en verborgen schanddaden! Alles is tegen Jesus; het zijn de tranen zijner kindschheid, de benauwdheden van zijn doodstrijd, de doornen zijner kroon, zijne wonden, zijn dood, het is het doode staal, dat zijn liefdevol hart doorboort. Die bodemlooze Oceaan van beleedigingen stond den Alwetende voor oogen en desniettegenstaande stelt Hij toch zijn liefdegeheim in. Evenals aan het kruis, zoo is Hij ook aan het altaar „de spot der menschen en de verachting des volks.quot; (Ps. XXI. 7.) Duizend, en nogmaals duizend lansen verwonden Hem dagelijks, en toch is en blijft Hij bij ons, want Hij wil aan zijne vijanden niet het van toorn gefronsde voorhoofd des wrekenden rechters vertoonen, maar hun den mond, de hand en het hart van den teedersten aller vrienden aanbieden. „Tot nut der rechtvaardigen verwerpt Hij zelfs den zondaar niet.quot; (Laur. Just.) Evenals de boom, dengene, die op hem werpt, met vruchten vergeldt, zoo vergeldt Jesus voortdurend kwaad met goed.

Door zulke liefde zonder maat, door zulke grootmoedigheid zonder voorbeeld leert Jesus mij te handelen zooals Hij. Daar

ocr page 282

— 254 —

de dienaar niet meer is dan de meester, word ook ik veracht en vervolgd. De vader der boosheid trekt met geheel zijn leger van goddeloozen rechtstreeks en zijdelings tegen mij ten velde. De kaakslagen die men mijne Moeder, de H. Kerk, toebrengt, zij treffen ook de wangen van mij, haar kind. De dolksteken, die men het pausdom toebrengt, zij wonden ook mijn katholiek hart. De strijd, dien de vrijmetselarij tegen alles, wat heilig is, voert, is ook mij verklaard. Mijne zeven wijdingen worden gehoond, mijn priesterlijk karakter door het slijk gehaald, mijn eervolle stand met den zwadder van spot en verachting bezoedeld. Ik zaai de tarwe der weldaden en oogst dikwijls niets dan de zwartste ondankbaarheid. En gave God, dat ik soms niet met den Psalmist moest verzuchten: „had mijn vijand mij gevloekt, ik zou het verdragen hebben, maar gij, mijn gelijkgezinde, mijn aanvoerder, mijn bekende, maar gij mijn medebroeder, maar gij mijn overste, gij mijn ondergeschikte, „die te zamen met mij zoete spijzen nuttigdet, en in het huis Gods wandelden wij in eendracht.quot; (Ps. L1V. 13.) Toch moet ik hun allen een grootmoedige liefde toedragen. Miskend, moet ik rustig zijn, verdrukt, niet schelden, geplaagd, niet toornig worden, beleedigd, moet ik vergeven, verontschuldigen, zegenen die mij vloekt, en bidden voor hem die mij belastert. (Luc. VI. 28.) Op de eene wang geslagen, moet ik ook de andere aanbieden, en ontneemt iemand mij den mantel, dan moet ik den rok niet weigeren. Wie mij in zijn hart haat, dien moet ik van harte liefhebben; wie mij door woorden benadeelt, voor hem moet ik bidden, wie mij door werken hindert, dien moet ik door werken goed doen. Tot dezen graad van volmaakte broederliefde voert Jesus mij op in het Sacrament der liefde.

Heil, eeuwig heil mij, indien ik zijn goddelijk voorbeeld navolg, want zoo ik de liefde heb, draag ik de livrei var. den hemelschen koning, waardoor ik onderscheiden van de onge-loovigen, door de geloovigen als een leerling des Heeren gekend word. Zoo ik de liefde heb, bezit ik het noodigste van al het noodige, het voortreffelijkste van al het voortreffelijke, het Onmisbaarste van al het onmisbare. Door de liefde ben ik een engel onder de menschen, zonder haa? ben ik een duivel. Zoo ik de liefde heb, ben ik rijker dan Croesus en

ocr page 283

Crassus, al zou geen ander dak mij beschutten dan het uitspansel, geen ander kleed mij dekken dan ellendige lompen. Zoo ik de liefde heb, zal ik mij van alles losscheuren en tot de grootste offers bereid zijn. Dan zal niets mij doen vreezen, niets in verwarring brengen, niets afschrikken. Met de ware liefde tot den naaste heb ik den sleutel van het eeuwige rijk, de moeder der volmaaktheid, de liefde tot God, de deugd der deugden, een onvergelijkelijken schat, het begin en het einde aller verdienster.

O liefde! O naastenliefde, gij adem van Jesus' goddelijk Hart, leven Gods, hemel in den hemel, word voortaan mijn adem, word mijne zoetste vreugde, de ziel mijner ziel, word mijn alles! Amen. Het geschiede en zal geschieden! Amen!

VIJFDE DAG.

SLUITING.

Mijne zaligheid.

Beati mortui, qui in Domino moriuntnr.

Zalig de dooden, di3 in den Heer sterven.

De schoone, de gelukkige tijd der geesteljke oefeningen is ten einde, de sluiting is daar. Gedurende deze dagen heb ik met Gods hulp en genade mij zeiven ernstig drie vragen gesteld van oneindig gewicht i° wat had ik toe nu toe moeten doen? 2° wat heb ik gedaan? 30 wat moet ik voortaan doen? Deze vragen heb ik na grondig onderzoek beantwoord. Ik heb mij vast voorgenomen den ouden, zondigen Adam meer en meer af te sterven, en als een waar kind des grooten aartsvaders Franciscus, der wereld, het vleesch en den duivel afgestorven, een leven van liefde te leiden, verborgen met Christus in God. En zoo ik, naar ik hoop, in dat vrome streven ten einde toe volhard, dan zal ik op het einde mijner aardsche loopbaan in den Heer sterven cn zalig zijn, en wel i0 zalig naar het lichaam,

20 zalig naar de ziel.

Dit wil ik met te meer aandacht overwegen, naarmate het onderwerp troostvoller en verblijdender is.

ocr page 284

— 256 —

I.

„Zalig zijn de dooden, die in den Heer stervenquot; dat is; zalig degene, die in innige levensgemeenschap met God, in geloof, hoop en liefde het tijdelijke met het eeuwige verwisselt. Zalig derhalve zal ook ik zijn, indien ik ten einde toe volhard in mijn goede besluiten. Zalig is mijn lichaam in den hemel, want daar is het a.) vrij van het aardsche lijden, b.) vol van hemelsche vreugde.

a.) Moet ik ook evenals elk ander, ten gevolge der erfzonde in het zweet mijns aanschijns mijn brood verdienen op aarde, in den hemel is er geen vermoeiende arbeid, geen kwelling meer, „want van nu af, zegt de H. Geest; van den dood af, zullen zij uitrusten van hunne werken,quot; (Apoc, XIV. 13.) zullen zij een eeuwigen Sabbath vieren. Lijd ik hier beneden honger en dorst, koude en hitte en iedere verandering van weersgesteldheid, daarboven is honger noch dorst, koude noch hitte, gelijk geschreven staat: „zij zullen niet hongeren noch dorsten, hitte noch zon zal hen treffen, want hun ontfernjer zal hen besturen en hen drenken aan de waterbronnen.quot; (Is. XL1X. 10.) Hier kwellen mij veelvuldige zwakheden, verschillende smarten en ziekten, daar echter heerscht geen zwakte, geen smart, geen ziekte meer.

„Droefheid, klacht noch smart zal er meer zijn, want dat alles is voorbij.quot; (Apoc. XXI, 4.) Hier op aarde bevochtigen dikwijls bittere tranen de wangen der bedroefden, daarboven zal geen traan meer vlieten, want God zal iederen traan van hunne oogen afwisschen.quot; (ibid. 4.) Gelijk een bergstroom heensnelt, gelijk in vliegende vaart de golven elkander najagen, zoo volgen de dagen mijner aardsche ballingschap elkander schielijk op; het eene uur verdringt het andere; weldra verkleuren, verzilveren de zwarte haren, en leg ik uitgestrekt op de lijkbaar; doch in den hemel is er geen afneming van kracht, geen verandering, daar is geen „gisteren,quot; geen „morgen,quot; maar een eeuwig „heden,quot; een nimmer verwelkende jeugd. Hier wisselen dag en nacht elkander regelmatig af en 'daarom moet door kunstlicht het verdwijnen van het natuurlijke licht vergoed worden, daar breekt geen avondschemering, geen akelige duisternis aan: daar is geen behoefte aan lamplicht of

ocr page 285

— 257 —

aan den hellen glans der zon, want God de Heer zal de gerechten beschijnen. (Apoc. XXII. 3.) Doet eindelijk na den moeite vollen pelgrimstocht, na den 2 waren strijd de onverbiddelijk0 dood de zwakke klanken van mijn broos leven verstommen, aan de andere zijde des grafs kan hij zijne zwarte vanen niet meer ontplooien, want „daar zal geen dood meer zijn.'' (Apoc. XXI. 4.)

Kortom, alles wat mijn gevoelig lichaam op aarde pijnlijk kan aandoen, is voor immer uit den hemel verbannen, en alles, wat het kan streelen, zal het daar genieten.

b.) Hel zal zijn vol hemelsche vreugde. Gelijk het in den smeltoven geworpen ijzer de eigenschappen van het vuur aanneemt, zoo neemt ook het verheerlijkte lichaam op den vuurhaard der goddelijke liefde goddelijke eigenschappen aan. Nu is het vergankelijk, dan wordt het vergeestelijkt, gelijk aan het lichaam van den verrezen Heiland; nu is het gesteld om te lijden, dan wordt het onlijdelijk ; nu is het sterfelijk, dan wordt het onsterfelijk, onvernietigbaar; nu is het zwak en ellendig, dan verkrijgt het een graad van schoonheid, luister, snelheid en kracht, zooals de zichtbare natuur nergens te aanschouwen geeft, want zoo leert de Apostel Pauius; „gezaaid wordt in vergankelijkheid, verrijzen zal het in onvergankelijkheid; gezaaid wordt in oneer, verrijzen zal het in heerlijkheid; gezaaid wordt in zwakheid, verrijzen zal het in kracht; gezaaid wordt een natuurlijk lichaam, verrijzen zal een geestelijk lichaam.quot; (I Gor. XV. 42.)

Daarenboven geniet het alles, wat het gelukkig kan maken. Hoezeer scheppen mijne lichamelijke zintuigen behagen in het schoone en goede der natuur, dat de wereld nog heeft gered van haar paradijstoestand, doch wat is het in vergelijking van het bovennatuurlijke? Daar in het land des levens ziet het oog den betooverenden luister en heerlijkheid der H. Stad, die de H. Joannes eens in geestverrukking mocht aanschouwen, waar de muren van zilver, goud en allerlei veelkleurige edelgesteenten fonkelen; daar ziet het oog alle denkbare schoon in zijne hoogste volmaaktheid. Hoe liefelijk en zoet klinkt het snarenspel van harp en citer, hoe sleept eene welluidend samenstem-mende muziek van verschillende instrumenten het gehoor mede. Maar nog oneindig meer wordt het oor begeesterd door de

NIEUWE HANDLEIDING. 17

ocr page 286

— 258 —

hemelsche harmonie, door het driewerf ,,Heiligquot; der engelen, door de welluidende liederen der heiligen, die beurtelings in machtige koren den lof des Allerhoogsten bezingen, door de wonderschoone stem van Maria in 't bijzonder, die alleen in geestvervoering, in omvang en schoonheid alles overtreft, wat de hemelsche muziek te hooren geeft. Liefelijk is de fijne bloemengeur, maar onvergelijkelijk aangenamer voor den reuk zijn de kostelijke balsemgeuren, die zich verspreiden van den troon des Allerhoogsten. Wat ik ook genieten moge aan een vorstelijken disch, oneindig genotvoller zal het zijn te mogen deelnemen aan het bruiloftsmaal van het goddelijk Lam, waar men drinkt uit de nimmer opdroogende stroomen van eeuwige vreugde, waar men dat Brood des levens geniet, dat de ziel met waarheid en vrijheid voedt, dat het verstand verlicht en versterkt met den beker der goddelijke kennis.

Als aan de H. Catharina van Siëna in eene verrukking een enkele straal der hemelsche heerlijkheid werd vertoond, riep zij jubelend uit: „ik heb wonderen gezien, wonderen heb ik aanschouwd!quot; Op de uitnoodiging van haar biechtvader zich daarover nader te verklaren, gaf zij ten antwoord: „ik zou een groote fout begaan, indien ik dat zou willen beproeven, want menschelijke woorden kunnen onmogelijk den prijs en de schoonheid der hemelsche schatten weergeven.quot;

Als de H. Catharina op het zien van een enkelen lichtstraal uit het hemelsche Jerusalem buiten zich zeiven geraakte van zalige verrukking, welke vreugde, welke zaligheid zal ik dan genieten, wanneer ik zwem in die zee van onvergankelijke heerlijkheid. Ik moge mij denken, wat ik wil, ik moge wenschen, wat ik kan, ik moge de kracht mijner verbeelding inspannen tot het uiterste toe: die vreugde, dat geluk gaat mijne stoutste gedachten en voorstellingen te boven, overtreft mijne buiten-sporigste begeerten en wenschen, want het is onmetelijk, onbegrijpelijk, onverklaarbaar, onuitsprekelijk 1 Hiertegen is iedere, nog zoo reine, aardsche vreugde slechts droefheid, ieder nog zoo onvermengd geluk, slechts smart, hiertegen is al het zoete bitter, al het schoone hatelijk, alles, wat anders bekoren en streelen kan, drukkend en zwaar. Ach, hoe walgt mij dan de aarde, wanneer ik, o hemel, o schoone hemel, aan u denk, waar met mijn lichaam, ook mijne ziel zalig zal zijn!

ocr page 287

259 —

11.

„Wie volhard zal hebben ten einde toe, zal zjlig zijn.quot; (Matth. XXIV, 13.) spreekt dc Heer. Deze belofte geldt ook voor mij, indien ik tot aan mijn kaatsten snik in het goede volhard. Zalig is mijne ziel in dtn hemel, want

a.) niets bedroeft haar,

b.) alle geluk geniet zij.

a.) Kort en boos zijn de dagen des levens, waarin de mensch door vele zónden besmeurd, door vele hartstochten bestreden, door vrees beangstigd, met vele zorgen beladen, door vele bekoringen aangelokt, door vele ijdelheden medegesleept, door veel arbeid vermoeid, door vele wederwaardigheden terneergedrukt, in overvloed ontzenuwd, in armoede en gebrek door lusteloosheid gekweld wordt. Ach, wanneer toch zullen al die kwellingen een einde nemen ? Daarboven in den hemel; „want, zegt Thomas van Aquine, daar de zaligheid het hoogste goed is, moet zij alle kwelling uitsluiten.quot; En inderdaad. De hemel is ontoegankelijk voor de smart, beveiligd tegen de onrust, vrij van ieder ongeluk. Daar is mijn verstand nimmer beneveld, nimmer in onwetendheid of dwaling of onzekerheid, nimmer blootgesteld aan zelfmisleiding. Daar is geene zwakheid van wil, geene ongeregeldheid, geene mogelijkheid meer van zonde, want daar erken ik zonneklaar, dat er geen goed is van grooter waarde dan God, daarom keer ik God nimmer den rug toe om te zondigen. Daar is geen harteleed, geen onbestendigheid, geen ongerustheid, geen zorg, geen bekommering, geen nood, geen droefheid meer. Daar verlies ik geen vriend, vrees ik geen vijand, leef ik zonder zorg en zonder gebrek. Daar wordt niemand geboren en sterft niemand, daar lijdt niemand nadeel, behaalt niemand voordeel. Daar is geen bedroefde, geen afgunstige, geen onedele, geen kwaadwillige nabuur, geen valsche broeder. Daar is niets, wat mijne ziel bedroeft; integendeel; daar is alles, wat haar bekoort en gelukkig maakt.

b.) De H. Schrift neemt alle beelden en voorstellingen van wat aangenaam en wenschelijk is te baat, om mij ten minste eenigszins de grootheid van het bovenaardsche geluk begrijpelijk te maken, want Zij schildert den hemel nu eens als het land der levenden, (Ps. CXIV, 9.) dan weer als de krans der

ocr page 288

200

overwinning, (11 Tim. IV, 7.) een ander maal als de kroon der gerechtigheid en des levens. (Jac. I, 12.) Zij noemt den hemel de stad van den waren en levenden God, (Hebr. XII, 22.) het erfdeel der kinderen Gods en de deelneming aan de heerlijkheid van Jesus, (Rom. VIII, 17.) een zijn bij God, (Joan. XIV, 2.) een heerschen met Christus, (II Tim. II, it.) de aanschouwing Gods van aangezicht tot aangezicht, (I Cor. XIII, 12.) den eeuwigen roem, (I Pet. V, 10.) een verborgen schat, (Matth. XIII, 14.) de rijkdommen van den roem, (Eph. I, 18.) het koninklijk bruiloftsmaal, (Matth. XXII, 2.) het nieuwe Jerusalem, (Apoc. XXI, 2.) enz. Dat zijn alle verhevene uitdrukkingen, om aan te duiden, dat er niets grooter, rijker, schooner en gelukkiger is en zijn kan, dan de vreugde des hemels. Zoo lang de koralen zich op den bodem der zee bevinden, zijn zij bleek, buigzaam en worden zij door de onstuimige golven heen en weer geslingerj. Nauwelijks echter zijn zij aan het zonlicht blootgesteld, of zij kleeden zich in een behagelijk rood en nemen eene onbuigzame vastheid aan, en als zoodanig worden zij dan tot allerlei voorwerpen van kunst en smaak aangewend. Eveneens ben ik ook, hier op aarde week, veranderlijk en word ik door de wisselvalligheden van het lot heen en weer geworpen; daarboven echter in den glans van het eeuwige licht, wordt mijne ziel rood gekleurd door de gloeiende stralen der liefde, en verkrijgt zij een onveranderlijke vastheid. Daar bezit mijn verstand de helderste kennis van alles, wat kenbaar is, daar is de dorst naar wetenschap volkomen gelescht. Daar is de wil waarlijk vrij, van alle kwaad ontdaan, van alle goed vervuld. Daar denkt men niet meer aan zijne vroegerejzonden en straffen, maar aan de volmaakte bevrijding van beiden, en dankbaar prijst men den Verlosser. Daar smaakt het hart vreugde, vrede rust en zoetheid; al zijne wenschen zijn vervuld, zijne verlangens bevredigd. Het geloof is overgegaan in aanschouwing, de hoop in bezit, de liefde alleen is gebleven.

Geldt het spreekwoord: „gedeelde vreugde, dubbele vreugdequot; reeds op aarde; hoeveel te meer zal het van kracht zijn in den hemel, waar alles aan allen gemeen, alles aan allen bekend is. Allen worden daar gedrenkt uit denzelfden stroom der zaligheid, allen van hetzelfde licht der waarheid bestraald, allen door één band van liefde en vriendschap verbonden tot één

ocr page 289

groot huisgezin Gods. En o, welk een genot al die reien der zaligen te aanschouwen, ontelbaar als het zand der zee, en in glans alle sterren overtreffend, al die duizenden en millioenen van engelen, aartsengelen, vorstendommen, machten, krachten, heerschappijen, tronen, cherubijnen en serafijnen, al die tallooze heilige aartsvaders, profeten, apostelen, martelaren, bisschoppen, priesters, belijders, maagden, vrouwen en weduwen uit alle stammen, volkeren en talen voor zich te zien in veitrouwelijke liefde, hen te omhelzen, bij hen te zijn en te blij ven 1 Hoe zullen in den aangenamen om_ang met hen de eeuwen voorbijsnellen als seconden, terwijl menvan hen immer nieuwe en verhevene verklaringen verneemt over de diepste geheimen, terwijl men verrukt wordt door den wonderbaren glans hunner deugden, terwijl men door hun teedere liefde zelf immer meer in liefde ontvlamt, terwijl hun onophoudelijk jubellied de zie] meesleept in vervoering.

Doch dat onuitsprekelijk genot is nog zoo goed als niets in vergelijking van hei hoogste goed, dat op zich zelf reeds den hemel des hemels uitmaakt. Dat goed is God, God zelf, die zich aan zijne uitverkorenen van aangezicht tot aangezicht te aanschouwen en te genieten geeft. Verloren in de bodemlooze en onmetelijke zee van Gods volmaaktheid overweeg ik zonder ophouden en ontdek altijd nieuwe heerlijkheden. Ik bewonder die schoonheid, waarvan één enkele aanblik voldoende zou zijn om de verdoemden alle pijnen der hel te doen vergeten. Ik zie alles in den Alziende, ik weet alles in den Alwetende, en bemin het in den beminnende. Ik aanschouw de allerheiligste Drievuldigheid, de drieëenige Godheid. Ik staar op Gods oneindige goedheid die zoovele genaden uitdeelde, die allen zoo lankmoedig afwacht, allen zoo barmhartig vergeeft, zonder zich te laten vermoeien door den zwartsten ondank. Ik begrijp die thans onbegrijpelijke overmaat van ontferming, besloten in het leven, lijden en sterven van den Godmensch op het schandhout. Dan vat ik het aanbiddelijk Sacrament des Altaars, hetwelk een zoo ongehoord wonder van liefde is, dat het verstand daarvoor stil staat. Bij den aanblik van deze en alle andere wonderen, bij het genieten van den Allerhoogste verdubbelt mijn geestdrift, vereenig ik mij met geheel het hemelsche hof en hef opnieuw den jubelzang aan, het onsterfelijk Alleluja, dat de

ocr page 290

202

eeuwige gewelven zonder einde als een echo terugkaatsen. En daar ik nimmer ophoud God te aanschouwen, ben ik altijd van liefde vervoerd. Zoolang ik van liefde gloei, klinkt Gods lof van mijne lippen. Zoolang ik Gods lof bezing, geniet ik zijne vreugde, zijne zaligheid. God zien en beminnen. God beminnen en loven. God loven en bezitten. God bezitten en genieten, dat is mijn deel, mijn bezigheid en mijn rust, mijn kroon, mijn loon, mijn zegepraal, dat is het einddoel van mijn zijn, dat is mijn alles van eeuwigheid tot eeuwigheid.

Welk een oneindig gelukkig leven! O hemel, hoe schoon, hoe heerlijk, hoe wondervol zijt gij! Hoe zalig, onuitsprekelijk zalig zal in u mijn lichaam en ziel zijn! Voorwaar, wat God bereid heeft voor die Hem beminnen, kan met het geloof niet begrepen, met de hoop niet bereikt, met de liefde niet gevat, met alle begeerten en wenschen niet overtroffen worden! Zoo veelvuldig is het, dat het niet geteld, zoo groot, dat het niet gemeten, zoo kostbaar, dat het niet geschat, zoo rijk, dat het niet herschapen kan worden; maar verkrijgen kan ik het, en eenieder met mij, indien wij tot aan het einde toe niet enkel met woorden, maar ook met daden belijden: „Jesus, voor u leef ik, voor u sterf ik, de uwe ben ik in leven en dood,quot; want zalig zijn de dooden, die in den Heer sterven, zalig is hij, die volhardt ten einde toe. Daarom bid en smeek ik met eenieder, en eenieder bidde en smeeke met mij zonder ophouden om de grootste aller genaden, om de genade der volharding in het goede ten einde toe, opdat wij op den dag der vergelding allen te zamen den lofzang „Benedicitequot; zingend den hemel mogen ingaan! Amen.

ocr page 291

INHOUD.

OP DEN VOORAVOND DER GEESTELIJKE OEFENINGEN. inlkidfng. Over de eenzaamheid. ... 5 EERSTE DAG. eerste overweging. Over de bestemming

van den mensch . . . . . . _ .14 Tweede overweging. Over de bestemming van den mensch.

(Voortzetting.) . . . . , . . .22 Derde overwegins. Over den aard der zonde. . . 32 TWEEDE DAG. eerste overweging. Over den aard der zonde. (Voortzetting.) ....... 40

Tweede overweging. De zondaar op den jong sten dag . 50 Derde overweging. De zondaar in de hel . . ,62 DERDE DAG. eerste overweging. Over de lauwheid . 72 Tweede overweging. Over het vagevuur. . . .83 Derde overweging. Over de hooge waarde der gehoorzaamheid. ......... 94

VIERDE DAG. eerste overweging. Over de H. Deugd

der engelen.........io6

Tweede overweging. Over het loon der armoede . . u6 Derde overweging. Over de lief de van Jesusquot; goddelijk Hart 127 VIJFDE DAG. sluiting. Over de hulp van Maria . . 138 DRIE VRAGEN VAN ZEER GROOT GEWICHT DOOR HET GEWETEN GESTELD EN BEANTWOORD, op den vooravond. Waartoe de geestelijke oefeningen? . 149 EERSTE DAG. eerste overweging. Mijne bestemming. 158 Tweede overweging. Mijne levenstaak . . . .166

ocr page 292

— 264 —

Derde overweging. Mijn wetboek.....174

TWEEDE DAG. eerste overweging. Het portret van

den lauwe . ........

Tweede overweging. De geestelijke tering . . .191 Derde overweging. De ellende van den lauwe in het leven, ioi DERDE DAG. eerste overweging. Het ongeluk van den

lauwe in den dood 20^

Tweede overweging. De ellende van den lauwe na den dood. 215

Derde overweging. De oude Adam.....222

VIERDE DAG. eerste overweging. De nieuwe Adam. 230 Tweede overweging. De leeraar der liefde . . . 238 Derde overweging. De leeraar der liefde . . • 246 VIJFDE DAG. sluiting. Mijne zaligheid. . . .255

ocr page 293

J cVv , *

yf \/'v 'f'

IEUWE j^AND LEI DING,

Tweede DEEL.

ocr page 294
ocr page 295

Pp ömi uonranmiö hu- güEsMijf(F npfening.

Woorden van opwekking.

Ilabete fiduciam, ego sum, nolite timere,

goeden mord, ik ben het, vreest n:et.

Matlh. XIV, 27.

gelang is het geleden, dat wij, zooals nu, tot hetzelfde doel vergaderd waren? — Op de roepstem uwer overheden hebt gij u rondom mij vereenigd. Aan diezelfde stem gehoor gevend ben ik in uw midden. Laat ik nu mijn blik over u rondgaan, dan lees ik op uw gelaat een zekeren plech-tigen ernst, die van den eenen kant voortkomt uit de hoogere geestelijke natuur welke vast besloten is zich in deze dagen der retraite met meer beslistheid en ijver toe te leggen op de eeuwige zaligheid doch van den anderen kant is die ernst gegrond in de lagere, zinnelijke natuur, welke vreest, tegenstreefr, en niet in den spiegel durft te zien, die de leiders der geestelijke oefeningen u voor oogen plegen te houden. Nu is in den tijd van alge-heele afzondering van de wereld niets beter geplaatst daq

ocr page 296

202

eeuwige gewelven zonder einde als een echo terugkaatsen. En daar ik nimmer ophoud God te aanschouwen, ben ik altijd van liefde vervoerd. Zoolang ik van liefde gloei, klinkt Gods lof van mijne lippen. Zoolang ik Gods lof bezing, geniet ik zijne vreugde, zijne zaligheid. God zien en beminnen, God beminnen en loven. God loven en bezitten. God bezitten en genieten, dat is mijn deel, mijn bezigheid en mijn rust, mijn kroon, mijn loon, mijn zegepraal, dat is het einddoel van mijn zijn, dat is mijn alles van eeuwigheid tot eeuwigheid.

Welk een oneindig gelukkig leven! O hemel, hoe schoon, hoe heerlijk, hoe wondervol zijt gijl Hoe zalig, onuitsprekelijk zalig zal in u mijn lichaam en ziel zijn 1 Voorwaar, wat God bereid heeft voor die Hem beminnen, kan met het geloof niet begrepen, met de hoop niet bereikt, met de liefde niet gevat, met alle begeerten en wenschen niet overtroffen worden 1 Zoo veelvuldig is het, dat het niet geteld, zoo groot, dat het niet gemeten, zoo kostbaar, dat het niet geschat, zoo rijk, dat het niet herschapen kan worden; maar verkrijgen kan ik het, en eenieder met mij, indien wij tot aan het einde toe niet enkel met woorden, maar ook met daden belijden: „Jesus, voor u leef ik, voor u sterf ik, de uwe ben ik in leven en dood,quot; want zalig zijn de dooden, die in den Heer sterven, zalig is hij, die volhardt ten einde toe. Daarom bid en smeek ik met eenieder, en eenieder bidde en smeeke met mij zonder ophouden om de grootste aller genaden, om de genade der volharding in het goede ten einde toe, opdat wij op den dag der vergelding allen te zamen den lofzang „Benedicitequot; zingend den hemel mogen ingaan 1 Amen.

ocr page 297

INHOUD.

OP DEN VOORAVOND DER GEESTELIJKE OEFENINGEN. inleiding. Over de eenzaamheid. ... 5 EERSTE DAG. eerste overweging. Over de bestemming

j an den mensch . . . . . _ _ .14 1 weede overweging. Over de bestemming van den mensch.

(Voortzetting.)..........

Derde overweging. Over den aard der zonde. . .32 TWEEDE DAG. eerste overweging. Over den aard der zonde. (Voortzetting.) ....... 40

Tweede overweging. De zondaar op den jonaste?! dag . 50 Derde overweging. De zondaar in de hel . . .62 DERDE DAG. eerste overweging. Over de lauwheid . 72 'I weede overweging. Over het vagevuur. . . . 83 Derde overweging. Over de hooge waarde der gehoorzaamheid. ..... .... 94

VIERDE DAG. eerste overweging. Over de H. Deugd

der engelen............

Tweede overweging. Over het loon der armoede • .116 Derde overweging. Over de lief de van Jesus' goddelijk Hart 127 VIJFDE DAG. sluiting. Over de hulp van Maria . .138 DRIE VRAGEN VAN ZEER GROOT GEWICHT DOOR HET GEWETEN GESTELD EN BEANTWOORD, op den vooravond. Waartoe de geestelijke oefeningen? . 149 EERSTE DAG. eerste overweging. Mijne bestemming. 158 Tweede overweging. Mijne levenstaak .... 166

ocr page 298

— 264 —

Derde overweging. Mijn wetboek.....

TWEEDE DAG. eerste overweging. Het portret van den lauwe

Tweede overweging. De geestelijke tering

Derde overweging. De ellende van den lauwe in het leven.

DERDE DAG. eerste overweging. Het ongeluk van den

lauwe in den dood Tweede overweging. De ellende van den lauwe na den dood. Derde overweging. De oude Adam. . , . . VIERDE DAG. eerste overweging. De nieuwe Adam. Tweede overweging. De leeraar der liefde Derde overweging. De leeraar der liefde VIJFDE DAG. sluiting. Mijne zaligheid.

ocr page 299

IEUWE ^ANDLEIDING.

Tweede DEEL.

ocr page 300
ocr page 301

quot;•«quot; iff tiff iff •'ff'iff quot;• »* iff •,» iff iff iff iff iff iff iff i» i«quot; iff iff ïff üff «Ï iff cia iff iff iff iff •• id «ff ii öffaff iff «ff iff iff iff

È

■ |i

Op h\\ uDoraDnnö hr- grHsWijf^ Dining.

Woorden van opwekking.

■n ;

Habete fiduciam, ego sum,

nolite timere,

IT^bt goeden niord, ik ben het, vreest n:et.

Matih. XIV. 27.

. oelang is het gc-leden, dat wij, zooals nu, tot hetzelfde doel vergaderd waren? — Op de roepstem uwer overheden hebt gij u rondom mij vereenigd. Aan diezelfde stem gehoor gevend ben ik in uw midden. Laat ik nu mijn blik over u rondgaan, dan lees ik op uw gelaat een zekeren plech-tigen ernst, die van den eenen kant voortkomt uit de hoogere geestelijke natuur welke vast besloten is zich in deze dagen der retraite met meer beslistheid en ijver toe te leggen op de eeuwige zaligheid doch van den anderen kant is die ernst gegrond in de lagere, zinnelijke natuur, welke vreest, tegenstreeft, en niet in den spiegel durft te zien, die de leiders der geestelijke oefeningen u voor oogen plegen te houden. Nu is in den tijd van alge-heele afzondering van de wereld niets beter geplaatst daq

iif

lï

w

m

ifl

ocr page 302

— 268 —

vrome, godsdienstige ernst gepaard met heilige droefheid over zijne zonden, daarentegen is in deze aan God toegewijde dagen niets meer misplaatst dan slaafsche vrees, droefgeestigheid en neerslachtigheid. De dagen der retraite moeten niet gelijken op dat regenachtige herfstweer, dat den mensch zwaarmoedig stemt, neen, zij moeten gelijk zijn aan onbewolkte, ware lentedagen, wanneer men zich in een verfrisschend bad zuivert van alle onreinheid en uitrust in de koele schaduw van het lommerrijk woud, wanneer men rondwandelt in Gods vrije natuur, geniet van den heerlijken bloemengeur in tuinen en velden, en nieuwen moed en levenskracht inademt tot zijne bezigheden. Om in ons deze feestelijke blijde stemming op te wekken, komt Jesus zelf in ons midden, en spreekt: „hebt goeden moed ik ben het, vreest niet.quot; Wat deze korte woordan voor ons te beteekecen hebben, zullen wij in deze oogenblikken overwegen. Wij zien daarin eene opwekking van Jesus tot de drie goddelijke deugden:

i0 tot een vast geloof in Hem,

2° tot een onwankelbaar vertrouwen op Hem,

3° tot eene kinderlijke liefde voor Hem.

Daar nu de verlevendiging der drie goddelijke deugden een hoofdvereischte is voor eene ware vernieuwing des geestes, zet u daarom, mijne ziel, met Maria Magdalena aan de voeten van Jesus neder en luister aandachtig en opmerkzaam naar zijne lessen. Alles tot zijne eer en tot uwe zaligheid I

I.

„Ego sum.quot; „Ik ben het!quot;

Als de goddelijke Zaligmaker na de wonderbare vermenigvuldiging der brooden en spijziging des volks in de woestijn aan zijne Apostelen last gaf in het scheepje te gaan en naar de overzijde van het meer, naar de hoogte van Betbtaida heen te varen, als zij in den stikdonkeren nacht, met stormen en tegenwind kampend tot drie uur in den morgen voortzeil-den zonder land te bereiken, kwam Hij onverwacht over de golven tot hen en sprak: „Ik ben het!quot; „Ego Sum.quot; Ik uw Heer en Verlosser, uw Leeraar en Meester, ik — uw trooster en helper, de almachtige beheerscher der stormen, ik ben het.

ocr page 303

— 269 —

Ook tot u, mijne ziel, die u thans in de heilige eenzaamheid wilt begeven, ook tot u komt Jesus en zegt: „ik ben het.quot;

Met deze woorden wekt Hij u op tot een vast geloof in Hem. Zooals bekend is, heeft de stem der heilige gehoorzaamheid ons hier vereenigd. Daar immers de overheid in zeker opzicht slechts de bazuin is, waardoor de stem Gods weerklinkt, daar niet hij, maar God door hem bevolen heeft, is het duidelijk dat wij op Gods bevel, in Gods naam vergaderd zijn. Nu geeft echter da goddelijke Verlosser zelf de verzekering, (Matth. XVII[, 20) dat, waar er twee of drie in Zijnen naam, d. i. volgens Zijne verordening, vergaderd zijn. Hij in hun midden is. Daaruit volgt onmiddelijk, dat Jesus zich werkelijk in ons midden bevindt. „Ego sum, Ik ben hetquot;, (Joës. VIII, 12) spreekt Hij derhalve met volle recht. „Ikquot;, (Ibid. XIV, 6) het licht der wereld, de weg der waarheid en het leven, de onzichtbare Zoon des onzichtbaren Vaders, de Onvergankelijke uit den onvergankelijke, de Onsterfelijke uit den onsterfelijke, de Eeuwige uit den Eeuwige, (Greg. Thaumat.) ik, waarlijk God en waarl'jk mensch tegelijk, ik uw Verlosser en Zaligmaker, de reinste en heiligste, de vriendelijkste en liefdevolste, de schoonste en volmaaktste, zonder wien gij tevergeefs de verlorene rust en den verstoorden vrede zoekt, buiten wien er geene zaligheid is, ik sta voor u, lieve ziel en gij staat voor mij 1

Geloof levendig in mij, in mijn almacht, die alles vermag, in mijn wijsheid, die alles ten beste weet te schikken, in mijn goedheid, die u al het noodige en nuttige schenkt, in mijn getrouwheid, die al hare beloften vervult, in mijne woorden, in mijne werken! Evenals een stevige staf den wankelenden en afgeleefden grijsaard voor struikelen en vallen behoedt, evenzoo houdt een levendig geloof in mij u staande, sterkt en bevestigt u, opdat gij niet in nutteloozen twijfel of gevaarljke besluiteloosheid geraakt.

Geloof ook vast aan mijne bestendige tegenwoordigheid gedurende de heilige oefeningen, want dat is een hcofdvoorwaarde om alles goed en met ijver te doen. De heiden Seneca, die geen andere kennis van God had, dan die het bloote verstand zoo spaarzaam schenkt, gal aan zijn vriend Lucilius den raad zich altoos een goeden en deugdzamen man voor den

ocr page 304

— 270 —

geest te stellen en te denken, dat hij door hem onophoudelijk werd gadegeslagen. Door die gedachte aan zulk een toeschouwer zou hij aangespoord worden een rechtschapen leven te leiden. Hoeveel te meer dan zult gij u aangezet gevoelen om de genaden, die u in de dagen der oefeningen wordpn aangeboden, met grooten ijver te gebruiken, ah gij mij, uwen God en Heer, steeds voor oogen zult hebben ? Hoe dichter gij bij het vuur staat, des te beter gevoelt gij zijne warmte; hne dichter de zonnestraal nabij is, des te meer licht geeft hij; hoe dichter gij tot mij, uw oorsprong en de bron van alle volmaaktheid, komt, door mij in uwe zinnen en uw hart tegenwoordig te stellen met vro.ne gedachten en heilige gevoelens, des te gemakkelijker, des te helderder zult gij verlicht verwarmd, verbeterd, volmaakt worden.

Vereenig met dit zoo noodzakelijk en heilzaam geloof in mij ook een vast vertrouwen op mij !

II.

„Habete flduciam !quot; Hebt goeden moed !

Zoo riep Jesus de ontstelde apostelen toe. Wel schuimen de golven en huilen de winden, wel flikkeren de bliksems en opent de kokende zee hare afgronden, maar ik kom om u te redden, daarom hebt goeden moed. Insgelijks zegt Jesus thans ook tot u mijne ziel: ,,hebt goeden moed, want ik ben da'r om u te helpen 1quot; Met deze woorden wekt Hij ons op tot een onwankelhaar vertrouwen op Hem.

Hoe spoedig vertraagt de menschelijke natuur in haar opwaarts streven naar God. Het bedorven vleesch bezwaart den geest, de zwakke wil en de geneigdheid ten kwade trekken haar naar beneden. Het gaat met de ziel everals met den akker, die spoedig met distels en doornen begroeid zal zijn. zoodat de tarwe verstikt wordt, als niet het scherpe oog van den rijveren landman voortdurend toeziet en zijne hand het onkruid uitroeit, zoodra het zich vertoont. Het gaat me; de ziel evenals met den vogel die snel ter aarde valt, zoodra hij ophoudt door vleugelslagen nieuwe vlucht te' nemen.

Of is het soms anders ? Zijt gij niet na de relraite van het vorige jaar in den omgang met de wereld sloffig geworden als

ocr page 305

een uurwerk. Zijn de grondstellingen, zeden en gebruiken van lauwe christenen ook niet bij u binnengeslopen ? Heeft eene zekere lichtzinnigheid, die het zoo zwaar niet opneemt, ook u niet wederom overmeesterd ? Heeft het menschelijk opzicht, die tyran van lafhartigen en hoogmoedigen, die er meer tot afval brengt dan Nero en Diocletiaan, zich niet langzamerhand ook van u mrester gemaakt ? Heeft niet de booze vijand tijdens uw slaap onkruid gezaaid, dat honderdvoudig opschietend, den groei der planten en zaden van deugd belemmert r Hebt gij niet als een vermoeide vogel opgehouden in uw geestelijke vlucht, en zijt gij niet, zooals het bij den herval in de zonde gewoonlijk gaat, dieper gevallen, tot beneden het standpunt, vanwaar gij vroeger uw vlucht genomen hadt naar de volmaaktheid ? Hoe dikwijls hebt gij aan God de schoone toezegging gedaan, uw leven te veranderen, met meer ijver naar de religieuze volmaaktheid te streven, allen gevaarlijken omgang af te I'reken uwen oversten sneller te gehoorzamen, het hart van alle gehechtheid aan de schepsel.n los te scheuren, met dat gezelschap te breken, dat u verhindert geheel aan den Zaligmaker toe te behooren en voor u een aanleiding is tot het houden van ijdele gesprekken, tot het belasteren van den evenmensch, tot het stichten van tweedracht? Hoe dikwijls hebt gij beloofd het Officium Marianutn en uwe andere oefeningen van godsvrucht zonder noodzakelijkheid niet na te laten, sleeds in ingetogenheid des gemoeds te leven, de vastgestelde dagorde slipt te onderhouden, het afzonderlijk gewetensonderzoek vlijtig te verrichten, de goede voornemens vnn de biecht en de overweging getrouw te vervullen f Toon mij de vruchten der ontvangene Sacramenten, der verkregene genaden ? Waar zijn de schitterende gevolgen uwer beloften en voornemens ? Zijt gij niet aan dezelfde gebreken onderhevig als in het vorige jaar ? Een slaaf van dezelfde neigingen en hait^tochten ? Hebt gij u niet laten verlokken door dien geest, die als een zeeroover uw scheepje belaagt, dat met schatien en rijke koopwaren beladen naar den haven koers zette? Aanvankelijk waren het dunne draden, die u boeiden, maar langzamerhand zijn het strikken geworden. „Doch wordt niet moedeloos lieve ziel !quot; Is het u ernst den verflauwden ijver des geestes opnieuw aan té wakkeren, dan zult gij niet

ocr page 306

272 —

zonder God, niet zonder sterkte, niet zonder licht, niet zönder troost, niet zonder mijn almachtigen bijstand zijn, spreekt de Heer, want ik ben uw helper, uw redder. Het vlies van verblinding heeft het oog van uw verstand overtrokken, doch ik wil het wegnemen en u verlichten, opdat gij het licht waarneemt en de duisternis vermijdt, den weg ziet en uit het doolhof geraakt, de waarheid erker.t en de dwaling ontvlucht, het leven vindt en den dood ontgaat. De hand van uw wil is verzwakt, doch ik wil haar versterken met frissche geestelijke kracht, opdat gij met mannenmoed den helm des heils aangrijpt om dapper tegen uwe vijanden te strijden. De liefde-warmte van uw hart is verkoeld, doch ik wil u verwarmen aan den vuuroven van mijn gloeiend hart. Uwe voeten zijn verlamd, maar ik wil hen in staat stellen om met David den weg mijner g-boden te bewandelen. Uw tong is dor en droog evenals de bergen Gelboë, doch ik wil haar bevochtigen met den regen en den morgendauw mijner genade. Mijn beeld is in u bijna onkenbaar geworden, doch ik wil het reinigen van alle stof en vuil, de verschoten kleuren wil ik ophalen, en de vernieuwde plekken bestrijken met het vernis der hemelsche liefde. Gij bloedt uit gapende wonden, doch ik wil ze verbinden en genezen. Treurig zijt gij, doch ik wil u opwekken en verblijden; onwetend zijt gij, maar ik wil u onderrichten; arm zijt gij, doch ik wil u verrijken; naakt zijt gij, doch ik wil u dekken met het kleed mijner verdiensten; werp u daarom onbeschroomd in mijne vaderarmen en luister met aandacht naar de woorden van mijn mond! Verlaat u niet op uw eigen kracht, maar op mijne macht, mijn genade, mijn ontferming, mijn hulp! Vertrouw op mij en gij zult zeker niet beschaamd worden! Geef u over aan mijn leiding, en er zal u niets ontbreken, er zal u niets wedervaren, wat u niet heilzaam, niet nuttig is. Hebt derhalve goeden moed en vreest niet!

III.

„Nolite timere! Vreest niet.quot;

Het was drie uur in den morgen, wanneer het in het Oosten nog duister is, toen de goddelijke Verlosser het geteister-

ocr page 307

de Scheepje zijner leerlingen naderde. Allen stonden op om te zien, wat het was. Zij dachten echter aan niets micder, dan dat het de lang verwachte Meester zou zijn. Veeleer hielden zij Hem voor eene geestverschijning, en begonnen te roepen van angst. Toen sprak de Heiland, die medelijden had met hunne zwakheid; ,,vreest niet!''

Daar gij, mijne ziel, in het bewustzijn uwer schuld evenals de Apostelen voor uwen Heer schijnt te vreezen,* daar gij in halfduister, dat als een morgenschemering uw oog belemmert de voorwerpen niet goed onderscheidt, voor alles bevreesd zijt, en overal schrikbeelden meent te ontwaren, daarom roept Hij ook u toe: „vreest niet.quot; Door deze woorden beneemt Hij de slaafsche vrees en wekt Hij u op tot kinderlijke liefde, waarmede gij Hem in de heilige eenzaamheid moet volgen.

„Vreest niet, want ik ben niet gekomen om u, zooals gij het reeds lang verdiendet, te veroordeelen, maar om u te redden, niet om u van mij af te stooten, maar om u aan mij te binden, niet om u mijne hulp te onttrekken, maar om u met genaden te overstelpen. Volg mij niet met het slaafsche gevoel van iemand, die Gods toorn geduldig en zwijgend over zich laat neerkomen. Volg mij niet met den walgelijken tegenzin van den religieus, die in zijne lauwheid is vastgeroest en vier of vijf weken noodig denkt te hebben, om na de geeste-telijke oefeningen weder in zijn gewone doen te komen. Volg mij niet met het wantrouwen van een wanhopige die beweert, dat hij te diep gevallen is, dat zijne toestand ongeneeselijk, de terugtocht afgesneden, het vonnis geveld is, dat de satan reeds het zwaard opheft om hem te vermoorden, dat hij verloren is, verloren voor eeuwig; daarom is hij er op bedacht ten minste de vreugden der wereld te genieten, zooveel hij kan, en alles te laten gaan, zooals het gaat, totdat voer hem het uur slaat van ellende zonder eind. Mocht dit werkelijk het geval zijn, ben ik het dan niet, met wien gij te rekenen hebti Zijt gij een zondaar, denk dan aan den tollenaar; zijt gij onkuisch, beschouw daar de rouwmoedige Magdalena; hebt gij een moord bedreven, sla dan den blik op den boetvaardigen moordenaar; zijt gij een godslasteraar, herinner u dan Paulus, die eerst onkruid, later tarwe, eerst een wolf, later een herder, eerst lood, later goud, eerst een vervolger der kudde, later een dienaar

ocr page 308

— 274 —

der kerk, eerst een verwoester van den wijnberg, later een planter, eerst een oproerige, later een gezant des vredes geweest is I (Chrysost.) Zie mijn arm: hij is nog niet verkort! Modicae fidei, quare dubitastil Kleingeloovige, wat twijfelt, wat vreest gijl Confide, fili mi, schep moed, mijn zoon, ik kan, ik wil, ik zal u redden! Hoe ellendig gij ook moogtzijn, volg mij met kinderlijke liefde naar den Olijfberg, waar ik u vragen zal, of gij niet een uur met mij kunt waken! Volg mij naar den eenzamen oever van den Jordaan, waar de stem klinkt: ,,deze is mijn beminde zoon, in wien ik mijn welbehagen heb; hoort Hem.quot; Volg mij op den Thabor der verheerlijking, waar gij met den verrukten Petrus verlangen zult te blijven 1

Eenige geneesheeren van den ouden tijd waren van meening dat goud wanneer het ingeslikt werd het hart grooter, vuriger en moediger maakte in den strijd, in gevaren en vervolgingen. Volg gij mij dan met het goud der kinderlijke liefde en gij zult bij de oefeningen niets hard en bezwaarlijk, maar alles zoet en aangenaam vinden; uw hart zal wijder en vuriger, uw verstand helderder, uw oordeel juister, uw gemoed kalmer, uw wil vaster, uw ijver grooter, uw verlangen naar de overweging brandender, uwe verdienste rijker worden, uwegansche natuur zal geadeld en uw geestelijke vrucht verzekerd zijn. En die geestelijke vrucht zal bestaan in de vermeerdering der hoop, die de opbouw, de vermeerdering der liefde, die de bekroning is van het gansche gebouw der volmaaktheid; uw vrucht zal derhalve de voortzetting en voltooing zijn van hetgeen ik nu begonnen heb.

Om het beoogde doel te bereiken, wil ik u. lieve ziel, in alle stilte geleiden naar den tempel mijner oneindige goedheid, waarvan ik u de gedenkteekenen wil laten zien. Sta dan op, mijne vriendin, kom, mijne duif, neig uw oor tot m j en luister.- Hoor mij aan met een vast geloof! Hoor mij aan met een onwankelbaar vertrouwen! Hoor mij aan met kinderlijke liefde, want „ik ben hetquot;, „heb goe ien moedquot; en „vrees niet.quot;

Ja, mijn Jesus, ik heb uw woord verstaan, en hen bereid te doen, wat gij van mij verlangt. Ik wil u volgen met geloof, met vertrouwen, met liefde, om sterk te worden in geloof, in

ocr page 309

vertrouwen en in liefde. Opdat ik ech'.er in staat gesteld worde, uw vurig verlangen volmaakt te vervullen, zoo hoor en verhoor een verzoek, dat ik mij gedrongen gevoel thans tot u te richten, mijn God, ziel mijner ziel, schenk mij in deze dagen de volheid uwer ontferming. Verlevendig mijn geheugen door uwe tegenwoordigheid, verlicht mijn verstand door uwe wijsheid, versterk mijn wil door uwe liefde! Trek als een magneet alle krachten mijner ziel tot u en houd ze zoo machtig om u verzameld, dat niets ter wereld ze kan terughouden of verhinderen zich immer meer en meer met uw goddelijk wezen te vereenigen en tc verbinden, zoodat zij ten laatste geheel in u opgaan ! Amen !

EERSTE DAG.

EERSTE OVERWEGING.

HET G ED EN KT EEK EN ONZER SCHEPPING.

In cliaiitate perpelua dilexi te, ideo a^razi te, miserans.

Met eene eeuwige liefde heb ik u bemind, dairom heb ik uil medelijden u tot mij getrokken. Jerem. XXXI. 3.

Onder alle vo'maakiheden Gods is Zijn oneindige goedheid naar builen wel het meest geschikt den mensch tot verheerlijking van Zijn Schepper, Verlosser en Heiligmaker aan te sporen. In die goedheid toch zijn de zuilen des hemels gegrondvest. De zalige geesten, die in de eeuwige gewelven wonen, zijn haar blijde getuigen. Di geheele zinnelijk waarneembare wereld heeft aan haar het aanzijn en het voortbestaan te danken. Zij is de keten, welke het schepsel aan den Schepper verbindt. Door haar wo:dt de weg naar het verloren paradijs weder geopend en gebaand. Die in de duiste» schaduwen des geestelijken doods zitten, worden aan hare hand kinderen des lichts.

Hanr heiligdom wil ik in deze dagen der heilige eenzaamheid binnen gaan en haar voornaamste wonderwerken met geloof en aandacht beschouwen. Ik zal vooral op die gedenk-teekenen harer liefde, die mij in 't bijzonder betreffen, het oog

ocr page 310

— 276 —

vestigen, om door dat verheven schouwspel nieuw licht in mijn verstand, nieuw vuur in mijn hart, nieuw leven in mijn gemoed te brengen, opdat mijn geloof verlevendigd, mijn hoop bevestigd, mijn liefde opnieuw ontstoken worde.

Het eerste monument, dat mij in den tempel van Gods goedheid onmiddelijk in het oog springt, draagt den zinrijken naam van „Scheppingquot; en geeft dit korte, maar beteekenis-volle opschrift te lezen; „Ego sum alpha et omega,, „ik ben de a en de z.quot; (Apoc. I. 8 )

Hierbij wil ik voorloopig stilstaan en aandachtig overwegen : i0 ik ben de a.

20 ik ben de z.

Mijn schietgebed zij heden het woord van den H. Augus-tinus: „O Heer, geef dat ik u, en dat ik mij kenne 1quot;

I.

„Ik ben de a.quot;

A is de beginletter van het alphabet. Als God nu van zich zeiven getuigt: ik ben de a, dan wil Hij daarmee te kennen geven : evenals de a de beginletter is van het alphabet, van het woord, van de spraak, zoo ben ik het begin, de oorsprong van alle zichtbare en onzichtbare dingen. Het beteekent derhalve zooveel als: „ego sum principium,quot; ik ben het begin.

Wij schrijven thans 1894 en met dat getal geven wij den ouderdom der wereld aan na Christus geboorte, der wereld, die voor Christus reeds 4000 jaren bestond. Waar was echter de wereld voor eenige millioenen jaren ? Zij lag met alles, wat op en in haar is, begraven in den afgrond van het niet. Toen bestond God alleen, van alle eeuwigheid, uit en door zich zeiven. Hij kende zich, beminde zich, was zich genoeg. Ook ik ben thans, doch waar was ik voor 6000 jaren ? Ik lag verborgen in denzelfden afgrond van het niet, ik had ziel nöch lichaam, leefde niet. En dat ik nu het leven heb, vanwaar heb ik dat ? Ber. ik zonder oorzaak als mensch uit het niet te voorschijn gekomen ? Neen, want uit niets komt niets. Ben ik dan door toeval ontstaan ? Dat kan mijnentwege de dwaze atheïst aannemen, er, hij mag daarbij op eene toevallig ontstaande zon wachten, zoolang totdat hij een onderkomen vindt in een krankzinnigengesticht. Heb ik mjj zeiven dan in

ocr page 311

't leven geroepen ? Maar dan had ik tegelijk moeten zijn en niet zijn; zijn, om mij te scheppen, niet zijn, om geschapen te worden. Tegelijkertijd zijn en niet zijn is echter de grootste tegenstrijdigheid. Vanwaar ben ik dan f Heb ik mij uit het ruwe, rede- en levenlooze stof langzamerhand ontwikkeld tot oen levend wezen, met verstand en vrijen wil begaafd? Doch tusschen het levenlooze en levende schepsel ligt er een onoverkomelijke afgrond. Zelfs de allergeleerdste zal in alle eeuwigheid uit een zandkorrel geen mier, laat staan een mensch te voorschijn roepen. Hebben dan misschien levende, lagere schepselen dan ik ben, mij gevormd. Doch zij zijn niet eens in staat een stroohalm voort te brengen, nog veel minder een mensch, zulk een verbazend meesterstuk. Vanwaar ben ik dan toch? Hebben mijne ouders of de engelen mij geschapen ? Doch mijne ouders kunnen mij geen ziel, de engelen geen lichaam geven. Evenals de moeder der Machabeën tot hare kinderen, zoo kan ook mijne lichamelijke moeder tot mij zeggen: ik weet niet, hoe gij in mijn schoot gekomen zijt, want ik heb u geen geest, geen ziel, geen leven gegeven, ik heb uwe ledematen niet te zamen gevoegd. (II Machab. VII, 22.)

Als ik derhalve niet uit het niet, niet door toeval, niet door mij zeiven, niet door een lager of booger of een aan mij gelijk schepsel ontstaan ben, wie is dan mijn oorsprong? Ondervraag ik de rede, dan antwoordt zij: „God is uw oorsprong.quot; Ondervraag ik de geschiedenis aller eeuwen, zij spreekt: „God is uw oorsprong.quot; Ondervraag ik God zeiven, of het waar is, Hij verzekert mij: „ik ben uw oorsprong.quot;

„God is mijn oorsprong. God is mijn begin,quot; zoo klinkt de stem der waarheid. God heeft de wereld en haar gaheele samenstelling reeds gebouwd, doch het zichtbaar opperhoofd ontbreekt nog. Het groote en schoone boek der natuur is geschreven, maar er is nog geen lezer. Het heerlijke schilderij is voltooid, maar er is nog geen beschouwer. Het grootsche paleis is afgewerkt, maar er is nog geen bezitter; daarom spreekt God, niet zooals bij de overige dingen het machtwoord: „Fiat,quot; het worde, „de aarde brenge voortquot;, maar als raadpleegde Hij zich zelren, zegt Hij: „laat ons den mensch maken naar ons beeld en gelijkenis !quot;

Alsof God bij de schepping der andere levende wezens nog

ocr page 312

— 278 —

niet de geheele volheid zijner almacht ontwikkeld had, wil II ij die bij den mensch te werk stellen. (Chrysost.) Met viiende-lijke band neemt Hij een weinig stof der aarde en uit de ruwe grondstof boetseert Hij verschillende ledematen, die hoewel onderling ongelijk, toch met elkander in de schoonste verhoudingen staan. Uit de aarde vormt Hij het stevige been-derengestel om de zwaarte des lichaams te dragen. Hij maakt de spieren, gewrichten en zenuwen, de aderen, de bloedvaten en celweefsels, de verterings- en ademhalingsorganen. Hij vormt oogen om te zien, ooren om te hooren, voeten om te gaan, handen om te werken, tanden om te kauwen, eene tong om te spreken. Alle schoonheden en levenskrachten, die in de zichtbare natuur verspreid voorkomen, vereenigt Hij in het brooze beeld van het mensclieiijk lichaam. De zacht golvende lijnen zijner gestalte, de gewelfde borst, de krachtig gevormde hals, de fijngevoelige vingertoppen, het niet bepeikt zijn tot eenig bepaald voedsel of klima.it, zijn indrukwekkend gelaat, zijne edele, hemelwaarts gerichte houding, en de spraak zijn voorrechten, die geen enkel wezen op aarde met hem gemeen heeft. En in die kleine wereld, die met de steenen het aanzijn deelt, met de planten het leven en den groei, met de dieren het voelen en zich bewegen, in dat kunststuk Zijner almatht blaast God van Zijn geest nog den adem des levens, een hemelschen gast, de redelijke en vrije ziel. Zij gaat uit van God op God gelijkend, levend van den eeuwig Levende, verstandig van den Verstandige, onsterfelijk van den Onsterfelijke. Zij is een geest zooals God, onzichtbaar zooals God, deelachtig aan de eeuwigheid zooals God, onverdeeld zöoals God. Gelijk God almachtig is, zoo zal zij met het lichaam vereenigd, al het aardsche beheerschen. Op haar bevel moeten de geweldigste strocfmen hunne bedding verlaten, moeten de rotsen splijten en de eiken vallen. Voor haar wordt het ijzer week en het marmer levend. Zelfs de grootste en v. ild-ste dieren: de walvisch en de olifant, de tijger en de leeuw moeten zich buigen voor haar macht, en als een speelgoed zich schikken naar haren wil.

God alleen is heilig; ook zij heeft in zich de stem des gewetens, dat heiligheid vordert. God is oneindig gelukzalig, ook zij is tot eene eeuwigdurende zaligheid bestemd. Zij be-

ocr page 313

— 279 —

xit verstand om te kennen, een wil om te handelen, een hart om te beminnen, drie voorname gaven en toch is zij één in wezen. Door het verstand is zij gelijk aan God den Vader, door den wil aan God den Zoon, door het hart aan God den H. Geest. Zoo heeft God h?ar bevoorrecht, haar tot Zijn beeld, Zijn muntstuk gemaakt. Zoo heeft God den eersten mensch geschapen. Zoo schiep Hij ook mij, met dit onderscheid alleen, dat Hij mijn lichaam niet zoo rechtstreeks als dat van Adam te voorschijn riep.

Nu weet ik, vanwaar ik ben. God is mijn begin. Is echter God mijn begin, dan is Hij mijn Heer; is Hij mijn Heer, dan ben ik zijn dienstknecht; ben ik zijn dienstknecht, dan moet ik Hem alleen en geen anderen als mijnen Heer erkennen, dan moet ik Hem en niet mijn eigen zin, mijne neigingen en hartstochten, niet vreemde meer.ingen en heerschende vooroordee-len dienen en volgen. Ik mag derhalve niets aanzien, niets aan-booren, niets aanraken, niets denken, niets wenschen, willen en verlangen, niets spreken en doen, dan wat Hij mij beveelt en toestaat. Dien ik echter niet Hem, maar mij zeiven of een ander schepsel, dan is die dienst eene openlijke oorlogsverklaring aan den hemel, een opstand tegen mijn rechtmatigen opperheer, een afval van God, een schreeuwende onrechtvaardigheid, een gruwelijke ongehoorzaamheid, een afschuwelijke afgoderij.

God is mijn begin. Het stond Hem volkomen vrij mij te scheppen of niet te scheppen, en toen Hij in zijne onbeschrijfelijke liefde besloot mij voor ontelbare mogelijke wezens uit het niet te voorschijn te roepen, toen stond het Hem eveneens vrij mij gelijk te maken aan een steen, aan een boom of aan een worm. Nu heeft Hij echter de twee voortreffelijkste naturen: de lichamelijke en geestelijke tot ééne menschelijke natuur in mij vereenigd, en mij gekroond als vorst der aarde; daarom moet ik mij van harte verheugen een mensch te zijn, daarom moet ik mij, zoolang ik leef, getrouw en dankbaar jegens God betoor.en, daarom mag ik nimmer mijn adel, mijn hooge waardigheid verzaken, onteeren of schandvlekken.

God is mijn begin. God is mijn heer; derhalve mag ik mij niinirur tegen Hem verheffen. Hem nimmer wederstaan, Hem nimmer trotseeren; ik moet mij integendeel altoos voor Hem vernederen, verontmoedigen, ten allen tijde Hem beminnen en

ocr page 314

— 280 —

loven. En dit moet ik nog des te meer doen, omdat Hij mij daartoe, en tot geen ander doel geschapen heeft; want gelijk Hij mijn A, mijn begin is, zoo is Hij mijn Z, mijn einddoel.

II.

„Ik ben uw Z., uw einde.quot;

Heeft iedere kunstenaar bij het vervaardigen van een kunststuk een bepaald doel voor oogen, dan heeft ook zeker de meester der kunstenaars mij niet doelloos geschapen, want dan zou Hij onverstandig en tegen zijne natuur beslissingen geven; daar wij echter zelf niet alwetend zijn, kunnen wij ook niet alles mededeelen. Gij hebt een wil, die verlangt te gebieden. Lieten wij ook ons allen door u regeeren, dan zou toch uw heerschzucht nog niet voldaan zijn. Gij hebt een hart, dat zich een waar, onvermengd, en ongestoord geluk begeert; nu kunnen wij wel vele levensuren verzoeten door afwisselende genietingen; doch wij zijn niet in staat, die onuitsprekelijke begeerte geheel te bevredigen; bijgevolg kunnen ook wij uw einddoel niet zijn.quot;

Vind ik mijne bestemming niet in de schepselen, die aan mij gelijk zijn, dan ben ik misschien hier voor de schepselen van hooger rang? „Wij kunnen, zoo zeggen de engelen, u ongetwijfeld meer aanbieden dan de menschen, maar nooit of nimmer het volle geluk, nooit of nimmer het hoogste goed. Gij komt niet van ons, gij behoort niet aan ons, bijgevolg kunt gij ook niet voor ons zijn!quot;

Afgewezen van alle zichtbare en onzichtbare schepselen, vraag ik weder: waartoe dan ben ik geschapen? Voor mij zeiven kan ik onmogelijk zijn, daar ik in mij eene menigte behoeften ontdek en daarvoor geene bevrediging vind; voor andere wezens kan ik evenmin op aarde zijn, daar zij alie te zamen mij niet voldoen; er blijft slecht één meer over en dat is mijn begin, dat is God en voor Hem moet ik noodzakelijk geschapen zijn. Daar nu God oneindig volmaakt is, moet Hij mij ook met een aan zijne majesteit beantwoordend doel in 't leven geroepen hebben. Het waardigste doel Gods echter is en blijft Hij zelf; derhalve ben ik voor Hem geschapen. God schenkt mij bekwaamheden en krachten, die geëvenredigd moeten zijn aan het onderwerp, dat hen bezig houdt. Hij geeft

ocr page 315

— 28i —

aan mijn verstand een onweerstaanbaren dorst naar volledige kennis en waarheid. Nu is Hij alleen de waarheid en de wijsheid zelve, bijgevolg ben ik voor Hem geschapen. Hij geeft aan mijn wil een machtig verlangen naar onvergankelijk goed en schoon; nu is Hij alleen de eeuwige schoonheid en heiligheid, bijgevolg ben ik voor Hem geschapen. Hij geeft aan mijn hart een onophoudelijken drang, een geweldigen honger naar een geluk, dat niet afneemt, niet voorbijgaat; nu is Hij alleen het goede boven alle goed, de bron van alle geluk; bijgevolg kan ook Hij alleen, het ware en eenige voorwerp mijner bekwaamheden, mijner zielskrachten zijn. En voorwaar, ondervind ik niet iederen dag en ieder uur, dat ik mij slechts dan niet vreemd, maar zoo recht thuis gevoel, wanneer ik biddend en overwegend, in Gods nabijheid vertoef? dat ik alleen dan begin uit te rusten, wanneer ik Hem ernstig zoek ? dat de leegte in mijn hart alleen dan gevuld is, wanneer ik Hem bezit? dat ik alleen dan gelukkig en zalig ben, wanneer ik Hem innig bemin, en volmaakt dien? Derhalve is en kan slechts God alleen mijn eenigdoel zijn. Dit oordeel, door het verstand geveld en door de ondervinding van eiken dag bevestigd, wordt nog versterkt door de woorden van den diepen denker, den H. Augustinus: „Gij hebt ons gemaakt voor u, o Heer, en ons hart is ongerust, totdat het rust vindt in u!quot; Ook de wijze Salomon leert ons hetzelfde als hij zegt; (Piov, XVI. 4.) „de Heer heeft alles gemaakt om zich zeiven,quot; Als er spraak is van alles, dan ben ook ik er onder begrepen, derhalve ook mij heeft Hij voor zich gemaakt. Het wordt ten slotte geleerd door God zeiven als Hij zegt: ego sum omega, ik ben de Z., ik ben uw einddoel. (Apoc. I. 8.) „Ik ben het doel uwer gedachten, daarom zult gij slechts aan mij denken, en aan de zaken, die op mij betrekking hebben, mij en mijne werken beschouwen, overwegen en bewonderen! Ik ben het doel uwer verbeelding, daarom zult gij u mij alleen levendig voor den geest houden, mij voor oogen hebben en u mijne gaven en weldaden dankbaar herinneren. Ik ben het doel uwer wenschen, daarom zult gij slechts naar mij en mijn bezit verlangen. Ik ben het doel uwer begeerten. Gelijk de rivier immer zeewaarts stroomt, waar zijn oorsprong is, gelijk de steen altijd ter aatde neigt, waar hij zijn steunpunt vindt, gelijk de vlam steeds opwaarts stijgt

NIEUWE HANDLEIDING.

ocr page 316

— 282 —

in de lucht, waar de plaats barer rust is, zoo zult ook gij mij begeeren, naar mij streven, mij beminnen. Ik ben het doel uwer woorden, daarom zult gij alle ijdel gebabbel vermijden en slechts van mij en tot mijne eer spreken, mij loven, mij verheerlijken. Ik ben het doel uwer werken, daarom zult gij u bezighouden niet om een tijdelijk gewin, maar voor mij zult gij arbeiden en rusten, voor mij lijden en zwijgen. Ik ben uw doel ten allen tijde en op alle plaatsen, daarom zullen de liefdevlammen op den gewijden haard van uw hart nimmer verflauwen, uw leven en streven zal overal een bestendige dienst van mij zijn ! Ik ben uw doel en einde in de eeuwigheid, daarom zult gij in mij uw eeuwige rust, uw eeuwig geluk zoeken en vinden, bezitten en genieten!

Doch genoeg, mijn Heer en mijn God! Ik ben gedwongen het voor de geheele wereld te bekennen: „Gij hebt mij geschapen en wel voor U; Gij zijt mijn begin en mijn einde.quot; Nog-thans, hoe duidelijker ik dit inzie, des te meer schaam ik mij voor mij zeiven, en sidder voor U; want in plaats van bestendig aan u te denken, in plaats van steeds in uwe heilige tegenwoordigheid te wandelen, heb ik u, o hoe dikwijls, vergeten! In plaats van naar u te verlangen heb ik vergankelijke en ijdele goederen begeerd, en u ter zijde gezet. Evenals het ontrouwe Israël walgde ik van het hemelsche manna en verlangde ik naar de vleeschpotten van Egypte. In plaats van aan u alleen te vragen, wat gij van mij wilt, vroeg ik aan mijne oogen en ooren; wat begeert gij? aan het gevoel en de maag: wat hebt gij gaarne? aan de wereld en den tijdgeest; wat verlangt, wat vordert gij ? Hoe aanmatigend en buitensporig hunne wenschen ook waren, ik hield er toch rekening mede. In plaats van u steeds teederder en vuriger te beminnen, heb ik u veracht en verlaten en mijn hart voor een spotprijs verkocht. In plaats van op uwe woorden te letten, heb ik aan verkeerde meeningen gehoor verleend en mij door mijne hartstochten langs duizend dwaalwegen laten sleepen. In plaats van u te zoeken, heb ik mij zeiven gezocht in mijne begeerten, woorden en werken. In plaats van nauwgezet uwe geboden te onderhouden, heb ik die ontelbare malen stoutmoedig overtreden. Wee, mij ellendige mensch, indien ik mijn leven niet verander! Doch hoe zal ik, hoe kan ik het veranderen, hoe kan ik aan mijne zinnen en

ocr page 317

gedachten eene andere wending gever, zoo niet gij mij te hulp komt, die de A en de Z, mijn begin en mijn einddoel zijt. Schenk mij dan, nu ik voor het eerste gedenkteeken uwer goedheid weeklaag en zucht, de onverdiende genade, dat ik eindelijk het rijk van mijne liefde tot mij zeiven en de wereld ver-woeite, dat ik mij losrukke van het vergankelijke, dat heden glanst en morgen verduistert, dat ik mij omhoog werke tot het onvergankelijke, dat zelfs in den donkersten nacht nog licht, en in het bitterste lijden nog troost. Help mij, opdat ik voortaan u uitsluitend diene met iedere gedachte, die ik vorm, met iederen wensch, dien ik koester, met ieder woord, dat ik spreek, met iederen voetstap, dien ik zet, met ieder werk, dat ik verricht. Uw licht verlichte mij, uw wil beheersche mij, uw bijstand ondersteune mij, uw naam leve en heersche in mij van nu af tot in eeuwigheid! Amen !

TWEEDE OVERWEGING. Het gedenkteeken der instandhouding.

Misericordia tua subsequetur me omnibus diebus vitae meae.

Uw barmhartigheid volgt mij op den voet al de dagen mijns levens.

Ps. XXII. 6

.Ajs eenmaal de profeet Eliseus den gestorven zoon eener godvreezende vrouw te Suna, die hem gastvrijheid verleende, weder ten leven had opgewekt en hem aan de verheugde moeder had teruggeschonken, verliet hij het huis, en begaf zich naar Galgala, zonder verder meer naar hem om te zien. Doet God misschien evenzoo met mij, zijn schepsel ? Roept God mij in het leven en plaatst Hij mij in een of ander hoekje der wereld, om mij dan te verlaten en zich verder niet meer om mij te bekommeren? — Neen; onmiddelijk naast dat gedenkteeken zijner oneindige goedheid, de schepping, staat het gedenkteeken der instandhouding, en dit overtuigt mij, dat God mij niet aan mijn lot overlaat. Ongetwijfeld, de Schepper heeft mij evenals aan alle andere dingen tot op zekere hoogte van het begin af den last en de macht gegeven tot zelfonderhoud; doch niet-

ocr page 318

temin blijft Hij met zijne alvermogende kracht en werkzaamheid zonder ophouden bij en in mij. Zijne barmhartigheid volgt mij op den voet al de dagen mijns levens. Gelijk de liefde eens vaders tot zijn kind niet ophoudt bij de geboorte, doch lederen dag verlevendigd wordt en zich openbaart in eene zorgvuldige opvoeding, zoo hield Gods liefde tot mij niet op bij mijne schepping; integendeel ontvlamt zij eiken dag op nieuw en toont zich door dat God mij i0 behoudt,

2° verzorgt,

3° bestuurt, hetgeen ik in dit oogenblik wil overwegen. Ter eere en ter verheerlijking van mijn Behouder!

I.

God houdt mij in stand, dat wil zeggen. Hij bewaart mij a) in mijn lichaam, b) in mijne werken.

a) Hij bewaart mij in hït leven en maakt, dat ik blijf bestaan, zooals en zoolang Hij het wil. „Men moet niet denken, staat er in den romeinschen katechismus, dat na de voltooiing vw het Scheppingwerk, datgene wat door God is voortgebracht, kan voortbestaan zonder zijne onbegrensde macht.quot; Hoe zou er iets kunnen bestaan zonder zijn wil? Gelijk alles door de hoogste macht, wijsheid en goedheid des Scheppers ontstaan is, zoo zou het ook wederom in het niet terugzinken, zoo niet zijne Voorzienigheid altoos over dé geschapen dingen waakte, en ze behield door dezelfde kracht, waardoor zij in den beginne gemaakt werden. (Catech. Rom.) Eveneens schrijft de H. Thomas van Aquine (I, 9. 9. art. 2): gelijk het van den goddelijken wil afhangt de dingen in 't leven te roepen, zoo hangt het ook van Gods wil af ze in 't leven te behouden, en hij doet dit op geene andere wijze, dan door hun steeds het leven te geven; derhalve zouden zij, wanneer Hij hun zijne werkzaamheid onttrok, weder in het niet terugvallen.

Welk een wonderwerk van Gods almacht zijn de oogen, welk een wonderwerk is het vermogen om te zien. Onttrekt God echter Zijne kracht aan het oog, dan zijn de roode morgengloed en de opkomende zon, de schitterende kleuren en alle schoonheden der heerlijke natuur voor mij woorden zonder zin,

ocr page 319

- 28s -

ik ben stekeblind. Well: eene wonderbare gave is het gehoor! Alleen het gemis daarvar; leert het naar waarde schatten. Trekt God zijne hand terug, dan behooren de zoete tonen der muziek en de vertrouwelijke gesprekken niet meer tot mijne levensvreugde, ik ben doof. Welk een nuttig geschenk Gods is de spraak! Trekt God zich terug, dan moet ik er van afzien mijne gedachten en gevoelens mondelings aan anderen mede te deelen, ik ben stom. Welk een kunstig weefsel zijn die talrijke zenuwen, spieren en gewrichten van het menschelijk lichaam, waardoor ik gevoel, ga en volbreng wat mijn huisheer, de wil, gebiedt. Trekt de Almachtige zijn arm terug, dan ben ik zonder gevoel; de gansche buitenwereld is dan voor mij, als bestond zij niet, bij den laatsten prikkel der gewaarwording verdwijnt de laatste adem des levens. Zoo de Heer het licht van mijn verstand niet meer onderhoudt, daai ik af tot het redeloos dier. Zoo Hij mijn hart niet meer verwarmt, is mijn borst zonder weemoed, zender verlangen, zonder liefde en vreugde. Mijn geheugen, mijne verbeelding, mijn wil, mijn ziel houdt oogenblikkelijk op te bestaan, zoo God zich van mij verwijdeit. Wendt Hij zijn aangezicht van mij af, (Ps. C1II. 29.) dan geraak ik in verwarring, dan verga ik en keer tot het stof terug. Met volle waarheid derhalve staat er geschreven; „in God leven wij.quot; (Act. Ap. XVIII. 28.) In Hem hebben wij het bestaan, door Hem het voortbestaan. (Col. I. 17.)

Daaruit kan ik afleiden, hoeveel ik aan God verschuldigd ben. Wanneer de Zaligmaker aan een blindgeborene het licht der oogen, aan een stomme de spraak, aan een doove het gehoor, aan een lamme de beweging, aan een zieke de gezondheid, aan een doode het leven schonk, dan waren die gelukkigen van blijdschap opgetogen en jubelde hun hart, en van hunne lippen klonk een lofzang van dankbaarheid jegens hun weldoener. Verliezen dan diezelfde gaven iets van hunne waarde en beteekenis, nu zij mij dagelijks zoo kwistig geschonken worden ? Zeker niet. Met uwe geschenken, o Heer, neemt veeleer ook mijne schuld toe; mijn plicht van dankbaarheid wordt zwaarder van minuut tot minuut, daar Gij mij steeds behoudt ook in mijne werken!

b ) Van alles, wat werkt, is God de oorzaak der werkkracht. Alles wat werkt, werkt door Gods kracht, zoo leert de H.

ocr page 320

— 286 —

Thomas van Aquine. God werkt in mijne oogen, wanneer zij zien, en in de kleuren, wanneer zij hun beeld uitzenden om zoo gezien te worden, als zij zijn. Hij werkt in mijne ooren, wanneer zij de golvingen der lucht cpnemen en de geluiden goed verstaan. Hij werkt, wanneer ik spreek, dat mijne organen door de juiste beweging de zachte en zinvolle klanken der spraak voortbrengen. Hij werkt in mijne harden, wanneer zij zich uitstrekken en arbeiden. Hij werkt in mijne voeten, wanneer zij gaan en staan, Hij werkt in mijne gevoelszenuwen, wanneer zij waarnemen wat koud of warm, droog of nat, hard of week, glad of ruw, bot of scherp is. Eet en vast ik, zijne goedheid helpt mij. Begeer, wensch, verlang ik iets, het geschiedt met zijne kracht. Teeken en schrijf ik. Hij bestuurt mijne band. Lees en bid ik. Hij geeft mij goede gedachten. Lig en slaap ik, ik rust in zijn vaderschoot. Des morgens wekt Hij mij, over dag beschut Hij mij voor duizend gevaren en vergezelt mij overal. Wat begin ik, wat vervolg ik, wat breng ik gelukkig ten einde zonder den goddelijken bijstand? Alle werkkracht mijner in- en uitwendige zintuigen houdt op, zoodra de invloed van God op mij ophoudt, want in Hem leef ik en beweeg ik mij; zonder Hem kan en ben ik niets.

Dit weet gij, mijne ziel, daar geloof noch rede u hieromtrent in twijfel laten! Wat zoudt gij nu van iemand zeggen, dien gij slechts met een pand van zijn kleed aan een steilen rotswand ziet hangen boven een gapenden afgrond en die toch dengene, die hem de reddende hand toereikt, hoont en beschimpt f

Wat zoudt gij zeggen van een blinden en kreupelen arme, die zijn eenigen weldoener krenkt en beleedigt?

Zoudt gij zulk een boosaardige misdaad niet ten diepste verachten en verafschuwen? Doch veel schandelijker is uwe ondankbaarheid, veel afschuwelijker uw gedrag, wanneer gij zondigt tegen God, die uw levensdraad ieder oogenblik kan afbreken, tegen God, zonder wien gij u niet kunt opheffen, noch bewegen, tegen God, die u bestendig onderhoudt en verzorgt.

ocr page 321

— 287 —

II.

Alles, wat God geschapen heeft, onderhoudt en verzorgt Hij. Hij zorgt voor het heelal in het groot en het klein. Beschouw de vogelen des hemels, zij zaaien en oogsten niet, zij verzamelen niet in schuren en dehemelsche Vader voedt ze. (Matth VL 26) Beschouw de leliën des velds, hoe zij groeien en bloeien, zij arbeiden en spinnen niet en toch was Salomon niet zoo prachtig gekleed, als zij. Als ik in een huisgezin het dienstpersoneel in goeden staat zie, en aan niets gebrek lijdend, mag ik dan niet veilig besluiten, dat de heer welgesteld is en aan alles overvloed heeft. (Chrysost.)

Zorgt God zoozeer voor de redelooze schepselen, hoeveel te meer zal Hij dan bezorgd zijn voor mij, hun heer met rede en vrijen wil begaafd? En inderdaad. Hij zorgt a) voor mijn lichamelijk, b) en voor mijn geestelijk welzijn.

a). Om mij te spijzigen, schept Hij tallooze boomen, planten en dieren. De koe moet mij haar melk, de haas zijn vleesch, de bij den honig, de hen het ei leveren. Voor mij bloeit de tarwe, de rogge, de gerst op den akker en de vruchten in den hof. Om mij te drenken, roept Hij den regen uit de wolken af, beveelt Hij de bron aan de rotsen te ontspringen en voorziet Hij de wijnrank niet druiven. Hij wil, dat het paard mijne lasten drage en trekke en den akker helpe bebouwen, dat de hond huis en erf trouw bewake, dat de vogelen door hun gezang mij streelen. Voor mij is het schaap met wol bekleed, en spint de zijdeworm zijne draden. De bergen ontsluiten mij hunne verborgene schatten en de zee is bevaarbaar voor den handel. Voor mij schijnt de zon, glanst de maan, fonkelen de sterren, wisselen dag en nacht en waaien de winden. Heb ik vuur noodig, om mij te verwarmen, de Heer heeft het geschapen. Heb ik lucht noodig, om te kunnen ademen. Hij blaast haar mij toe. Het kleed, dat mij bedekt, het huis, dat ik bewoon, de bloem, die mij behoort, en alle andere dingen, die mij verkwikken, heb ik aan Hem te danken

Wel kunnen ook geedhnrlige menschen mij veel van het hunne mededeelen, doch de eerste gever blijft altijd de Heer, Hij is 1 et, die hun gaf, wat zij bezitten, Hij is het die hen aanzet, hunne goederen met mij te deelen. Door den Apotheker be-

ocr page 322

— 288 —

reidt Hij mij de geneesmiddelen, wanneer ik ziek ben; Hij helpt mij weer op, wanneer ik gevallen ben. Hij geleidt mij op den rechten weg, wanneer ik verdwaald ben; Hij versterkt mij in mijne zwakte, in gevaren verdedigt Hij mij als een wapenbroeder. Waar is de vorst, die voor zijne onderdanen, waar zijn de ouders, die voor hun eenig kind zoo bezorgd zijn, als de Hemelsche Vader voor mij ? Niet enkel mijn leven en gezondheid, maur ieder lid van mijn lichaam staat onder zijn bijzondere bescherming, zelfs ieder haar van mijn hoofd is door Hem geteld. Een engelsch geneesheer heeft uitgerekend dat een goed behaard hoofd 127,920 haren telt. Als grondslag voor zijne berekening nam hij een vierkanten duim van de hoofdhuid en telde daarop 1066 haren. De hoofdhuid beslaat ongeveer 120 vierkante duimen. Om de haren van een menschenhoofd te tellen, zou men alzoo ongeveer 24 uur noo-dig hebben. Alle menschen op aarde te zamen genomen, wanneer men 1000 millioen als goed behaard aanneemt, zouden dus 128 billioenen haren hebben. Om die te tellen had men 23/4 millioen jaren noodig. Welke mensch, welk volk vermag die te tellen ? Wat wij niet vermogen, heeft God gedaan. „Omnes capilli capitis vestri numerati sunt.quot; Nog meer, voor ieder haar afzonderlijk zorgt Hij, alsof er niets anders ware, en geen enkel valt af zonder zijn wil. O Voorzienigheid ! O teedere, onuitsprekelijk teedere bezorgdheid! Heeft het niet den schijn, dat ik het eenigste schaapje ben, dat gij te weiden hebt, en behoedt gij niet allen te zamen, evenals mij alleen ?

b). Doch deze teedere bezorgdheid voor mijn lichaam is nog de grootste niet, want onvergelijkelijk grooter is zijne bezorgdheid voor mijn geestelijk welzijn. God, die weet, wie H^j is, weet ook, wat de menschelijke ziel, zijn evenbeeld is; daarom gaat Hem niets zoozeer ter harte als het heil mijner ziel. Alles, wat Hij doet, doet Hij derhalve tot mijn heil. Hemel en aarde heeft Hij voor mij geschapen. Voor mij heeft Hij Zijn ee.iiggeboren Zoon en den H. Geest in de wereld gezonden. Voor mij heeft Hij de H. Kerk gesticht; de apostelen en missionarissen, mijne voorvaderen en mijne ouders geroepen, om mij het geloof en de kennis der eeuwige waarheden onvervalscbt mede te deelen. Hij geeft mij de zalige hoop op

ocr page 323

— 289 —

de onvergankelijke goederen tegelijk met de toezegging daarvan. Hij ontsteekt mijn hart aan de vlam zijner oneindige liefde. Zeven bronnen heeft Hij geopend, waaruit ik de genaden der Sacramenten kan drinken, om mij in het goede te versterken en nimmer moedeloos te worden of te versmachten. Wie telt de vele inwendige inspraken, die machtige aansporingen tot deugd, die verschillende verlichtingen, die als zonnestralen in do duistere kamer mijns harten doordringen en mij opwekken tot heilige besluiten? Wie telt die onmetelijke schatten, die Hij mij in de volle en gedeeltelijke aflaten mededeelt ? Wie telt al die natuurlijke en bovennatuurlijke genaden te zamen, die Hij mij schonk sinds mijne kinderjaren ? Was ik in dwaling, Hij onderrichtte mij. Was ik in twijfel. Hij loste dien op. Was ik bedroefd. Hij troostte mij. Was ik terneer geslagen. Hij richtte mij op. Was ik krachteloos. Hij kwam mij te hulp. Was ik onwetend, Hij vervulde mijne ziel met een hemelsch licht. Wai; heb ik noodig gehad, dat God mij niet vrijgevig geschonken heeft f Hij onderwijst mij nu eens door andere menschen, dan weer redt Hij mij door de H. Schrift. (Ps. XC. 11.) Zijne engelen gelast Hij mij overal te beschermen en te bedienen. Wat moet Hij nog meer voor mij doen? Verlang ik, met zijne afgezanten niet tevreden, dat Hij persoonlijk mij vergezelle? De goede en barmhartige God weigert niet de hoop te zijn van die zich in nood bevinden; Hij versmaadt het niet als bevrijder en beschermer op te treden van die op Hem vertrouwen.quot; (S. Bornard.) In noodzakelijke afwisseling zendt Hij mij nu eens geluk, zegen en oogenblikken van vreugde, dan weer ongeluk en lijden, opdat het eene mij niet overmoedig, het andere mij niet moedeloos make; want door straffen bewijst Hij Zijne liefdevolle bezorgdheid niet minder dan door Zijne ontelbare weldaden. Waarom wendt Hij soms schijnbaar het oor af van mijne smeekingen ? Om mijn verlangen vuriger te maken, om mijn vertrouwen op de proef te stellen. Waarom rijzen in mijn leven menigmaal zwarte wolken van kommer op? Omdat liet mij heilzamer is, smarten te lijden en zalig te worden, dan gezond te blijven en verloren te gaan. Waarom waarschuwt, bedreigt, kastijdt Hij ? Om mij hier als vader te verbeteren en mij later als rechter te verschoonen.

ocr page 324

— 290 —

All.s derhalve, wat Hij mij overzendt, alles wat Hij toelaat, alles wat mij wedervaart, het is mij nuttig en heilzaam, ook al zie ik het niet in.

O onbeschrijfelijke wijsheid Gods 1 O onuitsprekelijke liefde jegens mij 1 Wie zal de goedheid uwer goddelijke Voorzienigheid, wie uw beleid en vaardigheid om mijn geestelijk en lichamelijk welzijn te bevorderen, wie de grootheid uwer werken, wie hun rijkdom genoeg kunnen bewonderen ?

Als een bedelaar sta ik ieder oogenblik aan de deur van uw huis en nog vóór dat ik aangeklopt heb, doet gij reeds open; voor dat ik vraag, strekt gij de hand uit en schenkt mij de aalmoes van de gaven der natuur en genade zonder maat en zonder tal.

Hoe zal ik die dan ooit ontvangen zonder het nederige bewustzijn dat zij onverdiend zijn, zonder de openlijke belijdenis, dat ik alles van u ontving en ontvang? Zal ik de mij geschonken gaven anders besteden, dan volgens uw wil en verlangen lt; Neen, driemaal neen! Wanneer ik de bekers uwer gramschap niet over mij wil uitgieten, dan moet mijn leven en streven een onafgebroken danklied zijn dat geen enkelen wanklank verstoort. Indien ik mij uw oneindige liefde niet onwaardig maken, indien ik niet wankelen, niet vallen wil, dan moet ik steeds met kinderlijk vertrouwen mij werpen in de armen uwer Voorzienigheid, en in alle mogelijke gevallen op haren rotsvasten grond steunen en vertrouwen, want Gij zijt het, die mij verzorgt. Gij zijt het, die mij bestuurt.

III.

Alles is aan Gods besturing onderworpen en niets kan er gebeuren zonder Zijne beschikking, zegt Thomas v. Aq. (1. 9, 103, art. 5). Hij schikt alles met wijsheid en voltooit het door Zijn macht. (S. Cyprian.) Wat God geschapen heeft, bewaart en bestuurt Hij door Zijn Voorzienigheid, machtig reikend van het eene einde tot het andere, en alles liefelijk beschikkend. (Cone. Vatic. III. c. r.) Wanneer er sprake is van alles, dan ben ik niet uitgezonderd, derhalve moet ook ik met den Psalmist belijden: Dominus regit mequot; (Ps. XXII. 1.) de Heer bestuurt mij, dat is: Hij voert mij a) tot mijn aardsch b) tot mijn bovenaardsch doel.

ocr page 325

— 291 —

a) Wel kiest het hart des menschen zich zijn weg, doch de Heer bestiert zijn gang. (Prov. XVI. g.) Hij laat mij wel is waar den vrijen wil en dwingt mij tot niets, eii toch grijpt Hij in al mijne handelingen in en voert mij langs onbekende wegen tot het doel, tot den staat, het ambt of de betrekking waar hij mij wil hebben. Hij voert mij eerst in de kerk naar den doopvont, later naar de school, van de school naar den katechismus, var den katechismus naar het klooster en zoo tot de waardigheid van het priesterschap. Daarbij bedient Hij zich immer van de meest doeltreffende middelen, hoe onverschillig, toevallig of ondoelmatig ook zij menigmaal aan mijn kortzichtigheid voorkomen. God we^t, zooals een portugeesch spreekwoord zegt, ook op gebogene vlakten te schrijven; want welke eene verrassend voordeelige wending nemen soms niet de voorvallen en omstandigheden. De geschiedenis aller djden en plaatsen levert hiervoor de sprekendste bewijzen. Zal b. v. Abraham zich een grooten naam verwerven, zal hij de stamvader worden van het joodsche volk, dan moet hij zijn vaderland verlaten, naar een onbekend land trekken, tot den hoog-sten ouderdom in een onvruchtbaar huwelijk leven en zich ten slotte gereed maken zijn zoon Izaak, den eenigen zoon der belofte, op den berg Moria te slachtofferen. De kleine Mozes wordt in den Nijl in een biezenkorf te vondeling gelegd, en is in gevaar van door een krokodil verslonden te worden. Daar nadert de prinses van Egypte om zich te baden. Zij ziet het knaapje in den korf, ontfermt er zich over, redt het en laat het in de wetenschappen van dien tijd onderwijzen. Mozes leert hare taal, treedt later voor den koning op als voorspreker voor zijn verdrukt volk en geleidt het op bevel van Jehova door de woestijn naar het beloofde land. Zal Jozef de onderkoning worden van Egypte, dan wordt hij eerst door zijne afgunstige broeders als een slaaf verkocht, als een misdadiger geboeid en in den kerker geworpen. Tot medegevangenen heeft hij den overste der schenkers en den bakker van Pharao. Door hemelsche ingeving legt hij hunne droomen uit. Zijne woorden gaan in vervulling. Hij wordt aan het hof geroepen en de eerste na den egyptischen vorst.

Duizenden en nogmaals duizenden worden uit gelukkige omstandigheden weggerukt geheel onverwacht. Hun wil voegt er

ocr page 326

— 292 —

zich naar slechts met tegenzin. Oogenschijnlijk komt alles verkeerd uit. Doch zie, plotseling gedijt die aanvankelijk onaangename verandering tot hun grootste nut en welzijn. De rol is omgekeerd, gebrek is overvloedig geworden, schande is in eer, droefheid in vreugde veranderd. Laat men in zijn beroep, in zijne betrekking een blik terugslaan op den afgelegden levensbaan en men zal moeten erkennen: ,,dat had ik niet vermoed! God zij gedankt voor zijne goedheid?quot; Zoo bestuurt de Heer het schipje der wereldgeschiedenis, zoo bestuurt Hij eenieder afzonderlijk. Zoo voert Hij mij tot mijn aardsch, zoo zal Hij mij ook tot mijn bovenaardsch doel voeren.

b.) Een hooger doel is mij aangewezen, dan het enkele zijn op aarde. Ik kom van God en moet langs den weg van strijd en deugd weder naar God in mijn vaderland terugkeeren. Daar echter de Heer weet, dat ik mij zeiven niets vermag, daarom neemt Hij mij, als een moeder haar kind, bij de hand en geleidt mij naar het beloofde land des hemels. Het evangelie, waarin de wegen des heils beschreven zijn, zal mij dienen als gids in de woestijn des levens. De voorbeelden van Jesus en zijne heiligen zijn mij de levende uitlegging des evangelies en sporen mij op mijn reis bestendig aan tot volharding en werkzaamheid. De geheimzinnige, geweldige aandrang naar die oneindige gelukzaligheid, waar het hart ophoudt te wen-schen, is de handpaal, die mij naar boven wijst. Hij zalft mij met de olie zijner genade, maakt mijne voeten (Ps. XVII. .34) gelijk aan die v^n een hert opdat ik vlug over alle bezwaren en hindernissen heenspringe. Hij sterkt mijn arm als een stalen boog, opdat ik het overmoedige vleesch in bedwang houde, de hartstochten beteugele, de booze gewoonten uitroeie, de zondige begeerten en gerechtheden met het mes der versterving uitsnijde, om over mij en mijne vijanden te kunnen zegevieren. Inwendig onderricht Hij mij door de stem des gewetens, uitwendig echter door den mond der overheden, biechtvaders, goede vrienden en boeken, wat ik bij iederen stap te doen en te laten heb, om met volle zekerheid van deugd tot deugd te wandelen, totdat ik kome in het eeuwige Sion. En wanneer soms bedriegelijke vooroordeelen, inblazingen des duivels, verkeerde neigingen mij lokken in de doornstruiken der zonde, dan loopt Hij mij na, roept en zoekt mij, om mij op

ocr page 327

— 293 —

het rechte pad te geleiden. Dikwijls ook gebeurt het, dat Hij kruis en lijden overzendt, om mij uit den roes te wekken en weer nuchter te maken. Ik word belasterd, vervolgd, veracht, of onverwacht door een ziekte overvallen. Mijne vrienden verlaten mij en mijne vijanden verheugen zich in mijn ongeluk. Daar ik hier beneden geen vertrooster meer vind, verhef ik het oog tot God en gevoel ik de werkingen der genade; een ernstig onderzoek van mijn geweten toont mij de daarin heer-schende wanorde aan, en de treurige gevolgen mijner afdwaling. Ik word door berouw getroffen, ik bekeer en verbeter mij. Kortom, zie ik naar boven of naar beneden, naar binnen of naar buiten, voor- of achterwaarts, overal lees ik met vergulde letters de woorden geschreven, die de goddelijke Zaligmaker eens tot zijne dienares Maria Lataste sprak; „ik bestuur mijne geloovigen zelf, of door hen, die mijn tweede ik zijn; altoos ben ik hun bezorgde bestuurder.quot;

Ja voorwaar, uw barmhartigheid alzoo volgt mij op den voet al de dagen mijns levens. Gij onderhoudt mij. Gij verzorgt mij. Gij bestuurt mij. O hoe eindeloos goed zijt Gij voor mij! Doch in hoe helderder licht uw oneindige goedheid straalt, des te zwarter schaduw werpt mijn boosheid op mij. Gij onderhoudt, verzorgt en bestuurt mij, en ik, armzalige, gebruik, zoo dikwijls ik zondig, mijne zintuigen als moordtuigen tegen u. Mijne oogen schieten de pijlen van booze blikken op u af; mijn mond spuwt de gal van onbetamelijke woorden tegen u uit; mijne ooren sluiten zich voor uwe vermaningen, mijne voeten verlaten den weg uwer geboden, mijne handen vlechten de geesels om u, o Jesus, te slaan; mijn verstand verloochent u, mijn geheugen vergeet u, mijn wil wederstaat u, mijn hart wijst u af, evenals eenmaal de hardvochtige inwoners van Bethlehem. Bewust van mijne schuld en nederge-drukt onder den loodzwaren last mijner zonden bid, roep en verzucht ik tot u, barmVartigste Jesus; „zonder u ben ik niets, kan ik niets, weet ik niets; daarom verdubbel uwe barmhartigheid, vermenigvuldig uwe genaden, vergeef mij en red mij, opdat ik zelf een gedenkteeken worde van uwe oneindige goedheid ! Amen 1

ocr page 328

— 294 —

DERDE OVERWEGING. Het gedenkteeken der verlossing.

Apud Dominum misericordia et co-piosa apud eum redemptio.

Bij den Heer is barmhaitigheid, en bij hem is overvloedige verlossing.

Ps. CXXIX. 7.

aar ziel en lichaam bevoorrecht, in gerechtigheid en heiligheid schiep God het eerste menschenpaar. Overeenkomstig zijn wil moesten Adam en Eva met hunne nakomenlingschap een tijd lang in het paradijs verblijven, om dan zonder te sterven de vreugde des hemels binnen te gaan. Evenwel zouden zij de eeuwige zaligheid niet louter als een erfdeel ontvangen, doch zij moesten haar verdienen door de vervulling van Gods gebod. Wat gebeurt er echtir? Door den satan verleid overtreden zij in dwazen overmoed Gods heilig bevel. Daardoor laden zij de schuld en de straffen der zonde op zich, vallen ten prooi aan den lichamelijken, geestelijken en eeuwigen dood, maken de weldaad der schepping vruchteloos, sluiten de poort des hemels, openen zich den afgrond der hel, en laten den ge-heelen vloek der zonde, met zijne rampzalige gevolgen als een erfenis na aan al hunne nakomelingen, want uit een vergiftigde kiem ontstaan vergiftigde spruiten; bedorvene ouders kunnen slechts bedorven kinderen, zondaars slechts zondaars voortbrengen. Die erfzonde, overgegaan op allen, de H. Maagd Maria uitgezonderd, leeft in het naenschelijk geslacht voort als een groote wereldschuld, wordt door eenieder voortgezet en bezegeld door de persoonlijke zonden. Losgescheurd van God en het leven Gods is geen sterveling meer in staat zich uit zijn afgrond tot de verloren hoogte op te heften. Treurig lot! Moeten dan, groote God, al die millioenen tot op den laatsten man toe, van u verstoeten blijven, zich immer dieper en diaper vastwoelen in hun vloek, in zonden leven, in zonden sterven en hopeloos ten gronde gaan? Worden zij dan, na door u geschapen te zijn, slechts onderhouden, om tegen u te kampen zoolang zij ademhalen, om daarna als offers uwer wraak in de hel te branden?

Neen, zoo roept luide een gedenkteeken uwer oneindige goed-

ocr page 329

— 295 —

heid, die de engelen verbaast, de duivelen doet sidderen, de menschen in dankbare aanbidding op de kmeën werpt. Het is het gedenkteeken der verlossing.

Nauwelijks hebben Adam en Eva, door den duivel verleid, gezondigd, of God veroordeelt den verleider, ontfermt zich over de verleiden en belooft een verlosser te zenden. De beloofde, veertig eeuwen lang voorafgebeeld, de vurig verlangde, de eengeboren Zoon des Vaders komt eindelijk, vereenigt zich met de menschehjke natuur, om als God-mensch: i0 de zondeschuld te delgen,

20 de zondeschuld te voldoen,

3° de gevolgen der zonde weg te nemen.

Sta nu, mijne ziel, stil bij deze grootste aller gebeurtenissen in de wereldgeschiedenis, en beschouw niet enkel, zooals het gewoonlijk gaat, hare oppervlakte, maar dring met Gods genade, zooveel uw zwakheid het toelaat, door in hare geheimzinnige diepte! Al kunt gij die ook niet peilen, dan zult gij ten minste leeren haar te bewonderen. Het geschiede ter verheerlijking des Verlossers!

I.

Evenals een dief verplicht is het gestolen goed aan den eigenaar terug te geven, zoo moet ook de zondaar, wanneer hij God wil verzoenen, alles teruggeven, wat hij Hem wederrechtelijk ontnomen heeft, hij moet zijne zondeschuld betalen. God verlangt echter tot kwijting der oneindige zondeschulden het offer van een schuldelooze, dewijl slechts een zoodanig offer Hem welgevallig is; Hij vordert een offer van oneindige waarde, dewijl Hem door de zonde eene oneindige beleediging was aangedaan. Noch het een, noch het ander kan de zondaar geven, daar hij als zondaar niet aan God welgevallig is en als eindig wezen niets oneindigs kan uitwerken; bijgevolg is hij onvermogend zich zeiven te verlossen. Slechts een mensch, in alles, behalve de zonde, aan den mensch gelijk, kan de schuld des menschen op zich nemen, en aan hem zijne eigene verdienste mededeelen 5 slechts een God kan aan God voldoening verschaffen en de oorspronkelijke vei standhouding herstellen. Het baat derhalve den mensch niets geschapen te zijn en in

ocr page 330

— 294 — ^

DERDE OVERWEGlÉlt

Het gedenkteeken der verlossing.

Apud Dominum misericordia et co-piosa apud eum redemptio.

Bij den Heer is barmhailigheid, en bij hem is overvloedige verlossing.

Ps. CXXIX. 7.

aar ziel en lichaam bevoorrecht, in gerechtigheid en heiligheid schiep God het eerste menschenpaar. Overeenkomstig zijn wil moesten Adam en Eva met hunne nakomenlingschap een tijd lang in het paradijs verblijven, om dan zonder te sterven de vreugde des hemels binnen te gaan. Evenwel zouden zij de eeuwige zaligheid niet louter als een erfdeel ontvangen, doch zij moesten haar verdienen door de vervulling van Gods gebod. Wat gebeurt er echtir? Door den satan verleid overtraden zij in dwazen overmoed Gods heilig bevel. Daardoor laden zij de schuld en de straffen der zonde op zich, vallen ten prooi aan den lichamelijken, geestelijkenen eeuwigen dood, maken de weldaad der schepping vruchteloos, sluiten de poort des hemels, openen zich den afgrond der hel, en laten den ge-heelen vloek der zonde, met zijne rampzalige gevolgen als een erfenis na aan al hunne nakomelingen, want uit een vergiftigde kiem ontstaan vergiftigde spruiten; bedorvene ouders kunnen slechts bedorven kinderen, zondaars slechts zondaars voortbrengen. Die erfzonde, overgegaan op allen, de H. Maagd Maria uitgezonderd, leeft in het menschelijk geslacht voort als een groote wereldschuld, wordt door eenieder voortgezet en bezegeld door de persoonlijke zonden. Losgescheurd van God en het leven Gods is geen sterveling meer in staat zich uit zijn afgrond tot de verloren hoogte op te heften. Treurig lot! Moeten dan, groote God, al die millioenen tot op den laatsten man toe, van u verstooten blijven, zich immer dieper en diaper vastwoelen in hun vloek, in zonden leven, in zonden sterven en hopeloos ten gronde gaan? Worden zij dan, na door u geschapen te zijn, slechts onderhouden, om tegen u te kampen zoolang zij ademhalen, om daarna als offers uwer wraak in

de hel te branden?

Neen, zoo roept luide een gedenkteeken uwer oneindige goed-

ocr page 331

— 295 —

heid, die de engelen verbaast, de duivelen doet sidderen, de tnenschen in dankbare aanbidding op de knieën werpt. Het is het gedenkteeken der verlossing.

Nauwelijks hebben Adam en Eva, door den duivel verleid, gezondigd, of God veroordeelt den verleider, ontfermt zich over de verleiden en belooft een verlosser te zenden. De beloofde, veertig eeuwen lang voorafgebeeld, de vurig verlangde, de eengeboren Zoon des Vaders komt eindelijk, vereenigt zich met de menschelijke natuur, om als God-mensch: 1° de zondeschuld te delgen,

2° de zondeschuld te voldoen,

3° de gevolgen der zonde weg te nemen.

Sta nu, mijne ziel, stil bij deze grootste aller gebeurtenissen in de wereldgeschiedenis, en beschouw niet enkel, zooals het gewoonlijk gaat, hare oppervlakte, maar dring met Gods genade, zooveel uw zwakheid het toelaat, door in hare geheimzinnige diepte! Al kunt gij die ook niet peilen, dan zult gij ten minste leeren haar te bewonderen. Hel geschiede ter verheerlijking des Verlossers 1

I.

Evenals een dief verplicht is het gestolen goed aan den eigenaar terug te geven, zoo moet ook de zondaar, wanneer hij God wil verzoenen, alles teruggeven, wat hij Hem wederrechtelijk ontnomen heeft, hij moet zijne zondeschuld betalen. God verlangt echter tot kwijting der oneindige zondeschulden het offer van een schuldelooze, dewijl slechts een zoodanig offer Hem welgevallig is; Hij vordert een offer van oneindige waarde, dewijl Hem door de zonde eene oneindige beleediging was aangedaan. Noch het een, noch het ander kan de zondaar geven, daar hij als zondaar niet aan God welgevallig is en als eindig wezen niets oneindigs kan uitwerken; bijgevolg is hij onvermogend zich zeiven te verlossen. Slechts een mensch, in alles, behalve de zonde, aan den mensch gelijk, kan de schuld des menschen op zich nemen, en aan hem zijne eigene verdienste mededeelen; slechts een God kan aan God voldoening verschaffen en de oorspronkelijke vei standhouding herstellen. Het baat derhalve den mensch niets geschapen te zijn en in

ocr page 332

— 296 —

stand gehouden te worden, tenzij God voor hem mensch wordt en in zijne plaats de schulden der geërfde en persoonlijke zonden uitdelgt. Doch eeuwige dank zij Hem gebracht :Het Woord is vleesch geworden, om de schulden van mij en van de ge-heele wereld op zich te nemen en ze te voldoen door de beoefening der aan de zonden tegenovergestelde deugden. Hoe dan ? Luister.

Adam en ieder Adamskind moet den drieëenigen God dienen. Dienen zij Hem? Neen, zij weigeren de verschuldigde gehoorzaamheid. „Gij zult van de verboden vrucht niet eten,quot; spreekt de Heer. Adam eet en is ongehoorzaam. Gij zult den Sabbath-dag heiligen, niet stelen, geen valsche getuigenis geven, enz., zegt de Heer tot het Adamskind, en zie, het luistert niet, is alzoo ongehoorzaam. Om die ongehoorzaamheid uit te delgen, is Jesus gehoorzaam geworden. „Ik ben niet gekomen, om mijnen, d. i. mijn menschelijken wil, (joes. VI. 38.) maar den wil mijns Vaders te doen; ik ben niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen.quot; Zoo spreekt Hij. En wat Hij zegt, dat doet Hij. Hij gehoorzaamt aan zijn hemelschen Vader in lederen wensch, iederen w^nk, ieder woord, in ieder letter, zoowel in het zwaarste als in het lichtste. Hij gehoorzaamt tot aan de menschwörding, tot aan de boeien, tot aan de geese-ling, tot aan den kruisdood. Hij gehoorzaamt aan zijn pleegvader Jozef, aan Maria, aan hooggeplaatsten en geringen, aan vrienden en vijanden.

Adam en ieder Adamskind moet God eeren. Eeren zij Hem? Neen, zij doen Hem integendeel de grootste oneer aan, daar zij het schepsel, voorbijgaand genot, een ellendig niets hooger stellen dan Hem. Om voor die oneer, die verachting te voldoen zoekt Jesus Gods eer in alles, altijd en overal. „Ik zoek niet mijne eer, maar ds eer van Hem, die mij gezonden heeft. „Ik eer mijn Vader,quot; zoo verzekert Hij. Alles, wat Hij denkt, wat Hij spreekt, wat Hij doet, wat Hij lijdt, denkt, spreekt, doet en lijdt Hij ter esre Gods, terwijl Hij zich zeiven den grootsten smaad laat aandoen. Hij, de koning der koningen, laat zich als den geringste aller menschen, de heiligste der heiligen, laat zich als den snoodsten booswicht, de wijste der wijzen laat zich als een dwaas behandelen.

Adam en zijne kinderen moeten God beminnen. Beminnen

ocr page 333

zij Hem ? Neen, zij doen integendeel, wat Hem mishaagt, wat Hij boven alles haat, wat Hem op het grievendst beleedigt. Daartegenover doet Jesus alles, wat en wanneer het God behaagt, zooals en omdat het Hem behaagt, zoodat de H. Geest zichtbaar op Hem nederdaalt en de eeuwige Vader zelf getuigt: „deze is mijn beminde Zoon, in wien ik mijn welbehagen heb.quot;

Adam en zijne kinderen moeten God met woorden en werken belijden; maar zij ontkennen, vergeten en verloochenen Hem, door zijne macht niet te vreezen, zijne alomtegenwoordigheid niet te tellen, zijne goedheid en liefde te misbruiken, Jesus echter belijdt Hem als den eenigen God, verheerlijkt zijn naam voor de menschen, verkondigt zijne geboden, looft en prijst Hem in onophoudelijk gebed.

Adam en zijne kinderen moeten zich voor God vernederen en verootmoedigen. Doen zij het? Neen, zij willen aan God gelijk zijn, zij willen zich zeiven vergoddelijken. God echter wordt een zwak menschenkind; Hij, aan wien alles gehoorzaamt, die alles bestuurt, wien de aarde, de zee en de sterren vereeren, versmaadt den Schoot eener maagd niet. Hij ontledigt, vernedert, vernietigt zich zeiven. Zijne geboorte in den Stal van Bethlehem, zijne besnijdenis in den tempel, zijne vlucht naar Egypte, zijn verborgen leven te Nazareth, zijn bekoord worden door den duivel, zijn bloedig zweet in den hof van Olijven, zijn lijden, zijn dood tusschen twee moordenaars, vormt dat alles niet een lange keten van wonderbare vernederingen, die zelfs het scherpste verstand der engelen niet kan vatten ?

Adam en zijne kinderen moeten zich aan God opofferen, doch zij offeren zich op aan de schepselen. Christus daarentegen offert zijn vrijheid, zijn vreugde, zijn vrienden, zijn goeden naam, zijn tranen, zijne werken, zijn lijden, zijn lichaam, zijn ziel, bloed en leven, de godheid en alles wat Hij heeft en is, aan God op tot een aangenamen geur.

Zoo delgt Hij de zondeschulden niet van een enkel mensch, niet van eene familie, niet van een volk, maar van het geheele menschelijk geslacht, (tl Cör. V. 18.) Zoo is Hij gelijk Paulus zegt: voor ons ter verzoening geworden. Een enkel schietgebed, de geringste verootmoediging van Christus was ongetwijfeld ruimschoots voldoende geweest om de schulden van dui-

NIEUXVE HANDLEIDING. 20

ocr page 334

— 298 —

zend werelden af te doen; dan, wat voor de verlossing genoeg was, was nog niet genoeg voor zijne liefde. Om God oneindig meer te eeren dan de zondige menschheid Hein onteerde, en om zijne oneindige liefde tot ons in 't helderste licht te stellen, verschaft Hij eene overvloedige voldoening. Ja, zijne liefde maakt Hem zelfs tot een verkwister van zich zeiven, of is het geen verkwisting alles weg te geven, niet enkel wat men heeft, maar ook wat rnen is? Sta verbaasd, mijne ziel over die buitensporigheid der goddelijke liefde, verheug en dank uw Verlosser, die tegelijk niet alle zondeschuld ook alle zondestraffen afboet.

II.

Met de zonden der wereld neemt de goddelijke Heiland tevens alles op zicb, wat God voor de zonde gedreigd en als stiaf der zonde aangekondigd had. Hij werd, zooals de Apostel schrijft, voor ons een vloek, (Gal. III. 13.) d. i. Hij ondergaat de straften voor onze overtredingen, en bij plaatsvervanging lijdt Hij, wat wij verdienden te lijden. Dewijl de zondaar zich van God, zijn laatste doel, afwendt en zich keert tot de schepselen, verdient hij tot straf daarvoor van God en menschen verlaten te worden. Om die straf te ondergaan komt Christus in zijn eigendom en de zijnen nemen Hem niet op. Om die straf af te boeten, wordt Hij van God en zijne leerlingen verlaten en gevoelt Hij zulk eene droefenis, dat Hij in Gethsemani verzucht: „mijne ziel is bedroefd tot den dood toequot; (Matth. XXVI. 38.), en aan het kruis van angst uitroept; Eli, Eli, lamma Sabacthani! (ibid XXVII. 46.) Mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten?''

Toen de mensch in eere was, heeft hij niet begrepen, (Ps.XLVIII. 13.) hij gehoorzaamde liever aan den duivel, dan aan God; wat verdiende hij daarvoor anders dan de diepste versmading en de slavenketens der hel?'' Om die straf af te boeten wordt dé Zaligmaker de jpot der menschen en de verachting des volks (Ps. XXI. 7), laat üij de gansche macht der duistenis over zich losbreken, laat Hij den Satan door de beulsknechten tegen zich spoken en woeden.

Er zijn menschen, die tegen armen en vreemdelingen hard-

ocr page 335

— 299 —

vociitig en ruw zijn, en daarom verdienen zij in gelijken nood te worden afgewezen; de Heer der heirscharen echter wil door de inwoners van Bethlehem afgewezen worden en in een open stal eer, onderkomen zoeken.

Dewijl er menschen zijn vol haat en nijd, die aan den naaste alle goed misgunnen, hem niets dan ongeluk toevven-schen, en hem met doodelijken haat vervolgen, en daardoor een gelijk lot verdienen, laat de Gever des levens zich vervolgen, zich naar het leven staan, zich in zijn doodstrijd hoonen en belasteren.

Dewijl lastertongen ea moordenaars, die hun evenmensch liefdeloos verachten, belasteren, veroordeelen, ter dood brengen, verdienen, dat hun met dezelfde maat worde toegemeten, waarmede zij uitgemeten hebben, daarom laat de rechter over levenden en dooden zich uitmaken als een volksopruier, als een verachter der wet, en laat zich als een snoode booswicht ter dood veroordeelen.

Omdat dieven, oplichters en roovers zich wederrechtelijk het goed van anderen :oeeigenen, daarom laat zich de Heer van hemel en aarde van zijne kleederen berooven.

Wij zetten onze zinnen op geld en goed, alsof wij daarvoor geschapen waren; tot straf daarvoor verschijnt Jesus ;n de grootste armoede en ontbering en wil niets bezitten, waar Hij zijn hoofd kan nedervleien. Wij streven naar wereldsche eer en aanzien der menschen; tot straf daarvoor ontdoet de Zoon des eeuwigen Vaders zich van alle uiterlijke pracht en heerlijkheid en gaat in de oogen der wereld door voor den Zoon van een armen timmerman. Wij zoeken de genietingen van buik en gehemelte; tot straf daarvoor vast de Zaligmaker veertig dagen en nachten en stelt zich overigens steeds tevreden met den sobersten kost. Waarom wordt de Godmensch gelijkgesteld en achtergesteld bij den moordenaar Barrabas ? Om te boeten dat wij, zoo dikwijls wij zondigen, het geringste ding tegen God opwegen eu daaraan onze voorkeur geven. Waarom wordt Hij door Petrus verloochend? Omdat wij uit menschelijk opzicht ons schamen openlijk belijdenis af te leggen van ons heilig geloof. Waarom wordt hij door Judas voor dertig zilverlingen verkocht? Omdat wij God en goddelijke Zaken voor een spotprijs veil hebben. Waarom staan er

ocr page 336

valsche getuigen tegen Hem op? Om te boeten voor onze leugens en valschheden. Tot straf voor onze bandeloosheid wordt Hij geboeid. Om onzen hoogmoed wordt Hij met doornen gekroond, om onze lichtgeraaktheid wordt Hij in het aangezicht geslagen en bespuwd, om onze onzuiverheid wordt Hij gegee-seld en verscheurd, om onze opwellingen van drift wordt Hij vervloekt en verwenscht, om onze ongeduldigheid met den last des kruises beladen. Om de zonden onzer oogen zijn zijne oogen met bloed overstroomd, om de zonden onzer ooren moet hij spot en verwenschingen aanhooren, om de zonden Onzer tong wordt Hij met gal en azijn gelaafd. Zijne handen worden doorboord om de zonden onzer handen, zijne voeten vastgenageld om de zonden onzer voeten. Zijn hart wordt doorstoken om de trouweloosheid van ons hart. Zijn allerheiligste ziel lijdt nameloos wee om onze kwade gedachten en begeerten. (Is. LUI. 5.) „Hij is gewond om onze boosheden, verbrijzeld om onze misdaden; ter wille van onzen vrede drukt de kastijding op Hem.quot; Wij verdienen den tijdelijken en eeuwigen dood, en daarom hangt de onschuldige aan het schandhout en sterft onder zulke afgrijselijke smarten, dat de geheele natuur daarvan verslagen is, de zon zich hult in een sluier van wolken, de rotsen splijten, de graven zich openen, en de dooden van ontzetting uit hunne graven opstaan. Vraag nu, goddelijke rechter, waar mijn afdoend zoenoffer is, dan antwoord ik met Joannes den Dooper op Jesus wijzend: „Ziedaar het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt,quot; want met zijn laatsten ademtocht is ieder onrecht hersteld, iedere zondestraf voldaan, de schuldbrief verscheurd, de satan overwonnen en ontwapend; het hemelrijk geopend en het leven gekocht voor allen, die uit het graf hunner zonden opgestaan, met de genade der verlossing hunne boeien verbroken hebben en streven naar de vrijheid der kinderen Gods.

Zie nu, mijne ziel, met berouw en blijdschap op naar den kruisboom en lees daar, wat er met bloedige letteren staat geschreven. Lees het bewijs voor de barmhartigheid van God, die zijn eengeboren Zoon tot heil der wereld heeft overgeleverd. Lees het bewijs voor do rechtvaardigheid van God, die zelfs zijn eenigen Zoon niet spaarde. Lees het bewijs voor de waarde der ziel, waarvoor een Godmensch zijn bloed gaf.

ocr page 337

— 301 —

Lees het bewijs voor de groote boosheid der zonde, die aan Jesus het leven kostte. Lees het bewijs voor de schoonheid der hemelsche glorie, die Christus door zijn dood verdiende. Lees eindelijk het bewijs voor de oneindige liefde van uw Verlosser, die mei: te voldoen voor de straffen der zonde tevens hare gevolgen wegneemt.

III.

Dat de zonde voor ziel en lichaam de schromelijkste gevolgen na zich sleepte, is eene waarheid, die het heilig geloof ons leert, en bijgevolg geene nadere bevestiging vordert. Jesus nu neemt de lichamelijke en geestelijke gevolgen der ziel weg.

10 „Op den dag, dat gij daarvan eet, zult gij den dood sterven,quot; (Gen. II. 17.) d. i. sterven naar lichaam en ziel, zoo sprak de Heer tot Adam. Adam en Eva eten en beginnen te sterven in de volle beteekenis van het woord. In het zilte zweet van hun aangezicht zullen zij voortaan hun brood verdienen, totdat zij tot het stof wederkeeren. De aarde zal met alles wat er op en er in is, om hen vervloekt zijn en hun gelegenheid geven tot duizenderlei plagen en smarten. Honger en dorst, hitte en koude, moeite en arbeid, ziekte en pijnen zijn alzoo de wrange vruchten der zonde, zijn de doodgravers, die de eerste ouders en hunne kinderen met langzamen tred naar de laatste rustplaats dragen.

De Zaligmaker nu neemt wel is waar het lichamelijke lijden niet weg, maar hij heft het op als bloote straf der zonde, lenigt het, adelt en verandert het in een rijke bron van verdiensten. Waarmede God zich eerst wreekte, daarmee kan men thans zijne schatting aan de zonde betalen en God verzoenen. Sinds Jesus koude en hitte, honger en dorst, moeite en arbeid heeft verduurd, zijn de genoemde rampen geen strafroeden meer in de hand der goddelijke gramschap, maar geschenken der goddelijke liefde, geheiligde middelen tot deugd, de treden van de ladder naar het paradijs. Sinds Christus de biltere gal gedronken heeft, bevat de ons toegereikte lijdenskelk den zoeten wijn der inwendige vertroostingen. Sinds Christus aan het kruis stierf, heeft de dood opgehouden de beul der menschheid te zijn, heeft hij zijne verschrikking verloren, is hij de overgang ge-

ocr page 338

— 302 —

worden van den tijd naar de eeuwigheid, van de stormachtige zee naar de veilige haven, van het sterfelijke naar het onsterfelijke leven, zoodat de Apostel hem durft uitdagen: o dood waar is uw overwinning, waar is uw prikkel? (I. Cor. XV. 55.)

20 Beter nog dan de lichamelijke, neemt Christus de geestelijken gevolgen der zonde weg.

a.) Vóór de zonde was het menschelijk verstand vol licht en kennis van Gods bestaan en wezen, van Gods volmaaktheden en werken, na de zonde was het vol duisternis en vergat het God. Verblind dwaalde het omtrent geloois- en zedeleer. Het verwarde God met de wereld, het tijdelijke met het eeuwige, maakte de aarde tot een grooten afgodstempel, verloor het onderscheid tusschen goed en kwaad, tusschen verdienste en schuld en kwam zelfs zoo ver, dat het den verkwister vrij ■ gevig, den gierigaard spaarzaam, den losbal levenslustig, den praatzieke welbespraakt, den zwijgenden hoogmoedige een diepen denker noemde. (S. Gregor.) In dien nacht des verstands laat de Heer zijn zonlicht schijnen, ja, Hij zelf wordt het licht der wereld, dat een ieder verlicht, daar Hij door zijne zuivere geloofs- en zedeleer de dwaling verdrijft, den twijfel oplost, de volle waarheid verkondigt.

b) Vóór de zonde had de menschelijke wil de kracht zijn eeuwig doel te bereiken, hem stond de eeuwige zaligheid te wachten; na den zondeval was hij zwak, onmachtig, als met de vallende ziekte behept. Daar helpt Jesus hem op, schrijft hem zijne heilige wetten voor, geeft hem den stevigen pelgrimsstaf zijner genade, en spoort hem met vurige woorden en door zijn verheven voorbeeld machtig aan om Hem moedig te volgen op het pad der deugd.

c.) Vóór de zonde was het hart van den mensch goed, na de zonde bedorven, verkeerd en t;n kwade geneigd. In zijne begeerlijkheid ontstond zulk eene wanorde, dat het lichaam de ziel overheerschte, de zinnelijkheid het; verstand. De Heer dooft wel het glimmende tondel der booze begeerlijkheid niet uit. Hij laat het tot meerdere verdienstelijkheid van den strijd, evenwel verordent en bereidt Hij als een bekwaam geneesheer de kruiden tegen de ziekten. Hij geeft ons doeltreffende middelen: de Hlf. Sacramenten en Sacramentalier., de heiligmakende en werkelijke genade, waarmede men den

ocr page 339

— 3°3 —

draak de: hartstochten onderdrukken, beteugelen en beheer-schen kan.

Daarmede heeft de goddelijke Zaligmaker zijn last geheel volbracht; Hij heeft mij, en een ieder verlost van de zonde, die mij een vijand van God maakte, verlost van de hel, die mij van God scheidde, verlost van den dood, wiens prooi ik was. Voorheen een kind van gramschap, ben ik thans een kind Gods. Voorheen een voorwerp van vloek, ben ik thans een wettig erfgenaam dsr zaligheid. De duisternis des verstands is opgeklaard, de zwakheid van den wil versterkt, de middelen tot heiliging zijn aangewezen. Er blijft slechts over, dat ik het mijne doe, om zalig te worden.

O Heer, ben ik u reeds zooveel verschuldigd omdat gij mij geschapen hebt, waarmede zal ik vergelden, dat Gij mij op zulke wijze hebt verlost? (S. Bern.) Tigranes, de koning van Armenie werd met zijne gemalin Berenice door den Perzi-schen koning Cyrus gevangen genomen. Op zekeren dag vroeg Cyrus hem, wat hij voor de bevrijding zijner teeder beminde gemalin zou willen geven „Alles, antwoordde Tigranes, zelfs mijn bloed en leven.quot; Dit woord behaagde Cyrus zoozeer, dat hij beiden de vrijheid schonk en hen in hun rijk herstelde. Op de terugreis vraagt Tigranes aan Berenice, hoe haar Cyrus en de pracht van zijn hof bevallen was. Ik denk in 't geheel niet meer aan den glans der Perzische residentie, zeide zij, want van het oogenblik af, dnt gij u bereid verklaardet voor mijne vrijheid bloed en leven op te offeren, heb ik, bewogen door den overmaat uwer liefde, mijne oogen en gedachten enkel en alleen op u gericht en buiten, n aar. niets anders willen denken, niets anders willen zien,quot;

Als Berenice, van de grootmoedigheid en liefde van Tigranes overtuigd, zin en hart op hem alleen zette en buiten hem niets begeerd^ is het dan te veel, mijn Jcsus, wanneer ik mij voor u prijsgeef, die u zeiven voor mij hebt overgeleverd, wanneer ik voor u arbeid en lijd, die voor mij gezweten en geleden hebt? Is het dan te vee!, wrmnrer ik mv voor u opoffer, die n zeiven voor mij geslachtofferd ivïbt? !s het te veel, wanneer ik trouw het werk mijner heiliging voltooi, dat Gij begonnen hebt? wanneer ik onverdroten den weg naar het vaderland bewandel, dien Gij hebt afgebakend? Is het te veel, wanneer ik

ocr page 340

— 304 —

voortaan slechts aan u denk, u bemin, naar u verlang, u loof en prijs zonder ophouden, u die mij, een oproerling in uw rijk, met zulk eene oneindige liefde bemind, gezocht en gered hebt ? Ach, alles wat ik ooit zal kunnen doen, kan geen voldoende vergelding zijn voor de grootste uwer weldaden, voor de verlossing. En toch zijt Gij tevreden, indien ik met alle kracht er naar streef u mijne dankbaarheid te toonen. Doch, mijn Jesus, mijn Heer en mijn God, wat heb ik gedaan ? wat doe ik nog? Laat, o laat mij met diep gevoeld leedwezen mij in uwe vaderarmen werpen, laat mij treuren, laat mij weenen, zoolang ik weenen kan! Amen.

TWEEDE D A Gr.

EERSTE OVERWEGING De kloosterlijke staat.

iBonitatem fecisti cum servo tuo,quot; nam: »li-berasti me de perditione et eripuisti me de tempore iniquo.quot;

• Goedheid hebt Gij bewezen aan uw dienaar,quot; want »Gij hebt mij gered van den ondergangen verlost van den boozen tijd.quot;

Ps. CXVIII. 65. Eccl. LI. 16.

W/'anneer ik eenige schreden verder ga in het heiligdom van Gods goedheid, dan zie ik een ander gedenkteeken, eene Kerk die rust op den marmeren rug van Petrus, den Prins der Apostelen. Het is de katholieke Kerk, in welker gemeenschap ik met alle uitverkorenen spoedig na mijne intrede in de wereld werd opgenomen. Dewijl mij de daardoor geschonken weldaad echter reeds lang voldoende bekend is, wil ik bij hare overweging niet langer stilstaan. Ik ga derhalve verder en dan zie ik voor mij een nederig gebouw met een ringmuur omgeven. Zijn eenvoudige, half oostersche stijl, zijne kleine cellen, de wanden behangen met schilderijen, heilige kinderen van Franciscus voorstellende, dat alles zegt mij dat ik voor een klooster sta, waarin Gods wijze Voorzienigheid mij riep om mijne zaligheid te bewerken. Wel heeft God alle menschen

ocr page 341

tot de eeuwige zaligheid geroepen, nochtans gaan er zeer velen om de hartstochten, die zij inwilligen, om het misbruik dat zij maken van de schepselen, die hun ter bereiking van hur. einddoel gegeven zijn, ellendig ten gronde. Om nu te voorkomen, 'dat ook ik door den geweldigen stroom des verderfs worde meegesleept, heeft God zich mijner ontfermt en mij voor ontelbare anderen, die in deugd en verdiensten, in aanleg en ge boorte mij ver overtroffen, als een anderen Abraham van uit het land der Chaldeërs naar het land der belofte gevoerd naar een veilig toevluchtsoord, naar het klooster, waar ik zonder overdrijving gesproken: i0 Heiliger leven 2° Zaliger sterven kan dan daarbuiten in de wereld.

Daar het hier alzoo eene bijzondere genade, die der roeping, betreft, daarom wil ik bij dit gedenkteeken der goddelijke goedheid iets langer vertoeven, het in- en uitwendig beschouwen en de twee aangegeven punten, ten minste wat de hoofdzaak betreft, overwegen, om de barmhartigheid van God jegens mij naar waarde te leeren schatten en mij daarnaar te gedragen. In de heilige namen van Jesus en Maria. Mijn schietgebed zij heden: „O oude en eeuwig nieuwe schoonheid, hoe laat heb ik u gekend, hoe laat heb ik u bemind!quot;

I.

In den kloosterstaat kan ik heiliger leven dan daarbuiten in de wereld. O, hoe moeielijk is het zich in de wereld te heiligen, waar het kwaad schaamteloos het hoofd verheft en de schandelijkste grondstellingen laat gelden, waar de eerzucht, zinnelijkheid, zelfzucht en alle andere buitensporigheden bond-genooten zijn in den strijd tegen de deugd, waar pen, penseel en muziek wedijveren hart en geest te bederven, waar men, het eene gevaar gelukkig ontkomen, terstond weer door een .ander bedreigd wordt, waar de christen, die, aan zijn plicht getrouw, zich moedig over alle hinderpalen wil heenzetten als een zwakhoofd wordt uitgekreten en veracht.

Men mag het bijna een wonder heeten met pek en slijk om te gaan, zonder daarmee besmeurd te worden, met de schepselen te moeten omgaan en het hart viij te houden van alle gehechtheid tot hen, in de wereld te leven en niet van de we-

ocr page 342

— 3O6 —

reld te zijn. Is er buiten het klooster zoovee! op aangelegd om d«n mensch van God af te trekken en hem aardsgezind te maken, en is er zoo weinig wat hem helpt ter bereiking zijner zaligheid, in het klooster daarentegen heeft alles ten doel, het verstand, den wil en het hart los te maken van alle beletselen der zelfheiliging.

Eene wijze armoede verstopt de bron der begeerlijkheid, bevrijdt mij van de overbodige zorg voor voeding, kleeding, woning, onderkomen, beperkt mijne wenschen en behoeften tot het allernoodzakelijkste. De H. zuiverheid ontrukt het hart aan de vleeschehjke lusten, die het verdeelen en beletten zijn vlucht te nemen naar God. De H. gehoorzaamheid ontheft mij van alle verantwoordelijkheid over mijne handelingen en maakt mij tot een den hemel aangenaam brandoffer. Een verstandige versterving onderwerpt de ongeregelde zinnen aan de heerschappij van den geest; de s'ille afzondering bewaart mij voor wereldsche bezigheden en gedruisch, voor ontelbare bekoringen en gevaarlijke gelegenheden, en behoedt mij daardoor voor velerlei misslagen. Dit en veel andere zaken zijn even zoovele middelen om mij van het rijk der zonde te verwijderen. Vrij van kommer en lastige zorgen, vrij van de sluwe en ijdele berekeningen der wereldlingen, beveiligd tegen duizend gevaren en kunstgrepen des duivels, heb ik geen ander levensdoel meer, dan om mij te volmaken en onverdeeld mijn God en Heer te dienen, waartoe in het klooster alles mij behulpzaam is.

De heiligv.- ordensregelen stellen mij mijne plichten voor oogen en sporen mij aan, die met ijver te volbrengen. Gelijk de wielen aan den wagen het trekken voor het paard verlichten, zoo helpen mij de heilige constituties het juk des Heeren, dat de christen in de wereld slechts met moeite torscht, met gemak te dragen. De dagelijks wederkeerende voorgeschreven overwegingen en mondgebeden houden mij in gestadig en innig verkeer met God, waarin ik mij zeiven en de eeuwige waarheden steeds helderder leer kennen, in liefde ontbrand, met genaden gesterkt en tot rassdien voortgang in de deugd opgewekt word. De geestelijke lezingen houden mij de schoonste voorbeelden van deugd en de heilzaamste lessen voor, en met het oog daarop kom ik gemakkelijker en zekerder tot volmaaktheid De H. Coimiiunie, die ik zoo dikwijls mag ontvangen,

ocr page 343

— 3°; —

vereenigt mij met het toonbeeld van deugd en heiligheid, versterkt mijne zwakheid, geneest mijne wonden, lost mijne twijfelingen op, lenigt mijn lijden, verlicht mijn blindheid, bluscht het vuur mijner hartstochten en waarborgt mij een gelukzalig verrijzen uit het graf. Bij het hoogheilig misoffer, dat ik aandachtig bijwoon of zelf opdraag, neem ik het innigste aar.deel in het zich steeds vernieuwende verlossingswerk. De aangestelde oversten zijn de wachters, toeschouwers en rechters mijner werken en woorden. De ondergeschikten hebben evenals de wereldlingen het oog op mijn persoon gevestigd; de medebroeders en de heilige regels zijn de bestendige getuigen van mijn gedrag. Van de muren der cellen en kloostergangen zien de beelden der heiligen op mij ceer. En het bewustzijn, ten allen tijde bespied te worden, is dat niet een machtige prikkel tot de grootste waakzaamheid? Bovendien volg ik in alles niet mijn eigen zien en inzicht. Ik kan en moet hen raadplegen, die verplicht zijn mij den weg des hemels te wijzen en met stichtende voorbeelden daarop voor te gaan. Het is derhalve overduidelijk, dat ik in den kloosterstaat, ouder zulke gunstige omstandigheden, gehoorzamer, zuiverder, ootmoediger, geduldiger, verstorvener, in één woord heiliger kan leven dan de christen in de wereld, die aan alle stormen is blootgesteld en wien het, hoewel niet aan de noodzakelijke, toch dikwijls aan de nuttige middelen tot deugd ontbreekt.

Wel heb ik in het klooster geen verzekeringsbrief, dat ik niet meer zondigen kan. De heilige muren beschutten mij slechts gedeeltelijk, niet geheel voor den verpestenden adem der wereld. De afgelegde geloften leggen mij wel heilzame teugels aan en brengen mij in eene gelukkige slavernij; de stand, waartoe ik behoor, is' een dichte haag tegen de aanvallen van buiten; en toch, waar ik ook moge zijn en wonen, ik heb altijd de bedorvene natuur, met Adams familiewapen geteekend, bij en in mij, weshalve ik ook in het ordenskleed struikelen, vallen en mij zwaar kwetsen !. ?in. Dergelijke gevallen echter komen, zooals de ondervinding leeit, slechts zeldzaam voor; zij treden niet met zulk eene driestheid op en vermenigvuldigen zich niet zoo verbazend snel, als in de wereld pleegt te geschieden. De vele hinderpalen, die overwonnen mO'.-ten worden, maken voor den vijand den intocht in die stille vesting Gods, waar de ge-

ocr page 344

— 3o8 —

nade des Heeren woont, zeer moeielijk. Ben ik echter, om mijne onvoorzichtigheid door een vijandelijk schot getroffen, ter aarde gevallen, dan sta ik in den regel ook weer spoedig op. De vele voorbeelden van deugd, die ik voor oogen heb, de kwellende knaging des gewetens, dat mij ook tegen mijn wil vervolgt, de geestelijke oefeningen, die ik moet medemaken, die heilzame lessen en vermaningen, die mijne oversten mij volgens hun plicht geven, zouden zij den gevallene niet op de been helpen? Dan moest ik toch wel gelijk zijn aan het slijk, dat door de zon beschenen hard wordt. Ben ik gelijk aan het ijs, dan zal ik ongetwijfeld door den liefdegloed van Jesus goddelijk Hart smelten en van mijne onreinheid gezuiverd worden, want de voorgeschreven gestrengheden en boetedoeningen, waaraan ik mij onderwerp, de sacramenten die ik dikwijler ontvang, de aangeboden aflaten die ik tracht te verdienen, zijn zij niet de beste middelen om de gemaakte schulden af te lossen en mij rein te wasschen in het Bloed van den Godmensch ? En wanneer ik, tot een nieuw leven opgestaan, mij wederom meer en meer overgeef aan mijn God, dan schenkt Hij ook zich meer en meer aan mij. Mijn hart verneemt uit zijn mond woorden van hemelschen troost. Mijne ooren vernemen het ruischen van heilige inspraken. Mijne oogen aanschouwen de heerlijkheden van zijn rijk. Mijne voeten bewandelen den weg des inwendigen vredes. Getrouw aan mijn roeping zal ik niets beminnen, niets zoeken, niets vreeze i dan God. Versmading en vernederingen zullen mij doen gelijken op mijn Zaligmaker, moeiten, plagen en lijden zullen mij gelegenheden zijn om mijn toekomstige kroon te verrijken. En wat er moge gebeuren., in alle voorvallen des levens zal ik God als mijn bestuurder en Heer erkennen. In en met Hem zal ik waarlijk gelukkig leven tot aan mijn einde, als wanneer ik zaliger sterven kan, dan in de wereld.

II.

Als de dag ten avond neigt, en de Heer zegt: „uw uur heeft geslagen,quot; o, dan vlieden alle ijdelheden der wereld, het klatergoud verbleekt, de levensklanken verstommen, de krachten verminderen, de oogen verduisteren, de pols wordt traag, de tijd

ocr page 345

— 309 —

spoedt ten einde, men moet het leven, de goederen des levens, de personen, die men liefheeft, verlaten en het lot, dat men zich hier beneden verdiend heeft, tegemoet gaan. Terwijl de zondaar in dat oogenblilc meer reden heeft om te vree/.en dan een misdadiger, die de grendels zijner gevangenis hoort wegschuiven om naar de gerechtsplaats geleid en ter dood gebracht te worden, zal ik zalig kunnen sterven, en wel zaliger dan in de wereld, want wat het sterven zwaar maakt, is de geweldige losscheuring van het aardsche. Van vrouw en kinderen te moeter scheiden, zich van zijne rijkdommen en schitterende eerambten te moeten losmaken, hoe bitter, hoe hard is het voor den wereldling. Doch wat heb ik op mijn sterfbed te verlaten ? Een treurend huisgezin door mijn afsterven brood-en vaderloos geworden ? Immers neen. Wat heb ik te verlaten? Huis en hof, bosschen en velden? Die verliet ik reeds bij mijne intrede in het klooster. Volle geldkisten dan, eervolle betrekkingen, waardigheden, talrijke vrienden en vereerders? Maar geld en goed bezit ik niet, onderscheidingen en eerambten zocht ik niet, mijne vrienden en vereerders beminde ik slechts om God. Waarvan ik scheiden moet: zijn de hinderlagen, die de onschuld bsdriegen, zijn de gelegenheden, die tot zonde voeren, zijn de struikelblokken, die het vleesch mij in den weg legt, zijn de menigvuldige kwellingen en wederwaardigheden, die mij bij iederen stap volgder, is het booze leven, dat ik gaarne zie verwelken, zijn de weinige bezittingen, die mij dienden tot mijne beroepsbezigheden en waarvan ik bereidwillig afstand doe. Daar het alzoo slechts dunne draden, en geen sterke strikken zijn, die mij nog aan het tijdelijke binden, zal ik ze bij mijn dood ook zonder moeite kunnen verscheuren.

Wat het sterven moeielijk maakt, is de terugblik op het af-geloopen leven. Als het oog des lichaams verduistert, dan worden al de schuilhoeken van het geweten verlicht en als een opengeslagen boek ligt daar. de gansche levensloop. De zwakheden der kinderjaren, de afdwalingen der jeugd, de hartstochten en misslagen van den rijperen leeftijd staan den stervende voor oogen. Dan erkent hij het nietswaardige van al zijne handelingen en in weeklachten breekt hij uit: „had ik toch voor God en de eeuwigheid gedaan, wat ik gedaan heb voor de wereld.quot; O, hoeveel moeite en inspanning en geen loon

ocr page 346

daarvoor! Zal ik ook op dergelijke wijze moeten zuchten? O neen. Zoo ik in de heilige orde vroom en heilig geleefd heb, dan mag ik met blijdschap op het afgeloopen leven terugblikken. Met groote tevredenheid zie ik dan, hoeveel ik voor den hemel verduurd, geleden, opgeofferd, gestreoen heb. Ieder gebed, dat ik stortte, iedere traan, die ik weende, iedere deugd, die ik beoefende, iedere vooruitgang, dien ik maakte, iedere moeie-lijkheid, die ik verdroeg, iedere bekoring, die ik overwon, ieder gevaar, dat ik vermeed, ieder goed werk, dat ik verrichtte, vervult mij met den zoetsten troost. Hoezeer verheug ik mij thans, dat ik de wereld beoordeelde, zooals zij het verdiende, dat ik mij niet om dingen bekommerde, die mij mets aangingen, dat ik mijn vertrouwen niet op de gunst der men-schen, maar op den Heer stelde, die zijn verblijf houdt daar, waar men vast op Hein bouwt. Bemerk ik ook al menigvuldige fouten, die ik beging, dat zal mij niet verontrusten, want ik maakte de rekening met mijn geweten zoo goed mogelijk weder in orde en trachtte mijne zwakheden door boetvaardigheid uit te wisschen. En mochten er soms nog eenige lijdelijke straffen zijn overgebleven, ik delg ze uit door het geduldig dragen der laatste smarten, door oefeningen van geloof, hoop, liefde en berouw, door het godvruchtig ontvangen der laatste H. Sacramenten, door het verdienen van volle en gedeeltelijke aflaten, zoodat ik kalm en vreedzaam het uur der ontbinding mag verbeiden.

Wat het sterven zwaar maakt, is het bange vooruitzicht der nimmer eindigende toekomst. Wel vreest, zooals de H. Alphon-sus Liguori zegt, een ieder in den dood voor het naderend oordeel Gods. Doch terwijl deze vrees, deze angst bij den stervenden zondaar in vertwijfeling overgaat op het zien van de ondragelijke straffen, van den knagenden worm, de uiterste ellende en de eeuwige verdoemenis, verkeert zij bij den vromen kloosterling in een zalig vertrouwen op God. Heb ook ik op mijn aardscbe pelgrimsreize dikwijls gedacht aan Gods rechtvaardig oordeel, heeft de ernstige gedachte aan het andere leven mijn geheelen wandel bezield en geregeld, heb ik met vreeze en lieven mijne zaligheid bewerkt, dan zal ik met Stephanus den hemel geopend zien en den Zoon des menschen gezeten aan de rechterhand des Vaders, gereed om mij een

ocr page 347

— 311 —

loon te schenken, waarvan zijn goedheid de grondslag, zijn almacht de maat, zijn eeuwigheid de duur is. Evenals een gevangene jubelt, wanneer hij uit eene langdurige gevangenschap verlost wordt, evenals een zeevaarder zich verheugt, wanneer hij na zware stormen de gewenschte haven binnenloopt, evenals een krijgsman van blijdschap springt, wanneer hij zegevierend zijn vaderstad binnentrekt, zoo zal ik ook blijde zijn, wanneer mij de priester toefluistert; .,de winter is voorbij; de schoone en onvergankelijke lente komt aan; maak u op, christen ziel, tot het feest van uwen oogst; vertrek uit het bouwvallig geworden huis, om in een nieuw uw intrek te nemen, want de deuren openen zich reeds en de heiligen komen u tegemoet om u in te halen.quot;

Groote God, welk een zalig gevoel, welk een heilige verrukking doorstroomt mijne ziel, wanneer ik gereinigd door een verstorven en boetvaardig leven, gesterkt door de genademiddelen der kerk, gewasschen in het godmenschelijk bloed van mijnen Heer, wanneer ik rustend op den matras der goddelijke liefde, het hoofd gevleid op de twee kussens van diepe nederigheid en onwankelbaar vertrouwen, de lichamelijke oogen sluit en insluimer om in het land van Christus beloften te ontwaken!

Zoo zalig kan ik eens sterven, indien ik in den kloosterlijken staat heilig tracht te leven, want, zoo schrijft de H. Am-brosius, een heilig leven is de weg tot een heiligen dood, en een heilige dood is de weg tot het ware, eeuwige, gelukzalige leven.

Hoe onuitsprekelijk groot is derhalve uwe barmhartigheid voor mij, o Heer, dat Gij mij zonder mijne verdienste, wat zeg ik, dat gij mij trots mijne zondigheid in eene toevluchtsoord geleid hebt, waar ik, zoo ik van goeden wille ben, heiliger leven en zaliger sterven kan dan buiten mijne kloostermuren. Ach, wat zoa er van mij geworden zijn temidden van het gewoel der wereld? Welk schandelijk misbruik zou ik gemaakt. hebben van mijne vrijheid en mijne bekwaamheden? Was het tooneel van wanorde, afdwaling, verleiding en allerlei verstrooiing voor mij wel de geschikte plaats geweest van ernstige overwegingen over de groote, éénig noodzakelijke bezigheid des heils? Zou ik de heerschénde kwade grondbegin-

ocr page 348

_ 312 —

selen en vooroordeelen niet ingezogen, de slechte voorbeelden niet nagevolgd, het voedsel, dat aan de verkeerde neigingen en en hartstochten geboden wordt, niet genoten hebben tot mijn tijdelijk en eeuwig ongeluk, en niet nog genieten zooals duizenden mijner tijdgenooten? In hoevele strikken des duivels zou ik geraakt zijn? In hoevele zonden en misdaden zou ik gevallen zijn ? Hoevele ergernis had ik gegeven, hoeveel schade aan de zielen veroorzaakt, indien God mij achtergelaten had op het landgoed van den satan? En wanneer ik dan ten laatste als een martelaar van den boozen tijdgeest op het sterfbed lag uitgestrekt, welk een treurig verleden had ik dan achter mij, welk een troostelooze toekomst voor mij, welk een tweespalt, welk een vertwijfeling in mij? Was dan mijn afsterven niet verschrikkelijk en de'Rel niet mijn eenig deel?

Doch Gij hebt goedheid bewezen aan uw armzaligen dienstknecht, o Heer; Gij hebt mij uit de droomen mijner jeugd gewekt, mij bevrijd uit het verderf en gered van den boozen tijd; „daarom wil ik u loven en prijzen,quot; (Eccli. LI. 17.) niet enkel in woorden en geschriften, maar in daad en in waarheid, door

1° mijn heiligen stand hooger te schatten en inniger lief te hebben dan alle paleizen en kronen der koningen, door

20 den dag van mijn intrede en professie voortaan tot een bijzonder dankfeest te maken, door

3° voor mijn innig geliefde orde nimmer een verrader, maar steeds ten sieraad te zijn, eindelijk door u met bestendige en onverbreekbare trouw in alles, ook in het geringste te dienen. Verleen mij daartoe uw alvermogende genade en laat mij liever duizend en duizendmaal sterven, dan ooit van u gescheiden te worden. Amen.

TWEEDE OVERWEGING. De oehoorzaamheid.

Tenuisti manum dexteram meam, et in

voluntate tua deduxisti me.

Gij naamt mij bij de rechterhand, en gelei-det mij naar uwen wil. (Ps. LXXII. 24.)

De Israëlieten gingen zwaar gebukt onder de onmenschelijke

ocr page 349

behandeling, die de opzichters, door Pharao over hen aangesteld, hun aandeden. Zij moesten leemen hutten bouwen, dagelijks een bepaald aantal tegels afleveren en het daarvoor benoodigde stroo zelf van de velden gaan halen. Hadden zij het bepaalde getal niet bereikt, dan werden zij ter verantwoording geroepen en door de beulen van den koning onbarmhartig gegee-seld. Toen zag Jehova op die ongelukkige kinderen van x\bra-ham neder, die gekromd gingen en zuchtten onder den last van hun werk, Hij outfermde zich over hen, troostte hen, bevrijdde hen uit de slavernij van Egypte en geleidde hen onder aanvoering van Mozes naar het beloofde land.

Evenzóo bevrijdde de Heer in zijne oneindige goedheid ook mij uit het Egypte der wereld, der verstrooiing en zonde, om mij door de roode zee, het beeld der versterving, naar de woestijn te geleiden, dat is tot een inwendig, in God verborgen leven, en door de woestijn naar het ware vaderland zijner goddelijke beloften. Evenals aan zijn uitverkoren volk gaf Hij ook aan mij een leidsman op den weg, namelijk de gehoorzaamheid, die mij

in langs den veiligsten,

20 langs den kortsten,

3° langs den gemakkelijksten weg ten hemel voert. Hiervan wil ik mij in deze oogenhlikken overtuigen, opdat ik in het vervolg mij geheel aan dien leidsman toevertrouwe en zijne verlangens, zijn wil ten allen tijde vervnlb. Alles in den heilig-sten naam van Jesus.

. I.

De gehoorzaamheid geleidt mij langs den veiligsten weg ten hemel.

De veiligste weg ten hemel is volgens het eenparig getuigenis der H. Schrift en der HH. Kerkleeraars de bestendige, getrouwe vervulling van Gods wil.

Wie nu geleidt mij langs dien wegf Mijn eigen wil? Neen, want het is overbekend, hoe licht de mensch dwaalt, indien hij naar zijn eigen inzichten handelt en wandelt. Doe ik, wat ik wil of wat mij in het hoofd opkomt, dan ben ik altoos in onzekerheid of ik Gode welgevallig handel, daar ik, gelijk de

NIEUWE HANDLEIDING. al

ocr page 350

— SM —

Apostel mij verzekert, niet weten kan, uit welken geest ik handel. Dikwijls verblindt mij eene lievelingsnciging, dikwijls misleidt mij de geslepene eigenliefde, dikwijls sleept de verhitte verbeelding mij zoo mee, dat ik in de eerste ooger.blikken niet zelden voor waar en goed houd, wat bij slot van rekening valsch en verkeerd is. Wanneer ik namelijk de beweegredenen, die mij aanzetten, nauwkeurig en onpartijdig onderzoek, wanneer ik het doel, dat ik voor oogen had, aandachtig overweeg, dan komt het duidelijk aan het Jicht, hoe menschelijk, hoe onvolmaakt, hoe zondig dikwijls het oogenschijnlijk goede werk geweest is. Op mijn eigen wil kan ik derhalve niet bouwen.

Wie geleidt mij dan langs den zekersten weg? Engelen, die mij verschijnen en Gods wil openbaren? Ook niet. God heeft de engelen wel als beschermers en begeleiders, maar niet als geleiders en leeraars der menschen aangesteld. Geen engelen, maar menschen heeft Hij bestemd om bij de menschen zijn zichtbare plaatsvervangers te zijn; daarom kon de H. Paulus aan de Galaten schrijven, dat, al kwam er ook een engel uit den hemel hun een ander evangelie verkondigen, dan wat zij van de Apostelen hadden ontvangen, zij hem toch niet moesten gelooven.

Zijn het de hemelsche geesten niet, dan is het wellicht Christus, de Heer zelf, die hel op zich neemt persoonlijk de zielen naar zijn eeuwig rijk te voeren? Zeker, de geschiedenis vermeldt voorbeelden van dezulke, die Jesus onder zijne onmid-delijke leiding nam, maar gewoonlijk geschiedt dit niet. Bovendien zou ik niet weten, of ik, wanneer Christus persoonlijk mij verscheeA en zijne plannen kenbaar maakte, soms niet bedrogen werd; want hoe dikwijls neemt de listige Satan de gestalte aan van een engel des lichts, om te verblinden en te verleiden.

Is het alzoo noch Christus, noch een engel, noch mijn eigen wil, die mij langs den veiligsten weg ten hemel geleidt, wie is dan mijn gids? Antwoord: enkel en ailsen de gehoorzaamheid aan mijne geestelijke overheden Zij en zij alleen zijn de zichtbare plaatsbekleeders van God op aarde. Gelijk (Jod de schepper is van het heelal en zijne samenstelling, zoo is Hij ook de oorsprong van alle macht. „Er is,quot; zoo schrijft de Apostel, „geene mncht dan van God, en de bestaande zijn door God

ocr page 351

— 3i5 —

verordend.quot; Indien ik dus naar mijne overlieden luister, luister ik naar God, indien ik aan hen gehoorzaam, gehoorzaam ik aan God, indien ik hun wil volbreng, volbreng ik Gods wil. Heer spreekt, mijne oversten met den vinger aanwijzend evenals de apostelen: ,,wie u hoort, hoort mij, wie u veracht, veracht mij.quot;

En mocht het soms twijfelachtig zijn, of hetgeen zij bevelen in zich goed is of wel kwaad, dan verzekeren toch alle theologen en leeraars van het geestelijke leven, dat ik met te gehoorzamen, niet zondig, maar aan God behaag. Alles, zoo zegt b.v. een M. Bernardus, alles wat e.n mensch, die. Gods plaats bekleedt, gebiedt, dat alles mag men niet anders beschouwen dan als een bevel, dat van God zeiven komt, tenzij het eene zaak geldt, die zeker aan God mishaagt.quot; Nooit en nergens volbreng ik alzoo beier, wat de Heer verlangt, nooit en nergens kan ik zekerder zijn van den goddelijken wil, dan indien ik overal en altijd gevolg geef aan de stem en de wenken der heilige gehoorzaamheid; derhalve voert zij alleen mij langs den zekersten weg ten hemel. Daarvan overtuigd, had de H. Anselmus, toen hij aartsbisschop van Kantelberg was, en in die hoedanigheid niemand als overste bij zich had, zich door paus Urbanus II een zijner kapelaans tot zijn overste laten benoemen, aan wien hij gehoorzaamde, naar wiens wil hij zich schikte, zonder wiens toestemming hij niets ondernam. Daarvan overtuigd verklaarde de H. Franciscus nog op den drempel der eeuwigheid, dat hij aan den minister en zijn guardiaan stipte gehoorzaamheid wilde bewijzen, ja, dat hij in hunne handen zoo gevangen wilde zijn, dat hij tegen de gehoorzaamheid niet kon gaan, of iets doen, want de gehoorzaamheid was zijn Heer. Daarvan overtuigd, verklaart de H. Theresia dat, zoo alle engelen haar iets hadden bevolen te doen, en hare overheden hadden het anders gewild, zij zonder zich te bedenken, het bevel der overheden volbracht zou hebben, want, zoo zegt zij, gehoorzaamheid aan de oversten wordt in de H. Schiift door God bevolen en is bijgevolg een geloofspunt; ook kan hij, die gehoorzaamt, niet dwalen, terwijl er bij openbaringen bedrog kan plaats hebben.

Daarvan ten volste overtuigd wil ook ik aan mijne over! e-den gehoorzamen zoowel in moeielijke en onaangename zaken als in aangename en lichte, wil ik niet enkel hunne geboden,

ocr page 352

— 3l6 —

maar ook hunne raadgevingen, hunne verlangens, ja zelfs hunne neigingen involgen voor zoover de voorzichtigheid en liefde het toelaten, en dit nog te meer, dewijl de gehoorzaamheid mij langs den veiligsten, en ook langs den korsten weg naar den hemel geleidt.

II.

Welke is de kortste weg ten hemel? Ontegenzeggelijk die, waarop Christus ons is voorgegaan. Welken weg bewandelt Hij ? Geen 'anderen, dan dien van algeheele overgeving van zijn persoon en handelingen aan God. Hij volbrengt altijd en overal, wat en zooals God het wil. Vraagt men Hera, waarom Hij dit en niet dat doet, waarom Hij zoo en niet anders spreekt, dan antwoordt Hij: „Zoo is de wil van Hem, die mij gezonden heeft.quot; (Joan. XXXIX. 40.) Wil ik derhalve den kortsten weg nemen ten heme], dan moet ik mij evenals Christus aan God overgeven, altijd doen wat Gode aangenaam en welgevallig is. Dat doe ik, wanneer ik gehoorzaam, blindelings gehoorzaam. Door te gehoorzamen geef ik mij aan God geheel en al. Die God dient, geeft Hem wat hij heeft, niet wat hij is. Hij geeft Hem slechts een deel, niet alles. Hij schenkt Hem geld, indien hij aalmoezen uitdeelt, Hij schenkt Hem spijs en drank door te vasten, een gewaad door naakten te kleeden; hij offert zijn bloed op, wanneer hij zich zeiven geeselt, maar zijn eigen wil behoudt hij toch altijd voor zich, want hij vast wanneer hij wil, hij bidt wanneer hij wil, hij arbeidt en rust wanneer hij wil. Gehoorzaam ik echter, dan geef ik aan God niet enkel wat ik heb, maar ook, wat ik ben. Ik geef Hem mijn wil, geef Hem de vruchten en tegelijk den boom, zoodat ik vragen kan; „wat heb ik nog, dat ik 11 niet gegeven heb?quot; Gij hebt mijn hart verlangd, ik heb het u gegeven. Ik heb mij aan u overgegeven, om te willen en te doen, wat Gij wilt en beveelt, want zooals reeds gezegd is, door te gehoorzamen, volbreng ik Gods wil.

Daar vervolgens de goddelijke wil de grondsteen en het doel der heiligheid is, zoo volgt daaruit dat door de gehoorzaam heid mijne meest alledaagsche werken veredeld, mijne onverschilligste bezigheden geheiligd worden, en mijne oefeningen van deugd en godsvrucht in waarde stijgen terwijl, de grootste

ocr page 353

en oogenschijnlijk de heiligste daden wel groote schreden zijn, maar schreden naast den weg, als zij niet door de gehoorzaamheid worden ingegeven. Alle dagen dus, die ik in gehoorzaamheid slijt, zijn dagen vol verdiensten, omdat alles, wat ik doe, ingegeven, bestuurd en geheiligd is door den ïl. Wil van God. Dientengevolge verzamel ik verdiensten niet slecht wanneer ik bid, wanneer ik vast, biecht hoor, predik, mij versterf, maar ook, wanneer ik eet, drink, slaap, de cellen reinig en mijne ontspanning neem. Gij looft God, schrijft de H. Augus-tinus ter bevestiging, als gij bezig zijt met den arbeid van het klooster, als gij in de sacristie of aan de poort uw ambt vervult. Gij looft God, als gij eet, als gij u ter ruste begeeft en slaapt, in alles, wat gij onderneemt, looft gij God, want daar gij alles uit gehoorzaamheid verricht, volbrengt gij Gods wil en juist daarin bestaat al onze verdienste.quot;

Alles wat uit gehoorzaamheid geschiedt, is gebed, verzekert de H. Magdalena de Pazzi, ja een enkele druppel van volmaakte gehoorzaamheid is millioeumaal meer waard, dan het grootste vat vol vurige, beschouwende gebeden. Het is verdienstelijker, zegt de eerwaardige Alphonsus Rodriguez, uit gehoorzaamheid een stroohalm op te nemen dan te prediken, te vasten en zich ten bloede toe te geeselen, indien men daarbij zijn eigen wil volgt.

Wie volbrengt des Heeren last; „bidt zonder ophouden,quot; beter dan de gehoorzame ? Wie gaat op den weg ten hemel sneller voorwaarts dan de gehoorzame? Wie verzamelt zich rijker en schooner schatten voor de eeuwigheid dan de gehoorzame? Heeft de H. Angnstinus ongelijk, als hij de gehoorzaamheid in zeker opzicht de moeder en beschermster aller deugden noemt? Heeft de H. Boraventura ongelijk, als hij schrijft dat de gehoorzaamheid een edele marteldood is, een leerschool des Verlossers, een palm van overwinning, een ladder naar het paradijs, een schip, dat hemelwaarts stevent, een sleutel, die den hemel opent, een vogel, die ten hemel vliegt. Heeft de vrome Alvarez ongelijk, wanneer hij beweert, dat do gehoorzaamheid de korte samenvatting is der volmaaktheid en des geheelen christelijken levens ?

Geen middel is zoo weinig vermoeiend, geen zoo weinig gevaarlijk, geen zoo zeker, geen zoo kort om zich met alle deug-

ocr page 354

- 3'S -

den te verrijken, het doel onzer wenschen, het eeuwige leven te bereiken, als de gehoorzaamheid. Voorwaar, indien ik gehoorzaam, kom ik op één dag dichter bij de deur des hemels, dan de beste mensch in de wereld in een maand; indien ik gehoorzaam, verwerf ik een schooner kroon dan ieder ander, die uit eigen verkiezing veel grooter daden verricht. Aan den H. Dorotheus werd geopenbaard, dat zijn leerling Dositheus voor de vijf jaren, die hij in gehoorzaamheid had gesleten, dezelfde heerlijkheid in den hemel ontvangen had als de kluizenaars Antonius en Paulus, die zooals bekend is, zeer vele jaren als boetvaardigen in de woestijn woonden.

Een oud vader uit de woestijn van Thebaïs verhaalt, dat hij in eene verschijning vier soorten van hemelburgers aanschouwdt: dezulke, die zich door wederwaardigheden en tegenspoeden, anderen, die zich door werken van barmhartigheid geheiligd hadden, vervolgens die als kluizenaars, en eindelijk die getrouw onder de gehoorzaamheid geleefd hadden; deze laatsten echter waren met gouden kronen en schitterende halssieraden getooid. Wil ik derhalve den kortsten weg bewandelen, wil ik ten spoedigste mijn einddoel bereiken, wil ik bij den troon van God de heerlijkste onderscheidingen verwerven, dan moet ik : 1° gaarne gehoorzamen zonder tegenzin, 2° eenvoudig gehoorzamen zonder te vragen naar het waarom, 30 met vreugde gehoorzamen zónder morren, 40 snel gehoorzamen zonder talmen, 50 met mannenmoed gehoorzamen zonder moede te worden, 6° nederig gehoorzamen zonder ijdelheid, 70 met volharding gehoorzamen ten einde toe. Langs deze zeven treden stijg ik het snelste tot God omhoog. Ongetwijfeld is het rechte voetpad, dat als een ladder naar den top des bergs geleidt, in den regel bezwaarlijker en vermoeiender dan de schoone, breede rijweg, die kronkelend opwaarts gaat, doch hier is juist bet tegenovergestelde het geval, want de kortste weg, die der gehoorzaamheid,is ook de gemakkelijkste.

III.

Het is wel waar, dat hij, die den weg van volmaakte gehoorzaamheid bewandelt, zich veel moet ontzeggen, wat de zinnen streelt, en veel moet doen, waartegen de bedorven na-

ocr page 355

— 310 —

•uur in opstand komt Hij moet zijn en blijven, waar hij liever niet was en bleef, bij moet zwijgen als hij zou willen spreken, en spreken, als hij zou willen zwijgen; hij moet werken, als hij liever zou uitrusten, en rusten als hij liever zou werken; hij moet verdragen, wat lastig, en verachten wat aangenaam is; doch al dat bittere wordt verzoet 1° door de rust des gewetens, die tegen alle wereklsche genoegens opweegt. Die anderen gebiedt, moet bij God voor de gegeven bevelen borg staan. Komen er door zijn schuld kwade gevolgen uit voort, dan moet hij dat verantwoorden, dewijl zijne batrekking van van hem vordert, alles van te voren te overleggen en te onderzoeken, zoodat bij niet uit toorn of overijling, niet uit toegenegenheid of afkeer, niet uit eigenliefde, maar vriendelijk zonder zwakheid, voorzichtig zonder valschheid, beslist zonder hoogmoed, zachtmoedig zonder lafhartigheid zijne bevelen geeft. Van al die zorgen ben ik ontheven indien ik gehoorzaam; op mijne schouders rust geen andere verantwoording dan die der gehoorzaamheid. Het is mij genoeg te weten, dat ik onder het bevel sta, om over de gevolgen daarvan onbekommerd en volmaakt kalm van geweten te zijn.

Het bittere der gehoorzaamheid wordt verzoet 20 door dien inwendigen vrede, die meer waard is dan alle goederen der aarde. Niets is meer geschikt om den inwendigen vrede te behouden en te bevorderen, dan het troostvolle getuigenis, dat ik niet naar mijn bedriegelijken wil, maar steeds naar den H. Wil van God handel. Hoe nederiger en gehoorzamer wij zijn, getuigt Eusebius, des te beter smaken wij de zoetheid van het juk des Heeren.quot; Zoo genoot de H. Dositheus, die zijn wil geheel aan de gehoorzaamheid had opgeofferd, een voortdurenden vrede. En vreezend, dat hij hierin misschien door den duivel bedrogen werd, vroeg hij aan zijn leidsman Dorotheus naar de oorzaak van dien vrede, waarop deze antwoordde; „mijn zoon, de vrede, dien gij geniet, is een vrucht der gehoorzaamheid.quot; „O welk een zoeten vri:dc,quot; roept daarom de II. Alphonsus uit, geniet die geestelijke, die niets anders wil, dan wat de gehoorzaamheid wil en verlangt.

Het bittere der gehoorzaamheid wordt verzoet 30 door het onwankelbaar vertrouwen on den bijstand van Gods genade, die den gehoorzame nimmer zal ontbreken. Niets is aangenamer

ocr page 356

— 320 —

aan God, dan wanneer een mensch om God afstand doet van zijn eigen wil, om den goddelijken wil te volbrengen; daarom schept God bijzonder behagen in den gehoorzame, en Hij ondersteunt hem overal zoodanig, dat het woord: „de gehoorzaamheid werkt wonderen'' door de ondervinding van zooveel eeuwen tot een spreekwoord geworden is. Daarom zegt de Heer van den gehoorzame zooals eens van David; (I Reg. XIII. 14.) „de Heer heeft zich een man naar zijn hart uitgezocht, die zijn wil volbrengt,quot; „daarom zal mijn hand hem helpen en mijn arm hem versterken,quot; (Ps. LXXXVIII. 22.) opdat hem alles gelukke, wat hij onderneemt.

Het bittere der gehoorzaamheid wordt verzoet 40 door het troostvolle vooruitzicht op het eeuwig loon des hemels. Een leekebroeder in het klooster van den H. Bernardus lag eens gevaarlijk ziek. Bernardus bezocht en troostte hem in zijn lijden, waarop de broeder verzekerde; „ja, geliefde vader, ik vertrouw op de goddelijke barmhartigheid, want ik weet zeker, dat ik weldra voor Gods aanschijn zal staan, om Hem in eeuwige vreugde te genieten.quot; De H. Abt antwoordde in de meening, dat dit de taal der vermetelheid was: „wat zegt gij, lieve broeder? Gij waart arm en hadt niet om van te leven. God in zijne liefde heeft u hierheen gevoerd, waar het u aan niets ontbroken heeft, en nu, in plaats van Hem voor zijne weldaden te danken, vordert gij nog zijn eeuwig rijk als iets wat u rechtens toekomt?quot; „Geliefde vader, hernam de stervende, wat gij zegt, is waar, maar hebt gij zelf niet gepredikt, dat men Gods rijk niet door rijkdommen, niet door adel, maar door gehoorzaamheid verwerft? Dat woord, wat gij zoo dikwijls her-haaldet, heb ik wel ter harte genomen; nimmer heb ik dan ook verzuimd allen te gehoorzamen die mij bevelen gaven, zooals alle medebroeders kunnen getuigen, indien gij het vragen wilt; waarom zou ik dan niet met vertrouwen verwachten, wat gij mij in den naam Gods hebt toegezegd?quot; Datzelfde blijde vooruitzicht heb ook ik, indien ik vlijtig gehoorzaam, en zulk een vooruitzicht, zou het niet al het bittere verzoeten, alle bezwaren uit den weg ruimen?

Het bittere der gehoorzaamheid wordt ten laatste, om niet te gewagen van de bescheidenheid der gebieders, van het gewoon worden om te gehoorzamen, van de liefde Gods enz.

ocr page 357

— 321 —

verzoet door het opwekkend voorbeeld van Jesus en zijne heiligen. Jesus' leven was, van zijne intrede in de wereld tot aan het „Consummatum est,quot; „het is volbracht'-' aan het kruis, eene nimmer onderbroken oefening van gehoorzaamheid. De H. Fran-ciscus van Sales was gewoon te zeggen: „ik bewonder het kind van Bethlehem. Het was zoo wijs en zoo machtig, en toch deed het alles, wat men wilde, zonder een woord er tegen in te brengen.quot; Jesus navolgend verlieten de Apostelen alles en gehoorzaamden bereidwillig aan hun Heer en Meester. Sedert dien hebben duizende en duizende zielen uit verlangen naar de zaligheid, de eenzaamheid des kloosters opgezocht, om zich door de volmaakte gehoorzaamheid te heiligen. En al die dappere scharen van gehoorzame zielen, die met Christus, den goddelijken leermeester, mij op den weg der heilige gehoorzaamheid voorgaan, zouden zij mij niet alle bezwaren over het hoofd doen zien, zouden zij mij niet tot eenzelfde volharding aanvuren? Ongetwijfeld!

Wanneer ik nu, al het gezegde samenvattend, den weg der gehoorzaamheid vergelijk met dien anderen weg, dien de eigenzinnigheid moge bewandelen, dan moet ik bekennen, dat de gehoorzaamheid mij langs den geschiksten en gemakke'ijksten weg geleidt. Wee mij derhalve, indien ik niet altijd en overal gehoorzaam! Wee mij, indien ik zou klagen en morren tegen mijne overheden! Wee mij, indien ik mijn eerste en grootste gelofte trouweloos zou schenden en breken! Wee mij, indien ik mijn eigen wil, dien ik bij mijne intrede in het klooster aan de poort heb achtergelaten, weder zou terughalen. Driemaal wee mij, indien ik ongehoorzaam ben; ik verdien, dat ik aan God mishaag, dat ik nimmer tevreden, nergens gelukkig zijn kan, dat ik mij vergeefsche moeite zal getroosten om zalig te worden, indien ik den standaard der gehoorzaamheid ontloop.

Doch heil, eeuwig heil mij, indien ik mij steeds door de gehoorzaamheid laat geleiden, daar zij alleen mij langs den zeker-sten, kortsteu en gemakkelijksten weg tot de kroon des levens voert! Geheel doordrongen van deze waarheid, vast besloten mijn hoogmoed en eigenzinnigheid te vernietigen en volmaakt te gehoorzamen tot aan mijn laatsten ademtocht, smeek ik tot u, o Jesus, in vereeniging met uwe H. dienares Theresia: „O allergehoorzaamste zoon des hemelschen Vaders, die u tot aan

ocr page 358

— 322 —

den dood, ja tot aan dén dood des kruizes aan zijn goddelijken wil hebt onderworpen, schenk ook mij naar uw voorbeeld eene volmaakte gehoorzaamheid, niet enkel aan de mij geopenbaarde geboden, voorschriften, vermaningen en de inwendige inspraken des H. Geestes, maar zelfs aan iederen raad, ieder bevel mijner oversten en leidslieden, die bij mij uwe plaats beklee-den. Maak o Heer, dat ik mijn eigen verstand en inzicht onderwerp aan die hooge, geheimzinnige wijsheid en voorzichtigheid van den H. Geest, die in de ware gehoorzaamheid ligt opgesloten, en dat ik in het groote en in het kleine alles op het volmaakste en ijverigste tracht te vervullen, wat ik ooit als uw H. Wil zal erkennen. Met uwe hulp wil ik mij beijveren dien steeds te kennen en te volbrengen.quot;

DERDE OVERWEGING.

Dk evangelische armoede.

Veni et ostendam tibi sponsam, uxorem Agni.

Kom en ik zal u de bruid, de bruid dos Lams toonen.

Apoc. XXI, 9.

Lene moeder, die utn het tijdelijk geluk van haar zoon angstig bezorgd was, sprak eens: „mij dunkt, lieve Jan, ge zoudt nu goed doen met te trouwen; ik ben oud geworden en zal weldra sterven; daarom zie bijtijds uit naar een goede huisvrouw.quot; „O neen, moeder, antwoordde de zoon, daaraan denk ik volstrekt niet; er zijn wel is waar vele en verschillende jonge vrouwspersonen; er zijn edele, schoone, rijke, arme en leelijke Xantippe's; maar een edele kan ik niet krijgen, omdat ik niet van adel ben; eene rijke en schoone wil mij niet, omdat ik niet rijk ben; eene rijke en leelijke wil ik niet; eene schoone en arme is mij van geen nut.quot;

Eene bruid met zulke hoedanigheden als die jongcling'scheen te verlangen, doch meende niet te kunnen verkrijgen, heeft God in zijne barmhartigheid tot mij gevoerd in den kloosterlijken staat en op den dag mijner professie mij met haar verloofd. Haar naam is: „Evangelische armoede.quot;

ocr page 359

— 323 —

Zij is inderdaad:

1° eer.e zeer edele bruid,

2° eene zeer schoone bruid,

3° eene zeer rijke bruid.

Wilt gij, mijne ziel, liaar oprecht liefhebben en haar '.rouw blijven, kom dan, ik wil u uwe bruid, de bruid van het god delijk Lam toonen; beschouw haar van nabij ter eere Godó cn der gezegende Moedermaagd Maria.

I.

De armoede is een edele bruid.

Geen baron, geen graaf, gten vorst, geen wereldbeheerscher is de vader der evangelische arrnoede. Neen, zij is van veel hoo-ger afkomst. Zij is een aangenomen dochter van den hemelschen Vader, van den Heer der heerscharen, den koning der koningen, Vóór de nienschwording van Christus leefden er in den hemel vele prinsen en prinsessen. De prinsessen waren; liefde, godsvrucht, barmhartigheid, zuiverheid, zachtmoedigheid, enz., de prinsen waren: geloof, ootmoed, geduld, ijver en meer anderen, yllen om den troon van God verzameld; de armoede echter was onder de kinderen des hemels niet te vinden. Veracht en verstooten dwaalde zij op aarde rond. En juist zij was het, die God de Vader als bruid had uitverkoren voor zijn zoon, die mensch wilde worden; daarom nam Hij haar onder het getal zijner dochters op, adelde haar, en leidde alle omstandigheden, verhoudingen en voorvallen der wereldgeschiedenis zoo, dat zij de bruid van Jesus, en Jesus haar bruidegom werd.

De Moeder Gods is op reis, verwijderd van hare gewone woonplaats. In het stadje Bethlehem, waar zij krachtens een bevel des Keizers met Jozef heengetogen is, zijn alle heibergen met vreemdelingen gevuld; slechts buiten de stad in een ellendigen beestenstal blijft haar nog een plaatsje over. Daar wil de Zaligmaker zich met de armoede verloven; daar wil Hij de armste der armen worden en het zijn geheele leven lang blijven; daar wil Hij het licht der wereld aanschouwen. Zijn bruidsvertrek is een armzalige spelonk ; in plaats van gouden versierselen ziet men daar spinnewebben, zijn rustbed is een kribbe met een handvol hooi en stroo, voor bruiloftskleed

ocr page 360

— 322 —

den dood, ja tot aan den dood des kruizes aan zijn goddelijken wil hebt onderworpen, schenk ook mij naar uw voorbeeld eene volmaakte gehoorzaamheid, niet enkel aan de mij geopenbaarde geboden, voorschriften, vermaningen en de inwendige inspraken des H. Geestes, maar zelfs aan iederen raad, ieder bevel mijner oversten ea leidslieden, die bij mij uwe plaats beklee-den. Maak o lieer, dat ik mijn eigen verstand en inzicht onderwerp aan die huoge, geheimzinnige wijsheid en voorzichtigheid van den H. Geest, die in de ware gehoorzaamheid ligt opgesloten, en dat ik in het groute en in het kleine alles op het volmaakste en ijverigste tracht te vervullen, wat ik ooit als uw H. Wil zal erkennen. Met uwe hulp wil ik mij beijveren dien steeds te kennen en te volbrengen.quot;

DERDE OVERWEGING.

DE EVANOELISCHE ARMOEDE.

Veni et ostendam tibi sponsam, uxorem Agni.

Kom cn ik zal u de bruid, de bruid des Lunis toonen,

A poe. XXI 9.

J^ene moeder, die om het tijdelijk geluk van haar zoon angstig bezorgd wa5, sprak eens: „mij dunkt, lieve Jan, ge zoudt nu goed doen met te trouwen; ik ben oud geworden en zal weldra sterven; daarom zie bijtijds uit naar een goede huisvrouw.quot; „O neen, moeder, antwoordde de zoon, daaraan denk ik volstrekt niet; er zijn wel is waar vele en verschillende jonge vrouwspersonen; er zijn edele, schoone, rijke, arme en leelijke Xantippe's; maar een edele kan ik niet krijgen, omdat ik niet van adel ben; eene rijke en schoone wil mij niet, omdat ik niet rijk ben; eene rijke en leelijke wil ik niet; eene schoone en arme is mij van geen nut.quot;

Eene bruid met zulke hoedanigheden als die jongeling'scheen te verlangen, doch meende niet te kunnen verkrijgen, heeft God in zijne barmhartigheid tot mij gevoerd in den kloosterlijken staat en op den dag mijner professie mij met haar verloofd. Haar naam is: „Evangelische armoede.quot;

ocr page 361

— 323 —

Zij is inderdaad:

1° eer.e zeer edele bruid,

20 eene zeer schoone bruid,

3° eene zeer rijke bruid.

Wilt gij, mijne ziel, haar oprecht liefhebben en haar !,rouw blijven, kom dan, ik wil u uwe bruid, de bruid van het yod delijk Lam toonen; beschouw haar van nabij ter eere (Jod.i en der geregende Moedermaagd Maria.

I.

De armoede is een edele bruid.

Geen baron, geen graaf, gten vorst, geen wereldbeheerscher is de vader der evangelische armoede. Neen, zij is van veel hoo-ger afkomst. Zij is een aangenomen dochter van den hemelschen Vader, van den Heer der heerscharen, den koning der koningen. Vóór de menschwording van Christus leefden er in den hemel vele prinsen en prinsessen. De prinsessen waren: liefde, godsvrucht, barmhartigheid, zuiverheid, zachtmoedigheid, enz., de prinsen waren; geloof, ootmoed, geduld, ijver en meer anderen, yllen om den troon van God verzameld; de armoede echter was onder de kinderen des hemels niet te vinden. Veracht en verstooten dwaalde zij op aarde rond. En juist zij was het, die God de Vader als bruid had uitverkoren voor zijn zoon, die mensch wilde worden; daarom nam Hij haar onder het getal zijner dochters op,, adelde haar, en leidde alle omstandigheden, verhoudingen en voorvallen der wereldgeschiedenis zoo, dat zij de bruid van Jesus, en Jesus haar bruidegom werd.

De Moeder Gods is op reis, verwijderd van hare gewone woonplaats. In het stadje Bethlehem, waar zij krachtens een bevel des Keizers met Jozef heengetogen is, zijn alle heibergen met vreemdelingen gevuld; slechts buiten de stad in een ellendigen beestenstal blijft haar nog een plaatsje over. Daar wil de Zaligmaker zich met de armoede verloven; daar wil Hij de armste der armen worden en het zijn geheele leven lang blijven; daar wil Hij het licht der wereld aanschouwen. Zijn bruidsvertrek is een armzalige spelonk ; in plaats van gouden versierselen ziet men daar spinnewebben, zijn rustbed is een kribbe met een handvol hooi en stroo, voor bruiloftskleed

ocr page 362

— 324 —

draagt Hij eenige windselen, de met mest bedekte grond dient tot vloerkleed. Als bedienden omgeven hem een os en ezel, als bewonderaars arme herders. Arm is zijn voorlooper Joannes, die een kleed van kemelshaar en een lederen gordel om de lenden draagt, wiens voedsel uit sprinkhanen en wilde honig bestaat, de gewone spijs der armen in het Oosten. Arm is zijne moeder, arm' zijn voedstervader, arm zijn bloedverwanten. Ann is Hij op zijne reis naar Egypte, arm in Egypte, arm te Nazareth. De armoede weefde zijn kleed, de armoede dekte zijn disch, kruidde zijn maal en sliep aan zijn zijde. Arm is zijn woning, arm zijn zijne gezellen op zijne rondreizen. Moge een bedelaar al arm zijn, hij heeft toch altijd nog eenige afgebedelde centen, doch wal bezit Christus? Zijn de dieren niet arm? Toch heeft de vos zijn hol, de vogel zijn nest; alleen de Zoon des menschen heeft niets, waarop Hij het hoofd kan nedervleien. Waaraan moet men dan den koning der Joden erkennen ? Aan kroon en scepter? Aan rijkdom en pracht? Neen, mijn rijk is niet van deze wereld,quot; zegt Hij. De armoede is zijn kenmerk. Als de profeet Jesus' plechtigen intocht in Jerusalem voorspelt, wijst hij op zijn ai moede. ^Verheug u, dochter van Sion, zoo spreekt hij, want uw koning zal tot u komen in gerechtigheid en als een verlosser; arm is hij.quot; (Zach. ]X. 9). Niet als een aardsche vorst op een fier ros gezeten, maar op een ezelin wil Hij door de straten van Jerusalem rijden. Jesus neemt toe in jaren, in wijsheid en behagelijkheid bij God en bij de menschen, doch zijn armoede blijft dezelfde. Zij i? het, die Hij trouw bemint en beoefent. Niet altijd zwijgt Hij, niet altijd onderwijst Hij, niet altijd toont Hij zijn macht door wonderteekenen; niet altijd bewijst Hij zijn goedheid en barmhartigheid door het genezen van zieken, doch wel is Hij altijd arm. (Ps. XXXIX. 18.) „Ik ben een bedelaar en armquot; zoo verzekert Hij door den mond van den psalmist. Zonder vaste woonplaats, zonder vaste ondersteuning brengt Hij de jaren zijner prediking door en volhardt in de naaktste armoede tot aan zijn dood, die met zijn geboorte en zijn leven in overeenstemming is. Zelfs zijn afgedragen kleed wordt Hem op Calvarie ontnomen, naakt wordt Hij aan het schandhout geklonken. En had dit roerend tooneel niet het medelijden opgewekt in een deelnemend hart, dan had er zelfs geen graf

ocr page 363

opengestaan, om zijn lijk op te nemen. De mildheid echter van Jozef van Arimathea schonk Hem eene begraafplaats. Arm was de Zaligmaker nog na zijne verrijzenis, en toen Hij naar den hemel wilde terugkeeren, liet Hij zijne gemalin, de armoede, niet als weduwe achter, maar schonk haar aan mij tot bruid. O armoede, aangenomen dochter des eeuwigen Vaders, echt-genoote van Hem, die zijns gelijke niet heeft, die alle rijken der wereld behecrscht, die hemel en aarde uit aanzijn riep, die woont en troont aan de rechterhand der goddelijke majesteit, aan wien zich alles moet onderwerpen, engelen, heerschappijen en machten, die de Heer der heerlijkheid, de oorsprong des levens is, o hoe verheven, hoe edel zijt gij!

Kom, mijne ziel, beschouw uwe bruid, de echtgenoote van het Lam, en zeg, of gij God haren Vader, of gij Jesus haar eersten bruidegom wel liefhebt, uit geheel uwe ziel, uit al uwe ziel, uit al uwe krachten, als gij de evangelische armoede niet liefhebt?

Doch, hoe zoudt gij haar niet vurig beminnen, haar, die uwe zeer edele en daarenboven nog uw zeer schoone bruid is?

II.

De armoede is oen zeer schoone bruid.

Die de evangelische armoede uitwendig beschouwt, bemerkt aan haar slecht onaanzienlijkheid, nood en menigvuldige ellende, die zij met zich brengt, en in den regel niets eervols, niets aantrekkelijks, niets beminnelijks en schoons, doch; „omnis gloria ejus filiae regis ab intusquot; al de schoonheid, al de heerlijkheid dier koningsdochter is inwendig. Zij is schoon, zeer schoon, niet naar het oordeel van den blinden wereldling, maar naar het onbe-driegelijk oordeel Gods, want zij is de grondslag en de moeder van alle Christelijke deugden. In de eerste onderrichting, welke Jesus bij het begin van zijn openbaar leven tot het Hem omringende volk hield, droeg Hij voor het eerst die plichten voor, die de leer van het oude Verbond in verhevenheid ver overtreffen en de christelijke volmaaktheid vormen. Toen vorderde Hij van hen, die zijne leerlingen wilden worden, vóór al het andere, dat zij arm van geest zouden zijn. Doch de armoede van geest voorop te stellen, verklaarde Hij haar tot den grondslag der

ocr page 364

— 326 —

overige deugden. En niet recht. want die zijn hart aan eenig aardsch goed hecht is onbekwaam om de wederwaardigheden en tegenspoeden dezer wereld met geduld te dragen, onbekwaam om de vervolgingen niet te tellen, onbekwaam om in alles, wat hij doet, niet zich zeiven, maar Gods eer te zoeken. Die met zijn gezindheid in liet stof woeit en kruipt, is ongeschikt zijn eigen te verloochenen en Christus na te volgen. Daarentegen is het den arme veel gemakkelijker zachtmoedig en nederig te zijn; het is hem veel gemakkelijker zich als een slachtoffer der gerechtigheid op te dragen; het is hem veel gemakkelijker te midden der stormen, die het menschelijk geslacht teisteren, een diepen vrede te bewaren indien hij het zoover gebracht heeft, dat hij zich om geen bezit meer bekommert. Nog meer: „gelijk de rijkdommen werktuigen zijn van veel kwaad, zoo is de verwijdering daarvan de heilige armoede, eene moeder en voedster van alle deugden,quot; beweert de H. Giegorius. Een vluchtige blik op de overige deugden zal mij van de waarheid dezer uitspraak overtuigen. De armoede vermeerdert het geloof, daar zij er veel toe bijdraagt om het verstand aan de eeuwige waarheden te onderwerpen; vandaar noemt de 11. Jacobus de armen „rijk in het geloof.quot; (Jac. II. 5.) De armoede versterkt de hoop, daar zij weet, dat haar het hemelrijk is toegezegd en zij recht heeft het vast te mogen vertrouwen. De armoede maakt plaats voor de liefde, daar zij het hart van alle aardsche begeerten zuivert, zoodat God het geheel kan vervullen, weshalve de H. Augustinus schrijft, dat het volmaakt vrij zijn van de begeerten de volmaakte liefde is. De armoede bevordert de nederigheid, door aan den hoogmoed het voedsel der tijdelijke goederen te onthouden; daarom is volgens den H. Augustinus arm en nederig zijn een cn hetzelfde. De armoede leert voorzichtigheid, daar zij aanzet om evenals de voorzichtige knecht, in het Evangelie met den mammon der ongerechtigheid zich goede vrienden in den hemel te verwerven. De armoede is het behoud der rechtvaardigheid, want de evangelische arme geeft aan God alles terug, wat Hem toebehoort en wel verre van den naaste in iets te kort te doen, geeft hij hem zelfs zijn eigendom. De'armoede sluit de matigheid in zich, want zij vermijdt de overdaad en vergenoegt zich met het noodzakelijke. Zij kweekt sterkte, want zij zet hare minnaars er toe aan om

ocr page 365

— 327 —

de bezwaren van hun armen staat met gedulr?, gelatenheid, en standvastigheid te verdragen; daarom bemerkt de H. Bernar-dus met recht dat de armen en de martelaars eenzelfde belooning in den hemel te wachten hebben, dewijl de armoede een onbloedige marteldood is. Zij b;iart; de vreeze des Heeren, want zij maakt dat men zich tot God wendt en bekeert, terwijl de overvloed een aanleiding is om God uit het oog te verliezen. Zij ondersteunt de zuiveiheid, daar zij het vleesch verzwakten aan den geest onderwerpt. Een oud spreekwoord zegt; Venus wordt koud, als Bacchus en Ceres haar niet meer verwarmen. Hoe zou ook een lichaam, dat door honger en dorst, naaktheid en versterving is afgetobt, onreine lusten kunnen gevoelen, die slechts gevoed worden in een verwijfd en week leven ? Met recht noemt daarom de ervaren leeraar van het geestelijke leven, Alvarez, de armoede een „fomentum castita-tisquot; waarmede hij te kennen wil geven, dat uit de armoede de zuiverheid voortkomt, evenals de ontucht uit de begeerlijkheid. De armoede brengt de gehoorzaamheid voort, dewijl zij niet enkel van de goederen der aarde, maar ook van die d^r natuur, van het verstand en den bandeloozen wil, afstand doet. Dientengevolge noemt de H. Bernardus hen waarlijk arm in den geest, die met de ongeregelde begeerte naar geld en goed ook tevens eigen zin en wil verzaken. Zoo mag ik alle deugden nagaan en ik zal bevinden, dat de armoede met hen allen in bloedverwantschap staat, en derhalve een zeer schoone bruid is Dit erkenden zelfs de besten onder de oude heidenen; daarom heeft Aristides haar gepaard met zijn rechtvaardigheid, Phocion met zijn goedheid, Epaminondas met zijn heldhaftigheid, Socrates met zijn wijsheid, Homerus met zijn welbespraaktheid, Diogenes met zijn tevredenheid. Crates met zijn voorzichtigheid, Ariston met zijn helder inzicht. En ik, die wandel in het licht des geloofs, ik zou mijne bruid, de armoede niet liefhebben? Ik zou haar niet achten, die zelfs door geleerde heidenen geacht en bemind werdf Ik, die met haar verloofd ben, ik zou haar niet langer in mijn huis willen dulden? Ik zou haar verdrijven uit mijne cel, uit kisten en kasten, uit de keuken, uit den kelder, uit de eetzaal, uit de sacristei, uit de kerk, uit mijn hart en mond? Ik zou haar met de zweep de straat opjagen, waar men haar slechts met weerzin duldt,

ocr page 366

— 328 —

omdat men haar dulden moet? Ik zou haar ontrouw worden en mij schuldig maken aan echtbreuk, door op iets als op mijn eigendom aanspraak te maken, en mijn hart daaraan te hechten?

Hoe, o armoede, zou het dan met het verband gesteld zijn, dat ik eens met u aan den voet des altaars, omringd van engelen en mijne medebroeders, op plechtige wijze met u gesloten heb? „O professio mortifera, o proditoria promissio.quot; o dood-aanbrongende professie, verraderlijke belofte?quot; zou de H. Augus-tinus mij toeroepen, evenals den monnik Januarius, bij wien hij na diens afsterven nog eenige geldstukken vond.

Zie, mijne ziel, indien gij u soms aan eenige overtreding der H. armoede plichtig moet erkennen, zie, hoe rampzalig Judas ten gronde gaat 1 Hij, de apostel, die alles verliet en arm werd, heelt later, omdat hij aan de armoede den rug keerde, zijn Meester en zijn ziel voor den spotprijs van dertig zilverlingen verkocht en zich verhangen. Sidder en verbleek bij het gezicht van den aan den boom hangenden verrader en verwijder ten spoedigste alles, wat gij buiten weten en willen der overheid hebt en gebruikt, opdat gij zooals Jakob tot Laban, de wereld kunt toeroepen; „onderzoek, en wat gij van het uwe bij mij vindt, neem dat mee!quot; (Gen. XXXI. 32.)

Doch zie daarbij wel toe, dat Rachel de beelden, die zij aan haren vader ontstoken had, niet onder het kameelzadel ver-schuile, d. w. z. zorg, dat de sluwe eigenliefde niet onder het uithangbord van noodzakelijkheid en nuttigheid iets terughoude, wat met de de armoede strijdt. Wees overtuigd, dat gij daardoor niet slechts niets verliezen, maar integendeel veel zult winnen. Hoe getrouwer gij naar de grondregels der armoede leeft, des te meer zal zij u met hare goddelijke huwelijksgift verrijken, want, gelijk zij cene edele en schoóne bruid is, is zij ook zeer rijk.

III.

De armoodc i» «ene zeer rijke bruid.

Evenals hare schoonheid niet uitwendig maar inwendig is, zoo schijnt zij ook van alle uiterlijke praal en aardsche goederen ontdaan. Niettemin bezit zij de grootste, geestelijke schatten.

De evangelische armoede is rijk, want zij bezit inwendig een

ocr page 367

— 329 —

tevredenheid^ die gelukkiger maakt dan alle schatten van Rothschild, en waardoor hij te midden van het gebrek, rijker is dan Croesus en Crassus. „Ofschoon arm maak ik velen rijk, ofschoon niets hebbende bezit ik toch allesquot; verzekert de H. Paulus. (II Cor. VI. 10.)

In een waarlijk arme ontkiemen en gedijen die begeerten niet, waarmede de rijken zich kwellen. Hij ziet hoe ijverig zij alles najagen, wat men naar gewone l.egrippen goed noemt; hij ziet met welk een jacht zij naar alles grijpen, wat hunne hartstochten kan bevredigen, doch daarvan ondervindt zijn hart niets; hij is kalm en overtuigd, dat alleen hij rijk is, die geen rijkdom begeert, dat alleen hij alles bezit, die zich door niets bezitten laat. Verricht hij zijn gebed, dan is het altijd zuiver; hij mengt daarin geen ij dele wenschen om van het aardsche meer te genieten dan hij noodig heeft. Hij geeft zich hierin geheel aan de goddelijke Voorzienigheid over, die voor de musch op het dak en nog te meer voor hem zorg draagt. Ontvangt hij een milde gift, dan neemt hij haar aan, als kwam zij rechtstreeks van Gods hand. Gaat zij zijne behoefte te boven, dan beschouwt hij het overtollige als vreemd goed, dat aan anderen die behoeftiger zijn dan hij is, toebehoort. Komt somwijlen zijn zinnelijkheid onder den druk van gebrek en ellende in opstand, verwekt zij soms in hem mismoedigheid en ongeduld, dan onderdrukt hij die opwellingen zijner lagere natuur, hij zet zich met Gods genade daarover heen en blijft tevreden. Komt dan, mijne ziel, u niet rijk voor, die den inwendigen vrede bezit, die door den stormwind der begeerte niet verontrust wordt, die geen anderen wensch koestert dan immer meer te verliezen, om voor immer meer te winnen? (S. Ambros.)

De evangelische armoede is rijk, want zij bezit God en met God den wezenlijken rijkdom. Als het beloofde land onder de kinderen Israël verdeeld werd, verkregen de priesters en levieten geen deel daarvan. Waarom niet ? „De Heer zelf is hun aandeelquot; zoo had God gesproken. Eveneens bekomt ook de evangelische arme Jesus Christus ten erfdeel. Men kan jesus niet beter zoeken, en niet zekerder vinden, dan wanneer men daar zoekt, waar Hij te vinden is. Welnu, men vindt Hem in den schoot der armoede. Bezit ik haar, dan bezit ik derhalve ook Christus, en bezit ik Christus, dan bezit ik alles, niet slechts

NIEUWE HANDLEIDING. 22

ocr page 368

dewijl Hij alles heeft, maar ook, dewijl Hij mij alles geeft, wat mij noodig is om geheel aan Hem toe te behooren. Daarom zegt de H. Hieronymus: „hij is rijk genoeg, die met Christus arm is;quot; de H. Chrysostomus: „niemand is rijker dan hij, die de armoede lief heeft;quot; „de Christelijke armoede is altoos rijk en zij vreest niet in deze wereld gebrek te lijden, dewijl het haar gegeven is, in God alles te bezitten;quot; de H. Gregorius; „die zich schikt in de armoede, is rijk,quot; (Ps. XXXIX. 18.) de psalmist David; „ik ben behoeftig en arm, doch de Heer zorgt voor mij,quot; want „die den Heer vreezen, lijden geen gebrek.quot; (Ps. XXXIII. io.) Moge men dan mijne bruid, de armoede, uitlachen, ik vind in haar mijn rijkdom en mijn roem.quot; (S. Greg. Naz.)

De evangelische armoede is rijk; want zij bezit honderdvoudig, wat ik verlaat, en bovendien het eeuwige leven met het voorrecht eens de volkeren te zullen cordeelen. Aan hen, die den Zaligmaker volgen en om Zijnentwil alles verlaten, is een honderdvoudige schadevergoeding en het eeuwige leven toegezegd. „Eenieder, die huis of broeders, of zusters, of vader, of moeder, of vrouw, of kinderen, of akkers om mijnen naam verlaat, zal het honderdvoudig terugontvangen en het eeuwige leven bezitten,quot; (Matth. XIX, 29.) dit zijn de woorden der eeuwige waarheid zelve. „Voorwaar ik zeg u, gij, die mij gevolgd zijt, zult bij de wedergeboorte, als de zoon des inenschen op den troon zijner heerlijkheid zal zitten, ook op twaalf zetels gezeten zijn om de twaalf stammen van Israel te oordeelen.quot; De H. Augustinus merkt bij deze toezegging op, dat hier, zooals meermalen, een bepaald getal staat voor een onbepaald en dat het volk van Israel, zooals ook dikwijls bij de profeten genoemd wordt voor de geheele menschheid, waarvan het eene voorafbeelding was. Zal dan, met die belofte voor oogen, mijn bruid mij mishagen; kan ik ooit een rijkere vinden dan haar? (S. August.)

De evangelische armoede is rijk, want haar is het rijk der hemelen. Jesus Christus wil de zijnen voor eeuwig gelukkig maken. Daarom maakt Hij hen arm en belooft hun als koning der koningen een koninklijke erfenis. „Zalig zijn de armen van geest, want hun is het rijk der hemelen.quot; Spreekt Hij van andere deugden, dan belooft Hij het loon daarvoor in de toe-

ocr page 369

— 33i —

komst, bijv. „Zalig zijn zij, die weenen. want zij zullen getroost worden; zalig zijn de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid verwerven,quot; doch hier zegt Hij: „hun is het rijk der hemelen,quot; d. w. z. reeds nu hebben zij er recht op, het behoort hun toe. Zeker moet men hier in 't oog houden, wat de vet van erfopvolging bepaalt. „Zoolang de erfgenaam een kind is, verschilt hij, ofschoon heer van alles, niets van een dienstknecht; maar hij staat onder voogden en bestuurders tot op den tijd, die door den vader bepaald is. (Gal. IV. i. 2.) Zoolang ik op aarde vertoef, ben ik onmondig, en geniet ik mijn erfenis niet; wordt ik echter door de volharding ten einde toe mondig, wordt ik in de deugd meerderjarig, is de dag door den eeuwigen Vader vastgesteld, aangebroken, dan kom ik onfeilbaar tot mijn onuitsprekelijk groote erfenis; dan verkrijg ik zonder eenige vermindering den geheelen bruidschat mijner bruid; dan ontvang ik een eeuwig geluk, eeuwige rust, eeuwigen vrede, eeuwige vreugde en blijdschap, een onverwoestbaar rijk, het nimmer eindigende genot van God, aller engelen en heiligen, want dit alles is het eigendom der evangelische armoede en bij testament vermaakt.

Nu weet ik dat en hoe rijk mijn bruid is. Zij bezit hierbeneden een onschatbaren vrede, den zoetsten troost, Jesus-Chris-tus en in Christus alle goed; zij bezit daarboven het honderdvoudige van hetgeen ik hier verlaten heb, het eeuwige leven, het voorrecht van een rechterstoel bij het algemeen oordeel, het hemelrijk met alles, wat het bevat.

O rijke, schatrijke bruid, die mij hebt verheven tot erfgenaam en koning van het rijk Gods. De hoogste adel, de beminnelijkste schoonheid, en de grootste rijkdom zijn in u ver-eenigd. Aan eene zoo edele, zoo schoone, zoo rijke bruid kan ik en mag ik immers mijn zorgzame liefde, en mijn liefdevolle bezorgdheid niet onttrekken. Zij is waardig, mijn zinnen en mijn hart geheel te bezitten, daarom wil ik u, o heilige armoede, steeds de beloofde trouw bewaren, wil ik u niet, zelfs niet met een draad mij zonder verlof toegeëigend, geeselen, u niet steken met een wederrechtelijk verworven naald, u met geen enkel kinderlijk woord kreuken, u met geen enkele onaangename handeling beleedigen! En Gij, Heer en Schepper van al het geschapene, die onze trouwakte door uwen plaatsvervanger hebt

ocr page 370

opgemaakt en bezegeld, die als mensch geworden God van de kribbe tot aan het kruis in armoede hebt geleefd en ten slotte naakt aan het kruis gestorven zijt, geef mij een hart zoo vol liefde voor de armoede, zoo onthecht van alle goederen der wereld, dat mijne wenschen, mijn streven, mijn lust en mijn vreugde niet daarin bestaan om alles te hebben, wat mij mogelijk en veroorloofd is, maar veeleer om slechts het allernoodzakelijkste te bezitten, en mij zelfs gelukkig te achten, als ook dat mij soms geheel ontbreekt, opdat ik naar uw voorbeeld en naar de leer des evangel'es waarlijk arm moge zijn. Dit wensch en begeer ik van u, o mijn God, als een noodzakelijk middel om tot de ware onthechting van alles, tot de inwendige en oprechte armoede des geestes te geraken. Met de hulp uwer genade neem ik mij dat alles vast voor, opdat ik mijne geestelijke verplichtingen met meer nauwgezetheid vervullen en u in tijd en eeuwigheid behagen moge. Amen.

DERDE DAG-.

EERSTE OVERWEGING. De trouwring der maagdelijkheid.

Annulo suo subarrhavit me Dominus meus Jesus Christus.

Jesus Christus, mijn Heer heeft mij den trouwring aan den vinger gestoken.

(3a anliph. ad laudes in festo S. Agnetis.)

quot;F'.r leefde in Engeland eene godvreezende weduwe, met name Caecilia, die terstond na den dood van haar echtgenoot voor den aartsbisschop van Kantelberg de gelofte aflegde van levenslange onthouding. Zij wilde voortaan alleen aan den Zaligmaker behagen. Hem alleen dienen. Ten laatste werd zij gevaarlijk ziek en zij liet haar biechtvader roepen. Deze zag dat de oogenschijnlijk reeds half bewustelooze vrouw, zonder op iets anders te letten, van tijd tot tijd een gouden ring aan haar vinger beschouwde en betastte. De biechtvader in de angstige meening, dat die ring voor haar een bekoring tot ijdel-heid kon zijn, wenkte de dienstmaagd haar dien af te nemen.

ocr page 371

— 333 —

Nauwelijks beproefde de dienstmaagd dit, of de stervende richtte zich vlug op en sprak ernstig: „eerwaarde vader, deze ring zal volstrekt niet van mijn vinger komen, want het is de trouwring, waarmede ik met Jesus ben verloofd. Ik dacht er juist over na, of mijn gelofte van onthouding even ongeschonden, gebleven is, als deze ring, en God zij gedankt, ik vind geen enkele scheur.quot; Daarna legde zij glimlachend het hoofd op het kussen neder en ontsliep zalig in den Heer. Geen werkelijken maar een geestelijken ring heeft de Heer in zijn oneindige goedheid aan den vinger mijner ziel gestoken, toen ik mij bij het intrede in het klooster met Hem verloofde en bij mijn heilige professie met Hem huwde. Het is de trouwring der eeuwige kuischheid. Evenals de vrome Caecilia zal ook ik eens zalig sterven, indien ik dezen ring geheel mijn leven lang trouw en ongeschonden bewaar. Het voornemen om dit te doen, wil ik nog eens verlevendigen en versterken, en daartoe wil ik heden mijn trouwring aandachtig beschouwen,en deze punten overwegen:

10 hij is zeer kostbaar,

2° hij is zeer nuttig.

Verkrijg mij, o onbevlekte Moedermaagd, door uwe voorspraak de onverdiende genade, dat deze overweging mij met de grootste liefde en hoogachting voor de heilige zuiverheid ver-vuile! Alles tot uwe eer en tot verheerlijking van uw viekke-loozen Zoon Jesus Christus. Mijn schietgebed is heden; „Sur-gam et ibo ad Patrem.quot; Ik wil opstaan en tot mijn vader gaan.quot;

I.

Mijn trouwring is zeer kostbaar.

Niet ten onrechte noem ik de maagdelijke zuiverheid een trouwring; want, gelijk de ring, nan den vinger gestoken, hem vast en geheel omsluit, zoo omvat de maagdelijke zuiverheid, zoowel het inwendige als het uitwendige leven; zij strekt zich uit zoowel over de krachten der ziel als over de zintuigen des lichaams; zij omvat alzoo den geheelen mensch.

De trouwring geeft verder te kennen, dat en wien men voortaan in trouw en liefde, in vreugde en leed zal toebehooren; evenzoo zegt de H. Zuiverheid dat men besloten is, in 't vervolg alleen voor God en zijn H. Dienst te leven.

ocr page 372

— 334 —

Bestaat zulk een ring uit edel metaal, is hij door een meesterhand gemaakt en wordt hij door alle deskundigen hoog geprezen, dan mag men hem ontegenzeggelijk zeer kostbaar noemen. Welnu, de trouwring der maagdelijkheid bezit al de opgenoemde eigenschappen, want;

io Edel is zijn metaal of wezen. Zooals bekend is, bestaat de maagdelijke zuiverheid in de grootmoedige en vrijwillige onthouding van alle vleeschelijke genietingen en begeerten ter liefde Gods, en wel zoo, dat men geen vleeschelijk genot begeert en geniet, dat men zich in gebaren, woorden en gedachten steeds eerbaar en zedig gedraagt, dat men alles, wat het hart tot zondigen lust zou kunnen verleiden, standvastig vlucht en overwint. Zij is derhalve een vrucht van den vrijen wil, een bewijs van zelfsoverwinning, een gevolg der verzaking tereere Gods en tot heil der ziel. En is dat niet onuitsprekelijk edel en groot ?

20 Hij komt voort uit de hand van den grootsten kunstenaar van God zeiven. De oude heidenen meenden, dat de lelie voortgesproten was uit, een van den hemel gedauwde melk. Was dit een fabel, het is echter waarheid, dat de lelie der zuiverheid een hemelschen oorsprong heeft, daar zij door Christus uit den hemel op aarde gebracht is. Wel zijn er onder de rechtvaardigen van het oude Verbond die gelijk Melchisedech, Elias, Daniël en Joannes de Dooper maagdelijk geleefd hebben, doch zij zijn slechts weinig in getal. Eerst nadat de Zoon Gods van den hemel nederdaalde, uit eene vlekkelooze Maagd geboren werd, als toonbeeld van maagdelijkheid voorging, eerst daarna ziet men het wonderbare schouwspel, dat duizenden en duizenden van beiderlei kunne in den bloei des levens alle genoegens en goederen der wereld vaarwel zeggen, uit vrijen wil de H. Zuiverheid beoefenen en geen anderen bruidegom willen erkennen dan den „schoonste onder de kinderen der men-schen.quot; „Terstond bij zijn komst in de wereld, heeft de Zoon Gods een nieuw geslacht gesticht,quot; schrijft de H. Hieronymus. „Die in den hemel door de engelen wordt aangebeden, wilde ook op aarde engelen hebben, en dat zijn de maagdelijke zielen.quot; „De wereld is vol van dezulken, die de zuiverheid beoefenen,quot; getuigt de H. Cyprianus. En ruim honderd jaar later verzekert Ambrosius, dat er in Azië en Afrika meer aan God

ocr page 373

— 335 —

toegewijde maagden leefden, dan er in Europa geboren werden en dat de schatten van het romeinsche rijk niet toereikend zouden zijn, om ze allen te voeden.

Is alzoo de trouwring der maagdelijkheid door God zeiven vervaardigd, zou hij dan nog kostbaarder kunnen zijn, dan hij isf

3° Hij wordt van alle deskundigen hoog geacht en geroemd. Hij wordt hoog geprezen aW;-//. (Ecclicus XXVI. 20)

Alles, wat men moge hoogschatten, zegt de wijze zoon van Sirach, is niet te vergelijken met eene kuische ziel, en de profeet Jeremias getuigt van de zuiveren onder Israels volk: „zijne nazareërs waren witter dan sneeuw, blanker dan melk, blozender dan koraal, schooner dan saffier.quot; (Thren. IV. 7.) „O hoe schoon, roept de wijze man in vervoering uit, hoe schoon is een kuisch geslacht in glans; onsterfelijk immers is zijn aandenken, daar het bij God en bij de menschen bekend is.quot; (Sap. IV. I.) En de hemelsche bruidegom zelf, zijne bruid beschouwende, roept in bewondering uit: „geheel schoon zijt gij, mijne vriendin! geen vlek is in u te vinden!quot; (Cant. IV. 7.) „Het firmament, zoo wil Hij te kennen geven, moge schoon zijn, maar menigmaal wordt het door nevelen betrokken; de regenboog in zijn zevenkleurigen glans moge schoon zijn, maar daarachter pakken zich donkere wolken samen; de roos moge schoon zijn, doch zij ia niet zonder doornen; noem mij in de natuur al het schoone, wat gij kunt uitdenken, altijd is er iets af te keuren, alleen de maagdelijke ziel maakt hierop eene uitzondering, zij alleen is geheel schoon en vlekkeloos. Verheven uitdrukking, waarmede de H. Geest de maagdelijke zuiverheid prijst.

De trouwring der maagdelijkheid wordt hoog geroemd door de H.H. Vaders en Godgeleerden. „De zuiverheid is een onver-welkelijke krans, een tempel Gods, een woning des H. Gees-tes, een prachtige parel, de vreugde der profeten, de roem der Apostelen, het leven der engelen,quot; beweert de H. Athanasius. De H. Augustinus noemt haar het sieraad der aanzienlijken, de verheffing der nederigen, de vrienden Gods, de zuster der engelen, de kroon der profeten, den gordel der Apostelen, den spiegel der maagden. De H. Epbrem noemt haar „een hemelsche lenteroos,quot; de H. Gregorius „de gedaante en het levende beeld Gods.quot; De H. Eernardus „een kleinood dat in de kroon

ocr page 374

— 336 —

schittert als een ster.quot; De H. Ambrosius roept, haar beschouwende verrukt uit: „O kuischheid... die het lichaam van de duisternis tot het licht brengt. O kuischheid, die in snelle vlucht den hemel doorklieft en aan de ziel slagpennen geeft.quot; De martelaar Ignatius geeft den christenen van Tarsis bevel om de maagden even hoog te eeren als de priesters van Christus.

Allemaal lofspraken ter eere der H. Zuiverheid.

De trouwring der maagdelijkheid wordt hooggeschat door de heiligen Gods. Om hem te bewaren, bijt zich de jongeling Nicetas, die aan handen en voeten gebonden is, de tong af en spuwt die der schaamtelooze verleidster in het gezicht. Om hem te bewaren laat zich de heilige masgd Euphrasia het hoofd afhouwen door de soldaten, die haar willen onteeren. Om hem te bewaren, storten zich Blanca Scardeona en Pelagia van de hoogte neder, en Degna werpt zich uit vrees voor de losbandigs soldaten van Attilla in den stroomenden vloed. Om hem te bewaren, sneden in het jaar 1868 de kloostermaagden van Antiochie in Syrië zich den neus af en lieten zich door het leger van den egyptischen Sultan Bibar meedoogenloos neersabelen. De kuische heldinnen van Kollingham verminkten zich het gelaat en lieten zich verbranden, om van de Noormannen verschoond te blijven. De Clarissen van Ptolemais deden in 1291 hetzelfde om tegen de woeste Turken beveiligd te zijn. Om hem te bewaren wijst de H. Agnes het huwelijksaanzoek van Sipuphronius den Zoon des romeinschen landvoogds van de hand, Domitilla de vereeniging met den graaf Aurelianus, Susanna het huwelijk met den reeds tot keizer benoemden Maximinus, Joanna den echt met koning Lodewijk XI van Frankrijk, Elisabeth het eervolle aanbod van den aartshertog Hendrik van Oostenrijk.

Het bij stroomen vloeiende bloed, de verbrande en verminkte ledematen, de weggeworpen kronen en scepters van ontelbare jongelingen en maagden, getuigen zij niet luider dan allemen-schentongen voor de waarde der maagdelijke zuiverheid?

De trouwring der maagdelijkheid wordt hooggeschat en geprezen zelfs door de heidenen. Zoo bijv. noemt Socrates het leven van kuische menschen gelijk aan het leven der goden. De oude Egyptenaren tooiden hunne dochters met kostbare halssierraden, en de daarop aangebrachte zinnebeelden verkon-

ocr page 375

~ 337 —

digden den lof der zuiverheid. Het bedorven Rome had ter eere der kuischheid een tempel gebouwd en daarin zeven voorname jongedochters, de Vestaalsche maagden geheeten, als priesteressen aangesteld, die zulk eene achting genoten, di'.t de keizerin Livia zeer vereerd was, toen zij bij de schouwspelen op de plaats dier maagden mocht zitten. Claelia sprong met hare 9 adellijke gezellinnen liever in den Tiber, dan zich door koning Porsenua te laten onteeren. Virginia liet zich, om de kuischheid te redden, met een dolk vermoorden. Zulke en dergelijke voorbeelden uit de heidensche wereld versterken de lofzangen, die ter eere der maagdelijke zuiverheid door de H. Schrift, de heilige leeraars, apostelen, martelaren, maagden en belijders worden aangeheven, en waarvan de korte samenvatting altijd deze is: de trouwring der kuischheid is zeer kostbaar.

Hij is kostbaar reeds op zich zeiven, hij is kostbaar, dewijl hij van God komt, hij is kostbaar, dewijl men hem immer en overal ten hoogste geprezen heeft.

En ik dan, indien ook ik hem niet hoogachtte en liefhad, indien ik hem moedwillig verkwistte of te koop aanbood, zou ik dan niet dwazer zijn dan een keizer Nero, die voor een vleierij 800.o„o romeinsche scudi weggaf ? Indien ik het waagde, mijne lippen ooit met een onrein woord te bezoedelen, zou ik dan niet in 't stof moeten kruipen voor den heiden Cato den Oude, die steeds op zijn hoede was, dat hem in tegenwoordigheid van zijn zoon geen onbetamelijk woord ontviel? Als ik mij ook slechts eenmaal in het slijk der onreinheid wentelde, zou ik mij dan niet moeten schamen voor den hermelijn, die z)ich liever laat vangen en dooden, dan door drek en slijk te loopen ? Indien ik jegens mij zeiven of iemand anders oneerbaar was, zou dan een Alexander de Groote mij niet veroor-deelen, die ofschoon pas 22 jaren oud, ongehuwd en zelfs uitmuntend door de lieftalligheid van zijn persoon toch de gevangene gemalin van den Perzischen koning Darius IFI en hare twee jeugdige en schoone dochters met zulk eene zedigheid behandelde, dat hij ze niet eenmaal aanzag, niettegenstaande zij voor de schoonste vrouw van Azië gehouden werd f Zou de jonge overwinnaar Scipio mij niet beschaamd maken, die ■na de verovering van Carthago, aan den prins Allucius zijne gevangene schoone bruid ongeschonden teruggaf?

ocr page 376

— 338 —

Wat zeg ik ? De drieëenige God, de H. Schrift, de Kerkvaders, de uitverkorenen des Heeren, de blinde heidenen, mijn regel, mijn verstand, mijn geweten, alles zou tegen mij opstaan, indien ik mijne heilige gelofte niet in hooge eere hield. Doch ik weet, wat mijn plicht is; ik wil, ik moet den trouwring der H. Zuiverheid hoogschatten, liefhebben, bewaren, dewijl hij zeer kostbaar is; ik moet, ik wil hem dubbel hoogschatten, liefhebben en verzorgen, dewijl hij zeer nuttig is,

TT A.X,

Eene oude Sage schrijft aan den zegelring van koning Salomon een geheimzinnige wonderkracht toe, zoodat hij aan eenieder, die hem zou bezitten, van veel nut zou zijn. Doch wat men aan dien zegelring met grond kan ontzeggen, datzelfde en nog veel meer moet men integendeel toekennen aan den trouwring der maagdelijke zuiverheid. Daarvan kan men met alle recht beweren, dat hij zeer nuttig is, want

i0 hij maakt zijn bezitter gelukkig. De kuische ziel beteugelt hare hartstochten, welke de meest onteerende slavernij zijn, zij bekomt de heerschappij over zich zelve en denkt aan hetgeen des Heeren is, en hoe zij aan God zal behagen. (I. Cor. VII. 25.) Zij weet niets van de talrijke zorgen en beslommeringen, niets van alle moeielijkheden en wederwaardigheden waaronder zelfs godvreezende echtelieden als onder een zwaren last gebukt gaan. Zij weet ook niets van de genoegens, die de wellusteling wenscht en geniet. Daarvoor echter smaakt zij een zoeter genot dan alle genietingen des vleesches. Hoe vaak komt de Heer tot haar met zijn troost? Hoe vaak verkwikt Hij haar met zijn vrede, die als een welriekende lentegeur over haar nederdaalt en haar vergenoegder maakt, dan de keizerin op haar troon kan zijn. Hoe troostvol zijn hare laatste levensstonden, hoe zalig is haar afscheiden uit deze wereld, hoe blijde haar heengaan naar den eeuwigen Vader! Lichamelijk en geestelijk, in dit en in het andere leven is zij bovenmate gelukkig.

20 De trouwring der H. Zuiverheid maakt wijs. (Sap. I. 4) De wijsheid treedt een kwaadwillige ziel niet binnen en woont niet in een lichaam, dat aan zonden onderhevig is,quot; daarentegen daalt zij neder in een rein hart, en kiest het tot woning.

ocr page 377

— 339 —

De H. Aldelmus, bisschop van Saksen (680) verhaalt van den H. Gregorius van Nazianze, dat hij, toen hij nog te Athene studeerde, eens voor zijne boeken zittend, in eer: lichte sluimering gevallen was. In dien toestand zag hij twee zeer schoone vrouwen naast hem zitten. Hij, een zeer kuische jongeling, zag ze eerst verwonderd aan en dacht na, wie zij zouden zijn, en wat zij zouden begeeren. Toen zeiden zij: „duidt het ons niet ten kwade, jongeling, wij zijn u zeer goed bekend en bevriend; de eene is de wijsheid, de andere de kuischheid. Wij zijn door God gezonden om bij u te wonen, daar gij ons in uw hart een aangename en reine woonplaats hebt bereid.quot; En werkelijk is de H. Gregorius van Nazianze een van die godgeleerden, in wiens geschriften geen enkel woord voorkomt, dat door de Kerk is afgekeurd. Wie ziet hierin niet, dat de zuiverheid de hemelsche wijsheid in haar gevolg heeft, ja, dat zij twee gezusters zijn?

30 De trouwring der maagdelijkheid maakt moedig. Terwijl de onreine zich verzwakt en ontzenuwt, bewaart de zuivere de sappen van zijn lichaam, en de krachten zijner ziel, hij blijft gezond en sterk, wordt een held; want wie is er ijveriger bij het verplegen van zieken? wie stelt zich moediger aan het gevaar van besmetting bloot? wie is er offervaardiger bij de opvoeding der jeugd? wie verkondigt met meer moed, met meer vrucht, met meer volharding het evangelie, dan hij, die zich aan de zuiverheid heeft toegewijd? Wie is er standvastiger bij de vermoeienissen van den krijg? wie verslaat zoo zijne vijanden als de kuische? De H, Hieronymus schrijft van de illy-rische koningin Feuta, dat zij het aan hare zuiverheid te danken heeft, zoo lang over de dapperste mannen geheerscht en de macht der Romeinen zoo vaak gefnuikt te hebben. Godfried van Bouillon die wonderen van dapperheid verrichtte, werd door zijne vijanden ondervraagd, hoe hij aan die reuzenkracht kwam, en hij antwoordde: „deze handen hebben nimmer een vrouw aangeraakt en met het vuil der ontucht werden zij nog nooit bezoedeld.quot; De groote veldheer Tilly verzekerde op zijn sterfbed, dat hij nooit een vrouw had aangeraakt en daarom kon hij met zulk een innig vertrouwen tol God bidden: „in te, Domine, speravi, non confundar in aeternum.quot; Van de heldhaftige Judith getuigt de H. Schrift; „mannelijk

ocr page 378

— 34° —

hebt gij gehandeld en uw volk gered, omdat gij de kuischheid bemindet.quot; (Jud. XV. II,) Een leeuwentemmer moge moedig zijn, een wereldveroveraar moge dapper zijn, moediger, dapperder is de kuische, daar hij zich zeiven bedwingt. Het is meer dan een heldendaad, zoo vaak men zich en zijne neigingen overwint. Daaróm riep de heiden Cicero den dapperen Metellus toe; „volkeren hebt gij overwonnen, landen hebt gij veroverd, maar nog grootere dingen hebt gij gedaan; want die zooals gij zijn hart en zich zeiven weet te beheerschen, hem wil ik niet enkel den grootste onzer helden, maar aan de hoogste goden gelijk noemen.quot; De H. Zuiverheid alzoo maakt sterk naar lichaam en ziel.

4° 7Jj maakt roemvol. „Niet daarom zegt de H. Ambrosius verdient de maagdelijkheid geprezen te worden, omdat zij in de martelaren gevonden wordt, maar omdat zij zelve hare beoefenaars tot martelaren stempelt.quot; Het vleesch is niet van steen en het hart is niet van ijzer; de vijanden zijn talrijk, de gevaren groot; daarom heet het; waken, bidden en strijden. Te kampen met tyrannen is dapperder en sterker, te kampen met het vleesch is gevaarlijker en aanhoudender. (S. Thomas.) Ik weet zoo getuigt de H. Joes Chrysost. welk geweld, welke krachtsinspanning, welk een moeielijke strijd er gevorderd wordt, wil men de zuiverheid bewaren. Men moet op gloeiende kolen gaan, zonder verbrand te werden; men moet op scherpe zwaarden loopen zonder zich te kwetsen. Men moet als het ware in water staan zonder nat te worden, men moet tusschen klippen doorzeilen zonder schipbreuk te lijden, men moet volgens het getuigenis van den H. Hieronymus een strijd verduren en offers brengen, waarbij het storten van zijn bloed nog maar een kleinigheid is. En bestendig op wacht staan, bestendig worstelen, bestendig overwinnen, bestendig over zich ze'vcn, de wereld en den duivel zegevieren: is dat niet roemvol f

5° De IJ. Zuiverheid maakt engelachtig. Wanneer de Psalmist beweert, dat God den mensch slechts een weinig minder dan de engelen gemaakt heeft, (Ps. VIII. 6.) dan is het de kuischheid, die den mensch voor dat mindere schadeloos stelt, want zij verheft hem van het stof tot aan de koren der engelen. Zij, die kuisch leven zijn engelen... en niet van de laagste neen van de hoogste rangorde, verzekert de H. Basilius. Wel

ocr page 379

— 34i —

bestaat er volgens den H. Chrysost. tusschen den kuischen mensch en den engel een onderscheid, doch, wat de kuischheid aangaat, deze is voör den engel een geluk, voor de menschen een deugd. Bij de engelen komt zij voor uit de natuur, bij de menschen uit de verdienste. De engel is kuisch zonder moeite, de mensch onder -onophoudelijken strijd, wat ontegenzeggelijk nog meer te bewonderen is. Is het dan niet waarlijk engelachtig, wanneer zij, die nog de boeien des vleesches dragen, niet naar het vleesch leven, maar zich boven de natuur verheffen? (Greg. Naz.)

6° De trouwring der maagdelijkheid maakt ten slotte goddelijk. Waarom ? Omdat de bruid, al is zij ook van geringe afkomst, in alle rechten van haar bruidegom treedt en gelijke waarde verkrijgt als hij heeft. Nu is, zooals de H. Antonius van Padua zegt, de aan God toegewijde, kuische ziel op geheel bijzondere wijze de bruid van Christus. Daarom legde de Goddelijke Zaligmaker de H. Clara, toen zij zich met Hem verloofde, een krans van de schoonste bloemen op het hoofd. Daarom sprak Hij tot de H. Theresia: „Voortaan zult gij als mijne bruid ijveren voor mijn eer.quot; Daarom heet het in het Boek der Wijsheid: „de zuiverheid brengt ons tot nabij God.quot; (Sap. VI. 20.) Daarom pleegt men de aan God toegewijde maagden „bruiden van Christusquot; te noemen. O oneindige waardigheid, roept de H. Bernardus dit overdenkend uit, „de Zoon des eeuwigen Vaders wordt de bruidegom der zielen. O mate-looze afdaling! O eer boven alle eer!quot; De Heer laat aan de kuische ziel als aan zijne bruid reeds hierbeneden niet slechts zijne geheimen, maar zich zeiven zien. (Matth. V. 8.) Hij verkwikt haar met goddelijke verlichtingen, hij maakt haar blijde met hemelsche vertroostingen. En als Hij haar dan tot het eeuwige huwelijksfeest oproept, dan zegt Hij tot haar: „alles, wat van mij is, behoort u toe.quot; (Luc. XV. 31.) Mijne vreugde zal uwe vreugde, mijne heerlijkheid zal uwe heerlijkheid, mijn kroon uwe kroon zijn. Ja, ik zelf ben uw overgroot loon. (Gen. XV. 1.)

Dat is dan uw werk, o trouwring der maagdelijke zuiverheid 1 Gij maakt mij gelukkig, wijs, moedig, roemrijk, engelachtig, goddelijk! O nuttige, o kostbare trouwring, hoe lief, hoe dierbaar moet gij mij dan zijn! Alles wil ik dan ook lijden, alles

ocr page 380

— 342 —

wil ik doen om u in uw glans te behouden. Geheel oog wil ik zijn, om u te bewaken, geheel hand, om u te verdedigen, geheel hart, om u te beminnen. Altijd wil ik mr.tig en verstorven leven om den tondel der begeerlijkheid uit te dooven. Nimmer wil ik in ledigheid zijn, opdat de duivel mij niet bezig houde. Ieder gevaar, iedere gelegenheid wil ik zorgvuldig vluchten, want: procul a Jove, procul a fulmine, in de verwijdering daarvan ligt mijne veiligheid. Iedere bekoring wil ik oogenblikkelijk afslaan, en den vijand dooden, als hij nog zwak en klein is. En daar de kuischheid een bijzondere gave is van God, daarom smeek ik nu en alle dagen mijns levens tot u, o bron en oorsprong aller zuiverheid: verdelg in mij iedere vleeschelijke neiging, o Heer, en help mij met uw genade, opdat ik aan u en uwe heiligen gelijkvormig worde! En mochten er soms eenige met de zuiverheid strijdige aandoeningen of bewegingen in mij opwellen, o, laten zij mij dan tot beulen worden, die gerechtigheid aan mij beoefenen, mij tuchtigen en mijn ziel, als in een vuuroven en een smeltkroes reinigen van alle smetten van verledene en tegenwoordige afdwalingen. Laten zij dan dienen om mij uit mijne zondige sluimering op te wekken, opdat ik voortaan voorzichtiger zij en mij zeiven wantrouwend aan alle booze lusten den rug toekeere, om in uwe armen redding te zoeken. Laten zij bijdragen tot verlevendiging der goede voornemens en der krachtigste begeerten naar volmaakte zuiverheid, en daar ik ze telkens met een vernederd hart aan u verlang op te dragen, wil ik met uw Goddelijken bijstand steeds alle middelen aanwenden, die het meest geschikt zijn om die hemelsche deugd te verwerven. Amen. (Cfr. oratio pro cast S. Theresiae.)

TWEEDE OVERWEGING. De priesterlijke staat.

Beatus, quem elegisti et assumpsisti Zalig is hij, dien Gij uitgekozen en opgenomen hebt.

Ps. LXIV. 5.

Wanneer ik nog eens terugblik op al die gedenkteekenen van

ocr page 381

— 343 —

Gods goedheid, die ik reeds beschouwd heb, op het gedenk-teeken mijner schepping, op dat mijner instandhouding, verlossing en heiliging door den kloosterlijken staat, dan moet ik in hooggestemde, dankbare geestdrift voor de geheele wereld met de allergelukzaligste Maagd Maria uitroepen: „groote dingen heeft Hij, die machtig is, aan mij gedaan.quot; Richt ik mijne schreden verder in dien ontzagwekkenden tempel der goddelijke goedheid, dan ontwaar ik nog grooter en geheimvoller wonderwerken. Ik zie Jesus, den hoogepriester voor een ellendig menschenkind staan en ik verneem uit zijn mond de plechtige woorden: „niet gij hebt mij, maa- ik heb u uitgekozen, en u gesteld, om te gaan en vrucht aan te brengen.quot; (Joes. XV. 16.) „Gelijk de Vader mij gezonden heeft, zoo zend ik u.quot; (Id. XX. 2i.) In dat armzalig schepsel herken ik mij zeiven, in mijne roeping tot den priesterlijken staat.

Verheug u en verblijd u, mijne ziel bij het aanschouwen van dat onuitsprekelijk geluk, dat de matelooze goedheid des Eeuwigen u heeft toegedacht, doch laat het niet blijven bij eene bloote bewondering, die zich als een schoon nevelbeeld oplost en verdwijnt zonder eenig spoor achter te laten. Dan zou helaas het woord van den koninklijken zanger aan u bewaarheid worden: „toen de menscb in eere was, heeft hij het niet begrepen.quot; (Ps. XLVIII. 13.) Overweeg dan om dit te voorkomen, dat God u, zooals de H. Alphonsus zegt, tot niets groo-ters op deze wereld heeft kunnen verheffen, dan waartoe Hij u verkoren heeft, daar Hij u riep:

i0 tot den hoogsten 20 tot den nuttigsten staat.

O licht van alie licht, verlicht mijn duister verstand, versterk mijn zwakken wil, en mijn wijfelend hart, opdat ik mijne priesterlijke roeping naar waarde moge leeren kennen, eeren en liefhebben.

I.

God riep mij tot den hoogsten staat.

Dat de Allerhoogste het lot van alle menschen in zijn hand heeft en aan eenieder volgens zijne raadsbesluiten zijn staat aanwijst, dat het Hem geheel vrij staat van zijne schepselen

ocr page 382

— 344 -

werktuigen van eer of oneer te maken, zonder dat iemand het recht heeft te vragen; waarom hebt Gij mij hier en niet daar geplaatst, waarom hebt Gij mij tot dat en niet tot iets anders geroepen? dat zijn macht onbegrensd is, dat Hij de Heer is van leven en dood, die vernedert en opheft; — dat zijn stellingen, die rjoo vast geworteld zijn in het verstand en in het geloof dat geen sterveling die met grond zou kunnen loochenen.

Na dit vooropgezet te hebben, bedenk, mijne ziel, dat God u zonder uwe verdienste, wat zeg ik, niettegenstaande uwe gebreken en zonden, tot den hoogsten staat der wereld geroepen heeft. Dit zult gij inzien, indien gij den priesterlijken staat 1° in zich, 2° in vergelijking met de andere standen beschouwt.

i0 Iedere oprechte katholiek pleegt den priester des Heeren met den naam: „eerwaarde,quot; te betitelen en met recht; want reeds op zich zei ven beschouwt is de piiesterlijke staat de hoogste van alle standen onder de zon.

Vraagt gij, mijne ziel, naar de geboorte des priesters als zoodanig, dan kan ik u in den geest van het evangelie antwoorden: de priester wordt van den H. Geest ontvangen en door zijne medewerking onder de hand van den wijdenden bisschop geboren, als deze de hand op het hoofd van den wijdeling legt en spreekt: „ontvang den H. Geest, wier zonden gij zult vergeven hebben, dien zijn zij vergeven, wier zonden gij zult gehouden hebben, die zijn zij gehouden,quot; enz. Wel is waar heeft er daardoor in de gestalte en in het lichaam van den gewijde geene verandering plaats, en in zooverre is hij ook na de wijding nog dezelfde, die hij eerst was; doch in zijne ziel heeft er een verandering plaats gegrepen, die hem boven alle menschen verheft.

Vraagt gij naar de brieven van adeldom des priesters als zoodanig, dan wijs ik u niet op eenig vorstelijk familiewapen noch op een adellijk blazoen, maar op het waarachtig goddelijk merkteeken van een wezenlijken plaatsvervanger van Christus, welk merkteeken bij de wijding onuitwischbaar in de ziel wordt ingedrukt, zoodat hij daardoor in alle eeuwigheid van den leek onderscheiden is en van hem de woorden gelden : „gij zijt priester in eeuwigheid volgens de orde van Melchise-dech.quot; (Ps. CIX. 14.)

Vraagt gij naar de eigenlijke bestemming des priesters, dan

ocr page 383

— 345 —

antwoorden de H. Vaders in overeenstemming met de H. Schriftuur, dat de priester de aangestelde wachter is van het huis Israels, de herder van Christus' kudde, de gevolmachtigde middelaar tusschen God en de menschen, het licht en het zout der aarde, de uitdeeler der goddelijke geheimen, de boezemvriend en dagelijksche dischgenoot van het goddelijk Lam, de opvolger der 72 leerlingen, die Christus onder de Apostelen tot den dienst van God had aangewezen.

Vraagt gij naar de volmacht des priesters als priester, dan sidder ik, daar ik zeggen moet, dat het dezelfde oneindige volmacht is, die de hemelsche Vader aan zijn menschgeworden Zoon heeft gegeven. „Gelijk de Vader mij gezonden heeft, zoo zend ik u,quot; sprak Jesus tot zijne apostelen en spreekt Hij nog tot hunne opvolgers en nieuw geroepen werklieden in zijn wijngaard. De Vader zond den Zoon, de Zoon zijn leerlingen, de leerlingen hunne opvolgers, toegerust met hemelsche volmacht tot vestiging, besturing en behoud der H. Kerk, tot bekeering en heiliging der menschen; wie daarom hem, den priester, hoort, hij hoort God, wie hem eert, eert God, wie hem veracht, veracht God.

Volgt nu uit het gezegde niet, dat de priesterlijke staat in zich beschouwd, de verhevenste, de hoogste is? Welke gevoelens moeten u dan, mijne ziel, doordringen bij deze gedachten! Waar is in den hemel, waar op aarde een stand die den priesterlijken staat nabij komtP

20 Wanneer ik den priesterlijken staat met andere levensstanden vergelijk, dan vind ik, dat hij met allen iets gemeen heeft, maar ook, dat hij hen allen overtreft.

De priester is een herder en wel een herder zijner gemeente; bestendig waakt hij, opdat de wolf geen enkel schaapje ver-scheure, daarom noemt men hem ook „pastor,quot; d. i. herder, terwijl men hem vroeger „papaquot; d. i. vader noemde. De priester is een visscher, en wel een menschenvisscher, die zijne netten uitwierp en den moed niet verliest, al vangt hij ook niets dagen en nachten lang. „Ik zal u tot menschenvisschers makenquot; sprak Jesus tot Simon en Andreas bij het meer van Galilea. De priester is een jager en wel een zielenjager, die onverpoosd zijn buit door wouden en velden vervolgt. Hij is een landman, en wel een landman op den akker der ziel,

NIEUWE HANDLEIDING. 23

ocr page 384

— 346 —

waar hij het onkruid uitroeit en de deugd plant. Hij is een handelaar, die van zijne geestelijke schatten „oud en nieuw,quot; d. i. de waarheden van het Oude en Nieuwe Testament, allerlei zielespijs naar de verschillende behoeften aan de markt brengt. De priester is een soldaat, maar een soldaat van Christus, die de vijanden der zaligheid bestrijdt, het rijk Gods uitbreidt, dat des duivels verwoest. Hij is een leeraar, maar een leeraar, die de dwaling verstrooit en de eeuwige waarheden verkondigt naar het woord des Apostels: „Predik het woord, dring aan, tijdig en ontijdig, overtuig, vermaan, bestraf in alle lankmoedigheid en leering.quot; (II. Tim. IV. 2.) Hij is een geneesheer, maar een geneesheer, die de wonden der ziel verbindt, en de geestelijke ziekten geneest. Hij is een ambtenaar, maar van den koning der koningen, en diens plaatsbekleeder op aarde.

De priester is een rechter, die uitspraak doet tusschen recht en onrecht, die u voor den rechterstoel van zijn geweten vrijspreekt of veroordeelt. Hij is een advocaat, die de rechten van den H. Geest bepleit. Hij is een opziener over Gods geheimen, een portier, aan wien de sleutels van het hemelrijk zijn toevertrouwd, een minister aan het hof der eeuwige majesteit, een vader der geloovigen, een middelaar, die tusschen God en de menschen staat, een zaakgelastigde, die van den hemel komende weldaden tot ons brengt en onze verzoekschriften tot God opzendt.

De priester is een profeet, een vorst, een legerhoofd, een engel der Kerk, zooals hij reeds in de apostolische Constituties genoemd wordt. Hij is een koning en meer dan een koning, want zijne macht strekt zich uit tot in den hemel, en over het vagevuur heen, tot aan de poorten der hel.

Er zijn veldheeren geweest, die aan de aarde het zwijgen oplegden, er zijn despoten geweest, die met een enkel woord halve werelddeelen van angst deden sidderen; toch strekte de macht van hen allen te samen zich niet uit tot over de grenzen der aarde. Wie hunner was in staat een duivel uit te drijven? Wie hunner vermocht één ziel te redden uit de klauwen des satans? Wie hunner kon de boeien der zonde slaken? De opgezweepte golven hunner aardsche heerschappij braken op het bovenaardsche, en onmachtig vielen zij in hun armzaligen kring terug!

ocr page 385

— 347 —

Groot was Mozes, die met cén woord de wateren der zee van een scheidde. Groet was Jozue, op wiens bevel de zon langer dan naar gewoonte bleef schijnen. Groot was Elias die een wrekend vuur van den hemel liet afdalen, dat 50 zijner vijanden verteerde, doch ik ken en noem een mensch, die nog grooter is, een uit het stof geborene, die dagelijks, en wanneer het hem bel aagt, de poorten des hemels openzet en tot den oneindige zegt: Daal af van uw troon! Dit is mijn Lichaam, dit is de Kelk van mijn Bloed, en de Bestuurder der wereld gehoorzaamt tot aan den vernieuwden onbloedigen dood des kruizes.

Doorloop ik de negen koren der engelen en de rijen der uitverkorenen, waar vind ik in de geheele uitgestrektheid der zegepralende Kerk een macht gelijk aan die des priesters? De zaligen kunnen God lof- en dankliederen toezingen; zij kunnen voor ons wonderen van genade afsmeeken, maar Jesus op het altaar te voorschijn roepen. God naar waarde te huldigen door het offer van een Godmensch, een rouwmoedigen zondaar van zijne slavenketens, van zijne zielskwalen bevrijden, dat kan geen engel, geen heilige in het land der levenden, dat kan zelfs de Moeder Gods Maria niet, dat kan enkel en alleen volgens goddelijke beschikking de priester van het Nieuwe Verbond. Zoo Jesus in den éénen, een priester in een anderen biechtstoel zat en tot een zondaar zeide: „ego te absolvo a pecca-tis tuis, etc. ik ontsla u van uwe zonden, enz., dan was hij door den priester evengoed vrijgesproken als door Jesus zeiven, en van een slaaf des duivels een kind van Abraham geworden. God zelf moet zich houden aan de beslissing des priesters, dewijl Hij zich daartoe verbonden heeft. De uitspraak van den priester gaat vooraf en God zet er zijn hanteekening en zijn zegel onder.

O onbegrijpelijke macht des priesters, die zelfs de hemelen verbaast, waarvoor de engelen zich nederbuigen, de satan siddert, de onderwereld beeft. Waardigheid boven alle waardigheden 1 O heilige macht, ontzag inboezemende macht, die den priester des Heeren boven eiken levenstaat verheft. Nu verwondert het mij niets, dat bijv. de groote Constantijn op het Concilie van Nicea slechts de laatste plaats na alle priesters wilde innemen, dat de H. Maria van Oignies en Catharina van

ocr page 386

— 348 —

Siena, die van een eenvoudige verversdochter eene europeesche beroemdheid geworden is, vol heilig ontzag de voetstappen der priesters kusten. Nu verwondert het mij niets, dat de H. Abt Antonius voor den priester, dien hij ontmoette, op de knieën neilerviel en niet opstond voordat hij diens hand aan zijne lippen gedrukt en zijn zegen ontvangen had. Nu begrijp ik het dat de H. Vader Franciscus verklaarde dat hij, indien hem een priester en een engel tegen kwamen, eerst den priester en daarna den engel de handen zou kussen. Zie nu, mijne ziel, tot welk een eereplaats Gods goedheid u verhief door u te roepen tot den priesterlijken staat. Zoudt gij ooit die buitengewone onderscheiding kunnen vergeten f Is het niet te verklaren, dat eene H. Theresia u daarom benijdde ? Zijt gij in staat u zeiven en iederen ook nog zoo eenvoudigen priester naar waarde te achten! Vermoogt gij de op u rustende plichten steeds getrouw te vervullen f

O genadige, barmhartigheid Heer, gij, die mij in mijne onwaardigheid geroepen hebt, gij weet het; gij geeft mij met de roeping tevens de genade. Ik kan en ik moet met dezelve medewerken. Wee mij echter, wee mij, indien ik de genade mij bij de handoplegging des bisschops geschonken ongebruikt laat! Om derhalve steeds naar mijn beste vermogen overeenkomstig mijne roeping te leven, wil ik altijd en overal voor den geest houden, dat ik tot den hoogsten en tevens tot den nuttigsten staat geroepen ben.

n.

Slechts hij, die na dit leven geen eeuwig loon verwacht en geen eeuwige straffen vreest, of wel aan beiden gelooft, maar den weg ten hemel zich zeiven meent te kunnen banen en dien ter helle niet te bewandelen, slechts hij mag vragen; wat, wanneer, hoe, waarin zal mij de priester van nut zijn? Doch de geloovige christen, die van de zwakheid zijner natuur innig overtuigd en voor zijn heil rechtmatig bezorgd is, die weet, dat er een weg is die ten verderve leidt terwijl hij de rechte schijnt te zijn, hij zal noodzakelijk dien staat voor den nuttigsten houden, die geroepen is niet enkel zich zeiven, maar ook alle andere menschen te veredelen, te heiligen en gelukkig te maken. En juist daarin ligt het doel van den priesterlijken staat.

ocr page 387

— 349 —

Doordat de Heer, zooals eens tot de Apostelen, nog altijd tot iederen priester zegt: „ik heb u uitverkoren en gesteld om te gaan en blijvende vrucht aan te dragen,quot; geeft Hij te kennen: uwe bestemming is het door de genade, die u bij de handoplegging van den bisschop is geschonken, niet enkel u zeiven te heiligen, maar ook het werk der verlossing voort te zetten, te te zorgen voor de zielen, die ik met mijn bloed heb vrijgekocht, voor haar te bidden, te offeren, haar te onderrichten, van de zonde te reinigen, te volmaken, te redden en zoo vruchten van deugd aan te kweeken, die eeuwig hare schoonheid behouden.

Hoe? Levert deze goddelijke bestemming niet het deugde-lijkste bewijs, dat de priesterlijke staat de nuttigste is,, indien de wereld in den priester Gods plaatsvervanger wil erkennen en van zijn heilige en heiligende macht een goed gebruik wil maken en zich redden?

Gij zoudt, mijne ziel, een onoverzienbaar veld betreden, zoo gij al de lichamelijke en geestelijke, tijdelijke en eeuwige weldaden in oogenschouw zoudt willen nemen, die het mensche-lijk geslacht ontvangen heeft en nog dagelijks ontvangt door middel van den priester; bepaal u daarom tot de meest gewone en bekende.

10 Sla een vluchtigen blik op het verleden.

„Overal, schreef ten jare 1850 Dr. en professor Stark in zijne uitstekende verhandeling over de geestelijkheid en de vrijheid, overal in de geschiedenis, waar het gaat om de vestiging, of om de verdediging van vrijheid en recht, ontmoeten wij het priesterschap.quot; Wie heeft de wereld ontrukt aan de barbaarsch-heid en den afgodendienst? De geestelijkheid. De priesters waren het, die de slavernij door de leer des Christendoms tot in zijn grondvesten schokten, onder alle hemelstreken bekampten en nimmer verslapten in ijver om haar te ondermijnen,al konden zij haar ook niet geheel overmeesteren. De priesters waren het, die voor den onschuldig vervolgde de deuren van het heiligdom ontsloten en den weerlooze een vrijplaats aanboden, waar hij, beveiligd voor den eersten aanval zijner woedende vervolgers, bescherming kon inroepen. De priesters waren het, die zoodoende aan den misdadiger tijd gaven voor het overwegen zijner misdaad en hem in de mogelijkheid stelden daarvoor boete te doen. Zij waren het, die in de tijden van het vuist-

ocr page 388

recht vrede gebood en daar zij dien niet altijd kon bewaren, de woeste krijgers dwong ten minste de grootste helft van het jaar de wapéns te laten rusten, hen zoo van lieverlede aan een vreedzaam leven gewende en daardoor ook de rustige landlieden gelegenheid gaf, eenigen tijd ten minste in vrede te leven en zich ongehinderd op hun bedrijf toe te 1 gt; gen. Waar het er op aan kwam grimmige heerschers tot zacitheid te stem men, daar kwam de geestelijkheid met ontzag inboezemende houding tusschenbeide en ontwapende daar hare voorspraak den arm der machtigen. Zij was het, die door toepassing van kerkelijke straffen aan overmoedige despoten en oproerige leenmannen leerde de rechten van anderen te eerbiedigen. Zij was het, die de arme onderdanen tegen de onderdrukking der we-reldsche rechters in bescherming nam, zorg droeg voor de veiligheid der reizigers en de verpleging der noodlijdenden. Zij was het, die, toen kunsten en wetenschappen verwaarloosd werden, haar nog beoefende in de kloosters, die door de vermenigvuldiging van klassieke handschriften haar voor algehee-len ondergang behoedde, en de beschaving der oudheid op het nageslacht overplantte, en door het onderricht in de scholen, die zij allerwege stichtte, het meeste bijgedragen heeft tot de beschaving der verwilderde volkeren. Zij was het, die het eerst den moed had een wangeloof te bestrijden, dat vroeger in alle deelen van Europa jaarlijks honderde slachtoffers maakte.quot;

De rollen der wereldgeschiedenis vermelden, wat het priesterschap gedaan heeft voor de beschaving der volkeren en voor hunne welvaart. De verkondigers van het evangelie hebben van onreinen reinen gemaakt, van onrechtvaardigen rechtvaardigen, van goddeloozen heiligen. De priesters hebben met het licht des geloofs de duisternis van den geest verlicht. De priesters hebben de verscheurende wolven der woestjjn herschapen in zachtmoedige lammeren van Jesus Christus. De priesters hebben ontelbare geschillen beslist, duizenderlei instellingen tot welvaart en zegen der menschheid gesticht, ontelbare moordzuchtige plannen verijdeld, ontelbare gestolene en geroofde goederen aan de rechtmatige eigenaars doen teruggeven, ontelbare malen de fakkels van oproer tegen de wereldlijke overheid uitgebluscht. De priesters hebben ontelbare rampen afgewend, talloos lijden gelenigd, onuitsprekelijk veel goed gewerkt.

ocr page 389

- 35» -

Moge ook al de zwarte ondank, die immers 's wereldsloon is, over de weldaden der geestelijkheid den mantel der vergetelheid willen werpen: de dag des Heeren zal ze eenmaal des te plechtiger onthullen tot eer en vreugde van al diegenen, die het geluk hadden te behooren tot dien tegenwoordig zoozeer belasterden en vervolgden stand.

Verheug u dan, mijne ziel, die met het priesterlijk karakter geteekend zijt, en laat u niet ontmoedigen, indien de goddeloo-zen u evenals uw Heer en Meester naschreeuwen: „Kruisig hem! kruisig hem.quot; Verheug u veeleer met de Apostelen, indien gij waardig bevonden zijt voor den naam van Jesus smaad te lijden, indien men u wederrechtelijk vervolgt, want zoo gij dat alles uit liefde tot den Zaligmaker geduldig verdraagt, dan behoeit geen paus u zalig te verklaren, daar Christus het reeds gedaan heeft met de woorden: „Zalig zijn zij, die vervolging lijden om de gerechtigheid; want hun is het rijk der hemelen!quot; (Matth. V. io.)

Verheug u en jubel, want uw stand was de nuttigste voorheen, en 2° is nu nog de nuttigste.

Werpt een vluchtigen blik op het tegenwoordige en zie wat het priesterschap werkt a) door het gebed, b) door het onderwijs, c) door de liefde.

a) Door het gebed.

„Een strijd is 's menschen leven op aarde,quot; (Job. VII. 7.) zoo staat er in het boek Job geschreven.

Ontelbaren zouden er in den strijd quot;met den duivel, de wereld en het vleesch bezwijken, als er geen Mozes op den berg met zijn gebed hen ondersteunde. Die Mozes zijt gij, als gij vlijtig den berg der dagelij ksche overwegingen beklimt en met aandacht uwe mondgebeden verricht!

Als uit een ontzaggelijken stoomketel stijgen onophoudelijk de pikzwarte dampen der zonden en misdaden tot God omhoog en dagen Hem uit tot wraakneming. En reeds lang zou de vertoornde zijn alles verzengenden bliksem op de zondige aarde neergeslingerd hebben, zoo niet een Aaron Hem door offer en reukwerk verzoende. Die Anron des Nieuwen Ver-bonds zijt gij en is iedere priester, die dagelijks het heilig Misoffer opdraagt.

Strafwaardige zondaars verdienen niet dat God hunne vele

ocr page 390

— 352 —

gebeden verhoort. Doch gij verdient het voor hen, en iedere priester verdient het, die zijne reine handen ten hemel heft en genade, zegen, hulp, troost en barmhartigheid voor hen allen afsmeekt.

Ja, aan u. Alwetende, is het bekend, wat het gebed en het offer der priesters dagelijks uitwerkt tot nut en heil der wereld! Welk een spoorslag, welk een prikkel voor mij een man van gebed te zijnl

b. Door het onderwijs.

De mensch is hier op aarde een pelgrim en een vreemdeling, (Hebr. XI. 13.) en moet de gevaarvolle woestijn des levens doortrekken. Vanwaar komt hij f Hij weet het niet. Waarheen gaat hij f Hij weet het niet. Waartoe is hij daar? Hij weet het niet. Welken weg moet hij inslaan, als hij zooals Hercules op een viersprong staat ? Hij weet het niet. Is hij dan verloren? Neen. De priester neemt den jongen mensch bij de hand. Hij maakt dat kind der goddelijke gramschap door het H. Doopsel tot een erfgenaam des hemels. Evenals de H. Pau-lus wordt hij met dat kind als het ware zelf een kind, geeft het brood der Christelijke leer in den catechismus, op den kansel en in den biechtstoel; hij toont het de listen der verleidelijke wereld, ontdekt het de valstrikken der hel; door het schilderen van de treurige gevolgen der lichtzinnigheid schrikt hij het af van het kwaad, en wekt het op ten goede door verhevene voorbeelden. Als een andere Raphael voert hij den jongen Tobias heen en terug. De priester zorgt voor de in- en uitwendige orde in het huisgezin; Onbaatzuchtig beschermt hij de eigendomsrechten tegen ongeoorloofde aanmatigingen. Den onderdanen boezemt hij achting en liefde, gehoorzaamheid, trouw en redelijkheid jegens hunne overheden in; kortom, hij onderwijst alle standen ten opzichte hunner plichten en rechten.

In welk een vreeselijken afgrond van zedeloosheid, van woestheid, verwildering, ongeloof en bijgeloof zou het menschelijk geslacht, die groote blinde op den weg geraken, als de stemmen des evangelies verstomden, als het: „non licet tibiquot; van Joannes den Dooper niet meer op den kansel en in den biechtstoel vernomen werd! Moge de goede God verhoeden, dat dit ooit geschiede, opdat niemand die treurigste aller verschijningen, den algemeenen burgeroorlog, de wereldrevolutie, zou moeten aanschouwen!

ocr page 391

cj Misschien nog meer dan door zijn onderricht, is hel priesterschap nuttig door zijn offervaardige liefde, die hij van zijn goddelijken Meester geleerd heeft.

Daal af in de hut van den arme en vraag hem, wie hem het stuk brood gegeven heeft, dat hij eet? Het is een priester of een persoon door den ijver van den priester bezield. Bezoek den verlaten zieke; wie staat hem als een troostende engel ter zijde? Een priester des Heeren. Is het niet voor den priester, dat men het liefste zijn bekommerd hart uitstort, zijn nood klaagt, zijn ongelukkigen toestand bloot legt. Is het niet de priester, die den twijfelmoedige raad geeft, den bedroefde bemoedigt, den wankelende ondersteunt, den zwakke versterkt, den gevallene opricht? Men leze bijv. slechts de levensgeschie-nis van den godvreezenden Viennay, pastoor van Ars en men staat verbaasd over hetgeen een eenvoudige, niet geleerde, maar verlichte geestelijke door zijne opofferende liefde heeft verricht.

Daal af in den duisteren kerker, wie verlicht de zware boeien der gevangenen? De priester. Zie op naar het schavot, wien ziet gij daar aan de zijde van dien ongelukkigen ter dood veroordeelde? Het is de priester, die hem met de eene hand het kruis, met de andere den hemel wijst. Wie is des menschen trouwe helper tot aan den laatsten snik? Is het niet de priester, die vaak bij nacht, door storm en sneeuw, over berg en dal langs ongebaande wegen tot afzichtelijke zieken ijlt, die zelfs bij het woeden eener besmettelijke ziekte bereid is eer zijn leven op te offeren, dan een stervende te verlaten: die hem toerust voor de reis naar de eeuwigheid, die hem het lichaam des Heeren als teerspijze medegeeft, die hem met de olie der sterken zalft tot den laatsten, beslissenden kampstrijd, die zijn ziel aan den hemel aanbeveelt, zijn lijk aan gewijde aarde toevertrouwt, die hem nog aan de andere zijde des grafs door gebeden en zoenoffers troost en leniging toezendt ?

Laat ik mijn blik gaan over alle lichamelijke en geestelijke ellenden der arme menschheid, dan vind ik niet ééne, die niet dagelijks door een of anderen priester gelenigd, en verlicht wordt; en dat vaak zonder tnenschelijken bijval, — dien de ware priester wel is waar niet zoekt en waarbij, als hij hem ten deel valt, hij stil het gebed opzendt: „niet aan ons, Heer,

ocr page 392

— 354 —

niet aan ons, maar geef aan uwen naam de eer,quot; — zónder ander loon daarvoor in te oogsten dan den haat en spot, de woede en vervolging zijner vijanden.

Waar is de stand, die der wereld zooveel nut heeft aangebracht en nog steeds aanbrengt als de priesterlijke staat? Welke stand '.erdient er zulke hoogachting? Had mij de goede God tot iets hoogers kunnen verheffen, dan tot de verhevene waardigheid van het priesterschap. Heb ik lan niet alle reden om tot mij zeiven te zeggen: gelukzalig ben ik, daar God mij uitverkoren en opgenomen heeft?

Doch laat ik dan ook inderdaad zijn, wat ik van ambtswege ben. Mijne werken moeten met mijn naam en mijne woorden in overeenstemming zijn, opdat men mij, wanneer ik predik, onderlicht, enz. niet kunne tegenwerpen: „goede vriend, gelief mij zelf eerst voor te gaan op den weg, dien gij mij aanwijst.quot;

Ik moet rein zijn, om anderen te kunnen reinigen, wijs, om anderen te onderwijzen, een licht, om anderen te verlichten, zelf tot God gaan, om anderen tot God te voeren, heilig zijn, om anderen te heiligen, goede handen hebber, om anderen die in nood zijn, de hand te reiken, allen dragen, die God mij opdraagt. Mijn leven moet een openbare school van godsvrucht zijn, waar eenieder iets leeren en zich ten nutte maken kan, een volmaakt voorbeeld van deugd, dat eenieder kan bestudeeren en navolgen.

Heb ik deze mijne plichten ten minste naar mijne zwakke krachten pogen te volbrengen? Heb ik het borstbeeld van het Nieuwe Verbond steeds waardig gedragen, het Heilige ook heilig behandeld? Heb ik het H. Misoffer altijd met aandacht opgedragen? mij altoos ijverig voorbereid voor mijn prediking en catechismus ? mijne plichten in den biechtstoel en aan het ziekbed immer naar behooren vervuld? Heb ik steeds ter eere des hemelschen Vader en tot heil van den naaste gebeden, gestudeerd, gearbeid ? Heb ik met het katholieke geloof ook een echt katholiek priesterlijk hart, dat met de treurenden treurt, met de weenenden weent, met de lijdenden lijdt? Hoe staat het met mijn voorbeeldigheid als priester? Heb ik gedacht zooals Jesus, mijn priesterlijk voorbeeld, zooals Jesus gezwegen, zooals Jesus geijverd voor de verheerlijking van God, zooals Jesus geleden, mij overal zooals Jesus gedragen? Heb ik iede-

ocr page 393

ren priester steeds met passends hoogachting bejegend? Heb ik steeds getracht zijn wederrechtelijk aangetaste eer te verdedigen? Was ik mijn geestelijken overheden steeds onderdanig? Heb ik mij trouw en redelijk hunne tevredenheid verworven? Heb ik hun den toch reeds zoo zwaren last van hun ambt niet nog zwaarder gemaakt? enz.

O welk een uitgebreid veld v )or mijn gewetensonderzoek! Betreed dat veld, mijne ziel, voc r het alziend oog van Hem, wiens plaats gij op aarde bekleeitl Geef u zeiven en uwen zielzorger nauwkeurig rekenschap van uw gedragi Ik wil u daartoe den noodigen tijd laten. Amen!

DERDE OVERWEGING. De goddelijke earmiiartigheid.

Miserationes ejus super omnia opera ejus.

Zijne barmhartigheid gaat boven al zijne werken. (1*5. CXLIV. 9.)

Ach, ik was tot dusverre geen verstandig mensch. Ik was geen echte en rechte christen. Ik was geen levend lidmaat der orde, geen ware priester, geen uitverkorene. Want die verstandig wil zijn, moet ook zijn handel en wandel naar het verstand inrichten. Wie een christen wil zijn, moet zijn vleesch met zijne begeerlijkheden kruisigen. Wie een religieus wil zijn, moet zich zeiven afsterven. Wie een priester wil zijn moet heilig leven, om ook de anderen te heiligen, moet een licht van deugden zijn om de aan zijn zorg toevertrouwde zielen te verlichten; evenals Paulus moet hij de geloovigen kunnen toeroepen; „weest mijne navolgers gelijk ik het ben van Christus.quot; (I Cor, IV. 16.) Wie van het getal der uitverkorenen wil zijn, moet Jesus, het oorspronkelijke handschiift, doo: zijn leven overschrijven, d. w. z. hij moet letten op den goddelijken wegwijzer, in zijne voetstappen treden, zijn voorbeeld volgen.

Heb ik dit gedaan? O mijn God, gij weet, dat ik het niet ernstig en standvastig gedaan heb. Ik deinsde terug voor kruis en lijden. Verhieven zich de stormen der tegenspoed, dan ging er een koude waterstraal over mijn rug, ik sidderde als t-.en blad op den boom. Der versterving en boetvaardigheid heb ik

ocr page 394

— 356 —

den afscheidsbrief gezonden. Waren de eischen mijner zinnea niet te hoog gesteld, dan werden zij zonder aarzelen ingewilligd. Ik was geen Abraham in gehoorzaamheid, geen Job in geduld, geen Mozes in zachtmoedigheid, geen Jonathan in vriendschap. Neen, ik was ongehoorzaam jegens mijn overheden, on-verdrageliik voor mijns gelijken, hard jegens ondergeschikten, onvoorzichtig, praatziek in woorden, wereldsch in mijn gedrag, lauw in het gebed, traag in den arbeid. Ik verkwistte veel tijd, verwaarloosde vele genaden, verstikte vele inspraken, sloeg vermaningen in den wind. Dat is het beeld, dat de spiegel van mijn geweten terugkaatst.

Hoe? zult gij daarover troosteloos weenen, mijne ziel f Neen. Sla geloovig uw oog op, en zie! Voer u staat een nieuw wonderbaar gedenkteeken der goddelijke goedheid, en daarop staat de troostelijkste aller woorden te lezen: „zijne barmhartigheid gaat boven al zijne werken.quot;

Zet u neder en beschouw dat monument, dat geen geringe-ren naam draagt dan „de goddelijke barmhartigheid.quot;

De koning David, die door den profeet Nathan töt belijdenis der twee bedrevene doodzonden gebracht was, roept berouwvol tot den Heer: „ontferm u mijner, o God.quot; (Ps. I.) De gewone ontferming is voor mij niet voldoende, daar ik geen gewone zondaar ben, waarom ik een hoogeren trap van uwe barmhartigheid beklim en smeek: „ontferm u mijner, o God, naar uwe groote barmhartigheid!quot; Is ook dit voor mij nog te weinig, omdat ik een koning ben en als zoodaning verplicht om aan mijn volk een goed voorbeeld te geven,, dan verhef ik mij tot den hoogsten trap uwer ontferming en verzucht; „naar de menigte uwer ontfermingen, wisch mijne ongerechtigheid uit.quot; Terwijl de psalmist hier drie trappen aangeeft, wil ik tot grooter gemak acht trappen der goddelijke barmhartigheid onderscheiden en wel.

iste trap. God bemint u.

Indien, mijne ziel, God u verliet, zoodra gij Hem verlaat, indien Hij u vergat, zoolang gij Hem vergeet, indien Hij u in zijn rechtmaligen toorn terstond na de zonde als een getergde leeuw overviel, u van zich verstiet, dan, ja dan hadt gij reden te over om te vreezen, te sidderen, te vertwijfelen. Doch, zoo is, zoo doet God niet; Hij bemint u. Ongetwijfeld, Hij haat

ocr page 395

— 357 —

de zonde in u als het grootste kwaad, Hij haat haar, omdat Hij haar haten moet, zoolang Hij God is, doch de zondares bemint Hij.

Hij bemint u als het meesterstuk zijner almachtige hand, als den adem zijns monds, als den prijs des voor u vergotenen • bloeds. Absalon staat op tegen zijn regeerenden vader David. De misdaad van den zoon kon moeielijk grooter, de liefde van den vader niet edeler, niet grootmoediger zijn. Wel moet de gekrenkte heerscher den oproerling met zijn leger vervolgen en hem overwinnen om hem tot bezinning te brengen. Moet echter de oproerling zelf omkomen? Neen. Behoudt mijn zoon in het leven, (II. Reg. VIII. 5), zoo klinkt het koninklijk bevel tot de legerhoofden. Intusschen sneuvelt Absalon en David overwint. Wat gebeurt erf De overwinnaar vergeet de zegepraal en beweent den overwonnen; „Absalon, mijn zoon Absalon, wie geeft mij, dat ik voor ustervelquot; zoo zucht de diep bedroefde overwinnaar.

Zoo staat het ook met de liefde van God jegens u. Alles daagt Hem uit wraak te nemen op u. Zijn oneindige rechtvaardigheid roept; „wreek u!quot; De geheele hemel roept; „wreek u!quot; De aarde roept: „wreek u!quot; Uw misdaad vordert zijn wraak. Doch zijn liefdevol hart antwoordt telkens f „Zij is mijne dochter; behoud haar in 't leven!quot; Ja, mijne ziel. God bemint u, en omdat Hij u bemint, roept Hij u.

2de trap. God roept u.

Hij roept u bij verschillende gelegenheden en op verschillende wijzen. Hij roept u, als gij lauw en traag in het goede wordt. Hij roept u, als gij aan den rand van den afgrond staat, gereed om in een bekoring toe te stemmen. Hij roept u, als gij u in het gevaar van te zondigen begeeft. Hij roept u, nu eens inwendig door de stem des gewetens, dan weer van buiten door den mond van den biechtvader, van den prediker, van een goed boek. Hij roept U door de vermaningen, waarschuwingen, terechtwijzingen, bedreigingen en bestraffingen der overheden. Hij roept u met woorden, door voorbeelden. Hij roept onmiddelijk en middelijk.

Niet 100, niet 10 jaren, niet 1 jaar, maar nog slechts 40 dagen en Ninive zal vergaan. Zoo moet Jonas op Gods bevel de zondige stad waarschuwen. Het volk hoort de voorspelling, schrikt op, en doet boetvaardigheid van den grootste tot

ocr page 396

- 358 -

den kleinste, van den koning tot den bedelaar. „Misschien, zeiden de Ninivieten, zal God vergiffenis schenken en den toorn zijner gramschap afwenden, en zullen wij niet vergaan.quot; (Jon. III. 9.) De profeet ontvlucht de stad en wacht op eenigen afstand, in de verkwikkende schaduw van een wonderboom, den ondergang der stad af. Ondertusschen verdort het hem over- • lommerende gewas, waarover hij zich zoozeer beklaagde, dat hij naar den dood verlangde. „Gij zijt bedroefd, zoo sprak God toen tot den profeet, gij zijt bedroefd om een plant, waar voor gij niets gedaan hebt en die gij niet hebt doen groeien, die in éen nacht geboren en in één nacht vergaan is; en zou ik Ninive niet sparen, die groote stad, waarin meer dan honderd en twintig duizend menschen zijn, die het onderscheid niet kennen lusschen hunne rechter- en linkerhand?quot; Ik heb de afgedwaalden geroepen. Zij luisteren gewillig naar mijne woorden. Zij komen tot inkeer, zij bekeeren zich. Zal ik hen dan in 'tongeluk storten?

Evenzoo handelt de barmhartige God ook met u, mijne ziel. Hij roept u, bedreigt u, en wacht geduldig af, wanneer gij eindelijk tot Hem zult terugkeeren.

trap. God wacht op u.

De menschen, zegt de II. Joannes Chrysostomus, zullen spoediger een gebouw afbreken dan opbouwen. Bij God echter is het juist omgekeerd. Vlug om te scheppen, gaat Hij er niet zoo spoedig toe over het te vernietigen. Hij is vlug om een Jeremias en Joannes den Dooper te heiligen, vlug om een Sau-lus en Augustinus te bekeeren, vlug om aan een zondige Mag-dalena en Maria van Egypte een ander hart te geven, vlug om aan een rouwmoedigen Zachaeus en Petrus vergiffenis te schenken, vlug öm een moordenaar Dismas het paradijs toe te zeggen, vlug om uit steenen kinderen Abrahams te maken.

Moet Hij echter straffen, dan krijgt het haast den schijn, als had Hij zijn almacht vergeten, als vrtesde Hij. Hij wacht, Hij talmt. Hij doet, als wist Hij van het gebeurde niets af. Wordt Hij ten laatste door zijn rechtvaardigheid gedwongen naar de roede te grijpen, dan houdt Hij die nog lang in de hand, voordat Hij haar op den onbuigzamen nek van den halsstorigen zondaar laat neerkomen. Wil Hij bijv. den vloed van het al-gemeene zedebederf niet tot den hemel laten stijgen, wil Hij

ocr page 397

— 359 —

de oproerlingen door de wateren van den aardbodem verdelgen, dan dreigt Hij 100 jaren voor dat Hij tot de uitvoering van zijn plan overgaat. Velt Hij het doodvonnis over Ninive, dan stelt Hij de voltrekking daarvan nog 40 dagen uit. Wil Hij het ondankbare joodsche volk aan een smadelijke slavernij onderwerpen, dan kondigt Hij het reeds eeuwen te voren a.an, en bezielt zijne profeten om toch zijn volk zoo mogelijk nog te redden van den ondergang.

Zoo, mijne ziel, wacht de Heer ook op u. Hij verdraagt uwe beleedigingen, en duldt u, ofschoon Hij u in zijne macht heeft. Toen David zijn vervolger Saul in zijn macht gehad en niet gedood had, eerst toen begreep Saul, dat David hem oprecht beminde. Hij weende van aandoening, noemde hem zijn zoon, zegende hem en sprak: „nu zie ik in, dat gij mij lief-hebt en dat mijn leven kostbaar is in uwe oogen. (I. Reg. XXIV. 18.) Gij waart in de gelegenheid mij het leven te benemen, en gij hebt mij gespaard. Gij zijt beter dan ik, want wie ontmoet zijn vijand en laat hem een goeden weg gaan?quot; Maar nog veel meer dan David Saul, heeft God u in zijn macht. Eens toonde de Heer aan de heilige Angela van Foligno een smallen, steilen weg, die langs een diepen afgrond liep. „Betreedt dien weg,quot; zeide haar de Heer. Angela doet het en glijdt uit. Oogenblikkelijk vat zij de hand des Heeren, die haar boven den afgrond in de lucht hield. „Wat zoudt gij zonder mij zijn? vraagt de Heer. Zonder u was ik verloren, antwoordt Angela. Zooals Angela, zoo heeft de Oneindige ook u in de hand, evenals een wever den draad. Dit weet gij en gij weent niet ? Dit overweegt gij en gij treurt niet over uwe zonden. Veeleer slaai gij als een onverstandig kind de hand aan de moederborst en spant gij u in om uw onmachtige woede aan uw allerhoogsten gebieder te koelen.. Doch wat doet Hij?

Werpt Hij u ter aarde, verbrijzelt Hij u het hoofd? Neen, Hij verdubbelt zijne liefkozingen, Hij loopt u na en zoekt u op.

4^ trap. God zoekt u.

Valerius Maximus verhaalt van een ongelukkigen vader die zulk een ontaarden zoon had, dat bij hem naar het leven stond. Toen de vader hiervan in kennis gesteld was, nam hij een dolk, verbergt dien in zijn boezem, en vraagt den zoon hem te willen vergezellen. Hij geleidt hem naar een dichtbegroeide

ocr page 398

— 36O —

plek in een duister woud, en trekt den dolk met deze woorden: „nu hebt gij niet noodig een sluipmoordenaar te bestellen, wat voor u altijd gevaarlijk zou zijn. Neem den dolk, en dood hem, die u in den weg staat. Zijt gij vergeten dat gij mijn kind zijt, ik echter ben en kan niet vergeten, dat ik uw vader ben. Ik wil, dat gij mij ten tweede male het leven te danken zult hebben, dat ik u aan de beulsbanden ontruk door de schande van uw vadermoord in de duisternis te verbergen.quot; Zou die ontaarde zoon niet gruwzaam, niet barbaarsch geweest zijn, indien hij zijn moorddadig opzet ten uitvoer had gebracht! Doch zijn hart werd week als was voor de gloeiende zonnestralen dier onuitputtelijke vaderliefde. Getroffen valt hij zijn vader in de armen, weent, zucht, smeekt vurig om vergiffenis, bekomt die, en met zijn vader verzoend keert hij verbeterd naar huis terug.

Zoudt gij, mijne ziel, misschien die gruwzame daad kunnen volvoeren, waartoe die zoon niet in staat was?

Gij verstaat mijne bedoeling. De goede vader, die zijn ontaard kind wil verbeteren, is een zwak beeld van God den Heer, die u zoekt. Hij gaf u het leven, toen Hij u schiep. Dat leven hebt gij verbeurd door de zonde van Adam, die gij zooals iedereen van hem geërfd hebt, en God gaf u het leven ten tweedemale, toen Hij u aan den kruisboom verloste. Indien gij nu niettegenstaande dat alles aan uwe hartstochten toegeeft en der zonde aankleeft, dan staat gij Hem naar het leven. Hij weet dit, laat de 99 rechtvaardigen in de woestijn, loopt het verdwaalde schaapje na, stelt zich als den Gekruisigde aan u voor en vraagt: wilt gij mijn hoofd nogmaals met de doornen uwer hoovaardij omkransen? aan mijn mond nogmaals den gal en edik toereiken van liefdelooze gesprekken? mijn van liefde gloeiend hart nogmaals met den lans der ontrouw doorboren? Wilt gij mij opnieuw door uw menschelijk opzicht verloochenen, door eerroovende oordeelvellingen ter dood veroordeelen, door zondige werken kruisigen?

Ach neen, zoo boosaardig moge de verworpen woesteling zijn, doch ik wil den beminde liefhebben, den roepende hoo-ren, tot den wachtende terugkeeren, door den zoekende mij laten vinden. Ik wil mijne misstappen betreuren, ik wil mij bekeeren en verbeteren. Ik wil opstaan, tot mijn vader gaan

ocr page 399

en Hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en tegen U, ik ben niet meer waard uw kind genoemd te worden, neem mij aan als een uwer dienstknechten.quot; (Luc. XV. 18.)

Goed zoo, mijne ziel; zorg, dat gij bij het woord de daad voegt, en gij zult ondervinden, hoe genadig, hoe goedig, hoe zoet de Heer is! Want wat doet Hij, als gij tot Hem terugkeert? Hij neemt u op.

5dc trap. God neemt u op.

„Als Gij de ongerechtigheid gadeslaat, Heer, wie zal dan bestaan?quot; (Ps. CXXIX. 3.) d. i. ais Gij den zondaar nauwkeurige rekenschap zoudt willen vragen, en hem naar verdienste straffen, dan zou er niemand goed afkomen. Zoo moet eenieder en ook gij, mijne ziel, met den koninklijken zanger belijden. Doch bij God is barmhartigi-eid en bij Hem is verlossing in overvloed. Daarom, richt u op en heb vertrouwen. Want heeft Hij 11 geroepen, op u gewacht, toen gij de zonde meer bemindet dan Hem, zal Hij u dan niet opnemen, als gij de zonde haat, beweent en vermijdt? Is Hij u nageloopen toen gij voor hem vloodt, zal Hij u dan afwijzen, als gij rouwmoedig tot hem terugkeert? Neen, zegt het verstand, want dan zou Hij den goddelooze beminnen en den boetvaardige haten, wat ongetwijfeld in lijnrechten strijd zou zijn met zijne heiligheid en rechtvaardigheid tevens. Neen, zegt ook de H. Petrus, Hij is lankmoedig jegens u, Hij wil niet dat er eenigen ten gronde gaan, maar dat allen tot boetvaardigheid komen. (II. Pet. III. 9.)

Wat kan Hem dan meer vreugde verschaffen, dan dat Hij aan u zijn hartewensch in vervulling ziet gaan? Als de zonen van Jacob in den onderkoning van Egypte hun broeder Jozef herkenden, dien zij voor jaren zoo schandelijk mishandeld en als een dier aan Ismaelitische kooplieden verkocht hadden, verschrokken zij en waren met recht bevreesd, dat hij hun thans kwaad met kwaad zou vergelden; doch de zachtzinnige, edelmoedige Jozef spreekt met bewonderenswaardige kalmte en liefde: „vreest niet, wat gebeurd is, heb ik vergeten. Komt hier, ik ben Jozef uw broeder,quot; en wat ik van nature ben, zal ik altoos blijven door mijne liefde.

Zoo broederlijk, neen, nog veel broederlijker spreekt de Heer u bij uwe terugkomst toe. „Op den dag, dat de zondaar zich

=4

NIEUWE HANDLEIDING.

ocr page 400

— 362 —

bekeert, zal zijne boosheid hem geen schade meer doen.quot; (Ezech. XXXIII. 12.) Zoo vaderlijk, als de vader den verloren zoon, neen, oneindig vaderlijker neemt Hij 11 op. Hij ijlt u tegemoet, valt u om den hals, omhelst u, kust 11 teeder en doet u niet het geringste verwijt, neen, Hij schenkt u vergiffenis.

6A' trap. God schenkt u vergiffenis.

Bewijzen daarvoor levert u de onfeilbare H. Schriftuur, en de geschiedenis aller tijden en plaatsen. Wie was er misdadiger dan Manasses, de koning van Juda? Niet tevreden met in geheel zijn rijk den afgodendienst te hebben ingevoerd en de profeten gedood, verklaart hij aan den waren God den openlijken krijg, offert zelfs door liet vuur zijne kinderen aan den duivel op. Dientengevolge door God verlaten, wordt hij gevangen genomen en gekerkerd. In de boeien vindt hij tijd om over zijn vroeger gedrag na te denken; hij eikent zijne euveldaden, betreurt ze, smeekt tot den Heer om ontferming, en wat hij bij den besten mensch niet gevonden zou hebben, dat verkrijgt hij van God, vergiffenis en daarmede ook weder den verloren troon.

De dienst van Baal, de vervolging van Elias, de moord der profeten, het bloed van Naboth, de razernij van zijne echtge-noote Jezabel, zijn zij niet onloochenbare bewijzen voor de, ik zou haast zeggen, duivelsche boosheid van koning Achab? Doch de koninklijke booswicht vernedert zich op de bedreiging van den heiligen profeet, wordt droevig als het herfstweer, trekt een haren boetekleed aan, en ofschoon zijne bekeering niet standvastig bleek te zijn, verkreeg hij toch uitstel van de meer dan verdiende straf.

David heelt de ten hemel schreiende misdaad begaan van een dubbelen echtbreuk eu dia bekroond met den moord van een onschuldige. Nadat hij bij:..- een vol jaar in zijne zonde geleefd had, wordt hij dooi den profeet vermaand, en hij belijdt rouwmoedig; „ik heb gezondigd tegen den Fleer!quot; Daarop verneemt hij aanstonds het wonderzoete troostwoord: ,,de Heer heeft uwe zonden weggenomen; gij zult niet sterven 1quot; (II Reg. XII. 13.)

Vergaf God reeds zoo gaarne in den tijd van strenge rechtvaardigheid, zou Hij dan onder het Verbond van liefde niet oneindig genadiger zijn? Magdalena, de wellustige deerne van

ocr page 401

— 363 —

Bethanie, weent bittere tranen aan de voeten van Jesus, en zij verwerft genade. Zachaeus neemt grootmoedig het besluit het onrechtvaardig verworven goed viervoudig terug te geven, en voordat hij zijn besluit ten uitvoer brengt, wordt hij een kind van Abraham. De in overspel gevondene vrouw moet volgens de wet gesteerigd worden. Zij heeft berouw over hare zonde en de goddelijke Zaligmaker geeft haar de vrijspraak. Disiras, de moordenaar, neemt aan het kruis zijn toevlucht tot dïn Verlosser, en het verlorene paradijs wordt hem ontsloten. Zoo voorkomend, zoo liefdevol vergaf de Heer aan den boetvaar-digen schuldenaar zijne schulden. Zoo spoedig, zoo genadig vergeeft Hij ook aan u, mijne ziel, zoo gij Hem om vergiftenis smeekt en uw vroeger leven verbetert. Voordat gij aan zijn deur hebt aangeklopt, doet Hij u open; voordat gij aan zijne voeten nederzinkt, reikt Hij u de hand, nog voordat gij één traan gestort hebt, overlaadt Hij u met zijn ontferming, overstelpt Hij u met zijne genaden.

trap. God schenkt u zijne genaden.

Een landman heeft van een veld, dat hij van distelen en doornen gezuiverd heeft en dat nu rijke vruchten oplevert, grooter voldoening dan van een ander veld, dat wel is waar niet verwoest was, maar thans ook niet zoo vruchtbaar is. Tot iederen wandelaar, die daar langs komt, zegt hij; zie, dat veld was onvruchtbaar, doch met onvermoeide inspanning heb ik het bewerkt. Niet tevergeefs heeft het zweet mij van het voorhoofd gedruppeld, nu wuiven daar de goudgele aren, waar eerst niets gevonden werd dan onkruid. Daarom is dat veld mij dierbaarder dan al mijne andere akkers.

Op dergelijke wijze is een vroeger schuldig, maar thans van liefde brandend hart aan God aangenamer en welgevalliger dan een in valsche zekerheid sluimerende onschuld. (S. Greg.) De eeuwige Waarheid getuigt zelf, dat er in den hemel over een zondaar, die boetvaardigheid pleegt, grooter vreugde zal zijn, dan over 99 rechtvaardigen, die geene boetvaardigheid noodig hebben. (Luc. XV. 7.)

De reden daarvan vindt de H. Gregorius hierin, dat bekeerde zondaars God gewoonlijk ijveriger dienen en vuriger liefhebben dan zij die in de onschuld des doopsels gebleven, maar in het beoefenen der deugd verflauwd zijn, en die de

ocr page 402

— 364 —

toegangskaart tot den hemel reeds in den zak meenen te hebben. En inderdaad! Ziet men niet vaak, dat God ijverige boetelingen meer begunstigt, dan den onschuldige, die niets vreest, ofschoon hij evenals Achilles zijn verwondbare plek heeft, want, zegt de Apostel der heidenen, die staat, zie toe, dat hij niet valle. (I Cor. X. 12.)

Vöor den teruggekeerden en niet voor den thuis geblevenen zoon maakte de vader een heerlijk vreugdemaal gereed. Niet Amon, het kind van den nog onschuldigen David, maar Salomon, het kind van den boeteling, was zijn troonopvolger bij Gods bevel. Niet de leerling der liefde, Joannes, die aan Jesus' borst mocht rusten, maar Petnis werd om zijn boetvaardigheid tot hoofd der Apostelen verheven en deed meer in 't oog vallende wonderen dan de andere Apostelen. Niet de altijd vrome Martha, maar de vroeger diep gezonkene, later boetende Magdalena had de eer aan den voet van het kruis te staan naast de allerzaligste Maagd Maria. Zij was het, aan wie de Verrezen Verlosser het eerst verscheen. Zij mocht het eerste de blijde boodschap verkondigen: „Ga tot mijne broeders, sprak Jesus tot haar, en zeg hun: ik ga tot mijn Vader en uw Vader, tot mijn God en uw God.quot; (Joes. XX. 17.)

Indien gij, mijne ziel, u boven anderen onderscheidt door uw boetvaardigheid, door uwe trouwe liefde, en aanhankelijkheid jegens God, wees er van overtuigd, de Heer, die zich in vrijgevigheid niet door zijne schepselen laat overtreffen, zal u eveneens boven anderen onderscheiden door zijne bijzondere gunstbewijzen. En dit niet enkel hier beneden, maar nog veel meer daar boven in het andere leven, waar Hij u tooit met de schoonste kroon.

8S'C trap. God kroont u.

Thais is in de geschiedenis der Kerk door hare strenge boetvaardigheid niet minder dan door hare afschuwelijke zonden bekend. Er is misschien geene vrouw, die zulk een ontuchtig leven geleid heeft als zij. Door den heiligen grijsaard Paphnutius bekeerd en in eene eenzame kluis van alle verkeer met de wereld afgezonderd, leefde zij zoo verstorven, dat God zijn welbehagen daarin aan Paulus den eenvoudige, een heiligen leerling van den H. Abt Antonius, in een merkwaardig visioen te kennen gaf. Hij zag het hemelsche heer een troon

ocr page 403

— 365 —

oprichten, waarvan de glans alles overtrof, wat de menschelijke geest kan uitdenken, een troon, over welks schoonheid zelfs de engelen verbaasd stonden, daar zij niet konden begrijpen, dat hij voor een sterfelijk mensch werd opgericht. „Voor wien mag toch die pracht zet el zijn? misschien voor mijn goeden vader Antonius? Niemand toch zal hem eer verdienen dan hij.quot; Terwijl Paalus aldus peinst, nadert hem een hemelsche geest en spreekt: ,,dien heerlijken troon heeft Thaïs, de zondares, zich door hare boetetranen verdient.quot;

O groote, barmhartige God, zoo bevoorrecht Gij een berouwvolle ziel niet enkel op aarde, maar ook in den hemel! Heeft zij door hare boetvaardigheid het verscheurde kleed der genade weder aaneengenaaid, dan bezet Gij den naad, die anders het kleed zou ontsieren met een reeks van uwe allerheiligste bloeddruppelen, die dan als even zoovele diamanten aan het kleed schitteren en diens schoonheid wonderbaar ver-hoogen! O goede God, zoo zult Gij ook mij bevoorrechten, als ik uit mijn zondeslaap opsta, oprecht tót u terugkeer en u voortaan trouwer en vuriger dien dan anderen.

Zal ik daartoe dan niet besluiten? Gij bemint mij, Gij roept mij. Gij wacht op mij. Gij zoekt mij, Gij neemt mij op. Gij schenkt mij vergiftenis. Gij begenadigt mij boven vele rechtvaardigen, Gij kroont mij in het land der eeuwige vergelding met de onvergankelijke kroon, indien ik de boetvaardige stemming eener Magdalena in mij opwek en in mijn leven uitdruk.

Voorwaar, uwe barmhartigheid gaat boven al uwe werken; daarom kan ik en mag ik van dit troostrijk gedenkteeken uwer oneindige goedheid niet scheiden, zonder mijn pen in bloedige tranen van berouw te doopen, en aan den voet van dit monument te schrijven; „zoo weinig ik u tot nu toe liefhad, zoo innig wil ik u van nu af liefhebben, waarin ik vroeger mijn vleesch streelde, daarin wil ik het voortaan bestrijden. Ik wil in de toekomst kuischer leven dan de kuischen, trouwer dan de trouwen, vromer dan de vromen, rechtvaardiger dan de rechtvaardigen, die niet zooveel reden hebben om boete te doen, als ik. Dien de donder uwer rechtvaardigheid niet deed opschrikken, hem heeft de teedere, zachte, liefelijke stem uwer barmhartigheid meegesleept. Door liefde hebt Gij mij gewonnen, door vriendelijkheid gevangen, met teederheid gebonden. O

ocr page 404

— 366 —

bind mij thans, smeek ik u, met hemelsche macht, opdat noch aarde- noch hellemacht voortaan in staat zij mij ooit van u te scheiden. Trek mij met uwe zegevierende genade zoo machtig tot u, dat ik van nu af slechts u zie, u hoore, u beschouwe, u voele, u beminne, u diene, u bezitte, u geniete, u vasthoude tot aan de volkomen vereeniging in de eeuwigheid!quot; Amen

VISRDE DAG.

EERSTE OVERWEGING,

Onze Lieve Vrouw.

Ecce mater tua!

Ziedaar uwe moeder.

Joan. XIX, 27.

„Ik wil in de toekomst kuischer leven dan de kuischen, trou wer dan de trouwen, vromer dan de vromen, rechtvaardiger dan de rechtvaardigen, die niet zooveel reden hebben om boete te doen als ik. Ik wil van nu af slechts God hooren, zien, beschouwen, God voelen, beminnen en dienen, bezitten en genieten, God vasthouden in tijd en eeuwigheid!quot; Deze woorden hebt gij, mijne ziel, geschreven op den voet van het gedenk-teeken der goddelijke barmhartigheid. Het is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Zullen voortaan uwe werken in overeenstemming zijn met uwe woorden? Zult gij op de woelige levenszee van nu af naar het strand der eeuwigheid stevenen, zonder uit den koers geslagen te worden, of zonder averij te beloopen ? Zult gij in staat zijn alle gevaarlijke klippen te ontzeilen, de zeemonsters ongedeerd te ontkomen, de u belagende kapers steeds te overwinnen f

Er zijn vijanden in u: de hebzucht, genotzucht, eerzucht; vijanden buiten u: de wereldlingen, die zedelijk schipbreuk geleden hebben; vijanden onder u : de duistere machten der hel. Ziet gij kans om over die allen te zegevieren en over hun ge-kromden nek heen te loopen uw einddoel tegemoet ?

Als gij alleen op u zelve let, dan moogt gij sidderen; herroep dan liever vandaag met den mond, dan morgen met de

ocr page 405

— 367 —

daad uwe gewichtige beloften ; gaat gij echter een schrede verder en slaat gij het oog op, dan moogt gij u verheugen uwen Heer en God zulke grootmoedige beloften gedaan te hebben, want gij staat in den tempel van Gods goedheid voor een nieuw hartverheffend gedenhteelen. Het is e;n met hemelschen luister stralend beelc? van Onze Lieve Vrouw. Het is de moeder van barmhartigheid, die God u als beschermvrouw gegeven heeft. Het is Maria, die voor u zorgt, danr zij u i0 voor het kwaad bewaart,

2° in het goede versterkt,

hetgeen gij nu zult overwegen, om in u zoowel het vertrouwen op Maria, als uwe vereerihg voor baar te verlevendigen en voor de geheele toekomst te verzekeren.

Uw schietgebed zij heden: „O zoet Hart van Jesus, geef dat ik u meer en meer beminne.quot;

I.

Maria bewaart u voor het kwaad.

Welk een troost is het voor het hart eene lieve, teeder bezorgde moeder in den hemel te hebben. En dien troost hebt gij werkelijk, mijne ziel. Want volgens den H. Bonaventura is Maria niet enkel Jesus' moeder, maar de moeder van alle ge-loovigen; zij is de moeder niet van het hoofd alleen, maar ook van de ledematen van Christus, de moeder niet slechts des Verlossers, maar van al!e verlosten. Ofschoon zij slechts één Zoon naar het vleesch baarde, zoo is zij toch de moeder geworden van die groote schare, waarvan Christus de eerstgeborene is. Als Jesus, de Vader der H. Kerk op het sterfbed van zijn Kruis zijn testament maakte en tot Maria sprak: „Ziedaar uw Zoonquot; voor wien gij zorgen moet, zooals gij voor mij gezorgd hebt, dien gij leiden moet zooals gij mij geleid hebt, gaf Hij haar den geliefden leerling als zoon; en als Hij tot Joannes zeide: „Zie uwe moederquot; gaf Hij hem Maria als moeder, die hij beminnen en eeren moest, zooals Hij zelf haar bemind en geëerd had. Daar echter, volgens de bemerking van Dionysius den Karthuiser, die leerling iederen leerling aanduidt, daar Joannes toen de plaats innam van de geheele Kerk, zooals

ocr page 406

- 368 —

met den H. Augustinus alle Kerkleeraars ons verzekeren, werd door die woorden Maria als moe'ler gegeven aan alle ware geloovigen, bijgevolg ook aan u, mijne ziel. Is echter Maria uwe geestelijke, bovennatuurlijke moeder geworden, dan moet zij u ook met eene geestelijke, bovennatuurlijke liefde beminnen.

Indien nu reeds eeno brave lichamelijke moeder voor niets meer bezorgd is, dan voor het ware geluk harer kinderen, indien zij nergens meer op bedacht is, dan om hen voor den hemel op te voeden. Indien zij hen daarom voor alle gevaren en gelegenheden van zonde moederlijk waarschuwt en, evenals een hen hare kuikens, hen tegen iederen vijand beschermt en verdedigt, indien haar niets meer ter harte gaat, dan hen van iedere zonde rein te bewaren, haar, die slechts met eene natuurlijke liefde bezield is, hoeveel te meer zal dan Maria, die gloeit van een bovennatuurlijke liefde, die teederder voor de haren zorgt dan alle moeders te zamen, er op uit zijn om u, het kind der genade, te beschermen tegen de aanvallen des vleesches, der wereld en der hel, om u te versterken en te bewaren voor de zonde f

„Kan eene moeder haar kind vergeten?quot; (Is. XI.IX. 15.) „Neen,quot; antwoordt de H. Geest. „Zij zal het als moeder tegemoet snellen.quot; (Ecc;i. XV. 2.) Kan Maria u dan vergeten? Nog minder, want zij verzekert het: „ik ben de moeder der schoone liefde, der vreeze, der kennis en heilige hoop. Bij mij is alle genade van wandel en waarheid, bij mij is alle hoop des levens en der deugd.quot; (Ecclj. XXIV. 24.) „Wie mij hoort, zal niet beschaamd worden en die door mij werken, zullen niet zondigenquot; d. i. voor de zonde bewaard blijven, en daarom; Zalig is de mensch, die mij aanhoort, die dagelijks aan mijne deur waakt en de wacht houdt aan de posten mijner dïur! (Prov. VIII. 34) Die mij vindt, vindt het leven en put het heil van den Heer,quot; d. i. wordt zalig. Zijn deze woorden niet een afdoend bewijs, dat Maria u voor het kwaad bewaart?

Indien vervolgens de H. Anselmus schrijft: alle genaden, die God ons mededeelt, ontvangen wij door de handen van Maria, indien een zekere Idiota beweert (in contempl. Virg. c. 2); de allerzaligste Maagd is, gelijk zij de koningin is van allen, ook aller beschermster en voorspreekster, die voor allen pleit,quot; indien de H. Germanus vraagt: wie draagt na uw zoon zulk een

ocr page 407

— 369 —

zorg voor het mensclselijk geslacht als gij? wie beschermt ons in onze beproevingen zooals gij ? niemand wordt zalig, tenzij door u, allerzaligste; niemand wordt voor het kwaad bewaard tenzij door u, allerzuiverste; aan niemand wordt genade verleend tenzij door u, allerrechtvaardigste; niemand verwerft barmhartigheid, tenzij door u, 0 heerlijkste!quot; (hom. de zona et fase. Deip.) indien Coster in zijne verhandeling over het „Salve reginaquot; zegt: Maria bepleit onze aangelegenheden met veel meer ijver dan de andere heiligen, omdat zij ons veel meer bemint, dan zij;quot; indien het volgens Albertus den Groote vast staat, dat Maria de zekerste schutsvrouw is voor eenieder, die tot haar zijn toevlucht neemt (in Serm. de nativ. B. Virg.); indien naar de meening van Blosius (in spec. c. 12) hemel en aarde eer ten gronde zullen gaan, dan dat Maria hem, die haar ernstig aanroept, hulpeloos zal laten staan; indien zelfs Mahomed, de stichter der Mahomedanen, in den Koran (Azo-rara I c. 75) de kinderen van Maria gelukkig prijst, omdat de vijand van het menschelijk geslacht hun geen schade kan toebrengen; indien eindelijk onze H. Kerk „de hulp der christenenquot; in een eigen feest verheerlijkt, Maria „de deur des hemels,quot; „de oorzaak onzer blijdschap,quot; „den toren van Uavidquot; „onze middelares en voorspreeksterquot; noemt, haar als zoodanig vereert en aanroept, wie zou dan nog eenigen grond kunnen hebben om aan de moederlijke bezorgdheid van Maria voor hare pleegkinderen te twijfelen?

Zou iemand hieromtrent durven twijfelen, dan zou de geschiedenis aller tijden en plaatsen luide haar stem tegen hem verheffen, om getuigenis af te leggen voor de waarheid. Vele duizenden en duizenden knapen en meisjes zouden hem openlijk bekennen, dat zij door Maria van het aanstekelijk vergift der verleiding bewaard gebleven zijn. Vele duizenden en duizenden jongelingen en maagden zouden verklaren, dat zij aan de beschermende hand van Maria Iinnne onbevlekte onschuld te danken hebben. Vele duizenden en duizenden vrouwen en mannen zouden getuigen, dat zij met de hulp der allerzaligste Maagd in deugd en vreeze Gods vergrijsd zijn.

Om niet te breedvoerig te worden, wil ik uit de ontelbaren slechts één voorbeeld aanhalen. Kene vrome maagd bevond zich op zekeren dag alleen in den tuin bezig met haar arbeid.

ocr page 408

— 37° —

Een wellusteling, die haar zag, sluipt in den tuin, om haar te verleiden. Nauwelijks heeft het deugdzame meisje hem bemerkt, of zij springt op en ijlt henen. Als zij echter door den schaam-teloozen vervolger ingehaald, zijn banden niet meer ontkomen kon, hief zij haar vochtige blikken ten hernel en riep: „O Maria, beschermster der onschuld, sta mij bij!'' En o wonder! Op hetzelfde oogenblik wordt de booswicht met blindheid geslagen, zoodat de kuische duif zich bijtijds kan redden, Zoo bewaart Maria hare vrome vereerders voor het kwaad, voor de zonde; daarom zegt paus Innocentius III, (Serm. 2 de assumpt, Virg.) ,,wie zich door zijne vijanden in 't r.auw gebracht ziet, wie zich door de wereld, den duivel of het vleesch ziet aangevallen, hij wende zich tot Maria, wier voorbede als een machtig leger in slagorde is tegen al deze vijanden.quot; Daarom vermaant Al-bertus de Groote: „Zijt gij door duisternis omgeven en vindt gij den weg niet, hef dan uw blik omhoog tot haar, die u verlichten kan; spreek den naam uit van Maria! Wordt gij door vleeschelijke bekoringen gekweld, verkeert gij in gevaar van overwonnen te worden en in den onreinen lust toe te stemmen, spreek den naam uit van Maria en gij zult ondervinden, dat zij niet voor niets „Mariaquot; heet. Daarom schrijft ook de honig-vloeiende Bernardus: Zoo gij bemerkt, dat gij op uw levenszee door stormen van gevaren wordt omgeven, wend dan het oog niet af van die ster, indien gij door de stormen niet verdelgd wilt worden. Zoo de winden der aanvechtingen opsteken, zie op nsar de ster, roep Maria aan, Zoo de gramschap, de wellust, de vleeschelijke driften u plagen, zie op naar Maria! In gevaren, in angsten, in twijfelingen denk aan Maria, roep Maria aan! Zoolang gij tot haar bidt, behoeft gij niet moedeloos te worden; zoolang gij aan haar denkt, zondigt gij niet, zoolang gij haar volgt, dwaalt gij niet; houdt hare hand u vast, dan zult gij niet vallen, wandelt gij onder hare beschutting, dan hebt gij niets te vreezen; onder hare begeleiding wordt gij niet moede, door haar ondersteund, bereikt: gij uw doel,quot; want zooals gezegd is, zij is uwe moeder ; omdat zij uwe moeder is, bemint zij u, mijne ziel, en omdat zij u bemint, zorgt zij voor u, door u van den eenen kant voor het kwaad te bewaren, en van den anderen kant in het goede te versterken.

ocr page 409

— 371 —

ir.

Maria, de allerzaligste Maagd, versterkt a in het goede, a.J door haar voorbeeld, i.J door hare voorspraak en hulp.

a.J Zegt men van de woorden, dat zij wekken, van de voorbeelden heet het, dat zij trekken, om de bijna onweerstaanbare kracht, die zij uitoefenen op den aandachtigen toeschouwer ; daarom tracht een ervaren veldheer de onder zijn commando staande soldaten, niet enkel door een geestdriftvolle toespraak tot den strijd aan te vuren, hij stelt zich ook aan de spits van zijn leger, werpt zich met doodsverachting op de vijandelijke drommen en wakkert hen zoo door zijn eigen verheven voorbeeld tot dapperheid aan. Gelijk een bekwaam veldheer, zoo gaat ook de allerzaligste Maagd Maria u, mijne ziel, voor op het pad der deugd, om u in het goede te versterken, te bevestigen. Immers, wat anders was haar gansche leven dan een volmaakt voorbeeld van deugd, de reinste spiegel der heiligheid? Verlangt gij een voorbeeld van ootmoed, Maria is in hare eigene oogen, trots hare hoogst mogelijke waardigheid, niets dan eene geringe dienstmaagd des Heeren, die niemand veracht, en zich boven niemand verheft. Wilt gij leeren ge-looven? Onwankelbaar was haar geloof, totdat zij het licht der ongesluierde, gelukzalige aanschouwing binnen ging. Wilt gij leeren hopen? Zij oefende reeds de heilige hoop, vooral in de vele en zware beproevingen, waardoor de Heer haar voerde, en die grooter waren dan alle beproevingen der overige heiligen. De boom der hoop was zoo vast geworteld in haar hart, dat geen wederwaardigheid haar Icon doen schudden, weshalve zij met recht „de moeder der heilige hoopquot; wordt genoemd. Wilt gij God leeren beminnen? O, wie zal de diepte pijlen van den afgrond der liefde, die gloeide in het hart van Maria? welk menschenwoord kan haar weergeven: Als de goddelijke Verlosser op aarde kwam om het vuur der liefde te ontsteken, heeft Hij het eerst Maria's hart in brand gestoken. Die liefdebrand vlamde met iederen dag hooger op, en, daar geen hinderpaal, geen lauwheid, geen onvolmaaktheid hem bluschte, hulde hij de H. Drievuldigheid in vlammen. Onder alle ballingen op aarde was Maria de menige, die het eerste en het grootste gebod volkomen vervulde. Uit de bron der drie god-

ocr page 410

delijke deugden golfden stroomen van zegen neder op hare zedelijke deugden, op hare voorzichtigheid, rechtvaardigheid, sterkte en matigheid, die in haar geleken op vier zuiver gestemde snaren eener harp, zoodat haar geheele leven een welluidend lofgezang was haren God ier eere. Wilt gij de ware naastenliefde leeren kennen? Leer haar in de hoogeschool van Maria, die voor den naasten ten beste spreekt, ook als zij niet gevraagd wordt, die, zoodra zij wist, dat hare nicht Elisabeth hulp noodig had, ijlings over het gebergte ging om haar te dienen, die, naar de verzekering der H. Theresia, meer voor ons pleegt te doen, dan wij van haar kunnen begeeren, die ons bewaakt en beschut, zelfs als wij zorgeloos ingeslapen zijn.

Wilt gij een toonbeeld van zuiverheid zien, Maria is de onbevlekte, ongeschonden en allerzuiverste Maagd, die vrij is van alle vlek, van iedere zondesmet, en nimmer eene aardsche begeerte toeliet. Wilt gij de religieuze bescheidenheid in een levend beeld zien, zie dan op Maria l Haar gelaat was zedig, hare woorden waren weinige, maar zacht en vol zalving, (Joan. Da-mase), zij lachte niet, (S. Anselm.) jegens overheden was zij beleefd, jegens gelijken zonder nijd, jegens minderen zonder verachting, jegens armen vol medelijden, jegens verwanten e'cn van hart en zin. (S. Ambros.) Hare kuischheid was een verkwikkend reukwerk, en waar zij binnentrad, scheen hare tegenwoordigheid alles te heiligen. (H. Bernardin.) Op Dionysius, den Areopagiet bijv., maakte haar verschijnen zulk een indruk, dat hij haar voor eene godin zou gehouden hebben, zoo hij niet geweten had, dat zij een schepsel was met een lichaam. Wilt gij weten hoe men bidden moet? Het leven van Maria was een nimmer onderbroken gebed. Niemand bezat de gave van het beschouwende gebed in hooger graad dan zij, en wat men leest van de wonderbare genaden, verrukkingen, verschijningen, visioenen en openbaringen, waarmede somwijlen groote heiligen begunstigd werden, dat alles was bij deze bloem des hemels iets gewoons. Hoog boven alle werelden steeg haar geest tot in het goddelijke licht op, en de koningin der profeten aanschouwde en vatte meer geheimenissen dan alle zieners van Israel. (S. Ambros.) Wilt gij weten, wat offervaardigheid is, zie dan naar Maria, die zich, naar de H. Vaders vermelden,

ocr page 411

— 373 —

als een driejarig kind reeds naar Sions heiligen tempel begeeft en daar gelofte aOeg': van eeuwige kuischheid, die met het ofter van haar persoon nog niet tevreden, ook haar goddelijken Zoon grootmoedig aan den hemelschen Vader ten offer brengt voor het heil der met schuld en vloek beladene wereld. Wilt gij weten, hoe men de deugd der gehoorzaamheid volmaakt beoefent, sla dan den blik op Maria, die zich in alles aan den goddelijken wil onderwerpt, dien nauwgezet en ten spoedigste volbrengt, hetzij dat zij in het stille vertrek te Nazareth hare huiselijke bezigheden verricht, hetzij dat zij in het holste van den nacht moet opstaan en heentrekken naar het ver afgelegen land der Egyptenaren. Wilt gij leeren, hoe men zijn lijdensjuk moet dragen, vestig dan het oog op de koningin der martelaren, die met den lijdenden Verlosser op geestelijke wijze mede geleden, met den bloedzweetenden mede bloed gezweten, met den kruisdragenden mede het kruis gedragen heeft, met den stervenden gestorven is, zonder den mond tot een enkele klacht te openen. Wilt gij elke bedenkbare deugd in haar volmaaktheid zien, Maria is een heerlijk leerboek der volmaakte christelijke gerechtigheid.

Beschouw des nachts den onbewolkten hemel en evenmin als gij de sterren kunt tellen, evenmin zult gij het getal van Maria's deugden kunnen noemen. (S. Basil.); want zij bezit de godsvrucht der aartsvaders, den ijver der profeten, de liefde der apostelen, de sterkte der martelaren, de vroomheid der belijders, de zuiverheid der maagden, het geloof van Abraham, de ootmoed van Rebecca, de zachtmoedigheid van Mozes en David, de wijsheid van Salomon, de wereldverachting der monniken en nonnen, de gehoorzaamheid van Josaphat, den vlijt van Ezechias, de onschuld van Josias, het geduld van Job, de schoonheid van Esther en Judith, de matigheid van den kluizenaar Paulus, de vrijgevigheid van Joannes, den aalmoezen-gever, kortom alle deugden zonder uitzondering. Evenals de grieksche schilder Zeuxis, toen hij het beeld der schoone Helena wilde schilderen, de vijf schoonste jonkvrouwen bijeenriep, en van elk het schoonste op het doek overbracht, zoo heeft God alle zedelijke schoonheid, die zich in iedere heilige afzonderlijk vooidoet, in de allerzaligste Maagd tot een harmonisch geheel vereenigd. Zooals derhalve de gouden zon het gesternte in licht,

ocr page 412

— 374 —

warmte en glans ver te boven gaat, zoo overtreft ook de heiligheid van Maria dio der ovctige henielsburgers te samengenomen, zoo stort Maria hare verlichtende en verwarmende stralen uit op het verstand, den wil en het hart van eenieder harer kinderen, opdat zij het goede mogen erkennen, beminnen en beoefenen. Indien nu reeds het voorbeeld een geheel bijzondere aantrekkingskracht be ■/.it en Maria het toonbeeld der deugd genoemd moet worden, dan heb ik volle recht om te besluiten, dat de allerzaligste Maagd wel een machtigen invloed op u, mijne ziel, uitoefent, u door haar verheven voorbeeld van deugd tot het goede opwekt en daarin versterkt.

aj Er is meer; zij smeekt voor u de genade af in de deugd standvastig te volharden en reikt u bij de beoefening daarvan de behulpzame hand. Naar ( e leer der H. Kerk voorkomt God onze goede werken niet zijn genade en begeleidt die met zijn hulp. Nu is echter niemand meer aan God gelijk. Hem meer nabij dan de Moeder Gods, Maria. Daarom begrijpt niemand beter dan zij, wat en hoeveel wij aan Jesus gekost hebben. Zij is eindelijk door God, om zoo te zeggen, tot zijne kosteres aangesteld, die zorgen moet voor het altijd brandende licht der heiligmakende genade in zijne Kerk; bijgevolg gaat dit na God niemand meer ter harte dan haar. Dit verzekert zij zelve, als zij zegt: bij mij is alle hoop des levens en der deugd.quot; Dit verzekeren ook de H. Vaders; de H. Bernardus o. a. schrijft, dat barmhartigheid de hoofdbezigheid is van Maria, zoodat zij door haar machtige voorspraak eenieder ondersteunt, die zich met vertrouwen tot haar wendt. Ja, men kan haar naam niet uitspreken, zonder nieuwen ijver te gevoelen, men kan niet aan haar denken, zonder met eene heilige vreugde en innige blijdschap bezield te worden. Zij, die haar beminnen, kunnen zich haar naam niet herinneren, zonder in hun hart die zoetheid te smaken, waarmede God haar heeft begaafd.

„Welke hoop, welke genade, welken zegen wij ooit van God ontvangen hebben, wij moeten weten, dat alles ons door Maria toevloeit; want het is Gods wil, dat wij alles door Maria verwerven.quot; „Gelijk zij machtiger is dan alle heiligen, zoo is zij ook meer bezorgd voor ons,quot; zegt een H. Augustinus. Zij nadert tot het gouden altair der verzoening, niet slechts biddend,

ocr page 413

maar bevelend, niet als dienstmnagd, maar als meesteres, quot; beweert de H, Petrus Damianus. Doch waartoe nog meer uitspraken van H. Vaders aan te halen voor een leer, waarvan de geheele katholieke kerk overtuigd is? De H. Kerk neemt het immers als zeker aan, dat de heiligen Gods en de rechtvaardigen op aarde hun deugd na God voornamelijk aan het voorbeeld, de voorspraak en den bijstand van Maria te danken hebben. En gij zelf, mijne ziel, ondervindt gij het met dagelijks, dat gij niet tevergeefs tot haar roept; „Hulp der christenen, bid voor ons.quot; dat gij niet ijdel tot haar bidt; „moeder van barmhartigheid, ons leven, onze zoetheid, en onze hoop, onze middelares en voorspreekster, wendt uwe barmhartige oogen tot ons,quot; dat gij niet zonder grond haar noemt en begroet als „de machtige, de goedertierene, de getrouwe, de zachtmoedige en zoete Maagd?quot;

Of hebt gij ooit op haar vertrouwd en zijt gij beschaamd geworden? Zijt gij Ooit tot haar gevlucht en door haar verlaten geworden ? Hebt gij ooit tot haar geroepen en geen verhooring gevonden? O neen; want het is in eeuwigheid niet gehoond, dat Maria aan een verzoek het oor weigert.

Indien het alzoo vast staat, dat mijne moeder in den hemel voor mij zorgt: hoe gelukkig, overgelukkig ben ik dan!

Mogen dan ook al op mijn levensreize geweldige reuzen mij in den weg komen om mij de intrede in het beloofde land te beletten, ik behoef niet te sidderen! Mogen ook al de helsche geesten in hunne woede samenspannen, om met vereende krachten mij aan te tasten: mogen de watervloeden der wederwaardigheden hoog opgaan en zich als bergen op elkander stapelen, ik behoef niet ;e vreezen. Moge. ook alles tegen mij samenzweren, moge 'de zwakheid mijner natuur de voDedige zegepraal over mijne v-janden hoogst twijfelachtig laten schijnen: ik behoef niet kleinmoedig te worden. Moge de vervulling mijner religieuze plichten nog zoo zware offers kosten, ik behoef den moed niet te laten zakken. Zijt gij mij nabij, o Maria, dan zal ik te midden der vlammen van bekoringen niet verbranden, tusschen duizend strikken en hinderlagen zal ik veilig zijn, onder stormen en vloeden van aanvechtingen zal het gevaar van schipbreuk mij niet doen beven. Ik vrees niets, als gij mijn schutsvrouw zijt, ik ben niet beangstigd over mijne

ocr page 414

— 376 —

zwakheid, als gij mij versterkt! „Uw naam is mijn schild, uw hulp mijn zwaard, uw bijstand mijn wapenrusting.quot; Door u tast ik den vijund moedig aan, door u drijf ik hem beschaamd terug, door u behaal ik de heerlijke overwinning!quot; (Joan. Damasc.) Wees en blijf daarom mijne lieve Moeder; ik wil uw kind zijn en blijven in alle eeuwigheid! Amen.

TWEEDE OVERWEGING.

Het ALLEIUfEILTiiSTE Sacramrnt.

Momorinm fccit mir.ibilinm snoruni, mise-ricors ct miserator Dominus.

Kon ^cdonkteeken van al zijne wonderwerken heeft Mij gemaakt, de genadige en barmhartige Heer. Ps. CX. 4.

(jrootsch zijn de gedenkteekenen van Gods goedheid, waar deze zich naar buiten openbaait, doch het geheimvolste, het bewonderenswaardigste van allen is wel ontegenzeggelijk dat, hetwelk aan het lichamelijk oog het kleinste, het nietigste toeschijnt, de H. Hostie.

Wat het hart is in het lichaam, het middelpunt in een cirkel, de zon onder de sterren, dat is het hoogheilig altaarsacrament in onze heilige katholieke Kerk. In dit geheim heeft de genadige en barmhartige Heer alle wonderen zijner liefde gelijk de lichtstralen in een brandpunt vereenigd.

Terwijl Hij in de andere Sacramenten zijne genade mededeelt en de medegedeelde vermeerdert, terwijl Hij op het kruis zijne eigene moeder aan de zijnen tot moeder schenkt, geeft Hij u in dit Sacrament zich zeiven. In dit geheim vernieuwt, stelt Hij tegenwoordig ai zijne wonderen en deelt Hij de vruchten uit zijner menschwording, van zijn allerheiligst leven, lijden en sterven. In dit geheim leeft en werkt Hij als de ware wijnstok, waarvan alle kracht en sap uitgaat in de ranken, in de ledematen der H. Kerk, tot aan het eind der tijden. In dit geheim is Hij het voorbeeld aller deugden, het voorwerp aller vereering, de bron aller genaden.

O mijne ziel, gij, die u rouwmoedig in Christus' Bloed, in het Sacrament van boetvaardigheid hebt afgewasschen en nu

ocr page 415

— 377 —

den weg der verlichting en der vereeniging met God wilt bewandelen, die haakt naar een éeiiwig leven van liefde met den goddelijken Geliefde, kniel vol geloof, eerbied en godsvrucht voor den tabernakel neder, werp u met al uwe gedachten en gewaarwordingen in dien afgrond van geheimen en overweeg ter eere van het allerheiligste Sacrament en tot uw grootste nut i0 het wonder van Gods almacht,

20 het wonder van Gods wijsheid,

3° het wonder van Gods liefde.

I.

Als de kinderen Israels in de woestijn het manna zagen, vroegen zij met verwondering aan elkander; „Man hu? d. w. z. wat is dat,quot; want zij wisten niet, wat het was. Toen sprak Mozes tot hen: „dat is het brood, hetwelk de Heer u ten eten heeft gegeven.quot; (Hlxod. XIV, 15.) Dat Manna, dat de verwondering der Israelieten opwekte, en hun tot lichamelijk voedsel verstrekte, is de voorafbeelding van het hemelsche Manna, hetwelk ik waarneem op het altaar van het Nieuwe Verbond. Man hu? wat is dat? vraag ik ook hier, waarop het heilige, onfeilbare geloof mij ten antwoord geeft: het is het brood der engelen, dat de Heer u op uw aardsche pelgrimsreis als ziele-spijs gegeven heeft. Dat is het wonder zijner goddelijke almacht.

Wat wil dat zeggen? Wanneer stormen en winden op het woord van Jesus zich stil als een lam nederleggen, zwijgen en verstommen, wanneer de aarde op Gods bevel in haar loop stil staat, wanneer een blinde op een wenk van Christus het gezicht, een stomme de spraak, een doove het gehoor, een lamme de beweging bekomt, wanneer een Lazarus op het bevel: „Lazarus, kom te voorschijn,quot; levend uit het graf verrijst, dan zijn dat ongetwijfeld groote werken der goddelijke almacht. Het zijn werken die alle menschelijke krachten te boven gaan; geheimen echter, die het verstand niet begrijpt, zijn het niet.

Doch waaneer de goddelijke Verlosser als de eeuwige hooge-priester volgens de orde van Melchisedech door den mond des priesters brood en wijn in zijn allerheiligst Lichaam en Bloed verandert, dan sta ik voor een wonder van Gods almacht, dat geen geschapen geest in staat is te begrijpen ; na de verande-

NIEUWE HANDLEIDING. 2r

ocr page 416

ring blijven de gedaanten van brood en wijn; de uitgebreidheid, de kleur, de smaak, de zwaarte, terwijl de zelfstandigheid van brood en wijn er niet meer is. Dat gedaanten nog voortbestaan zoiukr hunne eigene zelfstandigheid, waarvan zij toch volgens de wetten der natuur afhankelijk zijn, is dat niet wonderbaar ?

Na de verandering is er geen brood en wijn meer, maar zijn de handen en voeten, de oogen en ooren, het levende vleesch en het stroomende bloed, de allerheiligste ziel en Godheid van Christus waarachtig, wezenlijk en zelfstandig tegenwoordig, zonder dat men zijn verhevene, wonderschoone, menschelijke gestalte, zijn beweging, ademhaling, leven enz. waarneemt. Dat tie zelfstandigheid tegenwoordig is, zonder dat wij de eigenschappen, rle gedaante zien, is dat niet wonderbaar f

Zoo dikwijls deze verandering plaats heeft, verschijnt de Heer onder den witten sluier der H. Hostie zonder de natuurlijke ruimte tusschen hemel en aarde tc doorloopen, en Hij verliest zijn sacramenteel bestaan weder, zoodat de sacramenteele gedaanten ophouden te bestaan; en is dat niet wonderbaar?

Zoo dikwijls deze verandering plaats heeft vernieuwt de Heer het geheim der menschwording en is Hij op alle altaren der katholieke wereld, waar het H. Misoffer wordt opgedragen, tegenwoordig, zonder verdeeling, zonder vermindering of vergrooting zijner lichamelijke natuur te ondergaan; en is dat niet wonderbaar ?

Zoo dikwijls deze verandering plaats heeft, is Jesus met godheid en menschheid tegelijk tegenwoordig en toch niet zichtbaar; mijn hart gevoelt Hem en toch kan mijne hand Hem niet betasten; zijn vleesch heeft de geestelijke eigenschap om een geest, de ziel, te kunnen voeden en versterken; door mil-lioenen wordt Hij genuttigd en nogthans ondergaat Hij geene verandering. Is dat niet wonderbaar?

Zoo dikwijls deze verandering geschiedt, handelt de Heer eenigermate tegen zich zeiven. Hij schijnt alles te worden, wat Hij niet is, en niets te blijven van hetgeen Hij is. Zijn almacht wordt oogenschijnlijk onmacht, zijne sterkte wordt oogenschijn-lijk zwakheid, zijn alomtegenwoordigheid wordt oogenschijnlijk een beperkt zijn, zijne heerschappij oogenschijnlijk dienstbaarheid, zijne onafhankelijkheid oogenschijnlijk afhankelijkheid zijn,

ocr page 417

— 379 —

leven oogenschijnlijk levenloosheid; en is dat niet wonderbaar?

Men zou hiertegen kunnen opwerpen . ook uit de tarwekorrel ontstaat een halm, zonder dat men begrijpt, hoe het komt. Als men een appel in de hand neemt en hem weder ter zijde legt, blijft de gerr daarvan nog eenigen tijd in de hand achter. Als de hen een ei uitbroedt, is voor het oog slechts de schaal zichtbaar, terwijl daarbinnen toch een kuiken is. Als ik een spiegel in duizend stukken werp, zie ik in ieder deel het ge-heele gelaat, enz.

Doch al deze en dergelijke feiten zijn niet eens zwakke vergelijkingen van het wonder, dat de Heer op het altaar werkt. Alle andere wonderen werkt Hij aan dingen buiten Hem, dat echter aan zijn hoogst eigen persoon, aan zich zeiven. Doet Hij de andere wonderen met de kracht van zijn vinger, hier gebruikt Hij de geheele sterkte van zijn arm.

Deze verandering is het werk van de rechterhand des Aller-hoogsten, (Ps. LXXVI, n) „is het grootste wonder van Christus,quot; zooals de H. Thomas van Aquine beweert.

Zorgt Hij altijd voor mijne voeding, kleeding en woning, bestuurt Hij mij en geleidt Hij mij ten allen tijde tot mijn aardsch en bovenaardsch doel; in het Altaargeheim echter schenkt Hij mij niet slechts één zijner ontelbare gaven en genaden, niet een deel van Hem, maar zich zeiven met alles wat Hij heeft en is. Kon Hij, ofschoon almachtig, mij ietsgrooters geven dan zich zeiven? Neen; want met zich zeiven heeft Hij mij alles gegeven; door zich in het Allerheiligste Sacrament aan mij te schenken, is zijn almacht bijgevolg uitgeput.

Moet gij dan, mijne ziel, niet in aanbidding voor den Allerhoogste nedervallen en in verbazing uitroepen: „O wonder van Gods almacht.quot;

En dit wonder werkt de Heer voor u niet éénmaal, maar dikwijls, niet op één enkele plaats, maar op den ganschen katholieken aardbol. Hij werkt het niet slechts één dag, maar iederen dag en ieder uur tot aan het eind der tijden. Hij is de Heer van hemel en aarde, en gij zijt eene nuttelooze slavin. Hij is de hoogste majesteit, en gij zijt de geringheid zelve. Hij is uw schejiper, en gij zijt zijn schepsel. Hij is het volmaakte goed, en gij zijt een afgrond van behoeftigheid, en toch doet Hij zulk een wonder voor u.

ocr page 418

— 380 —

Kunt gij dit vatten ? Kunt gij God genoeg loven en prijzen, danken en beminnen? Tracht het ten minste naar uwe zwakke krachten te doen, geheel uw leven lang.

n.

De ongeloovige die in zijn trotsche waanwijsheid alles pleegt te verwerpen, wat niet onder het bereik der zinnen valt, ontdekt in den tabernakel niets opvallends, niets opmerkenswaardigs, niets wonderbaars. De geloovige katholiek echter, die zijn Heer en God in de H. Hostie aanbidt, vindt daarin een onuitsprekelijk wonder van Gods wonderbare wijsheid.

Verbazing grijpt ons aan, wanneer wij aan Jesus'vernedering denken bij zijne menschwording en bij zijne geboorte in den stal van Bethlehem, wanneer wij Hem beschouwen in de kribbe, in zijn verborgen leven te Nazareth, in zijn arbeid onder de Joden, in zijn bitier lijden en sterven aan den kiuisboom. In-tusschen ontmoet men overal zijn innemende menschelijke gestalte. Doch waar is hier in het tabernakel het licht zijner majesteit, waar het gezelschap der engelen, waar de Hem aanwijzende ster, waar de verblindende glans zijner verheerlijking op Thabor, waar de troon zijner glorie? Waarin erken ik zijne heilige menschheid? Hier bemerk ik niets dan diepe verborgenheid, zelfvernedering, verootmoediging, stilte, eenzaamheid, verlatenheid, diep zwijgen, geduld, armoede, gehoorzaamheid, geheimvol inwendig leven onder het eenvoudige kleed der broodsgedaante.

En juist deze eigenschappen zijn de grootste wonderteekenen der goddelijke wijsheid. Jesus' wijsheid heeft het hoogheilig Altaar Sacrament uitgevonden, opdat Hij in mijne en ik in zijne nabijheid zou verwijlen. Ik moest niet de kruinen der bergen behoeven te beklimmen, niet den merkweg aan het firmament behoeven af te loopen, niet de vijf wereldzeeën behoeven over te zeilen om Hem te kunnen vinden en aanbidden, neen, in iedere katholieke kerk moest ik Hem lichamelijk aantreffen.

In zijn wijsheid kiest Jesus om zich te verbergen de gedaanten van brood en wijn, om des te helderder zoowel de natuur, als de uitwerkselen van dit hoogheilig Sacrament voor oogen te stellen. Daar

ocr page 419

— 381 —

ip brood en wijn een hoofdvoedsel is des lichaams, geven zij te kennen, dat de sacramenteele Godmensch een ware spijs en wel de hoofdspijs mijner ziel is. Daar

20 brood en wijn na de nuttiging in vleesch en bloed veranderen, stellen zij mij voor den geest, dat eenerzijds brood en wijn door de woorden der Consecratie veranderd worden in bet Lichaam en Bloed van Christus, en anderzijds dat ik door de nuttiging van Jesus' Lichaam en Bloed in Jesus overgegaan, om 2*00 te spreken een andere Jesus worden moet. Daar 30 het brood uit meerdere graankorrels en de wijn 'ait meerdere druiven bereid wordt, beteekenen zij, dat alle ge-loovigen door het ontvangen der H. Communie tot een geheimzinnig lichaam, waarvan Christus het hoofd is, verbonden worden. Daar

4° brood en wijn des menschen dagelijksch voedsel is, duiden zij aan, dat ik dikwijls tol'de II. Communie moet naderen en er aan denken dat ik, ofschoon nimmer waardig, er toch altijd behoefte aan heb.

In zijn wijsheid kiest Jesus de gedaante van brood, om zoo het gemakkelijkst in ieder christenhart zijn intrek te nemen. In zijn wijsheid verbergt Hij zich onder de gedaanten van brood en wijn om mijn geloof verdienstelijk te maken; want waar zou de verdienste van mijn geloof zijn, indien ik Hem hier ten minste zooals eenmaal de Apostelen in zijn mensch-heid zou aanschouwen?

Hij verbergt zich om mijn hoop, mijn vertrouwen op te wekken, om mij uit te noodigen tot Hem te naderen en Hem mijne behoeften en duizendvoudige aangelegenheden openhartig bloot te leggen als een kind bij zijn lieve moeder.

Indien Hij in het stralende kleed zijner heerlijkheid en majesteit daar zetelde, hoe zou ik dan mijn oog, dat niet eens den glans der zon kan verdragen, tot Hem durven opslaan f Wie zou het ooit wagen voor Hem te verschijnen f Hij verbergt zich om des te eerder mijn liefde te ontsteken; want wanneer zou ik Hem beminnen, als ik Mem nu niet bemin ? Wanneer zou Hij mijn hart veroveren,, als Hij het zoo nog niet gewonnen heeft?

Hij verbergt zich en werkt in de stilte onophoudelijk tot mijn heil en tot eer van zijn hemelschen Vader, om mij te

ocr page 420

— 382 —

toonen, dat ook ik een leven moet leiden, met Hem in God verborgen, zonder andere getuigen van mijn deugd en lijden te verlangen dan hem alleen. Hij vernedert zich zoozeer, dat Hij mij met volle recht kan toeroepen: „mijn wezen is als niets voor u.quot; (Ps. XXXVIII. 6.) Om ook mij de zelfvernedering en verootmoediging voor God, voor de wereld en voor mij zeiven te leeren.

Hij vernedert zich, laat zich verloochenen, verachten, vervolgen, mishandelen. Hij lijdt en zwijgt, om mij eerst aan de smaad- en smartvolle tooneelen van zijn bloedig lijden en sterven te herinneren, en om mij dan aan te moedigen tot volhardende en geduldige kruisdraging. Hij vernedert zich en laat allen zonder onderscheid tot Hem naderen: groot en klein, rijk en arm, geleerd en ongeleerd, beschaafd en onbeschaafd, rechtvaardigen en zondaars, en Hij stoot niemand terug, om mij eveneens tot zachtzinnigheid en vergevingsgezindheid, tot goedheid jegens eenieder zonder onderscheid van taal, stand, ouderdom en persoon uit te noodigen en aan te sporen.

Hij is hier, o hoe vaak, hoe lang, hoe eenzaam en zelfs van velen zijner vrienden verlaten om mij in den duisteren nacht van geestelijke eenzaamheid, in de droevige sombere uren van verlatenheid te Uoosten en op te beuren. Hij heeft zich hier van allen uiterlijken praal en pracht en heerlijkheid ontdaan, opdat ik mij losmake van alle gehechtheid aan de schepselen, die voor mijne ziel hetzelfde is als de lijmstok voor den vogel, en opdat ik los van alles, Hem alleen toebe-hoore en diene. Er is misschien geen uur, waarin Hij niet hier of daar in de handen zijner door Hem aangenomen dienaars rust, die Hem ter aanbidding uitstellen, naar een zieke dragen of in den tabernakel wegsluiten en naar hun goeddunken met Hem handelen, zonder dal Hij één enkel woord daartegen inbrengt of zelfs een gebaar van protest maakt. Daardoor wil Hij dagelijks het voorbeeld van volmaakte gehoorzaamheid geven. Het diepe stilzwijgen, de stille vrede, de heilige rust, die het altaar omgeven, zeggen mij op verstaanbare wijze, dat ik God niet in het gewoel en het gedruisch der wereld, niet in aangename verstrooiingen, maar in be-scheidene afzondering en ingetogenheid zoeken moet, en dat

ocr page 421

— 383 —

ik, om te wandelen mijn verheven roeping waardig, eerst mij zeiven volmaakt moet bezitten.

In zijn innerlijk. Sacramenteel leven is Jesus mij een helderlichtend voorbeeld van bestendige verzameling des geestes, van innigste vereeniging met God, van ononderbroken gebed, van offervaardige liefde, die zich moedig over alle in den weg staande moeielijkheden heenzet. Zijne volharding, zijn verblijven in den tabernakel tot aan den laatste der dageu leert mij trouw, volharding en standvastigheid in het goede tot aan mijn jongsten snik.

Had de goddelijke Zaligmaker, ofschoon oneindig wijs, een doelmatiger middel, een beter manier kunnen uitdenken om zich aan de geloovigen te openbaren en zich voor de opzettelijk ongeloovigen te verbergen, dan dit hoogheilig Sacrament? Kon Hij, ofschoon oneindig wijs, mij die verhevene wijsheid, die de verblinde wereldling als dwaasheid bespot, duidelijker leeren? Kon Hij alle deugden ne zamen, op eens in een schitterender glans vertoonen? Kon Hij al zijne plannen schooner en edeler verwezenlijken, dan Hij doet op het altaar? Ik voor mij geloof het niet.

Vol aanbiddende bewondering moet ik derhalve bekennen, dat het Allerheiligste Sacrament een wonder is der goddelijke wijsheid. Ongetwijfeld zal ik de volle beteekenis, de geheele hoogte en diepte eerst kunnen aanschouwen, als ik het geluk heb, tot het licht der eeuwige glorie te mogen ingaan; intus-schen mag de overwegende ziel hier beneden met Gods genade dat wonder van wijsheid in zooverre trachten te doorgronden, als het tot hare heiliging bevorderlijk is. Wat kan ik dan tot verontschuldiging aanvoeren als ik niet dagelijks die hooge-school der goddelijke wijsheid bezoek, óm de ware philosophic te bestudeeren en mij de wetenschap der heiligen eigen te maken? Wat zal mij verschoonen, als ik van Jesus' ootmoed niet de nederigheid, van Jesus' zachtmoedigheid niet de zachtmoedigheid, van Jesus' geduld niet het geduld, van Jesus' gehoorzaamheid jegens zijne dienaren niet de gehoorzaamheid jegens mijne oveiheden, als ik van Jesus' liefde niet de 1 efde, van Jesus' werkzaamheid niet de arbeidzaamheid en den vlijt, van Jesus' trouw niet de standvastigheid, van Jesus' heerlijkheid niet de heiligheid leer? Zal ik mij zeiven kunnen vrij-

ocr page 422

— 384 —

pleiten voor God, als ik met open oogen niet zien, met open ooren niet hooren, met mijn verstand niet begrijpen, met mijn hart niet gevoelen, mei mijn wil liet meesleepende voorbeeld van deug niet volgen wil, dat mijn Meester in het Allerheiligste Sacrament mij geeft, als ik uit de bron niet drinken, van den wel voorziener» disch niet eten wil?

Zal ik mijn natuurlijke zwakheid, mijn armzaligheid, mijn metigheid kunnen voorwenden r Ongetwijfeld kon ü. die laten gelden, indien de Heer mij niet tevens de krachtigste middelen daartegen aanbood, doch daarvoor beeft Hij in zijne oneindige liefde op ongehoorde wijze gezorgd. Beschouw daarom, mijne ziel, dat wonder der goddelijke üefde.

III.

Iedere ademhaling des Verlossers, iedere klopping van zijn Allerheiligst Hart was liefde, de reinste liefde. Het grootste liefdewerk echter bewaarde Hij voor den vooravond van zijn lijden. Toen eerst stelde Hij het H. Sacrament des Altaars in. Overweeg derhalve

i0 wanneer stelt Hij het in?

Hij stelt het in, voordat Hij die onuitsprekelijke benauwdheid, zijn bitter lijden en dood tegemoet gaat. Hij stelt het in op dat oogenblik, wanneer de mensdiheid zijn vloek, niet zijn zegen, de geesels zijner rechtvaardigheid, niet den teederen blik zijner ontferming verdient. Terwijl zijne vijanden als tijgers naar zijn bloed dorsten, dorst Hij naar hun heii als het hert naar de frissche waterbronnen. In plaats van alleen aan zich te denken, denkt Hij aan hen, aan mij, aan eenieder en stelt het Allerheiligste Sacrament in, om immer bij ons te blijven. Gelijk het vuur des te hooger opvlamt, naarmate de wind het met meer kracht zoekt te dooven, zoo verheft Jesus' liefde zich hooger, en sterker, hoe meer de boosheid der menschen tegen Hem opstaat, woedt en stormt. En is dat niet eene hoogst bewonderenswaardige liefde?

2° Voor wien stelt Hij het H. Sacrament in ?

Jesus stelt het in op de allereerste plaats voor zijne leerlingen, die om Hem vergaderd zijn, dan voor al diegenen, die in de toekomst in Hem zullen gelooven. Zijn goddelijke blik

ocr page 423

- 385 -

gaat in dat uur der instelling alle eeuwen door; Hij ziet mij en eenieder afzonderlijk, armen en rijken, beschaafden en on-beschaafden, kinderen en grijsaards, allen roept Hij tot ?ijn honings-disch met de plechtige woorden: „neemt en eet, dit is mijn Lichaam, neemt en drinkt, dit is mijn Bloed.quot;

Mogen het ook afzichtelijke zieken zijn, die eenieder ontvliedt, ellendigen en verwaarlooi: 'om, orn wie niemand zich bekommert, veriatenen, die geen ; iostonden engel meer hebben, behoeftigen, die geen vriend ieen helper kunnen vipden, zijn goddelijk Hart zal hun toevlvchtsoord, zijn maaltijd hunne verkwikking en lafenis zijn. Is dat niet eene hoogst bewonderenswaardige iiefde?

3° Onder welke omstandigheden stelt de Verlosser het H. Sacrament in?

Wel weet Hij, hoeveel menschen er in den loop der tijden zullen opstaan, om zich met misdadige hand aan het Allerheiligste te vergrijpen, menschen, die Hem met koelheid en lauwheid bejegenen, menschen die Hem verraden als Judas, verloochenen als Petrus, bespotten als Herodes, veroordeelen als Pilatus, als de beulen Hem geeselen, kroonen en kruisigen. Toch wil Hij liever allen spot en hoon, alle smaad en mishandeling, alle verraad en vervolging verduren, dan zich te onttrekken en te onthouden aai hen, die van goeden wille zijn. Is dat niet eene hoogst bewonderenswaardige liefde f 4° Waarom stelt Hij hel H. Sacrament in?

Hij stelt het in om daarin God den Vader in mijne plaats te verheerlijken door zijn offerleven, om het rnenschelijk geslacht door de zegeningen zijner liefde te genezen en te heiligen. Het offer aan het kruis duurde weinige uren, maar op het altaar zet Hij het onbloedig voort tot aan het eind der wereld. Daar looft en prijst Hij voor mij de macht en heerschappij van zijn hemelscben Vader. Daar bidt Hij voor mij om hulp en genade. Daar dankt Hij voor iedere mij bewezen weldaad Daar oftert Hij zijn bloed, zijne wouden, zijn dood ter vergeving mijner zonden. Daar moet ook ik mijn lof, mijne gebeden, mijn dank, mijne offers met Hem kunnen vereenigen, opdat mijne jaren, als penningen bij de millioenen gelegd, den almachtigen God welgevallig worden.

Doch niet enkel Gods welbehagen, vereeniging met God

ocr page 424

- 386 -

verlangt mijn arm hart, dat het iied van vrede niet zingen kan, zoolang het niet rust in den schoot van zijn scheppen; daarom stelt Hij het H. Sacrament in om zich met mij te vereenigen, en Hij vereenigt mijn hart met zich in de H. Communie en door zich met den eeuwigen Vader.

Wel is waar heeft Hij zijne hoogheid met mijne nederigheid reeds op meerdere wijzen vereenigd. Als Verlosser is Hij met mij, den verloste, als Meester met zijn leerling, als herder met zijn schaap, als koning met zijn onderdaan, als voorbeeld met zijn afbeeldsel, als vriend met zijn lijdensgezel, als broeder met het aangenomen kind zijns Vaders, als bruidegom met zijne in het kleed der heiligmakende genade glanzende bruid in de nauwste verbinding getreden. Doch deze verbinding is slechts een zedelijke, door de genade voortgebracht; zij moet echter eene natuurlijke en bovennatuurlijke tevens worden.

Daarom komt Hij in mijn hart, vereenigt zijn godheid en menschheid met mijn lichaam en met mijne zie], zijn almacht met mijn onmacht, zijn wijsheid met mijn dwaasheid, zijn goedheid met mijn hardvochtigheid, zijn trouw met mijn trouweloosheid, zijn liefdegloed met mijn koelheid, zijn volmaaktheid met mijn onvolmaaktheid. Hij vereenigt zijne deugden met mijn gebrek aan deugden, zijn rijkdom met mijn armoede, zijn pracht met mijn behoefte, zijn overvloed met mijn ellende. Hij vereenigt zich met mij zoo innig, zoo geheel, dat Hij het licht van mijn verstand, het gevoel van mijn hart, de leider van mijn wil, de ziel mijner ziel, het leven mijns levens wordt, zoodat ik met den Apostel kan zeggen; ,,ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij.quot; (Gal. II. 22.) d. i. Hij bestuurt al mijn denken, gevoelen, wenschen, willen en doen. Ik spreek wel, maar eigenlijk is het Christus die door mij spreekt; ik werk wel, maar etgenlijk is het Christus, die door mij werkt.

Hij vereenigt zich dermate met mij, dat Hij in zekeren zin ophoudt aan zich zeiven toe te behooren, om het voedsel, het eigendom, het erfdeel van mijn armzalig hart te worden. O zalige, o wondervolle vereeniging! God met mij en ik met God 1 God in mij en ik in God! God voor mij en ik voor God! Is dat niet eene hoogst bewonderenswaardige liefde?

Opdat ik in deze vereeniging met God volharde, totdat in den hemel mij niets meer van Hem kan scheiden, reinigt Hij

ocr page 425

— 387 —

mijne ziel van de misstappen der menschelijke zwakheid, bewaart haar voor de doodzonde, sterkt haar in den strijd tegen de vijanden der zaligheid, verlicht haar tot kennis en beter begrip van Gods geheimen, verandert haar als het ware in zich zeiven, vervult haar met hemelsche zoetheid, verzekeit haar van het eeuwige leven, versterkt en beschut tevens mijn lichaam, en legt daarin de kiem der gelukzalige opstanding. De goddelijke Zaligmaker zou mij nog meer willen gev.-;n, maar in de geheele onmetelijkheid van zijn wezen, in de onuitputtelijke schatkamers zijner gaven vindt Hij niets meer om mij mede te deelen. O teedere, o milddadige, zich zelf overtreffende liefdel O wonder van Gods liefde!

Kan er mijn Jesus, nadat Gij mij zulk een onuitsprekelijke liefde getoond hebt, nog iets in of buiten mij zijn, wat Gij niet met een oneindig recht van mij kunt vorderen? Verdien mijn hart nog langer te kloppen, als het niet voor u klopt, als het door uw buitensporige liefde niet tot wederliefde getroffen, verwarmd, ontstoken, ontvlamd wordt? Verdient ik nog langer te leven, als ik u iets weiger? als ik mij niet geheel, zonder eenig voorbehoud aan u overgeef? als ik mij van u losscheur, u trouweloos verlaat?

O ondoorgrondelijke goedheid van mijn God en Heer, Gij hebt op het altaar een wonder van almacht, van wijsheid en van liefde gewrocht, dat zijn weerga niet heeft, om de mijne, geheel de mijne te worden en te blijven. Nu dan, omdat Gij u aan mij gegeven hebt, daarom moet, daarom wil ik mij aan u geven, aan u alleen met alles, wat ik heb en ben.

Neem dan mijn verstand, mijn vrijheid, mijn geheugen, mijn hart, mijn geheele wezen. Neem mijn lichaam en mijn ziel, opdat ik u alleen zoeke en beminne, u alleen bezitte en geniete! Wees Gij alleen mijn hoop. mijn troost, mijn hulp, mijn beleid, mijn sterkte, mijn liefde, mijn leven, mijn alles! Amen.

ocr page 426

— 388 —

DERDE OVERWEGING.

De kroon der gerechtigheid.

Confitemini Domino, quoniam bonus, quo-niam in saeculum misericordia ejus.

D.mkt den Heer, want Hij is goed, cn zijne barmhartigheid duurt eeuwig.

Dan. III. 89.

W^elke groote, welke verhevene gaven schenkt Gods goedheid mij hier beneden. Niet tevreden mij geschapen, in stand gehouden, verlost, geheiligd en tot de hoogste mogelijke eereplaats verheven te hebben, geeft Hij mij zijne eigene Moeder, ja zijn eigen persoon. ..Quemadmodum maltiplicasti misericor-diam tuam, Deus!'' (Ps. XXXV. S.) „Mijn God, hoe menigvuldig üijn de bewijzen uwer barmhartigheid 1quot;

Indien Gij mij in den kerker reeds zooveel geelt, wat mag ik dan hopen in het paleis te zullen ontvangen? Indien Gij mij in het land der ballingschap reeds zooveel vreugde bereidt, wat mag ik dan in het vaderlijk huis verwachten! Indien Gij mij op den dag van tranen reeds zoo begunstigd, wat zal mij dan geworden op het bruiloftsfeest! Wat zult Gij mij dan schenken in het Paradijs, dat de vrucht der verlossing, de prijs uws bloeds, de vinding uwer liefde, het toppunt uwer vrijgevigheid is, indien Gij mij in het tranendal reeds met zulke onuitsprekelijke goederen overlaadt! Zullen niet alle vreugden die ik in het aardsche leven kan smaken, slechts een druppel zijn bij die zee van zoetheid, waarmede Gij in den hemel uwe uitverkorenen wilt bedwelmen? Zal alle schoonheid, die mij op aarde betoovert, wel iets meer zijn dan de boord aan het schoonste kleed, dan een flauw lamplicht in vergelijking van de stralen der gloeiende middagzon? Kan er in die heilige stad Gods wel sprake zijn van lijden en smarten, van droefheid en tranen, zooals ik die hier vind en met volle teugen uit den bitteren kelk drink. O neen. Ik zal niet enkel bezitten, wat ik verlang, maar zooveel genieten, dat mij niets meer te verlangen overblijft. De rechtvaardige Rechter zal i0 mijne lichamelijke,

20 mijne geestelijke zinnen kronen met de kroon der gerechtigheid en barmhartigheid.

ocr page 427

— 389 —

O mijne ziel, verhef u boven de sterren en laat uw oog weiden over het laatste en grootste gedenkteeken der goddelijke goedheid, opdat alles, wat de aarde aangenaams aanbiedt, u tot last worde, opdat gij voortaan slechts, wat daarboven is, moogt betrachten en nimmer hetgeen zich op aarde bevindt. Alles ter eere des alvergeldenden Verlossers.

I.

God kroont mijne lichamelijke zinnen.

Een naar billijkheid en rechtstrevend vorst laat na een gewonnen veldslag de veroverde buit niet over aan den generaal alleen, maar ook aan de overige soldaten, die door hunne dapperheid tot de overwinning hebben bijgedragen. Evenzoo handelt God met den menscK Het is de ziel, die in het sterfelijke leven wel het meeste voor den hemel doen moet, doch wat zou zij kunneto uitrichten zonder de getrouwe medewerking der lichamelijke zintuigen? Gelijk soldaten niet den veldheer, zoo moeten zij met de bevelvoerende ziel op het slagveld der wereld pal staan, strijden en zegevieren, moeten zij met haar den last en de hitte van den dag verdragen, en daarom beloont de rechtvaardige Rechter in het land der vergelding ook de zintuigen des lichaams voor de diensten, die zij aan de ziel bewezen hebben.

Hij beloont de oog en door den heerlijksten aanblik.

Het zou ongetwijfeld een heerlijk genot zijn de St. Pieterskerk te Rome, Napels en zijn bekoorlijke golf, Parijs, Weenen, Londen, Gonstantinopel en alle steden der aarde te zien; maar zooveel de hemel van de aarde, het eeuwige leven van de tijdelijke vreugde, de ware eer van de ijdele lof, het gezelschap der engelen van dat der menschen verschilt, zoover overtreft het hemelsch Jerusalem elke aardsche stad. En dat onbeschrijfelijke Sion aanschouwt het verheerlijkte oog in al zijn pracht en schoonheid. Het is geboeid door de nieuwheid, de verandering en veredeling aller dingen. Het ziet de myriaden van engelen, de vergadering der eerstgeborenen, de scepters der patriarchen, de zetels der profeten, de troonen der apostelen, de kronen der martelaren en al die verheerlijkte lichamen der

ocr page 428

— 39° —

heiligen, door Christus vernieuwd en aan zijne klaarheid gelijkvormig gemaakt, wier glans niet geringer is dan die der zon, want „de rechtvaardigen zullen in het rijk mijns Vaders schitteren als de zon.quot; (Matth. XIII. 43.) Het ziet de allerzaligste Maagd Maria, die zoowel door den glans harer verheerlijking als door hare deugden boven alle hemelburgers uitschittert. Het ziet den eengeboren Zoon Gods in zijn verheerlijkte menschheid. Als de H. Theresia eens de verheerlijkte hand van Jesus aanschouwde, geraakte zij van zalige verrukking buiten zich zelve. Welk een innig genot moet het dan zijn niet enkel een hand van Christus, maar zijn geheel persoon in zijn volmaaktheid ie aanschouwen. Zal het oog, dat nu door de zon reeds verblind wordt, die bovennatuurlijke lichtzee kunnen verdragen? Zooals het thans is, zeker niet, doch de Heer zal het vergeestelijken en geschikt maken tot hemelsche gezichten.

Met welk eene bereidwilligheid moet ik dan aan mijn oogen iederen ongeoorloofden blik ontzeggen, opdat zij eens verdienen mogen de onuitsprekelijke schoonheid des hemels te aanschouwen.

God beloont het gehoor en de tong.

Dat men in den hemel het gebruik heeft van ooren en tong, blijkt duidelijk hieruiquot;, dat ook Christus na zijne verrijzenis met zijne Apostelen gesproken heeft en door hen toegesproken is. Zoo zal ik ook in den hemel spreken en hooren spreken. In gezellig verkeer zal ik mij met de zalige geesten en met de uitverkorenen uit alle stammen, volken en talen onderhouden, hunne blijde groeten en gelukwenschen ontvangen, altoos nieuwe en verhevene uitspraken over de diepste geheimen Gods vernemen. Duizenden van jaren zullen in den vertrouwelijksten omgang als mimiten voorbijvliegen, terwijl hun onophoudelijk gejubel mij van vreugde bedwelmd. Met alle koren der zaligen zal ik den lof van God, den triomf der martelaren, de roemrijke daden der belijders, de eer der maagden, de zegepraal der rechtvaardigen over de helsche slang in feestliederen vermelden. De H. Franciscus, Hendrik Suzo, Nicolaus van Tolen-tijn, e. a. vernamen in hun aardsch leven slechts korten tijd het gezang der engelen en zij geloofden reeds in een andere wereld te zijn. Hoe zal ik mij dan verheugen bij alle soorten dier bovenaardsche muziek, welk genot zal mij overstelpen bij

ocr page 429

— 391 —

het hooren van dat nieuwe lied, door de onschuld aangeheven, bij het gezang der heiligen, dat schooner zal zijn naarmate de zangers bekwamer en talrijker zijn en naarmate Hij, die geprezen wordt, verhevener is.

Houd u dan, mijn tong, bestendig in bedwang, opdat gij eens losgemaakt moogt worden voor hemelsche gesprekken en gezangen. Sluit u, mijne ooren, voor ieder onbetamelijk woord, opdat gij eens waardig moogt zijn in het andere leven de harmonie der engelen te hooren.

God beloont den reuk.

Hoewel de H. Schrift geene bijzondere vermelding maakt van de belooning des reuks, zoo zegt toch het verstand, dat ook dit zintuig in den hemel schadeloos gesteld zal worden voor alles wat het op aarde ontbeerd of verduurd heeft, en dat het de.i liefelijksten geur zal genieten. Ook schrijft de H. Alph. Lig. „wierook en duizende geuren, die voor den troon des Allerhoogsten opstijgen, verrukken den reuk.quot; En als reeds de lichamen van heiligen na hun dood, zooals bijv. dat van den H. Hilarion, naar de H. Hieronymus getuigt, dat van den H. Servulus, naar de H. Gregorius de Groote verzekert, een wonderbaren geur verspreidden, zullen dan die verheerlijkte lichamen uit het graf ten eeuwigen leven opgestaan niet evenzoovele hemelsche rozen gelijken, die den reuk verkwikken? Ongetwijfeld; daarom zingt ook de H. Kerk: „Sancte tui, Domine, florebuut Sicut lilium, alleluja, et Secut odor balsami erunt ante te, alleluja.quot; Uwe heiligen zullen bloeien als de lelie, alleluja, en zij zullen voor u zijn als welriekende balsem, alleluja.quot;

Zal het mij dan, om eens dit loon deelachtig te worden, te veel zijn, eenigen tijd in het ziekenhuis of in een ellendige hut bij een afzichtelijken zieke of ergens anders in den dienst der armen te moeten vertoeven?

God beloont den smaak.

Dewijl de smaak door vasten en versterving, door het geduldig verdragen van honger en dorst hier voor God geleden heeft, wordt hij daar tot loon m.t hemelsche zoetheid verzadigd. Wel is er in den hemel, zouals de door Dionysius Carthusianus aangehaalde godgeleerden meenen, geen spraak van grof zinnelijke spijzen, zooals wij hier beneden hebben, want 10 aan

ocr page 430

— 392 —

dezulken hebben zij geen behoeften meer, daar de heiligen honger noch dorst zullen gevoelen, 20 zijn zulke spijzen voor hen niet meer geschikt, daar hunne lichamen vergeestelijkt zijn. Daarvoor echter ontvangen zij iedere soort van verkwikking en verzadiging, die voor het verheerlijkte lichaam het aangenaajnste en waardigste is. Zij nemen plaats aan het hemelsch gastmaal, zij nuttigen de spijs, die, naar het boek der openbaring, het leven met steeds nieuwe vreugde vervult, zij drinken den wijn dien Jesus zelf verzekert in het rijk Gods te zullen drinken.

Hoezeer moet ik dan aan de zinnelijkheid van mijn verhemelte weerstand bieden en mij steeds met den gewonen kost vergenoegen, om eens aan het goddelijk bruiloftsmaal te mogen deelnemen!

God beloont het gevoel.

liet lichaam zal ook na zijne verheerlijking nog altijd belastbaar zijn; want ook Christus zegt na zijne verrijzenis tot de Apostelen: raakt mij aan, en ziet, want een geest heeft geen vleesch en gebeente, zooals gij ziet dat ik heb.quot; Doch het zal onlijdelijk zijn en zich in een toestand van de hoogste volmaaktheid bevinden. Nieuwe kracht, nieuwe gezondheid doorstroomt het, waardoor het altijd jong, altijd nieuw, altijd onverwoestbaar zal zijn. Het zal klaar zijn en stralen in bovennatuurlijken glans om de deelachtigheid aan de glorie der ziel. Na de samenspraak die Mozes op den berg met den Heer gehouden had, schitterde zijn aangezicht zoodanig, dat Aaron en de zonen Israels niet tot hem durfden naderen. Deze glans is nog maar een flauwe schemering van het licht, waarin de verheerlijkte in den hemel zal stralen, want Christus zal het lichaam onzer vernedering hervormen, glt; lijnvormig aan het lichaam zijner heerlijkheid. (Philip. III. 21.) Het zal snel zijn, sneller dan het geluid, sneller dan het licht; snel als de gedachte zs.l het verheerlijkte lichaam op het verlangen der ziel den afstand tus-schen hemel en aarde doorijlen van het eene einde tot het andere, zonder alomtegenwoordig te zijn. Het zal zoo fijn zijn, dat het door steenrotsen, gegrendelde deuren en dik kb muren even gemakkelijk heendringt als de zonnestraal door vensterglas en kristalplaten. Zonder de ziel in het minste te bezwaren, zal het haar in snelle vlucht volgen. Door dat ik deze eigenschappen in mij en alle anderen waarneem, zal het gewoel

.

ocr page 431

— 393 —

ongemeen verrukt worden; het zal een overstelpende mate van zoetheid gevoelen, die grooter zal zijn, naarmate mijn geest van boetvaardigheid op aarde grooter was.

Hoe geduldig moet ik daarom alle moeite en pijnen, alle lijden en inspanning des lichaams verdragen, om eens de kroon te verwerven, die mij van uit den hemel toewenkt.

Maak dan, mijne ziel, vandaag deze voornemens; en mocht het u in de toekomst zwaar vallen die te houden, sla dan aanstonds het oog op naar het land der eeuwige vergelding, waar God uwe lichamelijke, en nog meer uwe geestelijke zinnen kroont.

II.

Naarmate de ziel het lichaam overtreft, zijn ook de genietingen grooter, waarmede de Heer de geestelijke zintuigen beloont.

Hij beloont het verstatul en het begrip.

Aan het verstand en het begrip beantwoorden waarheid, kennis en wetenschap. Wat ik hier beneden echter niet volledig kan kennen, in den hemel zie ik het licht der heerlijkheid. Welke zielevreugd zou het reeds zijn bij het tegenwoordige beperkte vermogen de theologie, philosophie, phijsica, astronomie, medicijnen, mechaniek, mathematiek en andere takken van wetenschap volledig te kennen. En als men daarbij nog de grootste dichter, musicus, historicus en redenaar was, zou men zich dan niet gelukkiger achten dan Salomon? En toch hoe gering zou dat alles te zamen nog zijn bij de kennis en aanschouwing Gods in den hemel? Daar zie ik God zonder de beelden, waaronder de aartsvaders Hem zagen, zonder de geheimen waaronder de profeten Hem aanschouwden, zonder het omhulsel, waaronder Hij zich aan de geloovigen vertoont. Dan zie ik Hem niet in de duisternis, maar in het helderste licht, zooals de psalmist zegt: „in uw licht zullen wij het licht zien.quot; (Ps. XXXV. lo.) Dan zie ik Hem niet van verre maar van nabij „van aangezicht tot aangezicht,quot; (I Cor. XIII. 12.) niet in een spiegel, in een raadsel, maar in zijn wezen, „zooals Hij is,quot; (I Jois III. 2.) in al de pracht zijner heerlijkheid, in al zijn aantrekkelijke schoonheid. (Is. XXXIII. 17.) Dan zie ik het geheim der allerheiligste Drievuldigheid, het geheim der

NIEUWE HANDLEIDING. 26

ocr page 432

— 394 —

eeuwige voortbrenging van den Zoon, het geheim der eeuwige voortkomst des H. Geestes uit den Vader en den Zoon, het geheim der innigste vereeniging van Christus godheid en mensch-heid, het geheim der schepping, besturing en verlossing der wereld. Dan zie ik Gods wijsheid, almacht, goedheid, trouw en liefde. Dan zijn mij de wonderwerken des H. Geestes en alle wegen der Voorzienigheid ontsluierd; waarom God de goederen der aarde zoo ongelijk verdeelt, waarom Hij zooveel kwaad en verwarring in de wereld toelaat, waarom het geluk de boo-zen toelacht, terwijl de goeden door den rampspoed vervolgd worden, waarom er in de voorbeschikking zulk een groot onderscheid bestaat tusschen menschen en menschen. Dan zie ik God in al zijne betrekkingen tot iederen mensch in den hemel, op aarde, en onder de aarde, in het tegenwoordige, verleden en toekomst. Als Mozes eens tot den Heer bad, om zijn aangezicht te mogen zien, sprak God; „ik zal u alle goeds laten zien.quot; (Exod. XXXIII. 19.) Zoo zie ook ik alle goeds in God: alle waarheden van den godsdienst, alle vromen, die ik te voren niet gekend heb, de behoeften en gebeden der geloovi-gen; ik zie in God den pelgrim op aarde en verheug mij over de bekeering des zondaars, over de zegepraal der bekoorden, over de volharding der rechtvaardigen. Al mijn dorst naar wetenschap is overvloedig gelescht, alle twijfel opgelost, al het onduidelijke is mij klaar, al het onverstaanbare verstaanbaar geworden, de oorzaken en gevolgen van al voor mij wetenswaardige dingen zijn mij openbaar, op elke vraag vind ik het juiste antwoord in God. O welke vreugde, welke zaligheid is die aanschouwing Gods! Wil ik haar verdienen, welk een on-vermoeiden ijver moet ik dan aan den dag leggen om mijn kennis uit te breiden en te besteden ten dienste van God.

Hij beloont den wil.

De wil verlangt de bevrediging zijner liefde. Hij wil het beminde bezitten en bezit het in den hemel, want de aanschouwing Gods is zoo wezenlijk, dat hij God en alle zaligheid, die hij aanschouwt, ook bezit en geniet. Hij bezit en geniet Gods schoonheid, goedheid, rijkdom enz. God is zijn erfdeel in eeuwigheid. In God bezit en geniet hij alle goederen, is hij in het gezelschap van hen, naar wie hij verlangt; ouders, bloedverwanten, vrienden, engelen en heiligen. Daar hij God en in

ocr page 433

— 395 —

Hem alle goed bezit, kan hij niets meer verlangen, niets zoeken, niets vreezen, maar is hij volkomen tevreden en in rust.

De wil wenscht volmaakte gerechtigheid, de algeheele onderwerping van het lagere aan het hoogere, van het hoogere aan God. Waar is die onderwerping volmaakter dan in den hemel, waar geen wanorde, geen opstand, geen tweedracht is, maar de schoonste overeenstemming heerscht tusschen lichaam en ziel, tusschen ziel en God. Daar is hij waarlijk één met God, geheel liefde met Hem, Daaruit ontstaat die vreugde, waarvan de H. Paulus spreekt: „het rijk Gods is niet eten of drinken, maar gerechtigheid, vrede en vreugde in den H. Geest. (Rom. XIV. 17.)

De wil verlangt te heerschen. Als ik hier met Christus lijd, zal ik daar heerschen met Hem, aan wiens rijk geen einde komt. „Laat toekomen uw rijk,quot; zoo heb ik immer gebeden. „Kom, gezegende mijns Vaders, heeft de Alvergelder gesproken, en neemt bezit van het rijk, dat van de grondvesting der wereld af u bereid is,quot; en nu zie ik alle vijandelijke macht gebroken en machteloos aan mijne voeten, de geheele wereld buiten mij is mij onderdanig. De hemel is mijn, alles is mijn. Met Christus zit ik op den troon der heerlijkheid en ik regeer met Hem, met den Vader en den H. Geest.

Nu begrijp ik het, waarom Aloysius van Gonzaga afstand deed van zijn erfrecht en Jezuiet werd, waarom de martelaar Hermenegildis aan het hemelsch koninkrijk de voorkeur gaf boven het aardsche, waarom Keizer Karei V zijn kroon afzette om zich bij tijds tot den dood voor te bereiden, waarom keizer Maximiliaan I vier jaar lang zijn doodkist met zich liet medevoeren, waarom ontelbaren zich de ontzaggelijkste offers getroostten in den dienst van God. Zij wilden dat rijk van eer en heenijkheid winnen, waar dj eersten de laatsten en de laatsten de eeisten worden.

En zoa ik mijn eigen zin en wil niet willen afleggen, het zoete juk des Heeren niet willen dragen, niet bestendig met Christus willen lijden, om eens eeuwig met Hem te heerschen.

De Heer beloont het geheugen.

Zooals de wil heeft ook het geheugen zijne vreugde in den hemel; want daar herinnert de ziel zich niets dan hetgeen haar troost verschaft. Iedere herinnering loopt uit op de bewond:-

ocr page 434

— 396 —

ring der goddelijke voorzichtigheid die alles ten beste der menschheid bestuurt. Met welke zoete blijdschap denkt de ziel dan aan de eeuwige liefde en goedheid, die haar zoo overvloedige genaden schonk, die haar aan zoovele gevaren ontrukte, die haar zoovele misstappen vergaf, in de beproevingen ter zijde stond, haar uit alle rampen beviijdde. Zal ik bij de herinnering daarvan niet jubelen en de barmhartigheid des Heeren eeuwig prijzen? Welke blijdschap, welke vreugde, als ik de lotgevallen van ieder mensch, van alle volken van het begin der wereld tot aan het einde als op een open blad geschreven zie, als ik erken, waarom God de engelen en de eerste menschen liet vallen, waarom Hij de Joden en niet een ander volk zich uitkoos, hoeveel goed er voor mij voortgekomen is uit hunne hardnekkigheid, als ik denk aan de deugden, het lijden, de strijd en overwinning van ied:ren heilige. Misschien is deze zalige herinnering naar de meening van Kardinaal Rellarminus de stroom met zijne beken, die de stad Gods verblijdt. (Ps. LXV. 5.)

Hoe gaarne moet ik de mij toegevoegde beleedigingen, het goed wat ik zelf bewezen heb, vergeten, hoe getrouw steeds in Gods heilige tegenwoordigheid wandelen, hoe aandachtig denken aan de geheimen des geloofs, opdat eens mijn geheugen dat heerlijk loon moge ontvangen.

God beloont de liefde, door haar van alle gebreken te zuiveren, door haar te volmaken en tot vereeniging met Hem op te heffen. Hier beneden is de liefde een liefde van verlangen naar God, daar is zij een liefde van zalig bezit; hier is zij een liefde van smart, van pijnlijk aandoende afwezigheid, van bitterzoet heimwee, daar is zij een liefde van innige, overzalige vereeniging; hier is zij een liefde van beproeving, van gemis, daar een liefde van belooning en genot. In die liefde op het innigst met God vereenigd, ben ik deelachtig aan zijne goddelijke natuur, zonder echter op te houden een mensch te zijn en zonder te beginnen God te worden. Indien nu reeds de liefde op aarde, de liefde van scheiding, gemis, verlangen en heimwee, van ontbering en zelfverzaking zoo genotvol is, dat zij voor den beminnende al het zware licht, al het bittere zoet maakt, welke zaligheid zal dan de volle, ongestoord en eeuwige vereeniging met God, het eeuwig bezitten en genieten van God voor mijne

ocr page 435

— 397 —

ziel zijn. Welke zaligheid, welke vreugde, als met God alle zaligheden alle vreugde zich in mij bevinden. Doch dat zou nog te weinig zijn; niet zij zullen in mijn hart komen, maar ik zal in de vreugde der zaligheid binnengaan, wart de Heer zegt; intra in gaudium Domini tui, „treed binnen in de vreugde.quot;

Welk verstand kan die blijdschap begrijpen? welke woorden kunnen haar verklaren? welke pen kan haar schetsen? met welke maat kan men nieten, wat onmetelijk is. Zoo groot, zoo onbegrijpelijk is, om met de II. Vincentius Ferr. te spieken, de glorie des hemels, dat al het lijden van dit leven, ja zelfs al de pijnen die de martelaren verduurd hebben, nog maar een spotprijs zou zijn, indien men daarmede, ik zeg niet den hemel, maar slecht een enkel uur der hemelsche zaligheid kon verdienen. Dit getuigenis wordt bevestigd door de woorden van den H. Augustinus die zegt: „zoo groot is de heerlijkheid van het eeuwige licht, dat indien men er maar een enkelen dag in moest verblijven, men toch voor dien prijs ontelbare jaren van genot en overvloed van aardsche goederen moest verachten.quot;

Neem dit ter harte, mijne ziel, verban uit u alle wereldsche neigingen, ruk u los van de aarde, wijd aan God alle krachten van uw hart toe en bemin Hem zooveel als het u met de hulp zijner genade mogelijk is, want de hemel is alles waard.

Mijn God, hoe groot, hoe goed, zijt Gij I Uw grootheid is zonder grens, uwe schatten zijn zonder tal, uwe barmhartigheid is zonder maat. Zonder grenzen, zonder tal, zonder maat is ook het löon, waarmede Gij mijne lichamelijke en geestelijke zinnen kroont. Gij zijt groot, en uwe gaven zijn groot gelijk Gij, want Gij zelf zijt het, die u in de eeuwigheid aan mij tot loon geeft. Geloofd en geprezen, verheerlijkt en gezegend zij daarom uwe wijsheid, uwe almacht, uwe goedheid, uwe oneindige barmhartigheid, o Heer; Gij, mijn hoogste veiligheid, mijn zekere rust, mijn rustige vreugde, mijn blijde zoetheid, mijn zoete eeuwigheid, mijn eeuwige zaligheid, zij gezegend en verheerlijkt, zij geprezen en geloofd van alles, wat u loven en prijzen kan! Amen.

ocr page 436

— 39» —

VIJFDE DA a.

SLUITING.

Mijn genot in den hemel.

Benedicite, omnes religiosi, Domino Deo deorum; laudate et confitemini ei, quia in omnia saecula misericordia ejus.

Gij, alle vromen, zegent den Heer, den God der goden, looft en prijst Hem, want zijne barmhartigheid duurt in alle eeuwigheid. Dan. UT, 90.

Ais eens Hendrik VIII, koning van Engeland met zijn onrechtmatige echlgenoote Anna Boleyn in de koepelkamer van zijn paleis stond, beschouwde deze geheel verrukt den schoonen sterrenhemel en zij riep uit: „o zie, hoe prachtig is toch de hemel, hoe heerlijk.quot; In het bewustzijn zijner bedreven misdaden antwoordde daarop de koning met een diepen zucht: „ach ja, de hemel is schoon, zeer schoon, doch hij is niet voor u, noch voor mij.quot;

Moet ook ik, na de heerlijkheid des hemels overwogen te hebben, met weemoed verzuchten zooals die ongelukkige koning? Goddank, neen; want tot mijn troost schrijft de H.Ber-nardus: „slechts moeielijk zal een kloosterling, die in zijn orde sterft, verdoemd kunnen worden. De weg van de cel naar den hemel is gemakkelijk, en misschien is er nog niemand van de cel in de hel gevallen; want misschien heeft nog nooit een ander dan een tot de zaligheid voorbeschikte tot aan zijn einde in de orde volhard.quot;

Zoet, verheffend woord! De heilige had ongetwijfeld toen hij deze gewichtige woorden sprak, die kloosterlingen op het oog die zooals de Cisterciénsers van zijn tijd, een heilig leven leidden; doch indien ik standvastig in het goede volhard, indien ik de heilzame besluiten, die ik in de afgeloopen dagen gemaakt heb, getrouw onderhoud, indien ik de opnieuw aan den ploeg geslagene hand niet meer terugtrek, dan, o dan geldt zijn troostwoord ook voor mij; ik zal in den hemel komen en dien bezitten:

10 zonder vermindering,

20 zonder verveling.

ocr page 437

— 399 —

3° zonder afgunst,

4° zonder einde.

Middelerwijl wil ik heden dikwijls de verzuchting ten hemel sturen: „Bekrachtig, o God, wat Gij in ons gewerkt hebt.quot;

I.

Ik za! den hemel bezitten zonder vermindering.

Alles, wat ik op aarde zie, bezit, of geniet, is aan verandering en vermindering onderhevig. Het kleed verandert en verslijt; de schoonste roos verwelkt zooals de hand die haar plukte, verzwakt; Je krachtigste jongeling gaat ten laatste gebukt onder den last der jaren, want aan alles knaagt de scherpe tand des tijds; alles derhalve wat aardsch is, draagt den stempel der onvolmaaktheid. Zal een goed volmaakt zijn, dan moet het geen vermindering ondergaan. Zulk een goed is de hemel. Wat ik daar bezit en geniet, bezit en geniet ik voortdurend, zonder vermindering, zonder afneming. Zonder vermindering geniet ik God, zonder vermindering zijn schoonheid, zonder vermindering zijn macht, zijn wijsheid, zijn goedheid, zijn zaligheid, zijn heerlijkheid, want „Hij is onveranderlijk en zijn rijk duurt van geslacht tot geslacht.quot; (Dan. IV i.) Een vermindering van mijn geluk was dan alleen denkbaar, indien ik God den rug zou toekeeren, doch dit zal nimmer plaats hebben, want, daar ik in de eeuwigheid God als het hoogste goed, als de samenvatting, den inhoud van alle goed erken, zal ik geen ander, geen oneigenlijk goed meer schatten, meer liefhebben, wenschen en verlangen; ik zal mij nimmer van God, als het hoogst erkende goed, afwenden, maar altijd in zijn genade en vriendschap verblijven, en in dat verblijven bovennatuurlijk bevestigd, Hem altijd aanschouwen en beminnen, loven, bezitten en genieten.

Met God bezit ik tevens zijne vrienden en hun gezelschap, de engelen en heiligen, wier getal nooit vermindert, want in den hemel is er geen pijnlijk scheiden, geen dood meer. „In den hemel, schrijft de H. Augustinus, verliest men geen vriend, vreest men geen vijand; daar wordt niemand geboren en sterft niemand; daar lijdt niemand nadeel, trekt niemand voordeel.'* In den hemel zijn veilige woningen, daar verflauwt geen

ocr page 438

deugd, verkoelt geen liefde, wisselt geen vriendschap, verwelkt geen schoonheid, verlamt geen kracht; daarom pleegt men de engelen, ofschoon zij reeds meer dan 6000 jaren oud zijn, altijd in de schoone gestalte der jeugd voor te stellen. Mijne op aarde vergaderde schatten van deugd zal geen dief, geen belager mij meer ontrooven, de mot verteert mijn rijkdom niet, mijn vreugde ontneemt niemand mij. Geen aanbrekende nacht komt de blijdschap van dien vreugdevollen dag vergallen; noch het tegenwoordige, noch de toekomst, zal in staat zijn mij weg te rukken uit het vaderlijk huis, wart, in den hemel is en blijft alles bestendig, niets is aan verandering, niets aan vermindering onderhevig.

O blijde zekerheid, zekere blijdschap, hoezeer verheft gij, hoezeer verzoet gij het hemelsche leven!

Billijk en meer dan billijk is het dus, dat ik het in het goede niet verflauw, niet verminder in het streven naar deugd, totdat ik eens het loon der deugd bezit in den hemel.

II.

Ik zal den hemel bezitten zonder verveling.

Als aan den heiden Socrates eens gevraagd werd, wat hij als de ware gelukzaligheid beschouwde gaf hij ten antwoord: „het is die, waarop nimmer berouw en verveling volgt.quot; Zulk eene is er echter buiten God nergens te vinden. Hoe liefelijk hier op aarde de schoonste muziek mag klinken, hoe vroolijk het op een bruiloftsmaal moge toegaan, hoe welriekend een veld van bloemen in den omtrek moge geuren, hoe betooverend wereldsche genietingen, hoe aangenaam menige samenkomsten mogen zijn, toch verliest in onze oogen alles aan waarde, indien het dagelijks terugkeert, alles begint te walgen, wanneer het te lang duurt. Slechts de vreugden des hemels vervelen nooit. Of zal het mij ooit tegenstaan mijn einddoel bereikt te hebben, een eeuwig overwinningsfeest te vieren, Gods aanschijn te aanschouwen, te midden van de koren der engelen te leven? Zal het mij ooit tegenstaan geen ziekte, geen gebrek, geen kwelling, geen vervolging, meer te lijden? Zal het mij ooit tegenstaan door de vreugde van het hoogste geluk overstelpt, verzadigd, begeesterd te worden? Neen. De hemelsche vreug-

ocr page 439

— 401 —

de heeft bovendien dit eigen, dat zij altoos een nieuwe bekoorlijkheid ontvangt, zoodat zij altoos op nieuw schijnt te beginnen. Verzonken in de zee van Gods ondoorgrondelijke volmaaktheden ontdekt de verheerlijkte ziel immer nieuwe heerlijkheden, immer nieuwe geheimen, waarover zij, in liefde ontvlamd, immer een nieuw jubellied aanheft. En met hare verrukking ontstaat ook immer een nieuwe verrukking in de rijen der gelukzalige deelgenooten. In dezer; zin kan naar de uitlegging van eenige godgeleerden het woord opgevat worden uit het Boek der Openbaring; „zij zöngen als een nieuw lied voor den troon.quot; (Apoc, XVI. 3.) Nieuw klinkt het lied van het onuitsprekelijk geheim der Verlossing, daar het met altijd nieuwe geestdrift, en op altijd nieuwe wijzen gezongen wordt. O oneindig zoete harmoniën en symphonieën, die zonder ophouden ruischen door de zalen der hemelsche stad! O onmetelijke zaligheid, waarmede geen schaduw van walging en verveling verbonden is. (Ps. LXXXIII. 1.) „Quam dilec'a taber-nacula tua, Domine virtutum.quot; Hoe liefelijk zijn uwe woon-tenten. Heer der heerscharen!

Laat mij, mijn God, toch nimmer walging of verveling gevoelen in de nauwgezette vervulling der plichten van mijn staat!

III.

Ik zal den hemel bezitten zonder afgunst.

Waar ter wereld is een macht, waar een eervolle plaats, die niet hare benijders heeft, die zich als lastige vliegen nederzetten op alles, wat zoet is? Waar vind ik een genot, dat mij niet van den een of den ander misgund wordt ? Zal mijn geluk volmaakt zijn, dan moet het niet door den schelen blik van den nijd worden aangegaapt. Wat echter op aarde bijna onmogelijk is, is in den hemel ware werkelijkheid. Daar benijdt de een den ander niet, dewijl

10 onder allen de eendracht der zuiverste liefde heerschten daarom eenieder zijn naaste bemint gelijk zich zeiven. Waar de liefde woönt kan Meester „Nijdquot; en zijne vrouw „Afgunstquot; geen onderkomen vinden, want „de liefde is niet afgunstig.quot; (I Cor. XIII, 4.) In den hemel benijdt de een den ander niet, dewijl

ocr page 440

402

2° de eeuwige zaligheid door de deelneming van anderen geen verlies ondergaat, „want de erfenis van Christus, zegt de H. Augustinus, wier medeërfgenamen wij zijn, wordt door de menigte van bezitters niet verminderd, noch door het getal der medeerfgenamen verbrokkeld; zij is voor velen even groot als voor weinigen, en voor weinigen even groot als voor allen.quot;

In den hemel benijdt de een den ander niet, dewijl

3° eenieder met de hem toebedeelde heerlijkheid tevreden is. Een rijk vader laat voor al zijne zonen nieuwe kleederea maken, en wel voor allen van hetzelfde laken, maar ook voor allen van dezelfde maat? Neen, zeker niet. De een is grooter, de ander kleiner, de een slanker, de ander meer gezet, daarom moet men eenieder het kleed aanmeten volgens zijn grootte en gestalte. Vraag ik nu aan het kleine kind, of het ontevreden is dat het eenige meters laken minder aan het lichaam draagt dan zijn oudste broeder, of het hem benijdt en zijn jasje zou willen ruilen met de lange broek? Het zou stellig neen zeggen. Aan een tafel zitten meerdere gasten, eten van dezelfde spijs en drinken van denzelfden wijn, de een meer, de ander minder, ieder naar zijn smaak en behoefte. Niemand is daarbij afgunstig op een ander, dewijl eenieder mag gebruiken, zooveel hij verkiest. Zoo is het ook in den hemel.

Alle uitverkorenen nemen deel aan hetzelfde hemelsche gastmaal; allen aanschouwen God, allen beminnen God, allen bezitten God, allen verheugen zich in God naar de mate hunner geschiktheid om zich te verheugen; allen zijn met het kleed van de zelfde heerlijkheid gedekt, ofschoon dat kleed bij den een grooter, bij den ander kleiner is naar den staat der heilig-makende genade en de maat van verdiensten, die zij op hun aardsche pelgrimsreis hebben vergaderd. Om diezelfde reden is een ieder met de hem geschonken heerlijkheid tervreden, dewijl hij weet, dat hem de zijne en niet die van een ander toekomt. Daarom begeert hij die van een anderen medeburger ook niet en benijdt hem volstrekt niet. In den hemel derhalve is geen afgunst, integendeel de een verheugt zich over de heerlijkheid van den ander, en zoo komt het, dat de glorie van den een het gemeenschappelijk eigendom wordt van allen. En wat de hoofdzaak is, dat die zaligheid, dat bezit des hemels zonder einde zal zijn.

ocr page 441

— 403 —

IV.

Ik zal den hemel bezitten zonder einde.

Zonder de eeuwigheid zou de hel geet; hel, de hemel ook geen hemel zijn, want „het is onmogelijk gelukkig te zijn, zoo men van de voortduring des geluks niet verzekerd is.quot; (S. Bernard.). Hoe grooter het goed, dat men bezit, des te verschrikkelijker de gedachte het te zullen verliezen. Deze gedachte is de doorn die in iedere keizers- en koningskroon zit en steekt, is de gal in de beker der vreugde; zij verbittert alle aardsch genot. Doch Goddank, in den hemel is het niet zoo. De hemel is mijn eeuwig vaderland. Daar is alles blijvend, alies bestendig, alles onvergankelijk. Daarvoor staat de H. Schrift met haar goddelijk gezag mij borg: (Sap. V. 16.) „de rechtvaardigen zullen leven in eeuwigheid.quot; (Luc. I. 33.) „Het rijk van Christus zal geen einde hebben.quot; In den hemel zullen de zaligen een onvergankelijk erfdeel bezitten, een onverwelkbare gloriekroon ontvangen. (I Pet. I. 4.) „Uw hart zal zich verheugen en niemand zal u uwe vreugde ontnemen.quot; (Joes. XVI. 22.)

Zal dan mijn vaderlijk huis niet verouderen en bouwvallig worden? Nooit. Kan ik dat Paradijs niet meer verliezen? In geen geval. Zal ik niet meer van God gescheiden worden f Volstrekt niet. Begrijp het, als gij daartoe in staat zijt, dat groote woord: eeuwig is de hemel de uwe, eeuwig zijt gij de zijnel Stel u voor den geest, wat gij wilt, het is te weinig; denk u, wat gij kunt, het is te weinig; lees, spreek, schrijf, wat gij wilt, het is te weinig. Eeuwig, zonder einde, altoos: welk begrip, welke beteekenis? De eeuwigheid is een cirkel, waarvan de omtrek „nimmer,quot; het middelpunt „immerquot; heet. Is daarmee een voldoende verklaring gegeven ? Neen, het is te weinig. Waar zult gij mijne ziel, ten minste een schaduwbeeld, waar eenige vergelijking vinden, die het bij benadering uitdrukt? Ik weet het niet; toch geloof ik, dat de openbaring die de H. Joannes ons beschrijft, hierin het beste van dienst kan zijn. Hij zag namelijk eens een engel van den hemel komen, met een boek in de hand; den rechter voet zette hij op de zee, den linker op de aarde, en met luider stemme, die door

ocr page 442

— 4cgt;4 —

zeven donders beantwoord werd, riep hij: „er zal geen tijd meer zijn.quot; (Apoc. X.)

De engel stond met den rechter voet op de zee.

Stel u nu voor dat er om de tooo millioen jaren een vogeltje komt en uit den onmetelijken oceaan een enkelen druppel drinkt. Dan zou het in ioo.oco millioen jaren nog maar joo druppels gedronken hebben; boe vele milliarden en billioenen jaren zouden er dan moeten voorbijgaan, voordat het een beekje, een stroom, een meer, alle wereldzeeën leeggedronken had. Telkens komt datzelfde vogeltje terug en drinkt zijn druppel, en eindelijk naar een onberekenbaar tijdsverloop komt het uur, het oogenblik, dat het uit de laagste diepte der zee den aller-laatsten druppel uitdrinkt. Welk een ontzaggelijke rij van jaren is ondertusschen vervlogen; doch van de eeuwigheid is nog geen seconde verstreken: ik was en ben nog in den hemel. O verheug u, mijne ziel!

De engel stond met den linker voet op de aarde.

Nadat het water verdwenen is, moet ook het land verdwijnen. Daarom komt er na bepaalde tijdruimten, die ieder een millioen maal zoolang zijn als het vogeltje noodig had om alle zeeën droog te maken, een mier, die telkens een stofje met zich meevoert. Na trillioenen van zulke tijdruimten is, er ternauwernood een rotsblok verdwenen. Hoe lang, ontzettend lang zal het duren voordat er een heuvel, een berg, een bergketen, alle bergen weggedragen zijn! Telkens komt de mier terug, en eindelijk, eindelijk komt zij voor de laatste maal, om het laatste stofje mee te voeren en van geen berg, geen dal, geen land, van de geheele aarde is niets meer over. Welke onuitsprekelijke rij van jaren is intusschen verloopen, doch de muren uwer eeuwige vaderstad hebben nog geen zandkorrel verloren; gij waart en zijt nog altijd in den hemel. O verheug u en jubel, mijne ziel!

De engel had een boek in de hand.

Indien de engel het geheele boek vol getallen schreef, waarvan elk een billioen maal grooter tijdruimte aangeeft, dan de vogel noodig heeft om al het water uit te drinken, welk een ontzaggelijke tijd zou dat zijn! En zoo hij bovendien nog ieder blad op de boomen, de geheele aarde, het uitspansel en alle sterren met nieuwe getallen volschrijft, waarvan elk trillioen

ocr page 443

— 405 —

maal meer aanduidt, dan die in zijn boek staan, hoe dikwijls moest ik dan op aarde komen en zoolang leven als Mathusala geleefd heeft! Doch eindelijk, eindelijk zou ik voor de laatste maal geboren worden om over 969 jaar van de aarde afscheid te nemen. Doch van den hemel zal ik nimmer behoeven te scheiden. Verheug u daarom, mijne ziel, juich en jubel; altijd en eeuwig is de hemel uw vaderland. Altijd en eeuwig is God! Altijd en eeuwig duurt zijn goedheid 1 Altijd en eeuwig blijft uw loon! O heilig Sion, waar alles bestaat, en niets vergaat! O zalige eeuwigheid 1 O eeuwige zaligheid! O hemelsch geluk, o gelukkige hemel, die geen vermindering, geen verveling, geen afgunst, geen einde, geen onvolmaaktheid kent!

Aan het einde der geestelijke oefeningen staat gij nu bij hetgeen zonder einde zal zijn. Gij staat nu op een standpunt, waar gij eeuwig zult staan! Gij staat op den wachttoren der eeuwigheid!

Vermoeid van uw lange geestelijke wandeling, zijt gij op den grens van uw eeuwig vaderland aangekomen! Zet u hier een oogenblik neder, rust een weinig uit, en verhaal mij in korte worden, wat gij gezien, welke wonderen gij aanschouwd hebt. Niet waar, om oprecht te spreken, gij zijt op uw lange reis niet vermoeid, niet zwak, maar sterker en krachtiger geworden, dan gij van te voren waart. Het eindeloos vergezicht voor- en achterwaarts heeft uw geloof, uw hoop, uw liefde immers verlevendigd?

De voornaamste gedenkteekenen van Gods goedheid overziende erkent gij nu, dat de liefde Gods reikt van eeuwigheid tot eeuwigheid! De Heer heeft u van eeuwigheid liefgehad en zal u tot in eeuwigheid liefhebben! Zijn liefde heeft twee eindelooze armen, waarmede zij u eeuwig omhelsd en omklemd houdt. Waarlijk, wie deze liefde niet bemint, voor hem moge zij in onverzoenlijken haat, in oneindige vijandschap verkeeren. O hoe gaarne zou ik op deze zuivere hoogte willen blijven en mij koesteren in den stralenden glans der goddelijke liefde! Hier is het goed te zijn; hier zou ik een tent willen bouwen, hier mij voorgoed nederzetten. Doch neen, lieve ziel, nog is het geen tijd van rust, van bezit, van genot. „Tempus faciendiquot; roept David ons toe, het is de tijd van arbeiden, van verdiensten. Wij moeten weer afdalen naar het dagelijksche leven,

ocr page 444

— 406 —

naar onze zorgen en beslommeringen, totdat wij die voor goed mogen verlaten en eeuwig rusten. Doch voordat wij van den heiligen berg der beschouwing afscheid nemen, voordat wij het laatste monument der goddelijke goedheid verlaten, zeg mij eerst nog: „wat is iedere ontbering, iedere versterving op aarde in vergelijking van den eeuwigdurenden jubelzang bij het hemelsch bruiloftsmaal? Wat is het lange vasten van een Pachonaeus, de lange eenzaamheid van een Antonius en Faulus, wat de boetpleging eener Magdalena, Thaïs, van een Hilarion, Bruno en Augustinus, wat is het langste boeteleven tegen het leven der eeuwige glorie? Zijn alle werken, alle vermoeienissen, alle lijden der heiligen in verhouding tot het hemelsche loon iets meer dan een vonkje in vergelijking met de lichtzee der zon?quot;

O neen, alle lijden van dezen tijd kan niet opwegen tegen de heerlijkheid, die in ons eenmaal geopenbaard zal worden. Daarom zweren wij God, onzen Heer onverbreekbare, eeuwige trouw! Juravi et statui custodire judicia justitiae ticae.quot; Het moge kosten wat het wil, de hemel zal en moet de onze worden! Al moeten wij in ons aardsch leven blind worden, maar eenmaal moeten wij de oogen openen vöor het licht des hemels en de goedheid des Heeren zien in het land der levenden! Al kost het ons het gehoor, wij offeren het gaarne op, maar hooren moeten wij eenmaal de hemelsche kooren en in ons hart opnemen die tooverklanken der hemelsche harmonieën. Al kost het ons de spraak, al moeten wij zwijgen bij ieder verwijt, beleediging, laat het zijn, maar openen moeten wij eenmaal den mond, om in te stemmen in het feestlied der heiligen voor den troon van het onbevlekte Lam, om mede te zingen de lof- en dankliederen der eeuwige barmhartigheid. „Misericordias Donini in at er nu m cantabo.quot; Ook onze stem moet klinken in het koor van het hemelsche alleluja. Al kost het al onze lichamelijke zintuigen, maar inademen zullen wij den geur der hemelsche reukwerken, stralen zal ons lichaam in eeuwigen glans, bezitten zal het alle gaven der verheerlijkten! Al moeten wij elk gezellig verkeer missen, alle aardsche vreugde ons ontzeggen, het zal gescheiden, maar ingaan moéten wij in de zalige gemeenschap der zegepralende Kerk. Al moeten wij ook den marteldood verduren van een Sebastianus of Laurentius, welaan, hetzij zoo, geen

ocr page 445

— 4° 7 —

prijs is ons te hoog, om het rijk der hemelen te koopen. Liever willen wij in het niet terugzinken dan u, o Jesus, u, oneindige liefde, niet eeuwig te beminnen, eeuwig te bezitten, eeuwig te genieten. G-ij zijt ons voorbeeld, wij willen uw evenbeeld zijn. Gij zij!; ons doel, wij willen het bereiken. Zeker, wij zijn zwak en alleen kunnen wij niet verwerven wat wij verlangen; doch Gij zijt de almacht; o versterk ons, opdat wij niet meer moede worden. Wij zijn blind. Gij zijt de wijsheid; o maak, dat wij zien, en niet meer blind worden. Wij zijn wankelmoedig. Gij zijt onwankelbaar; ondersteun or;s, opdat wij niet meer vallen. Wij zijn zondig, Gij zijt de heiligheid; sta ons bij, opdat wij niet meer zondigen. Wij zijn laauw, Gij zijt de liefde; ontvlam ons, opdat wij niet meer verkoelen. Wij zijn aan dwaling blootgesteld, Gij zijt de waarheid, laat ons niet dwalen. Wij zijn ellendig, Gij zijt oneindig barmhartig, maak van ons gedenkzuilen uwer barmhartigheid! O Heer verhoor ons gebed, en laat ons geroep tot u komen! Door u en in u bemoedigd, versterkt en verlevendigd willen wij nu voortgaan om voor uwen naam te arbeiden, te lijden te strijden. „Euntes ibant et flebant mittentes semina sua,quot; en wanneer eenmaal onze levensklok twaalf slaat, dan zullen wij blijde met onze schoven terugkeeren naar den tempel uwer goddelijke goedheid. — Venientes autem venient cum exulta-tione portantes tnanipulos suos. — Wij zullen aankloppen en vragen om in ons eeuwig vaderland toegelaten te worden. En mocht Petrus soms aarzelen de deur des hemels te openen, wat dan? dan zullen wij zelf haar openen. Zie, daar heeft de goddelijke goedheid drie exlra-sleutels gemaakt, die de tempeldeuren altijd ontsluiten. Op den eersten staat geschreven: „oordeelt niet, en gij zult niet geoordeeld worden.quot; Op den tweeden: „vergeeft en u zal vergeven worden.quot; Op den derden: „weest barmhartig, gelijk uw hemelsche Vader barmhartig is!quot; „Wie barmhartig is, zal barmhartigheid verwerven.quot; Draag ze uit voorzorg bij u, en verlies ze niet, om ze bij de hand te hebben in geval van nöod. En nu vaarwel, lieve ziel, onder Gods hoede!

GELOOFD ZIJ JESUS CHRISTUS!

Amen i

ocr page 446

INHOUD.

OP DEN VOORAVOND DER GEESTELIJKE OEFENING. Woorden van opwekking. . . . .267 EERSTE DAG. eerste overweging. Het geJenkieeken

onzer schepping.........2 75

tweede overweging. Hetgcdenklecken onzer instandhouding. 283 derde overweging. Het gedenkteckcn onzer verlossing. . 294 TWEEDE DAG. eerste overweging. De kloosterlijke staat. 304 tweede overweging. De gehoorzaamheid. . ; *312 derde overweging. De evangelische armoede. . .322 DERDE DAG. eerste overweging. De trouwring der maagdelijkheid. ........ 332

tweede overweging. De priesterlijke staat. . . . 342 derde overweging. De goddelijke barmhartigheid. . 355 VIERDE DAG. eerste overweging. Onze Lieve Vrouw. 366 tweede overweging. Het Allerheiligste Sacrament. . 376 derde overweging. De kroon der gerechtigheid. . . 388 VIJFDE DAG. sluiting. Mijn genot in den hemel. . 398

ocr page 447
ocr page 448
ocr page 449
ocr page 450