h*ir.K7±
d Dgrnahchtc
Hst vervalsctite Testament
of
Sraaf Montpellier in de gevangenis van Toulon.
EERSTE HOOFDSTUK.
EEN ONVERWACHT BEZOEKER.
Sp| p den weg, die van Parijs naar het slot van ^en graaf van Montpellier voert,
vgt;jl tZf* ,
% Sing met haastige schreden een man, wiens | zonderlinge kleederdracht dadelijk den vreemdeling verried.
Hij was groot van gestalte, forsch gebouwd en zijn gelaat was door de zon gebruind. Hij zag er uit als een reiziger, die alle werelddeelen doorkruist heeft.
Naarmate hij het oude slot naderde, dat op eene hoogte gelegen was, verhaastte hij zijn tred. Daar, boven op den heuvel, lag het oude slot der graven Montpellier, door vriendelijk geboomte en parken omgeven. De hooge boog-
vensters schitterden als goud in de zonnestralen; de sterke, grijze muren staken somber af tegen den helderblauwen hemel en de torentjes, die het dak versierden, gaven het slot een eeuwenoud aanzien.
Gegroet, oud verblijf mijner voorvaderen, riep de vreemdeling met geestdrift uit, gegroet, onvergetelijk verblijf mijner kindsheid. Na eene twaalfjarige scheiding keer ik tot u terug, om u weder te betrekken, om mijne dochter weder te zien. Zij moet eene jonkvrouw geworden zijn en zal haren vader, die zoolang in den vreemde heeft gezworven, niet meer herkennen. De twist en de gevaren zijn voorbij. Mijn oom wilde zich met mij verzoenen en alles herstellen door mij tot zijn erfgenaam te maken, daar hij kinderloos stierf. Ja, thans keert Lode wijk Montpellier na een lang, rusteloos leven, uit de nieuwe wereld terug, om deze erfenis te aanvaarden, maar boven alles, om zijn kind terug te zien, dat onder de hoede van haren oom is opgegroeid. Hij zal het mijn dierbaar kind niet hebben doen gevoelen, wat hem en mij eens deed scheiden.
Op dit oogenblik werd hij in zijne alleenspraak gestoord door een half onderdrukt gelach, in zijne nabijheid.
7
Gestoord zag hij om, want dit hoonend gelach had hem hevigf geschokt.
ö O
De vreemdeling zag een man, die op korten afstand tegen een boom leunde. Hij scheen bejaard, zijn haar begon te grijzen. Het gezicht van den oude had eene ietwat on-noozele uitdrukking; zijne lippen bewogen zich zonder ophouden, alsof hij gewoon was met zich zeiven te spreken.
»Wat is die heer vreemd gekleed,quot; mompelde de oude.
gt;Dat is de oude tuinman,quot; dacht de vreemdeling. Daarna voegde hij er luid bij :
ïDat is immers het slot Montpellier, nietwaar?quot; »ja, dat is het slot, antwoordde de oude man en knikte met het hoofd. »Ik ben de vroegere tuinman, maar sedert twee jaren is er nog een nieuwe uit Parijs bij, en ik ben thans het vijfde rad aan den wagen, omdat men mij niet gaarne wegjaagt ; dat gaat zoo, als men oud wordt. Ja, mijnheer, dat is het slot Montpellier, daar woont de jonge graaf van Montpellier.quot;
gt;De oude graaf van Montpellier heeft eene andere woning betrokken, het laatste verblijf, dat ieder sterveling betrekken moet,quot; zeide de vreemdeling.
vensters schitterden als goud in de zonnestralen; de sterke, grijze muren staken somber af tegen den helderblauwen hemel en de torentjes, die het dak versierden, gaven het slot een eeuwenoud aanzien.
Gegroet, oud verblijf mijner voorvaderen, riep de vreemdeling met geestdrift uit, gegroet, onvergetelnk verblijf mijner kindsheid. Na eene twaalfjarige scheiding keer ik tot u terug, om u weder te betrekken, om mijne dochter weder te zien. Zij moet eene jonkvrouw geworden zijn en zal haren vader, die zoolang in den vreemde heeft gezworven, niet meer herkennen. De twist en de gevaren zijn voorbij. Mijn oom wilde zich met mij verzoenen en alles herstellen door mij tot zijn erfgenaam te maken, daar hij kinderloos stierf. Ja, thans keert Lodewijk Montpellier na een lang, rusteloos leven, uit de nieuwe wereld terug, om deze erfenis te aanvaarden, maar boven alles, om zijn kind terug te zien, dat onder de hoede van haren oom is opgegroeid. Hij zal het mijn dierbaar kind niet hebben doen gevoelen, wat hem en mij eens deed scheiden.
Op dit oogenblik werd hij in zijne alleenspraak gestoord door een half onderdrukt gelach, in zijne nabijheid.
7
Gestoord zag hij om, want dit hoonend gelach had hem hevig' geschokt.
O O
De vreemdeling zag een man, die op korten afstand tegen een boom leunde. Hij scheen bejaard, zijn haar begon te grijzen. Het gezicht van den oude had eene ietwat on-noozele uitdrukking; zijne lippen bewogen zich zonder ophouden, also! hij gewoon was met zich zeiven te spreken.
»Wat is die heer vreemd gekleed,quot; mompelde de oude.
»Dat is de oude tuinman,quot; dacht de vreemdeling. Daarna voegde hij er luid bij :
5-Dat is immers het slot Montpellier, nietwaar?quot;
»Ja, dat is het slot, antwoordde de oude man en knikte met het hoofd. sgt;lk ben de vroegere tuinman, maar sedert twee jaren is er nog een nieuwe uit Parijs bij, en ik ben thans het vijfde rad aan den wagen, omdat men mij niet gaarne wegjaagt ; dat gaat zoo, als men oud wordt. Ja, mijnheer, dat is het slot Montpellier, daar woont de jonge graaf van Montpellier.quot;
gt;De oude graaf van Montpellier heeft eene andere woning betrokken, het laatste verblijf, dat ieder sterveling betrekken moet,quot; zeide de vreemdeling.
8
»De jonge graaf is op jacht, ' ging de oude voort., alsof hij deze woorden niet gehoord had, »ja, men leidt er een rijk en weelderig leven daar in het slot, maar hoe kan het ook anders.quot;
sDe tuinman was twaalf jaar geleden niet wel bij zijn verstand ; dit schijnt niet beter te zijn geworden,quot; dacht de vreemdeling, hij herkent mij niet en zegt dingen, die ik niet versta. »Goeden avond, oudje,quot; voegde hij er luid bij, en wilde zijn weg naar het slot voortzetten.
»Goeden avond, heer, en goeden uitslag,quot; riep de oude even luid en zag den vreemdeling na. Deze ging op den breeden, met boomen omzoomden weg verder en naderde spoedig den ruimen, heerlijken tuin vóór het slot, die door een hoog, fraai, ijzeren hek omgeven was.
De aanleg van den tuin was geheel nieuw, de teruofQfekeerde herkende daarom dit g-edeelte
O ö
nauwelijks meer.
Hij bleef staan, en zag naar het slot op. Ook de zware, kostbare gordijnen van de half geopende vensters waren nieuw, en het geheel had het voorkomen, als ware er een nieuwe heer gekomen, om het oude voorvaderlijke slot van de graven Montpellier te verfraaien.
De vreemdeling was verbaasd over die verandering, daar zijn oom nooit voor zulke nieu-
9
Avigheden was geweest. Hij naderde de breede
poort van het hek, en betrad den kiezelweg,
die aan beide zijden door schaduwrijke boomen
en bloeiende buitenlandsche orewassen was
ö
begrensd.
Een man was bezig de laatste op te. binden. Hij zag den vreemdeling, dien hij, verbaasd en vragend, van 't hoofd tot de voeten opnam.
gt;Tot wien wilt gij gaan, mijnheer,'1 vroeg hij, »de graaf is niet op t slot.quot;
De vreemdeling bleef staan. Deze woorden schenen hem te verrassen. Ook de oude tuinman had gezegd, dat de graaf op jacht was en nu werden die woorden door den nieuwen tuinier bevestigd.
o
»lk meende, dat graaf Alexander Montpellier gestorven was,quot; zeide hij.
«Ja, de oude graaf is reeds twee jaren dood,quot; antwoordde de tuinier; »maar de jonge graaf is nu eigenaar van het slot; ik dacht, dat gij hem verlangdet te spreken.quot;
De vreemdeling staarde den tuinier een oogenblik sprakeloos aan, zoodat deze niet wist, wat hij van die sombere gelaatsuitdrukking denken moest.
»Wat zegt ge daar?quot; vroeg de vreemdeling
10
eindelijk met gesmoorde stem; »dejonge graat van Montpellier bewoont dit kasteel ?quot;
»Zeker, mijnheer, waarom verwondert u dit?quot;
»Hoe lang is graaf Lodewijk Montpellier op dit kasteel ?'
»Sedert den dood van den ouden graaf, die slot en al aan zijn neef en eenigen erfgenaam, den tegemvoordigen graaf Lodewijk Montpellier heeft vermaakt. De jonge graal was, geloof ik, bij het leven van den ouden heer, uit het slot gebannen, omdat hij jaren geleden, tegen d;n wil van den ouden graaf een huwelijk had aangegaan. Ik heb dat zoo maar gehoord,quot; zei de tuinier, »ik ben eerst twee jaren hier, sinds de jonge graaf zijne erlenis heeft aanvaard, en weder gehuwd is.quot;
gt;Weder gehuwd,quot; vroeg de vreemdeling, die bij elk woord van den tuinier meer verbaasd scheen; »en deze jonge graaf Lodewijk Montpellier bewoont nu twee jaren het kasteel ?quot;
»Zeker, mijnheer,quot; antwoordde de tuinier glimlachend, »ik weet niet, wat u daarbij zoozeer verwondert 1quot;
»Gij zijt de nieuwe tuinier, niet waar ?quot; vroeg de vreemdeling met onderdrukten toorn.
»Ja, mijnheer.quot;
»Zeg mij toch, is dan Engeline hierop 't slot?'
11
sEngeline ?quot; vroeg de tuinman.
^De dochter van den jongen graaf.quot;
gt;Ha zoo, de dochter van de gestorven gravin, meent gij ? Neen, mijnheer, die is niet op 't slot, zij wordt bij den boschvvachter Judas, in 't dorp opgevoed, want zij moet... ik weet het niet, maar, naar men zegt, moet zij de nieuwe gravin ongehoorzaam geweest zijn, ook moet de graaf het zoo bepaald hebben ; ik weet dat niet zeker, mijnheer.quot;
gt;En de jonge graaf is thans niet op het slot?quot; vroeg de vreemdeling.
.Hij is heden morgen met eenige voorname heeren uit Parijs op jacht gegaan en keert zeker niet voor morgen terug, maar de gravin is op het slot.quot;
gt;En sedert twee jaren is de jonge graaf op het kasteel ?quot;
«Dadelijk na den dood van den ouden graaf is de jonge graaf teruggekeerd, om dit slot te betrekken,quot; antwoordde de tuinman.
»Ik dank u, mijn vriend,quot; zei de vreemdeling.
»Wie mag dat toch zijn ?quot; zeide de tuinman bij zich zeiven. »En wat is dat voor eene klee-dinof? Die man komt zeker uit vreemde landen.quot;
De vreemdeling verkeerde in groote opgewondenheid na zijn gesprek met den tuinman.
12
gt;Wie is deze erfgenaam, deze Lodewijk Montpellier,quot; zeide hij bij zich zei ven, »wie heeft mijne erfenis gestolen en zich in mijne afwezigheid in het bezit van 't slot gesteld ? Welk geheim of welk ongehoord bedrog mag dat wezen ?
»Er bestaan geen bloedverwanten ; geen enkel lid uit de eenige linie der Montpelliers, draagt dezen naam. Opheldering, zekerheid, moet ik hebben van hetgeen hier gebeurd is. Waarom is Engeline niet op 't slot ? Waarom bij een boschwachter in het dorp uitbesteed ?quot;
Terwijl de vreemdeling aldus tot zich zeiven sprak, was de gravin uit haar weelderig ingericht boudoir in een groot salon getreden, voor welks ramen zware zijden gordijnen hingen, die het zonlicht temperden. Er heerschte daarom in dat salon een geheimzinnig duister.
De gravin was eene trotsche dame, wier houding en uiterlijk verrieden, dat zij niet meer in den eersten bloei der jeugd was.
Toevallig bemerkte zij, aan het venster staande, den vreemdeling, die door het park ging; zij wist zelf niet, wat haar bewoog, hem opmerkzamer gade te slaan ; was het een voorgevoel van een naderend gevaar ?
Zij verschrikte, toen zij dien man zag.
13
Waarom ontstelde zij zoo plotseling ? Wie was de man, die het portaal naderde ? Kende zij hem?
Haar gelaat werd bleek ; zij stond een oogen-blik als versteend. Toen echter verliet zij het raam en een koude glimlach speelde om hare lippen
»Zottin!quot; mompelde zij, »gij ziet spoken! Welke mogelijkheden stelt gij u voor ! Een vreemdeling verschrikt u ? Dooden staan niet op.quot;
Zij wilde naar de sierlijke schrijftafel gaan, maar halverwegen stond zij stil.
De bediende van de gravin verscheen op den drempel en bleef staan, terwijl hij eene
buitdno- maakte.
lt;gt; lt;_â¢
»Waarom stoort gij mij?quot; vroeg de gravin.
»lk verzoek u verschooning; een vreemde heer verlangt u te spreken.quot;
gt;Wie is die vreemdeling?quot;
»Hij wil zijn naam slechts aan u noemen.quot;
iMijn echtgenoot is afwezig, en ik ontvang geen menschen zonder naamzei de gravin met kouden trots, »ga, zeg hem dat.quot;
De bediende boog zich en wilde juist het vertrek verlaten, toen hij, zich omkeerende, den vreemdeling reeds op den drempel zag staan.
14
»Ga heen!quot; zei de vreemdeling tot den bediende, op zulk een vasten, gebiedenden toon, dat deze terstond gehoorzaamde. De gravin scheen op dat oogenblik niet in staat een bevel te geven. De houding van dezen man, die als een meester optrad, verlamde haar.
Zij stond doodsbleek tegenover den vreemdeling, een man van reusachtige gestalte, die haar met een doorborenden, verpletterenden blik aanzag.
Gelijk men, van schrik verstijfd, tegenover een spook zou staan, zoo stond daar de gravin als een beeld.
De vreemdeling trad eenige schreden nader.
gt;Agatha Leroux, huishoudster van mijn oom, herkent gij mij niet ?quot;
gt;Gij, een vreemdeling, dringt in mijn kasteel,quot; riep de gravin, die thans hare zelfbeheersching had herkregen, gt;welke eene ongehoorde daad! Wie zijt gij, dat gij zoo tot mij durft spreken ?quot;
gt;Ik ben de ware Lodewijk Montpellier! ik kom, om mijn erfdeel te aanvaarden en vind iemand, die mij vóór is geweest en die u gehuwd heeft,quot; ging de man voort. sGij hebt mij dood gewaand, omdat ge in
twee jaar niets van mij gehoord hebt, maar nu ben ik hier.quot;
AVelk een schandelijk bedrog!quot; riep de gravin in de grootste ontsteltenis. »Weg van hier! Gij hebt, zoo het schijnt, naar zekere namen en toestanden geïniormeerd, en wilt hier de rol van verdrongen erfgenaam spelen, maar../' Zij trad dreigend naar de tafel, waarop een gouden bel stond, en wilde schellen.
gt;Houd op, gewezen huishoudster,quot; beval de vreemdeling, »vóór u staat geen bedrieger of indringer. Herkent gij den rechtmatigen erfgenaam, Lodewijk Montpellier niet, dan zal dit document u overtuigen, dit afschrilt van het testament door mijn oom eigenhandig geschreven, en mij in Amerika toegezonden.quot;
jEen testament?quot; vroeg de gravin, ver-bleekende.
gt;Gij wist zeker niet, dat mijn oom dit afschrift maakte en het mij toezond, en gij gevoeldet u veilig, omdat gij bijna twee jaren ongehinderd in het bezit van dit kasteel waart, â maar nu sta ik hier, om mijne erlenis te aanvaarden, en vóór alles, om mijn kind terug te vorderen. Waar is mijn kind? Waar is Engeline?quot;
gt;Verlaat het slotT' riep de gravin, sidderend
16
van opgewondenheid en toorn, »uw testament is valsch, want de ware Montpellier is hier, en is als echte, erkende erfgenaam, sedert lang bezitter van het slot zijns ooms. Verlaat dit vert-ek, anders roep ik om hulp en laat u door mijne bedienden uit het slot verwijderen.quot;
jgt;Gij hebt een ongehoord bedrog gepleegd, Agratha Leroux ! Maar beef voor den waren Lodewijk Montpellier, die vóór u staat, beef voor dit bewijs !quot; riep de man en hield zijn testament opgeheven in de rechterhand; »sidder voor de straf en voor mijn wraak. Gij hebt mijn kind verstooten. Welk grooter bewijs is er, dat hij, die mij verdringen wil, en zich mijn naam heeft toegeëigend, niet Lodewijk Montpellier is, dan dat hij mijn kind verstooten heeft! Zoek al uwe bewijzen, breng documenten en getuigen bij, de stem van uw hart zal luider spreken dan alles, wat gij kunt verzinnen, om mij te overwinnen.quot;
De gravin greep bleek van toorn de bel.
^Genoeg!quot; zei de vreemdeling; »ik ga, maar wee u! Ik zal u en uwen man doen kennen, ik zal niet eerder rusten, voordat ik u het masker van het gelaat heb gerukt. '
De vreemdeling stak het bewijsstuk in zijn zak en verliet het vertrek der gravin, die
17
daar onbeweeglijk stond en hem met de oojren volsjde.
à O
Toen de deur achter hem was gesloten, en zijne luide stappen niet langer in den gang weerklonken, richtte de gravin zich handenwringend op, hare oogen fonkelden, haar bleek gelaat kreeg eene vreeselijke uitdrukking.
»Hij is het.. . hij leeft â hij heeft een testament. Maar nos: weet niemand van u â teruquot;-.
O £gt;
keeren zult gij niet ! Twee Lodewijk Montpelliers kunnen niet blijven leven. .
Verplaatsen wij ons nu voor eenige oogen-blikken naar het kerkhof van Montpellier. Bij een half vervallen graf knielde dien avond een meisje in eenvoudige, landelijke kleederdracht. Op dat graf lag een krans van heidebloemen ; het was de eenige versiering van den grafheuvel. Heete tranen, die aan de oocjen van de engelachtige Engeline ontrolden, besproeiden den krans. Zij had zich diep over quot;t graf gebogen, zoodat zij den ruiter die naderde, niet bemerkte.
Ook zijn doel scheen het kerkhof te wezen. Hij sprong van 't paard en bond het aan een boom vast.
gt;Engeline ! zwaar beproefde Engeline !quot; zeide hij op zachten toon.
18
Toen hij zag, dat zij alleen waren, voegde hij er op troostenden toon bij: gt;Alles is voorbereid! Dezen nacht zal ik u een ander tehuis
bezorgen.quot;
Engeline richtte zich bij het geluid van deze welbekende stem op, zij wendde hare groote, betraande oogen naar hem, die haar op 't kerkhof opzocht, en een straal van hoop vloog over haar aangezicht.
»Gij komt, Louis!quot; zeide zij; »ik hoopte het, ik verwachtte u.quot;
gt;En gij hebt weder geschreid, Engeline!quot; zeide de reeds grijs geworden landman op deelnemenden toon.
»Verwondert u dat, Louis, aan het graf mijner lieve moeder? Bij ieder bezoek aan dit graf wordt het mij duidelijk, wat ik aan haar verloren heb, meer en meer word ik overtuigd, dat ik in gevaar verkeer, zoolang ik het huis van Judas bewoon. Gij zegt, dat gij mij dezen nacht een beter verblijf zult bezorgen ; dat is goed, Louis, het moet zoo zijn ! ik moet weg.quot;
»En ik zal u beschermen! laat mij voor alles zorgen.quot;
»Het mag zoo niet langer blijven, gij hebt gelijk, Louis. Ik ben bang voor het slot,quot; zeide Engeline met angst, »ik kan deze nieuwe
19
moeder niet liefhebben, die mij reeds heimelijk mishandelde, toen oom nog leefde.quot;
»Maar komt uw vader dan nooit, om u te zien. Engel ine ? Vraagt hij nooit, hoe het met u gaat?quot;
»Mijn vader? Ik weet alleen, dat ik vroeger eene lieve moeder en een goeden vader had, die mij liefkoosden, met mij speelden en mij kusten. Maar mijne moeder stierf; en wat er van mijn vader geworden is, weet ik niet! Ik kwam in het slot bij den ouden oom, de huishoudster haatte mij toen reeds, en maakte mij hatelijk in de oogen van mijn oom ; ik werd dikwijls streng gestraft en moest dagen lang in eene donkere, koude kamer doorbrenofen.quot;
»Twee jaren geleden stierf oom, en dadelijk kwam graaf Lodewijk terug, die mijn vader zou zijn, ik herkende hem niet meer en hij had mij niet meer lief. Hij gaf mij aan den boschwachter Judas en zeide, dat oom het zoo bepaald had. Nu ben ik sedert jaar en dag in de hut, en heb geen vader, geene moeder of geen oom meer, â slechts u, Louis. God heeft mij u gegeven : gij zijt mijn steun, mijne hoop, aan u alleen durf ik alles zeggen, wat mij kwelt en pijnigt, maar aan niemand anders, want Judas lacht, als ik iets zeg en
20
brengt het over naar het slot; zijne vrouw slaat, en mishandelt mij.quot;
»Wat hebt gij daar op uwe wang?quot; vroeg Louis; »zij is met bloed bevlekt.'
gt;Het is niets, Louis, ik heb geweend.quot;
i-Komt dat van het weenen ? Engeline, zeg mij, waarom gij weder geweend hebt! uwe trekken verraden mij, dat er weder iets gebeurd is; vertrouw uwen vriend alles. Cf twijfelt gij aan mijne belangstelling voor u rquot;
»Neen, neen, u vertrouw ik. Ik wilde u eerst deze nieuwe vernedering en mishandeling niet vertellen,quot; zeide Engeline; »ik schaamde mij. Gisterenavond, toen het geregend had, keerden vrouw Judas en ik uit het bosch terug, waar wij Judas met zijn werk hadden geholpen.
gt;: Op den terugweg had ik een krans van heidebloemen gevlochten, om daarmede het graf mijner lieve moeder te versieren. Op den straatweg gekomen, zagen wij de gravin te paard den weg afkomen ; de stalmeester reed achter haar en voor haar waggelde de vette, oude hond, die op bevel van den veearts be-wes^ing; moest hebben.
O O
gt;Wij bleven staan, mijn hart klopte hoorbaar van angst en afschuw ; de gravin naderde en groette vrouw Judas. Toen zij den krans aan
mijn arm zag, wenkte zij mij. »Engeline,quot; zeide zij, »het is hier voor Smousje te vuil op den weg, neem hem op den arm en draag hem naar het kasteel, maar blijt naast mijn paard, opdat ik kan zien, of gij hem ook leed doet.quot;
»Dat was eene schandelijke, berekende vernedering !quot; riep Louis, in een opwelling van toorn, »zij wilde u diep vernederen, o, ik begrijp alles ! Zij zag, dat gij het graf van uwe moeder wildet versieren.quot;
â Er kwam een gevoel van verontwaardiging in mij op, ging Engeline voort, »ik geloof, dat het ook in mijne oogen te lezen was ; want de gravin zag mij aan en wees gebiedend met haar rijzweep naar den hond, die met zijne valsche oogen naar mij loerde. Maar ik overwon mijn afschuw, ik bukte mij om den hond op te nemen, op hetzelfde oogenblik echter beet het leelijke, valsche dier mij in het gezicht, zoodat het bloed er uitstroomde.quot;
»0, valsch schepsel,quot; riep Louis zijne vuisten ballende uit, »ik wilde dat het lot mij slechts eens met deze gravin, die vroeger niets meer dan de huishoudster van uw oom was, samenbracht.quot;
»Ik sprong verschrikt terug,quot; vervolgde Engeline, en schopte den valschen hond van mij af; op hetzelfde oogenblik was het mij, als
22
hoorde ik iets sissen en klappen. Ik wist eerst niet, wat het was; plotseling voelde ik eene stekende pijn in mijn oog en kon niets zien; ik wankelde en hield mij aan een boom vast.quot; »Het zal de laatste beleedi^insj en mishan-
O O
deling zijn, die gij van dit onmenschelijlc schepsel te verduren hebt! Mijn hart beeft bij de gedachte, u nog langer aan deze ongehoorde be-handelingf te zien blootoesteld. Ik voer u van
O O
hier weg.quot;
»God helpe ons in onze vlucht; ik kan hier niet langer blijven. De nacht zal duister zijn, donkere wolken komen op ; om elf uur, als alles in het dorp in diepen slaap ligt, ontmoeten wij elkander bij de poort.quot;
sTot wederziens, zwaar beproefde Engeline, ik keer gauw naar de hofstede terug.quot;
Engeline zag hem na, zij dacht niet aan de gevolgen van dezen stap ; zij dacht slechts aan hare redding en bad den Hemel om bijstand.
Op dit oogenblik drong een geluid tot haar door, een geluid, dat haar in verrukking bracht; dat plotseling hare kindsheid voor haar geheugen terugriep ; een geluid, dat haar deed beven en haar met vreugde vervulde
gt;Lieve Engeline!quot; klonk het. â Met deze vleiende woorden had haar moeder haar eens toe-
23
geroepen en daarom had dit geluid zulk eene machtige werking op haar.
Sedert hare kindsheid had zij deze stem niet meer vernomen.
Zij zag een vreemdeling tusschen de graven naderen. Zij staarde hem aan, zij wist niet, wat haar overweldigde bij zijn aanblik.
»Lieve Engeline!quot; riep de vreemdeling nog eenmaal met bewogen stem.
»Mijn vader.quot; was het verheugde antwoord van Engeline, »mijn vader!quot; en deze twee woorden bevatten een overvloed van geluk, van hoop en liefde.
Zij snelde op haar vader toe, die nu bleef staan en haar, met eene onuitsprekelijke vreugde aanzag.
Toen drukte hij haar aan zijn hart. »Mijn kind, mijne Engeline ! Gij zijt het, ik bezit u weder, gij, gij alleen herkent uwen teruggekeerden vader, gij alleen,quot; zeide hij vol ontroering en sloot de wedergevondene aan zijne borst.
»Ja, gij zijt mijn vader!quot; juichte Engeline, gt;gij zijt mijne vreugde!quot; Een oogenblik verliep in stilte, in beider harten was zooveel geluk, dat ze eenige minuten sprakeloos bleven.
Eindelijk brak Lodewijk Montpellier het stilzwijgen af.
*
2i
gt;Ik zocht het graf uwer moeder op, die mij zoo vroeg ontrukt werd, en zag u bij het grat staan,quot; zeide hij, »toen was ik overtuigd, dat gij, Engeline, mijn kind, het waart en dezelfde naam, die u aan het hart der moeder en in de armen uws vaders lokte, heeft heden nog zijne wonderbare kracht.
s-Gij zijt mijn vader!quot; snikte Engeline, »gij en niet die graaf op het slot.quot;
ȟm u te beschermen, om u na lange scheiding weder mijn kind te noemen, Engeline, ben ik teruggekomen.quot;
»Te beschermen! Ja!quot; zuchtte zij, en richtte zich op, terwijl haar aangezicht weder van groote vrees getuigde, ernaar ik vrees meer voor u dan voor mij ; weten zij op het kasteel, dat gij zijt teruggekeerd ?quot;
»Zij weten het, ik ben er reeds geweest.quot;
»En wie is die graaf Lodewijk, die in uwe plaats is teruggekeerd ?quot;
»Ik weet het niet, te Parijs zal men het geheim ophelderen. Ik heb alleen Agatha Leroux gesproken.quot;
»De gravin ..
»Zijt gij bang voor haar? Ja, ik merk het, zonder dat gij het mij zegt. Maar nu ik bij u ben,, zal alles anders worden.quot;
25
»Ik vrees voor u, mijn vader.quot;
»Wees onbezorgd, mijn kind. Ik moet opheldering hebben, over hetgeen hier in mijne lange afwezigheid is gebeurd, ik moet weten, wie die erfgenaam is, die zich Lodewijk Montpellier noemt.quot;
»Maar, vader, kunt gij hun bedrog te Parijs ontmaskeren ?quot;
!gt;Ik moet het schandelijk bedrog kennen, dat die twee op het kasteel hebben gepleegd, om zich in 't bezit van mijne erfenis te stellen/' ging de vreemdeïing voort, »de ware Lodewijk Montpellier is teruggekeerd, en ik t;en in 't bezit van een testament, dat mijn goed recht aantoont.quot;
»Weet de gravin, dat gij het testament hebt? Ik ben zoo bang voor u,quot; zei Engeline, en sloeg bevend hare armen om den hals van haar vader.
»En zij hebben u in de hut van een boschwachter laten wonen ?quot;
»Omdat ik de gravin niet kon liefhebben, omdat ik haar vreesde en eene innerlijke stem mij altijd zeide, dat er onrecht was gepleegd. Maar nu is alles goed, nu heb ik mijn vader terug quot;
»Wij moeten nog eenige dagen geduld hebben en dan kunnen wij ons doen erkennen.quot;
2G
fik wilde dezen nacht vluchten, zei Engeline, omdat ik de beleedisjintren niet langer kon
O lt;_gt; O
verdragen, maar nu blijf ik hier.
»Thans moeten wij afscheid van elkander nemen, Engeline, maar slechts voor korten tijd. Ik ga naar Parijs en morgen zal ik dadelijk de hulp van het gerecht inroepen, dan keer ik terug, en neem u voor altijd uit de handen van die ruwe menschen. Zij hebben geen invloed op uw hart gehad, gij zijt braaf gebleven, ik zie het en eene innerlijke stem zegt het mij. Ik heb mijn kind teruggevonden en mijn kind is braaf gebleven, het heeft mij lief.quot;
»Gij wilt weg ? o, doe dat niet, vader, het wordt donker; er komt een onweder op.quot;
»Wees getroost, mijn dierbaar kind, heb moed, mijne dochter, ik keer spoedig tot u terug, en dan zal er geene scheiding meer voor ons bestaan.quot;
Hij legde zijne hand op haar hoofd, en kuste haar; toen scheidden zij, terwijl de zon zich statig achter den horizon verborg.
TWEEDE HOOFDSTUK.
JUDAS IN HINDERLAAG.
onverwachte terugkeer van den waren Jfey 5 Lodewijk Montpellier had de gravin zeer X opgewonden,
| Zij stond in diep en zwaarmoedig nadenken verzonken in haar vertrek en staarde naar het raam, dat uitzicht gaf op het voorplein. Asfatha Leroux stond roerloos en zae
*-gt; o
Montpellier na, die zich verwijderde. Het testament vervulde haar met een onbeschrijfelijken angst; zij voorzag, wat er zou gebeuren, als hij te Parijs aankwam.
»Neen, Lodewijk, gij zult Parijs niet bereiken. Niemand heeft u herkend, de oude bedienden zijn niet meer in het slot, niemand weet, wie gij zijt. De weg naar Parijs loopt door het
26
igt;Ik wilde dezen nacht vluchten, zei Engeline, omdat ik de beleeditriniren niet langer kon
O O O
verdragen, maar nu blijf ik hier.
»Thans moeten wij afscheid van elkander nemen, Engeline, maar slechts voor korten tijd. Ik ga naar Parijs en morgen zal ik dadelijk de hulp van het gerecht inroepen, dan keer ik terug, en neem u voor altijd uit de handen van die ruwe menschen. Zij hebben geen invloed op uw hart gehad, gij zijt braaf gebleven, ik zie het en eene innerlijke stem zegt het mij. Ik heb mijn kind teruggevonden en mijn kind is braaf gebleven, het heeft mij lief.quot;
»Gij wilt weg? o, doe dat niet, vader, het wordt donker; er komt een onweder op.J'
AVees getroost, mijn dierbaar kind, heb moed, mijne dochter, ik keer spoedig tot u terug, en dan zal er geene scheiding meer voor ons bestaan.quot;
Hij legde zijne hand op haar hoofd, en kuste haar; toen scheidden zij, terwijl de zon zich statig achter den horizon verborcj.
TWEEDE HOOFDSTUK.
JUDAS IN HINDERLAAG.
| Zij stond in diep en zwaarmoedig naden
ken verzonken in haar vertrek en staarde naar het raam, dat uitzicht gaf op het voorplein. Acratha Leroux stond roerloos en zasr
t-gt; o
Montpellier na, die zich verwijderde. Het testament vervulde haar met een onbeschrijfelijken angst; zij voorzag, wat er zou gebeuren, als hij te Parijs aankwam,
»Neen, Lodewijk, gij zult Parijs niet bereiken. Niemand heeft u herkend, de oude bedienden zijn niet meer in het slot, niemand weet, wie gij zijt. De weg naar Parijs loopt door het
onverwachte terugkeer van den waren 1^ Lodewijk Montpellier had de gravin zeer X opgewonden.
23
woud, de nacht valt in. Was mijn echtgenoot niet ter jacht dan zou deze man dadelijk verdwenen zijn. Een enkel schot zou het gevaar afwenden. Ik kan hem dadelijk bericht zenden, maar dit is te laat en morreen vroeg- is alles
o o
misschien verloren.quot;
Een bediende verscheen in het vertrek en boog eerbiedig voor de gravin.
à ö O
»Ik hernieuw mijn bevel, zeide de gravin ernstig, dat men lieden van zulk een verdacht voorkomen, zooals die vreemdeling, niet in het kasteel toelate; ik was blootgesteld aan de bedreigingen van een bedelaar, die mij een aalmoes wilde afpersen.quot;
De bediende boog en vroeg of er nog iets van hare orders was, er stotterend bijvoegende, dat de boschwachter Judas zooeven op het slot gekomen was.
gt;Laat hem binnenkomen,quot; beval de gravin.
De bediende verwijderde zich terstond.
sDe boschwachter Judas,quot; fluisterde de gravin, en hare oogen schoten vuur; dat treft goed.
O ' O
Deze boschwachter en geen ander is de rechte man voor mijn plan.
De alleenspraak van Agatha werd afgebroken door het verschijnen van een man, die met plompen stap in het vertrek trad, hoewel
^9
het scheen, dat hij zich moeite gaf, om zijne ruwheid zooveel mogelijk te verbergen.
Judas, de grafelijke boschwachter, was een man van in de veertig jaren, niet bijzonder groot, maar breedgeschouderd en zwaar gebouwd. Hij had geweldig groote handen. Zijn voorkomen zou een rooverhoofdman niet misstaan hebben : zijn neus was zeer rood, zijne oogen waren klein en zagen onrustig rond.
O O
Deze man bezat sedert zijne aanstelling bij den jongen graaf Montpellier in zekere mate het vertrouwen der gravin.
ï Goeden avond, boschwachter,quot; zeide zij ; gt;komt gij om over Engeline te klagen ?quot;
»Daarom kom ik volstrekt niet, gravin, ik kom slechts, omdat het de eerste van de maand is.quot;
gt;Om uwe maandgeld voor Engeline te halen.quot;
»Ik zou dit niet doen, als u mij niet hadt bevolen, den eersten van elke maand te komen.quot;
»Ik wil het zoo. Ik bracht het meisje bij u, om u daardoor te ondersteunen ; op het kasteel kan dit ongehoorzaam kind niet blijven. Zij is voor eenige dagen vijftien jaar geworden, en 't is dus tijd om aan hare stijlhoofdigheid paal en perk te stellen. Spaar haar niet, boschwachter, zij moet zich verbeteren. Maar daar valt mij
oo
iets in â¢, zaagt gij zooeven niet iemand het kasteel verlaten ?quot;
»Ja, gravin, een man, die zonderling gekleed is, een Amerikaan, naar 't schijnt.quot;
»Een stoutmoedige gelukzoeker was het, die in mijne vertrekken drong, terwijl mijn echtgenoot afwezig was, om mij door middel van een vervalscht document geld af te persen.quot;
»Ha, ha, was dat de bedoeling van dien man. Een slecht bedrijf, gravin ; maar 't is ook waar, dat zulke bedriegers dikwijls verder komen, dan rntnig eerlijk mensch.''
»Ik meende hem reeds geld te geven om van hem af te komen, doch het viel mij in, dat hij dan zijne bezoeken zou herhalen. Mijn echtgenoot zou .ien onbeschaamden indringer neergeschoten hebben.
jgt;De gravin heeft maar te bevelen, als hij gegrepen moet worden,quot; sprak Judas met vlammende oogen.
»Gij zijt een bekwaam man, boschwachter, ik weet, dat ik mij vrij op u kan verlaten.quot;
gt;Te allen tijde ben ik bereid, om u blindelings te gehoorzamen,quot; sprak Judas.
gt;lk geloof, zeide de gravin, dat die man zich naar Parijs wil begeven, om van daar uit zijne pogingen, cm mij geld af te persen, voort
31
te zetten. Ik ben dus niet zonder reden bevreesd.quot;
»Dat zal niet gebeuren,quot; zeide Judas, jzoodra u het beveelt, zal alles tot zwijgen worden gfebracht.quot;
»Hij is een gevaarlijk mensch, tot alles in staat, die het op mij en op mijn echtgenoot gemunt heeft.quot;
sDan moet hij onschadelijk worden gemaakt, dat spreekt van zelf.quot;
gt;Ik stel vertrouwen in u, boschwachter. Deze man heeft een document bij zich, dat noodzakelijk voor mij is, om zijne plannen te kunnen verijdelen.quot;
»Dan zal ik het hem afnemen, gravin.quot;
^Hij zal het niet goedsmoeds geven, hij zal zich verdedigen.quot;'
jZou hij dat durven, als ik hem in het bosch staande houd, waar ik boschwachter ben ?quot;
»Neem het hem desnoods met geweld af. Judas.quot;
gt;Tot uwen dienst, gravin, dat zal gebeuren. En moet hij opgesloten worden ?quot;
»Gij kunt doen, wat gij wilt.quot;
gt;Als de bedrieger zich verdedigt, gravin, dan kan ik voor de gevolgen niet instaan,quot; sprak judas, terwijl hij de gravin vragend aan-
o o O 4
zag, »als ik in woede geraak, kan ik mij niet inhouden
De gravin liet Judas niet uitspreken.
gt;gt;Ik laat het geheel aan u over, hoe dien man onschadelijk te maken, maar doe het krachtens uw ambt, begrijpt ge ?quot;
»Ik begrijp u, gravin. '
»En meld mij dan, hoe alles is afgeloopen.quot;
jgt;Tot uwe orders, gravin.quot;
»Hier hebt gij het geld voor Engeline s onderhoud, boschwachter,quot; ging de gravin voort, en nam uit een lade van haar schrijftafel eenige vijffrancstukken; toen legde zij er nog een biljet van honderd francs bij.
Judas liep naar de schrijftafel en nam met zijne groote vingers de geldstukken weg; hij sloeg een begeerigen blik op het biljet, dat de gravin hem toeschoof en een helsche lach kwam op zijne lippen. De gravin beloonde hem vooruit voor eene daad, waarvoor zij hem gehuurd had; hij begreep, dat een ongelukkig toeval den vreemdeling uit de wereld moest helpen.
»Behoud dit voor u,quot; sprak de gravin.
»Mijn onderdanigen dank, gravin,quot; bromde Judas vergenoegd.
»Het document wil ik hebben, vergeet dat niet,quot; zei de gravin en liet den verheugden man gaan.
33
De moordenaar was gehuurd. Indien Judas den vreemdeling in het woud doodde, dan kon zij zeker zijn van zijn stilzwijgen.
Als hij het lijk in het bosch verborg, was de ware Lodewijk Montpellier voor altijd uit den weff geruimd en elk gfevaar bezworen.
O ö *-gt;
sjudas zal hem het testament ontnemen en het mij bezorgen, zeide de gravin bij zichzelve, hij kan lezen noch schrijven en dus den inhoud niet achterhalen.quot;
De boschwachter ijlde het kasteel uit. In weerwil van de invallende duisternis bleef hij bij het hek staan en telde zijn geld nog eens over. Toen hij het biljet van honderd francs beschouwde, werd hij bijna gek van vreugde. Honderd francs, ha, ha, grinnikte hij, vergenoegd de handen wrijvende, en dit is slechts een voorschot. Breng ik haar dat document, dan krijg ik nog wel tweemaal zooveel.
Judas sloeg een smallen veldweg in, die naar zijn hut in het bosch voerde.
Die vreemdeling moet, den straatweg volgende, een omweg maken, sprak hij tot zich zelf, als ik recht door het bosch ga, kom ik hem voor, ontkomen zal hij in geen geval.
Bij de dorpsherberg gekomen, trad hij er binnen. Hij liet zich een glas wijn brengen,
34
dat hij in een teug ledigde. De waard scheen den dorst van zijn gast te kennen, want hij bracht hem terstond een tweede.
De gratelijke boschwachter vertelde den kastelein, terwijl hij vergenoegd met zijn geld rammelde, dat hij eene opdracht had, en eene vangst moest doen.
Spoedig was een uurtje al pratend en drinkend gesleten en Judas spoedde zich naar huis.
Zijne vrouw stak juist de kleine lamp aan, toen hij de hut binnentrad.
Engeline was teruggekeerd en stond in de huisdeur; zij zag, dat Judas opgeruimd thuiskwam.
In de hut heerschte de bitterste armoede, die niet uit gebrek maar uit gierigheid voortkwam. Een tafel, eenige houten banken en stoelen en een oude groote kast,, was 't eenige huisraad. Engeline had voor slaapvertrek een ellendig zolderkamertje.
Toen Judas de hut binnentrad, wierp hij het zilvergeld, dat hij van de gravin had gekregen, op tafel
De oude vrouw greep met hare vuile vingers naar het geld, als een gier naar zijne prooi.
»Ga slapen,quot; zei Judas, gt;ik heb nog eene gewichtige taak.quot;
»Moet gij nog weg ?quot;
35
»Ik heb noo- wat in het bosch te doen, gij behoeft van nacht op mij niet te wachten.quot;
»Dat zal wat moois zijn ! Zeker in de herberg.quot;
»Praat niet zoo dom! Ik zeg u eene gewichtige zaak en daarmee uit.quot;
»Gij hebt van avond reeds genoeg gedronken, geloof ik.quot;
O
»Hebt gij het betaald, hé?quot; vroeg Judas, die spoedig toornig werd, vooral als hij bij zijne vrouw was; »wat hebt gij er u over te bekommeren, of ik mijn part heb of niet ?quot;
»Loop naar de maan, dronkaard !quot; riep de oude vrouw.
Engeline had in weerwil v an hare walging, aandachtig toegeluisterd, zij hoorde, dat Judas zijn kruithoorn dichtklapte.
quot;Naar de herberg gaat het ditmaal niet,quot; zei judas, »er is wat aan de hand.quot;
Engeline sloop snel van de deur weg, naar eene donkere plaats in de nabijheid. Hier verborg zij zich, om niet gezien te worden.
De oude vrouw was woedend, maar Judas stoorde zich niet aan haar en ging heen.
Toen Ensfeline hem niet meer hoorde, keerde zij snel naar de huisdeur terug; zij zag, dat Judas naar het bosch ging, in de richting van den straatweg.
36
Een vreeselijk vermoeden, werd op dit oogenblik bij haar zekerheid; haren vader bedreigde een ongeluk; Judas kwam van het kasteel.
Engeline nam dadelijk een besluit, dat zij zonder toeven wilde uitvoeren. Zij sidderde voor haren vader. Zij moest hem waarschuwen. Zij had tegen de oude vrouw geen woord over het wederzien haars vaders gezegd, zij had het g-eheim trouw bewaard.
Stil sloop zij weg.
Er heerschte eene volslagen duisternis, niets verbrak de doodsche stilte, de voorbode van een zwaar onweder.
Engeline kende elk voetpad, zij had geen vrees voor het donkere woud, noch voor de ruwe woede van Judas en zijne vrouw ; zij had slechts één doel: een dreigend gevaar van haren vader af te wenden.
Toen zij het bosch bereikte, weergalmden van den kerktoren de doffe slagen der klok.
Eno-eline bleef staan en telde â elf uur 1 Op
O
dit uur zou Louis bij het kerkhof komen, om haar af te halen, om met haar te vluchten, maar zij kon thans haar woord niet houden; eene stem riep haar toe, dat het leven haars vaders gevaar liep. En de handen vouwende, smeekte
37
zij Gods bescherming af, en liep het duistere bosch in.
Toen Lodewijk Montpellier van Engeline afscheid had genomen, om naar Parijs te gaan en daar den volgenden dag de hulp van het gerecht in te roepen, had hij het geheele weefsel van bedrog duidelijk doorzien.
Aeatha Leroux, de huishoudster van den
o 1
ouden, overleden graaf, had dezen in zijne laatste jaren meer en meer trachten te beheer-schen en dat was haar ook ten deele gelukt.
Terwijl hij bij zich zeiven overlegde, hoe hij in deze omstandigheden zou handelen, verhaastte hij zijn stap, om het doel zijner reis spoedig te bereiken.
De duisternis viel reeds in, voor hij het dorp verlaten en den straatweg bereikt had. De hemel was met grauwe wolken bedekt; een onheilspellende wind woei over de velden en spoedig scheen het den eenzamen reiziger toe, als vernam hij reeds in de verte het rollen van den donder. Dikke stofwolken dwarrelden door de lucht en nu en dan vielen er groote regendroppels. De duisternis nam zoo toe, dat men nauwelijks tien schreden voor zich uit kon zien. Lodewijk, gewoon om weer en elementen te trotseeren, zette rustig zijn weg voort, alsof hij
38
het naderende onweer nauwelijks bemerkte. In den ofeheelen omtrek vertoonde zich g-een
O O
levend wezen, zelfs de vogels waren in hunne schuilhoeken gevlucht.
De Montpellier bereikte het bosch. Te midden van die eeuwenoude boomen heerschte zulke dikke duisternis, dat hij nauwelijks den weg kon onderscheiden. Alleen het flikkeren van den bliksem wees hem van tijd tot tijd den rechten weg weer aan.
Nauwelijks had Lodewijk eenige schreden in het bosch gezet, of het onweder ontlastte zich; de donderslagen volgden onmiddellijk op den bliksem, de hemel scheen te kraken en te dreunen Dit alles maakte op hem den indruk, als hield een onbekende hand hem op zijn weg terug. Hij dacht onwillekeurig aan de woorden van zijne Engeline, maar toch ging hij zonder aarzelen verder.
Op dit oogenblik hoorde hij, dat iemand hem tegemoet trad, en eer hij iets kon onderscheiden, was hij aangegrepen.
Dadelijk nam Lodewijk den strijd met de hem eigen vastberadenheid aan
»\Yie zijt gij ?quot;' riep hij, »hebt gij het op den inhoud van mijn zak gemunt ?quot;
Een brommend oreluid was het eenige ant-
o ö
â¢woord, terwijl de aanvaller alle krachten inspande, om Lodewijk tegen den grond te slingeren.
»Laat mij met rust,' riep Lodewijk, »en ga terue. als uw leven u lief is.quot;
O '
Er volgde geen antwoord. De breedgeschouderde, plompe, aanvaller wierp zich met verdubbeld geweld op Lodewijk, die hem trachtte terug te stooten. Hij greep den arm van zijn aanvaller, die een wapen rondzwaaide, en hield den pols zoodanig omkneld, dat deze het wapen moest laten vallen. Er ontstond nu een verwoed gevecht. Lodewijk moest den arm van zijn tegenstander loslaten, die toen als een woedend dier naar zijn keel greep. Maar hij had niet vermoed, dat Lodewijk zulk eene spierkracht bezat. Twee ongewoon sterke mannen streden hier op leven en dood te midden der duisternis.
Maar slechts weinige oogenblikken bleef de strijd onbeslist, de aanvaller werd ontmoedigd door den buitengew^onen tegenstand. Lodewijk scheen overwinnaar te blijven. De aanvaller wilde een ander wapen te voorschijn halen, maar tegelijkertijd gebruikte Lodewijk de vrijgekomen vuist en liet deze als een ijzeren hamer op het hoofd van zijn vijand neerkomen.
Een dof geluid kwam over de lippen van zijn
40
aanvaller, toen hem deze zware slae trof en
o
Judas plofte op den grond
»Eigen schuld man, ' mompelde Lodewijk, toen hij merkte, dat zijn aanvaller, door den slag verdoofd, was neergestort.
»Het schijnt een straatroover of wilddief te zijn,quot; ging Lodewijk voort; hij beschouwde hem nauwlettend, doch herkende hem niet; hij zette zijn weg weer voort, zonder zich te bekommeren om den gestrafte, die, naar zijne meening, na eenigen tijd wel weer tot bewustzijn zou komen.
Judas, bleef ruim een kwartier bewusteloos, zoo zwaar was de vuistslag van den onbekenden aanvaller op hem neergekomen. Na verloop van dien tijd kwam hij weer tot zich zelf. Zijn hoofd was als verbrijzeld, en het duurde nog eenige minuten, voor hij zich geheel had hersteld, en weer kon denken.
»Lomperd, knarste hij, had ik maar niet misgeslagen, dan was hij en niet ik zonder eenig geluid neergeploft, en ik had hem het document, dat de gravin bepaald wil hebben, kunnen afnemen. Maar hij is er slechts per geluk inge-slaagd, mij op den grond te werpen. Ontkomen zal hij niet, dat verzeker ik. Ik kan hier niet lang gelegen hebben, de donder rolt nog altijd. Wreken zal ik mij.quot;
41
De boschwachter was opgestaan.
»Hm! waar heb ik mijn buks gelaten,quot; bromde hij, »juist nu herinner ik ;t mij, ik heb ze aan een boom opgehangen.quot;
5gt;Nu jaag ik u een kogel door het lijf, bromde hij, en dreigde met zijne gebalde vuist, nkhaal u nosr wel in. Als ik hier dwars door het bosch ga, moet ik u vangen op den straatweg. En als ik u hoor, als ik maar eene donkere schaduw zie, dan bijt gij in 't zand, zoo waar ik de boschwachter van den graaf ben.quot;
Na eenige minuten had de boschwachter zijne geladen buks teruggevonden. Hij stapte gejaagd voort in de hoop, den graaf in te halen en hem het document af te nemen.
Judas was woedend, en dat was genoeg, om alle menschelijk gevoel in hem uit te dooven.
Het onweder hield nog steeds aan, de bliksem verlichtte nog bij tusschenpoozen de diepe duisternis, groote regendroppels vielen op de bladeren der boomen, terwijl Judas zich voortspoedde; de woede dreef hem steeds sneller voort. Schoot hij den vreemdeling neer, dan kon het schot aan een toeval worden geweten. Nadat hij een kwartier geloopen had, bereikte hij den straatweg en verborg zich tusschen de boomen. Hij hield de buks in den arm, gereed
42
om te schieten. Was de vreemdeling hier reeds voorbij ? Dan bereikte hij Parijs. Maar het was niet aan te nemen, dat hij reeds zoo ver voor was.
Judas luisterde aandachtig toe, om het rechte oogfenblik niet te missen. De duisternis en het eeruisch van den regen hinderden hem.
O O
Nauwelijks had hij eenige minuten gewacht, of hij meende op den weg iets te hooren, en wel aan dien kant, van waar de vreemdeling komen moest. De haan van zijn buks werd overgehaald en hij hield het wapen gereed, terwijl hij het hoofd nog meer vooruitstak, om te .luisteren.
Hij had zich niet vergist; hij hoorde iemand naderbij komen.
Zonder een oogenblik te aarzelen, legde hij aan en schoot
Men hoorde een gil, de schaduw verdween plotseling en het werd doodstil.
Judas stond onbeweeglijk, die kreet had hem getroffen; dat was niet de stem van den vreemdeling, niet de kreet van een man geweest
Hij had goed geschoten naar het scheen, want na dien kreet bleef alles rustig.
Maar wien had hij zoo juist getroffen ?
Hij wilde zich eerst verwijderen zonder om
48
te zien maar het was, als werd hij naar de plaats gedreven om te zien, wie daar lag.
Judas kende geen vrees, doch hij was bijge-loovioquot;, en daarom werd het hem benauwd om
o '
het hart. Hij bromde eenige woorden, en ging den straatweg op. 1 oen hij zijn offer genaderd was, bukte hij, om te zien, wie het was.
Vol angst sprong hij terug, hij had Engeline herkend.
»Engeline!quot; zuchtte hij, »de booze zelfheeft hier de hand in het spel gehad; die vreemdeling bezit eene ongekende macht.quot; Hij bukte zich nogmaals over het lichaam.
»Ja, zij is het,quot; bromde hij, »wat moet ik nu beginnen ?quot;
De gravin was vroeg opgestaan en verhaalde haren echtgenoot het bezoek van den vreemdeling ; dat zij over dit bezoek niet zeer tevreden was, getuigden de duidelijke sporen van een onrustigen nacht.
j-En hij toonde u een testament ?quot; vroeg haar echto-enoot.
o
»Hij deed het met dreigende woorden,quot; antwoordde de gravin.
»Gij hebt mij nooit iets over het bestaan van een testament gezegd,quot; zeide de graaf.
44
»Ik zelf vernam het eerst van hem. Daarom gaf ik den boschwachter last, zich tot eiken prijs van dit document meester te maken.quot;
»Dat was dwaas van u, dien man in het geheim te trekken.quot;
»Wie is in het geheim betrokken ?quot; antwoordde de gravin eenigszins opgewonden. »Judas is de eenige mensch, op wien ik in zulke zaken kan vertrouwen, hij kan niet vermoeden, wat ik daarmee op het oog heb. Waart gij maar thuis geweest; hadt gij den tijd maar niet met uwe vrienden op de jacht doorgebracht!quot;
»Agatha Leroux,quot; zeide de graaf.
sGeene bedreigingen, mijnheer!quot; zeide de gravin koel, »alleen door gezamenlijk en met overleg te handelen, kunnen wij het gevaar ontwijken.quot; De graaf liep onrustig op en neer als een tijger in zijne kooi. Een kwartier geleden was hij van de jacht teruggekeerd, en het had hem verwonderd, dat zijne echtgenoote hem op zoo n vroeg uur verbeidde. Nu was het hem duidelijk, waarom zijne vrouw niet geslapen had,. Den geheelen nacht had zij op een middel gepeinsd, om dit onverwacht gevaar af te wenden.
IS adat Aq-atha en de graaf ruim een uur
ö O
tevergeefs naar een uitweg hadden gezocht, meldde de bediende den boschwachter aan. Hij
45
kwam vroeg, het was nauwelijks zeven uur. Had Judas er een voorgevoel van, dat de slot-bewoners reeds wakker zouden zijn ? De gravin, die de vroege terugkomst als een gunstig teeken beschouwde, beval hem binnen te laten.
De graaf wierp zich in zijn zetel, en keerde zijn bleek gelaat naar den boschwachter, wien de gravin bevel gaf, nader te komen.
sHebt gij den verdachten vreemdeling gevangen, boschwachter?quot; vroeg zij.
»Met uw verlof, gravin,quot; antwoordde Judas, »de vreemdeling bezit een groote macht, hij staat met den booze in gemeenschap.'
»Wat beteekent dat ? Zijt gij van nacht bevreesd geworden ?quot; vroeg de gravin half spottend.
gt;Ik bevreesd,quot; antwoordde de boschwacht;r. »Zeg mij maar alleen, oi gij den vreemdeling ontmoet hebt en of gij mijn bevel hebt uitgevoerd.quot;
»Ik kwam nog bijtijds en ontmoette hem in het bosch bij den straatweg. Ik wilde hem gevangen nemen en greep hem aan ; maar hij verdedigde zich.quot;
»En toen hebt gij hem dood geschoten, niet waar boschwachter ?quot; vroeg de gravin nieuwsgierig. ïGij schiet zeer juist,quot; viel de graaf in. jgt;lk mis nooit het doel, mijnheer.quot;
46
»En ditmaal?quot;
»Ook niet. Ik schoot naar den vreemdeling en trof Engeline.quot;
»Engeline ?quot; riepen beiden te gelijk.
»Ik weet niet, hoe het gebeurd is, ging Judas voort, ik ben er zelf zeer over ontsteld, maar ik ben onschuldig, dat verzeker ik u; ik ben onschuldig.quot;
»Engeline ? Was die bij den vreemdeling op weg naar Parijs ?quot; vroeg de gravin.
»'t Is mij onbegrijpelijk,quot; mompelde Agatha.
»Is zij dood?quot; vroeg de graaf doodelijkontsteld.
»Neen,quot; stotterde Judas, »zij wil niet zeggen, hoe zij daar gekomen is, zij is zeer stijfhoofdig. Misschien heeft zij het huis verlaten, om ..
»Spreek, het is uw plicht, om alles ronduit te zeggen, boschwachter,quot; sprak de gravin.
»Om den ouden Louis te spreken.quot;
AYie is deze man ?quot; vroegf de graaf.
O O
!gt;De broeder van een pachter.quot;
»Wat heeft Engeline met dezen landbouwer uit te staan?quot;
»lk weet het ook niet, ik heb haar een paar malen met hem zien spreken,quot; zeide Judas.
De gravin scheen door dit bericht gerustgesteld, daar 't er maar op aankwam, of Engeline met den vreemdeling had gesproken.
47
»Den indringer hebt gij dus niet getroffen,quot; vroeg zij ?quot;
»Neen, mevrouw.quot;
»Dan is hij misschien reeds te Parijs,quot; zeide de gravin halt luid tot den graaf.
gt;Ga en verpleeg Engeline. Ik stel er u verantwoordelijk voor, dat zij blijft leven,quot; riep deze den boschwachter toe, »wij zullen haar van daag of morgen komen bezoeken.quot; judas ging heen, zeer verheugd, dat hij er zoo goedkoop afkwam.
De graaf stond haasti? oo en schelde.
O O 1
»Wat wilt gij doen?quot; vroeg zijne vrouw nieuwsgierig-.
o o
»Er is nog niets verloren,quot; antwoordde de graaf bedaard.
De bediende trad binnen.
»De lichte wagen,quot; zeide Montpellier tot den bediende, »dien ik voor groote ritten gewoonlijk gebruik, moet ingespannen worden, begeef u dadelijk in mijne kleedkamer, en wacht mij daar.quot;
De bediende boog en ging, om het gegeven bevel uit te voeren.
»Waarheen wilt gij gaan?quot; vroeg de gravin angsticr.
O O
»Naar Parijs ! Ik zal daar den bedrieger
48
dadelijk in hechtenis doen nemen, voordat hij verdere stappen kan doen.quot;
»Dat is een gewaagde stap,quot; zeide de gravin.
»Gewaagd of niet gewaagd, alles moet op het spel worden gezet, om alles te winnen, ik ken den commissaris van politie te Parijs.quot;
»Goddank! Maar zou Engeline den vreemde-ling gezien en gesproken hebben ?quot;
»Dat is niet gebeurd.quot;
»En het testament, dat hij bezit?quot;
»Zoo noodig, zullen wij bewijzen, dat het testament, dat deze gelukzoeker bezit, ver-valscht is-quot;
ïlk verlaat mij volkomen op u,quot; sprak de gravin, opgetogen van vreugde; »maar Engeline vrees ik.quot;
gt;Gij meent, dat men haar in verhoor zal nemen rquot;
»Zij zal onze grootste beschuldigster zijn.quot;
»Er is nog een middel; wij moeten Engel:ne aan ons trachten te verbinden.quot;
iGij kent haren onwil,quot; antwoordde de gravin, en uit hare oogen straalde die onuitwischbare haat, dien zij Engeline toedroeg, »ik vrees haar meer dan den vreemdeling, en wij mogen haar zelfs niet vertrouwen, als zij zich schijnbaar met ons verzoent.quot;
49
fAls zij ons dan zoo gevaarlijk schijnt, moet zij sterven, voordat zij iets verteld heeft,quot; fluisterde de graaf.
»k vertrek nu, binnen drie uren ben ik te Parijs en dan zal alles beslist zijn.quot;
gt;De eedachte, dat het eene liooest o-ewichti
O ' O O
zaak geldt,'' zeide de gravin, »moge u dien moed en die vastberadenheid geven, die in zulke oogenblikken nog alles vermogen ; met koortsachtige spanning zie ik daarom uwe terugkomst te sfemoet.quot;
De graaf verliet het vertrek en begaf zich naar zijne kleedkamer; hij trok een kostbaar gewaad aan, hechtte eenige vreemde ridderorden op zijne borst, en eene schitterende speld van onschatbare waarde op zijn das. Daarna begaf hij zich naar buiten, waar het lichte, smaakvolle rijtuig, waarop het wapen van den graat van Montpellier prijkte, gereed stond. Twee zwarte paarden van zeldzame schoonheid waren reeds voorgespannen. De koetsier en de palfrenier droegen eene livrei, waarop het grafelijk wapen geborduurd was.
^Naar den .commissaris van politie, te Parijs!' beval hij den koetsier.
De palfrenier klom bij den koetsier op den bok, en de wagen rolde pijlsnel over den
00
straatweg naar Parijs Xa een rit van bijna twee uur sprong de bediende van den bok en snelde in het politiebureau, om den graaf aan te melden
Hij keerde zeer spoedig terug en bracht den graaf het bericht, dat de commissaris hem wachtte
De graaf wierp zijn mantel op de zitbank, steeg uit, en begaf zich naar den commissaris, die hem aan de deur van zijn vertrek zeer vriendelijk ontving.
gt;Wees welkom, heer graaf,quot; riep hij en bracht zijn gast in zijn kabinet, »hoe vaart u? Wat voert u tot mij r Ik vind, dat gij er een weinig neerslachtig uitziet. Waar is de onvermoeide gastheer, graaf Montpellier, wiens vroolijkheid en levenslust al zijne gasten medesleepten ? '
»Het is inderdaad eene onaangename zaak, mijnheer, die mij hierheen brengt, ten einde u raad te vragen,quot; antwoordde de graaf.
»Spreek, mijn waarde, wat kan ik er toe bijdragen, om dien kommer van u weg te nemea ? Wat kan ik voor u doen ?quot;
»Men heeft het op mij gemunt, op mijn vermogen, op mijn titel, op mijn kasteel.quot;
»Wat zegt ge daar? Gij maakt mij nieuwsgierig.quot;
»Ik zal het u verhalen Een fortuinzoeker
51
heett het plan, om met behulp van een vervalscht testament zich voor den rechtmaticren eigenaar
O O
van het kasteel Montpellier en zijne onder-hoorioheden uit te (reven.quot;
O O
»Dat is een zonderling geval!quot;
gt;Deze fortuinzoeker kwam gisteren tijdens mijne afwezigheid in het slot en verontrustte op onbeschaamde wijze mijne echtgenoote door bedreigingen en door te zeggen, dat hij graaf Lodewijk Montpellier was, de ware erfgenaam,quot;
»Een krankzinnige zeker, mijn waarde.quot;
»Dat denk ik ook, in elk geval moet ik mij en mijne echtgenoote tegen de herhaling van zulke aanvallen trachten te beveiligen.quot;
»Natuurlijk.quot;
»En nu kom ik bij u om raad.quot;
»Wij moeten den vreemdeling in handen zien te krijgen, en dan een onderzoek instellen,quot; zei de commissaris, »dan zal het blijken, of hij een i krankzinnige dan wel een oplichter is quot;
»Hij moet gevangen genomen worden, want deze mensch is zeer gevaarlijk en we hebben alles van hem te vreezen,quot; ging de graaf voort, »mijne vrouw is door zijne woedende bedreigingen in een toestand geraakt, die mij voor hare gezondheid doet vreezen.quot;
»Weet gij, waar hij zich nu ophoudt,quot; vroeg-de commissaris ?
»k weet alleen, dat hij sedert korten tijd hier te Parijs vertoeft en vreemd gekleed is. Zijn gelaat is door de zon gebruind, zijn baard is donker en zijne grootte komt met de mijne overeen.quot;
gt;Hoe heet hij?quot;
sk weet alleen, dat hij beweerd heeft, graaf Lodewijk Montpellier te zijn.quot;
»Wij zullen hem dadelijk opsporen en ia hechtenis laten nemen, want in deze zaak moet licht komen; ik twijfel niet, of wij hebben met een krankzinnige te doen.quot;
»k geloof eer met een oplichter.quot;
gt;In alle geval is hij gevaarlijk,quot; zei de commissaris, en hij schelde.
»Alles zal spoedig onderzocht worden,quot; ging hij voort, »voorloopig zullen wij trachten, ons van zijn persoon meester te maken, opdat gij niet verder door hem verontrust en bedreigd kunt worden. Zoudt gij hem herkennen, graaf?quot;
gt;Vo]gens de beschrijving, die mijne echtge-nootc mij van hem heeft gegeven, zonder twijfel,quot; antwoordde de graaf.
Een bediende van den commissaris verscheen in het kabinet.
53
gt;Laat dadelijk den inspecteur roepen, die de vreemdelingen boekt, welke in Parijs komen,quot; beval de Commissaris.
De beambte verwijderde zich, en spoedig trad de man binnen, dien de Commissaris wenschte te spreken. Hij maakte eene hoffelijke buiging.
»Sedert eenige dagen, inspecteur, moet zich een uit Amerika komende vreemdeling te Parijs ophouden, die zich voor graaf Lodewijk Mont-pellier uitgeeft.quot;
De inspecteur dacht een oogenblik na.
Daarvan weet ik niets ; ik geloof dus niet, dat die persoon zich te Parijs ophoudt,quot; antwoordde hij.
»Het zou mogelijk zijn, dat hij dien naam niet heelt opgegeven,quot; ging de Commissaris voort, »misschien hebt gij duidelijker inlichtingen, als ik u zeg, dat de vreemde erg bruin is, een donkeren baard heeft en van middelmatiee grootte is.quot;
gt;Draagt hij een vreemdsoortigen, breedge-randen hoed ?quot;
»Juist,quot; viel de graaf in.
gt;Hij heeft Zuid-Amerika bereisd, is langen tijd in Mexico geweest en komt nu van JSiew-Orleans r'
»Dat is mogelijk.quot;
54
gt;Deze vreemdeling noemt zich echter niet
graaf Montpellier.'
.Ook dat zou mogelijk zijn,quot; meeende de
Commissaris.
gt;Ik herinner mij zijn naam niet me^r, maar als ik mij niet vergis, woont hij in de nabijheid van den Luxemburgschen tuin in een klein
logement.
gt;Hebt gij hem gesproken?quot;
»Ja mijnheer, gisteren.quot;
gt;Neem hem in hechtenis,quot; beval de Commissaris, »en zendt mij dadelijk bericht als hij in het bureau is.
De inspecteur boog en verwijderde zich. Ongeveer een uur later verscheen de inspecteur weer in het kabinet.
»l)e vreemdeling, die den naam van Alexander Dulex draaft, is zooeven in hechtenis genomen,
O 7
mijnlieer,quot; sprak hij.
»Waar is de gevangene?quot;
gt;Hij wordt juist door de gang gebracht, mijnheer.'1
gt;Kom, zei de Commissaris tot den graaf, overtuig u.quot;
De eraaf aarzelde.
gt; Maak geen bezwaren,quot; zei de Commissaris. gt;hij ziet ons niet, maar wij zien hem wel.quot;
55
De commissaris bracht den graaf in eene duistere kamer.
Hij trok de gordijn van het raam op, waardoor de kamer zwak verlicht werd.
sKom hier, waarde graaf,quot; verzocht de commissaris, er, bracht hem bij hel raam, dat uitzag op een langen, breeden gang
Tweegeheimepolitieagentenvoerden Alexander Dulex door den gang ; hij droeg nog denzellden breedgeranden hoed.
.Hij is het,quot; zei de graaf bevredigd. De gevreesde werd voor zijne oogen in hechtenis genomen. Thans kon Fngeline alleen nog gevaarlijk voor hem zijn. Zijne vrouw had gelijk, de graaf gevoelde dit met bezorgdheid Hij bedankte den commissaris voor den verleenden bijstand en verliet het commissariaat, waarin de gevreesde zat, wiens plaats hij zou moeten innemen, als Engeline niet zweeg, of er iets van zijne misdaad op eene ot andere wijze uitlekte.
Thans legde de vrouw van Judas doeken op de wonde van het hoofd, niet uit luiderijke bezorgdheid, maar omdat zij bang was voor den graaf en de gravin.
O
De leelijke, onzindelijke vrouw wekte nu nog meer dan ooit den afkeer van Engeline op, niet alleen door de liefdelooze behandeling, waaraan zij reeds gewoon was, maar meer nog door haar afschrikwekkend en hatelijk gezicht. Het was haar te veel, om frisch, zuiver water.
DERDE HOOFDSTUK.
57
ter verkoeling' van de wonde, te halen. Daarbij waren de doeken, welke zij er op legde, zoo vuil mogelijk.
gt;Zij loopt den boschwachter onder schot,quot; bromde de oude,quot; en ik denk, dat zij boven in de kamer is; wij moeten er voor boeten en haar zorgvuldig oppassen, maar ik zal haar opsluiten en zorgen, dat zij er niet meer uit komt.
Enceline lag daar met haar verbonden hoofd, het bleeke gelaat naar den wand gekeerd en luisterde in het geheel niet naar de oude vrouw. Hare groote, donkere oogen waren half gesloten ; zij dacht aan haar vader en aan Louis 'I oen de boschwachter van het kasteel was teruggekeerd, had zij uit het gesprek met zijn vrouw gehoord, dat haar vader gelukkig te Parijs was aangekomen en dit bericht stelde haar gerust; hare smarten droeg zij gaarne, nu zij wist, dat hij ontkomen was. Haar hart, dat voor hem gesidderd had en zoo vol bezorgdheid was geweest, had haar niet misleid : zij wist nu, dat het op den teruggekeerde gemunt was en zij dankte den alles besturenden God, dat het schot niet hem, maar haar had getroffen.
gt; Wat hadt gij in dien nacht buiten te doenquot;' riep het oude wijf, en rukte woedend het verband van de wond.
58
'Men krijgt er geen woord uit! Zoo koppig en ongehoorzaam is zij. Wat zocht gij nog zoo laat op den straatweg ?quot;
»Geef u geen moeite voor mij, moeder Judas,quot; zeide hngeline, »ik kan zelf de compressen wel gereed maken.quot;
'Blijf liggen,quot; ging de oude woedend voort, gt;gij zoudt later zeggen, dat u niemand geholpen heelt Ik ken u wel. Maar het is eoed, dat
O '
de gravin u ook kent, en reeds weet, wat zij te denken heeft.quot;
gt; Breng mij slechts een weinig versch water,quot; verzocht Engeline, »dit is te warm.'
' Zoo zoo is het warm, dat is ook weer niets dan boosheid. Gij wilt mij weer naar de bron jagen. Hier in huis is geen ander water, en weggaan doe ik niet, want de graaf en de gravin kunnen komen. Ik weet al, wat gij voor hebt. Jn mijne afwezigheid wilt gij u bij hen over mij beklagen.quot;
Engeline antwoordde niet, maar groote tranen rolden over hare wangen ; ach, hoe liefderijk waren de woorden van haar vader geweest, hoe hadden zij haar gekrenkt hart goed gedaan. Zou hij terugkomen ? Mocht zij hopen dat hij haar uit de handen van deze menschen zou verlossen ? Hij had het haar beloofd, hij had
59
het beste voornemen, maar hoe wilde hij recht verkrijgen, daar alles den graaf en de gravin in de hand werkte ? Zij sidderde voor hem en zij voelde, dat hij verloren was, als de Hemel hem niet beschermde.
En wat dacht Louis van haar ? Hoe kon zij hem berichten, wat met haar was gebeurd, daar de oude vrouw haar bewaakte en zij door het bloedverlies nog te zwak was, om op te staan.
De oude liep naar het raam. omdat zij een gedruisch hoorde alsof een rijtuig uit het dorp naderde.
»Zij zijn het, zij komen,quot; riep zij plotseling, »het is het rijtuig van den graaf. ... Ja, ook de gravin is er bij.quot;
De oude liep als een wilde rond â »Gij klaagt niet over mij, hoor!quot; riep zij Engeline dreigend toe; »doe ook niet, alsof gij erg ziek zijt. Het beteekent niets, morgen zijt ge weer beter.quot;
Het rijtuig hield voor de hut van den boschwachter stil. De oude vrouw liep naar de deur en wist niet genoeg onderdanigheid en vriendelijkheid aan de hooge bezoekers te betoonen.
j Goeden dag, vrouw Judas,quot; zeide de gravin uitstappende, gt;hoe gaat het met de ziekerquot;
60
gt; Beter, reeds veel beter, gravin. Zij is vroolijk en opgeruimd,quot; verzekerde de oude.
gt;Dan behoeven wij geen geneesheer van Parijs te laten komen,quot; zeide de graaf.
gt; Morgen is zij weer hersteld, het is de moeite niet waard. Zij ligt hier beneden op het bed. Mijn man is niet te huis.quot;
»Wij hebben hem niet noodig, wij willen Hngeline zien,quot; zeide de gravin, terwijl zij met den graaf de kamer binnentrad.
i Hoe gaat het met u, mijn arm kind ?quot; vroeg de graat met zooveel hartelijke deelneming, dat ieder er door getroffen zou worden.
»Arme Engeline, dat u zulk een ongelnk moest treffen! Ik ben geheel buiten mij zelve,quot; zeide de gravin, gt;gij verpleegt haar toch met zorg! Haar mag niets ontbreken, dat is ons streng bevel. Mijn echtgenoot brengt u geld, opdat gij eiken wensch van het arme kind kunt vervullen.quot;
De vleiende woorden van de gravin, welke
O 1
Engeline begreep, waren voor haar op dit oogen-blik zoo pijnlijk, zoo afschrikwekkend, als druppelde er vergil in hare ziel. De gravin was haar nooit zoo wreed voorgekomen als nu. De haat, de toorn en de mishandelingen van de gravin schenen ha'ar minder afgrijselijk toe dan
61
dit gehuichelde medelijden. Het was haar, als kroop een slang langs haar bed.
sik gevoel mij zeer goed,quot; zeide Engeline, gt;als ik geheel stil en alleen blijf, ben ik morgen zeker weer beter, ik heb ook bijna geen pijn meer.quot;
»Dat verheugt mij, mijne goede dochter,quot; antwoordde de graaf op een toon, dien zij nog nooit van hem had gehoord.
Engeline begreep deze huichelachtige troostwoorden en daarom hinderde haar deze schijnbare vriendelijkheid meer dan alle ondergane mishandelingen.
gt;lk betreur het, dat u een dergelijk ongeluk getroffen heeft,quot; zeide de gravin, »maar zeg, mijn kind, hoe kwaamt gij toch op dat uur op den straatweg? Ik kan den boschwachter, die zijn plicht moest doen, geen schuld geven, daar het zoo donker was. Wat wildet gij toch in den nacht nog op den weg in het bosch, mijn lieve Engeline ?quot;
Het meisje voelde, dat de gravin haar wilde uithooren, om te weten, of zij haar teruggekeerden vader gezien en gesproken had. Om zich aan geen leugen plichtig te maken, zweeg zij.
Dit zwijgen bracht onwillekeurig een donkeren trek op het gelaat der gravin en een oogenblik
â¢schoot een dreigende straal uit hare oogen op de door haar zooeven nog lief genoemde Engeline.
»Het is zoo iets van eene samenkomst, oravin,quot;
'O »
antwoordde de oude vrouw, »toen ik versch water uit de bron in het dorp haalde, kwam de landbouwer Louis en wilde Engeline spreken. Dat gaat niet, zeide ik, zij is ziek. Maar ik kon hem slechts door bedreipingr terughouden.quot;
O O
De gravin scheen met deze verklarinof niet
â¢-gt; o
in te stemmen. De graaf echter wendde zich tot Engeline en vroeg haar op minzamen toon, of zij iets verlangde. Engeline ontkende dankend.
gt; Ik zal u eenige ververschingen voor het arme kind zenden,quot; zeide de gravin.
»Uwe edelheid is de goedheid zelf,quot; zeide de oude vrouw.
»Het zou hoogst liefdeloos zijn, als dat niet gebeurde,quot; zeide de graaf; »de ververschingen zullen u goed doen, mijn lieve dochter. Wij komen spoedig terug, om u te bezoeken.quot;
De oude vrouw oeleidde de hootje bezoekers
O ö
tot aan het rijtuig en had geen woorden genoeg, om hare dankbaarl eid uit te drukken In weerwil van de slechte hulp en de ruwe behandeling, werd de wonde in den loop van den dag toch aanmerkelijk beter. De pijn en ook de zwakte verminderden, misschien was het bewustzijn,
G3
haar vader te moeten bijstaan, het geneesmiddel, dat haar hielp.
Tegen den avond kwam de boschwachter thuis en ging in de keuken ; Engeline lag zeer rustig, alsof zij sliep. Judas had even naar haar gekeken, toen hij door de kamer naar de keuken was gegaan en had daarop de deur achter zich gesloten.
quot; Zij slaapt,quot; zeide hij, terwijl zijne vrouw hem wat opgewarmd eten voorzette, »morgen moet zij alleen hier blijven.quot;
gt;Wat is er dan morgren te doen ?quot; vroee de
O O
vrouw knorrig.
»Wij moeten beiden naar het jachtslot, waar alles nog dooreen ligt, zooals zij het gisteren hebben verlaten.quot;
»Wie heeft het bevolen ?quot;
»Wie anders dan de graaf.quot;
fDan moet zij alleen blijven. Wij sluiten haar op quot;
sgt;Den vreemdeling hebben zij heden te Parijs vastgezet,quot; zeide Judas na een poos.
Engeline sliep niet. Zij had zich opgericht en hoorde elk woord, dat de boschwachter met zijne vrouw in de keuken sprak. Een zachte kreet van schrik ontsnapte aan hare lippen, toen zij hoorde, dat haar vader was gevangen genomen.
G2
â schoot een dreigende straal uit hare oogen op de door haar zooeven nog lief genoemde Engeline.
»Het is zoo iets van eene samenkomst, gravin,quot; antwoordde de oude vrouw, »toen ik versch water uit de bron in het dorp haalde, kwam de landbouwer Louis en wilde Engeline spreken. Dat gaat niet, zeide ik, zij is ziek. Maar ik kon hem slechts door bedreiirins: teruehouden.quot;
O O ö
De gravin scheen met deze verklaring niet in te stemmen. De graaf echter wendde zich tot Engeline en vroeg haar op minzamen toon, of zij iets verlangde. Engeline ontkende dankend.
»Ik zal u eenige ververschingen voor het arme kind zenden,quot; zeide de gravin.
»Uwe edelheid is de goedheid zelf,quot; zeide de oude vrouw.
gt;Het zou hoogst liefdeloos zijn, als dat niet gebeurde,quot; zeide de graaf; »de ververschingen zullen u goed doen, mijn lieve dochter. Wij komen spoedig terug, om u te bezoeken.quot;
De oude vrouw geleidde de hoogfe bezoekers tot aan het rijtuig en had geen woorden genoeg, om hare dankbaar! eid uit te drukken In weerwil van de slechte hulp en de ruwe behandeling, werd de wonde in den loop van den dag toch aanmerkelijk beter. De pijn en ook de zwakte verminderden, misschien was het bewustzijn,
03
haar vader te moeten bijstaan, het geneesmiddel, dat haar hielp.
Tegen den avond kwam de boschwachter thuis en ging in de keuken ; Engeline lag zeer rustig, alsof zij sliep. Judas had even naar haar gekeken, toen hij door de kamer naar de keuken was gegaan en had daarop de deur achter zich gesloten.
quot;Zij slaapt,quot; zeide hij, terwijl zijne vrouw hem wat opgewarmd eten voorzette, «morgen moet zij alleen hier blijven.quot;
»Wat is er dan morgfen te doen ?quot; vroee de «_gt; amp;
vrouw knorrig.
gt; Wij moeten beiden naar het jachtslot, waar alles nog dooreen ligt, zooals zij het gisteren hebben verlaten.quot;
»Wie heeft het bevolen ?quot;
gt;Wie anders dan de graaf.quot;
gt;Dan moet zij alleen blijven. Wij sluiten haar op quot;
«Den vreemdeling hebben zij heden te Parijs vastgezet,quot; zeide Judas na een poos.
Engeline sliep niet. Zij had zich opgericht en hoorde elk woord, dat de boschwachter met zijne vrouw in de keuken sprak. Een zachte kreet van schrik ontsnapte aan hare lippen, toen zij hoorde, dat haar vader was gevangen genomen.
(54
Het onrecht zou dus zegevieren, haar vader zou als een ellendige bedrieger worden veroordeeld !
Dat mocht niet. Zij wilde naar Parijs, zij zou hem redden en bevrijden. Maar de nacht brak aan, de lange, verschrikkelijke nacht. Morgen echter wilde zij haar vader verlossen, of den kerker met hem deelen.
Tesjen den avond van den volgenden dagquot;
cgt; O ö
keerde Judas van het jachtslot terug, terwijl zijne vrouw hem op eenigen afstand volgde.
Toen hij het huis bereikte, zag hij een grooten, goed gevulden korf staan, waarin zich een schotel met gebraad, een karaf met limonade, ingemaakte vruchten en wijn bevonden.
»Dat is van het slot,'quot; bromde hij en stak den sleutel in de huisdeur, welke zijne vrouw 's morgens goed had gesloten, »in onze afwezigheid is dus een bediende hier geweest en heeft dit hier p-ebracht.quot;
o
Hij liet den korf staan, opende de deur en trad de kamer binnen.
gt;Wat is dat?quot; riep hij.
De hut was leeg en verlaten. Engeline was weg.
Judas riep zoo hard hij kon, maar kreeg geen antwoord. Hij trad het achtervertrek binnen, daar stond een raam open en een stoel er voor.
gt;Zij is door het raam geklommen en wegge-loopen,quot; zeide de boschwachter. »Dat geeft nieuwe moeite en onaangenaamheden met de oravin. Ik wou toch, dat ik haar nooit had
-O '
opgenomen, maar de hebzucht, de gierigheid der oude is van alles de schuld. Ik heb het wel voorzien. Weg is zij. Ik zal het dadelijk op het kasteel gaan zeggen. Zij is reeds lang weg, zij was zeker reeds vertrokken, voordat de bediende den korf bracht quot;
Toch was Judas nog niet overtuigd; hij doorzocht de heele hut en toen hij niets ontdekte, verliet hij dadelijk de woning, om de ontvluchting van Engeline aan de gravin mede te deelen.
Eenige oogenblikken later kwam de oude vrouw thuis Zij zag Judas in de verte gaan, maar haar geroep kon hij niet meer hooren. Zij dacht, dat hij naar de herberg ging, om te drinken.
Ook zij zag den korf en zette bij deze onverwachte toezending groote oogen op.
»Zij hebben wat gezonden : wijn â vleesch en hier in de karaf iets om te drinken. Nu dat is goed, ik heb dorst. Het is mij even dienstig, als de zieke, jonge dame daar binnen. Ik zal alles wegbergen,quot; bromde de oude, gierige vrouw en droeg den korf aan de achterzijde
6G
het huis binnen. Hier nam zij, om haar dorst te lesschen, de karaf met limonade uit den korf en dronk. Daarna zette zij de flesch weg.
Toen zij eenigen oogenblikken daarna hare oogen weer op de llesch vestigde, kreeg zij lust, om nog meer te drinken. ; A1 krijgt zij er niets van, dat hindert niet,quot;' bromde zij en dronk zoolang, tot de flesch ledig was ; daarop ging zij zitten, om wat uit te rusten.
In dien tusschentijd liep judas vol angst en bezorgdheid naar het slot.
Toen hij aan het kasteel kwam, durfde hij zich niet aanmelden, en bleef in den tuin staan.
De gravin zag uit hare kamer den boschwachter staan en ging dadelijk naar beneden, omdat zi; vermoedde, dat hij iets gewichtigs te melden had.
»Wat zoekt gij hier in het park ?quot; vroeg de gravin, toen zij voor Judas stond.
Tk wilde uwe crenade het bericht brengen,
O O
dat . . . dat. . . wij waren gedurende den dag in het jachtslot en hadden de deur der hut gesloten, maar . . . .quot;
sEnsjeline?quot; vroegquot; de eravin vol van een
O O *5
angstig vermoeden,
gt;Js weg, mevrouw.quot;
gt;Weg ? Waarheen rquot;
gt; Wij weten het niet, mevrouw ; terwijl wij naar
67
het slot waren, is zij achter door het raam geklommen.quot;
»En de ververschingen, die wij voor haar gezonden hebben ?quot;
»Zij staan nog voor het huis, zooals zij daar zijn neergezet.quot;
»Zij is ontvlucht. . . dat is ongehoord!quot; zeide de gravin, bleek van schrik.
Judas verwachtte, toen hij de hevige gemoedsbeweging van de gravin zag, dat een storm zou losbreken.
gt; Boschwachter,quot; zeide de gravin tot Judas, sliet is mogelijk, dat ik uwe verklaring aangaande het ondankbare kind noodisf heb â ik
lt;rgt; o
verlang, dat gij dan de volle waarheid zegt. Mijn geduld en mijne goedheid zijn nu ten einde.quot;
Zij wenkte met de hand ten teeken, dat Judas kon gaan en keerde naar het slot terug.
De boschwachter was blij, dat hij er zoo goed was afgekomen en verliet dadelijk het kasteel.
Het werd reeds donker, toen hij zijne hut naderde.
Plotseling bleet hij staan. Het was hem, als hoorde hij een licht zuchten en steunen gelijk de zwakke geluiden van een stervende.
Judas luisterde â vanwaar kwamen die dofte, zwakke geluiden ? Kwamen zij uit liet huis ?
68
Hij snelde naar de voordeur, de korf met ververschingen was weg.
gt;Hé, vrouw,quot; riep hij, »waar zijt gij? wie steunt hier toch zoo rquot;
Er kwam geen antwoord, het zuchten hield aan.
De bijgeloovigheid van Judas begon weder te werken ; onwillekeurig huiverde hij, het raadselachtige geval van Engeline in plaats van den vreemdeling in het bosch getroffen te hebben, kwam hem weder voor den geest.
»Waar zijt gij toch ?quot; riep de boschwachter, en deed voorzichtig de achterdeur van het huis open.
Verschrikt deinsde hij achteruit..... hij aanschouwde iets vreeselijks.
Zijne vrouw lag stervende op den grond en had door woede en pijn gekweld om zich heen geslagen en zoo den geheelen kori omgestooten, de flesch met wijn gebroken en de ingemaakte vruchten verstrooid.
Het schuin stond de stervende op den wijd geopenden mond, hare lippen en haar geheele gelaat waren blauw ; alle spieren van het lichaam waren samengetrokken. Niemand had haar gehoord, niemand had haar bijgestaan.
Naast haar lag de leege karaf, waarin de voor Engeline bestemde limonade was geweest.
69
Judas was van gevoelen, dat zijne vrouw verhit was geweest en te haastig den koelen drank had gebruikt en zij dientengevolge eene beroerte had gekregen.
Hij droeg haar op het ledige bed in de kamer.....
Zii verroerde zich niet meer. Zij was dood.
De ongevoelige Judas stortte geen traan, elk menschelijk gevoel was hem vreemd. Hij liet de oude vrouw op het bed liggen en ging naar de kroeg.
De herbergier en nog eenige jongelieden ginsfen daarna met den boschwachter naar de
lt;rgt; o
hut, om den doode te zien en allen waren van meening, dat de oude vrouw aan een beroerte was gestorven
Zonder eenige plechtigheid werd de vronw, op verlangen der grafelijke familie naar hare laatste rustplaats gebracht. Dat de gravin geen geneeskundig onderzoek verlangde, laat zich gemakkelijk begrijpen.
VIERDE HOOFDSTUK.
HET PROCES OVER HET TESTAMENT.
â fÃêimt aags na de inhechtenisneming- werd de iÃÃT vreemdeling in de kamer van den Cornel; ^ missaris gebracht, die de bijzonderheden | van deze zaak met zekere spanning tegemoet zag. Ook de verschijning van den verdachte wekte zijne belangstelling.
Deze man in zijne zonderlinge kleeding, met zijn ernstig, door de zon verbrand gelaat, met zijne kalme, bijna waardige houding, kon misschien voor een tortuinzoeker doorgaan; voor een gevaarlijken bedrieger zou niemand hem aanzien. De commissaris echter, door ondervinding wijs geworden, wist wel, dat men zulke lieden juist voor de gevaarlijkste dient te houden.
Toen Lodewijk Mcntpellier was voorgebrach.:, vroee hem de Commissaris, hoe hij heette.
»Lodewijk,quot; antwoordde de vreemdeling onverschrokken, »gij zijt de Commissaris van politie, vervolgde hij, »gij hebt mij in hechtenis doen nemen, gij moet dus mijn naam kennen. Ik ben graaf Lodewijk Montpellier.quot;
De graaf heeft dus gelijk, dacht de Commissaris. »Hoe kunt gij de graaf Montpellier zijn, zeide hij; gij hebt u zoo met genoemd, toen gij hier kwaamt,quot;
»lk heb mij zoo genoemd, maar iii mijne papieren luidt mijn naam : Alexander Dulex.
»Zoo gij Dulex heet, vanwaar dan die naam Lodewijk Montpellier ?quot;
»lk ben de ecnige neef van den overleden graat Montpellier. Twaalf jaar geleden verliet ik Europa en doorreisde Amerika. Daar legde ik mijn adellijken naam af, die mij in die landen meer nadeelig dan bevorderlijk scheen en noemde mij Alexander Dulex.quot;
»Cij beweert de erfgenaam van den graai Montpellier te zijn r'
»Ja, mijnheer de commissaris, ik ben de eri-genaam van mijn oom.quot;
sWeet gij, dat de erfgenaam van den graat
Montpellier sedert lang in het bezit van het slot : en de nalatenschap is ?quot;
gt;lk weet het sedert gisteren.quot;
gt;En wat zegt gij daarvan ?quot;
»Ik zeg, dat men beproefd heeft, mij te bedriegen, mij mijne erfenis te ontnemen, omdat men mij voor dood hield.quot;
gt; Datzelfde beweert van u de heer van het kasteel Montpellier.quot;
gt;En daarop heeft men mij zonder aanklacht in hechtenis genomen, hij is mij vóór geweest, ik begrijp nu alles. Ik ken dezen vermeenden erfgenaam niet, die zijn rol zoo lang met veel bekwaamheid gespeeld heeft. Ik heb slechts de voormalige huishoudster Agatha Leroux als gravin teruggevonden.quot;
»Deze erfgenaam is op grond van een testament erkend ; er rust daarom eene zware verdenking op u.quot;
gt;Dat testament is vervalscht, het is niet het echte, het goede.quot;
»Hebt gij bewijzen voor uwe bewering?quot;
gt;Een eigenhandig afschrift van mijn oom van het echte testament, dat ik eerst eeni^e weken geleden ontvangen heb, nadat het langer dan twee jaren onderweg is geweest.quot;
gt;Dat zou ongetwijfeld een wapen voor u zijn.
7:5
Maar waar hebt gij het afschrift van het testament, dat gij het echte noemt ?quot;
Dulex greep met zelfvertrouwen naar zijne papieren â de zak was ledig.
Hij stond verslagen. Eene hevige ontsteltenis was op zijn gelaat te lezen; haastig tastte hij hij in den anderen zak, doch ook daarin was het testament niet
gt;Wat is dat?quot; zuchtte Dulex en doorzocht nogmaals zijne zakken. sHet testament is mij ontstolen â het is weg !quot;'
iDat is zonderling,quot; zeide de Commissariszoo koud mogelijk, daar hem dit merkwaardig toeval eiken twijfel omtrent de onrechtmatige aanspraak van Dulex ontnam.
»Gisteren, in het kasteel, had ik het nog... en nu ... maar het is onmogelijk ... en toch . . . ik had het altijd bij mij.quot;
gt;Ik geef u tijd om na te denken, waar gij zulk een gewichtig document gelaten hebt, maar ik vrees, dat het niet zal teruggevonden worden.quot; gt;Gij twijfelt aan mijne woorden, mijnheer?quot; gt;lk geloof in soortgelijke gevallen alleen, hetgeen ik zie: gij zult dit natuurlijk vinden. Gij hebt het eenige document, dat u dienstig kon zijn, verloren; maar gij zult in elk geval te Parijspersonen kunnen noemen, die u bekend zijn.quot;
74
gt;Dat zal moeielijk zijn, daar ik twaalf jaren â afwezig geweest ben.quot;
'' Hm! Hebt gij bij uw aanslag op graaf Montpellier medeplichtigen ?quot; vroeg plotseling de Commissaris met krachtieen stem.
gt; Medeplichtigen rquot; herhaalde Dulex, zich verontwaardigd oprichtende
»Gij kunt niet beter doen, dan ze dadelijk te noemen, andert duurt uwe eevano-enisschao noo-
o o 1 ia
langer.quot;
«Ik alléén treed op voor mijn goed recht, mijnheer, ik heb vrienden noch verwanten. Maar ik ben alleen genoeg, oir. voor mijne zaak te strijden.'
gt;Overleg,quot; viel de Commissaris hem in de .rede, »of gij met betrekking tot het door u voorgenomen bedrog, u schuldig wilt bekennen ik laat u daartoe eenige dagen tijd quot;
»Dan zal ik . . . als een bedrieger ... in de gevangenis worden geworpen!quot; riep Dulex met blijkbare ontsteltenis.
De politieagent kwam op een teeken van den Commissaris weer binnen, om Dulex weg te voeren.
gt;Vo]g mij,quot; beval de agent
gt;Dan verzoek ik u, mij zoolang vrij te laten,quot; zeide Dulex tot den Commissaris, .-totdat ik het
mij afhandig gemaakte testament heb terug o-evonden quot;
O
»Ik zal dadelijk bevel geven, in de kamers van uw logement en op den weg, dien gij eer-o-isteren hebt (jevolcfd. naar het testament te
ö O O '
zoeken. Breng den gevangene in zijn cel terug! ' Dulex begreep, dat hij niets tegen dat bevel vermocht.
ïHij kon niet verliezen, zoo troostte hij zich-zelven, zijn goed recht moest zegevieren.quot;
»Hij is geen krankzinnige, hij is een gevaarlijke bedrieger, wiens medeplichtigen gevonden moeten worden,quot; mompelde de Commissaris.
Een weinig daarna hoorde men plotseling in de voorkamer de luide stem van een meisje.
gt;Ik smeek u, laat mij door ! ik moet binnen !quot; werd er geroepen.
De Commissaris wendde zich onwillekeurig om. Een bediende trachtte het meisje te weerhouden. »lk moet binnen! Ik moet mijn vader redden!' klonk het zoo angstig, dat de Commissaris naar de deur eine, om te hooren, wat deze woorden
o «_gt;1
beteekenden.
Nauwelijks was de deur open ot een jong meisje liep op hem toe en strekte de armen smeekend naar hem uit. Zij scheen geheel uitgeput van vermoeienis; haar hoofd was met
76
een doek verbonden. Zij zonk wankelend voor de voeten van den Commissaris neer.
De aanblik van het onschuldige, voor hem knielende meisje, ontroerde hem.
Hij gaf den ontstelden bediende, die het meisje wilde verwijderen, een wenk, om haar in het vertrek te laten.
gt;Wie zijt gij en wien zoekt gij ?quot; vroeg de Commissaris, haar een stoel gevende. »Gij zijt vermoeid, rust eerst wat.'1
j'k kom om mijn vader in de gevangenis op te zoeken, om te zijnen gunste te getuigen.quot;
»Hoe heet gij ?quot;
gt;Engeline.quot;
gt;En wie is uw vader, voor wien gij wilt optreden ?quot;
gt; Graaf Lodewijk Montpellier.quot;
De Commissaris beschouwde Engeline met wantrouwen.
'Gij zijt de dochter van den graaf van Montpellier ? vroeg hij en zag onwillekeurig naar hare armoedige kleeding en slecht schoeisel.
gt;ja, mijnheer !quot;
»Jk heb nooit gehoord, dat graaf Montpellier eene dochter had.quot;
»Graaf Lodewijk Montpellier, die thans inde
77
gevangenis geworpen is, die eergisteren terugkeerde en door mij, in weerwil van de lange scheiding, dadelijk herkend werd, is mijn vader; mijne moeder is reeds lang dood.quot;
gt;De zaak wordt steeds onbegrijpelijker;quot; mompelde de Commissaris, »behoort zij ook tot de medeplichtigen ?quot;
gt;Erbarm u, Mijnheer, laat mijn ongelukkigen vader vrij, opdat hij zijn recht kan zoeken,quot; riep Engeline.quot;
»Er zal hem recht gedaan worden, heb daar geen zorg voor ; waar vertoefdet gij gedurende de afwezigheid van uw vader ?quot;
gt;Zoolang de oom mijns vaders nog leefde, op het kasteel; toen echter Agatha hem huwde, die vóór twee jaren als graaf Montpellier optrad, werd ik bij den boschwachter Judas uitbesteed; bij hem ben ik tot heden geweest.quot;
»Dat is mij onverklaarbaar, zeide de Commissaris tot zichzelven, »zij noemt den vreemdeling haren vader, dien zij dadelijk herkend heeft.quot;
gt;Gij zult uwen vader zien,quot; verzekerde dt; Commissaris haar.
gt;0, hebt dank voor deze goedheid, mijnheer,quot; zeide Engeline met bewogen stem, »ik moet bij mijn vader blijven, ik moet voor hem getuigen.
78
«Ik zijne dochter ben de eenige, die hem her kend heeft.quot;
De Commissaris riep den agent en beval hem. den gevangene terug te halen.quot;
gt;Ik laat u met uw vader alleen,quot; zeide de Commissaris tot En^eline en trad het aansren-
O O
zende vertrek in, vanwaar hij, zonder opgemerkt te worden, het wederzien en de ontmoeting van vader en dochter kon zien.
De Commissaris stelde veel prijs op zulke geheime waarnemingen, daar hij van de meening uitging, dat valsche bedoelingen zich onwillekeurig door een blik of een gebaar verraden.
Toen Dulex in de kamer werd grebracht en Engeline zag, sloot hij haar met vaderlijke liefde in zijne armen, terwijl een straal van vreugde voor één oogenblik zijn ernstig gelaat verhelderde.
gt;Mijn vader!quot; riep Engeline vol kinderlijke liefde en in dezen kreet jubelde haar geheel kinderlijk hart, ik zie u weder. . . ik blijf bij u.quot;
gt;Hoe komt gij hier, beste Engeline.quot;
»Ik kom van Montpellier. Jk hoorde, dat men u gevangen had genomen en toen kon mij geen menschelijke macht meer terughouden.quot;
79
5gt;Gij hebt een doek om het hoofd, wat is er gebeurd rquot; vroeg Duiex bezorgd.
»]k heb eene onbeduidende wonde aan het hoofd, vader, maar dat is niets. Hoe gelukkig ben ik, nu ik bij u mag zijn. Laat mij bij u blijven, laat mij niet meer terugkeeren bij die booze menschen, die mij haten en u willen dooden.quot;
»Mijn braaf, goed kind, ik ben een gevangene.quot; gt;Troost u, vader, ook als allen u verlaten, blijf ik bij u; ik zal voor u getuigen en aan de woorden van een kind zullen de rechters geloof schenken.quot;'
»Dat geve de Hemel, mijn kind,quot; antwoordde Dulex.
Gedurende dit gesprek was de Commissaris onhoorbaar binnengetreden en stond aan de deur, met over de borst gekruiste armen, deze roerende ontmoeting aan te zien .... de kin-
O
derlijke liefde van dit meisje was niet gehuicheld: deze ontmoeting geen bestudeerde ro!.
»Ik wil voor u getuigen. Ik ga niet van u, vader, laat ons niet wanhopen,quot; riep Engeline. Daar bemerkte zij den Commissaris »Gij hebt alleen te beslissen,quot; zeide zij totden Commissaris met kinderlijk smeekende stem, »van uw wil hangt alles af, mijnheer, scheidt
so
',mij niet van mijn ongelukkigen vader ; laat mij de gevangenis met hem deelen.quot;
gt;Dat kan niet, dat gaat niet, hoe gaarne ik den wensch van een liefhebbend kind zou willen vervullen,quot; antwoordde de Commissaris, »neem afscheid van uw dochter, üulex.quot;
»lk kan niet weg. Ik, mag niet van hier of alles is verloren. Ik moet bij mijn vader blijven.quot;
gt;Het proces van uw vader is als verloren te beschouwen,quot; zeide de Commissaris, gt;als het testament niet gevonden wordt, dat uw vader verloren heeft.quot;
gt;Het zal, het moet gevonden worden,quot; zeide Dulex.
gt;Laat mij dan voor eenige uren in de cel bij mijn vader,' zeide Engeline.
»Het kan niet, mijn kind j gij hoort het, gij ziet het aan het ernstig weigeren van den Commissaris. Laat ons afscheid nemen.quot;
»Ik: kan niet naar ontpellier terug,quot; verklaarde Engeline met vertwijfeling.
»Blijf dan hier in de nabijheid, gij zult wel een plaatsje bij een goede familie vinden,quot; zeide Dulex en reikte zijn kind een goedgevulde beurs over; »gij hebt lang genoeg onder het juk van die ruwe, booze menschen moeten leven.quot;
!gt;Bij de vrouw van den ouden wachter zult
81
â gij tot de uitspraak van het vonnis, huisvesting-kunnen vinden,quot; verzekerde de Commissaris.
gt;Eene tweede samenkomst met uw vader mag ik evenwel niet toestaan.
quot;Ik dank u, mijnheer, ik ben dan ten minste in de nabijheid van mijn goeden vader,quot; zeide Engeline en nam met betraande oogen afscheid van Dulex.
Twee weken later werd in een der zalen van het paleis van Justitie het proces behandeld, dat over het lot van den waren Graaf Montpellier zou beslissen.
Het begin van het proces was weinig te zijnen gunste. Hij was aangeklaagd, eene poging te hebben gedaan, om zich de rijkdommen en het kasteel van den graaf Montpellier door bedrog toe te eigenen, een valschen naam aangenomen te hebben en door bedreigingen het leven der erfgenamen in gevaar te hebben gebracht. Hiervoor stond hem eene lanee en
O
zware galeistraf te wachten, als hij de aanklachten niet kon weerleggen en niet kon bewijzen, dat hij de rechtmatige erfgenaam was.
Alles was tegen hem : de schijn, het gevoel der rechters en het tot nu toe gedane onderzoek.
Behalve Lodewijk Montpellier en Engeline, die niet van zijne zijde week, bevonden zich
o
de graaf en de boschwachter als getuigen inde zaak.
gt;Het is gebleken,quot; zeide de rechter, «datdeze aangeklaagde een avontuurlijk leven heeft geleid en dat over zijn verleden niets met zekerheid gezegd kan worden; alleen is ons bekend, dat bij lang in Amerika, nu hier, dan daar, heeft geleefd en den^naam Alexander Dulex gevoerd heeft. Over zijn verleden en zijne aanspraken hebben wij verder niets kunnen vernemen.quot;
quot; Dat is een leugen,quot; riep Engeline verbleekend uit, ten hoogste verstoord over deze woorden, die tot haren ongelukkigen vader waren gericht. gt;Of wil men,quot; vervolgde zij geheel en al ontroerd, »geen geloof hechten aan de getuigenis van het eenige kind van den graaf Montpellier.quot;
»Dc getuigenis van Engeline Montpellier, van een nog nauwelijks zestienjarig meisje,quot; vervolgde de aanklager even koelbloedig, alsof hij niets gehoord had, gt;is, zonderling genoeg, de eenige in het voordeel van den vreemdeling. Maar deze oretui^e is niet volkomen gelooi-
O O
waardig, daar het mogelijk is, dat eigenbelang of andere gronden haar aangezet hebben, om voor den gewaanden graaf Montpellier, op te treden.quot;
83
Engeline moest zich vasthouden, omdat het bloed haar bij deze vernederende woorden naar het hoofd steeg.
»Het eenige bewijs ten gunste van den aangeklaagde, is een afschrift van het testament, dat de gestorven graaf eigenhandig zou geschreven hebben en waaruit zou blijken, dat Alexander Dulex zijn erfgenaam is,quot; zeide de aanklager, «dat eenige bewijs beweert hij verloren te hebben.''
«Ik werd op den weg van het kasteel Mont-pellier naar Parijs,quot; zeide Dulex met luide stem, «in den nacht overvallen en had een strijd met een man te voeren, die mij naar het leven stond. Slechts in dezen strijd kan mij het testament ontrukt zijn of verloren zijn gegaan.''
-Wie overviel u in den nacht, Dulex?quot; vroesr de eerste rechter.
»Het was donker; doch eensklaps doorkliefde een bliksemstraal de lucht en duidelijk kon ik mijn vijand, dien ik ter aarde geworpen had, zien; en ik geloof mij niette bedriegen, als ik zeg, dat de boschwachter judas, die hier als getuige staat, degene is, die mij in het bosch als een sluipmoordenaar overviel.quot;
»Boschwachter, judas, wat hebt gij daarop te antwoorden,quot; vroeg de eerste rechter.
84
-Ik weet er niets van, op mijn woord niet,quot; antwoordde Judas aanstonds.
quot;De boschwachter spreekt de waarheid niet!quot; riep Engeline ; quot;ik zelf zag hem dien avond, nadat hij van het kasteel kwam, zijne hut verlaten, terwijl hij tot zijne vrouw zeide, dat hij noof eene grewichtiore zaak in het bosch doen
O O O
moest. Toen ik daarna heimelijk mijn vader na wilde loopen, om hem te waarschuwen en te redden, daar eene inwendige stem mij zeide, dat het op zijn leven gemunt was, schoot Judas. De kogel trof echter mijn vader niet, maar mij; hier is nog het litteeken der wond.quot;
De wond van Engeline scheen op de rechters indruk te maken.
!gt;Ja, nu weet ik het,quot; zeide Judas, »ik bevond mij in het woud, om het te bewaken, toen ik eene beweging in de struiken opmerkte. Ik gqiw er heen en bemerkte een man, dien ik
O ö
toeriep: »Wie daar!quot; Er volgde geen antwoord. Daarop viel ik op hem aan.quot;
gt;'De boschwachter heeft niets geroepen,quot; zeide Dulex.
ïdk wilde den man vasthouden,quot; antwoordde Judas, »doch ik moest voor hem onder doen. Het schot, dat later Engeline trof, gold niet haar, maar een reebok.quot;
85
gt;Gingt gij in dien duisteren nacht op jacht?quot; vroeg de eerste rechter.
»Ik had bevel ontvangen, de grafelijke keuken een reebok te bezorgen, al moest ik er nog zoo veel moeite voor doen.quot;
gt;Hebt gij,quot; vroeg de rechter, gt;toen gij den aangeklaagde, aangreept, hem een document afgenomen ?quot;
»Neen, ik heb geen document gezien quot; gt;Engeline Montpellier,quot; zeide de rechter tot het meisje, verkent gij den graaf van Montpellier, die als getuige in het proces hier is, als uw vader ?quot;
fNeen,quot; antwoordde Engeline met klem. «Hij is mijn vader niet. Eene inwendige stem zeide het mij reeds voor twee jaren, toen hij naar het kasteel kwam. Hier staat mijn ware vader,quot; ging zij voort en wees op Dulex, gt;deze alleen is mijn vader, ik herkende hem dadelijk, toen hij terugkeerde. Bij het graf mijner moeder vond hij mij, toen hij mij zocht. De bewoners van het kasteel vermoedden niet, dat ik mijn vader had herkend en gesproken. Hun boosaardig plan was, hem in de gevangenis te laten werpen. Tijdens mijne ziekte kwamen zij mij bezoeken, wat vroeger nooit gebeurd is. Hun doel was, mij in dit proces voor zich te winnen.
86
Hij, die thans het kasteel Montpellier bewoont, is mij geheel vreemd. Ik ben zijne dochter niet.quot;
De graaf was door deze aanklacht van Engeline bleek als een lijk geworden.
gt;Wat hebt gij daarop te antwoorden, heer graaf Montpellier ?quot; vroeg hem de rechter.
De graaf kon nauwelijks eenige woorden uitbrengen, maar beklaagde zich zoo goed als hij kon over zijn ongehoorzaam kind.
»Waarom hebt gij uwe dochter aan Judas uitbesteed, heer graaf ?quot; vroeg de eerste rechter; »verschoon mij, dat ik u deze vraag stel, maar zij behoort tot opheldering der toestanden.quot;
sik was daartoe door mijn oom genoodzaakt,1' antwoordde de graaf, quot;bovendien eischte haar karakter een streng toezicht en voornamelijk een verblijf, om onderdanigheid te leeren.quot;
»Wat hebt gij over de verhouding tusschen Engeline Montpellier en den graaf te zeggen, boschwachter ?quot; vroeg de rechter.
»De graaf en de gravin zijn de goedheid zelve voor het kind,quot; zeide de boschwachter. gt;Engeline echter is zeer ondankbaar, leugenachtig en hatelijk, geen mensch weet, hoe men het met haar heeft. Zelfs heeft zij getracht, ons bij hare ouders verdacht te maken.quot;
37
Engeline verbleekte bij het hooren van deze schandelijke leugens ; zij voelde, dat de zaak van haar vader verloren was. De beleediging, welke men haar met deze aanklachten en verdachtmakingen deed, krenkte haar niet; maar, dat men haren vader voor een bedrieger en fortuinzoeker uitmaakte, dat men hem van zijn goed recht wilde berooven, trof haar als een donderslag.
gt; Wat hebt gij nog te antwoorden, aangeklaagde rquot; zeide de rechter tot Dulex,
gt;dk zie, dat ik door deze valsche verklaringen zonder bewijzen, zonder eene andere hulp, dan het bewustzijn van mijne rechtmatige aanspraken, alles zal verloren hebben â en evenwel roep ik den Hemel tot getuige, terwijl ik plechtig verklaar, dat ik Lodewijk Montpellier ben en geen ander- Het testament zal en moet gevonden worden. God helpe mij. Amen !quot; Daarop zonk hij weer op de bank neer.
Snikkend verborg Engeline het gelaat in hare handen.
De craaf beschouwde den waren Lodewijk
O ^
Montpellier met helschen trots.
De rechters trokken zich, om te beraadslagen, in een afgezonderd vertrek terug.
Er verliep een uur van hevige spanning.
waarin de stilte slechts door het geween van Engeline werd onderbroken.
Toen keerden de rechters ernstig en met afgemeten passen naar hunne plaatsen in de zaal terug, en de voorzitter stond op, om het vonnis uit te spreken.
Eene doodsche stilte heerschte in de zaal.
gt;Na een streng onderzoek,quot; aldus begon de rechter, gt;en na rijpe overweging wordt hier in naam des Konings recht gesproken en wij ver-oordeelen Alexander Dulex, aangeklaagd van bedrog, tot tien jaren gevangenisstraf. Deze straf zal hij in het bagno te Toulon ondergaan.quot;
Een gil van het meisje, die alle aanwezigen deed huiveren, klonk door de zaal. Daarop zonk Engeline op den grond.
»Mijn kind, mijn dierbaar kind !quot; riep Dulex en wilde naar Engeline snellen, om haar in zijne armen op te vangen, maar een gerechtsdienaar sprong vooruit en sloot het hek, dat de bank der beschuldigden omgaf.
Toen deed de valsche graaf moeite, om naar Engeline te gaan, en haar bij te staan.
Doch nauwelijks raakte hij Engeline aan, oi zij deinsde sidderend, als door een adder gebeten, terug. Zij richtte zich wankelend op.
gt;iVlijn vader !quot; riep zij met halfverstikte stem
89
en wilde naar den veroordeelde vluchten, maar-het hek scheidde hen.
»Het testament!quot; riep zij radeloos, sik moet het testament vinden, alles is nog niet verloren. Neen, valsche graaf, de zege is nog niet aan u, ik geef alle hoop nog niet op. Het testament; zal gevonden worden ! De Hemel zal mij helpen 1 God bezit meer macht, dan alle omkooperijen, en al uwe vrienden die gij door het gestolen geld kunt bewerken; ik vertrouw op God en met Zijne hulp zal het testament gevonden worden.quot;
Terwijl Engeline deze woorden sprak, werd Alexander Dulex weggevoerd; het vaderlievende meisje dit ziende, viel in zwijm.
VIJFDE HOOFDSTUK.
IN HET BAGNO TE TOULON.
«et vonnis, dat over Alexander Dulex geveld was, werd zonder verzachting door het hoogste gerechtshof bevestigd.
Men voerde dit vonnis dadelijk uit en zoo werd de ware graaf Montpellier met andere misdadigers naar Toulon gezonden. Al zijne pogingen, om te bewijzen, dat hij inderdaad de wettige erfgenaam van het kasteel Montpellier was, hadden schipbreuk geleden; de smeekingen en tranen van Engeline hadden het vonnis der rechters niet kunnen veranderen.
De sombere vertwijfeling, welke Dulex op het hooren van zijn vonnis aangreep, was na dagen en weken van zwaren, inwendigen strijd
91
in kalme berusting veranderd. Hij had zich in zijn lot geschikt. Zijne gramschap, zijn twijfel aan de rechtvaardigheid des Hemels hadden plaats gemaakt voor het vaste geloof, dat God zijne onschuld eenmaal aan het licht zou brengen. Hij zou in ketenen geklonken worden, maar deze ketenen waren licht in vergelijking van die, welke de huishoudster Agatha en den valschen Qraaf kluisterden: de ketenen der misdaad.
Toen Dulex met de andere veroordeelden te Toulon aankwam, was het reeds donker.
Men bracht de gevangenen, onder geleide eener afdeeling soldaten, met geladen geweren, naar het bagno.
De veroordeelden liepen paarsgewijze en stonden spoedig voor eene hooge poort, welke toegang verleende tot het bagno.
Zij opende zich knarsend, als huiverde zij op den aanblik dier ongelukkigen; de treurige stoet zette zich weder in beweging en kwam op de binnenplaats, waarna de poort, van dubbel slot en sterke grendels voorzien, weder dicht viel.
Dulex, die met zijne gedachten bij zijn ongelukkig kind was, zag nauwelijks op; werktuigelijk volgde hij de voor hem gaande gevangenen.
De wacht, die tot hiertoe de nieuwe gevan-
92
genen had begeleid, werd' met tien man verminderd. Daarop bracht men de veroordeelden naar een afgelegen gebouw met zeer dikke muren en ijzeren deuren.
Een dezer deuren werd geopend en twee oude, maar nog krachtige bewakers verschenen op den drempel.
Dit gedeelte van het gebouw bestond uit eén vertrek, dat door eenige kleine, getraliede raampjes slechts schaarsch verlicht werd. Op den steenen vloer lagen een aantal stroobundels en oude versleten dekens verspreid.
Hier zouden de veroordeelden den nacht verder doorbrengen.
De soldaten vatten post voor de deur, terwijl goed gewapende cipiers binnen bleven en zorgden, dat de gevangenen van de stroobundels en dekens gebruik konden maken.
Spoedig heerschte de diepste stilte in het vertrek, daar de bewakers gedreigd hadden, zonder genade neer te schieten, wie niet onmiddellijk zou gehoorzamen.
O
Twee groote lantaarns, die in twee hoeken van het vertrek opgehangen waren, verspreidden een spookachtigen, rossen gloed. Het stroo, waarop Lodewijk lag, was half vergaan en verspreidde eene akelige lucht.
93
De meeste gevangenen schenen aan zulk eene kerkerlucht gemakkelijk te kunnen gewennen.
Buiten klonken de gelijkmatige stappen der wachten; binnen stonden de beide cipiers en spraken met elkander : zij hoopten, dat de veroordeelden reeds den volgenden morgen aaneengesmeed zouden worden, opdat zij den volgenden nacht niet genoodzaakt zouden zijn, te waken.
Dulex kon niet slapen. Voor zijn geest zweefde als eene hemelsche verschijning: het lieflijke beeld van zijn kind. Hij zag dat vriendelijke gelaat, waarvan elke trek, elke lijn van de schoonheid en onschuld der ziel getuigde ; hij zag die eertijds zoo stralende oogen, welker o-lans nu echter verdoofd was door een tranen-vloed, geschreid om het rampzalige lot van den diep ongelukkigen vader; hij dacht aan de sombere toekomst, aan het verwoeste levensgeluk van dat dierbaar kind en de wanhoop dreigde hem, te overmeesteren ; maar een vast vertrouwen op God schonk hem de kalmte cles oemoeds terusj.
£gt; O
Lanofzaam vervloden de uren van dezen
O O
vreeselijken nacht.
Eindelijk schemerde het bleeke morgenlicht door de ruitjes.
94
Hij bevond zich in de ellendigste gevangenis der wereld, eene gevangenis, welke men overal met vrees en afschuw noemt; hij was te midden van de grootste misdadigers, in een gezelschap, dat hem met afgrijzen vervulde.
Maar de maat van zijn lijden was nog niet vol; het vreeselijkste wachtte hem nog. Nadat de veroordeelden het harde bagno-brood genuttigd hadden, werden zij één voor één buiten gebracht.
Toen Dulex buiten kwam, werd hij door twee bewakers aangegrepen, die hem over eene ruime plaats naar een groot gebouw voerden.
Hier moest hij zijne kleederen uitdoen en de uniform der veroordeelden aantrekken.
Hij kreeg No. 73, daar drie dagen te voren de drager van dit nummer overleden en dit daardoor vrij geworden was.
Hij had van dit oogenblik geen naam meer, hij, de rechtmatige erfgenaam van Montpellier was nog slechts No. 73.
gt;No. 73 is naar de opgave geen moordenaar, hij moet daarom aan No. 74 geklonken worden,quot; zeiden de beide wachters. »No. 74 is de Corsikaan.quot;
De inspecteur gaf met de hand een teeken,. dat No. 73 kon worden weggebracht.
Terwijl de beide wachters hem weder over de groote binnenplaats voerden, woei hem eene onaangename brandlucht tegen, welke uit een openstaande schuur kwam. Juist werd er een der veroordeelden uitgebracht; aan zijnen voet hing reeds de ketting, waarmede hij aan een ander zou worden vastgesmeed; zijn linkerarm was tot aan den schouder ontbloot â eene koude huivering beving Dulex. Een oogenblik later werd hij de schuur binnengeleid.
Deze schuur, waarin eene drukkende atmosfeer heerschte, was de werkplaats van den beul.
Midden in dit dompige hol stond bij een o-root kolenvuur een forsch o-ebouwd man van
ö O
omstreeks veertig jaar. Het was de beul. Jn zijne rechterhand hield hij een ijzer, dat hij, zoodra Dulex binnengeleid werd, zijnen gezel toewierp, die het in het vuur legde.
gt;No. 73,quot; riep de wachter den beul toe.
gt;Drie en zeventig,quot; herhaalde de beul tot zijn gezel en wierp tegelijkertijd een gevoelloozen en onverschilligen blik op Dulex.
s Ontbloot uw linkerarm,quot; beval hij barsch.
gt;Mijn linkerarm?quot; vroeg Dulex verbleekend, omdat hij zag, dat de knecht den beul her gloeiende ijzer aanreikte, »tot welk doel ?quot;
96
»Zwijg 1 Gehoorzaam !quot; snauwde de beul hem toe ; »gij moet gebrandmerkt worden !quot;
Dulex deinsde terug. Was het dan niet genoeg, dat hij, graaf de Montpellier, van zijn wettig eigendom was beroofd, dat hij onschuldig veroordeeld was, zijn leven te slijten in het â¢walgelijk gezelschap der grootste boosdoeners: Moest hij in zijn onschuldig lichaam nog het onuitwischbaar merkteeken van moordenaars en brandstichters ontvangen ? Dat was te veel, te veel voor een onschuldig veroordeelde !
-Weigert gij, dan wordt gij gebonden,quot; zei de beul, en reeds wilden de beide bewakers hem aangrijpen.
gt; Terug Iquot; schreeuwde Dulex met zooveel herheid en klem, dat beiden onwillekeiirigr terue-
O O
weken. Maar toen hij een oogenblik later zijne zelfbeheersching herkregen had, onderwierp hij zich aan Gods wil en was bereid, deze schandelijke vernedering gelaten te ondergaan.
Hij ontblootte den arm en stak hem den beul toe-
De beide bewakers weken terug en bleven in de nabijheid der deur staan. Dulex zag, zonder de minste vrees te doen blijken, dat de beul met het gloeiende ijzer zijn vleesch naderde, â ioe hij het op den bovenarm drukte, hoe het
sissend in het vleesch drong. Geen smartkreet ontsnapte aan zijne borst, slechts een oogenblik drukte hij de tanden krampachtig op elkander.
Nu was Dulex gebrandmerkt; nu was hij, voor het uiterlijke ten minsle, gelijk aan de booswichten, die deze plaats van wanhoop en ellende bevolkten.
Plotseling klonk er een kreet; Dulex keerde idch om. Daar zag hij zijne dochter, die, met uitgestrekte armen op hem toesnellende, zich weenend aan zijne borst wierp.
Eno-eline was haar vader naar Toulon ge-
O
volgd ; daar had zij, geholpen door eene edel-moedis^e vrouw, zich toegang' tot het bagno
O 1 O ö O
weten te verschaften, om haren ongelukkigen vader te troosten en afscheid van hem te nemen.
Dulex drukte haar met teederheid aan zijn hart. gt;Engeline, mijn kind, hoe komt gij hier?quot;
gt;lk moest u nog eenmaal zien, mijn vader ; daar ik de rechters niet van uwe onschuld kon overtuigen, wilde ik ten minste afscheid van u nemen.quot;
Dulex, een opkomend gevoel van smart en wanhoop onderdrukkend, troostte zijne dochter, die, al de troostwoorden vergetende, welke zij haren vader wilde toestieren, zich door de droefheid geheel liet overmeesteren.
98
«Ween niet, mijn kind, mijn arm kind,quot; sprak hij, gt;maar laten wij op God vertrouwen, die mij in mijn lijden zal bijstaan. Vertel mij nu, Engeline, hoe gij hier toegang hebt kunnen bekomen.quot;
Terwijl Dulex deze woorden tot zijn kind sprak, zocht de beul een ketting en een voet ijzer voor den ongelukkigen vader.
»God is met mij geweest,quot;' zeide Engeline, j'Hij heeft mij beschermd. Hij heeft mij op deze verschrikkelijke plaats een engel toegezonden, om mij bij u te brengen ; Antoinette is haar naam.quot;
Dulex zag rond en bemerkte eene vrouw, die Engeline begeleid had en die de macht scheen te hebben, haar ongehinderd toe te laten ; »Wie mag die vrouw toch zijn rquot; vroeg Dulex zich af, en zich tot zijne dochter wendende, zeide hij : »Ik dank God, Engeline, dat Hij u eene beschermster gegeven heek; de zorg voor u kwelde mij; gij stond geheel alleen in de wereld: er was niemand, die zich om u bekommerde, sedert men mij hier gevangen houdt.quot;
gt;Antoinette zal mij bijstaan, vader; zij is zoo goed, zoo liefderijk. Ik heb echter slechts één levensdoel en ik zal er rusteloos naar streven uwe onschuld, uw recht te doen zegevieren.
99
Ik heb het testament nog niet kunnen vinden ; maar de Hemel zal met mij zijn.quot;
gt;Hier, nummer 73,quot; riep de beul op barschen toon, terwijl hij in de eene hand den ketting met den voetring en in de andere den hamer hield.
2Wij moeten afscheid nemen, mijn kind,quot; zei Dulex diep geroerd.
i»Geef mij uwen zegen, vader,quot; smeekte En geline en zonk voor den galeislaaf op de knieën.
Onbeschrijfelijk was de liefdevolle uitdrukking van Engeline's gelaat; reinheid van hart en kinderlijke liefde spraken uit hare oogen en gelaatstrekken.
En toen Dulex, de man in het kleed der veroordeelden, zijne hand zegenend over het hoofd van het kind uitstrekte en Gods zegen over haar afsmeekte, toen streno-elde Eneeline hare
' 00
armen om de knieën van haren vader, als wilde zij den beul, wien dit oponthoud begon te vervelen, beletten, zich van hem meester te maken. Maar die man, die alle gevoel van menschelijk-heid scheen afgelegd te hebben, duwde haar op zij en rukte Dulex op eene bank, om hem den ring aan den voet te smeden.
Engeline verborgf met een kreet van smart het gelaat in hare handen. Antoinette snelde
100
toe. Zij nam haar bij de hand en voerde haar weg van deze plaats van verschrikking en ellende.
Een sterke, ijzeren ring werd Dulex om den voet gesloten. Aan dezen ring bevond zich een andere, dien men den galeislaaf No. 74, terwijl hij arbeidde, had afgenomen.
Twee dagen later zag men tusschen de steenen, die voor de havenwerken van Toulon werden gebruikt, eene afdeeling galeislaven loopen. De zware arbeid van den dag was verricht. Nadat de veroordeelden bijna twaali uren in de brandende zon den zwaarsten havenarbeid hadden verricht, waarbij somtijds de zwakste gevangenen, door een zonnesteek getroffen, ineenzakten, werden zij bij het vallen van den avond uit hun lijden verlost.
De opzichter Mercurent geleidde eene afdeeling naar de slaapzaal der gevangenis.
Bij deze afdeeling was Alexander Dulex. Hij droeg met mannelijke waardigheid zijn treurig lot en schikte zich met gelatenheid in zijnen beklagenswaardigen toestand. Met noeste vlijt verrichtte hij zijn arbeid.
Naast hem erinquot;; een man met zwarten baard,
O «-gt;
wiens gelaatstrekken eene zuidelijke al komst verrieden.
Deze man met een somber voorkomen, met
101
fonkelende oogen en scherp geteekende trekken was Nepo Rensata, een Corsikaan van geboorte, die met Dulex aan denzelfden ketting was geklonken, maar die in het bagno alleen als No. 74 bekend was.
Langzaam bewoon zich de stoet over de binnenplaats naar het groote gebouw, waarin zich de slaapzalen der galeiboeven bevonden ; de meeste orevano-enen waren door den arbeid en de hitte zoo uitgeput, dat zelfs het dreigend geroep van Mercurent hen niet meer tot eene snellere beweging kon aanzetten. Zij waren zóó bezweet, dat hunne haren en baard doornat waren.
De onmenschelijke Mercurent dreigde de achterblijvenden met straf, ja, hij schaamde zich niet, hen met de kolf van zijn buks in de zijde te stooten.
Deze Mercurent, die de invloedrijkste opzichter in het bagno was, had dezen post gekregen, nadat hij zelf vijftien jaar onberispelijk als veroordeelde in het bagno had doorgebracht.
Hij was in deze gevangenis vergrijsd en had hier elk gevoel van menschelijkheid verloren. Nadat hij zelf zoolang in deze vreeselijke plaats had geleden, was het hem een genot, anderen een gelijk lot te doen ondergaan.
102
Het was den veroordeelden verboden, des daags of des nachts met elkander te spreken; zelfs bij den arbeid mochten zij slechts het noodzakelijke zeggen. Elke overtreding van dit verbod strafte Mercurent met eene langere of kortere opsluiting in de zoogenaamde spitsroe-denkamer en deze straf was zoo verschrikkelijk, dat nog niemand een verblijf van dertig dagen in deze kamer had overleefd.
Eindelijk bereikten de veroordeelden het gebouw. Beneden in de hal kreeg ieder zijne portie brood, eene kruik water en tweemaal in de week eene hoeveelheid wijn.
Nadat allen dit sober maal genuttigd hadden, gaf de bewaker het teeken, zich naar de slaapzaal te begeven.
Dulex met Nepo Rensata sliepen op de eerste verdieping.
Op deze zaal stonden een aantal bedden in vier lange rijen geschaard ; elk bed diende voor twee veroordeelden. Aan het voeteinde van elke legerstede bevond zich een dikke balk, van een ijzeren ring voorzien ; aan dezen ring hingen twee kettingen, waaraan 's avonds met behulp der voetijzers de voeten der beide gevangenen werden vastgemaakt, om elke poging tot ontvluchten onmogelijk te maken.
loa
Nu lagen de galeiboeven op hunne harde atroobedden, om door den slaap van den zwaren arbeid uit te rusten en zich voor den volgenden dag te versterken.
Tot heden waren steeds twee bewakers op de zaal gebleven, om het toezicht te houden ; dezen avond echter verlieten zij de zaal, waarvan de gevangenen gebruik maakten, om eenige woorden met elkander te spreken.
Dulex had reeds lang met een diep gevoel van medelijden Nepo Rensata beschouwd, die onder den last der harde gevangenschap meer scheen te lijden dan hij.
Toen de onrustig zwevende blikken van den Corsikaan zich overtuigd hadden, dat de beide bewakers heen^eeaan waren, wendde hij zich
O O ' â¢'
tot Dulex.
gt;Ik moet u een (geheim toevertrouwen,quot; fluis-terde hij nauwelijks hoorbaar, gt;zoo ge wilt, kunt ge mij verraden.quot;
gt;Vertel het mij gerust,quot; antwoordde Dulex even zacht, gt;gij hebt van mij niets te vreezen.quot;
gt;lk wil in eene der eerstvolgende nachten vluchten,quot; fluisterde de Corsikaan en zijn gelaat getuigde van groote opgewondenheid
gt;Vluchten?quot; vroeg Dulex verrast, gt;maar dat as onmogelijk!quot;
104
gt;En ik zeg u, dat het moet â en het zaf gelukken, als wij het eens zijn.quot;
gt;Vrees niets, ik verraad u niet.quot;
»Gij vlucht met mij.quot;
gt;Neen, dat doe ik niet,quot; antwoordde Dule.v.
gt;Gij wilt niet vluchten ? Wilt gij in deze gevangenis blijven?quot;
«Mijne vlucht zou mijn lot niet veranderen.quot;
gt;lk gevoel het, gij zijt te trotsch, om te vluchten, om dit middel tot uwe bevrijding aan te wenden; gij hoopt, dat men u na korteren oi langeren tijd zal ontslaan, maar gij bedriegt u. Wie hier levend begraven is, wordt spoedig door de wereld vergeten. Ik vlucht! Ik moet vluchten ! ^k heb buiten nog een doel te bereiken,quot; zeide de Corsikaan met bevende stem,, gt;ik moet weg of ik zal van wanhoop sterven.quot;
»Als gij het met mij eens zijt, dan is de grootste hinderpaal reeds uit den weg geruimd, ' vervolgde Xepo Rensata na eenig nadenken
gt;Denk aan de bewakers der zaal.quot;
gt;Er zal een nacht komen, waarin zij minder waakzaam zijn.
gt;Denk aan de muren, denk aan het water dat om de (jevansenis stroomt. Denk aan uwe
O O
bagnokleederen, die u overal dadelijk zullen, verraden,quot;
105
.Ik kan zwemmen, ver zwemmen, ik zal een uitweg vinden ; en buiten op de zee wacht mij voor de haven mijn broeder met zijn snelzeilend schip.quot;
»Voer uw plan uit, van mij hebt gij niets te vreezen, ik verraad u niet.quot;
gt;En gij weet toch, dat de kettinggenoot, die eene poging tot vluchten niet verraadt, dezelfde straf krijgt als de ontvluchte.quot;
gt;lk weet het, maar toch zeg ik u, dat ik u niet zal verraden.quot;
»Weet gij, waarom ik in dezen kerker smacht?quot;
gt;Neen.''
gt;Ik zal het u zeggen.quot;
Toen Nepo Rensata met zijn verhaal wilde beginnen, werd hem dit belet, omdat de bewakers in de zaal terugkeerden, zoodat er plotseling eene doodsche stilte heerschte.
gt;Aanstonds,quot; fluisterde de Corsikaan, gt; slaap nog- niet in.quot;
Mercurent en de andere bewakers zochten hunne legerstede op.
Toen de bewakers zich ter ruste hadden crelelt;rd
ö ö
en de gevangenen in diepen slaap waren, ging de Corsikaan dichter bij Dulex liggen en stiet hem aan.
Dulex kon niet slapen ; het vermetele plan van
106
den Corsikaan hield zijnen geest gedurig bezig. Niet dat hij de gevolgen van zulk eene poging tot ontvluchten voor zich zeiven vreesde, maar omdat hij niet gelooven kon, dat zij zou gelukken.
Hij zelf had in vreemde werelddeelen dikwijls in levensgevaar verkeerd en hij had zich steeds door zijnen moed en zijne koenheid weten te redden â maar hier in het bagno scheen hem eene vlucht, na al hetgeen hij gezien had, onmogelijk.
»Nu ik u mijn plan om te ontvluchten heb medegedeeld, zal ik u ook mijne geschiedenis verhalen,quot; fluisterde de Corsikaan zacht.
gt;Gij zult mijn vurig verlangen, om vrij te zijn, eerst begrijpen, als gij weet, waarom ik de ketenen draag. Als gij de oorzaak van dat verlangen naar vrijheid zult kennen, dan zult gij zeggen ; »Nepo Rensata vlucht!quot;
gt;Des daags in mijne gedachten, des nachts in mijne droomen vervolgt mij slechts één beeld, één verlangen, één eenig doel: dat is het zoeken van hen, die mijn leven verwoest hebben, die mij tot een bedelaar, tot een galeislaaf maakten, die mij vrede en geluk ontroofden.quot;
gt;lk leefde met mijn broeder zeer gelukkig en
107
tevreden ; de vischvangst leverde ons een ruim bestaan op quot;
gt;Op zekeren nacht, toen ik rustig lag te slapen, werd ik plotseling door eenig gedruisch gewekt. Ik sprong op en bemerkte, dat mijn broeder weggevoerd was.quot;
O O
gt;Twee dagen bleef ik in de onzekerheid, wat van hem kon geworden zijn, toen mijn vermoeden viel op een visscher, die een half uur van ons af woonde.quot;
gt;Reeds lang had ik bemerkt, dat deze man ons onze gelukkige vangsten benijdde en dikwijls zelfs beproefd had, tweedracht onder ons te zaaien.quot;
gt;Toen eenmaal dit vermoeden bij mij was opgewekt, wilde ik zekerheid hebben en begaf mij daarom goed gewapend tot den vermoede-lijken roover.quot;
gt;Zoodra ik aan zijne hut kwam, werd mij de toegang ontzegd ; dit veroorzaakte woordentwist, totdat wij eindelijk handgemeen werden en ik zijne toegesnelde vrouw bij ongeluk dood sloeg.quot;
gt; Hierop volgde spoedig mijne veroordeeling tot het bagno.quot;
gt;Zoodra ik in deze gevangenis zat, werd mijn broeder in bewusteloozen toestand in de hut teruggebracht; men had hem al dien tijd opge-
108
sloten in eene plaats, die hij niet kon herkennen. Hij was in den nacht zijner ontvoering buiten kennis geraakt en niet tot zich zeiven gekomen, voor hij weder in de hut terug was.quot;
jGij begrijpt, dat ik thans alles wil aanwenden, om hem te vinden, die de oorzaak is van al mijn lijden.quot;
Eenige weken waren sedert dezen nacht voorbijgegaan en in dien tijd hadden beide mannen zich door eene innige vriendschap aan elkander gehecht. De opzichter Mercurent hield op beiden een bijzonder waakzaam oog; of hij vermoedde iets van het voornemen van Nepo Rensata, óf deze beide gevangenen stuitten hem tegen de borst, wijl zij niet zoo ruw waren als hij zelt en de andere gevangenen.
Op zekeren morgen werden de galeislaven niet tot den arbeid, maar naar de kerk van het bagno grevoerd.
ö O
gt;Wat beteekt datvroeg Dulex fluisterend aan den Corsikaan.
gt;'tls heden de verjaardag van den Koning,' aantwoordde Nepo Rensata; »dezen dag heb ik met ongeduld verbeid.quot;
gt;Waarom ?' vroeg , Dulex ; gt;verwacht gij oratie ?quot;
gt;Gratie?quot; vroeg de Corsikaan en zijn gelaat
109
teekende de diepste verachting; «ik zoek geene verzachting van mijn vonnis! vrij moet ik worden door het onmogelijke, door mijn eigen doodsverachting !quot;
gt;Denk er aan, dat onlangs een vluchteling, die gegrepen werd, op het bagno-plaats vóór onze oogen is ter dood gebracht.quot;
gt;Ik snak naar vrijheid,quot; zeide de Corsikaan, »maar als het mij den volgenden nacht niet gelukt te vluchten, dan gelukt 't mij nooit meer; eene gunstiger gelegenheid biedt zich niet aan.quot;
»Gij wilt dus den volgenden nacht vluchten?quot; vroeg Dulex.
»Mijn besluit staat vast. Het touw, waaraan ik sedert maanden gevlochten heb en dat ik bij mijne vlucht gebruiken wil, heb ik af.quot;
gt;Maar het voetijzer,quot; zeide Dulex gt;Het sluit niet vastmeer; ik lijd sedert langen tijd honger, om magerder te worden en het voetijzer gemakkelijker af te kunnen doen. in een der laatste nachten heb ik het beproefd ; als ik wat gewreld gebruik en mijn huid en vleesch niet spaar, dan zal het mij gelukken, mijn voet te bevrijden.quot;
gt;Maar daarmee zijt ge nog niet uit het gesloten en goed bewaakte bagno!quot;'
gt;lk moet het wagen ; het is wel een spel op
110
leven en dood, maar toch wil ik het beproeven quot;
»Waarom schijnt u deze dag of de volgende nacht zoo gunstig, om uw plan ten uitvoer te brengen ?quot; vroeg Dulex.
gt; Omdat de treboortedaor van den kon in sr een
O O ö
buitengewone feestdag voor het bagno is en er de grewone dagorde geheel en al verandert.quot;
ö o ö
De gestraften werden niet naar hunnen arbeid gevoerd. Heden kregen zij ieder eene kleine hoeveelheid wijn en vruchten en 's namiddags mochten ze op de binnenplaats zitten of op en neer wandelen. Voor de beambten en soldaten van het bagno was deze das: een vreugdedao-.
*-» o O o
Een deel van hen mocht het bagno verlaten en in de stad in de koffiehuizen en in de naburige buitenplaatsen zich vermaken De overigen, die in het bagno moesten blijven werden in ruime mate van wijn, tabak en spijzen voorzien.
De opzichter Mercurent was een modelopzichter. Het was zijne beurt, om een dag en een nacht uit te gaan. Maar de Corsikaan vergiste zich, toen hij meende, dat Mercurent het bagno zou verlaten ; hij bleef.
Toen de luitenant hem tegen den avond nog in de nabijheid van het slaaphuis der
Ill
veroordeelden aantrof, was hij hierover zeer verbaasd.
gt;Zijt ge nu nog hier, Mercurent?quot; vroeg hij. »Ja, luitenant,quot; antwoordde de opzichter, gt;ik ga niet uit.quot;
»Maar 't is toch heden uwe beurt?quot;
»Ik heb de gevaarlijkste nummers te bewaken, luitenant, daarom ga ik liever niet,quot;
»Gij neemt uw werk te zwaar op, opzichter. Nu moet er weer een jaar verloopen, eer eene gelegenheid zich aanbiedt, deze muren te verlaten.quot;
gt;Het is mij hier binnen het beste, luitenant,quot; zei de opzichter, »en dan. .. hij sloeg zijdelings een loerenden blik op den Corsikaan, die in de nabijheid van het slaaphuis onder een boom zat en in gedachten verzonken scheen, gt;Nu, wat is er nog?quot; vroeg de luitenant gt;En dan vertrouw ik No. 74 niet,quot; ging Mer-curent zacht en met een ernstig gelaat voort, gt;ik geloof, dat die plannen maakt. Hij lijdt honger, om magerder te worden.'1
»Gij meent dus, dat hij aan vluchten denkt? Zouden de gevangenen nog niet van de dwaze hoop, om gelukkig weg te komen, genezen zijn ?quot; vroeg de luitenant.
sik vertrouw hem niet, luitenant, ik blijf liever
112
hier,quot; antwoordde de opzichtergt;als de gevangenen slapen, kan ik hier nog aan het ifeest deelnemen en op het welzijn des konings drinken en dan weet ik tevens, dat hier alles in orde is quot;
gt;Doe, wat ge wilt,quot; zei de officier en ging verder, terwijl hij zich in stilte verwonderde over â den dienstijver van den voormaligen galeislaaf.
Men had in het bagno de groote zalen ingericht voor het feest, waaraan dc beambten en opzichters, die niet naar buiten mochten, deelnamen, terwijl aan de soldaten in het wachthuis â wijn in overvloed werd gegeven.
Daar de meeste wachters en beambten naaide herberg gingen, werden de veroordeelden dezen avond reeds vroeg naar hunne slaapzalen gedreven en daar in de kettingen gesloten
Nadat Mercurent en een ander opzichter den veroordeelden de voetijzers hadden aangelegd, verliet deze laatste de slaapzaal, maar Mercurent bleef.
De gevangenen sliepen nog met en daarom durfde Dulex den Corsikaan nog niets vragen. Hij nam levendig deel aan diens plannen en hij zag daarom den naderenden nacht met opgewondenheid te o;emoet.
lt;rgt; cgt;
Reeds werd het buiten donker. Mercurent
113
stak de twee in de slaapzaal hangende lampen aan, die een spaarzaam licht verspreidden.
Eindelijk schenen de meeste veroordeelden te slapen.
»Mercureat blijft,quot; fluisterde Dulex den Cor-sikaan toe, die met open oogen naast hem lag.
Deze duride niet antwoorden.
Na eenigen tijd keerde de andere opzichter terug en scheen Mercurent te willen meetroonen naar de feestzaal. Hij sprak zacht met hem en maakte er hem waarschijnlijk opmerkzaam op, dat de veroordeelden allen in diepen slaap lagen.
De Corsikaan scheen alles nauwkeurig gezien te hebben; plotseling greep hij de hand van Dulex en â â gt;slapen,quot; fluisterde hij.
Hij had bemerkt, dat Mercurent zacht door de gang kwam geslopen, waarschijnlijk om zich te overtuigen, of allen wel sliepen.
Toen hij den paal bereikt had, waaraan de kettingen van den Corsikaan en Dulex bevestigd waren, onderzocht hij deze met de oogen ; toen boog hij zich over hun leger om te zien, of zij sliepen.
Beiden ademden rustig en lagen daar, als waren zij reeds lang in slaap.
Thans was Mercurent tevreden.
114
Hij keerde tot zijn kameraad terug en beiden verlieten de slaapzaal.
Toen zij beiden weg waren haalde de Cor-sikaan ruimer adem ; hij richtte zich op en zag naar de andere gevangenen, om zich te overtuigen, of allen sliepen. Hij wachtte eenige minuten en, toen niemand zich verroerde, toen men alleen het snorken der slapers vernam, wendde hij zich tot Dulex.
»Alles gaat goed,quot; fluisterde hij en zijne oogen straalden van moed en hoop, jhet moet weldra middernacht zijn.quot;
Buiten hoorde men de verwarde kreten en het schaterend gelach der drinkers.
Het gezicht van den Corsikaan blonk van vreugde op het hooren van dit geraas.
gt;Drinkt maar, drinkt,'' zeide hij zacht. gt;Nu voorwaarts. Vaarwel, Lodewijk Montpellier! Mischien zien wij elkander weer. Gij zult om mij lijden.... de Hemel geve, dat ik het u eens kan vergelden !quot;
»Vaarwel, Rensata !quot; fluisterde Dulex en drukte hem de hand. «Ik wensch u eene gelukkige vlucht, daar gij toch niet anders wilt.quot;
»Nu of nooit!quot; zei de Corsikaan ; toen bond hij zich een dun, maar zeer sterk touw om het lichaam. Dulex was hem behulpzaam om den
115
ketting zacht uit het stroo op te heffen, opdat geen der gevangenen iets zou hooren-, toen begon de Corsikaan zijn voet uit den ijzeren ring te trekken.
Bloed, huid en vleesch bleven aan het ijzer zitten, toen Rensata, de tanden op elkander klemmende, den voet met een geweldigen ruk van den ring bevrijdde.
Wat kon hij echter met den bloedenden, zwaar gewonden voet doen ? Hoe ver zou hij kunnen komen, met een gezwollen voet ?
Deze vragen pijnigden Dulex, die over het lot van Rensata zeer bekommerd was
De Corsikaan scheen de smart echter in 't geheel niet te gevoelen. Na op Dulex nog een blik ten afscheid geworpen te hebben, stond Rensata zacht en voorzichtig op.
Buiten op zee wachtte hem zijn broeder, die eiken nacht in de haven lag of kruiste ; gelukte het hem, het schip zijns broeders te bereiken, dan was hij gered.
Als een der gevangenen nu ontwaakte, als de opzichter terugkeerde, dan was de moedige Corsikaan verloren, dan was zijn dood zeker, want de onmenschelijke Mercurent zou hem nederschieten.
Maar geen der veroordeelden ontwaakte,
116
terwijl Rensata tusschen de legersteden door naar een raam sloop, om zich daaruit neer te laten.
Nog altijd hoorde men het gezang en geschreeuw der feestvierende beambten en opzichters.
De stoutmoedige Corsikaan bereikte het raam en maakte er zijn touw aan vast; toen klauterde hij op het kozijn.
Beneden op de binnenplaats was niemand te zien; er heerschte diepe stilte en nachtelijke duisternis.
Dulex had zich een weinig opgericht en zag, dat Rensata zich langs het touw afliet glijden.
Plotseling klonk er een doffe slag â het touw was gebroken oi losgegaan en Rensata was naar beneden gestort.
Er volgde eene diepe stilte; niemand scheen den val gehoord te hebben.
Rensata had zich nauwelijks door het raam. gewrongen, toen het touw, dat den last van den vluchteling bij langzaam nederdalen misschien had kunnen dragen, kort bij het raam afbrak en Rensata viel.
De vluchteling, die zich bij dien val niet bezeerd had, bleef eenige oogenblikken onbeweeglijk liggen om zich te overtuigen, of binnen
117
alles stil bleef; toen hij niets hoorde, stond hij op.
De voet, dien hij met zooveel geweld uit het ijzer gewrongen had, deed hem vreeselijk lijden. . . . maar het vooruitzicht op de vrijheid gaf hem kracht.
Hij begreep, dat hij niet door de poort zou kunnen. Deze was gesloten en werd te goed bewaakt. Een andere weg, om uit het bagno te komen, was er niet, ten minste niet langs vasten grond.
Maar Rensata had reeds lang zijn plan gereed en had een anderen uitweg bedacht. Hij wilde de voor de havenwerken noodig geworden sluis gebruiken.
Was hij maar eenmaal over deze sluis, dan behoefde hij nog maar een groot, door muren afg-esloten bassin over, om in de haven van Toulon te komen, waar het schip van zijn broeder hem wachtte.
Toen de Corsikaan was opgestaan en het zand in de wonde van zijn voet drong, begreep hij eerst, hoe vermetel zijn waagstuk was.
Zijn weg voerde hem langs de helder verlichte feestzaal, voor welker deur twee soldaten de wacht hielden, 't Minste gedruisch, één onvoorzichtige stap en, hij was verloren !
118
Rensata sidderde, maar verloor den moed niet. Toen hij de plaats naderde, verlieten twee mannen de feestzaal.
Hij hield een oogenblik stil en zag naar een schuilhoek om, daar hij in een der twee mannen den opzichter Mercurent herkende, die reeds naar de slaapzaal wilde terugkeeren.
Als hij eens in het eerste kwartier bemerkte, dat No. 74 weg was ? Als hij eens de alarmklok liet luiden ? Als men hem eens vervolgde en zocht? Al deze gedachten doorkruisten den vluchteling het hoofd.
Eindelijk vond deze in de nabijheid eenige opeengestapelde balken en planken. Snel en voorzichtig kroop hij daarheen, om er zich achter te verbergen.
In weerwil zijner voorzichtigheid scheen hij echter door de wachten opgemerkt te zijn.
De vluchteling hoorde stappen en richtte het hoofd op, om over de balken heen te zien.
Mercurent liet zich met veel moeite bewegen, nog eens naar de feestzaal terug te keeren en nog eene kan wijn met zijne kameraden te ledigen, maar de wacht naderde de balken en planken.
»Werda !quot; riep hij, »wie is hier onder de balken ? Antwoord, of ik luid de alarmklok !quot;
119
Wat moest de vluchteling doenr1 Vluchten kon hij niet, want de wacht zou hem dadelijk zien en op hem schieten. Al troffen hem de kogels ook niet, dan joegen de schoten hem toch de geheele wacht en al de beambten op de hielen.
quot;Wie ging daar?quot; riep de wacht nu nog eens en begon achter de balken te zoeken, «antwoord !quot;
Rensata trachtte aan het oog van den soldaat te ontsnappen, waarom hij zich geheel tusschen de balken indrukte, maar toch geloofde hij zelf, dat de man hem spoedig zou vinden.
Dit was voor den Corsikaan een oogenblik van vreeselijken angst, nu zou alles beslist worden.
De soldaat, die met zijn voet ergens tegen stiet, raasde, omdat hij bijna viel.
»Daar ligt hij. 't Is de opzichter Philippe; hij is beschonken,quot; riep de tweede wacht, terwijl hij naar den dronkaard wees, die naast de balken lag te slapen.
De soldaat keerde gerustgesteld naar zijn post terug.
Rensata dankte den Hemel voor de redding uit dat groote gevaar. Nu hij dit gelukkig ontkomen was, werd zijn moed verlevendigd.
120
Er was geen oogenblik meer te verliezen. Middernacht was voorbij. De wantrouwende Mercurent was weer in de feestzaal teruggekeerd.
De vluchteling verliet, langs den grond kruipende, zijne schuilplaats en bewoog zich op die wijze zoo snel mogelijk over de groote bagnoplaats voort, om zoo spoedig mogelijk uit het gezicht der beide soldaten te komen.
Eindelijk kwam hij op den weg, dien hij met de andere veroordeelden 's morgens en 's avonds moest afleggen, als zij aan den havenarbeid gingen of daarvan terugkeerden. Hier was hij in veiligheid, hier kon hij niet meer gezien worden. Met volle teugen ademde hij de frissche zeelucht in ; zij scheen hem de lucht der vrijheid. Zij schonk hem nieuwe kracht; zij gaf nieuwen moed aan den zoon van het eiland, waarvan de wind hem groetend toewaaide.
Hij snelde over den weg en kwam bij de opeengestapelde steenen en het hout, welke voor de havenwerken gebruikt werden. Eene minuut later bereikte hij eene breede gracht.
Zonder nadenken wierp hij zich in het vuile, slijkerige water en baadde daarin voort. Hij kon slechts met gnoote moeite voort, daar zijn voet hem veel pijn veroorzaakte; maar hij lette opgeene pijn, hij moest voort, hij snakte naar vrijheid.
121
Spoedig zag hij de hooge, dubbele deur voor zich, die de gracht als eene sluis van de haven scheidt. Zij was van ijzer ; altijd gesloten en boven van scherpe, ijzeren pennen voorzien. Aan beide zijden zag hij den hoogen, gladden muur, dien hij onmogelijk kon beklimmen, en voor zich de even hooge ijzeren deur, waar hij evenmin tegen op kon.
Toen Rensata zoo radeloos bij de deur stond, bemerkte hij plotseling, dat hij het touw bij zich had.
Een triomfkreet ontsnapte aan zijne hijgende borst. Toen wierp hij het midden van het touw naar de scharnieren der poort en na eenige herhaalde pogingen bleef het eindelijk hangen. Toen greep hij het ijzeren vuist vast en klauterde voorzichtig naar boven.
Na bovenmenschelijke krachtsinspanning bereikte hij gelukkig het bovenste der deur en het gelukte hem met veel voorzichtigheid tus-schen de pennen door te klauteren ; zoo bereikte hij eindelijk den muur, die naar de open haven voerde. Toen liep hij heel voorzichtig over het platte bovendeel van den muur, om op die wijze de laatste deur te bereiken, die onmiddellijk toegang verleende tot de open haven.
Toen hij ongeveer de helft van den weg had
1 oo
X.fCt'*
afgelegd, dreunde plotseling achter hem een schot. Dit schot deed hem zoo sidderen, dat hij bijna van den muur viel. Zijne vlucht was ontdekt! Het was een alarmschot!
Spoedig echter veranderde de schrik van den vluchteling in blijdschap, daar dit signaal, dat het ontvluchten van een slaaf berichtte, ook zijn broeder, die buiten in de haven met zijn schip lag, van zijne vlucht verwittigde.
Spoedig knalden meerdere schoten; de soldaten der bezettingr vervolgden den vluchteling. Eenio e
O O O O
soldaten waren ook naar deze zijde geloopen en toen zij eene donkere gestalte op den muur zagen, vuurden zij.
Op het oogenblik. dat de kogels om hem heen floten, stortte Rensata zich van den muur in het water en verdween.
Het geheele bagno was op de been, alle opzichters en beambten, alle soldaten hielpen mede aan de vervolsfinsr van den vluchteliner.
ö O O
De booten werden losgemaakt, ketens rammelden, fakkels brandden en in weinige minuten werd de vluchteling niet alleen van uit de gracht vervolgd, maar ook op de open haven werden de booten losgemaakt, van riemen voorzien en door soldaten bemand.
Vijf minuten later gaf een tweede alarmschot
123
van het bagno het teeken, de haven te sluiten, zoodat geen schip in dezen nacht meer naar buiten mocht worden gelaten.
Dulex had met bezorgdheid elke beweging van den vluchteling gevolgd. Toen deze was gevallen, kon hij niets meer van hem vernemen ... hij luisterde slechts.
Alles bleef' stil buiten ; er dreunde geen schot.
Er verliep bijna een uur, nu kon de Corsikaan de orootste gevaren overwonnen hebben.
O O
Na verloop van een uur hoorde Dulex stappen. Mercurent keerde terug.
Hij kwam zacht naar binnen Hij was alleen, zijn kameraad was nog in de feestzaal.
? Als hij niet te vermoeid en te slaperig is, komt hij nog eens alles nazien,quot; dacht Dulex.
Mercurent scheen van zin te zijn, dadelijk te gaan slapen, hij trok ten minste zijn blauwen dienstrok uit. Eensklaps echter bezon hij zich ; in zijne hemdsmouwen stapte hij zacht door de gang heen tot aan het bed van Dulex. Hij boog er zich over heen â hij scheen zijne oogen niet te gelooven ; hij greep naar den ketting; het voetijzer van No. 74 was leeg.
Mercurent betastte nog met groote haast het bed en toen hij er Dulex alleen op vond, was hii overtuigd, dat de Corsikaan dezen nacht eene
124
poging tot ontvluchten had aangewend. Maar hij kon nog niet ver zijn gekomen, hij moest nog in het bagno zijn. Zonder een woord te spreken vloog Mercurent als een waanzinnige uit de slaapzaal en toen uit het huis. Buiten trok hij de alarmklok, die in een oogenblik al de beambten - en wachters naar de bagnoplaats riep.
De opzichter deelde hun mede, dat No. 74 was ontvlucht, toen snelde hij in zijne hemdsmouwen naar de woning van den luitenant. Bijna niet in staat eenige woorden te uiten, zeide hij hijgende, dat zijn vermoeden zich had bevestigd, dat de Corsikaan Rensata was ontvlucht
Dadelijk gaf de luitenant bevel, het alarmkanon af te vuren, en liet hij onmiddellijk de bagno-wacht in verschillende afdeelingen alle straten en wegen doorzoeken.
De wacht aan de groote, gesloten en gegrendelde uitgangspoort had niets gezien of gehoord, de vluchteling had dus een anderen weg tot redding ingeslagen. Het was aan te nemen, dat hij nog in het geheel niet weg was en dadelijk werd bevolen, het geheele bagno nauwkeurig te doorzoeken.
De booten werden losgemaakt; soldaten en opzichters met fakkels namen plaats in de vaar-
125
tuigen, om de grachten en bassins te doorzoeken, en toen eene afdeeling der wacht den vluchteling op den muur van het bassin gezien meende te hebben, begonnen sterk bemande booten, hem in dit bassin te vervolgen. Maar alle pogingen om den vluchteling in handen te krijgen, waren vruchteloos, en men troostte zich eindelijk met de meening, dat de vluchteling in het groote, diepe bassin verdronken was. Ook de genomen maatregel, om de haven tot den morgen te sluiten, had geen goed gevolg.
Wel meldde de vuurtorenwachter, dat op het oogenblik, dat de haven werd gesloten, nog een snelzeilend schip ze had verlaten, en gelukkig voorbij het wachtschip was gekomen, maar niemand hield het voor mogelijk, dat de vluchteling zich juist op dit schip had bevonden. Veel waarschijnlijker en natuurlijker was het, dat hij op de vlucht in het bassin den dood had gevonden.
Toen Mercurent tetjen den morgen als een
o ?*gt;
dolzinninge naar de slaapzaal terugkeerde, begon hij tegen Dulex te schelden
»Naar den luitenant, jij medeplichtige van den vluchteling,quot; schold hij, »of wilt gij ontkennen, dat gij niets van de vlucht hebt geweten ? Wilt gij ook voorgeven, zooals de anderen zeggen, dat gij vast geslapen hebt ?quot;
126
gt;Voor alle dingen, bedaar en vergrijp u niet aan mij, dat zou u slecht bekomen,quot; riep Dulex, zich oprichtende en den opzichter met zijne dreigende blikken aanziende, »daarenboven hebt gij niet het recht, mij met gt;jouquot; aan te spreken. De straf, die mij toekomt, ben ik bereid te ondergaan, maar ik zal niet verdragen, dat gij, de opzichter van veroordeelden, mij onwaardig behandelt.quot;
»Oho,quot; lachtte Mercurent honend, »deze trots zal wel verminderen. In ketenen zult gij geklonken worden.quot;
gt;Raak mij niet aan,quot; zeide Dulex met zooveel fierheid, dat Mercurent voor den veroordeelde op dat oogenblik eerbied gevoelde. »!k ontken niet dat het voornemen van mijn kettinggenoot mij onbekend was, maar ik heb hem niet willen verraden. Breng mij bij den luitenant, opdat hij mij daarvoor straffe.
gt;Drie dagen en drie nachten in den kerker,quot; zeide Mercurent, gt;dit maakt u zacht als een lam. Reeds menigeen is daar gedwee geworden, die veel trotscher was dan gij, gt;Opgestaan!quot;
Met eene ernstige, waardige houding ging Dulex naar den luitenant. Toen Dulex de trap opging, die naar de kamer van den officier leidde, zag hij boven eene vrouw, die een blik
127
van levendige deelneming en innig medelijden op hem sloeg. Dulex bleef bij dien aanblik een oogenblik getroffen staan â het was hem, als zag hij eene bovenaardsche verschijning.
Het was Antoinette, de zuster van den Kom-mandant, de vriendin van Engeline.
Mercurent volgde den gevangene op den voet en bracht hem in het bureau van den Kom mandant, waarin zich nog een officier, verschillende schrijvers en een waker bevonden, die hunne berichten brachten. Mercurent meldde den Kommandant, dat hij No. 73 bracht, die van de vlucht van No. 74 geweten en hem niet verraden had.
Dulex wist vooraf, welk een zwaar lot hem verbeidde en dat een vreeselijk vonnis over hem geveld zou worden. Maar hij beefde niet, toen de officier hem het vonnis bekend maakte. Met een kalm gelaat hoorde hij het aan. Dulex werd tot eene maand harde kerkerstraf in ketenen op water en brood veroordeeld. Zulk een vonnis stond met een doodvonnis gehjk, want bijna nooit overleefde iemand zulk eene straf in de vreeselijke gevangenis. Het was verschrikkelijker dan een doodvonnis, want het bracht iemand ter dood door weken van lang en gruwelijk lijden. De ongelukkige Dulex, de rechtmatige
123
erfgenaam van het prachtige slot Montpellier, de man, die nooit iemand kwaad gedaan had, werd veroordeeld om weken lang doodsangsten uit te staan.
De Kommandant, een officier in den dienst vergrijsd, scheen bij dit vreeselijk vonnis, dat hij niet veranderen kon, zoo iets van medelijden te gevoelen. Hij sloeg op Dulex eenen onderzoekenden blik. Dulex bleef volkomen kalm. Geen trek van zijn edel gelaat verried schrik of ontsteltenis, geen spier trilde; hij had de vreeselijke straf van zich kunnen afwenden, als hij de vlucht van zijnen medegevangene had verhinderd, of verraden, maar hij droeg Hevelde straf, dan een verrader te zijn.
»Doe den veroordeelde de ketenen aan en breng hem naar den bagnokerker,quot; werd Mer-curent bevolen, die dadelijk dit bevel volvoerde. »Gij zult den veroordeelde eiken morgen en avond de voorgeschreven portie water en brood in den kerker brengen.quot;
Dulex en Mercurent verlieten de kamer. Daarna bracht de opzichter hem naar den beul van het bagno. Hier werden den galeislaaf dikke, zware ketenen aan handen en voeten gelegd. Met bewonderenswaardige zelfbeheersching verdroeg Dulex deze nieuwe vernedering. Als de grootste
121)
â misdadiger werd hij in ketenen geklonken, die hij met zich moest voortsleepen.
»Ãat is weer een van de groothartigen,quot; zeide Mercurent tot den beul en wees op Dulex, toen dezen de zwa.re ketenen werden aangedaan, »maar iedereen is in den kerker zoo gedwee als een lam geworden, met deze zal het ook wel zoo afaan.quot;
â o
Dulex zag met verachting naar den gehaten opzichter, die zich over de straf verheugde. Toen hij aan handen en voeten geketend was, bracht Mercurent zijnen gevangene over de bagnoplaats, opdat hij aan allen tot waarschuwing zou dienen. Bijna bezwijkende onder den last der ketenen, sleepte Dulex zich voort. De andere veroordeelden zagen nieuwsgierig naar hem, aan de ramen der kamers verschenen de beambten, zij schatten den last, dien hij dragen moest, en verzekerden elkander, dat hij geene maand zou leven.
Wederom bemerkte Dulex voor het raam de edele Antoinette. Zij slaakte een kreet van medelijden en bedekte haar gelaat met de handen. Dulex scheen den zachten uitroep te hebben gehoord, want hij richtte zijne blikken naar het raam, waarvoor Antoinette stond. Het deed hem goed, te weten, dat er
9
130
in de nabijheid een hart was, waarin een snaar-van medelijden trilde. Mercurent dreef hem met ruwe gebaren en woorden verder.
Na eenige keeren door het gewicht zijner ketenen gevallen te zijn, bereikte hij eindelijk den kerker van het bagno, die in de nabijheid van het bassin lag. Er bevonden zich verschillende cellen naast elkander, zooals bleek uit de talrijke, lage, smalle ijzeren deuren in den muur.
De deur knarste, toen men haar opende.
Een verpestende lucht drong uit het bijna geheel duistere hol, dat den ongelukkige nu voor dertig dagen en nachten tot verblijfplaats zou dienen. De deur was zoo laag, dat Dulex zich moest bukken, om in den kerker te komen. De cel binnentredende, huiverde hij onwillekeurig. Aan zulk eene vreeselijkheid had hij niet gedacht. Dat menschen hunne natuurgenooten door zulk een lijden konden kwellen, had hij voor onmogelijk gehouden. Hij stond een oogenblik als versteend, en staarde in de bijna donkere ruimte, nauwelijks vijf voet lang en breed, en zoo laag, dat de gevangene slechts gebukt kon staan. Vloer en wanden van dezen kerker bestonden uit latten. Geen deksel, geen stroo, zelfs geene bank bevond zich in dit vreeselijk hol. Eene vierkante opening in den muur.
131
ter grootte eener hand, liet alleen eenig licht door.
In deze ruimte, op deze latten zou de veroordeelde moeten liggen. Hij kon zich niet rekken, noch een plaatsje vinden, dat hem rust en gemak verschafte. Of hij lag, zat of stond, altijd drukten zijne leden tegen de scherpe kanten der latten.
»Ga binnen,quot; zei Mercurent met eenen hel-schen lach, »het is in dit hol zeer aangenaam. Treed binnen en maak het u gemakkelijk. Kijk, wat is dat,quot; vervolgde hij en bukte om een voorwerp op te rapen, »dat zijn twee vingers, waarvan het vleesch g-eheel afo-eknaagfd is. Dat
O ö O
hebben de ratten gedaan. Het zijn de vingers van den laatsten bewoner dezer cel, die hier zijnen dood vond.quot; Toen greep hij de kruik, haalde water en een half brood en sloot de deur van den kerker, den veroordeelde alleen latende. Dulex huiverde ; het scheen hem als had hij eenen vreeselijken droom gehad; gescheiden van zijn kind van wie hij niets meer vernomen had, veroordeeld tot de wreedste kerkerstraf, voelde hij zich de ongelukkigste der menschen. Met welk eene zoete vreugde en zalige hoop was hij naar zijn vaderland, naar het slot zijner vaderen, naar de plaats, waar
132
hij zijn geliefd kind hoopte te zien, wedergekeerd. Thans was hij in al zijne verwachtingen, teleurgesteld. Hij had enkel het geluk gehad, zijn kind weer te zien. Een vreemd geruisch wekte hem uit zijne mijmeringen. Het was, als bewoonde hij de cel niet alleen Wie deelde zijn bitter lot in dit hol ?
Weldra zou hij dit ondervinden ; een geheel leeer o-i'oote, honoferiofe waterratten wierp zich
O ö 7 O O L
op zijn brood, dat zij weldra onder elkander verdeeld hadden. Hij zag het woeste gevecht dezer afzichtelijke dieren, die elkander elk deel van zijn brood betwistten. Na enkele minuten waren zij met hunnen buit, die in stukken verdeeld was, verdwenen en hadden weer hunne schuilplaatsen opgezocht. Dulex had den geheelen nacht niet geslapen, en gevoelde zich des morgens zoo vermoeid en afgemat, dat hij op de latten neerzonk om een weinig uit te rusten en zijne krachten te herstellen.
Er was geen kussen, zelfs geen stroo, waarop de gevangene zijn hoofd kon neerleggen.
Toch deed de vermoeidheid hem insluimeren en hij sliep spoedig in deze verpeste lucht even vast en rustig ais op zijn bed. Deze geduldige, brave, maar zwaar beproefde man, was door zijn zwervend leven in Amerika gehard.
133
In het midden van den daaropvolgenden nacht ontwaakte Dulex door eene onverdragelijke smart, waarvan hij de oorzaak niet kende. Van-waar kwam deze pijn ?
In het eerste oogenblik dacht hij, dat zij alleen door het liggen op de latten veroorzaakt werd en dat de zware kettingen ze nog vermeerderde, maar toen hij zich eens omkeerde, kwam hij tot de overtuiging, dat de afgrijselijkheid van dezen kerker alle beschrijving te boven ging.
Toen hij zich op de andere zijde wendde, drukte hij eene groote rat dood, die met verschillende andere aan zijn vleesch en zijn kleed hadden eeknaao-d. Ken schreeuw van het dier
O ö
deed hem zijn gezelschap kennen.
Dulex sprong, door onwillekeurigen schrik bevangen, op en het gerammel zijner ketenen joeg de brutale, roofzieke dieren, die den nieuwen gevangene als goeden buit beschouwden, voor een oocrenblik wee.
O O
Maar zij schenen hem niet te vreezen, want na enkele minuten waren zij weder in zijne nabijheid. Zien kon hij ze niet, wijl het in zijne cel geheel donker en het bovendien nacht was, maar hij hoorde ze toch duidelijk.
Hij werd gekweld door grooten dorst en honger. Den dorst kon hij lesschen, den honger
134
echter niet stillen, daar de ratten het brood hadden verslonden.
De ratten schenen in zijn vleesch smaak te hebben gevonden, want weldra kondigde het gedruisch, dat zij maakten, aan, dat zij eenen nieuwen aanval op hem waagden. De gevangene rammelde met zijne ketenen en trapte met de voeten, met het gevolg, dat eenige dieren gewond werden, zoodat dan ook een jammerlijk gepiep volgde.
Die verdediging scheen geholpen te hebben, want de meeste ratten trokken af en spoedig bemerkte hij, dat zij alle zijne cel verlaten hadden.
De gevangene legde zich weer neder, verbond zijne wonden en sliep wederom zoo vast in, dat hij den opzichter 's morgens in 't geheel niet had gehoord, toen hij hem brood en versch water had gebracht. Hij bevond zich in eenen deerniswaardigen toestand en was geheel uitgeput.
De onmenschelijke opzichter zag bloedvlekken op de latten en verscheidene doode ratten ; doch hij bekommerde er zich niet om, of de gevangene dood was of sliep.
Nauwelijks was Mercurent weg. of eenige door den honger geplaagde ratten vielen op het brood aan. Dulex zou weder niets van zijnen
3 35
Kerkerkost gehad hebben, als hij niet tijdig genoeg ontwaakt was, om de rest van het brood â¢aan de vraatzieke dieren te ontrukken
Met gretigheid verslond hij het kleine stuk brood, het eerste, dat hij sedert dagen genoot. Maar wat beteekende dit karige voedsel voor dezen uitgeputten gevangene? Hij kon er zijnen honger niet mee stillen, integendeel, het wekte dien nog meer op en ook de poging om zijne maag met water te overladen, met het doel om daardoor het knagende gevoel van den honger tot zwijgen te brengen, leed schipbreuk, want na enkele uren keerde de honger met nieuw geweld terug.
Niemand kwam, niemand gaf hem eenig voedsel. Slechts eenmaal daags bracht Mer-curent hem het afgepaste droog brood. Tegen den avond klom het lijden, door den honger veroorzaakt, nog hooger.
Dulex had reeds dikwijls, op zijne moeielijke reizen aan gene zijde van den oceaan, ontberingen van allerlei aard verdragen en dagen lang geen behoorlijk voedsel genuttigd, maar een lijden als dit, had hij nog niet ondervonden.
Dat van de honderd'gevangenen geen tien langer dan twee weken deze gevangenschap hadden kunnen verdragen, werd hem nu dui-
130
delijk: want behalve, dat men hier te kampers had met een verschrikkelijk lijden, door den honger, de verpestende lucht, de ketenen en de latten teweec: gebracht, had men er ook nogr
O O ' Oquot;
eenen aanhoudenden strijd te voeren met de hongerige dieren, die immer op den loer lagen en geene vrees kenden.
Deze lattenkamer was werkelijk een verblijf vol afschuw en ontzetting. De vreeselijkheden groeiden daq; en nacht aan, want lano-zamerhand
O O ' ö
ontzonk den «jevan^ene den moed en de kracht.
O O '
om ?ich te verdedigen tegen de ratten, wier onverschrokkenheid aangroeide. Dulex zag eene
O O
verschrikkelijke toekomst tegemoet. Niettegenstaande zijn lichaam door tallooze gevaren gehard was en het dus deze folteringen langer dan andere menschen kon weerstaan, moest hij er toch eindelijk het slachtoffer van worden en zijn weerstandsvermogen vermeerde slechts den duur en de zwaarte van zijn verschrikkelijk lijden.
Welk vreeselijk lot had hem getroffen ! Ofschoon onschuldig, zuchtte hij in den afgrijse-lijksten aller kerkers, terwijl zij, die zich door allerlei misdaden in het bezit zijner rijkdommen en van zijnen naam gesteld hadden, juichten over hunne zegepraal. En wat zou er van zijn.
dierbaar kind worden? Zou de hoopvolle Eng-eline ooit het testament vinden en indien zij het vond, was hij misschien dan niet lang onder de zware beproeving bezweken !
Toen de nacht aanbrak, voelde üulex, dat zijn honger geweken was, maar dat hem eene onoverwinnelijke matheid overviel ; dat was geene vermoeidheid, geene behoefte om te slapen, neen, het was een teeken, dat zyne levenskrachten afnamen.
Hij zonk op de harde latten, die diepe, bloedige strepen in zijn vleesch drukten en viel in eenen slaap, die op eene verdooving geleek.
Hij bevond zich nog niet lang in dezen half bewusteloozen toestand, toen het hem scheen, alsof zich de smalle ijzeren deur zijner cel opende en een matte lichtstraal naar binnen drong.
Eene menschelijke gestalte, door die lichtstraal omgeven, verscheen op den drempel
Dulex lag daar, zonder zich te kunnen verroeren. Droomde hij, dat hij een wezen voor zich zag ?
Het scheen hem toe, dat eene engelengestalte hem omzweefde, op wier wenk alle deuren en sloten zich openden.
Het zachte licht, dat haar omgaf, deed haar gelijken op een geest. Op haar gelaat teekende
133
zich zulk eene hemelsche liefde en reinheid, dat Dulex in haar zijnen goeden engel meende te zien, die tot hem naderde, om hem te troosten en op te beuren.
De gestalte bleef een oogenblik bij den aanblik van den verschrikkelijken kerker als verstomd staan, beschouwde met weemoedige blik den lijdenden Dulex en zette eene kruik wijn en brood op de latten naast de deur.
gt;Ontwaak,quot; zeide zij met eene stem, die in het oor van Dulex als hemelsche muziek klonk, »schep moed, anders zijt gij verloren, lederen nacht zal ik u versterkingen bezorgen.quot;
Met geweld trachtte hij zich op te richten. Het gelukte hem.
Was 't een droom geweest ?
Het licht, dat in den kerker was doorsfedron^en, had weer plaats gemaakt voor eene dikke duisternis.
Maar hij hoorde een buitengewoon leven door de ratten veroorzaakt. Zij vielen op alles, wat zich in de nabijheid van de deur bevond, aan.
Hij wierp zich op de vraatzieke dieren, verjoeg hen en vond eene kruik met wijn, welke het onbekende wezen in zijne cel had gebracht.
Hij zette de kruik aan zijne lippen en dronk het versterkende vocht, dat zijne levenskrachten
139
weder opwekte. Dit deed hem goed en schonk hem nieuwe kracht, nieuwen moed.
De wijn had zijnen honger opnieuw opgewekt â en hij verzadigde zich thans voor de eerste maal aan het brood. Toen gebruikte hij de vruchten en nu klopte zijn hart wederom van hoop.
Hij ging zooveel mogelijk recht staan en verdiepte zich in duizenderlei gissingen over deze verschijning.
Wat hij gezien had, kon toch geen bedrog geweest zijn, dit getuigde immers het voedsel, dat die verschijning hem bezorgd had en daarbij hare duidelijke belofte van den volgenden nacht teruaf te komen.
Langen tijd bleef Dulex nadenken, hoe het mogelijk kon zijn, dat iemand zooveel medelijden met eenen ongelukkige kon hebben, om hem, niettegenstaande alle gevaren van betrapt te worden, des nachts versterkingen te durven brengen.
Duidelijk bleek het Dulex, dat God hem wel beproefde, maar hem niet verliet. Zijne hoop verlevendigde en hij twijfelde niet, of met de hulp van Hem, die alles bestuurt, zou het testament gevonden worden en zou hij vrij van alle schuld zijne rechtmatige goederen weder bekomen.
140
Door deze hoopvolle gedachten bemoedigd,, viel hij op zijne knieën en smeekte God, hem in zijne verwachtingen niet te leur te stellen.
De morgen kwam en met dezen de wreede opzichter Mercurent. Toen de sleutels van den wachter rammelden, legde de gevangene zich neder alsof hij sliep, om op deze wijze de kruik waarin het overschot van den wijn was, achter zijnen rug te kunnen verbergen.
Mercurent bracht hem, zooals eiken morgen, brood en water. Hij bemerkte de tweede kruik niet, die Dulex verborgen had en verwijderde zich weder.
Voor den gevangene scheen deze dag zonder einde. Met ongeduld wachtte hij den avond af, om dan het onbekende, goede wezen te zien. Des nachts wilde hij wakker blijven, om te zien, of de verschijning terug zou komen. Hij moest weten, wie die goede engel was, die zijn lijden, verminderde en hem wilde bijstaan ; hij zeide tot zich zeiven : »Aan deze hulp dank ik het behoud van mijn leven, want zonder haar zon ik reddeloos verloren zijn geweest. '
Eindelijk begon de avond te vallen,
Dulex had reeds meermalen beproefd zulk eene houding aan te nemen, waarbij zijne leden, die hij gedeeltelijk had doorgelegen, gespaard
⢠1 tl
bleven, maar overal, hoe hij zich ook plaatste of neerlegde, drukten de latten zich diep in zijn lichaam en veroorzaakten hem vreeselijke pijnen.
Maar opgebeurd door de hoop van dezen nacht het wezen te zien, dat medelijden met hem had, verdroeg hij die smarten met gelatenheid.
Het eene uur verliep na het andere, maar niets bewoog zich ; hij hoorde niets, dan het eentonig plassen van het water. Vermoeid door het wachten, sloot Dulex de oogen en sliep weldra in.
Hij kon nog niet lang geslapen hebben, toen de deur der cel weer openging en de liefelijke gestalte, weder in den kerker verscheen.
De goede engel van den gevangene trad nader, zette eene kruik wijn op de plaats, der ledige en legde vruchten, brood en wat vleesch er naast.
Toen de menschlievende verschijning zich omkeerde, om de cel te verlaten, ontwaakte Dulex.
Dadelijk strekte hij zijne hand naar het wezen uit, om het te bedanken en te vragen, wie zij was.
Hij sprong op en zag met vreugde, dat zijne beschermster niemand anders was dan Antoinette, de zuster van den Commandant.
142
Zij was het, die voor het raam had gestaan, toen hij naar den kerker werd geleid en die zich bij zijn aanblik vol deelneming het gelaat had bedekt.
Een kreet van blijde verrukking ontsnapte aan zijne borst en met uitgebreide armen wilde hij tot haar snellen, haar te voet vallen en haar danken voor hare bescherming. Maar de medelijdende vrouw scheen zich zoo spoedig mogelijk aan den dank van den ongelukkigen te willen onttrekken. Eer hij kon naderen, was zij uit de cel verdwenen; de deur werd gesloten en Dulex bevond zich weder alleen te midden der dikke duisternis.
»Heb dank, edel wezen,quot; riep Dulex uit: »Gij medelijdend schepsel te midden dezer onmen-schen ; gij zijt door God gezonden, om mij te troosten in mijn rampzalig lot.quot;
ZESDE HOOFDSTUK.
LEVENSGESCHIEDENIS VAN ALEXANDER DULEX.
krachten van Dulex waren door het versterkende voedsel hersteld. Het verwonderde Mercurent, dat hij niet j vermagerde, dat hij er zelfs beter uitzag, dan toen hij den kerker binnentrad. Wel was hij een forsch en gespierd man, wel had hij een gestel van ijzer en staal, doch anderen, minstens even sterk als hij, waren door een verblijf in de vreeselijke lattenkamer naar ziel en lichaam gebroken.
Bij hem echter was, in weerwil van de vele ontberingen, de verpeste lucht en de onmogelijkheid, om ook maar een oogenblik rustig te slapen, geen spoor van afmatting te bespeuren, Mercurent wist, dat de ratten den gevangene
144
weinig van het hem geschonken brood overlieten; het was hem dus onverklaarbaar, hoe deze niet reeds lang onder zulk een lijden bezweken was.
Hij zette de kruik met versch water en het brood in eenen hoek der cel en bemerkte toen in de nabijheid der deur, tusschen de latten, eenen appel.
Mercurent was arglistig en voorzichtig. Hij zeide niets van hetgeen hij gezien had en eino-, zonder iets te zeggen, uit de cel. Zorgvuldig sloot hij de deur. Aan het slot was niets te vinden, waaruit viel op te maken, dat iemand de deur heimelijk had opengemaakt. Maar hoe kwam dan die appel in den kerker ?
De opzichter besloot de oplossing van dit raadsel te zoeken en ging, als ware er niets gebeurd, naar de overige gevangenen.
Dulex, niet in 't minst vermoedende, dat de opzichter iets gemerkt had, verkeerde in eene opgewekte gemoedsstemming, niet zoozeer door t vooruitzicht, dat hij weldra gezond voedsel zou ontvangen uit de hand van Antoinette, maar veeleer door het bewustzijn, dat er een wezen bestond, hetwelk, gedreven door eene edele menschenliefde, hem, den onschuldig veroordeelde, hulpe bood. Zeker zoude hij in dezen kerker bezweken zijn, hadde dit edele wezen
145
hem niet ondersteund, Geheel zijn lichaam was door het staan en liggen op de scherpe latten met bloedige strepen als overdekt; hoe hij zich ook wendde, nooit genoot hij de minste rust, nooit eene verpoozing van dit vreeselijk lijden.
Sedert Antoinette hem bezocht, was de dag verschrikkelijker dan de nacht, want dan was hij ten minste niet zoo geheel aan zich zeiven overgelaten, dan kon hij rekenen op het bezoek van haar, die hem troost en versterking bracht. De roofzucht der ratten verontrustte hem niet meer, hij was aan dit afschuwelijk gezelschap gewoon-, als ze hem slechts met rust lieten, bekommerde hij er zich weinig over, wat er verder geschiedde. Het grootste gedeelte van zijnen straftijd was voorbij en hij hoopte ook de rest van zijn lijden manmoedig te doorstaan.
De nacht viel; met moeite richtte hij zich van de latten op; de snijdende pijn ontlokte hem eenen kreet van smart, doch hij gevoelde geen pijn meer, toen hij Antoinette gewaar werd, die hem, als eiken nacht, zijne spijzen bracht.
Hij liep op haar toe, zijne zware ketenen bemoeilijkten hem wel is waar in zijne bewegingen, maar toch stak hij haar met innige dankbaarheid zijne handen toe.
^Verwijder u,quot; sprak hij met bewogen stem,
10
146
shoe zoet uw gezelschap mij ook is, verwijder u. gij moogt u om mijnentwil niet opofferen.quot; Nog eens, denk aan uwe eigen veiligheid en vertrek, doch alvorens gij heen gaat, neem den dank aan van eenen armen gekerkerde, dien gij zoo edelmoedig troost en versterking biedtquot;
»Bedank mij niet, heer graaf, reeds vijftig jaar zoek ik mijn geluk in de vertroosting der ongelukkigen,quot; sprak Antoinette op zachten toon. »Gij kent mijnen naam?quot;
gt;Uwe dochter Engeline deelde mij die mede.quot; »Mijn kind, waar is mijn dierbaar kind?' »Terug naar Parijs, om daar bewijzen van uwe onschuld en uw recht op te sporen.quot;
»Mijn Engeline naar Parijs, alleen naar Parijs?quot; »Vrees niets, ik heb haar mijne zuster aanbevolen, bij wie zij niet enkel bescherming maar ook een te huis zal vinden quot;
gt; Gij hebt dus ook voor mijne dochter gezorgd r Hoe zal ik uwe goedheid ooit kunnen beloonen; hoe zal ik vergelden, wat gij aan eenen armen ongelukkige en zijne dochter deedt?quot;
»Engeline is mijne vriendin geworden.quot; »Dan heeft zij u ook zeker onze wederwaardigheden geschetstquot;
»Slechts vluchtig, maar hetgeen ik gehoord heb, heeft mijne belangstelling gaande gemaakt
147
en gaarne hoorde ik daarom van u de geschie denis tot in de kleinste bijzonderheden.quot;
»Welnu dan, wat ik u vertellen ga, is de geschiedenis van Alexander Dulex.quot;
»Voerdet gij dien naam niet, toen gij hier kwaamt ?quot;
»lk had dien naam aangenomen, ja, maar onderbreek mij niet, gij zult alles vernemen.
Mijn vader, graaf Lodewijk Montpellier, een jongere broeder van graaf Alexander, stierf, toen ik mijn twaalfde jaar was ingetreden. Mijn moeder was mij reeds vroeger door den dood ontrukt, en nu stond ik als wees bij het graf mijns vader. Mijn oom, die kinderloos was, ontfermde zich over mij en nam mij als zijn kind in zijn huis Tranen van dankbaarheid ontvloeiden mijne oogen, doch weldra moest ik ondervinden, dat hij mijn vader niet wist te vervangen, deze toch was enkel liefde en goedheid, terwijl mijn oom streng, ja liefdeloos was.
Had mijn vader zijne vermogen opgeofferd op het altaar der menschenliefde, mijn oom was gierig. Meermalen stortte ik tranen over de liefdelooze behandeling, die ik hier moest ondervinden ; geen wonder dus, dat ik mij verheugde toen mijn oom mij zijn plan bekend maakte, mij te Parijs te laten studeeren. Aan het hoofd
148
der huishouding van 't kasteel Montpellier stond toen een meisje, Agatha Leroux genaamd. Ik was nog te jong, om te beseffen, dat de overwegende invloed, dien zij op den ouden graaf uitoefende, geheel in mijn nadeel was Te laat besefte ik, dat zij mij wilde verdringen, daar zij wel begreep, dat ik de erfgenaam van den graaf zou zijn. Omstreeks dezen tijd leerde ik eenen Italiaanschen onderwijzer kennen. Ik hechtte mij aan hem met hart en ziel, maar zooveel te smartelijk was mij ook zijn verlies. Het was alsof ik weder eenen vader verloren had. Ik rekende het mijn plicht, voor zijne dochter Verina een steun en leidsman te zijn, ik had daarom het plan gevormd, haar mijne hand te reiken, maar voor dezen stap, behoefde ik de toestemming van mijnen oom. Ik deelde hem daarom mijn besluit mede, doch toen hij mijn plan vernam, werd hij als waanzinnig van toorn; er ontsnapten hem woorden, die niet slechts hatelijk, maar ook beleedigend en kwetsend waren. Hoewel ik mijnen oom dankbaarheid verschuldigd was, kon ik dit niet van hem dulden, ik zeide hem daarom kort en goed. dat ik mijn besluit ten uitvoer zou brengen, wat hij daar ook tegen mocht hebben Zijne bedreiging, dat hij mij onterven zou, maakte op dit oogenblik
149
geen indruk op mij. Ik vertrok zonder afscheid te nemen, vast besloten te doen, wat ik mij voorgenomen had; mijn geweten zeide mij immers dat het eene onverantwoordelijke daad zou zijn Verina aan haar lot over te laten. Ons huwelijk werd dan voltrokken en ik zorgde, dat mijn oom hiervan niet onkundig bleef,
Na geruimen tijd op een antwoord gewacht te hebben, ontving ik eindelijk eenen brief, waarin hij mij mijne handelwijze verweet, mij op beleedigende manier van ondank beschuldigde en mij tevens berichtte, dat hij mij ten gevolge van dezen stap onterfd had. Deze brief veroorzaakte het eerste droevige uur in ons leven.
Het kwam er nu maar op aan, door eene voortdurende werkzaamheid de kosten der huishouding te bestrijden, want op steun van mijnen oom, dit wist ik nu maar al te goed, viel niet meer te rekenen. Van 's morgens vroeg tot 's avonds laat was ik nu aan den arbeid, doch ik werkte met vreugde, want ik deed het voor mijne Verine en ons eenig kind Engeline. Deze laatste groeide tot ons genoegen voorspoedig op. Mijn oom had gedurende al dien tijd niets meer van zich laten hooren en ik gevoelde mij nog te zeer gekrenkt, om eenen voet in 't kasteel te zetten.
150
Op zekeren dag was Agatha Leroux tijdens mijne afwezigheid bij ons geweest; gezonden door mijn oom, of uit haar zelf, dit weet ik niet. Ze zeide medelijden te hebben met onzen toestand en zeer bedroefd te zijn over de verhouding tusschen mij en mijnen oom. Kort daarna kreeg Engeline een kostbaar geschenk van mijnen oom. Ik was eerst besluiteloos, wat er mede te doen, doch op verzoek van mijne vrouw hield ik het en reed met Engeline eenige dagen later naar het slot, daar eene verzoening met mijnen oom toch zeer gewenscht was. Oom ontving mij stiji en koud en sprak volstrekt niet over het voorgevallene; jegens Engeline echter was hij bijzonder vriendelijk. Eene eigenlijke verzoening had niet plaats, maar onze omofangr was ten minste weer hersteld en dat
O O
was toch iets. De huishoudster had wel gezorgd, dat het niet tot eene verzoening kwam, doch zoo handig was zij hierbij te werk gegaan, dat ik eerst later, toen ik er op mijn gemak over na kon denken, hare pogingen doorzag. Het geluk, dat ik aan de zijde van Verina smaakte, mocht slechts van korten duur zijn. Reeds twee jaren na ons huwelijk begon zij te kwijnen en met angst zag ik het oogenblik te gemoet, dat de dood haar van mijne zijde zou wegrukken.
151
Engeline was bijna vier jaar oud, 't was, als zag het verstandige kind, dat hare moeder haar ging verlaten. Zij was niet van 't ziekbed te houden en toen eindelijk de zoo bange dag daar was, toen .... o, wie beschrijft onze droefheid ! Engeline wilde het lijk van hare moeder niet verlaten, zij bedekte haar aangezicht met kussen, als wilde zij haar tot het leven terugroepen. Ik berichtte Verina's dood aan mijnen oom en hij bepaalde, dat ze te Montpellier zou begraven worden. Nu was mijn geluk gebroken; eene verzoening met mijnen oom verlangde ik niet meer, nu zij gestorven was, die hij steeds met minachting behandeld had. Toch verklaarde hij zich bereid, voor de opvoeding mijner dochter te zorgen. Nu, van alle banden ontdaan, nam ik het besluit, mijn geluk in de nieuwe wereld te gaan beproeven. Van mijn kind te scheiden viel mij zwaar, doch ook dit offer bracht ik en nu, slechts met de gedachte aan de toekomst van mijn kind bezig, ging ik op reis. Na eenen moeielijken tocht vestigde ik mij in Mexico onder den naam van Alexander Dulex en de fortuin was mij gunstig. Binnen eene tijdruimte van negen jaar had ik eene som verworven, groot genoeg, om ook zonder de rijkdommen van mijn oom een onbezorgd bestaan te hebben.
152
Ik kocht voor ongeveer honderdduizend francs eene uitgestrekte plantage. Over den oogst had ik de twee eerste jaren niet te klagen en reeds had zich de meening bij mij bevestigd, dat ik hier, hadde ik mijne dochter slechts bij mij, een gelukkig leven zou leiden. Ik had dan ook het plan gevormd, haar te gaan halen, toen op éénen nacht de vruchten van eene twaalfjarige werkzaamheid vernield werden. In de nabijheid mijner plantage hadden zich eenige woeste Indiaansche stammen gelegerd. In den duisteren nacht overvielen zij mijne plantao-e, zonder dat ik den tijd had gehad maatregelen tot verdediging te nemen.
Alles werd vernield en wat voor hun geweld niet zwichtte werd in brand gestoken. Met moeite redde ik mijn leven. Daar stond ik nu alleen, geheel alleen en armer dan ik in Amerika aangekomen was. Wat zou ik beginnen ? Naar Europa gaan kon ik niet. Ik besloot dus opnieuw den strijd om het bestaan te aanvaarden. Doch, waar moest ik heen? Hier blijven was mij onmogelijk.
Ik besloot dan verder te reizen en zoo kwam ik eindelijk te New-Orleans. Hier wachtte mij eene aangename verrassing; bij den Franschen Consul vond ik een afschrift van het testament
153
van mijnen oom, waarin hij mij tot zijnen universeelen erfgenaam benoemde.
Deze verandering was voor mij het bewijs, dat hij zich met mij wenschte te verzoenen. Nu, na eene twaalfjarige scheiding, gevoelde ik opeens een onweerstaanbaar verlangen, mijnen oom te zien, voor hij stierf. Ik meende mij eerst tegen deze gedachte te moeten verzetten, doch zij verliet mij dag noch nacht.
In mijnen droom zag ik hem voor mij staan, mij verwijtend, dat ik aan zijne goede bedoelingen twijfelde. Ik zag mijne dochter, mijne Engeline, weenend op haar slaapkamertje, weenend over eenen vader, dien zij dood waande.
Daar ik geen kans meer zag mij in mijne vorige positie te herstellen, vertrok ik naar Europa. Te Parijs vernam ik, dat mijn oom reeds voor twee jaar gestorven was. Het trof mij, want gaarne had ik nog eens den ouden man gesproken; de gedachte echter, dat ik mijne Engeline zou terug zien, troostte mij. Met welke gevoelens ik naar het kasteel trok, behoet ik u niet te beschrijven Ik waande mij reeds in het bezit der heerlijkheid Montpellier en gevoelde mij zoo gelukkig, daar de rest van mijn veelbewogen leven rustig te kunnen slijten met mijne aangebeden Engeline Mijne lijdens-
154
beker was echter nog niet geledigd, want nu trof mij eene nieuwe beproeving, zooveel te zwaarder, wijl ik er niet het minste op bedacht was geweest.
Agatha Leroux had zich, door middel van een valsch testament, in het bezit mijner goederen gesteld; mijne dochter was uitbesteed bij ruwe, onbeschaafde menschen, ik vond haar schreiend op het graf harer moeder. Ik troostte haar zoo goed ik kon, vertrok naar Parijs en stelde eene vervolging in tegen de valsche huishoudster.
Ik meende zeker van mijne zaak te zijn; het testament immers bewees zonneklaar mijn recht. Doch het scheen, dat ik voor het ongeluk geboren was. Het testament waarop ik al mijne hoop gebouwd had, was verdwenen, ik heb het of verloren, of het is mij ontroofd. Als een bedrieger werd ik aangeklaagd en tot tienjarige galeistraf veroordeeld. Dit is het einde van den zwaren strijd, dien ik gevoerd heb, niet zoozeer voor mij zeiven, dan wel voor mijn kind, dat nu geheel alleen in de wereld staat,quot;
»Uwe geschiedenis is hartroerend,quot; sprak Antoinette, terwijl zij een traan wegpinkte, »doch houd moed: God zal niet gedoogen, dat de misdaad over de onschuld zegeprale. Ik zal den Hemel bidden, dat uwe onschuld aan het
155
licht kome en wat uwe dochter betreft, hieromtrent kunt gij gerust zijn, want zooals ik zeide, heeft zij te Parijs eene beschermster gevonden quot;
Verschillende malen had de gevangene op het vertrek van Antoinette aangedrongen, bezorgd als hii was voor hare veiligheid; zij had daar echter niet naar geluisterd, doch nu de ongelukkige zijn verhaal geëindigd had, meende zij aan zijn verlangen te moeten voldoen.
«Goeden nacht,quot; sprak zij.
»God vergelde het u,quot; sprak Dulex met bewogen stem.
Toen Antoinette langs de struiken liep, die de binnenplaats begrenzen, meende zij een geritsel te hooren, zij stelde zich echter gerust met de gedachte, dat het de wind was, ofwel dat hare verbeelding haar parten speelde.
Zij had zich echter niet bedrogen. Mercurent had zich achter dit houtgewas verscholen en nauwelijks was Antoinette voorbij of met eenen duivelschen lach kwam hij van achter de struiken te voorschijn.
gt;Ha, de zuster van den Kommandant,quot; mompelde hij zacht, »zij zal hare straf niet ontgaan, neen al ware zij de dochter des konings, ongestraft zal zij niet blijven, 't Is gedaan met u
156
Dulex, geene verkwikkingen zullen u meer worden aangeboden, morgen klaag ik haar aan en ik zal wel zorgen dat de wet in al hare gestrengheid op haar worde toegepast. Van vergenoegdheid, dat hij het raadsel had opgelost, wreef hij zijne handen, mompelde nog iets binnensmonds en verdween stil in de ruime gebouwen.
-
li
ZEVENDE HOOFDSTUK.
ANTOINETTE S STRAF.
li
iM
mó
'â¢n
Kommandant was den volgenden morgen nauwelijks op zijn bureau, of men men meldde hem, dat de opzichter Mercurent hem wenschte te spreken.
»Wat wilt gij Mercurent,quot; vroeg de Kommandant aan den opzichter, zoodra deze binnen-orekomen was.
O
»Een belangrijk bericht, Kommandant.quot;
»Laat hooren, Mercurent, wat hebt gij te melden ?quot;
»Ik heb gisteren avond in de lattenkamer, waarin No. 73 zich bevindt, eenen appel gevonden, Kommandant,quot; zeide de opzichter.
gt;gt; In de de lattenkamer ? Hoe kan die appel daar komen ?quot;
M;
1
m I
158
sgt;Ik weet het niet, Kommandant, maar ik heb bemerkt, dat de gevangene 's nachts eten en drinken moest krijgen, het kan niet anders zijn.quot; »Maar dat is onmogelijk, Mercurent.quot; gt;De appel bewijst het, Kommandant.quot;
»Is de deur goed?quot;
â â Goed en vast, Kommandant.quot;
»Is er dan een gat, eene opening in den muur ?quot;'
gt;]k heb niets gevonden, de lattenkamers zijn alle in den besten toestand, Kommandant.quot;'
»Er komen ratten in de kamers, zou een van deze er niet een stuk appel heen gesleept en daar verloren hebben ?quot;
gt;Het was een stuk van eenen verschen appel, Kommandant, iemand helpt den gevangene, ik kan het duidelijk aan hem zien
«Mercurent,quot; zeide de Kommandant, »ik moet er half om lachen, hoe kunt ge dat aan den gekerkerde zien.quot;
»Aan zijne kracht en gezondheid. Het is juist, alsof hem de lattenkamer beter bekomt, dan de arbeid aan de haven quot;
»Gij zoudt wenschen, dat hij geene kracht meer had, om zich te verroeren, Mercurent ?quot;
»Dat niet Kommandant, maar mijn plicht is het, om mijne waarneming te melden, te meer,
159
daar het geheel onverklaar is, op welke wijze hij de hulp ontvangt quot;
»Ik kan mij uw bericht niet verklaren,quot; zeide de Kommandant, gt;hebt gij misschien eenmaal vergeten de deur te sluiten ?quot;
»Nooit, Kommandant,quot; verzekerde de opzichter, »ik onderzoek steeds of de deur gesloten is.quot;
gt;gt; Dan is het onmogelijk, dat iemand bij den gevangene is geweest, en het is ongelooflijk, dat, als iemand den gevangene werkelijk hielp en eenen sleutel voor de cel had, de gevangene niet zou pogen te ontvluchten.quot;
»Ik weet slechts dit eene, Kommandant-, er komt 's nachts een mensch in de cel van den gevangene, en brengt hem spijs en drank.quot;
gt;Gij zijt waakzaam Mercurent, ik weet het, maar ditmaal geloof ik, dat gij u vergist.quot;
gt;We moesten dezen nacht eens de wacht houden, dan hadden we zekerheid Kommandant.quot; »Dat kunt ge doen, Mercurentquot;
ïgt;Het zou mij zeer aangenaam zijn, als ik eenen getuige bij mij had.quot;
«Waarom hebt gij eenen getuige noodig; als gij den nachtelijken bezoeker aanroept, en hij luistert niet, schiet gij hem neer.quot;'
»Hm, ik zou liever hebben, dat de Kommandant de goedheid had, getuige te zijn
160
gt;Gij weet meer, dan gij mij gezegd hebt, Mercurent, dit blijkt mij duidelijk uit uw zonderling verzoek.quot;
gt;Dat niet, Kommandant, maar ik had gaarne, dat de Kommandant zichzelven overtuisfden.
gt;Nu ik zal uw verzoek toestaan, om achter het onverklaarbare geval te komen antwoordde de Kommandant, »wij zullen ons daarom dezen nacht in alle stilte in de nabijheid der lattenkamer begeven, en daar het verdere afwachten.quot;
De Kommandant was zelf nieuwsgierig te vernemen, wie dit medelijdend schepsel was.
Ook mocht hij de waakzaamheid van den opzichter Mercurent niet berispen, daar zulk een dienstijver noodig was. Om deze reden besloot hij tot de oplossing van dit raadsel mede te werken.
Tot middernacht hadden de gewone rondes der patrouilles plaats en na dezen tijd kwam de onbekende helper van den gevangene om voedsel te brengen. De Kommandant verliet na middernacht zijne kamer; hij sloeg den weg naar de stad in, maar veranderde dicht bij den muur van richting en bereikte langs eenen omweg de laan, die naar de lattenkamers voerde. Mercurent verbeidde hem met ongeduld.
161
»Hebt gij iets bemerkt?quot; vroeg de officier, toen hij bij den opzichter kwam.
»Tot op dit oogenblik nog niets, Kommandant.quot;' »Neem uwen post in, ik ga naar boven,quot; Dadelijk namen beiden hunne plaatsen in. Zij hadden ongeveer een uur gewacht, toen zij eenig gerucht hoorden.
Het was, als draaide iemand een sleutel in het oude, verroeste slot om.
De Kommandant richtte zich op: Mercurent had dus gelijk. Een oogenblik later sloot iemand de deur. Weldra hoorden zij iemand aankomen. Aanstonds kwam de valsche Mercurent in de nabijheid van den Kommandant, hij toch wist, wie daar zoo zacht liep, maar hij wilde zien, wat er gebeuren zou.
De Kommandant was in hevige spanning en zag naar de zijde, vanwaar het geluid kwam. De opzichter stond naast hem.
gt;Er komt iemand,quot; zeide deze laatste, om te kennen te geven, dat hij tegenwoordig was Op dit oogenblik scheen de Kommandant te be-merken, dat niet een man, maar eene vrouw naderde, en plotseling schrikte hij hevig.
Hij sprong terug, als vertrouwde hij zijne oogen niet, de opzichter verheugde zich, toen hij zag, dat zijn plan gelukte
ii
168
De Kommandant herkende zijne zuster, het was eene verschrikkelijke ontdekking. De officier, die altijd zijnen plicht getrouw vervulde, zag, dat zijne zuster degene was, die eenen gevangene heimelijk ondersteuning bracht, dat zij het was, die den sleutel van deze cel van zijne kamer wegnam.
Zij was het, die door den opzichter was aangeklaagd, en de plicht vorderde nu, dat hij zijne zuster ter verantwoording riep en haar bestrafte.
gt;Wat is dat,quot; zeide Mercurent, zich houdende, of hij door deze ontdekking getroffen was, gt;dat is eene vrouw, dat is.....quot;
»Mijne zuster,quot; zuchtte de commandant, gt;maar al is de schuldige ook mijne zuster, zij zal hare straf niet ontgaan.quot;
De vrouw hoorde de stemmen, en bleef vol schrik staan.
jMaar heer Kommandant,quot; zeide Mercurent, »ik.....quot;
gt;Gij wilt den broeder verzoeken, dat hij met zijne zuster niet rechtvaardig handele,quot; viel de Kommandant den helschen opzichter in de rede. »wees onbezorgd, de straf zal rechtvaardig zijn, ik zal mijn plicht doen.quot;
De bevende vrouw stond als door den bliksem
163
getroffen. gt;Ik ben het,quot; zeide zij met zacht trillende stem.
gt;Hebt gij den gevangene in de lattenkamer heimelijk voedsel gebracht ?quot;
»Ja broeder, ik gevoelde medelijden met den onschuldig veroordeelden graaf.quot;
gt;Hebt gij den sleutel van de cel uit mijne kamer gehaald ?quot;
gt;Ja broeder, hier is hij.quot;
»Ga in uwe slaapkamer,quot; zeide de Kom-mandant, »morgen vroeg zult gij hooren, wat volgen zal.quot;
»0 broeder!quot; zeide zij, en tranen verstikten voor een oogenblik hare stem.
gt;Gij kent mijnen wil,quot; viel de kommandant haar in de rede, »morgen zal ik u verder spreken. Opzichter,quot; vervolgde de Kommandant, zich tot Mercurent richtende, »gij hebt gehoord, wie de hulp aan den gevangene heeft bewezen, keer nu naar de slaapzaal terug. Gij hebt uw plicht gedaan en ik zal u morgen openlijk voor uwe waakzaamheid prijzen. Goeden nacht.quot;
De Kommandant keerde alleen en in gedachten verzonken naar zijne woning terug. Toen hij in zijne vertrekken was gekomen, sloot hij den sleutel weg, dien Antoinette gebruikt had, om den toegang tot de cel te bekomen Hij liep in
164
zijne kamer op en neder, en overlegde, wat hij zou doen ; eindelijk ging hij aan zijne schrijftafel zitten, en begon eenen brief te schrijven-
Toen hij dien geëindigd had, verzegelde hij hem en belde.
gt;Is de koerier reeds naar Parijs vertrokken,quot; vroeg de Kommandant.
gt;Hij wacht nog op uwe laatste bevelen.' gt;Geef hem dezen brief, en zeg, dat ik hem gelast, dadelijk te vertrekken, andere brieven
zijn er niet.quot;
De ordonnans nam den brief aan, en verliet
de kamer.
De Kommandant was den volgenden morgen vroeg op en Antoinette verscheen reeds tijdig in de kamer, waarin zij gewoon was met haren broeder te ontbijten; zij zag bleeker dan gewoonlijk, men kon duidelijk zien, dat zij den nacht wakende had doorgebracht.
Toen zij in de kamer kwam, liep zij naar haren broeder en stak hem smeekende de handen toe. De Kommandant ontving haar koel.
..Zet u neer, Antoinette,quot; zeide hij bedaard, gt;ik heb met u over het voorgevallene van dezen nacht te spreken.quot;
gt;Zijt gij boos op mij, om de hulp welke ik den arme gebracht heb?quot; vroeg zij met bevende stem.
165
»Gij hebt iets gedaan, wat verboden en tegen uwen plicht is, maar door de vingers zien kan en mag ik het gebeurde niet. Mercurent heeft het gezien, en ik moet daarom de geheele zaak openlijk behandelen quot;
gt;lk vrees de gevolgen niet,quot; zeide Antoinette gt;als gij mij slechts vergeeft, wat ik gedaan heb.quot;
»Ik ben niet boos op u, maar toch moet ik u voor het oog der wereld straffen.quot;
gt;Doe dat broeder, ik weet, dat gij rechtvaardig zult zijn, en ik vrees niets.quot;
gt;Ik heb nagedacht, hoe ik straf en zachtheid vereenigen, hoe ik u voor schande bewaren kan. Ik moet den opzichter prijzen-, ik moet voor de verzamelde officieren uwe daad en mijn vonnis bekend maken. Ik heb besloten u van hier te verwijderen.quot;
3gt;Gij wilt mij wegzenden, broeder?quot;
jGij zult nog heden het bagno verlaten, het kan niet anders; het moet zijn, hoe hard het mij ook valt, mij van u te scheiden.quot;
gt; Arme gevangene,quot; zuchtte de menschlievende vrouw, aan Dulex denkende, die nu geene hulp meer verwachten kon.
gt;Gij zult u naar uwe zuster te Parijs begeven.quot; »lk dank u, broeder-,quot; zeide Antoinette den Kommandant omhelzende, »gii hebt het beste
166
bepaald, al valt het mij ook zwaar, om van u en den armen gevangene te scheiden. Mij rest de hoop met de dochter van den onschuldig veroordeelde alles te beproeven, om de onschuld van haren vader te bewijzen, en hem te bevrijden.quot;
gt; Houdt u niet bezig met zulke gedachten. Het is de dwaze hoop der jeugd, die u nog vervult.quot;
.Gij gelooft niet aan de onschuld van den ongelukkigen graaf, broeder, maar ik ben er van overtuigd ; hij kan geen bedrieger zijn.quot;
»Laat u te Parijs door uw plan om te helpen, niet tot zulke stappen verleiden als hier.quot;
«Het berouwt mij niet, wat ik gedaan heb, broeder; misschien heb ik eenen edelen, ongelukkigen man het leven gered. Ik boet er voor, dat ik u niet meer kan wederzien, hier niet mag blijven, maar het moet zijn, uw plicht eischt een vonnis en ik gehoorzaam.quot;
gt; Morgen vroeg voor het aanbreken van den dag, zult gij moeten vertrekken. De reiswagen zal u hier uit het bagno afhalen.quot;
«Goed, broeder, ik ben gereed.quot;
De Kommandant begaf zich in zijn kabinet. Nadat hij de noodige orders had gegeven en den opzichter Mercurent bevolen had tot hem
167
te komen, begaf hij zich op de groote bagnoplaats te midden der officieren. Op een eerbiedigen afstand stonden de opzichters, maar Mercurent in de nabijheid der officieren.
Nadat de officieren eenen halven kring om hem gevormd hadden, gaf hij de orders van den dag en het parool.
gt;En nu,quot; aldus begon de Kommandant, gt;heb ik u nog mede te deelen, dat ik met behulp van den opzichter Mercurent degene heb ontdekt, die den gevangene in de lattenkamer voedsel heeft gebracht: mijne eigene zuster is de schuldige.quot;
Deze woorden, deze aanklacht van den broeder maakten blijkbaar een diepen indruk op de aanwezigen.
»lk heb de schuldige veroordeeld, om binnen vier-en-twintig uren het bagno te verlaten,quot; vervolgde de Kommandant, »zij zal deze straf morgen ondergaan. Den opzichter Mercurent echter prijs ik voor zijne waakzaamheid.quot;
Hoewel de Kommandant deze woorden met nadruk uitsprak ; hoewel hij den aanklager zijner zuster openlijk prees, vond deze lof toch in den kring der officieren geen weerklank, ja men kon bemerken, hoe enkelen hem met verachting aanzagen.
168
Bij den Kommandant verscheen in den namiddag eene deputatie der officieren van het bagno, die voor Antoinette om vergeving en genade verzochten, daar zij slechts uit goedheid en menschlievendheid had gehandeld. De Kommandant echter weigerde, hoe aangenaam hem deze deelneming ook was, hij verklaarde den officieren, dat hij bij zijn besluit moest blijven. Toen de nacht kwam, verliet Antoinette het bagno. Zij sloeg ongezien den weg naar de lattenkamer in. Het was een donkere nacht. De menschlievende vrouw bereikte de cel, waarin Dulex smachtte. Zij bracht hare lippen tegen den muur. »Leef wel, heer graaf,quot; zeide zij met gedempte stem, gt;ik kan u geene hulp en troost meer brengen, men heeft mij verraden. Ik moet weg, ik moet naar Parijs.quot;
gt;Zijt gij het Antoinette?'1 vroeg de gevangene. gt;Gij moet weg om mijnentwille, omdat gij mij hebt bijgestaan ? Gij zult om mijnentwege lijden ?quot;
igt;Ik moet van u scheiden, heer graaf, leef wel. God bescherme u. Te Parijs zie ik uwe dochter Engeline, die ik als eene zuster lief heb.quot;
»Dat is een troost voor mij,quot; antwoordde Dulex. »Hoe zwaar het mij ook valt, dat gij door mijne schuld moet vertrekken, is het ook een troost, dat mijne dochter Engeline eene ware-
169
vriendin bekomt. Bescherm mijn dierbaar kind; daarmede doet gy meer, dan dat gij mij hier uwe goedheid bewijst. Leef wel, edele vrouw, en breng aan mijn arm kind, den zegen van den gevangen vader.quot;
Antoinette werd diep geroerd: zij herstelde zich echter, verliet de plaats aan de deur der cel en keerde vlug langs den donkeren weg naar hare woning terug.
Toen de dag aanbrak, hield een reiswagen voor de gevangenis stil. De bediende van den Kommandant laadde de koffers op den wagen. Daarop ging de schreiende Antoinette in het rijtuig, nadat zij zich uit de armen van haren broeder had losgerukt; de groote poort van het bagno werd geopend en de medelijdende beschermster van den onschuldig veroordeelden graaf Montpellier was gebannen.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
DE MISHANDELING VAN DULEX.
'e straftijd van üulex was op tien dagen na geëindigd, toen Antoinette werd verwijderd.
Het krachtige voedsel, dat hij in de laatste dagen had gebruikt, en de hoop van zijne dochter nog eenmaal te kunnen zien, gaf hem de kracht, om deze tien dagen van zware beproeving te overleven, maar hij kwam zoo krachteloos en vermagerd uit de lattenkamer terug, dat zijne medegevangenen hem nauwelijks herkenden.
De groote, sterke, breedgeschouderde man was door de ontberingen, de verpeste lucht en de wonden, waarmede zijn lichaam, tengevolge
171
van de scherpe kanten der latten, bedekt was, mager, gebukt en zwak geworden.
Anderen hadden zeker deze wreede strat in 't geheel niet kunnen doorstaan en zeker zou ook zijn sterk en gespierd lichaam zijn bezweken, als Antoinette hem niet eenigen tijd van versterkend voedsel had voorzien.
De kleederen hingen hem los om de leden, zijne wangen waren hol, baard en haren waren lang en verwilderd, en de nagels aan handen en voeten zoo gegroeid, dat hij nauwelijks kon gaan
Met nijdige blikken beschouwde Mercurent den uit de lattenkamer teru^a-ekeerden Dulex.
O O
Hij had gehoopt, dat deze door hem gehaten mensch, de kerkerstraf met den dood zou hebben geboet; nu had hij zijn straf gelukkig doorstaan. Dat vermeerderde den haat van dezen opzichter. Het gevoel, dat Dulex ver boven hem stond, bracht er ook veel aan toe, om den geheimen nijd in hem te doen toenemen.
Toen de Kommandant den volgenden dag den vreeselijk veranderden gevangene zag, bepaalde hij, dat deze voorloopig met lichten handarbeid in de zalen bezig moest worden gehouden.
Een groot aantal veroordeelden maakten hier in de zalen klompen, anderen vervaardigden
172
snuisterijen; sommigen sneden groote en kleine kruisbeelden van hout.
Dulex werd bij de stroovlechters geplaatst en moest hier het stroo ordenen, kleuren en snijden. Dat was een gemakkelijke arbeid, dien hij vlijtig verrichtte. Hij dankte den Kommandant in stilte voor deze regeling, want hij gevoelde zelf, dat hij niet in staat was zwaren arbeid te verrichten.
Na verloop gt; van eenige dagen gebeurde er iets, wat hem opnieuw de vijandschap van den valschen opzichter bewees.
In 't begin dacht hij in 't geheel niet aan hem, en schreef de ontdekking van Antoinette aan hem niet toe ; eerst later zag hij, dat Mer-curent wederom de oorzaak van dezen nieuwen aanslag was geweest.
Toen Dulex op zekeren morgen, nadat hij nauwelijks zes dagen bij de stroovlechters had gewerkt, weder naar de zalen wilde gaan, werd hem door den opzichter daarvan medegedeeld, dat zijn werk in de zalen gedaan was.
Dulex was over deze bepaling verbaasd, want hij was nog niet in staat om den zwaren havenarbeid te verrichten.
Maar hij morde niet. Hij nam zich veeleer voor, naar zijne beste krachten, het voorge-
173
schreven werk te verrichten. Hij was nu eenmaal galeislaaf, en moest zich nu ook aan alles onderwerpen, wat in het bagno van hem werd gevorderd.
Hij verliet de werkzaal, om zich naar de slaapzaal ot naar het ambtshuis te begeven.
Onderweg ontmoette hij Mercurent, die hem met meer veroordeelden, die hij naar den arbeid bracht, tegenkwam
gt;Daar komt hij,quot; riep Mercurent, »\vaar zijt gij zoolang geweest ? Denkt gij, dat gij bij den arbeid komen kunt, als ge wilt, en dat gij kunt gaan wandelen. Neen, neen, gij zijt heden morgen stil weggeslopen.quot;
s-Gij vergist u,quot; antwoordde Dulex bedaard, hoewel de uitdagende woorden wel geschikt waren, om hem toornig te maken, »ik heb niet gewandeld. Ik was in de arbeidszaal quot;
»Heb ik u er naar gevraagd ? Als gij niet dadelijk den mond houdt, dan laat ik u twintig slagen geven,quot; riep Mercurent, »ik zal u wel recht krijgen. Dat is er ook een, die altijd wat weet tegen te praten, maar bij mij gaat dat niet; gij zijt van den arbeid geloopen.quot;
»lk wist niet, dat ik niet meer in de zalen moest, ik heb het daar vernomen,quot; zeide Dulex nog altijd bedaard: maar juist deze bedaardheid
174
scheen den woedenden en hatelijken opzichter nog boozer te maken.
«In de zalen! ja, dat zou fraai zijn, als alle veroordeelden met stroo en perle d'amour zouden spelen,quot; riep hij hoonend, gt;dat gaat zoo niet, aan den arbeid zult gij, en als het nog eens voorkomt, dat ik u niet vind, als wij heengaan, dan krijgt gij twintig slagen, denk daar aan, en nu voorwaarts.quot;
Dulex antwoordde niet. Zonder te spreken sloot hij zich bij den trein der overige veroor-oordeelden aan, die naar den havenarbeid gebracht werden. De meeste veroordeelden waren Dulex kwalijk gezind, omdat hij graaf was en naar 't zeggen van velen, onschuldig veroordeeld was.
Het gevolg daarvan was, dat eenigen van hen met leedvermaak naar hem keken. Er bevond zich hier in het bagno een groot deel van het uitvaagsel der menschheid, en dit is altijd gereed om het betere, dat boven hen staat, te bespotten.
Maar er waren ook eenige niet zoo diep gezonken veroordeelden in de afdeeling van Mercurent; en daar deze dikwijls van den brutalen opzichter op gelijke wijze hadden te lijden, gevoelden zij medelijden met Dulex en zagen
175
met geheime woede in het hart naar den on-menschelijken opzichter.
Deze zag het niet, en lette er niet op. Hij verheugde zich, dat hij aan den gehaten veroordeelde zijne woede had kunnen koelen.
Mercurent voerde de afdeeling aan, in den arm zijn buks houdende, en aan de zijde zijn hartsvanger dragende.
De zon brandde fel, en hare stralen waren zoo heet, dat Dulex zich slechts met groote moeite door het zand kon slepen, vloeide het zweet bijtend in zijne nog niet geheelde wonden.
Hij beet op de tanden en ging verder.
Na een uur ongeveer bereikte de afdeeling de bouwplaats aan de haven, waar reeds een tweede afdeeling met metselen, en een derde met den arbeid aan het hout bezig was.
Mercurent zelf droop van het zweet, maar hij lette daar niet op, als hij zijn dienst deed, en het minst, als hij aan een gehaten arbeider eene pijniging kon bezorgen. Hij toch mocht nu stilstaan en behoefde alleen het opzicht te houden, terwijl de veroordeelden in de gloeiende stralen aan den arbeid moesten gaan, zonder een oogenblik te mogen rusten.
De hoofdopzichter gelastte Mercurent zijne afdeeling een groot aantal groote en kleine
170
balken en stukken hout van de voorraadschuur naar de plaats te doen dragen, waar gewerkt werd.
De veroordeelden begonnen dadelijk de kleinere balken en blokken op de armen en schouders naar de bouwplaats te brengen; een arbeid, waarbij zij onder de hevige hitte bijna bezweken.
Dulex moest eveneens medewerken, hoewel hij nog nauwelijks in staat was, om de zware stukken hout te dragen. Maar hij wilde bij de anderen niet achterstaan, hij wilde zijn plicht doen, zooveel als zijne zwakke krachten dat toelieten.
Dadelijk ging Mercurent naar Dulex
gt;Wat beteekent dat,quot; riep hij, »gij zoekt de kleinste stukken uit Dat gaat zoo niet! Hier neem dezen balk.quot;
Dulex zag, dat Mercurent op een dikken, zwaren balk wees, die naast hem lag.
Hij antwoordde niet, en bukte om het stuk hout op te heffen, maar hij was te zwak. Hoewel hij zich inspande, kon hij het toch nauwelijks van den grond opheffen.
Een ander veroordeelde, een zeer sterk man, zag het, liep naar Dulex, en trachtte het zware stuk hout te dragen, maar ook hij kon het niet.
»Dat is te veel voor een man,quot; zeide deze veroordeelde.
177
»Neen gij moet het niet dragen, gij hebt reeds groote blokken genoeg weggebracht zeide Mercurent, »maar hij daar, ' hij wees op Dulex, gt;wij kennen uwe knepen reeds ; maar geloof niet, dat gij er zoo afkomt Voorwaarts! Neem het stuk hout, en draag het daarheen.quot;
Nog eens beproefde Dnlex het; maar het was te vergeefs.
Daar trof hem plotseling een slag met een doorniafen tak.
ïdk zal 't u wel leeren,quot; riep Mercurent, »gij zult uwen trots boeten,quot; en slag op slag trof Dulex.
De aanval van den opzichter kwam zoo onverwacht, dat Dulex in 't eerste oogenblik niet wist, wat er met hem gebeurde.
Maar toen de slagen op hem bleven vallen, en hij de schandelijke vernedering gevoelde, toen vloog het bloed hem naar het hoofd, en zijne bedaardheid en zelfbeheersching verlieten hem plotseling.
Tot nu toe had hij den haat en nijd van den opzichter verdragen, en met verachting bestraft; nu echter was zijn geduld uitgeput.
Dulex sprong op, en eer dat Mercurent het ontwijken kon, daalde zijne gebalde vuist op het hoofd van den ellendeling. Het was Dulex
12
173
onverschillig, waar hij trof. Het gold de belee-diging te straffen ; den onrechtvaardigen opzichter te tuchtigen.
Dulex dacht niet aan de gevolgen van dezen stap. Hij zou den ellendeling straffen, al moest hij er nog zoo zwaar voor boeten.
Mercurent wankelde en hield de handen voor het gezicht; toen zonk hij ineen.
Maar spoedig kwam hij weder tot bezinning. gt; Grijpt hem,quot; schreeuwde hij met heesche stem, naar Dulex wijzende, gt;pakt hem, den rustverstoorder, den oproermaker, bindt hem.quot;
Een dof gemor was alle antwoord. Niemand vergreep zich aan Dulex. Niemand luisterde naar het bevel van den opzichter.
gt;Doe het zelf,quot; riepen de veroordeelden door elkander, en zelfs zij, die anders niet de vrienden van Dulex waren, staken geen hand uit.
»Oproer!quot; riep Mercurent als een razende, en liet een gillend gefluit hooren, dat voor de andere opzichters een teeken was, hem te hulp te komen. »Oproerlingen, schiet hen neder, de honden weigeren de gehoorzaamheid.''
Dit gefluit verwekte groote opschudding. Van alle kanten stormden de opzichters toe.
gt;Pakt hem,quot; riep Mercurent en wees naar Dulex, »hij is de raddraaier. Hij heeft mij willen
17U
doodslaan. Hier, ziet mijn oog, mijn gezicht. En de anderen hebben gehoorzaamheid Hâ¢eweis^:erd.,,
O O O
De andere opzichters wierpen zich op Dulex, die geen beweging, geene poging tot zijne verdedisdror deed. In een oog-wenk hadden zi;
O O ö J
hem met touwen gebonden
»Dat is uw dood, hond,quot; schreeuwde Mercu-rent, gt;die rebel, heeft de andere veroordeelden verleid. In 't gelid, beval hij den anderen, of wij schieten u neder als dolle honden.quot;
Op het gezicht van de aanwezige opzichters, die hunne buksen in de hand hadden genomen,
O â
gehoorzaamden de veroordeelden.
gt;lk zal het je betaald zetten,quot; knarste de opzichter dreigend en hief zijn vuist tegen de veroordeelden op. gt;Acht dagen onthoud ik je den kost, tot op water en brood na, met u zal ik wel klaar komen. En deze No. 73, die zal voor zijn slaan boeten. Aan de galg moet hij.quot;
gt;Hij had u op de plaats kunnen doodslaan,quot; zeiden de andere opzichters, »er moet een voorbeeld gesteld worden.quot;
De oploop groeide met elke seconde aan. Het gezicht van Aiercurent zwol sterk op Neus en oogen waren blauw
Dulex stond met gebonden handen en voeten. Het berouwde hem niet, wat hij gedaan had.
130
Hij had den ruwen en onrechtvaardigen opzichter gestraft en hem eindelijk zijne boosheid betaald gezet.
Mercurent nam het touw, waarmee de armen van Dulex gebonden waren, en trok hem met zich mede
»Naar het ambtshuis met u,quot; riep hij hem toe, »voorwaarts, gij anderen. IN aar de bagno plaats. Gij zult dadelijk hoeren wat met deze gebeuren zal.'1
Na korten tijd bereikten zij de groote bagnopiaats. Hier moesten de veroordeelden wachten.
Dulex bleef gebonden in hun midden, terwijl Mercurent in het ambtshuis ging, om aan de daar aanwezige officieren aangifte te doen van den aanslag op zijn leven, en melding te maken van het uitbreken des oproers
Een dergelijk voorval had in langen tijd niet plaats gehad, en niets werd zoo zwaar gestraft, dan het slaan der beambten.
Er werd dadelijk eene commissie ge-gevormd om over het geval te beraadslagen. De oorzaak, de voortdurende vijandelijkheden en hateliikheden van dezen opzichter werd niet bekend, daar het Dulex, als veroordeelde, niet geoorloofd werd, zich te verdedigen.
181
Na eene korte beraadslaging werd dadelijk op de open plaats het vonnis geveld.
Dulex werd ter dood veroordeeld, en dadelijk na de bekrachtiging van het vonnis door den koning, zou de terechtstelling plaats hebben.
Zonder te sidderen of wanhopig te worden, vernam Dulex zijn doodvonnis.
Dulex en een zijner medegevangenen Lapellier, waren intusschen naar een donkeren kerker gebracht.
Lapellier was voor een Staatkundig misdrijf tot de galeien veroordeeld. Hij deelde nu met Dulex de crevantyenis.
O O
Voor den graaf had de dood niets verschrikkelijks ; integendeel, deze verloste hem uit zijn lijden. Slechts de gedachte aan Engeline, zijn arm, onschuldig kind, maakte hem het sterven zwaar.
Zij was nu reeds de dochter van een galeislaaf, maar weldra zou zij ook nog de dochter zijn van iemand, die door beulshanden was ter dood gebracht. Die gedachte kwelde het vaderhart vreeselijk.
Nog was de dag niet bepaald, waarop hij sterven zou ; maar juist deze onwetendheid, dit wachten, deze tijd van onzekerheid, was het verschrikkelijkste.
Hier op de bagnoplaats zou het veelbewogen
132
leven eindigen van hem, die niemand eenig kwaad had gedaan, die alleen in den kerker was opgesloten, omdat hij getracht had te bekomen, wat hem rechtmatig toekwam.
Door welk eene verschrikkelijke opeenvolging van beproevingen en slagen had de Voorzienigheid hem beproefd! Hij was in alles teleurgesteld, zonder erfenis, zonder naam-, onschuldig tot vree-selijke schande en straf veroordeeld; gescheiden van zijn eenig kind, en nu wachtte hem een smadelijke dood.
gt;Gij schijnt bekommerd,quot; zeide Lapellier met zachte stem tot Dulex, gt; durft gij mij uw kommer toevertrouwen ?quot;'
»lk weet, dat gij hier onschuldig smacht,quot; vervolgde Lapellier. »Ik ben hier niet onschuldig, want ik nam deel aan een opstand. Maar dat beteekent niets. Wij zijn gevangenen, en gij gaat, omdat gij den moed hadt dezen onmen-schelijken Mercurent te straffen, den dood te gemoet. Binnen weinige maanden is mijne straf hier afgeloopen, dan keer ik naar Parijs terug. Hebt gij iets op 't hart, hebt gij een laatsten wensch, een verlangen, vertrouw het mij dan toe, heer graaf, en het zal mijn heilige plicht zijn, uwen laatsten wensch te vervullen.quot;
»lk dank u voor deze aanbieding,quot; antwoordde
183
Dulex, die nauwelijks zijn hevige aandoening kon bedwingen, »ik dank u voor uwe deelneming. Gij zijt het, die de getuige mijner laatste dagen en uren zijn zult. Breng het bericht van mijnen dood aan mijn arm kind, dat hulpeloos en zonder bescherming te Parijs vertoeft. Het is goed, dat Engeline niets van mijne veroordeeling verneemt, want ik vrees, dat het bericht haar zou dooden. Eenmaal moet zij toch de treurige boodschap vernemen, en daarom maak ik van uwe aanbieding gaarne gebruik, om haar voor te bereiden.quot;'
»Ik begrijp thans uwe droevige stemming,quot; zeide Lapellier. »Het is een treurige taak, die gij mij oplegt maar nog heb ik de hoop niet opgegeven, u te redden.quot;
gt;Waar denkt gij aan, mijn vriend, het vonnis is geveld en de bekrachtiainor van den koninof
O O O ö
zal weldra volg-en.
gt;Laat ons dezen tusschentijd ten nutte maken, om te ontvluchten.quot;
jHet verwondert mij, dat gij een gevangene, van het bagno, van de mogelijkheid eener ontvluchting spreekt.quot;
»De boosheid van dien ellendigen opzichter mag niet zegevieren,quot; riep Lapellier vol geestdrift, »gij moet gered worden.quot;
184
»Gij meent het goed, mijn vriend,quot; antwoordde Dulex, met een ongeloovigen glimlach, »maar uwe hoop is ijdel ! Het vonnis is geveld ; de koerier is reeds op weg naar Parijs, het zal den koning worden voorgelegd en hij zal het wel bekrachtigen.quot;'
»Hebt gij geen invloedrijke bekenden te Parijs? vroeg Lapellier.
»Neen, mijn vriend. Ik ben twaalf jaar in den vreemde geweest, de oude bekenden zijn gedeeltelijk dood, gedeeltelijk over de wereld verstrooid, of kennen mij niet meer.quot;
gt;Bij wie is uwe dochter dan te Parijs?quot;
»Bij de weduwe Brion, de zuster van den Kommandant, bij wie thans Antoinette eveneens zal zijn.quot;
»Bij de zuster van den Kommandant ?quot; vroeg Lapellier, »dan was door haar misschien veel te doen.quot;
»Dat geloof ik niet. De Kommandant is veel te trouw aan zijnen plicht, veel te streng, dan dat hij zich door de beden der vrouwen zou laten overhalen, om mijne voorspraak te zijn.
»Goed; ik heb een plan gevormd Eene omstandigheid zal ons nu te stade komen. Kent gij den tweeden luitenant La Roche hier in het bagno ?quot;
»Meent gij den jongen officier, die het toezicht
over de ambtenaren en opzichters heeft?
»Ja; hij heeft verplichting aan mij, ik bewees hem te Lyon eens een dienst, dien hij niet vergeten kan; door hem zullen wij wel wat bereiken. à .Laat dat,quot; verzocht Dulex ernstig, »ik zou niet willen, dat om mij een jong officier tot eene daad werd gebracht, die hem nadeelig zou kunnen worden. Ik zou ook niet willen, dat er iets gebeurde, wat u nadeel zou kunnen doen.
AVees daar niet bezorgd over, 1 zeide La-pellier, gt;ik wil niets ondernemen, wat ongeoorloofd is. Ik geef de hoop niet op, u te redden. Lapellier verklaarde den luitenant La Roche
te moeten spreken, en op zijn herhaald verlangen
werd hij eindelijk voor dezen gebracht.
Hij sprak langen tijd met den luitenant en kreeg van dezen verlof, een brief te scluijven en weg te zenden; de luitenant hechtte er het ambstzegel aan, en zorgde er voor, dat hij nog denzelfden dag door een koerier naar Parijs
gebracht werd.
»Als de Kommandant het verzoek om genade begunstigt,quot; zeide de luitenant tot Lapellier, gt;dan twijfel ik niet, of de veroordeelde zal dooiden Koning begenadigd worden ; maar ik vrees, dat het te laat zal komen.'
136
gt;Dan kan de Kommandant de terechtstelling toch verdagen, zeide Lapellier.
gt;Dat doet hij nooit, daar in het vonnis, dat de Koning moet bekrachtigen, dag en uur zijn aangegeven, en de Kommandant is al te stipt.
Komt de dag van de voltrekking en is een verzoek om gratie ingediend, dan ben ik overtuigd, dat de besfenadig-inaf hier te laat komt, en
ö ' ö ö O
de veroordeelde verloren is.quot;
»Dat zou verschrikkelijk zijn. Wat is daaraan te doen ?quot; riep Lapellier, die reeds de beste hoop koesterde, en deze weder in rook zag vervliegen, »redden moeten wij den graaf. Het zou toch te erg zijn, als hij werkelijk door de vijandelijkheden van den opzichter den dood moest vinden.quot;
»Gij weet, hoe gaarne ik u, als het kan van dienst wil zijn, mijnheer Lapellier,quot; zeide de luitenant. »De graaf had de strenge straffen vergeten, welke de gevangenen hier bedreigen, toen hij den opzichter sloeg. Ik zelf houd in 't geheel niet van Mercurent; ja, ik vind de handelwijze van den graaf zeer verklaarbaar, maar aan de gevolgen is niets te veranderen. Alles is in de handen van den Kommandant. Wij kunnen niets anders doen dan hopen, dat uw brief nog ter rechter tijd aankomt.quot;
137
De volgende dagen verliepen, zonder dat er iets gebeurde, en. reeds vleide L.apellier zich met de hoop, dat zijn brief nog niet te iaat
was afgezonden.
Toen Lapellier op zekeren avond voor het getraliede venster van de gevangenis in het ambtshuis stond en naar buiten zag, kwam een ruiter op een met schuin bedekt paard door de poort.
gt;Een koninklijke koerier,quot; riep Lapellier, opspringende van vreugd.
»Met mijn doodvonnis,quot; zeide Dulex, met de bedaardheid van een op alles voorbereid man.quot;
gt;Met de begenadiging, hoop ik,quot; zeide Lapellier tot zijn medegevangene.
Wat de koerier van Parijs had medegebracht, bleef voorloopig voor de beide gevangenen een geheim, daar niemand kwam, om hem op dezen avond eenige opheldering te geven.
De nacht kwam en de vreeselijke onzekerheid verdreef den slaap van Dulex.
Welk bevel had de koerier gebracht? Was het gelukt, eene begenadiging te bewerken Was de Kommandant de voorspraak voor den veroordeelde geweest r Bange onzekerheid !
Eindelijk werd het dag.
188
Na eenige uren hoorde zij eenige mannen naderen
De Kommandant, begeleid door twee officieren en een opzichter, trad in het verblijf der gevangenen ; hij hield in de rechterhand een papier. Was dit het bevel tot gratie ?
Dulex stond op.
gt;Ik kom, om u te berichten,quot; zeide de Kommandant, »dat morgen het doodvonnis op de bagnoplaats zal voltrokken worden. Bereid u dus op uw einde voor.quot;
»Heden avond zal een biechtvader bij u komen, om met u te bidden en u den bijstand en troost der H. Kerk te geven. Hebt gij nog een wensch of eene verklarinof te doen ?quot;
gt;Neen, heer Kommandant,' antwoordde Dulex met vaste stem.
»Het was dus toch het doodvonnis,quot; zeide Dulex, toen hij met Lapellier alleen was. gt;En morgen reeds zal het voltrokken worden,quot;
gt;De Kommandant zou het toch wel eenioe
o
dagen kunnen verschuiven.quot; zei Lapellier in groote opgewondenheid.
gt;Cxij hoopt nog altijd op gratie, mijn vriend ?'
»De gratie zal eenige dagen te laat komen,quot; was het antwoord van Lapellier, »maar dat
189
mag niet zijn. Er moet een middel gevonden worden, om de terechtstelling uit te stellen.quot;
«Doe geene nuttelooze moeite,'' antwoordde Dulex, »het is alles te vergeefs; mijn lot is bepaald, het vonnis is bekrachtigd en morgen vroeg zal het in tegenwoordigheid van alle veroordeelden, als eene waarschuwing op de bagnoplaats worden voltrokken.quot;
»Het mag niet gebeuren. Ik geloot er vast aan, dat nog een ander bevel hier zal aankomen. Of zou de commandant elke bemiddeling afslaan en zich verzetten tegen de beden zijner zuster? Dat is niet te denken.quot;
gt;Slechts eene zaak kwelt mij,quot; zeide Dulex na een poos, «dat is de overwinning van die bedriegers die mij tot een veroordeelde hebben gemaakt. Als ik mijne onschuld bewezen en mijn kind in mijne rechten hersteld zag, zou ik gaarne sterven, maar nu pijnigt mij de overwinning van de ondeugd en de misdaad, voor welke ik lijden moet.'quot;
igt;Gij zult niet verliezen ; gij moogt niet sterven,quot; riep Lapellier, nk zal een weg tot redding vinden.quot;
Weder werd de deur van de gevangenis geopend.
De forsch gebouwde, half wilde beul van het
190
bagno trad binnen. Zijne ruwe trekken, zijn baardig gezicht, zijne geheele verschijning had iets, wat huivering wekte. Hij bezag de beide gevangenen en ging toen naar Dulex.
»lk moet uwen nek zien,quot; zeide hij op ruwen toon, jof hij dik is, ik moet daarnaar een blok uitzoeken. Mooi zoo,quot; ging hij voort en bevoelde den nek van Dulex, wien onwillekeurig bij deze aanraking eene koude huivering door de leden voer; »gij blijft nog al kalm, zoo iets zie ik gaarne.quot;
Lapellier was zoo verstoord over de ruwheid van den beul, dat hij zich bijna tot eene bedreiging liet vervoeren, maar een waarschuwende blik van Dulex deed hem zwijgen. Lapellier verlangde nog eens naar luitenant La Roche te worden gevoerd, wien hij eene mededeeling had te doen.
De opzichter verwijderde zich, om den luitenant het verlangen van den gevangene te melden, en dadelijk werd Lapellier in de kamer gebracht, waarin de luitenant werkte.
Dulex bleef een tijd lang alleen ; hij liep in de gevangenis op en neer.
Men maakte zich gereed voor het schouwspel in het bagno.
Engeline, zijn geliefd kind, moest hij verlaten,.
191
voor altijd verlaten. Hij zou dat brave meisje niet meer terugzien, hij zou, zonder hare toekomst te kunnen verzekeren, uit het leven scheiden.
Toen de avond begon te vallen, verscheen een biechtvader in de gevangenis.
Dulex groette hem, zette zich bij hem neder en biechtte zijne feilen.
Toen hij geëindigd had, zag de goede, oude monnik hem lang en onderzoekend in het gelaat.
»Gij zijt uitverkoren, graaf Montpellier,quot; zeide de priester, gt;tot een lot vol beproeving en gij hebt de proef glansrijk doorstaan; het loon zal niet uitblijven.
Voor de zware beproevingen, waartoe gij uit duizenden verkoren zijt, zult gij daarboven beloond worden, hoewel soms schijnbaar ondeugd en misdaad de zege behalen; doch wees getroost; Gods gerechtigheid is eeuwig. Voor korten tijd slechts kan de ondeugd triomfeeren, maar de straf volgt altijd.quot;
Lapellier keerde na het onderhoud met den luitenant La Roche in de gevangenis terug. Hij zag er opgewekt uit. Toen hij naar den luitenant gebracht werd, leek hij bezorgd, thans scheen hij vroolijk te zijn, zoo zelfs, dat zijne oogen schitterden.
Wat was de reden daarvan?
192
Lapellier zeide niets. Hij nam ook geen deel aan het onderhoud van den biechtvader en Dulex; hij zat afgezonderd, en scheen met ongeduld op iets te wachten.
Tien minuten later verscheen er een opzichter met twee kaarsen, welke hij op de tafel plaatste. Hij bracht ook wijn voor den ter dood veroordeelde.
Meer uit vriendschap dan uit behoefte leende Dulex eindelijk aan de dringende bede van zijn medegevangene gehoor en dronk van den wijn: Lapellier dronk niets. De laatste nacht kwam.
De biechtvader verklaarde zich bereid, om den nacht bij den veroordeelde wakend door te breneen, maar Dulex wilde dit offer van den
O '
reeds bejaarden geestelijke niet aannemen. Hij verzocht hem te gaan rusten en den volgenden morgen met hem te bidden.
Lapellier verkeerde in eene onverklaarbare, groote onrust. Hij scheen op Dulex te letten. Het was, als verwachtte hij iets.
Tegen middernacht traden twee opzichters in de gevangenis, die het bevel hadden, bij den veroordeelde te waken.
Dulex voelde eene eisfenaardisje vermoeidheid,
O O 1
die bijna tot ongesteldheid, ja, tot verdooving klom. Hij legde zich neder en in een oogenblik
193
was hij bewusteloos. De opzichters en de biechtvader dachten niet anders, dan dat hij sliep.
Toen Dulex op zijn leger zonk, was het, als gleed een lach van bevrediging over het gezicht van Lapellier.
Toen de morgen schemerde, plaatste de beul met zijne gezellen op de bagnoplaats het toestel voor de onthoofding.
Teoen zes 'uur wilde de oude biechtvader den veroordeelde wekken, die nog altijd on bewegelijk lag, om hem voor te bereiden en met hem te bidden.
Hij noemde den naam van den veroordeelde, raakte zijne schouders aan, en riep, maar alles te vergeefs.
-Wat is dat?'' zeide hij eindelijk met ontsteld gelaat tot de beide opzichters. »De veroordeelde is dood !quot;
»Dood ?quot; riepen zij en vlogen naar het leger van Dulex, die geheel onbeweeglijk en bleek was.
gt;Goede God!quot; zeide een opzichter. »Gijhebt niet gewild, dat hij door beulshanden van dit leven werd berooid. Hij is dood ! Roep den wachthebbenden luitenant, de geneesheer moet gehaald worden 1quot;
Terwijl de biechtvader naast Dulex knielde, snelden de beide opzichters uit de gevangenis.
13
194
Buiten verspreidde zich het bericht, dat de ter dood veroordeelde, wiens terechtstelling binnen het uur zou plaats hebben, plotseling gestorven was. De beulen snelden naar het leger van Dulex, ook de Kommandant verscheen, om te onderzoeken, of niet een zelfmoord had plaats gehad, maar er was aan het lichaam van den veroordeelde geen enkel spoor van verwonding te zien.
Eindelijk verscheen de geneesheer. Nadat hij hoofdschuddend den levenlooze herhaaldelijk had onderzocht, verklaarde hij den Kommandant, dat hij op dit oogenblik over den toestand nog geene bepaalde verklaring geven kon. gt;De dood schijnt nog niet te zijn ingetreden,'quot; zeide hij, gt;maar de toestand is als een gevolsr van de
lt;quot;gt; O
verstijvende kramp te beschouwen, en men kan niet weten en voorspellen, wat daarop volgen zal.quot;
De voltrekking van het vonnis moest tengevolge dezer onverwachte gebeurtenis werden uitgesteld.
NEGENDE HOOFDSTUK.
NEPO RENSATA.
/T i i tï
X 'Ãlt;â¬w^ ooals wij hebben gelezen, waren alle vervolgingen van den vluchteling Nepo fyï Rensata vruchteloos gebleven ; de soldaten ' en beambten waren in het bagno teruggekeerd en konden niets anders melden, dan dat Nepo Rensata in de golven den dood moest ofevonden hebben.
Geliik Nepo terecht vermoedde, was zijn broeder door het noodsignaal overtuigd geworden, dat een craieislaaf trachtte te ontkomen.
' o
De teaenwoordiofheid van Rensata's broeder
O O
was dan ook de oorzaak, dat de vluchteling gered werd.
O
Zoodra Rensata zich in vrijheid bevond, vertrok hij zoo spoedig mogelijk naar Parijs: hier
196
wist hij zich de achting van advocaten en magistraten te verwerven en alzoo de opmerkzaamheid van den Koning op te wekken.
Deze had spoedig de schranderheid en getrouwheid van Nepo opgemerkt en hem tot zijn vertrouweling verkozen.
Rensata stond reeds weken in de gunst van den Koning, toen deze hem zekeren dag zeide, dat hij eenige dagen geleden wederom een treurigen plicht had moeten vervullen, namelijk het teekenen van een doodvonnis van den galeislaaf Alexander Dulex
Toen Rensata dit hoorde, viel hij droevig zuchtend op een stoel.
De Koning bemerkte de ongesteldheid van zijn gunsteling en vroeg hem de oorzaak ervan.
Rensata wist zich te bedwingen en antwoordde den Koning, dat hij Dulex in zijn bijzonder leven gekend had; dat hij Dulex altijd voor een rechtschapen man had gehouden, haalde daarvoor bewijzen aan en wist door zijne welsprekendheid van den Koning een bevelschritt te bekomen, dat algeheele kwijtschelding van straf aan Alexander Dulex schonk.
Het verlangen van Rensata, om zelf dit bericht naar Toulon te brengen, werd door den Koning ingewilligd.
197
Zeker hing van de tijdige aankomst van dit bevelschrift alles af-, twee dagen te voren was een koerier met het doodvonnis vertrokken, er bleef dus Rensata niets over dan alles te beproeven, om dien koerier in te halen.
Toen Nepo Rensata dan als koerier vertrok, moest in het bagno de terechtstelling van den veroordeelde worden uitgesteld, omdat deze plotseling zeer ongesteld was geworden.
Dit onverwacht voorval veroorzaakte den Kommandant de grootste zorg. Hij was een man van de klok en gewoon, alles stip op tijd uit te voeren en nu werd hij genoodzaakt, de terechtstelling te verdagen. Hij liet den geneesheer bij Dulex roepen, om dezen te onderzoeken en te bepalen, wanneer de terechtstelling kon voltrokken worden. De geneesheer echter verklaarde, na het onderzoek, dat hij voorloopig nog niets over het buitengewone toeval van den gevangene kon zeggen.
De wachter Mercurent, dit hoorende, was uiterst verstoord over deze vertraging en gaf te kennen, dat er verraad achter zat.
Lapellier daarentegen was zeer verheugd over deze wending der zaken en wenschte zich geluk, dat zijn verdoovend middel zoo goed en zoo lang zijn werking deed gevoelen. De toestand
198
van verdooving duurde, in weerwil van de, door den geneesheer, aangewende middelen, den ge-heelen dag en den daaropvolgenden nacht; eerst tegen den morgen vertoonde zich de eerste levensteekenen bij den veroordeelde Hij sloeg spoedig daarop de oogen open, om ze wederom te sluiten en viel daarna in een onrustigen slaap. 1 egen den middag kwam Dulex geheel tot zich zeiven, verlangde te eten en te drinken en scheen geheel genezen te zijn.
De geneesheer bracht den Kommandant het bericht van de gunstige wending der ziekte; de Kommandant gaf daarop bevel, dat de terechtstelling den volgenden morgen moest plaats hebben.
Lapellier wachtte nog altijd te vergeefs op eene verandering van het vonnis. Het scheen hem nu eene onmogelijkheid, om Dulex te redden. Een tweede middel, om de terechtstelling te vertragen, durfde hij niet gebruiken.
Dulex was, nadat hij zijn bewustzijn geheel had teruggekregen, volkomen met zijn lot verzoend. De kalmte, de rust, die slechts door strijd kan verkregen worden, vervulde hem geheel. Luitenant La Roche, die belast was, de voltrekking van het vonnis te leiden, ging tegen den avond naar de cel van Dulex, om hem mede £e deelen, dat den volgenden morgen de terecht-
199
stelling zou plaats hebben. Toen vroeg hij den veroordeelde ook, of deze nog iets verlangde. Dulex gaf ten antwoord, dat hij zijnen medegevangene Lapellier nog eens verlangde te zien en te spreken. Dit verzoek werd toegestaan. Diep geroerd begaf zich Lapellier naar Dulex, die op zijn bed zat en er bleek uitzag.
»lk weet, wat gij gedaan hebt,quot; zeide Dulex zacht, toen hij de handen van Lapellier drukte, gt;gij meent het zoo goed.quot;
gt;Ik hoopte op genade.quot;
»Geef alle hoop op, mijn vriend, ik zal morgen sterven. Heb dank, hartelijken dank voor uwe bewijzen van deelneming en vriendschap,quot; ging Dulex voort, »gij zijt een vriend, die mij in moeilijke oogenblikken hebt gesteund : moge de Hemel er u voor loonen. Luister naar mijn laatsten wilquot;
Dulex wenkte nu den geestelijke, die aan de deur was blijven wachten.
»Ik verzoek u bij mij te komen, Eerwaarde Vader,quot; zeide Dulex, »gij kunt mijn laatste geheim hooren.quot;
De priester kwam naderbij. Eene indrukwekkende stilte heerschte in de cel van den veroordeelde. Het was intusschen donker geworden. De opzichter bracht twee brandende kaarsen en
200
plaatste die op de tafel, waarop een opengeslagen gebedenboek en een kruisbeeld lag.
gt; Morgen,quot; zeide Dulex, »morgen zal ik mijne oogen voor altijd sluiten ; met den dood voor oogen zal geen leugen over mijne lippen komen. Ik ben onschuldig tot de galeien veroordeeld. Ik ben graaf Lodewijk Montpellier; en mij heelt mijn oom tot zijn erfgenaam benoemd. De bedriegers hebben gezegevierd en zullen zich verheugen over mijnen dood. Er leeft echter een rechtvaardig God ! Hij zal straffen en wreken In Zijne handen geef ik mijn rechten mijn kind! Hij zal, ook zonder mij, de schuldigen treffen, als hun uur geslagen heeft. Dan zal mijne arme zwaar beproefde dochter Engeline, die nu het kind is van een galeislaaf, door den algoeden God beloond worden.quot;
»Ik geloof dit even vast als gij, graaf Montpellier,quot; zeide de geestelijke. »De Almachtige waakt over ons. In Zijne machtige hand kunt gij gerust uw goed recht nederleggen ; op aarde is voor u geen geluk geweest, maar vergeet niet, dat het beter en zaliger is, onrecht te lijden dan onrecht te doen; hebben de menschen uw recht met voeten getreden, Gods oog ziet alles-, Hij kent de waarheid. Hij zal beloonen en straffen! Kom, bidden wij een weinig.quot;
201
gt;lk wil aan uw verzoek voldoen, goede Vader, hernam Dulex, »veroorloof mij afscheid \an dezen man te nemen ; van hem, die mij immer zoo trouw ter zijde heeft gestaan.
Dan wendde hij zich tot Lapellier en sprak : gt;Ik zie u nooit weer, mijn vriend, morgenvroeg slaat mijn laatste uur ; daarom nu slechts een verzoek, voor wij afscheid nemen. Gij zult spoedig vrij zijn en dit vreeselijk verblijf verlaten. Breng mijn dochter, wier verblijl gij kent, mijn zegen en mijn groet : het is de laatste groet van een ter dood veroordeelde. Sta haar bij, mijn vriend; aan u vertrouw ik haar toe : gij zijt een man met een edel en trouw hart. Misschien zal het, mij ontroofde, testament gevonden en de bedriegers ontmaskerd worden : misschien gelukt het, door uwe hulp, mijne dochter in hare rechten te herstellen ! Vaarwel mijn vriend, vaarwel !quot;
De beide mannen omhelsden elkander ; het was treffend en roerend dit laatste vaarwel.
Lapellier weende: hij, anders zoo ernstig, kon nu zijn tranen niet weerhouden ; ook de priester was bewogen.
Een laatste handdruk en de vrienden scheidden.
Lapellier werd in zijne cel teruggebracht, terwijl twee gewapende opzichters de cel van
202
den veroordeelde binnentraden. Eén van hen was Mercurent; hij had zich vrijwillig aangeboden, om te kunnen voorkomen, dat er nocj eens iets met den gevangene zou gebeuren.
Dulex sloeg geen acht op den brutalen opzichter, die onbeschaamd aan de tafel plaats nam. De priester gaf zijn afkeuring over het gedrag van Mercurent te kennen, door hem te zeggen, dat zijn plaats niet bij de tafel, maar op de bank aan de zijde van den anderen opzichter was.
»Ik bliji hier zitten, om beter toezicht te kunnen houden,quot; antwoordde Mercurent op ruwen toon, »ik ken mijn plicht zeer wel!'1
»Gij hebt hier aan de tafel niets te doen, opzichter, ga naar uwe plaats,quot; beval de geestelijke
»Niemand heeft mij iets te bevelen, dan de heer Kommandant; doe, wat gij wilt, ik blijf hier zitten,quot; was het onbeschaamde antwoord van Mercurent.
De geestelijke was over de brutale handelwijze van den opzichter zóó verstoord, dat hij de cel verliet en zich naar den bevelvoerenden luitenant begaf, om daar zijn beklag in te dienen.
Een oogenblik later keerde de geestelijke, gevolgd door den luitenant, in de cel terug.
203
»Opzichter Mercurent,quot; zeide La Roche, want hij was het, die dien nacht de wacht had, »Mercurent, wat moet uwe ruwheid beteekenen ? Wilt gij weder onder de gevangenen teruggebracht worden, uit wier midden gij uit genade en om uw vroeger goed gedrag.....quot;
Mercurent beefde van gramschap bij deze bestraffende woorden.
gt;Ik doe mijn plicht,quot; antwoordde hij met bevende stem, »de geestelijke heeft mij niets te bevelen.quot;
gt;Sta recht, als gij tot mij spreekt,quot; riep La Roche, »en verlaat onmiddellijk de cel.quot;
Dat was voor Mercurent te veel. Hij wilde voor geen geld den gevangene verlaten. Hij stond op, maar om met trotsche schreden naar de bank te gaan, waarop de andere opzichter gezeten was.
.â De cel uit!quot; beval La Roche.
»Hier is mijn post; hier heeft de Kommandant mij geplaatst: hier zal ik blijven 1quot; antwoordde hij vol overmoed.
Nu echter was het geduld van den luitenant ten einde.
»Gij gaat wegens wederspannigheid naar de cel boven,quot; en de deur openende, riep hij :
204
gt; Wacht, breng den opzichter voor vier-en-twintig uur in arrestquot;
Mercurent werd doodsbleek ; woedend verliet hij de cel. Minder de vernedering, dan wel, dat hij den gevangene moest verlaten, vervulde hem met haat en toorn tegen den luitenant.
Gedurende den nacht wekte de priester den ter dood veroordeelde op tot moed en vertrouwen op den almachtigen God, den belooner van het goed en den straffer van het kwaad. Hij vond echter bij Dulex zóó veel geloof en vertrouwen in God, dat hij meermalen, door deelneming getroffen, met warmte de hand van den beproefde drukte. Hij verzocht Dulex eenige uren te gaan rusten ; deze voldeed aan het verlangen van zijn geestelijken vader.
Tegen zes uur in den morgen drong een dof trom-melgeroffel in de cel van den veroordeelde door.
Dulex ontwaakte en stond gesterkt op. H:j gevoelde, dat het beslissend oogenblik was aangebroken, hij liet echter geen angst of vrees blijken. Hij stond in fiere houding, toen de deur der cel geopend werd en de beul van het bagno binnentrad, om zijn slachtoffer te halen. De ruwe man, die alle gevoel miste en geen
205
onderscheid tusschen de gevangenen kende, droeg de scherpe bijl trotsch in de rechterhand. Achter hem in den gang stond het geleide.
Luitenant La Roche trad nu binnen en ging tot den veroordeelde.
»Begeef u naar de bagno plaats,quot; zeide de luitenant met bevende stem, »het uur is gekomen, het vonnis moet voltrokken worden.quot;
Zonder een woord te spreken, ernstig en waardin, voldeed Dulex aan het bevel. De
O '
beide opzichters, die gedurende den nacht bij hem gewaakt hadden, namen hem en den geestelijke, die niet van zijne zijde week, in hun midden.
Toen Dulex uit het ambtshuis in de vrije lucht kwam en den helder blauwen hemel boven zich zag; toen hij in de verte de wimpels én vlaggen én de masten der schepen en daarachter de blauwe zee aanschouwde ; toen de frissche verkwikkende morgenwind hem in t aangezicht woei en hem vrij deed ademen ; toen scheen, voor een oogenblik, de smart hem te overmeesteren en gevoelde hij zich droevig gestemd. Dulex bleef sprakeloos staan en onwillekeurig vouwde hij de handen tot bidden. In zijn geest nam hij afscheid van de wereld, van de natuur, van alles, wat hem dierbaar was op aarde.
20(3
Spoedig echter werd Dulex in zijn mijmering gestoord: het geluid van het arme-zondaars-klokje galmde door de lucht en verkondigde alom, dat de bloedige voltrekking van een vonnis zou plaats hebben. Ver over land en water drongen de dofte tonen, die ieder bekend waren. De schippers in de haven staakten voor een oogenblik hun arbeid, om de handen te vouwen en een kort gebed voor de ziel van den armen zondaar te storten ; de arbeiders op het veld vielen op de knieën en baden den barm-hartigen God om vergiffenis voor den ongeluk-kigen galeislaaf, die sterven ging.
Dieper indruk, dan op al deze lieden, scheen de klank van het klokje te maken op een ruiter, die juist op den grooten straatweg naar Toulon kwam aanrennen en nog slechts een kwartier van de stad verwijderd was. Hij verschrok op het hooren van deze tonen; dan drukte hij de sporen in de zijden van het met zweet en stof overdekt paard en vorderde tot de laatste kracht van het arme dier, om met nog grooter snelheid het doel van zijn afmattenden rit te bereiken.
Intusschen werden al de gevangenen naar de bagno-plaats gebracht, om daar getuigen te zijn
207
van de terechtstelling, die hun tevens tot eene waarschuwing moest dienen.
De wacht bezette in wijden kring de plek., waar de veroordeelde den dood zou ondergaan, luitenant La Roche alleen bleef in zijne nabijheid.
Dulex naderde met vasten tred de plaats der terechtstelling; de geestelijke en de beide opzichters gingen naast hem; de beul ging voorop, achter hem diens knecht. Het klokje luidde nog steeds, terwijl van tijd tot tijd het dof geroffel der trommen zich liet hooren.
De galeislaven bezagen met eene zekere belangstelling den veroordeelde, de opzichters echter met nieuwsgierigheid; de open blik van den gevangene verdroeg dit alles met waardigheid.
Onwillekeurig zag hij naar de ramen van het ambtshuis; noch den Kommandant, noch één der officieren bemerkte hij aan de vensters: boven aan, tegen het traliewerk van het venster eener cel, zag hij het hoofd van den opzichter Mercurent, die zóó getuige wilde zijn van de voltrekking van het vonnis.
De beul en zijn knecht bleven staan bij het getimmerte, dat was opgeslagen, de beide opzichters bleven achter den ongelukkige, die.
20 S
bij het zien van het schavot, eene lichte huivering niet kon onderdrukken.
De geestelijke bemerkte dit, spoorde hem aan tot onderwerping aan Gods H. Wil ; sprak hem van eene eeuwige belooning in den Hemel; bad met hem en gaf hem toen zijn priesterlijken zegen.
Nu naderde La Roche; deze drukte met warmte de hand van Dulex, sprak hem eenige welgemeende woorden toe en gaf toen een kort bevel aan den beul, terwijl hij op Dulex wees.
Op dit oogenblik hoorde men een verward geroep aan de groote poort; er werd door verschillenden luidop gesproken.
Intusschen vatten de beul en zijn gezel den veroordeelde aan, om hem te binden ; Dulex echter verweerde zich en verlangde zelf het hoofd op de plank te leggen.
Nu knarste de poort van het bagno op hare hengsels ; ze ging ratelend open en een man te paard rende in gestrekten draf het j^lein op en naar het ambtshuis. Hij hield met de rechterhand een brief omhoog en riep iets met luide stem : men verstond hem echter niet. Plotseling stortte het paard ter aarde en de ruiter geraakte er met de beenen onder ; hij wist zich echter in een oogwenk los te wrinoren.
Cgt; O
209
gt;Houdt op! houdt op! genade! genade!'' riep hij nu uit alle macht.
Juist legde Dulex het hoofd op de plank, terwijl de knecht van den beul naar de koorden greep om armen en hals van den veroordeelde te binden.
gt;Wat is dat?quot; vroeg luitenant La Roche, toen op eens een onbeschrijfelijk rumoer ontstond.
gt;Ik vernam duidelijk het woord, genade,quot; zei de geestelijke, »'t is zeker een koerier ; ziet, hij heeft een brief in de hand. O ! luitenant, wees gfoedertieren en laat den beul wachten.quot;
Reeds had deze, zonder op al het rumoer te letten of naar de woorden van den priester te luisteren, de bijl omhoog geheven en was hij gereed den ongelukkigen Dulex den genadeslag toe te brengen Op eens hief La Roche den arm gebiedend omhoog en riep met luider stemme: »Houd op ! een koerier! wij moeten hooren, wat zijn komst beteekent!quot;'
Dit onverwacht oponthoud had op allen een diepen indruk gemaakt; de geestelijke viel op de knieën: hij weende en bad; de beul liet zwijgend zijn bijl zinken ; La Roche snelde den koerier te gemoet.
gt;Houd op, houd op! genade! genade! in naam des Konings houd op !quot; riep deze den officier toe.
14
210
La Roche wees op den vastgebonden Dulex; de knecht, van den beul ontbond de koorden en deed hem opstaan. Dulex begreep niet, wat men met hem voorhad; hij had den koerier niet zien komen; had hem niet hooren roepen, ja zelis had hij van al het rumoer niet het minst vernomen.
gt;Sta op!quot; riep de geestelijke als in vervoering uit, gt;sta op; God komt u te hulp. Hij geeft u het leven en de vrijheid, gij zult niet sterven!quot;
Intusschen had de koerier de plaats der terechtstelling bereikt; het koninklijk schrijven in de hand houdende, riep hij nogmaals ; »Genade ! genade !quot;
gt;Betreft deze genade den veroordeelde hier?quot; vroeg La Roche, terwijl hij het geschrift aannam.
gt;Den hemel zij dank!quot; riep de koerier, toen zonk hij, op het zien van Dulex, onwillekeurig op de knieën en scheen te bidden.
Dulex meende te droomen; hij, hij alleen had Nepo Rensata herkend, niettegenstaande diens vreemdsoortige kleeding en Rensata bracht hem, als koerier des konings, zijne vrijstelling: het scheen hem ongelooflijk toe.
gt;Een bevel van begenadiging!quot; zeide luitenant La Roche, met een van vreugde bevende, trillende stem, »de terechtstelling vervalt. Ik
211
ga onmiddellijk het koninklijk bevel aan den Kommandant brengen.
gt;Een bevel tot begenadiging,-' herhaalde de geestelijke vol blijdschap.
Na eenige minuten kwam La Roche terug, vergezeld van den Kommandant.
Het vonnis wordt niet voltrokken,quot; zeide de laatste met luider stem, gt;zoo even heb ik een bevel tot vrijstelling ontvangen; Dulex keert in de zaal bij de overige gevangenen terug; hij is van alle straf ontheven.quot;
Dulex keek op naar het venster, waar hij Mer-curent gezien had ; deze bezag den koerier met een blik, waarin haat en wraakzucht te lezen stonden. Dulex begreep daaruit, dat de opzichter den ontvluchten galeislaaf herkend had; dit deed hem vreezen voor Rensata.
Toen de laatste tot rust was gekomen na een zoo zwaren en vermoeienden rit, begon hij al het hachelijke van zijn toestand te begrijpen.
Hij gevoelde nu, welk waagstuk hij had ondernomen : hoe gemakkelijk kon één zijner medegevangenen hem herkennen en als Mer-curent hem ontmoette, was hij zeker verloren: het scherpe oog van den opzichter zou hem ongetwijfeld herkennen. Bij deze gedachten voer hem een huivering door de leden.
212
Uit dankbaarheid en medelijden voor den zoo zwaar beproefden Dulex, had hij dit gevaar getrotseerd ⢠zijn doel was, den edelen man te redden en daarom juist was hij bevreesd voor de mogelijkheid van wederom in het bagno opgesloten te worden. Hij wilde een tweede waagstuk ondernemen: hij had het vaste besluit genomen, niet te rusten voor deze edelman zijn rechtmatig eigendom had terug bekomen.
Om dit te volvoeren, moest hij echter de vrijheid behouden â¢, dit deed hem omzichtig en wantrouwend zijn. Hij wilde Dulex spreken en dan vertrekken. Maar hoe dit te doen; hoe hem ongezien te naderen ?
Rensata kende het bagno tot in zijn geheimste schuilhoeken, daarom wist hij beter dan ieder ander, dat het zoo goed als onmogelijk was den gevangene in 't geheim te spreken. Maar Dulex had hem herkend, dit wist hij ; de beide mannen hadden een blik van verstandhouding gewisseld, nadat het bevel tot vrijstelling door den Kommandant was voorgelezen. Rensata besloot dus alles te beproeven, om Dulex te spreken.
De laatste werd nu voorloopig naar de gevangenis teruggebracht, terwijl aan den koerier, op bevel van den Kommandant, een flink
213
ontbijt en een groot glas geurigen wijn werd opgediend.
Al het gebeurde had zich snel, niet alleen in het bagno, maar ook door de geheele stad verspreid ; de koerier en zijn paard werden druk besproken. Er kwamen dan ook al spoedig in het bagno verscheidene personen, die paarden te koop aanboden. Zij hadden daarom een opzichter aangesproken, die zich dadelijk naar Rensata begaf om hem de komst van die kooplui te berichten.
»Wanneer denkt gij te vertrekken?quot; vroeg hem de opzichter.
gt;Morgen of overmorgen,quot; antwoordde Rensata, ser is echter zoo'n haast niet bij ; ik moet nog «dépêchesquot; medenemen.quot;
gt;Zoo, zoo!quot; zeide de opzichter, »hebtgijdan reeds een ander paard ?quot;
gt;Maar wacht! Wat zegde men mij daar even van een opzichter, Mercurent geheeten?quot; vroeg Rensata. gt;Zou die ook een paard te verkoopen hebben?quot;
»Dat weet ik niet maar naar ik gehoord heb heeft hij tot van avond arrest.quot;
gt;Zoo, zit hij achter slot?quot;
gt;Ja, boven in een cel van het ambtshuis,quot; hernam de opzichter; gt;maar ter zake, ik heb
214
een goed paard voor u, licht gebouwd en een goed looper.quot;
jZoO; en wat vraagt men er voor ?quot;
»De eigenaar wil het kwijt zijn, gij kunt het goedkoop krijgen ; ik geloof, als ge vijfhonderd franc biedt, dat hij den koop wel zal sluiten.quot;
»Koop het voor mij, goede vriend,quot; zeide Rensata, gt;gij zegt, dat het voor mij, als koerier, past.quot;
gt;Als koerierspaard is er geen beter,quot; verzekerde de opzichter.
gt;Welnu, breng mij dan bij den verkooper.quot;
Rensata was geheel en al gerust gesteld, nu hij wist, dat Mercurent tot 's avonds achter slot zat. Hij begreep, dat de opzichter hem zoolang ten minste, niet zou hinderen, terwijl hij nu begon te gelooven, dat deze hem niet herkend had.
De opzichter bracht den koerier bij den paardenkooper ; de koop werd gesloten en Rensata betaalde de gevorderde som ; den opzichter gaf hij een fooi voor zijne bemoeiingen.
Hij liet het paard buiten de bagno-muur, waar hij het, toen de opzichter en de koopman zich verwijderd hadden, op een afgelegene plaats vastbond. Dit deed hij, om het paard elk
215
oogenblik te zijner beschikking te hebben om zóó tegen mogelijke ontdekking voorbereid te zijn.
Terwijl Rensata over den koop van het paard onderhandelde, had Mercurent zijn verlangen te kennen gegeven, den dienstdoenden officier te spreken ; hij bevond zich in eene onbeschrijfelijke opgewondenheid.
Niet alleen het plotseling opheffen van de terechtstelling, maar meer nog de gedachte, dat hij in den koerier den ontsnapten galeislaaf No. 74 meende herkend te hebben, maakte hem woedend. Mercurent was buitengewoon haatdragend; hij vond geen rust voor zijn wraak voldaan was. Hij dacht aan verraad. Dulexniet terechtgesteld, de koerier gelijkend op den ontsnapten galeislaaf; dat moest eene samenzwering zijn. Hij wilde dadelijk zijne vermoedens openbaren, want het kon zijn, dat de koerier dien avond weder vertrok. Mercurent wilde zich op den koerier wreken, omdat deze redding gebracht had. Tot groot verdriet van Mercurent was de diensttijd van La Roche nog niet afge-loopen, zoodat hij lang moest wachten voor de
luitenant kwam.
Toen de laatste afgelost was, begaf hij zich naar de cel van Mercurent.
216
»Ik verlangde U te spreken, om U iets belangrijks mede te deelen,' zoo begon de opzichter, gt;gewichtig mag ik het noemen, ik meen in den koerier, die heden is aangekomen, den ontsnapten slaaf No. 74 herkend te hebben.quot;
«Den ontsnapten gevangene. Gij hebt wel zonderlinge vermoedens,-' riep La Roche met verachting uit, »wat is dat nu voor eene dwaze gedachte, 't is immers onmogelijk.quot;
gt;'t Is zoo dwaas niet, als de heer luitenant meent,quot; hernam de opzichter knorrig, »de ontsnapte gevangene en hij, wien heden genade verleend is, waren kettinggenooten; hier kan dus afspraak bestaan.
gt; Dwaasheid ! Hoe, zou die vluchteling zich in het bagno wagen ? en dan, voor alles, vergeet niet, dat het een koerier van Zijne Majesteit den Koning is.quot;
»ik verzoek u toch, een onderzoek in te stellen,quot; zeide Mercurent met verheffing van stem.
»Laat dat aan uw meerderen over! ik zeg u hier in vertrouwen, dat gij met uw koppigheid en ongehoorzaamheid van mij geen verhooging moet verwachten,quot; antwoordde de luitenant, gt;ik eisch onvoorwaardelijk meer volgzaamheid en een anderen toon van u, zoo niet, dan zal ik er u aan gewennen.quot;
217
gt;lk beweer, dat de zoogenaamde koerier verkleed is, dat hij de ontsnapte boef No. 74 is en daarom heb ik het recht een onderzoek te eischen. Krijg ik geen gehoor, dan zal ik bezwaren indienen, al moest ik mij tot den Minister wenden! Ik ben Mercurent, ik ben opzichter en ken mijn plicht, maar ook m;jn recht!quot; riep de in toorn ontstoken opzichter dreigend uit.
«Opdat gij over uw plicht, bijzonder over dien van gehoorzaamheid bedaard zoudt kunnen nadenken, verleng ik uw arrest met 24 uren,quot; antwoordde La Roche kalm, »misschien helpt dat wel. Zijt gij dan nog niet bescheiden, dan blijft gij hier nog 24 uren.quot;
Mercurent was buiten zichzelven van woede, toen hij deze woorden hoorde. Hij sloeg zich met de vuist in 't gelaat en verweet zich, dat hij zijn toorn niet beheerscht had.
De luitenant verliet de cel en gaf bevel, Mercurent nog 24 uren in arrest te houden.
De opzichter wilde roepen, ja, hij wilde zich voor den luitenant vernederen, om toch vrijgelaten te worden. La Roche echter verwijderde zich te vlug en er bleef Mercurent niets over dan geduldig te wachten. Hij kende nu echter geen geduld 5 juist nu meende hij den vreemden
218
koerier te ontmoeten, om hem eens goed op te nemen ; de luitenant ging waarschijnlijk niet naar den Kommandant en hij, Mercurent, kon niet van hier. Woedend liep hij de cel op en neer, huilde van spijt en balde de vuisten in onbeschrijfelijken toorn.
Wat zou er nu gebeuren ? De ter dood veroordeelde was gered en de koerier zou zonder twijfel dezen nacht nog vertrekken. Als Mercurent den volgenden avond eerst ontslagen werd, kon zijn aanklacht van geen nut meer zijn, omdat die te laat kwam.
Wellicht was luitenant La Roche in het kom-plot begrepen. De galeislaaf No. 73 was naar aller gedachten, een graaf; misschien had La Roche zich laten omkoopen en was de geheele geschiedenis met den koerier valsch spel. En als het koninklijk bevel nu niet echt was ?
Deze gedachten speelden hem door het hoofd; hij meende, dat het zeker was; de koerier geleek op den ontvluchten galeislaaf No. 74 en La Roche had bij de uitvoering van het vonnis het bevel gevoerd.
Den volgenden avond zou hij onmiddellijk den Kommandant zijne vermoedens mededeelen ; het was een leelijke streep door zijne rekening, dat hij niet dezen dag tot den Kommandant kon gaan.
219
Dien avond hoorde hij verzekeren, dat de koerier bij den Kommandant was toegelaten; dit vertelde de opzichter die hem water en brood bracht.
Dil: bericht gaf Mercurent hoop; misschien had La Roche het zich ten plicht gerekend, het vermoeden van den gevangen opzichter den Kommandant ter kennis te brengen; misschien was de koerier door anderen herkend en liet men hem niet zoo spoedig vertrekken.
En werkelijk werd Nepo Rensata bij den Kommandant geroepen ; deze wachtte hem in zijn kabinet.
gt;Uwe papieren zijn gereed gemaakt,quot; begon deze, »ik heb er in vermeld, met hoeveel zelfopoffering gij u beijverd hebt, om het bevel van Zijne Majesteit te rechter tijd te kunnen bezorgen.quot;
»Och, heer Kommandant, ik heb slechts mijn plicht gedaan.quot;
»Zulk een ijverige plichtsvervulling moet erkend worden,quot; ging de Kommandant voort, »het bevel van Zijne Majesteit dreet u tot spoed aan.'
Rensata bemerkte al spoedig, dat de Kommandant hem niet nauwkeurig genoeg kende, om in hem den ontsnapten galeislaaf te zien 5
220
nu, de Kommandant was niet gewoon, de vele galeislaven in persoon op te zoeken. Rensata werd nu een weinig vrijmoediger, hij antwoordde den Kommandant en vroeg daarna verlof, om den veroordeelde te spreken.
gt;Het is mogelijk,quot; zeide hij, »dat men mij te Parijs naar den gevangene vraagt; wellicht verlangt hij, die den ongelukkige genegen is, van mij iets omtrent hem te vernemen. Ik wilde u daarom verzoeken dezen ongelukkige te zien en te spreken.quot;
De Kommandant dacht een oogenblik na.
gt;Waarom niet?quot; zegde hij daarna, gt;ik vind geen reden om uw verzoek af te slaan ; gij moogt den gevangene spreken, morgen vroeg hier in het ambtshuis. Ik zal bevel geven, dat de gevangene hier wordt gebracht.quot;
»Ik verzoek er slechts om, opdat ik in geen geval met een antwoord verlegen sta.
«Zeer juist, men kon u naar zijn toestand vragen; wanneer denkt gij te vertrekken.'1
»Morgen, dadelijk na het onderhoud en nadat ik van den heer Kommandant gt; dépêchesquot; voor Parijs heb ontvangen.quot;
gt; Dépêches heb ik niet, maar wel een brief, dien gij wel zult willen bezorgen.quot;
gt;Ik zal dien even nauwgezet als de Staats-
221
dépêches bezorgen â¢, het is mij een eer door den heer Kommandant met zulk een order te
worden belast.quot;
gt; Opdat gij morgen zoudt kunnen vertrekken, zoo spoedig, gij dat goedvindt, zal ik u bedoelden
brief nu reeds geven.quot;
De Kommandant stond op en naar de tafel gaande, nam hij een grooten brief, dien hij den koerier overhandigde met de woorden ; gt;Zie
hier den brief.quot;
Nepc Rensata, zeer tevreden over den gun-stigen afloop, bedankte den Kommandant, nam den brief in ontvangst en na afscheid genomen te hebben, begaf hij zich naar de hem aangewezen slaapkamer, om er den nacht door te brengen.
Aan eene geheime samenkomst met Dulex dacht Rensata minder, daar hij meende, dat Mercurent dezen avond reeds ontslagen was en de wacht voor dien nacht al betrokken had. Rensata wilde elke aanleiding tot verdenking voorkomen en hij kon dat, omdat hij Dulex den volgenden morgen toch te spreken kreeg.
Het eenige, wat hem voor deze samenkomst deed vreezen, was de omstandtgheid, dat het Mercurent kon zijn, die hem bij Dulex zou brengen en dat de opzichter hem dan zou herkennen.
222
Maar de onverschrokken, ja vermetele koerier rekende op zijn goed geluk; hij wierp zich, vermoeid als hij was, op een bed en viel spoedig in diepen slaap.
Den volgenden morgen bracht men hem een ontbijt; daarna verliet hij het bagno, om zijn paard te voederen en keerde dan naar het ambtshuis terug.
Nauwelijks was hij in zijn kamer, toen hij voetstappen hoorde; er werd aan de deur geklopt en ... Dulex trad binnen, gevolgd door een opzichter. Deze ging terug, deed de deur achter zich dicht en bleef daarbuiten wachten.
Een snelle blik van Rensata waarschuwde Dulex voor een onbedacht woord, zelfs voor een te levendig gebaar; de opzichter stond buiten aan de deur, hij hoorde elk woord, zag de minste beweging ; de grootste voorzichtigheid moest men dus in acht nemen.
Dulex en zijn redder stonden één oogenblik sprakeloos tegenover elkander; geen woord, geen handdruk wisselden zij; hunne blikken echter spraken een taal, die beiden begrepen.
gt;Gij zijt het, mijn vriend Nepo, ik herkende u dadelijk 5 maar wat waagt gij ? ik vrees voor uw vrijheid en uw leven,quot; dus onderbrak Dulex
223
de stilte, gt;Mercurent herkende u ook, een stem daarbinnen zegt het mij, en de van haat gloeiende oogslagen, die hij u toewierp, doen mij geen oogenblik twijfelen, ot hij ziet in u den galeislaaf No. 74.quot;
»Waar is hij ?quot; vroeg Rensata, die een weinig ongerust werd.
'Zijn arrest is tot dezen avond verlengd,quot; zeide Dulex.
»Goed, van avond ben ik reeds ver van hier: binnen een uur vertrek ik naar Parijs. Vrees niet voor mij, graaf Montpellier. Ik dank God, dat hij mijn pogingen zegende ; Zijne machtige Hand heeft u beschermd.quot;
gt;Hoe is u dat alles mogelijk geweest ?quot;' vroeg Dulex.
gt;Vraag mij niets, het is nu de tijd niet, dat alles te verhalen. Slechts dit zeg ik u ; ik was u dank schuldig, graaf Dulex; het was dus dankbaarheid, die mij aldus deed handelen. Maar ter zake ; ik wilde u spreken. Uwe dochter Engeline leeft; ik zeg het u, dit zij u genoeg. Het testament is nog niet gevonden, niettegenstaande alle moeiten en opofferingen, die zij zich getroost heeft. De landbouwer Louis staat uwe dochter trouw ter zijde ; hij is een ijverig man. Van heden af heb ik tijd en gelegenheid
224
om mede te werken; ik zal niet rusten, voor het testament terug gevonden is, ten slotte, geef ik u de verzekering, dat ik uwe dochter in alles de behulpzame hand zal bieden.
gt;Heb dank voor uwe toewijding, mijn vriend,quot; zeide Dulex.
Op dit oogenblik veranderde Rensata's stem en houding; hij had bemerkt, dat de opzichter luisterend de deur een weinig opende.
gt;Ik wilde u zien en spreken, gevangene,quot; zeide hij luid, »om te kunnen antwoorden op de vragen, die men mij mogelijk zal stellen quot;
Het hoofd van den opzichter verdween weder.
gt;Uwe dochter Engeline,quot; fluisterde Rensata nu, »is door gevaren omgeven, maar zij heeft buiten ons nog vrienden, die in uw ongelukkig kind belang stellen.quot;
Plotselijk werd nu het zachte en geheime gesprek onderbroken. Rensata verschrok en luisterde, terwijl Dulex hevig ontstelde; beiden hoorden woorden en bevelen, die hen beangstigden. Dulex begreep in een oogenblik, wat er in het ambtshuis omging: Nepo Rensata scheen verloren.
Toen Dulex door den opzichter in de kamer van Rensata werd geleid, bracht de post een
225
brief aan den Kommandant, die hem onmiddellijk opende en las.
De Kommandant verschrok hevig. Een onbekende berichtte hem, dat de koerier niemand anders was, dan de ontvluchtte galeislaaf Nepo Rensata. De laatste was te Parijs herkend en hij had zich daarom, als koerier verkleed, uit de voeten gemaakt.
Dit bericht trof den Kommandant buitengewoon ; dien zelfden morgen toch had luitenant La Roche hem het vermoeden van Mercurent medegedeeld. Onmiddellijk stond hij op en liep naar een nabijzijnde kamer, waarin zich verscheidene officieren en beambten bevonden.
«Heeft de koerier het bagno reeds verlaten?quot; riep hij hun toe.
gt;De koerier? Neen, nog niet, Kommandant; hij bevindt zich bepaald nog in de koerierskamer.
jDat is gelukkig, dat treft! laat dadelijk de poort van het bagno sluiten. De koerier mag niet weor Ook de deuren van het^ambthuis
o
moeten gesloten worden. Luitenant La Roche neem een wacht van vier man, bezet de kamer van den koerier en neem deze in hechtenis. Verzet hij zich, laat hem dan binden of neerschieten. Deze1 koerier is de ontsnapte galeislaaf No. 74.
15
226
De woorden van den Kommandant veroorzaakten een buitengewone opgewondenheid ; de officieren snelden heen â bevelen werden gegeven â wachten marcheerden op; de groote poort werd in haast gesloten terwijl de ophaal-brng ratelend omhoog ging.
Nepo Rensata hoorde dat alles: hij dacht, dat men hem verraden had en bekende zich zeiven, dat hij te veel op goed geluk gerekend had. Dulex verliet de kamer, sloot de deur en vervoegde zich bij den opzichter. Dulex had onmiddellijk de beteekenis van al dat rumoer begrepen ; hij liet echter den opzichter niets daarvan merken. Ernstig en bedaard ging hij naar den opzichter toe en verwijderde zich met hem.
Op de trap kwam hem de luitenant met vier soldaten te gemoet; La Roche ging met de wacht de trap op, terwijl Dulex en de opzichter het ambtshuis verlieten.
De luitenant liep naar de koerierskamer en opende de deur ; de soldaten hielden hunne geladen geweren gereed.
La Roche verschrok, toen hij over den drempel trad â de kamer was ledig: de koerier was verdwenen. Waar was hij ? Weg kon hij niet, alles was gesloten.
227
gt;Koerier ?quot; riep de luitenant. Hij meende iets gezien te hebben en dacht, dat de koerier zich onder het bed verscholen had.
Geen antwoord.
Nu trok La Roche zijn degen, stiet er mede onder het bed, en liet dekens, kussens en matras er uit halen : de koerier was daar echter niet te vinden.
»Hij heeft zich verscholen, dat lijdt geen twijfel, want hij kan niet weg zijn.
Luitenant La Roche keerde naar de wacht terug, die de buitendeur bezet hadden. Behalve Dulex en de opzichter had niemand het huis verlaten.
Dadelijk gaf de luitenant bevel om de waakzaamheid te verdubbelen en daarop snelde hij naar den Kommandant om rapport uit te brengen.
gt;Laat dadelijk het ambtshuis doorzoeken,quot; beval de Kommandant, »de koerier moet er nog zijn; hij mag niet weg., 't Is mij onbegrijpelijk, dat hij met eene koninklijke dépêche afgezonden is; het lijkt wel eene bespotting.quot;
La Roche verliet het bureau en begon alles nauwkeurig te doorzoeken. Spoedig namen nog eenige officieren en opzichters aan dit onderzoek deel; dit werd noodig geoordeeld om met vrucht de talrijke gangen, plaatsen, kamers en trappen
258
in het uitgestrekte gebouw te kunnen doorloopen. Beneden was alles afgezocht en met wachten bezet Nu de groote trap op. Hier waren bijna evenveel vertrekken te doorzoeken ; de woning van den Kommandant bleet uitgezonderd.
Het had reeds twaalf uur geslagen, toen men hiermede gereed was. Niet was gevonden.
Nu moesten de cellen en de woningen van eenige beambten nog onderzocht worden. Hier werd evenmin iets gezien. Daarna ging men het dak op, maar ook hier was geen spoor van den vluchteling te vinden en men keerde naar den Kommandant terug met het bericht, dat men niets gevonden had.
De Kommandant scheen hevig ontsteld; hij verklaarde echter zelf den koerier te gaan zoeken. Hij verdubbelde overal de manschappen der wacht, nadat het gebleken was, dat de koerier het gebouw niet verlaten had. Na deze voorzorg begon de Kommandant het ambtshuis te onderzoeken.
Evenals Dulex scheen Rensata ook begrepen te hebben, wat de bevelen en de woorden, die zij vernomen hadden, beteekenden. Hij had het dreigende gevaar gevoeld en was op ontsnappen bedacht. Nauwelijks was Dulex in de
229
slecht verlichte gang verdwenen, toen hij stil, gebukt en vlug als een zwaluw uit de kamer sloop en loerend door de gang liep om een geschikten uitweg te vinden.
Dan, het was te laat: deuren en uitgangen waren bezet door de wacht; hij scheen verloren. Hij behield echter zijn tegenwoordigheid van geest. Met vasten tred ging hij een zijgang in en opende, op goed geluk, de eerste de beste deur.
Rensata bevond zich in het niet groote, maar smaakvol gemeubileerde kabinet van den Kom-mandant; er was niemand in. Hij trad binnen en deed de deur zacht achter zich dicht. Hier was hij het veiligste: in de woning van den Kommandant zou men hem niet zoeken. Hij kon hier min of meer rustig de zaken afwachten en mocht het hem gelukken des avonds van hier te ontsnappen, dan stond zijn paard buiten bij den muur gereed, om hem verder te brengen.
Hij hoorde, dat de wacht het onderzoek begon, nadat men in de kamer der koeriers niets gevonden had. Het scheen hem toe, dat alles doorzocht werd; aan de kamers van den Kommandant dacht men niet; hij meende, hier veilig te zijn.
Op eens hoorde Rensata voetstappen in de
230
aangrenzende kamer; hij loerde even door de deur en zag een bediende, die de kamers van den Kommandant moest schoonhouden. Het was zeker, dat deze ook in de kamer zou komen, waarin Rensata zich bevond.
De bediende floot een deuntje en scheen zich volstrekt niet te bekommeren over de drukte, die in geheel het bagno heerschte.
O O
De koerier gevoelde zich ook hier niet veilig, want elk oogenblik kon de bediende binnen komen.
Naast de kamer, waarin Rensata zich verscholen had, scheen nog een vertrek te zijn; het was er doodstil en Rensata, die alles wagen moest, sloop er in. Het was de bibliotheek; en niemand was er in De koerier hoorde in het daaraan grenzende vertrek stemmen: daar bevonden zich beambten of officieren.
Niet alleen de wanden der bibliotheek waren met planken bezet, alle vol boeken en akten, ook middenin stond een lange, smalle boekenkast. Rensata verborg zich hier zoo goed hij kon en hoorde na eenige minuten, dat de bediende in het kabinet was.
Zijn schuilhoek was echter gevaarlijk, dit gevoelde hij maar al te zeer. Elk oogenblik kon er iemand binnenkomen en dan was hij verloren.
231
Rensata besloot daarom dadelijk naar het kabinet terug te keeren, als de bediende die verlaten had. Intusschen luisterde hij met spanning naar het gesprek, dat in de kamer naast hem gevoerd werd; hij kon duidelijk hooren, dat het over hem ging. De minuten schenen hem uren toe: als een vervolgde, die zich nergens veilig voelt, stond hij in een hoek gedrukt. Met koele beradenheid echter zag hij elke volgende minuut tegemoet; zijn oogen tonkelden. Daar herkende hij duidelijk de stem van den Kommandant; deze ging zelf zoeken, waarschijnlijk om zich te overtuigen, dat geen plaatsje in het bagno overgeslagen zou worden.
Rensata meende nu, dat alle hoop vervlogen was. Een volgend oogenblik kon de Kommandant in de bibliotheek komen; wel was het reeds overliet middaguur, maar de Kommandant vergat in zijne opgewondenheid het middagmaal.
Rensata begreep, dat hij niets onbeproefd mocht laten om te ontsnappen ; daarom verliet hij stil de bibliotheek en keerde in het kabinet terue. De bediende was er niet meer en Rensata verborg zich achter de dikke gordijnen van het raam. Van buiten kon men hem niet zien, omdat de luiken gesloten waren.
232
Een oogenblik later hoorde hij stemmen en voetstappen in de bibliotheek, hij had dus geen minuut langer daar kunnen blijven. Hier, achter de gordijnen, hoopte hij aan de scherpe oogen van den Kommandant te ontkomen; deze, zoo dacht hij, zou zijn eigen woonvertrekken niet doorzoeken. Hij had zich misrekend. De Kommandant onderzocht alles. De officieren wilden den Kommandant van het doorzoeken zijner woning terughouden; de bediende verklaarde, dat niemand in de kamer kon verborgen zijn: de Kommandant liet zich niet weerhouden en ging het kabinet binnen. Hij vond den koerier echter niet; aan het gordijn dacht men niet en Rensata ademde vrijer, toen hij hoorde, hoe allen de kamer weder verlieten.
Het werd avond en de koerier was noar niet gevonden. De Kommandant begreep er niets van en nog eens werd de wacht aan de groote poort ondervraagd.
De meest omvattende maatregelen werden genomen; de posten overal verdubbeld, patrouilles werden rondgezonden en de deuren van het huis gesloten gehouden, hoewel men algemeen meende, dat de gezochte niet meer in het ambtshuis was.
Hij hield zich, zoo dacht men, ergens in het
233
bagno verscholen, om dan langs denzelfden gevaarlijken weg van vroeger te ontkomen.
De dienstdoende officieren zorgden er voor, dat de bassins bezet werden en nu, meende men, was ontsnappen onmogelijk.
's Avonds werd Mercurent ontslagen en op zijn verzoek kreeg hij verlof, om zich op den loer te leggen en het bagno te doorzoeken.
Een betere speurhond was er niet, dat wist de Kommandant; hij was overtuigd, dat, als Mercurent den koerier niet kon vinden, alle pogingen te vergeefs zouden zijn.
Rensata wachtte intusschen met ongeduld op de invallende duisternis. Niemand kwam meer in het kabinet; de koerier had dus tijd en gelegenheid, om plannen voor zijn vlucht te beramen.
Het kwam hem wel te stade, dat hij ieder plekje in het bagno goed kende. Bovendien had hij een geoefend oog, zoodat hij veel zag, waar een ander geen gedachte op had. Den vorigen dag had hij een ladder bij de smederij zien staan ; kon hij die in handen krijgen, dan kon hij hopen, over den muur te kunnen klimmen. Daar buiten stond zijn paard, als het ten minste door anderen niet was weggehaald Rensata verkeerde in eene hevige spanning
234
met groot ongeduld wachtte hij den nacht af. Eindelijk werd alles rustig en stil. Door het venster bespiedde hij alles, wat buiten omging. Hij had reeds gezien, dat eene patrouille het ambtshuis bewaakte. Bovendien stonden op andere plaatsen wachten, waar hij die vroeger nooit gezien had. Onder zijn raam, dat niet op de bagnoplaats uitkwam, waren geene deuren en dus ook geen wachten.
Dit raam wilde Rensata voor zijn vlucht gebruiken. Het was wel hoosf boven den erond,
O O '
maar een flinke sprong kon hem redden. Gevaar was er eerst dan, als hij de plaats niet kon bereiken, waar de ladder stond.
Ook in huis werd het langzamerhand stil. Nog zeer laat deed de Kommandant een ronde, maar overal hoorde hij, dat niets verdachts was gezien.
Na middernacht achtte Nepo Rensata het oogenblik om te handelen gekomen.
Hij opende het raam van de kamer en luisterde ; het was buiten even stil als binnen, hij kon den stap der wachten hooren.
Hij wachtte eenige minuten: een patrouille ging voorbij, nu had hij eenige minuten vrij om den sprong te wagen.
Hij ging in het kozijn zitten, met de voeten naar buiten en hield zich met de handen vast.
235
Nu waagde hij den sprong en kwam gelukkig omlaag. Hij had zich niet bezeerd.
Daarna, verwijderde hij zich voorzichtig van het huis en kroop tusschen de struiken en gewassen, die hier groeiden. Hier voorbij liep een breede weg; deze maakte de scheiding uit tusschen genoemd struikgewas en dat, hetwelk naar den ringmuur om het bagno voerde.
Twintig voet waren deze struiken van dien muur verwijderd.
Nadat Rensata die berequot;:t had, luisterde hij, maar hoorde niets. Nu vooral diende hij uiterst voorzichtig te zijn. De smederij bevond zich zijwaarts van de bagnoplaats en deze was van afstand tot afstand met wachten bezet; hij durfde dus niet over de plaats gaan.
Rensata oordeelde het raadzamer een omweg te maken om zoo, langs den grond kruipende, de smederij te bereiken.
De patrouille kwam langs hem heen : Rensata wierp zich plat op den grond en verroerde zich niet. Toen de wacht voorbij was, kroop hij verder en bereikte gelukkig de smederij, die nu gesloten was.
Wederom wachtte hij eenige minuten, zonder zich te verroeren. Hij bemerkte echter niets en pakte vlug de ladder. Nu moest hij met de
23G
ladder denzelfden gevaarlijken weg terug. AI kruipende duwde hij de ladder langs den grond voor zich uit: op die wijze gelukte het hem werkelijk de struiken te bereiken. In een oogwenk was hij er tusschen verdwenen en trok nu de ladder naar zich toe.
Daar sloeg de klok van het bagno reeds één uur: die slag deed hem huiveren.
Rensata liep echter vlug maar voorzichtig naar den breeden weg. Hier stond hij stil en luisterde. Hij hoorde niets ; in een wip was hij den weg over en naar den muur geloopen. Hij zette de ladder neer; die was te klein, maar de vluchteling verliet zich op zijn spierkracht en behendigheid. Nu hij zoover was, zou hij wel verder komen : zijn vlucht mocht nu niet meer mislukken.
Vlug besteeg hij de ladder. Toen hij op de bovenste sport stond, kon hij den bovenkant van den muur met de handen bereiken : dat was hem genoeg. Vlug wipte hij zich van de ladder op den muur.
De ladder kon hij nu niet bereiken, hij moest die dus laten staan. Nu moest hij haast maken, want bij de eerstvolgende ronde van de patrouille zou men de ladder vinden staan.
In een oogwenk stond de koerier aan de
237
andere zijde der muur. Nu was hij vrij ! Met een lichten spotlach liep hij van daar, om zijn paard te zoeken. Zonder vrees voor ontdekking ging hij langs den muur en had zijn paard al spoedig gevonden. Het trappelde van ongeduld.
gt;Nu wordt ge verlost!quot; zeide Rensata »nu gaat het er op los !quot;
Daar knapte de haan van een geweer. Een
schot viel____en de kogel ging hem rakelings
langs het hoofd.
Van waar en van wien kwam die?
Dit schot maakte de wacht in het bagno opmerkzaam.
Rensata, die de kleine wonde niet voelde, wilde op zijn paard springen, toen plotseling een man verscheen, die hem dit belette.
gt;Halt!quot; riep de onbekende, gt;gij zijt de veroordeelde No. 74; ik neem u in hechtenis!quot;
Rensata herkende Mercurent De opzichter, die het paard buiten had zien staan, vermoedde dadelijk, waartoe het dienen moest Hij had zich hier verscholen, om te zien, of zijn vermoeden juist was : hij had zich niet bedrogen.
Zonder een woord te zeggen, wierp Rensata zich zóó snel en met zóóveel kracht op den opzichter, dat deze van schrik' den dolk liet vallen, dien hij in de hand hield.
238
gt;Hierheen ! hierheen! hier is de vluchteling!quot;' riep Mercurent den soldaten toe.
Rensata vatte nu den opzichter met beide handen bij de schouders aan en slingerde hem met alle kracht zoovér mogelijk van zich af. Mercurent tuimelde op den grond en steunde geweldig. De koerier sprong nu snel te paard, want reeds hoorde hij de wacht aansnellen.
Mercurent was woedend; hij richtte zich op en trachtte het paard bij den teugel te grijpen.
Twee schoten knalden â de soldaten vuurden op den vluchteling â De bagnopoort werd reeds geopend en de brug neergelaten.
Rensata reed spoedig van daar ; de kogels hadden hem niet getroffen en Mercurent kwam te laat.
Bij de bagnoplaats werd er druk op hem geschoten; het was echter te duister om met zekerheid te kunnen vuren. Als door een wonder ontsnapte Rensata gelukkig en kwam hij ongedeerd in 't vrije veld. Nu sloeg hij een zijweg in, om de stad Toulon te vermijden.
De woede van Mercurent kende geen grenzen. Hij tierde en raasde, maakte allen wachten en patrouilles aanmerkingen en wierp hun allerlei verwijtingen naar het hoofd.
Men sloeg echter weinig of geen acht op
239
hem. De Kommandant was ook aanwezig; hij scheen zeer slecht geluimd te zijn, omdat men den koerier had laten ontsnappen. De vluchteling was hem te vlug geweest; al zijn maatregelen hadden niet gebaat; niets had geholpen.
De geheele zaak zou bewijzen, dat hij niet genoeg voor zijn taak berekend was. Wel gaf hij de hoop niet op, dat men den vluchteling nog zou vangen, omdat hij onmiddellijk twaalf karabiniers te paard had uitgezonden, om den koerier te achtervolgen. Het bleef hem echter onbegrijpelijk, dat niet één der kogels den ontsnapte getroffen had.
Voordat de soldaten de paarden gezadeld en zich gereed gemaakt hadden voor de vervolging, was het Rensata gelukt een afstand van een kwartier op hen te winnen.
Eindelijk braken zij op en verdeelden zich in twee benden, om zoo den vluchteling den pas at te snijden.
In het bagno werd, bij het aanbreken van den dag, door den Kommandant een onderzoek ingesteld, waaruit bleek, dat de vluchteling zich in diens eigen woning had schuil gehouden,
Het verwijt van schuld trof daarom allen, die naar Rensata hadden gezocht. De wacht, die den vluchteling niet had gezien, werd dadelijk
240
in arrest genomen Niet minder slecht verging het den luitenant La Roche, op wien Mercurent zich wreekte; Hij gaf den Kommandant er kennis van, hoe hij reeds den vorigen dag aan La Roche had gezegd, den koerier herkend te hebben; dat La Roche dit echter met eene verlenging van zijn arrest had beantwoord. De luitenant kreeg daarom eenige dagen kamerarrest ; en onderging bovendien de vernedering dat Mercurent met onverholen leedvermaak
zijne straf aanzag. ⢠⢠⢠⢠**â¢â¢â¢â¢â¢â¢â¢â¢â â¢â¢â¢Â«
De vluchteling waagde zich intusschen niet op den straatweg naar Parijs; hij had, zooals gezegd is, een zijweg ingeslagen, zonder echter te weten, waarheen die hem voeren zou.
Deze weg was tamelijk breed en met olijf-boomen beplant.
Het was nog donker, toen Rensata hem bereikte Het ging er lustig over. Zijn paard was frisch en sterk; hij zelf echter had, sedert den vorigen morgen spijs noch drank genuttigd. Hij had honger en dorst, hij bezat echter eene sterke natuur, die veel kon verdragen. Daarbij werkte het verlangen naar het behoud zijner vrijheid zóó sterk op hem, dat hij ongevoelig bleef voor de noodwendigheden der natuur.
241
Het sloeg zes uur, toen hij een hoek van den weg omsloeg. De weg liep hier omhoog; Rensata had dit niet bemerkt Bij dien hoek had hij het hoogste punt van den weg bereikt en plotseling zag hij, ter rechterzijde en op korten afstand, de, in lichte ochtendschemering, glinsterende zee.
Onwillekeurig hield hij bij dit gezicht, zijn
paard in. Zijn blik ging over het water.....
daar ginds lag zijn Corsica, door de golven omspoeld; daar stond het huis, waarin hij met zijn broeder geleefd had; daar was de plek, waar hij zijne jeugd had doorgebracht; daar stond nog altijd de hut, waarin zijne beminde moeder hem zoo teeder verzorgd had; daar stonden nog altijd de boomen, in wier lommer hij zoo menig gelukkig uur had doorgebracht en thans.....
»Alles is voorbij, alles,quot; zuchte hij en drukte zijn paard de sporen in de zijden.
Rensata gevoelde weer op eens al het gevaarlijke van zijnen toestand. Hij had er op gerekend, dat men hem niet zou herkennen; hierin werd zijn hoop echter bedrogen : men wist, wie hij was en daarom vervolgde men hem.
Maar in quot;t gevaar scheen hij eerst recht te
16
242
leven; zijn oogen schitterden weer en met geestdrift riep hij uit ; gt; Vooruit, ik wil vrij zijn en vrij blijven; voor geen prijs laat ik mij vangen
Deze gedachte deed zijn moed herleven ; hij gevoelde nieuwe kracht en nieuw leven; de herinnering aan het bagno deed hem besluiten, niets onbeproefd te laten, om zijnen vervolgers te ontkomen.
Toen Rensata een hooge, breede, gemetselde brug bereikt had, zag hij vér achter zich de karabiniers, die hem vervolgden.
Het scheen onmogelijk hun te ontkomen, want het begon dag te worden; zij zouden hem spoedig bemerken en dan was hij verloren, want ongetwijfeld zouden ze op hem schieten.
Rensata hield zijn paard in; de soldaten hadden hem nog niet bemerkt. Snel week hij nu van den weg af. Op de helling van den weg stonden boomen ; hij week hier achter. Toen viel het oog van den koerier op de brug, waarover hij gereden was en al spoedig had hij bemerkt, dat hij zich daar onder verbergen kon.
Snel besloten, was hij in een oogwenk te water en onder de brug. Nauwelijks had hij de schuilplaatsbereikt, of reeds hoorde hij het
243
getrappel der paarden. Een oogenbük later was de troep op de brug.
gt; Ik zag toch iets tusschen de boomen !quot; riep één der vervolgers.
«Ik heb niets gezien,quot; zeide een ander, gt;maar ik bemerk hier de indrukken der hoeven van een paard in het zand.quot;
Rensata hoorde dit: hij verschrok. Als zij dat spoor volgden, moesten zij hem vinden.
gt;]k geloof niet, dat hij hierheen gereden is,quot; zeide een ander.
gt; Ach, praat er niet van,quot; zegde de eerste weder, »ik heb hier iets tusschen de boomen gezien.quot;
gt;Dan is hij ons vér vooruit,quot; riep weer een ander.
gt;Dan vooruit en hem achterna,quot; riep de Commandant van den troep.
In woesten galop ging het nu vooruit en spoedig waren zij uit het gezicht verdwenen.
Rensata ademde weer vrijer; hij glimlachte droevig; ze hadden hem nu niet gevonden, ze kónden hem echter nog vinden en hij besloot onmiddellijk zijn schuilplaats te verlaten.
Nauwelijks was hij onder de brug uit of hij hoorde weder het getrappel van paarden, die snel naderden.
244
Zoo haastig mogelijk reed hij terug, om zich aan de blikken zijner vervolgers te onttrekken.
Hij bleef nu niet onder de brug. maar waadde met zijn paard door het water, dat hier met vele kronkelingen door het bosch liep. â Waar hij zou uitkomen, wist hij niet; wel wist hij, dat hij eindelijk het strand moest bereiken. â Hij kon een honderd schreden gevorderd zijn, toen hij reeds duidelijk stemmen achter zich hoorde. Hij kon wel niet verstaan, wat er gesproken werd, maar hij begreep zeer goed, dat er bij de brug naar hem gezocht werd.
Hij reed zoo snel mogelijk en bereikte nu spoedig een weg, die naar eene landhoeve voerde. Daar wilde hij heen, de weg was hier echter open ; geen boomen of struiken onttrokken hem aan 't oog der vervolgers.
De karabiniers hadden hem aanstonds gezien en schoten op hem. Ken oogenblik later renden zij hem in vliegenden vaart achterna.
Rensata wendde den teugel en in een wip waren paard en ruiter tusschen de boomen verdwenen. Hij reed midden door het bosch, om zóó zijne vervolgers op een dwaalspoor te brengen. Dit gelukte hem.
De karabiniers hadden hem, in hun blinde vaart, niet zien wenden en reden recht op de
245
landhoeve aan. Hier doorzochten zij den omtrek, maar vonden niets Nu riepen zij de bewoners buiten en vroegen of zij niet een ruiter gezien hadden. Zij ontvingen een ontkennend antwoord en daar zij, na zorgvuldig onderzoek, nergens iets van den vluchteling konden vinden, besloten zij zoo spoedig mogelijk verder te rijden. Zij meenden, dat Rensata hun een goed eind vooruit was en dachten er niet aan, dat hij zich in her bosch kon verborgen hebben
Na een langen, zeer vermoeienden rit bereikte Rensata eindelijk den anderen zoom van het woud Hij waagde het niet dit te verlaten, maar hield zich voorloopig schuil om den omtrek met zijn blikken te onderzoeken Het was intusschen laat geworden ; de zon stond reeds laag aan den hemel en haar licht begon te verminderen.
Rensata besloot hier den avond af te wachten en dan, bij maneschijn, zijn tocht te vervolgen. Hij steeg af, bond zijn paard aan een boom en legde zich neer in het zachte mos, dat hier in overvloed groeide.
Schier uitgeput van honger en dorst en door vermoeidheid overmand, viel hij al spoedig in eene diepen slaap.
Zijne vervolgers hadden intusschen niet stil
246
gezeten. Bij het verlaten van de landhoeve, waren zij in vliegende vaart verder op gereden. Na een langen, vergeefschen tocht werd er halt gehouden om te beraadslagen, wat er te doen viel. Niet één hunner kon zich verklaren, waar de koerier kon gebleven zijn. De een stelde voor om onmiddellijk terug te keeren; een ander wilde zoo spoedig mogelijk den tocht vervolgen; een derde gaf als zijn vermoeden te kennen, dat Rensata zich wellicht, bij de boerenwoning, in het bosch verborgen had Dit laatste kwam den Commandant der ruiterbende het meest waarschijnlijk voor. Na een oogenblik peinzens sprak hij : gt;Wij zullen het bosch om rijden ; hier is hij niet geweest; misschien heeft hij een weg door het bosch gevonden en is aan den anderen kant van het woud uitgekomen.quot; Dit vond algemeenen bijval. Zij begaven zich op weg en eenige minuten later waren zij reeds verre van daar.
Rensata sliep nog; zijn paard stond rustig in zijne nabijheid. Op eens hief het den kop omhoog en hinnikte luid. Rensata ontwaakte vol schrik en bemerkte, tot zijne groote ontsteltenis, een troep ruiters, die langs het bosch kwamen aangereden
247
Daar het intusschen avond was geworden, kon hij niet onderscheiden, wie het waren. Hij wachtte nu ongeduldig, tot zij naderbij waren gekomen en trachtte, in dien tijd, zijn paard tot rust en kalmte te brengen. Het dier was echter niet gemakkelijk te bedaren : het trapte ongeduldig op den grond, wierp den kop wild omhoog en wilde vooruit.
Rensata stond duizend angsten uit: als zijn paard nóg eens hinnikte, was hij verloren. De troep reed hem voorbij ; hij herkende de kara-biniers van het bagno. Zij reden verder en bemerkten niet, dat de vluchteling hier verborgen was.
Daar hinnikte zijn paard. Wel was de bende tamelijk ver verwijderd; dit belette echter niet, dat de ruiters het hoorden en oogenblikkelijk stil hielden.
Andermaal hinnikte het paard van Rensata ; deze zag één der ruiters wijzen naar de plaats, waar hij stond. De vluchteling scheen verloren. Waarschijnlijk hadden zij hem ontdekt, want zij keerden op hun schreden terug. Wat nu gedaan? â Een oogenblik stond hij als verslagen. â Dit duurde slechts kort; fier richtte hij het hoofd op: hij had het gevonden, een list moest hem redden.
248
Zijn jas uit te trekken, er een tak rechtop, een anderen er dwars door te steken, zijn hoed er boven op vast te drukken en dit alles op zijn paard vast te binden, was voor hem het werk van een oogenblik. Dan leidde hij het paard naar den zoom van de vlakte, die zich hier langs het woud uitstrekte.
Hij gaf het dier een sterken slag en . .. voort stormde het verschrikte paard over de vlakte.
De ruiters bemerkten het onmiddellijk en, door de duisternis misleid, meenden zij Rensata voor zich te hebben. Allen riepen dan ook als uit een mond; »Daar is de vluchtelingquot;!quot;
Vooruit!'1 beval de bevelvoerende officier en voort ging het in vliegenden galop het vluchtende paard achterna.
Rensata liep nu zoo snel mogelijk vlak langs den boschkant de tegenovergestelde zijde op. Hij bereikte weldra het einde van het woud en zag nu het strand voor zich. Rondziende, bemerkte hij een visscher in zijne boot. De maan, die nuj helder scheen, verlichtte den geheelen omtrek. Rensata moest haast maken. De ka-rabiniers. die zijn paard vervolgden, konden het elk oogenblik inhalen: zij zouden dan de list bemerken en zeker terugkeeren. Wellicht zouden zij dan evenals hij aan het strand uitkomen.
249
Rensata liep zoo vlug mogelijk dwars over het strand. Al loopende, bemerkte hij in de verte een troepje ruiters : het waren de zes andere â¢, zij hadden hem insgelijks gezien.
Dadelijk sprong hij op den visscher toe, die geheel verbaasd stond, zoo laat nog iemand vóór zich te zien.
Op dit oogenblik verscheen ook de eerste troep karabiniers op het strand. Zij hadden het paard opgevangen en waren onmiddellijk terug gereden. â Rensata wipte in de boot en gebood den visscher af te stooten en zoo snel mogelijk in zee te steken. â Tegelijkertijd toonde hij den visscher den ring aan zijn vinger.
De ring bewees hier zijn kracht; de visscher nam de pet af, boog en vroeg: »Waar wilt gij heen, mijnheer ?quot;
»De zee op, ik word vervolgd,quot; antwoordde Rensata, »stoot af !quot;
De visscher deed dadelijk, wat hem bevolen werd.
De karabiniers zagen de boot afsteken en Rensata er in. Zij losten onmiddellijk eenige schoten op den vluchteling en den visscher, maar de kogels vlogen hun over het hoofd.
De ruiters naderden de zee, maar reeds vloog
250
het door den frisschen nachtwind voorgestuwd scheepje als een vogel voort.
Zonder den vluchteling te kunnen volgen, stonden de karabiniers, door dit voorval geheel verbluft, aan 't strand en zagen met verkropte woede de hun ontsnapte prooi zich al verder en verder verwijderen.
TIENDE HOOFDSTUK.
HET HELSCHE PLAN VAN MERCURENT.
fene buitengewone levendigheid heerschte 'er in het bagno. De algemeen geachte luitenant La Roche was door een kogel getroffen en op bevel van den geneesheer naar zijne kamer gebracht.
De Kommandant was woedend over de ergerlijke tooneelen, die in de laatste maanden hadden plaats gehad ; eerst de ontvluchting van Nepo Rensata, latei de kastijding van Mercurent door Dulex; vervolgens het vermetele waagstuk van Nepo Rensata om als koerier in het bagno te komen, de vruchtelooze vervolging van den vroegeren galeislaaf en thans deze moordaanslag ; dit waren tooneelen, die in jaren niet waren voorgevallen.
252
»Waar is luitenant La Roche ?quot; vroeg de Kommandant aan den korporaal, die aangifte deed van den aanslag op den luitenant.
»De soldaten hebben den luitenant, op bevel van den geneesheer, in zijne kamer gebracht,quot; antwoordde de korporaal.
»Volg mij naar boven,quot; zeide de Kommandant, gt;en laat ook de soldaten komen, die den dader gevat hebben Wie is het, die zoo'n ongehoord schelmstuk heeft durven bedrijven ?quot;
»De gevangene nummer 73, Kommandant.quot;
gt; Wat â nummer 73 ?quot; vroeg de Kommandant het hoofd schuddende - gt;die gevangene zou op den officier geschoten hebben ?quot;
»De soldaten hebben hem gegrepen 5 er was anders niemand in de nabijheid.quot;
»Het is nauwelijks denkbaar, dat nummer 73, die in de beste verhouding met den luitenant staat, dit gedaan heeft,quot; meende hij, »en toch valt het mij in, dat hij 's avonds een vrij uur heeft; dat geen gevangene behalve hij zoo laat buiten komt. Waar is nummer 73 nu ?quot;
»Beneden in de wachtkamer, Kommandant,quot; was het antwoord van den korporaal.
«En is dat het pistool, waarmee geschoten is?quot; vroeg de Kommandant en wees op het wapen, dat de korporaal nog in zijne hand hield.
253
»Dit is het wapen, dat wij in de nabijheid gevonden hebben,quot; zeide de korporaal.
gt;Ik heb dit wapen nog niet gezien; het behoort niet tot de wapenen van het bagno,quot; zeide de Komrnandant, het wapen beschouwde
»Wij kunnen evenmin begrijpen, waar het vandaan komt,quot; was het antwoord van den korporaal.
»Behoud het zoolang,quot; beval de Komrnandant en gaf den korporaal het pistool terug; gt;volgt mij naar luitenant La Roche.quot;
De Kommandant en de korporaal begaven zich naar de kamer van den gekwetste, die op zijn bed lag maar toch volkomen bij zijne zinnen was. Juist was de bagno dokter bezig de wonde te onderzoeken, die hij niet gevaarlijk noemde.
gt;Wat is er nu toch met u gebeurd, mijn waarde La Roche,quot; zeide de Kommandant vriendschappelijk tot den luitenant, terwijl hij hem de hand reikte.
gt;Ja, als ik het zelf maar wist, Kommandant,quot; antwoordde La Roche, gt;ik weet van de geheele zaak nauwelijks meer, dan dat ik gewond ben quot;
»Vertel mij toch, hoe het gebeurd is,quot; zei de Kommandant, na den geneesheer met een dankbaren blik beschouwd te hebben.
»Ik ging naar de havenwerken, om te zien,
t
254
wat er morgen gedaan moet worden. Toen ik voorbij de boomen en het kreupelhout was, viel plotseling het schot; vanwaar het kwam heb ik niet gezien ; ik voelde slechts op hetzelfde oogen-blik eene stekende pijn en viel op den weg neer. Toen ik daarna rondzag, bemerkte ik niemand dan den gevangene, nummer 73.quot;
»Dus was inderdaad nummer 73 alleen bij u,'' zeide de Kommandant verbaasd.
gt;Een oogenblik later kwamen de soldaten,quot; vervolgde La Roche.
gt;En hadt gij ook kort te vorenniemand gezien?quot;
»Neen, niemand. De gevangene, nummer 73, kwam naar mij toe; ik wenkte hem, dat hij moest gaan zien, of hij niet kon ontdekken, wie het schot gelost had.'*
gt;Gij denkt dus niet, dat die gevangene op u geschoten heeft ?quot;
gt;Hij heeft niet geschoten,quot; verzekerde de luitenant op overtuigenden toon. Deze. gevangene is, naar mijne meening, daartoe niet in staat. Bovendien heeft hij geen reden om mij te haten, maar wel om mij te verdedigen; en hij bezit geen wapen.quot;
»De achting, welke hij u steeds betoonde, geeft mij ook de overtuiging, dat hij het niet gedaan heeft,quot; zeide de Kommandant.
255
gt;Hoe zou hij aan het pistool hebben kunnen komen ?quot; vervolgde de luitenant, terwijl hij het wapen beschouwde, gt;neen, neen, dat heeft een ander gedaan.quot;
»Maar wie kan dat zijn, daar zich niemand in de nabijheid bevond en op dit uur geen andere gevangene buiten is,quot; zeide de Kommandant nadenkend, gt;ik moet u bekennen, dat de ore-
' O
heele zaak voor mij een raadsel is. Vóór alles moet onderzocht worden, aan wien het pistool behoort. Korporaal, roep de soldaten binnen, die den gevangene hebben aangehouden.quot;
De korporaal gehoorzaamde en eene poos later traden twee soldaten de kamer van den luitenant binnen.
»Wie hebt gij bij het kreupelhout gezien ?quot; vroeg de Kommandant.
»Slechts den luitenant en den gevangene, nummer 73, dien wij grepen, juist, toen hij naar het kreupelhout wilde loopen,quot; antwoordde een der soldaten.
»Toen hij van het kreupelhout wilde weg-loopen,quot; verbeterde de andere.
gt; Onzin,quot; bromde La Roche, »de gevangene, No. 73, was, toen ik rondzag, volstrekt niet bij het kreupelhout, maar op zij er van.quot;
256
»Waar werd het pistool gevonden?quot; vroeg de Kommandant.
»In het kreupelhout, op den grond. Kommandant,quot; antwoordde de korporaal.
»Kent gij dit pistool ?quot; vroeg de Kommandant aan de soldaten
De soldaten beschouwden het wapen van alle kanten. gt;Neen,quot;'washetantwoord van beiden, »wij kennen het niet, wij hebben het nog nooit gezien.quot;
â¢gt;Was er anders geen mensch in de nabijheid ?' grinsf de Kommandant voort.
O O
»Neen, geen mensch; de korporaal alleen kwam er bij.quot;
»Was de gevangene ook soms verward!quot;
»Hij betuigde zijne onschuld,quot;' antwoordde de korporaal, gt;hij kwam mij evenwel zeer verdacht voor.quot;
»Waarom, korporaal?quot; vroeg de Kommandant.
gt;Omdat hij opgewonden scheen; naar den luitenant wilde, en over het pistool volstrekt niet verbaasd was.quot;
»Zonderling,quot; zeide de Kommandant tot La Roche, »misschien eene daad van vertwijteling of oogenblikkelijke geestverwarring. De gevangene No. 73 houdt zich onschuldig veroordeeld en beweert graaf Montpellier te zijn; de wanhoop heeft hem misschien overmeesterd.quot;
257
»Cp mijn woord, Kommandant,quot; verzekerde luitenant La Roche, gt;ik geloof mij zeiven eerder in staat, deze daad te bedrijven, dan den gevangene No. 73, die in alles zuiver van geweten is.quot;
»Ook ik kan het niet gelooven. Maar laten wij hem zelf hooren,quot; zeide de Kommandant tot den Korporaal en de soldaten. »Brengt den gevangene No. 73 hier.quot;
De soldaten verlieten juist de kamer, toen er onverwachts iets gebeurde, wat de uitvoering van het bevel vertraagde. Toen zij buiten gekomen waren, kwam de opzichter Mercurent hen tegen, vergezeld van den ziekenoppasser.
j. Mercurent wil den Kommandant eene mede-deeling doen,quot; zei de oppasser tegen den korporaal.
De korporaal deelde dadelijk het verzoek van Mercurent aan den Kommandant mede.
De Kommandant beval den oppasser en Mercurent te laten binnenkomen.
Luitenant La Roche was er niets mede in zijn schik, daar hij den voormaligen opzichter niet lijden mocht.
gt;De opzichter Mercurent heeft eene mede-deeling te doen, Kommandant. Hij heeft van uit het venster van de ziekenzaal iets gezien, wat, naar hij meent, van belang is, wijl dadelijk
258
daarop een schot viel en luitenant La Roche gewond werd,quot;
'Nu, vertel dadelijk, wat gij gezien hebt,quot; zei de Kommandant.
gt;lk stond toevallig voor het raam van de ziekenzaal, toen ik den gevangene No. 73 voorbij zag gaan. Dadelijk daarna kwam de ontslagen gevangene Lapellier op den redouteweg en beiden groetten elkander; ik zag ze van uit het raam. 1 oen zij de boomen en het kreupelhout naderden, gaf Lapellier aan nummer 73 iets; en ik meen in het voorwerp een pistool herkend te hebben.quot;
Deze verklaring gaf aan alle aanwezigen eene opheldering van het raadsel.
»Een pistool? Kondt gij dat zien?quot; vroeg de Kommandant.
sik drukte mijn gezicht, om goed te kunnen zien, tegen de ruiten,quot; antwoordde Mercurent, gt;ik meen mij niet vergist te hebben, Kommandant, het was een pistool. Hij verborg ten minste het voorwerp snel in zijne kleederen; toen scheidden Lapellier en hij. De eerste keerde naar het bagno terug; de gevangene No. 73 ging naar het kreupelhout en ik zag nog duidelijk, dat hij zich bukte en iets in het mos verborof.quot;'
o
259
Deze verklaring komt mij zeer duidelijk voor, dacht de Kommandant.
Luitenant La Roche, die niet kon gelooven, dat Dulex tot een moord in staat was, zweeg en keek somber naar den vroegeren opzichter Mercurent, die weder de spion en aanklager was.
gt; Dadelijk daarop zag ik den luitenant op den weg voorbijgaan,quot; ging Mercurent haperend voort, gt;en het duurde nauwelijks eenige minuten of ik hoorde een schot. Ik was reeds van het raam weggegaan om den oppasser mee te deelen, wat ik gezien had ; daarom heb ik van het schot niets gezien, maar ik heb het wel gehoord. Toen ik vernam, dat luitenant La Roche gewond was, hield ik het voor mijn plicht, U dit mede te deelen.quot;
»Zeker was dat uw plicht,quot; zeide de Kommandant, »het onderzoek is reeds in vollen gang en gij komt met uwe gewichtige verklaring juist op tijd.quot;
»Als de opzichter Mercurent zich maar niet door zijn haat tegen den gevangene No. 73 er toe laat verleiden om onwaarheid te spreken,quot; zeide luitenant La Roche, nk herinner mij, dat Mercurent juist om de twee personen, die hij nu aanklaagt, arrest heeft gekregen. De aanklacht zou dus wel een daad van wraak kunnen zijn.quot;
2(50
Mercurent kon nauwelijks zijn woede bij het hooren van deze woorden onderdrukken.
gt; De luitenant beschuldigt mij van laster,quot; zeide hij, maar ik laat mij daardoor niet afschrikken, om de waarheid te zeggen. Ik ben mij van geen leugen bewust, ook van wraak weet ik niets, want bij 't laatste verzet was No. 73 juist de man, die den opstand onderdrukte; ik heb dus geen reden om tegen hem wraak te voeden. Overigens is het immers, als de Kommandant wil, eene kleinigheid om vast te stellen, of ik de waarheid gezegd heb of niet, want de ontslagen gevangene zal nog wel niet uit het bagno zijn.quot;
» Mercurent heeft gelijk,quot; zei de Kommandant, swij willen Lapellier hooren. Breng hem hier.quot;
gt;Als hij eerlijk is en de waarheid lief heeft,quot; zeide Mercurent, gt;dan zal het wel uitkomen, vanwaar het pistool komt, waarmede het schot gelost is.quot;
De andere oppasser stond er stil naast. Hij was maar blij, dat Mercurent niet verklaarde, dat hij zich gedurende eenigen tijd verwijderd had.
Toen de anderen oppasser naar de ziekenzaal terugkeerde vond hij Mercurent buiten, wat tegen de voorschriften was, maar hij beweerde,
261
dat hij den oppasser overal te vergeefs gezocht en geroepen had. â¢
De korporaal keerde met Lapellier in de kamer van den luitenant terug.
Lapellier. die van het voorgevallene nog niets wist, boog; hij behoorde sedert dien dag niet meer tot de gevangenen; hij had zijn straftijd doorgemaakt.
gt;Hoe, luitenant,quot; riep hij verbaasd, »gij ligt te bed en voor een uur trof ik u nog goed op wesf naar de haven.quot;
«Men heeft op mij geschoten,quot; antwoordde La Roche.
gt; Geschoten, op u?quot; Lapellier zag onder de aanwezigen den opzichter Mercurent en wierp hem een blik toe, alsof hij plotseling de verkla-rinsf en den dader bevonden had.
Op dit oogenblik liet de Kommandant het pistool zien, waardoor, de gewezen gevangene niet weinig onstelde. Hij had reeds alles geraden.
Mercurent zette een duivelachtig gezicht en zag naar La Roche, alsof hij wilde zeggen-, gt;nu zult gij het zelf hooren.quot;
gt;Kent gij dit pistool ?'vroeg de Kommandant.
gt;lk kan het niet loochenen, Kommandant, het was mijn pistool.quot;
Deze woorden gaven aan den Kommandant
262
een overtuigend en La Roche een verpletterend bewijs.
gt;Hoe zijt gij aan dit pistool gekomen?'' vroeg de Kommandant verder.
gt;Ik had het reeds, toen ik in het bagno kwam, Ivommandant, en, heb het zoo langf verborgen
o
gehouden.quot; antwoordde Lapellier open en eerlijk, »ik had het voor geval van nood. Gij weet, dat ik om eene politieke misdaad hierheen moest.quot;
»Ik ben blij, dat gij mij alles bekent; dat bewijst uwe eerlijkheid, uwe rechtschapenheid,quot; zeide de Kommandant, gt;doch blijf nu bij uwe oprechtheid en verklaar ons, waar gij het pistool gelaten hebt, en in wiens handen het dezen avond gekomen is.quot;
»In wiens handen het kan gekomen zijn, Kommandant?quot; antwoordde Lapellier bleek en radeloos, daar hij den samenhang van het pistool met de verwonding van La Roche vermoedde, »dat kan ik niet zeggen.quot;
gt;Wien hebt gij het heden avond gegeven ?quot; vroeg de Kommandant.
»Ik gaf het pistool aan den graaf van Mont-pellier, hier in het bagno No. 73 genoemd/' zei Lapellier met gebroken stem.
»De verklaring van Mercurent is dus juist,quot; verklaarde de Kommandant, »deze bekentenis
263
neemt eiken twijfel weg. Het pistool is in handen van No. 73 gekomen. Men brenge dien nu hier.quot;
gt;Ik begrijp den samenhang nog niet Kom-mandanl;,' zei Lapellier; »de graaf van Montpellier zou op den luitenant geschoten hebben! Dat is onmogelijk !quot;
gt;Gij zijt voor heden ontslagen. Mocht uwe getuigenis noodig zijn, dan zal men het u berichten,quot; antwoordde de Kommandant kortaf; »voor de misdaad, begaan door het schenken van een vuurwapen aan een gevangene, zal uw straf niet groot zijn, daar gij ze begaan hebt na uw ontslag uit het bagno. Keer naar uw kwartier terug.quot;
Lapellier zag, dat iedere voorspraak zonder gevolg bleef; hij volgde daarom zonder iets meer te durven zeggen het bevel en verliet de kamer van het ambtshuis.
Mercurent stond daar als overwinnaar. Zijn helsch plan, dat hem alleen door den duivel kon ingegeven zijn, gelukte boven verwachting. Alles werkte samen om Dulex reeds duidelijker als den schuldige te doen kennen, terwijl niemand de geringste verdenking tegen hem kon koesteren. Wat de duivelachtige Mercurent inwendig boos maakte, was, dat hij niet goed getroften had; was dit wèl het geval geweest, dan had
204
hij twee, door hem gehate personen met één slag uit den weg geruimd. Maar hij troostte er zich mede, dat ditmaal No. 73 niet zoo gemakkelijk van zijne straf zou afkomen als den vorigen keer. Eenige oogenblikken later werd Dulex in de kamer gebracht. ISiet als een schuldige trad hij tusschen de soldaten binnen ; geen vrees of berouw was op zijn gelaat te lezen, daar hij zelfs in de gevangenschap van het bagno niet zijn aangeboren trots verloren had; niet gebukt of terneergeslagen verscheen hij, maar rustig,, onbevreesd en zich geene schuld bewust. ^ »De verdenking rust op u No. 73,quot; zei de Kommandant, »alles bewijst, dat gij het pistool op luitenant La Roche hebt afgeschoten, alles pleit er voor, dat gij de dader geweest zijt; wat hebt gij daartegen in te brengen ?quot;
-Ik heb daarop slechts te antwoorden, dat ik zulk een daad niet gedaan heb,quot; zeide Dulex kalm. »lk zelf verschrok van den moordaanslag ; ik was in de onmiddellijke nabijheid; het schot viel in het kreupelhout; ik was op zij er van. Op het oogenblik, waarop het schot gelost werd, zag ik luitenant La Roche vallen; van den dader zag ik niets.quot;
»De soldaten grepen u en vonden u alleen in de nabijheid van de plaats der misdaad,quot; ging
265
de Kommandant voort, »wel spreekt voor u de omstandigheid, dat gij naar ons weten geen reden hebt, om op luitenant La Roche te schieten; verder, dat gij in den laatsten tijd herhaaldelijk bewijzen van goed gedrag gegeven hebt. Tegen den voornaamsten getuige, den voormaligen opzichter Mercurent daarentegen spreekt de omstandigheid, dat hij altijd met wantrouwen op u neerzag. Ook luitenant La Roche rekent u niet instaat tot een daad als deze, toch getuigen zooveel feiten tegen U, dat het U bijna onmogelijk wezen zal, ze te weer-^effamp;en- Gij bevondt u in de nabijheid van de plaats, waarop de misdaad gepleegd werd ..
»Ik was in de nabijheid, ja!' antwoordde Dulex.
»Gij zaagt behalve den luitenant en u zeiven niemand anders in de nabijheid ?quot;
»Neen, Kommandant,quot; zei Dulex, «ik heb niemand gezien.quot;
sgt;Kent gij dit pistool ?quot; vroeg de Kommandant.
Ja, ik ken het, Lapellier gaf het mij dezen avond en ik had het voorloopig in het kreupelhout verborgen.quot;
»De soldaten vonden en grepen u. Bekent gij u voor schuldig, met het oog op al deze verpletterende bewijzen ?quot;
»Neen, Kommandant, neen,quot; antwoordde Dulex
266
kalm, gt;ik kan een daad niet bekennen, die ik niet bedreven heb. Al mag ook alles er op wijzen, dat ik de schuldige ben; al treft mij de straf, ik zal niet sidderen, maar ik ben niet schuldig; ik heb de gruwelijke daad, den ver-achtelijken sluipmoord niet gepleegd.quot;
^Waarom zou ik iemand het leven willen benemen, die altijd even goed voor mij is geweest; waarom zou ik niet liever alles willen doen, om hem voor alle gevaren te bevrijden ; hem, die altijd de levendigste belangstelling in mijn zwaar beproefd lot heeft gesteld quot;
Op dit oogenblik werd het voorloopig onderzoek door den klank van een posthoorn afgebroken. Wat beteekendedat? Kwamen er reizigers in het bagno ? Wat kon dat zijn ? Een voorgevoel kwam bij den Kommandant op.
Nadat de Kommandant eenige oogenblikken geluisterd had, beval hij, dat Dulex in de slaapzaal zou worden gebracht.
»Morgen zullen wij het onderzoek eindigen, en dan wordt het vonnis geveld,quot; zeide hij. » Men brenge Mercurent, die genezen schijnt te zijn, ook naar de slaapzaal en sluite hem daar als een veroordeelde op.quot;
Een woedende blik van Mercurent bewees, dat â¢dit bevel eene vreeselijke uitwerking op hem had.
267
Toen de Kommandant bij de deur van het ambtshuis kwam, zag hij eene postkoets staan. De wagen was met koffers bepakt; wel een bewijs, dat de reizigers van verre kwamen. In de postkoets zat eene dame; toen zij uit het rijtuig wilde stappen, zag zij juist No. 73.
Dulex zag haar eveneens ; hij herkende haar; het was Antoinette. Zij keerde naar Toulon terug, omdat haar straftijd verstreken was. Het was een kort weerzien en Dulex wierp een dankbaren blik op de redster van zijn leven.
gt;Hartebjk welkom, lieve zuster,quot; zei de Kommandant. gt;Het doet mij genoegen u te zien.quot;
Dadelijk werd alles in het werk gesteld, om het Antoinette zoo gemakkelijk mogelijk te maken.
ELFDE HOOFDSTUK.
LOON NAAR WERKEN.
Uil en volg-enden morg-en was de Komman-lt;^ant 'n een druk gesprek gewikkeld met Antoinette.
Hij verontschuldigde zich, omdat hij haar, die hij zoo gaarne bij zich had, uit noodzakelijkheid had moeten verwijderen.
Antoinette beklaagde er zich niet over. Zij had in hare afwezigheid dagelijks met Engeline, die zoo onvermoeid werkte om het recht van haren vader te doen zegevieren, kunnen omgaan. Dat was haar voldoende.
Terwijl Antoinette over de dochter van Dulex sprak, kwam er een droevige trek op het gelaat van den Kommandant.
269
Gedurende dit gesprek meldde een bediende, dat luitenant La Roche beneden was. Hij wilde bij het verhoor over den moordaanslag tegenwoordig zijn, niettegenstaande de wonde hem nog veel pijn veroorzaakte. Ook bevonden zich daar reeds de opzichter Mercurent en de veroordeelde No. 73.
Toen Antoinette dit nummer hoorde wist zij, dat het Lodewijk Montpellier was.
gt;Een moordaanslag?quot; vroeg zij. »lk wilde u gisteren reeds mededeelen, wat wij bij het naderen van het bagno hebben gezien, maar ik vergat het. Misschien hangt dit met het gebeurde samen.quot;
gt;Wat hebt gij gezien?quot; vroeg de Kommandant.
gt;Toen wij gisteren de stad naderden en de hoogte bereikten, waar de weg zich kromt in de richting van het bagno, werden wij plotseling door een schot verschrikt. De avond begon reeds te vallen, maar bij toeval keek ik juist naar de plaats, vanwaar het schot kwam Ik kon niet zien, op wien men geschoten had,quot; zei Antoinette, gt;gt;maar dat het schot op een mensch gelost was, maakte ik op uit de omstandigheid, dat ik een man uit de boschjes zag wegloopen.quot;
gt;Een man? Hebt gij hem herkend, Antoinette?''
270
vroeg de Kommandant, die niet weinig verbaasd was door deze opheldering.
»Neen, dat kon ik niet, want de afstand was te groot en het werd reeds duister.quot;
gt;Was hij als veroordeelde gekleed ?quot;
»Ook dat kon ik niet zien. Ik zag slechts dat hij vlug wegliep.quot;
»Werd hij vervolgd door soldaten, die hem grepen ?quot;
gt;Neen, ik zag niemand in zijne nabijheid.quot;
gt;In welke richting liep hij?quot;
gt;In de richting van het hospitaal.quot;
gt;Hebt gij u niet vergist?quot; vroeg de Kommandant in opgewonden stemming.
gt;Neen, lieve broeder, ik heb niets anders gezien, dan den vluchtenden man. Hij liep niet over den weg maar zijwaarts in de richting van het hospitaal.quot;
»Hm, hm!'' bromde de Kommandant; »daar begrijp ik niets van. Een ander veroordeelde is op het uur van den aanslag niet meer buiten geweest.... Mercurent kan het hospitaal niet
verlaten hebben---- Ik geloof altijd nog dat
het anders is.quot;
ïMercurent ?quot; vroeg Antoinette, gt;die nu plotseling alles scheen te begrijpen, s deze opzichter
271
is zeker de aanklager? En dan zal graafMont-pellier zeker de dader zijn !quot;
gt;Zeker, kind!quot;
»Dan is hier wraak in 't spel,quot; verklaarde Antoinette, zonder een oogenblik te aarzelen. sgt;Dat is het werk van Mercurent, geloof mij. Mercurent is thans geen opzichter meer en daar hij als ieder ander veroordeelde, die in het hospitaal is, niet kan uitgaan als hij wil, is het niet onmogelijk, dat hij hier de hand in heeft.quot;
»Alles spreekt hier vóór de schuld van den veroordeelde No. 73,quot; zei de Kommandant op stelligen toon. »Mercurent heeft gezien, dat een veroordeelde, die gisteren ontslagen is, hem een pistool heeft afgegeven.quot;
»Och broeder, vertrouw Mercurent niet. Hij is er altijd op uit, om graaf Montpellier nog ongelukker te maken.quot;
»De verklaring van Mercurent is door den ontslagen veroordeelde bevestigd, mijn kind. Hij heeft het pistool, waarmede op La Roche, geschoten is als hetzelfde herkend, dat hij aan No. 73 heeft gegeven. De soldaten, die toesnelden toen het schot viel, vonden niemand in de nabijheid dan No. 73, Er rust daarom op hem een zware en gegronde verdenking.quot;
ïArme, zwaar beproefde graaf,quot; zuchtte
272
Antoinette. »Nu verdenkt men u hier van zulk eene daad Neen, dat kan niet. Daartoe zijt gij niet in staat.quot;
gt;Uwe woorden kunnen de zaken niet veranderen,quot; antwoordde de Kommandant, die ook met Dulex ingenomen was, maar het hier niet wilde of durfde zeggen.
»De verdenking rust op No. 73. Of hij schuldig of onschuldig hier is, kunnen wij niet uitmaken, en dat is ook onze zaak niet, nadat het gerecht hem veroordeeld heeft. Het betreft hier alleen de zaak van gisteren avond. Het kan eene zaak van vertwijfeling zijn. Misschien wil de graaf tot eiken prijs een einde aan zijn straftijd maken.quot;
gt;Dan had hij op zich zelt geschoten en niet op luitenant La Roche,quot; zei Antoinette. »lkblijt er bij, dat wij hier te doen hebben met een nieuw schelmstuk van Mercurent De ellendige haat den ongelukkigen graaf en schrikt voor green enkele misdaad teruor om hem in het
ö O
verderf te storten.quot;
»Xu geen opgewondenheid,quot; zei de Kommandant. gt;Wij moeten de gebeurtenissen nagaan en de bewijzen leveren en niet volgens het o-evoel te werk oraan.quot;
â O lt;_gt;
»Dat is zoo,quot; zeide Antoinette, »maar lieve broeder vergeet toch niet, dat ik een mensch
273
in de nabijheid der plaats heb gezien een mensch, die vluchtte in de richting van het hospitaal. Dat geeft stof tot een nieuw onderzoek.quot;
gt; Zeker, zeker,quot; zei de Kommandant, »het is maar jammer, dat gij hem niet beschrijven kunt. Toch is het mogelijk, dat één der beambten uit haat tegen La Roche de gunstige gelegenheid gebruikte om de verdenking op No. 73 te doen vallen.quot;
gt;Wie is de ontslagen veroordeelde ? Misschien heeft hij het pistool aan graaf Dulex gegeven om . . . .quot;
»Neen! neen,quot; viel de Kommandant haar in de rede, »dat is geheel onmogelijk. De ontslagene is niemand anders dan Lapellier, de beste vriend van No. 73 en de beschermeling van den luitenant.
gt;Als het pistool van Lapellier is, dan geloot ik het ook niet.quot;
gt;Ik moet nu het onderzoek beginnen en daarna het vonnis vellen,quot; zei de Kommandant opstaande, salie personen; die in de zaak betrokken zijn, wachten mij reeds in het bureau. Verontschuldig mij daarom, dat ik u ga verlaten.quot;
»Een verzoek, lieve broeder,quot; zei Antoinette.
»Nu wat is er nog ?quot;
is
274
gt;Laat mij ook als getuige optreden, bij het onderzoek.quot;
gt;Dat kan niet, Antoinette.quot;
gt;Maar ik vraag er om. Ik heb toch ook iets gezien, dat misschien de zaak kan ophelderen. En is het geen goed werk, een onschuldige te redden en een schuldige te ontmaskeren ?quot;
gt;Kom ' dan,'' zei de Kommandant, gt;maar op voorwaarde, dat gij slechts spreekt, wanneer u iets gevraagd wordt en dan nog niet meer dan noodig is.quot;
»Ik beloof het u,quot; verzekerde Antoinette en ging met den Kommandant mede naar het bureau, waar zij door de officieren en beambten met de grootste beleefdheid en voorkomendheid begroet werd. Antoinette was sedert hare afwezigheid weinig veranderd. Zij was wat ernstiger en waardiger geworden, maar altijd nog even voorkomend, even goedig en even vriendelijk als vroeger.
Wat tegenstrijdige gevoelens bezielden Dulex en Mercurent bij het onverwachte verschijnen van Antoinette. Mercurent had een afkeer van haar. Hij dacht aan de bezorgdheid, die zij steeds den graaf had betoond. Dulex daarentegen gevoelde de grootste achting en dankbaarheid voor haar, aan wie hij niet alleen het leven
275
â schuldig was, maar ook de liefde en bezorgdheid, die zij zijne dochter had bewezen. Daarom waren zijne oogen vol dankbaarheid op zijne edele weldoenster gericht.
Dulex bevond zich wederom in een benarden toestand. Wederom wachtte hem eene zware straf, als hij er niet in mocht slagen, zijne â¢onschuld te bewijzen.
Hoe zou hij daarin echter slagen, nu allen tegen hem waren en alle omstandigheden tegen hem getuigden ? Slechts Antoinette geloofde niet aan zijne schuld. Dat wist hij en dat troostte hem.
De Kommandant opende de beraadslaging.
»Het onderzoek, gisterenavond ingesteld, heeft de verdenking, die op No. 73 rust, bevestigd. Slechts ééne zaak is niet duidelijk: de reden, waarom de gevangene den aanslag heeft gepleegd. Een aanleiding bestond niet, daar de gevangene juist verlichting van straf had en geen haat tegen den gewonde koesterde. De toegesnelde wacht verklaart, niemand anders dan No. 73 bij de plaats van den aanslag gevonden te hebben, maar een lid mijner familie, hier als getuige tegenwoordig, heeft gisterenavond iets bemerkt, dat van veel gewicht in deze zaak kan zijn.
276
Op verlangen der vergaderde officieren verklaarde Antoinette, hetgeen zij gezien had.
»Men kan van de hoogte den weg overzien,quot; bevestigden de officieren.
Mercurent hoorde het verhaal met een hoonend gelaat aan en kon zijn ongeduld niet bedwingen.
sDoor de duisternis kon ik den man wel niet herkennen,quot; vervolgde Antoinette, ïmaar, dat een man aanstonds na het schot in de richting van het hospitaal vluchtte heb ik duidelijk gezien.quot;
Deze woorden maakten op de officieren en beambten een grooten indruk.
»Het was mijn plicht,quot; hervatte de Komman dant, »deze verklaring hier te laten herhalen, daar zij mogelijk licht op deze duistere zaak kan werpen. In elk geval wordt er door bewezen, dat er nog een ander persoon in de nabijheid moet geweest zijn. Mercurent hebt gij iemand gezien, die naar het hospitaal vluchtte?quot;
gt;Neen, mijnheer de Kommandant, ik heb niemand gezien.quot;
»Veroordeelde 73, hebt gij soms iemand gezien in de nabijheid van de boschjes of op den weg ?quot;
»Neen, mijnheer!quot;
»Niettegenstaande deze verklaringen moet ik de mijne volhouden,quot; zei Antoinette.
gt;Bevindt zich behalve Mercurent nog iemand in het hospitaal ?quot; vroeg de Kommandant aan den wachtmeester.
»Neen mijnheer!quot; antwoordde deze.
»Het heeft er wel iets van. ol de freule mij verdacht wil maken,quot; zei Mercurent met eene van toorn trillende stem, »Aan zulke praatjes mag men hier gelukkig geen geloof slaan, de getuigenis is al te partijdig. Ik wil er slechts aan herinneren, dat de freule, toen deze gevangene in de lattenkamer opgesloten was, eten en drinken bij den gevangene bracht.quot;
Er ontstond een hevig gemompel. Alle officieren waren zoo verstoord over deze brutale woorden, dat zij openlijk hunne verontwaardiging te kennen gaven en Mercurent met verachting behandelden. Antoinette was bleek als de muur Zulk een smaad had zij voor onmogelijk gehouden. De Kommandant had er reeds spijt van, haar als getuige te hebben toegelaten.
Mercurent was zoodanig in woede ontstoken, dat hij zich zelfs door de algemeene verontwaardiging niet liet afschrikken.
»Aan deze verklaring- mao- o-een geloof ee-
O O O O
slagen weden,quot; hernam hij en keek naar alle kanten.
278
gt;Gij beweert, dat niemand uit de boschjes vluchtte,quot; zei de Kommandant met de grootste bedaardheid, »welnu, dan zullen wij den koetsier laten roepen. Mogelijk kan hij deze getuigenis bevestigen of ontkennen. Men roepeden koetsier.quot;
Deze beslissing werd algemeen toegejuicht en het bevel aanstonds uitgevoerd.
Antoinette, hoewel zwaar beleedigd, stond daar weer kalm en rustig. Gaarne onderging zij deze vernedering, daar het hier het geluk gold van den reeds zoo zwaar beproefden graat.
De koetsier, die Antoinette gereden had, trad binnen.
gt;Gij hebt gisteren eene dame naar hier gereden,quot; zei de Kommandant. gt;Hebt gij onderweg niet een schot gehoord?quot;
gt; Ja, heer Kommandant,'' antwoordde de koetsier, gt;ik heb een schot gehoord en bemerkt, ook, dat het hier bij de boschjes gelost werd.quot;
»Hebt gij anders niets gezien ? Denk goed na, het geldt hier een onschuldige voor straf te behoeden en een schuldige te ontmaskeren.
gt;Ik zag, na het schot, een man schielijk wegloopen.quot;
»Waar liep hij heen ?quot;
»Hij vluchtte niet over den grooten weg maar in de richting van een groot gebouw .quot;
279
»Hebt gij zijne kleeding gezien ?quot;
»Neen mijnheer, zoo scherp zie ik niet.quot;
gt; Vooreerst blijft dus vastgesteld, dat zich na het schot iemand in de richting van het hospitaal verwijderd heeft,quot; zei de Kommandant. »Mercurent beweert daar niets van grezien te hebben, niettegenstaande hij nauwkeurig heeft opgemerkt, wat bij de boschjes heeft plaats gehad. Hospitaalwachter, waar bevondt gij u toen de aanslag heeft plaats gehad ?quot;
»Gedurende de daad ... op dat oogenblik... ?quot; vroeg de wachter verward en angstig.
»Waarom zijt gij zoo beangst? Ik vraag u waar gij u bevondt, toen het schot viel. Gij moet dat toch gehoord hebben, evengoed als de wacht en Mercurent.quot;
»lk was .... ik was .... ik .... ik heb niets gezien.quot;
Mercurent werd onrustig, toen hij zijn bewaker zoo verward zag.
gt; Antwoord mij bedaard,quot; zei de Kommandant. gt;lk vraag, waar gij u bevondt, waar gij u op-hieldt. Was de deur van het hospitaal gesloten ? Waar waart gij ? Antwoord ! Ik wil de waarheid weten !quot;
De oppasser viel voor den Kommandant op de knieën. »Heb medelijden met mij, mijnheer,
230
ik ben vader. Mijne vrouw en mijn kind zijn ziek. Ik had slechts een kwartier de zaal verlaten om te zien, hoe zij het maakten.quot;
Deze verklaring was beslissend. Allen zagen in welk bedriegelijk spel hier gespeeld was. Mercurent stond met de lippen vast op elkaar g-edrukt en woedend den bewaker aan te zien.
»Sta op!'5 beval de Kommandant. »Gij waart dus op het oogenblik van den aanslag niet in het hospitaal . .. gij hadt de deur niet gesloten . .. men kon dus vrij uitgaan ...quot;
gt;Er was niemand in het hospitaal dan Mercurent quot;
»Waar was hij toen gij terug kwaamt?quot;
gt;Beneden vóór het gebouw. Hij deed alsof hij mij zocht en riep mij.quot;
»Hebt ge aan hem niets opgemerkt?quot;
.Hij was geheel buiten adem en zag er verward uit.quot;
»Genoeg ! Ik geloof,quot; zei de Kommandant tot de officieren, »dat deze verklaring ons genoegzaam den eerloozen dader doet kennen. Mercurent wat hebt gij daartegen in te brengen ?quot;
»Ik weet niets van den dader en het schot. Toen het schot viel, wilde ik naar buiten, om den bewaker te roepen en te zien, wie geschoten had.quot;
281
»De verklaringfen van oristeren en heden
O O
â spreken elkaar tegen. Uwe schuld is volkomen gebleken en de eer van No. 73 hersteld Met nauwelijks geloofbare sluwheid hebt gij getracht, dien veroordeelde in het verderf te storten en tevens luitenant La Roche te vermoorden. Uwe straf zal voorbeeldig zijn. De lattenkamer, waar gij No. 73 zoo hebt gemarteld zal je plaats zijn. Het noodige eten zal je gebracht worden, maar gij hoeft niet te denken, dat iemand je uit medelijden meer zal brengen dan je noodig hebt om te leven quot;
Mercurent viel op de knieën, maar op bevel van de Kommandant maakte de wacht zich van hem meester en sloot hem op.
»Nummer 73, gij zijt gerechtvaardigd,quot; hervatte de Kommandant. gt;]k betreur het, dat gij, die u altijd onberispelijk hebt gedragen, onder verdenkingf hebt g-estaan van zulk eene schan-
cgt; ö
delijke daad. Maar u zal volkomen genoeg-v doening gegeven worden, nu tot mijne vreugde
1
uwe onschuld glansrijk gebleken is.quot;
Dulex antwoordde met die bedaarheid en waardigheid, welke hem eigen waren : »Ik dank de getuigen voor hunne verklaringen en zeg ook den Kommandant dank voor de woorden van rechtvaardiging.quot;
i
282
»Door de opsluiting van Mercurent is de op-zichterspost in de zaal der stroovlechters opengevallen,quot; vervolgde de Kommandant. ^Ik bepaal dat gij dien post, als proef, zult overnemen. De opzichter van de zaal der stroovlechters heeft zijne bizondere, gemeubileerde kamer, het voorrecht van beter voedsel en vrije beweging naafloop van den arbeid. Ik twijfel niet, of gij zult het vertrouwen, dat ik in u stel rechtvaardigen. Gij verwisselt nu ook de kleeding der veroordeelden met die van opzichter.quot;
Antoinette wierp een dankbaren blik op haren broeder en vroeg oorlof om het bureau te verlaten.
Luitenant La Roche ging naar Dulex en reikte hem de hand.
»lk verheug mij, dat uwe onschuld, waaraan ik trouwens niet twijfelde, zoo glansrijk bewezen is en uit naam van het geheele korps officieren, betuig ik u onze oprechte deelneming en vreugde bij uwe bevordering.
Dulex bedankte met enkele woorden. Hij was zoodanig getroffen over alles, wat hij hier gehoord had, dat hij nauwelijks woorden kon vinden om zijne dankbaarheid te betuigen. Toen verliet hij aan de hand van den ontslagen Lapellier, het bureau. Hij begaf zich naar de
283
^arbeidszalen, kreeg van den Inspecteur de op-zichterskleederen en trad aanstonds in zijne nieuwe betrekking.
In dezen strijd had het recht en de deugd gezegevierd. Dulex was schitterend gerecht vaardigd en hij gevoelde er eene innige vol doening over ; maar de groote strijd om zijn recht was verloren en nog altijd schemerde er geen straal van hoop. Wel had hij door zijne waardige houding eene groote verlichting van straf gekregen, maar hij was nog altijd galeislaaf, hij, die in zijn leven het onrecht had veracht en nimmer van den rechten weg was afgeweken was nog altijd door het noodlot zwaar getroffen. Ja, de hulpeloosheid van Engeline, die in het groote Parijs alleen en verlaten was, verontrustte het hem nog- meer dan anders.
Den volgenden avond na den arbeid van dag, ontmoette hij Antoinette.
Had zij eene gelegenheid gezocht om den onrechtvaardig veroordeelden man te ontmoeten en te spreken, om hem mede te deelen, wat er te Parijs was voorgevallen ?
Dulex ging naar haar toe en reikte haar de hand: »Hoe verheugt mij uwe terugkomst!quot;' zei hij.
gt;0 had ik maar de tijding kunnen brengen.
284
dat uw goed recht gezegevierd had,quot; antwoordde zij, »dan zou ik gelukkig geweest zijn. Maar zoover is het nog niet, altijd vindt uwe dochter onoverkomelijke hinderpalen.quot;
»Hoe gaat het met mijn arm kind ?quot;
»Engeline was bij ons. Zij en Louis, de landbouwer, waren onophoudelijk bezig om het verloren testament te zoeken. Een heer, die zijn naam niet wilde noemen, stond hen met raad en daad bij, maar alles was vergeefs.quot;
Toen er van een onbekende sprake was, dacht Dulex aanstonds aan Nepo Rensata. Dat moest hij zijn, niemand anders.
«Engeline is ziek geweest,quot; vervolgde Antoinette, »maar weer gelukkig hersteld. Wij konden echter niet beletten, dat zij naar het kasteel moest.quot;
gt;INaar Montpellier, naar hen?quot; zei Dulex met huivering.
«Zij maakten van hun recht gebruik.quot;
»Ja, ik weet het, het recht is aan hunne zijde. Arm kind ! Ongelukkige Engeline ! Wat zult gij daar lijden.quot;
»Houd moed, heer Graaf! De Hemel kan Engeline niet verlaten. De beproeving zal voorbijgaan en uw goed recht zal zegevieren. God wil u zwaar beproeven, maar hij zal u
285
niet verlaten. De wonderbare redding in alle gevaren, die gij doorstaan hebt, getuigt dit ontegensprekelijk. Ik twijfel er geen oogenblik aan, of Hij zal uw naam eenmaal in eere herstellen.quot;
gt;Dat is de hoop, de wensch van uw medelijdend hart, Antoinette, niets anders.quot;
gt;Ik bid en zal blijven bidden voor de vervulling van die hoop, graaf.quot;
TWAALFDE HOOFDSTUK.
GOD BEPKOEFT DE ZIJNEN, MAAR VERLAAT HEN NOOIT.
IRulex werd een zeer geacht persoon in de gevangenis van Toulon. Door trouwe X plichtsvervulling, godsdienstijver en recht-| vaardigdheid jegens de gevangenen, oefende hij eenen weldadigen invloed op hen uit. Aan hem dankte menig ruw en ongodsdienstig galeislaaf zijnen terugkeer tot een beter leven ; door zijn voorbeeld opgewekt, werd menig ongelukkige bij het verlaten der gevangenis een braaf, oppassend werkman, een nuttig lid der maatschappij.
Wij hebben gezien, hoe gelaten Dulex de dertig dagen in de lattenkamer doorgebracht heeft. Was het ook niet door de wonderbare
287
tusschenkomst der Voorzienigheid, dat Antoinette, die alleen den sleutel van de cel bekomen kon, zooveel medelijden met den onschuldig veroordeelde gevoelde, dat zij niettegenstaande de gevaren, daaraan verbonden, hem goed voedsel durfde brengen ?
Dulex zou zeker in de lattenkamer gestorven zijn, zoo het niet in de raadsbesluiten van den goeden God gelegen had, den zwaar beproefden man te toonen, dat de deugd het verre wint van de ondeugd, hoewel de laatste soms eenigen tijd over de eerste kan zegepralen.
Wie ziet niet de hand van God in die schijnbare toevalligheden? Op zonderlinge wijze en in korten tijd verwierf Nepo Rensata het vertrouwen des Konings, waardoor het hem mogelijk werd, de vrijstelling van Dulex' vonnis te bekomen. Met overleg had Mercurent zijne helsche listen gekozen, toch stortte hij zichzelven in het verderf. Juist door den ondergang van dien snoodaard werd Dulex de vertrouwde van den Kommandant en verkreeg hij de gelegenheid, zooveel goed te stichten bij de gevangenen.
Met gelatenheid had Dulex de grootste vernederingen verduurd, de zwaarste beproevingen doorstaan. Het behaagde aan God een einde te maken aan zijn rampen, en die onderwerping
288
aan den goddelijken wil, reeds in deze wereld te beloonen.
Des morgens had de oude tuinman op zijne wandeling het testament gevonden op de plaats zelve, waar de worsteling tusschen Judas, den boschwachter, en Dulex had plaats gehad.
De tuinman kon dit stuk nauwelijks lezen. Was het wonder, dat hij er de waarde niet van besefte ?
Gelijk vele onwetende menschen in zijne plaats zouden gedaan hebben, bewaarde hij het testament meer uit aardigheid, dan omdat hij eenige waarde aan dit stuk hechtte.
Voor Nepo Rensata, die thans in eene andere betrekking werkzaam was, bleef het een raadsel, hoe hij aan het testament komen kon. Zijn schrandere geest, die anders voor alles raad wist, matte zich tevergeefs af. Geen enkel spoor kon hij van het zoo gewenschte stuk ontdekken.
Engeline wist evenmin raad. Zonder bepaald doel richtte zij op zekeren middag hare schreden naar de hut van den ouden tuinman. Deze hield veel van haar ; hij had haar reeds als vierjarig kind gekend. Engeline was bij hem thuis. Zij hield niet minder van dien goeden oude.
Om het meisje genoegen te doen, liet de tuinman haar zijne kleine menagerie zien, welke
2S9
bestond uit een paar eendvogels, konijnen en een prachtig zwart schaap. Daarna toonde hij haar de meubels, de tafels en de stoelen, welke hij alle zelf gemaakt had.
Engeline moest alles bezichtigen, alles bewonderen Niets werd overgeslagen. Van de linnenkast werden alle schuiven opengemaakt, evenzoo de lade, waarin hij het gevonden testament had gelegd.
Onwillekeurig beschouwde Engeline het papier. Maar wie beschrijft hare aandoening, toen zij onder het lezen bemerkte, dat dit het stuk was, waarnaar zij en al hare vrienden zoo lang vergeefs gezocht hadden.
De tuinman verhaalde, hoe hij in het bezit van dit stuk gekomen was.
Engeline verzocht den tuinman, voorloopig alles geheim te houden ; zij drong er sterk op aan, daarvan vooral niets aan den graaf te vertellen.
Met toestemming van den tuinman nam Engeline het testament mede. Het vaderlievend kind trad in overleg met een bekwaam advocaat, die in korten tijd een gunstig proces voor den waren graaf Montpellier wist te bewerken.
Daar de rechters door het gevonden testament van oordeel veranderd waren, sloeg men geloof
290
aan de beweringen van graaf Montpellier en deze werd al spoedig als de eigenaar der betwiste goederen door het gerecht erkend.
De valsche graaf en de gewezen huishoudster bekenden eindelijk hun schandelijk bedrog, en ontgingen hunne verdiende straf niet.
Met groote vreugde werd de ware graaf Montpellier op zijn kasteel ontvangen. Alle edelen van Parijs kwamen hem persoonlijk hunne gelukwenschen aanbieden.
Nadat de graaf Montpellier voor goed bezit van zijn kasteel genomen had, liet hij op de plaats, waar zich vroeger de prachtige tuin bevond, eene smaakvolle kapel bouwen. Dagelijks werd daarin de H. Mis gelezen uit dankbaarheid voor Hem, die alles ten gunste van den vroegeren galeislaaf gekeerd had.
En Engeline? Zij bracht er niet weinig toe bij, haren vader spoedig de zware beproevingen te doen vergeten, welke hij doorstaan had.
Nog vele jaren, mocht zij het genoegen smaken, door hare kinderlijke liefde en hare teedere .zorgen het leven van haren vader te veraangenamen.
Einde.
INHOUD.
Bladz.
i. een onverwacht bezoeker..............5
II. judas in hinderlaag.........27
III. het vergift voor engel1ne bestemd ... 56
IV. het proces over het testament .... 70 V, in het bagno te toulon.......90
VI. levensgeschiedenis van alexander dulex . -143
VIL Antoinette's straf.........157
VIII. de mishandeling van dulex......170
IX. nepo rensata...........195
X. het helsche plan van mercurent. . . . 251
XI. loon naar wérken.........2t8
XII. god beproeft de zijnen, maar verlaat
hen nooit...........286