LEVEN
VAN
KAPITEIN BELLETABLK
174
i
^ â mÃÃÃÃm
B
'
i §-? â
: â : | ^ iftillii
ü ... I
-S
^mwmsmm
WKSBSSSÃf-^*
Borstbeeld van Kapitein Beli-ktable. (Hoei 29 Augustus 1897).
LEVEN
KAPITEIN BELLETABLE
DOOR DEN'
Eerw. Pater P. LEJEÃNE, Redemptorist.
VEIJ NAAR HET FRANSCH
EEN PRIESTER DERZELFDE CONGREGATIE.
âDaar gij het ongeluk gehad hebt, u van God te verwijderen, zult gij, tot Hem wederkeereud. Hom met tienmaal meer ijver zoeken.quot;
Barucii IV : 28.
G.
M O S M A N S V E N L O. 1898.
Senior,
IMPRIMATUR.
Baarlo, die 4 m. Junii 1898.
I. H. GEENEN,
Lib. Cens.
GOEDKEURING.
Door den Hoogwaardigsten Pater Rector-Major daartoe gemachtigd, staan wij toe, dat het Leven van Kapitein BcUetable door pater Lejeune, Redemptorist, uit het Eransch vertaald door een Priester derzelfde Congregatie, gedrukt worde.
J. A. F. KRONENBURG C. Ss. R.
Sup. prov.
Amsterdam, 29 Mei 1898.
I
OPDRACHT
Zijne Dccrluch1iy;c Ilccgwaardigheid Mgr. FRANCISCUS, HUBERTUS BOERMANS,
Bisschop van Roermond,
Bij gelegenheid van het üDiamanten ^ubilé
H. PRIESTERWIJDING.
Jïimamp;mémm !
â¢o
Aan wien zou de Nederlandsche uitgave van Belleïables leven beter kunnen worden opgedragen dan aan Uwe Doorluchtige H oogwaardigheid ?
Reeds het heugelijk feit, het zeldzaam voorrecht van het zestigjarig jubilé uwer H. Priesterwijding was daarvoor meer dan eene afdoende reden. Doch er bestaan nog andere, gansch bijzondere titels voor die kleine hulde.
Is Uwe Doorluchtige Hoogwaardigheid niet, evenals Belletable, een der edelste zonen waarop Venlo met recht her mag zijn? Was Uwe Doorluchtige Hoogwaardigheid niet jaren lang de boezemvriend, de vertrouweling, de steun en raadsman van den Stichter der H. Familie? Heeft die Stichter, heeft die Aartsbroederschap niet ten allen tijde veel, zeer veel
aan Uwe Doorluchtige Hoogwaardigheid te danken gehad? Herinnert Roermonds H. Familie inzonderheid zich niet met dankbare vreugde, hoe zij bij iedere voorkomende gelegenheid haar grijzen Bisschop aan haar hoofd zag verschijnen?
Wat meer is, zouden niet tal van feiten en bijzonderheden uit dit leven voor immer aan de vergetelheid zijn prijs gegeven, hadde Uwe Doorluchtige Hoogwaardigheid niet de welwillendheid gehad, die mede te deelen?
Gewaardig U dan. Monseigneur, tegelijk met onze beste heilwenschen op uw diamanten priesterjubilé, de Nederlandsche bewerking van Belleïables leven te aanvaarden en uwen zegen te verleenen aan
DEN VERTALER.
Aan den Lezer.
Onder de groote mannen, welke God aan de wereld schenkt en welke ten allen tijde, nu hier dan daar, aan den vruchtbaren bodem der Kerk ontspruiten, zijn er eenigen, die door hunne schitterende deugden, door de verhevenheid van hunnen staat of het gewicht hunner zending tot den hoogsten trap van heiligheid opklimmen, terwijl anderen, hoewel evenzeer tot volmaaktheid geroepen, nochtans niet bestemd zijn om het toppunt er van te bereiken.
Tot deze laatsten behoort ongetwijfeld de nederige en eenvoudige kapitein, de bewonderenswaardige Christen, wiens leven wij hier beschrijven.
Weliswaar biedt dat leven twee zeer verschillende gezichtspunten, want Beiletable is een bekeerling. Met den boetvaar-digen koning David, met een H. Augustinus moest ook hij zeggen: âTibi soli peccavi et malum coram te feci: Tegen U alleen heb ik gezondigd en voor uw aanschijn heb ik kwaad gedaanquot;.
Doch is de geschiedenis van een bekeerling niet min of meer ons aller geschiedenis, wanneer wij onze booze lusten involgend, niets anders gevonden hebben dan teleurstelling voor onze verlangens, dan verwondingen voor ons hart, dan een honger der ziel, die door niets ter wereld kan verzadigd worden?
Wij aarzelen dan ook niet, het leven van dezen bekeerling onder zijne beide geheel met elkander strijdige opzichten zonder eenig voorbehoud den Lezer aan te bieden, opdat zij die Bel-
BELLETABLE. 1
letablo in zijne afwijkingen mochten gevolgd hebben, moed scheppen om ook in de boetvaardigheid zijn voetspoor te drukken : â Qui secutus es errantem, sequatur poemtentcniquot;.
Ook generaal La Moricière was een bekeerling; commandant Marceau was een bekeerling; Garcia Moreno was een bekeerling; en toch zijn cr schrijvers opgestaan om hun leven voor het nageslacht te bewaren en daardoor het werk van apostel te verrichten. Generaal de Sonis is geen bekeerling in den strengen zin des woords, doch had ook hij niet zijne zwakke oogenblikken? Was zijn geloof, waren zijne godsdienstige beginselen niet verzwakt in de beide gestichten, waar hij zich tot de militaire school van Saint-Cyr voorbereidde? Verliet hij op negentien jarigen leeftijd niet het sterfbed zijns vaders om zich tegen den Priester te verzetten en hem te beletten zijn stervenden vader bij te staan? En toch leidde hij sedert dien een zoo heilig leven, dat Mgr. Baunard zijn heerlijk talent aan de beschrijving er van wijdde. Heeft eindelijk de beroemde Kériolet, tijdens een nachtelijk onweder, zijn pistool niet geladen en het in doldriftigen overmoed tegen den hemel afgeschoten ? Desniettemin is hij, drie en dertig jaar oud, de bewonderenswaardige boeteling van Auray geworden en zijn ei-minstens vier mannen opgestaan om zijn leven te verhalen.
Al die schrijvers waren, evenals do Kerk, van meening, dat God zijn almacht het meest ten toon spreidt door barmhartig te zijn en te vergeven. Op het voorhoofd hunner helden ontwaarden zij het merkteeken der vcnvonnelingen Gods. In hen zagen zij heerlijke toonbeelden voor zoovele jongelieden, die in den strijd van een kwijnend geloof en van ongetemde driften afgemat en gewond hun bestaan voortsleepen, maar door het beschouwen van zulke heldhaftige voorbeelden zouden worden aangespoord, om edelmoedig uit hun ongelukkigen toestand op te staan en door tranen van berouw en boete die schoonheid der ziel te herwinnen, welke het hart van God bekoort en hen zeiven zoo gelukkig en tevreden maakt.
Ongetwijfeld is het eervol de werken Gods te openbaren en zonder bepaaldelijk de drijfveer dezer levensbeschrijving te wezen, zijn de voorafgaande beschouwingen er toch niet vreemd aan. De voornaamste reden echter is deze:
Eene halve eeuw is het geleden, dat God den edelen Belle-table uitverkoor om te Luik de vereeniging der H. Familie te slichten. Veertig jaren zijn sedert den dood des stichters
voorbij en zijn werk. â Het bestaat niet alleen ; â het bloeit, het heeft zich dermate in verschillende landen verbreid, dat het niet minder dan vierhonderd duizend leden telt. De meesten hunner kennen weinig meer van hun stichter dan den naam. Eenigen weten, dat hij een bekeerd officier is. Anderen, weinig talrijk, hebben in hun handboekje een twaalftal regels gelezen, die aan Belletable zijn gewijd. Ziedaar alles wat men van hem weet. In waarheid kan men dan ook zeggen: De Stichter der H. Familie is door de leden der Aartsbroederschap schier niet gekend.
Zijn bekeering was echter te wonderbaar, zijn godsvrucht te roerend, zijn leven te heilig, zijn ijver te vurig, zijn zending-te duidelijk door God gewild, zijn dood te blijkbaar die van een voorbeschikte, dan dat het niet billijk zou zijn zulk een man te doen herleven voor den geest van zoovele vrome ge-loovigen, die zich kwamen scharen onder het vaandel, dat hij ontplooide. Om echter het beeld van Belletable in zijn volle werkelijkheid voor hun oog te doen verrijzen, waren er getuigenissen, waren er bewijsstukken, waren er bronnen en herinneringen, waren er vooral feiten noodig. Doch na een tijdsverloop van veertig jaren werden deze zeldzaam. Daarenboven is het doel van een levensbeschrijver te stichten. Maar nu rijst de vraag, of zijne tijdgenooten Belletable genoegzaam gekend, of zij hem onder godsdienstig opzicht hoog genoeg geschat hebben? Zij die met hem in dienst waren, zeggen ons: âBelletable was een vroom manquot;, â ziedaar zoowat alles. De wapenmakkers, de vrienden, de vertrouwelingen zelfs van den waardigen kapitein zagen in hem slechts het uitwendige: eene groote goedheid des harten, veredeld door den godsdienst. Dan, dit schetst Belletable niet gelijk hij was; althans niet geheel en al. Innig met God vereenigd, gelijk allen die zich aan het bespiegelend leven wijden, wist ook de godvreezende kapitein zich voor de wereld te verbergen en de schoonste hoedanigheden zijner ziel, het beste deel zijns levens aan het mensche-lijk oog te onttrekken. Men zou dus alle hoop moeten opgeven zulk een inwendig leven te beschrijven, om de onmogelijkheid er de geheime verborgenheden van te peilen en door te dringen tot datgene wat er het beginsel en de drijfveer van was: de liefde tot Jezus Christus ....
En toch was alle hoop nog niet. verloren. Indien Belletable zich eens in vertrouwelijken omgang had doen kennen gelijk
4
hij werkelijk was; indien hij zijn hart eens had uitgestort in enkele harten, die voelden en klopten als het zijne; indien eens eenige zijner geestelijke brieven, die uit de volheid des gemoeds geschreven zijn, waren bewaard gebleven 1. ... Heeft mevrouw Swetchine niet van den beroemden Lacordaire gezegd: âMen kan hem alleen kennen uit zijne brieven!'
O hoezeer zou dit ook van toepassing zijn op Belletable, wiens ziel zich zoo wist mede te deelen!.... Welnu, die brieven bestaan. De Voorzienigheid bewaarde ze veertig jaren lang, terwijl ze vergeten lagen op een zolder in Vlaanderen. Als door een wonder ontkwamen ze aan de vlammen, waartoe zij met eenige andere papieren veroordeeld waren. In die brieven, in vertrouwen en heilige vriendschap geschreven, zonder te vermoeden welk gebruik men er van maken kon, stort de kapitein zich geheel uit, openbaart hij zich, zonder het te willen, zooals hij inderdaad is. Die brieven zijn als zijne ziel; zij bezitten er al de zalving, verheffing, godsvrucht en overtuiging van. Belletable herleeft erin .... hij toont er zich een degelijk man, een man van ware, innige godsvrucht. Hij teekent er zich als een broeder, een echtgenoot, een vader, een teederen vriend, in één woord als een der groote zielen onzer negentiende eeuw. Niets wat beminnelijk is laat hem ongevoelig. Hij bemint de liefelijke natuur, de schoone kunsten, de fraaie letteren. ïwee toekomstige Bisschoppen heeft hij tot vertrouwelingen. Hij bemint het kruis, hij bemint de Heiligen, bij bemint inzonderheid de Koningin aller Heiligen. Jegens de Onbevlekte Maagd koestert hij die kinderlijke godsvrucht, die warme vereering, welke het erfdeel der Heiligen is. Bovenal echter bemint hij de ongeschapen Wijsheid. Velen zullen met ons verbaasd en getroffen zijn bij de onthullingen van dit leven.
Ziedaar de hoofdgedachten van dit werk, hetwelk wij als een bescheiden gedenkteeken ter eere van God en der H. Familie oprichten. In het eerste deel, dat geheel geschiedkundig is, zullen wij Belletables leven verhalen; in het tweede zijne ziel, zoo rijk aan deugden en genadegaven, schetsen. Tot besluit zullen wij eindelijk eene beschrijving geven van zijn heiligen dood en van de dankbare hulde, waarmede de leden der H. Familie zijne nagedachtenis hebben verheerlijkt.
HET LEVEN van
KAPITEIN BELLETABLE.
EERSTE DEEL.
H
EERSTE HOOFDSTUK.
Venlo. â Eerste levensjaren van Belletable (1813â1827).
Zijn vaderland, geboorte, familie, zijne opvoeding en keuze van een
levensstaat.
enlo, destijds op de grensscheiding van Holland en België gelegen, was de laatste twistappel in den politieken strijd van 1830, die de Nederlanden in twee Staten had gescheiden.
Sedert meer dan drie eeuwen onderging die stad keer op keer den geesel des oorlogs, die haar achtereenvolgens aan Spaansch, Oostenrijksch, Hollandsch, Fransch, Belgisch en eindelijk weer Hollandsch gezag onderwierp.
Toen Belletable geboren werd, was zij sinds twaalf jaren bij Frankrijk ingelijfd. Door den vrede van Parijs kwam zij het jaar daarop weder aan de Hollanders, waaraan zij in 1830 door de Belgen ontnomen werd om in 1839 voor goed deel uit te maken van het koninkrijk der Nederlanden.
8
Venlo, weleer eene oude vesting, is gelegen aan de oevers der Maas in Hollandscli Limburg, vier uur ten noorden van Roermond en een uur van de Duitsche grens. Zij bezit eene kleine haven, waarop in Belletables jeugd, toen Pruisen er nog voorraad kwam opdoen van steenkolen uit het land van Luik, eene vrij drukke vaart was. Hoewel de handel er zich sedert de laatste tientallen van jaren belangrijk heeft uitgebreid, kan Venlo toch nog niet in den eigenlijken zin van het woord een handelsstad genoemd worden. Een der voornaamste tak-ken van bestaan is nog steeds de tuinbouw en de verkoop van groenten voor het naburige Duitschland.
Het is een net stadje. De bevolking is zeer goed, werkzaam en godsdienstig; de priester geniet er eene hooge achting. Niet altijd echter stond Venlo in zoo goeden dunk ; vóór de beroemde missie, door de Paters Redemptoristen in 1836 aldaar gepredikt, was het geheel anders. Het garnizoen van dien tijd deelde helaas! de besmetting van goddeloosheid en zedenbederf aan de stad mede. De vermaarde pater Bernard, die van 15 tot 31 Januari 1836 een groot deel had aan gemelde missie, schreef kort te voren daaromtrent het volgende : âDeze missie âzal naar alle waarschijnlijkheid belangrijk worden. âVenlo is eene vesting, en in eene vesting wil nog wel âeens wat onkruid wassen. Vele hinderpalen zijn in den âweg gelegd om de missie te doen mislukken; ik hoop âechter, dat met Gods genade ook deze gewichtige âmissie slagen zal. En hoe moeilijker de strijd, hoe âblijder de victorie.quot; 1)
Inderdaad, er viel te strijden en hevig, zooals wij later zullen zien; doch de vruchten der missie waren bij al die tegenkantingen niet minder overvloedig. Men
') Mgr. Lans. Leven van Pater Bernard, blz. 136.
9
zag des avonds om 11 uur reeds personen aan de kerk staan om des morgens te 4 ure het eerst aan den biechtstoel te kunnen zijn, terwijl 23 tot 28 priesters bezig waren om het H. Sacrament Min Boetvaardigheid toe te dienen.
Weldra dan ook keerde de godsdienstzin meer en meer terug. De schoone en ruime St. Martinuskerk, die ten tijde van Belletable erg vervallen was, werd in 1870 hersteld en van een nieuwen toren en eene merkwaardige portiek voorzien. In deze kerk is tevens een gedenk-teeken opgericht voor kapitein Belletable, met wien wij den Lezer thans nader bekend moeten maken.
Hcnricus Hubertus Belletable werd den 8sten April 1813 te Venlo uit godsdienstige ouders geboren. Zijn vader, Doviinicus, afkomstig van Heinsberg in Pruisen, waar hij ten jare 1770 het levenslicht aanschouwde, bezat aldaar een drogisterij. Wijl echter het kleine, bevallige stadje destijds slechts 1,700 inwoners telde, meende hij te Venlo, dat een veel aanzienlijker bevolking had, vooruitzicht te hebben op een winstgevender betrekking. Daarom zeide hij vaarwel aan zijn vaderland en aan de schilderachtige boorden der Roer, die het dal van Heinsberg besproeit, en vestigde zich aan de oevers der Maas. Vond hij er ook al geen fortuin, hij ontmoette er eene vrouw naar Gods hart.
Den 21sten November 1799 huwde hij de 23jarige Dorothea Timmermans, dochter van een logementhouder, die vroeger burgemeester van Venlo geweest was. De jeugdige echtgenooten vestigden zich in de Vleesch-straat, eene der drukste standen der stad. Uit hun huwelijk werden acht kinderen geboren: Bernard, Josephine, Johan, Dominicus, Maria, die kort na hare geboorte stierf, Louis, Henri en Maria. Deze laatste, geboren in 1815, leeft nog en woont te Tilburg bij
10
haar zoon den heer Lommen. Met schier gelijke tus-sehenruimten was de kleine familie toegenomen en groeide zij op, zeer levendig, zeer verschillend van natuur en karakter, doch één van hart. Zoo ontwikkelde zij zich onder het oog van het kruisbeeld in een schoon en ruim huis met groene luiken.
Het gelaat der ouders was echter minder opgeruimd, hunne vreugde minder opgewekt dan die der kinderen. Dominicus en Dorothea hadden tot dan toe slechts goede dagen gekend. Belletable bewaarde zorgvuldig een zegel met familiewapen, dat hem, zooal niet aan adeldom, dan toch aan eene zekere weelde herinnerde, die ongelukkigerwijze verdwenen was. Zijne vrouw had haren vader gekend toen hij de eervolle betrekking van eersten magistraat in Venlo bekleedde. Beiden waren in welstand opgevoed, doch thans achteruitgegaan. De apotheek in de Vleeschstraat was weinig beklant. Het huisgezin, dat bijna ieder jaar vermeerderde, had dra het kleine kapitaal doen slinken en de inkomsten waren niet geëven-redigd aan de uitgaven. Kommer teekende dan ook het voorhoofd des vaders en stille tranen, die zij niet altijd kon weerhouden, bevochtigden bijwijlen de oogen der moeder. Reeds voorzagen zij den dag, waarop zij hunne kinderen geen andere schatten zouden kunnen aanbieden dan die van opoffering en liefde. '
Als eene sterke, echt christelijke vrouw stond de heldhaftige moeder iederen morgen tegen vijf uur op, begon den dag met een vurig gebed, woonde de heilige Mis bij en wijdde zich vervolgens met alle vlijt aan de zorgen van het huishouden. Zij schafte zich wol en hennep aan en bewerkte die met de grootste vaardigheid. Intusschen vormde de vader een stout plan en bereidde zich tot een groot offer, dat hij weldra zou brengen.
De Nederlanden bezaten alstoen uitgestrekte en rijke
11
bezittingen in Indië. Hollanders en Belgen vonden er gelegenheid om Inm krijgsmoed ten toon te spreiden en de laatsten namen zoowel als de eersten ruim deel aan de gevechten, waarin de inlandsche vorsten werden ten ondergebracht 1). Voor deze krijgstochten werden alleen soldaten aangenomen. Het land deed voorstellen aan ingenieurs, geneesheeren, apothekers enz. Deze laatste waren onder anderen belast met het onderzoek van de eigenschappen der planten in de kolonies. Dominicus Belletable oordeelde de gelegenheid gunstig om er de fortuin te beproeven en achtte zich verplicht om, ten koste een er wreede scheiding en van ernstige gevaren, daalde noodige middelen te zoeken tot onderhoud van zijn huisgezin tegelijk met eene toekomst voor zijn oudsten, thans achttien jarigen zoon.
Op den bepaalden dag hoorde hij met de zijnen de H. Mis, beval zich aan God, omhelsde zijne vrouw en elk zijner kinderen, zegende hen en rukte zich los aan hunne omarmingen. Slechts Bernard, die den krijgsmansstand gekozen had, nam hij met zich ; beiden brachten het offer van een vaderland, dat hun dierbaar was en dat zij, helaas! niet zouden terugzien.
Henri was vijf jaar oud, toen hij met betraande oogen zijn vader uit Venlo zag vertrekken. Het zou de moeite waard zijn de bijzonderheden te kennen, die zijn jeugdigen leeftijd kenschetsten, want voor het scherpziend oog teekent zich in het kind reeds de man, zooals hij later wezen zal. Doch de jongste zuster van Belletable is reeds in de tachtig en na zoovele jaren zijn hare kostbare herinneringen, jammer genoeg, zeer beperkt.
De knaap was welgevormd. Alles deed vermoeden
quot;) Een Belg, kolonel Dc la Fontaine, verkreeg de onderwerping van den Sultan van Palembang. Een ander Belgisch officier, luitenant-kolonel De Bast, onderscheidde zich in den veldtocht van Celebes.
(Kolonel Rouen, blz. 30).
glii
li
lil â - .v.
li
: '
i$i ;fs8v 9!*ïa;
I'S;.'
UÃ,, quot; ,:SM
â-
12
dat hij eenmaal eene deftige gestalte zou hebben. Zijn open gelaat was bloedrijk getint. Zijn blik was zacht evenals zijn inborst, zijn uiterlijk droeg den stempel van een ernst, zooals men bij een kind nauwelijks verwachten zou. Zijne godvreezende moeder, die eene bijzondere liefde voor haren Benjamin koesterde, leerde hem van jongs af aan de handjes vouwen en geknield zijne gebeden storten voor een kruisbeeld. Geruimen tijd viel hem het voorrecht ten deel de gebeden voor en na tafel luide voor te bidden.
Negen maanden na het vertrek zijns vaders, dompelde eene treurige tijding moeder en kinderen in rouw. Bernard, die in Indië reeds den graad van onderofficier verworven had, was doodelijk gewond in een gevecht tegen de inboorlingen. Door een vergiftigden pijl getroffen, stierf hij in de wreedste smarten. De vader, apotheker te Batavia, kende zeer goed de gevaren waarin zijn zoon verkeerde; nochtans was de slag, ofschoon niet geheel onverwacht, er niet minder zwaar om. Van droefheid overstelpt, berichtte hij de noodlottige tijding aan zijne vrouw, wier overgroote smart men gemakkelijk kan beseffen.
De genade toch ontneemt geenszins de gevoeligheid aan het moederhart en dat hart bloedde, toen zij der
verzamelde familie moest bekend maken: âBernard----
uw oudste broeder.... is dood.quot;
Althans kon de ongelukkige moeder zich troosten met de gedachte: âVan zijne geboorte af heb ik hem aan God toegewijd; ik heb zijne schreden steeds gericht naar de kerk; van zijne moeder heeft hij slechts goede voorbeelden ontvangen en, hoeverre hij ook van mij verwijderd was, mijne gebeden hebben hem altoos gevolgd!quot;
Die vroegtijdige dood deed de moeder nog beter de waarde beseffen van de zorgen, waarmede zij hare kinderen in de vreeze des Heeren opvoedde.
In die christelijke omgeving nam de jeugdige Henri toe in jaren en in wijsheid, zonder zich evenwel door eene meer dan gewone godsvrucht te onderscheiden. Hij bezocht te Venlo de school voor middelbaar onderwijs en mevrouw Belletable had de geruststellende verzekering dat de meester, die katholiek was, niet zou afbreken wat zij had opgebouwd. Belletables opvoeding was steeds christelijk. Daar hij van eene bedaarde inborst was, wijdde hij zich zonder moeite aan de studie en legde daarbij een ernst aan den dag, die op dien leeftijd maar al te zeldzaam is. Ook maakte hij betrekkelijk snelle vorderingen. Later leerde hij den catechismus bij den eerwaarden heer kapelaan Van Geleuken, die hem ook tot de eerste heilige Communie voorbereidde. Henri was elf jaar oud, toen deze schoone dag voor hem aanbrak. Hij ontving den God zijns harten voor de eerste maal in de St. Mar-tinuskerk, uit handen van den achtenswaardigen deken, M. van Veulen.
De vreugde door deze heugelijke gebeurtenis in de familie Belletable gebracht was niet van langen duur. Een verlies veel gevoeliger dan het eerste, stortte haar andermaal in diepen rouw. Zes jaren waren voorbij sedert de vader naar Batavia, de hoofdstad van Java, vertrokken was. Van daar zond hij geregeld het grootste gedeelte van zijn traktement aan zijne vrouw, toen onverwachts een brief uit Samarang te Venlo aankwam, welke een stroom van tranen zou doen vloeien. Dominicus Belletable was gestorven! De tering had hem in genoemde stad ondermijnd. Welk een harde slag voor de weduwe en hare zes weezen! Om hem met geduld en gelatenheid te aanvaarden, had de ongelukkige moeder al den heldenmoed noodig, dien het geloof alleen schenkt. Zij toonde echter in staat te zijn voor zulk een offer. Terwijl zij den dierbaren overledene haar gebed en hare tranen
14
wijdde, stelde zij al haar vertrouwen op God. En tie Voorzienigheid verliet noch de weduwe, noch de weezen. De Staat, in wiens dienst Belletable gestorven was, kende hun een pensioen toe van 550 gulden. Dit was genoeg om de ellende te bezweren en der heldhaftige moeder de verdienste der armoede te laten, waarin zij zich wist te schikken. Zij verliet de welingerichte woning in de Vleesch-straat en betrok een eenvoudiger verblijf in de St. Nico-laasstraat. Intusschen bleef mevrouw Belletable getrouw aan al hare oefeningen van godsvrucht: âMijne moeder was zeer godsdienstig,quot; zoo schrijft hare dochter, âen iederen morgen gingen wij naar de heilige Mis.quot;
Het ongeluk dezer waarlijk groote, christelijke vrouw trof het hart van eenige weldadige familiën, die haar op kiesche wijze te verstaan gaven, dat zij altijd op hunne hulp kon rekenen. Dit gaf aanleiding tot het volgend voorval. Toen Henri dertien jaar oud was, zond zijne moeder hem met een brief naar het kasteel van Baarlo, dat een uur van de stad gelegen en door de edele familie Van Erp bewoond was. Toen hij op de binnenplaats kwam, viel de waakhond hem aan en verscheurde zijn kleederen. De kleine bode kwam met den schrik vrij en, ten einde hem schadeloos te stellen voor den uitgestanen angst, zond men hem huiswaarts met een nieuw pak en met een gift voor zijn moeder bovendien.
Henri volgde nog immer de lessen van het middelbaar onderwijs. Ondanks de woelige omgeving, waarin hij zich bevond, bleef hij echter eer nadenkend dan opgewekt, en ofschoon hij gaarne uitstapjes deed in de hei en de dennenbosschen langs de Pruisische grens, bewaarde hij toch steeds een ernst boven zijne jaren, zoodat zijne moeder hem meermalen zeide; âGij zult nog gek worden van al uw ernstig denken.quot; Hij was inderdaad zoo ernstig, dat hij soms aan ziju jongste zusje hare liehtzin-
â i
nigheid verweet en haar vermaande om stemmiger te zijn.
Dank aan deze neiging en aan zijn studie-ijver, ontving hij eene meer dan gewone kennis van de lagere wetenschappen. Ook had hij eene bijzondere voorliefde en een gelukkigen aanleg voor het teekenen, waarin hij snelle vorderingen maakte.
Wat zijne godsvrucht aangaat, nooit had de moeder opgehouden deze in de ziel van den knaap te ontwikkelen. En beter dan sommige zijner broeders beantwoordde hij aan hare moederlijke zorgen. Dan, terwijl zij de schoonste verwachtingen van hem koesterde, vergat zij toch niet, dat ook hij een kind van Adam was. Onder dat frissche gelaat, zoo dacht zij bij zich zelve, onder die bevallige manieren en dien open blik gisten reeds de driften; daar zetelen de begeerlijkheid des harten en de opstand van den wil; daar schuilt het vuur der hartstochten, die heden smeulen, maar morgen wellicht in feilen brand zullen uitslaan!,.. Morgen, ja, zoodra die jongeling, zich verwijderend uit den kring der zijnen die hem zoo oprecht en teeder beminnen, op eigen wieken zal willen drijven, verre van dat toevluchtsoord voor zijne deugd en zijn geluk.
De moeder had goed gedacht; de toekomst zou maar al te spoedig haar moederlijk doorzicht bevestigen.
Henri had zijn vijftiende levensjaar bereikt. Hij bezat eene slanke gestalte ; zijn gelaat, minder opgezet dan voorheen, deed beter de familietrekken uitkomen en bewaarde zijn hoogroode kleur. Hij verheugde zich in dat aangenaam uiterlijk, dat het kind van goeden huize kenmerkt. Zacht waren zijne gelaatstrekken. Zijn blik verraadde geen verheven verstand, maar wel eene groote goedheid; het hart behield in hem de bovenhand.
Het oogenblik was gekomen waarop de jongeling een
16
levensstaat moest kiezen .... doch welke zou die staat zijn ? Wat zou hij worden ?
Zijne moeder was niet rijk. Onmogelijk kou zij zich al de offers blijven getroosten, die zij reeds 15 jaren lang voor hem gebracht had. Henri zelf wilde er een einde aan maken ; doch hoe zou hij bij gebrek aan middelen een verlangen kunnen bevredigen, â zoo natuurlijk in een ontwikkeld jongeling â het verlangen om voor zich zeiven te zorgen en zich eene toekomst te scheppen ? Venlo was eene kleine vesting, waar men als bij iederen stap een krijgsman ontmoette. De gedachte om soldaat te worden kwam derhalve geheel natuurlijk bij den jeugdigen Belletable op als de oplossing van het vraagstuk, waarvoor hij stond.
Hij besloot daarom deze loopbaan te kiezen, niet omdat hij er neiging toe gevoelde, maar uit overtuiging. Die keuze was dan ook, zoo niet de zekerste of de beste, dan toch de eenvoudigste. Zijne moeder evenwel had alle moeite om het te gelooven. Wat kon haar Henri er bij winnen, als hij de hartelijkheid van het ouderlijke dak, dat zooveel zoetheid en teederheid besloot, verwisselde tegen de kazerne, waar losbandigheid en snoeverij den boventoon voeren ?
Doch nood breekt wet. De moeder stemde toe en, terwijl zij haren jongsten zoon langs den langen, met boomen beplanten weg tot in het gezicht van Roermond vergezelde, sprak zij tot zich zelve: âZullen er nog ooit dagen voor hem aanbreken, zoo zoet en zoo gelukkig als de dagen, die hij doorbracht in het ouderlijke huis onder de teedere zorgen zijner moeder ? En toen zij van hem scheidde om hem verder alleen den weg tot Maastricht te laten afleggen, gaf zij hem hare laatste vermaningen. Ongetwijfeld waren het in hoofdzaak dezelfde als die de moeder van Bayard bij het afscheid
17
tot den toekomstigon held richtte ; âPierre, mijn vriend.quot; sprak zij met al de innigheid, waarmede eene moeder haar kind vermanen kan, âik beveel n drie zaken aan âen zoo gij deze onderhoudt, wees dan verzekerd dat âgij zegevierend zult leven in deze wereld. De eerste âis, dat gij naar best vermogen God boven alles bemint, âvreest en dient, zonder Hem ook maar in het minst âte beleedigen ; want Hij heeft ons allen geschapen en âdoet ons leven; Hij zal ons zalig maken en zonder âHem en zijne genade kunnen wij geen enkel goed werk âverrichten in deze wereld. Beveel u iederen morgen en âiederen avond aan Hem en Hij zal u helpen.quot;
/â fll #
Jil
iiilp
i â¢
ï
BELLETABLE.
TWEEDE HOOFDSTUK.
Maastricht (1827â1830).
De vrijwilliger. â De korporaal-fourier. â Het garnizoen. â De stad. -Het gebed eener moeder. â Een profetisch overzicht. â De revolutie.
en geest vervuld van droomen voor de toekomst en van allerlei luehtkasteelen der , jeugd eigen, kwam Henri Belletable den 12den October 1827 te Maastricht. Evenals Venlo was Maastricht eene versterkte stad, insgelijks aan den oever der Maas gelegen en door vestingwerken verdedigd. Evenals Venlo was zij door wallen ingesloten, door poorten en ophaalbruggen omgeven en vol soldaten.
Het garnizoen bestond uit veld- en vesting-artillerie, uit een afdeeling dragonders, een escadron kurassiers, een compagnie gendarmen en de eerste divisie infanterie, zonder den generalen staf en de zes compagnieën der schutterij mede te rekenen. Deze verschillende wapens vormden eene bezetting van 4000 man.
Den 13den October, feest van den heiligen koning
19
Eduard, teekeude de jeugdige vrijwilliger voor acht jaren in dienst der Nederlanden en werd als soldaat bij de 14° afdeeling infanterie ingelijfd ').
Onder godsdienstig opzicht was de overgang van het ouderlijk huis naar de kazerne vrij sterk, evenals die eener jeugdige plant, welke men al te vroeg uit de warme broeikas in den kouden grond o var brengt. De jeugdige ziel, die tot dan toe slechts de godvreezende omgeving van het huiselijk leven gekend had, werd eensklaps veroordeeld om de besmetting van het kwaad in te ademen.
Hoe braaf een knaap van 15 jaar ook zij, in werkelijkheid is hij nog een zwak en weerloos kind ; hoe deugdzaam men hem ook veronderstelle, hij is niettemin zonder ondervinding en des te gemakkelijker te verleiden, naarmate hij eenvoudiger en lichtgelooviger is. Al heeft zijne moeder hem nog zoo zorgvuldig opgevoed, eenmaal soldaat geworden, (lod weet in welke omgeving hij zal moeten leven, leven iederen dag en dat jaren lang. De kleine voorraad van' goede gewoonten, van godsdienstig onderricht, van zorgvuldige en christelijke opvoeding, is vaak een al te geringe ballast om te voorkomen, dat het scheepje zijner ziel in de aanhoudende en dikwerf hevige slingeringen der zee, die hij moet oversteken, worde omgeslagen.
') Onder dc stukken zijner uitrusting tcekenen wij aan : de blauwe broek met rood biesje; de blauwe jas met witten kraag, do groote naar boven steeds breeder opgaande schako en hot vuursteongeweer. Zijn dienst- of zakboekje, in eene lange ronde blikken bus opgerold, droeg bet volgend opschrift:
14e Afdeeling Infanterie,
2do Bataillon â 3do Compagnie.
Letter N.
Dionstboekje van den fuselier Belletable, Henri Hubert.
13 October 1827.
Dat boekje was zijn koten.
20
De afdeeling der infanterie moest weliswaar iederen Zondag, onder geleide van den dienstdoenden officier, de Mis van elf uur in de Sint-Servaas bijwonen, maar de protestantsche soldaten moesten insgelijks op dezelfde wijze naar de godsdienstoefening van tien uur in hunnen tempel Wel moesten ook de soldaten op Asch-woensdag en Goeden Vrijdag vleesch derven, doch dit geschiedde op voorschrift, volgens militaire tucht en volgens de koude letter der wet; de geest echter was ongodsdienstig, vooral onder de hoogere militaire rangen, en in de eetzaal der minderen kruidde men den mageren disch met boerterijen van den laagsten smaak.
Om dien noodlottigen invloed onschadelijk te maken, legde onze jeugdige soldaat zich met hart en ziel op de studie der krijgskunst toe ; niet dat er te Maastricht eene regimentsschool was, maar men trachtte deze aan te vullen door afzonderlijke lessen aan de recruten te geven. Belletable maakte zulke goede vorderingen, zoowel in het wetenschappelijk gedeelte als in de theoretische en practische lessen van den wapenhandel, dat hij na verloop van acht maanden den graad van korporaal verwierf. Deze bevordering geschiedde den 22stequot; Juni 1828. Men zou geneigd zijn daarin een lokaas te zien voor de drievoudige begeerlijkheid, want onze vijftienjarige brigadier zag thans zijne soldij vermeerderd, twee strepen van gele wol versierden zijn arm en drie duizend militairen te Maastricht moesten voor hem aanslaan. Belletable was uiterst zindelijk; bij het uit- en inpakken wist hij de zaken ordelijk en netjes te rangschikken en schreef daarenboven eene schoone hand. Dit was voldoende om de aandacht zijner overheden
') Hen tiende gedeelte van Maastricht was destijds Calvinist.
21
op hem te vestigen en zes weken later, den 6den Augustus 1828, ontving hij de fouriersstrepen.
Henri deelde zijne moeder deze bevordering en de spoedig daarop gevolgde onderscheiding mede, doch naar onze meening maakte de vreugde, die zij er door ondervond, weldra plaats voor eene geheime smart. Onder godsdienstig opzicht gaf haar zoon haar geen inlichtingen die voldoende en juist gunstig waren om hare vrees te verdrijven, en al wilde zij ook gaarne aannemen, dat hij zijn geloof altoos zou bewaren, zij maakte zich nochtans beducht voor zijne zeden. Dat gevaar dreigde dan ook maar al te zeer. Het kwam van den kant zijner kameraden en van hen die onmiddellijk over hem gesteld waren. Aan eene vroegtijdige onzedelijkheid paarden velen een volslagen goddeloosheid. De jongeling liep des te meer gevaar van ten gronde te gaan, wijl men te zijnen tijde en in zijne omgeving alles aanrandde en ontkende. Geloof, godsdienstige gebruiken, eerbied voor den priester, rechtschapenheid en de meest gewone eerbaarheid, dat alles zonk rondom hem weg.
De. stad Maastricht zelve bood in die dagen ook al zeer weinig wat het godsdienstig gevoel kon onderhouden of opwekken, weinig wat het aanzien van het katholiek geloof kon verhoogen. Men veroorlove ons hieromtrent eene kleine uitweiding.
Van de tien kerken, die vroeger Maastrichts glorie uitmaakten, waren er negen voor den eeredienst gesloten.
De kerk der Dominicanen was in 1804 dichtgemetseld en diende tot fabriek en bergplaats van brandspuiten. In de gebouwen van het klooster werd eerst eene centrale school, later het athenaeum gevestigd â ').
De kerk der Minderbroeders, een hecht en fraai
') Habets: Geschiedenis van het Bisdom Koermond, III, blz. 541 en 680.
22
gebouw, was sedert het ongeluksjaai' 1796 van hare kloosterlingen beroofd en tot paleis van justitie ingericht.
De Augustijnerkerk was sedert drie jaren bestemd tot school voor onderling onderwijs, nadat zij eerst dertig jaren lang tot bergplaats van granen en hooi gediend had. Thans is zij eene stedelijke armenschool 'j.
De kerk en het klooster der Bogaarden of leden dei-Derde Orde van den H. Franciscus was het eigendom van eenige particulieren geworden.
De kerk en het klooster der Kruisheeren, in 1797 opgeheven, werden in kazerne veranderd en vormden thans de bakkerij van het garnizoen a).
Het klooster der Cellebroeders of Alexianen diende sedert 1822 tot bank van leening.
De kerk der Jezuïeten was sedert 1787 in theater en balzaal veranderd 1).
De kerk en het klooster der Capucijnen waren niet minder ontheiligd; zij dienden tot kazernen en tot magazijnen der troepen.
De oude en ruime Lieve-Vrouwekerk eindelijk werd eerst gebezigd als werkplaats der smeden en wagenmakers van het Fransche leger en maakte later deel uit van het arsenaal.
Overal zag men den gruwel der verwoesting in de heilige plaats. Overal hadden de staatsambtenaren en soldaten de monniken verdrongen; godslastering en oneer-
1
) In 1748 toonden de Franschen, te Maastricht in garnizoen, hunne ontevredenheid, dat er in de stad geen vaste schouwburgen waren; zij boden aan op eigen kosten een troep komedianten uit Frankrijk te doen komen, als liet bestuur hun een lokaal wilde afstaan. Het bestuur stemde toe en stelde de manege ten dienste der officieren. Na het vertrek der Franschen deed de stad de zaal verfraaien. Een blijvend gezelschap speelde er de beroemd-te stukken der Fransche meesters van dien tijd. In 1787 werd een nieuwe zaal ingericht in de kerk der Jezuïeten, die voor 10.000 gulden was aangekocht.
23
bare liederen werden gehoord in plaats van psalmgezangen en gebeden, en in de kerk der Jezuïeten, waar theaterstukken werden opgevoerd, droeg het Hollandsch garnizoen meer dan de helft der ontvangsten bij.
Dusdanig was de toestand te Maastricht, toen de jeugdige Belletable er zijne zaligheid in gevaar kwam brengen door er eene toekomst te zoeken.
Het voorbeeld door de opperhoofden gegeven, vermeerderde niet weinig het kwaad dat deze toestand medebracht. Om slechts enkele namen te noemen: kolonel Brade, bevelhebber der plaats, was protestant; Dihhets, die later tot baron verheven werd, was insgelijks protestant ; Daine, generaal-majoor bij het provinciaal bestuur van Maastricht, beleed weliswaar den katholieken godsdienst, maar zou weldra te Brussel eene plaats onder de Vrijmetselaars innemen.
Wij weten niet, in hoeverre onze jeugdige soldaat de aanlokselen der ondeugd en den noodlottigen invloed van het slechte voorbeeld heeft weerstaan; evenzeer is het ons onbekend, welke zijne eerste stappen waren op de glibberige helling, die tot wellust voert, doch weldra zullen wij vernemen, dat hij er ten slotte in verviel.
Later zal deze andere Angustinus, tot God wedergekeerd, zijne fouten uit nederigheid grooter gaan voorstellen dan zij werkelijk zijn; dan zal hij schrijven: âIk wandel, maar ik wandel als in het slijk; vraagt ,daarom den Heer dat Hij mijne voeten wassche, maar âook het hoofd en het hartquot; 1), ofschoon er dan slechts sprake zal zijn van kleine smetten; thans echter is hij er niet verre af van in het slijk der zonden voort te schrijden, terwijl hij het wellicht minder vermoedt, daar de hartstocht hem verblindt en de wereld hem voor-
') 25ste brief aan de dames Van Biervliet, Februari 1854.
24
houdt dat hij wandelt op een pad met bloemen bestrooid. | 1
Meer dan twee jaren verliepen er, zonder dat een . on? nieuwe graad zijn leven in de kazerne kwam wijzigen. gek Misschien was hij te jong om bevordering te maken, | dez misschien ook was de natuurlijke afkeer tussehen Belgen en Hollanders tijdens de vereeniging dezer twee landen er niet vreemd aan. Franschman door zijn naam, was Belletable Belg van oorsprong, in zooverre Venlo behoorde tot het afgestane gedeelte.
Terwijl hij alzoo de strepen van korporaal-fourier droeg en deze op regelmatige tijden vernieuwde, legde hij zich toe op de Fransche taal, welke hij later zoo b zuiver zou spreken en schrijven. Trouwens deze was hem onmisbaar, wijl hij noodzakelijkerwijze vele Walen onder zijne wapenmakkers telde.
Tntusschen verloor zijn karakter dien vroegtijdigen ernst, waarvan zijne moeder hem eertijds een grief gemaakt had. De jongeling begon zich vrijer aan te stellen en, ofschoon hij getrouw bleef aan den godsdienst zijner moeder, des Zondags de heilige Mis bijwoonde en, voor zoover wij weten, zijne paaschplichten vervulde,
werden zijne gebeden toch zeldzamer en vooral korter____
echte soldatengebeden. Evenwel bewaarde hij, onder een losser uiterlijk en lichtzinniger manieren, liefde voor den arbeid, lust voor de studie, zorg voor zijne toekomst, en, â tot zijne eer zij het gezegd, â eerbied voor zijne moeder.
Ook vergat zijne moeder haar kind niet. Dagelijks bleef zij de H. Mis bijwonen, dagelijks ook bidden voor hare zonen, van welke er zich twee aan de gevaren van den krijgsmansstand hadden blootgesteld 1).
.
') Terwijl de jeugdige Henri dienst genomen had onder de infanterie, had zijn broeder Dominicus de voorkeur gegeven aan de dragonders te Mechelen.
I
25
Welk uitwerksel hadden deze vurige gebeden voor onzen toekomstigen kapitein? Eenmaal tot dien rang geklommen, zal hij zelf aan eene uitverkoren ziel deze regels schrijven: ,Tk verzoek U nogmaals: bidt, ..want evenals een zandkorreltje de balans kan doen âoverslaan, zoo is een enkel vurig gebed uwerzijds wellicht genoeg om den goeden God te bewegen, dat Hij âzich geheel en al van mij meester makequot; ').
Welnu, de vurige gebeden, welke zijne moeder voor hem stortte, deden de weegschaal te zijnen gunste overslaan, gelijk weleer die der H. Monica ten gunste van haren zoon Augustinus. Het lag in Gods aanbiddelijke raadsbesluiten, dat Belletable de grondslagen zou leggen der H. Familie, de grondslagen namelijk eener godvruchtige Vereeniging, die thans -400.000 leden telt. Zou Maastricht, waar zich op het oogenblik 1500 personen van beiderlei geslacht onder den standaard van dit wonderbaar werk geschaard hebben, zou Maastricht zeventig jaren herwaarts hebben kunnen vermoeden, dat zich in hare muren, in een harer kazernen, de man bevond dien God had uitverkoren om deze banier des vredes te planten ? Had zij toen kunnen veronderstellen, bij liet gezicht van dien jeugdigen soldaat, destijds meer bezorgd om het droombeeld van krijgsroem na te jagen dan om zijne ziel te redden, dat een werk door hem gesticht haar later in de dagen der werkstaking zou behoeden voor de onheilen van het socialisme?
En toch zou het zoo wezen. Ziehier wat een Belgisch dagblad, de âJournal du Limhouryquot; daarover schrijft:
âOp een avond in de maand April 1S86, toen een âwerkstaking het land van Luik en Charleroi met
') 19de brief aan de dames Van Biervliet, September 185S.
26
â¢
âschrik en angst vervulde, werd de anders zoo rustige âstad Maastricht eensklaps in opschudding gebracht âdoor een troep lieden, die als banier een rood vaandel âdroegen en als trompet liet gerinkel bezigden der glasruiten, die onder een regen van steenen in stukken âvlogen. Zij kwamen het terrein verkennen, doch be-.merkten spoedig, dat Maastricht nog niet rijp was âvoor werkstaking en oproer.
âEn waaraan beeft liet Maastrichtsche volk het te âdanken, dat het gespaard bleef voor de woeste toonee-âlen, waarvan Luik het schouwspel was? Wie heeft er âden gewapenden arm des werkmans tegengehouden? âVolgt mij naar gindsche gothische kerk van Sint-âMathias. Honderden mannen heb ik zien binnentreden. âPe laatste tonen van een lied waren onder de gewel-âven weggestorven, toen ik een priester den predikstoel âzag bestijgen. In eenvoudige, duidelijke, maar diepge-âvoelde woorden ontwikkelde hij voor zijne hoorders âwelke plichten zij te vervullen hadden als huisvaders, âals werklieden en als burgers. Dank aan dezen Priester âheeft de Maastrichtsche werkman weerstaan aan de âverleidende en opruiende taal zijner medearbeiders. âDeze Priester is de bestuurder der H. Familie, deze âhonderden mannen zijn de leden der Aartsbroederschap | âonder bescherming van Jezus, Maria, Jozef, voor âwie de naam en de herinnering van Belletable steeds ^ âin zegening blijven.quot;
..
Doch keeren wij tot onzen korporaaHourier terug. Negen en twintig maanden geleden had hij dien graad verworven en nog wacht hij tevergeefs op de strepen van onderofficier. Wij zijn in 1830. Eensklaps breekt te Brussel het oproer uit; door geheel België geraken de gemoederen in gisting; de gebeurtenissen volgen elkan-
i
27
der in overijling op, de groote steden der provinciën richten zich naar het voorbeeld der hoofdstad, de een-heid der beide landen is verbroken. De omwenteling dwingt de garnizoenen der Belgische vestingen zich bij verdrag over te geven ; Ath gaat den 27sten September over, Bergen den 29st,3n, Doornik den 30sten, Namen den 2lt;len October, Philipsstad den 3c,f'n, Mariënburg den 4den, Charleroi den 5den, de citadel van Luik den 6den, en het gevolg van al deze overgaven is, dat de Belgische soldaten, die zich in het land bevinden, in menigte overloopen. ïe Maastricht o. a. sluit de helft van het regiment, voornamelijk de dragonders, zich bij België aan; het Hollandsch leger wordt ontbonden en den 30sten November keert Henri Hubert Belletable, ontslagen van zijn eed en afgedankt, naar Venlo terug.
DERDE HOOFDSTUK.
Luik (1831â1837).
Een christelijk huisgezin. â Belgische dienst. â Tiendaagsche
veldtocht. â De kazerne âder Engelsohenquot;.
-
[e meeste Heiligen hebben hunne deugd en hun geluk te diinken gehad aan eene god-vreezende moeder. Genoeg zij het hier te noemen een H. Monica en H. Augus-tinus, een Blanca van Castilië en H. Lodevvijk, een Mevrouw de Boisy en een H. Franciscus van Sales, een donna Anna Cavalieri en een H. Alphonsus. Gelijk wij bereids zeiden, was de moeder van Belletable eene echt christelijke vrouw, wier deugd de nederige woning der St. Nieolaasstraat heiligde en zich afspiegelde in twee godvreezende dochters, die ouder haar oog opgroeiden. De Voorzienigheid schonk derhalve eene groote genade aan den jeugdigen soldaat, toen Zij hem voor eenige maanden in den hui-selijken kring deed terugkeeren. Of Henri deze weldaad besefte ? Wij weten het niet. Op vijftienjarigen leeftijd
29
had hij zich geheel alleen in het midden der wereld verplaatst gezien; drie jaren lang had hij, zelf zijn scheepje richtend, door klippenen gevaren heen gezeild. Te huis weergekeerd, had hij andermaal het stichtend schouwspel van een christelijk huisgezin voor oogen.
Niet alleen zijne moeder woonde nog iederen dag het heilig Misoffer bij, maar ook zijne oudste zuster Josephine, die hij later noemen zal âde heiligste persoon, die hij kent,quot; en zijne zuster Marie, die thans zijne lessen van ernst niet meer behoefde, maar ze hem op hare beurt kon geven. Hij, haar oudere broeder, nam iederen dag deel aan haar gemeenschappelijk gebed en verzuimde nooit des Zondags met haar de godsdienstoefeningen in de parochiekerk bij te wonen.
Terwijl intusschen de Mogendheden over de scheiding van Holland en België onderhandelden, wachtte Belle-table de gebeurtenissen af; hij las, slenterde rond en haalde zich waarschijnlijk allerlei droombeelden in het hoofd. Mag men geloof slaan aan het getuigenis van een tijdgenoot, die nog te Venlo woont, dan leverde dit verblijf van Belletable in zijne vaderstad een bewijs van zijne losse zeden. En toch was hij nauwelijks achttien jaar oud! Maar dit is juist de leeftijd, waarop de jongeling het meest getrokken wordt tot zinnelijke genoegens en waarop hij den felsten strijd te voeren heeft tegen het bedorven vleesch; 't is de leeftijd, waarop de vreemdelinge, gelijk de H. Schrift haar noemt, den jongeling bespiedt, hem te gemoet treedt, maar verraderlijk, met bedrieglijken glimlach om de lippen ; de leeftijd, waarop men onbezonnen te werk gaat, waarop men niet nadenkt, waarop men alles gelooft en zich laat vangen door ieder voorstel, door elk lokaas ! . . . .
Wie zal dien blinddoek der jeugd van Henri's oogen doen vallen ? Zijne moeder ? â Eertijds behoefde zij slechts
30
een enkel woord te spreken: âHenri, dat is zonde,quot; maar thans is het anders. De ondervinding zal het doen, maar eene droevige, eene noodlottige, eene ondervinding helaas! van veel smart en langen tijd, want zij zal zeven jaren duren. Gods genade eindelijk, ja zij vooral, zij zal hem aangrijpen als een verteerend vuur om hem te zuiveren en die onstuimige jaren afsluiten.
Tot dan toe had België nog geen koning, doch zijn onafhankelijkheid werd met den dag meer en meer bevestigd. Belletable vertrok om andermaal dienst te nemen. Het schijnt zijn plan geweest te zijn zich wederom bij het Hollandsch leger te laten inlijven, wat ook het verlangen zijner moeder was; maar onderweg liet hij zich overhalen door zijne kameraden, die hem meer vooruitzicht op bevordering in België voorspiegelden. Den 19den Maart, feestdag van den H. Jozef, kwam hij daarom naar Luik en teekende den 21sten voor zes jaren als sergeant bij de sappeurs-mineurs. Dit bataljon lag in de kazerne âder Engelschenquot; op den St. Wal-burgisberg en telde ongeveer 450 manschappen, welke onder bevel van een majoor in zes compagnieën waren verdeeld. De meesten hunner waren Belgen; zondert men enkele weinigen uit, dan waren zij volstrekt zonder eenig godsdienstig gevoel. Het laat zich begrijpen, dat deze omgeving weinig geschikt was om den jeugdigen onderofficier terug te houden op de helling, die hij afgleed. Ook hier onderging hij weer, evenals te Maastricht, de besmetting van het kwade voorbeeld, en dat nog verergerd door de omstandigheid, dat Luik al de gevaren aanbood eener groote stad en de zeden er veel slechter waren.
Trotsch op zijn gouden strepen, die hem bevordering in het vooruitzicht stelden, wijdde onze onderofficier zich met jeugdigen ijver aan de studie en de bedieningen,
31
welke zijn nieuwe graad medebracht. In korten tijd maakte hij zich vertrouwd met het aanleggen van mijnen en loopgraven, waarin de sappeurs zich dagelijks oefenden op de hellingen der citadel, niet ver van de kazerne âder Engelschenquot; gelegen. In minder dan twee maanden had hij weder eene nieuwe bevordering verkregen. Den ] lden Mei werd hij tot sergeant-majoor benoemd. In die onrustige tijden bezielde meer dan ooit een vaderlandslievende geest de soldaten der twee pas gescheiden landen. De kaders van het leger werden als bij tooverslag aangevuld, in alle rangen was verhooging aan de orde en de voorteekenen van een op handen zijnden oorlog zaten als het ware in de lucht. Weldra vertrok Belletable met zijn bataljon naar Antwerpen om deel uit te maken van het leger der Schelde.
Den 21sten Juli deed Leopold I zijne intrede in Brussel en nam bezit van de kroon. Den 2clen Augustus viel het Hollandsche leger eensklaps langs Turnhout in België. Koning Leopold, die zich in Luik ophield, vertrok denzelfden avond te paard naar Brussel, waar hij den 3'-len tegen vier uur in den morgen aankwam. Den 5den wag iüj Antwerpen, den 6(len te Mechelen, den 8sten met het Schelde-leger te Aerschot.
Drie dagen later kwam het te Leuven tot een treffen der beide legers. Door de Hollanders ingesloten, kon Leopold I slechts tijd winnen om het Fransche leger af te wachten, welks hulp hij had ingeroepen '). Reeds
') Het leger van den Prins van Oranje telde 35.000 man en 72 kanonnen. Het Belgisch leger daarentegen bracht slechts 23.000 man en 42 stukken geschut in het vuur. Te Houthaelen, twee uur ten noorden van Hasselt, ontving generaal Daine den 6',el1 Augustus het bevel naar Diest en Sichem op te trekken en den 7'k'n om zich te Westerloo en te Ghecl met generaal Tiecken de Terhoven te vereenigen. Ondanks een eersten goeden uitslag trok hij terug, als ware hij verslagen geweest, en regelde een aftocht in de richting van Luik, die door de geschiedenis streng is beoordeeld. Men zegt, dat hij siecht was toegerust; dit zou eene verzachtende omstandigheid wezen.
32
den 1 lden Augustus bevond maarschalk Gerard zicli dei
met 50.000 Fransclien op Belgisch grondgebied. gez
Den 12den gaf de Koning aan Tiecken last het vuren gel
te staken en zich onder de wallen van Luik terug te j; uit
trekken. Dit geschiedde onder het geschut der Hollan- Fr;
ders, terwijl cavalerie, infanterie en artillerie zich daar ma in slagorde stelden.
Zij bevonden zich tegenover de 3tle Afdeeling van den let
vijand, onder aanvoering van den Prins van Oranje. % na
Deze gaf bevel, dat men zich van de abdij Park, dicht r H(
bij de wallen, zou meester maken. De Hollandsche ^ vij
jagers, uit vrijwilligers samengesteld, vielen de Belgische | scl
voorposten aan, en tegelijkertijd openden de scherp- wa
schutters, die zich in den tuin der herberg Tivoli in en
hinderlaag gesteld hadden, het vuur op de sappeurs- ; H
mineurs, welke in de voorhoede eene halve maan vorm- [ na
den, verdedigd door twee stukken geschut. I tr(
De Belgische kapitein Eenens richtte eene batterij
van twee kanonnen op de Hollanders, die de vijande- ;; ze
lijke voorhoede omsloten. Het was hoog tijd, want de | de
Belgische sappeurs-mineurs door geweerschoten uit de | in
spits der voorhoede te laten verdrijven en dat in het gt; dc
gezicht van het gansche leger, zou voor de Belgen eene | ve
lafheid geweest zijn, in staat om allen moed aan hun 1« zi
troepen te ontnemen. Op het teeken, door eleze twee 1 st stukken gegeven, wierp het overige geschut zijn kogels
onder de Hollanders, doch deze antwoordden dapper ni
en weldra werd het kanonvuur algemeen. di
De Hollanders verlieten het slagveld, waar zij 400 | d(
gewonden telden, die in de richting van Thienen werden ^ ',r vervoerd. Het verlies der Belgen was nog veel grooter.
Den volgenden dag, 13 Augustus, bezetten ele Hollan- | 11
ders de stad Leuven, die door de Belgen ontruimd was. | v
Deze hadden zich naar den kant van Mechelen verwij- g
33
dei'd. Intusschen was maarschalk Gerard, door Frankrijk gezonden, met zijne troepen op het oorlogstooneel aangekomen. De Hollanders, die van Koning Willem I uitdrukkelijk bevel ontvangen hadden niet tegen de Franschen te strijden, verlieten tengevolge dezer overmacht den 14den Leuven en den 19'len geheel België.
Zoo eindigde de tiendaagsche veldtocht, waaraan Bel-letable, die toen IS jaren en 5 maanden oud was, deelnam. Ofschoon van nature niet oorlogzuchtig en den Hollanders, zijn broeders van weleer, volstrekt niet vijandig gezind, zag hij zich toch gedwongen op hen te schieten, wijl hij bij Park in de voorhoede geplaatst Avas. Het was vooral op die plaats, dat hij den moed en de koelbloedigheid van koning Leopold I bewonderde. Hij zag hem, terwijl hij nu eens zijne scherpschutters naar de voorposten richtte, dan wederom heen en weer trok achter het geschut der bezetting.
Tijdens dezen korten veldtocht werd Belletable op zekeren dag belast met de overbrenging der soldij aan de officieren en soldaten, die in de verschillende dorpen in kwartier lagen. Uit, vrees van overvallen te worden door den vijand, die de omstreken onveilig maakte, veinsde hij een groote wond aan het voorhoofd, deed zich verbinden, strekte zich uit op eene kar op een bos stroo en trok zoo zonder hindernis de dorpen rond.
In September keerde het bataljon sappeurs-mineurs naar de kazerne âder Engelschenquot; terug en hernam met des te meer ijver zijne werkzaamheden op de glooiingen der citadel, naarmate men meer en meer een nieuwen inval van het Hollandsche leger verwachtte.
Een weinig later ging Belletable met verlof en keerde naar Venlo terug om zijne moeder te bezoeken. Liefde voor een verschillend vaderland had moeder en zoon gescheiden. Ofschoon Venlo de partij van België had
BELLETA1SLE. 3
34
gekozen, toen dit zich van Holland afscheidde en de weduwe Belletable derhalve Belgisch was door de omstandigheden, bleef zij toch met hart en ziel aan Holland verbonden. Zij nam het zoo euvel op, dat haar zoon in Belgischen dienst was gegaan, dat zij hem na zijn terugkeer aanvankelijk niet wilde ontvangen. De tusschenkomst en de smeekingen harer jongste dochter waren noodig om haar te bewegen en haar over te halen den strijder van 1831 bij zich toe te laten.
ïe Luik teruggekeerd bleef Belletable er slechts weinig maanden. In de jaren 1832 en 1833 was hij ingedeeld bij het verkenningsleger. Zoo noemde men een gedeelte der troepen, dat in kleine op elkaar volgende afdeelingen aan de noordelijke grens geplaatst was om deze tegen vijandelijke invallen te beschermen.
Het verdrag van den 21stei1 Mei 1833 waarborgde België tegen nieuwe plannen van Hollands Koning, het verkenningsleger werd ontbonden en de troepen, die het samenstelden, keerden naar hunne vroegere garnizoenen terug.
Kort nadat Belletable in de kazerne was aangekomen, verwierf hij een nieuwen graad; den 6de11 December 1833 werd hij adjudant-onderofficier. Hij was toen in zijn een en twintigste jaar.
De storm des oproers, die geheel België schokte en de geest van onafhankelijkheid, waarvan de troepen vol waren, hadden er niet weinig toe bijgedragen, dat, ondanks de lofwaardige hervorming des legers, de banden van ondergeschiktheid verslapten en dat godsdienstzin en goede zeden onder de soldaten verzwakten.
') Wij kunnen Venlo niet verlaten, zegt men, dit is een kwestie van nationale eer. De stad heeft onze partij gekozen. Geeft gij hare inwoners aan de vijandige Hollanders over, dan zal men u dezen bijtenden spot toevoegen, dien gij wel verdiend hebt: âHij was op het Congres, hij heeft, zijn broeders verkocht.quot; (Rede op de 18 Artikelen â zitting van 4 Juli 1831. Gerlache, Geschied, der Ned. Ill, biz. 410.)
35
Bij gelegenheid der missie, ten jare 1836 door de paters Redemptoristen te Venlo gepreekt1), werden deze, toen zij de stadspoorten binnenkwamen, door eenige officieren op grove wijze beleedigd en daar waren er die dreigden de godsdienstoefeningen in de kerk te zullen verstoren. Werkelijk zag men op een der missiedagen een officier de menigte, welke des morgens aan de kerkdeur stond, onder allerlei godslasteringen met den sabel uiteenjagen, een tooneel dat zich des avonds nogmaals herhaalde ; ja, zelfs had een hunner, een kapitein, de stoutheid de avondplechtigheden binnen de kerk te verstoren, doch de suisse zette hem de kerk uit en hij moest zich dooide vlucht in een naburig woonhuis uit de handen van eenige verontwaardigde geloovigen redden. Aan de soldaten werd op verschillende wijzen het deelnemen aan de missie belet en hunne opperhoofden kwamen slechts ter kerk om den volgenden dag des te heviger in gesprekken en dagbladen tegen de Missionarissen te kunnen uitvaren. De beroemde pater Bernard, die aan de missie deel nam, ontwikkelde een buitengewone kracht, vooral toen hij de spotters uitdaagde tot een twistgeding over het bestaan der hel; hij won er althans dit mede, dat de militaire opperhoofden niet meer ter kerk kwamen. Tot de zieke militairen, die in het hospitaal lagen, werd den Paters de toegang meedoogenloos ontzegd; de stadspoorten werden vroeger dan gewoonlijk gesloten om ie verhinderen, dat de bewoners van den omtrek de missie kwamen bijwonen; de kapitein-majoor der plaats trachtte zelfs door vloeken en slaan van verschillende personen de processie der kruisplanting uiteen te drijven, wat hem echter niet gelukte A).
Te Luik en in de meeste andere garnizoenssteden
iiii â 'ms
; IMJ:
mi â â â â â 1'
'ÃQk
36
dreef men de goddeloosheid en vijandelijkheid zoo ver, dat men de soldaten, de recruten vooral, die hunne godsdienstplichten wilden waarnemen, door allerlei kleingeestige plagerijen bemoeilijkte. De opperhoofden schonden met boosaardig opzet de militaire voorschriften die de wapenschouwingen, inspecties en andere diensten op Zondag verboden. Den 3flen December 1885 zag baron Evain, minister van Oorlog 'j zich verplicht een rondgaanden brief tot de hoofdofficieren te richten, ten einde dit misbruik te doen ophouden. Deze maatregel werd slechts met gedeeltelijken uitslag bekroond en later zullen wij zien, hoe Belletable, door de ondervinding-geleerd, alles in het werk stelde om de soldaten te onttrekken aan de stuitende willekeur van sommige ongodsdienstige opperhoofden. Maar het uur om zulk een benijdenswaardige!! ijver aan den dag te leggen, was nog
') Baron Evain, een man van Europeesche vermaardheid en een der zes generaals door Frankrijk afgestaan aan België, dat er grootelijks behoefte aan had, zond het volgend schrijven aan de generaals der afdeelingen, de bevelhebbers der provinciën en de overige legerhoofden :
Brussel, den 3'len December 1835.
Mijne Heeren.
Er zijn klachten bij mij ingekomen betreflende de hinderpalen, welke de soldaten van sommige korpsen zouden ondervonden hebben in de vervulling hunner godsdienstplichten, tengevolge van den dienst die hun op zon- en feestdagen zou zijn opgelegd.
Ik moet u hieromtrent herinneren. Mijne Heeren, aan de voorschriften van artikel 88, 90 en 92 van het reglement voor inwendigen dienst, welke de dagen vaststellen, waarop de verschillende inspecties der legerafdoelingen moeten plaats hebben. Geen enkele mag er op zon-of feestdagen geschieden.
Hetzelfde geldt voor de wapenschouwingen, oefeningen en militaire tochten, in één woord voor alle diensten, die de militairen zouden verhinderen, de uitoefening van hunnen godsdienst, voor zoover zij dit verlangen, bij te wonen. De grootste vrijheid moet hun onder dit opzicht gelaten worden en onder geen enkel voorwendsel kunnen zij gedwongen of verhinderd worden de plichten te vervullen, welke de godsdienst hun oplegt.
De generaals, de bevelhebbers der provinciën en die der garnizoenen hebben te waken op de nauwkeurige onderhouding der voorschriften van dezen brief.
De Minister van Oorlog Baron Evain.
37
niet gekomen. Wij zijn eerst te Luik in 1885 en wanneer men geloof mag slaan aan zijne vroegere wapenmakkers, dan was adjudant Belletable, het hoofd dei-onderofficieren van de mineurs, de leeuw der kazerne en van tijd tot tijd ook de minnezanger en voorvechter. Wij bezitten een portret van hem, dat van dit tijdstip dagteekent. Het aangezicht ziet er bijzonder jeugdig uit. Het oog is zacht en nadenkend, de uitdrukking van het gelaat teekent reeds dat krijgshaftig karakter hetwelk den krijgsman past. Zijn jaskraag, die destijds uitermate hoog was, geeft hem onwillekeurig eene stijve houding. Sierlijk draagt hij de epauletten. Ziedaar den soldaat. Waar is de christen?
Helaas! quot;t is moeilijker zijn driften te bedwingen, dan zich te bekwamen in de kunst van oorlog voeren. Sedert acht jaren dat Belletable de militaire uniform draagt en zich oefent in het hanteeren der stoffelijke wapenen, verleerde hij als ongemerkt de oefeningen van den geestelijken strijd. Het gebed, dat machtig wapen van den Christen, heeft hij wel niet vergeten, maar de gewoonte er van heeft hij verloren en dat in een leeftijd en in eene omgeving, waarin zijn geloof en zijne zeden in het grootste gevaar verkeerden.
quot;t Is waar, zijn geloof verloor hij nimmer, doch, naar onze gissing, verzuimde hij zijne paaschplichten; des Zondags woonde hij de Mis nog bij, maar dit was dan ook nagenoeg geheel zijn godsdienst. Helaas, al zeer weinig.... Eene militaire mis om 111 2 uur in de Sint-Pauluskerk, waar men de muziek kon hooren.
Op dit tijdstip van zijn leven doelde Belletable dan ook inzonderheid, toen hij in een bewonderenswaardigen brief, gedagteekend van Kerstmis 1852 schreef: âHeer, âik heb het ongeluk gehad uwe goedheid te miskennen âen haar met voeten te vertreden.quot;
bMHBI â â¢
â alp
li
38
Belletable had zijn hvee-en-twintigste levensjaar bereikt, toen hij kennis maakte met haar, die eenmaal zijne echt-genoote zou wezen. Wij hebben eens een grijsaard ontmoet, die, den catechismus onderwijzende aan zijne kleinkinderen, hun deze geestige omschrijving gaf van het huwelijk: â't Is een sacrament, dat het gezicht teruggeeft aan de blinden.quot; Volgens onze meening zijn die blinden talrijk en onder hen behoorde Belletable.
Wanneer men van de kazerne der Engelschen naar het dichtbijgelegen St. Lambertusplein ging, kwam men door een oude wijk, die sinds eene algeheele verandering heeft ondergaan. Langs een honderdtal trappen daalde men af, om zich door de enge straten te begeven naaide Engelsche Jezuïeten, de St. Clarastfaat, de Salamanderstraat en de Brusselsche straat. De wandelaar, die deze eenigszins bochtige straten volgde, kwam voorbij de kerk en het klooster van de H. Clara, de parochiekerk van Sint-Servaas en eindelijk langs den prachtigen gevel van het paleis der Prins-Bisschoppen op het Xotgerplein, grenzend aan dat van St. Lambertus. In de Salamanderstraat, thans vervangen door het smalle bruggetje over den spoorweg, ontwaardde men een eenvoudig maar zeer zindelijk huis. Het was bewoond door de familie Stassart, bestaande uit vader, moeder en vier kinderen. Door zijn huwelijk met de derde dochter, Elisabeth geheeten, zou Belletable in deze familie worden opgenomen. Zij was eenigermate achteruitgegaan evenals de zijne, want de grootvader van mevrouw Belletable was notaris geweest te Luik; haar vader staat in zijn huwelijksakte aangeschreven als âgoudsmidsknechtquot; en hare moeder, Maria Mouzon, als âhuishoudsterquot;. Deze christelijke echtgenooten hadden hunne kinderen opgevoed overeenkomstig hunnen stand.
Elisabeth Stassart, den 20sten November 1814 in de
39
parochie van St. Christoffel, waaronder hare ouders destijds behoorden, geboren, verhuisde spoedig daarop met hen naar de parochie van St. Servaas. Daar bezocht zij den catechismus tegelijk met den toekomstigen minister, Frère-Orban, die zich toen reeds onderscheidde door zijn vlug verstand. Zij was twintig jaar oud, toen zij kennis maakte met den adjudant. Hare beide zusters waren reeds gehuwd, de oudste sedert vier, de tweede sedert een jaar.
De Salamanderstraat was de kortste weg om van de kazerne der Engelschen in het midden der stad te komen. De adjudant ontmoette er de jeugdige Elisabeth, vatte eene groote genegenheid voor haar op en verklaarde zich aan haar.
Wij zullen den Lezer niet onderhouden over de afdwalingen van Belletable. Hij is nederig genoeg geweest om ze te erkennen en heeft de genade gehad ze te beweenen. Zijn berouw heeft alles uitgewischt. Smeeken wij God, dat Hij ons eene zelfde mate van barmhartigheid betoone en werpen wij om deze te verkrijgen, een dichten sluier op een verleden dat zoo roemrijk hersteld is. Verre zij het evenwel van ons, dat wij het kwaad zouden vergoelijken ; wij veroordeelen het streng met Jezus Christus en zijne heilige Kerk ; maar terwijl wij de zonde een onverzoenlijken haat toedragen, houden wij daarom niet op den zondaar met een teeder medelijden te beminnen ; wij gevoelen voor hem zelfs eene bijzondere voorliefde, wanneer hij den heldenmoed zijner bekeering zoo hoog voert als Belletable het heeft gedaan.
Ja, Belletable heeft zijne zwakheden gehad en daarin heeft hij als zoovele anderen getoond, dat hij mensch was. Maar Belletable is uit zijne zwakheden opgestaan en wel opgestaan op zoo bewonderenswaardige wijze, dat men geneigd zou zijn het te betreuren, als hij niet
40
gedwaald had, en daarin heeft hij getoond, dat hij hooger stond dan de meeste anderen.
Bekeering veronderstelt strijd. Zich bekeeren is eene levenswijze hervormen, die als een tweede natuur geworden is ; zich bekeeren is de boeien verbreken, die men beminde; 't is zijn hart losrukken van het schepsel om het aan de ongeschapen schoonheid te schenken; zich bekeeren, terwijl men de epauletten draagt en van zeer ver tot God terugkomt, is soms zijn toekomst in gevaar brengen ; quot;t is het menschelijk opzicht trotseeren in zijn sterkste verschansingen ; zich bekeeren eindelijk wil zeggen de vooroordeelen van vele mannen van den degen openlijk weerstreven en met voeten treden, tal van beschimpingen en spotternijen verachten, in één woord zich tot afzondering veroordeelen. Wie twijfelt er aan of daartoe is karakter, is adeldom, is grootheid van ziel noodig ! Belletable heeft getoond die te bezitten. Hij is opgestaan van een val, die tot eer en glorie is geworden van Hem, die hem heeft opgeheven. Thans gaan wij zien hoe dit geschied is.
VIERDE HOOFDSTUK.
Luik (1837â1S39). â De Bekeerling.
Godsvrucht. â Verblijf in het kamp van Beveiioo. â Garnizoen tc Antwerpen. â Terugkeer naar Luik. â Do schako en de steek.
[et uur der genade zou weldra voor Belle-table aanbreken. De Voorzienigheid zou den jongeling, die zulke schitterende hoe-danigheden bezat, maar sinds tien iaren te midden eener bedorven omgeving was afgedwaald, een waren vriend zenden, een vader zijner ziel.
In den paaschtijd van 1837 verscheen de militaire aalmoezenier in de kazerne der Engelschen. Onze adjudant bevond zich bij de groote poort als bevelhebber der hoofdwacht. âHeeft niemand vandaag mijn diensten noodig?quot;
âNiemand,quot; antwoordt Belletable kort en droog. De Priester groet waardig en vertrekt. Doch weldra gevoelt Belletable een levendig berouw, dat hij Gods dienaar zoo hooghartig heeft afgewezen en dat verwijt dringt als een pijl in het diepste zijner ziel. Nog was hij onder den pijnlijken indruk dier wroeging, toen
42
hij op straat den Pastoor van Sint-Servaas ontmoette. Het innemend uiterlijk van dezen waardigen geestelijke, dien hij overigens reeds dikwijls gezien had, trof hem thans meer dan ooit en vervulde hem eensklaps met zulk een gevoel van eerbied en liefde, dat hij bij zich zeiven zeide: âZiedaar een Priester, bij wien ik wel eens eene generale Biecht zou willen spreken,quot; â en sinds verliet hem do gedachte om de zaken van zijn geweten in orde te brengen geen oogenblik.
Belletable verwijdert zich geheel alleen in de richting der tuinen en velden van St. Walburgis en terwijl hij het huis van een aannemer voorbijgaat, ziet hij een buitengewoon grooten eik langs den weg liggen. âWat een sdioone boom,quot; zegt hij tot den eigenaar, die juist op de werf is.
âInderdaad, schoon van buiten,quot; antwoordt deze, âmaar van binnen deugt hij niet, hij is alleen goed voor brandhout.quot;
âEn waarom dan?quot; herneemt Belletable.
âOmdat hij nog in den grond staande gestorven is.quot;
Dat antwoord is als een bliksemstraal voor den onderofficier. Ziedaar mijne geschiedenis, spreekt hij tot zich zeiven, en de prikkel der genade zet hem meer en meer aan. Niet lang daarna werd een zijner kameraden ernstig ziek. Belletable, bezield met een levendig verlangen om zijn makker de genademiddelen der H. Kerk te verschaffen, begeeft zich naar de pastorie van Sint-Servaas om den Pastoor te roepen. Het was juist onder het middagmaal, doch oogenblikkelijk stond de Priester op. Deze dienstvaardigheid treft den onderofficier en hij verwijdert zich geheel onder den indruk van dezen priesterlijken ijver. Men ziet het, de genade achtervolgde hem en hield niet op hem tot bekeering aan te sporen. Onder den weldadigen invloed harer geheim-
43
zinnige werking, waarvan Belletable zicli niet goed rekenschap wist te geven, voelde hij in zijne ziel de godsdienstige stemming ontwaken, welke eei)e eerste opvoeding daarin gelegd en ontwikkeld had. Hij weerstond niet aan hare opwekking en als onwillekeurig begon hij te bidden. De gedachte van zich te bekeeren drong zich al sterker bij hem op, tot hij eindelijk het besluit vormde den beslissenden stap te wagen. ïsa een lievigen inwendigen strijd begeeft bij zich naar de pastorie van Sint-Servaas. âMijnbeer Pastoor,quot;' zegt bij met eene stem, waaraan hij tevergeefs eenige vastheid tracht te geven, âer is nog een zieke soldaat, die uwe hulp noodig heeft.quot;
Hoewel met bezigheden overladen, staat de Priester aanstonds op en maakt zich gereed om te vertrekken. Doch de adjudant houdt hem tegen met de woorden:
âPastoor, ik ben de zieke____en zooals u begrijpt, heeft
niet het lichaam maar de ziel genezing noodig.quot;
Daarop begon hij al zijn smart in het hart des Priesters uit te storten; zij spraken geruimen tijd, waarna.... Belletable zich voorbereidde om eene generale Biecht te spreken; twee dagen later was hij bekeerd. Naderhand verklaarde hij zelf, dat het hem alleen na vele gebeden gehikt wras zijn hart voor den Priester te openen.
De geestelijke, aan wiens voeten deze nieuwe Augus-tinus âde misslagen zijner jeugdquot; kwam belijden en wien bij later steeds als een vader vereerde, was de eerwaarde heer Van Berwaer, pastoor der St. Servaas van 1832 tot 1841 '). Hij was een godvreezend en zeer inwendig
') Do eerwaarde heer Van Berwaer werd geboren te Borgloon in 1796. Op 45iarigen leeftijd werd hij titulair kanunnik en in 1841 verving hem de eerwaarde heer Thomas als pastoor der St. Servaas. Wij danken hem den herdruk van verschillende godvruchtige werken, o. a. van den ,Inwcn-digcn Christen'', welke uitgave spoedig was verkocht. Hij hield zich veel bezig met de werken van den H. Joannes van het Kruis en liet ook eenige handschriften na.
44
priester. Tranen van aandoening mengde hij met de tranen, welke het berouw zijn bekeerling ontlokte. Hij herinnerde hem, dat God de vergiffenis en de zaligheid van den zondaar wil en dat deze, wanneer hij het ongeluk gehad heeft van de rechtvaardigheid en de waarheid af te dwalen, daartoe kan terugkeeren door boetvaardigheid en liefde. Op die wijze goot hij balsem op de bloedende wonden van een door knaging verscheurd geweten. En onbekend met de gebeden, die iederen dag te Venlo uit het moederhart opstegen voor de bekee-ring van dezen verloren zoon, wist de Priester niet wat hij het meest moest bewonderen: ofwel den overvloed der genaden, welke God met volle stroomen uitgoot in deze ziel, die van berouw wegsmolt; ofwel hare edelmoedige volgzaamheid, waarmede zij zich geheel in zijne handen stelde om tot een nieuw leven herboren te worden.
Welk een wonderbare terugkeer tot God! Welk een verheven oogenblik, als de laatste lichtstraal binnendringt in eene ziel die zich bekeert! Er is zulk een afstand tusschen het oogenblik dat er op volgt; tusschen datgene wat zij vroeger was en wat zij zich daarna gevoelt, dat men den naam van genade heeft uitgevonden om die wonderbare verandering, dien lichtstraal van boven uit te drukken *).
Wat Belletable betreft, overtuigd dat hij zijne zeden en levenswijze niet kon veranderen, zonder zich bloot te stellen aan de spotternijen zijner ambtgenooten, noch zonder de afkeuring in te loopen van de meeste zijner overheden, oordeelde hij, dat het eenige middel om alle valsche verhoudingen en alle dubbelzinnige verbintenissen te vermijden zou zijn; eenvoudig, maar ridderlijk te
') Lacordaire.
45
toonen, dat hij cliristen was. Dit deed hij tot groote bewondering van zijn vertrouweling, den eerwaarden lieer Van Berwaer, en van eenige zijner vrienden ').
Acht en veertig uren later was er geen enkele zijner kameraden meer, die nog maar den minsten twijfel aan zijne bekeering voedde. Zijn omgeving kon hem beschimpen, hem bespotten, en daaraan ontbrak het niet, doch hem in het minst doen wankelen, dat nimmer. Overigens schikken de gebeurtenissen zich geheel en al naar wensch van den soldaat en den Christen. Twee maanden na zijne bekeering werd hij tweede luitenant; Bel-letable was toen 24 jaar oud; zijne bevordering dagteekent van den 14'!en Juni 1837. Weinige dagen later vertrok het bataljon der sappeurs-mineurs voor een jaar uit Luik. Daardoor zag de jeugdige officier zich ver verwijderd van de gelegenheid, waarvan hij reeds afstand had gedaan in zijn hart. Bij het verlaten van de kazerne der Engelschen volgde hij zijne compagnie naar het kamp van Beverloo, waar hij vier maanden verbleef. Daar zag hij zich in eene omgeving verplaatst meer overeenkomstig de neigingen welke zijne ziel thans vervulden. Ziehier wat een dagblad en een tijdschrift uit die dagen daaromtrent in September 1837 mededeelden :
Kamp van Beverloo. âlederen dag heeft er na de Mis eene korte onderrichting plaats; iederen Zondag worden er vier onderrichtingen gehouden in het Fransch en in het Vlaamsch. De soldaten beginnen trouwer de H. Mis bij te wonen en van lieverlede verdwijnen de vooroordeelen tegen den godsdienst. Zelfs zijn er officieren, die in sociëteiten openlijk voor de zaak des geloofs durven
') Met name de officier Clinclceniaillie en de fourier Cravau, die het volgend jaar sergeant en later missionaris werd.
46
opkomen en die de priesters tegen de aanvallen hunner vijanden verdedigen ....
âDe zieken in het hospitaal, waar er soms 500 worden aangetroffen, toonen den grootsten eerbied aan de priesters, die hen dagelijks bezoeken... Men hoort er geen vloeken meer .... Bijna allen zijn tot de heilige Sacramenten genaderd .... aan den aalmoezenier hebben zij kruisjes gevraagd, welke zij openlijk aan het hoofdeinde van hun bed plaatsen. De ziekenoppassers zelf getuigen, dat het hospitaal als een klooster is . . . .quot; 1)
't Is gemakkelijk te begrijpen, dat Belletable zich over dezen stand van zaken verheugde en dat hij de Voorzienigheid dankte, die alles overeenkomstig zijne verlangens beschikte. Dagelijks hoorde Belletable de heilige Mis en wekelijks naderde hij tot de H. Communie. Voor goed had hij gebroken met het menschelijk opzicht, met die laagheid, waarvoor zoovele halfslachtige Christenen bezwijken, wijl zij zich schamen over hun geloof. Op zekeren dag schertsten eenige zijner wapenbroeders aan de officierstafel over den godsdienst. Eensklaps staat Belletable op en met fleren, vrijmoedigen blik rondziende spreekt hij: âNeen, mijne heeren, ik schaam mij niet over mijn geloot. Tk dien mijn Koning en ziehier mijn degen gereed te zijner verdediging. Maar ik dien ook mijn God en ziehier een ander wapen, dat mij nooit verlaten zal.quot; Tegelijk trok hij zijn rozenkrans uit en hief hem omhoog. Een der spotters werd later gestraft waardoor hij gezondigd had. Door een ziekte aangetast, zag hij zich genoodzaakt de tong te laten afzetten.
Omstreeks dezen tijd begon men ook te Leopolds-burg, op eenigen afstand van Beverloo, eene kerk
1
) Courier clc la Meuse en Journal historiquc 1837, t. If.
47
te bouwen ten dienste der soldaten. Volgens getuigenis van zijn oudsten zoon, majoor bij bet 12lt;le regiment der Linie, stelde Belletable zijn teekentalent ten dienste dezer onderneming door behulpzaam te zijn in bet leveren der ontwerpen van de plannen en doorsneden van bet nieuwe gebouw.
De overige vrije uren besteedde bij ofwel aan god-vrucbtige gesprekken met den acbtenswaardigen heer Engelbosch, aalmoezenier des legers, ofwel aan de studie van den godsdienst in de werken van Augnste Nicolas, waaraan velen bunne bekeering te danken bebben.
In de maand October braken de sappeurs-mineurs hun kamp voor zes maanden op en gingen naar Antwerpen in garnizoen. Belletable buurde er eene kamer in een buis, waar de godsvrucht boog stond aangeschreven, gelijk wij later zullen zien. De buren, die hem dagelijks over straat zagen gaan, noemden hem âden schoonen officierquot;. In de kazerne werd de tweede luitenant door al zijn soldaten oprecht bemind; het kostte hem moeite iemand te straffen en niet gemakkelijk ging hij daartoe over, zooals blijkt uit bet volgende feit, ons door een tachtig jarigen prelaat, een stadgenoot en vriend van Belletable, medegedeeld.
De officier duldde niet dat zijne ondergeschikten God lasterden. Op zekeren dag boort hij onder de manoeuvres een soldaat vloeken. Na afloop der oefeningen doet hij den schuldige voor zich komen, leest hem duchtig de les en bedreigt hem met straf, indien bij in zijne slechte gewoonte hervalt. Weinige dagen later herbaalt de arme soldaat zijn vloek. âMaar hoe! gij vloekt nog?quot;
âLuitenant, die en die trapt mij op den voet.quot;
De officier had medelijden met hem. Zelfs viel hij niet tegen hem uit, toen bij den ongelukkige eenige dagen later weder op een vloek betrapte, maar vol verontwaar-
48
diging riep hij voor het front van zijn compagnie: âWie trapt hem daar nu weer op de voeten.quot;
In April 1838 verliet het bataljon mineurs Antwerpen en keerde naar het kamp van Beverloo terug. Na twee maanden rukte het wederom op naar Luik, waar Belletahle in Juni aankwam. Een zijner eerste bezoeken gold zijn geestelijken bestuurder, den eerwaarden heer Van Berwaer. Met aandoening herinnerde hij hem den dag, waarop zijn hart, ontdaan van alle schuldige zelfmisleiding, zich tot God bekeerde. De Pastoor van Sint-Servaas zag zijn biechteling meer dan ooit besloten om alleen voor God te leven. Waar de misdaad overvloedig was geweest, daar was de genade nog overvloediger. (Rom. V. 20.)
Inderdaad, de officier toonde geheel zijn leven het grootste berouw over zijne misslagen. âO Heer!quot; riep hij met den H. Augustinus uit, âik ben uw dienaar en âde zoon uwer dienstmaagd. Gij hebt mijne banden âverbroken, daarom zal ik U het offer van mijn lof âbrengen. Dat mijn hart en mijne tong U prijzen en âdat mijne beenderen opspringen om U op hunne wijze âte zeggen: Heer! wie is aan U gelijk?quot; Zoo sprak, of liever zoo zong en jubelde onze bekeerling.
Belletahle huurde thans eene woning bij de dames Jéróme, zeer eenvoudige en godvruchtige personen, die een ellewinkel hadden op het St. Severinusplein, niet ver van de kazerne der Engelschen. De eenige kamer, die hij op de tweede verdieping bewoonde, was âzoo klein, âdat zij ternauwernood zes personen had kunnen bevatten. âDe meubels bestonden uit twee stoelen, een tafel en âeen stroozak. Aan den muur hing een kleine schilderij âdie de Allerheiligste Maagd met het kind Jezus voor-âstelde. De soldaat versierde haar zoo goed hij kon: ârechts prijkten zijn kwasten en koorden, links een der
49
âtwee degens, die onze tweede luitenant bezat. Zijn oppasser âevenaarde hem in godsvrucht. En gebeurde het dat een âgodsdienstige vriend, die tot dit eenvoudig verblijf werd âtoegelaten, den officier een prentje of eene medaille âaanbood, dan moest hij er steeds twee geven.
âIn deze kamer, die op de cel van een monnik geleek, âleefde Belletable zoo matig, dat hij dagelijks niet meer âdan 50 centimes uitgaf voor zijn onderhoud. Hij ontzegde âzich de weelde van linnen ondergoed en bediende zich âeenvoudig van katoen; ook bezat hij geen burgerkleeding, âmaar alleen zijn uniform '), want hij wilde geen overbodige uitgaven doen van zijn gering inkomen, dat hij âbesteedde voor zijne liefdewerken en voor de armen. Wat âhij van zijne soldij kon overleggen, gebruikte hij om âaan arme dorpsgeestelijken goede boeken ter verspreiding -te verschaffen. Bij den boekhandelaar Grandmontâ âDonders deed hij navraag waar de armste geestelijken âwoonden, aan wie hij dan de boeken deed verzenden âraet de betaalde rekening er bij.quot;
Wij danken deze vertrouwelijke en stichtende bijzonderheden aan Z. D. H. Mgr. Boermans, bisschop van Roermond. Deze eerbiedwaardige prelaat, evenals Belletable te Venlo geboren, voltooide zijne godgeleerde studiën aan het groot seminarie te Luik van den 5den October 1835 tot den 31sten December 1838. Daar leerden de beide stadgenooten elkander voor het eerst kennen ; daar knoopten zij met elkander eene vriendschap aan, die zich nooit verloochende.
âBelletable,quot; zoo verhaalde Monseigneur, âondervond ânog slechts verveling in datgene wat men de vermaken -der wereld noemt; hij had zich teruggetrokken van âalle feesten en avondpartijen; hij vermeed zorgvuldig
') De familie van den kapitein hoeft dit feit bevestigd. Hij wilde geen burgerkleeding dragen vóór 1845, toen hij te Bergen luitenant werd. hkj.letabi.e. i
50
âde herbergen en sociëteiten. Zijne ziel, door eigen onder-âvinding overtuigd van de ijdele genietingen der wereld, âwas vervuld van de liemelsehe goederen, waarvan hij âde zoetheid smaakte. De godvruchtige soldaat haakte ânaar vrienden volgens het hart van God, naar godsdienstige boeken en gesprekken over geestelijke zaken, âdie tegelijkertijd een voorwerp van stichting en ontspanning voor hem waren.
quot;Hij verzocht zijn vriend het voorrecht te mogen âgenieten van den Zondagnamiddag in het seminarie door âte brengen. De eerwaarde heer Boermans bracht dit âverzoek over aan den eerwaarden heer, M. Lenders, âprofessor der godgeleerdheid, die aanvankelijk weigerde âmet de woorden: âDe schako en desteek passen niet âgoed bij elkander... Dat moet schaden aan den goeden
âHet spijt mij wel, mijnheer de kanunnik, 't is zoo'n brave man.quot;
âKent gij hem?quot;
âZeer goed.quot;
âHoe is zijn naam?quot;
âHenri Belletable.quot;
âBelletable ... welnu laat hem komen.quot;
âEn van toen af bracht de tweede luitenant iederen âZondagnamiddag bij ons door van 2 uur tot na het lof. Hij âstichtte ons allen, zonder uitzondering, door zijne zeldzame godsvrucht en zijne onbeweeglijke houding voor âhet Allerheiligste Sacrament. Hij werd bemind en âgeacht, niet alleen door de honderd vijf tig studenten, âmaar ook door alle professoren. De oprechtste zedig-âheid straalde door in al zijn handelingen. Welk een âongewoon en treffend schouwspel, dezen jeugdigen offi-âcier te zien in zijn schoon uniform der sappeurs-mineurs, âte midden van zulk een groot aantal levieten in pries-
âtergewaad, die hij allen door zijne innige godsvrucht âstichtte! Maar ook welk een zeldzame tegenstelling in âzijn eigen persoon, want Belletable paarde aan een âinderdaad krijgshaftig uiterlijk, eene goedheid en eene âbuitengewone voorkomendheid, waardoor hij voor een âieder toegankelijk was. Hij behoefde zich slechts te âvertoonen om aanstonds aller hart te winnen. Hij was âeen leeuw in zijn houding en in zijn gang. maar een âkind door de beminnelijkheid van zijn karakter. Men .erkende in hem evenzeer den dapperen soldaat als âden ijverigen christen.quot;
In een anderen brief voegde de eerbiedwaardige Bisschop van Roermond er bij: âBelletables godsvrucht ..had niets wat streng of afstootend was; zij onderscheidde .zich veeleer door eene gelijkheid van gemoedsstemming, âeen vroolijkheid van karakter en eene goedheid des âharten, die eene onweerstaanbare aantrekkelijkheid .bezaten voor allen die hem naderden. Daarenboven vond âde arme bij hem steeds een welwillend oor en, wat âmeer is, een open beurs.quot;
Het moet ons dan ook niet verwonderen, dat men den eerwaarden heer Boermans soms verlof gaf in gezelschap ran Belletable in de stad te gaan... Deze laatste vooral schepte er vermaak in te Luik de kerken te bezoeken, ivaar het veertigurengebed gehouden werd. De seminarist, lie hem van tijd tot tijd derwaarts vergezelde, bewonderde lem, als hij hem zoo verslonden zag in het gebed voor iet Allerneiligsta Sacrament. Niet minder was hij gesticht looi- zijne kinderlijke godsvrucht tot de Allerzaligste Maagd Maria. Op het gezicht barer beelden, stortte het wit van den soldaat zich uit in de teederste woorden 'ii uitdrukkingen, die zijne groote liefde voor de Moeder jods openbaarden. In het tweede deel dezer levens-â¢escbrijving zullen wij zien wat onze meening wettigt,
52
dat Belletable de bekeerling van Maria is en dat zij hem een straal van haar gelaat deed aanschouwen.
Keeren wij nogmaals tot het verhaal van den seminarist terug. Op zekeren dag kwam de officier opgetogen van blijdschap bij hem: âVanwaar die vreugde. Henri?quot; â âDus hebt gij het nog niet gehoord, Francois?quot;
âMaar neen!quot;
âWelnu, de vacantie is voor u aanstaande en gij keert terug naar Venlo; ook ik ga er heen. Ik heb order binnen enkele dagen eenige militairen naar Venlo over te brengen, zoodat wij elkander daar kunnen ontmoeten.quot;
Dat plan werd inderdaad verwezenlijkt, want de schako en de steek waren altijd bij elkander. Een der eerste dagen van dit verlof sprak de seminarist tot zijn vriend: â Henri, hebt gij al een bezoek gebracht bij mijnheer den Deken?quot;
âNeen, hij kent mij niet.quot;
âHet past toch dat gij er heengaat.quot;
âWelnu, morgen zal ik hem bezoeken.quot;
âKom dan tegen dat uur, dan zullen wij er te zamen zijn.quot;
Den volgenden morgen omstreeks elf uur was de seminarist bij den Deken, tegelijk met een Duitsch heer. De officier vraagt belet en men brengt hem binnen. Na een kort onderhoud staat Belletable op en verontschuldigt zich, dat hij nog een ander bezoek heeft af te leggen. âMijnheer de Deken,quot; voegt hij er bij, âmag ik u een verzoek doen?quot;
âVraag gerust; wat verlangt ge?quot;
âWees zoo goed mij reisgeld te geven.quot;
âReisgeld!... maar hoe?...quot; Doch reeds had de officier zijn Pastoor uit den waan geholpen door zich op de knieën te werpen en zijn zegen te vragen. âZiedaar,quot; zeide hij opstaande, âal liet reisgeld dat ik verlang en dit is het beste.quot;
Deze trek toont ons het vroolijk karakter van Bel-letable.
Wat zijn verblijf bij zijne godvruchtige moeder aangaat : nu hij zoo geheel in gevoelens en neigingen met haar overeenstemde, kan het haar niet anders dan hoogst aangenaam en weldadig geweest zijn, gelijk aan een zonnestraal die tevens licht en vreugde verspreidt.
Te Luik teruggekeerd, trachtte Belletable zijne godsvrucht nog meer te verlichten door het lezen van geestelijke boekeu, welke de pastoor van Sint-Servaas hem aanwees. De werken der H. Theresia waren zijne lievelingslectuur; ook vereerde hij haar op bijzondere wijze tot zijn dood toe. Dikwijls versterkte hij zijne ziel door het Brood der Engelen en iederen dag woonde hij de heilige Mis bij.
Eene tachtigjarige dame, die nog in leven is, schreef ons uit Luik: âAls ik op de werkdagen naar de Mis âging in de St. Martinuskerk, onze parochie, dan was âer Belletable ook en wel zoo ingetogen, dat hij een âHeilige scheen. Daar ik zijn naam destijds nog niet ,kende, noemde ik hem gewoonlijk âden heiligen officierquot;. âToen ik later te Antwerpen woonde (omstreeks 1S42), âhoorde ik over hem spreken en de persoon, bij wie hij âzijne kamers had en die thans overleden is, verzekerde âons, dat hij des nachts opstond om te bidden; zoo âgodvruchtig was hij.quot;
Bij deze zoo schitterende lofspraak voegen wij eene andere, die ons werd medegedeeld door een vroegeren wapenmakker van Belletable. âEen zijner geliefkoosde âdevoties, quot; schrijft hij. âwas die tot het Allerheiligste âSacrament. Meer dan eens liet hij zich in eene kerk âopsluiten en zoodra hij alleen was, wierp hij zich op âbeide knieën op den steenen vloer. In zijne gesprekken âen zijne brieven kwam hij altoos op deze godsvrucht
54
âterug; hij betreurde het bitter, dat er zoo weinig mannen âtot de H. Tafel naderden en zeer dikwijls dacht hij na âover de middelen om dit getal te vermeerderen en âdaardoor het verlangen van Jezus Christus te bevredigen.quot;
Hoe zou men hier niet denken aan het woord des Evangelies, waar de Zaligmaker met goddelijken mond verklaart: âdat er meer vreugde in den hemel is over één zondaar die zich bekeert, dan over een groot getal rechtvaardigen, die altijd in de deugd volhard hebben.quot; De H. Gregorius geeft er deze reden van: âZondaren, die oprecht bekeerd zijn, beminnen God gewoonlijk vuriger, terwijl zij the altoos in onschuld geleefd hebben dikwerf veel lauwer zijn.quot; 1)
') Traite de la Perfection door den H. Alphünsus II, blz. 197.
VIJFDE HOOFDSTUK.
Luik (1839â1840).
Eene bekcering. â De vrienden. â Een nieuwe geestelijke bestuurder. Geheimzinnige vondst. â Pater Dechamps.
godsvrucht werd voor Belletable de gelegenheid tot een gevaar, waaraan hij zich nog bijtijds wist te onttrekken.
Zooals wij zagen, bewoonde hij te Luik eene kamer in het huis der drie dames Jeróme. Deze waren godsdienstig en niet weinig werden zij gesticht door de deugd van den knappen officier. Een dezer zusters rekende het hem inzonderheid tot eene groote verdienste, dat hij het militaire het godsdienstige leven zoo wondervol wist te vereenigen en dit juist in een tijd, waarin alles samenspande om deze van elkander te vervreemden. Heeft zij hem deze bewondering op al te teedere wijze te kennen gegeven? Belletable wist, dat zij rijk genoeg was om een huwelijksgift mede te brengen ; hij zag er een gevaar in en ... . vertrok. Hij vestigde zich in het midden der
56
stad, niet ver van de Universiteit. Op lt;1e tweede verdieping eener herberg, die tot uithangbord had: âIn het kasteel van Bouillon,quot; huurde hij eene eenvoudige kamelen daar zette hij zoowel zijne geestelijke lezingen als zijne technische studiën voort; daarenboven legde hij zich op de letterkunde toe. Een zijner vrienden, die meer bijzonder de fraaie letteren beoefende, maakte hem deze studie nog aantrekkelijker door er dikwijls met hem over te spreken.
Het was de sergeant-fourier Cravau 'j. Evenals Belle-table bezat deze onderofficier eene heilige moeder. Nog zeer jong zijnde, werd hij door eene toomelooze zucht naar lezen aangegrepen. Hij las alles en alvorens dienst te nemen bij de mineurs had hij zelfs de slechtste boeken doorloopen. Ook vernamen wij te Nijvel, waar de gelegenheid zich voordeed navraag te doen bij verschillende ouden van dagen, die hem gekend hadden, dat men daar zeer verwonderd was geweest, toen men hoorde, dat Ferdinand Cravau na afloop van zijn diensttijd Jezuïet ging worden. Te Luik had Belletable vriendschap met hem aangeknoopt en hem zoover gebracht, dat hij zich bekeerde, dank de âEtudes pltilosophiques sur Ic Chris-tianisrne: Philosophische studiën over het Christendomquot;, door Auguste Nicolas, welke Belletable hem deed lezen '1).
In het vervolg onderhield deze steeds briefwisseling met zijn vriend, den lateren pater Cravau. Den 16don
1
) Wij danken dit verhaal aan den heer Bertrand, oud-professor aan het. College van St. Quintinus te Hoei, aan wien de kapitein het zelf in 1835 verhaald heeft. De heer Belletable en de heer Bertrand ontmoetten elkander iederen dag bij den heer Brasseur. waar zij gemeenschappelijke tafel hadden.
57
October 1853 plaatste Belletable in een naschrift onder een brief aan de dames Van Biervliet de volgende woorden; âPater Cravau heeft ons zijn gebed beloofd. Welk een goedheid.quot;
Toen Cravau en Belletable den 28sten Januari 1840 van elkander scheidden, bleef de laatste niet zonder vrienden; zelfs telde hij er verschillende onder zijne wapenmakkers, onder andere: Luitenant Clinckemaillie 1), die in innige betrekking tot hem stond; sergeant-majoor Schindeler, die later Commissaris van politie werd te Luik, en een derde, wiens getuigenis wij reeds hebben medegedeeld. Nochtans willen wij dezen laatste gaarne gelooven als hij zegt, âdat het moeilijk zou zijn de hinderpalen op te sommen, die Belletable in het begin zijner bekeering te overwinnen had, zoowel van den kant zijner kameraden als van zijne overheden.quot;
Dan, voor enkele tafelvrienden, die de bekeerling van zich vervreemde en van wie hij zelf zich ook liever terugtrok, schonk God hem eene menigte andere, veel beter en oprechter, vrienden onder de geestelijkheid en de burgerij van Luik. Behalve met zijn geestelijken bestuurder, den eerwaarden heer Van Berwaer, zag men hem geregeld omgaan met den eerwaarden heer Missoul, met den pastoor der St. Gillis, met de Redemptoristen
') Karei GUnch-cmaiUic, den 18den April 1806 te Iperen geboren, nam in 1830 dienst bij het bataljon sappeurs-mineurs. Kort voor zijn dood. den 4den Januari 1863, te Antwerpen, verliet hij het wapen der Genie, om kapitein-opzichter der kleeding te worden bij het 2de Kegiment Artillerie. Deze uitstekende vriend van Belletable is altijd een oprecht christen gebleven, een man van eer en plicht. Een zijner neven, een student, die de vacantie bij hem doorbracht, werd iederen dag door hem ondervraagd, of hij zijn morgen- en avondgebed verricht had. Deze jongeling, later Carmeliet geworden, schepte er behagen in te vertellen, dat de kamer van zijn oom meer op die van een priester, dan op het vertrek van een officier geleek. De kapitein had ook eene bijzondere liefde voor de armen ; zijn 'oppasser behandelde hij met de grootste goedheid; ook werd hij door dezen oprecht bemind. Bij zijn dood vond men hem bekleed met de livrei der Allerheiligste Maagd, met het scapulier.
58
Manwisse, Bernard en Dechamps, met een Kanunnik der Lniksehe kathedraal, met den eerwaarden pater Blanquart, Jezuïet en later met den eerwaarden heer Delriielle, kapelaan der Sint Jan 1). Ook Mgr. van Bommel, bisschop van Luik, een geboren Hollander, toonde groote achting voor Belletable 2).
Omstreeks dienzelfden tijd stond Belletable eveneens op ver tr ouwelij ken voet met de families: Bleret, Dejaer, de Fooz en de Buygenoms, de bloem ouder de Katholieken, waarop de St. Lambertusstad fier mocht zijn. Mijnheer de Buggenoms, die destijds op het St. Ser-vatiusplein woonde en zeer vertrouwelijk met den officier omging, schonk hem een boekje van 365 bladzijden klein formaat, dat hij met de grootste zorg eigenhandig geschreven had. 't Is eene vertaling der â Overwcglnyen van den H. Augustinus.quot; Dit werkje bij wijze van kerkboek ingebonden, bevat de volgende opdracht:
Gedachtenis aan mijn vriend H. BELLETABLE.
Luik, den lsten November 1840.
Fr. de Buggenoms.
Vooraan op de eerste bladzijde plaatste de geduldige schrijver het tijdstip, waarop hij zijn werk begon: âLuik 1836.quot; De Buggenoms en Belletable waren twee oprechte vrienden. Te zamen spraken zij over godsdienst, godsvrucht, weldadigheid, letter-, schilder- en staatkunde,
') De oerwaarde heer Delruellc was kapelaan der kerk van den H. Joannes Evangelist, van den 15den Januari 1843 tot den 25sten September 1849. Hij stierf als Deken der O. L. V. Kerk te Hoei in 1882.
') In e?.n brief gedagteekend uit Roermond, in Augustus 1852, schrijft Belletable... â't Is juist zooals weleer de Bisschop van Luik zeide: Doe den wil van God en God op zijne beurt zal uw wil volbrengen ; Hij zal u met eer en zegeningen overladen.'
59
enz. Te zamen volgden zij in de St. Pauluskerk de conferenties van pater Manwisse en brachten de boeken in orde van de bibliotheek der jongelieden. Te zamen ijverden zij ten gunste der geestelijke afzondering, die jaarlijks in de kerk der Benedictinessen gehouden werd. Te zamen bezochten zij van tijd tot tijd de wijken der armen, om er de meest hulpbehoevenden bij te staan en boden aldus een voorspel van de wonderbare werken van den H. Franciscus Regis en den H. Vincen-tius a Paulo, die alstoen te Luik ontstonden.
In Maart 1841 benoemde de Bisschop dier stad den pastoor van Sint-Servaas, den eerwaarden heer Van Berwaer, wiens verdiensten hij grootelijks op prijs stelde, tot titulair kanunnik zijner kathedraal. Eenerzijds verheugde zich Belletable, dat zijn geestelijke bestuurder aldus op den kandelaar geplaatst werd, doch anderzijds betreurde hij het bitter, dat hij zijne leiding moest missen. De goede Priester, die hem als een zoon beminde, ontving hem vertrouwelijk te zijnen huize, troostte hem, en raadde hem aan zich tot den eerwaarden pater Dechamps (Redemptorist) te wenden. Deze kloosterling was sedert zes maanden te Luik gevestigd en ofschoon hij nauwelijks dertig jaar oud was, en de bescheidenheid zijne hoofddeugd bleef, deed hij reeds toen bevroeden wat hij later zoude zijn. De officier stelde zich aan den Pater voor en verzocht hem zijne geestelijke leiding op zich te nemen.
â Zult gij mij ook alles zeggen ?quot; vroeg deze op een toon, die reeds vertrouwen inboezemde.
,Alles, volstrekt alles,quot; was het antwoord.
âAangenomen,quot; hernam de Pater.
Belletable telde een vriend en een uitstekend weldoener meer. Hij was zoo openhartig, zoo geneigd om alles te zeggen, dat hij kort daarop onder leiding van
60
pater Dechamps eene geestelijke afzondering hield en eene tweede generale Biecht sprak, die een feit in zijn leven werd. Wij gelooven dan ook, dat onder de talrijke vrienden welke de toekomstige Prelaat zich door de zalving zijner geestelijke raadgevingen en de bevalligheid van zijn woord wist te verwerven, er geen enkele gevonden wordt, die meer dan Belletable den invloed onderging zijner uitgelezen ziel. Ook volgde hij den uitstekenden redenaar overal waar deze het woord Gods verkondigde: in de St. Martinuskerk, waar hij in Juli 1841 het Octaaf preekte van O. L. Vrouw; in de Congregatie der St. Pauluskerk, waar hij in 1842 pater Manwisse opvolgde, toen deze tot rector te Doornik was benoemd ; in de kathedraal, waar hij in 1848 de Adventspreeken hield en eindelijk in de kloosterkerk der Redemptoristen, Rue Hors-Chateau.
Doch loopen wij de feiten niet vooruit. Den 223tequot; Mei 1842 zeide Belletable voor zes maanden vaarwel aan zijne Luiksche vrienden. De sappeurs-mineurs vertrokken naar Antwerpen in garnizoen. Daarenboven veranderden zij van naam: officieren en soldaten van het bataljon gingen over in het regiment der Genie, dat den 4clen Juni 1842 werd ingesteld. Met de naamsverandering gaf men aan dit nieuw wapen ook nieuwe werkzaamheden: de studie van de inrichting, van de verdediging en den aanval der vestingen, de inrichting dei-kunstwerken en der blijvende versterkingen enz. Ondanks deze vermeerdering van werkzaamheden vergat Belletable den dienst van God niet; het was juist in dezen tijd, zooals wij boven zagen, dat de vrouw des huizes, waar hij inwoonde, bemerkte dat hij des nachts opstond om te bidden.
Wij zouden er de reden of ten minste de aanleidende oorzaak van kunnen raden, want het is hier de plaats
61
een voorval te verhalen, waaraan de godvruchtige soldaat een buitengewoon gewicht hechtte en dat ons het oudste handschrift mededeelt, hetwelk wij van hem bezitten. Wij bedoelen de toevallige vondst van een klein beeldje der Moeder Gods, hetwelk in het bezit van den officier kwaifi. Ziehier een trouw afschrift van liet oorspronke-kelijke, dat, evenals het beeldje, het eigendom is zijner dochter:
Ter eere van Maria !
Toen ik ten jare achttienhonderd-twee-en-veertig te Antwerpen in garnizoen was, kwam men mij op zekeren dag verwittigen dat een mijner korporaals (Wlllemsen) een klein beeldje der Allerheiligste Maagd had gevonden. Terwijl ik den korporaal over het feit ondervroeg, verzekerde hij mij, dat hij het werkelijk gevonden had, tegelijk met een papier in een zakje geborgen; dit laatste had hij weggeworpen, omdat het vergaan was. Voor eenige kleinigheden gaf hij mij die voorwerpen in ruil.
Het beeldje der H. Maagd is van bruin hout en een vinger lang. Zij draagt het Kind Jezus op de armen en was zonder sieraden. Het papier is een paspoort van het jaar 1748, afgegeven aan den markies de Laverne, die wellicht afgevaardigde was van het Fransche gouvernement om eenige zaken te regelen betreffende het vredesverdrag, dat in dezen tijd tusschen Oostenrijk en Frankrijk gesloten werd. Naar ik veronderstel, had hij dit stuk noodig om van Roermond, waar de onderkoning der Oostenrijksche Nederlanden zich ophield, rechtstreeks naar Antwerpen te kunnen gaan, waar hij zijne land-genooten zou aantreffen.
De wijze, waarop deze voorwerpen gevonden zijn, verdient vermelding. De korporaal verhaalt ze aldus: âIk
62
was bezig,quot; zoo sprak hij, âmet aarde weg te graven op een met gras begroeide helling, voor een kanon, ter rechterzijde van bolwerk 2 of 3, toen ik bij het terugtrekken mijner schop een klein linnen zakje zag te voorschijn komen waarin het gezegde besloten was. De uitgraving, die ik doen moest, was ongeveer een meter diep; zij moest dienen om eenige graszoden te leggen in de plaats der andere, die bedorven waren als dooide pooten van een hond, die daar gesnuffeld had.quot;
Dit gedenkschrift heb ik eigenhandig geschreven tc Bergen, in het jaar Onzes Heeren achttienhonderd-vier-en-veertig. (get.) H. Belletable.
P.S. Ik betuig hierbij, dat ik het kleine beeldje van Maria tegelijk met het papier gegeven heb aan mijne dochter Henriëtte. (get.) H. Belletable.
In eene noot geven wij den tekst van het nog goed bewaarde paspoort, die bij het beeldje gevoegd was ').
Belletable was gelukkiger met deze vondst, dan wanneer hij een schat ontdekt had. Hij voelde zich eensklaps van zulk een godsvrucht voor dit beeldje van Maria doordrongen, dat hij overvloeide van genot, als hij er voor neer-
') Karei, graaf van Bathvan, Erfelijk Heer van Gussing voor het algemeen bestuur der gezegde Nederlanden enz. enz.
Aan alle generaals en allo anderen die deze brieven zullen zien. Heil. Wij melden en bevelen u in naam van bovengenoemde Majesteit, vrij en frank te laten gaan en terngkeeren ;
Den markies de Laverne, ten einde te reizen en te verblijven, waar zijne zaken zijne tegenwoordigheid zullen vorderen in het Rijk, in het land van Luik en in de Nederlanden, niet zijne echtgenoote, familie, dienstboden en equipages, hetzij te zamen, hetzij afzonderlijk; dit paspoort is geldig voor zes maanden.
Gedaan te Roermond, den 6den van de maand Mei, duizend, zevenhon-derd-acht-en-veertig.
{(let.) S. Batthyaxy.
Hier een groot zegel in lak dat goed is bewaard.
(Get.) H. Ceumpipexy.
63
knielde, en het hem moeite kostte zijn gebed te eindigen. Die godsvrucht bleef hem bij tot aan zijn dood, gelijk wij later zullen zien. De godvruchtige dame, bij wie hij te Antwerpen inwoonde, verrijkte het beeldje der H. Maagd met kleine sieraden van verguld koper, met een kroon voorzien van vier robijnen, een schepter, een vozen-krans en een sleutel, die aan de hand hing.
Het beeld van Maria was in goede handen gevallen; de bevoorrechte eigenaar had zelfs het geluk te achterhalen, van waar het kwam en de geschiedkundige bijzonderheden, die hij verzamelde, brachten er slechts toe bij om èn zijne godsvrucht èn de waarde van het kleine lieve beeldje te vermeerderen 1). Tien jaren later schreef hij aan de dames Van Biervliet; â Wat zegt gij van mijn klein âbeeldje? Wie zou ooit gedacht hebben, dat ik er in âslagen zou de eigenaars er van te ontdekken? Profeteert âeens en zegt mij, wat zal het einde zijn van dat âalles?quot; 2)
Den 5den October 1842 keerde Hel let able met het nieuwe regiment der Genie naar Luik terug. Zijn landgenoot, generaal de Brialmont, kwam er terzelfder tijd aan. Deze officier had juist de militaire school verlaten met de epauletten van tweeden luitenant en was eerst
') De markies de Laverne, van wien in de paspoort melding wordt gemaakt, bewoonde hot grondgebied van Argenteau bij Visé, beroemd door de kapel en de bedevaart van O. L. V. in het bosch van Argenteau.
Dit beeld heeft zijne geschiedenis : Tegen het einde der XVlIe eeuw verspreidde zich het gerucht, dat men in het bosch van Argenteau, naast de fontein, te midden van een honderdjarigen eik een klein beeldje had (jevnndeti, de Allerheiligste Maagd met het Kind Jezus voorstellende. De plaats waar men het bewaarde, werd weldra bezocht door menigvuldige bedevaarten en talrijke ex-voto's werden geofferd tot dankbaarheid der wonderbare genezingen, die men er verkreeg. De markiezin de Laverne ziende dat het getal bedevaartgangers met den dag toenam, vergrootte en versierde de kapel, die dit opschrift draagt:
Maria me fecit anno 1749.
') 10de Brief. Soningen, 31 October 1852.
64
21 jaren oud. âMijn kameraad van Venlo,quot; zoo zeide ons de generaal, âwas de goedheid zelve, zeer nauwge-âzet, voorkomend en vooral zeer bescheiden. Dit deed âhem de genegenheid winnen van alle jonge officieren, âdie evenals ik van de militaire school kwamen. Er âbestond een zekere naijver bij het wapen der Genie âtusschen de ouderen, die bij het bataljon der mineurs âgeweest waren, en tusschen de nieuweren, die bijzondere âstudiën gemaakt hadden zooals de Genie dit vorderde. âDe sappeurs beriepen zich op hun langer bestaan; wij âop onze technische kennis; Belletable hield zich buiten âdit geschil en bleef vriend van allen. Daar hij volstrekt âniet aanmatigend was, zeiden wij tot elkander: âDeze ââzal ons ten minste niet over het hoofd groeien.quot; Hij âwas zeer getrouw aan al zijne christelijke plichten en âhij vervulde die met eene eenvoudigheid, die ons bewon-â dering afdwong, zonder dat het de minste afkeuring wekte.quot;
Aan die bescheidenheid en voorkomendheid dankte de godvruchtige luitenant ongetwijfeld zijne benoeming tot adjudant-majoor, eene betrekking die hij tot den 7(len September 1845 bekleedde.
Ziedaar wie Belletable was in het jaar 1843. Om de zachtheid en ridderlijkheid van zijn karakter werd hij door allen geacht en bemind. Hij was vlijtig bij den arbeid en bezorgd om door studie en gebed de klippen te vermijden, waartegen hij een tiental jaren geleden was verzeild geraakt. Hij schaamt zich niet zijn geloof openlijk, ofschoon zonder snoeverij, te belijden. Verre van de oogen der wereld op zich te willen trekken, schijnt hij er veeleer op uit zich zeiven te doen vergeten en zoo sticht hij eene gansche stad door de beoefening eener godsvrucht, die allen eerbied afdwingt.
De uitstekende kloosterling, die hem geleidde op het pad der volmaaktheid, was intusschen rector geworden
van het klooster te Luik en beijverde zich (»11 Belle-table uit eene moeilijke omstandigheid te redden, waarin de lichtzinnigheid der jongelingsjaren hem gebracht had Daar hij weinig hoop koesterde iemand te vinden, die rijk en edelmoedig genoeg was om de huwelijksgift, dooide wet gevorderd, voor te schieten, griefde hei hem Belletable en de deelgenoote van zijn ongeluk, die insgelijks zijn biechtkind geworden was, voortdurend bezig te zien met de gedachte, hoe een toestand te regelen die zonder uitkomst scheen. In zijn priesterlijken ijver verafschuwde en brandmerkte hij oene wet, voortgesproten uit de beginselen van '89, die zonder den minsten eerbied voor de vrijheid van geweten, het kerkelijk en eigenlijk gezegd huwelijk beneden eene burgerlijke overeenkomst stelde. Immers, het Wetboek van Strafrecht van 1810, alsook de Belgische Grondwet verbieden den priester een huwelijk in te zegenen, vooraleer het burgerlijk huwelijk gesloten is. Nochtans kan het gebeuren, en dit was het geval met Belletable, dat ernstige gemoedsbezwaren het kerkelijk huwelijk dringend vorderen, terwijl het burgerlijk huwelijk krachtens de wet onmogelijk is. Is dit geen schandelijke inbreuk op de vrijheid van geweten ? -) 1 )e bestuurder oordeelde dat deze Gordiaansche knoop eindelijk moest worden doorgehakt. Hij deed wat generaal de Charette eertijds in eene andere orde van zaken gedaan had. Op een avond, dat de dappere strijder bij zijn terugkeer in het vaderland door de keur der familiën uit
') De wet eischtc eene som van 40,000 franken van do vrouw, die met een officier huwde.
2) In Engeland kent men ternauwernood het burgerlijk huwelijk en het is voor niemand verplichtend. Men trouwt alleen in de kerk. Een ambtenaar woont er met de getuigen de huwelijksvoltrekking bij, maakt de akte op, bewaart de registers; â ziedaar alles. In Canada trouwt men insgelijks alleen voor den priester en niemand is tot het burgerlijk huwelijk verplicht.
BELLETABLE. 5
6(5
Bretagne feestelijk onthaald werd, zag hij zich genoodzaakt zich uit eene moeilijke omstandigheid te redden, waarin de dames hem al schertsende gebracht hadden. Terwijl zij elkander de hand gaven en een kring om hem vormden, zeiden zij lachende: âGeneraal, gij zijt onze gevangene.quot; Doch met een sprong werpt hij zich over tie afsluiting heen en omziende antwoordt hij guitig: âMen vanart de Charette niet!quot;
'' O
Pater Dechamps deed hetzelfde; hij sprong over den hinderpaal heen en, voorzien van bijzondere volmachten, zegende hij den Sstcl1 December 1843, 's avonds na het Lof in (ïe Lieve-Vrouwekerk, in tegenwoordigheid van twee getuigen hun huwelijk in. Uit eerbied voor de openbare meening veranderden de nieuw gehuwden niets in hun uiterlijken omgang, doch de knellende banden van hun geweten waren verbroken.
O
ZESDE HOOFDSTUK.
De Heilige Familie.
Vijandige strijd tegen den godsdienst. â Een geneesmiddel. Drie vastberaden mannen.
et oogenblik is aangebroken waarop de Voorzienigheid zich van Belletable ging bedienen om in overleg met zijn geeste-ts lijkeu bestuurder en met twee Luiksche werklieden een wonderbaar werk, eene ware ark des heils, in zijne Kerk te stichten. Om het nut dezer instelling beter te doen begrijpen, zij het ons vergund hier in breede trekken een overzicht te geven van Belgiës godsdienstigen toestand in die dagen.
Tegen het einde van 1840 vormden de loges van Brussel het besluit een burgerijlee vereeniging op te richten, die het middelpunt zou zijn van waaruit men ile beginselen tegen de leer der Kerk zou trachten te verspreiden en deze te bekampen-. Zij begon hare werkzaamheden onder den titel van nl'Alliance: het Verbondquot;, den ir)clen April 1841. De uitslag overtrof
08
de verwachting der stichters. Aanvankelijk samengesteld nit eene kern van 350 leden, allen Vrijmetselaars, nam zij ook anderen, die niet tot de geheime genootschappen wilden toetreden, op en na enkele maanden was het, aantal tot 1000 gestegen. Luik en eenige andere steden volgden dat voorbeeld en vereenigden allen, die met haat tegen de Katholieke Kerk vervnld waren.
Hetzelfde jaar begon de Vrijmetselarij ook de dorpen te verpesten. De geheime genootschappen werkten zonder verpoozing. In de maand September 1841 wilden de Vrijmetselaars eene nieuwe loge stichten te Durbuy, de Loye der Ardennen, doch hun plan werd verijdeld door tusschenkomst van een hooggeplaatst persoon.
In 1842 verbonden de Luiksche liberalen zich tot eene vereeniging. De heer Frère, lid van het bestuur, werd belast met de vorming van onderafdeelingen in de kantons. Aanstonds vertrok hij in gezelschap van drie andere heeren naar Hoei, riep er een twintigtal liberalen in het hotel âDe Postquot; te zamen en spoorde hen aan in navolging van Luik eene afdeeling op te richten. Bij deze duivelsche instelling voegden de vijanden dei-Kerk den invloed van de pers.
Met uitzondering der priesters, die op katholieke dagbladen zijn ingeteekend, schreef in 1843 een Pastoor uit de Ardennen, lezen allen in ons kanton slechte tijdschriften, zooals: le Globe, VOhservateur, le Journal de Lie (je, la Tribune, l'Eclaireur enz. Men verkoopt ze tegen een zeer lagen prijs en het kwaad dat zij stichten is schrikbarend. De weinig ontwikkelde landman zegt eenvoudig; âHet staat in de courant'' en alles wat gedrukt is, is voor hem Evangelie.
Deze ongodsdienstige strijd droeg weldra vruchten. In 1844 ontstond te Verviers een oproer bij het blootc bericht, dat twee Jezuïeten zich in de stad zouden vestigen.
69
Ia Februari 1845 zeide een spreker in eene redevoering voor de Antwerpsche Loge gehouden : âDe Vrijmetselarij bloeit; de rangen van ons heilige strijders breiden zicli van dag tot dag uit; onze armen vermenigvuldigen zich en weldra zullen wij het gansche land kunnen omsluiten in eene broederlijke omhelzing.quot; Inderdaad, met eene broederlijkheid van Caïn, gelijk L. Veuillot liet uitdrukte. Weldra ook zal de Luiksche pers, evenals die van Brussel en Gent, met geestdrift de verschijning begroeten van den Wandelenden Jood, een werk van Eugene Hue, in strijd met goede zeden, met maatschappelijke orde en vrede, en dit in hunne feuilletons overal verspreiden.
Tot zulk een toestand was de godsdienst in België gebracht op dit noodlottig tijdstip. De Bisschoppen doorschouwden al den omvang van het gevaar en na eene vergadering, den rv10quot; Augustus 1S43 gehouden, richtten zij een herderlijk schrijven over het lezen van slechte boeken aan de geestelijkheid en de geloovigen hunner bisdommen.
Datzelfde jaar behandelde pater Dechamps hetzelfde onderwerp in de kathedraal te Luik, waar hij den Advent preekte, en de Bisschop dier stad, die zeer goed begreep dat hier krachtige middelen moesten aangewend worden, zond den 15den Mei 1844 een rondgaand schrijven aan alle dekens, ten einde zich nauwkeurig op de hoogte te stellen van de maatregelen, die er tot verspreiding van goede boeken genomen werden.
Belletable bleef van zijn kant niet werkeloos. Reeds hebben wij den belangeloozen ijver bewonderd, welken hij sedert 1838 aan den dag legde om goede boeken in arme parochies te verspreiden. Deed hij dit op raad van zijn geestelijken bestuurder of zag hij beter al de noodlottige gevolgen der slechte lectuur, wijl hij meer in
70
aanraking kwam met het volk en zich in eene aller-ondankbaarste omgeving bewoog? Zeker is het, dat hij den treurigen toestand der werkende klasse begreep. En niet alleen begreep hij dien, hij treurde er over en brandde van verlangen om er middelen tegen aan te wenden. Een eigenhandig schrijven van Mgr. Boermans, bisschop van Roermond, gedagteekend van den 22sten Februari 1896, verzekert ons dat Belletable in 1838 reeds middelen zocht om eenig godsdienstig werk te stichten. âMeermalen klaagde hij bij zijn vriend, dat de werklieden des Zondags werkten, des Maandags dronken en alle dagen vloekten.quot; 1) Ook is het zeker, dat hij aan den voet der altaren, voor het Allerheiligste Sacrament, zijne plannen tot rijpheid bracht.
De pastoor van St. Servaas en na hem pater Dechamps, als waardige zoon van den H. Alphonsus, verzuimden niet de schoone vlam van zulk een ijver in hunnen biechteling te onderhouden en aan te wakkeren. Weldra zou zij zich aan anderen mededeelen en onder den vruchtbaren adem des H. Geestes de schoone vereeni-ging voortbrengen der H. Familie, waarover wij thans gaan spreken.
Het was in de maand Mei 1844. Onder de geloo-vigen, die iederen morgen de Mis bijwoonden in de kerk der Paters Redemptoristen te Luik, merkte men drie mannen op, zeer verschillend van aanzien, maar volkomen op elkander gelijkend door hunne godsvrucht. Het waren Gillis Jongen, Jozef Hacken en Henrt Belletable, die met pater Dechamps de vier hoeksteenen vormen van het verheven gebouw ter eere van Jezus, Maria, Jozef opgetrokken.
Gillis Jongen was 35 jaar oud. In 1808 te 's Gra-
') Verhaal van Mgr. Boermans van den 29stcn Octobcr 1895.
71
venvoeren geboren, had hij zich in 1835, op 27jarigen leeftijd als meester-schrijnwerker te Luik gevestigd en daar eene uitstekende vrouw gehuwd, die hem twee kinderen schonk. Hij was een eenvoudig, braaf en godvreezend man, die zich door eene groote bescheidenheid en eene degelijke godsvrucht deed kennen.
Hacken, den lé^11 Mei 1820 te Luilc in de straat achter het Paleis geboren, was 24 jaar oud. Van ambacht was hij kleermaker en woonde bij zijne arme moeder, die hij teeder beminde. Vroeger was hij soldaat geweest bij het 3e Regiment Jagers te voet, maar na afloop van zijn diensttijd, nu ongeveer een jaar geleden, was tot zijne moeder teruggekeerd. Hacken bezat het levendig karakter der Luikenaars en al had hij geen graad in het leger ontvangen en alleen een getuigschrift van goed gedrag, hij was schrander, goed onderwezen en voor een soldaat, die nog pas de kazerne verlaten had, zeer godvruchtig.
Bellet able, dien wij reeds kennen, had den leeftijd van 31 jaren bereikt; daarvan had hij er dertien te Luik doorgebracht en stond op het. punt tot eersten luitenant der Genie bevorderd te worden.
Hacken en Belletable, hoewel zeer verschillend van stand, waren beste vrienden, door dezelfde neigingen en godvruchtige gevoelens met elkander vereenigd. Beiden erkenden zij tie noodzakelijkheid om het gebrek aan godsdienstig onderricht bij de werkende klasse door een of ander middel aan te vullen. Belletable stelde voor groepen te vormen van twaalf man en aan het hoofd van iedere groep een voorlezer te plaatsen, die genoegzaam in den godsdienst onderwezen was om de anderen voor te lichten. Deze voorlezers zouden dan onderling met elkander in betrekking staan en eene gemeenschappelijke leiding ontvangen.
72
Op den avond van den 28stün Mei woonden de officier en de kleermaker liet Lof bij in de kerk van Onze Lieve Vronw. Na afloop daarvan klopte Belletable zijn vriend Hacken even op den schouder en wandelde met hem de straat op. Eensklaps staat hij stil en spreekt op beslisten toon: âWij moeten beginnen, doch waar en hoe?quot;
âAanstaanden Zondag,quot; antwoordt Hacken, âis het Pinksteren, de dag der nederdaling van den H. Geest over de Apostelen en het verjaarfeest van het begin der Kerk .... Evenwel dunkt mij zou het beter zijn den Maandag te kiezen.quot;
âGoed dan,quot; herneemt Belletable, âal moesten wij ook beginnen op het Sint-Lambertusplein, beginnen zullen wij.quot;
âIn dat geval,quot; besluit Hacken, âzal ik eenige leden aanwerven.quot;
Deze twee mannen waren vast besloten de zaak door te zetten. Belletable verhaalde later aan zijn vriend, den eerwaarden heer Boermans, dat hij den nacht, die dit besluit voorafging, weinig geslapen had ; zoozeer was zijn geest er van vervuld. Hacken van zijn kant ging regelrecht naar den timmerman Jongen en ofschoon hij dezen nooit gesproken had, kostte het hem toch weinig moeite den braven werkman over te halen, niet alleen om zich bij hen aan te sluiten, maar daarenboven om zijne woning voor de bijeenkomsten aan te bieden 1).
Op een der volgende dagen bevonden de officier en de kleermaker zich reeds bij Jongen. Belletables plan werd tot in de kleinste bijzonderheden uiteengezet en de timmerman was er verrukt over. Hij toonde hun eene tamelijk groote kamer met eene kast, welke twee
') De geschrpven luededcelingcn vun Hacken en Jongen, hoewel in hoofdzaak dezelfde, stemmen in bijkomende punten niet altijd volkomen overeen. Dit laat zich verklaren, als men bedenkt dat zij ze eerst in I860 opstelden.
73
met beelden beschilderde deuren bevatte en diende tot huisaltaar voor een gekleed, vrij schoon beeld van Onze Lieve Vrouw. âDat is juist wat wij zoeken,quot; riep Belletable uit, terwijl hij de kamer binnentrad, en, na do inrichting van het altaartje en het beeld bewonderd te hebben, knielde hij neder en bad eenige oogenblikken om (xod te bedanken. Jongen van zijn kant achtte zich gelukkig een onderkomen te kunnen geven nnn eene nieuwe vereeniging, wier doeleinde zoo verheven was en zoo goed beantwoordde aan zijn eigen gevoelens. Denzelfden das: zetten Hacken en Jonden zich aan bet
O O
werk om eenige deelgenooten aan te werven en bij de eerste bijeenkomst, die werd vastgesteld op den avond van Pinkstermaandag, den 27sten Mei 1844:, waren reeds acht of twaalf leden aanwezig. De officier maakte op vertrouwelijke wijze kennis met deze vrome werklieden en nadat hij het rozenhoedje met hen gebeden had, hield bij eene korte toespraak, die wij bier mededeelen zooals ze in de Archieven der Aartsbroederschap beschreven staat
âMijne vrienden,quot; dus begon hij, âwij moeten met âelkander een verbond sluiten. Als opzichter der konink-âlijke kanonnengieterij leef ik te midden der werklieden, â wien ik een warm hart toedraag. Doch xcderl lanij ben âik zielsbedroefd, dat zoovelen hunner ongelukkig zijn âdoor eigen schuld. Zij zijn verslaafd aan den drank, âwerpen allen godsdienst over boord, arbeiden 's Zondags, âdrinken 's Maandags en hebben volstrekt geen zorg âvoor de opvoeding hunner kinderen. Gij zult een groot ânut stichten en zeer veel bijdragen tot verbetering van âhun lot en dat hunner huisgezinnen, wanneer gij samen-
') Verg. Archives du Secretaire-general de I'Aichiconfrerie p. 47 et Notice imprimée dans le Manuel des Associés en 1865 p. 68 et 69.
74
,werkt om uwe kameraden en vrienden naar uwe Maan-âdagsche vergaderingen te doen komen,quot; enz.
Van dien dag af was de Vereeniging gevestigd. De bijeenkomsten werden vastgesteld op Maandagavond. Belletable, Hacken en Jongen wedijverden met elkander, wie hunner de meeste nieuwe leden zou aanbrengen. Volgens getuigenis van een dezer, de eenige van 1844 die nog in leven is 1), volgde Belletable overal de werklieden, zoowel huisvaders als jongelieden, om ze tot de vergadering te doen toetreden. Hij beminde den werkman en was goed voor hem: âDrinkt een glas, dat is goed,quot; zoo sprak hij. âmaar ziet niet spoedig om naar het tweede.quot; Van tijd tot tijd liet hij hem ongemerkt een frank in de hand glijden. In de kerk der Paters Redemptoristen, waar hij iederen morgen de Mis hoorde, preekte hij door zijn voorbeeld en dit, voegde dezelfde zegsman er bij, âspoorde mij aan hem na te volgen.quot;
Een ander der oudsteleden, van 1845, de heer Wijnand H. uit Luik, was vooral gesticht, als hij Belletable ten jare 1844 in de Paterskerk tot de H. Tafel zag naderen. Zijn oppasser zat steeds aan zijne zijde en communiceerde insgelijks, doch eerst nadat de officier op zijne plaats was teruggekeerd, waar hij zijn degen had neergelegd.
In de wekelijksche vergaderingen was hij steeds trouw op zijn post; altijd verscheen hij in groot militair tenue. Nadat volgens gewoonte een rozenhoedje was gebeden, hield Belletable een geestelijke lezing en verhaalde dikwijls eenige godsdienstige feiten, die zijnen hoorders belang Konden inboezemen. Hij spoorde hen altijd aan tot het goede, gaf hun nuttige raadgevingen en wekte hen op tot volharding. Wat de brave werklieden betrof, zij luisterden gaarne naar hem, gevoelden dat zijn woorden uit het
') J(in Cleef. In het begin van 1845 keerde hij van Luik terug naar Roermond.
75
hart voortkwamen en deden er hun voordeel mee. Soms was Belletable bij die wekelijksche bijeenkomsten vergezeld van den eerwaarden heer Delrucllc, kapelaan der St. Janskerk; soms kwam een Redemptorist, met name pater Leroy, er eene kleine toespraak houden.
Eveneens lijdt het geen twijfel of pater Dcchamps nam een werkzaam aandeel in de stichting der H. Familie. Nooit toch zag hij een biechteling aan zijne voeten, die openhartiger, nederiger en leerzamer was dan Belletable. Deze legde hem dus het plan bloot, dat hij reeds lang overwoog in zijn hart. De verstandige bestuurder keurde het goed, nadat hij het voor en tegen er van ernstig overwogen en het licht des Hemels geruimen tijd had afgesmeekt; hij moedigde het aan en zegende het. Hoe vertrouwelijk en geheim de betrekkingen ook waren tusschen den geestelijken leidsman en zijn gunsteling, waren zij toch zoo duidelijk voor een ieder, dat men zelfs na eene halve eeuw de namen van Dechamps en Belletable niet heeft kunnen scheiden, waar er sprake was van de eerste grondslagen der H. Familie. Tengevolge van die vertrouwelijke mededeelingen kon pater Dechamps, kardinaal en aartsbisschop van Mechelen geworden, in 1879 verzekeren, âdat het werk der H. Familie de gedachte was van Belletable.quot; 1)
In de maand September vertrok het regiment dei-Genie van Luik naar Bergen in Henegouwen. Het was een zwaar offer voor Belletable vaarwel te moeten zeggen aan zijne talrijke vrienden te Luik. aan zijn geestelijken bestuurder en aan de vrome werklieden, die hij als weezen achterliet. âZijn afscheid was treffend,quot; zoo verhaalt de godvreezende Jongen. De militair, getrouw aan zijn plicht scheidde niet van zijn vrienden, dan na hun âde
') Brief van den llden April 1879.
76
verzekering te hebben gegeven, dat hij in den geest altijd met hen vereenigd bleef.quot; Men kwam bovendien van beide kanten overeen, dat men elkaar geregeld bericht zon zenden, wat dan ook niet verzuimd werd.
Maar niet alleen voor Belletable, ook voor de jeugdige vereeniging was deze scheiding eene beproeving. Hacken, die voortaan de plaats van Belletable moest innemen, was twee maanden te voren naar de manoeuvres in het kamp van Beverloo vertrokken. Dan, door eene gelukkige beschikking der Voorzienigheid, keerde hij te Luik terug, juist op denzelfden dag dat Belletable deze stad verliet om zijn garnizoen te betrekken. Hacken volgde hem tot Hoei om er zijne militaire uitrusting in te leveren. âTe zamen,quot; zoo verhaalt Hacken, âgingen âwij naar Hoei en Belletable droeg mij op ons werk âvoort te zetten en volgens zijn plan nieuwe groepen âvan twaalf leden te vormen. Te Luik teruggekeerd âwilde ik mij niet aan het hoofd mijner vrienden stellen, âofschoon Belletable hun daar reeds over gesproken had. âIk sloeg eene keuze voor en het lot viel op mij; ik âmoest mij dus onderwerpen en zette de zaak door.quot;
J)it verhaal van Hacken toont duidelijk zijne bescheidenheid, alsook de overwegende rol die Belletable tot dan toe gespeeld had. Ziehier echter waardoor de invloed van den kleermaker zich vooral openbaarde, zoodat hij zelfs eene nieuwe richting gaf aan het gemeenschappelijk werk. Daar het aantal leden voortdurend toenam, was men verplicht, ofwel deze eerste kern volgens de inzichten van den stichter in groepen van twaalf man te verdeelen, ófwel met elkander vereenigd te blijven en een ruimer lokaal te zoeken. Dit laatste hield de overhand : men gevoelde zich zoo gelukkig bij elkander, dat men niet wilde scheiden. Hacken, die eene geregelde briefwisseling met Belletable onderhield, legde dezen den
toestand bloot eu het kostte weinig moeite hem voor dit plan te winnen. âBelletable deelde mijn gevoelen,quot; schrijft hij, âon drong er op aan, dat wij pogingen âzouden aanwenden om een priester te verkrijgen, die âzich aan het hoofd der vereeniging zou stellen.quot; Hacken deed nog meer; hij werd de tweede vader van het genootschap.
âToen ik in een onzer vergaderingen eene voorlezing âhield uit het werk: âliet inwendige van Jezus en Maria,quot; âvan Pater Grouquot;, zoo verhaalt hij, âvoelde ik mij âeensklaps aangespoord om de lezing te onderbreken âen mijne medebroeders op te wekken tot standvastig-âheid. Ik zeide hun, dat wij ons, ondanks het vertrek âvan Belletable, innig aaneen moesten sluiten en vol-â harden, wijl wij als een mostaardzaadje waren, dat een-âmaal tot een grooten boom zou opgroeien. Ik stelde âhun voor de Heilige Familie, Jezus, Maria, Jozef, âtot patronen onzer vereeniging te kiezen 1). De eerwaarde pater Dechamps, mijn zielsbestnnrder, aan wien âik dit plan onderwierp, keurde het goed en van dan af âstond de roemvolle titel der H. Familie gegrift in âons hart en boven onze vergaderzaal geschreven.quot;
Twee zaken bleven nog over: vooreerst een ruimer lokaal voor deze werklieden te verkrijgen en een priester, die hunne leiding op zich nam. De herhaalde aanzoeken, door Belletable en Hacken met dit doel bij hun beider geestelijken bestuurder gedaan, werden eindelijk met den gewenschten uitslag bekroond. Op Maandag, den 1 G(len December 1844, opende pater Dechamps voor de leden der H. Familie de bidplaats van den H. Alphonsus, die aan de kerk der Redemptoristen grenst, en belastte pater Schwiny, een zijner onderdanen die het
') Overeenkomstig zijn plan had Belletable de twaalf Apostelen als patronen voorgesteld.
78
best voor deze taak berekend was, met liuime leiding 1).
Dank aan het wijs bestuur eu aan den eersten ijver van den 2 7jarigen kloosterling, nam de H. Familie dermate in bloei toe, dat de bidplaats van den H. Alphon-sus op bare beurt weldra te klein werd en de kerk zelve voor goed tot vergaderplaats moest worden aangewezen.
lederen Maandag bield de bestuurder eene eenvoudige en gemoedelijke onderrichting tot de leden, die in het midden van den kruisbeuk hunne plaats hadden ingenomen. Hij zelf stond voor in liet priesterkoor naast een beeld van den H. Jozef, dat op een beweegbaar voetstuk was bevestigd. De vergadering werd gesloten met het avondgebed en het zingen van een geestelijk lied.
Op die wijze begon zich te Luik een der schoonste opvattingen van den H. Alphonsus te verwezenlijken, een werk steeds zoo dierbaar aan zijn hart en door hem te Napels met zooveel zorg bestuurd, namelijk: Jict Werk der Kapellenquot;. En het waren de zonen zijner Congregatie van den Allerheiligsten Verlosser, die dooide Voorzienigheid werden uitverkoren om dit werk alom door de Aartsbroederschap der H. Familie te verbreiden2).
Tot dusverre was pater Dechamps nog weinig op den voorgrond getreden bij de ontluiking van dit werk, dat nochtans dierbaar moest zijn aan zijn apostolisch hart. Twee redenen inzonderheid schreven hem deze omzich-
') Pater Karei Schwiny werd den '24sten September 1817 te Mont-Faucon in Frankrijk geboren. Den 15den October 1842 legde hij te St. Tniiden zijne geloften af, werd den 17den December van hetzelfde jaar priester gewijd en verbleef in het klooster te Luik van 1844â1850. In 1852 werd hij tot consultor benoemd in het klooster te Saint-Xicolas-du-Port in Frankrijk.
â ) Onder de godvruchtige leeken, die de H. Alphonsus aan het hoofd van hot Werk der Kapellen plaatste, zijn er vooral twee, die gedurende veie jaren een allervruchtbaarst apostolaat te Napels uitoefenden. Het waren : Petrus Barbarese en Lucas Nardone, die in geur van heiligheid gestorven zijn. De eerste werd begraven in de kerk van den Kleinen-Kannel, de tweede in die van St. Mattheus in hot Lavinaro.
79
tigheid voor. De eerste was de overvloed van werkzaamheden, die liem letterlijk overstelpten, zonder daarbij nog de betrekking van rector in eene talrijke kloostergemeente in aanmerking te nemen. Behalve de conferenties, die hij iederen Zondag hield voor de Congregatie der Jongelingen 1) en alle veertien dagen voor de Dames der Congregatie van de Zeven Smarten bij de Dochters van het Kruis, preekte bij dat jaar te Luik de retraite voor de Congregatie in tie St. Pauluskerk; te Brussel, Mechelen en Leuven den Adrcnf; te Luxemburg een Octaaf in de St. Petruskerk: te Luik gedurende veertien dagen het Juhilé van Sint Hubertus in de kerk van het H. Kruis en den Advent in de kathedraal van St. Paulus; elders hield hij verschillende gelegenheids-preeken, met name den 5den Januari 1845 in de hoofdstad (Brussel) in de kerk der Kapel in tegenwoordigheid van de Koningin der Belgen en den pauselijken Nuntius Mgr. Peccl, den hiteren paus Leo XIII. ,
De tweede reden was dat de Paters Redemptoristen te Luik destijds reeds een aanzienlijk deel hadden in de godsdienstige beweging der bisschoppelijke stad en, hoewel bun ijver door Mrjr. van Bommel zeer gewaardeerd werd, vreesden zij toch dat deze nieuwe inmenging hen van aanmatiging zou doen beschuldigen. Zoodra echter pater Decbamps eenmaal zekerheid had, dat bet werk van Belletable, zoo geheel in den geest van het volk. tevens de volle instemming genoot van zijn Bisschop, aarzelde bij geen oogenblik meer om het als zijn eigen werk te behartigen, het goed te keuren en te regelen in overleg met den waardigen prelaat, met pater
') Zij vergaderde in het klooster van Ãt. Paulus, dat aan de kerk grenst, en tolde 300 leden. Het waren jongelingen, die tot alle rangen der maat-schappij behoorden : fabrikanten, kunstenaars, advocaten, schrijvers, militairen enz.
so
Schwing en Belletable zelven, die weliswaar lichamelijk afwezig was, maar volgens zijn belofte âaltijd tegenwoordig bleef in den geest.'quot;'
Nadat Mgr. van Bommel zich in de eerste dagen van Januari 1845 verslag had doen geven van den voortgang der Vereeniging, gelastte hij den Bestuurder een reglement op te maken, waaraan hij vervolgens zelf de laatste hand wilde leggen. Den I3den Februari keurde de Bisschop dit reglement goed. Het eerste artikel bepaalt het doel der instelling: âDeze Vereeniging, opgericht in de Kerk van O. L. Vrouw te Luik, heeft ten doel de II. Familie te vereeren en geestelijke hulp te verschaffen aan dat gedeelte des volks, hetwelk maar al te dikwijls vergeten wordt, doch daarom niet minder dierbaar is aan het oog der rede en des geloofs, namelijk: de werkende klas.quot;
Op deze voorloopige goedkeuring van het hoogste gezag des bisdoms, volgde weldra een ander, nog gewichtiger stnk, van hetzelfde bisschoppelijk gezag uitgegaan, te weten: de Breve van Oprichting van den 7dcn April 1S45. Mgr. van Bommel gewaardigde zich de plechtigheid der afkondiging door zijne tegenwoordigheid op te luisteren. De 116 eerste leden der H. Familie, onder welke ook Belletable, deden op dien gedenkwaardigen dag hunne plechtige Opdracht aan Jezus, Maria, Jozef. Zij ontvingen een bewijs van aanneming, waarop in een Fransch jaarschrift de volgende wensch gedrukt stond:
VTVez heüreUX soüs Les riants aüspICes De La salute faMILLe.
âLeeft gelukkig onder de bescherming dei-Heilige Familie.quot;
Thans zien 400,000 leden uit alle landen dezen profe-tischen wensch in zich vervuld! Wie bewondert hier
II It t( k h
(1 h is ir
V(
a
e\
li;
V(
m
Vi
81
niet de plannen der Voorzienigheid, die de zwakste middelen uitkiest om de wonderbaarste uitwerkselen voort te brengen en die gewoon is het geneesmiddel naast het kwaad te doen groeien ? Het hivaad, dat bier heerschte, hebben wij reeds aangestipt, en in eene toespraak tot de Paters Jezuïeten te Namen kenschetste Leopold I, koning der Belgen, het in de volgende woorden: âArbeidt, mijne lieeren; de jeugd heeft goede beginselen noodig; niets is van meer belang, vooral in onze dayen 1), waarin men alles in het werk stelt om slechte beginselen te verspreiden en de hartstochten op te wekken. Er bestaat thans een strijd in de maatschappij tusschen de yoede en de slechte leerstellingen. Strijden is noodzakelijk.''
De Vorst die aldus sprak en dien men den bijnaam gegeven heeft van , den wijzenquot;, zag de zaken in werkelijkheid helder in. Het gevaar, dat hij aanduidde, was voor zijn volk de grootste aller kwalen. Waar was het geneesmiddel ?
Het geneesmiddel, Eelletable zou slechts weinige maanden later het aanwijzen en tegelijkertijd toepassen. , Vrienden,quot; sprak hij in de eerste bijeenkomst, âwij âkunnen veel goed aan onze ongelukkige broeders bewijzen; wij zullen hun goeden raad en goede voorbeelden âgeven; wij zullen hun lot verbeteren door hen terug âte brengen tot godsdienst en plicht. Tracht nog meer ..nieuwe leden aan te werven voor onze Maandagsche âvergadering. Daar zullen wij hen tot God doen spreken âdoor het gebed en wij zullen hun van God spreken âdoor eene goede lezing.quot;
Op hetzelfde oogenblik derhalve dat de vijanden van godsdienst en maatschappij hun best deden om hunne valsche grondstellingen onder het volk te verspreiden.
') Het was den Sisten Juli 1843.
BELLETABLE.
6
wekte de Voorzienigheid onder dat volk drie mannen op, vereenigde ze te zamen en legde in hun hart de kiem van een edelmoedig plan, van een groot maatschappelijk werk, dat overal als een krachtige dijk zal oprijzen tegen de golven van de verwoestende leerstellingen der boozen. En ten einde aan die kostbare kiem de gewenschtc uitbreiding te geven, wil God, die aan ile winden gelast alom de zaadkorrels der planten te verspreiden, de jeugdige H. Familie toevertrouwen aan eene instelling van kloosterlingen, die reeds in de beide werelddeelen gevestigd is en zich bijzonder toewijdt aan de prediking voor de werkende klassen.
Vertrekt dan. Apostelen des volks, en plant liet kruis des Heeren overal waar zijn geest u voert, maar heft tevens den standaard der H. Familie in top en schaart honderden en duizenden leden onder die banier : zij zullen de namen zegenen van Jezus, Maria, Jozef, de namen daarenboven van den soldaat, den stichter der H. Familie, en van zijne godvruchtige medehelpers te Luik.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Bergen.
Een vertrouweling. â Terugkeer naar Luik. â Woonplaats te koningen. â Verblijf te Brussel. â Eene episode.
kleine stadje Bergen bezat in 1844 volstrekt niet die aantrekkelijkheid waarin het zieh thans verheugt. In plaats van den vroolijken buitensingel, die het nu als een krans van loover omgeeft en het van alle zijden een bekoorlijken, vrijen aanblik verschaft, was het toen door de bouwvallige muren zijner ouderwetsche vestingwerken ingesloten. Het somber uitzicht dezer oude wallen stak geweldig af bij de roode pannen dei-daken, die de hoogste punten der stad omkroonden. Uit deze door kronkelende straten doorsneden vesting verhieven zich de twee merkwaardigste gebouwen van Bergen : de beiaard, gelegen op een hoog uitstekend terras, en op de naburige helling de stiftskerk der H. Waudru, de schoonste kerk in spitsbogenstijl van geheel België. Neemt men echter de bevolking, de lig-
84
ging en de schoonheid der plaats in aanmerking, dan staat de stad der H. Waudru verre beneden die van St. Lambertns.
Bij zijne aankomst te Bergen bracht Belletable aanstonds een bezoek aan het Jezuïetenklooster, waar hij zijn vriend, pater Lodewijk Blanquart, ontmoette, die het jaar te voren insgelijks van Luik gekomen was en die hem thans hartelijk ontving. Daarna zocht hij eene woning, die niet ver van de kazerne, doch ook niet te ver van de kerk was verwijderd. De Voorzienigheid voerde hem naar den heer Marsigny, prefect der studiën aan het Atheneum en uitstekend katholiek, die zeer dicht bij de kerk der H. Waudru woonde. Derwaarts deed de officier zijn klein huisgezin van Luik-overkomen, hetwelk bestond uit de moeder en twee kinderen, waarvan het jongste nauwelijks eenige weken telde. Het was den 5den September 1844 geboren en den daaropvolgenden dag in de St. Janskerk gedoopt. Gelijk blijkt uit een zijner brieven, had Belletable het den naam van Jozef gegeven, ter eere van den machtigen voedstervader van Jezus, alsmede dien van âDominicusquot; en van âHubertusquot;, tot gedachtenis aan zijn grootvader en aan den grooten patroon van Luik.
Mevrouw Belletable ging afscheid nemen van pater Dechamps en verzocht hem bij die gelegenheid voor zijne kerk een klein geschenk aan te nemen als blijk har er dankbaarheid. Het was een witte doek, dien zij zelve bewerkt had; hij was omzoomd met een geborduurdeu rand en bevatte in het midden een bloemruiker.
Belletable en Marsigny waren -weldra innige vrienden. Hoe kon het anders? Deze was een zeer godvruchtig man en een uitstekend huisvader. Doctor in de wijsbegeerte en de letteren, beoefende hij daarenboven de dichtkunst met een zeldzaam talent. Die deugden en schoone
hoedanigheden werden verhoogd door een goed hart en eene buitengewone beminnelijkheid. De officier en de prefect kwamen derhalve zeer goed overeen; beider ziel werd door eene wederkeerige genegenheid tot elkander getrokken. Mevrouw Belletable was dan ook welkom te Bergen en de twee jeugdige huisgezinnen leefden onder hetzelfde dak in volmaakte eensgezindheid.
De nieuw aangekomenen betrokken de eerste verdieping ; de meubels waren eenvoudig maar net; eene eereplaats werd ingeruimd voor het kleine beeldje der Allerheiligste Maagd, dat men als mirakuleus beschouwde en zorgvuldig onder eene stolp bewaarde. De professor wilde zijn studeervertrek met den tweeden luitenant deelen en lederen avond zag men de twee vrienden naast elkander gezeten, ieder hun eigen vak bestudeeren.
Den 26sten December Werd Belletable eerste luitenant. Het geheele huis verheugde zich over deze gebeurtenis, welke het gezin een grooter inkomen, 2500 franc 's jaars, en den officier zeiven een hooger aanzien verschafte. Intusschen bleef deze zijne betrekking van adjudantmajoor waarnemen tot den 7den September 1845. Ofschoon hij zelden in de kringen der officieren verscheen, werd hij toch door hen bemind en hooggeschat. Een zijner vroegere makkers, de latere generaal de W. . . , schreef ons den 30stcu September 1896: âIk heb kapi-âtein Belletable zeer goed gekend. In 1845 en 1846 -diende ik met hem in het regiment der Genie te Ber-âgen. Zonder bepaald innige betrekkingen met hem te âonderhouden, stonden wij toch met elkander op den âbesten voet. Hij was een uitstekend wapenbroeder, âjegens allen gedienstig en door allen geacht; als officier âwas hij vol ijver en voor zoover ik weet, vervulde hij âal zijne betrekkingen op de eervolste wijze.quot; Het spreekt van zelf dat Belletable, die zich bijzonder toelegde op
86
liet godvruchtig leven en de studie van geestelijke schrijvers, enkel en alleen vertrouwelijken omgang had niet, hen, die zijne godsdienstige gezindheid deelden. Deze waren onder de schitterende uniform van de officiereu der Genie minder te vinden. Eenigen hunner konden zelfs niet begrijpen, hoe hij zich zoo met opzet aan hunne genoegelijke bijeenkomsten kon onttrekken. âHij is gehuwd,quot; antwoordde lachende zijn vriend Clinclcemaillic. Natuurlijk hoopte hij niet hen zoo lichtelijk te overtuigen. Ook vermeed Belletable de gezelschappen niet in die mate, dat hij menschenschuw geleek; integendeel, op zijn tijd speelde hij gaarne een partijtje whist en hij was zoo goed op de hoogte van dit spel, dat generaal Greindel zijn gezelschap zocht en hem gaarne als mode-partij had. Vooral echter was onze luitenant inschikkelijk en bereidvaardig, als er sprake was den dienst over te nemen van een kameraad, die door een uitstapje of eenige andere genoegelijke bijeenkomst was verhinderd. In dergelijke gevallen, die niet zeldzaam waren, wendde men zich tot Belletable en wanneer zijne hulp zoo dikwijls werd ingeroepen, dat hij argwaan begon te koesteren en aarzelde het aanzoek te voldoen, dan behoefde zijn vriend Clinckemaillie slechts een goed woordje te doen en aanstonds was de zaak geregeld.
Voor zijne ondergeschikten was Belletable een vader. Zijne soldaten beminden hem en hij verkreeg veel meer van hen door zijne goedheid dan de anderen met al hunne gestrengheid. Ten tijde der revue werd zijne compagnie dan ook grootelijks geprezen en hij zelf steeds door hoogere officieren oprecht gelukgewenscht.
In het begin van 1845 richtte de Minister van Oorlog ;uin de hoofden der legerkorpsen een rondgaand schrijven, dat wel in staat was den ijver van den godvruchtigcn luitenant te wettigen. âHij herinnerde hun, dat geen
âenkele inspectie mocht gehouden worden op Zon- en âfeestdagen, opdat de soldaten niet verhinderd zouden âworden in de vervulling hunner godsdienstige plichten. âDe Minister was van oordeel, dat het voldoende zoude âzijn, de misbruiken, indien ze bestaan hadden, te doen âkennen, om ze niet meer te zien voorkomen.quot;
Te Bergen, zoowel als te Luik, was Belletable met-hart en ziel vereenigd met de beste Katholieken, .tooals de heeren Perin, Huret, Dehech, om niet eens melding te maken van den eerwaarden heer aalmoezenier, met wien hij gaarne eene wandeling maakte. Op zekeren dag, dat hij in diens gezelschap uitging, hoorde liij een voorbijganger zeggen : âZiedaar twéé uniformen die goed samengaan.quot; Deze opmerking streelde den fleren Belletable niet weinig. Inmsschen zette hij te Bergen het echt christelijk leven voort, waarvan hij te Luik zulke schoone voorbeelden gegeven had. lederen morgen zag men hem de kerk der Heilige Waudru bezoeken om er de Mis te hooren en er met zoo diepe nederigheid tot de heilige Tafel te naderen, dat allen er door getroffen werden. âToen Belletable te Bergen in garnizoen was,quot; schrijft een hooggeplaatst geestelijke, âwoonde ik te âLeuven en verbleef korten tijd in mijne geboortestad. âDikwijls hoorde ik dezen ofHcier prijzen als een uitstekend âkatholiek, die de schoonste voorbeelden gaf van godsvrucht en meermalen zag ik hem in de kerk der H. âWaudru commimiceeren.quot;
Nadat Belletable een jaar in de hoofdstad van Henegouwen had doorgebracht, smaakte hij het genoegen tegenwoordig te zijn bij de Eerste Heilige Communie van zijn dochtertje. Als vriend des huizes, bereidde pater Blanquart het kind voor tot de groote genade van den schoonsten dag baars levens en schonk haar in de kerk van het College het Brood der Engelen.
88
Te Luik beschouwde men liet als een aangename plicht Belletable op de hoogte te houden van alles, wat zijne dierbare Vereeniging betrof. Toen men zijn gevoelen wenschte te kennen omtrent de inwendige regeling der H. Familie, schreef hij in November 1845 aan pater Schwing: âMij dunkt dat men de Vereeniging âmoest splitsen in afdeelingen, elk van 25 man. Een âdezer plaatse men aan het hoofd als 2)refect. De 24 âoverigen scharen zich in drie rijen en tusschen iedere âafdeeling late men een kleinen afstand ter breedte van âeen stoel. In deze tusschenruimte neme de prefect âplaats om het oog op zijne afdeeling te houden, ten âeinde er van tijd tot tijd rekenschap van te kunnen âgeven aan den bestuurder.quot;
Hieruit erkent men wederom den soldaat, die aan de Luiksche Vereeniging de orde en regeltucht gaf, welke in het leger heerschen en er de kracht van uitmaken. Zijn plan werd den 2()sten Januari 184(5 uitgevoerd; men koos 17 leden en stelde ze aan tot prefect. Van dien dag af kregen al de leden eener afdeeling hunne vaste plaats en daar een ieder wist dat op hem gelet werd, rekende hij het zich tot eene eer zijne plaats nimmer onbezet te laten. Twee maanden na dien woonden alle leden zoo ijverig mogelijk de oefeningen eener geestelijke afzondering bij; 400 hunner naderden op den sluitingsdag tot de heilige Communie en 235 nieuwelingen wijdden zich aan Jezus, Maria en Jozef. Mgr. van Bommel wilde in persoon deze indrukwekkende plechtigheid voorzitten en op de hartelijkste wijze wenschte hij deze mannen van geloof oprecht geluk met het goede voorbeeld, dat zij in zijne bisschopsstad gaven.
In de maand Juni daaraanvolgende legden de leden der H. Familie niet alleen binnen de muren der Onze-Lieve-Vrouwekerk getuigenis af van hun levendig geloof,
89
maar ook in het openbaar, in de straten en op de pleinen van Luik. De aloude Sint-Lambertusstad vierde alstoen het zesde eeuwfeest der instelling van Sacra â mentsdag. Veertien dagen lang deden de vermaardste redenaars: Lacordairc, Dupavlovp, Ravignan, Dc-charnps en anderen, hunne welsprekende stem door de kathedraal en de Sint-Martinuskerk weerklinken. Tal van Bisschoppen luisterden de processie op, die deze plechtigheden besloot. Ook de leden der H. Familie, ten getale van 400 man, namen er deel aan. In ingetogen houding, de medaille der Vereeniging op de borst en versierde kaarsen in de hand zag men hen, luide biddend en zingend, statig voorbijtrekken. Belletable bevond zich in hun midden. Hij had enkele dagen verlof gekregen en volgde nu den aandrang van zijne godsvrucht en van zijn hart. Men zag hem, tot tranen toe bewogen en omgeven van zijne vorige vrienden, boven welke hij bijna een hoofd uitstak, dezen dichten drom van godvruchtige medebroeders volgen, die evenals hij zich gelukkig achtten een zoo schitterend bewijs hunner liefde aan het Allerheiligste Sacrament te geven en door hunne verachting-van het menschelijk opzicht de bewondering der menigte af te dwingen. Den volgenden avond had een groot aantal vreemdelingen en onder hen de aanzienlijkste personen, die naar Luik gekomen waren om de plechtigheden bij te wonen, zich naar de kerk van Onze Lieve Vrouw begeven. Zij wilden het schouwspel zien, zoo zeldzaam en zoo nieuw in dien tijd, dat honderden mannen eenstemmig godvruchtige liederen zongen, die-de gewelven des tempels deden weergalmen. Belletable ontbrak niet; men had hem eene plaats aangewezen in het priesterkoor. Van den kansel spreekt pater Schwing hem toe: âMijnheer Belletable, zou u zoo goed willen zijn het rozenhoedje voor te bidden?quot;
lt;)0
,Met genoegen, Pater,quot; antwoordt de officier enmeteen vaste hand, die gewoon is den degen te hanteeren, trekt hij zijn rozenkrans uit en begint dien met luider stem voor te bidden, terwijl honderden mannen hem in koor antwoorden.
Hetzelfde jubilé verschafte Belletable nog het voorrecht zijn vroegeren vriend, den eerwaarden heer Boermans, weer te zien. Deze was destijds secretaris van Roer-monds bisschop. Mgr. Paredis, dien hij naar Luik vergezeld had. Ziehier hoe Mgr. Boermans deze ontmoeting in een zijner brieven verhaalt. âBelletable en ik begaven âons naar de Sint-Martinnskerk, waar Mgr. Baron van ,Wijekersloot, bisschop van Curium, zou preeken. Beiden âkwamen wij te laat; de kerk was reeds gevuld met âmenschen en slechts met moeite konden wij ons een âweg banen dooi- de menigte om een ledig plaatsje te âvinden. Eensklaps bemerkt mijn metgezel het beeld âder Allerheiligste Maagd, dat rijk met juweelen versierd, zich vol majesteit op een nabijzijnd altaar ver-â hief. Bij dat gezicht, hetwelk ongetwijfeld zoete herinneringen in hem opwekte, gevoelde deze dienaar van âMaria zich zoo aangedaan, dat hij zijne vreugde luide âdoor woorden te kennen gaf. De suisse evenwel, die âons gadesloeg, was weldra op zijn post om ons tot âde orde te roepen.quot;
Te Bergen teruggekeerd, dacht Belletable er over na eene ruimere woning te zoeken voor zijn gezin, dat dooide geboorte van een tweeden zoon was vermeerderd. Ook de familie Marsigny was toegenomen en Belletable werd peter van een der kinderen. Men moest dus, weliswaar niet de vrienden, maar toch de gezinnen scheiden.
De luitenant vond het middel om verschillende belangen te vereenigen door een huis te huren te Soningen, een stadje drie mijlen van Bergen verwijderd en door een
91
spoorweg er mede verbonden. Hij zelf zou bij mijnheer Marsigny blijven wonen, doch zóó dat hij de meeste Zondagen bij de zijnen ging doorbrengen. Aldus geschiedde. Mevrouw Belletable betrok te Honingen in de Nieuwstraat, bijna buiten de stad, een klein net huis van den heer Marin, tegen eene jaarlijksche huur van honderd franken. Men kon er goedkoop er leven, het verblijf was er gezonder en de kinderen, die langzamerhand grooter werden, vonden er gelegenheid om bij de Broeders school te gaan. Sinds dien tijd zag men te Souingen het nieuw en stichtend schouwspel, dat een officier dikwijls tot de Heilige Tafel naderde en in groot tenue de oefeningen in de parochiekerk bijwoonde. Belletable immers keerde geregeld iederen Zaterdagavond bij de zijnen terug en zijn eerste werk was dan bij den eerwaarden heer Famclard, deken der stad, te gaan biechten. ïe Bergen leefde hij intusschen als een kluizenaar in militaire uniform. Zelfs schreef hij er, in overleg met mijnheer Marsigny, een godvruchtig boek.
Doch niets is zoo onbestendig als het leven van een soldaat. Den 20stcn December 1840 werd Belletable verbonden aan de militaire school te Brussel en den 28sten werd hij ingedeeld bij de afdeeling der artillerie, ten einde zijn opleiding te voltooien als officier der Genie, en eerst den 2dequot; Ma art 1848 keerde hij naar zijn regiment terug. Van toen af werden zijne bezoeken aan vrouwen kinderen zeldzamer. Dezen waren echter niet zoozeer verlaten, dat zij zich over hunne afzondering te beklagen hadden. Het huis, door de uitmuntende familie Marin bewoond, grensde aan dat, hetwelk zij aan den officier verhuurde. Daar men elkander wederkeerig hoogachtte, ging men weldra vertrouwelijk met elkander om. De kinderen vermaakten zich zoo goed te zamen, dat zij als het ware een dubbel tehuis hadden. Mevrouw Belletable van haren kant paarde
92
aan een opgeruimd humeur al de levendigheid van hot Luiksche karakter. Dikwijls mengde zij een grappig woord in de kleine kibbelarijen of de al te luidruchtige spelen en meer nog een scherpe, teekenende berisping. Een en ander was in staat de aanwezigen op te vroolijken, te meer wijl deze uitdrukkingen meestal in liet krachtig Luikerwaalsch werden ten beste gegeven.
Was het 's Zondags, als vader te huis was, schoon en zonnig weder, dan maakte het gansche huisgezin een uitstapje naar buiten, doch onder voorbehoud, dat men tijdig terugkeerde om het Lof in de parochiekerk bij te wonen. Dat Lof ging dikwijls van eene preek vergezeld en dan vooral trachtte mevrouw Belletable tevergeefs er aan te ontkomen : âWij gaan samen,quot; sprak de officier, Henriëtte is groot genoeg om op de kinderen te passen.quot; Soms evenwel moest de vader reeds op Zondag in de hoofdstad terug zijn. Toen hij eens op zekeren avond, na den dag met vrouw en kinderen te hebben doorgebracht, te Brussel wederkeerde, werd hij op het Koningsplein lastig gevallen door een slechte vrouw, die hem de schandelijkste voorstellen deed. Als eenig antwoord gaf de officier haar een geduchten schop en vervolgde zijn weg.
Bij dit verhaal, dat in Belletable een edel man doet kennen, willen wij een ander voegen, dat den heilige schijnt te teekenen.
Nog maar korten tijd was de officier bij het regiment te Bergen ingelijfd, toen de gebeflrtenissen van 1848 eenige militaire verplaatsingen noodig maakten en Belletable met zijne compagnie op reis toevallig in eene kleine provinciestad moest overnachten. Volgens gewoonte had de burgemeester aan officieren en soldaten inkwartieringsbiljetten doen uitdeelen. Onze luitenant begeeft zich naar het aangewezen huis, en biedt zijn biljet aan.
93
Dau, op de koelste wijze wordt hij ontvangen door twee bejaarde dames, die erg tegen de soldaten waren ingenomen. Een militair, al was hij ook officier, moest volgens haar noodzakelijkerwijze een ongodsdienstig, een losbandig en zeer slecht persoon zijn. Onverschillig wijzen zij hem dan ook een eng kamertje aan, dat voor de dienstboden bestemd was en er hoogst eenvoudig, bijna ellendig uitzag; het bed was zoo hard als een steen, uiterst plat en ledig. Verder gaf men hem te kennen, dat hij iets kon gebruiken in eene herberg, die men hem aanwees. Belletable, die de eenvoud zelve was, hield zich goed; ondanks deze alles behalve hoffelijke ontvangst put hij zich uit in beleefdheden en dankbetuigingen, neemt bezit van dat armoedig verblijf en sluit er zich op.
Een uur lang hoort men hem heen en weer gaan, terwijl hij bezig is met zijn toilet, en daarna is alles rustig. De dames zijn verwonderd: âMen hoort niets meer .... wat zou hij doen ? ... . zou hij reeds te bed zijn zonder zijn avondmaal te gaan gebruiken. . .?quot; De dapperste der twee sluipt zachtjes naar boven, loert even door het sleutelgat en wat ziet zij? De officier ligt geknield voor een beeldje der Allerheiligste Maagd, dat hij zelf moet hebben meegebracht. Het stond op tafel naast de brandende kaars, die zich in de kamer bevond; de soldaat bad met zulk een godsvrucht, dat hij onbeweeglijk bleef, en niet eens bemerkte dat men hem bespiedde. Tot groote verbazing der beide dames bad hij zoo meer dan een uur en begaf zich vervolgens te ruste.
Toen hij des morgens zijne kamer verliet om het ontbijt in de aangewezen herberg te gaan gebruiken, stonden beide dames beneden bij de trap. Zij baden en smeekten hem, dat hij het ontbijt met haar zou
94
gebruiken. Belletable bewilligde hieringaarneenzij werden zoodanig gesticht door zijn onderhoud, dat zij na zijn vertrek aan allen, die het hooren wilden, verhaalden; âWij hebben een heilige gehuisvest onder de livrei van een officier.quot; Wat meer is, hare zaken, die tot dan toe niet al te rooskleurig waren, â- zij hielden een kleinen winkel â, begonnen van stonde af zoo voorspoedig te gaan, dat zij weldra twee winkeljuffrouwen in dienst moesten nemen; âGod,quot; zoo zeiden zij, âheeft ons huis gezegend sedert deze godvruchtige officier or een nacht heeft doorgebracht.quot;
ACHTSTE HOOFDSTUK.
Dc Heilige Familie. â Pater Dechamps te Rome. Wonderbare verspreiding. â Poging om een afdeeling voor soldaten op te richten. â De Heilige Familie te Bergen en te Brussel.
4 _______
etables werk ontwikkelde zich te Luik op wonderbare wijze, dank aan den sehran-deren ijver van zijn vriend en correspondent, die liet bestuurde. Ziehier welk oordeel de âRevue Catholiqucquot; er destijds over velde: âPater Schwing, de bestuur-.. der der H. Familie, offert zich zeiven âmet eene waarlijk vaderlijke goedheid âgeheel en al op voor hen, die hij zijne âdierbare vrienden noemt. Zijne onder-ârichtingen worden gretig aangehoord. Zijn eenvoudig âen vurig woord, zoo volkomen berekend naar de beboetten van het minst ontwikkeld verstand, bewaart âtot in zijne meest ongekunstelde vertrouwelijkheid dat âkenmerk van grootheid, hetwelk geëigend is om een âverheven denkbeeld te geven van de oefeningen van âonzen heiligen godsdienst.quot; 1)
') Deel V, 1847-1848, blz. 95.
96
De goede uitslag van het werk zelve, waarvan wij thans vluchtig de snelle verbreiding gaan schetsen, veroorzaakte hem de hatelijkste aanvallen der vrijdenkers van Luik. Bij gelegenheid van het jubilé hadden zij dit genootschap van mannen leeren kennen en gezien, hoe het zijn godsdienstige en echt katholieke gevoelens openlijk durfde ten toon spreiden. Dit konden zij niet verkroppen en zij bleven niet in gebreke het te bestrijden. Een aaneenschakeling van vervolgingen werd, nu eens in het geheim, dan weer in het openbaar tegen de Heilige Familie begonnen. Vele werklieden, die er deel van uitmaakten, werden door hunne oude makkers en door hunne patroons op allerlei wijze geplaagd en verdrukt. Anderen werd de keuze gelaten: ofwel hun werkhuis ofwel het genootschap vaarwel te zeggen. Velen werden gedwongen toe te geven, wilden zij brood verschaffen aan hun huisgezin. Dan, evenals alle werken (Jods, moest ook de Heilige Familie door de beproeving gelouterd en bevestigd worden. Ondanks alle vijandelijkheden nam de Vereeniging toe in aantal en kracht. In 184:7 gaven verschillende eereleden haar een openbaar bewijs van hunne goedgunstige genegenheid Bovendien werden meer dan vijftig eereprefecten ingeschreven op de lijst des Genootschaps en onder hen vindt men de namen der aanzienlijkste katholieke familiën van Luik. Eindelijk wijdden zich den 15,,en Maart van dat jaar 258 nieuwe leden aan Jezus, Maria en Jozef toe. Door deze aanwinst klom het aantal leden tot boven de 600. Een
Vl BeseJicn/icr was: Mgr. Cornelius Richardus van Bommel, bisschop van Luik.
Eereleden waren: Mgr. graaf Mercey d'Argenteau, aartsbisschop van Tyrus; Mgr. Neven, vicaris-generaal; Mgr. Jacquemotte, vicaris-generaal; lt;ie hoogeerwaarde heer Lovens, pastoor-deken der Sint-Bartholomeüskerk; de heer Henricus Hubertus Belletable, officier der Genie enz. enz. (Zie Handboekje 1847).
97 ,
der uitnoodigingsbrieveu, welke bij gelegen! leid dezer indrukwekkende plechtigheid werden rondgezonden, hebben wij voor ons ; hij schijnt ons te belangrijk dan dat wij hem hier niet zouden aanhalen:
Broederscliap
der H. Familie, t m i , i r ^ lt;
gevestigd te Luik. Luik, den 4lt;Jen Maart 1847.
Mevrouw de B.,
Terwijl wij U eenige documenten aanbieden, die betrekking hebben op de Broederschap der H. Familie, welke in onze stad is opgericht, hebben wij tevens de eer U uit te noodigen bij de plechtigheid der Aide van Opdracht, welke de leden bij hunne aanneming zullen uitspreken.
Deze plechtigheid, welke door 3Ljr. den Bisschop van Luik zal worden voorgezeten, zal plaats hebben in de kerk van Onze Lieve Vrouw, den 15,len Maart, te half zeven.
Het zangkoor wordt voor de heeren voorbehouden. De dames worden verzocht de stoelen in te nemen der zijbeuken, vooraan in de kerk, tusschen de twee eerste kolommen.
Namens de Communiteit, De Algemeene Bestuurder der Broederschap, Pater C. Schwixg.
C. Ss. E.
Zulk een werk kon niet binnen de grenzen der stad Luik besloten blijven. Met dien helderen blik welke do toekomst doordringt, doorschouwden de Bisschop van Luik en pater Dechamps het onberekenbaar goed dat deze Vereeniging in de gansche wereld zou stichten, wanneer zij eenmaal genoegzaam zou verbreid zijn. Xa
BELLETAB LE. 7
98
onderling overleg besloten zij de pauselijke goedkeuring voor de Vcreeniging aan te vragen en daardoor tevens liet verlof om zich buiten de stad te verbreiden en overal, waar men haar wilde oprichten, te vestigen. Mgr. van Bommel stelde een zeer loffelijk verslag op over de wonderbare vruchten, die de H. Familie in zijn bisschopsstad had afgeworpen. Bij dit verslag voegde hij een nederig smeekschrift om voor haar de goedkeuring van den H. Stoel en voor hare leden een rijken schat van aflaten te verwerven. Pater Dechamps, die in de eerste dagen des jaars naar Rome vertrokken was, verkreeg de hooge eer en de moeilijke zending het smeekschrift van zijn Bisschop betreffende een werk, dat hem zelf zoo na aan het hart lag en dat daarenboven in zijne kloosterkerk gevestigd was, den Paus aan te bieden. Eene zoo gewichtige zaak laat zich echter zoo gemakkelijk niet regelen. Om haar tot een goed einde te brengen, Avas al de invloed noodig van den door-luchtigen Prelaat die haar voorstelde en al de talenten van den uitstekenden kloosterling, die hem bij de E,o-meinsche Congregaties vertegenwoordigde. De pogingen van den bekwamen Luikschen Redemptorist werden evenwel met den gewenschten uitslag bekroond. Pius IX keurde de H. Familie goed, verhief haar tot Aartsbroederschap, verleende haar de macht andere broederschappen onder denzelfden titel en met hetzelfde doel op te nemen en verrijkte haar met menigvuldige aflaten 2). De Breven, door den Paus uitgevaardigd, werden den 5den Juli met gfoote plechtigheid afgekondigd in de kerk der Paters Redemptoristen te Luik, waar zij een onbe-
') Over dezen heiligen Bisschop sprekende, zeide Pius IX : âMgr. Cor-nelius van Bommel kan als toonbeeld gesteld worden aan alle bisschoppen der katholieke wereld.'
quot;â ) Brieven van den 20sten en den 23sten April 1847.
99
schrijfelijke geestdrift verwekten. Dank aan deze gunst van den Apostolischen Stoel, zou het werk der H. Familie, tot dan toe slechts plaatselijk, weldra algemeen worden; het werk te Luik begonnen zou weldra over de geheele wereld verspreid zijn; het werk van één bisdom het werk worden van honderd bisdommen ; het werk van één werkplaats, van ééne bidplaats, van ééne kerk zou in een tijdsverloop van vijftig jaar het werk zijn van 1300 kerken; liet werk van drie mannen dat van 400,000 personen in alle landen, alle talen, alle standen der wereld. In minder dan 3 jaren hadden zich reeds 32 broederschappen bij de Aartsbroederschap te Luik aangesloten. Terwijl Belletable de H. Familie zag bloeien te Doornik, Brussel, Namen, Verviers, Bergen, Nijvel en Sint-Truiden, plantten de Redemptoristen haar over naar Frankrijk en naar Amerika.
Belletable zelve bleef niet vreemd aan de gebeuite-nissen die zulk een weerklank gaven aan zijn werk. De paters Dechamps en Schwing, alsook de heeren Hacken en de Buggenoms, stonden voortdurend met hem in briefwisseling. Ieder jaar, op den dag der stichting, hielden zijne eerste metgezellen en de prefecten eene vergadering in het huis van Jongen, waar de Vereeniging ontstaan was. Pater Schwing stond ook aan het hoofd van deze vertrouwelijke bijeenkomst. Daar bracht men zich de dagen voor den geest van. de eerste onderhandelingen en pogingen tot oprichting der Vereeniging. Daar stond liet beeld der Moedermaagd, aan wier voeten men be-niadslaagde. Hier had Belletable zijn plaats. Daar verrichtte men de lezing. Daar besprak men de gebeurtenissen der zes eerste maanden en dankte men God, die aan liet boompje, in den Luikschen grond geplant, een zoo spoedigen wasdom had gegeven.
Den volgenden dag ânam Hacken de pen ter handquot;
100
en zond aan Belletable een uitvoerig verslag van deze huiselijke bijeenkomst.
Jongen, altoos even eenvoudig en even bescheiden, was prefect der eerste afdeeling; hij beminde de H. Familie uit geheel zijn hart en zou zijn leven voor haar gegeven hebben. Hij werd geacht en geëerd door al de medebroeders, die hij gedurende zes maanden in zijne woning vereenigd had. ^
Hacken was algemeen prefect der vereeniging. Hij was oos; en rechterhand van den Bestuurder, met wien hij iedere week de belangen der Broederschap kwam bespreken. 1)
Belletable, die in 1848 naar Bergen was teruggekeerd, bleet zich eveneens alle moeite voor het welzijn der Vereeniging getroosten. Men is gesticht als men op eene der bladzijden van de Archieven der Aartsbroederschap te Luik leest, welk een werkzaam deel hij bleef nemen in het bestuur van zijn werk. Wij halen de woorden hier letterlijk aan;
Voorstellen van luitenant Belletable (1848).
De Litanie der H. Familie, door den algemeeneu secretaris, pater Letebvre, samengesteld, in het latijn vertalen en op muziek zetten. Wat de muziek aangaat, gelooft hij dat de algemeene bestuurder, pater Schwing, zich het best zou wenden tot den heer d'Hanssoingâ Mehul, die aan het hoofd staat der Muziekschool te Luik. Hij is een vriend van mijnheer Demarteau, uitgever van de âGazette de Liègequot;.
1
) Association de la saintc Familie (Grandmont-Donders 1847) Statut-VI en XII.
101
Voor de afdeelingen borden plaatsen, die men naar goedvinden kan wegnemen, zooals dit geschiedt in de reoimentsscholen van het leii'er. Deze borden moeten
o o
het nummer dragen der afdeeling. zoodat pater Schwing met een enkelen blik kan onderscheiden welke prefecten afwezig zijn, en vervolgens in zijne onderrichting klagen over hun gebrek aan ijver....
Dezelfde bezorgdheid die Belletable uit de verte voor zijn werk aan den dag legde, zou hij weldra toonen in zijne omgeving te Bergen.
Te dezen tijde kwamen de Paters Redemptoristen zich in die stad vestigen. Dit nieuws was voor Belletable de oorzaak eener groote vreugde en deed in zijn apostelhart de hoop ontstaan, dat ook te Bergen weldra eene H. Familie zou worden opgericht. Die hoop deed hij weldra deelen door zijn vriend, mijnheer Marsigny. Daarenboven had hij dezen reeds als toekomstig lid doen inschrijven in het register der Aartsbroederschap te Luik.
Middelerwijl arbeidde de luitenant vlijtig aan een ander plan, dat met zijn werk in betrekking stond. Daar hij beter dan eenig ander in staat was te begrijpen, hoeveel nut de H. Familie zou stichten onder de soldaten, wanneer men hen in grooten getale in de Ver-eeniging kon opnemen, trachtte hij dit plan te verwezenlijken en het loont de moeite, eens na te gaan met welk een talent hij den weg aangaf, dien men volgen moest om den goeden uitslag te verzekeren.
Voorstellen van luitenant Belletable 1).
.... De eerwaarde pater Schwing, algemeen bestuurder der H. Familie moest mijnheer Dejaer, vader 2),
') Archives de TArchiconfrérie, 1848.
'} Professor in het Recht aan de Universiteit.
102
verzoeken, zich naar den Minister van Oorlog te begeven, ten einde hem verlof tot het oprichten van militaire afdeelingen te vragen. Mijnheer Belletable en ik hebben dit onderwerp besproken en overwogen, op welke wijze men deze teedere vraag het best aan den Minister van Oorlog zou voorstellen. Xa rijp beraad en gelet, zoowel op het militaire als op het persoonlijk karakter van den Minister, hebben wij besloten mijnheer Dejaer te vragen tot hem de volgende woorden te willen richten. Ernstig hebben wij de beteekenis en de uitwerking, die zij op den geest en het hart des Ministers kunnen voortbrengen, overwogen.
Mij nheer dc Minister.
âEenige onderofficieren en soldaten, te Luik in garnizoen, wenschen zich bij de H. Familie aan te sluiten, (den Minister doen begrijpen welke voordeden dit werk van orde en zedelijkheid met den dag oplevert). In mijne hoedanigheid van algemeen prefect van deze Aartsbroederschap, ben ik zoo vrij. Mijnheer de-Minister, u te vragen of' er ook bezwaren tegen hunne opname bestaan, (doch in een afzonderlijk lokaal, in de kerk van den H. Johannes Evangelist) en wel volgens dezelfde godsdienstige gebruiken, die wij volgen, aangezien deze reeds zoo gunstige uitwerkselen voor het Luiksche volk gehad hebben.
,Deze onderofficieren en soldaten zijn overeengekomen iederen Zondag in de Sint-Janskerk te vergaderen om er eene godsdienstige onderrichting aan te hoeren; zij vreezen evenwel aan een of anderen Overste te mishagen (zonder iemand te noemen) en voor alles wil men in
') Het stuk is niet ondertcekend, doch waarschijnlijk is hier sprake van pater Dechamps of pater Schwing.
103
de orde blijven.... Er bijvoegen, dat de H. Familie onder bestnur staat der Paters Redemptoristen, en dat de militairen dezelfde orde willen volgen, die daar heersclit; dat men er geestelijke liederen zingt ter eere van den God der Heerscharen en dat deze militairen, zedelijk en godvruchtig en de beste soldaten van het relt;n-
O O O
ment, door het naleven dezer orde de aflaten wen-schen te gewinnen, welke Z. H. Pius IX aan de Aartsbroederschap verleend heeft. Dit is de voornaamste reden, waarom deze militairen er zich bij willen aansluiten; evenals de werklieden, zullen zij in de onderrichtingen der H. Familie liefde verkrijgen voor de orde, de regeltucht en de plichten van een soldaat; het gevolg kan slechts wezen: vermeerdering van zedelijkheid en tucht onder deze soldaten.
âIs het dien militairen, die willen toetreden, geoorloofd zich te vereenigen ? Want in de kazernen zal men weldra weten waarom zij vergaderen. Welk kwaad steekt daarin? Deze vergaderingen zijn onschuldig en gewijd aan den godsdienst, die door verreweg de meeste Belgen wordt beleden. Nochtans kan men deze vereeniging van stemmen en harten beletten, ofschoon deze niets anders doen dan den lof des Allerhoogsten bezingen en de H. Familie door hunne hulde eeren. 't Is waar, men verbiedt hun niet naar de kerk te gaan, maar men verbiedt hun wel zich in de kerk te vereenigen. Toen de militaire Mis nog bestond, waren de soldaten er vereenigd en ontvingen er godsdienstig onderricht. Die militaire Mis heeft men afgeschaft, wijl men meende dat de soldaten niet tot godsdienstige oefeningen moesten gedwongen worden : maar nu zij zich vrijwillig aanbieden, zou het nu niet geoorloofd zijn hen in den godsdienst te onderwijzen ? Het is en blijft toch onmogelijk hen ieder afzonderlijk in de waarheden van ons geloof te onderrichten. Is het tegen
104
de â¢grondwet de militairen met geweld naar de kerk te geleiden: is liet dan niet veel meer strijdig met die grondwet hen te beletten er nit vrijen wil heen te gaan, om er eene godsdienstige onderrichting aan te hooren?
âZon de Minister antwoorden, dat de soldaten naaide verschillende parochiekerken kunnen gaan, dan geve men hem te verstaan, dat men hen slechts voreenigt om hun eene onderrichting te geven overeenkomstig hunnen stand. Immers het is geheel iets anders tot werklieden te spreken dan tot soldaten, die in het volk den eer-bied voor de wetten moeten onderhouden. Men zegge, dat men hun in die onderrichtingen liefde inboezemt voor het vaderland, moed, orde, eerbied, gehoorzaamheid en in het bijzonder de onderwerping aan de militaire overheden. â Indien hij vraagt, waarom men dit verzoek tot hem richt, zegge men, dat zulks geschiedt omdat men moeilijkheden voorziet van den kant van sommige officieren, die tegen deze vereenigingen zijn. (Men spreke echter niet over kapitein X, die deze vergaderingen belet heeft, maar boude zich alsof de zaak nog geen ernstig begin genomen heeft). Staat de Minister toe dat de militairen deel uitmaken van de II. Familie, dan verzoeke men hem zulks aan de hoofden der verschillende korpsen te schrijven en danke hem voor zijne welwillendheid.quot;
Bij het lezen van dit stuk, dat slechts een ruwe schets is, zal men moeten toegeven, dat het den opstellers niet aan bekwaamheid ontbrak; vooral is men getroffen door de helderheid, waarmede zij alles inzagen en onwillekeurig spreekt men tot zich zeiven: âHoe gegrond zijn hunne eischen ! hoe degelijk de bewijsgronden, die zij er voor aanvoeren !quot; Evenwel is aan dit plan geen gevolg gegeven.
Gaan wij van de archieven der Paters Redemptoristen
105
te Luik over naar die van hun klooster te Bergen, dan vinden wij er den ijverigen Stichter der H. Familie druk bezig met de vestiging der Broederschap in die stad. Ziehier wat die Archieven ons melden t): âToen de Paters zich te Bergen vestigden, dachten zij er ernstig aan de Vereeniging der H. Familie te bezigen als een uitstekend middel om de godsvrucht en de vervulling der godsdienstige plichten onder het volk te doen herleven. Tot dat einde hadden zij zich den 27stcn November IS48 voorzien van brieven, waardoor zij in de Aartsbroederschap van Luik werden opgenomen. Zij dachten echter niet, dat zij de hand zoo spoedig aan dit werk zouden slaan. Op aandringen evenwel van denzelfden kapitein Belletable, die de Vereeniging te Luik had opgericht en die bij onze komst te Bergen aldaar in garnizoen was, gingen zij er toe over ....
âHij gaf zich alle moeite om dit plan te doen gelukken en slaagde zoo goed, dat de eerste vergadering reeds op den feestdag van den H. Jozef, 19 Maart 1S49, kon gehouden worden. Zij had plaats in onze kapel, die letterlijk gevuld was, want alle geloovigen werden toegelaten. Het aantal leden klom dien eersten dag tot vijf en twintig. Om de plechtigheid meer luister bij te zetten, deed een hunner, de heer Marsigny, prefect der studiën aan het Atheneum te Bergen, een zeer godvruchtig man en uitstekend huisvader, zijne opdracht, die hij met zooveel godsvrucht en overtuiging uitsprak, dat al de aanwezigen er diep door getroffen werden 2).
âDoor dien eersten goeden uitslag aangemoedigd, zette Belletable, altijd vol ijver voor de eer van God,
') Chronique do la maison, I, blz. 57 cn 58. â ïravaux Intérieurs II, pages 16 a 19.
'} Door de zorgen van Belletable was hij den 12den Juni van het vorig jaar reeds in de Broederschap te Luik ingeschreven.
106
zich aan het werk om in alle wijken der stad nieuwe leden te werven. Ziende dat vele werklieden de oefeningen in onze kapel hijwoonden *), deed hij eenige nit-noodigingskaarten drukken en deelde hun die uit, opdat zij in de volgende vergadering zouden verschijnen. Bij de tweede samenkomst was het getal dan ook verdubbeld en nam met den dag zoozeer toe, dat men genoodzaakt was zeer moeilijk te zijn in het aannemen van leden en dat men naar een ruimer lokaal moest uitzien.
Evenals te Luik moest Belletable het garnizoen van Bergen verlaten, zoodra zijn werk, dank aan zijn ondernemingsgeest, zijn eerste ontwikkeling had verkregen. Den 29stcn November 1849 vertrok hij naar zijn nieuw garnizoen te Brussel. De smart, die hij ondervond, toen hij zijne medebroeders vaarwel zeide, werd vergoed door de vreugde, dat hij in de hoofdstad nog veel meer leden der H. Familie terugvond.
De Paters Redemptoristen der Ste. Magdalenakerk te Brussel waren de eersten geweest, die in December 1848 deze schoone Vereeniging in hunne kerk oprichtten, ten einde de volkrijke buurt, waar zij woonden, deelachtig te maken aan dezelfde weldaden, die de Luikenaars van deze Broederschap genoten 1).
Gedurende de vijf maanden dat Belletable te Brussel in garnizoen was, had hij het geluk eiken Maandag de
1
) Den 25sten Januari 1848 was pater Dechamps tot Rector te Doornik benoemd. Belletable schreef hem en met die vertrouwelijkheid, welke hij steeds tegenover zijn vermaarden Bestuurder aan den dag legde, beval hij hem aan de Broederschap der H. Familie in zijne kerk op te richten. Do toekomstige Kardinaal wachtte zich wel daaraan te kort te blijven. In do maand Maart van datzelfde jaar telde de H. Familie te Doornik twee afdeelingen, eene voor mannen en eene voor vrouwen, die ieder afzonderlijk vergaderden en bij de Aartsbroederschap te Luik waren aangesloten.
107
vergadering der H. Familie in de Magdalenakerk bij te wonen. Ook hier gedroeg hij zich bij alle godsdienstoefeningen zoo stichtend, dat de koster eener parochiekerk eens aan een lid der H. Familie vroeg: âWieis toch die brave officier, dien men iederen morgen zoo ingetogen in de kerk ziet. Hij communiceert dikwijls en schijnt zoodanig in gebed verzonken, dat men niet zou kunnen zeggen of hij een levend mensch of een standbeeld is.quot; Ongetwijfeld dankte Belletable in dat gebed den goeden God, die zich gewaardigd had het oog op hem te werpen om de Broederschap van Jezus, Maria en Jozef te stichten. Ongetwijfeld zegende hij de goddelijke Voorzienigheid, die er behagen in schepte die wonderbare verbreiding aan zijn werk te geven, waarvan hij de gelukkige getuige en de bevorderaar mocht zijn. Evenwel duurde Belletables verblijf te Brussel niet lang. Den 29sten April 1850 werd het regiment der Genie naar Gent verplaatst. Derwaarts zullen wij onzen held volgen. âDe mensch wikt maar God beschikt.quot;
NEGENDE HOOFDSTUK.
G-ent.
Drie oude vrienden van Belletable. â Conferentie van den H. Vin-centius a Paulo. â Hot pensionaat van ïhielt. â De kapitein. â Het familieleven. â Verschillende verplaatsingen.
iJk
r
[e groote stad van Karei den Vijfden en f der Van Arteveldes is gebouwd ter r plaatse, waar Schelde en Lijs te zanien fe vloeien. De vele vertakkingen, waarin deze zich verdeelen, vormen zes-en-twintig eilandjes, die door meer dan honderd bruggen met elkander zijn verbonden. Dat alles levert een zeer afwisselenden aanblik op. Het benedengedeelte der stad wordt meestal door werklieden bewoond en bestaat uit groote wijken, die ondanks de gothieke huizen met trapsgewijze spits toeloopende gevels een vrij onoogelijk gezicht opleveren.
Het bovengedeelte, Blandinusberg geheeten, bezit nieuwe, breede en regelmatig aangelegde straten. De bevolking woont er niet zoo dicht op elkander, en er heerscht een minder koortsachtige bedrijvigheid. Men
109
ontwaart er de schoone Sint-Petruskerk met haren prachtigen koepel. Voor die kerk strekt zich een groot rechthoekig plein uit, het Sint-Pietersplein, dat met hoornen omzoomd en door regelmatige huizen omgeven is. Vierhonderd meters verder ligt tegenover den dom de ingang der citadel als verborgen door de zacht hellende vlakte met graszoden beplant ]). Boven de poort leest men dit opschrift:
ânemo ilE impure lacessetquot;
âAxxo XI POST PRAELIUM AD WaTERLO EXSTRUCTA.quot;
(N iemand zal mij ongestraft aanranden.) (Gebouwd in het elfde jaar na den slag bij Waterloo.)
In deze wijk van den Blandinusberg, niet ver van de kerk van Onze Lieve Vrouw van den Oever en van de Sint-Petruskazerne vestigde zich Belletable. Hij huurde er eene kamer bij eene brave familie in de Vrouwenstraat en van daar uit zond hij een groot getal geestelijke brieven aan de dames Van Biervliet te Thielt. Deze brieven zijn zorgvuldig bewaard en zullen stof verschaffen voor het tweede deel van dit werk.
Te Gent hadden wij het geluk twee oude vrienden van Belletable te ontmoeten: den eerwaarden heer (VHoop, kanunnik en pastoor-deken der Sint-Petruskerk en den senator Léger. Wij laten hier de kostbare herinneringen volgen, die zij ons na een tijdsverloop van vier-en-vijftig jaar welwillend mededeelden.
âIk was kapelaan der Sint-Petruskerk,quot; zoo verhaalde de eerwaarde heer d'Hoop, âtoen kapitein Belletable in âhaar nabijheid woonde. Hij stond op zeer vertrouwd ijken âvoet met de geestelijken der parochie, die eene groote ach-âting voor hem koesterden. Deze echte soldaat had alle
') Deze zijn thans veranderd in een prachtig park, dat de kazerne omgeeft.
110
âmenschelijk opzicht verzaakt. Nooit verzuimde hij in â militair tenue de processie bij te wonen, die vrij âdikwijls binnen de muren der kerk gehouden werd en âaltoos vergezelde hij met eene brandende kaars in de âhand het Allerheiligste Sacrament. Voor het uiterlijk âwas hij een welgevormd man, een schoon soldaat. Als âChristen was hij een toonbeeld voor allen, het was een âheilige. Ook heeft hij onder de gansche geestelijkheid âeen allerbeste herinnering nagelaten. Op zekeren dag âvergezelde hij mij naar de Carmelieten, een twintig âminuten van hier, om deel te nemen aan de groote âprocessie, die zich door de verschillende stadswijken âvoortbewoog. Men vierde het zesde eeuwfeest der ver-âschijning van Onze Lieve Vrouw van den berg Karmel. âDe kapitein sloot zich bij den optocht aan en droeg âeen kaars evenals ik. Toen de processie geëindigd was, âmiste ik mijn steek en kon dien aanvankelijk niet in âhet klooster terugvinden: âMijnheer kapelaan,quot; zeide âde officier schertsend, terwijl hij mij zijn officiersmuts âtoereikte, âwilt u mijn hoed opzetten?quot;
Zoo luidt het verhaal van den waardigen grijsaard; toen hij afscheid van ons nam sprak hij: âSchrijf een âschoon leven van onzen vriend, hij verdient het.quot;
Mijnheer Léger, advocaat en senator, gewaardigde zich insgelijks ons een onderhoud toe te staan. Hij drukte zich aldus uit: âDe herinnering aan kapitein Belletable âis altijd levendig in mijn geheugen gebleven. Evenals âik, was hij lid der Vereeniging van den H. Vincentius âa Paulo. Beiden behoorden wij tot de Conferentie van âden H. Petrus en de H. Anna. Toen reeds hadden âwij ons lokaal in de Sint-Jorisstraat, waar het ook ânu nog gevestigd is. De heer Jan Casier de Hemp-r tinne was president en onder onze medeleden bevon-âden zich de heeren Lippens, Vanderbrugyen en Cai oir.
Ill
âGedurende bijna drie jaren zat ik in onze weke-âlijksche vergaderingen naast Belletable. Een beminne-â1 ijker man kan men niet uitdenken; daarbij was hij âzachtmoedig en had een goedigen blik; men moest âhem liefhebben. Zijn gezelschap was alleraangenaamst. âVan tijd tot tijd wandelde ik een eind weegs met hem âop, als wij uit de Conferentie kwamen. De kapitein âhad een breede, welgevormde borst en begon reeds âtamelijk gezet te worden. Men beschouwde hein als âeen heilige en in zijne afwezigheid zeiden wij dikwijls âtot elkander: â'tls een heilig man.quot;
âIn dien tijd was het leger werkelijk aangestoken âdoor het Liberalisme en de Vrijmetselarij. Algemeen âwas het te Gent bekend, dat de oppercomniandant âder plaats tot de Loge behoorde en wanneer de naam âvan Belletable niet voorkomt onder de oudere leden âvan den H, Vincentius a Paulo, dan is dit, wijl het âaan soldaten en officieren verboden was deel uit te âmaken van eene katholieke vereeniging, welke dan âook.quot;
Deze getuigenis van mijnheer Léger wordt bevestigd door die van een der uitstekendste mannen uit de stad Gent. âIk herinner mij,quot; zoo schrijft hij, âdat in den âtijd door u aangegeven de officier Barbieux, broeder âvan den pater Jezuïet van denzelfden naam, het voor-âwerp geweest is van allerlei hatelijke plagerijen, zoo-âwel van den kant zijner kameraden als van zijne âoverheden en dat hij door zijn kolonel gedwongen âwerd ontslag te nemen als lid der Conferenties van âden H. Vincentius a Paulo. Een rondgaand schrijven âvan den Minister verbood spoedig daarop dat de âofficieren tot welke vereeniging ook zouden behooren â(de Vrijmetselarij natuurlijk uitgezonderd).quot;
Bij deze twee oude vrienden van Belletable, wier
112
getuigenis wij zooeven hebben medegedeeld, moeten wij nog een derde voegen, die de Voorzienigheid ons ten laatste tot onzen troost deed ontdekken, 't Is de heer Karei van Crombrugyhe, eveneens een Gentenaar, wiens mededeeling ons zeer dierbaar is. Ziehier de stichtende bijzonderheden, die hij ons zond, tegelijkertijd met een belangrijk eigenhandig schrijven van Bel-letable, dat wij later znllen inlasschen.
,Daar ik lid was van de Conferentie van den H. âVincentius a Panlo,quot; aldus de heer Van Crombrugghe, had ik den heer Vlemincx, een bewonderaar van Belletable, als metgezel bij het huisbezoek. Deze vriend sprak mij dikwijls over den officier. Op zekeren dag â het was in 1852, â verhaalde hij mij, hoe deze op de gedachte gekomen was de werklieden te vereenigen onder de bescherming der H. Familie. Dit werk van den luitenant trof mij. Aangezien de Gentsche werklieden destijds zeer verlaten en aan zedenbederf blootgesteld waren, lachte mij het denkbeeld toe om in Belletables voetstappen te treden en zijn voorbeeld na te volgen. In 1853 verzamelde ik eenige personen, die als zeer slecht bekend stonden, en met behulp van den heer Otte, opzichter der Voorstad van den H. Joannes den Dooper, vormde ik uit hen een kern. De president der vereeniging van den H. Vincentius a Paulo, mijnheer de Graaf de Hemptinne stond ons een lokaal af, waar ik sedert 1854 een 40 tot 00 mannen uit het volk verzamelde. Eens dat ik mij geheel alleen met deze mannen onderhield, kreeg ik een bezoek van den braven en edelen Belletable, in gezelschap van twee zijner vrienden: d'Hoop en Irnschoof. Hij kwam mij aanmoedigen en mij vervullen van die liefde voor de zielen, welke hij zelf in zoo hooge mate bezat. Toen hij mij daar door mijne mannen omringd zag,
113
gelijk hij zelf een tiental jaren geleden omringd was geweest door de zijnen, die hij voor Jezus had gewonnen, trad hij op mij toe en sloot mij zoo innig in zijne armen, dat ik mijn hart van vreugde voelde kloppen bij de gedachte aan al het goede, hetwelk hier geschiedde. In de hartelijkste bewoordingen en met eene van ijver trillende stem moedigde hij mij aan op den ingeslagen weg voort te gaan.
Deze vereeniging bestaat nog onder den titel van Sint Joannes den Dooper; ieder en Zondagnamiddag houdt zij hare vergaderingen in de onderaardsche kapel van Sint-Bavo en geregeld nemen er driehonderd werklieden deel aan.
Tk voeg hierbij een anderen trek van Belletable, zooals ik hem van zijn vriend, den heer Lippens, vernomen heb.
De kapitein communieeerde iederen dag, meestal in de Sint-Petruskerk, soms echter koos hij eene andere, wijl zijne nederigheid niet kon verdragen, dat de men-schen hem waardig zouden oordeelen zoo dikwijls tot de H. Tafel te naderen.
Eens dat hij wederom in de Sint-Petruskerk gecommuniceerd en volgens gewoonte eene zeer lange dankzegging gemaakt had, verliet hij de kerk, toen eensklaps een onbekende op hem toetrad en hem met bewogen stem zeide; âBelletable, gij hebt mij gesticht. De handeling zooeven door u verricht, het goede voorbeeld mij gegeven, hebben mijn hart geraakt!... Gij hebt mijn ziel gewonnen, onverwijld ga ik mij bekeeren.quot; En hij, die in tien jaar niet meer tot de H.H. Sacramenten was genaderd, hield woord.quot;
Ziedaar het verhaal van den stichter der Aartsbroederschap van den H. Joannes den Dooper; de schoone trek, die op dit verhaal volgt, verwondert ons niet. Ook
BELLETABLE. S
114
de heer Kloth, redacteur van âLa Sainte Familiequot; 1) die ten jare 1844 te Luik woonde, herinnert zich iets dergelijks en verhaalt, hoe hij Belletable dikwijls in de kerk der Paters Redemptoristen tot de H. Communie zag naderen. âIk was toen nog zeer jong,quot; zegt hij, âen toch heeft de diepe godsvrucht van den officier mij , zoozeer getroffen, dat het mij toeschijnt, als zie ik hem ânog langzaam en statig van de communiebank terug-âkeeren en zijn plaats innemen in den zijbeuk van den âH. Alphonsus. Hij hield daarbij de handen niet gevou-â wen, maar op de borst gekruist, de oogen neergeslagen, âhet hoofd een weinig gebogen en was geheel verzonken âin God, dien hij aan zijn hart drukte.quot;
Te Gent werd de kapitein soms gegriefd in zijn geweten en zijne godsdienstige gevoelens. Uit de getuigenis van een gepensionneerd generaal der Genie en wapenbroeder van Belletable weten wij, dat al de officieren van dit wapen door hooger gezag van het regiment gedwongen werden een jaarlijksch abonnement op het theater te betalen, ofschoon zij niet verplicht waren de schouwspelen bij te wonen. Ook Belletable moest zich tijdens zijn verblijf te Gent aan dat harde voorschrift onderwerpen. Evenwel ging hij nooit naar den schouwburg. Deze ware Katholiek droeg het hart te hoog, hij beminde God en zijn huisgezin te zeer, dan dat hij de geveinsde gemoedsaandoeningen van het tooneel zou zoeken. Zijne kinderen, zijn huisgezin, eenige uitverkoren zielen, een kleine vriendenkring, ziedaar waarop hij, na God, al de genegenheid zijns harten vestigde.
Zijn gezin was intusschen vermeerderd met een derden zoon, die den 30^®quot; April 1849 te Luik geboren
') Een blad dat om dc veertien dagen verschijnt inde straat van L'Arbre Béni 20, Ixelles.
115
was. Hacken, de medestichter der H. Familie, had hem in de kerk van den H. Dionysius ten doop gehouden en hem den naam gegeven van Alphonsus Maria.
Kwam Belletable bij de zijnen terng, dan omhelsde hij zijne kinderen, streelde ze met vaderlijke teederheid en nam ze op zijne knieën; 's avonds schaarde hij hen in een kring, om gemeenschappelijk het avondgebed te verrichten; daarna zegende en omhelsde hij den een na den ander. Zijne oudste dochter deelde ons mede, dat haar vader haar telken jare op haar naamfeest een ruiker van levende bloemen zond. Zijn zoon Jozef bewonderde reeds .pp negenjarigen leeftijd den ernst, waarmede zijn vader zich neerzette tot het schrijven van brieven: âEr was dan,quot; zoo zegt hij, âiets zeer bezadigds in hem; hij schreef geruimen tijd onafgebroken voort met eene zeldzaam kalme en onverstoorbare oplettendheid, met eene zoo rustige houding, dat zij mij verwondering baarde.quot; Op die wijze stelde hij zijne stichtende brieven op, waarvan wij weldra eenige uittreksels zullen geven.
In de weinige dagen, die hij te Soningen bij de zijnen doorbracht, wilde hij ook telkens de leermeester zijn vau zijn oudsten zoon en stelde hij zich op de hoogte der vorderingen, die hij op de school der Broeders maakte.
In 1S52 had het liberale bestuur van Soningen de Broeders uit de gemeenteschool verbannen en men opende eene inschrijving in de stad, opdat zij zich in afzonderlijke lokalen konden vestigen. Belletable tee-keude op de eerste lijst in voor vijftien franken. Deze som is voorzeker niet gering, als men bedenkt, dat hij als huisvader zes personen van zijn officierstraktement moest onderhouden en daarbij zijn verblijf buitenshuis betalen alsmede dat zijner dochter, die hij aan het ge-
116
sticht der dames Van Biervliet had toevertrouwd 1).
Den 7tlon October 1851 trad mejuffrouw Belletable in het pensionaat te Thielt. De vader, die te Gent woonde, bezocht haar dikwijls. Meer dan eens diende hij, als officier gekleed, de H. Mis in de kapel van het pensionaat, tot groote stichting der honderd-twintig leerlingen, die er tegenwoordig waren. Ook de dames, die aan het hoofd der inrichting stonden, droegen hem eene bijzondere achting toe; âOp zekeren dag,' zoo verhaalt mejuffrouw Melanie, âzaten wij aan tafel. Als âdit gesticht eens in een klooster veranderd wordt,quot; sprak hij, âwelken naam zult gij er dan aan geven? âMen beschouwde deze vraag bij wijze van scherts âgedaan, doch Belletable verzekerde, dat het een klooster âzou zijn van de H. Familie. Men lachte er eens mede, âmaar de uitkomst rechtvaardigde de voorspelling en âden 3den Juni 1856 werd onze dierbare Congregatie âder Dames van de H. Familie gesticht.quot;
In de maand Februari 1852 werd Belletable kapitein. Daardoor klom zijn traktement tot 3350 franken en dank aan die verhooging zag hij zich datzelfde jaar in staat gesteld een wensch zijns harten te bevredigen. Hij begaf zich naar Holland om er zijne bejaarde moeder, die hij sinds vele jaren niet meer gezien had, te bezoeken. Deze verbleef toen te Roermond bij haar neef, den heer Timmermans, apotheker, die met zijne zuster samenwoonde. Deze laatste leeft nog en heeft eene trouwe herinnering bewaard aan het verlof, dat
') Vier zusters Van Biervliet begonnen in 1829 het Genootschap der H. Familie, door de oprichting van een pensionaat te Thielt. Omstreeks het midden dezer eeuw vormden zij met goedkeuring van Mgr. Malou, Bisschop van Brugge, eene religieuse vereeniging onder den titel van Congregatie der Dames van de H. Familie. Thans zijn zij gevestigd te Thielt, Brussel, Leuven, op het kasteel Heimet (Brussel) en te Guatemala (Zuid-Amerika).
117
haar neef de kapitein in de familie doorbracht. Ofschoon zij en haar broeder zeer godvruchtig waren, stonden zij niet weinig verbaasd, dat Belletable bijna altijd zonder kerkboek bad. Toen men eens over de veelvuldige biecht sprak en iemand aanmerkte, dat hij uiet wist wat te zeggen, riep Belletable uit. âHoe, gij weet niet wat te zeggen; bid maar eens drie weesgegroeten, en gij zult wel weten wat ge te zeggen hebt.quot;
Te Roermond smaakte de kapitein het overgroot genoegen, de H. Familie in de Munsterkerk te zien opgericht. Reeds telde zij vijfhonderd leden en Belletable woonde de gewone vergadering alsmede de generale Communie van een der afdeelingen bij. Te Gent teruggekeerd, vernam hij dat diezelfde Broederschap in twee kerken tegelijk zou worden ingesteld. De Bisschop van Gent was den 7dequot; November 1852 te Luik bij de Bisschopswijding van Mgr. tie Montpellier tegenwoordig geweest. Bij die gelegenheid had hij 's Maandags-avonds de vergadering der H. Familie bijgewoond, ten einde er zich persoonlijk van op de hoogte te stellen. Hij was er dermate mee ingenomen, dat hij besloot haar in twee groote parochies zijner bisschopsstad in te voeren, namelijk in de bijkerk van den H. Macarius, die tot de parochie van den H. Jacobus, en die van den H. Joannes den dooper, welke tot de parochie van den H. Martinus behoort.
Ondanks den roem, dien de kapitein door dat alles inoogstte, bleef hij altijd even eenvoudig en leefde veeleer als kluizenaar dan als soldaat. Geregeld ging hij 's wekelijks driemaal en altijd op zijn best gekleed in «le Sint-Pieter ter Communie. Nu eens vond men hem geknield voor het mirakuleuze beeld der H. Maagd, die hij âOnze lieve Vrouw van den Blandinushergquot; placht te noemen; dan weder zag men hem in militair
118
teiuie den kruisweg volgen; een andermaal bezocht hij in gezelschap van een braven leek de arme huisgezinnen van zijn wijk, wat men zoo te recht onder den naam van âbezoek der huiszittende armenquot; heeft aangeduid. Ook was de weg naar het klooster der Paters Franciscanen niet vreemd aan Belletable. Hij telde er verschillende vrienden, die hij somtijds te Thielt wederzag, waar de zonen van den H. Franciscus hun Noviciaat hebben. Het was een waar genot voor hem hun daar in de kapel der dames Van Biervliet de H. Mis te kunnen dienen. Een weinig later zou hij ze terugvinden te Salzinnes bij Namen, waar hij de banden die hem met deze ijverige kloosterlingen vereenigden, nog inniger zou toehalen.
Den 30sten September 1852 werd Belletable benoemd tot adjudant van den commandant der Genie te Charleroi, waar hij slechts vier maanden verbleef. Ook daar was hij een voorwerp van stichting voor allen die hem iederen morgen in de kerk der bovenstad de Mis zagen bijwonen. Den 3den Februari 1853 vertrok hij naar Nieuwpoort, waar hij tijdelijk adjudant was van den commandant der Genie van die plaats, welke hij in een zijner brieven âeene hinderlaagquot; noemt.
Den 18dcn Mei van hetzelfde jaar zegende God een laatste maal zijn huwelijk met een zoon, dien hij Huhertns noemde ter gedachtenis aan Luik. Hij werd te dezer stede gedoopt in de kerk van het H. Kruis, waar de vereering van den Patroon der Ardennen steeds bijzonder in eere is gebleven 1).
Eindelijk den 21sten September 1853 werd Belletable naar Namen gezonden, altijd in hoedanigheid van adjudant des commandants. Dit deed hem in een zijner brie-
') Hubertus Belletable en zijn zoon zijn thans twee trouwe leden der H. Familie in de St. Magdalenakerk te Brussel.
119
ven vim den 29sten dier maand zeggen: âWeet Ge wel, âdat ik sedert een jaar vier garnizoenen heb gehad? âDaarvoor alleen zon men duizend franken boven mijn âtraktement moeten hebben!!,...quot;
Ondanks al die verplaatsingen, verzuimde de kapitein niet Soningen en zijn dierbaar gezin te bezoeken. Den 1 gden September schrijft hij aan de onderwijzeressen van Thielt: âDen 3dcn dezer heb ik miine militaire uitrus-
77 ki
âting gekregen, zoodat ik dien dag de prijsuitdeeling âbij de Broeders, waar ik mijne zoons moest gaan âkronen, in groot tenue kon bijwonen. Jozef heeft drie âprijzen ontvangen, waaronder twee eerste.quot; Deze zoon heeft later, toen hij majoor geworden was, den goeden uitslag zijner eerste schooljaren niet vergeten. Hij herinnert zich nog de groote blijdschap zijns vaders, toen â¢-ij een tweede en een derde maal de trappen besteeg om op de verhevenheid, waar deze gezeten was, uit zijne handen de hem toegekende kroon of den prijs te gaan ontvangen.
Drie maanden later schreef Belletable opnieuw aan zijne dochter te Thielt: âTe Soningen wedergekeerd, âheb ik een bezoek gebracht bij de Broeders, om te âvragen hoe mijne jongens het maken. Alles gaat goed. âJozef leert reeds zingen, hij heeft een zeer lief stem-âmetje; ik zal mijn best doen om hem koorzanger te âdoen worden. Adolf leest zeer goed en Alphons begint âmij reeds uit de verte toe te roepen: âpapaquot;. Zij zijn âzeer braaf....quot;
Zij zijn zeer braaf! Welke vader zegt dat niet gaarne van zijn kinderen? De ouderliefde verblindt zoo lichtelijk. Toen Belletable zoo sprak, was hij nog onder den aan-genamen indruk der twee dagen, die hij vertrouwelijk bij de zijnen had doorgebracht; het was bem toen zoo gemakkelijk en zoo zoet tevens, alles van de schoonste
120
zijde te beschouwen. Laat ons evenwel, zonder nochtans de kroon der braafheid, die de vader aan zijn zoon toekent, in het minst te willen ontbladeren, een enkel feit aanstippen, dat ons die vaderlijke bewondering niet geheel doet deelen.
Het was op den vooravond van den dag dat men op het plein van Braine-le-Comte ('s Gravenbraken), zes kilometers van Soningen verwijderd, een misdadiger. Galon geheeten, moest terechtstellen. Groote ontsteltenis openbaarde zich bij het uitgaan tier klas onder de leerlingen, toen zij het hout van het schavot, dat van Bergen naar de strafplaats gevoerd werd, door de Nieuwstraat zagen voorbijtrekken. Groote opgewondenheid den volgenden dag en koortsachtig verlangen om de nieuwsgierigen, die het bloedig schouwspel gingen zien, naar Braine te vergezellen. Maar daar tegenover stond het verbod der Broeders ... en dat verbod Avas uitdrukkelijk; wee hun, die het spel der guillotine gingen zien... De bekoring was sterk. Eenigen bezweken er voor en onder hen . . . Jozef Belletable! 's Daags daarna moest het verbod bekrachtigd en de straf toegepast worden. De schuldigen werden van de anderen afgezonderd, opgesloten en van een paar groote ezelsooren voorzien. Ook kunnen wij niet gelooven, dat zij die week een bewijs van goed gedrag verkregen. âIk herinner mij die onbezonnen-âheid nog zeer wel,quot; schrijft de majoor; âmijn vader âlaakte ze met zijne gewone zachtzinnigheid.quot;
Belletable stelde des te meer belang in zijn kleinen Jozef, wijl hij zag, dat deze rijk begaafd was naar hart. en geest. Het kind bezat een ernst boven zijn jaren. Nauwelijks tien jaar oud, deed de vader hem reeds eenige uitgezochte plaatsen lezen van â Genie du Chris-tianisme, Geest des Christendomsquot; en van de âMartyrs quot; van Chateaubriand. Hij onderwees hem in het
121
teekenen en gaf hem zelfs eenige beginselen van plaatsbeschrijving. Verliet de kapitein Soningen weer, dan vergezelde de leerling hem tot aan het station. Eens gebeurde het dat de vader plotseling stil stond en de hand op het hart legde ... âWat is er, papa?quot; vroeg het kind. âMijn gewone kwaal,quot; antwoordde de kapitein; het was de hartkwaal, die hem twee jaar later zou doen bezwijken!
Gelijk men weldra zal zien, had Belletable niet minder zorg voor zijn oudste dochter. Hij wist de onderwijzeressen van Thielt zooveel belang voor haar in te boezemen, dat hij bekende niet in staat te zijn haar genoegzamen dank te betuigen. âIk voeg er bij,quot; zoo schrijft hij haar, âdat Gij nooit tevergeefs een beroep op mij zult doen, âwanneer het mij ooit zal gegeven zijn U of iemand âanders om uwentwil den geringsten dienst te bewijzen. âNeen, nooit! O! ware ik niet aan handen en voeten âgebonden gelijk de arme zielen des vagevuurs, ik ver-âzeker U ten stelligste, dat ik U met weldaden zou overstelpen.quot; 1)
Gelijk wij bereids zeiden, had Belletable in September 1853 de oevers der Schelde verlaten om zich naar de boorden der Maas, naar Namen, te begeven, waar hij vijftien maanden verbleef. Derwaarts gaan wij hem volgen en zien, hoe zijne reeds geschokte gezondheid er nog meer ondermijnd werd, en wel zoozeer, dat hij een zeker voorgevoel had van een vroegtijdigen dood.
') 9de Brief â Gent den 28ston September 1852.
120
zijde te beschouwen. Laat ons evenwel, zonder nochtans de kroon der braafheid, die de vader aan zijn zoon toekent, in het niinst te willen ontbladeren, een enkel feit aanstippen, dat ons die vaderlijke bewondering niet geheel doet deelen.
Het was op den vooravond van den dag dat men op bet plein van Braine-le- Comte ('s Gravenbraken), zes kilometers van Soningen verwijderd, een misdadiger. Galon geheeten, moest terechtstellen. Groote ontsteltenis openbaarde zich bij het uitgaan der klas onder de leerlingen, toen zij het bont van het schavot, dat van Bergen naar de strafplaats gevoerd wrerd, door de Kieuwstraat zagen voorbijtrekken. Groote opgewondenheid den volgenden dag en koortsachtig verlangen om de nieuwsgierigen, die het bloedig schouwspel gingen zien, naar Braine te vergezellen. Maar daar tegenover stond het verbod der Broeders ... en dat verbod was uitdrukkelijk; wee hun, die het spel der guillotine gingen zien... De bekoring was sterk. Eenigen bezweken er voor en onder hen . . . Jozef Belletable! 's Daags daarna moest het verbod bekrachtigd en de straf toegepast worden. De schuldigen werden van de anderen afgezonderd, opgesloten en van een paar groote ezelsooren voorzien. Ook kunnen wij niet gelooven, dat zij die week een bewijs van goed gedrag verkregen. âIk herinner mij die onbezonnen-âheid nog zeer wel,quot; schrijft de majoor; âmijn vader âlaakte ze met zijne gewone zachtzinnigheid.quot;
Belletable stelde des te meer belang in zijn kleinen Jozef, wijl hij zag, dat deze rijk begaafd was naar hart. en geest. Het kind bezat een ernst boven zijn jaren. Nauwelijks tien jaar oud, deed de vader hem reeds eenige uitgezochte plaatsen lezen van â Genie du Chris-tianisme, Geest des Christendomsquot; en van de âMar-tyrsquot; van Chateaubriand. Hij onderwees hem in het
121
teekenen en gaf hem zelfs eenige beginselen van plaatsbeschrijving. Verliet de kapitein Soningen weer, dan vergezelde de leerling hem tot aan het station. Eeus gebeurde het dat de vader plotseling stil stond en de hand op het hart legde . . . âWat is er, papa?quot; vroeg het kind. âMijn gewone kwaal.quot; antwoordde de kapitein; het was de hartkwaal, die hem twee jaar later zou doen bezwijken!
Gelijk men weldra zal zien, had Belletable niet minder zorg voor zijn oudste dochter. Hij wist de onderwijzeressen van Thielt zooveel belang voor haar in te boezemen, dat hij bekende niet in staat te zijn haar genoegzamen dank te betuigen. âIk voeg er bij,quot; zoo schrijft hij haar, âdat Gij nooit tevergeefs een beroep op mij zult doen, âwanneer het mij ooit zal gegeven zijn ü of iemand âanders om uwentwil den geringsten dienst te bewijzen. âNeen, nooit! O! ware ik niet aan handen en voeten âgebonden gelijk de arme zielen des vagevuurs, ik ver-â zeker U ten stelligste, dat ik U met weldaden zou over-âstelpen.quot; ')
Gelijk wij bereids zeiden, had Belletable in September 1853 de oevers der Schelde verlaten om zich naar de boorden der Maas, naai- Namen, te begeven, waar hij vijftien maanden verbleef. Derwaarts gaan wij hem volgen en zien, hoe zijne reeds geschokte gezondheid er nog meer ondermijnd werd, en wel zoozeer, dat hij een zeker voorgevoel had van een vroegtijdigen dood.
') 9de Brief â Gent den 28sten September 1852.
TIENDE HOOFDSTUK.
Gent en Hoei 1853â1855.
'en 24sten September 1853 kwam Belle-table in âhet schoone Maasdalquot;, gelijk hij het in een brief van dien dag bestem-'as. 2?elt. Trouwens hij beminde die rivier, of liever dien stroom. Aan hare oevers was hij geboren; aan hare boorden had hij zijne dertig eerste levensjaren doorgebracht. Daarbij kwam nog iets anders, dat hem dit verblijf bijzonder aantrekkelijk maakte: zijn werkkring was er stiller, de dienst van den generalen staf, waarvoor de kapitein steeds eene voorliefde koesterde, was hem aangenamer.
De generale staf der Genie is samengesteld uit officieren, die zich met eenige bijzondere werkzaamheden bezig houden, zooals het bouwen van vaste kampen en vestingen, het inrichten van magazijnen en kruittorens, het opslaan van bruggen, enz. Terwijl Belletable achtereenvolgens naar Charleroi, Nieuwpoort, Namen en Hoei
Namen. â Salzinnes.
gezonden werd, waar wij hem zijne loopbaan zullen zien eindigen, bleef het regiment der Genie te Gent in garnizoen. Daar bevonden zich de officieren, die niet tot den genenden stat' behoorden en die over de peletons, compagnieën en bataljons gesteld worden, welke te zamen een regiment uitmaken.
Het spreekt van zelf, dat een zoo bewogen leven weinig strookte met de neigingen van den kapitein, die zich door een bovennatuurlijken aandrang tot het beschouwend leven getrokken gevoelde. Overigens maakt hij zelf er geen geheim van. In een brief, dien wij voor ons hebben, lezen wij deze regelen. âIn de wegen âder Voorzienigheid tracht ik tot den minsten speldenprik te begrijpen, dien ik ontvang . . . Het schijnt dat âmen mij naar Gent wil doen terugkeeren. Het zou âmij spijten, want de dienst van den generalen staf âvan ons wapen is gemakkelijker en aangenamer.quot; 1) En verder: âMen zegt dat ik naar het regiment zal âmoeten terugkeeren, ik die een zoo grooten afkeer âvan den militairen dienst heb.quot; 2) En is eenmaal het voorwerp zijner vrees werkelijkheid geworden, dan zal hij schrijven: âBelletable is wederom te Gent. . . âGod heeft ongetwijfeld zijne inzichten. Ik zal daarom âzwijgen, ofschoon, het mij zeer veel gekost heeft âNamen en den generalen staf van ons wapen te âverlaten.quot; 3)
Toch waren zijne bedieningen als adjudant van den commandant van Namen geen gemakkelijk baantje, waarbij hij slechts met de armen over elkaar behoefde te zitten. Ten bewijze hiervan halen wij een volzin aan uit een brief door Belletable in den zomer van
1
') 27ste brief, 15 April 1854.
2
) 28ste brief. 20 April 1854.
3
39ste brief, 6 September 1854.
124
1854 naar Thielt geschreven: sPater Edmond (Fran-âciscaan) bidt steeds voor u. Ik zie liem niet zoo dik-â wij Is meer ter oorzake der vele werkzaamheden waar-âmede ik belast ben en die selder al mijn tijd innemen.quot;
Kog niet lang was de kapitein te Namen, toen hij schreef, dat hij aldaar bij den eerwaarden heer Hen-rion, Sint-Albinusplein, een klein kamertje bewoonde tegen 27 franken, ontbijt zonder suiker er onder begrepen.
Van daar uit besteeg hij iederen dag de citadel, die hij slechts met moeite kon bereiken. Van daar uit onderhoudt hij briefwisseling met zijne vorige vrienden: met pater Dechamps, pater Cravau, die hem nog schrijft uit Maduras, den heer Marsigny van Bergen, de heeren de Buggenoms en Hacken van Luik. Deze laatste zendt hem bericht over zijne dierbare Broederschap der H. Familie, die nog altijd zeer bloeiend is. Hij meldt hem dat Mgr. de Montpellier den 20sten Maart 1S54, sluitingsdag der jaarlijksche geestelijke afzondering, het Lof heeft bijgewoond en dat Z. D. H. naast zijn bisschoppelijk kruis ook de medaille der H. Familie droeg. De Paters hadden zich met de geestelijken in twee rijen voor de kerkdeur geschaard om den Bisschop te ontvangen. Al de leden der H. Familie vulden de drie beuken der kerk; de kapellen van de H. Familie en van den H. Alphonsus waren bezet door de aanzienlijkste familiën en door den adel van Luik. De dekens en de pastoors der stad hadden plaats genomen in het priesterkoor en in de sacristie, om door hunne tegenwoordigheid te toonen, hoeveel belang zij in de Aartsbroederschap stellen. Zijne Doorluchtige Hoogwaardigheid hield eene roerende toespraak, waarna vijftig nieuwe lé'len tot de opdracht werden toegelaten ....
Te Namen smaakte de kapitein het geluk de H. Familie gevestigd te zien in de kerk van den H. Joannes den Dooper. Het was voor hem eene ware voldoening de wekelijksche vergaderingen geregeld bij te wonen, alsook tegenwoordig te zijn bij de oefeningen der geestelijke afzondering, die in Januari 1854 door pater Busine, Redemptorist, gepreekt werd. Hij knoopte vriend-schap aan met den ijverigen bestuurder der H. Familie, kapelaan Masson.
Een voornaam geestelijke en tijdgenoot, de zeereer-waarde lieer A. Decamps, kanunnik en pastoor der kerk van den H. Joannes den Dooper, getuigt daaromtrent het volgende: âToen kapitein Belletable te âNamen in garnizoen was, woonde bij gaarne de vergaderingen bij der H. Familie, die in 1849 was op-âgericht. Hij stichtte alle aanwezigen door zijne innige âgodsvrucht en zijn echt christelijken eenvoud. Gaarne âzag hij zich door werklieden omringd. Deze hadden âvernomen dat Belletable de stichter was der H. Familie âen koesterden den grootsten eerbied voor hemquot; ').
Terzelfder tijd dat Belletable te Namen kwam, hadden de Paters Franciscanen zich te Salzinnes in de nabijheid der stad gevestigd. Hun nog stil en afgelegen kerkje werd het geliefkoosd heiligdom, waar de ijverige soldaat zijn gebeden ging storten. In deze vrome schuilplaats deed de Voorzienigheid hem eenige Paters ontmoeten uit Tliielt en Gent, Belletables oprechte vrienden, die onder de ruwe pij van Bint Franciscus de eenvoudigheid en gastvrijheid beoefenden.
âIk heb een bezoek gebracht aan pater Edmond,quot; schrijft de kapitein aan mejuffrouw Rosalie Van Biervliet,
%
') Namen, den ISden October 1895. De zeereerwaarde lieer Decamps, Ridder der Sint-Leopoldsorde, stierf den aSsten Januari 1897.
126
âen ik heb liem uwe boodschap overgebracht. Hij ant-â woordde mij al blozende, als was hij verlegen over âzoovele beleefdheden uwerzijds en richtte tal van hof-âfelijkheden aan uw adres. Hunne voorloopige woning, âde oude abdij van Salzinnes, thans eene buitenplaats âvan het Seminarie, is een half uur van de stad verwijderd; maar hun nieuw klooster ligt dichter bij. Reeds âdoen zij dienst in hunne nieuwe kerk.quot;
Wij hebben het voorrecht gehad pater Edmond tegen het einde van 1895 te bezoeken. Kort te voren had deze waardige kloosterling de laatste H.H. Sacramenten ontvangen en bevond zich in de ziekenkamer, waar hij nog eenige maanden zou verblijven, voordat zijn kostbare dood den 20sten Mei 1896 intrad 1). Met de grootste bereidvaardigheid riep hij zijne herinneringen betreffende den kapitein in bet geheugen terug. âBelletable,quot; sprak hij, âwas voor ons een boezemvriend. Hij had een zeer âgunstig voorkomen, was vurig en scheen tot alles beslonten. Hij muntte uit door zijne aangename wijze van âspreken en bezat niet het Vlaamsch accent. Ik geloof, âdat zijne godsdienstige overtuigingen zijn bevorderingen âhebben tegengehouden. Dit was ook zijn gevoelen, maar âdoor zijn sterk geloof verdroeg hij die beproeving met âgeduld. Ook herinner ik mij nog, dat Belletable in âDecember 1854 ons opgetogen van vreugde kwam mede-âdeelen, dat het leerstuk der Onbevlekte Ontvangenis âwas afgekondigd.quot;
't Is overigens bekend dat de afkondiging van dit leerstuk door Pius IX, den 8sten December 1854, een
') Pater Edmond (Celsus Antonius Collet) werd den Sisten Januari 1822 te Chimay geboren. Zijn doodsprentje legt de lotfelijkste getuigenis van hem af. âHij was het toonbeeld zijner Broeders,quot; zoo lezen wij daar; âeenvoudig, oprecht, wars van de wereld leefde hij in gebed en arbeid. Als een andere Mozes was hij gedurende 27 jaren de getrouwe aanvoerder der kudde, die onder zijn hoede stond.quot;
127
lt;ler gewichtigste gebeurtenissen geweest is, die het Pontificaat van dezen grooten Paus en de annalen der Kerk in de 19de eeuw kenmerken. Geheel de christenwereld heeft deze beslissing toegejuicht met een geestdrift, die wellicht eenig is in de kerkelijke geschiedenis.
Belletable schreef in die dagen naar Thielt: âHoe âhebt gij den Sstcquot; December gevierd. Ik heb mijne âvensters geïllumineerd.quot;
Onder de andere vrienden welke de kapitein bij de Franciscanen telde, noemen wij pater Bonaventura (1814 â 1875), pater Seraphinus (1819 â1892) en pater Leonardus (1813 â1859). Deze laatste, in de wereld J. B. Lef chore geheeten, was geboren te Charleroi. Nadat hij twee jaren als missionaris in het H. Land had doorgebracht, werd hij in 1853 de eerste Guardiaan van het klooster te Namen en was daarna tot tweemaal toe secretaris der provincie van den H. Jozef in België. Belletable zocht het gezelschap van dezen uitstekenden kloosterling, wiens gesprekken voor hem een dubbele aantrekkelijkheid bezaten, omdat zij vooreerst zeer letterkundig waren en vervolgens zeer belangrijk, vooral om de bijzonderheden welke hij gaf over de ligging der plaatsen door de H. Familie: Jezus, Maria, Jozef, geheiligd.
Toen wij deze bijzonderheden bij de goede Paters Minderbroeders verzamelden, verwonderde het ons niet te vernemen, dat zij altoos gehoord hadden: Belletable had aan hun Provinciaal, pater Archangel us Vendricx voorgesteld, de Broederschap der H. Familie in een of andere kerk zijner provincie op te richten.
Evenals te Gent maakte Belletable ook te Namen deel uit van de Conferenties van den H. Vincentius a Paulo en stelde zijn vrijen tijd en zijn karig inkomen ten dienste der armen. Voor dit bewonderings-
128
waardig werk, een waar apostolaat, koesterde hij een bijzondere liefde. De stoffelijke aalmoes, welke men geeft aan hen, die van fortuin verstoken zijn, is slechts een middel om hun de geestelijke aalmoes te doen aanvaarden, welke zij dikwijls niet minder noodig hebben. Daarom bepaalt men er zich niet bij even bij den behoeftige aan te (/aan, maar men bezoekt hem, men neemt plaats bij zijn armoedigen haard, men spreekt tot hem hart aan hart, men stort in zijne ziel de vertroostingen van den godsdienst en op die wijze verlevendigt men zijn geloof, men sterkt zijne hoop, men verwarmt zijne liefde, in een woord, men doet zijn leven christelijker worden. ^
De Vereeniging van den H. Vincentius a Paulo was des te dierbaarder aan den kapitein, wijl zij destijds de Vereeniging der soldaten in de garnizoenssteden begon te vestigen.
âWeldra,quot; zoo lezen wij in een brief van Belletable aan het gesticht te Thielt, ..weldra zal ik U het verslag ,zenden der Vereeniging van den H. Vincentius a Paulo, âover het jaar 1854. Gij zult daarin eenige hoogst âbelangrijke volzinnen aantreffen, ik bedoel het werk âder soldaten.quot; Wanneer men rekening houdt met het goede hart en de groote liefde van den kapitein, dan begrijpt men, dat hij met geestdrift voor dit werk vervuld moest zijn.
') Laat ons hieromtrent het gulden woord aanhalen van een negenjarig kind. Dit arm kind beklaagde zich eens bij een lid der Vincentius-Vereeniging, hetwelk vroeger dikwijls in zijn huis kwam, dat niemand het gezin meer bezocht. âMeent gij, kind,quot; antwoordde hij, âdat ik niet weet dat uwe ouders iedere week bezocht worden ?' âNeen, mijnheer,quot; hernam het kind met levendigheid, âniemand bezoekt ons. lederen Zondag komen er twee jongeheeren, die ons eenige bons achterlaten, maar zij bezoeken ons niet.quot; Ongetwijfeld begreep dat kind de volle beteekenis zijner woorden niet, doch het gaf wonderbaar juist het verschil aan tusschen een bezoek, dat goed verricht wordt en tusschen datgene, hetwelk alleen bestaat in eenige bons af te geven en waarvan men weinig of geen goede vruchten verwachten kan.
129
Dank toch aan die Vereeniging is de soldaat niet langer aan zich zeiven overgelaten ; iederen avond en iederen Zondag vindt hij een lokaal, een gezelschap, eene gelegenheid tot lezen en tot spelen, de heilzaamste invloeden om in hem de godsdienstige gevoelens te onderhouden, welke hij in de woning zijner christelijke ouders heeft opgedaan.
Ook duurde het niet lang of men zag de militaire Vereeniging, in sommige steden althans, de troostvolste uitwerkselen voortbrengen.
In 1856 deelde de âBien Publicquot; van Gent het volgende mede : âHet aantal soldaten, die tijdens den âpaaschtijd tot de H.H. Sacramenten zijn genaderd, ,is in onze stad gestegen van 1300 tot 1400, Nooit âte voren was dit cijfer zoo aanzienlijk. Wat men er âook van zegge, 't is een gelukkig teeken, dat de gods-â dienstige gevoelens verre van uitgedoofd zijn in ons âleger en dat dit nog rechtschapen mannen bezit, op âwie het geschreeuw der volgelingen van Voltaire geen âinvloed heeft.quot;
Wat Belletable aangaat, te Namen zou hij nog niet verkrijgen wat hij met zulk een rechtmatig ongeduld verlangde : eene plaats als commandant der Genie, âdie âhem in de gelegenheid zou stellen zijn gezin, waar-âvan hij reeds zoolang verwijderd was, rondom zich te âvereenigen.quot;
Tegen het einde van 1854 werd hij naar het regiment teruggeroepen. Hij nam dus afscheid van zijne vrienden te Salzinnes, alsook van Mgr. de Hesselle, bisschop van Namen, die hem met zijne vriendschap vereerde, en sloeg andermaal den weg in naar Gent. Daar vond hij de kamer terug, die hij twee jaren te voren (bewoond had en nam er opnieuw zijn intrek.
9
BELLETABLE.
130
Ziehier een brief, dien hij aan een zijner vrienden 1) schreef, een brief die het ons doet betreuren, dat wij er slechts één van bezitten; zoo goed openbaart hij ons de mate zijner deugd en zijn geest van geloof.
Gent, den lO^611 Januari 1855.
Mijn Waarde Lippens.
Toen ik den 8ston dezer terugkeerde van een verlof, dat ik met de mijnen heb doorgebracht, vond ik op mijne kamer drie brieven, waaronder één van U.
Gij klaagt. Waarde Vriend, dat het zoo duur leven is. Maar wie onzer gaat daar niet onder gebukt? Het beste, wat wij in deze omstandigheid doen kunnen, is de hand te zegenen van Hem die ons slaat en die ons geloof op zulk eene harde proef stelt.
Zie, 't is misschien genoeg moed te houden in deze omstandigheid om een groot heilige te worden.
Vele groeten namens mij aan mevrouw Lippens, uw dierbaren steun op den tocht, dien Gij zoo waardig aflegt van den tijd naar de eeuwigheid. Zeg haar namens mij, bid ik U, dat men verkrijgt door het gebed, wat men door eigen krachten niet kan verwerven; ja door het gebed verkrijgt men alles, volstrekt alles, veel beter dan men het vragen of verlangen kan.
Mijne dierbare oude moeder, die reeds over de tachtig jaar telt, heeft mij verzekerd, dat zij alles heeft verkregen. Hoe dat? Het geloof, dat U verlicht, zegt het U. Evenwel blijft het waar, dat ons geduld soms tot het uiterste gedreven wordt; maar het is zeker dat dit heldhaftig
') Do heer H. Lippens, professor iiiin het koninklijk Atheneum te Bergen. Het handschrift van dezen brief wordt bewaard bij den heer C. van Croni-brugghe te Gent, die de goedheid gehad heeft er ons een afschrift van te geven.
131
middel, als het ons door den Geneesheer van hierboven wordt toegediend, voor ons als het ware noodzakelijk is geworden.
Beschouwen wij de zaak eens van een andere zijde. Hem die weerstaan heeft, zegt de Heer, zal ik het brood der sterken doen eten. Dierbare Lippens, gij die meer dan een edelmoedige poging gedaan hebt om aan Jezus Christus te behagen, Gij zult mij begrijpen.
Ik heb hier de heeren d'Hoop en V. Imschoot, beiden groote ijveraars, weer gevonden. Ook heb ik hier de Vereeniging der soldaten en der H. Familie ontmoet.
U een zalig Nieuwjaar wenschende, Dierbare Vriend, druk ik U hartelijk de hand. p5eli etaele
Het tweede verblijf van den kapitein in de hoofdstad van Vlaanderen duurde acht maanden; het werd gekenmerkt door een voortdurenden achteruitgang zijner gezondheid. In Februari 1855 kon hij geen honderd, soms zelfs geen tien stappen meer doen, zonder onderweg te rusten; zooveel pijn veroorzaakten hem maag of borst. Hij onderbreekt zijn dienst, hij moet zich per rijtuig naar een krijgsraad begeven, het geluid van de altaarschel onder de heilige Mis veroorzaakt hem smarten. Hij stelt de zorg voor zijne gezondheid in handen der Allerheiligste Maagd Maria. In Maart moet hij het geluk opofferen, dat hij zou gesmaakt hebben, hadde hij met de zijnen tegenwoordig kunnen zijn bij de Eerste Communie van zijn oudsten zoon. Daarentegen geniet hij in de maand Mei de onuitsprekelijke vreugde, dat hij den godsdienstigen optocht kon bijwonen, te Gent gehouden, om de afkondiging-van het leerstuk der Onbevlekte Ontvangenis te vieren.
,,Ik zal trachten U die plechtigheid te beschrijven,quot; meldt hij aan mejuffrouw Melanie van Biervliet. âGij âkent de Vrijdagsche markt? Op een harer hoeken,
132
âtegenover het groot kanon âde dolle Grietquot;, had men âeen altaar opgericht in den vorm eener gothieke kapel. ,Een groot aantal trappen voerde naar dit kleine monu-â ment. De Vrijdagsche markt was door hooge palen met âwimpels, die de wind zachtjes heen en weer bewoog, âvan de omliggende straten gescheiden en daarenboven âdoor eene lijfwacht geheel afgezet. De menigte buiten âdezen omtrek was buitengewoon groot. Ik stond reeds âeen uur hier te wachten, toen ik eensklaps verschillende âstemmen hoorde roepen. âDaar is hij, ja, daar is hij!quot; âStatig trekt de stoet vooruit. Het kruis, de standaard des âgeloofs, gaat voorop. Langzamerhand schaart de menigte âzich in dicht aaneengesloten groepen op de Vrijdagsche âmarkt en de prelaten, die den optocht sluiten, naderen âde verhevenheid, waarop het altaar geplaatst is. Het âgaat mij op dit oogenblik als dien Koning van Perzië, âdie, toen hij zijne ontelbare legerscharen van een hoogen âtoren aanschouwde, zijne tranen niet kon weerhouden âbij de gedachte, dat weldra geen enkele dezer menschen âmeer in leven zoude zijnquot;
Intusschen namen de ziekte van den kapitein en de pijnen, die haar vergezelden, steeds toe; weldra zouden zij hun werk voltooien door het onmisbaarste werktuig voor het leven, het hart, uit te putten. Zoo werd het offer langzamerhand volbracht, ondanks de stralen van hoop, die van tijd tot tijd wederkeerden en altoos verkwikkend zijn voor den zieke, die ze als onwillekeurig toelacht. Zoo kreeg insgelijks de heiliging eener ziel, die zich voor God uitstortte in lange en vurige gebeden, hare voltooiing.
sts dei gu nei nu da: H(
hel ko: de tot me zie ziji
In de maand Juli vroeg Belletable aan zijne Overheden een vaste betrekking. Hij verzocht bij den generalen
') Het vervolg van dit verhaal vindt later zijne plaats.
133
staf ingelijfd te worden in hoedanigheid van commandant der stad Hoei. Maar terwijl de menschen hem deze gunst toestaan, beproeft God hem nog meer. Zijne smart neemt toe, allen dienst moet hij staken; slechts met moeite kan hij de reis naar Soningen volbrengen; twee dagen later, den 17den Augustus, kwam hij ziek te Hoei aan.
Hier onderbreken wij het verhaal van het leven onzes helds. Alvorens de dood met ijskoude hand zijn hart komt treffen, gaan wij dat hart binnentreden. Wij zullen de ziel bewonderen, die dat hart doet kloppen van liefde tot God, die ziel herschapen door de genade en vervuld met den balsem eener bewonderenswaardige, teedere en zich mededeelende godsvrucht. Dit zal het onderwerp zijn van het tweede deel.
de den
TWEEDE DEEL.
T
H. BELLETABLE,
'ÃÃaar- zijn htkfmiielittë iieooldtekl.
Het eerste deel van dit werk heeft ons Belletable getoond in zijne loopbaan van krijgsman. En ofschoon wij in zijn leven geen enkele dier roemvolle wapenfeiten konden vermelden, die weleer den krijgsman onderscheidden, zoo is het toch niet minder waar, dat eene vurige vaderlandsliefde zijn edele borst deed kloppen. Getuige de dag van Leuven, toen hij als jeugdig sappeur-mineur zich blootstelde aan het vuur des vijands.
Doch laten wij den soldaat rusten om den Christen, den man Gods, nader te leeren kennen. Wat duizend herinneringen van tijdgenooten, van ouders en vrienden ons hebben medegedeeld, dat moet zijn leven zijn. Zijne brieven zullen hem nog beter doen kennen, want die brieven zijn zijne ziel.
Aan zijne voortgezette briefwisseling met de dames Van Biervliet, die het pensionaat der H. Familie te ïhielt bestuurden, hebben wij het te danken, dat wij het heiligdom zijner ziel kunnen binnentreden, om het onder zedelijk en godsdienstig opzicht te waardeeren. Kapitein Belletable had de oudste zijner kinderen aan de opofferende zorgen dezer waardige opvoedsters der jeugd toevertrouwd. In de menigvuldige brieven die hij daar
136
schreef, openbaart hij zich zeiven geheel en al. De sieraden van zijn schoonen geest en de eigenschappen van zijn bij uitstek goed hart stralen er in des te helderder glans, naarmate zij meer zijn opgeluisterd door de verhevenste christelijke deugden. Vandaar die liefdezuchten tot God, dat brandend verlangen naar volmaaktheid, die innige godsvrucht tot de Heiligen, die hartelijke gebeden en uitdrukkingen van waren ijver, die al zijne brieven vervullen. Wij stellen ze den Lezer voor oogen en laten hem zelf oordeelen.
EERSTE HOOFDSTUK.
De Vriend der Fraaie Letteren en der W etenschappen.
oor een drievoudig sieraad is de mensche-lijke geest vatbaar: voor wetenschappen, kunsten en deugden. De twee eerste zijn ^ natuurlijke talenten, die ook de heiden en de goddelooze met ons gemeen kan hebben. De deugd echter is het uitsluitend aandeel van den rechtvaardige. V andaar dat veelbeteekenend woord: â De hel is vol talenten, de hemel vol deugden.quot;
Daar evenwel ook de natuurlijke talenten een gave Gods zijn en zij tot zijne eer en glorie kunnen besteed worden, gelijk dit het geval was met Belletable, zullen wij diegene aanstippen, welke de Hemel hem geschonken had.
1. De Fraaie Letteren.
Van geboorte Hollander, sprak Belletable de eerste achttien jaren zijns levens, die hij te Venlo en
138
te Maastricht doorbracht, enkel zijn moedertaal. In laatstgenoemde stad, waar bij als jeugdig vrijwilliger drie jaren de Nederlanden diende, bestond destijds geen regimentsscliool. Belletables letterkundige vorming moest dus noodzakelijk achterlijk zijn, persoonlijk en zonder vaste, regelmatige orde. Niet weinig staan wij dan ook verbaasd, als wij hem enkele jaren later de Fransche taal in opvallend zuiveren stijl zien schrijven. De zes-en-veertig brieven, die wij van zijne hand bezitten en die allen in één trek zonder fout noch doorhaling geschreven zijn, getuigen alle voor een keurigen letterkundigen smaak. Zij zijn in den echten briefstijl, natuurlijk, soms bloemrijk gesteld; de volzin is sierlijk, de uitdrukking ongekunsteld en dikwijls geheel oorspronkelijk. Al zijn brieven ademen dien bovennatuurlijken ernst en dat godsdienstig gevoel, waarvan Belletable zoo diep doordrongen was. Zijne ziel gaat er geheel en al in over en deelt er zich zoo innig aan mede, dat zij tegelijkertijd sticht en behaagt. Enkele uittreksels zullen dit bewijzen:
Mejuffrouw Rosalie! 1)
.... âMeer dan ooit ben ik tot alles besloten om âde liefde Gods te verkrijgen, want zonder deze kost-âbare hemelsche gave weet men niet waar men gaat. âBen ik lauw? .... Ben ik blind?. ... Ik weet er niets âvan. En toch neigt de dag ten ondergang .... Henri âzal weldra zijn veertigste jaar bereikt hebben, de winter âder jaren is aangebroken. Bid, en ik zal de wereldsche âkap afwerpen en nogmaals met vertrouwen het hoofd âopbeuren om een loflied te zingen voor den Heer.quot; 2)
') Van Biervliet. De dames Van Biervliet heetten Rosalie, Henriëtte, Virginie, Melanie en hare nicht Constance.
') 6de Brief, Gent, September 1852.
139
Het Kerstfeest van datzelfde jaar stemde zijn lier niet minder hoog : âWelaan,quot; zegt hij, âlaat ons een ânieuw lied aanheffen, een lied van dankbaarheid. . . âHet is nacht en reeds vroeg komen wij naar de schit-âterend verlichte kapel. Bij het binnentreden richten ,onze oogen en harten zich naar het tabernakel, waar âHij rust, die de grondslag is van al onze hoop voor âtijd en eeuwigheid. Gelukkig tabernakel ! Op beide âknieën vallen wij voor u neder en mengen onze aanbiddingen met tranen van verteedering en dankbaarheid. En terzelfder tijd vertoonen zich voor onzen âgeest scharen van engelen, die uit de hoogte des hemels âneerdalen en zingen: âGlorie aan God in het hoogste âder hemelen en vrede op aarde aan de menschen van âgoeden wil!quot; Wat een goddelijke harmonie! Wat een âpoëzie!quot; ^1)
Verschillende brieven van den kapitein vloeien over van verheven, bezielde gedachten, als waren het Psalmen door God ingegeven.
Namen, Feest der H. Theresia, 15 October 1853.
.... âHelaas, wat valt er veel te lijden eer men âsterft! Hoe aangenaam en troostend zou echter dat âlijden zijn, ware ons hart gestemd als dat eener H. âTheresia ! Wie zal mij de heilige liefde geven ? O mijn âGod, zal ik U dan nooit beminnen op deze aarde!... âDan, Gij weet, o opperste Vader, wat mij dienstig is. âZie mij hier aan uwe voeten. Toef niet, want de dag âmijns levens neigt reeds ten ondergang. U beminnen âen voor U werken zou mij zoo zoet zijn ! En hoe âtevreden zou ik dan sterven.quot;'
Een weinig verder lezen wij de volgende regels, die
^ 12de brief, Kerstmis 1852.
140
bijna ontleend schijnen aan liet verheven boek Job : âWaarom laat gij U zoo lang sraeeken, o Heer ? , . . âBreek allen tegenstand. Kan ik uw Benjamin niet âzijn? Zeg mij dan, dat ik uw Jozef ben of behandel âmij ten minste gelijk Jozef zijne schuldige broeders âbehandelde. Dan, Heer, zal ik nog tot de uwen, tot âhet getal uwer gelukkige uitverkorenen behooren.quot; ') Waar het noodig was, wist de letterkundige van het ernstige tot het zachte over te gaan en bij gelegenheid van Nieuwjaar bloemen te strooien onder de voeten van haar, met wie hij briefwisseling houdt.
âDierbare Zuster, mogen uwe dagen voortaan voort-â vloeien als de heldere beek, die door de uitgestrekte, ârijk met bloemen versierde weiden heenslingert, om âzich eens zalig te verliezen en te vereenigen in den âoceaan der eeuwige vreugde ! Hetzelfde wensch ik aan âuwe goede zusters, Henriëtte, Virginie, Melanie, als-âmede aan uwen broeder, dien ik zoo hoogschat.quot; 2)
En wanneer die gedachte aan den hemel hem somwijlen in vervoering medesleept, dan komt zijn levendige verbeelding hem naar wensch te hulp en verschaft hem kleuren, om dat schitterend verblijf te schilderen.
â Ik heb den Heer vandaag gebeden, dat Hij âzich gewaardige U eene heerlijke plaats in zijn konink-ârijk voor te bereiden. O hoe schoon moet een konink-ârijk van kinderen zijn ! Verbeeld U kleine, lieve kinderen, wier oogen de kennis van God weerkaatsen âen van wier lippen de zuiverste vreugde vloeit. En âdan, welk eene harmonie ! Welk een geheel! en overal: âboven en beneden, rechts en links wat een schat van âschoonheid ! Welk een eerbied, welk een vreugde als âMaria, de Moeder des Heeren, zich door die edele
') 20ste Brief, Namen, 15 October 1853.
) 11de Brief, Soningen, December 1854.
141
ârijen voortbeweegt! Doch, waartoe zouden wij onze âverbeelding afmatten, daar noch oog liet gezien heeft, âenz.quot; 1)
Deze zinspeling op de H. Schrift, welke de officier slechts terloops aanstipt, is bij hem niets nieuws. Hij was genoegzaam vertrouwd met de Gewijde Boeken, om er tonen te vinden, die nu eens overeen kwamen met zijne vervoeringen van blijdschap, dan weder met zijne angsten en zijne aanvallen van droefheid. Want, wij hebben het reeds gezien, niet altijd scheen een reine, schitterende zon op zijne ziel van christen en dichter. Sombere wolken verborgen dikwerf haar weldadig licht. Ten bewijze strekken deze woorden welke hij den 10den Augustus 1853 uit Xieuwpoort schreef :
âBid, bid, bid. Mijne Zuster, want ik zou wel met âDavid willen uitroepen : âHet is mij niet mogelijk âhet gewicht mijner ellenden nog langer te dragen. Ik âbezwijk.quot; Zoudt Gij niet zoo goed willen zijn den â142sten Psalm 2), den laatsten der zeven boetspalmen, âvoor mij te willen bidden en laten bidden. Dierbare âZuster, Gij zoudt mij daardoor zeer verplichten.quot; 3)
Deze uittreksels, waarbij wij ons thans moeten bepalen, openbaren ons in den soldaat den vriend der fraaie letteren ; zij openbaren ons daarenboven nog een anderen eigenaardigen trek, die wellicht nog bewonderenswaardiger is. Ofschoon Belletable schier geheel zijn leven in het leger doorbracht, wist hij toch altijd eene buitengewone zachtheid van zeden te bewaren en, na zijne bekeering, die teedere en mededeelzame godsvrucht te beoefenen, welke zooveel bevalligheid geeft aan
') 1ste Brief, Gent, den 20sten Mei 1852.
a) Psalm 142: o Heer! verhoor mijn gebed, neig uw oor tot mijne smeeking naar uwe waarheid ; verhoor mij naar uwe gerechtigheid... enz. ') 16de Brief, Nieuwpoort, den lOden Augustus 1853.
142
zijne briefwisseling. Het was deze godsvrucht die hem deed beproeven eenige werkjes samen te stellen, die wij helaas! niet meer bezitten. Wij noemen slechts eene vertaling uit het Hollandsch in het Fransch van: âHet goede zaad in de goede aarde,quot; een Bezoek aan de H. Familie, een kruisweg voor mejuftrouw Melanie bestemd, maar dien hij uit bescheidenheid haar niet durft aanbieden 1); alsmede een gebedenboek, dat hij te Bergen samenstelde, in overleg met zijn vriend, den heer Marsigny, insgelijks een letterkundige en oprecht christen. Het is dan ook niet te verwonderen, dat wij onder aan een brief aan mejuffrouw Rosalie, het volgende refrein van zijn hand ontdekken 2):
âIk geef mij, Moeder, gansch aan u,
In uwe handen stel ik mij;
Verhoor, Maria, mijne beê Blijf immer. Moeder, mij ter zij.quot;
De vrome briefsteller voegt er in een aardige noot bij: âZing dit voor het beeld van Onze Lieve Vrouw en zij zal niet lang weerstaan.quot; H. B.
II. De Wetenschappen.
Aan de beoefening der fraaie letteren paarde Belletable die der wetenschappen. Den 3don September 1852 kondigde hij haar, die hij zijne zusters in Jezus Christus noemde, zijn vertrek aan van Gent naar Charleroi; dan besluit hij zijn brief als volgt: âHenriëtte, mijne Dier-âbare Zusters, zal U namens mij medebrengen: 1°. eene âverzameling van kleine stukjes hout (48 verschillende
1
) 2de Brief, Juli 1852.
2
) 9de Brief, November 1854.
143
,soorten); 2°. eenige versteende voorwerpen, gevonden âin den Blandinusberg; 3°. tanden van een haai, ter-â zelf der plaatse ontdekt; 4°. eenige staaltjes van mine-dralen uit eene zilvermijn in Boheme, of uit de velden âvan datzelfde land. Dit alles is bestemd voor uwe âverzameling van natuurvoortbrengselen. Gij zult zien, âdat liet zeer belangwekkend is voor kinderen.quot; 1)
Naar dezen laatsten volzin te oordeelen, stelt Belle-table niet veel prijs op zijne zorg om zulke voortbrengselen te verzamelen en tocb moet men zich verwonderen, dat een soldaat, die van zijn veertiende en een half jaar af slechts het kazerneleven gekend heeft, zooveel belang stelt in de studie van zeldzame en bezienswaardige ertsen uit metaalhoudende bergen van Boheme, in liet verzamelen van zoovele houtsoorten uit allerlei oorden, in het opdelven van den Blandinusberg te Gent, die zoovele belangrijke versteeningen besluit; even zoovele leerzame voorwerpen, waaraan hij zulk een nuttige bestemming weet te geven. Dezelfde zorg vergezelt hem naar Namen, waar wij hem het jaar daarop aantreffen, en vanwaar hij schrijft: âIk hoop IJ later eenige schoone âstaaltjes te geven van ertsen uit dit zoo rijke land.quot; Ongetwijfeld hadden deze voortbrengselen uit de ijzer-, steenkolen- en kalkmijnen van den Namenschen bodem het voorrecht, dat zij nieuw en onbekend waren te Thielt, een stadje van Vlaanderen, dat geheel van zulke lagen verstoken is, maar daarenboven verschaften zij het voordeel, dat de lessen in het pensionaat aanschouwelijk, en daardoor belangwekkender en leerzamer werden. Belletable, die van nature een opmerkzamen geest bezat, beminde en bevorderde zulke lessen. Daarom beschouwt hij het als een geluk in Februari 1854 weder
') 8ste Brief, Gent, den 3den September 1852.
144
te kunnen schrijven: âMen heeft mij uit Boheme eene ,gelieele verzameling mineralen medegebracht voor het ,pensionaat Ste Marie.quot; Tien maanden later belooft hij nog andere voortbrengselen aan de vrome bestuurster van hetzelfde gesticht: âWeldra,quot; schrijft hij, âzend ik ,U weder eenige mineralen voor uw kabinet....quot; (en plotseling van het ongewijde tot het gewijde overgaande, voegt hij er bij): âalsmede eene relikwie van den H. âAntonius, die ik voor U persoonlijk gebedeld heb, en âeen schoone bronzen medaille van denzelfden Heilige, âdie ik heb gekocht.quot; Omstreeks hetzelfde tijdstip (Augustus 1854) noodigt hij de dames Van Biervliet uit om een bezoek te brengen aan de boorden der Maas, met Namen te beginnen. Om haar tot deze reis over te halen, noemt hij al de merkwaardigheden op der streek, in staat om personen, die eene voorliefde bezaten voor de schoonheden en de wonderen der natuur, in verzoeking te brengen, zooals de grot van Han en de groeven van Valkenburg en van Maastricht. âIk schrijf âU zonder uitstel,quot; zegt hij, âopdat Gij den tijd hebt âom te beslissen of Gij met uwe beide zusters naar âNamen komt. Twee heerlijke valleien, schoone kerken, âde relikwieënschat der zusters van Onze Lieve Vrouw, âenz., ziedaar even zoovele voorwerpen die uwe aandacht âoverwaardig zijn. Van hier uit kunt Gij de grot van âHan bezoeken met hare met drop- en wratsteen getooide âvertrekken 2). Vervolgens kunt ge met de stoomboot âde Maas afdalen en in het voorbijgaan Hoei en Seraing âen vervolgens Luik bezichtigen. De groeven van den âSint-Pietersberg bij Maastricht verdienen ten zeerste
') 8ste Brief, Gent, den 3den September 1852.
) 34ste Brief, Namen, den 24sten Augustus 1854. Iedereen weet dat deze grot, eene der schoonste van Europa, door de Lesse doorsneden wordt en dat zij een grootsch en aangrijpend schouwspel oplevert.
âb ,1 âL
â
,e(
ver toe Ge ver wa: üe del vai
BE
145
,bezocht te worden door ontwikkelde personen. Tk raad âU er heen te gaan. Des avonds kunt Gij in de Sint-Lambertusstad {Luik) wederkeeren, doch niet zonder ,eenige merkwaardige versteeningen te hebben niede-, gebracht.quot;
Waarschijnlijk was Belletable deze geheimzinnige groeven binnengedrongen ;n het begin zijner militaire loopbaan, toen hij te Maastricht in garnizoen lag (1827 â1830). Gewis heeft hij dezen berg, die door onmetelijke groeven is ondermijnd en waarvan de eindelooze gangen een waren doolhof vormen, persoonlijk willen onderzoeken. De menigvuldige versteeningen, die men er heeft ontdekt en waarop de natuurkundige soldaat zinspeelt, zijn van groot belang voor de wetenschap.
10
BELLETABLE.
144
te kunnen schrijven: âMen heeft mij uit Boheme eene ,geheele verzameling mineralen medegebracht voor het âpensionaat Ste Marie.quot; Tien maanden later belooft hij nog andere voortbrengselen aan de vrome bestuurster van hetzelfde gesticht: âWeldra,quot; schrijft hij, âzend ik ,U weder eenige mineralen voor uw kabinet....quot; (en plotseling van het ongewijde tot het gewijde overgaande, voegt hij er bij): âalsmede eene relikwie van den H. âAntonius, die ik voor U persoonlijk gebedeld heb, en âeen schoone bronzen medaille van denzelfden Heilige, âdie ik heb gekocht.quot; Omstreeks hetzelfde tijdstip (Augustus 1854) noodigt hij de dames Van Biervliet uit om een bezoek te brengen aan de boorden der Maas, met Namen te beginnen. Om haar tot deze reis over te halen, noemt hij al de merkwaardigheden op der streek, in staat om personen, die eene voorliefde bezaten voor de schoonheden en de wouderen der natuur, in verzoeking te brengen, zooals de grot van Han en de groeven van Valkenburg en van Maastricht. âIk schrijf âU zonder uitstel,quot; zegt hij, âopdat Gij den tijd hebt âom te beslissen of Gij met uwe beide zusters naar âNamen komt. Twee heerlijke valleien, schoone kerken, âde relikwieënschat der zusters van Onze Lieve Vrouw, âenz., ziedaar even zoovele voorwerpen die uwe aandacht âoverwaardig zijn. Van hier uit kunt Gij de grot van âHan bezoeken met hare met drop- en wratsteen getooide âvertrekken 2). Vervolgens kunt ge met de stoomboot âde Maas afdalen en in het voorbijgaan Hoei en Seraing âen vervolgens Luik bezichtigen. De groeven van den âSint-Pietersberg bij Maastricht verdienen ten zeerste
') 8ste Brief, Gent, den 3den September 1852.
j 34ste Brief, Namen, den 24sten Augustus 1854. Iedereen weet dat deze grot, eene der schoonste van Europa, door de Lesse doorsneden wordt en dat zij een grootsch en aangrijpend schouwspel oplevert.
Z. E. Kardikaai, Deck amps, AAUTsiusscnor van M i nii:i in .
âbi
â X .,L ,e(
vei toe Ge
ver wai De dek vai
ÃE
145
âbezocht te worden door ontwikkelde personen. Tk raad âU er heen te gaan. Des avonds kunt Gij in de Sint-..Lambertusstad {Luik) wederkeeren, doch niet zonder ,,eenige merkwaardige versteeningen te hebben mede-, gebracht.quot;
Waarschijnlijk was Belletable deze geheimzinnige groeven binnengedrongen in het begin zijner militaire loopbaan, toen hij te Maastricht in garnizoen lag (1827 â1830). Gewis heeft hij dezen berg, die door onmetelijke groeven is ondermijnd en waarvan de eindelooze gangen een waren doolhof vormen, persoonlijk willen onderzoeken.
| De menigvuldige versteeningen, die men er heeft ontdekt en waarop de natuurkundige soldaat zinspeelt, zijn van groot belang voor de wetenschap.
10
BELLETABLE.
TWEEDE HOOFDSTUK.
â
I w i
km
Ijtit
T
De Vriend der Schoone Natuur en der Schoone Kunsten.
jr zijn menschen die zoo weinig acht geven en zoo weinig opmerken, dat de dag voor hen kan beginnen en eindigen, zonder dal zy quot; '}estudeerd liebben. Zij weten dat i de zon op- en ondergaat, maar zij blijven ^ ongevoelig en voor den liefelijken morgenglans der dagvorstinne èn voor den sta- r tigen praal van haren ondergang. Ter-; wijl zij vol majesteit klimt aan den hemel, terwijl zij schitterend nederdaalt en hetj Westen hult in goud- en purpergloed; hebben dezer «revoellooze menschen zich met hunne werkzaamheden 1, beziggehouden of zich aan hunne plezieren overgegeven.i en tevergeefs zult gij hen spreken over do betooverende werkingen van licht en schaduw, die elkander over de velden, bosschen en wateren hebben opgevolgd. I Onder hun getal kan men den heren officier der Geniet
147
niet rangschikken. Integendeel, Belietable bezat schoonheidsgevoel ; de Hemel had hem dien onverklaarbaren aanleg geschonken, waardoor zijne gevoelige ziel ontvankelijk werd voor de machtige bekoorlijkheid, welke de Schepper over al zijne werken heeft uitgespreid. Hij oordeelde, dat een God, die de aarde rijk en schoon, den hemel zoo schitterend gemaakt heeft, niet kan gedoogen, dat wij zijne kunstgewrochten bejegenen met eene onverschilligheid, die aan minachting grenst. De schoone natuur bezat voor hem eene geheimzinnige bekoorlijkheid, en het heelal was voor zijne oogen een groot boek, waarvan elke bladzijde hem den naam des Scheppers te lezen gaf.
Reeds hebben wij gezien, hoe de jeugdige sappeurmineur den bodem omwoelde, waarin Gods hand schatten had verborgen. Beschouwen wij thans, hoe hij zijn blik liet weiden over de schoonheden der natuur, een blik die tegelijkertijd beschouwde, bewonderde en de zachtste gewaarwordingen aan zijne ziel mededeelde.
Het land van Namen is dichterlijk en schilderachtig. Belietable werd dan ook aangegrepen door eene nauwelijks te weerhouden bewondering bij het zien van die beurtelings woeste en lachende landschappen, van die steile rotsen, die groenende heuvels, die bevallige dorpen, die met klimop begroeide bouwvallen van oude burchten. Telkens spoort hij de Thieltsche zusters opnieuw aan om toch de boorden der Maas te komen bezoeken. âNamenquot;', schrijft hij, âligt aan de âSambre en aan de Maas, te midden van twee heer-âlijke valleien. De citadel, tusschen beide rivieren gele-âgen, is buitengewoon groot en indrukwekkend. Wan-..neer mejuffrouw Melanie goed kan loopen, dan kun-ânen wij eens een uitstapje doen naar de grot van â Han; er is een dag mede gemoeid, de reis per stoom-
148
âboot erbij gerekend. Dit land is werkelijk schoon,
âgeen wonder, dat ik er zoo gaarne ben.quot; ^
Enkele dagen later schrijft hij weder: âIk weet niet, âof deze brief U in het gesticht van Onze Lieve Vrouw âte Thielt zal aantreffen. Waarschijnlijk zult Gij den âleerstoel van het onderwijs verlaten hebben om de . v, âfrissche lucht van het land in te ademen. Gij hebt ,,T âgelijk. Men voelt zich gelukkig in een schoone natuur âen in zijn geluk laat men zijn geest, die arme kleine m âvlinder, die zoo gaarne rondfladdert, nu op deze, ^ âdan op die bloem rusten. âOnze Vader, die in de W( âhemelen zijt . 2)
Omstreeks dienzelfden tijd maakte de kapitein zijne jjg gewone wandeling naar Salzinnes bij Namen. Niet gj,( alleen werd hij tot dat, toen nog zoo landelijk, gehucht quot;i)e getrokken door zijne schoone ligging, maar ook wijl va de Paters Franciscanen er juist een klooster hadden ^ va gesticht. Gaarne zocht hij daar nieuwe krachten voor ' ^ zijne ziel, vooral tijdens de novene van Onze Lieve Vrouw van Salette. âO wat liefdetranen stort men âsoms voor dien troon van Maria!quot; roept hij na een dezer bezoeken uit. âDe Christen, wiens hart er door âoverstelpt is, laat hun den vrijen loop. Door welke âatmosfeer omgeeft ons somwijlen de goede God! 't Is âals een voorsmaak van den hemel! In die gelukkige |ajje âoogenblikken zou ik in eene woestijn willen leven, âgeheel alleen met God, liever dan hier kruitmagazijnen âte bouwen.quot; 3)
Alleen in den winter verliest dit schilderachtig landschap zijne bekoorlijkheid ; nochtans weet de godvruchtige officier ook dien tijd van vorst en rijp op zijne wijze
Iverg
') 27ste en 34ste Brief, April en Augustus 1854.
quot;) 28ste Brief, Namen, den 245ten April 1854. i-----
s) 32ste Brief, Namen, 9 Juli 1854.
die vai âel â01 ..M
149
n.
dichterlijk te bezingen. Zoo schreef hij op den vooravond
van Kerstmis: âMorgen zullen wij weder veel voor
âelkander bidden. Morgen zuilen wij alle aanbevelingen
;,ons gedaan weder eens in het geheugen terugroepen.
_Wat een heilig gekweel zal er op dien plechtigen dag
.van de aarde tot den hemel opstijgen! Wat moet de
âgoede God tevreden zijn over al die stemmen van
ânachtegalen, basterdnachtegalen en van ik weet niet wat al
| âmeer. Al deze min ot' meer nuttige of aangename vogels
I âin verschillenden vederdos zullen eene stem doen hooren,
1 âwelke het oor des harten opent. Wie Jezus in de
i âkribbe schilderen wil, moest hem omgeven met een
1 âliefelijk boschje met vogelen, die de geloovigen voor-
iet J âstellen. Die arme kleinen zijn tegenwoordig wel te
} | âbeklagen. Ziet Gij ze soms niet gezeten op de punt
y is van een schoorsteen, waar de sneeuw door de warmte
iâvan den haard ten deele gesmolten is? Ziet Gij ze daar
âniet, nu eens alleen, dan weder twee of meer bij elkander,
âhet kopje tusschen de veeren. terwijl ze met droevigen
| âblik nu en dan een treurig getjilp doen hooren! Arme
?en |âinusscheu! Ik wenschte wel eens te weten of er ook jor
Ike
de
ne iet â ht 'ij1
len )or ;ve len
if âvogelen in den hemel zullen zijn...quot; 1)
Heeft niemand hier op aarde een vaste woonplaats, Idan gold dit voorzeker voor Belletable. Daarbij waren |alle garnizoenen, die hij moest betrekken, verre van en' elkander te gelijken. Zes maanden verbleef hij te Char-nen ileroi, in dien tijd een vesting, maar van alle kanten freeds omgeven door steenkolenmijnen, hoogovens, glas-H' iblazerijen en andere fabrieken, alle even min dichterlijk. t.1.ï3e Yan tijd tot tijd verliet onze officier deze berookte, y20 zwarte, stofferige atmosfeer, om daar buiten de schoone Ivergezichten te genieten, welke zij verborg. Einde
tls
') 28ste Brief. Namen, den 24sten April 1854.
148
âboot erbij gerekend. Dit land is werkelijk schoon,
âgeen wonder, dat ik er zoo gaarne ben.quot; 1)
Enkele dagen later schrijft hij weder: âIk weet niet, âof deze brief U in het gesticht van Onze Lieve Vrouw âte Thielt zal aantreffen. Waarschijnlijk zult Gij den âleerstoel van het onderwijs verlaten hebben om de âfrissche lucht van het land in te ademen. Gij hebt âgelijk. Men voelt zich gelukkig in een schoone natuur âen in zijn geluk laat men zijn geest, die arme kleine âvlinder, die zoo gaarne rondfladdert, nu op deze, âdan op die bloem rusten. âOnze Vader, die in de âhemelen zijt. . . .quot; 2)
Omstreeks dienzelfden tijd maakte de kapitein zijne gewone wandeling naar Salzinnes bij Namen. Niet alleen werd hij tot dat, toen nog zoo landelijk, gehucht getrokken door zijne schoone ligging, maar ook wijl de Paters Franciscanen er juist een klooster hadden gesticht. Gaarne zocht hij daar nieuwe krachten voor . ni( zijne ziel, vooral tijdens de novene van Onze Lieve r ]ie] Vrouw van Salette. âO wat liefdetranen stort men âsoms voor dien troon van Maria!quot; roept hij na een dezer bezoeken uit. âDe Christen, wiens hart er door âoverstelpt is, laat hun den vrijen loop. Door welke âatmosfeer omgeeft ons somwijlen de goede God! 't Is âals een voorsmaak van den hemel! In die gelukkige âoogenblikken zon ik in eene woestijn willen leven, |ejj,a âgeheel alleen met God, liever dan hier kruitmagazijnen |ieroj
âte bouwen.quot; 3) Ireed
Alleen in den winter verliest dit schilderachtig land- ij)|aZ( schap zijne bekoorlijkheid ; nochtans weet de godvruchtige officier ook dien tijd van vorst en rijp op zijne wijze
') 27ste en 34ste Brief, April en Augustus 1854. =) 28ste Brief, Namen, den 24sten April 1854. ) 32ste Brief, Namen, 9 Juli 1854.
149
ilichterlijk te bezingen. Zoo schreef hij op den vooravond van Kerstmis: â Morgen zullen wij weder veel voor âelkander bidden. Morgen zullen wij alle aanbevelingen âons gedaan weder eens in het geheugen terugroepen. âWat een heilig gekweel zal er op dien pleehtigen dag ;van de aarde tot den hemel opstijgen! Wat moet de âgoede God tevreden zijn over al die stemmen van ânachtegalen, basterdnachtegalen en van ik weet niet wat al âmeer. Al deze min of meer nuttige of aangename vogels âin verschillenden vederdos zullen eene stem doen hooren, âwelke het oor des harten opent. Wie Jezus in de âkribbe schilderen wil, moest hem omgeven met een âliefelijk boschje met vogelen, die de geloovigen voordstellen. Die arme kleinen zijn tegenwoordig wel te âbeklagen. Ziet Gij ze soms niet gezeten op de punt âvan een schoorsteen, waar de sneeuw door de warmte âvan den haard ten deele gesmolten is? Ziet Gij ze daar âniet, nu eens alleen, dan weder twee of meer bij elkander, âhet kopje tusschen de veeren, terwijl ze met droevigen âblik nu en dan een treurig getjilp doen hooren! Arme âmusschen! Ik wenschte wel eens te weten of er ook âvogelen in den hemel zullen zijn ...quot; 1)
Heeft niemand hier op aarde een vaste woonplaats, dan gold dit voorzeker voor Belletable. Daarbij waren alle garnizoenen, die hij moest betrekken, verre van elkander te gelijken. Zes maanden verbleef hij te Char-eroi, in dien tijd een vesting, maar van alle kanten reeds omgeven door steenkolenmijnen, hoogovens, glas-lazerijen en andere fabrieken, alle even min dichterlijk. Van tijd tot tijd verliet onze officier deze berookte, zwarte, stofferige atmosfeer, om daar buiten de schoone vergezichten te genieten, welke zij verborg. Einde
') 28ste Brief. Namen, den 24sten April 1854.
150
October 1852 verhaalt hij in de volgende woorden een uitstapje in de heerlijke vallei van Landclies-suy-Sarnhre: âVerleden Zondag heb ik een tochtje gemaakt âop de spoorweglijn van Erquelines, die met Mcmbcugc âzal worden aangesloten. Aan een tusschenstation stapte âik af en begaf mij vandaar naar de vervallen abdij âvan Aulne. Heeft mejuffrouw Melanie u die kleine â omstandigheden medegedeeld ?quot;
Uit deze laatste woorden kan men afleiden, dat dit bezoek van Aulne, bouwvallen die thans nog zoo grootsch zijn, maar veertig jaren herwaarts nog veel indrukwekkender waren, het onderwerp van een vorig schrijven moet geweest zijn.
Dit voert ons als van zelf tot de bespreking van eene andere merkbare neiging in Belletable, zijn voorliefde voor de schoone kunsten, die met de schoone natuur zoo nauw verwant zijn.
Van zijn prilste jeugd af, zooals men zich herinneren zal, openbaarde hij aanleg voor het teekenen. Dezen aanleg ontwikkelde en volmaakte hij in zijne studiën voor de Genie. Daar nu het teekenen naar de natuur juist leert zien, de gewoonte verschaft om iets nauwkeurig op te merken en smaak geeft voor het schoone, is het niet te verwonderen dat wij den kapitein, tot zelfs in zijne briefwisseling toe, opgetogen zien van bewondering voor de werken der kunst.
Trouwens, hij zelf doet zich kennen als bouwmeester eener kapel, die de dames Van Biervliet voornemens waren op te trekken. âEen paar woorden slechts wil âik U zeggen,quot; schrijft hij âover het ontwerp van âde kapel der H. Familie, hetwelk ik de eer heb U te âte zenden. Wat met puntjes is aangegeven bevindt zich
') 2de Brief, Gent den 27sten Juli 1852.
151
âboven den vloer. De hoofddeur is slechts in teekening âvoorgesteld ; men zal er een kruis plaatsen. Uit de kerk âgaat men links naar een kleine trap in den vorm van âeen middeleeuwsclien toren ; vandaar bestijgt men eenige âtrappen en van rechts naar links gaande komt men âaan eene deur, die toegang geeft tot het zangkoor, zoo âwat vier meters boven den grond. Om verschillende âredenen zullen een 150 kinderen zeer goed geplaatst âzijn in de banken, die zich midden in de kerk bevinden. âDe preekstoel komt te staan rechts in het vierde vak. âGaat men vervolgens onder een kleinen bijbouw door, âdie op zeei' lichte ijzeren kolommen rust, dan kan men âuit de sacristie op het zangkoor komen, zonder door âde kerk te gaan. Nu ik eenmaal met de voornaamste âdeelen gereed ben, kan ik gemakkelijk de plannen, âdoorsneden, hoogten en andere bijkomende deelen aan-_geven ; daarna zal ik alles wat tot het gebouw behoort âvergrooten en onder mijne leiding doen teekenen ...
âP.S. Wees zoo goed mij uwe aanmerkingen op âde ruwe schets der plannen te zenden.quot;
Een jaar later schrijft hij haar uit Nieuwpoort: âDezer dagen ben ik te voet naar Cocydc gegaan, om âin dit dorp, dat twee uur van hier verwijderd is, eene âgothieke kerk te zien, die onlangs door den heer âFo(jiicur uit Brussel gebouwd werd. Gij begrijpt dat âik bij het beschouwen van deze zoo schoone en bevallige kerk aan het pensionaat van Onze Lieve Vrouw âgedacht heb 1).quot;
Wij zien zelfs, dat de heilige liefde, welke hem met de waardige stichteressen van dit pensionaat vereenigde, hem aan haar gesticht deed denken, zoo dikwijls hij zich voor eenig kunstwerk bevond. âHoe jammer is het.quot;
') 16de Brief, Nieuwpoort den lOden Augustus 1853.
152
schrijft hij haar uit Gent, âdat mejuffrouw Virginia âniet besluiten kan Vlaanderen^ hoofdstad te komen âzien; ik zou haar ware kunststukken doen bewonderen, âo. a. eene schilderij, de aanbidding van het Lam âvoorstellende, en de H. Familie.quot; ')
Na verloop van enkele maanden hernieuwt hij zijn wensch: âDierbare Zuster, zal ik U dan in deze vacantie âniet te Gent mogen ontvangen? En uwe zusters? O âkom toch, wij zullen naar den dierentuin gaan, naar âde citadel, naar de Sint-Pieterskerk, waar wij den prach-âtigen koepel zullen bewonderen, naar den plantentuin âenz. Vraag aan uwe zusters of dat alles niet in staat âis om haar naar de stad der Van Arteveldes te doen âkomen.quot; 2)
En weinige dagen verder zendt hij haar deze regelen: âMijne vrouw en mijne dochter zijn nog hier. Ik heb â haar de stad Gent laten zien met alles wat zij schoons âen belangrijks bevat.quot; 3)
Zelfs weten wij van mejuffrouw Belletable, dat haar vader met haar het College der Paters Jezuïeten bezocht en het kabinet van natuurlijke historie, dat toen reeds zeer merkwaardig was, in oogenschouw had genomen.
Vroeger, toen de kapitein zijne dochter eens van Thielt naar Soningen terugbracht om daar de vacantie door te brengen, wilde hij te Doornik afstappen om haar de kathedraal te doen bezichtigen met hare vijf torens, die Mgr. Dechamps âden schoonsten tempel van het Westenquot; durfde noemen. Hij deed haar in de schatkamer van de oude kapittelzaal, thans sacristie, een ivoren Christusbeeld bewonderen van den beroemden Duquesnoy, een prachtigen monstrans van verguld zilver
') Iste Brief, Gent, den 20sten Mei 1852.
a) 7de Brief, Gent, den 3den September 1852.
} 6de Brief, Gent, September 1852.
153
uit de XIIdo eeuw, het kasuifel van den H. Thomas van Kantelberg en den mantel van Karei den Vijfden.
Toen Belletable zijne vriendinnen van Thielt aanspoorde om hare zandige en eentonige vlakten eenige dagen op te offeren voor de boorden der Maas, die zoo rijk aan afwisseling zijn, vergat hij niet haar te zeggen: âNamen bezit twee of drie zeer schoone kerken, onder âander die van den H. Lupus, die baars gelijken niet âheeft; ook zult Gij den merkwaardigenrelikwieënschat âzien der Zusters van Onze Lieve Vrouw, die o. a. âverschillende kunststukken van godsdienstige goud-âsmeekunst bevat, vervaardigd door den beroemden âbroeder Hugo d'Oignies.quot; 1)
Omstreeks dienzelfden tijd gaf hij zich moeite om aan de kapel van Onze Lieve Vrouw te Thielt een beeld van den H. Jozef te verschaffen, en de zorg die hij aanwendde om eene goede keuze te doen is waarlijk treffend. Men vindt een schoon beeld van denzelfden Heilige, schrijft hij, in de kerk der bovenstad van Charleroi, maar hij weet niet waar het gemaakt is. Te Namen zal hij niets vinden wat hem aanstaat. Nochtans zal hij inlichtingen inwinnen .... hij weet wat zij noodig hebben .... het Sint-Jozefsbeeld der Jezuïeten is schoon, maar te groot, en dergelijke andere treft hij te Namen niet aan .... Het spijt hem, dat hij haar hierin niet van dienst kan zijn . , . . 2)
') 19de Brief, Namen, den 29sten September 1853. quot;) 26ste Brief, Namen, den llden Februari 1854.
DERDE HOOFDSTUK.
Vreugde in ziekte.
jordt in het leven van den mensch, zelfs j in het minst begunstigde, steeds eene plaats voorbehouden aan vreugde en geluk, het ^ grootste gedeelte van dat leven is schier altoos ingenomen door droefheid en lijden. Deze aarde is nu eenmaal een ballingsoord, een dal van tranen; smarten ontmoet de mensch op al zijn wegen. Belletable zou niet vrij zijn van die algemeene wet; integendeel, ook hij moest door den smeltkroes der beproevingen, hem vooral was het lijden een even harde als trouwe gezel. Jaren achtereen droeg hij in zich de kiem eener hartkwaal, die hem soms verschrikkelijk deed lijden. Zijn mannenmoed, geschraagd door zijn geloof, hield hem echter altoos staande. Zijn briefwisseling getuigt zulks op iedere bladzijde. Zij toont ons in dien dapperen Christen een zoo bovenmenschelijk geduld, dat het zich niet alleen nimmer verloochent.
155
maar hem zelfs krachten schenkt om de vreugde der ziel met de smarten des lichaams te paren.
De volgende regelen die hij aan zijne dierbare zusters in Jezus Christus schreef, getuigen het meer dan voldoende: âDezen morgen ben ik te Communie geweest ,voor mijne dochter, ter eere van den goeden H. Jozef. âIk vereenigde mijne gebeden met de uwe, waarvoor ik âU nooit genoeg kan danken. Met eene zware hoofdpijn, âdie mij reeds drie dagen kwelt, heb ik ook voor ü âgebeden ....,quot; en hij onderteekende dien brief:
âHenri van de H. Familie. Dit is mijn wapenkreet.quot; 1)
Een maand later beschrijft hij de verschijnselen zijner ziekte in dezer voege:
âVoor eenige jaren heb ik aan rheumatische pijnen âgeleden, eerst in de lendenen, daarna in het hoofd. Op âdie kwaal volgde eene andere, waaraan ik nog lijd, ânamelijk pijn op de borst, soms aan de maag. Op âzekeren dag waren de pijnen zoo hevig, dat ik eene âernstige ziekte voorzag. Ik weende, ik zuchtte, ik âklaagde zonder een oogenblik rust te kunnen vinden âen zonder dat iets mijn pijnen verlichtte. Dit heeft âmij een weinig geleerd medelijden te hebben met de âsmarten van anderen. Ik begrijp dus zeer goed de pijn, âwelke zuster Melanie lijdt.quot; 2)
Deze schoone zedenles, welke hij uit zijne kwalen trekt, toont ons welke hemelsche uitwerking de beproeving voortbrengt in een Christen, die leeft door het geloof. Zij maakt hem deugdzaam en gevoelig voor de smarten van anderen; zij loutert en verheft hem. De tranen welke de lichamelijke smarten aan Belletable ontlokten, de zuchten en jammerklachten, die hij met treffenden
') 23ste Brief, den 16den April 1853.
s) 14de Brief, Hemelvaartsdag 1853.
156
eenvoud erkent, waren op zijne lippen volstrekt geen gemor of ontevredenheid. Wij behoeven daarvoor geen ander bewijs dan deze schoone regelen, die hij eenige dagen later aan mejuffrouw Rosalie richtte, tegelijk met een fijn puntje aan het adres barer zuster, die door hardhoorigheid gekweld werd.
âDen 13den is het de feestdag van den H. Antonius âvan Padua! Zal de groote Henriëtte dien dag niets âdoen? Indien zij zich zoo vertrouwelijk met het Kindje âJezus kon onderhouden als die groote Heilige, zou zij âzich hare doofheid weldra gaarne getroosten. Vragen âwij den goeden God, dat hij haar fijn gehoor nog âverscherpe. Dan zou zij wonderschoon het zevensnarig âspeeltuig tokkelen. O goddelijke harmonie!quot; 1)
Op denzelfden toon schreef de kapitein uit Nieuw-poort, dat hij âeene verschrikkelijke hinderlaagquot; noemt.
Gelijk men ziet ontnam de kwaal, die dezen Christen ondermijnde, hem geenszins de vroolijkheid van karakter. Hoeveel anderen zouden hunne goede luim verloren en zonder eenigen weerstand de neiging tot ontevredenheid en droefgeestigheid gevolgd hebben, welke zoo natuurlijk is in smarten en lichamelijk lijden! Niettemin was Belletable van vreugde opgetogen, toen hij, slachtoffer wellicht eener vervolging, den dag zijner verlossing zag schemeren; evenals de beproeving, aanvaardt hij dien dag uit de hand van God en schrijft hij in heilige vervoering: âDierbare Zuster, zing voor mij eens den 112den âpsalm, 2) want ik geloof dat God als uit een diepen âslaap ontwaakt is . . . enz. Ja, de tijd is aangebroken,
1
') 15de Brief, den 5den Juni 1853.
2
) Alleluja! Looft den Heer, gij allen die Hem dient; looft den naam des Heeren. â Dat Zijn naam gezegend zij nu en in alle eeuwen. â De naam des Heeren moet geprezen worden van den opgang der zon tot aan haren ondergang. â Want de Heer is verheven boven alle volkeren en zijne glorie boven de hemelen . .. enz.
157
âwaarop de Heer ons Zijne barmhartigheid gaat toonen, âMijn God, wat heb ik gedaan en wat zal ik doen? âAlle godvruchtige zielen zal ik smeeken uwen heiligen ânaam te zegenen. Zing dan, mijne Zuster in Jesus âChristus, zing dan voor mij den 112den psalm en blijf âeenigen tijd in overweging voor den Heilige der Heiligen âen loof en dank den Allerhoogste, den groeten Koning, wiens glorie onsterfelijk is, wijl Hij zich gewaardigt âzijne oogen te laten rusten op het geringste wat op âaarde bestaat, op zijn onwaardigen dienaar...quot;
Overigens getuigt de gansche briefwisseling tusschen den kapitein en Thielt van zijne opgeruimdheid; men oordeele uit enkele trekken, die hij bij wijze van naschrift aan zijne brieven toevoegt. Nadat hij zich onderteekend heeft: âUw broeder in Jezus Christus,quot; voegt hij er onverwachts bij : âMaak plaats! .... (als het u belieft), âmijne dochter gaat verschijnen!quot; En dan volgt een alleraardigst verzoekschrift van de pensionnaire aan hare meesteressen. ^
Een anderen brief eindigt hij aldus:
âMijne groeten aan uwe zusters. Gelieve mij met âmejuffrouw Melanie te verzoenen. Ik geloof, dat zij âhet op mij gemunt heeft! Uw broeder,
âHenri van de H. Familie.quot; 'â 2) Onder een anderen brief lezen wij nog: âIk heb pater âBonaventura aangetroffen, zoo zedig, dat ik schaamrood âwerd tot achter de ooren.ZaligPaaschfeest! Alleluja!quot; ;5) In de oogenblikken van hevige smart, zocht Belletable, behalve in den geest des geloofs, geen anderen troost dan zijn hart vertrouwelijk uit te storten in harten,
r) 6(]e Brief.
â 2) 10de Brief.
s) Deze Pater Franciscaan, die re Thielt algemeen bekend was, was uit het klooster te Gent naar dat van Salzinnes bij Namen overgeplaatst (11de en 27ste Brief).
158
die met eene medelijdende liefde vervuld waren, en aldus het gewicht zijner smarten te verlichten. En altijd schitteren zijn brieven door een kleinen straal van vroo-lijkheid: âMet veel moeite ben ik er in geslaagd,quot; schrijft hij, âeen onderkomen te vinden op het Sint-âAlhinusplein, bij den eerwaarden heer kanunnik Hen-ârion. Ik wilde het eens met dit hotel beproeven, maar âtoen men mij 20 franken per maand vroeg voor de âsteenkolen, ben ik er op hooge beenen van door ge-âgaan. Ik heb er nochtans noodzakelijkerwijze eenige âveeren moeten laten.quot; 1)
Dan, wel verre van te herstellen nam zijne gezondheid meer en meer af; zijn geestvermogens begonnen weldra de noodlottige gevolgen der lichamelijke smarten te ondergaan. De kapitein moest de studie, zijne geliefkoosde bezigheid, onderbreken. De lezing zelfs, waarin hij anders bij voorkeur zijne ontspanning zocht, werd thans vermoeiend voor zijn geest. âDe arbeid des âgeestes, die mij thans bezighoudtquot; schrijft hij uit Namen, âmat mij af, de lezing verveelt mij; nadat ik âtwee of drie uren gestudeerd heb, ben ik uitgeput tot âden volgenden dag. Wat dus aan te vangen in de âlange winteravonden? Wat moet ik doen?... Droo-âmen terwijl ik geheel wakker ben ; God bidden, god-âvruchtige wenschen vormen, zeggen: âOp ü Heer heb âik gehoopt, ik zal niet beschaamd worden. Credo, âspcro, amo, volo, (ik geloof, ik hoop, ik bemïn, ik âwil); ofwel mij zeiven door middel van brieven met âmijne afwezige vrienden onderhouden? Dit wil ik heden âavond doen.quot;
En een weinig verder van het ernstige tot het grappige overgaande, verraadt hij zijn goede luim weder
') 14de Brief, den 29gt;ten September 1853.
159
in een naschrift: âMijne kaars is ui.... uit, ik heb âgeen vuur meer! . . . âMijne groeten aan het gansche âklooster.quot;
Dit laatste woord is wederom een geestig pijltje, dat hij afschiet op de onderwijzeressen van Onze Lieve Vrouw, die destijds nog leek waren. 1)
Hetzelfde jaar deelt hij haar de nieuwe aanvallen zijner ziekte mede, welke hij tijdens zijn verblijf bij de zijnen doorstaan had:
âIk wist niet waarom de goede God mijn verlof âzoo lang had tegengehouden; thans begrijp ik het. âTwee dagen vóórdat mijn verloftijd om was, gevoelde âik geweldige krampen in de maag en wel van 's mid-âdags af tot aan den volgenden morgen; daarna kreeg âik eene ontsteking en de* koorts. Gelukkig is alle âgevaar thans geweken en ik heb geschreven om een âverlenging van mijn verloftijd tot den 10den. . . . Daar âik nog zwak ben, zult Gij mij wel toestaan hier mijn âbrief te eindigen. Ik doe zulks ongaarne, te meer âwijl ik mij voorgenomen had, verschillende zaken te âschrijven aan mejuffrouw Melanie, die den 31sten dezer âmaand haar feest viert. Indien ik uitga, zal ik voor âhaar communieeeren.quot; 2)
Ditmaal duurde het echter eenige weken, alvorens de vrome zieke herstelde. Vurig dankte hij dan ook den Hemel, toen hij twee maanden later zijne krachten voelde wederkeeren, en blijde zong hij zijn Te Dcum!
âDank aan de Allerheiligste Maagd onder den titel âvan Onze Lieve Vrouw van Salette; mijn herstel schijnt âzeker. Ik zeg, schijnt zeker, want alle pijn is nog niet weg.
âSedert eenigen tijd kon ik geen honderd, soms zelfs âgeen tien stappen meer doen, zonder onderweg te rusten,
') 26ste Brief, Gent, den llden Februari 1854.
quot;) 37ste Brief, Soningen, December 1854.
160
âzooveel pijn veroorzaakten mij maag en borst. Gisteren ânog moest ik mij in een rijtuig naar den krijgsraad doen âvoeren, waarbij mijne tegenwoordigheid gevorderd werd.
âHeden, Dierbare Zuster, kan ik mijne betrekking weer âwaarnemen en kon ik zonder pijn van het rapport terug-âkomen. Ik gevoel dat ik vaster te been ben, dat âmijne lendenen aansterken en dezen morgen bespeurde âik tijdens de Mis, dat het schelletje mij niet meer âzoo pijnlijk aandeed als vroeger, hijvoorbeeld nog gisterenmorgen. Evenwel zijn nog niet alle teek enen der âziekte verdwenen, gelijk ik zooeven zeide. Al tastende âmoet ik nog voortgaan, maar de Allerheiligste Maagd âMaria weet wel wat zij doet... De gebeden van anderen âen de buitengewone barmhartigheid van Maria moeten âmij genezen of ten minste mij verlichten in mijne âsmarten en beproevingen. Doch het zij zoo, tot welzijn
âmijner ziel. Amen. m t\ 77 ^
,, I g JJcuM laudaïiius ! )
Deze blijde verwachtingen zouden echter niet verwezenlijkt worden. Intasschen werd Belletable komma n-dant van het fort te Hoei. Deze gebeurtenis, die de kroon op zijne wenschen had moeten zetten, was evenwel slechts een zonnestraal, die door zijn somberen gezichteinder boorde.
Zijne ziekte maakte spoedige vorderingen en, toen de ongelukkige vader zich op weg naar Hoei begaf, schreed hij voort naar het graf.
De laatste brief uit deze stad gedagteekend, is geschreven onder den indruk eener diepe smart, gemengd met eene teedere bezorgdheid voor de zijnen. Hij bevond zich in een moeilijken toestand, die door zijne ziekte nog pijnlijker werd. Meer dan ooit gevoelde hij behoefte
') 42ste Brief, Gent, den llden Februuri 1855.
1S1
zijn hart eens uit te storten in een hart, dat hem begreep.
Altijd onderworpen aan de goddelijke Voorzienigheid, openbaart hij zijne ziel, maar laat niet de minste klacht ontsnappen. Ziehier een uittreksel uit dien hartroerenden brief, den laatsten, voor zoover wij weten, dien hij naar Thielt geschreven heeft:
Welbeminde Zuster !
âNa mijn aanzoek om als commandant der Genie ânaar Hoei gezonden te worden en na zekerheid te .hebben verkregen, dat die gunst mij zou worden toe-gestaan, heb ik vier dagen verlof gevraagd om de Zusters âVan Biervliet een laatste maal te bezoeken. Doeli zie, â's avonds vóór mijn vertrek (uit Gent) verergert mijne âongesteldheid zoozeer, dat ik mij niet meer kon bewegen. â Van dat oogenblik af heb ik den dienst moeten staken. âZeven of acht weken later begaf ik mij per rijtuig ânaar het station om naar Soningen en twee dagen âdaarna naar Hoei te vertrekken, waar ik den 17(len âAugustus in ziekelijken toestand aankwam. Daar ik âmij heden een weinig beter gevoel, heb ik den dienst âweder hervat. Wat al ellenden! En wat zal er van mij âworden? Ik zoek naar eene kleine woning, maar vind âniets wat mij geschikt voorkomt; eenige huizen zijn âte duur, andere te ver verwijderd en zoo ik ook al âgevonden heb wat ik wensch, zal ik waarschijnlijk nog âzeer lang moeten wachten, eer ik mijn huisgezin kan âdoen overkomen, want de buitengewone duurte der âlevensmiddelen, de aanhoudende verplaatsingen, het âaanschaffen der verschillende uniformen enz. hebben âmij heel wat achteruit gezet.quot;
Daarna spreekt hij over zijn huisgezin en terwijl hij vervolgens als onwillekeurig op zijn persoonlijken toe-
1JELLETAELE. 11
162
stand terugkomt, besluit hij, met een smartelijk voorgevoel van zijn dood, aldus:
âIk ellendige, die altijd zoo lastig ben om mij te âonderwerpen, blijf dus maar alleen meer over. Zou mijn âlaatste uur naderen? Ik mag het niet gelooven . . . . âHeer, neem dezen kelk weg van mij .... nochtans âniet mijn wil, maar uw wil geschiede.quot; ')
Deze laatste trek, die de gelijkenis van den leerling met het goddelijk Toonbeeld volmaakte, is waarlijk heldhaftig.
') 46ste Brief, Hoei, den 22sten Augustus 1855.
VIERDE HOOFDSTUK.
De Echtgenoot. ^
'e Lezer zal de vorige bladzijden niet doorloopen hebben, zonder het Belle-table als eene ware verdienste aan te 'ts rekenen, dat hij in zijn echt christelijke ziel de vreugde met het lijden wist. te vereenigen. Nog meer zal hij tot dit besluit komen bij het lezen van dit hoofdstuk. Wij zullen er Belletable beschouwen als echtgenoot, die in deze hoedanigheid zijne plichten van staat zoo volmaakt vervult als slechts weinig gehuwden, vooral onder den militairen stand, dit zullen doen.
Die plichten worden door den godsdienst samengevat
') De drie volgende hoofdstukken, getiteld : De Echtgenoot, â de Vader,â de Vriend rnogen misschien niet die aantrekkelijkheid hebben, welke de latere hoofdstukken bezitten, om de eenvoudige reden, dat de eerste enkel Belletables natuurlijke hoedanigheden doen uitkomen, terwijl de laatste over zijne deugden handelen. Doch de natuur is de grondslag der genade. Xa dus eerst den mensch te hebben beschouwd, zullen wij ons met den Christen verheffen in de hoogere sferen des geloofs.
164
in een enkel woord: liefde. âMannen,quot; zegt de Apostel Paulus, âbemint uwe vrouwen, gelijk Christus zijne Kerk heeft liefgehad.quot; Beminnen â het kan nuttig zijn hieraan te herinneren â is zijn behagen scheppen in een anders geluk, evenzeer en meer nog dan in zijn eigen geluk. En zoo beminde Belletable zijne echtge-noote; hij had haar lief in de volle beteekenis van dat woord. Die echtelijke liefde was zelfs rein genoeg om zich zonder een schijn van onkieschheid te openbaren in eene briefwisseling aan personen, die weldra den sluier der maagden zouden aannemen; zij openbaarde zich zoo standvastig, dat zij de stof kon leveren voor dit hoofdstuk.
De liefde spreekt gaarne over het beminde voorwerp, want waar het hart vol van is, daar loopt de mond van over. In zijne godvruchtige brieven aan de Zusters Van Biervliet, spreekt hij tot twee-en-twintig-maal toe over zijne vrouw. Al is zij ver uit het oog, terwijl hij zich nu eens uit Gent, dan weder uit Namen of Nieuwpoort met de dames Van Biervliet over geestelijke zaken onderhoudt, zij is nooit uit zijn hart.
Ook Belletable heeft den angst gekend van een hart, dat met het verlies van het beminde voorwerp bedreigd wordt: âMijne Dochter,quot; schrijft hij aan de oudste zijner kinderen, âblijf toch goed voor ons bid-âden ; vergeet geen enkele maal uwe goede moeder, die âziekelijk is en wier gezondheid mij dikwerf onrust âheeft gebaard. Moest ik haar verliezen, ik zou van âsmart sterven. Maar neen, dat zal niet gebeuren. God âzal ons het geluk schenken onze kinderen op te voe-âden, alvorens wij Hem gaan aanschouwen in het âhemelsch Jerusalem.quot; ')
') Aanluingsel van den 12den Brief, Kerstmis 1852.
165
De liefde deelt het leven ; zij vestigt eene gemeenschap van goederen tusschen hen die zij vereenigt. Dat was de aanhoudende zorg van onzen christen soldaat. Wel verre van den dag zijner vereeniging met zijne levensgezellin te betreuren, gelijk zoovele anderen, schrijft hij meer dan tien jaren daarna. âIk verheug mij dat de âSste December, de dag van mijn huwelijk, aanstaande âis.quot; Met zijne echtgenoote deelt hij de zoo kostbare vriendschap, welke de dames Van Biervliet hem bewijzen. Hij stek haar met deze vriendinnen in betrekking : âMaandag zal mijne vrouw hoogst waarschijnlijk bij U zijn. Gij gelijkt den goeden God ; Gij âdwingt mij om vertrouwelijk met U om te gaan en âvoortdurend uwe milddadigheid in te roepen.quot; 2)
De liefde vereenigt de echtgenooten; samenwoning is voor hen eene wet. Dat zulks ook het verlangen was van Belletable, lijdt geen twijfel; doch de omstandigheden verhinderden het. Nooit hield hij op daarnaar te streven, en met zijne ziekte was dit het dubbele kruis, dat hij tot zijn dood toe moest dragen. Op deze beproeving doelt hij in de volgende regelen : âMejuffrouw Rosalie .... wees zoo goed al uwe zusters âaan te sporen eens goed voor mij te-bidden . . . Toen âmijn dochtertje niet bij U was, wenschte ik kapitein âte worden. Gij begrijpt waarom ; nu vraag ik ziüks ..niet meer. Nochtans heb ik eene groote genade te âvragen, zonder de liefde Gods en de eindvolharding âmede te rekenen. En wat ik voor mij zei ven vraag, âvraag ik ook voor mijne vrouw, die overigens veel âbeter is dan ik, en voor mijne kinderen, die wellicht ânog eene lange en moeilijke loopbaan vóór zich hebben.quot; 3)
') 39ste Brief, Gent, den 6den December 1854.
) 6de Brief, Gent, September 1852.
s) 11de Brief.
166
c ï-
Nog duidelijker was de kapitein, toen hij in Februari 1854 uit Namen aan dezelfde schreef: âIk geloof, âdat mevrouw Belletable welvarend en geheel hersteld âis. Sedert Allerheiligen ben ik niet meer naar Sonin-âgen kunnen gaan. Wees zoo goed dit een weinig te âverlichten.quot; Hieronder verstaat hij, met zijne gewone vroolijkheid, het woord âkruisquot; ; zoo duidelijk is het, dat drie maanden gedwongen afwezigheid van zijn huisgezin, eene afwezigheid die hem zoo zwaar viel, een waar kruis was. 1) Trouwens wij weten reeds wat hij op den vorigen 29sten September van den Hemel verlangde : âIk verwacht eene plaats .... van komman-âdant der Genie alvorens mijn huisgezin tot mij te âroepen.
Wanneer het der liefde eigen is toegevend te zijn jegens het beminde voorwerp, dan was dit des te gemakkelijker voor Belletable, wijl hij een zeer minnend hart had en daarbij een gezellin, die vasthield. Op zekeren dag, dat hij weder voor dat hoofdje boog, schreef hij naar Thielt. âGisteren ben ik naar Soningen gegaan, âwaar ik denkelijk tot den 26sten 's morgens zal blij-âven. Gaarne zou ik op den vooravond van Kerstmis âvertrokken zijn om II denzelfden dag te bezoeken, âmaar mijn vrouw laat mij niet vertrekken. Zij zegt âdat ik Henriëtte met Nieuwjaar kan bezoeken. Wat âmoet ik doen?quot; âMan muss sich schicken in die âLage wo man sich in befindequot; 3), zal ik zeggen met den âDuitscher, die verre van zijn vaderland en zijne âouders stierf.quot;
âMijne vrouw en mijne dochter zijn nog hier,quot; schrijft
') 26.ste Brief, Namen, den llden Februari 1854.
*) 19de Brief.
:') Men moet zicli schikken naar do omstandigheid waarin men zich bevindt (36ste Brief, Soningen, December 1854).
167
hij uit Gent; âik heb haar de stad laten zien en alles âwat deze belangrijks bezit. Ik heb gezaaid en besproeid, âzooals ik althans hoop. Bid God dat Hij wasdom geve.quot; 1) De kapitein verraadt hier zijne zorg om de godsvrucht in de ziel zijner vrouw te planten en te ontwikkelen. Dezelfde bezorgdheid straalt nog door in de volgende regelen, welke hij acht maanden later schreef: âDezer dagen ben ik met mijne vrouw naar Luik geweest; âwij hebben te zamen de Zustertjes der Armen bezocht. âToen wij uit het Karthuiserklooster kwamen (hetgeen âzij bewonen), hebben wij eenige oogenblikken gebeden âin de kapel der H. Juliana van Cornillon.quot; 2)
Belletable stelt zelfs belang in datgene, wat de dage-lijksche bezorgdheid zijner vrouw uitmaakt. Hij blijft zelfs niet vreemd aan de kleine bijzonderheden van liet huishouden: âWeet Gij,quot; dus schrijft hij aan mejuffrouw Rosalie, âweet Gij wel dat ik in één jaar vier garnizoenen heb gehad? Hiervoor alleen zou ik duizend âfranken traktement meer noodig hebben dan ik nu âontvang3). Mijne vrouw bewoont een klein huisje, âwaarvoor zij jaarlijks 100 franken huur betaalt en âtoch heeft zij dagelijks 5 franken noodig voor mijn âklein huishouden.quot; 4)
De liefde eindelijk zorgt voor het welzijn van het beminde voorwerp en tracht zijn geluk te bevorderen ; dit is liet kenmerk der goedheid. Doch de genegenheid welke een christelijk echtgenoot aan zijne vrouw-verschuldigd is, mag niet zoozeer het uitwerksel zijn der natuur, dan wel dat der genade. Het goede, dat een christelijk echtgenoot voor zijne vrouw verlangt, is
') 6de Brief.
â ) 27ste Brief, Soningen, den 15den April 1854.
s) Zijn traktement was 3,350 franken.
*) 19de Brief, Namen, den 29sten September 1853.
168
eerst cn vooral het bovennatuurlijk goed: godsdienst, deugd, zaligheid. Deze geestelijke schatten verlangde Belletable even vurig voor zijne echtgenoote als voor zich zelf. Dagelijks smeekte hij ze God met aandrang af.
Onophoudelijk vraagt hij aan zijne godvruchtige weldoensters van Thielt gebeden voor zijne vrouw: âRosalie, âDierbare Zuster in Jezus Christus, ik dank U recht âhartelijk voor de gebeden die Gij stort en ook door âanderen doet storten voor het welzijn mijner vrouw. âIk zal niet nalaten haar in kennis te stellen met uwe âliefde voor haar; haar vertrouwen zal er door aangroeien.quot; ^
Ook verzuimt hij niet zijn verzoek van tijd tot tijd te herhalen; âDierbare Zuster in Jezus Christus, bid âaltoos voor mij, voor mijne vrouw en mijne kinderen. âBid, opdat de geest Gods ons vervulle en ons voor âhen doe verrichten wat betaamt.quot; '2)
Mevrouw Belletable mocht zich derhalve geluk wei i-schen zulk een oprecht Christen tot echtgenoot te hebben. De hand, welke zij op den dag van haar huwelijk voor het altaar des Heeren in de hare genomen had, was voor haar steeds als die van een engelbewaarder gebleven. De huiselijke haard was weliswaar meestal verstoken van de tegenwoordigheid van hem, die er de ziel van uitmaakte, maar welk een genot bracht hij er zoo dikwijls hij wederkeerde. Men oordeele uit deze weinige regelen; âOnze vacanties,quot; schrijft do kapitein, âhebben wij op eene bijzonder aangename âwijze doorgebracht. Ik kan mij zeiven slechts geluk-â wenschen over alles wat ik ten mijnent gehoord en âgezien hel). Alleen heeft God mij het voorrecht niet
') 14dc Brief, Hemelv.aart 1853.
aj ISde en 28stc Brief, Namen den 20sten April 1854.
169
âgeschonken, mijne moeder te omhelzen en Alfons âblijft altoos zwak. ^
âMij^e vrouw groet U allen; zij draagt mij op U te âlaten weten, dat zij het tegenwoordig opperbest âmaakt.quot; 1)
1
) 17do Brief, Nieuwpoort, don 16den September 1853.
VIJFDE HOOFDSTUK.
De Vader.
et huisgezinquot;, zegt monseigneur Bougaud, âkomt uit liet hart. De behoefte om te âbeminnen vereenigt de echtgenooten ; âaan den voet der altaren spreken zij âeen woord .... en aan dat wederzijd-âsche âjaquot;, zoo plechtig, zoo bewogen, âzoo vluchtig, hecht de godsdienst, de âvastheid van den eed en de waardig-âbeid van een sacrament.quot;
In de meeste gevallen âontspruit aan ,dien vereenigden stam van vader en moeder eene bloem, ,namelijk: het kind. Heb ik eene bloem gezegd of een ,doorn? In ieder geval is het een voorwerp van de ,uitgezochtste vreugde, maar tevens, voor een vader ,naar het hart van God, de smartelijkste aller ongerustheden. Hij moet de vader zijn van de ziel zijner ,kinderen en hij weet dat die ziel onsterfelijk is.quot;
Belletable had vijf kinderen van den Hemel ontvan-
171
gen. Met den stralenkrans van het vaderschap had hij tevens al het gewicht der zware verantwoordelijkheid aanvaard. Wij zullen zien, niet welk een eerbied, niet welk een waakzaamheid hij dezen schat hem toevertrouwd bewaarde. Zijn vertrouwelijke briefwisseling zal ons ook hierin wederom zijne vaderlijke toewijding leeren beseffen.
Ofschoon de kapitein zijne oogen met dezelfde liefde deed rusten op elk zijner kinderen, die zijne kroon uitmaakten, wijdde hij toch aan zijne oudste dochter, die bijzondere, zelfs angstige bezorgdheid, die haar kunne en meer gevorderde leeftijd vorderden.
Haar naam, welke van dien haars vaders is afgeleid, zagen wij reeds herhaaldelijk terugkeeren in zijn vele brieven aan de waardige meesteressen, aan wier zorgen hij haar had toevertrouwd. Het belang dat hij in haar stelt, is zoo groot; de zorg, waarmede zij in Thielt omgeven is. zoo moederlijk; de bezorgdheid waarmede men hem van alles op de hoogte houdt, zoo voorkomend; het verlangen eindelijk, dat hem bezielt om die meesteressen zijn dank te betuigen, zoo bijblijvend, dat de pensionnaire steeds het onderwerp of althans de aanleiding is der heerlijke brieven, die wij bestudeeren.
âWaarde Constance,quot; schrijft hij uit Roermond, waar hij zich met verlof ophield, âals ik U eene kleine ge-,dachtenis kan medebrengen van mijne reis dan zal âik dit niet verzuimen. Ik wil U daardoor toonen, dat ,,ik aan U denk en hoe dankbaar mijn hart is voor âde moeite, die Gij U gegeven hebt om mijn kind te âvormen. Maakt mijne dochter het nog altoos goed?quot; v)
Nauwelijks is de pensionnaire naar het gesticht van Onze Lieve Vrouw teruggekeerd om haar tweede studie-
') 5de Brief, den 7den Augustus 1852.
172
jaar te beginnen, of de vader, steeds bezorgd voor hare toekomst, schrijft nog breedvoeriger aan hare meesteres;
Mejuffrouw llosalie, mijne Zuster.
âDenkt Ge, dat mijn kind dit jaar eenige vorderin-âgen zal maken ? Ik hoop het. Is het niet vreemd dat âzij de taal niet kan leeren ? . . . Zou het geen misbruik âmaken zijn van uwe goedheid, als ik U verzocht mijne âdochter van tijd tot tijd afzonderlijk bij U te laten âkomen en haar een en ander mede te deelen over âhet leven in de wereld? Immers het is noodig dat zij âleert lijden. Zij moet onderricht worden overdeijdel-âheden der wereld en reeds nu een kleinen schat van âgoede beginselen opdoen. Nu is het mijn vaste over-âtuiging, dat zij alleen door gemeenzame gesprekken âop die wijze onderwezen kan worden. Ik weet niet, âof ik mij duidelijk genoeg uitdruk, maar ik vraag IT âals eene gunst, dat Gij voor Henriëtte de plaats ge-âlieft in te nemen van een goeden vader en eene goede âmoeder.quot; 1)
Als uitstekend christen wist Belletable, dat de genade de groote hervormster der harten is en tot dat einde vraagt hij de gebeden zijner godvruchtige vriendinnen. Op die wijze âzal God hem de genade verlee-ânen om aan zijne kinderen eene echt christelijke âopvoeding te geven.quot;
En ten einde haar nog meer belang voor zijne zaak in te boezemen, spreekt hij haar op vroolijken toon over zijn dierbaar huisgezin en deelt haar eenig nieuws betreffende elk zijner kinderen mede. Hij voert ze allen, van het eerste tot het laatste ten tooneele en treedt over hen in de vertrouwelijkste en aantrekkelijkste
') 10de Brief, Soningen, den Sisten October 1852.
173
bijzonderheden. âIk meen haar, die met hare drie âwaardige zusters eene tweede moeder is voor mijne âdochter, geen aangenameren feestruiker te kunnen aan-â bieden dan door den 31sten December eene heilige âCommunie voor het heil harer ziel op te dragen. Mijn âgebed zal krachtig zijn, want ik zal God herinneren âaan de liefde van Melanie.
âMejuffrouw Constance, van wie mijne dochter zeer âveel houdt, zal mij een groot genoegen doen en tevens âeen zeer verdienstelijk werk verrichten, als zij van âtijd tot tijd met mijn kind spreekt en haar o. a. onder-â houdt over het geluk eener nederige heilige ziel. Dit âsluit alles in.quot; 1)
Inzonderheid smeekte de vurige soldaat, de man van gebed en van verzameling des geestes den Heer onophoudelijk, allen, die hij zoo feeder en zoo oprecht beminde, onder zijne machtige bescherming te nemen. Vooral had hij medelijden met den ziekelijken toestand van zijn teer beminden kleinen Alfons, die voor hem een voorwerp van voortdurende bezorgdheid was. Dit kind is nimmer tot het gebruik van hef verstand gekomen en onschuldig gestorven.
Na afloop eener geestelijke afzondering, welke te Namen aan de leden der H. Familie gegeven was, schreef Belletable naar Thielt: âGedurende deze dagen âvan zaligheid, heb ik vurig gebeden voor Elisabeth, âvoor Henriëffe en voor mijne zoontjes... De kleine âAlfons is tengevolge van maagkrampen op het punt âgeweest van te sterven.quot; -)
De vorming en de toekomst zijner oudste dochter brachten hem soms ten einde raad. Het stuit hem tegen de borst geweld met haar te gebruiken, wijl
') 18de Brief, Soningen, den 23sten September 1853. quot;) 24ste lirief, Namen, den MOsten Januari 1854.
174
daardoor dikwijls een valseh karakter wordt gevormd; maar hij tracht haar uit eigen beweging tot eene trouwe beoefening der godsvrucht en tot het dikwerf ontvangen der heilige Sacramenten over te halen. âIk moet U âzeggen, dat ik niet te klagen heb over mijne dochter. âIk meen U te kunnen verzekeren, dat zij zich goed âgedraagt. Evenwel zou het mij aangenaam zijn, als zij âzich wat meer toelegde om een degelijke christin te âworden. Volgens mijn oordeel nadert zij niet genoeg âtot de H. Communie en vandaar ongetwijfeld, dat zij ânog zoo dikwijls ongeduldig is, dat zij zich de zacht-âmoedigheid nog niet genoeg eigen gemaakt heeft enz. âOok moest zij mij wat breedvoeriger schrijven, al was âhet slechts om de veertien dagen. Wij zouden dan âte zamen praten en dit zou haar tot nadenken brengen. âIk voor mij weet niet hoe het aan te leggen om haar âte doen communiceeren en nadenken. Goede raad is âduur, zegt men in mijne geboortestad. Moet ik spreken ? âJa, maar om wellicht alles te bederven. Zal ik bidden? âO zeker, bidden is noodig; âMijn God en mijn al!quot; âGod is mijn kennis en de drijfveer mijner handelingen. âIn geestelijke zaken kan men veeltijds niets beters âdoen dan bidden.
âBij deze gelegenheid mag ik niet vergeten mijn kind, âdat ik zoozeer bemin, aan uwe moederlijke zorg aan âte bevelen. Als Gij communiceert, zeg dan aan den âbarmhartigen Jezus met al die teedere liefde, die U âbezielt : âHeer, een mijner geestelijke dochters kwijnt; âwanneer Gij wilt, kunt Gij haar vormen zooals Gij âhaar verlangt; hare ouders zult Gij tbardoor met eene âheilige vreugde vervullen.quot;
âPater Dechamps pleegt te zeggen, dat de kleine âAlfons een zegen is voor mijn huisgezin. Die goede âPater is gewoon de zaken in te zien op een wijze,
175
âzooals het niet aan een ieder gegeven is.quot; 1)
Voortdurend zien wij Belletable bezorgd voor zijne kinderen, die hij als het ware in zijn hart draagt; de kleine voorvallen, die op hen betrekking hebben, worden in zijn oog als gewichtige gebeurtenissen, hij kan niet nalaten er zijne vertrouwelingen over te schrijven.
Als waakzaam vader, zorgt hij dat zijne dochter slechts ernstige en leerzame boeken te lezen krijgt. Nooit zal hij haar eene gunst toestaan, die haar nadeelig zou kunnen zijn. Men oordeele uit de volgende regels: âIk âheb mijne dochter geschreven en haar het boek gezon-âden, dat Gij mij vereerd hebt, tevens heb ik haar âaangespoord mij rekenschap te geven van de indrukken, âdie zij bij de lezing ontvangt. Ik hoop dat het kind âU met Paschen zal bezoeken. Het zou goed zijn, dat âMarie V. B. ons nauwkeurig dag en uur van haar verstrek aangeeft, want ik zou in geen geval toestaan dat âHenriette alleen reist.quot; 2)
Zooals men ziet, bezorgt Belletable gaarne eene ontspanning aan zijn kind. Hij wil echter dat die ontspanningen tegelijkertijd dienstig zijn voor haren geestelijken en zedelijken vooruitgang.
âIk heb mijne dochter geschreven en haar gezegd, âdat ik U gevraagd had of zij eenige weken in uw â midden mocht komen doorbrengen; dat zij in dit geval âde geestelijke oefeningen van het huis zou bijwonen âen eenig handwerk verrichten voor het gesticht. Ik âheb er bijgevoegd, dat ik U geschreven had, dat zij âeenige verstrooiing moest hebben, wijl zij ziek geweest
âAvas en U zoo gaarne wenschte te zien____ Mejuffrouw
âHenriëtte zal haar wel eenig handwerk weten te ver-
') 26ste Brief, Namen, den llden Februari 1854. quot;) 33ste Brief, Namen, den 24sten Augustus 1854.
176
âschaffen. Intusschen bid ik de H, Familie U allen in âhare heilige en bijzondere bescherming te nemen.
âBidt de H. Familie, dat Zij U geen oogenblik verslate. Mijne groeten aan pater Seraphinus; weest zoo âgoed hem mijn klein gezin aan te bevelen.quot; 1)
De dochter van den kapitein was toen twintig jaar oud, een leeftijd waarop men er gewoonlijk aan denkt zich te vestigen. Ouders, wien de toekomst en het geluk der kinderen ter harte gaan, kunnen niet onverschillig blijven voor zulk een gewichtige keuze. Belletable had daaromtrent zijne bepaalde, echt christelijke gedachten. De gelegenheid bood zich aan deze in een brief mede te deelen en het weinige, dat we er van aanhalen, zal genoeg zijn ons daarvan te overtuigen. Het zal tevens strekken om tal van ouders voor te lichten, die hun oordeel in deze zaak zouden moeten wijzigen.
â.... Wat er ook van zij,quot; schrijft hij, âwij zullen âde beste wenschen blijven vormen voor het geluk onzer âdochter. Wij verlangen niets anders dan dat zij een âgelukkig huwelijk aangaat. Zelfs stemmen wij toe, dat âzij een minderen stand kieze, minder nog dan den onzen, âwanneer zij dit zou verlangen; doch toegeven op het âpunt van godsdienst, dat nooit! Is het niet waar, âDierbare Zusters, dat gezondheid en een fatsoenlijke âwelstand zelfs tot de zaligheid der echtgenooten kun-ânen bijdragen? . . . .quot; 2)
Ziedaar het portret van een vader, wiens naam in zegening zal blijven! Aan dien naam is eene godsdienstige herinnering verbonden, die nooit uit de harten zal worden gewischt dergenen, die hem gekend hebben. Welzalig de kinderen die zulk een vader bezitten ! Gelukkiger nog zij, die hem lang op aarde mogen behouden !
') 38ste Brief, Namen, den 9den November 1854.
} 45ste Brief, den 12den April 1855.
ej li al
\v ai
177
Belletables goedheid was buitengewoon, maar zij kende geen zwakheid, zijn vastheid van karakter was waardig en zonder ruwheid; zijn vaderschap was een beeld van het vaderschap Gods, waaraan het ontspruit. Mochten alle vaders evenals Belletable de plichten hun opgelegd wel begrijpen; mochten zij evenals hij al hunne zorg aanwenden om ze goed te vervullen!
]2
BELLETABLE.
ZESDE HOOFDSTUK.
De Vriend.
(nder de uitstekende lioedaniffheden der ziel.
I .....
f welke de godvruchtige kapitein in zich i vereenigde, is er eene, die hem bijzonder ® onderscheidde en die over geheel zijn leven een glans van geluk uitgoot. God had hem een bij uitstek gevoelig hart geschonken, een hart dat medelijden wist te hebben met de smarten van een ander, een hart dat overvloeide van vriendschap. De vriendschap nu vormt een innige betrekking, een volkomen gemeenschap tusschen hen, die zij vereenigt. Vrienden werken te zamen; vrienden deelen het leven als het ware met elkander. Aan die vriendschap van Belletable met eenige uitverkoren zielen, danken wij dan ook de kostbare briefwisseling, waarin hij geheel zijne ziel in vertrouwelijkheden vol vroomheid en bekoorlijkheid uitstort. Reeds kennen wij den bescheiden kring van uitgelezen zielen, welke de Voorzienigheid den deugdzamen kapitein op zijn
179
levensweg deed ontmoeten. Het is tijd om dieper in het geheim dier briefwisseling binnen te dringen, ten einde al de godvruchtige en stichtende gevoelens te leeren kennen, welke zij in een behaaglijken en levendigen vorm bevatten. Zetten wij daarom onze aanhalingen voort en hooren wij den vriend, nadat wij den echtgenoot en den vader leerden bewonderen.
âDierbare Zuster Rosalie,quot; schrijft hij, âik zal uw âbrief aan mijne vrouw en kinderen zenden. Uwe vriend-âschap troost en versterkt mij. Een onderhoud, zooals âwij met elkander hebben, is eene groote weldaad, want âalgeheele afzondering is doodend. De Godmensch zelf âheeft tijdens zijn sterfelijk leven hier op aarde zijne âvrienden gehad. De vriendschap is derhalve iets heiligs âen bijgevolg geoorloofd. Zoo dikwijls U of mejuffrouw âMelanie mij schrijft, had ik gaarne dat de andere er âeen woordje bijvoegde; ik voor mij zal mijne brieven âsteeds aan een van U beiden richten en verlang, dat âalle zusters deelen in mijne vreugde en mijne smart, âgelijk ook ik wederkeerig belang zal stellen in alles âwat haar aangaat.quot; ^
Welke eenvoudige en oprechte ontboezeming in deze weinige regelen.
En gelijk de officier behoefte gevoelde om den overvloed zijns harten uit te storten in harten, die door vriendschapsbanden met hem vereenigd waren, zoo ontvangt hij ook met de grootste vreugde hun godvruchtig schrijven. Ziehier den aanhef van den eersten brief, dien wij van hem bezitten 2): âDierbare Zuster
') 25ste Brief.
j Uit den inhoud kan men zien, dat wij niet alle brieven bezitten, welke Belletable naar Thielt geschreven heeft. Wij betreuren het, want in zekeren zin kan men van deze brieven zeggen, wat men gezegd heeft van do voornaamste briefschrijfster van Frankrijk : âAls men één brief van mevrouw de Sevigné gelezen heeft, heeft men spijt dat er een minder te lezen overblijft.quot;
180
âin J. C. (Rosalie), ik ken slechts een gebrek in uwe âbrieven, maar dat gebrek is in het oog vallend. Uwe âbriefwisseling met Gent is zoo schaarsch. Nochtans âdank ik U voor uw schrijven en ik smeek U, in het âvervolg wat edelmoediger te zijn.quot; 1)
Men zal zich de aanleiding dezer brieven herinneren. Door 'eene edelmoedige inschikkelijkheid der Bestuursters van het pensionaat te Thielt, betaalde de kapitein alleen den uitzet zijner dochter; het kostgeld werd hem kwijtgescholden. Als oprechte en erkentelijke vriend was Belletable dankbaar voor die weldaad. Van alle voorkomende omstandigheden maakte hij gebruik om zijn dankbaarheid aan zijne weldoensters te betoonen. Terwijl hij met verlof te Roermond was om zijne moeder te bezoeken, schreef hij aan de meesteressen zijner dochter een brief, dien hij aldus eindigt: â....Mijn âoude moeder groet U allen recht hartelijk en dankt âU voor alles wat U aan Henriëtte doet. Zij smeekt âGod, dat Hij zich geheel aan U schenke met al zijne âweldaden.quot; 2)
Een maand later betaalt hij met monnikengeld den tol zijner dankbaarheid aan mejuffrouw Rosalie: âDier-âbare Zuster,quot; schrijft hij, âik geloof dat het morgen uw âfeest is. Met waarlijk koninklijke vrijgevigheid heeft âde Heer U reeds met groote weldaden overladen; ik âwensch dat Hij ze nog vermeerdere en ze over U âuitstorte door tusschenkomst der Heilige, wier schoo-ânen naam Gij draagt.quot; 3)
Geheel zijn briefwisseling draagt als eigenaardig kenmerk, dat zij de zalving van een minnend hart weergeeft en eene zoete godsvrucht verspreidt in allen met
') 1ste Brief, Gent.
) 3(le en 5de Brief, Augustus 1852.
:i) 7de Brief, C4ent, den 3den September 1852.
181
wie hij in betrekking staat. Zie hiervan een ander bewijs:
âGoede Zuster Rosalie, de voldoening welke ik gesmaakt heb bij de ontvangst van uwen brief is zoo âgroot geweest, dat ik eene merkelijke beterschap ont-âwaar in de ongesteldheid, die mij eenige dagen de âkamer heeft doen houden. Uw huis is waarlijk een huis âGods. Ik zal de Onbevlekte Maagd bidden voor onze âachtenswaardige organiste die mij bekend is. Ik zal âook pater Edmond doen bidden, al moest ik er hem âook om schrijven.quot; 1)
Halen wij hier nog even het slot aan van een brief, welken hij omstreeks dien tijd van Nieuwpoort schreef: âMijne groeten aan pater Seraphinus en aan âmijnheer uw broeder, die mij, naar ik mij met genoe-âgen herinner, in uwe tegenwoordigheid als een broeder âheeft begroet. Geheel aan God en aan U.quot; 2)
De ware vriendschap stelt zich echter niet tevreden met zich te verheugen over het geluk van hen die zij bemint, maamp;r zij treurt ook over het ongeluk dat hen treft en deert in hunne smarten. En hierin vooral munt Belletable uit. Nauwelijks heeft het uur der beproeving voor zijne vriendinnen geslagen of de vriend is daar om haar te troosten. Hij vereenigt zich met haar in het ongeluk om het met haar te dragen; vervolgens stort hij in hare bedrukte harten den balsem der godsvrucht, der onderwerping en der hoop. âDat de namen van âJezus, Maria, Jozef altoos gezegend zijn! H. Antonius âbid voor ons!
âDierbare Zuster, vandaag eindigt de noveen, die ik
1
) 35ste Brief, den 9den November 1854.
2
) 17de Brief, den 16don September 1853.
182
âvoor mijnheer uw broeder gehouden heb. Mogen mijne âzwakke pogingen hem ten minste eenige verlichting âhebben verschaft! Toen ik uwen laatsten brief ont-âving, was ik aanvankelijk ontsteld; doch eene krach-âtige en troostende gedachte verdreef weldra mijne smart. âHet scheen mij toe, dat voor hem niets meer te vree-âzen was en die overtuiging draag ik nog steeds om in âmijn hart. Dan, ik weet hoe pijnlijk het is te lijden; âdaarom bid ik voor hem en vorm de beste wenschen âvoor zijn volkomen herstel.
âHeer! verwijder van hem dezen kelk van bitterheid. âZijt Gij niet die onverwinbare toren, die duizend ver-âdedigingsmiddelen bevat? Bezit Gij in uwe schatten âniet een oneindig aantal middelen ter onzer volmaking? âDat uw aanbiddelijke wil echter geschiede. Nochtans âzal ik voortgaan met U zachtmoedig en nederig te âherinneren, dat Gij hem kunt genezen en door uwe âliefde ontsteken, wanneer Gij slechts wilt.
âO Maria, die zulk een groot aandeel genomen hebt âin den dood van Jezus en gij, H. Jozef, wien de Zoon âGods niets zal weigeren, kunt gij nog langer eene âfamilie, die u zoozeer is toegewijd, in druk en âsmarten laten? Neen, niet waar? Door innig mede-âlijden wordt gij bewogen en weldra zal ik vernemen âdat alles goed gaat. En dan zullen wij den Heer loven, âdie ons andermaal geholpen heeft. Welaan, ik vertrouw
â gt;Tastelijk dat het niets zal zijn____dan eene beproeving
âen eene nieuwe bron van weldaden!quot; 1)
Wie zou het schooner kunnen uitdrukken ? Hen schijnt dat het hart van den soldaat, vertrouwelijker en teederder geworden tengevolge eener treurige eenzaamheid, behagen schept in deze zoete ontboezemingen en deze geiiot-
') 25ste Brief.
183
volle overweging. Andermaal geeft hij aan dezen aandrang toe, als hij in eenzelfde omstandigheid uit Namen schrijft: âBeminde Zuster, ik bid TT slechts de meening te âbeschouwen van hem, die tot U spreekt. Hij wil enkel âuw welzijn, aangezien hij voor God het voornemen âgemaakt heeft U nooit te vergeten, steeds de beste âwenschen te vormen voor uw tegenwoordig en toekom-âstig geluk en zonder ophouden voor U te bidden. Er âzijn eenige personen, die ik op geheel bijzondere wijze âbemin en die steeds deel hebben in mijne gebeden. Ik âgeloof, dat mijn hart nimmer zal ophouden duizenden âen duizenden wenschen voor deze personen tot God âop te zenden.quot;
Eene maand later verschaft de dood van een jeugdige bloedverwante zijner vriendinnen in J. C. hem gelegenheid om deze gevoelvolle regelen te schrijven.
âIk dacht er in de verste verte niet aan, dat mijne âdierbare vriendinnen van Thielt, de Dames van Ste. Marie, âop dit oogenblik in eene zoo groote en zoo rechtma-âtige droefheid gedompeld waren. Ik vereenig mijne âtranen met uwe tranen, mijne gebeden met uwe gebe-âden. O konde ik U eenige verlichting in uwe smarten âverschaffen. 1)
âEene gedachte evenwel troost mij: Adèle is in den âhemel en Constance 2) nog slechts door een draadje âaan het leven dezer wereld verbonden. Is dat draadje âverbroken, dan zul zij zich zonder uitstel vereenigen âmet AdMe en de andere lievelingen Gods, die zij kent âen met vreugde zal wederzien, o Maria, mijne Moeder !
1
') De dood van mejuffrouw Adèle Ibled, dochter van den lieer Ibled van Mondicourt in Frankrijk, een neef der dames Van Biervliet. Deze hebben nooit anders dan met aandoening gesproken over deze kleine heilige, die met een lach op de lippen stierf.
2
) Mejuffrouw Constance, eene nicht der dames Van Biervliet, had haar verlaten om te Londen in het klooster der Clarissen te treden.
184
âterwijl wij eenzelfde lot verwachten, lijden en weenen âwij en de wereld geeft zich aan genoegens over.
âWat zal ik U nog meer zeggen, Dierbare Zuster? âDezen morgen heb ik aan Virginie geschreven. 1) Deze âzuster is bewonderenswaardig in hare liefde. Melanie âmoet wel ontroostbaar zijn, nu zij Constance verloren âheeft. Hoe dikwijls hebben deze twee zusters hare ;; harten voor elkander uitgestort, terwijl zij de omstreken âvan ïhielt doorwandelden! De roeping van Constance âmoet wel ernstig en duidelijk geweest zijn ! Ja, de Heer âzal U wapenen met de kracht zijner genade. âGij zult âden leeuw dooden en den volgenden dag zult Gij er âeen honigraat in vinden.quot;quot;
Ziedaar in waarheid een soldaat, door en door ervaren in de kunst om te troosten en den gezonken moed op te beuren; en de beweegredenen, die hij daarvoor met zooveel behendigheid aanhaalt, ontleent hij steeds aan zijne godsvrucht en zijn geest van geloof.
Altijd voegt hij er een hartelijk woordje bij om zijn vertrouwelijk onderhoud te sluiten. Altijd komt hij terug op eene of andere vrome gedachte, een herinnering in God, een gebed des harten... âMijne groeten aan âuwe zusters en aan uw broeder. Gedurende den ganschen âfeestdag van den H. Jozef zal ik aan hen denken.quot; 2)
Iedere omstandigheid van haar stil leven wekt zijne belangstelling en geeft hem aanleiding tot een deelnemenden brief, waarvan de godsvrucht vooral de schoonheid uitmaakt... âIk bid dikwijls voor Melanie, âdie zoozeer aan hoofdpijn lijdt. De werkeloosheid dier âoogenblikken moet wel als een berg op haar drukken. âO, hadde ik een weinig geloof, ik zou tot dien berg
1
') Eene der vier dames Van Biervliet.
2
) 41ste Brief, Gent den 4den Februari 1855.
185
âzeggen: âGa van hierquot; en de berg zou heengaan.quot; 1)
Wij stellen den Lezer hier eenige opschriften van Belletables brieven voor oogen, die ons meer dan genoeg zullen overtuigen van zijn beminnelijk karakter en zijn buitengewone goedheid.
1ste Brief. Dierbare Zuster in Jezus Christus (Rosalie). Dat de H. Geest steeds in uw geest en uw hart zij.
3de Brief. Jezus, Maria, Jozef, dat uwe liefde voor immer in onze arme harten heersche. Zuster llosalie....
12de Brief. Kerstmis 1852. Een Kindje is ons geboren; Het draagt op zijnen schouder het teeken zijner heerschappij.
25ste Brief. Dat de namen van Jezus, Maria, Jozef voor altijd gezegend zijn. H. Antonius van Padua bid voor ons. Dierbare Zuster....
Het onderschrift zijner brieven is niet minder bevallig, niet minder godvruchtig.
2de Brief. Vaarwel, Dierbare Zuster, dat de goede God ü en uwe waardige zusters onder zijne goddelijke bescherming neme. Wel te ruste.
4(,e Brief. Tk sn-oet u in de Harten van Jezus en
O
Maria, in hunne liefde door de wreede zonde gewond.
14de Brief. Hemelvaart. Maria, mijne moeder, weduwe. Nederdaling van den H. Geest.
15de Brief. Tk groet U in het aanbiddelijk Hart van Jezus.
40ste Brief. Ik eindig en groet uwen engelbewaarder, hem smeekende U onder zijne heilige en waardige bescherming te nemen. Onze Lieve Vrouw van den Blan-dinusberg, bid voor ons.
Deze bewijzen eener heilige vriendschap, brengen ons
') 42ste Brief, Gent, den llden Februari 1852.
186
de woorden te binnen der Kavolging van Christus, welke de dichter aldus vertolkt:
Bemin; om gelukkig te leven is liefde,
Zijn vrienden u noodig, dien naam niet onwaard.
Maar min boven hen d' allerliefdrijksten Meester,
Of dra wordt uw hart door verveling bezwaard.
(Navolg. Deel TI, Hoofdst. 8. P. Cokneille.)
ZEVENDE HOOFDSTUK.
De man ervaren in het godvruchtig leven.
at een kloosterling bedreven is in de mystieke godgeleerdheid, is niet te verwonderen; dat een priester de werkingen 7^ Gods in de zielen ontdekt, zoodat hij haar tot gids in het inwendig leven kan verstrekken, is eene kunst, waartoe hij zich door zijne studiën heeft voorbereid. Maar dat een soldaat ervaren is in de wegen des Heeren, dat hij uitmunt in kennis van het godvruchtig leven, dat hij aan de krijgskunst eens veldheers de nog edeler kunst weet te paren om zijne driften te bestrijden, de listen des duivels te verijdelen en op de puinhoopen zijner verslagen vijanden het geestelijk gebouw zijner volmaaktheid op te trekken, ziedaar zeker een allerzeldzaamst verschijnsel. En toch, Belletable biedt het ons. Een soort mystieke glans omstraalt de meeste zijner brieven aan zijne waardige vriendinnen in God. Men behoeft
ZEVENDE HOOFDSTCK.
De man ervaren in het godvruchtig leven.
â at een kloosterling bedreven is in de mystieke godgeleerdheid, is niet te verwonderen; dat een priester de werkingen ^ Gods in de zielen ontdekt, zoodat hij haar tot gids in het inwendig leven kan verstrekken, is eene kunst, waartoe hij zich door zijne studiën heeft voorbereid. Maar dat een soldaat ervaren is in de wegen des Heeren, dat hij uitmunt in kennis van het godvruchtig leven, dat hij aan de krijgskunst eens veldheers de nog edeler kunst weet te paren om zijne driften te bestrijden, de listen des duivels te verijdelen en op de puinhoopen zijner verslagen vijanden het geestelijk gebouw zijner volmaaktheid op te trekken, ziedaar zeker een allerzeldzaamst verschijnsel. En toch, Belletable biedt het ons. Een soort mystieke glans omstraalt de meeste zijner brieven aan zijne waardige vriendinnen in God. Men behoeft
188
die brieven slechts vluchtig te doorloopen om zich te overtuigen, dat Belletable niet alleen zeer goed vertrouwd was met de schrijvers van het geestelijk leven, maar vooral dat zijne kennis in deze verhevene wetenschap door eigen ondervinding was verkregen.
Onze goddelijke Zaligmaker heeft aan allen, die zich willen heiligen, een plan, een gedragslijn aangewezen in drie artikelen: âIndien iemand na Mij komen wil, ver-loochene hij zich zeiven, nem.e zijn kruis op en volge Mij.quot; Tot deze drie punten zou men de geestelijke brieven van den kapitein kunnen terugbrengen.
1°. In een brief aan de meesteressen zijner dochter, waarvan wij reeds eenige regels hebben aangehaald, drukt hij zich aldus uit: âHenriëtte is goed. Haar ontbreekt slechts weinig, wanneer wij den harden strijd, âdien 'zij tegen haar somber en tot zwartgalligheid âgeneigd karakter moet voeren, in aanmerking nemen .. . â't Is een zieke, die men in het uitgestrekt rijk der âgoddelijke wonderwerken moet binnenvoeren en die âdoor God alleen volkomen kan genezen worden.. . Doch, âDierbare Zuster, ontneem haar alle droefgeestigheid âen niets van dat alles zal haar overblijven of liever âalles zal in honig veranderen, evenals toen Samson âden leeuw gedood had. Uit mijn brief zult Gij zien, âdat ik haar aanspoor dien leeuw te bestrijden. Is âdeze sterkgewapende ten onder gebracht, o met âhoeveel zoetheid zal zij dan de honigraat sma-âken, die de hemel als vanzelf in haar hart zal doen âontstaan! Zij moet echter noodzakelijkerwijze de kake-âbeenen van dit dier uitrukken, dat wil zeggen, zij âmoet het zijn kracht benemen en zoo er jonge âleeuwtjes zijn, moet ze ook deze dooden. De Joden âbegingen een groote fout, toen zij niet alle volkeren âuitroeiden, die God hun ter verdelging had aangewe-
189
âzen 1). Maar waartoe mij langer bezig gehouden met
hetgeen Gij voor mijne dochter doen moet, daar Gij âreeds liet ware middel toepast, hetwelk haar moet âgenezen.quot; 2)
Bij dezen brief aan mejuffrouw Rosalie voegt Belle-table in denzelfden geest eenige weinige regelen voor hare zuster:
âMejuffrouw Melanie. â Ik vereenig mijne ver-,,schrikkelijke hoofdpijn en mijne hevigste smarten met âhet lijden dat mijne zuster in Christus, Melanie van âde H. Familie, met zooveel gelatenheid verduurt, en âik bid God, dat Hij ons tot zijne heilige en welbe-â minde kinderen vorme. Beklaag U over mij en mijne âdochter enkel en alleen aan den goeden God. Wellicht zijn wij niet van zoo kwaden wil, als Gij wel âdenkt. De zorgeloosheid, de koelheid, de stroefheid,
âliet gebrek aan voorkomendheid en beleefdheid enz.....
âzijn een onkruid, dat vanzelf in den tuin onzes harten âopschiet en dat men meestal slechts kan uitroeien âdoor zich pijn aan te doen.
»Hartelijke groet!quot;
De overeenkomst, die er bestaat tusschen de gevechten van den tweevoudigen strijd, don natuurlijken en den bovennatuurlijken, dien Belletable in zijn persoon vereenigde, gaf hem later de schoone overwegingen in, welke hij aldus in gebloemde taal wedergeeft: â...Wan-âneer een onweder opzet, Dierbare Zuster, moeten wij âal onze krachten verzamelen, niet waar? en al onze âvermogens inspannen om den vrede Gods in ons te âbewaren. Of zal een soldaat gelukkig strijden als hij
') Deze geheele volzin is eene toespeling op het 14e Boek dor Rechters van het Oud Verbond, waarvan Belletable den verborgen zedelijken zin aangeeft.
') 13de Brief, den 16den April 1853.
190
âzijne kalmte, zijne koelbloedigheid heeft verloren? âHet kan gebeuren, maar in den regel is dit niet het âgeval. Moed dus, mijne Zuster, Gij zult zoo tevreden âzijn als alles eens voorbij is. Wie weet of God U âniet een buitengewoon groote genade voorbereidt ? Ver-âgeef mij deze taal. Dierbare Rosalie, wanneer daarin âook maar het minste woord zou zijn, dat U kon âhinderen.quot; âUw goede Broeder.quot; ^
In een der geestelijke werken, welke mejuffrouw Melanie omstreeks dezen tijd schreef, stelt zij het leven van een Christen voor onder het zinnebeeld van een pelgrim, die langs een steilen weg voortschrijdt naar het toppunt van den heiligen berg. De schrijfster bood het den godvruchtigen kapitein aan, die haar het volgend geestelijk briefje deed toekomen:
âWaarde Zuster in Jezus Christus, ik zeg U duizendmaal dank voor het schoone boek, dat Gij mij âaanbiedt en dat Gij zelf geschreven hebt. Op enkele âbladzijden na heb ik het reeds gelezen. Ik klauter âvoor het oogenblik dien berg op met de pelgrimme. âBen ik al hoog gestegen?... doch hoe hooger men âgekomen is, des te meer moet men vreezen te vallen, âniet waar, Dieibare Zuster? Dit zal ons echter niet âbeletten altijd te blijven vertrouwen.quot; 2)
De soldaat van Christus streed derhalve den goeden strijd; stormenderhand nam hij, door de hoop gesteund, den berg der heiligheid in. Daarbij vergat hij den raad des Apostels niet, want dikwijls zien wij hem de oogen verheffen om de kroon te beschouwen, die hem daarboven wacht, getuige de volgende woorden, een soldaat waardig: âDezen morgen dacht ik aan de dapperen âvan het groote leger van Napoleon en aan het geluk
') 29ste Brief, Mei 1854.
a) 33ste Brief, Namen, den 24sten Augustus 1854.
191
âdat zij smaakten als zij door hun meester herkend âwerden. Dit belette evenwel niet dat deze mensehen âmet de overigen ten gronde gingen. Maar ons, ehris-tenen, ons zal God bij onzen naam noemen. Hij âzal geen enkele onzer handelingen, onzer smarten âen zuchten vergeten. Hij zal meer doen: liefdevol âzal Hij ons aan zijn hart drukken en ons omgeven âmet een glorie en eene zaligheid zonder einde.quot; 1)
Die glorie en die zaligheid zullen geëvenredigd zijn aan de vorderingen, die wij in de beproeving dezes levens gemaakt hebben. De kapitein was er van overtuigd en daarom baande hij, volgens den raad van den koninklijken profeet, wegen in zijn hart: âHeer,quot; schreef hij eens op Kerstnacht, âstort in mijne ziel de welda-âden uit, waarover Gij in dezen wonderbaren nacht âbeschikt. Mogen zij als hoeksteenen zijn, die anderen âtot zich trekken, totdat Gij in mij dat geestelijk gebouw âhebt opgetrokken, waarvan de H. Tberesia spreekt, âen waarin Gij uwe woning vestigt in de eeuwen der âeeuwen.quot;
2°. Doch het is niet genoeg te strijden om vooruit te gaan in de volmaaktheid, men moet ook en wel op de eerste plaats lijden: âIndien iemand na Mij komen wil, hij verloochene zich zeiven en ... . neme zijn kruis op. ...quot; Het kruis, dat men met geduld draagt, dat wil zeggen: de beproeving welke den ouden mensch kruisigt, is het groote middel om ons met reuzenschreden op den weg der heiligheid te doen vooruitgaan. Hooren wij, hoe de kapitein op de hem eigen vroolijke wijze spreekt over dit punt, dat de natuur doet huiveren:
â . Zuster Henriëtte is dus niet genezen. Wat âzegt gij daarvan? Heeft zij den moed verloren? Wel-
') 18de Brief, 23 September 1853.
2) 12de Brief, Kerstmis 1852.
192
âaan, God wil onze gebeden nog niet verliooren, wij âmoeten nog wachten en leeren. De Meester onderricht âons. Gij zult zien dat de Heer ons eenmaal meer zal âgeven dan wij Hem gevraagd hebben.quot; 1)
Evenwel zou dit âeenmaalquot; nog lang uitblijven, want twee jaren later lezen wij: âMijne beste groeten aan âzuster Henriëtte. Ik heb haar op het feest van haren âheiligen Patroon bijzonder Gode aanbevolen; ook heb âik aan hare doofheid gedacht, maar .... zuster Hen-âriëtte is voorbeschikt....quot; De volzin is onderbroken, maar de waardige zuster was scherpzinnig genoeg om hem te voltooien: âWelnu, degenen die God heeft voor-âbeschikt, maakt hij gelijkvormig aan zijn gekruisten âZoon.quot; 2)
Het uur der beproeving schijnt onzen officier zoo kostbaar, dat hij een bijzondere kracht toeschrijft aan de gebeden alsdan gestort. âMejuffrouw Rosalie, wees âzoo goed mij van tijd tot tijd aan God aan te beve-âlen, als Gij uit de spreekkamer komt, waar uw geduld âop de proef gesteld is en uw hart versmacht naar de âvrijheid van het heiligdom.quot; 3)
Een bijzonder pijnlijk gevoel voor zielen, die van Gods liefde doordrongen zijn, is de vreeze die hun hart beklemt. Belletable heeft ze doorstaan: âIk âbegrijp niet...quot; schrijft hij op een Kerstdag, âen ik âbeu bedroefd te zien, dat ik een weinig vrees gevoel âvoor Jezus, die zoo zachtmoedig en zoo nederig is. âHoezeer ik mij ook tracht te bemoedigen, dit gevoel âvan vrees blijft mij steeds bij. Dit zal zoolang duren âtotdat het den Heer behaagt mij met zijne liefde te ver-â vullen. O gelukkige dag, die getuige van zult zijn, dat er
') 5de Brief, Roermond, den 7den Augustus 1852. ') 31ste Brief, Namen, 1854.
=) 11de Brief, 1852.
li) 3
âmijn God en Schepper zich op eeue onuitsprekelijke , wijze met mij vereenigt, wanneer zult gij aanbreken
Zelf vertrouwd met zielelijden, bezat de kapitein ook lt;le goddelijke kunst om zielen te troosten, welke door dezelfde beproevingen gekweld werden. De dames Van Biervliet mochten er de gelukkige ondervinding van opdoen. Kruisen konden haar niet ontbreken. God. die kastijdt wie Hij bemint, zorgde er voor dat ieder der hoeksteenen, waarop hij een nieuw geestelijk gesticht â wilde bouwen, gepolijst werd. Henrietta, Rosalie en Melanie ontvangen dan ook beurtelings vertrouwelijke aanmoedigingen van hun vromen raadsman. Als altijd spreekt hij uit de volheid des harten: âIk besef maar âal te wel het lijden dat Zuster Melanie verduurt,quot; zegt hij, âen ik ben werkelijk ontroostbaar over de âhardnekkigheid barer kwaal. Wellicht is het verleden âMaandag de beslissende dag der ziekte geweest en nemen âhare smarten thans geleidelijk af. Begint zij nog geen âspijt te gevoelen, dat zij niet meer lijdt, dat hare âsmarten voorbij zijn? Hetgeen zij leed was als brandstof op het vuur der goddelijke liefde, die haar hart âverteert. Ik zal niet tevreden zijn, vooraleer ik haar âmet eene Heilige die zij bijzonder liefheeft hoor zeggen : â.Of lijden of sterven.quot; En waarom niet? Is Melanie âniet van het staal, waaruit men heiligen smeedt?quot; ') Eenige dagen later komt hij weder terug op deze voor de natuur zoo verschrikkelijke leer. welke de soldaat, naar het schijnt, in de ziel der lijderes wil graveeren : -Ik heb het vaste vertrouwen, dat God mijn gebed âgoedgunstig verhoord heeft, maar terzelfder tijd heb âik mij ernstig deze woorden herinnerd; âdat men door n veel lijden, smarten en beproevingen het rijk des hemels
') 12(le Brief, Kerstmis 1852.
s) 14de Brief, Hemelvaart 1803.
I1RU.KTABLK. ]3
194
âmoet binnengaan.quot; Dit vertaal ik aldus: Melanie zal âzalig worden door de kracht der goddelijke liefde.quot; 1)
Moeilijk zou men dit beter kunnen uitdrukken en toch schijnt de kapitein nog beter te slagen, als hij het volgend jaar zijn ambt van trooster aldus herneemt:
Dierbare Zuster in Jezus Christus.
âToen ik gisteren te huis kwam vond ik op mijne âtafel uw laatste schrijven. Met gouden tranen was het âgeschreven. Wees verzekerd, dat God zijne engelen âgelast heeft ze zorgvuldig te verzamelen en ze als een âkostbaar reukwerk voor zijn troon uit te storten. Met âgeduld echter moet Gij de uitwerking dier gebeden âafwachten en U tevreden stellen met van tijd tot tijd âeen weinig brandstof te werpen op het vuur der liefde, âdat uw hart verteert, en dan zal alles goed gaan. Ik âzou U onmiddellijk geschreven hebben, doch ik wilde âbeginnen met eerst eene heilige Communie voor U op âte offeren alvorens mij met U te onderhouden!quot; 2)
De H. Schrift zegt dat de broeder die door zijn broeder geholpen wordt, gelijk is aan eene vesting. Onze kapitein, gelijk men ziet, rekende het zich ten plicht zijne zusters te helpen om naar het voorbeeld van Jezus Christus haar kruis te dragen. Zelfs blijft hij niet in gebreke haar aan te sporen om den goddelijken Meester te volgen, hetwelk het toppunt der volmaaktheid is.
3°. Jezus Christus volgen is het kenmerk der liefde, 't is Hem gelijkvormig worden, zijn geest, zijne gevoelens, zijn wil, zijn wijze van handelen aannemen, 't is in zijne voetstappen treden. Ieder waar Christen is eigenlijk een navolger van Christus, maar de ijverigen alleen volgen Hem van ganseher harte na: zij volgen
') 15de Brief, NieuwpjOrt, den 5den Juni 1853.
â ) 28ste Brief, Namen, den 2Usten April 1854.
195
Christus en weten dat zij hem volgen. Zoo begreep het Belletable; wij zien het uit bovenaangehaalden brief, dien hij aldus besluit:
âHaddet Gij mij het gevaar doen kennen, dat ons âbedreigt, dan had ik misschien beter gehandeld. Wat âer ook van zij, wees gerust in den Heer. Zeg Hem : ââHier ben ik, Heer.... ik zal uwen wil volbrengen!quot; âDaardoor zult Gij meer vorderingen maken in een âdag, dan Gij er tot hiertoe in tien jaren gemaakt hebt. âUwe Communiën zullen voor U als een vuur zijn, dat âalles verteert wat niet voor den hemel is. Op die âwijze zult Gij, evenals Elias, reeds in dit leven door âden wagen der liefde worden overgevoerd in den schoot
âder Godheid____quot;
Laten wij nog een brief aanhalen, die het gansche plan van volmaaktheid door den goddelijken Meester aangegeven in het kort samenvat:
âZou mejuffrouw Constance de goedheid willen heb-âben mijne dochter onder anderen te onderhouden over âhet geluk eener nederige en heilige ziel? Dit besluit J âalles in zich. Zijn wij eenmaal van onze betreurens-I âwaardige gehechtheden ontdaan, dan zijn er geen hin-âderpalen meer voor de liefde Gods. Wat zeg ik? Dan âbehooren wij aan God, onze zielen worden zijne geliefde âbruiden, wij beminnen door zijne liefde. O, dat de âhemel zich dan opene en de Rechtvaardige bij uitstek ânederdale in onze zielen. Reeds is Hij gekomen, die âRechtvaardige (de brief is gedagteehend van einde â December); spoeden wij ons naar Bethlehem om Hem âte aanbidden. Mijn God, hoe gelukkig zijn wij, dat
â wij U geheel toebehooren !____quot; 1)
Zulke woorden hebben geen verklaring noodig: als
') 23ste Brief, einde December 1853.
196
men ze leest, wordt men aangespoord neer te knielen, ten einde ze te overwegen en ze naar hartelust te genieten. Welk een lichtstraal flikkert er niet in deze woorden: ,Wij beminnen door zijne liefde.quot;' 't Is eene vertaling van dit diepzinnig woord van den apostel Paulus: âDe liefde Gods is in onze harten uitgestort âdoor den H. Geest, die ons geschonken is.quot; De liefde in den mensch is derhalve een deelachtig zijn aan de liefde Gods. Zij is het hart van God, aan den mensch afgestaan, om hem te doen beminnen, gelijk God bemint. Door haar beminnen wij God met dezelfde liefde, waarmede Hij zichzelven bemint.
Moeten wij, bij het zien van een soldaat die zich tot zulk een hooge godgeleerdheid verheft, niet onwillekeurig denken aan het woord de« Zaligmakers: âIk âloof Ã, Vader, dat Gij deze dingen voor wijzen en âverstandigen verborgen en ze aan kleinen geopen-âbaard hebt.quot;
\
ACHTSTE HOOFDSTUK. De Man der Beproeving.
eze aarde wordt ecu tranendal en ons leven een strijd genoemd, waarin God de zijnen beproeft. Die beproeving bestaat in eene afwisseling van grootere of kleine oyer-winningen en nederlagen, al naar gelang wij het oog richten op God om zijne hulp af te smeeken, of wel naar de aarde om onze driften tien vrijen teugel te vieren. Onder alle wederwaardigheden nu, die den mensch hier beneden zoo dikwijls overvallen, zijn er geen zoo pijnlijk als die welke de ziel van een Christen bestormen, die vergeestelijkt is door het geloof en de liefde tot Jezus Christus. Die beproevingen, welke wij zoo te recht kruisen noemen, zond God ook over aan Belletable en deze aanvaardde ze edelmoedig uit Gods vaderhand, als een middel tot zelfheiliging.
Een wijsgeer heeft gezegd, dat het een heerlijk schouwspel voor den hemel is, een rechtvaardige te zien kam-
198
pen met den tegenspoed. Dat schouwspel heeft Belletablc ons geboden. Om het naar waarde te genieten, moeten wij een beseheiden blik werpen in de zoo treffende mededeelingen, welke de ontroering zijner bedrukte ziel in de oogenblikken der grootste troosteloosheid zoo juist wedergeven. Wij zullen er lezen tot op den bodem zijns harten; wij zullen er klaar en duidelijk al de bitterheid zien, waarmede God zijn trouwen dienaar als verzadigde. En meer nog dan dit inwendig martelaarschap zullen wij in hem bewonderen een heldhaftigen moed, een volmaakten vrede, een algeheele overgeving aan de plannen der Voorzienigheid.
Tot dat einde leggen wij den Lezer hier een uittreksel voor van een brief aan een vriend:
âIk heb altoos voor U gebeden,quot; schrijft Belletable, , bid ook Gij voor mij, want dit onderhoudt de weder-âzijdsche vriendschap. Overigens is het gebed onze âgids en onze troost. Bidden en lijden met eene vol-âkomen onderwerping aan Gods wil, moest onze aanhoudende bezigheid zijn. Maar waar zijn zij die alles âwillen lijden? Nochtans moeten wij zoo ver komen, âals wij aangenaam willen zijn aan God. Wanneer Gij âmij schrijft, onderhoud mij dan over de liefde tot het âlijden en het nut van den tegenspoed; dit zal mij âwellicht een weinig aanmoedigen. Ik groet U in de âharten van Jezus, Maria, Jozef.
âUw vriend
H. Belletable.quot; l)
De brieven die hij naar Thielt zond, zijn ware klaagliederen. Reeds in den eersten stort de kapitein zijn bedrukt hart aldus uit: âZeg aan mejuffrouw Melanie,
') Uittreksel van een brief, die ons word medegedeeld door majoor Belletable, den oudsten zoon des kapiteins.
199
âdat ik vandaag zeer mistroostig ben en dat ik van âhaar een woordje van troost verwacht.quot; 1)
Een weinig later vinden wij andere brieven insgelijks onder den indruk der smart geschreven: âSedert ik te âCharleroi ben, begon gisteren voor het eerst de gezichteinder mijner ziel te verduisteren. Tal van beweegredenen, de eene al droeviger dan de andere, stortten âeensklaps op mij neder en vervulden mij met angst âen droefheid. Die toestand verergerde nog bij mijne âtehuiskomst en wel dermate, dat ik een verschrikke-âlijken nacht heb doorgebracht.quot; 2)
Meer dan eens waande hij zich op het punt van te bezwijken! Toch vervolgt hij zijn weg over het doornige pad en versterkt zijn vertrouwen door een aanhoudend gebed:
âFiat! Het zij zoo! Vele moeilijkheden zijn aanstaande; ik spreek alleen van die, welke op mij âbetrekking hebben. Bid, bid, bid, Dierbare Zuster, âwant ik ben geneigd met David uit te roepen: âHet âis mij niet mogelijk het gewicht mijner ellenden langer âte dragen.quot; Ik bezwijk,quot; en hij voegt er bij, gelijk wij reeds zagen: âZoudt Gij niet zoo goed willen zijn âvoor het heil mijner ziel den 142sten 3) psalm te willen
1
') Iste Brief, Gent, den 20sten Mei 1852.
â ') 10de Brief, Soningen, den Sisten October 1852.
3) 142ste Psalm. 1. Hoer verhoor mijn gebed, neig uw oor tot mijne smeeking naar uwe waarheid ; verhoor mij naar uwe gerechtigheid.
2
Treed niet in liet gericht met uwen dienaar; want niemand, die leeft, zal voor uw aangezicht gerechtvaardigd zijn.
200
âbidden en te laten bidden? Gij zult er mij, Dierbare âZuster, ten zeerste mede verplichten.quot; 1)
Lijden! och wat valt het zwaar aan zijn gevoelige natuur! Hij schrikt er voor terug, hij siddert, en toch stelt hij zijn vertrouwen op God en verheugt zich zelfs in de kruisen, die hij beschouwt als zoovele bewijzen der goddelijke barmhartigheid: âBid, Waarde Zuster, âopdat ik mij eindelijk eens geheel en al aan Gods wil âonderwerpe; want ik beken dat mijn moed dikwijls âdreigt te bezwijken als ik mijn bitteren kelk beschouw. âGedurende deze dagen van zaligheid 2) heb ik Jezus âChristus gebeden, dat Hij mij zou ontdoen van dit âkleed van ongerechtigheden, om mij te omhangen met âeen nieuw kleed, gewasschen in zijn aanbiddelijk bloed. âIk weet niet wat de Heer hier van denkt, doch ik âtwijfel niet, dat de duivel mij kwelt en ontmoedigt âzooveel hij kan. Moed dus, mijne arme ziel, en vertrouwen! Jezus Christus zal weldra tusschenbeide âkomen, want Hij doet den dag op den nacht volgen.quot; 3) De lijdenskelk verwijderde zich evenwel niet van zijne lippen. Belletable moest hem drinken tot op den bodem toe. Hij deed het edelmoedig, versterkt door de gedachte aan den gekruisten Verlosser. Met het oog op diens kruis, klampte hij zich vaster aan het zijne, terwijl de klaagtonen, die aan zijn bedrukt hart ontsnappen, doen denken aan die ties Zaligmakers in Gethsemané.
âIk weet niet waaraan het toe te schrijven, dat âde kruisen mij meer dan ooit nederdrukken. Ver-
1
8. Laat mij uwe barmhartigheid vernemen in den morgenstond, want op U vertrouw ik.
9. Maak mij den weg bekend, dien ik bewandelen moet, want tot U verbef ik mijne ziel....
') 16de Brief, Nieuwpoort, den lOden Augustus 1853.
2
a) Retraite aan de H. Familie gepreekt.
3
) 24ste Brief, Namen, den 30sten Januari 1854.
201
âschrikkelijke kwellingen heb ik doorstaan, en ik liel) âze verduurd zoo goed en zoo kwaad ik kou. Vandaag âveroorzaakt alles mij smarten! Och hoe zwaar is mijn âkruis ! Jezus, bezwijkend onder het gewicht des kruises, ,heb medelijden met mij.quot; 1)
Hoe dikwijls moest hij dit gebed herhalen! Overal waar hij ging, volgden hem moeilijkheden en teleurstei-lingen. Doch hij nam ze uit Gods hand aan. en wanneer de Hemel hem van tijd tot tijd eens eenige rust en verpoozing gunde, aanvaardde hij die met dankbaarheid en liefde: âBelletable is opnieuw te Gent,quot; schrijft hij, âwaar hij zijne vroegere woning heeft betrokken. âGod heeft ongetwijfeld zijne inzichten. Daarom zal ik âzwijgen, ofschoon het mij zwaar viel Namen en den âgeneralen staf van ons wapen te verlaten, 's Avonds âvoor mijn vertrek uit Namen, zag ik mij met acht âzware kruisen beladen en nog was ik niet te Gent âaangekomen, toen ik er slechts twee meer gevoelde. âEene zachte, weldoende koelte was over mijne ziel âgegaan en in die koelte bevond zich God met den âH. Geest, zijn Trooster. O God hoe goed zijt Gij voor âhen die U volgen.quot; 2)
Dan, de beproeving was zijn deel. Wanneer het hem toescheen, dat alle smarten te zamen in zijne ziel waren vergaderd: kwellingen des harten en kwellingen des geestes, ontberingen, droefheden, zorg en kommer, dan ontving hij ze alle met liefde en Neef standvastig onder den last, dien God op zijne schouders legde.
âMejuffrouw Rosalie... Henriëtte werkt veel en alles âgaat wondergoed; nochtans blijft het kind steeds ziekelijk, le kruis. Alfons is nu bijna zes jaar oud en âofschoon ik mij volstrekt niet mag beklagen over het
1
') Siste Brief, Namen, (omstreeks Juni) 1854.
2
) 39ste Brief, Gent, den 6deri December 1S54.
202
âbezit van dezen kleinen ongelukkige, die na zijn kortstondig leven hier op aarde den hemel zal beërven, âzoo blijft het niettemin waar, dat dit kind ons veel âdoet lijden; 2e kruis.
âNog een derde kruis blijft mij over en ik bid U, âDierbare Zuster, het verhaal daarvan goed en met âevenveel geduld te lezen als dat der twee vorige: âdit kruis is, dat ik sedert twintig jaren ver van mijn â huisgezin verwijderd ben en thans nog geen hoop âzie schemeren, dat deze, onder menig opzicht zoo âdroevige toestand, een einde zal nemen. Er is hier âniet alleen sprake van eene reis, maar een geheel huis-âhouden moet worden overgevoerd; een huis voor 3, â(gt;, 9 personen gehuurd enz. Zal ik ü daarenboven âspreken. Dierbare Zuster in Jezus Christus, over meer âinwendige smarten? Doch waartoe zou het dienen? âIk weet het en ik kan er niet het minst aan twijfelen, âGij bidt voor mij en uwe gebeden aan de voeten van âHem, die goed en slecht weder geeft, zijn dikwijls âallerdringendst. Ga zoo voort, Waarde Rosalie; ter-âwijl Gij U bezighoudt met de kroon van een ander, âzult Gij voor U zelve den schoonsten diadeem van âonsterfelijkheid vervaardigen, dien Gij maar kunt âuitdenken.quot; 1)
Niets is schooner en verhevener in het oog der engelen, dan het schouwspel der deugd te midden van tien tegenspoed. Zij veredelt de ziel en schenkt glans en onvergelijkelijken luister aan hare schoonheid. God, die niemand beproeft boven zijne krachten, maar die kastijdt wie Hij bemint, schepte er behagen in zijn dienaar te overstelpen met alles wat een uitverkoren ziel als de zijne kan doen walgen. Tegelijk met
') 40ste Brief, Soningen, den 29sten December 1854.
203
inwendige smarten troffen hem lichamelijke kwalen en de soldaat, bevreesd dat zijne arme, onder den zwaren last steeds wankelende, natuur hem zal verraden, roept met meer aandrang dan ooit de hulp in der gebeden zijner vriendinnen in Jezus Christus:
âBeminde Zuster in Christus,quot; schrijft hij in een zijner laatste brieven, âmijne genezing houdt geen stand. âGod behandelt mij als een man, die een sterk en âonwrikbaar geloof bezit, en ik, ik kan niet anders âdan zuchten, weenen en klagen, zonder dat mijne âsmarten een weerklank schijnen te vinden in het hart âvan God. De hemel is voor mij als van staal. Maar âvan den anderen kant heb ik zooveel wonderen gezien, âdat de minste twijfel mijne ziel niet kan genaken. âCredo! (ik geloof). Het geloof is echter niet genoeg. âIk heb ook de hoop van Isaiic en de liefde van Jacob ânoodig en daaraan arbeidt de Heer thans in mijn binnenste. Intusschen gelijk eene moeder, wanneer haar âuur gekomen is, groote smarten lijdt, maar zich daarna âdes te meer verheugt, zoo is het ook met mij; ik âlijd verschrikkelijk totdat de nieuwe mensch in mij âgevormd zal zijn; doch dan zal mijne vreugde groot âwezen. Gij echter, mijne Zuster, Gij die ongetwijfeld âden toegang tot Jezus aanbiddelijk hart zoo goed kent, âbid vurig opdat ik steeds mijn uiterste best doe, den âmoed niet verlieze en gelukkig zegeviere. O Maria, âmijne Moeder.quot; 1)
In zijne nederigheid beschouwt Belletable zich zeiven als een laf en onhandelbaar mensch. En toch met welk een moed, met welk een algeheele overgeving stelt hij zich in de handen der goddelijke Voorzienigheid! Tot aan het einde zijner loopbaan had zijn gevoelige en teedere
') 41ste Brief, Gent, den 4den Februari 1855.
204
natuur voortdurend te strijden met kwellingen, die hem allerwegen overvielen.
De Christen ziet zich tijdens zijn leven vaak in toestanden verplaatst, even wanhopend als die der arme zeelieden te midden van den storm. Er komen voor hem soms oogen-blikken van angst, oogenblikken waarin hij, door allen verlaten, de gansche natuur onmachtig ziet om hem te helpen, alle menschelijke genegenheid niet in staat om hem te troosten. Er komen van die oogenblikken waarop bij geheel alleen, ongewapend en machteloos staat tegenover het lijden en waarop hij zijne eigene smart te voet zou willen vallen, ten einde haar om genade te smeeken! Waar zal hij alsdan hoop en troost zoeken? Als dapper en onvermoeid strijder van Christus, antwoordt Belletable ons door zijn voorbeeld: âIn God en God alleen!quot; In Hem zullen wij een zeker toevluchtsoord vinden te midden der hevigste smarten en der wreedste beproevingen. Het leven van dit toonbeeld eens Christens was gedurende de twintig jaren, die zijne bekeering volgden, slechts eene aaneenschakeling van lijden, hetwelk hij verdroeg met eene bewonderenswaardige overgeving aan Gods H. wil. Geloof, hoop en liefde waren de getrouwe gezellinnen van zijn pelgrimstocht door dit tranendal; zij hebben hem gesteund in den strijd, dooide gedachte aan het toekomstig leven en hem door duizenden hinderpalen been geleid op den weg die ten hemel voert.
NEGENDE HOOFDSTUK.
De Nederige.
ederigheid, gelijk liet woord reeds aanduidt, is iets wat ter aarde neigt. 1) 't Is eene deugd, die door de kracht des lichts, waarin God aan zijn schepselen openbaart wat Hij is en wat zij zijn. hen aanspoort zich te verootmoedigen. Wanneer er nu een godsdienst is, die den menscli verheft, dan is het zeker het Christendom. Na hem te hebben opgericht uit den afgrond, en het oorspronkelijke verval, waarin de zonde hem gestort had. verheft het hem tot den hemel en maakt als een god van hem. Maar hoe kan na dat alles de vernedering als een deugd beschouwd worden? Hoe kan zij het voorwerp zijn van een gebod voor eiken Christen? Om dit raadsel op te lossen, vergunne men ons een woord aan te halen van Lacordaire :
') Humilis dicitur quasi liumi acclivis (St. I^id. van Sevilla).
206
âIk acht hem een groot man, die afstand weet te âdoen van zich zeiven, al kende hij voor het overige âniets dan een heel gewoon ambacht.quot; Inderdaad, men herinnere zich slechts, dat de verschrikkelijkste van onze begeerlijkheden, de diepst ingewortelde, die is, welke ons aanzet om ons te verheffen, te verhoovaardigen; de nederigheid daarentegen is een licht dat deze neiging regelt en beteugelt. Onder den invloed van dat licht, waarin God ons eenerzijds de volheid zijner rechten, anderzijds onze volstrekte afhankelijkheid openbaart, doet de nederigheid ons onze aanmatigingen beperken en beteugelen. Op die wijze stelt zij ons op onze plaats, houdt ons in de orde en de waarheid. Ook het Evangelie leert ons voortdurend, dat de nederigheid eene noodzakelijke voorwaarde is om de genade te verkrijgen en boe wij ons tegenover God moeten gedragen. Deze verhevene deugd nu beeft Belletable op bewonderenswaardige wijze beoefend. Niet alleen legde hij zich toe op die nederige onderwerping, welke ieder schepsel aan God verschuldigd is, maar bij omhelst ook die ootmoe digheid, waardoor hij zich zeiven veracht, gedachtig dat hij een groot zondaar geweest is.
Zooals wij reeds zeiden, vereenigde de kapitein in zijn persoon al die schoone eigenschappen, welke de wereld bewondert en zoekt. De natuur had hem op wonderbare wijze met lichamelijke schoonheid begiftigd. Hij had eene edele houding, een breede borst, een open gelaat, een innemend voorkomen; geheel zijn uiterlijk droeg den stempel eener groote goedheid. Nochtans liet Belletable zich niets voorstaan op die uiterlijke gaven. Ver was hij verheven boven de ijdele glorie, die het kenmerk is van kleingeestige menschen en bekrompen zielen en die den mensch verkleint in plaats van hem te verheffen. Hij was te zeer verlicht en had te veel
207
zelfkennis om niet in te zien, dat Hij al die gaven aan Gods edelmoedigheid te danken had. In het hoofdstuk âde Echtgenootquot; haalden wij reeds deze woorden van den kapitein aan: âDe man is geschapen om te gebie-âden, de vrouw om te gehoorzamen. Vandaar dan ook âdat de vrouw zich gemakkelijker onderwerpt, dit ligt âin hare natuur.quot; En ziehier hoe hij zijne gedachte verder uitdrukt: âSchoon is het eene godvruchtige vrouw âte zien, maar is het niet veel schooner dit hoofd te âzien, thans zoo hoovaardig, dat zich buigt en godsvruchtig leeft?...quot; en wellicht om aan te toonen waarin hij al zijn eerzucht stelt, voegt hij er bij: âDe âHemel bereidt ons kronen, gevlochten door de handen âvan Maria. O mijne Moeder!quot; 1)
Behandelden de menschen hem met eenige onderscheiding, dan toonde hij daarin geen ijdel zelfbehagen, noch verhoovaardigde hij er zich over, maar bracht alles terug naar God. Duidelijk schittert zijne zedigheid in een brief, dien hij uit Roermond schreef, waar hij zich, bij gelegenheid van zijn terugkeer in het vaderland, met alle bewijzen van eerbied en genegenheid omringd zag: âIk heb hier een allerhartelijkst onthaal ontvangen,quot; schrijft hij. âMijne moeder, de overige leden mijner âfamilie te Roermond, mijn neef Timmermans, zijne âzuster, de eerwaarde heer Boermans, secretaris van den âBisschop quot;) omgeven mij en bereiden mij het eene feest
âna het andere____ O mijn God, moge dit alles strek-
âken tot uwe meerdere glorie! Mijn dankbaar hart âverlangt dit vurig.quot; :?)
Niets is stichtender dan de nederige gevoelens, welke de kapitein van zich zeiven koesterde. De diepe over-
') 33.ste Brief, Namen.
') Thans bisschop van Eoermond.
3) 3de Brief, Eoermond, Augustus 1852.
208
tuiging van zijne ellende en zijne geestelijke armoede was oorzaak, dat hij zoo dikwijls de gebeden zijner deugdzame vriendinnen verzocht. Ziehier in welke nederige bewoordingen hij haar schrijft: âZeg aan de H. Familie, âJezus, Maria, Jozef, mij datgene te geven wat ik haar âmet zooveel aandrang vraag. Dat zij vergete wie ik âben om alleen te denken aan God, die alle eer, alle âachting, alle zegening verdient; of liever dat zij zich âmijner onuitsprekelijke en tallooze ellenden herinnere.quot; 1) Is het te verwonderen dat Belletable, bestraald door dat helder licht, hetwelk hem zijne geringheid en nietigheid doet inzien, zich geheel en al onderwerpt aan Hem, die al de gebeurtenissen zijns levens regelt? Wat hem ook overkome, zoet of bitter, âGod wil hetquot; zegt hij tot zich zei ven. âGod wil het,quot; ziedaar zijn spreuk in lief en leed. Hij geeft zich onvoorwaardelijk over in de handen der goddelijke Voorzienigheid, die zijne ziel met eene zoete vreugde, met eene onuitsprekelijke kalmte vervult. Is hij verplicht de omstreken van Thielt te verlaten, dan schrijft hij aan zijne weldoensters: âTot â wederziens! God wil mij thans elders, hoe onwaardig âik ook ben een voorwerp te wezen van zijne heilige âVoorzienigheid. Of draagt die machtige en aanbidde-âlijke Meester geen zorg voor het nietigste wormpje? âEer en liefde zij aan dien God, die mijn hart verheugt.quot; -) Begiftigd met eene buitengewoon helderzienden blik in de wegen Gods, doorschouwde Belletable als instinkt-matig de wijze beweegredenen, welke den H. Geest aanspoorden om deze of die fout in eene ziel te laten en deze of gene beproeving aan eene andere over te zenden. Hierboven hebben wij reeds gezegd, hoe hij zich uitdrukte over zijn kind, dat moeite had om de spraakkunst te
') 7de Brief, Gent, den 3den September 1852.
2) 8ste Brief, Uent, den 3den September 1852 (bis).
209
leeren. âMaar ik begrijp,quot; voegt hij er bij, âdut haar âeene kleine vernedering nuttig is. God is zoo goed ! âAl zijne wegen zijn vol barmhartigheid! Tk heb een âversehrikkelijken nacht gehad.... Wellicht sta ik op âhet punt van eene groote weldaad te ontvangen. Tk âdoe mijn best om aan Gods verwachting te beantwoorden. Helaas, ik ben zoo arm en zoo zwak! Bid âmet vertrouwen voor mij.quot; r)
Voelt hij zich soms meer dan naar gewoonte door het gewicht zijner ellenden gedrukt, dan aanvaardt hij dien last zonder de minste ontevredenheid en draagt hem als een toeken zijner volmaakte afhankelijkheid aan God op. Hij zucht er over voor den Heer en acht het oogenblik gunstig, om hem zijne heilige liefde te vragen: âGoddelijke Verlosser, laat mij niet langer âkwijnen; geef mij Uwe liefde en ik vraag U niets âmeer. Helaas, ik ben nog altijd zoo arm en ellendig! âWat moet ik aanvangen? Ik vertrouw op U, o barm-âhartige God.quot; 2)
Zich zei ven beschouwde hij als den ellendigsten van allen. Nadat hij in zijn 1 ltlen brief deze vrome leugen aan het papier heeft toevertrouwd: âMijne vrouw is overigens veel beter dan ik,quot; tracht hij in zijn 13den de fouten te verontschuldigen zijner dochter, terwijl hij er tot zijne eigene vernedering bijvoegt: âIk voor mij, âik ben nog veel slechter dan dit kind, wijl mijne ânatuurlijke gebreken meer tijd gehad hebben om dieper âwortel te schieten.quot; :t)
Hoe meer God hem met gunsten overlaadt, des te meer vernedert hij zich, omdat hij zich die weldaden onwaardig acht. De kostbare gave der goddelijke liefde,
') 10de Brief, Soningen, den Sisten October 1852.
') 12de Krief, Kerstmis 1852.
3) 13de Brief, 16de April 1853.
bellmtable. u
210
welke hij in zoo hoogen graad bezit, verblindt hem geenszins en wijzigt niet in het minst de nederige gevoelens, flie hij van zich zeiven heeft. Maakt hij de genaden bekend, die God hem in zijn goedheid heeft geschonken, dan is het alleen om zijne dankbaarheid beter te kunnen niten. âZing, Dierbare Zuster in Jezus Christus, zing âden 112dcn psalm ') en blijf eenigen tijd in aanbidding âvoor het Allerheiligste Sacrament, God dankend en âden Allerhoogsten lovend, . . . wijl Hij zich gewaardigt âzijne oogen te vestigen op het geringste wat op aarde âbestaat, op zijn onwaardigen dienaar.... Mijn God! âhoe zal ik U prijzen! Mij dunkt dat men soms moeite âzal hebben om mij van uwe voeten los te rukken, âvooral wanneer ik in mijn geest de ontelbare en wellicht weergalooze weldaden overdenk, die Gij mij ge-âschonken hebt. Mijn God, wees voor altijd gezegend.quot; 1) Dan, wel verre dat die nederigheid den kapitein met wantrouwen of enghartigheid zou vervullen, vermeerderde zij veeleer zijne hoop. Gelijk een arme, die met meer aandrang bedelt, naarmate hij meer honger heeft, smeekt ook Belletable de goddelijke liefde met des te meer vurigheid af naar gelang hij er zich meer van beroofd wTaant : âBid God met veel ijver,quot; schrijft hij, âopdat Hij mij nu bekeere, want het valt mij thans âharder dan ooit Hem nog niet te beminnen. O, wilde
1
Do naam des Heeren zij gezegend, van nu af tot in eeuwigheid.
211
âde goede God nu eens komen, mij dunkt, Hij zou ,7.00 goed in mijne ziel ontvangen worden, want nooit .voelde ik mij armer en ellendiger dan op dit oogen-;;blik. Het is waar, weldra zou de overvloed mij mijnen âweldoener doen vergeten; dit meen ik althans met âgrond te moeten veronderstellen, want mijne zwakheid âis buitengewoon groot.quot; 1)
Te midden zijner zwakheden en zijner diepe ellende, gelijk hij ze noemt, richt hij zich in eene zoo kinderlijke en vertrouwvolle taal tot God, dat zij ons aan de schoonste bladzijden der gewijde Boeken herinnert. Als een andere Job waagt hij het zijne klachten en zijne teedere verwijtingen aldus uit te spreken: âWaarom laat Gij U âzoo lang smeeken, o Heer? Handel met mij gelijk âJozef weleer zijne schuldige broeders behandelde en âik zal nog een der uwen zijn en onder het getal uwer âgelukkige uitverkorenen gerekend worden. Wanneer Gij âmij bekeerd hebt. Heer, en ik U in alles zoek en de âmenschen mij vragen, waarom ik mij zoo beijver om âU te behagen, dan zal ik hun antwoorden: God âheeft mij door een werk zijner oneindige barmhartig-âheid geroepen om Hem te dienen; Hij zelf geeft mij âdien ijver, waarover gij u verwondert en die ook mij âverbaasd doet staan, want ik was arm en naakt en âde Gever aller gaven heeft Zich gewaardigd mij met âzijne aanbiddelijke handen te dekken.quot; 2) De deugden zijn onderling zusters, zij zijn onderling verbonden en versterken elkander. Dusdanig zijn in Belletable de nederigheid en het vertrouwen. Wij vinden ze steeds in hem vereenigd. De altijd helderder kennis, welke het geloof hem van zijne geestelijke armoede geeft, wel verre van zijn moed te verzwakken, vermeerdert in
') 19de Briof, Namen, don '29stcn September 1853.
*) 20ste Brief, den 16den October 1853.
212
hem met een steeds grooteren afschuw voor eene dwaze 1 hoovaardij de gevoelens van een teeder en grenzenloos 1 vertrouwen op God. Nooit wordt hij moede de hulp, | de genade, de liefde, de volmaakte vereeniging met zijn | Goddelijken Meester af te smfieken; âMijn Heer en | âmijn God, Gij weet wat wij noodig hebben. Toon ons | âuwe barmhartigheid. Weg met den hoovaardige, die [; âzich inbeeldt, dat hij ergens recht op heeft. Maarl âwaarom zoude ik ook niet oneindig veel van Gods | âbarmhartigheid verwachten? De Hemel kent geen | âaanzien des persoons. Al kan ik dan ook geen genade 1 âverwerven, die niet voor mededeeling vatbaar is, onge- ; âtwijfeld kan ik toch een genade verkrijgen, die zeker ;
âheilig maakt..... Wie zal er U een verwijt van 1.
âmaken, Heer, dat Gij barmhartigheid jegens mij âgeoefend hebt? De hinderpalen voor uwe genade in | âmij verfoei ik van nu af aan, en ik bid U ze zonder i âmededoogen in mij te vernietigen. Ik zal niet ophou-âden te klagen, zoolang ik niet geheel aan U ben. âAmen.quot; 1)
Zijne nederigheid is zoo degelijk en zoo oprecht, dat hij zich bedroefde over de al te goede meening, die men van zijne godsvrucht kon hebben. Hij is bevreesd voor zelfmisleiding, die altijd trouweloos en bedrieglijk is, en verlangt niets dan vergetelheid, vernedering en verachting.
âHelaas,quot; roept hij uit, âzal ik dan nooit in Gods âtegenwoordigheid wandelen? Ik ga vooruit, maar het âis of ik wandel in het slijk. Zeg daarom aan den âMeester, dat Hij mijne voeten wassche en daarenboven âhet hoofd en het hart.
âMij dunkt dat ik nooit tevreden zal kunnen zijlij
') 21ste Brief, Namen, den 8sten December 1853.
213
âdan wanneer ik geheel en al rein zal wezen. Geloof âmij, en ik zeg n dit aan het einde van mijn brief, âopdat Gij het des te beter zondt blijven gedenken. âIn uwe liefde voor mij laat Gij U grootelijks misleiden, âwanneer Gij meent dat ik God vurig bemin. Ik gevoel âechter, dat ik het wel ooit zoo ver zou kunnen brengen, j âvooral wanneer Gij mij helpt door uwe vurige gebeden.quot; 1) En bij eene andere gelegenheid schrijft hij aan mejuffrouw Melanie: âHoe hooger men staat, hoe zwaarder âval men te duchten heeft, niet waar. Dierbare Zuster ? âDit zal ons echter niet beletten van altijd op God âte vertrouwen.quot; 2)
Vrij van alle blind zelfbehagen, acht Belletable zich onbekwaam om ook maar het minste goed te verrichten; zijne vurige gebeden acht hij zoo onwaardig, zoo armzalig, dat hij het niet door woorden kan uitdrukken.
âStel geen vertrouwen in mijne gebeden,quot; schrijft hij, âwant zij schijnen mij zoo zwak, dat ik u geen gedachte âer van zou kunnen geven.quot; 3)
God weigert nooit diegenen te verhooren, welke hem met vertrouwen en nederigheid bidden. Getroffen door de dringende en volhardende smeekingen van zijn nederigen dienaar, zendt God een straal van zijn licht en zijne genade op hem af, om zijn hart als door een schicht zijner liefde te doorboren. Wij eindigen de aanhalingen over deze stof met eene laatste liefdevolle overweging aan zijne brieven ontleend.
âGod wil mij tot zich trekken,quot; zegt hij, âwant Hij âheeft mij zijne liefde doen kennen, zoodat ik mij zei ven âniet meer kan beschouwen zonder diep vernederd te âworden.quot; 4)
1
') 258te Brief, Namen, begin van Februari 1854.
2
) 33ste Brief, 24 Augustus 1854.
3
s) 28ste Brief, Namen, den 20sten April 1854.
4
'j 34ste Brief, Namen, den 27sten Augustus 1854.
214
Deze uittreksels der brieven van den kapitein herinneren ons een woord, dat men van den eerbiedwaar-digen Pastoor van Ars zeide: .Hij is niet geleerd maar verlicht.quot; Zoo ook komt ons Belletable voor, vooral in dit hoofdstuk.
Ofschoon hij geen volmaakt godgeleerde is, heeft hij ons toch vroeger reeds verwonderd doen staan door zijne diepe kennis van het godvruchtig leven. Uit de laatste bladzijden die wij aanhaalden, blijkt evenwel duidelijk dat hij zeer verlicht was en dat licht was vooral levendig, helder, hemelsch, als hij zich beschouwde als schuldige, als zondaar en bekeerling. De zondaar is een laag, verachtelijk wezen, hij moet zich schamen voor God en voor zich zeiven.
Ziedaar wat Belletable begreep, wat hij duidelijk zag in een zoo helderen lichtglans, dat het niet aan iedereen gegeven is, dien te genieten. Vandaar zijn laatste woord; âGod wil mij tot zich trekken, want Hij heeft mij zijne âliefde doen kennen, zoodat ik mij zeiven niet meer kan âbeschouwen zonder die}) vernederd te worden.quot;
^â¢)
TIENDE HOOFDSTUK. De Heilige.
at is een heilige ? Beantwoorden wij die vraag met een kortverhaal. Fn 1847 bezocht Belletables vriend, pater Dechamps, den eerbiedwaardigen Pastoor van Ars, het wonder van zijn tijd. De man Gods stelde hem aanstonds de vraag: âWie zijt gij?quot;' waarop de bescheiden Redemptorist eenvoudig antwoordde: â Ik ben religieusquot;. âReligieus,quot; hernam de heilige Priester, âdat wil zeggen: geheel aan men den toekomstigen Kardinaal bij zijn België vroeg, wat hij over den Pastoor van Ars dacht, schilderde hij hem in één trek met deze woorden: âHet is een man zonder eigenliefde!quot; Deze twee antwoorden, die elkander aanvullen en die wij hier te zamen voegen, geven ons de beschrijving van een heilige, 't Is een man, die geen eigenliefde meer bezit en geheel aan God toebehoort.
Dat nu was Belletable op den leeftijd van veertig jaren.
216
gelijk mejuffrouw Rosalie Van Biervliet, stichteres, eerste overste eu novieenmeesteres van het Instituut der H. Familie getuigt. Ziellier, hoe zij zich daaromtrent uitdrukt in een brief, dien zij in Juni 1S56 aan eene jonge-dochter schreef, welke hare opname vroeg in het noviciaat te Thielt: . De eerste Zondag van Juli is het âhet feest der H. Familie. 1) Dit zal ook eenmaal het âonze zijn, wanneer het aan de goddelijke Voorzienigheid âzal behagen deze weldaad tot de gansche christenheid âuit te strekken, eene gunst die wij voortdurend aan âde goddelijke barmhartigheid vragen en die ons voorzegd werd door ccn heiliye, die voor enkele maanden âgestorven is.quot;
Reeds in 1852 schreef mejuffrouw Rosalie in haar dagboek; â7 Februari. Heden hebben wij een gedeelte âvan den dag doorgebracht met onzen heiligen vriend, âden heer Belletable.quot;
Zonder eenig voorbehoud stemmen wij in met dien naam van âhciluje,quot; aan den kapitein toegekend, als wij een H. Bernardus, door den H. Alphonsus aangehaald, hooren zeggen, dat een standvastig streven naaide heiligheid reeds de heiligheid uitmaakt. 2) Overigens zullen wij in dit hoofdstuk dezen titel trachten te rechtvaardigen.
1°. Om heilig te worden moet men het eerst en vooral verlangen, moet men het willen. âZalig zij die âhongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij âzullen verzadigd worden.quot;
') Hier wordt gezinspeeld op het feest der Aartsbroederschap van de H. Familie te Luik, hetwelk op dien dag was vastgesteld door eene bisschoppelijke beslissing van Mgr. van Bommel, bisschop van Luik.
Brief aan mej. Jullie X .. . een der eersten, die in het Instituut wenschte opgenomen te worden. Zooals bekend is, stelde Z. H. Leo XIII gemeld feest ter eere der H. Familie Jezus, Maria en Jozef voor de gansche Kerk in.
3) Jugis conatus ad perfectionem perfectio reputatur.
217
Als een andere Daniël was ook Belletable een man van verlangens en zijne briefwisseling zal ons toonen, hoever hij die verlangens uitstrekt en welk toppunt hij voortdurend wenschte te bereiken.
In Augustus 1852 ondernam de kapitein eene reis naar Holland, zijn vaderland, welke reis een ware bedevaart voor hem Avas. Te Roermond bezocht hij verschillende heiligdommen, met name dat van het mirakuleuze beeld van O. L. V. in 't Zand en bewonderde vervolgens het klooster te Heythuisen, waarvan hij den oorsprong en de wonderbare uitbreiding beschrijft. Uit Roermond nu schreef hij aan mejuffrouw Rosalie: âBid âvoor mij, opdat mijne reis mij nuttig zij, want het âverveelt mij niets te doen voor God, mijn grooten âweldoener en mijne vreugde.quot; ')
Te Gent teruggekeerd schrijft hij aan dezelfde: âMeer âdan ooit ben ik tot alles besloten om de liefde Gods âte verkrijgen, want zonder deze kostbare hemelsche âgave, weet men niet waar men gaat.quot; 1)
De heilige verlangens zijn derhalve voor hem de zalige vleugelen, waarmede hij zich boven de aarde verheft en opvliegt tot het toppunt der volmaaktheid. âHelaas! duizendmaal helaas!quot; roept hij uit, âZullen âwij dan nooit een God beminnen, wiens grootheid en âvrijgevigheid het heelal verkondigt?quot; 2)
Hetzelfde vurig verlangen, door den H. Geest in hem opgewekt, vergezelt hem naar Namen, vanwaar hij de volgende regelen zendt: âHelaas, mijn God en mijn âVerlosser, ik wilde dat wij heilig waren. Is er dan âgeen geneesmiddel meer voor onze kwalen? Maak mij
1
') 3de en 4dc Brief, Augustus 1852.
2
) 6de Brief, Gent, September 1852.
} 9de Brief, Gent, den 28sten September 1852.
218
âheilig, Heer. Aan U zij daarvoor alle eer en glorie. âAmen.quot; 1)
Hij hongert en dorst naar de heiligheid, koestert er een onverzadigbare begeerte naar, en weet altoos nieuwe uitdrukkingen en verzuchtingen te vinden om haar te vragen. âO Jezus, o Maria, Gij kunt mij geheel tot U ,, trekken, ik bid U, doet het. Wie zal het U als een âgrief aanrekenen, dat Gij mij barmhartigheid getoond âhebt? De beletselen voor uwe genade, die zich in mij âvoordoen, verfoei ik van nu af aan en ik bid U ze âzonder mededoogen in mij te vernietigen. Zoolang ik âniet geheel aan U ben, zal ik niet ophouden te klagen. âAmen.quot; 2)
Wanneer het verlangen om te overwinnen reeds een groot gedeelte van de overwinning uitmaakt, gelijk de heilige Laurentius Justinianus zegt, dan begrijpt men dat de dienaar Gods den palm der heiligheid heeft behaald.
De feesten der Kerk verlevendigden insgelijks in hem zijne vurige verzuchtingen naar Gods liefde; âDat de âhemel zich opene,quot; schrijft hij omstreeks Kerstmis, âen dat hij den Rechtvaardige bij uitnemendheid in âonze arme zielen doe nederdalen.... Anderen hebben âzich zoo innig met U vereenigd, o Heer, waarom zou âik het niet kunnen?quot; 3)
In de maand Juni van het volgend jaar geeft de godsvrucht tot het H. Hart hem dit gebed in, hetwelk men aan een H. Alphonsus zou toeschrijven; âHelaas, helaas. Heer Jezus, zal ik U dan nooit bemin-ânen? Druk mij zoo in waarheid aan uw aanbiddelijk âHart, als Gij waarlijk tegenwoordig zijt op onze alta-
') 19de Brief, Namen, den 29sten September 1853.
v) 21ste Brief, Namen, den 8sten December 1853.
) 23ste Brief, Namen, einde December 1853.
219
âren. Hoe gaarne zoude ik geheel en al aan U zijn, âo Heer! Alles walgt, alles drukt mij, uitgenomen aan âU te denken en U te beminnen, o mijn God.quot; 1)
2°. Om heilig en geheel en al aan God te zijn, is het niet genoeg zulks te verlangen, men moet het ook vragen. Het gebed is daarvoor een noodzakelijk vereisehte en vandaar, dat al de verlangens van den kapitein den vorm aannemen van een gebed; vandaar dat hij zelfs de gebeden zijner vriendinnen tot dat einde vraagt. Laten wij enkele dezer vrome aanzoeken mededeelen: âZuster Rosalie,quot; schrijft hij, âbid van tijd tot tijd âvoor mij, opdat ik mijne plichten hier op aarde nauwgezet vervulle. Zoo doende zal de dood mij steeds âbereid vinden, gereed om alles te verlaten ten einde âmij te vereenigen met mijn God, dien ik zoo dikwijls âbeleedigd heb en die thans de armen tot mij uitstrekt.quot; 2) Veertien dagen later herhaalt hij zijne smeekingen aan mejuffrouw Melanie. âDierbare Zuster, bid voor mij âmet verdubbelden ijver. Misschien hangt het van U âaf, dat de vereeniging met Jezus, waarnaar ik zoo vurig âhaak, tot stand kome. Vraag ook, dat de andere dames, âuwe zusters van Ste Marie, voor mij bidden. Spreek âeindelijk ten beste voor mij bij de H. Theresia die U, ânaar het mij toeschijnt, veel moet beminnen.quot; 3)
Na bij mejuffrouw Melanie aangeklopt te hebben, meldt de kapitein zich enkele maanden later weder aan bij mejuffrouw Rosalie, om haar nogmaals met zijne heilige aanzoeken lastig te vallen. âGij allen zijt wel âgoed,quot; zegt hij, âmet zooveel voor mij te bidden. Vergeet âniet de gave des gebeds voor uwen dienaar te vragen, âwant ik word gewaar, dat ik nog niet goed genoeg
') 31ste Brief, Namen, Juni 1854.
8) 9de Brief, Gent, den 28sten September 1852.
8) 20ste Brief, Namen, den 16den October 1853. »
220
âkan bidden en dat ik mijne kleine bezigheden niet âgenoeg door gebeden weet te kruiden. Dit is een groot âgebrek, dat ik wel laat in mij bespeur...quot;1)
Zooals men ziet, verwachtte deze ware Christen in het werk zijner heiligmaking alles van Gods genade en van het gebed, hetwelk die genade overvloediger over de ziel aftrekt, naarmate zij God meer lastig valt. Hij weet, dat de onderneming de krachten van de natuur te boven gaat en dat hij op zich zeiven niet kon vertrouwen, maar dat hij steunen moest op de verdiensten van Jezus Christus en op de hulp zijner genade. Ziehier hoe hij zelf die schoone leer uiteenzet: âZal ik U, âmijn God, dan nooit op aarde beminnen? Zal het mij âmoeten vergaan gelijk den meesten menschen, die met âgebogen hoofd den weg des levens bewandelen, weldra âstilstaan en de oogen sluiten voor het licht zonder te âweten wat er van hen geworden zal en die verschrikt âdoor de schaduwen des doods, schier geen hoop meer âhebben? O neen, moge dit niet gebeuren! Heer, zeker âzult Gij mij verstooten, wanneer Gij slechts acht geeft âop mijne verdiensten. Maar Gij, o mijn God, zijt vol-â komen onafhankelijk. Gij kent geen aanzien van personen; âhieruit volgt dat Gij volmaakt in staat zijt om barm-âhartigheid met mij te oefenen, zonder dat hemel of âaarde zich tegen uwe beslissing kunnen verzetten. Vol âvertrouwen op Jezus Christus, op zijn kruis en lijden, âop de verdiensten van Maria, altijd Maagd en Moeder âvan onzen Verlosser, op haar die zooveel aandeel heeft âgehad in de liefde en het lijden van haren goddelijken âZoon, vertrouwend daarenboven op de verdiensten van âden H. Jozef, den Bruidegom van Maria, op de H. âTheresia van Jezus en den H. Antonius van Padua,
quot;) 25ste Brief, Namen, den 3den Februari 1854.
221
âdat wonder van Gods werken, smeek ik u, o Heer, âdat Gij mij de liefde tot het kruis, en het kruis der âliefde geeft en het altoos in mij bewaart. Gij weet, o âVader, wat mij dienstig is. Zie mij hier aan uwe âvoeten. Toef niet, want de dag mijns levens neigt reeds âten ondergang. Al werkende beminnen zou mij zoo âaangenaam zijn en hoe gelukkig zou ik dan sterven.quot;' 1) Wie zou dit verheven gebed, zoo vol zin en geleerdheid, zoo vol kennis van het geestelijk leven, niet bewonderen?
âHelaas, mijn verlosser,quot; roept hij elders uit, âik âben altijd arm en ellendig. Wat moet ik aanvangen? âIk hoop op U, barmhartige Meester, laat niet toe âdat ik in mijne verwachting teleurgesteld worde; Gij âhebt mij de heiligheid en eene groote liefde ver-âdiend.quot; 2)
3°. Moet men om heilig te worden het verlangen en het vragen, zooals wij zeiden, wij moeten ook, en dit is niet zoo gemakkelijk, de eigenliefde uitroeien, den ouden menseh kruisigen.
Belletable wist het, daarom ook vroeg hij âde liefde des kruises en het kruis der liefde.quot; Inderdaad de liefde tot God is een kruis, want zij ontdoet ons, niet zonder smart van alle gehechtheden en van ons zeiven; beminnen is zich geheel geven, beminnen is zich zeiven slachtofferen.
De kapitein had te meer reden dit hoofdbestanddeel der heiligheid niet te miskennen, wijl hij een groot zondaar geweest en op den dag zijner bekeering van zeer ver tot God was teruggekeerd. Hij moest een heilig boeteling wezen. Dit begreep, dit wilde hij ook. Sedert hij God beminde, kon hij niets anders meer beminnen en had hij geen andere zorg dan in die liefde vooruit
1
') *20ste Brief, 16 October 1853.
2
) 12de Brief, Kerstmis 1852.
222
te gaan. Luisteren wij nogmaals naar zijne innigste verzuchtingen: âHet is waar, o mijn God, dat ik U âvroeger beleedigd heb, doch ik verfoei dat verleden ; âik wil uwe liefde en niets dan uwe liefde, nu en altoos. âAmen.quot; 1)
Eenige dagen later, op het feest der Onbevlekte ontvangenis, schreef hij: âJezus op het kruis met het âhoofd O]! de goddelijke borst, Jezus weenend en âbiddend, en Gij. o Maria, die zulk een groot aandeel âin den dood en de liefde van den Verlosser der men-âschen gehad hebt, geeft dat deze dag voor ons zij âals de dageraad van den dag der eeuwige gelukzalig-âheid. Geeft dat ik geheel aan U zij.quot; 2)
Het is duidelijk, dat de H. Geest zijn leerling voert naar den Calvarieberg: zijn weg is de weg des offers. Nochtans onttrekt Hij hem niet al zijne goddelijke vertroostingen: âIndien het waar is,quot; schrijft Belletable, âdat de goede God er sinds korten tijd behagen in âschept mij allen steun te ontnemen : dan is het ook âwaar, dat de genade mij nu en dan uren verschaft âvan eene zoete rust in den Heer. De aardsche mensch âsterft, de geestelijke mensch verrijst, herleeft, opent âde oogen voor het licht des hemels, zijn hart voor âde hoop op de blijvende goederen en de liefde van âzijn God.quot; 3)
4°. De Christen eindelijk, die den berg der heiligheid bestijgt, heeft een voedsel noodig dat zijne krachten herstelt. Dat voedsel vindt hij aan de Communiebank. De verloren zoon, tot zijn vader teruggekeerd, komt er naast de reine maagd moed scheppen om aan de aan-lokselen der wereld en des vleesches te weerstaan.
D 23ste Brief, 1853.
=) 21ste Brief, Namen, 8 December 1854. ) 24ste Brief, Namen den SOsten Januari 1854.
223
De kapitein kent het tweevoudig brood, waaraan zijne uitgehongerde ziel behoefte heeft; het hemelsch brood der H. Communie en het brood van Gods woord. Dagelijks dan ook voedt hij er zich mede, gelijk wij zien uit sommige vurige samenspraken in zijne brieven: âMijn God, hoe gelukkig zouden wij zijn als wij âgeheel aan U toebehoorden! . . . want zoodra ik een âweinig smaak van dat waarachtig geluk, dat de heilige âCommunie soms schenkt, dan zou ik mij in stilte âwillen terugtrekken om slechts voor U en met U te âleven. Wat zou het dan wezen, wanneer men tijdens âden arbeid de beschouwing uwer liefde tot het dagelijksch âbrood der ziel kon maken, met andere woorden, als âmen geheel met U vereenigd was?quot; 1)
âIk communiceer,quot; schreef hij eens op Kerstdag, âen âmijn hart verwijdt zich; het is grooter dan de wereld, âwijl het zijn Heer en God bevat. O mijn Zaligmaker, âik bid en smeek U, laat mij niet langer kwijnen; geef âmij uwe liefde en dan vraag ik U niets meer.quot; 2)
Dezelfde vrucht, die hij zelf trekt uit de heilige Communie, doet hij ook hopen aan een ziel, welke door lijden gekweld wordt: âZeg tot God: âHier ben ik, âHeer, ik zal uwen wil volbrengen,quot; â en uwe Com-âmuniën zullen als een vuur worden, dat alles verslindt âwat niet voor den hemel is.quot; 3)
âIk nader zoo dikwijls tot de H. Tafel,quot; schrijft hij verder aan zijne weldoensters, âdat het volstrekt niet âmoeilijk is van tijd tot tijd eens eene heilige Com-âmunie op te dragen voor mijne beste vriendinnen van âïhielt.quot; 4)
1
') 23ste Brief, Namen, December 1853.
2
) 12de Brief, Kerstmis 1852.
3
) 28ste Brief, 20sten April 1854.
4
) 16de Brief, Nieuwpoort, lOden Augustus 1853.
224
Communiceert de kapitein dikwijls, dan doet hij dit uit beginsel; hij is overtuigd dat de veelvuldige Communie goed ontvangen het geheim bevat der kracht van een christen. Ook hebben wij gezien, dat zijne dochter, volgens zijne meening, te weinig communiceerde
Niet minder dan naar het brood der H. Communie, is Belletable begeerig naar het brood van Gods woord. Overal waar de Voorzienigheid hem voert, is hij vergezeld van zijne âgeliefkoosde schrijvers,quot; vooral van de H. Schrift, die het woord Gods bevat. Belletable maakt er zijn voedsel van, hij is er geheel en al van doordrongen; zijn geestelijk leven is er dermate van doortrokken, dat hij de waarde van tal zijner brieven verhoogt door welgekozene aanhalingen uit het Oud en Nieuw Testament.
Dat brood van het goddelijk woord vraagt hij ook aan de gewijde redenaars, die door God gezonden zijn om het aan de geloovigen te breken. In de verschillende garnizoensplaatsen, waar Belletable aankomt, stelt hij zich op de hoogte van den stand van zaken en zoekt geen schouwburgen, sociëteiten en herbergen, maaide kerken waar hij kan hooren preeken. Te Namen gaat hij bij voorkeur naar de kerk van den H. Joannes den Dooper, waar de H. Familie gevestigd is, en naaide Paters Franciscanen, onder welke hij verschillende vrienden telt. üit deze stad schrijft hij aan mejuffrouw Rosalie:
âDe H. Familie gaat zeer goed. De eerwaarde heer âMasson, kapelaan der Sint-Joannes den Dooper is âbestuurder en uw dienaar heeft het geluk er geregeld âiedere week de oefeningen bij te wonen. Ik doe-mijn âbest om er eenig uitgelezen stukje op te vangen.quot; 1)
1
) 31ste Brief, Juni 1854.
MosUiMent van H. Belletable in de St, Maktinuskerk te Veneo (1882).
Zi!â¢: I;I,.AI)Z. 21».quot;5.
224
Communiceert de kapitein dikwijls, dan doet hij dit uit beginsel; hij is overtuigd dat de veelvuldige Communie goed ontvangen liet geheim bevat der kracht van een christen. Ook hebben wij gezien, dat zijne dochter, volgens zijne meening, te weinig communiceerde
Niet minder dan naar het brood der H. Communie, is Belletable begeerig naar het brood van Gods woord. Overal waar de Voorzienigheid hem voert, is hij vergezeld van zijne âgeliefkoosde schrijvers,quot; vooral van de H. Schrift, die het woord Gods bevat. Belletable maakt er zijn voedsel van, hij is er geheel en al van doordrongen; zijn geestelijk leven is er dermate van doortrokken, dat hij de waarde van tal zijner brieven verhoogt door welgekozene aanhalingen uit het Oud en Nieuw Testament.
Dat brood van het goddelijk woord vraagt hij ook aan de gewijde redenaars, die door God gezonden zijn om het aan de geloovigen te breken. In de verschillende garnizoensplaatsen, waar Belletable aankomt, stelt hij zich op de hoogte van den stand van zaken en zoekt geen schouwburgen, sociëteiten en herbergen, maaide kerken waar hij kan hooren preek en. Te Namen gaat hij bij voorkeur naar de kerk van den H. Joannes den Dooper, waar de H. Familie gevestigd is. en naaide Paters Franciscanen, onder welke hij verschillende vrienden telt. Uit deze stad schrijft hij aan mejuffrouw Rosalie:
âDe H. Familie gaat zeer goed. De eerwaarde heer âMasson, kapelaan der Sint-Joannes den Dooper is âbestuurder en uw dienaar heeft het geluk er geregeld âiedere week de oefeningen bij te wonen. Ik doe*mijn âbest om er eenig uitgelezen stukje op te vangen.quot; 1)
1
) 31ste Brief, Juni 1854.
Monument van H. Bellet able in de St. Maktim'skekk te Venlo (1882).
/IE 151.ADZ. 29.5
1
âU
âW{
»va
âhe
âda ]
âto
»va ]
âba
âbe »m 1
Nit van in
,G âM
âWi
âst J)1
\VI
*V( , ar âzi
,Zâ¬
zijr de
') 2) s) ') m
225
Vijf maanden later schrijft hij aan dezelfde; âIk bid âU, mejuffrouw Melanie te willen zeggen dat pater â Rykers, Redemptorist, die op dit oogenblik liier preekt, âwaarlijk een gulden mond is. Hij behoort tot het klooster
âvan Luik____ Vandaag is er gesproken over de Aller-
âheiligste Maagd Maria. Mijne moeder Maria is niets âdan liefde en Jezus kan haar niets weigeren.quot; 1)
In Januari schreef hij reeds: âPater Busine, Redemp-âtorist, heeft de retraite gegeven aan de H. Familie âvan Namen. Alles is goed afgeloopen, vooral voor mij.quot; 2) Nog uitdrukkelijker schreef bij uit Nieuw poort: âDier-âbare Zuster, pater Renand, Redemptorist, zal U doen âbeven. Zijne welsprekendheid is streng en soms vol âmajesteit. Evenwel is hij alleen streng voor zich zeiven.quot; 3) De H. Geest deelt zijne genaden uit waar Hij wil. Niet alleen het gesproken woord Gods voedde de ziel van Belletable, maar ook datzelfde woord drong somtijds in zang als een heldere lichtstraal in zijn binnenste door. âGisteren,quot; schrijft hij, âheb ik eene gezongene heilige âMis bijgewoond. Jezus, het slachtoffer zonder vlek âwas op het altaar en de priester zong met krachtige âstem; Pater noster, qui es in coelis, enz. Een oogen-âblik meende ik, dat ik Jezus zelf hoorde zingen en ik âwerd tegelijkertijd diep geroerd en van verwondering âvervuld... O Lam zonder vlek. bid, bid voor ons. âarme zondaars !... Wanneer men bij U het Pater noster âzingt, Dierbare Zuster, stel U dan eens voor dat Jezus âzelf zingt...quot; 4)
Als men den vromen kapitein op die wijze dikwijls zijne ziel ziet voeden met dat tweevoudig brood; met de H. Communie en met bet woord Gods, dan ver-
') 35ste Brief, 21 October 1854.
a) 24ste Brief, Namen, den 30sten Januari 1854.
s| 15de Brief, Nieuwpoort, den 5den Juni 1854.
*) 39ste Brief, Gent, den 6den December 1854.
BELLETABLE. 15
226
wondert men zich niet meer, dat hij de gave der beschouwing bezat en dat hij, naar het voorbeeld dei-Heiligen, het vaak zoo harde en bittere brood at van Gods wil. Met den goddelijken Meester kon hij zeggen: âMijn voedsel is het den wil te doen van Hem, die âmij gezonden heeft.quot; Wij behoeven daarvoor geen ander bewijs dan deze weinige regelen, die wij reeds uit zijne brieven hebben aangehaald: âDierbare Zuster,1) bid opdat âik mij nu eindelijk eens geheel en al aan Gods wil âonderwerpe, want ik beken dat mijn moed dikwijls âbezwijkt als ik mijn bitteren lijdenskelk beschouw.quot; 2) Die lijdenskelk mocht niet voorbijgaan voor hem, die zoo vurig naar heiligheid haakte. Het leven van den kapitein draagt duidelijk het kenmerk der voorbeschikking, dat Fénélon aldus beschrijft: âDe toekomstige bewoner der heilige stad draagt in het diepste zijns harten een voortdurend Flat, een aanhoudend Amen.quot; God schonk de genade aan Belletable om dit Fiat voortdurend uit te spreken in de hevige beproeving, die alle andere zal bekronen, in het aanschijn van den dood, die hem in het midden zijner krachten, op 43-jarigen leeftijd verscheen. Herinneren wij nog deze bewonderenswaardige woorden: âZou mijn laatste uur aanbreken? âIk durf er niet aan denken. Evenwel ziet men zooveel âvoorbeelden van huisvaders, wier leven kostbaar is âen die toch door den dood van deze aarde worden .weggerukt. Heer! verwijder dezen kelk van mij, doch âniet mijn wil, maar uw Wil geschiede.quot; 3) â Zoo spreken de Heiligen.
1
') Mej. Rosalie,
2
) 24ste Brief, Namen, den 30sten Januari 1854.
3
'j 469te en laatste Brief, Hoei, den 22sten Augustus 1855.
ELFDE HOOFDSTUK.
De Dienaar van Maria.
elletable vereerde de allerheiligste Maagd Maria met waarlijk kinderlijke godsvrucht. Sedert den dag zijner bekeering, waartoe zij zooveel had bijgedragen, stelde hij er den grootsten prijs op haar te vereeren, haar zijne toegenegen hulde te brengen en haar dagelijks bewijzen te geven van zijne dankbare godsvrucht. Tot haar, als tot eene haven des heils, richtte hij in alle noodwendigheden zijne blikken; tot haar nam hij zijne toevlucht in ziekten, in de wederwaardigheden en beproevingen, die hij te doorstaan had; aan hare machtige bescherming schreef hij al de overwinningen toe, die hij op zich zeiven en op de hel behaalde.
Doordrongen van deze degelijke en teedere godsvrucht, kon het schier niet anders of de vrome officier moest de trouwe uitdrukking der gevoelens, die zijn hart over-
228
stroomden, aan het papier toevertrouwen. Zijne godvruchtige en overigens reeds zoo belangwekkende brieven bezitten dan ook eene nieuwe aantrekkelijkheid voor de kinderen van Maria. Wij meenen hun daarom een dienst te bewijzen, hen te stichten en een zoet genot te verschaffen door in dit hoofdstuk eenige uittreksels dier brieven aan te bieden, welke geenszins misplaatst zouden zijn in het gulden boek der âHeerlijkheden van Maria7'. Iedere bladzijde, waar Belle-table spreekt over de allerheiligste Maagd, ademt een teederen en diepen eerbied voor Haar, wier goedheid en grootheid hij bewondert. Men oordeele : âWat moet âeen koninkrijk van kinderen schoon zijn,quot; schrijft hij in Mei 1852, âen welk een eerbied, welk een vreugde âmoet er heerschen als Maria zich door deze edele âscharen voortbeweegt! . . . . Maar waartoe onze verbeelding afmatten, daar het oog nooit gezien heeft âwat God aan zijne uitverkorenen voorbehoudt.quot; 1)
Toen hij eens te Roermond zijn verloftijd doorbracht en daar eene bedevaart deed naar Onze Lieve Vrouw in het Zand, deelde hij zijne godvruchtige indrukken volgenderwijze mede : âTerwijl ik gisteren mijne gebeden âstortte in de kapel van Onze Lieve Vrouw, op twin-âtig minuten afstand van de stad, dacht ik met genoegen aan mijne dierbare zusters in Jezus Christus: Rosalie, Henriëtte, Virginie, Constance en Melanie en âbad ik voor haar met groote innigheid en teederheid. âOok dronk ik daar een weinig water uit den put, die âzich in de nabijheid bevindt. Eene godvruchtige legende âverhaalt, dat het kleine beeldje van Onze Lieve Vrouw, âhetwelk in deze kapel vereerd wordt, in het water âvan dien put werd gevonden en sedert dien tijd heeft
V
') 1ste Brief, Gent, den 20sten Mei 1852.
229
âde ondervinding bewezen dat dit water heilzaam is âvoor de oogen.quot; ^
Inzonderheid is Belletable een volmaakt toonbeeld van vertrouwen op de hemelsche Moeder. Laten wij hem zeiven dat levendig vertrouwen, hetwelk hij in haar stelt, beschrijven :
. . . âMaria, mijne Moeder,quot; zegt hij, gewaardig m âiets voor ons te doen, verhoor mijne zwakke gebeden, âopdat ook ik arme zondaar u love en prijze. Wat âvoor ons een wonder is, is geen wonder voor u. Gij âverheft u boven alle moeilijkheden of liever gij ver-âwerft ons zaken, die ons onmogelijk schijnen, en dit âeven gemakkelijk als al het overige. O Maria, toon âdat gij onze Moeder zijt.quot; 2)
Eenige dagen later zet hij hetzelfde onderwerp voort en geeft ons nieuwe bewijzen van zijn grenzenloos vertrouwen in de Allerzaligste Maagd en van zijn volkomen onderwerping aan Gods heiligen wil : â Ik heb juist een âgroote noveen geëindigd ter eere van onze zegevierende âkoningin Maria. Zal mijn gebed vruchteloos zijn? Ik âweet het niet. Ik bid nochtans den algoeden God dat, âingeval Hij mijne gebeden weerstaat, Hij dit ten minste âniet doe met betrekking tot mijne vrienden, inzonderheid âtot mijne dierbare zusters Van Biervliet. Ik vertrouw âdat dit gebed verhoord worde.quot; 3)
Gaarne denkt hij aan degoedheid, welke zijne hemelsche Moeder hem betoond heeft en schept er behagen in hare gunsten en weldaden te verkondigen: âSinds eenigen âtijd wenschte ik mij zeiven geluk, dat ik hier zoo goed âgehuisvest was, juist ter plaatse waar Schelde en Lijs âzich van elkander scheiden. Op dezen dierbaren Blan-
') 6de Brief, Gent, den 20 Mei 1852.
) 4de Brief, Roermond 1852. Gemelde kapel wordt sedert 1863 bediend door de Paters Redemptoristen.
J) 7de Brief, Gent, den 3den September 1852.
230
âdinusberg waar Maria, de groote en verhevene Hemelskoningin, zoo goed voor mij geweest is, â en zie, o âongelukkige tijd! daar ontvang ik bevel om te verstrekken.quot; 1)
Zijne zielroerende godsvrucht geeft hem de bevalligste woorden in, woorden wel geschikt om diezelfde godsvrucht in de harten van anderen te ontsteken: âBid,quot; schrijft hij aan zijne dochter, âwant het kan gebeuren dat ik âU in de maand Mei kom bezoeken. Ik reken er op âdat ik het genoegen zal smaken U alsdan den lof onzer âverheven Moeder Maria te hooren bezingen.quot; a)
Als waardige zoon van zulk eene Moeder maakt Belletable zich volgaarne tot apostel der godsvrucht jegens de Allerheiligste Maagd en wel van eene volmaakte godsvrucht, die den sleurgang voorkomt door de overweging, het nadenken : âHoe hebt Gij het Kerstfeest in het âgesticht der H. Maagd doorgebracht! Wat zijt Gij âgelukkig, dat God zoo dicht bij U is! Bidt mijne goede âHenriëtte van tijd tot tijd gaarne een gedeelte van den ârozenkrans aan Jezus' voeten? Ik ken geen schooner âgebeden dan het Onze-Vader en het Weesgegroet: âWees gegroet, Maria! O mijne Moeder, laat mij U âeens groeten zooals het behoort: Wees gegroet... âMaria . . , vol van genade ... de Heer is met u!quot; 2)
Gelijk de nijvere bij honig verzamelt te midden der welriekende planten en niet van het eene bloempje op het andere vliegt, dan na er al het sap, waaruit zij haren honig vervaardigt, te hebben uitgezogen: zoo smaakt ook Belletable den ganschen diepen zin der woorden van het Weesgegroet Maria.
In denzelfden geest van beschouwing viert hij de
1
') 7de Brief, Gent, den 3den September 1852.
2
quot;) 12de Brief, Kerstmis 1852. Bijvoegsel aan zijne dochter.
231
de feesten der Kerk: getuige de schoone overweging welke hij ten jare 1853 daags na het feest van Onze Lieve Vrouw Hemelvaart hield. âZie,quot; zegt hij, ,hoezeer âGod zich gehaast heeft Maria te doen verrijzen; de âeeuwigheid was niet lang genoeg om dit lichaan; en âdeze schoone ziel met elkander vereenigd te beloonen; âals pasmunt wilde Hij er nog eeuwen bijvoegen. En âmijn God, wij zouden U niet beminnen!quot; 1)
Is het feest tier Onbevlekte Ontvangenis niet minder eervol voor Maria dan dat barer Tenhemelopneming, het is ook niet minder dierbaar aan den kapitein ; âHet schoone âfeest der Onbevlekte Maagd Maria is weder voorbij, âwant het is reeds nacht. Gedurende dit schoon octaaf âheb ik geen enkelen dag verzuimd U en de Uwen met âallen mogelijken ijver aan onze goede Moeder aan te âbevelen. Moge Maria zich thans nog schitterender, nog âreiner aan ons vertoonen en ons door hare beminne-âlijke blikken uitnoodigen baar te volgen op den weg âdien zij ons gebaand heeft! Weg van geduld en moed, âeen glorievollen weg, stralend van oprecht geluk! O âmijne hemelsche Moeder, ik gevoel dat ik ongelukkig âzal zijn, zoolang ik den wil van uwen goddelijken Zoon âniet volbreng. Wat hebben wij op dezen dag gedaan âvoor het feest van Maria, terwijl wij die goede Moe-âder eerden'? Wat hebben wij gedaan? Wij hebben âMaria gegroet op de eerbiedigste wijze, wij hebben haar âgeluk gewenscht, dat zij voor haar zelve en voor ons âverrijkt is met het voorrecht, eenig in haar soort, het âvoorrecht barer Onbevlekte Ontvangenis, en luide heb-âben wij uitgeroepen; Eere zij aan God! â Welk eene âgenade! Nooit had God zooveel gedaan voor zijn arm âvolk.quot; 2)
') 18de Brief, Soningen, 1853.
') 21ste Brief, Namen, feest der Onbevl. Ontv., 1853.
232
Het kinderlijk vertrouwen dat deze ware dienaar van Maria op zijne goddelijke Moeder koesterde, spoorde hem aan dikwijls tot haar zijne toevlucht te nemen, zoowel voor zich zeiven als voor anderen. Aan hare voeten neergeknield, smeekte hij haar eenige druppelen van dien oceaan van genade en vertroosting, waarvan zij de uitdeelster is, in zijn eigen bedrukt hart en in andere bedroefde zielen uit te storten. Zie, hoe hij zich zelf daarbij verraadt: ,, Zuster Rosalie, ik ben zeer onge-,rust, wijl ik geen nieuws meer van U ontvang. Wat âkan de reden van die onrust zijn? vroeg ik mij zoo-,eveii af aan de voeten van Maria. Deel het mij mede, âzoo Gij kunt, Dierbare zuster, dan kan ik er mij over âonderhouden met de Allerheiligste Maagd en U wel-â licht eenige vertroosting schenken in uwe smart. Wan-âneer ik met de Móéder Gods er over spreek, dan âschijnt het mij toe, dat ik van haar dit antwoord âontvang: âHet is nietsquot;. . . . Ten slotte kan ik niet ânalaten U toe te wenschen, dat Gij al de dagen uws âlevens moogt rusten aan het hart van Maria, gelijk de âH. Joannes rustte aan de borst van Jezus. O Maria, âmijne Moeder!quot; 1)
Deze regelen doen ons eene ongemeene vertrouwelijkheid zien tusschen den soldaat en de H. Maagd, en zoodanig ook mogen wij de vereering noemen, die hij haar wijdt. In zijn hart zetelt een echt kinderlijk vertrouwen en Maria heeft daarin de betrekking tusschen zoon en moeder gevormd. Ja, er bestaan tusschen hen nog inniger, nog waarachtiger betrekkingen dan tusschen moeder en zoon. Men begrijpt het, Belletable gaat vertrouwelijk om met zijne Moeder, hij gevoelt als het ware hare tegenwoordigheid ; vandaar dat hij voortdurend tot
') 39ste Brief, Maand van Maria 1854.
233
haar zijne toevlucht neemt; vandaar ook die heilige gemeenzaamheid, die hem het gezelschap zijner Moeder inderdaad doet genieten. Luisteren wij nog een oogen-blik, hoe hij die zoo stichtende gevoelens nog verder uitdrukt. âHet schijnt mij wel een eeuw geleden, dat âik eenig bericht van Thielt ontvangen heb. Vooral âspijt het mij, dat ik op dit oogenblik niets verneem, ânu ik juist een noveen ter eere van Onze lieve Vrouw âvan Salette geëindigd en daaronder zooveel voor U âgebeden heb! Heer, laat eeu oogslag van liefde op âhaar vallen; laat haar het brood van droefheid en het âwater van beproeving niet meer smaken. Laat dit vergheven gebed voortdurend uit haar hart opstijgen: Mijne âziel, loof den Heer! En wanneer ook voor haar het âuur der overwinning zal geslagen hebben, laat haar âdan met een glimlach op de lippen deze woorden sta-âmelen: Ik ben verheugd over hetgeen mij gezegd is: âwij zullen ingaan in het huis des Heeren! Reeds ârusten onze voeten in uwe voorhoven, o Jerusalem!!
âSedert eenigen tijd ga ik nog al dikwijls naar âSalzinnes, waar de noveen ter eere der onvergelijkelijke âMaagd Maria, onder den titel van Onze lieve Vrouw âvan Salette gevierd is____Deze noveen heeft mij ontzaglijk veel goed gedaan en ik hoop, dat zij tevens âveel zal hebben bijgedragen tot het welzijn van mijn âhuisgezin en van mijne dierbare weldoensters van Thielt. âIk heb niemand in mijne gebeden vergeten en voort-â durend hel) ik de krachtigste beweegredenen aange-âvoerd om ze verhoord te zien, zooals deze : Toon eens, âHeer, wat Gij vermoogt door eene enkele heilige Mis! âMaria verscheen ons, zij bracht ons ongetwijfeld groote âgenade. Wij smeeken haar deze te mogen ontvangen âen er voordeel uit te trekken, enz.
âO, Zuster Rosalie, daar aan de voeten mijner Moe-
234
âder heb ik dikwijls de waarheid ondervonden dezer âwoorden: Een dag niet U doorgebracht, o mijn God,
âis meer waard dan duizend dagen____quot;
âEn wat al liefdetranen schreit men soms voor den âtroon van Maria? De christen, wiens hart er vol van âis, laat ze daar met vreugde stroomen. In welke omgeving plaatst de Heer ons soms; 't is als een voorsmaak van den hemel.'' 1)
Getroffen door de pijlen der liefde Gods en kwijnend van verlangen om zich met zijn beminnelijken Verlosser te vereenigen, snelt het hart van den moedigen officier tot Maria, aan wie hij deze onschatbare weldaad der goddelijke liefde toeschrijft. Ziehier hoe hij spreekt over dat voorrecht, hetwelk hij door de welwillende tusschenkomst der Allerheiligste Maagd verkregen heeft: âIk kan noch leven noch sterven. God wil mij aan âzich, aangezien Hij mij zijne liefde heeft doen kennen âen ik mij zei ven niet meer beschouwen kan zonder diep âvernederd te zijn. Stelt eene moeder er niet eenigen âroem in hare kinderen sierlijk te kleeden en schept zij âer vervolgens geen behagen in om ze te zien gaan en âkomen? Evenzoo schept Maria er behagen in hare âdierbare kinderen met eer en genade te bekleeden. O âMaria, mijne Moeder!quot;2)
Omstreeks dezen tijd verheugde zich zijn vaderhart, toen hij in zijne dochter een sprankje zag van de liefde, die hem zeiven verteerde voor de Allerheiligste Maagd en deze troostvolle gedachte verdrijft in hem alle onrust voor zijn kind, dat hij in het bezit ziet van zulk een kostbaren schat. Hij geeft zich geheel aan Maria over en stelt zijne zaak in hare handen.
âDierbare zuster in Jezus Christus,quot; schrijft hij,
') 32ste Brief, Namen, den 9den Juli 1854.
quot;) 34ste Brief, Namen, den 27sten Augustus 1854.
235
âopnieuw kom ik naar den staat uwer gezondheid vra-âgen en U eenige berichten en gebeden verzoeken. âHenriette is bedroefd van het hoofd tot de voeten . . . âHare godsvrucht troost mij echter. Ziehier, hoe zij âover Maria spreekt, waar zij mij de indrukken verhaalt âdie zij in het gedenkwaardig heiligdom van Hal heeft âopgedaan : âHet schijnt mij toe dat ik Maria zoo goed âvoor onzen dierbaren Alfons gebeden heb ; ik heb âgeheel openhartig tot haar gesproken en haar genaden âgevraagd voor IJ, voor mama, voor mijne broeders, âvoor mij zelve, voor mijne dierbare weldoensters, de âDames van Ste. Marie. Ik heb zooveel goeds tot de â Koningin van hemel en aarde gezegd en zooveel zoet-âheid gesmaakt in haar gezegend heiligdom, dat ik âmet den apostel had willen uitroepen : âHeer, het is âons goed hier te zijn ; laat ons hier onze tenten âbouwen.quot;
âWat zegt Gij er van. Dierbare Zuster Rosalie ? Een-âvoud zonder eenige aanspraak, niet waar? Geen draaierij âdie naar aanmatiging zweemt. Wanneer ik derhalve âbedroefd ben, wijl mijn kind lijdt, dan stelt hare âgodsvrucht mij gerust . . . Heden is er gepreekt over âmijne goede moeder Maria. Maria is geheel goedheid âen J. C. kan haar niets weigeren. Helaas waarom âbad ik haar niet met al het vertrouwen van een kind ? âO mijne zoete, o mijne teedere, o mijne goede moeder âMaria ! Men moet tot Maria roepen en aangezien mij âniets zoozeer ontbreekt als een grenzenloos vertrouwen, âzal ik haar allerdringendst een grenzenloos vertrouwen âvragen, een vertrouwen dat nimmer wankelt. O Maria, âmijne Moeder!quot;' 1)
Verlangend om zich door eene verdubbeling van ijver
35ste Brief, Namen, den 21sten October 1854.
236
op liet aanstaande groote en plechtige feest van den 8sten December voor te bereiden, verzuchtte de gelukkige beschermeling der Allerheiligste Maagd naar dien dag en zong te harer eere een liefdelied ; âWat zullen â wij den 8sten December doen ? Hoe zullen wij aan de â Koningin van hemel en aarde, aan de verheven Moe-âdermaagd behagen, hoe haar onze hulde brengen ? âWees zoo goed het mij te zeggen.
âIk geef mij, Moeder, ganscli aan U (1000 maal)
âIn uw handen stel ik mij (voor altijd)
âVerhoor, Maria, mijne beê,
âBlijf immer. Moeder, mij ter zij ! â
âZing dit voor het beeld van Maria, zij zal niet lang âweerstaan. O hoe treffend is dit!quot; H. B. 1)
De liefde brengt den ijver voort en is daarvan de vlam. Belletable moedigde dan ook in anderen de godsvrucht tot zijne machtige Patrones aan. Het feest dei-Onbevlekte Maagd schijnt hem bijzonder geschikt om uitstekende genaden te verkrijgen. Aangename herinneringen bracht die gezegende dag overigens in hem te weeg, herinneringen die aan zijn erkentelijk hart vurige dankzeggingen ontlokten. âDierbare zuster in Jezus âChristus,quot; schrijft hij, âhoud niet op ons met een âbuitengewone vurigheid aan God aan te bevelen, âopdat Hij zich gewaardige ons geheel en al met Zich âte vereenigen. Dit zult Gij gemakkelijk verkrijgen, âwanneer Gij de voorspraak der Allerheiligste Maagd âinroept op den dag dat de Kerk de Onbevlekte Ont-âvangenis viert van de gezegendste onder de vrouwen.
âWat zult gij Overmorgen doen. Dierbare zuster? âTk verheug mij, dat de 8ste December, de verjaardag âvan mijn huwelijk, aanstaande is! Wat zullen wij den
') SSste Brief, 9 November 1854.
237
r 8sten December 1854 doen om aan Maria te behagen ? rZij heeft voor ons een moederhart, en al zou onze âmoeder hier beneden ons ook al vergeten, de Moeder-,Maagd zal het nooit doen.quot; 1) Herinneren wij ons verder hoe Belletable den 29sten derzelfde maand schreef: âHoe hebt Gij den 8sten December gevierd? Ik heb âmijne vensters verlicht.quot; 2)
Vervolgens werpt de kapitein zich in de armen zijner hemelsche Moeder, overtuigd dat hij bij haar genoeg liefde en medelijden zal vinden om zijne geestelijke en lichamelijke kwalen te genezen. Gelukkig onder hare schutse, en vertrouwend op haren steun, verheft hij hare verdiensten en hare grootheid, door haar den schoonsten lof toe te zwaaien: âDe H. Maagd weet âwel wat zij doet. Zij zal tegelijkertijd voor mijn lichaam âen mijne ziel zorgen en handelen evenals haar goddelijke Zoon, die met kracht en zachtheid de wereld âschiep. Zij zal mij niet eene gewaarwording van mijne âgenezing geven, zooals dat geschiedt bij iemand die âplotseling van zijn kwaal bevrijd wordt; ik moet wel âgelooven, dat mij dit niet dienstig zou zijn; maar zij âzal mijn geduld weten te oefenen en mij deugdzaam âdoen worden gelijk hen, die den hemel moeten ge-â winnen.
âGa dan, zuster Rosalie, en verkondig alom de âweldaden van haar, die op den berg van Salette âverscheen om ons ernstige waarschuwingen te geven. âGa en verkondig overal de gunsten van Maria! Wel-,,doende trekt zij rond. Gelijk aan die lichtende steraren, welke men kometen noemt, verschijnt zij en na âvoor onze van vreugde stralende oogen te zijn voorbij-
') 39ste Brief, Gent, den 6den December 1854.
a) 8 December 1854 was de gedenkwaardige dag, waarop Pius IX liet leerstuk der Onbevlekte Ontvangenis afkondigde.
238
âgetrokken, laat zij eene heldere streep op hare baan âachter, die nog lang daarna het luchtruim verlicht.quot; 1)
Zooals men ziet, laat niets van al hetgeen op de vereering ⢠van Maria betrekking heeft hem koud en ongevoelig. Te Gent sluit hij zich vol geestdrift aan bij de buitengewone plechtigheden, waarmede men er bij gelegenheid der afkondiging van het leerstuk der Onbevlekte Ontvangenis de feesten der allerzuiverste Moedermaagd vierde. Hij was daarbij tegenwoordig in een geest van geloof en beschrijft die grootsche feestelijkheden, waarvan de herinnering in de hoofdstad van Vlaanderen voor immer levendig zal blijven. De beschrijving van die feesten, zoo dierbaar aan zijn hart, zond hij, gelijk wij hierboven zagen, aan mejuffrouw Melanie en na haar den optocht, die de Vrijdagsche Markt vulde, voor oogen gesteld te hebben, gaat hij aldus voort: âDe Bisschop van Gent geeft een teeken om stilte te â verzoeken. Hij wijdt on- aan Maria toe. Zijn stem âis bewogen, zijn hart stort zich uit over zijn onafzienbaar gehoor.... Na onzen eersten Opperherder âverschijnt, zoo ik mij niet vergis, de Kardinaal-Aarts-âbisschop van Reims. 2) Hij spreekt in bezielde taal, âwaarin hij tal van alleluia's mengt. Daarna heft de âtalrijke priesterschaar met ernstige, krachtige en gelijke âstem het Magnificat aan .... Mijn God, welk eene âverhevene vrouw moet Maria wezen!
âEindelijk geven elf bisschoppen, op eene lijn geschaard, den mijter op het hoofd en den bisschopsstaf âin de hand, te zamen den zegen. Alle hoofden buigen âzich eerbiedig____ Ik zou nog vergeten U een belangrijke omstandigheid mede te deelen, namelijk de her-âhaalde uitroepen van âLeve Mariaquot; die wij tot de
') 42ste Brief, Gent, den llden Februari 1855.
quot;) 44ste Brief, Gent, den 23sten Mei 1855.
239
âeeuwige gewelven deden weerschallen, terwijl de pro-â cessie op de Vrijdagsche Markt stil hield. De H. Maagd âmoet wel tevreden geweest zijn! O Vrijdagsche Markt, âeenmaal de plaats der revolutie, groote dingen hebt âgij aanschouwd!
Wie herinnert zich bij het lezen dezer regelen niet het woord des Zaligmakers: âUit de volheid des harten spreekt de mond?quot; Wie gevoelt niet, dat Belletables pen aan zijn brieven de hartelijkste aandoeningen toevertrouwt der liefde, waarvan zijn edel hart voor de verheven Moeder van God overstroomd wordt? Wie bewondert niet in dezen soldaat eene zoo verlichte godsvrucht jegens Maria ? Wat al wonderbare vervoeringen van liefde bij zijne bezoeken aan de gezegende heiligdommen van Onze lieve Vrouw, in zijne vertrouwelijke samenspraken met Maria, waar hij den vrijen loop kan laten a;yi zijne liefdevolle ontboezemingen!.... Is de Allerheiligste Maagd werkelijk aan haren dienaar verschenen na zijne bekeering te Luik ten jare 1837? Wij weten het niet. Mejuffrouw Melanie Van Biervliet alleen spreekt er van in haar dagboek. Ziehier bij welke gelegenheid.
âOp zekeren dag kwam de heer Henri Belletable in âhet gesticht der H. Maagd te Thielt. Hij wilde er âzijne dochter aan het pensionaat toevertrouwen. Reeds âbij de eerste samenkomst deed hij ons tal van ver-âtrouwelijke mededeelingen. Hij verhaalde zijn leven, âzijne bekeering, zijne algemeene Biecht en eene verschijning van de H. Maagd. Dat alles verhaalde hij ons âop ongekunstelde wijze, op een toon vol oprechte âovertuiging en zonder zich in het minst te geneeren. âDe gedachte kwam niet eens bij hem op, dat wij deze âverschijning in twijfel konden trekken. Het is een âuitstekend man, vol engelachtige godsvrucht.quot;
240
Ziedaar liet feit. Zij die het op zulk een beslisten toon, met zooveel nauwkeurigheid verhaalt en daarbij als het ware ieder woord onderstreept, heeft het van Belletable zelven vernomen, 't Is eene vrouw van negenen-dertig jaren, eene vrouw van groote begaafdheden, en schrijfster van twintig werken, die te recht gewaardeerd worden. Zij legt een bijzonderen nadruk op het verhaal der verschijning en omlijst dit in dezen volzin, waartegen niets valt in te brengen : âDe gedachte kwam âniet eens bij hem op, dat wij die verschijning in twijfel âkonden trekken.quot; â Toen de schrijver dezer geschiedenis voor bijna drie jaar deze eerbiedwaardige vrouw mocht bezoeken, herinnerde zij zich omtrent Belletable vóór alles levendig deze verschijning.
Deze vertrouwelijke mededeeling heeft Belletable verder nooit gedaan, noch aan zijne vrouw, die altoos vreemd bleef aan de zoetheden der godsvrucht, noch aan zijne kinderen. Wat er ook van deze uitstekende gunst zijn moge, het volgend hoofdstuk is wel geschikt om de geloofwaardigheid er van te versterken.
TWAALFDE HOOFDSTUK.
De man des Gebeds.
der natuur eu
Dit heeft men zoo goed be
grepen, dat bet gebed algemeen is in de quot;wereld.
Altoos beeft bet menscbelijk geslacht gemeend, dat de hulp van God noodig is om te beminnen, te handelen en op verdienstelijke wijze te lijden; altijd geloofd, dat men die hulp moest verkrijgen door het gebed. Die wet steunt op twee woorden der H. Schrift: âZonder Mij kunt gij niets doen.quot; â âVraagt alles wat gij wilt en gij zult bet verkrijgen.quot; (Joan. XV : 5 en 7). Vandaar het welbekende, gulden woord van den H. Alphonsus: âWie bidt, wordt zalig; wie niet bidt, gaat verloren.quot;
is de groote wet
Het gebed, dat een noodzakelijke voorwaarde is ter zaligheid, is het niet minder ter heiligheid. Ook kunnen wij er niet aan twijfelen, dat Belletable tot bet toppunt
1G
BELLETABLE.
242
der volmaaktheid is opgeklommen door zijn geest van gebed.
Openen wij nogmaals met eerbiedige band zijne briefwisseling, die de trouwe uitdrukking en de verre echo is zijner innigste gevoelens. Zij zal ons Belletables voortdurenden omgang met God en zijn meer dan gewonen smaak voor hemelsche zaken duidelijk doen kennen.
Op den vooravond van Allerheiligen, 1852, schreef hij:
âMejuffrouw Eosalie, mijne Zuster.,. Morgen zal ik âde Heiligen bidden, dat zij uw huis als met een muur âvan waakzame en welgewapende wachten omgeven. âEveneens zal ik Maria, de verheven Maagd en Moeder âaller heiligen bidden, dat zij haren beschermenden âmantel over uw pensionaat uitstrekke, en U en uwe âliefderijke zusters verrijke met de vurigste liefde tot âJezus en met de allergrootste genade der eindvol-â harding.
âMijn Heer en mijn God, Gij weet wat aan die âmejuffrouwen en aan hun goeden broeder noodig is om âvolmaakt te wezen... Zegen hen, aanbiddelijke Meester, âzegen hen op gansch bijzondere wijze voor al het goede âdat zij mij doen. Maria en Jozef, mijne hemelsche âpatronen, ik ben diep bedroefd, als ik bemerk dat âGij mij niet hoort. H. Carolus en H. Hubertus, bidt âvoor mij.quot; 1)
De kapitein is overtuigd dat men in tijdelijke aangelegenheden niets beter kan doen dan bidden, want daar hij in alle gebeurtenissen God ziet, bezigt hij altijd het gebed om zich den bijstand der goddelijke Voorzienigheid te verzekeren. Luisteren wij slechts:
') 10de Brief, Soningon, den Sisten October 1852.
243
Mejuffrouw Rosalie.
âIk hoop, dat Gij thans gerust gesteld zijt aangaande âhet lot uwer dierbare nicht. Haar man, wij mogen het âvastelijk vertrouwen, zal uit den dood zijner echtgenoote âeen straal van genade putten, die hem zal opwekken âom dat bovennatuurlijk leven te leiden, waarvan Jezus âChristus het beginsel is. Eer, glorie en lof aan het âLam, dat op den troon zit, dat wil zeggen, hetwelk âons bestuurt en ons hier beneden reeds zoo groote en âzoo kostbare goederen doet genieten.quot; 1)
In een ander, niet minder geestdriftig gebed hebben wij hem reeds hooren uitroepen: âVerheerlijk den aller-âhoogsten, den grooten Koning, wiens glorie onsterfelijk âis, wijl Hij zich gewaardigt zijne oogen te vestigen op âhetgeen het nietigst is op aarde, op zijn onwaardigen âdienaar.quot;
âO mijne Moeder, o Maria! O H. Jozef, mijn Vader! âEn gij allen die aan onze zorgen zijt toevertrouwd, âlooft den naam des Heeren.quot; 2)
De roemrijke H. Jozef was een zijner meest geliefkoosde Heiligen. Op het voorbeeld der H. Theresia vereerde hij hem op gansch bijzondere wijze. In zijne moeielijkheden wendde hij zich vooral tot dezen grooten patriarch en noodigde ook anderen uit deze zijne lievelingsgods vrucht te volgen.
âMen heeft mij aangeraden dikwijls te bidden tot den âH. Jozef; wie uwer. Mejuffrouwen, wil hem bidden âmet mij?quot; Aan den H. Jozef vraagt hij hulp en bijstand door de voorspraak van de H. Theresia. Hij kent zijn onbegrensde macht op het hart van God en hoopt alles
') 40ste Brief, 1852.
') 17de Brief, Nieuvvpoort, den 16deri September 1853.
244
door zijne welwillende tussclienkomst te verwerven. In een brief uit Gent drukt hij zich aldus uit:
âEn gij, H. Jozef, die nooit iets aan de H. Theresia âgeweigerd hebt, zult gij mij uwen bijstand ontzeggen? ,H. Theresia, die ik altijd als een groote Heilige vereerd âheb, verkrijg mij alles wat ik den H. Jozef vraag: âmijne genezing en de zaligheid mijner ziel. Verkrijg âmij daarenboven de genaden die ik afsmeek voor de âmijnen, voor hen die ik den Hemel zoo dikwijls aanbeveel.quot; Jte ad Joseph.quot; âGaat tot Jozef!quot; ^
Deze regelen zijn niets anders dan een vurig gebed, hetwelk zijn vurig verlangen naar de gaven van God hem ingeeft. De 20ste brief 1) toont ons zijn bijzondere godsvrucht tot de H. Theresia van Jezus, wier onsterfelijke werken hij kort na zijne bekeering gelezen had, en die hij met eene ware hoogachting vereerde: âH. Theresia âvan Jezus, bid voor ons... Ik heb vandaag, den â15den October, gecommuniceerd ter eere van de groote âHeilige, wier naam ik boven aan het briefje geschre-âven heb, dat ik thans zend aan mijne zuster in Jezus âChristus, Melanie van Biervliet.quot;
âWie zal mij de heilige liefde geven? Zal het de âH. Familie zijn, of wel de H. Theresia van Jezus, âof wel de H. Antonius van Padua, die mij schijnt te âvervolgen, mij tegen te houden en mijne betrouw-âvolle oogen tot zich te trekken?quot; 2)
Belletable telde daarenboven onder zijne hemelsche beschermers den H. Franciscus van Assisië, den beroem-
1
) 20ste Brief, 15 October 1853.
2
) Krijgslieden zouden zich kunnen verwonderen dat een kapitein, al is hij ook een ijverig christen, bezield kan zijn met eene groote godsvrucht jegens eene Heilige. Wie echter het leven der H. Theresia gelezen heeft, zal niets bevreemdends vinden in de vereering, welke Belletable haar wijdde. Wij kennen geen ridderlijker ziel dan de hare. Zij is de glorie van Spanje en van den Carmel.
245
Ueu stichter van de Orde der Minderbroeders; den H. Alphonsus, stichter van de Congregatie des Allerheiligsten Verlossers; den H. Dominicus, stichter der Predikheeren, drie sieraden en drie schitterende lichten, die de Katholieke Kerk tot luister verstrekken. Bezat hij geen vrienden en geestelijke broeders onder de zonen dezer vermaarde mannen ? Een pater Edmond, Minder-broeder, een pater Dechamps, Redemptorist, een pater Lacordaire, Dominicaan? 't Is dan ook niet te verwonderen dat hij een zijner brieven aldus begint:
âDierbare zuster Rosalie, die door God bemind âwordt! .... Groet namens mij den H. Franciscus, âden H. Alphonsus, den H. Dominicus; het zijn mijne âgroote vrienden.quot; :1)
Tevens had Belletable nog, gelijk wij boven zagen, eene groote godsvrucht tot den H. Antonius van Padua, de bloem der Serapbijnsche Orde. Gaarne riep hij zijn bijstand in en bewonderde de minzame vertrouwelijkheid van het Goddelijk Kindje te zijnen opzichte.
Treffend is het te zien, met welken aandrang hij voortdurend den machtigen bijstand des Allerhoogsten en de hulp zijner godvreezende weldoensters afsmeekt: âDierbare Melanie van Jezus,quot; schrijft hij, âbid met âverdubbelden ijver. Het hangt misschien van U af, âdat die vereeniging met Jezus, waarnaar ik zoozeer âhaak, voltrokken worde. Zorg ook, dat de andere âdames, uwe zusters van Ste. Marie, voor mij bidden.
âPater Cravau 1) heeft mij geschreven. Hij heeft ons zijne gebeden beloofd. quot;Welk een goedheid!quot; 2)
In immer wordt hij moede de hulp van godvruchtige
1
s) Zijn voormalige wapenmakker bij de sappeurs-mineurs (1S33â1840), sedert 1852 Jezuiët en missionaris in Maduraa.
2
) 2de Brief, 16 October 1853.
246
en ijverige zielen in te roepen, ten einde door hare gebeden, gepaard aan de zijne, de genaden des Hemels te verkrijgen: ,Wees zoo goed den 2den Februari aanstaande, âop liet feest der Zuivering, Maria en Jozef namens âmij te groeten! Gij zijt wel goed van zoovele gebeden âvoor mij te storten.quot; 1)
Overigens bestaat al zijn geluk in liet onderhoud, dat bij in de ingetogenheid des gebeds met zijn god-delijken Meester geniet. Laten wij hem zeiven in zijne vertrouwelijke briefwisseling de genoegens en zoete vertroostingen verhalen, welke zijne ziel tijdens een uur van aanbidding voor het H. Sacrament gesmaakt heeft. âToen wij van een bezoek aan de zustertjes der Armen âte Luik uit het Kartuizerklooster terugkeerden, heb-âben wij een oogenblik gebeden in de kapel der H. âJuliana, aan den voet van den berg Cornillon. Het âwas de Sste April. O! hoe eerbiedwaardig is deze âplaats, aangezien zij geheiligd is door de voetstappen âvan de zalige Juliana, de groote vriendin van Jezus in âhet Sacrament zijner liefde. Toen ik die kapel verliet, âscheen ik een geheel ander mensch te zijn; de aan-âgenaamste kalmte was gevolgd op geheel aardsche âgedachten en zorgen en de dag, die ten einde spoedde, âkwam die zaligheid nog verhoogen. Helaas! God is âaltoos.de onbekende God!quot; 2)
Die onbekende God had daags voor zijne bekeering te Luik uit zijn tabernakel een straal van liefde in het hart van den soldaat geworpen, en dit was genoeg geweest om hem als het ware aan den Sacrament geworden God te ketenen. Aan den voet' des altaars vindt hij dat licht, die ware inzichten des geloofs, die al zijne brieven, alsook de volgende regels bestralen :
') 24ste Brief, Namen, den SOsten Januari 1854.
) 27ste Brief, Soningen, 15 April 1854.
247
âGij hebt reeds hooren spreken,quot; zegt hij, âover âmijne zuster te Contich en over haar klein huisgezin âdat als een toonbeeld kan gelden. Louis (de zoon) âleerde reeds op uitmuntende wijze de apotheek, toen .hij eensklaps tot onze bittere smart waterzuchtig werd âen thans weder thuis is en langzamerhand het graf ânadert... Wat droevige slag! Wij waren al te geluk-âkig, schrijft mij mijne zuster ; de goede God heeft âons willen straffen om ons zalig te maken. Dat zijn âheilige Naam gezegend zij ! En ziedaar nu een huis-gezin, dat heilig leeft, waarvan de kinderen bijna alle âvolwassen zijn, zonder te weten wat van hen geworden âzal. Bid, mijne Zuster, God vindt altijd geneesmiddelen âvoor onze kwalen. Amen.quot; 1)
Halen wij nog een uittreksel aan uit een brief, die ons toont welke godsvrucht de kapitein bezat tot het H. Hart van Jezus; vooral in zijne benauwdheden klopte hij aan de deur van dat beminnelijk Hart: âGij dan, mijne Zuster, die ongetwijfeld den ingang âtot Jesus aanbiddelijk Hart zoo goed weet te vinden, âo bid vurig, opdat ik toch nooit ophoude mijn uiterste âbest te doen, dat ik nimmer den moed verlieze en âeindelijk gelukkig zegeviere. 2)
âTerwijl ik dezen brief eindig, groet ik uwen Engel-â bewaarder en bid hem U allen in zijne heilige hoede âte nemen.quot; 3)
God, zijne Engelen, zijne hemelsche Moeder, zijne Heiligen, dat waren de verheven personen met welke de kapitein zich dagelijks onderhield door de oefening des gebeds. Wel verre dat zijn leven een bestaan zou zijn, dat zich niet hooger verheft dan deze aarde, gelijk
1
') 31ste Brief, Namen, 1854.
2
') 41.ste Brief, Gent, den 4den Februari 1855.
3
) 40ste Brief, Namen, December 1855.
248
dit het geval is met zoovele officieren die, zich voor het uiterlijk schitterend voordoen, maar inwendig een bedorven hart in zich omdragen, was het veeleer een aanhoudend ..sur sum cord a : De harten naar boven.quot; Trouwens de heiligen alleen zijn waarlijk groote mannen.
In ieder leger uit dappere strijders samengesteld, vindt men te midden en boven de keurbenden personen, die men helden noemt, mannen die met het gevaar voor oogen een koelbloedigheid en een onversaagdheid aan den dag leggen, welke alles wat hen omgeeft in geestdrift ontvlamt.
Datzelfde schouwspel biedt ook de Katholieke Kerk. Van tijd tot tijd ziet zij mannen geboren worden, die de liefde tot God en de menschen nog hooger opvoeren en wel tot hartstocht, tot heldenmoed. Dat zijn de heiligen ; God bekrachtigt die liefde, die heldendeugd. Hij geeft aan zijne Heiligen de macht om wonderen te werken en de Kerk plaatst hen op hare altaren. Zij verklaart dat het goed en nuttig is hen aan te roepen. 1) Vandaar die smeekingen, die novenen, die bedevaarten, die samenloop van geloovigen uit alle landen naar de heiligdommen, ter eere van Gods heiligen gebouwd.
') Bonum atque utile est cos suppliciter exorare. (Conc. v. Trente).
DERTIENDE HOOFDSTUK.
Henri van de H. Familie.
(â venals de aarde, zoo heeft ook het huisgezin zijne bloemen. Het zijn de huiselijke deugden. Als sieraden van den i'tSs christelijken haard ontluiken deze bloemen voor den hemel, waar de rechtvaardige zal blijven bloeien in het huis des Heeren. Het toonbeeld van het christelijk huisgezin is dat, hetwelk de Zoon Gods voor zich zeiven gekozen heeft, is het huisgezin, de H. Familie van Nazareth. Terwijl nu in onze dagen de huiselijke geest dreigt te verdwijnen, richt en vestigt de Paus onze oogen op dit toonbeeld van een christelijk huisgezin en stelt liet ons ter navolging voor. Ziehier hoe Leo XHI, verrukt over de schoone voorbeelden, die de H. Familie van Nazareth ons gegeven heeft, dezer deugden beschrijft in een heerlijken lofzang aan J. M. J. toegewijd:
250
O zalig licht van Sions stee En hoogste hoop des stervlings mee,
Kind Jezus, door den lach zoo zoet Der liefde in 't oudrenhuis begroet;
Maria, door Gods gaven groot.
Die 't nooit aanschouwde heil genoot.
Te voeden aan uw reine borst.
Te omhelzen aller heemlen Vorst;
En Joseph, uit der vaadren rij Tot schuts der Maagd verkoren, gij Die 't Goddlijk Kind â o lieflijk woord!
U ,vader, vader' noemen hoort:
Gij, die, uit Jesses hoog geslacht Gesproten, 't menschdom redding bracht, O Godsgezin, ach ! hoor ons aan,
Die smeekend voor uwe outers staan.
Terwijl reeds de avond 't zonlicht dooft En kleur en glans der schepping rooft.
Zendt nog ons hart zijn vuurge beên,
Hier onverpoosd ten Hemel heen.
Blijve aller deugden lieflijkheid,
In uwe woon ten toon gespreid,
In weerschijn onbesmet bewaard Aan onzen huiselijken haard. 1)
Aldus zong de Paus-dichter, aldus verheerlijkte hij de drie heiligste personen die ooit op aarde waren, de drie schoonste bloemen die ooit in den schoot des huis-gezins onder een Oosterschen hemel ontloken: Jezus, Maria, Jozef: de lelie der zuiverheid, de roos der liefde, het viooltje der nederigheid.
Ook Belletable was, een halve eeuw te voren, opgetogen geweest over hun hemelschen geur en hij wijdde
') Officie der H. Familie, le Vespers, Decreet van den 14den Juni 1893. Vertaling van den Zeereerwaarden heer A. N. Mutsaers, Leeraar aan het Seminarie te St. Michielsgestel. â Gedichten van Z. H. Leo XIII, blz. 175.
251
de H. Familie eene vereering, die aan geestdrift grensde. Bijna al zijne brieven aan de dames Van Biervliet onderteekent hij: âHenri van de H. Familie.quot; En dat zulks geen snoeverij was, blijkt hieruit, dat de kapitein drie blijvende gedenkteekenen voor Jezus, Maria en Jozef heeft opgericht. Hij stichtte de H. Familie te Luik; hij is de tweede vader van de Congregatie der H. Familie te Thielt, en men kan zeggen, dat hij de H. Familie in zijn hart droeg.
1°. De H. Familie van Luik: Het zal niet noodig zijn hier andermaal den oorsprong te schetsen van dat wonderbaar werk, hetwelk eene eeuwige glorie zal zijn voor Belletable en voor de eerste metgezellen, hem door den Hemel geschonken. Vestigen wij slechts de aandacht op eenige zinspelingen, die hij zelf in zijne godvruchtige briefwisseling er op gemaakt heeft. Toen de kapitein in de maand Augustus 1S52 met verlof te Roermond was, waar verschillende zijner bloedverwanten en vrienden woonden, schreef hij naar Thielt: âMaandagavond zal ik de vergadering bijwonen van de H. Familie, die hier reeds 500 man sterk is.quot;
Niet meer dan acht jaren waren er verloopen sedert de tweede Luitenant te Luik de grondslagen van zijn werk gelegd had, en reeds telde het in België en over de grenzen tal van vereenigingen, waarbij zich honderden mannen aansloten. Welke vreugde voor Belletable zijn werk te zien bloeien in het land zijner geboorte! Zelfs had hij het genoegen onder de medeleden een zijner eerste metgezellen aan te treffen: Jan Cleef, Nederlander van geboorte en kleermaker van beroep. Vijf-en-veertig jaren zijn sinds die ontmoeting voorbij, maar de kleermaker, hoe bejaard dan ook, heeft nog de eer niet vergeten, welke Belletable hem destijds door . een onderhoud heeft aangedaan, en herinnert zich nog
252
zeer goed de woorden, welke de kapitein bij die gelegenheid tot hem richtte: âHeb ik het u niet gezegd, âJantje, dat dit werk zich eenmaal alom zal verspreiden ?quot;
Verscheidene jaren te voren schreef de soldaat-apostel uit Brussel een bewonderenswaardigen brief aan een vriend, waarin hij zich aldus uitdrukt; âDe arbeidende âklasse is hier buitengewoon sterk vertegenwoordigd. âIk ben bedroefd, omdat ik maar al te goed weet, âwelke afschuwelijke ellenden onder haar worden aangetroffen. Maar ik hoop, dat de H. Familie hier âopgericht zal worden, hetgeen mij een grooten troost âverschaft. Gij weet op welke wijze deze zeker de âgoeden vereenigen en de slechten zal scheiden. ').
Belletable werd in zijne verwachtingen niet teleurgesteld. Eenige maanden later was het werk van Jezus, Maria, Jozef in de Magdalenakerk, in het midden der stad, gevestigd, waar zij nu nog bloeit, en in 1S62 werd zij in de Sint-Jozefskerk, in dezelfde stad opgericht.
In 1853 genoot Belletable den troost dezelfde vereeni-ging der H. Familie gevestigd te zien in de kerk van den H. Joannes den Dooper te Namen, waarheen hij verplaatst was. Hij schrijft daarover aan mejuffrouw Rosalie: âHoe! Of de H. Familie bloeit? Zij gaat âuitstekend. De eerwaarde heer Masson, kapelaan der âSint-Jan bestuurt haar en uw dienaar heeft het genoegen âiedere week de vergadering bij te wonen.quot;
2°. Het Instituut der Dames van de H. Familie. Het tweede gedenkteeken dat Belletable ter eere der H. Familie hielp oprichten, was dat der dames Van Biervliet. Toen Belletable de vrome betrekkingen, ons
') De boezemvriend, aan wien Belletable deze regelen zond, was waarschijnlijk de heer Marsigny van Bergen, dien hij het jaar te voren, 19 Maart 1849 in de H. Familie dier stad deed opnemen en dien hij voor zijn vertrek naar Brussel tot den hoeksteen van zijn werk gemaakt had.
253
bekend, met deze echt christelijke vrouwen aanknoopte, bestuurden zij te Thielt een pensionaat, dat zij zelf gesticht en den naam gegeven hadden van âSte. Marie.quot; Eene tamelijk ruime kamer hadden zij tot kapel ingericht. lederen morgen kwam er een pater Franciscaan de H. Mis lezen; de godvreezende stichteressen woonden deze bij met een kleine uitgelezen schaar van pensionai-ren. Reeds hebben wij gezien, hoe Belletable aanstonds bij zijn eerste bezoek in deze wijkplaats van godsvrucht en wetenschap, de vruchtbare kiem eener kloosterorde ontdekte en daardoor toonde dat hij een goed profeet was. Al bezitten wij de eerste brieven niet meer, welke Belletable aan deze waardige meesteressen zond, toch weten wij zeker, dat hij haar spoedig zijne geliefkoosde godsvrucht had ingeprent: de godsvrucht tot de H. Familie, 't Is ons gebleken, dat de kapitein dat heilig werk reeds sedert de maand Augustus 1852 ondernam. Boven en onder aan zijn brief maakt hij volgenderwijze melding van de H. Familie; âJezus, Maria, Jozef, geeft âdat uwe liefde voor immer in onze arme harten heer-âsche.quot; âIk groet U in de gezegende harten van Jezus, âMaria, Jozef.quot; 1) In den loop van denzelfden brief spreekt hij haar over de H. Familie te Roermond.
Een maand later schreef hij haar uit Gent: âZeg âaan de H. Familie, Jezus, Maria, Jozef, dat zij mij âgelieve te verleenen wat ik haar zoo dringend vraag. âDat zij zich mijne onuitsprekelijke en tallooze ellenden âherinnere bij de herinneringen aan haar eigen bestaan, âarm in aardsche, maar rijk in hemelsche goederen.quot;
Dan, niet langer stelde de moedige strijder voor de H. Familie zich tevreden met zijne verwachtingen op bedekte wijze te kennen te geven ; in zijn ijver voor
') Sde Brief, Roermond, Augustus 1852.
254
de eer van Jezus, Maria, Jozef spoort liij de stichteressen aan een nieuwe kapel te bouwen en haar pensionaat den titel van de H. Familie te geven. Doch al ging hij op die wijze voor, hij werd niet aanstonds op den voet gevolgd, gelijk wij zien uit den volgenden brief: âIk heb de eer gehad een brief te ontvangen van uwe
âzuster Melanie____Ik ben een weinig ontmoedigd om
âU te schrijven, zegt zij, omdat Gij niet veel meer âantwoordt op datgene wat ik U zeg, dan ik U ant-â woord op uwe vriendelijke, doch onmogelijke voorstellen.
â.... Dierbare Zuster, ik wil mij niet rechtvaardigen____
âevenwel kan ik niet nalaten te herhalen wat mejuffrouw âMelanie mij in uwe tegenwoordigheid gezegd heeft: âde Bisschop verlangt dat wij gedwongen worden eene âkapel te bouwen. Ik zou gaarne 10,000 franken geven âom er eene te hebben.... Denk niet. Mejuffrouw, dat âik U dit herinner met het oogmerk om met uwe goed-âkeuring het werk te kunnen voortzetten, dat ik sinds âeenigen tijd begonnen heb, de plannen namelijk eener âkapel. Volgaarne wil ik dien arbeid staken, gelijk ik âook reeds opgehouden heb U over de H. Familie te âspreken.quot; t) Uit deze laatste woorden zien wij, dat Belletable genoodzaakt was geweest zich terug te trekken. Zijn voornemen om niet meer over de H. Familie te 'spreken, schijnt evenwel al zeer weinig vast en bestendig geweest te zijn. In werkelijkheid zien wij, dat hij in den beginne slechts eenige stappen achteruitgaat om vervolgens zijn sprong beter te kunnen nemen. Ook sluit hij zijn brief niet zonder de drie namen, zoo dierbaar aan zijn hart, nog even aan te halen: âJezus, âMaria, Jozef, gewaardigt u ons uwen zegen te schenken!quot;
Een ommekeer bleef dan ook niet lang uit ; binnen
') 9de Brief, Gent. den 283ten September 1852.
255
drie maanden had Belletable reeds zooveel veld gewonnen, dat hij naar ïhielt schreef : â .... Daar deze âjongejuffrouwen den eeretitel van de H. Familie hebben âaangenomen, moet Gij haar een reglement geven. Zij âkunnen er datgene uit overnemen wat haar dienstig âschijnt....quot; 1) Intusschen laat de kapitein zijn vrijen loop aan zijne godsvrucht en door zijn voorbeeld predikend, besluit hij zijn brief aldus: âHeer Jezus, aan âU en aan Maria en Jozef, uwe en mijne bewonders-â waardige ouders, beveel ik allen die mij dierbaar zijn. âVergun ons allen, o Heer te leven en te sterven in âU en voor U, wien alle eer en glorie toekomt.quot; 2)
Drie jaren later was de kapitein niet meer; in December 1855 was hij gestorven, doch zijne zaak was gewonnen ; de namen van Jezus, Maria en Jozef prijkten op den voorgevel van het pensionaat te ïhielt en stonden gesrift in de harten van allen die het bewoonden.
O O
Den 3den Juni 1S56 schonk de Bisschop van Brugge zijne goedkeuring aan de regels der kloostervereeniging, die den titel aannam van âInstituut der Dames van de H. Familie.quot; Van de vier zusters, die het huis gesticht hadden, namen er drie den sluier aan en droegen om den hals de zilveren medaille van Jezus, Maria, Jozef, welke Belletable haar verstrekt had.quot; 3)
De ijver, waarmede deze kloosterzusters van dan af hare roemrijke Patronen vereerden, was zoo groot, dat zij den Paus verzochten een afzonderlijk feest ter eere der H. Familie te willen instellen. Die moeilijke onderneming was inderdaad een heilige kruistocht. Terwijl
') Onder medewerking van den eerwaarden Bestuurder van het pensionaat, hadden de pensionairen eene liefdadigheidsvereeniging opgericht, die den naam droog van de H. Familie.
quot;) 12de Brief, Kerstmis 1852.
s) Later ontving Belletable den eeretitel van tweede vader der H. Familie.
256
men te Thielt de gebeden tot dat einde gestort zoo regelde, dat de communiteit iederen Zondag de H. Communie opdroeg om die gunst te verwerven, stelden prelaten te Rome alles in het werk om deze zaak bij Zijne Heiligheid te doen slagen. Na allerlei wisselvalligheden en herhaalde vertragingen, waardoor de goede uitslag in gevaar scheen gebracht; nadat de moeilijkheid om de drievoudige vereering, welke de Kerk aan Jezus, Maria, Jozef brengt, in één office te vereenigen, door godgeleerden van naam grooter was voorgesteld dan zij eigenlijk is; nadat de verzoekschriften, welke te voren met het officie der H. Familie aan den Paus waren aangeboden, in vergetelheid schenen geraakt: stelde Leo XIII eindelijk het feest der H. Familie in, tegelijk met eene eigene mis en een eigen officie, en bepaalde dat dit feest voortaan op den derden Zondag na Driekoningen zou gevierd worden, de bisschoppen evenwel vrijlatend om het al of niet in hunne bisdommen in te voeren. 1)
'J ,Dc Vereeniging of het Genootschap der H. Familie, (terzelfder tijd opgericht), mag,quot; aldus de Kardinaal-Aartsbisschop van Mechelen in een schrijven van den 17den Februari 1897, âgeenszins afbreuk doen aan do Broederschappen van de H. Familie, welke door de zorgen der Redemptoristen in een groot aantal parochiën is opgericht. Wij achten ons zelfs gelukkig hier eene gelegenheid te vinden om de beste getuigenis van dit werk af te leggen, zijn voortreffelijkheid te verkondigen, het onmetelijk goed te erkennen, hetwelk het voortdurend teweeg brengt, en het aan to bevelen als een der geschiktste middelen voor de bijzondere behoeften van onzen tijd, bijzonder onder het volk. Beide werken verschillen in hun onmiddellijk doel en in hunne oefeningen. De Vereeniging, door Z. H. den Paus ingesteld, heeft de heiliging der christelijke huisgezinnen ten doel en tracht dit te bereiken door de navolging der voorbeelden van de H. Familie en door het storten van dagelijksehe gebeden in den huiselijken kring. Het doel der Broederschappen daarentegen is de persoonlijke heiliging der leden, welke zij trachten te verkrijgen door godvruchtige vergaderingen in de kerken. Waar zich die twee werken ontmoeten, zullen zij elkander wederkeerig tot krachtigen steun verstrekken.
âDit schrijven zal door de Pastoors worden voorgelezen op alle plaatsen waar de H. Familie van Luik bestaat.
Mechelen, den 17den Februari 1895.
[Gei.) t Petrus Lambertus, Kard. Goossens.quot;
257
3°. Belletables godsvrucht tot Jezus, Maria, Jozef. Het derde gedeiikteeken dat de godvreezende kapitein ter eere der II. Familie heeft opgericht, is de bijzondere vereering, die hij haar toedroeg in zijn hart. Bewijzen zijn hier niet noodig, want volgens den H. Gregorins zijn âde werken het bewijs der liefde; exhibitio op er is prohatio caritatisquot;. Stellen wij ons daarom tevreden met de l anhaling van eenige aanroepingen tot de H. Familie, waarvan de brieven van den soldaat als doorweven zijn; Belletable immers, wij zagen het meermalen, bidt tot in zijne brieven.
In een dezer, aan mejuffrouw llosalie gericht, lezen wij: â....Maria en Jozef, mijne dierbare patronen, âbidt voor mij met nieuwen ijver. ... Ik dank den âalmachtigen en barmhartigen God, dat Hij mij Maria âgegeven heeft, die onbevlekt is in hare Ontvangenis, âen den H. Jozef in zijn roemrijk vaderschap, dat meer âdan eenig ander gelijkt op het vaderschap van den âAllerhoogste.quot; 1)
Den 5clen Juni 1853 schrijft hij uit Nieuwpoort aan mejuffrouw Melanie: âHeden ben ik te Communie geweest ter eere van de H. Familie Jezus, Maria en Jozef en ten uwen voordeele. Ik heb het vaste vertrouwen, dat God mij genadig verhoord heeft.quot; 2)
Ziellier hoe de kapitein verder een klein voorval mededeelt, dat een groot feit schijnt geworden. Hij verhaalt het op den vooravond van Kerstmis 1853 op de volgende wijze:
âTe Namen is dezer dagen een oud lid der H. Familie âgestorven. Toen hij in zijne laatste oogenblikken den âeerwaarden heer kapelaan Masson zag binnentreden âriep hij uit: Ziedaar de H. Familie! Daarop begon
1
') 9de Brief, Gent, den 25sten September 1852.
2
) 15de Brief, Nieuwpoort, den 5den Juni 1853.
EELLETABLE. 17
258
âhij met luide stem deze U bekende woorden uit te âspreken: Jezus, Maria, Jozef, ik geef U mijn geest, âmijn hart en mijn leven enz., en hij sprak ze uit tot âzijn laatsten snik. Ik zal dit aan pater Dechamps âschrijven en er bijvoegen dat deze brave man aan den âeerwaarden heer Kapelaan, bestuurder der Broederschap, âeene bijzondere Mis van de H. Familie gevraagd heeft âen dat hij zeer bedroefd was toen hij vernam dat deze âniet bestond.quot; 1)
Wij hebben reeds gezien dat de kapitein de meeste zijner brieven onderteekende : â Henri van de H. Familiequot; : de meeste ook dragen bovenaan de aanvangletters der heilige namen. Somtijds voegt hij er eene verzuchting bij, een vurige aanroeping, een hartelijke ontboezeming, als even zoovele vonken die ontspringen aan zijne ontvlamde ziel: âO H. Familie! 2) O H. Jozef, mijn Vader !quot; 3) Henri van de H. Familie, is mijn wapenkreet. 4) ;;Dat de namen van Jezus, Maria, Jozef voor âaltijd geprezen zijn. 0) Daarom bid ik de H. Familie, âU allen onder hare heilige en waardige hoede te ânemen....quot;
âP. S. â Bid de H. Familie, dat zij ons nimmer âeen uogenblik verlate.quot; 5)
Die vurige ontboezemingen herinneren ons een woord, dat wij eenige weken geleden uit den mond van generaal D... . , een oud wapenbroeder van onzen kapitein, opvingen. Nadenkende over hetgeen voor vijf-en-veertig-jaren gebeurd was, zeide hij: â Belletable was een gods-âdienstig, een devoot man.quot;
1
') 22ste Brief, Namen, den bésten December 1853.
2
-) 45ste Brief.
3
) 19de Brief.
4
) 13de Brief.
5
) 38ste Brief.
259
Dat woord, wij stellen er prijs op het te erkennen, was volkomen op hem van toepassing, want volgens zijn oorsprong beteekent het woord devoot (van het latijnsche devotus) aan God toegewijd. Wat kan er grooter zijn? Dat nu was Belletable, want godsvrucht, devotie, is eene zekere neiging van den wil om zich gemakkelijk bezig te houden met zaken, die op den dienst van God betrekking hebben. 1) Zoo waren de heiligen, die alleen waarlijk verdienen groot te heeten.
') De H. Thomas, 2a, 2ac, 9, 82. ad 1.
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
De man der Liefdewerken.
H. Eraneiscus van Sales zegt: âdat het âlezen van de levens der Heiligen en âder dienaren Gods de voorkeur verdient âboven het lezen der geestelijke boeken, âgelijk de gezongen muziek het wint van âde muziek, die enkel op noten gesehre-âven is.quot; En zegt niet een even oud als waar spreekwoord : â Verba movent, cxem-âpla trahunt: woorden wekken, maar â voorbeelden trekken ? quot;
In .dit hoofdstuk wenschen wij Belletable voor te stellen als een toonbeeld van ijver voor de eer van God en het heil der zielen. Wij wenschten aan te toonen, hoeveel belang hij stelde in alle werken, die dit dubbel doel ten grondslag hadden. Op deze wijze zullen wij aanvullen wat wij over zijne vurige liefde tot God hebben gezegd. Immers, gelijk het stoffelijk vuur, zoo tracht ook het vuur der liefde Gods alles te verteren wat het omringt en hoe meer Belletable van de liefde Gods
261
brandde, des te meer werd hij verslonden van verlangen vrienden voor Hem te verwerven.
1°. Raadplegen wij nogmaals de briefwisseling van den godvruchtigen kapitein om te zien, hoe hij hongerde en dorstte naar het heil der zielen. Stippen wij nogmaals een uittreksel aan, dat wij reeds hebben aangehaald uit een brief, dien hij in 1848 tijdens zijn verblijf te Brussel aan een zijner vrienden schreef: âDe arbeidende âklasse is hier buitengewoon sterk vertegenwoordigd. âIk ben bedroefd, omdat ik maar al te goed weet welke âafschuwelijke ellenden onder haar worden aangetroffen. âMaar ik hoop, dat de H. Familie hier opgericht zal âworden, hetgeen mij een grooten troost verschaft. Ook âben ik geheel bereid te lijden gelijk het aan de goddelijke Voorzienigheid zal behagen, mits ik mij zeiven âen de mijnen overvloedig zalig make en eenige mijner âbroeders onder de werklieden.quot;
In 1852 vinden wij Belletable terug te Gent, waar hij pas tot kapitein benoemd was. Als werkend lid der Conferentie van den H. Vincentius Ti Paulo, behartigde hij alle werken, welke die vereeniging in deze fabrieksstad in liet leven roept, beschermt en niet ophoudt te bevorderen: âDe vereeniging van den H. Vincentius âa Paulo,quot; schrijft hij, âdoet hier op het oogenblik âeene school bouwen, die later 600 kinderen zal moeten âbevatten. Zij zal bestuurd worden door de Broeders âder christelijke scholen. Men zal er tevens een ver-âeeniging voor leerjongens en eene militaire vereeniging âvestigen. Wat al weldaden! maar helaas! en duizeud-âwerf helaas! wat er nog te doen blijft is duizendmaal âgrooterquot;
Eenige weken later wendt hij zich tot de dames Van
') Tdc Brief. Gent 1852.
262
Biervliet, wier belangstelling voor goede werken hij zoo goed weet op te wekken en zegt; _Is mejuffrouw Melanie âal teruggekeerd? Als het haar door heldhaftige krachts-â inspanning gelukt haar neef te doen omslaan, dan âverdient zij er duizend te bekeeren.quot; ^
Een ander uittreksel zijner brieven toont hem in hetzelfde daglicht: âIn de Onze-Lieve-Vrouwekerk te âNieuwpoort,quot; zegt hij, âis een beeld dat het âEcce â âHomo,in zittende houding voorstelt. Ik kan dat âbeeld niet aanschouwen zonder aan U te denken, Be-â minde Zuster, en zonder bedroefd te worden bij de âgedachte aan het verlies van zoovele menschen, die âhun leven doorbrengen zonder ooit op te zien naar âden hemel, waar hen eene zoo schoone bestemming âwacht! Waar zal ik tranen vinden om mijne eigene âzonden en die van anderen te beweenen! Koude ik âtranen storten tot den laatsten snik mijns levens, ik â zou mij gelukkig achten !quot; 2)
En gelijk de kapitein medelijden gevoelt met den ongelukkigen toestand van zoovele zielen, die verloren gaan, zoo verheugt hij zich, dat zielen zich spoeden naar de bronnen des levens. In 1853 was hij opgetogen van vreugde, toen hij bij gelegenheid van het Kerstfeest den ijver zag, wTaarmede de parochianen van Soningen tot de Sacramenten naderden. Einde December schrijft hij ; âIk ben te huis geweest en allen maken âhet goed. Er was zulk een toeloop van volk aan de âbiechtstoelen, dat de priesters niet wisten, hoe zij allen âzouden helpen. De eerwaarde heer Deken heeft Zondag âin de preek zijn volk ten zeerste geprezen.quot; 3)
2°. Het apostolaat der Pers tegenwoordig zoo
') 4de Brief, 1852.
â ) 15de Brief, Nieuwpoort, den 5den Juni 1853. ') 23ste Brief, Gent, December 1853.
263
algemeen verspreid, zoo vruchtbaar en zoo noodzakelijk, had insgelijks geheel het hart van dezen grooten Christen gewonnen. Ziehier hoe hij mejuffrouw Melanie Van Biervliet, die haar schoon talent aan dit apostolaat wijdde, wist aan te moedigen: âDe laatste maal, dat ik in âThielt was, zeide mij pater Sacré {een der Francis-âcanen, die de kapel bedienden) dat het hoek, hetwelk âmejuffrouw Melanie denkt uit te geven, werkelijk zeer âgoed is. Ik verheug mij derhalve in de gedachte, dat âhet weldra zal verschijnen en dat jeugdige personen, âdie in de wereld leven, er kostbare regels voor haar âgedrag in zullen vinden.quot; 1)
Eenige maanden later werd zijn wensch vervuld; het boek was verschenen, werd overal verspreid en stichtte zeer veel nut. Belletable ontving een afdruk ten geschenke, doorliep het zonder uitstel, en haastte zich de geachte schrijfster te melden: âUwe âKennis van het ââwaar gelukquot; kon men zeer goed noemen : âDe spiegel ââder jonge dochter.quot; Welk een spiegel! of ook nog: â âDe dichterlijke catechismus.quot; Ga voort, Dierbare Zuster, âmet Jezus en zijne liefde diep in de harten te doen âbinnendringen, er zal altijd iets van over blijven, gelijk â Voltaire zeide van den laster .... Wat heb ik gedaan? âIk heb twee woorden uitgesproken die zoo tegen elk-âander indruischen, dat de schok zich heeft medegedeeld âaan mijne ziel.quot; 2)
Intusschen was de waardige Bisschop van Kamen, dank de goede zorgen van Belletable, reeds in het bezit van dit werk. Hij schrijft daarom: âVerleden Zondag âben ik bij Mgr. de Hesselle geweest, en ik heb hem âuw boek over de âKennis ran het ware yelulcquot;, dat âvoor hem bestemd was, overhandigd. Mgr. heeft mij
') 26ste Brief, Namen, den llden Februari 1854. ) 35.ste Brief, Namen, den 27#ten Augustus 1854.
264
âverzocht de dames Van Biervliet in zijn naam te dan-âken, in afwachting dat hij later zelf schrijve om zijn âdank te betuigen. Dierbare Zuster, bidt Gij nog altijd âvoor mij? . . .
3°. Naast het apostolaat der pen of der goede drukpers staat het apostolaat der christelijke opvoeding. Belletable waardeerde de buitengewoon aroote voordeden
O O
van het godsdienstig onderwijs, alsmede de kostbare diensten, welke het onder dubbel opzicht bewijst: voor het heil der zielen n.1. en voor de eer van God. Van-daar die welwillende ijver, waarmede hij de dames Van Biervliet aanmoedigde om het groot en heilig plan, dat' zij hadden opgevat, te verwezenlijken en eenmaal den sluier aan te nemen, en eene klobstervereeniging te stichten, die zich onder bescherming van den godsdienst op het onderricht der jeugd zou toeleggen, een plan dat zij den 3dcquot; Juni 1856 ten uitvoer brachten.
Om dit doel te bereiken en haar door de kracht van het voorbeeld aan te sporen, schreef de officier tijdens zijn uitstapje, dat hij met groot verlof in Limburg deed, het volgende: â't Is nu twintig jaar geleden, âdat eene jonge dochter voor den Bisschop van Luik âverscheen en hem verlof vroeg om in deze provincie, âte Heythuisen, een klooster te stichten. Zij verzekerde, âdat zij niets bezat, doch zij was bezield met een gren-â zenloos vertrouwen op de goddelijke Voorzienigheid. âThans vormen tal van Zusters niet minder dan negen âkloosters, volgen een goedgekeurden regel, en hebben âoveral bloeiende pensionaten voor jongejuffrouwen.quot; 1)
4°. Een ander liefdewerk niet minder nuttig dan de opvoeding van kinderen en de studeerende jeugd in de tucht en de vreeze des Heeren, is het werk dat zich
') 4do Brief, Roermond 1852.
265
ten doel stelt aan ouden van dagen een goeden dood te verzekeren. Daartoe behoort de nog betrekkelijk jeugdige stichting der bewonderenswaardige Zustertjes der Armen, die ouden van dagen, zoowel mannen als vrouwen, geheel of bijna geheel kosteloos in hare kloosters opnemen en hen voorbereiden om een goeden dood te sterven. Uit Frankrijk, waar zij ontstonden, waren zij naar België gekomen en hadden nog pas te Luik haar eerste huis gesticht. Belletable, gelijk wij zagen, maakte gebruik van zijne eerste reis om haar gesticht te bezoeken: âIk ben dezer dagen met
O 7, O
âmijne vrouw naar Luik geweest,quot; schrijft hij, âen heb âdaar de Zustertjes der Armen gezien. Zij tellen reeds â114 hulpbehoevenden, die zij onder alle opzichten met âde teederste en stichtendste liefde verzorgen. Het oud âKartuiserklooster strekt haar tot wijkplaats en is âer uitstekend voor gelegen. Groote boomen overscha-â duwen de tuinen en overvloedige bronnen verschaffen âwater aan het gesticht. Het inwendige des kloosters âis net, goed onderhouden, maar armoedig. De bedden âen de keuken zijn uiterst zindelijk. Aan de Zuster, âdie ons rondleidde, heb ik gevraagd of zij ook huizen âhadden in kleinere steden van zeven tot acht duizend âzielen. [Een zinspeling op Thielt, dat ongeveer zooveel inwoners telde). Zij gaf mij een bevestigend ant-âwoord en voegde er bij, dat deze even bloeiend waren âals die in grootere steden. Ik ben zeker dat mejuffrouw âMelanie zal zeggen, dat dit voor haar een steek onder âwater is.quot; 1)
Overigens bleef de kapitein aan geen enkel werk van liefde, welk ook, vreemd. Gods zaak was zijne zaak; gelijk een goed en teederminneiid zoon de belangen
') 27ste Brief, Soningen, den 15 April 1854.
266
zijns vaders behartigt, zoo behartigde Belletable de belangen van Gods eer. Reeds vroeger schreef hij uit Roermond: âIk ga hier alles bezoeken wat slechts merkwaardig is; kerken, seminarie, college, scholen, zelfs eene bewaarschool, het hospitaal, enz. ...quot; 1)
Eenigen tijd later schreef hij uit Soningen: âWeldra âzend ik U het verslag der Vereeniging van den H. âVincentius a Paulo over het jaar 1854. Gij zult er âeene allerbelangrijkste bladzijde in vinden. Ik bedoel âhet werk der militairen.quot; 2)
5°. Als trouwe zoon der Heilige Kerk Wcis Bcllctcibl© in al hare worstelingen betrokken en deelde zoowel in
O
de vreugde barer overwinningen als in de smart barer beproevingen. Aan het slot van een zijner brieven openbaart hij volgenderwijze de belangstelling, waarmede hij de gebeurtenissen volgde, waarin de katholieke zaak betrokken was.
âIn het hertogdom Baden gaat alles wonderbaar âgoed. Ziedaar toonbeelden van christenen, die niet âheulen met den duivel. 3) Zoo leert alles ons te leven âom te sterven en te sterven om te leven.quot; 4)
Eenigen tijd later plaatst hij onder een zijner brieven een naschrift, dat een waardige tegenhanger is van het-
1
') 3clc Brief, Augustus 1852.
2
') lldc Brief, Soningen, den 29 December 1854.
3
) Ziehier het feit waarop Belletable zinspeelt: De Regeering van Fre-deifik, prinsregent van het hertogdom Baden, had zich wederrechtelijk gezag aangematigd tegenover dr Kerk, door bevelen uit te vaardigen, die in strijd waren met Gods wetten. Zij had zelfs, op strafte van gevangenneming, de afkondiging verboden eener verordening van den Aartsbisschop van Freiburg. De Prelaat deed op zijne beurt acht der voornaamste burgerlijke ambtenaren, die aan de uitvoering der onrechtvaardige wet van het tijdelijk gezag hadden medegewerkt, in den kcrkelijken ban. Vandaar ging men tot inhechtenisneming over in alle plaatsen, waar het mandement des Aarts-bisschops op den predikstoel was voorgelezen. De Pastoors werden gevangen gezet. Som? ook moesten de dienaren der tijdelijke macht voor het saam-geschoolde volk en voor de verbitterde studenten wijken.
4
') 21ste Brief, den Ssten December 1853.
267
geen wij zoo even lazen: âP. S. Zoo dan is de reus met âleemen voeten neergeploft! 1) Paus Gregorius XVI â¢âhad gelijk, toen hij van keizer Nicola as zeide: âVóór .,zijn dood zal hij vernederd wordenquot;. Waar gaan wij âheen? De verblinding is groot en zij schijnt algemeen! âHet schijnt dat de volkeren andere lessen noodig âhebben dan die der geschiedenis. Wat zijn wij ellendig!quot; 2)
6°. Eindelijk legt Belletables briefwisseling zelf op iedere bladzijde getuigenis af van zijne groote liefde tot God en van zijn ijver, die er de vlam van is. Daalde ware ijver minder eene berekening, dan wel een noodzakelijk en standvastig uitvloeisel is der goddelijke liefde, die de ziel vervult, zoo volgt daaruit, dat hij die bemint, bij iederen stap en zonder er schier aan te denken weldaden bewijst aan zijne gansche omgeving; zijne daden, zijne woorden, zijne geschriften zijn vol van God, die zijn hart vervult; bet is een uitvloeisel zijner liefde.
Dusdanig was de schrijver, wiens brieven wij hebben ontleed. Men heeft er zich van kunnen overtuigen, dat deze allen, in den waren en verhevensten zin des woords, geestelijke brieven zijn. Natuurlijkerwijze spreekt men gaarne over datgene wat men bemint en onderhoudt men zich over hem, die ons hart vervult; het is derhalve niet te verwonderen dat Belletables teedere godsvrucht in al zijne brieven doorstraalt, dat zijne bezielde pen zulke gloeiende bladzijden schrijft en de Lezer er de kracht van den apostolischen ijver in gevoelt.
') Nicolaas I, Keizer van Rusland en vervolger van Polen, stierf onverwachts den 18den Februari 1855.
-) Bijvoegsel van den 12dcn Brief, den 19den Maart 1855.
266
zijns vaders behartigt, zoo behartigde Belletable de belangen van Gods eer. Reeds vroeger schreef hij uit Roermond: âIk ga hier alles bezoeken wat slechts merkwaardig is: kerken, seminarie, college, scholen, zelfs eene bewaarschool, het hospitaal, enz. ...quot; ')
Eenigen tijd later schreef hij uit Soningen: âWeldra âzend ik U het verslag der Vereeniging van den H. .,Vincentius a Paulo over het jaar 1854. Gij zult er âeene allerbelangrijkste bladzijde in vinden. Ik bedoel âhet werk der militairen.quot; 1)
5°. Als trouwe zoon der Heilige Kerk was Belletable in al hare worstelingen betrokken en deelde zoowel in de vreugde barer overwinningen als in de smart barer beproevingen. Aan het slot van een zijner brieven openbaart hij volgenderwijze de belangstelling, waarmede hij de gebeurtenissen volgde, waarin de katholieke zaak betrokken was.
âIn het hertogdom Baden gaat alles wonderbaar âgoed. Ziedaar toonbeelden van christenen, die niet âheulen met den duivel. 2) Zoo leert alles ons te leven âom te sterven en te sterven om te leven.quot; 3)
Eenigen tijd later plaatst hij onder een zijner brieven een naschrift, dat een waardige tegenhanger is van het-
1
) 11de Brief, Soningen. den 29 Deeeniber 1854.
2
J Ziehier liet feit waarop Belletable zinspeelt: De Regeering van Fre-derik. prinsregent van het hertogdom Baden, had zich wederrechtelijk gezag aangematigd tegenover de Kerk, door bevelen uit te vaardigen, die in strijd waren met Gods wetten. Zij had zelfs, op strafle van gevangenneming, de afkondiging verboden eener verordening van den Aartsbisschop vac Freiburg. De Prelaat deed op zijne beurt acht der voornaamste burgerlijke ambtenaren, die aan de uitvoering der onrechtvaardige wet van liet tijdelijk gezag hadden medegewerkt, in den kerkelijken ban. Vandaar ging men tot inhechtenisneming over in alle plaatsen, waar het mandement des Aarts-bisschops op den predikstoel wasvoorgelezen. De Pastoors werden gevangen gezet, Soms ook moesten de dienaren der tijdelijke macht voor het saam-geschoolde volk en voor do verbitterde studenten wijken.
3
*) 21ste Brief, den Ssten December 1853,
267
geen wij zoo even lazen: âP. S. Zoo dan is de reus met âleemen voeten neergeploft! 1) Pans Gregorius XVI â¢âhad gelijk, toon hij van keizer Ni col a as zeide: âVóór âzijn dood zal hij vernederd wordenquot;. Waar gaan wij âheen ? De verblinding is groot en zij schijnt algemeen! âHet schijnt dat de volkeren andere lessen noodig âhebben dan die der geschiedenis. Wat zijn wij ellendig!quot; 2)
6°. Eindelijk legt Belletables briefwisseling zelf op iedere bladzijde getuigenis af van zijne groote liefde tot God en van zijn ijver, die er de vlam van is. Daar de ware ijver minder eene berekening, dan wel een noodzakelijk en standvastig uitvloeisel is der goddelijke liefde, die de ziel vervult, zoo volgt daaruit, dat bij die bemint, bij iederen stap en zonder er schier aan te denken weldaden bewijst aan zijne gansche omgeving; zijne daden, zijne woorden, zijne geschriften zijn vol van God, die zijn hart vervult; het is een uitvloeisel zijner liefde.
Dusdanig was de schrijver, wiens brieven wij hebben ontleed. Men heeft er zich van kunnen overtuigen, dat deze allen, in den waren en verhevensten zin des woords, geestelijke brieven zijn. Natuurlijkerwijze spreekt men gaarne over datgene wat men bemint en onderhoudt
o O
men zich over hem, die ons hart vervult; het is derhalve niet te verwonderen dat Belletables teedere godsvrucht in al zijne brieven doorstraalt, dat zijne bezielde pen zulke gloeiende bladzijden schrijft en de Lezer er de kracht van den apostolischen ijver in gevoelt.
1
J) Nicolaas I, Keizer van Rusland en vervolger van Polen, stierf onverwachts den 18den Februari 1855.
2
) Bijvoegsel van den 12dcn Brief, den 19den Maart 1855.
DERDE DEEL.
EERSTE HOOFDSTUK.
Hoei.
Eone Voorzegging. â Laatste ziekte. â De H. Teerspijze. â De dood.
en scheen waarin hij zich
maand September 1855 naderde. De avond begon reeds te vallen en de zon verlichtte met hare laatste stralen de witte muren der vesting, die het stadje Hoei beheerscht. Liefelijk speelde zij in het vergulde ronde venster der collegiale kerk. Aan den voet dezer twee monumenten, die boven elkander schijnen geplaatst, J wandelde in gedachten verzonken een
! officier. Hij was blootshoofds, had een
breed voorhoofd, droeg een open mantel opgetogen over de schoone omgeving,
bevond. Het was de nieuwe commandant van het fort; het was Belletable. Van de Namensche straat, die hij volgde, ontdekte zijn oog de groenende heuvelen, die het stadje omringen en die het tot een klein Zwitserland deden stempelen. Hier en daar trok een nieuwe villa
270
of een oud klooster tussclien het groen verscholen zijne aandacht. Aan zijne linkerzijde verhief zich de steile rots, die het fort draagt, terwijl aan weerskanten daarvan eene rij huizen is aangebouwd. Ter rechterzijde stroomde de welbekende Maas, nu eens verborgen achter de huizen die hare oevers omzoomen, dan weder in bevallige kronkelingen te voorschijn tredend, om zich allengs achter de wijnbergen der heuvelen te verliezen.
In diezelfde Namensche straat woonde de kapitein. Hij had haar, juist omdat zij stil en weinig bezocht was, tot wandelplaats verkozen.
Wanneer hij langs dienzelfden weg terugkeerde, lagen de drie voornaamste merkwaardigheden van Hoei, waarop de inwoners terecht fier zijn, voor hem, namelijk: het kasteel {li tchestia) welks breede grondslagen op een berg van kalksteen rusten ; het prachtig ronde raam (li rond ia) in den buitengewoon hoogen toren dei-collegiale kerk, die hare geveldaken en hare met haakjes voorziene torentjes naast den reuzentoren verheft, en eindelijk de oude steenen brug met zeven bogen {li ponfia), welke de beide wijken der stad met elkander verbindt.
Toen Belletable te Hoei aankwam, nam hij eerst zijn intrek in âVHotel de la Pastequot;, maar weldra besloot hij zich elders te gaan vestigen. In de Namensche straat, op honderd meters afstand van de collegiale kerk, bevond zich het koffiehuis âla Renaissancequot;, thans âVEmulation geheeten. Terwijl de kapitein in deze omgeving wandelde, ontmoette hij den heer Bras-seur en zijne jeugdige echtgenoote, die gemeld huis bewoonden. Op zekeren dag brengt Belletable hun een bezoek en spreekt: âGij hebt eenige kamers te huur: ik zou ze wel eens willen zien.quot;
Men toonde hem op de eerste verdieping eeu ruime
271
zaal en daarnaast twee kleine vertrekken waarvan een tot slaapkamer diende. Na ze bezichtigd te hebben sprak de kapitein : âIk ben volstrekt niet veeleisen end; de middelen ontbreken mij om mij een dure woning aan te schaften, want te Soningen moet ik mijne vrouw en vijf kinderen onderhouden; dit alles bevalt mij goed en is groot genoeg voor mij. Tk heb daarenboven het uitzicht op de Maas en ik kan hier ook zeker tafel bekomen ?quot;
âMet uw welnemen, kapitein,quot; antwoordt mijnheer Brasseur, âwij geven alleen mijnheer Bertrand, professor aan het Sint-Quintinus-college, die hier zijne kamers heeft, huisvesting en tafel.quot;
Tevergeefs drong Belletable dien dag aan. âWelnu, het zij zoo,quot; sprak hij eindelijk, âik zal mijn middagmaal uit het hotel laten komen,quot; en nam zijn intrek in âla Renaissancequot;.
Een eiken latafel diende hem tot lessenaar ; aan den eenen kant bevond zich een rekje voor zijne boeken, aan den anderen kant een ladenkast voor het linnen. Een leuningstoel, dien de kapitein uit het fort liet halen, voltooide het eenvoudig huisraad.
Mejuffrouw Brasseur, die nog in leven is, was het toonbeeld eener huisvrouw : zindelijk, werkzaam, goedhartig en door en door godvruchtig. Het duurde niet lang, of haar nieuwe gast had al hare achting gewonnen. âZijn uiterlijk was zoo voorkomend,quot; zoo verhaalt zij, âhij wist zoo goed te praten, was zoo godsdienstig ! Daarenboven zag ik, dat hij ziekelijk en dikwijls lijdend was. Ook was ik niet weinig verwonderd, toen hij mij na eenige dagen zonder veel omhaal van woorden zeide : Mejuffrouw Brasseur, gij zijt niet braaf!quot;
âHoe ! Wat bedoelt u ?quot; ...
âNeen, gij zijt niet braaf... gij wilt wel mijnheer Bertrand bij u in den kost en mij weigert gij.quot;
272
âMaar, kapitein, gij zijt ziekelijk, gij hebt eene betere tafel, krachtiger voedsel noodig.quot;
âToch niet, ik zal volstrekt niet lastig zijn ; ik ben huisvader en smaak het geluk niet niet mijn huisgezin te leven; ik bid u, laat toe dat ik de tafel met u deele; het zal zoo lang niet duren, weldra zal ik het huiselijk leven genieten, waarvan ik tot dusverre verstoken was.
'ie begint te redeneeren, begint zich over te geven. En mejuffrouw Brasseur gaf zich over. Belletable at met het gezin en bevond er zich wel bij: âZiet eens,quot; zeide hij, âhoe goed wij elkander verstaan; gij hebt geen dienstmeid en ik geen oppasser. Mijne goede Moeder (hij bedoelde de Allerheiligste Maagd) wist wel waar ik te recht moest komen ... Verbeeld u eens dat ik daar beneden in het hotel was, ziek, geheel alleen.. . Wat zou er van mij geworden zijn?quot;' En hij kruidde het middagmaal met geestelijke gesprekken.
âEr bestaat eene drievoudige manier van bidden,quot; zeide hij eens op vroolijken toon: a) geknield, als men met meer aandrang Gods barmhartigheid wil afsmeeken; '') staande, hetwelk de verheffing der ziel tot God aanduidt en c) zittende, welke houding het zinnebeeld is van de traagheid tegenover God; en in dat geval verkeer ik dikwijls.quot;
De kapitein knoopte insgelijks vriendschap aan met zijn dischgenoot, den heer Bertrand, die eveneens nog in leven is. Hij verhaalde hem de geschiedenis zijner bekeering, en de herinnering, welke de heer Bertrand hiervan bewaard heeft, is, dat die bekeering moeilijk moet geweest zijn. Als een andere Augustinus zou ook Belletable de stem zijner driften vernomen hebben: âMaar hoe, Henri, gij verlaat ons dus ! Meent gij zonder ons te kunnen leven?quot; Terzelfder tijd vertoonde de
273
booze geest allerlei verleidelijke voorstellingen aan de verbeelding van den bekeerling.
In het koffiehuis âla Hcnaissancequot;, dat vooral door professoren en ambtenaren, die een geregeld leven leidden, bezocht werd, vond Belletable een deftig en stil gezelschap. Het was juist tie tijd van den Krim-oorlog, die den 8stcn September 185quot;) niet de inneming van iSebastopoi eindigde, en men volgde met belangstelling de wisselingen van den krijg, die reeds een jaar geduurd had. De bezoekers van het koffiehuis deden vaak Belletable roepen, die welwillend zijne kamer verliet en zich bij hen voegde. Dan staakte men aanstonds het biljartspel en allen luisterden naar den officier, die hun eene verklaring gaf van de militaire krijgsverrichtingen, zooals die door de laatste nieuwsbladen waren medegedeeld en waarover hij als soldaat bevoegd was te oordeelen. Volgens getuigenis van mejuffrouw Brasseur, muntte Belletable uit in de zoo moeilijke kunst om een gezelschap aangenaam te onderhouden.
Ofschoon ziekelijk, stelde de nieuwe commandant toch alles in het werk om zijn ambt goed te vervullen. Tot in de kleinste bijzonderheden vroeg hij betreffende personen en zaken inlichtingen bij den bewaker van het fort, zoodat deze op zekeren dag zeide: âDe kapitein-commandant is nauwelijks eenige weken te Hoei en er is geen spijker meer of hij kent hem.quot; Deze ambtenaar verwaarloosde zijne christelijke plichten. Nochtans was Belletable geneigd, â om welke redenen weten wij niet, â hem toegeeflijk te beoordeelen: âHij vervult zijn
godsdienstplichten niet,quot; zeide hij, ......maar de arme
man kan er niets aan doen!quot;
Op het fort was een regenbak, welks inhoud de commandant berekende; daarna deed hij de toegangen herstellen. Naar het schijnt was hij volstrekt niet tevreden
BELLETABLE. 18
274
over een aannemer, die cenige werkzaamheden tot ziju gebied behoorende uitvoerde. Daarentegen stelde hij alle vertrouwen in den wacht der Genie. De commandant had hem te Nieuwpoort leeren kennen; het was zijn man, zijn steun, zijn rechterarm in omstandigheden van minderen aard.
âDe zieke,quot; zoo verhaalt mejuffrouw Brasseur, âverlangde vurig naar zijne genezing.quot; Soms schertste hij met zijn geneesheer, dokter Francois: âAls ik generaal was,quot; zeide hij op den geneesheer wijzende, âdan zou hij mij wel genezen, maar ik ben slechts een officiertje.quot; â âDoe eene bedevaart naar Onze Lieve Vrouw de la Sarte,quot; 1) zeide hem de dame.â âAls de H. Maagd wil, dat ik haar ga bezoeken,quot; antwoordde de zieke, âdan moet zij mij eerst genezen.... Van de Allerheiligste Maagd,quot; voegde hij er bij, âheb ik alleen verkregen om met geduld te lijden; maar van den H. Jozef heb ik een treffende gunst verworven. Op zekeren dag, toen ik hem bad voor mijn kleinen Alfons, die zonder verstand en zonder spraak bleef, zeide ik hem; H. Jozef zal dit kind mij dan nooit vader kunnen noemen? Op hetzelfde oogenblik nam de arme kleine mij bij den arm en sprak mij zeer duidelijk toe: âPapa.quot;
Toen mejuffrouw Brasseur den kapitein eens bij het binnentreden zijner kamer groette, ontving zij aanvankelijk geen antwoord, doch een weinig later zeide hij haar: âMejuffrouw, de reden waarom ik u zoo even niet gegroet heb, was omdat ik met God sprak.quot;
In dien tijd naderde hij wekelijks driemaal tot de H. Communie en dagelijks zag men hem in de H. Mis. Dit schouwspel was zoo nieuw en zoo stichtend, dat
â ) Onze Lieve Vrouw de la Sarte is een oud, mirakuleus beeld van do H. Maagd, welks heiligdom op den top van een heuvel nabij Hooi gelegen is en eene menigte pelgrims tot zich trekt.
275
men er in de stad reeds over hegou te spreken. lederen avond verrichtte de officier op zijne kamer in stilte zijn gebed en zag liij zich genoodzaakt in zijn leuningstoel te blijven zitten, dan had hij gewoonlijk zijn rozenkrans in de hand.
Op zekeren dag wilde hij naar Lnik gaan om een bezoek te brengen aan zijn onmiddellijken Overste; maar nauwelijks was hij aan de Maasbrug gekomen of zijne krachten begaven hem en hij zag zich gedwongen terug te keeren. âHet is mij onmogelijk de reis te doen,quot; zeide hij, âals mijn majoor mij spreken wil, dan zal hij zelf moeten komen.quot; Deze kwam inderdaad en onderhield zich geruimen tijd met den kapitein. Na zijn vertrek zeide Belletable tot zijnen gastheer: âIk heb een bezoek ontvangen van mijn commandant ; hij heeft mij eenige grove vloeken naar het hoofd geslingerd. Kameraad, dacht ik bij mij zeiven, gij kent mij niet. Als ge weer terugkomt, zult gij het vloeken wel laten.quot; Inderdaad, toen de commandant een andermaal terugkwam, knielde hij zichtbaar bewogen bij het ziekbed van den godvruchtigen stervende, die op dat oogenblik de H. Teerspijs ontving.
Doch ziehier een ander voorval, waaruit onzes inziens nog duidelijker blijkt dat Belletable een goed profeet was. âMejuffrouw Brasseur,quot; zeide hij op zekeren dag op ver-trouwelijken toon, âmejuffrouw Brasseur, gij werkt te veel.quot;
âKapitein, ik moet voor mijn onderhoud zorgen.quot;
âBest, maar gij hebt geen kinderen.quot;
âIk vraag u verschooning, kapitein, ik heb wel degelijk kinderen.quot;
âWaar zijn ze dan; ik heb ze nooit gezien?quot;
âIk bedoel mijn vader en moeder, ik vraag den goeden God, hen te mogen helpen en hun een gelukkigen ouden das: te kunnen bezonreu.quot;
276
âVraagt gij dat?quot; hernam de kapitein levendig, en tegelijk keert hij zich naar het venster en de handen op den rug schouwt hij naar den hemel, âvraagt gij dat?quot; herhaalt hij op bewogen toon; âwelnu, gij zult het verkrijgen!quot;
âIk ben er een weinig bang voor, kapitein!quot;
âGij zult het verkrijgen,quot; herhaalde hij met een nadruk, die allen twijfel, maar ook alle tegenspraak buitensloot.
Kort daarop stierf Belletable, en den zeventienden dag-na zijn dood werd mijnheer Brasseur het aanbod gedaan een hotel over te nemen op het groote plein van Hoei, waar het letterkundig Genootschap, in de vorige eeuw gesticht, gevestigd was. Deze betrekking wierp het dubbele af van de winst, welke het koffiehuis âLa Renaissancequot; opleverde. De voorspelling werd dus spoedig vervuld.
Gedurende het laatste tijdperk zijner pijnlijke ziekte verflauwde Belletable geenszins in zijne godsvrucht tot de Allerheiligste Maagd. Behalve het kleine wonderdadige beeldje van Onze Lieve Vrouw van Bois cl'A ucjcnteau, waarover wij vroeger reeds gesproken hebben, bezat hij te Hoei nog een klein schilderijtje, dat de Moeder Gods voorstelde en dat hij volgens zijne mededeeling van eene kloosterlinge gekregen had. Mejuffrouw Brasseur beeft Belletable dikwijls voor dit eenvoudig beeldje zien bidden. Hij schreef daaraan als het ware een wonderdadige kracht toe. Werd hij door de pijn overvallen, zoo verhaalt ons insgelijks de heer Bertrand, dan nam hij de beeltenis in zijne handen, bezwoer de H. Maagd hem bij te staan, smeekte dringend toch medelijden met hem te hebben, en aanstonds gevoelde hij verlichting. Hij zelf verklaarde eens aan mejuffrouw Brasseur, dat hij zekeren nacht van 's avonds zes tot
277
's morgens zes uur verschrikkelijke smarten had uitgestaan, zonder ook maar een oogenblik troost te smaken. Op het laatste oogenblik zeide ik: âH. Maagd wilt gij mij dan niet helpen ?... ik bid u sta mij bij... en op hetzelfde oogenblik troostte zij mij en leed ik met geduld.quot;
Mevrouw Belletable gaf dit schilderijtje der H. Maagd als eene gedaebtenis aan den heer Bertrand, die het eerbiedig bewaard heeft en het ons volgaarne toonde. De vergulde lijst in ovalen vorm is acht centimeter lang en zes breed. Zij bevat onder een eenvoudig glas eene papieren afbeelding zonder de minste kunstwaarde. De Moeder Gods wordt er voorgesteld met het Kind Jezus op den rechterarm terwijl zij in de linkerhand, welke zij langs de zijde een weinig omhoog houdt, een rozenkrans draagt. Negen zinnebeeldige sterren vormen een kroon om haar hoofd. De H. Maagd draagt haar hart met stralen omgeven op de borst. Het Kind Jezus raakt het met de linkerhand aan.
Omstreeks Allerheiligen werd de eerwaarde heer Del-ruelle, weleer kapelaan der Sint-Joanneskerk te Luik en oud vriend van Belletable, tot pastoor-deken benoemd der collegiale kerk van Onze Lieve Vrouw te Hoei. Herhaalde malen kwam hij den dierbaren zieke bezoeken en bracht hem den troost der vriendschap met dien van den godsdienst.
Ook had de kapitein zijne weldoensters te Thielt niet vergeten. In het begin van zijn verblijf te Hoei, had hij haar een aandoenlijken brief geschreven, die maar al te wel den pijnlijken tweestrijd verried, welke leven en dood in zijn binnenste kampten, terwijl hij zelf tusschen hoop en vrees slingerde. Men kent den laatsten volzin van dat schrijven; âHeer! laat dezen kelk van mij voorbijgaan....; niet echter mijn wil, maar uw Wil geschiede!quot;
276
âVraagt gij dat?quot; hernam de kapitein levendig, en tegelijk keert hij zich naar het venster en de handen op den rug schouwt hij naar den hemel, âvraagt gij dat?quot; herhaalt hij op bewogen toon; âwelnu, gij zult het verkrijgen!quot;
âIk ben er een weinig bang voor, kapitein!quot;
âGij zult het verkrijgen,quot; herhaalde hij met een nadruk, die allen twijfel, maar ook alle tegenspraak buitensloot.
Kort daarop stierf Belletable, en den zeventienden dag-na zijn dood werd mijnheer Brasseur het aanbod gedaan een hotel over te nemen op het groote plein van Hoei, waar liet letterkundig Genootschap, in de vorige eeuw gesticht, gevestigd was. Deze betrekking wierp het dubbele af van de winst, welke het koffiehuis âLa Renaissancequot; opleverde. De voorspelling werd dus spoedig vervuld.
Gedurende liet laatste tijdperk zijner pijnlijke ziekte verflauwde Belletable geenszins in zijne godsvrucht tot de Allerheiligste Maagd. Behalve het kleine wonderdadige beeldje van Onze Lieve Vrouw van Bois cV Augenteau, waarover wij vroeger reeds gesproken hebben, bezat hij te Hoei nog een klein schilderijtje, dat de Moeder Gods voorstelde en dat hij volgens zijne mededeeling van eene kloosterlinge gekregen had. Mejuffrouw Brasseur heeft Belletable dikwijls voor dit eenvoudig beeldje zien bidden. Hij schreef daaraan als het ware een wonderdadige kracht toe. Werd hij door de pijn overvallen, zoo verhaalt ons insgelijks de heer Bertram!, dan nam hij de beeltenis in zijne handen, bezwoer de H. Maagd hem bij te staan, smeekte dringend toch medelijden met hem te hebben, en aanstonds gevoelde hij verlichting. Hij zelf verklaarde eens aan mejuffrouw Brasseur, dat hij zekeren nacht van 's avonds zes tot
277
's morgens zes uur verschrikkelijke smarten had uitgestaan, zonder ook maar een oogenblik troost te smaken. Op het laatste oogenblik zeide ik: âH. Maagd wilt gij mij dan niet helpen ?... ik bid u sta mij bij... en op hetzelfde oogenblik troostte zij mij en leed ik met geduld.quot;
Mevrouw Belletable gaf dit schilderijtje der H. Maagd als eene gedachtenis aan den heer Bertrand, die het eerbiedig bewaard heeft en het ons volgaarne toonde. De vergulde lijst in ovalen vorm is acht centimeter lang en zes breed, Zij bevat onder een eenvoudig glas eene papieren afbeelding zonder de minste kunstwaarde. De Moeder Gods wordt er voorgesteld met het Kind Jezus op den rechterarm terwijl zij in de linkerhand, welke zij langs de zijde een weinig omhoog houdt, een rozenkrans draagt. Negen zinnebeeldige sterren vormen een kroon om haar hoofd. De H. Maagd draagt haar hart met stralen omgeven op de borst. Het Kind Jezus raakt het met de linkerhand aan.
Omstreeks Allerheiligen werd de eerwaarde heer Del-ruelle, weleer kapelaan der Sint-Joanneskerk te Luik en oud vriend van Belletable, tot pastoor-deken benoemd der collegiale kerk van Onze Lieve Vrouw te Hoei. Herhaalde malen kwam hij den dierbaren zieke bezoeken en bracht hem den troost der vriendschap met dien van den godsdienst.
o
Ook had de kapitein zijne weldoensters te Thielt niet vergeten. In het begin van zijn verblijf te Hoei, had hij haar een aandoenlijken brief geschreven, die maar al te wel den pijnlijken tweestrijd verried, welke leven en dood in zijn binnenste kampten, terwijl hij zelf tusschen hoop en vrees slingerde. Men kent den laatsten volzin van dat schrijven: âHeer! laat dezen
kelk van mij voorbijgaan____; niet echter mijn wil, maar
uw Wil geschiede!quot;
278
Drie maanden later verdween alle hoop op herstel... De kapitein was nog maar 42 jaren oud en scheen in de kracht des levens; doch zijn hartkwaal had den hoogsten graad bereikt en noodzaakte den zieke nu eens tegen eenig huisraad te leunen, dan weder in zijn leuningstoel te blijven zitten; zoo naderde hij gaande en staande het graf. Somtijds werd hij door zoovele hevige aanvallen en stuiptrekkingen aangegrepen, dat de heer Brasseur, die er bij tegenwoordig was, de kamer moest verlaten, wijl hij zulk een marteling niet langer kon aanzien. In deze omstandigheden werd mevrouw Belle-table in aller haast bij haren echtgenoot ontboden. Zij verliet hare kinderen en kwam den dierbaren zieke met alle liefde verzorgen en de oogen sluiten.
Ziehier in welke bewoordingen de waardige Priester, die Belletable in zijne laatste levensdagen bijstond, ons diens jongsten strijd beschrijft.
,De hartkwaal, waaraan deze uitstekende vriend reeds twintig jaren leed, had zulke snelle vorderingen gemaakt, dat alle hoop op herstel verloren was. Dank aan zijn zielskracht, doorstond hij dapper den strijd tegen de hevigste en aanhoudendste smarten, zonder ook maar een enkele zijner godvruchtige oefeningen na te laten. lederen dag hoorde hij om 7 uur de H. Mis en des zondags was hij in de hoogmis tegenwoordig. Hij communiceerde geregeld driemaal in de week. Groot was de stichting der geloovigen, als zij in dezen schoonen officier de armen op de borst gekruist, met statigen tred en diepe godsvrucht tot de H. Tafel zagen naderen. De dag brak aan, waarop deze onversaagde Christen, aan het smartbed gekluisterd, zich het genot van de H. Mis en de H. Communie, die al zijn troost uitmaakten, zou moeten ontzeggen. De verschijnselen zijner ziekte, die zijn naderend einde aankondigden, vonden hem volmaakt over-
279
gegeven aan Gods H. wil. De ademhaling werd steeds moeilijker en de voortdurende benauwdheden lieten den kapitein niet toe te bed te blijven, maar noodzaakten hem dag en nacht in eer; leuningstoel door te brengen. Toen hij zijn einde voelde naderen, verzocht hij mij zijne biecht te hooren en hem zonder uitstel de laatste Sacramenten toe te dienen.quot;
âToen ik met de H. Teerspijze terugkwam, vond ik bij hem zijn vriend, kolonel N., commandant der genie te Luik, alsook majoor graaf de V., plaatselijk commandant te Hoei. Zoodra de zieke zijn God zag naderen, deed hij pogingen om te knielen. Doch zijne krachten begaven hem en hij moest den oppasser der genie en den portier van het kasteel te hulp roepen. âNeemt mij bij de armen,'quot;' zeide hij hun, âen ondersteunt mij, de een rechts, de ander links, want geknield wil ik mijn Jezus ontvangen.quot; En bemerkende dat men bij het verwisselen van zijn linnen zijn scapulier had afgedaan, vroeg hij met nadruk; âGeef mij mijn scapulier; ik communiceer niet vooraleer daarmede bekleed te zijn.quot; Nooit zal ik het hartroerend schouwspel vergeten waarvan ik toen getuige was. Een kapitein geknield, de armen op de benauwde borst gekruist, in aanbidding voor zijn God, dien hij op de bevende, doodsbleeke lippen ging ontvangen; aan zijne zijde een majoor en een kolonel tot tranen toe bewogen. Zelf diep getroffen, moest ik mijn snikken onderdrukken; langzaam diende ik den stervende de laatste HH. Sacramenten toe, welke hij met de teederste godsvrucht ontving.
âToen ik eindelijk, alvorens te vertrekken, de heilige Ciborie ophief om den stervende te zegenen, hoorde ik hem met hartverscheurende stem uitroepen: âO Jezus, mijn Jezus, ik smeek U, heb medelijden met mijne vrouw en mijne arme kinderen.quot;
280
âHet was den r/1'-11 December. Tegen den avond nuttigde de zieke een weinig voedsel, maar ondervond daarop, in zijn leuningstoel uitgestrekt, weder nieuwe hevige aanvallen van pijn. Hij verduurde ze met een heldhaftig geduld, terwijl hij zich aan de Allerheiligste Maagd aanbeval en zijn rozenkrans in de handen knelde. Tegen tien uur des nachts was zijne echtgenoote, die bij hem waakte, verwonderd, dat hij zoo vroeg scheen in te sluimeren.... zij roept hem hij zijn naam.... Henri! Henri! geen antwoord. Zijn offer was volbracht. Hij was in eene benauwdheid gebleven.
âToen de diepbedroefde kinderen een laatste maal kwamen zien wat er overbleef van hem, die altijd voor hen de teederste, de liefdevolste, de toegenegenste aller vaders geweest was, troostte hen de eerwaarde heer deken Deruelle met de woorden: âKinderen weent niet; ik âzou zelf in zijne plaats willen zijn om hem u weder âte geven.quot;quot;
Op den dag der begrafenis naaide mejuffrouw Brasseur den mantel des kapiteins, volgens aanwijzing quot;van dokter Francois op het lijkkleed, dat de doodkist bedekte; daarop legde men den degen, de schako en de epauletten, en de eenvoudige lijkstoet sloeg den weg in, eerst naar de collegiale kerk en daarna naar het kerkhof. Het lijk werd niet in den lijkwagen geplaatst, maar door mannen grafwaarts gedragen.
Henriëtte, de dochter des kapiteins, bewaart steeds als een kostbaar aandenken het scapulier, dat haar vader bij zijn afsterven droeg. Onder het beeld der H. Theresia, hetwelk er op voorgesteld is, konden wij nog deze woorden lezen: âO mijne Moeder, o mijn Jezus, op dezen schoonen dag geef ik u geheel mijn hart.quot;
Toen pater Dechamps, destijds rector van het klooster van den H. Jozef te Brussel, van mevrouw Belletable
281
liet verhaal der laatste oogenblikken van zijn ouden vriend vernam, kon liij zijne tranen niet weerhouden. Ten einde de bedroefde weduwe, wier geldelijke toestand zoo onzeker was, te troosten, beloofde hij haar, dat zij in hem een weldoener zou vinden en schonk haar zijn portret. â In 1856 bracht ook mejuffrouw Belle-table een bezoek aan den uitstekenden Redemptorist, die haar zei de : âHenriëtte, bid niet voor uwen goeden vader, maar roep hem aan als een heilige.quot;
Te Thielt beweende men eveneens bet verlies van een heiligen vriend. Ziehier in welke woorden mejuffrouw Rosalie aan eene oud-leerlinge den dood van den kapitein aankondigde: âIk kom U gebeden vragen voor den goeden heer Belletable. Deze voorbeeldige militair, wiens godsvrucht Gij zoo dikwijls bewonderd hebt, is schier plotseling aan eene hartkwaal bezweken. De arme weduwe en hare kinderen hebben geen ander inkomen dan een klein pensioen 1). Dank de Voorzienigheid, die U welgestelde ouders heeft geschonken en troost gaarne diegenen welke lijden en weenen.quot;
Te Gent waren de leden der Vincentius-vereeniging zeer verwonderd, toen zij vernamen dat hun vriend en medelid zoo vroegtijdig gestorven was. Zijne medebroeders van weleer knielden neder en baden volgens gebruik de âProfundisquot; voor de rust zijner ziel. In Holland liet de Aartsbroederschap der H. Familie het volgend bidprentje drukken :
Jezus, Maria, Joseph.
Bid voor de ziel van Zaliger den Weledelgestrengeu Heer Hexricus Hubeetcis Belletable.
Kapitein bij de Genie en Kommannant te Hoei,
') Het bedroeg slechts 825 franken.
280
âHet was den 5den December. Tegen den avond nuttigde de zieke een weinig voedsel, maar ondervond daarop, in zijn leuningstoel uitgestrekt, weder nieuwe hevige aanvallen van pijn. Hij verduurde ze met een heldhaftig geduld, terwijl hij zich aan de Allerheiligste Maagd aanbeval en zijn rozenkrans in de handen knelde. Tegen tien uur des nachts was zijne echtgenoote, die bij hem waakte, verwonderd, dat hij zoo vroeg scheen in te sluimeren.... zij roept hem bij zijn naam.... Henri! Henri! geen antwoord. Zijn offer was volbracht. Hij was in eene benauwdheid gebleven.
âToen de diepbedroefde kinderen een laatste maal kwamen zien wat er overbleef van hem, die altijd voor hen de teederste, de liefdevolste, de toegenegenste aller vaders geweest was, troostte hen de eerwaarde heer deken Deruelle met de woorden: âKinderen weent niet; ik âzou zelf in zijne plaats willen zijn om hem u weder âte geven.quot;quot;
Op den dag der begrafenis naaide mejuffrouw Brasseur den mantel des kapiteins, volgens aanwijzing 'van dokter Francois op het lijkkleed, dat de doodkist bedekte; daarop legde men den degen, de schako en de epauletten, en de eenvoudige lijkstoet sloeg den weg in, eerst naar de collegiale kerk en daarna naar het kerkhof. Het lijk werd niet in den lijkwagen geplaatst, maar door mannen grafwaarts gedragen.
Henriëtte, de dochter des kapiteins, bewaart steeds als een kostbaar aandenken het scapulier, dat haar vader bij zijn afsterven droeg. Onder het beeld der H. Theresia, hetwelk er op voorgesteld is, konden wij nog deze woorden lezen : âO mijne Moeder, o mijn Jezus, op dezen schoonen dag geef ik u geheel mijn hart.quot;
Toen pater Dechamps, destijds rector van het klooster van den H. Jozef te Brussel, van mevrouw Belletable
281
liet verhaal der laatste oogenblikken van zijn ouden vriend vernam, kon liij zijne tranen niet weerhouden. Ten einde de bedroefde weduwe, wier geldelijke toestand zoo onzeker was, te troosten, beloofde hij haar, dat zij in hem een weldoener zou vinden en schonk haar zijn portret. â In 1S5C5 bracht ook mejuftrouw Belle-table een bezoek aan den uitstekenden Redemptoristdie haar zeide : âHenriëtte, bid niet voor uwen goeden vader, maar roep hem aan als een heilige.quot;
Te Thielt beweende men eveneens het verlies van een heiligen vriend. Ziehier in welke woorden mejuffrouw Rosalie aan eene oud-leerlinge den dood van den kapitein aankondigde: âIk kom U gebeden vragen voor den goeden heer Belletable. Deze voorbeeldige militair, wiens godsvrucht Gij zoo dikwijls bewonderd hebt, is schier plotseling aan eene hartkwaal bezweken. De arme weduwe en hare kinderen hebben geen ander inkomen dan een klein pensioen *). Dank de Voorzienigheid, die U welgestelde ouders heeft geschonken en troost gaarne diegenen welke lijden en weenen.quot;
Te Gent waren de leden der Vincentius-vereeniging zeer verwonderd, toen zij vernamen dat hun vriend en medelid zoo vroegtijdig gestorven was. Zijne medebroeders van weleer knielden neder en baden volgens gebruik de âProfundisquot; voor de rust zijner ziel. In Holland liet de Aartsbroederschap der H. Familie het volgend bidprentje drukken :
Jezus, Maria, Joseph.
Bid voor de ziel van Zaliger den Weledelgestrengen Heer Hexricüs Hubertus Belletable.
Kapitein bij de Genie en Kommannant te Hoei,
') Het bedroeg slechts 825 franken.
280
âHet was tien December. Tegen den avond nuttigde de zieke een weinig voedsel, maar ondervond daarop, in zijn leuningstoel uitgestrekt, weder nieuwe hevige aanvallen van pijn. Hij verduurde ze met een heldhaftig geduld, terwijl hij zich aan de Allerheiligste Maagd aanbeval en zijn rozenkrans in de handen knelde. Tegen tien uur des nachts was zijne echtgenoote, die bij hem waakte, verwonderd, dat hij zoo vroeg scheen in te sluimeren.... zij roept hem bij zijn naam.... Henri! Henri! geen antwoord. Zijn offer was volbracht. Hij was in eene benauwdheid gebleven.
âToen de diepbedroefde kinderen een laatste maal kwamen zien wat er overbleef van hem, die altijd voor hen de teederste, de liefdevolste, de toegenegenste aller vaders geweest was, troostte hen de eerwaarde heer deken Deruelle met de woorden: âKinderen weent niet; ik âzou zelf in zijne plaats willen zijn om hem u weder âte geven.quot;quot;
Op den dag der begrafenis naaide mejuffrouw Brasseur den mantel des kapiteins, volgens aanwijzing Tan dokter Frangois op het lijkkleed, dat de doodkist bedekte; daarop legde men den degen, de schako en de epauletten, en de eenvoudige lijkstoet sloeg den weg in, eerst naar de collegiale kerk en daarna naar het kerkhof. Het lijk werd niet in den lijkwagen geplaatst, maar door mannen grafwaarts gedragen.
Henriëtte, de dochter des kapiteins, bewaart steeds als een kostbaar aandenken het scapulier, dat haarvader bij zijn afsterven droeg. Onder het beeld der H. Theresia, hetwelk er op voorgesteld is, konden wij nog deze woorden lezen: âO mijne Moeder, o mijn Jezus, op dezen schoonen dag geef ik u geheel mijn hart.quot;
Toen pater Dechamps, destijds rector van het klooster van den H. Jozef te Brussel, van mevrouw Belletable
281
liet verhaal der laatste oogenhlikken van zijn ouden vriend vernam, kon hij zijne tranen niet weerhouden. Ten einde cle bedroefde weduwe, wier geldelijke toestand zoo onzeker was, te troosten, beloofde hij haar, dat zij in hem een weldoener zou vinden en schonk haar zijn portret. â In 1 Söli bracht ook mejuffrouw Belle-table een bezoek aan den uitstekenden Redemptorist, die haar zeide ; âHenriëtte, bid niet voor uwen goeden vader, maar roep hem aan als een heilige.quot;
Te Thielt beweende men eveneens liet verlies van een heiligen vriend. Ziehier in welke woorden mejuffrouw llosalie aan eene oud-leerlinge den dood van den kapitein aankondigde: âIk kom U gebeden vragen voor den goeden heer Belletable. Deze voorbeeldige militair, wiens godsvrucht Gij zoo dikwijls bewonderd hebt, is schier plotseling aan eene hartkwaal bezweken. De arme weduwe en hare kinderen hebben geen ander inkomen dan een klein pensioen 1). Dank de Voorzienigheid, die U welgestelde ouders heeft geschonken en troost gaarne diegenen welke lijden en weenen.'quot;'
Te Gent waren de leden der Yincentius-vereeniging zeer verwonderd, toen zij vernamen dat hun vriend en medelid zoo vroegtijdig gestorven was. Zijne medebroeders van weleer knielden neder en baden volgens gebruik de âProfundtsquot; voor de rust zijner ziel. In Holland liet de Aartsbroederschap der H. Familie het volgend bidprentje drukken :
Jezus, Maria, Joseph.
Bid voor de ziel van Zaliger den Weledelgestrengen Heer Hexricus Hubert üs Belletable.
Kapitein bij de Genie en Kommannant te Hoei,
') Het bedroeg slechts 825 franken.
282
geboren te Venlo den 8 April 1813 en overleden te Hoei den 5 December 1855, na de HH. Sacramenten der stervenden te hebben ontvangen.
De man, over wiens vroegtijdig afsterven wij treuren, was een braaf echtgenoot, een uitmuntend vader, een goed en verdienstelijk soldaat, en een rechtschapen burger. Doch het was vooral door zijne christelijke deugden, zijne teedere godsvrucht en onvermoeide pogingen om het heil zijns naasten te helpen bevorderen, dat hij zich de hoogachting van iedereen in de ruimste mate had verworven. Aan hem trouwens heeft men de eerste gedachte te danken der vermaarde Broederschap van de Heilige Fam ilie, waardoor, bijzonder onder de arbeidende klasse, een onberekenbaar nut gesticht wordt. Vermits hij dus den goeden strijd gestreden en zijne loopbaan in de getrouwe vervulling zijner godsdienstige en maatschappelijke plichten voltrokken heeft, durven wij het zoet vertrouwen koesteren, dat hij nu reeds de kroon der eeuwige gelukzaligheid heeft ontvangen. Edoch, dewijl de oordeel en des Heeren ondoorgrondelijk zijn en niets, wat besmet is, het Hemelrijk kan ingaan, zoo wordt zijne ziel in de vrome gebeden zijner talrijke vrienden en bekenden aanbevolen, opdat zij des te spoediger
Ruste in vrede. ^
') Zondagsblad der H. Familie, No. van den 29sten Maart 1896.
TWEEDE HOOFDSTUK.
G-etuigenissen en Gedenkteekenen 1855â1897.
1 weldoende was de kapitein rondgegaan. Bijna twintig jaren lang waren Luik, Bergen, Soningen, Brussel, Gent en Namen achtereenvolgens getuigen geweest, hoe de schoone officier hun het toonbeeld gaf van een christen-soldaat, het voorbeeld eener ware godsvrucht, die te recht âde goede geur van Jezus Christusquot; genoemd wordt.
In elk dezer steden had Belletable zich vrienden weten te verwerven en hij telde die onder de keur der maatschappij, met name onder de leden der Sint-Vincentiusvereeniging. En ziet, thans sterft hij zonder eenig uiterlijk vertoon, bijna onbekend, in een stadje, dat hem even vreemd is als de familie, waarin hij zijn intrek heeft genomen! Hij sterft verre van alle aardsche glorie, verre van de menschen, verre van de zijnen, in armoede en nederigheid, in leven en dood
284
zijn goddelijken Meester waardig, die op het kruis gestorven is.
Evenwel roept ons dit zoo eenvoudig, zoo cliristelijk en verborgen afsterven eene sehoone gedachte in liet geheugen terug, een gedachte, die hij aldus in zijne briefwisseling uitdrukte: âMaria gaat al weldoende rond. Gelijk aan die schitterende sterren, welke men kometen noemt, verschijnt zij ons en na voor onze verblijde oogen te zijn voorbijgegaan, laat zij een lichtende streep achter zich, die nog lang daarna het luchtruim verlicht.quot; Ook Belletable laat een lichtende streep achter zich, die de zielen verlicht. God heeft hem de groote glorie geschonken, die hij aan groote deugden voorbehoudt, aan menschen die den ouden menseh in zich zelveu gekruisigd hebben om zich met den nieuwen te bekleeden: hij heeft hem de vruchtbaarheid gegeven. âSi cvutcrn-mortuum fuerit, multum fnictum off er i: Wanneer de graankorrel gestorven is zal hij vruchten voortbrengen.quot; God heeft hem tot stichter gemaakt. De kapitein heeft eene ontelbare geestelijke nakomelingschap aan de wereld geschonken. Niet alleen de pers, maar alle kunsten hebben dan ook bijgedragen om zijne zachte en beminnelijke verschijning te verheerlijken. De dichtkunst, de welsprekendheid, de bouwkunde, de beeldhouwkunst, de geschiedenis hebben elkander de hand gereikt om zijne verdiensten te verheffen en zijn naam aan liet nageslacht over te leveren.
I.
In zijn nummer van den 9den December 1855 wijdt een dagblad van Bergen de volgende lofspraak aan kapitein Belletable:
285
âIk voor mij leen veel liever het oor aan ,de zuchten van lijdende zielen, dan aan de âwelluidende akkoorden van het genie.quot;
(Gerbet.)
âGod heeft eene dier zielen tot zich geroepen, welke âhij zoo gaarne schept tot zijne glorie en welke Hij langs âwonderbare wegen tot de hoogste volmaaktheid opvoert. âDe heer Henri Belletable, kapitein der Genie, is laatstleden Woensdag te Hoei in den ouderdom van 42 jaren âgestorven. Een bericht over de Aartsbroederschap-der âH. Familie (1)1/. 11) zegt van hem het volgende: âDe eerste gedachte van dit werk, dat zich ontwikkeld âheeft als het mostaardzaadje, danken wij aan een officier âder Genie en aan eenige brave werklieden der stad Luik. âTen einde elkander wederkeerig tot stichting te verstrekken, vergaderden zij een eerste maal op Pinkster-âmaandag van het jaar 1844: in de nederige woning âvan een werkman, die hetzelfde handwerk uitoefende âals de H. Jozef. God zegende deze godvruchtige ver-leniging ; nauwelijks was zij opgericht, of zij deed zich âkennen en verbreidde zich buiten alle verwachting.
âMen kent de vorderingen, welke dit werk der Voor-âzienigheid gemaakt heeft, zoodat het thans bloeit in âalle steden en op vele dorpen van België. Kort na âdeszelfs oprichting vestigde Belletable zich te Bergen, âwaar hij insgelijks het geluk had zijn werk ingesteld âte zien. Wellicht zullen wij later mededeelen, hoezeer âhij heeft bijgedragen tot andere goede werken, die hij âoveral aanbeval en waarvoor hij bad en deed bidden. âHet schijnt dat God, die hem achtereenvolgens in ver-âschillende steden deed verblijven, hem gelegenheid wilde âverschaffen alom door zijne voorbeelden, zijn invloed âen zijn godsvrucht het goede te verspreiden. Door zijne âhoedanigheden naar geest en hart behoorde hij tot die âsoort van heldhaftige mannen, die de eer en de kracht
286
âder legers uitmaken en die de kunst verstaan God âen Vaderland met gelijken ijver te dienen. Men begrijpt âniet wat al moed er noodig is om de plichten van âsoldaat en christen gelijken tred te doen houden.
âIntusschen hebben de laatste oorlogen groote voor-â beelden doen schitteren en zijn de kinderachtige voor-âoordeelen der onverschilligen thans verminderd. Maar âtoch is de godsvrucht soms nog verdacht en zelden âgebeurt het, dat geen pijnlijke offers gevorderd worden âvan hen die haar trouw blijven. Dan, behalve de vertroostingen welke zij verschaft, komt de waarheid vroeg âof laat aan het licht en als de godvruchtige zich niet âmeer bekreunt om de goedkeuring der wereld, brengt âdie wereld hulde aan de edele hoedanigheden (he zij âmiskend had. Er zijn weinig menschen geweest, die âzooveel beproevingen van allerlei aard hebben doorstaan âals kapitein Belletable. Nadat hij twaalf jaren lang âvan de zijnen verwijderd, wegens zijne gezondheid en âzijne betrekking voor hunne toekomst vreesde, kwam âhem sedert een jaar het lot van zijn huisgezin minder âzorgelijk voor, toen zijne ziekte eensklaps verergerde âen hem met nieuwen kommer vervulde. Hij stelde al âzijn vertrouwen op Hem, die de Meester is van het âleven, en door zijn geduld en zijne vergeving maakte âhij zich Zijner waardig . . ..quot;
II.
Men zal zich herinneren dat Belletable te Bergen vriendschap had aangeknoopt met den heer Marsigny, prefekt der Studies aan het Atheneum. Deze boezemvriend legde zich op de dichtkunst toe en wijdde Zang IV van zijne âPoétique dc la vie: Het dichterlijke des levensquot;, aan de nagedachtenis zijner bloedver-
287
wanten en vrienden. Hij koos tot titel: âLa Science et la Foi: De Wetenschap en het Geloof. Wij zulleti ons tevreden stellen met alleen de toewijding en enkele verzen aan te halen.
âAan hen die in het Vaderland zijn : mijn ,vader 1849; mijne moeder 1853; en mijne .vrienden.....H. Belletable, 1855.quot;
HET GEBED.
Neen, 'k heb geen melodie zoo liertijk ooit gevonden Als het wegstervead lied op die zoo zaal'ge stonde... .
Toen werd dra alles stil. Tot bidden uitgenood Klonk luide ook onze stem: âGij, die het aanzijn boodt Aan 't zonlicht, die der Heemlen starrenweefsel spreiddet, Gij waart het, die den droeve een wijkplaats toebereiddet. Wij zullen langer niet, door hoovaardij onmacht Ons stooten op de klip waar do eeuw'ge dood ons wacht! Van angsten vrij .en door de âheilige Ark' gedragen ')
Slechts hakend naar den schat, dien Ge in uw welbehagen Ons toedenkt, landden we in des Vredes haven aan,
Waar wij vereend in U, voor eeuwig jublen gaan.
(Vitgegeven in 18:10).
III.
In 1873 vierde de H. Familie der Sint-Magdalena-kerk te Brussel haar vijf-en-twintigjarig bestaan. Een harer voornaamste leden maakte van dat jubilé gebruik, om in een allerbelangrijkst overzicht mede te dee-len wat de Aartsbroederschap gedurende deze vijf-eu-twintig jaren voor de arbeidende klasse der hoofdstad had tot stand gebracht. In dit werkje nu wijdt de schrijver een geheel hoofdstuk aan de nagedachtenis
') De Ark der H. Familie door Belletable gesticht voor de zaligheid van allen, die haar binnentreden en er in sterven.
288
van kapitein Belletable, wiens voorbeeldig leven hij in algemeene trekken weergeeft. ^
IV.
Tn 1879 beraadslaagden de vrome Bestuurder van het tijdschrift âLa Familiequot;, de heer Kloth en de Zeereerwaarde Heer Deken van Hoei, een oud vriend van Belletable, met elk:mder om op het kerkhof te Hoei een gedenkteeken ter eere van den Stichter der H. Familie op te richten. Eene Commissie werd benoemd en het plan onder hooge bescherming gesteld van Z. E. kardinaal Dechamps, aartsbisschop van Mechelen en van Z. D. H. den Bisschop van Luik, die voor vijftig franken inteekende.
In een rondgaand schrijven werd eene oproeping gedaan aan alle afdeelin^en der H. Familie in Holland
O O
en België. Zijne Eminentie kardinaal Dechamps schreef daarover den llden April 1879;
âNiet alleen keur ik die oproeping goed, maar ik âwil de eerste zijn, die er gehoor aan geeft. God heeft âhet werk van Belletable gezegend. Toonen wij onze âdankbaarheid aan dien welbeminden kapitein.quot;
(Get.) V. A. Kard. Dechamps.
Aartsbiss. van Mechelen.
Ziehier in welke bewoordingen vol gloed die oproeping aan de leden was gesteld.
âVijf-en-dertig jaren zijn verloopen, sinds kapitein âBelletable te Luik de H. Familie stichtte.
âVerschrikt door de gevaren, waaraan de mannen en âjongelieden van den werkmansstand bij gebrek aan onderlicht en godsdienstige oefeningen zijn blootgesteld, kreeg
') La Sainte Familie a Bruxclles, 1848â1873 chap. II.
289
âde edelmoedige krijgsman een waarlijk apostolisch denk-beeld. âDe zielen dier menschen moeten gered wor-âden,quot; zeide hij, âdoor hen te vereenigen om te bidden âen over den goeden God te hooren spreken.quot;
âDie handvol mannen is thans aangegroeid tot een âmachtig leger, dat zijne leden bij honderdduizend-âtallen telt. Overal wappert de banier der H. Familie. âEn toch is er tot op den huldigen dag niets gedaan âom de gedachtenis te eeren en te vereeuwigen van âdien christelijken krijgsman, dien God zoo wonderbaar âhad opgewekt om onze H. Broederschap te stichten. âHet stoffelijk overschot van Belletable rust nog verbeten op het kerkhof der stad Hoei, waar hij zijne âziel aan God teruggaf.
âKinderen der H. Familie! zult gij den naam van âBelletable laten verloren gaan? Moet het graf van âuwen Stichter aan de vergetelheid worden prijs gegeven? âNeen, neen, dat nooit! Gij zult aan dien plicht van âdankbaarheid niet te kort schieten.
âEere aan Belletable! Eere aan zijn graf.quot;
Eenc Commissie met hetzelfde doel in Nederland gevormd, voegde bij gemelde oproeping nog het volgende:
âGevolg gevend aan zulk een billijk verlangen, en âom een bewijs te leveren van onze dankbaarheid, richten âwij deze oproeping aan de verschillende Congregatiën âder H. Familie in ons vaderland, met het vaste vertrouwen, dat ieder lid gelukkig zal zijn een penning âte kunnen bijbrengen, om dat werk van dankbaarheid âte helpen tot stand brengen----
âMet voorkennis van onze Hoogwaardige Bisschoppen, âhebben ondergeteekenden zich vereenigd om tot dat âdoel mede te werken.
BELLETABLE, 19
289
âde edelmoedige krijgsman een waarlijk apostolisch denk-âbeeld. âDe zielen dier menschen moeten gered worgden,quot; zeide hij, âdoor hen te vereenigen om te bidden âen over den goeden God te hooren spreken.quot;
âDie handvol mannen is thans aangegroeid tot een âmachtig leger, dat zijne leden bij honderdduizend-stallen telt. Overal wappert de banier der H. Familie. âEn toch is er tot op den hnidigen dag niets gedaan âom de gedachtenis te eeren en te vereeuwigen van âdien christelijken krijgsman, dien God zoo wonderbaar âhad opgewekt om onze H. Broederschap te stichten. âHet stoffelijk overschot van Belletable rust nog ver-â ge ten op het kerkhof der stad Hoei, waar hij zijne âziel aan God teruggaf.
âKinderen der H. Familie! zult gij den naam van âBelletable laten verloren gaan? Moet het graf van âuwen Stichter aan de vergetelheid worden prijs gegeven? âNeen, neen, dat nooit! Gij zult aan dien plicht van âdankbaarheid niet te kort schieten.
âEere aan Belletable! Eere aan zijn graf.quot;
Eene Commissie met hetzelfde doel in Nederland gevormd, voegde bij gemelde oproeping nog het volgende;
âGevolg gevend aan zulk een billijk verlangen, en âom een bewijs te leveren van onze dankbaarheid, richten âwij deze oproeping aan de verschillende Congregatiën âder H. Familie in ons vaderland, met het vaste verstrouwen, dat ieder lid gelukkig zal zijn een penning âte kunnen bijbrengen, om dat werk van dankbaarheid âte helpen tot stand brengen....
âMet voorkennis van onze Hoogwaardige Bisschoppen, âhebben ondergeteekenden zich vereenigd om tot dat âdoel mede te werken.
19
BELLETABLE.
290
â Ons plan is: 10, Onze Belgische broeders te helpen âin het tot stand brengen van een passend monument âop het graf van Belletable te Hoei, en 2°. Op onzen âvaderlandschen grond te Venlo de plaats zijner geboorte âevenzeer door eenig gedenkteeken te eeren.
âWij stellen ons gaarne bereid de daarvoor afge-âzonderde giften in ontvangst te nemen, enz.quot;
G. Raetsen, President,
Deken van Venlo.
F. H. A. Boeemans,
Proost van het Kapittel te Roermond.
G. van Spaandonk,
Pastoor te Breda.
A. A. SlJBEN,
Pastoor te Maastricht.
W. L. van Asten,
Pastoor te Helmond.
Pater K. Wulfingh,
Direct, der H. Familie te 's Bosch.
A. J. Hendriks,
Direct, van de H. Familie te 's Hage.
B. H. Brinkman, Secret, en Penningm.,
Pastoor te Den Helder.
Deze edele onderneming, hoewel eenigszins gestuit door het werk der katholieke scholen, hetwelk moest voorgaan, (1879) en door den onverwachten dood van den zeereerwaarden heer Delruelle, deken van Hoei, werd ten slotte toch met den besten uitslag bekroond, dank aan de herhaalde oproepingen van âLa Familie aan de toewijding van den zeereerwaarden heer Grand-maison, die den zeer eerwaarden heer Delruelle als deken van Hoei was opgevolgd, en niet minder aan de vrijgevigheid der Hollandsche medeleden.
Het monument met terrein kostte ruim 4000 franken, waarvan bij âLa Familiequot; 404 en bij het âZondagsblad
291
voor het Katholiek huisgezin'' 1254 franken aan giften inkwamen. Verder schonk een onbekende 500 fr. en de heer Ant. Otto, lid der H. Familie in de Magdalena-kerk te Brussel, die ook de teekeningen vervaardigde, 100 fr. Het overige werd verzameld door verschillende inschrijvingen en collecten.
Haasten wij ons dan ook er bij te voegen, dat het gedenkteeken den stichter der H. Familie waardig is.
In spitsbogenstijl uit schoonen inlandschen steen opgetrokken, verheft het zich ter hoogte van 4,50 meter in den vorm van een overhuifd altaar, dat langs drie kanten open is. Het wordt bedekt door een gewelf, hetwelk onder een soort troonhemel verborgen is.. Het geveldak der voorzijde bevat drie nissen, welke voor de drie patronen der H. Familie: Jezus, Maria, Jozef bestemd zijn.
Het grafschrift luidt:
ïer gedachtenis van den kapitein tier Genie Henri Belletable,
Stichter der H. Familie,
geboren te Venlo, den 8sten April 1813, overleden te Hoei den 5den December 1855.
V.
Terwijl het werk van dankbaarheid in België den tegenspoed onderging, waarover wij zooeven spraken, wilden ook de leden der H. Familie in Holland, zooals wij aanstipten, een gedenkteeken voor den grooten landgenoot stichten.
Daar hun plan geen hinderpalen ontmoette, kwam het spoedig ten uitvoer. In de maand October van het jaar 1882, toen de voornaamste Bestuurders der H. Familie
292
te Venlo, de geboorteplaats van Belletable in congres vergaderd waren, werd aldaar een gedenkteeken, door vrijwillige bijdragen der leden aangeboden, plechtig ingezegend. De leden van het congres werden onder klokkegelui ontvangen. De nationale driekleur wapperde op den hoogen toren der Sint-Martinuskerk. De gansche stad was in feestgewaad. Het aloude heiligdom van den H. Martinus, waar zich het kunstvol monument bevond, was te klein om de toegestroomde menigte te bevatten. Men zag er verschillende honderden priesters en leeken, uit alle deelen des lands te zamen gekomen, met de medaille der H. Familie op de borst. Kwart na tien begon eene plechtige Hoogmis. Na het Evangelie besteeg de hoogeerwaarde heer Raetsen. deken van Venlo, den kansel en riep de talrijke vergadering in hartelijke taal het blijde welkom toe. Reeds bij voorbaat deed hij een vluchtigen blik slaan in het schoone leven van Belletable en wist aldus van den beginne af den ijver en de feestelijke stemming van allen nog te verhoogen.
Na de Hoogmis had in de St. jSTicolaaskerk de sectievergadering der eerwaarde heeren Bestuurders van de H. Familie plaats, waarin de belangen der Aartsbroederschap besproken werden. Om 1 uur werd in de alge-meene vergadering verslag hiervan aan alle leden gedaan en met onverdeelden bijval begroet.
Om 3 uur trok de lange onafzienbare stoet van honderden priesters en leeken, allen versierd met de teekenen der Broederschap, andermaal naar de Sint-Martinuskerk. Daar verrichtte de president van het congres, de zeereerwaarde heer Brinkman, pastoor van den Helder, den plechtigen namiddagdienst, terwijl het den hoogeerwaarden heer F. H. Boermans, deken van Roermond, als stadgenoot en bijzon deren vriend van Belletable was voorbehouden voor de eivolle kerk de levensgeschiedenis
293
van den held van het feest, den onvergetelijken kapitein, te schetsen.
Hoofdzakelijk zijne eigene herinneringen raadplegend, ontwierp de redenaar in meesterlijke trekken het heerlijk beeld van den stichter der Aartsbroederschap en deed hem kennen als een degelijk kapitein, een lieveling zijner overheden, een vriend zijner minderen, een oprecht katholiek, die alles voor allen geworden zich voornamelijk ten doel stelde zijn evenmensch naar ziel en lichaam gelukkig te maken en die dan ook door de stichting der H. Familie onschatbare verdiensten voor Kerk en maatschappij heeft verworven.
Na deze lofrede ging de redenaar over tot de onthulling en kerkelijke inzegening van het monument. Dit bestaat in een gedenksteen, eenvoudig maar schoon, naar het plan van den architect Cuijpers, uit Amsterdam, uit zeer fijnen witten zandsteen gehouwen. Hij stelt den kapitein voor, geknield voor het altaar derH. Familie, Jezus, Maria, Jozef, terwijl zijn patroon, de roemvolle keizer Henricus, als tot goedkeuring hem de hand op den schouder legt. Xaast de afbeelding leest men de woorden:
âTer hekixxerixg aan kapitein Henricus Hubektus
Belt.etable, die in 1844 te Luik de grondslagen
legde van de broederschap der h. familie.quot;
Daaronder leest men:
âGeboren te Venlo, 8 April 1813 â Overleden te Hoei, 5 December 1855.
Xa de inzegening sprak de eerwaarde pater K. Wul-fingh C.Ss.K. nog een schitterend slotwoord en ten half vijf ure vergaderden de leden aan een feestmaal, opgeluisterd door prachtige toasten op den H. vader, paus
294
Leo XIII, op liet Nederlandscli Episcopaat en op zijn nestor Mgr. Paredis in het bijzonder, op de familie Belletable, enz. ,
De familie des Stichters was vertegenwoordigd door de eenisïe zuster van den kapitein, mevrouw de wed. H. I jommen, a'an Tilburg, en hare vier zonen. Bij monde van den heer Hubert Lommen, uit Roermond, betuigde zij in diepgevoelde woorden haar innigst en dank voor de hulde aan Belletable bewezen en hare warme belangstelling in de zegenrijke Yereeniging door hem in het leven geroepen.
Ook de echtgenoote en de kinderen van den roem-vollen Stichter der H. Familie waren verwacht, maar door een ongeval op reis mochten zij tot hun en aller teleurstelling niet eerder dan den volgenden dag te Venlo aankomen.
Z. I). H. Mgr. Paredis, de 87-jarige bisschop van Roermond, zelf verhinderd de plechtigheid bij te wonen, gaf door een brief kennis van zijne belangstelling en verzekerde, dat hij zich met allen in het gebed vereenigde.
Z. H. Paus Leo XIII eindelijk, in kennis gesteld van de plechtige vergadering, zond het volgend telegram: âDe hulde der kinderlijke liefde van de Directeurs en âDeputatiën der Aartsbroederschap in Holland is met âdankbaarheid door den H. Vader ontvangen, die uit âden grond zijns harten hun den gevraagden zegen âoverzendt.quot;
[was get.) Kard. Jacobini.
VI.
Terwijl kunstenaars den naam en de trekken van Belletable in het marmer beitelden, dat zijn wieg en zijn graf versiert, herinnerden gewijde redenaars van den
295
kansel aan zijne voorbeelden van deugd en stelden hem als toonbeeld aan de bonderden mannen, die zicb na bem onder de banier der H. Familie geschaard hadden.
Op Maandag den Gflen December 1880 vierde de H. Familie in de Sint-Magdalenakerk te Brussel den 258ten verjaardag van het zalig afsterven baars stichters. Tweehonderd-en-vijf leden waren des morgens voor de rust zijner ziel tot de HT. Tafel genaderd en meer cian vijfhonderd leden hadden zich des avonds rondom den stoel der waarheid verzameld. De hoogeerwaarde pater Kockerols, provinciaal der Redemptoristen, hield de gelegenheidsrede. In welsprekende taal lichtte de spreker deze woorden toe van den Apostel Paulus aan de Hebreërs (XIII: 7). Mementote prcepositorum vestrorum. . . . quorum intuentes exitum c onvers at ionis imitarnini fidem. Uit dien tekst trok hij drie schoone gevolgtrekkingen en stipte drie groote verplichtingen aan, welke de leden tegenover hun stichter te vervullen hadden: âBelletable is als de vader van de Aartsbroederschap der H. Familie; ieder lid is hem dus eene dankbare herinnering schuldig; â Belletable is een toonbeeld van geloof en deugd; elk lid moet hem navolgen; â Belletable is een heilige dood gestorven; ieder lid moet zich beijveren evenals hij goed te sterven.quot;
Vijf jaren later vereenigde eene andere plechtigheid in de kerk der Paters Redemptoristen te Sint-Truiden de negenhonderd tot duizend leden, welke Jezus, Maria, Jozef in deze stad en haar omgeving tellen. Om meer luister aan dit feest bij te zetten, noodigde de Bestuurder den zeereerwaarden heer Lenaerts, deken .der stad, uit om de vergadering te leiden, en aan die uitgelezen schaar geloovigen, het brood des godde-lijken woords te breken. De redenaar, den oorsprong nagaande van deze vereeniging, die al zijn voorliefde
296
genoot, nam de verdeeling van zijne meesterlijke rede uit de drie maatschappelijke betrekkingen, welke de drie eerste stichters der H. Familie bekleedden; pater Dechamps, priester â Belletable, soldaat â Jongen, werkman. Ieder lid, zoo sprak hij, moet dit drietal in zijn persoon vereenigen.
1°. Hij moet priester zijn, door zijn ijver voor de zielen.
2°. Hij moet soldaat zijn, door zijn moed om de vijanden te overwinnen.
3°. Hij moet werkman zijn, door zijn liefde voor den arbeid.
VII.
In Holland, waar de Heilige Familie veel Moeiender is dan in België, heeft ook de vereering der leden voor hun geachten stichter dieper wortel geschoten. Zij openbaart zich nog meer door daden dan door woorden. Er zijn afdeelingen der H. Familie, die in de plaats waar zij hunne gewone vergaderingen houden niet alleen eene groep van Jezus, Maria, Jozef hebben uitgestald, maar daarenboven eene buste van den kapitein, welke zij met planten en bloemen versieren.
Toen dan ook de Aartsbroederschap van Luik ten jare 1869 haar zilveren en ten jare 1894 haar gouden jubilé vierde, trokken uit Holland de meeste en de indrukwekkendste deputaties derwaarts. Bij honderden telde men de bestuurders en de leden, die hunne sjerpen met in goud gestikte opschriften of de medailles bij wijze van decoratie op de borst droegen. Nooit zullen de Luikenaren het waarlijk indrukwekkend schouwspel vergeten, dat hun in die dagen gegeven werd door de meer dan zeshonderd leden, die 's avonds te voren over de grenzen gekomen
297
en des morgens in de kerk van Onze lieve Vrouw voor de generale Communie vergaderd waren.
Z. D. H. Mgr. Wulfmgh, bisschop van Cambysopolis en Apostolisch Vicaris van Suriname, zelf weleer te 's Bosch lid der Aartsbroederschap, droeg bij die gelegenheid eeue pontificale Mis op. De zeereerwaarde heer Scheiberling schetste op dien merkwaardigen dag in groote trekken en met bewonderenswaardige juistheid het ontstaan der H. Familie. âHet waren pater Dechamps en pater de Held,quot; riep de redenaar uit, âdie deze zoo wijze en voor onzen tijd zoo volkomen geëigende statuten hebben opgesteld. Het was kapitein Belletable zaliger gedachtenis, die de eerste gedachte van dit heerlijk werk gevormd heeft. Hij heeft de eerste leden verzameld in het vertrek van zijn vriend Jongen; hij heeft ze vergaderd aan de voeten van het beeld van Onze lieve Vrouw. Maar het waren de Paters Redemptoristen, die het ontluikend en reeds bloeiend werk in hunne kerk opnamen.quot; 1)
VIII,
Datzelfde jaar ontving een pater Redemptorist mede-deeling van zes-en-veertig brieven van Belletable, welke deze veertig jaren te voren eigenhandig geschreven had. Het lezen dezer brieven, welke eene ware verhandeling over het geestelijk leven vormen, waren voor hem eene wezenlijke ontdekking. Spoedig maakte hij een der uit-stekendste leden van de Congregatie des Allerheiligsten Verlossers, den hoogeerwaarden pater Oomen, deelgenoot van zijne bewondering. Deze oordeelde die brieven alleszins waardig door den druk verspreid te worden en
') Gazette de Liègr, 23 Aug. 1894.
19*
298
spoorde zijn medebroeder aan ze derwijze in de levensbeschrijving van Belletable in te vlechten, dat de lezing daardoor nog aantrekkelijker werd.
In de maand December 1895 verscheen op raad der Oversten eene beknopte levensschets, welke voor de duizenden leden der H. Familie in België bestemd, hun tevens een vollediger levensbeschrijving van den kapitein-stichter aankondigde. Tevens werd daarin eene kleine bijdrage gevraagd om Belletables praalgraf door een wit marmeren borstbeeld te kunnen voltooien. Beiden, èn levensbeschrijving en borstbeeld zijn thans verschenen. Dit laatste hebben wij te danken aan de bekwame hand van den welbekenden beeldhouwer Frans Vermeijlen te Leuven.
IX.
Onthulling van het borstbeeld.
Het verhaal dezer plechtigheid ontleenen wij aan den Courier de Bruxelles '), doch voegen hier en daar eene bijzonderheid bij ontleend aan het Zondagsblad voor het Katholiek Huisgezin.
Zondag 30 Augustus had op het kerkhof te Hoei de plechtige onthulling plaats van het schoone gedenk-teeken, opgericht ter gedachtenis van kapitein Belletable, den Stichter der Vereeniging van de H. Familie, die hare vertakkingen over de gansche wereld uitbreidt.
Het gedenkteeken zelf bestond reeds enkele jaren, doch het heeft zijne bekroning ontvangen door een prachtig wit marmeren borstbeeld, den dapperen kapitein voorstellende, een werk van een der beste Belgische kunstenaars, Frans Vermeijlen van Leuven. Met het
') In zijn nummer van den Sisten Augustus 1397.
299
sierlijk ijzeren hek, dat thans ook geplaatst is, vormt het gedenkteeken een schoon geheel en een kunstwerk, dat den heer Antonius Otto van Brussel, die zijn schoon talent edelmoedig ten dienste van het comité stelde, alle eer aandoet.
Een prachtig weder begunstigde dit indrukwekkend schouwspel. De straten van Hoei, dit juweel van de boorden der Maas, waren voor deze gelegenheid rijk met vlaggen en wimpels getooid. Alle treinen brachten des morgens een groot aantal deputatiën van verschillende Broederschappen uit België en Holland, want beide landen zouden wediiveren in vereerins; en dank-
ti O
baarheid.
De plechtige Hoogmis, opgedragen door den zeer-eerwaarden heer Grandmaison, deken van Hoei, werd opgeluisterd door eene prachtige muziekmis met orkest van Gounod, even keurig als stichtend uitgevoerd dooide veertig leden van het Antwerpsche Zangerskoor. Eere aan die uitstekende zangvereeniging!
Na het Evangelie beklom de zeereerwaarde pater Blérot, algemeen bestuurder der Aartsbroederschap te Luik, den kansel en heette de talrijke deputatiën welkom, terwijl hij allen hartelijk dankte voor hunne deelneming aan dit feest.
Na de Mis verspreidden de leden zich in de stad, om in de aangewezen hotels het middagmaal te gebruiken. Om twee uur vergaderden zij andermaal in de collegiale kerk en begaven zich vandaar in stichtenden optocht naar het kerkhof. Op dat oogenblik kon men zich eerst rekenschap geven van het groot aantal mannen, die aan de oproeping hadden beantwoord.
Iedere afdeeling was vergezeld van haren Bestuurder en voorafgegaan door haar vaandel. Wij telden een twintigtal vaandels en banieren en de gansche stoet
300
bevatte een 800 mannen. Holland had talrijke deputaties gezonden: Venlo, Roermond, Maastricht, Wittem, Utrecht, Amsterdam, Helvoirt, Oosterwijk, den Helder en andere steden en dorpen waren er vertegenwoordigd. Antwerpen telde 200 leden, Brussel, St. Jozefskerk 63, St. Magdalenakerk 40; Doornik, Bergen, Kousselaere, Luik, Verviers, Pailhe, Wastine en Ohee hadden afgevaardigden gezonden. Uit Hasselt was eene sterke deputatie gekomen, met een tachtigjarigen grijsaard, een strijder uit 1830 en stichter der H. Familie in die stad, aan het hoofd.
Het was een heerlijk en stichtend schouwspel van de hoogte der bergen dien talrijken stoet, voorafgegaan door de harmonie van het Patronaat St. Pieter, te midden eener talrijke menigte door de straten van Hoei te zien voorttrekken.
Op weg tusschen de hoofdkerk en het kerkhof, wisselden de tonen der harmonie en de gezangen van een lied, voor die gelegenheid vervaardigd, elkander beurtelings af.
Op het kerkhof gekomen schaarde de menigte zich voor en om de rijkversierde en met vlaggen getooide grafkapel van Belletable, waar de zeereerwaarde heer Meuten, pastoor der St.-Mathiaskerk te Maastricht het woord nam en in het Hollandsch de onthullingsrede uitsprak:
âEer en roem aan Henricus Hubertus Belletablequot;, zoo riep de gewijde redenaar uit, âeer en roem den âgrooten christen held. Onvergankelijk is zijn naam âmet gouden letters gegrift in de geschiedenis dezer âstreken, in de jaarboeken der Kerk van Nederland! âHij zal schitteren met onuitwischbaren glans uit elke âbladzijde, gewijd aan het ware geluk van den werk-âman. Zijn naam, die voor talrijke geslachten was een
301
âsterre van hoop, een bron van leven, een anker van âberusting in onze ongeruste tijden, voor allen een âluisterrijk voorbeeld ter bewondering.
âDe leden der H. Familie zijn als zijne zonen. Hij âwas als hun Vader in God, die hen voor God heeft â voortgebracht. Noemde hij zich niet steeds: Hendrik âvan de II. Familie? Dat was zijn adel, zijn glorie âop de aarde, dat is zijn glorie, zijn heerlijkheid, zijn âkroon in den hemel.quot;
Na deze inleiding noodigde spreker Venlo uit om het beeld te onthullen ; âAan Venlo, dat het eenig voorrecht âhad hem het leven te schenken, ook de eer om âzijne edele trekken te aanschouwen te geven.quot;
Daarop trad de eerwaarde heer Litjens, kapelaan te Venlo, vooruit, liet het omhulsel vallen en legde een lauwerkrans met de Nederlandsche kleuren voor het voetstuk neer,,
Het was een treffend, indrukwekkend oogenblik! In de grafkapel, die op een zwart marmeren voetstuk rust, vertoonde zich in wit carrarisch marmer Belletables borstbeeld. Pastoor Meuten zette zijne rede voort eu schetste in eene geestdriftvolle toespraak en Belletables verdiensten èn het groot gewicht der Aartsbroederschap, welke haar ontstaan aan hem te danken heeft.
âBroeders,quot; riep hij o. a. uit, âde eerste tijden der âKerk zijn voorbij, de eeuwen van martelaars))loed en âmartelaarskronen; maar waardig ware hij geweest te âtreden in de gelederen van het Thebaansche legioen. âDe tijden der kruistochten zijn voorbij, maar hoe had âhij verdiend te staan onder de ridders van het Kruis, âdie kruisvaarder der XIXc!e eeuw, die kruis en geloof âredde voor heel een volk van werklieden. Hij was de âvader der H. Familie, de vader der werklieden.quot;
âMaar, Broeders,quot; ging hij voort, âhoe spreken
302
âvan de H. Familie en liaar roemrijken Stichter, zonder âeen lof- en danklied aan te heffen ter eere der zonen âvan den H. Alphonsus. Was Belletable de Vader in âzekeren zin der grootsche instelling, de Moeder zal âde roemrijke Congregatie van den Allerheiligsten Ver-âlosser zijn. Zij stond bij de wieg, zij waakte over de âH. Familie. Zij plaatste de wieg bij het H. Taber-ânakel in de schaduw des Heiligdoms. Zij wijdde haar âalle zorgen, de teederste, de trouwste moederzorgen âaan den bloei der grootsche instelling. Zij bracht alle âoffers. Met haar apostolisch zweet bevruchtte zij den âjeugdigen boom â en hij werd als de boom der keerkringen, welks takken zich neerbuigen tot den bodem, âom er wortel te schieten en op te gaan om nieuwe âhoornen te vormen, in onuitputtelijke vruchtbaarheid, âsteeds verbonden met den moederboom, in oneindige âverscheidenheid en steeds dezelfde eenheid.quot;
En vervolgens de hand op het monument leggend, besloot de gevierde spreker; âWij allen, eer wij heen-âgaan, zullen hier op het roemrijk graf, waarin de
âedele Belletable rust, eene plechtige gelofte afleggen____
âWij priesters des Heeren, willen alles in het werk âstellen, om de werklieden te redden uit de nijpende âklauwen van het Socialisme en uit de doodbrengende âomarming der zonde. En gij. Broeders, wilt hier in âdeze onvergetelijke stonde den eed van getrouwheid âdoen aan de H. Familie, trouw aan dat glorierijk vaan-âdel te leven en te sterven, het fier omhoog te houden âmet vertrapping van de slangen van lafhartigheid en âmenschenvrees, den strijd aanvaarden voor Kerk en âgeloof, altaar en haard.quot;
Na deze geestdriftvolle rede, trad de eerwaarde pater Lejeune op, die er deze laatste jaren door zijne onvermoeide nasporingen in geslaagd is, de kostbaarste en
303
onweerlegbaarste documenten over Belletable en diens leven te verzamelen, documenten welke de irekken van den grooten Christen, den apostolischen soldaat op wonderbare wijze weergeven.
De welsprekende redenaar haalde ter staving tal van feiten aan uit het leven van Belletable. Vervolgens bracht hij hulde aan diens medearbeiders, aan den braven en vromen heer Jongen, aan den uitstekenden heer Hacken, die Belletable zoo dapper ter zijde stond, aan zijne Eminentie Kardinaal Dechamps, die de geestelijke leidsman van den christen-soldaat geweest is.
Belletable, Hacken, Jongen en de Kardinaal, ziedaar, zeide pater Lejeune, de vier hoeksteenen, waarop het gebouw onzer Aartsbroederschap steunt.
Herhaalde toejuichingen en kreten van âLeve Belletable !quot; betuigden de instemming met deze laatste woorden.
Te midden dier schitterende uiting van feestvreugde, beklom de heer Hubertus Belletable, zoon des kapiteins, de trappen van het monument, om met eene van aandoening trillende stem de gansche menigte in naam der familie Belletable den oprechtsten en diepst gevoelden dank te zeggen.
X.
In de kerk van Onze Lieve Vrouw te Luik, de wieg en den zetel van de Aartsbroederschap der H. Familie, kan men het volgend opschrift lezen, hetwelk ter gelegenheid van het gouden jubilé der verheffing van de broederschap tot Aartsbroederschap, de hoofdbestuurder er op eene prachtige marmeren plaat heeft doen griffen:
304
Felix. Legia.
Qu-e. intra, mcenia. sua. Primores. vidit. Sodalitatis. Sacr.e, Familij;. Jesu. Marine. Joseph. Auctores. H. BELLETABLE. J. Hacken, jEg. Jongen. Priiios. Consocios. Rouma. Naveau. Lapaire. Nelisse. Martens. Gerard. Bia.
Viering. Deruisseau.
Duce. et. Auspice. Vict. Dechamps. Presb. C. SS. R. futuro. Arch. Mechl. et. Card. S. R. E.
Que. Sodalitas.
Orta. dee. 27 maii. A. D. 1844.
Approbata. ab. Episc. Dioc. Corn. Van. Bommel, die. 7. Aprilis. A. D. 1845.
A. SS. D. N. Pio. PP. IX. die. 20. april. A. D. 1847. Archisodalitatis. titulo. aucta.
Eximio. Jesu. Marle. Joseph. Beneeicio. Per. universum, orbem. mirifice. diffusa, est. Et. odor. ejus, sicut. odor. agri. pleni. cui. benedixit. Dnus.
(Gen. xxvii. 27.)
305
Gelukkige stad Luik,
die binnen uwe muren zaagt geboren woeden
de Aartsbroederschap der H. Familie, Jezus, Maria, Jozef, gesticht door H. BELLET ABLE, J. Hacken en iEG. Jongen, wier eerste metgezellen waren de heeren: Rouma, Naveau, Lap aire, Nelisse, Martens, Gérard, Bia, Viering, Deruisseau,
onder leiding en toezicht van den eerwaarden pater
Dechamps,
PRIESTER VAN DE CONGREGATIE DES ALLERHEILIGSTEN VERLOSSERS, TOEKOMSTIG AARTSBISSCHOP VAN MECHELEN EN KARDINAAL DER HEILIGE ROOMSCHE KlCRK.
Deze Broederschap den 27stex Mei 1844 begonnen,
goedgekeurd door Z. D. H. MGR. Cornelis van BOMMEL ,
den 7DEX April 1845 werd den 20'iTE!i April 1847 door Z. H. Paus Pius IX tot Aartsbroederschap verheven.
Door eene bijzondere gunst van Jezus, Maria, Jozef verspreidde zij zich op wonderbare wijze over
de gansche wereld. En de geur harer deugden is gelijk aan den geur van een vruchtbaar land, dat
de Heer gezegend heeft.
(Gen. xxvii : 27.)
I N H O ü D.
Bladz.
Opdracht aan Z. D. H. ügr. Boermans, bisschop van Roermond.
Aan den lezer..................... 1
EERSTE DEEL.
Eerste Hoofdstuk.
Venlo. â De eerste levensjaren van Belletable (1813â1827). â
Zijn vaderland, geboorte, familie, opvoeding, keuze van een levensstaat...................... 6
Tweede Hoofdstuk.
Maastricht (1827â1830). â De vrijwilliger. â De korpo-raal-fourier. â Het garnizoen. â De stad. â Het gebed eener moeder. â Een profetisch overzicht. â De revolutie. 18
Derde Hoofdstuk.
Luik (1831â1837). â Een christelijk huisgezin. â Belgische dienst. â Tiendaagsche veldtocht. â De kazerne der Engel-scben........................28
Vierde Hoofdstuk.
Luik: (1837â1839). â De bekeerling. â De godvruchtige. â Verblijf in het kamp van Beverloo. â Garnizoen te Antwerpen. â Terugkeer naar Luik. â De schako en de steek 41
Vijfde Hoofdstuk.
Luik (1839â1840). â Eene bekeering. â De vrienden. â Een nieuwe geestelijke bestuurder. â Wonderbare vondst. â Pater Dechamps....................55
Zesde Hoofdstuk.
De H. Familie. â Vijandige strijd tegen den godsdienst. â Een geneesmiddel. â Drie vastberaden mannen......67
inhoud.
Bladz.
Zevende Hoofdstuk.
Bergen. â Een vertrouweling. â Terugkeer naar Luik. â Woonplaats te Soningen. â Verblijf te Brussel. â Eene episode........................83
Achtste Hoofdstuk.
De H. Familie. â Pater Dechamps te Rome. â Wonderbare verspreiding. â Poging om eene afdeeling voor soldaten op te richten. â De H. Familie te Bergen en te Brussel ... 95
Negende Hoofdstuk.
Gent. â Drie oude vrienden van Belletable. â Conferentie van den H. Vincentius a Paulo. â Het pensionaat van Thielt. â De kapitein. â Het familieleven. â Verschillende verplaatsingen.....................108
Tiende Hoofdstuk.
Namen, Salzinnes, Gent en Hoei 1853â1855........ 122
T W E E D E DEEL.
Belletable naar zijne briefwisseling beoordeeld........135
Eerste Hoofdstuk.
De vriend der fraaie Letteren en der Wetenschappen .... 137
Tweede Hoofdstuk.
De vriend der Schoone Natuur en der Schoone Kunsten . . . 146
Derde Hoofdstuk.
Vreugde in Ziekte....................151
Vierde Hoofdstuk.
De Echtgenoot.....................163
Vijfde Hoofdstuk.
De Vader........................170
Zesde Hoofdstuk.
De Vriend.......................178
Zevende Hoofdstuk.
De man ervaren in het Godvruchtig Leven........187
inhoud.
Bladz.
Achtste Hoofdstuk.
De Man der Beproeving.................197
Negende Hoofdstuk.
De Nederige......................204
Tiende Hoofdstuk.
De Heilige.......................^15
Elfde Hoofdstuk.
De Dienaar van Maria..................227
Twaalfde Hoofdstuk.
De Man des Gebeds...................241
Dertiende Hoofdstuk.
Henri van de H. Familie................249
Veertiende Hoofdstuk.
De man der Liefdewerken................260
DERDE DEEL.
Eerste Hoofdstuk.
Hoei. â Eene voorzegging. â Laatste ziekte. â De H. Teerspijze. â De Dood..................269
Tweede Hoofdstuk.
Getuigenissen en gedenkteekenen 1855â1897........ 283
â W
-
V /
\ â