/7/u
HET LEVEN
van
MÃRE MARIE DE LA PROVIDENCE
STICHTSTER
van de
(Religieuses auxiliatrices des ames du Purgatoire-)
BEWERKT NAAR HET EXGELSCH
van
Lady GEORGIANA FULLERTON
door
CONSTANTIA.
Ofquot; I t.
--jy H T i
Nijmegen , L. C. G. MALMBERG amp; Co.
1891.
INLEIDING.
Iff n zijn Jonnml dc ses retraites ammellcs schreef nya| het slachtoffer van den geloofshaat der Parijsche Commune, R. P. Olivaint S. na eene overweging over den kinderlijken eenvoud ten opzichte van Gods Voorzienigheid: «c'est le secret de sainte Thérèse la toute-puissante. . . . et de cette bonne Mère Marie de la Providence, l'enfant gatée, qui demande tout a Dieu, qui lui impose des conditions, qui se montre exigeante, capricieuse, pour ainsi dire, et a qui il ne refuse rien.quot;
0\-er Eugenia de Smet, meer bekend onder den kloosternaam Mère Marie de la Providence, hebben reeds eenige werken in het Eransch en Engelsch het licht gezien. Een daarvan The life of Mère Marie de la Providence is uit de keurige pen gevloeid van Lady Geor-giana Eullerton dochter van den Engelschen gezant
i) Deze merkwaardige vrouw, die zich voor de letteren en den godsdienst zoo verdienstelijk heeft gemaakt is in 1S12 geboren, in 1846 met haren echtgenoot Katholiek geworden en in i8S5 overleden. De eerste jaargang van Dc Katholieke Gids behelst een lezenswaardige levensschets van de hand van Mathilde.
INLEIDING.
n zijn Journal de ses retraites annuelles schreef het slachtoffer van den geloofshaat der Parijsche Commune, R. P. Olivaint S. na eene overweging over den kinderlijken eenvoud ten opzichte van Gods Voorzienigheid: ne'est le secret de sainte Thérèse la toute-puissante.... et de cette bonne Mère Marie de la Providence, l'enfant gatée, qui demande tout a Dieu, qui lui impose des conditions, qui se montre exigeante, capricieuse, pour ainsi dire, et a qui il ne refuse rien.quot;
Over Eugenia de Smet, meer bekend onder den kloosternaam Mère Marie de la Providence, hebben reeds eenige werken in liet Fransch en Engelsch het licht gezien. Een daarvan The life of Mère Marie de la Providence is uit de keurige pen gevloeid van Lad3r Geor-giana Fullcrton dochter van den Engelschen gezant
i) Deze merkwaardige vrouw, die zich voor de letteren en den godsdienst zoo verdienstelijk heeft gemaakt is in 1812 geboren, in 1846 met haren echtgenoot Katholiek geworden en in i885 overleden. De eerste jaargang van Di Katholieke Gids behelst een lezenswaardige levensschets van de hand van Mathilde.
i
INLEIDING.
te Berlijn en te Parijs, Lord Granville Leveson Gower. In dat boek ademt een geest van liefde en vrede, wordt verkwikking geboden aan het hart, dat om dierbare dooden treurt, wordt het geloof aan de Goddelijke Voorzienigheid verlevendigd, een kinderlijk vertrouwen gewekt op God, wiens vaderhand ons, zijne kinderen, geleidt langs verschillende, doch zekere wegen naar het zekere doel.
De vertaling of liever de vrije bewerking van dit boek is eene goede daad van een jeugdig talent, en een arbeid, dien de Heer des wijngaards zal zegenen en beloonen.
Deze levensbeschrijving moge in veler handen komen en [vooral pensionaten en kostscholen zeer welkom zijn.
Dit is mijn vurige wensch.
E. B.
Kath. Pr.
IV
Hoofdstuk I.
JEUGD VAN EUGENIA.
ugenia de Smet werd in het jaar 1825 op het leest van O. L. V. Boodschap te Rijssel in Frankrijk geboren. Haar vader Henricus de Smet was een hooggeëerd burger van die stad, en hare moeder Paulina de Mont d'Hiver ontsproot uit een oudadellijk geslacht in Picardië.
De stoffelijke welvaart harer ouders, de stand waartoe zij behoorden, alsook hunne uitstekende hoedanigheden naar geest en hart, alles werkte samen om het huiselijk leven zoo aangenaam en gelukkig mogelijk te maken. Eugenia werd bemind door allen, die haar kenden. Zij zou haar lot voor niets op aarde hebben willen ruilen. Verdriet, ziekte noch teleurstellingen wierpen eenc schaduw over hare lentedagen. Zij was een flink, gezond, opgeruimd en zeer begaafd meisje, die tot haar voordeel ten volle genoot van de weldadige en levenwekkende atmosfeer, waarin zij opgroeide, van den omgang met dierbare vrienden, van de schoonheden der natuur en van al de onschuldige genoegens des levens. Doch reeds in die vroolijke uren harer gelukkige jeugd, vernam zij
JEUGD VAX EUGENIA.
ook eenc goddelijke stem, die tot haar hart sprak van de namelooze pijnen der zielen in 't vagevuur.
Zij was nog maar een kind, toen de gedachte aan het vagevuur haar bijna onophoudelijk voor den geest zweelde. De verbeelding teekende haar die louteringsplaats af als eene duistere kamer, waarin een harer vriendinnetjes, dat vóór korten tijd gestorven was, misschien zat opgesloten, terwijl zij zeil buiten tusschen de bloemen in den heerlijken zonneschijn naar hartelust mocht rondloopen; hoe brandde zij van verlangen, om de deur te kunnen openen en haar kameraadje er uit te laten.
t Iets ouder geworden vermaakte zij zich eens aan het
hoofd van eenige jeugdige speelgenooten met het najagen van vlinders. Plotseling bleef zij onbeweeglijk en in gedachten verdiept stilstaan. De andere kinderen verdrongen zich om haar heen, om te weten, wat hare oplettendheid van 't spel aftrok. Uit hare verstrooidheid ontwaakt, zeide zij ; «Weet gij waaraan ik dacht?quot; Toen niemand dit kon raden, sprak zij met bewogen stem: «Zegt mij, als een onzer speelmakkertjes in eene akelige gevangenis was opgesloten en wij haar konden bevrijden door eenige woorden te spreken, zouden wij dat niet doen?quot; Er ontstond eene pauze, niemand begreep haar. «De Geloovige Zielen,quot; ging zij \oort, «zijn in een kerker van vuur; de goede God zou haar de vrijheid schenken, als wij voor haar wilden bidden; ach, waarom bidden wij niet voor die arme zielen?quot;
Zoo vroeg reeds werd haar geest geplaagd door die gedachte van zulk een grooten invloed op haar geheele leven. En verflauwde ook al de ernstige indruk reeds in
6
JEUGD VAX EUGENIA.
't volgende oogenblik door de verschijning van den vlinder, die met zijne schitterende vleugeltjes om het hoofd van het jonge kind fladderde en tot speelsche vervolging lokte, moeten ^vij toch in deze kleine gebeurtenis de kiem ontdekken van eene toekomstige roeping.
Een andere trek uit de eerste jaren A'an Eugenia's jeugd bevestigt dit. Zij moest het haar volgens het gebruik van dien tijd eene lastige en smartelijke bewerking doen ondergaan. Ieder volgend geslacht heeft een zeker lichamelijk ongemak te verduren naar aanleiding van de heerschende dwaasheid van het oogenblik.
Wanneer men ziet, hoe menschen zich het grootste ' ongemak getroosten om aan iederen luim der mode toe te geven, dan wil men zich vol verbazing afvragen, hoe ver deze volkomen onderwerping, vooral bij kleinzeerige vrouwen, wel zou gaan, indien van de geheimzinnige macht, die de mode heet een oproeping uitging, om bijv. den voet in een schoeisel te wringen, dat op de Chineesche leest is gezet.
Ook onze kleine Eugenia moest zich de plagerij der mode laten welgevallen. Soms dreef de pijn haar de tranen in de oogen, zoodat de kamenier vol medelijden vroeg: «Zal ik ophouden, kindlief?quot; â «Neen, neen,quot; luidde dan het antwoord, wga maar door,quot; en dan voegde zij er zachtjes bij: «Voor de zielen in 't vagevuur.quot;
Zulk eene vrijwillige en voortdurende belangstelling voor de leden der Lijdende Kerk, eene belangstelling, die zich reeds zoo vroeg openbaarde, niet voortkwam uit een hart, dat weende om het verlies van dierbare betrekkingen en in tegenspraak scheen te zijn met het vroolijke karakter.
/
JEUGD VAN EUGENIA.
waarmede dit meisje van nature begiftigd was, moest van boven komen. God had Eugenia uitgekozen tot een werktuig in Zijne hand, om de smarten Zijner geliefde lijdende schepselen te lenigen.
Als wij hooren van eene roeping tot een leven van gebed, arbeid en lijden, waarvan al de verdiensten voor de Geloovige Zielen bestemd zijn, dan doet de eerste gedachte, die zich opdringt, ons denken aan een hart voor altijd gebroken door een onherstelbaar verlies of vol bekommering over het lot eens geliefden, en dat alleen troost en verlichting kan vinden in het aanroepen van Gods ontfermende barmhartigheid; â of zij doet ons denken aan iemand, die voor alle aardsche vreugde dood, vol teedere bezorgdheid den geest van een vriend of betrekking, dierbaarder dan het leven, immer volgt naar de geheimzinnige oorden aan gene zijde A an het graf, waar het treurig gemoed met hartstochtelijke toe-genegenheid toeven wil.
O O
't Is waar, dat er in de Congregatie door Eugenia gesticht dergelijke droevige zielen geweest zijn, die daar zochten en vonden, wat niets op aarde haar kon geven: gelatenheid voor den eindeloozen duur van een lijdend bestaan, dat zij met vrees en schrik te gemoet zagen. Doch hoezeer de eigenaardige godsvrucht dezer nieuwe religieuze familie in overeenstemming blijkt met de geestelijke behoeften van een treurend gemoed, is er toch iets treffends gelegen in de gedachte, dat het hart van haar, die tot deze heldhaftige devotie den weg zou banen en dat nieuwe werk van bovennatuurlijk medelijden ontwierp en voltooide, een geknakt noch bloedend harte was.
8
JEUGD VAX EUGENIA.
Wij zouden met een onzer dichters kunnen zeggen, dat haar levenshuikje zee koos «Aan 't voor de Jeugd, aan 't roer de Vreugd.quot; (1)
Geene persoonlijke droefheid, doch eene wonderbare liefde tot God en Zijne schepselen richtte al hare gedachten naar dat oord van reiniging, naar dat schouwspel van godvruchtig lijden, waar, zooals de H. Catharina van Genua zegt, de pijnen 's menschen begrip te boven gaan, doch waar ook eene vreugde heerscht, die de verbeelding overtreft. Wat wij ons van dat geluk en die smarten kunnen voorstellen, leiden wij af uit hetgeen ons verhaald is omtrent de gemoedsstemming der martelaren te midden van de vreeselijkste folteringen; maar, bedenkt het wel, die bloedgetuigen hadden God niet voor een kort oogen-blik aanschouwd, en dus niet gevoeld wat het is, van dat goddelijk aanschijn verstoken te zijn.
9
Wanneer God eene ziel uitkiest om een bijzonder werk tot stand te brengen, verleent Hij haar zekere gaven, die als het voor- en kenteeken uitmaken van dat werk en gewoonlijk de middelen zijn, waardoor het volbracht wordt. De ongewone gave, die Eugenia in staat stelde, hare zending, wat de practische ontwikkeling daarvan betreft, te vervullen, bleek reeds in hare jeugd, evenals die zending zelve, duidelijk genoeg. Het was een onbegrensd, hecht, onveranderlijk en onversaagd vertrouwen op de Goddelijke Voorzienigheid. Geheel haar levensloop bleek een zonneklaar bewijs en eene voortdurende huldiging van het bestaan dezer heilige hoedanigheid
1
«Youth at the prow, and Pleasure at the helm.
JEUGD VAX EUGENIA.
Gods, bespot en miskend door ongeloovigen, geëerbiedigd en aangebeden door de kinderen der Kerk.
De eerste maal, dat zij een ernstig beroep deed op de Voorzienigheid, was toen zij zich in het pensionaat van hét Sacré-Cceur te Rijssel bevond. Zij had den ouderdom van elf jaren bereikt. Met groote belangstelling volgde zij al de kerkelijke plechtigheden. Van hare plaats in de kloosterkapel kon zij het altaar geheel overzien en naar hartelust haren blik op het heilig tabernakel laten rusten. Groot was daarom hare teleurstelling toen op zekeren dag werd afgekondigd, dat bij gelegenheid van een aanstaand feest alle leerlingen, die niet van witte kleederen waren voorzien, in de kapel achter de anderen moesten plaats nemen, ten einde den indruk van het het geheel niet te bederven. Eugenia was zielsbedroefd. Bij een plechtig feest had zij juist 't liefst het volle gezicht op den tabernakel.
Doch er scheen niets aan te doen. Er was geen tijd meer om thuis een wit kleed te vragen. Plotseling valt haar in, dat de Goddelijke Voorzienigheid haar wel zal helpen. Aanstonds knielde zij neder, vouwde de handjes en riep: «O lieve Voorzienigheid, ik bid U, stuur mij toch een wit kleed. Ik zal U altijd beminnen en U alles vragen wat ik noodig heb tot de kleinste nietigheid; eene speld zoowel als den hemel.quot; Nog dertig jaren later herinnerde zij zich levendig, met welk een vurigheid en vertrouwen zij dit gebed had gesproken. Nooit is er eene overeenkomst getrouwer nagekomen dan die, welke door Eugenia op dien dag met haren Goddelijken Meester was aangegaan. Wat zij in hare
IO
JEUGD VAX EUGENIA.
jeugd beloofde, heeft zij altijd naar dc letter vervuld.
God beloonde bij deze gelegenheid haar geloof en verhoorde haar kinderlijk gebed. In den vooravond van het feest ging zij naar hare slaapkamer in de vaste overtuiging, dat zij op haar bed het gevraagde witte kleed zou vinden. En werkelijk haar vertrouwen werd niet beschaamd. Het witte kleed was er; op welke manier dit geschiedde is nooit bekend geworden. Van dit oogen-blik verkeerde Eugenia met God als een bevoorrecht kind met een teerbeminden Vader.
Het kleine meisje, dat op school bad om een wit kleed, werd in latere jaren door pater Olivaint beschreven als ))De goede Mère Marie, het troetelkind van de Goddelijke Voorzienigheid, is gebiedend, eigenzinnig en aanmatigend tegenover den almachtigen God, vraagt alles wat zij noodig heeft en durft der Goddelijke Majesteit zeiven voorwaarden stellen.quot;
De devotie tot de zielen van het vagevuur en tot de Voorzienigheid waren beide onafscheidelijk in Eugenia's ziel vereenigd. Zij dacht: «Wat kan ik voor God doen? Hij is mijne voorzienigheid. O, kon ik ook zijne voorzienigheid zijn! Hij geeft mij alles; wat kan ik Hem daarvoor wedergeven?quot;
Terwijl zij deze vraag zocht op te lossen, schoot er plotseling een lichtstraal in haren geest. â »0, ik weet wat ik doen zal. Nu zie ik, hoe ik Gods voorzienigheid kan zijn. Hij bemint dc arme zielen in het vagevuur en toch gedoogt Zijne rechtvaardigheid niet, haar nu reeds vrij te laten. Welnu, ik zal Hem de zielen schenken, die Hij liefheeft en al mijne kennissen vragen of
JEUGD VAN EUGENIA.
zij zich met mij willen vereenigen, om voor die zielen te bidden en kleine verstervingen te offeren. Ik zal zeggen: God is uwe voorzienigheid; zoudt gij niet Zijne voorzienigheid willen zijn ? Hij heeft u alles geschonken, gij zult Hem wel eene kleinigheid willen geven.quot;
De geest van het apostelschap blonk reeds duidelijk uit in deze jeugdige leerlinge van het Heilig Hart. Zij was begiftigd met al de natuurlijke hoedanigheden, die iemand geschikt maken invloed op anderen uit te oefenen. Haar voorkomen en hare manieren waren zoo innemend, de welwillende vrijmoedigheid v;m haar karakter, de onverstoorbare tevredenheid en opgeruimdheid van haar gemoed zoo onwederstaanbaar, dat zij de lieveling was van al hare gezellinnen. Vlug en bevattelijk en altijd de eerste van hare klasse, was zij bij hare levendige en vroolijke gemoedsstemming de ziel der recreatie. Wanneer zij op de speelplaats verscheen, stonden hare kameraadjes in een oogwenk om haar heen geschaard. Van die gelegenheid maakte zij dan gebruik, om met jeugdige welsprekendheid de belangen der Geloovige Zielen te bepleiten, en dan werden haar van alle zijden gebeden en oefeningen Aan versterving beloofd.
Eugenia's meesteressen waren dikwerf verwonderd over de schijnbare tegenstrijdigheden, die zij in haar opmerkten. Eene harer had bemerkt, dat zij altijd een gedeelte van de uitspanning in gebed doorbracht, ofschoon zij hartstochtelijk veel van spelen hield. De zuster vroeg haar daarom: «Wat bidt gij, mijn kind, wanneer gij onder de recreatie in de kapel zijt?quot;
«Ik bid,quot; antwoordde Eugenia, «de litanie van den
12
JEUGD VAX EUGENIA.
H. Geest, opdat ik de ijdelheid der wereld moge inzien, en het Vcv. i Creator om verlicht te worden omtrent mijne roeping.quot;
De Heilige Geest, aan wiens leiding zij zich met zulk een vast vertrouwen overgaf, boezemde haar reeds vroeg het verlangen in naar het kloosterleven. Zich geheel aan God te mogen schenken, die gedachte bracht haar in verrukking al had zij ook voor haar een donkere schaduwzijde. Eugenia kon het denkbeeld haast niet verdragen hare familie, welke zij zoo innig liefhad, voor immer te moeten vaarwelzeggen.
Toen zij eens daarover gepeinsd en onder de tegenstrijdige gevoelens, die zij in zich zeiven ontdekte, geleden had, ging zij plotseling naar de non. die over hare klasse gesteld was en vroeg : «Kan men roeping .hebben tot den kloosterlijken staat, zonder dat men genegenheid daarvoor gevoelt?quot; â «Zonder twijfel,quot; luidde het antwoord, â «eene dergelijke roeping is in zekeren zin meer vertrouwbaar, wijl er dan minder gevaar bestaat, dat men zich door zijne verbeelding laat misleiden.quot; â â «Ik dank U!quot; riep Eugenia uit, «hoe blij ben ik, dat ik dat weet! Indien ik er tegen opzie, mijne ouders te verlaten, dan is dat geen bewijs, dat ik geene roeping heb, maar het zou integendeel een teeken kunnen zijn, dat mijne roeping hecht ware.quot;
Eugenia's voortgang in de studie hield gelijken tred met hare vordering in leeftijd. Het streven naar kennis was voor haren werkzamen geest een genot, geen inspanning. Zij hield van alle vakken, doch voornamelijk van de natuurkundige wetenschappen. De sterrenkunde
JEUGD VAN EUGENIA.
boezemde haar zulk een belangstelling in, dat zij nimmer zonder ontroering tot den sterrenhemel kon opzien. Hierin geleek zij den H. Ignatius, tot Avien zij groote devotie had. Deze Heilige was gewoon op het dak van 't Romeinsche college naar het tintelend hemelgewelf te staren. Daar verloor zich zijn geest in de hoogste beschouwing van den Goddelijken Schepper, terwijl de aarde in zijne achting slonk tot een niet. De karakteristiek van zijne heiligheid voegde bijzonder aan Eugenia's gemoed. In hare ziel was eene eigenaardige, om zoo te spreken, mannelijke kracht vereenigd met een tecderheid van devotie, die genoegen vond in de eenvoudigste en kinderlijkste oefeningen van godsvrucht. De gedachte aan de engelbewaarders â zoowel aan haar eigene als aan die harer vriendinnen â â bleef haar zoo gestadig bij, dat zij die beschermgeesten, om zoo te zeggen, persoonlijk scheen te kennen.
Soeur Desmarquets, die hare leermeesteres was geweest, vertrok uit Rijssel eenigen tijd, voordat Eugenia de kostschool verliet. Het afscheid viel der leerlinge zwaar. Zonder eene schaduw van twijfel aangaande alles, wat het geestelijke betrof, vond zij er troost in aan hare goede vriendin door middel van de wederkeerige schutsengelen 't een en ander te boodschappen. Dat deze hemelsche boden berichten overbrachten, daaraan kon zij niet twijfelen.
Bij zekere gelegenheid schreet haar de vrome meesteres: «Gij hebt inderdaad reden, dierbaar kind, voldaan te zijn over de getrouwheid van uwen beschermengel. De mijne is niet in gebreke gebleven mij mede te deelen, dat ik
14
JEUGD VAX EUGENIA. 15
voor U bijzonder zou bidden op het hoogfeest van Paschen; ik voelde mij sterk aangespoord dit met ongewone vurigheid te doen.
Deze weinige herinneringen uit Eugenia's kinderjaren tot op het tijdstip dat zij de kostschool ging verlaten, doen ons reeds groote verwachtingen koesteren voor de toekomst. In een volgend hoofdstuk zullen wij haar volgen naar het ouderlijk huis en zien, hoe zij het godvruchtig apostelschap, onder hare speelkameraadjes begonnen, meer uitbreidt.
Hoofdstuk II.
EUGENIA IN HET OUDERLIJKE HUIS.
en 4den September 1843 werd Eugenia door hare ouders verwelkomd op hun landgoed in de nabijheid van het stadje Loos bij Rijssel. Hare opvoeding was nu voltooid, en zij begon een nieuw leven onder een nieuwen vorm. De tijd was gekomen, dat zij in oefening zou brengen, wat zij op school geleerd had. Men kan van haar zeggen: «Zij bezat een groot hart en verstond de kunst om te willenquot; â corde magno d animo volenti â eene kennis en macht zonder welke heiligheid bezwaarlijk bestaan kan. Zij zelve noch hare ouders konden toen reeds voorzien, wat God met hare ziel voor had, doch ieder, die het meisje gadesloeg was overtuigd, dat zij doen en goed doen zou, wat zij wilde.
Door moeder's teedere zorg was een allerliefst kamertje voor haar in gereedheid gebracht. â «Wat mij echter het beste beviel,quot; zeide zij in latere jaren, «was het uitzicht;quot; bij mijn ontwaken zag ik den hemel en door de takken der boomen de torenspits der kerk, die mij scheen te zeggen: «God is daar.quot;
IX HET OUDERLIJKE HUIS.
EUGENIA
17
Het is altijd een gewichtig oogenblik en somtijds een keerpunt in het leven van een jong meisje, wanneer zij voor het eerst een eigen kamer heeft; dat oogenblik wordt met spanning door haren engelbewaarder gadegeslagen. Van het gebruik toch der eenzame uren hangt het dikwerf af of dat leven in de toekomst gelukkig of ongelukkig, nuttig â of om niets ergers te zeggen â nutteloos zal zijn.
De onschatbare gave van den tijd is dan, in zekeren zin te harer beschikking gesteld; zal die gave nuttig besteed of roekeloos verspild worden? O, kon de jeugd beseffen, met welk een gevoel de ouderdom de overblijfselen bijeengaart van den wegslinkenden schat, dien zij zoo minacht. Niet dikwijls ziet men dat meisjes van Eugenia's leeftijd met zulk een ernst als zij haar leven inrichten. Dadelijk na het verlaten van de kostschool maakte zij eene dagorde, waarin hare gebeden, werken van liefdadigheid en de nauwgezette volbrenging harer maatschappelijke cn huishoudelijke plichten waren opgenomen. Zij was hartstochtelijk liefdadig, en haar geest peinsde onverpoosd op middelen om de armen te helpen. Ofschoon zij van hare ouders een ruim zakgeld kreeg, was hare beurs toch spoedig uitgeput, maar zij wist altijd raad. Onder anderen maakte zij voor hare armen aanspraak op het afgevallen fruit in 's vaders boomgaard en vond er geen bezwaar in om, zooals zij zeide, «den goeden God een handje te helpen,quot; en dan schudde zij eens flink de boomen om zoodoende het werk der Voorzienigheid een weinig te verhaasten.
Edelmoedigheid in den uitgebreidsten zin was de hoofd-
EUGENIA IN HET OUDERLIJKE HUIS.
trek van haar karakter, en daaraan mogen wij wellicht den oorsprong toeschrijven van hare vurige godsvrucht tot de Geloovige Zielen, alsook den geest die hare Congregatie bezielde : want de edelmoedige lieldedaad, waar-
O t)
door de leden harer Congregatie niet alleen zich zelve
en al haar tijd voor de verlossing der lijdende zielen in het
vagevuur opofferen, maar waardoor zij ook ten behoeve
van die ongelukkigen afstand doen \an de \ei diensten
harer goede werken, â een offer dat voor levenden
niet gebracht kan worden â is zonder twijfel de hoogste
quot;â¢raad van grootmoedige zelfopoffering. Liefde en ijver à 0
vormen grootsche plannen. Evenals ' een vrek het eene goudstuk op het andere legt, en de speculant eiken dag een of andere nieuwe onderneming waagt, zoo ook stelt eene ziel, brandend van ijver voor Gods eer en glorie, zich nooit tevreden met hetgeen zij reeds verricht heeft, maar werkt en streeft en bepleit met God en de menschen voor de ondersteuning en bevordering van goede werken. Iedere vrome onderneming voor de armen harer geboorteplaats, voor de Chineesche kindertjes, voor de vervolgde Christenen van het Oosten of welk belang ook, vond in Eugenia eene bereidvaardige hulp en eene warme voorspreekster. Zij bezat, zooals wij reeds gezegd hebben, eene bijzondere gave om anderen voor haar doel te winnen. Hare macht in dit opzicht was merkwaardig; het geheim van haar welslagen lag in haar onbegrensd vertrouwen op de Voorzienigheid. Dit vertrouwen was met de jaren eerder toegenomen dan verzwakt.
Boven de deur harer kamer had zij eene afbeelding gehangen van den Zaligmaker, die met de eene hand voor
i8
HUGHXIA IN HET OUDERLIJKE HUIS.
de vogelen des hemels voedsel strooide en met de andere naar de leliën des velds wees. Het onderschrift gaf de woorden te lezen: «Uw Hemclsche Vader weet, dat quot;ij dit alles noodig hebt; weest dus niet angstig bezorgd voor den dag Aan morgen.quot; Telkens als zij in 01' uitging, wekte een blik naar die afbeelding een oefening van kinderlijk geloof in de Goddelijke Voorzienigheid bij haar op.
Zij deelde eens in eenige maanden duizenden loterijbriefjes uit ten voordeele van het genootschap der H. Kindsheid en zamelde 85o prijzen in. â «Toen ik mijne loterij opzette,quot; schreel zij aan eene vriendin, «had ik maar twee prijzen: een kistje van luttel waarde en een groot vertrouwen op de Voorzienigheid; doch die tweede prijs bevatte in zich de 849 andere.quot;
Met haren ijver voor de goede werken nam ook het verlangen naar het religieuze leven toe. Hoe zelden zij ook met de wereld in aanraking kwam, het was nog te dikwerf voor eene ziel, die brandt van dorst naar zelfopoffering en inniger verecniging met God. Reeds spoedig na hare terugkomst in het ouderlijke huis had zij haren wensch aan hare ouders medegedeeld, maar deze verklaarden zich beslist tegen de uitvoering van dat plan. Hun hoofdbezwaar was de zwakke gezondheid van Eugenia. Om hevige hoofdpijnen toch behoefde zij dikwijls eene bijzondere verpleging en zorg, die met een streng kloosterleven niet vereenigbaar scheen.
Moeilijk kon Eugenia de redelijkheid van dit bezwaar loochenen, maar zij bleef vast overtuigd van hare roeping
19
20 EUGENIA IN HET OUDERLIJKE HUIS.
en geloofde stellig, dat God op zijn tijd alle hinderpalen uit den weg zou ruimen. Zij had nog geen duidelijk denkbeeld omtrent de orde, waarin zij treden zou en voelde zich ook niet tot de een of andere bepaalde orde getrokken. Wel wist zij dat haar Goddelijke Meester aanspraak maakte op geheel haar hart, doch waar, wanneer en hoe de toewijding van zich zelve zou geschieden was haar nog een geheim.
In deze onzekerheid was voor 't oogenblik niet mogelijk bij hare ouders op de uitvoering van haar plan aan te dringen; doch te midden van die ruste-looze twijfeling nam zij hare toevlucht tot de H. Maagd. Hare kinderlijke liefde tot Maria nam nieuwe vormen aan. In vurige samenspraken openbaarde zij aan hare hemelsche Moeder de vreeze en hoop, vreugde en smart en den strijd harer ziel.
Gedurende de maand Mei van het jaar iS53 was Eugenia's kamer in een bidvertrek veranderd, waar dagelijks godsdienstoefeningen gehouden werden met meer dan gewonen luister. Blauwe en witte draperieën versierden de wanden, en het beeld der Moedermaagd stond te midden van kaarslicht en geurige bloemen. Dit beeld zou voortaan Mère Marie de la Providence door het leven begeleiden. Het was door de gebeden der H. Kerk ingezegend en ontving den naam van »Notre Dame de la Providence.quot; Later gaf Eugenia het nog den titel van »Reine du Purgatoire.quot; Deze tweevoudige titel drukte de twee kenmerkende eigenschappen uit van Eugenia's geestelijk leven.
Na de maand Mei begon zij als in een nieuw licht
â
i
ÃÃL
EUGENIA IX HET OUDERLIJKE HUIS.
tot hare hemelsche Moeder op te zien. Maria werd haar troost in droefheid, haar steun in lijden, de oorzaak van ieder heldhaftig besluit, de kracht harer ziel als deze voor een oogenblik door moedeloosheid werd neergedrukt.
Hoofdstuk III.
DE EERSTE INSPRAKEN' DER GENADE.
'fjJIsSSp den feestdag van Allerheiligen i853 ontving Eugenia Smet den eersten wenk omtrent hare bijzondere roeping. Het was een bij uitstek schoone dag; de schitterende zonneschijn, de wolkelooze hemel, het vroolijk gelui der kerkklokken, alles scheen de kinderen der Katholieke Kerk uit te noodigen, zich met haar te verheugen over hunne verheerlijkte broeders in den hemel, en van het oogenblik af van haar ontwaken was het hart van Eugenia met eene eigenaardige, onuitsprekelijke vreugde vervuld. Onder de hoogmis en des namiddags onder het lof was hare ontroering zoo groot, als ware het de voorbode van een eerstkomend keerpunt in haar zieleleven. Zij werd verontrust door de gedachte, dat hare vele werken van liefdadigheid in 't afgeloopen jaar, haar verhinderd hadden zich zoo aan de verlossing der Geloo-vige Zielen toe te wijden, als heur hart dit wenschte. Wel was haar een algemeen en stil verlangen, hare lijdende broeders te helpen, altijd bijgebleven, doch
DE EERSTE INSPRAKEN DER GENADE.
zij gevoelde zich nu innerlijk aangespooré, iets meer bepaalds te doen. Vol eerbied neergeknield voor onzen Goddelijken Zaligmaker in het H. Sacrament Zijner lieüde kwam het denkbeeld in haar op, eene vereeniging te stichten, die tot doel had, door gebeden en goede werken de Geloovige Zielen bij te staan. Maar was deze gedachte van God of een spel harer verbeelding? In haar onwankelbaar vertrouwen vroeg zij aan den Heer een duidelijk teeken van Zijnen wil. â «O goede Jezus,quot; zeide zij met de heilige stoutheid van iemand, die gewoon is met God om te gaan als met een vader, «indien Gij wilt dat ik dit werk begin, geef dan aan een mijner vriendinnen dezelfde gedachte en laat zij er mij over aanspreken, zoodra ik uit de kerk kom.quot;
Zij had om zoo te zeggen, het Evangelie bij zijn woord gehouden en deed altijd volgens de belolte : «Vraag, en gij zult verkrijgen.quot; Nooit is haar vertrouwen beschaamd en in haren levensloop konden ook tot haar deze woorden dikwerf worden gericht : «O vrouw, groot is uw geloof! U geschiede gelijk gij gevraagd hebt!quot;
Op den vooravond van Allerzielen, dien dag zoo gedenkwaardig voor haar en anderen, geschiedde haar werkelijk, gelijk zij had gevraagd. Terwijl zij ietwat bezorgd nadacht over hare bede, daalde zij langzaam de kerktrappen af. Op straat gekomen, voelde zij zich zeer teleurgesteld, wijl nog niemand haar had aangesproken. Maar juist in dat oogenblik trad een jong meisje van haren leeftijd op haar toe, eene harer beste
23
24 de eerste inspraken der genade.
vriendinnen, en zeide: «Goede Eugenia, hoe blij ben-ik U te zien! Onder het lof had ik eene ingeving. Ik moest, dacht ik, mij met U vereenigen om gedurende de maand November al onze handelingen voor de Geloovige Zielen op te offeren.quot; â «Hebt gij dat werkelijk gedacht?quot; riep Eugenia zóó ontroerd, dat hare vriendin haar met verwondering aanstaarde. Zij verhaalde nu dat deze ingeving het teeken was, hetwelk zij zelf, voor het H. Sacrament geknield, aan God had gevraagd.
«O,quot; riep zij later dikwijls uit, wanneer zij over dit voorval sprak, «in dat oogenblik gevoelde ik God dicht bij mij!quot; De vreugde, die toen haar hart vervulde scheen in den loop van den volgenden dag toe te nemen. Die dag is droevig voor allen, die gedurende het jaar hunne dierbare overledenen vergeten en hen slechts dan gedenken, wanneer de Kerk in rouwgewaad gehuld op ernstigen, plechtigen toon ons vermaant voor de dooden te bidden. Voor Eugenia echter was dit de troostrijkste dag van 't jaar, de feestdag harer dierbare afgestorvenen, het uur van verlossing voor zoo-velen, het korte tijdbestek, waarin de Lijdende Zielen bijzonder herdacht worden, het protest harer moeder de Heilige Kerk tegen het gevoelloos verzuim eener onnadenkende wereld.
Met levendig geloof en innige godsvrucht naderde Eugenia op den morgen van Allerzielen tot de H. Tafel.
Dadelijk na de H. Communie, terwijl zij zich zelve en haar geheele leven weder opofferde aan haren God-delijken Meester, dien zij tot Bruidegom harer ziel had
DE HEESTE INSPRAKEN DER GENADE.
verkoren, rees eene gedachte bij haar op, die oorsprong zou geven aan eene nieuwe geestelijke Orde in de Kerk. Er bestaan, zoo sprak zij, tot zich zelve, religieuze genootschappen, die in alle behoeften der Strijdende Kerk op aarde voorzien, maar er is geen genootschap, dat op eene bijzondere wijze de Lijdende Kerk in het vagevuur te hulp komt. Zou zij geroepen zijn die leemte aan te vullen? Eene ziel, die Gods leiding afwacht en bespiedt, ontstelt hevig bij de eerste fluistering der genade. Het denkbeeld was te stout. De verbeelding plaatste haar eensklaps in een doolhof van moeilijkheden. Het jonge meisje zag in het verschiet het oude schrikbeeld van eene algeheele scheiding van allen, die zij liefhad, en eene lange reeks beletselen, tegenwerpingen, verwijtingen, waarmede reeds eene gewone roeping tot het religieuze leven te worstelen heeft. Zou het stichten eener nieuwe orde geene buitensporigheid lijken? Versmading en spot van wereldlin-gen en minachting zelfs van den kant der braven en godsdienstigen stonden haar te wachten. Daarbij schemerde in haar het bewustzijn, dat zij, die door beloften gebonden worden zich te laten slachtofferen voor de Geloovige Zielen, bereid moeten wezen, om alle soort van lijden, zoowel geestelijk als tijdelijk op zich te nemen. â «Neen, neen,quot; riep zij in gedachten uit, «dit gaat te ver, dit vraagt God niet van mij.quot;
Toch sprak eene stem: â )Is dit niet juist, wat God vraagt?quot; Het scheen dat de arme zielen tot haar de woorden richtten, die de Goddelijke Zaligmaker tot Zijne Apostelen sprak: «Kunt gij den kelk drinken, dien ik
2D
DE EKRSTE INSPRAKEN DER GENADE.
drink. Kunt gij U laten doopen met het doopsel van lijden, waarmede wij gedoopt zijn?quot; Zij durfde niet antwoorden: «Ik kan het,quot; maar dacht zonder twijfel met den H. Paulus? «Ik kan alles in Hem, die mij sterkt.quot;
Rechtstreeks ging zij naar het huis van den pastoor der parochie, den Eerw. Lemaheu. Hij had haar als kind gekend; haar vertrouwen in zijn oordeel was groot. Eenvoudig en nauwkeurig vertelde zij hem, hoe reeds vroeg en aanhoudend het verlangen haar bezield had, om iets bijzonders voor de Geloovige Zielen te doen, en hoe deze gedachten en wenschen vooral in de laatste twee dagen meer dan ooit haar bijbleven.
De priester luisterde met oplettendheid, en na eenig nadenken gaf hij zijne volle goedkeuring aan het plan ecner Vereeniging van gebeden voor de Lijdende Zielen en verzocht haar ook zijnen naam op de lijst der deelnemers te schrijven. Maar met de oprichting eener Congregatie uitsluitend aan dat doel gewijd, kon hij zich nog niet vereenigen. Volgens zijne meening was Eugenia geroepen, om een godsdienstig leven in de wereld te leiden, en haren tijd, haar vermogen en hare talenten aan goede werken te besteden. Het welslagen harer verschillende liefdadige ondernemingen gold, zoo oordeelde hij, voor een duidelijk bewijs, dat dit Gods wil was.
Dit antwoord ontmoedigde Eugenia geenszins. Zij gevoelde, dat tijd en geduld zouden tot stand brengen, wat zij als eene goddelijke ingeving beschouwde, en dat het intusschen haar plicht was, te werken, zooals de
DE EERSTE INSPRAKEN DER GENADE.
H. Ignatius zegt, met zooveel toeleg en ernst, alsof de uitslag harer bemoeienissen geheel van haar zei e afhing, en van den anderen kant toch zoo volkomen op God te vertrouwen rdsofzij zelve hoegenaamd niets doen kon. In zulk eene stemming begon zij dadelijk voor hare Vereenrging te ijveren, die reeds in korten tijd eenige honderden leden telde. Zij die zich lieten inschrijven verbonden zich, om éénmaal in de maand eenen gewonen rozenkrans of een rozenkrans samengesteld uit oefeningen van Geloof, Hoop en Liefde en eens in 't jaar onder de octaaf van Allerzielen vijfmaal het Onze Vader en het Wees Gegroet te bidden ter eere van de H. Wonden van onzen Goddclijken Zaligmaker en te communiceeren voor tic Zielen van 't vagevuur. Den meer ijverigen raadde zij aan voor hetzelfde doel iedere maand de H. Communie te ontvangen, den kruisweg te gaan en jaarlijks ééne of meer H. Missen bij te wonen. Deze godsvrucht breidde zich spoedig uit in de naburige gemeenten. De priesters stonden verwonderd over het groot aantal missen, die hun voor de overledenen werden besteld. De oefening van den kruisweg werd veel meer verricht dan vroeger en aan de armen werden kleedingstukkcn uitgedeeld, waarop de woorden waren gestikt: «Bidt voor de overledenen.quot; De ijverige bevorderaarster dezer godvruchtige oefeningen liet ook hare andere goede werken niet na. Naar vermogen ondersteunde zij te Loos de â¢oprichting van eene aidecling der Vereeniging van den H. Vincentius a Paulo, en wijdde zich zelve op eene bijzondere wijze toe aan de verzorging harer armen.
Op zekeren dag had de herder der gemeente met
27
DE EERSTE INSPRAKEN DER GENADE.
droefheid en verontwaardiging op den preekstoel gesproken over de verschrikkelijke godslasteringen en het misbruik van den Zoeten Naam in de herbergen. In heilige gramschap, die een ernstigen indruk op zijne toehoorders maakte, had hij uitgeroepen: -Is er niemand, die moed genoeg bezit, om voor de zaak van God op te treden in de plaatsen, waar Hij zoo diep wordt beleedigd? Is er niemand, die zijne stem verheffen en opkomen wil tegen de beleedigingen der goddelijke majesteit aangedaan ?quot; , Eéne bevond zich toen in de kerk, wier hart brandde van ijver voor Gods huis en die bereid was alles voor Zijne eer en glorie te verdragen. Eugenia had reeds dadelijk een plan gevormd, dat zij aan het oordeel van den pastoor zou onderwerpen; zij wilde naar iederen herbergier gaan en hem verzoeken haar te veroorloven aan den wand der gelagkamer een bordje te bevestigen met het opschrift: vhier vloekt men niet.quot;
Met dit plan kwam zij bij den pastoor maar bekende openhartig, dat het haar eene verlichting zou zijn, als hij dit voornemen afkeurde. De edele priester glimlachte echter en zeide: Mijn kind, ik geloof niet, dat ik zelf den moed zou hebben, te doen wat gij voorstelt, doch wijl God het l ingeeft, kan ik er niets tegen inbrengen.quot; Eugenia ging dan aan het werk. Wij moeten hierbij in het oog houden, dat de stelling van Eugenia in hare geboorteplaats haar veroorloofde dingen te doen, die onder gewone omstandigheden voor een jong meisje onvoorzichtig ol onbetamelijk konden schijnen. Zij was toen zeven en twintig jaar oud, en stond reeds langen tijd aan het hoofd van alle weldadige ondernemingen in
28
DE EERSTE INSPRAKEN DEK GENADE.
de plaats. Hare familie was zóó algemeen bekend, zij zelve zóó geacht, dat haar het recht toekwam de zaak van den godsdienst en de belangen van God te verdedigen. Zij gordde zich dus aan vloek en godslastering te bestrijden.
Op een bitter kouden winterdag en onder een hevigen sneeuwstorm bezocht Eugenia de veertien herbergiers van Loos. Overal ontving zij hetzelfde antwoord : «Mejuffrouw mocht naar believen handelen, indien ook de anderen het goedvonden.quot; Tot hare verwondering stuitte zij nergens op weigering, alhoewel de toestemming niet altijd bijzonder vriendelijk werd gegeven. Zoodra dus de bordjes waren gedrukt, ging zij er weder op uit, van hamer en spijkers voorzien, wijl zij begreep bij haar werk op geene hulp te kunnen rekenen.
Eenige dagen later ontving haar vader eenen naam-loozen brief met het verhaal van Eugenia's bezoeken in het dorp. De zaak werd natuurlijk zoo belachelijk mogelijk voorgesteld. Mr. Smet was zeer ontevreden. Vroom en weldadig zijn, keurde hij goed, maar dit ging te ver, en hij berispte zijne dochter over haren onbezonnen en overdreven ijver. Zij beproefde hem gerust te stellen en verzocht hem, geen gewicht te hechten aan eene naamlooze uitlegging van haar gedrag. Doch hij wilde niets ter harer verontschuldiging hooren en beval, dat zij den volgenden dag alle bordjes zou wegnemen, waar zij ze had geplaatst.
Eugenia ging terstond in hare kamer, knielde neder voor het beeld harer dierbare O. L. Vrouw der Voorzienigheid en bad haar onder tranen: »0 goede Moeder,
29
DE EERSTE INSPRAKEN DER GENADE.
gij Aveet, dat ik aan de bevelen van mijn vader niet kan gehoorzamen; ach, geel', dat hij van gedachte verandert.quot; Haar gebed werd verhoord. Den volgenden dag zeide Mr. Smet tot zijne dochter, dat hij bij nadere overweging er zich niet om bekreunde, wat de schrijver van den brief dacht, en dat zij de zaak maar zou laten rusten.
Het ware te wenschcn, dat echtgenooten, dochters olquot; andere personen van ondergeschiktheid Eugenia's voorbeeld navolgden. Niet slechts zouden zij dikwerf uitkomst vinden in hunne moeilijkheden, maar tevens in hun vertrouwen bevestigd worden door den goeden uitslag, waarmede dergelijke eenvoudige, krachtige gebeden bijwijlen bekroond worden. Menigeen staat soms verbaasd, wanneer hij eene eenvoudige maar dringende bede zoo plotseling verhoord ziet; dit zijn volgens Eugenia oogen-blikken, waarin wij voelen «dat God bij ons is.quot; Bevrijding uit een groot gevaar is geen grooter bewijs van Gods almacht dan de verhooring van een kort gebed; beide zijn evenzeer teekenen Zijner vaderlijke liefde.
3o
Hoofdstuk IV
SCHEMERLICHT AANGAANDE EUGENIA'S ROEPING.
.edcr jaar verliet Eugenia voor eenigc dagen den huiselijken kring, om eene retraite te doen in het klooster van Sacré-Coeur, waaraan zoovele aangename herinneringen uit hare kindsheid verbonden waren.
In eene dezer godvruchtige samenkomsten sprak Eugenia hare biecht bij Mgr. Chalendon, die toen de Geestelijke Oefeningen leidde. *De uitstekende raadgevingen van dezen vromen prelaat en zijne duidelijke besliste antwoorden op hare vragen omtrent het kloosterleven brachten haar er toe hem aan het einde der retraite verlof te vragen, hem schriftelijk te raadplegen aangaande hare roeping. Dit verzoek werd bereidwillig toegestaan. Van dit oogenblik trad zij met hem in briefwisseling. In dezelfde maand November zond zij een uitvoerig verslag van alles, wat in haar geest en hart gedurende het feest van Allerheiligen en Allerzielen was omgegaan.
Evenals de pastoor van Loos gaf Monseigneur zijne
32 SCHEMERLICHT AANGAANDE EUGENIA'S ROEPING.
goedkeuring aan de Vereeniging, doch aarzelde, haar in de uitvoering harer andere plannen aan te moedigen.
«Uw ijver,quot; zoo schreef hij, »voor de Lijdende Zielen in het vagevuur prijs ik zeer. De Kerk biedt haren kinderen eene groote verscheidenheid van middelen voor dat doel. Gij hebt reeds aalmoezen en gebeden voor de arme zielen verworven. Dit is een goed en schoon werk. Wat uw denkbeeld betreft cene Orde te stichten, uitsluitend aan dat doel gewijd, kan ik niet loochenen, dat het nieuw is en vrome zielen aantrekt. Maar de uitvoering van uw plan is eene moeilijke taak, indien niet God U op zeer bijzondere wijze daaromtrent A-er-licht. De goede pastoor van Loos heeft gelijk, wanneer hij U aanraadt niet te denken, aan het stichten eener nieuwe Orde dan na andere middelen te hebben beproefd om wel te doen.quot;
Dit antwoord was zeker geschikt om te ontmoedigen. Waren de Geloovige Zielen in de zaak niet betrokken geweest, dan zou Eugenia haar plan waarschijnlijk hebben opgegeven. De ontdekking, dat Mgr. Chalendon, op wiens belangstelling zij meende te mogen rekenen, de geheele zaak scheen te beschouwen als het werk harer verbeelding, stelde haar te leur. Zij bestreed echter de moedeloosheid en zeide tot zich zelve: »Dit is voorzeker eene beproeving, maar indien God wil dat dit werk tot stand wordt gebracht, zal ik mijn doel bereiken ondanks alle moeilijkheden.quot;
In die dagen schenen noch hare vrienden noch hare vroegere onderwijzeressen, de dames van Sacré-Coeur, te gelooven, dat Eugenia tot het kloosterleven geroepen
SCHEMERLICHT AANGAANDE EUGENIA'S ROEPING.
was. Eenc dezer laatsten, Mme. Giraud, schrijft daarover in een brief:
«Ik wakker üw moed niet aan, mijn dierbaar kind; hij is grooter dan uwe kracht. Ik ben eerder geneigd te zeggen, matig u en streef niet naar datgene, wat gij niet dan met overgroote vermoeienis bereiken kunt.
Vuur en ijver, ik weet het, is de ziel van uw leven en daar uwe bedoelingen heilig zijn, zal God uwe pogingen zegenen. Ik begrijp niet, hoe gij in uw werkkring aan het kloosterleven kunt denken. Uwe taak schijnt door de Goddelijke Voorzienigheid heel duidelijk aangewezen; wees derhalve, bid ik u, gerust en tevreden.quot;
In denzelfden geest schreef Mme Desmarquets aan hare vroegere leerlinge. Na de zaak lang overdacht en, zooals wij zagen, haar plan aan eenige weinige vertrouwelingen te hebben meegedeeld, sprak Eugenia er over met haar biechtvader. Zij was over zijn antwoord zeer voldaan; hare ziel werd met een wonderbaren vrede vervuld.
i)Mijn kind,quot; zeide hij, «ik zal bidden en alles met God overleggen. Niets is bij de Voorzienigheid onmogelijk, en als God u voor dit werk heeft bestemd, zal Hij u de middelen geven, het te volbrengen.quot;
Met de toestemming van haar geestelijken leidsman offerde zij zich den 25sten Januari 1854 geheel aan God op voor de zielen van het vagevuur en stelde tevens, wat de Kerk noemt, de heldhaftige lieldedaad, maar slechts voor den tijd van zes maanden. In haar dagboek schreef zij de volgende woorden: «Ik dank U,
3
33
34 SCHEMERLICHT AANGAANDE EUGENIA'S ROEPING.
o mijn God, voor de genade, die Gij mij dezen dag hebt verleend. Hedenmorgen na de H. Communie, deed ik de belofte al mijne handelingen te verrichten in de meening, om daardoor de lijdende zielen te helpen. Men heeft mij slechts toegestaan, deze belofte voor den tijd van zes maanden af te leggen, maar ik hoop, dat Gij mij het geluk zult verleenen, haar na dien tijd voor immer te mogen vernieuwen.quot;
Xa verloop van zes maanden verbond zij zich tot dat doel door eene eeuwige belofte.
De Vereeniging van gebeden, die den isten November door twee vriendinnen op den drempel harer parochiekerk was in het leven geroepen, bloeide wonderbaar en telde na drie maanden reeds l5oo personen. Dit was een groote troost voor Eugenia, en zij beschouwde het als een teeken, dat ook haar hartewensch in vervulling zou gaan. Eens vroeg zij haar biechtvader, ol hij niet meer aan haar plan dacht. «Wel zeker, mijn kind,quot; luidde 't antwoord, «ik heb gebeden en overwogen; met uwe toestemming zou ik nu graag den deken van St Mauritius over de zaak spreken.quot; Eugenia, die voor dien achtenswaardigen en heiligen pastoor diepen eerbied had, gaf daartoe gaarne verlof. «Hij kent mij reeds langquot;; zeide zij, «en wij kunnen het volste vertrouwen stellen in zijne voorzichtigheid en godsvrucht.'* »Ik weet,quot; voegde zij er bij, «dat u noch hij mij met beslistheid zal kunnen zeggen wat Gods wil is; ik zal echter tevreden zijn, wanneer gij denken moogt, dat ik mijn tijd niet verlies met nuttelooze plannen.quot; Eenige dagen later ontving zij van haren
SCHEMERLICHT AANGAANDE EUGENIA'S ROEPING. 35
zielbestierder eenen briel van den volgenden inhoud: «Ik heb den deken van St. Mauritius gesproken; wij hebben gebeden, alvorens u raad te geven. Beiden gelooven wij, dat uw vurig verlangen niet het werk uwer verbeelding is, maar dat gij geduldig het oogen-blik, door de Voorzienigheid bepaald, moet afwachten. Wanneer God deze stichting wil, zal Hij u de noodige middelen daartoe verleenen. Overweeg dus in kalm vertrouwen uwe plannen aan den voet van uw kruisbeeld. Deze overdenkingen zijn niet nutteloos, daar zij eens strekken kunnen tot bevordering van Gods eer.quot;
Over deze goedkeuring gelukkig, ging Eugenia voort met de uitbreiding harer Vereeniging. Haar voornaamste streven was, de godsvrucht tot de Geloovige Zielen bij 't volk ingang te doen vinden, en zij spoorde de vrome armen van Loos aan, om dikwerf een rozenkrans te bidden, samengesteld uit oefeningen van geloof, hoop en liefde. Het ijverige gebruik dier gebeden had een tweevoudig voordeel. Ten eerste kon men daardoor vele aflaten verdienen toevoeglijk aan de overledenen, en vervolgens was het op die wijze gemakkelijk, aan onwetende personen die meestal niet kunnen lezen, de goddelijke deugden te leeren, in die oefeningen vervat. Zij liet ook ter verspreiding eenige duizenden exemplaren drukken van de heldhaftige liefdedaad en deelde een groot aantal prentjes uit, waarop de verlossing der Geloovige Zielen door het H. Misoffer aanschouwelijk was afgebeeld. Op de achterzijde der prentjes stond: »0 goede en allerzoetste Jezus.quot;
Wij hebben eenigen tijd vertoefd bij Eugenia's bijzondere
36 SCHEMERLICHT AANGAANDE EUGENIA'S ROEPING.
toewijding aan het werk der Geloovige Zielen, en gezien hoe groot de liefde en hoe innig het vertrouwen was tot haar, die zij steeds de Koningin van het vagevuur noemde. Wij zullen nu spreken over haie vurige godsvrucht jegens het H. Sacrament des Altaars.
Reeds als kind vereerde zij op eene bijzondere wijze Christus in het H. Sacrament Zijner liefde. Haar levendig geloof gaf haar tal van godvruchtige oefeningen in aangaande dit aanbiddelijk Geheim. Wanneer de piits-ter na den laatsten zegen den kelk in het H. Tabernakel sloot, dan smeekte zij den Goddelijken Gevangene, hare ziel en de zielen barer vrienden niet zich in die gezegende gevangenschap mee te voeren. En wanneer de kelk weder van zijne lustplaats 'werd 'weggenomen, om naar een ander altaar te woiden overgebracht, dan volgde zij in den geest den dièrbaren Meester met allen, die zij in gedachte aan deze geestelijke processie liet deelnemen. In hare kindeijaren had zij voor deze gelegenheden het volgend gebedje opgesteld ; «Mijn dierbare Jezus, ik â \\ensch met L opgesloten te zijn, sluit mij in U\v Goddelijk Hart en laat daar eeuwig mijne rustplaats wezen.quot; Bij zekere gelegenheid had zij bijzondere toebereidselen gemaakt ten einde Sacramentsdag met buitengewonen luister in hare geboorteplaats te vieren. Wimpels, bloemkransen, altaren overtroffen in pracht en verscheidenheid alles, wat ooit in die streek werd aanschouwd. Onder anderen had zij langs den kerkweg eene laan van denne-boomen aangelegd, eene onderneming, die het opnemen
SCHEMERLICHT AANGAANDE EUGENIA'S ROEPING. 3/
van eenige straatsteenen op den openbaren weg noodzakelijk maakte. De gedachte, dat dit als eene belee-diging der plaatselijke overheid kon worden aangezien, kwam niet bij haar op â wat ons eenigszins verwondert, wijl in Frankrijk de vrees voor burgemeester en gemeentebestuur elke andere vrees verdringt. Zij werd verwittigd dat er *bij het gerecht eene aanklacht tegen haar was ingediend. Nochtans werd de zaak ingetrokken. Waarschijnlijk durfden de burgemeester noch de prefect een vervolging instellen tegen Eugenia, omdat voorzeker alle inwoners van Loos zich aan hare zijde zouden hebben geschaard. Het verwachte leest zou echter aan zijn ontwerpster verdiensten ia plaats van voldoening geven. Het weder was zoo ongunstig, dat de processie zelfs de kerk niet kon verlaten. Iedereen had er spijt van, vooral omdat Mejuffr. Smet zoo werd teleurgesteld. Weken achtereen zooveel moeite en dan nog geene voldoening ! klaagde men. Niemand echter dacht er aan, dat het jonge meisje grooter verdiensten vergaarde, dan wanneer hare pogingen, om aan God een klein uiterlijk bewijs harer liefde te geven met den heerlijksten uitslag waren bekroond geweest; immers met dezelfde bereidwilligheid, waarmede zij steeds kleine zoowel als groote beproevingen uit de hand der Goddelijke Voorzienigheid aannam, offerde zij ook nu deze gevoelige versterving met een blijmoedig hart. Toen November naderde verdubbelde zij hare pogingen om hare geliefde devotie te verspreiden. Eene harer kennissen die hare gedachten en verlangens kende, zond haar in dien tijd een boekje, getiteld : »Maand
38 SCHEMERLICHT AANGAANDE EUGENIA'S ROEPING.
der Geloovige Zielenquot;. Toen zij het opende werd zij ten hoogste verrast een gebed te .vinden dat daar voor den 21?ten November was aangewezen, waaruit bleek dat het verlangen haars harten ook reeds door andere vrome zielen was gevoeld en uitgedrukt. Zij, die bij ondervinding de ontroering kennen door eene overeenstemming van gevoelen teweeggebracht in het harte waarin een of ander geliefkoosd plan heimelijk omgaat, zullen met belangstelling het bedoelde gebed lezen. Het luidde aldus:
»0 God, de Heilige Geest, Gij hebt op verschillende tijden een aantal geestelijke genootschappen in het leven geroepen om aan de behoeften der Strijdende Kerk op aarde te gemoet te komen. Uit ijver en medelijden smeeken wij U, ware oorsprong van't licht, kom ook de Lijdende Kerk te hulp en verwek eene geestelijke Orde tot steun en bevrijding der arme Zielen in het vagevuur. Gij alleen. Schepper H. Geest, kunt dit; wij zullen niet ophouden te bidden totdat Gij ons hebt verhoord.quot;
Eigenaardige overeenstemming van hart en geest bij de kinderen der Katholieke Kerk. Eigenaardige band van gemeenschap, somtijds zielen vereenigend, die door geen andere schakel verbonden zijn dan door dat heerlijk Geloof, dat eene non in haar klooster de devotie tot het H. Hart influistert, of een jeugdig meisje op de kostschool aanspoort, de maand Juli toe te wijden aan de vereering van het H. Bloed van Onzen God-delijken Zaligmaker; â heerlijk geloof, dat eerst eene gedachte, vervolgens een gebed, dan een verlangen
SCHEMERLICHT AANGAANDE EUGENIA'S ROEPING. 39
instort, hoop doet voeden en daarna opwekt tot daden, die, met tranen besproeid, door vernedering en smaad geheiligd worden, totdat aan haren zoeten geur een god-delijken oorsprong kenbaar is en zij opgaan in eene devotie, die, gezegend door onze Moeder de H. Kerk, eene plaats inneemt onder de altijd oude en altijd nieuwe wijzen, waarin onze liefde tot Jezus hare uitdrukking vindt.
Misschien hebben de schrijver van het bovenstaand gebed en Eugenia Smet elkander in deze wereld zelfs niet bij naam gekend, maar wie twijfelt er aan, of in den hemel zielen elkaar herkennen, die op aarde hetzelfde dachten en gevoelden ?
Hoofdstuk V.
OPENBARINGEN VAN GODS WIL.
r zouden echter nog jaren verloopen, voordat 't Eugenia duidelijk zou zijn welken weg zij moest inslaan. Zij bad onophoudelijk en ontving eens de geheime mededeeling dat zij het kloosterleven zou omhelzen, maar niet dan in haar drie en dertigste jaar. Werkelijk legde zij pas in het jaar 1858 hare beloften af.
Somtijds ontzonk haar de moed, wanneer godvree-z:ende personen verzekerden dat het blijkbaar hare roeping was, in de wereld te blijven. Hoe verlangend zag zij dan uit naar een vertrouwd persoon, die haar zou zeggen: «Ga voort, mijn kind, het is Gods wil.quot; Wanneer zou die stem zich laten hooren ? Wie zou de dienaar des Heeren zijn, die aldus in den naam van zijnen Meester zou spreken? Wanneer zou eindelijk in den duisteren nacht harer verwarring de ster opgaan en de nevelen van twijfel verdrijven, die hare vurige ziel omhulden; zoolang reeds was die ziel geoefend in de school van geduld, van angstige verwachting en van nederige overgave aan de leiding der Goddelijke Voorzienigheid.
OPENBARINGEN VAN GODS WIL.
Het lang gewenschte oogenblik kwam. De stem, die tot haar zou spreken als de stem van den Zaligmaker, toen Hij Zijne apostelen riep en hen vermaande niet langer te dralen, maar hunne netten te verlaten, was de stem van den nederigen heilige, het wonder onzer eeuw, het schitterend voorbeeld van de macht des geloofs en der heiligheid, de stem van den eer-biedwaardigen pastoor van Ars.
In Juli i855 kwam Eugenia op de gedachte den merkwaardigen man te raadplegen, van wiens heiligheid Frankrijk niet alleen, maar geheel Europa gewaagde. Een groot getal pelgrims toog voortdurend naar het nietige, onbeduidende stadje Ars, om raad en hulp te zoeken bij den armen priester, wiens streng vrome leefwijze, scherp doorzicht in geestelijke zaken, heldhaftige deugd en groote wondergave algemeen bekend waren.
Bij het lezen van zijn wonderbaar leven kunnen wij nauwelijks gelooven, dat er voor weinige jaren in een land, zoo nabij aan het onze, een man leefde dien wij gemakkelijk hadden kunnen zien en spreken, hooren prediken en onderwijzen, en van wiens bovennatuurlijk leven ons bijzonderheden zijn bekend geworden, die gelijk staan met de wonderen, die wij ontmoeten in de levens van de grootste heiligen.
Eugenia hield zich overtuigd, dat deze vrome priester het werktuig was, door God gekozen, om haar 's Hemels wil te doen kennen; vurig bad zij om eene gelegenheid, met hem in aanraking te komen. Nooit kwam de gedachte in haar op, om zelf naar Ars te gaan. Zij meende,
41
OPENBARIXGEN VAN GODS WIL.
dat zij meer voldaan zou wezen, wanneer zij langs eenen anderen weg antwoord ontving op de vraag die zij aan M. Vianneij wilde stellen, dan wanneer 'zijne beslissing het gevolg was van eene persoonlijke ontmoeting. Zij wilde de bekoring ontwijken meer te zeggen dan : «Dit is mijn verlangen; komt het van God?quot;
Vol van deze gedachte begon zij eene negendaagsche oefening. Op den negenden dag kwam eene harer kennissen haar mededeelen, dat zij binnenkort op reis ging naar Ars, en vroeg of zij de een of andere boodschap had mee te geven. Met een dankbaar hart zette Eugenia hare zaak duidelijk uiteen, en verzocht deze vriendin, te trachten van den heiligen man een helder en beslist antwoord te verkrijgen op de gewichtige vraag; moest zij, niettegenstaande schijnbaar onoverkomelijke hinderpalen, de stichting ondernemen van eene Orde, toegewijd aan de verlossing der Geloovige Zielen, of was dit plan eene zinsbegoocheling?
Hare vriendin vertrok. Volgens het reisplan zou zij pas twee maanden later te Ars aangekomen. Na zoovele jaren wachtens kon Eugenia zich een uitstel van eenige weken wel getroosten.
Den 2den Augustus ontmoette zij haren geestelijken leidsman, die kennis droeg van hare vraag aan den pastoor van Ars. Hij zeide, dat hij zich dien morgen had aangespoord gevoeld, de H. Mis voor hare belangen op te dragen en God te bidden, den heiligen man omtrent hare roeping te verlichten.
Eugenia werd op denzelfden 2di;n Augustus zeer verrast door een brief van hare vriendin. De inhoud was als volgt;
42
OPENBARIXGEX VAX GODS WIL.
»Gij zult wel verwonderd zijn, geliefde Eugenia, zoo spoedig reeds iets van mij te hooren. Ons reisplan heeft eene verandering ondergaan. Wij zijn met ons bezoek te Ars begonnen, in plaats van onze reis daarmede te eindigen. Ik verstond niets van hetgeen de pastoor mij zeide met betrekking tot mij zelve, maar heel duidelijk klonk zijn antwoord op de vraag, die ik hem in uwen naam stelde. â nnZeg haar,quot;quot; zoo sprak bij, ««dat zij eene Orde voor de Geloovige Zielen kan stichten, zoodra het haar behaagt.quot;quot; Ziedaar zijne 'voorden.quot;
Toen Eugenia dezen regel die de zaak besliste, gelezen had, was hare eerste gedachte, het hart tot God te verheffen en de acte van toewijding aan den dienst der Geloovige Zielen te vernieuwen. Omstreeks dien tijd vielen haar de geschriften der H. Gertrudis in handen, en zag zij met diepe ontroering, hoe innig de godsvrucht was dezer groote Heilige voor de lijdende offers der Goddelijke rechtvaardigheid. Getroffen door de teederheid des harten, het levendig geloof en den helderen geest van deze godgewijde maagd, zag Eugenia tot haar op als tot eenen engel, afgezonden om haar te leiden en aan te moedigen op den ingeslagen, moeilijken weg. Tot haar nam zij hare toevlucht in alle omstandigheden en ontving menig bewijs van de machtige voorspraak dier groote Heilige en van hare belangstelling in hare onderneming.
«Bestaat er niet reeds eene geestelijke Orde of Congregatie, uitsluitend aan de verlossing der arme Zielen toegewijd?quot; Dit was de vraag, die Eugenia altijd opnieuw stelde aan priesters en vrome personen, in de
43
OPENBARINGEN VAN GODS WIL.
stille hoop, een paadje t^, ontdekken, dat zij zou kunnen volgen, in plaats van een weg te moeten openen te midden der ontelbare moeielijkheden eener nieuwe stichting. Maar nergens bestond zulk een geestelijk genootschap; eindelijk moest zij tot de overtuiging komen, dat zij geroepen was, den eersten steen te leggen van dat geestelijk gebouw.
Doch nu deden zich andere bezwaren op. Niet wetend hoe hare onderneming op het getouw te zetten, noch waarheen hare schreden te richten, gevoelde zij bijwijlen grooten angst. Hare natuur was sterk en krachtig en wel geschikt met moeielijkheden te kampen, maar zij deinsde terug voor het onbekende. In zulke oogenblikken riep zij de hulp in van de heilige Stichters van geestelijke Orden en vooral van den H. Ignatius, voor wien zij sinds hare jeugd eene geheel bijzondere godsvrucht had. De gewichtigste vraag, die zich aangaande de nieuwe stichting voortdurend aan haar opdrong, was deze: «Wie zouden in de nieuwe Orde intreden? Wie zou zich met haar willen toewijden aan het lot der Geloovige Zielen en de zorgen, de onzekerheid en de vernederingen willen dragen, die toch ontwijfelbaar met de wording eener religieuze inrichting verbonden zijn?quot; Het scheen echter op eens, dat alles haar plan begunstigde en den weg bereidde, die voor haar lag.
Eene jonge weduwe uit een der rijkste en voornaamste familiën van Rijssel kwam op zekeren dag Eugenia bezoeken en verzocht als hare eerste geestelijke dochter te worden aangenomen. Nog drie andere bemiddelde
44
OPENBARINGEN VAN GODS WIL.
personen vroegen dezelfde gunst, zoodat in het stoffelijk gedeelte der onderneming reeds ruimschoots was voorzien. Maar Eugenia liet zich door dat gelukkig begin niet misleiden. â «Neen,quot; zeide zij «div houdt geen stand. Het gaat veel te gemakkelijk. Gods werken beginnen anders; zij zijn nietig in hun oorsprong en breiden zich allengskens uit.?' In deze stemming-bleef zij, hoe ijverig en vurig ook hare eerste gezellinnen waren. Toen zij haar leven van gebed en toewijding begon, had de toekomstige stichtster aan God vijf teekenen gevraagd als bewijs Zijner ingenomenheid met haar werk.
Het eerste teeken was: dat de Heilige Vader schriftelijk zijne goedkeuring zou schenken aan de Vereeni-ging van gebeden, opgericht op Allerheiligen i853 en dat hij er zijn zegen over zou uitspreken. Dit geschiedde den isten Juli 1854. Pius IX schreef dien dag met eigen hand boven het verzoekschrift, dat hem werd voorgelegd: Benedicat vos Deus benedictione perpetua, â God zegene u met een altijddurenden zegen. â Ten tweede vroeg zij, dat vele bisschoppen de Vereeniging zouden aanbevelen, 'len derde, dat de Vereeniging zich spoedig zou uitbreiden. Ten vierde, dat vele vrome personen zich zouden verbinden tot goede werken voor de Geloovige Zielen.
Gedurende de laatste twee jaren had zij deze vier gunsten verkregen; haar vijfde gebed was op dit tijdstip nog niet verhoord. Het bestond hierin, dat zij een priester mocht ontmoeten, die ook reeds voorloopig een dergelijk plan had gevormd. Ook dit zou spoedig
45
OPENBARINGEN VAN GODS WIL.
geschieden, en Gods genadige Voorzienigheid, die altoos het getal en de soort der beproevingen wikt, die Hij zijnen uitverkorenen overzendt, had dit laatste teeken Zijner goedkeuring weggelegd voor het uur, waarin Eugenia wellicht haar grootste kruis dragen moest. De gezellinnen, die zich om haar hadden geschaard, trokken een voor een al, en daardoor scheen de uitvoering harer plannen onmogelijk te zijn. Verlaten door haar, die gedeeld hadden in hare hoop, in haar arbeid, in hare pogingen, bleef zij alleen met het bewustzijn van eene schijnbaar onmogelijke roeping, die zelfs aan hare koenste verwachtingen onbereikbaar toescheen. Doch onze Goddelijke Meester had het gesloten verdrag niet vergeten. De tijd was gekomen, waarin Hij zelf zou handelen en tot hare ziel zou spreken: «Indien ook allen u verlaten, ik zal u nimmer verlaten.quot;
Onder de octaal van Allerzielen werd haar de vijfde bede toegestaan. Zij kreeg namelijk den volgenden brief van eene jonge dame, met wie zij reeds briefwisseling hield over gemeenschappelijke werken van liefdadigheid :
vDierbare vriendin,
Kon ik niet vertrouwen op uwe vergevensgezindheid en uw goed hart ik zou vreezen, dat gij mijn lang stilzwijgen kwalijk zoudt nemen; maar ik weet zeker, dat gij mij vergeeft. Spoedig ga ik weer naar Bourg, om mijne oude leefwijze te hervatten. Bid voor mij, goede Eugenia, dat ik er mij in voegen kan en dat alles ten voordeele moge strekken van de verheerlijking van onzen
46
OPENBARINGEN VAN GODS WIL.
47
Goddelijken Meester, en van de verlossing der Geloovi-ge Zielen. Gedurende mijn verblijf te Parijs zag ik dikwijls eene vriendin, die ruim een jaar met hare familie aldaar gewoond heeft. Zij zal ongeveer 27 jaren oud zijn is zeer vroom, ontwikkeld en in ieder opzicht een buitengewone vrouw. Toen wij eens in een vertrouwelijk gesprek waren, deelde zij mij een geheim mede dat haar biechtvader haar had toevertrouwd. Het schijnt, dat deze priester sedert eenigen tijd met het plan omgaat eene vereeniging op te richten tot ondersteuning der Zielen van het vagevuur. Alles wat zij mij zeide en het plan, dat zij mij uiteenzette, scheen mij overeen te komen met uwe verlangens. Do ar ik op hare bescheidenheid kan rekenen, vond ik er geen bezwaar in, u te noemen en haar het een en ander van uwe plannen, wenschen en verwachtingen mee te deelen. Zij heeft mij beloofd, over alles te zullen zwijgen, maar in het belang van het werk, dat gij beiden beoogt, wenscht zij met u over de zaak briefwisseling te houden. Wegens omstandigheden in hare familie zal deze vriendin nimmer in staat zijn, zelve tot de Vereeniging toe te treden, maar zij is bereid uwe correspondente te wezen in Parijs en zou gaarne van u verlof hebben, om met haren biechtvader den pastoor van St. Merry, over de zaak te spreken. Oordeel nu zelve of gij dit kunt goedkeuren. Gij moogt haar volkomen vertrouwen. Wacht niet te lang met antwoord, want haar verlangen, de arme Zielen te helpen, maakt haar ongeduldig. Ik moet hier bijvoegen, dat haar karakter minder vurig is dan het uwe. Maar zij bemint God, bezit uitstekende hoe-
openbaringen van gods wil.
danigheden en zou u als medewerkster van groot nut kunnen zijn. Vaarwel, goede Eugenia,
Uwe kleine zuster en vriendin
Pauline d'Escrimieux.
Na het lezen van dezen brief, gevoelde Eugenia, dat God antwoord gaf op de vraag, die zij zoo dikwijls stelde; ))Heer, wat wilt Gij, dat ik doen zal?quot; Haar lot zou beslist, het laatste offer gebracht worden. Slechts zij, die een dergelijken strijd hebben doorworsteld, het voorteeken van eene grootmoedige offerdaad, kennen daarvan de vreugde en het lijden. De ziel voelt als 't ware eene bezwijming, wanneer zij zich voor een oogenblik geheel overgeeft aan de minzame en tevens krachtige leiding der Goddelijke Voorzienigheid en dan tot het volle bewustzijn komt, dat in de volkomen overgave van zich zelve aan Hem, die de ziel tot Zijn eigendom heeft uitgekozen, een verborgen en onbeperkt geluk, maar tevens eene geduchte verantwoordelijkheid ligt. Eugenia gevoelde een hevigen weerzin voor dat offer en te gelijker tijd een vurig verlangen het te mogen brengen. Hoe lang reeds had zij dit oogenblik te ge-moet gezien en vurig gewenscht en gebeden, dat dit uur mocht aanbreken; en zie! nu het volhardend gebed verhoord zou worden, nu werd heur hart met vrees en droefheid vervuld. Dit moet ons niet verwonderen. Zien wij niet dikwijls, dat de jeugdige bruid heete tranen schreit op den drempel van het ouderlijke huis, terwijl toch heur hart van vreugde klopt, nu zij het droombeeld van haar aardsch geluk verwezenlijkt ziet?
48
OPENBARINGEN VAN GODS quot;WIL.
Zoo gaat het ook hun, die gestreefd hebben naar inniger vereeniging met God en naar de vrije en weldadige atmosfeer van het kloosterleven. Als het onbepaald voorgevoel werkelijkheid wordt, en het er op aan komt de daad te stellen, dan gevoelen'zij die doordringende smart bij die diepe en heilige vreugde. Behalve dit lijden moest Eugenia ook de bekoringen doorstaan, die in zulke oogenblikken niet uitblijven.
Het was niet alleen de gedachte aan huis,- het vooruitzicht hare ouders en de vriendinnen harer jeugd te moeten verlaten, maar de vele goede werken die zij met alle kracht steunde, de vrome vereenigingen, die zij in hare geboorteplaats sedert langen tijd bestuurde, stonden als het ware tegen haar op, en hij die zich pleegt te vermommen in een engel des lichts, gebruikte menigen list om haar voor te spiegelen, dat zij een zeker góed opgaf voor een onzekeren uitslag, en het stille pad der christelijke deugd verliet, om een wilde schim harer verbeelding te volgen. Somtijds gevoelde zij berouw geluisterd te hebben naar die stem, en begon in die duistere uren te twijfelen, of het wel de stem van God was. Zij wenschte de dagen terug, toen zij nog naar hartelust kon peinzen op mogelijkheden in de toekomst, zonder dat rechtstreeks het offer werd gevraagd van wat aan de natuur het dierbaarste is. Maar de genade streed met de natuur en behaalde de overwinning. Wanneer wij gelooven, â en wij hebben er reden voor â dat de Geloovige Zielen bekend zijn met de moeilijkheden van hen, die hare vrienden zijn op aarde, dan voorzeker zijn er ge-
4
49
OPENBARINGEN VAN GODS WIL.
5o
beden opgezonden uit dat reinigingsoord en is er vreugde geweest te midden der vlammen van het vagevuur in de stonde toen zij, die de stichtster zou worden dier nieuwe Orde, van hare knielbank oprees en, meer dan ooit overtuigd van de echtheid harer roeping, kalm besloot stap voor stap de aanwijzingen der Goddelijke Voorzienigheid te volgen.
Hoofdstuk VI.
GELEIDELIJKE WEGRUIMING VAN MOEILIJKHEDEN.
ugenia had aan de vriendin van MIIe d'Escrimieux te Parijs geschreven in zeer algemeene bewoordingen met vermijding van bijzonderheden. Zij ontving spoedig daarna het volgende antwoord:
Parijs 29 Oct. iS55.
«Mejuffrouw, â «Uw brief deed mij zeer veel genoegen. Wij verheugen ons in de hoop, dat gij vrij zijt, ons misschien zult bezoeken, en door uw toedoen het werk voor de Geloovige Zielen tot stand zal komen. Hoe vurig zullen wij gedurende de octaaf van Allerzielen bidden, dat God ons altoos inniger moge vereenigen met de nieuwe zuster, die Hij ons heeft geschonken. Wij hebben elkander nooit ontmoet. Mejuffrouw, maar wij zijn reeds vrienden in Christus. Toen ik aan Pauline den wensch te kenpen gaf, met u briefwisseling te houden, dacht ik aan de oprichting van een godsdienstig genootschap. Hier bestaat in alle parochiën het Broederschap van O. L. Vrouw van Smarten, nagenoeg op denzelfden
52 GELEIDELIJKE WEGRUIMING VAN MOEILIJKHEDEN.
voet ingericht als uwe Vereeniging van Gebeden te Loos. Gij ziet, dat wij in dit opzicht reeds zusters zijn. Toen ik uit Lijon hier aankwam, was ik in den beginne teleurgesteld, want het scheen mij toe, dat het geloof cn de godsvrucht te Parijs zeer gering waren, maar ik gevoelde mij getroost, door de vele broederschappen, die hier bestaan voor de overledenen. Gebeden voor de afgestorvenen komen voort uit geloof en liefde.
Alles wat Pauline mij over u en uw grootcn ijver heeft verteld, doet mij gclooven, dat gij de uitgezochte persoon zijt voor het werk, dat wij beoogen. Ik hoop vurig, dat het u mogelijk zal wezen, eenige dagen hier te komen doorbrengen, om met den Zeereerwr. Heer X. te onderhandelen. De pastoor onzer parochie ijvert te Rome voor de aangelegenheid, en de bescherming van den aartsbisschop van Parijs is ons verzekerd. In het belang van het werk zal het nu goed zijn, wanneer gij zelve aan den Zeereerw. Heer X. schrijft.
Vaarwel Mejuffrouw! Ik hoop, dat God u kracht in lijden zal verlcenen en dat uwe gezondheid u in staat stelt, de zorg voor onze dierbare onderneming op u te nemen.quot;
Na het lezen dezer regelen dacht Eugenia een oogen-blik na en besloot toen. vooreerst niet aan dien geestelijke te schrijven, maar een brief van hem af te wachten. Bezig zijnde den brief wreer in de enveloppe te steken, bemerkte zij daarin een dun saamgevouwen papier, dat aan hare opmerkzaamheid was ontgaan. Het was onder-teckend door den bedoelden priester en bevatte het volgende :
GELEIDELIJKE WEGRUIMING VAX MOEILIJKHEDEX. 53
«Mejuftrouw, â met het grootste genoegen heb ik mven brief aan Mej. â gelezen. Ik ken u nog niet, maar begrijp u ; alles wat wij nu te doen hebben is eene overeenkomst tc treffen. Wij hebben hetzelfde doel voor oogen; er bestaat alleen verschil in de middelen om tot dat doel te komen. Ik zou gaarne met u over de zaak spreken, maar ongelukkigerwijze ben ik hier een gevangene en kan vooreerst nog gecne reis aanvaarden. Wat ik gedaan heb, Mejuffrouw, is niets, vergeleken bij hetgeen mv ijver reeds heelt tot stand gebracht; maar mijn plan komt niet geheel met het uwe overeen. Ik wil niet in het minst den ijver afkeuren, die u aandrijft om als het ware de geheele wereld in uw ontwerp op te nemen. Het hart van den Christen en het uwe in het bijzonder streeft naar algemeenheid en uitbreiding. Doch mijn voorstel zou wezen, het middelpunt van ons werk in Parijs te vestigen, waar Monseigneur onze onderneming steunt.
Indien gij dit in beginsel goedkeurt, zal ik u mijne gedachte ten opzichte van uw plan openbaren. Ik bid iederen dag tot God, dat Hij ons de nederige, maar ernstige en vastberaden persoon moge zenden, die ik aan het hoofd van ons klein Genootschap wensch te zien. Moge het den Hemel behagen, u de gelegenheid te geven en de zelfverloochening die noodig is, om uwen werkkring te Parijs te vestigen, opdat wij onze pogingen en onze toewijding aan dit heilig werk kunnen vereenigen. Mag ik u nu verzoeken, mij zoo spoedig mogelijk te antwoorden. Ik wacht met spanning uwen brief en verblijf
Uw toegenegen dienaar.quot;
54 GELEIDELIJKE WEGRUIMING VAN MOEILIJKHEDEN.
Het beslissend oogenblik in Eugenia's leven was daar. Die brief liet geen aarzeling toe. Zij schreef een duidelijk en beslist antwoord en zette hare gedachten uiteen aangaande de stichting der Orde. Het antwoord, dat hierop volgde, deed haar weder nieuwe moeilijkheden en toekomstig lijden voorzien. Zij bemerkte al aanstonds, dat, ofschoon hun grondbegrip hetzelfde was zij toch zeer verschilden in meening omtrent de wijze van uitvoering der plannen. Maar zij was er op voorbereid bij iedere schrede het kruis te ontmoeten en had vast besloten alles aan te nemen, wat niet klaarblijkelijk met den wil van God over haar in strijdwas. In dit besluit werd zij nog bevestigd door een brief van den Zeereerw. Heer Toccanier, kapelaan van den pastoor van Ars. Niet tevreden met het antwoord dat hare vriendin van M. Vianneij ontving, had Eugenia hem nog door zijn bisschop. Mgr. Chalandon de dringende bede doen toekomen, dat hij de gewichtige zaak harer roeping in 't gebed voor God overwegen en haar met den uitslag mocht bekendmaken. Den iidlt;;n November ontving zij het volgend schrijven van M. Toccanier, den assistent van den heiligen jiriester in diens uitgebreide briefwisseling.
»Uw stichtende brief gewerd mij te Pont d'Ain, waar onze dierbare bisschop Mgr. Chalandon de geestelijke oefeningen leidde. Ik beschouwde het als een werking der \ oorzienighcid, wijl ik daardoor in de gelegenheid was, over u en uwe vrome plannen te spreken. Bij mijne terugkomst te Ars op Allerzielen heb ik uwe wen-schcn aan mijn pastoor voorgedragen en hem verzocht
GELEIDELIJKE WEGRUIMING VAX MOEILIJKHEDEN. 55
te bidden en de zaak te overwegen alvorens mi] een antwoord te geven. Sedert dien tijd heb ik hem meermalen dezelfde vraag gesteld en ontvang altijd hetzelfde antwoord. Hij gelooft stellig, dat de gedachte tot eene heldenmoedige zelfopoffering van God komt, en dat gij goed zult doen, eene Orde te stichten ten behoeve der Zielen in het Vagevuur. Ik noch een zijner meest vertrouwde vrienden zouden durven uitmaken, of hij spreekt ten gevolge eener goddelijke verlichting, of dat hij maar zijne eigene meening en verlangens te kennen geeft. Gij kunt echter zeker zijn, dat hij de stichting der nieuwe Orde van harte goedkeurt en niet twijfelt aan eene spoedige uitbreiding. Dit is voorzeker voldoende om u in uw voornemen te bevestigen, dat gij kunt uitvoeren, wanneer en waar God den weg daartoe zal toonen.quot;
Den 25 November ontving Eugenia een bericht van M. Vianneij als antwoord op een brief, waarin zij hem al de hinderpalen had uiteengezet, die zij van den kant harer familie voorzag.
«Ziehier, Mejuffrouw, het zoozeer door u gewenschte antwoord. Onze goede pastoor is zoo duidelijk mogelijk geweest. Ik zeide hem, dat de gedachte uwe familie te moeten verlaten u zeer verontrustte, niet zoozeer om u zelve als om haar, en dat gij u ook bckommerdet over de vele liefdadige instellingen in uwe parochie, waaraan gij deelneemt. Gewoonlijk raadt hij jongelieden aan, niet tegen den wil hunner ouders te handelen, maar geduldig hunne toestemming af te wachten. Ik was ten hoogste verwonderd, dat hij u aanstonds den
56 GELEIDELIJKE WEGRUIMING VAN MOEILIJKHEDEN.
raad gaf voort te gaan. Hij zegt, dat de droefheid uwer ouders spoedig zal gelenigd worden. Wees dus niet bevreesd uw hart van liefde tot Jezus te doen ontvlammen. God zal al de hindernissen op uw pad verwijderen, u een troostende engel doen zijn voor Zijne heilige bruiden, de Zielen in het Vagevuur. De maan ontvangt haar licht slechts van de zon zoo is het ook in waarheid met mij ten opzichte van onzen heiligen j^riester. Ik zal hem voortdurend aansporen voor u te bidden en mijne onwaardige gebeden met de zijne vereenigen, opdat in den hevigen strijd van uw hart tusschen de natuur en de genade, de genade moge zegevieren.
Toen Eugenia dezen brief ontving was de grootste moeilijkheid op haren weg overwonnen. Reeds eenige dagen vroeger achtte zij den tijd gekomen om hare familie voor te bereiden op de scheiding die nu weldra zou plaats hebben. De moed ontbrak haar echter om zich met hare moeder over dat onderwerj) te onderhouden. Zij besloot nochtans den stap te wagen op den 21 November het feest van O. L. Vr. Presentatie en te trachten dien dag van hare ouders de toestemming te erlangen het heiligdom binnen te gaan om zich zelve en haar geheele leven toe te wijden aan Hem die reeds van hare prille jeugd tot haar had gesproken: nDochter, geef mij uw hart.quot; Zij ontving dien morgen de H. Communie en bad vurig om genade en kracht, ten einde in haar besluit niet te wankelen. Dien avond zaten Eugenia, hare moeder en hare zusters recht gezellig bijeen om het haardvuur. Onder een aangenaam
GELEIDELIJKE WEGRUIMING VAX MOEILIJKHEDEN. 5/
en vertrouwelijk gesprek vlogen de uren voorbij. Aan het scherpe oog echter der goede moeder ontging de zor-gerlijke uitdrukking niet op Eugenia's gelaat. Ieder oogenblik zeide deze tot zich zeiven ; «Nu is het tijd om te sprekenquot;, en toch scheen het nooit het juiste oogenblik te wezen. Eindelijk besprak eene harer zusters het geval, dat twee harer vriendinnen in het klooster waren getreden zonder de ouders van haar plan te verwittigen. «Ik begrijp niet, hoe iemand dat doen kanquot; zeide Mevrouw Smet, terwijl zij hare oudste dochter scherp aanzag. «Als gij er ooit over dacht, non te worden, Eugenia, en wij ongelukkig genoeg zouden zijn, u voor immer van ons te zien vertrekken, zoudt gij toch zeker ons niet op deze wijze verlaten.quot; â «O, ik zou nooit deu moed hebben, dat te doenquot; riep Eugenia uit. Nauwelijks gaf zij dit antwoord of eene inwendige stem berispte haar; het was alsof de Goddelijke Meester tot haar zeide gelijk eertijds tot zijnen apostel ; «Bemint gij mij ?quot; Een oogenblik later hernam hare moeder : «Ik geloof, mijn kind, dat gij niet zult sterven, zonder iets gesticht te hebben, wat lang na u zal blijven voortbestaan; uwe Vereeniging van gebeden heeft zich zoo spoedig uitgebreid, dat zij bestemd schijnt, den weg te bereiden tot iets van grooter belang.quot; «Die Vereeniging staat met geenc roeping tot het kloosterleven in verbandquot; zeide Eugenia terwijl haar moed opnieuw bezweek. Nog heviger dan de eerste maal stak haar een verwijt over hare lafheid en in stilte smeekte zij God vurig dat hare moeder nog eenmaal op hetzelfde onderwerp mocht
58 ' GELEIDELIJKE WEGRUIMING VAX MOEILIJKHEDEN.
terugkomen, en zij zelve kracht mocht hebben om dan te spreken. Maar het gesprek had eene andere wending genomen en het was niet waarschijnlijk, dat de zaak opnieuw zou worden aangeroerd. Plotseling echter legde Mevrouw Smet haar handwerk neer en zeide tot Eugenia op een beslisten, ernstigen toon : «Ik geloof mijn kind, dat God u roept, om eene Vereeni-ging ten behoeve der Zielen van het Vagevuur op te richten; dat is ook mijn wensch. Wie weet, of de tijd dien ik in dat reinigingsoord zal moeten doorbrengen, niet zal worden verkort, wanneer gij u geheel aan dat heilige werk toewijdt ?quot; â nO moederquot;, riep Engenia uit, die hare ooren niet kon gelooven, «is het mogelijk ? Wat hebt gij daar gezegd ?quot; Mevrouw Smet herhaalde bedaard al hare woorden. Hare andere dochters die reeds iets van Eugenia's wenschen vernomen hadden, riepen nu verschrikt: «Maar dat is juist wat zij verlangt, Mama ! dat zult gij toch nimmer toestaan ?quot; â «Welk recht heb ik, mij daartegen te verzetten, als het Gods wil is ?quot; luidde het antwoord der moeder. Eugenia was zoo ontroerd dat zij weende van dankbaarheid en vreugde. Den volgenden dag had zij het geluk, haar hart voor hare teerbeminde moeder te ontsluiten en haar al de bijzonderheden mee te deelen, waardoor de goede God haar zoo genadig zijne bedoelingen had geopenbaard.
De brieven, die zij van alle zijden ontving, waren voor haar nieuwe bewijzen, dat zij met Gods bijstand dit werk moest ondernemen, waarvoor zij nu in het laatste oogenblik met onbeschrijfelijken angst terugdeinsde
GELEIDELIJKE WEGRUIMING VAX MOEILIJKHEDEN. 5q
Het was niet alleen het verlaten harer dierbare betrekkingen, wat haar zoo groote droefheid veroorzaakte, maar uit hare briefwisseling met den pastoor voorzag zij, menig smartelijk offer te moeten brengen, wanneer zij zijn gevoelen wilde omhelzen. Nochtans meende zij overtuigd te zijn, dat zij handelde overeenkomstig der; wil van God, indien zij de onderneming in vereeniging met dezen ijverigen priester begon. Daarom verzocht zij hem naar Rijssel over te komen, om in gemeenzaam overleg een vergelijk te treffen. De bijeenkomst vond plaats in het begin van December, en al aanstonds bleek het, zooals Eugenia verwachtte, dat zij in menig opzicht van gevoelen verschilden, doch vooral in één belangrijk punt. De geestelijke meende namelijk, dat de nieuwe Orde ook het onderwijs in haren werkkring moest opnemen, daar vooralsnog de geldelijke middelen tot onderhoud eener Vereeniging ontbraken. Eugenia, het kind der Voorzienigheid, van hare jeugd af gewend zonder voorbehoud of aarzeling zich aan God over te geven, kon hierin niet instemmen. Volgens hare meening moest eene Orde toegewijd aan de zielen des Vagevuurs, zich uitsluitend bezig houden met werken van barmhartigheid en omtrent hare levensbehoeften geheel op Hem vertrouwen, die de vogelen des hemels voedt en de leliën des velds kleedt; zij wenschte het leven toe te wijden aan de lijdende menschheid op aarde en aan de arme lijders aan gene zijde van het graf.
De goede priester verhaalde haar, dat er reeds eenige vrome personen in eene kleine woning, Rue St. Martin No. 22 samenwoonden, die door naaiwerk in haar onder-
6o GELEIDELIJKE WEGRUIMING VAN MOEILIJKHEDEN.
houd voorzagen en een regel volgden, zeer gelijkend op dien van een klooster. â «Ik heb iemand noodig die haar bestuurt,quot; ging hij voort, «en daarvoor reken ik op uquot;. Eugenia werd moedeloos. Het vooruitzicht was voor haar aantrekkelijk noch veelbelovend: met vreemdelingen te leven, te vertrekken naar eene plaats waar zij niemand kende en tot medehelper iemand te hebben, wiens inzichten met de hare niet strookten, dit alles gaf waarlijk geen reden tot geestdrift.
Hoe dikwijls beproeft en loutert God eene ziel, door aan een geliefkoosd ontwerp allen glans en alle kleuren te ontnemen! Dan blijft die ziel als het ware alleen met een bedrukt hart, een geslagen geest en soms, gelijk bij Eugenia, met eene immer toenemende verzwakking des lichaams, om ten uitvoer te brengen, wat in dagen van gevoelige godsvrucht, van degelijke lichaamskracht er. natuurlijke werkzaamheid was ontworpen ! Hoe menigmaal heeft deze verandering plaats bij hen, die vóór hun overgang tot de Katholieke Kerk, de grootste zielevreug-de smaakten in hare godsvereering, â die bij hare plechtigheden in vervoering kwamen; â die alleen bij het hooren van haren naam van vreugde trilden; die met Dr Newman in zijne vroegere dagen uitriepen: cO, Kerk van Rome, ware uw geloof redelijk!quot; Gij, Doch zie, toen zij zich aan de kracht eener heilige overtuiging overgaven en dien blijden droom door den dood zouden verwezenlijken, toen verdwenen de heerlijke kleuren van dat schilderij, en smolt het licht als dat van de avondzon weg. Zij bleven alleen met hunne overtuiging, alleen met hun pasgeboren geloof, dat hoe sterk ook,
GELEIDELIJKE WEGRUIMING VAX MOEILIJKHEDEN. 6l
ophield te vertroosten in de laatste ure van strijd en diepe menschelijke smart. Menigeen moet dien nacht doorleven, maar het daglicht is nabij. Heerlijker nog dan de luister van de ondergaande zon is het schakeei sel van het morgenrood. Schitterender, machtiger en wezenlijker dan de beelden uit vroegere jaren zijn de vreugde, het licht, de kracht van het Katholieke leven, wanneer de Sacramenten de ziel hebben gesterkt met hun goddelijk voedsel, en de godsdienstoefeningen der Kerk deel uitmaken van ons geestelijk bestaan. Teleurstellingen zijn dikwerf de beste waarborgen eener roeping, zij dienen tot toetssteen. Dit gold ook voor Eugenia.
De pastoor drcng er voortdurend op aan,' dat zij naar Parijs zou komen, waartoe zij maar niet kon besluiten. Eene onvoorziene omstandigheid echter, waarin zij duidelijk de hand der Goddelijke Voorzienigheid meende te erkennen, maakte aan elke aarzeling een einde. Hare grooLe weldadigheid droeg schuld, dat hare beurs bijna altijd was uitgeput; ook nu ontbraken haar de middelen, om eene dergelijke reis te ondernemen. Daarom bad zij God ingeval Hij wilde dat zij naar Parijs zou gaan, haar onverwachts de som te doen toekomen, die daarvoor noodig was, Eenige dagen later ontving zij een brief van eene vriendin, die op het punt stond hare intrede te doen in het klooster der Karmelieternonnen, Rue de Messine te Parijs. Deze schreef het volgende: »Geheide Eugenia. Sedert den 21 November hebt gij geen levensteeken van mij ontvangen, maar mijn geluk zou niet volkomen zijn, wanneer gij niet tegenwoordig waart bij mijne in-
62 GELEIDELIJKE WEGRUIMING VAN MOEILIJKHEDEN.
kleeding op den 2 Februari. Ik weet, dat bij uwe vele werken van liefdadigheid, het u misschien moeilijk zal vallen, de kosten der reis te bestrijden. Gij begrijpt mij dus genoeg, wanneer ik in dezen brief 400 franken insluit.quot;
Deze onverwachte oplossing der moeilijkheid liet Eugenia niet langer in twijfel; aanstonds begon zij toebereidselen te maken voor haar vertrek.
Hoofdstuk VII.
EINDBESLUIT.
fèv.iMsi dacht niemand, behalve zij zelve, dat haar vertrek voor immer zou wezen. Hare ouders meenden, dat zij naar Parijs ging met het doel om kennis te maken met de voorloopige inrichting van den kapelaan van St. Merrij. Eene harer zusters zou haar vergezellen en was opgetogen bij de gedachte aan de reis. Eugenia ging in eene geheel andere stemming; zij was op weg naar Calvarië, dat gevoelde zij. Er waren vele vriendinnen aan het station om haar vaarwel te zeggen met de hoop nochtans op een spoedig wederzien. Eindelijk vertrok de trein; het hart van Eugenia scheen te zullen breken; haar eenige troost was een groet naar het H. Tabernakel in de kerken, waar zij voorbijsnelde, en een gebed om kracht en moed tot Christus, daar tegenwoordig. In deze gemoedsstemming kwam de Stichtster der uReligienses Auxiliatrices des dmes ditpur-gatoirequot; te Parijs.
Eene groote teleurstelling wachtte haar. Toen de
oen Eugenia van hare familie afscheid nam,
EINDBESLUIT.
geestelijke gesproken had over zijne stichting en over eenige personen, die reeds te zamen een eenigszins kloosterlijk leven leidden, had Eugenia gedacht aan een wel is waar armoedig eenvoudig verblijf, maar toch in zekeren zin gelijkende op een klooster. Zij stond geheel verslagen bij de ontdekking, dat de heilige armoede de gezellinnen genoodzaakt had, gebruik te maken van het aanbod eener dame, die eenige kamers in haar eigene woning had afgestaan.
Mej. N. was eene onderwijzeres, eene godsdienstige, edelmoedige persoon, die wel van plan scheen, te eeniger tijd zich bij het genootschap aan te sluiten, maar toen nog een groot aantal leerlingen bij zich aan huis ontving. De piano had geen oogenblik rust, en daar een deur de school met het zoogenaamd klooster verbond, liep Mej. N. voortdurend in en uit. Onnoodig te zeggen hoe onaangenaam dit was voor personen, die het kloosterleven te recht beschouwden als een leven van onafgebroken regel en gebed.
Eugenia was gewoon aan allerlei opofferingen en moeilijkheden, die gepaard gaan met een bedrijvig, werkzaam leven, aan liefdadige werken gewijd, maar zij bleef nog onbekend met dien hoogeren graad van zelfverloochening, die beoefend wordt in verborgene, vernederende, alledaagsche zaken, waarin niets aantrekkelijks of ietwat streelends voor de natuur te vinden is. Deze graad van zelfopoffering duidt op de hoogste volmaaktheid in het geestelijk leven, maar wordt langzaam en met moeite bereikt. Het is dus niet te verwonderen, dat Eugenia in het begin, als het ware terugdeinsde
64
EINDBESLUIT.
voor den eigenaardigen vorm, waaronder hare toekomstige levenstaak zich aan haar voordeed.
Met heldhaltigen moed echter trachtte zij haren tegenzin te overwinnen en bekende openhartig aan den kapelaan van St. Merry wat het haar kostte. Hij deed zijn best haar met datgene te verzoenen, wat voor het oogenblik onmogelijk te veranderen viel en toch ook maar een voorbijgaande toestand was.
Eugenia wenschte nu niets te ondernemen, vooraleer zii de goedkeuring en den zegen van den aartsbisschop van Parijs voor het jeugdige genootschap zou verkregen hebben. De priester wilde nog gaarne hiermede wachten, doch na eenige aarzeling gaf hij toe en bood aan, haar den Zeereerw. Heer Gabriel, den pastoor van St. Merry voor te stellen, die met de onderneming zeer was ingenomen en geneigd scheen, haar een aanbevelingsbrief voor Mgr. Sibour te geven. Daar de naam van dezen priester zoo nauw verbonden is met de eerste werkzaamheden der «Auxiliatrices des ames du purgatoirequot;, achten wij het hier niet misplaatst met een enkel woord het karakter, talent en leven van een man te herdenken, die in Frankrijk mag geteld worden onder de vurigste geestelijken der eerste heltt onzer eeuw. Blij bezat alle hoedanigheden van een missionaris en parochiepriester. Zijn zielenijver en zijne naastenliefde kenden geene grenzen, en werkten als met tooverkracht op een voor indrukken vatbaar volk.
Te Pezenas waar hij zijne eerste missie hield, verschafte hij zich als met geweld toegang tot de woning van iemand die om zoo te spreken van den omwentelingsgeest bezeten
65
EINDBESLUIT.
was, â van een man, die 't Avoord «priesterquot; altijd met vloek en godslastering deed vergezeld gaan. De ongelukkige lag op 't sterfbed uitgestrekt. In een vloed van smaad- en schimpwoorden barstte hij uit, toen de geeste-telijke binnentrad. Doch 's Heeren dienaar week niet van zijne zijde. Hij boog over den machteloozen woestaard en kuste het loodkleurige, door wilden hartstocht saamgetrokken voorhoofd. Er kwamen over zijne lippen zulke liefderijke woorden en teedere wenschen voor de bekeering van den stervende, dat deze niet langer weerstand kon bieden. Het versteende hart werd week, en de oogen die misschien nooit geweend hadden, stortten nu overvloedige tranen. De bekeerling stierfin gevoelens van geloof, hoop en liefde. Zijn laatste wensch was, dat men de deur zijner woning zou openen, opdat iedereen zou zien en weten, hoe hij stierf als Christen en Katholiek.
Wij ontmoeten Pastoor Gabriel predikend in den vastentijd te Marseille, toen die stad vreeselijk door de cholera werd geteisterd. Zelf aangetast door de verschrikkelijke ziekte, bestijgt hij, zoodra zijne krachten waren terug gekeerd, den kansel, en roept uit met eene opwelling van heilige geestdrift, die alle toehoorders verbaasde : «Haalt het Allerheiligste Sacrament uit den Tabernakel, draagt Onzen Heer in zegepraal door de straten en over de openbare pleinen, en buigt voor Hem de knieën!quot; In zijn ijver had de predikant eene moeielijkheid over 't hoofd gezien. Sedert de revolutie van i83o waren de processiën buiten de kerk door de Regeering verboden. De prefect stond in verlegenheid, de bisschop was ongerust, want de stem
66
EINDBESLUIT.
van den redenaar had de harten des volks getroffen en de bevolking van Marseille vorderde als één man het recht te doen, -wat hunne voorvaderen honderd jaren geleden, hadden gedaan in de dagen van den godvreezenden bisschop Belzunce; toen was de plaag geweken, terwijl de geloo-vigen in processie door de straten der geteisterde stad togen. Aan den eisch des volks moest voldaan worden ; de gezaghebbers gaven toe. Twintig duizend personen deden met brandende toortsen in de hand een plechtigen omgang door de straten. Toen de vrouwen het beeld der H. Maagd bemerkten, dat nu weer bij het stralen der zon werd rondgedragen, riepen zij in hare eigenaardige spreektaal : «Viva bon cholera ! Zij heeft ons onze Moeder teruggegeven!'0 Sedert dien tijd heeft de processie ieder jaar plaats. Gedurende den laatsten oorlog werd van den kant der volksleiders nog eene vergeefsche poging aangewend, om deze openbare betuiging van godsdienstig geloof te beletten. Ook toen wist het volk zijn recht te handhaven â âvrijheid in de godsvereering.quot;
Gedurende de revolutie van 1848 behoorde ook deze ijverige priester tot hen, die zich mengden onder de werklieden en de laagste klasse des volks om, in tegenstelling van de verderfelijke theorieën der straatredenaars, te spreken over Christus en den godsdienst. Hij waadde zich in de clubs, om de belangen der menschheid te bepleiten en stond op de barricades om den stervenden hulp te ver-leenen. Zijn dood in 1866, veroorzaakt door een ongeval op zee, wekte algemeene droefheid, wel een bewijs dat men dezen ijverigen priester hoogschatte en beminde.
Zijne welsprekendheid is wel eens met die van Lacordaire
67
EINDBESLUIT.
vergeleken ; nochtans gold hij geen redenaar voor het volk. Zijn invloed was machtig, en toch is zijn naam niet vermaard. Hij arbeidde onvermoeid, maar in stilte. Zijn eenvoud zonder een zweem A an ijdelheid of eerzucht, de stoutheid in zijn optreden, zijne onverschilligheid voor eer en glorie en voor het oordeel der menschen, het ietwat tegenstrijdige in zijne uitdrukkingen, dit alles maakte, dat, wie hem niet van nabij kende een zeker mistrouwen tegen hem opvatte, gelijk het ook den vertrouwelijken omgang met de groeten dezer wereld belette.
Zijn karakter had veel overeenkomst met dat van Eugenia Smet. Reeds bij hare eerste kennismaking gevoelde zij, dat zij met eenen vriend sprak. Zijne innemende manieren, de belangstelling, waarmee hij hare inzichten deelde, troflen haar. Hij gaf iiaar een brief mede voor den aartsbisschop. Wij laten hier Eugenia zelve haar bezoek verhalen bij Mgr. Sibour:
«Dinsdag den 22 Januari,quot; schrijft zij, «woonde ik de H. Mis bij in de kerk van St. Merry, waar ik ook de H. Communie ontving. Ik maakte mij zeer ongerust over het bezoek, dat ik bij den aartsbisschop moest afleggen en bad toch vaderlijk en met een vriendelijken glimlach ontvangen te worden, anders zou ik geen woord kunnen uitbrengen. Aan zijn paleis gekomen, werd mij door den huisknecht genuld, dat Mgr. overladen was met bezigheden en niemand kon ontvangen. Ik antwoordde, dat ik een brief voor hem had en ging meteen de binnenplaats over recht naar de huisdeur. Ik schelde; geen antwoord. Ik schelde nog eens; niemand kwam. Voor de derde maal trok ik met hevig geweld aan de schel; daar naderde een bediende.
68
EINDBESLUIT.
69
«Heeft u lang gewacht, Juffrouw? Ik hoorde de bel niet. Mgr. is belet; hij bidt zijn brevier.quot; â «Gelieve hem dezen briel te overhandigen.quot; Na eenige oogenblikken kwam de bediende terug zeggende, dat de bisschop mij wilde spreken, zoodra hij zijn gebed had geëindigd. Voor de zooveelste maal verzuchtte ik in stilte: Goddelijke Voorzienigheid, bestuurd door het H. Hart van Jezus, waak over mij.quot; Ik gevoelde dat mijn toekomstige bestemming van dit onderhoud athing. Daar zat ik met kloppend hart in de groote spreekkamer, terwijl mijn geest bevangen was door die ééne gedachte; «Zou de Orde tot stand komen of niet.quot; Die vraag zou nu beslist worden. Eindelijk werd mij gemeld, dat Monseigneur gereed was, mij te ontvangen. Ik kon niet nalaten, tot God te zeggen: «Ach, maak dat hij glimlacht.quot; Ik trad binnen, en ziet, daar stond de bisschop voor mij, en zag mij aan met een blik zoo welwillend en liefderijk, dat ik dadelijk was gerustgesteld. Ik knielde om zijn zegen te vragen en kuste zijn ring. â «Tot welk diocees behoort u. Juffrouw,quot; vroeg hij. â Tot het diocees van Kamerijk, Monseigneur.u â «Wat voert u naar Parijs?quot; â «De wensch, een Genootschap op te richten, ten behoeve der zielen in het vagevuur, d. w. z. een Genootschap, waarvan alle goede werken voor de arme zielen worden opgeofferd.quot; Ik verhaalde toen de geschiedenis mijner Vereeniging van gebeden en tevens, hoe de gedachte aan het stichten eener nieuwe Orde in mij ontstaan was en hoe de Goddelijke Voorzienigheid mij door allerlei omstandigheden naar Parijs had geleid. Toen ik geëindigd had,, zeide hij: «Hetzelfde heeft de pastoor Gabriel mij meegedeeld. Maar, welke middelen heeft u. Juffrouw om met
EINDBESLUIT.
die onderneming te beginnen?quot; â «Monseigneur, zij zijn op het oogenblik zeer gering, maar zullen van lieverlede toenemen.quot; â ,,Heeft u een huis? â ,,Neen, Monseigneur.quot; â ,,Maar wat wil udan doen?quot; â ,,O Monseigneur, wanneer God, die almachtig is en wien alle huizen te Parijs toebehooren, mij zou helpen er een te vinden, zou dat méér te verwonderen zijn dan dat twee personen, die elkander niet kenden, â de kapelaan en ik â hetzelfde plan hebben gevormd?quot; â ,,Bravo, mijn kind, een geloof dat bergen kan verzetten, kan ook huizen bouwen. Ik geef u verlof om in geheel Parijs te zeggen, dat de aartsbisschop met hart en ziel uw werk is toegedaan; als gij raad of hulp noo-dig hebt, kom dan bij mij.quot; Ik kon nauwelijks gelooven, dat ik werkelijk deze woorden vernam. Ik trachtte aan Monseigneur mijne ATeugde te kennen te geven.
Opgetogen van blijdschap keerde Eugenia van het aartsbisschoppelijk paleis terug.
Heur hart vloeide over van dankbaarheid. De onvoorwaardelijke goedkeuring en warme svmpathie van den kant van Mgr. Sibour hadden al hare verwachtingen overtroffen. Op weg naar huis sprak zij voortdurend tot haar zelve: ,,Dit alles heeft God gedaan!quot;
Zij stelde nu niet langer uit. Haar eerste streven was de aartsbisschoppelijke goedkeuring schriftelijk te verkrijgen. Zij verzocht den Eerw. Heer Gabriel, voorloopig aan Mgr. het plan der vereeniging voor te leggen, dat de kapelaan reeds had opgemaakt.
Zij ontving dit stuk terug met de volgende woorden: ,,Wij keuren goed dat het bovenvermelde werk in ons diocees tot stand komt, terwijl wij ons eene nadere inzage
7°
EINDBESLUIT.
â¢der regels voorbehouden, die aan ons onderzoek zullen worden onderworpen.
M. E. Auguste, Aartsb. van Parijs.
De geestelijke grondsteen tot het gebouw was nu gelegd en het werd tijd, dat Eugenia uitzag naar middelen, om voor de nieuwe instelling een huis te bekomen. Het vertrek op de vierde verdieping van het huis in de Kue St. Martin bij Mlle N. was onvoldoende, zelfs voor een eerste begin. Eene vriendin te Rijssel had Eugenia een aanbevelingsbrief beloofd aan eene dame in Parijs, die algemeen bekend stond om haren ijver en godsvrucht en haar vermogen uitsluitend aan goede werken besteedde. Maar tot nu toe had Eugenia vergeefs op dat schrijven ge-wficht. Toen zij eens de H. Mis hoorde in de kerk van N. D. des Victoires smeekte zij O. L. Vrouw vurig, dat zij toch dien dag den gewenschten brief mocht ontvangen ; en bij hare tehuiskomst vond zij op tafel een briefje, hetwelk het antwoord bevatte. De weinige woorden die zij las, gaven reden van tevredenheid. De bedoelde dame had reeds van hare komst te Parijs gehoord en wenschte haar des andei'en daags tusschen 10 en 12 uur bij zich aan huis te spreken. Eugenia was niet verrast; veeleer zou zij verwonderd zijn geweest als haar gebed niet werd verhoord, doch zij viel op de knieën, 'dankte hare goede Moeder in den Hemel en zag vol vertrouwen de gevolgen van haar bezoek tegemoet. Zij zelve heeft het ons op de volgende wijze verhaald:
«Zaterdag den 26 Januari ging ik kennis maken met Madame. â Op mijne vraag aan de dienstbode, of Me-
71
EINDBESLUIT.
vrouw tehuis was, ontving ik een ontkennend antwoord. â «Dat verwondert mij,quot; zeide ik. »Mevrouw heeft mij dit uur aangewezen en ik veronderstel dus, dat zij mij moet verwachten.quot; â »0, dan is u zeker de dame, met wie Mevrouw eene afspraak heeft gemaakt; zij had mij gezegd, dat ik er haar aan moest herinneren; o, welk een spijt zal zij hebben.quot; â «Ik zou haar hier wel kunnen afwachten,quot; zeide ik. â «Dat kon u wel te lang duren; ik weet volstrekt niet, wanneer Mevrouw te huis komt. Zij ontving dezen morgen de tijding, dat haar oom zeer ziek is, en zij is hem gaan bezoeken.quot; Zeer teleurgesteld ging ik heen. Tot den koetsier zeide ik : »Breng mij ergens waar het H. Sacrament vereerd wordt.quot; «De man, die dit niet begreep, staarde mij aan. â «Naar de naastbij gelegen kerk.quot; «Ik was niet beter met de kerken in Parijs bekend dan hij. Hij reed dan de Rue de Sèvres af. Toen wij bij de kerk van de Lazaristen kwamen hield hij stil. â «Dit lijkt wel op eene kerkquot; zeide hij. Ik trad binnen, knielde voor het altaar en herhaalde slechts de woorden; «Heer, wat wilt Gij dat ik doe?quot; «Plotseling was het alsof eene stem in mijn hart sprak : «Keer terug naar het huis dier dame.quot; «Dwaasheid,quot; zeide ik tot mij zelve, «waartoe zou het dienen!quot; Maar wijl de innerlijke aansporing niet ophield, kon ik niet langer weèrstaan en beval den koetsier terug te rijden naar het huis, wat ik zoo even verlaten had. Toen de dienstbode mij zag, riep zij uit: «O, zijt gij daar weer. Mevrouw is zoo even teruggekeerd. Ik zal haar zeggen, dat gij er zijt.quot;
Ik werd in de spreekkamer gelaten en trof Mevrouw
72
EINDBESLUIT.
aan met een kind op den arm. Het was een weesje, dat zij tot zich had genomen.
Zij ontving mij eenvoudig en hartelijk. «Goeden morgen, Mejuffrouw, neem plaats naast mij op de canapé en vertel mij alles.Ik moet bekennen, dat ik eenigszins verlegen was, mijne geschiedenis te moeten vertellen ten aan-hooren der dienstbode, die de kamer niet verliet; maar er viel niets aan te doen en ik moest daarover heenstappen. Mevrouw luisterde met oplettendheid, ofschoon het kind voortdurend kreet, en zij moeite aanwendde, om het door schommelen en zingen te sussen. Te midden van dit rumoer moest ik mijne gedachten uiteenzetten. Het was alsof ik droomde en ik dacht : «Kan hier iets goeds uit voortkomen?quot; â quot;Men heeft mij geraden. Mevrouw, mijne toevlucht tot u te nemen.quot; «Mijn kind, gij kunt gerust op mij vertrouwen.quot; «Maar Mevrouw, wat moet ik doen?quot; â »Hebt gij niet gehoord, wat ik zeide? Het is God, die mij u laat zeggen, dat gij op mij kunt vertrouwen .quot;
Zij sprak op zulk een stelligen toon, dat ik niet wist, wat te antwoorden. Na eenige oogenblikken vervolgde zij. »Ik zal 't u nader verklaren. Op Nieuwjaarsdag wandelde ik door de Rue de Sèvres. Aan 't eind der straat gekomen, dacht ik plotseling aan de zielen in het vagevuur, en zeide tot mij zelve: -Een ieder ontvangt vandaag nieuwjaarsgeschenken behalve de zielen in het vagevuur. Ik hield stil voor het huis der Paters Lazaristen en bestelde hun 200 Alissen voor de overledenen. Eenige oogenblikken daarna, terwijl ik in gebed lag voor het H. Sacrament in hunne kapel, hoorde ik in mijn
73
EINDBESLUIT.
hart eene stem, die zeide: »De zielen in het vagevuur zijn een werk van liefdadigheid; gij zult het spoedig inzien.quot; (Les ames du Purgatoire c'est une oeuvre. Tu le sauras bientöt.) Ik herinner mij nog, dat ik dacht : quot;Hoe! de zielen in het vagevuur zijn een werk van liefdadigheid? Wat beteekent dat? Het is niet eens goed Fransch.quot;
Aan dit alles dacht ik niet meer, maar in mijn gesprek met u, komt het mij weer voor den geest, en het is alsof God tot mij zegt: quot;Dit is het werk, waarover ik u op den i Januari sprak.quot; Wees daarom niet verwonderd mij te hooren zeggen: 'tis Gods wil, dat gij op mij vertrouwt. Zij vroeg mij toen, waar ik woonde en beloofde mij te zullen bezoeken.quot;
Na dit buitengewoon onderhoud, twijfelde Eugenia er niet aan, dat God haar degene had toegezonden, die de eerste weldoenster van de jeugdige stichting zou zijn ; zij zou het spoedig bevestigd zien. Deze goede vriendin bezocht dikwijls het nederige verblijf in de Rue St. Martin en vond daar ruimschoots voedsel voor haren liefdevollen ijver. Het scherpe oog dezer vrome dame bemerkte ook weldra, dat de aanstaande stichtster, alhoewel van talrijke moeielijkheden omgeven, een bekwamen geestelijken leidsman miste. Wijl zij trachtte haar in ieder opzicht behulpzaam te zijn, stelde zij haar in de gelegenheid met den Eerwaarden Pater Dominikaan Aussant, een zeer vroom en ervaren priester, kennis te maken.
De Goddelijke Voorzienigheid had het aldus beschikt ten heil van de toekomstige Orde en van Eugenia's eigen
74
EINDBESLUIT.
ziel, dat zij heur hart voor dezen geestelijke ontsluiten, hem de geheimen van haar geweten openbaren en hem spreken kon van de genaden, waarmee God haar had begunstigd, van den strijd en de beproevingen, die zij had doorstaan, van de bekoringen, die haar ook nu nog voortdurend bestormden en vooral van de noodlottige moedeloosheid te midden der vele hindernissen, die soms onoverkomelijk schenen.
Na haar aangehoord en de teekenen harer roeping in het licht van het heiligdom te hebben overwogen, bleef er bij hem geen twijfel, dat zij geroepen was, deze nieuwe stichting te ondernemen. Daarom verzekerde hij haar met het gezag van iemand, die in naam van God spreekt, toen zij hem mededeelde, van plan te zijn, voorloopig niets te doen, maar voor onbepaalden tijd naar huis terug te keeren, dat hare plaats te Parijs was, en wel te midden der moeilijkheden eener nieuwe stichting. Eugenia gaf in bedenking dat hare ouders hadden toegestaan naar Parijs te vertrekken , onder voorwaarde dat zij spoedig zou terugkomen.quot; â »Dat is om het even,quot; antwoordde de pater, wgij moogt nu niet vertrekken; gij moet God bidden dat Hij de zaak met uwe ouders regelt. Later kunt gij hen gaan bezoeken en hen op uw eindelijk vertrek voorbereiden.
Bedroefd en onthutst verliet Eugenia den biechtstoel. Als gewoonlijk nam zij hare toevlucht tot de H. Maagd. âHeilige Maria!quot; zeide zij, ,,als het de wil van uw God-delijken Zoon is, dat ik niet naar huis terugkeer, maak dan dat mijne ouders van gevoelen veranderen, en geef dat mijn moeder mij veroorlooft, in Parijs te blijven.
75
EINDBESLUIT.
Na dit gebed was zij geheel gerust en ontving denzelfden avond een brief van Mevrouw Smet, waarin deze schreef: ,,Ik vermoed, dierbaar kind, dat gij nog niet voldoende op de hoogte kunt wezen van alles wat de nieuwe inrichting betreft; het zal daarom beter zijn, dat gij voorloopig nog te Parijs blijft.quot;
Dit antwoord op haar gebed bevestigde Eugenia's vertrouwen in den raad van haar geestelijken leidsman. Zoodra het mogelijk was, vertrok zij naar huis, om van hare familie afscheid te nemen. De smart bij dat vaarwel, overtrof alles wat zij tot dan toe ondervonden had. In hare groote droelheid schreef zij aan pater Aussant, en ontving daarop het volgende antwoord:
«Geliefde dochter in Christus! Ik beantwoord uw briet wel wat laat, maar ben nu eenmaal met alles ten achteren, zoowel met de briefwisseling als met het beminnen van mijn Goddelijkcn Meester, zooals ik dat doen moest. Bedenk wel, mijn kind, dat gij niet te lang in Rijssel moogt blijven. Gij hebt in Parijs eene arme, kleine familie, die uwe terugkomst eischt. Geloof niet te Rijssel en tevens te Parijs goede werken te kunnen doen; wanneer gij de heiligheid van een Alphonsus di Liguori hebt bereikt, kunt gij misschien op twee plaatsen te gelijk zijn, maar voor het oogenblik moet gij leeren, God om Gods wil te verlaten, en bovenal van uwe dierbaren te scheiden uit liefde tot Hem, dien gij oneindig meer moet liefhebben. God vraagt een groot offer. Breng het zonder uitstel, met edelmoedigheid en goeden wil. Het is nu geen tijd teekenen van Hem te vragen of voorwaarden aan hem te stellen. Ik ben er ten sterkste tegen, dat gij nu dergelijke gebeden
76
EINDBESLUIT.
zoudt storten, wat ook de uitslag moge wezen, die gij wenscht te verkrijgen. Gij zijt tot nu toe een eenigszins verwend kind geweest, maar van nu af moet gij beginnen dè toewijding en zelfverloochening te begrijpen en te oefenen, die aan eene ware bruid van onzen Goddelijken Meester past.
Gij hebt voor uwe stichting een huis noodig, en spoedig ook, dat is zeker waar. Weet God het niet? Is dat niet voldoende? Het is Zijne zaak, daarin te voorzien. Laten wij het onze doen en aan de Voorzienigheid het hare overlaten. Op die wijze zal alles beter gaan, want dikwijls bederven wij Gods werk omdat wij er ons met te veel aandrang in mengen. God moet waarlijk een wonderbaar geduld met ons hebben, zoowel in dit punt als in vele andere zaken. Waarschijnlijk zal Hij van u verlangen, datg'ij naar Parijs komt, zonder te weten, waar gij uw hoofd zult neder-leggen, en u zoodoende noodzaken, eene dwaze te schijnen in het oog uwer vrienden. De oorzaak hiervan is, dat gij veel te lang met de Voorzienigheid hebt onderhandeld en zoovele bewijzen voor uwe roeping hebt verlangd. Dit moet gij nu herstellen door oefeningen van blind geloof en vertrouwen. Verlaat derhalve alles, behalve God. Voortaan moogt gij alleen Hem beminnen en dienen.
Ik verblijf in dien goeden Meester,
P. L. Aussant.
Eugenia's moed herleefde bij deze kernachtige taal, en aanstonds zou zij vertrokken zijn, indien niet hare lichamelijke kracht onder het gewicht van geestelijk lijden bezweken ware. Zij werd ernstig ziek en in een brief aan Madame..., hare vriendin te Parijs, die reeds zooveel voor
77
EINDBESLUIT.
haar had gedaan, beklaagt zij zich zeer over deze nieuwe moeilijkheid op haren weg. De getrouwe vriendin antwoordde haar aldus:
«Mijne goede Eugenia gij zijt in een zeer goeden toestand. Ik wensch u geen beteren toe, want zooals gij nu zijt, hebt gij niets te vreezen.
Wanneer wij met het aangezicht ter aarde liggen, dan moeten wij God danken, dat Hij ons in deze vernederende houding laat, waarin wij veilig zijn tegen de bekoringen der hoovaardij. Gij kunt op het oogenblik voor uwe onderneming niets doen ; waarom zou God u dan gunsten geven die gij niet noodig hebt ? Hij geeft Zijne genade op het oogenblik, dat wij ze behoeven. Kom, mijn kind, laten wij God dankzeggen, dat Hij u in zulk een nederigen, hulpe-loozen toestand laat, en u zelfs de kracht niet geeft, eene gevoelige oefening van liefde te verwekken. Dit laat Hij toe, opdat wanneer later Zijne genade in u en door u werkt, de uitwerkselen alleen aan Hem, den oorsprong van alle goed, zouden worden toegeschreven.
Indien gij mij weder uit Rijssel schrijft en u zeer ziek gevoelt, zeg dan: -Ik heb mijn tijd aan den dienst en de glorie van God besteed; ik heb Hem verheerlijkt door voor Hem en door Hem te lijden. Bravo, dat is taal eener christelijke ziel, niet die andere wijze van spreken, quot;toen ik mij onlangs in Rijssel bevond, heb ik al mijn tijd verloren, omdat ik ziek was.quot;
Zoo spreken de kinderen dezer wereld, niet wij, die kinderen Gods zijn en den weg gaan naar den Hemel.quot;
Aldus gerustgesteld en bemoedigd door twee onschatbare vrienden, gaf Eugenia eindelijk gehoor aan een hart,
78
EINDBESLUIT.
dat, ofschoon in den hoogsten graad gevoelig voor men-schelijke genegenheid, toch God bovenal beminde. Op den 25 Maart, het feest van O. L. Vr. Boodschap, bracht zij het offer: zij verliet het ouderlijk huis en hare dierbaren.
Op dit feest hernieuwen duizenden godgewijde mannen hunne beloften en op dit feest herhalen de christelijke vrouwen in iederen levensstaat zoo gaarne de woorden die hare Moeder in den Hemel op de wonderbare boodschap van den engel Gabriël volgen deed : zie de dienstmaagd des Heeren, mij geschiede naar uw woord.quot;
Gezegend de lippen die dat gebed spraken ! Gezegend de lippen die het haar nazeggen, hetzij langs het steile en ruwe pad naar den Hemel, hetzij in den kring, door het geloof geheiligd en omstraald.
Verhevene woorden op de lippen van eene bruid des Hemels staande voor den drempel van het heiligdom Verhevene woorden ook op de lippen eener christelijke bruid, van eenen christelijken bruidegom aan den voet van het altaar. Verhevene woorden in vreugde, doch verhevener in smart! Verhevene woorden in den mond van iemand, die ruimschoots met tijdelijke goederen is bedeeld,, maar verhevener in dagen van tegenspoed, als alle aard-sche hoop schijnt vervlogen ! Verheven zijn zij, wanneer de jeugdige moeder ze spreekt, die zich zelve en haar toe-komstigen schat overgeeft aan Gods welbehagen, verhevener nog, wanneer zij opstijgen uit een gebroken hart aan de groeve van een echtgenoot of van een eenig kind ! Die woorden zijn het gebed der christin. Zij bevatten alle lessen harer Moeder van den dag der Groetenis des engels af tot op het uur van haren dood en hare Hemelvaart.
79
EINDBESLUIT.
Eugenia had die woorden dikwijls gesproken. Zij sprak ze opnieuw, toen zij haar ouderlijk huis voor immer verliet.
Nog tweemaal in haar leven zal zij ze, maar in eene diepere beteekenis, herhalen: op den dag harer geloften â¢en op haar sterfbed.
080
Hoofdstuk VIII.
HET HITS IN DE RUE DE LA BAROUILLERE.
et het werk was een aanvang gemaakt. Eugenia had zich weder tot hare geestelijke dochters in de enge woning van Rue St. Martin begeven en begon nu een leven van arbeid, armoede en ontbering. Zij durfde hare familie niet bekendmaken met den toestand harer jeugdige stichting; zonder twijfel zou zij dadelijk ondersteuning ontvangen hebben, maar zij vreesde dat die hulp vergezeld zou gaan van allerlei zwaartillende voorzeggingen en vernieuwden wederstand, en daarom zweeg zij. Ook Eugenia ondervond, wat edelmoedige zielen ondervinden, die zich zonder voorbehoud aan den dienst van God wijden, en dan als 't goud in 't vuur beproefd worden; niemand achtte het der moeite waard, zich te bekreunen om eene schaar jeugdige maagden, wier plan zich in theorie heel goed liet aanzien, maar in 't algemeen genomen onuitvoerbaar scheen. Zij werden voor dweepsters gehouden met ietwat gekrenkte geestvermogens. '-Zij waren wezenlijk,quot; bemerkte M. Desgenettes, de eerbiedwaardige pastoor van N. 1). des Victoires, quot;vol van de heilige dwaasheid des kruises.quot;
6
11ET HUIS IN DE RUE DE LA BAROUILEÃRE
Intusschen moesti-n zij hard werken om in haar onderhoud te voorzien. Naaiwerk was met moeite te bekomen. Eens hadden zij niets meer te doen en begonnen gebrek te lijden aan het noodige. Wat raad? Daar klopte een meisje aan de deur en vroeg ol zij met het werk klaar waren, dal vóór eenige dagen besteld was. Het kind vergiste zich in het huis, doch gal' uitleg van de bestelling. Het was uitgezonden door een winkel, die armbanden verkocht van kleine witte kral en en men zag om naar personen, die deze koralen tot dat doel konden aanrijgen. «Indien gij wilt, kan ik u dergelijk werk bezorgen,quot; zeide 't meisje; en hiermede waren de Auxiliatrices voor eenige weken weder uit den nood geholpen.
De heilige armoede werd zeer streng door haar beoefend. Gelijk alles ie Parijs moest aldaar zelfs het water gekocht worden, en de gezellinnen in Rue St. Martin waren met het gebruik daarvan zoo zuinig mogelijk; zij besteedden er maar eenige penningen dagelijks voor. Hare omslagdoeken moesten des nachts voor wollen dekens dienen, en daar allen niet zulk een kleedingstuk rijk waren, gingen zi] des morgens beurtelings naar de H. Mis, om zoodoende twee of drie doeken dienst te laten doen voor zes of zeven personen. Zij bezaten maar één stoel ; in de overige zitplaatsen werd voorzien door twee ruwe houten banken; de stoel werd aan haar algestaan, die het meest behoefte aan rust had. Hetbeddegoed werd bij dag opgevouwen, eu daar de geheele oppervlakte van het vertiek voor de nachtrust moest worden ingenomen, werden 's avonds banken eh tafel op elkaar gestapeld. En toch in deze ellendige omstandigheden wierp zich op zekeren dag
82
HET HUIS IN DE RUE DE LA BAROUILLÃRE.
eene jeugdige postulante aan de voeten van Eugenia en riep uit: «Moeder, ziehier uwe dochter, van wie gij eenmaal rekenschap zult moeten geven.quot; Dat moet wel eene degelijke roeping zijn geweest. Nog nooit had Eugenia zoozeer het gewicht gevoeld, van den heiligen last, die op hare schouders was gelegd. Zij schrikte er voor terug, doch haar vertrouwen op God verzoette ook nu het bitter vooruitzicht van toekomstig lijden. De verschillende beproevingen dier eerste dagen moesten werkelijk iemand hard vallen, die een aangenaam en gemakkelijk leven gewend was en daarbij eene zwakke gezondheid had. Hoe hoog echter de nood ook klom er daagde altijd na een kinderlijk gebed hulp op.
Toen de godgewijde maagden eens weder in groote verlegenheid verkeerden, namen zij hare toevlucht tot den H. Jozef en bepaalden zelfs de som die zij noodig hadden: 200 franken. Die dag ging voorbij zonder eenig teeken, dat het gebed verhooring vond. Tegen den avond legde Eugenia een bezoek af bij hare eerste weldoenster, M evrouwâ Na een kort onderhoud wilde zij vertrekken. Mevrouw â stond op, knielde in een hoek der kamer voor een beeld van den H. Jozef, en bad eenige oogenblikken. Toen zij bij Eugenia terugkwam, zeide zij: '-Mijn kind, de H. Jozef wenscht, dat ik u 200 franken geef.quot; â «O Mevrouw,quot; riep Eugenie uit, «dat is juist de som, die wij hem dezen morgen hebben gevraagd.quot; De weldoenster der Geloovige Zielen viel voor den H. Jozef op de knieën en dankte hem, wijl hij haar als werktuig had gebruikt zijner vaderlijke goedheid jegens het arme, kleine genootschap. Bij eene andere ge-
83
HET HUIS IN DE RUE DE I.A BAROUILLÃRE.
koenheid toen de druk van tijdelijke moeielijkheden aan Eugenia den kreet ontlokte; «Heer, led ons, wij vergaan!quot; was het of God tot haar hart sprak; quot;O, klein geloovige, waarom vreest gij? I3it wekte haar uit hare neerslachtigheid, en zij begon vertrouwelijk met hare goede Moeder Maria te spreken, stelde al hare behoeften bloot en eindigde haar gebed met deze woorden: «Och, lieve Moeder, geef aan eene weldadige ziel de gedachte in, ons xoo franken te zenden.' Juist trad de zuster, die met de huishoudelijke zaken belast was op haar toe en zeide met groote verlegenheid: «Moeder, ik kan niet naar de markt gaan, onze beurs is tot den laatsten penning uitgeput.quot; â »Welnu,quot; sprak Eugenia, «dan is het juist de geschiktste tijd om op de Voorzienigheid te vertrouwen.quot;
Toen Mej. de Lamouroux, de vrome stichtster van het klooster De Goede Herder te Bordeaux in een dergelijk o-eval verkeerde, riep zij al hare gezellinnen bijeen en zeide; quot;Komt, kinderen, geeft elkander de hand en laten wij een rondedans uitvoeren van blijdschap, dat wij geen enkelen penning meer over hebben.quot; De kleine Heilige uit Londen, de goede Elisabeth Twiddy nam, toen het nieuwe weeshuis Mary's Howe in geldverlegenheid was, hare toevlucht tot een hulpmiddel dat uitstekend bleek. Zij stuurde een der kinderen de straat op om den laatsten penning aan een bedelaar te geven. Onmiddellijk ontving zij van God het geleende geld met honderdvoudige rente terug. Eugenia's lachend gezegde was ten volle gerechtvaardigd door al hetgeen in de jaarboeken der heilige armoede vermeld wordt.
84
HET HUIS IN DE RUE DE LA BAROUILLÃRE.
Een der nadeelen van zoogenaamde welgestelde men-schen in de wereld is dit, dat zij nooit in de gelegenheid zijn, om Mei. Lamouroux, rond'edans te doen, dat zij nooit gelijk Elisabeth Twiddij den laatsten penning als aalmoes kunnen uitgeven, of zooals Eugenia een helder lachend gelaat kunnen toonen bij dreigend gebrek. Voor hen worden geene wonderen gewerkt, de bovennatuurlijke vreugde, rechtstreeks van God hulp m den nood te ontvangen, kennen zij niet. Zij zien niet, om zoo te spreken, Gods hand ter bescherming uitgestrekt, die Hij den zinkenden vriend reikte, toen deze op Zijn bevel over de wateren tot Hem kwam.
Nauwelijks had Eugenia dit gezegd, of de portierster bracht haar een brief, waarvan het adres door een onbekende hand geschreven was. Zij opende hem en vond daarin een banknoot van loo franken. Den gever heeft zij nooit kunnen ontdekken.
Een ander maal had Eugenia 5oo franken noodig voor allerlei noodzakelijke uitgaven. Zij nam nu hare toevlucht tot Onze Lieve Vrouw van Overwinning. Na vol vertrouwen Maria de zaak te hebben aanbevolen ging zij iemand opzoeken, die naar zij hoopte de som zou leencn. Zij ontving echter eene besliste weigering. Wat nu te doen, daar zij niet wist tot wien zij zich in Parijs kon wenden; maar juist toen zij het huis verliet, naderde haar een onbekend heer en zeide : * U is Mejuffrouw-Smet niet waar, en u heeft eene bijzondere devotie voor de zielen in het vagevuur. Mag ik deze 5oo franken ter uwTer beschikking stellen en mijne intentie in uwe gebeden aanbevelen ?quot;
85
86 HET HUIS IN DE RUE DE LA BAROU1LLÃRE.
Omstreeks dezen tijd werden de (Auxiliatrices) door ziekte bezocht. Eugenia's zenuwlijden deed zich weder hevig gevoelen. Op het verzoek aan den pastoor van Ars om gebeden voor de genezing der arme stichtster zond de abbé Tocannier dit ontmoedigend antwoord : «Vraag geene wonderbare genezingen. De pastoor klaagt, dat de H. Philomena ons te veel zieken toestuurt.quot; En korten tijd daarna schreef hij weder; ^De goede pastoor bidt veel voor u, maar waarom verlangt gij naar genezing? Gij hebt u als slachtoffer opgedragen, en nu God u aan uw woord houdt, roept gij om genade. De eenige reden om voor uw herstel te bidden is, dunkt mij het belang uwer jeugdige stichting, voor welke gij waarlijk noodig zijt.quot;
Eene nog zwaardere beproeving wachtte Eugenia. Mmeâ, de vriendin en weldoenster, die tot nu de voornaamste steun harer inrichting was geweest, en pater Aussant, haar geestelijke leidsman, verlieten beiden bijna gelijktijdig Parijs. Eugenia stond dan weder alleen, verstoken van alle deelneming en troost. Het gevoel van verlatenheid kwam weer met vernieuwde hevigheid boven. De wonden, door het vaarwel aan hare familie veroorzaakt, werden weder opengereten; in hare groote smart schreef zij aan den pastoor v. Ars. Deze liet den abbé Toccanier antwoorden: quot;De pastoor glimlacht, als ik hem over uwe wederwaardigheden spreek, en hij verzoekt mij, u te herhalen wat hij mij aan eene brave weduwe heeft laten zeggen, die zich aan allerlei goede werken toewijdt en groote vervolging moet verduren : quot;Verzeker haar, dat zulke kruisen bloemen zijn, die spoe-
HET HUIS IN DE RUE DE LA BAROUILLÃRE.
dig vruchten dragen.quot; â -Gij hebt overwogen, gebeden, raad ingewonnen; nu hebt gij alle redenen te gelooven, dat God met u is. De kracht die Hij alleen kan geven, zal u in staat stellen te volbrengen, wat gij begonnen zijt. De pastoor heeft mij meermalen met volle overtuiging gezegd: «Het is zeker dat hare onderneming zal slagen, maar de stichtster zal moeten leeren, dat zulk een werk hecht kan worden alleen door arbeid, angst, moeite en lijden?quot; Maar hij voegt er altijd aan toe: »Als God met haar is, wie zal tegen haar zijn!quot;
Een ander maal schreef de abbé Toccanier aan eene derde persoon- quot;De vele en zware beproevingen uwer vriendin treffer, mij zeer. Zeg haar, dat de pastoor haar verbiedt achterwaarts te zien, en haar vermaant te gehoorzamen aan de roepstem, die zij gehoord heeft. De zielen in het vagevuur moeten de overtuiging erlangen, dat hare voorsprekers op aarde uit ondervinding weten wat lijden is.quot;
Deze herhaalde en stellige verzekering van den heiligen pastoor van Ars gaven Eugenia moed en volharding en maakten zelfs, dat zij zich verheugde te midden barer wederwaardigheden. Eene der pijnlijkste omstandigheden waarin zij zich in dien tijd bevond, was de altijd toenemende overtuiging dat haar medehelper, de abbé van St. Merry en zij zelve in zoovele punten van meening verschilden, dat het onmogelijk scheen, het werk nog langer gezamenlijk te leiden. Onbewimpeld zeide zij hem hare meening, en ook hij gaf haar toe, dat een verdeeld bestuur den voortgang der onderneming moest tegenhouden. Dientengevolge trok hij zich van lieverlede ge-
87
88 HET HUIS IN DE RUE DE LA BAROUILLÃRE.
heel terug. Eugenia verzocht toen den abbé Gabriel, den ijverigen pastoor van St Merry, het bestuur harer kleine congregatie op zich te nemen. Met welwillendheid verklaarde deze zich hiertoe bereid, en de eerste bepaling die hij als bestuurder der nieuwe stichting maakte, was, dat de zusters een kloosternaam zouden dragen. Van dien tijd af heette Eugenia, Mere Marie de la Providence, en onder dien naam zullen wij voortaan van haar spreken.
De gezellinnen, sedert dien tijd als kloosterzusters beschouwd, gingen voort met bidden, arbeiden en lijden in geduld en blijmoedigheid. Eindelijk kwam er geheel onverwachts hulp opdagen. Nieuwe leden boden zich aan. Het werd daarom noodzakelijk, dat men naar eene andere woning uitzag. Mère Marie zocht in iedere richting, maar zonder gevolg. Het schijnt dat de woorden '.er was geen plaats voor henquot; gedurende eenigen tijd toepasselijk zijn op alle kloosterorden, daar deze in de voetstappen willen treden van de Moeder en het Kind, die deze harde woorden in den heiligen nacht moesten hooren in de straten van (Bethlehem.)
Op zekeren dag ontving de Overste een brielquot; van haren afwezigen bestuurder, P. Aussant, waarin deze zeide: «Daar gij zulk een groot vertrouwen stelt in de Voorzienigheid, moet gij bidden, dat Zij u geleidt naar de plaats, waar God u hebben wil. Wandel op en neer in Rue de Sèvres, Rue de Vaugirard en Rue Cherche Midi; maar gij behoeft geen acht te slaan op de vele plankjes, die gij misschien aan de huizen zult ontwaren, want uw huis is in eene der zijstraten. Ga
HET HUIS IN DE RUE DE LA HAROUILLÃRE.
bedaard op en neer en als gij u voelt aangespoord, eene bepaalde richting in te slaan, volg dan dien aandrang.quot;
Standvastig in de deugd van gehoorzaamheid ging Mere Marie met een harer medezusters naar het gedeelte der stad, door den goeden pater aangewezen.
In Rue Cherche Midi ondervond zij niets bijzonders, maar juist aan den hoek der Rue de Ia Barouillère, kwam zij op de gedachte deze straat in te gaan. Ongeveer aan de helft gekomen, bemerkte zij aan een huis een plankje met het opschrift: -Te koop.quot; Heur hart klopte geweldig en het was alsof iemand tot haar sprak : «Hier zult gij wonenquot; Zij bezichtigde het huis; het scheen juist voor haar geschikt, maar de eigenaar, zoo vernam zij, had vast besloten het te verkoopen en zou van verhuren niet willen weten. Eugenia werd geenszins ontmoedigd. Met God is alles mogelijk, en de plannen van M. d'Assonvilliers zouden den wil der Voorzienigheid niet in den weg staan.
Het was niet doenlijk langer in Rue St. Martin te blijven. Derhalve, oordeelde zij, moest een ander huis zeker voor haar worden gereed gemaakt. Tweemaal liet zij bij M. d'Assonvilliers notaris vragen otquot; er geen kans was, het huis in de Rue de la Barouillère te huren, maar het antwoord luidde altijd, dat het huis wel te koop, maar niet te huur was.
Nu gingen de Zusters aan het bidden; dringend smeekten zij den H. Jozel', dat hij zijne macht zou toonen en vóór den 19 Juni den eigenaar van plan zou doen veranderen. Den 19 April begonnen zij met dat gebed ; iederen dag werden hare smeekingen vuriger, doch telkens
89
go HET HUIS IX DE RUE DE LA BAROUILLÃRE.
I
â wanneer haar zaakwaarnemer omtrent het bedoelde huis bericht inwon, ontving hij hetzelfde antwoord, en dit ging zoo door tot den 19 Juni. Dien dag ontving Mère Marie een brief van haren zaakgelastigde, die haar meedeelde, dat de notaris van d'Assonvilliers hem zoo juist liet boodschappen, dat de eigenaar plotseling van gedachte was veranderd en besloten had zijn huis bij voorkeur aan Mej. Smet te verhuren. Hij verlangde tevens de zaak zóó spoedig te regelen, dat indien het der dame niet ongelegen kwam, hij haar denzelfden dag nog ten huize van zijn notaris hoopte te ontmoeten, ten einde het huurcontract op te maken en te onderteekenen. De vreugde van de Zusters valt niet te beschrijven.
Het was, als brak er een nieuwe dag voor haar aan van hoop en zegen; eindelijk dan konden zij het tweevoudig apostelschap beginnen, dat reeds zoo lang het doel van haar streven was geweest: door werken van barmhartigheid jegens de lijdende kinderen van Christus hier op aarde, lafenis brengen aan Zijne veelgeliefde kinderen in het vagevuur.
Allen knielden naast hare stichster om den Hemel voor deze wonderbare uitkomst te danken; daarna ging Mère Marie met eene harer zusters uit, om M. d'Assonvilliers met zijn notaris en haren zaakbezorger te ontmoeten. Voor het eerst in haar leven moest zij eene dergelijke zaak behandelen; zij was geheel onbekend met de termen en de bijzonderheden van een huurcontract.
In naam der Voorzienigheid nam zij de verantwoor-
HET HUIS IN DE RUE DE LA BAROUILLÃRE.
lelijkheid van die daad op zich; de Voorzienigheid zou haar wel leiden.
Omtrent de betaling van den huurprijs rekende zij op zekere inschrijvingen, die haar door hare bloedverwanten en andere personen waren toegezegd, overigens had zij hoegenaamd geene inkomsten. De notaris las eene lange reeks voorwaarden af, die in het verdrag waren opgenomen ; M. d'Assonvilliers lette nauwkeurig op iedere bijzonderheid; de zuster, die Mere Marie begeleidde, en den staat der geldmiddelen kende, luisterde met angst naar alles, waartoe men zich verbond, terwijl er toch over geen penning beschikt kon worden ; maar Mere Marie zelve hoorde alles bedaard en tevreden aan zonder de minste zorg voor de toekomst.
Na dien dag zoo wonderbaar verhoord te zijn, had zij grond voor zulk een vertrouwen.
Toen M. d'Assonvilliers de pen opnam om liet verdrag te onderteekenen, zag hij Mere Marie door zijn bril scherp aan en zeide: «Ik ben blijde, Mejuffrouw, dat ik deze zaak met u heb afgedaan; men wilde mij overreden, mijn huis te verhuren aan personen, die van plan zijn non te worden!quot; â â«Is 't waar?quot; riep Mère Marie uit, niet wetende wat te zeggen. â hernam de eigenaar van
het huis, «en ik kan u zeggen, dat die gedachte mij volstrekt niet aanstond!quot; De arme stichster voelde zich bij dit gezegde niet op haar gemak. Toch zeide zij niets; maar twee dagen later had zij wroeging over het gebeurde. Oprechtheid was een hoofdtrek in haar karakter en hare vreugde was door dit voorval cenigszins verminderd. Zij vatte aanstonds het plan op, M. d'Assonvilliers
91
HET HUIS IX DE RUE DE LA HAROUILLÃRE.
92
op te zoeken om hem dc waarheid te zeggen. Er behoorde waarlijk moed toe, dezen stap te doen, maar de Voorzienigheid, die ook nu met onwankelbaar vertrouwen werd aangeroepen, ruimde alle quot;bezwaren uit den weg. Hare vrijmoedige en oprechte taal, hare goede manieren namen den wrevelen eigenaar voor haar in. Zijne vooroordeelen verdwenen en maakten plaats voor eene groote ingenomenheid met het denkkeeld, dat kloosterlingen zijn huis zouden bewonen.
Hoofdstuk IX.
VERDERE ONTWIKKELING DER CONGREGATIE
en dag na hare vestiging in de Rue de la Barouillère ging Mere Marie de H. Mis in de kerk der paters Lazaristen bijwonen en stortte daar voor God al de gevoelens van haar diepbewogen hart, hare innige, kinderlijke dankbaarheid uit, maar ook al de bitterheden harer ziel en hare bezorgheid voor de toekomst. Zij had nu eene woning, dat was veel, maar hare gezellinnen moesten daar voedsel kunnen vinden voor het lichaam on de ziel. Onder dit tweevoudig opzicht vroeg God van haar eene volmaakte overgeving van haar zelve.
Voor het tijdelijk onderhoud ontbraken alle middelen, en hoe zou er voorzien worden in die tweede nog dringender behoefte; de geestelijke vorming harer dochters?
Pater Aussant was verre en misschien voor immer, de abbé Gabriel was door zijne veelvuldige bezigheden niet in staat, zich veel met het jeugdige genootschap in te laten; in één woord alles werkte samen, om van
94 VERDERE ONTWIKKELING DER CONGREGATIE
Mère Marie en hare dochters ware kinderen der Voorzienigheid te maken en haar de onvergelijkelijke wetenschap te leeren: de algeheele overgave van ons zelve in de handen van God.
Maar de beginselen dezer wetenschap zijn dor en afschrikwekkend voor de arme natuur, die pas begint er zich op toe te leggen.
Iedere ziel, die God op deze wijze aan zich wil verbinden, staat uren van lijden en doodsangst door, van verlatenheid en duisternis, die alle beschrijving te boven gaan. Wat dan te doen? Zijne wonden voor God laten bloeden en geduldig afwachten, dat de hand van Hem, die ze geslagen heeft daarin balsem giet. In dezen toestand bevond zich Mère Marie. Veel had zij in haar leven reeds tot stand gebracht en altijd uitkomst gevonden in de moeielijkste omstandigheden; des te meer drukte haar nu de machteloosheid, waaraan Gods welbehagen haar overliet. Door het geloof gaf zij zich dan blindelings over aan de leiding van haren Goddclijken gids; dikwijls dreigden moedeloosheid en verwarring zich van haar meester te maken, maar de kracht Gods was sterker dan hare eigene zwakheid, en het arme kleine gewillige werktuig in de hand van den bekwamen bouwheer voltooide het werk, nog maar bij God alleen bekend. Den 2 Juli, vooravond van O. L. V. Visitatie, hadden de Zusters hare nieuwe woning betrokken. Lag er voor deze geestelijke familie niet eene gewichtige les opgesloten in de gebeurtenis, die de Kerk op dien dag herdenkt, wanneer zij ons het voorbeeld der naastenliefde in onze Goddelijke Moeder ter beoefening voorhoudt, en was het niet eene beschikking
VERDERE ONTWIKKELING DER CONGREGATIE. gS
der Voorzienigheid, dat denzelfden dag eene onbekende vrouw aanklopte aan de kloosterpoort en om bijstand vroeg voor eene arme stervende ? â¢â¢ Toonde ons God zelf daardoor niet den weg?quot; zeide Mere Marie; en aanstonds werd eene der Zusters naar het bedoelde huis gezonden.
Voor het duidelijk begrip van het volgende verhaal wijzen wij er op, dat de Auxiliatr ices geen klooster gewaad dragen; hare kleeding is zwart en eenvoudig, in niets onderscheiden van de dracht eener dame in zware rouw. In zulk eene kleedij, zoo dacht Mere Marie, zouden hare geestelijke dochters zich gemakkelijker toegang verschaffen tot die treurige woningen, waar God niet gekend of zelfs verstooten wordt. Dat haar oordeel juist was, werd bevestigd door hetgeen er gebeurde bij de bovengenoemde arme zieke.
De non, die ter verpleging der kranke was gezonden, werd zeer goed ontvangen. In hare groote verlatenheid gevoelde die lijdende vrouw zich opgebeurd door de tegenwoordigheid van iemand, die met de grootste liefde de zorgen der huishouding op zich nam en haar alle mogelijke diensten bewees. Maar reeds bij het begin van haar gesprek zeide zij; «Mevrouw, spreek mij nooit over priesters en kloosterlingen; ik verfoei ze!quot; De Zuster glimlachte en zonder zich in het minst door deze bedreiging te laten afschrikken, onderhield zij de arme ongelukkige over den hemel, die het loon van al haar lijden zou wezen, over een God voor ons gestorven, en over de vertroostingen die Hij reeds m dit leven schenkt aan hen die Hem beminnen. Overigens sprak zij wei-
g6 VERDERE ONTWIKKELING. DER CONGREGATIE.
nig, m aar hare zorgen en hare toewijding waren des te grooter.
Kon er langer worden weerstaan aan de welsprekende macht van zelfverloochening? De genade trof het hart der arme zieke. Zelve vroeg zij naar een priester, dien zij voor weinige dagen nog verfoeide. Nu verhaalde de Zuster dat zij kloosternon was; de herboren Christin bedankte haar met innige aandoening, dat zij dit tot nu toe voor haar had verborgen.
Van dien tijd afwas de werkkring der Auxiliatric es geopend. Hare stichting droeg een eigenaardig karakter ; zij vereenigde een geheel bijzonder doel met eene geheel bijzondere werkzaamheid. Door alle middelen, die de Christelijke lieidadigheid kan uitdenken, moest deze vereeniging lafenis bezorgen aan de lijdende mensch-heid in het andere leven en daardoor in de harten der levenden hier op aarde den smartvollen kreet der afgestorvenen doen hooren. Dit was de taak door God aan Mère Marie cn hare dochters opgelegd. Haar werkkring, het verplegen van arme zieken in hunne woningen, was tot nu toe een onontgonnen veld in de onmetelijke uitgestrektheid van aardsche ellenden.
Ecne allerverhevenste roeping voorzeker, doch waar zouden deze jeugdige zielen, nog onbekend met den weg des oflers, de kracht putten om het lijden en de ontberingen aan hare roeping verbonden, te kunnen dragen? Mère Marie wist, dat deze kracht gevonden wordt in het voorbeeld van den geslachtofferden God-mensch, wonende te midden Zijner uitverkorene zielen onder de diepe vernedering waarmede Zijne liefde Hem
VERDERE ONTWIKKELING DER CONGREGATIE.
als met een sluier bedekt. Het offer is zoozeer in tegenspraak met onze natuur, dat alleen een geweldige hefboom het kan voortbrengen. En wanneer er niet slechts A'oorbijgaande oefeningen van ons worden gevraagd, maar als ons geheele leven eene aaneenschakeling van cffer en zelfverloochening moet worden, dan is eene goddelijke bronader van onuitsprekelijke kracht noodig, waar ons hart altijd nieuwen moed kan scheppen. Die goddelijke kracht zetelt in het H. Sacrament des Altaars.
Daar wordt de ziel gestaald en gewapend tegen de zwakheden der vervallen natuur.
Feiten bij menigten bewijzen, dat het voorbeeld van deze voortdurende opoffering van den verborgen God-mensch voldoende is, om 's menschen ziel onwrikbaar en standvastigquot; den weg der zelfverloochening te doen gaan. Alleen de Katholieke Kerk, de eenige die het geloof aan de werkelijke tegenwoordigheid van Christus, Offer en Offeraar, heeft behouden, brengt^geestelijke orden voort.
Doch zou Mère Marie de la Providence de heilige stoutheid hebben, nu reeds voor hare stichtingldie nog in hare geboorte was, de groote^ zeldzame gunst te verzoeken, het H. Sacrament in hare kapel te bezitten ? «De hongerigen mogen den moed hebben, brood te vragen,quot; zeide zij, «en wij, die hongeren en dorsten naar offer en zelfverloochening zouden het Brood des Hemels niet durven vragen, dat de ziel verkwikt en versterkt?quot; Den 18 Augustus kwam Mgr. Sibour het huis bezoeken, om het in te zegenen; bij die gelegenheid zeide hij tot
97
98 VERDERE ONTWIKKELING DER CONGREGATIE.
de Zusters: «Gij zijt nu nog een mosterdzaad, dat eenmaal tot een grooten boom zal opgroeien.quot;
Dit woord was voor Mere Marie een nieuw bewijs der Goddelijke goedheid en deed haar reeds de vervulling van haren vurigen wensch voorzien. Van eigene zwakheid en van de behoefte aan goddelijke hulp ook voor hare dochters zich bewust zijnde vroeg en verkreeg zij van Mgr. Sibour verlof, om in de huiskapel een verblijf voor den Koning der Koningen in te richten. In de maand November van dat jaar nam onze Goddelijke Meester zijn intrek bij de kleine geestelijke familie in Rue de la Barouillère.
Eenige dagen later wijdde Mère Marie het huis op eene geheel bijzondere wijze toe aan de H. Maagd Maria. Men herinnert zich nog dat Eugenia vroeger in haar bidvertrek een beeldje onder den naam van Notre Dame de la Providence vereerde.
Dit beeldje werd in Rue de la Barouillère ter rechterzijde van het altaar geplaatst. Hier kwam Mère Marie dikwijls al de zorgen van haar hart bij hare goede Moeder uitstorten. Bij eene dezer vertrouwelijke samenspraken kwam de gedachten in haar op, heel het wicht harer verantwoordelijkheid cn zorgen als overste in de handen van N. D. de la Providence neder te leggen. Zij maakte hare geestelijke dochters met dit plan bekend, die daarover zeer verheugd waren. De plechtige toewijding zou op Zaterdag den 8 November geschieden. Na de H. Mis knielden allen neder voor het beeld, en Mère Marie met eene kaars in de hand deed nu met diepe ontroering eene opdracht, die getuigde van haar levendig
VERDERE ONTWIKKELING DER CONGREGATIE. gg
geloof en hare vurige liefde.
Niet lang daarna ontving zij voor hare kapel eene gift, die haar met groote blijdschap vervulde; het was een monstrans van verguld zilver. â «Zoo zien wij,quot; zeide zij, «dat onze goede Meester ons wil zegenen.quot;
Aanstonds vroeg zij aan Mgr. Sibour de hooge gunst het H. Sacrament op eenige dagen van het jaar in hare kapel ter aanbidding uit te stellen. Zij had een lijst van die dagen opgemaakt. Als altoos vol vertrouwen op den bijstand der Voorzienigheid, strekte zij haar verzoek over zoovele dagen uit, dat Mgr. zich niet kon weerhouden te zeggen: «Maar, mijn kind, genootschappen die reeds dertig jaren bestaan, zouden zulke gunsten niet durven vragen. quot;ââ «Och, Mgr. de jongste kinderen, durven altijd het meest, niet waar?quot; Mgr. lachte en zette zich neder om het verzoekschrift te onderteekenen, maar bedacht zich plotseling. -â⢠«Neen,quot; zeide luj, «het is onmogelijk, eene dergelijke volmacht kan ik niet geven.quot;
â .-Monseigneur,quot; antwoordde Mère Marie diep ontroerd, «ik smeek 't U ; de arme zielen van 'tvagevuur besturen uwe pen.quot; â «Gelooft gij dat, mijn kind/' hernam de bisschop, en als getroffen door deze gedachte nam hij stilzwijgend de pen op en teekende.
Had een hemelsch licht aan deze twee zielen het geheim der toekomst geopenbaard en hun het moordend staal getoond, dat eenige dagen later den eerbiedwaar-digen prelaat het verblijf der dooden deed binnentreden?quot;
In den tijd, die verstreek tusschen den dag van Mère Marie's laatste onderhoud met Mgr. Sibour en dien, waarop zij bittere tranen schreide over zijn dood, stel-
98 VERDERE ONTWIKKELING DER CONGREGATIE.
de Zusters: «Gij zijt nu nog een mosterdzaad, dat eenmaal tot een grooten boom zal opgroeien.quot;
Dit woord was voor Mère Marie een nieuw bewijs der Goddelijke goedheid en deed haar reeds de vervulling van haren vurigen wensch voorzien. Van eigene zwakheid en van de behoefte aan goddelijke hulp ook voor hare dochters zich bewust zijnde vroeg en verkreeg zij van Mgr. Sibour verlof, om in de huiskapel een verblijf voor den Koning der Koningen in te richten. In de maand November van dat jaar nam onze Goddelijke Meester zijn intrek bij de kleine geestelijke familie in Rue de la Barouillère.
Eenige dagen later wijdde Mère Marie het huis op eene geheel bijzondere wijze toe aan de H. Maagd Maria. Men herinnert zich nog dat Eugenia vroeger in haar bidvertrek een beeldje onder den naam van Notre Dame de la Providence vereerde.
Dit beeldje werd in Rue de la Barouillère ter rechterzijde van het altaar geplaatst. Hier kwam Mère Marie dikwijls al de zorgen van haar hart bij hare goede Moeder uitstorten. Bij eene dezer vertrouwelijke samenspraken kwam de gedachten in haar op, heel het wicht barer verantwoordelijkheid en zorgen als overste in de handen van N. D. de la Providence neder te leggen. Zij maakte hare geestelijke dochters met dit plan bekend, die daarover zeer verheugd waren. De plechtige toewijding zou op Zaterdag den 8 November geschieden. Na de H. Mis knielden allen neder voor het beeld, en Mère Marie met eene kaars in de hand deed nu met diepe ontroering eene opdracht, die getuigde van haar levendig
VERDERE ONTWIKKELING DER
CONGREGATIE.
99
geloof en hare vurige liefde.
Niet lang daarna ontving zij voor hare kapel eene gift, die haar met groote blijdschap vervulde; het was een monstrans van verguld zilver. â «Zoo zien wij,quot; zeide zij, quot;dat onze goede Meester ons wil zegenen.quot;
Aanstonds vroeg zij aan Mgr. Sibour de hooge gunst het H. Sacrament op eenige dagen van het jaar inbare kapel ter aanbidding uit te stellen. Zij had een lijst van die dagen opgemaakt. Als altoos vol vertrouwen op den bijstand der Voorzienigheid, strekte zij haar verzoek over zoovele dagen uit, dat Mgr. zich niet kon weerhouden te zeggen: «Maar, mijn kind, genootschappen die reeds dertig jaren bestaan, zouden zulke gunsten niet durven vragen. quot;â quot;Cch, Mgr. de jongste kinderen, durven altijd het meest, niet waar?quot; Mgr. lachte en zette zich neder om het verzoekschrift te onderteekenen, maar bedacht zich plotseling. â «Neen,quot; zeide hij, «het is onmogelijk, eene dergelijke volmacht kan ik niet geven.quot;
â¢â «Monseigneur,quot; antwoordde Mère Marie diep ontroerd, «ik smeek 't U ; de arme zielen van 'tvagevuur besturen uwe pen.quot; â «Gelooft gij dat, mijn kind,quot; hernam de bisschop, en als getroffen door deze gedachte nam hij stilzwijgend de pen op en teekende.
Had een hemelsch licht aan deze twee zielen het geheim der toekomst geopenbaard en hun het moordend staal getoond, dat eenige dagen later den eerbiedwaar-digen prelaat het verblijf der dooden deed binnentreden?quot;
In den tijd, die verstreek tusschen den dag van Mère Marie's laatste onderhoud met Mgr. Sibour en dien, waarop zij bittere tranen schreide over zijn dood, stel-
IOO VERDERE ONTWIKKELING DER CONGREGATIE.
den de Auxiliatric es de daad, die haar voor immer als bruiden aan haar Goddelijken Meester verbond. Op den feestdag van Johannes den Evangelist legden zij hare eerste geloften af, slechts tijdelijk wel is waar wat den vorm betrof, maar in haar hart verbonden zij zich met onverbreekbare banden.
Geene woorden kunnen de vreugde beschrijven, die Mère Marie ondervond, toen in haar hart deze hemelsche vereeniging werd voltrokken, waarnaar zij zoozeer had verlangd. Terwijl haar Goddelijke Bruidegom zich aan haar wegschonk veel inniger en volmaakter dan ooit te voren, vroeg Hij als onderpand van haar geloof en van hare volkomen overgave aan de Goddelijke Voorzienigheid het offer van den grootsten weldoener harer kleine geestelijke familie. Den 3 Januari, tien dagen naar hare toewijding, viel Mgr. Sibour door het staal van een moordenaar.
De pastoor van Ars, die steeds met vaderlijke bezorgdheid de ontwikkeling der nieuwe stichting gadesloeg, liet door den abbé Toccanier een schrijven richten tot Mère Marie, waarin zich onder het woord eens vaders het hart van een Heilige toont:
«Het valt mij lichter, ik beken het, met u te weenen dan u te troosten. De dood van uw heiligen bisschop ontneemt u hier op aarde een beschermer, maar in den Hemel zal hij over u waken. Daar gij de kinderen der Voorzienigheid zijt, moet hare leiding voor aller oogen zichtbaar worden.
De Lijdende Kerk moet hare martelaren op aarde hebben. De goede pastoor bidt voor u en zegent u. Een
VERDERE ONTWIKKELING DEK CONGREGATIE. IOI
huis, dat op den berg des lijdens gebomvd wordt, heelt storm noch regenvlagen meer te vreezen. Het draagt het goddelijk zegel.quot;
Onder de kruisen, aldus van verre door den heiligen pastoor geprezen, nam de armoede eene eerste plaats in. Wel is waar vergat de Goddelijke Voorzienigheid hare kinderen nooit:, maar liet haar zelve toch eenigszins lijden wat de ongelukkigen leden, onder wie zij haar apostelambt uitoefenden.
Het verlangen der Auxiliatrices, de lijdende zielen des vagevuurs te helpen, was zóó groot, dat zij, ofschoor; nog gering in getal, met vreugde aan alle aanvragen om arme zieken bij te staan, gevolg gaven. Nu eens moest een stervende oekeerd worden, dan weder trachtte de Zuster een armen gebrekkige, dien de smart had verbitterd, tot zachtmoedigheid en geduld te stemmen, door zelve de heerlijkste voorbeelden van die deugden te geven. Vele armen werden door haar bezocht, en met vreugde brachten de Auxiliatrices zelfs hare nachtrust ten offer voor de lijdende ledematen van Jezus Christus; ja, dikwijls gebeurde het, dat ook de Zuster, die koken moest, ter verpleging van zieken uitging, zoodat het middagmaal der Zusters er bij inschoot. Te midden dezer groote vermoeienissen vonden die godgewijde zielen troost in de woorden: «Vat gij aan de geringsten der mijnen doet, dat doet gij aan mij.quot; De volgende voorbeelden kunnen als bewijs dienen voor den goeden uitslag harer bemoeiingen. In de nabijheid der Rue de la Barouillère leefde een vrijmetselaar. Hij gloeide van haat tegen priesters en kloosterlingen, ontheiligde den
102 VERDERE ONTWIKKELING DER CONGREGATIE.
zondag op alle mogelijke wijzen en had de gewoonte te vloeken en God te lasteren. Eene vrouw, die hetzelfde huis bewoonde als hij, was reeds door de Zusters bekeerd. Op zekeren dag vertelde zij aan haar zieken buurman hoe liefderijk die dames in het zwartquot; haar hadden verpleegd. â «Ik wilde dat ik hetzelfde geluk had,quot; zeide hij, nik lig zoo verlaten; mijne vrouw moet tot middernacht uit werken.quot; Op dit gezegde dat aan de Zusters werd overgebracht, ging eene der nonnen er heen. Op het oogenblik dat deze binnenkwam, leed de zieke hevige pijnen, en het gelukte aan de Zuster, hem te verkwikken. Op zijn verzoek bezocht zij hem iederen dag. Uren achtereen zat zij aan het ziekbed en hoorde daar de hatelijkste uitvallen tegen godsdienst en priesters. «Alles ging slecht in de wereld omdat het volk naar de priesters luisterde,quot; dat was in zijne gesprekken schering en inslag. Somtijds vond de Zuster gelegenheid een zacht woord in 't midden te brengen en hem de onredelijkheid zijner beweringen voor te houden. Op zekeren dag werd zij aangenaam verrast; de zieke man bood haar een ruiker seringen aan met de woorden;
«Daar, geef dat aan uwe moeder, zooals gij haar noemt; zij mag dezen ruiker voor het beeld van den H. Jozef zetten. Hij is mijn patroon en zal misschien maken, dat gij er in slaagt, mij te bekeeren. Ik hoop, dat gij zult beloond worden voor uwe goedheid jegens mij.quot;
De toestand van den zieke verergerde.
Nog steeds weigerde hij een priester toe te laten, doch zeide: quot;Bid voor mij, en wanneer ik herstel zal ik op het feest van Paschen naar de kerk gaan.quot; Zijne krach-
VERDERE ONTWIKKELING DER CONGREGATIE. Io3
ten namen zichtbaar af. En zie, geheel onverwachts en uit eigen beweging verzocht hij de Zuster, eene novene tot de H. Maagd te houden. Hij liet toe, dat men eene medaille om zijn hals hing en leerde het «Weesgegroet,quot; dat hij zelf nu ook iederen dag der novene negenmaal medebad. Bij het âinde der negen dagen was hij niet hersteld, maar zijne gevoelens waren veranderd. Er had een geheele omkeer bij hem plaats gegrepen; hij vloekte niet meer en drukte den wensch uit den priester te zien, dien hij voor eenige dagen zeer barsch bejegend had. Toen hij dezen zag, sprak hij:
«Vergeef mij. Eerwaarde, ik hield niet van priesters, maar U zal nu over mij tevreden zijn.
Hij biechtte en ontving de H. Communie. Na het ontvangen der laatste H. Sacramenten omhelsde hij den geestelijke en riep uit: «O, wat ben ik nu gelukkig! Ik haat niemand meer; u had gelijk met te zeggen, dat God zeer goed is.quot; Sedertdien dag werd zijn lijden altijd heviger, maar hij verdroeg het met geduld; de woorden «God, wees mij genadigquot; kwamen voortdurend op zijne lippen. Kort vóór zijn dood wendde hij zich tot de Zuster en zeide:
«Gij hebt mij den weg naar den Hemel getoond; als ik daar kom, dan zult gij er zeker komen.quot;
Het godvruchtig afsterven van jozef maakte op velen een diepen indruk. Toen de Zuster de sterfkamer verliet, werd zij onder aan de trap door eene twee-en-zeventigjarige vrouw afgewacht, die hetzelfde huis bewoonde en sinds haar huwelijk, dat niet kerkelijk was voltrokken, nooit de H. Sacramenten had ontvangen. Deze vrouw hield de Zuster staande en smeekte; «Leer mij hoe ik biechten moet.quot; â
I04 VERDERE OXTWIKKELIXG DER COXGREGATIE.
« «Meent gij dat?quot;quot; vroeg de non. â «O ja; toen ik Jozef en Mme. D. zoo gelukkig zag, heb ik besloten, hun voorbeeld te volgen.quot; Zij biechtte, ontving de H. Communie en stierf plotseling eenige dagen later ten gevolge eener beroerte. Achtereenvolgens werden in datzelfde huis dertien personen door de zorgen der goede Zust; rs bekeerd.
De dankbaarheid der armen jegens hunne verpleegsters â neen, niet altijd zijn de armen ondankbaar â bleek dikwerf op treffende wijze.
Eene der nonnen was stervende. Voortdurend kwamen er arme vrouwen aan het klooster, om naar haren toestand te vernemen. Eene van haar scheen zeer teleurgesteld, dat er geen beterschap kwam. Met grooten eenvoud zeide zij tot de Overste : «Zij zal spoedig hersteld zijn ; want ik heb God gesmeekt, mijn leven voor het hare te nemen.quot; En waarlijk, de zieke genas en de dankbare, edelmoedige ziel stierf eenige dagen later.
Hoofdstuk X.
EEUWIGE GELOETE. â GELOOF EX GOEDE WERKEX.
etm Kjrac midden der groote armoede, die in het klooster heerschte, had Mère Marie een wensch, ^â oor welks vervulling zij gaarne iets van de kostbaarheden der aarde had willen bezitten. Het was voor het heiligdom in hare kapel. Om de woonplaats van haar Godde-lijken Bruidegom naar waarde te kunnen\ ersieren, wensch-te zij over het goud en de edelsteenen te kunnen beschikken, waarmee de rijken en grooten dezer wereld zich zeiven en hunne woningen zoo kwistig tooien. Het scheen haar zoo onbegrijpelijk, dat Christenen al hun rijkdom aan den dienst der wereld besteden en zoo zelden iets over hebben voor de verfraaiing der aardsche tempels, waar de Goddelijke Majesteit troont. Geheel vervuld van deze gedachte, was zij op zekeren dag in gebed voor het beeld van X. D. de la Providence, en gevoelde toen een hevig verlangen, die dierbare Moeder te kronen met een schitterend diadeem als teeken
EEUWIGE GELOFTE.
van haar goddelijk koningschap. â «Ik zal,quot; riep zij uit, «om uwentwil eene bedelares worden, en aan alle dames, die ons bezoeken, vragen dat zij mij een harer vele kleinooden voor U afstaan. Hoe zouden zij U zulk een klein offer kunnen weigeren?quot; En nu richtte zij weder tot de Voorzienigheid eene dier eigenaardige beden, die zoo dikwijls om haar eenvoudig geloof werden verhoord â- zij vroeg aan God als bewijs van ingenomenheid met haar plan, dat er denzelfden dag iemand tot haar zou komen, aan wie zij haar voornemen kon meedeelen, en die dan uit eigen beweging eene harer armbanden voor de kroon der Heilige Maagd zou afstaan.
Allerlei drukke werkzaamheden waren dien dag oorzaak, dat; Mère Marie niet meer aan haar gebed dacht. Tegen den avond echter werd zij in de spreekkamer geroepen, alwaar zij eene dame aantrof, wier voornaam en rijk voorkomen haar aanstonds het verdrag in herinnering bracht, dat zij des morgens met God had gesloten.
In den loop van haar gesprek met de vreemdelinge sprak Mère Marie over hare groote armoede en A-oegde er aan toe, dat zij er nochtans over dacht, aan de H. Maagd een kroon van goud en edelsteenen te beloven. Een oogenblik was de dame stil, maar toen ontdeed zij zich van een harer kostbare armbanden en reikte die aan de overste over met de woorden ; «Veroorloof mij, iets tot de uitvoering van uw vroom voornemen bij te dragen.quot; Mère Marie was tot tranen bewogen en verhaalde nu aan hare bezoekster, hoe zij haar onbewust het antwoord had gebracht op haar gebed.
:o6
GELOOF EX GOEDE WERKEN.
Den volgenden dag ontving de vrome stichtster bezoek van eene andere dame. Gedurende het onderhoud vroeg deze, door welke middelen de Zusters in hare behoeften voorzagen. Toen zij de bijzonderheden harer leefwijze en het bovennatuurlijk doel van haren werkkring had vernomen, vroeg zij: «Maar indien gij geen loon verlangt voor uwe werken van liefdadigheid, hoe kunt gij dan leven?quot;
Mere Marie antwoordde lachend: «Heeft onze Goddelijke Meester niet gezegd: zoek eerst het rijk Gods en zijne gerechtigheid , en al het overige zal u worden toegeworpen?quot; De dame glimlachte ietwat ongeloovig. Mère Marie toonde haar nu door feiten aan dat de Voorzienigheid op bovennatuurlijke wijze hun te hulp komt, die zich aan hare leiding toevertrouwen. Zij voor zich had waarlijk menig bewijs daarvan ontvangen. Onder anderen verhaalde zij, hoe wonderbaar haar gebed daags te voren was verhoord. De dame werd door dit verhaal zoo getroffen, dat zij Mère Marie aanstonds een harer rijkste halskettingen aanbood. Sedert dien dag ontving de Overste voor de kroon der H. Maagd talrijke geschenken, die haar in staat stelden twee kronen aan te bieden, waaronder eene van goud en edelsteen.
Terwijl de Auxiliatrices aldus menigwerf den zichtbaren bijstand der Goddelijke Voorzienigheid ondervonden, was er toch ééne zaak, die haar in den eersten tijd van het kloosterleven dikwijls in groote verlegenheid bracht. Gelukkig door de voortdurende tegenwoordigheid van haren Verlosser in het H. Sacrament, verkeerden de Zusters toch altijd in zorgen omtrent de viering
I07
EEUWIGE GELOFTE.
der H. Geheimen in de kapel. Niet bemiddeld genoeg, een geestelijke daarvoor te onderhouden, hingen zij af van de goedheid en bereidvaardigheid van den een of anderen priester, die haar dezen liefdedienst wilde bewijzen. Dat alles ging met veel moeite en tijdverlies gepaard.
De Overste begreep welken nadeeligen invloed deze voortdurende onzekerheid op hare onderdanen moest uitoefenen en begon daarom in November i857 eene novene tot de H. Gertrudis om uitkomst in deze zaak te erlangen. De zuster kosteres had reeds vergeefsche pogingen aangewend, om zich voor het ieest dier Heilige eene H. Mis te verzekeren. Op den vooravond eindelijk klopte zij aan bij de paters Jezuïeten in Rue de Sèvres. De Rev. P. Minister beloofde haar een priester voor den volgenden dag en voegde er bij : quot;Tracht hem te houden.quot; Dit antwoord bevreemde Mère Marie. Zou het een wenk bevatten, dat haar gebed verhoord werd ? Zij kon het nauwelijks gelooven en sloeg â het is haar eigen uitdrukking â tweemaal op de rots, en het opnieuw vragen, wat de pater bedoelde. â «Zeg aan uwe Overste, dat het is alsof ik haar een aalmoezenier zond,quot; luidde het bescheid.
«Den volgenden ochtend, i5 Nov.,quot; zoo verhaalt ons Mère Marie, hadden wij in de kapel den vollen luister onzer armoede tentoongespreid en onze schoonste kerkgewaden lagen in de sacristie gereed, toen op het vastgestelde uur de schel ons de komst aankondigde van den priester, die op de voorspraak der H. Gertrudis ons werd toegezonden; zijn uiterlijk was ernstig en ingeto-
io8
GELOOF EN GOEDE WERKEN.
gen; zijne gelaatstrekken droegen het kenmerk der versterving vereenigd met zooveel goedheid en welwillendheid dat hij tegelijk eerbied en vertrouwen inboezemde .
Na afloop van het H. Misoffer, dat hij met buitengewone godsvrucht en eerbied opdroeg, wachtte ik dat hij zijne dankzegging zou hebben verricht om hem welkom te heeten en hem onze dankbaarheid te betuigen.
quot;Maar, Rév. Mère,quot; zeide hij, ^-u doet alsof ik de bisschop was.quot;â «U is mij meer waard dan de bisschop, eerwaarde Pater,quot; antwoordde ik dankbaar, ofschoon ik bekennen moet, dat mijne gevoelens meer tot de H. Ger-trudis waren gericht.
De Eerw. Pater zelf wist niet welke plaats hij eenmaal in onze jeugdige instelling zou bekleeden, noch welke mate van zelfverloochening en toewijding daarvoor van hem zou worden gevraagd; toen ik hem mijn verlangen en mijne hoop deed kennen, dat hij zijne bediening bij ons mocht blijven uitoefenen, gaf hij een antwoord, waarin zich de ijver van den priester tegelijk met de onderwerping van den kloosterling toont: «Zeer gaarne zal ik het H. Misoffer hier komen opdragen, zoo dikwijls de gehoorzaamheid het mij zal veroorloven.quot;
Wij zullen later zien, wat de gehoorzaamheid hem toestond voor ons te doen; gedurende zeven achtereenvolgende jaren bleef de Eerw. Pater B. met onverminderden ijver zijne geestelijke bediening bij ons uitoefenen en steeds denken wij met blijdschap er aan, dat hij op den i5 Nov., het feest der H. Gertrudis, dit leven van toewijding onder ons begon.quot;
log
EEUWIGE GELOFTE.
In de eerste dagen van Januari i858 zag M. d'Asson-villiers zich genoodzaakt zijn huis te verkoopen; hij gaf dit aan Mere Marie te kennen. Ofschoon deze op dat oogenblik geen kans zag de gevraagde koopsom bijeen te brengen, sloeg zij toch, vertrouwend op de hulp der Voorzienigheid, het voorstel niet af. Zij was er van overtuigd, dat God dit huis A'oor het middelpunt harer werkzaamheden had bestemd en daarom twijfelde zij niet aan den goeden uitslag. Ook nu werd haar vertrouwen beloond. In de vreugde haars harten wierp Mère Marie zich neder voor het H. Tabernakel en riep met kinderlijk vrome vurigheid uit; «Eindelijk dan, beminde Verlosser, zijt gij hier geen vreemdeling meer, maar woont Gij in uw eigendom.'quot;
Met iederen dag nam de gloed der liefde toe in het hart van Mère Marie, en vurig verlangde zij, door eene eeuwige gelofte hare ziel op volmaakte wijze met haren Goddelijken Bruidegom te vereenigen. De Abbé Gabriël achtte de tijd hiervoor nog niet gekomen en tAvijfelde of de aartsbisschop haar verzoek zou toestaan. â -Leg die belofte af in het heiligdom van uw hartquot;, zeide hij, »en dan kunnen wij later verder zorgen.quot; â »Vindt U. goed,quot; vroeg zij, «dat ik zelf den aartsbisschop om deze gunst verzoek?quot; â Zeker,quot; luidde 't antwoord. Vergezeld van de meesteres der nieuwelingen, richtte nu Mère Marie hare schreden naar het aartsbisschoppelijk paleis. Dat bezoek heelt zij ons op de volgende wijze verhaald:
«Niettegenstaande Mgr. dien dag vele personen had afgewezen, maakte hij met mij eene uitzondering; wij
no
GELOOF EN GOEDE WERKEN.
werden toegelaten, en dit versterkte mijne hoop op een goeden uitslag. Ik begon dan, met hem mijn leedwezen te betuigen, dat ik hem niet had kunnen spreken alvorens tot den koop van ons huis over te gaan en verhaalde hem, hoe gelukkig wij in onze onderhandelingen waren geslaagd. Op de vriendelijkste en meest vaderlijke wijze gaf hij mij zijne blijdschap hierover te kennen. Daarop ging ik voort: ))Ons werk is nu, wat het tijdelijke betrelt, voldoende verzekerd, maar wat het geestelijke aangaat, daarvoor ben ik nog steeds in ongerustheid. Ofschoon nu onze directeur de abbé Gabriel mijn verzoek eenigszins voorbarig vindt, ben ik toch zoo vrij. Uwe Eminentie om de groote gunst te vragen, dat Zij aan mij en eene mijner dochters ver-oorlove, de eeuwige geloften af te leggen.quot; â «Ja, ik sta u dit volgaarne toe,quot; antwoordde Mgr. Ofschoon mijne ontroering zoo groot was, dat zij mij bijna het spreken belette, riep ik uit: «Eminentie, ons geluk zou volkomen zijn, wanneer het offer van ons zelve aan God, in Uwe handen werd gelegd. Ik vrees al te vrijmoedig te zijn, doch God zal Uwe goedheid loonen; deze goedheid ook moedigt mij aan te vragen, of de plechtigheid geschieden kan op den 2 5 dezer maand, een gedenkwaardigen dag in mijn leven en in de geschiedenis van ons kleine genootschap.quot;
â « «Onmogelijk,quot; quot; hervatte Mgr., « «ik ben al de volgende dagen verhinderd.quot; quot; â «Ik weet zeker dat U zich vergist,quot; hernam ik stoutweg, «want toen het mij onmogelijk was, eerder tot Uwe Eminentie te worden toegelaten, gaf ik Uw engelbewaarder last, dien dag
III
EEUWIGE GELOFTE.
voor ons vrij te houden.quot; Hierop raadpleegde Mgr. zijn agenda en groot was zijne verwondering, toen hij bevond, dat hij werkelijk voor den 2 5 geene verhindering had. Aanstonds voldeed hij aan mijn verzoek.
De drie dagen, die aan den gewichtigen dag harer onherroepelijke verbintenis voorafgingen, werden door de twee gelukkige bruiden des Heeren in eene geestelijke afzondering doorgebracht. Na twee jaren van onafgebroken arbeid vond Mere Marie thans rust in de eenzaamheid, om een terugblik te werpen op de vele en uitstekende genaden, door welke de hand Gods haar op haren moeielijken levensweg had ondersteund. Zij schrijft:
,,0 mijn God, hoe merkwaardig was voor mij het jaar i856! Eene vereeniging van veertien personen werd, als het ware, door een voortdurend wonder onderhouden! En hoevele genaden ontving ik van U in geestelijk opzicht? Ik gevoelde dat Gij mij ondersteundet, want ik stond in mijne zwakheid alleen te midden der vele uitwendige en ' inwendige moeielijkheden.
Alles is geschied, zooals Gij het mij hebt getoond gedurende de jaren, die de stichting van ons genootschap voorafgingen. Gij gaaft mij te verstaan, dat ik voor den kloosterlijken staat geroepen was, maar niet langs den gewonen weg. Gij zoudt alle hinderpalen doen verdwijnen, maar ik i;ou mijne bestemming niet vóór het drie en dertigste levensjaar bereiken. Ja, ik besef het, o mijn God, en wenschte het aan de geheele wereld bekend te maken; slechts in gehoorzaamheid en overgave van zich zelvcn kan ware rust gesmaakt worden. Eene uwer grootste genaden jegens mij is het verlangen naar gehoorzaamheid, dat Gij mij altijd
112
GELOOF EN GOEDE WERKEN.
hebt gegeven: daarvoor zal ik U steeds dankbaar vezen. Ik kan in waarheid getuigen: in alle omstandigheden des levens heb ik gehoorzaamd. Alles wat ik neerschrijf zijn de bewijzen uwer vaderlijke zorg voor het geestelijk welzijn van uw arm kind. Ik schrijf dit alles, opdat in dagen van moedeloosheid, wanneer ik mij verlaten gevoel van Hemel en aarde, mijn vertrouwen en moed Lij het herlezen dezer aanteekeningen mogen worden verlevendigd. Gedurende het jaar i857 hebt Gij mij o Heer! als het ware, in Uwe armen gedragen.quot;
De volgende regelen toonen ons iets van het werk der genade in deze uitverkoren ziel.
quot;Wat al genaden, o mijn God, zijn mij geschonken!
Ik ben als overstelpt met gunstbewijzen. Deze drie dagen zullen een geheelen omkeer in mijn leven bewerken; zij zullen de afsluiting zijn van het verleden en het begin van een nieuw bestaan. Gij vraagt van mij, mij zelve af te sterven, in niets mij zelve te zoeken wat mijn zieletoe-stand betreft, het bewustzijn in staat van genade te zijn op te offeren, zoodat ik met gelatenheid verdraag dien toestand van geestelijke duisternis, waarin men niets met zekerheid weet of kent behalve de bekoring.
Dit zegt Gij tot mij door de stem, die in Uw naam spreekt «God zal uw werk in Zi|ne hand nemen en het tot Zijn eigen maken.quot; En inderdaad, als ik op mij zelve moest vertrouwen zou ik den moed opgeven; want ik gevoel mij tot niets in staat; maar ik kan alles in Hem die mij sterkt, en gevoel dat, met Uwe genade en een vasten wil, de weg van zellverloochening de ecnige is, die tot volmaaktheid voert. Ik verlang, o goede Jezus,
s
Il3
EEUWIGE BELOFTEN.
uitsluitend te leven voor de zielen des vagevuurs, zonder eenige bezorgdheid over mijne eigene schulden, hoe groot deze ook zijn; â ik wil er zelfs niet aandenken. â Handel met mij volgens Uwen wil; ik wensch slechts Uwe voorzienigheid te zijn voor Uwe teerbeminde bruiden in het vagevuur.quot;
Het hart vervuld van het zalig genot, dat zij in de retraite, den tijd van vertrouwelijken omgang met God, had gesmaakt, gaf zij op den laatsten dag in de volgende woorden uitdrukking aan de gevoelens, die haar bezielden: ^Geef mij, Heer, die rust, welke mijne ziel in U doet wegsmelten, zoodat zij gedurende het gebed niets moge doen, dan naar uwe stem luisteren, en ten allen tijde Uw wil volbrenge zonder zorgen over het verleden of over de toekomst.quot;
Wat Mère Marie ondervond op haar heilig bruiloftsfeest kunnen geene woorden beschrijven. â
«O,quot; riep zij uit, «al te spoedig is die dag vervlogen; alleen in den Hemel zal ik zijns gelijke vinden.quot; Deze korte ontboezeming geeft ons den hoogen graad harer innerlijke ontroering en vreugde te kennen.
Volgens belofte verrichtte kardinaal Morlot de plechtigheid en bij die gelegenheid verheugde hij het hart van Mère Marie en harer geestelijke familie door de verleening van aflaten, toevoegelijk aan de zielen des vagevuurs.
Zoodra het genootschap der A uxiliatrices in geestelijk en tijdelijk opzicht op een zekeren grondslag was bevestigd, richtte de Overste hare gedachten op de uitbreiding der werkzaamheden en der godsvrucht, die het leven en
114
GELOOF EX GOEDE WERKEN.
de oorsprong was van hare instelling. Het had nooit in haar plan gelegen, haren werkkring binnen de grenzen van een klooster besloten te houden. Elk huis harer Orde moest het middelpunt zijn van werken van barmhartigheid, die verlichting aanbrachten aan de lijders aan gene zijde van 't graf. Vervuld van deze gedachte en bezield met het vaste vertrouwen, dat God, die haar tot een leven van liefdadigheid riep, ook in al hare levensbehoeften zou voorzien, richtte zij met goedkeuring van den aartsbisschop van Parijs eene vereeniging op van eereleden, die zich verbonden, naar vermogen mede te werken tot de uitoefening van dit apostelschap, waarvan de Zinspreuk luidt: bidden, lijden en werken voor de Geloovige Zielen. De voorwaarden van het lidmaatschap zijn gemakkelijk door iedereen na te komen, zoodat aanzienlijken, armen en zij, die met bezigheden zijn overladen, kunnen bijdragen tot de uitvoering van dit liefdewerk. Men geeft jaarlijks een aalmoes en bidt dagelijks de oefeningen van Geloof, Hoop en Liefde en het schietgebed: «Mijn Jezus, barmhartigheid.quot; Zeer vele personen lieten zich inschrijven. Het had in vele gevallen den schijn alsof afgestorvene vrienden de hulp inriepen van hen, wier tranen de eenige en wel vruchte-looze schatting waren geweest aan hun aandenken gebracht en alsof door dit genootschap de zielen op aarde weer op de gedachte kwamen om te bidden, wat men haast niet meer kende.
Het getal der eereleden groeide voortdurend aan. De Heilige Vader gewaardigde zich de broederschap te zegenen en verleende in i85o bijzondere aflaten aan
Il5
EEUWIGE GELOFTEN.
de gebeden, die door de leden werden opgezonden. Er waren echter personen, die wenschten nog nauwer met de Orde voor de Overledenen verbonden te zijn en er naar haakten, eveneens hun leven, voor zoover dat mogelijk was, aan dezelfde werkzaamheden toe te wijden. Voor deze personen werd eene andere vereeniging opgericht, genaamd: Confraternity of Asso ciates. Bij de gebeden, die door het eerelid worden verricht, zijn nog de Vespers voor de Overledenen gevoegd. Eenmaal in de maand wonen zij in de kapel het H. Misoffer bij voor de overleden betrekkingen, en bezoeken in gezelschap der Zusters de arme zieken ; 's maandags vergaderen zij tegen het middaguur in het klooster om voor de armen te werken. Deze bezigheid wordt stilzwijgend verricht of onder het aanhooren eener geestelijke lezing.
Den 21 Maart iSSq werden 28 dames in dit broederschap voor de Geloovige Zielen opgenomen. Van Mère Marie de la Providence, die zelve in vroegere jaren zoo goed de kunst had verstaan, hare huiselijke plichten met oefeningen van godsvrucht en werkdadige naastenliefde te vereenen, leerden zij den geest van zelfopoffering te vereenen met de plichten van haren staat.
In de jaarboeken der Orde wordt de gebeurtenis van dien dag aldus beschreven;
vOnze Eerwaarde Moeder richtte eenige woorden tot de 28 dames, die in ons huis waren vergaderd; daarna begaven wij ons naar de kapel. Om half negen verscheen kardinaal Morlot in ons midden en sprak tot de aanwezigen over hetgeen de Zegevierende Kerk in den Hemel,
GELOOF EN GOEDE WERKEN,
de Lijdende Kerk in het vagevuur en de Strijdende Kerk op aarde door hare voorspraak hoopte te verkrijgen, en over het goede, dat hare edelmoedige toewijding zou bewerken. Daarna zegende hij de zilveren kruisen, waarop de woorden waren aangebracht : «Bidden, werken en kjden.quot; De nieuwe leden knielden om het altaar en ontvingen de kruisen uit de handen onzer Eerwaarde Moeder. Gedurende de H. Mis die op deze plechtigheid volgde, deden de congreganisten de acte van toewijding en bezegelden haar godvruchtig verbond door de H. Communie.
Na afloop der plechtigheid sprak zijne Eminentie weder eenige woorden tot de aanwezigen en verbond aan de kruisen der congreganisten een aflaat in het stervensuur en de aflaten van den Kruisweg; ten slotte bad hij een «De Profundisquot; voor de zielen der overleden betrekkingen van alle aanwezigen. Daarna ontvingen de dames haar bewijs van opneming; en zijne Eminentie nam afscheid met de hartelijkste betuigingen zijner toegenegenheid en van ingenomenheid met hare edele daad.
117
Hoofdstuk XI.
BIDDEN, WKRKEX EN LIJDEN.
et handboekje dat aan de congreganisten op den dag harer opneming werd uitgereikt, bevatte als
inleiding de volgende spreuken uit de H. Schrift:
Oud Testament. «Reik den arme uwe hand, opdat uwe verzoening en zegening volkomen zij.quot;
Nieuw Testament. quot;Als nu de Zoon des men-schen zal gekomen zijn in Zijne heerlijkheid en al de engelen met Hem, dan zal Hij zich nederzetten op den troon zijner heerlijkheid. En voor «Wees dankbaar ten aan-' Hem zullen vergaderd worden
|
zien van alle levenden, maar onthoud ook een afgestorvene uwe dankbaarheid niet. »Laat de weenenden niet |
alle volken, en Hij zal ze van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt; en de schapen zal Hij stellen aan Zijne rechterzijde en de bokken aan Zijne linkerzijde. Dan zal de |
zonder troost en treur met 1 Koning zeggen tot hen, die
de treurenden.quot;
aan zijne rechterzijde zullen
BIDDEN. WERKEN EN LIJDEN.
zijn. Komt,gezegendenMijns Vaders ! Neemt bezit van het Koningrijk, dat voor u bereid is van de grondvesting der wereld af. Want Ik had honger en gij gaaft Mij te eten ; Ik had dorst, en gij gaaft Mij te drinken. Ik was een vreemdeling, en gij naamt Mij op ; Ik was naakt en gij bedektet Mij; krank, en gij bezocht Mij; Ik was in de gevangenis en gij kwaamt tot Mij. Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden en zeggen: Heer, wanneer zagen wij U hongerig en spijsden U; dorstig en laafden U ? En wanneer zagen wij U een vreemdeling en namen U op, of naakt en bedekten U ? Of wanneer zagen wij U krank of in de gevangenis en kwamen tot U ? En de Koning antwoordende zal u zeggen: Voorwaar Ik zeg u, voor zoover gij dit aan één van Mijne geringste broeders gedaan hebt, deedt gij het aan Mij.quot;
Eccl. 7. Math. 25, 3i â 40.
Het waren deze heerlijke onderrichtingen uit de H. Schrift, die Rourdeloue deden zeggen: --Het is niet vol-
119
«Het verdriete u niet den kranke te bezoeken, want door deze dingen zult gij gesterkt worden in de liefde.quot;
»Denk in alles wat gij doet aan uw uiterste en gij zult in eeuwigheid niet zondigen.quot;
*
BIDDEN, WERKEN EN LIJDEN.
120
doende, voor de overledenen te bidden; bovenal moeten wij om hunnentwil ons zeiven heiligen.quot; Dit werd ook door Mère Marie en hare dochters begrepen, en daarom waren zij vindingrijk in het opsporen van middelen tot hare eigene volmaking en die van den even-mensch.
Wij zagen reeds welken grooten invloed het opofferend voorbeeld der A uxiliatrices aan het ziekbed der armen en behoeftigen uitoefende. Hare edele zelfopoffering bij die ongelukkigen werd met schitterenden uitslag bekroond. Doch nu streefden zij er naar die met zooveel moeite verkregen goede gevolgen blijvend te doen zijn, en de zielen, die nauwelijks voor Christus herwonnen waren, in het goede te bevestigen. Te dien einde gaven zij godsdienstige onderrichtingen aan vrouwen uit de lagere klasse. Des Zondags komen deze vrouwen uit het klooster bijeen. De oefening begint met eenige korte gebeden voor de overledenen, want de gedachte aan de afgestorvenen is met ieder werk voor de overledenen onafscheidelijk verbonden. Daarna worden de Epistel en het Evangelie van den dag voorgelezen, waaraan eene korte verklaring wordt toegevoegd; de vrouwen ontvangen dan nuttige onderrichtingen en zingen gemeenschappelijk eenige godvruchtige liederen.
Gedurende dezen tijd belasten een of twee der jongere nonnen zich met de zorg voor de kleinen, die door de moeders naar het klooster worden meegebracht. In den zomer mogen de congreganisten na afloop der onderrichting vrij van den heerlijken tuin gebruik maken. Menigeen onder haar is reeds vroeger door de Zusters in ziekte ver-
BIDDEN, WERKEN EN LIJDEN.
pleegd en ontvangt nu nog raad en opbeuring, om in hare goede voornemens te volharden.
Dit werk breidde zich snel uit en werd onder de bescherming gesteld van den Gelukzaligen Petrus Claver, die nu is heilig verklaard.
Velen van haar, die deze bijeenkomsten bijwonen, worden op hare beurt apostelen. Zij verspreiden goede boeken onder hare buren en vriendinnen en brengen ook haar naar de Zondagsonderrichtingen. Wanneer men er in slaagt, vrouwen uit dien stand op te wekken tot ijver voor de belangen van God en voor het zielenheil van den even-mensch, dan staat men dikwijls verbaasd over de wonderbare bekeeringen, die zij bewerken. De Auxiliatrices vonden menige medewerkster in de rijen harer nederige congrcganisten. De gunstige uitkomsten, die zij zeiven verkregen en die haar dikwijls met verwondering vervulden, moesten zonder twijfel worden toegeschreven aan die wet der genade, volgens welke groote offers ook groote uitkomsten opleveren.
Het verplegen van arme schepselen, die dikwerf lijden aan terugstootende ziekten met eene langdurige verwaar-loozing hand in hand gaande, en wier zielen somtijds even zoo misvormd zijn als hun lichaam, is eene buitengewone liefdedaad in vrouwen, opgevoed in eene van weelde schitterende omgeving; het verwondere ons daarom niet, als de vruchten die zij oogsten, geëvenredigd zijn aan hare heldhaftige zeifopoffering.
Er worden in Frankrijk onder de lagere volksklasse personen gevonden, die aan volslagen onwetendheid een hevigen haat tegen priesters en kloosterlingen paren ; zij
121
BIDDEN, WERKEN EN LIJDEN.
schijnen ongenaakbaar op het punt van godsdienst. Maar ook onder deze ongeloovigen bewerken de A nxiliatriccs ontelbare bekeeringen. De dame in het zwart, die deze haters van 't christendom bezoekt, spreekt geen woord over God, dan na menig uur te hebben doorgebracht in de verpestende lucht van een vertrek, waar de Zoete Naam niet anders dan onder vloek en godslastering wordt uitgesproken. Zij, die vroeger door hare dienstboden gehoorzaamd werd, moet zich nu voegen naar de luimen van menschen, die door hoogen leeftijd of gebrek aan opvoeding ten hoogste grillig en prikkelbaar zijn. Een bed opmaken zonder lakens, een middagmaal bereiden zonder de noodige levensmiddelen, vuur ontsteken zonder tang of schop, dat alles zijn vraagstukken die de Anxiliatrices dikwijls moeten oplossen, en zonder twijfel worden er van haar nog moeielijker en onaangenamer zaken verlangt. Eene oude vrouw noodzaakte hare verpleegster, de vloer en de meubelen der kamer meermalen daags met een vederbos afteborstelen. De non die dit werk moest verrichten, had in de wereld tot eene aanzienlijke familie behoord, maar achtte zich overgelukkig, uren achtereen geknield op den vuilen grond der kamer te mogen doorbrengen ter wille van de ziel, die zij voor God poogde te winnen.
Van dag tot dag ziet de Zuster uit naar het uur, dat haar het meest geschikt toeschijnt, om over God of de Heilige Maagd te spreken. Onophoudelijk verzucht zij in haar hart tot de goedertieren Koningin des Vagevuurs, dan weder laat zij op de tafel een godvruchtig prentje achter, of zij vraagt verlof, een kruisbeeld aan den muur
122
BIDDEN, WERKEN EN LIJDEN.
der kamer op te hangen. Dan eindelijk, wanneer de herinnering aan het verleden, aan afgèstorven ouders of kinderen, of soms de gedachtenis aan de eerste H. Communie een traan doet opwellen in het doffe oog, of een zucht opstijgen uit het verteederde hart, dan maakt zij van de gunstige gelegenheid gebruik en gewaagt van een bezoek eens priesters, als vriend der armen gunstig bekend, die nu op zijne beurt aan dat ziekbed komt zitten, den zieke woorden van barmhartigheid en liefde toespreekt en eindelijk den zoeten troost smaakt, hem door eene rouwmoedige biecht met zijn God te verzoenen.
De Altxiliatrices oefenen zich in de kunst, harten voor God te winnen, en leeren het eveneens aan hare arme congreganisten. De vrouwen der broederschap van den H. Petrus Claver brengen het ver in die kunst, zij voeren dikwijls hunne echtgenooten, broeders en zonen terug in den schoot der Kerk.
Ieder jaar wordt er op het feest van haren H. Patroon eene H. Mis voor de congreganisten opgedragen, en ontvangen allen eene afbeelding van den Heilige, in wiens voorspraak zij groot vertrouwen stellen. Wanneer alle geheimen openbaar werden, zouden wij hier merkwaardige voorbeelden zijner hulp kunnen verhalen.
In de maand Maart heeft er eene loterij plaats, waarvan de prijzen door de leden der Congregatie kunnen worden gewonnen. Deze prijzen bestaan uit kleeding-stukken, godvruchtige afbeeldingen enz., en worden dooide dames, die in dit werk belangstellen, voor dit doel gegeven.
Ook is er voor het uitleenen van boeken eene inrich-
123
BIDDEN, WERKEN EN LIJDEN.
ting aan het klooster verbonden benevens eene zondagsschool voor arme meisjes; de ziekenverpleging echter blijft altijd het hoofdwerk.
De Auxiliatrices ondervinden grooten steun van den kant der Liefdezusters van den H. Vincentius te Parijs. Deze dragen haar dikwijls de zorg voor sommigen harer zieken over, en wederkeerig ontvangen de Auxiliatrices uit de keuken en de apotheek dier Zusters de noodige geneesmiddelen. Op alle mogelijke wijzen wordt aan de Auxiliatrices inlichting verstrekt. De geneesheer van het bureau van weldadigheid toont haar gevallen aan, waar hare hulp wordt vereischt. Vrienden en betrekkingen van arme verpleegden komen haar halen. Een naamlooze brief maakt haar met het een of ander treurig geval bekend. Altijd wordt in de eerste plaats een ervaren en voorzichtig persoon uitgezonden, om zich te vergewissen, dat de christelijke voorzichtigheid aan de zusters veroorloofd, de zorg voor den bedoelden patiënt op zich te nemen. Des nachts gaan zij niet uit. Wanneer zij zich genoodzaakt zien, een zieke gedurende den nacht te verplegen, dan gaan zij reeds vroeg in den avond naar zijne woning en verlaten die in den morgen. Bij dag brengen zi] verscheidene uren achtereen aan het ziekbed door, maar op vastgestelde uren keeren zij tot het verrichten der gemeenschappelijke geestelijke oefeningen in het klooster terug, opdat de geest der orde niet verslappe en het werk door gebed worde geheiligd.
Gedurende de eerste jaren van het bestaan harer Congregatie hadden de Auxiliatrices onder de leiding harer vrome stichster een regel nageleefd, die deze uit de re-
124
BIDDEN, WERKEN EN LIJDEN.
gels van verschillende andere Orden had samengesteld, doordien zij daaruit datgene koos, wat voor de behoeften van hare eigene Congregatie het meest geschikt scheen te zijn. Maar nu was de tijd gekomen, dat er aan de Zusters een meer bepaalden vorm van bestuur zou worden gegeven. Pater B... van de Sociëteit van [ezus nam gedurende verschillende maanden de godsdienstoefeningen in het klooster waar. Mère Marie schreef aan de voorspraak der H. Gertrudis al de geestelijke voordeden toe, die haar door den liefdevollen ijver van dezen priester reeds waren toegevloeid; immers het was op het einde der negendaagsche oefening ter eere van Gertrudis dat pater B... tot de Zusters gekomen was. Nimmer echter had er tusschen hem en de Eerwaarde Moeder een vertrouwelijk onderhoud plaats. Op zekeren dag nu maakte hij haar eene kleine opmerking, en dit gaf aan Mère Marie aanleiding, hem te zeggen, dat zij hem voor iedere raadgeving ten hoogste dankbaar zou zijn, en zij voegde er met hare gewone openhartigheid bij : «Uziet, Eerwaarde Pater, dat onze Congregatie nog pas in wording is, en ook ik ben nog een nieuweling; U bewijst mij dus eene tweevoudige liefdedaad, wanneer U mij helpt en onderwijst in datgene, waarin ik anderen moet onderwijzen, zonder het zelf geleerd te hebben.quot;
Sedert dien dag ondervond Mère Marie de la Providence, dat de H. Gertrudis niet slechts een geestelijke, maar een vader voor haar had verkregen, want deze vrome priester ontving van zijne Oversten verlof, zich geheel aan de geestelijke belangen der jeugdige stichting te te wijden.
125
BIDDEN, WERKEN EN LIJDEN.
Met geheel zijn apostolischen ijvergloed streefde hij er naar, het verlangen naar volmaaktheid in de Zusters hoog op te voeren. Terwijl hij hierbij het voetspoor der Meesters van het geestelijk leven volgde, trachtte hij de Zusters te doordringen van de diepste zelfvernedering, als den grondslag aller volmaaktheid. Op de meest bezochte plaatsen des huizes liet hij op de muren het woord aanbrengen, dat hij diep in het gemoed wilde prenten : quot;Ab-neget semetipsum ,quot; men verloochene zich zeivenquot;; hij kweekte in deze nieuwe instelling de liefde tot vernedering aan, zooals de H. Ignatius dat leert; en toen gaf hij haar als de kostbaarste aller gaven den regel zijner eigene Societeit.
Toen de pastoor van Ars vernam, dat zij den regel van den H. Ignatius hadden aangenomen, voor zoover dit in een vrouwelijk genootschap mogelijk is, riep hij uit: «O,die goede kinderen! Nu is alles in orde. Zij hadden niet beter kunnen doen.quot; Van dit oogenblik af gingen de Auxiliatrices met rassche schreden vooruit op den weg der heiliging.
Hare heilige regel werd voor ieder van haar een voortdurend onderwerp van overweging en de bron van een onafgebroken streven naar heldhaftige volmaking.
De Eerwaarde pater Félix, die korten tijd na het hierboven verhaalde in eene welsprekende rede de belangen der Geloovige Zielen bepleitte, eene rede, die menig hart heeft doen besluiten, zich aan haren dienst te wijden, eindigde zijn geestdriftig beroep met deze woorden: «Kon ik de tong der engelen leenen, en U in tonen van hemelsche melodie aalmoezen afsmeeken voor onze broeders in het vagevuur! Ja, ik eisch van U eene drie-
126
BIDDEN, WERKEN EN LIJDEN.
voudige liefdedaad, om de arme zielen ter hulp te komen. Kiest tot kernspreuk die der Auxiliatrices en handelt er naar. â «Bidt, lijdt, arbeidt!quot; â Vereenigt U met haar, en helpt door haar voorbeeld aangevuurd die arme lijders door den steun der weldadigheid en door de kracht van heldhaftige opoffering.quot;
Deze redevoering verscheen in druk onder het opschrift: «De Overledenen, in lijden en verlatenheid,quot; en zij droeg vruchten. Door haar werd menigeen bekend met het bestaan der nieuwe Orde, en dit had ten gevolge dat menige roeping ten haren voordeele werd beslist. Eene zuster, die zich nu in het klooster te Parijs bevindt, leefde in eene ver verwijderde stad in Frankrijk, toen deze preek haar toevallig in handen kwam.
Niet zoodra had zij vernomen, dat er eene congregatie bestond, die de verlossing der arme zielen ten doel had, of niets kon haar van het besluit afbrengen, zich bij die vereeniging aan te sluiten. Zij vertrok naar Parijs en werd onder de Auxiliatrices opgenomen.
Pater de Ponlevoy, wiens naam nauw verbonden is met dien van den godvruchtigen pater de Ravignan, stelde belang in de kleine instelling, en preekte dikwijls in de kapel van 't klooster. Tweemaal leidde hij de Geestelijke Oefeningen voor deze nieuwelingen in het religieuze leven, en versterkten haar in den geest harer roeping. Aan iemand die hem dienaangaande inlichtingen had gevraagd, schreef hij: «Op mijne reis naar het Zuiden van Frankrijk deed ik Parijs aan en kan U aangaande deze nieuwe geestelijke familie uitstekende berichten geven. Ik ken haar zeer goed; wij geven
127
bidden, werken en lijden.
haar dikwerf onderrichtingen. Hare regels zijn naaide onze gevormd. De geest der orde is goed en hare werkzaamheden zijn talrijk en nuttig.
De volgende brief van den Hoogeerwaarden Pater Generaal der Sociëteit van Jezus was voor Mère Marie de la Providence een verblijdend teeken van St. Ignatius' bescherming en een onderpand zijner belangstelling voor hare geestelijke kinderen. Zij had een schrijven aan hem gericht, waarin zij verzocht om eene gift voor de arme zielen. Hij antwoordde:
«De devotie tot de Zielen in het Vagevuur is aan onze Sociëteit steeds dierbaar geweest, en een onzer voorgangers. Pater Laynez, beschouwde haar als een noodzakelijk gevolg van het doel onzer instelling en beval daarom die godsvrucht dringend aan; bijgevolg wras ik aanstonds genegen te voldoen aan het verzoek, dat Uw brief bevatte, en sta volgaarne van het getal H. Missen, dat ik ter mijner beschikking heb, 5oo tot lafenis der Geloovige zielen af. Ik bid Onzen Heer, dat Hij bij voortduring zijne rijkste zegeningen moge uitstorten over U, Eerwaarde Moeder, en over de vurige zielen, die zich met U vereenigd hebben in het heilige werk, dat Gij hebt ondernomen. In de H. Harten van Jezus en Maria verblijf ik
Uw zeer nederige dienaar in Christus
Petrus Beckx.
(Generaal der Sociëteit van Jezus.)
128
BIDDEN, WERKEN EN LIJDEN.
Terwijl Mère Marie aldus met zoovele genaden en zichtbare bewijzen der Goddelijke bescherming werd begunstigd, onthield O. L. Heer haar toch niet de beproevingen, waardoor Hij gewoon is, Zijne uitverkorene zielen te reinigen. Naarmate de uiterlijke moeilijkheden die hare onderneming omringd hadden, verdwenen of ten minste verminderden, werd hare ziel ten prooi aan een geheel vreemdsoortig lijden. De druk van dit inwendige kruis perste haar somtijds klaagtonen af, die de hevigheid barer smart verrieden.
i) Goede Jezus, ik ga gebukt onder een onbeschrijfelijk kruis. Verleen mij den wil gekruisigd te worden. De smarten van Calvarie hebben mijne ziel omvangen. Ik ben overweldigd en kan het hoofd niet opheffen, O God, ik smeek U, geef mij liefde tot lijden en offers. Neem mij, o Goddelijke Meester, en hecht mij aan het kruis. Ik ben Uw slachtoffer, maar geef mij moed de scherpte Uwer liefdevolle slagen te verduren. Ik zie vóór mij een kruis, het teeken Uwer Helde, en om eiken prijs ben ik besloten, het op te nemen en te torsen. Uwe vijf wonden moeten mijne voortdurende devotie zijn. O Jezus, ik smeek U, geef mij moed.quot;
Onafgebroken lichamelijke smarten, die altijd dreigden hare zedelijke werkkracht te overmeesteren, ofschoon het nooit zoover kwam, veroorzaakten ha^r somtijds een voorbijgaand gevoel van moedeloosheid, dat haar te smartelijker aandeed, omdat het onbestaanbaar was met de bijzondere richting van haren natuurlijken aard en van haar geestelijk leven. De last barer
9
BIDDEN, WEKKEN' EN LIJDEN.
verantwoordelijkheid met betrekking tot de zielen, die aan hare leiding waren toevertrouwd, en de zorgen, verbonden met het bestuur eener uitgebreide geestelijke familie drukten loodzwaar op hare ziel, en brachten een soort van benauwdheid teweeg, waarin zij op zekeren dag in een schrijven aan den pastoor van Ars lucht gaf. In zijn naam antwoordde de abbé Tocca-nier als volgt :
«De pastoor zegt «Waarom verwondert zij zich over het lijden dat zij verduurt, nadat zij zich als slachtoffer voor de Geloovige Zielen heeft opgedragenquot; Ik drong er op aan, dat hij mij zijn gevoelen zou meè-deelen ten opzichte der bijzondere beproeving, die gij ondergaat. Hij antwoordde: «Het is Gods wil dat zij deze marteling verduurt, om door middel daarvan zegeningen over haar zeiven en over haar huis te doen nederdalenquot;. Gij weet dat ik alleen zijne eigen woorden en niets anders nauwkeurig overbreng, en dat ik er niet in wil beslissen, of hij spreekt uit ingeving dan wel ten gevolge zijner lange ervaring in de wegen der Goddelijke genade. In ieder geval moet het U tot troost verstrekken, een dergelijk antwoord van hem te ontvangen. Onze goede pastoor is van meening, dat Uw arbeid zonder twijfel welgevallig is aan God en dat de vurige gebeden Uwer Zusters en de offers, die zij brengen, aan de Geloovige Zielen verkwikking geven; de zichtbare bewijzen der Goddelijke goedheid jegens Uw genootschap toonen dit ten duidelijkste. Wat het getal betreft der zielen, tot wier verlossing gij hebt bijgedragen, dat is eene vraag, die hij
i3o
BIDDEN', WERKEN EN DIJDEN.
niet kan beantwoorden, daar hij geen profeet is; en hij zegt, dat wij niet met overdreven bezorgdheid moeten trachten, den sluier te doordringen achter welken de Goddelijke wil deze geheimen van lijden en uitdel-ging voor ons verbergt. Hij merkt op dat de duivel zijn best doet, om U te ontmoedigen, en voor dat doel alle mogelijke kunstgrepen gebruikt. Laat U hierdoor niet misleiden. Ziedaar den inhoud van zijn antwoord, toen ik hem Uw brief toonde. Ik wenschte dat ik U meer licht en vertroosting kon geven.quot;
Ofschoon in persoon afwezig, had M. Vianney steeds de congregatie in den geest bestuurt, en deze ook beschouwde hem als haar stichter en vader. Hij hield een wakend oog op de kleinste zaken, die deze instelling betroffen en veroorloofde geenerlei afwijking van hare oorspronkelijke bestemming. Men had de Overste aangezocht, om ook het onderwijs onder de werkzaamheden op te nemen. Zij zelve was in gevoelen hiertegen, maar tot grooter zekerheid legde zij de vraag aan den pastoor van Ars voor. Als gewoonlijk ontving zij door M. Toccanier zijn antwoord :
quot;Ik deelde den inhoud van uw schrijven aan den pastoor mede. Zijn antwoord luidde zoo duidelijk en beslist als ooit. Ik vroeg hem, of hij bidden en de zaak in overweging wilde nemen, om U daarna met zijn besluit bekend te maken, maar hij zeide :
«Geloof mij, daaromtrent bestaat geen twijfel. Zij moet voortgaan zooals zij tot dusver gedaan heeft. Hare denkbeelden zijn juist.quot; Toen sprak hij van zijn weeshuis «Godquot;, voegde hij er bij, «heeft met een ieder
l3l
BIDDEN, WERKEN EN LIJDEN
van ons verschillende oogmerken. Iedereen heeft zijn bepaalden werkkring, zijne zending; en dit is meer in het bijzonder van toepassing op hen die eene Orde stichten. Er is overvloed van scholen voor de gegoeden, en daar de Zusters op de Voorzienigheid bouwen, zal het dagelijksch brood haar niet ontbreken.quot; Dit schijnt voldoende U in dit punt gerust te stellen en te versterken in het voornemen, alléén voor de Zielen des Vagevuurs te arbeiden, en wel door werken van barmhartigheid jegens de armen. Op die wijze handelt gij in den geest van Christus en gij verlicht tevens Zijne bedroefde kinderen hier op aarde en in het vagevuur.quot;
In xSSg kwam de getrouwe vriend en medewerker van den pastoor van Ars te Parijs en bezocht toen het klooster. Bij zijne thuiskomst te Ars schreef hij den volgenden brief aan de stichtster der Auxili at rices : )i Op mijne schrijftafel liggen ontelbare brieven, die om antwoord schijnen te roepen, maar ik kan mij vooreerst aan dat geroep niet storen, want ik moet eerst uwen brief beantwoorden, dien ik zoo even ontving. Ja, waarlijk, ik heb hier te Ars met onzen goeden vader over zijne geestelijke familie te Parijs gesproken. Heel breedvoerig heb ik hem alles verhaald, ook de belangwekkende bijzonderheden, die gij mij hebt meegedeeld omtrent de stichting uwer Congregatie. Wij waren nog niet bekend met al de beproevingen en de genaden, die dat begin vergezelden. Hij schreide tranen van vreugde, toen ik hem verhaalde van de kroon der Heilige Maagd, van den zegen des H. Vaders, en wel het meest was hij ontroerd toen hij vernam met welk geduld uwe dierbare
BIDDEN, WERKEN EX LIJDEN.
goede Zusters in Rue St. Martin achtereenvolgens zich wel met tienderlei bezigheden onledig hielden, en hoe de wonderbare tusschenkonist der Voorzienigheid gedurende dien tijd in al mve dagelijksche behoeften voorzag. Ik besloot mijn verhaal aldus ; )Dezc I we geestelijke '1 ichters gevoelen zich allen gelukkig. Eerwaarde Heer, zich met U in lijden te mogen vereenigen voor de Zielen des Vagevuurs. Terwijl zij de zieken oppassen en de dooden begraven arbeiden zij evenals gij voor de bekeering der zondaars. Zij zouden Ij zoo gaarne zien. Hid veel voor haar.quot; â gt;Ja dat zal ik doenquot;, antwoordde hij. â )Anne, geliefde kinderen ! Zij hebben er groote behoefte aan. Hare onderneming is waarlijk een werk van deu goeden Godquot;. gt; Het is mogelijk,quot; hernam ik,
dat de Eerwaarde moeder l zal bezoeken. «O, des te beter! Haar bezoek zal mij aangenamer zijn dan dat eener koninginquot;.
Den 4 Augustus van dat jaar stiert de pastoor van Ars; maar hij leeft voort in de harten en in de herinneringen der orde, die zooveel aan zijne gebeden en aan zijne leiding te danken heelt. Zijn naam is dikwijls op hare lippen; menigmaal reeds verkregen de Zusters door zijne voorspraak wonderbare genezingen. Ieder voorwerp van hem alkömstig wordt door haar zorgvuldig bewaard en vereerd. Op de muren der spreekkamer te Parijs hangen de eenvoudige afbeeldingen, die aan zijn streng armoedig leven herinneren; zij stellen de talereelen voor zijner eebeden en werkzaamheden en herinneren de bezoekers aan den afgestorven heilige van het moderne Frankrijk.
Twee maanden vroeger, in Juni, had de abbé Tocca-
BIDDEN, WERKEN EN LIJDEN.
nier aan Mère Marie geschreven: «Mijn dierbare, heilige pastoor vernam met vreugde, welke overvloedige zegeningen over U zijn neergedaald. Niet wetende wat anders U te zenden, sluit ik hierbij een zijner haarlokken en een prentje in, waaronder hij zijn naam heeft gezet.quot; Reeds vroeger had zij van M. Viannev een medaillon ontvangen met de afbeelding der Heilige Maagd en van het Goddelijk Kind op agaatsteen geschilderd. Na den dood van haren gemeenschappelijken vriend en vader zond M. Toccanier haar een handdoek, die in zijn bloed was gedoopt, en eenige andere voorwerpen uit zijne nalatenschap, o. a. zijn rozenkrans waaraan hij zoovele jaren en bijna voortdurend gebeden had. Hi] ging over in handen, die zulk eene kostbare schenking waardig waren; en tot in de ure des doods droeg Mère Marie de la Providence dit geschenk als haren kostbaarsten schat met zich rond.
Het verlies van haren vromen leidsman, wien zij zooveel dank wist, was de grootste aardsche beproeving, die dit beminnende en toegenegen hart kon treffen. Zij gevoelde, dat menschelijker wijze gesproken, dit verlies onherstelbaar was; maar bracht zich de woorden voor den geest, die hij zelf eenige jaren geleden tot haar had gesproken bij den dood van dien goeden aartsbisschop, Mgr. Sibour, die de eerste schreden harer ver-eeniging op den moeielijken weg had gezegend en ondersteund ; het verlichtte haar, bij deze nog zwaardere beproeving aan die woorden te denken. In dien tijd had M. Toccanier haar in zijnen naam geschreven :
«Het valt mij lichter, ik beken het, met U te weenen
134
BIDDEX, WERKEN EN LIJDEN.
dan U te troosten. De dood van uw heiligen bisschop ontneemt U hier op aarde een beschermer, maar in den Hemel zal hij over U waken. Daar gij de kinderen der Voorzienigheid zijt, moet hare leiding voor aller oogen zichtbaar worden. De Lijdende Kerk moet hare martelaren op aarde hebben. De goede pastoor bidt voor U en zegent U. Een huis dat op den berg des lijdens gebouwd wordt heeft storm noch regenvlagen meer te vreezen; het draagt het goddelijk zegelquot;.
Dit zegel ontbrak niet aan de geestelijke stichting van deze kloekmoedige vrouw. Het was ingedrukt in iederen stap, die naar hare voltooiing leidde, maar ook elk kruis bracht eene vermeerdering van genade en kracht mede.
Hoofdstuk XII. NANTES EN CHINA.
a «râ¢! || et aantal Zusters in Rue de la Barouillère nam steeds toe, en het huis bleek weldra te klein, om haar allen op te nemen. Bovendien was het onmogelijk, de nieuwelingen op te leiden volgens den regel van den H. Ignatius, wanneer niet een afzonderlijk gebouw voor dat doel werd ingericht. Als Mère Marie inzag, dat de eene oi' andere zaak voor het welzijn harer inrichting wens'chelijk was, dan twijfelde zij er niet aan, dat God haar de middelen zou geven, om die zaak te erlangen, en zoo ging zij op zekeren dag bij haren buurman vragen, of hij niet genegen was, zijn huis te verkoopcn. Het antwoord luidde echter, dat hij daar volstrekt niet aan dacht, en zijne vrouw verzekerde buitendien dat niets in staat zou zijn, hem ooit uit zijn huis te verdrijven. In het minst niet ontmoedigd begon Mère Marie voorloopig met al hare Zusters eene novene tot den H. Jozef en beloofde, geheel haar leven lang iederen dag het kleine officie van
XANTES EX CHIXA.
haren hemelschen beschermer te bidden. Van dat oogen-blik af verdwenen de moeilijkheden en eenige dagen later was de koopakte geteekend. Het huis werd St. Jozef genoemd en daags na deze gebeurtenis ontving Mere Marie een prachtig beeld van den heiligen patroon van het nieuwe novicaat. De gever, een beroemd kunstenaar, was onkundig van de novene en haren uitslag. Dit had plaats den 29 September 1861. Geheel vervuld van dankbaarheid placht Mère Marie dikwijls uit te roepen : «O kon ik toch elkeen te verstaan geven, hoezeer ik te midden van alles wat God voor mij doet, mijne eigen nietigheid gevoel, en hoe ellendig het werktuig is, waarvan Hij zich zoo goedgunstig wil bedienen.quot; Het was zender twijfel verblijdend voor het moederhart van Mère Marie, te zien hoe het getal har er geestelijke kinderen steeds aangroeide, en hare inrichting zich voortdurend uitbreidde; maar deze snelle aanwas had noodzakelijkerwijze ook smartelijke gevolgen. Hare kinderen hadden tot nu toe onder gemeenschappelijken arbeid, en als tot ééne familie vereenigd en onder de vleugelen derzelfde teergeliefde moeder geleefd, maar nu naderde het oogen-blik, dat zij uiteen zouden gaan, om ook andere steden de vruchten van haren zegenrijken arbeid te laten genieten. Deze splitsingen zijn voor elke nieuwe Orde tegelijk een zegen en eene beproeving. Nantes was de eerste plaats waar zich eene kleine kolonie der Auxilia-trices vestigde.
Het was den 7 October 1861 toen eene jonge dame uit Nantes aan Mère Marie den wensch te kennen gaf de Auxiliatrices ook in hare woonplaats te zien. Zij.
137
NANTES EN CHINA.
toonde zeer groote ingenomenheid met de werkzaamheden der jeugdige Congregatie en ofschoon haar wensch vooralsnog onbeantwoord bleef, hield zij niet op, in hare briefwisseling met Mere Marie herhaaldelijk op de zaak terug te komen. Ook andere personen drongen er bij de Overste op aan, dat zij een huis harer Orde te Nantes zóu oprichten. Er waren echter velerlei redenen die Mere Marie deden aarzelen, zoo aanstonds dit verzoek in te willigen. Tal van moeielijkheden en daaronder op de eerste plaats zware geldelijke offers waren er aan eene dergelijke nieuwe stichting verbonden, en deze dienden wel overwogen te worden. Maar toch deze bezwaren schenen gering bij de ééne vraag die alleen bij Mère Marie in aanmerking kwam: was het Gods wil ? De overweging hiervan en het zoeken naar licht veroorzaakte haar somtijds eene koortsachtige opgewondenheid; zij zelve zegt ons, dat zij in dien tijd bij de gedachte aan Nantes iederen keer van schrik werd bevangen. Veel bad zij zelve, veel liet zij bdden. Zij nam hare toevlucht tot Notre-Dame des Victoires en tot haren getrouwen beschermer den Heiligen Jozef. Aldus verliepen er drie jaren. In haren kinderlijken omgang met God vroeg zij onophoudelijk om duidelijke aanwijzingen van den weg dien zij te volgen had, en de Goddelijke Voorzienigheid, die haar niets kon weigeren, leidde ook nu alle voorvallen en omstandigheden zoo, dat er bijna geen twijfel omtrent Gods roepstem kon overblijven.
Den 2 Juni 1864, den vooravond van het feest van het H. Hart, voelde zi] zich aangespoord, zichzelve
NANTES EX GHINA.
op eene geheel bijzondere wijze onder de bescherming te stellen van het Heilig Hart van Jezus. Zij vroeg aan de Zalige Margareta Maria heur hart aan haar te schenken, en smeekte den Goddelijken Zaligmaker, dat Hij de stichting van Nantes in Zijne hand zou nemen: tegelijkertijd herinnerde zij Hem aan Zijne belofte, dat Hij nimmer zou afslaan, wat wij Hem op het feest van het H. Hart zouden vragen. Dien dag ontving zij twee openbaringen van Gods wil, en deze deden haar eindelijk besluiten, tot de uitvoering harer lang beraamde plannen over te gaan. Den 14 Juni zond de bisschop van Nantes haar het volgende aanmoedigend schrijven :
«Eerwaarde Moeder, âVan ganscher harte heet ik U welkom in mijne diocese en bisschopstad. Uwe onderneming is eene christelijke onderneming, die in de Kerk nog niet bestond.
Uwe aankomst zal met vreugde door onze goede en godsdienstige bevolking worden begroet. Kom dan, dierbare Eerwaarde Moeder, en gij allen, geliefde dochters in Christus. Bij voorbaat reeds geef ik U mijn zegen.
De staat mijner gezondheid zal mij in den eersten tijd iniet veroorloven, U dikwijls te zien, maar ik hoop dit gemis later te herstellenquot;.
De beloften van den goeden bisschop gingen in vervulling. Zijne geloovigen betuigden groote ingenomenheid met den arbeid der Auxiliatrices en namen aanstonds deel aan hare werkzaamheden en onafgebroken godsvrucht voor de overledenen. Alle standen wedijverden in het aanbrengen van alles, wat dienen kon, om het nieuwe klooster naar wensch in te richten; en de edel-
i3g
XAXTES EN CHINA.
moedigheid der eerste weldoeners is sedert dien tijd niet verminderd.
Mgr. Jacquemet was gedurende zijn geheele leven een goed vader en vriend voor de dochters van Mère Marie de la Providence, enquot;ook zijn opvolger Mgr. Tournier blijft steeds de grootste belangstelling koesteren voor hare Orde en hare werkzaamheden.
Wij zeiden reeds dat een der paters Jezuïeten te Parijs de Eerwaarde pater B..., zich met ongeëvenaarde bezorgdheid aan de opkomende Congregatie toewijdde. Hij was er op uit, in deze nieuwe Orde den geest van den H-i Ignatius en diens karakteristieken apostolischen ijver, aan te kweeken. Onvermoeid arbeidde hij voor de bereiking van dit doel, en er verliep geen dag, waarop niet de moeder dezer geestelijke familie aan God en aan de H. Gertrudis hare innige dankbaarheid en vreugde betuigde voor de groote zegening, die haar in dezen waardigen priester was geworden. Maar ziet, geheel onverwachts en met de snelheid waarmede zulks bij de paters Jezuïeten pleegt te geschieden, zou haar leidsman, vader en vriend, als het ware, de novicenmeester harer geestelijke kinderen misschien voor immer Parijs verlaten, om in China aan de bekeering der heidenen te arbeiden. Dit was voorzeker eene harde beproeving en geene alledaagsche gelegenheid, om van eene blinde en geloovige onderwerping des harten aan God blijk te geven. Ook nu sprak zij het fiat met haren gewonen moed, maar de zoete troost de beteekenis dezer beproeving te erkennen, werd haar nu nog niet geschonken.
Twee jaren later, in 1S67, kwam Mgr. Languillat,
14°
NANTES EN CHINA.
Apostolische vicaris van Kiang-nan, te Rome ten gevolge der uitnoodiging, die de H. Vader tot alle Katholieke bisschoppen had gericht, ter viering van het eeuwfeest van St. Pieter; op zijne terugreis bezocht hij Parijs. Hij kende de levendige belangstelling van den eerwaarden pater B____, missionaris te Shangai, voor het geestelijk genootschap, waarvan hij de eerste jschreden had geleid, en wenschte hem bij zijne terugkomst te kunnen meedeelen, dat hij het klooster waarover hij hem zoo dikwijls sprak, bezocht had. Zoo kwam het, dat de doorluchtige prelaat van het verafgelegen gewest den 4 Augustus van dat jaar verlof kreeg, om in de kapel der Auxiliatrices de H. Mis te lezen. Terwijl hij de PI. Offerande opdroeg kwam de gedachte bij hem op, dat de Zusters van dit huis misschien ue aangewezen nonnen waren, die hij zocht, om zich te belasten met de zorg voor een klein 'getal Chineesche meisjes in zijn diocees en voor het bestuur zijner weeshuizen. Deze gedachte maakte zich zoozeer van hem meester, dat hij na het verrichten zijner dankzegging aanstonds tot de Eerwaarde Moeder ging en haar zeide: Ik geloof hier gekomen te zijn om hulp te zoeken onder de Auxiliatrices.quot;
)gt; Hoe zoo. Monseigneur?quot; antwoordde deze verwonderd.
..Wel, denkt gij alleen werkzaam te zijn in dit kleine hoekje der aarde?quot; sprak hij met een glimlach.
Uenzelfden dag kwam pater de Ponlevoy, Provinciaal der Jezuïeten, op het denkbeeld, dat de Auxiliatrices door de Voorzienigheid waren aangewezen, als medewerksters der missionarissen, en om de zorg voor
NANTES EN CHINA.
de Chineesche weeshuizen op zich te nemen. Hij wist niet, dat Mgr. Languillat in haar klooster de H. Mis had opgedragen; maar zoodra hij hem dien dag ontmoette deelde hij hem zijne gedachten mede en beiden meenden in deze overeenstemming van gedachten een teeken van Gods wil te moeten zien. Wat Mere Marie betreft, zij overwoog de woorden van den bisschop en herhaalde altijd bij zich zelve, «zullen wij alléén werkzaam zijn in dit kleine hoekje der aarde ?quot; Toen zij nu hoorde dat Mgr. Languillat haar wenschte te spreken begon haar hart hevig te kloppen. De prelaat was gekomen in gezelschap van pater de Ponlevoy, om met haar de mogelijkheid eener nieuwe stichting in China te bespreken.
«Geloolt gij dan dat het onmogelijk zou zijn ?quot; vroeg de pater Provinciaal.
'â¢Onmogelijk, Eerwaarde pater!quot; riep zij uit. â nis onmogelijk een christelijk woord?quot; â nik moet bekennen dat ik nog nimmer aan zoo iets heb gedacht. Onze congregatie is nog zoo nieuw, en bestaat alleen in Frankrijk. Hoe had ik van China kunnen droomen?quot;
«Maar indien het Gods wil is?quot; hervatte de pater.
«O, wanneer ik daarvan duidelijke bewijzen had, dan natuurlijk zou ik niet anders kunnen zeggen dan : «Zie de dienstmaagd des Heeren.quot;
Pater de Ponlevoy verhaalde haar nu, hoe de gedachte aan deze stichting gelijktijdig en onalhankelijk van voorafgaande mededeelingen over dit onderwerp bij Mgr. Languillat en bij hem was opgekomen, en gaf als zijne meaning te kennen, dat de hand der Voor-
142
NANTES EN CHINA.
zienigheid hier zichtbaar was. Hierop vroeg hij verlof de gezamenlijke kloosterzusters te zien en tot haar te mogen spreken. Toen zij allen vereenigd waren richtte hij tot haar eenige woorden over de Chineesche missiën en verzocht den bisschop, een Wees Gegroet in de Chineesche taal te willen bidden. Daarna vroeg hij of iemand onder haar het verlangen had, zich aan de missiën te wijden, en de Eerwaarde Moeder voegde er bij : â¢gt; Mijne kinderen, laat degenen onder U opstaan, die wenschen naar China gezdhden te worden.quot; Velen van haar stonden op, en' de bisschop en de Eerwaarde pater vertrokken met gevoelens van innige dankbaarheid in het hart jegens God, die zulk een glinste-renden vonk van apostolischen ijver op dien dag in deze zielen had ontstoken.
De goede Moeder begon nu vurig te bidden, om van den Hemel het noodige licht af te smeeken. Nog was zij bezorgd dat deze onderneming te stout zou wezen, nog van den anderen kant verblind door het aanbod eener zoo roemrijke missie.
Zij schrijft in dien tijd :
quot;Ik ben waarlijk in een staat van onverschilligheid. Ik hel naar rechts noch links. Ik kan hiervan geen reden opgeven en ben verwonderd, dat ik in zulk een gewichtige zaak geen wil heb. Dit is niet het geval met mijne dochters, N.N. wel een bewijs, dat eene roeping tot het missieleven in onze Orde van duur zal zijn.
Aldus bleef zij naar licht zoeken en bedelde overal gebeden af, terwijl hare nonnen op beslissing ter gunste harer apostolische wenschen aandrongen. De Overste
143
X ANT ICS i;x CHIXA.
\'an het klooster te Nantes schreef haar in dien tijd ;
»Onder de tegenwoordige omstandigheden ken ik ffeene srootere versterving; dan die, niet naar China
O O
te gaan.quot;
M ère Marie wilde echter geen besluit nemen zonder toestemming van haren leidsman. Zij was vast besloten, niet te handelen dan in gehoorzaamheid, en met geduld wachtte zij den dag af, dat haar geestelijke vader, pater Olivaint, â wiens bijzondere toewijding aan hare Orde zich, als het ware, met de gedachte aan zijne laatste levensdagen heeft vereenzelvigd, â uit zijne retraite zou terugkeeren, â eene dier ware retraites, waarvan hij de geheimen ons in het heerlijke dagboek zijner overwegingen heeft ontsloten. Wanneer wij het verslag lezen van die geheel bijzondere geestelijke afzondering van het jaar 1867, die hij Het Einde heeft betiteld; dan verwondert het ons niet dat hij op de vraag zijner vrome biechtelinge, of hare geestelijke kinderen zich in de reien der apostolische dienaars van Christus mochten scharen en misschien in die van het in 't wit gekleede leger der martelaars, antwoordde : »Ik geloof, dat het Gods wil is;quot; o, dan verwondert het ons niet, dat Mere Marie zijne woorden opnam, als uit Gods mond voortkomende. Aanstonds na dit onderhoud schreef zij aan Mgr. Languillat ;
«Hoogeerwaarde Heer. â Eiken dag hoopte ik te vernemen, dat U in Parijs was teruggekeerd, maar ofschoon U nog steeds afwezig is, wil ik niet langer dralen , U, pater Olivaints beslissing mede te deelen met betrekking tot den gewichtigen sta}), dien wij moeten zetten.
NANTES EX CHINA.
Zijne meening komt geheel overeen met die van pater Provinciaal. Zij zeggen mij beiden, dat het Gods wil is, dat Avij naar China gaan. Terwijl ik dus handel met hun goedvinden en volgens hun wensch, neem ik het voorstel aan, dat pater de Ponlevoy mij deed. Het is door uw toedoen, dat het Goddelijk Hart van Jezus aan de Auxiliatrices de genade verleent, aan het missiewerk deel te nemen, eene genade die, wel is waar eene meer volkomen vernietiging en grooter lijden vraagt, maar die tevens overvloediger middelen aanbiedt, om de arme Zielen des Vagevuurs bij te staan en te bevrijden, en dat is het eenige voorwerp en doel onzer instelling. Nu blijft ons nog over, in overleg met Uwe Doorluchtige Hoogwaardigheid, den tijd en de wijze der uitvoering onzer plannen vast te stellen. Den i3 Augustus â den laatsten dag der novene tot den H. Geest â heb ik met de Eerwaarde paters de Ponlevoy en Olivaint aldus besloten. Nu, sedert wij uwe kinderen zijn geworden, verlangen wij vurig. Uwe Doorl. Hoogw. in ons midden te zien. Met recht kan ik thans tot de Auxiliatrices zeggen: »Duizenden van maagden in China verwachten U; Komt en leert haar bidden.quot;
Hierop ontving zij het volgende antwoord van den bisschop :
«Gezegend zij de dag, waarop de Voorzienigheid mij ingaf Uw huis te bezoeken en het H. Misoffer onder uw dak op te dragen. Toen ik uwe kapel binnentrad dacht ik niet, dat ik op het punt stond een twijg at' te kappen van dien boom â reeds van den beginne af zoo krachtig en vruchtbaar, â om haar de zee over te voeren en in verre gewesten, zelfs in China, over te planten.
IO
145
NANTES EN CHINA.
Ik ben er van overtuigd dat de vereering voor de dooden, die in gindsche streken aan afgoderij grenst, nu zal worden geheiligd en verchristelijkt. Gij zult worden verwelkomd door de Christenen niet alléén, maar ook door de Heidenen, die zullen zien dat onze genegenheid voor de afgestorvenen bij de hunne niet achterstaat. Wanneer ik de gebeurtenissen en de omstandigheden overdenk van dien dag, toen, ik, na personen te hebben geraadpleegd, die door den geest Gods bestuurd schenen, en na met zorg al de regelen voor de onderscheiding der geesten in toepassing te hebben gebracht, moeilijkheden zag verdwijnen op eene wijze, die ik niet had durven verwachten, en deze moeilijkheden zelfs zag meewerken tot de volvoering onzer godvruchtige plannen, dan moet ik met de bezadigde en vrome personen, die mijne zienswijze in deze zaak deelen, uitroepen: quot;Hier is de vinger Gods.quot; Komt dan, dierbare Auxiliatrices ; komt naar China, en sticht uw derde huis in Kiang-nan. Komt, niet naar Thabor â dat zoekt Gij niet op aarde â maar naar Calvarie, dat alles bevat, wat in uwe leuze ligt opgesloten. Komt en bidt en arbeidt en lijdt in China â in de missie, die de Kerk aan de zorgen harer zwakste kinderen heeft toevertrouwd .
Adrien Languillat, Bisschop van Sergiopolis, Apost.
Vic. van Nanking.
Parijs 10 October 1867.
Feestdag van den H. Franc. Borgias.
Het vurigste verlangen van Mgr. Languillat was nu.
146
NANTES EN CHINA. 147
de Auxiliatrices zoo spoedig mogelijk te midden zijner dierbare kinderen in China werkzaam te zien, en daarom drong hij er op aan, het vertrek der zusters-mis-sionarissen op den i5 October vast te stellen. Met groote bereidwilligheid voldeed Mère Marie aan dit verzoek en begon de toebereidselen voor dit harde afscheid al aanstonds hiermede, dat zij den bijzonderen zegen des H. Vaders over hare geestelijke dochters afvroeg. Dit was op het oogenblik waarop zij haar geboorteland voor de moeilijke verre missiën gingen verlaten, de beste teerspijs op de lange reis, de grootste aanmoediging, om de moeiten en gevaren der nieuwe bestemming te gemoet te zien.
Eenige dagen vóór het vertrek der zes nonnen, die aangewezen waren om den eersten steen voor de stichting der Chineesche missie te leggen, bereikte het antwoord op haar verzoekschrift de Rue de la Barouil-lère. De Heilige Vader schreef de volgende woorden : «Moge de Engel Rafaël U vergezellen en al Uwe voetstappen zegenen.quot;
Die hemelsche beschermer begeleidde haar op haren weg, en den eersten Vrijdag in December â den dag, toegewijd aan het H. Hart van Jezus - landden zij aan den oever van dat Oostersche land, geheiligd door den arbeid, de gebeden en de tranen van den H. Franciscus Xaverius, door het bloed der martelaren en door de heilige volharding van achtereenvolgende geslachten van geloofshelden.
De goede pater, die reeds in het vaderland gedurende vele jaren haar leidsman en bestuurder was
NANTES EX CHINA.
148
venvelkomde haar op dit tooneel van toekomstig lijden, en werd ook te Shangai voor haar, wat hij te Parijs was geweest. Wat Mère Marie betreft, wier genegenheid zoo warm, wij zouden kunnen zeggen, onstuimig was als die eener moeder voor haar kind, zij leed onuitsprekelijk door deze waarschijnlijk levenslange scheiding van sommige harer eerste en meest geliefde gezellinnen. Maar naast dit lijden bloeide in haar hart de - bloem der vreugde en der vurige dankbaarheid, die op haar geheele wezen lagen uitgedrukt, telkens wanneer zij sprak van haar, die haar verlaten hadden. quot;Ad majorem Dei gloriam'', ziedaar de leuze, die in hare harten was ingeprent en haar geheele leven beheerschtc.
Hoofdstuk XIII. DE STICHTING IN CHINA.
|ji| jgf: n iS55, op het feest der Zeven Smarten van de OMiCgJ j-j Maagd, was er onder den bevalligen naam van )i Mariagaardequot; in het Chineesch, Sen-mou-ieu, te Wan-dan eene congregatie opgericht van Chineesche maagden, die voor den dienst der missie werden opgeleid. Ten einde haar kloosterlijk karakter voor het oog der haar omringende Heidenen te verbergen had men een twaalftal weezen in dit soort van klooster opgenomen en een weinig later werd op dezeltde plaats eene school geopend voor de opleiding dezer meisjes en voor de grootere kinderen. Deze kleine familie werd wel is waar na eenige jaren door de oproerlingen uiteengedreven, maar velen harer leden schaarden zich om de stichtster en gingen met haar naar Shangai waar zij gedurende vier jaren onder heur bestuur verbleven. Na verloop van dezen tijd werd dit jeugdige genootschap naar Wan-ka-dan verlegd, waar geschikte gebouwen waren in gereedheid gebracht. De jonge dochters, die zich aan het missiewerk wenschten Ie wijden, werden
DE STICHTING IX CHIXA.
afgezonderd van de scholieren gehuisvest. In Februari 1868 belastten de Auxiliatrices zich met het bestuur van dit huis, en het jaar daarop werd het opnieuw verplaatst naar Zi-ka-wei; nu werd ook het weeshuis »Mariagaardequot; ingelijfd. Het huis te Wan-ka-dan werd later door de Karmelieternonnen betrokken. Dikwerf bezoeken de Aux iliatrices dit klooster en gevoelen zich gesterkt en opgebeurd in het bewustzijn, dat daar voortdurend gebeden ten hemel stijgen, om zegeningen over het volk en haren arbeid af te smeeken. Eene der kloosterlingen te Zi-ka-wei beschrijft het klooster aldus :
«Het huis is gelegen aan een straatweg langs het kanaal en heeft maar één ingang aan de voorzijde. Boven dezen ingang zijn drie Chineesche letters ingesneden, die ongeveer beteekenen : »Tempel waar het reukofler wordt opgedragenquot; en dit bevredigt de nieuwsgierigheid der inlanders, wier booten voortdurend in het kanaal heen en weer varen. Hun blik ontwaart niets dan den voorgevel onzer kleine kapel. De binnenplaats ligt achter dichte heggen verborgen; het is een groot vierkant plein, omgeven door gebouwen, die voor de verschillende liefdewerken zijn ingericht.
«Mariagaardequot; of Sen-mou-ieu is gevestigd in dat gedeelte van het gebouw, dat tegenover de ingangszijde ligt en bevat de scholen en de congregatie der inland-sche zusters. De rechtervleugel wordt door de Auxi-liatrices bewoond en tegenover haar in den linkervleugel is de inrichting voor de weezen.quot;
Het valt niet te loochenen, dat eene missie als die
i5o
DE STICHTING IN CHINA.
te China van hen, die er zich toe geroepen achten een buitengewonen ijver en apostolischen moed vordert. De H. Franciscus Xaverius zegt in een zijner brieven aan de leden zijner orde:
«O, ik vrees, dat onder hen, die van Coimbra naar Indië komen er eenigen zullen zijn, die, wanneer zij heen en weer geslingerd worden op den stormachtigen oceaan, naar het seminarie terug zullen verlangen. Er zijn koortsachtige vlagen van dapperheid, die door zeeziekte spoedig worden genezen, en misschien zullen er zelfs onder hen, die met onverminderden ijver te Goa aan wal stappen, nog gevonden worden, die bij de veelvuldige beproevingen en gevaren, die hen te midden van een barbaarsch volk omringen, de proef niet zullen doorstaan. Wanneer de deugd niet diep in hunne zielen is geworteld, dan zal het vuur en de ijver gaandeweg verkoelen en ten slotte geheel uitdooven, en hij die in Portugal verlangde naar Indië gezonden te worden, zal in Indië verlangen, naar Portugal te mogen terugkeeren.quot;
Dezelfde waarschuwing behoorde men tot iedere non te richten, die zich voor de Chineesche missie aanbiedt. Onafgebroken zelfverloochening moet het wachtwoord, de kernspreuk en de dagelijksche oefening zijn van allen, die in dat heidensch land voor Christus willen arbeiden.
Ongelukkig mag zij heeten, wanneer zij hare verhevene bestemming uit het oog verliest, en te veel menschelijks zich komt mengen in het bovennatuurlijke verlangen naar lijden met haren Meester en ter wille der zielen, voor welker heil wij hier op aarde nooit vergeefs werkzaam zijn. Maar wanneer zij aan hare hooge roeping getrouw
l5l
DE STICHTING IX CHINA.
blijft, dan kan niets haar bevreesd maken, niets haar ontmoedigen, niets haren geest bedroeven, noch de koude onverschilligheid der heidenen, noch de trage wasdom van het zaad, dat zij met tranen zaait, en waarvan anderen misschien in vreugde de vruchten zullen oogsten, wanneer zij reeds lang op vreemden bodem haar hoofd zal hebben ter ruste gelegd. Zij heiligt hare ziel in geduld en tracht met zachtheid de zielen te winnen van hen, die haar door den Goddclijken Meester zijn aangewezen. Zij vereenigt het uitwendige apostelambt baars levens met bet verborgen apostelambt van persoonlijke heiliging.
In kleeding, gebruiken, voedsel enz. is de levenswijze der Auxiliatrices nagenoeg dezelfde als in Europa, maar ontberingen van alletlei aard blijven daarom niet uit. De vinnig koude nacht wordt voorafgegaan en gevolgd door een dampigen ochtend en avond, terwijl de zonnehitte in den middag ondragelijk is. Men kan geen ander water bekomen dan dat uit het kanaal, en pas na gekookt en gezuiverd te zijn, is dit voor het gebruik geschikt. De vlakheid van het land, slechts nu en dan onderbroken door de heuvelen in welke de Chineezen hunne dooden begraven, geeft een treurig en eentonig karakter aan het landschap, maar toch te midden dezer sombere, drukkende natuur heerscht er in de harten der nonnen eene vreugde, om welke de wereld haar zou benijden indien zij ze kende.
Het weeshuis der H. Kindsheid biedt eene schuilplaats aan meer dan 200 kleine meisjes, die om allerlei redenen, meestal wegens mismaaktheid en lichaamsgebreken door hare ouders zijn verlaten. De verzorging dezer ongeluk-
DE STICHTING IN CHINA.
kige schepseltjes vereischt een hooge mate van geduld en zelfverloochening, maar is tegelijkertijd een allerbelangrijkst liefdewerk. Die arme kleinen worden, ternauwernood met eenige lompen bedekt of in stroo gewikkeld, dikwijls half verteerd door het ongedierte, aan den straatweg of aan de kloosterpoort neergelegd, ook wel over den muur in de binnenplaats geworpen. Velen van hen sterven spoedig, maar niet dan na het H. Doopsel den toegang tot den Hemel te hebben verkregen. De kindertjes, die in leven blijven , worden volgens hun leeftijd en hunne kracht in allerlei nuttige zaken onderwezen, zooals tuinwerk, spinnen, weven en alle huishoudelijke werkzaamheden. Op vastgestelde uren leeren zij bidden en den catechismus. Het gebeurt niet zelden, dat zij die gezond en krachtig opgroeien, later wenschen in den huwelijken staat te treden, en het valt niet moeielijk, hen daartoe in de gelegenheid te stellen, want de inlandsche Christelijke ouders zijn verheugd, voor hunne zonen welopgevoede jonge meisjes aan te treffen, die in allerlei huis- en naaldwerk bedreven zijn. Weder anderen worden in dergelijke Christelijke huisgezinnen als kind aangenomen; maar de Zusters houden steeds een waakzaam oog op haar gericht. Zij die in het weeshuis blijven wonen zijn lammen, kreupelen en blinden, en voor hen is een hospitaal in een afzonderlijk gedeelte van het schoolgebouw ingericht. Onbeschrijfelijk groot is het lijden dat daar binnen die muren verduurd wordt. Om ziekte, wanstaltigheid en allerlei kwalen, ten gevolge der verwaarloozing, waaraan zij in hare jeugd ten prooi waren, leiden die ongelukkigen een treurig, kommervol leven; maar het geduld der jonge
DE STICHTING IN CHINA.
lijderessen, de levendige blijdschap waarmede ook zij de kleine genoegens genieten, die de nonnen haar verschaffen, en eindelijk haar stichtend afsterven omgeven ook dit verblijf van droevige ellende met een glans van tevredenheid en opgeruimdheid, die weldoet.
Gelijk overal elders wordt ook hier het heerlijk kerstfeest gevierd met zijne kribbe, zijn kerstboom en zijne spelen, â in zoover de arme kleintjes daaraan kunnen deelnemen, â en hunne vreugde doet zonder twijfel in de harten hunner liefderijke meesteressen menigen weerklank hooren van jubeltonen bij zulke feesten, die zij zelve in de dagen harer eigene jeugd in het ver verwijderd ouderlijk huis vierden. Eigenaardige macht der genade, eigenaardige geest van opoffering, die zelfs de schelste klanken, door de herinnering voortgebracht in tonen van innige dankbaarheid weet om te stemmen, en die iedere smart welke het hart beweegt, kan veranderen in een nieuw offer aan het Goddelijk Hart van Jezus, dat de teederste gevoelens van menschelijke toegenegenheid heeft gekend!
De arme Chineesche kindertjes sterven heilig af, of groeien op in gevoelens van de diepste godsvrucht. Eene van hen besteedde gedurende geruimen tijd hare speeluren, om aarde voor het bouwen aan te brengen, en zoodoende eenig geld als aalmoes voor het jubilaeum uit te sparen.
Een blind meisje had als prijs een roeden zakdoek gekregen, die de bewondering wekte van allen, die zich in het bezit hunner oogen verheugden, en daarom vroegen de Zusters haar, of zij haren prijs voor een anderen
I54
DE STICHTING IX CHINA.
wilde verruilen ; maar het kleine blinde meisje wilde haar doek niet afgeven. Nadat zij hem reeds verschillende maanden achtereen had verborgen, haalde zij hem op den vooravond van Kerstmis te voorschijn, vouwde er eenige geldstukjes in en legde hem aan de voeten van het Goddelijk Kind neder.
Aan het weeshuis is eenc apotheek verbonden en eene der inlandsche Christelijke Zusters van het vak, bezoekt de zieken en deelt geneesmiddelen uit aan hen die hare hulp inroepen. In de nabijheid van het klooster is ook een dagschool opgericht. Deze wordt door ongeveer honderd scholieren bezocht, die voor een groot gedeelte van zeer ver komen en onder welke men dikwijls volwassen vrouwen aantreft. Somtijds ziet men grijsaards tusschen de kinderen gezeten met grootcn ijver de Katholieke gebeden en den catechismus stu-deeren, ten einde zeil godsdienstonderwijzer in het een of ander afgelegen district te worden. Met zorg onderwijst men hen in de Christelijke leer, de Bijbelsche geschiedenis en de levens der Heiligen als ook in het lezen en verstaan van de taal der Mandarijnen. De â¢classieke werken der Chineesche schrijvers worden ook gelezen en verklaard. Schrijven, naaldwerk, waaronder het vervaardigen van kleedingstukken, altaargoed en kunstbloemen, behooren eveneens tot de bezigheden. De jonge kinderen maken schoenen. In China is het gebruik, dat de vrouwen, zells uit den voornaam sten stand, haar schoenwerk zelve vervaardigen. Zij beschouwen het als onbetamelijk iemand, wie dan ook te veroorloven, de maat van haar kleinen en min of meer misvorm-
DE STICHTING IX CHINA.
den voet te nemen; daarom borduren zij hare schoenen en vervaardigen de zolen uit een weelsel van linnen, papier en gedroogde bladeren, die zij als waterdicht beschouwen. Maar dit weefsel is zoo broos dat er jaarlijks een onnoemlijk groot aantal zolen verbruikt wordt.
Wij moeten nu spreken van de vereeniging der Chi-neesche Maagden, die onder de bescherming van O.L. Vrouw Presentatie reeds eenigen tijd vóór de aankomst der Auxiliatrices was opgericht, en die tegenwoordig een zeer belangrijk deel harer stichting uitmaakt. Deze Chineesche Maagden of ook weduwen worden in den geest van het innerlijke leven en in het verrichten van allerlei goede werken geoefend. Zij ondergaan een soort A'an proeftijd, die twee jaren duurt; daarna verbinden zij zich door eene eenvoudige belofte tot de levenswijze die zij hebben aangenomen. Zij zijn van onschatbaar nut voor de missies en worden gebezigd voor verrichtingen, die met de regelen der Zusters niet goed vereenigd kunnen worden; men plaatst haar bijv. in scholen, die op grooten afstand van het klooster liggen, of in zekere huizen, Kon-sou genaamd, die tegelijkertijd dienst doen als kerk, als school, of daar waar de catechumenen worden onderwezen. Zulk een huis wordt door twee of meer dezer inlandsche onderwijzeressen bewoond; deze waken over het kleine heiligdom, doopen en onderwijzen de kinderen, verplegen de zieken en leiden aldus een nederig apostolisch leven in in afgelegene plaatsen.
Den 8 September 1869 werd het noviciaat dezer Zusters van de Presentatie geopend, cn dertig perso-
DE STICHTTNG IX CHINA.
nen werden er in opgenomen. De nieuwelingen bezoeken eiken dag op bepaalde uren het weeshuis, om de zieke kinderen te verzorgen; den overigen tijd brengen zij door in gebed, studie van den godsdienst en handwerk. Hare boetedoening en haar geest van zelf\ er-loochening zijn bewonderenswaardig. Se-mou-mou, de eerste bestuurster van »Mariagaardequot; vroeg, hoewel zestig jaren oud, opgenomen te worden als novice, en gaf als zoodanig het heerlijkste voorbeeld van ijver en gehoorzaamheid. Aandoenlijk was het, deze bejaarde vrouw in hare onderdanigheid gade te slaan. Zij deed niets, of veroorloofde zich, zelfs bij haar hoogen leeftijd, niet de kleinste afwijking van de regelen, zonder eerst verlof te hebben gevraagd. «Ik ben voor niets meer dienstigquot;, zeide zij, «ik kan niet alles doen wat eene novice behoorde te doen. Als de Eerwaarde Moeder het goedvindt, dan zal ik in den tuin het onkruid uitwieden en de kleine kindertjes leeren bidden, opdat ik nog eenigszins voor de missie kan nuttig zijn.quot; Toch had deze vrome vrouw sedert i855 tot op het tijdstip dat de Zusters kwamen alle werkzaamheden der broederschap ondernomen en bestuurd. Reeds menig lid dezer Congregatie is later tot de Orde der Auxili atrices toegetreden.
Zondags komen meer dan honderd vrouwen bijeen in eene groote overdekte plaats van het binnenhol, ten einde godsdienstonderwijs te ontvangen en met de Zusters te spreken. Dit is de Vereeniging van den H. Petrus Claver.
De jonge meisjes uit den omtrek bezoeken tot het-
I57
DE STICHTING IN CHINA.
zelfde doel het klooster twee of driemaal in de week, en als belooning voor haren ijver en trouwe opkomst worden haar medailles aan roode linten uitgereikt. De H. Filomena is de patrones van dit kleine genootschap.
Er is nog eene andere klasse van personen aan wier heil de Zusters zich met bijzondere zorg toewijden. Het zijn de vrouwen aan boord der schepen, die de kanalen van Kiang-nan bevaren. Een groot aantal van haar zijn Christenen, en wanneer zij eenige dagen te Zi-ka-wei stilliggen, worden zij tot een bezoek aan »Mariagaardequot; uitgenoodigd, en wordt haax de gelegenheid geboden tot het ontvangen der H. Sacramenten. Hare kinderen verblijven dikwijls twee of drie maanden achtereen in het klooster, om tot de Eerste H. Communie te worden voorbereid en keeren in het volgende jaar terug, om dat gezegend tijdperk van het Christelijk leven daar opnieuw te herdenken. Dikwijls worden deze kinderen later missionarissen bij hunne huisgenooten.
Elk jaar worden de geestelijke oefeningen van den.. H. Ignatius gehouden voor vier a vijfhonderd vrouwen. Deze komen per schip aan en zijn voorzien van eenige levensmiddelen en van een ruwen deken die haar tot bed moet verstrekken. De gangen, bijgebouwen, slaapzalen, kortom elk hoekje van het gebouw wordt in die dagen door de vrome bezoeksters ingenomen. Bewonderenswaardig en hoogst stichtelijk is het gedrag en de godsvrucht dezer menigte van vrouwen. Op de nauwgezetste wijze onderhouden zij het stilzwijgen en de ingetogenheid. Velen van haar werken nachten achtereen, om de middelen tot bijwoning der retraite bijeen te brengen,
i58
DE STICHTING IN CHINA.
of om aan de Zusters een klein geschenk aan te bieden bestaande in duiven, kiekens, eenden, zout of suiker, geconserveerde levensmiddelen, of koeken, die bij gebrek aan boter in olie worden gebakken.
De Auxiliatrices vervaardigen de kerkgewaden voor de missionarissen, die in de binnenlanden werkzaam zijn en de altaarsieraden enz. in een koffertje bij zich dragen. In verschillende steden van Europa hebben de leden, met het broederschap voor de overledenen verbonden, zich met grooten ijver aan de belangen der Chineesche missie gewijd en voorzien de nonnen van alles, wat voor deze draagbare altaren der priesters noo-dig is.
Ook te Shangai zijn reeds velen der hierboven beschreven liefdewerken onder leiding der Zusters ondernomen ; daar bestaat ook een kostschool, waar jeugdige meisjes uit alle streken der aarde worden opgevoed. Onder haar zijn vele Protestanten, die van lieverlede groote genegenheid voor den Katholieken godsdienst opvatten en indrukken ontvangen, die met Gods genade soms nog in latere jaren vrucht dragen. Met deze school is nog eene andere verbonden voor de middelklasse, onder den titel van »School der Voorzienigheid.quot; Het getal kinderen, dat daar wordt opgevoed, bedraagt meer dan honderd en verreweg de meesten zijn er kosteloos. De streng zedelijke en beschavende invloed dezer zegenrijke instelling doet zich natuurlijk gevoelen en wordt ook door de bevolking van Shangai met groote belangstelling gadegeslagen. De Zusters ondervinden bij hare ondernemingen den steun van personen uit alle natiën
DE STICHTING IN CHINA.
en gezindten, zell's van de Chineesche Heidenen. De leerlingen dezer school bestaan hoofdzakelijk uit Eura-ziaten; de ondervinding leert, dat zij onder zorgvuldige leiding tot een hoogen trap van godsdienstige en verstandelijke ontwikkeling kunnen worden gebracht. Als de leer der Katholieke Kerk eenmaal ingang bij hen heeft gevonden, dan wendt hun hart zich met buitengewone wilskracht en eenvoud God toe. De kracht van zelfoverwinning en offer, waarvan deze kleinen blijk geven, kan menige trage en lauwe ziel in onze Katholieke streken beschaamd maken. Al is het waar, dat de missionarissen in China dikwijls met ongeduld en moe-deloosheid te kampen hebben bij het beschouwen van het betrekkelijk gering aantal bekeeringen, dat zij onder zulk eene talrijke bevolking kunnen bewerken, het is tevens waar, dat de treffende voorbeelden van ijver en godsdienstzin der inlandsche Christenen, hun hart met grooten troost vervullen. Het is merkwaardig hoezeer de bijzondere roeping der Auxiliatrices aan de gevoelens der Chineezen schijnt te beantwoorden. Niets valt haar zwaar, geen offer, dat zij niet met vreugde brengen, wanneer men haar zegt dat de Geloovige Zielen er meé gebaat zijn. Met de grootste bereidwilligheid staan zij hare zuur verdiende penningen af, om door aalmoezen en het offer der H. Mis de overledenen te helpen.
Een jeugdig meisje, dat reeds geruimen tijd met lijden en wederwaardigheden van allerlei aard was bezocht, kwam op zekeren dag hevig weenende bij de Eerwaarde Moeder en riep uit: «Ik kan het niet langer uithouden !quot; â ««O mijn kind,quot;quot; ontving zij ten antwoord, »»hoe be-
DE STICHTING IX CHINA.
vreesd moeten de dierbare lijdende zielen zijn, dat gij den moed zult laten zinken.quot;quot; Bij deze woorden verhelderde het gezicht der ionge kloosternon en zijzeide: ))0, ik verheug mij, dat gij dat zegt ; die gedachte maakt mij sterk, om alles te verduren.quot;
«Hoe gelukkig ziet gij er uit!quot; zeide eene der Zusters op den morgen van Allerzielendag tot eene Chineesche postulante. «Waaraan denkt gij, kindlief?quot; â »»Moeder,quot;quot; antwoordde zij, »»gedurende de H. Mis heb ik mijn lichaam en mijne ziel aan mijn Goddelijken Meester overgegeven, en ik heb hem gesmeekt, mij zooveel te laten lijden voor de dierbare Zielen des vagevuurs als Hij zal goedvinden.quot;quot;
Eene andere verhaalde aan hare Overste, dat zij de heldhaftige akte van liefde voor de Arme Zielen had gedaan en haar had gesmeekt te willen verkrijgen, dat op het oogenblik waarop zij den hemel zouden binnengaan, een groot aantal heidenen tot de Katholieke Kerk zouden worden bekeerd.
Eene twintigjarige novice van aanzienlijke familie ontving van eene rijke tante de mededeeling dat zij haar tot erfgename van al haren rijkdom wilde maken, mits zij bij haar wilde komen wonen. Gevraagd zijnde, wat hare plannen ten opzichte van dit voorstel waren, antwoordde zij : «Neen, ik heb het H, Hart van Jezus tot rustplaats gekozen en ik wil Hem niet verlaten. Ik wil boete doen, om de bekeering van mijn vader te verkrijgen.quot; Spoedig daarop kwam zij aan de Overste vertellen, dat hare tante haar voortaan niets meer wilde geven, geld noch klee--deren.quot; ««Dat is niets, kindlief,quot; zeide de. Overste. »«wij
11
161
DE STICHTING IN CHINA.
zullen voor U zorgen.quot;quot; â »0 Moeder, ik ben er niet bedroefd om ! Toen ik den brief mijner tante las, dacht ik aan hetgeen Christus tot de Apostelen gezegd heeft , n. 1. dat zij geld, noch tasch bij zich zouden dragen, en het heeft hun toch aan niets ontbroken. Ik sprak tot mij zelve, wdaar ik mij met lichaam en ziel aan mijn Goddelijken Meester heb overgegeven, zal Hij zeker voor mij zorgen.quot;
Een ander vroom meisje der »Mariagaardequot; kiest bij voorkeur de walgelijkste verrichtingen bij de kinderen uit en onderwijst de armste vrouwen, om door deze nederige werkzaamheden veel voor de Geloovige Zielen te verdienen. Wij hebben den werkkring der dochters van Mère Marie te China eenigszins breedvoerig besproken, omdat wij daaruit zien, hoeveel door den ijver van eenige zwakke, schuchtere vrouwen kan worden tot stand gebracht, wanneer God haar daartoe sterkte en moed verleent. Door de beschouwing dezer heerlijke liefdewerken wilden wij ook sommige vurige zielen, die branden van verlangen, mede te werken aan het heil der levenden en aan de verlossing der afgestorvenen, op eene Orde wijzen, die ter bevordering van dit tweevoudig doel, zoowel hier als ginds een ruim veld biedt tot zelfverloochening en heldhaftigen arbeid.
Wij twijfelen of de Chineesche missie voor de teeder opgevoede en weekhartige Europeesche dochters grooter moeielijkheden zou opleveren dan het liefdewerk te Londen, waar de armen in een toestand van ellende verkeeren, die de verbazing wekt van hen, die gewoon zijn, de woningen der behoeftigen te Parijs en in andere groote
102
DE STICHTING IN CHINA.
i63
steden te bezoeken. De onlangs overledene en betreurde Overste der Liefdezusters te Londen, de Eerwaarde pater Etienne, zeide vóór eenige jaren tot eene zijner dochters, die zich voor de Chineesche missie had aangeboden : «Mijn kind, uw China is te Londen.quot; Hij wist dat haar kruis in de groote stad waar heur werkkring was, even zwaar woog als datgene, wat zij uit verlangen naar lijden vrijwillig op hare schouders nam. Somtijds echter roept God eene uitverkorene ziel er toe, aan hare offers nog te voegen de scheiding van al hare dierbare betrekkingen en vrienden â den levenden dood, eigen aan een apostelschap in gewesten even vreemd als de wereld aan gene zijde des grafs. O zonderlinge verscheidenheid van de werking der genade! Wondervolle afwisseling in Gods leiding ten opzichte van zijne kinderen! Verschillende wegen, die alle voeren tot hetzelfde doel ! Schoone harmonie van levenswijze, hoe verschillend ook, die Gods Kerk zegent en bezegelt. Hoe meer wij het woord »roepingquot; overwegen des te meer vinden wij daarin eene grenzenlooze erbarming en een rijkdom van schoonheid, die de wereld niet naar waarde kan schatten.
HOOFDSTUK XIV. DE STICHTING TE LONDEN.
het slot van het laatste hoofdstuk zinspeelden Avij reeds op de werkzaamheden der Auxiliatrices te Londen. A\'ij zullen nu verhalen, wat aanleiding gaf tot hare komst in die stad. Eene Engelsche dame had in i863 het klooster te Parijs bezocht en schreef eenige maanden later het volgende aan Mère Marie :
»Men begint hier algemeen te gelooven en de hoop te voeden, dat gij ook naar Engeland zult komen. Reeds hebben vele personen mij met groote belangstelling hierover gesproken. Ik zeg hun, dat wij niet te veel haast moeten maken, maar afwachten en bidden. Bid dan en verecnig uwe gebeden met de onzen. Dezen morgen zeido mij iemand, dat geen land der wereld meer behoefte aan uwe Orde heeft dan Engeland. Hoe vele stichtingen ten behoeve der overledenen zijn hier door de ketterijen te niet gegaan! Hoe vele bekeerlingen treuren om bloedverwanten en vrienden, die buiten den schoot der Katholieke Kerk zijn gestorven , wel is waar in schuldelooze onwetendheid, naar wij hopen ;
^ S»
DE STICHTING TE LOXDEX.
maar hoe dringend roepen deze zielen om gebeden. Bid, ik smeek het u, dat een mijner dierbaarste wenschen moge vervuld worden, namelijk u in Londen gevestigd te zien. Er is mij meegedeeld, dat de bisschop van Sonthwark de grootste belangstelling voor uwe Orde koestert. In zijn herderlijk schrijven van de vorige maand sprak hij er over.quot;
In dezen brief waren eenige woorden ingesloten door den Eerw. pater Faber aan den Eerw. pater Gordon ingegeven en die gericht waren tot de schrijfster, die hem om gebeden voor de Engelsche stichting der Auxiliatrices had verzocht. Dit briefie dagteekende van den ii Juni iS63. Het was eene der laatste uitspraken van hem, wiens naam niet alleen door zijne vrienden en landslieden, maar door alle Katholieken der aarde met eerbied wordt uitgesproken.
«Wat de Auxiliatrices betreft, ik heb voor haar gebeden en zal het voortaan nog meer doen. Ik heb altijd groote belangstelling voor haar gevoeld, vooreerst om den pastoor van Ars en dan ook om haar zelve, wijl ik zie, welk eene glorie haar werk aan God geeft. Zoolang ik op aarde ben, zal ik door mijne gebeden doen wat ik kan. Wat den Hemel aangaat, dat is veeleer haar werk dan het mijne. Zij moeten beginnen met mij uit het vagevuur te verlossen.quot; In het voorjaar van 1864 schreef Thomas Grant, de laatste vrome bisschop van Southwark, het volgende aan Mere Marie;
«Op dezen grooten feestdag onzer Onbevlekte Moedermaagd kwam eene Katholieke dame bij den bisschop die u op dit oogenblik schrijft, met het verzoek, dat
l65
DE STICHTING TE LONDEN.
166
hij zich zou willen vergewissen van de mogelijkheid dat uwe Zusters ons hoop geven op de stichting van een huis uwer Orde in eene plaats van de onmetelijke diocese van Southwark. Gij weet, dat onze groote hoofdstad door de rivier de Theems is gesplitst. Het noordelijk gedeelte behoort tot het aartsbisdom van Westminster, het zuidelijke tot het bisdom van Southwark, door den Heiligen Vader opgericht. Tot dit laatste gedeelte van Londen behooren vele voorsteden; eene daarvan, Battersea, zal binnenkort eene standplaats der missie worden. De bovengenoemde dame gelooft stellig, dat gij door uwe toestemming te geven aan het volgende plan, grootelijks kunt meèwerken aan de uitbreiding van het rijk des Hemelschen Vaders en aan de bekeering der zielen, het plan n. 1. dat uwe geestelijke dochters haar verblijf zouden nemen in de onmiddellijke nabijheid dezer missie, of liever bij de kapel, die er het middelpunt van zal vormen. O, bedenk dat duizenden kerken in deze streken gesloten en onze kloosters opgeheven zijn, dat de geloovige zielen talrijke stichtingen van aalmoezen en gebeden, in Katholieke tijden gemaakt, verloren hebben. De geloovige zielen eischen eene voortdurende schadevergoeding, die uit uw klooster zich over geheel Engeland zal verspreiden. De bedoelde dame wil u gaarne bij deze stichting behulpzaam zijn. Ik acht mij gelukkig, mij met haar verzoek te kunnen vereenigen, en wensch van harte, dat gij ons deze gunst zult toestaan. Misschien spreken uwe Zusters geen Engelsch. Laat haar dit niet afschrikken. Liefde verleent de gave der talen. Binnen welken tijd zoudt gij ons uwe hulp
de stichting te londen.
kunnen toezeggen? Wanneer gij in ons land en te midden der ketters moogt lijden, dan zullen de arme zielen dankbaar en gelukkig zijn. Ik zegen bij voorbaat de goede gedachten, die deze brief in u wekt en verblijf, Eerwaarde Moeder,
Uw gehoorzame dienaar Thomas Grant.
Den 17 Februari zond Mere Mane het volgende antwoord;
«Hoogeerwaarde Heer, â Tot nu toe liet ik den brief onbeantwoord, dien ik tot mijn troost van Uwe Doorl. Hoogwaardigheid ontving; ik gevoelde de noodzakehjk-heid eenige dagen in rust na te denken, alvorens I mijne dankbaarheid te betuigen voor het voorstel, dat mij door uwe vaderlijke goedheid is gedaan. Ik heb altijd gedacht, dat God ons eenmaal zou roepen naar het land, dat door het bloed zooveler martelaren is geheiligd, en ik hoop van ganscher harte, dat ons klein genootschap zich zal vestigen in eene streek, waar het troostrijke geloof omtrent het vagevuur zoozeer is aangevallen en verflauwd. Maar, Hoogeerw. Heer, is nu reeds het oogenblik daarvoor aangebroken ? Die vraag heb ik voor het H. Tabernakel overwogen. Zonder twijfel weet U dat eene dergelijke stichting met groote onkosten gaat gepaard, en misschien weet U niet, hoe groot onze gezegende armoede is. Kent Uwe Doorl. Hoogwaardigheid onzen werkkring? Allen tijd, die door onze kloosterlijke plichten niet wordt ingenomen, besteden wij aan de A^erpleging van arme zieken in hunne woningen. Op die wijze streven wij naar het eenig doel: de verlossing
167
de stichting te londen.
der Zielen in het Vagevuur. Uwe Doorl. Hoogwaardigheid zal licht begrijpen, dat, daar wij niet om stoffelijk loon arbeiden, wij voor onze levensbehoeften geheel op de Goddelijke Voorzienigheid moeten vertrouwen. Onze eerste stichting in het afgeloopen jaar heeft al onze middelen en onze werkkrachten uitgeput, want wij verkorten nooit den tweejarigen proeftijd, die de aflegging onzer eerste beloften voorafgaat. Om die reden zijn wij genoodzaakt geweest, verschillende aanbiedingen van de hand te wijzen, die ons sedert de stichting van Nantes zijn gedaan. In dat gedeelte van Londen, waar wij ons volgens Uw voorstel zouden vestigen, schijnt groote armoede te heerschen, waarin wel is waar door het oprichten eener parochie eenigszins verlichting zou worden gebracht, maar toch bemoeielijkt dit onze stichting zeer. Niettegenstaande deze en andere bezwaren, â bijv. : onze onbekendheid met de Engelsche taal â koesteren wij de hoop, dat het Goddelijk Hart van Jezus ons eenmaal de gunst zal verleenen, ook in Uw diocese te bidden, te lijden en te arbeiden voor de arme Zielen in het vagevuur.
Van ganscher harte. Hoogeerwaarde Heer, betuigen wij onzen dank aan de Katholieke dame, die zoo grootmoedig bereid is, ons te helpen, en wij vertrouwen, dat de geloo-vige zielen de schuld van dankbaarheid voor ons zullen voldoen. Terwijl ik uwen vaderlijken zegen over ons klein genootschap afsmeek en om den bijstand Uwer godvruchtige gebeden verzoek, noem ik mij met den meesten eerbied Van Uwe Doorluchtige Hoogwaardigheid de zeer nederige dienaresse
Marie de la Providence..quot;
dj: stichting te loxdex.
De bisschop van Southwark stelde zich niet tevreden met de redenen, die als bezwaar tegen de onmiddellijke stichting van een huis in Engeland waren opgegeven, en den 10 Februari kwam hij in een brief op de zaak terug.
Bid, lijd, arbeid voor de arme Zielen in het vagevuur. Eerwaarde Moeder. Het was de godvruchtige bezorgdheid voor de ziel van haren echtgenoot, een vroom, liefdadig man, die aan de bewuste vrome dame de gedachte aan uwe congregatie ingaf. Zij verzoekt mij, u voor uwe goede meening te danken en terwijl ook ik mijne gevoelens van erkentelijkheid hierbij voeg, moet ik u zeggen, dat gij na de veelvuldige gebeden, die gij reeds gestort hebt, nu tot handelen moet overgaan : het lijden, wees daar zeker van, zal niet ontbreken. Wij zullen voorzeker met moeilijkheden te kampen hebben, maar het is aan de geloovige zielen die te overwinnen.
Ik zegen de drie stichtingen. Parijs, Nantes en Bat-tersea.
Uw gehoorzame dienaar, F. Grant.
Nochtans gedoogden de omstandigheden niet, dat Mere Marie reeds aanstonds aan het verlangen van den vromen bisschop voldeed. Zij hernieuwde in een volgend schrijven de betuiging harer dankbaarheid en drukte tevens haar leedwezen uit, dat zij genoodzaakt was, het aanbod van de hand te wijzen. Na gebeden en geleden te hebben moest zij nu afwachten, dat de Voorzienigheid haaide middelen tot handelen zou geven. Maar nimmer ver-
i6g
I70 DE STICHTIXG TE LONDEN'.
loor zij dit geliefkoosde plan uit het oog en sprak dikwijls tot hare dochters over de stichting te Londen, als over iets dat vroeger of later zou plaats hebben. Sommigen van haar bereidden er zich reeds op voor door de studie der Engelsche taal, en Londen zweefde haar altijd voor den geest als haar toekomstig arbeids-veld.
Het was aan Mêre Marie niet vergund, deze weder-zijdsche wenschen verwezenlijkt te zien, want dit geschiedde pas twee jaren na haren dood. Gedurende den tijd, die hieraan voorafging maakten eenige Engelsche dames zich verdienstelijk met het aanwerven van eereleden, wier aalmoezen naar Parijs werden gezonden. Aldus ontstond er een band tusschende Auxiliatrices en een aantal vrome geloovigen in Engeland, zoodat^ toen er in het begin van 1873 een voorstel werd gedaan tot het inzamelen van fondsen voor de oprichting van een huis te Londen, dit voorstel bereidwillig werd aangenomen. Zijne Dooii. Hoogwaardigheid de aartsbisschop van Westminster gaf van ganscher harte zijne toestemming voor het plan. Twee of drie ijverige personen belastten zich met de inzameling der gelden voor hpt nieuwe klooster, en door de edelmoedigheid eener godvruchtige weldoenster werd er aan de Auxiliatrices voor den tijd van verschillende jaren een huis in gebruik afgestaan.
Dit huis, Nquot;. 23 Queen Anne Street, Cavendish Square, is bij de meeste Katholieke bewoners van Londen bekend. Tegenwoordig is het verplaatst naar Park House, Gloucester Gate, Regent's Park, X. W, en met
DE STICHTING TE LONDEN.
zijn allerliefste kapel en zijne werken van liefdadigheid is het een aantrekkingspunt voor velen, vooral voor de Broederschapsleden en de vrienden der Zusters. Zij, die treuren over het verlies van dierbare betrekkingen, komen met bijzondere voorliefde daar hunne gebeden storten. Het is in waarheid en meer bepaald het heiligdom der dooden. Zij, die zich onder de banier der dienaressen van het Vagevuur scharen, en die niet slechts als eereleden, maar als werkende leden de Zusters begeleiden naar het ziekbed der stervende armen of in geestelijk stilzwijgen kleederen vervaardigen voor de naakten en behoeftigen, gevoelen het, dat ook zij behooren tot het leger der Auxiliatrices, dat Mère Marie de la Providence tot de bevrijding der afgestorvenen heeft gevormd.
Indien onze lezers mochten wenschen, uitvoerigei, bijzonderheden omtrent de inrichting, het lidmaatschap en de werken van liefdadigheid der Auxiliatrices te vernemen, dan vestigen wij de aandacht op het hoogst belangrijk werkje van Kev. Charles B. Garside, M. A. uitgegeven in 1874 onder den titel «The Helpers of the Holij Souls,quot; en opgedragen aan Zijne Eminentie den kardinaal aartsbisschop van Westminster. Door het verhaal der stichting te Londen zijn wij den tijd vooruitgesneld en wij moeten nu terugkeeren tot de voorvallen, die de laatste levensjaren onzer goede Mère Marie kenmerken. Eene harer laatste vertroostingen was de oprichting van een huis te Brussel, waar haren Zusters de meest gastvrije ontvangst ten deel viel. Het Katholieke België had reeds verscheidene ijverige leden
171
DE STICHTING TE LONDEN.
aan de jeugdige Orde geschonken, en men kon voor haren bloei in dat land de beste verwachtingen koesteren.
In den tijd van weinige jaren was een groot werk tot stand gebracht. In het diepste gevoel harer eigen nietigheid moest Mère Marie de la Providence toch bekennen: God had groote dingen voor haar en door haar verricht. Maar tegelijkertijd kwam de overtuiging in haar op, dat haar einde naderde. Hare lichamelijke smarten waren in den laatsten tijd bijzonder hevig geweest en haar toestand was nu zoo verergerd, dat zij bijna geen oogen-blik rust meer had. Echter nevens dit gevoel harer steeds afnemende lichaamskrachten, was er een zeker iets, dat haar de nadering aankondigde van dat uur, waarin zij zou spreken: «Het is volbracht.quot; Twee jaar vóórharen dood, in 1869, zeide zij tot de Zuster, die haar behulpzaam was bij het schrijven der geschiedenis van de stichting harer Orde.
11 Wij moeten ons haasten. Het komt mij voor, alsof de tijd, die ik nog te leven heb, mij slechts als bij uitstel wordt verleend, gelijk een blok hout dat men in het vuur werpt, om het nog een weinig te doen opflikkerenquot; voegde zij er met een glimlach bij, en toen verhaalde zij, dat het haar soms toescheen, alsof eene inwendige stem haar aanspoorde, zich tot den dood voor te bereiden. Zij was overtuigd, dat God haar slechts op aarde hield, totdat zij het haar opgelegde werk zou hebben voltooid, en niet eerder beschouwde zij die taak volbracht, dan wanneer zij de volle goedkeuring der H. Kerk zou hebben ontvangen.
De Heilige Vader had dikwijls reeds zijne welwillende
172
DE STICHTING TE LONDEN.
en vaderlijke genegenheid voor de instelling getoond, maar tot nu toe waren er nog geene pogingen gedaan, om door het aanvragen der »Laudaquot; de plechtige erkenning harer religieuze Orde te verkrijgen. De stichting was te nieuw, dan dat men durfde hopen dit verzoek ingewilligd te zien. Nochtans aangedreven door de innerlijke stem, die haar van haar naderend einde verwittigde, vatte de stichtster in allen ernst het plan op, de noodige stappen te doen ter verkrijging der goedkeuring, waardoor haar genootschap onder de door de Kerk erkende Orden gerangschikt en aan de Geloovige Zielen toegewijd zou worden.
Zij ontving bij deze gelegenheid van veertig bisschoppen briev en, waarin o. a. de volgende verklaringen voorkomen : pater de Ponlevoy zegt in naam van Mgr. Languillat :
nik verzeker in naam van Mgr. Languillat, bisschop van Sergiopolis en Apostolisch Vicaris van Nanking, dat wij allen deze congregatie kennen en haren voortgang en bloei sedert het begin harer oprichting hebben gadeslagen. Ik ken hare geschiedenis, haar geest en hare regels, nagenoeg dezelfde als de onze, en al hare werken van ijver en liefdadigheid in Frankrijk en in China. Thans wensch en hoop ik, dat de Kerk aan dit verheven werk haar zegel moge hechtenquot;.
De bisschop van Nantes zegt :
»Deze Zusters richtten vijf jaar geleden een huis op in mijne bisschopstad. Ik heb met zorg haren geest bestudeerd en hare leefwijze onderzocht, ten einde te kunnen oordeelen, of deze nieuwe congregatie vruchten
DE STICHTING TE LONDEN.
174
van stichting zou kunnen voortbrengen. In 1867 reeds maakte ik van haar melding in het verslag, dat ik naar Rome zond over den toestand van mijn diocese en waarin ik zeer ter har er gunste sprak. De Zusters worden door den meest oprechten kloostergeest geleid, onderhouden hare regelen zoo nauwgezet mogelijk en zijn zeer ijverig in de uitoefening der liefdewerken door hare constitutiën opgelegd. Onvermoeid streven zij naar het hoofddoel harer instelling, â dc verlossing der Geloovige Zielen â en door hare voorbeelden en gebeden wekken zij ook anderen op tot standvastige godsvrucht ten behoeve der afgestorvenen. Wanneer ik den tegenwoordigen toestand der maatschappij beschouw, en zie hoe het geloof bij het volk gaandeweg vermindert door de steeds toenemende zucht tot wereldsche rijkdommen en beslommeringen, terwijl men de gedachte aan het toekomstig leven geheel uit het oog schijnt te verliezen, dan voel ik mij gedrongen, God innig te danken, dat Hij deze nieuwe geestelijke familie heeft verwekt. Ik weet uit ondervinding, dat deze vrome vrouwen door de macht van haar voorbeeld, â voorzeker een krachtiger aansporing dan die van woorden â reeds in menige ziel de gedachte aan de eeuwigheid hebben opgewekt. Een leven van liefdadigheid, dat uit een waarachtig geloof voortkomt, maakt de bewondering van velen gaande en brengt hen er toe, den God als vader aan te roepen, die eenmaal hun rechter zal zijn. Ik ben genegen te gelooven, dat de Almachtige, die Zijne Kerk met zooveel goedheid bestuurt en alles laat samenwerken tot zaligheid der menschen, juist in onze dagen de Auxiliatrices heeft opgeroepen, om hen die de
de stichting te londen.
zorg voor hunne eigen zaligheid vergeten, te wijzen op de Goddelijke barmhartigheid en rechtvaardigheid jegens-de afgestorvenen.quot;
Wij kunnen ook nog aanhalen, wat Mgr. Guibert, de toenmalige aartsbisschop van Tours, bij deze gelegenheid zeide van de Orde, gesticht door Mère Marie de la Providence:
))Zij zal voor de Kerk en voor den godsdienst van groot nut zijn en verdient nu reeds onze belangstelling wegens de nauwgezette naleving harer regelen en de beoefening aller kloosterlijke deugden.quot; De regelen en constitutiën der Auxiliatrices werden te Rome onderzocht, en den 24 Augustus 1869, dertien jaren na de oprichting, ontving Mère Marie de «Laudaquot; of het eerste diploma van goedkeuring.
Met vernieuwden ijver wijdde zij zich nu aan het opstellen der jaarboeken harer stichting.
»Wanneer dit gereed is,quot; sprak zij dikwijls, «dan kan ik sterven.quot; De weinige rustige oogenblikken, die haar bij de steeds toenemende smarten overbleven, werden hieraan besteed. Zij schrijft in haar aanteekenboek: «Het eenigste wat ik doen kan, is een weinig werken aan het geschiedboek van het genootschap. O, welke verandering bespeur ik in mij zelve. Ware het niet om wille der gehoorzaamheid, ik zou al die kleine bijzonderheden weglaten, die slechts op dat ellendige ik betrekking hebben, waarvan ik mij zou willen ontdoen. Maar ik mag niet handelen naar verkiezing en bid God, dat Hij mij de genade geve, ieder oogenblik mijn kruis te dragen.quot;
IJS
DE STICHTING TE LONDEN.
Haai- leven was een volmaakt martelaarschap geworden. Door eene harer nonnen gevraagd, of zij wel ooit vrij van smarten was, gaf zij het volgende antwoord, waaruit wij kunnen afleiden, wat zij in het laatste jaar haars levens leed: quot;Het zou eene groote verlichting zijn, wanneer de pijnen somtijds ook maar een weinig werden verzacht. Alleen de blik op het kruisbeeld stelt mij in staat, mijn lijden te verdragen.quot; Dag op dag was zij voor een klein tafeltje gezeten en hield de oogen gevestigd op de beeltenis van haren gekruisten Zaligmaker.
Dat laatste jaar haars levens was een bijzonder tijdperk in de geschiedenis van haar vaderland. God reikte aan het stervende kind Zijner Voorzienigheid een eigenaardi-gen, bitteren kelk gedurende den langgerekten doodstrijd dezer laatste twaalf maanden. In het volgende hoofdstuk zullen wij haar vergezellen op iedere schrede van dien lijdensweg, en er uit leeren, hoe zij doen en lijden, die zich, gelijk Mère Marie, als slachtoffer hebben opgedragen ter bevrijding der afgestorvene zielen des vagevuurs.
176
Hoofdstuk XV. CONSUMMATUM EST
en zwart wolkgevaarte, dat zich met ontzettend geweld boven eene bloeiende landstreek ontlast en alles met verwoesting slaat, is maar een flauw beeld van de plotselinge en vreeselijke ramp, waardoor eenige maanden vóór den dood van Mere Marie haar vaderland werd getrofien. De schrijfster dezer bladzijden bezocht haar in het voorjaar van 1870; ofschoon met onbezweken moed worstelend met de doodelijke ziekte, arbeidde zij ook toen nog volijverig aan de verspreiding der godsvrucht tot de H. Engelen, die in den laatsten tijd door de oprichting van een broederschap te hunner eer was verlevendigd. Door de hevigste smarten gefolterd, toonde zij steeds de heerlijkste onderwerping en was volkomen bereid nog meer te verduren, indien zulks Gods wil bleek te zijn. oGeef mij zooveel lijden als ik kan dragen,quot; placht zij te zeggen; en stelde geen grens aan de mate van geduld, die de genade haar zou ver-leenen.
CONSUMMATUM EST.
178
Nog erger clan deze smarten des lichaam s was het zieleleed, dat haar kwelde, en dat slechts zij kunnen beseffen, die evenals Mère Marie hun vaderland door de vreesèlijke rampen des oorlogs zagen geteisterd, verscheurd en vernield. De toestand waarin de arme lijde-res zich in den herfst van dit droevig jaar bevond, maakte rust en stilte voor haar lichaam en kalmte tot verzachting van haar geestelijk leed noodzakelijk; in plaats daarvan ontving zij dag op dag hartverscheurende berichten van steeds nieuwe gevaren en naderende ellenden. Nederlaag op nederlaag. Parijs was het tooneel der revolutie, der voorbode van geloofsvervolging en maatschappelijke rampspoeden. De vijand, weldra tot voor hare poorten genaderd, sloeg het beleg voor deze heerlijke stad, de schoonste, de glansrijkste en in goed en kwaad de eerste aller hoofdsteden der christelijke wereld. De ijselijkheden van het bombardement van Straatsburg hadden allerwegen moedeloosheid en schrik verspreid en een ieder wilde de belegerde stad ontvluchten. De stations werden bestormd door reizigers, die allen met koortsachtige opgewondenheid een kaartje eischten. Men stelde aan Mère Marie voor, met hare dochters eveneens Parijs te verlaten, hetgeen zij echter kalm en met beslistheid van de hand wees. De gehoorzaamheid regelde haar besluit. Zij had pater Olivaint om raad gevraagd en hij had haar geantwoord: «Ik geloof, dat wij Karmelieternonnen noodig hebben om voor ons te bidden, en Liefdezusters en Auxiliatrices om de zieken en gewonden te verzorgenquot;. Dit was voldoende en niets zou de bijna stervende Mère Marie hebben kunnen
CONSUMMATUM EST.
bewegen, het huis en de stad te verlaten, waar hare kinderen volgens Gods. wil zouden leven of sterven.
Hare laatste liefdedaad jegens de levenden was de oprichting eener ambulance in Rue de la Barouillère; spoedig echter was hare ziel geheel vervuld van die ééne gedachte; het vagevuur. Zij werd, als het ware, overmeesterd door het bewustzijn dat een onnoemelijk aantal zielen elk oogenblik het tijdelijke met het eeuwige verwisselden. De kanonschoten, het springen der bommen, klonk haar in de ooren als het hulpgeroep van lijdende zielen tot hare helpers op aarde. â «Mijn God; mijn Jezus, Barmhartigheid!quot; was de kreet die voortdurend over hare door de koorts verschroeide lippen kwam; en als er over iets anders werd gesproken, dan riep zij uit: «Ik kan slechts denken aan hen, die nu de eeuwigheid ingaan, die nu voor God moeten verschijnen. Dat is de wezenlijke, de verschrikkelijke waarheid; «O, spreekt mij van het vagevuur!quot;
Zij zeide dikwerf; »Wanneer mijne smarten ondragelijk schijnen, zegt mij dan, dat ik in de louteringsplaats ben; dat zal mij kracht geven.quot;
Den 1 November, een treurigen en gedenkwaardigen dag, schreef zij, hoewel hare bevende hand nauwelijks eene pen kon vasthouden, het volgende in haar dagboek;
«De Commune is uitgeroepen! zegt men. Maar ik wil mij over niets verontrusten. Ik vertrouw op het Goddelijk Hart van Jezus. Hij zal voor mijne arme dochters zorg dragen. Ik sta martelingen uit. Zoo moet het ook zijn. Dit is de beste manier, om den
179
CONSUMMATUM EST.
zeventienden verjaardag mijner eerste gedachte aan de innig gelieide Zielen des Vagevuurs te vieren. Ja! juist zeventien jaren geleden gaf God mij de gedachte in, dit genootschap te stichten. Hoe vele gunstbewijzen heb ik sedert dien tijd ontvangen! En, ach, ware mijn geloof toch levendiger, opdat ik beseffen kon, welke barmhartigheid God mij door dit lijden bewijst. Heden gevoel ik mij als in vuur; mijne handen gloeien. Jezus, wat verlang ik anders, dan dat Uw wil geschiede. Ik vraag niet om genezing, laat slechts Uw wil geschieden. O Jezus, mijn Meester, laat elke smart eene oefening van liefde zijn en een smeekgebed om bevrijding eener arme ziel uit het vagevuur.quot;
Niettegenstaande hare ziekte en machteloosheid stond zij er op, dien dag de H. Mis bij te wonen, die voor de gewonde soldaten werd opgedragen; zij was ook bij hun middag- en avondmaal tegenwoordig. â nVoor U, mijn God, voor U,quot; fluisterde zij; «want mijne krachten begeven mij.quot;
Den 5 November schreef zij;
«Heden herdenken wij den dag, waarop in het jaar 1856 de eerste H. Mis in onze kapel werd gelezen. Ik lijd verschrikkelijk. Jezus, Maria, Jozef, helpt mij! Ik heb aan onze veertien leekezusters bevolen, om den 8 November aan de H. Maagd een ruiker van leliën aan te bieden; het is dan de veertiende verjaardag der toewijding onzer kleine sociëteit aan die goede Moeder in den Hemel. Te dien einde zullen zij zich toeleggen op eene groote zuiverheid van meening.quot;
CONSUMMATUM EST.
Na een onderhoud met pater Olivaint nam Mère Maria voor het laatst de pen op, om dit gesprek in het kort op te teekenen. Zij ging met zekerheid en vol bewustzijn haren langzamen marteldood te gemoet. Ook op pater Olivaint had God Zijn stempel gedrukt; de dienaar des Heeren werd op deze wereld begunstigd met de eer, eenen dood te mogen sterven, die zooveel overeenkomst had met dien van onzen gekruis-ten Verlosser. Te oordeelen naar sommige uitdrukkingen in zijne meditatiën schijnt hij er een voorgevoel van te hebben gehad. Het verhaal der mishandelingen, die de martelaren der Commune hebben ondergaan, roept ons levendig de lijdensgeschiedenis van onzen Goddelijken Zaligmaker voor den geest. Slagen, beschimpingen en woeste mishandelingen in de straten dier stad, waar hij al weldoende was rondgegaan, zouden het roemrijke deel zijn van den priester, die aan het steii-bed stond der stichtster der Auxiliatrices ; op den drempel der eeuwigheid, dien zij beiden weldra zouden overschrijden, werden tusschen de biechtelinge en haren geestelijken vader de volgende woorden gewisseld :
«Ik zeide tot den Eerwaarden pater: «Fiat is steeds op mijne lippen.quot; â ««Streel',quot;quot; antwoordde hij, »«naaide nauwste vereeniging met Jezus; die goede Meester is niet slechts aan uwe zijde ; Hij is in U. Waarom ontvangen wij de H. Communie, indien het niet is om Jezus te bezitten? Gij lijdt martelingen, maar Hij lijdt met U. Hij draagt ze met U. Gods wil, daarin is alles opgesloten. Vertrouw op God. O,
l8l
consummatum est.
gij waart niet te verontschuldigen, indien gij, voor wie God zooveel heeft gedaan, geen groot vertrouwen koesterdet.quot; Ik sprak toen tot den Eerwaarden pater over de vele genaden, die ik in mijn leven had ontvangen en over mijne dagelijksche bede, om door het kruis meer en meer in de liefde tot God toe te nemen. mvooiquot; twintig jaren,quot; zeide ik, «heb ik dat gebed opgesteld, zonder misschien volkomen te beseften, wat ik vroeg.quot; Hij antwoordde: «mijn kind, vóór achttien maanden heeft de Heer u zijn kruis opgelegd, en in de laatste zes maanden is het zwaarder geworden. O, laat dat kruis een teeken zijner liefde voor u zijn. Beminnen tot den dood, lijden tot den dood; houd moed Leve de dwaasheid van het kruis ! Gij zegt te gevoelen, dat gij Gods eigendom zijt â dat gij aan Hem toebehoort. Welaan, zoo is het. Behoud, waardeer die gedachte.quot;
Aldus leerde de toekomstige martelaar aan zijne geestelijke dochter te lijden met blijdschap, en dikwerf zeide hij op zekeren luchtigen toon: «Ik begrijp niet, dat menschen den dood kunnen vreezen.quot; Waarlijk, deze woorden pasten in den mond van hem, die weinige maanden later, toen hij door de vlucht zijn leven in zekerheid had kunnen brengen, verkoos op zijn post te blijven en een wreeden dood te trotseeren, ten einde door zijne tegenwoordigheid de zaak van rechtvaardigheid en plichtbesef te steunen. En zij, die hij met zijne priesterlijke hulp in haren laatsten strijd bijstond, zeide toen zij het bloed zag vloeien uit hare doodelijke wonde : «Mijn God, hoe blijde ben
CONSUMMATUM EST
ik, dat ik voor U mijn bloed mag vergieten! Om Uwen aanbiddelijken wil te volbrengen, heeft Jezus aan het kruis meer geleden dan ik. O Goddelijke wil, die woorden geven mij kracht, om alles te verduren.quot;
Zelfs te midden van haar smart gaf hare vurige naastenliefde haar nog kracht, om met eigen handen voedsel te bereiden voor de armen, die ook niettegenstaande de gevaren des oorlogs door hare nonnen werden bezocht. Zij was gewoon, aan de zieken dagelijks soep te verstrekken, en tot in de kleinste bijzonderheden bestuurde zij zelf alles, wat betrekking had op de verpleging der gewonden.
] )e maand December werd gekenmerkt door steeds toenemende smarten en steeds toenemenden liefdeijver; dit bleek aan allen, die het vrijwillig slachtoffer der Geloovige Zielen kwamen bezoeken. Op de feestdagen sprak zij: «Voor mij bestaan nog slechts de feesten der eeuwigheid: hier op aarde kan ik niets anders meer doen, dan mij zelve in de diepten van den Goddelijken wil vergeten.quot;
Bij het einde van 1870 en het begin van het jaar 1871, dat onder zulke ijselijke rampen zijn intrede deed, sprak Mère Marie tot hare geestelijke kinderen, die rondom haar bed stonden geschaard: quot;Klampt U aan het kruis, onze eenige hoop. Het leven is kort, de eeuwigheid kent geen einde. Denken wij aan de eeuwigheid.quot;
Daar de dokter had te kennen gegeven, dat elk oogenblik het laatste kon zijn, stelde pater Olivaint voor, haar het H. Oliesel toe te dienen. De vreugde,
CONSUMMAT ÃM EST.
die zij hierover ondervond, verhelderde haar stervend gelaat. De belegering van Parijs was toen op 't hevigst, en de stem van den priester ging somtijds verloren in het donderend geraas der ontploffingen; onophoudelijk hoorde men het springen der bommen in de nabijheid van het huis, waar dit vreedzame tooneel plaats vond. Voor haar, die er bij tegenwoordig waren, scheen de gedachte aan den dood niet vreemd. Het was als had de Hemel zijne poorten boven deze afgrijselijke verwoesting ontsloten, en de stem van Gods dienaar klonk als de stem eens engels, die naar eene andere, schoonerc' wereld heengeleidde.
Nadat haar de laatste H. Sacramenten waren toegediend, deed Mere Marie' hetgeen aan alle Zusters op haar sterfbed door den regel wordt voorgeschreven. Zij plaatste zich in den geest aan de voeten harer Zusters, die haar sedert zoovele jaren met den naam van Moeder hadden toegesproken, en met duidelijke, ernstige stem, somtijds door benauwdheid onderbroken, vroeg zij nederig om vergiffenis voor alle tekortkomingen en voor de fouten, waardoor zij haar mocht hebben geërgerd of gegriefd. Daarop sprak pater Olivaint: «Nu is het tijd, uwe laatste wenken aan uwe dochters te geven.quot; Mère Marie deed dan pogingen, hare stem te verheffen en sprak: «Moge de ijver voor de Ge-loovige Zielen en de geest der Congregatie voortdurend in haar aangroeien; mogen de huizen van China, Nantes, Brussel en Parijs één zijn naar hart en ziel.quot; â ««En alle toekomstige stichtingen eveneens,quot;quot; voegde pater Olivaint er met een glimlach bij. â «Bovenal
184
COXSUMMATUM
lS5
EST.
beveel ik haar de onderlinge liefde,quot; riep de stervende stichtster uit; en haar zielbestuurder, die hare gedachten kende, vulde aan: »en den innerlijken geest, zonder welke geen geestelijk en zelfs geen christelijk leven mogelijk is.quot;
Sedert dien dag tot den 6 Februari, den vooravond van haren dood, ontving Mère Marie de la Providence dagelijks de H. Communie. Den ig Januari herdacht zij de stichting van haar genootschap. Dien dag zeide zij : »de almachtige God heeft zegeningen op ons genootschap doen nederdalen: het is billijk dat ik veel lijd. â O, indien gij wist, wat ik gevoel â dat het geheel zijn werk is, en niet het mijne! Hij heeft het meest onwaardige werktuig ter volbrenging zijner plannen uitgekozen. God zij gezegend!quot;
Op den feestdag van St. Paulus' bekeering was zij niet in staat, hoorbaar met God te spreken, maar zij verzocht, dat men het «Te Deumquot; zou bidden tot dankzegging voor de ontelbare genaden die zij had ontvan-hen. Veel langer dan de geneesheeren verwachtten streed deze vrome ziel met de doodelijke kwaal, die langzamerhand hare krachten had ondermijnd. Er waren oogenblikken van verschrikkelijke benauwdheid en doodsangst, en bij iedere ademhaling meende men, dat het de laatste zou wezen; de wilskracht en de sterkte harer natuur echter zegevierde over deze aanvallen, en zij herleefde.
Haar geest bleef volkomen helder, en vrome ontboezemingen ontsnapten aan hare borst, vooral de uitroep, «Jezus, eeuwige vreugde der Heiligen !quot; â «Het is
CONSUMMATUM EST.
vreemd/' zeide zij, ahoe die woorden mij steeds bijblijven.quot;
De laatste woorden van onzen stervenden Zaligmaker stegen ook voortdurend uit rhaar hart op. - ))Ik kan niet meer bidden, zelfs niet luisteren naar het gebedquot;, zeide zij dikwijls, --maar ik kan toch zeggen «Fiat,quot; en met den rozenkrans van den pastoor van Ars in de handen, herhaalde zij bij elke koraal: »Jezus, hat.quot;
«O, wij armzalige schepselen !quot; hoorde men haar fluisteren »hoe kunnen wij ons nog om iets anders,, bekommeren dan om Jezus en zijn kruis. Het is in zwakheid en ziekte dat wij het leeren hoogschatten.quot;
Dikwijls bracht zij aan God haar leven ten offer, maar sprak nooit van haren dood, alsof zij hem spoedig verwachtte. Wij weten niet, op welke wijze God zich somtijds aan de zielen openbaart maar in dit geval mogen wij aannemen, dat de onwetendheid van Mère Marie omtrent haar uur van afsterven, de verhooring was van een gebed. Met haren gewonen vriendeRjken glimlach had zij dikwijls gezegd : «Onder alle zaken, die zonder evenwel zonde te zijn, mij schrik inboezemden, waren er vijf, die ik in het bijzonder vreesde.
«Mijne familie te verlaten;
»Eene congregatie te stichten;
«Geene middelen te hebben, om in het onderhoud mijner dochters te voorzien;
«Schulden te maken;
«Door kanker te worden aangetast.
«Welnu, door Gods goedheid is elk dezer dingen aan geschied !quot;
iS6
COXSUMlIATUM EST.
Deze beproevingen had zij ge\ reesd, maar nooit aan God gevraagd er van bevrijd te blijven, ééne bede echter had zij dikwijls tot haren Goddelijken Bruidegom gericht: goed voorbereid en onmiddellijk na het ontvangen der absolutie te sterven, zonder evenwel met zekerheid haar naderend einde te voorzien.
Op eigenaardige wijze werd deze bede verhoord. Meer dan één jaar vóór haren dood had eene inwendige stem haar aangespoord, zich tot sterven voor te bereiden; maar toen het oogenblik, door de Voorzienigheid bepaald, naderde, scheen zij het niet te weten. Op den morgen van den 7 Februari was hare benauwdheid zoo hevig, dat haar niet werd toegestaan, de H. Communie te ontvangen, verscheidene malen vroeg zij, of het werkelijk, onmogelijk was, en zij wenschte, dat men hierin de Overste van het klooster zou raadplegen. Slechts in gehoorzaamheid kon zij dit offer brengen. De Kerk herdacht dien dag den doodstrijd van Christus; in den geest vereenigde zij zich met dit geheim, dat steeds het voorwerp har er bijzondere godsvrucht was geweest.
Haar toestand verergerde met elk uur, en somtijds meende men dat het oogenblik van sterven was gekomen; haar geest echter bleef steeds helder. Verschillende malen zeide zij tot de nonnen, die haar bed omringden : «Pater Olivaint zal om drie uren komen.quot; Iedereen meende, dat hij haar den vorigen dag zijn bezoek op dit uur had aangekondigd, want gewoonlijk kwam hij laat in den avond. Om één uur zeide zij weder : »De pater zal om drie uren komen.quot; â «Heeft hij I dat ge-
CONSUMMATUM EST.
zegd?quot; vroeg eene der Zusters. nNeenquot;, luidde 't antwoord; daarop sluimerde zij in. Toen het drie uur sloeg richtte zij zich op en zeide : quot;Gaat naar de spreekkamer; de pater komtquot;. De portierster had het gewone teeken nog niet gegeven, maar toch was het zoo â pater Olivaint opende juist de binnendeur. De Zuster die van de ziekenkamer kwam om hem te gemoet te gaan, zeide, »U heeft zeker aan onze Moeder gezegd, dat U om drie uren hier zou wezen.quot; â »0 neen,quot; was het antwoord, «want ik wist het zelf niet; ik wilde pas om vijf uren hier komen, na eerst een bezoek in de Batignol-les te hebben afgelegd, doch ik gevoelde mij aangezet, eerst in de Rue de la Barouillère af te stappen.quot; Ware hij die ingeving niet gevolgd, Mère Marie zou vóór zijne komst overleden zijn.
Gedurende een half uur onderhield hij zich nog met haar, hoorde hare biecht en gaf haar de absolutie. Van dat oogenblik af sprak zij niet meer en viel in eene lichte sluimering.
De Zusters, die zich in de kamer bevonden, zaten op eenigen afstand, hielden onafgewend den blik op haar gevestigd en fluisterden nu en dan elkander toe dat hare Moeder sliep. Een der geneesheeren, die haar met onvermoeide zorgen had bijgestaan, kwam binnen en ging naar het bed. Hij wendde zich om en zeide: «Uwe Moeder is stervende.quot; Alle Zusters werden nu bijeen geroepen en spoedden zich naar het vertrek waar Mère Marie de la Providence op het punt was, hare ziel over te geven in de handen van Hem, dien zij zoo vurig bemind en zoo trouw gediend had. Men bad de gebeden
iS8
COXSUMMATUM EST.
der stervenden, en nog vóór die ten einde waren gal de heldhaftige vrouw den geest. Haar leven is een nieuw bewijs, dat niets onmogelijk is voor hen die alles voor God verlaten, en die dag aan dag de aanwijzingen Zijner Voorzienigheid volgen.
Aanhangsel.
e Congregatie van More Marie de la Providence heelt zich sedert 1875, toen hare levensbeschrijving voor het eerst verscheen, aanmerkelijk uitgebreid.
Verschillende nieuwe kloosters zijn nevens de toen reeds bestaanden opgericht, en overal ijveren de Auxi-liatrices met goed gevolg voor de verspreiding der godsvrucht voor de Geloovige Zielen, zij gaan voort met de oefening van geestelijke en lichamelijke werken van barmhartigheid in den geest harer vrome stichtster. Op het oogenblik telt de jeugdige Congregatie reeds 17 huizen, o. a. te Cannes, Orléans, Tourcoing, Mont-martre, Jerseij, Luik, Turin, Rheims, Brussel.
De vestiging der Auxiliatrices te Montmartre wekt bijzonder onze belangstelling wegens de herinneringen aan die plaats verbonden. Daar zijn talrijke martelaren voor het geloof gestorven, o. a. de H. Dionysius, eerste bisschop van Parijs, en zijne gezellen, de H. Rusticus en de H. Eleutherius. Te hunner eer werd eene kleine kapel opgericht ter plaatse waar zij den
AANHANGSEL.
marteldood ondergingen. Dit kleine heiligdom bekend onder den naam van Notre-Dame de Montmartre werd van lieverlede eene geliefkoosde bedevaartplaats. Gedurende verschillende eeuwen eigendom der wereldsehe geestelijken en slechts door de giften der bedevaartgangers eeiiigszins onderhouden, werd het in 1096 door de eigenaars overgedaan aan de monniken van St. Martin aux Champs. Door eene overeenkomst met deze laatsten kwam Lodewijk de Dikke in 1133 in het bezit der kapel, die hij nu met de oude abdij van Montmartre vereenigde. Daardoor namen de kanunniken de zorgen voor het dierbare heiligdom over, en de eerbiedwaardige abdis, Marie de Beauvilliers, deed veel voor de herstelling en verfraaiing van dit heiligdom. Het werd voortdurend door talrijke pelgrims bezocht. De koningen van Frankrijk, de aanzienlijken, het volk de geestelijkheid, de kloosterlingen, allen gingen daar de voorspraak afsmeeken van O. L. Vrouw en van den H. Dionysius, en zich zeiven en hunne heiligste belangen aanbevelen.
Op den feestdag van O. L. Vrouw Hemelvaart van het jaar 153,4 kwamen de H. Ignatius en zijne gezellen in de kapel der Martelaren bijeen om zich op bijzondere wijze aan God toe te wijden. De thans als Gelukzalig vereerde Petrus Favre, toen nog de eenige priester onder zijne broeders, droeg bij die gelegenheid het H. Misoffer op, en in zijne handen legden Ignatius en zijne gezellen hunne beloften af. Gedurende de twee volgende jaren kwamen zij telkens op dien dag bij Notre Dame de Montmartre hunne belolte her-
iQi
AANHANGSEL.
nieuwen. Deze kapel der Martelaren, dit heiligdom van O. L. Vrouw is dus de bakermat der Sociëteit van Jezus. In hunne kinderlijke liefde tot den H. Ignatius hebben de Jezuïeten in Frankrijk de herinnering aan dezen gedenkwaardigen dag willen vereeuwigen. Boven een der altaren plaatsten zij eene afbeelding dezer plechtigheid en in den muur lieten zij eene plaat bevestigen met het volgende opschrift:
D. O. M.
Siste viator, atque in hoe martyrum sepulchro probati ordinis cunas lege. Societas Jesu, quae S. Ignatium Loyolam Parentem agnoscit, Lutetiam matrem, anno salutis l534 Aug. i5, hie nata est, cum Ignatius ipse et socii, votis sub synaxim, religiose conceptis, se Deo in perpetuum consecrarunt, ad maiorem Dei gloriam.
Sta wandelaar en beschouw in dit graf de wieg van eene verdienstelijke kloosterorde,
De Sociëteit van Jezus, die Ignatius als vader en Parijs als moeder erkent, is hier i5 Aug. i534 geboren, toen Ignatius en zijne gezellen door vrome aflegging der gelofte vóór de H. Communie zich voor immer aan God toewijdden tot meerdere eer Aan God.
Op het voorbeeld van den held van Pampeluna hebber., ook de stichters van verschillende andere geestelijke genootschappen zich naar de kapel der Martelaren begeven, om hunne nieuwe familiën onder de bescherming te stellen van Notre Dame de Montmartre en van den
AANHANGSEL
H. Dionysius. Achtereenvolgens zijn de H. Franciscus de S;ües, de H. Vincentius a Paulo, de gelukzalige Petrus Fourrier, M, Olier, stichter van St. Sulpice, Mej. Acarie, bekend onder den naam van de Gelukz. Marie de l'In-carnation, stichtster der Karmelieternonnen in Frankrijk, komen nederknielen op de plaats Avaar veleer de H. Ignatius en zijne broeders voor de Koningin der Martelaren hadden geknield.
Gedurende de Fransche omwenteling werd dc abdij van Montmartre en met haar de kapel der Martelaren tot den grond vernield. De toenmalige abdis, Mme de Montmorency-Laval voor de revolutionnairc rechtbank gevoerd, werd niettegenstaande haren hoogen ouderdom en hare blindheid ter dood veroordeeld, dien zij met vijftien harer zusters op het schavot onderging. Een gedeelte van het aldus verlaten terrein werd in i83o door de priesters der Socicteit aangekocht. Later kocht M. Le Rebours, pastoor der Ste. Madeleine, een nog grooter gedeelte en in overleg met dc Jezuïeten en onder goedkeuring van den aartsbisschop van Parijs schonken zij dezen gewijden grond aan dc Auxiliatrices, die er een klooster harer Orde oprichten. Verlangend zien nu deze Zusters naar middelen om, die haar in staat stellen de oude, aan het Christelijke Frankrijk zoo dierbare bedevaartplaats, op ecne waardige wijze te herstellen.
Gave God , dat het eenvoudige levensverhaal dezer edele vrouw, in de eene oiquot; andere ziel het verlangen deed ontstaan, in de voetstappen te treden van de ?dchtster der Auxiliatrices.
Dergelijke levensbeschrijvingen dienden steeds te ein-
i3
AANHANGSEL.
digcn met do woorden, die onze Goddelijke Zaligmaker sprak aan het slot der gelijkenis van den barmhartigen Samaritaan, «Ga heen, en doe eveneens.quot; Allen kunnen iets doen. O, dat toch niemand zich tevredenstellc met niets te doen ! Is er eene aansporing noodig, welnu, wat is machtiger dan de gedachte te werken, te bidden en te lijden 'voor hen, die1 wij op aarde hebben liefgehad, en die volgens de meening der grootste kerkleeraars weten wat wij voor hen doen, ofschoon zij zich zelve niet kunnen helpen? De H. Catharina van 1'ologna zegt: »Wanneer ik eene gunst van den eeuwigen Vader wensch te erlangen, dan roep ik de Zielen des Vagevuurs aan en belast haar met het overbrengen mijner bede, en steeds word ik door hare tusschenkomst verhoord.quot;
Ten slotte kunnen wij niet nalaten, de woorden aan te halen van een schrijver, die zijne talenten heeft besteed aan do bepleiting der zaak voor welke Mère Marie de la Providence leeide en stierf.
Zij bevatten gedachten, die wellicht menig gewond en moedeloos hart met troost en moed zullen vervullen: »Laten wij dan, indien wij er ons toe voelen aangespoord, de Zielen des Vagevuurs om hare gebeden vragen; maar bovenal, bidden wij voor haar, en ondersteunen wij gelijk deze Zusters ons gebed door oefeningen van zelfverloochening en werkdadige naastenliefde jegens de armen. Bedenken wij steeds, dat voor God alles tegenwoordig is, de toekomst zoowel als het verledene. Hetgeen in de toekomst ligt, beschouwt Hi j als tot het verledene of tot het tegenwoordige behoorende. Hij voorziet de gebeden, het lijden en de goede werken Zijner Kerk, en als waren deze
AANHANGSEL
gebeden en goede werken hem reeds opgedragen, verleent Hij al bij voorbaat genaden, die daaraan geövenre-digd zijn. Evenzoo is het mogelijk, dat hetgeen wij nu doen voor overledenen, over wie het onherroepelijk oordeel reeds is uitgesproken door de Goddelijke alwetendheid er toe heelt bijgedragen, voor hen genaden te verkrijgen, die dat oordeel hebben verzacht.quot;
Onder de Auxil i at rices zijn er velen, die groote offers hebben gebracht, om van God barmhartigheid af te smee-ken over zielen, die reeds sedert langen tijd deze wereld hebben verlaten. Wij allen kunnen haar voorbeeld volgen. «O, indien het niet te laat ware!quot; is de kreet van menig hart, dat gekweld wordt door twijfel aan de zaligheid van een teerbeminde, die naar den schijn buiten de Kerk of niet in staat van genade is afgestorven. Wij antwoorden: «Het is nooit te laat â bid, arbeid, lijd! God voorzag uwe pogingen. De Heer zag in de toekomst, en heeft wellicht aan die ziel op haar sterfbed buitengewone genaden verleent, die haar van den ondergang hebben gered; maar ofschoon in veiligheid wordt zij nu nog teruggehouden daar, waar uwe liefde haar kan bereiken, en uwe gebeden en uwe offers haar verlichting kunnen aanbrengen.quot;
Moge onze gezegende Moedermaagd, de Koningin des \ agevuurs, haren zegen doen nederdalen op onze poging, om den geest, het leven en den arbeid bekend te maken der Au \i 1 i at r i ce s
igS
AANHANGSEL.
Gedachten van Mere Marie de la Providence.
Laat ons den strijd des 1 Toeren strijden met die edelmoedigheid, waarvan de H. Ignatius spreekt, wanneer hij ons aanspoort, steeds vooruit te gaan ten koste van alles en niettegenstaande alle moeielijkheden, zonder achterwaarts te zien, dagelijks nieuwe offers brengende, opdat in ons, God beminnende door de daad, het verlangen naar lijden een brandende dorst worde.
Wanneer wij den koninklijken weg des kruises betreden, dan zal iedere beproeving eene statie zijn, bij welke wij nederknielen, om de hand der Voorzienigheid te kussen; de laatste statie op dien weg is de deur Hemels.
Wanneer wij in ons den moed willen doen herleven, wenden wij dan den blik op de kleine deur van het II. Tabernakel, waaruit [czus zoo liefderijk tol ons komt, om onze harten te bezoeken.
O, het is zoo goed dat steeds toenemende verlangen, om voor God alleen te leven ! Wie anders dan Jezus kan onze hongerige en naar geluk hunkerende harten bevredigen ?
Wanneer wij dorsten naar God, dan moeten wij ook dorst gevoelen naar alles.wat ons Hem nader brengt.
Eiken dag bidden wij in ons officie voor de Overledenen: «Slachtoffers, hebt Gij versmaad, maar Gij hebt mij een lichaam gegeven. Want, zoo sprak ik «Zie, ik kom , om geheel mijn leven te wijden aan gebed, lijden en arbeid voor de verlossing der Zielen in het vagevuur, en ik kom geheel en voor immer.quot;
igö
AANHANGSEL
Hoe edelmoediger wij ons zelve aan Jezus schenken, hoe meer Hij zichzelven aan ons schenkt; en voor de ziel aan welke Hij zich zeiven schenkt, wordt Calvarië in Thabor veranderd.
Ontvangen wij het kruisbeeld als eene Goddelijke erf-making, waardoor wij leeren, hoe wij onze beloften in oefening moeten brengen, en ons getoond wordt, hoe algeheel onze, opoffering moet wezen voor de Zielen des vagevuurs.
Laten wij geene andere plannen maken dan Gods wil te doen.
Wanneer de Zielen in het vagevuur onze plaats konden innemen, hoe gaarne zouden zij lijden, en hoe licht zou ons lijden haar toeschijnen!
Vrees niets, dan Gods wil niet volkomen te volbrengen.
Laten wij nooit onze hulp aan iemand weigeren, indien wij hem kunnen helpen; en geloof mij, de gelegenheid daartoe is menigvuldiger dan wij denken.
Het schijnt u toe, alsof gij niets deedt, niets wist, niets voeldet. Stoor u daaraan niet; de goede God zal uit al dat niets, dat gij ter zijner liefde hebt opgedragen, een kroon weten te vlechten.
Het kruis is als de grondsteen van elke roeping.
Die niet kan lijden, kan ook niet beminnen.
De echte geest van zelfverzaking bestaat hierin, dat wij met vaste hand ons zelve besturen en toch God met ons laten doen wat Hem behaagt.
Alleen in het offer kan de echte kloosterling vreugde smaken,
197
AAXHAXGSEL
Laten wij er steeds aan denken, dat onze roeping een apostelschap is. Wij moeten de zielen tot God brengen, hetzij wij ze op aarde of in het vagevuur vinden.
Nooit mogen wij zeggen. «Ik lijd te veel,quot; want dat is niet waar. God meet nauwkeurig af, hoeveel wij kunnen en moeten lijden voor de arme Zielen. Spreken wij liever aldus, ik lijd, â zooveel te beter; ik ben uitgeput â dat behoort tot mijn bedrijf; ik ben vermoeid â dat zijn anderen ook. Ik behoor aan God. Jezus heeft mij tot Zijn medehelpster uitgekozen.quot; Laat die gedachte ons kracht geven bij den arbeid, troost in droefheid, hoop in beproeving.
»De harten omhoogquot; â is dat niet onze leus? O, laten wij Jezus Christus aandoen ; laten wij met vreugde en lielde zijne livrei dragen, en alzoo gekleed, voortdurend in het vagevuur afdalen, om door onze handelingen, ons lijden en onze gebeden aan de arme Zielen alle hoop en troost te brengen, die in den naam van Jezus ligt opgesloten.
Persoonlijke heiliging is de eerste schrede naar het apostelschap. Afvorens de martelaren naar verre gewesten te kunnen volgen, moeten wij krachtig het dagelijksch martc-laarschap van kleine opofferingen verduren.
Laten wij gewillige werktuigen in Gods handen zijn. liet is een wonderbaar geheim, dat Hij door middel van niets, iets tot stand wil brengen.
Bij elke gebeurtenis zal ik tot mij zelve zeggen, «Het is geschied; en door Gods toelating is het aldus geschied.quot; Ik zal mij nooit doorliet »hoequot; en «waaromquot; laten afleiden.
Laten wij met bijzondere zorg offers brengen en God
AANHANGSEL.
bidden, ons te leeren. de aandacht der menschen van ons al te leiden en die op anderen tc vestigen.
W ij verwekken dikwijls oefeningen van Geloof, Hoop en Liefde; maar zelden doen wij een oefening van vreugde. En toch zou het God zoo aangenaam zijn, als wij Hem somtijds zeiden: O mijn God. hoe blijde ben ik, U toe te behooren!quot;
I )e Zielen in het vagevuur lijden zonder ophouden. Hare Auxi 1 iatric es moeten geen oogenblik verzuimen haar bij te staan. Hoe kunnen wij hier op aarde aan rust denken !
igg
1 N HOU I).
Hoofdstuk. Bladz.
I. [eu^d van Eugenia.......5
II. Eugenia in het ouderlijke huis. . . . . 16
III. De eerste inspraken der genade ... 22
IV. Schemerlicht aangaande Eugenia's roeping. 3i
V. Openbaringen van Gods Wil.....40
VI. Geleidelijke wegruiming van moeilijkheden. 5i VII. Eindbesluit..........63
VIII. Het Huis in de Rue de la Barouillère. 81
IX. Verdere ontwikkeling der Congregatie. . 93 X. Eeuwige beloften. â Geloof en goede
werken..........io5
XI. Bidden, werken en lijden......118
XII. Nantes en China........i36
XIH. De Stichting in China.......149
XIV. De Stichting te Londen......164
XV. Consummatum est........177
Aanhangsel..........19°
m
f