774
DER
Wh E E S T E N
OF DE . .
Sffij â¢. ; / : ^ -
11 i E STAND DES MENS CHEN
m. - / -⢠â .' -
NA DEN DOOD/
yillft - ' ^ '
lïUHü/ '
miii -i lt; gt; t ' i â '
â iS'f
(B. Sweicnbor SS,
; i 111 * ' â
; I; :i i , â '
Wamp;igt;gt; - .
DOOE
L. EUSDIJK, ZUID-BEIJEELAND.
ffilii awi
9! 0,60 CTS.
^ttei
DE WERELD DER GEESTEN.
/4t.
1) E
⢠7quot;quot;/ //
fy
GEESTEN
OF DE
TOESTAND DES MENSCHEN
NA DEN DOOD,
DOOR
(6. Ã w c b c n b o r g.
L. EUSDIJK,
ZUID-BEUK 11 LA ïJD-
2203 4023
DE WERELD DER GEESTEN.
De wereld der geesten is nocli de hemel, nocli ook de hel, maar ecne plaats, of toestand tus-schen Leiden. De mensch gaat, na zijnen dood, eerst daarin, en wanneer hij zijnen bestemden tijd daarin heeft doorgebragt, alsdan wordt hij, in overeenkomst met zijn leven in deze wereld, of verheven in den hemel, óf verworpen in de hel.
De wereld der geesten is eene tusschenplaats tussehen den hemel en de hel, en is dus de tns-schenstand dos menschen, na den dood. Dat zij eene tusschenplaats is werd mij duidelijk gemaakt doordien de hellen er beneden, en de hemelen er boven zijn. Dat zij een tussclien-stand is weri mij tevens duidelijk, doordien de mensch, zoo lang hij daar is noch in den hemel is, noch ook in de hel. Dewijl de he-melsche stand in den mensch bestaat is die stand de vereeniging van het goede en do waarheid in hem, en de staat der hel is de zamenlooping van het kwade en de logen in hem. Wanneer het goede en de waarheid in den mensch, die thans een geest is, vereenigd zijn, alsdan treedt hij den hemel in, omdat deze vereeniging zooals is opgemerkt, de hemel is, die in
1
hem bo-staat. Wanneer echter in den mensch, insgelijks nu oen geest, het kwade vereenigd is met de logen, treedt hij de hel in, omdat die vereeniging de hel is, die in hem aanwezig is. Deze vereenigingen worden in de wereld der geesten bereikt, dewijl de mensch dan in eenen tusschenstand is. Het is geheel hetzelfde of wij spreken van de vereeniging van de kennis en den wil, dan of wij spreken van de vereeniging van de waarheid en het goede.
Ten aanzien der vereeniging van de kennis en den wil en hare gelijkheid met de vereeniging van het goede en de waarheid zal hier eerst iets vooraf moeten gezegd worden, omdat die vereeniging in de geestenwereld wordt bereikt. De mensch bezit beide, kennis en wil. De kennis ontdekt waarheden en wordt gevormd door de waarheid; de wil bereikt het goede en wordt gevormd door het goede. Om deze rede noemt de mensch, wat hij door zijne kennis besluit, en dus denkt, waarheid; en wat hij wil, en dus bedenkt, noemt hij goed. Door zijne kennis is de mensch in staat om te denken en te vatten wat waarheid en ook wat goed is; maar hij denkt niet door zijnen wil; want wil hij iets zoo handelt hij. Zoo hij iets tot een voorwerp maakt van zijnen wil en ook dien overeenkomstig handelt, .zetelt de handeling in zijne kennis en wil, dus in den mensch zelf. Want de kennis alleen vormt niet den mensch, noch ook do wil alleen, maar kennis en wil te zamen; wat daarom in beide is is in
3
den menscli zelt' en behoort tot zfjn wezen. Al wat alleen in de kennis bestaat is werkelijk met den menscli aanwezig, maar niet in hem opgenomen; het is enkel een voorwerp van zijn geheugen en eeno zaak, die hij kent als door zijn geheugen opgenomen; het is eene zaak, waarover hij in staat is te denken, omdat zij nog niet geheel met hem vereenigd is, maar die hij nog buiten zich in verbindtenis met andere zaken stellen kan; hij is derhalve in staat, om over die zaak te spreken en te redeneren en hij kan daarvan voorgestelde aandoeningen en werkingen in zich opnemen.
De mensch is geschapen opdat hij in staat zou zijn om door zijne kennis te denken, zonder op denzelfden tijd te willen, opdat hij vatbaar zoude zijn voor verandering. Want de mensch wordt veranderd door middel van waarheden, en waarheden, zooals boven is opgemerkt, zijn voorwerpen der kennis. Ten opzigte van den wil is de mensch in alle kwaad geboren want, hij wil voor niemand het goede, dan alleen voor zich zelf, en die het goede alleen voor zich zeiven wil schept behagen in de ongelukken van anderen, vooral wanneer die tot zijn eigen voordeel strekken. Hij tracht het goede van alie andere men-schen, 't zij eer, 't zij welzijn, zich toe te eigenen, en in zooverre hij zijne begeerte vervuld ziet gevoelt hij eene inwendige blijdschap. Ten einde dezen toestand van den wil te verbeteren un te hervormen i;j de mensch in
4
staat gesteld, om waarheden te kennen en, door middel van deze waarheden, de hooze neigingen van zijnen wil te beteugelen. Het is om deze rede, dat hij in staat is, om door zijne kennis waarheden te bedenken, te bespreken en te doen; maar hij kan die niet bedenken door zijnen wil, vóór hij dien toestand deelachtig is, waarin hij de waarheid van harte wil en doet uit zich zelf. Wanneer de mensch in dezen toestand is dan zijn de waarheden, die hij door zijne kennis bedenkt, de voortbrengselen van zijn geloof, en de waarheden, die hij van wege zijnen wil bedenkt, zijn de voortbrengselen van zijne liefde; alsdan gaan geloof en liefde in hem zamen, gelijk zijne kennis en zijn wil zamengaan.
In die mate nu als de waarheid, die hot voorwerp is van zijne kennis, vereenigd is met het goede, dat het voorwerp is van zijnen wil; dus in die mate als de mensch de waarheid wil en ze daarom doet, heeft hij den hemel in zich zeiven; want, gelijk boven is opgemerkt, de vereeniging van het goede en de waarheid ia de hemel. Daarentegen, in die mate als de logen, die het voorwerp is van zijne kennis, vereenigd is met het booze, dat het voorwerp is van zijnen wil, in die mate heeft de mensch in zich zeiven de hel; want de vereeniging van de logen met het booze is de hel zelf. In die mate echter, als de waarheid, die het voorwerp is van zijne kennis, niet vereenigd is met het goede, dat
het voorwerp is van zijnen wil, in die mate is de mensch in eenen tnssehenstand. Bijna ieder mensch is heden in de gelegenheid, om met de waarheid bekend te worden en door die bekendheid, derhalve door de kennis, ook de waarheid te bedenken en 't zij veel, 't zij weinig, 't zij niets te doen van hetgeen zij verlangt, of' wel, nit liefde tot het kwaad, of door het geloof in de logen, tegen de waarheid te handelen. Opdat nu zoo iemand geschikt moge worden, 't zij voor den hemel, 't zij voor de hel, wordt hij, na zijnen dood, eerst in de geestenwereld overgebragt, waar de eenheid van goeil en waarheid wordt be; werkt voor hen, die in den hemel zullen opgenomen worden, en waar de vereeniging van het kwade met de logen bewerkt wordt voor hen, die in de hel zullen geworpen worden. Want het is onbestaanbaar dat iemand in den hemel of in de hel nog op twee gedachten blijft hinken, dat is, dat hij het eene tot een voorwerp van zijne kennis en iets anders het voorwerp van zijnen wil maakt; maar hetgeen het voorwerp is van iemands wil moet daar ook het voorwerp zijn van zijn© kennis, en hetgeen het voorwerp van zijne kennis is moet ook het voorwerp zijn van zijnen wil. Daarom moet in den hemel ieder, wiens voorwerp van zijnen wil goed is, de waarheid tot het voorwerp van zijne kennis hebben; in de hel daarentegen moet ieder, wiens voorwerp van zijucu wil kwaad is, ook de logen tot liet
c
voorwerp van zijne kennis hebben. Daarom wordt in de geestenwereld alle logen van do goeden verwijderd, en waarheden, als passende er. overeenkomstige vormen voor het goede aan hen gegeven; evenzoo wórdt alle waarheid verwijderd van de kwaden en de logen aan hen, als doelmatig en overeenkomende met het kwsad gegeven. Uit deze gezegden moge duidelijk zijn wat de geestenwereld is.
De geestenwereld bevat een groot aantal bewoners, dewijl zij het gebied is, waarin allen eerst zamenkomen en waar allen worden onderzocht en toebereid voor htm laatst verblijf. Hun oponthoud aan deze plaats is aan geenen vasten tijd verbonden; sommigen treden zoo in en worden dadelijk 6f opgenomen in den hemel, èf nedergeworpen in de hel; sommigen vertoeven daar slechts eenige weken, en anderen verscheidene jaren, maar nooit meer dan dertig jaar.1 Het verschil in den tijd van
1
Dertig jaren. Men meene niet te spoedig, dat deze tijdsbepaling enkel â willekeur van Swebenboeg is. Het is tocli ongetwijfeld zeker, dat al wat God bepaalt niet op willekeur is gegrond, en dat de menscliheid Tan hier en de menscliheid of de geesten van de andere zijde des grafs tot elkander in betrekking staan, als begin hier en voortzetting daar. Welnu, waarom moesten dan de Priesters in Israel 30 jaar oud zyn, eu waarom traden Johannes en Jezus met hun 80ste jaar op? Die. ouderdom veronderstelt de volkomenheid der geestelyke ontwikkeling, zoowel hier als hier narcaals.
Sommige Lezers zullen welligt al het voorgaande te
7
Imn oponthoud hangt af van het al of niet overeenkomende tusschen hun innerlijk en uiterlijk. Op welke wijze de mensch in die wereld van den eenen toestand in den anderen wordt geleid en toebereid wordt voor zijn laatst verblijf, zal later worden aangetoond.
afgetrokken, on daarom onhelder hebben gevonden. Hun wordt alsdan eene dienst bewezen, door het voor-gaande in het dagelijksch leven over te brengen.â Dat wij den weg des levens weten en niet doen is iets zeer gewoons; weten en doen staan hier dus tegenover elkander. Om nu geschikt te zijn voor den hemel moet dit weten cn doen vereenigd zijn, zoodat het tot onze natuur is geworden, om te doen gelijk wij weten. Ts die vereeniging bereikt, dan hebben wij den hemel in ons. Zij die geschikt zijn voor de hel doen niet alleen het kwade, maar zij weten ook niets meer van den weg der waarheid en gelooven de leugen; ook bij hen is dan het weten en doen één geworden. Deze eenheid moet, volgens Swedekboeo, in de geestenwereld bereikt worden, want de beste struikelt hier nog, en de slechtste heeft nog eenige kennis van den weg der waarheid over vóór zijnen dood. Hij noemt dit eene. totale vereeniging, éénheid, zamenlooping of harmonie van kennis en wil ten opzigte van goed of kwaad, doch om hot duidelijk te maken neemt hij geene voorbeelden, maar grondt zijne voorstelling op het wezen van den mensch. Hier komt geene gedachten bij hem op, alsof er na den dood nog bekeering mogelijk ware, maar juist het tegendeel, want de geestelijke toestand van daar is dc voortzetting en volkomen wording van hetgeen hier is aangevangen.
E.
8
Zoodra de mensclien na hunnen dood,, de geestenwereld â intreden, worden zij naamv-kenriglijk door den Heer in klassen onderscheiden. De hoozen worden onmiddelijk, door (inzigtbave handen, in gemeenschap gebragt met eene vereeniging uit de hel, waarmede zij in de wereld reeds vereenigd waren door hunne heerschende neiging; langs gelijken weg worden de goeden onmiddelijk vereenigd met eene vereeniging uit den hemel, waarmede zij vereenigd waren tijdens hun verblijf in de wereld, door hunne liefde, waakzaamheid en geloof. In weerwil zij zoo naauwkeurig in klassen zijn gescheiden, zoo ontmoeten in die wereld, allen elkander en spreken te zamen, wanneer zij dit verlangen bij het ontmoeten van vrienden of bekenden uit het ligchamelijk leven, bijzonder echtgenooten, broeders en zusters. Ik zag er een' vader spreken met zijne zes zonen, die hij allen herkende; vele anderen spraken met hunne vrienden en betrekkingen; maar zoo zij in eenen verschillenden toestand waren, als gevolg van hun leven op aarde, waren zij spoedig weder gescheiden. Zij echter, die uit de geesten wereld naar den hemel gaan, en zij, die van daar gaan naar de hel, zien of kennen elkander nooit weder, omdat zij niet gelijk zijn in toestand en gelijk zijn in liefde. De rede, waarom alle bekenden elkander wel zien in de geestenwereld en niet in den hemel noch in do hel, is deze, dat zij in de geesten-wereld in toestanden zijn gebragt, die zij heb-
9
ben ervaren in liet ligchamelijk leven en â van den eenen in den anderen overgaan. Na dien tijd komen zij in eenen onveranderlijken toestand, overeenkomende met hunne heer-scliende neiging. Alsdan kent de een den ander door de gelijkheid in neiging; want het gelijke vereenigt zich en het ongelijke scheidt zich van elkander af.
Gelijk de geestenwereld een tusschenstand is tusschen den hemel en de hel, en deze stand in den mensch bestaat, zoo is zij ook eene tusschen- of' overgangsplaats. Beneden zijn de hellen en hoven zijn de hemelen. Alle hellen zijn aan hunne grenzen afgesloten; de eenige openingen zijn door holen en spleten als van rotsen en -wijde kloven, Alle deze openingen worden bewaakt, opdat er niemand, dan bij vergunning, zoude uitgaan. Deze vergunning wordt somtijds verleend, wanneer de dringende noodzakelijkheid dit eischt, gelijk nader zal worden aangetoond. De hemel is insgelijks aan alle zijden naauwkeurig afgesloten en er is geen toegang tot eenige hemelsche vereeniging open, dan alleen door eenen naau-wen weg, waarvan de ingang insgelijks wordt bewaakt. Deze uit- en ingangen worden in de Schrift de poorten en de deuren der hel en van don hemel genoemd.
I« ⢠1 â¢
De geestenwereld gelijkt op eene vallei, die door bergen en rotsen is ingesloten; hier en daar daling en rijzing. De deuren en poorten, die tot de hemelsche vereenigingen
10
leiden, zijn niet zigtbaar, dan alleen voor hen, die voor den hemel zijn toebereid; door niemand anders kunnen zij zelfs gevonden worden. Van de geestenwereld bestaat tot iedere vereeniging een ingang, waarboven een pad is, maar dat, bij het opwaartsloopen, zich in verscheidene takken verdeelt. Ook de poorten eu deuren die naar de hellen leiden, zijn voor niemand zigtbaar, dan voor hen, die op het punt zijn er binnen te gaan. Voor zulken worden zij geopend, en er worden als dan nevelachtige, vrij duistere holen zigtbaar, die in eene helling nederwaarts loopen naar eene groote diepte, waar insgelijks weder verschillende deuren zijn. Door deze holen walmen vreesselijke stanken en bedorven luchten, die door de goede geesten geschuwd worden, omdat zij eenen afkeer in hen verwekken, maar die de booze geesten zoeken, omdat zij hun aangenaam zijn. Gelijk in de wereld de booze behagen schept in zijn eigen kwaad, zoo schept hij ook na zijnen dood behagen in den stank, die met zijn kwaad overeenkomt. In dit opzigt kunnen zulke personen vergeleken worden met roofdieren, als bij voorbeeld raven, wolven en zwijnen, die, op de lucht van den stank, die krengen en mest van zich geven, vuriglijk naar de plek vliegen en rennen. Ik hoorde eens eenen zekeren geest eenen luiden schreeuw geven, alsof hij door eene inwendige pijniging wérd aangegrepen, toen hij de geur opving, die uitwasemde uit
1]
den hemel, en denzelfden geest zag ik zeer bedaard blijven en verheugd zijn, bij den stank van eeno viitwalming uit de hel.
Voor ieder mensch bestaan twee poorten; de eene leidt naar (ie hel en wordt geopend door de boozon en ontrouwen uit de hel; de andere leidt naar den hemel en wordt door de goede en getrouwen, die van daar toevliegen, geopend. In hen, die onder het kwade en derhalve ook onder de logen zijn begraven, is de poort der hel geopend en slechts eenige weinige stralen van het licht van den hemel dringen van boven als door reten binnen. Door dit ingedrongen licht wordt men in staat gesteld om te denken, te redeneren en met anderen te spreken. Maar in hen, die gefondeerd zijn in liet goede, en derhalve ook in de waarheid, is de poort des hemels geopend. Want er zijn twee wegen, die tot de rede in den mensch leiden, een hoogere of innerlijke en een lagere of uiterlijke; door den eersten komt tot hem het goede en de waarheid van den Heer; dooiden tweeden het booze en de logen van de hel. De rede des menschen is in zijn innerlijkst wezen gevestigd en tot daar leiden deze twee wegen heên. In zoo verre het licht van den hemel tot daar wordt toegelaten is de mensch redelijk; maar in zooverre dit licht niet wordt toegelaten, is hij onredelijk, in weerwil hij jnist het tegendeel meent. Deze feiten zijn medegedeeld, opdat de aard der gemeenschap van den mensch met den hemel, of mot dc
12
hel moge gekend worden. Zijne rede is, gedurende zijnen ontwikkelingstijd, in verbindte-nis met de geestenwereld; wat daarboven is verheven is in gemeenschap met den hemel, en wat er beneden is met de hel. De afdeelin-gen daarboven zijn geopend tegen, en die beneden zijn zijn gesloten voor den invloed van het kwade en de logen op hen, die toebereid zijn voor den hemel; maar de afdeelin-gen beneden zijn geopend tegen, en die daarboven zijn zijn gesloten voor den invloed van het goede en de waarheid op hen, die toebereid zijn voor de hel. De laatste kan derhalve niets anders doen dan den blik naar beneden rigten, dat is, naar de hel, en de eerste kan niets anders dan opzien naar boven, d. i. naaiden hemel. Opzien naar boven is opzien naar den Heer, wijl Hij het eenige en het al-gemeene middenpunt is, waarnaar alles, dat in den hemel is, opziet; maar het zien naar beneden is het afzien van den Heer, naar het tegenovergestelde middenpunt, waarnaar alles, wat in de hel is, opziet en heênstrekt. Onder geesten worden, gelijk boven is aangegeven, zij bedoeld, die vertoeven in de geestenwereld. De Engelen zijn bewoners van den hemel.
Ieder menscii is inwendig
een geest.
Wie ooit rijpelijk over dit onderwerp dacht zal tot de overtuiging zijn gekomen; dat liet ligchaam niet denkt, dewijl het stoffelijk is; maar dat de ziel denkt, wijl die geestelijk is. De ziel des menschen, over welk onderwerp zoo veel is geschreven, is zijn geest. Deze geest is onsterfelijk gelijk alles, wat daartoe behoort, en deze is het, die in het ligchaam denkt. De geest heeft, natuurlijk, een geestelijk bestaan, en hetgeen geestelijk is neemt hetgeen geestelijk is op, en leeft op geestelijke wijze; deze wijze is het voortbrengen van gedachte en wil. Alles, wat dus in het ligchaam als redelijk leven zich openbaart, behoort tot den geest, eu niets behoort daarvan tot het ligchaam. Het ligchaam is stoffelijk, gelijk boven is gezegd, en de stoffelijkheid, dat is wat uitsluitend tot het ligchaam behoort, is aan den geest toegevoegd, of bijna, als ware het, vereenigd met den geest, opdat deze zoude kunnen leven en handelen overeenkomstig de natuurlijke wereld, waar a'les stoffelijk is en, in zich zeiven, ontbloot is van het leven. Daar nu het stoffelijke niet leeft, maar alleen dat, wat geestelijk is, zoo blijkt hieruit met zekerheid, dat alles wat leeft in den mensch niets anders is dan zijn geest, en dat het lig-ehaam alleen dient voor den geest gelijk een
14
werktuig dient voor den werkman. Men is ook gewoon, om van een werktuig te zeggen, dat het handelt, beweegt of slaat; maar daarbij wordt niet gedacht, dat die krachten tot liet werktuig behooren, maar wel tot hem, die met het werktuig handelt, iets beweegt of slaat.
Daar alles, wat in het ligchaam leeft en door de kracht Aran dit leven handelt en gevoelt, uitsluitend tot den geest en niets daarvan tot het ligchaam behoort; zoo volgt daaruit, dat de geest de werkelijke mensch is, of, wat hetzelfde zegt, dat de mensch als mensch een geest is. Hieruit volgt verder, dat de geest in eenen vorm bestaat, die overeenkomt met het ligchaam; want al wat leeft en gevoelt in den mensch behoort tot zijnen geest, en er is niets in hem, van het hoofd tot den voetzool toe, wat niet ley ft en gevoel t. Wanneer daarom geest en ligchaam gescheiden worden, hetgeen wij sterven noemen, zoo blijft de mensch toch voortleven. Uit den hemel werd mij gezegd, dat sommige stervenden in hun koud ligchaam, liggende op do baar, vóór hunne opwekking, nog denken, en niet beter weten, dan dat zij nog leven, maar met dit onderscheid, dat zij geen enkel stoffelijk lid kunnen bewegen, wijl dit alles alleen tot het ligchaam behoort.
De mensch kan geene gedachte of wil openbaren, dan alleen door een voorwerp of werktuig, dat geschikt is, om deze werkingen te te doen ontstaan en ten uitvoer te brengen.
15
Zoo men zich verbcelt dat iets bestaat en het, mist zelfstandigheid, zoo is het niets. Dit moge duidelijk worden uit het voorbeeld, dat de mensch niet zien kan, zonder een orgaan, dat de zelfstandigheid is van zien, noch hooren kan, zonder een orgaan, dat de zelfstandigheid is van zijn hooren. Zonder deze organen kan er geen zien of hooren plaats hebben en niet bestaan. Dit geldt ook van de gedachte, die het inwendige gezigt is, en van het begrip, dat het inwendig gehoor is. Indien die niet in en door zelfstandigheden bestaan, die oro-a-nisch zijn gevormd en die de zelfstandigheden zijn van deze werkzaamheden, zoo kunnen zij niet bestaan. XJit deze waarheden moge met zekerheid blijken, dat de geest des menschen insgelijks in eenen vorm is, en wel den menschelijken vorm, en evenzeer zinnen en zintuigen bezit, na zijne seheiding van het lig-chaam als toen hij nog in het ligchaam was; dat verder het leven van het oog en het oor^ in één woord, geheel het zintuigelijk leven^ dat de mensch bezit, met tot zijn ligchaam, maar tot zijnen geest behoort; want de geest woont daarin, tot in de allerfijnste deelen, die hen zamen stellen. Uit deze oorzaak zien, hooren en gevoelen de geesten zoowel als de menschen, alleen met dit onderscheid, dat zij na hunne scheiding van het ligchaam, deze zinnen niet openbaren in de natuurlijke wereld, maar in de geestelijke. De rede waarom de geest, terwijl hij in het ligchaam is, zijue in-
Ifi
drukken op eeno natuurlijke wijze uit, is, omdat hij dan handelt door de stott'elijke natuur, die aan hem is toegevoegd; maar ook dan leeft hij geestelijk in de werking van gedachte en wil.
Deze waarheden zijn vermeld, opdat de rede-delijke mensch overtuigd moge zijn, dat de mensch, als mensch, een geest is, en dat het ligchamelijk omkleedsel, dat aan zijnen geest is toegevoegd, voor zijne werkzaamheden in de natuurlijke en stoffelijke wereld, niet de mensch is, maar alleen een werktuig, dat gebruikt wordt door zijnen geest. Bevestigingen echter die op de ervaring berusten zijn te verkiezen, omdat redeneringen de bevatting van velen te boven gaan, terwijl zij, die een tegenovergesteld gevoelen zijn toegedaan, twijfelachtig worden gemaakt door gevolgtrekkingen uit bedriegelijke zinnen. Door de laatsten wordt gewoonlijk hiertegen aangevoerd, dat ook de dieren leven en gevoelen en dus ook een geestelijk leven moeten bezitten, gelijk de mensch, maar dat met hun ligchaam sterft. De aard van den geest der dieren is evenwel niet gelijk aan dien der menschen; want de mensch heeft, wat dieren niet hebben, eene meest innerlijke graad of gebied der ziel, waarin het Goddelijke Wezen door zijnen invloed ingaat en haar verheft tot zich zelf en met zich zeiven ver-eenigt. Hierdoor is het, dat de mensch, in onderscheiding vande dieren, in staat is, om te denken van God en Goddelijke zaken, die
17
tot den hemel en de kerk behooron, en daarin en daardoor God lief te hebben, en dus met Hem vereenigd te zijn. Al nu wat in staat is, om met het Goddelijk Wezen vereenigd te zijn, kan niet vernietigd worden; terwijl al wat onvatbaar is, om met het Goddelijk Wezen vereenigd te zijn, spoorloos wordt vernietigd. Doze meest innerlijke graad of dit gebied in de ziel, dat de menseh heeft en de dieren niet hebben, is in een vorig gedeelte bedoeld, en ik herhaal hier wat daar is vermeld, omdat het van belang is, dat dwalingen, die door onbekendheid met het onderscheid tusschcn menschen en dieren zijn ontstaan, verwijderd worden. Deze dwalingen heerschen bij velen, die door gebrek aan kennis en een ongeoefend verstand niet in staat zijn om zich heldere denkbeelden er van te vormen. De plaats luidt als volgt; ,/Ik moet hier ten opzigte van de Engelen der drie hemelen, een zeker geheim vermelden, dat nimmer te voren in eens menschen hart is opgekomen, wijl tot hiertoe niemand de leer der craden heeft ver-
O
staan. In iederen Engel, en derhalve ook in ieder mensch, is eeno innerlijke en verheven graad of een zeker innerlijk en verheven gebied der ziel, of eene vatbaarheid om op te nemen, waarin de Goddelijke spheer of de Heer dadelijk of allengs ingaat, en dat de andere innerlijke vatbaarheden regelt, die zicli aan het innerlijke aansluiten, overeenkomstig hunne orde der graden. Dit meest innerlijk
IS
of verheven gebied der ziel kan de toegang van den Heer tot de Engelen en mensclien worden genoemd of zijne meest onmiddelijke woonplaats in hen. Juist door liet bezit van deze innerlijke of verheven woonplaats voorden Heer, is de mensch mensch en onderscheiden van de onredelijke dieren, die haar niet bezitten. Het is door deze verhevenheid, dat de mensch, in onderscheiding van de dieren, in opzigt tot zijn innerlijk of tot de bekwaamheden, die tot zijn innerlijk en uiterlijk wezen behooren, in staat is, om door den Heer tot zich zeiven te worden verheven, in Hem te gelooven, vervuld te zijn met liefde tot Hem en dus om Hem te zien. Daardoor ook is de mensch in staat, om kennis en wijsheid te verkrijgen en op eene redelijke wijze te spreken. Juist door deze verhevenheid leeft de mensch eeuwiglijk. De regelingen en bestemmingen, die door den Heer in dit meest innerlijk gebied zijn gemaakt worden echter nooit klaar door eenigen Engel begrepen, omdat zij boven het gebied van zijn denken gaan en verheven zijn boven zijne wijsheid.quot;
Uit eene menigte ervaringen is het mij vergund te weten, dat de mensch naar zijn innerlijk wezen een geest is; moest ik alle opteekenen zoo zouden zij vele vellen beslaan. Als een geest heb ik met de geesten gesproken en ik heb met hen gesproken als een mensch in het ligchaam. Toen ik met hen als een geest sprak dachten zij uict anders, dan dat Ik zelf
19
een geest was, en zij zagen, dat ik, gelijk zij, in eenen menschelijken vorm was. Als zoodanig verscheen mijn innerlijk voor hen; want terwijl ik met hen als een geest sprak was mijn stoffelijk ligchaam onzigtbaar.
Dat do mensch, wat zijn Innerlijk betreft, een geest is, bleek mij met zekerheid, doordien hij, nadat zijn ligchaam van hem is gescheiden, gelijk dit plaats heeft bij zijnen dood, toch steeds als mensch voort blijft leven. Opdat ik van deze waarheid ten volle overtuigd mogt zijn, is het mij verleend, om met bijna allen, die ik ooit heb gekend terwijl zij in het ligchaam leefden, mij te onderhouden, met sommigen weinige uren, met sommigen weken en maanden, met anderen jaren lang. Dit was mij vergund, voornamelijk opdat ik voor mij zeiven zeker mogt zijn van de waarheid en haar aan anderen zoude kunnen getuigen.
Bij hetgeen alreede is vermeld kan worden toegevoegd, dat iedereen, terwijl hij leeft in het ligchaam, met zijnen geest reeds in gemeenschap is met eene vereeniging van geesten, hoewel onbewust. De goede is door hen, als midden personen, in eene vereeniging van Engelen en de booze in eene helsche vereeniging opgenomen; na den dood gaan zij in dio zelfde vereeniging. Dikwijls is dit verklaard en aangetoond aan hen, die, na hunnen dood, onder do geesten kwamen. Zoolang hij nog in de wereld is geldt de mensch in die vereeniging
20
nog niet als een werkelijke geest, dewijl hij dan denkt op eene natuurlijke wijze; zij echter, die als buiten het ligchaam denken en âin den geestquot; zijn, verschijnen somtijds in hunne veiveniging. Zij worden echter dan naauwkeu-rig door de geesten van anderen onderscheiden; want zij wandelen rond in overdenking, spreken niet, zien niet naar de andere geesten, die zich gedragen alsof zij hen niet zien, en zoodra een geest hen aanspreekt verdwijnen zij.
Om de waarheid, dat de mensch naar zijn innerlijk een geest is, toe te lichten, zal ik uit de ervaring mededeelen, wat de optrekking uit het ligchaam is, en wat het is door den geest gedragen te worden in een andere plaats.
De optrekking uit het ligehaam heeft op de volgende wijze plaats. De mensch is in eenen toestand gehragt, die het midden houdt tus-schen slapen en waken. Wanneer hij in dezen toestand is kan hij niet beter weten, dan dat hij zuiver wakker is. Al zijne zinnen xijn evenzeer werkzaam als dat het ligchaam voh{ komen ontwaakt is, niet alleen het gezigt en het gehoor, maar zonderling! ook het gevoel, dat dan zelfs meer gevoelig is, dan in wakenden toestand. Ook in dezen toestand worden de geesten en Engelen in de zuivere werkelijkheid gezien; men hoort hen spreken en, wonderlijk! men voelt hen; er schijnt niets te bestaan tusschen hun ligchaam en dat van den persoon, die hen ziet. Dit is de toestand dien zij, die dien gekend hebben, beschreven als
21
buiten liet ligchaam zijnde, en dat zij njet konden zeggen of zij in het ligchaam of huiten het ligchaam waren (II Kor. 12 : 2, 8). Ik hen slechte drie of viermalen in dezen toestand geweest, alleenlijk opdat ik den aard er van kennen zonde en er tegelijk van verzekerd zoude zijn, dat geesten en Engelen zich in het hezit van alle zintuigen verheugen, en zoo ook des menschen geest, wanneer hij is opgetrokken uit het ligchaam.
Wat het andere betreft, door den geest gedragen te worden in eene andere plaats â is mij door eigene ervaring, schoon slechts twee-of driemaal getoond, zoowel wat dit is als hoe het toegaat. Terwijl ik door de straten eener stad en door de velden wandelde had ik tegelijk een onderhoud met geesten. Ik wist niet beter, dan dat ik wakende was en het gebruik van mijn gezigt had, gelijk op andere tijden. Zonder te dolen bewandelde ik den weg; ten zelfden tijde had ik een visioen, en zag lanen, rivieren, paleizen, huizen, menschen en andere voorwerpen. Na aldus eenige nren gewandeld te hebben, keerde eensklaps mijn ligchamelijk gezigt in mij terug en ontdekte ik, dat ik op eene geheel andere plaats was. Buitengewoon hierover verbaasd, ontdekte ik, dat ik in eenen toestand was geweest, dien zij hadden ondervonden, *van wien gezegd is, dat zij door den
Zooals b. v. Plulippus, Hand. 8: 39, en veelmalen de Propheten I Kon. 18:12; II Kon, 3:16,
22
geest waren weggenomen naar eene andere plaats. Gedurende dit plaats greep had ik geene aandaclit op de lengte van den weg, lioewel liet vele mijlen waren; ook niet op den duur van de reis, hoewel die verscheidene uren van den dag had ingenomen; ik was ook niet het minst vermoeid. Men wordt zoo door wegen, die men te voren niet kende, zonder te dwalen naar de plaats zijner bestemming geleid.
Deze twee toestanden grijpen plaats wanneer de mensch in zijn innerlijk is, of, wat hetzelfde zegt, in den geest is. Zij zijn echter zeer buitengewoon en zijn mij alleen getoond, om den aard dezer toestanden te kennen, en hun bestaan in de kerk bekend zoude zijn. Het onderhoud met geesten en onder hen te zijn als een hunner is mij vergund in wakenden toestand des ligchaams, en ia mij vele jaren lang toegestaan.
Dat de mensch, naar zijn innerlijk, een geest is wordt verder bevestigd door feiten en verklaringen uit een vroeger gedeelte, waar aangetoond werd, dat de bewoners van hemel en hel tot het menschengeslacht behooren.
Bij het gezegde dat, naar zijn innerlijk, de mensch een geest is, is gemeend, dat hij een geest is door zijne gedachte en zijnen wil; wart deze zijn de innerlijke voorwaarden, die den mensch tot mensch maken en wel naar die mate een mensch, als de aard is van deze be-k-raamheden.
De opwekking uit den dood en
de ingang in het eeuwig leven.
Wanneer het ligcliaam niet langer in staat is om zijne taak in de natuurlijke wereld waar te nemen, overeenkomstig de gedachten en aandoeningen van zijnen geest, die van de geestelijke wereld zijn afgeleid, dan zegt men sterft de mensch. Dit geschiedt wanneer de bewegingen der ademhaling en de zamentrek-kingen van hot hart eindigen. De mensch zelf' sterft echter niet, maar hij wordt alleen gescheiden van zijn ligchamelijk omkleedsel, dat hem, in de wereld, tot gebruik diende; de mensch zelf leeft. Het wordt hierdoor bevestigd, dat de mensch zelf leeft dewijl hij mensch is, niet door de magt van zijn ligchaam, maar door de magt van zijnen geest; want het is de geest in den mensch, die denkt, en gedachte vercenigd met gevoel is het, wat hem tot een mensch maakt. Hierdoor is het duidelijk, dat de mensch bij zijn sterven enkel van de eene wereld in de andere overgaat. Dien overeenkomstig beteekent in het Woord, dood zijn, de opwekking en de voortzetting van het leven.
De gemeenschap tnsschen den geest en het ligchaam is het meest onmiddelijk bij de ademhaling en de beweging van het hart; de gedachte staat het naast in verband met de ademhaling, en de aandoening der liefde het naast met het hart; wanneer derhalve deze twee
24
krachten in het ligchaam ophouden, heeft ook onmiddelijk de scheiding plaats. Deze twee krachten â de ademhalende beweging der longen en de zamentrekkende beweging van het hart â vormen de banden tusschen ligchaam en geest; worden die banden verbroken zoo staat de geest op zich zelf, en het ligchaam, dat nu van het leven des geestes is ontbloot, wordt koud en gaat tot ontbinding over. De rede, waarom de gemeenschap tusschen ligchaam en geest het sterkst is in de ademhaling en in het hart, is deze, dat van deze twee krachten alle uitingen des levens afhangen, niet alleen die van het ligchaam in het algemeen, maar van elk deel in het bijzonder.*
Na het eindigen der ademhaling blijft 's men-schen geest nog eenen kleinen tijd in het lig-
*Men weet, dat liet bloed in 's menschen ligchaam bij iederen polsslag vondloopt. Het hart ontvangt, uit het ligchaam, het aderlijk of donkere, met stikstof of koolstof vermengde bloed en trekt zich dan, als eene buitengewoon krachtige spier zamen en pernt het bloed door alle grovere ea fijnere cellen der longen. Deze ademen versche lucht, of liever, zuurstof met de lucht in en brengen, door de fijnheid van het weefsel der longen, deze zuurstof in naauwe gemeenschap met het donkere bloed. Door de aanraking met de zuurstof keert er helder rood bloed naar het hart terug, en van daar weder door het ligchaam. Bij eene tweede hartklopping is het reeds weder als aderlijk bloed terug gekeerd. In den Bijbel wordt het bloed de ziel genoemd .
K,
25
chaam, maar niet langer dan de gelieele stilstand van elke beweging van het hart; dit heeft spoediger, of later plaats naar den aard der Kiekte -waaraan den mensch sterft. Bij sommigen duurt de beweging van het hart nog lang nadat het ligchaam oogenschijnlijk dood is; bij anderen niet zoo lang. Zoodra deze be-weging eindigt wordt de mensch opgewekt;, maar dit geschiedt alleen door den Heer. Onder opwekking wordt verstaan de wegneming van den geest des menschen uit zijn ligchaam en zijne overbrenging in de geestelijke wereld; dit wordt gewoonlijk de opwekking genoemd. De oorzaak, dat 's menschen geest niet gescheiden wordt van het ligchaam vóór de beweging van het hart is geëindigd, is omdat het hart in gemeenschap staat met de aandoening der liefde, die het ware leven der menschen is; want iedereen ontleent aan de liefde de levenswarmte. Zoo lang daarom deze verbinding voortduurt, zoo lang duurt ook die gemeenschap voort en derhalve ook het leven van den geest in het ligchaam.
Op welke wijze de opwekking wordt bewerkt is mij niet alleen verhaald, maar is mij ook door eigene ondervinding getoond. Ik zelf was het onderwerp deze ondervinding, opdat ik ten volle mogt weten hoe de groote verandering wordt daargesteld.
Ik was ia eenen toestand van ongevoeligheid gebragt, ten opzigte van de ligchamelijke zinnen, en dus bijna in den staat van stervenden.
26
Het innerlijk leven bleef niettemin voortduren, tegelijk met liet denkvermogen, opdat ik de bijzonderheden van deze verandering, die ik zou ondergaan, zou kunnen zien en onthouden, daar ik gelijk zou worden aan hen, die opgewekt zijn uit, den dood. Ik ontdekte, dat de ademhaling van het ligchaam bijna geheel ge-eindigd was; de innerlijke ademhaling, die n.1. des geestes bleef voortduren, vereenigd met eene langzame en teedere ademhaling van het ligchaam. Het eerste dat plaats greep was, dat mij de gemeenschap met Gods hemelsch koningrijk werd geopend, als door de klopping van het hart, dewijl dit koningrijk in gemeenschap staat met 's menschen hart. Ook Engelen, die tot dit koningrijk behooren zag ik, sommigen op eenen afstand en twee zaten aan mijn hoofdeiude. Door hen werd elke aandoening mij ontnomen, het denkvermogen en de bevatting bleven echter voortduren. Eenige uren lang was ik in dien toestand. De geesten, die mij omgaven droegen mij toen weg, in de veronderstelling dat ik dood was. Ik ontdekte nu een aangenamen geur, overeenkomende met den geur van gebalsemde lijken ; want als er Engelen des hemels tegenwoordig zijn wordt de uitwaseming van het lijk als aangenaam reukwerk waargenomen1 en alsdan kun-
1
De uitdrukking //hij stierf in dpii reuk der heiligheidquot; is welligt hieraan ontleend. Men zegt, dat men dien geur soms bij het afsterven van uitstekende gecs-
nen de geesten en de hooze geesten niet nabij komen en worden weggedreven; want die mensch treedt dadelijk in het eeuwig leven. De Engelen, die aan mijn hoofdeinde zaten, spraken niet, maar vereenigden alleen hunne gedachten met de mijnen. Wanneer die vereeniging bereikt is, weten zij, dat 's menschen geest in den toestand is, die hem vatbaar maakt, om van het ligchaam te worden gescheiden. De ver-eeniging met hunne gedachten werd bereikt, door hunnen blik op mijn aangezigt te vestigen; want langs dezen weg wordt de vereeni-ging van gedachten in den hemel veroorzaakt. Dewijl het denkvermogen en het begrip mij bijbleven, opdat ik zoude weten en mij zou kunnen herinneren hoedanig de opwekking geschiedt; zoo ontdekte ik, dat deze Engelen eerst onderzochten wat mijne gedachten waren, om te zien of zij gelijk waren aan die van stervenden, die gewoonlijk zich hezig houden met het eeuwig leven; zij â wenschten mij met zulke gedachten te vervullen. Naderhand werd mij verhaald, dat 's menschen geest wordt opgenomen met de laatste gedachten, die hij heeft bij het uitblazen van den adem; daarna keert hij terug tot de gedachten, die hem gewoonlijk in de wereld vervulden. Het was mij bijzonder verleend, om te ontdekken en te
ten gewaar wordt. Engelsche schrijvers soliroomen niet tc zeggen, dat zij dien geur waargenomen hebben.
li
28
gevoelen, dat er een zeker trekken en om zoo te zeggen, een optrekken van mijn innerlijk gemoed plaats greep, om zoo mijn geest van het lig-cliaam te scheiden. Men verhaalde mij, dat dit door den Heer geschiedt, en dat juist dit de opwekking daarstelt.
De hemelsche Engelen, die aldus den opge-â wekten ten dienste staan, verlaten hem niet, dewijl zij iedereen liefhebhen. quot;Wanneer echter de geest van dien aard is, dat hij het niet langer in het gezelschap der hemelsche Engelen kan uithouden, voelt hij den wensch opkomen, om zich van hen te scheiden. Wanneer hij dit doet, komen de Engelen van Gods geestelijk koningrijk en geven hem het gebruik van het licht; want van den aanvang af zag hij niets, maar uitte alleen zijne gedachten. Hoe dit toegaat werd mij getoond. Deze Engelen schenen het -vlies van het linker oog, tij den neus afteligten, opdat het oog geopend en het gezigtsvermogen medegedeeld worde. Het scheen minstens den geest toe, alsof deze bewerking werkelijk geschiedde; het is echter alleen schijn. Nadat de schel aldus scheen weggenomen te zijn heeft men een heldor, maar onbestemd gezigt gelijk dat, hij een eerst ontwaken vóór het geheel openen der oogen. Het onbestemd, helder zigt, dat door mij werd gezien, was hemelschblaauw; later werd mij gemeld, dat er verschillende kleuren zijn, naaide verschillende geesten. Daarna is er een gevoel alsof er iets zachtjes van het gezigt
29
wordt afgenomen; is dit geschied dan wordt de opgewekte in eenen staat van geestelijke gedachte ingeleid. Dit iets afnemen van het gezigt is insgelijks alleen schijn; maar daardoor wordt de overgang van de natuurlijke gedachte in de geestelijke voorgesteld. De Engelen nemen de hoogste omzigtigheid in acht, opdat geen denkbeeld door den opgewehten zou worden geuit, dan alleen die verwant zijn aan de liefde. Wanneer dit alles is geschied, melden zij hem, dat hij nu een geest is. Na de geestelijke Engelen het gebruik van het licht aan den nieuw geboren geest hebben gegeven, betoonen zij hem alle vriendelijke diensten, die hij in dien staat zou kunnen wenschen, en zij onderrigten hem in de zaken van het andere leven, in zoo verre hij in staat is om die te bevatten. Is echter de opgewekte van dien aard, dat hij geen onderrigt wil ontvangen, zoo wenscht hij van het gezelschap der Engelen ontslagen te zijn. De Engelen verlaten hem evenwel niet, maar hij zelf scheidt zich van hen af; want de Engelen hebben iedereen lief en wenschen niets vuriger, dan liefderijke diensten aan allen te bewijzen, en allen te onderrigten en naar den hemel te leiden; daarin bestaat hunne hoogste blijdschap. Wanneer de geest zich op deze wijze van de Engelen heeft afgescheiden, komt hij onder de zorg der goede geesten, die hem, zoolang hij in hunne vereeniging is, insgelijks allerlei vriendelijke diensten bewijzen. Is nu zijn leven in de
â¢'30
wereld zoodanig geweest, dat hij liet ook in het bijzijn der goeden niet kan nithouden, zoo begeert hij insgelijks van hen ontslagen te zijn. Dezen gang volgt hij korteren of langeren tijd en bij minder of meer gelegenheden, tot dat hij zich aansluit aan zulke geesten, die geheel en al overeenkomen met zijn leven in de wereld. In hun gezelschap vindt hij zijn eigen leven terug, en, wat het wonderlijkste is, alsdan zet hij een soortgelijk leven voort, als hij in de wereld heeft aangevangen.
Deze voorbereidingen duren echter niet langer, dan eenige weinige dagen. Hoe de geest na den dood, van den eenen staat in den anderen wordt geleid en in den hemel, of in de hel eindigt, zal in de volgende afdeelingcn worden gemeld; want ook deze overgangen zijn mij, door overvloedige ervaringen bekend gemaakt-
Met sommigen heb ik gesproken op den derden dag, na hunnen dood; alstoen had reeds plaats gehad hetgeen in de twee voorlaatste zins-afdeelingen is vermeld. Drie hunner waren mij uit de wereld bekend en ik verhaalde hun, dat er na toebereidselen werden gemaakt voor het begraven van hun lijk. Het ontviel mij te zeggen, dat er toebereidselen werden gemaakt voor hunne begrafenis; op het hooren daarvan greep eene verbazing hen aan en zij verklaarden, dat zij leefden, maar dat hunne vrienden vrij mogten begraven wat hun in de wereld als ligcliaam had gediend. Naderhand verwonderden zij zich buitengewoon, dat het leven
31
na den dood zoodanig was; zij hadden dit niet kunnen gelooven, toen zij nog in de wereld waren; ook waren zij zeer ontzet, dat meest alle leden der kerk mank gingen aan dezelfde ongeloovigheid. Zij, die in de wereld niet hadden geloofd in een leven der ziel, na het leven des ligchaams, waren zeer beschaamd toen zij bevonden, dat zij na den dood nog leefden; zij echter, die de loochening hadden voorgestaan werden verbonden met de vereeni-ging van huns gelijken, en afgescheiden van hen, die het geloof hadden gehandhaafd. Het grootst gedeelte werd door eenen onzigtbaren band verbonden aan cene helsche vereeniging; want zulken hebben daardoor het bestaan van God geloochend en de waarheden der kerk gesmaad. Want in dezelfde mate als iemand zich stelt tegen het eeuwig leven zijner eigene ziel, in die mate stelt hij zich ook tegen alles, wat tot den hemel en de kerk behoort.
De menscn is, na zijnen j)OOD, in eenen
toekomen mensc1ielijken vorm.
De vorm van 's menschen geest is de men-schelijke, of met andere woorden, de geest is een mensch ook door zijnen vorm. Dit is vroeger reeds duidelijk gemaakt, bijzonder in af-deelingcn, waarin werd aangetoond, dat ieder
32
Engel In zuiver menschelijken vorm is; dat, wat zijn innerlijk betreft, ieder mensch een geest is, en dat de Engelen in den hemel tot het menschengeslacht behooren. Dit blijkt nog duidelijker hieruit, dat een mensch wel om zijnen geest, maar niet om zijn ligchaam een mensch is, en dat de ligchamelijke vorm is toegevoegd aan den geest, als overeenkomende met den vorm van den laatsten en niet het tegendeel; want d© geest is bekleed met een ligchaam, overeenkomstig zijnen eigenen vorm. Hierdoor is het, dat de geest des menschen werkzaam is in alle, zelfs tot in de allerkleinste deelen van het ligchaam, en wel zoo algemeen, dat ieder deel hetwelk niet werkzaam is door den geest of waarin de geest niet werkt ook niet leeft. Dat dit zoo is, daarvan kan ieder zich verzekeren, al ware het enkel uit de daadzaak dat de gedachte en de wil alle deelen des ligchaams in werking brengen, zoowel vereenigd als ieder afzonderlijk, en wel zoo geheel naar hun genoegen, dat er niets aan hunne bevelen ongehoorzaam ia. Is eenig deel daaraan niet gehoorzaam, dan is het geen ligchaamsdeel en wordt er door afgescheiden, omdat het ontbloot is van eenig levensbeginsel. Gedachte en wil nu behooren tot 's menschen geest, niet tot zijn ligchaam. De oorzaak, dat de geest; in menschelijken vorm, na de scheiding van het ligchaam niet aan de menschen, noch ook de geest, die in een ander mensch is aan hem verschijnt, is, omdat liet werktuig des gezigts.
dat tot liet ligchaam behoort of liet ligchame-lijk oog, zoo ver do kring zijner werking zich uitstrekt, stoffelijk is, en het stoilelijke kan niets anders zien, dan het stoffelijke, terwijl het geestelijke het geestelijke ziet. Wanneer daarom de stoffelijke zelfstandigheid van het oog uitgesloten en beroofd is van de gemeenschap met deszelfs geestelijke zelfstandigheid verschijnen de geesten in hunnen eigenen menschen-vorm, en niet alleen zulke geesten, als in de geestelijke wereld zijn, maar ook de geest, die in een ander mensch, nog in het ligchaam is.
De vorm van den geest is de menschelijke, omdat de mensch naar zijnen geest geschapen is naar den vorm des hemels; want alle hemel-sche en daarmede verwante zaken zijn opgesloten in die van 's menschen gemoed; hierdoor bezit de mensch de vatbaarheid voor kennis en wijsheid. Of men spreekt van de vatbaarheid voor kennis en wijsheid, dan of men spreekt van de vatbaarheid voor den hemel is geheel hetzelfde. Dit alles is reeds in vroeger uitgegeven afdeelingen aangetoond; waar gehandeld werd over het licht en de warmte des hemels, en over de wijsheid der Engelen. Daarin werd ook aangetoond dat de hemel, zoowel in zijn geheel als in zijne deelen de vorm heeft van een mensch, door de God-menschelijkheid des Heeren, van wien de hemel en zijne vorm uitgaat.
Al wat tot hiertoe is gezegd kan het gezond verstand bevatten; want het is in staat, om
3
â¢34
uit verbonden oorzaken en uit waarheden, die daaruit voortvloeijen zaken afteleiden; maar een onredelijk mensch wil ze niet verstaan, en daartoe bestaan verschillende reden. De hoofdzaak is, dat hij ze niet verstaan wil, omdat zij zijne eigengemaakte, valsche waarheden tegenspreken; en hij die deze waarheden niet verstaan wil, heeft derhalve den toegang afgesloten voor den invloed des hemels op zijne rede. Toch blijft de mogelijkheid, om dezen weg te openen bestaan, want de eigenlijke wil staat er niet tegen. Dat de mensch waarheden kan verstaan en een redelijk verstand kan verkrijgen, indien hij niet onwillig is, is mij uit vele voorvallen bewezen. Ik heb dikwijls gezien, dat booze geesten, die onredelijk waren geworden, doordien zij in de wereld het bestaan van God en de waarbeden der kerk hadden geloochend en zich in deze loochening hadden bevestigd, door de Goddelijke kracht gekeerd werden tot hen, die zich in het licht der waarheid verheugen. Alsdan begrepen zij deze waarheden, gelijk de Engelen, bekenden dat het de waarheid was en erkenden, dat zij alles begrepen. Zoodra zij echter aan zich zeiven werden overgelaten keerde zij tot de gezindheid van hunnen eigen wil terug, begrepen niets meer en beweerden juist het tegendeel. Sommigen helsche geesten heb ik ook hooren zeggen, dat zij wisten en begrepen, dat wat zij deden, kwaad was, en dat, hetgeen zij dachten, onwaar was, maar dat zij de lust van
hun leven niot konden weerstaan, noch tegen hunnen wil konden handelen; dat dit hunne gedachten heheerschte en het kwade als goed en de logen als; waar hun deed aanzien. Aldus was mij duidelijk gemaakt, dat zij die door het hooze onder de logen waren bedolven, nog in staat zijn, om waarheden te verstaan, en dus redelijk te zijn, maar dat zij slechts niet willen. De rede waarom zij niet willen is omdat zij de logen liever hebben gehad dan de waarheid; want de logen neemt toe met het booze, waarin zij verzonken waren. Liefde en wil be-hooren tot dezelfde zaak; want wat de mensch wil bemint hij, en wat hij bemint wil hij. Doordien de toestand des menschen zoodanig is, dat hij waarheden kan verstaan, indien hij slechts wil, is het mij mogelijk, door redelijke overwegingen geestelijke waarheden, die tot den hemel en de kerk behooren, te bevestigen. Dit was aan mij vergund, om verkeerde opmerkingen, die bij velen de werking der rede hebben gestuit, door zoodanige redelijke overwegingen te verwijderen en aldus hunne oogen, al ware het ook een weinig, te openen; want het is aan allen, die in de waarheid zijn gegrond, verleend om geestelijke waarheden te bevestigen door verstandige redeneringen. Wie kon ooit de Heilige Schrift verstaan, alleen door het lezen van den letterlijken zin, zonder door eene verlichtte rede de waarheden te zien, die in haar zijn weggelegd? Door geene oorzaak, dan het niet zien dezer waarheden.
36
zijn door hetzelfde woord zoovele sclieuringen ontstaan.
Dat de geest des mensclien, na zijne scheiding van het ligchaam op zich zeiven de mensch is en wel in gelijken vorm, is mij uit dagelijk-sche ervaring, gedurende vele jaren, gebleken. Duizende malen heb ik hen gezien, hen hooren spreken en met hen gesproken. Ons gesprek liep soms juist over het onderwerp, dat de menschen in de wereld niet gelooven, dat geesten ook menschen zijn, en dat zij, die dit gelooven, door de geleerden als stumpers worden beschouwd. De geesten werden bedroefd op het hooren, dat zoodanige onwetendheid in de wereld nog voortduurde en vooral in de kerk. Zij zeiden dat dit negatief,1 geloof voornamelijk van de geleerden was uitgegaan, die ten op-zigte van de ziel denkbeelden hadden, die ontleend waren aan hunne zinnelijke begrippen. Daardoor verkregen zij van de ziel geen ander denkbeeld, dan dat van een bloot, denkend be-
1
Dit negatief geloof is een geloof, dat zich tegenover het Christendom verhoudt als eene afstootende pool; eene godsdienstige of Christelijke rigting dus, die tegen de Godsdienst of het Christendom, zooals de Bijbel dit leert, zich stelt. Zij is heden in ons land vrij algemeen, en is een oud kleed, dat de Duitschers versleten en weggeworpen hebben en, vooral door onze Predikanten, als iets schoons is opgenomen. Gelijk ten allen tijde rust deze rigting meest op oppervlakkigheid, zelden op willekeur. Zulke Godgeleerden zijn werkelijk godsdienstige kwakzalvers. E.
ginsel, dat, als men daaraan het voorwerp ontneemt, waarin en waardoor het alleen een werkelijk bestaan hebben kan, als eene soort van wegvliedenden ademtogt of enkel lucht vernietigd wordt, bij het sterven van het ligchaam. Daar de kerk evenwel, op gezag der Heilige Schrift in de ontsterfelijkheid der ziel dient te gelooven, kan zij cr niet buiten om er eenig levend beginsel aan toe te schrijven, gelijk aan de idee, hoewel zij elke werking der zinnen bij haar, gelijk de mensch heeft, ontkent, tot zij weder met het ligchaam hereenigd is. Op deze voorstelling is de algemeene voorstelling van de opwekking, ea het geloof, dat zoodanige heroeniging bij het laatste oordeel plaats zal grijpen, gegrond. Hieraan is het toeteschrijven dat, wanneer iemand in deze algemeene voorstelling deelt en daarbij bovengenoemde voorstelling, dat de ziel bloot een denkend beginsel is heeft, hij dan volstrekt niet begrijpt, dat de ziel de geest is, en dat deze geest in don vorm is van een mensch. Men kan hier nog bijvoegen, dat er op den huidigcn dag naauwelijks één is, die weet wat de natuur van den geest is, veel minder, dat eenige menschelijke vorm aan den geest moet worden toegeschreven, gelijk alle geesten en Engelen bezitten. Hierdoor is het ook, dat bijna allen, die van deze wereld in de andere overgaan, zich bovenmate verwonderen, dat zij voortleven en menschen zijn gelijk als te voren; dat zij kunnen zien, hooren en spreken; dat hun ligchaam gevoel bezit
38
evenals te voren, en dat er geen innerlijk onderscheid bestaat. Is Imnne verwondering over zich zeiven geëindigd, zoo moeten zij zich op nuniw verwonderen, dat de kerk lioegenaanid geene kennis heeft van dezen staat des men-schen na den dood, en dientengevolge ook evenmin van den hemel en de hel, in weerwil allen, die ooit in de wereld hebben geleefd, in dit ander leven zijn overgegaan, en daar als mensehen voortleven. Insgelijks verwonderden zij zich, dat dit niet door een visioen aan den mensch was geopenbaard, wijl het toch een wezenlijk bestanddeel van het geloof der kerk is. Hierop werd hun uit den hemel berigt, dat dit werkelijk was geschied, want niets is meer gemakkelijk, wanneer de Heer zoo iets goedkeurt, maar dat zij, die een gevoelen hadden aangenomen, tegenover deze waarheid, daaraan toch geen vertrouwen schenken, ook dan niet, wanneer zij zelf deze zigtbare openbaring ontvangen. Zij werden verder er mede bekend gemaakt, dat het gevaarlijk is, om iets door visioenen te bewijzen aan mensehen, die zich op de logen hadden gegrond; want zij zonden alsdan eerst gelooven, maar daarna het weder loochenen en zoo de waarheid lasteren; want eerst de waarheid gelooven en daarna weder ontkennen staat gelijk met lastering. Daarom worden zij, die zich daaraan schuldig maken, in de diepste en allerjammerlijkste van alle hellen geworpen. Dit gevaar is lier-, waarop de Heer doelt in Joh. 12 : *ïü : //Hij heeft luiune
39
oogen verblind, en liun hart verhard; opdat zij met de oogen niet zien, en met het hart niet verstaan, en zij bekeerd worden, en ik hen geneze.quot; Dat zij, die in de logen zich hebben gevestigd, niet zouden gelooven is in Lukas 1(5 : 29 â 31 geleerd; ,/Abraham zeide tot hem: Zij hebben Mozes en de profeten; dat zij die hooren! En hij zeide; Neen, vader Abraham! maar zoo iemand van de dooden tot hen henen-ging, zij zouden zich bekeeren. Doch [Abraham] zeide tot hem: Indien zij Mozes en de profeten niet hooren, zoo zullen zij ook, al ware het dat er iemand uit de dooden opstond, zich niet laten gezeggen.''
Het voorkomen en de toon van de stem, die de monsch in de wereld had, blijven den geest bij, wanneer hij de geestenwereld intreedt; dit geschiedt spoedig na zijne opwekking, en het is in de laatste afdeeling beschreven. De rede is, omdat hij dan in den uiterlijken staat is en zijn innerlijk nog niet is ontvouwd. Dit is de eerste staat des menschen na den dood. Daarna verandert zijn vooi-komen en wordt geheel verschillend; het komt dan overeen met de heer-schende neiging zijner liefde, die het grondslag van het innerlijke van zijn gemoed was, tijdens zijn leven in do wereld, en die zijnen geest beheerschte terwijl deze in het ligchaam was. Want het aangezigt van den geest verschilt zeer veel van dat zijns ligchaams, daar het aangezigt des ligchaams ontleend is aan zijne ouders, maar dat van den geest van zijne
40
aandoening, waarvan liet de beeldtenis is. De geest ontvangt dit voorkomen na zijn leven in Eet ligchaam, wanneer zijn uiterlijk wordt verwijderd en zijn inwendig wordt onthnld. Dit is de derde staat des menschen na den dood. Ik Leb sommigen gezien, die juist uit de wereld kwamen en die ik herkende aan hun gelaat en aan den toon hunner stem; maar toen ik hen naderhand zag kende ik hen niet meer. Zulken, die hun grondslag hadden gehad in goede aandoeningen hadden toen schoone aan-gezigten; maar zij, die bedolven waren geweest onder kwade aandoeningen hadden leeiijke ge-zigten; want de geest des menschen, op zich zelf beschouwd, is niet anders dan zijne aandoening, waarvan de uiterlijke vorm het aange-zigt is. Eene andere oorzaak van de verandering van het gelaat is, dat het in het ander leven niet mogelijk is, om aandoeningen te veinzen, die niet gemeend zijn, noch ook zich anders voor te doen dan men gezind is. Iedereen, onverschillig wie, moet daar spreken gelijk hij denkt en in zijn uiterlijk en houding vertoonen, wat de begeerten zijn van zijnen wil. Uit deze oorzaken volgt, dat aller aangezigten de vormen en beeldtenissen worden van hunne aandoeningen; van daar is het, dat allen die elkander in de andere wereld kenden elkander wel kennen in de geestenwereld, maar niet in den hemel noch in de hel.
De aangezigten van huichelaars worden langzamer veranderd, dan die van anderen, dooi'-
41
dien zij gewoon waren, om hun innerlijk te doen voorkomen, als waren zij goed gezind. Zij bleven daarom geruimen tijd vrij schoon, maar toen hnn aangenomen voorkomen allengs verdween en hel; innerlijke van hun gemoed deszelfs eigenlijken vorm innam, werden zij nog leelijker dan anderen. Huichelaars zijn zulke menschen, die praten als Engelen, maar eigenlijk niets weten dan van nature; zij loochenen dus het Goddelijk Wezen en dus ook de zaken, die tot den hemel en de kerk hehooren.
Het is opmerkelijk, dat de menschelijke vorm, na den dood te m jer schoon is, naar mate hij te meer innerlijk de Goddelijke waarheden heeft liefgehad en daarmede overeenkomstig heeft geleefd; want het innerlijk van ieder mensch wordt geopend en gevormd overeenkomstig die liefde en dat leven. Hoe meer innerlijk de aandoening is, hoe meer geschikt voor den hemel en zooveel te meer hevallig het voorkomen. Hierdoor komt het dat de Engelen, die den binnensten hemel bewonen, zoo buitengewoon schoon zijn; want zij zijn vormen der hemelsche liefde. Zij echter, die de Goddelijke waarheden meer uiterlijk hebben liefgehad en meer uiterlijk hebben geleefd, zijn minder schoon; want alleen hun uiterlijk schijnt in hun aangezigt, en de innerlijke hemelsche liefde glinstert er niet doorheen, dat is, niet de vorm des hemels, zooals die innerlijk is. Er is iets betrekkelijk duisters in Iran aangezigt.
40
aandoening, waarvan liet de beeldtenis is. De geest ontvangt dit voorkomen na zijn leven in liet ligchaam, wanneer zijn uiterlijk wordt verwijderd en zijn inwendig wordt onthuld. Dit is de derde staat des mensehen na den dood. Ik heb sommigen gezien, die juist uit de wereld kwamen en die ik herkende aan hun gelaat en aan den toon hunner stem; maar toen ik hen naderhand zag kende ik hen niet meer. Zulken, die hun grondslag hadden gehad in goede aandoeningen hadden toen schoone aan-gezigten; maar zij, die bedolven waren geweest onder kwade aandoeningen hadden leelijke ge-zigten; want de geest des mensehen, op zich zelf beschouwd, is niet anders dan zijne aandoening, waarvan de uiterlijke vorm het aange-zigt is. Eene andere oorzaak van de verandering van het gelaat is, dat het in het ander leven niet mogelijk is, om aandoeningen te veinzen, die niet genieend zijn, noch ook zich anders voor te doen dan men gezind is. Iedereen, onverschillig wie, moet daar spreken gelijk hij denkt en in zijn uiterlijk en houding vertoonen, wat de begeerten zijn van zijnen wil. Uit deze oorzaken volgt, dat aller aangezigten de vorm en en beeldtenissen worden van hunne aandoeningen; van daar is het, dat allen die elkander in de andere wereld kenden elkander wel kennen in de geestenwereld, maar niet in den hemel noch in de hel.
De aangezigten van huichelaars worden langzamer veranderd, dan die van anderen, door-
41
dien zij gewoon waren, om hun innerlijk te doen voorkomen, ais waren zij goed gezind. Zij bleven daarom geruimen tijd vrij schoon, maar toen hun aangenomen voorkomen allengs verdween en het innerlijke van hun gemoed deszelfs eigenlijken vorm innam, werden zij nog leelijker dan anderen. Huichelaars zijn zulke menschen, die praten als Engelen, maar eigenlijk niets weten dan van nature; zij loochenen dus het Goddelijk Wezen en dus ook de zaken, die tot den hemel en de kerk hehooren.
Het is opmerkelijk, dat de menschelijke vorm, na den dood te meer schoon is, naar mate hij te meer innerlijk de Goddelijke waarheden Leeft liefgehad en daarmede overeenkomstig heeft geleefd; want het innerlijk van ieder mensch wordt geopend en gevormd overeenkomstig die liefde en dat leven. Hoe meer innerlijk de aandoening is, hoe meer geschikt voor den hemel en zooveel te meer bevallig het voorkomen. Hierdoor komt het dat de Engelen, die den binnensten hemel bewonen, zoo buitengewoon schoon zijn; want zij zijn vormen der hemelsche liefde. Zij echter, die de Goddelijke waarheden meer uiterlijk hebben liefgehad en meer uiterlijk hebben geleefd, zijn minder schoon; want alleen hun uiterlijk schijnt in hun aangezigt, en de innerlijke hemelsche liefde glinstert er niet doorheen, dat is, niet de vorm des hemels, zooals die innerlijk is. Er is iets betrekkelijk duisters in hun aangezigt.
omdat het niet bezield is met den doorschij-nenden glans van hun innerlijk leven. In één woord, alle volkomenheid vermeerdert als het innerlijke toeneemt, en vermindert als het afhangt van het uiterlijke; met de schoonheid is het evenzoo. Ik heb aangezigten van Egelen gezien uit den derden hemel, die zoo schoon waren, dat geen schilder, met alle liulpiniddelen zijner kunst, aan zijne kleuren die schittering kan schenken, die gelijk zou zijn aan een duizendste gedeelte van het licht en het leven, dat uit hunne aangezigten blonk. De aangezigten der Engelen van den benedensten hemel zouden misschien eenigzins door een' schilder kunnen geëvenaard worden.
Ten laatste zal ik hier een geheim mede-deelen, dat tot nog toe aan niemand is bekend geweest. Het is dit, dat al het goede en ware, dat uitgaat van den Heer en dat den hemel zamenstelt, in menschelijken vorm bestaat, en niet alleen in het geheel of op groote schaal, maar in ieder deel, ook in het geringste. Deze vorm oefent eenen magtigen invloed uit op ieder, die het goede en de waarheid ontvangt van den Heer, en deelt den menschelijken vorm mede aan iederen bewoner des hemels, overeenkomstig de hoogte zijner vatbaarheid. Hierdoor is het, dat de hemel, zoowel in het algemeen als in hot bijzonder, gelijk is aan zich zelf, en dat de menschelijke vorm, de vorm is van het geheel, van elke rereeniging en vau eiken Engel in het bijzonder. Dit is
in vier, vroeger geleverde afdeelingen aangetoond. Hieraan kan worden toegevoegd, dat de mensclielijke vorm ook in de Engelen bestaat, in elk deel der gedachte, die aan de hemelsclie liefde is ontleend. Maar dit geheim kan moeijelijk door eenig mensch worden begrepen, hoewel het helder door de Engelen wordt ingezien, omdat zij in het licht des hemels wonen.
De mensch blijft, jStA zijnen dood, in het
bezit van alle zintuigen, van geheel zijn geheugen, van alle gedachten en aandoeningen, die hij had in de quot;wereld. hij laat niets ach-tee, dan zijn aaedsch ligchaam.
Wanneer de mensch uit de natuurlijke wereld in de geestelijke «vergaai, neemt hij alles mede, wat tot zijn wezen als mensch behoort, uitgezonderd zijn aardsch ligchaam. Dit is mij uit menigvuldige ervaring gebleken. Wanneer hij de geestelijke wereld of het leven na den den dood intreedt, is hij zoowel in een ligchaam als in de wereld. Naar allen schijn is er volstrekt geen verschil, want hij kon geen verschil gevoelen of zien. Maar zijn ligchaam is nu van geestelijke natuur en dus gescheiden of gezuiverd van de aardsche deelen, en daar nu het geestelijke gevoelt en ziet wat geestelijk is, zoo is de uitwerking op de zinnen volmaakt
44
hetzelfde, als toen het natuurlijke gevoelde en zag wat natuurlijk was. Daardoor is het, dat, wanneer hij een geest is geworden, liij niet met zekerheid weet, dat hij niet meer in het ligchaam is, waarin hij was in de wereld; hij is derhalve niet bewust, dat hij gestorven is. De mensch, die nu een geest is, is in het genot van alle zinnen, zoowel innerlijk als uiterlijk, gelijk in de wereld. Hij ziet ais te voren; hoort en spreekt als te voren; hij ruikt insgelijks en voelt en is hij aanraking gevoelig gelijk te voren; hij verlangt, begeert, wenscht, denkt, overweegt, is aandoenlijk, bemint en wil als te voren, en de mensch, die lust heeft in studie, leest en schrijft als te voren. In één woord, 's menschen overgang van het eene leven in het andere of van de eene wereld in de andere is gelijk eene reis van de eene plaats naar de andere. Hij neemt alles mede, dat hij als mensch in zich zeiven bezit. Er kan dus eigenlijk niet gezegd worden, dat de mensch na zijnen dood iets, dat tot zijn wezen behoort heeft verloren; alleen zijn aardsch ligchaam is dood. Hij draagt met zich zijn natuurlijk geheugen, want al wat hij ooit hoorde, zag, las, leerde, of dacht, van zijne vroegste kindsheid af tot den laatsten dag zijns levens toe blijft hem bij. De natuurlijke voorwerpen evenwel, die in zijn geheugen zijn opgenomen, rusten, evenals zij rusten wanneer de mensch in de wereld er niet om denkt, want zij zijn niet geschikt om weder voor den geest geroepen te
worden in eene geestelijke wereld; zij worden echter weder in het geheugen teruggeroepen, wanneer do Heer het goed vindt. quot; Van het geheugen en deszelfs toestand na den dood moet hier echter meer worden gezegd. De zinnelijke mensch kan volstrekt niet gelooven, dat de staat des menschen, na den dood, van zoodanigen aard is, want hij begrijpt niet, hoe dit zoo zijn kan, daar de zinnelijke mensch niet anders, dan op eene natuurlijke wijze, ook over geestelijke zaken, kan denken. Wat hij daarom niet gewaar wordt door zijne zinnen, of niet ziet met zijne oogen, of gevoelt met de handen des ligchaams, dat verzekert hij, bestaat niet gelijk wij lezen van Thomas in Joh. 20 : 25, 27, 29.
In weerwil daarvan is er groot verschil tus-schen het leven des menschen in de geestelijke wereld en zijn leven in de natuurlijke wereld, zoowel wat aangaat zijne uiterlijke zinnen en hunne werkingen als de innerlijke zinnen en hunne werkingen. De bewoners des hemels hebben meer voortreffelijke zinnen, â dat is, zij zien en hooren voortreffelijker, â en zij denken ook met meer wijsheid, dan toen zij in do wereld waren. quot;Want zij zien door het licht des hemels, dat het licht der wereld vele malen overtreft; en zij hooren door eene geestelijke atmospheer, die in zuiverheid de atmo-spheer der aarde vele malen overtreft. Het onderscheid tusschcn deze uiterlijke zinnen, in Engelen en menschen, is gelijk aan het onder-
46
scheid in de wereld, tussclien eenen helderen hemel en eeno donkere mist, of gelijk het. verschil tusschen het licht van den middag en de schaduw van don avond. Het licht des hemels, dat is de Goddelijke waarheid, stelt de Engelen in staat, om de kleinste voorwerpen te ontdekken en te onderscheiden. Ook hun uiterlijk gezigt staat in verband met hun innerlijk gezigt of tot dat van hunne kennis; want hij de Engelen vloeit het eene zien in het andere en stelt hen in staat ora tegelijk te handelen; daaraan is de scherpheid van hun gezigt toe-teschrijven. Op dezelfde wijze staat hun hoo-ren in verhand met hun begrip, welke bekwaamheid tot de kennis en den wil te zamen behoort. Zij ontdekken daardoor in den toon der stem en in de woorden, die iemand spreekt, de geringste bijzonderheden van zijne aandoening en gedachte; in den toon ontdekken zij alles, wat in verband staat met de aandoening, en in de woorden alles, wat betrekking heeft op zijne gedachten. Do andere zinnen der Engelen, zijn echter niet zoo voortreffelijk, als die van het gezigt en het gehoor, omdat deze afhangen van hunne vordering in kennis en wijsheid, en de andere niet. Zoo de andere zinnen even voortreffelijk waren als die van het gezigt en het gehoor, zoo zouden zij het licht en de blijdschap hunner wijsheid wegnemen, en daarvoor in de plaats stellen de blijdschap over het genoegen, dat aan het ligchaam is verbonden en over de verschilllende lusten, in zoo
47
zooverre zij hecrschen, de kennis verduisteren en verzwakken. Dit is werkelijk het geval met de menschen iu de wereld, die dof en stomp worden voor geestelijke waarheden, naar mate zij zich overgeven aan het genoegen van den smaak, of' aan vlijerijën van het gevoel, dat het ligchaam streelt. In eene afdeeling over de wijsheid van de Engelen des hemels is zijdelings aangegeven, dat de innerlijke zinnen der Engelen, dat is die van hunne gedachte en aandoening, voortreffelijk en meer volkomen zijn, dan zij waren in de wereld. Het verschil tus-schen den staat van de bewoners der hel en hunnen vroegeren staat in de wereld, is insgelijks zeer groot; maar is bij de Engelen des hemels sprake van de hooge volkomenheid en voor-treffelijkheid der uiterlijke en innerlijke zinnen, zoo is hier sprake van de onvolkomenheid bij de bewoners der hel. Deze toestand zal echter in een ander deel worden beschreven.
Dat de mensch zijn geheugen uit de wereld medeneemt, is mij door vele bewijzen aangetoond. Tallooze meldenswaardige zaken heb'ik gezien en gehoord; eenigen zal ik er modedee-len. â Sommigen ontkenden do misdaden en ongeregeldheden, die zij in de wereld hadden begaan. Opdat /.ij nu geene onwetendheid zouden voorwenden, werden allen hun opengelegd en in volgorde, door hun eigen geheugen voorgedragen, van het begin tot het einde huns levens. Zij bestonden meestal in overspel en hoererij. Sommigen hadden op slechte wijzen
48
anderen bedrogen en bestolen; hunne treken en dieverijen werden ook in hunne opeenvolging opgenoemd, hoewel er naauwelijks ééne slechte handeling, buiten hen zelf, in de wereld bekend was. Zij herkenden ze ook allen, omdat zij als in helder daglicht werden openbaar gemaakt, mot al de gedachten, voornemens, vermaken en angsten, die in hun hart, bij die gelegenheden opkwamen. Sommigen hadden zich laten omkoopen en handel gedreven met hun regterlijk ambt. Deze misdaden werden allen, op dezelfde wijze, voor hun geheugen in het licht gesteld en daar voor weder terug gege-roepen, van den eersten dag, dat zij hun ambt bekleedden, tot den laatsten dag toe. Alle bijzonderheden verschenen, zoowel de aard der omkooping als de tijd en de toestand van hun gemoed en het voornemen van het oogenblik. Alles snelde weder te zamen en werd opengelegd voor hun gezigt van dat oogenblik. De verschillende knoeijerijën beliepen eenige honderden. Dit werd met verschillenden gedaan, en, wonderbaar! hunne memory-boeken, waarin zij de bijzonderheden hadden opgeteekend, werden geopend en bladzijde voor bladzijde hun voorgelezen. Sommigen, die maagden verleid hadden om zich te doen onteeren, of die de kuischheid van verloofden of huismoeders hadden aangerand, werden tot een zelfde oordeel geleid, toen al de omstandigheden voor hun geheugen teruggeroepen en herhaald werden. De aanjreziaten der maajrden en vrouwen werden
O O O
49
zelfs voorgesteld alsof zij tegenwoordig waren, vereenigd met de plaatsen en do woorden, die tKSSchen lien gewisseld waren, met de toestand van hïiu gemoed. Alles werd onverwachts ontrold, als een tooneel ontrold wordt ter beschouwing. Zulke voorstellingen duurden soms verscheidene uren. Er was een zekere geest, die het niet als kwaad had aangemerkt, om anderen te lasteren. Ik hoorde zijne lasteringen en onteeringen, met dezelfde woorden, die hij gebezigd had, in orde herhalen. De personen, die hij gelasterd had, en die, tegen wien hij ze had gesproken werden allen voorgebragt; snel werd alles te zamen voorgesteld en toch had hij bij iedere gelegenheid zijne handeling zorgvuldig bedekt, toen hij leefde in de wereld. Zeker iemand had door eene misdadige achterhouding aan een bloedverwant zijne erfenis ontroofd; hij werd insgelijks overtuigd en geoordeeld, en wat te meer wonderlijk is, de brieven en papieren, die tusschen hen waren gepasseerd werden in mijne tegenwoordigheid voorgelezen, en men verzekerde mij, dat er geen woord aan ontbrak. Dezelfde persoon had, kort vóór zijnen dood, zijn buurman heimelijk door vergif van het leven beroofd. Dit werd op do volgende wijze aan het licht gebragt. Hij zag dat er een gat gegraven werd in den grond, en toen het gegraven was zag hij er een man uit voortkomen, gelijk iemand, die uit het graf verrijst. Deze riep hem toe: ,/Wat hebt gij mij gedaan?quot; Al de bijzonderheden kwamen toen
4
50
nan het licht; hoe de vergiftiger met hem op eene vriendschappelijke wijze had gesproken en hem toen den noodlottigen beker had toegereikt; wat hij daarbij heimelijk had dacht en wat er later voorviel. Na alles aan het licht gebragt was werd hij veroordeeld tot de hel. In een woord, alle misdadige praktijken, de booze daden, de rooverijën, de bedriegerijën, de kunstgrepen waaraan de menschen zich in de wereld hadden schuldig gemaakt, werden voor de booze geesten opengelegd en door hun eigen geheugen teruggeroepen, en zij aldus overtuigd. Voor ontkennen is geene gelegenheid, want alle omstandigheden verschijnen er bij elkander. Er werd een zekere geest onderzocht en ondervraagd door de Engelen; ik hoorde hem toen, uit zijn geheugen, alle bijzonderheden, waarover hij in den loop eener maand, dag aan dag had gedacht, herhalen, zonder de minste fout. Hij verhaalde de bijzonderheden juist zoo als hij daarin was bezig geweest in die dagen. Uit deze voorbeelden moge duidelijk blijken, dat de mensch zijn geheele geheugen met zich in de andere wereld medeneemt, en dat er niets zoo geheim is in deze wereld, dat niet openbaar wordt gemaakt na, den dood, en wel in het bijzijn van vele getuigen, gelijk ook onze Heer heeft gesproken in Luk. 12 : 2, 3: En er is niets bedekt, dat niet zal ontdekt worden, en verborgen, dat niet zal geweten worden. Daarom al wat gij in de duisternis gezegd hebt, zal in 't licht gehoord worden; en wat gij in
51
,r oor gesproken hebt, in de binnenkamers, zal op de daken gepredikt worden.
Wanneer de daden eens menschen, na den dood hein zijn voorgelegd, zien de Engelen, aan
J O ZD J O quot;
wien de taak van het onderzoek is opgedragen, hen in het aangezigt. Het onderzoek loopt verder over het geheeie ligchaam, en vangt aan met de vingers van beide handen. Daar ik mij verwonderde waarom dit was, werd het mij gezegd. Alle bijzonderheden van 's menschen gedachte en wil hebben indrukken nagelaten, of' zijn ingeschreven in de hersenen; want daarin bestaan zij in hunne allereerste beginselen. Vervolgens worden zij ingeschreven in zijn geheeie ligchaam, omdat alles, wat tot de gedachte en den wil behoort, van hunne eerste beginselen op het ligchaam overgaat en daar eindigen, wijl dit hot laatste is. Dit is do oorzaak, dat wat ook voorkomt uit 's menschen wil en dus ook uit zijne gedachte, in zijn geheugen is ingeschreven; en niet alleenlijk ingeschreven in de hersenen, maar ook over den geheelen mensch, en aldaar aanwezig blijven in eene orde, die overeenkomt met de orde in de deelen des ligchaams. Hierdoor werd het mij duidelijk, dat de mensch zoodanig is in zijn geheel, als hij is in zijne gedachte en in zijnen wil, waarvan het geheel is afgeleid, zoodat een slecht mensch zijn eigen kwaad, en een goed mensch zijn eigen goed is. Uit deze
O ij O O
feiten moge ook duidelijk worden, wat men verstaan moet onder 'smenschen boek des levens,
waarvan gesproken wordt in de Schrift. De zin is, dat alle zaken die iemand toebehooren, beiden zijne werkingen en zijne gedachten, ingeschreven zijn over den geheelen mcnsch, en dat liet voorkomt, alsof het werd voorgelezen uit een boek, wanneer zij opgeroepen worden door zijn geheugen, en zij in de beeldtenis worden gezien, wanneer de geest onderzoekt in liet licht des hemels.
Aan hetgeen hier gezegd is zal ik nog eene zeer merkwaardige omstandigheid, betrekkelijk het geheugen des menschen, ook na den dood, bijvoegen. Hierdoor werd ik verzekerd, dat niet alleen algemeeno zaken, maar ook de kleinste bijzonderheden, die in 's menschen geheugen zijn opgenomen, ook na den dood aanwezig blijven, en nimmer uitgewischt worden. Ik zag eenio-e boeken, met geschreven schrift, zooals zij m de wereld bestaan; nu werd mij gezegd, dat zij uit het geheugen der schrijvers waren opgeschreven en dat er geen enkel woord ontbrak, dat door hen in de boeken was geschreven, in de wereld. Er werd mij ten zelfden tijde gezegd, dat op deze wijze de allergeringste bijzonderheden, die in iemands geheugen waren, door hem weder konden worden teruggeroepen, zells zulken, die hij in de wereld' 'was vergeten. De rede werd mij aldus verklaard: de mensch heeft beiden, een uitwendig geheugen en een innerlijk. Het uiterlijk geheugen is dat van zijnen natuurlijken mensch, en het innerlijk geheugen is dat van deu gees-
K O
O O
telijken mensch. Elke bijzonderheid, die iemand gedacht, gewild , gesproken en gedaan heeft, met alles wat hij heeft gehoord en gezien, is ingeschreven in zijn innerlijk of geestelijk geheugen. Wat daarin is geschreven wordt nimmer uit-gewischt, wijl het ten zelfden tijde is ingeschreven in den geest zelf en in de leden van zijn ligchaam, gelijk hoven is vermeld. Langs dezen weg verkrijgt de geest eenen vorm, overeenkomstig de gedachten en de handelingen van zijnen wil. Ik weet wel, dat deze feiten als wonderspreuken zullen voorkomen en daarom moeijelijk geloof zullen vinden; maar zij zijn niet te min waar. Dat daarom niemand denke, dat er iets is, hetwelk hij in zijne borst heeft bedacht, of gedaan heeft in het geheim, dat verborgen kan blijven na den dood; maar dat hij zich verzekerd boude, dat alles en elk voornemen dan openbaar zal worden als op klaar lichten dag.
Hoewel dc mensch na den dood zijn uiterlijk of natuurlijk geheugen behoudt, zoo worden toch de uitsluitend natuurlijke zaken, die het heeft opgenomen, in het andere leven niet teruggeroepen, maar in de plaats daarvan zoodanige geestelijke zaken, als aan die natuurlijke zaken waren verbonden, of er mede verwant zijn. Als men deze ziet, verschijnen zij geheel in denzelfden vorm als de natuurlijke zaken in de natuurlijke wereld; want alle voorwerpen in de hemelen zijn als de voorwerpen in de wereld, doch zij zijn niet natuurlijk, maar
geestelijk. Het uiterlijk of natuurlijk geheugen, in zooverre het van het stoffelijke, van tijd en ruimte, of van hetgeen enkel natuurlijk is, is afgeleid, doet aan den geest niet dezelfde dienst als in de wereld; want wanneer de mensch in de wereld door middel van zijne uiterlijke zintuigen, en niet tegelijk door zijne innerlijke zintuigen of verstandelijk denkt, zoo denkt hij natuurlijk en niet geestelijk. In het andere leven echter, waar hii een geest is, in eene geestelijke wereld, denkt ilij geestelijk en niet natuurlijk. Geestelijk denken is verstandig of redelijk denken. Daarom is het, dat het uiterlijk of natuurlijk geheugen dan, ten opzigte van zijnen stoffelijken inhoud, rust en alleen dat er van in aanmerking komt, hetwelk door het denkvermogen is opgenomen cn als met een redelijk karakter is bedeeld. Dc oorzaak waarom het uiterlijk geheugen, ten opzigte van geheel natuurlijke zaken rust, is, omdat zulke zaken niet teruggeroepen kunnen worden; want de geesten en Engelen spreken over de aandoeningen van hun gemoed en over do gedachten, die daaruit voortvloeijen; zij kunnen derhalve niets uiten, dat daarmede niet overeenkomt. Naar mate de mensch in de wereld zijne rede heeft geoefend door middel van en bekendheid met talon en wetenschappen, in die mate is hij redelijk na den dood; niet echter naar mate van de bloote uitbreiding zijner bekendheid met talen en wetenschappen. Ik heb in het andere leven met velen gespro-
ken, die in do wereld voor geleerden golden, door hunne kennis der oude talen, als Ile-breemvscli, Grieksch en Latijn, maar die hunne rede niet hadden geoefend door de boeken, die in deze talen waren geschreven; sommigen hunner waren even onontwikkeld als zij, die met geene andere taal, dan hunne moedertaal waren bekend geweest; anderen waren zelfs geheel en al stomp, hoewel zij eene verbeelding bezaten alsof zij wijzer waren dan anderen. Ik heb gesproken met sommigen, die zich tijdens hun leven in de wereld voorstelden, dat de wijsheid afhing van den voorraad in zijn geheugen en die daarom hun geheugen hadden opgevuld met eene groote massa zaken en bijna alleen daarover spraken, dus niet over zich zelf, maar over anderen, zonder hunne rede verbeterd te hebben door hetgeen hun geheugen bevatte. Eenigen hunner waren geheel stomp; anderen waren idioten of dwazen, die volstrekt geene waarheid konden bevatten, noch zien konden of het waarheid was of niet; nog spoediger omhelsden zij eene voorgestelde dwaling of logen dan waarheid; en dit door menschen, die zich zelf geleerden noemden. Zulke menschen zijn niet in staat, om voor zich zeiven te zien wat waarheid is of niet; zij kunnen derhalve niets, wat zij van anderen vernemen, met rede bevatten. Ook heb ik gesproken met sommigen, die in de wereld veel over verschillende wetenschappenlijko onderwerpen hadden gesclireYcn, en daarom bij de wereld
56
als geleerden naam hadden gemaakt. Sommigen van dezen konden werkelijk over waarheden redeneren en een twistgesprek voeren of iets zoo was of niet. Als eenigen hunner in aanraking kwamen met hen, die zich in het licht der waarheid verheugden, konden zij wel begrijpen wat waarheid was, maar zij wilden ze niet verstaan; wanneer zij dan weder in hunne eigene logen terug zonken, ontkenden zij ze weder en trokken zich terug in zich zelf. Anderen waren even onwetende als het ongeletterd publiek. Zij verschillen dus van elkander, naar mate zij door de wetenschappelijke werken, die zij hadden geschreven of nageschreven, hunnen redelijken aanleg hadden ontwikkeld. Zij, die zich tegen de waarheden der kerk hadden gekeerd en hunne gedachten hadden bezig gehouden met uitsluitend wetenschappelijke zaken, waardoor zij zich bevestigd hadden in de logen, hadden hunnen redelijken aanleg niet beschaafd, maar alleen de kunst om te redeneren. De wereld noemt die kunst de rede, maar zij is eene bekwaamheid, die met de rede niets gemeens heeft; want âzij is eene kunst om alles waarin de mensch behagen schept fds waarheid te verdedigen, door vooruit aangenomen beginselen en logen, daar zij de logen als waarheid aanzien, maar de waarheid zelf niet kennen. Zoolang zij zoodanig blijven kunnen zij nimmer tot de kennis der waarheid komen, dewijl de waarheid in hare ware natuur niet door de onware kan gezien worden, hoewel de logen
door do ware wel kan gezien worden. De redelijke aanleg van een menscli is gelijk aan eenen tuin, of aan een bloembed, of gelijk bouwland: liet geheugen is de grond, weten-sehappelijke waarheden en kennis zijn de zaden. Gelijk het licht en de hitte der zon de natuurlijke aarde en zaden vruchtbaar maakt, en er zonder dezen geene uitbotting kan plaats hebben; zoo kan zonder het licht van den hemel, dat is zonder Goddelijke waarheid, en zonder de hitte van den hemel, dat is zonder Goddelijke liefde tot het gemoed wordt toegelaten, geene groeikracht er aanwezig zijn; want alleen daardoor heeft de rede haar bestaan. De Engelen bedroeven zich zeer, dat zoovele geleerden alles aan de natuur toeschrijven, en daardoor het innerlijke van hun gemoed hebben gesloten, zoodat zij, door het licht der waarheid, dat is door het licht van den hemel, niets van de waarheid kunnen zien. In het andere leven zijn zij daarom beroofd van het vermogen om te redeneren, opdat zij door hunne redenering geene logen onder de eenvoudige goeden zouden vermengen en zoo hen zouden verleiden. Zij worden derhalve naar eene woeste plaats verbannen.
Een zeker geest was boos, omdat hij zich vele dingen niet kon herinneren, waarmede hij bekend was in het leven des ligchaams; hij was bedroefd over het genoegen, dat hij had verloren, en dat hem gewoonlijk zoo zeer had verblijd. Er werd hem verhaald, dat hij niets
was verloren, maar nog bekend was met al wat hij ooit kende, zelfs tot in de kleinste bijzonderheid; maar dat het hem in de wereld, waarin hij nu was, niet was geoorloofd om die zaken terug te roepen, en dat hij tevreden behoorde te zijn, omdat hij nu veel beter en meer juist kon denken en spreken dan te voren, zonder zijne rede, gelijk hij gewoon was, te begraven onder plompe, duistere, stoffelijke en ligchamelijke dingen, die geenen gang hadden in het koningrijk, waarin hij nu was ingetreden. Er werd hem ook verhaald, dat zij nu in het bezit waren van alles, wat het eeuwige leven kon bevorderen, en dat hij zich dus niet over schoonheid en geluk op andere wijze kon verheugen; dat het derhalve enkel onwetendheid was om zich te verbeelden, dat in het koningrijk waarin hij nu was, de kennis verloren was gegaan tegelijk met de verwijdering en rust van den stoffelijken inhoud van het geheugen. De werkelijkheid is deze, dat naar mate het gemoed vatbaar is, om onttrokken te worden aan de zinnelijke zaken, die tot den uiterlijken mensch of tot het ligchaam behooren, het naar die mate verheven wordt tot geestelijke en hemel-sche zaken.
De aard van dit tweeërlei geheugen wordt in hot andere leven soms duidelijk gemaakt voor het gezigt, in zoodanige vormen als alleen daar kunnen gezien worden; want vele dingen worden daar tot voorwerpen van het gezigt gemaakt, die onder de laenaclaeu alleen in de idee
kunnen bestaan. Het uiterlijk geheugen is daar vertegenwoordigd als in tenen vorm gelijk callus (nieuwe beenvorming bij de breuk) en bet innerlijk geheugen gelijk eene mergachtige zelfstandigheid, zooals de menschelijke hersenen; van beider voorkomen wordt de kennis ontleend van het karakter, waartoe zij behoo-ren. Bij hen, die in het leven des ligchaams alleen gearbeid hadden om hun geheugen op te vullen, en hunne rede niet hadden beschaafd, was het eeltachtige hard en innerlijk als met pezen doorweven. Bij hen, die hun geheugen met onwaarheden hadden vervuld, was het doorluchtig en ruw en had een voorkomen, alsof in het geheugen zaken als eene ongeregelde massa aanwezig waren. Bij hen, die hadden gearbeid, om hun geheugen te verrijken uit eigenliefde en liefde tot de wereld, schenen de spiereu zamengeschroeid en beenachtig te zijn. Bij hen, die door wenschten te dringen in de Goddelijke geheimen, door middel der wetenschap, bijzonder door de zoogenoemde wijsbegeerte, en die de waarheid niet wilden aannemen tenzij zij langs dien weg overtuigd worden, was het geheugen duister, en wel zoo duister, dat het de stralen van liüt licht opslurpte en in duisternis verkeerde. Bij hen, die met bedrog eu huichelarij hadden omgegaan, vertoonde het geheugen zich als hard been, gelijk ebbenhout, dat de stralen van het licht terugkaatst. Bij hen echter, die gegrond waren in het goede der liefde eu iu de waarheid des ge-
60
loofs, verscheen zulk een callus niet, omdat hun innerlijk geheugen de stralen van het licht doorlaat tot hun uiterlijk geheugen, en tot de voorwerpen of' ideeën daarvan, als tot hunnen grond of basis, waar de stralen eindigen en bereidwillige ontvangers vinden. liet uiterlijk geheugen is het laagste in den rang; daarom loepen geestelijke en hemelsche zaken daarin ten einde en wonen daarin, indien zij er zulk eene gezindheid vinden als goed is en waar.
Zij, die in de wereld gegrond zijn in liefde tot God en den naasten, hebben daardoor en daarin kennis en wijsheid verkregen. Dezen echter worden opgelegd in het innerlijkst van hun innerlijk geheugen en verschijnen zelfs nimmer aan henzelven, tot dat zij het ligcha-melijke hebben afgelegd. Want hun natuurlijk geheugen slaapt, en zij ontwaken in hun innerlijk geheugen en ten laatste, naar hunne orde, in zoodanig geheugen als de Engelen bezitten.
Hoe de redelijke aanleg kan beschaafd of ontwikkeld worden zal ook kortelijk worden verklaard. Oorspronkelijk bestaat de rede uit waarheden en niet uit onwaarheden; dat, wat door de logen bestaat, is de rede niet. De waarheden zijn drieërlei: burgerlijke, zedelijke en geestelijke waarheden. Burgerlijke waarheden staan in betrekking tot zaken der wet en den vorm van bestuur in den staat; in het algemeen alles, wat tot regt en billijkheid behoort. Zedelijke waarheden staan in betrek-
king tot zulke zaken, die tot het leven van ieder behooren, in opzigt tot de maatschappij en zijne betrekking tot anderen; in liet alo-e-meen tot zuiverheid en opregtheid en wel bijzonder tot allerlei deugden. Maar geestelijke waarheden hebben betrekking op zulke zaken, als tot den hemel en do kerk behooren; in het algemeen, tot het goede, dat het voorwerp is der liefde, en tot de waarheid, die het voorwerp is van het geloof. In ieder mensch zijn drie graden des levens. De rede is door middel der burgerlijke waarheden geopend voor de eerste graad; door zedelijke waarheden tot de tweede â en door geestelijke waarheden tot de derde graad. Maar er moet bij in aanmerking worden genomen, dat de rede niet wordt gevormd en geopend enkel door bekend te zijn met deze waarheden, maar door daarmede overeenkomstig te leven. Door daarmede overeenkomstig te leven is bedoeld, zijne liefde uit een geestelijk gevoel, terwijl onder liefhebben uit een geestelijk gevoel is bedoeld, dat men regt en billijkheid lief heeft, omdat het regt en billijk is, zuiverheid en opregtheid omdat het zuiver en opregt is, en wat goed en waar is lief te hebben, omdat het goed is en waar. Daarom is het leven in overeenkomst daarmede en ze lief te hebben uit ligchamelijke belangen, is een liefhebben uit eigen belang, om naam, eer of winst. Als derhalve iemand deze waarheden liefheeft uit ligchamelijke belangen, zoo wordt hij niet redelijk; want het zijn dan
03
niet de waarheden die hij liefheeft, maar zichzelf, waaraan hij ze dienstbaar maakt als dienstknechten aan huime meesters. Wanneer nu waarheden gebruikt worden enkel als dienstknechten, gaan zij niet in tot den mensch en openen gee-ne graad zijns levens, gelijk in het eerste geval; maar zij zetelen slechts in zijn geheugen, ⢠als zaken van uiterlijke kennis onder eenen stof-felijken vorm, waar zij zich vereenigen met de eigenliefde, die eene ligchamelijke liefde is. Hieruit moge blijken, hoe de mensch redelijk wordt; dat hij redelijk wordt gemaakt tot de derde graad door de geestelijke liefde tot het goede en de waarheid, die den hemel en de kerk zamenstellen; tot de tweede graad dooide liefde tot zuiverheid en opregtheid, en tot de eerste graad door de liefde tot regt en billijkheid. De twee laatsten worden ook geestelijk door de geestelijke liefde tot het goede en de waarheid; want deze gaat tot hem in door middel van instorting, vereenigt zich alsdan met hem en vormt in hem, als het ware, haar eigen voorkomen.
De geesten en Engelen hebben geheugen, even als de menschen. Wat zij hooren, zien, denken, willen, of doen blijft hen bij, en hunne rede wordt verder door middel daarvan ontwikkeld, welke ontwikkeling eeuwiglijk voortduurt. Zoo komt het, dat geesten en Engelen in kennis en wijsheid toenemen door de kennis van de waarheid en het goede, evenals de mensch. Dat geesten en Engelen geheugen heb-
63
ben, is een feit, dat mij insgelijks door vele ervaringen vergund is te weten. Ik heb jrezien, dat zij, diu lii gezelschap niet andere geesten alles, wat zij hadden gedacht of gedaan, 't zij in het openbaar of in het verborgen, voor hun geheugen alles terugriepen. Ik heb ook gezien, dat zij die in eenige graad der waarheid waren bevestigd en daardoor in het eenvoudig goede hadden geleefd, met kundigheden werden bedeelden daardoor met kennis, en dat zij daarna werden opgenomen in den hemel. Het is opmerkelijk, dat niemand met kundigheden en door dezen met kennis wordt bedeeld, dan alleen tor verhooging van den graad der vatbaarheid voor goed en waarheid, die aangevangen is in hem in de wereld, maar niet later. Want in iederen geest en Engel blijft dezelfde vatbaarheid zoowel naar de mate als 'Jen aard, die hij bezat in de wereld. Later wordt die vatbaarheid meer volkomen gemaakt door bij-of toevoeging, en dit loopt tot in eeuwigheid voort; want er is niets, dat niet eeuwiglijk kan vermeerderd worden, daar alles vatbaar is voor eene oneindige verscheidenheid, derhalve ook om rijker te worden en dus ook om vermenigvuldigd en vruchtbaar te worden door verschillende middelen. Aan niets, dat goed is, kan een einde zijn, omdat het voortvloeit uit Hem, die de Oneindigheid is.
Dk MEN'sen 18, NA DEN DOOD, EVENEENS ALS
ZIJN LEVEN WAS IN DE WERELD.
Dat het eigen leven van iedereen na den dood voortduurt, weet ieder Christen door het Woord; want daarin is verklaard, dat de mensch zal geoordeeld worden overeenkomstig zijne daden en zijne werken. Iedereen, die onder den invloed van het goede en der werkelijke waarheid denkt heeft ook geen ander denkbeeld, dan dat hij, die wel leeft naar den hemel gaat, en dat hij, die kwaad leeft, naar de hel gaat. Zij echter, die onder het kwade zijn bedolven, zijn onwillig om te gelooven, dat hunne toestand na den dood in overeenkomst zal zijn met hun leven in de wereld; maar zij denken, vooral op hun ziekbed, dat de hemel geopend is voor iedereen, door de vrije genade van dun lieer; zijn leven moge dan geweest zijn zoo het wil. Volgens hen ontvangt de mensch naar zijn geloof, hetwelk door hen wordt afgescheiden van het leven.
Dat de mensch geoordeeld zal worden naar zijne daden en naar zijne werken, is in het Woord op vele plaatsen verklaard; eenigen er van zal ik aanvoeren. Want de zoon des men-schen zal komen in de heerlijkheid zijns Vaders, met zijne engelen, en alsdan zal hij een' iegelijk vergelden naar zijn doen (Matth. 10 ; 27); En ik hoorde eene stem uit den hemel, die tot mij zeide; Schrijf: Zalig zijn de
(iö
dooden die in den Heer sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten mogen van hunnen arbeid; en hunne werken volgen met hen (Openh. 14 : 13). En hare kinderen zal ik door den dood ombrengen; en al de gemeenten zullen weten, dat ik het hen, die nieren en harten onderzoek. En ik zal nlieden geven een' iegelijk naar uwe werken (3 : 33). En ik zag de dooden, klein en groot, staande voor God; en de hoeken werden geopend; en een ander hoek werd geopend, dat des levens is: en de dooden werden geoordeeld uit hetgeen in de hoeken geschreven was, nanr hunne werken. En de zee gaf do dooden die in haar waren; en de dood en de lui gaven de dooden die in hen waren; en zij werden geoordeeld, een iegelijk naar zijne werken (30 : 13, 13). En zie, ik kom haas tel ijk; en mijn loon is met mij, om een' iegelijk te vergelden gelijk zijn werk zal zijn (33 : 13). Een iegelijk dan die deze mijne woorden hoort en dezelve doet, dien zal ik vergelijken hij een voorzigtig man, die zijn huis op een steenrots gebouwd heeft; En een iegelijk die deze mijne woorden hoort, en dezelve niet doet, die zal bij een' dwaas man vergeleken worden, die zijn huis op het zand gebouwd heeft. Niet een iegelijk die tot mij zegt: ric ;-cre, Heei-e! zal ingaan in 't koningrijk der hemelen, maar die daar doet den wil mijns Vaders, die in de hemelen is. Velen zullen te dien dage tot mij zeggen: Ileere, Heere! hebben wij niet in uwen naam geprofeteerd, en in
66
uwen naam duivelen uitgeworpen, en in uwen naam vele krachten gedaan? En dan zal ik hun openlijk aanleggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van mij, gij, die de ongeregtigheid werkt (Matth. 7 : 24, 26, 21, 23, 28)! Alsdan zult gij beginnen te zeggen: Wij hebben in uwe tegenwoordigheid gegeten en gedronken, en gij hebt in onze straten geleerd. En hij zal zeggen; Ik zeg u, ik ken u niet, van waar gij zijt: wijkt van mij af, alle gij werkers dor ongeregtigheid (Luk. 13 : 26, 27)! Want van hen zullen zich doen dienen, die ook magtige volken en groote koningen zijn: alzoo zal ik hun vergelden naar hun doen, en naar het werk hunner handen. Zoo zegt de Heer der Heir-scharen: Zie, een kwaad gaat er uit van volk tot volk, en een groot onweder zal er verwekt worden van de zijden der aarde. (Jer. 25 : 14, 32). Daarom, gelijk het volk, alzoo zal de priester zijn; en ik zal zijne wegen over hem bezoeken, en zijne handelingen hem vergelden (Hos. 4 : 9). Nogtans mijne woorden en mijne inzettingen die ik mijnen knechten, den profeten, geboden had, hebben zij uwe vaders niet getroffen? zoodat zij wederkeerende, zeiden: Gelijk de Heer der heirscharen gedacht heeft ons te doen, naar onze wegen en naar onze handelingen, alzoo heeft hij met ons gedaan (Zach. 1 : 6). Bij welke gelegenheid de Heer het laatste oordeel ook voorzegt, zoo spreekt hij alleen van werken, en verklaart, dat zij, die het goede hebben gedaan in zullen
ö7
gaan in het eeuwige leven, en die welke het kwade hebben gedaan in zuilen gaan in de vervloeking. Vergelijk om niet nog eene menigte andere plaatsen te vernielden, Matth. 25 : o2 âIG. Dat de weiken en daden 's menschen eeuwig leven daarstellen, en dat daardoor is duidelijk gemaakt, wat de aard van zijn innerlijk leven is, is duidelijk.
Onder daden en werken zijn echter niet bedoeld de bloote daden en werken, gelijk zij in hunnen uiterlijken vorm voorkomen, maar zooals zij innerlijk verschijnen. Iedereen weet, dat elke daad of elk werk voorvloeit uit den wil en de gedachte van den bewerker; want anders zouden zij slechts bewegingen zijn als van loopende werktuigen en beelden. Eene daad of een werk dus, op zich zelf beschouwd, is niets anders dan eene uitwerking, en dus de wil en de gedachte in hunnen uiterlijken vorm. Hieruit volgt, dat gelijk de wil en de gedachte zijn, die de daad of het werk voortbrengen, zoo ook de daad en het werk zelf zijn; (lat indien de gedachte en de wil goed is, de daden of werken goed zijn, en indien de gedachte en wil boos zijn, de daden en werken boos zijn zullen, in weerwil zij voor het uiterlijke goed mogten schijnen. Laat duizend menschen op gelijke wijze handelen of dezelfde daden voortbrengen, en wel zoo gelijk, dat, naar het uiterlijk te oordoelen, er naauwelijks mogelijkheid bestaat, om de eene van de andere te onderscheidon; zoo zal toch, in zich zelf
68
Leschoiiwd, allen van elkander verschillen, omdat zij voortvloeijen uit eenen ongelijken wil. Laat ons, als voorbeeld, iemand nemen, die zuiver en regt met zijnen naasten handelt. De een zal zijnen naasten opregt en regtvaardig behandelen, met het doel om een opregt en regtvaardig man te zijn, ten wille van zich, zelf en zijne eigene eer. Een ander zal hetzelfde doen ten wille der wereld en om winst. Een derde om de aandacht op zich te vestigen en eenen verdienstelijken naam te verwerven. Een vierde uit oorzake van vriendschap. Een vijfde uit vrees voor de wet of voor verlies van aanbeveling en derhalve van ambt of werkzaamheid. Een zesde om een ander tot zijne zijde overtehalen, hoewel zijn doel verkeerd is. Een zevende om te bedriegen. Anderen doen het welligt weder om andere reden. De daden van al deze menschen, hoewel goed naar het uiterlijke, want opregt en regtvaardig zijnen naasten te behandelen is toch goed, zijn niettemin boos. Want zij zijn niet gedaan uit liefde voor opregtheid en regtvaardigheid, noch omdat de bewerkers deze deugden liefhebben, maar uit liefde tot zich zelf en tot de wereld; die zijn het, welke de bewerkers liefhebben; en deze lief te hebben is opregtheid en regt dienstbaar maken gelijk huisknechten aan hunnen meester, die de meester veracht en wegzendt, wanneer zij hem niet langer dienstbaar zijn. Deze handelen dus opregt en regt met hunnen naasten, op eene wijze, die, wat het
69
uiterlijke betreft, hetzelfde voorkomen heeft als van zulken, die het d©en uit liefde tot zuiverheid en regt. Van deze laatsten handelen sommigen uit de waarheid des geloofs, of uit gehoorzaamheid, omdat het zoo bevolen is in hot Woord. Sommigen handelen uit de kracht des geloofs, of onder den invloed van het geweten, derhalve uit een godsdienstig beginsel. Sommigen handelen uit ware liefde tot den naasten, omdat diens welzijn behoort in acht genomen te worden; anderen uit ware liefde tot den Heer, omdat het goede behoort gedaan te worden ten wille van het goede, en derhalve opregtheid en regt om dezelfde oorzaak. Zulke menschen hebben deze beginselen lief, omdat zij van den Heer komen, en omdat de Goddelijke speer, die uitgaat van den Heer, in hen eene woonplaats heeft. Deze goeden zijn gevolgelijk, in opzigt tot hun innnerlijk bestaan of absoluut zijn. Goddelijk. De daden of werken van al deze laatsten zijn innerlijk goed, en daarom ook uiterlijk goed; derhalve is waar wai boveu is opgemerkt, dat de daden en werken juist van dien aard zijn als de gedachte en wil van waar zij uitgaan, en hangen zij daarvan niet af, dan zijn het geene daden of werken, maar alleen bewegingen van beelden. Uit deze waarheden moge duidelijk blijken, wat onder daden en werken in het Woord is verstaan.
Wijl daden en werken de voortbrengselen zijn van den wil en de gedachte, zoo zijn zij ook de voorthreugseleu van liefde en geloof,
70
cri derhalve vnn dien flard als de liefde en liet geloof zijn; want of men spreekt van 's men-sclien liefde of van zijnen wil is hetzelfde. Evenzoo ook of men spreekt van zijn geloof of van zijne welberaden gedachte; want wat de mensch liefheeft wil hij, en wat hij gelooft, alzoo denkt hij. Indien iemand liefheeft wat hij gelooft, zoo wil hij het ook, en zoo ver hij in staat is doet hij het. Iedereen nu weet, dat liefde en geloof in 's menschen wil en gedachte zetelen, en niet daar Luiten bestaan; want de wil wordt veroorzaakt door de liefde, en do gedachte is het, die inlichting geeft in zaken des geloofs. Om deze rede is niemand, dan die in staat is om wijsselijk te denken, verlicht, en zij, die verlicht zijn bedenken en willen dc waarheid, of, wat op hetzelfde nederkomt gelooven de waarheid en hebben haar lief.
Het is echter opmerkelijk, dat het de wil is die den mensch vormt, en de gedachte alleen in zooverre zij voortvloeijt uit den wil en de daden of werken voortvloeijen uit beiden. Of, wat hetzelfde is, dat de liefde den mensch vormt, en het geloof alleen in zooverre het voortvloeit uit de liefde en de daden zoo ver zij voortvloeijen uit beiden. Hieruit volgt, dat de wil of de liefde de mensch zelf is; want alles wat voortvloeit, behoort tot dat wat het voortbrengt. Iets voortbrengen is iets voorstellen in eenen ge-schikten vorm, opdat het openbaar en begrepen â¢worde. Uit deze waarheden moge blijken en duidelijk gezien worden, wat het geloof is.
71
dat afaesclieiden is van do liefde. Het is na-
O
melijk volstrekt geen geloof, maar alleen eene zaak van oppervlakkige kennis, die in zicli geen geestelijk leven bezit. Evenzoo moge gezien worden, wat eene daad of een werk is zonder liefde; dat zij in de werkelijkheid geene levende daad of werk is, maar eene daad, die het voorkomen heeft van leven, schoon medegedeeld door de liefde tot het kwaad en een geloof in de logen. Dit voorkomen van leven wordt de geestelijke dood genoemd.
Verder moet worden opgemerkt, dat de ge-heele mensch in de daden of werken is ingesloten, en dat zijne wil en gedachte of zijne liefde en geloof, die zijn innerlijk daarstellen, niet volkomen zijn, totdat zij in daden of werken bestaan, die zijn uiterlijk uitmaken. Want daden of werken zijn de laatsten, waarin de eersten eindigen, en zonder welken de eerste onbenoemde zaken zijn, die in zooverre niet bestaan, en dus in zooverre niet in den mensch zijn. Denken en willen zonder te handelen, wanneer er gelegenheid is, zijn gelijk aan een ontvlamd iets, dat opgesloten wordt in eenen gesloten pot, waardoor het uitgedoofd wordt; of gelijk zaden, die in het zand zijn geworpen, die niet uitbotten, maar in weerwil hunner vruchtbaarheid vergaan. Wanneer echter danken en willen overgaan tot handelen zijn zij gelijk aan een vlammend voorwerp in de open lucht, dat hitte en licht rondom zich verspreidt, of gelijk aan zaad, dat in den grond is gezaaid.
72
lietwelk opwast tot een boom of bloem en een bestaan verkrijgt. Iedereen weet, dat iets te willen en niet te doen, indien er geene -ver-liindering bestaat, in werkelijkheid niet gewild is, en dat dus liet goede lief te liebben en niet te doen, indien de middelen er voor bestaan, men in werkelijkheid het goede niet heeft liefgehad; derhalve, dat het alleen meening was, dat hij wil en liefheeft, en dus alleen gedacht is, afgescheiden van wil of liefde, die spoedig verdwijnt en tot niets komt. Liefde en wil zijn de eigenlijke ziel van daden en werken, en deze vormt zich zelve een ligchaam in de zuivere en juiste werkingen, die de mensch voortbrengt. Het geestelijk ligchaam, of het ligchaam van 's menschen geest heeft geenen anderen oorsprong, dat is, het is door niets anders gevormd, dan door dat, hetwelk de mensch voortbrengt door zijne liefde of wil. In één woord, al wat tot een mensch of tot zijnen geest behoort, is opgesloten in zijne daden of werken.
Uit deze gezegden moge nu met zekerheid blijken, wat onder 's menschen leven verstaan wordt, dat hem bijblijft na den dood; dat het n. 1. in werkelijkheid zijne liefde en zijn geloof is, die van daar zijn ontleend, niet alleen als bestaande in aanleg (potentieel) maar als bestaande in der daad; derhalve, dat dit leven bestaat in zijne daden of werken, want deze bevatten in zich alles, wat tot 's menschen liefde en geloof behoort.
73
Dat wat dcu menscli bijblijft na zijnen dood is zijne heerschende liefde; deze wordt na den dood in eeuwigheid niet veranderd. Ieder mensch is onderworpen aan velerlei neigingen; maar allen staan in betrekking tot zijne lieer-scliende liefde, en maken er een geheel mede uit, of wel stellen haar, allen vereenigd, te za-men. Alles wat tot den wil behoort en verbonden is met de heerschende liefde, worden neigingen genoemd, wijl zij allen iets liefhebben. Deze neigingen zijn zoowel innerlijk als uiterlijk. Sommigen staan in onmiddelijke gemeenschap met de heerschende liefde, van sommigen is de gemeenschap middelijk. Sommigen zijn er naauw mede verbonden, anderen weder minder; maar allen zijn langs Arerschillende wegen dienstbaar aan hetzelfde doel. Allen te zamen genomen maken zij als een zeker koningrijk uit, dat in orde om den mensch is geschaard, hoewel de mensch geheel onbekend er mede is, dat hij zulk eene ordening oni zich heeft. Het wordt hem echter eeniger mate duidelijk gemaakt in het andere leven; want het is overeenkomstig hare regeling, dat de verstrooidheid van gedachten en aandoeningen, die hem omgeeft, daar wordt geregeld. Die verstrooidheid wordt geleid in hemelsche ver-eenigingen, zoo zijne heerschende liefde het uitvloeisel is van de liefde des hemels; maar in helsche vereenigingen, zoo zijne heerschende liefde ontleend is aan de liefde der hel.
De waarheden echter, die tot hiertoe zijn
71
voorgesteld zijn alleen berekend voor de gedachte van den redelijken menscli. Opilat zij ook bevattelijk zouden zijn voor de zinnen, zal ik eenige feiten uit de ervaring aanhalen, waardoor dezelfde waarheden moge worden opgehelderd en bevestigd. Ik zal dan aantoonen, vooreerst: dat de mensch, na zijnen dood, zijne eigene liefde of zijn eigen wil is; ten tweede: dat de mensch voor eeuwig zoodanig is, als hij is in opzigt tot zijnen wil of zijne heerschende liefde; ten derde: dat de mensch, wiens liefde hemelsch en geestelijk is, naar den hemel gaat, maar dat de mensch, wiens liefde ligchamelijk en wereldsch is, dus ontbloot van hemelsche en geestelijke liefde, naar de hel gaat; ten vierde: dat het geloof den mensch niet bijblijft, indien het niet gegrond is in hemelsche liefde; ten v ij fd e: dat wat den mensch bijblijft de liefde is in daad, derhalve zijn leven.
I. De mensch is, na den dood, zijne eigene liefde en zijn eigen wil. Dit is mij door overvloedige voorbeelden bewezen. De geheele hemel is verdeeld in vereenigingen, naar het onderscheid in de liefde tot het goede. Iedere geest, die in den hemel wordt verheven, wordt een Engel en in die vereeniging geleid, waarin zijne liefde heerscht; wanneer hij daar komt, is hij alsof hij 't huis was en alsof hij leefde in het huis, waarin hij is geboren. De Engel is zich dit bewust, dat hij daar in eene vereeniging van andere Engelen is opgenomen, die
gelijk zijn aan hom zelf. Zoo hij van daar gaat en op eenige andere plaats komt, gevoelt hij altijd eenen zekeren tegenzin en wenscht hij, om naar zijns gelijken, en dus tot zijne eigene liefde terugtekeeren. Op deze wijze worden de bewoners in den hemel te zamcn gevoegd tot vereenieinjren. Hetzelfde heeft in de hel plaats, waar insgelijks de bewoners zamenge-voegd zijn in vereenigingen, naar den aard hunner liefde, die de tegenstelling is van die des hemels. Dat de mensch na den dood zijne eigene liefde is, moge ook duidelijk zijn, doordien dan het aardsche van hem is verwijderd en al wat niet één was geworden met zijne heerschende liefde alsdan wordt weggenomen. Indien hij goed is, wordt alles wat hem mishaagt of dat niet met zijn goed overeenkomt, verwijderd en weggenomen, en hij aan zijne eigene liefde overgelaten. Hetzelfde heeft plaats, wanneer hij hoos is. Het verschil is, dat de waarheid wordt weggenomen van de kwaden en de logen van de goeden; dit wegnemen eindigt niet, totdat ieder zijne eigene liefde is. Dit is bereikt, wanneer de mensch, die nu een geest is, in zijnen derden staat is gehragt, waarover in eene volgende afdeeling zal gehandeld worden. Wanneer dit bereikt is, zoo wendt de geest standvastig het aangezigt naar zijne eigene liefde, die hij eeuwiglij k voor oogen heeft, hij moge zich wenden zoo hij wil. Alle geesten worden toegelaten tot daar waar zij wenschen. mits zij blijven in het gebied hunner liefde. Zij kunnen zich
76
niet aan den invloed van dit gebied onttrekken, lioe zeer zij ook weten, dat die op hen wordt uitgeoefend, en hoe vast zij zicli ook mogen voorstellen, dat zij dien kunnen wederstaan. Dikwijls is de poging gedaan, of zij zich daartegen konden verzetten, maar het was telkens te vergeefs. Hunne liefde, is gelijk aan een ketting of koord, waaraan zij als vastgebonden zijn, dat zij in de geheele lengte mogen uittrekken, maar waarvan zij zich niet kunnen ontdoen. Hetzelfde heeft plaats in de wereld: 's man-schen eigene liefde of gezindheid leidt hem en wordt door anderen geleid. Nog sterker is dit het geval, wanneer zij geesten worden, want alsdan is het niet mogelijk om een voorkomen aan te nemen van eene andere liefde of zich anders voor te doen dan men is. Dat 's menschen geest zijne heerschende liefde is wordt in het andere leven, in elk gezelschap, duidelijk gemaakt; want als iemand handelt of spreekt uit de liefde van iemand anders, zoo is deze dadelijk tegenwoordig, met een open, vrolijk en levendig gelaat; maar zoo iemand handelt of spreekt in tegenstelling met de liefde van iemand anders, zoo begint zijn aangezigt te veranderen, wordt duister en verdwijnt, tot dat hij zelfs geheel verdwenen is, als of hij er niet ware geweest. Vaak heb ik mij hierover verwonderd, omdat er in de wereld niets van dien aard plaats heeft. Er werd mij echter gemeld, dat iets soortgelijks voorkomt met den geest, die iu den mousch. isj want wanneer deze zich
77
afwendt van een ander is zijn voorkomen niet meer hetzelfde. Dat de geest zijne eigene heer-schende liefde is werd mij ook duidelijk, doordien de geest al wat met zijne liefde overeenkomt vurig aangrijpt en zich toeeigent, en alles wat niet daarmede overeenkomt afscheidt en verwerpt. De liefde is gelijk aan het sponsachtig en pori-euse hout van een' boom, dat zulke vochten inzuigt als zijnen groei kunnen bevorderen en alle andere verwerpt. Het is ook gelijk aan dieren van allerlei soort, die het hun passend voedsel kennen en naar dat zoeken, hetwelk met hunne natuur overeenkomt en eenen afkeer toonen van al wat daarmede niet overeenkomt. Elke liefde wenscht gevoed te worden door zijn eigen voedsel, â booze liefde door de logen, goede liefde door de waarheid. Soms is mij vergund te zien, dat zekere eenvoudige goede geesten wenschten om eenen boozen onderwijs te geven in de waarheid en liet goede, maar dat de laatste ver van het aangeboden onderwijs wegvlood en dat hij, toen hij bij zijn eigenlijk gezelschap was gekomen, met groot genoegen zulke onwaarheden omhelsde als OA'ereenkwamen met zijne liefde. Er werd mij ook gelegenheid gegeven om op te merken, dat, wanneer goede geesten onder elkander over waarheden spraken, andere goede geesten, die er tegenwoordig waren, met begeerte naar inlichting luisterden, terwijl sommige booze geesten, die ook tegenwoordig waren, niet de minste aandacht aan het gesprek schonken en zich gedroegen
7S
alsof zij het niet hoorden. Er bestaan in do geestenwereld verschillende wegen, waarvan sommigen tot den hemel en anderen naar do hel leiden, en wel allen naar eene bijzondere vereenioing. De goede geesten bewandelen ovoiic andere wegen, dan die naar den hemel feiden en wel naar de vereeniging, waarin het o-oede van hunne eigene liefde heerscht; de wegen, die in eene andere rigting leiden, zien zij niet. Zoo ook bewandelen de booze geesten geene andere wegen, dan die naar de hel leiden, en wel naar die vereeniging in de _ hel, waarin het kwaad van hunne eigene liefde heerscht; de wegen, die in eene andere rigting leiden zien zij niet, en zoo zij die zien, zoo zijn zij toch niet gezind om die te bewandelen. In de geestenwereld komen zulke wegen werkelijk voor, die m gemeenschap staan met waai-heden of logen- Daarom ook werden zij m de Schrift wegen genoemd. Door deze werkelijke voorbeelden worden de waarheden bevestigd, waarover boven is gehandeld, dat n. 1. ieder mensch, na den dood, zijne eigene liefde is en zijne eigen wil. De wil is genoemd, omdat de werkzame wil van elk mensch zijne liefde is.
II. De mensch is voor eeuwig zoodanig, als hij is in opzigt tot zijnen wil of zijne heerschende liefde. Ook dit is mij, door vele werkelijke voorbeelden bevestigd. Het is mij vergund, 0111 te spreken met sommigen, die twee (luizend jaren vroegei luid-â¢den geleefd, en wier leven mij uit de geschie-
79
denis bekend was. Het werd mij zeker, dat zij nog waren wat zij toen waren geweest; dat zij hetzelfde karakter bezaten, dat hun in de geschiedenis werd toegeschreven, dat hunne liefde nog gelijk was aan die, welke het grondslag huns levens had uigemaakt. Ook met sommigen, die 1700 jaren vroeger geleefd hadden en mij uit de geschiedenis bekend waren, was het mij vergund te spreken; ook met anderen, die vier eeuwen, drie eeuwen, of minder tijd dood waren sprak ik, en ik ontdekte, dat dezelfde neigingen, die hen in de wereld bestuurden, nog in hen heerschten. Er was geen ander onderscheid, dan dat hun vermaak was overgebragt op zulke zaken als met de vroegere overeenkwamen. Er word mij door de Engelen vermeld, dat het leven hunner heer-schende liefde bij niemand in eeuwigheid veranderd wordt, wijl iedereen zijne eigene liefde is; dit wil zeggen, dat de poging om eenen geest te veranderen eene poging zou zijn om hem zijn bestaan te ontnemen en hem geheel te vernietigen. Zij zeiden mij ook, wat hiervan de oorzaak is, n. 1. dat de mensch, na den dood, niet meer in staat is, om door middel van onderwijs hervormd te worden, gelijk in de wereld, dewijl het laatste middel van beschaving, dat in natuurlijke kundigheden en aandoeningen bestaat, dan rust, en niet in staat is om te werken, omdat het niet geestelijk is. Dat verder het innerlijke, dat tot het innerlijk, of uiterlijk gemoed behoort, op dit middel rust, gelijk
so
een huis op zijne grondveste. 011 dat daarom de mensch voor eeuwig zoo blijft als liet leven zijner liefde geweest is in de wereld. De Engelen verwonderen er zich zeer over, dat de ömenscli er niet mede is Lekend, dat iedereen van dien aard is als zijne heerschende liet-de is, en dat menigeen gelooft, dat zij zalig zullen worden door loutere genade en alleen door het geloof, onverschillig hoedanig^ hun leven is geweest. Dat verder er velen niet mede hekend zijn, dat de Goddelijke genade door middelen werkt, die door den Heer m do wereld zijn gelegd en eeuwiglijk blijven bestaan, en dat alleen zij door genade worden geleid, die met leven in het booze. Ook waren zij verwonderd, dat de mensch niet wist, dat het geloof de uitwerking is der waarheid, die voortvloeit uit de hemelsche liefde, waarvan de Heer de Auteur is.
III. De mensch, wiens liefde hemelsch en geestelijk is gaat naar den hemel; maar de mensch, wiens liefde ligchame-lijk en wereldsch is, dus ontbloot van hemelsche en geestelijke liefde, gaat naaide hel. Ten opzigte van deze waarheden werd ik in staat gesteld om zekerheid te ontvangen door allen, die ik heb zien opnemen in den hemel, of neder heb zien werpen in de hel. Zij, die in den hemel waren opgenomen verheugden zich in een leven, dat gegrond was in hemelsche en geestelijk liefde; terwijl zij, die in de hel werden geworpen, verzonken waren in een leven, c.it o-ec-rond was in ligchamelijke en wereldse he
81
liefde. Hemelsche liefde bestaat in den mensch, wanneer hij liet goede, opregtlieid en regtvaar-digheid liefheeft, ten v.rille dier deugden en door die liefde haar uitoefent; als zulken zich verheugen in het leven in liet goede, in opregtlieid en regtvaardigheid, is dit het leven des hemels. Zij die deze deugden als deugden liefhebhen en ze behartigen of in hun leven tot werkelijkheid brengen, hebben God lief boven alles, omdat deze deugden uitgaan van Hem. Zij hebben tegelijk daardoor hunnen naasten lief, omdat het de naaste is, die men door deze deugden lief moet hebben. Maar ligchamelij-ke liefde bestaat in den mensch, wanneer hij het goede, de opregtlieid en regtvaardigheid liefheeft, niet ten wille dier deugden, maar uit eigen belang; want hij gebruikt ze als middelen, om naam, rang of winst te erlangen. Zulken bedoelen met het goede, met opregtlieid en regtvaardigheid, niet God en hunnen naasten, maar zich zeiven en de wereld en verheugen zich in bedrog, en wanneer goed, opregtlieid en regtvaardigheid worden beoefend uit zondige beweegredenen, zoo worden zij veranderd in kwaad, onopregtheid, onregtvaardigheid, dat zulken liefhebben onder den vorm der ware deugden. Daar liefde het is wat op deze wijze den aard des levens bepaalt, zoo wordt ieder, na den dood, zoodra hij intreedt in de geesten wereld, onderzocht van welken aard hij is en wordt dan door onzigtbare banden verbonden aan hen, die gegrond zijn in gelijke liefde; zij, die gegrond
6
82
zijn in hemelsche liefde worden op deze wijze verbonden met de bewoners van den hemel, en zij die bedolven waren onder ligchamelijke liefde met de bewoners der hel. Nadat hunne eerste en tweede staat is voltooid, worden de twee partijen gescheiden, zoodat zij elkander nimmermeer zien noch kennen; want iedereen wordt zijne eigene liefde, niet alleen wat aangaat zijn innerlijk, dat tot zijn gemoed behoort, maar ook wat aangaat zijn uiterlijk, wat behoort tot zijn aangezigt, zijn ligchaam, zijne spraak. Iedereen wordt dus het beeld zijner eigene liefde, ook in het uiterlijk voorkomen. Zij die vormen zijn der ligchamelijke liefde, zijn dof, duister, zwart en leelijk, terwijl zij, die vormen zijn der hemelsche liefde, vrolijk, helder, fraai en schoon zijn; want deze twee partijen zijn geheel ongelijk aan elkander in hun gemoed en in hunne gedachten. Zij, die vormen zijn der hemelsche liefde, zijn ook verstandig en wijs, terwijl zij, die vormen zijn der ligchamelijke liefde, stomp zijn en dwazen gelijken. Indien er een inzigt verleend wordt in het innerlijk en uiterlijk van de gedachte en aandoening van hen, die zich in de hemelsche liefde verheugen, zoo schijnt hun innerlijk gelijk te zijn aan het licht, en van sommigen gelijk vlammend licht. Hun uiterlijk vertoont verschillende schoone kleuren, gelijk die van den regenboog; terwijl het innerlijk van hen, die verzonken zijn in ligchamelijke liefde, op iets zwarts gelijken, omdat zij gesloten zijn. Sommigen dezer laat-
83
sten hebben een doof vurig voorkomen, als het voorkomen van het innerlijk van hen, die oj) boosaardig bedrog zicli toeleggen; wijl hun uiterlijk vreesselijke kleuren vertoont en zij er zwaarmoedig uitzien. Het is het gemoed aangeboren, dat hot innerlijke en uiterlijke, die beide tot het innerlijk cn uiterlijk gemoed behoo-ren in de geestelijke wereld, indieiv de Heer dit goedvindt, voorwerpen worden van het gezigt. Zij die begraven zijn in ligchamelijke liefde, kunnen in het licht des hemels niets zien, want dit is voor hen als dikke duisternis, terwijl het licht der hel, hetwelk het voorkomen heeft van glimmend houtskool, voor hen gelijk helder licht is. In het licht des hemels wordt ook hun innerlijk gezigt verduisterd cn wel zoo zeer, dat zij krankzinnig worden; daarom ontvlugten zij het en verschuilen zich in holen en spelonken, wier diepte berekend is naar do logen waarin de boosheid van hun gemoed is gegrond. Zij integendeel, die gegrond zijn in hemelsche liefde, zien alles te meer helder en de voorwerpen schijnen hun te meer schoon, hoe meer innerlijk of dieper zij ingaan in het licht van den hemel, terwijl zij ook naar die mate de waarheid meer verstandig en wijsseüjk bevatten. Zij die gedompeld waren in ligchamelit|ke liefde, kunnen onmogelijk leven in de hitte des hemels. De hitte des hemels is n. 1. de hemelschc liefde; maar zij kunnen alleen loven in de hitte dei-hel, die de liefde tot wreedheid is jegens hen, die haar niet gezind zijn. Anderen te smaden, vij-
84
andschap, haat en wraak zijn de vermaken dier liefde, en wanneer die hunnen loop kunnen hebben zijn de 'bewoners der hel verheugd in hun leven. Zij zijn er geheel onbekend mede wat het is, goed te doen aan anderen, ten wille van het goede en uit zich zelf; maar zij weten alleen wat het is goed te doen om kwaad te doen en ten wille van het kwaad. Zelfs kan niemand, die verzonken is in ligchamelijke liefde, in den hemel ademhalen. Zoodra een booze geest daarheen wordt geleid, hijgt hij naar adem gelijk iemand die met den dood worstelt. Aan de andere zijde ademen zij, die_ gegrond zijn in hemelsche liefde, te meer vrij en leven te meer volkomen, naar mate zij meer het innerlijke van den hemel naderen. Uit deze feiten moge het duidelijk zijn, dat hemelsche en geestelijke liefde den hemel uitmaakt in den mensch, omdat in die liefde al wat den hemel uitmaakt is ingeschreven; terwijl ligchamelijke en wereldsche liefde, als ontbloot van hemelsche en geestelijke, de hel in den mensch daarstelt, omdat in deze liefde al wat de hel uitmaakt is ingeschreven. Duidelijk volgt hieruit, dat de mensch, wiens liefde hemelsch en geestelijk is, naar den hemel gaat; maar dat de mensch, wiens liefde ligchamelijk en wereldsch is en dus ontbloot is van hemelsche en geestelijke liefde, naar de hel gaat.
IV. Hot geloof blijft den mensch niet bij, indien het niet gegrond is in de hemelsche liefde. Dit is mij uit zoovele voorbed-
Â¥ 85
den gebleken, dat, zoo ik ze allen wilde verhalen, die ik betrekkelijk dit onderwerp heb gezien en gehoord, zij een geheel bock zonden vullen. Dit kan ik getuigen, dat er geen geloof hoe genaamd bestaat, noch medegedeeld kan worden aan hen, die ingenomen zijn door hemelsche en wereldsehe liefde, en ontbloot zijn van hemelsche en geestelijke, en dat, wat als geloof bij hen doorgaat, slechts oppervlakkige kennis is of eene overtuiging, dat de belijdenis des geloofs waar is, dewijl het tot bevordering van de voorwerpen hunner liefde dient. Velen, die meenden, dat zij geloof bezaten, werden tot hen gebragt, die het werkelijk deelachtig waren, en toen de gemeenschap was opengesteld, was het eerste wat zij ontdekten, dat zij volstrekt geen geloof hadden. Naderhand beleden zij ook, dat enkel de waarheid en het Woord te gelooven, geen geloof is, maar de waarheid lief te hebben met hemelsche liefde en haar te willen en te doen uit innerlijk aandrift. Er werd ook getoond, dat hunne overtuiging, die zij geloof noemden, slechts als het licht was van den winter, gedurende welk sai-soen er geenc genoegzame warmte in het licht is en alle voorwerpen op aarde verstijfd en gesloten zijn door de vorst en ouder de sneeuw zijn begraven. Zoodra dus het licht van het geloof hunner overtuiging, dat in hen bestaat, in aanraking komt met de stralen van het licht van den hemel, wordt het niet alleen uitge-bluscht, maar wordt werkelijk gelijk dikke duis-
S6
tevnis, waarin men zich zeiven niet zien kan. Hun innerlijk wordt ten zelfden tijde zoo duister, dat zij volstrekt niets kunnen begrijpen en ten laatste krankzinnig worden in de logen. Om deze reden worden alle waarheden, waarmede zulken bekend waren, en die zij van het Woord en de leer der kerk hadden ontleend, en die zij de waarheden van hun geloof hadden genoemd, van hen weggenomen en in de plaats daarvan worden zij bedeeld met alle logen, die met de boosheid huns levens overeenkomt; want allen worden overgelaten in hunne eigene liefde en ten zelfden tijde ook in de logen, die met hunne liefde overeenkomt. Daarna haten zij de waarheid, hebben er eenen afkeer van en ver-werpen haar, omdat de waarheid in strijd is met de logen des kwaads, waaronder zij bedolven zijn. Ik ben in staat, om te getuigen, uit alle ondervinding, die ik heb verkregen betreffende de zaken des hemels en der hel, dat allen, die alleen de leer als de belijdenis van hun geloof hebben beschouwd, en het booze als hun leven hebben aangehouden, in de hel zijn. Ik heb er hen in zien werpen in tallen van vele duizenden.
V. Hetgeen den mensch bijblijft is liefde in daad, derhalve 's inenschen leven. Dit volgt als een besluit uit alle tot hier toe aangevoerde voorbeelden der ervaring, en uit de waarheden, die boven zijn^ aangehaald betreffende daden en werken. Liefde in daad is werk en daad.
A
87
Men moet hierbij opmerken, dat alle werken cn daden zaken zijn, die tot liet zedelijk en burgerlijk leven behooren en die dus ook betrekking hebben op zuiverheid en opregtheid, en op regt en billijkheid. Zuiverheid en opregtheid zijn deugden, die tot het zedelijk leven behooren; regt en billijkheid zijn deugden, die tot het burgerlijk leven behooren. De liefde die haar uitoefent is 6f hemelsch, óf helsch. De werken en daden van het redelijk en burgerlijk leven zijn hemelsch, indien zij voortbrengselen zijn der hemelsche liefde. Al wat gedaan wordt uit hemelsche liefde is gedaan door den Heer, en wat door den Heer gedaan is is goed. Zoo ook zijn de daden en werken van het zedelijk en burgerlijk leven helsch, indien zij voortbrengselen zijn van helsche liefde. Al wat uit deze liefde wordt gedaan, die eigen- en wereldliefde is, is gedaan door den mensch zelf, en wat door den mensch zelf gedaan wordt is, in zich zelve, boos; want de mensch beschouwd in zich zelf of naar waarheid, is enkel boosheid.
Dj-; lusten des levens van; elk mensch
wokden, na den dood, in iets overeenkomstigs veranderd.
Dat de heersehende noiging of liefdo den .....
menscli eeuwiglijk bijblijft is in de voorgaande afdeeling aangetoond; dat de luat dier neiging
SS
of liefde in iets overeenkomstigs wordt veranderd zal nu worden aangetoond. Onder deze verandering in iets overeenkomstigs is gemeend de verandering in zoodanig iets geestelijks als overeenkomt met liet natuurlijke. Dat zij veranderd wordt in geestelijke verheuging moge hieruit duidelijk zijn, dat de mensch, zoolang hij in zijn aardsch ligchaam leeft, in de natuurlijke wereld bestaat; maar dat hij, na achterlating van dat ligchaam, ingaat in de geestelijke wereld en een geestelijk ligchaam aandoet.
Alle lusten, waarin de mensch zich verblijd, zijn die zijner heerschende liefde; want de mensch schept in niets anders behagen, dan in hetgeen hij liefheeft; wat derhalve hem het meest aangenaam is heeft hij ook het meest lief. Of men spreekt over zijne heerschende liefde, of over dat wat hij het meest liefheeft, of het meest hem lust, kómt op hetzelfde neder. Deze lusten zijn verschillend; in het algemeen zijn er zooVeel als er verschil in heerschende liefde is. Er zijn dus zoo velerlei lusten als er menschen, geesten en Engelen zijn; want de heerschende liefde van den een is nimmer in elic opzigt gelijk aan die van den ander. Ook hierdoor is het, dat het aangezigt van den eenen mensch nimmer volkomen gelijk is aan dat van een ander; want het aangezigt van ieder is het beeld van zijn gemoed en in de geestelijke wereld het beeld van zijne heerschende liefde. De lusten van ieder in het bijzonder zijn ook van oneindige verscheidenheid; de lust van den eenen
89
mcnscli is nimmer in elk opzigt gelijk of' dezelfde van een ander ; dit is ook waar, zoowel ten opzigte van de lusten, die elkander opvolgen als van die, welke gelijktijdig bestaan. Er kan ook geene lust bestaan, die gelijk is aan eene andere. Deze lusten, die afzonderlijk in ieder mensch bestaan, hebben echter betrekking tot zijne hoofdliefde, die zijne heerschende liefde is; want zij stellen die te zamen en maken er daarom één geheel mede uit. Op dezelfde wijze hebben alle lusten te zamen betrekking tot eene algemeene heerschende liefde, die in den hemel de liefde tot God, en in de hel de eigenliefde is.
Wat en hoedanig de geestelijke lusten zijn, waarin de natuurlijke lusten van ieder mensch na den dood veranderd worden, kan alleen gekend worden uit de wetenschap dér overeenkomstigheden. Deze wetenschap leert in het algemeen, dat er niets natuurlijks kan bestaan, dat niet iets overeenkomstigs heeft in het geestelijke. Zij leert ook in het bijzonder wat en hoedanig deze overeenkomstigheden zijn. Iemand, die in deze wetenschap ervaren is, kan ook weten en bekendheid verkrijgen met zijnen staat na den dood, want hij is bekend met zijne eigene liefde en hij weet welke plaats zij inneemt in het gebied der heerschende liefde, waarmede alle liefde in betrekking staat, gelijk juist wordt behandeld. Het is echter onmogelijk voor hen, die gedreven worden door eigenliefde, om hunne heerschende liefde te kennen;
90
.want zij hebben lief wat liet hunne is, noemen hun kwaad goed en doen tenzelfden tijde de logen, die hun kwaad begunstigt, en waardoor zij zich in het kwaad bevestigen, als waarheid voorkomen. Indien zij willen, zoo kunnen zij evenwel er in onderwezen worden, door anderen, die wijs zijn; want zulken zien zaken, die door hen niet gezien worden. Zij echter, die geheel door eigenliefde zijn ingenomen, weigeren onderwezen te worden en verwerpen alle vermaning die de wijze hun aanbiedt. Maar zij, die bevestigd zijn in hemelsche liefde, nemen onderwijs aan, en wanneer zij tot het kwaad worden geleid, waarin zij geboren zijn, zien zij dit door de waarheid, waarin zij onderwezen zijn; want deze maakt het kwaad als zoodanig openbaar. Iedereen kan door zulke waarheid, die uit het goede ontspringt, het kwaad en deszelfs logen zien; maar niemand kan door het kwade het goede en de waarheid zien. De oorzaak is, omdat de logen, die in het kwaad is gegrond, duisternis is, en werkelijk met de duisternis in gemeenschap staat; daarom zijn zij, die onder de logen, die in het kwaad is gegrond, begraven zijn, gelijk aan blinden, die geene voorwerpen kunnen zien welke in het licht zijn geplaatst; zij vlieden werkelijk van deze voorwerpen gelijk de uilen. Van de andere zijde zijn de waarheden van het goede licht, en zijn in werkelijke gemeenschap met het licht, daarom zijn zij, die in de waarheid, ontspringende uit het goede, gegrond zijn, men-
01
schen die zien en die geopende oogen hebben. Zij onderscheiden de zaken, die tot het licht en tot de schaduw behooren. In opzigt tot deze waarheden is het mij vergund verzekering te verkrijgen door duidelijke ervaring. De Engelen in den hemel zien en ontdekken het booze en de logen, die somtijds in hen opkomen, zoo wel als het booze en de logen, waaronder die geesten zijn bedolven, die, terwijl zij nog in de geestenwereld zijn, verbonden zijn door on-zigtbare banden met de hellen, hoewel die geesten niet in staat zijn, om hun eigen kwaad en logen te zien. Ook kunnen deze laatsten niet bevatten wat het goede der hemelsche liefde, wat het geweten, noch wat opregtheid en regt-vaardigheid, die niet uit eigen belang voortvloeit, is, of wat het is, geleid te worden door den Heer. Zij verzekeren, dat zulke zaken niet bestaan en zij dus niet waardig zijn er de opmerkzaamheid aan te schenken. Deze verzekeringen zijn medegedeeld, om den mensch tot onderzoek te leiden en uit zijne lusten te leeren wat zijne liefde is, en in zooverre hij bekend is met de wetenschap der overeenkomstigheden, hem te doen zien, welke de staat zijns levens zal zijn na den dood.
Op welke wijze de lusten des levens van ieder mensch, na den dood in iets overeenkomstigs worden veranderd kan werkelijk deze wetenschap leeren; maar daar deze wetenschap nog niet openlijk bekend is gemaakt, zoo zal ik door eenige weinige vooarbeelden der er va-
92
ring eenig licht over dit onderwerp verspreiden. Allen, die onder liet kwaad bedolven zijn en die zich in de logen tegen de waarheden der kerk hebben bevestigd, â bijzonder zij, die het Woord hebben verworpen â schuwen het licht des hemels en verschuilen zich in plaatsen onder den grond, die aan hunne openingen bezien zeer donker schijnen, en in de holen der rotsen, waar zij zich verborgen houden. De oorzaak is, dat zij de logen hebben liefgehad en de waarheid hebben gehaat; want zulke plaatsen onder den grond en zulke holen der rotsen komen met de logen overeen; duisternis insgelijks, terwijl het licht overeenkomt met de waarheid. Het past hun om zulke plaatsen te bewonen en niet in de open velden. Hetzelfde wordt gedaan door hen, die lust hadden in het leggen van valstrikken en om in het heimelijke bedriegelijk te handelen. Ook dezen wonen in deze onderaardsehe plaatsen en in vertrekken, die zoo duister zijn, dat zij niets meer kunnen zien dan elkander, en in welker hoeken zij elkander in de ooren fluisteren. Dit is hét waarin de lust hunner liefde wordt veranderd. Zij, die de wetenschappen hebben bestudeerd met geene andere bedoeling, dan om als geleerden geacht te worden, en die hunne rede daardoor niet hebben beschaafd, maar wier lust het was in de opvulling van hun gohengen, xxit eigenwaan, die hen om dez3 begaafdheden vervulde, deze kozen liever zandige plaatsen dan velden en tuinen. De oorzaak
93
is, dut zandige plaatsen met hunne studieën overeenkomen. Zij, die zich bekend hadden gemaakt, met de leerstellingen van hunne eigene en die van andere kerken, zonder overeenkomstig te hebben geleefd, kozen voor hunne woonplaats rotsachtige plaatsen en wonen op steenhopen; zij schuwen de bebouwde streken, wijl zij er eenen afkeer van hebben. Zij, die alles aan de natuur hebben toegeschreven, en zij, die alles aan hunne bekwaamheid toeschreven, en die zich door verschillende kunstgrepen tot eer en aanzien hebben verheven, wijden zich in het andere leven aan too verachtige kunstjes, die misbruiken zijn van het Goddelijk Bestuur. Daarin vinden zij de grootste blijdschap huns levens. Zij, die de Goddelijke waarheden dienstbaar hebben gemaakt aan hunne eigenliefde, en deze dus hebben vervalscht, beminnen vuile (urine) zelfstandigheden en plaatsen, omdat deze overeenkomen met de lusten hunner liefde. Zij, die ellendige vrekken zijn geweest, wonen in kelders en beminnen het vuile der zwijnen en zulke uitwalmingen van oprispingen als voortkomen van onverteerde vleeschspijzen in de maag. Zij, die hun leven in enkel vermaak hebben doorgebragt, lekkerlijk hebben geleefd en hun gehemelte en smaak hebben gevolgd en als het hoogste goed huns levens hebben liefgehad, zulken beminnen in het andere leven mesthoo-pen en gemakken, die dan hunne lust zijn; want zulke vermaken zijn geestelijk vuil. Zulke plaatsen, die helder en schoon zijn schuwen zij,
94
omdat zij Imn onaangenaam zijn. Zij, die zich hebben overgegeven aan overspel, wonen in bordeelen met al de voorwerpen der gemeene en vuile ellendigheid. Zij beminnen deze plaatsen en schuwen eerlijke huizen en als zij er nabij komen zwijmen zij weg. Niets is hun meer aangenaam dan echtbreuk te veroorzaken. Zij, die wraakgierig waren en daardoor wild en wreed waren geworden, beminnen doode voorwerpen of de plaatsen waar zij zijn; zij wonen ook in zoodanige hellen. En zoo voorts.
Maar de lusten des levens van hen, die in de wereld in de hemelsche liefde hebben geleefd, worden op zoodanige voorwerpen gerigt, als in de hemelen worden gezien, die hun bestaan aan de zon des hemels ontleenen en van het licht, dat van daar uitgaat. Dit licht vertoont aan den blik zoodanige voorwerpen, die innerlijk Goddelijke zaken in zich sluiten. De voorwepsn, die aldus duidelijk worden, doen het innerlijke, dat tot het gemoed der Engelen behoort, en het uiterlijke, dat tot hun ligchaam behoort, gelijkelijk aan. Wanneer het Goddelijk licht, dat is de Goddelijke waarheid, dio uitgaat van den Heer, doorbreekt in hun gemoed, dat door de hemelsche liefde is geopend, zoo zien zij ook uiterlijk zulke voorwerpen, als overeenkomen met de lusten huns levens. Daar wij er op ingegaan zijn, om deze zaken te bevestigen door duidelijke voorbeelden, tot toelichting der waarheden, die uit de oorzaken der dingen zijn afgeleid en boven zijn aangevoerd;
zoo zal ik ook eenige feiten vermelden ten op-z.igte der hemelsche lusten, waarin de natuurlijke lusten van lien, die in de wereld in hemelsche liefde leefden, veranderd worden. Zij, die de Goddelijke waarheden en het Woord uit innerlijke beweging hebben liefgehad, of uit liefde tot de waarheid zelve, wonen in de andere wereld in het licht, op verheven plaatsen, gelijk bergen, waar het licht des hemels hen onafgebroken omschijnt. Zij weten niet, wat duisternis is, zooals in de nachten der wereld en leven in eene temperatuur als van de lente. Zien zij rondom zich, zoo zien zij velden en koorn-oogst te zamen met wijngaarden. In hunne huizen schijnen alle voorwerpen alsof zij omzet waren met kostbare steenen. Zien zij door de ramen, dan is het alsof zij door zuiver kristal zagen. Deze zijn de genoegelijke voorwerpen voor hun gezigt; maar dezelfde voorwerpen zijn de lust van het innerlijke, door hunne overeenkomst met hemelsche voorwerpen, want de waarheden, die afgeleid zijn van het Woord, dat zij hebben liefgehad, komen overeen met koornoogst, wijngaarden, kostbare steenen, vensters en kristal. Zij, die onmiddelijk de leerstellige waarheden der kerk, die aan het Woord zijn ontleend, toegepast hebben op hun leven, wonen in den meest innerlijken hemel, waar zij, boven anderen, zich verheugen in de vreugde der wijsheid. Deze zien in al wat hen omringt Goddelijke zaken; wtc1 zien zij werkelijk de voorwerpen, maar de Goddelijke zaken, die daarme-
96
de in betrekking staan, dringen onmiddelijk door in hun gemoed en vervult hen met eene zaligheid, 'die alle hunne gewaarwordingen overtreft. Hierom glimlagchen, verheugen en leven als het ware alle voorwerpen voor hunne oogen. Zij, die de wetenschappen hebben liefgehad en die daardoor hunne rede hebWen beschaafd, doordien zij kennis hebben verzameld voor zich zelf en tenzelfden tijde het Goddelijk wezen hebben erkend, vindon het vermaak, dat zij in de wetenschappen vonden en in de verlichting hunner rede, in het andere leven terug in eene geestelijke verlichting, door de kennis van goed en waarheid. Zij wonen in tuinen, door bloembedden en perken in schoone afdeelingen verdeeld en door rijen boomen omgeven, die schoone gaan-derijën en wandelingen vormen. De boomen en bloemen wisselen iederen dag af. De blik over het geheel vervult in het algemeen hun gemoed met blijdschap, terwijl de afwisseling van het bijzondere onophoudelijk vernieuwd wordt. Wijl nu de voorwerpen in betrekking staan tot Goddelijke zaken, en zij die ze zien bevestigd zijn in de wetenschap der overeen-komstigheden, zoo worden zij onophoudelijk met nieuwe kundigheden verrijkt, waardoor hunne geestelijk-zedelijke aanleg volkomen wordt. Zij genieten deze genoegens, omdat tuinen, bloemen, perken en boomen in verband staan met wetenschappen en kundigheden, en deze weder tot de kennis, die daaruit ontspruit. Zij, die alles aan het Goddelijk Wezen hebben toegeschreven
97
en fit; natuur als in zich. zelve dood hebban beschouwd en alleen als dienstbaar aan gees-telijke doeleinden, en die zich in dit geloof hebben bevestigd, wonen in heuielsch licht. Alle voorwerpen, die zij zien, komen af' van dit licht, welks zuiverheid doorschijnend is. In deze doorschijnendheid zien zij ontelbare scha-keringsn van licht, dat hun innerlijk gezigt als onmiddelijk indrinkt, en van waar zij hunne innerlijke blijdschap ontleenen. Do voorwerpen in hunne huizen zijn als van diamant, waarin gelijke schakeringen licht gezien worden. Er werd mij verhaald, dat de muren hunner huizen als van kristal zijn, en dus even doorschijnend, en dat daarin veranderlijke vormen voorkomen, die hemelsche ^aken vertegenwoordigen, die insgelijks verzeld gaan met gelijke wisseling. De rede hiervan is, omdat zulk eene doorschijnendheid overeenkomt met eene kennis, die verlicht is door den Heer; de schaduwen, die een natuurlijk geloof en natuurlijke liefde van zich afgeven, worden verwijderd. Zoodanig zijn de dingen met oneindig vele anderen, waarvan zij, die ze in den hemel hadden gezien, zeiden, dat zij dingen zagen, die geen oog ooit heeft gezien en, door eene vatbaarheid voor hemelsche dingen, die hun was medegedeeld en uitging van den hemel, ook zeiden, dat zij zaken hadden gehoood, die het oor nooit heeft gehoord.
die op geene bedriegelijke wijze hadden gehandeld en gewild hadden, dat alle hunne ge-dachten open zouden zijn, zoover de toestand
7
van het burgerlijk leven dit toeliet, verschenen in den hemel met aangezigten, die blonken van licht, omdat zij niets anders hadden gedacht, dan wat opregt en regt was uit eene Goddelijke bron. Overeenkomstig met dat licht stonden alle hunne aandoeningen en gedachten op hunne aangezigten te lezen als in hunnen zuiveren vorm, en taal en handelingen waren evenzeer de uitdrukkingen hunner gevoelens. Dezen zijn gevolgelijk meer geliefd dan anderen. Als zij spreken is hun aangezigt eenigzins duister; maar zoo zij geëindigd hebben, verschijnt alles wat zij bespraken in hun aangezigt, ten A'olle duidelijk voor het oog. Alle voorwerpen, die hen omgeven hebben insgelijks, omdat zij in overeenkomst zijn met hun innerlijk, een zoodanig voorkomen, opdat anderen duidelijk zouden kunnen zien, wat zij vertegenwoordigen en beteekenen. Zoodanige geesten, wier lust het was om bedriegelijk te handelen, ontvloden, wanneer zij deze opregten op een atstand zagen, hunne tegenwoordigheid en schenen van hen weg te sluipen gelijk de slangen. Zij, die overspel als eene afschuwelijke ondeugd hebben beschouwd, en in eerlijke huwelijksliefde hebben geleefd, zijn meer dan anderen in de orde en vorm des hemels, bezitten van daar eene toenemende schoonheid en blijven eeuwiglijk in den blooi hunnes levens. De vreugde hunner liefde is onuitputtelijk en neemt eeuwiglijk toe. Want alle blijdschap en vreugde des lie-mels vloeit in die liefde, omdat zij afkomstig
T
A
99
is van clc vereeniging van den Heer met den hemel en met do kerk, en in het algemeen, van het goede en de waarheid. Deze vereeniging is de hemel zelf', zoowel in haar geheel als van iederen Engel in het bijzonder. De uiterlijke verheuging van zulken zijn zoodanig, dat zij door geene woorden der men-scheiijke taal kunnen beschreven worden. â De feiten, die verhaald zijn betrekkelijk het overeenkomstige der lusten bij hen, die in hemel-sche liefde zijn gegrond, zijn betrekkelijk slechts weinig.
Uit deze aanhalingen moge blijken dat, na den dood, de lusten van allen veranderd worden in iets overeenkomstigs. De liefde zelf blijft evenwel eeuwiglijk, zooals huwelijksliefde, liefde tot regtvaardigheid, opregtheid, goedheid en waarheid, de liefde tot de wetenschappen en kundigheden, de liefde tot kennis en wijsheid, enz. De lusten zijn de uitvloeiselen der liefde, gelijk de stroomen uit eene fontein. Ook deze blijven, maar zij worden verheven tot eene hoogere graad, wanneer zij van het natuurlijke tot het geestelijke overgaan.
De eerste staat des mbnschen
na den dood.
Er zijn drie toestanden, die de mensch, na den dood doorloopt, vóór hij overgaat naar den hemel of naar de hel. De eerste staat is die.
T
A
lOU
waarin hij nog in zijn uiterlijk is; de twccdo staat is die, waarin hij in zijn innerlijk is, en de derde staat is die zijner voorbereiding. Deze toestanden worden door hem in de geestenwereld doorloopen. Sommigen echter doorloopen deze toestanden niet, maar worden, onmiddelijk na den dood, óf opgenomen in den hemel, of nedergeworpen in de hel. Zij, die onmiddelijk opgenomen worden in den hemel, zijn zooda-nigen, die wedergeboren zijn, en zoo in de wereld voor den hemel zijn toebereid. Zij, die zoo zijn wedergeboren en toebereid zijn, hebben niets te doen, dan enkel onreinheid met het ligchaam aftewerpen en worden regtuit door de Engelen in den hemel gedragen. Ik heb sommigen op deze wijze, dadelijk na hun doodsuur, zien overbrengen. Maar zij, die innerlijk slecht waren, hoewel in hun uiterlijk voorkomen goed, dus zij, die hunne boosaardigheid voltooid hebben met bedrog en het goede als middel hebben gebezigd om te bedriegen, worden onmiddelijk in de hel geworpen. Sommigen van dezen heb ik onmiddelijk na den dood in de hel zien werpen; een, die buitengewoon bedriegelijk was, met het hoofd naar beneden en de voeten omhoog, anderen op andere wijzen. Er zijn sommigen, die onmiddelijk na den dood, verbannen worden naar spelonken en dus afgescheiden zijn van zulken, die in do geestenwereld vertoeven. Later worden zij weder daaruit genomen en anderen er heen gezonden. Het zijn zoodanigen, die onder den dekmautel van beschaving, slecht
101
hebben gehandeld met hunnen naasten. Maar zul-ken en de voorgaanden zijn slechts weinigen in vergelijking van hen, die naar de geestenwereld gaan, en daar, volgens Goddelijk bevel, voor den hemel of voor de bel worden toebereid.
Ten aanzien van den eersten staat, waarin de msnscb nog in zijn uiterlijk is, daarin komt hij onmiddelijk na den dood. Ieder mensch bezit, ten opzigte van zijnen geest, innerlijk en uiterlijk, liet uiterlijke van zijnen geest is dat, waardoor hij zijn ligchaam aanneemt in de wereld, bijzonder zijn aangezigt, zijne spraak en zijn gedrag voor het leven in gemeenschap met anderen. Het innerlijke van zijnen geest is dat, wat uitsluitend behoort tot zijnen wil en tot zijne gedachte, die uit dien ⢠wil voortvloeijen; zelden worden dezen uitgelaten in zijn gezigt, zijne spraak en zijn gedrag. Want de mensch is van kinds af gewoon, om een voorkomen aan te nemen van vriendschap, welwillendheid en opregtheid, en de gedachte van zijnen eigelijken wil te verbergen. Hierdoor ontvangt hij de gewoonte van het zedelijk en burgelijk leven in zijn uiterlijk, hoe ook de aard van zijn innerlijk zij. Ten gevolge van deze gewoonte is de mensch naauwelijks met zijn eigen innerlijk bekend en denkt er niet over.
Do eerste staat des menschen na den dood is gelijk aan dien van de wereld, dewijl hij dan nog in zijn uiterlijk is. Zijn aangezigt is gelijk, zijne spraak is gelijk en zijne gesteld-
102
lieid is gelijk, derhalve ook zijn zedelijk en burgerlijk leven. Hij 'weet daarom ook niet beter, dan dat hij nog in de wereld is; want hij merkt hetgeen om hem voorvalt niet op, noch hetgeen de Engelen hem hebben medegedeeld, dat hij nu opgewekt en een geest is. Aldus gaat het eene leven in het andere over en de dood is alleen de werkelijke overgang.
Dewijl de geest des menschen, die pas het andere leven is ingetreden, na den afloop van zijn leven in de wereld zoodanig is, zoo volgt hieruit, dat hij dan herkend wordt door zijne vrienden en door allen, die hij kende, toen zij met hem in de wereld waren. De andere geesten herkennen hem, niet alleen aan zijn gelaat en spraak, maar ook wanneer zij hem nabij komen door de spheer zijns levens. Wanneer in het andere leven de een over den ander denkt, stelt hij ook in gedachte, diens aange-zigt zich voor met vele omstandigheden zijns levens; en wanneer hij dit doet verschijnt de persoon, waarover hij denkt, voor hem, als of hij gezonden of geroepen ware. Dit verschijnsel heeft in de geestenwereld plaats, omdat daar eene gemeenschap van gedachten bestaat, en er geene tusschenruimte is, zooals in de natuurlijke wereld. Hierdoor is het, dat allen, bij hunne eerste intreding in het andere leven, door hunne vrienden en betrekkingen herkend worden en door allen, aan wien zij op de eene of andere wijze bekend waren, en dat zij met elkander in gesprek geraken en vervolgens
103
te zamen worden verbonden tot eene vereeni-(Tinn;, overeenkomstig de mate hunner vriend^ saliap of bekendheid in de wereld. Dikwijls heb ik de vreugde vernomen van hen, die van de wereld kwamen en hunne vrienden weder zagen, terwijl dezen zich insgelijks verheugden, dat hunne vrienden tot hen gekomen waren. Als echttvenooten elkander ontmoeten, verwelkomen zij gewoonlijk elkaar. Zij blijven dan ook langer of korter tijd te zamen, naarmate van het genoegelijke hunner vroegere zamenwoning. Is de band, die hen vereenigde, geene ware huwelijksliefde geweest, die in de vereeniging des gomoeds bestaat, onder den invloed der hemel-sche liefde, zoo worden zij, na eenigen tijd za-mengewees1; te zijn, weder gescheiden. Indien echter beider gemoed wederkeerig oneens is geweest en er een innerlijke afkeer van elkander heeft bestaan, breekt deze soms in openlijke vijandschap uit en soms in een werkelijk gevecht. Zij worden evenwel niet gescheiden, vóór zij ingaan in den tweeden staat, waarover in de volgende afdeeling zal worden gehandeld.
Dewijl het leven van den pasgescheiden geest niet ongelijk is aan zijn leven in de natuurlijke wereld en hij geene kundigheden heeft me-degebragt aangaande den staat des levens na den dood, noch betreffende den hemel, of de hel, dan alleen die, welke hij verkregen heeft uit de letter des Woords en uit de leerredenen over dien letterlijken zin; zoo is het gevolg dat hij, na zich tc hebben verwonderd omdat zich in een ligch^m bevindt on ijl het genot
104
Van alle zinnen, die hij had in de wereld, en omdat hij dezelfde voorwerpen gewaar wordt, den wensch in zich voelt opkomen, om te weten wat de natuur des hemels en wat de natuur der hel is, en waar zij gelegen zijn. Daarom onderwijzen zijne vrienden hem in den staat van het eeuwig leven, en wordt zoo naar verschillende plaatsen en in verschillend gezelschap geleid. Sommigen worden medegenomen in steden en in tuinen en paradijzen, gewoonlijk met schoone tooneelen. Zulke zaken zijn hun aangenaam, omdat zij nog in hun uiterlijk zijn. Langs dezen weg worden zij tot herinnering der gedachten geleid, die zij in het leven des ligchaams hadden, aangaande den staat der ziel, na den dood, aangaande den hemel en de hel, totdat zij verontwaardigd worden, om dat zij in zulk eene geheele onwetendheid omtrent deze zaken zijn geweest en omdat er zulk eene onwetendheid daaromtrent in de kerk bestaat. Bijna allen zijn begeerig, om te weten, of zij naar den hemel zullen gaan; de meesten gelooven dit nog al, omdat zij in de wereld een zedelijk en burgerlijk leven hebben geleid. Zij denken er niet om, dat zoowel de slechten als de goeden een soortgelijk uiterlijk leven hebben geleid; allen hebben anderen weieens goed behandeld, zijn ter kerk gegaan, hebben naar de preek geluisterd en hebben gebeden, maar zij hebben er niet om gedacht, dat uiterlijke handelingen en uiterlijke aanbidding niets beteekent, maar nlleen innerlijke beginselen, waaruit de uiterlijke daden
105
moeten voortvloeijen. Onder duizenden is ei* naamvelijks één, die weet wat innerlijke daden zijn en dat de mensch in dezen den hemel en de kerk bezit; laat staan, dat uiterlijke handelingen, zooals voornemens en gedachten door de liefde en het geloof zijn ingesloten, waaruit zij voortkomen. Worden zij hierin onderwezen, dan kunnen zij niet Toegrijpen, hoe denken en willen denzelfden oorsprong hebben, maar zij beschouwen het als tweeërlei, als spreken en doen. Zoodanig zijn de meesten, die in dezen tijd, uit de Christelijke wereld het andere leven ingaan.
Zij worden evenwel, door de goede geesten, naar hunnen aard onderzocht. Dit geschiedt op verschillende wijzen; want op het eerste oogen-blik spreekt de slechte waarheden en doet goede daden, zoowel als de goeden. Zij doen dit uit boven verklaarde oorzaak, n. 1. dat zij ook een redelijk leven hebben geleid in uiterlijken vorm; want zij hebben geleefd onder een geregeld bestuur en zijn onderworpen geweest aan de wetten, die daar bestonden, en dat zij door zoodanig leven den naam van regtvaardig en regt hadden zoeken te verkrijgen, dat zij mede hebben beraadslaagd tot welzijn van anderen en langs dezen weg tot eer en aanzien waren verheven. De booze geesten worden echter van de goeden bijzonder hierdoor onderscheiden, dat zij gaarne klisteren naar hetgeen gezegd wordt over uiterlijke onderwerpen en weinig ooren hebben voor het innerlijke, die de waarheden hot goede van den hemel en de kerk zijn. Wel hooren
106
zij wat over deze onderwerpen hun wordt toegesproken, maar niet met die oplettendheid en blijdschap. Ook hierdoor worden zij onderscheiden, dat zij dikwijls dezelfde plaatsen bezoeken, en wanneer zij aan zichzelf worden overgelaten bewandelen zij de wegen, die in die rigttag loopen. Door het dikwijls terugkeeren naar zekere plaatsen en het bewandelen van zekere wegen wordt de aard hunner liefde gekend, die hen leidt.
Alle geesten, die van de wereld aankomen, zijn werkelijk, door onzigtbare banden aan eene bepaalde vereeniging in den hemel, of aan eene bepaalde vereeniging in de hel verbonden. Deze verbindtenis betreft echter alleen hun innerlijk. Niemands innerlijk is geopend, zoolang hij in zijn uiterlijk is. Dit uiterlijk belet hen, om hun innerlijk kwaad te kennen. Wanneer zij echter later in den tweeden staat komen wordt hun innerlijk openbaar; want hun innerlijk ligt dan open en hun uiterlijk slaapt.
Deze eerste staat des menschen na den dood duurt bij sommigen eenige dagen, bij anderen eenigc maanden en bij anderen een jaar, maar zelden duurt het bij iemand meer dan een jaar. De duur hangt in elk geval af van het al of niet overeenkomende van het innerlijk met het uiterlijk. Want bij iedereen moet het uiterlijke en hot innerlijke gelijkelijk handelen en met elkander zamenloopen. Het is niet geoorloofd, dat iemand in de geestenwereld denkt eu wil en iets anders spreekt en doet. leder-
107
een moet daar liet uitgedrukte beeld van zijne eigene aandoening of van zijne eigene liefde zijn; wat hij derhalve innerlijk is, moet hij ook uiterlijk zijn. Daarom moet het uiterlijke van een geest eerst worden afgelegd en tot iets terugge-bragt worden in overeenkomst met zijn innerlijk.
De tweede staat des menschen
na den dood.
De tweede staat des menschen na den dood wordt de staat van zijn innerlijk genoemd, omdat hij dan in het innerlijke is geleid, dat tot zijn gemoed, of tot zijnen wil en zijne gedachte behoort. Zijn uiterlijk, waarin hij in den eersten staat was, slaapt. Wanneer men achtslaat op 's menschen leven en op zijne gesprekken en handelingen, zoo zal men bemerker?, dat iedereen uiterlijk en innerlijk, of uiterlijke en innerlijke gedachten en voornemens bezit. Dit moge hieruit duidelijk worden: Ieder, die in eene beschaafde maatschappij leeft, denkt over anderen naar hetgeen hij heeft gehoord en ervaren, 't zij door weder anderen, 't zij door zich zelf. Hij spreekt echter niet met hen naar hetgeen hij over hen denkt, maar behandelt hen beleefd, hoewel zij slecht van karakter zijn. Dit loopt bijzonder in het oog bij verwaanden en vleijers, die geheel anders handelen dan zij denken en willen; vooral bij huichelaars, dio omtrent God, omtrent den hemel, de zaligheid der zielen.
108
ovei' de waarheden der kerk, over het goede van bunne woonplaats en over hunnen naasten spreken, alsof zij spraken onder den invloed van geloof en liefde, maar met hun hart niets geloo-ven van hetgeen zij zeggen en niemand dan zich zeiven liefhebben. Hieruit is het duidelijk dat er tweeërlei gedachten bestaan, innerlijke en uiterlijke; dat de menschen spreken naar hunne uiterlijke gedachten, terwijl zij innerlijk andere gevoelens koesteren; dat deze tweeërlei gedachten wel van elkander zijn onderscheiden, en dat er bijzonder zorg wordt gedragen, dat het innerlijk niet op de eene of andere wijze uit het uiterlijk zou blijven. De menschis zoo geschapen, dat zijne innerlijke gedachte gelijk en in overeenkomst met zijn uiterlijk zou handelen. Die in het goede zijn gegrond doen uit ook werkelijk; want zij bedenken niets dan goed en spreken daarmede overeenkomstig. Maar bij hen, die aan het kwade zijn onderworpen, maken de innerlijke en uiterlijke gedachten geene éénheid uit; want zij bedenken het kwade en bespreken het goede. Er is bij hen eene omgekeerde wereld, want het goede is buiten en het kwade is in hen; daarom heerscht het kwade over het goede en onderwerpt dit aan zich gelijk een slaaf, opdat het aan het kwade dienstbaar zoude zijn als een middel tot bereiking van zijn doel, dat het doel is van des boozen liefde. Wijl zulk een eind bereikt is in den goeden, dat hij doet wat hij zegt, zoo is het duidelijk dat in den boozen het goede niet goed is, maar
i(H)
bevlekt is met kwaad; hoe ook zij, die niet bekend zijn met zijn innerlijk, naar het uiterlijke hem als goed beschouwen. Met hen, die in het goede zijn bevestigd is het zoo niet. Bij hen is geeno omkeering; maar uit hunne innerlijke gedachte vloeit het goede in hunne uiterlijke en dus ook in hun spreken en handelen. Dit is de staat der regtheid, waarin de mensch is geschapen. Is de mensch in deze regtheid, zoo is zijn innerlijk in den hemel en in het licht, dat van daar uitstraalt. Wijl nu het licht van den hemel de Goddelijke waarheid is, die voortkomt van den Heer, zoo is diensvolgens het licht de Heer in den hemel. Zij, die in het licht wonen, worden daarom geleid door den Heer. Deze waarheden zijn vermeld, opdat het bekend moge zijn, dat ieder mensch innerlijke en uiterlijke gedachten heeft, en dat dezen van elkander zijn onderscheiden. Als de gedachte is genoemd, is ook de wil bedoeld, wijl de gedachte voorkomt uit den wil; want zonder wil is het onmogelijk te denken. Uit deze opmerkingen is duidelijk, wat de uiterlijke en wat de innerlijke staat des menschen is.
Als er gesproken wordt over den wil en over de gedachte, zoo is onder wil de liefde verstaan, met alle blijdschap en vergenoeging, die er mede verbonden zijn; want de aandoening der liefde heeft betrekkinc; tot den wil als uiteanss-
. ö o
punt, omdat de mensch liefheeft, wat hij wil en omgekeerd, dat hij wil wat hij liefheeft. Onder gedachte is bedoeld -elke vorm, waarin hij
110
zijne aandoening of liefde kleedt; want de gedachte is niets anders dan een vorm van den wil, en is berekend om den wil openbaar te maken. Deze vorm wordt zamengesteld uit verschillende rededeelen, die hunnen oorsprong ont-leenen aan de geestelijke wereld en eigenlijk tot 's menschen geest behooren.
Men moet wel in acht nemen, dat de mcnsch eigenlijk zoodanig is, als hij is naar zijn innerlijk en niet naar het uiterlijk, zoo dit van zijn innerlijk onderscheiden is; want het innerlijk behoort tot zijnen geest, en door dien geest leeft het Hgchaam. Daarom wat de mensch innerlijk is, dat blijft hij eeuwig. Het uiterlijke dat tot het ligchaam behoort, wordt van hem na den dood, gescheiden en slaapt, en diende alleen tot vorming van het innerlijk, gelijk boven bij de behandeling van het geheugen is gezegd. Hieruit blijkt wat al of niet werkelijk tot den mensch behoort. De uiter-lijke gedachte in zijn spreken, en de uiterlijke wil in zijn handelen zijn niet het eigendom van den boozen, maar wel wat hij innerlijk denkt en wil.
Na de vervulling van zijnen eersten staat wordt de mensch, die nu een geest is, in den staat van zijn innerlijk geleid, of in den staat van zijne innerlijke gedachte en wil, die hij reeds in de wereld bezat als hij vrij aan zich zelf was overgelaten. Onbewust gaat hij in dezen staat over, zooals hij b. v. in de wereld onder het bespreken van eeiie gedachte iiiuer-
Ill
lijk eene andere ontvangt. Ais de mensch, nu een geest, in dezen staat is, is hij als te huis in zich zeiven en in zijn waar leven; want vrij te denken, uit aandoeningen, die uitsluitend zijn eigendom zijn, is het ware leven des menschen en de mensch zelf.
Een geest, die in dezen staat is, denkt uit zijnen werkelijken wil, derhalve uit zijne werkelijke aandoening of uit zijne werkelijke liefde. Alsdan maken zijne gedachte en zijne wil eene éénheid uit, en wel zoo zuiver, dat hij bijna niet schijnt te denken, maar alleen te willen. Het is bijna hetzelfde mot het spreken, alleen met dit verschil, dat hij spreekt met eene zekere angstvalligheid, cat de gedachte van zijnen wil hem zullen ontsnappen; want zijne wil heeft eene zekere behoedzaamheid aangenomen, gelijk in eenen beschaafden kring in de wereld.
Alle menschen worden, na den dood, in dezen staat geleid, omdat het de zuivere staat van hunnen geest is. De eerste staat is die van 's menschen geest, verbonden met anderen. Deze staat is dus niet werkelijk zijn eigendom. De geesten denken niet alleen, maar spreken ook zoo, uit eigene beweging; de mensch, die in zich zeiven denkt, doet dit ook, omdat hij dan niet over zijn spreken denkt, maar over de onderwerpen zelf; hij ziet dan in ééne minuut meer, dan hij in een half uur kan bespreken. Dat de eerste, uiterlijke staat 's menschen eigendom niet is, noch liet eigendom van zijnen geest, is ook hieruit duidelijk, dat hij, gedurende zijn
11:2
leven in de wereld, in do samenleving is opgenomen; hij spreekt dan volgens de wetten van liet zedelijk en burgerlijk leven, en zijn innerlijk heerscht dan over het uiterlijk, gelijk do oene mensch over den anderen, en verhindart dit om de grenzen der achtbaarheid en eerbaarheid te overschrijden. Verder hieruit, dat de mensch in zich zeiven overlegt, hoe hij moet spreken en handelen, om te behagen, vriendschap te winnen, goedwilligheid en gunst te verwerven. Hij doet dit op eene wijze, dio aan zijne natuur vreemd is; hij spreekt dus anders, dan hij doen zou indien hij uit vrijen wil sprake. Het is hieruit duidelijk, dat de staat van zijn innerlijk, waarin de geest geleid is, de staat is van zijne werkelijkheid, ook toen hij nog in de wereld was.
Als de mensch in den staat van zijn innerlijk is, is het duidelijk van welken aard de mensch innerlijk was, in de wereld, want hij handelt dan naar zijne werkelijkheid, 't zij goed of kwaad. Hij, die tijdens zijn leven op aarde, innerlijk in het goede was gegrond, handelt alsdan redelijker en wijsselijker, dan hij deed, omdat hij losgemaakt is van het ligchaam en van aardsche dingsn, die zijne wijsheid verduisterden en als eene wolk overtrokken, iIij echter, die vroeger in het kwade geworteld was, handelt alsdan meer dwaas en krankzinnig, dan hij deed in de wereld, omdat hij nu geheel vrij is, zonder eenigen band; want toen hij daar nas scheen hij voor het uiterlijke wol en ver-
113
kroeg door de wereld liet hem vreemde voorkomen van een redelijk mensch, maar nu hij van het uiterlijke is ontdaan, is zijne kranke verbeelding vrij. De slechte, die uiterlijk het voorkomen van een' goeden heeft, kan vergeleken worden Lij eene gesloten vaas, die uiterlijk gepolijst is en glinstert, maar innerlijk opgevuld is met vuile stoffen, zooals de Heer zegt, Matth. 23 : 27. Gij zijt den witgepleis-terden graven gelijk, die van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen zijn ze vol doodsbeenderen en alle onreinigheid.
Allen, die in de wereld goed, dat is volgens hun geweten hebben gehandeld, zij n. 1. die bekend zijn met het Goddelijk Wezen en die de Goddelijke waarheden hebben liefgehad en daardoor hebben geleefd, schijnen zich zeiven toe, als ontwaakten zij uit deu slaap, of als traden zij uit de schaduw in het licht. Zij denken ook door het licht des hemels, en dus uit innerlijke wijsheid; zij handelen uit beginsel van het goede en dus uit innerlijke aandoening. De hemel vloeit insgelijks in hunne gedachten en aandoeningen, niet een innerlijk gevoel van zaligheid en blijdschap, als waarvan zij vroeger geen denkbeeld hadden; want zij hebben nu gemeenschap met de Engelen des hemels. O uk nu kennen zij den Heer en aanbidden hem uit hun waar leven; want zij zijn nu in hun eigen-lijlv leven, daar zij in den staat van hun innerlijk zijn. Zij kennen en aanbidden Hem in vrijheid, want de innerlijke aandoening is vrij-
S
114
heid. Van den staat der uiterlijke heiligheid zijn zij ook in dien der innerlijke heüiglieid, waarin de ware aanbidding werkelijk bestaat. Zoodanig is de staat van hen, die een Christelijk leven hebben geleid, overeenkomstig de bevelen des Woords. Het leven echter van hen, die boos en gewetenloos hebben geleefd, en daardoor Godloochenaars zijn geweest, is juist het tegenovergestelde. Want zulke boozen waren in hun innerlijk leven Godloochenaars, hoewel zij het tegendeel meenden, omdat de kennisse Gods en te leven in het booze onvereenigbaar zijn. Zulken zijn in den tweeden of innerlij-ken staat, door hunne gesprekken en handelingen als zotten; want onder den invloed hunner booze lusten, breken zij uit in gruwelijke uitspattingen, zooals lastering, spot, kwaadspreken, haat, wraak, en het ontwerpen van bedriege-lijke listen, die sommigen met zooveel geslepenheid en boosheid beramen, dat men zou gelooven, dat zoo iets niet in het innerlijke van een mensch bestaan kon. Zij zijn in dezen staat vrij, om naar hunne gedachte en wil te handelen, daar zij ontdaan zijn van hun uiterlijk, dat hen, in de wereld m toom hield. In één woord, zij zijn ontbloot van redelijkheid, omdat de rede, die zij in de wereld bezaten, haren zetel niet had in hun innerlijk, maar alleen in hun uiterlijk, daarom dachten zij zich boven alle anderen wijs. Als zij daarom in dezen tweeden staat zijn, wordt hun somtijds geoorloofd, om voor eenen korten tijd
115
in hun uiterlijk of eersten staat terug te kee-ren, met herinnering aan hunnen tweeden staat. Sommigen worden dan beschaamd over zich zelf en bekennen dat zij dwaas zijn geweest. Anderen zijn niet beschaamd, en sommigen zijn boos, omdat het hun niet geoorloofd is voortdurend in hunnen uiterlijken staat te blijven. Aan dezen werd dan getoond, hoedanig zij alsdan zouden zijn; zij zouden dan heimelijk, door gelijke gruwelijke daden, en onder den schijn van goedheid, opregtheid en regt-vaardigheid, de eenvoudigen van hart en geloof trachten te verleiden, en zoo zich zeiven totaal verwoesten; want de brand, die in hun binnenste woedde, zou ten laatste ook hun uiterlijk aangrijpen, en hun geheele leven verteeren.
In den tweeden staat zien de geesten open en geheel welke menschen zij innerlijk in de wereld waren. Zij maken dan openbaar, wat zij in het verborgen hadden gezegd en gedaan; omdat nu geen uiterlijk overleg hen weerhoudt, zeggen zij die dingen openlijk en handelen eveneens, zonder eenige vrees voor hunnen naam, zooals in de wereld. Ook worden zij dan in vele toestanden geleid van hunne vroegere boos-heden, opdat het aan Engelen en goede geesten moge blijken, welke wezens zij zijn. Op deze wijze worden de verborgen dingen openbaar, en het heimelijke ontdekt, gelijk de Heer heeft gesproken. En er is niets bedekt, dat niet zal ontdekt worden, en verborgen, dat niet zal geweten worden. Daarom al wat gij in de duis-
116
ternis gezegd hebt, zal in tliclit gehoord morden; en wat gij in 't oor gesproken hebt, in de binnenkamers, zal op de daken gepredikt worden (Luk. 12 : Z, 3). Maar ik zeg u, dat van elk ijdel woord 't welk de menschen zullen gesproken hebben, zij van t zelve zullen rekenschap geven in den dag des oordeels
(Matth. ia: ae).
Hoedanig in dezen staat de boozen zijn, kan met weinig woorden niet gezegd worden, omdat ieder dan aan zijne eigene lusten is overgegeven, en deze velen zijn. Ik zal daarom slechts eenige voorvallen opgeven, waardoor men over de anderen kan oordeelen. Ziij, die voornamelijk zichzelf hebben bedoeld en in alle handelingen alleen hunne eer voor oogen hadden, en nut hebben gesticht, niet om het nut zelf, maar om er naam door te maken, en hooger dan anderen door geacht te worden en om zich te kunnen verblijden in de verbreiding van hunnen roem; dezen zijn in den tweeden staat stomper dan anderen. Want naar mate iemand zichzelf liefheeft, is hij verwijderd van den hemel, en naar mate hij verwijderd is van den hemel is hij ook verwijderd van de wijsheid. /gt;ij echtei, die geheel door eigenliefde en listigheid^ zijn ingenomen, en die zich door kunstgrepen in de hoogte hebben gewerkt, verbinden zich met het allerslechtste gezelschap en leeren tooverkunst-jes, die het Goddelijke Bestuur verkeeren en waardoor zij allen, die hun geene eer bewijzen, onregt doen en kwellen. Zij leggen strikken,
117
koesteren haat, branden van wraak en wreedheid jegens allen, die hen niet onderworpen xijn. Zij stuiven in de beraadslagingen over alle deze misdaden, zoover als het booze rot hunne pogingen begunstigt. Ten laatste overleggen zij, hoe zij op zullen klimmen naar den hemel, dien zullen verwoesten of zich daal- als goden zullen laten aanbidden. Tot zulk eene hooote
O
stijgt hunne snoodheid. Zij, die Roomsch Katho-lyk zijn geweest, zijn meer uitgelaten dan anderen; want zij meenen, dat de hemel en de hel hun onderworpen zijn, en dat zij de zonden des volks naar welgevallen kunnen vergeven. Zij matigen zich alle Goddelijke eigenschappen aan en noemen zich Christenen. De waan, dat dit alles waarheid is, is zoo sterk, dat waar die ingang vindt, het gemoed des volks wordt verstoord en een pijnlijke duisternis veroorzaakt. Deze geesten zijn in beide staten tamelijk gelijk, maar in den tweeden is hunne redelijkheid weg. Zij, die de Schepping toeschreven aan de natuur, en, schoon niet met de lippen, maar in het. hart God en dus ook den hemel en de kerk loochenden, verbinden zich in dezen staat met huns gelijken, en noemen één, die in slechtheid alle anderen overtreft. God en bewijzen hem. Goddelijke eer. Ik zag een aantal dier geesten, in eene zamenkomst, eenen toovenaar aanbidden; zij twisteden over de natuur en gedroegen zich zoo waanzinnig, dat zij beesten geleken, in menschelijken vorm. Toch waren onder hen mannen van hoogen rung.
118
li. 1. in de wereld, en sommigen gingen voor geleerden en wijzen door. â Uit deze weinige voorbeelden moge blijken hoedanig zij moeten zijn, wier innerlijk gemoed w.as gesloten voor den invloed des hemels, door het missen der kennisse Gods en het leven des geloofs. Iedereen moge beoordeelen hoedanig hij zijn zoude, zoo hij geheel vrij ware in handelen, zonder vrees voor de wet, of voor zijn leven, vrij van alle uiterlijke banden, als vrees voor zijnen naam, of eer, of winst en het aangename, daaraan verbonden. De uitgelatenheid van zulke geesten is echter onder de leiding des Heeren, zoodat zij de grenzen van hun doel niet te buiten gaan; want ook zij dienen voor een doel. Goede geesten zien in hen, wat kwaad is, en hoe de mensch zijn zou, indien niet geleid werd door den Heer. Het doel waarom gelijksoortige booze geesten bijëen-vergaderd en afgescheiden worden van de goeden, is opdat de waarheid en het goede, dat debooze tot een schouwspel heeft gemaakt, en waarvoor zij de logen hebben aangenomen, van hen zou worden weggenomen, en zij aan zich zeiven zouden worden overgegeven in de logen van hun kwaad en zoo zouden voorbereid worden voor de hel. Want niemand gaat naar de hel, tenzij hij onder zijn eigen kwaad en onder de logen bedolven is, omdat het niet passende is dat men daar nog verdeeld is van gemoed of dat men over het eene denkt en spreekt en iets anders wil. Daar moet iedere geest de
119
logen, afgeleid van het kwaad, bedenken en bespreken, en beiden doen volgens zijn' wil, derhalve uit zijne eigenlijke liefde, met blijdschap en vermaak. Dit deed hij ook in de wereld, als hij dacht in zichzelf, dat is in zijnen geest, uit zijne innerlijke aandoening. Want de wil is de mensch zelf, niet zoo de gedachte, tenzij die voortkomt door den wil. De wil is 's menschen ware natuur of bestaan, zoodat overgave aan zijnen wil eene overgave is aan zijne eigene natuur en zijn eigen leven; want de mensch ontvangt eene natuur overeenkomstig zijn leven, en den mensch blijft, na den dood, die natuur bij, die hem eigen was bij zijn leven op aarde. De booze kan daar dus niet meer verbeterd of veranderd worden door middel der gedachten of door de kennis der waarheid.
Als in dezen tweeden staat booze geesten tot allerlei misdaden toesnellen, gebeurt het dikwijls, dat zij gestreng worden gestraft. In de geestenwereld bestaan verschillende straffen, en er wordt geen onderscheid gemaakt of er een koning, dan of er een dienstknecht gestraft moet worden. Elk kwaad draagt zijne straf in zich; beide gaan zamen; wie dus deelgenoot is van het kwaad is ook deelgenoot van de straf. Niemand wordt er echter gestraft voor kwaad, dat hij in de wereld heeft gedaan, maar voor liet geen hij daar doet. Het komt evenwel op hetzelfde neder, of men zegt, dat de booze gestraft wordt voor zijn kwaad in de wereld, dan Voor
m
zijn kwaad in het andere leven; want ieder keert na den dood, tot zijn eigen leven terug, en dus tot soortgelijke booslieden, omdat hij zoodanig is als zijn leven was in het ligchaam. De rede, waarom zi j gestraft worden is, omdat straf het eenige middel is om hen in toom te houden. Vermaningen, onderwijs, vrees voor de wet en voor hunnen naam zijn niet langer van nut; want er wordt gehandeld overeenkomstig de natuur, die niet beteugeld of' verbroken kan worden, tenzij door straf. Goede geesten kunnen echter niet gestraft worden, schoon zij in de wereld kwaads hebben gedaan; want hun kwaad keert niet terug. Ook werd mij gezegd, dat hun kwaad van eenen anderen aard was dan dat van de boezen, omdat zij daarin niet handelden met het doel, om zich tegen de waarheid te stellen, noch uit een slecht hart, slechter dan zij van hunne ouders hadden overgeërfd ; maar zij waren geleid door den invloed van een blind vermaak, toen zij in hun uiterlijk waren, afgescheiden van hun innerlijk.
Ieder gaat naar zijne eigene gemeenschap, waarin zijn geest reeds in de wereld was. Ieder mensch is n. 1. met zijnen geest vereenigd met eenige vereeniging uit den hemel of de hel; een slecht mensch met de hel, een goede met den hemel. Door achtereen volgende stappen wordt de geest nader gebragt tot deze vereeniging, totdat hij ten laatste er intreedt. Als een booze geest in den staat van zijn innerlijk is gebragt, wordt hij trapsgewijs naar zijne
121
vereeniging gekeerd en ziet er reeds naar uit, vóór zijn staat is geeindigd. Is dat einde daar, zoo werpt hij zich zelf, uit eigene beweging, naar zijns gelijken in de hel. Als hij werkelijk zich zelf nederwaarts werpt, schijnt het op een' afstand, alsof hij loodregt, met het hoofd naar beneden en met. de voeten omhoog neder-valt; want hij heeft de orde omgekeerd, daar hij de helsche dingen heeft liefgehad, en de hemelsche heeft verworpen. Sommige boozen, die in hunnen tweeden staat hij geval de hellen in en weder uitgaan; vallen niet het onderste boven, gelijk zij, die ten volle zijn bereid. De vereeniging, waarmede, reeds in de wereld, hunne geost was verhonden, wordt hun reeds in den uiterlijken staat getoond; opdat zij weten zouden dat zij, tijdens hun leven in het ligchaam, reeds met de hel verhonden waren. Zij waren echter toen nog niet gelijk met de bewoners der hel, maar met die dei-geestenwereld. De staat van hen, in betrekking tot dien van hen, die in de hel zijn, zal in de volgende afdeelingen worden aangetoond.
De scheiding tusschen booze en goede geesten wordt bereikt in dezen tweeden staat. In den eersten staat blijven zij te zamen, omdat de geest in zijn uiterlijk nog handelt gelijk in de wereld, waar slechten en goeden met elkander omgaan. Is hij aan zijn innerlijk en aan zijne eigene natuur of wil overgelaten, dan houdt dit op. De scheiding van goeden en kwaden quot;wordt langs yerscbillende wegen, bereikt. Zij
126
dingen, die onvereenigbaar zijn met den hemel. Deze ontblooting geschiedt aan hunne voetzolen, die de benedenwereld worden genoemd; sommigen ondergaan dan een zwaar lijden. Het zijn zulken, die zich in de logen hebben bevestigd en toch een goed leven hebben geleid; want de logen, indien men er zich in bevestigd heeft, wordt hardnekkig, en tenzij zij verwijderd worde, kan de waarheid niet worden gezien en ook niet worden ontvangen.
Allen, die in de plaatsen voor onderwijs worden ontvangen, wonen in verschillende klassen. Allen zijn door onzigtbare banden verbonden met die hemelsche vereenigingen, -waarheen zij gaan willen. Gelijk nu de hemelsche vereenigingen geordend zijn overeenkomstig den vorm des hemels, zoo ook de plaatsen, waar onderwijs wordt gegeven; zij gelijken daarom eenen hemel in het klein. In de lengte loopen zij van Oost naar West, en in de breedte van Zuid naar Noord; de breedte schijnt korter dan de lengte. De hoofdregeling is deze. Vooraan zijn zij, die als kinderen, of zeer jong stierven; dezen zijn tot hunne vroege jeugd in den hemel opgevoed en worden vervolgens door den Heer hierheen gebragt, om onderwezen te worden. Achter hen zijn zij, die in rijpen leeftijd stierven, en die bevestigd waren in liefde tot de waarheid, die afgeleid is van het goede in de wereld. Achter dezen zijn de Moehammedanen, die m de wereld een zedelijk leven hadden geleid, de kennis van God bezaten, en den Heer als een Propheet beschouw-
127
den. Toen dezen ontdekten, dat Moehammed hen had misleid en hun geene hulp kon verleenen, kwamen zij tot den Heer, aanbaden Hem, erkenden zijne Goddelijkheid en worden dan onderwezen in de Christelijke godsdienst. Achter hen, meer Noordelijk, waren de plaatsen voor de onderwijzing der verschillende klassen van heidenen, die overeenkomstig hunne godsdienst goed hadden geleefd en daardoor een zeker geweten hadden verkregen; die regt en opregt hadden gehandeld, niet zoo zeer uit gehoorzaamheid aan de wetten van hun land, maar wel aan die hunner godsdienst, in het geloof, dat deze hehooren geheiligd en niet geschonden te worden. Na onderwezen te zijn, werden deze allen gemakkelijk tot de kennis van den Heer gehragt, omdat zij in hun hart hadden geloofd, dat God niet onzigt-baar maar zigtbaar was onder eenenmenschelijken vorm. Deze waren het strekst in getal; de besten hunner kwamen uit Afrika.
Allen werden echter niet op dezelfde wijze onderwezen, noch door Engelen of soortgelijke hemelsche vereenigingen. Zij, die in hunne kindsheid in den hemel waren opgevoed, worden door Engelen uit de innerlijkste hemelen onderwezen, omdat zij geene valsche Godsdienstige beginselen hadden ingezogen, noch hun geestelijk leven hadden besmet door grove denkbeelden van eer en rijkdom der wereld. Zij, die op rijpen leeftijd waren gestorven, worden meest allen onderwezen door Engelen uit den laagsten hemel, die hier voor meer geschikt
128
zijn, dan de Engelen uit de innerlijkste hemelen, die meer bevestigd zijn in de innerlijke wijsheid, die zulke geesten van den derden staat noo- niet kunnen bevatten. De Moehammedanen worden onderwezen door Engelen, die van die godsdienst tot liet Christendom waren bekeerd. Zij, die do heidenen onderwezen, waren Engelen, die zelf heidenen waren geweest.
Alle onderwijs wordt daar gegeven door eene leer, die getrokken is uit liet Woord, maar niet door het Woord, overeenkomstig eene leer. De Christenen worden onderwezen door de leer, die in den hemel is aangenomen, die in elk opzigt met den innerlijken zin des Woords overeenkomt; de Moeliammedanen en heidenen door eene leer, die berekend is naar hunne vatbaarheid, die alleen van de leer des hemels daarin verschilt, dat in haar het geestelijk leven wordt onderwezen, door middel van het zedelijk leven, in overeenstemming met het goede in hunne godsdienst, waardoor hun leven in de wereld was gevormd.
De manier van onderwijs in de hemelen verschilt van die der aarde hierin, dat de kennis niet medegedeeld wordt aan het geheugen, maar aan het leven; want het geheugen der geesten bestaat in hun leven, daar zij al wat met hun leven overeenkomt ontvangen en opnemen, maar niet hetgeen er niet mede overeenkomt. De rede is,quot; omdat geesten aandoeningen zijn en, naar hunne aandoeningen, in menschelijken vorm bestaan. Wijl nu hunne natuur zoo is, wordt het
129
gevoel voor wnnrhcid met liaar nut voor het leven onophoudelijk hun medegedeeld. Want de lieer wil, dat iedereen zal gebruiken, wat geschikt is voor zijnen aanleg, en dit wordt aangespoord door de hoop, om een Enael te worden. Daar al wat in den hemel als nuttig wordt beschouwd betrekking heeft op het alge-meene nut, dat het goede is van Gods koningrijk; zoo is dit, in die wereld, de landstreek. Elk nut in het bijzonder is goed, naar mate het nader en meer betrekking heeft tot dit algemeene nut. Hieruit volgt, dat elk nut, 'twelk ontelbaar is, goed is en hemelsch. Hierom is in ieder het gevoel voor waarheid vereenigd met gevoel voor het nut, zoodat er dadelijk gehandeld wordt en de waarheid wortel schiet in het gebruik, zoodat de waarheden, die zij leeren, waarheden zijn van nut. Op deze wijze worden engelengeesten onderwezen en toebereid voor den hemel, liet gevoel om de waarheid nuttig te doen zijn, wordt hun duidelijk gemaakt, door verschillende middelen, die meestal onbekend zijn in de wereld. Dit geschiedt vooral door voorbeelden, die in de geestelijke wereld langs duizende wegen verkregen worden en die verzeld gaan met zulke verblijdende en genoegelijke gewaarwordingen, die den geest als doordringen van zijn innerlijk, dat tot zijn gemoed behoort, tot zijn uiterlijk, dat tot zijn ligchaam behoort, en dus hem geheel aandoen. Op deze wijze leert de geest zijn eigen nut, en als hij dus zijne eigene vereeniging ingaat, waardoor hij door zijn onder-
9
-r-
180
wijs is ingeleid, zoo is hij in de verheuging d
zijns levens, als hij in het gebruik is van het o
nut. Uit deze opmerkingen moge duidelijk zijn, \
dat kundigheden, die uiterlijke waarheden zijn, s
geene oorzaak zijn voor het ingaan in den hemel, d
maar wel het leven, dat het leven van hot nut d
is, 't welk door kundigheden wordt ingeplant. a
Er waren sommige geesten, die door de ge- e
dachten, welke zij in de wereld hadden gehad, z
zich voorgesteld hadden, dat zij in den hemel n
zouden komen en vóór anderen zouden worden z(
toegelaten; want zij waren geleerden geweest g
en hadden eenen goeden voorraad kennis van b
het Woord en van deleer hunner kerken opge- o:
daan. Daarom meenden zij wijs te zijn en E
tot die te behooren, van wie gezegd is, dat zij tc
zullen blinken gelijk de zon en als de sterren h
(Dan. 12:3). Men onderzocht of hunne ken- g(
nis in hun geheugen, of in hun leven bestond. b(
Zij die in opregte liefde voor de waarheid, of 01
in de waarheid om haar nut, afgezien van ligeha- 01
melijk of wereldsch voordeel, dus in innerlijk, (1«
geestelijk nut waren bevestigd, werden, na hun- nc
ne onderwijzing, opgenomen in den hemel. Het ki
werd hun dan gegeven, om te weten wat het hc
is, dat in den hemel schijnt, en dat het in der ki
daad de Goddelijke waarheid is, die het licht le
is des hemels, beligchaamd in nut; dit nut is da de spiegel, die de opgevangen stralen van het
licht des hemels ontvangt en weerkaatst in to-
prachtige, verschillende kleuren. Zij echter, zij
wier kennis elleen in hun geheugen bestond, en de
*
131
die eene zekere bekwaamheid hadden opgedaan, ; om over de waarheid te redeneren, ter be-
, vestiging van gezegden, die zij als vaste begin-
, selen hadden aangenomen en voor waarhe-
, den hadden aangezien, deze personen hadden
t de verbeelding, dat zij meer geleerd waren dan
anderen en daarom naar den hemel zouden gaan, en door de Engelen, als hunne dienstknechten, , zouden worden opgenomen. Zij bezitten echter
1 niets van het licht des hemels, en het gewone
i zelfvertrouwen van zulken was ook hunne
t grond. Om hen van deze nootlottige ver-
i beelding te verlossen, werden zij tot den eersten
of laagsten hemel opgenomen, om in eenige i Engelen-vereeniging opgenomen te worden; maar
j toen zij nog bij den ingang waren, begonnen
n hunne oogen te verduisteren, door het indrin-
i- gende licht; hunne kennis werd verward en zij
l. begonnen naar adem te hijgen, als op het punt
if om te stikken. Toen zij de hitte des hemels
ondervonden, n. 1. de hemelsche liefde, gcvoel-den zij eenen inwendigen brand en vielen ter i- neder. Nu werd hun geleerd, dat het geene
;t kundigheden zijn, dio den Engel vormen, maar
â t het leven, dat door middel van haar wordt ver-
â r kregen; want kundigheden, afgescheiden van het
it leven, zijn in den hemel vreemd, maar het leven,
is dat door haar wordt verkregen, is er thuis.
;t Na de geesten door onderwijs voor den hemel
n toebereid zijn, dat in korten tijd geschiedt, omdat
r, zij in het bezit zijn van geestelijke denkbeel-
n den, die vele zaken in zich sluiten, alsdan wor-
132
den zij bekleed met de kleeding der Engelen, die meestal wit zijn, als van fijn wit linnen. Zij woiden dan op eenen weg geleid, die oploopt naar den hemel en onder de zorg van eenen Engel gesteld, die ken bewaart; daarna komen zij onder de zorg van andere Engelen en worden in verschillende vereenigingen ingeleid, waar zij vele aangename dingen ontmoeten; ten laatste wordt ieder door den Heer langs verschillende, soms zeer kronkelende wegen, tot zijne eigene vereeniging geleid. Geen Engel is met deze wegen bekend, maar alleen de Heer. Wanneer zij in hunne eigene vereeniging aankomen, wordt hun innerlijk geopend, en als zij toebereid zijn, gelijk de Engelen, die in vereeniging leven, worden zij dadelijk herkend en met vreugde ontvangen.
Ten opzigte der wegen, die van deze plaatsen naar den hemel leiden, en waardoor de nieuwe Engelen ingaan, zal ik eene merkwaardige bijzonderheid toevoegen. Zij zijn acht in getal. Twee leiden van elke plaats van onderwijs opwaarts, een Oostelijk en een Westelijk. Zij, die's Heer en hemelsch koningrijk ingaan, gaan langs den Oostelijken weg, en zij, die naar Zijn geestelijk koningrijk gaan, begaan den Westelijken. De vier wegen, die naar 's Hee-ren hemelsch koningrijk leiden, zijn als versierd met olijfboomen en vruchtboomen van allerlei soort, en zij, die naar Zijn geestelijk koningrijk leiden, zijn als getooid met wijngaarden en laurieren. Dit ontspringt van de
1:33
overeeukomstiglieden, want wijnranken en laurieren komen overeen met waarheid en Laar nut, terwijl olijven en vruchtboomen overeenkomen met goed en deszelfs nut.
Niemand gaat den hemel in door bene
daad van onmiddelijke genade.
Zijj die geene zuivere kennis hebben aangaande den hemel en den weg daarheen, en die niet weten, dat het leven des hemels in den mensch bestaat, zijn van gedachte, dat de opneming in den hemel alleen afhangt van eene daad der genade, voor hen, die geloofd hebben, en door voorspraak van den Heer; m. a. w. dat het niets anders is, dan eene toelating uit genade of gunst, en dat alle menschen, zonder uitzondering, zalig kunnen worden indien de Heer dit wil. Sommigen meenen zelfs, dat al de bewoners der hel ook zalig zullen worden. Maar zulken zijn geheel onbekend met de natuur des menschen en dat hij zoo van aard is als zijn leven is, en dat zijn leven zoo is, als zijne liefde is, niet alleen het innerlijk van zijnen wil en zijn verstand, maar ook het uiterlijk, dat tot zijn ligchaam behoort. Zij weten niet, dat het ligchamelijk omkleedsel alleen de uiterlijke vorm is, waardoor het innerlijke zich openbaart en waaruit volgt, dat de geheele mensch zijne eigene liefde is. Ook weten zij niet, dat het ligchaam op zich zelf
134
niet leeft, maar wel door den geest; dat de geest werkelijk zijne aandoening is, en zijn geestelijk ligchaam niets anders is dan de aandoening van den menscli, in natuurlijken vorm, zooals die verschijnt na den dood. Zoo lang deze waarheden onbekend zijn, zal de mensch gelooven, dat de zaligheid niets anders is, dan eene handeling van het Goddelijk welbehagen, dat gunst en genade wordt genoemd.
Eerst zal echter moeten verklaard worden, wat de Goddelijke genade is. Goddelijke genade is de zuivere genade Gods, die voor alle menschen ter hunner zaligheid is geopenbaard. Zij wordt onophoudelijk aan ieder mensch aangeboden en wijkt van niemand terug, zoodat ieder, die met mogelijkheid gezaligd kan worden, zalig wordt. Maar niemand kan met mogelijkheid zalig worden, dan door Goddelijke middelen, die door den Heer in het Woord zijn geopenbaard. Goddelijke middelen zijn de Goddelijke waarheden; deze leeren hoe de mensch moet leven, om zalig te worden. Door deze middelen leidt de Heer den mensch naar den hemel, en plant hem het leven des hemels in. De Heer doet dit bij allen. Maar Hij kan niemand het leven des hemels inplanten, tenzij hij afstand doe van het kwade; want het kwade is de hinderpaal op den weg. Naarmate daarom de mensch afstand doet van het kwade, leidt hem de Heer door Goddelijke middelen, uit loutere genade. Dit doet Hij
In Kn K
OO
van zijne kindsheid af, tot aan het einde zijns levens in de wereld en daarna eemviglijk. Dit is het wat onder Goddelijke genade is te verstaan. Uit deze opmerkingen is het duidelijk, dat quot;s Heeren genade zuivere genade is, maar geene onmiddelijke genade of geene genade, die onmiddelijk, zonder middelen werkt; geene genade, die alleen zalig maakt uit enkel goedvinden, zij mogen geleefd hebben zoo zij wilden.
De Hoer doet niets tegen de orde, want Hij is de orde zelf. De Goddelijke waarheid, die uitgaat van den Heer is het, die deze orde daarstelt. Goddelijke waarheden zijn de wetten der orde, waarnaar de Heer den mensch leidt. Don mensch te zaligen, door onmiddelijke genade, of genade zonder middelen, is tegen de Goddelijke orde, en wat tegen de Goddelijke orde is, is tegen het Goddelijk wezen zelf. De Goddelijke orde is de hemel, die in den mensch bestaat; maar de mensch heeft zich zelf verdorven door een leven tegen de wetten der orde, die de Goddelijke waarheden zijn. Door zuivere genade wordt hij door don Heer tot die orde teruggebragt, door middel der wetten van orde. Naar mate van zijne horstelling, ontvangt liij den hemel in zich, en hij, die den hemel in zich heeft, gaat na den dood den hemel in. Hieruit is weder duidelijk, dat do Goddelijke genade des Heeren wel zuivere, loutere genade, maar geene onmiddelijke genade is.
Indien de mensch zalig kon worden door
l;36
onmiddelijke genade, zoo zouden allen gezaligd worden, ook de bewoners der hel; er zou zelfs geene plaats zijn gelijk de hel. Want de lieer is de genade zelf, de liefde zelf, de goedheid zelf, en dus te zeggen, dat Hij allen onmid-delijk zalig kan maken, maar dat Hij het niet doet, is Zi jne Goddelijke natuur weerspreken. Uit het Woord is hekend, dat de Heer de zaligheid van allen wil, en niet wil dat iemand verloren ga.
De meeste Christenen, die het andere leven ingaan, dragen in zich het geloof, dat zij zalig worden door onmiddelijke genade. Die genade is het, waarop zij pleiten. Als zij onderzocht â worden blijkt het, dat zij hadden geloofd, dat er om in te gaan in den hemel, niets meer noodig was, dan eene enkele toelating, en dat allen, die er eens zijn ingeleid, ingaan in het volle genot der hemelsche vreugde. Zulken zijn ten hoogste onwetend wat de hemel en wat de hemelsche vreugde is. Er werd hun daarom gemeld, dat de Heer aan niemand den hemel weigert, en dat zij toegelaten worden, als zij ditwenschen en er mogten blijven, zoolang zij willen. Zij, die dit wenschten, werden ook toegelaten, maar zoodra zij den eersten drempel bereikten en de hitte des hemels op hen blies, werden zij door zulk eene beklemming des harten aangegrepen, dat zij liever de hel-sche pijniging wilden ondervinden, dan de lie-melsche blijdschap. Huiverende van angst, wierpen zij zich met het hoofd nederwaarts naar
137
omlaag. Aldus werden zij overtuigd, door levendige ondervinding, dat do hemel niet opgedrongen kan worden, door omniddelijke genade. Genoemde liitte is de liefde der Engelen, waarin zij zijn gegrond, en het ontvargen van het licht des hemels, dat de Goddelijke waarheid is.
Somtijds heb ik met de Engelen over dit onderwerp gesproken, aan wien ik mededeelde, dat in de wereld de meesten, die in het kwaad leven, in hunne gesprekken met anderen over den hemel en het eeuwige leven, standvastig bevestigen, dat de ingang in den hemel in niets anders bestaat, dan in eene enkele toelating uit bloote genade, en dat dit geloof het eenige middel tot zaligheid is. Door deze eerste beginselen hunner godsdienst hechten zij geene waarde aan het leven en aan de daden der liefde, die het leven uitmaken, noch aan eenige andere middelen, waardoor de Heer den hemel in den menscli inplant en hem vatbaar maakt, voor de hemelsche vreugde. Wijl zij nu elk werkzaam middel, als noodzakelijk voor den hemel, ver werpen; zoo nemen zij ook, overeenkomstig hiermede, als hoofdbeginselen aan, ais een axioma, dat de mensch naar den hemel gaat, door genade alleen. Naar zij gelooven, is God, de Vader, bewogen tot deze genade, door de voorspraak van den Zoon. De Engelen antwoordden hierop, dat zij begrepen, dat zulk eene leer noodzakelijk volgt, uit het aangenomen beginsel van zaligheid, alleen door geloof, en dat, doordien dit leerstuk' het hoofd is van anderen en onwaar
is, er ook geen licht des hemels kan doordringen. Van hier de onkunde, waarin de kerk tot o]) dezen dag gedompeld is, betrekkelijk den Heer, betrekkelijk den hemel, betrekkelijk het leven na den dood, de hemelsche vreugde, het wezen der liefde en liet weldoen, en in het algemeen, betrekkelijk bet goede en deszelfs ver-eeniging met de waarheid; dientengevolge ook betrekkelijk het leven des menscben, wat zijnen oorsprong is en zijne natuur. Gelijk niemand bet leven bezit alleen door gedachten, maar wel door zijnen wil en de daden, die daaruit voortkomen, en door de gedachten alleen in zooverre, als deze ook uit den wil voortvloeijen; zoo bezit ook niemand bet leven door zijn geloof, dan alleen in zooverre dit geloof uit de liefde voortvloeit. De Engelen bedroeven zich, dat deze partijen niet eens weten, dat bet geloof alleen niet bestaan kan, omdat het geloof afhangt van zijnen oorsprong, dat is van de liefde, en zulk geloof dus enkel eene bijgeloo-vigheid is, of eene soort van geloovig vertrouwen, dat eene gelijkheid op bet geloof beeft, hoewel dit vertrouwen niet in 's menscben leven is gezeteld, maar vreemd is aan het leven, daar het afgescheiden is van den mensch, wanneer liet niet vereenigd is met zijne liefde. Zij zeiden verder, dat zulken die deze beginselen betrekkelijk het voorname middel tot zaligheid vasthielden, niet anders doen konden, dan in eene onmiddelijke genade gelooven; want zij zien door natuurlijk licht, on zigtbare duidelijk-
139
lieid, dat het geloof op zich zelf 's monschen leven niet uitmaakt, omdat zij, die een slecht leven hebben geleid eveneens kunnen denken en hetzelfde Vertrouwen kunnen aannemen. Om deze rede wordt geloofd, dat de slechte zoowel zalig kan worden als de goede, indien hij alleen in het uur des doods, met hetzelfde vertrouwen spreekt over de voorspraak. Do Engelen verklaarden, dat zij tot nog toe niemand hadden gezien, die slecht had geleefd, en door eene daad van onmiddelijke genade den hemel was ingegaan, hoeveel hij in de wereld ook hadde gesproken over eene berusting of vertrouwen, als in meer verheven zin gemeend is door het geloof. Als hun gevraagd werd, of Abraham, Izaak, Jakob en David en de Apostelen niet door onmiddelijke genade in den hemel waren opgenomen, hadden zij geantwoord: ,/Niet één hunner.quot; Zij verzekerden verder, dat zij allen hadden ontvangen overeenkomstig hun leven in de wereld en dat zij wisten waar zij waren en niet meer achting genoten, dan anderen. Zij merkten verder aan, dat de rede, waarom zij zoo eervol in het Woord waren vermeld, deze is, dat door hen, naar den innerlijken zin, de Heer was gemeend, en wel door Abraham, Izaak en Jakob den Heer naar zijne Goddelijkheid en Goddelijke menschelijk-heid; door David den Heer naar zijn Koningschap, en door de Apostelen den Heer naar zijne Goddelijke waarheden. Zij zeiden verder, dat zij niet eens aan dezp personen dachten, wan-
140
neer het Woord door den meusch werd gelezen, omdat hunne namen den hemel niet ingaan; maar dat zij, een denkbeeld hebben van den Heer, als juist vermeld is, en dat derhalve in het Woord, hetwelk in den hemel bestaat, deze personen niet zijn vermeld, omdat dit Woord de innerlijke zin is van het Woord, dat op de wereld bestaat.
Het is onmogelijk het leven des hemels in te planten in hen, die in de wereld een tegenovergesteld leven hebben geleid. Ik kan dit uit vele ervaring getuigen. Sommigen hadden zich verbeeld, dat zij de Goddelijke waarheden zouden ontvangen en gelooven, indien zij die van Engelen hoorden; dat zij alsdan een ander leven zouden leiden en in den hemel zouden worden opgenomen. Dit was aan velen beproefd, echter alleen aan zulken, die dit hadden gemeend, om hen te overtuigen, dat er na den dood geen berouw kan plaats hebben. Sommigen hunner verstonden de waarheden, die z'j hoorden en schenen ze aantenemen; maar niet zoodra waren zij tot het leven hunner liefde teruggekeerd, of zij verwierpen ze en spraken ze tegen. Anderen verwierpen ze dadelijk, en wilden ze niet eens hooren. Anderen wenschten, dat het leven hunner liefde uit de wereld hun zou worden ontnomen, en het loven der Engelen of des hemels er voor in de plaats zou worden gesteld. Ook dit werd, bij toelating, beproefd, maar toen het leven hunnes levens van hen was weggenomen, waren zij als dood
141
en niet langer in het gebruik hunner bekwaamheden. Door deze voorbeelden werden de eenvoudige goeden overtuigd, dat niemands leven met mogelijkheid, na den dood kan worden veranderd, en geen boos leven in een goed kan worden bekeerd, noch een helsch leven is dat van een' Engel; want iedere geest is, van het hoofd tot den voet, zoodanig als zijne liefde is, derhalve zoo als zijn leven is, en dit te veranderen in een tegenover gesteld, staat gelijk met den geest te vernietigen. De Engelen verklaarden, dat liet gemakkelijker was, om een vledermuis in eene duif, of een uil in een paradijsvogel te veranderen, dan een geest der hel in een Engel des hemels. Hieruit moge duidelijk zijn, dat niemand den hemel kan ingaan, door eene daad van onmiddelijke genade.
Het is niet zoo moeijelijk, om een
leven te leiden, dat naak den hemel voert, als het gewoonlijk wokdt veroa'deksteld.
Velen verbeelden zich, dat het zeer moeijelijk is, om een leven te leiden 't welk naar den hemel leidt, en dat een geestelijk leven genoemd wordt, omdat zij gehoord hebben, dat de mensch de wereld moest verloochenen, zich ontdoen moest van al wat lusten des ligchaams en des vleesches genoemd wordt en op geestelijke wijze moest leven. Hieronder yerstaau zij, dat
142
zij de wereldsche zaken moeten verworpen, die voornamelijk in rijkdom en eer bestaan; dat zij onophoudelijk zich moeten bezig bonden met vrome overdenkingen jegens God, de zaligheid en het eeuwig leven; dat zij hun leven in gebed moeten doorbrengen en in het lezen des Woords en godsdienstige boeken. Dit is, naar hunne meening, bedoeld onder het verloochenen der wereld, en te leven naar den geest en niet naar het vleesch. Dat echter de waarheid zeer hiervan verschilt, is mij verleend uit vele ervaring en uit gesprekken met Engelen te weten. Hieruit heb ik geleerd, dat in der daad zij, die de wereld verloochenen en naar den geest leven, op vermelde wijze, eene soort van zwaarmoedig leven bekomen, dat ongeschikt is, om de hemelsche vreugde te ontvangen, en zijn eigen leven blijft hem bij. Aldus ben ik verzekerd seworden van het te^en-
ö O
deel, dat hot voor een mensch, om liet leven des homels te ontvangen, noodzakelijk is, om in de wereld te leven en zijne pligten on werkzaamheden waar te nemen; dat hij, door zedelijk en burgerlijk te leven, voor het geestelijk leven geschikt wordt, en dat er geen andere weg is, waardoor het geestelijk loven in don mensch kan worden gevormd of zijn geest voorbereid kan worden voor den hemel. Want een innerlijk leven te leiden, zonder oen uiterlijk, dat daarmede overeenkomt, is gelijk aan het wonen in een huis, dat geen fundament heeft, dat na verloop van tijd in den grond zinkt,
143
scheurt en van een spijt of' waggelt tot het valt.
Als men een verstandigen blik op 's men-schen leven slaat en het onderzoekt, zoo zal men bevinden, dat het drievoudig is; d. i. dat er een geestelijk, zedelijk en een burgerlijk leven bestaat, elk van het andere onderscheiden. Er zijn menschen, die een burgerlijk leven leiden zonder een zedelijk, of geestelijk; anderen, die zedelijk leven, maar niet geestelijk, en weder anderen, die burgerlijk, zedelijk en geestelijk leven. De laatsten leiden een leven des hemels, maar de twee anderen leiden alleen een leven der wereld, afgescheiden van het leven des hemels. Uit deze waarheden moge duidelijk zijn: dat liet geestelijk leven niet van het natuurlijk leven of het leven der wereld gescheiden is, maar dat er eene vereeni-ging tusschen hen bestaat, gelijk tusschen de ziel en het ligchaam, en dat hen te scheiden gelijk zou zijn als te leven in een huis zonder fundament. Zedelijk en burgerlijk leven zijn werkelijk liet voortbrengsel van het geestelijk leven; want goed te willen behoort tot het geestelijk leven en wel te doen behoort tot liet zedelijk en burgerlijk leven. Zonder dit is het geestelijk leven niets, dan denken en spreken, waaraan de wil ontbreekt, die geen grondslag heeft om op te rusten; de wil is het wezenlijke, geestelijke bestaan des menschen.
Dat een leven te leiden, hetwelk naar don hemel voert, niet zoo moeijelijk is als gewoonlijk wordt veronderstelt, moge uit de volgende
144.
overwegingen blijken. Wie is er, die niet in staat is, om zedelijk en burgerlijk te leven? Want ieder is van zijne kindsheid af er in opgeleid en weet, hoe hij in deze wereld handelen moet. Werkelijk leidt dan ook iedereen zulk leven, 't zij hij slecht is, of goed; want wie is er, die niet een zuiver en regt man wil genoemd worden? Bijna allen oefenen uiterlijk zuiverheid en regtvaardigheid uit en wel zoo, dat zij in hun hart zuiver en regt schijnen, of uit ware beginselen handelen. De geestelijke mensch behoort hetzelfde te doen en hij kan dit even gemakkelijk doen als de natuurlijke mensch. In den wil alleen is verschil, daar de geestelijke mensch in God gelooft en zuiver en regt handelt, niet omdat de burgerlijke en zedelijke wetten dit eischen. Iemand, die wanneer hij handelt, om de Goddelijke wetten denkt, staat met de Engelen in den hemel in gemeenschap en, naar mate hij zoo denkt en handelt, treedt hij met hen in vereeniging. Langs dezen weg wordt de innerlijke mensch geopend, die in zich, de geestelijke mensch is. Is de mensch in dezen staat, dan is hij aangenomen en geleid door den Heer, hoewel hij er onbewust van is. Zijn regt en regtvaardig handelen in het zedelijk en burgerlijk leven is dan van geestelijken oorsprong, en uit dezen oorsprong te handelen is werkelijk regt en opregt zijn, of het te doen van harte. Naar liet uiterlijke schijnt hunne regtvaardigheid en regtheid geheel gelijk aan dezelfde deugden der natuurlijke menschen en zelfs van hen, die
145
boos zijn en helsch. Innerlijk verschillen zij echter geheel. Want de boozen handelen alleen voor zich zelf en voor de wereld; waren zij niet bevreesd voor de straffen der wet en voor verlies van karakter, eer, winst of hun leven, zoo zouden zij ten uiterste oneerlijk en onregtvaar-dig handelen, omdat zij God, noch eenige Goddelijke wet vreezen, en dus geenen innerlijken band hebben, die hen weerhoudt. Wanneer zij dus niet door genoemde uiterlijke banden weerhouden wierden, zoo zouden zij anderen, met alle magt bedriegen, berooven en plunderen, en zij zouden zich in zulke daden verblijden. Dat zij innerlijk zoo zijn blijkt duidelijk uit hen, die in dit leven gelijk waren aan zulken en die in het andere leven van hun uiterlijk Avorden ontdaan, terwijl er hun innerlijk wordt geopend, waarin zij eeuwiglijk leven zullen. Alsdan zijn zij ontdaan van uiterlijke banden, als vrees voor de wet, voor het verliezen van hun karakter, eer, winst of hun leven; zij zijn losgelaten en lagchen met eerlijkheid en regtvaardigheid. Als zij echter, die regt en regtvaardig hebben gehandeld, uit liefde voor de Goddelijke wetten, ontdaan worden van hun uiterlijk en in hun innerlijk leven, zoo gedragen zij zich als wijzen, Avijl zij in vereeniging zijn met de Engelen van den hemel, door welke gemeenschap zij hunne wijsheid ontvangen. Hieruit blijkt dat de geestelijke mensch burgerlijk en zedelijk kan leven, terwijl zijn innerlijk vereenigd is met God. De wetten van het geestelijk leven, van het
10
146
burgerlijk en van het zedelijk leven zijn ook bevat in de tien geboden. De wetten van bet godsdienstig leven zijn Arervat in de eerste drie; die van bet burgerlijk leven in de volgende vier en die van het zedelijk leven in de laatste drie. Naar het uiterlijke leeft de geheel natuurlijke mensch naar alle deze geboden, gelijk de geestelijke mensch; hij aanbidt God op gelijke wijze, gaat ter kerk, luistert naaide preek, zet zijn gezigt in de plooijen; hij moordt niet, doet geen overspel, steelt niet, geeft geen valsch getuigenis en begeert niet zijns naasten goed. Maar hij handelt alleen uit eigenbelang en wereldliefde of voor het oog. Innerlijk is hij juist het tegenovergestelde wat hij uiterlijk schijnt. In zijn hart loochent hij God, in zijne aanbidding speelt hij den huichelaar; is hij aan zijne eigene gedachten overgelaten, dan lagcht hij met de heilige dingen dei-kerk en gelooft, dat zij alleen goed zijn om het onnoozel gepeupel in toom te houden. Zoo iemand is natuurlijk geheel gescheiden van den hemel; hij is dus geen geestelijk mensch, en ook niet waarlijk zedelijk noch burgerlijk. Want hoewel hij niet doodslaat, zoo haat hij toch ieder die hem tegenstaat, en brandt van wraak; ware hij dus niet verhinderd door burgerlijke wetten en uiterlijke banden, die hij vreest, zoo zou hij wel een moordenaar zijn, en wijl hij dit wil, is hij onophoudelijk een moordenaar. â Hoewel hij geen overspel doet, zoo is hij dit toch voortdurend, want hij gelooft
117
dat liet geoorloofd is: liij doet hot daarom aki hij kan en wel straffeloos. â Hij steelt niet, maar begeert toch het goed van een ander; hij acht bedriegerij en booze kunstgrepen niet als onwettig en is dus voortdurend een dief in zijn hart. Ten opzigte van de voorschriften van het zedelijk leven, als het niet geven van valsche getuigenis en hut niet begeeren van iemands goed, geldt zijn gedrag hetzelfde. Ieder mensch, die God loochent en, door de godsdienst, geen geweten heeft verkregen, is van zoodanigen aard; dit blijkt vooral wanneer zij, na den dood, van al het uiterlijke zijn ontdaan en aan hun innerlijk zijn overgelaten. Afgescheiden van den hemel handelen zij in vereeniging met de hel; zij zijn dus vereenigd met hare bewoners. Niet zoo is het met hen, die God hebben gekend, die in de handelingen huns levens eerbied hebben gehad voor de Goddelijke wetten en de drie eerste geboden hebben gehouden, zoowel als de anderen. Wanneer zij in hun innerlijk worden geleid en hun uiterlijk is weggenomen, dan zijn zij wijzer dan in de wereld. Als zij in hun innerlijk komen is het, alsof zij uit de schaduw in het licht traden, uit de onwetendheid in de wijsheid en uit een zorgvol leven in een gelukkig; want zij zijn in de Goddelijke spheer, die uitgaat van den Heer, en derhalve in den hemel. Deze bijzonderheden zijn vermeld, opdat men het verschil zou weten tus-schen deze tweeërlei menschen hoewel zij een gelijk k-ven in de wereld hebben geleid.
148
Iedereen â «â eet, dat de gedachten uitgaan van hot voornemen en loepen, zooals de mensch ze bestuurt. Want de gedachte is 's menschen innerlijk gezigt, dat even als het uiterlijk ge-zigt, gekeerd wordt naar en gevestigd wordt op het voorwerp, waarop het gerigt wordt. Is daarom het innerlijk gezigt of de gedachte naaide wereld gekeerd en daarop gevestigd, zoo volgt hieruit, dat de gedachte wereldsch wordt; is zij gekeerd naar zichzelf en naar eigen eer, zoo wordt zij hemelsch. Hieruit volgt, dat, wanneer zij naar den hemel is gekeerd, zij tot daar wordt verheven, en wanneer zij op zichzelf is gekeerd, dan is zij bedolven in de lig-chamelijke natuur. Is zij naar de wereld gekeerd, dan ook is zij afgekeerd van den hemel en op voorwerpen gevestigd, die het oog kan zien. 's Menschen liefde brengt zijn voornemen voort en bepaalt zijn innerlijk gezigt of zijne gedachte op het voorwerp. De eigenliefde bepaalt dus de gedachte op zichzelf en op zelfzuchtige voorwerpen; de wereldliefde op werekl-sche en de hemelliefde op hemelsche voorwerpen. Uit dcxo waarheden blijkt, dat uit 's menschen liefde de staat van zijn innerlijk gemoed gekend wordt; dat het innerlijk van een mensch, die den hemel liefheeft, naar den hemel is gekeerd en naar boven is geopend, en dat het innerlijk van hem, die de wereld liefheeft en zichzelf, naar boven gesloten is en uiterlijk is geopend. Is nu de hoogste vatbaarheid van zijn gemoed van boven cesloten, zoo kan de
119
de mcriscli niet langer de voorwerpen zien, die tot den liemel en de kerk behooren en die voor hem in duisternis zijn gelmkl; en voorwerpen, die in het duister zijn, worden óf ontkend of niet verstaan. Hierdoor is het dat zij, die hoofdzakelijk zichzelf en de wereld liefhebben, en dio de edelste vermogens van hun gemoed hebben besloten, in hun hart de Goddelijke waarheden loochenen, en zoo zij er al over spreken uit hun geheugen, zij die toch niet verstaan; want zij achten ze gelijk met wereldsche en ligcha-melijke zaken. Wijl nu hunne staat zoodanig is, zoo houdt hun gemoed zicli met niets anders bezig, dan wat door de zintuigen des ligchaams er in wordt gebragt; in niets anders scheppen zij beliagen. Onder hetgeene er in gaat is veel dat onrein, zedeloos, goddeloos en vreesselijk boos is; hun uiterlijk gemoed kan zich niet daaraan onttrekken, omdat er geen invloed des hemels op hun innerlijk gemoed is; want dit is, gelijk is opgemerkt, van boven gesloten. Het voornemen des menschen, dat zijn innerlijk gezigt of gedachte bepaalt en bestuurt, is zijn wil; want wat de mensch wil neemt hij voor, en wat hij voorneemt houdt zijne gedachte bezig. Is daarom zijn voornemen gerigt naar den hemel, zoo is ook zijne gedachte daarhenen gerigt en derhalve is geheel zijn gemoed in den hemel; hij ziet dan de voorwerpen der wereld als beneden hem, gelijk iemand van zijn huisdak naar beneden ziet. Iemand dus, wiens innerlijk gemoed geopend is^ is in staat om
hut kwaad en de logen te zien, die hem aankleven, omdat dezen tot een gebied behooren, dat beneden zijn geestelijk gemoed is. Do mensch daarentegen wiens innerlijk niet geopend is, kan zijn eigen kwaad en logen niet zien, omdat hij er onder bedolven ia en liij er dns niet boven is verheven. Uit deze voorbeelden moge blijken, wat de oorsprong is, dat do mensch wijsheid bezit, en wat de oorsprong is, dat de mensch door onverstand is ingenomen; wat verder zijne aard zal zijn na den dood, wanneer hij zich in vrijheid bevindt, om te willen en te denken, te handelen en te spreken overeenkomstig zijn innerlijk. Ten slotte, opdat hot onderscheid gekend worde tnsschen het innerlijk van den een' en liet uiterlijk van den anderen, hoewel zij uiterlijk gelijk schijnen.
Dat liet niet zoo moeijelijk is, als gewoonlijk verondersteld wordt, om een leven te leiden, dat naar den hemel voert, is hieruit duidelijk, dat al wat voor den mensch noodzakelijk is, om te doen, wanneer zijn gemoed er toe overhelt, om iets eerlijks en onregts te doen, alsdan te denken, dat hij het niet doen mag, omdat het tegen de Goddelijke wet is. Indien de mensch het zich tot eene gewoonte maakt, om zoo te denken, zoo verkrijgt hij door oefening eene soort van karakter, en schrede voor schrede wordt hij in vereeniging met den hemel gebragt. Naarmate nu de mensch in vereeniging met den hemel is gebragt, zijn de edelste bekwaamheden van zijn gemoed geopend ; naar-
151
inato dezen zijn geopend, naar dio mate ziet liij wat oneerlijk en onregt is, en naarmate lu'j dit ziet is hij ook in staat om ze van hem te verwijderen; want het is onmogelijk om eenig kwaad te verwijderen, dan nadat het gezien is. Dit is de staat, waarin de mensch door zijne vrijheid kan ingaan; want wie kan niet vrijelijk denken, op de wijze die hoven is aangeraden? Is hij in deze vrijheid ingegaan, zoo werkt de Heer in hem het goede en leidt hein, om niet slechts het kwade te zien, maar ook om het willens te verwerpen en er eindelijk eenen afkeer van te verkrijgen. Dit is het, wat de Heer meent met de woorden Matth. 11 : 30 : Mijn juk is zacht en mijn last is ligt. Men moet hier wel opmerken, dat de moeijelijkheden, om op deze wijze te denken en aldus het kwade te weerstaan, toenemen naarmate de mensch werkelijk het kwade wil; want is dit het geval, dan gewent hij er zich aan, totdat hij het ten laatste niet meer als kwaad beschouwt en het hem lief wordt. Heeft hij het kwade werkelijk lief gekregen, zoo maakt hij verschooningen, bevestigt zich er in door allerlei voorwendselen of logen en noemt het eindelijk geoorloofd en goed. Maar dit heeft alleen bij hen plaats, die op rijperen leeftijd teugelloos in alle kwaad voorthollen en het Goddelijke uit hun hart verbannen.
Er werd mij eens eene voorstelling gegeven van den weg, die naar den hemel leidt en van dien, die naar de hel leidt. Ik zag een broe-
den weg, die naar de linkerhand of Noordwaarts liep, en eene menigte geesten bewandelden dien. Op eenen afstand ontdekte ik eenen zeer grooten steen, waar de breede weg eindigde. Boven dien steen waren twee wegen, de een liep links, de andere regts. De weg links was naauw of eng en liep door het West naar het Zuid en zoo in het licht des hemels; maar die regts liep was breed en ruim en leidde hellende nederwaarts naar de hel. Alle geesten bewandelden eerst denzelfden weg, tot dat zij aan den grooten steen kwamen, waar de twee wegen uiteenliepen; als zij daaraan kwamen werden zij gescheiden. De goeden wendden zich links en gingen den naauwen weg, die naar den hemel leidt. De kwaden zagen den steen niet, vielen er over en waren boos.
Toen zij er over waren renden zij den bree-den weg regts op, die naar de hel leidde. Het werd mij later verklaard wat al deze bijzonderheden beteekenden. Onder den eersten breeden weg, dien de goeden en kwaden te zamen bewandelden, waarop zij met elkander als vrienden spraken, omdat er uiterlijk geen verschil bestond, worden zij verstaan, die uiterlijk eerlijk en regtvaardig leven. De steen aan het einde van den weg, waarover de boo-zen vielen en van waar zij den weg, die naaide hel liep afrenden, beteek ent de Goddelijke waarheid, die door de boozen wordt geloochend. In meer verheven zin is onder den steen de God-meuschclijkhcid des Hecren bedoeld. Zij
loo
echter, die de Goddelijke waarheid kenden en daarbij de Goddelijkheid van den Heer, werden langs den weg geleid, die naar den hemel voert. Uit dit voorbeeld bleek mij verder, dat beide de kwaden en de goeden uiterlijk hetzelfde leven leiden of denzelfden weg bewandelen, de eenen zoo gemakkelijk als de anderen. Die echter God van harte konden en bijzonder zij, die in de kerk de God-men-schelijkheid des Hoeren erkenden, worden naaiden hemel geleid; de anderen naar tie hel. De gedachten des menschen, die uitgaan van zijne voornemens of zijnen wil, worden in het andere leven bij wegen vergeleken. Naar het voorkwam waren er ook wegen te zien, in volko-mene overeenkomst met zulke gedachten van het voornemen. De geesten kunnen derhalve aan de wegen, die zij bewandelen, weten, van welken aard hunne gedachten zijn. Hierdoor is duidelijk wat de Heer bedoelt met: Gaat in door de enge poort; want wijd is de poort, en breed is de weg die tot het verderf leidt, en weinigen zijn er, die door denzelven ingaan; Want de poort is eng, en de weg is naauw, die tot liet leven leidt, en weinigen zijn er, die denzelven vinden (Matth. 7:13,14). Hiermede is verklaard, dat de weg, die ten leven leidt, naauw is, niet omdat die moeijelijk te bewandelen is, maar omdat er weinigen zijn, die hem vinden. Door den steen, die aan het einde van den breeden weg is geplaatst en van waar twee wegen zijn te zien, die in tegen-
overgesteldc rigtingen loopen, werd duidelijk gemaakt, wat de Heer bedoelt met de woorden: De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is tot een hoofd des hoeks geworden? Een iegelijk die op den steen valt, zal verpletterd worden, en op wien hij valt, dien zal hij vermorzelen (Luk. 20 :17, 18). De steen be-teekent de Goddelijke waarheid, en de steen (of rots) van Israël de God-menschelijkheid van den Heer; de bouwlieden zijn de leden der kerk; het hoofd des hoeks is de plaats, waar de twee wegen scheiden; vallen en verbroken worden is het loochenen en verdorven worden.
Het was mij verleend, om te spreken met sommigen in het andere leven, die zich teruggetrokken hadden van de bezigheden der we-
à O
reld, om zich aan een vroom en heilig leven te wijden. Sommigen hadden zich langs allerlei wegen gekweld, omdat zij zich verbeeldden, dat dit de weg was, om de wereld te verloochenen en de lusten des vleesehes te onderwerpen. Het grootst gedeelte had echter hierdoor een zwaarmoedig leven verkregen en had zich teruggetrokken van het leven in weldoen, dat alleen kan geleid worden door te leven in de wereld. Zij konden daarom niet opgenomen worden in vereeniging met de Engelen, omdat hun leven een blijmoedig leven is, door de zaligheid, die zij innerlijk genieten en die in goeddoen en in werken der liefde bestaat. Bovendien hadden zij, die zich teruggetrokken hadden van de were'dsche beslom-
155
meringen, eenen hoogen dunk van hunne verdiensten en meenden, dat zij zeker in den hemel zonden worden toegelaten, omdat zij de liemel-sche vreugde als billijk loon voor hunne verdiensten zich toerekenden, terwijl zij ten hoogste onwetende zijn, wat hemelsche vreugde is. Als zij dus tot de Engelen worden toegelaten en een begrip ontvangen van hunne blijdschap, dio in geen verband staat met verdiensten, maar in de uitoefening en openlijke volbrenging van pligten en vriendelijke diensten bestaat en in de zaligheid, die uit het goede dat zij doen ontspringt, â zoo vervult hen verbazing, gelijk menschen, aan wien geheel het tegendeel betuigd wordt van hetgeen zij hebben verwacht. Daar zij nu niet in staat zijn, om die blijdschap aan te nemen, zoo vertrekken zij en vereenigen zich met hen, die in de wereld een gelijk leven hebben geleid. Zij, die uiterlijk heilig hebben geleefd, die steeds in de plaatsen der aanbidding waren en er gebeden opzonden, die zich zeiven hadden gekastijd, altijd om zichzelf hadden gedacht en zich meer waardig rekenden dan anderen, daar zij geacht en geëerd waren en na den dood als heiligen werden vermeld; dezen zijn, in het andere leven, niet in den hemel, omdat zij alles hadden gedaan, alleen met het oog op zich zelf. Sommigen hunner hadden de Goddelijke waarheden onteerd door eigenliefde, waaronder zij zich bedolven hadden; dezen waren zoo onzinnig, dat zij zichzelven Goden waanden; daarom is hun lot onder hen
156
die hun gelijk zijn in de hel. Sommigen waren vol geslepenheid en bedrog; dezen hebben hun deel in de hellen des bedrogs. Het zijn zulke personen, die een uiterlijk voorkomen van heiligheid hadden aangenomen, om door kunstgrepen en bedriegerijen het mindere volk te doen gelooven, dat er eene Goddelijke heiligheid in hen -woonde. Velen der Roomsch-Katholyke heiligen zijn. zoodanig. Met sommigen was hot mij vergund te spreken en hun leven werd mij duidelijk beschreven, zooals het in de wereld was geweest en zooals het later was geworden.
Deze voorbeelden zijn vermeld, opdat men weten zoude, dat het leven, hetwelk naar den hemel voert, niet een leven is van terugtrekking van de wereld, maar wel van een leven in de wereld. Dat een vroom leven, zonder een weldadig leven, dat alleen in de wereld uitgeoefend kan worden, niet naar den hemel leidt; maar wel een weldoend leven, dat hierin bestaat, om opregt en regtvaardig te handelen bij elke gelegenheid, in elke bezigheid en in elke handeling, uit eenen innerlijken en dus hemelschen oorsprong. Zulk een oorsprong is in zulk leven tot eene éénheid geworden, zoodat de mensch regt en regtvaardig handelt, omdat de Goddelijke wetten dit verlangen.
Zulk leven is niet moeijelijk, terwijl een A room leven, zonder weldoend leven, wel moeijelijk is en afvoert van den hemel, hoewel 7,00 velen gewoonlijk veronderstellen, dat zulk vroom leven wel naar den hemel leidt.
Tevens is bij d . I | f GEBEDEN VOO;
BELIJDENIS DEl';
â ' HET ONZE VA] 11 i |; 13 '' 11! I ? 111: VAN MIJN LEVE,; : ,â¢M|.M|||| f â | Lij 25 Ex. 3,- GU|
WEDERGE BOORÃ3'
Alle quot;Boekhandelaren
Mm-
lllif' I vf I, â
ifl-
'4 ' :;nr ' ^ quot;
I ?.M t |M l'HftlH «|li
U J , WU';