ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

i GEDACHTEN EN RAADGEVINGEN.

I

(1ste BOElC).

m

ocr page 6
ocr page 7

EEN HANDBOEK VOOR ONTWIKKELDE JONGELIEDEN.

Adolescens. rilii dico : surye !

Lrc. 7, 14.

NAAR HET HOOGDUITSrH

(9 e Uitgaaf)

van wijlen

P. ADOLPH VON DOSZ S. J.

bewerkt door

.1 O S E P H W I T L (0 X.

's Bosch. G. MOSMANS ZOON.

ocr page 8
ocr page 9

HOOFDSTUK I.

„opstandingquot;.

^ Ego sum resurrectio

et v^ta* j0, 11' 25,

3^Pf' erkent gij wellicht, o jongeling, in den zoon der weduwe van Nairn uw eigen beeld?

Zie, hij wordt ter poorte uitgedragen koud, stijf, roer-| loos, — het lijk van een jongeling!

' En bitter schreiend vergezelt eene vrouwe, 's jon-gelings moeder, den treurigen stoet: de smart over een verlies, zoo wreed, zoo onherstelbaar, neemt in hevigheid toe, naarmate zij duidelijker inziet, hoe zwaar het heur trof.

Hoevele geestelijk-doode jongelfhgen zijn er, over wie eene bij uitstek teedere moeder, Christus' heilige Kerk, bittere tranen schreit! — Zij worden grafwaarts gedragen, of, beter gezegd, zij storten zich-zelf in het graf, — en dat graf, het is de eeuwigheid, de eeuwige verschrikkelüke hel.

1

ocr page 10

2

Geestelijk dood is hij, die zich in staat van doodzonde bevindt.

Een begin van sterven, een gevaarlijke sluimer is de toestand der lauwheid, waarin opeengehoopte dagelijksche zonden de ziel onfeilbaar brengen.

Kwijnend zieleleven is gebrek aan vooruitgang, is stilstand op den weg van het goede, is traagheid in den dienst van God.

Uit al deze toestanden van een geestelijken dood of van een kwijnend zieleleven roept God de Heer, Hij, wiens almachtig woord de kluisteren des doods verbreekt, den mensch op tot het leven, tot het ware, het volle leven; want God is geen God der dooden, maar een God der levenden. ')

Gij, die slaapt den slaap des doods, sta op! Christus wil de fakkel van uw leven zijn. 2)

Nog meer! Groeien moeten wij in alles tot Jesus, ons hoofd. 3) Ja, het pad der rechtvaardigen is gelijk een stralend licht, voortgaande en lichtende tot den vollen dag toe. 4)

God wil dus, dat gij levet; Hij wil, dat gij het leven steeds overvloediger in u hebbet. 5)

O ja, dierbare jongeling, laat u opwekken! Gedoog, dat de alvermogende kracht van het Bloed uws Verlossers ook in u uitblinke, in u worde bevestigd! Leen volgzaam het oor aan de roepstem zijner genade:

„Ik zeg u, o jongeling, sta op'! 6)

Zijt gij den dood der zonde gestorven, — o sta op! Zoo jong, en reeds dood! Hoe treurt ook om u de Kerk, en met de Kerk zoo menig trouw vriendenhart, dat uwen toestand kent of vermoedt! Hoe treurt ook om u de Hemel, hoe vurig verlangt hij, u tot het leven te zien opgewekt!

') Mare. 12, 27. •) Eph. 5, 14. ') Eph. 4, 15. 4) Spreuken, 4, 18. 5) Jo. 10, 10. «) Luc. 7, 14. *

ocr page 11

„Ik zeg u, o jongeling, sta opquot;!

Ontwaak uit dien noodlottigen sluimer, onttrek a aan dien toestand van een nakenden dood. Gij zijt noch warm, noch koud, en daarom een walg in den mond des Heeren. ^ O, word weder warm en verkwik het liefdevolle hart van den Vriend uwer ziele! Sta op, arbeid, handel als een waarlijk levende.

„Ik zeg u, o jongeling, sta opquot;!

Waarom niet moedig vooruit? Waarom niet den blik naar boven gestierd? De arm des Heeren is niet verkort; 2) nog is God rijk en mild jegens allen, die, begeerig naar de schatten zijner genade, met vertrouwen zijn bijstand inroepen.

Hij, die ons beveelt volmaakt te zijn, gelijk zijn hemelsche Vader volmaakt is, 3) Hij, de Getrouwe, die niets verlangt, waartoe Hij-zelf niet sterkend en ondersteunend medehelpt, ') Hij zal in ons en met ons werken, opdat wij mogen „aangroeienquot;, en komen tot de ouderdomsmate zijner eigen volheid. 3)

„Ik ben de Verrijzenis en het Leven,quot; 6) spreekt de Heiland ; „geloof slechts, stel betrouwen in Mij, — en waret gij dood, geheel dood, toch zult gij levenquot;!

En leeft gij reeds, — ook dan: geloof, betrouw, klem u vast aan Mij, aan Mij, die het Leven ben, de Waarheid en de Weg,7) en nooit zult gij sterven, niet meer sterven, hier beneden, den dood der zonde of der lauwheid, nimmer den eeuwigen dood ter prooi vallen.

O Heer! wat moet ik doen, om tot het leven in te gaan ? 8) Om het terug te bekomen? Om het in mij te bevestigen, te

') Apoc. 3, 15. ') Is. 59, 1. ■) Math. 5, 48. ') 2 ïhess. 3, 3. 5) Eph. 4, 13. ') Jo. 11, 25. ') Jo. 14, 6. 8) Math. 19, 16.

ocr page 12

4

volmaken? Om het tot zijne hoogste kracht te ontwikkelen? ....

Denk na. Behartig. Roep u ivaarheden voor den geest, bekwaam om dooden op te wekken, laat staan sluimerenden wakker te schudden.

Of zijn er zulke waarheden niet?

O jongeling, hoe ryk, hoe onmetelijk rijk is ons heilig Geloof daaraan! Delf in dien zoo milden bodem, breng den vergeten schat weder aan het licht.

En hebt gij nagedacht, hebt gij ingezien, wat uw geluk kan bevorderen, wat daartoe noodzakelijk is, — sla dan moedig de hand aan het werk: roei uit, verniel, voer weg, bouw op, plant, verzorg, bewaak. Verhoogen zal God den wasdom van de vruchten uwer gerechtigheid, l) wanneer gij slechts begint, wanneer het u ernst is, den goeden weg te betreden.

') 2 Oor. 9, 10.

ocr page 13

HOOFDSTUK II.

DE TIJD DEE JEUGD.

. Memento Creatoris tui in diebus

lt;|W||ap juventutis tuae! Eccl. 12. 1.

schoone tijd der jeugd, wat wordt gij door velen slecht begrepen! Tijd van het zaaien, tijd van het JiV' kiemen, lente des levens!

| Gij behoort hem te genieten, dien schoonen tijd. Ja, — genieten, o vriend, opdat hij niet te loor ga voor hiernamaals, wanneer hij de éénige tijd uws levens mocht zijn; opdat hij u rijke winst oplevere, wanneer het u is vergund, ook den mannelijken leeftijd of zelfs een hoogen ouderdom te bereiken . ..

O, spreek niet in den zin der goddeloozen: Komt, laten wij genieten het goede, dat zich aanbiedt, en de schepselen gebruiken in de ras voorbijsnellende jeugd; plukken wij gretig en naar hartelust de bloemen des tijds!

ocr page 14

6

Het betaamt u, dierbare, in die schandelijk misbruikte woorden een hoogen, edelen zin te leggen.

' Behoort den Heer niet elke tijd?

Zoudet gij slechts als man, als grymard voor God wezen?

Ziit eü het minder sl\s jongeling?

Ach' geheel uw bestaan is met de Godheid saamgeweven. Gii zijt van God, door God; voor God; uit zijne handen ont-vingt gij alles; lichaam en ziel, verstand en wil, kracht en gezondheid, geld en goed, tijd en genade. Steeds overal he-hoort gij uwen schepper, op eiken leeftijd, onder alle omstandigheden zijt ge 's Heeren onbetwistbaar eigendom. .

Zoo dicht nog verwijlt ge bij debronne aws levens en reeds zoudet gij haar vergeten, - het onvoorzichtige beekje gelijk, dat den moederstroom verlaat, een nieuwe, eigen bedding zoekt, maar spoedig in het mulle zand des bodems wore

^oTzoudt gij het wagen. God eenmaal de rest van een leven

aan te bieden, dat gij in dienst van andere heeren hebt gebruikt en versleten? ol , Ach! de tijd, welke op de jeugd volgt, gelijkt maar al te

vaak het bezinksel op den bodem des bokaals ...

Gedenk veeleer uwen Schepper vooral in de dagen uwei jeugd. ') „Ik haat,quot; spreekt God, ,den roof aan het brandofferquot; 2)

Thans moet gij God leeren kennen; thans God leeren vreezen; thans leeren. God te beminnen. Hem te dienen, te verheerlijken.

Nog is uw hart niet verdord of versteend, - geen verschroeide of bevroren akker. Nog bezit het groeikracht, levens sappen; alle kiemen neemt het op en levert rijke oogsten.

•) Eccl. 12, 1. ') Is. 61, 8.

ocr page 15

7

Wèl hem, die van zijne jeugd af het juk des Heeren op de schouders droeg! Wèl hem, die zich met blijdschap aan de geboden onderwierp, en met geneugt zich onder de vane des Heiligen heaft geschaard!

Heeft de jongeling eenmaal zijn weg gekozen, dan wijkt hij, ook op lateren leeftijd, niet gemakkelijk daarvan af. Jong gewend, oud gedaan!

En wanneer wilt gij voor de toekomst zorgen, zoo niet thans ?

Hoe zult gij in den ouderdom vinden wat gij in nwe jeugd niet hebt verzameld?

Of wilt gij boosheid saaien ? Weet gij niet, dat hij, die wind zaait, storm zal oogsten?

Niet zoo, mijn vriend! Aanspraak op u heeft Gods heilige Kerk, aanspraak de staat: groei op tot troost van gene, tot heil van dezen.

Recht op u heeft de maatschapjovj: help haar redden, help haar opbeuren. Grij zijt u-zelven aan de menschheid verschuldigd: voed u op voor haar!

Gij hebt recht op u-zelven; geef u dan aan u-zelven, — leg nu den grondslag voor uw toekomstig welzijn.

■ Jongeling, — edel hart, frisch hart, kloek en ondernemend hart, alle banen der gerechtigheid liggen voor u open! Vooruit dan, immer vooruit, — uw blik speurt haar einde niet; God alleen vormt haar eindpaal! Streef onverpoosd naar het hoogste, het beste!

De wereld van stof zij u te eng, te laag: gij zijt tot grooter dingen geboren.

Misken niet een tijd, zoo kostbaar, zoo schoon, zoo rijk in gevolgen, — een tijd — wellicht de eenige van uw leven, dat, mogelijkerwijze, geen zomer, geen herfst zal aanschouwen.

En hebt gij hem tot nu toe miskend, dien schoonen tijd

ocr page 16

8

der jeugd, hebt gij hem verkwist, — o stel dan geen beletsel meer aan de genade, opdat zij uwe jeugd vernieuwe, gelijk die des adelaars! ') Ja, schuw uw vederbos, rep uwe pennen, — en dan omhoog in de eindelooze ruimte der ware grootheid, opwaarts naar de eeuwig stralende zon van alle waarheid, schoonheid, rechtvaardigheid!

■) Ps. 102, 5.

ocr page 17

HOOFDSTUK III.

'S LEVENS HOOGE ERNST.

Occupatio magna creata est omnibus hominibus, et jugum grave super filios Adam. Eccl. 40, 1.

aat u niet op een dwaalspoor voeren, o jongeling, door de lichtzinnigheid van hen, die zich, evenals gij, in de lente huns levens bevinden.

Moget gij, door het Geloof verlicht, het leven in zijn vollen ernst begrijpen.

Ja, ernstig is het leven! Ieder oogenblik van hetzelve draagt dien ernst in luid sprekende karakters op het voorhoofd. Zeg mij, o vriend, wat is dit leven in zich beschouwd? Hoe kort, hoe armzalig, hoe vol gebreken.

De mensch, uit de vrouw geboren, leeft korten tijd; en deez' korte tijd is vol ellende. 1) „Gelijk eene bloeme daagt

') Job 14. i.

ocr page 18

10

hij op, en wordt straks met voeten getreden; vluchtig is zijn bestaan, een schaduwbeeld gelijk, en nooit heeft hij ruste.quot;

En het leven in zijne betrekkingen tot God? Van waar komt gij ?

Heeft een luim van het toeval u op de aarde geplaatst?

Er is geen toeval; want een boven alles verheven, oppermachtig Wezen vormt in der eeuwen reeks de noodzakelijke, met bewustzijn handelende eindoorzaak van alles.

Waar bevondt gij u vóór eenige jaren?

Hebt gij u-zelven gevormd?

Dwaasheid! Niets handelt, vóór het bestaat.

Van waar dus komt gij? — En wie zijt gij?

Gij zijt het iverk van Gods handen.

God sprak eenmaal zijn almachtig: „Fiatquot;! — en gij werdt.

Door eene werking van 's Heeren almacht werd uw lichaam, werd uwe ziel geschapen; een hechte band omstrengelde beide, — en gii werdt mensch genoemd, gij behoordet tot het groote getal van de bewoners der aarde.

Zoo werden ook de bemiddelaars van uw physiek leven, uwe ouders, uit het niet te voorschijn geroepen. En zoo opwaarts: Malaleel was Cainans zoon, Cainan sproot uit Henos, Henos uit Seth, Seth uit Adam, — en Adam was uit God. ï)

Dan, God had zijne inzichten, toen Hij u schiep: Zonder doel kon allerminst Hij, de hoogste, ongeschapen Wijsheid, handelen.

Hij moest u voor Zich-zelf scheppen; want God alleen kan het einddoel van een goddelijk werk zijn.

Gij zijt voor God! Wat wil dit anders zeggen, dan: Het is

') Luc. 3. 37, 38.

ocr page 19

11

uwe taak, op deze wereld God te loven, Hem te verheerlijken, Hem te dienen?

Edele taak, taak boven alle andere gewichtig en eervol! Verheven arbeid, waartoe de mensch door zvjn eigen natuur wordt geroepen! Hoog-ernstige verplichting, rustende op Adams kroost! 1)

En niemand kan zich aan die verplichting onttrekken, daar Gods opperheerschappij zich voor allen uitstrekt. Hij, die op een glanzenden troon is gezeten, en hij, die zich in het stof ter aarde buigt; hij, om wiens schouderen het koninklijke purper golft, en hij, die zich schamel met ruw lijnwaad moet dekken, — allen hebben dezelfde taak te vervullen, dezelfde bestemming te bereiken.

Nog eenmaal: ernstig is onze taak, — de taak onzes levens!

Derhalve: niet voor gemakken, niet voor ijdel tijdverdriif. niet voor spel en geneugt, niet voor scherts en lach, niet voor winst of aardschen roem ben ik hier.

Ik ben een reiziger, doch mijne reize is van zeer ernstigen aard.

„Dienst Gods7' is miine pleisterplaats, mijn doorgangspunt; het einddoel van mim tocht is „God-zelve.quot;

Waarheen richt ik mijne schreden? Mijne pelgrimsreize voert naar de eeuwigheid, naar de overzijde van het graf.

Eenmaal komt de dag, waarop de tente mijns levens zal worden afgebroken en saamgevouwen, gelijk die eens herders, 2) de dag, waarop ik zal ingaan tot het huis der eeuwigheid.

Dus heb ik op aarde geene blijvende woonplaats?

Neen, dierbare! Futuram (civitatem) inquirimus.

Ernstige waarheid! van God, voor God, naar God .. Geest- en hartverheffend denkbeeld, konde ik in u volle waardij omvat-

■) Eccl. 40, 1. quot;) Jez. 38, 12.

ocr page 20

12

ten! Gij zoudet geenszins den alsem der wrokke of des schrooms in den ochtenddronk mijns levens mengelen. Mijn gedrag zou overeenstemmen met den hoogen, heiligen ernst mijner levensopvatting, en een reine, deugdzame wandel kan des pelgrims dagen slechts verzoeten.

Hel gloort de toekomst, welke door geen nevel van ongerechtigheid en door geene vrees voor onvermijdelijke straf wordt verduisterd.

Rein en klaar ligt het verledeyi achter ons, waarboven zich geene wolken der schuld samenpakken, het verleden, waaraan wij niet met schaamte en droefheid moeten terugdenken.

Blijde en gerust, onverpoosd mijn verheven doel vóór oogen, doorleef ik het tegenwoordige.

God — oorsprong, doel en einde! Hij, — mijn eerste, mijn vaderlijke Weldoener, mijn Looner en Loon tevens. Hij — mijn alles — hier en ginds!

Ingaan zal ik tot het heiligdom der kennis en der liefde van mijn God, — ingaan tot Hem, die mijne jeugd verblijdt! ^

') Ps. 42, i.

ocr page 21

HOOFDSTUK IV.

DE ZIEL.

Quid dabit homo commutationis pro 1; anima sua ? Marc. 8, 37.

yjpMI|! waas in hooge mate zou de meening zijn, dat slechts jjhet zichtbare, voelbare, kortom datgene, wat voor de jü* zinnen toegankelijk is, bestaat. In ons bestaat en leeft iets, dat niet met de oogen kan worden aanschouwd, ' niet met de handen betast, van welks bestaan wij ons bewust zijn, welks werkingen wij waarnemen.

Gij denkt, gij oordeelt, gij wilt, gij kiest; dit zijn vermogens van een onstoffelijk wezen.

Uw vleesch omhult derhalve iets, wat niet onder het bereik uwer zinnen valt, in u leeft iets, wat edeler is dan het vergankelijke stof uws lichaams, — iets geestelijks, dat het begrip van rede, oordeel en wil te eenenmale in zich besluit.

Heilige adem Gods! Levenwekkende adem des Drieëenigen!

ocr page 22

14

Ziel, beeld der oneindige Godheid! Kostbaar, uit den Hemel-zelf gesproten wezen! ^ Onvergankelijke schat, onwaardeerbaar geschenk uit de handen eens almachtigen, liefdevollen Scheppers!

Wat is het lichaam, dit huis van leem, 3) vergeleken bij de ziel? Wat zijn de lichamen van alle menschen, ook die van de meest geleerde, behendige, schoone, gezonde en krachtige — in vergelijking bij ééne ziel?

Wat is al het belichaamde, al het stoffelijke des heelals, wat zijn alle scepters en kronen, wat alle schatten der aarde en des oceaans, edelgesteenten en paarlen, goud en zilver, wat zon en maan en sterren — vergeleken bij ééne ziel ?

En in 't bezit van zulk een verheven goed ben ik.

Dwaas, die ik ben! Ik houde slechts van datgene, wat glanst en flikkert, wat mijne tonge streelt, wat heerlijke geuren wasemt, wat zoet-luidend in mijne ooren klinkt, wat de zinnen verblijdt en het lage deel van mijn „ikquot;, het dierlijke, bevredigt!

Ik zwoege voor geld en goed en eer en genot; en mijne ziel, - die misken ik, — die geef ik misschien zelfs den doodsteek, in zooverre ik zulks doen kan.

Waarlijk; toen de mensch hoog in eere stond, heeft hij zijn eigen heil, zijn eigen waarde niet begrepen ; hij heeft zich tot de redelooze dieren verlaagd en is hun gelijk geworden.3)

Zie dat lichaam; hoe misvormd, walgingwekkend!

Geene beweging, geene handelingen; alles koud en stijf. — Wat ontbreekt er aan?

De ziel is er uit geweken en met haar alle schoonheid, alle waardigheid, alle leven. En zoo al het leven, maar een zuiver dievlijk leven, in dat lichaam terugkeerde; ontbiak

') Gen. 2, 7. ') Job 4, 19. s) Ps. 48, 18.

ocr page 23

15

het denkvermogen, de wil, de vrijheid, — was het slechts „instinktquot;, geen oordeel, dat tot handelen noopte; ontbrak, met één woord, de redelyke ziel, — welk een ellendig bestaan zou dat wezen!

Goud, zilver, paarlen, schitteren zij met den heerlijksten glans, — wij kunnen die aardsche rijkdommen verachten, wij kunnen ze met voeten treden, als walgelijk vuil van cns werpen; want de ziel heeft ze niet noodig; de ziel is torenhoog boven alle stof verheven.

En zelfs het lichaam, waarmede wij hier beneden zoo innig nauw zijn verbonden, — wij mogen het haten, verachten, tuchtigen; wij mogen juichen in 't vooruitzicht op zijne ontbinding.

De ziel is de koninginne in het paleis: zij moet het be stieren; zij is de hoog era macht, zij is de reine, de edele, de verhevene, zij is de eigenlijke gebiedster.

Het lichaam is slijk, en tot de wormen spreekt het: „Gij zijt mijne broedersquot;. l) Het is stof, en tot stof zal het vveder-keeren. 2) Verheven, onbeschrijfelijk voorrecht der onstoffelijkheid !

Heerlijke toenadering tot de hoogere wereld, ja tot God-zelf, den eenig ongeschapenen, hoogsten Geest!

Ik heb eene onsterfelijke ziel....

Daarom eindigt voor mij niet alles met den dood. Ik draag eene eeuwigheid in mij, en de groeve, die eens mijn lichaam moet ontvangen, zal nimmer mijne kostbare ziel tusschen haar enge wanden kerkeren. Eerst nu begin ik de vrage des Verlossers te begrijpen: „Wat kan de mensch geven in ruil voor zijne zielquot;? 3)

Eene onsterfelijke ziel, — heur waarde overtreft millioenen

') Job. 17, 14. a) Gen. 3, 19. quot;) Mare. 8, 27.

ocr page 24

16

malen die van gedegen goud en van elke aardsche heerlijkheid. De wereldkloot in deze, eene ziel in de andere schaal, — hoe snel rijst gene omhoog, en verwijdert zich van deze op een afstand, welke dien tusschen tijd en eeuwigheid evenaart!

En nu ook begrijpe ik het zweet, de tranen en het bloed van den God-mensch; Bethlehem, Nazareth, Gethsemani en Golgotha omsluieren zich voor mijn oog niet meer met de nevelen des geheims; ik begrijpe het Kruis, de Kerk, de Sacramenten, het Apostolaat, — alle geschenken van Gods liefde en mildheid, om ons, arme en toch zoo rijke schepselen, ter hulp te komen.

Maar ik begrijpe nu ook de onvermoeide pogingen der hel, om ons van zulk een kostbaar goed te berooven.

Ik begrijpe nu eindelijk beter myj-zelven; — de rusteloosheid, de gejaagdheid van geheel mijn wezen, het smachten van mijn harte naar een volmaakt geluk, den onwederstaan-baren drang van mijn binnenste naar datgene, wat oneindig is en onbegrensd.

Waarlijk, o God, Gij hebt ons vóór U geschapen, en ons hart kent geene rust, totdat het rust heeft gevonden in U!

O jongeling, leer vroegtijdig de waarde uwer ziel beseffen, — vroeg, vóórdat de wereld u een reeks van dwaze vooroordee-len heeft opgedrongen, vóór dat zij door de ijdele glansen van het aardsche slijk uwe oogen heeft verblind; vroeg, — opdat gij reeds nu voor haar zorget en de vervulling van dien heiligen plicht niet roekeloos moget verschuiven naar eene toekomst, die de waarde uwer ziel in geenendeele verhoogt, maar in stede daarvan heure zaligheid steeds aan nieuwe gevaren blootstelt.

ocr page 25

HOOFDSTUK V.

SLECHTS ÉÉN DING IS NOODZAKELIJK.

Deum time et mandata ejus observa hoc est enim omnis homo. Eccl. 12,13.

ij hebt, o^jongelingjjeene onsterfelijke ziel te redden. ^ Die ziel, welke moet worden gered, is uwe ziel. Die ziel, — het is uwe eenige.

Deze, uwe éénige, onsterfelijke ziel moei gij redden; dat is noodzakelijk.

Noodzakelijk voor u is datgene, wat gij zonder plichtverzuim, zonder het einddoel uwer levensreize te missen, zonder ongerechtigheid tegenover G-od en u-zelven te bedrijven niet achterwege kunt laten. God heeft ons slechts voor één doel geschapen: opdat wij Hem zouden dienen.

Dit is de plicht der plichten; geen is duurder, geen dringender.

Alle andere plichten zijn dezen ondergeschikt; — dat zij op

2

ocr page 26

18

hunne beurt plichten zijn, dit is een rechtstreeksch gevolg van den hoofdplicht. Niets kan dringender noodzakelijk zijn, dan God te dienen; van dien plicht kan zelfs Hyj, de Schepper. ons niet ontslaan, daar die plicht ook in ons wezen oorsprong en wortel vindt.

Derhalve, — waarom spreekt gij dwaselijk, vriend, van gewichtige zaken, die uwe dagen en jaren voor zich eischen, u wellicht geen tijd laten, of zelfs verhinderen, het groote werk uwer zaligheid te voltooien?

Nu eens hebt gij dit, straks weder dat te verrichten, nu voor dit, straks voor dat te zorgen. Altijd bezig! steeds buiten adem! — Waarheen? waartoe? waarom?

Moet gij rijk worden? Moet gij u door geleerdheid onderscheiden ?

Moet gij eer en aanzien verwerven? Moet gij een gezond lichaam met u omdragen? Moet gij lang leven?

't Is mogelijk, dat Gods Voorzienigheid den loop der dingen aldus beschikt. Doch zeker, volkomen zeker is het, dat God op de eerste plaats uw dienst begeert, dat Hij u, moget gij rijk of arm, geëerd of veracht, jong of oud wezen, voor den Hemel heeft bestemd. Gij moet uwe ziel tot eiken prijs zalig maken.

Andere dingen mogen goed, schoon, nuttig, aangenaam, mogen eervol en gewichtig zijn; uwe ziel redden, •— die plicht staat hooger dan al het andere, uwe ziel redden, dit is noodzakelijk, wel beschouwd alleen noodzakelijk. Het andere kan eigenlijk worden ontbeerd, vervangen, overtroffen. —

En nu, o dierbare jongeling, schat der liefde uws hemel-schen Vaders, meet met de oogen van uw geest de bane» die gij misschien op deze aard' moet afleggen; tel de Jaren, die u misschien worden toebedeeld: zal dat éénige, wat noodzakelijk is, ooit een anderen vorm aannemen? Zal de vervulling van dien plicht wrel ooit eene onderbreking toelaten?

ocr page 27

19

„Vrees G-od en onderhoud zijne Geboden; want dat is de mensch, dat maakt den geheelen mensch uitquot;; — dat is de mensch zoo wezenlijk als zijne eigen menschelijke natuur; zoolang gij mensch zijt, zult gij u slechts van deze taak hebben te kwijten: God te vreezen, God te beminnen, Hem te dienen, — en langs dezen weg de zaligheid te bereiken.

Laat dan, mijn vriend, datgene ter zijde, of verricht slechts als eene bijzaak van ondergeschikt belang wat minder noodzakelijk is, datgene, waarvan minder afhangt, — het aardsche, het tijdelijke. Toon u wijs, voorzichtig; wees rechtvaardig jegens u-zelven! Aan de schrikkelvjkste gevolgen zoudet gij u blootstellen, wanneer gij den raad van Geloof en Eede ver-wierpt.

Wat baat het den mensch,' de geheele icerdd te winnen, wanneer hij schade lijdt aan zijne ziel? ')

Zie: — slecht e'én ding is noodzakelijk! 2) En — begrijp het wèl, — het haat niets, de gansche tvereld te winnen, wanneer de ziel daarbij moest verloren gaan; hoeveel dwazer dan is het. die kostbare ziel voor eene beuzelarij, voor een handvol gouds, een schaduwbeeld der eere, een oogenblik van geneugt voor eeuwig prijs te geven!

Daarentegen: wat kan 't u schaden, zelfs de geheele wereld te verliezen, wanneer gij slechts uwe ziele wint?

Stellen wij, dat alle kronen der aarde zich op één schedel stapelen, dat alle scepters zich in de handen van één mensch vereenigen, dat alle kostbaarheden der wereld in de schatkamer van een derden samenvloeien, dat alle denkbaar zingenot, alle mogelijke vreugd onder het dak van een vierden gaan zetelen, — terwijl gij miskend, veracht, gehoond, met voeten getreden wordt, terwijl gij de nooddruft ont-

') Math. 16, 26. *) Luc. 10, 42.

ocr page 28

20

beert, honger, dorst en koude lijdt of onder het gloeien der zonne versmacht; wanneer al die schijnbaar bevoorrechten verloren gingen, terwijl gij er in slaagdet, uwe ziel hemelwaarts te voeren: wie had dan gewonnen?

De ziel gewonnen, alles gewonnen: — den Hemel gewonnen, — Gcd gewonnen, — gewonnen voor een eeuwigheid*.

ocr page 29

HOOFDSTUK VI.

HET SMALLE PAD.

Quam augusta porta, et arcta via est, quae ducit ad vitam, et pauci sunt, qui inveniunt earn! Math. 7, 14.

,wee wegen voeren naar de overzijde van het graf: een is de weg der gerechtigheid, de bane van hem, die zijn leven inricht naar de wetten van Rede en geopenbaard Geloof; de andere is een weg der zonde, een weg gekozen door den mensch, die de lusten zijner bedorven natuur inwilligt en zijnen hartstochten bot viert.

Welke van deze paden het smalle is, het moeilijke en daarom ook het minst betredene, dit is voor u geen raadsel.

De stemme der rede, de wet Gods bedwingt de zinnelijke natuur, beteugelt de begeerlijkheid des vleesches, de begeerlijkheid der oogen, den hoogmoed des levens.

Moeilijk is het, zich op een glibberig pad staande te houden; moeilijk, op ruwe steenblokken of in het mulle zand

ocr page 30

22

te wandelen ; moeilijk, zich over scherpe rotspunten en door verraderlijk wondend struikgewas een weg te banen; moeilijk, langs gapende afgronden de hooge kruine te bereiken. — En boven — een enge pas!

Dit is de weg ten Hemel, waarop bovendien machtige roo-vers, satan en icereld genaamd, mij onverpoosd beloeren.

Ik moet mijn eeuwig geluk bewerken. Ik doe zulks, vermijdend alle ongerechtigheid, verrichtende wat goed is. ')

Maar tot boosheid drijft mij de erfvloek, en vnn het goede; dat ik moest verrichten, word ik door mijne zinnelijke natuur verre gehouden.

De natuur spreekt: schep u vermogen, geniet, word groot en vrij !

God spreekt: zoek eerst het rijk der Hemelen, daarna het overige! 2) En: G-ij zult u geene ongerechtigheid veroorloven; gij zult niets doen, wat onrein is; gij zult vader en moeder en overheid eeren. 3)

De natuur vlucht eiken arbeid tot zedelijke volmaking. God eischt: wees volmaakt, gelijk mijn hemelsche Vader volmaakt is. 1) En Jesus verklaart zijnen discipelen: dat het Rijk der Hemelen geweld lijdt, en dat slechts de geweldigen het zullen veroveren. 2)

En: Twee heeren kan men onmogelijk dienen. 3) quot;Wie dei-wereld vriendschap toedraagt is Gode een vijand. ')

Smalle weg, enge poort, die tot het leven voert! 8) Hoe velen wandelen op dat smalle pad? hoevelen dringen door dat enge poortje binnen? 9)

Of velen, of weinigen. — Gij, o vriend, kunt en moet een dier velen of weinigen zijn; want ook tot u is het woord

1

») Ps. 36, 27. ') Math. 6, 33. ') Ex. 20, 15. 14, 12. •) Math. 5, 48.

2

) Math. 11, 12. ') Math. 6, 24. ;) Jac. 4, 4. 8) Math. 7, 14.

3

s) Luc. 13, 14.

ocr page 31

23

gesproken: Let op u zeiven, behoed zorgvuldig uwe ziel! ')

De lafheid verzekert: „Het is onmogelijk.quot; Maar h.oel Deze en gene hebben het gedaan : waarom zoude ik het niet kunnen?

Zij, die jonger, zwakker, meer behoeftig waren dan ik, hebben het bewijs geleverd, datgene te kunnen, wat ik voor onmogelijk beschouw?

De lafheid gaat nog verder: zij verschuilt zich achter den twijfel. Wie weet. zoo spreekt zij, of ik tot de uitverkorenen behoor! Zal ik inderdaad, ook wanneer ik geene moeite spaar, wel behooren tot het getal der gelukkigen, die hun doel bereiken en den Hemel binnengaan?

Dierbare, gij hebt slechts te leven als een uitverkorene, en zeker wordt gij dan met de uitverkorenen zalig!

„Door goede werken verzekert men zijne roeping tot de gastmalen Sions.'

Ja, hoe smal een weg, hoe eng eene poort! en toch, — die weg is noodzakelijk, die poort moet noodwendig doortocht verleenen....

Ik kan niet anders, — ik moet dien weg bewandelen; er is geen andere, die tot het leven voert. „Wilt gij het leven erlangen, zoo spreekt Jesus, onderhoud dan de Geboden.quot; 2)

Wee mij, indien ik den breeden, geplaveiden weg durf kiezen ! Gemakkelijker is die weg, — doch waarheen voert hij ? Aan zijn einde gaapt de vreeselijke hel, dreigt mij een eeuwig duister, een onbeschrijflijk hevige smarte.

Ach, zet nimmer den voet op die bane des verderfs. Gewend veeleer uw voet, o jongeling, aan het ruwe, maar eindelijk toch zoo heerlijke pad van deugd en gerechtigheid, het pad, waarvan wordt getuigd: Zalig zij, die het bewandelen ! 3)

quot;) Math. 19, 17.

) 2 Petr. 1, 10.

■) Deut. 4, 9

ocr page 32

24

Er zijn er ook mülioenen, onder welke, helaas! vele jongelingen, die het breede pad der zonde niet verlaten, en zich schier moedwillig ten verderve wijden, — red gij tenminste uwe ziel, en schrijd, in het gezelschap van Jesus en alle Heiligen, moedig voort op het smalle pad; tracht, kloek van harte, hoog en edel van zin, door de enge poort binnen te dringen. Volhard, o jongeling: aan 't einde des wegs, aan gene zijde der poort wacht u het leven\

ocr page 33

HOOFDSTUK VII.

WAAE GELUK.

Beatus populus, cujus Dorainus Deus ejus! Ps. 143, 15.

ü zoudet gaarne gelukkig zijn, jongeling?

Wie zoude het niet gaarne wezen!

Gelukkig te zijn, het is de vurige wensch van elk onzer. En die wensch, dat onweerstaanbaar verlangen komt van God-zelf; Hij legde ons die begeerte in het hart.

Edoch, het tweevoudige, waaruit ons wezen bestaat, heeft eene verschillende opvatting van het geluk: geest en vleesch begrijpen het ieder op zijne wijze.

Geen wonder: onze ziel is de adem Gods, en daarom streeft zij er naar, zich met hem, het hoogste, oneindige Goed, weder te vereenigen, — hierin der vlamme gelijk, die omhoog flikkert, wijl ze aan de lucht, niet aan den bodem is verwant.

ocr page 34

26

Ons lichaam daarentegen is uit aarde gevormd, en het gevoelt zich aangetrokken tot de aarde, waaruit het voortkwam.

Droevige tweespalt! treurig verschil in neiging, gesproten uit de zonde, voortgeplant door de gemeene erfschuld!

Zóó was het niet weleer, — toen de oorspronkelijke overeenstemming tusschen ziel en lichaam nog niet was gestoord, toen de noodzakelijke onderworpenheid der ziel aan God en des lichaams aan de ziel nog bestond, overeenkomstig de plannen des Scheppers.

Deze overeenstemming en harmonische ondergeschiktheid zooveel mogelijk te herstellen, ziedaar de verheven taak van Rede en G-eloof.

Dat de zinnen, dat het lichaam zich aan de heerschappij des geestes, der ziel onderwerpen, is niet enkel betamelijk; zij kunnen, zij mogen hunne bestemming niet anders opvatten.

De mensch vormt slechts eén wezen, en als zoodanig heeft hij slechts ééne bestemming, één geluk; om deze bestemming te bereiken, om dit geluk te smaken, moeten lichaam en ziel, die te zamen den éénen mensch vormen, zich beijveren, elkander hulp bieden.

Waarin vinden alle valsche begrippen van geluk in deze wereld hun oorsprong? Hierin, dat men naar het woeste geschreeuw der hartstochten luistert, niet echter naar het vermanende woord der ziel, die naar onstoffelijke dingen haakt.

Vanwaar het veelvuldige, onuitsprekelijk groote ongeluk, dat men schier overal ontwaart? Het wordt hierdoor veroorzaakt, dat de mensch naar datgene grijpt, wat hem van zijn doel verwijdert, dat hij zijne bevrediging zoekt in datgene, wat niet bij machte is hem te bevredigen.

Ongeluk treft ons alleen dan, wanneer wij in vijandschap met God geraken, wanneer wij ons van hem afwenden, wanneer wij onze vermogens en al hetgeen ons wezen uit-

ocr page 35

27

maakt aan zijn dienst onttrekken, wanneer wij het doel, waarvoor wij geschapen zijn, miskennen, wanneer wij de middelen om onze verheven bestemming te bereiken ver-waarloozen.

Geluk derhalve is in God en niet elders te vinden; — want geluk is de rust, de vredige kalmte, die een wezen smaakt in het streven naar —, of in het bereiken van zijn einddoel, en in de hierop steunende harmonische ontwikkeling en bevrediging zijner voornaamste en edelste vermogens.

Dit vastgesteld, — is het dan niet gemakkelijk, gelukkig te zijn?

Is het voor den steen moeilijk, te vallen en in weinige seconden het luchtruim over een aanzienlijken afstand nederwaarts te klieven?

Kost het den vogel moeite, zich in de lucht te verheffen, den visch, zich in 't midden der wateren te bewegen ?

Uw element is God: voor Hem zijt ge geschapen. Laat slechts uw hart zijne vrije beweging, — het wil zich in de eindelooze ruimten vermeien, waar het door geene onreinheid kan worden bezoedeld. Gedoog niet, dat het weder afdale tot den slijkerigen aardbodem, waar het zijne ongereptheid niet lang zoude bewaren.

Gelukzaligheid begint hier-beneden met de kennis en den dienst van God, met het verrichten van al hetgeen, waartoe de liefde tot God aanspoort; gelukzaligheid wordt daar-Bo-ven volmaakt, bereikt haar toppunt in de aanschouwing en in 't volle bezit van het oneindige Wezen, dat wij hier beneden begonnen lief te hebben.

Leer vroegtijdig, o jongeling, te welker plaatse gij het waar geluk kunt vinden. Bespaar u eene reeks van noodlottige afdwalingen, van wreede ontgoochelingen, bespaar u een bitteren, misschien te laat komenden rouw.

ocr page 36

28

Gelukkig, alleen gelukkig dat volk, welks God de Heer is! ^ Wie daarentegen zich van den Heer verwijdert, die wordt in het stof geschreven, 2) en verdroogt, wijl hij de vlietende ader der levende wateren roekeloos heeft verlaten.

Gij zoekt eer? uw hart dorst daarnaar?

Groote roem is het, den Heer te volgen. 8)

Gij zoekt rijkdom? — U, o Heer, is alle heerlijkheid, alle macht, alle roem, alle zege; U alle lof, want alles, wat in den Hemel is en op de aarde, behoort IJ toe! U is alle Oppermajesteit, U alle rijkdom, alle grootheid, alle heerschappij !4) Gij zoekt blijdschap, geneugt ? Proef en ondervind, hoe zoet de Heer is! 5)

Mijn arm hart! waarom grijpt ge immer slechts naar een deel van het vurig begeerde? De oceaan is God, de Hoogste, Rijkste, Beste; druppélen zijn geld, roem, aardsche vreugde. Wat goed, waar en schoon is en zijn kan, dat is God, dat is in God, van God.

O diepte der rijkdommen, der wijsheid en wetenschap Gods! 6)

O onmetelijke schatkamer van alle denkbaar geluk! Daarheen richte zich voortaan mijn streven, daarvoor kloppe mijn hart, daar wijle mijn geest, daarvoor ontvlamme mijn wil in geestdrift!

') Eccl. 23, 38. ') Par. 29, 11, 12.

s) Jer. 17, 13. quot;) Eom. 11, 33,

i) Ps. 143, 15. ') Ps. 33, 9.

ocr page 37

HOOFDSTUK VIII.

HET GEOOTSTE ONGELUK.

Sdto et vide, quia malum et amarum est, reliquisse te Dominum Deumtuum.

Jer. 2, 19.

ij spreekt zooveel over geluk, verlangt er zoo

vurig naar, en vermijdt wellicht niet eens het grootste ongeluk, dat er bestaat, — het éénige, ware

i ongeluk.

Dat ongeluk is de vyjandschap met God, den Oorsprong onzes levens, de vijandschap met onzen Heer, onzen Weldoener, ons doel en einde.

En deze vijandschap ontstaat uit de zonde.

Is de zonde zwaar, d. w. z.: is het voorwerp der zonde gewichtig, is zij bedreven met volle kennis en vrijen wil, dan is de breuk met God volkomen en valt de arme ziel den dood ter prooi.

ocr page 38

30

Is de zonde niet zwaar, dan wordt de breuk met God slechts voorbereid; in dit geval sterft de ziel wel-is-waar niet, maar ontvangt eene wonde en wordt krank.

De zonde is eene vrijwillige overtreding van eenig goddelijk gebod, — eene gedachte, eene begeerte, een wöord, eene daad, een verzuim — in strijd met Gods eeuwige wet. De zondaar geeft aan het schepsel de voorkeur boven den Schepper, hij stelt zijn eigen wil boven den goddelijken.

Het wezen der zonde bestaat dus in het verlaten van God en in het handelen in strijd met de raadgevingen der Rede, ons toegevoegd als gidse, en die ons beveelt, het booze te mijden, het goede te verrichten.

Maar — icie is dan God, van Wien we ons door de zonde af keeren ?

Hij is onze Heer, onze Meester. Wij zijn het werk zijner handen, zijn volk en de schaapkens zijner weide. ')

Hij heeft het recht, ons wetten voor te schrijven.

Hij moet dit zelfs doen; Schept God eenig wezen, dan moet Hij voor dat wezen ook een norm vaststellen; en voor het redelijk schepsel kan die norm geen andere zijn, dan God-zélf, de Heiligste, Wijste, het richtsnoer van alle gerechtigheid, of, juister gezegd, de gerechtigheid-zelve.

En wanneer ik vrijwillig en verre van dat richtsnoer afwijk, wat doe ik dan anders, dan spreken: Ik dien U niet!2)

En toch is de Heer zoo groot \ zoo heilig, zoo machtig, zoo oneindig! Zie, wat hij heeft geschapen! Aanschouw het firmament, aanschouw de aarde!

En Hem dient alles-. Voor Hem buigen zich de knieën van al degenen, die in den Hemel, die op de aarde en onder de aarde zijn. 3)

') Ps. 64, 7. !) Jer. 2, 20. :l) Philip. 2, 10.

ocr page 39

31

En ik, — wie ben ik? Wel-is-waar een rijkbegaafd, bevoorrecht wezen, — maar niettemin een schepsel, vergankeii]k, sterfelijk, arm, uit zich-zelf niets vermogend.

En wie is God nog meer?

De beste Vader, wien ik alles verschuldigd ben, in de orde der natuur, zoowel als in die der genade. Wat bezit gij, o mensch, dat gi] niet van God hebt ontvangen, dat gij Hem niet verschuldigd zijt? ')

Ja, zelfs hetgeen ik misbruik, het schepsel, en datgene, waardoor ik het misbruik bega, mijn wil, heeft Hij mij geschonken.

Beklaagt zich dan niet ten rechte die God van liefde in roerende woorden: „Zonen heb ik gevoed en opgekweekt; doch zij stonden tegen Mij op?quot; 2)

Als ik vader ben, waar is dan mijne eere? en ben ik Heer, waar is dan de vrees voor Mij? 3)

Had mijn vijand mij gehoond, Ik zou dien smaad hebben geduld, — maar gij, die met Mij één van zin moest wezen!4) En dan, God haai de zonde, Hij haat niets meer dan haar, en haar alleen. 6)

Alles, wat Hij heeft geschapen, bemint Hij; want hij is goed. 6) De zonde is niet zijn werk. Hij haat de zonde, Hij moet ze haten, — en zulks in die mate, waarin Hij Zich-zelf bemint en beminnen moet. God haat dus de zonde ivezenlijk, noodzakelijk, oneindig.

En gij heuldet met den vijand uws Heeren? uws Vaders? — Gij-zelf waart zijn vijand?

Ja, de zonde is een opstand tegen God, te eenenmale onverschoonbaar, wijl degene, die boosheid bedrijft, met zich

') Oor. 4, 7. ■) Is. 1, 2. ') Mal. 1, 6. ') Ps. 54, 13. s) Wijsh. 14 9. quot;) Wijsh. 11, 25.

ocr page 40

32

het bewustzijn omdraagt: ik zondig voor het Aanschijn van den Alomtegenwoordige; ik zondig, en dit met de wetenschap, dat Hij, dien ik beleedig, over de middelen beschikt, om zijne gesmade Oppermajesteit te wreken.

De zonde is eene ondankbaarheid tegen God, en die ondankbaarheid is zwart en gruwzaam, daar ik geenszins door eigen verdiensten uit het niet te voorschijn werd geroepen tot een bestaan, dat ik, mijn Schepper honende, schandelijk misbruik; — zwart en gruwzaam, omdat God mijn Vader is, omdat Hij te meer aanspraak heeft op mijne kinderlijke gehoorzaamheid, daar Hij, mij tot zijn dienst roepende, juist

hierdoor mij gelukkig wil maken----

O weet en zie, dat het ellendig en vol bitterheid is, den Heer uwen God te hebben verlaten! quot;)

Jongeling, wat zegt uw edel, fijn gevoelig harte van dien hoon, die bittere smart, uwen Vader aangedaan? Gij, zoo jong — een opstandeling? gij — een ondankbare?

Moest vooral niet uw leeftijd aan zulk een gruwel vreemd zijn?

God is u meer dan vader en moeder, — meer dan een vorst, meer dan een leenheer.

O heb vóór oogen en behoud in uwen geest alle de dagen uws levens den Heer, uwen God! zie wel toe, dat gij nooit in de zonde toestemt, en onderwind u niet, een gebod des Heeren te overtreden! 2)

') Jer. 2, 17. ') Job. 4, 6.

ocr page 41

HOOFDSTUK IX.

VEHDEHF DEK ZONDE.

Quasi a facie colubri fuge peccata, et si accesseris ad illa, suscipient te. Dentes leonis dentes ejus, interficientes animas hominum. Eed. 21, 2. 3.

jiW ebt gij 'W'61 ooit ernstig overwogen, welk een gruwel de zonde is?

Moget gij ze, o jongeling, in al hare afschuweli/jkheid | leeren kennen; dit is noodzakelijk, daar u te haren I opzichte een ware, onverzoenlijke haat moet bezielen. Gij mint het schoone: Wat is leelijker, afzichtelijker, dan de zonde, ook slechts in zich beschouwd?

Schoonheid is samenhang, ordelijke verhouding, overeenstemming van den vorm met het wezen. De zonde is afscheiding, tweedracht, onevenredigheid, wanorde.

Gij mint het groote, het edele. Doch wat is lager, schandelijker, onwaardiger, dan de zonde? Zij trekt ons af tot de

3

ocr page 42

34

schepselen, in de schepselen, doet ons tot beneden de schepselen dalen; zij ontrooft ons den adel onzer hemelsche afstamming, verbreekt het ons opgedrukte zegel, dat ons kenmerkte als kinderen van God.

En — diefstal, meineed, doodslag, logen, trouwbreuk, ontucht, laster, ongehoorzaamheid, goddeloosheid, — hoe schandelijk is dat alles, en al hetgeen er mede samenhangt! Hoe onmeedoogend brandmerkt al die boosheid den zondaar, hem eer, goeden naam, aanzien en invloed ont-roovende!

En wanneer het gebeurt, dat dezelfde mensch niet met een dezer afzichtelijke kwalen is behept, doch met verscheidene, met vele, — wat moet hij dan, ook voor zich-zelf, een afschuw zijn!

Van de dieren hebben de meeste slechts ééne bijzondere kwade eigenschap, bijv. nijd, vraatzucht, valschheid, geilheid of koppigheid; doch, helaas! er worden menschen aangetroffen, die met vele en verschillende ondeugden tegelijk zijn behept, en daardoor in het oog van God en menschen afzichtelijk worden.

Dan, de zonde is niet slechts een schandvlek, eene misdaad, iets hetwelk in zich afkeurenswaard is: zij berokkent ons een werkelijk onberekenbaar nadeel.

De zonde berooft u.

Gij waart een heilige; gebeden, aalmoezen, werken van boetvaardigheid, triumphen in den strijd, offers, lijden, verdiensten van alle soort hadden zich voor u tot een onwaardeerbaren schat opgehoopt; ééne zware zonde, — en weg is dat alles, — verdwenen, verloren. — Geeti loon voor al die verdiensten, kwamet gij nu te sterven ....

Gij waant misschien nog, rijk te zijn, goederen in menigte te bezitten, niets noodig te hebben; en gij weet, helaas! niet,

ocr page 43

35

dat gij ellendig zljt en beklagenswaardig en arm en blind en naakt! ')

De vijand heeft zich van al het kostbare, dat gij met u omdroegt, meester gemaakt. 2)

Alle rechtvaardigheid des rechtvaardigen heeft heur waardij verloren, zoodra hij heeft gezondigd; en sterft hy in zijne ongerechtigheid, dan valt hij den eeuwigen dood ter prooi. 3) En kunt gij in staat van doodzonde iets verrichten, wat u op hemelsch loon aanspraak geeft? Neen. Verkeert gij in dien staat, dan zijn al uwe werken onvruchtbaar. Een tweevoudig euvel kwam plotseling op u neder; onvruchtbaarheid en iveduwschap. ^4) Eerst moet de liefde wederom het hart binnendringen; want heb ik haar niet, dan kan mij niets ter zaligheid baten, niets, al gaf ik den armen alles, wat ik bezit, al leverde ik mijn lichaam den brandstapel. 5)

Ontroofd heeft u de zonde den vrede des harten, ontroofd het bewustzijn der vriendschap van God; in u is het al duisternis, verwarring.

Doe wat gij wilt, — maak gejool, zwelg, juich, tracht u-zelven te verdooven: — de doorn zit in het hart;

is de ware blijdschap, het ivare genot, — het schallende lied werd een lijkzang. Kwelling en benauwdheid over de ziel van eiken mensch, die ongerechtigheid doet! G)

Weg is ook de vrijheid; want vrij in den waren, eigenlijken zin des woords, is alleen het kind Gods. De zondaar integendeel is de slaaf van Satan, den wreedsten aller ty-rannen; hij is de dienaar eener harde, heerschzuchtige, nooit voldane wereld, een speelbal van wispelturige hartstochten, een knecht der meest onteerende gewoonten. Zijne arme ziel

') Apoc. 3, 17, ') 1 Cor. 13, 3.

s) Klaagl. 1, 10. ') Rom. 2, 9.

') Ezech. 18, 24.

•) Is. 47, 9

ocr page 44

36

is gekluisterd, — gekluisterd ook zijn lichaam, het willooze werktuig van schandeliike lusten.

Zij, de ziel, de gebiedster der volken, werd weduwe; het eerste der landschappen is cyjnsplichtig geworden! ^

En — sterft gij in de zonde, — dan geen Hemel, geen God, geene zaligheid voor u; alle recht daarop hebt gij jammerlijk verbeurd.

De zonde scheurt los.

Zij rukt u weg van alles, wat goed is.

Zij brengt, hoewel onzichtbaar, eene scheiding te weeg tusschen u en alle goede menschen, die andere wegen bewandelen, naar een ander doel streven; eene scheiding tusschen u en al de overige schepselen, in wier koor gij, zondaar, een schrillen wanklank doet hooren.

Zij scheurt u los van God; want hoe zouden Christus en Belial onder één dak kunnen wonen? 2) Een zondige levenswandel is een gruwel voor den Heer, en Hij is verre van de boozen. 3)

Een scheidsmuur, sterk en hoog, heeft zich opgericht tusschen God en mij, en nachtelijk duister heerscht aan deze zijde.

De zonde doodt.

Is de ziel het leven des lichaams, zij leeft, op bovennatuurlijke wijze, door de genade. Eene zware zonde echter doet de genade verloren gaan; de ziel is dood.

Weg is van Sions dochter' al heur sieraad, 4) en de eerstgeborene des doods roofde al hare schoonheid. 3)

Een dood lichaam, — welk een afkeer boezemt het gewoonlijk in! Maar, eene doode ziel — hoe verschrikkelijk!

■) Klaagl. 1, 1. '1 Oor. 6. 15. quot;) Wijsh. 15, 9, 29. 4) 1, 6.

•) Job 18, 13.

ocr page 45

37

En met zulk een walgend zielelvjk moet ik weken en maanden samenleven?____

Ja, het loon der zonde is de dood, ') — de dood der ziel in dit leven, en hiernamaals — een tweede, eeuwige dood, van welken geene opstanding mogelijk is. — Wee het volk, dat zondigt, het volk, bezwaard door misdaden! wee der ontaarde nakomelingschap, wee den vloekwaardigen zonen!

Begrijpt gij thans, waarom de zonde het grootste, ja het éénig ware ongeluk is?

Getuigt de H. Schrift niet met recht: De rechtvaardigheid maakt de volkeren groot, 2) maar de zonde is een schandvlek der natiën? en: Wie de zonde mint haat zijne ziel? 3)

En aan dit schrikkelijk kwaad, aan de zonde, aan dezen gruwel der gruwelen zoudet gij reeds in uwe jeugd ter prooi vallen ? wilt gij uwe jonge ziel aan de tanden van dit monster prijsgeven ? ....

O jongeling, vlucht toch de zonde als een giftig serpent! Blijf haar verre, anders grijpt zij u. Heure tanden zijn leeuwentanden; zij dooden de menschen. 4)

*) Eccl. 21, 2, 8.

l) Eom. 6, 23. ') Spr. 14, 34. s) Pis. 10, 6.

ocr page 46

HOOFDSTUK X.

VERWOESTINGEN DER ZONDE.

Ne dixeris : peccan, et quid mihi accidit triste? Altissimus enim est patiens red-I ditor. Eccl. 5, 4.

K'-

oudet gij durven zeggen: „Ik zondigde reeds dik-

wijls, en welk kwaad is mij overkomenquot;? Zoude uwe lichtzinnigheid, in betrekking tot de zonde, tegen-

werpingen opperen?

O, hoe ras zoudet gij verstommen, wanneer gij er toe kondet besluiten, kalm uw blik te laten weiden over feiten en gebeurtenissen, zooals Geloof en wereldgeschiedenis ze ons verkonden !

God, de Heer, had eene menigte wijze, schoone, machtige geesten geschapen, bestemd om Hem te dienen en eeuwig gelukkig te zijn. Maar ten tijde der beproeving hielden niet allen stand. Een groot deel hunner stortte zich door de zonde van hoovaardij in het verderf.

ocr page 47

39

De Hemel werd ontvolkt. Gelijk eene bliksemstraal viel Lucifer neder, en hij, en allen, die hem waren gevolgd, werden verslonden door den pas geopenden afgrond der hel. 1) God spaarde de zondige engelen niet; Hij klonk ze in ketenen en leverde ze over aan hunne straf.

Groote God, — welk eene verandering! Werden zij voorheen „engelenquot; genoemd, thans heeten zij „duivelen,quot; en ir; hen vereenigt zich al het booze, leelijke, afschuwelijke, dat zich laat denken.

En dit hun eeuwig ongeluk was het gevolg van ééne, door gedachten bedreven zonde!

Wat moet dan wel de zonde wezen, daar een God, die geheel liefde is, 2) op zoo vreeselijke wijze kastijdt!

Twee menschen, onze stamouders, waren geheel vlekkeloos en volmaakt uit 's Heeren scheppende hand voortgekomen.

Hun verstand werd door het licht der oneindige wetenschap van den Eeuwige bestraald; hun wil keerde zich onverpoosd naar de zonne der gerechtigheid; hun vleesch was vrijelijk den geest onderworpen ; zij gingen vertrouwelijk om met hun Schepper, leefden volmaakt gelukkig in het Paradijs, en waren - mits zij trouw bleven — zeker van cle onsterfelijkheid.

Staat van oorspronkelijke rechtvaardigheid, boven elke beschrijving gelukzalig!

Maar zij doorstonden de beproeving niet. De boom dei-kennis van goed en kwaad bracht hen, door cle listen van het serpent, ten val.

Zie, hoe zij thans Eden verlaten, veroordeeld tot den arbeid, tot het lijden, den dood, gebannen uit Gods nabijheid, veroordeeld tot rondzwerven op de zoo weinig herbergzame aarde!

') Luc. 10, 18. 2) Joh. i, i .

ocr page 48

40

Hun verstand is verduisterd, het lichamelijke drukt als een zware last op den geest, de begeerlijkheid ontwaakt, en uit de aderen des stamvaders vloeit een doodelijk gif in de harten zijner millioenen nakomelingen.

Armoede, gebrek, oorlog, hongersnood, pest, duizendvoudige kommer, tweedracht, logen, verraad, moord, — en der zonde loon; de dood.... maakt niet dit alles de aarde tot een waar dal der tranen?

Eéne zonde slechts, — welke gevolgen!

Zoo kastijdt God zijne lievelingen. Zware, — doch rechtvaardige straf! Rechtvaardigheid is de gordel zijner lendenen; ^ zijne rechtvaardigheid duurt eeuwig, en zijne wet is waarheid. 2)

Is de kastijding zwaar, de schuld is oneindig zwaarder; zelfs in de straffen Gods mengt zich liefde en vaderlijke ontferming.

En is het niet waarschijnlijk, dat meer dan één verdoemde door ééne enkele doodzonde in de hel is gekomen?

Hoe menige knaap, hoe menig jongeling had wellicht zijne eerste zware zonde begaan, toen de dood hem verraste en hem onmeedoogend aan de wrake van Gods gerechtigheid overleverde. Nauw was zij volbracht, die rampzalige daad, nauw was de lelie der onschuld bezoedeld; nog gloeide wellicht de schaamteblos op de jeugdige wangen; nog klopte het misschien met luide slagen, het verschrikte, zich schuldig gevoelende hart, — en de jeugdige zondaar werd vóór Gods rechterstoel gedaagd, hoorde zich de vraag stellen; Waar is Abel, uw broeder? 3) Waar is uwe onschuld? Het bloed des verslagenen schreit van de aarde om wraak tot Mij !

Nog zekerder is het, dat velen in de kerkers der eeuwige

') Is. 11, 5. 8) Ps. 118, 142. a) Gen. i, 9.

ocr page 49

41

rechtvaardigheid zuchten, die minder doodzonden hebben bedreven, dan ik. En — welk lijden verduren zij ! Welk eene verlatenheid! welk eene smart in alle zintuigen! en dat alles — zonder einde!

Ziet gij thans in, wat de zonde is, o jongeling? Is zi] eene kleinigheid, zooals gij u meermalen in den roes van een lichtzinnig leven poogdet diets te maken?

O dwaasheid, te zeggen: „Ik heb gezondigd, en welk kwaad is mij daardoor wedervaren? .... Kent gij dan niet het woord der Schrift: De Allerhoogste is lankmoedig in zijne -vergelding? ') Hij vergeldt zeker, zij het niet onmiddellijk. Wees op uwe hoede: ook u kan de straffe verrassen! Of kan wellicht de arm Gods u niet hereiken? Mijne hand zal ik uitstrekken, spreekt de Heer, en krijg tegen u voeren — met een geweldigen arm, met grimmigheid en verontwaardiging, met ijselijken toorn. 2)

En voeg bij al deze strafgerichten den Zondvloed, die eens de aarde verzwolg en ze rein wiesch van de misdaden van een goddeloos, tot vleesch geworden menschdom. 3)

Beschouw in den geest den vuurregen, die Sodoma, Go-morrha en de overige steden, het vaderland der tegennatuurlijke ondeugden des vleesches, verteerde.

Denk aan de ondankbare kinderen Israels, die wonderen en weldaden zonder tal niet aan God vermochten te ketenen. G-ij weet, welke zware beproevingen hun herhaalde afval op hen deed neerkomen: de slangen in de woestrin, het wrekende zwaard, het verlies van de Arke des Verbonds, het geweld der Philistijnen, de dwingelandij der koningen. Nabuchodono-sor, Antiochus, Titns, de verwoesting van Jerusalem, de verstrooiing van Israël over het aardrijk, de vloek, rustende

') Eccl. 5, 4. !) Jer. 21, ö. quot;) Gen. 6. 12.

ocr page 50

42

op geheel het trouwelooze geslacht, — welverdiende geesels eener straffende gerechtigheid.

O, thans begrijp ik, wat de zonde is!

Ik heb gezondigd, ik handelde misdadig, ik heb boosheid bedreven! ^ Hoor mij, o God, van uit den Hemel! Wees uw volk genadig, dat weder tegen ü heeft gezondigd, en laat het barmhartigheid verwerven !.. .. 2)

!1 Joel. 2. 17.

') Kon. 8, 47.

ocr page 51

HOOFDSTUK XL

ZONDE EN KRUIS.

Ipse autem vulneratns est propter iniquitates nostras, attritus est propter

s|{ Jesus Christus, de ééniggeboren Zoon Gods — bloedend, smachtend, door allen verlaten, eindigt hier door een pijnlijken offerdood een moeilijk oïïexleven.

Gij noemt Jesus uwen Verlosser. Inderdaad: om u te verlossen van uwe zonden kwam de Zoon Gods op aarde, — leefde en leeraarde, arbeidde, leed en stierf Hij.

En kon dan niemand, tenzij een God-Mensch, de schuld uwer zonden delgen? Neen. — De Oneindige was beleedigd, en daarom moest ook de voldoening oneindig wezen.

scelera nostra.

Is. 53, 3.

Illirlaat gi] niet bijwijlen uw oog op een kruis'? — Een verafschuwd strafwerktuig, — een goddelijk Lijder,— AV, wreede nagelen. — diepe, schrikkelijke wonden....

ocr page 52

44

Alleen dus een goddelijk persoon, bekwaam tot lijden in de aangenomen menschheid, kon u van de erfzonde en van den last uwer eigen misslagen bevrijden.

Wie heeft derhalve schuld aan Christus' H. Passie? Gij, — uwe zonde.

Om onze misdaden werd Hij wreed mishandeld, om onze zonden gegeeseld, met doornen gekroond; Hem heeft God bezwaard met den last van ons aller schulden.

Aan den dood heeft hij zich geleverd, en men heeft hem onder de misdadigers geteld; ons aller zonden nam Hij op zich, en Hij bad voor hen, die misdeden. 1)

Den onrechtvaardigen rechter heeft Hij Zich overgeleverd,

— Hij, die onze zonden met Zich op het kruishout nam, opdat wij der zonde zouden afsterven, en der rechtvaardigheid leven, — Hij, door wiens wonden wij genezen werden. a)

Ja, de zonde is oorzaak en schuld, dat Jesus aan het kruis is gestorven; zonder haar zou de kruisdood niet noodzakelijk zijn geweest, en niet plaats hebben gevonden.

De nek van dit schuldelooze Lam torschte de zonden van alle tijden, van alle volkeren, van alle menschen. O — en wellicht wogen juist de mijne het zwaarst!

quot;Wij zijn verkeerdelijk gewoon, de oorzaak van Jesus' lijden en dood alleen bij de joden te zoeken; zij waren slechts de

— zij het ook schuldige — werktuigen; de onzichtbare arm was de rechtvaardigheid Gods.

Hem, die geene zonde kende, heeft God gesteld, in de plaats van ons, zondaren; op Hem wreekt Hij Zich, van Hem eischt Hij voldoening, opdat wij zouden gerechtvaardigd worden in Christus Jesus.

Ziedaar, o jeugdig zondaar, het oordeel Gods over de

') Is. 53, 12. 'j 1 Petr. 2, 23, 24.

ocr page 53

45

zonde; zoo denkt Hij er over, zoo ernstig vat Hij de zonde op, zóóveel kostte zij aan een God. — Overpeins dit, en beween uwe lichtzinnigheid!

Meer nog. Door de zonde hernieuw ik als 't ware Christus' bitter lilden en smadelijken dood.

Ik vernietig, om zoo te spreken, het verlossingswerk. Ware Jesus nog niet gestorven, dan zoude Hij het thans moeten — voor mij, die weder zondigde. Ik veroorzaak, in zooverre mogelijk, een nieuw lijden, een nieuwen dood van Jesus, daar ik misdrijf wat zonder Jesus' uitboeting geene vergiffenis kan vinden.

Wél is Jesus van den dood opgestaan en sterft Hij niet meer; de dood heeft geene macht meer over Hem; ') maar door te zondigen handel ik zoo, of ik aan de vruchten der verlossing geen deel wensch te hebben, of wel Jesus wil 'dwingen, nogmaals van den Hemel neer te dalen, de mensch-heid aan te nemen, te lijden en te sterven.

O mijn Jesus! zoo ware dan ik, rampzalig jongeling, trouwloos genoeg, om U te verraden, onmenschelijk genoeg, om U vóór den rechterstoel, van Annas naar Caiphas, van Pilatus naar Herodes te slepen. U te bespotten, U te geeselen, U met doornen te kronen, U achter Barabbas te stellen, U met den zwaren kruisboom te beladen, TJ daaraan te hechten, U daaraan onuitsprekelijk bitter te doen lijden, U met gal te drenken, Uwe handen en voeten met nagelen. Uwe zijde met eene speer te doorboren!....

Spreek niet, o jongeling: zóó meen ik het niet, zóó handel ik niet. Overweeg zelf, of het niet waar is: uw hoogmoed, uwe onmatigheid, uwe onkuischheid, uw logengeest, uwe traagheid, uwe wraakzucht, uw nijd, mve goddeloosheid, — het

') Rom. 6, 9.

ocr page 54

46

zijn de beulen van Jesus, door wier bemiddeling gij uwe handen doopt in het Bloed van den Zoon Gods.

Het noodlottigste is, dat de vruchten van Christus' Bloed voor mij te loor gaan, — ja, dat het Bloed des Heilands mij tot verdoemenis zal strekken, dat Jesus' kruis zich als een wrekend getuigenis tegen mij zal verheffen. 1)

Geneest het Bloed van het Lam Gods niet, dan maakt het krank; komt het niet als zegen over ons, dan stort het zich als vloek boven onze hoofden uit.

Zóó is het hun gegaan, die eens riepen: Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen! 2)

Wanneer wij zondigen, versmaden wij de genade, en de prijs van deze genade, door ons versmaad, is het Bloed van Christus Jesus; wij versmaden derhalve, wij onteeren, wij treden met voeten Jesus' H. Bloed. 3)

Verschrikkelijke gedachte: Christus' Bloed met voeten treden! Doch, — o smart voor den rechtvaardige— ! wanneer dit kostbare, allerheiligste Bloed niet slechts werd onteerd, doch als 't ware aan de hel werd prijsgegeven?

Vreeselijke waarheid: in de verdoemden triumpheert Satan over het Bloed van den Christus! Dat Bloed immers kleeft aan elke verloste ziel, en deze ziel is door hare zonden dei-hel ter prooi gevallen, en in deze ziel hoont Lucifer, de gansche eeuwigheid door, God, diens almacht, diens goedheid, — Jesus, diens lijden, kruis en Bloed....

Eene ziel, door Jesus' Bloed vrijgekocht, door Jesus' Bloed overstroomd, wordt door God, die niets teerder mint, can zijn ééniggeboren Zoon, aan de hel overgeleverd — ter oorzake van hare zonden! Wat moet dan wel de zonde wezen!...

Kruis en zonde — in welke raadselachtige en toch zoo duidelijke betrekking staan die tot elkaar!

■) Hobr. G, 6. quot;) Math. 27. 33. ') Hebr. 10, 29.

ocr page 55

47

En thans, dierbare jongeling, schouw met aandacht uwen Gekruiste in het brekende oog .... Weet gij nu, wat de zonde is, — of wilt gij het niet begrijpen? — O! dan zijt ge harder dan de rotsen, die bij des Zaligmakers kruisdood openscheurden, ongevoeliger dan de zon, die uit rouwe heur fakkel wilde dooven, hardvochtiger dan de graven, die zich uit droefheid openden.

Ware het zoo, dan zoudet gij op u het woord des godde-lijken Martelaars moeten toepassen: „Weent niet over My, doch over uquot;;1) en: „Wanneer men zóó handelt met het groene hout, wat zal dan met het dorre geschiedenquot; ?...*)

2) Luc. 23, 31.

') Lucas 23, 28.

ocr page 56

HOOFDSTUK XII.

ONTWIJDE JEUGD.

Ossa efus iraplebuntur vitiis adolesoentiae

efus, et cura eo in pulvere dormient.

Job 20' 11'

^I^Proe droevig het lot van den mensch, die in den bloei zijner jaren een boom gelijkt, zonder vruchten, ^ zonder bladertooi!

| Gebroken is de kroon, gebogen de stam, treurig buigen ' zich de geknakte twijgen ter aarde. Zijn loof herbergt geene vogelen meer, zijn schaduw noodigt den moeden pelgrim niet meer tot ruste.

Onzalig doorgebrachte jeugd! vroeg verloren, wellicht nauw gekende onschuld! vroeg ontketende hartstochten! vroeg aangenomen, diep gewortelde, verderfelijke gewoonten!

Alles wordt door den jongeling opgevat met de hem eigen jeugdige frischheid; hij is zelfs in staat, de groote vijandinne, de hel, vurig te omhelzen, zich hardnekkig aan haar vast te klemmen.

ocr page 57

49

Arm hart! eenzaam hart! Wreede wereld, gij belaagt voornamelijk jeugdige zielen, daar gij weet, welke gevolgen het na zich moet slepen, wordt het zieleleven reeds in zijne kiem verstikt, of in zijne eerste ontwikkeling belemmerd!

Zonden van ongehoorzaamheid, van gebroken kinderlijken trouw.

Zonden tegen de vereering, Gode verschuldigd: twijfelzucht, ongeloof; goddeloosheid: geen gebed, laiav gebed, onaandachtig gebed; oneerbiedigheid op heilige plaatsen,1 verachting van de Heiligen, walging van Gods woord, misbruik der Sacramenten.

Zonden van schandelijke, verborgen lusten, van dierlijke ongebondenheid: bezoedeling van de jeugdige verbeeldingskracht, onteering van het jeugdige denkvermogen, ontwijding van het jeugdige lichaam, verspilling der jeugdige krachten. — Duistere, bodemlooze afgrond, waaruit giftige dampen opstijgen! Schande boven alle begrip, boven alle uitdrukking! De eene dag verhaalt den anderen die schande, de eene nacht roept ze den anderen luide toe ....

Zonden van een laag welbehagen in spijze en drank: onmatigheid, snoepzucht, overdreven tafelgeneugten, achterstelling van al het edele, reine, onstoffelijke.

Zonden van traagheid: verzuim der plichten van staat, afkeer van den arbeid, tijdverspilling, matelooze uitspanning, matelooze rust, speelwoede, leeswoede, gebrek aan ernst.

Zonden van hebzucht: ontrouw, bedrog, diefstal in groote en kleine zaken.

Zonden van /zoo^moed: ijdelheid, aanmatiging, overschatting van eigenwaarde, adeltrots, geldtrots, hoogmoedig zijn op talenten of lichaamsschoonheid; zich overal inmengen, heersch-zucht, kwalijk begrepen vrijheidsliefde, onbuigzaamheid, verwerping van eiken teugel.

Zonden van liefdeloosheid: miskenning der rechten van den

4

ocr page 58

50

evenmensch, ijverzucht, onverdraagzaamheid, bitterheid; tweedracht, haat, wrok.

En wanneer ik nu kwam te sterven, wanneer ik vruchteloos mijne hoop had gesteld op een lang leven? — Zoo jong, en — in de hel!

En wanneer ik niet thans sterf, maar spoedig. — ivat heb ik dan voor God gedaan, — voor den Hemel, — voor het eeuwig leven?

En wanneer het mij vergund is, lang te leven, is dan toch niet een groot deel van mijn bestaan hier op aarde t;er?om? ? en zullen niet mijne komende jaren overeenstemmen met zoo rampzalig een begin ? zullen ook niet mijne beenderen overvloeien van de zonden mijner jeugd ? en zullen deze mij niet op den voet volgen, tot de dood mij nedervelt?

O, hoe moeilijk is het, om te keeren, wanneer de voet zich eenmaal aan het breede, effen pad heeft gewoon gemaakt!

Waarom heb ik het zoover laten komen? waarom niet vroeger naar de stemme van mijn geweten geluisterd, waarom niet vroeger den beteren weg gekozen?

Arm hart, eenzaam hart, ledig hart! gij moet tot den Heer uwen God terugkeeren! De leemte moet worden aangevuld, niet met ellendig slijk der aarde, niet met zingenot, dat gij van de wereld moet afbedelen, niet met nieuwe misdaden, waardoor gij den ondergang van uw zielegeluk zoudet voltooien ; — met de stoffe des geestes, van het goddelijke, met heiligheid moet gij die leemte aanvullen.

O God mijner jeugd, met wien ik nog slechts door den band eener flauwe herinnering ben verbonden, — wat is er van mij geworden zonder ü?

U, de bronne des levenden waters, heb ik verlaten, en mij putten gegraven, die geen water houden! 2)

') Job 20, 11. ') Jer. 2. 13.

ocr page 59

Bij Egypte's troebele stroomen heb ik mij nedergezet, ') en door hunne onreine wateren werd mijn dorst nog meer geprikkeld!

ü, zuivere bron des levens!2) wie voert mij tot u terug, opdat mijne jeugd weder verblijd worde? 3)

En het overschot van dezen bloeitijd, welks offer ü zoo aangenaam is, wien zoude het anders gewijd zijn dan U, den God mijns harten en mijn deel in eeuwigheid?4)

') Jer. 2, 18.

') Ps. as, 10.

•) Ps. 42, 4.

') Ps. 72, 26.

ocr page 60

HOOFDSTUK XIII.

DE HEL.

Ducunt in tonis dies s\ios, et in puncto ad informa descendunt. Job. 21. 13.

diÜ^jr'

'teil[jongeling, er is eene hel. en zij is diep en verschrik-kélyjk.

||^ Alleen de dwaze spreekt in zijn hart: Er is geene hel; lL zulk een spreekt ook: Er is geen God. ^

En zoo spreekt hij, te laf zijnde, ora zich uit den poel der ondeugd op te beuren; zoo spreekt hij, met zich het kwellende bewustzijn eener zware schuld omdragende, vervuld met schroom voor de wrake van dien God, welks bestaan hi] poogt te ontkennen, wetende dat eenmaal de hel vermetel geloochend, hem onmeedoogend zal verslinden.

Ja, er is zulk eene plaats der vergelding der straffe in de andere wereld.

■) Ps. 13, i.

ocr page 61

53

Wanneer en waar zoude anders het kwaad zijn volle loon vinden ?

Is God dan alleen barmhartig en niet rechtvaardig? Maar in God zijn alle eigenschappen volmaakt, oneindig.

En de Verlosser der menschheid, de Zachtmoedige, Milde: — Hij, de ongeschapen waarheid, die logen en overdrijving haat, — Hij spreekt zoo duidelijk!

Daar zal gehuil zijn en knarsen der tanden. 1)

Daar wordt het vuur nimmer uitgedoofd, daar sterft de worm niet. 2)

Weg in de uiterste duisternis!3)

Gaat van Mij, vervloekten, in het eeuwige vuur .... 1) In het Evangelie spreekt Jesus vijftien maal over het hel-sche vuur.

En hoort gij den verworpen vrek weeklagen: Ik word gepijnigd in deze vlammen'?*') en vader Abraham: Er is eene klove ontstaan tusschen u en ons, welke niet kan worden overbrugd? 2)

Ja, — eenmaal breekt de nacht aan, waarin niemand meer kan arbeiden: 7) geen tijd meer, s) en dus ook geene boetvaardigheid; ter plaatse, waar de boom is gevallen, zal hij 1 blijven liggen; 9) zij brengen hunne dagen in geneugten dooi, en in een oogenblik dalen zij ter helle. 10)

En ach! hoe schrikkelijk is het, in de handen van den levenden God te vallen! 11)

Verterend vuur, ontstoken door Gods rechtvaardigen toorn! Vuur, — slechts geschapen om te pijnigen, en om 's Heeren onveranderlijke oordeelen te voltrekken!

Rusteloos, eeuwig, afó^cZbrandend vuur! Vuur in de inge-

a) Mare. 9, 14. quot;) Luc. 16, 26. quot;gt;) Job. 21, 18.

•) Math. 25, SO. ') Joh. 9, 4. '•) Hebr. 10, 31.

*) Math. 25, 41. 8) Openb. 10, 6.


1

') Math. 8, 12.

2

') Eccl. 11, 3.

ocr page 62

54

wanden, vuur in alle beenderen en ledematen, vuur in de aderen, vuur in de zintuigen, vuur in het hart, vuurzee, vlammenpoel!.... ')

Vuur zal ik in uw binnenste ontsteken.... 2)

Wie van ons zal kunnen wonen met en in dien eeuwigen gloed? 8)

Onverzadeliike, nooit rustende worm I immer knagend geweten ! addertonge, die eeuwig doodt!4)

Ik kon, — ik moest! wat al middelen om mijn doel te bereiken stonden mij ten dienste! wat al genaden, wat al vermaningen! hoeveel tijd tot bekeering en boete!

Vreeselijke duisternis! De zonne der genade is ondergegaan, het eeuwige licht uitgedoofd... zwarte nacht, somber duister! Zonder God — de gansche eeuwigheid!

Gaat van mij!5) — En God alleen is licht, — is leven, — is waarheid, — is rijkdom, — is schoonheid!....

Verdwenen zijn de schepselen met hun armzalig zingenot, — verdwenen de wereld met hare schijngoederen; — en toch moet uw hart genieten, toch moet het beminnen, — daarvoor is het geschapen. En Hij, het éénig goed, — is voor u niet meer bereikbaar, nu al het overige is ontvloden!

Gaat van Mij! — Gij zijt niet meer mijn volk e), Ik ben niet meer de uwe!

Zonder God! dus eeuwig doelloos? eeuwig hongerend? eeuwig dorstend? eeuwig in het duister tastend? eeuwig arm, eeuwig verweesd, eeuwig zonder liefde, eeuwig ongelukkig?! ____

Rechtvaardig zijt gij, o God, en al uwe oordeelen zijn rechtvaardigheid! 7)

quot;Welverdiend loon van dezulken, die in hun leven tot God

') Openb. 20, 9. s) Math. 25, 16.

') Ezech. 28, 14. quot;) Os. 1, 9.

3) Is. 83, 14. ') Job. 20, 10

;) Ps. 118, 137.


ocr page 63

55

spraken: Ga weg van ons; den weg uwer geboden willen wij niet betreden. G-a . ..

Gaat weg, gij vervloekten!

Dus volkomen ontstentenis van alle geluk; o toestand van niet te beschrijven rampzaligheid!

En deze hel, met haar vuur, haren „wormquot;, hare duisternis, kan dengene verslinden, die slechts ééne doodzonde bedreef.

Breekt de draad uws levens, dat teere spinrag, dan zijt ge voor eeuwig verloren, — mocht uwe ziel ook slechts door ééne zware zonde zijn bezoedeld:

Ééne doodzonde, — ééne hel; duizend doodzonden, — duizend hellen.

De pijn der verdoemden is geëvenredigd aan hunne schuld en strafwaardigheid.

En den hoogmoedige wacht zijne hel; en den hebzuchtige de zijne; en den onkuische de zijne; en den ongehoorzame de zijne, en den leugenaars, den meineedigen, den lasteraars, den vloekers, den dieven de hunne.

Boeten zal een ieder voor alles, wat hij heeft misdaan;') naar de menigte en verscheidenheid zijner zonden zal hij worden gepijnigd.

En jong, zeer jong kan men in de hel komen, — zoo jong, als men tot de zonde bekwaam is.

O God, — een kind in de hel; een knaap in de hel; een jongeling in de hel! in de hel tusschen duivelen, tusschen misdadigers van alle soort, tusschen moordenaars, giftmengers, overspeligen, honden2) der ontucht, afgodendienaars, meineedigen, woekeraars — tusschen het uitvaagsel van alle tijden, van alle plaatsen, van alle standen, van eiken leeftijd!

En in de hel — voor eeuwig!

') Job 20, 18. ') Openb. 22. 15.

ocr page 64

56

Nimmer leniging, nimmer bevrijding, - alti/jd nieuwe, altijd oude smart....

Heer, Gij zijt rechtvaardig; vreeselijk zijt Gij, en wie zal U wederstaan?1)

Erbarm U, o God, over uw volk!') O! zeng hier, in dit leven, pynig nu, maar heb medelijden (jwds, in de eeuwigheid !

•) Ps. 75, 8.

'J Joel 2, 17.

ocr page 65

HOOFDSTUK XIV.

DE EEUWIGHEID.

Ibit homo in domum aeterni-tatis suae. Eccl. 12, 6.

P eeuwigheid, eeuwigheid, o eeuwigheid! Onnaspeurbaar geheimenis ! 'Onpeilbare diepte, onmetelijke ruimte, onbe-reikbare hoogte!

|« Laat uw blik weiden, o vriend, over dien oceaan

1 zonder stranden; peins over dien dag zonder avond, over dien nacht zonder morgen ; werp uw schietlood in dien bodemloozen afgrond.

Duizend jaren, millioenen jaren, — welk een tijd!

Maar de eeuwigheid kent geene getallen-, altijd opnieuw aanvangende, nooit onderbroken, vormt zij eene eindelooze reeks van elkander opvolgende tijden, — een altijd vlietenden, in zich-zelf mondenden stroom.

En zie, — deze eeuwigheid is te eenenmale onveranderlijk.

In haar is alles bestendig, blijvend. Eeuivige rijkdom,

ocr page 66

58

of eeuwige armoede; eeuwige eer, of eeuwige schande; eeuwig geluk, of eeuwige ellende.

Zij zullen heerschen in alle eeuwigheid.1)

Zij zullen dag en nacht in eeuwigheid worden gepijnigd.2) G-eene vermindering van geluk, geene vermindering van straf. Hetzelfde oneindig geluk — eeuwig; dezelfde vreeselijke straf — eeuwig. Welk een niet te malen wellust! welk een lijden!

En op ieder oogenblik der eeuwigheid smaakt de gelukzalige den geheelen wellust der geheele eeuwigheid, — terwijl de verdoemde onafgebroken de geheele pijn der geheele eeuwigheid moet lijden.

Ja, ook de hel duurt eeuwig. Zulks getuigt Degene, die spreekt: Hemel en aarde zullen vergaan, doch mijne woorden zullen niet vergaan.3)

Erkent gij hierin niet de hoogste wijsheid ? Kon God, u een vrijen wil schenkende, u beter helpen om uw doel te bereiken, dan door u te eener ziide den eeuivigen Hemel, ter andere de eeuwige hel voor te houden, en het u, den redelijken mensch, hierdoor als 't ware onmogelijk te maken, bij het doen uwer keuze ook slechts te weifelen? Water en vuur heeft u de Heer voorgezet; strek de hand uit naar hetgeen gij begeert. 4)

Wat is natuurlijker'? Afgekeerd van God was uw wil op het oogenblik, toen gij ophieldt een reiziger der aarde te zijn; afgekeerd blijft hij immer; want gij zijt aan het doel uwer reize gekomen, en derhalve in een staat van onveranderlijkheid.

Van deze stonde af is alle berouw vruchteloos — of, beter gezegd, ondenkbaar, wijl gij in het booze moet verharden, wijl u alle genade, die slechts voor dit leven is bestemd, wordt onthouden.

Openb. 22, 5. 2) Openb. 20, 10. 3) Mattli. 24, 35. •) Eccl. 15. 17.

ocr page 67

59

Wat is rechtvaardiger'? De beleediging van het oneindige Wezen, — want dat is de zonde, — verdient eene oneindige straf. Oneindig moet die straf wezen, en daar zij voor u, het niet oneindige wezen, slechts oneindig kan zijn voor wat den duur betreft, zoo komt er aan de hellestraf geen einde, en heerscht er in dat oord van eeuwigen jammer eene uiterste l) duisternis, waaruit geen terugkeer tot het licht mogelijk is. — O! bedrieg u-zelven niet: God is groot, 2) — ook in de werken zijner rechtvaardigheid!

En Christus' dierbaar Bloed — is het niet van oneindige waarde ? Zijne onteering — en de zonde onteert het — eischt eene oneindige straf. Eeuicig schreit het om wraak voor Gods troon; eeuwig doet het zijn toorn tegen den zondaar voortduren.

Wij beseffen niet volkomen de pijnen der hel, daar wij niet bekwaam zijn, het oneindige van 's Heeren majesteit te begrijpen; daarom ook beseffen wij noch de oneindige boosheid der zonde,, noch de oneindigheid van de haar volgende straf.

Vreeselijke gedachte: — in eeuwigheid geen geluk! in eeuwigheid de wrake van een God!

Dus geene schemering der hope? Neen. Hoop zou de hellestraf doen ophouden, — de hel zou dan niet meer bestaan. Juist de eeuwigheid is het eigenlijke wezen der hel...

En nu, overweeg het, o jongeling: Zort geneugt, — eeuwige straf! de slechte daad van een oogenblik, — een eeuwigheid! ras voorbijsnellende, in dartelheid en schaamteloos zingenot doorgebrachte jeugd, — algeheele onveranderlijkheid in de plaatse der eeuwige vergelding!

O, welk eene kracht kunnen wij in de ure der bekoring uit deze gedachte putten! Maar dringt zij zich als van-zelf

') Math. 8. 12. 3) Ps. 88, 8.

ocr page 68

60

op aan den geest, waarin nog een vonkje van 't oude geloof bleef gloren, — de onstuimigheid der hartstochten verdrijft haar al te gemakkelijk. Dan stapelen zich wolken op voor het oog onzes geestes, dan vermogen zelfs de stralen van het helderste licht niet meer tot ons door te dringen. Dan wordt onze blik te eenenmale beneveld, dan omsluit de horizon van ons oog slechts aarde en vleesch en stof en tijd... Geen wonder, dat ook uw doen en laten het kenteeken der veranderlijkheid draagt, niet echter het onuitwischbare merk der eeuwigheid, den stempel van het bovenaardsche.

Ingaan zal de mensch in het huis der eeuwigheid!1)

Klein hart, waarom toeft gij hier beneden, — waarom verheft gij u niet reeds thans in die onmetelijke ruimte, bestemd om eens uwe woning te zijn?

Hoe lang nog zult gij eng en klein blijven? hoe lang nog ij delheid en begoocheling minnen ? 2) hoe lang nog u dooide nevelbeelden van het tegenwoordige laten verlokken? hoe lang nog roekeloos uw oog van het hemelsche en eeuwige afgewend houden ? ....

') Eccl. 12, 6. Ps. 4. 3.

ocr page 69

HOOFDSTUK XV.

DE HEILIGE VREEZE GODS.

. Timor Domini prin cipium

sapientiae! Prov. 1.7.

od is groot, oneindig groot: ') Schepper van alle dingen; Heer van alle wezens; oneindig in al zijne eigenschappen, in majesteit en heerlijkheid, in heiligheid en goedheid, in macht en wijsheid, in rechtvaardigheid en goedertierenheid; Hij, de alleen uit Zich-zelf voortgekomene; Hij, de Aanbiddelijke, de Beminnelijke, de Hoogste, de Beste; Hij, de alleen Lofwaardige: zijne grootheid is onmetelijk. 2)

Niemand is U gelijk, o Heer! groot zijt Gij, en groot in kracht is uw heilige naam; wie zoude U niet vreezen, o Koning der volkeren? 3)

) Ps. 47, 2. =) Ps. 144, 3. ') Jer. 10, 6, 7.

ocr page 70

62

Wat ons vooral met heiligen schroom, met die heilzame, kinderlijke vrees moet vervullen is, dat God, uit kracht zijner natuur, het goede loonen, het kwade straffen moet, dat Hij een ieder overeenkomstig zijne werken moet vergelden. ')

God moet zoo willen handelen, en wil het. Hij straft zonder aanzien van persoon of stand; Hem verblindt geen schijn, Hem genaakt geen vleier. Hem ontroert geene menschfelijke schoonheid. Volgt niet immer hier-beneden de straf, eenmaal toch treft zij den zondaar.

God heeft ons geboden, het kwaad te mijden en het goede verrichten; door beloften en bedreigingen heeft Hij aan zijn gebod nadruk bijgezet. Zal Hij die beloften vervullen, die bedreigingen volvoeren? — „Ik ben de Heer, en in Mij is geene verandering!quot;

God vreezen, dat wil zeggen: zijne grootheid met bewondering erkennen, zijnen beloften en bedreigingen geloof schenken, met uiterste zorg alles vermijden, wat den toorn van dien machtigen God konde opwekken.

Geene, slaafsche vrees moet u het leven verbitteren: ten opzichte van God moet gij de vreeze van een rechtgeaard kind gevoelen, dat er hoogen prijs op stelt, de tevredenheid te verwerven en het misnoegen te voorkomen zijns vaders, die teedere liefde aan wijze gestrengheid paart.

Inderdaad: zulk eene vreeze is het begin der wijsheid, 2) — de grondslag van elke betering des levens, eene schutse tegen den terugval in het kwaad, de zuurdeesem aller deugden.

Allengs neemt die schroom het karakter van liefde aan, en beide, met elkaar vereenigd, elkander volmakend, elkander doordringend, vormen eene liefhebbende vrees en eene vree-

') Eom 2, 6. ') Spr. 1, 7.

ocr page 71

63

zende liefde, welke te zamen de kroon des eeuwigen levens vlechten.

O, vrees God, christen jongeling! de orkaan der hartstochten woedt, de baren welven zich boven uw hoofd; — Heer, red ons, wij vergaan! 1) Gij hebt een sterk anker van noode; zulk een anker is de vreeze Gods.

Vrees God, o jeugdig hart, en verlaat den weg der boosheid, waarop gij verdwaaldet; de oordeelen Gods zijn een diepe afgrond! 2) Snel tijdig tot den Barmhartige, opdat gij niet den onverbiddelijk-Rechtvaardige in handen moget vallen.

Vrees God, o jonge ziel; — en is, ten tijde der bekoring, de liefde niet meer sterk genoeg om u van het booze af te houden, laat u dan breidelen door de trees; denk aan den Alziende, aan den Rechter van levenden en dooden, en verstik uwe lusten onder het kleed eens heiligen schrooms.

Frees God, dierbare jongeling, — vrees Hem meer dan de wolven, die uwe onschuld belagen, en u misschien zelfs door bedreigingen verschrikken. Hun gehuil verstomt, hunne tanden verliezen dra hunne /cracW; maar de stemme van Gods toorn klinkt eeiavig, en zijne straffende hand blijft zich immer boven de verdoemden bezwaren.

De wijze vreest, en wijkt van het kwaad; 3) de dwaas daarentegen bekreunt zich hierom niet en is vermetel.

') Math. 8, 25.

'-) Ps. 35. T.

;l) Spr. 14. 16.

ocr page 72

HOOFDSTUK XVI.

DE TIJD.

Ecce — breves anni transeunt, et semitam, per quam non revertar, ambulo. Job 16, 23

koopprijs der eeuwigheid is de tijd.

i4 In den tijd kunnen wij God verwerven; derhalve rnag van den tijd worden gezegd, dat hij eene goddelijke waarde heeft.

! Door den tijd kunnen wij God verwerven; want de

tijd is het leven, en het leven bestaat uit handelingen. Deze handelingen nu zullen eenmaal de weegschaal der Eeuwige Rechtvaardigheid te linker of rechter zijde doen overslaan.

Kostbare tijd, die, gelijk eene schaal de kern, de eeuwigheid, ja God-zelf omsluit!

De tijd is de brug, welke voor u het niet met de eeuwigheid verbindt.

ocr page 73

65

Door den tijd moet gij ter eeuwigheid gaan.

De tijd is de genade, ja de grootste genade; want van hem is elke genade afhankelijk. Geef een verdoemde tijd, — en hij is gered; geef een Heilige des Hemels tijd, — en hij klimt hooger in zaligheid, in luister.

De tijd, o jongeling, bestaat uit jaren, maanden, weken, dagen, uren, minuten.

De tvjd is kostbaar, dus zijn ook de uren, de oogenllikken kostbaar. Kostbaar is de dag van heden, kostbaar dit uur, dit oogenblik; want uit zulke oogenblikken bestaat de tijd, evenals een goudklomp uit vele goudstofjes. Wel beschouwd is niet het komende oogenblik kostbaar voor u, — want eerst moet gij het beleven; evenmin het achter u liggende, — want het is onherroepelijk voorbij. Alleen het tegenwoordige is in hooge mate kostbaar; het tegenwoordige moet gij op prijs stellen, kunt en moet gij u ten nutte maken: het is uw tijd!

Nopens het verleden zegt de rechtvaardigheid ■. het is mijn eigendom ; nopens de toekomst de Voorzienigheid: zij behoort my toe; — op het tegenwoordige echter laat de barmhartigheid rechten gelden.

Tijd, zoo kostbaar en beslissend, waarom vliegt gij zoo snel en toch zoo ongemerkt voorbij?

Ik vestig mijn oog op u, en reeds zie ik niet meer datgene, wat ik vóór een oogenblik nog meende, vast te houden. Eeeds maakte zich het verleden van het tegenwoordige meester; de toekomst is nu het tegenwoordige, en in het tegenwoordige vloeien verleden en toekomst samen.

Uw blik weidt over een stroom: de golf, die gij zoo even zaagt, is reeds niet meer ter plaatse, waar gij ze hebt waargenomen. Door een andere werd zij verdrongen, voortgestuwd; geen toeven, geen stilstand.

ocr page 74

Zie, — de korte jaren, zij ijlen voorbij, ') en ik bewandel een weg, waarop ik niet kan terugkeeren.

Onze dagen hier op aarde zijn een schaduw gelijk. 2)

Als eene bloeme daagt de mensch op, en ras verdwijnt hij, gelijk een schaduwbeeld.

Wat is ons leven? Rook, welken men een oogenblik ziet, en dan reeds niet meer. 3)

Gelijk een schaduw is ons leven, en gelijk een bode, die voorbijsnelt; en gelijk een schip, hetwelk, door de golven dei-zee gedragen, zich voortspoedt en voren achterlaat, die onmiddellijk worden geëffend; en gelijk een vogel, van welks vlucht men in het luchtruim geen sporen ziet; en gelijk een pijl, achter welke de lucht zich onmiddellijk sluit.

In rassche vlucht zien wij ons leven voorbijtrekken, onze dagen, onze uren, onze oogenblikken; zij alle vloeien saam en monden uit in den oceaan der eeuwigheid.

Zoo vervliegt de kindsheid, zoo vervliegen de jongelingsjaren, — altijd sterker zwelt de stroom des tijds, altijd onstuimiger dringen de golven voort, altijd dichter naderen zij den oceaan; — en de wijde zee is daar, vóór gij er aan denkt. —

O vluchtige tijd. staak voor een oogenblik uw rennen! Vruchteloos, uw geroep wordt door het bruischende golven-heir overstemd ....

O verloren tijd, keer terug! — Vergeefsche roep; uit den oceaan is geen terugkeer der golven mogelijk.

O jaren, die ik als knaap heb doorgebracht, gij, die mij wreed mijne onschuld roofdet, keert terug! — Te vergeefs.

O jongelingsjaren, waarin ik heb verzuimd, mij voor de toekomst te bekwamen, keert terug. — Te vergeefs.

■) Job 16, 23. ') 1 Paral. 29, 15. a) Job 14, 2.

ocr page 75

67

O tijd mijner jeugd, waarin ik weinig of niets voor den hemel heb gedaan, keer terug! — Te vergeefs.

In lediggang verspilde dagen, keert terug! — Te vergeefs

Verbeuzelde oogenblikken, doelloos doorleefde oogenblikken , niet voor de eeuwigheid gebruikte en daarom nuttelooze oogenblikken, keert terug! — Te vergeefs.

Door zonden ontheiligde oogenblikken, keert terug. — Te vergeefs.

O herfst van mijn leven, gij, die met gevleugelden voet op den barren winter toeschrijdt, verkeer in lente!

O gele bladeren, door den vorst van de boomen geschud, wordt knoppen! — Tevergeefs! tevergeefs!

Ik bewandel een pad, waarop geen terugkeeren mogelijk is. ')

En die tijd, welke zich in onstuimige vaart naar de zeeën der eeuwigheid spoedt, zijt gij-zelf, o jongeling; gij drijft in de golven, met de golven altijd voort.

Eén slechts is blijvend en onveranderlijk,2) — Hij, van wien en door wien alle tijd is; Hij, die ons den tijd heeft geschonken; Hij, van wien en door wien wijzelven zijn, — God, de Eeuwige, de Onveranderlijke.

Begeert gij, in het midden van dien woesten, immer voorthollenden stroom des tijds een rustpunt te vinden? Klem u dan vast aan God.

Dan zal de tijd u alleen omspoelen, niet medeslepen-, en sleept hij iets met zich voort, dan is het slechts het aardsche, wat gij met u omdraagt, en dat bestemd is om te vergaan. Het beste is in veiligheid.

I

die

■

der i on-slks een .

nze

tam

ngs-on-i zii aan

ien! yen-

den

O jongeling, laat den tijd u niet ontglippen; stel hem op

') Job 16, 28. ') Ps. 101, 28.

ocr page 76

68

hoogen prijs, weet hem te bewaren: Spoedig misschien is er ook voor u geen tijd meer. 1)

Pleeg geen bedrog op den goeden dag, welke u nog is toegestaan, en laat ook niet het kleinste deel der goede gave ongebruikt. 3)

2) Eccl. 14, 14.

^ Openb. 10, 6.

ocr page 77

HOOFDSTUK XVII.

VERONTSCHULDIGINGEN DES ZONDAARS.

Non declines cor meum in verba malitiae, ad excusandas excusationes in peccatis. Ps. 140, 4.

ilr

afheid en boosheid pogen zich-zelf en God diets te maken, dat de zonde kan worden verontschuldigd. Het verleden moet later, de toekomst vooruit gerechtvaardigd worden.

Zondaar! slechts die verontschuldigingen hebben waarde, welke eenmaal in de stonde uws oordeels door den eeuwig-rechtvaardigen Rechter zullen worden aangenomen. Alle andere zijn begoocheling, zelfbedrog.

Vooral de Jeugd is vindingrijk in die soort verontschuldigingen, en legt den armen jongen jaren datgene ten laste, wat misschien juist ter oorzake van de jonge jaren zwaarder zal worden gestraft.

ocr page 78

Beklaagt gij u over de strengheid der wet, waarvan de overtreding u tot misdadiger maakt?

En toch is die Wet slechts de uitdrukking eener edele, ons door God ingeschapen natuur.

Het gebod is het richtsnoer eener handeling. Elk richtsnoer is eene maat, en wal eene geschikt voor hetgeen moet worden gemeten, daar elke maat op verhouding berust, 's Hee-ren gebod moet derhalve in de juiste verhouding tot ons staan, anders kan het geen richtsnoer der handelingen voor ons wezen.

Kan er nu nog sprake zijn van strengheid of zelfs van onmogeliikheid?

Luister, o jongeling, naar het woord des Wetgevers-zei ven; Het gebod, dat Ik u heden geve, is niet boven u, noch verre van u verwijderd. Het is niet boven in den Hemel. Het is niet ginds, aan de overzijde van den oceaan, doch geheel naast u, aan uwe zijde, in u, om u heen is het woord van mijn gebod, dat gij zult vervullen! ')

Luister naar den Heiland der wereld: Mijn juk is zoet en licht mijn last, 2)

En de Apostel; Gods geboden zijn niet moeilijk. 3)

En wat antwoordt gij op het voorbeeld van Christus? wat op het voorbeeld der Heiligen'? wat, meer in het biizonder, op het voorbeeld van zoovele jeugdige Heiligen?

En de dienst der wereld ? — vereischt deze wellicht geene offers? Och, wat al getroost men zich om eer, geld, roem en invloed te verwerven! — O eenzijdigheid! o lafheid! o liefdeloosheid tegenover een God, die met zijne heilige Wet toch alleen ons welzijn beoogt!

De mensch klaagt verder over de verlokking van de schepse-

') Deut. 30, 11, 14. ') Math. 11, 20. ■1) Joh. 5, 3.

ocr page 79

71

len. Bezit lokt, roem lokt, geneugt lokt; — 't is waar. Doch — wat zijn de schepselen} Zijn zij ons doel en einde? Voorzeker niet: veeleer zijn zij het middel om ons doel te bereiken, — derhalve, van ondergeschikte orde. — Hoedanig zijn de schepselen ? IJdel, broos, vergankelijk. Zij komen op den stroom des tijds aangedreven, en de golven, die hen droegen, slepen hen ook weder met zich voort. De gedaante dezer aarde vergaat. ')

Ik ben nog zoo onervaren, spreekt gij, het ontbreekt mij aan inzicht, aan eene voldoende mate van wilskracht; daarbij de lichtzinnigheid der jeugd, de macht der gewoonte, de verleiding van het voorbeeld...

O jongeling, wees oprecht! Zoudet gij dat eenmaal uwen goddelijken Rechter in het aangezicht durven zeggen ? Anders zoo hoogvliegend, zoo prat op uwen geest, uwe talenten, zoo zelfstandig, zoo kloek en ondernemend, zoo ijverzuchtig op karakter en eere; en nu zoo klein, — een kind, eene pop, een speelbal...

Zijt gij onervaren, — vul dan uw gebrek aan inzicht en ervaring aan door het inzicht en de ervaring van anderen en door het licht van Boven, dat gij door een vurig gebed op u doet afdalen. Immers, de goede geest wordt niemand onthouden, 2) die er vurig om bidt! — Hebt gij geene ouders en overheden? Hebt gij niet, — kunt gij niet hebben een geestelijk leidsman en verzorger? Zijt gij onervaren, geloof dan dezulken, die ervaring bezitten; laat u waarschuwen, onderrichten, leiden.

Zijt gij zwak, — tracht dan steun te vinden. Steun op anderen, die uwe ziel kunnen en willen helpen. Steun vooral ook op God. Waarom zoo nalatig in het gebed ? waarom zoo

') Oor. 7, 31. s) Luo. 11, 1

ocr page 80

72

traag in het goede ? waarom zoo karig in het ontvangen der H. Sacramenten? O bron, die alle wonden heelt! O bad, waarin de zieke nieuwe krachten vindt! O hemelsche lafenis van den moede! O alvermogende sterking van den macht elooze!

Zijt gij lichtzinnigt Gij bemerkt, dat gij het zijt, en wilt, des ondanks, niet ophouden, het te wezen? Gij wilt niet op uwe hoede zijn? u-zelven geen geweld aandoen?

Het voorbeeld verleidt u: — waarom blikt gij altijd in de schaduw, in stede van in het licht? Apostelen, martelaren, belijders, zwakke maagden, jongelingen, knapen, kinderen, — o wolk van getuigen, 1) — lichtende, stralende, gloeiende wolk, — daal neder, overschaduw dezen kleingeloovige, en laat hem zien en gevoelen, wat de mensch met God, door God Haddet gij, o Heiligen, gesproken als deze kleingeloovige, dan zou de Hemel nog ledigstaan, dan waren zijne tronen nog onbezet!

De gewoonte .... wie heeft u met dezen band omstrengeld ? Hij, die het heeft gedaan, moet hem ook verscheuren. Hij, en niet een ander, hoort ge? Hij verscheure, oreke hem, wanneer hij niet meer kan worden ontknoopt. Over geweld kan men slechts door geweld zegevieren.

En mijne hartstochten! — Hoe bruist het bloed in mijne aderen! hoezeer gloeit mij het voorhoofd! mijn hart klopt met hoorbare slagen, mijne gedachten jagen in wilde vlucht door elkaar! Ik zwicht voor de macht der begeerliikheid!

Doch waarom kweektet gij uwe hartstochten op ? waarom liet gij ze overmoedig worden?

Wees man; grijp de teugels en laat ze u niet meer ontglippen, hoezeer ook het ros van weerspannigheid en woede schuimen moge. Wapen u tegen u-zelven, — en gij zi/jt meester en blijft het.

') Hebr. 12, 1.

ocr page 81

73

Trouwens, o mijn jongeling, gij kunt, — niet slechts omdat gij moet, maar ook omdat gij inderdaad almachtig zijt, waar het uw zieleheil geldt.

Waret gij in dien strijd op leven en dood aan u-zelvm overgelaten, dan zoudt gij moeten schromen; — maar — de Heer is bij u, met u, in u.

Ja, ik vermag alles in Hem, die mij sterkt! ') Alles! — o troostrijk woord! Zoo is de genade machtiger, dan mijne zwakheid; haar invloed krachtiger, dan die van het voorbeeld; zij is onstuimiger, dan de orkanen mijner jeugd; zij is vuriger, dan de gloed mijner hartstochten; zij is geweldiger, dan het geweld der gewoonte; zij dempt de afgronden van mijne onwetendheid en van mijn gebrek aan ervaring; zij sloopt alle heuvelen mijner moeilijkheden. In haar en door haar zal ik de hoogste muren overklimmen a).

Genade, genade, — almachtig, gelijk God-zelve, met u en door u vermag ik alles!

8) Ps. 17, 30.

') Philipp. 4, 13.

ocr page 82

HOOFDSTUK XVIII.

TERUGVAL IN DE ZONDE.

Fili, peccasti? Non adjicitas iterum.

Eccl. 21, 1.

J|M|: eeds een enkele doodzonde is boven alle begrip af-schuwelijk, boos en nadeelig.

En in dit ongeluk stort hij, die in de zonde terugvalt, zich opnieuw. Dit hateliike wezen der zonde werpt hij zich opnieuw in de armen.

Nauwelijks heeft God hem vergiffenis geschonken, of reeds keert de oude vijandschap terug; de boeien der zonde worden opnieuw geklonken, en nogmaals wordt 's Heeren lankmoedige rechtvaardigheid vermetel getart.

Menschelijk opzicht, lichtzinnigheid, valsch vertrouwen op eigen krachten, het opzoeken der gelegenheid, het verzuimen der middelen, lafheid in de bekeeringen — ziedaar de gewone oorzaken van een ongeluk, grooter naarmate God daardoor wordt beleedigd, naarmate de ziel daardoor aan volslagen ondergang wordt blootgesteld.

ocr page 83

75

God schonk u vergiffenis; — deed Hij zulks, opdat gij Hem opnieuw zoudet beleedigen?

Hoe vaker, na bekomen vergiffenis, de krenking zich htr-haalt, des te dieper is telkenmale de wonde, het liefdevolle hart van een God geslagen.

In stede van dankbaar te zijn, vergeldt gij goed met/ctfaacZ; het is, alsof gij in de bekomen verzoening nieuwe krachten vondt om God weder aan te vallen.

Ondankbaar is het, eene weldaad niet te vergelden; ondankbaar, ze te vergeten; nog ondankbaarder, het goede met kwaad te loonen; maar het toppunt der ondankbaarheid heeft degene bereikt, die zich van de weldaad-zelve als een wapen bedient.

En gebeurt zulks niet bij den terugval in de zonde, waartoe juist de barmhartigheid Gods en zijne vergevingsgezindheid u schijnen aan ze sporen ?

In stede van uw woord te houden, dat zoo vertrouwbaar en heilig scheen en zijn moest, wijl anders uwe schuld niet kon worden gedelgd, neemt gij het terug, breekt het op snoode wijze, antwoordt den Heer met trots en overmoed.

In stede van met de genade mede ts werken, in stede van het opnieuw verworven recht op den Hemel niet meer te laten ontglippen, miskent gij die onwaardeerbare schatten, verscheurt met misdadige hand de pas ontvangen oorkonde uwer vergiffenis.

Maar — bedenk toch, hoe groot, hoe oneindig kostbaar de genade is!

Zij is eene gave des Hemels.

Zij is eene gave, gesproten uit het zweet, uit het Bloed van den Christus.

Zij is eene gave, die den Kemel-zelf in zich besluit, daar de Hemel de prijs der gebruikte genade is, en voor ons

ocr page 84

76

te heerlijker vormen aanneemt, naarmate wij met de genade getrouwer medewerken.

Overweeg verder, wat de Hemel is.

De Hemel is de zalige eeuwigheid en eeuivige zaligheid, dat is: God-zélf, de Hoogste, Beste, Beminnelijkste.

Voor een handvol gerst, voor een kruimel broods hebt gij Mij verlaten, ') zoo beklaagt zich God door den mond zijns Propheten. Aan die beuzelarijen geven wij dus de voorkeur boven den Hemel, boven het nimmer eindigende bezit van God!

In stede van u te verheugen in de terugverwerven vriendschap van God, in stede van die vriendschapsbanden steeds nauwer toe te halen, zoudet gij daaraan opnieuw verzaken?

Is elke vriendschap heilig, hoeveel heiliger nog de herstelde vriendschap! Hier wordt nog meer toegenegenheid gevorderd, nog onwankelbaarder trouw geboden.

In stede van God vuriger lief te hebben, daar Hij u zoo bereidvaardig en veel vergaf, vuriger, naarmate Hij u meer heeft vergeven, stapelt gij weder schuld op schuld, misdaad op misdaad.

Trouwens, ons-zelven berokkenen wij door den terugval in de zonde het grootste nadeel.

Der zonde waren wij afgestorven, 2) en thans leven wij opnieuw voor haar en in haar.

Aan de hel waren wij ontrukt, en nu staan wij opnieuw aan den rand des gapenden afgronds.

Van satans ketenen waren wij bevrijd, en opnieuw smachten wi] nu in duisteren kerker, en zwaarder dan ooit drukt op ons de slavernij van den wreedsten aller dwingelanden.

Weggedreven was de zwarte wolk, opgeklaard de hemel

') Ez. 13, 19. quot;! Rom. 6, 2.

ocr page 85

77

I

van ons gemoed; vroolijk blikte het uitspansel op ons neder, — en nu — alles weder somber; nieuwe onweders komen aan de lucht, het geweten dondert ons luider dan ooit zijne verwijtingen toe, en onze ziel, hare oude wegen opzoekende, ^ is boven alle beschrijving laag en afzichtelijk geworden.

En waarom hadt gij toen aan deze en die zonde verzaakt ? Schijnt ze u thans niet meer zoo verachtelijk?

Welke verandering heeft plaats gegrepen? — In de natuur der doodzonde geew, in het schandelijke des subjects geme\ in den aard der gevolgen geene.

God haat nog immer de zonde, en vooral deze zonde ; nog gaapt, vreeselijk als immer, de hel u tegen; nog is de dood zeker, geheel zeker, — en te eenenmale onzeker zijn uur.

O — zijn wij op onze hoede, dat wij niet door onze trouweloosheid schatten des toorns opstapelen voor den dag der vergelding! 2)

Zijn wij op onze hoede, dat het ons in 't einde niet erger worde, dan in den aanvang!

„Geef acht, dat u niet bereike de Heer, de Wreker van alle boosheid; Hij, die wraak neemt op zijne vijanden, en de volheid zijns toorns op dezulken, die Hem wederstaan, doet neerkomen!quot;

Geef wel acht, dat Hij niet uwe afzichtelijkheden op u werpe, en u niet tot een voorbeeld stelle! 3)

„De grond, welke zich gretig drenkt met den vaak neder-plassenden regen, en toch slechts distelen en doornen voortbrengt, is een verworpen grond, den vloek geheel nabij.quot;

Beter ware het voor dengene, die in de zonde terugvalt, geweest, den weg der rechtvaardigheid nooit te hebben gekend, dan een oogenblik den goeden weg te hebben bewan-

') Eom. 2, 5.

'j Nah. 3, 6.

gt;) Jer. 2, 30.

ocr page 86

78

deld, om daarna weder op het breede pad des verderfs terug te keeren. en te verzaken aan het heil, hem toebedeeld. In hem wordt het spreekwoord bewaarheid: De hond keert terug tot zijn uitbraaksel, en: Het zwijn, nauwelijks gewasschen, wentelt zich op nieuw in het slijk. ')

Wanneer ik datgene, wat ik heb afgebroken, weder opbouw, dan stel ik mij tot een overtreder. 2)

O, mijn zoon, — hebt gij het ongeluk gehad, te vallen? Zondig dan niet meer! 3) Het zij, in stede daarvan, uw onvermoeid pogen, het misdrevene te herstellen; bid den Heer uit den grond uws harten, dat Hij u vergiffenis schenke.

Allerminst verwacht God van uw jeugdig hart, dat gij Hem zult buitensluiten. Wees edel! wees teergevoelig! wees dankbaar!

Zie, thans hebt gij de gezondheid terug bekomen; en nu zondig niet meer, opdat u niet wat ergers geschiede.4)

2) Gal. 2, 18.

:') Eccl. 21, 1.

4) Joh. 5, 14.

1) Petr. 2, 21, 22.

ocr page 87

HOOFDSTUK XIX.

DE GEWOONTE.

Vae, qui trahitis iniquitatem in funi-culis vanitatis, et quasi vinculum plaustri peccatura. Is. 5. 18.

_ nellende ketenen dan die der slechte geivoonten zijn

pT5^ er niet.

/jvfiv Eene zonde is meermaals bedreven. De tusschen-ruimten, na welke zi] terugkeert, worden kleiner. De zich telkens herhalende terugval sleept de gewoonte na zich. Eerlang wordt de zonde onmisbaar, en trekt zij ons aan met een schier demonisch geweld. Eene zonde kan, om zoo te spreken, een deel worden van ons leven, van ons dagwerk, — ja zij kan ons zoo vast omstrikken, dat zij bijna het karakter eener noodzakelijkheid aanneemt, en dat ons leven eene reeks van misdaden wordt.

Welk een toestand! De rede verduistert allengs. Het kan zoover komen, dat men het kwade goed en het goede kwaad

ocr page 88

80

noemt, •) dat men er zich op beroemt, sterk in de boosheid te zijn.

Het geweten vermaant allengs zwakker en slechts bij lange

tusschenpoozen.

De wil verzwakt meer en meer; eindelijk rest hem geen schaduw van heerschappij. De kroon is van het hoofd gevallen, de scepter uit de hand. De vazallen hebben zich tot zelfstandige vorsten gemaakt, zij omhangen zich met den ontwijden koningsmantel, zetelen trotsch op den veroverden troon, en geven van daaruit hunne bevelen.

Geeft de hartstocht slechts door het geringste teeken te kennen, dat hij bevrediging wenscht, dan levert zich de ziel zonder wederstand aan zijne onreine omhelzing. Ja, men schrijdt den vijand zelfs te gemoet, men werpt zich uit vrije beweging in zyne armen, men verlaagt zich dermate, dat men hem welkom heet, en hem met vreugde opneemt.

Welk een toestand!

Als met een gewaad heeft de zondaar uit gewoonte zich met den vloek bekleed, en gelijk water is de vloek in zijn binnenste doorgedrongen, en gelijk olie doorstroomt hij zijne beenderen. 2)

De vloek, de onzalige gewoonte, is in zijn binnenste doorgedrongen: geheugen, verbeeldingskracht, denkveimogen,

't is alles daarmede vervuld.

De vloek, de onzalige gewoonte, is hem als 't ware een levenselement geworden. Zij neemt bij hem de plaats in van het geloof, dat eindelijk voor de aanvallen en leugens van den hartstocht moest wijken. Die heillooze gewoonte wordt zijn éénige hoopwant de zoete hoop op het bezit van de goederen des Hemels heeft hij vóór lang reeds opgegeven. De liefde, de ware, reine, edele liefde, de liefde tot den Schep-

1) Is. 5, 20. quot;-) Ps. 108, 18.

ocr page 89

81

per is dood; in zijne rechten hebben de schepselen zich ingedrongen.

De gewoonte is gelijk een gewaad; zij is gelijk een gordel,, welke de lenden omsloten houdt; ') zij wil u niet meer loslaten, zij is met u bijna vereenzelvigd.

De gewoonte is gelijk het water van de snel-vlietende bergbeek, — wild, onstuimig, alles verwoestend.

De gewoonte verbreidt zich als olie, steeds dieper doordringend en onuitwiamp;chbare vlekken achterlatend.

Welk een toestand!

Voortdurend, honderdvoudig, duizendvoudig sterven! Honderdmaal ontbonden lichaam, — graf, dat zich nimmer sluit, steeds wijder wordt, altijd dieper in den modderpoel wegzinkt, der hel immer meer nabij komt!

En deez' rampzalige toestand is tot eene tweede natuur geworden; men zondigt schier onafgebroken voort, en dit met genoegen, en eerlang zonder gewetenswroeging, en met eene soort van woede, en met uitdagenden trots ...

Wee dengenen, die de ongerechtigheid trekken met koorden van ijdelheid en de zonde als met dikke wagenzelen! 2)

En groeit niet met het aantal ook de hoosheid der zonde?

Wordt niet immer het subject der zonde grooter, — de neiging om te zondigen vergroot zich altijd; üe goede wil ova zich te beteren verzwakt; men zondigt steeds gemakkelijker, — wordt allengs bekwaam om nog dieper te vallen.

Gij bemint altijd meer uwe zonde, hecht u steeds nauwer aan de schepselen; — en toch, — gij zijt u daarvan bewust, — maakt gij u zeiven daardoor rampzalig, — misschien voor de eeuwigheid!

Buiten kijf is de gewoonte oorzaak, dat minder op de zonde wordt gelet. Men wordt blinder; de buitengewone gratiën wor-

') Ps. 108, 19. quot;-) Is. 5, 18.

6

ocr page 90

82

den zeldzamer, de neiging tot de zonde wint in hevigheid. Maar ~ wie is hiervan de schuld? Wie heeft zich op deze helling gewaagd? wie heeft het licht der rede doen verzwakken? wie heeft den wil van zijne vrijheid beroofd, hem schandelijk aan zijne vijanden overgeleverd? wie heeft de stemme des gewetens trachten te smoren? wie heeft de genade verstoo-ten, ivie houdt ze verre van zich verwijderd?

En het gevaar van dezen toestand!

Het is inderdaad nog grooter, dan het gevaar, door eiken anderen staat van zonde opgeleverd. Erg genoeg is het, wel-is-waar, dat ik, schuldig aan slechts ééne doodzonde, ieder oogenblik eene prooi der hel kan worden. Maar — nog ben ik niet verhard in de boosheid; nog leen ik volgzaam het oor aan den roep der genade; ik begrijp, dat ik ten prijze van eenige moeite mij-zelven uit het slijk der zonde kan opbeuren.

De gewoonte doet ons allengs de vatbaarheid voor indrukken verliezen; zij maakt ons verstokt, verleidt ons tot een hoogmoedig bejegenen van God-zelf, brengt er ons toe, zijne schrikkelijke oordeelen te trotseeren.

Verfoeilijk de mensch, die de misdaad gelijk water drinkt! ^

En stel u dan een mensch voor, die zich reeds als knaap, als jongeling aan den dwingeland aller dwingelanden, aan eene slechte gewoonte, verkoopt. Vvjf, tien jaren zijn voorbijgesneld, - nog geen einde! Slaaf te zijn, vijf, tien, dertig jaren lang, — welk eene vernedering!

Hoe kan zulk eene slavernij zelfs het natuurlijk goede in den mensch vernietigen, — het gemoed verwringen, het karakter misvormen, het hart een doodelijk venijn instorten, de ziel met walgelijke melaatschheid bezoedelen, het merg

i) Job 15, 16.

ocr page 91

83

uit de beenderen zuigen, zelfs het lichaam met onreinheid vervullen en het tot een pestbuil der menschheid maken!

En dan — welk een terugblik in dien zwarten chaos van een schandelijk verleden!

Niet te ontwarren kluwen! Afgrond in den afgrond! En, o vreeselijk einde, — op het sterfbed ! — — O jongeling, heb medelijden met uwe ziel! ')

Alles staat hier op het spel, — dus moet ook alles gewaagd.

O Heer, beur mij op uit het slijk, opdat ik er niet in weg-zinke; dat de draaikolk mij niet naar beneden sleure, dat de diepte mij niet verslinde, en de afgrond zijnen muil niet boven mij sluite! 2) Heer, — gedoog het niet!

1) Eccl. 30, 24.

•!) Ps. 68, 15, 16.

ocr page 92

HOOFDSTUK XX.

UITSTEL VAN BEKKERING.

Non tardes converti ad Domimim, t et ne differas de die in diera.

Eccl. 5, 8.

^S^etgeen misschien aan uw terugkeer tot God in den weg staat is de vrees voor het moeilijke der bekeering, en de lichtzinnigheid.

Hoe zal ik, zoo spreekt gij, deze of die zonde kunnen vermijden? deze of die gewoonte kunnen afleggen?

Het kan moeilijk wezen, — onmogelijk is het niet; thans hebt gij nog tijd en genade.

Wilt gij met de genezing wachten, tot de wonden nog dieper zijn ingevreten? — Elke nieuwe misslag voegt bij de oude wonden eene nieuwe en rijt de oude weder open, maakt de passie vermeteler, de begeerlijkheid sterker; ontrooft uw verstand een graad van helderheid, uwen ruil een graad van

ocr page 93

85

sterkte, vervreemdt u meer van God, belemmert den stroom zijner genaden, klinkt de slavenketenen van satan en wereld vaster, maakt den tooverkring, waarin zondige lusten ons gevangen houden, enger.

Die ketenen te verbreken, dien kring te ontvluchten, is heden gemakkelijker dan morgen, — morgen gemakkelijker dan overmorgen.

Gij kunt, wanneer gij wilt. En waarom? Omdat gij moet. — God wil elk oogenblik, dat uw staat van zonde een einde neme; gij zijt elk oogenblik verplicht, in de vriendschap met God terug te keeren, uwer bestemming meer nabij te komen, uw doel te bereiken.

Wilt gij u inderdaad eenmaal bekeeren, doe het dan spoedig, doe het dan nog dezen dag.

Dwaas, die ik ben! waarop durf ik rekenen? — Ik zoude mij over jaar en dag, na verloop van zoo- en zooveel weken, zoo- en zooveel dagen willen bekeeren, en weetniet eens, of het mij vergund zal zijn, den avond van dezen dag te aanschouwen?

Ik zoude mij op het sterfbed willen bekeeren, en kan niet eens zeggen, of dit niet de stoel zal wezen, waarop ik neder-zit; de hodem; waarop ik sta; het leger, waarop ik mij heden avond ter ruste zal uitstrekken; de siraai, waarop ik morgen zal wandelen, de reiskoets, het schip, die mij van de eene plaats naar de andere moeten voeren!

Er is gesproken: „Nu, mijne ziel, hebt gij in overvloed wat goed is; geniet en wees blijde! de toekomst is verzekerd.quot;

Gij, dwaas! nog dezen nacht zal die ziel van u worden teruggevorderd; en wat gij bereid hebt, wien zal het toebe-hooren? l)

') Luc. 12, 20.

ocr page 94

86

Wat is zekerder dan de dood, de slechts eenmaal te sterven dood?

En wat is meer onzeker dat het uur, de ivijze, de plaats, waarop gij zult sterven?... Vreeselijke onzekerheid!

Jaarlijks sterven ongeveer zes-en-dertig millioen menschen; dus ongeveer drie millioen per maand, honderd duizend per dag, vier duizend honderd zes-en-zestig per uur. Zonder eeni-gen twijfel zal ik eenmaal tot hun getal behooren, 't is niet mogelijk, te ontkomen; — ik kies daarom het zekerste en houd mij bereid.

Ik houde mij bereid; want mij eerst voor te bereiden, dit konde te laat zijn, daar de dood geene boden zendt, daar hij onverwacht mijn levensdraad kan afsnijden.

Weet, dat de dood alles met u deelt, — woning, legerstede, tafel, stoel, bad en reize; want te midden van strikken wandelt gij

Gij zijt jong, 't is waar; maar — hoeveel jonge lieden bevinden zich onder die zes-en-dertig millioen lijken? — En waar is deze of die uwer jonge bekenden?

Wie sprak er u borg voor, dat gij den mannelijken leeftijd, of zelfs een hoogen ouderdom zult bereiken ? Zie — als door uw schaduw wordt gij door uwe lijkkist op al uwe schreden gevolgd; mogelijk omsluit zij reeds morgen uw jeugdig, ontzield lichaam.

Niet alle vruchten brengt de gloed der zonne tot rijpheid, niet alle vruchten plukt, -na lang wachten, de zorgzame hand des tuiniers; een zeer groot aantal worden, nog hard en groen, door den storm afgerukt, — liggen vergeten in het stof, worden door den voet eens voorbijgangers vertreden.

O draag zorg, dat zich altijd olie in uw lampje bevinde,

') Eccl. 9. 20.

ocr page 95

87

de liefde namelijk; beijver u, in staat van genade te blijven, opdat niet geheel onverwacht de Bruidegom verschijne, en gij, te laat komend, evenals de divaze maagden wordt uitgesloten en afgewezen met de woorden: „Ik ken u niet!quot; ') Vermeet u nooit, te zeggen; 's Heeren goedheid is groot. Hij zal zich over de menigte mijner zonden ontfermen. Ontferming en rechtvaardige toorn gaan van Hem uit en treden ras nader, en den hardnekkigen zondaar treft de blik zijns toorns. Draal niet, tot uwen Heer terug te keeren, en stel het niet van den eenen dag tot den anderen uit; want plotseling kan zijn tocrn over u losbreken, en ten dage zijner wrake verplettert Hij u !

i) Math. 5, 12.

ocr page 96

HOOFDSTUK XXL

VERSTOKTHEID EN VERMETELHEID.

, Impius, quum in profundum venerit

peccatorum, contemnit. Spr. 18, 3.

| oude ik mij wellicht thans nog niet tot God willen f/*quot; bekeeren, omdat Hij goed is?

Hoe? omdat God goed is, zoude ik slecht mogen zijn? — Durft gil zoo de schatten zijner goedheid en lankmoedigheid miskennen, verachten? Weet gij niet, dat de goedheid des Heeren juist beoogt, u tot boetvaardigheid te brengen?

Welk rechtgeaard kind zal voor de liefde zijns vaders dermate onverschillig zijn, dat het die liefde telkens door nieuwe krenkingen bedroeft?

Welk edel-gezind onderdaan zal de genade zijns vorsten, die hem tot nu toe grootmoedig vergaf, tot een nieuwen trouwbreuk, tot een nieuwen opstand misbruiken?

ocr page 97

89

Omdat God goed is, liefderijk, lankmoedig, vergevingsgezind, moet ook ik goed zijn, dat wil zeggen: ik moet zijne liefde op haar rechten prijs weten te schatten, de genade gebruiken, voor de lankmoedigheid des Heeren zwichten.

Gij zegt: God schonk mij reeds zoo dikwijls vergeving; ook later zal Hii dit doen, ook later zal Hij mij in zijne armen sluiten, aan zijn vaderhart drukken.

Gij schijnt niet te weten, o vriend, dat ook Gods lankmoedigheid te uwen opzichte hare grenzen heeft. Op dit oogenblik stroomt zijne genade u nog rijkelijk toe; want zie — hoe helder het thans wordt in uwen geest! welk eene ontroering gij in uw harte bespeurt! hoe sterk gij u weder voelt aangetrokken tot den God uwer jeugd! — Doch later?

Evenals God meester is over den tijd, zoo is Hij het ook over de genade.

Slechts eene ware bekeering vermag te redden. En tot eene ware bekeering is op de eerste plaats de genade van God noodzakelijk, en wel een zoodanige, waardoor ik mij niet slechts bekeeren kan, maar ook — trots alle moeilijkheden — mij werkelijk bekeer.

En zou degene, die zoo dikwerf en lang heeft geweigerd, naar de waarschuwende stem van Boven te luisteren, recht hebben op zulk eene buitengewone genade?

Hoe vaak stond de Heiland aan de deur uws harten en klopte en riep en smeekte om toegang? ') — Maar neen, daar binnen bleef alles stil. Nu en dan klonken zelfs ruwe woorden, smaadreden en beleedigingen den goddelijken Bezoeker tegen. — Zoude het dan verwondering moeten baren, wanneer Hij zich eindelijk verwijderde, of wanneer ten minste het kloppen lichter werd, de roep minder luide klonk? 2)

gt;) Openb. 3, 20. 2) Hoogl. 5, 6.

ocr page 98

90

Vriend, — misleid u-zelven niet: de Heer laat niet met Zich spotten. ')

Ik heb geroepen, maar gij, gij wildet niet hooren; met de hand heb Ik u gewenkt, en niemand heeft daarop acht geslagen; mijne raadgevingen bleven vruchteloos, en mijne bedreigingen zonder uitwerking. Maar nu wil Ik met uw ondergang spotten! 1)

Zoek den Heer, zoolang Hij zich laat vinden; roept Hem aan, zoolang Hij nabij is! 3)

Zoo lang het nog licht bij ulieden is, moet gij voortgaan, — opdat de duisternis u niet bevange!4)

Breng den twist ten einde, zoo lang gij nog met uw tegenstander op weg zijt, — anders wordt gij door uw vijand aan den rechter overgeleverd. 6)

Wij wilden Babyion genezen, doch het wilde zich niet laten genezen, — verwijderen wij ons daarom; zijn oordeel reikt tot aan den hemel en is gestegen tot aan de wolken. 6)

Velen, Ik zeg het u, zullen beproeven, het Rijk der Hemelen nog binnen te gaan, maar — het zal hun niet meer gelukken. 7)

Gij waant het misschien in elke ure gemakkelijk, met David te spreken: Ik heb gezondigd, 8) en, evenals hij, vergiffenis te bekomen, maar het is niet genoeg, dit woord uit te spreken-, dit woord der genade moet even ernstig en welgemeend als bij David van uwe lippen vloeien. Het woord alleen mist alle kracht. Of is het niet door Pharao gesproken ? door Saul ? door Antiochus ? door Judas ? doch hoe hebben zij dit woord gesproken? Zijn zij toch nietten gronde gegaan? Hun was door God lange tijd tot bekeering gelaten; maar

1

») llath. 3, 25. 0) Jer. 51. 9. ') Luc. 13, 24. 8) Kon. 12, 13.

ocr page 99

91

die tijd werd door hen tot een hoogmoedig weerstreven misbruikt.

En zoo heeft zich vervuld het woord der H. Schrift, dat het verstokten harten slecht zal gaan, — en: dat de dood des zondaars schrikkelijk is.

En zou de bekeering op het ziekbed en in het aanschijn des doods vertrouwbaar zijn?

Ach! zeer vaak is die bekeering-zelf krank, en is het daarom te vreezen, dat haar de dood te wachten staat!

Of zoudet gij eerst dan boetvaardigheid willen plegen, wanneer gij nauwelijks meer zondigen kunt? Dan verlaten, wel-is-waar, de zonden m, maar gij verlaat de zonden niet.

Welke is des veinzaards hope ? Aanhoort God zijn geklaag, wanneer hij zich in druk bevindt? ')

O jonge ziel, bemind Jeruzalem! ziet hoe de Verlosser weent, — om w stort Hij tranen! O dat gij, zoo spreekt tot u de stemme van zijn hart, moget inzien, en wel nog Wew, op dezen dag, wat u tot heil en vrede strekt! — Jeruzalem, Jeruzalem! hoe dikwijls heb ik uwe kinderen willen bijeenvergaderen, gelijk eene hen hare kiekens onder hare vleugelen vergadert, en gij hebt niet gewild! Zie, daarom zal uw huis worden verwoest, 1) dat gij den dag uwer bezoeking niet wildet kennen.

Weet gij, dat juist uwe hardnekkigheid den Zaligmaker bitter bedroeft? Sterft gij jong, — en onboetvaardig, dan moet Hij u jong verdoemen. Leeft gij langer en stelt gij uwe bekeering uit, dan verliest gij veel, veel tijd, verkwist, ontwydt het schoonste deel uws levens, de jeugd; uwe bekeering zelf wordt altijd onzekerder, moeilijker, minder verdienstelijk.

Waarom dan altijd „morgenquot;? hoe lang nog zal het blij-

1) Spr. 27, 8, 9.

1

) Math. 23, 37, 38.

ocr page 100

92

ven: „morgenquot; ? Waarom zoudt gij niet thans, niet onmiddellijk en zonder dralen aan uw ongeluk een einde maken, uwe schande doen ophouden, u in de Biecht van alle vlekken louteren, een nieuw, beter leven beginnen, uw arm, door wroeging verscheurd geweten troosten en genezen? ....

ocr page 101

HOOFDSTUK XXII.

HET GEWETEN.

Contritio et infelicitas in viis eorum, et viam pacis non cog-? noverunt. Ps. 13. 3.

f et geweten is niets anders, dan God-zelf, de onein-dig Heilige, die in het binnenste van ons hart het goede prijst, of het booze laakt.

j Het is een straal dier eeuwige Zon van alle recht-\ vaardigheid, welker gloed in ons tracht door te dringen, — verwarmend en verkwikkend, wanneer wij hem bereidwillig opnemen, zengend en verwondend, wanneer wij hem buitensluiten.

Met waar? wanneer gij het goede verricht, dan gevoelt gij u onmiddellijk daarvoor in uw binnenste beloond. Bedrijft gij echter kwaad, dan volgt onmiddellijk de straf en pijnigt uw hart.

Is' hier-beneden geen grooter geluk denkbaar, dan een

ocr page 102

94

gerust, tevreden geweten, — geen smart is heviger, dan die welke door een bezwaard en knagend geweten wordt ver-' oorzaakt,

Geene adder is zoo giftig, geen ponjaard zoo scherp, geen tand zoo verslindend, geen vergif zoo bijtend, als het op den zondaar wraak nemende geweten; het is de hel op aarde.

Bijwijlen gelooft de zondaar, dat hij er in mocht slagen, de stem des gewetens te smoren, die kwellende stem tot zwijgen te brengen; — maar neen! Deze of die gebeurtenis, een sterfgeval, het mislukken eener onderneming verwoesten plotseling dien gekunstelden vrede.

De Hemel, dien men kalm en zuiver waande, toont zich onverwacht van onweerswolken zwanger; drukkende hitte weegt loodzwaar op het hart; onheilspellend somber dreunt de donderslag door de luchtlagen; reeds viel een droppel bitterheid in den beker, die zooeven nog van wellust overvloeide ; weg is de heerlijke smaak, de zoetheid heeft zich in alsem veranderd, het goud schittert niet meer, uitspanning smaakt niet meer....

Het geluid der verschrikking is in de ooren des godde-loozen, !) en hoewel rondom vrede heerscht, ducht hij overal hinderlagen. Overal ziet hij zwaarden-, 2) angst en benauwdheid verschrikken hem. 3)

De booze vlucht, al wordt hij door niemand vervolgd; de rechtvaardige daarentegen gelijkt den moedigen leeuw, die geene vrees kent.

Doordat de boosheid zoo gemakkelijk vreest, geeft zij getuigenis van haar eigen verachtelijkheid; immer toch veronderstelt een slecht geweten slechte dingen.

■) Job 15, 21. !) Job 15, 22. ') Job 15, 24.

ocr page 103

95

Treurige toestand, in zich-zelf redenen genoeg opleverend, om niet meer te zondigen!

Hoe menig jongeling wordt door het slechte geweten vroegtijdig oud! Weg zijn bevalligheid en frischheid; wolken omfloersen zijn jeugdig voorhoofd, zijn oog blikt niet meer vredig en helder, droeve ernst vormt een pijnlijken trek op zijn gelaat; alles levenloos, alles duister, verwelkt; woeste uitgelatenheid of treurige luimen, geen ware blijdschap, geen duurzame opgewektheid; soms dwaalt zijn blik in de onbestemde verte, of staart zijn oog doelloos voor zich heen, — dan weder schijnt hij iets te zoeken, of zich in herinneringen te verliezen.

Zijn het de zorgen voop spijze of kleeding, waardoor die arme jongeling wordt gefolterd? is het 't huiselijk ongeluk, dat zijn hart met kommer overstelpt? heeft hij zich verdiept in moeilijke studiën, waardoor zijne krachten worden uitgeput?

Ach neen! buiten straalt de Hemel wellicht even vriende-delijk als iveleer; maar binnen heeft zich een zwaar onweder ontlast, en de aangerichte verwoesting, waarvan hij-zelf de schuld draagt, weerkaatst onheilspellend in de jeugdige trekken.

Ongelukkig hart, door den adderbeet eener doodzonde vergiftigd !

Hoe vast wordt gij door dat slangengebroed der zonde in tallooze kronkelingen omstrengeld!

Misschien gelukt het u, uwe smart voor het oog der men-schen te verbergen; gij tracht, deze diepe, etterende harte-wonde, welke aan de kiem uws jeugdigen levens knaagt, verborgen te houden. Wellicht zegeviert gij zelfs in die mate, dat gij er in mocht slagen, niets meer te voélen. Van gewetensangst en schrik, beweert gij, is geen sprake; ik leef gerust; den dood vrees ik niet; wat zoude ik mij om de eeuwigheid bekommeren!

ocr page 104

96

O toestand vreeselijk onder alle! G-ij, ongelukkige, dat is de huiveringwekkende stilte van het graf; dat is het zwijgen Gods, schrikkeliiker dan bliksemstraal en donderslag!

God heeft zich teruggetrokken; de genade zwijgt; want— het geweten is God, het geweten is de genade. — O bid, bid, dat God weder spreken moge! Mijn God, zwijg niet voor mij, opdat ik niet denzulken gelijk worde, die nederdalen in het graf. l)

Neen, — naar ik vurig hoop, verkeert gij nog niet in zoo noodlottig een toestand, o dierbare jongeling! Nog pijnigt u het geweten, nog spreekt het luide dag en nacht. Misschien zeidet gij reeds vaak tot u-zelven: Zóó kan ik niet langer leven; waarom zoude ik in die nfate mijn eigen vijand zijn, dat ik in zulk een rampzaligen staat zou blijven voortleven? Ben ik niet ellendig genoeg geworden? Heeft mijn jeugdig hart niet genoeg geleden1?

O zeker, jeugdige zondaar; hoe lang nog zult gij een belast en beladen hart met u omdragen?

Schud af dat zware gewicht \ laat vrij ademen uwe beklemde borst! ga uit het somber duister van uw hart in het blijde zonnelicht!

„Nader den Heer, en het zal weder dag voor u worden; Hij zal u ruste geven, en met lichten glans uwe ziel vervullen, en Hij zal uw gebeente bevrijden, en gij zult wezen gelijk een welbesproeide tuin, en 'gelijk eene hron, welker water niet ophoudt te vloeien.quot; —

') Ps. 27, i.

ocr page 105

HOOFDSTUK XXIII.

DE GOEDE HERDER.

In caritate perpotua dilexi te, idco attraxi te miserans. Jer. 31, 3.

de Heer wil een einde maken aan uw lijden.

Kent gij den Goeden Herder, die de negen-en-ne-^JjlW'J gentig schaapjes in de bergen achterlaat en het eene, ^ dat verdwaald is, gaat opzoeken? ^

'■ Ik ben de Goede Herder, spreekt Jesus Christus, onze goddelijke Verlosser; de goede herder geeft zijn leven voor zijne schapen 2). De Zoon des menschen is gekomen, om te zoeken en te redden wat verloren v/as 3). Ik ben gekomen, opdat zij het leven zouden hebben, en steeds overvloediger. 4)

O lees in het oog des Goeden Herders die teedere bezorgdheid, dien kommer, dat verlangen, die verwachting!

') Joh. 10, 10

7

') Math. 18, 12. 2) Joh. 10, 11. *) Luc. 19, 10.

ocr page 106

98

Zie, hoe snel Hij voortschrijdt! hoor, hoe Zijne stemme roept! Deze angstige, wijdspeurende blik, — hij zoekt u; die snelle schreden met de bloedige voetsporen, welke zij in den bodem achterlaten, — zij gelden u; die roepstemme, — zij doet uw naam door de echo's weerklinken. U, jong schaapje, wil Hij tot eiken prijs terugvinden! Zijn schouder is gereed, om u te dragen.

Zult gij u niet laten vinden? Zult gij den Goeden Herder ontwijken? Verblijft gij liever bij de ivólven en verscheurende dieren der woestijn, dan bij Christus' zachte kudde, in den veiligen schaapstal?

En zijt gij nog niet moede gedwaald? ^ begeert gij, nog langer op het ruwe pad der ongerechtigheid te toeven?

Wilt gij u geen zacht geweld laten aandoen door Dengene, die u met eemoige liefde heeft bemind? 2)

O ja, Vader mijner jeugdige ziel, — ik doolde rond als een verloren schaapje. Grewaardig u, o Heer, uwen knecht op te zoeken ....! 3)

Bereid is mijn hart, o God, bereid is het!____4)

') Wijsheid 5, 7. •) Jcr. 31, . 3) Ps. 118, 176. •) Ps. 107, 2.

ocr page 107

HOOFDSTUK XXIV.

GODamp; BARMHARTIGHEID.

Vivo Ego, clicib Dominus Deus, nolo mortem impii, sed ut convortatur im. pius a via sua et vivat. Ezech. 33,11.

od verstoot geen zondaar, die loaar berouw gevoelt. ^ Daar Hij geheel liefde is !), en vurig begeert, dat alle menschen hun doel mogen bereiken en zalig worden 2); is Hij immer bereid, den rouwmoedigen, J zich oprecht bekeerenden zondaar in genade aan te nemen.

Zoo waar Ik leve, spreekt de Heer, — Ik wil den dood des zondaars niet, maar dat hij zich bekeere en leve. 3)

Genadig en barmhartig is de Heer, lankmoedig en groot in goedertierenheid). 4 Waren uwe zonden gelijk scharlaken, zij zullen wit wor-

') Joh. 4, 16. a) Tim. 3, 4. ') Ez. 33, 11. ') Pa. 144, 8.

ocr page 108

100

den als sneeuw, en waren zij rood als purper, zij zullen worden gelijk witte wolle. !)

Wel-is-waar haat God alle boosheid en moet ze haten, waaien in wien Hij ze vinde; maar de rouwmoedige nadert reeds zijnen God, en daarom ook treedt God hem nader en reikt hem liefdevol de hand der verzoening.

Welke liefde en goedheid heeft Jesus den rouwmoedigen tollenaar betoond! hoe bereidwillig schonk hij vergiffenis aan Magdalena, de openbare zondares, aan Petrus, die schandelijk-trouweloos zijnen Meester verloochende, aan den goeden moordenaar, om zijne euveldaden gekruisigd Heden is dezer woning heil wedervaren. 2)

Vele zonden worden haar vergeven, omdat zij veel heeft liefgehad. 3)

En Jesus zag Petrus aan. 4)

Waarlijk, Ik zeg u: Nog heden zult gij met Mij zijn in het Paradijs. 6)

Hoe troostvol sprak niet de Zaligmaker over zijne en zijns hemelschen Vaders barmhartige liefde jegens den berouw-hebbenden zondaar!

En waarom heeft Hij het Sacrament der Boetvaardigheid ingesteld en zijnen Apostelen de macht gegeven, van de zonden te ontbinden?

O ja, de aarde is vol van 'sHeeren barmhartigheid! G) En het verlossingswerk-zelve, — elke schrede van den God-Mensch in dit tranendal, elke zweetdruppel, elke bloeddruppel, elke ademtocht, — 't getuigt alles op roerende wijze van eene liefde zonder maat, van eene barmhartigheid zonder grenzen.

Gij ziet het, o jongeling: verheven boven alle andere werken zijn die van Gods barmhartigheid. 7)

') Is. 1, 18. ') Luc. 19, 9. Luc. 7, 47. •) Luc. 22, 61

') Luc. 23, 43. ») Ps. 82, 5. :) Ps. 144, 9.

ocr page 109

101

De schepping van het heelal, — zij kostte den Almachtige slechts een woord; — het niet wederstreeft geen oogenblik. Maar de genade, welke de zondaar noodig heeft om zich te hekeeren, — tot welken prijs moest de Heiland ons die koo-pen! — En wij hechten zoo luttel gewicht aan de zonde, wij vergeten het lijden en den dood van den God-Mensch!

Om u eenig denkbeeld te kunnen vormen van de onpeilbare diepte van dien oceaan der goedheid, moet gij overpeinzen, wie Degene is, die vergeeft, en wie degene, die vergiffenis noodig heeft.

Het valt ons menigwerf zoo zwaar, eene beleediging te vergeven, en toch hebben wij, uit kracht der natuurlijke gelijkheid, veel overeenkomst met al onze beleedigers, zelfs met de meest boosaardige. — Maar God ■- en ik!

En hoe schenkt God vergiffenis? Komt Hij u niet liefdevol te gemoet, om te vergeven? Zie, Ik sta aan uwe deure en klop. ')

Vergeeft Hij niet spoedig? Op hetzelfde oogenblik, dat wij vurig Hem daarom smeeken, en in trouwe beloven, voortaan in alles zijn heiligen wil te vervullen.

Ik sprak: mijne misdaad wil ik den Heer belijden; en reeds vergeeft Gij de schuld mijner zonde. 2)

En vergeeft Hij niet, zonder een zweem van wrok in zijn gemoed te behouden? vergeeft Hij niet zonder bitterheid?

Wanneer de zondaar boetvaardigheid doet voor al het kwaad, door hem bedreven, dan zal hij het leven hebben en niet sterven; alle misslagen, door hem begaan, zal Ik vergeten.3)

De zondaar zal niet om zijne schuld vallen, ten dage dat hij zich van zijne goddeloosheid bekeert. 4)

quot;) Oponb. 3, 20. !) Ps. 31, 5. ') Ez. 18. 21. 22. ') Ez. 33, 12.

ocr page 110

102

Wel staat geschreven: „Wees niet te zeer gerust voor wat de vergeven zonde aangaat;quot; maar ook dit woord is een woord der barmhartigheid, daar het ons tegen valsche gerustheid waarschuwt en ons aanspoort, door ijver en goede werken onze roeping en toekomstige zaligheid te verzekeren.1)

Verder; God vergeeft niet zevenmaal, niet zeven-en-twintig maal,9') maar zoo dikwerf als de zondaar in de vereischte stemming, dat wil zeggen: met oprecht berouw, Hem weder opzoekt.

En niet alleen schenkt God den zondaar vergiffenis, —Hij vergeldt kwaad met goed. Hij beloont hem voor zijne bekeering; Hij verkiest den voormaligen vijand tot zijn lieveling; Hij geeft veel meer, dan men vroeg : Zich-zelf, den Hemel, de eeuwige zaligheid.

Ja, God verheugt zich over den terugkeer van zijn ondankbaar schepsel. Verheug u met Mij ; want Ik heb mijn schaapje teruggevonden! 3)

Onbegrijpelijke, onwaardeerbare schat der goddelijke barmhartigheid! wie u versmaadt is een waanzinnige, — het meest liefdelooze, ongevoelige wezen, dat de aardbodem draagt, — de bitterste vijand van zich-zelven, de boosaardige verachter van alle licht, — van alle warmte, alle liefde!

Wie u van zich stoot, dien blijft niets over, dan de hel, welke niet diep genoeg is, om zulk een monster van goddeloosheid en ondank op 'te nemen.

Edel, jeugdig hart, voelt gij u niet bewogen en diep geroerd door de onuitsprekelijke liefde van den barmhartigsten aller vaderen?

O, bied geen weerstand aan zulk eene liefde, zulk eene jnüdheid! Wie anders trekt voordeel uit uwe bekeering dan

gij-zelve ?

■) Petr. 1, 10. ') Math. 18. 22. ') Luc. 15. 6.

ocr page 111

103

God heeft u geenszins van noode; Hij is in Zich en door Zich oneindig gelukkig. Mij behooren de dieren des wouds, en de kudden op de bergen zijn mijn eigendom; zoo Mij hongerde, Ik zoude het u niet zeggen; want Mijn is de aarde en hare volheid. ')

Het geldt hier dan uw geluk, — den vrede van itw hart hier-beneden, uw Hemel daar-Bovèn. O nader met vrijmoedigheid den troon der genade, opdat gij barmhartigheid ver-wervet 2) en wederom Gods kind moget worden!

') Ps. 49, 10. 12. sj Hebr. 4, 1G.

ocr page 112

HOOFDSTUK XXV.

DE VEKLOREN ZOON.

Quam magna misoricordia Domini et propitiatio lllius convertontibus ad se! Eccl. 17, 28.

li| emand had twee zonen. En de jongste hunner sprak tot den vader: Vader, geef mij het deel van het erfgoed, dat mij toekomt. En de vader verdeelde de 1|^ bezitting tusschen hen beiden.

En eenige dagen daarna verwijderde zich de jongste zoon met alles, wat de vader hem had toebedeeld; hij begaf zich naar eene verwijderde landstreek en verkwistte daar zijn vermogen in dolle uitspattingen.

En nadat hij alles had verspild, ontstond er in die streek een geweldige hongersnood, en hem begon de nooddruft te ontbreken.

En hij ging heen en verhuurde zich aan een bewoner van

ocr page 113

105

de streek. En deze zond hem naar zijn landgoed, om daalde zwijnen te hoeden.

En gaarne zoude hij zijn honger hebben gestild met het voeder, dat men den zwijnen voorwierp; maar niemand gaf het hem.

Toen keerde hij in zich en sprak : Hoeveel werklieden in mijns vaders woning hebben brood in overvloed, en ik sterf hier van honger!

Ik wil mij op weg begeven en tot mijnen vader gaan en hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen den Hemel en tegen u! Ik ben niet meer waardig, uw zoon genoemd te worden. Maak mij tot een uwer knechten.

En hij begaf zich op weg en ging tot zijnen vader. Maar nog was hij verre, en reeds zag hem zijn vader en werd door medelijden bewegen, ijlde hem te gemoet, drukte hem aan zijne borst en kuste hem.

En de zoon sprak: Vader, ik heb gezondigd tegen den Hemel en tegen u; ik ben niet meer waardig, uw zoon genoemd te worden.

De vader echter gebood zijnen dienaren: Haalt spoedig het beste kleed en trekt hem dit aan; en doet hem eenen ring aan de hand en schoenen aan de voeten. En haalt het vette kalf en slacht het; en laat ons eten en vroolijk zijn; want deze mijn zoon was dood en hij is weder opgestaan; verloren was hij en hij werd teruggevonden. ') —

Heerlijke triumph eener schier onbegrijpelijke liefde! Waar vindt men op aarde zulk eene grootmoedigheid?

En toch wordt het Her verhaalde geheel in de schaduw gesteld door hetgeen Gods onuitsprekelijke barmhartigheid zoo dikwijls en in zoo velen en op zoo wonderbare wijze wrocht.

') Luc. 15, 11, 24.

ocr page 114

106

De vader uit het Bijbelsche verhaal wacht op den terugkeer zijns zoons, — God echter zoekt den verlorene iveder op; Hij-zelf begeeft zich naar de vreemde landstreek, en voert zijn afgedwaald kind onder het vaderlijke dak terug.

De vader uit de parabel, die zoo toegevend is, staat als mensch niet boven zijn zoon; maar God, — en de verloren, zondige menscli\

Die vader, hoe liefdevol hij zich jegens den onwaardige betoonde, kon hem alleen met aardsche weldaden overstelpen ; maar in den hemelschen Vader heeft de verloren zondaar een weldoener van aardsche en bovenaardsche orde beleedigd. Wat is geld, spijze, kleeding, opvoeding, recht op vergankelijke erfgoederen — ? wat schepping, behoud, verlossing, genade, goddelijke vriendschap, zalige eeuwigheid — ?

En weten wij, of die vader, wiens liefde en vergevingsgezindheid wij bewonderen, een tweede, een vijfde, een tiende maal wellicht bereid zou zijn geweest om den zoon, die immer nieuwe buitensporigheden bedreef, vergiffenis te schenken? Misschien ware zijne lankmoedigheid eindelijk uitgeput, en zoude hij dan voor immer den dwazen zoon ver van zich hebben gebannen. Maar het is een punt van ons H. Geloof, dat God geenen zondaar verstoot, die ivaarlyjk rouwmoedig tot Hem terugkeert en boetvaardigheid pleegt, — ware hij ook millioenen malen afgedwaald.

Schep dan moed, mijn arm hart! Leven zult gij, en bezield met een nieuw leven en genezen van uwe wonden zult gij een heerlijk getuigenis van Gods liefde afleggen; en prijzen zult gij Hem en juichen in zijne ontfermingen! 1)

O waarlijk: — groot is de barmhartigheid Gods, oneindig de genade, die Hij denzulken bewijst, die zich tot Hem bekeeren! 2)

quot;) Eccl. 17, 27. 2) Eccl. 17, 28.

ocr page 115

107

Begeef u dan op weg, op jongeling, en keer terug. — Verlaat spoedig het vreemde land, het land der onvruchtbaarheid, des hongers, der armoede, der slavernij, der vernedering! Ziet gij niet, hoe de armen uws vaders zich openen, om u te ontvangen ? hoe zijne liefde vurig uwen terugkeer wenscht?

Maar, — zijt gij eenmaal teruggekeerd, hl'hjft dan onder het zoo gastvrije dak en ontvlucht het niet weder.

Wees dankbaar \ wees trouw \ Wacht u wel, door lichtzinnigheid, door koele bejegening, door verraad het minnende hart van den besten aller vaderen op nieuw te pijnigen.

ocr page 116

HOOFDSTUK XXVI.

DE BEKEEIUNG.

Lavamini, numdi estote, auferte malum cogitationura vostrarum.

Is. 1, 16.

[ i zijn verschillende soorten van bekeeringen: oppervlakkige en grondige, voorbijgaande en duurzame, schynbare en ware bekeeringen.

Geene bekeering is de zoogenaamde bekeering,, die, uit onedele beweeggronden of alleen uit drang voortvloeiend zich uitwendig pleegt te tooien met datgene, waardoor de ware bekeering gewoonlijk is vergezeld.

De grondige, de ware bekeering meent het oprecht, en doet blijde en trouw alle stappen, die tot eene verzoening met God worden vereischt; zij doet vastbesloten tot God terugkeeren • zij begeert de middelen, en gebruikt ze-, het is haar op de' eerste plaats om volharding te doen. Zij breekt te eenenmale met het verleden, zij verricht in het tegenwoordige alles, wat

ocr page 117

109

tot eene verzoening met God noodzakelijk is; maar ook de lockomst zweeft haar in de volheid van een niet te miskennen gewicht vóór oogen.

Wel-is-waar verricht ook de voorbijgaande bekeering voor het oogenblik alles, wat, strikt genomen, tot eene verzoening met God noodig is; verder evenwel gaat men niet, en zinkt daarom na korten tijd weder in den vorigen toestand terug. Zulk eener bekeering ontbreekt het aan ernst.

Het wezen der zonde bestaat hierin, dat men zich van God afwendt en zich naar de schepselen keert-, derhalve moet de eerste schrede der bekeering hierin bestaan, dat men zich van de schepselen afwendt en zich naar God keert.

Zulks moet echter van den geheelen mensch uitgaan: zijn verstand, zijn geheugen, zijne verbeeldingskracht, zijn wil, zijne neigingen, zijne liefde moeten daaraan deelnemen; ja zelfs de uitwendige mensch mag zich niet onbetuigd laten, door met zorg het gevaar te vermijden, zijne zinnen te beteugelen, door streng tegen eene bedorven natuur op te treden.

Overigens wil de ware bekeering niet slechts datgene, wat door de natuur van zulk eene verandering in het algemeen wordt geboden: Van stonde af tracht zij Gade aangenaam te zijn, en daarom is hare eerste zorg, ook die voorwaarde nauwkeurig te vervullen, waarvan het weder aanknoopen der bovennatuurlijke betrekking afhangt.

Worden geneesmiddelen voorgeschreven, de ware bekeering : gebruikt ze; wordt voldoening gevorderd, — zij geeft die i gaarne. Ik wensch, dat een nieuw leven mijne aderen doorstroome; ik wil genezen worden, — zoo spreekt de ziel, — ik wil steeds levend blijven, altijd gezonder worden.

Wilt gij u inderdaad zóó bekeeren?

Zijn de beweeggronden tot uwe bekeeringbovennatmirlvjk'?

ocr page 118

110

Ligt het in uwe bedoeling, de voorwaarden, door God gesteld, trouw na te komen?

O Heer, ik wil. Hoeveel het mij kosten moge, — ik wil tot U terugkeeren. Ik wensch vurig, U weder tot vriend, tot vader te hebben; ik verlang, weder uw kind te zijn.... Genoeg tweedracht! Genoeg bitterheid!

Gij vraagt misschien; hoe zal ik met dusdanige bekeering aanvangen ?

Op de eerste plaats, dierbare jongeling, moet gij in n-zeiven gaan. Sluit oog en oor; zie alleen God en u-zelven; luister slechts naar de stem der genade en naar die uws gewetens.

In het gedruis der wereld wordt de stemme, die u vermaant, bijna zeker gesmoord, gelijk een stil fluisteren, wanneer de storm door het luchtruim giert. Ik wensch u met zuivere melk te drenken, zegt de Heer; daarom wil ik u naar de eenzaamheid voeren en daar tot uw hart spreken. ')

De geest der vermorzeling en boetvaardigheid kan onmogelijk opduiken uit de troebele, altijd onstuimige golven van den stroom des dagelijkschen levens.

Gun u-zelven tijd tot nadenken, uwen geest tijd tot rusten.

Een enkel uurtje, in de eenzaamheid met God doorgebracht, — welk een tijd van hemelsche genade! Hoeveel heeft Hij u te zeggen, — Hij, die u zoo wèl kent. Hij, wiens oog het verleden aanschouwt, het tegenwoordige ziet, en in de toekomst doordringt, — Hij, — die sinds langen, langen tijd geen gesprek met u kon voeren!

Spruit niet bijna alle kommer hieruit voort, dat wij ons-zelven niet genoeg toebehooren ? Blindelings ijlt men vooruit; en vooral de jongeling weet van geen ophouden, srelt zonder rust, zonder verpoozing, dag in, dag uit, altijd voorwaarts.

■) Os. 2, u.

ocr page 119

Ill

Wij gunnen ons arm harte niet eens den tijd om tot bezinning te komen, het wordt uitgeput, voelt nauwelijks zich-zelf meer. Altijd buiten adem, — altijd in storm en nood!

O ja: ellendig boven alle maat is de aarde geworden, omdat niemand in zijn hart nadenkt. 1)

Vele dingen moet gij afleeren, waarin gij door de wereld zijt onderricht. Maar — hoe zal dit mogelijk wezen, tenzij gi] school en leermeester verlaat?

Zoo menig iets moet gij weder gevoelen, waarvoor de wereld u gevoelloos maakte; en gevoelloos moet gij worden voor andere dingen, u door de wereld als kostbaar en benijdenswaardig opgevijzeld. Maar onttrekt gij u niet aan den nood-lottigen invloed dier wereld, — hoe dan?

In het geheimste hoekje van uw hart vindt gij God en u-zelven-, terwijl gij op de joelende wereldmarkt noch God, noch u-zelven kunt ontmoeten.

Daarom waarschuwt de Heer zoo dringend: Keert terug, o zondaars, tot het hart! 3) En: Wanneer gij omkeert enraslt; neemt, zult gij gered worden; in stilte en in hoop zal uwe sterkte zijn. 3)

En wenscht gij de graden der ware bekeering te kennen, en als 't ware ieder oogenblik gade te slaan, hoe zich in het binnenste des harten eene zoo ingrijpende verandering ontwikkelt? Wascht u, spreekt de Heer, weest rein, verwijdert uit mijne oogen al wat uw hart nog aan boosbeid verborgen houdt; leert het goede doen, staat de noodlijdenden bij ...4)

Ja, o Heer, ik heb het beloofd; reeds sla ik de hand aan het werk, en begin.

„Heer, wat wilt gij, dat ik doe?quot; 5)

') Jer. 12, 11. ') Is. 16, 8. ») Is. 30, 15. ') Is. 1. 16, 17. 5) Hand. 9, G.

ocr page 120

HOOFDSTUK XXVII.

HET H. SACRAMENT VAN BOETVAARDIGHEID.

Misericordia et Veritas obviaverunt sibi, justitia et pax osculatae simt.

Ps. 84, 11.

K

pïs mijn terugkeer tot God ernstig gemeend, dan heb 5^^ ik een drievoudigen plicht te vervullen, die zich tot één laat terugvoeren. In betrekking tot het verleden — berouw en uitboeting; in betrekking toi üe toekomst— een goed voornemen, in betrekking tot het tegenwoor-— belijdenis, — dat wil zeggen: ik moet eene goede Bi«cht spreken. Hierdoor verkrijg ik zekerheid, dat ik weder door God in genade ben aangenomen.

Herinner u, o jongeling, dat plechtige oogenblik, waarop Jesus tot zijne Apostelen sprak, hen met zijn adem bezielend; De vrede zy met u! Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zoo zend Ik u. Ontvangt den H. Geest; allen, wier zonden gij

ocr page 121

113

ontbindt, dien zijn ze ontbonden; wier zonden gij behoudt, dien zijn ze behouden. ')

Gij hoort, dat zij door God tot rechters worden aangesteld. Hij schenkt hun de macht, te binden of te ontbinden.

O macht van onmetelijke beteekenis! O machtsvolkomenheid, verheven boven elk aardsch vermogen! Zielen binden, zielen ontbinden! quot;VVie kan zulks, tenzij God alleen, — en degenen, wien God zijne macht heeft medegedeeld'?

De Heer getuigt: Mij is alle macht gegeven in den Hemel en op aarde. — 2) Is zonden te kunnen vergeven ook niet eene macht? En heeft Jesus haar niet uitgeoefend, toen Hij op aarde wandelde? Voorzeker oefende Hij ze uit — tot verbazing zijner tijdgenooten, die elkander vroegen: Wie kan zonden vergeven, tenzij God alleen? En toen de Heer na zijne glorierijke Verrijzenis weder ten Hemel ging opklimmen, wilde Hij niet, dat het menschdom van de uitoefening dier macht zou verstoken blijven, en daarom verleende Hij aan zijne Apostelen en hunne opvolgers de bevoegdheid om haar in zijn heiligen naam hier op aarde uit te oefenen. Gelijk Mij de Vader heeft gezonden, zoo zend Ik u! Maar Jesus, èn God èn mensch, was alwetend, zegt gij; de priester daarentegen, mensch alleen, is het niet. Zal hij blindelings, zal hij naar willekeur binden, ontbinden, sluiten, openen?

O neen, mijn vriend. Alleen naar recht en geweten, na zich van het wezen der zaak en van hare toedracht volkomen op de hoogte te hebben gesteld, mag de rechter vonnis vellen. En zou dit anders wezen, waar het geldt eene beslissing voor de eeuwigheid, eene beslissing, welke Hemel of hel opent of sluit?

') Joh. 20, 21, 23. ') Math. 28, 18.

8

ocr page 122

114

Aan u is het, den rechter in de gelegenheid te stellen, behoorlijk zijn verheven plicht te vervullen; gij kunt zulks doen door waardig, oprecht te biechten.

Ook moet de straf, over den schuldige uit te spreken, ge-ëvenredigd zijn aan hetgeen hij misdeed; maar hoe zou dit het geval kunnen zijn, wanneer de schuld niet in haar ge-heelen omvang is bekend? Nog eens: het eenige middel hiervoor is de oprechte Biecht.

De Biecht is derhalve eene goddelijke instelling, omdat door biechten alleen de behoorlijke uitoefening van de rechtsmacht wordt mogelijk gemaakt, welke Christus in zijne Kerk heeft achtergelaten en zijnen priesters toevertrouwd.

Ik erken dit alles, o mijn God, en bewonder uwe oneindige wijsheid, en nog meer uwe oneindige liefde\

Hoe teeder zijt gij voor ons bezorgd! Hoe diep vernedert Gij u tot den gebrekkelijken mensch! Werd het ons moeilijk gemaakt, vergiffenis te bekomen; wisten wij nooit, wanneer die vergiffenis intreedt, en of zij wel ivordt verleend, — wat zouden wij ons dan ongelukkig gevoelen!

Inderdaad: in het Sacrament van Boetvaardigheid ontmoeten elkander ontferming en waarheid, rechtvaardigheid en vrede omhelzen elkander. ^ De mensch erkent voor zich-zel-ven en voor God, in den persoon van zijn plaatsbekleeder, den priester, rouwmoedig zijne misslagen; — en reeds daalt barmhartigheid op den berouwhebbende neder, en reikt hem de genade op het pad der bekeering liefdevol de hand. De rechterstoel der boetvaardigheid zal getuige zijn eener alge-heele verzoening: aan de rechtvaardigheid is voldaan, — en zalige vrede treedt in de plaats van bittere vijandschap en noodlottige tweedracht.

') Ps. 84, 11.

ocr page 123

115

O, dat toch het geloof aan de goddelijkheid der Biecht steeds in u, o jongeling, levendig blijve! De hartstochten woeden, de wereld tracht u in hare strikken te vangen; de Biecht is een teugel, die het wildste ros onfeilbaar bedwingt. Vandaar die neiging tot ongeloof, die bekoring om datgene, wat slechts van hernelschen oorsprong kan zijn, menschen-werk, verzinselen te noemen.

O goddelijke Stichter van dit wonderbare Sacrament der genade, zoude het U niet bitter krenken, wanneer een geneesmiddel, met zulk een oneindige liefde aangeboden, door mij werd veracht, versmaad, of zelfs misbruikt? ....

ocr page 124

HOOFDSTUK XXVIII.

BIECHTEN NOODZAKELIJK.

Qui absonditscelera sua, non dirigetur; qui autcm confessus fuerit it relequerit ea, mi-sericordiam consoquctur. Spr. 28, 13.

ie na het H. Doopsel het ongeluk heeft, zich aan eene zware zonde schuldig te maken, moet zijne toevlucht nemen tot de Biecht, wijl deze noodzakelijk is, wil men vergeving erlangen.

Verkeert men in de volstrekte onmogelijkheid, te biechten, dan kan een volmaakt berouw slechts redding brengen, in zooverre het den vurigen wensch en het vaste voornemen in zich besluit, de thans niet mogelijke Biecht later werkelijk en waardig te spreken.

Daarom noemt de Kerk de H. Biecht de „tweede plank in de schipbreukquot;, den „anderen doopquot;. Zonder die reddingsplank, o zondaar, bereikt gij nimmer het strand der eeuwige zaligheid, — zonder haar verzinkt gij in den afgrond der eeuwige verdoemenis.

ocr page 125

117

Hoe bitter zoude ik mij bedriegen, waande ik. om deze of die reden het Sacrament der Boetvaardigheid te kunnen mijden!

Geef aalmoezen, verpleeg zieken, begraaf doóden, vast, waak, bid, plaag u-zelven, kastijd u-zelven, ween u de oogen blind; — niets van dat alles kan de Biecht vervangen, wanneer gij in staat zijt, tot dit Sacrament te naderen.

De biecht is noodzakelijk-, zij werd door God in het Nieuwe Verbond als voorwaarde ter verzoening gesteld.

Nadat Christus eenmaal zijnen priesteren de macht heeft verleend, in zijn naam te binden of te ontbinden, kan de mensch nimmer meer zonder tusschenkomst van die plaats-bekleederen van God van de banden zijner zonden worden bevrijd. Was het niet volstrekt noodzakelijk, zich voor deze rechters te verantwoorden, — kon men ook zonder hunne bemiddeling worden bevrijd, dan zoude niemand tot ften gaan, tot hen, die èn binden èn ontbinden kunnen.

Vruchteloos zou ook de Kerk van God de sleutelen hebben ontvangen, wanneer ik. zondaar, ook langs andere wegen, dan door de poort, welke zij heeft te openen, de hemelsche bruiloftszaal kon binnentreden.

Zijn verder eenmaal rechters aangesteld, om over bepaalde schuldigen te oordeelen, dan kan de vrijspraak alleen van hen uitgaan. En zoo is het niemand, die zich voor God schuldig kent, geoorloofd, zich aan de rechtsmacht van den priester te onttrekken.

De Vader eindelijk heeft alle gericht den Zoon toevertrouwd ; ^ geene vergiffenis van de zonde, tenzij door Hem. De Zoon, op zijne beurt, bekleedt met de volheid zijner eigen macht de Apostelen en hunne opvolgers, en zendt ze uit,

') Joh. 5, 22.

ocr page 126

118

evenals Hij door den Vader werd gezonden; ') geene vergiffenis derhalve, tenzij door deze opvolgers der Apostelen, deze uit-deelers van de geheimenissen Gods. 2)

Indien dit Sacrament niet volstrekt noodzakelijk ware om vergiffenis der zonden te bekomen, — vanwaar dan het feit, dat men biecht, en sinds den bouw van Christus' Kerk altijd heeft gebiecht?

Ik verwerp dus onvoorwaardelijk wat mijn hoogmoed of valsch schaamtegevoel ooit tegen de Biecht kunnen inbrengen. En viel het mij nog zoo zwaar, dit eenige middel tot redding mijner ziel aan te wenden, — ik begrijp, dat ik het moet gebruiken. Kan ik afschaffen wat Christus heeft ingesteld? Zoude ik eene wijziging in die voorwaarden willen brengen, waarvan het God heeft behaagd, het sluiten des vredes afhankelijk te maken?

De beleedigde, niet de beleediger heeft het recht, voor te schrijven, hoe men de verloren gunst kan terugbekomen.

O ja, mijne ziel, — ga tot den priester en vertoon u aan hem! 3) Wees niet kleinmoedig. Laat hem de melaatsch-heid uwer zonden aanschouwen, welke u met ontbinding dreigt. Spreek: O plaatsbekleeder van Christus, den godde-lijken Wonderdoener, — strek uwe hand over mij uit en genees mij; gij bezit de macht, mij te reinigen. 4) Spreek slechts een woord, en mijne ziel zal gezond worden! 5) — O machtige rechter! aan uwe voeten belijde ik, verdwaald jongeling, mijne schuld. Laat mij de rechtvaardige goedertierenheid en goedertieren rechtvaardigheid van Dengene ten deel worden, die zoo menigwerf hier op aarde heeft gesproken: Uwe zonden zijn u vergeven, ga in vrede!

') Joh. 20, 21. ''j Cox. 4, 1. ') Math. 8, i. *) Luc. 5, 12. 5) Math. 8, 8.

ocr page 127

119

Wie zijne zonden verborgen houdt kan nimmer op den goeden weg terugkeeren; doch wie ze belijdt en zich van haar losmaakt, die zal barmhartigheid verwerven. l) Ik geloof dit, en volg daarom bereidwillig Gods liefdevolle uitnoo-diging.

■) Spr. 28, 13.

ocr page 128

HOOFDSTUK XXIX.

ZEGENINGEN DEB BIECHT.

Si confltoamur peccata nostra, fulelis est et Justus, ut remittat nobis peccata nostra, ot omundct nos ab omni iniquitale. 1 Joh. 1, 9.

Ir aarom zoude ik niet beminnen wat noodzakelijk is, wanrieer het tegelijkertijd nuttig is, aangenaam en quot;ïfejliy troostrijk ?

quot;4Yv Dring een weinig dieper door in het wezen der 'j Biecht, en gij zult schatten ontdekken, die al het schijnbaar bittere des geneesmiddels in zoetheid en lieflijkheid doen verkeeren.

Wat is het biechten der zonden anders, dan het ontblooten van smarteliike wonden?

Gesloten en bedekte zonden zijn veelal gevaarlijk; zij genezen niet of moeilijk. Het gif der onreinheid moet verwijderd worden; alleen dan is redding mogelijk. En veroorzaken zulke gesloten wonden ook niet meer pijn ?

ocr page 129

121

De Biecht derhalve kan ze' genezen; zij vormt eene zlele-artsenlj, zoo geheel met de elschen der menschelljke natuur overeenstemmend, dat alleen de Schepper-zelf van het menschelljke hart haar uitvinder en insteller kan zijn.

Mededeeling, uitstorting des gemoeds is voor den mensch eene behoefte. Wat drukt zwaarder op-, wat knaagt wree-der aan het zieleleven, dan geheim verdriet, verborgen schuld ? Het hart uitstorten, het knagende leed blootleggen, deelname zoeken, raad inwinnen, — dit alles verlicht den mensch, vaak zoozeer, dat reeds daardoor alleen de genezing een aanvang neemt.

En wanneer dan die mededeeling, die uitstorting door werkelijke genezing wordt gevolgd ?

Deel mij mede, dat gij door eene ziekte zijt aangetast, dat gij een verlies hebt geleden: ik kan met u weenen, — doch 't is mij niet mogelijk, het gebeurde ongedaan te maken. Maakt gij echter den priester deelgenoot van uw zieleonge-luk, dan is die uitstorting zelf reeds genezing; want door hem uwe krankheid bekend te maken vervuldet gij reeds eene hoofdvoorwaarde tot uwe redding.

En heeft dan het woord; Uwe zonden zijn u vergeven, — ga in vrede,quot; ') in uw rouwmoedig hart weerklonken, — in welke mate gevoelt het zich dan verkwikt en met een nieuw leven bezield! in welke breede stralen vloeien dan hemelbalsem, troost en vrede in uw genezen hart! welk eene zaligheid, die kostbare oogenblikken der vroegere onschuld weder te mogen beleven!

Het zwaard, dat ieder oogenblik mij kon treffen, zweeft niet meer boven mijn hoofd; ik blik niet meer vol angst en vreeze op die geheimzinnige woorden, door onzichtbare vin-

') Math. 9, 2.

ocr page 130

122

geren geschreven: „Geteld; gewogen; te licht bevonden:quot; ]) God is mij weder een vader, en ik ben zijn kind, de Hemel is mijn erfdeel, mijne eeuwige toekomst is verzekerd. — O prijs, mijne ziel, den Heer, en loof juichend de heerlijkheid zijner ontfermingen!

En mogen thans uwe tranen vloden; mogen zuchten opwellen uit de straks nog beklemde borst, — deze tranen zijn niet meer bitter, deze zuchten niet meer pijnlijk; de stroom uwer smarte vloeit thans kalm over eene gelijke bedding en tusschen beschuttende dijken, totdat hij eerlang zich in den oceaan des vollen vredes, der rijkste vertroosting gaat uitstorten, en zich met diens zoete wateren mengelt.

En naast het ongeluk der zonde vindt menigwerf iets anders in de Biecht leniging en steun.

Komt tot Mij, gij allen, die belast en beladen zijt! 2)

Niet de wereld troost; zelfs niet in ons natuurlijk lijden werd zij ons door Jesus als eene bron der vertroosting aangeduid. Ik zal u verkwikken! Hij noodigt u uit, tot Hem te komen, tot Hem — ook tot zijn plaatsbekleeder, die u zal troosten, sterken, opbeuren. De wereld is slechts hem genegen, die lacht, die joolt, die woeste vreugde mint; de smart is haar te somber, zij keert haar den mg, zij vlucht, zij haat haar. — Juist die xoereld slaat wonden, steekt, zengt, vergiftigt. Hare ondankbaarheid, hare trouwloosheid, haar waanzinnige overmoed slaan smarteliike, diepe wonden.

Christus is de goddelijke Geneesheer; Hij geneest door Zich, Hij geneest door zijn plaatsbekleeder. Hij geneest alles, Hij geneest met zachte hand, Hij geneest volkomen. Hij geneest eervol; — de lidteekenen der wonden, door Hem geheeld, zijn geenszins schandelijk, — veeleer lichten, stralen, geuren zij.

quot;) Dan. 5, 25. 3) Math. 11, 28.

ocr page 131

123

En heeft de Biecht genezen, heeft zij de zonden weggenomen, dan beschut zij tegen niemve wonden.

Zij leert den mensch op zich-zelf letten. En boezemt zij hem schaamte in, — juist hierdoor houdt zij hem van nieuwe redenen tot beschaming terug.

De Biecht effent den weg voor de deugd. Zij legt in den diep omgewerkten bodem den eersten en noodzakelijken grondslag: ootmoedigheid, — ootmoedigheid door het zelfonderzoek, ootmoedigheid door de aanklacht, ootmoedigheid — door het vonnis, moge het ontbindend of bindend luiden.

Biechten brengt licht.

De driften hullen den geest in duisternis. De ivereld bedriegt; vleiers en valsche vrienden verblinden. De zondaar van zijn kant maakt het duister nog meer tastbaar; hij durft don sluitsteen des afgronds niet ter zijde schuiven en een blik in de diepte werpen. Hij vlucht het nadenken, tracht, de stem van zijn knagend geweten te smoren, zoekt verstrooiing en vergetelheid. Door altijd nieuwe geneugten, altijd nieuwe lusten doet hij steeds nieuwe stofwolken van den bodem opwarrelen, die hem meer en meer voor zich-zelf onzichtbaar maken.

De rechterstoel der boetvaardigheid is het graf der pas-siën, de zetel der onpartijdige rechtvaardigheid, de troon der ivaarheid.

De wereld zwijgt: alleen God, geloof en genade spreken nog. In de plaats van leugenachtige vrienden treedt de onbaatzuchtige handhaver van Gods heilige rechten en van die eener gesmade, onsterfelijke ziel. De wolken lossen zich op, het warrelende stof valt neder; de Hemel en het hemelsche zijn weder zichtbaar en storten blijde hun glansen uit over het verjeugdigde hart.

En niet slechts worden duistere vooroordeelen opgeklaard,

ocr page 132

124

die slechte neigingen of booze wenschen opdringen, of we Ike de booze mensch zich-zelven opdringt, — ook het duister in dm geloove, dat ons omhult of dreigt te omhullen, wordt gebannen; de schillen vallen ons van de oogen, •) door eigen boosheid verblind. Het geloof wordt levendiger, men hoopt weder, men gevoelt weder liefde; het hart is genezen, en de geest ontwaart daarvan den heilzamen invloed.

Biechten sterkt.

Onstuimig zijn de passiën; hebben zij het broze vaartuigje onzes harten overmeesterd, dan drijft het nog slechts doelloos op de ruige golven rond, om straks op de klippen te worden verbrijzeld, of in de diepte weg te zinken.

En tegen het geweld dier passiën wordt door eene goede Biecht steun verleend; eenige driften slingert zij met onweerstaanbare kracht over-boord, andere onderwerpt zii aan het gezag van een wijs, ervaren stuurman.

O ja, — God kent het arme menschenhart! Het aangeboden geneesmiddel is aan zijne zwakheid geëvenredigd.

De hartstochten worden aangevuurd door gelegenheden, — door slechte vrienden, die al te vaak de taal der ondeugd spreken, — door gezelschappen, aan den dienst dier hartstochten gewijd.

De Biecht slaakt deze ketenen; zij waarschuwt: zij reikt de edele vriendenhand; zij strengelt zegenrijke banden.

De driften tieren welig in den chaos der verstrooiingen, der gedachteloosheid, der oppervlakkigheid, in den maalstroom van het gewone leven, in de beslommering der zaken.

De Biecht voert den mensch terug in zich-zelven; zij leidt zijne schreden naar het heiligdom van de eeuwige waarheden des Geloofs; zij roept oude herinneringen uit betere tijden wakker; haar vinger wijst bemoedigend op den horizon

') Hand. 9, 18.

ocr page 133

125

eener hemelsche toekomst. De Biecht, mijn jongeling, over brugt de klove tusschen het dal der tranen en het „beloofde landquot;; zij bedwingt den stroom, die op vreemde bedding voortijlt, verandert zijn loop en richt dien weder hemelwaarts.

Aan de zegeningen der biecht worden zelfs andere men-schen deelachtig: Zij doet onrechtvaardig goed den eigenaar teruggeven; zij beslecht menigen twist, verzoent vijanden, herstelt de gegeven ergernis, verwijdert slechte vriendeu, beschermt have, eer en onschuld, houdt den overmoedige binnen behoorlijke perken, beurt den verdrukte op.

In het huisgezin brengt zij trouw, orde, vrede en liefde; in den staat veiligheid, broederlijken geest en onderworpenheid ; het geheele menschdom maakt zij tot één gezin van boetvaardigen, wat het inderdaad zijn moet, zoolang het in Adam en Eva zijne stamouders erkent.

O zegenrijk geneesmiddel! O schatkamer van onbeschrijflijk kostbare goederen! Waarlijk: God is trouw en rechtvaardig; Hij vergeeft ons de zonden, wanneer wij ze belijden, en Hij loutert ons van alle vlek en bovendien verlicht Hij ons, sterkt ons, vervult ons met troost, laat ons in den verworven zielevrede een voorsmaak van hemelsche wellusten proeven.

Hoe vurig wensch ik, o jongeling, dat gij de grootheid dier zegeningen wel overpeinzet, dat gij ze moget beseffen en op den waren prijs stellen! Dan zou de Biecht voor u geene foltering zijn; dan zoudet gij voorzeker tot haar uwe toevlucht nemen, ook dan, wanneer volstrekte noodzakelijkheid en gebiedende plicht u niet tot biechten dwingen. Dan zoudet gij die heilige handeling niet met weerzin verrichten, niet achteloos, niet oppervlakkig, — en vooral niet onwaardig...

') Joh. 1, 9.

ocr page 134

HOOFDSTUK XXX.

DE BIECHT IS GEMAKKELIJK.

Vis sanus fieri?____ Surge____et

ambula. Et statim sanus factus est homo ille. Joh. 5, 6. S. 9.

ven zoet als de vruchten zijn, ons in de biecht voor het heil onzer ziel aangeboden, even gemakkelijk jn ze te plukken.

i Gelooft gij het niet ? En toch zult gij dit moeten toe-$ geven, wanneer gij bedenkt, wat de zonde is, wat God is, wat gij door uwen afval van God hebt verdiend, welke voorwaarden Hij, de beleedigde, had kunnen stellen, welke pijnlijke stappen men zich vaak moet getroosten om menschen tot verzoening te bewegen.

Vergenoegt zich de wereldsche gerechtigheid met eene bekentenis der schuld, met eene betuiging van leedwezen, met betoond berouw?

Openbaarheid der rechtszittingen, bezoedelde eer, folteringen, ketenen, gevangenis, ontberingen van alle soort, strop.

ocr page 135

127

bijl en zwaard omgeven de menschelijke vierscharen met schrik en afschuw.

Sleept men u met geweld naar den biechtstoel? Ontmoet gij daar een onheilspellend rechtersgelaat? — Alles geheim, alles in goedheid, zachtheid, liefde en later geene verwijten meer, — geen kerker, geene beulshand; verre van daar: met eere en vriendschap wordt gij overstelpt; gerechtvaardigd, geadeld verwijdert gij u uit de zale des gerichts, waar gij het voordeel hadt, in één persoon schuldige, aanklager en getuige te zijn.

Welk een goedertieren gericht!

De aanklager is hier de zondaar-zelf, hij alleen en in zijn eigen zaak. En hij wordt gehoord, en zijne getuigenis is beslissend. Geen vuige laster, geen bittere haat kan hier binnendringen: soort, getal, omstandigheden, doel der misdrijven, 't wordt alles aangenomen zooals ik het weet, en volgens de ivare toedracht van het gebeurde; hier kan niemand iets overdrijven, verdraaien, verkeerd uitleggen. Met den rechter alleen heb ik te doen.

En deze rechter is mij van den beginne af wélgezind. En zijne genegenheid neemt toe, naarmate ik hem meer blijken van vertrouwen geef, — naarmate zijn oog dieper in mijn ongeluk doordringt. — En zijne rechtvaardigheid is goedertierenheid. Plaatsbekleeder van Dengene, die het geknakte riet niet geheel afbreekt en de nog glimmende 73^ niet geheel uitdooft, zal hij zeker niets onbeproefd laten om mij weder op te richten, om het wegstervende vonkje weder aan te blazen] !) — Zelf mensch — is hij zich van de menschelijke zwakheid te eenenmale bewust. — En dan, hij weet immers, dat hij, evenals zijn goddelijke Meester, de zending heeft, op te zoeken en te redden wat verloren is. 2)

') Is. 42, 3. quot;) Luc. 19, 10.

ocr page 136

128

Wel is lüj rechter, en moet rekening houden met de eischen der eeuwige rechtvaardigheid, met de eischen van de Opperste G-erechtigheid-zelve; doch — wanneer de schuldige en aanklager tevens berouw toont, wanneer zijne bekentenis den stempel der oprechtheid draagt, wanneer hij inderdaad in die stemming verkeert, waarin de vrijspraak moet worden aangehoord, dan is die rechter immer toegevend; zijn oordeel schenkt leven en genade.

Hoe moeilijk is het vaak, de verloren gunst eens vorsten terug te erlangen! Welke tijdroovende onderhandelingen! welke vernederingen 1 welke proeven van onderwerping en veranderde gezindheid! Eerst moet men 's vorsten omgeving voor zich winnen. Slechts moeilijk en langzaam baant men zich een weg naar den troon. Men moet eene geschikte gelegenheid afwachten. En dan — wellicht openlijke beschaming, knieval, smeekingen, — en bij dit alles geene zekerheid, dat men zal slagen.

En hier — een eenvoudige, maar ernstige stap bij 's Hee-ren gevolmachtigde, of, juister gezegd, bij God-zelven, van Wien gij bij voorbaat overtuigd zijn kunt, ja zijn moet, dat Hij u, den waarlijk rouwmoedige, gaarne en alles vergeeft.

Eischte God van mij jarenlang vasten; vorderde Hij, dat ik als pelgrim naar de eindpalen der wereld zoude gaan; vergde Hij offers van alle soort; begeerde Hij als prijs der verzoening geheel mijn vermogen; was het Zijn wil, dat ik waardigheden en ambten nederlegde en mij ontdeed van al wat mij kostbaar en lief is, — wat konde ik dan anders doen, dan dien prijs der verzoening betalen, teneinde mij de volstrekt onmisbare gunst van den Koning des Hemels en der aarde opnieuw te verwerven?

En nu — eenvoudige belijdenis, vrij willige verootmoediging, oprechte voldoening! . . . O mijn God, hoe gemakkelijk hebt

ocr page 137

129

Gij mij datgene gemaakt, waaraan uwe recMmardiglieid voor mij de grootste moeilijkheden had kunnen verbinden! Want kan een vergrijp tegen uwe opperste liefde en majesteit wel ooit genoegzaam worden uitgeboet?

Wat is de Biecht — in vergelijking met de AeZ, die ik door mijne zonden duizendwerf verdiende?

Daar — eeuwige schande, eeuwige verwijtingen, eeuwige smart, — en dan nog geene vergiffenis; hier, in den biechtstoel, korte beschaming, liefdevolle terechtwijzing, minutenlange moeilijkheden, — en dan — vergiffenis, verzoening, troost, blijdschap, liefde — en zulks voor immer, wanneer ik niet in de zonde terugval.

Belijden of branden: — wat is te verkiezen ?

Uw huis staat in lichte laaie. Aangenomen, dat gij het nog grootendeels kunt behouden door een weinig water, dat gij uit de naburige beek moet scheppen, in den vuurpoel te werpen: — ware dit middel niet gemakkelijk? niet zeer te wenschen ?

Door de Biecht bluscht gij den hellegloed.

Uwe schuld bedraagt zooveel millioenen goudstukken. Aangenomen, dat gij kwijtschelding dier geheele schuld kunt erlangen door spoedige betaling van één geldstukje, dat gij trouwens in handen hebt: — ware dit middel niet gemakkelijk ? niet zeer te wenschen ?

Door de Biecht bevredigt gij uwen Schuldeischer, wien gij oneindig veel schuldig zijt.

In de eenzaamheid des wouds ontmoet gij een vreese-lijken leeuw; geen uitweg, geen wapen. Reeds maakt hij zich tot den sprong gereed ... Aangenomen, dat gij hem door een wenk uwer vingeren in een zachtaardig lam kunt veranderen: — ware dit middel niet gemakkelijk? niet zeer te wenschen ?

9

ocr page 138

130

Door de Biecht stemt gi] tot goedertierenheid uwen niet recht vertoornden God, — Hem, den Geweldige, van Wien staat geschreven, dat het schrikkelijk is, in zijne handen te vallen. ')

Gij zijt doodelijk ziek. Men vraagt u: „Wilt gij gezond worden?quot; Een enkel „Jaquot; schenkt u leven en gezondheid weder; — ware dit middel niet gemakkelijk? niet zeer te wenschen.

En zoo vraagt Jesus u, die reeds zoo lang op het ziekbed ligt uitgestrekt: Wilt gij gezond worden? 2) En zoudt gij het „Jaquot; niet willen uitspreken? niet willen biechten? niet de stemme willen hooren, die u toeroept: „Sta op en wandel?quot; 3) niet genezen willen worden?____

Hoe onverantwoordelijk ware het, een zoo gemakkelijk middel af te wijzen, voor het bezit van zoo kostbare goederen zich niet een klein offer te willen getroosten!

En, — gesteld, dat biechten moeilijk was, in sommige gevallen zelfs zeer moeilijk, — kunt gij eischen, dat het geneesmiddel vreemd zij aan alle bitterheid?quot;

Kan het verwonderen, dat bij de samenstelling van een geneesmiddel met den aard der ziekte wordt rekening gehouden? Over elke schuld moet men berouw gevoelen, elke schuld moet beleden worden, — wil men op vergiffenis hopen.

Wie zal gaarne vergeven, zonder dat men hem daarom vraagt? zonder de overtuiging te hebben, dat de beleed::ger vurig wenscht, het misdrevene zooveel mogelijk te herstellen, de overtuiging, dat hij zich vastelijk voorneemt, in de toekomst zijne krenking niet te herhalen?

De geringste, gemakkelijkste voorwaarde, welke men ter

■) Hebr. 10, 31.

2) Joh. 5, G.

3) Joh. 5, 8.

ocr page 139

131

verzoening kan stellen, is wel de rouwmoedige bekentenis van hetgeen werd misdaan.

Ja, de Biecht is een geneesmiddel, — eene hemelsche artsenij, bereid uit Jesus' kostbaar Bloed.

Een geneesmiddel — hemelsch in zijne algememheid; immers, voor elke zielewonde, voor eiken leeftijd, voor eiken staat, voor elk gemoed is het uitermate geschikt.

Een geneesmiddel — hemelsch in zijne kracht; nimmer faalt het: verouderde ziekten, diep ingekankerde wonden — niets weerstaat aan zijne heilzame werking.

Een geneesmiddel, — hemelsch in zijne eenvoudigheid; breng een waar berouw mede, klaag u-zelven oprechtelijk aan, — en onmiddellijk, in een oogwenk, verdwijnt spoorloos de melaatschheid uwer ziel.

Een geneesmiddel — u door hemelsche milddadigheid aangeboden. quot;Wat kost het u? Zie, het staat bereid, geheel te uwer beschikking. Van Jesus' heilig Kruis stroomt het neder, neem het, bet er uwe wonden mede.

Of zoudet gij dit onfeilbaar geneesmiddel niet immer kunnen gebruiken, wanneer gij wilt? Och, er zijn overal priesters! Zieleartsen bevinden zich altijd in uwe nabijheid. Zij ontvangen u met open armen, wanneer gij u tot hen begeeft; zij komen met blijdschap, wanneer gij hen roept; om Christus' wille, om het loon des Hemels te verwerven, met zelfopoffering, zonder een zweem van eigenbaat doen zij alles, moeten zij alles doen. En voor allen, voor den arme en voor den rijke, voor den nederigen werkman en voor den aanzienlijken waardigheidsbekleeder, voor den onwetende en voor den geleerde zijn zij met liefde toegankelijk. Allen hebben recht op hen, recht op hun bijstand.

Waar blijven thans, o jongeling, uwe verontschuldigingen?

Misleid u-zelven niet; eigenlijk wordt gij door slechts één

ocr page 140

132

ding van biechten afkeerig gemaakt: schrik voor eene verbetering uws levens, vrees voor het geweld, dat gij uwer onstuimige natuur zoudt moeten aandoen, om niet weder te vallen.

Zoudet gij laf zijn, mijn jongeling?----

ocr page 141

HOOFDSTUK XXXI.

EEN BjjlK IN HET H\KT.

Si nosmetipsos dijudicaremus, nou utique judicaremur. 1 Cor. 11, 31.

ene zooveel mogelijk volledige beschuldiging, zooals het Biechtgericht die eischt, is niet denkbaar zonder een voorafgegaan nauwkeurig onderzoek des harten.

Wanneer ik in de Biecht eene zware zonde vergat, en verregaande lichtvaardigheid, gebrek aan ernst bij het onderzoek aan die vergetelheid schuld droegen, dan zoude mij die onvolledigheid als zonde worden aangerekend, dan zoude ik het Sacrament hebben misbruikt.

Daarom moet ik met ernst en vlijt mijn geweten onderzoeken. Ik heb bij de vervulling van deze taak minstens die nauwkeurigheid in acht te nemen, welke verstand en eigenbelang mij bij verrichten van élke gewichtige bezigheid voorschrijven.

ocr page 142

134

Van angstvalligheid en kleinmoedigheid even verre verwijderd als van onnauwkeurigheid en oppervlakkigheid, zal ik mij tot de Biecht voorbereiden op eene wijze, strookend met de -waardigheid van zulk een verheven Sacrament, en met het nut, dat ik daaruit hoop te trekken.

Ja, heilige Geest, Gij moet met de stralen van uw goddelijk licht uit mijn zondig hart de duisternis verdrijven!

O kom, ontwar het kluwen zooveler misdrijven, door gedachten, begeerten, woorden, daden, verzuimenissen gepleegd!

G-edoog niet, dat het zoo kostbare geneesmiddel der Biecht voor mij in gif verkeere, of dat die hemelsche artsenij, mijne wonden niet genoegzaam ontbloot vindende, hare uitwerking misse!

Verdrijf mijne dwaze eigenliefde, welke allerminst hier tehuis behoort. Laat mij, o heilige Geest, mij-zelvtn aanschouwen, gelijk ik was en ben, — hoe treurig deze aanblik mij ook stemme.

Toon mij, ik smeek het U, niet slechts mijne afdwalingen; laat mij ook de bronnen en oorzaken mijner ellende en ge-brckkelijkheid kennen; toon mij den samenhang, welke bestaat tusschen het eene gebrek en het andere, en tusschen de reeks mijner gebreken en het hoofdgebrek, dat mij beheer scht.

Heb medelijden met mijne jeugd; ruk den blinddoek van mijne oogen, en laat mij het net aanschouwen, door de pas-siën geweven, en waarin ik gevaar loop te verwarren.

Verlicht ook den priester, wien ik mij-zelven toevertrouw, den leidsman mijner ziel, — opdat hij niet alleen als rechter, maar vooral ook als geneesheer voor mij optrede, en mijner ziel luel doe.

En dan, o licht der goddelijke genade, doorgloei mijn hart, — maak het week, maak het vruchtbaar; verleen het eene

ocr page 143

135

rouwmoedige stemming, eene heilige vastberadenheid, om voortaan Gods wil in trouwe na te leven, het kwaad te vermijden, de deugd te beoefenen, de noodige en nuttige middelen gretig aan te wenden.

O ja, schep in mij een ander, een rein hart! Vernieuw den rechten geest in mijn binnenste breng mij weder in de oorspronkelijke richting hemelwaarts, in de richting, die mij tot mijnen God en Schepper moet voeren!

Bij het onderzoek van geweten is vooral orde dringend noodzakelijk. Zij bewerkt, dat gij de hulp van een z. g. „biechtspiegelquot; zeer wel kunt ontberen, en maakt zelfs het opteekenen van fouten overbodig.

Doorloop de Tien Geboden Gods, de geboden der Kerk. Overweeg bij elk dier geboden, of gij niet door gedachten, woorden, daden of verzuimenis daartegen hebt gezondigd.

Of: overweeg uwe plichten jegens G-od, jegens den naaste, jegens u-zelven. Onderzoek, of gij den Heer, uwen God, de verschuldigde eer, dank en aanbidding hebt gebracht; onderzoek uw gedrag ten opzichte van uwe overheden, van uwe gelijken, van uwe ondergeschikten, almede de plichten van meen staat. Onderzoek, of gij de verschillende deugden hebt beoefend, welke God begeert, in u te zien: — kuischheid, matigheid, gehoorzaamheid, waarheidsliefde, zachtmoedigheid, geduld, nederigheid.

Of, — en dit voornamelijk wanneer uwe laatste Biecht nog niet lang is geleden, — doorloop in den geest achtereenvolgens de dagen; zie, wat er op is voorgevallen ; denk aan de plaatsen, waar gij zijt geweest, aan de personen, met wie gij omgang hadt, aan de werkzaamheden, door u verricht.

Onderzoek het getal der zware zonden zoo nauwkeurig

') Ps. 50, 12.

ocr page 144

136

mogelijk; onderzoek de omstandigheden, waarin zij werden gepleegd, en denk er over na, in hoeverre die omstandigheden den aard der zonden gewijzigd, of de zonden verzwaard hebben. Onderzoek, of gij aan de fouten van anderen hebt deelgenomen, of gij misschien tot hunne zonden aanleiding hebt gegeven.

Vraag dan u-zelven af, of gij uwe laatste Biecht waardig hebt gesproken, en de u opgelegde penitentie behoorlijk verricht ; of gi] hebt teruggegeven wat gij teruggeven moest; of gij hebt hersteld wat gij verplicht waart te herstellen; of gij naar best vermogen de naaste gelegenheid tot zondigen hebt ontvlucht; of gij de middelen, u door den biechtvader aangeraden, trouw hebt gebezigd.

En geheel dat onderzoek moet gij verrichten in tegenwoordigheid van den driemaal-heiligen, alwetenden God, vóór het aanschijn van Dengene, die harten en nieren doorgrondt, ') voor Wien de sterren niet vlekkeloos zijn, 2) die Jeruzalem met fakkelen doorzoekt, 3) voor wiens blik men geene zonde kan verhelen, verkleinen, bemantelen.

Plaats u in den geest vóór den troon des eeuwigen Rechters, zooals gij daareenmaal staan zult. Voorkom dat schrikkelijke oordeel, en sla nu vrijwillig en in alle oprechtheid dat gewichtige hoek op, waarin al uwe gedachten, woorden en werken zijn opgeteekend.

Voorwaar: oordeelden wij ons-zelven, dan zoude God ons niet eenmaal behoeven te oordeelen!4)

Doorzoek dan vaardig uw hart, o jongeling; sla geen hoekje over. Doorzoek juist met den grootsten ijver die plooien, welke zich het moeilijkst laten openen.

Wees nauwgezet. Misleid u-zelven niet; wacht u wel, G-od te willen misleiden.

') Openb. 2, 32. 2) Job 25, 5. :') Wijsh. 1, 12. ') Oor. 11. 31.

ocr page 145

I

HOOFDSTUK XXXII. BEROUW.

Cor contritum et liumilia-tum. Deus, non despicies.

Is. 50, 19.

iff eloof niet, dat de hoofdzaak bij de Biecht het geive-

'13

K tensonderzoek is; Berouw is allereerst noodzakelijk. In tijd van nood kan het berouw de Biecht ver-| vangen, en bij een werkelijk volmaakt berouw wordt i zelfs de absolutie door de rechtvaardiging voorafgegaan.

Zonder berouw geene vergiffenis. Dit ligt in de natuur der zonde, welke hierin bestaat, dat men zich van God afkeert, en zich tot de menschen neigt; — de zonde is dus eenecer-keerdheid, eene afwijking van de behoorlijke orde.

Het hart moet weder van de schepselen worden losgerukt en tot God teruggevoerd. Dat losrukken veroorzaakt pijn; die

ocr page 146

138

terugkeer laat zich niet denken zonder afschuw van het voorwerp, dat ons van God heeft vervreemd.

Het berouw is dus eene zielesmart, een afschuw van de zonde, een wensch om het misdrevene te herstellen, gepaard aan het voornemen van niet meer te zondigen.

Het berouw moet derhalve inwendig zijn, anders is het geen zielesmart. Het moet u oprecht leed doen, dat gij ongelukkig genoeg waart, te zondigen.

Eene zinnelijke smart, eene smart, die zich door benauwdheid en tranen uit, en zich in bepaalde woorden lucht geeft, is niet gevorderd. Ook zonder tranen en zonder die mondelinge uitdrukking van leedwezen kan het berouw oprecht en waar zijn; verscheurt uw hart, staat er geschreven, niet uwe kleederen - en bekeert u in waarheid tot den Heer, uwen God. 1)

Bedient gij u van eenig formulier, dan moet gij u-zelven geioeld aandoen, om de gevoelens, daarin uitgedrukt, tot de uwe te maken. Een werktuigelijk opzeggen is niet voldoende, kan niet baten.

Daar wij door elke doodzonde den Hemel verliezen en de hel verdienen; daar elke doodzonde God, het hoogste, beminnelijkste goed, bitter beleedigt, — moet ons berouw algemeen zijn, d. w. z.: zich tot alle zware zonden uitstrekken.

Hebt gij over slechts ééne. doodzonde geen berouw, dan is uw berouw onvoldoende. De beweegreden tot berouw over de ééne zonde is ook de beweegreden tot berouw over alle andere.

Kunt gij tegelhjkertijd Gods vriend worden en zijn vijand blijven, d. w. z.: aan eenige zware zonden blijven hechten ?

Zie derhalve wel toe, dat niet eenige lievelingszonde er in slage, aan uw berouw te ontsnappen.

') Joel. 2. 18.

ocr page 147

139

Hot berouw moet verder geSvenredigd zijn aan het kwaad, door mij bedreven, en aan het doel, dat ik door middel van het berouw wensch te bereiken.

Hoe grooter het aangerichte euvel is, des te grootermoet het berouw wezen. De zonde is het euvel der euvelen. Niets veroorzaakt meer nadeel, dan zij ; daarom moet ook de smart, die wij daarover gevoelen, groot boven alles zijn, — ja, die smart zou, ware het mogelijk, oweiMcZi# moeten wezen, daar de zonde als een oneindig kwaad moet worden beschouwd.

Wie de zonde niet verafschuwt als het ergste, het éénig ware kwaad, die begrijpt haar wezen niet; bij zoo iemand kan van berouw geen sprake zijn.

Die boven alles hevige droefheid is van den ivü afhankelijk. geenszins van het gevoel alleen, aan dit laatste mag niet te veel gewicht worden toegekend.

Het doel des berouws is de verzoening met God. Wij begee-ren, zijne genade, zijne vriendschap terug te bekomen; wij verlangen vurig, weder bekwaam te worden om eenmaal in 't bezit der eeuwige, bovennatuurlijke zaligheid te geraken.

Aan dit bovennatuurlijk doel beantwoordt noodzakelijkerwijze slechts een bovennatuurlijk middel. Het berouw moet dus bovennatuurlijk zijn; het vinde zijn oorsprong in de genade en steune daarop; het kome voort uit bovennatuurlijke beweeggronden, bijv.: Gods vriendschap verbeurd, de Hemel verloren, de hel verdiend, 's Heeren majesteit en goedheid beleedigd____

O mijn God! koude ik steeds een volmaakt berouw over mijne zonden gevoelen! Koude ik van alle beweeggronden, die mij-zelven aangaan, zoo vrijelijk afzien, dat alleen, of ten minste op de eerste plaats, de liefde tot U mij tot U terugvoerde! Wel is het bovennatuurlijk onvolmaakt berouw, waarbij ik op de eerste plaats niet U, o mijn God, doch mijne

ocr page 148

140

eeuwige belangen op het oog heb, bij het ontvangen van dit H. Sacrament voldoende; — maar, o hoogste, beminnelijkste goed. mijn Schepper, mijn Vader, God der waarheid en schoonheid, der macht en heiligheid. Gij, in quot;VVien alle volmaaktheid samenvloeit, — de gedachte, tegen U te zijn opgestaan, U te hebben miskend, U te hebben bedroefd, U te hebben beleedigd, die gedachte moest mij voor elk ander gevoel onvatbaar maken. Wat is mijn Hemel tegen uwe eer! Gij alleen zijt heilig, Gij alleen de Heer, Gij alleen de Allerhoogste] Kan het nadeel, mij-zelven berokkend, wel in aanmerking komen, waar het eene krenking van uwe rechten geldt ? O — verleen mij dat volmaakt liefdeberouw, dat berouw zonder zelfzucht, — dat berouw, hetwelk mij zoo geheel en al als een zoenoffer verteert, dat niets van mij overblijve, — naar het woord uws Zangers en Propheten: Een gebroken geest is Gode een welgevallig offer; een vermorzeld en ootmoedig hart zult Gij, o God, niet versmaden. 1)

Het berouw maakt deel uit van de voorbereiding tot de Biecht; het moet aan de Absolutie voorafgaan en met het oog op de af te leggen Biecht worden verwekt; het berouw wordt door den wil in rechtstreeksch verband met de sacra-menteele belijdenis gebracht.

Dikwerf schijnt het moeilijk, ons in die rouwmoedige stemming te brengen. Bidden wij daarom. God, die wil. dat wij ons bekeeren, wil ook het middel tot onze bekeering; wij zullen derhalve in staat zijn, een bovennatuurlijk berouw in ons te verwekken, zonder hetwelk geene bekeering mogelijk is.

En doet Hij niet altijd onmiddellijk het berouw in ons hart dalen, dan verleent Hij ons toch de genade van het gebed, waardoor wij tot de genade van het berouw kunnen komen.

•) Ps. 50, 19.

ocr page 149

141

Tot berouw stemt vooral ook de overdenking van bovennatuurlijke beweeggronden, tot welke niet zelden de natuurlijke den overgang kunnen vormen; — welke schande in zoo me-, nig kwaad! welke gevolgen voor gezondheid, vermogen, eer! welke gewetenswroeging, welk een drukkend bewustzijn ! welk eene tegenstelling met de deugd, die vaak reeds hier beneden zoo heerlijk wordt beloond! hoe afschuwelijk is elke zonde, in zooverre zij tegen rede en goeden toon indruischt! hoeveel afschuwelijker nog in hare overtreding van Gods eeuwige wetten! welke tijdelijke straffen! En de dood — wellicht zoo nabij! en het oordeel!— en de eeuwigheid! — Ach, die hél, of zelfs maar het vagevuur! En de Hemel verloren, met zijne eeuwige zaligheid! en het gezelschap der Heiligen! — en God, dit hoogste, beste Wezen! welk eene ondankbaarheid in elke zonde! Heeft God dat aan mij verdiend, — Hij, Wien ik alles, alles verschuldigd ben, — in de orde der natuur, zoowel als in die der genade? En het liefdevolle Hart van Jcsus! en het Kruis! en. het Lam Gods op het altaar en in het tabernakel! en Gods oneindige volmaaktheden, tegenover welke mijne zonden staan gelijk zoovele schaduwen der hel!. .. .

O mijn God! ik bloos van schaamte, en waag het nauwelijks, tot U op te zien; want mijne misdaden zijn mij boven het hoofd gewassen, en het kwaad, dat ik heb bedreven, reikt tot den Hemel! ») Vergeef, o God van liefde, een verdwaald jongeling, die uit den grond zijns harten begeert, tot U terug te keeren!

Niet slechts om de hel te ontkomen, die ik mij bewust ben, te hebben verdiend; niet slechts omdat ik het recht op den Hemel en zijne eeuwige gelukzaligheid verbeurde, —

') Esdras. 9, 6.

ocr page 150

142

ach! — om U, o hoogste, beste, beminnelijkste goed. God der goedertieren liefde, der majesteit en heerlijkheid, - om U vooral doet liet mij leed, dat ik ooit heb gezondigd door gedachten, woorden, werken, verzuimenissen! Konde ik alles herstellen, en mijn opstand en snoode ondankbaarheid tegen U met mijne tranen, ja met mijn bloed uitboeten!

Vergeef mij de schandelijke ontwijding mijner jeugd! Vergeef, dat ik vermetel heb geweigerd, U te dienen in die jaren, waarop Gij, voor mijn eigen heil, het meeste recht doet gelden! vergeef, dat ik U en mij-zeiven dien kostbaren tijd heb ontroofd!

Voortaan tenminste zult Gij in mij een volgzaam, rechtgeaard kind bezitten. U zij de 7'est mijner jeugd en geheel mijn volgend leven gewijd — in vroomheid en kuischheid, in zachtmoedigheid en gehoorzaamheid, in arbeidzaamheid en naastenliefde.

Herstellen wil ik naar best vermogen het misdrevene, vermijden de gelegenheid tot zonde; gebruiken de mij voorgeschreven reddingsmiddelen. — Heer, verleen mij hiertoe uwe genade! geef dat ik U voortaan hoven alles liefhebbe, en nooit meer van ü gescheiden worde. — Amen! Amen!

ocr page 151

HOOFDSTUK XXXIII.

VAST VOORNEMEN.

Juravl et statui, custodiro judicia justitiao tuac.

Ps. 118, 100.

aar berouw sluit altijd het voornemen in zich. Xamp;K ^,e bedreven zonde, zij mag noch zal zich her-■fi\ halen; — niets, wat met de goddelijke wetten in strijd is, mag in de toekomst gebeuren.

Dezen ernstigen wil moet ik hebben; zonder dien wil is geene vergiffenis mogelijk. Zonder waren haat tegen de zonde geene verzoening met God, en zonder den vasten wil, voortaan niet meer te zondigen, geen ware haat.

Dan, die ernstige wil kan aanwezig zijn, trots de vrees, die in ons binnenste opkomt, dat onze betering niet blijvend zal wezen.

G-ij zult echter wèl doen, die vrees te bestrijden. Ja, onderdruk die gedachte aan een terugval, die gedachte, welke der

ocr page 152

144

lafheid zoo vaak eene hulpe wordt, om u te overmeesteren. Een terugval is wel-is-waar mogelijk-, doch hij ligt verder van u verwijderd, naarmate gij u met meer vertrouwen in 's Heeren armen werpt.

Vergeet niet, dat gij alles vermoogt in Hem, die u sterkt; ') en dat gij nooit boven uwe krachten zult worden bekoord. ^ Uw voornemen kome waarlijk uit het hart. Niet de ivoorden zijn het, die het voornemen maken; de wil treedt hier beslissend op. Ik heb gezworen, o Heer, en mij vastelijk voorgenomen, de geboden uwer gerechtigheid te onderhouden. 3)

Uw voornemen zij vast, onwankelbaar. Het koste wat het wil: — het moot anders met mij worden; dit en dat in het bijzonder mag zich nimmer herhalen. Wat zal mij nog van Christus' liefde losrukken? Kommer? nood? honger? naaktheid? gevaar? vervolging? zwaard...? 4)

Uw voornemen zij algemeen. Het strekke zich uit tot de bedreven zonden, en tot die, welke nog bedreven kunnen worden. Zoudet gij aan slechts ééne doodzonde niet verzaken, dan ware uwe bekeering valsch; dit zou ook dan het geval wezen, wanneer uw voornemen zich slechts tot zekere tijdruimte bepaalde, niet de geheele toekomst omvatte.

Uw voornemen zij werkzaam. Gij moet niet slechts het besluit vormen, niet meer te zondigen, — gij moet ook de Xniddelen aanwenden, de gelegenheden vermijden, herstellen wat hersteld kan worden, ernstig arbeiden aan het uitroeien uwer driften en verkeerde neigingen.

Eindelijk moet uw voornemen bovennatuurlijk zijn, gelijk het berouw-zelf, waarbij het zich aansluit; het moet steunen op een beweeggrond der genade. God moet tevreden worden

') Phil. 4, 18. =) Cor. 10, 13. ■) Ps. 118, 106. ') Bom. 8, 35.

ocr page 153

145

gesteld, mijne ziel in veiligheid worden gebracht; aan de hel moet ik ontkomen, den Hemel moet ik binnengaan. De eeuwigheid, o God, — zij zweeft mij vóór oogen! ^Waarom zoude ik mij niet eene korte ivi/jle geweld aandoen, om mij eeuwig in de vruchten dier inspanning te kunnen verblijden?

De grootste moeite, dierbare jongeling, wordt u veroorzaakt door uwe lievelingszonde. Gij mint haar, en zij mint u. Het schijnt u wellicht moeilijk, of zelfs onmogelijk, van die zonde afstand te doen. Gij kunt slechts moeilijk besluiten, alle middelen te bezigen, uwe bevrijding tot eiken prijs te bewerken, zelf de handen aan het werk te slaan, om die zonde met wortel en tak uit te roeien.

En toch moet uw voornemen vooral op die zonde slaan; zij vormt de keten, die gij het moeilijkst medesleept, den last, die u het zwaarst drukt.

Kleingeloovige, waarom twijfelt gij? 2) Reikt de Verlosser u niet de hand ?

En wat vermag niet een ernstige wil! Het Koninkrijk der Hemelen lijdt geweld, 3) maar de geweldigen, — degenen, die in waarheid willen, wier willen daad wordt, zijn er zeker van, het te bemachtigen.

Heer, — ik wil. Het is mij ernst. Door uwe hulp gesteund, zal ik datgene verrichten, wat onmogelijk schijnt. Op die hulp durf ik rekenen; want meei dan ooit ben ik mij op dit oogenblik van mijne zwakheid bewust. Met vertrouwen durf ik tot U opzien, — opzien tot de bergen, van waar mij hulp geworden zal! ■')

En nu, o jongeling, wees getrouw aan uwe belofte, den Heer gedaan. Heilig zii u het gegeven woord. Gij hebt ge-

') Ps. 76, 0. gt;) Math. 14, 31. ') Math, 11, 12. *) Ps. 120, 1.

10

ocr page 154

146

sproken: ik wil. Toon dan metterdaad, dat gij wilt. Sla zonder toeven de hand aan het werk. Bewijs, dat voor u ook ten opzichte van God de woorden „eerquot; en „rechtschapenheidquot; geene holle klanken zijn. Heb moed. Vertrouw. De heer der heirscharen is met u en met uw goeden wil; uw schutse wil de god Jacobs zijn. ^

') Ps. 45, 8.

ocr page 155

HOOFDSTUK XXXIV.

OPRECHTE BELIJDENIS.

Non confundaris confltcri peccata tua. Eccl. 4, 31.

lllamp;SC.aar — hard blijft het immer, den priester zijne SChuld te moeten belijdequot;! wel zie ik in, dat deze ^ be]ijdenis noodzakelijk is, — daar Gij, o Heer, den 'K priester in uwe plaats tot rechter hebt aangesteld, en hij niet kan oordeelen, wanneer ik niet oprecht alles belijde, wat ik door gedachten, woorden en werken misdreef.

Doch geheel mijn wezen komt tegen die vernedering in opstand, en de schaamte pijnigt mij zoo wreed.

„Mijn zoon! juist hierin moet gij het begin dier voldoening zien, welke gij verplicht zijt te geven. Onderwerp u in den geest van boetvaardigheid aan die verootmoediging; lijd die beschaming als zoen voor de schaamteloosheid, waarmede gij

ocr page 156

148

zoo dikwerf mijn gebod hebt overtreden. Ziet gij niet den valstrik, u door den vijand gespannen? Hij geeft u thans weder terug wat hij bij uwen val ontroofde: de schaamte; nu echter is zij valsch, o mijn zoon!quot;

„Maar, o Heer, — wat zal de man, die hier als rechter zetelt, van mij denken? Zoo jong, en reeds zoo diep in alle boosheid ingewijd! Misdaad op misdaad, — zware, menigvuldige, tallooze vergrijpen! En die geheime zonden! die gedachten, die begeerten, die daden, welke het daglicht schromen! O slecht jongeling! o waarlijk verloren zoonquot;! o dor hout, den hellegloed waardig!quot;

„Mijn kind! De priester denkt niets van dat alles. Wel kan hij huiveren bij het zien uwer schrikkelijke diepe wonden; wel kan de smart, die u teistert, in zijn vadeihait o verdruppelen; maar telkens, wanneer gij hem eene nieuwe wonde blootlegt, neemt zijn medelijden met u toe, wordt zijne liefde jegens u inniger, verlangt hij vuriger, u, arme, te redden. — Zie, Ik-zelf zond hem uit, dien man, op den weg naar Jericho, en ik gaf hem wijn en olie mede — voor u. Zoude hij zich dan niet bewust, dat hij my we plaats bekleedt? En Ik, — Ik ben geheel barmhartigheid en liefde, en bedek des rouwmoedigen zonde.... 1) Zoude hij kunnen vergeten, dat hij-zelf mensch is, en mijne barmhartigheid reeds zoo vaak noodig had en die barmhartigheid nog geen oogenblik kan derven ? Is er onder alle zonden, die gy te belijden hebt, wel ééne, waaraan hij zich in de toekomst niet nog kan plichtig maken ? Moet ook hij niet zijnen schat omdragen in een broos vat, 2) hetwelk zoo dikwijls gevaar loopt, te breken?— Dat alles weet hij, en dat stemt hem tot mededoogen, tot zachtmoedigheid, tot ontfermen.quot;

•) Ps. 84, 3. !) Cor. i, 7.

ocr page 157

149

„Maar, o Heer, indien het leven, tot dusverre door mij geleid, anderen bekend werd ? ...

Gij vreest het onmogelijke, miin zoon. Ik, die het Sacrament der Biecht heb ingesteld, waak tevens, dat het mogelijk blijve. Onmogelijk zou het worden, wanneer in 't priesterhart niet voor eeuwig begraven bleef wat gij miin plaatsbekleeder toevertrouwt. Deuk aan mijn welbeminden Bloedgetuige, Joannes Nepomucenus; zijne tong, nog te huidigen dage onverteerd, verkondigt den lof der sacramenteele stilzwijgendheid. En — geloof het: telkens wanneer menschelijke snoodheid zou pogen, een biechtvader tot de schending van dit, mijn geheim te verleiden, zoude zij zulk een Joannes tegenover zich vinden.

Ga dan in, mijn lief kind, tot den rechterstoel der genade. Genade heeft u den weg gebaand, genade geleidt u, genade wacht u, genade doet u gerechtvaardigd en in triumph huiswaarts keeren.

Schaam u niet, uw zonden te belijden!') Uwe bekentenis zij eenvoudig, duidelijk, deemoedig, — zooals het voor zulk een zwaar schuldige betaamt. Maar op de eerste plaats zij uwe belijdenis oprecht, en. zooveel mogelijk, toMm/. Noem het (/e-tal uwer zware zonden, in zooverre gij dit getal kunt vaststellen ; verzwijg niet de omstandigheden, welke den aard der zonden kunnen wijzigen, of dezelve aanmerkelijk bezwaren. Beken ook de gedachten, de vrijwillige, de zwaar zondige ; — de slechte voorstellingen, welke gij hebt toegelaten, of waarin gij zelfs behagen scheptet, de begeerten, de zondige voornemens en besluiten.

Weet, dat Ik uw hart doorschouw; vruchteloos zoudt gij beproeven, voor mijn oog deze of die plooi gesloten te houden, — zij ligt opengeslagen vóór Mij. Het is u niet moge-

') Eed. 4, 31.

ocr page 158

150

lijk, Mij iets te verhelen. Zie wel toe, dat gii.niet, in stede van vergiffenis te erlangen, u met nicutve schuld bezwaart; dat gij niet vloek moget oogsten in plaats van zegen; dat niet uw zielesmart in hevigheid toeneme, waar gij ruste en leniging hooptet te vinden. Denk aan de gevolgen van een heiligschennend zwijgen, aan die eener valsche schaamte: — nieuwe zonde, zwaar misbruik van een genademiddel, verandering van de hemelsche artsenij in een doodelijk gif, verstoktheid, verharding, misschien blijvende onboetvaardigheid en — de schrikkelijke hel!

Of geeft gij er de voorkeur aan, in den jongsten dag uwe zonden aan het licht te zien brengen en vóór het aanschijn der geheele wereld te worden geoordeeldquot;? Zoude u dit verkieslijk schijnen boven eene belijdenis aan den priester, die de kennis uwer misslagen met zich in het graf neemt?

„Welaan, Heer, door uw woord bemoedigd, zal ik mij zeiven aanklagen. Den priester, uw plaatsbekleeder, wil ik mijne zonden belijden; reeds komt uwe vergiffenis nabij en de schuld mijner zonden hebt Gij uitgedelgd!quot; ')

') Ps. 31, 5.

ocr page 159

HOOFDSTUK XXXV.

GENERALE BIECHTEN.

Rocogitabo tibi omnes meos in amaritudine animae meae.

Is. 38. 15.

zijn verschillende soorten van Biechten. De gewone Biecht omvat de tijdruimte, verloopen tnsschen het oogenblik, waarop gij de laatste maal f waardig de belijdenis uwer zonden hebt gedaan, en dezen dag, dit uur, waarop gij den biechtstoel weder binnentreedt.

De algemeene of generale biecht omvat öf het geheele leven, of tenminste een groot deel van hetzelve.

Weet men zeker, of bestaat er gegronde vrees, dat vroegere biechten ongeldig zijn geweést, dan moet eene biecht worden afgelegd, welke tot dien tijd terugreikt.

Ongeldig van de zijde des biechtelings zou de biecht ge-

ocr page 160

152

weest zijn, wanneer het onderzoek niet met vereischte nauwkeurigheid is geschied; wanneer hij geen waar berouw gevoelde, wanneer zijn voornemen niet ernstig en vast, zijne belijdenis bij zijn iceten onvolledig is geweest.

Schuldige onwetendheid; zelfbedrog ten aanzien van de keuze eens biechtvaders; gebrekkige wil in zake de ware bekeering, hot teruggeven van geld of het herstellen van de geschonden eer, het wegnemen van de gegeven ergernis, het mijden van slechten omgang en naaste gelegenheden; de onop-houdelijke terugval in de oude doodzonde, het jarenlang voortleven in slechte gewoonten, — dit alles geeft reden te over, om voor ongeldige, of tenminste twijfelachtige biechten te vreezen.

Eene goede generale Biecht zal in dien verwarden gewe-tenstoestand orde brengen; zij doet breken met een gevaarvol verleden, zij beveiligt voor de toekomst.

Eene goede generale Biecht is derhalve rijk aan troost, wijl zij te eenemnale met het verleden afrekent, en den grenspaal vormt, waarbij een nieuw en beter leven begint.

Eene goede generale Biecht zal u vooral op de stervenssponde geruststellen, wijl zij een groot deel uws levens in het reine heeft gebracht, zoodat gij tenminste daarover niet bekommerd behoeft te wezen.

En werp nu een blik op zoovele jongelingen. Denk er over na, hoevelen jarenlang uit dwang of eene soort van gewoonte, zonder nauwkeurigheid of ijver, zonder ernst en zonder hun levenswandel te beteren, ter Biecht gaan.

Spreek, — is het niet wenschelijk, dat zij hierin verandering brengen, dat zij beginnen na te denken, dat zij het kluwen zooveler opeengehoopte fouten pogen te ontwarren, dat zij hun geweten tot den bodem toe ledigen en zuiveren, dat zij God smeeken om vergiffenis voor de afdwalingen hunner arme jeugd?

ocr page 161

153

Aanleiding tot het spreken van zulk een „levensbiechtquot; vindt de jongeling in 't bijzonder dan, wanneer de intrede eener nieuwe uitwendige levensperiode, (bijv. de overgang van de lagere tot de hoogere studiën), of wel eene bepaalde verandering in zijn binnenste, of eene belangrijke gebeurtenis eene dergelijke zieleverfrissching, eene grondige regeling-van de aangelegenheden zijns gewetens raadzaam maken.

En zou eene generale Biecht niet strikt noodzakelijk wezen, daar gij tot nu toe het Sacrament hebt ontvangen, — nuttig is zij u zeker, in zooverre gij niet tot dezulken behoort, die zich uit ongegronde angstvalligheid immer over hun verleden blijven verontrusten, — zielen, voor wie eene generale Biecht minder is aan te raden, dan eene betrouiovolle gehoorzaamheid.

Eene goede generale biecht vermeerdert uwe zelfkennis. Door haar wellicht ziet gij, hoe ver verwijderd of hoe nabij het doel is, — wat gij bereids hebt gedaan en wat nog verricht moet worden, — hoe zich uwe driften ontwikkelen of tot een keten schakelen, — met hoeveel of weinig vrucht gij ze tot nu toe hebt bestreden. Een aanzienlijk deel uwer jeugd ligt thans achter u: is uw blik helder, onbevangen, dan ziet gij in de generale Biecht, of de weg, tot dusverre door u bewandeld, uw levensweg mag blijven, of hij opwaarts ten Hemel, dan wel nederwaarts ter helle voert.

Zulk een blik in uw verleden heeft innig berouw ten gevolge, daar hij talrijke fouten ontmoet; zulk een bliknoo-digt uit tot een vast voornemen, daar hij inziet, hoe weinig nog voor den Hemel is gedaan; zulk een blik wekt vurig verlangen naar eene betering des levens, daar hij op wonden staart, die met den tijd ongeneeslijk kunnen worden; zulk een blik beteugelt de lichtzinnigheid, daar de indruk, dooide beschouwing van zooveel ellende achtergelaten, ernstig, zeer ernstig moet zijn.

ocr page 162

154

Zulk eene Biecht doet rijker genaden op u nederdalen, omdat zij meer dan eene gewone Biecht zelf beschaming medebrengt, en zeker ook altijd inniger berouw opwekt. In de nu ganschelijk rein gewasschen ziel vermeerdert zich de liefde tot een God, die haar zooveel vergaf, — het vertrouwen neemt toe, het geloof wordt sterker, de toewijding meer volkomen.

Ruste en nimmer gesmaakte zoetheid stroomen u toe; gij gevoelt u als herboren. Moedig begint men zijn leven te beteren, daar men weet, dat God onzer misdaden niet meer indachtig is.

Raadpleeg de ervaring: Voor hoevelen was eene generale Biecht het begin van een nieuw leven!

Zij spraken: Voor U, o God, wil ik overdenken alle mijne jaren in de bitterheid mijner ziel! ')

En dan: Ik heb gezegd, en reeds sloeg ik de hand aan het werk der verbetering.

Hoeveel godvruchtige personen zijn er, die, om het nut dat hunne ziel daaruit trekt, om den troost, dien zij daaruit putten, om de eer, welke God daardoor wordt gebracht, van tijd tot tijd, bijv. jaarlijks, zulk een diep vorschenden blik op hun verleden werpen en zulk eene buitengewone Biecht spreken, om daarna met nieuwen ijver op het pad der deugd voort te gaan.

Wilt gij zulk eene Biecht afleggen, handel dan als volgt:

Trek u, zoo mogelijk, vooraf eenige dagen uit de beslommeringen des levens terug. Kunt gij de bezigheden van uw staat niét onderbreken, gun u dan toch lederen dag een zekeren tijd, om dien eenzaam — met G-od en u-zelven — in gebed, geestelijke lezing en onderzoek uws gewetens door te brengen.

Verdeel uw leven in gemakkelijk overzienbare tijdruimten,

') Is. 38, 15.

ocr page 163

155

en overweeg, wat gij daarin, met gedachten, woorden, werken, verzuimenissen — tegen de geboden Gods en tegen die der Kerk, tegen de plichten van uw staat en de deugden, van a gevorderd, hebr. misdreven.

Let vooral op de doodzonden-, de dagelijksche fouten zult gij daarna gemakkelijk regelen.

Is die eerste voorbereiding naar behooren geschied, bepaal dan voor de nadere, rechtstreeksche voorbereiding een geschik-ten tijd. Deel den biechtvader uw voornemen mede; verzoek hem, u te helpen; beschuldig u allereerst van die zonden, welke gij na uwe laatste geldige Biecht hebt bedreven, daarna van de andere, — zoo beknopt, maar ook zoo nauwkeuriy als gij kunt, — in ootmoed en vermorzeling des harten.

O ja — in ootmoed en vermorzeling! want berouw is bij de Biecht op de eerste plaats noodzakelijk. En zouden wij geen berouw gevoelen, nu eene reeks van jaren tegen ons getuigt ?

Waarom, o jongeling, schrikt gij terug voor een geneesmiddel, dat u van zulk een onberekenbaar nut kan zijn?

Verzet zich misschien uwe lichtzinnigheid tegen den ernst en het bittere van zulk een grondig onderzoek uwer ziel ?

O — juist dan is het voor u noodzakelijk!

Vindt gij het moeilijk, uw geheel leven te overzien en daarop orde te stellen? Maar — gij zijt nog zoo jong; zal eene levensbiecht u gemakkelijker vallen, wanneer gij die nog jaren en jaren uitstelt?

Schep moed! vraag niet, of het moeilijk is. O. zeg mij: is het noodzakelijk, is het nuttig, — waarom het niet gedaan? waarom.het niet spoedig gedaan?

ocr page 164

HOOFDSTUK XXXVI.

VOLDOENING.

Quiescite agcre perverse; discito benefacere..... f Is. 1, 10. 17.

a*

gt; r bestaat eeno vergoedincj, waartoe wij door den aard van zekere zonden worden verplicht, en die, ■w* hoewel minder juist, voldoening genoemd kan worden.

Hiertoe behoort meer in 't bijzonder de restitutie i van eens -anders goed, hetwelk men zich op onrechtvaardige wijze heeft toegeëigend; hier geldt het zelfs een plicht, van welks vervulling de geldigheid der absolutie afhangt.

Ook is het voor die geldigheid noodzakelijk, dat men, in zooverre mogelijk, de gegeven ergernis wegneme, de geschonden eer des naasten herstelle, — ook dit zijn heilige plichten, tot welker trouwe vervulling men in elk geval bereid moet wezen.

Maar ons wordt ook door den priester, met goddelijke

ocr page 165

157

rechtsmacht bekleed, eene boete opgelegd; deze noemt men de sacramenteele voldoening of penitentie.

Deze boete is verplichtend, in zooverre zij geene onbillijke, onuitvoerbare dingen omvat: de biechtvader heeft niet alleen het recht, maar het is ook zijn plicht, tot straf der zonde eenerzij ds, tot wegneming van de gevolgen der zonde en tot sterking tegen den terugval anderzijds, eene boete op te leggen.

De penitentie maakt wel-is-waar geen deel uit var; het Sacrament, doch zij is noodig voor deszelfs volledigheid-, en om den hoogsten graad dier volledigheid te bereiken, hiervoor moet èn de uitdeeler, èn de ontvanger van het Sacrament naar beste krachten zorg dragen. Men is derhalve verplicht, de opgelegde penitentie te volbrengen.

In het Sacrament verandert G-od, op wonderbare wijze, voor den zondaar de eemvige straffen in tijdelijke.

Het geldt hier eene verzoening. Begeert men, eene verzoening tot stand te brengen, dan komt men van beide zijden elkander te gemoet, en, 't behoeft niet gezegd, die tegemoetkoming wordt vooral van dengene verwacht, op wiens zijde geheel het onrecht is, God is bereid, u de eeuwige straffen kwijt te schelden, en gij, o zondaar, — gij zoudt ondankbaar en trotsch genoeg zijn, niets te willen toegeven? Zoudt gij weigeren, de kleine strafvergoeding, die u wordt opgelegd, aan te nemen'? Of, zoo gij ze hebt aangenomen, zoudt gij ze dan verzuimen, of slecht en op onvoldoende wijze verrichten ?

En moet de gerechtigheid niet tenminste eenige voldoening erlangen? Moet zij al hare rechten prijs geven, — op gevaar af, zich altijd schandelijker miskend, gehoond, met voeten getreden te zien?

Gemaakte schulden worden niet daardoor betaald, dat men

ocr page 166

158

ze met nieuwe vermeerdert; veeleer daardoor, dat men ze werkelijk ■vereffent; en zulks doen wij door werken van boetvaardigheid te verrichten. Uit dien hoofde moeten wij de opgelegde penitentie aannemen en behoorlijk volbrengen, — moge zij in gebeden en verstervingen, dan wel in andere heilzame oefeningen bestaan.

Volbreng daarom uwe penitentie nauwkeurig en met ijver. Hetgeen gij daarvan onmiddellyjk moet verrichten, — volbreng dat onmiddellyjk, of ten minste zeker vóór de Communie, opdat het niet vergeten worde. Weet, dat de sacramenteele boete eeniger. God bekende mate onfeilbaar werkt, daar zij u krachtens de „ sleutelenmachtquot; is opgelegd.

Verricht gij uwe penitentie eerst dan, wanneer gij, helaas! opnieuw in staat van doodzonden zijt, dan is het te vreezen, dat zij bij God geen vrucht zal dragen.

Voldoening is verder al datgene, wat door den zondaar met het oog op de begane fouten wordt verricht, om de tijdelijke straffen, welke na kwijtschelding der eeuwige straf nog te zijnen laste blijven, zooveel mogelijk af te boeten, en om, in vereeniging met Christus' verdiensten en die van alle Heiligen, der gerechtigheid des hemelschen Vaders geheel te voldoen.

AVel heeft dé Zaligmaker voor onze zonden overvloedig voldaan; maar deze voldoening komt slechts hun ten goede, die door boetvaardigheid er aan deel nemen.

Wie niet met Christus lijdt zal niet met Christus worden verheerlijkt. 1) En Christus' lijden is uitboeting. Christus boet — en boet voor mij; — zoude ik geen deel aan die uitboeting willen nemen ? . . .

Door Jesus dan verkrijgen onze werken èn verdienende èn

') Eom. 8, 17.

ocr page 167

159

uitboetende kracht. Zonder Hem niets, maar ook zonder ons niets. Heeft God ons geschapen zonder ons, — ons zalicjma-ken zonder ons, ons deelachtig maken aan de vruchten van het Verlossingswerk zonder ons, dat wil Hij niet. Wij moeten dus mede verdienen, mede uitboeten.

Voeg dan bij de sacramenteele penitentie nog andere, vrijwillige boetvaardigheid, — werken van godsvrucht, werken van liefde, werken van versterving, werken van geestelijke en lichamelijke barmhartigheid.

Verdraag geduldig, tot meerdere uitboeting uwer zonden, de dagelijksche moeiten en teleurstellingen, de zorgen en den kommer des levens, de schaduwzijden van uw ambt of beroep. Vooral echter, o jongeling, zult gij, in den geest van boetvaardigheid, met edelen moed den strijd aanbinden, den strijd, dien gij eiken dag, ja elk uur tegen de onstuimigheid uwer passiën, tegen zinnelijkheid en eerzucht, tegen traagheid en toorn, tegen oppervlakkigheid en lichtzinnigheid moet kampen.

ocr page 168

HOOFDSTUK XXXVII.

VERTROOSTINGEN VAN EEN GOED GEWETEN.

\J en beklaagt ü niet meer over het misbruiken van uwe genade, over ondank, verraad, opstand; Gij hebt U met mii verzoend, — dit zegt mij luide mijn hart, dit laten mij de vertroostingen hopen, waarmede het U behaagt, mij te overstelpen !

Vóór een korte wijle nog arm — dat hart, en nu zoo ri/jk! vóór een korte wijle nog verscheurd, verward, vermorzeld, — en nu genezen, kalm, opgebeurd! vóór een korte wijle nog zoo ledig, zoo eenzaam en verlaten, — en nu zoo vol, zoo gelukkig in uw gezelschap, dat mij bevredigt, dat mij verzadigt, mij niets meer te wenschen overlaat! *)

') Eccl. 6, 16.

ocr page 169

161

O waariijk, — zij, die den Heer vreezen, zij vinden Hem! Hij laat zich vinden, en hebben wij Hem gevonden, dan maakt Hij ons gelukkig, stelt ons schadeloos voor de gebrachte offers, bewerkt eene heilige vereeniging der ziel met Hem, eene vereeniging, wier vruchten zijn: vrede, blijdschap, troost, heiligheid!

Zoet boven alle besciirijving, o Heer, is het loon; denzul-ken, die ü vreezen, weggelegd!

Welk een verschil tusschen deze stille vreugden en de luidruchtige der wereld!

Voorwaar: een gerust gemoed is gelijk een voortdurend gastmaal. ^

Kostbaarheid, smakelijkheid, menigte en keur van spijzen, voortreffelijke bediening, aangenaam gezelschap, — dit alles en nog meer biedt u de disch, met welken de toestand van een gerust gemoed kan worden vergeleken. En deze maaltijd duurt zoo lang ik-zelf wil, en 't hangt slechts van mvj af, dien tot in eeuwigheid te verlengen. Een gerust geweten — een voortdurend gastmaal.

Een aardsche maaltijd begint met honger en eindigt met verzadiging, en niet zelden wordt hij door achterstelling of twisten verbitterd, en door wrevel, toorn en ziekte gevolgd; maar dit vreugdemaal begint met een deugdzaam leven, wordt voortgezet door de volharding en sluit met het eeuwige bezit van God; begin is liefde, voortzetting is liefde, voleinding eh kroon zijn liefde.

En wordt door de heilige vreeze Gods het getuigenis van een goed geweten terzijde gestaan, dit stoort in geenendeele de kalme vreugd van dien onvergelijkelijken disch; want die vreeze, mijn jongeling, is de schutse van het geweten. Mot

') Spr. 15, 15.

11

ocr page 170

162

haar ten grondslag, blijft de hoop hoop, en ontaardt zij niet in een valsch betrouwen, waardoor de rust des gewetens met ondergang zou worden bedreigd. Een gerust geweten — een voortdurend vreugdemaal!

Ja, een goed geweten maakt blijde.

Het is zelf de beste getuige. Ik ben op den goeden weg naar het doel, - en dat doel is het eeuwige bezit van God;— kan er grooter reden tot blijdschap bestaan?

Elk ander goed is aan wisselvalligheden onderworpen, waartegen ik hoogst zelden iets kan doen; maar mijn geweten behoort mij, — ik kan het zoo behoeden, dat niets vermag, het te benadeelen, dat het goed blijft en zich niet van God afkeert.

Elke andere vreugde is vermengd met alsem druppelen, en draagt, slechts aardsche vreugd zijnde, de kiem der vergankelijkheid met zich om. Een goed geweten daarentegen is van hemelschc natuur, deze vreugde is de weerschijn der altijddurende wellusten van het Paradijs. — En zoo is dan waarlijk geene blijdschap grooter dan die van een tevreden hart. *)

Het goed geweten maakt vrij.

De rechtvaardige is niet van vreemde gunst afhankelijk, zoodat hij zich slechts kan verheugen, wanneer anderen het gedoogen.

God, — en God alleen-, God — uitdeeler van deze vreugde, Qod — oorzaak dezer vreugde. God — doel dezer vreugde.

In majesteit en verhevenheid straalt hij, die met rechtvaardigheid is omgord; ver boven alle slaven der ongerechtigheid beurt hij zijn koninklijk hoofd— Gode alleen heeft hij zich onderworpen; alle andere ketenen hebt Gij geslaakt, o God, — een offer des lofs zij U gebracht. quot;)

Een goed geweten maakt onbeschroomd.

') Ecc!. 30, 16 ') Ps. 115, 10 17.

ocr page 171

163

Het vreest geen ongeluk, geen uitwendig ferZtes; want alles draagt het in zich en met zich.

Het vreest niet de menschen; want hunne macht reikt wel tot het hart, maar niet in het hart. God noch zijnen vrede kunnen zij ons ontrooven.

Het vreest niet den dood; deze juist boezemt den deugdzame vertrouwen in. O — op het doodsbed, o zeg het den rechtvaardige, dat heil hem zal wedervaren! ^ Daar schittert in heerlijke glansen het rein geweten; in lieflijke majesteit gaat het op deze wereld onder, gelijk de avondzonne, om aan de overzijde van het graf als eeuwig flonkerende dagster weder op te rijzen. — De Heer is mijn licht en mijn heil; wien zal ik vreezen? En verhieven zich legerscharen tegen mij, — mijn hart zou niet schromen.

En deze gerustheid, deze zoetheid verlaat den rechtvaardige zelfs niet in nood en druk en kommer.

Niet alleen is de honig-zelf zoet. doch hij maakt ook zoet al hetgeen, waarmede hij wordt vermengd. Op deze wijze verzoet een rein geweten het bitterste, wat ons treffen kan.

In 't midden van zijn lijden gevoelt zich de rechtvaardige behaaglijker, dan de zondaar in den roes ziiner uitspattingen of bij de verborgen zinnengeneugten, waarvan hij troost afbedelt.

En hadde hij — de rechtvaardige — alles verloren, — eenmaal toch bezit hij datgene, wat hem voor alles schadeloos stelt, wijl het boven alles verheven is: — GocZenGods vrede, die elk begrip te boven gaat. 2)

Ja, gelijk een vonkje vuurs, dat in den oceaan valt, zoo wordt elke zielesmart, moge zij nog zoo bitter zijn, ras uitgedoofd en te eenenmale vernietigd, wanneer zy met de

') Is. 3, 10.

') Philipp. , 7.

ocr page 172

164

lichtende, kalme golven van een goed geweten in aanraking komt.

En vindt de rechtvaardige nergens troost; wordt hij door geheel het menschdom verstooten, — hij werpt een blik in zijn binnenste, ziet het vlekkeloos, en eerlang ontspringt voor hem de zuivere bron van de zoetste tevredenheid.

Zoo is dan, o mijn God, mijn hart weder jong geworden! O behoud het in ziine wedergevonden frischheid! Gedoog niet, dat het weder krank en zwak worde en veroudere, dat de zonde het vergiftige, dat de angel van een slecht geweten het pijnige!

Voortaan zij de krone mijner jeugd een rein leven, een heilig leven, en, daarom, ook een blij, een genotvol leven. — O zegen. Heer vol goedheid, het aardrijk, en uwe akkers zullen met overvloed worden vervuld. De woestijn zal heerlijk pralen, en de heuvelen zullen zich met jubel omgorden!

ocr page 173

HOOFDSTUK XXXVIII.

BOETVAARDIGHEID VAN NOODE.

7 eersten niet bewandelt moet den tweeden volgen; wie voor den tweeden terugschrikt kieze den eersten, i De weg der onschuld is de veiligste, de voor God

meest eervolle, de voor ons meest roemrijke; maar ach! hoe klein is het getal dergenen, die dezen weg bewandelen!

Zinnelijkheid en eigenliefde willen niet inzien, dat de weg dei-boetvaardigheid noodzakelijk is voor allen, die van den weg der onschuld zijn afgedwaald.

Eigenliefde schrikt terug voor de belijdenis der zonden, eene belijdenis, op welke boetvaardigheid moet volgen; zinnelijkheid haat eiken teugel, haat ernst, haat de smart der zelfkastijding, — haat dus het wezen der boetvaardigheid.

Si poenitentiam non egeritis, omnes similiter peribitis. Luc. 13, 5.

lechts twee wegen voeren ten Hemel: de weg der onschuld en de weg der boetvaardigheid. Wie den

ocr page 174

166

En toch staat er geschreven: Tenzij gij boete doet, zult gij allen vergaan. 1)

En; God, de tijden der onwetendheid overzien hebbende, verkondigt nu allen menschen alom, dat zij zich bekeeren. 2)

Gij hebt God beleedigd, den Rechtvaardige, den Heilige, -en gij schroomt niet? Zie, - nog grijpt er geene verandering plaats, en nog vreest gij den Heer niet; 3) en toch — zijne hand is reeds ter vergelding uitgestrekt. - Is dat niet onverschilligheid, trots, verblindheid ?

Gij hebt God beleedigd, - en in dien toestand volhardt gij vóór Gods aanschijn ? gij verlangt van Hem, dat Hij den aanblik eener onreine ziel verdrage en den arm zijner rechtvaardigheid terughoude?

Wie denkt gij, spreekt God, dat Ik ben, daar ge Mij als uws gelijken aanziet. Mij als 't ware tot uw medeschuldige maakt ?

Waan verder niet, dat zulks alleen betrekking heeft op dien tijd, waarin nog geen sprake was van eene verzoening met God. Ook na de bekomen absolutie is boetvaardigheid van noode.

Bij de eerste in uw leven begane doodzonde hebt gij u geschaard in de rij van hen, die tot boetvaardigheid zijn verplicht.

Zonder boetvaardigheid, in zooverre zij deugd is, wordt geene zonde vergeven, zelfs niet in de H. Biecht. De boetvaardigheid is de munt, waarmede wij bij God onze hoog-opgestapelde zondenschuld vereffenen, en die alleen bij Hem gangbaar is.

Noch ten tijde der Mosaïsche wetgeving, noch onder de natuurwet kon men zonder boetvaardigheid vergiffenis van de zonden bekomen.

■) Luc. 13, 5. quot;) 2 Hand. 17, 30. quot;) Ps. 54, 20.

ocr page 175

167

En is het niet duidelijk, dat het zoo waarlijk zijn moei?

Gij hebt God beleedigd, het hoogste, beste Wezen, — en gij zoudt u daarom niet bekreunen? niet daarover treuren? nog lachen, schertsen, zwelgen, in weelde en genotzucht leven? Welk denkbeeld hebt gij dan van's Heeren grootheid?

Niet bedroefd zijn over het bedreven kwaad, zulks bedroeft en beleedigt God bijna meer dan de zonde-zelf.

Ik heb gewacht, spreekt God, en geluisterd. Niemand, die berouw heeft over zijne boosheid, zeggende: wat heb ik gedaan '1.... ^

De eenmaal verloren onschuld keert niet weder, en daar zij niet wederkeert, keert ook haar stempel niet op uw voorhoofd terug; het brandmerk der zonde verdwijnt nimmer, gij blijft zondaar. — zij het ook een berouwhebbend en begenadigd zondaar, — en daarom zult gij uw leven lang een boetvaardige wezen.

Overweeg tevens, dat de vergiffenis van de zonden eene genade is, die van Boven komt, uitsluitend uwe ziel betreft en van zuiver bovennatuurlijke orde is. Van zulk eene bovennatuurlijke werking kunt gij, tenzij door openbaring, geene onfeilbare zekerheid erlangen. Derhalve is het raadzaam, uwe boetvaardigheid nog meer toereikend te maken, — aangezien de vergiffenis meer zekerheid biedt, naar mate uwe boetvaardigheid overvloediger is.

Ja — de boetvaardigheid alleen waarborgt u de vergiffenis van het misdrevene, daar zij de maat van uw goeden wil aangeeft, de maat van den ernst, waarmede gij aan uwe bekeering arbeidt.

Trouwens — zelfs dan, wanneer wij ons aan geen enkele zonde plichtig kenden, zouden wij boetvaardigheid moeten verrichten, in zooverre het woord de beteekenis van strijd,

') Jer. 8, 6.

ocr page 176

164

lichtende, kalme golven van een goed geweten in aanraking komt.

En vindt de rechtvaardige nergens troost; wordt hij door geheel het menschdom verstoeten, — hij werpt een blik in zijn binnenste, ziet het vlekkeloos, en eerlang ontspringt voor hem de zuivere bron van de zoetste tevredenheid.

Zoo is dan, o mijn God, mijn hart weder jong geworden 1 O behoud het in ziine wedergevonden frischheid! Gedoog niet, dat het weder krank en zwak worde en veroudere, dat de zonde het vergiftige, dat de angel van een slecht geweten het pijnige!

Voortaan zij de krone mijner jeugd een rein leven, een heilig leven, en, daarom, ook een blij, een genotvol leven. — O zegen. Heer vol goedheid, het aardrijk, en uwe akkers zullen met overvloed worden vervuld. De woestijn zal heerlijk pralen, en de heuvelen zullen zich met jubel omgorden!

ocr page 177

HOOFDSTUK XXXVIII.

BOETVAARDIGHEID VAN NOODE.

Si poenitentiam non egeritis, om nes similiter peribitis. Luc. 13, 5.

2,

lechts twee wegen voeren ten Hemel: de weg der 'ISf '' onschuld en de weg der boetvaardigheid. Wie den eersten niet bewandelt moet den tweeden volgen; ijl wie voor den tweeden terugschrikt kieze den eersten-i De weg der onschuld is de veiligste, de voor God

meest eervolle, de voor ons meest roemrijke; maar ach! hoe klein is het getal dergenen, die dezen weg bewandelen!

Zinnelijkheid en eigenliefde, willen niet inzien, dat de weg der boetvaardigheid noodzakelijk is voor allen, die van den weg der onschuld zijn afgedwaald.

Eigenliefde schrikt terug voor de belijdenis der zonden, eene belijdenis, op welke boetvaardigheid moet volgen; zinnelijkheid haat eiken teugel, haat ernst, haat de smart der zelfkastijding, — haat dus het wezen der boetvaardigheid.

ocr page 178

166

En toch staat er geschreven: Tenzij gij boete doet, zult gij allen vergaan. ')

En: God, de tijden der onwetendheid overzien hebbende, verkondigt nu allen menschen alom, dat zij zich bekeeren. 2)

Gij hebt God beleedigd, den Rechtvaardige, den Heilige, -en gij schroomt niet? Zie, - nog grijpt er geene verandering plaats, en nog vreest gij den Heer niet;3) en toch — zijne hand is reeds ter vergelding uitgestrekt. — Is dat niet onverschilligheid, trots, verblindheid ?

Gij hebt God beleedigd, - en in dien toestand volhardt gij vóór Gods aanschijn ? gij verlangt van Hem, dat Hij den aanblik eener onreine ziel verdrage en den arm zijner rechtvaardigheid terughoude ?

Wie denkt gij, spreekt God, dat Ik ben, daar ge Mij als uws gelijken aanziet. Mij als 't ware tot uw medeschuldige maakt ?

Waan verder niet, dat zulks alleen betrekking heeft op dien tijd, waarin nog geen sprake was van eene verzoening met God. Ook na de bekomen absolutie is boetvaardigheid van noode.

Bij de eerste in uw leven begane doodzonde hebt gij u geschaard in de rij van hen, die tot boetvaardigheid zijn verplicht.

Zonder boetvaardigheid, in zooverre zij deugd is, wordt geene zonde vergeven, zelfs niet in de H. Biecht. De boetvaardigheid is de munt, waarmede wij bij God onze hoog-opgestapelde zondenschuld vereffenen, en die alleen bij Hem gangbaar is.

Noch ten tijde der Mosaïsche wetgeving, noch onder de natuurwet kon men zonder boetvaardigheid vergiffenis van de zonden bekomen.

•) Luc. 13, 5. a) 2 Hand. 17, 30. •) Ps. 54, 20.

ocr page 179

167

En is het niet duidelijk, dat het zoo waarlijk zijn moei ?

Gij hebt God beleedigd, het hoogste, beste Wezen, — en gij zoudt u daarom niet bekreunen? niet daarover treuren? nog lachen, schertsen, zwelgen, in weelde en genotzucht leven? AVelk denkbeeld hebt gij dan van's Heeren grootheid?

Niet bedroefd zijn over het bedreven kwaad, zulks bedroeft en beleedigt God bijna meer dan de zonde-zelf.

Ik heb gewacht, spreekt God, en geluisterd. Niemand, die berouw heeft over zijne boosheid, zeggende: wat heb ik gedaan ? ... . ^

De eenmaal verloren onschuld keert niet weder, en daar zij niet wederkeert, keert ook haar stempel niet op uw voor-hoofd terug; het brandmerk der zonde verdwijnt nimmer, gij blijft zondaar. — zij het ook een berouwhebbend en begenadigd zondaar, — en daarom zult gij uw leven lang een boetvaardige wezen.

Overweeg tevens, dat de vergiffenis van de zonden eene genade is, die van Boven komt, uitsluitend uwe ziel betreft en van zuiver bovennatuurlijke orde is. Van zulk eene boven-natuurlijke werking kunt gij, tenzij door openbaring, geene onfeilbare zekerheid erlangen. Derhalve is het raadzaam, uwe boetvaardigheid nog meer toereikend te maken, — aangezien de vergiffenis meer zekerheid biedt, naar mate uwe boetvaardigheid overvloediger is.

Ja — de boetvaardigheid alleen waarborgt u de vergiffenis van het misdrevene. daar zij de maat van uw goeden wil aangeeft, de maat van den ernst, waarmede gij aan uwe bekeering arbeidt.

Trouwens — zelfs dan, wanneer wij ons aan geen enkele zonde plichtig kenden, zouden wij boetvaardigheid moeten verrichten, in zooverre het woord de beteekenis van strijd,

') Jer. 8, 6.

ocr page 180

168

verstorvenheid, vernietiging van den boozen mensch in ons in zich sluit.

Als boetelingen worden wij geboren, want als kinderen des toorns komen wij ter wereld. ')

De woorden „menschquot; en „boetelingquot; hebben, nadat de staat van oorspronkelijke rechtvaardigheid is verloren gegaan, dezelfde beteekenis:

Leden van het groote gezin, welks stamouders de vriendschap van God en de heerlijkste voorrechten voor hen en voor geheel hunne nakomelingschap hebben verbeurd, torsen wij op onzen schouder den gemeenschappelyjken last eener noodzakelijke uitboeting en het gewicht van een vloek, met welks gevolgen wij hebben te kampen.

En daar wij broeders zijn van een lijdenden God-Mensch, dragen ook wij het karakter van boetelingen, moeten ook wij deelnemen aan zijne boete, wanneer wij deel wenschen te hebben aan de vruchten der Verlossing.

Vele Heiligen gevoelden zich als door een bovennatuurlijk geweld tot de boetvaardigheid aangetrokken.

Zij minden haar als eene vriendinne; het was hun onvermoeid streven, bet nadeel, veroorzaakt door eene schuld, op hen overgegaan, zoo veel in hun vermogen stond te verminderen; zij hadden een vurig verlangen om voor eene, hun als menschen toegevoegde schuld te voldoen; zij wensch-ten, in zooverre dit geoorloofd, zich-zelf te vernietigen, van zich-zelven offers te maken, waardoor aan Gods Oppermajesteit en aan Zijne rechtvaardigheid den tol der verschuldigde eere en hulde werd gebracht.

Wanneer de mensch zich geene pijn veroorzaakt; wanneer hij zich-zelf niet verloochent; wanneer hij den strijd vlucht, zich geene boete oplegt en den ernst niet mint; wanneer

') Eph. 2, 3.

ocr page 181

169

hij zich niet weet op te beuren en worstelt en tegen den stroom op roeit; wanneer hij zijner bedorven natuur geen geweld aandoet, haar geene offers oplegt en de heerschappij des geestes niet tracht te vestigen, — zullen dan de driften hem niet zoozeer verwilderen, dat in hem de menschheid als 't ware te loor gaaf?

„Lijd en mijd!quot; dat is de groote leuze, ons, boetenden menschen en menschelijken boetelingen, gegeven. Zonder mijden en lijden geen zekerheid, geene verdiensten, geene kroon, geen Hemel.

„Lijd en mijd!quot; dit geldt ook den onschuldige, den vlekke-looze, want slechts achter doornen zijn de leliën veilig.

Boete, zelf kruisiging, — harde woorden! En toch, — zij moeten over onze lippen komen, zij moeten in ons hart dalen, zij moeten daden worden — ; want, tenzij wij boete doen, zullen wij, naar 't woord der Schriftuur, allen op dezelfde wijze vergaan.

Wat voornamelijk, u, jongeling, van de boetvaardigheid afkeerig maakt is de ernst van haar voorkomen; in haar meent gij alles streng, hard, pijnlijk te zien; gij stelt ze u voor als bleek, doodsch, spookachtig.

Wees redelijk, wees verstandig! Zeker draagt de boetvaardigheid een ernstig karakter. Doch geheel het leven is ernst, — hoeveel te meer dan het leven, ooit door de zonde ontwijd en bezoedeld!

En zie, — het ernstig gelaat van deugd en boetvaardigheid draagt den stempel van echte menschenwaarde en hemelsche gerustheid.

Wel beteekent „boetequot; bitterheid; maar de bittere schaal bergt eene zoete pit: vrede, troost, betrouwen, veiligheid.

't Geen gij, o vriend, zoozeer schroomt — het wordt n verlicht door de genade, door de zalving des Heiligen Gees-

ocr page 182

170

tes, door den bijstand van Maria en de Heiligen, door het uitzicht op eene zekere belooning en — allengs ook door de macht der geivoonte.

En heeft wel ooit — sinds den val van Adam — de mensch eenig kostbaar goed, eenig beduidend voorrecht verworven zonder moeite, zonder zweet? — En zouden hem dan zulke bij uitstek heerlijke goederen — de bevrijding uit de slavernij der zonde, de beveiliging tegen nieuwe dwingelandij, het terugbekomen van de goddelijke vriendschap, het behoud van dezelve, de vermeerdering der hemelschatten — niets kosten ?..

O — wanneer den verdoemden tijd tot boete werd gegeven, van welke mirakelen zou dan de wereld getuige zijn!

Hebt gij slechts ééne doodzonde begaan, dan reeds moet gij u als verdoemde beschouwen: verdiend tenminste hebt gij de hel; en haar ter prooi vallen, dit kunt gij in het eerste oogenblik na de zonde.

God heeft u bewaard; Hij gaf u tijd, opdat gij boete zoudt plegen: ') zult gij dien kostbaren tijd ongebruikt laten?

') Hand. 2, 21.

ocr page 183

HOOFDSTUK XXXIX.

HAAT TEGEN DE ZONDE.

Qui autem diligit iniquitatem, SSs-isrP' odit animam suam. I's. 10, 6.

WM

venals het niet een ieder, die ,Heere, Heerequot; zegt, ernstig is gemeend met de erkenning van Gods opperheerschappij, zoo is 't ook niet altijd dengene '' ernst, die spreekt: „Geene zonden meer!quot;

't Is u ernst, wanneer gij de zonde waarlijk haat. De zonden haten, d. w. z.: haar op alle wijzen mijden, wegens hare afschuwelijke boosheid en wegens de beleediging, welke zij den Allerhoogste aandoet.

Den vijand, dien ik haat, blijf ik verre, want ik ducht zijne aanslagen tegen mijne veiligheid en mijn leven; ik ontdek in hem voortdurend slechte oogmerken; ik neem mij tegen hem in acht; ik val hem aan; ik tracht, hem te benadeelen -ik ben verbitterd tegen hem; ik achtervolg zelfs mijn tegen; stander.

ocr page 184

172

Handelt gij 200 met de zonde?

Grooter vijand, dan de zonde, hebt gij niet, en kunt gij niet hebben, — daarvan moet gij diep overtuigd zijn.

Elk ander vijand kan u slechts nadeel berokkenen voor wat betreft het tijdelijke, het vergankelijke; hij kan u slechts aardsche goederen ontrooven; maar de zonde richt hare aanslagen tegen uwe éénige, onsterfelijke ziel, — tegen uw Hemd, tegen uw God.

Kwaamt gij nog niet tot de overtuiging, dat de zonde uw, ja ook 's Heeren grootste vijand is, dan kan van een ware haat geen sprake zijn; maar is die overtuiging wèl in u geworteld, — vloek dan de zonde, vlucht haar, bestrijd ze waar en wanneer gij ze mocht aantreffen.

Wie niet de gelegenheden mjjdt is niet met haat tegen de zonde vervuld; immers, de vrijwillige gelegenheid is bijna de zonde-zelf; zij is daarvan te dikwerf het begin.

Wie met de bekoring speelt, haar niet of slechts traag bestrijdt, kan de zonde niet haten. — Gij vreest de adder, en waagt het, ze aan uw boezem te koesteren?

Wie zijn eigen vleesch, dat tonder van het kwaad, immer gereed om het kleinste vonkje tot een laaien gloed aan te wakkeren, geen haat toedraagt, kan ook de zonde niet haten.

Wie verzuimt, de zinnen te breidelen, dien is ware haat tegen de zonde vreemd; want — door deze openingen sluipt de dood het hart binnen. ^

Haat gij de zonde niet. dan is uw haat tegen God gericht. Niemand kan twee heeren dienen. 2) Wie niet voor God is, die is tegen Hem. 3)

Haat gij de zonde niet, dan haat gij u-zelven, uwe ziel, uw waar geluk. Wie de zonde mint is zijner ziele een vijand. *) Haat gij de zonde niet, dan haat gij uwe jeugd.

') Jer. 9, 21 ■) Luc. 16, 13. ') Luc. 11, 23. ') Ps. 10, 6.

ocr page 185

173

Ja, dierbare jongeling, haar geeft gij prijs, wanneer gij de zonde bemint! Gij nadert dan uw eigen levensboom, zoo heerlijk getooid met veelbelovende lentebloesems; gij schudt met ruw geweld stam en kroon, rukt de teedere knoppen af, strooit ze in den wind, vertreedt ze in het stof.

't Is u nog niet genoeg: op de jonge twijgen ent gij stec/ite sappen, en hebben deze eenmaal het boompje doorvoed, dan zal het giftige vruchten dragen.

Ja — giftige vruchten!

In stede der gewoonte van het goed — eene schier helsche neiging tot het kwaad; in stede van troostrijke herinneringen aan een tijd van onschuld en van welgevalligheid in Gods oog — bitter zelfverwijt, knagende wroeging over eene reeks van wandaden; in stede van een gerusten, hoopvollen blik in toekomst en eeuwigheid — een oog, verduisterd door kommer en door angst voor een zeker naderend, onmeedoo-gend oordeel.

O zonde, moordenares mijner jeugd, roofster van mijn schoonste dagen, — vlcek over u! — Ga nu tenminste voor eeuwig van mij ! Ik heb met u onherroepelijk gebroken!

Bron van alle onheil, — verdroog voor immer!

Afgrond, die al het schoone en edele in den jongeling verslindt, sluit u!

Zonde, ik haat u, ik heb een afgrijzen van u! vervolgen zal ik u, van anderen verdrijven, in mij-zeiven straffen.

O boetvaardigheid, boetvaardigheid! dit eene woord schenkt mij de ruste weder en schalt welluidend in de sombere, ledige ruimte, die de zonde in mijn hart achterliet.

ocr page 186

HOOFDSTUK XL.

GEEST VAN BOETVAAHDIGHBID.

Facite ergo fructum dignum poenitentiao. Math. S, 8.

jTe zondaar hadde groot ongelijk, wanneer hij in zijne quot; uitboeting niet verder ging, dan het weinige, hem

rl in den biechtstoel opgelegd. Heeft de „penitentiequot; uit kracht harer sacramenteele natuur een sterk uitboetend vermogen, door haar wordt geenszins geheel vervuld het woord des Zaligmakers: „Brengt waardige vruchten van boetvaardigheid voort.quot; ')

Men vergeet zoo gemakkelijk, dat men heeft gezondigd, en daarom reeds zoo en zoo lang in de hel kon lijden.

Men vergeet zoo gemakkelijk, dat de zonde eene beleedi-ging van den Oneindige-zelf is, — een opstand, zwarte ondankbaarheid, eene misdaad, waarvoor wij God nimmer genoeg schadeloos kunnen stellen.

') Math. 3, 8.

ocr page 187

175

Men vergeet zoo gemakkelijk, dat, wanneer men de gezondheid der ziel heeft terugbekomen, veel moet worden ingehaald, wat gedurende onze geestelijke krankheid is verzuimd.

In welke mate beschaamt ons de ijver der eerste Christenen! Kent gij die verschillende Idassen van openbare hoetclingen? die rangorde van weenenden, hoorenden, neder-gebogenen, staanden? die zware boeteoefeningen, dat vasten, dat waken, die lichaamskastijdingen, dikwijls voor jaren opgelegd — wegens zonden, die te huldigen dage menigeen uit gewoonte bedrijft?

En toch heeft de Kerk nooit den geest veranderd, al wijzigde zij den aard der boetpleging.

Moge dan onze boeiwaardigheid ware vruchten voortbrengen! Dat zij geëvenredigd weze aan het getal en de grootheid onzer misslagen; dat zij oprecht en innig zij, — gelijk het waren boetelingen betaamt; dat zij eindelijk volharde, immer voortdure.

quot;Wel u, wordt gij door den dood als boetvaardige aangetroffen! zoo sterft men veilig...

En hoe zoet wordt zelfs de heerlijkheid des Paradijzes door den overgang van de boetesmart tot het hemelgeluk! Nog zijn de tranen op de wangen des overledenen niet gedroogd, en reeds stollen zij tot kostbare edelgesteenten, door d e Engelen als heerlijk fonkelend sieraad aan de krone zijner eeuwige zaligheid toegevoegd.

Inderdaad, de boetvaardigheid is een tweede doop, — een bad der tranen.

De boetvaardigheid, zegt een groot asceticus, is een voortdurend gericht, dat men over zich-zelven houdt.

De boetvaardigheid is eene straf, waarmede men in onverbiddelijke gestrengheid immer opnieuw zich-zelven treft.

ocr page 188

176

De boetvaardigheid is eene zelfceroordeeling tot den dood. welk vonnis men telken dage en telker ure op geestelijke wijze aan zich voltrekt.

De boetvaardigheid is eene uitlevering van zich-zelven, eene overgave aan de beulen, wier dienst men voor eigen marteling heeft gehuurd.

De boetvaardigheid is een voortdurende kreet des harten: O God, wasch mij immer meer van mijne ongerechtigheid en reinig mij van mijne zonden! ')

De boetvaardigheid is een verdrag te 's Heeren gunste, waarbi] wij ons verplichten, de schending van zijne rechten altijd op ons-zelven te blijven wreken.

De boetvaardigheid is een verdrag tegen onze zinnen en tegen het vleesch: geene ruste, geene verpoozing meer aan deze zijde des grafs.

De boetvaardigheid is zelfs een verdrag tegen den inwendig en mensch, waarbij wij beloven, eiken niet-bovenaardsehen troost van hem verwijderd te houden, — een verdrag tot gal en edik, tot doorn en nagel, tot kruis en lans.

De boetvaardigheid is eene oorlogsverklaring tegen den ouden mensch, — eene met bitterheid begonnen, hardnekkig voortgezette, nooit geëindigde veete tegen zich-zelf.

Zij is een heilige veete, een vindingrijke toorn, een sterk aangeblazen vuur, een altijd ziedend water, een vraatzuchtig zwaard, een dood in het leven, eene door ons-zelf ontstoken hel, — gloed en weder gloed, pijn en weder pijn.

O heilige dwingelandij, welke eenmaal Petrus van Alcantara na zijn dood deed uitroepen: „Gelukzalige boetvaardigheid, die mij zulk een Hemel deed binnengaan!quot;

ja — de boetvaardigheid schenkt onmetelijk groote rijkdommen.

ï) Ps. 50, 4.

ocr page 189

177

De boetvaardigheid is de moeder van zeer vele deugden.

De boetvaardigheid baart ootmoed en bevestigt in die deugd.

De boetvaardigheid heeft tot dochter de hoop.

De boetvaardigheid verdrijft de wanhoop.

De boetvaardigheid helpt ons vernietigen en aan het kruis hechten den schuldbrief, waarvan de Apostel gewaagt ').

De boetvaardigheid is eene voortdurende loutering des gewetens.

De boetvaardigheid is een schild tegen de begeerlijkheid der oogen, tegen de begeerlijkheid des vleesches, tegen de hoo-vaardij des levens.

De boetvaardigheid bedwingt met hemelsche kracht de kwade lusten.

De boetvaardigheid is eene rijke bron van geestelijken troost.

De boetvaardigheid geniet, in weerwil van de ketenen, zich-zelf gesmeed, koninklijke vrijheid, en ziet medelijdend neer op de huurlingen en slaven der hartstochten.

De boetvaardigheid maakt den Jongeling tot man, den man tot held, den held tot heerscher over eene tot boosheid lokkende wereld.

Boetvaardigheid is liefde. — op de eerste plaats liefhebbende vrees, daarna vreezende liefde.

De boetvaardigheid wekt liefde. Groen hout vat geen vuur;, en Gods liefde kan in een hart, met zinnelijkheid gedrenkt en daarmede geheel doortrokken, niet ontbranden.

De boetvaardigheid oefent liefde, — strengheid tegenover zich-zelf, toegeeflijkheid, jegens anderen. In het bewustzijn van eigen schuld haar oorsprong vindend, voorkomt zij eene harde beoordeeling van den evennaaste.

De boetvaardigheid is ernstig, maar niet somber; zij is vol betrouwen en daarom blijde en opgewekt van zin.

') Col. 2, u.

12

ocr page 190

178

Boetvaardigheid maakt kleinen grmtf, eenvoudigen van geest tot wijzen, armen tot waarlijk-rip/cew.

De boetvaardigheid is eene schatkamer van onberekenbare verdiensten.

De boetvaardigheid is de sleutel des Hemels. Wel zuchtte het ruwe ijzer, trillend in den feilen gloed en vonken uitspattend onder den rusteloozen hamerslag der zelfkastijding, maar nu, tot een kostbaren sleutel gevormd, opent het de enge poort, gaat vóór en meldt de komst van den gelouterden pelgrim des tranendals.

Zalig zij, die treuren; want zij zullen getroost worden ').

O zeg, onschuldige Aloysius, zeg den jongelingen, wat boetvaardigheid is!

Zeg den onschuldigen, dat de boetvaardigheid het broze vat, dat zij nog onbeschadigd in reine handen dragen, beschuttend moet omsluiten!

Zeg den schuldigen, dat de boetvaardigheid de wel-is-waar met tranen bereide, maar door niets anders te vervangen, vertrouwbare kleefstof is, welke het vat der onschuld, onvoorzichtig of boosaardig gebroken, moet herstellen en weder verdragelijk maken in het oog van den allerreinsten, allerheiligsten God!

. O ik, verweekelijkt jongeling! ik, lafaard! Zondigen kon ik, maar boete doen, dat kan ik niet! Mij in den afgrond der hél te werpen, — hiertoe had ik den moed; doch eene tamelijk breede bergklove overschrijden, eenige steile paden beklimmen, die toch ten Hemel voeren, — dat durf ik niet!

O _ wee u, Corozain, en wee u. Bethsaida! want hadden Tyrus en Sidon aanschouwd wat in u is gebeurd, dan zouden zij in zak en asch boete hebben gedaan. Doch hierom zal het Tyrus en Sidon ten dage des oordeels beter gaan, dan u!2)

1) Math. 5, 5. ) Matth. 11, 21, 22.

ocr page 191

HOOFDSTUK XLI. VOLHARDING.

ïcne, quod Iiabes, ut nemo accipiat coronam tuam.Apoc. 3, 11.

mocht ik thans in het goede volharden, o Heer,

pMf/ en n^et' m eer van het pad der rechtvaardigheid

Wquot;/ afdwalen!

Ji/

i'3 Weinig zoude het mij baten, het goede te hebben

) gekend, het een tijd lang gewild of zelfs beoefend te hebben. Einde goed, alles goed. Hij, die tot het einde volhardt, wordt zalig. ^

Strafwaardiger dan ooit zou ik wezen, als ik nu achterwaarts zag, op den vroeger betreden weg terugkeerde; dan zoude ik het Koninkrijk des Hemels niet ivaardig zijn. 3) De knecht, die den wil zijns meesters kent, maar niet vervult, zal met vele slagen getuchtigd worden.3) — en naarmate hij zijns heeren wil beter kent, is hij strafwaardiger.

') Math. 10, 22. ') Luc. 9, 62. s) Luc. 12, 47.

ocr page 192

180

Het zaad is aan den bodem toevertrouwd, het kan gedijen en milde vruchten voortbrengen; maar als een hagelslag alles kwam verwoesten ? ...

Een schip met kostbare lading, die rijke voordeelen belooft, keert behouden uit verre streken terug. Reeds ziet men de nevelachtige omtrekken der kust; maar — indien het vaartuig in 't gezicht der haven schipbreuk komt te lijden ? ...

Het goede pad is door mij gevonden en bewandeld; maar indien ik er nogmaals vanaf week en in den modderpoel stortte, die zijne onreine wateren voor altijd boven mij sloot?...

Tevergeefs loopt snel degene, die stilstaat vóór het doel is bereikt. Dit doel — het is voor ons niet bereikbaar, tenzij in de ceimigheid.

Wat baat ons het volbrachte, wanneer het niet wordt vergezeld door het hetgeen nog volbracht moet worden ?

Ach — Judas, een apostel des Hoeren, had een goed begin gemaakt. En hij werd een dief, een leugenaar, een verrader, een godsmoordenaar, een zelfmoordenaar !

Judas heeft een God tot leermeester en leidsman zijner ziel; hij leeft in het gezelschap van Maria en de Apostelen, is getuige van eene reeks van mirakelen, die allen twijfel omtrent de godheid van Jesus bij hem wegnemen; hij heeft onder zijne oogen de voorbeelden van Jesus, Maria, de discipelen ; hij wordt met Jesus' bijzonder vertrouwen vereerd, door den Zaligmaker gediend, bemind, „vriendquot; genoemd, — en hij eindigt zoo! O - die meent, te staan, zie toe, dat hij niet valle! ')

O volharding, gij kroon van het goede, zonder u is niets goed-, want gij alleen vermoogt datgene te schenken, wat alleen en voor eeuwig goed is.

') Cor. 10.12.

ocr page 193

181

O volharding, enge poort des Hemels, die ik niet vermijden kan, waardoor ik moet binnendringen, trots allo moeilijkheden! ^

Zalig, o Heer, zij, die wonen in uw huis, -) wier voet reeds den drempel van het oord der eeuwige ruste, mocht overschrijden!

Schep moed, o mijne ziel! heb geduld, en moget gij volharden !

't Geen mij de volharding dikwijls zoo moeilijk doet schijnen, mij voor de gevolgen mijner zwakheid doet schromen, is de lange reeks van jaren, die ik, jongeling, nog hoop te leven: zal ik niet een enkele maal het kwaad bedrijven, waaraan ik ben verslaafd? steeds het goede verrichten, dat mij dikwerf onmogelijk, immer moeilijk schijnt?. ...

Maar hoe, — zijn wellicht niet reeds mijne dagen geteld?

quot;Wist ik, dat mijn leven reeds morgen ten einde was, zoude mij dan de volharding tot aan de ure van mijn dood moeilijk vallen? En toch — misschien.

Zie, Ik kom snel, spreekt de Heer, — en met mij komt het loon! 3) Wat gij hebt, laat dat niet ontglippen, opdat niet een ander in uwe plaats de kroon vervverve. 4)

En aangenomen, dat een lange levensweg nog vóór mij ligt, — vertrouwen wil ik, o God, en mij verlaten op U!

Uw staf en uw roede zijn mijn troost; 5) geef, dat ik niet meer de grazige beemden verlate, waarop Gij mij hebt teruggevoerd. En is uwe goedheid machteloos tegenover mijn slechten wil of mijne zwakheid, breidel mij dan, o Heer, door uwe gestrengheid. O ja — kastijd mij hier-beneden, doch wees mij barmhartig ginds, in de eeuwigheid'.

Ik begrijp het thans: wanneer ik slechts wil, dan volhard

3) Luc. 13, 24. 5) Ps. 22, 4.

*) Openb. 22, 12.

') Math. 7, 14. 4) Openb. 3, 11.

ocr page 194

182

ik. Middelen staan mij in overvloed ten dienste. Het komt slechts aan op den wil.

Verstop ik de bronnen, dan welt het gif niet meer op. Die bronnen zijn: te groote liefde voor de schepselen, lichtzinnigheid, menschelijk opzicht.

En mijne passiën — wilde ik ze ernstig bestrijden, hoe zeker ware dan mijne volharding!

En dan: wilde ik vast-besloten de gelegenheden vluchten, mij in de bekoringen kloek te weer stellen, ook op de kleine fouten wèl acht slaan, teneinde niet door het kleine tot het groote te vervallen, — ware dan mijn eeuwig geluk niet verzekerd? En konde ik dan niet met gerust gemoed de toekomst verbeiden ?

Kom dan te mijner hulpe, o God, met den bijstand uwer alvermogende genade! vul aan mijne onervarenheid! ondersteun de zwakheid mijner arme jeugd! Ik ben jong en behoeftig, 1) en de vijanden mijns heils bespotten mij; moge dan uwe hand met mij wezen, 2) want U, o Heer, verkoos ik tot mijn deel!

') Ps. 118, Ut. ') Ps. lis, 173.

Einde van het eerste Boek.

ocr page 195

INHOUD VAN HET EERSTE BOEK.

B e k e e r i n g.

Hoofdstuk. Bladj.

I. „Opstandingquot;........................................1

II. De tijd der jeugd....................................5

III. 's Levens hooge ernst..............................9

IV. Do ziel.......................13

V. Slechts één ding is noodzakelijk..........17

VI. Het smalle pad...................21

VII. Waar geluk...................25

Vlli. Het grootste ongeluk................29

IX. Verderf der zonde.................83

X. Verwoestingen der zonde.............38

XI. Zonde en kruis...................43

XII. Ontwijde jeugd...................48

XIIL De hel...................52

XIV. De oeuwighoid...................57

XV. De heilige vree/.e (tods..............61

XVF. Do tijd.......................04

XVFI. Verontschuldigingen des zondaars..........69

XVHI. Terugval in de zonde................74

XiX. De gewoonte....................79

XX. Uitstel van bekeering................84

ocr page 196

184

Hoofdstuk. Bi,adz.

XXI. Verstoktheid en vermetelheid....................88

XXIT. Het geweten..................Oi!

XXIII. De goede herder................97

XXIV. Gods barmhartigheid..............99

XXV. De verloren zoon................104

XXVI. De bekeering.................108

XXVII. Het H. Sacrament van Boetvaardigheid.....112

XXVIII. Biechten noodzakelijk.............116

XXIX. Zegeningen der Biecht.............120

XXX. De biecht is gemakkelijk............126

XXXI. Een blik in hot hart..............133

XXXII. Berouw...................137

XXXIII. Vast voornemen...............143

XXXIV. Oprechte belijdenis...............147

XXXV. Generale biechten...............151

XXXVI. Voldoening..................156

XXXVII. Vertroostingen van een goed geweten.....160

XXXVIII. Boetvaardigheid van noode...........165

XXXIX. Haat tegen de zonde..............171

XL. Geest van boetvaardigheid...........174

XLI. Volharding...................179

ocr page 197

GEDACHTEN EN RAADGEVINGEN.

(2de 3 0BK).

ocr page 198
ocr page 199

T i iM'11 HTLj, ua ll.tAUULi) UAJIlJa»

EEN HANDBOEK VOOR ONTWIKKELDE JONGELIEDEN.

Adolescens, rilii died : saryc !

Lr( . 7. 14.

NAAR H ET HO()(i I )l'ITgt;('H

(9 e 1'it ga af)

van wl.ll.en

P ADOLPH VON DOSZ S. J.

bewerkt dook

.los E P H W 1 'V li lt;) X.

Mot kerkelijke goedkeuring.

's Bosch.

iM OS MA NS ZOON.

IUITKM EIM

ocr page 200
ocr page 201

AVEEDE BOEK.

1 S T I © 1 M

13

ocr page 202
ocr page 203

HOOFDSTUK XLII,

DE SCHEPSELEN.

Dominum Deura tuuin ado-

^ . 1 rabis et illi soli servies.

Matth. 4. 10.

fdlBJisehoort gij misschien, o jongeling, tot het groote ge-tal derzulken, die, bestemming en natuur der schep-

crte selen verkeerd begrijpende, hun een te groote waarde

ij;»

toekennen, en ze tot nadeel hunner ziel gebruiken? Bevestiging in het goede is onmogelijk, tenzij men een juist begrip hebbe van hét geschapene, dat ons omringt, en tenzij men daarvan slechts overeenkomstig die zuivere opvatting gebruik make.

Geld en goed, eer en geneugt, en hoe zij verder mogen heeten, de schepselen, die in valschen luister stralen, aanlokken, prikkelen, — zij verkrijgen toegang tot 's menschen hart, en daarbinnen richt men hun troon en altaar op.

En toch: Den Heer, uwen God, zult gij aanbidden, en Hem alleen dienen. ')

') Matth. 4, 10.

ocr page 204

188

Is de mensch niet voor God geschapen?

Waarom dan die toewijding, die overgave van zich-zelf aan iets, dat niet God is?

In geheel andere betrekking staan de schepselen tot ons.

Uit het niet te voorschijn geroepen door God, wijl het Hem behaagde, zijne volmaaktheden zichtbaar te openbaren; ter beschikking gesteld van den koning dier geheele zichtbare schepping, van den mensch, moeten zij dezen, den voor God geschapene, den voor de eeuwige zaligheid bestemde, hulp verleenen om zijn einddoel te bereiken; ja, helpen moeten zij hem, om 'sHeeren oppermajesteit te erkennen, om God te prijzen. Hem te eeren en te dienen, en om zoo voor eeuwig zalig te worden.

De schepselen zijn dus middelen ; men beschouwe ze niet als doel.

Hoe dwaas derhalve, in hen iets te zoeken, wat zij niet bevatten, wat zij ook niet kunnen bevatten!

Hoe onverstandig, in hen rust te willen vinden!

Hoe vermetel, hen in Gods plaats te stellen!

Hoe diep waren wij te beklagen, indien wij ons aan hen, de vergankelijken, vastklemden!

Hoezeer zouden wij ons-zelf verlagen, door hen, die in rang zoover beneden ons staan, tot doel te nemen, hen op deze wijze boven ons te verheffen!

En toch — dit gebeurt, hier vinden wij den oorsprong van alle kivaad, van zonde en hel, van tijdelijk en eeuwig ongeluk.

O gij, menschenkinderen, hoe lang zult gij de ijdelheid beminnen, de leugen zoeken? 3)

God heeft mij tot heer over de schepselen gesteld; zal ik mij door de schepselen laten beheerschen ?

God heeft mij tot heer over de schepselen gesteld, — dit

■) Ps. 4, 3.

ocr page 205

189

echter met voorbehoud zijner eigen opperheerschappij, en met de uitdrukkelijke bepaling, dat ik mij slechts in overeenstemming met zijn wil van hen zal bedienen. Zoude ik nu ondankbaar genoeg zijn, mij toe te eigenen wat ik slechts in bruikleen ontving, als een wapen datgene tegen Hem te keeren, wat door mij tot zijne verheerlijking moest worden aangewend ?

Ziehier, o jongeling, de ware orde der dingen: de mensch alleen hier op aarde, het redelijke, met vrijen wil begaafde wezen, is bekwaam, uit zich-zelf, uit kracht zijner natuur en rechtstreeks God te verheerlijken. De overige schepselen verheerlijken God slechts door den mensch.

Deze verheerlijking wordt alleen hierdoor bereikt, dat de mensch zich van de schepselen als van zooweleiveldaden bedient, en slechts in overeenstemming met de heilige en rechtvaardige inzichten van den aller hoogsten Weldoener en Gebieder.

Wil de mensch zich onafhankelijk maken ; beschikt hij naar willekeur of zelfs tegen Gods wil over de schepselen; schrijft hij zich-zelven iets toe van hetgeen hij bezit, van hetgeen hij is, van hetgeen hij verkrijgt, van hetgeen hij tot stand brengt; gaat hij wellicht zoover, den Gever beneden de gave te stellen, de gave tegen den Gever te keeren, het schepsel te dwingen, zich van den Schepper los te rukken, tegen Hem op te staan; is hij vermetel genoeg, de noodzakelijke verhouding tusschen Schepper en schepsel te verstoren, — dan is hij, trapsgewijze de ladder der misdaad beklimmend, een ondankbare, een oproerling, een roever van Gods goed en eere, ja, in zekeren zin, een vernietiger van de Godheid. In de plaats van God stelt hij het schepsel; daarvan maakt hij zijn afgod, daarvoor brandt hij wierook, daarvoor buigt hij de knie; van het schepsel verwacht hij die bevrediging, die zaligheid, welke God alleen vermag te geven.

ocr page 206

190

O boos en verkeerd volk! Zoo vergeldt gij uwen Heer, gij dwaas en onwijs volk! ')

Maar — wee ons! Eenmaal worden die schepselen bevrijd;2) zij worden ontrukt aan de dienstbaarheid der zonde, en dan zal Gods arm hen wapenen, ter wrake over hunne vijanden, over dezulken, door wie zij werden misbruikt. 3)

O leer vroegtijdig, dierbare jongeling, te welker plaatse gij ware wijsheid 4) kunt vinden, — de ware wijsheid, die hierin bestaat, dat men elk ding naar ;s Heeren inzicht, overeenkomstig het doel, waarvoor het aanwezig is, en op de rechte wijze weet te gebruiken.

Vraag niet: is het bitter, is het zoet? is het lastig, is het aangenaam? is het moeilijk, is het gemakkelijk?

Kan het mij al dan niet behulpzaam zijn in het bereiken van mijn doel? wil het God, of wil Hij het niet? wil Hij het zóó, of wil Hij het anders?

Dat zult gij vragen, daarnaar zult gij handelen.

Gebruik iets, of onthoud er u van, naar gelang het voor uw geluk bevorderlijk of nadeelig is; en gebruik iets in zooverre, of onthoud u er van in zooverre, als het tot bereiking van uw doel kan baten of niet kan baten.

De jeugd vooral, met weinig ervaring en veel lichtzinnigheid, oordeelt zoo ras naar den schijn; te dikwerf waant zij gevuld wat ledig is, beschouwt zij klatergoud voor edel metaal, aangename dingen voor nuttige.

Zie de rozen: men moet ze plukken, zoodra ze ontloken zijn. Laten wij ons daarmede tooien, spreekt de jeugd, vóórdat zij verwelken en vergaan 6).

Parelt wijn in de bokalen, geurt heerlijk de balsem, dan klinkt het uit haar mond: drinken wij naar hartelust dat

') Mos. 32, 56. ®) Rom. 8, 21. 3) quot;VVijsh. 5, 18.

*) Baruch 3, 14. •'•) AVijsli. 3. 8.

ocr page 207

191

edele druivenbloed, zalven wij ons rijkelijk met zoo geurig een balsem ! Plukken wij gretig de bloesems van 't leven! Ja, genieten wij de goederen, die zich aanbieden, en gebruiken wij haastig de schepselen in de ras voorbijgaande jeugd! ')

Zoo dachten zij, en hebben gedwaald; zij lieten zich door de bedorvenheid huns harten verblinden, hebben Gods geheime oogmerken niet begrepen en de waardigheid hunner heilige zielen verloochend, door deze aan de heerschappij der schepselen te onderwerpen -).

Niet zoo, mijn dierbaar kind! — Hemelwaarts den blik, hemelwaarts naar den Ongeschapene! Het schepsel blijve wat het is: — een middel, en niets dan een middel. In ons alleen leeft de geest, leeft de adem van God; zij, de schepselen, zijn voor ons geschapen, — tvi/j niet voor hen.

Bespaar u eene smartelijke bekentenis der elfde ure. Moget gij niet eenmaal verplicht zijn, te spreken: Ik, dwaze, heb mijn doel gemist; het licht der rechtvaardigheid heeft niet voor mij geschenen, en de zonne der kennis daagde niet voor mij op! 3) Wat baatte mij de overmoed, en tot welk nut strekte mij het pralen des rijkdoms? Verdwenen is alles, — voorbijgetrokken, gelijk eene schaduw! *)

') quot;Wijsh. 2, 6. -) W ijsh. 2, 21, 22. 8) Wijsh. 5, 6. Wijsh. 5, 8, 9.

ocr page 208

HOOFDSTUK XLIII.

AL HET AARDSCHE IJDELHEID.

Xpquot; In hen legde Hij goedheid en schoonheid en waarheid; HT in hen openbaarde Hij macht en wijsheid. Maar slechts

1 in zeer geringe mate schonk Hij hun datgene, wat de mensch in oneindige mate in Hem, den Ongeschapene, moet vinden, erkennen, liefhebben.

O ijdelheid der ijdelheden, en alles is ijdelheid! ') Geld is ijdel, eer is ijdel, vermaak is ijdel, al het geschapene is ijdel; ijdel in zich-zeiven, ijdel voor ons, ijdel voor God, ijdel voor de eeuwigheid.

Hoe onbeteekenend is alle aardsch geluk! Hoe weinigen valt het ten deel! Hoevelen leeren het niet eens kennen!

') Eccl. 1, 14.

Ecco, universa vanitas et attlictiu

spiritus !

Eed. 1. 14,

e schepselen zijn werken Gods; in hen weerspiege-^ len zich de oneindige volmaaktheden des Eeuwigen.

igen.

ocr page 209

198

En van het bezit dezer dingen, die wij eer, genot, geld en goed noemen, zonde God ons geluk afhankelijk gemaakt hebben? afhankelijk van dingen, die Hij zoo ongelijk tus-schen goeden en kwaden verdeelt, dingen, die zoo klein, zoo gering zijn, die tot het gebied der zinnen beperkt blijven ?

Hoe ledig is 't aardsch geluk! Kan het verzadigen ? lescht het den dorst van een smachtend hart? O neen, het zilte water des oceaans gelijk, prikkelt het meer nog den dorst, verschroeit het de ingewanden, in stede van te laven. De hebzuchtige spreekt: nog meer; de wellusteling: nog meer; de eerzuchtige: nog meer. 1) Werp in dien afgrond der begeerlijkheid goud en zilver en paarlen en kronen en vreugden en wellusten, — hij is bodemloos, en zij, deze dingen, hebben hoogte noch diepte, breedte noch lengte, gewicht noch vastheid, — schuin;, rook, zeepbellen!

Hoe kort van duur is al het aardsche geluk! Zoo gewonnen, zoo geronnen. Eenige jaren in 't gansche leven I en bleef zelfs het geluk een geheel menschenleven voortduren, — ook dan: is het leven niet een droom? Tien jaren, vijftig jaren, honderd jaren, — 't zijn druppelen in den oceaan dei-eeuwigheid ! 't zijn zandkorrels onder de voetstappen van den Koning der heerlijkheid, voortijlende met de reuzenschreden van zijn eeuwig bestaan. 2j Evenals de golf, die gij wilt omarmen en vasthouden, wanneer zij loeiend en schuimend zich tegen de kust komt pletteren, zoo ontsnapt u het aardsche geluk, dat gij in uw bezit waant; het stroomt voorbij, gaat andere kusten, andere droeve harten bespoelen. Heeft men het lief, dan maakt het onrein, — bezit men het, dan baart het lasten, — verliest men het, dan veroorzaakt het smart.

Hoe giftig is alle aardsch geluk! Het knaagt aan de hei-

') Spr, 30. 15. •■) Hal). 3, lt;i.

ocr page 210

194

lige wortelen, waarmede wij, door onze afstamming, in de eeuwigheid gronden. En zijn ze afgeknaagd, die wortelen, zijn ze blootgelegd en verteerd door het schroeien der zon van aardsch geluk, aardsch welbehagen, dan valt de boom geheel over op het gebied van tijd en vergankelijkheid, verdort ras, dient nog slechts om eerlang den gloed der hel aan te wakkeren.

O ijdelheid der ijdelheden, en alles is ijdelheid, — met uitzondering van 'sHeeren liefde, 's Heeren dienst 1

lieden geluk, eer, rijkdom, gezondheid, welvaart, — misschien morgen reeds rouw, schande, ontbering, smart, dood.

Heden in het paleis, morgen in het graf.

Heden op een donzige peluw, morgen in de harde lijkkist-

Heden aan den weelderigen disch, — morgen op die plaats, waar men spijze gebruikt noch vindt ').

Heden omringd door vleiers, vrienden, makkers in geneugten jubel, — morgen buiten gestooten, eenzaam, zonder troost, in het gezelschap van slijk en wormen.

Heden scherts en lach, — morgen de laatste traan, op bleeke wang.

Heden ambt en waardigheden en lofspraak en hulde, — morgen het koude lijkgestéente.

Heden in bloeiende schoonheid, geurend, opgetooid, lieflijk, betooverend, — morgen stom, grijnzend, misvormd, slecht-riekend, gevlucht, verafschuwd.

Heden de frissche gestalte eens jongelings, — morgen een verouderd lijk, een akelig beeld des doods, een walgelijk geraamte.

O ijdelheid der ijdelheden, en alles ijdelheid!

Gelijk in de woestijn zekere heuvelen zich verpis,atsen, van oord tot oord snellen, en diepten achterlaten, waar zich

') Eed. 14, 17.

ocr page 211

195

kort geleden een zandberg verhief, zoo ijlen de goederen der aarde nu hier heen, dan daar heen, komen en gaan, vertoo-nen zich en verdwijnen; zalig hij, wiens voet een zco weinig vertrouwbaren bodem niet heeft gedrukt!

Het icare en alleen bevredigende geluk vindt men slechts in Grod; van Hem komt alle gave.

Dat gevoelt ook ons hart, en daarom is het onrustig, dat arm hart, totdat het ruste vindt in zijn Schepper.

Gij zijt r;jk\ maar is God niet de uwe, thans niet en hiernamaals niet, - wat hebt gij dan?

Gij wordt geëerd; doch wanneer gij onder uwe eeretitels niet ook dezen telt: „kind en vriend Gods.' dan wandelt gij in sombere schaduwen, dan ontbreekt u de ware, wezenlijke eere.

Gij geniet; doch wanneer doel, oorsprong en voorwerp van het geneugt niet rechtstreeks of zijdelings tot God in betrekking staan, dan ontbreekt u juist datgene, zonder hetwelk geen waar genot mogelijk is. alleen der ziel waardig, alleen in staat, haar te bevredigen.

Al het aardsche, waarvan gij uwe zaligheid verwacht, is niet in uwe ziel; het is haar vreemd, zij is daarvoor ontoegankelijk, — en dus nimmer algeheele bevrediging.

Geld en goed — slechts uw lichaam wordt er door gebaat; doch van metaal, huis en grond leeft de siele niet, evenmin als het lichaam van de lucht, die het inademt.

De vermaken — zij dringen door tot de zinnen', maar den oorsprong van uw mateloos verlangen genaken zij niet, tegenover uw onleschbaren dorst naar wezenlijk geluk zijn ze te eenenmale onvermogend.

O hart, voor God geschapen, hoe lichtzinnig miskent men uwe natuur! hoe wreed sluit men het oor voor uw éénigen wensch! Hoe dwaas, te meenen, dat men u met ijdelheden

■

I

M pi ii.i?

■ f | ii

|

i n

■

i '4

li

ï

ocr page 212

196

kan verzadigen, waardoor uwe ballingschap hier op aarde nog ondragelijker wordt gemaakt, daar zij u op eene schrille tegenstelling met het ware Vaderland doen staren!

O zeker, dierbaar jongeling, gij zijt tot groolere dingen geboren. Het slijk der aarde is uwer niet waardig. Moget gij reeds nu uw hart losscheuren van datgene, waarvan de onverbiddelijke dood het straks toch komt scheiden.

De kluisters, die in de jeugd worden gesmeed, zijn zwaarder en worden moeilijker geslaakt; smeed ze daarom niet.

Bewaar in edele vrijheid uw jeugdig harte: Heil u, wanneer de dood u aantreft in die vrijheid der kinderen Gods!

Vergeet het nooit of nimmer: Gotl alleen kan bevrediging schenken, Hij alleen, — maar Hij bevredigt te eenenmale.

ocr page 213

HOOFDSTUK XLIV.

DE DOOD.

Mem or esto, (luoniam mors non tardat.

Eccl. U, 12.

a, de dood komt eenmaal, en omhult met rouwfloers, dicht en somber, de aardsche heerlijkheden. Hij komt, — en de stemme des jubels zwijgt, de 1^ vrienden verwijderen zich haastig, de wereld vliedt • ons, de vluchtige dag van het aardsche leven is voorbij, de eindelooze dag der eeuwigheid rijst -ter kimme.

Ja, hij komt, — of veeleer, — wij dragen hem in onzen boezem; want stof zijn wij. en tot stof zullen wij terugkee-ren. ') En veroordeeld zijn wij, — het voorrecht der onsterfelijkheid is den mensch ontnomen: — Eenmaal zult gij den dood sterven. 2)

Wat kan hem verre houden, den dood? verhoogd levensgenot? Juist hierdoor wordt menigwerf zijn spoedige komst

■) Gen. 3, 19. ') Gen. 2, 17.

ocr page 214

198

veroorzaakt. De kunst der geneesheoren? Zij heeft hare grenzen en staat veelal machteloos tegenover des vijands almacht.

Ziet gij niet, hoe andere geslachten oprijzen, en, gelijk nomadische volkeren, ons voortdringen, roepende: Maakt plaats! aan ons nu de beurt, te leven. Maakt plaats! daalt in het graf, verspert niet langer de pelgrimsbane, die ivij thans moeten volgen !

Hij komt, de dood, — doch slechts éénmaal.

Beslissende stap, dien men slechts éénmaal zet. Één drempel, dien ik moet verschijnen, — en daar ginds Hemel of hel, geen weg, die tot het punt van uitgang terugvoert. Het is bepaald, dat de mensch éénmaal zal sterven...

Men leeft slechts éénmaal, doch hierom kan men slechts éénmaal sterven. Goed gestorven, slecht gestorven, — geene verandering is mogelijk. Eene proefname is hier ondenkbaar.

Hij komt, de dood, — doch wanneer en hoequot;)

Onzekerheid, pijnlijker zelfs, dan alle zekerheid!

Zal ik, knaap, tot jongeling opgroeien ? Zal ik, jongeling, man worden? Velt mij nog heden de dood? zal hij morgen komen ? ...

Overvalt hij mij? Doet hij mij geweld aan? Verstikt hij mij in mijn bloed? Werpt hij mij den golven ter prooi? of dooft hij zachtkens mijne levensvlamme ?

Nadert hij gemaskerd, als een roover, of laat hij zich openlijk kennen, en geeft hij mij tijd, hem in 't aangezicht te zien?

O doolhof van mogelijkheden, van waarschijnlijkheden, van goede verwachtingen en duizend vreezen!

Ook jongelingen sterven. Ook knapen en kinderen sterven. Zij ook zijn stof en leem; ook deze woningen schudt de ijzeren hand des doods; en waarlijk, haar in puin te wer-

ocr page 215

199

pen kan den verwoester niet moeilijk vallen. Heden mij, morgen u.

O — vergeet niet. mijn zoon, dat de dood niet lang meer toeft! !)

„Niet lang meer,quot; — hoort gij? — En liet hij ook tien. twintig of meer jaren op zich wachten. — is dat lang? Komen zal hij, en immer nog zoo vroeg, dat uw geheel leven u de droom van één nacht zal toeschijnen.

En is het altijd beter, laat te sterven?

Ach, lang leven, lange veraniwoordelykhelcl! lang leven, niet altijd beter leven! Menigwerf zinkt de mensch in den loop der jaren nog dieper weg in den schoot van het aardsche; menigwerf wordt de band van zondige verkleefdheid aan de schepselen nog vaster gestrengeld, en laat zich dan zooveel te moeilijker verbreken.

Ja, de dood komt, en ach! hoe ijzig kil is zijne hand! Hoe zwaar drukt zij op cle voor immer gesloten oogleden! hoe meedoogenloos rimpelt zij de bloeiendste wangen!

Hij komt, en hoe (liep-ernstig is zijn voorkomen! Maak uw huis gereed,2) beveelt hij. Stel buiten orde op uwe zaken, — maar regel vooral ook het inwendige van uw huis, — want sterven zult gij en niet langer leven.

Hij komt, en hoe geivelddadig treedt hij op!

Hij rooft goud en zilver, kleinoodiën, schatten, kleeder-tooi, — niets wordt den mensch gelaten. Eene arme lijkwade en zes planken... En ware uw hart met uw geld tot één afgodsbeeld saamgesmolten, — de scheiding vindt toch plaats, de roof geschiedt, vruchteloos blijft elk verweer.

De dood brengt scheiding te weeg. Kinderen worden van den schoot hunner moeder weggerukt ; ouders aan de liefde van hun kroost ontnomen, vrienden wreed gescheiden; hier

i

i

l

■

V.

■

i -

i i

') Eccl. 14, 12. quot;) Is. 33. i.

m

ocr page 216

200

helpt geen klagen, geen handenwringen, geen vastklemmen, geen smeeken.

De dood werpt het lichaam den wormen ter welkome prooi. Reeds nu bleek, misvormd, kil en roerloos, zal het, na verloop van eenige weken, slechts uit een hoop beenderen bestaan. Beenderen en een doodshoofd, — ziedaar al de heerlijkheid des vleesches, — des vleesches, dat zoo vaak als afgod ten autaar wordt verheven. O zie thans, wat gij aanbidt! ^

De dood levert de ziel aan Gods rechtvaardigheid over, hij geleidt ze vóór zijn rechterstoel, en — wee haar, indien zij schuldig is!

En die berooving, die scheiding, die overlevering — 'tis alles het werk van een oogenblik. Gelijk een droom zich ras in de werkelijkheid oplost, zoo verdwijnt gij van de oppervlakte der aarde; en zij, die u straks nog levend zagen, vragen nu: waar is hij thans? 2)

Ziedaar hetgeen u wacht, waaraan gij niet vermoogt te ontkomen. En misschien treft u dit alles reeds als — jongeling. Is het mogelijk ? ...

*) Job. 20. 8, 7.

') 5 Mos. 4, 20.

ocr page 217

HOOFDSTUK XLV.

HET OORDEEL.

Cuncta, quae Hunt, addu-cet Deus in judicium.

Eed. 12, 14.

ml

|p' e dood levert ons in de handen des eeuwigen Bech-

i i'i s;.

t-, gt;

ters, en eerst vóór dien vreeselijken rechterstoel zien wij duidelijk in. wat het aardsche geweest is, cji wat het voor ons had moeten zvjv.

Het strand der eeuwigheid bereikt hebbende, moeten wij de broze vaartuigen achterlaten, die ons over den oceaan des levens hebben gevoerd: ons ontbindend lichaam en al het aardsche.

|

i %

t i i i

De schillen zijn ons van de oogen gevallen. ') Verre achter ons ligt de wereld; haar sirenengezang ruischt niet meer in ons oor; ons oog weerspiegelt niet meer het fonkelen van haar goud; onze zintuigen zijn gevoelloos voor hare geneugten ; — God en eeuwigheid, anders niets meer...

') Hand. 9, 18.

ocr page 218

202

Alle misleiding, begoocheling, houdt op. Helder licht stroomt het hart binnen. Het ziet. zooals het reeds vóór lang had moeten zien. Vóór het aanschijn des Alwetenden moet het zich schuldig bekennen aan alle bedreven misslagen, aan alle gewilde en niet gewilde verblindheid met hare gevolgen: — verstoktheid, traagheid, lichtzinnigheid, zorgeloosheid.

Niet de wereld, met hare wuft-zwakke beginselen, moet u thans richten; niet volgens haar wetboek zult gij worden geoordeeld.

De heiligheid Gods-zelve, zijn Evangelie, — ziedaar de grondslag van het uit te spreken vonnis.

O wijze Rechter! o onwraakbare Rechter! O alvermogende Rechter, aan wiens straffende hand niet één schuldige ontkomt, aan wiens oordeel niemand zich kan onttrekken, — waar zal ik mij schuil houden? waarheen vóór uw aanschijn vlieden ? ')

Eene rechte wage en waagschaal zijn de oordeelen des Heeren, 2) en God zal ieder werk in 't gericht brengen,1) en al onze daden, goede en kwade, zullen met onfeilbare nauw-keurigheid worden gewogen.

Jongeling, spreek, spreek in de oprechtheid van uw jeugdig hart: moest gij nu reeds, op dit oogenblik, vóór Godver-schijnen; hoe zoude voor u het vonnis luiden?

Over tvelke zonde zoudt gij u dan het bitterst moeten beklagen ?

Welke zelfmisleiding zoude u dan de zwaarste verantwoordelijkheid doen torsen ?

Hoedanig is het gebruik, door u van de schepselen gemaakt? hoedanig het gebruik van geld en goed, spijze en drank, rust en uitspanning? hoe gebruiktet gij uw Jong lichaam, uwe jonge ledematen? uwe zintuigen? uwe talen-

1

) £ccl. 12, 14.

ocr page 219

203

ten? uw geheugen? uwe verbeeldingskracht? uw denkvermogen? uw vrijen wil?

Zoudet gij het wagen, uwe jeugd als verontschuldiging aan te voeren?

Jong zijt gij, — maar juist daarom nog zoo dicht bij de bronne der waarheid, bij den oorsprong des levens, bij het uitgangspunt van uw wandel.

Jong zijt gij; — maar ook tot u, jongeling, spreken rede en geloof; eigen onderzoek en ervaring leeren ook u de waarde der schepselen kennen; ook gij kondet weten, dat zij slechts middelen zijn om ons tot den Schepper op te voeren.

O, wees voorzichtig! Helt eenmaal de schaal van het kwaad over, zijt gij te licht bevonden, — ach! dan is het voor eeuwig te laat... En stortet gij dan een vloed van tranen, zij vermurwen het hart des Rechtvaardigen niet meer. Hij is eindelijk Zich-zelven wrake verschuldigd; en uwe tranen, — zij verdwijnen spoorloos door de hitte van het eeuwig vuur, dat u reeds tegenflikkert.

ocr page 220

HOOFDSTUK XLVI.

DE WERELD.

Keligio mimcla et immaculata apiuj Deum et Patrem haec est: ... imma-culatum se custodire ab hoe saeeulo.

Jac. 1, 27.

„wereldquot; is, naar het woord der Schriftuur, „allen, die zondigen, en alles, wat tot zonde voert.1' Zij bestaat uit al degenen, die aan de schepselen als zoodanig zijn verkleefd, al hun geluk in het voor de zinnen toegankelijke stellen, aan het bovenaardsche weinig of geen waarde hechten, het verwaarloozen of zelfs verachten.

De wereld haat dus armoede, lijden, vernedering; zij beschouwt ze als euvelen, die zij tot eiken prijs moet vermijden.

De wereld is tuk op rijkdom, welvaart, aanzien, eere; in deze vindt zij haar hemel, en waar het geldt ze te verwerven, versmaadt zij geen middel.

ocr page 221

205

De wereld kent geen andere vreugde dan die, welke dooide zinnen, langs den weg der natuur verkregen wordt.

De wereld kent geene andere eer dan die, welke een gevierde naam, ambten en waardigheden en aanzien bij de menschen haar verschaffen.

De wereld kent geen goed, tenzij datgene, wat fonkelt, wat klinkt, wat zich door getallen laat uitdrukken, wat zich tegen andere stoffelijke dingen laat ruilen.

De wereld is de tijd en het tijdelijke, in tegenstelling met de eeuwigheid en het eeuwige.

De wereld is dit leven, pogende het andere leven uit te «luiten en te vervangen door dit leven.

De wereld is dan Christus' vijandinne op aarde.

De wereld is dan de hel, hier op aarde alles in het werk stellende om allen in het verderf te storten.

De wereld dan is de afgodendienst, tot den jongsten dag voortbestaande, van het nik,quot; van de natuur, van het aard-sche, van het stof, van den tijd, — een afgodendienst met zijne priesteren, aanbidders, autaren, offers en plechtigheden.

Geen wonder, dat het Bijbelsch woord van de wereld getuigt: dat zij vol boosheid is.

Geen wonder, dat zij wordt gevloekt, dat wij ontelbare malen tegen haar worden gewaarschuwd.

Ik bid voor hen, spreekt Jesus; ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen, die Gij mij gegeven hebt; want zij zijn de uwen

En; Hebt betrouwen. Ik heb over de wereld gezegevierd s).

O min niet de wereld, noch wat der wereld is! Wanneer iemand de wereld liefheeft, dan is de liefde des vaders niet in hem 3).

Joh. 2, 15.

') Joh. 17, 9. ■-) Joh. 16, 33.

ocr page 222

206

Gij. overspeligen, weet gij niet, dat de vriendschap dei-wereld vijandschap des Heeren is? 1) Derhalve, wie een vriend der wereld wil zijn maakt zich tot een vijand van God.

O, wordt der wereld niet gelijkvormig! 2) De wereld en hare begeerlijkheid zullen vergaan; doch hij, die den wille Gods volbrengt, zal eeuwig leven 3).

Hierin bestaat de reine en vlekkelooze dienst bij God en den Vader, dat men weldadig zij, en zich-zelven zuiver van de wereld beware 4).

Alles, wat uit God is geboren, overwint de wereld.

In de eerste tijden der Kerk, toen Christendom en heidendom de scherpste tegenstellingen boden, was het niet moeilijk, de kinderen der wereld van de kinderen Gods te onderscheiden. Thans echter, bij de zoo algemeene vermenging en bij de lauwheid van zoovele Christenen, heeft zich onder de Christenen-zelf eene wereld gevormd; en 't is moeilijker geworden, haar steeds als de booze te herkennen, den omgang met haar te vermijden.

Het Evangelie wordt vermengd met den geest der wereld; men strooit de zaden van dien geest omzichtiger; men verbergt zorgvuldiger het venijn; men verliest zich in beschouwingen en dwaalbegrippen.

O welk een groot gevaar, heimelijk en allengs een overloo-per te worden! Door dwaselijk te pogen, overeenstemming te brengen tusschen twee onvereenigbare tegenstellingen, en door te willen verrichten wat niet verricht kan worden, stelt men er zich aan bloot, een verrader van het Evangelie te worden.

Slechts één middel tot redding: eene besliste breuk. Ja, breken zult gij met de wereld, breken naar het hart, naar den geest, naar den wil) eene verklaarde vijandschap — zon-

') Jac. 4, 4. ■) Rom. 12. 2. 3) Joh. 2, 17. 4) Jac. 2, 17.

ocr page 223

der eenig voorbehoud, eene ronde oorlogsverklaring, eene volkomen afscheiding, opdat gij niet met de wereld /erdoemd moget worden. ^

De iveréld moet ons gekruisigd zijn. 2) Zij moge voor ons een verachtelijke slavinne wezen, die, als straf voor hare trouwloosheid, verdient, aan het schandhout te worden geklonken. Ik haat heur aanschijn, ik gruw van elke aanraking' met de onteerde, ik loochen elk aandeel in hare werken; — ik wil, ik mag voortaan geen omgang met haar hebben. Ga weg van mij, satan, 3) bekoorder, moordenaar van den beginne!1) O ja, de wereld zij mij gekruisigd; zij heeft ook mijn Heer en Verlosser aan het kruis genageld, omdat Hij hare grondbeginselen, hare werken vloekte, in haar de logen bestrafte, haren invloed knakte. En thans nog kruisigt zij Jezus, zij bespot, zij vervolgt Hem, zij kwelt zijne leerlingen, zij weerstaat Hem overal.

Wilt gij de wereld kennen ? Neem dan Christus' heilig Evangelie in de eene, de wereld in de andere hand; vergelijk beginsel met beginsel, raadgeving met raadgeving, daad met daad.

Wie heeft gelijk?

Heeft Degene gelijk, die de weg is, de waarheid en het leven, 6) die niets begeert, dan Gods eere en der menschen heil, met één woord: de Zone Gods, op aarde nedergedaald om te redden wat verloren was, — waarom dan aarzelt gij ? Waarom helt gij nu ter eene, straks ter andere zijde over? Is de Heer uw God, volg Hem dan; maar is het Baal, volg dan hem. 6) Aarzeling is hier reeds afval en verraad.

O dierbare jongeling, leer de booze wereld kennen! Want uwer onervarenheid dreigt ernstig gevaar. Leer ze kennen;

1

') 1 Oor. 11, 32. !) Gal. 6, 14. 3) Mnth. 4, 10. ') Joh. 8, 44.

ocr page 224

208

want zijt gij eens in hare macht gevallen, dan ontkomt gij niet meer ongedeerd; hare tanden zijn leeuwentanden, die de menschenzielen dooden. 1)

Boos is de wereld; boos in hare werken, boos in hare zelfzucht, boos in hare oogmerken tegen u.

Dwaas is zij, — late zij ook tot walgens toe met wijsheid en vernuft pralen. Is niet hij dwaas onder alle dwazen, die het tegendeel beweert, leeraart en doet van hetgeen de eeuwige, ongeschapen Wijsheid, Gods ééniggeboren Zoon, beweerde, leeraarde, deed?

Slecht, bedorven is de wereld. Zij pleegt bedrog. Zij geeft niets, en belooft alles. En 't geen zij voorgeeft, te schenken, wat is dat ? Het zijn geen ware rijkdommen; wat isgeld, eer, zingenot? Hare gaven bevredigen niet; in dezelve schuilt dreigend gevaar. Zij geeft ons een scorpioen instede van het ei, een slang instede van den visch, een steen in plaats van brood. 2)

Zij pleegt verraad. Anderen berooft zij, om u te verrijken, en u berooft zij als zij anderen wil verrijken. En — in den dood ? dan keert zij u den rug, poogt niet eens, uwe smarten te lenigen, laat u achter in de handen der eeuwige rechtvaardigheid. „Wat gaat mij zulks aan ? gij moogt toezien, 3) spreekt zij honend. Zij verlaat u en werpt zich in den roes der uitspattingen, totdat ook zij ter helle vaart.

Zij is ivreed, de wereld. Is zij niet eene tyranne ? wat al willekeur! wat al heerschzucht! Vorder tzij niet onvoorwaardelijk geloof, eene toewijding zonder voorbehoud, blinde gehoorzaamheid? Dreigt zij niet? Straft zij niet? mengt zij niet het gif, wet zij niet het staal?

Zij is eene moordenares. Hier-beneden legt zij de adder der gewetenswroeging aan 's menschen boezem, — en ginds,

') Eccli. 21, 3. ') Luc. 11, 11, 12. ') Math. 27, 4.

ocr page 225

o cjinds! — vraag het den verdoemden, die zij aan den boord des afgronds heeft gelokt, duizelig maakte en met wreed genoegen naar beneden zag storten! Van de hoogte des hemels •en uit de diepte der hel schalt de vloek tegen de wereld.

O vlucht, vlucht, — verweer u tegen hare omhelzing! 't Zij u verkieslijker, door haar te worden bedild, gehoond, vervolgd, dan u haar giftig gekoos te laten welgevallen.

En wil zij niet van u wijken, verjaag haar dan met geweld; wordt gij haar ook een kruis. ^ Van niets heeft zij grooter afschuw, dan van het hout des levens, van het kruis.

ocr page 226

HOOFDSTUK XL VIL

MET STERVEN.

O mors, quam amara est memoria tua homini pacem habenti in sub-

éWLtLnS*? . ■ , T-. i i-. i

-Trrrii^r;. stantns suis! Eccl. 41. 1.

enmaal breekt, ook voor mij de laatste ure aan, waarmede mijn tijd eindigt.

Uitgestrekt op de lijdenssponde, omringd door schrei-1 ende verwanten en vrienden, zie ik in benauwdheid

mijn jongsten snik te gemoet. »

Reeds werd mij de ure des verscheidens aangekondigde reeds werd mij 's Heeren aanbiddelijk Lichaam als teerspijze op den grooten tocht uitgereikt; de H. Olie heeft mij ten laatste voor den beslissenden strijd gezalfd.

Vaart wel, gij allen, die mij hier-beneden lief waart! En zij nadert, de laatste ure. Kilte verstijft de ledematen. De borst ademt moeilijk. De krachten verdwijnen. En nog wil het lichaam niet van de ziel scheiden, zonder welke het

ocr page 227

211

als een klomp levenloos stof nederzinkt. En de hevigste aller strijden ontbrandt. Klam zweet parelt in dikke, zilte druppelen op het voorhoofd; de laatste traan welt uit het gebroken oog.

En nog een andere kamp, waarvan zich alleen de vertrekkende ziel is bewust, wordt gestreden. Een laatsten, beslis-senden aanval waagt degene, die in den loop des levens de arme ziel voortdurend heeft belaagd, om haar bezit zoo heftig heeft gestreden.

Schrikbeelden, het eene vreeselijker dan het andere, trekken de ziel voorbij. Hoe onmetelijk zwaar drukt op die beklemde borst het bewustzijn van een schuldig leven!

Zoovele jaren! Zooveel boosheid! Zoo iveinig goed! Jammerlijk ontwijde jeugd! Vroeg verloren onscJmld! Yerzuimdeplichten! Ct egeven ergern is!

En de listige bekoorder, — hij, die eenmaal der ziel groote misdaden als kleinigheden wist voor te stellen, doet thans hare benauwdheid ten toppunt stijgen, boezemt haar wantrouwen in, poogt haar tot vertwijfeling te brengen.

De geruststellende woorden, welke de mond des priesters fluistert, vallen als balsemdruppelen in 't gepijnigde hart. De blik, door het stervende oog op het beeld des Gekruisten geworpen, onderscheidt nog immer de trekken eens barm-hartigen Verlossers; — maar toch, dit is de ure van de macht der duisternis 1), de ure, zoo lang door haar verbeid.

Vertrek dan, christen ziel, vertrek van deze wereld — in den naam van God, den almachtigen Vader, die u geschapen heeft; in den naam van Christus Jesus, den Zoon van den levenden God, die voor u heeft geleden; in den naam des H. Geestes, die u is medegedeeld; in den naam der heilige Engelen en Aartsengelen, der Patriarchen en Propheten, dei-Apostelen, Martelaars, Belijderen, Maagden, in den naam van

1

Luc. 22. 53.

ocr page 228

212

alle Gods Heiligen-, heden nog moget gij de plaats des vrecles binnentreden en uwe woonstede nemen in 't heilige Sion. Vertrek, o christen ziel!

En de ademhaling wordt nog moeilijker, de stemme dof, de geest verward; het licht der oogen verflauwt meer en meer.

Vaart wel, bezittingen, geld, goed, kostbaarheden, dingen, aan welke mijn hart was verkleefd; — gij, gij kunt mijne begeleiders niet wezen!

O dood, hoe bitter is de gedachte aan u den mensch, die zich in 't vreedzame bezit zijner goederen verheugt, — den man, die geene zorgen kent, voor wien alle weg zich effent!

Ziedaar nu mijn lichaam — koud, stijf, afzichtelijk; eene lijkwade dekt het, de schoot der aarde neemt het op, en weinige weken daarna hebben de wormen mijn vleesch verslonden. — O yjdelheid der ijdelheden, en alles is ijdelheid!

In de duisternis van het graf heb ik mijn bed gespreid; tot de groeve roep ik; Gij zijt mijn vader; tot het gewormte: Gij zijt mijne moeder en mijne zuster. ^

Ik meende, lange jaren te zullen leven, en zie: reeds sta ik aan de poorten der eeuwigheid. Nauw ben ik ter wereld gekomen, en reeds wordt mijn levensdraad afgesneden.

O dood, goed is uw gericht! 2) Gij leert ons redelijk oor-cleelen. Gij ontsteekt voor ons een helder licht in betrekking tot de waarde van al het aardsche, dat aan deze zijde van het graf blijft, aan de overzijde niet bekend is.

Gij wijst ons met nadruk op datgene, wat in ons goed en edel en onvergankelijk is: de ziel, welke niet sterft, welke niet in den schoot der aarde aan verrotting wordt prijsgegeven.

Gij neemt weg van ons de ongeregelde verkleefdheid' aan

') Job. 17, 13. 14. quot;) Eccl. 1, 3.

ocr page 229

213

personen en dingen dezer wereld. Gij scheurt ons los van geld en goed, van eer en praal,, van weekelijkheid en zingenot.

Eenmaal moet de ontknooping volgen; waarom dan banden gestrengeld, wier verbreking zooveel pijn veroorzaakt ?

Gi], o dood, vermaant mij dringend tot waakzaamheid, want gij komt als een dief in den nacht *); wanneer de Allerhoogste u gebiedt, dan maait gij ons weg, zonder aanzien van leeftijd, stand en verdiensten.

O dood, goed is uw gericht! Gij stelt den martelaar, den man van offer en versterving, het einde van zijn lijden, het begin zijns loons in het verschiet. O welkome dood, o poort der ruste, deur der overwinning, drempel des geluks, bevrijder, verlosser!

Gij doet alle bekoring ophouden, gij neemt weg het gevaar. God nogmaals te beleedigen.

Gij voert ons uit het dal der tranen tot God, tot Jesus, tot de Heiligen! Gij verkwikt zoetelijk den moeden pelgrim dei-aarde en loont zijn offers; gij bevolkt den Hemel, en doet de ledigstaande tronen innemen.

% 11

Gij behoeft den dood niet te vreezen, o jongeling! Leef vlekkeloos, bewaar uwe onschuld. — en uw sterven zal de overgang tot een beter leven zijn. Kostbaar voor het Aanschijn des Heeren is de dood zijner heiligen! quot;)

-) Ps. 115, 15.

') 1 Thess. 5, 2.

■: ;i

ocr page 230

HOOFDSTUK XL VUL

CHRISTUS — DE HEILIGEN — DE WERELD.

Nunc judicium est mundi, nunc princeps hujus mundi ejicictur foras. Joh. 12, 31.

„„.J ie de waarheid kent en haar zeggen wil, diens getuigenis verdient niet slechts waardeering, doch kan

ook door geen verstandig mensch worden gewraakt.

De geloofwaardigheid van een getuigenis, de deugdelijkheid van een oordeel stijgt, naarmate het vermogen der kennis en de welgezindheid des wils verheven zijn boven alle mogelijkheid van dwaling en omkooping.

Hoe nu te handelen, wanneer Christus-zelf, wanneer zijne Heiligen door woord en daad voor of tegen iets getuigen?

Wanneer Ik oordeel, spreekt Jesus, dan zijn mijne oordeelen waarachtig. 1)

En zoo moet het zijn, o mijn Heiland! want Gi] zijt Christus, de Zoon van den levenden God. 2)

'l Matth. 16, 1G.

ocr page 231

G-ij waart in alle eeuwigheid aan de zijde des Vaders; Gij 7,1]t met Hem één van Wezen, Gij deelt met Hem macht en heerlijkheid, wijsheid en goedertierenheid.

Hetgeen de Vader weet is ook IJ bekend, en uit die goddelijke wetenschap naamt gij de schatten uwer leer, welke Gij den menschen uitdeeldet, en naar die goddelijke wetenschap richttet Gij, den menschen ten voorbeeld, op deze aarde uw wandel in.

Oordeel Ik, dan is mijn oordeel waarachtig; want Ik ben niet alleen, maar Ik en de Vader, die Mij gezonden heeft. •) Ik en de Vader zijn een. 2)

Gelijk Ik hoor, oordeel Ik, en mijn oordeel is rechtvaardig; want Ik zoek niet mijnen wil, maar den wil des Vaders, die Mij gezonden heeft. 3)

O ja, Heer, mijn God, uwe getuigenissen zijn geloofwaardig boven alle mate. 4) Wat Gij, o Heer, goed prijst, het is goed: wat Gij veroordeelt, het is doemwaardig.

De Heiligen zijn die menschen, welke den Zaligmaker door gelijkvormigheid des geestes, door navolging van zijn voorbeeld het dichtst nabij kwamen.

Onderricht door zijn heilig woord, gevormd in zijne school, gevoed door zijnen geest, bestierd door zijne genade, hebben zij eene groote mate van gelijkvormigheid met den Heiligste der Heiligen erlangd; Christus' denkwijze is de hunne geworden, zijn oordeel het hunne, zijne goedkeuring of verwerping de hunne. Zij leefden, — echter reeds niet meer, doch Christus leefde in hen. 6)

Geen wonder, dat de wereld voor hen was, gelijk zij voor den Zaligmaker is; geen wonder, dat ook zij de wereld verachtten, met voeten traden, dat zij immer voortijlden op den

') Joh. 8, 16. -) Joh. 10, 80. s) Joh. 5, 30. *) Ps. 92, 5.

ocr page 232

216

eenmaal gevonden weg der alleen ware grootheid, dat zij uitblonken door den alleen waren heldenmoed, welke hierin bestaat, dat men zich ganschelijk van de wereld losscheurt.

AVat is de wereld voor Christus ? Nu is het oordeel der wereld: nu zal de vorst der wereld worden uitgeworpen; 1) nu worden zijne oogwenken ontsluierd, nu wordt hij ontmaskerd, nu vangt de strijd tegen hem aan.

Kan iets, waartegen Christus te velde trekt, en waartegen Hij ons aanspoort, te strijden, goed zijn?

Christus onderwijst beginselen, die in rechte lijn tegenover die der wereld staan; en door die beginselen te prediken veroordeelt Hij de wereld en brandmerkt ze als vervuld met dwaling en bedorvenheid.

De wereld: „Zalig de rijken; want zij behoeven zich niets te ontzeggen, en kunnen den Hemel reeds op aarde hebben.quot;

Jesus: „Zalig de armen van geest; want hunner is het Rijk der Hemelen.quot; 2)

De toereld: „Zalig wien het is vergund, hunne wraakzucht te bevredigen; want zij hebben hunne eer gered, en hunner gekwetste fierheid voldoening verschaft.quot;

Jesus: „Zalig de zachtmoedigen; want zij zullen het aardrijk beërven.quot; 3)

De wereld: „Zalig die geen kommer en nood, geen kwelling en arbeid kennen; want 's menschen troost op aarde is blijdschap, weelde en zingenot.quot;

Jesus: „Zalig die treuren; want zij zullen vertroost worden.4)

De wereld: „Zalig wien vreugde en genot rijkelijk toestroo-men; want nooit hebben wij daarvan genoeg, — en het leven is zoo kort!quot;

Jesus: ,Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden.quot; 5)

') Joh. 12, 31. ') Math. 5, 3. s) Math. 5, 4. ') Math. 5, 5. s) Math. 5. C.

ocr page 233

■217

De toer eld: „Zalig die voor zich-zelf weten te zorgen; want een ieder is zich-zelven het naast, en op vreemde hulp valt zoo weinig te rekenen!quot;

Jesus: „Zalig de barmhartigen; want ook zij zullen barmhartigheid verwerven.quot; l)

De wereld: „Zalig die hunnen lusten in alles ter wille zijn. Genot en bevrediging - al moest de ziel daardoor verloren gaan Iquot;

Jesus: „Zalig die een rein hart hebben; want zij zullen (rod zien.quot; 2)

De wereld: „Zalig die hunne rechten, zij het ook met geweld, handhaven; want ze prijs geven, dit veroorzaakt schade en schande en bevoordeelt den evenmensch te onzen nadeele.quot;

Jesus: „Zalig de vreedzamen; want zij zullen kinderen Gods worden genoemd.quot; J)

De wereld: „Zalig hij, dien de menschen op de handen dragen, wien zij genegen zijn, dien zij vleien en met gunsten overladen; want zoo bewandelt men effen paden en beleeft rustige dagen. O zalig gij, wanneer de menschen u hoogachten, wanneer zij j lofprijzen, u de hoogste eer aandoen I Benijdenswaardigen! het toppunt van alle geluk mocht gij bereiken: jubelt daarom en geniet uwe zaligheid!quot;

Jesus: „Zalig die vervolgd worden om der gerechtigheid wille; want hunner is het Koninkrijk der Hemelen. O zalig gij, als de menschen u smaden en vervolgen, en liegende alle kwaad van u spreken om mijnentwille: verheugt en verblijdt u; want groot is uw leven in den Hemel.quot; 4)

Maar niet slechts door zijne beginselen tegenover de hare te stellen, heeft Jesus over de wereld den staf gebroken : aanschouw zijne daden, volg elk zijner schreden op aarde, —

') Math. 5, 7. -■) Math. 5, s. ») Math. 5, 9. ') Math, r,, 10, 11, 12.

15

ocr page 234

218

al zijne voetstappen ziet gij in eene richting, aan die van de wereld tegenovergesteld.

Ga op, o jongeling, naar het stedeken Bethlehem; kniel vóór de Kribbe; trek mede naar Egypteland; vertoef te Nazareth; doorwandel Judea; begeef u naar Gethsemani; beklim Golgotha, — ontmoet gij niet overal den armen Jesus, den verootmoedigden Jesus, den lijelenden Jesus, — arm, verootmoedigd en lijdende uit eigen, vrije keuze'?

Zulk eene waarde hecht dus Jesus aan gemakken, rijkdom, eer en zingeneugt? aan dingen, door de wereld tot de sterren verheven, dingen voor wier bezit haar geen weg te lang is, geen pad te steil, geen arbeid te zwaar, geen waagstuk te vermetel, geen middel te laag ?

O ja, het vonnis over de wereld is geveld, haar vorst te schande gemaakt!

Jesus' doen en laten overtuigt de wereld van dwaling, boos-heiel en zonde;1) en de vloek, tegen haar geslingerd, wordt niet weggenomen, zoolang Christus' leere voortbestaat, zoolang zijn heilig voorbeeld onder de menschen navolgers vindt.

En — o macht van het goddelijk voorbeeld — eene ivolk van getuigen 2) daalt neder en overschaduwt het aardrijk; en in haar schitteren Apostelen en Martelaren, Belijderen en Maagden hoog boven de wereld, in het sombere duister van bedrog en dwaling gehuld; en uit de wolk dondert vloek tegen de reeds door Christus zoo vaak en plechtig veroordeelde, en de echo van dien vloek schalt immer verder — door de eeuwen heen, tot aan het einde dei-tijden.

En dan — op den grooten dag, den dag van waarheid en

*) Joh. 16, ö. •) Hebr. 12. 1.

ocr page 235

219

getuigenis, bekrachtigt de Hemel,, bekrachtigen 6od; de Engelen en Uitverkorenen het vóór lang reeds gevelde oordeel, — alle logen neemt een einde, alleen de waarheid triumpheert.

Gevallen is Babylon, die machtige stede, omdat zij uit den wijn des toorns alle volkeren heeft gedrenkt! 1)

Laat u nooit door den bedriegelijken schijn verblinden, o jongeling! Laat het geloof uw oog verhelderen, en de licht straal van het eeuwige uw leven doordringen.

Uw oordeel stemme slechts overeen met dat van Jesus. Door Hem, het licht der wereld, 2) moet gij u laten bestralen. Zijn heilig woord moet gij gelooven; Hij kmt de waarheid, en ivil noch kan ze u onthouden.

De wereld is verblind; zij valt der misleiding ter prooi, en dwaling verbreidend, poogt zij, hare eigen dwaling te verbergen. En vooral den jongeling belaagt zij; hem te kunnen overvallen, te verlokken, in hare netten te vangen, is heur liefste wensch. Zijne onervarenheid komt haar te hulp; zijne vatbaarheid, zijne weetgierigheid, zijn vurige inborst, zijn dorstend hart, — dit alles komt haar ten misbruik te stade.

Zie dan wèl toe, dat uw hart niet der begoocheling ten offer valle!

•4

I

Hoed u voor delen 3).

de strikken, en gij zult in veiligheid wan-

Gebruik de wereld, als gebruikt et gij ze niet! ')

Joh. 8. 12.

::) Spr. 11, 15.

1 Cor. 7, 31.

') Openb. 14, 8.

-I

ocr page 236

HOOFDSTUK XLIX.

DE VERBLINDHEID.

Men kan over het hoofd zien wat tot redding onzer fV ziel. tot betering van ons leven dienstig ware; men kan zich-zelven over het hoofd zien, voor zich-zelven onbekend, raadselachtig, verborgen blijven.

Deze geestelijke blindheid of verblinding is in hare gevolgen noodlottiger, dan de lichamelijke.

Ik ken mij-zelf niet; dus zal ik mij-zelf te hoog schatten. Ik ken mij-zelf niet; derhalve bevroed ik geenszins, van welken kant mij gevaar dreigt, en weet ik niet, van welke verkeerdheden mij te ontdoen.

Deze blindheid is den satan bovenmate welkom. Alle middelen neemt hij te baat, om ons tot vreemdelingen in ons

Fili hominis, lode parictem,... ingrc-dere et vide abominationes pessimas.

E/.. 8, 8-0.

fm:,

ooy Veestes quot;ian evengoecl als het oog des 'pSs*'quot; lichaams worden afgewend of gesloten.

ocr page 237

221

eigeji hart te maken. Nu eens bedient hij zich van uitwendige verstrooiingen, van de beslommeringen der zaken en van uitspanningen om onze aandacht af te leiden; straks neemt hij zijn toevlucht tot onze eigenliefde, welke niets meer haat, dan de ontdekking van eigen schande; een ander maal vraagt hij de hulp van valsche vrienden, die ons vleien, ons in wierookswolken hullen, zoodat wij onze eigen gestalte niet meer kunnen waarnemen.

Juist te dezer oorzake is de blindheid des geestes zoo (jevaarlijk. ïe vaak sleept zij den ondergang der ziel na zich. en daarom is zij den duivel zoo aangenaam.

En inderdaad: ken ik mij-zelven niet. dan kan het mij plotseling gaan evenals den zorgeloozen bewoner, die onder de puinen van zijn huis een akelig graf vindt, daar hij niet wist, dat de bouwvalligheid reeds zoo ver was gevorderd.

Het kan mij gaan evenals den onvoorzichtigen schipper, die het lek niet bespeurt, waardoor het water des oceaans zijn vaartuig binnendringt.

Het kan mij tenminste gaan evenals den verwaanden kunstenaar, die elke terechtwijzing, eiken dieperen blik in de kunst en op dezelver meesterstukken versmaadt, om niet de armzaligheid zijner eigen scheppingen te ontwaren, en om niet verplicht te zijn, de meerderheid van anderen te erkennen en naar eigen volmaking te streven.

Inderdaad: als gij niet weet, dat u iets ontbreekt,, en wanneer het u niet is bekend, xvat en hoeveel u ontbreekt, dan is het onmogelijk, in uw nooden te voorzien.

't Is zoo wellicht gemakkelijker. Doch de verantwoording ?

Waartoe schonk u de Heer natuurlijk en bovennatuurlijk licht? waarom wil Hij, op uwe bede, u steeds meer licht geven, tenzij om u het onderzoek naar hetgeen u nog ontbreekt mogelijk te maken ?

ocr page 238

Waarom zelfs uw onderzoek vóór de H. Biecht zoo oppervlakkig ?

Waarom u nooit of zelden rekenschap gevraagd van de wijze, waarop gij een dag hebt doorgebracht?

Waarom in 't gansche jaar nauwelijks eenige minuten der afzondering gewijd, die u veroorlooft, een helderen blik op den staat uwer driften te werpen, die u aantoont, of zij in kracht toenemen, dan wel verzwakken, of zij niet eene samenzwering tegen uw heil smeden, of zij niet het huis uws geestes ondermijnen en bedreigen ?

Hoe menigeen bezit de diepste kennis van anderen, of weet ten minste genoeg van hun karakter, van hunne zeden, van hun doen en laten, om een oordeel over hen te vellen en over hen te spreken; en zulk een kenner van anderen is dikwijls voor zich-zelf een omsluierd beeld, waarvan hem nauwelijks de grove lijnen zijn bekend!

Is dat niet schandelijk ? O, gij huichelaars! het aanschijn van Hemel en aarde weet gij te beproeven, en waarom oordeelt gij niet ook van u-selven wat recht is? ')

Wat maakt ons hard en gestreng voor den evenmensch? De dwaze overschatting van ons-zelven. Uit deze komen voort de lichtvaardige oordeelen, de bitterheid, de ijverzucht, de grijnzende haat. Waarom ziet gij den splinter in het oog uws broeders, maar niet den balk in uw eigen oog? 3)

Zelfs door de wijsgeeren van het heidendom werd zelfkennis beschouwd als het toppunt der wijsheid; zij prezen hoogelijk de zelfkennis en leeraarden middelen o;m ze te verwerven.

En wij, voor wie bij deze omzwervingen in den doolhof onzes harten openbaring en genade fakkel en (jidse kunnen zijn, wij zouden bij de heidenen achterblijven?

') Luc. 12, 56. ■: Math. 7, 3.

ocr page 239

228

Gij streeft, o jongeling, naar wetenschap. Sedert jaren leert gij, en -wellicht is het uw voornemen, nog geruimen tijd aan de vermeerdering uwer kennis te wijden. Maar kendet gij alles, met uitzondering van u-zeken, dan waart gij nog te eenenmale onwetend, dan kondet gij niet de minste aanspraak op het bezit van ware icetenschap doen gelden.

Zijt gij niet wijs voor 'tgeen u-zelven betreft, wat kan het u dan baten, elke andere wijsheid te bezitten?

Ja, twee wetenschappen vormen de spillen, waar-om geheel het leven van geest en hart zich wentelt. O Heer, ware het mij gegeven, u en mij-zelven te kennen!

Kennis van God schept vreeze, liefde, navolging.

Kennis van mij-zelven wekt heilzame schaamte, ootmoedigheid en ijver.

Vooral den jongeling is zelfkennis in hooge mate noodzakelijk.

Op dezen leeftijd ontwikkelen zich de hartstochten, en 't is van het hoogst gewicht, ze reeds te bestrijden bij haar ontstaan, bij haar eerste optreden, 't Is echter noodzakelijk, dat ik wete, of zich inderdaad zulke passiën ontwikkelen, en in ivdke betrekking zij tot mijn karakter staan; en juist dit kan men door zelfkennis bereiken.

Nooit geeft zich de duivel meer moeite om zijn doel nader te komen, dan wanneer hij eenige nieuwe drift in uw hart /.iet ontkiemen; dan koestert hij die drift, dan kweekt hij ze op als zijn lievelinge, dan voedt hij ze rijkelijk, dan zendt hij haar bondgenooten. Letten wij niet bestendig op ons-zelven, dan zien wij dit hoogst gewichtige tijdperk over het hoofd, dan woekert de giftplant immer voort in den bodem onzes harten, dan heeft zij diepe wortelen geschoten, vóórdat wij ons van hare aanwezigheid waren bewust.

Ga dan, o menschenkind, — doorboor dien wand; treed

ocr page 240

224

binnen in dat gewelf eu aanschouw de gruwelen, welke men daar pleegt 1).

Ja, dring door, o jongeling, dring door den nevel uwer vrijwillige blindheid. Moget gij voor u-zelven niet langer eer geheim wezen!

Is het u ernst, den weg der ongerechtigheid te verlaten en het pad der deugd te betreden, dan moet gij in de eerste plaats u-zelven leeren kennen. Dwaas, mijn vriend, is een streven zonder doel; en alleen de kermis van u-zelven toont u het doel, waarnaar gij moet streven.

Een blind jongeling, — welk een hartverscheurende aanblik ! Zijn oog weerkaatst niet den luister van het zonnelicht, aanschouwt niet de kleurenpracht der natuur; zijn blik kan zich niet baden in des hemels lieflijk blauw, wordt niet gestreeld door het bekoorlijke groen der wouden. En dit gemis op een leeftijd, waarin voor anderen de bronne des levens zoo rijkelijk vloeit! — Een blind jongelingl.... God niet zien! zich-zelf niet zien! Het licht der zelfkennis niet voeden, dat licht vermetel uitdooven!

Verlicht, o Heer, mijne oogen, opdat ik niet in de onwetendheid van mij-zelven sluimere, als in den slaap des doods! 2) Verdrijf, o God, mijne duisternissen! 3) Neem weg den bedriegelijken sluier der eigenliefde en die trage lafheid, welke niet wil zien, omdat zij niet wil handelen !

Waarom wachten, totdat het verblindende licht dei-eeuwigheid mijne vrijwillige duisternissen beschaamt en ze wreedelijk verdrijft ?

') Ezocli. 8, 8. '■lt;. •') Ps. 12. 4. Ps. 17. 2».

ocr page 241

HOOFDSTUK L

DE ZWAKHEID.

Üsquequo. parvuli. diligitis

-t/ Af/ 0 infant iam ?

^ /—/ -—'i ■_ t

i^lil: ~s niet de heerlijkste gave, waarmede onze ziel door de liefde haars Scheppers werd bedeeld, de wïl't De wil wordt voorgelicht door de rede. Deze jjk fakkel der kennis toont u in het licht van zijn hemélschen oorsprong het goede, en spoort u aan. het te beoefenen; zij toont u echter ook het kwaad in des-zelfs sombere gedaante, in zijne verwantschap met de hel. en gebiedt u, het te mijden.

De wil, evenals de andere vermogens der ziel, kan ont-icikkkeld en volmaakt worden, maar ook verwaarloosd en bedorven.

Er zijn menschen, die bijna geen wil schijnen te hebben. Slechts het natuurlijke, het zinnelijke kunnen zij willen; hier-

ocr page 242

226

naar wordt begeerig de hand uitgestrekt. Wat de zinnen streelt, wat vermaakt, wat de driften aanvuurt, dat willen zij.

Dit is echter niet zoozeer wil, dan wel aandrift der natuur: want de eigenlijke wil handelt steeds in vereeniging met de rede, richt zich naar deze en niet naar de aanlokking van buiten.

Er zijn ook menschen met uiterst zwakken wil. Denzulken is alleen het nabij gelegene, alledaagsche bereikbaar.

Het zerfe^'/c-moeilijke, dat een krachtig begin en mannelijke volharding eischt, is hunner zwakheid onmogelijk.

Zij hellen weder van het goede naar het kwade over; aan den beker van het goede worden nauwelijks de lippen gezet; het oppervlakkige is bij voorkeur hun element; niets groots wordt verricht, niets van beteekenis tot stand gebracht.

Van dezulken wordt in waarheid getuigd; Hoe lang nog, gij kleinen, zult gij de kindsheid beminnen! 1) En; Laten wij geene kinderen zijn, nu ter eene, dan ter andere zijde overhellend, gevoelig voor den adem van het windje! 2)

En zulke „kinderenquot; worden zelfs onder degenen, welke niet op zedelijk, maar op ander gebied waarlijk grootsche dingen verrichten, in onnoembaren getale aangetroffen.

Geldt het wetenschappelijke navorschingen, uitvindingen^ technische bekwaamheden, stoffelijke ondernemingen; geldt het de volvoering van eerzuchtige plannen, het najagen van geld en goed en levensgeneugt, — dan gelijken zij trium-pheerende veroveraars, voor wie geen burcht sterk genoeg, geen wapen te moorddadig, geen wederstand te hardnekkig is.

Maar — o zie deze kinderen! — in den loop van al die jaren behaalden zij niet ééne overwinning op de bedorvenheid van hun eigen hart!

') Spr. 1, 22. ') Eph. 4, 11.

ocr page 243

De kleinste moeilijkheid doet die lafaards afdeinzen; do geringste inspanning put die krachteloozen uit; een aardheuvel, eene ondiepe groeve stuit dier helden vaart; de meest ongeoefende vijand drijft die kinderen in schandelijke vlucht vóór zich uit.

Hoe vaak wekt het spotlust, stoffelijke, uitwendige grootheid te zien pralen naast moreele nietigheid!

Ginds draagt een jongeling fier het jeugdig hoofd. Hij beschouwt zich als schrander, beschaafd, voornaam, welgevormd, fatsoenlijk, — vol eigenwaan, ijdel, ongezeggelijk, heersch-z.uchtig, onbuigzaam, ongenaakbaar, verlustigt hij zich in de vermeende tegenwoordige grootheid, en droomt van de toekomstige; en ach — in zijn hart! Nederlaag op nederlaag, smaad op smaad, slavernij, ellende, laagheid, onberekenbaar verlies, — mogelijk zelfs van zijne waardigheid als mensch,..

Hij peinst op groote dingen. Niets van de heerschende orde van zaken is hem naar den zin; alles bedilt, alles laakt hij; overal ziet hij gebreken, onhoudbare toestanden; zóó moet het zijn, zóó moet het worden! Maar op zijn eigen binnenste let hij niet; boven de zorg voor zijn eigen hart is hij ver verheven; hier neemt hij geene misbruiken weg; hier kan de • opstand ongehinderd veld winnen, hier wankelt de troon des rechtmatigen Heerschers, hier voeren wilde horden de teugels van het bewind.

Hoe lang nog, gij kleinen, bemint gij de kindsheid! O jongeling, slechts die wil is de eigenlijke wil, die zedelijk-groote, zecZe^'/t'-moeilijke dingen onderneemt en tot stand brengt; want vooral te dien einde, tot bereiking van hun doel, is den menschen dat verheven vermogen des wils verleend.

Zegt de rede: „daar schuilt het gebrek, daar is uw harte-wondequot;, — dan zegt de ivü: in dat gebrek moet worden

ocr page 244

228

voorzien, die wonde moet ijlings geheeld. En reeds slaat hij, de wil, de hand aan het werk.

Zie, hoe kloek hij allen hindernissen het hoofd biedt! Toch blijven de moeilijkheden niet uit. Misschien wordt hij honderd malen teruggeworpen; maar honderd malen hernieuwt hij den aanval. En onder den strijdkreet: , God wil het, ik wil het!quot; plant hij eerlang zijn vaandel op de veroverde tinne.

En in stede van zich na de overwinning aan eene trage rust over te geven, wapent hij zich met nieuwe krachten; hij ijlt van burcht tot burcht, van leger tot leger; — en heeft hij al de vijandige sterkten — de oproerige driften — ten prijze van zijn zweet en bloed veroverd, dan is voor hem de ure dei-rust nog niet gekomen: door waakzaamheid en voortgezetten kamp blijft hij meester van het veroverde, — hij brengt het in veiligen staat, heerscht er over met wijs beleid.

O alvermogende wil des jongelings! Ja, deelt de jongeling aan zijn wil de frischheid zijner jeugd mede, de krachtdadigheid, den edelen zin, wier kiemen in zijne borst sluimeren, dan kan niets hem wederstaan, ~ geene diepgewortelde neiging, geen zedelijke vijand.

Ik wil, spreekt hij; — en gelijk Jericho's muren bij het schallen der bazuinen van Josua. dien held vol geloof en kloekheid, omstortten, zoo verdwijnen voor hem alle hindernissen. Reeds viel het begeerde in zijne macht, reeds verheugt hij zich in zoo kostbaar een bezit; hij laat zich de vruchten der overwinning niet ontglippen, hij behoudt en vermeerdert ze.

Zonder werkzamen, volhardenden wil gelijkt de jongeling op den bloemkelk, die wel in lieflijke schoonheid prijkt, maar door den zwakken adem van het koeltje wordt geknakt en neergeworpen, terwijl de jonge eik nog immer zijne fraaie kruin ten hemel beurt.

ocr page 245

Tevergeefs, o jongeling, beschuldigt gij uw moeilijk karakter en het geweld der hartstochten; willen kunt gij, en voor de macht des wils buigt alles. Door haar zijt ge vernietiger en schepper tevens.

Tracht dus, te willen. En daar de echte wilskracht uit twee dealen bestaat, uit een denkbeeld en eene geicaanuording, — een helder, veelomvattend, levendig, machtig denkbeeld, en eene sterke, het gemoed beheerschende gewaarwording, die verwarmt, evenals het denkbeeld verlicht, — moet gij, o jongeling, uit den overrijken schat van uw heilig Geloof, uit den onuitputtelijken voorraad van uw aan den Hemel ontsproten godsdienst zulk een machtig denkbeeld, zulk eene geestdriftwekkende gewaarwording nemen.

ocr page 246

HOOFDSTUK LI.

DE LICHTZINNIGHEID.

Desolatione desolata est omnis ierra. ■yr^r ^ quia nullus est. qui recogitet corde.

Jer. 12. 11.

zoon, hoe komt het. dat nog zoo weinig licht in f11 i® en dal uw wil nog zoo weinig vermag?

Draagt hieraan niet schuld uwe jeugdige Uddzinnig-T' heid, wars van den ernst der gedachte, vijandig aan

I elk doortastend besluit?

Waarom is mijn geopenbaard Woord voor u een gesloten boek? Waarom dringen de groote waarheden des lieils niet dan zelden door tot aan uw hart. en schier nooit tot in uw hart?

Steeds werpt gij u opnieuw in den maalstroom der ver-st -ooiingen; immer laat gij u door den bruisenden vloed van

') Joh. 12. 35.

ocr page 247

het maatschappelijk leven weerloos medesleuren. Nooit een rustpunt, nooit verpoozing, geen ophouden, geen nadenken!

Zóó kunt gij, mijn zoon, wanneer duizenderlei schepselen joolend om u heen dartelen, nimmer mijne stemme, de stemme van uw Schepper, genoegzaam onderscheiden; want — Ik ben niet in het gedruisch en het gewoel 1). Onmogelijk kunt gij u-zelven gadeslaan, als wezens van elke soort vóór uw lichamelijk en geestelijk oog vermoeiend fladderen.

En dringt zich bijwijlen eene heilzame gedachte aan u op, welke voor uw arm hart van goede uitwerking zijn konde. dan verzet gij u daartegen, dan laat gij ze uitdooven, de pit gelijk, die in het karig gevulde lampje slechts korten tijd haar licht kan uitstralen.quot;

Zijn deze verwijtingen van den Heer, uwen God, onredelijk, ongegrond ?

Voorzeker: de eerste zwakheid der jeugd is de lichtzinnigheid. De zoo levendige verbeeldingskracht, het onrijpe oordeel, de ontvankelijkheid der zinnen, de onstuimige aandrift, die den jongeling zoo vroeg in den maalstroom des levens werpt, maken het nadenken moeilijk, onaangenaam, vervelend.

Toch heeft juist zij, de jeugd, ballast van noode, om het al te lichte scheepje tegen duizend gevaren, het eene grooter dan het andere, te behoeden.

Gij put uive krachten uit in den dienst der wereld van stof.

Gij bezwijkt onder den last van de menigte der dingen, die gij op uwe schouderen neemt.

Geest en hart lossen zich op in ijdele dampen, smelten weg in het onafgebroken verkeer met de schepselen, wien gij eigenlijk meer toebehoort dan u-zelven.

Uwe gedachten spatten, als rnurronken, doelloos uit elkan-

■) 3 Kon. 19, 11.

ocr page 248

232

der-, nu glimmen zij, een oogenblik later is het duister; weder gloeien andere, weder dooven zij uit.

Waarom richt gij uwe gedachten niet vaker op God en op het heil uwer onsterfelijke ziel?

Waarom richt gij ze niet, tenminste bijwijlen, op die verheven, machtige waarheden, van welke geschreven staat: Gedenkt uwe uitersten, en in eeuwigheid zult gij niet zondigen ? 1).

Waarom neemt gij zoo zelden een boek ter hand, dat, wijsheid predikende, u opmerkzaam maakt op uwe plichten, u herinnert aan heilzame waarheden?

O aarde, aarde, aarde! Verneem des Heeren woord! Zoo spreekt de Heere: Schrijft den man als kinderloos aan, als eenen man, die niet voorspoedig zal zijn in zijne dagen. quot;)

Zonder nadenken, o jongeling, geen voortgang op den weg des heils, geen tierend zieleleven, geen rijpen der jeugd, geen volmaking.

Lichtzinnigheid verstrooit de beste kiemen en vertreedt ze in het stof.

Lichtzinnigheid belet u, gebruik te maken van de kostbaarste gelegenheden om verdiensten voor den Hemel te vergaren.

Lichtzinnigheid sluit uw oor voor de waarschuwingen des gewetens-, lichtzinnigheid spot met vermaning, schertst met bedreiging, laat roep en tijd en genade jammerlijk te loor gaan.

Lichtzinnigheid neemt weg den afschuw van het kwaad, verzuimt de genezing, rijt de oude wonden weder open.

Lichtzinnigheid waagt zich op den rand des afgronds, en zoo zij niet telken male naar beneden stort, dankt zij dit

') Eed. 7, 40.

-) Jer. 22, 29, .'iU.

ocr page 249

slechts der bijzondere, onverdiende bescherming des Hemels.

Ach! men heeft hem gesteld tot eene woestheid; verwoest zijnde treurt hij tot mi]; het gansche land is verwoest, omdat er niemand is, die het ter harte neemt! ^

Wilt ook gij behooren tot die ongelukkige menschenkinderen, die geen flauw begrip van den ernst hunner bestemming, van het gewicht huns levens schijnen te hebben, en niet bevroeden, dat de beslissing, in hunne handen gelegd, eene eemvigheid geldt ?

Waarom hebt gij voor alles tijd beschikbaar, met uitzondering van uw zieleheil? Waarom vindt gij nimmer tijd, een oogenblik u-zelven en uwer ziel toe te behooren, een vorschenden blik in uw binnenste te werpen, en daar de belangrijkste zaken, die gij hebt en kunt hebben, te regelen?

'i .Ter. 12, 11.

16

ocr page 250

HOOFDSTUK LIL

DE HARTSTOCHTEN.

Post concupisceutias tuas non cas et a voluntate tua avertore Eccl. 18, 30.

hartstochten, driften of passiön zijn werktuigen -yjy - van het zinnelijk vermogen des begeerens, door welke de mensch, op het voorhouden der verbeeldings-^ kracht en onder deelname van lichaam en zinnen, tot i het goede wordt aangetrokken of van het kwade afgekeerd. Het zinnelijk vermogen des begeerens oefent vooral invloed uit op het lichaam, voor welks onderhoud en welzijn het is bezorgd.

Liefde, verlangen, blijdschap, haat, afschuw, mismoedigheid, toorn, vermetelheid, vrees, hoop, vertwijfeling — in hunne verschillende graden van heftigheid — dingen naar het goede, verzetten zich tegen het kwaad, en zulks met eenc kracht, geëvenredigd aan de mate van levendigheid dei-voorstelling en der ontvangen indrukken.

ocr page 251

De hartstochten, door het verstand beteugeld en geleld, zLjn, in zich beschouwd, niet verderfelijk; integendeel; als buitengewone krachten onzer natuur kunnen zij ons in buitengewone gelegenheden behulpzaam zijn in 't bereiken van een zeer moeilijk genaakbaar doel, in het afwenden van een zeer groot, dreigend euvel.

Edoch, sinds ook deze krachten, als gevolg van de overtreding onzer stamouderen, de kiem des verderfs in zich opnamen; sinds de verduisterde rede en de verzwakte wil hare buitensporigheden zoozeer begunstigen, werden zij, die in haar oorsprong zoo verheven krachten, de hoofdmiddelen tot bevordering van het zedelijk-slechte, de rijkste bron van zonde en verwarring.

Zij dienen wereld en Satan bij voorkeur tot aanknoopings-punten; en hebben bovendien eene gebrekkige of verkeerde opvoeding, eene slechte omgeving of andere noodlottige toestanden, de hartstochten opgezweept en derzelver macht vergroot; wordt hun door geaardheid en geestesrichting steun en voedsel geboden, dan is er geen zedelijke afgrond denkbaar, waarin zij den mensch niet vermogen te storten.

Inderdaad: een zwaar juk drukt op de kinderen Adams van den dag hunner geboorte af, tot aan de stonde, waarop zij in den moederschoot der aarde terugkeeren.quot; ')

De hartstochten te breidelen is de taak onzes levens.

Wij moeten zooveel in ons vermogen staat beletten, dat zij ontijdig hunne kracht doen gelden, dat zij verkeerde subjecten bevorderen, dat zij, zelfs in betrekking tot het goede, zekere perken te buiten gaan.

Het noodzakelijke van dien strijd blijkt zonneklaar.

En zetelde niet meer dan ééne drift in den mensch, dan

ocr page 252

23«

nog zouden waakzaamheid en strijd hoog van noode zijn. En thans, nu zoovele passiën als wilde dieren om ons bezit strijden!

De mensch, die zijne hartstochten niet weet te breidelen, verbeurt zijne waardigheid.

Zonder die beteugeling geene ware rust des harten, geen vrede, geen zieleheil.

Zonder die beteugeling geene zedelijke Gode-gelijkvormigheid, geen begrip van het hoogere, geen waarlijk vruchtbare wil.

Daarom vermaant u de Allerhoogste zoo nadrukkelijk: Uwen begeerlijkheden zult gij niet voldoen, en van uwe booze lusten zult gij u afkeeren.

Uwe begeerlijkheden staan onder uwe heerschappij, en gij zult macht over haar uitoefenen. ^

En die strijd, zoo gewichtig, zoo noodzakelijk, moet tegen

alle driften worden aangebonden. (

Elke drift op zich-zelve is het vonkje gelijk, dat, achteloos :

weggeworpen en onbewaakt, de heerlijkste paleizen in vorm- 1 looze puinhoopen verandert, de schoonste en volkrijkste steden

der aarde met den grond gelijk maakt. lt;

Elke drift op zich-zelve is der lawine gelijk, die zich van | i den berg losscheurt, in hare vaart allengs grooter wordt,

alles, wat heur val belemmert, verwoest en medesleurt, en | s

het ravijn ijzingwekkend komt binnenstorten. | s

En die strijd tegen de passiën moet ons geheel leven voortduren. lgt;

Ik ben strijder, zoolang mijne pelgrimsreize niet ten einde is gebracht.

Zoo lang ik hier op aarde vertoef, draag ik het tonder des kwaads met mij om, dat ieder oogenblik bewaakt en zoo noodig uitgedoofd moet worden.

'1 1 Mos. 4. 7.

I

ocr page 253

T

Vooral de jeugd is de aangewezen tijd om de passiën met vrucht te bekampen, om den verkeerden neigingen geweld aan te doen.

In dat tijdperk komen zij tot ontwikkeling, zien begeerig uit naar subjecten, trachten bondgenootschap te sluiten. De vurigheid der jaren, de nieuwsgierigheid, de onervarenheid, de zwakheid, — alles komt hun te stade.

O jongeling, waak! omgord u! ^

Machtige vijanden omringen uwe ziel. 2) Als woedende stieren omgeven zij u; gelijk brullende, op roof gaande leeuwen sperren zij hunne muilen open om u te verslinden.3)

Talm niet. Gord u vastberaden ten beslissenden strijde aan.

Nog is het huis uws harten uiv eigendom; zult gij uwe vijanden daarvan bezit laten nemen?

Nu is de strijd gemakkelijk, — gemakkelijker tenminste, dan wanneer diezelfde hartstochten eenmaal hunne macht zagen toenemen, zich voor goed genesteld en versterkt hebben.

Spreek, o jongeling: wat trekt gij gemakkelijker met stam en wortelen uit den grond, het jonge, teedere boompje of den machtigen woudreus ?

Wien valt het u gemakkelijker te overmeesteren, den slanken, teederen knaap, of den sterk gespierden, volwassen man?

Wat beteugelt gij met minder moeite, de ondiepe, smalle beek, of den woesten bergs'room?

'■) Ps. 21. 13. 14.

') Hand. 12. 8.

Spr. 18, 9.

ocr page 254

HOOFDSTUK LUI.

DE BIJZONDERE SLECHTE NEIGING.

Si praestes aminac tuao concu-piscentias ejus, faciei in gaudium inimicis tuis. Eccl. 18, 81.

§%ji.y, 1 strijden in u, als op een slagveld, de meest ver-schillende hartstochten om de overhand, — ééne woedt feller, dan de andere, ééne streeft naar onbe-

lt;gt;

perkte heerschappij.

.! Ja, ieder mensch wordt voornamelijk door ééne slechte

neiging overheerscht.

Zij is den rooden draad gelijk, die het weefsel des levens geheel doorvlecht, en die het zijne kleur verleent.

Zij is de drijfveer, die eene menigte andere in beweging brengt.

Welke toch is die hoofddrift?

Is het de lichtzinnigheid, de oppervlakkigheid?

Is het de traagheid, de afkeer van arbeid en inspanning?

ocr page 255

289

Is het de zinnelijkheid, de begeerte naar genot en dierlijken wellust?

Is het de eerzucht, de ijdelheid, de behaagzucht, het men-schelijk opzicht?

Is het de lauwheid, de weinige ijver voor God en het Goddelijke ?

Is het de nijd? Is het de hebzucht? Is het de toorn? de leugenachtigheid? de liefdeloosheid? de geest van ongehoorzaamheid, van oproer, van onafhankelijkheid?

Is het kleinmoedigheid, schroomvalligheid, lafheid?

Gemakkelijk kunt gij uwe hoofddrift onderscheiden, wanneer gij u slechts de moeite van eenig nadenken wilt getroosten.

Welke zijn de fouten, waarvan gij u in de H. Biecht telkenmale moet beschuldigen? Welke is derzelver gemeenschappelijke bron?

Wat zoudt gij u-zelven herhaaldelijk moeten verwijten, wanneer gij de heilzame gewoonte hadt, eiken avond een diep vorschenden terugblik op den vervlogen dag te werpen?

Waardoor wordt gij het gemakkelijkst geprikkeld'? welke beelden zweven u het dikwijlst vóór de ziel ? wat houdt uwe gedachten schier altijd bezig? wat voornamelijk wordt door hen, die u meer van nabij kennen, eenparig in u gelaakt? welke neiging keert telkens in uw hart weder?

Van beslissend gewicht is voor u de rustelooze strijd tegen die overheerschende passie.

Is niet zij de bakermat van elke wanorde, van elk oproer in uw binnenste?

Is niet zij het middelpunt, waar alle ziektestof, in uw hait aanwezig, zich ophoopt, om dan hier en daar in giftige wonden uit te breken?

Kondet gij over dien eenen hartstocht zegevieren, dan ware

ocr page 256

240

de overwinning op de andere niet slechts gemakkelijker, maar ook duurzamer.

Gemakkelijker — want is de eigenlijke resting met goed geluk bestormd, dan kunnen de omliggende werken den vijand niet lang meer tegenhouden.

Duurzamer, — want is de hoofdvijand geslagen, dan ontbreekt zijnen vrienden de band, die hen tot samenwerking vereenigd hield, en is hun een gemeenschappelijk optreden en eene ernstige hervatting der vijandelijkheid niet langer mogelijk.

Doch laat gij die eene drift ongestoord voortwoekeren, dan. o jongeling, wordt gij eerlang de slaaf van véle andere.

Zij groeit, zij tiert welig, zij trekt alle bedorven sappen uwer slechte natuur tot zich. Eene reuzengiftplant gelijk, breidt zij zich uit, herbergt in heur akelige, afschuwelijk vruchtbare schaduw eene menigte andere slechte planten en gewassen, koestert ze, leent hun haar eigen stam om zich daartegen op te kronkelen; en uit dien somberen hoek waait een doodende wind tot in de meest verborgen schuilhoeken van uw arm hart.

Neen, — laat uwe begeerlijkheid niet de overwinning vieren, anders wordt gij ten spot uwer vijanden! ^

Hoe waar het is, dat ééne drift den mensch in den diep-sten afgrond der verworpenheid kan storten, dit wordt u aangetoond in het voorbeeld van Judas, den gevallen Apostel. Ongeregelde zucht naar geld maakte hem tot een dief, een godsverrader, een zelfmoordenaar, tot den ongelukkigste der menschen, van wien geschreven staat: het ware hem heter. niet geboren te zijn. quot;)

Vestig dan van nu af meer in het bijzonder uwe aandacht op die overheerschende neiging.

') Eccl. 18, 21. s) Math. 26, 14.

ocr page 257

■241

Bewaak haar zorgvuldig. Vooral bij het gewetensonderzoek en bij de voorbereiding tot de Biecht vraagt zij uwe strenge opmerkzaamheid. Verlies haar nimmer uit het oog. Let op hare ontwikkeling, op haar samengaan met andere hartstochten. Treed menigwerf en krachtig tegen haar op. Vraag den leidsman uwer ziel middelen om haar te bestrijden.

Of keurt gij uwer ziel deze, en nog veel grootere moeite niet waardig?

Geeft gij er de voorkeur aan, u-zelven in eeuwigheid te moeten verwijten: mijne liefdeloosheid, mijn trots, mijne zinnelijkheid, mijne traagheid, mijne hebzucht, mijne jaloersch-heid heeft mij in de hel gebracht?

Wordt wijs, gij onvernuftigen onder den volke, en gij, dwazen, wanneer zult gij verstandig worden? 1)

') Ps. 93, 8.

ocr page 258

HOOFDSTUK LIV

DE HEBZUCHT.

xe- | ^ ( Radix omnium malorum est

cupiditas. 1 Tim. 6, 10.

oorzeker is de jongeling, daar lichtzinnigheid en gebrek aan ervaring hem menigwerf beletten, ernstig over

riquot; de toekomst te peinzen, en daar gewoonlijk niet zijne ( eigen bezittingen op het spel staan, veeleer geneigd tot ' verkwisting, dan tot overdreven zucht naar geld en goed.

Edoch, in een tiid, waarin stoffelijke belangen zoo hoog staan als in den onzen, waarin groot en klein zoo tuk is op vermeerdering van bezit, waarin zoovele nieuwe scheppingen van kunst en techniek middelen te over aan de hand doen om dien mammonischen dorst te lesschen, treft men ook jonge harten aan, waarin de geldgod troon en altaar opsloeg.

Treurige voorbode eener noodlottige toekomst! Troebele bron van menigvuldige afdwaling in het tegenwoordige!

ocr page 259

GUj begint de goederen des levens ver boven hunne waardij te schatten, eert en prijst gelukkig en groot degenen, die met aardsche voorrechten quot;Ajn bedeeld. Gij hecht u met geheel uw hart aan hetgeen gij-zelf bezit, en bedroeft u bovenmate bij het geringste verlies. Uw hart wordt onrustig en kwijnt van verlangen naar geld en goed; gij spoort de wegen op, langs welke gij tot rijkdom kunt geraken; minder loffelijke, later twijfelachtige, eindelijk geheele snoode middelen zijn u welkom, worden gretig door u gebruikt. „Ik wil rijk worden te allen pri/jze,quot; spreekt gij eindelijk; — en onder uwe voeten gaapt een afgrond van verworpenheid.

De geldgierigheid is een wortel van alle kwaad! ^ Met kleine oneerlijkheden beginnende, komt men eerlang tot grove bedriegerijen, tot diefstal, achterhouding van hetgeen ons niet toebehoort, benadeeling van den evenmensch, hardvochtigheid tegen armen en behoeftigen, walgelijke gierigheid tegenover u-zelf en anderen; men vergeet den Hemel, God en de eeuwigheid — voor aarde, geld en tijd. Geldgierigheid is de wortel van alle kwaad!

En rijkdom maakt hoogmoedig, opgeblazen; stoffelijke goederen, waant men, vervangen die des geestes.

Men verhoovaardigt zich op het aardsche; men gelooft. God niet meer van noode te hebben, door geld alles te kunnen bereiken. Onze hand is machtig geweest, spreken zij: de Heer heeft dit alles niet gewrocht. 1)

En inderdaad: een gouden sleutel opent alle sloten. De deur van alle ondeugden opent zich wijd, zoodra de tooverroede van goud en zilver ze aanraakt.

Als reeds degenen, die rijk willen worden, in vele strikken verward geraken, 3) hoeveel te meer dan staan dezulken,

1

) 5 Mos. 32, 27.

ocr page 260

244:

die rijk zijn en den rijkdom beminnen, aan veelvuldige afdwalingen bloot. ')

Maar, o jongeling, wat zijn dan de rijkdommen?

Zijn ze niet slijk en aarde, gelijk alles Iner-beneden ?

Zijn ze niet vergankelijk en vluchtig?

Staan zij niet bloot aan tallooze wisselvalligheden?

Worden zij ons niet zeker bij den dood ontnomen? Gij dwaas! nog dezen nacht zal men uwe ziel van u afeischen; en wien zal toebehooren wat gij verzameld hebt 2)?

Sterft de rijke den dood, dan neemt hij niets met zich mede ; zijne oogen zal hij openen en niets vinden. Verschrikkingen zullen hem als een watervloed overvallen, en een wervelwind zal hem wegvoeren. De oostenwind grijpt hem, en voert hem weg van zijne plaats. 3)

Derhalve: snel onverwacht wordt de rijkaard van zijne schatten beroofd, en hij zal ze niet terugerlangen.

En hoe diep rampzalig is de slaaf van dien hartstocht!

Welk een onrust bij het vergaren des rijkdoms! welke zorgen veroorzaakt zijn bezit! welk een kommer zijn verlies!

Tel de nachtwaken van den gierigaard!

Hier plannen en moeilijkheden, daar wantrouwen en verdenking, ginds benauwdheid en vreeze.

Men zoekt ijverig datgene, waaraan men is gehecht.

Men vreest, datgene te verliezen, wat men bemint.

En het geloof verzwakt; want de hebzuchtige wil zien. betasten. tellen, terwijl het geloof een hechte grondslag is voor hetgeen men hoopt, en een bewijs der dingen, welke men niet aanschouwt *).

De hoop verflauwt; want men stelt zijn vertrouwen op de ongestadigheid der rijkdommen. 5)

') Eccl. 11, 10. !l Luc. 12, 20. 3) Job 27. 19, 20. 21.

') Hebr. 11, 1. 5) 1 Tim. 6, 17.

ocr page 261

245

En de liefde verkoelt; want zij ontaardt in zelfzucht en spijst zich-zelve. *)

O waarlijk: Beter is weinig met de vreeze des Heeren, dan een groote schat en onrust en onverzadelijkheid daarbij ; stroomen de rijkdommen u van-zelf toe, — hecht dan niet uw hart aan dezelve! 3)

Armoede noch rijkdom geef mij, o Heer; voed mij met het brood mijns bescheiden deels, opdat ik niet, oververzadigd, u verloochene en spreke: Wie is de Heer? of, door armoede verleid, niet stele en valschelijk zwere tegen den name mijns Gods. 4)

Het kan inmiddels voorkomen, dat zich de jongeling in de strikken der hebzucht laat vangen, niet uit liefde tot het geld in zich bescJioincd. maar omdat het een middel is tot bevrediging van andere hartstochten.

Hij wil genieten, hij heeft geld noodig.

Hij wil makkers en vrienden om zich scharen, — hij wil ze met gouden ketenen aan zich hechten.

Wat nu is erger: het geld beminnen om het te bewaren en op te stapelen, of het beminnen om het te verspillen, om ongeregelde lusten te bevredigen?

Ook in dit geval wordt de geldzucht eene bron van onrechtvaardigheid.

Ouders en oversten worden om den tuin geleid; misschien zelfs wordt hun het zuur verdiende meedoogenloos afgeperst; spelen uitsluitend om te winnen; valschheid bij het spel; ongeoorloofde kunstgrepen, heling, diefstal.

Onderzoek dan uw hart, o jongeling!

Komt gij tot de bevinding, dat de goederen dezer aarde u bovenmate lief zijn, dat gij u op ongeregelde wijze daaraan

') Juda 12.

!) Ps. Ül, 11.

8pr. 15, 10.

*) Spr. 30, 8, 9.

ocr page 262

246

hecht, rust dan niet, vóórdat gij die lage en gevaarlijke drift met stam en wortelen hebt uitgeroeid.

Dorst gij naar geld, om uwe begeerte naar genot en uitspanning ruim te kunnen voldoen, beteugel dan die begeerte ; leer maat kennen en noodzakelijke versterving.

Zyjt gij rijk, weet dan, dat gij zulks Gode hebt te danken, en dat Hij u eenmaal rekenschap over het kleinste deel uwer bezitting zal vragen.

Weet verder, dat vele menschen door hun rijkdom ten gronde gaan, en dat de Zaligmaker u in dezer voege waarschuwt: Hoe moeilijk is het dengenen, die op de rijkdommen hun betrouwen stellen, het Koninkrijk G-ods binnen te gaan ! ^ Werkt dus gij, meer dan anderen, uwe zaligheid in vreeze en beven. 2)

Hecht uw hart niet slaafsch aan het geld. Niet het geld in zich beschouwd is slecht; maar de ongeregelde gehechtheid er aan.

Leef overeenkomstig uw stand, maar eenvoudig. Gebruik uwe rijkdommen met beleid en naar Gods heiligen wil.

Heb de armen lief, en wees verheugd, dat God u de taak opdroeg, hen bij te staan. Wees milddadig te hunnen opzichte, indachtig 'sHeeren woord: Verzamelt u geene schatten op aarde, welke mot en roest verteren, en welke dieven uitgraven en wegvoeren. 1) Maakt u-zelven vrienden uit den onrechtvaardigen Mammon! 4) — Tracht de zoete ervaring-op te doen, dat het zaliger is, te geven, dan te ontvangen. b) Een weldadig jongeling, — welk een verheffende aanblik!

Zijt gij arm, mor dan niet; verblijd u veeleer in uwe gelijkvormigheid met Jesus.

Armoede, waaraan men geen schuld draagt, is geene

1

) Math, ö, 19. 20. *) Luc. 16, 9.

ocr page 263

247

.schande, en zelfs schuldige armoede kan door gelatenheid verdienstelijk worden gemaakt. God heeft beiden geschapen : den arme en den ryjke. ^

Wees echter ook arm in den geest, 2) anders is uwe armoede zonder verdienste voor den Hemel. Slechts deze armen worden door God zalig geprezen.

Heb vertrouwen op God: Hij die de leliën des velds kleedt, zoodat zij heerlijker zijn, dan Salomon in al zijne pracht, 3) zal ook den mensch wel niet vergeten. Zoek eerst het Koninkrijk Gods en zijne gerechtigheid, en het overige zal u worden toegeworpen. 4)

Zijt gij rijk noch arm, beleef dan kalm en rustig uwen staat. Hebben wij voedsel en kleederen om ons te dekken, laten wij daarmede vergenoegd zijn. 5)

Weg dus met alle ontevredenheid, weg met kleinmoedigheid, met ongeregelde verlangens, met bovenmatige bezorgdheid !

Slechts ééne zaak is noodwendig: dat onze ziel niet eenmaal arm en naakt bevonden worde. En wat het overige betreft, dierbare jongeling, werp uwe zorgen op den Heer, en Hij zal u voeden; in eeuwigheid zal Hij niet gedoogen, dat de rechtvaardige wankele. (!)

') Kon. 2, 7. -) Math. 5, 3. Math. 6, 25». 4) Math. G, 33.

Tim ü, S. 0) Ps. 54, 23.

ocr page 264

HOOFDSTUK LV.

DE ZELFZUCHT.

Soli Deo honoi- et gloria ijt ^ saccula saeculorum. Amen.

1 Tim. 1, 17.

:1[fc\!§^#' od is noodzakelijkerwijze het middelpunt, het doel, vüi®:~'üf; het richtsnoer van alles. Hii alleen toch is door

JV Zich en uit Zich-zelven, en niets van al hetgeen bestaat.

s bestaat zonder Hem.

f

1 Niettemin poogt de mensch. de arme en zwakke, zich in Gods rechten in te dringen. Hoe klein, hoe gebrekkig hij zijn moge. hoe onmetelijk de afstand tusschen God en hem; hoe nadrukkelijk rede en geloof hem op dien afstand mogen wijzen, toch heeft hij een hoogen dunk van eigen grootheid, wil alles tot zich-zelven terugvoeren, eischt voor zich aller liefde en dankbaarheid.

De zelfzucht, het egoismus, dringt in alles door.

In de betrekkingen tot God-, ja zelfs de oefeningen van godsvrucht kunnen van zelfzucht overvloeien.

ocr page 265

249

Gij bidt, — niet zoozeer om daardoor God te eeren, maar omdat bidden voor u-zelven nuttig is, omdat gij daarin troost vindt, omdat gij van het gebed verheffende gevoelens en zoete gewaarwordingen verwacht. Om die redenen bidt gij.

En schijnt Clod zich eenigermate van u te verwijderen, is zijne nabijheid voor u minder voelbaar, wordt uw gebed niet aanstonds verhoord, dan verkoelt uw ijver, dan wordt uw bidden lauwer en zeldzamer, dan mort gij tegen God, dan verwijdert gij u van Hem op uwe beurt.

Ook in de h 'rekkingen tot den evenmensch sluipt die noodlottige zelfzucht. Vurig begeeren wij, onze „deugden', onze goede werken te zien gewaardeerd. Niet omdat wij in den naaste den Persoon van Christus beschouwen, betuigen wij hem onze achting, behandelen wij hem met liefde en toegeeflijkheid, overladen wij hem met weldaden, — maar omdat wij hetzelfde van hem verwachten, omdat wij op vergelding rekenen, of tenminste op wederliefde en dankbaarheid. Worden wij in deze verwachting teleurgesteld, valt deze hoop in duigen, dan treedt aanmerkelijke verkoeling in, dan trekt onze hand zich terug, dan geraakt onze milddadigheid uitgeput, dan mist ons gedrag zijne voornaamste drijfveer.

Ons-zelven eindelijk wordt door het egoismus groot nadeel berokkend. Het gelijkt de mot, die de kostbaarste kleederen niet spaart, — den worm, die ook de heerlijkste vruchten doorknaagt en haar blozend aanzien rooft.

Van geene werkelijke of vermeende deugd waren niet wijzelf de eerste bewonderaars? geen gebrek, dat wij niet over het hoofd zagen of verontschuldigden.

Men looft en prijst en acht zich-zelven, men is ingenomen met zich-zelven. men is hoogmoedig op zich-zelven, men plaatst zich zeiven op een hoog standpunt.

Wij-zelf zijn de beweeggrond van ons doen en laten. Het

17

HI

I

ocr page 266

250

schijnt ons toe, dat alles, de geheele wereld, ja G-od-zelf alleen te onzen behoeve bestaat.

Betreed de jongeling dien weg der zelfzucht, dan gaat in hem het schoonste en beste te loor. Wat leeftijd en fijn gevoel hem als sieraad verleenden: innemendheid, eenvoud, frisch-heid — verwelkt jammerlijk en sterft.

Hij wordt stijf, koel; zijne beleefdheid verliest haar natuurlijk karakter en wordt gemaakt-, zijne liefde wordt baatzuchtigheid, zijn gedachtengang zelfbewondering; zijne taal is opgesmukt, zijn geheel wezen onnatuurlijk.

Hij schijnt immer alleen zich-zelven te zien, en op de lippen slechts ééne vraag te hebben: En ik ?

Hij studeert niet uit liefde tot de wetenschap, maar om te schitteren; hij is gehoorzaam en voorkomend, om bij zijne oversten in de gunst te staan; hij is toegevend en behulpzaam, om genegenheid te verwerven.

Lof streelt hem bovenmate; berisping kwetst hem. o zoo diep. De goede uitslag van zijn pogen maakt hem overmoedig; het mislukken daarvan diep neerslachtig.

Hij heeft luimen, vervalt in uitersten, tracht in het oog te loopen, mint het zonderlinge.

Het egoismus teert op zich-zelven, — leeft van zich, voor zich, in zich, met zich.

En toch, o mijn God, is alles van U, voor U, in ü, met TJ; en U, o Koning der eeuwen, den Onsterfelijke, den Onzichtbare, U, G-od alleen, zij ook alle eer, alle roem in der eeuwen eeuwigheid! 1)

De zelfzucht is eene schreeuwende onrechtvaardigheid ten opzichte van God, tegen wiens onbeperkte Opperheerschappij zij zich verzet, wiens eere zij verkort, wiens liefdevolle plannen zij in den weg staat.

') 1 Tim. 1, 17.

ocr page 267

251

T

Zij is eene vijandin der menschheid; want zij brengt tweespalt in het groote huisgezin, wijl zij gemeenschappelijke belangen achter persoonlijke stelt, wijl zij wantrouwen en jaloerschheid opwekt, het twistvuur doet ontvlammen, tot gewelddadigheden overgaat en zelfs niet voor wreedheid terugdeinst.

Ban de zelfzucht, — en men zal niet meer van misdaden gewagen; de onschuld ksert terug; kalm en tevreden wandelt de mensch op de bane zijn levens; liefde en eendracht doen straks de wereld in een paradijs verkeeren.

Ban de zelfzucht, — en weder leeft de mensch voor den dienst van zijn schepper; men bemint God weder om Godselven, om zijne weldaden, om zijne oneindige volmaaktheden; men beleeft tevreden zijn staat, is kalm in voorspoed, gelaten in tegenspoed; een ieder ziet in den naaste zich-zelven. en in stede van den evenmensch. om eene uitdrukking te bezigen, te „exploiteerenquot;, dient men hem met grootmoedigheid. offervaardigheid en toewijding.

i li'

P !

ij

P

k

i

Dan wordt in de volheid zijner beteekenis het groote gebod vervuld; Gij zult den Heer. uwen God, liefhebben uit geheel uw hart, uit geheel uwe ziel en met al uwe krachten; dit is het eerste en groote gebod. Het tweede, hieraan gelijk, is: Gij zult uwen naaste beminnen gelijk u-zelxen. 1)

39.

') Math. 22, 37,

ocr page 268

HOOFDSTUK LVI.

DE IJDELHEID.

Non nobis, Domino, non nobis, sed nomini tuo da glonain!

Ps. 113. B. 1.

| e mensch is vol van zich-selven. Bezit hij uiterlijke ^ voorrechten, dan houdt hij die voor gewichtiger, TjJr, dan ze werkelijk zijn, of schrijft ze alleen zich-selven éu toe. Bezit hij er geene, dan maakt hij zich diets, er wel te bezitten, en vermeit zich behagelijk in de beschouwing van die ingebeelde voortreffelijkheid,

Arme menschenharten, met wind en schuim gespijsd! Vooral de jongeling wordt vaak er toe bekoord, zich in het bezit te wanen van datgene, wat, hem feitelijk ontbreekt.

Hij gevoelt het, hij is er van overtuigd; zijne kennis is nog zeer gebrekkig, zijne ervaring onvoldoende, zijne- werkkracht van luttel beteekenis.

Hij ziet zich omringd door velen, die, ouder dan hij, hem

ocr page 269

ook overtreffen in begaafdheid, wetenschap, goeden toon. volharding en tact.

En die kloof der jaren wil hij overspingen en reeds nu zijn wat hij nog moet worden. Derhalve moet hij den schijn ter hulp komen, de werkelijkheid door schijn vervangen.

De uiterlijke voorrechten worden zeer hoog geschat: afkomst, fortuin, schoonheid, lichaamskracht, bekwaamheden, beschaving. De innerlijke eigenschappen niet minder: talent, schranderheid, geheugen, „karakter,quot; goed hart, fijn gevoel, rechtschapenheid, deugd.

Uit die overschatting ontstaan wis en zeker zelf betrouwen, geringschatting van anderen, vooroordeelen, smaadredenen, heerschzuchtig optreden, aanmatiging, pralerij. Eigen gebreken houdt men zorgvuldig verborgen. Overal wil men den boventoon voeren, overal anderen de oogen uitsteken. Door kleeding, houding, toon, gebaren, door zonderling optreden, gekunstel-den eenvoud, geveinsden ootmoed wil men zich-zelf ten afgodischen troon opbeuren, en van daar uit zijns naasten huldebetoon ontvangen.

En wanneer dan sieraad en blanketsel in het gebrek aan innerlijke schoonheid moeten voorzien, — wat al geveinsdheid, wat al schuldige pralerij!

Bespottelijk en beklagenswaardig mensch! Wat bezit gij, dat gij niet hebt ontvangen? En zoo gij het ontvangen hebt, waaromt roemt gij dan, als hadt gij het niet ontvangen, 1) en waarom zijt gij er niet mede tevreden?

Zijt gij, in uw eigenwaan, minder afhankelijk van den Schepper uws levens, en staat het niet in zijne macht, u nog in dit oogenblik te ontnemen wat gij het moe noemt?

En meent gij, dat 's Heeren helder oog niet door de wie-

ocr page 270

HOOFDSTUK LVI.

DE IJDELHEID.

Nou nobis, Domino, non nobis, sed nomini tuo da gloriam!

Ps. 113. B. 1.

yf e mensch is vol van zkh-zelven. Bezit hij uiterlijke voorrechten, dan houdt hij die voor gewichtiger, Uquot; dan ze werkelijk zijn, of schrijft ze alleen zich-zelven quot;a: toe. Bezit hij er yeenc, dan maakt hij zich diets, er wel te bezitten, en vermeit zich behagelijk in de beschouwing van die ingebeelde voortreffelijkheid.

Arme menschenharten, met wind en schuim gespijsd!

Vooral de jongeling wordt vaak er toe bekoord, zich in het bezit te wanen van datgene, wat hem feitelijk ontbreekt.

Hij gevoelt het, hij is er van overtuigd: zijne kennis is nog zeer gebrekkig, zijne ervaring onvoldoende, zijne- werkkracht van luttel beteekenis.

Hij ziet zich omringd door velen, die, ouder dan hij, hem

ocr page 271

253

ook overtreffen in begaafdheid, wetenschap, goeden toon. volharding en tact.

En die kloof der jaren wil hij overspingen en reeds nu zijn wat hij nog moet worden. Derhalve moet hij den schijn ter hulp komen, de werkelijkheid door schijn vervangen.

De uiterlijke voorrechten worden zeer hoog geschat: afkomst, fortuin, schoonheid, lichaamskracht, bekwaamheden, beschaving. De innerlijke eigenschappen niet minder: talent, schranderheid, geheugen, „karakter,quot; goed hart, fijn gevoel, rechtschapenheid, deugd.

Uit die overschatting ontstaan wis en zeker zelf betrouwen, geringschatting van anderen, vooroordeelen, smaadredenen, heerschzuchtig optreden, aanmatiging, pralerij. Eigen gebreken houdt men zorgvuldig verborgen. Overal wil men den boventoon voeren, overal anderen de oogen uitsteken. Door kleeding, houding, toon, gebaren, door zonderling optreden, gekunstel-den eenvoud, geveinsden ootmoed wil men zich-zelf ten afgodischen troon opbeuren, en van daar uit zijns naasten huldebetoon ontvangen.

En wanneer dan sieraad en blanketsel in het gebrek aan innerlijke schoonheid moeten voorzien, — wat al geveinsdheid, wat al schuldige pralerij!

Bespottelijk en beklagenswaardig mensch 1 Wat bezit gij, dat gi] niet hebt ontvangen? En zoo gij het ontvangen hebt. waaromt roemt gij dan, als hadt gij het niet ontvangen, 1) en waarom zijt gij er niet mede tevredenquot;?

Zijt gij, in uw eigenwaan, minder afhankelijk van den Schepper uws levens, en staat het niet in zijne macht, u nog in dit oogenblik te ontnemen wat gij het mee noemt?

En meent gij, dat 's Heeren helder oog niet door de wie-

') 1 Oor. 4, 7.

ocr page 272

254

rookwolken, waarin gij u-zelven hult, vermag te dringen ? dat Hij onbekend is met uwe armoede naar lichaam en ziel ?

Wel spreekt gij tot u-zelven en poogt het anderen diets te maken: Ik ben rijk en machtig en welgedaan, — en gij weet niet, dat gij ellendig zijt en behoeftig en arm en blind en naakt. ^

Gij zijt voor God datgene, wat gij iverkcli/jk zijt; u-zelf en anderen kunt gij misleiden, — Hem misleidt gij niet.

Wat is de eer, o jongeling?

Ieder mensch is voor eer en grootheid geboren; want eens ieders bestemming is het bezit van God.

God is groot, wijl Hij in Zich-zelven alles bezit en niemand van noode heeft; de mensch is groot, wanneer hij alleen van den Grootste alles ontvangt, alles verwacht.

Al hetgeen van het schepsel komt is zwakheid en armoede. En bedelend gaat gij rond, om den schepselen iets te vragen ter vervanging van het ware goed, dat gij door de zonde hebt verloren, en van de grootheid, die gij in u-zelven niet bezit ? .

Wat is de eer, o jongeling?

De eer is waarheid. In logen en misleiding kan nimmer de eer gelegen zijn.

Wanneer gij u-zelven misleidt, wanneer gij wilt pralen met iets, wat gij niet bezit, wanneer gij anderen bedriegt door u voor te doen zooals gij niet zijt, — kan dan sprake wezen van eer? —- Zulke „eerquot; is de grootste oneer.

Zoek dan uwe eer in waarheid en echte grootheid.

In stede van anderen op te dringen hetgeen gij niet zijt, zult gij er naar streven, datgene te worden, wat gij zijn moet.

Inmiddels, hetgeen gij trots inspanning en goeden wil niet bereiken kunt kan u nimmer tot oneer strekken.

') Openb. 3, 17.

ocr page 273

T

Zwakte, misvormdheid, armoede, hardleerigheid, geringe maatschappelijke positie — zijn geen schande.

Kan met recht datgene schande worden genoemd, wat wij niet kunnen verwerven of behouden? Evenmin als datgene, wat zonder eigen toedoen en verdiensten wordt verkregen, tot eer kan strekken.

Alles, wat wij zijn, zijn wij door Gods genade-, zijn wij voor het geringste tot erkentelijkheid verplicht, dwaas ware het. ons op het grootste te verhoovaardigen.

Niet ons, o Heer, niet ons, maar uwen naam zij eere! 1)

Ik ben op de wereld, om U te verheerlijken, en al mijn gebeente, geheel mijn wezen roept luide: Heer, wie is U gelijk? -}

■Ja, Gij alleen zijt heilig, Gij alleen machtig, Gij alleen hoogverheven!

U, o Heer, gerechtigheid, maar ons beschaming des aan-schijns! 3)

Amen! Lof. en eere, en wijsheid, en dankzegging, en roem, en sterkte, en macht onzen God in alle eeuwigheid! Amen. 4)

ï

') Ps. 113, B. i.

*) Openb. 7, 12.

') Ps. 34. 10.

quot;) Baruch 1, 15.

amp;

r

ocr page 274

HOOFDSTUK LVII.

EERZUCHT.

Dixisti: Deus ego sum;... et quot;W f • dedisti cor tuum quasi eer Dei.

J|^3ji-ereikt de eigenliefde een hoogen graad, dan wordt zij

eindelijk zelfvergoding.

rfo Zoo spreekt God. de Heer: Uw hart heeft zich ver-' heven, en gij spraakt: Ik hen God, en gij stelt uw

hart als Gods hart. ^

Dit geschiedt, wanneer de mensch alles zich-zelven toeschrijft, zich-zelven bewondert, in eigen voortreffelijkheden welbehagen vindt, aanspraak op hulde en eerbewijzing maakt, zelfverheerlijking tot doel zijns ganschen strevens neemt.

God, die de volheid van alle leven bezit, de bronne is van alle goed en het middelpunt van al het geschapene, moet

') F.x. 28. 2.

ocr page 275

257

alles tot Zich terugvoeren. Hij rust in Zich, vindt zijn welbehagen in Zich, verlangt van zijne redelijke schepselen lof en verheerlijking. Dit alles moet Hij uit kracht van zijn Wezen.

Het schepsel, dat vermetel handelt gelijk God, eigent zich. om zoo te spreken, Godes hart toe, zijn denken, zijn willen en streven.

Hoe ongevallig moet zulks Gode zijn! Ik ben de Heer, spreekt Hij; mijne eer geef ik niet een anderen, en mijn roem niet den afgodsbeelden. 1) — En: Wie is gelijk de Heer, onze God, die in den Hooge woont, die zeer laag ziet alles, wat in den Hemel is en op de aarde? 2)

Hoe weinig voegt zulke denk- en handelwijze onzer ellende en behoeftigheid! hoezeer druist zij in tegen onze afhankelijkheid van Gods liefde en almacht!

De eerzucht houdt zich voornamelijk met de toekomst bezig.

Zij verlangt vurig naar lof en aanzien, naar invloed en vermogen.

De eerzucht spant zich in, geeft zich alle moeite om door bekwaamheid te schitteren en zoo anderen in de schaduw te stellen.

Zij droomt van roem en fortuin en maalt zich beelden van toekomstige grootheid.

Zij smeedt plannen, en zint op ondernemingen; zij ruimt de hindernissen weg en maakt effen de paden.

Zij dringt mededingers op zijde, verjaagt den eene, houdt den anderen verre, verdrijft dezen, laat genen zijne onmacht gevoelen.

Zij heeft lief wat haar eert, en haar op den weg der eere steunt; zij ftactó wat haar overvleugelt, haar wederstreeft, haaiden voorrang betwist, of werkelijk ontneemt.

') Is. 42, S. e) Ps. 112, 5.

ocr page 276

258

Haar streven reikt altijd hooger; geene hinderpalen schijnen haar onoverkomelijk, geen doel onbereikbaar.

Al hare begeerten zouden in vervulling gaan op het oogen-blik, dat zij eene geheele wereld aan hare voeten zag en niets-meer boven zich. — Gij spraakt: Ik ben een God. 1) Hoeveel menschenbloed heeft de eerzucht reeds vergoten, hoeveel ongerechtigheden, hoeveel geweld heeft zij ganschen volkeren aangedaan, om snoode bevrediging te erlangen!

Den vrede des harten doet zij te loor gaan; Ook op den weg der eere bevinden zich doornen, — vindt men krenking,, achterstelling, wederstand, teleurstelling, vrees, ijverzucht, vijandschap, wraak.

En wordt het doel niet bereikt, — welk een kommer! Zooveel moeite, zooveel opoffering vruchteloos?

En verandert de eer in schande, dan reikt die slecht begrepen eer den mensch te dikwijls het moordwapen, dat aan een ondragelijk geworden bestaan een laf einde maakt.

Ja, tot zulk een ontzettend uiterste geraakt meermalen eene drift, die, met het vleeschelyjk-lage niets gemeen hebbende, ons vaak zoo onschuldig voorkomt, ja zich voor ons in het licht van zekere grootschheid vertoont.

En toch, — o jongeling! beschouw aandachtig het 'wezen des hoogmoeds, en gij zult er eene verkeerdheid in ontdekken waarvan gij tot dusverre het bestaan niet vermoeddet.

De zonde is tweeledig; de mensch, die haar bedrijft, keert zich af van den Schepper en neigt zich tot het schepsel.

Die neiging tot de schepselen, hoe rampzalig ook, is niet het ergste in de zonde. Hetgeen haar oneindig boos, oneindig afschuwelijk maakt is, dat men, ongerechtigheid doende, zich afkeert van God, het hoogste, het beste, éénig-ware goed.

1

) Ez. -28, 2.

ocr page 277

259

Volgens dezen maatstaf moet het wezen van elke zonde worden beoordeeld.

Voor wat de neiging tot de schepselen betreft, schijnt de eerzucht niet zoo verwerpelijk als andere ondeugden, die, bijvoorbeeld, op stoffelijke dingen of zingenot doelen; de eer toch staat hooger, dan die ruwe, grove subjecten; zij is, om zoo te spreken, van geestelijke natuur; doch wat betreft het verlaten van den Schepper, is de eerzucht onder alle ondeugden snood en afschuwelijk.

Zij trekt ons meer dan andere passiën van G-od af, zij stelt ons meer vijanden Hem tegenover, zij benadeelt Hem als 't ware in zijne voornaamste eigenschap.

Aardsche dingen, aardsche vreugde staan te eenenmale huüen Gods bereik en zijn slechts in zooverre Gods eigendom. als zij den mensch tot middelen dienen om God te verheerlijken. Doch de eer, van geheel abstracte natuur, op zuiver geestel'i/jke grondslagen steunend; de eer, welke voortspruit uit erkenning van de zijde des verstands en uit genegenheid van de zijde des wils. is het éénige uitwendige goed, waaraan God de Heer door zijae redelijke schepselen deel kan hebben.

Deze eer verdient Hij in den hoogsten graad, en op haar alleen, als op den tol, zijner goedheid en majesteit verschuldigd, doet Hij rechten gelden; haar alleen beoogt Hij, haar alleen kan Hij beoogen, wanneer Hij Zich uitwendig openbaart.

En in haar wordt Hij door den hoogmoed benadeeld; deze werpt zich op als Gods mededinger.

De hoogmoedige plaatst zich op een standpunt, niet in schuine richting, maar lijnrecht aan God tegenovergesteld.

Dit alles géldt voor de eerzucht — tenminste wanneer zij een hoogen graad heeft bereikt, wanneer de mensch met

ill |

v Ml II

■ ^ H

; |

|

' Ir

llr li li ■:

H |

llr

■ i y

ocr page 278

260

vol bewustzijn en met algeheele toewijding des wils zich aan haar overlevert, — wanneer dus geene sprake is van een voorbijgaand zwak, doch wanneer zij, gekoesterd en gevoed, openlijk optreedt en God als 't ware de oorlogsverklaring vóór de voeten werpt.

Buitendien is het de eerzucht, die, voegt zij zich bij andere ondeugden, deze nog boozer maakt.

En ter oorzake van dien hoogmoed gedoogt God bijwijlen, dat de mensch in schandelijke zonden, voornamelijk in die des vleesches valt. Zoo kan de hoogmoedige, in een onpeilbaar diepen afgrond van moreele en physieke laagheid weggezonken, het valsche van zijne „grootheidquot; leeren inzien.

Laat dus, o jongeling, de kiem dezer giftplant niet in uw hart gedijen. En mogen vleiers, blinde ouders of dwaze leeraars trachten, haar op te kweeken; wordt haar door de eigenliefde schier onophoudelijk voedsel gereikt, — waak, dat zij niet tot wasdom kome.

Geef God de eere! ^ Wees overtuigd, dat God voor uwe eer zorg zal dragen in eene mate, geëvenredigd aan die van den ijver, waarmede gij naar zijne eer zult streven.

Eert gij u-zelven niet, streeft gij niet naar menschelyjke eer, dan eert Hij u. En — welke eer, te worden geëerd door Hem, die slechts achting heeft voor datgene, wat in waarheid achting verdient, en wiens achting alleen waarde heeft, wijl Hij alleen de Hoogste, de Beste, de Volmaakte is I

i) Joh. 9, 24.

ocr page 279

HOOFDSTUK LV1IL

DE NIJD.

Vita carnium sanitas cordis _ putredo ossium invidia.

~ \7v^ ■ Spr. 14, 30.

heer over alles, verdeelt naar den maate/ct/'zijner wijsheid de goederen des levens, inwendige en uitwendige.

i Rijkdom, eer, gezondheid, talent, karakter, — over al ' deze en soortgelijke gaven heeft Hij de vrije, onbeperkte beschikking.

Hoe onbillijk derhalve, hoe aanmatigend, den evenmensch te misgunnen wat God hem heeft verleend!

De ivensch alleen, die in het meest geregelde hart bij het zien van een anders geluk kan opwellen, de wensch, zich te mogen verblijden in een niet minder grooten voorspoed. — die wensch is geen nijd, hij is natuurlijk en te verontschuldigen.

ocr page 280

262

Eerst dan, wanneer de ruste van uw hart door de beschouwing van eens anders geluk wordt verstoord, ontstaat de fout, en zij wordt grooter naarmate die onrustige begeerte in kracht toeneemt, de rede verduistert, het hart vergiftigt, zich uihvendig openbaart, tot woord en daad haar toevlucht neemt.

Eene schandelijke ondeugd!

Door den nijd des duivels is de dood in de wereld gekomen !) En nog te huldigen dage vindt alle kwaad, door satan onder Gods toelating in de wereld aangericht, zijn oorsprong in den nijd. Satan duldt niet, dat wezens van lagere orde bezit nemen van de ledigstaande engelentronen, dat zij eenmaal, heerschende met God, zegepralend den voet op den nek der afvalligen zetten. En hij berokkent schade, waar en wien hij kan, op gevaar af. zijne eigen smart daardoor nog te vergrooten.

Eene schandelijke ondeugd, — die mij satan gelijkvormig maakt!

Den eenen misgun ik zijn talent, zijn vlug begrip, zijn scherp oog, zijn geheugen, zijne vorderingen in de wetenschap en den lof, daardoor geoogst; een ander benijd ik om zijne geboorte, zijn adel, zijn rijkdom, zijne lichaamsschoonheid, om de gunst, waarin hij bij oversten en vrienden staat, om zijne uitzichten op eene schitterende toekomst.

Misschien strekt mijn nijd zich zelfs uit tot voorrechten, die iemand zich-zelven heeft verworven, en die hij door voortdurende inspanning vergroot en vermeerdert.

Zijne vroomheid, zijne zedigheid, zijne voortreffelijke bejegening van een ieder, zijn gelukkig karakter, zijn vlijt, zijne beschaving, zijn eenvoud, zijne verdiensten, zijne deugd —

') Wijsh. 2, 24.

ocr page 281

263

zijn mij doornen in het oog. Nauwelijks kan ik mij tegen den opwellenden haat verzetten, en dikwijls verraden giftige blikken, bijtende woorden, krenkende handelingen de verbittering van mijn bedorven hart.

Onedele passie! Kleinhartige zelfzucht is haar oorsprong en subject tevens. Want de oorzaak van alle nijd is niet dat een ander heeft, maar dat ik niet heb.

Eene dwaze ondeugd! Door nijd en jaloerschheid verwerft gij nooit datgene, waarvan de aanwezigheid bij anderen u met toorn vervult. Veeleer berooft gij u eenigermate van hetgeen gij hebt, daar gij u onwaardig maakt, het langer te bezitten.

En hoe licht ware het mogelijk, dat gij door uwe schuldige ontevredenheid Gods wrake over u aftrokt! Ga uit mijne oogen, ondankbare, konde Hij spreken, - ga, bedelaar, arme aan geest, aan hart, deugd, eer en geld, ga! Put u-zelven uit in machtelooze woede, laat u door den nijd verteeren. Ik ben het, van Wien alle zegen nederdaalt, — maar gij, gij verdient mijn zegen niet langer, — ga! Vervloekt zij de aarde in uwe werken 1j; ik maak uw arbeid onvruchtbaar, 2) en zelfs op den akker uws geestes late ik niets meer gedijen. Ik wil uw hoogmoed en uwe hardheid murw maken: boven u zij de hemel van ijzer en onder u de aarde van koper; uw arbeid zij met den geesel der onvruchtbaarheid geslagen; niets ont-kieme, niets hebbe wasdom. 3)

Eene dwaze ondeugd! Gij verspilt tijd en krachten, en het geluk uws naasten verwijdert zich verder van u, naar mate de blikken, die gij er op werpt, nijdiger zijn.

Waarom krimpt gij ineen van verdriet? 4) Een gezond hart is het leven des vleesches, maar de nijd is verrotting dei-beenderen. 6)

') 1 Mos. 3, 17, IS. •) 1 Mos. 4. 7. ») ;) Mos. 26. 19, 20. ') Mich. 4. {t. r') Spi'. 14, :i0.

ocr page 282

2(54

Eene rampzalige ondeugd! Zij ontneemt u alle gemoedsrust, maakt u klein en hatelijk, doet u vermaak scheppen in eens anders leed, geeft aanleiding tot schuldige oordeelen, tot verdachtmaking, laster, onrechtvaardigheid; zi] ontzenuwt den geest, verlamt de werkkracht, verduistert de rede; zij doet het hart ontaarden, verwekt vijandelijkheden, ontsteekt wraakzucht, neemt hare toevlucht tot afgrijselijke middelen i Hoe vaak wet zij den dolk, pleegt geweld, roof en moord 1 De nauwgeschapen aarde drenkt zich met bloed — en het is het broederbloed \

En Kain werd hevig verstoord, wijl Abels offeranden Gode-welgevalliger waren, dan de zijne. En zijn aangezicht verviel. En Kain lokte Abel in het vrije veld: en daar stond hij op tegen zijn onschuldigen broeder en sloeg hem dood. 'j

Eene rampzalige ondeugd! De nijd der Phariseeën heeft den Zaligmaker aan het kruis geklonken. Zij miskennen den tijd hunner bezoeking, en met hun door nijd verduisterd oog vermogen zij geenszins Hem te aanschouwen, wiens komste-Israël duizenden jaren in biddend verlangen heeft verbeid.. De nijd is oorzaak, dat Israël niet meer zijn volk is.

Laat dan nimmer, o jongeling, deze lage ondeugd uw hart binnensluipen 1

Wat gij hebt ontvingt gij van God, en het is toereikend, om u, wanneer gij wilt medewerken, tot uwe bestemming te voeren.

Voor datgene, wat gij niet bezit, zijt gij niet verantwoordelijk; was het Gods wil, dat gij het bezat, dan hadde Hij het u verleend of u tenminste den weg gebaand om het te verwerven. En zoudet gij iets willen hebben tegen Gods wil ? Vriend! in stede van door giftige jaloerschheid uwe ziel en

') l Mos. 4, 5, 8.

ocr page 283

265

uw lichaam te krenken, in stede van door schuldigen toorn uwe dagen te vergallen, moet gij u verheugen in hetgeen gij bezit en daarmede woekeren. Slechts hierover zal u eenmaal rekenschap worden gevraagd.

Het geringste, met dankbaarheid uit Gods hand aangenomen en met wijsheid benuttigd, is voldoende om ons voor G-od en eeuwigheid onmetelijk rijk te maken.

O vlucht den nijd, die giftige ondeugd! De adem des nijds zou over de bloeiende velden uwer jeugd varen, alles verschroeiend gelijk een heete woestijnwind. Wendt gij zijn adem niet af, — verwelkt de frischheid van uw hart, verdwenen uwe innemendheid, verloren uw tijdelijk en eeuwig geluk !

En later, wanneer het gewichtiger zaken geldt — beroep, ambt, betrekking, invloed, vermogen, — wat dan, o jongeling ?

18

ocr page 284

HOOFDSTUK LIX. DE LEDIGGANG.

Multam malitiam docuit otiosita?.

Ecul. 33, 29.

edig gaat hi], die niets doet.

Evenwel is het ook een soort van lediggang, niet datgene te doen, wat men doen moet, en slecht te doen hetgeen men doet.

L Mets betaamt der jeugd minder dan lediggang, dan traagheid.

Vindt gij misschien, o jongeling, in uw verleden eenigen grond, die u aanspraak op rust verleent?

En het tegenwoordige'? Het wil in u, den jongeling, kracht, leven, frischheid zien; doch lediggang is vroege ouderdom, is kwijnen, is bederf.

De toekomst, — zij gebiedt u krachtige werkzaamheid. Wil zij u toebehooren, dan moet gij uwe voorzorgen nemen, dan

ocr page 285

267

moeten geest en hart wel gevormd zijn. Zal zij u nkt toe-behooren, zal er voor u weldra gwM ^'cZ meer zijn, ^ dan moet gij thans arbeiden, opdat gij niet met ledige handen of slechts met begraven talenten, 2) den boozen knecht gelijk, vóór uwen heer moget verschijnen.

Lediggang is ondank tegen God, die ons geestes- en lichaamskrachten schonk, opdat wij er gebruik van zouden maken.

Lediggang is roof van 'sHeeren kostbaarste gave, den tijd.

Lediggang is eene krenking van Gods Majesteit; lediggang misvormt ons — ten opzichte van Hem, den eeuwig Werkzame, — hij ontrooft ons de Gode-gelijkvormigheid.

Lediggang is onrechtvaardigheid. Wij zijn leden der maatschappij] de evenmensch heeft aanspraak op onze diensten in huisgezin, staat en Kerk.

Onrechtvaardigheid vooral ten opzichte van degenen, die met vlijt en inspanning hebben verdiend wat wij in ledigheid verkwisten, en ten opzichte van dezulken, die op voortreffelijke wijze gebruikt zouden hebben wat nu door onze schuld geene vruchten oplevert.

Lediggang geeft den naaste een schandelijk voorbeeld; hij verleid hem tot dezelfde ondeugd. Wellicht wordt hij zelfs bekoord tot morren tegen Gods Voorzienigheid. Immers, het juk van den arbeid drukt zwaarder op zijne schouderen, naar mate zijn evenmensch hardnekkiger weigert, dien zwa-ren last met hem te deelen.

En welk een verschil tusschen de redelooze natuur en den ledigganger: zij — altijd werkzaam, 's Heeren eeuwig gebod nakomend; hij —• elke inspanning vluchtend, niets doende om Gods heilige oogmerken te vervullen.

') Oponb. 10, 6. 2i Math. 25, 25.

ocr page 286

2(58

Lediggang berokkent dikwijls tijdelijk nadeel, sleept menig-werf armoede en verachting na zich.

Lediggang schaadt den geesteskrachten. Ga in den hof des luiaards, en zie, — hij is vol netelen; hij is met distelen overdekt en de steenen afscheidingsmuur ligt in puin. ')

Lediggang bederft het hart en leert veel boosheid) 2) hij is de zondenpoel onzer ziel.

LTit stille wateren stijgen giftige dampen op, en uit trage, niets doende harten wulpsche, gevaarlijke, booze, afschuwelijke gedachten, — die straks begeerten en een weinig later daden worden.

Lediggang verweekelijkt, ontzenuwt; hij ontrooft den geest zijne schranderheid, het karakter zijn adel en zijne kracht, het gemoed zijne volheid.

Lediggang maakt gewoon aan schandelijke nederlagen.

Lediggang maakt de vijanden van ons geluk vermetel; zij zien ons zorgeloos en rekenen op onze lafheid.

Lediggang is een bondgenoot van alle andere ondeugden; hij baant haar een gemakkelijken weg in het kranke, moede-looze hart.

Lediggang is hoogmoedig. Aanmatiging moet ware verdiensten en echte wetenschap, — schijn waarheid vervangen. De luiaard is wijzer in zijne oogen. dan zeven ware geleerden. 3)

Lediggang is afgunstig-, geluk en voorspoed des naasten ergeren hem.

Lediggang verschuilt zich gaarne achter onwaarheid, neemt vaak zijne toevlucht tot bedrog en huichelarij.

Lediggang is niet zelden verkwistend. En hoe vaak reeds heeft hij als dief de hand uitgestrekt naar iets, wat voor

■) Spr. 2 . 20. 31. ') Eccl. 33, 29. quot;) Spr. 20, 16.

ocr page 287

269

hem langs minder gemakkelijken weg onbereikbaar was!

Lediggang haat afkeuring en terechtwijzing, wil niet gestoord worden, is twistziek en onbeschaamd.

Lediggang spreekt liefdeloos over den naaste, is wantrouwend en lasterlijk.

Lediggang is nieuwsgierig en houdt alle deuren der zintuigen wijd geopend.

Lediggang geeft zich gaarne over aan onmatigheid in spijs en drank, en zoekt in lage dingen bevrediging en tijdverdrijf.

Lediggang wordt goddeloos; want ook het ware gebed kost moeite en inspanning.

Lediggang is wispelturig-, thans wil de luiaard, thans weder niet. 1)

Lediggang is vreesachtig. De luiaard spreekt: Er is een leeuw buiten; in het midden der straat zal ik worden omgebracht. 2)

Lediggang is laf; de begeerte des luiaards zal hem dooden, want zijne handen weigeren, te werken. 3) Mets waagt hij voor den Hemel; verdiensten noch kroon doen hem in geestdrift ontvlammen.

Lediggang maakt den geest tot vleeseh en het vteesch tot bederf.

Ga tot de mier, o luiaard! zie hare wegen en word wijs. *)

Een traag jongeling — een bedroevende aanblik! Eene lente zonder zwoelheid; geen loof, geene knoppen, geene

bloesems, geen geur, — geene blijde verwachting......De

vijgeboom bloeit niet en de wijnstok draagt geene vrucht;

•) Spr. 13, i.

■) Spr. 22, 13. ■') Spr, 21, 25. 4) Spr. 6, 6.

ocr page 288

270

het voorkomen des olijfbooms is bedriegelijk en de velden beloven geene spijze. ')

O, hoed u-zelven; wees indachtig 's Heeren oordeel: Alle boom, die geene goede vruchten voortbrengt, zal uitgehouwen en in het vuur geworpen worden. 2)

2) Luc. :3, 9.

') Hab. 3, 17.

ocr page 289

HOOFDSTUK LX.

DE (JENOTZUCHT.

Ecce, haec fuit iniquitas Sodomae:...

superbia, saturitas panis et abundantia...

Ez- lü' 49-

•'r

i F.^lï ijnrecht tegenover het doel van ons leven, tegenover de bestemming der schepselen, tegenover den ernst 6i(j van het alleen noodzakelijke, staat de zucht om te AS genieten, en alles, wat onder ons bereik valt, ten bate ^ onzer zinnen cijnsbaar te maken.

Matige ontspanning is voor den mensch eene behoefte; geest en lichaam hebben beide rust en verkwikking van noode.

Maar, o mijn God, — waar begeerten en zinnen alleen op verstrooiing zijn gericht; waar zonder maat en onderscheiding wordt genoten wat zich aanbiedt; waar de ziel wordt achtergesteld bij de zinnen; waar het bovennatuurlijke aan het natuurlijke, de eeuwigheid aan den tijd, het onvergankelijke aan het stoffelijke ten offer wordt gebracht, — daar, o

ocr page 290

272

mijn God, zijn de grenzen, door uwe wijsheid afgebakend, overschreden-, ik wederstreef uwe heiligste oogmerken en loop gevaar, een dwazen, hoogst nadeeligen ruil te treffen.

En dat smachten naar genot, die onverzadelijke gulzigheid in het genot is een der heerschende krankheden van onzen tijd, de knagende worm van ons geslacht.

Kiemend in 's menschen begeerlijkheid, opgewekt door de uitvindingen van weelde, gemakzucht en zingenot, versterkt door eene weekelijke opvoeding, door vertroeteling en dwaze liefde in den schoot des gezins, goedgekeurd en aangeprezen door het algemeene voorbeeld, wordt de genotzucht allengs de overheerschende ondeugd van het individu, gelijk zij het reeds is van de maatschappij.

En wanneer nu gezicht en gehoor en smaak en reuk en zinnen en ledematen zich niets meer kunnen ontzeggen; wanneer zij alles hegeeren en zich meester maken van al hetgeen onder hun bereik valt, dan levert zich de mensch geheel in de macht van het zinnelijke, dan is zijn streven niet meer op een hoog en edel doel gericht, dan kwijnt het geestesleven, dan komt 's menschen bestaan dat van het redelooze dier nabij.

Kind, gedenk dat gij het goede ontvangen hebt in uw leven, en Lazarus het kwade: En nu wordt hij getroost, en glijdt ■smarten! *)

Beschouw de vermaken, waaraan de wereld zich overgeeft, wien zich voornamelijk de misleide in de armen werpt danspartijen, spelen, drinkgelagen, maskeraden, tooneelvoor-stellingen, zucht naar het nieuwe en zonderlinge, tijdverdrijf; welke is hunne strekking? nuttige uitspanning? — Neen, genot!

Was zulks niet het geval, dan zoude men van die vermaken

i) Luc. 16, 25.

ocr page 291

27?.

niet zoo dikwijls huiswaarts keeren met verstoorden ziele-vrede, met een bezoedeld hart, met een verward geweten.

Het spel, tot gewoonte en passie geworden, brengt wanorde in onze beroepsbezigheden, veroorzaakt verkwisting, geeft aanleiding tot tweedracht, haat, vloeken, ruwheid.

Afgezien nog van de onzedelijke beginselen, te dier zake in onzen tijd schier overal gehuldigd, en van de afschuwelijke bedrijven, welke op het tooneel schaamteloos worden voorgesteld en als groot en edel gevierd, — deelen de vermaken des schouw-burgs het menschenhart de hun eigen leegheid mede, maken het oppervlakkig, ontrukken het aan de werkelijkheid des levens en van het beroep, doen de begeerte naar zingenot klimmen, wekken gevoelens van twijfelachtigen, zoo al niet boozen aard. Mise-en-scène, costumes, muziek, een schitterend en praalziek gehoor, — alles betoovert, alles, wat men aanschouwt en hoort, is er op ingericht, den geest te overspannen de waarheid te verbloemen, ons op het tooneel des levens rollen te doen spelen, van welker jammerlijke ontknooping een schuldig leven en een wanhopig einde al te vaak verpletterend getuigenis afleggen.

De bals, ook de meest onschuldige, gelijken, naar het woord van een beroemd asceet, den paddestoelen; — de beste deugen niet. Verhitting der phantasie, behaagzucht, nieuwsgierigheid, overprikkeling, gevaarlijke vriendschapsbanden, en verschillende naweeën, als; verstrooidheid, matheid, ongeschiktheid voor ernstige en noodzakelijke dingen — maken de bals tot ware klippen voor de onschuld en tot naaste gelegenheden van betreurenswaardige fouten.

Hoe sterker de prikkeling der zinnen, hoe dieper de indruk des vermaaks, des te minder ruimte voor nadenken en ernst.

Hoe meer de mensch zich onledig houdt met hetgeen buiten hem ligt, hoe krachtiger hij werkzaam is voor wat

ocr page 292

274

betreft de uitwendige zinnen, des te meer verwaarloost hij het innerlijke, des te doover is hij voor de stemme van plicht, geweten en genade.

De genotzucht verzwakt het hart; zij doodt in ons de zuiverheid des gevoels, waardoor wij tot het goede worden aangetrokken.

Wat heeft van Sodoma een Sodorna. gemaakt, wat deed een vuurregen over die bloeiende stad neerkomen? Zie, dit was de ongerechtigheid Sodoms: hoogmoed, zatheid van brood, weelde, lediggang en hardnekkigheid. ^

O Koninkrijk der Hemelen, dat geweld, lijdt en uwe poorten slechts voor de geweldigen opent, 2) — zal ik langs deze bloemrijke paden en over deze gronden der weekelijkheid u kunnen genaken?

Dit te gelooven was eenigermate vergeeflijk, vóórdat de Zone Gods uit den Hooge nederdaalde en den iveg des Kruizes tot zijn deel verkoos. Thans nog dij: gelooven is zelfbedrog, waanzin, lafheid.

Hij toonde aan, waar het gevallen menschdom redding kan vinden, hoe het den adel zijns oorsprongs kan terugbekomen, hoe het zich verdienste en loon kan verwerven.

En de weg is dezelfde voor jong en oud.

De jeugd nochtans heeft het voorrecht, de eerste in de rijen van de pelgrims der aarde te zijn, den strijd te openen, hem kloeker dan de ouden van dagen te voeren, — zooals het der frischheid heurs levens en den gloed heurs harten betaamt.

•) Ez. 1«, 49. •■] Matli. 11, 12.

ocr page 293

HOOFDSTUK LXI.

DE ONMATIGHEID.

Xon est regnum Dei esca et potus.

Rom. 14, 17.

^ pijs en drank onderhouden het leven des lichaams; 'I fe 200 'iee^ Schepper bepaald. Eerst met de

/iv^ buitensporigheid kan schuld intreden.

Ïlt;X Voorwaar - het rijk Gods is niet spijze en drank, ') 1 en hierin den wellust zoeken is zonde, is misbruik, is verloochening van 's menschen waardigheid.

Naarmate iemand meer uitsluitend om den wille des genots eet en drinkt, is het misbruik erger, de schuld zwaarder.

Ontaart het eten en drinken in onmatigheid, wordt do gezondheid er door benadeeld, worden de vermogens der ziel er door verlamd, de plichten van staat verzuimd, dan maakt

') Rom. U, 17.

ocr page 294

276

men zich schuldig aan eene soort van afgoderij, wier offeranden God ware gruwelen zijn.

Die zóó wandelen zijn vijanden van Christus' Kruis; hun einde is het bederf, hun god is de buik en schande is hunne heerlijkheid. 1)

De ongeregelde neiging voor spijs en drank verschilt in hare graden van hevigheid, en daalt eindelijk neder in den slijkerigen afgrond eener ruwe dierlijkheid.

Ongeregeld verlangen, teugellooze begeerte, snoepzucht, kieskeurigheid, lage vreugde, overzatheid, verlies van het vrije gebruik der zinnen, beneveling, duisternis, slavernij des geestes door de overmacht van het stof, verkrachting van den vrijen wil, — alle kinderen van een hartstocht, dieper onteerend naarmate hij ons een grooter deel van de menschelijke waardigheid ontrooft.

En toch, — vooral aan onmatigheid in het genot van dranken maakt zich menig onbezonnen jongeling plichtig.

Wijl velen met deze ondeugd zijn behept, wijl zij door velen als eene zaak van eer wordt beschouwd, wijl zij veelal zich schuil houdt achter gezelligheid en speelschheid — betreedt ook de jongeling dit glibberige pad en streeft misschien daarop zelfs naar een treurigen roem.

Men zou geneigd zijn, te gelooven, dat een welopgevoed jongeling geen behagen kan scheppen in die woeste drinkgelagen. Maar — wat vermag niet het slechte voorbeeld, de aansporing van anderen, de booze neiging, het valsche begrip van „eerquot; ?

En zoo gaat langs dezen weg menig treffelijk gemoed ten gronde; zoo menig schoon karakter ontaardt, zoo menige onschuld neigt ten grave, zoo menig gevaarlijk, slecht bond-

') Philipp. 3, IS, 19.

ocr page 295

genootschap wordt gesloten, zoo menige buitensporigheid geleerd, zooveel zuur verdiend geld op schandelijke wijze verspild, zoo menige ziel ontwijd, zoo menig jeugdig leven geknakt, zoo menige edele roep verijdeld, zoo menige kiem gelegd, die, vreeselijk voortwoekerend, eenmaal de treurigste vruchten zal opleveren.

O ja, de onmatigheid heeft reeds velen gedood 1) — vooral wet de ziel betreft!

Het verteerende vuur der onzuiverheid wordt door het misbruik van spijze en drank ontstoken en rijkelijk gevoed.

Wijn en dronkenschap maken onkuisch] wie zich daarmede verzadigt zal niet wijs worden. 2)

Geestrijke dranken verhitten; zij zijn voor den onreinen hartstocht wat olie is voor de vlam.

De dampen, die zich ontwikkelen, benevelen den geest, en dalen, loodzwaren wolken gelijk, op het hart neder. Het vermogen der onderscheiding van goed en kwaad wordt allengs zwakker; de voorheen vrije wil ligt geketend. Afkeerig van het zedelijk-goede, voor edele gevoelens niet ontvankelijk, wordt de dronkaard uit gewoonte nog slechts door de zinnen beheerscht. Tot al het dierlijke geneigd, biedt hij der begeerlijkheid geen wederstand, welligt al hare verlangens in, ook de meest buitensporige, de meest schandelijke. Welke schutse rest nog der heilige kuischheid, wanneer de ivachter slaapt, de poorten openstaan, de verdedigers zijn omgekocht of weerloos gemaakt?

Niet zonder redenen waarschuwt de Apostel: Bedwelmt u niet met wijn, want in dezen is ontucht] maar wordt vervuld met den heiligen Geest. 3)

En hoe? wanneer de dood u overviel in de ure, waarin gij nog slechts naar het uiterlijke een mensch zijt?...

gt;) Eccl. 31, 80. ') Spr. 20 1. ') Eph. 5, 18.

ocr page 296

278

Waakt, spreekt de Zaligmaker, dat uwe harten niet te eeniger tijde met brasserlj en dronkenschap worden bezwaard, en dat niet mijn dag onvoorzien kome! ^

Een knaap, een jonkman, slaaf dezer ondeugd. — welk een gruwel voor den Hemel, welk een gruwel voor alle rechtschapen menschen! Wat al onheil, wat al schande baart hem meer dan waarschijnlijk de toekomst!

En — wie zal ze tellen, die verspillingen des tijds, die aanleidingen tot twisten en vloeken, die vuile gesprekken en zedelooze liederen, die onbetamelijkheden en ruwheden, welke het drinkgelag schier onfeilbaar medebrengt!

Zoo ergens, dan hier, o jongeling, is beslist optreden noodzakelijk, wil men volkomen genezing erlangen.

Over het menschelijke opzicht moet worden gezegevierd; het is volstrekt noodig, de gelegenheden te mijden; soberheid en strengheid tegen zich-zelven zijn onmisbaar.

O schrik niet terug voor deze offers, — gij, die tot dusverre de slaaf van die rampzalige passie waart!

Hoe krachtiger gij optreedt, des te spoediger bevecht gij de zegepraal.

Ja, aarzel niet, geweld te gebruiken. Heb medelijden met uwe arme jeugd! Geef ze niet prijs aan eene ondeugd, veel-koppig als geen andere, en die, zelf een monster, alleen monsters baart, en u-zelf tot een monster maakt, in zooverre gij u in hare armen werpt.

Hoe walgelijk is zij, wanneer men over de ellende van zooveel behoeftigen peinst, wanneer men anderen in dezelve ure met een smartelijken dood ziet worstelen!

Gij, dronkaard, aanschouw met uw beneveld oog de hel. waar elk oogenblik nieuwe offers nieuwe smarten lijden,

') Luc. 21, Si.

ocr page 297

279

terwijl gij uwen lusten bot viert. Hoor de stemme van den rijken vrek: Ik lijd smarten in deze vlam! Vader Abraham, zend Lazarus, dat hij den top zijns vingers in het water doope, en verkoele mijne tong! 1) — En gij, dronkaard, lescht met stroomen zoets de tonge uwer begeerlijkheid?

Thans, nu de kiem van het euvel zich misschien nog weinig heeft ontwikkeld, is de genezing gemakkelijk; doch moeilijk is het, den stam te vellen, de icortelen uit te roeien, welke diep in den grond zijn doorgedrongen en zich naar alle zijden hebben uitgebreid.

Waakt op, gij dronkenen, en weent en jammert, gij allen, die brasserij en dronkenschap mint! ziet, dat alles zal worden weggenomen van uwen mond. 2)

-) Joel. 1, 5.

,) Liic. lü, 24.

ocr page 298

HOOFDSTUK LXII.

DE ONZUIVERHEID.

Animae irreverenti et infranltao ,, ne tradas me!

||@P ijn andere ondeugden stroomen, die millioenen onge-lukkigen met zich voortstuwen, de ondeugd des vleesches is een ware zondvloed, die schier alles in zijne afgronden sleurt.

1 Grijsaards, mannen, jongelingen zwalken. — nu eens

dichter bij het strand, dan weder op mijlen afstands van de kust, — hulpeloos rond op die troebele, stormachtige zee, komen aan de oppervlakte, verdwijnen aanstonds weder in de diepte, pogen, zich te redden en geven zich weder prijs.

Eenigen gelukt het, de kust te bereiken, doch velen gaan verloren en verdwijnen voor immer.

O bittere waarheid! hoog in eere kon de mensch zijn, wilde hij zijne waardigheid handhaven en zich in reinheid bewaren.

ocr page 299

281

Doch hij geeft er de voorkeur aan, zich met de redelooze dieren gelijk te stellen en wordt hun gelijkvormig. ') Ja — hij, die geene andere wet kent, dan die zijner lusten, en dezen gehoorzaamt, in stede van zich door de rede te laten geleiden, stelt zich den dieren gelijk.

Het vleesch heeft zich den geest cijnsbaar gemaakt: geheugen, verbeeldingskracht, begeeren, gedachten, wil, — alle zijn zij op het vleesch gericht. Het vleesch-zelve geeft zich dierlijken lusten prijs, onteertzich, wederstreeft zijne bestemming en Gods heilige oogmerken, ontrooft zich het lidmaatschap van Jesus' Lichaam, maakt zich op geheel bijzondere wijze der glorierijke opstanding onwaardig.

O treurigste van alle afdwalingen, tegelijkertijd verwoest gij al het geestelijke en hooge in het individu en vernietigt geheel het menschdom!

Geen wonder, dat de onzuiverheid een ware gruwel is voor God, den Hemel en de aarde.

O zeker — een gruwel voor God.

De hemelsche Vader verdelgt door het vuur van Boven vijf zondige, aan den onreinen hartstocht verslaafde steden. Betreed den oever der Doode Zee, met hare zilte wateren: nog heden schijnt die sombere poel zich te beijveren, om de schanddaden van een onkuisch geslacht van den aardbodem weg te vagen. — En moet niet God eene ondeugd haten en verafschuwen, die zijn evenbeeld gruwelijk misvormt en dit voornaamste werk zijner almacht den verheven rang ontneemt, waarop het door zijne liefde onder alle schepselen werd geplaatst?

De Zoon Gods, wien elke andere smaad welkom was, die zich volksopruier, slemper en dronkaard, vriend der zondaren

') Ps. 48, 13.

19

ocr page 300

282

en tollenaars liet schelden, heeft nooit geduld, dat men zijner kuischheid te na sprak. En Hij, de Allerzuiverste, heeft Zich door zijn hartebloed met ons vereenigd, — en wij zouden trouweloos genoeg zijn, dien heiligen band te verscheuren en onze ledematen, die zijne ledematen zijn geworden,1) aan het geweld der onreine lusten over te leveren?

Vooral de Heilige Geest heeft een afschuw van deze ondeugd, die, meer dan eenig andere, den mensch, zijn tempel, ontwijdt2) en Hem-zelf daaruit verdrijft. En is niet de blanke duive het zinnebeeld des H. Geestes, omdat vooral zij onreinheid en bederf vliedt?

De heilige Engelen, deze zuivere geesten, hebben een afschrik van eene ondeugd, die hen beschaamd doet zijn over hunne verwantschap met de bewoners der aarde, en bij ontelbaar velen, aan hunne zorgen toevertrouwd, de schutse hunner liefde verijdelt.

De Heiligen des Hemels, — zij dragen der onzuiverheid een haat toe, groot in evenredigheid van het geluk, dat zij thans in de aanschouwing van den God der Zuiverheid smaken. Zij haten die schandelijke drift, omdat zij hierbeneden voortdurend door haar werden bestookt, omdat de overwinning hun zooveel- heeft gekost, of omdat zij hunne nederlaag in den strijd tegen die vijandinne met bloedige tranen moesten beweenen.

De menschen van hun kant, hoe laag ook gezind, gevoelen een afkeer tegen dezulken, die aan deze ondeugd zijn verslaafd. Of spreek: Wanneer u van een ander datgene was bekend, wat gij van u-zelven weet, — wanneer gij zijne geheime schande en de teugelloosheid van zijn hart doorzaagt, zoudt gij hem dan niet schuwen? Inderdaad, bezat hij alle

-) Cor. 6, 19.

1

1 Cor. 6, 15.

ocr page 301

283

deugden, maar was hij met den gruwel der onzuiverheid behept, — gij zoudt hem uwe achting ontzeggen, hij zoude voor u een nietswaardige zijn.

Gij-zelf, onkuisch jongeling, zijt in uw eigen oog een gruwel. Of walgt u niet het vuil dier zonde, dat aan uw arme ziele kleeft ? Schaamt gij u niet over zooveel zwakheid, zooveel lafheid? over dat vallen en opstaan en opstaan en vallen? over dat willen en niet-willen? over die slavernij der gewoonte ? over die neiging tot de meest onteerende, lage dingen? Kwelt u niet het door wroeging verscheurde geweten? Schroomt gij niet, bij het overpeinzen van de eeuwigheid, die u wacht?

En ach! tallooze jongelingen zijn de slaven dier ellendige passie, — in gedachten, in woorden en werken, alleen of in vereeniging met anderer schande!

Aan deze ondeugd vallen zij ter prooi door schuldige nieuwsgierigheid, door teugelloosheid van oogen, ooren en handen, door het lezen van slechte boeken, door den omgang met bedorven lieden, door zinnelijke vriendschapsbanden, door lediggang, door eene weekelijke levenswijze, door zich van God, de bronne van alle zuiverheid, onvoorzichtig te verwijderen.

Hoeveel jongelieden zijn er, die, edel en goed, schier zonder gebreken, den Hemel ten wellust, der Kerk tot sieraad en troost, den staat en het huisgezin ter hope, in geur van deugd en lieflijke reinheid zouden bloeien, als niet deze ondeugd hen misvormde, — late zij de éénige zijn, waardoor zij worden beheerscht, laten andere en vele zich bij haar aansluiten !

Ach! gevallen is de beschuttende muur om dit kostbaarste deel van den wijngaard der Kerke! Een ieder, die voorbij gaat, plukt van zijne vruchten: Eene ondeugd, grimmig als

ocr page 302

284

de ever des wouds, heeft zijn bodem doorwoeld, en een monster vol vraatzucht en woede waart er in rond! ^

Och, dat mijn hoofd water ware, en mijn oog eene springader van tranen: zoo zoude ik dag en nacht beweenen de verslagen zonen mijns volks! 2)

•) Jer. 9, 1.

') Ps. 79, 13, 14.

ocr page 303

HOOFDSTUK LXIII.

DE GEVOLGEN DEE ONZUIVERHEID.

Ignis est usquo ad perditionem devorans, et omnia eradicaus gene-mina. Job, 31, 12.

erschrikkelijk zijn de verwoestingen, door de onzuiverheid aangericht.

Zij is een vuur. hetwelk tot den verderve toe ver-^ teert en elke goede kiem in de wortelen vernietigt. ^ Zelfs de gezondheid des lichaams wordt dikwerf geschaad, vooral bij den jongeling, die zich niet weet te eerbiedigen, die zulke schanddaden bedrijft. Verspilde krachten, vergiftigde sappen, verwoeste lichamen, gestoorde ontwikkeling, vroege ouderdom, verkort leven, — de vreeselijke gevolgen van een zoo vroegtijdig zedenbederf!

En is niets schoon, wat niet rein is, en is de reinheid des

') Job 31, 12.

ocr page 304

286

menschen zijne kuischheid, — zullen dan lieflijke frischheid, gezonde bloesems, echte bekoorlijkheid, ware adel den on-reinen jongeling sieren? En is de heilige kuischheid eene soort van hemelbloeme, die met haren geur de geheele woning van 's menschen lichaam balsemt. — is dan niet de aan haar tegenovergestelde ondeugd eene afschuwelijke giftplant, die pestwalmen uitademt, die bedwelmt, verwoest wat in hare nabijheid komt?

Dikwijls misvormt de onzuiverheid werkelijk den zondaar, doet geheel zijn wezen den st(: pel van ruwe dierlijkheid of afkeerwekkende verwijfdheid dragen.

Niet zelden ook worden de geestvermogens benadeeld; het geheugen verzwakt, wordt traag, onzeker; het bevattingsvermogen neemt allengs af.

De ware wetenschap, die kuisch, eerbaar is, vlucht onzuivere geesten. Neen, de wijsheid huwt zich niet aan een bedorven hart, en zij neemt niet haar intrek in een lichaam, dat de zonden dient. ^ — En geldt het de hemelsche wetenschap, de kennis der goddelijke dingen, — zou de ontuchtige voor deze ontvankelijk zijn? Verwijderen ons niet de verkeerde — en dus zeker de onzuivere — gedachten van God? 2)

Het karakter kwijnt. Zijne schoonheid, zijn adeldom neigen t en grave; de wispelturigheid krijgt de overhand, de laagheid vertoont zich allerwege. Hoe menig karakter, treffelijk uit zijne natuur, virwüdert allengs onder den invloed dier noodlottige passie, en wordt eindelijk geheel bedorven!

De wil verzwakt. Hij keert zich altijd meer van het goede af, — wordt rijper in het kwade, waartoe hij eerlang door de natuur met schier onwederstaanbare kracht wordt aangetrokken.

2) quot;Wijsh. 1, 3

') Wijsh. 1, 4.

ocr page 305

287

Der ziel ontrooft de ondeugd van onzuiverheid de heilige vreeze Gods.

Zij vergiftigt in haar elke neiging ten goede.

Zij doet een afkeer van de deuyd opvatten; zij veroorzaakt lusteloosheid, weerzin van het heilige en heilzame.

Het gebed wordt smakeloos, dan vervelend; het wordt verzuimd, gering geschat, veracht — misschien gehaat. De Sacramenten worden gemeden of misbruikt: zij worden eene kwelling, of het voorwerp van spot en laster. Gods Woord is onverdragelijk, een godvruchtig hoek een walg, het verblijf in de kerk onuitstaanbaar.

Ziet gij het vuur. dat tot den verderve toe verteert, dat elke goede kiem in de wortelen vernietigt? 1)

De mensch, aan het dier gelijk geworden, de geheel vleesch geworden mensch, begrijpt niet meer de dingen van den geest Gods. 2)

Het geloof zinkt ten gronde; twijfel rijst op; de godsdienst, die niet ophoudt den mensch te vermanen, dat hij zich kuisch beware, dat hij wandele in heiliging en eerbaarheid,3) — die godsdienst wordt lastig; eerst wordt men koel te zijnen opzichte, dan koud; later begint men hem te honen, breekt men te eenenmale met hem, — inwendig, misschien ook uitwendig.

De genade wordt niet aanhoord; tevergeefs klopt zij luide en dringend op de ijzeren deur des harten.

De oogen der ziel worden steeds blinder] het kwade schijnt haar goed, het goede kwaad.

De zonde boezemt geen afschrik meer in; men drinkt ze gelijk water. 4) De sinds lang verzwakte wil wordt geheel machteloos; het geioeten zucht in slavernij.

') Job 31, 12. quot;) 1 Oor. 2, 14. ') 1 Thess. 4, 4. •) Job 15, 16.

ocr page 306

288

Men is ongevoelig voor alle in-en uitwendige vermaningen; heeft de onkuischaard een wijs woord vernomen, dan mishaagt hem dit, en hij werpt het van zich. ^

En altijd hardnekkiger, altijd verstokter wordt de rampzalige. De vloed zijner ongerechtigheid stijgt hooger en hooger; ondeugden van elke soort strijden om de overhand; de onzuiverheid-zelve wordt eene voortdurende 2) zonde. Nauwelijks vertoont zich de drenkeling nog een enkele maal aan de oppervlakte, — algeheele schipbreuk, algeheelc ondergang.

En nu — de ontboetvaardigheid, die vreeselijke deur ter helle, waarin een bijzonder strafvuur den onzuivere verbeidt !

Hoevelen verrast de dood in het midden hunner zonden! hoevelen sleurt hij weg, zonder hun tijd te laten tot boetvaardigheid !

En hoevelen onder hen, die van hunne prille jeugd af dit lage kwaad hebben bedreven, willen niet eens zich bekeeren ; zij hebben geioanhoopt en zich geheel aan de ontucht overgegeven, om alle onzuiverheid gieriglijk te bedrijven. 3)

Verteerd is dan ook de kiem der hope, de kiem der liefde. — verschroeid tot in de wortelen.

En nu gaan zij ten gronde in hunne bedorvenheid, gelijk redelooze dieren, en ontvangen het loon der ongerechtigheid. 4)

Jongeling, gij, die zulk een lagen, noodlottigen hartstocht ter prooie vielt, — arme, beklagenswaardige, wanneer zal uw ongeluk een einde nemen?

Wanneer gij den manneli/jken leeftijd hebt bereikt? Maar— zal de bloeme der kuischheid den man sieren, die als jonge-

■) Eed. 21, 18.

') 2 Petr. 2, 14.

») Eph. 4, 19.

') 2 Petr. 2. 12, 13.

ocr page 307

289

ling het gift der onreinheid gretig slurpte, die zich den laagsten uitspattingen in de geiie armen wierp?

In den ouderdom, — wanneer de gloed der passie welhaast is uitgedoofd en de koelte des grafs reeds uwe beenderen genaakt? O — dan nog kunnen vonken spatten, en het laten is niet verdienstelijk, wanneer het aan gelegenheid tot handelen mangelt, wanneer de krachten niet meer den wil ten dienste ataan.

En schroomt gij werkelijk niet voor den dood? Ach! wanneer hij u in zidk een toestand moest overvallen! Welk een heengang ter eeuwigheid! Zonder Biecht, zonder boetvaardigheid, zonder hoop ...

En vreest gij dan waarlijk niet 's Heeren alziende oog? O! het dringt door het nachtelijke duister, het slaat u gade op uwe ruststede, het volgt u in de eenzaamheid. — Gij waant u alleen? Dwaas! waar en wanneer zijt gij alleen geweest? Zie, op dit oogenblik, het oogenblik van zonde en schande, vonkelt dat oog u tegen, — zijn bliksem konde u doorboren!

O gepleisterde graven, ik zeg het u: Uitwendig zijt gij schoon en zuiver, — inwendig vuil en vervuld met onreinheid. ^

Een oog dringt door den sluier uws veinzes heen, en speurt met afgrijzen de geheimste werken eener schandelijke drift. — O jongste dag, wat al gruwelen zult gij aan het licht brengen! wat al begoochelingen wegnemen, wat al misdaden openbaren!

Arme jongeling, wanneer zult gij u bekeeren? Heden nog niet? Zal het morgen gemakkelijker zijn? De steen wordt losgelaten, en altijd sneller wordt zijn val; de vloed der slechte gewoonten stijgt, en altijd onstuimiger wordt zijn loop.

i) Math. 23, 27.

ocr page 308

288

Men is ongevoelig voor alle in-en uitwendige vermaningen; heeft de onkuischaard een wijs woord vernomen, dan mishaagt hem dit, en hij werpt het van zich. ^

En altijd hardnekkiger, altijd verstokter wordt de rampzalige. De vloed zijner ongerechtigheid stijgt hooger en hooger; ondeugden van elke soort strijden om de overhand; de onzuiverheid-zelve wordt eene voortdurende 2) zonde. Nauwelijks vertoont zich de drenkeling nog een enkele maal aan de oppervlakte, — algeheele schipbreuk, algeheele ondergang.

En nu — de ontboetvaardigheid, die vreeselijke deur ter helle, waarin een bijzonder straf vuur den onzuivere verbeidt !

Hoevelen verrast de dood in het midden hunner zonden! hoevelen sleurt hij weg, zonder hun tijd te laten tot boetvaardigheid !

En hoevelen onder hen, die van hunne prille jeugd af dit lage kwaad hebben bedreven, willen niet eens zich bekeeren ; zij hebben gewanhoopt en zich geheel aan de ontucht overgegeven, om alle onzuiverheid gieriglijk te bedrijven. 3)

Verteerd is dan ook de kiem der ftope, de kiem der Ke/cfe-— verschroeid tot in de wortelen.

En nu gaan zij ten gronde in hunne bedorvenheid, gelijk redelooze dieren, en ontvangen het loon der ongerechtigheid. l)

Jongeling, gij, die zulk een lagen, noodlottigen hartstocht ter prooie vielt, — arme, beklagenswaardige, wanneer zal uw ongeluk een einde nemen?

Wanneer gij den mannelijken leeftijd hebt bereikt? Maar— zal de bloeme der kuischheid den man sieren, die als jonge-

■) Eccl. 21, 18.

quot;-) 2 Petr. 2, 14.

8) Eph. 4, 19.

*) 2 Petr. 2. 12, 13.

ocr page 309

289

ling het gift der onreinheid gretig slurpte, die zich den laagsten uitspattingen in de geile armen wierp?

In den ouderdom, — wanneer de gloed der passie welhaast is uitgedoofd en de koelte des grafs reeds uwe beenderen genaakt? O — dan nog kunnen vonken spatten, en het laten is niet verdienstelijk, wanneer het aan gelegenheid tot handelen mangelt, wanneer de krachten niet meer den wil ten dienste staan.

En schroomt gij werkelijk niet voor den dood ? Ach! wanneer hij u in zulk een toestand moest overvallen! Welk een heengang ter eeuwigheid! Zonder Biecht, zonder boetvaardigheid, zonder hoop ...

En vreest gij dan waarlijk niet 's Heeren alziende oog 2 O! het dringt door het nachtelijke duister, het slaat u gade op uwe ruststede, het volgt u in de eenzaamheid. — Gij waant u alleen? Dwaas! waar en tvanneer zijt gij alleen geweest? Zie, op dit oogenblik, het oogenblik van zonde en schande, vonkelt dat oog u tegen, — zijn bliksem konde u doorboren!

O gepleisterde graven, ik zeg het u: Uitwendig zijt gij schoon en zuiver, — inwendig vuil en vervuld met onreinheid. ^

Een oog dringt door den sluier uws veinzes heen, en speurt met afgrijzen de geheimste werken eener schandelijke drift. — O jongste dag, wat al gruwelen zult gij aan het licht brengen! wat al begoochelingen wegnemen, wat al misdaden openbaren!

Arme jongeling, wanneer zult gij u bekeeren? Heden nog niet? Zal het morgen gemakkelijker zijn? De steen wordt losgelaten, en altijd sneller wordt zijn val; de vloed der slechte gewoonten stijgt, en altijd onstuimiger wordt zijn loop.

1) Math. 23, 27.

ocr page 310

290

Zijt gij gelukkig'? Onmogelijk! Het zinnelijke schenktgeene ware bevrediging, omdat het niet God is, —• hoeveel te minder datgene, wat juist het tegendeel van God is.

Hoe gevoelt gij u na die oogenblikken van woest zingenot? — Hoe eenzaam! hoe ledig! — en diep is de giftige angel in uw hart gedrongen. Ach, wat ben ik rampzalig! zucht gij dan; en gij hebt gelijk...

Arme jongeling, welke herinneringen zullen eenmaal uwe ziel folteren! Wanneer gij nederligt op uwe stervenssponde, zullen vóór het oog uws geestes de jaren uwer jeugd opdoemen, door u zoo jammerlijk ontwijd; dan zult gij een terugblik op de lange reeks dier schanddaden werpen, waaraan gij misschien reeds nu ten deele plichtig zijt.

Gij zult dan inzien, dat gij komlt, maar niet wildet, — inzien, dat gij kondt, omdat gij moest. — En dit vleesch, — ach, dit zondige vleesch, reeds vóór zijn sterven toont het sporen van ontbinding; — gekastijd, verdord, met bedorven sappen ligt het neder, en dient nog slechts ter welverdiende marteling.

Waar is nu de begeerlijkheid? waar de hartstocht? wat bleef er van over? is niet hij misschien de oorzaak van uw vroegen dood?

Mijn dierbare jongeling, heb medelijden met u-zelven; geef u niet over aan die verfoeilijke ondeugd, welke uwe dagen vergiftigt, uw lichaam ontwijdt, schande brengt over uw jeugdig hoofd, uwe toekomst vernietigt.

ocr page 311

maakter, naar mate het minder in staat is, van het goede af te wijken.

De zoogenaamde maatschappelijke vrijheid bestaat in de ongestoorde uitoefening van individueele rechten. Verkeerdelijk noemt men „vrijheidquot; de losmaking van elk gezag.

God, Schepper en Opperheer, Bestierder van de maatschappij in :t algemeen en van elk harer leden in 't bijzonder, heeft rechten op ons, die Hij, voor het gemeenschappelijk welzijn en voor het onze, anderen menschen kan mededeelen en heeft medegedeeld.

HOOFDSTUK LXIV.

GEEST VAN ONAFHANKELIJKHEID.

ocr page 312

292

Reeds de verschillende leeftijden maken ondergeschiktheid noodzakelijk. Daar elk volgend geslacht in het voetspoor des voorafgaanden treedt, moet het laatste door het eerste worden geleid, onderricht, opgekweekt, gevormd. Hierdoor worden afhankelijkheid, leerzaamheid, gehoorzaamheid, onderworpenheid noodzakelijk.

Het verschil der standen, de ongelijke verdeeling van de aardsche goederen, de ambten en waardigheden in de maatschappij, de invloed, door uitwendige macht, verbonden met zedelijke sterkte, op de naast en met elkander levenden uitgeoefend, schranderheid des geestes en behendigheid zijn nieuwe bronnen van wederkeerige ondergeschiktheid, — bronnen, die te eenenmale uit 's menschen natuur en uit zijne geleidelijke ontwikkeling voortvloeien, bronnen, die uit de vormen eener maatschappij, uit zooveel verschillende elementen saamgesteld, ontspringen.

Het is derhalve meer dan dwaas, het is monsterachtig, eene vrijheid te eischen, die gelijke beteekenis heeft met het ophouden van elke wederzijdsche verplichting.

Ouders en kinderen, vorst en onderdaan, overheid en ondergeschikte, rijke en arme, machtige en geringe staan in wederzijdsche betrekkingen tot elkaar, hebben rechten en plichten, die, vastgesteld door God, in de natuur hun grondslag vinden.

Deze wederzijdsche, uitwendige ondergeschiktheid, gelijk ze door leeftijd, stand, maatschappelijke positie, invloed des geestes en stoffelijke goederen wordt medegebracht, maakt ook de inwendige noodzakelijk: onderdanigheid, bereidvaardigheid des wils in al het zedelijk geoorloofde.

Neem die ondergeschiktheid weg, verbreek die banden van redelijke afhankelijkheid en billijke gehoorzaamheid, — en de menschen leven en handelen op aarde gelijk wilde dieren; de

ocr page 313

293

op zich-zelf staande leden der maatschappij, de geslachten, de volkeren doen elkaar den oorlog aan; geheel de natuur is verward, en de redelyjke, schepping biedt een schouwspel, zooals nimmer werd opgeleverd door de redélooze, waarin afhankelijkheid, orde, samenwerking en onderlinge steun de basis van het gemeene bestaan vormen.

De inachtneming van deze inwendige ondergeschiktheid als een plicht, zijn oorsprong vindend in 's menschen natuur en in het bestaan eener menscheliike samenleving, heeft God onzer zedelijke vrijheid overgelaten, en derhalve maken wij van deze misbruik, wanneer wij naar eene uitwendige vrijheid streven, die noch in de plannen der Voorzienigheid ligt besloten, noch met onze hoedanigheid van menschen en leden der maatschappij is overeen te brengen.

Dweep dan niet, o jongeling, met de „vrijheidquot;, zooals ze niet door God wordt begrepen, en zooals zij uit de natuur onmogelijk is; — weet, dat gij een grooter deel van uwe vrijheid zult derven, naar mate gij ruwer poogt, u aan eene ondergeschiktheid, door rede en natuur geboden, te onttrekken.

Wie elke lucht verwerpt haat zijne ziel — klinkt haar in ketenen, brengt haar in wreede slavernij; want niet de onderdanigheid betrachtende, hem door God bevolen, en weigerende, aan de 2) rechtmatige overheid te gehoorzamen, geraakt hij in de boeien van zonde en satan en graaft zich een kerker in de vreeselijke hel. Ja, heft aan uw vrijheidskreet, o dweepers! De maatschappelijke orde moogt gij eene wijle verstoren; doch te eenenmale machteloos zijt gij tegenover Hem, die zelfs koningen met ijzeren roeden tuchtigt3), en, wanneer Hij wil, de schedels van velen op aarde verplettert4).

') Spr. 15, 32. !) 1 Petr. 2, 13. ') Ps. 2, 9. ') Ps, 109, G.

ocr page 314

294

Arme jongelingen, die men verlokt met het zoete woord „vrijheidquot;! Men zet u op tegen ouders, leeraren; de overheid wordt miskend; men leert u over alles oordeelen, over alles uw gevoelen zeggen; men spreekt u toe in hoogdravende termen, bezigt grcote woorden, waarvan men zelf geenszins de ware beteekenis bevroedt, als „menschelijke waardigheidquot;, „bewustzijn van eigen krachtquot; en dergelijke. — Waarheen voert u al dat schoone, al dat voortreffelijke? Onder den scepter van oneindig strengere meesters zult gij wonen, onder het gezag van booze menschen en wilde passiën, die in onbegrensde willekeur over u heerschen, zich van u als van willooze werktuigen bedienen.

En gelukte het zekeren vrijheidsmannen, u den drempel te doen overschrijden van eene deur, waarboven valsche geestdrift de woorden „Vrijheid en Broederschapquot; nederschreef; gelukt het hun, u, onervaren jongeling, een dier vereenigingen in de armen te werpen, wier oogmerken verborgen, wier eigenlijke beginselen zorgvuldig geheim worden gehouden, — vereenigingen, sinds lang door de Kerk gebrandmerkt en zelfs door haar vloek getroffen, — ach, dan zoudt gij den vrijheidsbeker tot op den bloedigen bodem moeten ledigen, en het schrikkelijke „Voorwaartsquot; zoude voor u een tyran zonder medelijden of ontferming worden. — Feiten spreken, en wie ooren heeft om te hooren, dat hij hoore

ISTiet hij, dien de menschen bevrijden of voorgeven, te bevrijden, is vrij — dien de Zoon Gods bevrijdt, die is in waarheid vrij 3). De Zoon Gods nu bevrijdt door zijn heilig woord, door zijn voorbeeld en zijne genade uit de slavernij van zonde, duivel en hartstochten.

Den tijdgeest, dierbare jongeling, den geest der onafhanke-

') Mare. 4. 23. =) Joh. 8, 36,

ocr page 315

295

lijkheid en slecht begrepen zelfstandigheid, moet gij uit alle krachten van u roeren; gij moet hem bestrijden, dien geest, waar en in wien gij hem aantreft — in de school, in het huisgezin, in de gemeente, in den staat, in de Kerk. Hij is vijandig aan uwe rust en aan die uws naasten; hij sticht wanorde, benadeelt schromelijk individu en maatschappij.

En — zult ook niet gvj eenmaal door ouderdom, maatschappelijke positie en ervaring een standpunt innemen, hetwelk anderen aan u ondergeschikt maakt? Zult gij dan aanzien wenschen te bezitten, of niet ? zult gij dan gehoorzaamheid vorderen, of niet? Gij zult het, gij moei het. Leer daarom thans ondergeschikt zijn, anders verdient gij nooit of nimmer, gezag uit te oefenen.

Zelfzuchtigen! Van anderen vorderen zij datgene, wat zij-zelf weigeren. Moet dan hun alleen „vrijheid en gelijkheidquot; ten goede komen?

O heilige en roemvolle vrijheid dor kinderen Gods — hemelsbreed verschillend van die, welke door de wereld tot aan de wolken wordt verheven!

O heilige vrijheid der kinderen Gods, verheven boven alle ketenen, eiken kerker, elke uitwendige slavernij!

O heilige vrijheid der kinderen Gods, die in het onschatbare voorrecht bestaat, goed te zijn en naar hartelust, tenminste inwendig, het goede te kunnen beoefenen!

O heilige vrijheid der kinderen Gods, die orde ten grondslag heeft en de volheid van dien vrede des harten schenkt, die alle begrip te boven gaat -)!

O heilige vrijheid der kinderen Gods, die in elke rechtmatige overheid God-zelven ziet! En — God gehoorzamen is waarlijk geene vernedering.

1) Rom. 8, 12. s) Pliilipp. 4, 7.

ocr page 316

296

O heilige vrijheid der kinderen Gods, die den edelen, schul-deloozen jongeling hoog verheft boven den aan de ondeugd verslaafden man of grijsaard, en die met heraelsche wijsheid zijn gebrek aan ervaring aanvult!

O heilige vrijheid der kinderen Gods, die overal heerscht, waar de geest des Allerhoogsten rondwaart, de geest der liefde bij uitnemendheid!

Gij zijt tot de vrijheid geroepen, mijne broeders; maar gebruikt de vrijheid niet tot eene aanvuring der begeerlijkheid; dient elkander door de liefde des Geestes. ^

i) Gal. 5, 13.

ocr page 317

HOOFDSTUK LXY.

GEEST DER LOGEN.

Os, quod mentitur, occidit am in am.

iliif Sap- ^ quot;• -

ij hebt, o Heer, mijnen geest voor de waarheid ge-' schapen. Waarheid is zijn geneugt, waarheid zijn ' leven, waarheid alleen bevredigt hem.

ri Koop u waarheid, o kind, en wil niet de wijsheid verkoopen •).

„Schat de waarheid op heur rechten prijs, en streef voortdurend naar heur bezit. Neem slechts het ware aan, geloof slechts het ware: al uw streven zij op de waarheid gericht; oordeel eerst na grondig onderzoek der dingen; — dat is ware wijsheid. Hij, die anders handelt, misleidt zich-zelven, wordt te zijnen eigen opzichte een leugenaar.quot;

i) Spr. 23, 23.

20

ocr page 318

298

Maar ook anderen niets dan waarheid. Wie liegt verkoopt de wijsheid, geeft ze prijs, schat ze beneden heur waarde.

Zijt gij niet, o jongeling, het evenbeeld van God, die de waarheid-zelve is ? Deze gelijkvormigheid is uw heerlijkst sieraad; ontneem ze u-zelven niet door de logen. En mocht gij de onwaarheid in de rijkste gewaden kleeden, — zij betaamt u niet, zij verlaagt, zij misvormt u.

Er is een logen des harten, eene logen des inonds en eene logen der daad; denken, spreken en handelen kunnen in de logen hun oorsprong vinden, op logen berusten; de meest verbreide is de logen des inonds.

Schier elke leugen vindt hare oorzaak in de eigenliefde.

Wilt gij den menschen welgevallig zijn, — gij verlaagt u tot vleierij, gij spreekt over den naaste en tot den naaste anders, dan gij denkt in uw hart. Gij overdrijft, en siert uwe reden ter koste der waarheid.

Wilt gij u-zelven achting verwerven, — gij wendt hoedanigheden voor, welke gij niet bezit.

Wilt gij eene schuld verbergen en eene vernedering ontgaan, — gij verdraait de feiten en zoekt langs onwaarheid een uitweg.

Wilt gij u boven den naaste verheffen, — gij laat zijnen goeden eigenschappen geen recht wedervaren, vergroot zijne fouten, beschuldigt hem van andere, waaraan hij vreemd is; maar u-zelven plaatst gij op den voorgrond, u-zelven rechtvaardigt gij met verkrachting van de waarheid.

Br zijn menschen, die de leugenachtigheid aanzien als het meest verschoonbare aller gebreken; sommigen rekenen de logen zelfs tot een der noodzakelijkheden des levens! Zij noemen haar dan „staatkundequot;, voorzichtigheid enz.

Hoe echter denkt de rechtvaardige over de logen?

ocr page 319

299

De rechtvaardige verafschuwt elk leugenachtig woord l). Hij weet, hij is er van overtuigd, dat de mond, die leugentaal spreekt, de ziele doodt2). En deze overtuiging maakt hem onaantastbaar voor het zoo algemeen verbreide kwaad.

Hoe uitgestrekt is het rijk der logen! Altijd, overallogen; de waarheid wordt met goud betaald. Het kind liegt bijna reeds in de wieg, de knaap in de school, de jongeling onder zijne makkers, de volwassen man in de uitoefening van zijn beroep, de dienstbode, de arbeider, de koopman, de hooggeplaatste, de geringe. Er is geen waarheid meer op de aarde 3); zij is in vergetelheid geraakt4). Onze eeuw heeft slechts dit voor, dat de geslepenheid van den vorm en het vernis eener fijne beschaving de logen gemakkelijker doet verbergen.

Maar hoe denkt God, de Heef, Hij, wiens waarheid eeuwig duurt5), over de logen ? Hoe denkt hij over haar, trots den hoog gezwollen logenvloed, trots de meening eener bedorven wereld? Mijn gehemelte zal bedachtzaam de waarheid spreken, en de goddeloosheid is mijnen lippen een gruwel; in Mij is geen ongerechtigheid; booze wandel en een dubbele tonge worden door mij verafschuwd 6).

De Hoer heeft slechts ééne weegschaal, en dubbel gewicht kent Hij niet; eene bedrieglijke weegschaal is Hem een gruwel, en een zuiver gewicht zijn welgevallen '7).

En hierin gelijkt de waarli/jk rechtschapene zijnen God. Zooals hij denkt, spreekt hij; zijn woord is: ja, ja — neen, neen ; hij heeft gehoord, dat gezegd is: oog om oog en tand om tand 8).

Wel spreekt hij niet immer de geheele waarheid, wijl hij begrijpt, dat zwijgen te rechter tijde tvijsheid is; doch ivat hij zegt is, naar zijne meening, in zich en voor God zoo, als hij het zegt; zijne bedoeling is te eenenmale rein.

») Spr. 13, 5. ') Wijsh. 1, 11. ') Os. 4, 1. ') Is. 59, 15. s) Ps. 116. 2. ') Spr. 8, 7. 8, 13. ') Spr. 11, 1. ') Math. 5, 37

ocr page 320

300

En moet hij lijden om der waarheid wille, dan verheugt hij zich en toont een onuitputbaar geduld. Hij weet, dat eenmaal de waarheid, de zegevierende sownesiraaZ gelijk, zich baan zal breken, en dat zij, zoo niet vroeger, tenminste op den grooten dag van het wereldgericht zal worden erkend en hoog in eere verheven.

En mocht de waarheid offers vergen, — zijn niet juist deze offers de edelste, meest verdienstelijke? Daarentegen: door logen aanzien en rijkdom verwerven is nadeel, verlies, schande.

Weet gij, wie de vader der logen is? 1) Hoor: „Gij zult niet sterven, — gij zult als goden zijn,quot; 2) spreekt de slang tot Eva. „Dit alles wil ik u geven, wanneer gij nedervalt en mij aanbidt,quot; 3) spreekt satan tot Jesus.

Logen en nogmaals logen. Satan beliegt dengene, dien hij tot zonde bekoort.

Toen Lucifer uit den Hooge in den afgrond der hel werd neergeploft, nam hij zich voor, eeuwig te liegen en te misleiden, en door de logen den Schepper zijne eer te ontnemen, de schepselen van het doel huns bestaans af te wenden. Satan is in alles het tegendeel van God; God is waarheid, satan logen ■').

Welk eene verwantschap met satan ontstaat door de logen! welk eene deelname in zijne verworpenheid, in zijne woede om den mensch in het verderf te storten! —

Er zijn leugenaars uit overijling.

Er zijn leugenaars uit praatzucht.

Er zijn leugenaars uit gewoonte.

Er zijn leugenaars uit boosheid.

Er zijn leugenaars van beroep.

Zijn de eersten verschoonbaar, en strekken zij, wegens

4) 1 Joh. 5, 6.

3) Math. 4, 9.

!) Joh. 8, 44.

a) 1 Mos. 3, 4. 5.

ocr page 321

301

hunne oppervlakkigheid, het menschdom minder tot nadeel, dan tot oneer, — de laatsten maken, in den waren zin des woords, deel uit van die groote leugenaarsbende, wier hoofd de satan-zelve is en zijn in waarheid kinderen der logen, verachting en vloek van geheel de aarde overwaard.

Ja, de logen is God een afschuw; zij wordt gehaat door alle menschen, voor wie „eerquot; en .geweten' geene holle klanken zijn; de logen weerstreeft het doel, waarvoor God den mensch de gave der spraak heeft toebedeeld; de logen tracht, de maatschappij te verwoesten, door het wederzijdsche vertrouwen aan het wankelen te brengen.

De logen bederft ook het karakter en doet vreeselijk ontaarden. Of moet de gewoonte van leugentaal te spreken niet allengs tot dubbeltongigheid, bedrog en veinzerij voeren ? tot trouweloosheid, tot woordbreuk? tot schuldige bezweringen, tot vloek, tot meineed0 Doet zij geen wantrouwen tegen den naaste opvatten, wijl men zoo gaarne vooronderstelt, dat ook anderen met deze ondeugd zijn behept, dat ook anderen leugenaars zijn?

En toch — hoeveel jongelingen zijn er, wien de waarheid werkelijk dierbaar is? Van de zoo algemeene overdrijving, waarop bijna geen acht wordt geslagen, van de leugen uit scherts en de verontschuldiging, tegen de waarheid indruisend, geraakt menigeen schier ongemerkt tot zwaar-sondige leugens, — misschien tot laster en meineed.

Omzichtigheid in het spreken, oplettendheid op zich-zelven, een mannelijk, vast besluit, der waarheid in alles en immer getrouw te blijven — ziedaar de krachtigste middelen om eene aan de logen gewende tong te beteren.

Ja — vlucht de logen 2), o jongeling!

») Joh. 8, 44. !) Mos. 23, 7.

ocr page 322

302

Geef uw edel gemoed geene verderflijke richting, dring uwen geest niet eene onnatuurlijkheid op, waarvan hij gruwt.

Bid menigwerf; Houd ijdelheid en leugentaal verre van mij, o Heer! ') Gij hebt de waarheid lief en dringt er op aan, dat ze ook mij dierbaar zij. 2) O mocht ik behoedzaam genoeg wezen en moed genoeg bezitten, om nimmer meer van het pad der waarheid af te dwalen! 3;

') Ps. 118, 138.

3) Ps. 118, 30.

i) Spr. 30, 8.

ocr page 323

HOOFDSTUK LXVI.

GEEST DER LIEFDELOOSHEID.

Ori tuo facilo ostia et

seras.

Eccl. 28, 28. -

v B

iBJil e liefdeloosheid vindt bijwijlen haar oorsprong in een

I

CSv- uit de natuur hardvochtig gemoed. j]3'« Gewoonlijk echter ontstaat zij door hoogmoed, en 4quot; overschatting van zich-zelven.

'' Uitgebreide kennis, behendigheid, rijkdom, voorname

afkomst, lof en vleierij worden lichtelijk bronnen van eene ondeugd, die vooral den jongeling doet ontaarden, en hem ongeschikt maakt voor zijne latere betrekkingen tot ondergeschikten, gelijken, hoogergestelden.

Inmiddels draagt bij degenen, die zich in hoofdzaak met geestesarbeid onledig houden, ook deze bezigheid er toe bij om den geest der liefdeloosheid aan te kweeken en te versterken.

De begeerte, meer wetenschap dan anderen te bezitten.

ocr page 324

304

het verlangen, te schitteren en zich op den voorgrond te plaatsen, een zekere overwinnaarstrots, of wel afgunst, nijd, geheime verbittering tegen dezulken, wier arbeid met goeden uitslag wordt bekroond, ontstemmen het hart, maken het klein en ongevoelig, benevelen den blik, ontnemen der tong hare vriendelijkheid, der hand hare bereidwilligheid tot broederlijken steun en liefdevolle opoffering.

Eene andere bron is de tijdgcest-ze\f. De van de prilste jeugd af bevorderde zelfverheffing brengt wrange vruchten voort: vermetele oordeelen, geest van verzet, hardnekkigheid, bitterheid, opvliegendheid, hartstochtelijkheid. Zijns gelijken en zijne overheden daagt men zonder eenige bevoegdheid vóór den rechterstoel van zijn eigen verstand of onverstand ; de staf wordt gebroken; men oordeelt, men veracht den naaste, waant zich groot en edel en tot alles gerechtigd, wordt geheel zelfbewondering en zelfbetrouwen.

Argwaan, kwaaddenkendheid, kwaadsprekendheid, laster, bitterheid, spot, beleediging, haat, wrokzucht — vergiftigen tong en geest en hart.

Wij vergeten, dat de evenmensch hooger staat dan wij, daar hij den persoon van Christus voorstelt.

En beveelt ons niet de Zaligmaker, dat wij den naaste moeten beminnen, gelijk ons-zelven? ^

O moeilijk te bewaken poort! Ik ben genoodzaakt, haar dikwijls te openen, en hoe lichtelijk kunnen dan slechte woorden tegelijk met de goede ontsnappen!

Voorwaar: Wie niet zondigt door het ivoord, die is een volmaakt man! 2) Nu, plicht, welvoegelijkheid bevelen mii zoo vaak, te spreken; — hoe nauwkeurig moet ik zorg dragen, deze „poort' op den rechten tijd te openen, op den rechten tijd te sluiten!

t) Mare. 12, 31. 9) Jac. 3, 2.

ocr page 325

305

Is de bewaking niet aan godvreezende wachters, — wijsheid en met geloof vervulde liefde, - toevertrouwd, dan ontstaat verwarring, df,n ontsnapt wat niet ontsnappen mocht, — dan wordt de eer des naasten gekrenkt, dan wordt hetzaóxl der tweedracht gestrooid, dan ontstaan vijandelijkheden, dan wordt de wraakzucht opgewekt en aangevuurd.

O mijn God, hoe weinig scheen er mij tot dusverre aan gelegen, op mij-zelven het woord toe te passen: Wat gij niet wilt, dat u gebeure, doe dat ook anderen niet! ')

Hoe lichtvaardig en schuldig oordcel ik menigmaal over den medebroeder!

Hoe liefdeloos spreek ik over hem! Hij is schier alleen het voorwerp mijner gesprekken; niets, wat hem betreft, kan in mijn oog genade vinden; ik breng zijne minder prijzenswaardige eigenschappen aan het licht, en de goede stel ik boosaardig in de schaduw; het (joede wordt door mij kleiner, het kwade grootcr voorgesteld, dan het in waarheid is; verkeerde oogmerken worden toegedicht, edele bedoelingen verkeerd uitgelegd; het bedreven kwaad wordt met een ijver, eener betere zaak waardig, aan de groote klok gehangen, het niet gebeurde met stalen voorhoofd den naaste aangewreven.

En toch: De lasteraar is onder de menschen een gruwel! -)

En hoe moeilijk te herstellen, o mijn God, is gewoonlijk het nadeel, door lastertongen aangericht!

O menschenkinderen, wier tanden zijn als spiesen en pijlen, en wier tongen als scherpe zwaarden 3).

Heer, Gij alleen weet, hoe ongeneeslijk de wonden zijn, door die giftige wapenen geslagen!

Daarom, o mijn God, stel eene wacht vóór mijnen mond, bewaak de deur mijner lippen; laat nooit mijn hart zich neigen tot de woorden der boosheid 4).

quot;) Pob. 4, 16. ') Spr. 24, 9. ') Pa. 56, 5. ') Ps. 140, 3, 4.

ocr page 326

306

Geef mij kracht, opdat ik door den blik mijns afkeurens en door ernstige houding de liefdelooze tong tot zwijgen kunne brengen; want zoo wordt de laster verjaagd, gelijk de regeti door den noordenwind

Wordt reeds een dronk water, in uwen naam den naaste gereikt, met zoo groot eene mildheid door U vergolden 2), — hoe zoude ik dan geene aanspraak op uwe liefde en op belooning hebben, wanneer ik des naasten bedreigde eer schutse bied, of hem andere weldaden naar ziel en lichaam bewijs?

I) Spr. 25, 23.

') Matt. 10, 42.

ocr page 327

HOOFDSTUK LXVII.

DE ERGERNIS.

Ecce, peccatoros intonderunt arcum,paraveruiitsagittassuas . ia pharetra, ut sagittent in

fWamp;jlp obscuro rectos corde. Ps. 10. 3

r zijn menschen, die, niet tevreden zelf boos te zijn, anderen in hunne boosheid willen medesleuren. In de natuur der ondeugd ligt besloten, dat zij medeschuldigen zoekt, en hierin gelijkt de bedorven mensch op het wilde dier, dat hij bloeddorstig wordt en op roof uitgaat. En de welp is een jonge leemv geworden, en hij woonde met de leeuwen en leerde op roof gaan en menschen dooden en weduwen maken

Deze opzettelijke mededeeling der ondeugd van de zijde des zondaars wordt in engeren zin ergernis genoemd.

Hoe meer opzettelijk het oogmerk is, der ziel van anderen te schaden, des te duivelachtiger de ergernis.

i) Ex. 19, 6, 7.

ocr page 328

308

Ergernis geven, dit wil zeggen: zóó spreken, zóó handelen, dat anderen van het goede worden afgetrokken en tot het kwade heengevoerd.

Ergernis geven beteekent dus: verleiden, goeden slecht, slechten nog slechter maken.

Ergernis geven beduidt: eener ziel schaden, zich vergrijpen aan Gods eigendom.

Waarop heeft God meer recht, dan op 's menschen ziel? Hij is haar Schepper, haar Behouder, haar Verlosser, haar Heiligmaker.

Haar heeft Hij gevormd naar zijn evenbeeld, haar heeft Christus met zijn Bloed vrijgekocht, haar heeft de H. Geest in het Doopsel tot zijn tempel gewijd.

Ergernis geven beduidt: de ziel des naasten dooden, haar van het leven der genade berooven, haar in de hel storten.

Eene ziel dooden! Wat is al het lichamelijke, wat is de wereld met haren luister en hare schatten vergeleken bij ééne ziel!

Eene ziel dooden'. Haar dus alle verdiensten ontrooven, haar met onvruchtbaarheid slaan, haar den vrede ontrukken, haar overleveren aan die schrikkelijke hel, welke den onboetvaar dige verslindt op het oogenblik des doods, komende als een dief in den nacht ').

En deze moord is een sluipmoord, wijl de zielendooder gewoon is, in het verborgen te handelen, dikwijls geruimen tijd zijn slachtoffer beloert, alles vooruit overweegt, misschien zelfs gehuld in een schaapsvacht nadert. Zie, de zondaars hebben hunne bogen gespannen, zij houden hunne pijlen in den koker gereed, om in het duister de rechtvaardigen te treffen 2).

En zelden bepaalt zich deze moord bij één slachtoffer:

') Openb. 16, 15, •) Ps. 10, 3.

ocr page 329

309

Vaak worden de verleiden op hunne beurt verleiders, en zoo plant zich de misdaad voort, het moordstaal gaar. van hand tot hand, lijken stapelen zich op lijken, en geheel de aarde wordt één zondegraf.

En do verslagenen worden weggeworpen, en van hunne doode lichamen zal stank uitgaan, en de bergen zullen smelten van hun bloed

Doch — wee den moordenaars! Wee den mensch, door wien de ergernis komt! beter ware het hem, met een molensteen aan den hals in de diepte der zee geworpen te worden. 1)

Ergernis geven is derhalve het werk des duivels; want de duivel is de moordenaar van den beginne 3).

Hoe groot een s67?e/ms^lt;A-/'s Heeren schepping vernietigen! het Verlossingswerk onvruchtbaar maken! den H. Geest in de werkingen zijner gratie hinderen! eene ziel ten verderve wijden! een broeder dooden!

Hoe, een man vervolgt zijnen broeder ?

Het bloed uws broeders Abel schreit om wraak ten Hemel!8)

En Jesus' dierbaar Bloed? Wanneer gij tegen uwe broeders zondigt en hun zwak geweten wondt, dan zondigt gij tegen Christus-zelven. — Een broeder in het verderf storten, dien Jesus door zijn Bloed heeft vrijgekocht! 6)

Welk een .gruwel! In stede van boete te doen voor mijne eigen zware en talrijke misdaden; in stede van mijne eigeir diepe zielewonden te reinigen en te genezen, doop ik mijne hand in vreemd bloed, maak anderen tot zondaars!

En op de stervenssponde — welke herinneringen!

En bij het oordeel!— Zijn bloed vorder ik van uwe hand! 7)

En in de hel — wolf en lam, verleider en verleider! Wee u, die verwoest: verwoest zult gij worden! s)

1

•) 1 Oor. 8, 12. ') Ez. 3, 18. 8) Is. 33, 1,

ocr page 330

310

Wee hun; want zij zijn den weg Kaïns ingegaan! 1)

En — hoe moeilijk is het, de gegeven ergernis te herstellen! Het gif is doorgedrongen in de meest verborgen aderen: wie kan, wie zal het daaruit verwijderen?

En toch — ziel voor ziel 2).

O bid, bid, dat God u vergeve, dat Hij de ziel, door u vermoord, weder opwekke!

Bid en werk nu in tegenovergestelden zin: red zielen, breng verdwaalden op den goeden iceg terug — door woord, door voorbeeld; werk aan de uitbreiding van het goede, wees een Apostel des Hemels, bevolk de heilige Stede Gods!

Zie wel toe, dat gij niemand ergeret: Er is boosheid genoeg op de aarde, zuchtend onder des Eeuwigen vloek. Er zijn menschen genoeg, die van hunne bestemming afdwalen, hun laatste doel en einde niet bereiken; vermeerder niet het getal dier rampzaligen, en stort niet u-zelven voor eeuwig in het ongeluk. Spreek veeleer: Den overtreders zal ik uwe wegen leeren, en de zondaars zullen zich tot TJ bekeeren 3).

O jongeling, — door het leven te gaan en het bewustzijn met zich om te dragen, in den hartstocht der jeugd eenmaal eene ziel te hebben vermoord, haar in de ondeugd te hebben onderwezen, haar in de macht der onzuiverheid geleverd of van den godsdienst vervreemd te hebben, — de menschheid, het huisgezin, den staat, de Kerk op deze wijze benadeel 1 te hebben, — welk een bittere smart, welk een knagend verwijt! Bespaar u dat zedelijke lijden, die vreeselijke verantwoordelijkheid !

Inmiddels, moget gij ook voor wat u-zelven betreft tegen de wolven op uwe hoede zijn.

Liggen de schatten van geloof en zeden u na aan het hart, ivees dan voorzichtig.

1

Jud. 11. ■') 3 Mos. 24, 18. ») Ps. 50, 15.

ocr page 331

311

Uitingen van ongodsdienstigheid, wulpsche reden, driestheid, indringendheid of listige vleierij, zinnelijke vertrouw-lijkheid, geheimzinnigheid en zucht naar afzondering verraden den wolf. Ontwijk hem, vlucht; kunt gij dit niet, zoek dan hulp, roep den herder, stel u te weer.

Gelijk de wolf bijwijlen het lam nadert, zoo de zondaar den rechtvaardige. Doch wat heeft de zuivere met den hond gemeens? ')

') Eixl. 13, 21, 22.

ocr page 332

HOOFDSTUK LXVIII.

MISBRUIK VAN DE SACRAMENTEN.

Ideo inter vos multi infirmi et, imbecilles, et dormiunt multi.

1 Cor. 11, 30.-

et is geenszins hetzelfde, uit de Sacramenten niet de volheid van het nut te trekken, dat zij kunnen ^ mededeelen, en ze te misbruiken, te schenden, j De H. Sacramenten der Biecht en des Altaars zijn, uit hunne natuur, bronnen van onschatbaren zegen. Naar mate het vat, waarmede men tot die Sacramenten nadert, groot er of kleiner is, naar mate men zich meer of minder beijvert, den inhoud te bewaren, put men rijkere of geringere genaden, heeft langoren of korteren tijd genot van hetgeen men putte.

Wel-is-waar kan niet de duur der voorbereiding worden aangezien als maatstaf van het te verkrijgen nut, want het komt hier veeleer aan op den geest, op het verlangen, op

ocr page 333

313

de innerlijke gesteltenis; — maar toch waarschuwt ons dringend de heiligheid van het Sacrament en het onmetelijk hooge belang der zaak tegen haast en overijling.

Oppervlakkigheid zou vooral ten opzichte eener zoo heilige handeling laakbaar wezen.

Het hart blijft ongevoelig; de dauw kan niet doordringen, de bodem blijft droog en hard; hoe is dan gedijen mogelijk?

Hier vooral geldt het woord: Wat gij ook doen moogt, doe het goed, — dat wil zeggen: doe er uw best op, verricht het met vlijt, met zorgvuldigheid, breng het met ernst ten einde.

Zeer nadeelig werken ook eene gebrekkige dankzegging en te weinig ijver na ontvangst der Sacramenten; nadeelig in het bijzonder haast en zucht naar verstrooiing.

Helaas! de verzamelde warmte ontsnapt zoo spoedig; opent gij echter deuren en vensters en verleent gij der ruwe buitenlucht toegang, dan is zij in een oogwenk verdwenen, en de binnendringende koude laat zich meer gevoelen, werkt nadeeliger, naar mate de overgang schielijker is.

O — dat wij de gave Gods kenden! ') dat wij doordrongen waren van de grootheid der liefde, die ons, vooral in het aanbiddelijk Sacrament des Altaars, wordt bewezen; dat wij op den rechten prijs konden schatten de waardij dier genademiddelen ; dat wij begrepen, welk een invloed het dikwijls en waardig ontvangen der H. Sacramenten uitoefent op onzen voortgang in de volmaaktheid, op de mate van ons eeuwig geluk!____

Maar ach, het mangelt ons aan waardeering, aan hoogschatting; het mangelt ons aan liefde en innigheid.

Het vuur verwarmt niet, het licht verbreekt niet de duisternis, de artsenij geneest niet, de overvloed schenkt geen rijkdom, de kracht sterkt niet.

') Joh. 4, 10

21

ocr page 334

314

Het aardsche brood, hoe grof en zinnelijk het zijn moge, werkt krachtiger in op ons lichaam, dan dit hemelsche brood op onze ziel. Wij eten het levenlooze brood van stof en aarde, en ons lichaam gedijt, wordt sterk en lenig, trotseert krankheid en dood; en het i?roocZ d«s Xecews ontvangen wij, nemen in ons op den Heiland en God-Mensch, met de volheid dei-macht van zijne Godheid, met al de verdiensten en schatten zijner heilige Menschheid, — en onze geest blijft stijf, verlamd, blind, onze wil aardsch, zwak, laf, machteloos!

Hoe dikwijls, mijn jongeling, hebt gij reeds gebiecht en gecommuniceerd ?

Is uw hart reinerquot;? uw ijver vurig erquot;? uw wil sterker ? uwe betering duurzamer?

Staat de wasdom van uw zielsleven in verhouding tot het getal uwer biechten en communiën?

Zie wel toe, dat ook in betrekking tot deze bij uitstek heilige dingen uwe lichtzinnigheid niet veel bederve! — Een haastig onderzoek, een haastig berouw, eene haastige beschuldiging, eene haastige dankzegging, eene haastige penitentie; weinig ingetogenheid tusschen Biecht en Communie; haast vóór de communie, verstrooidheid bij de communie, haast na de communie, geen zweem van ingetogenheid op de commu-niedagen, — o dierbare, wat zal er van uwe ziel geworden, als gij u geen tijd gunt, geene moeite getroost, om haar deze geestelijke spijzen behoorlijk aan te bieden, wanneer gij dezelve niet voegzaam geniet, en u de noodige rust onttrekt om ^e te laten gedijen?

Maar erger, oneindig veel erger is het onwaardig ontvangen van het hoogheilige Autaarsacrament. Deze gruwel is oorzaak, dat zoovelen onder ons krank en zwak zijn, dat zoovelen den slaap des doods slapen ').

') 1 Oor 11, 30.

ocr page 335

315

En komt die rechtstreekache aanslag tegen de Godheid zelden onder jongelingen voor?

Ach, zie, hoe bij menigeen alles uit dwang, of ten minste uit menschelijk opzicht geschiedt! Geene hoogachting, geene liefde, geen verlangen, — en daarom ook geene zorgvuldigheid, geen ijver, geene vurigheid.

En die achteloosheid wordt straks onverschilligheid, miskenning, misschien verachting.

Wie met het bewustzijn, eene doodzonde begaan en niet waardig gebiecht te hebben, tot de Tafel des Heeren nadert, die vergrijpt zich aan den Zaligmaker; want hij bejegent diens allerheiligste Vleesch en Bloed als eene gemeene spijze, en eet en drinkt zich-zelven het oordeel

Hebt gij uit schuldige nalatigheid eene doodzonde niet gebiecht; hebt gij opzettelijk, uit valsche schaamte of boozen wil, in de Biecht eene doodzonde verzwegen, en treedt gij in dien toestand van een geestelijken dood ten Engelendisch. dan verdubbelt, dan vermenigvuldigt zich uw dood.

Het H. Sacrament des Altaars is een Sacrament der levenden. Het is een voedsel, en voedsel kan geen lijken baten.

Eene onwaardige communie, — welk een gruwel

Den Zaligmaker, den Reinste, dwingen, in ons bezoedeld harte neer te dalen!

Is de rechtstreeksche godslastering, in zich beschouwd, de zwaarste aller zonden, en bekleedt de misdaad der joden, die Christus hebben gekruisigd, de eerste plaats in de rij der groote vergrijpen, — onmiddellijk daarbij sluit zich de gruwel der onwaardige communie aan, waardoor de verhor-gen God wordt mishandeld en onteerd.

') 1 Cor. 11, 29.

ocr page 336

316

God wil, dat al hel heilige in eere gehouden worde, — zelfs kleederen, vaten, gebouwen, aan den eeredienst gewijd. En Hij-zelf spreekt: Werp den honden het heilige niet voor 1).

En wat is heiliger, dan dit allerheiligste Sacrament, het doel, de som van alle overige Sacramenten?

Wat is heiliger, dan het Lichaam, het Bloed van Jesus, den Allerheiligste, van Hem, die thans glorievol aan de zijde zijns eeuwigen Vaders troont, van Hem, die eenmaal levenden en dooden zal komen oordeelen? En wat heeft Christus met Belial gemeens ? 2)

En verraad en huichelarij smeden saam met het misbruik. Het masker der vriendschap wordt voorgedaan; men nadert gelijk Judas. De schijn der vroomheid moet de ondeugd, gehuichelde eerbied den trots, een vriendelijk gelaat den aanslag verbergen.

En zoo wordt dan den liefdevollen Heiland zijne overgroote mildheid met den zwartsten ondank vergolden. Volk, mijn volk, wat heb Ik u gedaan, — o antwoord Mij 3)! O mijn uitverkoren wijnstok, hoe zijt ge Mij veranderd 4), hoe bitter zijn uwe vruchten! Aan een Barabbas geeft gij boven Mij de voorkeur, en Mij, uw Heiland, kruisigt gij!

O schrikkelijke daad! bij de reeds bedreven zonden voegt hij, die onwaardig communiceert, eene nieuwe en nog zwaardere: de mensch vergrijpt zich aan den Heer, het schepsel aan den Schepper, de verloste aan den Verlosser; en de artsenij verkeert in gif; de zegen in vloek, het bloed der verzoening • in het bloed der wrake; de heiligschenner eet zijn eigen Rechter en daarmede zijn eigen oordeel 5), zijne eigen verdoemenis.

Kan het bevreemding wekken, dat de Heer Zich van zulk

■) Matt. V, 6. *) 2 Oor. 6, 15. Mich. 0, 3. «) Jer. 2, 21. 5) 1 Oor. 11.29.

ocr page 337

317

een misdadige verwijdert? Immers, hij heeft niet slechts de genade, maar ook den Schenker en Oorsprong van genade en leven misbruikt, onteerd, met voeten getreden

En het hart wordt, tengevolge der heiligschennis, altijd onverschilliger, harder, kouder, ten opzichte van al het goddelijke.

Heeft men zoo iets eenmaal gedaan, waarom dan niet een tweede, een derde maal? waarom niet meniywerf?

En de verblindheid wordt erger, en de verstoktheid neemt toe; inwendig de stilte des doods, uitwendig huichelarij; de ziel vergiftigd, de menschen bedrogen. God verraden.

En niet slechts geestelijke ziekte, geestelijke zwakte, de dood der ziel zijn de onvermijdelijke gevolgen der onwaardige Communie : dikwijls zijn een vreeselijk godsgericht, lichamelijk lijden, een onvoorziene, ellendige dood de voorboden der wrake Gods, die aan de overzijde van het graf den vermetelen schender zijner eere nog oneindig zwaarder zal treffen.

Zoude het mogelijk zijn, dat gij, nog zoo jong, u aan zulk eene afgrijselijke misdaad kondt plichtig maken? — O jongeling, welk eene toekomst 1

Wilt gij dan u-zelven ongenaakbaar maken voor al het goede, hooge, edele, daar gij met het laagste, het afschuwelijkste begint?

O — is de liefde tot den Christus uit uw jeugdig hart geweken, is het dermate van Hem vervreemd, dat gij Hem kunt verraden — in koelen bloede, met voorbedachtheid, — tot welke andere dingen zijt gij dan niet in staat?

Vriend, verraadt gij met eenen kus den Zoon des menschen? 2) — Dat heeft uw Verlosser niet aan u verdiend!

Wilt gij u de moeite niet geven, den 'Reinste der reinen in uw hart eene reine plaats te bereiden, noodig Hem dan liever niet uit, tot u te komen.

') Hand. 3, 15. a) Luc. 22. 48.

ocr page 338

318

Wees oprecht; spreek niet: Ik ben niet waardig, dat Gij kornet onder mijn dak — maar: Ik wil mij niet waardig maken. Dan krenkt wel-is-waar uwe koudheid den Zaligmaker, maar dan ontwijdt tenminste uwe vermetelheid het heiligste niet.

0 geduldige Jesus! hoe teeder moet uwe liefde jegens uwe uitverkorenen zijn, daar gij te hunner wille een Sacrament hebt ingesteld, waarin den slechten menschen zoo ruimschoots gelegenheid wordt geboden, U op de snoodste wijze te belee-digen, U zoo wreed te mishandelen!

') Math. 8, 8.

ocr page 339

HOOFDSTUK LXIX.

HET MBNSCHELIJK OPZICHT.

Qui me erubuerit et meos sermones, hunc Filius homi-nis erubescet.

ïLquot; Luc. 9, 26,-

el beschouwd heeft men zich slechts over één ding te schamen: over het kivaad. Kwaad te bedrijven, kwaad te hebben bedreven — hierover moet men schaamte gevoelen.

Doch helaas! dikwijls schaamt zich de mensch over het tegendeel: het kwaad te vermijden, het goede te doen De gedachte, misschien door anderen bespot en gelaakt te worden, verontrust hem; hij geraakt in verwarring, wordt vreesachtig, handelt in strijdt met zijne betere overtuiging; de neiging tot het goede wordt moedwillig verstikt, de gelegenheid daartoe gaat voorbij — men is overwonnen: geweten, deugd, God zijn prijs gegeven.

Jongelieden vervallen gemakkelijker dan anderen in die

ocr page 340

320

valsche schaamte, in die dwaze vrees, en wel te dezer oor-zake, dat hunne verbeeldingskracht zooveel vermag en hun gemoed voor alle indrukken zoo ontvankelijk is.

Hoeveel bekeeringen, van het kwade tot het goede, van het goede tot het betere, worden door het menschelijk opzicht verhinderd! Hoeveel kwaad wordt er door veroorzaakt, hoeveel goed verijdeld!

Wat zal men van mij denken? wat zal men daarvan zeggen? Men zal mij bespotten, voor een dweper of huichelaar aanzien. Hoe kan ik mij van dezen of genen scheiden, mij van dit of dat onthouden! men zal het mij kwalijk nemen, het zal in 't oog loopenl

De geheele wereld is vol van zulke slaven, en menigwerf zijn juist degenen, die onvermoeid met het woord „onafhankelijkheidquot; schermen, de meest willooze knechten des tyrans.

Eer, — misbruikt woord! Bestaat zij in laffe toegevendheid ? in onbetamelijke voorkomenheid? in het opofferen van datgene, wat men innerlijk als goed en rechtvaardig, als nuttig en zelfs noodzakelijk beschouwt? in het prijsgeven van zijne eigen, ware overtuiging?

Kan hij, die zich-zelven uit vrees verloochent, nog roemen op „eerquot; ? Heeft hij, die voor een schertswoord, een lachje, eene kwetsende uitdrukking op de vlucht slaat, een juist begrip van de „eerquot; ?

Lafaard, — want dat zijt ge, en daarvoor houden u zelfs degenen, voor wie gij zwicht, — lafaard, waarom laat gij u zoo verdrukken?

Zijn die personen, wier meening gij zoozeer schroomt, uit kracht der natuur uwe heeren en gebieders?

God alleen is uit kracht der natuur uw heer en gebieder. Hij schonk u het leven; Hij kan het u ontnemen, wanneer Hij wil. Hij zal eenmaal uw Rechter wezen, niet zij. Zijn

ocr page 341

321

welbehagen moet bij u zwaarder wegen, dan alle menschelvjke ongenade.

Laat u geen vrees aanjagen door dezulken, die wel hét-lichaam kunnen dooden, doch wier macht niet verder reikt. Ik zal u toonen, wien gij vreezen zult: vreest Dengene, die, nadat Hij gedood heeft, ook de macht bezit, in de hel te werpen: ja, ik zeg u, vreest dien! ^

En welk een onrecht zoudt gij den Heer aandoen, wanneer gij Hem bij de menschen achtersteldet! Hoe? gij schaamtu over God?

En toch — wat is eervoller, dan God dienen, getrouwelijk zijn wil vervullen ? Is Hij niet de Koning des Hemels en der aarde? Is Hij niet de Schoonste, Beste, Hoogste?

En helaas! — wanneer God Zich eenmaal schaamt over u? Wanneer Hij u, ten dage des oordeels, in uwe verworpenheid laat vergaan ? wanneer Hij dan u verloochent, zooals gij Hem thans verloochent? wanneer Hij u van Zich stoot?

Wanneer iemand zich Mijner of mijner woorden schaamt, dan zal ik Mij, ten dage des oordeels, zijner schamen,2) spreekt de Heer; — en Hij zal woord houden.

En voor luien schaamt gij u dan?

Zijn het goeden, deugdzamen? Zijn het degenen, die eens met de Heiligen des Hemels zullen komen en zetelen, om de wereld te oordeelen?

Zijn het geene zondaars, booswichten, bedorven lieden, dwazen, die gij vreest? O zeker — divazen! Het is, getuigt de H. Schrift, den dwazen een gruwel, van het kwade af te wijken. 3) O zeker — zondaars! De zondaar haat den dienst Gods. 4) En verder: „Wie den rechten weg bewandelt en

2) LUC. 9, 26 4) Eccl. 1, 32.

') Luc. 12, 5. ') Spr. 13, 19.

ocr page 342

322

God vreest wordt veracht door dengene, die den schandelijken weg der zonde heeft gekozen.quot;

Zijt gij zoo uitermate gevoelig voor het menschelijk bedunken, waarom streeft gij dan niet naar de hoogachting en den lof van de gojden P

En waarom schroomt gij ? is dan de deugd iets schandelijks ? Wat heeft waarde, tenzij de deugd, en de deugd alleen?

Rijkdom vergaat, de eer is onbestendig, vermaak en geneugt zijn van zoo korten duur; maar de deugd, kostbaar in zich, hooggeschat door den Eeuwige, beoefend door het beste deel des menschdoms, zelfs voor de slechten een voorwerp van nijd, — de deugd blvjft, vergezelt hare getrouwen naar de overzijde des grafs, kroont en wordt gekroond, heerscht in eeuwigheid.

Schaamt gij u dan over uwe natuur, over uw wezen, over uwe bestemming? Ongehoord! Schaamt zich de vogel over zijne vlucht, de visch over zijn verblijf in de wateren? En is niet 's Heeren dienst uwe natuur, uw element, uw doel en einde ? Vrees God en onderhoud zijne geboden; want dat is ieder mensch, dat is de geheele mensch.

Gij vreest, voor een zonderling door te gaan?

Niet zonderling willen zijn in den zin der boozen, dat beduidt; de deugd opofferen.

Gij bewandelt niet den breeden iveg, en daarom zijt ge een „zonderlingquot;; gij koost het smalle pad, gij zoekt de enge poort, — gij zondert u van de groote menigte af, gij moet u afzonderen.

O blijf een zonderling! De zonderlingen gaan den Hemel binnen, de alledaagschen blijven er buiten.

Spreek, goede jongeling: waarom zoudt gij de meening en

i) Eccl. 12, 13.

ocr page 343

323

het gedrag van sommige makkers tot richtsnoer uwer handelingen nemen? prijzen wat zyj prijzen, — gispen wat zij gispen, — handelen gelijk zvj handelen ? Ziet gij hen niet in breede scharen voortijlen op den gemakkelijken weg van zingenot en menigvuldig kwaad?

O neen, gij zult medelijden met u-zelven hebben, gij zult u-zelven weten te eerbiedigen. Immers, gij hebt een getveten, gij hebt beginselen, wortelend in de heilige leere des Evangelies; handel overeenkomstig die beginselen, en vraag niet naar andere.

Het is tijd, dat gij een man wordet. Gij spreekt en droomt zooveel over „onafhankelijkheidquot;; — waar is zij ?

ocr page 344

HOOFDSTUK LXX.

NADEELEN VAN HET MENSCHELIJK OPZICHT.

Qui timet hominem, cito corruet.

Spr. 29, 25.

ie de menschen vreest komt snel ten val. ')

menschelijk opzicht is al onzen plichten even schadelijk.

'quot;J J \

'Y De plichten jegens God worden verzuimd.

a De uitwendige eeredienst van God blijft achterwege

of wordt tenminste niet verricht met dien eerbied, waarop Gods Majesteit onbetwistbare rechten doet gelden.

Zie dien jongeling: hij schaamt zich, vóór en na den maaltijd te bidden, in de kerk de knie te buigen, het heilig Kruis -teeken te maken, gewijd water te nemen, beelden der Heiligen, God-gewijden personen en zaken eerbied te bewijzen;

1) Spr. 29, 25.

ocr page 345

325

in de kerk en bij het gebed eene vrome, bescheidene, oor-moedige houding aan te nemen.

Was ik alleen, misschien zoude ik het doen; — maar, — hemel! ik wil niet uitgelachen worden 1

En waarom ziet men u zoo zelden bij den biechtstoel ? aan de Tafel des Heeren?

Wellicht doet zich de behoefte gevoelen; maar — de menschen! Men zal mij een dweper, misschien een huichelaar noemen!

Maar, o dierbare jongeling, zal deze aanvankelijk gekunstelde onverschilligheid niet eens tot uw hart doordringen?

Wat zal uwe arme ziel geworden, wanneer gij verzuimt, dikwijls uw hart te reinigen, het te versterken met eene goddelijke spijze ?

Eampzalige verblindheid ! Men schaamt zich niet, menschen eer te bewijzen, vriendelijk, beleefd, voorkomend te zijn, in hulpvaardigheid te wedijveren; men schaamt zich niet, door spijs en drank, door rust en uitspanning in de behoeften des lichaams te voorzien; maar gij, arme ziel, kunt gebrek lijden, moet het Hemelbrood derven, omdat — niet zoozeer eene vervolging, dan wel een spottend woord, eene scherpe toespeling mij anders zoude wachten; Gij, o mijn God, moet U tevreden stellen met eene, voor het oog der menschen verborgen hulde, omdat — het edelmoedigheid vereischt, zich frank en vrij voor U te verklaren.

En gij, o heilige Biecht, — wat zult gij moeten lijden, als men u in tegenwoordigheid van zulk een laf jongeling aanvalt ! Men bespot u; hij zwijgt. Men belastert u ; hij zwijgt. Men beschimpt u; hij zwijgt. Vooroordeelen van alle slag worden opgerakeld; hij zwijgt. De priesterlijke staat wordt met slijk geworpen, vrome gebruiken als lafheid en onnoo-zelheid gebrandmerkt; men verdraait de feiten en smeedt

ocr page 346

326

leugens; en hij, hij heeft geen woord ter verdediging; hij is plotseling onwetend geworden, hyj zwijgt. Ach! hoe dikwerf hoont hij mede, lastert mede, werpt ook hij met steenen.

Biecht, aflaten, pausdom, celibaat, kerkelijke orden, bedevaarten, oefeningen van godsvrucht, — alles kan men vrij in zijne tegenwoordigheid aantasten: sinds lang heeft het menschelijk opzicht den lafaard onhvapend; ja, hij-zelf wordt aanvaller en slaat, o gruwel, zijne eigen Moeder.

Hij schijnt nog slechts te wachten op de gelegenheid, te kunnen vragen: wat geeft ge mij. en ik zal ze u overleveren ') — mijn geloof, mijn godsdienst, mijne Kerk, mijn Heiland ?......

O welk eene lage handelwijze! welk eene karakterloosheid! Leven wij nog in de tijden van Nero, van Diocletianus, van Julianus? Gloeien nog de roosters? brullen nog de leeuwen? flikkeren nog de zwaarden ? huilen nog de woedende volksmassa's ?

Hoe verachtelijk ! Mijn Verlosser schaamt zich niet, beroofd van zijne kleederen, gehoond, verlaten, tusschen twee moordenaars, bij helder daglicht, met het aangezicht naar Jerusalem gekeerd voor mij aan het kruis te hangen — en ik waag het niet, Hem openlijk het geringste bewijs van liefde te geven!

De Kerk schaamt zich niet, voor mij, hardnekkige, zorg te dragen, mij van de wieg tot aan het graf met hare moederlijke zegeningen te vergezellen, mij zelfs nog als zondaar en verloren zoon den eerenaam van christen te laten, -— mij, onzuivere, hare reine hand te bieden, mij den kus der verzoening te geven; en over mijne lippen komt niet één woord tot verdediging harer rechten, harer waardigheid, harer

') Math. 26, 15.

ocr page 347

327

eer, barer grootheid en schoonheid. — Ik heb kinderen gevoed en opgekweekt, doch zij hebben mij verloochent! — *)

Niet minder nadeel berokkent den naaste het menschelijk opzicht.

Geldt het hoogergestelden? Uit menschelijk opzicht stemt men in met het dwaze vrijheidsgeschreeuw. Zelfs diegenen bejegent men onrechtvaardig, wien men alles verschuldigd is.

En de leeraren! Hen verschoont noch de venijnige tong, noch de van anderen geleerde ruwheid. Zij plagen, miskennen, hebben „hunne lievelingenquot;; hun in niets gerechtigheid doen wedervaren, dit behoort tot den goeden toon. Zich buigen, toegeven, gehoorzaam zijn, dit ware schande. Over alles medepraten, alles vóór den rechterstoel van zijn eigen verstand ter verantwoording roepen, van alles het „waaromquot; willen weten, dit behoort tot den tijdgeest, dit bewijst, dat men een kind der eeuw is; — wie zal het wagen, anders te denken, anders te handelen?

Ongevoeligheid en minachting ten opzichte van gelijkgesteld,en] hardvochtigheid, overmoed, heerschzuchtig optreden tegenover jongeren en minderen, — alles vruchten van een walgelijk egoïsmus, — gelden bijna als deugden. Dat is „zelfbewustheid, „vastheid van karakterquot;, „mannelijkheid.quot;

Geldt het beginselenquot;? De meest losse vormen de meerderheid; zij worden gehuldigd. Welke begrippen van eer! Wraak, duel, zelfmoord — geoorloofde of ten minste verschoonbare handelingen. Welke begrippen van zedelvjkheid! Men vermijde alleen het ergste, men hoede zich voor opspraak en publiciteit, - wat betreft het overige „moet men rekening houden met de menschelijke zwakheid: wij zijn immers geene engelenquot; !

•) Is. i, 2.

ocr page 348

328

En hier wordt een dubbelzinnig woord gesproken; men zwijgt. Ginds hoort men wulpsche taal; geen blijk van afkeuring. Eene godslastering komt over de lippen; men lacht. Om niet als „kinderachtigquot; te worden aangezien, stemt men, vaak luide, in met die laffe gemeenheden, betuigt bijval, doet het zijne er bij; ja, men wedijvert schier met de ruwsten in onzuiverheid, en verwerft zich daardoor bij die jonge verwilderden, bij die verachtelijke slaven van het zingenot de treurige vermaardheid, een goed „Gesellschafterquot; te zijn, — een jonkman, die weet te leven, die leeft en laat leven, — een vrijzinnige, een levenslustige.

Men deelt hunne zienswijze omtrent deugd en ondeugd. Dronkenschap — vergeeflijk; lediggang — noodzakelijke ontspanning; eindeloos, hartstochtelijk spel — tijdverdrijf; het lezen van zinnelijke boeken — beschaving, wereldkennis; verkwisting — vrijgevigheid; ijdelheid en praalzucht — fatsoen; vleierij — beleefdheid; logen — voorzichtigheid; onbillijkheid — slimme berekening.

O — wee u, die het kwade goed en het goede kwaad noemt, die duisternis tot licht en licht tot duisternis stelt, voor wie het bittere zoet en het zoete bitter is ') ■— om der menschen wille!

De slaaf van het menschelijk opzicht gelijkt den marionetten, die willoos alle bewegingen uitvoeren, welke men haar oplegt.

Ellendige rol, — vooral eens jongelings onwaardig, die zijn edel hoofd hooger moest dragen en niet het brandmerk dulden van eene den mensch onteerende slavernij!

Wordt gij door uwo makkers bespot, omdat gij de plichten van uw staat in trouwe naleeft? omdat gij studeert, ar-

ï) Is. 5, 20.

ocr page 349

329

beidt, uwen tijd nuttig besteedt? Zoo ja, antwoord: Ik weei. wat. ik te doen heb.

Lokken zij u tot drinkgelagen, tot gevaarlijke vermaken? Spreek: Ik wil niet.

Dringen zij er op aan, dat gij hun de oorzaak van de betering uws levens mededeelet? Zeg: Dat gaat mij aan.

Spotten zij met de verandering in uwe zienswijze? Laat hen begaan: stompe pijlen deren niet.

Lachen zij over de gevoeligheid uws gewetens? Betreur hunne geivetenloosheid.

Wederleg hen, waar het noodzakelijk is; hier betaamt u een krachtig optreden, hier is eene kloek verweer van noode, hier is fierheid op hare plaats.

Het ergste, wat u kon wedervaren, zou hier het beste zijn : dat zulke menschen u verlieten, zich voor altoos van u afkeerden.

Welk een geluk, van zulke ,vriendenquot; verlost te zijn, en eindelijk weder vrij te kunnen ademen:

Mijne banden hebt gij verbroken, o Heer! thans wil ik u een offer des lofs en der dankzegging brengen ■), — thans wil ik U dienen, zooals ik moet, thans u beminnen, zoo vurig ik kan; thans mij laten geleiden door uw heilige weese, zooals het behoort te zijn.

') Ps. 115, 1G.

22

ocr page 350

HOOFDSTUK LXXI.

DE SLECHTE GELEGENHEDEN.

Qui amat periculum. in Ulo peribit.

Eccl. 3. 27.

|f ruchteloos zoudt gij u van de boosheid der verschillende ondeugden doordringen, vruchteloos zoudt gij een afschuw tegen dezelve opvatten, wanneer gij niet tevens de gelegenheden vermeedt.

Echter is het u niet mogelijk, elk gevaar der zonde te ontwijken; want de wereld is vol strikken, ') en de ergste gevaren — het vleesch, de hartstochten — draagt gij met u en in a om. Doch zeer velen gelegenheden om kwaad te bedrijven kunt gij u gemakkelijk onttrekken.

De gelegenheden tot zondigen zijn menigvuldig, en ontstaan

') 1 Joh. 5, 19.

ocr page 351

331

uit de individueele levensomstandigheden; schier elke mensch, elke leeftijd, elke staat heeft zijne eigen gevaren.

Door „naaste gelegenheidquot; verstaat men de uitwendige, oorzaken, waardoor iemand gewoonlijk tot val komt, zij het ten gevolge der eigen zwakheid, zij het door de macht van het geiveld, waarmede zij op hem inwerken.

Voor genen is het eene zekere plaats, voor dezen een zeker persoon, die hem schier telken male doet zondigen; voor een ander is het eene bezigheid, of een vermaak, of een spel, een boek of dergelijke.

Het eerste van alle voornemens, die ik verplicht ben, te maken, wanneer ik mij oprecht tot God wil bekeeren en mijne bekeering wil bevestigen, is, zulk een naaste gelegenheid met ernst te mijden. Doet gij zulks niet, dan kan van eene ware, duurzame bekeering geen sprake zijn.

In de naaste gelegenheid kan ik weder tot val komen en zondigen. — Ben ik niet meer de oude mensch, dezelfde zwakke, gebrekkeliike mensch van vroeger? Heeft de mogelijkheid opgehouden te bestaan, omdat mijn wil zich een oogenblik ten goede heeft geneigd?

In de naaste gelegenheid zal ik, waarschijnlijk, weder vallen; Wie het gevaar bemint zal er in vergaan, 1) — en ik bemin dat gevaar, hetwelk door mij niet wordt gemeden, hoewel ik het kan en moet mijden.

In de naaste gelegenheid moet ik, om zoo te spreken, weder tot val komen. Daag ik niet, als 't ware, de zonde uit? tart ik niet God-zei ven, mij zijne genade te onttrekken? Of is het 's Heeren plicht, mij buitengewone en daarom voldoende gratiën te schenken, omdat het mij goed dunkt, vermetel te zijn, en mij vrijwillig in die gelegenheden te begeven, waarin de ge -

•) Eed. 3, 27.

ocr page 352

332

wone gratiën niet toereikend zijn om mi] staande te houden?

Gi] zult God, uwen Heer, niet versoeken; ') gij zult Hem niet den plicht willen opleggen, iconderen van genade aan u wrochten. En zulks doet gij, u in de naaste gelegenheid begevende.

Daarin ontwaken, met nieuwe kracht bezield, de slechte neigingen; de oude gewoonten nemen weder de overhand, de vroegere blindheid keert terug, de wil verzwakt, de aandrift tot de . zonde wordt sterker, de heilzame gedachten treden op den achtergrond, satan wint meer en meer veld, — reeds zijt ge, door uwe eigen schuld, te zwak, om u tegen den drang der bekoring te verweren, — gij struikelt, gij valt____

Zoo moest het gebeuren; waarom koost gij den weg der verwoesting — trots de waarschuwing van den H. Geest en van uw geweten?

Wel-is-waar kan het u moeilijk vallen, zekere banden, die u zoo vast omstrengeld houden, te verbreken.

Aan dezen omgang een einde maken! dat gezelschap mijden I die woning niet meer betreden ! Dit vermaak opofferen! dit boek ten vure doemen I — hoe onaangenaam! hoe moeilijk ! hoe onmogelijk!

Maar, o goede jongeling, — heb medelijden met uwe onsterfelijke ziel!

Daar wordt vuile taal gesproken; daar worden schaamde-looze gesprekken gevoerd ; daar bezoedelt zich uw hart; daar zondigt gij met de anderen. — Eed u! ijl weg, vlied, keer nooit weder!

En zult gij niet den rug keeren aan dat gezelschap, welks losse zeden en lage „ontspanningenquot; u sinds lang walging hadden moeten inboezemen, aan dat gezelschap, waarin on-

') 5 Mos. 6, lö.

ocr page 353

333

matigheid en laffe gemeenheid den boventoon voeren ? — Ach, zie, wat gij daar al leerdet! Tel de wonden, uwer ziel reeds geslagen op deze kampplaats, vrijwillig door u betreden ! — Weg! vlied! red uwe ziel!

En, o dierbare, het gladde serpent, welks fraaie kleuren uw oog in verrukking brengen! — O jongeling, — gij ? — in zulke nabijheid ? Weet gij dan niet, dat wijn en vrouwen zelfs wijzen ten val brengen? ') — Groote lijder, — gij, zuivere man uit den vóór-christelijken tijd, sta op en leer dien onvoorzichtigen jongeling een bond sluiten met zijne oogen, opdat hij niet eens denke aan eene maagd! 2)

O vlied de hegeerlijkheden der jeugd!3) Stel veeleer op prijs de rechtvaardigheid, het geloof, de hope, de liefde, den vrede, allen toegezegd, die God met een zuiver hurt dienen.

De Verlosser spreekt: Indien uw ouy u ergert, ruk het uit en werp het van u; en indien uwe rechterhand u ergert, houw ze af en werp ze van u, — en gij wilt niet aan dingen verzaken, die u minder dierbaar zijn. en wier verwijdering minder smart veroorzaakt?

Ja, dierbare jongeling, vraag u-zelven af vóór het aanschijn van God, of er geene boeien geslaakt moeten worden, die u hinderen op den weg naar uwe grootsche bestemming.

Toef niet langer-, zij worden altijd sterker, zij knellen u altijd meer. Ieder oogenblik is tijdverlies, brengt doodsgevaar.

Gij wilt u beteren, der deugd getrouw blijven, - en de naaste gelegenheden schuwt gij niet ?

O wees verstandig! misleid u-zelven niet zoo wreed! stel u niet bloot aan het verlies der vruchten van zooveel inspanning, die gij u reeds hebt getroost, om uwe kluisters te verbreken, eener eemcige slavernij te ontgaan.

■') 2 Tim. 2, 22.

') Job 31, 1.

i) Eccl. 19. 2.

ocr page 354

334

Maak u op, schud af het stof, werp af de ketenen van uwen hals, o gevangene dochter Sions! ^ Grijp schil en rondas, ruk het zwaard uit de schede, en treed de vijanden uws heils onversaagd te gemoet.

i) Is. 52, 2.

ocr page 355

HOOFDSTUK LXXII.

DE OMGANG.

Fili mi, si te lactaverint pec-catores, ne acquiescas eis.

Spr. 1, 10

jf e jeugd leeft zeer weinig voor zich en gescheiden van anderen.

I

In de openbare inrichtingen voor onderwiis, in de ^ opvoedingsgestichten enz. verkeert de jongeling voortdurend onder anderen en velen. De levendigheid dei-jonge jaren; de behoefle zich bij anderen aan te sluiten, zich. anderen mede te deelen ; het bewustzijn, weinig ervaring te bezitten; het gevoel der individueele zwakheid kluisteren hem aan personen van zijn leeftijd en aan volwassenen.

Geen wonder, dat juist van deze zijde den jongeling het grootste gevaar bedreigt.

De omgang voert allengs tot gelijkvormigheid.

Zeden en taal maken indruk; mijns vriends gedachte, welke zich door woorden aan mij openbaart, wordt lichtelijk de

ocr page 356

336

mijne; en dit is ook met zijne fta«c?eZt(/^2;e het geval. Beminnelijkheid van natuur, voornaamheid van stand, rijpheid van jaren, overeenstemming der karakters versterken den indruk; de aansluiting wordt nauwer, men volgt elkander na; de vriend gaat te eenenmale op in den vriend, wordt één met hem, leeft met en in den vriend.

Hoe dikwijls wordt de overijling der jeugd jammerlijk verrast ! welke gevaarlijke strikken worden hier al te vaak der jeugdige lichtzinnigheid gespannen, welke niet onderzoekt, doch vooruitsnelt en toegrijpt!

Overeenstemming van karakters, eene zekere aantrekkelijkheid, prettige toon, geestigheid, vrijmoedigheid, welbespraaktheid, of zelfs de gestalte alleen moeten bij het aan-knoopen van meer of minder nauwe en duurzame vriendschapsbanden dikwijls uitsluitend als de aanleidende oorzaken worden beschouwd.

Maar ach! het is niet alles goud, wat blinkt.

Een oud Duitsch spreekwoord vermaant u zoo nadrukkelijk: „ Vertrouw niet iedereen; zie wel toe, wien gij uw vertrouwen en uwe genegenheid schenkt.quot;

Nog duidelijker waarschuwt de H. Schrift: „Neem u met alle zorgvuldigheid tegen uw naaste in acht, en sluit u alleen bij de waarlijk wijzen aan.quot;

Is er sprake van een gewonen omgang, van een voorbijgaand verkeer met andere jongelieden, zooals het dagelijksch leven onvermijdelijk medebrengt, laat het dan voor u eene wet zijn. elke aanraking met verdachte of als slecht, zedeloos, ongodsdienstig bekend staande personen zooveel mogelijk te vermijden. Slechts in zoover de christelijke liefde zulk een tijdelijken omgang tot plicht stelt, en hij scherpzienden zieleijveraars nuttig voorkomt, moet gij er u toe leenen — en dan nog slechts met groote omzichtigheid.

ocr page 357

337

Er zijn jongelieden, die hunne bedorvenheid niet kunnen verhelen. Dit eigenaardig-sornbere wezen, dat droomen en peinzen, die luchthartige, zoutelooze taal. die smaadreden over godsdienst, priesterschap, vrome gebruiken, overheid en wetten; die afkeer van Kerk en eeredienst, van het Woord Gods en de Sacramenten; dit venijn, uitgebraakt tegen deugd en deugdzamen; die onbeschaamde blik, die zinnelijkheid in houding en gebaren, die hartstochtelijkheid, die uitgelatenheid, die neiging tot dronkenschap, spel en ruwe vermaken; die matelooze genotzucht, die afkeerwekkende ijdelheid. dat pralen, die heerschzucht. die lichtvaardige oordeelen, die aanmatiging. die liefdeloosheid, die tijdverspilling, dat verzuim van schier alle plichten van staat, — vriend, weet hier, dat de dood in moe nabijheid vertoeft! heb geene gemeenschap met hem; gij wandelt te midden van strikken. ^

Zonder lichtvaardig te oordeelen, kunt gij uit menig dezer teekenen opmaken, waar en in hoeverre u gevaar dreigt. Wees op uwe hoede! Verwijder u! Treedr-rymoecZ/(7op, waar het noodig of nuttig is. Wacht u op de eerste plaats, zulken menschen bijval te betuigen; deedt gij zulks, dan zoudt gij meer en meer uwe onafhankelijkheid verliezen. En — welk eene schande, zich onder het juk van zulke lieden te buigen!

Er zijn ook jongelingen, die noch koud, noch warm zijn, noch zeer slecht, noch goed, — zekere onschadelijke persoonlijkheden, welke men als „nullenquot; pleegt aan te duiden.

Bij dezen dreigt u wel geen rechtstreeksch gevaar; doch goed kunt gij ook niet van hen leeren. Hier moeten naastenliefde en goede toon de richtsnoeren van uw gedrag zijn.

Er zijn goede jongelieden, voorbeelden van ijver, godsvrucht en zedelijkheid. Zij hebben het gebed en de Sacramenten lief,

') Eed, 9, 20,

ocr page 358

338

zijn in de kerk eerbiedig en ingetogen; in weerwil van hunne tevreden stemming en opgewektheid, draagt toch geheel hun wezen den stempel van een zekeren ernst, eene beminnelijke rijpheid van geest; zij achten hunne overheden, komen de plichten van hun staat voorbeeldig na; nooit bezoedelt eenig onrein woord hunne lippen; zelf beheersching en netheid maken hun bijzijn aangenaam.

Met dezen moet gij verkeeren; op hunne zijde moet gij staan; verdedig hen, spreek hun moed in, betoon u liefdevol en voorkomend jegens hen. Zelfs een voorbijgaand verkeer met zulke jongelieden zal u nuttig wezen.

Is er sprake van een eigenlijken omgang, van een innig verkeer, waarbij men wederzijds elkander zoekt, behagen vindt in elkanders gezelschap, vertrouwelijke gesprekken voert, van gedachten en gevoelens wisselt, meerdere dingen gemeenschappelijk onderneemt, — tracht dan eerst, volkomen zekerheid te verwerven, dat degene, met wien gij vriendschapsbanden wilt aanknoopen. werkelijk goed en deugdzaam is, dat de schijn niet bedriegt, dat zijn handelingen den toets van godsdienst en zedelijkheid onder elk opzicht kunnen doorstaan, dat zijn omgang niet slechts geen gevaar oplevert, maar u ook voordeelen biedt.

Weg met al degenen, die u bij den gewichtigen arbeid uwer zelfheiliging in den weg staan.

Weg met dezulken, die u van gebed en Sacramenten af-keerig willen maken, — die slechts de wereld, hare genoegens, hare vreugden, hare eer roemen en hoog houden, — die niets kennen, dan de wereld, in haar gelul: en troost zoeken, — wier hart en hoofd en mond vervuld ziin met zinnelijke geneugten, — die slechts op beuzelarijen en tijdverdrijf zinnen, — die, om zoo te spreken, niet ontvankelijk zijn voor eene hoogere levensbeschouwing. Zijn dat lieden, geschikt voor u, —

ocr page 359

339

voor u, toch reeds zoo geneigd, den hoogen ernst des levens te miskennen?

Weg met dagdieven, babbelaars, ledigloopers, — menschen, die zelf de plichten van hun staat verzuimen, en ongaarne zien, dat ze door anderen worden vervuld. Zij wenschen, dat gij hun voorbeeld zult volgen. Zij lokken u in hun too-verkring, doen u genegenheid voor spel, onnut tijdverdrijf, en lichtzinnige makkers opvatten, tronen u mede naar schouwburg en danszaal, waar gij, bedrogen jongeling, genoegens van zeer twijfelachtige natuur moet zwelgen. En blijft het daar bij?

Laat zij huns weegs gaan, laten zij jubelen, laten zij slempen, laten zij straten en openbare plaatsen tot hun geliefkoosd verblijf nemen, laten zij naar alles en een ieder begeerig omzien, — gij hebt betere dingen te verrichten, gewichtiger aangelegenheden te regelen: uwe ziel te redden, God te dienen, u den Hemel waardig te maken.

Van die nietswaardigen kunt gij het goede niet leeren; ja, zij onderrichten u in het kwaad, of tenminste in datgene, wat daarheen geleidt. Is u een nauw verkeer niet werkelijk nuttig, dan is het u schadelijk.

quot;Wie met pek omgaat wordt er mede besmet; en wie met hoogmoedigen verkeert zal hoogmoedig worden. ') Dit nu geldt van alle ondeugden.

Dwaal toch niet: kwade gesprekken bederven goede zeden.2) Geef wel acht, en dat uw oor scherp toeluistere: gij bevindt u op een steilen weg, waarop gij kunt vallen. 3)

Wie met de wijzen omgaat, die zal wijs worden; maar de vriend der divazen wordt hun gelijk. 4)

Sluit geene vriendschap met den grammoedige, en ga niet

') Eccl. 13, 1. !) 1 Cor. 15, 33. ') Eccl. 13, 16. ') Spr. 13, 20.

ocr page 360

340

om met dengene, die geweld pleegt, opdat gij niet zijne wegen leeret en uwer ziel geene schade berokkent. ^ Betreed niet het pad der goddeloozen, en wandel niet den weg der boosheid; verwerp dien, ga er niet door, wijk er van af en ga voorbij. quot;)

Mijn zoon, indien de zondaars u aanlokken, bewillig niet. Spreken zij: Kom, laten wij gemeene zaak maken, — volg hen dan niet, o mijn zoon, en weer uwen voet van hun pad. Want hunne voeten ijlen ter boosheid. 3)

Doch wanneer gij reeds ongelukkig genoeg waart, met een bedorven jonkman vriendschapsbanden aan te knoopen?

O dan — dan vlucht haastig uit Babijlonl 1) wijk uit het midden der Chaldeeërs! Ga uit, o mijn volk, een ieder redde zijne ziel van des Heeren geweldigen toorn! 6)

En wanneer gij een omgang hebt aangeknoopt, die aanvankelijk niet slecht was, doch waarvan gij weet, dat hij u thans begint te schaden. — zij het, dat de vriend op slechte wegen geraakt, zij het, dat de vriendschap-zelve ontaardt, — breek dan af dat verkeer — spoedig, beslist, te eenenmale. Slechts op deze wijze kunt gij u, en wellicht ook uw vriend, van den dreigenden ondergang redden.

1

') Spr. 22, 24. 25. s) Spr. 4, 15. 16. *) Spr. 1, 10. 11. 14. 15.16. ') Is. 48,20.

ocr page 361

HOOFDSTUK LXXIIL

DE BOEKEN.

Ab inimicis tuis separare, et ab ami cis tuis attende. _ . , Eccl. 6, 10.

'j r zijn ook levenlooze vrienden, die niettemin een geweldigen invloed uitoefenen, — de boeken. Ook hier geldt het een nauw verkeer. Men wisselt van gedachten en gevoelens, krijgt elkander lief, wordt meer en meer aan elkander gelijk.

Vooral op den jongeling, op hem, den zoo bij uitstek ontvankelijke, die zoozeer onder de heerschappij der verbeeldingskracht iftaat, wordt door de boeken geweld uitgeoefend.

O jongeling, wees vooral hier op uwe hoede!

De weetgierigheid noopt u tot lezen. Gij haakt naar beschaving, algemeene kennis, en weet, dat lezen hiertoe bijdraagt.

Menig vrij oogenblik wil met lezen worden aangevuld.

ocr page 362

342

De wereld is overstroomd met boeken. Overal wordt lectuur aangeboden: huisbibliotheken, openbare bibliotheken, leenbibliotheken. brochures, couranten.

Men geeft u boeken in de hand, men dringt ze u op, men raadt dezen of genen titel aan; wellicht vorderen uwe studiën-zelf eene ruime mate van belezenheid.

Maar ach! hoeveel doodelyjk gif wordt tusschen al die boeken aangetroffen! Hier vooral is toepasselijk Isaias' woord: De hel heeft haren muil wijd opengesperd en haren afgrond geopend zonder maat en grenzen!

Titels, waardoor de nieuwsgierigheid wordt geprikkeld, fraai uiterlijk, illustratiën, lage prijs — valstrikken in menigte! En hierbij de onervarenheid des jongelings, de blindheid zoove-ler ouders, de slechte raad van anderen, het algemeene voorbeeld.

Wordt door het levend woord machtigen invloed uitgeoefend, ook de werking van het geschreven woord is uitermate geweldig, zijne macht onberekenbaar groot.

Het levende woord moet verstommen, het f/esc/ïrererte blijft; het eerste is veelal de schepping van het oogenblik, het laatste weldoordacht, geordend, geschaafd, gesierd; het eerste wordt éénmaal gehoord, het laatste misschien duizendmaal herlezen; het eerste werkt slechts op een beperkt getal toehoorders, het laatste richt zich misschien tot millioenen men-schen van dit geslacht en vele daarop volgende. In de meest verschillende talen overgezet, doorijlt het boek, — vooral thans, bij het zoo wonderbaar snelle en genlakkelijke verkeer, — landen en werelddeelen, spreidt zegen of brengt vloek, beurt op of werpt, neder. Het boek heeft duizend tongen-, het spreekt van hart tot hart en dringt dieper door, naar mate de lezer meer afgezonderd leeft, minder verstrooid is.

De macht der slechte boeken wordt door hunne werkin-

ocr page 363

343

gen gestaafd; verwarring der begrippen, beginselloosheid, waanzinnigheid, verbeelding, overspanning ten kwade, afval van God, zedenbederf, heidendom.

Sommige dier dingen pleegt men in onze dagen „verlichtingquot; te noemen; maar, — o helsch licht, gij schittert ten eeuwigen nacht! Walm zijt gij, stinkende walm, in vergelijking met de reine, goddelijke zonne der waarheid!

Jongeling, gij behoort uwe zucht tot lezen te matigen. Hetgeen uw staat vereischt, dit iveet gij, dit kunt gij weten. Wilt gij al die plichten nauwgezet vervullen, dan blijft u voor het lezen van slechte of minder goede boeken weinig tijd over. In elk geval leert gij datgene, wat voor uwe toekomst noodig of nuttig is, door matig lezen van degelijke boeken, door doen en oefenen beter, dan door overvulling met ideeën en door overprikkel ing van het gevoel.

Grijp daarom niet onvoorzichtig naar het eerste boek het beste.

Zelfs in betrekking tot die boeken, welke u moeten voorbereiden tot uw beroep, moet gij op uwe hoede zijn. Zoo gij het kostelijke van het nietswaardige weet af te zonderen, zult gij als de mond Gods zijn, *) — een verlicht man, een wijze.

In elk geval moet de wetenschap, naar welke gij streeft, de ware zijn; eene vorming van den geest ten koste van het hart is eene misvorming, is waanzin, is bederf van geest en hart tegelijk.

Immers, wat baat het den mensch, de geheele wereld te winnen, wanneer hij schade lijdt aan zijne arme ziel? ï) Wat baat het den jongeling, alles te kennen, alles te weten,— belezen te zijn en te kunnen medespreken over al hetgeen „klassiekquot; is of wordt genoemd, — wanneer hij zijne eeuwige

') Jer. 15, 19.

2) Math. 16, 26.

ocr page 364

344

toekomst in gevaar ziet? IJselijk vuur der helle, aangewakkerd en onderhouden door zooveel verderflijke pennevruchten!

En uit troebele bronnen zoudt gij reine wetenschap willen putten ?

Voor wat de eigenlijke leesboeken betreft, moet gij handelen zooals bij de keuze van uw vrienden.

Wees vooral voorzichtig. Laat u niet verlokken door een titel, hoe veelbelovend hij zijn moge, door een omslag, hoe keurig ook geteekend en uitgevoerd, door geen naam, hoe zeer ook gevierd.

De aanprijzing van anderen hebbe voor u slechts in zóóver waarde, als zij-zelf voor uw zieleheil waarde hebben.

Zegt men u: zie — hier is Christus, zie — daar is Hij, zoo geloof het niet; want vele valsche Christussen en vele valsche propheten zullen opstaan en groote teekenen doen en wonderen werken, zoodat, wanneer het mogelijk ware, zelfs de uitverkorenen in dwaling zouden worden gebracht. *) Van menig boek wordt gezegd; het is schoon, het is onschadelijk, — doch, o jongeling, wees op uwe hoede!

• Waarom zoudt gij waarde hechten aan het getuigenis van degenen, die wellicht niet eens op hun eigen zieleheil ernstig zijn bedacht? Die uit de aarde is voortgekomen, die is aardsch en spreekt over de aarde 2) en denkt zoo.

Verwerp onvoorwaardelijk datgene, waarvan de Kerk ds lezing verbiedt. Zij meent het goed met u; zij heeft macht ovèr u ontvangen; zij moet van u vorderen, dat gij naar best vermogen hare eer hoog houdet en uw eigen geluk be-hartiget.

Verwerp datgene, wat u-zelf als slecht of dubbelzinnig

') Math. 24, 23, 24. 8) Joh. 8, 31.

ocr page 365

345

bekend is. Slecht is elk boek, dat geloof of zeden of beide tegelijk rechtstreeks of zijdelings aantast.

Verwerp datgene, waartegen gij met recht wantrouwen voedt. Het ware vermetel, hier eene proef te willen nemen. En weet gij-zelf niet, hoe te handelen, is er bij u twijfel gerezen, raadpleeg dan uw biechtvader.

Verwerp ook datgene, wat verweekeli/jkt, het gevoel te zeer prikkelt. Verspil geen tijd, zelfs niet met de lezing dier boeken, welke uit hun aard onschadelijk zijn, maar u geen nut opleveren of wier inhoud u geene behoorlijke, noodzakelijke ontspanning biedt. Besef toch, hoe kostbaar de tijd is!

Weet verder u-zelven te beheerschen. Ontmoet gij bij het lezen iets, wat uw geloof aantast, uw schaamtegevoel kwetst, — weg dan met die giftige pennevrucht.

Zij het gif ook verleidelijk van geur en smaak, wordt het u in den sierlijksten vorm aangeboden, opgedrongen in de heerlijkste taal, — het is gif, het blijft gif, het werkt als gif. Ruk u los uit de handen uwer vijanden, en neem u zelfs in acht tegen dezulken, die uwe vrienden schijnen. 1)

Verder: de zucht tot lezen boeie u niet dermate, dat gij uzelven niet meer meester zijt, dat gij de sfeer der werkelijkheid verlaat, voor haar eene wijle zijt verloren.

Lees niet te veel; anders verwatert uw geest, of wordt een onregelmatig mosaïk, waarin men kleuren en stukjes marmer onderscheidt, doch geen gronddenkbeeld, geene bepaalde teekening.

Eene zekere vaagheid in ons te bewerken, vooral den jongeling tot een droomer en mijmeraar te maken, hem uit de sfeer der werkelijkheid en uit den kring zijner plichten te rukken, hem te overprikkelen en later van alle degelijkheid te berooven, — ziedaar, waarin hoofdzakelijk de treurige voorrechten bestaan van den roman, dien zondvloed met zijn ') Eccl. 6, 13.

23

ocr page 366

346

bombastischen woordenstroom, met zijn plasregen, met zijne wolkbreuken van gevoelens, met zijn schuim en bezinkselen, met zijn woest golvenheir, zijne schipbreuken, zijne lijken en wrakken.

Ziet gij dien jongeling halve nachten over zijn boek gebogen ? Hij ziet, hij hoort niets meer; hij verslindt, hij wordt verslonden. Welk eene deelname! welk eene ontroering! welk eene onverzadelijke begeerte! Al de passiën, welke in het boek op den voorgrond treden, dringen door tot zijn hart, treden hetzelve binnen. Liefde, haat, eerzucht, toorn, wraakzucht, wanhoop, — welk een chaos van gevoelens! quot;Welk eene koortsachtige opwinding! Wat al beelden trekken in woeste vaart den ontroerden geest vooi-bij! Welk eene wereld, geheel verschillend van die der werkelijkheid!

En is de roman onzuiver, welke pestwalmen worden dan door 's jongelings hart ingeademd! Hoe jammerlijk bezoedelt zich de verbeeldingskracht! hoe onstuimig kookt en bruist het in de aderen! hoe helder glimt reeds de vonk, die straks tot een laaien gloed zal worden aangewakkerd! Ach, — misschien wordt reeds het naaste oogenblik getuige van den val, of hoort ten minste het besluit tot de booze daad!

Zal iemand vuur in zijn boezem dragen, zonder dat de vlam zijne kleederen verteert? 1)

Hoe kan de mensch zijner ziel zoo vijandig zijn! Wetens en willens stort hij zich tusschen zwaarden en lansen, en laat aan het blinde toeval de zorg, hem onder al die moordwapenen onverlet te bewaren.

Het valt u reeds moeilijk genoeg, dierbare jongeling, u te verdedigen tegen u-zelven, den overmoed der opwellende passiën te breidelen. O roep geene bondgenooten haar ter hulpe! Laat af! Red uwe ziel! Geloof degenen, wien gij dierbaar zijt!

'' Spr. G, 27.

ocr page 367

HOOFDSTUK LXXIV.

DE BEKORINGEN.

In igne probatur aurum et ar-gentum, homines vore recepti-biles in camino humiliationis.

Eccl. 2, 5.

oe waar is het, o Heer, dat 's menschen leven hier ^ op aarde een voortdurende strijd is Satan, wereld, vleesch, driften, onstuimigheid der jeugd — welke \ tegenstanders! Zichtbare vijanden, onzichtbare vijanden, ' vijanden binnen, vijanden buiten, sluwe vijanden, ruste-looze vijanden, grimmige vijanden!

Vrees niet, mijn zoon! Machtiger, dan zij allen, zijt gij en mijne genade. — Wist gij, welke schatten de bekoring in zich besluit, welke middelen om over haar te zegevieren u ten dienste staan, — nimmer zoudet gij u over haar beklagen.

') Job 7, 1.

ocr page 368

348

Maar, o mijn God, die vijanden hebben mijn ondergang gezworen; en dringen mij met geweld naar den afgrond dei-hel. Van alle zijden staan ze tegen mij op en pogen mijne ziel te vangen. ^

Mogen zvj op uw verderf loeren, o mijn zoon, — Ik beoog slechts uw welzijn, wanneer Ik hunne aanvallen toelaat. Valsche gerustheid ware voor u zeer gevaarlijk. Deze altijddurende bekoringen herinneren u steeds aan uwe zwakheid, houden u waakzaam, overtuigen u van de noodzakelijkheid mijner hulp.

Nog erger ware de verzwakking van den band tusschen Mij en u. De bekoringen, wel-is-waar, willen u van Mij losrukken; doch zij verbinden u nog enger aan Mij, daar zij u doen gevoelen, dat ge bij Mij steun moet zoeken, dat ge zonder mijne hulp niets vermoogt. Wordt gij door haar bestookt, dan keert zich uw blik onwillekeurig hemelwaarts, dan zoekt mee hand mijne hand, dan verschuilt zich uw hart in het Mijne.

De bekoringen hebben nog ander nut; zij herinneren u aan de troostvolle omstandigheid, dat geenszins hier-beneden uw vaderland is. Uw vaderland — het land der geeselen, het land der strijden, het land der gevaren? Gij begint tot Mij te spreken: Wee mij! wanneer zal des pelgrims reize eindigen ? Hoe lang zal ik nog in dit oord der ballingschap moeten omzwerven?.... Mijne dagen zijn vol bitterheid2); wie zal mij verlossen uit dit lichaam des doods? 3)

Zie, dat is goed, mijn zoon; het beste en zegenrijkste gevoel, dat de mensch kan hebben, is het verlangen naar Boven.

De bekoring schenkt u gelegenheid tot boete. Dikwijls vindt

') Eora. 7, 21.

') Ps. 53, 5. '} 1 Mos. 47, 9.

ocr page 369

349

zij haar oorsprong in uwe vroegere slechte gewoonten, in de lichtzinnigheid, waarmede gij u voorheen der zonde in de armen wierpt; zij doordringt u met heilige schaamte, zij vernedert u, maakt versterving en zelfbeheersching voor u noodzakelijk, gebiedt u strengheid en zelfverloochening.

De bekoring loutert u. In den vuuroven worden goud en zilver beproefd, — de rechtvaardigen in den oven der vernedering. Daar scheiden zich de slakken af; wat mijner is, en wat uwer, blijft niet langer gemengd. Eigenliefde, zelfzucht, ijdele zelfvoldoening worden uitgedreven. De dingen der wereld worden u meer en meer onverschillig, ja, gij begint ze te haten, omdat zij u tot zonden prikkelen. Gi] ontwaakt uit een noodlottigen sluimer, ziet helder de gevaren, waardoor gij zijt omringd.

De bekoring, o mijn zoon, is geenszins een teeken mijner ongenade. — Was Tobias niet een getrouwe knecht ? Diende hij Mij niet in oprechtheid des harten en met volkomen toewijding? En gij weet, wat Ik hem door den mond mijns Engels liet zeggen: Omdat Ik u liefhad, moest die beproeving over u komen. ')

Ja, vaak is het een bijzonder teeken mijner liefde, wanneer Ik den mensch beproevingen overzend. Ik bied hem dan gelegenheid, zijn trouw te bewijzen, verdiensten te vergaderen ; is dat niet liefde? is dat niet belooning 1

De bekoring sterkt u. Door elke bekoring, waarin gij de zegepalm wegdraagt, erlangt uw wil een nieuwen graad van sterkte, wordt uw vermogen tot het goede verhoogd. En is niet eene deugd, die geene beproeving doorstond, zwak en twijfelachtig? Wat weet degene, die nimmer is bekoord? 2) Kon men zonder moeite, zonder opoffering, zonder strijd heilig

•) Tob. 12, 13. !) Eed. 34, 9.

ocr page 370

350

■worden, zou dan wel de heiligheid eener hemelkroon waardig-zijn? Zou dan de m-cftenste in evenredigheid staan tot het Zoo)z?

De bekoring plaatst uw troon in den Hemel hooger, maakt hem schooner, vermeerdert voor de gansche eeuwigheid uwe glorie, vergroot uw hemelgeluk. Gij zegeviert, — en eene belooning verbeidt u; gij zegeviert honderd malen, en een honderdvoudig loon is u weggelegd.

En gij zoudt u nog over de bekoring willen beklagen?

quot;Wel zult gij nederig genoeg zijn, ze niet uit te tarten, maar ook zult gij genoeg ijver en verlangen naar de volmaaktheid hebben, om haar niet te schuwen.

Maar, o Heer, — ik zal vallen! Ik ben zoo jong, zoo onervaren, zoo zwak!

Vrees niet, gij, klein kuddeken; want het is uws Vaders welbehagen, ulieden het Koninkrijk te geven! ^

Vertrouw: Ik heb de wereld overwonnen! 2)

Gij hebt, o zoon, een medelijdenden hoogepriester,3) die de nooden uwer ballingschap kent; — hoe zoude hij zich niet over uwe zwakheid erbarmen, en u den steun zijner kracht verleenen?

Ik ken, o mijn dierbaar kind, uwe onervarenheid, de listen uwer vijanden, het geweld der ontvlamde hartstochten: mijne hulp zal geëvenredigd zijn aan uice behoeften.

O schat mijner vaderliefde, — zie, in mijne handen draag ik u geschreven; uw heil zweeft mij altijd vóór oogen en ligt Mij na aan het harte. 4) Ja — over u, o jongeling, waak Ik met bijzondere liefde!

') Luc. 12, 32. ') Juh. 10, 33. *) Hebr. 4, 15. *) Is. 49, 1

ocr page 371

HOOFDSTUK LXXV.

MISLEIDINGEN EN FOUTEN IN DE BEKOEI-NGEN.

Crede Deo, ot recuperabit te.

Xfevmtc»1 Eccl. 2, 6.

S-FSlk

•üyjJif root is de listigheid der slange, tegen ^Yelkel• beten '' wij op onze hoede moeten zijn.

^ Het genot, dat wij door de zonde zullen smaken, t spiegelt zij ons voor als groot en in hooge mate begee-' renswaardig. De verbeelding wordt verhit; de hartstochten ontvlammen. O. hoe lieflijk moet elke zonde zijn! hoe innig, hoe zoet elk genot! Daarentegen, hoe moeilijk valt den bekoorde elke wederstand! hoeveel kost het hem, cZtó te dat te doen!

De vergiffenis, die wij na den val zoozeer van noode hebben, wordt ons door satan in het oogenblik der bekoring als gemakkelijk te verkrijgen voorgesteld. Ik kan immers biechten! ik kan boete plegen! slechts nog deze maal — en dan nooit weer!

ocr page 372

352

Doch is eenmaal de zonde bedreven, dan poogt satan ons diets te maken, dat de bekeering, waartoe wij door de genade, ook na menigwerf herhaalden val, worden aangespoord, schier eene onmogelijkheid is. Ik kan niet meer! het kwaad is te diep geworteld! de bekoringen zijn machtiger dan ik; ik geef mij over____

Dat zijn vreeselijke misleidingen, — begoochelingen, die de noodlottigste gevolgen hebben en als trawanten des be-koorders optreden. Aan die herhaalde tegenspraak herkent gij den geest der logen.

Ja — leugen op leugen. Het is niet waar, dat de zonde werkelijk zoet is. Dan immers ware zoet datgene, waartegen het geweten zich verzet, wat door verwarring wordt vergezeld, door schaamte, spijt en wroeging gevolgd!

Na icederstand geboden en de zege behaald te hebben, wordt men inwendig beloond, geniet in ruime mate troost, vreugde, gerustheid. En vermocht ook de zonde waar geneugt te schenken, — verdwenen is het, bijna vóór dat gij er u van bewust waart, vóór dat gij het smaaktet; maar de angel blijft in de wonde, pijnigt onmeedoogend.

Het is niet waar, dat de bekeering zoo gemakkelijk is. Is zij niet het werk der onverdiende gratie? Kunt gij niet sterven terwijl gij de daad bedrijft? kan de dood u niet onmiddellijk na de zonde verrassen, of tenminste vóór dat gij ernstig aan bekeering hebt gedacht? En waar blijft dan het berouw ? waar de biecht? waar de uitboeting?

En niet alleen is zulke influistering eene leugen, — zij wil u tot zwarte ondankbaarheid tegen God verleiden, door u aan te sporen, zijne goedheid met boosheid te vergelden.

Onwaar ook is het, dat de opstanding na een val, ja zelfs na een zich dikwijls herhaald hebbenden val, tot de onmogelijkheden behoort. Voorheen dus nog gemakkelijk, en thans

ocr page 373

353

en later zoo moeilijk, zoo onmogelijk? Hoe? kan die slechte gewoonte niet worden uitgeroeid? mag ik niet op bekeering hopen? is voor mij de zegepalm onbereikbaar?

O zeker: satan is een leugenaar, en hij is de vader der logen! ')

Hoed u voor al die misleidingen, o jongeling. Gij ziet, hoe bedriegelijk al die voorspiegelingen zijn. Vóór de zonde — vrees, — na de zonde — vertrouw; dat is icaarheid.

Doch wacht u ook voor zekere fouten.

Word niet aanstonds ongeduldig, wanneer gij bekoringen ontwaart, of wanneer zij hardnekkig aanhouden.

Verwonderd zijn, bekoord te worden, dat beduidt: zich-zelf niet kennen, of aanspraak maken op eene uitzondering, die zelfs Heiligen niet werd toegestaan.

Houdt de bekoring geruimen tijd aan, verlies dan geduld noch moed. Door geduldige volharding wordt u het bezit van uwe ziel verzekerd. 2)

Zoudet gij kleinmoedig worden? En wie zijt gij, o jongeling, dat gij den Heer durft verzoeken? Niet door zulke woorden roept men 's Heeren ontferming over zich af; 3) zij doen veeleer zijn toorn tegen u ontvlammen. Waarom Gode een tijd ter erbarming stellen en Hem voorschrijven, wanneer Hij ons helpen moet?

Heeft de genade hare zegevierende kracht verloren? Is 's Heeren arm verkort ? 4)

Waar de nood ten toppunt is gestegen, daar is de hulp het meest nabij.

En — waart gij ongelukkig genoeg te vallen, spreek dan niet met zooveel dwaze jongelingen: „alles is verloren.quot;

a) Judith 8, 11, 12, 13. ') Is. 59, 1.

■) Joh. 8, 44.

8) Luc. 21, 19.

ocr page 374

354

Dit woord behelst veeleer eene bekentenis der lafheid, dan der onmacht.

Hoe? zoudet gij u voortaan zonder strijd in de macht der bekoring willen overleveren? Zoudet gij de wapenen willen wegwerpen? u zoo verregaand laf toonen?

Werd zóó door de krijgslieden gehandeld, waar bleef dan de zegepraal, de roem der overwinning?

Toon u een man. Vrees niet. Wees sterk. De Heer zal u doen zegevieren over alle vijanden, tegen wie gij hebt te strijden. ')

O neen, — leg niet de wapenen neder! En hadt gij werkelijk het ongeluk. God te mishagen, tracht dan ijlings, uwe zonde uit te boeten, en waag het niet, 's Heeren toorn nog meer aan te wakkeren. Bid om vergeving. Grijp weder het zwaard en kamp den strijd des Heeren en verdedig kloek uwe ziel. 2) Ja, de nederlaag, door u geleden, moet uwe dapperheid vermeerderen; want nu geldt het, dien smaad te wreken.

!) Eccl. 4, 33.

') .les. 10, 25.

ocr page 375

HOOFDSTUK LXXVI.

GEDRAGSLIJN TIJDENS DE BEKOEINGEN.

Rosistite diabolo, ot lugiet a vobis.

Jac. 4, 7.

fllt

J^M^eder mensch wordt op bijzondere wijze bekoord. . xaar gelang men zich dichter bij- of verder van

J

het goede bevindt, treden de bekoringen geweldiger of zachter op, meer de zinnen, dan den geest betreffend, openlijker of meer in 't verborgen.

Gewoonlijk prikkelt de bekoring den mensch door de voorspiegeling van iets, dat de zinnen streelt. Grijp toe, spreekt zij; verboden of niet, — neem, en dat gij moget genieten!

Daarom is het van hoog gewicht, dat de mensch op zijne hoede zij, en dat rede en geloof heerschappij over de zinnen voeren.

Derhalve: waakzaamheid; de begeerlijkheid der zinnen mag niet sterker worden; zij moeten veeleer met krachtige vuist worden beteugeld.

ocr page 376

356

Voorts is het noodzakelijk, dat men zijn binnenste dermate geregeld houde, dat men de naderende bekoring kan ivaar-nemen.

Heerscht in het hart chaotische verwarring; drijven daar alle passiën in wilde vaart door elkander; verbreiden voor-oordeelen van alle slag allerwege een dikken nevel, — dan is het te eenenmale onmogelijk, het naderende gevaar tijdig te bespeuren. De viiand genaakt den burg uws harten, vóór dat gij hem kunt bespieden ; hij nestelt zich binnen de muren, hij is heer en meester, hij klinkt u in zware boeien.

Maar hoe dwaas, hoe misdadig ware het, de bekoring zelf aan te lokken, haar de zwakste plaatsen van het hart te too-nen, haar uit te noodigen, haar de behulpzame hand te bieden! En dit gebeurt, wanneer men de gelegenheid tot zondigen als 't ware opzoekt, in stede van ze te mijden.

Is de bekoring eenmaal daar, wacht u dan wel, te geloo-ven, dat gij haar niet kunt overwinnen.

God is getrouw; Hij zal niet gedoogen, dat wij boven onze krachten worden bekoord; Hij zal u met de verzoeking ook de uitkomst geven 1), — zijne genade, waardoor wij van do overwinning zeker zijn.

Echter mogen wij geenszins vermetel zijn, op eigen krachten bouwen. In stede dus van op u-zelven te rekenen en te trachten, langs zuiver natuurlijken weg de bekoring te verdrijven, moet gij oog en hart tot 's Heeren berg verheffen, van waar u hulp zal toekomen.2) — Verkeert iemand in kommer en nood ? Dat hij bidde. 3)

O ja, dierbare jongeling, bid, zoodra gij de bekoring in aantocht ziet! Zoek dan ijlings uwe hulp bij God, den besten, machtigsten, meest volhardende bondgenoot. Roep Jesus aan.

') 1 Cor. 10, 13. !) Ps. 120, 1. ') Jac. 5, 14.

ocr page 377

357

Beveel u in Maria's moederlijke schutse. Wapen u met het H. Kruisteeken. Spreek de machtige en zoete namen Jesus, Maria en Joseph uit. Klem u vast aan God, gelijk de schipbreukeling aan de planke des behouds.

Van hoog belang is het, dierbare, zonder dralen tegenstand te bieden; uw verweer moet onmiddellijk aanvangen.

Laat de bekoring geene vingerbreedte velu winnen.

Weerstaat snel en krachtig den bekoorder, en hij zal van u vlieden. ')

Ach, — hierin schieten de meesten te kort! Zij laten de bekoring vrij naderen, zien eerst werkeloos toe, spelen met haar; en reeds gaapt vóór hen de afgrond, hun blik staart in de diepte, eene duizeling bevangt hen, aan het grootste gevaar staan zij onmiddellijk bloot. De rede verduistert, de wil verzwakt, — o spoedige, maar — vooruit zichtbare val! Wie het gevaar bemint zal er in vergaan.2)

Wil de bekoring niet wijken, wordt zij onstuimiger, sterk dan uwe ziel door heilzame gedachten.

God ziet mvj! Hoe zoude ik onder het oog mijns Heeren kwaad kunnen bedrijven! 3)

Wat erlang ik door de zonde? Kort geneugt, eeuwige pijn.

Wat heb ik God beloofd, toen Hij mij de laatste maal zoo bereidwillig vergaf? En zou dit mijn dank voor zooveel goedheid zijn?

En — wanneer mij de dood overviel — terwijl ik het kwaad bedrijf, of schier onmiddellijk daarna? O — de eeuwige, verschrikkelijke hel!

Wat sta ik op het punt, te doen ? Eene zonde. En de zonde is het eenig ware, het grootste euvel, de breuk met God,

') Jac. 4, 7.

8) Eccl. 3, 27. a) 1 Mos. 39, 9.

ocr page 378

358

de dood der ziel, het verlies van den Hemel, de slavernij in duivelsketenen....

En ik zoude God beleedigen, die mij zooveel weldaden bewees, zooveel blijken zijner liefde schonk? Hem, den Heiligste, den Hoogste, den Beste? Hem, mijn Schepper, mijn Vader ?

Waar is mijn kruisbeeld? O laat mij U in het brekende oog zien, voor mij stervende Jesus! En dit zou mijn dank zijn ?----

Neen, o mijn God, — liever sterven, dan zondigen! Ik wil niet. Ga van mij, satan! 1)

Gelooft gij, dat zulke gedachten hare uitwerking zouden missen ?

Het is ook een voortreffelijk middel^ den geest op andere dingen te vestigen. Neem eenige lectuur ter hand; voer het een of andere gesprek; verstrooi u. In geen geval moogt gij op de bekoring-zelf uwe aandacht gevestigd houden; het zij u genoeg te weten, dat zij eene bekoring is.

Wanneer gij uw best doet, baart de bekoring wellicht goed in stede van kwaad; niets zou den vijand uwer ziel meer beschamen, dan zulk eene teleurstelling.

Verricht derhalve, wanneer gij kunt, eene acte van deugd, tegenovergesteld aan het kwaad, waartoe de bekoring u aanspoort.

Op deze wijze slaat gij den vijand met zijne eigen wapens en doet hem van een terugkeer afzien; want zeker ligt het niet in zijne bedoeling, uwe zaligheid te bevorderen.

Voelt gij u sommige dagen meer en zwaarder dan gewoonlijk bekoord, bid dan meer en ijveriger; lees in een goed boek; leg u eene versterving op; doe een goed werk.

') Math. 4, 10.

ocr page 379

359

Hebt gij overwonnen, dank God. Verblijd u in de weder-gevonden rust, maar leg de wapens niet af; want slechts voor een tijd zal de bekoorder u verlaten. ^

Lang en zorgvuldig en onder vele moeielijkheden oefent zich de jonge krijger in den wapendienst; en toch geldt het hier slechts een strijd, waarvan de goede uitslag tijdelijke voordeelen moet opleveren: een weinig aardschen roem, eene vergankelijke kroon, — ziedaar den geheelen prijs van zooveel moeite, zooveel opoffering, van zulk een bloedig kampen. Maar een krijgsdienst des geestes*) is geheel ons leven; het geldt hier de ziel, de eeuwigheid.

Hoe raadzaam is het. dierbare jongeling, dat gij van uwe prille jeugd af u in dien wapendienst oefent; dat gij vroegtijdig moogt leeren inzien, hoe men der bekoring met goed gevolg weerstand kan bieden.

En van hoeveel belang is het voor u, niet reeds in de jeugd het onderspit te delven, u niet het schandmerk der slavernij op den schouder te laten branden!

Door den zwakken jongeling geslagen, met smaad teruggedreven, zal de helsche vijand eerder den man vreezen, wien daarenboven de rijpheid der jaren nieuwe wapenen — der ervaring en der sterkte — biedt.

') Luc. 4, 13. s) Job 7, 1.

ocr page 380

HOOFDSTUK LXXVII.

DE DAGELIJKSCHB ZONDE.

Stultus illudct peccatum.

pr. li, 9.

ij kunt nimmer genoeg de vesting mvs harten met wallen en muren omgeven.

Haat tegen elke zonde, afschuw van elke overtreding, | de heilige vreeze Gods, het vluchten der gelegenheid, ' een kloek verweer tegen woorden en daden der men-schen en tegen inwendige bekoringen, — ziedaar de onmisbare verschansingen van het bedreigde menschenhart, dat zonder ophouden wordt beoorloogd en aangezet tot snooden trouwbreuk tegen God, zijnen Heer.

Echter zijn wij nog geenszins in veiligheid, zoolang wij de dageli/jksche zonde als van weinig invloed op ons zieleleven beschouwen.

Het vaste besluit, ook haar te mijden, in zooverre de men-schelijke zwakheid toelaat, vormt het voornaamste bolwerk

ocr page 381

361

en de veiligste beschutting der ziel; de stormende vijanden worden opgehouden, zij leeren den ernst der verdediging kennen, zij begrijpen, welk eene hooge waarde men aan de vesting-zelve hecht.

En waarom zoude ik niet vastbesloten zijn, ook de dage-lijksche zonde te mijden?

Is zij niet evenzeer eene beleediging van 's Heeren Majesteit ? een snoode ondank? een opstand?

Is ook niet haar ter wille, haar ten zoen Jesus' Bloed vergoten ?

Is er — na de doodzonde — een grooter kwaad, dan de dagelijksche zonde ?

Hebben de Heiligen gewikt en gewogen, waar de dagelijksche zonde ophoudt en de doodzonde begint? hebben zij niet veeleer met alle kracht huns wils gepoogd, alles, wat Gode mishaagt, te verwijderen en te mijden?

De dagelijksche zonde! Wel wordt zij gemakkelijker vergeven, dan de doodzonde; wel kunnen goede werken, kan gebed, kunnen sacramenteele genaden haar uitdelgen, wel wordt de Biecht niet te harer vergeving geëischt; maar — wat zie ik ? Door het geloof verlicht, zie ik een kerker, diep en vervuld met alle pijnen, eene plaats van onbevredigd en zeer sterk verlangen, eene plaats, door berouw en door het gemis van Gods lieflijk Aanschijn tot een oord der loutering en der smartelijkste uitboeting gemaakt.

O zeker, — niets, wat onrein is, kan den Hemel binnengaan ; ') slechts de geheel reinen, dezulken, wier hart te eenen-male zuiver is, kunnen den berg des Heeren bestijgen, in de plaatse zijner heiligheid staan; 2) alles, wat onrein is, moet door het vuur worden verwijderd; slechts zuiver goud mag

') Apoc. 21, 27. ■) 1 Cor. 3, 15.

24

ocr page 382

362

van de wanden des Hemels stralen en zich in den vloed van des Allerhoogsten luister spiegelen.

En nu vraag ik in alle oprechtheid mij-zei ven: Hoe heb ik, tot dusverre, gehandeld in betrekking tot de dagelijksche zonde ?

Wie telt ze - die meer of minder vrijwillige verstrooidheden in het gebed, die oneerbiedigheden in den omgang met God en op de heilige plaatsen, die liefdelooze oordeelen, die ruwe en bittere woorden, die onbezonnen, kwetsende spotternijen, die kleine plichtverzuimnissen, die zoogenaamde „jokkernijenquot;, — te dikwijls vergrijpen tegen de waarheid —, die onbewaakte gevoelens, die ijdele reden, die zinnelijke, misschien aan het wulpsche grenzende voorstellingen en verlangens, die fouten uit gebrek aan zelfbeheersching bij het gebruik van spijze en drank, die slecht onderdrukte neigingen van de meest verscheiden driften!

Welk eene reeks van gebrekkelijkheden! En hoe luttel inspanning getroost ik mij, om van haar te worden genezen!

O mijn God, hoe slaafsch handel ik nog in uwen dienst!

Al mijn streven richt zich slechts hierop: aan de hel te ontkomen, niet voor eeuwig verloren te gaan. Maar uwe liefde — voor haar heb ik geen offer veil, voor haar wil ik niet strijden, haar krenk ik zoo dikwijls!

O jongeling, draag zorg, dat uw geweten teeder blijve; en is het ongevoelig geworden, doe dan uw best, dat het zijne teerheid terugbekome. U vooral betaamt op de eerste plaats een teer geweten; en verwerft gij het u niet thans, dan hebt gij, met het oog op den invloed der wereld, te vreezen. dat gij het nimmer zult erlangen.

Dat de geest der wereld u onverschillig zij, en dat gij niet moget luisteren naar het woord harer lichtvaardigheid: „'t Is maar eene dagelijksche zonde.quot;

Wel-is-waar maken duizend dagelijksche zonden nog geene

ocr page 383

363

doodzonde uit, wijl de natuur der doodzonde geheel verschilt van die der dagelijksche zonde; maar ook deze is en blijft eene zonde, d. w. z.; eene overtreding van Gods geboden; zij is eene krenking van Gods Majesteit; zij treedt vijandig op tegen zijne eere, schoon niet in dezelfde mate als de doodzonde.

Slechts de dwaas, de zinnelooze spot met de zonde, 1) — hij, die niet bevroedt, of niet bevroeden wil, dat zij eene beleediging van den Allerhoogste is.

De waarlijk wijze houdt schier alleen Gods welgevallen in het oog, en beijvert zich. Hem in kleine zoowel als in groote dingen getrouw en aangenaam te zijn. Hem is God Koning, Heer, Vader, Vriend; hem zijn Gods wenschen heilig; hij heeft geen ander richtsnoer dan 's Heeren gebod, en diens liefde is de beweeggrond van al zijne daden.

Gij hebt mij, zoo getuigt zijn mond, eene ivet gegeven, o mijn God, en als weg hebt Gij mij uwen wil gesteld; op yeene wijze wil ik van uw heilig gebod afwijken. Maak mijne voetstappen vast in uw woord, opdat geene ongerechtigheid over mij heersche! 2)

') Spr. u, 9.

') Ps. 118, 102, 133.

ocr page 384

HOOFDSTUK LXXVIII.

GEVAREN DER DA GELIJKSCHE ZONDE.

Qui spernit modica, paulatim decidet.

Eccl. 19, 1.

ie niet besloten is, met de hulpe Gods ook de da-gelvjksche zonden, tenminste de vrijwillige, te mijden,

dien is het klaarblijkelijk met den haat tegen de

4(1) doodzonde niet in behoorlijke mate ernst.

L Is het in alle gevallen zoo gemakkelijk, vast te

stellen, waar de dagelyjksche zonde ophoudt en de doodzonde begint? Is het bijwijlen niet veeleer hoogst moeilijk, ja schier onmogelijk, te weten, op welker gebied ik sta?

Eene zonde is „dagelijksch' wegens de geringheid van het subject, of wegens onvoldoende mate van kennis en vrijen wil. Evenwel zijn de grenzen tusschen een en ander geenszins nauwkeurig af te bakenen; en hoe noodlottig ware hier eene verwisseling!

ocr page 385

365

In elk geval komt menige dagelijksche fout der doodzonde zeer nabij.

Gelijk de ziekte er naar streeft, allengs de ziel van het lichaam te scheiden, zoo baant de dagelijksche zonde den weg voor den dood der ziel. En juist hierin ligt het gevaarlijk karakter van de dagelijksche zonde.

Hoe meer dagelijksche zonden gij bedrijft, des te dichter staat gij bij een zwaren val.

Hoe meer zorgeloos gij te haren opzichte handelt, des te sneller nadert gij den afgrond.

De dagelijksche zonde vermindert in ons de liefde. — zoo al niet voor wat betreft haar wezen, dan toch voor wat aangaat hare werkingen. In het algemeen worden wij onverscMl-liger in zake de overtreding van Gods heilige Wet; allengs neemt de zonde voor ons het karakter eener gewoonte aan. Dringt zich eene buitengewone gelegenheid op, worden wij zwaar bekoord, — wij zullen niet staande blijven.

De dagelijksche zonde bedroeft den H. Geest zij belemmert de werking zijner genade in ons; zij streeft er naar, het vuur der goddelijke liefde in onze harten uit te dooven. De gratiën verminderen, de bijzondere bijstand verzwakt, naar mate onze overtredingen menigvuldiger worden.

Satan wordt stouter; hij ziet, tot zijn behagen, dat wij met de zonde spelen. Door alle middelen tracht hij, deze zorgeloosheid te laten voortduren; hij wiegt ons geweten in slaap en eerst door een diepen val ontwaken wij uit dien noodlot-tigen sluimer.

ISTiet ten onrechte waarschuwt de H. Schrift: Wie op het kleine geen acht slaat zal langzamerhand tot val komen. 1)

') Eph. 4, 30.

1

) Eccl. 19, 1.

ocr page 386

366

En op eene andere plaats: Wie in het kleine ontrouw is zaï het ook in 't grootere zijn. ■)

Is men lui en zorgeloos, dan verzwakt het gebint, en zijn de handen traag, dan stroomt de regen het huis binnen. 2)

Wel-is-waar zijn de kleine zonden slechts druppelen; maar blijven deze druppelen onverpoosd vallen, dan verwoesten zij muur- en houtwerk, en kunnen trotsche paleizen in puin-hoopen veranderen.

Neen, ook op het kleine moet men acht slaan. Zelfs in het gewone leven acht hij, die wijsheid bezit, het kleine niet gering; hij weet, dat grootere dingen daarvan konden afhangen.

Beijvert gij u slechts om de groote wonden uws lichaams te heelen?

Verwijdert gij uit uw aangezicht slechts groote vlekken?

Ziet gij in uw gewaad slechts de groote scheuren?

En is de waarde der ziel niet oneindig grooter, dan die van kleederen en vleesch?

Hebt gij uwe ziel in waarheid lief, mijd dan zorgvuldig de dagelijksche zonde.

Ook zij mismaakt in u het evenbeeld Gods, ook zij berooft het van zijn luister. De ziel wordt met walgelijke melaatsch-heid, met afschuwelijke pestbuilen overdekt.

De dagelijksche zonde verwijdert, wel-is-waar, den pelgrim der aarde niet van zijne bestemming; doch zij geleidt hem langs omwegen; zij brengt verwarring en stilstand in het werk der zaliging.

De dagelijksche zonde werkt verduisterend op de rede, verzwakkend op den wil, prikkelend op de hartstochten; zij ont-

■) Luc. 16, 10.

!) Eccl. 10, 18.

ocr page 387

367

rooft het geweten zijne teerheid, zij sterkt de slechte gewoonten.

De dagelijksche zonde vermindert onze bekwaamheid tot het goede, daar zij onze vermogens in dienst van het kwaad misbruikt.

De dagelijksche zonde ontsiert onze goede iverken; zij gelijkt den vraatzuchtigen worm aan Jonas' klimopstengel, de giftige vlieg op de blozende vrucht, het dorre blad aan den fraaien bloemkelk.

De dagelijksche zonde belemmert den stroom van Gods genade, verhindert Hem, ons zijne liefde te bewijzen. Zijne vertrouwelijkheid neemt af, de vertroostingen blijven ons meer en meer verre, de goede gedachten worden zwakker en zeldzamer.

O jongeling, dit alles hebt gij in uwe lichtzinnigheid niet overdacht. Maar is het niet werkelijk zoo? voert het geloof eene andere taal?

Leer dus ook op het kleine letten. Stel orde op de huishouding uws geestes; tracht, ook het geringste nadeel te vermijden, laat u ook niet de kleinste winst ontglippen.

Vrees, God te beleedigen — in het kleine, zoowel als in het groote. ')

Bemin God en wees Hem in groote en kleine dingen getrouw; immers, te allen tijde is Hij dezelfde groote, goede, beminnelijke God, onzen dienst en onze verkleefdheid onuitsprekelijk waardig.

') Eccl. 7, 19.

ocr page 388

HOOFDSTUK LXXIX.

HET GEBED.

Sine intermisslone orate. In omnibus gratias agite: haec est enim voluntas Dei in Christo Jesu in om-

P. nibus vobis. 1 Thess. 5, 17. 18.. nibus vobis. 1 Thess. 5, 17. 18.

jT ij, die goed weet te hidden, weet ook goed te leven.

Het gebed helpt ons, uit de zonde op te staan.

Het gebed houdt de zonde op een afstand.

\ Het gebed wrocht deugd en heiligheid.

' Het gebed volmaakt de deugd.

Wie, derhalve, niet goed weet te bidden, weet ook niet goed te leven; hoeveel minder nog zal hij goed weten te leven, die in het geheel niet bidt!

Zonder mijne hulp vermoogt gij niets, spreekt de Zaligmaker. Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken-, ^ uit Mij en door Mij alleen ontvangt gij sappen en groeikracht.

') Joh. 15, 5.

ocr page 389

369

Uit ons-zelven hehhen wij niets en kunnen wij niets. Arm en noodliidend als wij zijn, te eenenmale afhankelijk var; Dengene, die alleen alle goed in Zich besluit, daar Hij het opperste goed is, — moeten wij tot het gebed onze toevlucht nemen; het is de sleutel tot de schatkameren des hemelschen Vaders.

Zonder goddelijken bijstand geene zaligheid, zonder gebed geen bijstand, derhalve zonder gebed geene zaligheid.

Wel verleent ons God eenige, namelijk de eerste genaden, zonder dat wij Hem daarom bidden ; de verdere genaden evenwel hangen af van het gebed, zoodat wij door eigen medeiver-king tot de zaligheid moeten komen.

Met de noodzakelijkheid der goddelijke hulp neemt ook toe de noodzakelijkheid van het gebed. Daarom moeten wij vooral in de bekoring tot het gebed onze toevlucht nemen. Op de eerste plaats voor de jeugd, door tal van gevaren bedreigd, is het gebed noodwendig; immers, zij is zoo zwak, zoo hulpbehoevend ; zij moet aan den weeken grond een zaad toevertrouwen, dat een beslissenden oogst oplevert.

En de volharding, het bereiken van cns doel en einde, deze gratie wordt slechts denzulken toegestaan, die God er om bidden.

Maar, o mijn God, waarom zoude slechts de noodzakelijkheid en het drukkende gevoel van eigen ellende mij tot bidden aansporen?

Is het niet de hoogste eer, de zoetste wellust, U te mogen naderen, met U te mogen spreken?

Het gebed is eene verheffing des gemoeds tot den Allerhoogste, het zij om Hem te loven, het zij om Hem te danken, het zij om zijne hulp af te smeeken.

God loven, quot;Hem aanbidden, Hem, onzen Schepper, de verschuldigde eer bewijzen, — is er iets meer verhevens denkbaar, iets, dat hooger geluk vermag te schenken?

ocr page 390

370

De ontvangen weldaden erkennen, zich van eene zware schuld kwijten, liefde met liefde vergelden, — wat is lyjker, lofwaardiger, zoeter ?

In nood en vreeze aan het prangende gevoel uitdrukking geven, het overkropte gemoed ontlasten, om schutse tegen de gevaren van geest en lichaam smeeken, — wat is billijker, wat heilzamer, wat meer geruststellend?

Voorzeker, o mijn God, Gij zijt de Alwetende; Gij kent mijne nooden oneindig beter, dan ik; U zijn al mijne behoeften bekend, nog vóór ik er aan denk, ze U bloot te leggen. Ook zijt Gij de Algoede, steeds ter hulpe bereid. Gij zijt beminne-nelijk boven alle begrip en Gij voorkomt zelfs mijne wen-schen; — maar toch is het U lief, dat ik mijne afhankelijkheid en mijne armoede voor TJ en voor my-zeiven bekenne, en dat ik het groote middel te baat neme, hetwelk mij niet slechts verhooring doet vinden, doch mij tevens met verdiensten ter eeuwige zaligheid verrijkt.

En is het niet uw wil en gebod, dat ik bidde? Wat hebt Gij mij vaker, duidelijker, nacZnd'fccZyfcer bevolen? Altijd moet gij bidden, en nooit vertragen. l) Waakt en bidt.2) Bidt zonder ophouden. Volhardt in dankzegging; want dit is de wil Gods in Christus Jesus over u allen. 1)

Om hoevele dingen moet gij bidden, jongeling!

O bid, dat God met zijn kostbaar licht uw levenspad be-schijne, hetwelk uw voet nauwelijks heeft gedrukt, maar dat zich in het onzekere dreigt te verliezen!

Bid, dat God u, zwakken jongeling, steune, dat Hij u geleide ; want zie: reeds wordt het pad steiler en door afgronden omzoomd.

Bid, dat God u bescherme; reeds wacht u eene rooverschaar.

1

) 1 Thess. 5, 17, 18.

ocr page 391

371

en sluwe, naar buit hunkerende, bloeddorstige vijanden rukken, op boosheid zinnend, tegen u op.

Zijt gij den dood der zonde gestorven, — bid. — O, geef dit ééne teeken der hope op verrijzenis! Is uw gebed al geen eigenlijk leven, het is toch eene vonk, welke het leven opnieuw kan doen ontbranden,

Zijt gij krank en ellendig, — bid. Bidden geneest, bidden sterkt, bidden beurt op, bidden schenkt de verloren kracht weder.

Zijt gij traag, kleinmoedig, — hid: Bidden ontlast, bidden verheft, bidden leent vleugelen.

Bid, dierbare jongeling, dat uw kostbaar kleinood, de onschuld, niet te loor ga! En is het verdwenen, liggen de bladeren van dien weleer zoo lieflijk pralenden leliekelk dor en bezoedeld ter aarde, — bid, o arme vriend, opdat door het machtwoord des gebeds die heerlijke bloeme in nieuwe pracht ver-rijze! Zie, reeds wordt zij herkenbaar, zij leeft opnieuw, zij geurt weder — God en Engelen ten wellust. Ja, bid, dat hart en geest rein mogen blijven of weder rein worden, dat uw lichaam eene zuivere woonstee des H. Geestes zij, en uwe ledematen eens mogen verheerlijkt worden onder de gloriezon dea Paradijzes.

Bid, dat de pestwalm der wereld u niet schade.

Bid om een helder oordeel, opdat gij de strikken der boosheid moget bespeuren; bid om kracht, opdat gij ze kunnet verbreken.

Bid, dat de zorg voor uw zieleheil nimmer door u worde verwaarloosd, dat die zorg u altijd het naaste aan 't harte ligge.

Bid om sterkte tegen het menschelvjk opzicht.

Bid, dat gij de plichten van uw staat getrouw en onbeschroomd moget vervullen.

ocr page 392

372

Bid om ootmoed, om den geest der onderdanigheid, om het sieraad uwer jeugd: de gehoorzaamheid.

Bid, dat gij niet zwaar bekoord moget worden.

Bid om de genade van Boven bij het verkiezen van een levensstaat, welke keuze beslist over uw tijdelijk en eeuwig welzijn.

Bid, dat gij moget opgroeien tot een man, der menschheid tot nut, der Kerk tot sieraad, uwen verwanten tot troost en eere.

Bid voor uwe ouders, oversten, weldoeners, vrienden, — voor allen, wien uw heil ter harte gaat en die u genegenheid toedragen.

Bid ook voor uwe vijanden.

Bid voor allen, die in nood en druk verkeeren. Hun is uw gebed nuttig, en u-zelven niet minder; — want de barmhar-tigen zullen barmhartigheid verwerven. ')

Ja, — bid, en gij zult ontvangen, zoek, en gij zult vinden. klop, en u zal worden opengedaan. 2)

Bid eerbiedig, bid met een nederig hart, bid met onwankelbaar vertrouwen; bid in Jesus' heiligen Naam, bid vurig, bid met volharding, bid met onderwerping aan Gods wil, bid v-eel, ja — bid, bid!

Weet gij niet, dat, afgezien van de genade, welke gij door bidden verkrijgt, het gebed in zich reeds, als de omgang dei-ziel met den Hoogste, Beste, Reinste, boven alle mate kracht ter heiliging bezit ?

Moses heeft eenmaal op den berg Sinai met God gesproken, en lang bij Hem verwijld; en zie: bij zijn terugkeer glinsterde zijn aangezicht, omdat hij met den Eeuwige had verkeerd, — en de kinderen Israels geraakten in vreeze. 3)

') 2 Mos. 34, 29.

') Math. 5, 7.

2) Math. 1, 1.

ocr page 393

373

Het is onmogelijk, veel en vertrouwelijk met iemand om te gaan, zonder iets van zijne denkwijze, van den aard zijner zeden over te nemen.

Geldt zulks van den omgang met menschen, waarom niet ook van den omgang met God ?

God is een Geest, de zuiverste Geest; hoe meer ik met Hem, den Geest, door het gebed omga, hoe meer ik aan Hem denk, in biddend verlangen tot Hem opzie, — des te geestelijker word ik-zelf, des te meer stort zich van dat zuiver geestelijke Wezen Gods in mij over, en dringt het ruwe, vleeschelijke, aardsche terug. Door de overmacht des geestes wordt de zware massa van het lichamelijke opgebeurd; — zij kan geen weerstand bieden, zij moet omhoog.

Omgekeerd: hoe minder ik met dien Geest vertrouwelijk omga; hoe minder en lauwer ik bid, — des te meer krijgen vleesch en aarde en het dierlijke in mij de overhand.

Eenzaam kwijnend, afgesneden van zijne levensbron, zucht de geest onder het juk der lage natuur, die hem ten gronde werpt, verstikt, tracht te verlichamelijken.

Begrijpt gij, dierbare jongeling, hoe gij u door middel van het gebed den strijd tegen de lage natuur kunt vergemaJmelvjken ?

Het gebed reinigt en verkoelt in hooge mate ; bidt men, dan waait een frissche wind het zwoele hart tegen, dan gevoelt het zich uitermate verkwikt.

Het gebed verplaatst ons naar den Kemel-, de taak der uitverkorenen. God te aanbidden. God te loven, wordt ook de onze.

O mijn Zaligmaker, doe mij het gebed liefhebben! Leer mij bidden! ^ Beur mij op tot U, en druk mij aan uw minnelijk Harte!

') Luc. 11,1.

ocr page 394

374

Wat zal ik, zwakke jongeling, geworden, wanneer Gij mij niet draagt, steunt, geleidt, sterkt!

O vermetelheid, o dwaling, o hoogmoed: alleen, uit eigen kracht het verheven doel willen bereiken, — de zaligheid, den Hemel, het bezit van God!

O neen. Lieve Heer — door U alleen en met U bereik ik mijn doel, dat Gij-zelf zijt. In uwe handen beveel ik mij, bij LT sluit ik mij aan, van U zal ik nimmer scheiden!

ocr page 395

HOOFDSTUK LXXX.

DIKWIJLS BIECHTEN.

Deprccatio offensionis et adjutorium casus, exaltans animam et illuminans oculos, dans sanltatem et vitam et ^ benodictionem. Eccl. 34, 20.

unnen eenige Sacramenten wegens het onuitwisch-bare merkteeken, dat zij der ziel inprenten, ter oorzake van hunne werking, die zich altijd eenigermate

/I j

Vt in ziel bestendigt, en omdat zij ons in een blijvenden staat brengen, slechts ee'w??iaaZ of alleen in zelden terug-keerende gevallen worden ontvangen, — andere daarentegen, door natuur en bestemming ons, pelgrims der aarde, immer ten dienste staande op de reis naar het Vaderland, zijn tot geene tijden beperkt, tenzij tot die, welke nut en behoefte aanwijzen.

Hoe groot en menigwerf terugkeerend is de behoefte aan reiniging!

Hoe nuttig is het, zich vaak met de Bronne des Levens in gemeenschap te stellen!

ocr page 396

376

Ook aan de meest ijverige ziel blijft dagelijks een weinig stof der aarde kleven.

En hoedanig is de toestand van den eigenlijken aardschen mensch, die valt en weder valt, die, schier alleen voor stof en tijd levende, de klove tusschen zich en God dagelijks wijder ziet worden?

Nadert men enkel in den Paaschtijd tot de H. Sacramenten der Biecht en des Altaars, dan waagt men zich op de uiterste grens van het geoorloofde, dan is men nog slechts door een zwakken draad aan de Kerk verbonden.

Hoevelen brengen door deze traagheid en lauwheid hunne ziel in het uiterste gevaar!

Misschien zijn er eenige menschen, die bijna geene driften kennen, weinig worden bekoord en vrij zijn van eene sterke aandrift tot het kwaad; doch voor het meerendeel is de gelegenheid tot zondigen menigvuldig, de verleiding sterk en dagelijks-terugkeerend. In het meerendeel strijden vleesch en natuur zoo heftig tegen geest en genade, dat zonder onophoudelijk toestroomende, bovennatuurlijke versterking eene duurzame overwinning onmogelijk is.

Zonder den bijstand van Boven zal men spoedig weder vallen; de eene overtreding voegt zich bij de andere, en dit met altijd kortere tusschenpoozen. Reeds doet zich de macht der gewoonte gelden ; de wortelen dier giftplant kunnen ongehinderd dieper doordringen, totdat het weder Paschen wordt, en de Kerk haar gebod opnieuw doet hooren. En dan — eene twijfelachtige Biecht, of misschien geene, — daar men den moed heeft verloren en van den dienst des Heeren is vervreemd.

De jongeling, die slechts éénmaal per jaar, of tenminste zelden biecht en deugdzaam blijft, behoort tot de wonderen.

Is hij onbedorven en biecht hij zelden, dan stelt hij zich

ocr page 397

377

bloot aan het schier zekere gevaar, zijne onschuld verloren te zien gaan.

Met de jaren groeien de hartstochten. Hulp van Boven wordt immer noodzakelijker. De knaap, de jongeling moet onderricht, moet gewaarschuwd worden — en wel dikwijls, daar het jeugdig gemoed in zijne lichtzinnigheid de vermaning spoedig vergeet. Tusschen het geroep eener onstuimige natuur, van het kokende bloed, van de lokkende nieuwsgierigheid, van eene verleidelijke wereld, van lichtzinnige vrienden, van het slechte voorbeeld — moet zich dikwerf eene stem uit de hoogere wereld doen hooren; het geweten des jongelings moet gesteund, de heilige vreeze Clods in hem bevestigd, de goede wil gesterkt, de zinkende moed opgebeurd, zijn blik verhelderd worden.

Waar en door luien moet dit geschieden, zoo niet in het troostvolle sacrament der Boetvaardigheid, zoo niet door den man, die de kronkelingen van het serpent in mijne ziel duidelijk waarneemt en de gevaarlijke plaats kent, welke het monster voor zijn beet heeft uitgekozen?

Van den boord des afgronds, ja zelfs op het oogenblik van den val trekt eene goede Biecht den jongeling nog terug. Niet verder, — klinkt het der onbezonnen jeugd in het oor, — uwe ziel! de eeuwigheid! Dat is zonde! dat brengt u tot zonde ! Zie, daarheen richten zich uw schreden! Vlucht! strijd! red u !

En mocht het ongeluk, hoe lang reeds voorzien, hoe lang reeds tegengehouden, toch nog gebeuren, dan is het niet geheel onherstelbaar, wanneer men door dikwijls te biechten de teerheid van geweten behoudt, en wanneer een verlicht biechtvader menigwerf in de gelegenheid wordt gesteld, als geneesheer der ziel op te treden.

Is echter de jongeling bedorven, ach — dan geene redding zonder vake Biecht!

25

ocr page 398

378

Geene redding, — hoort gij? De zeldzame uitzonderingen op dezen regel kunnen niet in aanmerking komen. Raadpleeg de ondervinding — misschien de uwe.

Ja, voor degenen, die, nauwelijks opgestaan, weder vallen, en voor de zondaars uil gewoonte is dikwijls biechten volstrekt noodzakelijk.

Gij wilt u beteren? Ruim dan eerst het puin op; of wilt gij een bomvval tot grondslag voor het nieuwe huis nemen?

Gij wilt u onttrekken aan de dwingelandij der slechte gewoonten? Slechts door onvermoeid wringen gelukt het u eindelijk, de slavenketenen af te schudden.

Gij wilt het vuur uwer wilde hartstochten blusschen ? Gebruik dan aanhoudend stroomen water. Niets dooft den gloed gemakkelijker dan eene dikwijls herhaalde Biecht.

Wordt uwe betering niet vooral door de blindheid uws geestes en door de zwakheid van uwen wil belemmerd?

Door vaak te biechten wordt ons verstand meer en meer verlicht; men onderscheidt gemakkelijker het kwaad, men ziet beter in, hoe doemwaardig, hoe leelijk, hoe gevaarlijk de zonde is; men ontwaart de strikken van wereld, satan en vleesch; men wordt zich altijd meer bewust van de nietigheid der schepselen; de zelfkennis breidt zich uit; men wendt nauwkeuriger de middelen ter betering aan. Gij biecht, en de lichtzinnigheid uwer Jeugd wordt voor eene wijle tot ernst gedwongen; God, godsdienst, plichten van staat rijzen weder op vóór het oog uwer ziele.

De wil wordt sterker; niet alleen werkt de sacramenteele genade: reeds dit kloeke optreden tegen ons-zelven staalt den wil, maakt gewoon aan zelfbeheersching. De prikkeling tot zonde wordt minder heftig. Het vaak terugkeerende genot van een verkwikkenden zielevrede doet de begeerte ontstaan, dat genot te bestendigen; de teerheid des gewetens

ocr page 399

379

a neemt toe; men krijgt deugd en godsdienst altijd meer üef.

i- O jongeling, kondet gij besluiten, - gij, die wellicht tot

dusverre in slavernij hebt gezucht, kondet gij ernstig beslui-i, ten, dikwijls en geregeld en goed te biechten, — gij waart

[- onfeilbaar gered!

En mocht gij het door de liefderijke hulp uws Verlossers t zoo ver brengen, dat gij het voor u als wet beschouwdet,

? nimmer over eene doodzonde, die gij het ongeluk hadt te

)- bedrijven, de zon te laten ondergaan, — o dan waart gij

u niet slechts veel meer beveiligd tegen de gevolgen van een

onvoorzienen dood, maar dan kon ook geene slechte gewoonte 3- in uw hart meer wortelen.

d Wij vergeten zoo gemakkelijk, dat door het H. Sacrament

van Boetvaardigheid niet slechts zonden worden vergeven, maar s ook genaden ter volharding verleend, en dit wel in overeen

stemming met de bijzondere nooden van elk biechteling, ir En wordt niet juist door dikwijls biechten de Biecht ge

il makkelijker gemaakt?

k Hoe schaarscher men biecht, des te moeilijker is het, zijn

n geweten nauwkeurig te onderzoeken, des te onbeholpener ver-

3- richt men een zoo groot werk; — en geve God, dat deze

n onbeholpenheid niet eens op het sterfbed de schrikkelijkste

t, gevolgen openbare!

)t Neem de proef. Biecht dikwerf, — tenminste één keer per

:n maand. Gij zult ondervinden, dat de Biecht u telkens minder

zwarigheid oplevert.

Ie O mijn Clod! Zoo dikwijls beklaag ik mij-zeiven en betreur

It de zwakheid en onbestendigheid van mijn hart. Bitter be-

ig droefd, schier wanhopig staar ik in den afgrond, op welks

e- boord de hartstochten mij heen en weder drijven, en ik acht

t- mij verloren. Ik laat mij door de bruisende golven voort-

is stuwen, en, geene redding ziende opdagen, verlies ik te

i

ocr page 400

380

eenenmale den moed, denk niet meer aan tegenstand — IJdele klachten! lafheid! dwaasheid! Ik kan den wilden stroom indijken, het golvenheir beteugelen — niet door werkeloos toezien, niet door handenwringen, door mij laf aan vertwijfeling over te geven, maar door de getrouwe aanwending van die middelen, welke de beste Kenner van het men-schelijk hart onder mijn bereik heeft geplaatst.

Ik kan den afgrond ontkomen; maar ik moet mij eindelijk U, o God, in de armen werpen, en niet éénmaal, neen, dikwerf] ik moet mij weder aan U vastklemmen.

Gij neemt het struikelblok vóór mijne voeten weg, en houdt mij tegen, wanneer ik dreig te vallen; — Gij verheft de ziel en verlicht de oogen, geeft gezondheid, leven en zegen! ')

') Eccl. 34, 20.

ocr page 401

HOOFDSTUK LXXXI.

BIECHTEN UIT GODSVEUCHT.

^ No verearis usque ad mortem

justificari. Eccl. 18, 22.

j^anneer wij zeggen: wij zondigen niet, dan bedriegen wij ons-zei ven en is de waarheid niet in ons. ') Ook de rechtvaardige valt, hij valt zevenmaal, hij valt dikwijls, — doch hij staat weder op.

Een ieder dus heeft loutering van noode, enditraaft.

Deze zielereiniging geschiedt voornamelijk in het troostvolle Sacrament van Boetvaardigheid. Hier, waar de onzichtbare genade overeenstemt met de zichtbare teekenen, zijn wij van deze reiniging zeker, terwijl het gebed alleen, oefeningen van godsvrucht, goede werken enz., door al hetwelk eveneens de vergeving van dagelijksche fouten verkregen en die van doodzonden voorbereid kan worden, slechts doen hopen op die

1 Joh. 1, 8.

ocr page 402

382

reiniging en derzelver omvang geenszins nauwkeurig laten vaststellen.

Natuurlijk vormen de zware (dood-) zonden het eigenlijke subject der Biecht; zij moeten beleden worden, — te haren opzichte is de Biecht volstrekt noodzakelijk.

Dan, het is zeer nuttig, zich ook van de niet-zware fouten te beschuldigen, en ook van haar alleen, wanneer geene doodzonden zijn bedreven.

Zulk eene Biecht noemt men, ter onderscheiding van de verplichte Biecht, d. w. z. van dezulke, waartoe zware zonden ieder mensch verplichten, — eene Biecht uit godsvrucht.

Ook voor hen, die zelden zwaar zondigen, die nooit eene doodzonde begaan, is het nuttig, dikwijls te biechten.

Wilt gij zelden biechten, omdat gij geen groot zondaar zijt ?

Let wèl op u-zelven, dat gij het niet moget worden, of opnieuw worden, — juist omdat gij zelden biecht!

De Biecht gelijkt den zuiverenden luchtstroom, dien men van tijd tot tijd in een gesloten vertrek moet laten binnendringen, wil men niet, dat de atmospheer drukkend en ongezond worde.

De Biecht gelijkt der buigzaam makende olie, waarmede men van tijd tot tijd zekere droge, harde stoffen inwrijft, om te groote sprokkigheid te voorkomen ; zij gelijkt der bijtende-vloeistof, welke den roest wegneemt en het metaal blank houdt.

De Biecht verhindert, dat onze ijver insluimere — eensdeels wijl zij in ons de werking der genade verhoogt, anderdeels wijl zij ons het goede voornemen laat hernieuwen en de waarschuwende woorden des biechtvaders vernemen.

De Biecht vermeerdert de kracht om ons in staat van genade te bewaren.

De Biecht is een voortreffelijk middel tegen de bekoringen.

ocr page 403

383

Onder het puin en in 't verborgen loert de slang; ontdek hare schuilplaats en zij vliedt. — Wacht niet, totdat de bekoring u wondt, maar gebruik veeleer het geneesmiddel vóór de ziekte. ^

Biechten verhoogt de bekwaamheid tot beoefening der deugd.

Biechten veroorzaakt de nauwste vereeniging met Jesus; de hindernissen worden uit den weg geruimd, de genade vloeit in breedere stroomen, de liefde wordt vuriger, het zieleleven gedijdt frisscher, de werken worden allengs rijker aan verdiensten, de hemelkronen stralen in verhoogden luister.

Niets ware meer verderfelijk, den waren voortgang meer nadeelig, dan overschatting van eigen deugd, eigen kracht, dan een zeker hoogmoedig zelfbewustzijn, waardoor men in den waan verkeert, in de toekomst zich alleen staande te kunnen houden, Godes bijstand nauwelijks meer te behoeven. De Prediker waarschuwt in dezer voege: Schaam u niet, tot aan uwen dood de rechtvaardigheid in u te vermeerderen!

Van u-zelven getuigt gij: Ik ben goed; doch de waarlijk goede is ook ijverig, en de ijverige bewijst zijn ijver door daden. Laat zich ijver denken zonder openharingen des ij vers en zonder middelen om den ijver levendig te houden? En beide zijn de Sacramenten, — de vaak en waardig ontvangen Sacramenten.

O ondankbaarheid! Gij beurdet mij op, o Heer, uit den modderpoel van het kwaad, en als middel daartoe bezigdet Gij de Sacramenten; en zoude ik nu onverschillig zijn ten opzichte van datgene, waaraan ik, door uwe liefde, mijne redding dank?

O blindheid! De Sacramenten bezitten eene zoo levend-

') Eccl. 18, 20.

ocr page 404

384

makende kracht, — ik-zelf mocht het ondervinden; en ik zoude hun niet de taak toevertrouwen, het leven, dat ze in mij hebben verwekt, steeds meer en meer te bevestigen, te versterken, te volmaken?

Gij zegt; „misbruik moet vermeden worden.quot;

In alles kan misbruik sluipen. Doe het uwe, en God zal u geen misbruik verwijten.

Gij vreest, dat het u, wanneer gij dikwijls ter Biecht gaat, aan berouw zal mangelen?

Beschuldig u nogmaals van de een of andere zware zonde, in uw vroeger leven begaan, en reeds gebiecht: zult gij dan nog geheel koud blijven? Voeg ze uitdrukkelijk bij uwe belijdenis; er is dan stof voor de Absolutie aanwezig.

Misbruik zoude slechts dan te vreezen zijn, wanneer gij enkel uit gewoonte biechttet, en met die oppervlakkigheid, waarmede men dagelijksche bezigheden van weinig belang pleegt te verrichten. Doch een bekwaam biechtvader, — en naar zulk een leidsman moet een ieder, die prijs stelt op vooruitgang in de deugd, omzien, — zal dit weten te verhinderen ; hij zal u een gids zijn op het pad ter volmaaktheid; Mj zal u aansporen, met raad en daad uwen ijver helpen.

En biecht gij werkelijk dikmaals, besteed dan niet te veel tijd aan het gewetensonderzoek. Daal niet te zeer tot kleinigheden af. Neem slechts datgene, wat gij werkelijk met bewustheid en vrijen wil hebt misdreven. Zonder het zekere van het onzekere af; en vindt gij weinig te biechten, tracht dan, u van dit weinige te beteren, en gij wordt zeker heilig. —

Gij zegt: „Men behoort opzien te mijden.quot;

Juist, mijn vriend: draag ook gij uwen ijver in het ontvangen der Sacramenten niet ten toon. En wat nu het overige betreft, — zorg voor u-zelven. Uw zieleheil en uw voortgang in het goede is bij uitnemendheid uw eigen zaak.

ocr page 405

385

O — de valsche schaamte! Hoeveel jongelingen houdt zij terug van het dikwijls ontvangen der Sacramenten — schocn zij er dringend behoefte aan gevoelen!

Mijn goede jongeling! nooit zult gij het der wereld naar den zin maken. quot;Wilt gij op hare goedkeuring wachten ? — Gij komt te laat....

O ja, — satan en wereld fluisteren u honderd redenen in om u van het dikwijls ontvangen der Sacramenten terug te houden. Nu geldt het niet de vervulling van een plicht, — dan is men niet genoegzaam voorbereid, — dezen keer heeft men te weinig lust, een andere maal te weinig tijd. Wanneer zult gij eindelijk doortasten? — Ik wil. Heden is't mijn dag. Ik gevoel, dat het noodig is. Het gebeurt; ik ga!

ocr page 406

HOOFDSTUK LXXXII.

HET BROOD DES LEVENS.

Ego sum panis vitae.

Joh. 6, 85.

'p

^jïiecht en Communie — ziedaar de twee rijkst vloei-

ende genadebronnen van het Nieuwe Verbond, ■[ijp Wat zoude er van ons, arme, zondige menschen geworden, zonder dit Sacrament der loutering! Wat hadden wij, arme, zwakke menschen niet te schromen, zonder dit Sacrament der sterking!

De Heer kent onze behoeften, onze nooden, en Hij voorziet daarin.

Heeft Hij zoo mild zorg gedragen voor het behoud en de welvaart onzes liehaams, met hoeveel grooter nog eene mildheid zal Hij verrichten en ons schenken wat noodig is voor de ziel, die geheel geest is, geheel bovenaardsch en hemelsch, en daarom het lichaam oneindig in waarde overtreft!

Ja, ook haar heeft Hij — in 't nieuwe verbond der ge-

ocr page 407

387

nade — eene spijze geschonken, — een voedsel, strookende met haar wezen, hare bestemming, hare verheven natuur en hooge waardij, haar leven en werkingen.

Dit voedsel kan niet anders zijn, dan God-zelve; want slechts door God leeft de ziel op bovennatuurlijke wijze, en Hij alleen kan haar spijzen, haar verzadigen.

Dat is de Eucharistie; want hierin is Jesus tegenwoordig— met Godheid en Menschheid, met Vleesch en Bloed, in waarheid, werkelijk, wezenlijk, — dezelfde Jesus, die, zittend aan des Vaders rechterhand, glorierijk in de Hemelen troont.

Ik ben het Brood des Levens. 1) Gelijk Mij de levende Vader heeft gezonden, en Ik door den Vader leef, zoo zal ook hij, die Mij eet, door Mij leven. 2)

In het aanbiddelijke Sacrament onderhoudt Jesus het leven der ziel. — Het hoogere, bovennatuurlijke leven der ziel is de genade. Jesus is loven en genade en de Bron aller genaden. En Jesus wordt hier ontvangen, als Spijze genoten, Hij wordt één met ons.

In het aanbiddeliike Sacrament m-mcmferi Jesus het leven der ziel; hij, die het waardig ontvangt, groeit, gedijt, gaat van deugd tot deugd, wordt geestelijk grooter, sterker, kloeker.3)

In het aanbiddelijke Sacrament volmaakt Jesus het leven der ziel. — Evenals het lichaam door zekere invloeden schade lijdt, en dit verlies door sterking van buiten moet herstellen, zoo ondervindt ook de ziel nadeel van de inwerking der verkeerde neigingen en van den prikkel der zinnenwereld, en moet genezing en volmaking vinden door het eeuwig-durende, eeuwig werkzame, eeuwig volle leven, waarmede zij in het Allerheiligste Sacrament zich vereenigt.

Jesus in het aanbiddelijke Sacrament overstroomt de ziel

') Joh. 6, .35. 2) Joh. 6, 58. 3) Ps. S3, 8.

ocr page 408

388

met blijdschap. — Evenals de Voorzienigheid aan het gebruik van stoffelijke spijzen genot en vreugde heeft verbonden, en zelfs wilde, dat de verzadiging der behoefte dit genoegen nog zou verhoogen — dit alles, opdat men, tot nadeel des lichaams, niet zoude verzuimen, voedsel tot zich te nemen, — zoo is ook aan het genot van Christus' Vleesch en Bloed de zoetste blijdschap verbonden, een ivellust van geestelijken smaak bij het ontvangen en daarna een wellust van geestelijke verzadiging, die den inwendigen, hoogeren mensch bovenmate verkwikt en hem voor eene wijle bijna onder de zalige scharen van het Eeuwig Gastmaal verplaatst.

Brood van den Hemel gaf Hij hun, dat alle zoetheid in Zich vereenigt.') Slechts het gehemelte, bedorven door aardsch genot, is voor dien hemelschen wellust niet ontvankelijk.

O Brood des Levens! o lafenis en sterking! O geneesmiddel! o zoetheid! o wonderbare verandering in Jezus!

Ja — verandering in Jesus, — den levenden God, den oorsprong van alle leven.

Wie mijn Vleesch eet en mijn Bloed drinkt, die blijft in Mij en Ik in hem.2)

Wat dus gemeenschappelijk kan worden gaat van Jesus in mij en van mij in Jesus over, het vereenigt zich op wonderbare, onbegrijpelijke wijze.

Derhalve — alleen de zonde en 't geen tot haar behoort, de slechte begeerlijkheid, kan niet in Jesus wonen; al het overige is tot die wederzijdsche doordringing bekwaam. Wij leven in Jesus, en Jesus leeft in ons. Jesus' denken wordt ons denken, zijne gevoelens, zijne handelingen worden de onze, — alles natuurlijk in de bijzondere maat van ieders geschiktheid; — maar het gebeurt, — 't ligt in Jesus' bedoeling, dat het gebeure.

Ps. 77, . ') Joh. 6, 57.

ocr page 409

389

En zoo gaat hij, die waardig communiceert, telkens meer en meer in Jesus over, en elke Communie is dien overgang bevorderlijk en voltooit die verandering in Jesus.

En de trekken van dit menschenbeelcl worden steeds meer de trekken van het Godsbeeld, Jesus gelijkende; de stempel van het aardsche verdwijnt van lieverlede, het hemelsche treedt op den voorgrond, en tusschen al het menschelijke schemert, o zaligheid reeds het goddelijke!

O macht der liefde en vereeniging! Ik leef, — doch niet meer ik. maar Christus leeft in mij

Jongeling, tot welk eene hoogte kon het waardig genot der Eucharistie u verheffen! Hoe gemakkelijk is het der gloeiende liefde uws Heilands, uw jeugdig gemoed in het aanbiddelijke Sacrament des Autaars met zich samen te smelten, indien gij slechts wilt gedoogen, dat zijne kracht in hare volheid op u inwerke!

Maar — gi] wilt niet; gij verwijdert u haastig; den zengenden. uitdrogenden gloed van de liefde der wereld ontwijkt gij minder, dan de verkwikkende, zachtkens warmende liefdestralen, die van uit den Tabernakel op u willen nederschieten.

En toch is het eene hehoefte voor uw hart, te beminnen, zich te vereenigen! En toch kan de leemte in uw gemoed slechts met goddelijke, bovenaardsche dingen worden aangevuld !

gt;) Gal. 2, 20.

ocr page 410

HOOFDSTUK LXXXIII.

EKN ICKACH TIG TEGENGIF.

In me omnis spes vitae

jdiyilip eeds als de summa en volheid van alle genaden en

PlÊSC*1quot; zegeningen moet de Eucharistie het krachtigste

C) \ :

i gt;1% tegengif tegen de begeerlijkheid zijn.

: Nooit, wel-is-waar, kan deze giftwortel geheel wor

den uitgeroeid. Zoolang wij kinderen Adams zijn, zoolang wi] onze pelgrimsreize niet ten einde hebben gebracht, zal het gevaarlijke tonder in ons gloeien.

Maar onderdrukt kan zij worden, de steeds wakende begeerlijkheid; een groot deel van zijne kracht kan hij verliezen, die zoo gevaarlijke prikkel.

En het ontvangen der Eucharistie is daartoe het beste middel.

Jesus' oogmerk is zijne vereeniging met ons; de innigheid

ocr page 411

391

dier vereeniging is grooter, naar mate alles, wat haar in den weg staat, zorgvuldiger is verwijderd. Jesus in 't hoogheilig Sacrament moet derhalve, in evenredigheid van den zieletoestand des ontvangers, der begeerlijkheid afbreuk doen, haren invloed bestrijden, het lagere deel onzer menschheid beteugelen.

En inderdaad — wanneer Jesus' reine, maagdelijke ziel zich met mijne ziel vereenigt, zal zij deze dan niet louteren ?

Wanneer ik het reine, maagdelijke Vleesch van mijn Verlosser eet, zal het dan de onstuimigheid mijner zinnen niet breidelen?

Zal de hemelsche vrede, welken de Eucharistische Jesus in mijn gemoed brengt, niet den storm mijner hartstochten doen bedaren? O ja — des vredes breede stroom zal de stad Gods verblijden, ^ en de allerhoogste zal meer en meer zijne woonstede, de ziel, heiligen.

Deelt de stoffelijke spijze aan het lichaam hare eigenschappen mede, zoodat het koude en hitte, droogheid en vochtigheid van haar aanneemt, — deze bovenaardsche maaltijd, waarbij de Heiligheid-zelve, de volheid aller deugden, wordt ontvangen, zal voorzeker heiligheid en deugd in ons uitstorten en krachtig tegen alle bederf en boosheid werken.

Twee dingen houden den lichamelijken dood van ons verwijderd: innerlijke werking door voedsel en geneesmiddelen, en uitwendige beschutting door middel van geschikte wapenen. De Eucharistie is eene geestelijke spijze, eene geestelijke artsenij; zij is echter ook een wapen en verdrijft, als teeken der herinnering aan Christus' dood, de vijanden onzer zaligheid.

Ja — de Heiland, Die slechts leven is. bestrijdt den dood.

!) Ps. 45, 5.

ocr page 412

392

waar Hij hem vindt, en vervolgt hem tot in zijne meest verwijderde oorzaken.

Jesus haat datgene, wat het leven der genade belemmert; dezen haat stort Hij in ons over, zoo dikwerf Hij ons Zich-zelven mededeelt.

Jesus verlangt, in het hart te blijven wonen, dat Hem zoo gastvrij opnam; de zonde alleen drijft Hem er uit, en tot de zonde lokt de begeerlijkheid. Derhalve strijdt Jesus tegen haar in zijne aanbiddelijk Sacrament. Hij beurt den mensch tot Zich op. Hij tracht de duizend boeien, die hem aan de zonde ketenen, los te rukken, Hij sterkt zijnen wil, Hij geeft hem wapens tegen den gemeenschappelijken vijand in de hand en biedt Zich-zelven aan als machtig Bondgenoot. In Mij, zoo getuigt de verlosser, is alle hoop des levens en der deugd. ^

En bij deze innerlijke werking van het hoogheilig Sacrament voegt zich nog de noodzakelijke voorbereiding met hare verschillende acten, en voornamelijk de Biecht, welke alleen reeds zoo machtig en zegevierend de zonde bestrijdt en alles wat tot zonde voert.

O zie, jongeling, welk een gemakkelijk, ja welk een zoet, lieflijk middel gij hebt in de Eucharistie, om te zegepralen over die hartstochten, wier geweld u zoo vaak met ondergang bedreigt!

Gij klaagt over het geweld dier begeerlijkheid, over de zoo sterke aandrift tot het zinnelijke, over het oproerige vleesch; — maar in stede van te klagen, moet gij veeleer de middelen gebruiken, die u de overwinning kunnen bezorgen. Neem de proef!

Waar is een jongeling vlekkeloos gebleven naar ziel en lichaam, zonder vriend te zijn geweest van den maagdelijken

') Eccl. 24, 25

ocr page 413

393

Jesus? zonder vaak aan zijne Borst te hebben gerust? zonder uit deze Bronne aller zuiverheid dikwijls en ruim geput te hebben? zonder te hebben gedronken van dezen Wijn, die maagden voortbrengt ? ^

•) Zach. 9, 17.

26

ocr page 414

HOOFDSTUK LXXXIV.

DE HEILIGE COMMUNIE.

Picite flliae Sion ; Ecoe Eex ' tuus ven^' tibi mansuetus.

Math. 21, 5.

;^k begrijp liet, o mijn God: nimmer zal ik mij tot de i^s^nuttiging van uw heilig Vleesch en Bloed kunnen voorbereiden op eene wijze, overeenstemmend met de waardigheid van het Sacrament.

'' Want — wat ben ik, arme jongeling, die U in mijn hart eene woning wil bereiden? en wie zijt Gij, die U ge-waardigt, mij te bezoeken?

Wat heb ik meer, dan mijn goeden wil? En kan hij U bevredigen, o heilige, o zuivere, o groote God?

Zoo wil ik mij dan bevlijtigen, om voor uwe komst datgene te doen, wat volstrekt noodig is. Ik zal mij-zelven beproeven-, ^ van de zware zonden zal ik mij docr berouw en Biecht reinigen.

') 1 Oor. 11, 28.

ocr page 415

395

Deed ik zulks niet, — c dan zoude ik, niet onderschei-' dende het Lichaam des Heeren, mij-zelven het oordeel eten en drinken ^; ik zou dan het Allerheiligste ontheiligen, en een roof begaan, daar ik, onzuivere, mij den Zuiverste op de meest onbillijke wijze toeeigende.

Ik zal mij echter ook bevlijtigen, om voor uwe komst meer te doen, dan volstrekt noodig.

Het geldt hier die voorbereiding, welke eenerzijds overeenkomt met uwe Majesteit, anderzijds met uwe groote liefde tot mij, behoeftigen jongeling, — eene voorbereiding, welke strookt met uwe heilige oogmerken te mijnen opzichte en met de vruchten, die eene waardige Communie mij, naar ik hoop, zal opleveren.

Ik zal dus trachten, mijn hart ook van dagelvjksche fouten te reinigen. Op de eerste plaats wil ik mijn best doen, om elke vrijwillige verkleefdheid aan eenige zonde uit mijn hart te bannen.

Ik wil trachten, mij te doordringen met dat levendig geloof, hetwelk mij onder de nederige gedaante van brood den Koning van Hemel en aarde doet aanschouwen.

Ik zal ook mijn hart louteren van alle liefdeloosheid in betrekking tot den naaste. Hetzelfde Lichaam van Christus voedt mij en allen; kan tweedracht heerschen, waar zulke nauwe vereeniging moet plaats grijpen? Onder een Hoofd, zoo rijk aan liefde en zachtmoedigheid. — elkander hatende, wederzijds vijandig gezinde ledematen?

Ik zal mijne onwaardigheid belijden, en voor U, o mijn God, betuigen: Heer, ik ben niet waardig, dat Gij komt onder mijn dak, doch — spreek slechts een woord, en mijne ziel zal gezond worden! 2)

') 1 Oor. 11, 29. •) Math. 8, 8.

ocr page 416

396

' Ik wil in ootmoed tot uwen Disch naderen. Diepe ootmoed des harten is te eenenmale noodzakelijk voor hem, die een Zich-zelf vernietigenden God wil ontvangen.

Ik wil trachten, in mijn hart het vuur eener heilige liefde te ontsteken. Deze liefde is vol teeder verlangen. Wanneer zal ik komen en verschijnen vóór 's Heeren Aangezicht? 1) O — gelijk een dorstig hert smacht naar de lavende bron, zoo smacht mijne ziele naar U, o mijn God!

Deze liefde beijvert zich, door acten van deugd het hart te tooien. Voorzeker kan mijn ijver aan het bruiloftskleed, 2) dat is de heiligmakende genade, nog menig sieraad toevoegen, kleinoodiën en paarlen, waardoor zijn luister wordt verhoogd.

quot;Waar is het geloof mijner Eerste Communie? waar het verlangen, waar de vurigheid van dien heiligen dag?

Ach! ik communiceer thans zoo oppervlakkig, en daarom laten mijne Communiën nauw zichtbare sporen achter. De werking van iedere oorzaak is geëvenredigd aan de gesteltenis van het subject, waarop zij inwerkt.

O lichtvaardigheid mijner jeugd, — gij mengt u zelfs in het gewichtigste, het heiligste!

Maar — wanneer ik slechts wilde, kon ik mij van die schuldige lichtzinnigheid beteren. Ik kon reeds eenige dagen vóór de Communie in mij-zei ven treden, mij-zelven geweld aandoen ; ik kon mijn geest daarop gevestigd houden, ijveriger bidden, mij zorgvuldiger kwijten van de plichten mijns staats.

En den tijd, welke verloopt tusschen Biecht en Communie, kon ik, meer of minder, aan oefeningen van godsvrucht wijden. Immers, aan den dienst der wereld wordt tijd genoeg besteed: waarom zoude ik niet ook God, bijwijlen eenige uren schenken ?

') Ps. 41, 3. ') Math. 22, 12.

ocr page 417

397

3d Ik zou eenig vroom boek ter hand kunnen nemen, in de

3n Kerk het Allerheiligste bezoeken, mij eenige kleine verster

vingen opleggen. Mijne eerste gedachte op den Communiedag-de zeiven moest aan de nakende komst van den grooten en

er goeden Koning gewijd zijn.

!) O mijne ziel, uw Koning komt; ') Hij nadert in zachtmoe-

n, digheid. Maak u op! Hem te gemoet! kleed u in ?i'c7ïlt;, o Jeru

salem; want uw licht komt, en de heerlijkheid des Heeren rt zal over u opgaan! 3)

2) Het werk is groot; want niet voor eenen mensch, doch

e- voor God moet eene woning worden bereid. 3)

r- Waarlijk? Kan ik het gelooven? Zal God bij de menschen

op aarde willen wonen? 4)

3t O mijn God, wees Gij-zelf mijne hulp, dat ik U waardig

ontvange!

n Vol heilig verlangen begeef ik mij dan naar de kerk, bid,

ie overweeg, belijd, heb berouw, beloof, bemin, begeer, — nader

1- eindelijk tot de Tafel des Heeren in ootmoedige houding,

bescheiden, ingetogen, in God verslonden.

;t En nu bezit ik Hem, — nooit laat ik Hem weder van mij

gaan! Ik aanbid, ik dank, ik loof, ik prijs, bid voor mij en e anderen. Ontoegankelijk voor de buitenwereld, en zelfs het

n gebedenboek ter zijde leggend, wanneer zijne formulieren mij

d koud laten, onderhoud ik mij zooals het hart mij ingeeft met

r mijn Verlosser, met den Beminde mijner ziel.

Dat zijn kostbare oogenblikken, waarvan men gebruik moet . maken! Nog zijn de gedaanten aanwezig, en zoolang zij duren

t is ook Jesus Christus, de Zoon Gods, waarachtig en wezenlijk

y in mij tegenwoordig; ik ben eene levende tente Gods en bevat

Dengene, dien de Hemelen niet begrenzen en door wien de

') Math. 21, 5. !) Is. 60, ]. ') 1 Chron. 29, 1. ') 2 Chron. 6, 18.

i

ocr page 418

398

koningen regeeren, *) Dengene, die dezulken, welke Hem liefhebben, rijk maakt en hunne schatkameren vult. 2)

O Jesus, Zoon van David, ontferm LT mijner! 3) O erbarm U mijner jeugd! Kom mijner blindheid, mijner onervarenheid, mijner zwakheid ter hulpe! O Gij, de Reinheid-zelve, o Lam, dat zoo gaarne tusschen leliën weidt, 4) bewaar mijn lichaam zuiver en vlekkeloos en Uwer waardig! O mijn Beschermer,5) o Jesus, mijne kracht, zie neder op mij, armen jongeling, en sterk mij in den strijd tegen de wereld, tegen vleesch en bloed, tegen alle vijanden mijner zaligheid! 6) Jesus, voor U leef ik; Jesus, in U sterf ik; Jesus, — U wil ik toebehooren in leven en sterven!

Overgelukkig in het bezit van mijn God en Zaligmaker, verwijl ik tenminste nog een kwartier uurs in het heiligdom, en begeef mij dan in kalme vreugd naar mijne woning en aan mijn arbeid, vastbesloten, den zegenrijken band der heiligste vereeniging niet meer lichtzinnig te verbreken.

En deez' geheele dag zal een dag Gods zijn: het is een dag, den Heer, onzen God, toegeheiligd! 7) Weg met alle treurnis!

Weg ook met alle lichtzinnigheid en onbetamelijke verstrooidheid. Hoe langer ik den Heer vasthoude, des te langer houdt Hij ook mij vast; en — o werde ik nooit meer van Hem gescheiden!

') Spr. 8, 15. !) iSpr. 8, 21. s) Math 10, 47. ') Hoogl. 2, 16,

s) Ps. 83, 10. quot;) Ps. 89, 15. ') 2 Esdr. 8, 9.

ocr page 419

HOOFDSTUK LXXXV,

HET DIKWIJLS ONTVANGEN VAN DE H. COMMUNIE.

Vonito, comedite panoni nieum et bibite viuuni, quod miscui vobis.

Pi.ov, 9! 5.

v/m ïffl K |||

as het goede in ons duurzamer, en werkten wij ijveriger met de genade mede, dan zouden ook ApP de zegeningen der H. Sacramenten langer in ons voortbestaan.

O, wat zijn wij onbestendig en veranderlijk! Kas verdwijnen zelfs de beste indrukken, en van 's Heeren rijkste genadegaven blijft na korten tijd zoo luttel over!

Deze onbestendigheid en gebrekkelijkheid te willen genezen door een onmatig en weinig zorgvuldig gebruik der Sacramenten, vooral van het hoogheilige Sacrament des Altaars, dit ware even misdadig als vruchteloos.

Doch wanneer men de zwakheid zijner natuur steunt door dikwijls de genaden te vernieuwen, door de vroeger ontvan-

ocr page 420

400

gen goede indrukken menigwerf in den geest terug te roepen, dan maakt men niet slechts geen misbruik, dan is men niet lichtzinnig of vermetel, — dan toont men. wijsheid te bezitten, zijne ware behoefte te kennen, Gods heilige oogmerken te willen bevorderen.

O ja, dierbare jongeling, nader dikwijls ten Engelendisch, — zoo dikwerf als de biechtvader het u aanraadt, — doch waardig, na behoorlijke voorbereiding en met zuiver inzicht.

Bij niemand is de onbestendigheid grooter, dan bij u; nergens vervliegt de balsem der godsvrucht zoo spoedig, als in uw hart; niemand ook heeft zoo dringend en voortdurend hulp van noode, als gij.

Van alle zijden dreigen u gevaren: nuttig dikwijls het „Brood der sterken.quot;

De wereld lokt u aan en wil u in boeien klinken: vlij u dikwijls neder aan het hart uws Verlossers.

De hartstochten ontwikkelen zich; zij nemen eene dreigende houding aan en trachten, uwe ziel in het verderf te storten: vereenig u dikwerf met Jesus, die leven is en leven ivrocht.

Eene waardige Communie strekt God tot grootere eer. Waarom niet dikwijls Hem die eer bewijzen?

Eene waardige Communie is het goede gebruik eener weldaad, ons door 's Heeren mildheid bewezen. Het verheugt den Gever, ons dikwijls en goed van die onschatbare weldaad gebruik te zien maken.

Eene waardige Communie is een werk van godsvrucht en ijver. Liefde voert tot de H. Tafel, liefde wordt caar gezocht; derhalve uit liefde, met liefde, om liefde. Waarom niet deze handeling dikwijls herhalen?

In de H. Communie streef ik naar algeheele vereeniging met Jesus. Hoe vaker ik in oprechtheid mijns harten poog.

ocr page 421

401

die vereeniging tot stand te brengen, des te aangenamer en welgevalliger is het Jesus.

Door dikwerf te communiceeren vervul ik Jesus' vurigen ivensch. —- Waarom verschuilt Hij Zich hier onder de gedaante van brood ? Voedsel wordt dikwijls genuttigd, en onder alle voedsel brood het meest.

En Hij geeft zijn verlangen nog duidelijker, dan door teekenen te kennen; Komt, eet het Brood, dat Ik u geef, en drinkt den Wijn, dien Ik u heb gemengd! ')

Welk eene dringende uitnoodiging!

En Jesus dreigt: Voorwaar, Ik zeg u: tenzij gij het Vleesch van den Zoon des menschen eet en zijn Bloed drinkt, zult gij het leven niet in u hebben. -) Geldt zulks voor de nuttiging van het sacramenteele Voedsel, die te eenigertvjde moet plaats vinden, — toch is de reden, waarom het Vleesch en Bloed van Christus te eeniger tijde moet worden genuttigd, dezelfde, waarom men Het dikwijls moet nuttigen: deze nuttiging is het krachtigste middel om het leven der ziel te bewaren en te versterken.

Wie dikwijls communiceert handelt te eenenmale in den geest der Kerk. De eerste Christenen ontvingen zeer vaak de H. Communie; de leeraren der Kerk en de Conciliën dringen er op aan, dat men dikwijls tot de H. Tafel nadere. En nog te huldigen dage vermaant ons de Kerk onophoudelijk dooiden mond harer dienaren, zeer dikwijls de Eucharistie te ontvangen.

Inderdaad, het moet in den geest der Kerk zijn, te wenschen, dat de geloovigen met Christus, hun Hoofd, op 't nauwst worden vereenigd, teneinde door Hem des levens volheid te ontvangen.

■) Spr. 9, 5.

') Joh. C, 54.

ocr page 422

402

Misschien echter vreest gij het oordeel der menschen. — Ducht veeleer de ergernis, door u gegeven, wanneer gij zelden tot de Tafel des Heeren nadert. Wie dikwijls aan dien godde-lijken maaltijd aanzit, en wiens gedrag aan dien vromen ijver 'beantwoordt, die sticht de gemeente, verheugt de goeden, beschaamt de slechten, geeft den huisgenooten een goed voorbeeld, doet achting voor den godsdienst opvatten, wekt in de tragen en lauwen nieuwen ijver.

Dan, het nut, dat gij uit deze heilige oefening kunt trekken, weegt tegen alle schijngronden op.

Is ééne heilige Communie reeds zoo weldoende en rijk aan zegen, daar zij vereenigt met Jesus, den Oorsprong van alle genaden, — wat zullen dan niet vele goede en ijverige communiën in u uitwerken?

Keeds heeft satan nauwelijks meer tijd, zich te vertoonen; gevoelt men eenige zwakte, zij verdwijnt spoedig. De heilzaamste oefeningen herhalen zich voortdurend: onderzoek, berouw, belijdenis, voldoening, — als verwijderde voorbereiding ; en dan, wanneer de lieflijke ure naakt: geloof, hoop, liefde, verlangen, aanbidding, smeekgebed, beloften, dankzegging.

Ja — zeer nuttig is het, dikwijls te communiceeren!

Vraag den nalatigen: Gaat het beter met u, sinds gij weinig communiceert? Is uw leven ijveriger, deugdzamer, voorbeeldiger? En wie zijn het in 't algemeen, die zelden tot de Sacramenten naderen?

Ondervraag de yjverigen. Zijn zij niet alles aan het; dikwerf ontvangen Brood des Levens verschuldigd? Grootere onschuld en kleinere fouten, — wien zulks toeschrijven?

Vraag het den Heiligen, den geestelijken schrijvers, die zoozeer op dikwijls communiceeren hebben aangedrongen: Spraken zij niet de taal der ondervinding ? Den rouwmoedigen

ocr page 423

403

zondaar raadden zij de Communie aan, als het beste middel om een nieuwen val te voorkomen; den zwaMe als sterking; den rechtvaardige als verkwikking; allen als bron van elke deugd, als het krachtigste middel ter volmaking en heiliging, O mocht ons leven zoodanig zijn, dat wij verdienden, dagelijks tot de Tafel öes Heeren te worden toegelatenWij com-municeeren zelden, — misschien ook leven wij zoo. dat wij niet verdienen, vaker het Brood der Engelen te nuttigen — En de troost, die ons in het aanbiddelijke Sacrament des Autaars zoo overvloedig ten deel wordt! O mijne ziel, — zoude ik u dat onbeschrijflijk zoete geneugt telkens zoo lang onthouden?....

Dierbare jongeling, weet gij, waarom ge telkens weder den bedrieglijken liefkoozingen der wereld ten offer valt? quot;Wijl gij u zoo snel uit Jesus' armen losrukt, en zoo zelden aan zijne borst terugkeert. De zalige oogenblikken, bij Jesus doorgebracht, vergeet gij zoo spoedig, en, in stede van ze terug te roepen, zoekt gi] elders heul en troost.

Derhalve, o mijn vriend, keer dikwijls terug totdenEnge-lendisch. Proef en zie, hoe zoet de Heere is!

En telken male, vóórdat gij, uwe dankzegging voltooid hebbende, met een blij hart en met nieuwe kracht bezield de kerk verlaat, moet gij uwen Heiland beloven, spoedig te zullen terugkeeren — na verloop van eenige weken, van drie weken, van veertien dagen, van acht dagen.

ocr page 424

HOOFDSTUK LXXXVI.

DE HEER IS MIJN HEUDEE.

Ego pascam oves meas, ot ego accubare eas faciam, dicit Dominus Deus.

Ez. 84, 15.

oor 's Heeren almacht en barmhartigheid van den dood der zonde tot een nieuw leven opgewekt; door Hem met teedere vaderliefde gekoesterd en verzorgd, zijt gij het der dankbaarheid verschuldigd, in die verheven weldaden dieper door te dringen, haar opmerkzaam te overwegen en op den waren prijs te schatten.

Het woord des Koninklijken Zangers kunt gij tot het uwe maken: de Heer is mijn Herder, en niets zal mij ontbreken1).

Ja, mijn Herder zijt Gij, o Jesus! Geene zorgen, geene waakzaamheid, geene teederheid hebt Gij gespaard. Alles, wat Gij doen kondt, hebt Gij voor mij gedaan, — en waartoe zijt Gij thans nog niet bereid?

') Ps. 22, 1.

ocr page 425

405

Gij zijt mijn Herder, o Jesus, — Gij, mijn Heer en mijn God vol grootheid en majesteit. Gij, de Oneindige! Gij gewaardigt U, mij een gids, een vader en opvoeder te zijn. Uw oog rust op mij, Uw arm beschermt mij, Uwe schouders dragen mij.

Ik mag mij uw schaapje noemen, o teedere Herder, — ik arm schepsel, dat uit. mij-zelven niets ben en niets heb, ik, zwak, hulpbehoevend jongeling, nog tot niets bekwaam, nog geheel te vormen en op te voeden!

Maar juist om in de nooden mijner armoe te voorzien, zijt Gij mijn Herder geworden, o God! Het is uw welbehagen, o Heer, mij te verrijken, opdat ik alles in overvloed bezitte en het mij aan niets mangele.

Mijn Herder heeft mij op grazige weiden gevoerd 2).

Het heilig geloof met zijne leeringen, het woord Gods, de heilzame inspraken, de voorbeelden der goeden, de gewone en bijzondere gratiën, vooral de Sacramenten, deze bronnen van onmetelijken zegen, — zijn dat niet in waarheid de heerlijke weiden, ons in het Oude Verbond toegezegd ?

Hoeveel waarheid behelst het woord: Op grazige weiden zal Ik hen voeren, en op de hoogten van Israels bergen zal hunne weide zijn; daar zullen zij rusten op het groene gras, en vette weide hebben op Israels bergen; Ik-zelf zal mijne kudde weiden, en Ik zal haar doen legeren, spreekt God de Heer 3).

Hij voert mij aan verkwikkende beekjes 4).

Wat is alle geneugt der wereld, vergeleken bij de reine vreugden van een goed geweten, bij den zoeten troost, welken men smaakt in uwen dienst, o goede God, in den omgang met U, o beminnelijke Verlosser!

O troebele stroomen Babylons, waaruit ik, verblind jonge-

') Joh. 20, 28. !) Ps. 22, 2. ■) Ez. 34, 14. 15. *) Ps. 22, 2.

ocr page 426

406

ling, reeds zoo vaak onrein water heb gedronken, — ijlt voortaan uws weegs! Gij zult niet meer de lippen bezoedelen, die de hemelgave hebben gesmaakt,') die zich gelaafd hebben aan de heldere stroomen van levend water! 2)

Hij verkwikt mijne ziele; Hi/j leidt mij in het spoor der gerechtigheid om zijns Naams wille. 3)

Hoe menigmaal verliet ik, ontrouw schaapje, den veiligen stal, de gezonde en overvloedige weide, de zuivere bron, den teederen Herder, en liep blindelings in de woestijn, verdwaalde jammerlijk op ongebaande wegen, wondde mij aan het doornig struikgewas!

En de goede Herder bedroefde Zich over mijn afdwalen; mijne verblindheid smartte Hem, mijn ongeluk ging Hem zeer ter harte. Hij maakte Zich op, ijlde mij na, liet zijne stemme hooren, vermaande, smeekte, dreigde; Hij rustte niet, tot dat ik, overweldigd door zijne liefde, terugkeerde en opnieuw het pad der deugd betrad.

En dit alles doet Hij uit liefde, om den wille zijns heiligen Naams, opdat in mij het getuigenis van zijn mond worde bevestigd.

En op deze wijze teruggekeerd tot den Herder en de kudde, — wat zoude ik te vreezen hebben?

Al wandel ik in de schadwven des doods, geen kwaad zal ik vreezen; want Gij zijt met mij; uw stok en uw staf vertroosten mij.

Wel-is-waar ben ik, arm. zwak jongeling, omringd door duizend gevaren: vleesch en hartstochten beoorj'ogen mij zonder ophouden; maar, o mijn Herder, klem ik mij aan U vast, verlaat ik niet de gezegende weiden, die Gij mij aantoont, onttrek ik mij niet aan de leiding van uw herdersstaf,

s) Ps. 22, 3.

') Ps. 22, 4.

') Hetr. 6, 4.

') Openb. 22, 1

ocr page 427

407

aan de vreedzame beschutting van uw herderswapen, dan, voorzeker, behoef ik geen kwaad te vreezen. 1)

O heilig Gastmaal, waarin Christus wordt genuttigd — Hij, de Sterke en Machtige! Zal ik schromen, wanneer de Zaligmaker met mii is?

O heerlijke Kelk, gevuld met Christus' dierbaar Bloed!

O kostbare olie der wonderen van Gods genade, die mijn geheel leven doordringt, mijne hardnekkigheid buigzaam maakt, mijne verblindheid wegneemt, de krachten mijner jeugd verhoogt, mij sterkte en behendigheid in den kamp tegen de wereld schenkt.

Ach, het is mij geen raadsel, waarom satans wereld en mijne bedorven natuur zoo onvermoeid pogen, mij van ?s Heeren Tafel verwijderd te houden.

Zij weten, deze vijanden mijner zaligheid, zij weten zeer goed, dat eerst dan hun geweld mij kan schaden, wanneer 't hun is gelukt, mij te verwijderen uit Jesus' nabijheid, mij te berooven van het goddelijke Voedsel, van de kracht van Boven, van den opbeurenden troost, de leerrijke vermaning, het geestdriftwekkende voorbeeld des goeden Herders.

Neen, — het zal hun niet gelukken. Dat zij te schande worden en terugwijken, die mijne ziel zoeken! 2)

Ja, o mijn Jesus, moge de blijde opstanding, die uwe herderszorg aan mij wrocht, geen einde meer zien! moge de heilige vereeniging, in uw aanbiddelijk Sacrament tot stand gekomen, in eeuwigheid voortduren.

Hier op aarde dure zij tot den jongsten snik van uw trouw schaapje, en blijve voortbestaan in die zalige eeuwigheid, waar immer-groene weiden op heuvelen, die van de stemme des geluks weergalmen. Herder en kudde onafscheidelijk vereenigen.

■) Ps. 22, 4. ») Ps. 84, 4.

ocr page 428

408

O rust, o blijdschap! Daar zal geen leeuw zijn, geen verscheurend dier zal daar gevonden worden; ') dooiende schapen, zijt gij teruggekeerd tot den Herder en Bisschop uwer zielen; 2) in der eeuwen reeks zult gij onder de hoede van zijn staf in vrede en veiligheid op donzige beemden weiden!

2) Petr. 2, 25.

■) j.s. as. 9,10.

ocr page 429

INHOUD VAN HET TWEEDE BOEK.

Bevestiging.

Hoofdstuk. Bladz.

XLTI. De schepselen..................187

XLITI. Al hot aardsclie ijdelhoid.............192

XLIV. De dood.....................197

XLV. Het oordeel...................201

XLVI. De wereld....................204

XLVII. Het sterven..................210

XLVilI. Christus — De Heiligen — De wereld ......214

XL1X. Do verblindheid..................220

L. De zwakheid...................225

LI. De lichtzinnigheid................230

LH. De hartstochten.................234

LHL De bijzondere slechte neiging...........238

LIV. De hebzucht...................242

LY. De zelfzucht...... ...........248

LVI. Do IJdelheid....................252

LVII. Eerzucht.....................256

LVIII. De nijd.....................261

LIX. De lediggang...................266

LX. De genotzucht..................271

LXI. De onmatigheid.................275

26*

ocr page 430

410

Hoofdstuk. Bladz.

LXII. De onzuiverheid................280

LXIII. De gevolgen der onzuiverheid..........285

LX1V. Geest van onafhankelijkheid..........291

LXV. Geest dor logen................297

LXVJ. Geest der liefdeloosheid............303

LXVII. De ergernis..................307

LXVIII. Misbruik van de Sacramenten.........312

LXIX. Het menschelijk opzicht............319

LXX. Nadeelen van het menschelijk opzicht......324

LXXI. Do slechte gelegenheden............330

LXXII. De omgang...................335

LXXIII. De boeken............•......341

LXXIV. De bekoringen.................347

LXXV. Misleidingen en fouten in de bekoringen.....351

LXXVI. Gedragslijn tijdens de bekoringen........355

LXXVII. De dagelijksche zonde..............360

LXXVIII. Gevaren der dagelijksche zonde.........364

LXXIX. Het gebed...................368

LXXX. Dikwijls biechten................375

LXXXI. Biechten uit godsvrucht.............381

LXXXII. Het Brood des levens.............386

LXXXIIL Een krachtig tegengif..............390

LXXXIV. De heilige Communie..............394

LXXXV. Het dikwijls ontvangen van de H. Commume . . 399

LXXXVI. De Heer is mijn herder.............404

ocr page 431

«BDACHTBN EN RAADGEVINGEN.

(3de BOEK).

ocr page 432
ocr page 433

wjim

EEN HANDBOEK VOOR ONTWIKKELDE JONGELIEDEN.

Adolescens. tilii tlico : snrjte ' Lit. 7. 14.

NAAR HET HOO(4])[JITS( H

(9e Uitgaaf)

VAN WIJLEN

P. ADOLFH VON DOSZ S. J.

BEWERKT HOOR

• los K I' H \\ I 'I' I. O X.

Mor kerkelijke goedkeuring.

's Bosch. O. MOSMANS ZOON.

ocr page 434
ocr page 435

DERDE BOEK.

¥ ® © E f © A M iL

27

ocr page 436
ocr page 437

HOOFDSTUK LXXXVII.

JESUS — KONING.

christen jongeling, — Jesus is Koning, Hij is 1 lav Koning.

Ook gij werdt door Hem vrijgekocht ten hoogen prijze van zijn kostbaar Bloed; — ook van u geldt het woord des Apostels: Gij behoort niet meer u-zelven; z) gij zijt Jesus' eigendom, Hij is uw Koninklijke Heer!

Deze waarheid, o jongeling, is van groote beteekenis. Is Jesus im Koning, dan zijt ge Hem verknochtheid, trouw en toewijding verschuldigd; is Hij uw Koning, dan zijt gij, als zijn onderdaan, tot oprechte, offervaardige gehoorzaamheid verplicht.

1) Joh. 18,, 27. •) Cor. 6, 19.

Sequar te, quocunque ieris.

Math. 8, 19.

ijt gij waarlijk Koning? vroeg Pilatus den Heer. — Het is, zooals gij zegt, Ik ben het. ')

ocr page 438

414

Maar indien gij in uw Koning tevens uw krijgsoverste hadt te zien ?

Dan waart gij, zijn soldaat, gehouden, op zijne roepstem u ten kamp aan te gorden, — tot schutse, verweer en verovering u met hem te verbinden.

Inderdaad: Christus, uw Koning, is een legeraanvoerderr Hij is een groot krijgsman. Ik ben niet gekomen, om vrede te brengen, maar het zwaard. ')

En gij zijt waarlijk soldaat van dien Koning, dienstplichtig uuui lc en iutjjjiu^. weiK üii öLiija; veruiaant dciarom

de Apostel, gelijk het voor een goed soldaat van Christus Jesus betaamt. 2)

Ziet gij, hoe uw Aanvoerder Zich opmaakt, om eene gan-sche wereld te veroveren, haar aan de macht zijns hemel-schen Vaders en aan de Zijne te onderwerpen ?

Jesus ware een vreedzaam Koning, indien Hij geen tegenstand ontmoette, indien zich alles vrvjivillig en onvooncaardelijk aan Hem onderwierp. Maar neen: — de zonde en hare bondgenooten verheffen zich tegen Hem; het rijk der booze machten wederstreeft zijn wil.

De zonde der eerste menschen was bedreven. Aanstonds werd een Verlosser beloofd; het kwaad moest Hij weder uit de schepping verdrijven, de wereld voor God heroveren. De eigenlijke strijd begint met de zichtbare verschijning van Gods Zoon op aarde; nu ontbrandt de oorlog in felle woeder om in onverminderde hevigheid tot aan den jongsten dag te worden voortgezet. Heerschen en strijden moet Jesus, tot dat Hij al zijne vijanden onder zijne voeten zal hebben gelegd; de laatste vijand, dien Hij zal vernietigen, is de dood. 3gt; Want alles zal Hem onderworpen zijn. — Ja, strijden moet Jesus, tot dat Hij het Koninkrijk aan God en den Vader zal 1) Math. 10, 34. ') 2 Tim. 2, 8. ') 1 Oor. 15, 25, 2G.

ocr page 439

415

hebben overgegeven, tot dat Hij zal te niet hebben gedaan alle (vijandelijke) heerschappij en alle macht en kracht. 1)

Derhalve ivil uw Koning, moet uw Koning in u en overal het rijk der zonde verwoesten. Te dien einde kwam Jesus ■op aarde, dit was het oogmerk van zijne leering en zijn voorbeeld. Dit is het doel van zijn feMocM; daartoe begeert Hij uwe medehulp en koestert de billijke verwachting, dat gij aan zijne roepstem gehoor zult geven. Kom, spreekt de Heiland, volg Mij. fin: zoo iemand mij wil volgen, die ver-loochene zich-zelven, neme zijn kruis op en volge Mij. 3)

Christus volgen — ziedaar de eerste plicht van den christen. Geen leeftijd, geen staat is van dien plicht uitgezonderd. Wie „christenquot; heet moet zich onder het vaandel tan den Christus scharen. Maar tot allen sprak Hij: Wanneer iemand Mij volgen wil, dan verloochene hij zich-zelven. 3)

In het bijzonder van u, jeugdig christen, verwacht uw aanvoerder eene groote mate van ijver, eene trouwe verkleefdheid, een vurigen moed, eene ware geestdrift, een werkzaam aandeel in deze grootsche onderneming, zoo belangrijk voor Gods eer, uwe zaligheid en die uws naasten.

Leen dus gehoor aan uws Konings roepstem, bekleed u met de wapenrusting Gods. 4) Volg uw aanvoerder op alle wegen der deugd en rechtvaardigheid, waarop Hij u is voorgegaan. Spreek: Meester, ik zal U volgen, waar Gij ook henengaat. 5) Gij zijt de weg, de waarheid en het leven. 6) hoe zoude ik van dien -weg durven afwijken? Hoe zoude ik, •de vjaarheid tot gidse hebbende, kunnen afdwalen'? Hoe zoude ik, zoo nauw met het leven vereenigd, kunnen sterven? Zelfs de iconden moeten in dezen strijd mijne levenskracht verhoogen; immers, voor U, onverwinnelijke held, werd de

quot;) 1 Cor. 15, 24. ') Math. 16, 24. ') Luc. 9, 23. ') Eph. 6, II. ') Math. 8, 19 o) Joh. 14, 6.

ocr page 440

416

dood ten leven. Ik weet ook, grootmoedige vorst, dat Gij nimmer mij beveelt, iets te doen of te lijden, wat Gij-zelf niet eerst hebt gedaan of geleden. Bij elke schrede op het steile pad ontmoet ik, o Jesus, uw bloedig voetspoor. Een pad ter glorie, derhalve, een vertrouwbaar pad, — een weg ter zaligheid, ten Paradijze!

Moed, o mijne ziel! Werp den blik op uw Koning, den Sterke, den Machtige, den Kloeke, den onverwinnelijke. Door Hem verdedigd, door Hem aangevoerd, zult gij zeker de urci/t/ wvVfttIvjhv kr uun uci iieeilijkijeid 'ueiictiüii. ') ivicitir, ver-geet niet, dat het loon geëvenredigd zijn zal aan den betoonden moed, aan de mate uwer offervaardigheid, toewijding, volharding. Indien iemand strijdt, hij wordt niet gekroond, tenzij hij loettelyjk heeft gestreden, 2) d. i.: dapper en zegevierend, en tot het einde, en voor de goede zaak en met de juiste wapenen.

') 1 Petr. 5, 4. •) 2 Tim. 2, 5.

ocr page 441

HOOFDSTUK LXXXVIII.

DEUGD EN DEUGDZAAMHEID.

Gelooft gij misschien, dat eene op zich-zelf staande goede handeling deugd is?

Meent gij, dat de deugd bestaat in zekere oefeningen van godsvrucht, waaraan bovendien zoo menigwerf het lichaam ruimer deel neemt, dan de geest?

Of beschouwt gij als deugdzaam dengene, die, naar den schijn te oordeelen, „rechtschapen' is, vrij van de grove gebreken, wier bestaan zich veelal uitwendig verraadt?

Onjuiste begrippen!

Weet, op de eerste plaats, dat de christelijke deugd niets gemeen heeft met eene zekere rechtschapenheid, die alleen op zuiver menschelvjke beweeggronden en zienswijzen berust.

In Christo ambulate, radicati et superaediflcati in ipso.

Col. 2, 6. 7.

y|;et is voor u van hoog belang, o jongeling, dat uwe begrippen in zake deugd en deugdzaamheid de ware

ocr page 442

418

en wier streven het voornamelijk is, door de menschen te worden erkend en geëerd; de wortelen der eigenlijke deugd zijn edeler, zij dringen dieper in den grond des harten door.

Nochtans, er bestaat ook eene natuurlijke deugd, d. i.: eene geneigdheid en vaardigheid tot goede handelingen, die uit zuiver natuurlijke vermogens en oorzaken voortvloeit, op zuiver natuurlijke beweeggronden steunt, maar uit dien hoofde ook slechts aanspraak op natuurlijk loon kan doen gelden.

Maar, o jongeling, gii ziit tot een bovennatuurlink doel geschapen, en verlangt toch zeker, eenmaal eene bovennatuurlijke belooning te ontvangen. Daarom is voor u noodzakelijk eene bovennatuurlijke deugd, d. w. z. zulk eene, die steunt op bovennatuurlijke beweeggronden, zulk eene, waartoe wij door bovennatuurlijken bijstand der genade bekwaam worden gemaakt, en die ons recht geeft op eene bovennatuurlijke belooning.

En waartoe zijt gij dan christen, wanneer gi] niet christelijk handelt, d. w. z.: in vereeniging met Christus, uw Hoofd, en zooals Christus, uw Hoofd? —

Beweeggrond en regel onzes handelen kunnen zijn: natuurdrift, rede, geest van Christus.

Handelen slechts uit natuurdrift is dierlijk handelen.

Redelijk handelen is menschelijk handelen.

Handelingen, tot welke de geest van Boven ons aanspoort, handelingen, overeenstemmend met den geest van Christus, zulke alleen zijn christelijke handelingen.

Heeft God, de Vader, Christus gemaakt tot ons Hoofd en Hem macht gegeven over geheel de Kerk, die zijn Lichaam is, 0 dan mogen wij in elk geval slechts handelen als Christus' ledematen. Wij moeten in Hem wandelen, in Hem geworteld en opgebouwd zijn. 2)

') Eph. 1-, 23. ') Col. 2, C7.

ocr page 443

419

Deugd is verder geene op-zich-zelf-staande goede daad. Deugd is eene geneigdheid, eene vaardigheid tot zedelijk goede handelingen, wier laatste doel G-od is.

Deugd is iets, hetwelk duurt, een volhardend streven om te doen wat Gode welgevallig is.

Deugd is derhalve meer dan een luim, meer dan toevalligheid, meer dan voorbijgaande geestdrift.

Deugd is ijver, deugd is ingrijpen in 't dagelyjksch leven. quot;Upt rlR'/filfrlp nanwp-ezetheid. waarmee de dengdzame ziine betrekkingen tot God regelt en het gebed, d. i.: den eigenlijken dienst Gods, verricht, regelt hij ook zijne betrekkingen tot den naaste en komt de plichten na, hem door zijn staat opgelegd.

Deugd is ijverig gebed., is Godsvereering, is de lof des Allerhoogsten, is loerkdadige hulde, is opoffering door handelen en door lijden.

Wilt gij weten, wat deugd is ? A anschouw den ZaZ^ma/cer: Elke deugd, welke niet met de zijne overeenkomt, is nutte-looze deugd, is bedriegelijke en bedrogen deugd, is geene deugd. Teneinde ons deugd te leeren, kwam de Zoon Gods op aarde.

Wanneer Ik niet doe de werken mijns Vaders, spreekt de Heiland tot de joden, zoo gelooft Mij niet. 1)

Jesus' werken zijn derhalve die zijns Vaders. Hij handelt in de kracht des Vaders, Hij handelt overeenkomstig des Vaders wille.

Jesus' denken, Jesus' willen is niet gericht dan op God. Jesus doet niets, om den menschen te behagen; het mishagen der menschen verhindert Hem niet, te doen wat Gode behaagt.

Jesus' bidden bepaalt zich geenszins tot het gevoel', het

') Joh. 10, 87.

ocr page 444

420

gaat over tot de daad. Volkomen toewijding aan God, gren-zenlooze liefde tot het menschdom, zelfverloochening, offers, — ziedaar, hoe lieflijk Jesus' handelen met zijn bidden overeenstemt.

Jesus vervult de wet; doch de adem der liefde maakt levend die wetsvervulling. De letter doodt, de geest doet leven. ')

Jesus gedachten en streven zijn op het hemelsche gericht. Zijn verblijf op aarde beschouwt hii als een tild. bestemd om den hemelschen Vader door woord en daad te verheerlijken.

Jesus staat zijner natuur slechts datgene toe, wat zij niet derven kan, en wat het doel zijner komst op aarde bevorderlijk is. De zorg, die Hij Zich-zelven wijdt, gaat niet verder.

Jesus stelt al zijn betrouwen op de goddelijke Voorzienigheid', in hare hand legt Hij ziine eer, zijne rust, zijne welvaart; harer liefde laat Hij de zorg over voor de weinige behoeften zijner menschelijke natuur.

Jesus verwerpt den rijkdom niet; maar Hij geeft de voorkeur aan de armoede; Hij verwerpt zekere vermaken niet; doch Hij bakent hun grenzen scherp af, en verkiest voor Zich-zelven het lijden, de vervolging, het kruis; Hij verwerpt de eer niet; maar Hij ontwijkt haar en geeft de voorkeur aan verborgenheid en vernedering. Al deze schepselen stelt Hij onder den goddelijken wil, maar toont, door de vrije keuze van het tegendeel, voor hoe misbaar en gevaarlijk Hii ze beschouwt.

Jesus verafschuwt meer die zonden en laakt in strengere woorden die overtredingen, welke van groote verblindheid des geestes en van diepe bedorvenheid des harten getuigen. Toegevend voor de zwakheid, is Hij streng tegenover boozen en

') 2 Cor. 3, c.

ocr page 445

421

verstokten. In 't bijzonder haat Hij de valsche rechtvaardig heid, en huichelarij is in zijn oog een ware gruwel.

Jesus' uitwendige levenswandel is edel, onberispelijk, zachtmoedig, vriendelijk. Hij is allen alles geworden. ^ Liefde is oorzaak van zijne komst op aarde, liefde het kenmerk var; geheel zijn omgang met het menschdom.

De zwakheden zijner omgeving draagt Hij met onuitputtelijk geduld. Hij betoont Zich minzaam, hulpvaardig en medelijdend; waar Hij doortrekt spreidt Hij weldaden;2) zegen voigc immer zijne scnreüeu.

De vervolging maakt Hem niet neerslachtig; Hij staat pal en onverschrokken tegenover de meest verwoede vijanden; steeds legt Hij getuigenis der waarheid af; 3) de waarheid en zijn vlekkelooze wandel zijn de eenige wapenen, waarvan Hij Zich te zijner verdediging bedient. Hij ziet in alken tegenstander den voltrekker van Gods rechtvaardige oordeelen; Hij lijdt. Hij vergeeft. Hij sterft — als zoenoffer zelfs voor de beulen____

Ziet gij, wat deugd is, dierbare jongeling? Is zij iets uitwendigs? eene luim? slechts eene opwelling? iets voorbijgaands ?

Welaan, beschouw aandachtig uw Heiland, en handel naar zulk een voorbeeld.4)

') Hand. 10, 38. ') Joh. 18, 37.

4) 2 Mos. 25, 40.

') 1 Cor. 9, 22.

ocr page 446

HOOFDSTUK LXXXIX.

MIDDELEN TOT DE WARE DEUGD.

Eegnum coelorum vim patitur, et violenti rapiunt illud.

Math. 11, 12.

If iets kostbaars wordt hier-beneden zonder strijd verworven, — allerminst de deugd; strijd tegen de bedorven natuur, strijd tegen satan, strijd tegen de wereld.

Teneinde ware, innige deugd te verkrijgen, moeten middelen aangewend, moet geweld gebezigd worden.

Schrik niet, o jongeling, wanneer ik u van geweld spreke. Een zoo kostbaar goed, als de deugd, een zoo heerlijk loon, als de eeuwige zaligheid, is voorzeker strijd waardig.

Ja, het Rijk der Hemelen lijdt geweld, — maar de geweldigen zullen het in bezit nemen. ^

Verlangt gij, deugdzaam te worden? Dan moet gij willen!

') Math. 11, 12.

ocr page 447

423

Dit eerste middel schijnt u niet moeilijk. En toch: het is niet slechts boven alle middelen onmisbaar en krachtig, het is ook boven alle moeilijk; want het omvat den geheelen mensch, het omvat tijd, omstandigheden, gelegenheden, — het zondert niets uit, het sluit alles in zich, het schroomt voor geen ofier, het deinst voor niets terug.

O hoe zelden wordt deez' echte wil, deze oprechte, volmaakte, werkzame, volhardende wil aangetroffen!

Gij wilt, een ander wil, — doch welk een onderscheid wellicht tusschen uw wil en zyn wüi

Wat al ijdel, vruchteloos xoenschen noemt men wil! Verlangen is nog niet willen; heden aanvangen, morgen achterwege laten is nog niet willen; iets doen en niet datgene, wat noodig is, en niet alles, waartoe men is verplicht — is nog niet willen.

Het baart u verwondering, dat gij zoo weinig voortgang maakt in het goede; hebt gij het ooit ernstig geioild?

O mijn God, verleen mij, zwak jongeling, krachtigen wil! Verleen mij. lafaard, moedigen wil! Verleen mij, gedeelde, volkomen wil! Verleen mij, onbestendige, volhardenden wil!

Wie deugdzaam begeert te worden moet streng op zich-zelven letten. De onachtzaamheid, de lichtvaardigheid zijn beletselen voor de deugd.

Het geweten spreekt; gij luistert niet. De stemme Gods laat zich vernemen; gij wijdt haar geene opmerkzaamheid. De Heer wenscht, uw leermeester te zijn, Hij wil u opvoeden, u geleiden; maar gij zijt met duizend andere dingen bezig, zijn roep dringt niet tot u door, gij slaat geen acht op zijne wenken....

Derhalve: kalm blijven, zich-zelven meester zijn, de al te levendige phantasie beteugelen, de onstuimigheid der natuur bedwingen, bedaard handelen, met voorbedachtheid handelen,

ocr page 448

424

voorzichtig handelen — voortreffelijke middelen om tot ware deugd te geraken, aan welke niets vreemder is, dan onstuimigheid, dan gebrek aan overleg, dan werktuigelijke alle-daagschheid.

Door deze bedaardheid wordt u ook tijd gelaten, om dikwijls een blik te werpen op Jesus, uw goddelijk voorbeeld, om zijne meeningen op te vangen, zijne handelingen gade, te slaan.

Zulke vruchtbare gedachten kan niet degene hebben, die voortgestuwd door den wervelwind of medegesleurd door Jen stroom van 't alledaagsche leven, geen stilstand kent, zich-zelven nimmer toebehoort, slechts aan hetgeen uitwendig is zijne aandacht wijdt.

O mijn Verlosser, hoe bekend — en toch zoo onbekend is mij uw leven en wandelen op aarde!

Het is bijna, als haddet Gi] niet voor mij geleefd. En toch. Gij verrichtet alles te mijner wille. Maakten al uwe handelingen deel uit van het groote Verlossingswerk, dat den Hemel opende, dan was ook elk uwer handelingen op zich-zelf een Verlossingswerk, bestemd om den weg te toonen, die ten Hemel voert.

O mijn Verlosser, wat, zijn vooral de jaren moer jeugd leerrijk voor mij, jongeling! Om mijner jeugd een voorbeeld te zijn, brengt Gij de uwe onder de meest gewone omstandigheden door, vermijdt al het buitengewone en beoefent in hooge volmaaktheid die deugden, welke voornamelijk het sieraad van mijn leeftijd zijn.

O mijn goede leermeester, o vriend en voorbeeld mijner ziele, maak leerzaam het jongelingshart! Geef mij licht!

Gij, o mijn Heer en God, leert mij wat nuttig is, ') — nuttig voor het leven, nuttig voor de eeuwigheid.

') Is. 48, 17.

ocr page 449

425

Gij wilt mijn gids zijn op den weg, dien ik heb te bewandelen. En — versmaad ik niet de wenken uwer liefde, — o dan zal in mij de vrede zijn gelijk een wassende stroom en de gerechtigheid als de golven der zee. ') Dan zullen mijne goede werken zich vermenigvuldigen, en de vruchten mijner deugd ontelbaar zijn, gelijk de zandkorrelen op den oever des oceaans.

') Is. 48, 18.

ocr page 450

HOOFDSTUK XC.

GEEST DES GELOOFS.

tr

V U

Justus in fide sua vivet. Hab. 2, 4.

iPI e 1 o o f hebben, en den ffeesl des geloofs hebben, — is niet hetzelfde.

Gij gelooft; maar hebt gij ook den geest des ge-

| loofs ?

Evenals het lijk verschilt van het bezielde lichaam, zoo verschilt de ziel, welke alleen het geloof bezit, van die, welke ook den geest des geloofs heeft.

Uit dien hoofde is getuigd: De rechtvaardige leeft uit het geloof; ^ hij is geen doode, maar een levende-, hij is bezield door den adem des levens-, hij handelt, als waarlijk levende, door het geloof en in het geloof.

Den geest des geloofs bezit hij, die van de waarheden

') Hab. 2, 4.

ocr page 451

427

onzes heiligen geloofs dermate is doordrongen, dat zij hem bij al zijn doen en laten vóór oogen zweven, en het richtsnoer van zijn denken, spreken, handelen zijn.

Gij wordt door eene bekoring overvallen; — ras herinnert gij u, dat gij voor den dienst van uwen God zijt geschapen, dat Hij uw Heer en Gebieder, uw Weldoener en Vader is, — dat gij diep ongelukkig zoudt worden, door Hem te mishagen, te beleedigen.

Gij voelt u aangetrokken tot een verboden genot] — zonder toeven brengt gij u den konen duur van aile zamicnvicugJ vóór den geest en denkt aan de eeuwigheid des Hemels, aan de eeuwigheid der hel.

De wereld, met hare schijnglansen, met hare lokkende stem, treedt u nader; — o. ik ken u, spreekt gij; ik weet, dat uwe gedaante vergaat; ^ het hemelsche alleen heeft waarde, — waarom zoude ik naar het aardsche haken?

Gij zucht onder het geweld, u door de passie aangedaan; het jeugdige bloed kookt u in de aderen; de prikkel des vleesches pijnigt u onmeedoogend; — God ziet mij, is uwe gedachte; het oog der Zuiverheid-zelve rust op mij; o — liever sterven, dan zulk een groot kwaad doen vóór 't aanschijn mijns Heeren! 2)

Gij gaat gebukt onder eene beproeving-, — uw oog richt zich als van-zelf op den Gekruiste. Die overeenkomst met den Zaligmaker schenkt u de rust weder, beurt u op, troost u; gij verlangt niet, van het kruis af te dalen; — nog meer lijden, nog meer! roept gij — en het is de kreet uws harten.

Ondankbaarheid treft u pijnlijk; de menschen vergeten u, zij doen u leed, zij handelen onrechtvaardig te uwen opzichte; — och, wanneer ik slechts de vriend Gods ben, 3) spreekt gij, — zijne vriendschap duurt eeuwig.

') 1 Cor. 7, 31. s) Gen. 39, 9. ') Jac. 2, 23.

28

ocr page 452

428

Het wordt u moeilijk, met nauwgezetheid, ijver en volharding de plichten van uiv staat te vervullen; — maar reeds hebt gij den blik hemelwaarts gestierd: God wil het, denkt gij; Hij heeft mij in dezen stand, in dit beroep geplaatst, te zijner liefde wil ik met vreugde alles doen ; en dan — wacht mij niet eenmaal de eeuwige rust?

Een groot ongeluk treft u. — Twee dingen staan vast, meent gij; God loeet, wat nu geschiedt, en Hij heeft mij oneindig lief] Hij kon datgene, wat mij kwelt, van mi] wegnemen, en toch lt;inpt wn Zv.ivs rodèïi, watuom de beproeving, die mij overkomt, tot mijn tvelzijn moet strekken. Zijn heilige wil geschiede, de Voorzienigheid doe haar werk van wijsheid en liefde: ik geef mij betrouwvol aan hare leiding over. Heb ik God lief, dan werkt voor mij alles ten goede. ')

Het valt u moeilijk, anderen te gehoorzamen; — aanstonds treedt u de waarheid vóór den geest, dat elke macht van Boven komt, quot;) en diensvolgens al uwe overheden deplaats-bekleeders van God zijn.

De natuur maakt onderscheid tusschen menschen en men-schen; gevoelens der liefdeloosheid bekruipen u. — Neen. spreekt gij, — alle menschen zijn evenbeelden Gods, allen zijn door Christus verlost, allen zijn mijne broeders; wat ik den minste onder de hunnen doe, dit heb ik Christus-zelven gedaan.3)

Eene zekere lust naar wraak prikkelt u; — snel opent gij uw oor, — het luistert en verneemt de stemme des Zaligmakers: „Vader vergeef het hun; want zij weten niet, wat zij doen!quot; 4)

Zie, zoo leeft de rechtvaardige uit den geloove. Het geloof

') Eom. 8, 28. ') Rom. 13, 1. s) Math. 23, 40. •) Luc. 23, 24.

ocr page 453

429

is zijn geestelijk levensélement. Zijne gedachten, zijne woorden, zijne handelingen richten zich naar het geloof, naar Gods woord, naar Jesus' leering en voorbeeld.

Dit wil zeggen: zich het geloof ten nutte maken, — zorg dragen, dat het, in stede van een dood kapitaal te zijn, rijke interesten afwerpe, het kwade verijdele, het goede bewerke, eene bron van rijke verdiensten voor de eeuwigheid worde. Is de geest des geloofs niet op deze wijze in ons werkzaam,

-.1 mi-i. «» L-vn/i « LAJXX va Oil gjWWO'ai.OiJ.OL V \JKJL \J11C3 IJUC/U

veel meer dan een brok geschiedenis, dan een complex van droge leerstellingen.

In 't bijzonder de jeugd, met de haar eigen oppervlakkigheid van begrippen, met hare wispelturigheid van geest, is vaak geneigd, te beletten, dat in haar het geloof zich tot een vol leven ontwikkele.

En toch, welk eene kracht kon de jongeling putten uit het geloof! welk een steunpunt kon het voor hem zijn, in 't midden van de stormen zijner jeugd!

O geest des geloofs, wanneer zult gij mij, levenlooze, eenmaal ten leven opwekken! Wat rest eindelijk van mijn christendom, wanneer ik de waarheden van mijn godsdienst wel-is-waar in woorden heb gekend, maar ze niet begreep, niet ivilde hegrijpen, zoodat ze mijn leven niet konden doordringen? Niets blijft mij over, tenzij — de naam en de verantwoordelijkheid !

Ik geloof, o mijn God, doch mijn geloof is zoo zwak; o kom het spoedig met uwe gratie .ter hulp; maak het sterk, maak het werkzaam, U ten roem, U ten love, o God mijner jeugd'

ocr page 454

HOOFDSTUK XCI.

DE VROOMHEID.

Pietas ad omnia utilis.

—* 1 Tim. 4, 8.

yjt et woord „vroomheidquot; (godvruchtigheid) wordt dik-wijls verkeerd begrepen, en daarom is de vroomheid ^ menigeen een voorwerp van spot, of zelfs van haat ge-

t worden.

I Toch is de tvare vroomheid uitermate verheven, schoon, lofwaardig.

Vroom zijn en vroom doen is waarlijk niet hetzelfde.

„Den vrome uithangenquot; is huichelarij, is meer of minder opzettelijke misleiding van anderen, is vaak misleiding van ons-zelven.

Vroomheid is waarheid; zij vindt haar oorsprong in de welbegrepen verhouding van den mensch tot God. Zij brengt ons in tegenwoordigheid des Allerhoogsten, het schepsel in

ocr page 455

431

tegenwoordigheid van den Schepper, den zoon in tegemvoor-digheid des vaders, en zij gebiedt ons, van God te denken, over Hem te spreken, voor Hem te handelen, zooals die wederzijdsche betrekking het vereischt.

Ja, de ware vroomheid, de echte r/ocZsmtc/zf berust op dezen grondslag; God is mijn Schepper, mijn Heer, mijn Vader, mijn Weldoener, mijn Alles; Hem te aanbidden, Hem te loven. Hem te danken is de taak mijns levens. Loof dan, o mijne ziel, den Heer, en alles, icat in mij is, love zijn heiligen Naam; ^ maar ook mijne beenderen, mijn lichaam, mijne zintuigen zullen uitroepen: Heer, wie is U gelijk? 2)

Wij moeten God eer bewijzen — vooral in ons hart; echter ook, als wezens van niet geheel geestelijke natuur, uitwendig, met de zinnen onzes lichaams.

Wij moeten God eer bewijzen — niet enkel met het of met klinkende ivoorden, maar ook, en dit voornamelijk, door onderwerping van onzen wil aan zijn allerheiligsten wil.

Deze overeenstemming van ons gedrag met de hulde, die hart en lippen God bewijzen, maakt hetivezen der vroomheid uit, is de toetssteen van alle vroomheid, vormt ten minste hare kroon en volmaking.

Ja, de waarlijk vrome is deugdzaam, of volgt tenminste het pad der deugd, — niet alleen door de gratie, in het gebed verkregen, maar reeds als gevolg van het juiste en in toepassing gebrachte begrip van zijne ondergeschiktheid aan God.

Zoekt dus de ware vroomheid zich-zelve?

Zij zoekt op de eerste plaats en voornamelijk God.

Derhalve is de ware vroomheid niet afhankelijk van gevoel en verbeelding, en zijn deze voor haar geen maatstaf om de waarde en vrucht van haar gebed vast te stellen.

') Ps. 102, 1. ') Ps. 34, 10.

ocr page 456

432

De „voelbarequot; godsvrucht is voor haar iets toevalligs, hoewel zij die geestelijke voldoening op prijs stelt. God wil zij vóór alles; haar eigenlijk element is het geloof.

De ware vroomheid kan zelfs God ter iville van God verlaten; want de eigenschap, die haar kenmerkt, is toewijding, offervaardigheid, werkzame liefde, Gods wil, en deze alleen is haar richtsnoer.

De ware vroomheid overstelpt zich niet met alle slag van devotiën en tijdroovende oefeningen van godsvrucht, tot nadeel der plichten van staat of van heilige liefdeplichten.

De ware vroomheid weet echter altijd zooveel tijd af te zonderen, dat aan God de verschuldigde eer kan worden gebracht, en in redelijke mate voldoening gegeven aan's harten wensch, zich door het gebed nauwer met God te vereenigen.

De ware vroomheid beperkt zich in geenendeele tot den omgang met God in het eigenlijke gebed; zij geeft aan het geheele doen en laten van den mensch eene hemelsche richting, waardoor zijn leven, naar het woord des Apostels, het karakter aanneemt van een gebed zonder ophouden.

Niets verafschuwt de ware vroomheid meer, dan den lippendienst. Wie houdt de waarheid hooger, dan zij? Zij heeft begrepen, dat God een geest is, en dat Hij op eene wijze, strookende met zijne geestelijke natuur, moet worden aangebeden in geest en waarheid. ^

De ware vroomheid is bescheiden, nederig, tracht niet. in het oog te loopen. Zij geeft Gode wat Godes is, 2) en schaamt zich noch voor het gebed-zelven, noch voor eene betamelijke, eerbiedige houding gedurende het gebed; maar zij weet, dat Gods oog vooral op het hart is gevestigd.

') Joh. 4, 24. ') Math. 22, 21.

ocr page 457

433

De ware vroomheid is niet eigenzinnig. Zij is lijdzaam, ontvangt gaarne lessen, en onderwerpt, vooral in gewetenszaken, haar oordeel aan wijzen raad en beproefde leiding. Zij miskent niet de gevaren, waaraan eigenwaan en hoogmoed de ziel ook op het pad der deugd blootstellen. Zij vertrouwt zich aan de leiding van de plaatsbekleederen Gods oprechter toe, naarmate zij meer de begoochelingen schroomt van den geest der duisternis, die zich bijwijlen vertoont als

CCli CiigOl UCö HOll'-Ö. )

De ware vroomheid verheft zich hoven niemand-, zij duldt niet de geringste opwelling van ingenomenheid met zich-zelve.

De ware vroomheid is niet wispelturig; zij bidt niet omdat zij, of wanneer zij daartoe lust gevoelt. Immers, zij zoekt God, en God vóór alles.

De ware vroomheid is niet ongeduldig. Zij is niet streng en hard tegen anderen. Haat zij de zonde in den mensch, omdat God de zonde haat, toch bemint zij den mensch en ziet hem gaarne gelukkig. Poogt zij door alle, haar ten dienst staande middelen, de bekeering van een verdwaalde te bewerken, — niemand dringt zij hare manier van bidden, hare levenswijze op.

De ware vroomheid is niet somher. Hoe? de vrome, wiens oog schier onafgebroken in de lieflijk stralende zon der gerechtigheid staart; hij, die bestendig verkeert met een God, die geheel licht is, in wien geene duisternis wordt gevonden, 2) — hij zoude somberheid op zijn voorhoofd dulden ? Neen, tevredenheid, ware blijdschap kenmerken de echte vroomheid. God in het hart, God in den geest. God op de lippen, in vrede met God, in vrede met zich-zelven, — en somber, ontevreden, droef te moede, terugstootend?

') 2 Cor. 11, 14. ') 1 Joh. 1, 5.

ocr page 458

434

De ware vroomheid kent geene slaafsche vreese. quot;Wel beschouwt zij de vreeze des Heeren als het begin van alle wijsheid; ^ maar zij vreest in liefde, en heeft lief in vreeze.

De ware vroomheid verkeert met God eenvoudig, kinderlijk, innig, zonder een zweem van stijfheid of schroom. Inmiddels verhoedt zij evenwel, dat hare vertrouwelijkheid met God in lichtvaardigheid of oneerbiedigheid ontaarde.

De ware vroomheid verloochent nergens de deugdelijkheid

liCLi'Gr ictfiizcclcitj dc vraardighcid vclh iictcn XÜ uc JX.CXJV

en bij het gebed ernstig, ingetogen, verzonken in God, is zij ook buiten het heiligdom, in het dagelijksch leven, geenszins uitgelaten, lichtzinnig, wereldsch, den driften veil. Soortgelijke tegenstellingen, zij weet het, geven aanstoot, ergernis, verwekken God vijanden, keeren vaak zelfs degenen van Hem af, wier bekeering een aanvang had genomen.

Derhalve, de ware vroomheid, in haar geheelen omvang genomen, is godsdienst in engeren en ruimeren zin des woords, godsdienst in beschouwing en oefening — tot grondslag hebbende eene onveranderlijke begeerte om den Allerhoogste te dienen en zijn heilig welgevallen te verwerven,

O, welke begrippen vormt men zich dikwijls in betrekking tot de vroomheid! Moget Gij, o mijn God, nimmer van ons behoeven te zeggen: Met de lippen eert Mij dit volk, doch hun hart is verre van Mij. 2) En toch, wij zouden U slechts met de lippen eeren, wanneer de daad de woorden logenstrafte.

Vindt gij, jongeling, dat de zóó begrepen vroomheid werkelijk den spot verdient, waarmede zij — vooral door jcnge-lieden — zoo vaak wordt bejegend?

Ziet gij niet, welk een zwaar onrecht men den waarlijk-

!) Spr. 9, 10. quot;-) Mare. 7, C.

ocr page 459

435

vrome aandoet, wanneer men op zijn levenswandel schimpt, voor hem slechts woorden voil heeft als: huichelaar, schijnheilige, kwezel, femelaar, kruiper, onverdraagzame?

Onderzoek, wanneer het noodig is, te dezen opzichte uw eigen geweten. Wacht u wel, nog ooit met vroomheid en vromen den spot te drijven; uw spot ware eene aanklacht tegen u-zelven en zou de uiting zijn van divaasheid of boosheid.

Schaam u niet, te dreven naar de vroomheid, aldus begrepen.

quot;WCvt Z.Z quot;.ZZlttiCjquot;?' ^0quot; mjillrr» -TTvrvrvrnVxnirï 9 Von 1quot;) Cl £1V immPrS

werd nadrukkelijk getuigd: zij is tot alles nuttig.1) Tot «Zfcs, hoort gij ?

Zij maakt het leven zoet. In den omgang met God vindt men troost voor alles. Niets ontbreekt hun, die in kinderlijken eerbied met God verkeeren. De Heer is goed dengenen, die Hem verwachten, der ziele, die Hem zoekt 2).

Waardoor wordt zoo menig gebukte opgericht, zoo menig verlatene ruim schadeloos gesteld voor het verlies van de gunst der wereld? Door de vertroostingen der godsvrucht, en het hierop steunende bewustzijn eener hemelsche toekomst.

De vroomheid adelt het leven en maakt het verdienstelijk. De ware vroomheid is tot alles nuttig; want zij verheugt zich in de belofte van het tegenwoordige en van liet toekomende leven. 3)

Ja, de vroomheid is een groot gewin!*) Zij bergt onwaardeerbare schatten, bovenaardsche rijkdommen in haar schoot: gratie, zegen, vriendschap Gods, eeuwig leven.

En van hoeveel nut is de vroomheid vooral den jongeling!

Zi] bluscht grootendeels den laaien gloed eener noodlottige passie.

Zij is eene schutse tegen de vijandelijkheden van wereld en hel.

!) Tim. 4, S, 0) Klaagl. 3, 25. 3) 1 Tim. 4, S. *) 1 Tim. G, 6.

ocr page 460

436

In haar en door haar worden de kiemen der ondeugden verstikt; deugden worden aangekweekt, bevorderd, der volmaaktheid nabij gebracht.

De knaap Jesus, de jongeling Jesus bidt, vervult nauwgezet de plichten jegens God, zijn hemelschen Vader; Hij neemt toe in wijsheid en behagelijkheid voor God en de menschen. ')

Zie uw voorbeeld, o jongeling, en handel evenzoo!

Ja, streef naar vroomheid, stel er den hoogsten prijs op,

0'V/~mria0 -fquot; n ttt/-,t/1

Een vroom jongeling, welk eene vreugd voor den Hemel!

Een vroom jongeling, welk een sieraad der aarde!

Een vroom jongeling, — welk een nuttig lid der maatschappij belooft hij te worden, gevormd in den vertrouwelijken omgang met zijn God!

Een vroom jongeling, — zal hij niet voorbeeldig getrouw zijn in de vervulling van de plichten van zijn staat, van zijn beroep ?

Een vroom jongeling, — zal hij niet ook een kuisch jongeling zijn?

Een vroom jongeling, — zal hij niet ook een vriendelijk, zachtmoedig, verdraagzaam, voorkomend, bescheiden, beminnelijk jongeling zijn?

O Heer, zend uit uwen Geest, 2) den Geest van godsvrucht en wijsheid! Geef ons een vroom jong geslacht, — en de gedaante der aarde zal zich vernieuwen! 3)

gt;) Luc. 2, 02.

quot;) Ps. 103, 30. s) Ps. 103, 30.

ocr page 461

HOOFDSTUK XCIL

VERTROUWEN OP GOD.

Habe fiduciam in Domino ex toto corde tuo.

Spr. 3, 5.

i Vr

oe dikwijls, o mijn God, sta ik op het punt, den |pp-A moed te verliezen, wanneer ik een terugblik op de reeds afgelegde bane mijns levens werp, of wanneer

tmijn oog vruchteloos poogt, den afstand te meten welke mij nog van het doel miiner reize houdt gescheiden — een lange, schier eindelooze weg, bezaaid met hindernissen!mijn oog vruchteloos poogt, den afstand te meten welke mij nog van het doel miiner reize houdt gescheiden — een lange, schier eindelooze weg, bezaaid met hindernissen!

Wat al tijd mijner jeugd verloren, wat al kwaad, door mij bedreven! wat al goed verzuimd! Waarom kan ik het verleden niet terugroepen! hoeveel moet ik nog herstellen, uitboeten, hoeveel nog door zwaren strijd verwerven! En mijne zwakheid! En mijne blindheid! En al de vijanden mijner zaligheid, die mij als een muur omgeven!

ocr page 462

438

Mijn zoon, heb .moed! Vertrouw uit ganscher harte op Mij, uwen God. 1) Kleinmoedigheid kan noch het verleden goedmaken, noch u voor de toekomst nuttig zijn.

Kleinmoedigheid verlamt kracht, maakt volharding onmogelijk, verduistert uw oog, belemmert alle onderneming ten goede. Heb Ik u niet vaak genoeg bewijzen mijner macht en goedheid gegeven? Toen gij nog in den schoot van het niet sluimerdet, heb Ik u geschapen, en toen gij van mijne wegen waart afgedwaald. heb Tk n ongezocht pn tArnCTcrAvnprfl rv heb Mij voor u overgeleverd, 2) — Mij, den Oneindige, voor u, het nietige schepsel.

Middelen zonder tal heb Ik te uwer beschikking gesteld, om het leven te verwerven, en steeds overvloediger. 3)

Uw gebrek aan betrouwen krenkt Mij, uwe kleinmoedigheid mishaagt Mij zeer. Is mijne niet machtig genoeg 4) om u den weg te banen, uwe schreden te leiden, u naar het doel uwer reize te voeren?

En mijne beloften, zullen zij al dan niet in vervulling gaan? En wat heb Ik vaker en meer nadrukkelijk beloofd, dan dat Ik niet degenen zal .verlaten, die op Mij hopen, op Mij hun betrouwen stellen ? 5) — Ik ben de Heer en verander niet. 6) Zie, gij handelt evenals de kleingeloovige discipel, 7) die wel op het water wandelde, maar in angst en twijfel, slechts denkende aan zijne eigen machteloosheid.

Gij,*dwaze menschenkinderen! mijne schepselen gelooft gij, op hen stelt gij uw betrouwen, van hen verwacht gij troost en hulp; — doch Mij, uwen God, werpt gij u niet in de armen, mijne hand schijnt u niet sterk genoeg!

O gij, blinden! zijn de schepselen niet veranderlijk, zijn

') Spr. 3, 5. s) Gal. 2, 20. s) Joh. 10, 10. ') 2 Cor. 9, 8,

') Ps. 33, 23. quot;) Mal. 3, C. ') Math. 14, 31.

ocr page 463

439

zij niet vergankelijk, terwijl Ik de Onveranderlijke, de Eeuwige ben? Gelijken ze niet den zwakken rietstaf, die breekt, wanneer men er op steunt en in de hand dringt en ze doorboort? ^

Bezit eenig schepsel iets uit zich-zelven? Maar ben Ik de bron van al het goede; komt elk goed geschenk en alle volmaakte gave van Mij, -) — waarom dan neemt gij niet tot Mij uwe toevlucht, tot Mij, die u alles in alles kan zijn en wil zijn?

•* 1 ---- _ _ 1 r 4- r-r r\ /Ion

ilili UC V JJClilUOlJ. U VV ZjCllli.gjUOi.'-t, «IJ-vy w /L-. w —

Ik? en wie verlangt vuriger dan Ik, dat zij niet over u triumpheeren? 0 vrees niet, — „Heer der heerscharenquot; is mijn naam. —

Moedig vooruit, o dierbare jongeling; gij hoort de stemme van uw God. O werp u in zijne armen, 3) Hij zal u in waarheid een vader zijn, u beschermen, u geleiden naar het doel uwer vurige wenschen.

Uw betrouwen hebbe geene grenzen, tenzij Gods almacht en eindelooze goedheid. Vermag ik niets uit myj-zélven, —-door God vermag ik alles.

Zoo wil ik dan mij aan U vastklemmen, U beminnen, o God, mijne sterkte! Gij zijt mijn burg, en mijn toevlucht, en mijn verlosser. Mijn God, mijn Helper, op U wil ik hopen; mijn Beschermer, en hoorn mijns heils. Gij neemt mij op 4) ten dage der verschrikking.

■) Is. 30, 6. ') Jac. 1, 17. s) Ps. 54, 23. ') Ps. 17, 2, 3.

ocr page 464

HOOFDSTUK XCIII.

DE NAASTENLIEFDE.

Carissimi, diligamus nos Invicem, quia caritas ex Deo est.

|amp; 1 JOh' 4' ''

11quot; et is in geenendeele genoeg, den naaste niet te haten.

„Mijne geliefden, beminnen wvj elkander; '■') — ziedaar de leuze van liet Christendom, dien heiligen, hemelschen godsdienst, welke ons, menschen, hoog 1 verheft boven de luimen der natuur, ons met bovennatuurlijke banden omstrengelt en ons een staat aanwijst, die in de betrekkingen, waarin de Zaligmaker ons tot elkander en tot Zich heeft gebracht, zijn oorsprong vindt.

Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkander lief hebt, gelijk Ik u heb lief gehad; hieraan zal men erkennen, dat gij mijne leerlingen zijt, dat gij liefde hebt tot elkander. 2)

') 1 Joh. 4. 7.

*) Joh. 13, 31, 35.

ocr page 465

441

Hoe heeft Jesus mij lief gehad? Hij heeft mij bemind, en Zich voor mij overgeleverd;1) Hij heeft den last mijner zonden op Zich genomen; uit vrijen wille heeft Hij onbeschrijfelijk veel geleden; Hij is voor mij aan het Kruis gestorven; tot gedachtenis van zijn smartelijken zoendood heeft Hij het allerheiligste Sacrament des Autaars ingesteld, en verblijft nog thans te mijner liefde in het Heiligdom des Tabernakels.

Zoo heeft Jesus mij lief gehad; ik nu moet den even-mensch beminnen, gelijk Jesus mij heeft bemind. Ja — ook ik moest mij opofferen voor den broeder, ik moest het mijne met hem deelen; mijn hart, mijne hand, mijn geld en goed moesten ook hem toebehooren,

Jesus geeft nog een ander richtsnoer der naastenliefde aan: gij zult den naaste beminnen, gelijk u-zelven. 2)

Hoe min ik mij-zelven? Min ik mij slechts nu en danquot;? gevoel ik voor mij-zelven slechts eene koude, werkelooze liefde? Ik heb mij-zelven lief met volharding, met innigheid. Ik houd, naar best vermogen, elk euvel verre van mij, ik wensch mij alle goed en tracht onverpoosd, mijn geluk te vermeerderen. Dusdanig is de liefde, die ik mij-zelven toedraag, en — den naaste moet ik beminnen, gelijk mij-zelven, d. w. z.: mijne naastenliefde moet der liefde, waarmede ik mij-zelven bemin, zoo niet gelijk, dan toch gelijkend zijn.

Om zóó te kunnen beminnen heeft men een machtigen, verheven beweeggrond van noode. Deze is geen andere, dan do liefde Gods. De christelijke naastenliefde is uit God; in den persoon des naasten ziet zij God, zij mint den naaste in God en door God. In den medebroeder ziet zij het evenbeeld van den éénen Schepper; zij weet, dat ook hij door Christus' Bloed is vrijgekocht; de evenmensch is voor haar

■) Gal. 2, 20. 2) Math. 19, 19.

ocr page 466

442

een lidmaat van het mystieke lichaam van den Christus, een medeerfgenaam van het Rijk der glorie.

Er heerschen vele dwalingen, in betrekking tot de naastenliefde.

Zoo treft men jongelingen aan, voor wie naastenliefde gelijke beteekenis heeft met „philantropiequot;. Maar het verschil tnsschen beide is niet geringer, dan het verschil tusschen eene pop en een bezield lichaam. Philantropie - kil woord, ijzige hand, Vrmd hart'

Men vindt ook jongelingen, die slechts dezulken liefhebben, die hun genegenheid of achting bewijzen, die hun weldoen, die hun van eenig nut kunnen zijn. Ook dezer liefde ontbreekt het bovennatuurlijk karakter. Wanneer gij slechts degenen bemint, die u weldoen — aldus de Zaligmaker — welk loon zult gij daarvoor ontvangen? Doen de tollenaars niet hetzelfde? ') En toont gij u vriendelijk jegens hen, die zich uwe broeders noemen, wat doet gij dan meer, dan de heidenen?

Er zijn jongelingen, die slechts personen minnen, die hun door karakter of andere uitwendige voorrechten beminnens-waardig toeschijnen. Waar is hier de bovennatuurlijke zijde? Op dezelfde manier, d. w. z.: alleen onder den indruk der zinnen, hebben ook dieren elkander lief, of mint de mensch een voorwerp, een schilderij, eene bloem, een boek.

Er zijn jongelingen, wier liefde zich niet verder uitstrekt, dan tot hunne verwanten. Enge harten, kleine zielen,, gedrongen tusschen de nauwe grenzen van vleesch en bloed, menschen, wier begrip van Gods liefde uitermate zwak is! Wanneer God slechts datgene lief had, wat op zijne — Gods — natuur kon bogen, — arm menschdom, hoe diep waart gij dan te beklagen !

*) Math. 5, 4G.

ocr page 467

443

Wel heeft de liefde hare rangorde, aangezien degenen, die wij moeten beminnen, meer of minder aanspraak op onze liefde kunnen hebben. In de eerste rij staan de weldoeners, en degenen, die ons in den bloede zijn verwant, — en aan het hoofd van beide categorieën onze ouders. Dan volgen de broeders en zusters en andere familieleden. Hierbij sluiten zich de personen aan, welke de nood dwingt, hunne hand naar onze hulp uit te strekken.

Ja. er is eene rangorde van nnrsonm. die wil vernlicht ziin. te beminnen; er zijn ook graden van de liefde-zelf.

De ondeugd moeten wij haten, den mensch beminnen. Deze afscheiding in denzelfden persoon kan moeilijk zijn, — onmogelijk is zij niet. Zóó eischt het de ware orde, zóó wil het God. Zoo handelt ock de hemelsche Arader, die over goeden en kwaden de zon doet opgaan, en regen zendt over rechtvaardigen en zondaars. 1j

Wenscht gij het beeld der christelijke naastenliefde in al zijne heerlijkheid vóór uw oog te zien ontrold?

De liefde is lankmoedig, zij is goedertieren; de liefde is niet afgunstig; zij handelt niet lichtvaardig, niet opgeblazen; zij is niet eerzuchtig, zij zoekt zich-zelve niet; zij wordt niet verbitterd, zij kent geen kwaad; zij verblijdt zich niet in de ongerechtigheid, zij verheugt zich in de waarheid; zij bedekt alles, zij gelooft alles, zij hoopt alles, zij verdraagt alles. De liefde vergaat nimmer. 2)

O beproef het, dierbare jongeling, zóó lief te hebben! Het woord des Apostels maakt u duidelijk, dat de ware liefde zich in daden uit; Mijne kinderkens, laten wij elkander liefhebben, niet enkel met het woord, niet met de tong alleen, doch in daad en waarheid! 3) Zoo heeft ook God ons lief

•) 1 Cor. 13, 4—8.

') 1 Joh. 3, 18.

') Math. 5, 45.

29

ocr page 468

444

gehad, zoo mint Hij ons nog thans; wij moeten navolgers zijn van God, als geliefde kinderen, en wandelen in de liefde, gelijk Christus ons heeft lief gehad, en Zich voor ons heeft overgeleverd tot eene offerande en een slachtoffer. ')

Mets belemmert de ware naastenliefde meer, dan zelfzucht. Deze toch is oorzaak, dat men den naaste of niet bemint, daar men alleen voor zich-zelf liefde gevoelt, — of hem slechts bemint, omdat en in zooverre zijne liefde ons voordeel aanbrengt.

En aan zulk een koud egoïsme zoudt gij u reeds in uwe jeugd overgeven, op gevaar af, dat uw hart eindelijk volslagen gevoelloos wordt, en een der edelste vermogens uwer ziel jammerlijk te loor gaat?

Wie geene liefde heeft gelijkt het koude afgodsbeeld, dat nimmer geeft, altijd neemt; het woont in goudbekleede kameren; het smukt zicli met fonkelende juweelen, het troont in geurige wolken; het laat tallooze offers voor zich slachten, eischt dag en nacht huldebetoon. Maar het beweegt zich niet, het vergeldt niet, het verhoort niet, het beschermt niet, het redt niet.

Wie liefde heeft gelijkt der milde, heerlijke zon, die glanst en verkwikt en vruchtbaar maakt en boven allen schittert, over allen zegen spreidt. Zij verguit het strooien dak van des armen stulp, evenals zij de tinnen des fleren burgs beschijnt; zij zweeft boven den stellen berg, maar werpt ook heur stralen in de vallei; haar schitteren, haar koesteren baart wellust, verkwikt de harten, stemt allerwege tot jubel en lof.

O geest der liefde, doorgloei mijn jeugdig hart!

O mocht ik dien eersten christenen gelijk worden, tot wie zelfs de heidenen met bewondering opzagen, uitroe-rende: O ziet, hoe innig zij elkander lief hebben!

quot;) Eph. 5, 2.

ocr page 469

HOOFDSTUK XCIV.

HEILIGE ONDERWORPENHEID.

X zouden bestieren en naar mijn doel geleiden.

# Hoe dwaas zoude ik handelen, beschouwde ik mijne overheden alleen uit menschelijk oogpunt!

Hoe slecht zoude ik handelen, vervulde ik datgene, wat zij mi] gebieden, niet, of enkel in slaafsche vrees en uit menschelijk opzicht!

Gehoorzaamheid, — geheimzinnig woord, door weinigen begrepen, door zeer weinigen in zijne volle beteekenis opgevat.

Gehoorzaamheid, — verafschuwd woord, waaraan zich vele jongelingen ergeren, dat voor hen gelijke beteekenis heeft met vernedering, zwakheid, lafheid! Maar, o goede Jesus,

Adolescentes, subditi estote senioribus.

1 Petr. 5, 5.

ij hebt mij, o mijn God, ouders en oversten gegeven, opdat zij hier-beneden mij in uwe plaats

ocr page 470

446

dan is uw voorbeeld dwaasheid, en wordt vruchteloos de geheele geschiedenis uwer jeugd saamgevat in die veelbe-teekenende woorden: Hij ging met hen (zijne ouders) af, en kwam te Nazareth, en was hun onderdanig!1)

Waar is het: mijner eigenliefde is het niet behagelijkr dat ik de wil van anderen tot mijn wil maak, dat ik op hun gebod iets doe, wat mijn trots of mijner gemakzucht moeilijk valt.

VY {JLUjf 10 liet; Xiiyil liWVJg, HIWOLi zjioix vaCIo

andere menschen boven mij staan. Het is hem onverdrage-lijk, van eens anders wil afhankelijk te zijn, op eens anders wenk te moeten acht geven, een ander dienst te moeten bewijzen.

Maar — wil ik misschien de bestaande wereldorde te mijnen behoeve omkeeren? Wil ik het verschil in ouderdom en stand, wil ik die zoo heilzame rangorde, door God-zelf ingevoerd, afschaffen, — eene rangorde, eene verhouding, waarvan het bestaan der maatschappij te eenenmale afhangt?

En wie ben ik, jonge man, die mij aan de wet der gehoorzaamheid wil onttrekken? Moet niet juist ik, wegens mijn gebrek aan ervaring, om mijner zwakheid wille, op anderen steunen, door wie, om zoo te spreken, de leemten in mijn weten en willen worden aangevuld?

Wat zoude er van mij geworden, bleef ik aan rnij-zelven overgelaten, bekreunde zich niemand om mijne leiding?

En betaamt het mijner jeugd, het hoofd zoo hoog te dragen, niemand boven mij te willen dulden? Nauw ben ik lid der maatschappij; zij heeft zich niet aan mij te onderwerpen ; leeftijd noch verdiensten geven mij eenig recht tot heerschen.

') Luc. 2, 51.

ocr page 471

447

Daarbij, degene, die niet geleerd heeft, te gehoorzamen, is niet waardig, te bevelen.

De enkele uitvoering van hetgeen mi] bevolen is mag ik niet beschouwen als gehoorzaamheid.

Is de gehoorzaamheid eene christelijke deugd, dan moet de levende adem des geloofs haar bezielen.

Wie beveelt over mij ? De rechtmatige overheid in 's Heer en plaats, — ouders, leeraren, geestelijke en wereldlijke overheden.

Alle rechtmatig gezag komt van God. ')

Hoeveel gemakkelijker zou mij de gehoorzaamheid vallen, wanneer ik in mijne overheden niet enkel den mensch zag! God wil het, moest ik tot mij-zelf spreken, — en deze overdenking zoude mij het moeilijkste gemakkelijk maken, mij de onaangenaamste bevelen met blijdschap doen nakomen.

God wil het! — Wie zoude niet ootmoedig, gaarne, snel gehoorzamen, waar het geldt de bevelen van een zoo groot zoo machtig heer?

God wil het! — Wie zoude niet met liefde en bereidwilligheid gehoorzamen, waar het geldt den wensch van een zoo goeden, teerhartigen vader, van een zoo mild weldoener ?

Zonder deez' bovennatuurlijken beweeggrond zal onze gehoorzaamheid noch algemeen genoeg, noch duurzaam, noch ijverig, noch geduldig genoeg zijn.

Zonder deze bovennatuurlijke beschouwing zal onze gehoorzaamheid in de meeste, voornamelijk echter in moeilijke gevallen bitter, pijnlijk, ja onverdragelijk zijn.

Ontneemt men der gehoorzaamheid haar bovennatuurlijk karakter, dan is zij verdienstenloos, aangezien slechts bovennatuurlijke handelingen op bovennatuurlijke wijze kunnen

') Eom. 13, i.

ocr page 472

448

worden beloond. Zij hebben reeds hun loon ontvangen; 1gt; dit zal eens worden gezegd van degenen, die uit zuiver menschelijke beweegredenen gehoorzaam zijn geweest aan de bevelen hunner oversten; zij deden hun „plicht,quot; zij vermeden afkeuring, berisping, straf. Karig loon, — terwijl de gehoorzaamheid uit den geloove eene ware goudmijn konde worden, terwijl zij adelt, met rijkdommen overstelpt, de lauwerkroon der overwinning strengelt!

Daarom wil ik in trouwe en lijdzaamheid handelen overeenkomstig de vermaning des Apostels: Gij, jongelingen^ weest dengenen, die over u zijn gesteld, onderdanig! 2)

Gehoorzamen om Gods wil is eervol, is in hooge mate verdienstelijk; waarom zou slecht-begrepen vrijheid mij verlokken en mijne ware vrijheid, welke hierin bestaat, dat men Gode geeft wat Godes is, en den keizer wat des keizers is,3) aan ondergang blootstellen?

Gehoorzamen onteert niet, wel echter niet gehoorzamen wit zelfzucht, hoogmoed, eigenzinnigheid of andere, uit den hartstocht voortkomende beweeggronden.

Christus was gehoorzaam, gehoorzaam tot den dood, ja tot den dood des kruizes, — en ik zoude mijn hoofd niet willen buigen, geen rechtmatig gezag willen erkennen, geene bevelen willen uitvoeren, die mijn eigen welzijn en de orde in huisgezin, staat en Kerk beoogen?

') Math. 6, 2. a) 1 Petr. 5, 5. 3) Luc. 20, 25.

ocr page 473

HOOFDSTUK XGV.

DE VREEDZAAMHEID.

Estote invicem benigni, misericordes, donantes invicem.

II Eph' 4' 32quot;

piür e christelijke zachtmoedigheid en vreedzaamheid, even noodzakelijke als lieflijke deugden, zegepralen niet gemakkelijk over de onstuimigheid der jeugd.

Immers, het jonge bloed is zoo heet! Het kookt ' zoo gemakkelijk en prikkelt onbewaakte jongelingsharten zoo licht tot misnoegdheid, toom en gramschap.

Vaak is de geringste heleediging voldoende om u te verbitteren, u te brengen tot liefdelooze gedachten, wrok, haat, ondoordachte ' uitingen, scheldwoorden, driest optreden, bedreigingen, gewelddadigheden.

De hartstocht is losgebroken; reeds wordt niet meer naaide stem der rede geluisterd; de opgewondenheid wordt allengs heviger; tweedracht en vijandschap ontstaan; men komt tot

ocr page 474

450

woorden, daden, zooals alechts blinde toorn ze kan ingeven.

Een orkaan gelijk, maakt zich de gramschap meester van het onbewaakte hart. Plotseling hebben duistere wolken zich saamgepakt, de storm is losgebroken, het onweder trilt door de luchtlagen. —

Dikwijls echter is verkropte woede, ingehouden toorn, zooals men die bij sommige in zich-zelf gekeerde karakters aantreft, nog veel erger. Dagen en weken, ja veel langer blijft het stormen in zulk een met gift doortrokken hart. Wee den beleediger, wanneer de lang onderdrukte woede eindelijk tot uitbarsting komt!

De gramschap veroorzaakt veel kwaad.

De gramschap verhindert veel goed. Op een zoo vulkanischen bodem kan geene deugd tieren. De deugd mint vreedzame aarde; zij gedijt slechts in de liefde; en waar geen vrede is, daar woont ook de liefde niet. Waar nijd en twistgierigheid heerschen, daar is wanorde en allerlei boosheid. ^

Hoe dat ongeluk voorkomen? Een ieder wake over zich-zelven, vooral degene, die weet, dat hij in meer dan gewone mate prikkelbaar is, en die reeds vaker in zijn gemoed zulke orkanen zag losbreken.

Laat u nooit met twisten in, o jongeling! En waart gij ook twistziek van natuur; behoordet gij tot die ongelukkige karakters, welke niet liet geringste kunnen verdragen, tot die karakters, lichtvaardig in het oordeelen, onbesuisd in het spreken, ras geneigd tot daden van geweld; waart gij van nature trotsch, barsch, heerschzuchtig, bedilziek, netelig; waart gij een dier menschen, wier hand, gelijk die van Ismaël, immer ten strijde tegen allen gereed is, 2) — o bedwing u toch, om der wille van Christus' zachtmoedig,3) wanneer men

■) Jac. 3, 16. !) Gen. 16, 12. ») 2 Cor. 10, 1.

ocr page 475

451

uwe gramschap prikkelt; houd u terug, vermijd allen twist, gebruik geene smaadreden, weet tenminste te zwijgen.

Maar ook gij moet geen twist veroorzaken. Wek niemands gramschap door onvoegzame spotternijen, door bitterheid, door kwetsende ironie, door hatelijke toespelingen, door lompe aanvallen op zijne eer, door bedil- en smaadzucht, door den geest van tegenspraak.

Onthoud u zelfs, naar best vermogen, in tegenwoordigheid van sornmis-e. nrikkelbare lieden, van onvoorzichtige uitingen, die verkeerd kunnen worden opgevat en tweedracht zaaien. Indien de spijze mijnen broeder ergert, zoo wil ik in eeuwigheid geen vleesch eten, opdat ik mijnen broeder niet ergere. M

Nog eenmaal: wekt men uw toorn op, valt men u op onrechtvaardige wijze aan, poog dan, uwe bedaardheid niet te verliezen; wordt niet grammoedig, vermijd ook alle heftigheid, doe uw best cm het geschil door vriendelijke woorden bij te leggen; een zachtmoedig gesproken woord keert den toorn af, stemt den vijand te uwer gunste.

Geloof niet, dat gij, door zóó te handelen, u vernedert. Wie zich-zelven meester blijft staat altijd hooger, dan hij, die zich tot twisten en kijven verlaagt en de grootste aller zwakheden, gebrek aan zelfbeheersching, bloot geeft.

De onbillijkheden, wanneer men kan, voorkomen, weinig acht er op slaan, doen, alsof men ze niet bemerkt, ze spoedig vergeten — is verstandiger, edeler, meer verdienstelijk, dan zich boos maken, schelden, dreigen. Den stempel van ware grootheid, echten zieleadel draagt degene, die als hij gescholden wordt niet wederscheldt, en als hij wordt mishandeld niet dreigt. 2)

Kinderen maken getier, mannen bewaren hunne kalmte.

') 1 Cor. 8, 13.

!) 1 Petr. 2, 23.

ocr page 476

452

zwakken geraken buiten zich-zelf en worden nog meer veracht, sterken blijven zich-zelf meester en stijgen in aanzien.

O, laten wij goedertieren jegens elkander, barmhartig en toegevend zijn! !)

Wel kan zulks moeilijk vallen; maar in ruil voor die opoffering zullen de vreedzamen, d. w. z.: degenen, die noch den vrede van anderen storen, noch den hunnen laten storen, kinderen Gods 2) worden genoemd, met andere woorden: navolgers, vrienden, lievelingen van God, die een God des vredes is, 3) en om des vredes wille zijn eeniggeboren Zoon met de menschheid heeft bekleed.

Van hoeveel gewicht voor het volgend leven is de geest des vredes, — hoe gewichtig voor den familiekring, hoe gewichtig voor allen, met wie men in aanraking komt, hoe gewichtig voor den staat!

Een hoogst verderfelijk lid der maatschappij is daarentegen de onruststoker, het heethoofd, de man der tweedracht, die alles ten kwade uitlegt, die immer gelijk wil hebben, altijd meester wil zijn, die allen kwetst en zelf uitermate gevoelig en nooit voldaan is, die zich overal in mengt, maar in eigen zaken geene inmenging van anderen duldt. — Afschuwelijk egoïsme: van een ieder voor zich vrede begeeren, en anderen geen vrede gunnen!

En kost het moeite, een zoogenaamd „ontembaarquot; karakter te beteugelen, — de vruchten dier inspanning zijn dermate zoet, dat, om ze te oogsten, elk offer met vreugde moet worden gebracht.

De vruchten des geestes zijn: liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, zachtmoedigheid, trouw. 4)

') Epli. 4, 32.

') Math. 5. 9. ') 1 Oor. 14, 33. •) Gal. 5, 22, 23.

ocr page 477

HOOFDSTUK XCVI.

VERGEVENSGEZINDHEID.

Homo homini reservat irani et a Deo quaerit medelam ?

Eccl. 28, 3gt;

quot;gt;

S iets valt der natuur zwaarder, dan degenen lief te JjpSp ^ hebben, die ons kwaad hebben aangedaan. Hier-W tegen verzet zich het gemoed, de gekrenkte fierheid, /P het hart, dat zijne rechten wil handhaven.

M Strekt zich het gebod der naastenliefde ook tot de

vijanden uit, dan levert zulks een bewijs te over, hoe volmaakt de christelijke wetgeving is, en hoezeer zij, door onderdrukking van elk ongeregeld gevoel, den geheelen mensch poogt te veredelen.

Wie is onze naaste? Ieder mensch. — Allen, die met dezelfde natuur zijn bekleed, allen, voor wie Gods eeniggeboren Zoon mensch werd, leefde en stierf, allen, die aan de heer-

ocr page 478

454

lijkheid des Paradijzes deel kunnen hebben, zijn onze naasten. Dat die gelijkheidj van natuur en bestemming door geene werkelijke of vermeende krenking verloren gaat, dat behoeft wel geen betoog.

Dan, wij moeten onzen naaste lief hebben: Gij zult uwen naaste beminnen, gelijk u-zelven. 2)

Opdat niemand zich gerechtigd wane tot welke uitzondering op dezen regel het zijn moge, spreekt de Zaligmaker nadrukkelijk en gebiedend over de liefde tot de mamlen: Ik ^.eg u, ueot uwe vijanden lief; doet wel dengenen, die u haten, en bidt voor hen, die u vervolgen en belasteren, opdat gij zijn moget kinderen uws Vaders, die in de Hemelen is. De Heiland wijst nadrukkelijk op het verschil van voorheen en thans, tusschen zijne leer en die der men-schen; — Ik evenwel zeg het u! Jesus smelt deze noodzakelijke vergeving van het geleden onrecht duidelijk in bij het gebed, dat Hij zijnen discipelen leert, en maakt van deze voorwaarde afhankelijk de vergiffenis, die wij van God verhopen; Vergeef ons onze schulden, gelijk wij vergeven onzen schuldenaren. ')

Duidelijk genoeg, niet waar?

Te uwen opzichte, o jongeling, kan er moeilijk sprake zijn van zwaar onrecht, door u geleden, van nadeelige krenking uwer eer, van schade, u in have en geluk berokkend, van aanvallen op uw physiek leven.

Hier heeft een onvoorzichtig woord u pijn veroorzaakt, daar heeft u het verzuimen van eene beleefdheidsbetuiging geërgerd; nu wordt u een kleine dienst geweigerd, df.n een woord van lof onthouden, waarop gij aanspraak meent te hebben; men heeft zich niet om uw gevoelen bekreund,

') Gal 5, 14.

=) Math. C. 12.

ocr page 479

455

men heeft u tegengesproken; een ruwe scherts, een hard, onvoegzaam woord heeft uwe eigenliefde gekwetst.

En deze en soortgelijke nietigheden zouden machtig genoeg zijn, harten van elkaar te vervreemden, gevoelens van haat op te wekken, vijandelijkheden, daden van geweld uit te lokken, uw hart door wrok- en wraakzucht te vergiftigen ?

Ziet gij niet in, dat gekrenkte ijdelheid, dat zelfzucht, ja-locrschheid v?.?.!- o^nio-p h-mrmpn 7.1 in waaruit datffönG. wat gij rechtmatige verbittering noemt, voortvloeit?

Gij spreekt van aangetaste eer, van miskende vriendschap, van geschonden trouw; wanneer echter God te onzen opzichte zoo gevoelig is; wanneer ook Hij Zich niet laat vermurwen en tot vergiffenis bewegen; wanneer ook Hij het geleden onrecht zoo moeilijk vergeet, wanneer ook Hij zoo lang wrok blijft dragen — wee dan onzer!

Hoe dikwijls moeten wij Gods lankmoedige barmhartigheid inroepen! En onze evenmensch zou voor de geringste overijling zwaar moeten boeten; hij wordt zonder mededoogen op zijne beurt gekrenkt; hij slaagt er nooit in, de verloren plaats in ons hart te heroveren!...

Een mensch blijft toornig tegen zijns gelijke, en van God verwacht hij genade? Met een mensch, die hem gelijk is, heeft hij geen mededoogen, — en hij bidt om vergiffenis van zijne zonden?

Gij zegt misschien: ik denk niet aan wraak; ik wil mijn vijand geen kwaad berokkenen; wij zullen eenvoudig elkander mijden.

Welk een somber, welk een koud woord, achter hetwelk zich de verbittering schuil houdt! Is onverschilligheid liefde? En — o ware het slechts onverschilligheid! Maar het is kwalijk-verborgen toorn, het is wrok over de ontvangen beleediging.

ocr page 480

456

het is neiging om van de eerste gelegenheid tot wedervergelding gebruik te maken.

Onwaardige discipel van Hem, die nog op het kruis voor u heeft gebeden: „Vader/vergeef het hem, — hij weetniet, wat hij doet!quot; 1)

Zoudt gij het ooit hebben gewaagd, in zulk een toestand van vrijwillige afgekeerdheid, van blijvende onverzoenlijkheid, van glueienden haat te.jiaderen tot 's Heeren Tafel, .en u in het aanbiddelijke Sacrament nauw te vereenigen mpt quot;non^ene, die geheel liefde is, en Die wil, dat ook gij liefde zijn moget? Neen, in die mate hebt gij zeker nooit het Sacrament der -??e/cfe~mTskêhd.

Ik kan 't niet ongewroken laten, zegt gij, — men hoont mij niet straffeloos; ik zal hem toonen, dat hij ongelijk heeft. — Gij wilt dus uw recht handhaven ? Goed; maar ook de Heer geeft het zijne niet prijs; ,Ik zeg u, bemin uwen vijand.quot; 2) God wil geen afstand doen van zijn onmiskenbaar recht, dat gij Hem niet beleedigt door uwe onverzoenlii'kheid, en dat gij beminnet dengene, dien Hij wil, dat gi] zult liefhebben, en dien Hij-zelf niet van zijne liefde uitsluit.

AVel verre van kwaad met kwaad te vergelden, moet gij het kwade door het goede overwinnen. 3)

Wreek niet u-zelvën; doch laat u wreken door Hem, van Wien geschreven staat; Mij komt de wrake toe, Ik zal vergelden, spreekt de Heer. 4)

Integendeel; — indien uw vijand hongert, zoo spijzig hem ; heeft hij dorst, geef hem te drinken; dit doende, zult gij kolen vuurs op zijn hoofd stapelen. 5)

O jongeling, laat nimmer het gevoel van haat of wrok

4) Rem. 12, 19.

3) Eom. 12, 21.

3) Math. 5, 44.

1) Luc. 23, 24. 5) Eom. 12, 20-

ocr page 481

457

uw hart binnendringen. Verlaag u nimmer tor gevoelens van bitterheid, van „leedvermaak,quot; laat geene vijandelijke plannen in u opkomen.

Mishaagt u het een of ander in den naaste? Bedenk, dat ook gij uwe zwakheden, uwe gebreken hebt, dat anderen ook met u geduld moeten oefenen.

Heeft men u beleedigcl? G-oed met kwaad vergelden is duivelsch; goed met goed vergelden is menschelyjk, zedelijk;

I-ttton rl rrr»orl -xroïTrolrlon ia VrvninVliilr 1« nr)flrlpTinlc

— • ------- ----- O ^ / c/ ^

0 beur u op tot deze hoogte, mijn dierbare jongeling, en volg den Heer-zelf na jn de onmetelijkheid zilner liefde! Wees edelmoedig. meiSch'ÉtlSr-'

enge hart en handel goddelijk.

Nu echter, o vriend, moet gij in u-zelven gaan en nauw keurig uwe gezindheid in betrekking tot dezen en dien persoon onderzoeken. Is er geen zweem van haat, van bitterheid in uw gemoed? Is wrok, is zucht naar wraak u te eenen-male vreemd? Zijt gij allen van harte wélgezind en toont gij metterdaad, dat allen in uw hart plaats hebben gevonden ?

O laat de zon niet ondergaan over uwe gramschap! 1) Verzoen u met den beleediger — spoedig, oprecht, volkomen.

Zie, de dag van uw eigen oordeel naakt met rassche schreden. Wees tot vergiffenis bereid, opdat de eeuwige Rechter ook u genadig zij!

1

Eph. 4, 23.

ocr page 482

HOOFDSTUK XGVIL

EEN DRINGENDE LIEFDEPLICHT.

Ne reverearis proximum tuum in casu suo, necreti-neas verbum in tempore salutis. Eccl. 4, 27, 28.

^ arm eer gij als reiziger op een dwaalweg geraaktet, zou het u dan niet wenschelijk voorkomen, dat men u terecht wees en u de juiste richting aanduidde ?

Wat in zulk geval het eigenbelang u zou doen wenschen moet gij toepassen op hem, die onder alle omstandigheden uw broeder is, op den naaste. Hij is afgedwaald ; hij heeft eene richting gekozen, die öf in het geheel niet, of slechts langs omwegen voert naar het laatste doel en einde: het bezit van God. Gij draagt hiervan kennis; gij staat tot hem in familiebetrekking of wel gij zijt met hem door vriendschap verbonden: in beide gevallen hebt gij recht, een vrij-

ocr page 483

459

moedig woord, een woord van liefderijke vermaning, van wel-gemeenden raad tot hem te spreken. Zoudt gij zwijgen ? Kunt gij lijdelijk toezien, als uw broeder zich altijd meer van zijn doel verwijdert, als hij met gevleugelden voet op den afgrond toeschrijdt, als zijn geestelijke nood altijd hooger klimt?

„Wie zijn broeder in nood ziet, en zijn hart voor hem sluit, hoe zal in zijn hart de liefde Gods wonen ?quot;

Dit woord, in betrekking tot stoffelyjken nood en armoe des jicnaams gespimen. is dij uitsteK; toepasselijk op den geesle-lijken nood des evenmenschen, op het schrikkelijke gevaar, waaraan de afgedwaalde ziel blootstaat, haar doel nimmer te bereiken.

En toch zijn er weinig punten der christelijke moraal, waartegen 's jongelings hart meer vooroordeelen doet gelden, dan tegen dezen plicht der broederlijke waarschuwing.

Zelfs de beste jongelingen begrijpen vaak niet, dat het liefdeloos, ja in zekere gevallen gewetenloos is, het kwaad niet te verhinderen, wanneer het kan verhinderd worden.

O, hoevelen, wier vermanend woord niet zonder invloed ware gebleven, wordt door dwazen schroom, door zondige toegeeflijkheid, door betreurenswaardige onverschilligheid den mond gesloten! Zij wanen, zich-zelf eene onaangenaamheid, den evenmensch vernedering en wrevel te sparen — en beladen zich niet zelden met de zwaarste verantwoordelijkheid, doen vaak den evenmensch een moeilijk te herstellen ongelijk aan.

Wel is het gebod des Heeren, de zonden van den naaste te verhinderen, voornamelijk tot de overheden gericht; ^ doch het geldt hier in 't algemeen een gebod der naastenliefde en

') Math. 18, 5.

30

ocr page 484

460

gaat, binnen de perken eener heilige wijsheid, allen christenen aan.

Intusschen, wil er sprake zijn van 'plicht, dan is er meer noodig, dan een vermoeden, — dan moet er zekerheid bestaan, dan moet er eene daad zijn gepleegd of een ernstig gevaar dreigen.

Wijders moet gegronde hoop, ja zelfs waarschijnlijkheid bestaan, dat de naaste zich zal beteren.

jiindelijk moei er voor uiy-iself geeu zwaar nadeel als gevolg mijner welgemeende vermaning zijn te duchten. — Dit nu zijn de voorwaarden, van welke het bestaan des plichts afhangt.

Edoch, de ware liefde is niet zoo berekenen; wel gaat zii met beleid gepaard; doch het heil des naasten maakt haar vindingrijk. Zij is toegevend, maar vrijmoedig; zij is geduldig, maar kent geen vreeze, zij is eenvoudig en hartelijk, maar uit zich met voegzamen ernst.

Hoe menig jongeling gaat jammerlijk ten gronde, wijl er onder degenen, die zich zijne vrienden noemen, niet één is, die liefde en moed genoeg bezit, om te spreken: Vriend, wees voorzichtig! Vriend, bedrieg ik mij niet geheel en al, dan waagt gij u op onveilige paden; in elk geval is de weg, dien gij thans wilt kiezen, niet de ware, hij kan naar den afgrond voeren. Vriend, gij wordt zoo lauw in den dienst van God, gij vervreemdt u meer en meer van de Kerk; uw geloof schijnt te wankelen. Vriend, die dubbelzinnige woorden bevallen mij niet. Vriend, die omgang zal u weinig voordeel aanbrengen, dat gezelschap past u niet, dat boek moogt gij niet ter hand nemen. Vriend, de plichten van uw staat kunnen beter worden nageleefd! Vriend, gij wordt zoo onverdraagzaam, zoo hoogmoedig. Vriend, ga in u-zelven; nader eens tot de Sacramenten, die gij wellicht sinds lang

ocr page 485

461

niet meer hebt ontvangen; zoek u een goed biechtvader, versterk u met het Brood des levens. Vriend, o mijn vriend,

word een andere!

Een goed woord vindt schier immer eene yoede plaats; enkel bezorgdheid of eene voorbarig opgevatte meening, die al te vaak op minachting van des naasten zielstoestand berust, durven ons in geenendeele terughouden van de vervulling eens heiligen liefdeplichts.

Schijnt het niet raadzaam, dit goede woord zelf te spreken, door zwijgen wordt aan de verplichting niet voldaan.

De ware orde wijst in zekere gevallen van doorslaand gewicht nog een ander middel aan. Jesus Christus noemt het, ter plaatse waar Hij, met het doel, vijandschap te voorkomen, aldus vermaant: Indien uw broeder tegen u heeft gezondigd, ga dan heen en verzoen u met hem. Hoort hij u, zoo hebt gij uwen broeder gewonnen; doch hoort hij u niet, (of is uwe vermaning niet toereikend) zoo zeg het der gemeente (der Kerk) d. w. z. den overheden, die u moete)i helpen en kunnen helpen.

Niets hatelijker, dan aanbrenger if). Wegens nietigheden alarm maken, oversten lastig vallen, vrienden krenken — is over-standig, is kinderachtig. Doch geldt het zaken van gewicht, de redding eener onsterfelijke ziel, — misschien zelfs van meerdere onsterfelijke zielen, — o dan lade niemand de verantwoordelijkheid op zich, een middel te verzuimen, door hot verstand aangeduid, door het geweten dringend bevolen, door het voorbeeld van edele menschen goedgekeurd.

O neen, dierbare jongeling, aarzel niet, uw broeder in zijn ongeluk ter hulp te komen!

') Math. 18, 15, 17.

ocr page 486

462

Bij de liefde, welke gij aan u-zelven schuldig zijt, bij den wensch, dien gij koestert en koesteren moet, dat niemand door uw laf zwijgen voor eeuwig rampzalig worde, bezweer ik u: spreek, wanneer gesproken moet worden, en red wat te redden is!

ocr page 487

HOOFDSTUK XGVIII.

WARE VKIENDSCHAP.

Qui credit cito, levis corde est et minorabitur.

Keel. 19, 4.

IE) ordt eenig woord vaker misbruikt, dan het woord

„Vriendschapquot; is een dekmantel voor eigenbaat, * T een dekmantel voor zinnelijkheid.

Ware vriendschap is christelijke naastenliefde in meer dan gewonen graad, uit beweegredenen van het edelste soort een of meer personen gewijd, doer dezen op dezelfde wijze beantwoord.

De baatzuchtige spreekt: Ik heb u lief. Doch hij mint alleen uw geld; hij mint waardeering, hij mint gunst, voordeel, weldaden, vergelding.

De zinnelijke spreekt: Ik heb u lief. Doch hij mint alleen het uitwendige, lichaamsschoonheid, fijne beschaving, welbe-

ocr page 488

464

spraaktheid, geestigheid, misschien mint hij zelfs de ondeugd, of tenminste eene zekere neiging daartoe.

De ware vriend spreekt; Ik heb u lief. En hij mint vooral wegens eene hoedanigheid des geestes; hij mint — niet slechts met eene zuivere, maar ook goede bedoeling; hij mint om der wille van het zedelijke voordeel, dat voor hem en voor zijn vriend uit deze toenadering kan voortspruiten; hij mint hem gelijk zich-zelf, zoodat bedoeld zedelijk voordeel geen van beiden ontbeidt

Ja — de vriendschap neemt allengs de natuur aan van datgene, ter wille waarvan men dien vriend lief heeft.

Mint gij iemand om der wille van het kwaad, of met het oogmerk, in vereeniging met den vriend kwaad te bedrijven, dan is uwe vriendschap eene kivade.

Mint gij iemand om der wille van ijdele dingen, dan is de vriendschap 'ijdel.

Derhalve: de banden, die vrienden saamstrengelen, kunnen van verschillende soort zijn: zondige banden, ijdele bunden, zedelijke, ja heilige banden.

De goede, de ware vriendschap gaat, zooals boven gezegd, van het goede uit, beoogt het goede, staat onder den invloed van het goede.

De beweeggrond, waarom men iemand op bijzondere wijze kan liefhebben, is zijne meer dan gewone beminnenstvaardig-heid; wie is der liefde meer waardig, dan de deugdzame?

Het doel, waarnaar deze bijzondere liefde streeft, is het welzijn van dengene, dien men lief heeft; is grooter geluk denkbaar, dan het geluk, door de deugd geschonken?

Het richtsnoer eindelijk, de maat, de regel der ware liefde kan alleen de deugd zijn. Wie ter wille des vriends God be-leedigt, die geeft aan het schepsel de voorkeur boven den Schepper, die zondigt tegen de rede en tegen het nadruk-

ocr page 489

465

kelijke gebod. Den Heer, uwen God, zult gij liefhebben uit geheel uw hart, uit geheel uwe ziel, uit al uwe krachten. 1) De vriend mag dus voor den vriend of wegens den vriend niets doen, wat met de deugd in strijd is.

Wil thans nagaan, dierbare jongeling, hoeveel „vriendschapsbandenquot; op dien naam aanspraak kunnen maken.

Eeken af die vriendschap, welke eerder vijandschap kan worden genoemd, daar men elkander wederzijds ergert, elkan-

------ — i- -i- o o n rlr» V)nl f or rvrr»/quot;»! wprnt •

U.01 V OJ. \Jj XXX XXU t j. K.J — - -------J_ J. ,

reken af die vriendschap, welke geheel en al ij delheid is, daar zij geen enkel hooger doel beoogt; reken af die soorten vriendschap, welke slechts voor het oogenblik gelden, zich niet verheffen boven het uitwendige, het toevallige, het vergankelijke, — hoeveel ware vriendschap rest dan nog?

Liefde! liefde! de geheele wereld spreekt over liefde, alles wil liefhebben, alles zegt, dat het lief heeft; — maar hoeveel onzuivere, hoeveel bloot natuurlijke, hoeveel bedriege-lijke, hoeveel baatzuchtige, hoeveel lage, hoeveel zwakke liefde matigt zich den zoeten, heiligen naam der liefde aan!

Even weinig overeenkomst als er bestaat tusschen de roode, walmende vlam van brandend pek en het reine, zilveren licht der maan, even weinig komt de liefde, welke op zinnelijkheid berust, overeen met de liefde, die icare vrienden verbindt.

Wie verlangt vuriger te beminnen, dan de jongeling? wie moet te dezen opzichte angstvalliger op zijne hoede zijn,, dan de jongeling?

Mistrouw uwe verbeelding. Wijk niet onmiddellijk voor den drang van het gevoel. Wacht, beproef.

') Luc. 10, 27.

ocr page 490

466

Wel is de goede vriendschap in hooge mate edel; maaide slechte is ook uitermate verderfelijk.

Twee harten zoeken elkander; zijn beide bedorven, dan is het, alsof men vuur met olie mengt, alsof twee schuimende bergstroompjes in ééne bedding samenvloeien; is het ééne bedorven, wat komt u dan meer waarschijnlijk voor: dat het zuivere hart de besmetting van het bedorven zal wegnemen, of wel dat het bedorven hart aan het zuivere de

Vl /~10 rvquot;gt; /gt;1 4- i 1-1 l~« ry 1-1 1 -v-v-i O - —■ 7 • 7 7 - - l- 7

-----— - - . zjjj ii C/OtU/O (yi/OU; WW XV VAOiil HWg lö

waakzaamheid van noode; zoo menige vriendschap is rein begonnen en in schande geëindigd.

Vertrouw dus, geldt het vriendschap, geenszins een ieder.

Wacht u wel, vriendschap te sluiten met iemand, in wien gij ondeugden hebt ontdekt, of van wien gij met grond vermoedt, dat zi]n omgang gevaar kan opleveren.

Laat voor uwe vriendschap zelfs niet dengene in aanmerking komen, in wien gij niets ontdekt, wat zedelijk-bemin-nenswaardig kan worden genoemd. Knoop geene vriendschap aan, waarvan het niet waarschijnlijk is, dat zij u heter zal maken. Wie u slechts te eigen bate mint, wie niets beoogt, tenzij het aangename, dat hij in uw omgang hoopt te vinden, is niet waardig, uw vriend te zijn. Evenmin degene, die zich niet om uw waar geluk, uw zieleheil bekreunt, u vleit, uwe gebreken niet aanroert, — zich misschien dezelve ten nutte maakt.

Houd u onwrikbaar aan den grondregel: wie Gods vriend niet is kan ook de mijne niet zijn. Vruchteloos verwacht gij van iemand, dat hij u waarlijk nuttig zijn zal, wanneer hij, een vijand Gods, zijn eigen heil verwaarloost. Vruchteloos verwacht gij trouw van hem, dien zelfs God niet aan zich vermag te ketenen.

ocr page 491

467

O zeldzaamheid der ware vriendschap — in eene wereld van eigenbaat, boosheid en lagen zin!

Gelukkige, gij, die een goeden, een waren vriend bezit!

Is het moeilijk, een waar vriend te vinden, van hoog belang is het, den gevondene te behouden. Onoprechtheid, wantrouwen, ijverzucht en overgevoeligheid verzwakken de vriendschapsbanden, brengen lichtelijk eene breuk te weeg. Zonder weder-zijdsche zelfbeheer selling kan geene vriendschap duurzaam zijn.

r\ Ci A Tvi ^ 1-« r* ■«-•4-^ v« ot»o r»-f, - r-lt; o rJ Vgt; O O V 11 O quot;fVl r\ OTquot;)

gelukkig door de min, hoed mijne onervarenheid tegen elke valsche, mij nadeelige, U mishagende vriendscliap! Doch is het de wil uwer heilige Voorzienigheid, dat ik een waar vriend ontdekke, zegen dan Gij den band, die mij met hem zal vereenigen en verleen, dat die vriendschap, zoo nuttig, zoo heilig, dure tot mijns levens einde, ja tot in de zalige eeuwigheid!

ocr page 492

HOOFDSTUK XCIX.

ARBEIDZAAMHEID.

Homo nascitur ad laborem, et avis ad volatum.

Job. 5, 7.

hard woord! Inderdaad beteekent arbeid: ernst, inspanning, kommer, lijden.

Zich bezig houden is nog niet arbeiden.

Wel is degene, die arbeidt, onledig; niet echter kan van een ieder, die zich onledig houdt, gezegd worden, dat hij arbeidt.

Er zijn bezigheden, die meer op lediggang, dan op arbeid gelijken.

Het woord arbeid drukt, in zijne eigenlijke beteekenis, de zegepraal over moeilijkheden uit.

Degene arbeidt, die tot een bepaald doel met ernst en volharding physieke of moreele vermogens, of wel beide aanwendt.

Elke arbeid is niet even moeilijk; er zijn soorten van arbeid.

ocr page 493

469

welke, hetzij wegens haar natuur, hetzij wegens de vaardigheid, reeds daarin verkregen, geene groote inspanning vorderen. Toch ontmoet elke arbeid meer of minder tegenstand van de zijde onzer bedorven natuur, afkeerig van ernst en moeite.

Dan, er zijn ook bezigheden, die eindelijk vermoeien. Hieraan draagt veel minder het krachtsverbruik schuld, dan het eentonige der bezigheid-zelve, of de verslapping van den bij het begin des arbeids opgewekten mensch.

lYlOtC tJJ. ^ücliut/iu. vvuiucii? Za-j iiiyii VxiCiid. Au/Il dc VTCt dC3

arbeids is ieder mensch onderworpen. De mensch wordt geboren tot arbeid, gelijk de vogel tot vliegen

Sedert de mensch tegen God is opgestaan; sedert hij in dwazen hoogmoed heeft gesproken; „Ik dien nietquot; ; 2) sedert hij gewelddadig bez:'t heeft genomen van hetgeen de wil des Allerhoogsten hem onthield; sedert hij zich rechten heeft aangematigd op de schepselen, rechten, afwijkend van die, welke G-od hem over het geschapene had verleend, — is ook de schepping tegen hem in oproer gekomen, en moet den bodem der aarde, zoowel als dien des geestes, schier alles worden ontwrongen. Met tranen en zweet wil zi] gedrenkt worden, die harde aardkorst; nauwelijks een enkele vrucht zonder arbeid, nauwelijks een blijvend genot, zonder inspanning verkregen. En hoeveel minder nog kan zonder arbeid sprake zijn van de eigenlijke, hoogere ontwikkeling der physieke en moreele krachten!

In het zweet uws aanschyjns zult gij uw brood eten. 3) — Hoort gij dit vonnis? In onzen stamvader heeft het ons getroffen, en sinds dien werd de mensch geboren om te arbeiden, gelijk de vogel om te vliegen, 4) — dat beduidt: de arbeid behoort op aarde tot 's menschen natuur, hij maakt deel uit van

i Job 5, 7. 2) Jer. 2. 20. a) Gen. 3, 19. *) Job 5, 7.

ocr page 494

470

zijne bestemming, — de mensch kan noch mag zich aan den arbeid onttrekken, hij moet tot den arbeid zijn toevlucht nemen, — hij stelt aan ondergang bloot zijn bestaan, zijn waar geluk, zijne waardigheid, zijne Gode-gelijkvormigheid, indien hij zich aan den arbeid onttrekt, in lediggang zijne dagen verspilt, zijne vermogens laat wegkwijnen, in stede van ze meer en meer te ontwikkelen.

Waar, op welk gebied, voor 's menschen werkzaamheid tocgankcl^k, Zijn mutoit, Ziuiiuer inspanning, zoncleï

arbeid grootsche dingen tot stand gebracht? Ziet gij niet de eeltknobbels op de hand van den vergrijsden landman, wien het eindelijk is gelukt, zich een kommervrijen levensavond te verschaffen? Ziet gij niet de sporen van zware inspanning, geprent op het ernstig gelaat van den verdienstelijken uitvinder, van den gevierden kunstenaar, van den machtigen meester der gedachte en van het woord? Ziet gij, hoe het bloed van den veroveraar zich mengelt met zijn zweet? Ziet gij, hoe de man der wetenschap nachtwake aan nachtwake zich getroost, hoe geene moeite hem te groot, geen offer te zwaar is, om altijd meer schatten der wetenschap te verzamelen ? Echte hoogheid, ware zelfveredeling, — ondenkbaar zonder arbeid, zonder moeite, zonder strijd!

Nochtans, mijne maatschappelijke positie ontheft mij van den arbeid, zegt gij; anderen hebben voor mij gearbeid; het geluk heeft voor mij gearbeid. Ik bezit vermogen; ik kan vrij van zorgen leven; ik heb alles, waaraan ik behoefte gevoel.

Meent gij? — Ontaarde spruit van betere vaderen, geeft de noeste arbeid van anderen u recht tot werkeloosheid, tot lediggang, tot trage verwijfdheid? En moet hetgeen door anderen is verworven niet worden rnede verdiend, niet binnen de perken der redelijkheid worden verzekerd en bewaard?

ocr page 495

471

Maar — ik ben nog jong. Zoo jong nog, en reeds arbeiden! Wanneer zal het mij vergund zijn, het leven te genieten?

Jong! juist te dezer oorzake is de wet des arbeids op u toepasselijk. De kracht uwer jeugd, de frischheid uwer jeugd zoeken een veld, dat zij kunnen hebomven.

En wat beduidt, naar uw inzien, „het \e\engenieten?'Wil dat zeggen: in strijd met Gods geboden handelen? de plannen der Voorzienigheid tegenwerken? De handen in den schoot leggen, en in luiheid verteren wat door anaeren ten Kosce van hun zweet is bijeengebracht? het vooruitbetaalde loon verspillen, zonder dat men den arbeid, waarvoor men het heeft ontvangen, verricht? doen wat men niet mag doen en niet doen wat men doen moet? talenten begraven, die slechts in de jeugd aan het licht kunnen worden gebracht, talenten, waarmede vooral in de jeugd een heilige woeker moet worden gedreven? zich blootstellen aan het gevaar, naar lichaam en ziel ongelukkig te worden?

Genieten.! — leeft men, om te genieten? Geniet de reiziger gedurende zijn tocht, en niet veeleer zoodra hij zijn doel, de plaats zijner ruste heeft bereikt?

Genieten! — Beduidt genieten: zijne bestemming missen, of haar slechts bereiken langs omwegen, waarop men aan schromelijke zielsgevaren blootstaat? Beduidt genieten: handelen in strijd met de waarschuwing des gewetens? — O neen! waar genot vinden wij slechts in de trouwe naleving onzer plichten, in het bereidvaardig gebrachte offer, in het bewustzijn, Gods wil gehoorzaamd en ons een heerlijk loon verzekerd te hebben: de eeuwige rust bij God en in God.

Genieten! — Heeft Jesus genoten? Hij heeft (7earamp;e('d;Hij heeft geleden, Hij heeft hier op aarde geen rust gezocht; Hij wilde eerst kunnen zeggen: Het is volbracht ^; Ik heb

') Joii. 19, 30.

ocr page 496

472

volbracht het werk, dat Gij, o mijn hemelsche Vader, mij hebt opgelegd! ')

Hebben de Heiligen genoten ? genoten — die kloeke martelaren, die onvermoeide Apostelen, die streng-boetvaardigen, die getrouwe maagden, die belijders vol zelfverloochening en werkzame liefde Gods?

Keer in u-zelven, dierbare jongeling, schep moed! — begeef u onversaagd op weg, strooi in den name Gods onder zweet en tranen uwe zaadkorrels 2) in de voren. Zeker zal de dag niet uitblijven, die de heerlijkste garven in uw schoot neder-legt, de dag van den blijden oogst, de dag der milde vergelding.

En breekt hij hier-beneden- laat aan, die heerlijke oogstdag, en nog altijd omsluierd door den nevel van dit dal dei-tranen, — zoo wacht ons toch aan de overzijde van het graf een dag der ruste, een dag zonder avond, een dag van eeuwig zonlicht, van immer schallenden oogstjubel.

En hoeveel beter is het, hier-beneden te arbeiden en ginds te rusten, dan lüer te rusten en ginds eeuwige smart te lijden! Immers, van de verdoemden zegt de Schriftuur: De rook van hunne pijniging gaat op in alle eeuwigheid, en zij hebben geene ruste dag en nacht 3).

Daar-Boven echter — eeuwige rust! Zie, nu spreekt de Geest, dat zij rusten mogen van hun arbeid 4). De werken, die zij medebrengen, bereiden hun de rustplaats, die hen wacht.

Dan zult gij spreken: Eene korte pooze heb ik gearbeid, en toch veel rust voor mij gevonden. 6) Uw mond zal in vervoering uitroepen: Keer terug, o mijne ziel, tot uwe rust; want de Heer heeft u welgedaan. G) Hij heeft mijne ziel van den dood gered; Hij droogt mijne tranen, neemt het struikelblok vóór mijne voeten weg.

■) Joh. 17, 4. -') Ps. 123, 6. ») Openb. 14, 11. 4) Openb. 14, 13.

s) Eccl. 51, 35. •) Ps. 114, 7.

ocr page 497

HOOFDSTUK C.

MANNELIJKE ZIN.

Justus quasi funda-

j., mentum sempilemum.

pi Spr. 10, 25.

© iwv

het riet spelen de winden, en stuwen het nu 1 hier, dan ginds heen.

De weeke boetseerklei neemt alle vormen aan; ^ alles drukt er zijn beeld en zegel op.

In het stuifzand verdwijnen de nagelaten sporen schier onmiddellijk, en ter plaatse, waar gij voor luttel tijds kuilen zaagt, verheffen zich nu reeds kleine heuvelen.

Onmannelijk is het, die welbegrepen zelfstandigheid te missen, die slechts voor de rede en voor waarlijk betere inzichten bukt.

Onmannelijk, zich door eiken indruk te laten overweldigen, zich enkel door het gevoel te laten beheerschen, de verbeelding, de luimen, de stemming van het oogenblik te huldigen, aan het hart geen bepaalden, duurzamen vorm te geven.

ocr page 498

474

Onmannelijk, alles te willen bezitten en het nauwelijks verworvene zonder redenen weder van zich te werpen, aan geen voornemen getrouw te blijven, geen besluit te volvoeren, voor de geringste moeilijkheid terug te deinzen.

Er zijn karakters, in die mate onvast, dat men ze nauwelijks kan schilderen. Nu opgeruimd, dan verdrietig, nu tot de deugd, dan tot de ondeugd geneigd, —- nu onstuimig, dan wpifplpnfi. nooit in ruste, altiid in beroering, blijven deze karakters ook zich-zelf een raadsel. Zulke menschen zijn op de hooge zee des levens vaartuigen, die, zonder roer, aan het willekeurige spel der golven zijn overgeleverd.

Er zijn karakters, zóó iceek, dat niets in aanraking met hen komt, zonder indrukken achter te laten. Is dat nu de jongeling, de man der toekomst? De meest uiteenloopende stemmingen volgen elkander ras op; vreesachtigheid maakt plaats voor stouten ondernemingslust, geestdrift voor koelheid. Het hart, elke zelfstandigheid missende, hecht zich onmiddellijk aan alles; wel is het ook voor deugd ontvankelijk, maar de slechte indrukken laten schier immer de diepste sporen achter.

Die weekelijkheid grijpt dermate om zich heen, dat zelfs het uiterlijk des persoons, blik, houding, tred, woorden, gebaren getuigenis van haar afleggen.

Mogen zulke jongelieden nimmer in aanraking met een verleider komen! wat zoude hij gemakkelijk spel hebben!

Er zijn karakters, zóó weinig degelijk, zóó iceinig ernstig, dat zij nauw eene zeer korte wijle 's Heeren genadegunsten weten te behouden. De waarschuwende stem des gewetens, heilzame opwellingen, goede voorbeelden, — dit alles en nog meer blijft zonder uitwerking; op niets wordt acht geslagen, niets wordt ten goede steun geboden.

Beklagenswaardige karakters, wier betering zware moeilijkheden oplevert, de meest onwrikbare volharding van noode maakt 1

ocr page 499

475

Nochtans, onverbeterlijk zijn ze niet.

Neen, jongeling, word niet wankelmoedig; meent gij het ernstig, dan zegepraalt gij wis en zeker over de moeilijkheden, welke u in het verschiet wachten.

Begin, met uwe zwakheid te bekennen.

Tracht vervolgens, hare verschijnselen in bijzonderheden te leeren kennen.

Heb den moed, geruimen tijd nauwkeurig u-zelven loaar tp nem.p.n. en door altijd nieuwe voornemens tegen de ontdekte gebreken te strijden.

Maak u gewoon aan overleg en bedaardheid. Handel nimmer voorbarig en onstuimig, en vraag u-zelven rekenschap over alles, wat gij doet.

Laat niet toe, dat het gevoel de overhand neme; tracht veeleer, uw eigen hart meester te worden.

De bestendigheid mag niet in hoofdigheid en eigenzinnigheid, de vastheid niet in hardheid ontaarden: voor besluit en daad moet immer een deugdelijke grond aanwezig zijn.

Geldt dit voor uw handelen in 't algemeen, in de eerste plaats, o vriend, is het toepasselijk op uwe vroomheid.

Niets walgt meer, dan sentimenteele godsvrucht.

Niets is onvolmaakter, dan eene vroomheid, die slechts aan het uiterlijke hecht, alleen door het gevoel wordt ingeboezemd.

Niets is onvruchtbaarder, dan eene vroomheid, die slechts van indrukken leeft.

Er bestaat, wel-is-waar, eene „voelbarequot; godsvrucht, en zij heeft hare waarde; zij is eene gave des H. Geestes, en kan een voortreffelijk middel ter deugd zijn. Doch er bestaat ook eene richting des harten — men kon ze eene „zoetsappig-vromequot; noemen, — die aan de ware deugd groot nadeel bej-okkent; zij maakt den geest opgeblazen, het hart laat zij ledig; zij hongert naar geestelijke lekkernijen, en laat der

31

ocr page 500

476

ziel degelijk voedsel ontbreken; zij bedriegt en wordt bedrogen; flauw, smakeloos, zelfzuchtig, is zij God en menschen ten walg, weerstaat een ieder, alleen zich-zelve niet.

Weet gij, waarin het mannelijke der vroomheid bestaat? Hierin, dac de wil, in den man het manneli/jkste, in de volheid zijner kracht den dienst van God is toegewijd.

Moet er aan een gebod des Heeren worden voldaan, — hij is bereid.

Moet er een strild worr)PD .crpVamnf. vnnr rmorlo f7/^nr» deugd, — hij is bereid.

Moet er een hinderpaal, die blijkbaar het goede in den weg staat, worden opgeruimd, — hij is bereid.

De echte mannelijkheid versmaadt in geenendeele de uitwendige oefeningen van godsvrucht; maar zij regelt dezelve, brengt haar overeen met de plichten van staat, vermijdt alle opzien, veracht den schijn, werkt op den geest, leidt het hart, is offervaardig, arbeidt, kampt, behaalt de zege.

Schijnt het u te veel verlangd, o jongeling, dat gij u tot zulke mannelijkheid vormet?

O neem tenminste de proef en maak een begin! Richt weder op de trage hand, de verslapte knieën. ^

Genoeg kinderen, genoeg weekelingen; wees gij een man, en beschaam, jong van jaren, datgene, wat zich rijp noemt, maar het niet is in betrekking tot geest en daden.

De wereld heeft mannen van noode. Geestigheid, noch woordenpraal, gevoelen noch droomen is haar van nut; daden alleen vermogen haar te redden. Niet door gevoelen en droomen zijn de Heiligen heilig geworden, maar door strijden.

Leer dus optreden als man, en bid den Heer, uwen God, dat hij uw hart versterke. quot;)

') Hebr. 12, 12. ») Ps. 26, 14.

ocr page 501

HOOFDSTUK CL

DE HEILIGE ZUIVERHEID. 1

O quani pulchra est casta goneratio cura claritate!

Jap. 4, l.

hoe schoon is een knisch geslacht met luister van deugd! Onsterfelijk is zijne gedachtenis; want bij God. zoowel als bij de menschen, staat het in hoog aanzien. Is het tegenwoordig, men volgt het na; en is het van ons weggegaan, men gevoelt er het gemis van; en het zegeviert, in eeuwigheid gekroond, dewijl het den prijs heeft behaald van een vlekkeloos strijden. ')

Verheven lof, door den H. Geest-zelven der deugd van kuischheid toegezwaaid!

1

Zie „De parel der Deugden, woorden van ernst en liefde to' de christen jeugd,quot; door wijlen P. Adolph vou Dosz S. J., Ijeworkt door Joseph Witlox — Amsterdam, F. H. J. Bekker. (4de druk.)

1 Wijsh. 4, 1. 2.

ocr page 502

478

De Hemel verheugt zich over reine zielen; met welgevallen blikt hij op haar neder.

God is een geest; de zuivere van hart en lichaam komt der geestelijke natuur van G-od nabij.

De Engelen zijn geesten; hoe vurig moeten zij den sterveling bewonderen en liefhebben, die in heeten strijd en als deugd datgene verovert, wat zij, de onstoffelijken, zondei striid en uit natuur bezitten!

Den menschen dwingt de zuiverheid bewondering af. iS iemand, hoe diep ook gezonken, schat niet tenminste innerlijk datgene hoog, wat zijne lafheid niet kan bereiken.

Elke staat heeft zijne eigen kuischheid, d. w. z.: aan eiken staat is, in overeenstemming met zijne plichten, een bepaalden graad dier deugd bevolen.

De zuiverheid van den Jongeling is alzijdig. Hij vooral is geroepen, om zich rein, geheel rein te bewaren in heiligheid en eere. 1)

O heilig voorrecht der jeugd, in haar geheelen omvang eene deugd te kunnen en te moeten beoefenen, die Hemel en aarde met bewondering vervult, — eene deugd, zóó beminnelijk, dat zonder haar alle andere deugden heur glans verliezen; zóó verheven, dat hij, die zich in haar bezit verheugt, den Zaligen des Hemels gelijk is.

Met recht heeft men de lelie tot symbool der kuischheid genomen; want niet alleen verrukt deze bloeme het oog door eene glanzende witheid, zij verkwikt ook door een zoeten geur.

Zoo prijkt ook de zuiverheid in glinsterend blanken tooi, zoo verbreidt zij een lieflijken wierooksgeur, zoo verkwikt zij den hemelschen Bruidegom, het Lam, dat zoo gaarne

gt;) 1 Thess. 4, 4.

ocr page 503

479

tusschen leliën weidt, ^ en lokt Hom in het jonge hart, een ware Godstuin geworden.

De kuischheid heeft het voorrecht, de schoone, glanzend witte deugd der ziel te wezen en tegelijkertijd het lichaam tot sieraad te strekken.

Zie de onschuld in het heldere oog; — welk een glans! welk eene stille grootheid! Hoe weerspiegelt zich daarin de zuiverheid van God! Zoo glanst geen wolkenlooze lente-hcrr.cl, lujikcii, gceu dauwdroppel in üe straal der mor-genzonne, zoo helder is geen beekje, waarin de sterren zich beschouwen, — zoo moest de blik der Engelen zijn, wanneer zij een lichaam aannamen!

Ja, — de kuischheid adelt het lichaam. Is het niet, alsof de geur dezer deugd door het vleeschelijk omhulsel heen dringt, het lichaam verheerlijkt, en liefdevol smukt met aanvalligheid en hemelsche schoonheid?

En hoezeer adelt kuischheid de ziel! In den zuivere is de rede wat zij behoort te zijn, — koninginne; het vleesch — onderdaan; dit is de éénig ware orde. En kan die orde niet worden gehandhaafd, tenzij door strijd en zelfoverwinning, — juist in dien strijd, in die zelfoverwinning ligt een onbe-schrijfelijk zoet geluk. Geene ongeregelde neiging heeft toegang tot het hart, geen zondig verlangen vindt gehoor; binnen heerscht orde, buiten waakzaamheid, èn binnen èn buiten vreeze Gods. — O heilige ruste, o zoete vrede, o zalige blijdschap!

In welke mate kuischheid de ziel adelt, dit wordt u duidelijk, wanneer gij de ellende aanschouwt van iemand, in wien de geest der onzuiverheid is gevaren. Hoezeer verlaagt die ondeugd den mensch! zij geeft hem prijs aan het geweld

') Hoogl. 2, 16.

ocr page 504

480

van een afschuwelijk tiran, zij maakt hem bijna den rede-

loozen dieren gelijk.

O, welk een afstand tusschen de zuivere ziel en de onzuivere !

Berooft de onkuischheid de menschen bijna van de waardigheid hunner natuur, de kuischheid daarentegen maakt

hen tot Engelen.')

Er bestaat aanmerkelijk verschil tusschen den Engel der aarde en den Engel des Hemels; — maar nel is een velschil van gelukzaligheid, niet van deugd. Is de zuiverheid des eersten veel gelukkiger, de palm van edele dapperheid behoort den Engel in het vleesch.

De zuiverheid alleen biedt in dit land des doods en in dit sterfelijk leven een beeld dier heerlijkheid, welke niet sterven kan; zij alleen voert reeds hier-beneden, trots het gejool van den wereldling, een leven, zooals men het leeft in die zalige dreven, waar kuische zielen den troon des Lams omringen, en zij verheugt zich reeds op aarde in den voorsmaak dei-hemel sche wellusten.

En, o jongeling, vergeet het niet: in het gevolg der kuischheid bevinden zich vele andere deugden. Is ootmoedigheid de grondslag der kuischheid, zedigheid bewaakt haar. Kuischheid kan niet bestaan zonder matigheid en zelfbeheersching; kuischheid volhardt niet zonder liefde, zonder betrouwen op God, zonder ware vroomheid.

O liefliike deugdengroep, den Hemel tot wellust, der aarde tot sieraad, der hel tot ergernis!

O zegenrijke godsdienst, die eene zoo lieflijke deugd predikt, haar ontwikkelt en volmaakt, door haar den mensch de heerschappij over zich-zelf terugschenkt, hem tegen ontaarding

') Math. 22, 30.

ocr page 505

481

van zijn hemelschen oorsprong behoedt, in het gereinigde hart de kiem legt van een goddelijk leven!

En de belooningen, waarop die heerlijke deugd aanspiaak heeft? Die belooningen, o jongeling, — wie vermag ze op te sommen, wie maalt ze u in waardige trekken?

Laat het welgevallen, dat God in reine zielen heeft, voor u een maatstaf zijn van het loon, dat Hij der kuischheid voorbeschikt.

G ja, wie ue z/aiveiiieki de« iiarcen oemint, neeit aen noning

tot vriend!')

Zalig de reinen van hart; want zij zullen God zien, 2)

In welke mate bevoorrecht Hij de zuiveren! met hoeveel aandrang roept Ei] dezen tot Zich! Hij laat hen, gelijk den beminden discipel, rusten aan zijne heilige Borst. 3)

Den zuiveren bereidt Hij een eigen Hemel; Hij kleedt hen in bijzondere gewaden, Hij smukt hen met bijzondere zege-teekenen. Hij wijst hun eene plaats aan in de onmiddellijke nabijheid van het Lam,4) Hij leert hun liederen, die alleen maagdelijke lippen kunnen zingen. 6)

O ja, — wie 's harten reinheid mint, die heeft den Koning, den hoogsten Koning, tot vriend, tot vertrouwling, tot eeuwigen bruidegom! Ja — één geest met God c) is hij, die verstorvenheid weet te beoefenen, die vlucht wat naar onzuiverheid zweemt.

O Hemel der zuiveren, wie maalt uwe schoonheid! Gij, uitverkoren plaats, verheven bergkruine, bijzonder Heiligdom! Wie zal klimmen op den berg des Heeren, wie staan in de plaatse zijner heiligheid? Die rein is van handen en zuiver van hart. ^

') Spr. 22, 11. ') Math. 5, 8. quot;) Joh. 21, 20. ') Openb. 14, 4

•) Op nb. 14, 3. •) 1 Oor 6, 17. :) Ps. 28, 3, 4.

ocr page 506

HOOFDSTUK GIL

INNERLIJKE WAAKZAAMHEID.

Fili mi, omni custodia serva cor tuum, quia ex ipso vita procedit. Pro v. 4, 23.

^|pal, o jongeling, de bewondering, die de heilige zuiverheid, deze onvergelijkelijke deugd, u afdwingt, on-

~ vruchtbaar zijn?

Niet? handel dan gelijk volgt. Tracht eerst, uwe kuischheid, indien gij ze nog hebt bewaart, in veiligheid te brengen; hebt gij ze, ongelukkigerwijze, verloren, tracht dan, ze ijlings te herwinnen en beschut ze door gepaste middelen.

Wilt gij het gevaar met vrucht bestrijden? Wees dan vooral waakzaam] hoed u wèl, de opkomende slechte gedachten veld te laten winnen.

Mocht in uwe ziel eenig onrein beeld opdoemen, ontwaakt in uw hart een onzuiver verlangen, voelt gij den prikkel der

ocr page 507

483

begeerlijkheid, — geef dan geen gehoor, breek snel af, richt het oog uws geestes op andere, betere of tenminste onverschillige dingen.

Nalatigheid in het bestrijden van de slechte gedachten vindt eene diep treurige straf en wordt aanleiding tot misdrijven zonder tal.

Licht wordt de niet uitgedoofde vonk tot een laaien gloed, en — wee, als die gloed eenmaal is aangewakkerd!

TT I * li -1-1. .1 1.....- ^ _ -.1 _ 1- i.______1- i.

-L-LOt iO LLlOjdL dl UC VV dO»! , U-Uj O V OIOll ^ uoax oiooiio

bewaken, en bijna schijnen te gelooven, dat te dezen opzichte geene verantwoordelijkheid op hen rust. —Dwaling! De vrijwillige onzuivere gedachte is zwaar-zondig, kan tot nog zwaardere zonden voeren en leidt inderdaad zeer dikwijls daar heen.

En is wel eene kuischheid denkbaar, die zich van onzuivere loerken onthoudt, maar den geest elke bezoedeling, ook met het laagste, veroorlooft?

En dringt Gods oog niet door in het binnenste van den mensch? Doorgrondt hij niet hart en nieren'? 1) Smart Hem niet elke verlaging van een zoo edel wezen, als de ziel?

Bewaar dan, mijn zoon, met alle zorgvuldigheid uw hart! 2) Immers, uit het hart rijst leven op, maar ook — dood en eeuwig bederf. Uit het hart komen slechte plannen voort, doodslag, overspel, onzuiverheid en de andere ondeugden. 3)

Verwerp zonder toeven elke booze gedachte, onderdruk alle schuldig verlangen: en gij zult niet tot slechte daden komen.

') Ps. 7, lü.

■) Spr. 4, 23. s) Math. 15, 19.

ocr page 508

HOOFDSTUK CHI.

BESCHERMING DER ZINNEN.

An nescitis quoniam membra vestra templum simt Spiritus sancti ?

1 Cor. 6, 19.

e heilige kuischheid wordt vooral beschermd door schaamtegevoel en ingetogenheid.

De eerste wendt de onmiddellijke, de tweede de meer verwijderde gevaren af.

De schaamte is de ijverige priesteres aan wier zorgen door God-zelf het heiligdom van ons lichaam is toevertrouwd. Met schroomvallige zorg bewaakt zij de heilige anta-ren; dreigt onrein vuur op dezelve te ontbranden, dan snelt zij verschrikt toe en dooft ijlings den verraderlijken gloed.

De zedigheid houdt aan des tempels deuren ijverig de wacht, en weigert met onverbiddelijke strengheid dengenen toegang, die de God-gewijde plaats zouden willen onteeren, of ook

ocr page 509

485

slechts de heilige rust verstoren, welke daar onafgebreken heerschen moet.

Ja, o jongeling, uw lichaam is een heiligdom. Weet gij niet, dat gi; tempelen Gods zijt, en de geest Gods in a woont? 1) Heilig is Gods tempel, en die tempel zyjt gij. Weet gij niet, dat uw lichaam een tempel is van den H. Geest, Die in u is.

Dien gij hebt van God? 2)

De schaamte beteugelt onbetamelijke vrijheid. Alleen of bij

tlilUOl Cll HOOlü U.O Cü/ C/u./ O Ctc-Iiuilig \ Kjyjl ZiiOll-ZiCl V CU. JLlilA-Cll

blik, elk gebaar, elke handeling regelt hij overeenkomstig de wetten der reinste eerbaarheid. Niets van al hetgeen hij doet behoeft het daglicht te schuwen. Altijd zweeft hem de gedachte vóór den geest: Het oog des Heeren dringt overal door, het beschouw: goeden en kwaden; 3) er is geen schepsel onzichtbaar voor God, maar alle dingen zijn ontbloot en geopend voor de oogen van Hem, aan wien wij rekenschap hebben af te leggen, ■'j

De schaamteloose daarentegen, en de schuldig-onvoorzichtige veroorlooft zich alleen of in anderer bijzijn datgene, wat 's Heeren zuiver oog mishaagt, waarover de H. Engelen, beschermers van de stervelingen, treuren, waarover zuivere menschen moeten blozen, wat tot een schandelijken val kan leiden en inderdaad ook te dikwijls tot zware zonden voert.

De zedigheid beteugelt schuldige, of tenminste gevaarlijke nieuwsgierigheid. Vooral niet den oogen laat zij den vrijen toom.

De zinnen zijn de deuren van ons hart, en dit ons harte wordt het strijdperk van alle mogelijke passiën, wanneer laksheid of verraad der schildwachten den vijand van buiten

1

1 Oor. 3, IC. 17. ') 1 Oor. 0, 19. =) Spr. 15, 3. ♦) Hetr. 4, 13.

ocr page 510

486

in de gelegenheid stelt, der oproerige partij in eigen muren wapenen te leenen en zich met haar te verstaan.

De onzedige laat zijn blik overal heen waren. Niets ontgaat hem; alles moet hij zien, hooren, weten. Hij derft den moed, zich iets te ontzeggen. Over de zinnen voert hij even weinig-heerschappij als over het hart. En wijl oog en oor voor alle indrukken wijd geopend staan, dringt menigwerf de vijand binnen. Daarom moet hij dikwijls uitroepen; Wee! de dood

IQ (Tol/'l r*Ygt;quot;» m OK» 1*1 rr n, tt/-i v» o -/-i t'/-» v» V»i-i -i o -J »-» y-\v-gt;rr/-» gt;-gt; o 1/1 i rrn i-» ngt;r\

komen, om de kinderkens uit te roeien van de wijken, de jongelingen van de straten. 1)

O jongeling, gij klaagt zoo dikwijls over de hevigheid van zekere bekoringen: — zijt gij nooit zelf daaraan schuld ?

Zijt gij voorzichtig genoeg?

Staan oog, oor, hand, staat de geheele uitwendige mensch onder behoorlijk toezicht der rede en onder den invloed van die zoo heilzame gedachte aan den alomtegenwoordigen, heiligen en zuiveren God?

Wees verzekerd, dat uwe kuischheid in dringend gevaar verkeert, het heiligdom uws lichaams der ontwijding nabij is, wanneer gij aan de ijverige priesteres niet de vrije hand laat. wanneer gij niet uwe toevlucht tot hare bewaking neemt.

Nimmer wordt de eenmaal verloren onschuld heroverd, nimmer geraakt weder de geschonden tempel tot waardigheid en eer, wordt hij niet door die verheven priesteres gereinigd, wordt niet zij-zelf in rechten hersteld, wordt niet de wacht aan de deuren des heiligdoms versterkt en door strenge tucht vertrouwbaar gemaakt.

Is het niet bijna zeker, dat een onvoorzichtig, schaamte-

1

Jer. 9, 21.

ocr page 511

487

loos, aan de macht der zinnen overgeleverd jongeling ook een zedeloos jongeling is?

Is het niet zeker, dat een eerbaar, behoedzaam, ingetogen, waakzaam jongeling ook een kuisch jongeling is?

Draag dus Goa in uw lichaam ; ^ verheerlijk Hem door eerbaarheid en heiligheid.

Angstig moet gij niet wezen, wel echter nauwgezet en sir eng. Wat geen zonde is moet gij niet voor zonde houden, — wei eenter datgene, wat aan de zonde grenst of tot de zonde leidt, ernstig mijden. Geenszins hangt het van u af, niet te worden bekoord, — wel echter kunt gij u wachten, de bekoring uit te lokken of haar door uwe zorgeloosheid gevaarlijker te maken.

En, vergeet het niet, ook de deugd van zuiverheid is voor volmaking vatbaar. De volmaakte zuiverheid, in zooverre zij deugd is, bestaat niet in het vrij zijn van alle bekoringen, doch hierin: dat men voor alles, wat naar onkuischheid zweemt, steeds meer ontoegankelijk wordt, dat men van al het laag-zinnelijke meer en meer afschuiv krijgt, dat men de zinnen altijd scherper bewaakt, dat men steeds mannelijker tegen vleesch en bloed optreedt.

O God, Gij minnaar van reine zielen, geef, dat ik de schandelijke vreugden des vleesches meer en meer verafschuwe.

O God mijner jeugd, gedoog niet dat de watervloed van slechte gewoonten mij, uw kind, medesleure, dat mi] de diepte verslinde, dat de afgrond der zedeloosheid zijnen mond over mij sluite! 2)

Schenk mij veeleer de lieflijke deugd van ongerepte zuiverheid, die mij, o Heer, in uw oog zoo welbehagelijk maakt, die mij hier op aarde zoeten vrede schenkt, mij eene glan-

• Ps. 68, 10.

gt;) 1 Cor. 6, 20.

ocr page 512

488

zende hemelkroon verzekert, mijner jeugd tot sieraad is en mij in den ouderdom de heerlijkste vruchten laat oogsten!

Wat baat mij menschelijke wetenschap in een bezoedeld lichaam, waartoe dienen mij aardsche schatten, zonder dien hemelschat van ongerepte zuiverheid?

O zie, mijn God, beminnen wil ik voortaan de lieflijkste aller deugden, beminnen — meer dan gezondheid en schoon-bpM Rta, mii bij, o Maagd der maagden, en gij H. Joseph, zuivere Bruidegom der zuivere Maagd, en ooic gij, mijn Bewaarengel! O bidt voor mij, gij zuiveren, gij Heiligen, dat ik in deez' schoone deugd moge volharden en haar dagelijks meer in mij volmake. Amen.

ocr page 513

HOOFDSTUK CIV.

NEDERIGHEID.

Ubi est humUitas, ibi et sapientia.

e deugd van nederigheid vereenigt twee heerlijke voorrechten in zich; zij is namelijk de grondslag en het sieraad van alle overige deugden.

Zonder ootmoed geene deugd standvastig; zonder ootmoed geene deugd schoon.

Zonder ootmoed elke deugd schijndeugd] zonder ootmoed elke deugd hedriegelijk.

Hoe hooger het gebouw der deugd zal worden opgetrokken, des te dieper moeten de fundamenten liggen.

Hoe prachtiger de deugdentooi, des te onmisbaarder de kroon aller deugden, de nederigheid.

Waar ootmoed woont, daar zetelt ook ware wijsheid, ^ —

O Spr. 11, 2.

ocr page 514

490

d. w. z.; in het gevolg des ootmoeds bevinden zich eene reeks van andere, beminnelijke deugden: voorzichtigheid, vroomheid, liefde, zachtmoedigheid, gehoorzaamheid, zedigheid.

De ootmoedige stelt zich in de ware verhouding tot God. Van U, o Heer, heb ik alles; ^ kan ik roemen op iets, dat mij niet door uwe mildheid werd geschonken? Gij alleen zijt groot; 2) want G-ij alleen zijt uit U-zelven en hebt alles uit U-zelven, Gij zijt oneindig en van eeuwigheid. Ik ben klein en nietig, w ei u uit uwe ben stof en

slijk...

De nederige miskent niet de rechten van den evenmensch. Ben ik meer dan mijn broeder? En gesteld, dat ik voorrechten bezit, waarin hij zich niet verheugt, — heeft niet God hem datgene onthouden, waarop ik boog?

Den nederige valt het niet zwaar, te gehoorzamen. Gaarne ontvangt hij anderer bevelen, volbrengt die nauwkeurig en is bereid tot nog moeilijker dingen. De laagste plaats is hem de aangenaamste en gaarne ziet hij anderen boven zich.

De nederige overschat zich-zelven niet; veeleer behoudt hij immer het bewustzijn van eigen nietigheid, en vindt in de beschouwing daarvan reden genoeg, om anderen boven zich te stellen. Wat ben ik volgens mijn natuurlijke afstamming? wat in betrekking tot de genade? Van wien ben ik afhankelijk? Wie heeft in tijd en eeuwigheid over mij te gebieden? —

Waarom, o jongeling, zijt gij niet ootmoediger? Omdat gij u-zelven niet kent.

Van waar komt gij? Wie zijt gij? Wat hebt gij gedaan, sedert gij op aarde verwijlt? Hebt gij nimmer kwaad bedreven? Was de Hemel nimmer getuige uwer schande?

') 1 Cor. 4, 7. =) Ps. 85, 10.

ocr page 515

491

Wat is VOO?- God gedaan? Waar zijn uwe goede werken? waar uwe grootsche daden voor den Hemel?

Wat zal er eenmaal van u geworden? Nog heeft het wor-menheir in den schoot der aarde uw lichaam niet verteerd en reeds heeft men u op aarde vergeten. Uw naam wordt zelden uitgesproken, uwe gloriezon neigt ter westerkimme, en het sprekende marmer op uw graf lokt weinigen meer aan. —

u üieroare jongeling, tracht, u te doordringen van het juiste begrip uwer nietigheid! Laat in u de vaste overtuiging wortelen, dat gij niets, geheel niets uit u-zelven zijt.

Deze gedachte maakt u verdrietig? Niet alzoo! Uwe grootheid ligt hierin, geene grootheid te hebben zonder Dengene, Die alleen alle grootheid bezit.

Nederigheid is den jongeling een heerlijk sieraad.

Nederigheid maakt beminnelijk, eenvoudig, bescheiden.

Nederigheid houdt rem; want de nederige ontwijkt de gevaren, daar hij zijne gebrekkelijkheid inziet, en hij bezigt nauwgezet de middelen, geschikt om die zoo teedere deugd tegen ondergang te behoeden. Daarentegen komt hoogmoed vóór den val. ') en baant den weg tot den onpeilbaren afgrond der zedeloosheid.

Ootmoedigheid schenkt wetenschap; want ootmoed is leerzaam, wantrouwt zich-zelf, neemt gaarne raad en leiding aan.

Ootmoedigheid is edel en kloek, maakt tot grootsche daden bekwaam, deinst voor geene moeilijkheid terug, waar het geldt eene onderneming ten goede. Immers, hij, die niet zich-zelven zoekt, is in veel hoogere mate offervaardig, dan de égoist.

') Spr. 11, 2.

32

ocr page 516

492

Ootmoedigheid schenkt vrede. Ootmoed kent geen nijd, geen haat. geene' wraakzucht.

Ootmoedigheid is altijd gelukkig. Haar geschiedt nimmer onrecht; zij bevreemdt zich over geen tegenspoed; zij mort niet, kent geen neerslachtigheid. Zij hoopt en vertrouwt en volhardt; zij verheugt zich, dat uit hare vernedering God eere voortspruit, en is tot nog grootere offers bereid. Geen beproeving, VinA ■zwaar nok. welke zri niet geduldig verdraagt; zij kust de hand, die haar kastijdt, daar zij weet, dat het de hand van den liefderijksten, rechtvaardigsten, besten Vader is. —

Ootmoedigheid intusschen wordt niet door enkel nadenken en door de beschouwing barer beminnelijkheid geleerd.

Oefening is ook voor wat betreft deze deugd de beste leer-meesteresse.

Laat ter zijde al het gezochte in houding, kleederdracht, gang en spraak. Wees eenvoudig en ongedwongen, mannelijk en oprecht.

Verzet u tegen alle ingenomenheid met u-zelven, tegen alle wenschen en plannen des hoogmoeds.

Spreek niet immer over u-zelven. Stel geen prijs op ijdelen lof en bedroef u niet over smaad.

Streef in alles naar de hoogere eere van uw God, en wind niet om uw hoofd de lauweren des roems, waarop Hij alleen recht kan doen gelden.

Krenkt men u, blijf dan Mm; verweer u niet op het oogen-blik der gevoeligheid, en neem het onrecht, u aangedaan, niet zwaarder op, dan het in werkelijkheid is.

Bid vaak om ootmoedigheid, om eene deugd, welke de Hemel zoozeer in Maria bewonderde, en die hij met de hoogste waardigheid, welke aan eene stervelinge kon ten deel vallen, heeft beloond.

ocr page 517

493

Leer echter vooral van Jesus ootmoedig zijn, van Hern, die zoo nadrukkelijk vermaant: Leer van Mij, dat ik zachtmoedig en ootmoedig van harte ben. ')

O nederigheid, verborgen, maar juist hierom zoo kostbare deugd, moge ik u steeds hooger schatten, naar uw bezit in rusteloozen ijver streven, u altijd meer lief krijgen en u tot de gronddeugd mijns harten maken!

■) Math. 11, 29.

ocr page 518

HOOFDSTUK CV.

NEDERIGHEID VEEHEFT.

Superbum sequitur humilitas, et humilem spiritu suscipiot gloria.

Spr. 29, 23.

jlotmoedigheid verlaagt. — Dwaas woord! Echo van ^ dien vermetelen roep, welke eenmaal door de Hemelen klonk: Ik zal mij boven de wolken verheffen., ik zal den Allerhoogste gelijk zijn. ^

Leugenachtig woord, uiting van die laffe zelfzucht, wie het te moeilijk valt, naar die heerlijke deugd te streven!

Neen, o jongeling, het tegendeel is waar: — nederigheid verheft. Heeft niet de H. Geest-zelve dit getuigd?

Echter, zie wel toe, dat gij de nederigheid niet verwarret met kleinmoedigheid, lafheid.

De nederigheid, — die nederigheid, door Christus gepredikt,

•) Is. 14, 14.

ocr page 519

495

door de Heiligen beoefend, — laat ons in het licht des geloofs onze nietigheid en ellende beschouwen. Deze aanblik vervult ons met eene heilige verachting van ons-zelven. De gedachte: uit mij-zelven hen ik niets, uit mij-zelven heb ik niets, voert noodzakelijkerwijze daarheen, dat men slechts God in alles eere geeft en alleen belang stelt in datgene, wat Hij als groot en eervol beschouwt.

Hoe onverschillig is mii. spreekt de ootmnerHge dptcrpnp wat door de wereld grootsch en roemrijk wordt geprezen! Is dat niet alles ijdelheid? Bestaat er grootheid, tenzij in God'? Heeft de Zaligmaker gedurende zijn sterfelijk leven eene andere gezocht?

Waarom, spreekt de ootmoedige verder, zou ik den naaste verachten, wijl hem zekere schitterende hoedanigheden ontbreken, waaraan de wereld zooveel waarde hecht? Heeft niet God hem die eigenschappen onthouden, — wellicht om ze door hetere te vervangen? En — schittert mijn evenmensch, is hij rijk, zwelgt hij genot in breede teugen, — van harte gun ik hem zijn geluk, gaarne ben ik de laatste, gaarne word ik door de menschen vergeten; ik weet, wat mij groot maakt: mijne ootmoedigheid, mits zij het kenteeken der loaarheid in zich drage.

De nederige stelt zijn betrouwen op God; bij Hem alleen zoekt hij steun en kracht. In God alleen gelooft hij iets te vermogen, juister gezegd alles te vermogen, ^ daar de Almacht-zelve hem ondersteunt, zijne zwakheid liefdevol schraagt.

Zie, dat is ootmoedigheid; en ootmoedigheid zou vernedering zijn?

Philipp. 4, 13,

ocr page 520

496

Ootmoedigheid is waarheid, en het mangelt der waarheid nimmer aan grootheid.

Ootmoedigheid is kracht in God, en kracht en sterkte Gods zijn groote dingen.

Ja, ootmoedigheid maakt groot. Zij adelt de ziel, door in haar steeds de herinnering aan hare hooge afstamming van God, aan hare eervolle afhankelijkheid van Hem levendig tc hcudon. Zvj rior yipi harp pfhte. bovennatuurliike

grootheid terug, door haar te berooven van de valsche grootheid der aarde. Zij geeft haar werkelijkheid in stede van schijn, de kern in stede van den bolster, de echte diamant in stede van de glaspaarl.

Ootmoedigheid verruimt 's menschen hart. De grenspalen van het tijdelijke storten neder, menschelijke vooroordeelen wijken, bovennatuurlijke zienswijzen breken zich baan.

Ootmoedigheid maakt onbevreesd. De Heer is mijn licht en mijn heil — wien zal ik duchten? ^ Hij is mijn Beschermer, aan zijne liefde heb ik alles toevertrouwd, — waarvoor zoude ik schromen? Verhieven zich gansche heirscharen tegen mij, — mijn hart zou niet vreezen. 2)

Ootmoedigheid maakt ondernemend. Aardsche hindernissen telt zij niet. Dwaze schuchterheid en ijdel zelf betrouwen hebben plaats gemaakt voor heilige koenheid, onwrikbaar betrouwen op God. Voorwaarts — God ter grootere eere! roept de moedige ootmoed; alleen God kan mij tegenhouden; Hij-zelf leent mij zijne almacht, en in zijn naam zal ik toren-hooge muren overklimmen. 3)

Weet gij, wie zich vernedert, wie klein, nietig, armzalig is? De hoogmoedige.

Hij kruipt, hij wringt zich in alle bochten, hij wendt dui-

gt;) Ps. 20, 1. ') Ps. 20, 3. 3) Ps. 17, 30.

ocr page 521

497

zend pogingen aan, om de gunst der menschen te verwerven. Hoe vaak neemt hij zijne toevlucht tot schandelijke middelen, om een mededinger uit den weg te ruimen! Bedrog, laster, verraad, geweld, — niets versmaadt hij. Hoe vol is hij van zich-zelven! hoe trotsch, hoe verwaand in zijn gang, zijn blik, zijne taal. Overal spreidt hij zijne gaven ten toon, overal dringt hij zich op den voorgrond. Overgroote waarde hecht hij aan titels, beleefdheden, onderscheidingen, en diep rampzalig gevoelt hij zich, wanneer „zijne eer wordt aangetastquot;, wanneer hem eenig onrecht wordt aangedaan, wanneer hij bij anderen wordt achtergesteld, wanneer zich niet alles naar wensch onder zijne schreden effent.

En dit zou ware grootheid zijn?!

Den ootmoedige is dit alles vreemd; hij is verheven boven die zwakheden en beklaagt oprechtelijk die slaven eener valsche eer.

En, geloof mij : onwillekeurig eert men tenminste inwendig dengene. die niet zich-zelven eert, die uit vrijen gemoede aan elke aardsche eer verzaakt.

En welke eer wacht den ootmoedige eens daar-Boven! Is wel één der zalige Hemelvorsten hier-beneden niet ootmoedig geweest? Behoort de Hemel den hoogmoedigen? O neen, — de poort is te eng, 1) te laag, den hoogmoed verleent zij geen doortocht.

En zoo treedt in vervulling Christus' woord: Wie zich verheft zal vernederd worden, en zich vernedert zal verheven worden. 2)

!) Luc. 18, 14.

■) Math. 7, 14.

ocr page 522

HOOFDSTUK CVI.

BLUMOEDIGHEID.

Animus gaudens aetatem floridam facit; spiritus tris-tis exiccat ossa.

Spr. 17, 22.

is eene treurigheid, slacht uit hare natuur, eene treurigheid, die God beleedigt, den naaste ergert, zich-zelve pijnigt, de deugd belemmert, de ondeugd bevordert.

Er is ook eene goede, eene heilzame treurigheid. Zij kan bitter schijnen, maar derft niettemin geen troost. Zij gelijkt der onweerswolk, die zich allengs in vruchtbaar makenden regen oplost, en reeds hier en daar openingen vertoont, door welke het blauw des hemels opbeurend komt gluren.

De treurigheid van den hartstocht is ruw, onrustig, gewelddadig ; zij maakt diep neerslachtig, neemt vaak het karakter

ocr page 523

499

van wanhoop aan. Niet zelden gelijkt zij der onstuimige zee, welker golven zich opstapelen en, met schrikwekkend gedruisch neerploffend, weder in den afgrond storten, om een oogwenk daarna opnieuw haar schuim tot ruige heuvelen op te stuwen.

Er is ook eene natuurlijke treurigheid. Het is de treurigheid van zekere ontvankelijke geesten, die, bijna zonder aanleiding, met droevige beschouwingen worden vervuld, door sombere gevoelens overweldigd. Dan heerscht nachtelijk; duister in den geest; de wil wordt met lamheid geslagen; de verbeelding aanschouwt spookgestalten; een zware last drukt op het gemoed; de raensch verzinkt in somber gepeins en waant geene uitkomst mogelijk.

Deze soort van treurigheid, deze zivaarmoedigheid wordt in onze dagen bij de jeugd vaker aangetroffen, dan zoo veler levenslust, dan uiterlijke welvaart en tallooze middelen tot bevrediging der genotzucht doen veronderstellen. Maar juist hierin moet de kiem des euvels worden gezocht. De begeerten zijn te talrijk, de verzadiging is van te korten duur, de tegenstellingen zijn te schril, de overgangen te plotseling.

Houd daarbij rekening met de iveekelvjke opvoeding, die in zoovele kringen is doorgedrongen, en met de zoo dikwijls voorkomende overprikkeling der zinnen; beschouw de tallooze behoeften, waaraan zich in onzen tijd de menschen, reeds van hunne prille jeugd af, gewoon maken; overweeg, hoe vroeg men in onze moderne eeuw de jeugd „leert leven,' — et; het verschijnsel, hooger bedoeld, is genoegzaam opgehelderd.

Hoe weinig sterke karakters vindt men onder de heden-daagsche jongelingschap! — Hoe velen daarentegen bieden aan geen indruk weerstand, geven zich prijs aan overdreven voorstellingen en alles medeslepende gevoelens, verspillen

ocr page 524

500

zoo hunne beste moreele krachten en maken zich daardoor onbruikbaar voor het gewone leven!

Zelfbeheersching en aansluiting bij God zijn de beste middelen om een duister gemoed op te klaren.

Tegenover al deze duisternis staat de ware blijmoedigheid, dit hoofdkenteeken eens deugdzamen jongelings, rustig en blijde glimlachend.

Blijmoedigheid is een voorrecht der deugd. Niemand, tenzij aegene, aie mag veronderstellen, dat hij de vriendschap van God bezit, heeft het recht, vroolijk te zijn. De slaaf der zonde, de vijand Gods, hij beve, hij weeklage, hij worde met angst vervuld bij de gedachte aan de hel, die onder zijne voeten gaapt.

De ware blijmoedigheid heeft een zuiver hart tot grondslag. Zij vindt haar oorsprong in de zoete overtuiging: ik ben de vriend Gods.

De ware blijmoedigheid spruit voort uit de troostvolle gedachte: God is mijn Vader, Hij bemint mij. Hij zorgt voor mij. Hij beschikt alles, wat mij overkomt, te mijnen beste.

De ware blijmoedigheid vindt haar voedsel in de waarheden van den godsdienst; de gedachte aan den Alomtegenwoordige verkwikt en sterkt het geloovige hart; de overvloed van genaden, ons door de Kerk aangeboden, schenkt altijd nieuwen moed; de hoop op eene eeuwigheid van vreugde stemt tot jubel.

Blijmoedigheid is derhalve eene geruste stemming des geestes. Het gemoed wordt door geene zware nevelen omsluierd; de zonnestraal van innig betrouwen op God kan immer tot het hart doordringen.

Blijmoedigheid is echter ook uitwendig zichtbaar. De blijd. schap des harten maalt zich in lieflijke trekken op het aangezicht. Een glimlach zweeft om de lippen, het oog is helder,

ocr page 525

501

het voorhoofd onbewolkt, de houding zeker, de tred levendig.

Toch kan de blijmoedigheid ernstig zijn, waar ernst van noode is; doch zij verzacht den ernst, ontneemt hem zijne aangeboren hardheid en paalt hem grenzen af.

De blijmoedigheid deelt zich gaarne mede. De blijmoedige is voorkomend, spraakzaam, vriendelijk. In zijne hand zijn scherts en luim geene pijlen, die smartelijke wonden toebrengen.

De blijmoedigheid uit zich niet luidruchtig. Juist hierin bestaat een hoofdkenteeken der ware blijmoedigheid: zien meester blijven en zich kalm over die heerschappij verheugen.

Een blij gemoed, zegt de Schriftuur, geeft een bloeienden ouderdom-, maar treurigheid maakt vóór den tijd oud. Vooral der jeugd betaamt een blijde zin; de reine glimlach op des jongelings gelaat is een getuigenis voor de klaarheid van zijnen geest, voor de zuiverheid van zijn hart.

Mijd de zonde, vooral die, welke der liefelijke deugd van zuiverheid zoo vijandig is, — en gij hebt den voornaamsten hinderpaal, die aan voortdurende blijmoedigheid in den weg staat, verwijderd.

Houd uwe driften in toom, vooral uwe hoofddrift, — en de vrede uws harten wordt niet licht verstoord.

Wees vroom en sluit u aan bij God, — en gij hebt eene milde bron van blijdschap en troost voor u doen ontspringen.

ocr page 526

HOOFDSTUK GVII.

ONTSPANNING.

Avocare____lude et ago

conceptiones tuas, ot non in

mV-5^ delictis-

IPP» ECClquot; 82' 15- 1C'

lt;; lgt; e mensch, die de plichten van zijn staat getrouw quot; vervult, heeft van tijd tot tijd behoefte aan uit-Wv spanning.

^ Breekt niet de boog, die altijd blijft gespannen? • Dan, het is noodzakelijk, dat hier de juiste maat

niet uit het oog worde verloren.

Uitspanning streelt de natuur, ernst, plicht en arbeid zijn haar onaangenaam. Uit dien hoofde zijn wij maar al te zeer geneigd, ons buitensporigheden te veroorloven, zoowel in betrekking tot de soort, als tot de mate der ontspanning.

Dit geldt in hoofdzaak voor den jongeling, die het leven zoo weinig van zijne ernstige zijde beschouwt. Zijne lichtzinnigheid trekt hem af van zijne plichten van staat, de ge-

ocr page 527

503

notzucht werpt hem vermaken van alle soort in de armen.

Helaas! te dikwijls vormen beuzelarijen en tijdverdrijf her, zaad des levens, onder scherts en uitgelatenheid aan den bodem toevertrouwd. En toch, er staat geschreven: Die in tranen zaaien zullen in jubel oogsten! ')

Handel wijs, o dierbare jongeling; leer, u onschuldig vermaken, ontspan u in gepaste mate.

Ja, onderbreek nu en dan de ernstige bezigheid, scherts en speel en doe wat u aangenaam is, maar zondig niet!

Op de eerste plaats moet de beweeggrond uwer uitspanningen en vermaken een goede zijn. Zulk een beweeggrond vindt gij in den arbeid-zelf, waartoe eene matige ontspanning uwe geschiktheid moet verhoogen. Het werk lijdt door onafgebroken inspanning. Rust derhalve uit, en maak u zoo tot nieuwen arbeid vaardig.

Uwe uitspanningen en vermaken moeten onschuldig zijn.

Vlucht al hetgeen uwer ziel kan schaden.

Vlucht al hetgeen u te zeer verhit, uwen geest te onstuimig maakt.

Vlucht al hetgeen u aanleiding kan geven tot liefdeloosheid, twisten, gramschap, tweedracht.

Vlucht wat den geest te zeer verstrooit, wat u de hervatting des arbeids te zeer bemoeilijkt.

Vlucht al hetgeen de hartstochten voedt, de hebzucht, den nijd, de ongeduldigheid, de wraakzucht, de ijdelheid.

Vlucht al hetgeen tot ongeregelde gehechtheid, misschien zelfs tot buitensporigheden kan voeren.

Speel dus nimmer hoog, anders beoogt uw spel de winst, geen vermaak, — wordt gevaarlijk, maakt onrustig, belaadt u met de schuld, aardsche goederen onheilig verspild en ze aan Christus'

') Ps. 125, 5.

ocr page 528

504

ledematen onttrokken te hebben. Speel slechts om zooveel geld, — indien gij ten minste om geld wilt spelen, — als gij verliezen kunt. zonder uw geweten te bezwaren, zonder hoogere plichten te kwetsen, zonder u tot berouw te dwingen, zonder ergernis te geven, zonder kwaad te bedrijven.

Spelen, die in treurspelen ontaarden, leggen onwraakbaar getuigenis af, dat men hartstochtelijk heeft gespeeld, met

o'oon onrlor Hnpl Hem nm rlp hnrfcjfnr'bfpn fp bpvrprlicrpn

Bij het spel moet gij u-zelven meester blijven.

Gij moogt noch wispelturig, noch bitter zijn. Wint gijgt; prikkel dan uw tegenstander niet door hoog van de overwinning, door u behaald, af te geven; verliest gij, behoud dan uw goed humeur en toon geen wrok. Het is dubbele winst, bij het winnen door bescheidenheid en netheid ook des naasten achting en liefde te verwerven.

Een woest speler — een a/scfetwwekkend monster. Een beminnelijk, immer zich-zelven gelijk blijvend speler — iets zeldzaams; wie het is toont, veel zelfbeheersching naast een edel karakter te bezitten.

Keert gij bedaard, opgeruimd van het spel huiswaarts, dan moogt gij u, trots het geleden verlies, in de behaalde winst verblijden.

Uwe uitspanningen en vermaken mogen den duur eener zekere tijdruimte niet overschrijden, anders mist gij het éénige doel, dat ze geoorloofd, nuttig en goed maakt.

Door overmaat wordt het spel een bezigheid, en verliest het karakter van uitspanning, dat het nimmer verliezen mag. Te langdurig spel vermoeit, prikkelt, maakt verdrietelijk ; men zoude van het spel moeten uitrusten, terwijl het, integendeel, verkwikking na den arbeid moet schenken.

Overmaat wekt schuldige verslaafdheid, vooral bij jonge lieden. Verslaafdheid aan het spel en ongeregeld verlangen

ocr page 529

505

naar winst veroorzaken tijdverlies, benemen den smaak voor ernstige dingen, boezemen afkeer van den arbeid in, verstrooien den geest en vervullen hem met beuzelarijen en verkeerde gedachten.

Arbeid, gebed, maaltijd, slaap en spel, zegt een vriendelijk asceticus, zijn de vijf vingeren onzer hand; maar de kleinste en laatste onder hen is het spel. Wie deze vingeren het best weet te srebruiken beantwoordt het meest aan de beiliËre oogmerken eener oneindig goede en wijze Voorzienigheid.

G-ij ziet, o jongeling, wat rede en godsdienst u aanraden, in betrekking tot uwe uitspanningen en vooral tot het spel. Wie zich niet vermoeit in den dienst van den plicht, die heeft geen recht op uitspanningen, wier bestemming het is, de verloren krachten 'ie herstellen.

De speler, die geen arbeid kent, of meer speelt dan arbeidt, is een verkwister, ja een roover; hij maakt zich gewelddadig meester van iets, wat hem niet toebehoort, hij verspilt het kostbaarste: den tijd.

Leven, om te genieten, om spel op spel, uitspanning op uitspanning te doen volgen, is den mensch, tot hoogere dingen geschapen, te eenenmale onwaardig.

Zich ontspanning veroorloven, om te leven, om de plichten van staat beter te kunnen vervullen, om met altijd nieuwe frischheid en geestkracht zich aan den arbeid te kunnen wijden, dat is verstandig, daaraan hecht G-od met liefde zijne goedkeuring, dat is, vooral voor de jeugd, een middel om voortgang te maken en verdiensten te verwerven.

Verblijd u, o jongeling, in uwe jeugd, en dat uw hart zich ver-make in de dagen uwer jongelingschap, en wandel in de wegen uws harten en in de aanschouwing uwer oogen; maar weet, dat God om al deze dingen u zal doen komen voor hd gericht I')

') Eed. 11, 9.

ocr page 530

HOOFDSTUK CVIII.

DE MANIEREN.

Amictis corporis, et risus dentium, et ingressus homi-nis enuntiant de illo. r Eccl. 19, 27.

!gt;

* r is eene ruwe deugd, en 't is mogelijk, dat som-1 migen hiertoe zijn geroepen.

Er is ook eene vriendelijke deugd, en 't is vooral | aan haar invloed toe te schrijven, als de heerschappij ■ • van het goede zich over de aarde uitbreidt.

Welk een sieraad is voor den beschaafden Jongeling de welgemanierdheid! In welk eene mate verhoogt zij eens ieders zedelijk-goede eigenschappen! Zij maakt beminnelijk en stemt tot navolging.

Is de deugd de lieflijk schoone paarl, de welgemanierdheid is de kunstrijke monteering, welke het oog verrukt en de waarde van het kleinood aanzienlijk verhoogt.

ocr page 531

507

Netheid en deugd staan met elkander in name verband.

Beide groeien cp een gemeenschappelijken wortel: de zelfverloochening; beide hebben een gemeenschappelijken vijand; de zelfzucht.

Wel getroost zich de wereldling dikwijls veel. om der wereld te behagen. Hij dwingt zich tot bepaalde vormen, hij onderdrukt meening en neiging, die hem anders uitermate dierbaar zijn; hij toomt ziin willekeur in. verkropt, beleedigingen, veinst, niet te bespeuren, dat men hem voor-bijgaat, zegt niet wat hij wilde zeggen, zegt icel wat hij liever zoude zwijgen; hij wil tot iederen prijs der wereld behagen; hij wil zich in den rang, dien hij verwierf, handhaven, hij wil steeds hooger klimmen — en wordt zoo, om het loon der wereld, een roemloos offer der ijdelheid, zelfzucht, menschengunst.

■]STiet zoo de deugdzame. Ook hij brengt offers, ja hij offert zich-zelven, maar — uit liefde en om een goddelijk loon. Heeft hij zijn geweten, dat niet mag opgeofferd worden, in veiligheid gebracht, dan is het nog slechts zijn streven, allen alles te ivorden. ^ Hi] onderdrukt, ter liefde van den evenmensch, gaarne zijne eigen verlangens; hij regelt zich naar anderen, is toegevend, waar hij mag, is bescheiden bij alle vrijmoedigheid, en ziet wèl toe, dat hij niemand kwetse; hij prijst wat lof verdient, en poogt zijne afkeuring, wanneer plicht, wijsheid of liefde hem gebieden, iets te laken, zooveel mogelijk te verzachten; hij is opgeruimd zonder uitgelatenheid, voorkomend, dienstvaardig zonder kruiperij; in het gezelschap van anderen is hij bescheiden, in dat van zijns gelijken welwillend, jegens onderschikten vriendelijk.

O macht der liefde! o heilig geweld der zelfverloochening!

') 1 Oor. 9, 22.

83

ocr page 532

504

ledematen onttrokken te hebben. Speel slechts om zooveel geld, — indien gij ten minste om geld wilt spelen, — als gij verliezen kunt. zonder uw geweten te bezwaren, zonder hoogere plichten te kwetsen, zonder u tot berouw te dwingen, zonder ergernis te geven, zonder kwaad te bedrijven.

Spelen, die in treurspelen ontaarden, leggen onwraakbaar getuigenis af, dat men hartstochtelijk heeft gespeeld, met

rv/-»/-irgt; ortrlnv /-irvi rl rt Vgt; o-1*4-of/quot;»/■'V»f/-»gt;-» 4-r»

Bij het spel moet gij n-zelven meester blyven.

Gij moogt noch wispelturig, noch bitter zijn. Wint giji prikkel dan uw tegenstander niet door hoog van de overwinning, door u behaald, af te geven; verliest gij, behoud dan uw goed humeur en toon geen wrok. Het is dubbele winst, bij het winnen door bescheidenheid en netheid ook des naasten achting en liefde te verwerven.

Een woest speler — een afschuw wekkend monster. Een beminnelijk, immer zich-zelven gelijk blijvend speler — iets zeldzaams; wie het is toont, veel zelfbeheersching naast een edel karakter te bezitten.

Keert gij bedaard, opgeruimd van het spel huiswaarts, dan moogt gij u, trots het geleden verlies, in de behaalde winst verblijden.

Uwe uitspanningen en vermaken mogen den duur eener zekere tijdruimte niet overschrijden, anders mist gij het éénige doel, dat ze geoorloofd, nuttig en goed maakt.

Door overmaat wordt het spel een bezigheid, en verliest het karakter van uitspanning, dat het nimmer verliezen mag. Te langdurig spel vermoeit, prikkelt, maakt verdrietelijk ; men zoude van het spel moeten uitrusten, terwijl het, integendeel, verkwikking na den arbeid moet schenken.

Overmaat wekt schuldige verslaafdheid, vooral bij jonge lieden. Verslaafdheid aan het spel en ongeregeld verlangen

ocr page 533

505

naar winst veroorzaken tijdverlies, benemen den smaak voor ernstige dingen, boezemen afkeer van den arbeid in, verstrooien den geest en vervullen hem met beuzelarijen en verkeerde gedachten.

Arbeid, gebed, maaltijd, slaap en spel, zegt een vriendelijk asceticus, zijn de vijf vingeren onzer hand; maar de kleinste en laatste onder hen is het spel. Wie deze vingeren het best

•nröof fo rroVu-niVpn hpnnfWAnrHf Viof mooef oon rln 'hc.ilirm

- ---------- -- - ------o -

oogmerken eener oneindig goede en wijze Voorzienigheid,

Gij ziet, o jongeling, wat rede en godsdienst u aanraden, in betrekking tot uwe uitspanningen en vooral tot het spel. Wie zich niet vermoeit in den dienst van den plicht, die heeft geen recht op uitspanningen, wier bestemming het is, de verloren krachten te herstellen.

De speler, die geen arbeid kent, of meer speelt dan arbeidt, is een verkwister, ja een roover; hij maakt zich gewelddadig meester van iets, wat hem niet toebehoort, hij verspilt het kostbaarste; den tijd.

Leven, om te genieten, om spel op spel, uitspanning op uitspanning te doen volgen, is den mensch, tot hoogere dingen geschapen, te eenenmale onwaardig.

Zich ontspanning veroorloven, om te leven, om de plichten van staat beter te kunnen vervullen, om met altijd nieuwe frischheid en geestkracht zich aan den arbeid te kunnen wijden, dat is verstandig, daaraan hecht God met liefde zijne goedkeuring, dat is, vooral voor de jeugd, een middel om voortgang te maken en verdiensten te verwerven.

Verblijd u, o jongeling, in uwe jeugd, en dat uw hart zich ver-make in de dagen uwer jongelingschap, en wandel in de wegen uws harten en in de aanschouwing uwer oogen; maar weet, dat God om al deze dingen u zal doen komen voor het gericht!1)

1

Eccl. 11, 9.

ocr page 534

HOOFDSTUK CVIII.

DE MANIEREN.

Amictis corporis, ot risus dontium, et ingressus homi-nis enuntiant de illo.

Er is ook eene vriendelijke deugd, en 't is vooral j aan haar invloed toe te schrijven, als de heerschappij ■- van het goede zich over de aarde uitbreidt.

Welk een sieraad is voor den beschaafden jongeling de welgemanierdheid! In welk eene mate verhoogt zij eens ieders zedelijk-goede eigenschappen! Zij maakt beminnelijk en stemt tot navolging.

Is de deugd de lieflijk schoone paarl, de welgemanierdheid is de kunstrijke monteering, welke het oog verrukt en de waarde van het kleinood aanzienlijk verhoogt.

ocr page 535

507

Netheid en deugd staan met elkander in nauw verband.

Beide groeien op een gemeenschappelijken ivortel: de zelfverloochening; beide hebben een gemeenschappelijken vijand: de zelfzucht.

Wel getroost zich de wereldling dikwijls veel, om dei-wereld te behagen. Hij dwingt zich tot bepaalde vormen, hij onderdrukt meening en neiging, die hem anders uitermate dierbaar ziin • hii tonmf- Ti-in wiiioVonr ïn quot;quot;rkro^t beleedigingen, veinst, niet te bespeuren, dat men hem voor-biigaat, zegt niet wat hij wilde zeggen, zegt icel wat hij liever zoude zwijgen; hij wil tot iederen prijs der wereld behagen; hij wil zich in den rang, dien hij verwierf, handhaven, hij wil steeds hooger klimmen — en wordt zoo, om het loon der wereld, een roemloos offer der ijdelheid, zelfzucht, menschengunst.

Niet zoo de deugdzame. Ook hij brengt offers, ja hij offert zich-zelven, maar — uit liefde en om een goddelijk loon. Heeft hij zijn geweten, dat niet mag opgeofferd worden, in veiligheid gebracht, dan is het nog slechts zijn streven, allen alles te worden. ') Hij onderdrukt, ter liefde van den evenmensch, gaarne zijne eigen verlangens; hij regelt zich naar anderen, is toegevend, waar hij mag, is bescheiden bij alle vrijmoedigheid, en ziet wèl toe, dat hij niemand kwetse; hij prijst wat lof verdient, en poogt zijne afkeuring, wanneer plicht, wijsheid of liefde hem gebieden, iets te laken, zooveel mogelijk te verzachten; hij is opgeruimd zonder uitgelatenheid, voorkomend, dienstvaardig zonder kruiperij; in het gezelschap van anderen is hij bescheiden, in dat van zijns gelijken welwillend, jegens onderschikten vriendelijk.

O macht der liefde! o heilig geweld der zelfverloochening!

') 1 Cor. 9, 22.

33

ocr page 536

508

En zulk eene welgemanierdheid, die op zulke beweeggronden steunt en ten prijze van zulke offers moet worden gekocht, zou niet den stempel der echtheid op het voorhoofd dragen ?

Zou zij niet hemelsbreed verschillen van dat gekunstelde pleisterwerk, van die alles bedekkende vernislaag, van die z. g. „hoofdschequot; manieren, welke ons geheel koud laten,

rloor '/h* ^T-nnrflTjmon nih ppn bprtquot; wqprin rlp li'pfrlo Vwiinf

waarin de zelfzucht oppermachtig den scepter zwaait?

De hoofdschheid, de fijne beschaving, de goede toon hebben slechts dan waarde, wanneer zij in de liefde hun oorsprong vinden, wanneer liefde hun oogmerk is. Ontspringen zij uit de bron der ware zelfverloochening, steunen zij op die hoogschatting van den evenmensch, welke het geloof ons inboezemt, — dan zijn ze lofwaardig, Gode-behagelijk, verdienstelijk.

De reputatie, geestig en aardig in den omgang te zijn, eene fijne beschaving te bezitten, is noch een voldoend, noch een waardig motief tot eene deugd, die slechts door de liefde van eene zuiver maatschappelijke eene christelijke kan worden.

Juist omdat de echte gemanierdheid de liefde tot oorsprong heeft en de liefde bevordert, mag zij u, o jongeling, niet vreemd zijn, welken staat gij ook omhelzet. Maak ze u, ter liefde G-ods, eigen, door nauwkeurig op u-zelven te letten, door anderen gade te slaan, die door ware beschaving uitblinken.

Hoeveel misslagen tegen de liefde zult gij vermijden, wanneer gij u van alles, wat tegen de welgemanierdheid indruischt, verre houdt. Ja, u-zelven brengt de welgemanierdheid voordeel aan, wijl gij door haar leert, u-zelven met een soort van eerbied te behandelen.

ocr page 537

509

Beschouw het niet als beneden u, in zake de welgemanierdheid ook op kleine dingen te letten. Kleeding, houding, blik, gebaren, gang, spreekwijze, — niets mag worden over het hoofd gezien.

Zelfs niet de 'H. Schriftuur, het meest ernstige onder alle boeken, versmaadt het, regelen der netheid, die vaak ook regelen der wijsheid, nog vaker regelen der liefde zijn, aan

op yeheel den uitwendigen mensch, voornamelijk toch doelen zij op de zoo vaak misbruikte tony.

Men kent een mensch aan zijn gelaat, en een verstandige aan zijnen aanblik. Zijne lichaamskleeding, en zijne tanden als hij lacht, en iemands gang toonen aan wat hij is. ^ De oogen des dwazen zijn in het einde der aarde. 2) In het aangezicht van den verstandige is wijsheid, maaide oogen des dwazen zijn in het eind der aarde. 3)

In den mond der dwazen is hun hart, en in het hart der wijzen hun mond. ^

Een wijs mensch zwijgt tot op den bekwamen ti]d; een zwetser en een onverstand letten op geen tijd. 1)

Die antwoord geeft eer hij zal gehoord hebben, dat is hem dwaasheid en schande. 2)

Iemand, die te veel praat, doet zich-zelven kwaad; en die zich ten onrechte iets aanmatigt, maakt zich hatelijk.

De dwaas lacht dat hij schatert, een wijs mensch daarentegen zal nauwelijks glimlachen. s)

Een dwaas mensch staat af te luisteren aan iemands deur; een verstandig mensch zou zich wel schamen, zulks te doen. 9)

1

) Ecel. 20, 7. c) Spr. 18, 13. ') Eccl. 20, S. •) Eccl. 21, 23.

2

') Eccl. 21, 20.

ocr page 538

HOOFDSTUK CV1II.

DE MANIEREN.

Amictis corporis, et risus dentium, et ingressus homi-nis enuntiant de illo.

Eccl. 19, 27.

is eene rmve deugd, en 't is mogelijk, dat som-requot;'1 migen hiertoe zijn geroepen.

Er is ook eene vriendelijke deugd, en 't is vooral aan haar invloed toe te schriiven, als de heerschappij van het goede zich over de aarde uitbreidt.

Welk een sieraad is voor den beschaafden jongeling de welgemanierdheid! In welk eene mate verhoogt zij eens ieders zedelijk-goede eigenschappen! Zij maakt beminnelijk en stemt tot navolging.

Is de deugd de lieflijk schoone paarl, de welgemanierdheid is de kunstrijke monteering, welke het oog verrukt en de waarde van het kleinood aanzienlijk verhoogt.

ocr page 539

507

Netheid en deugd staan met elkander in nauw verband.

Beide groeien op een gemeenschappelijken wortel: de zelfverloochening; beide hebben een gemeenschappelijken vijand: de zelfzucht.

Wel getroost zich de wereldling dikwijls veel, om dei-wereld te behagen. Hij dwingt zich tot bepaalde vormen, hij onderdrukt meening en neiging, die hem anders uiter-

mntp rliprhnni' '/iin • quot;hii fr»r*Tv»f ttttIIvcrlircpt

beleedigingen, veinst, niet te bespeuren, dat men hem voorbijgaat, zegt niet wat hij wilde zeggen, zegt wel wat hij liever zoude zwijgen; hij wil tot iederen prijs der wereld behagen; hij wil zich in den rang, dien hij verwierf, handhaven, hij wil steeds hooger klimmen — en wordt zoo, om het loon der wereld, een roemloos offer der ijdelheid, zelfzucht, menschengunst.

Niet zoo de deugdzame. Ook hij brengt offers, ja hij offert zich-zelven, maar — uit liefde en om een goddelijk loon. Heeft hij zijn geweten, dat niet mag opgeofferd worden, in veiligheid gebracht, dan is het nog slechts zijn streven, allen alles te worden. ') Hi] onderdrukt, ter liefde van den evenmensch, gaarne zijne eigen verlangens; hij regelt zich naar anderen, is toegevend, waar hij mag, is bescheiden bij alle vrijmoedigheid, en ziet wèl toe, dat hij niemand kwetse; hij prijst wat lof verdient, en poogt zijne afkeuring, wanneer plicht, wijsheid of liefde hem gebieden, iets te laken, zooveel mogelijk te verzachten; hij is opgeruimd zonder uitgelatenheid, voorkomend, dienstvaardig zonder kruiperij; in het gezelschap van anderen is hij bescheiden, in dat van zijns gelijken welwillend, jegens onderschikten vriendelijk.

O macht der liefde! o heilig geweld der zelfverloochening!

') 1 Oor. 9, 22.

33

ocr page 540

508

En zulk eene welgemanierdheid, die op zulke beweeggronden steunt en ten prijze van zulke offers moet worden gekocht, zou niet den stempel der echtheid op het voorhoofd dragen ?

Zou zij niet hemelsbreed verschillen van dat gekunstelde pleisterwerk, van die alles bedekkende vernislaag, van die z. g. „hoofdschequot; manieren, welke ons geheel koud laten,

/-loor» r/ii nn n if- nnvi Itoyf- rï/r» lin-fVIn ------- quot;V quot; —----------- ---- ----—• ----— — - ------— • • 'o---7

waarin de zelfzucht oppermachtig den scepter zwaait?

De hoofdschheid. de fijne beschaving, de goede toon hebben slechts dan waarde, wanneer zij in de liefde hun oorsprong vinden, wanneer liefde hun oogmerk is. Ontspringen zij uit de bron der ware zelfverloochening, steunen zij op die hoogschatting van den evenmensch, welke het geloof ons inboezemt, — dan zijn ze lofwaardig, Gode-behagelijk, verdienstelijk.

De reputatie, geestig en aardig in den omgang te zijn, eene fijne beschaving te bezitten, is noch een voldoend, noch een waardig motief tot eene deugd, die slechts door de liefde van eene zuiver maatschappelijke eene christelijke kan worden.

Juist omdat de echte gemanierdheid de liefde tot oorsprong heeft en de liefde bevordert, mag zij u, o jongeling, niet vreemd zijn, welken staat gij ook omhelzet. Maak ze u, ter liefde Gods, eigen, door nauwkeurig op u-zelven te letten, door anderen gade te slaan, die door ware beschaving uitblinken.

Hoeveel misslagen tegen de liefde zult gij vermijden, wanneer gij u van alles, wat tegen de welgemanierdheid indruischt, verre houdt. Ja, u-zelven brengt de welgemanierdheid voordeel aan, wijl gij door haar leert, u-zelven met een soort van eerbied te behandelen.

ocr page 541

509

Beschouw het niet als benetien u, in zake de welgemanierdheid ook op kleine dingen te letten. Kleeding, houding, blik, gebaren, gang, spreekwijze, — niets mag worden over het hoofd gezien.

Zelfs niet de li. Schriftuur, het meest ernstige onder alle boeken, versmaadt het, regelen der netheid, die vaak ook regelen der wijsheid, nog vaker regelen der liefde zijn. aan

LO gCVCli. IluuUli lil U CHgOlliCOll ICgClCll UCIji CJN.JVUJ5

op geheel den uitwendigen mensch, voornamelijk toch doelen zij op de zoo vaak misbruikte tong.

Men kent een mensch aan zijn gelaat, en een verstandige aan zijnen aanblik. Zijne lichaamskleeding, en zijne tanden als hij lacht, en iemands gang toonen aan wat hij is. ') De oogen des dwê.zen zijn in het einde der aarde. 2) In het aangezicht van den verstandige is wijsheid, maaide oogen des dwazen zijn in het eind der aarde. 3)

In den mond der dwazen is hun hart, en in het hart der wijzen hun mond. 4)

Een wijs mensch zwijgt tot op den bekwamen tijd; een zwetser en een onverstand letten op geen tijd. 5)

Die antwoord geeft eer hij zal gehoord hebben, dat is hem dwaasheid en schande. 6)

Iemand, die te veel praat, doet zich-zelven kwaad; en die zich ten onrechte iets aanmatigt, maakt zich hatelijk. 7)

De dwaas lacht dat hij schatert, een wijs mensch daarentegen zal nauwelijks glimlachen. 8)

Een dwaas mensch staat af te luisteren aan iemands deur; een verstandig mensch zou zich wel schamen, zulks te doen. 9)

') Eccl. 19, 26. 27. s) Eccl. 20, 7. D) Eccl. 21, 2C.

') Spr. 17, 24. •) Spr. 18, 13.

^ Spr. 17, 24. ') Eccl. 20, S.

4) Eccl. 21, 29. ') Eccl. 21, 23.


ocr page 542

510

Een dwaas kijkt door het venster het huis in; maar een welopgevoed mensch blijft buiten staan. 1)

Jongeling, spreek, als de zaak u aangaat, ter nauwernood. Wordt gij tweemaal ondervraagd, maak uw antwoord kort. Houd u in vele dingen als onwetend, luister stilzwijgend toe, en vraag ook. Wees niet aanmatigend in het gezelschap van aanzienlijken, en waar bejaarde lieden zijn, spreek daar niet veel. 2)

Als srii te midden van velen aan tafel ziit. steek dan uwe hand niet eer uit dan zij; en wees niet de eerste die om drinken vraagt. 3)

Zeg niet: Er is veel opgedischt. Bedenk, dat een misgun-stig oog een boos oog is. 1)

Overlaad u niet bij den maaltijd. Begrijp aan u-zelven, wat uwen naaste toekomt. Geniet wat u wordt voorgezet, als een matig mensch, om u niet hatelijk te maken door uwe gulzigheid. Houd het eerst op uit welvoege-lijkheid, en wees niet onverzadiglijk, om geen aanstoot te geven. 2)

En gelooft gij misschien, dat den Zaligmaker de netheid der manieren onverschillig was ?

Welk beeld ontwerpen van Hem de Profeten? Hij zal niet schreeuwen, noch zijne stemme verheffen, noch zijne stemme op de straat laten hooren; het geknakte riet zal hij niet verbreken en de rookende vlaswiek zal hij niet uit-blusschen. e)

En hoe lieflijk is zijn optreden allerwege! Ootmoedig en zachtmoedig van harte, 7) is Hij een toonbeeld van ware vriendelijkheid.

1

') Eccl. 21, 26. 2) Eccl. 32, 10-13. s) Eccl. 31, 21. ') Eed. 81, 13, 14.

2

) Eccl. 31, 17, 18, 19, 20. «) Is. 42, 2-4. :) Math. 11, 29.

ocr page 543

511

Eu welke leeringen verkondigt Hij, — Hij, die van Zich-zeiven getuigt, dat Hij gekomen is om te dienen, niet om gediend te worden ? ^

Wil men uw onderkleed nemen, zoo laat hem ook uw mantel. Wil men u dwingen, ééne mijl te gaan, ga dan nog twee mijlen. Geef dengene, die van u vraagt; en wijs niet af die van u leenen wil. 2)

Wordt gij ter bruiloft genoodigd, zet u dan niet op de

nlaa.ts* want ppn iPorpliiV rliP vinh vprhpfh -znl vpr.

nederd, en die zich vernedert, verheven worden. 4)

Strijdt niet om den voorrang; dat doen de grooten der aarde; maar die onder u de grootste is, worde als de geringste, en die voorganger is, als de dienaar. 5)

Weest den kinderen gelijk; weest voorzichtig als de slang, en eenvoudig als de duive. 6)

Slaat iemand u op de rechterwang, keer hem ook de andere toe. 7)

En hebben de Apostelen dien geest der zelfbeheersching, dien geest van inschikkelijkheid en netheid niet begrepen en op hunne beurt geleeraard?

Geeft allen het verschuldigde, — eerbied, wien eerbied, achting, wien achting toekomt. 8)

Bemint elkander met de liefde van broederen; voorkomt elkander met eerbied. 9) Weest mededeelzaam en gastvrij. 10) Weest blijde met de blijden, weent met de weenenden. ll) Indien het mogelijk is, houdt dan met alle menschen vrede. li!)

') Math. 20, 28. ') Math. 5. 40—42, 3) Luc. 14,8. •) Luc. 14, 11,

sl Luc. 22. 26. •) Math, lü, IC. :) Math. 5. 39, ') Rom. 13, 7.

#) Rom. 12, 10. 10) Rom. 12, 13. ' quot;) Rom. 12, 15. ,9) Rom. 12,18.

ocr page 544

512

Uwe zedigheid zij alle menschen bekend. ')

Bij hoeveien kan onze vrijmoedigheid, gepaard met bescheidenheid, geadeld door zedigheid, vooroordeelen tegen de deugd uitroeien en verlangen opwekken naar datgene^, wat hun eerst ruw en somber toescheen!

') Pililipp. 4, 5.

ocr page 545

HOOFDSTUK CIX.

Di: DAGELIJKSCHE HANDELINGEN.

In omnibus operibus tuis praecellens esto.

Eccl. 33, 23.

jigt;ns leven is eene ketting, — langer of korter; heur eindschakel verbindt den tijd met de eeuwigheid.

De eene arbeid schaart zich naast den anderen, tot eindelijk de algemeene stilstand aanbreekt en

i alles blijvend wordt.

Naar gelang de verschillende handelingen, welke onze uren, dagen, weken, maanden, jaren voor zich hebben ge-öischt. van goud, zilver, lood, glas, stroo zijn geweest, is ook de ketting, geheel of gemengd, van goud, zilver, lood, glas, stroo.

Hoe verschillend worden dezelfde handelingen, door verschillende personen verricht!

Daar hemelsche oogmerken; hier zuiver aardsche.

ocr page 546

514

Daar alleen God, of tenminste vooral God; hier alleen het „ikquot;, of tenminste vooral het „ikquot;.

Daar begin, middelpunt, einde der handeling goed; hier begin, middelpunt, einde slecht en nutteloos, geheel of ten deele.

Ginds keuze, maat, orde; hier luim, willekeur, mangel aan overleg.

Tot buitengewone handelingen vindt men zelden gelegenheid: des te dwazer is het, de daqelviksche. srereseld terusr-keerende handelingen, — die, waaruit ons leven eigenlijk bestaat, niet voor God en met frisschen ijver te verrichten, dezelve niet ten einde toe met den adem der liefde te bezielen.

Voor God bestaan er, wel beschouwd, groote noch kleine handelingen.

Eene handeling moge nog zoo onbeduidend schijnen, — draagt zij den stempel van het goddelijk welgevallen, geschiedt zij voor God, met God, dan is zij groot, oneindig groot, oneindig kostbaar.

Eene handeling moge nog zooveel opzien baren, — is willekeur haar uitgangspunt, wordt zij door willekeur ten einde gebracht, keert zij tot ons terug, evenals zij, zonder acht te slaan op God, van ons uitging, — dan is zij klein, nietig, gelijk al het zuiver menschelijke; zij is van geene waarde, ijdel, doelloos.

De goddelijkheid van het oogmerk, de goddelijkheid van den geest, die eene handeling bezielt, is het, welke der han-deling-zelf eene soort van goddelijkheid, daarom van grootheid, waardigheid, verhevenheid in schier oneindige mate verleent.

Opstaan, zich ter ruste begeven, studie, uitspanning, omgang met anderen, bevrediging van de behoeften onzer lichamelijke natuur, — alles kan worden geadeld, kan ver-

ocr page 547

515

heven, groot, verdienstelijk worden gemaakt, mits wij er het zegel der liefde, der offerwilligheid, des ijvers, der gehoorzaamheid, der orde aan hechten.

Wat zoude een leven zijn, vervuld met handelingen, die in geenerlei verband met den Schepper staan, — met Hem, ons doel en einde. Dien wij thans moeten dienen, om straks eeuwig in Hem te gaan rusten?

O kort begrip der heiligheid: „doe wat gij doet!quot; schaar

(ip, van CrAWlVbt nnpc:f Ha nnrlorot

Ja, — leer, o jongeling, degelijk handelen; duld geene middelmatigheid; wees geen onbeteekend, alledaagsch persoon, geene hartelooze machine.

Het kan moeilijk zijn, het immer terugkeerende, het oude, met altijd nieuwen ijver te verrichten; ware liefde tot God veroudert niet.

De Hemelen verkondigen Gods heerlijkheid en het uitspansel looft zijner handen werk; ') ook zij verrichten geenerlei nieuws. — zij verrichten slechts datgene, wat zij duizenden jaren hebben gedaan. Doch zij vervullen den wil van God; zij verheerlijken God; wat zij doen doen zij op volmaakte tvijse. Ziedaar uw voorbeeld!

In eeuwigheid zingen de Uitverkorenen dos Hemels hun „Heilig, heilig, heilig', 2) en altijd opnieuw heffen zij het Alleluja aan; daardoor eeren zij God, en smaken de volheid van den wellust, hun toebedeeld. Volg hen na in die eeuwige volharding, in de volmaaktheid hunner handelingen.

Geldt het lang te leven, om goed te leven, om veel te loven, om verdienstelijk te leven?

O neen, dierbare!

En is u een lang leven weggelegd, welke schatten zult gij dan opstapelen, indien gij reeds als jongeling leert, „veel' te leven!

quot;) Ts. 18, 2.

') Openb. 4, 8.

ocr page 548

HOOFDSTUK CX.

DE GOEDE MEETING.

Cui laboro et fraudo animam meam bonis?

Eccl. 4, 8-

imrent gij de tooverroede, welke de macht bezit, onze geringste handelingen in juweelen van het zui-//lamp;fquot; verste water te veranderen?

jC God ivil het, te zijner liefde zal het gebeuren, — ' zegt de deugdzame, als hij eenig werk begint; en hij zegt dit met zulk een levendig geloof, dat geheel zijn arbeid daarvan wordt doordrongen, zijne aardsche natuur verliest, een bovennatuurlijk karakter aanneemt en als „verdienstequot; in de schatkameren des Hemels wordt geborgen.

Niets, wat onheilig is, kan den Hemel binnengaan, ') d. w. z.: niet datgene, wat enkel niet zondig is, maar slechts wat

1) Openb. 21, 27.

ocr page 549

517

den stempel der heiligheid draagt, wat door de goede meening eene hoogere wijding heeft ontvangen, wat op aarde met bewustheid voor den Hemel is verricht — zal in het boek des levens worden aangeteekend.

God heeft onbetwistbaar recht op al hetgeen wij doen. Zijn wij op aarde; om Hem, den Allerhoogste, te kennen, te loven, te beminnen, te dienen, dan moet ook alles, wat hier-beneden ons leven uitmaakt, met Hem, ons einddoel,.

Tl O n quot;TTT

Is Hij de alpha en omega, 1) dan kan voorzeker alles, wat van Hem uitgaat, tot Hem worden teruggevoerd, dan zal eene handeling volmaakter zijn, naar mate zij in juister richting op haar doel toeschrijdt.

Wilt gij met een passer een cirkel trekken, zegt een vroom schrijver, dan moet, wil de cirkel volmaakt zijn, de eene voet des passers onwankelbaar op één punt blijven. Werk en meening zijn de beide voeten des passers; een werk is volmaakter, naar mate uwe meening vaster in God is bevestigd. —

Men noemt de goede meening „bijzonder', indien zij werkelijk en uitdrukkelijk en op dit oogenblik wordt gevormd, wanneer dus hij, die handelt, bij hetgeen hij doet werkelijk aan God, als het doel zijner handeling, denkt,

,lot Gods meerdere glorie!quot; Hemelsche lofzang, ruischend door dit dal der tranen, die ons uit den sluimer van het alledaagsche doet opschrikken en in lieflijke tonen onze aandacht op ons einddoel, op onze verheven bestemming vestigt, — klink zonder ophouden in ons oor en word de heilige leuze van elk uur, van elke daad, van eiken ademtocht! —

') Opent, 22, 13.

ocr page 550

518

De virtueele meening is geene andere, dan de bijzondere (actueele) meening, die hare werking voortzet. De gedachte aan God heeft, wel-is-waar, als zoodanig opgehouden, maar lt;3e meening blijft voortbestaan; ik handel nog immer uit kracht van het eens genomen besluit, voor God te willen handelen; eene uitdrukkelijke of stilzwijgende herroeping van dat besluit heeft niet plaats gehad; nog immer is de handeling de pijl in de richting van het doel, in die richting, welke baar hii bet afschieten is gegeven

Gij ziet, wat in betrekking tot de goede meening het zekerst is, of, in ieder geval, het meest verdienstelijk. Voldoende is de virtueele, beter de actueele meening.

Met moeilijk kan het voor u zijn, te begrijpen, hoe noodzakelijk het is, vooral aan die handelingen, welke men als zonder gewicht pleegt aan te merken, de hemelwaartsche richting te geven.

Zulke handelingen staan, volgens hare natuur, in geen verband met het bovennatuurlijk einddoel, waarvoor wij geschapen zijn. Derhalve moet datgene, wat haar innerlijk wezen ontbreekt, door de uitdrukkelijke meening worden aangevuld.

Goed en verdienstelijk is slechts datgene, wat tot bereiking van het eeuwige leven dient. Kan reeds de zoogenaamde „rechtschapenheid1' niet als verdienste worden aangerekend, wanneer zij in oorsprong en doel niet boven het toevallige, louter natuurlijke is verheven, — hoeveel minder nog kan datgene als verdienstelijk worden beschouwd, wat niet eenmaal in zich goed is!

Ons leven bestaat te dikwijls uit handelingen, die, in zich beschouwd, goed noch slecht zijn. Worden zij niet, uit kracht eener heilige meening, voor God verricht, beoogen zij niet uitdrukkelijk een bovenaardsch doel, ontvangen zij geene

ocr page 551

519

bovennatuurlijke wijding, — dan gaat van ons leven veel, zeer veel verloren, en van de duizend en duizend dagen, die iemand op aarde leeft, resten nauwelijks zoovele uren, die voor eeuwigheid en Hemel waarde hebben. Voor wien arbeid ik toch en doe mijne ziel gebrek aan het goede lijden?quot; ^

Gij, die zonder eenig hooger beivustzijn daar heen leeft, gij, die niet schijnt te bevroeden, dat geene handeling der deugd mogelijk is, waar de beweeggrond tot dezelve ontbreekt, —

WR^TOTD stplfquot; crii rnquot; pfquot; n.^plvpn rHo vrQOfT woovTToy-t Ho r\r\-

rechte beantwoording u zoo heilzaam ware: voor wien toch arbeid ik en doe mijne ziel gebrek aan het goede lijden? O ja, gij zijt onrechtvaardig tegenover uwe ziel, gij onttrekt haar kostbare, eeuwig-durende goederen.

O, begin eindelijk, dierbare jongeling, aan uw aardsch leven eene hoogere wijding te geven! Hoe meer jaren gij misschien nog vóór u hebt, des te gewichtiger is het, voor de eeuwigheid daarvan partij te trekken. Welk een schat van verdiensten, kan hij zich vergaderen, die van zijn prille jeugd af voor God en met God leeft, lijdt en werkt!

Het zij u niet genoeg, des morgens bij het gebed den Heer het offer van geheel den komenden dag aan te bieden; ver-nieuw in den loop van den dag meermaals uwe goede mee-ning, vooral bij het begin der voornaamste werkzaamheden, alsmede bij die handelingen, welke, daar zij meer naar den smaak der natuur zijn, ons ook lichter tot zinnelijk behagen kunnen verleiden.

Ja — hetzij gij eet, hetzij gij drinkt, hetzij gij iets anders doet, doet het alles ter eere van God. 2) En al wat gij doet met woorden of met werken, doet het alles in den naam des Heeren Jesus, dankende God den Vader door Hem.3)

s) 1 Cor. 10, 31.

') Eccl. 4, a

') Col. 3, 17.

ocr page 552

518

De virtueele meening is geene andere, dan de bijzondere (actueele) meening, die hare werking voortzet. De gedachte aan God heeft, wel-is-waar, als zoodanig opgehouden, maar de meening blijft voortbestaan; ik handel nog immer uit kracht van het eens genomen besluit, voor God te willen handelen; eene uitdrukkelijke of stilzwijgende herroeping van dat besluit heeft niet plaats gehad; nog immer is de handeling de pijl in de richting van het doel, in die richting, wpIVa baar bii hpf- MfspbiAfAn is crpcrpvpn

Gij ziet, wat in betrekking tot de goede meening het zekerst is, of, in ieder geval, het meest verdienstelijk. Voldoende is de virtueele, beter de actueele meening.

Met moeilijk kan het voor u zijn, te begrijpen, hoe noodzakelijk het is, vooral aan die handelingen, welke men als zonder gewicht pleegt aan te merken, de hemelwaartsche richting te geven.

Zulke handelingen staan, volgens hare natuur, in geen verband met het bovennatuurlijk einddoel, waarvoor wij geschapen zijn. Derhalve moet datgene, wat haar innerlijk wezen ontbreekt, door de uitdrukkelijke meening worden aangevuld.

Goed en verdienstelijk is slechts datgene, wat tot bereiking van het eeuwige leven dient. Kan reeds de zoogenaamde „rechtschapenheid'' niet als verdienste worden aangerekend, wanneer zij in oorsprong en doel niet boven het toevallige, louter natuurlijke is verheven, — hoeveel minder nog kan datgene als verdienstelijk worden beschouwd, wat niet eenmaal in zich goed is!

Ons leven bestaat te dikwijls uit handelingen, die, in zich beschouwd, goed noch slecht zijn. Worden zij niet, uit kracht eener heilige meening, voor God verricht, beoogen zij niet uitdrukkelijk een bovenaardsch doel, ontvangen zij geene

ocr page 553

519

bovennatuurlijke wijding, — dan gaat van ons leven veelr zeer veel verloren, en van de duizend en duizend dagen, die iemand op aarde leeft, resten nauwelijks zoovele uren, die voor eeuwigheid en Hemel waarde hebben. Voor wien arbeü ik toch en doe mijne ziel gebrek aan het goede lijden?quot; ') Gij, die zonder eenig hooger bewustzijn daar heen leeft, gij, die niet schijnt te bevroeden, dat geene handeling der deugd mogelijk is, waar de beweeggrond tot dezelve ontbreekt, —

Wa.a.TOm «fplt: cril nipf Hio A7VO o rr TTTO o TXTO r-. rl/-,

w « ----O ƒ • ------ --------X-

rechte beantwoording u zoo heilzaam ware: voor wien toch arbeid ik en doe mijne ziel gebrek aan het goede lijden? O ja, gij zijt onrechtvaardig tegenover uwe ziel, gij onttrekt haar kostbare, eeuwig-durende goederen.

O, begin eindelijk, dierbare jongeling, aan uw aardsch leven eene hoogere wijding te geven! Hoe meer jaren gij misschien nog vóór u hebt, des te gewichtiger is het, voor de eeuwigheid daarvan partij te trekken. Welk een schat van verdiensten, kan hij zich vergaderen, die van zijn prille jeugd af voor God en met God leeft, lijdt en werkt!

Het zij u niet genoeg, des morgens bij het gebed den Heer het offer van geheel den komenden dag aan te bieden; ver-nieinv in den loop van den dag meermaals uwe goede meening, vooral bij het begin der voornaamste werkzaamheden, alsmede bij die handelingen, welke, daar zij meer naar den smaak der natuur zijn, ons ook lichter tot zinnelijk behagen kunnen verleiden.

Ja - hetzij gij eet, hetzij gij drinkt, hetzij gij iets anders doet, doet het alles ter eere van God. 2j En al wat gij doet met woorden of met werken, doet het alles in den naam des Heeren Jesus, dankende God den Vader door Hem.3)

-) 1 Cor. 10, 31.

') Eccl. 4, 8.

s) Col. 3, 17.

ocr page 554

520

quot;Wil vooral toezien, dat niet de jaloersche zelfzucht uwe handelingen bederye. Zij gelijkt op den worm, die de heerlijkste vruchten doorknaagt, haar alle schoonheid ontneemt, hare beste sappen rooft.

Is menechenlof het doel uwer studiën of andere werkzaamheden? Is het uw oogmerk, te schitteren, anderen in de schaduw te stellen, hun, om eene uitdrukking te bezigen, de loef af te steken? Tracht gij, uwe weetgierigheid te bevredigen. voor uwe bekwaamheden een vruchtbaar veld te vinden? Is uw streven enkel op een ruim bestaan, op winst en aanzien gericht?

Bedrogene! Voorbij is de tijd, en voor de eeuwigheid is niets verricht. Wat baat het u thans, in den wind te hebben gearbeid? ') S u r s u m c o r d a: uw hart omhoog, o vriend! Waarom dit alles niet voor God? Geeft gij er de voorkeur aan, tot diegenen te behooren, van wie eenmaal zal worden gezegd: Zij hebben hun loon reeds ontvangen? 2)

') Eccl. 5, 15. s) Math, ö, 2.

ocr page 555

HOOFDSTUK CXI.

DE EERSTE OOGENBLIKKEN VAN DEN DAG.

Oportet praeveniro quot;solom acl benedictioncm tuaiu et v adortum lucis tc adorare.

mg#? sap. 10, 28.

God, mijn God, ik zoek U in den dageraad! l) Hoe innig dank ik U voor dezen nieuwen dag! Hoe vurig wensch ik, denzelven geheel naar uw weibehaquot; ' jJ gen door te brengen! —

i 't Is van hoog belang, o jongeling, dat gij de eerste oogenblikken na uw ontwaken op deze of andere wijze den Heer opdraagt. Laat God de eerste zijn, die uw hart binnentreedt. Ras genoeg zullen wereldsche dingen, tijdelijke zaken u voor zich eischen: de eerstelingen des dags behooren uw Schepper, als een welbehagelijk offer.

') Ps. 62, 2.

ocr page 556

522

En was de verkwikkende nachtrust niet eene gave Gods?

En is deze nieuwe levensfrischheid niet een geschenk zijner liefde?

Toon dan, dat gij 's Heeren weldaden oj) prijs weet te stellen.

Wie zich bij het ontwaken te zeer verstrooit loopt gevaar, den geheelen dag in die verstrooidheid te volharden. „Morgenstond heeft goud in den mondquot;; vroeg opstaan is ver-

Is het bepaalde uur gekomen, aarzel dan niet, u-zelven eenig geweld aan te doen, en sta onmiddellijk op. Gelijk de deur zich draait in hare hengselen, zoo de luiaard in zijn bed. ') Moget gij niet zoo handelen, mijn jonge vriend; breng kloek en grootmoedig het offertje. Eene overwinning in den vroegen ochtend — een goed voorteeken voor den beginnen-den dag.

Hebt gij onder vrome gedachten of mondgebeden uwe legerstede verlaten en u in alle zedigheid aangekleed, kniel dan neder en vervul den plicht van het morgengebed. Dit moogt gij slechts dan tot den tijd der Mis verschuiven, wanneer gij u onmiddellijk na het opstaan ter kerke begeeft, om het hoogheilig Offer bij te wonen.

Het morgengebed verzuimen is den dag slecht beginnen.

Is God u des ochtends niet een groet waard? Gelden u de geschenken zijner liefde niets? Maakt gij u gewoon, zonder eenig teeken van dankbaarheid die gaven uit zijne hand aan te nemen, als ware Hij verj)Ucht, u met bewijzen zijner mildheid te overstelpen?

Neen, o dierbare, God is zulks niet verplicht. In deze ure, waarin gij nu frisch en opgeruimd tot uw arbeid gaat terug-

') Spr. 20, 14.

ocr page 557

523

keeren, kondet gij koud en levenloos op uwe legerstede liggen uitgestrekt; de afgeloopen nacht konde voor u .'ie laatste zijn geweest....

Daarom, breng God uw diepgevoelden dank, dat Hij uw leven weder met een dag heeft verlengd, dat Hij u nieuwen tijd heeft geschonken, om aan het werk uwer zaligheid te arbeiden en verdiensten te vergaderen. Heer, ik dank U, dat Gij mij dezen nacht in het leven hebt behouden, en mij

induwen uyu uci gciiciuo ncuu vcucciiu;

Smeek God ook om zijne bescherming voor dezen dag. „Elke dag heeft genoeg aan zijne eigen boosheidquot;: gevaren der ziel, gevaren des lichaams, rampspoed, lijden, kommer, bitterheid. Wij hebben dag voor dag nieuwe gratiën van noode, vele en krachtige hulp der genade; het middel, om die te verwerven, is het gebed. Heer, kom mij ter hulpe en bescherm mij!

Stel geheel uw doen en laten in de hand des Heeren: U, o Heer, zij alles gewijd, wat de dag van heden mij zal brengen; mijn denken en spreken, mijn arbeid en mijne uit spanning, mijn lijden en strijden, alles zij U een wel-behagelijk offer, — alles te uwer glorie, o God mijner jeugd!

Vernieuw dan in het kort uwe voornemens en leg ze aan de voeten van God. Maak vooral een goed voornemen in betrekking tot die fout, waarvan gij in 't bijzonder wenscht, u te beteren: Ik wil mijn best doen, o Heer, den dag van heden, volgens uw wil door te brengen; o geef mij daartoe . uwe genade, zonder welke ik niets vermag!

Zeer nuttig ware het, indien gij met uw dagelijksch morgengebed eene kleine meditatie verbondt.

En is er wel een tijd, beter geschikt om te bidden, dan de morgenstond?

34

ocr page 558

524

Nog is uw hart niet met tijdelijke zorgen overstelpt, nog hebben deze uw geest niet verstrooid.

Nog zijt gij ongestoord en behoort u-zélven toe.

Nog is de verbeelding niet opgevuld met dien chaos van subjecten, welke haar den geheelen dag bestormen.

Waarom had God den Israelieten bevolen, vóór den opgang der zon het maj2«a te verzamelen? Bij den eersten zonnestraal smolt dit hemelbrood, opdat allen zouden weten, dat men ae zon moet voorkomen, om U dank te brengen, o God, en U bij den aanvang des lichts te aanbidden. ^

De rechtvaardige waakt 's morgens vroeg op tot den Heer, zijnen Schepper, en bidt vóór het aangezicht des Aller-hoogsten. 2)

Onbedachtzame jongeling, gij, die den dag ten opzichte van God met onverschilligheid begint, wat laat zich van een op die wijze begonnen dag verwachten? Zal Gods zegen op uw arbeid rusten, van welks begin gij uwen Schepper uitsluit?

Heeft dwaze „verlichtingquot; u dermate verblind, dat gij eene daad van gerechtigheid durft verzuimen, waartoe gij dooide grootheid van Hem, die boven alles verheven is. zijt verplicht ?

Wordt gij door hoogmoed er van teruggehouden, de knie te buigen en God eene hulde te bewijzen, die geen schepsel den Heer en Maker van het heelal weigert?

Is traagheid oorzaak, dat gij eene oefening achterwege laat, door het gebruik van alle eeuwen geheiligd, eene oefening, die gij zonder twijfel reeds op de knieën uwer vrome moeder hebt geleerd?

') Eccll. 30. c.

') Wijsh. 16, 28.

ocr page 559

O begin weder, uw morgengebed geregeld te verrichten! Begin weder, hetzelve met aandacht, met ijver, met inge-togenheid, waarlijk in den geest van geloof te doen!

Kan uw morgengebed slechts kort wezen, het zij in ieder geval innig en worde geregeld verricht.

ocr page 560

HOOFDSTUK CXII.

HET HEILIGE MISOFFER.

christen begrijpt niet, dat men, het groote getal kerken en priesters in aanmerking genomen, wel degelijk is verplicht, zoo mogelijk nu en dan, en zelfs vaak, op werkdagen Mis te hooren?

De H. Mis, dierbare jongeling, mag niet op uwe dagorde ontbreken, ook dan niet, wanneer gij, aan u-zelven overgelaten, door niemand wordt aangespoord, op werkdagen ter kerk te gaan.

Is het H. Misoffer niet het meest verheven geheim van onzen godsdienst?

Waardoor wordt den hemelschen Vader grootere eere gebracht? en waardoor kan men Hem beter danken? wat ver-

ocr page 561

527

zoent rasser zijne verbolgenheid? wat verdient ons in ruimer mate zijne gratiën?

Wie met aandacht de H. Mis bijwoont krijgt deel aan de heerlijke vruchten van dit lof-, dank-, zoen- en smeekoffer.

Wel wordt de H. Mis ook opgedragen voor de afwezigen, en krijgt ieder lid van het groote gezin der christenheid daaraan eenig deel; maar de bijzondere vruchten, wier genot oneindig meer waard is, dan de moeite van het persoonlijk bijwonen der Mis, worden sleclits dengenen toebefleeia, aie bij de opdracht van het H. Offer inderdaad aanwezig zijn en zich feitelijk met den priester vereenigen.

Het Misoffer is het middelpunt van onzen godsdienst. Van hier gaat alles uit, hierheen keert alles terug.

Het Misoffer is het brandpunt, waar alle genaden saam-vloeien. Van de autaren stijgt de offerreuk ten Hemel, de heerlijke geur van het allerheiligste Bloed, dat luider roept, dan het bloed van Abel, 1) en van den troon des Allerhoog-sten dalen zegeningen op het aardrijk neder, zegeningen over allen, zegeningen vooral over den priester en de medeofferaars.

Wie weet of 's Heeren verbolgenheid de booze wereld niet reeds verdelgd hadde, als niet het Offerlam onophoudelijk om vergiffenis ten Hemel riep!

Blinden, dwazen, eigenzinnigen, die wij zijn! wij strekken niet eens de hand naar die schatten uit! De geringste moeite om ze te verwerven is ons te groot!

O christen jongeling, wat al verzuimt gij, wanneer gij het H. Misoffer niet bijwoont, hoewel u daartoe de gelegenheid niet ontbreekt! Zie, het heir der Engelen omringt vol eerbied den autaar en verbeidt in vurig verlangen het verheven

') Hebr. 12, 24.

ocr page 562

528

oogenblik, waarop de Menschwording van Christus en zijn Offerdood geheimzinnig worden vernieuwd; — en gij, voor wien het Lam zonder vlek wordt geofferd, gij zijt niet bij de offerande tegenwoordig, gij hebt andere dingen te verrichten, gij kunt u niet het zoo kleine offer van tijd, gemak of rust getroosten!

O, hoezeer beschamen ons de eerste christenen, die vaak met levensgevaar de vergadering der geloovigen en vooral

i tt n r • i- . t •

Xi. -iixio VV V7W11UC/1X i

Hoezeer beschamen ons, tragen, zoovele niemv-bekeerden in verre landen, die uren, ja dagen ver moeten reizen, en voor geen verzuim van arbeid, voor moeiten noch gevaren terugdeinzen! Zóóveel waarde hechten zij aan de H. Mis!

Voor den christen jongeling kon het Misoffer eene mild vloeiende bron van sterkte zijn; hier vindt hij rijkelijk hulp in den strijd tegen de hartstochten der jeugd. Tegen de heilige autaren zoude zich het geweld van zoo menigen storm breken; aan hen konde zich de vervolgde jongeling vastklemmen, wanneer de woedende vijanden zijner ziel dreigden hem te bereiken; op hunne gewijde treden konde hij zich ter ruste neerzetten, wanneer de vermoeienis van den strijd hem poogt te overmannen. O kendet gij, dierbare jongeling, de waardij dier hemelgave! ^

De aan God aangenaamste en voor ons nuttigste wijze om het H. Sacrificie bij te wonen is zonder twijfel de overweging van Christus' Lijden. Ook is niets gemakkelijker, dan zich gedurende het Misoffer met den lijdenden Verlosser bezig te houden. Immers, datgene, wat wij daai zien en hooren, herinnert ons aan de boeien en koorden, aan de ge-richtsplaatsen, aan Golgotha, aan het Kruis, aan Jesus' gang

') Joh. 4, 10.

ocr page 563

529

van den eenen rechter tot den anderen, aan de verschillende martelingen, aan bloed, aan scheiding der ziel van het lichaam. Dit alles wordt gesymboliseerd door de gewaden, door het altaar, door de buigingen en knievallen, door het Kruisteeken, door het uitbreiden der armen en door andere beteekenisvolle woorden en ceremoniën. Gij behoeft dus alleen met oog en oor en hart den priester te volgen, en gij gaat met hem van Gethsemani naar Golgotha, en van

U1C11 llCUVOl UC1 V CllUÖÖllJ^ llctctl lltfb

Anderen geven er de voorkeur aan, zich biddend bij den priester aan te sluiten; zij luisteren naar zijne woorden en bidden ongeveer hetzelfde, wat hij bidt. Looft hij, dan loven zij; smeekt hij, dan smeeken zij.

Anderen vinden in de drie hoofddeelen der Mis de noodige stof om zich in vrome aandacht bezig te houden. Offerande, Consecratie, Nuttiging, — bij deze hoofddeelen der heilige liturgie sluiten zij zich aan in gedachten en gebeden. Vooral tot de Nuttiging bereiden zij zich gedurende het H. Sacrificie met zorg voor; communiceert de priester werkelijk, zij doen het vurig op geestelijke wijze.

Nog anderen bedienen zich van de gewone gebeden, die in elk kerkboek te vinden zijn; echter moet bij de keuze hiervan met zorg op degelijkheid en eenvoud worden gelet. Zeer nuttig is ook het H. Rozenkransgebed met zijne mysteriën.

Een ieder volge de neiging zijner godsvrucht. Voor den eenen is deze, voor den anderen gene manier van mishooren beter. De beste is die, welke zich het nauwst bij het Offer aansluit en die ons-zelven het meest met offergeest bezielt.

ocr page 564

HOOFDSTUK CXIIT,

HOUDING IN DE KERK.

Domum tuam docet sanctitudo, Domine.

Ps. 92, 5.

^gt;s er niet geschreven: Mijn huis zal een huis des ^ ' gebeds worden genaamd? ') Wel zijn hemelen en aarde met de heerlijkheid des Allerhoogsten vervuld, 2) en kan geene ruimte den Oneindige, den Onmetelijke bevatten; maar wijsheid en goedheid, heiligheid en liefde nopen Hem, zich plaatsen uit te kiezen, die ons levendig aan zijne tegenwoordigheid herinneren, — verheven plaatsen, waar Hij met meer ijver dan elders wordt gediend, en waar zijne grootheid met bijzonderen luister wordt gehuldigd.

Diepe eerbied ten opzichte dier plaatsen moet ons bezielen.

Ja, uwen huize betaamt heiligheid, o Heere! 3)

') Mare. 11, 17. ') Hab. 3, 3. *) Ps. 92. 5.

ocr page 565

531

Daar moet ik mij gedragen overeenkomstig de verheven waardigheid der plaats. Ik moet te eenenmale er van door-diongen zijn, dat hier de plaatse uwer heiligheid is, dat ik den drempel van uiv huis heb overschreden.

Imvendige en uitwendige aandacht zijn geboden. Bestaan er regelen der étiquette, waarvan de toelating in het huis van de grooten dezer wereld afhankelijk wordt gesteld, — zeker wordt ons ook ten opzichte van God een gedrag voor-gescnreven, dat aan zijne Majesteit eenigermate beantwoordt.

Ik bevind mij in Gods tegenvsoordigheid, ik spreek met Hem; wie is God ? wie ben ik ? De beantwoording dezer vragen geeft de gesteltenis aan, die ik in het Heiligdom moet medebrengen, die mij in het Heiligdom onafgebroken moet bezielen.

De uitwendige houding moet geheel strooken met die innerlijke gesteltenis. Onze . houding in de kerk moet eerbiedig, bescheiden, rustig, ingetogen zijn.

En inderdaad wordt deze eerbied en ingetogenheid in hooge mate opgewekt door alles, wat men in 's Heeren tempel aanschouwt; niets wordt te dezer plaatse aangetroffen, wat niet aan God, aan de eeuwigheid, aan ziel en zaligheid herinnert.

De ruimte en hoogte der kerk doen u aan het Hemelpaleis denken, waarin God Zich den getrouwen als Belooner schenkt, en naar de bereiking waarvan wij met rusteloozen ijver moeten streven.

Haar luister wijst op den rijkdom van God, op zijne macht, welke den schoot van het niet de wereld deed baren, op zijne heerlijkheid, waarvan God Zich niet kan berooven, op die zuiverheid en schoonheid, welke de tempel onzes harten nog minder kan derven, dan de steenen tempel des Aller-hoogsten.

ocr page 566

532

De kruisen, die gij overal ontwaart, wijzen u op de Verlossing, op Christus' zoendood, op de heilige verplichting, Hem liefde voor liefde te schenken, ons ook voor Hem te slachtofferen.

De schilderijen, die muren en altaren sieren, roepen u de werken Gods, deugden der Heiligen, allergewichtigste, verheven waarheden te binnen.

De biechtstoelen, zij herinneren u aan de zonden van voor-hppn pn thnnQ mn rin ovcrgroctc bdrmhcirtighcid uïïuu God, aan die zoo hoog van noode zijnde boetvaardigheid, waaraan wij ons dwaselijk willen onttrekken.

De predikstoel herinnert ons aan die onbeschrijflijk groote weldaad des waren Geloofs, aan de zegeningen van den ge-openbaarden godsdienst, aan het woord des Heeren, ons zoo vaak en op verschillende wijze toegesproken.

De autaren, waarvan het Bloed des Lams nedervloeit, verkondigen luide de goedheid van een God, die de wereld zoozeer heeft liefgehad, dat Hij zijnen eeniggeboren Zoon voor haar ten offer wilde leveren. ')

Het Tabernakel, dit Allerheiligste met zijn schat, deze woonstee des Veelbeminden, dit schuiloord van een barm-hartigen, liefdevollen Zaligmaker, deze Arke des nieuwen Verbonds, welke legioenen hemelsche geesten omzweven, — het Tabernakel vooral herinnert u aan eene onbegrijpelijke, in waarheid goddelijke liefde.

De communiebank, de heilige Tafel des Heeren, roept zij niet den dag uwer eerste heilige Communie in uw geheugen terug, dien dag, waarop gij nog een geheel andere waart? Zij herinnert u aan die Hemelspijze, welker genot gij misschien anderen overlaat, naar welke gij zoo weinig verlangt.

') Joh. s, ic.

ocr page 567

533

De godslamp, met heur geheimzinnige vlamme, wijst u op het Licht der wereld, dat voor ons, gelukkigen, in de duisternis van dit oord der ballingschap is opgegaan; zij herinnert ons aan het vuur der godsvrucht, dat, vooral op de gewijde plaatsen, ons hart moet doorgloeien.

En met het oog op die beteekenisvolle dingen, wellicht door geloovigen omringd, die, bewust van de nabijheid des Heeren, doordrongen van de verhevenheid der plaats, in diepe gudaviuciiL eu mgeLugeahem ue nelilge JJienSïen Dlj-wonen, zoudet gij, Hemel en aarde tot ergernis, door lichtzinnigheid, door hoogmoed en koudheid den tempel Gods onteeren? O steenen des Heiligdoms, gij, zuilen en gewelven, beelden en autaren, moget gij het „Driewerf heiligquot; uitgalmen, moget gij aanbidden, daar de menschen gevoelloos zijn en zwijgen!

Ja, vele jongelingen brengen hunne lichtzinnigheid mede naar de kerk. Dit gedachtelooze binnentreden, die haast en ruwheid bij het kruisteeken, dit omzien, deze onrust, dit vroege weggaan — o, het blijkt te over, dat zij niet weten, wat eene kerk is! Of benauwt hun de atmospheer der heilige plaats? is hun de tegenwoordigheid van God onaangenaam ?

Hoeveel jongelingen brengen een koud, ongevoelig hart meê ter kerke! Van al de wonderen der liefde, die te dezer plaatse het hart van een God wrocht en nog wil wrochten, schijnen zij niets te weten. Welke verstrooidheid, welke lauwheid, welke slaperigheid! Eenig lippengebed, en dan verveling. Spreken zij met God? vragen zij iets aan God?

Hoeveel jongelingen leggen niet eens dan, wanneer zij ter kerke gaan, hunne trotsche, aanmatigende houding af! Zij handelen, alsof zij tot huns gelijken spraken; het schijnt niet in hunne bedoeling te liggen. Gode eer te bewijzen.

ocr page 568

534

Geen uitwendige eerbied, geene bescheidenheid, geene ingetogenheid ____Zij kleeden zich als modejonkers, zij schamen

zich, de knie te buigen, gewijd water te nemen, het teeken der Verlossing te maken, eene zedige houding te bewaren, een gebedenboek te gebruiken, eenig blijk van godsvrucht te geven.

O jongeling, wat zijt gij in de kerk? Een bedelaar. — Komt gij misschien om God rijker te maken? Gij komt om ie ontvangen, is de stand van zaken zóó, dan voegt u trotsch-heid al zeer slecht.

Wie zijt gij, wie moet gij zijn in de kerk? Een smeeke-lingderhalve, uwe houding moet die des ootmoeds zijn.

O, buig hoofd en knie en hart voor den driemaal-heiligen God, voor wiens Aanschijn de Engelen, Hem aanbiddend, zich het gelaat met hunne wieken bedekken, ') voor wien de Ouderlingen aanbiddend neerzinken, terwijl zij hunne kronen op de treden zijns troons nederleggen! a)

Komt gij naar 's Hoeren tempel, om zegeningen te verwerven? O laad dan geen vloek op uw hoofd! Maak de heilige plaatse niet tot een roovershol, 3) door gesprekken over beuzelarijen, door onvoegzame nieuwsgierigheid, door uitgelatenheid en onbeschaamdheid. Gedraag u niet zoo, dat Jesus wordt verplicht, te uwen opzichte zijn toorn te uiten, zooals weleer tegen de koopers en verkoopers in den i:empel.4)

Stem u dus tot ingetogenheid, wanneer gij ter kerke gaat, en bedenk, vóór wien gij zult verschijnen.

Overschrijd eerbiedig den drempel van het Huis Gods, neem gewijd water, maak het heilig Kruisteeken, buig uwe knie voor den Allerhoogste en begeef u naar uwe plaats.

Verwek hier eene acte van geloof aan Christus' tegenwoor-

*) Math. 21, 12.

') Is. 6, 2. s) Oponb. 4, 10. ') Luc. 19, 46.

ocr page 569

535

digheid in de Eucharistie, en aanbid Hem uit den grond uws harten.

Bid daarna met den mond of inwendig, en volg den heiligen Dienst.

Uwe - houding bare geen opzien. In het oog loopende godsvrucht sticht geenszins altijd, en wordt voor anderen eene oorzaak van verstrooidheid; de uwe zij geregeld en store niemand.

In de kerk moet gij u alleen om God bekreunen; immers, voor God komt gij ter kerke.

Wacht rustig het einde der plechtigheid af en verwijder u dan uit het Heiligdom, als iemand, wien het smart, zoo spoedig van Jesus in de H. Eucharistie te moeten scheiden, — niet echter als iemand, wien het spijt, deze weinige oogen-blikken den Heer te hebben geofferd.

O, vrees den Heer, mijn zoon, en den Koning! ^ Betuig Hem uwen eerbied! Zie, de plaatse, waar gij op staat, is heilig land .... 2)

') Spr. 24, 21. 8) 2 Mos. 3, 5.

ocr page 570

HOOFDSTUK CXIV.

ORDE.

Omnia honeste et secundum ordinem fiant.

1 Cor. 14, 20.

^ ent gij het beeld, ons door de Schriftuur van het IJS afgrijselijke verblijf der verdoemden geschilderd?

Een stikdonker land als de duisternis-zelve, de scha-quot;t duwe des doods en zonder ordeningen... ')

f Treurige waarheid: — een leven zonder regel en orde, een leven van willekeur en wispelturigheid is zeer vaak een traag, en daarom onnut, slecht, der helle waardig leven; het is zeer dikwijls zondig (wijl het den passiën vrij spel laat) en daarom een ter verdoemenis voerend leven; het is In ieder geval een leven zonder schoonheid, en gelijkt daarom zeer weinig op het hemelsche, welgeregelde leven, dat wij hier op aarde moeten navolgen.

') Job. 10, 22.

ocr page 571

537

God is de hoogste orde, de lieflijkste harmonie; in alles, wat Hij wrocht, heerscht volmaakte orde, rangschikking, opvolging.

O, wees een beeld des Allerhoogsten, dierbare jongeling, en leef voor de orde, leef met orde, leef in orde! Doe alle dingen behoorlijk en met orde. ')

Een groot Heilige heeft gezegd: Wie met orde leeft, die leeft voor God.

Ja, hij leeft voor God; hij zal minder zondigen, daar hij de plichten van zijn staat getrouwer naleeft, daar hem meer tijd overblijft, om aan zijn eeuwig geluk te arbeiden.

Hij leeft voor God, daar hij Hem, den God der orde, beter navolgt.

Hij leeft voor God, daar hij op eene aan God meer behage-lijke wijze leeft.

Hij leeft voor God, daar hij rijkere verdiensten vergadert; het leven der orde eischt menig offer en kan op den duur slechts door versterving en zelfverloochening onderhouden worden.

Dan, orde mag niet in stijfheid ontaarden; anders verliest zij het karakter van lieflijke ongedwongenheid, van vrije beweging, waardoor het leven zijne frischheid te eenenmale behoudt.

AVie zich in den tijd der jejff/cü niet aan orde gewoon maakt, dien zal het later niet, of slechts met groote moeite gelukken. Ook is de man der orde gewoonlijk de man der daad. Hij is de man, die veel werkt, daar hij met wijsheid zijn arbeid verricht; hij is de man, die werkt, daar hij met bewustzijn en ten prijze van offers zijne taak volbrengt.

Zoolang de jongeling op inrichtingen voor onderwijs zijne

■) 1 Oor. 14. 40.

ocr page 572

538

dagen slijt, wordt hem door de algemeene orde onder veel opzichten hulp geboden. Hij behoeft slechts die orde trouw te volgen, en het grootste deel van den dag is geregeld. Niettemin resten wellicht tijdruimten, die hy-zelf met orde moet indeelen: opstaan en zich ter ruste begeven, de uren van het gebed, de maaltijden, de uren voor arbeid en uitspanning.

Is hij eenmaal geheel vrij in zijn doen en laten, heeft hij de beschikking over al zijn tijd, dan ontwerpe hij eene eigenlijke dagorde-, deze make hij voor zich-zelf streng verplichtend.

Dan — niet slechts do tijdruimten moeten ordelijk worden verdeeld: de arbeid, de bezigheden-zelf eischen regel en orde. Allereerst het noodzakelijke, dan het nuttige, eindelijk het aangename; de plicht moet aan het nut, het nut aan 't genoegen voorafgaan.

Uw dagelijksch leven is een schilderij; niet alleen moeten de figuren op geschikte wijze worden aangebracht, — er is ook eene omlijsting van noode, die alles vereenigt en behoorlijk doet uitkomen. Deze omlijsting is de dagorde. Zij verleent aan geheel het dagwerk eenheid en evenredigheid.

Vindt gij het moeilijk, u voortdurend te bewegen ^usschen grenzen, welke gij buitendien u-zelven hebt afgebakend ? Wellicht vindt uw bezwaar hierin zijn oorsprong, dat gij nog nimmer eene poging hebt aangewend om ordelijk te leven.

Hadt gij u eerst aan het leven der orde gewoon gemaakt, dan, het is mijne overtuiging, zoudt gij het zoet vinden, zoude het voor u eene behoefte worden.

Het leven der orde is zoet, wijl de tijd veel rasser voorbij-snelt, en der verveling geene ruimte laat.

Het is zoet, wijl het een troostend bewustzijn van offer en zelfverloochening met zich omdraagt.

ocr page 573

539

Het is zoet, wijl in hetzelve en door hetzelve vruchtei rijpen, den Hemel waardig.

Het leven der orde kan zulk eene dringende behoefte worden dat men zich slechts gelukkig gevoelt, wanneer en in zoo verre men het kan leiden.

O, mocht ook u de orde eene behoefte worden!

35

ocr page 574

HOOFDSTUK CXV.

DE GOEDE GEDACHTEN.

In sensu sit tibi cogilatus Dei, et omnis enarratio tua in praeceptis Altissimi. Eccl. 9, 23.

amp; edachteZoos te zijn, is het voorrecht van kleine kin-

K deren en dwazen.

X Eenige soorten van arbeid zijn niet slechts uitwen-t dige bezigheden, maar vorderen ook medewerking van ^ den geest. Er zijn echter ook uitwendige bezigheden, die geen nauwe oplettendheid van de zijde des geestes noodig maken.

Zal ik nu bij zulke bezigheden of in die tijdruimten, waarin ik geen eigenlijken arbeid verricht, gedachteloos zijn?

Neen, dit ware tijdverlies, dit ware nadeel voor mjiie ziel. De gedachte is een te kostbaar geschenk van den goeden God, dan dat wij niet het ruimste gebruik van haar zouden maken.

ocr page 575

541

De gedachte is eene te mild vloeiende bron van ware wijsheid en verdiensten voor den Hemel, dan dat ik geheele tijdruimten ledig 2;oude laten.

Waaraan denkt de booze ? Aan goddeloosheid; aan benadeeling van den evenmensch, aan beleediging, wraak, bedrog, geweld; aan hoogmoed en opstand, aan afschuwelijke dingen, aan ruw zingenot, aan overtreding van heilige en wijze zedewetten.

Waaraan denkt de gewone mensch ? Aan ij delheid, aan men-

O/quot;»!quot;» rirquot;gt; 1 O O v» Vgt;/-m »7/^1 o I'ï-Ï/-gt;!-» /-gt;gt;quot;gt; quot;Mi rl TT /-,-»•/-1T -p r» »-gt; i qv. O ^ Q

aan genoegens, genoegens zonder eind, aan dingen, die hem niet aangaan, die tot zijn waar geluk niet het geringste kunnen bijdragen.

Waaraan denkt de goede? Aan God en het goddelijke, aan de plichten van zijn staat, aan middelen en wegen om het kwaad te ontvluchten, aan goede werken, aan deugden, die hij zich wil eigen maken, waarin hij wil volharden, aan de broosheid en den korten duur van al het aardsche, aan de eeuwigheid, waarop hij met rasse schreden toeijlt, aan zijn hemelsch Vaderland, aan den goeden Jesus, wien hij zooveel is verschuldigd, aan brave lieden, die hem goede voorbeelden geven.

Wel oefenen verbeelding en geheugen veel invloed op de gedachte uit, en slepen deze vaak, schier haars ondanks, met zich mede; maar niettemin is het denken vrije zaak, en zijn wij inderdaad meester in ons eigen huis, dan zal wel de gedachte vrijwillig slechts datgene tot subject hebben, wat wij haar voorhouden.

Was dit niet het geval, konden wij niet denken wat wij ivillen, dan ware het onbillijk, eenmaal rekenschap over onze gedachten te vorderen. En toch: Utv denken zal ik u vergelden, spreekt de Eeuwige bij Hosea.

Het hangt dus van u af, uwen gedachten eene goede, ja

ocr page 576

542

eene heraelsche, of wel eene aardsche, eene slechte richting te geven.

Slecht denken beduidt; voor de hel denken. De slechte gedachten scheiden van God; ^ slechte gedachten zijn Gode een gruwel; ■) Hij haat slechte gedachten, 4) en zendt rampspoed, de vrucht der slechte gedachten. 3)

IJdel denken is verloren denken.- Hunne gedachten zijn nutteloos, getuigt de Wijze Man, en daarom is verstoring en

Goed denken voedt den geest, oefent hem in deugd en heiligheid, maakt hem Gode, die slechts heilig denkt en denken kan, gelijkvormig, wekt vrome begeerten op, spoort den wil krachtig ten goede aan, baart zegenrijke ondernemingen, verdienstelijke daden.

Houd dus uwen geest in die tijdruimten, waarin hem door geen eigenlijken arbeid zijne richting wordt aangewezen, onledig met goede, of tenminste onschuldige dingen.

Ga bij u-zelven te rade, hoe gij dit of dat naar Gods welbehagen kunt regelen of doen; denk er over na, hoe Jesus in soortgelijke omstandigheden gehandeld zoude hebben.

Werp een terugblik op hetgeen gij reeds hebt volvoerd; onderzoek het nauwkeurig en stel u de vraag, wat bij den terugkeer dierzelfde handeling verbeterd kan worden.

Laat u door de goede hoedanigheden der schepselen, zelfs der levenlooze, aan Gods oneindige volmaaktheid herinneren; stel u zijne grootheid en almacht, zijne alles regelende Voorzienigheid, zijne liefde en mildheid levendig voor oogen; dank hem nu, loof en prijs Hem een ander maal. O gij, die des Heeren gedenkt, laat geen stilzwijgen bij ulieden wezen! 5)

Laat heilzame waarheden uw hart genaken, waarheden,

quot;) Wijsh. 1, 3. quot;) Spr. 15, 20. ') Spr. 6, 18. ') Jer. 0, 19. 5) Is. 62, C.

ocr page 577

543

die u in de vreeze Gods bevestigen, waarheden, die u in heilige liefde doen ontvlammen, die u sterken in 's Heeren dienst.

Menigwerf spreken gebeurtenissen luide tot uw hart. Be' schouw alles in het licht des Geloofs. Trek uit alles geestelijk nut. Maak uit alles gevolgtrekkingen ter zaligheid.

Houd u onledig met eene groote gedachte, een diep-ingrij-pend beginsel, hetwelk vaak in uwen geest terugkeere,

TxrooTATquot;» ol iittt- rlr»on on 1 o -f nn ofoiTnp rrii Vni olim Vionrlo.

:.....i- - ■ ■■ : -- ---- --- - — -------------/ ----- o x» * x/ ----------—

ling in practijk moet brengen, dat uw leven onverpoosd tot richtsnoer diene. Een H. Aloysius dacht: „Wat helpt mij zulks ter eeuwigheid?quot; Een H. Stanislas: „Ik ben tot groote dingen geboren!quot;

Dringt zich van-zelf eene goede gedachte aan u op, o, verwerp ze dan niet! Het is eene goede gave, die van Boven komt, van den Vader des lichts; ^ geen deel dier goede gave mag voor u te loer gaan. 2) Zulk een heilzame gedachte is voor ii eene kiem des zegens, welke, door u met liefde verzorgd, zich tot eene majestueuze plant, tot een vruchtbaren boom kan ontwikkelen. Houd ze levendig, die goede gedachte; laat u door haar doordringen, trek er voordeel uit, zooveel in uw vermogen staat. Hoe licht ware het mogelijk, dat van ééne goede gedachte uw geluk voor de eeuwigheid afhing! Was het niet zoo bij een H. Franciscus Xaverius en bij zoovele anderen?

Doe uw best, om goede gedachten in u op te wekken, door vaak eene goede lezing ter hand te nemen, door met goede menschen om te gaan.

Beteugel uwe lichtzinnigheid; zij houdt de goede gedachten verre van u; zij verjaagt die, welke naderen, en denzulken.

') Jac. 1, 17.

a) Eccl. 14, 14.

ocr page 578

544

die aanwezig zijn, verhindert zij, tot ontwikkeling te komen. Duld geene menschen in uwe nabijheid, die, wars van allen ernst, de oppervlakkigheid-zelve, zich voortdurend in een kring van beuzelarijen bewegende, ook aan uw leven alle beteekenis zouden ontnemen, — menschen, wier onbeduidendheid te dikwijls eene schrille tegenstelling biedt met de rol, die zij durven spelen, en met die pralerij, waarmede zij op rang en geld, op uiterlijke voorrechten en een zweem

So Txrqqv/

V Clli UCOOilCi V IIIq *Ju±CJ -quot;■quot;-'o —- —

van den mensch te eenenmale af.

Poog niet, u hierdoor te verontschuldigen, dat gij jong zijt. Het kan der jeugd moeilijk vallen, zich met goede gedachten onledig te houden, goede gedachten in zich op te wekken, te bewaren, — onmogelijk is het niet.

In ieder geval is het van niet minder belang voor u dan voor anderen, dat gij uw best doet om van uw denkvermogen deugdelijk partij te trekken. Gij voorkomt dan heete strijden; want. is uw geest niet onledig, dan blijft hij van jeugdige buitensporigheden gevrijwaard. Gij maakt u gewoon aan bedachtzaamheid. Thans ook vorderen uwe zaken nog niet bijna de geheele kracht van uw denkvermogen, terwijl later maatschappelijke en huiselijke zorgen van elke soort u buiten adem jagen.

In latere jaren zullen zich ongetwijfeld, als gevolg van den rijperen leeftijd, ernstige gedachten aan u opdringen; de verdienste der vrijwilligheid kunt gij thans verwerven, door datgene, waarvan uwe jeugd zich afkeerig betoont, haars ondanks in uw geestesleven binnen te leiden. —

Let dus nauwkeurig op uw gedachtenloop: vul de leemten uws geestes aan, maak u gewoon aan passende ingetogenheid, aan overleg, aan bedaardheid en bestendigheid.

Later, wanneer het u gemakkelijk valt, u met goede, hei-

ocr page 579

545

lige, vruchtbare gedachten bezig te houden, zult gij u-zelven geluk wenschen.

Gelijk uit 's menschen hart slechte gedachten voortkomen, overspel, ontucht, doodslag, diefstal, boosheid, arglist, nijd, hoovaardij, onverstand, ^ zoo zijn de goede gedachten bronnen van heerlijke deugden, goede werken, prijselijke daden.

O. ken den Heer in al uwe wegen, en Hij zal recht maken de paden uwer jeugd! '-)

a) Spr. O, 6

') Mare. 7, 21—22.

ocr page 580

HOOFDSTUK CXVI.

DE C4EESTELITKE LEZING,

Amis, quae audit incre-pationos vitae, in medio

v. sapientium commorabitur.

Prov-l5'si'

JsJjOij? ij leest veel en gaarne, dierbare jongeling; — prij-

k zenswaardige weetgierigheid!

jiV Echter moet uw lezen niet enkel ontspanning of

gt; geestesontwikkeling beoogen. Lees ook boeken, waaruit ? uw hart, waaruit uwe ziel nut kunnen trekken, boeken, die op het bovennatuurlijk-schoone uwe aandachc vestigen, die u in de deugd sterken, „woorden des levensquot; toefluisteren.

Verveelt het u, in een vroom boek te lezen?

Maar gij moet geenszins met die lectuur den geheclen dag, ja niet eens uren achtereen doorbrengen. Stel u een korten tijd vast, dien gij dagelijks aan die bij uitstek vrucht-

ocr page 581

547

bare oefening zult wijden; laat deze niet gemakkelijk achterwege, lees, zooals het behoort, — en gij zult er meer voordeel uit trekken, dan gij ooit hadt vermoed.

Geestelijke boeken noemt men dezulke, waarin uitsluitend, of tenminste in hoofdzaak, over de zaligheid der ziel wordt gehandeld.

Zij onderrichten ons in zake — onze betrekkingen tot God en den naaste-, zij spreken over de boo.«l.cid zonde, over rifiiiorfiquot; in 't «Igemeen en over de deugden in't bijzonder.

Zij reinigen ons meer en meer, door onze aandacht op de gewone fouten en gebreken te vestigen; zij wijzen ons op de verschillende plichten van staat en verklaren dezelve duidelijk.

Zij leggen ons Ce strikken van satan bloot, en toonen aan, hoe wij deze kunnen vermijden; zij vormen heilige wapenzalen, waarin wij alles kunnen vinden, waarmede wij ons tegen de vijanden onzer zaligheid moeten verdedigen.

Zij dienen ons tot leidsterren op het pad ten Hemel, waarschuwen ons tegen de afgronden, houden ons terug van dwaalwegen.

Zij wijzen ons op de heerlijke voorbeelden, ons door de kampioenen van geloof en deugd nagelaten.

Zij doen het sluimerende geweten door het bazuingeschal der goddelijke bedreiging ontwaken; zij maken den verharde murw, spreken den schroomvallige moed in, wijzen den afgedwaalde te recht, wekken den ijver des tragen op, beteugelen en bestieren het ijverige hart.

Zij trekken ons af van de dingen der aarde, toonen ons derzelver nietigheid, doen ons naar het goede hongeren en dorsten, wekken in ons een vurig verlangen naar den Hemel en het hemelsche.

Zij ontsteken in ons hart de heilige liefde Gods, hetzij door

ocr page 582

548

ons dien grooten en goeden God in zijne verheven en beminnelijke eigenschappen te leeren kennen, hetzij door ons levendig te herinneren aan die onbeschrijflijk groote weldaden, waarmede zijne mildheid zonder ophouden ons overlaadt.

Zij maken ons nader bekend met de leering en de werken onzes heiligen en liefdevollen Verlossers, ontsluieren ons zijn Hart, zoo rijk aan deugden, zoo beminnelijk, spreiden voor ons oog de onmetelijke schatten der wijsheid en der kennis-ten toon, die in Hem zijn verborgen. ')

Zie, deze en andere rijkdommen bieden ons de geestelijke boeken, die, op de beginselen van het Evangelie steunend, deze nader toelichten, ontwikkelen, voor de verschillende levensstaten toepasselijk maken. Wordt door hunne voorlichting het pad ter zaligheid niet effener, veiliger, korter?

Teneinde vrucht uit de geestelijke lezing te kunnen trekken, moet gij u ook hierbij aan orde gewoon maken en doelmatig te werk gaan.

Vestig uwe keus op zulke boeken, die beter geschikt zijn om uw hart heilzaam te ontroeren, dan om uw verstand te bevredigen.

Lees niet enkel uit nieuwsgierigheid en alleen met het doel, uwe kennis te vermeerderen; „mijner ziel vooralquot;, zult gij spreken, „moet deze lectuur vruchtbaar zijn; en wijl ik ze voor God verricht, wil ik ze ook met God verrichten.quot;

Treed dus een oogenblik in u-zelven, vóór dat gij begint. Gij, van wien elk dauwdropken zijn vruchtbaar makenden zegen ontvangt, kom mij ter hulp en zegen mij, dorstig land! 2gt; Verlicht mij, ontroer mij, laat mij hegrijpen wat ik lees, en in beoefening brengen wat ik gelezen heb!

Lees met eerbied) stel u voor, dat de mond desHeeren tot

gt;) Col. 2, a

!) Ps. :42, c.

ocr page 583

549

u spreekt. Ja, spreek, o Heer, — uw dienaar luistert! ^

Lees met aandacht; geen haast, geene oppervlakkigheid, — anders blijft niets over, en verdwijnt de vloed niet minder snel, dan hij is gekomen. Pas den inhoud op u-zelven toe. Tracht, in de beteekenis van het gelezene door te dringen. Ontmoet gij eene bijzonder gewichtige stof, denk dan eene wijle er over na. Trek uit de lezing heilzame besluiten voor het dagelijksch leven. Lees bij voorkeur niet veel in eenmaal,, maar doe het des te beter.

Lees met orde, — lees de bladzijden in geregelde volgorde en het werk ten einde toe. Kies u een lievelingsboek, en neem het vaak ter hand, ook dan, wanneer gij het reeds meermalen hebt doorgelezen.

Lees met volharding, — op de vastgestelde dagen, op den bepaalden tijd, dagelijks, of meermalen per week, of tenminste op Zon- en feestdagen, op de biecht- en communiedagen.

Ook hier is het woord des Zaligmakers van toepassing: Wie uit God is, die hoort de woorden Gods;2) en daarom hebben velen afkeer van een geestelijk boek, wijl zij in 't algemeen van alles, wat God betreft en op God wijst, afkee-rig zijn.

En heeft de jongeling met groote moeilijkheden te kampen, schept zijne wuftheid weinig behagen in den ernst van degelijke en slechts op het zieleheil berekende lectuur, — toch is juist voor hem de geestelijke lezing, regelmatig, met ijver en op vruchtbare wijze verricht, van onberekenbaar nut.

Jong van jaren, verkrijgt hij door het aandachtig lezen van zulke boeken eene rijpheid van geest, van stemming en zeden, zooals de wetenschap der wereld alleen die niet vermag te schenken; want het oor, dat de vermaning des levens hoort,

e) Joh. 8, 47.

') 1 Kon. 3, 10.

ocr page 584

550

zal in het midden der wijzen vertoeven. ') Wijzer dan mijne vijanden hebt Gij mij gemaakt door uw gebod; ik ben verstandiger, dan al mijne leeraars, omdat uwe getuigenissen mijne betrachting zijn; ik ben voorzichtiger dan de ouden, omdat ik uwe geboden heb bewaard. 2)

En welk eene sterke beschutting tegen het onstuimig aandringen van de beginselen eener bedorven wereld, tegen den bruischenden vloed van het slechte voorbeeld zal voor den jongeling die leere des heils, dat verkeer met eene hoogere, betere wereld zijn!

Ja — neem en lees; neem en lees nog eenmaal! God zegene rijkelijk uw nemen en lezen, evenals als dat van den H. Augustinus! Nog is, gelijk weleer, het woord Gods scherp als een tweesnijdend zwaard,3) krachtig, indringend, doorborend; tieffe het u ter zaligheid!

') Spr. 15. 31.

Ps. 118, 93, 99, 100. 3; Hcbr. 4, 12.

ocr page 585

HOOFDSTUK CXVIL

DE OVERWEGING.

Beatus vir, qui in sapientia morabitur... et in sensu cogi-tabit circumspectionem Dei.

Eccli. 14, 22.

r bestaat eene ivijze van hielden, die, wel-is-waar, door weinigen wordt gekend en beoefend, maar niettemin in waarde en nut elke andere overtreft en daarom bij i Heiligen en ascetici van alle tijden hoog stond aange--gt; schreven.

Ovenvegm beduidt: het oog des geestes op eenig subject vestigen, het nauwkeurig bezien, alles, wat er mede in verband staat, doorvorschen.

Bedient zich het mond/gebed van bepaalde woorden en formulieren, het innerlijk gebed bepaalt zich voornamelijk bij het denken. Nu en dan echter geeft het zich ook naar buiten lucht, der vlam gelijk, die uit een gedempt vuur bijwijlen opkronkelt en den gloed, onder de asch schuilend, verraadt.

ocr page 586

552

Wij hebben geheugen, verstand, wil; deze vermogens der ziel in werking stellen, hun als subject dier werking eene goddelijke waarheid, een geheim van onzen godsdienst, eene daad, eene leering van Christus of van een Heilige aanwijzen, dat is innerlijk bidden, dat is mediteer en.

Wij zijn verplicht, ons leven overeenkomstig de waarheden van ons heilig Geloof in te richten. Maar — hoe zullen wij hiertoe in staat wezen, als wij niet van deze waarheden zijn doordronyen ? wanneer het ons aan diepe overtuiging mangelt, aan die overtuiging, welke moet voeren tot de cZaad? wanneer verstand en wil niet gemeenschappelijk optreden?

Eene waarheid, welke niet onder het bereik onzes geestes wordt gebracht, waarvan wij niet doordrongen zijn, is voor ons eene doode waarheid; „zij is, als ware zij nietquot;. Zoo biedt ook een heerlijk landschap aan ons oog geen genot, zoolang de schemering aanhoudt, of de nevel het in zijne grauwe sluieren wikkelt.

Geldt het, o jongeling, de hoogere volmaaktheid, dan kan onfeilbaar worden getuigd: zonder nadenken, zonder overweging is een krachtig inwendig leven nauw mogelijk.

Hoe zal uw hart zich van het aardsche losrukken, wanneer het niet door middel van nadenken de ijdelheid van de dingen der wereld, de waarde van de goederen des Hemels beter en beter leert inzien?

Hoe zal de mensch in de liefde van God toenemen, wanneer hij niet de volmaaktheden, do oneindige beminnelijkheid van het Opperwezen door overpeinzing leert begrijpen?

Hoe, tenzij door de meditatie, zal men Jesus' heilig leven, zijne verheven deugd leeren bewonderen, en, door die bewondering geprikkeld, leeren navolgen?

Wel zijn ook predikatie en vrome lezing bijzonder geschikt, om ons gemoed met heilige waarheden te doordrin-

ocr page 587

553

gen; — maar is niet datgene, wat ify'-se?/quot; hebben dooi dacht, wat wij ons-zelven hebben voorgehouden, meer blijvend, eene voor onzen geest voedzamer spijze? Predikatie en lezing moeten door het nadenken worden gesteund, willen zij eenig blijvend nut kimnen stichten.

Waarom zijn er zoo weinig christenen, die „mediteeren ?quot;

Zij hebben daarvoor geen tyjd. — Mogelijk, dat bij eenigen hunner deze verontschuldiging op waarheid berust. Maar — werp een blik op die ontelbaren, clie voor de meest uiteen-loopende bezigheden, voor genoegens van elke soort tijd in overvloed vinden: waarom resten hun voor de meditatie niet luttel oogenblikken ?

Zij kunnen niet mediteeren. — Maar zoude ook niet de meditatie te leeren zijn, gelijk zooveel andere dingen? En — zoude hun voorgeven inderdaad waarheid behelzen? Och, men denkt zoo gemakkelijk na over de wereld en heur aankleve; men overlegt rijpelijk, hoe dit of dat op de beste manier kan worden verricht; hoe men aan dit of dat gevaar kan ontkomen; men denkt na over eene geldvraag, over een kunstwerk, over eenig punt der wetenschap; men schroomt zelfs niet, over eene misdaad, die men wil begaan, na te denken; men wikt en weegt nauwgezet de kansen eener onderneming van stoffelijk belang. — Zou het nadenken ons inderdaad zoo vreemd, zoo moeilijk zijn? En wat is mediteeren anders, dan nadenken, dan overleggen, dan regelen ?

Waarom vindt men zoo weinig jongelingen, die beschouwend bidden?

Het valt hun te moeilijk, in voldoende mate ingetogen te zijn. Ellendige wuftheid! juist zij maakt het mediteeren dringend noodzakelijk. Mediteeren is, gelijk hooger uiteengezet, nadenken, en wel over goddelijke dingen; en zulk

ocr page 588

554

nadenken houdt de wispelturigheid in toom, neigt het gemoed tot ernst, houdt het in liefde bezig met Hemel en eeuwigheid.

Mediteeren vermoeit. — Het geldt hier inderdaad eene oefening van de vermogens der ziel; eenige moeite is onvermijdelijk; — doch waarom juist voor de arme ziel niets willen doen?

Mediteeren verveelt. — O treurig woord! Zij spreken tot God: Ga weg van ons, de kennis uwer wegen behaagt ons niet. ') Het wekt dus verveling, naar de waarheid te vor-schen, met God om te gaan, zich in de beschouwing ziiner glorie en volmaaktheden te verdiepen!

Zij zijn niet gaarne alleen met God en zich. — Ziedaar buiten kijf de ware beweeggrond. Waarom zijn zij niet gaarne alleen met zich? Hun oog zou dan helder aanschouwen, wat zij zijn. — Waarom zijn zij niet gaarne alleen met God? Zij zouden dan zien, wat zij moesten zijn. — Gij dwaas en harteloos volk, gij kunt dus zien, en wilt niet zien? 2) Waartoe hebt gij oogen? 3) — En zij beminden de duisternis meer, dan het licht....4)

Gesteld nu, jongeling, dat gij u in die bij uitstek nuttige wijze van bidden wenscht te oefenen, — hoe zult gij dan het best uw doel bereiken?

Op de eerste plaats moet gij voor eiken dag een zekeren tijd aanwijzen — het best in den morgenstond, bijv. een half uurtje, of ook slechts een kwartier, al moest gij het aan den slaap onttrekken.

Maak op den vooravond, of onmiddellijk vóór dat gij de meditatie begint, de punten der overweging gereed, — d. w. z.; overleg bij u-zelven, ivaarover gij zult mediteeren;

') Job. 21, 14. ') Jer. 5, 21. 3) Ezech. 12, 2. ') Joh. 3, 19.

ocr page 589

555

bepaal de stof, deel ze in, sla eenig boek ei' over na, tracht, er u van te doordringen, noem bij u-zelven reeds de vrucht, die gij uit de meditatie hoopt te trekken.

Is de bepaalde tijd aangebroken, treed dan in u-zelven, laat elke andere bezigheid ter zijde, trek u terug in uwe kamer of in de stille kerk. Dan zult gij u levendig in Gods heilige tegenwoordigheid stellen. Hem vurig aanbidden, Hem smeeken, dat Hij uw verstand verlichte en uwen wil gedwee make.

Daarna zult gij over het door u gekozen onderwerp nadenken, het zij nu eene waarheid der geloofs- of zedenleer, het zij een mysterie of eene les uit de Schriftuur, het zij eene handeling des Verlossers of de bijzondere deugd eens Heiligen.

Oefen allereerst uw geheugen. Beschouw het onderwerp van alle zijden, breng het in verband met alles, wat een helder licht er op kan werpen, wat zijne betrekking tot u nog duidelijker maakt. — Hebt gij u een tekst der Schriftuur tot onderwerp van meditatie gekozen, verdiep u dan in de beteekenis dier goddelijke woorden; is het eene daad, eene handeling, beschouw dan opmerkzaam met het oog uws geestes de personen, de omstandigheden van tijd, plaats enz.

Nu is het de taak des verstands, dieper in de stof door te dringen. Overdenk de beweeggronden. Pas datgene, wat u nuttig schijnt, op u-zelven toe. Maak uit een en ander uwe gevolgtrekkingen. Peins over het verleden, over liet tegenwoordige, over de toekomst.

Bij dit alles voegt zich de icil, die nu eens looft, prijst, dankt, bemint, verafschuwt, voornemens maakt en, ootmoedig om bijstand smeekend, dezelve aan God blootlegt. Deze voornemens moeten in de stof der meditatie hun oor-

36

ocr page 590

556

sprong vinden, aan de persoonlijke behoeften van hem, die mediteert, beantwoorden, uitvoerbaar zijn en niet te algemeen. 't Geldt hier een hoofdpunt; Heelt de meditatie ook ten doel, haar zegenrijken invloed over geheel het volgend leven uit te breiden, haar voornaamste oogmerk blijft toch, ons tot oefening op te wekken, ons dagelijksch leven te regelen en Gode-behagelijk te maken, de eene ondeugd na de andere uit ons hart te rukken, de eene deugd na de andere daarin aan te kweeken en tot bloei te brengen. Ja, vooral op den wil moet de overweging den meest heilzamen invloed uitoefenen.

En is de tijdruimte, door u bepaald, haar einde nabij, laat dan uw hart zijn vrijen loop, opdat het zich in kinderlijke gesprekken met God en zijne Heiligen onderhoude. Daarin ontvangen uwe voornemens nog eenmaal hunne wijding, daarin wekt gij u op tot nieuwe geestdrift voor den dienst des Heeren, daarin kiest gij uwe heilige leuze voor den dag. —

Gelooft gij niet, jongeling, dat zulk eene oefening u nuttig ware ?

En gesteld, dat het u niet onmiddellijk wil gelukken, rechtstreeks en methodisch te overwegen, — kunt gij dan niet eenig vroom, degelijk werk, of wel een eigenlijk „medi-tatieboekquot; ter hand nemen, daarin langzaam en geregeld lezen, daarna ophouden, het gelezene overdenken, dan opnieuw het boek openen, nieuwe goudkorrels opsporen, en eindelijk uit het gelezene een goed voornemen voorden dag vormen?

O Heer, hoeveel waarheid behelst uw woord; Geheel het land is verwoest, wijl er niemand is, die het ter harte neemt! ')

') Jer. 12, 11.

ocr page 591

557

Ach ja, juist omdat ik zoo lichtzinnig van den eenen dag in den anderen leef, wijl ik niet wil nadenken, blijft het in mijn harte zoo ledig, zoo woest!

Nog kon de vreeze Gods in mij geen wortelen schieten, omdat mij de eeuwige icaarheden schier te eenenmale vreemd zijn.

Nog leerde ik niet de deugd beminnen, omdat ik hare schoonheid, heure waarde en het loon, haar toegezegd, niet heb begrepen.

Nog is mijn verlangen naar den Hemel zoo zwak, wijl ik God niet ken, wijl ik nimmer over de schoonheid der Hemelen peins, wijl de eeuwigheid mij een raadsel is, wijl de overzijde van het graf voor mij in duisternis blijft gehuld.

O goede jongeling, neem de proef. Een kwartiertje dagelijks! Wees overtuigd, dat gij, behoorlijk mediteerende, niet verloren zult gaan, zeker aan de hel zult ontkomen. O neem •de proef! schroom niet voor zoo luttel moeite! de ziel! de Hemel! de eeuwigheid!

ocr page 592

HOOFDSTUK CXVIIL

VERSCHILLENDE WIJZEN VAN BIDDEN.

Implemini Spiritu sancto loquente.gt; vobismetipsis... cantantes et psal-v lentes in cordibus vestris Domino.

Eph. 5, 18. 19.

r bestaan middelsoorten tusschen het zuiver inwendige

en het zuiver mondelinge gebed; zij kunnen den-genen, die nog weinig vaardigheid in het mediteeren bezitten, goede diensten bewijzen. Ja, zij kunnen ook meer geoefenden nuttig zijn, wanneer afgematheid van geest of lichaam de eigenlijke meditatie te zeer bemoeilijkt, of wanneer het doelmatig wordt geoordeeld, eene afwisseling-te doen intreden.

Gij kent het „Gebed des Ileeren'. Hebt gij nooit beproefd, het langzaam te bidden en bij elk deel, dat een afgerondcn zin vormt, eenigen tijd te blijven stilstaanquot;?

Vertoeft ook niet de bij op elke bloem, zoo lang zij vindt

ocr page 593

559

wat zij begeert? Tracht dus, op geestelijke manier uit de zoo beteekenisvolle woorden van dit of dat gebed hemelschen honig te garen; en kunt gij op deze wijze een gebed niet deez' dag ten einde brengen, ga dan morgen voort.

Op soortgelijke manier kan men ook als't ware bidden, d. w. z.: een mondgebed langzaam en als bij tusschen-poozen verrichten, bijvoorbeeld het Symbolum des Geloofs, oen boetpsalm of iets dergelijks.

Op andere tijden kan het nuttig zijn, de „Tien Geboden Godsquot; en de „Geboden der Kerkquot; biddend te doorloopen. Zoek eerst naar de juiste beteekenis van elk gebod, — tracht, te begrijpen, wat het r/ebiedt en verbiedt; daarna kunt gij u-zelven de vraag stellen: welke oogmerken had God, toen Hij dit ^«bood, dat verbood? Welke vruchten verzekert mij de trouwe naleving van dit gebod ? welk voordeel hier-beneden ? welk loon daar-Boven? Hoe kweet ik mij tot dusverre van dezen plicht? wat moet verbeterd worden? waarin zal ik reeds vandaag eene verandering moeten brengen?

Een andere maal kunt gij achtereenvolgens de verschillende zonden overdenken, — de zeven „hoofdzondenquot;, de zeven „zonden tegen den H. Geestquot;, de negen „vreemde zondenquot;. Waarin bestaat elk dier fouten? Welke beweeggronden moeten mij nopen, ze te mijden? Wat is tot dusverre geschied? Hoe zal ik in de toekomst handelen?

Bijwijlen ook kan het nuttig zijn, de vift zinnen des lichaams, de vermogens der ziel tot onderwerp van uwe beschouwing te nemen. Waarom heeft de goede God mij dit zintuig verleend? Welk is daarbij zijn oogmerk geweest? Hoe groot is de waarde van dit zintuig? En hoe vaak durft men het schandelijk misbruiken! Is het door mij behoorlijk aangewend? Welk gebruik zal ik in de toekomst er van maken? Hoe wèl geregeld was dit zintuig bij mijn Verlosser, bij Maria, bij Gods

ocr page 594

560

lieve Heiligen! — O God, ik maak het voornemen____! Heerr

geef mij daartoe uwe genade!

Op dezelfde manier kan men ook de geestelijke en lichamelijke werken van barmhartigheid doorloopen, of wel over de verschillende deugden nadenken, — over de drie „goddelijkequot; : geloof, hoop en liefde; de vier „hoofddeugdenquot;: wijsheid, rechtvaardigheid, sterkte en matigheid, — verschillende andere zedelijke deugden, voornamelijk die, welke aan de zeven , hoofdzondenquot; zijn tegenovergesteld.

Ook de z. g. „acht zalighedenquot; bieden rijke stof tot nadenken. quot;Wat beteekent een ieder derzeive? welke deugd beveelt zij nan? welk loon stelt zij in het verschiet? Heb ik haar tot dusverre beoefend? waarom niet? Hoe zal de toekomst zijn? Mag ik onverschillig zijn voor die heerlijke beloften des Zaligmakers?

Gij ziet, hoe vindingrijk de Heiligen waren, om hunner ziel geestelijke spijze in overvloed toe te voeren; welke middelen zij te baat namen; hoe angstvallig zij het oor leenden aan de stem van het noodlijdende hart, en hoe zij alles in het werk stelden, om in deszelfs behoeften te voorzien.

O hemelsche wijsheid, die ons heiligen woeker leert drijven en ons aantoont, hoe wij van den omgang met God eene school voor dit leven en eene schatkamer voor de eeuwigheid kunnen maken!

Voor den jongeling zal het nog bij uitstek nuttig zijn, dikwijls over de bestemming van den tijd der jeugd na te denken, en zich diep in den geest te prenten de waarschuwing der H. Schrift: de mensch zal oogsten wat hij zaait. ^

Ja, de tijd der jeugd is de zaaitijd voor geheel het volgenci

') Gal. G, 8.

ocr page 595

561

leven, — voor de dagen hier op aarde, voor de eindelooze eeuwigheid!

Die spaarzaam zaait zal spaarzaam oogsten. 1)

Wie in zijn vleesch zaait zal van het vleesch ook verderf maaien. 2)

Zoon, wil geene hoosheid in de voren der ongerechtigheid zaaien, opdat gij het niet zevenvoudig oogstet! 3)

Eene zaak lijdt geen twijfel: Wie zich in vorenstaande of soortgelijke wijzen van bidden oefent, die zal tenminste het eigenlijke mondgebed, dat ook geenszins louter een gebed dei-lippen mag zijn, met diepere ingetogenheid, met meer smaak en meer vrucht verrichten.

O, Heer, leer ons bidden! ) Gij wilt dat wij veel, dat wij zonder ophouden zullen bidden. 5) Immer hetzelfde doen, dit vermoeit ons, gebrekkigen; haast u daarom te onzer hulpe, en leer ons afwisseling in het ééne, en het ééne in de afwisseling!

O, vervul ons met uwen Geest, opdat wij tot elkander spreken in psalmen en lofzangen en geestelijke liederen, zingende en psalmende in onze harten den Heere, en dankzeggende te allen tijde voor alles Gode en den Vader in den naam onzes Heeren Jesus Christus! Gj

') 2 Oor. 9, C. a) Gal. 6, 8. ') Eccl. 7, 3. ') Luc. 11, 1. 5) 1 Thess. 5, 17. °) Eph. 5, 18. 19. 20.

ocr page 596

HOOFDSTUK CXIX.

HET EINDE VAN DEX DAG.

Si dormicris, non timebis: quiesces et suavis erit som-mis tuus. Prov. 3, 24.

Mi

^ eer, blijf bij ons, want het wordt avond, en de dag quot;** is alreeds gedaald! ^

In den toestand van hulpeloosheid ziet men naar bescherming uit. En welke toestand is meer hulpeloos.

1 dan die van een slapenden menseh?

Het is derhalve noodzakelijk, dat wij bidden vóór wij ons ter ruste begeven, dat wij ons Dengene aanbevelen, aan wiens liefdevol Harte wij des nachts even veilig rusten, als wij des daags onder zijne bescherming onzen arbeid verrichten.

O dwaze jongeling, hoe durft gij u onderwinden, zonder

') Luc. 2-t, 29.

ocr page 597

563

gebed in te slapen en uw dag te eindigen met een verzuim, dat van snoods onverschilligheid, van zwarte ondankoaar-heid getuigt? Sterft gij dezen nacht, dan voorzeker berouwt het u bij 't ontwaken in de eeuwigheid vreeselijk. u aan zulk een ondank, aan zulk een snood verzuim plichtig te hebben gemaakt.

Of is misschien uw hart zoo goed en schuldeloos gebleven, dat gij het onnoodig oordeelt, uwen Heer om vergiffenis te smeeken, uwen Rechter, aan wiens toom misschien nog deze nacht u overlevert, tot zachtmoedigheid te stemmen?

Verricht dus eiken avond met ijver en aandacht uw gebed.

Nadert het gewone uur — want ook hierin moet gij ordelijk te werk gaan, — begeef u dan naar uwe kamer, treed in u-zelven en werp u op de knieën. Het is billijk, dat gij uwen Schepper dezen tol van uitwendige hulde niet weigert; bovendien gebeurt het te vaak, dat hij, die eerst dan begint, wanneer hij zich ter ruste heeft gelegd, inslaapt vóór dat hij zijn gebed heeft geëindigd.

Bank nu 'God voor de weldaden van geheel uw leven, bijzonderlijk voor die van den afgeloopen dag.

Daarna behoort gij te onderzoeken, aan welke fouten gij u in den loop van den dag hebt plichtig gemaakt; verwek vóór het Aanschijn des Heeren een hartelijk berouw over al de zonden uws levens, en beloof Hem beterschap.

Beveel ten slotte u-zelven en alles, wat u lief en dierbaar is, in de bescherming des Allerhoogsten, in Maria's liefderijke voorspraak en in die van den H. Joseph, van de H. Engelen en van alle Gods lieve Heiligen. Vergeet vooral ook niet, uw Bewaarengel een groet te brengen en dank te betuigen, en wees ook den armen zielen in het Vagevuur in uw gebed indachtig. Is dit alles behoorlijk geschied, maak u dan ter ruste gereed.

ocr page 598

HOOFDSTUK CXIX.

HET EINDE VAN DEN DAG.

8i dormieris, non timelris:

^ y quiesces et suavis erit som-

mis tuus. Prov. 3. 24.

ifHfe

5jlÊJs eei'' bliJf 'Hl ons' want het wordt avond, en de dag is alreeds gedaald! M

x\K

In den toestand van hulpeloosheid ziet men naar be-( scherming uit. En welke toestand is meer hulpeloos, ' dan die van een slapenden mensch?

Het is derhalve noodzakelijk, dat wij bidden vóór wij ons ter ruste begeven, dat wij ons Dengene aanbevelen, aan wiens liefdevol Harte wij des nachts even veilig rusten, als wij des daags onder zijne bescherming onzen arbeid verrichten.

O dwaze jongeling, hoe durft gij u onderwinden, zonder

') Luc. 24, 29.

ocr page 599

563

gebed in te slapen en uw dag te eindigen met een verzuim, dat van snoode onverschilligheid, van zwarte ondankbaarheid getuigt? Sterft gij dezen nacht, dan voorzeker berouwt het u bij 't ontwaken in de eeuwigheid vreeselijk. u aan zulk een ondank, aan zulk een snood verzuim plichtig te hebben gemaakt.

Of is misschien uw hart zoo goed en schuldeloos gebleven, dat gij het onnoodig oordeelt, uwen Heer om vergiffenis te smeeken, uwen Rechter, aan wiens toorn misschien nog deze nacht u overlevert, tot zachtmoedigheid te stemmen?

Verricht dus eiken avond met ijver en aandacht uw gebed.

Nadert het gewone uur — want ook hierin moet gij ordelijk te werk gaan, — begeef u dan naar uwe kamer, treed in u-zelven en werp u op de knieën. Het is billijk, dat gij uwen Schepper dezen tol van uitwendige hulde niet weigert; bovendien gebeurt het te vaak, dat hij, die eerst clan begint, wanneer hij zich ter ruste heeft gelegd, inslaapt vóór dat hij zijn gebed heeft geëindigd.

Dank nu 'God voor de weldaden van geheel uw leven, bijzonderlijk voor die van den afgeloopen dag.

Daarna behoort gij te onderzoeken, aan welke fouten gij u in den loop van den dag hebt plichtig gemaakt; verwek vóór het Aanschijn des Heeren een hartelijk berouw over al de zonden uws levens, en beloof Hem beterschap.

Beveel ten slotte u-zelven en alles, wat u lief en dierbaar is, in de bescherming des Allerhoogsten, in Maria's liefderijke voorspraak en in die van den H. Joseph, van de H. Engelen en van alle Gods lieve Heiligen. Vergeet vooral ook niet, uw Bewaarengel een groet te brengen en dank te betuigen, en wees ook den armen zielen in het Vagevuur in uw gebed indachtig. Is dit alles behoorlijk geschied, maak u dan ter ruste gereed.

ocr page 600

564

Van nu af moogt gij niet dulden, dat uw geest zich nog zij 1

met wereldsche gedachten bezighoude. Denk veeleer aan toon

goede en heilige dingen, of bid mondeling, terwijl gij u in vers

alle zedigheid ontkleedt en te bed legt. in h

Wacht nu, met de handen op de borst, het teeken des 't

Kruizes op het voorhoofd, de heilige namen Jesus, Maria en zone

Joseph op de lippen, rustig den slaap af. werl

Sluimert gij zoo in, dan behoeft gij voorwaar niet te vree- ond(

zen; gij zult rusten en zoet zal uw slaap zijn. ^ Bij uwe H

legerstede zal de goddelijke Voorzienigheid waken, evenals gebt

de moeder bij de wieg van haar kindeken; zij zal zorgdra- tot

gen, dat de heilige oogmerken worden bereikt, waarmede veel

zij in vindingrijke liefde den mensch het genot van den dad

slaap heeft geschonken. het

Het is eene oefening van onberekenbaar nut, iederen avond gezc

tien of minstens vijf minuten aan het gewetensonderzoek te van

wijden. Niet slechts worden wij daardoor met God verzoend, ring

wanneer wij ons in den loop van den dag aan fouten hebben had

schuldig gemaakt; niet slechts neemt een behoorlijk gewe- mee

tensonderzoek om zoo te spreken voorloopig de plaats der zuir

Biecht in, — dat onderzoek is vooral ook een der krachtigste de

middelen om snellen voortgang op den weg der deugd te gebi

maken. Daarom ook hechten de geestelijke schrijvers een inge

bijzonder gewicht daaraan. opgi

Zonder zelfkennis geene beterschap, geen voortgang, en md£

zonder onderzoek geene zelfkennis. O

Die nuttige kennis van zich-zelven, door ons bedoeld, be- één

staat niet in een onbepaald, algemeen bewustzijn, dat ons luk

zekere slechte neigingen en zware fouten vóór oogen houdt, zoo

fouten, die slechts een geheel blinde niet zou bespeuren, — gen

-----mo(

') Spr. 3, 24. E

ocr page 601

565

zij bestaat in die meer diepe kennis, welke ons de passiën toont in haar optreden bij deze of gene aanleiding, in hare verschillende graden van heftigheid, in hare vertakkingen, in haar bondgenootschap met andere driften.

't Behoeft wel geen betoog, dat een zoodanige kennis niet zonder moeite wordt verkregen; dat slechts degene ze verwerft, die herhaaldelijk en nauwkeurig zijn hart, zijn geweten onderzoekt.

Hierbij kunt gij als volgt handelen: smeek door een kort gebed den H. Geest om licht en ga dan in gedachten terug tot aan den tijd van het vorige onderzoek. Thans moet zooveel mogelijk uur voor uur worden nagegaan; laat uwe gedachten, woorden, werken, geheel uw doen en laten vóór het oog uws geestes voorbijtrekken. Hier vrees ik, zwaar gezondigd te hebben-, daar ben ik waarschijnlijk niet vrij van dageli/jksche zonde gebleven; toen heb ik aan de bekoring geen voldoenden weerstand geboden; een ander maal had ik beter kunnen handelen; ginds liet de zuiverheid van meening te wenschen over; dit goede werk is door mij verzuimd, schoon ik verplicht was, het te doen; hier liet ik de schoonste gelegenheid om verdiensten te verwerven ongebruikt; daar leende ik niet volgzaam het oor aan eene ingeving van Boven; hier is mijne hoofddrift gewelddadig opgetreden; daar was ik mijnen goeden voornemens niet indachtig ....

O mijn Heer en God! hoe zwak en ellendig ben ik! Niet één dag zonder fouten! O, heb medelijden met zooveel ongeluk! Ik smeek u om vergiffenis. Ik neem mij voor, morgen zoo en zoo te handelen, voornamelijk bij deze en die gelegenheid. God der liefde en barmhartigheid. God der lankmoedigheid, verleen mij den bijstand uwer genade!

Er zijn Heiligen geweest, die niet alleen des avonds hun

ocr page 602

566

geweten onderzochten, maar ook in den loop des dags nu en dan een paar oogenblikken in zich-zelf traden, snel een blik in hun hart wierpen en als 't ware met één oogslag de laatste tijdruimte of eene pas verrichte handeling van meer dan gewoon belang overzagen: Dit was goed, dat kon beter zijn, dit was verkeerd, — spraken zij tot zich-zelven! en die snelle waarneming werd op den voet gevolgd door het goede voornemen, voortaan bij zulke gelegenheden anders en beter te handelen. — Tot welk een graad van zuiverheid des harten, tot welk eene reinheid van meening en volmaaktheid van handelen de mensch langs dezen weg moet geraken, dit zal u duidelijk zijn.

Er bestaat ook een gewetensonderzoek, dat zeker bepaald gebrek, waarvan men zich wenscht te beteren, tot voorwerp heeft. Zoo kan men zich achtereenvolgens ontdoen van alle gebreken, die meer of minder aan de schoonheid der ziel in den weg staan: ongeduldigheid, liefdeloosheid, al te groote vrijheid der zinnen, praatzucht, nieuwsgierigheid, eerzucht, ijdelheid, traagheid.

O, neem de proef, dierbare jongeling! Uw wil is goed; gij wilt naar de volmaaktheid streven I Doorzoek tenminste eiken avond met vlijt uw jeugdig hart, en laat in deszelfs bodem geen kiem der ondeugd gedijen. Uwe moeite zal ruim, zeer ruim worden beloond!

ocr page 603

HOOFDSTUK CXX.

HET LEVEN MET DE KERK.

Gaud eat mater tua, et

exsultet, quae genuit te.

Spl'- 23' 25-

ei1 groot verschil bestaat, er tusschen den wereld-ling en den vurigen christen, in hnnne verhouding tot beider Moeder, de H. Kerk.

De wereldling bekreunt zich niet om zijne Kerk; haar lijden laat hem koud, hare vreugden zijn hem onverschillig ; van hare genademiddelen maakt hij nooit of zelden gebruik, en nadert hij een enkele maal tot de Sacramenten, dan geschiedt zulks lauw, oneerbiedig, uit sleur of mensche-lijk opzicht; hare gebruiken stelt hij in een bespottelijk daglicht, en laat het anderen over, zich daardoor te stichten; haren geboden weigert hij te gehoorzamen; voor hare bedreigingen heeft hij slechts verachting; hare zegeningen zijn hem niets waard; hare heilige tijden bestaan voor hem als 't ware niet.

ocr page 604

568

De goede christen heeft zijne Kerk lief; immer denkt hij aan heur weldaden; warm en trouw is hij haar verknocht; hij beschouwt het als eene eer, haar lidmaat te zijn; hij verdedigt haar tegen der goddeloozen schimp; hij volbrengt hare bevelen, hij voorkomt hare wenschen; hij verheugt zich met de blijde, is bedroefd met de treurende Moeder; hij leeft in haar, met haar; hij doordringt zich met haren geest, en beschouwt dien als leidstar bij zijn handelen. —

Hoedanig is uw gedrag jegens de Kerk, mijn vriend?

Is zij u vreemd? Maar zij is toch uwe Moeder!

Is zij u onverschillig? Maar zij is toch uwe weldoenster!

Gij wilt dus der Kerk geene liefde en belangstelling betuigen, hoewel geschreven staat: dat uwe moeder zich over u verheuge, en dat zij, die u heeft gebaard, overujuiche? ^

O, blijf steeds een trouw, een liefhebbend zoon der heilige Kerk — niet slechts door te gelooven wat zij gelooft, door te gehoorzamen aan hetgeen zij uitdrukkelijk beveelt, door te luisteren, wanneer zij leeraart, maar ook door u met haren geest te bezielen, door u met haar te vereenzelvigen, door in- en uitwendig met haar de gedachtenis der mysteriën van de liefde en almacht Gods te vieren.

Elk der voornaamste feesten van het „Kerkelijk Jaar'' wordt door een tijd van voorbereiding voorafgegaan: het lieflijk feest van Kerstmis door den Adventstijd, hetPaasch-feest door den Vastentijd, het Pinksterfeest door de dagen na Hemelvaart.

Dan viert de Kerk hare zoogenaamde Vigiliën, d. w. z.: heilige waken, waardoor zij, afgezien van den geest der boetvaardigheid, naar welken zij tot reiniging onzer harten

in zulke dagen met verhoogden ijver streeft, eene heilige ■ *

Spr. 23, 25.

ocr page 605

569

stemming poogt te verwekken, die aan den komenden feestdag beantwoordt. Vallen die hoogtijden als 't ware plotseling in, wijden wij aan hunne komst vooraf geene opmerkzaamheid, dan is de vrees gegrond, dat wij ons op die dagen geenszins in de behoorlijke gemoedsstemming zullen bevinden, dat alsdan de korte duur van zulk een feest niet zal toelaten, ons een juist begrip van den aard des hoogtij ds te vormen.

De hooge feestdagen worden ook door nafeesten gevolgd; de heilige klanken mogen niet op eenmaal wegsterven, de overgang tot de gewone dagen van het Kerkelijk Jaar mag niet plotseling zijn.

De ware zoon der Kerk verheugt zich over die verordeningen; hij begrijpt de oogmerken zijner wijze Moeder. De godsdienst moet diep in 's menschen leven ingrijpen; hij bestaat in geenendeele slechts uit de karige deelname aan eenige snel voorbijgaande kerkelijke ceremoniën!

Hoe schoon en vooral ook hoe nuttig ware het, indien jaarlijks het groote werk der goddelijke liefde, de Verlossing, als in machtige, kleurrijke tafreelen aan ons oog voorbij voer, of, juister nog, wanneer al die goddelijke daden zich weder als levende schouwspelen voor onzen blik ontrolden!

De Adventstijd, de tijd van vurig verlangen naar de komst van den Beloofde, zoude ons opwekken om voor den Messias de wegen effen te maken, de heuvelen in ons hart te sloepen, de dalen te vullen. *)

Het smachtend verlangen neemt toe, de begeerte des ver-wachtens wordt vuriger; het „Eegent, gij wolken, den Rechtvaardigequot;, 2) ruischt inniger, klinkt schier onstuimig onder de gewelven des Heiligdoms. En Hij komt, de vurig

') Luc. 3, 5. Is. iö, 8.

ocr page 606

570

Verlangde; gekomen is Emmanuel, geboren het lieflijke Kind, op wiens schouder de heerschappij der wereld rust. 1)

Allen, die op aard' van goeden wille zijn, gewordt de vrede cie

des heils. Allerwege ruischt: Eere zij God in den Hooge, 2) — st(

en de harten juichen, en alles ijlt ter kribbe heen, om te ya

aanbidden, lief te hebben, te danken, te smeeken. ^

Bij het Kerstfeest sluiten zich de mysteriën der kindsheid ye van Jesus aan.

Thans komt de Vastentijd. De altaren berooven zich van gt, hun sieraad, de blijde gezangen verkeeren in klaagliederen, de opwekking tot boetvaardigheid wordt dringender. fe Jesus' Lijden treedt nu in roerende beelden vóór het oog cider christen ziel. Van de zaal des laatsten Avondmaals en or van Gethseraani volgt zij den goddelijken Martelaar naar v( Golgotha en het graf; Christus' Lijden is haar lijden, want ook zij kan getuigen; Hij heeft mij liefgehad en Zich voor c-[t mij opgeofferd. 3) ei Vooral de Goede Week is voor den waren christen een tijd z[ van hoogen ernst, van stille ingetogenheid, van medelijdende er boetvaardigheid. w En met den Zaligmaker en de Kerk verheugt hij zich op m den grooten dag der Verrijzenis. Zijn Alleluja mengelt zich u met den Alleluja-roep van geheel de Christenheid, en hij k stemt daarmee te blijder in, naar mate hij in dezen tijd van v( het Kerkelijk Jaar meer volmaakt door zijne eigen geestelijke verrijzenis de Opstanding des Zaligmakers heeft ge- ü symboiiseerd. : e] Lang hooren wij het gejubel van den Paaschtijd, tot ein- a] delijk 's Heeren Hemelvaart ons komt herinneren, dat wij ^ weezen zijn geworden, maar ons ook den Trooster belooft,

---d'

*) Is. 9, 0. 2) Luc. 2, 14. quot;) Gal. 2, 20.

ocr page 607

dien wij in de Pinkster-novene met vurigheid afbidden.

En het woord des Heeren is geschied tot zijne getrouwen, de Geest van Boven is neergedaald. De meest verheven mysteriën,. de geheimen van den Eénen God in drie Personen, van de waarachtige Tegenwoordigheid van Jesus in de Eucharistie enz., worden ons nu begrijpelijk, in zoo verre ons verstand voor die begrippen ontvankelijk is.

De Kerk, door den Geest van heiligheid met genaden overstelpt, vervult hare zending op aarde en zal onwrikbaar tot het eind' der eeuwen staan; en zoo blijft ook het Pinksterfeest tot het einde van 't Kerkelijk Jaar voortduren. In het christenhart kiemt en rijpt het goddelijke zaad, en alles schrijdt, onder den bijstand van den goddelijken Genadegeest, moedig voort op de bane der volmaaktheid.

Maar niet slechts van de Geheimen der Verlossing viert de Kerk de dankbare herinnering; eene strijdende, lijdende en triumpheerende 'Kerk, gedenkt zij ook den afgestorvenen; zij wijdt der allerheiligste Maagd Maria bijzondere feestdagen en viert de geheimen harer deelname aan het Verlossingswerk ; zij vereert heilige mannen en jongelingen, vrouwen en maagden, en stelt ze den geloovigen tot een lieflijk voorbeeld. Uit hunne breede schaar kiest zich de zoon der strijdende Kerk voorbeelden ter navolging, patronen, wier schutse hij bij voorkeur inroept.

Arme christen, wien van geheel het kerkelijk leven nauwelijks meer rest, dan de algemeen onderhouden rustdagen, en de doode naam van sommige feesten, die hem hoogstens als eene uitnoodiging tot meer dan gewone losbandigheid, tot zingenot, tot pralerij en ijdelheid in de ooren klinkt!

Niet zóó, o christen jongeling! Toon, dat gij, verheven boven de alledaagschheid van de kinderen der wereld, in iedere wisseling der kerkelijke tijden de lieflijkste harmonie, den

37

ocr page 608

572

nauwsten samenhang met ons einddoel aanschouwt. Neem, zoo uit- als inwendig, trouw deel aan datgene, wat in altoos ■ durende opvolging de Kerk, uwe Moeder, bezighoudt. Maak u jong er aan gewoon, u tot de hooge feestdagen behoorlijk voor te bereiden en ook derzelver octaaf te vieren.

Vergeet het niet: gij wilt deel verwerven aan de/teerZy7i:/ielt;cZ der triumpheerende Kerk, ginds boven wolk en ster; toon u dan ook hier-beneden haar warmen vriend, beter gezegd haar liefhebbenden zoon, die zijn leven met het hare, haar leven met het zijne samensmelt en geene andere vreugde kent, dan die, welke zij schenkt of goedkeurt.

ocr page 609

HOOFDSTUK CXXI.

DE /ON- EN FEESTDAGEN.

Quare dies dionï superat?.. ^ ^ ^ A Domini scientia separati simt.

zoon. gij miskent nog dikwijls het oogmerk, dat

Ik, uw Heer en God, bij de instelling der rustdagen ^\heb gehad. Gij schijnt der meening toegedaan, dat ze ^ enkel dagen van uitspanning zijn, gij eigent ze u toe, schoon het eigenlijk mijne dagen zijn.

— Heer, wordt niet aan uw gebod voldaan, wanneer ik mij van slavelyjk werk onthoude en, zooals de Kerk het voorschrijft, eene heilige Mis bijwoon?

— Mijn zoon, wat zijt ge karig te mijnen opzichte! Heb Ik u niet zes dagen overgelaten, ^ om uwe aardsche belan-

Mm

') 2 Mos. 23, 12,

ocr page 610

gen te behartigen, zes dagen, waarop Ik van u slechts weinig hulde vorder?

— Ja, o Heer; doch juist omdat ik mij gedurende zes dagen heb ingespannen, is mij de zevende tot rust en uitspanning zoo welkom.

— Mijn zoon! niemand ontzegt u rust en uitspanning; daarom ook wordt de Sabbath „rustdagquot; genoemd, en sprak weleer mijn mond tot het uitverkoren volk: Op dien dag zult gij van eiken arbeid rusten. ') Maar, — geef wel acht, er bestaat eene rust, die lichaam en ziel verkwikt, en eene rust, die alleen den aardschen mensch ten goede komt. Gebukt als gij zijt onder den last van duizend stoffelijke belangen, door zorgen overstelpt, voortdurend door de meest verscheiden bezigheden achtervolgd, heeft uwe ziel bijwijlen rust van noode, heilige rust, die haar tijd gunt, in zich-zelve te gaan, daar binnen vele zaken te regelen, het verkeer met de hoogere wereld te verlevendigen.

Erken hierin, o zoon, mijne wijsheid en vaderliefde. Ik heb tijden vastgesteld, die u weder in mijne armen voeren, tijden, die aan het werk uwer zaligheid, het bij uitstek gewichtige, alleen gewichtige werk meer bijzonder zijn gewijd.

Weet, mijn zoon, dat grootendeels hierom zoo onnoemelijk veel zedelijke ellende en eene zoo diepe verworpenheid op de aarde heerschen, dat eenerzijds door velen de arbeid op dezen mijn dag niet eens wordt onderbroken, dat anderzijds door nog meerderen deze rustdagen tot dagen van uitspatting worden verlaagd. Ja — hierom is het aardrijk „verwoest1' geworden. 2) Geen band hecht meer den mensch aan Mij, zijn Schepper; hij verzinkt, de arme, geheel in het aardsche. Op werkdagen arbeid en tijdelijke zorgen, op de Zondagen ijdelheid en genot

») Jer. 12, 11,

■) 2 Mos. 33 2.

ocr page 611

575

en wereldsche dwaasheid, — de overzijde van het graf, de Hemel, de eeuwigheid, waar blijven zij? Helaas!

— 0 Heer, ik belijde het in ootmoed: tot dusverre begreep ik niet genoeg den zin van uw heilig gebod. Ik was ondankbaar, en eigende mij geheel datgene toe, wat ;k tenminste met ü moest deeïen; ik was mij-zelf een vijand, want ik liet zooveel kostbare dagen te loor gaan, die aan de zorg voor mijne ziel hadden gewijd kunnen en moeten zijn.

Wel heeft de Kerk mij dikwijls vermaand, U, o Heer, deze ■dagen te wijden. Door den mond der klokken noodigde ze mij uit tot hare talrijke godsdienstoefeningen; zij bood mij gelegenheid te over om de H. Mis bij te wonen, naar uw goddelijk Woord te luisteren, de H. Sacramenten te ontvangen; zij •ontvouwde luister en pracht bij hare zieltreffende plechtigheden.

Onverschillige, die ik was! Verkwikten anderen zich daaraan, ik verscheen niet aan den zieledisch; ik liep ijdele vermaken na, die, helaas! te dikwijls de rustdagen ontheiligen, tot dagen der zonde maken.

Ja, o Heer, ik heb schromelijk de inzichten uwer wijsheid miskend! Hoe vaak liet, ik mij op uwe dagen door lichtzinnige makkers verleiden tot spel zonder maat, tot eindelooze gesprekken over beuzelarijen, tot nietigheden, tot het bezoeken van gevaarlijke plaatsen, tot verkwisting, tot onwelvoeglijkheden, tot uitspattingen! Hoe dikwijls heb ik, vooral in de avonden van zulke dagen, meer en grovere buitensporigheden te betreuren gehad, dan op de zes werkdagen te samen!

En toch was menigmaal voor mij, van wiens voorhoofd zoo zelden een droppel bitter zweet des arbeids vloeit, de rust en ontspanning, die ik mij veroorloofde, niet meer dan eene gekunstelde behoefte!

O, leer mij, de Zon- en feestdagen heilig en in den geest der Kerk, welke mv geest is, door te brengen.

ocr page 612

576

— Mijn zoon, Ik verheug mij over uwe volgzaamheid; het zal nu in de toekomst beter gaan. Draag zorg, elke week tenminste goed te eindigen, de nieuwe goed te beginnen.

Treed op den vooravond van den Zon- of feestdag in u-zei ven; herinner u. dat gy aan den drempel van mijn dag zijt gekomen.

Besteed grootere zorg aan het sieren van uw hart, dan aan het smukken van uw lichaam.

Verricht op die dagen uwe gewone gebeden met nog meer ijver en vurigheid, dan anders.

Woon met ingetogen geest, eerbiedig en zedig het H. Sacrificie bij. Bestaat hiertegen geen beletsel, wees dan bij de Hoogmis in uwe parochiekerk tegenwoordig: wel-is-waar gebiedt de Kerk eenvoudig, „mis te hoorenquot;; doch het betaamt u, zooveel mogelijk den plechtigen dienst en vooral ook de predikatie bij te wonen.

't Is mijn vurig verlangen, dat gij ook bij de middag- of avondoefening niet zult ontbreken, of dat gij tenminste in den loop van den dag eene kerk zult bezoeken, om daar vóór mijn Aanschijn te bidden.

De Zon- en feestdagen zijn bijzonder geschikt om tot de H. Sacramenten te naderen, daar zij u in zake-voorbereiding en dankzegging tijd in overvloed ter beschikking laten.

Laat zulke dagen, vooral wanneer gij niet in de gelegenheid waart, de predikatie bij te wonen, niet voorbijgaan, zonder in een geestelijk boek te lezen of een weinig te medi-teeren.

De rust, welke gij u op Zon- en feestdagen te recht geeft,, mag niet in lediggang, in een gevaarlijk nietsdoen ontaarden.

De uitspanningen, welke gij u veroorlooft, moeten te eenen-male onberispelijk zijn, en de maat der redelijkheid niet

ocr page 613

577

overschrijden. Zij mogen noch u verhinderen, Mij af te staan wat mij toekomt, noch aanleiding er toe geven, dat de nieuw begonnen arbeidsweek met verzuimenissen wordt geopend.

Zie, mijn kind, zoo kunt gij deze dagen doorbrengen, zoo worden zij voor u dagen van zegen. O — welgelukzalig hij» die den Sabbath houdt en dien niet ontheiligt, en die zijne hand bewaart van eenig kwaad te doen'. 1)

') Is. 56, 2.

ocr page 614

HOOFDSTUK CXXI1.

HET WOORD GODS.

Qui ex Deo est, verba Dei audit.

Jo. 8. 47.

e lichtzinnigheid der jeugd vermijdt gaarne alles. ^ wat opmerkzaamheid van noode maakt, wat nadenken vordert, wat den geest tot ernst kan stemmen.

Hoeveel jongelingen bezoeken nog de predikatie, wanneer uitwendige dwang hen niet meer noopt, ze bij te wonen?

Het Woord Grods aanhooren, ter predikatie gaan, — verveling-wekkend, onuitstaanbaar, nutteloos!..

O dwaze, o zondige rede! Zwijg, jongeling; gij weet niet, wat gij zegt.

Is uwe kennis van den godsdienst zoo uitgebreid, dat verder onderricht geheel overbodig ware? — G-ave het God!

En, o vriend, is ter zaligheid niet meer noodig, dan kennis

ocr page 615

579

alleen? Uwe handelingen zijn afhankelijk van uwen wil, en tusschen kennis en wil ligt nog eene klove, die eerst door de genade moet worden overbrugd. Uw wil moet worden op-geivekt, en hiertoe is vooral het feremZe Woord Gods bekwaam.

Nergens veroorzaakt zelfgenoegzaamheid meer schade, nergens verdient zij strenger te worden gelaakt, dan in zaken, de eeuwigheid betreffende.

Zijt gij volleerd? ligt er niets meer buiten het bereik uwer kennis? O dwaas, hoe kunt gij spreken: ik ben wijs, en de wet des Heeren is bij mij ? Voorwaar, de wijzen zijn beschaamd, verschrikt, gevangen; want het Woord des Heeren hebben zij veracht en er is geene wijsheid in hen. *)

Door het aanhooren van Gods AVoord staat gij met de leerende en bestierende Kerk in betrekking, evenals door de deelname aan het H. Sacrificie met de biddende en verdienende Kerk. Verbreek nu dien heiligen, noodzakelijken band geenszins door uwe verwatenheid of traagheid.

Door middel van het verkondigde Woord des Heeren, wordt voor ons, om zoo te spreken, de Openbaring voortgezet, en het lijdt geen twijfel, dat hem, die met volgzaam oor naar die stemme van Boven luistert, milde genaden worden toebedeeld.

Wie weet, wat God in deze of die predikatie ons wil zeggen ; of Hij niet juist daarin den grondslag tot uwe bekeering wil leggen, of uw zieleleven tot hoogere volmaaktheid opvoeren? Wilt gij den invloed zijner genade belemmeren, of, beter gezegd, u geheel buiten het bereik van dien invloed houden ?

Maar, zegt gij, er bestaat geen gebod, dat mij op zonde beveelt, op Zon- en feestdagen eene predikatie bij te wonen.

') Jer. 8, 8. 9.

ocr page 616

580

Ja; doch het is verboden, in godsdienstzaken door eigen schuld onwetend te zijn; het is (/eboden, die middelen ter zaligheid, welke te onzen dienste staan, ijverig te gebruiken,

— en onder die middelen bekleedt de aanhooring van Gods Woord eene voorname plaats; het is verder ook een gebod, geene ergernis te geven en zich niet af te scheiden van Christus' hoorende Kerk.

Gij spreekt van verveling. O jongeling, het is treurig, u zoo te hooren spreken; nog treuriger ware het. indien gij u werkelijk in de gesteltenis bevondt, die zulke woorden op de lippen voert.

Gij legt, door zoo te spreken, getuigenis tegen u-zelven af; gij velt daardoor, misschien zonder het te weten, een verdoemend vonnis, tegen uwe arme ziel. Luister een oogenblik naar des Zaligmakers woord: Wie uit Godj is, hoort de woorden Gods;1) derhalve, wie de woorden Gods niet aanhoort, ze niet gaarne hoort, wien ze onaangenaam zijn, wie ze ontvlucht

— is niet uit God.

En wat beduidt: niet uit God zijn? En uit wien is hij, die niet uit God is ?

Ziet gij, welk oordeel gij over uw eigen hoofd durft vellen ?

Evenals gezonde, weltoebereide spijzen slechts denzulken mishagen, wier gezondheid is gestoord, zoo heeft slechts hij, die geestelijk ziek is, een afkeer van 's Heeren heilig Woord.

Gij doet ook den Heer, uwen God, oneer aan, als gij weigert, naar zijne woorden te luisteren. IJdel gepraat eer menschen, zoutelooze aardigheden, laffe scherts vervelen u niet; maar het Woord Gods keurt gij, zelfs niet éénmaal per week, een halfuurtje uwer aandacht waardig!

En voelt men zich ooit geneigd, den weerzin, opgewekt

') Joh. 8, 47.

ocr page 617

581

door de minder keurige wijze, waarop een priester Gods Woord verkondigt, op het Woord G-ods-zdf over te dragen, — dit werkelijk doen, aan enkele gevallen eene algemeene uitbreiding geven is voorbarig, onverstandig, onbillijk.

Breng maar een weinig meer geest des geloofs en een weinig minder eigenwaan mee ter kerke, en weg zijn die voorwendselen.

Gevoelt gij weerzin van Gods heilig Woord? Dit kan slechts hierdoor mogelijk zijn, dat gij niet gaarne de roepstem dei-genade verneemt, dat gij in uw zondig leven of in uwe lauwheid niet wilt gestoord worden,

Wijzig dus uwe gewoonte en voeg ook de predikatie of het catechetisch onderricht bij uwe Zondag-oefeningen.

Begeeft gii u ter Kerke om te luisteren naar GodsWoord, •breng dan vooral eene voldoende mate van leerzaamheid mede. Als God Zich verwaardigt, ons Zijn wil kenbaar te maken, dan moeten geest en hart die woorden des levens gretig opvangen. De Heer nadert, ^ — op. Hem te gemoet!

Luister naar hetgeen wordt gezegd in den geest des geloofs en als kwame het uit den mond van God-zelf; pas het op u-zelven toe; laat het doordringen tot uw hart; trek uit het gehoorde eenige besluiten; verlaat de Kerk niet, zónder overeenkomstig het gehoorde een goed voornemen te hebben gemaakt. Handel, gelijk de Moeder van Jesus, van wie de Schriftuur getuigt; Maria beicaarde al deze woorden en over-ivoog ze in haar hart. 2)

Drie dingen zijn het Woord Gods vijandig en verhinderen het zaad van Boven, in ons gemoed te ontkiemen: hardheid, lichtzinnigheid, wereldschgezindheid.

Het zaad van Gods Woord valt op steenrotsen. 3)

') Philipp. 4, 5. 2) Luc. 2, 19. 3) Luc. 8, 13.

ocr page 618

582

Het zaad van Gods Woord valt bij den weg, ') en wordt door de vogelen des hemels gegeten.

Het zaad van G-ods Woord wordt onder doornstruiken (tijdelijke zorgen) verstikt. 1)

Ruim die hindernissen uit den weg, houd die vijanden op afstand, en in uw hart zal het Woord Gods dertig-, zestig-, ja honderdvoudige vrucht voortbrengen. 3)

Weet middelerwijl, o jongeling, dat Gods Woord, u verkondigd, nimmer werkeloos en doelloos blijft.

Het is een zaad; brengt het geene vruchten ter zaligheid voort, dan ontkiemt daaruit voor u de schuld.

Het is een zwaard, door God uit de scheede getogen; het treft steeds en keert nooit onverrichter zake in de scheede terug. Wondt het u niet ter zaligheid, dan wondt het u ten» verderve.

O zwaard des Heeren, hoe lang nog zult gij niet stilhouden? Vaar in uwe scheede, rust en weest still4) Neen, — rust niet, keer niet terug; tref, wond. spaar mij niet, dring steeds dieper door in mijn hart! Spreek, o Heer. tot mijn harte; zoo Gij zwijgt, ben ik verloren!

1

) Luc. 8, 14.

ocr page 619

HOOFDSTUK CXXIII.

DE GODSVRUCHT TOT DE H. MAAGD.

Weet zij niet, hoe dringend gij haren bijstand J\ noodig hebt? O — zij kent de zwakheid uwer jeugd;

zij kent ook de vele en groote gevaren, die u bedreigen.

Maria heeft hare kinderjaren in de schaduw des Heilig-doms doorgebracht; hier groeide zij op en tierde immer weliger, — deze wonderbare lelie, welker zoete geur den Zone Gods op aard' deed nederdalen.

Hoe vijandelijk de wereld aan de lieflijke bloem der kuisch-heid tegenover staat, dit weet Maria in allendeele. Daarom ook wendt zij geheel hare macht aan, om in de jongelingen, die tot haar, de Gezegende, hun toevlucht nemen, die lieflijke deugd tegen ondergang te behoeden.

Ecce Mater tual Joh. 19, 27.

iedaar uive Moeder, o jongeling!

Ja, Maria is bijzonderlijk mee Moeder.

ocr page 620

584

Verder kent Maria de groote beteekenis van den tijd der jeugd, waarin men het zaad der toekomst moet strooien. De lente beslist voor een aanzienlijk deel over de waarde van den oogst.

Zal . Jesus vreugde aan den man beleven, dan moet in den jongeling het goede worden voorbereid. Daarom staat Maria de jeugd liefdevoller bij, naar mate van beur huidige bescherming meer afhangt voor den zegen der toekomst.

Maria bemint den jongeling met bijzondere liefde; het kind Jesus, de knaap Jesus, de jongeling Jesus was gedurende zooveel jaren het voorwerp harer liefde, harer teedere zorgen; deze liefde, deze zorg over te dragen op andere kinderen, knapen, jongelingen, dit maakt den wellust van heur moederhart uit. Nu arbeidt die zoete Moeder gelijk weleer te Bethlehem en Nazareth; zij is overtuigd, haren glorierijken Zoon welgevallig te zijn, door van de hoogte des Hemels af door hare voorspraak de evenbeelden van Dengene bij te staan, dien zij op aarde door hare nooit rustende moederzorg heeft beschermd.

En weet gii, hoe machtig Maria is?

Zij is de Moeder van God, gezegend onder alle vrouwen, met den hoogsten luister in de Hemelen gekroond. Zij bevindt zich het meest nabij den troon van Jesus. Zij is de smeekende Almacht. Is het wel ooit gehoord, dat hare bede werd afgeslagen?

Gij zoekt, o jongeling, een voorwerp, dat uw hart boeie, waaraan gij u in liefde kunt toewijden. Maria is de Moeder der schoone liefde, der vreeze, der kennis, dei heilige hoop. ') O gij, beminnelijke Moeder, wier glanzend zuiver hart de

') Eccl. 24, 24.

ocr page 621

585

heilige Drieéénheid in verrukking bracht en Haar bewoog, Zich op hel nauwst met u te vereenigen I

In Maria is de genade van eiken weg en der waarheid, bij haar elke hoop des levens en der deugd. ') Is er wel ééne deugd, welke Maria niet heeft gesierd?

Zij is de zuivere, ongerepte, vlekkelooze Maagd; gij weet, dat zij te eenenmale zonder zonde is ontvangen.

Zij is de ootmoedige dienstmaagd des Heeren; denk aan de Boodschap des Engels.

Zij is de eenvoudige, de zedige, de werkzame bij uitnemendheid; stel u Nazareth vóór den geest.

Zij is de bij uitstek vriendelijke, voorkomende, milde vrouwe; herinner u het bezoek aan Elisabeth.

Zij is deelnemend, grootmoedig, milddadig; zulks getuigt de Bruiloft van Kana.

Zij is medelijdend, offerwillig, gehoorzaam; zie haar onder het Kruis.

O jongeling, de deugden, die God vooral in u begeert te zien — stralen zij u niet tegen uit den „Spiegel der rechtvaardigheid?'

En de ware 'wijsheid'■ Maria is de Zetel der wijsheid!

Ja — heb Maria vurig lief; rust niet, vóór dat gij eene ware godsvrucht te haren opzichte in u ontwaart.

Gij meent, een Katholiek jongeling te zijn, zonder Maria te kennen, zonder haarwaarts in geestdrift te ontvlammen, zonder haar in uw hart, op uwe lippen te dragen?----

quot;t Is een der hoofdkenteekenen van het christelijk-katho-lieke leven, Maria's voorrechten op prijs te stellen, heur warm lief te hebben. —

ocr page 622

586

En vraagt ge mij: hoe zal ik van mijne vereering voor Maria blijk geven ? — dan antwoord ik u:

Vermijd zorgvuldig al hetgeen Maria bedroeft, haar mishaagt. Op de eerste plaats is de onzuiverheid haar een gruwel.

Overpeins menigwerf Maria's waardigheid en glorie, hare deugden en heiligheid. Denk meer in 't bijzonder na over de deugden, waarin zij heeft uitgeblonken en welke vooral den jongeling zoo heerlijk sieren; tracht, vooral die deugden zoo volmaakt mogelijk na te volgen.

Bid dagelijks tot haar. Maak u aan zeker bepaald gebed gewoon, dat gii op vastgestelde uren tot haar richt. Houd de haar toegewijde feestdagen hoog in eere en vier ze in den geest der Kerk.

Bestaat er gelegenheid, u bij vereenigingen aan te sluiten, die openlijk de vaan der H. Maagd ontvouwen, verzuim dan niet, zulks te doen, en vervul nauwgezet de verplichtingen, er aan verbonden.

In al uwe geestelijke belangen, in de bekoringen vooral, zult gij tot Maria uw toevlucht nemen; zoek bij haar steun, verwacht van hare liefde alle hulp.

Duld niet, dat Maria's eere in uw bijzijn worde aangerand. Mocht dit. helaas! gebeuren, dan neme de zoon de partij zijner Moeder op; treed voor haar in het strijdperk, verdedig haar kloek tegen openlijke en verborgen aanvallen.

De hoofdzaak is, dat men getrouw en met volharding vol-voere wat men voor Maria begonnen heeft, zij het nog zoo weinig.

O vriend, moget gij bij u-zelven de ervaring opdoen, welke vruchten de ware devotie tot Maria in jeugdige harten doet rijpen! O ja, bij haar is alle hope des levens en der deugd! ')

') Eccl 24, 25.

ocr page 623

587

Zij is uwe Moeder in den waren, lieflijksten zin van het woord; wees dan ook gij haar warm toegenegen, voorbeeldige zoon.

Maria oprecht vereerende, vervult gij den vurigsten wensch der Kerk, volgt het voorbeeld aller Heiligen na, handelt in overeenstemming met de geheele Katholieke wereld, die in Maria, na God, haar alles ziet.

O, leer dan van stonde af Maria vurig liefhebben.

O morgenster, ^ sterre van mijn aanbrekend leven, werp mildelijk uw licht in het half-duister van deez' bedriegelijke aarde! Beschijn onverpoosd de klippen, waarop het broze vaartuigje mijnor jeugd zoo gemakkelijk schipbreuk lijdt!

Werp een blik van troost en bemoediging op mij, arme jongeling, wiens levensscheepje, nauw van land gestoken, reeds aan het ruwe spel van een woest golvenheir is overgeleverd !

Dat uw vinger mij troostend op een beter leven wijze, op die altoos kalme haven, waar geen storm mij kan deren, waarboven zich onafgebroken een lieflijk blauw met starren van nooit tanenden luister welft! Daarheen, o Moeder, zult gij mijn scheepje doen stevenen!

O ster mijner jeugd, glanzende, lieflijkester, ik volg u .'Hoe zoude ik kunnen dwalen, wanneer ik mij aan uwe leiding toevertrouw? hoe zoude ik kleinmoedig kunnen worden, als mijn blik zich op u vestigt? hoe zoude ik myjn doel kunnen missen, wanneer gij mijne leidstar zijt?

') Openb. 22, 1G.

38

ocr page 624

HOOFDSTUK CXXIV.

DE HEILIGE BEWAARENGEL.

Ecce ego mittam angelum meum,... observa eum et audi vocem ejus.

Exod. 23. 20. 21.

u!°

|l mochten ons de schillen van de oogen vallen, die het bovenaardsche voor ons verbergen!

Een vorst des Hemels, te mijner schutse afgevaardigd. is altijd bij mij. gaat vóór mij uit, begeleidt mij i op alle wegen.

Ja, zoo ver strekt zich de goedheid des Heeren jegens mij, behoeftig schepsel, uit, dat Hij een der verheven Geesten, die vóór zijnen troon staan, beveelt, mijn levensgezel en beschermer te zijn.

Het is een geloofspunt der katholieke Kerk, dat Engelen tot bescherming der menschen worden afgevaardigd. Ziet wel toe, zoo spreekt de Zaligmaker, dat gij niet een dezer kleinen

ocr page 625

589

veracht; want Ik zegge u, dat hunne Engelen in den Hemel altoos aanschouwen het Aanschijns mijns Vaders, die in de Hemelen is. I)

In deze bescherming der Engelen heeft God ons., menschen, ■een voortreffelijk middel ter zaligheid geschonken.

Om niet te spreken over de zorgvuldigheid, waarmede zij ■over ons waken, en over de macht hunner voorspraak bi) God, — reeds de gedachte aan hunne tegenwoordigheid, de tegenwoordigheid van een reinen Geest, moet heilzamen invloed op ons gedrag uitoefenen.

De nabijheid van mijn Engel herinnert mij voortdurend .aan mijne eeuwige bestemming; zij stelt mij dit leven voor als eene reis, en de vinger van mijn gids wijst mij onafgebroken op het einddoel van den moeilijken tocht.

Zijne tegenwoordigheid boezemt mij eerbied in. Zijn menschen van aanzien, van groote geestesgaven, van buitengewone zedelijke hoedanigheden bekwaam, mij in toom te houden, mij voegzaam en edel te doen handelen, hoeveel te meer ■dan zal het levendige bewustzijn der tegenwoordigheid van een Hemelvorst mijne zeden louteren, mijnen handelingen waardigheid verleenen. mijn ijver aanwakkeren!

Zijne tegenwoordigheid herinnert mij aan de icaarde mijner ziel.

Zijne tegenwoordigheid wijst mij voortdurend op de onuitputtelijke liefde van mijn God, die alles, alles te mijner beschikking stelt, wat mijn eeuwig geluk kan bevorderen: de levenlooze dingen, de redelijke schepselen, zijne hemelsche boden.

Zijne tegenwoordigheid doet mij helder inzien, dat ik deugden heb te beoefenen, deugden, die mij vaak zooveel moeite kosten.

') Math. 18, 10.

ocr page 626

HOOFDSTUK CXXIV.

DE HEILIGE BEWAARENGEL.

Ecce ego mittam angelum meum,... observa eum et audi vocem ejus.

Exod. 23. 20. 21.

mochten ons de schillen van de oogen vallen, die het bovenaardsche voor ons verbergen!

Een vorst des Hemels, te mijner schutse afgevaar-digd, is altijd bij mij, gaat vóór mij uit, begeleidt mij

1 op alle wegen.

Ja, zoo ver strekt zich de goedheid des Heeren jegens mij, behoeftig schepsel, uit, dat Hij een der verheven Geesten, die vóór zijnen troon staan, beveelt, mijn levensgezel en beschermer te zijn.

Het is een geloofspunt der katholieke Kerk, dat Engelen tot bescherming der menschen worden afgevaardigd. Ziet wel toe, zoo spreekt de Zaligmaker, dat gij niet een dezer kleinen

ocr page 627

589

veracht; want Ik zegge u, dat hunne Engel en in den Hemel altoos aanschouwen het Aanschijns mijns Vaders, die in de Hemelen is. ^

In deze bescherming der Engelen heeft God ons, menschen, •een voortreffelijk middel ter zaligheid geschonken.

Om niet te spreken over de zorgvuldigheid, waarmede z;j over ons waken, en over de macht hunner voorspraak bij ■God, — reeds de gedachte aan hunne tegenwoordigheid, de tegenwoordigheid van een reinen Geest, moet heilzamen invloed op ons gedrag uitoefenen.

üe nabijheid van mijn Engel herinnert mi] voortdurend .aan mijne eeuwige bestemming; zij stelt mij dit leven voor als eene reis, en de vinger van mijn gids wijst mij onafgebroken op het einddoel van den moeilijken tocht.

Zijne tegenwoordigheid boezemt mij eerbied in. Zijn menschen van aanzien, van groote geestesgaven, van buitengewone zedelijke hoedanigheden bekwaam, mij in toom te houden, mij voegzaam en edel te doen handelen, hoeveel te meer ■dan zal het levendige bewustzijn der tegenwoordigheid van een Hemelvorst mijne zeden louteren, mijnen handelingen waardigheid verleenen, mijn ijver aanwakkeren!

Zijne tegenwoordigheid herinnert mij aan de Kaarde mijner ziel.

Zijne tegenwoordigheid wijst mij voortdurend op de onuitputtelijke liefde van mijn God, die alles, alles te mijner beschikking stelt, wat mijn eeuwig geluk kan bevorderen: de levenlooze dingen, de redelijke schepselen, zijne hemelsche boden.

Zijne tegenwoordigheid doet mij helder inzien, dat ik deugden heb te beoefenen, deugden, die mij vaak zooveel moeite kosten.

') Math, i?, 10.

ocr page 628

590

Engelen staan ons, menschen, ter zijde, grooten en kleinenr aanzienlijken' en geringen, rijken en armen, zelfs dengenen, die hardnekkig in hunne boosheid blijven, die voor de hulp en het voorbeeld van hun Bewaarengel slechts verachting hebben. Welk een ootmoed!

Engelen verblijven op deze aard' en verzuimen toch niet, vóór den troon des Allerhoogsten den tol van hun eerbied neder te leggen. Welk eene onvermoeidheid in den dienst van God!

Engelen gaan voort, zelfs boozen en zondaars zoo lang te beschermen, als de Heer het wil. Welk eene gehoorzaamheid, welk een geduld!

De tegenwoordigheid des Bewaarengels herinnert mij aan den plicht, niemand een steen des aanstoots te worden of leed te berokkenen. Iemand kwaad aandoen, hem verleiden, — is dat niet zijn Bewaarengel krenken, diens rechtvaardigen toorn opwekken ?

Ja — verheffende gedachte: om mij zweeft altijd een Gods! Hij ziet, wat ik noodig heb, hij vertegenwoordigt mijne belangen bij God, hij verwerft mij de genade van Boven, wekt goede gedachten bij mij op, spreekt mij nieuwen moed in, breidt in het gevaar zijne vleugelen over mij uit, verhindert, dat ik mijnen voet aan een steen stoote; ') hij is mijn krachtige steun, wanneer ik wankel, hij verkwikt mij, uitgeput reiziger; hij schenkt mij raad, waarschuwt mij, is mijn liefdevolle trooster; hij is mijn vriend, leidsman, broeder.

Leerrijke waarheid: om mij zweeft immer een Engel Gods! Hij is derhalve getuige van alles, wat ik denk, spreek, doe, — hij, de zuivere Hemelgeest. Zoude ik hem willen bedroeven? hem willen verjagen?

quot;I Ps. 90, 12.

ocr page 629

591

O geest des geloofs, waarom doordringt ge mij niet geheel en al!

Waarom aanschouw ik niet met het oog des geestes mijn Engel? Waarom denk ik schier nooit aan zijne tegenwoordigheid? Waarom ben ik zoo ongevoelig voor zijne weldaden? Waarom sluit ik het oor voor zijne waarschuwingen ? Waarom handel ik niet overeenkomstig zijn raad? Waarom beveel ik mij niet vaak en dringend in zijne bescherming? Waarom bekreun ik er mij zoo luttel om, dat hij mij ziet? Waarom versmaad ik zijn beminnelijk gezelschap? Waarom maak ik hem niet tot den vertrouwde mijns harten ? Waarom belast ik hem niet met boodschappen voor den Hemel? Waarom leen ik niet zijne vleugelen, of laat mij niet door hem tot aan den troon des Eeuwigen opvoeren?

O — wij zijn de wederstrevers van het licht, en blijven niet op 's Heeren paden! ^ Wij verachten de gaven Gods; wij weten nauw, dat ze ons geschonken werden, laat staan, dat wij er gebruik van zouden maken.

Handel in de toekomst niet meer zóó, en doe het sluimerende geloof in u ontwaken.

Zie, Ik zend een Engel voor uw aangezicht, om u te behoeden op dezen weg, en om u te brengen tot de plaatse, die Ik u heb bereid. Hoed u voor zijn aangezicht, en wees zijner stemme gehoorzaam, en verbitter hem niet; want hij zal uwe overtredingen niet vergeven, want mijn Naam is in het binnenste van hem. ^

O vriend, het pad der jeugd is zoo glibberig; wees op uw hoede!

O vriend, de vijanden uwer jeugd zijn velen in getal en

L

') Job 24, 23. =) 2 Mos. 20, 21.

ocr page 630

592

grimmig van woede; wee den jongeling, die alleen staat I.._ zoek bondgenoot en !

O vriend, de reize uws levens neemt altijd meer in ernst, toe, en vóór u ligt nog een schier eindelooze weg: neem dus-uwe maatregelen, versmaad niet de hulp van een bekwaam en vertrouwd gids!

ocr page 631

HOOFDSTUK CXXV.

TWEE BANIEREN.

Si Dominus est Deus, sequimini eum.

3 Keg. 18, 21.

|| lllill adw. o jongeling, en laat uw blik over een vreeselijk

^ en verheven schouwspel weiden,

'J\sp Vóór Babyion, de stad der verwarring en des zeden-bederfs, hebben Lucifer en zijne trawanten hun leger opgeslagen. Daar zetelt nu de prins der helle op zijn flonkerenden troon; hoog in de lucht waait eene sombere vlag; de zielemoordenaars juichen in't vooruitzicht van bloe-digen buit; zij smeden plannen tegen Jesus, den Gezalfde, en zijne getrouwen; wapens en strikken worden in menigte onder hen verdeeld.

En hoort gij, hoe in den krijgsraad dier helsche machten in 't bijzonder van n sprake is, jongeling ? quot;Wie de jeugd bezit, die heerscht over de wereld; zij dus, roept satan, moet bij ons leger worden ingelijfd, — verleidt haar, trekt partij van

ocr page 632

594

heur onervarenheid; sleept haar met geweld in ons kamp. verkracht heure zwakheid; weest listig, gebruikt honigzoete woorden, dreigt, verschrikt! Wie de jeugd bezit, die heerscht over de wereld, — want zij brengt huisgezin, staat en mensch-heid der toekomst van-zelf in uwe macht. Hier is geld, — doet het vóór hunne oogen glinsteren; hier is eer, — werpt hun dit lokaas toe; hier is vermaak, — o maakt 't hun zoet recht zoet, dit alvermogend middel! — De jeugd moeten wij hebben, roept satan nogmaals uit; zij is de kiem der mensch-heid, de kiem van het rijk mijns Erfvijands; rukt haar los van God, spijzigt haar met stof, doet haar in het slijk wentelen! Vangt haar, legt uwe strikken op haar pad; houdt haar, opdat zij, te eenenmale begoocheld, zich in uw armen werpe, onverpoosd de woorden onzer banier vóór oogen: „Genot, genot, genot! Komt, laten wij het goede genieten, dat zich aanbiedt, en gretig de schepselen gebruiken in de ras voorbijsnellende jeugd!quot;

Gij ziet, gij hoort het: de samenzwering geldt vooral u.

Doch — er is nog een ander legerkamp, en ook hier is van u sprake.

In de velden Jerusalems, de stad van heil en vrede, bevindt zich het legerkamp van den Christus en zijne blinkende schare. In lieflijke schoonheid wandelt Hij tusschen de onafzienbare tenten. Liefde ademt geheel zijn Wezen, liefde omstraalt ziin blik, liefde ruischt u uit den klank zijner stemme tegen.

Komt tot mij, gij allen, die belast en beladen zijt. en Ik zal u verkwikken. ') Geld en eer vermogen niet, u bevrediging te schenken, zingenot kan u niet gelukkig maken. Gij zijc tot hoogere dingen geboren! Zalig de armen van geest, zalig de rreedsamen, zalig die lijden, die vervolgd worden, die treu-

') Math. II, 28.

ocr page 633

595

ren, — zalig vooral de -zuiveren van hart, *) die het kwaad kennen noch willen! O, gaat, mijne getrouwen, zegt dit,den menschen. zegt dit vooral der jeugd onophoudelijk! Rukt hen los van de aarde, wijst hen met nadruk op de nietigheid van het wereldsche; richt hun blik hemelwaarts, boezemt hun geestdrift vóór het bovennatuurlijke, het hemelsche, het eeuwige in! Trekt dan uit; strijdt, redt wat gij kunt, — vooral de jeugd, wier dienst voor de eere mijns Vaders zoo vruchtbaar is!

En de heilige scharen pakken zich om Jesus saam. Sn boven haar waait ernstig en kalm, lieflijk en schitterend do banier des Kruizes, waarop de woorden: , Verstorvenheidquot;, lijdt, weest geduldig: door lijdzaamheid zult gij uwe zielen behouden; 2) wil iemand Mij navolgen, hij verloochene zich-zelf en neme zijn kruis op en volge Mij. 3)

Zoo staan dus Christus en satan, rechtvaardigheid en zonde, licht en duisternis, genade en verderf, Hemel en hel vijandelijk en ten strijde gereed tegenover elkaar.

Machtige legerscharen! ontelbare volkeren! ontzettend krijgsgewoel! grimmige, onverzoenlijke haat, die eerst met den wereldbrand ten jongsten dage zal worden uitgedoofd!

En uwe houding, o jongeling, tegenover deze banieren?

Gij moet aan de zijde van het Kruis staan; hoe zoudt gij u anders een christen jongeling durven noemen?

En toch, — wie zich vermeet te zondigen, heult met den booze, al draagt hij ook den wapenrok van Jesus Christus.

En wie de wereld bemint, wie de verstorvenheid vlucht, wiens streven op het aardsche, op genot, op trage rust en welbehagen is gericht, die behoort feitelijk niet tot het leger der christen kruisvaarders, al draagt hij ook het teeken dor Verlossing op helm en schild en pantser.

') Math. 5, 3. fl'. quot;-) Luc. 21, 19. ') Math. 1G, 24.

ocr page 634

596

Gij wilt u dus geenerlei moeite getroosten, gij wilt niet Dj strijden, christen jongeling ? niet worstelen voor u, niet voor | ^ Christus'' Rijk, niet voor de redding der menschheid? — Slecht sa soldaat, geen soldaat! Stoot hem uit de heilige phalanx, ontrukt hem de gewijde wapenen, laat het eereteeken des Krui- ^ zes niet langer zijne borst sieren; lijfeigene van satan, drage hij voortaan het kenteeken des diers ') op voorhoofd en nek! — Lafaard! verrader! voor eeuwig gebrandmerkte! —

Wilt gij weten, jongeling, hoe dicht gij u bij de banier des i Kruizes bevindt, of hoe ver gij daarvan staat verwijderd?

Zij draagt het woord „Verstorvenheidquot;; dit weet gij. Vraag u dan af, hoe het met uwe verstorvenheid, met uwe , zelfverloochening staat. Hoe meer gij in geest en daad de verstorvenheid beoefent, des te nader bevindt gij u bij het middelpunt van het leger des lichts, bij de gezegende banier, bij den goddelijken Aanvoerder-zalven. Hoe minder gij de verstorvenheid beoefent, des te dichter komt gij bij de uiterste gelederen van liet Kruisheir, des te dichter bij den legertros, bij de achterhoede des vijands.

Hoe ongeregelder gij naar het aardsche, naar bezit, eer en genot verlangt of daarin behagen schept, des te dichter staat gij bij de vlag der helle, ja bij satan-zelf, wiens einddoel genotzucht, zelfzucht, met één woord zelfvergoding is en was. I ik zal boven de hoogten der wolken klimmen, ik wil den Allerhoogste gelijk worden! 2) Komt, laat ons genieten,.... wij zullen ons met rozen bekransen.... 1 3)

Beproef dan u-zelven, dierbare jongeling, onderzoek uw hart. Beslissing is noodzakelijk; immers de Heiland-zelf ver- : klaart nadrukkelijk: quot;Wie niet voor Mij is, die is tegen Mij.4)

') Openb. 19, 20. s) Is. 14, 14. ') Wijsh. 2, C. 8. ') Luc. 11, 23. |

ocr page 635

597

Dan — zonder twijfel is voor u de beslissing reeds gevallen: Hoe dicht staat gij bij het Kruis? hoe dicht staat gij bij satans vlagge ?

Is de Heer onze aanvoerder, dan moeten wij Hem ook iverkelyjk en met volkomen toewijding volgen.

ocr page 636

spe gla I

drc die ber

Mj

var bes I

stri mij den Mj den I erm bod gen

-Pi^der mensch wordt ten strijde voor God opge- ont; ||p^ roepen. Tot ieder wendt Zich de goede, wendt zich ï ook de booze aanvoerder. Wij moeten het Rijk des | en Heeren grondvesten, — wyj-zélf moeten het uitmaken. En vooral op zekere tijdpunten van het leven is de -J doo beslissing dringend van noode, klinkt de oproeping ten I roe] strijde luider in 's menschen oor, — ; hun

Daar rust, op gelijken afstand tusschen het leger van Je- j wei rusalem en Babyion, een jongeling traag en vadzig op den • uit grazigen bodem. Hij staart naar den blauwen hemel, ver- ; met heugt zich in de streelingen des zephiers, luistert behagelijk quot;V naar het zoete gekweel der vogelkens en naar het lieflijk jons ruischen en kabbelen van een naburig stroompjen. Zorgeloos O

HOOFDSTUK CXXYI.

EEN KKIJGSBEELD.

Propter quod remissas manus et soluta genua erigite. Hobr. 12, 12.

ocr page 637

599

speelt hij met de sierlijke veldbloemen, of laat zich het gladde kiezel door de vingeren glijden.

Plotseling wordt hij door een verwijderd gedruisch uit zijn droomen opgeschrikt. Hij wendt den blik naar deze, naar die zijde. In stofwolken gehuld, naderen onafzienbare krijgsbenden. Waarheen vluchten? Hij wordt bevreesd, hij siddert bij den aanblik des gevaars; en nog kan hij niec scheiden van zijn beuzelachtig spel, nog mist hij de kracht om een besluit te nemen.

Een krijger snelt - op hem toe en eischt, dat hij aan den | strijd deelneme. Sta op, roept de soldaat, wapen u en volg : mij; het geldt de eeuwigheid! En de strijder des lichts houdt den verschrokken jongeling de blinkende wapenrusting voor,. ' hij reikt hem het bliksemende zwaard en, op den naderenden vijand wijzende, vermaant hy hem dringend tot spoed.

En besluiteloos, als hij is, verwijfd, laf. vreemd aan eiken issaK | ernst, afkeerig van de daad, wijst de jongeling liet aange-boden wapen af, en wordt hem dit tegen zijn wil opgedrongen, dan laat hij het willoos en moedeloos aan zijne hand )ge- ontglippen.

rich Treurig te moede vervolgt de strijder des lichts zijn weg des :l en neemt de versmade gave met zich mede.

een. Maar zie, reeds wordt de kinderlijk jammerende omringd

I

3 de | door krijgers uit het legerkamp van Babyion. Kom mede! ten : roepen zij en houden hem, dreigend en verlokkend tevens, ! hunne vurige wapenen voor. En daar hij ook nu weifelt, Je- ; werpen de helsche jagers hoonlachend hunne vangnetten den i uit en sleepen den omstrikten jongeling zonder medelijden rer- met zich voort. —

slijk Vriend, zijn er niet genoeg van die beklagenswaardige flijk Ijongelieden in de ruimte tusschen Babel en Jerusalem? — .oos ï O zeker, genoeg, — besluiteloozen, lafaards, weekelingen.

4

ocr page 638

600

zwakke zielen, die slechts van droomen leven, zich door hun gevoel in sluimer laten wiegen, wien trage rust en zingenot alles zijn; ongelukkigen, die hun tijd hier op aarde, dien kostbaren, voor den kamp aangewezen tijd, miskennen, verbeuzelen, verspillen; nietswaardigen, die nooit met kracht de hand aan eenig werk slaan, geen plan met ernst volvoeren, de hun voorgehouden wapenrusting der genade en deugd afwijzen, zich nimmer geweld aandoen, uit vrees voor zedelijke vermoeienis nimmer de wieken hunner ziel ontplooien.

Welaan! strijder, ridder wilt gij niet zijn, wees dan slaaf; ridder wilt gij niet zijn, — wees dan beul; het licht schuwt gij, — begraaf u in de duisternis; wilt gij niet verwarmen, zoo brand; wilt gij niet zegepralen, — want in Jesus' leger zegeviert hij, [die zegevieren wil, — delf dan het onderspit. Maar — wee u! de strijd beslist over den eeuwigen Hemel, over de eeuwige hel!

Begrijpt gij nu, hoezeer terecht de Apostel waarschuwt: „Richt weder op de verslapte handen en de verlamde knieën?quot; ')

En op eene andere plaats: Doet aan de volkomene wapenrusting Gods, opdat gij kunnet staan tegen de kunstenarijen des duivels! Want wij hebben den kampstrijd niet tegen vleesch en bloed, maar tegen de overheden en machten, tegen de wereldbeheerschers van deze duisternis, tegen de geesten der boosheid in het bovenaardsche. Daarom, grijpt de volkomen wapenrusting Gods, opdat gij kunnet weerstaan in den boozen dag, en alles volbracht hebbende, moget zegevieren. 2)

') Hebr. 12, 12.

s) Eph. 6, 11, 12, 13.

ocr page 639

HOOFDSTUK CXXVII.

TWEE LEGERAFDEELINGEN.

Labora, sicut bonus. ,v milis Crhisti Jesu.

2 Tim. 2,

éA estaan er in het leger van den Christus geene rangen, geene waardigheden?

® O ja. Voor een ieder, die onder Jesus' vaandel strijdt, geldt het de vernietiging van de heerschappij der zonde. Doch naar mate ieder krijger zich met meer ijver op die vernietiging toelegt; naar mate hij daartoe krachtiger middelen aanwendt; naar mate hij met grooter liefde en zelfverloochening aan de grondvesting, uitbreiding en voltooiing van het Rijk Gods, het Rijk der genade, deugd en heiligheid, arbeidt, naar mate hij zich meer van het booze afkeert en zich tot het goede, ja tot het beste neigt; naar mate hij zich meer toelegt op de bereiking van al hetgeen aan zonde en moreele bedorvenheid vijandelijk tegen-

jfé'

ocr page 640

602

over staat, — des te hooger is zijne waardigheid in het leger Gods, des te dichter staat hij bij den heraelschen Aanvoerder, des te dierbaarder is hij den Veldheer, des te glansrijker is de kroon, die hem na den strijd op de slapen zal worden gedrukt.

Zie, o Heer, zoo spreken de eenen, ik verafschuw van ganscher harte de zware zonde. Ik beschouw ze inderdaad als het grootste ongeluk. Haar wil ik te allen prijze vlieden. Werden mij alle kronen der aarde aangeboden als prijs voor ééne doodzonde, en werd ik, niet toestemmende, met eene gruwzame geeseling bedreigd, — neen, o mijn Heer en mijn God, door uwe genade ondersteund, zoude ik U niet ontrouw worden! Ik bemin u, o God mijns harten; wie zal mij van uwe liefde en genade losrukken? 1) Uwe wet, o Heer, wil ik in alles en altijd vervullen;2) want niet tenzij langs dezen weg ontkom ik aan de klauwen van het dier, — zóó alleen beantwoord ik getrouw aan het doel, waarvoor ik geschapen ben, zóó alleen bereik ik mijne grootsche bestemming. Op het oogenblik, dat die haat tegen de doodzonde uit mijn harte week, zoude ik reeds buiten de rijen van uw goddelijk leger staan, mij onder de vlag uws vijands hebben geschaard, een krijgsslaaf van Lucifer zijn geworden ....

Zoo spreken dezen, 't Is hun bekend: quot;t geldt hier een strijd op leven en dood, 't geldt hier de keuze tusschen Hemel en hel. —

En wie zijn degenen, die, in veel geringer aantal, de keurbende in de onmiddellijke nabijheid van Jesus en zijne banier vormen?

O reine zielen, — gij verafschuwt ook de dagelyjksche zonde! Geen aardsch genot, geene bekoring, geene bedreiging ver-

') Eom. 8, 35. ') Ps. 118, 44.

ocr page 641

603

mag u te brengen tot de vrijwillige overtreding van het geringste gebod des Heeren,

Eene dagelijksche zonde vrijwillig en met volle kennis begaan? Neen, in der eeuwigheid niet meer! Is niet ook zvj eene beleediging van den Allerhoogste? O mijn Heer en mijn God, ik heb mijn harte geneigd tot de vervulling ten einde toe van alles, wat U welbehagelijk is. Armoe en rijkdom, eer en smaad, vreugde en rampspoed, gezondheid en ziekte, lang of kort leven, — alles, o Heer, is mij onverschillig, — wanneer slechts uw heilige wil wordt vervuld, uwe glorie bevorderd, de ziel harer volmaaktheid meer nabij wordt gebracht.

Zoo spreken deze edelen, deze belangeloozen, hoog verheven boven alle kleinzieligheid, evenals de vrije, grootmoedige verdediger des vaderlands boven den afhankelijken, zelf-zuchtigen huurling. —

Dan, o mijn God, ik aanschouw nog ecMer strijderen. Welk een helder licht ontstraalt aan hunne wapenrusting! hoe opgewekt en koen flikkeren hunne zwaarden! hoe ver steekt hunne fiere gedaante boven de rijen des gemeenen volks uit!

Ridderen des Kruizes, bevoorrechte schaar, moedig, hoewel klein kuddeken '), vertrouwden des Aanvoerders, kenners van zijne plannen, werktuigen zijner goddelijke daden, — keurbende, die den Gezegende met uwe lichamen dekt, wier hand de gewijde banier omknelt, — bewonderenswaardigen, roemrijken, overgelukkigen, — o spreekt: wat heeft u zoo groot gemaakt? hoe kwaamt gij op die eereplaats? hoe klomt gij zoo hoog in waardigheid?

Wij willen Jesus alleen, antwoorden die edelen. Om zijnentwille hebben wij aan al het andere verzaakt. En hadden wij

'J Luc. 12, 32.

39

ocr page 642

604

ons ook in volle gerustheid van geweten in liet bezit van de goederen der aarde kunnen verheugen; hadden wij, zonder onze ziel in gevaar te brengen, rijk kunnen zijn, in eer, genot en wellust kunnen leven, — dan nog zouden wij er de voorkeur aan hebben gegeven, met Jesus, den arme, arm te zijn, met Jesus, die lijdt, te lijden, met Jesus, den ootmoedige, de ootmoedigheid te beoefenen. Wij willen Jesus, en Jesus den Gekruisigde. ') Wij brachten Hem ten offer wat wij hadden en ivaren, hebben en zijn konden: wij hebben getuigd : „Ons is het leven Christus, en het sterven gewin.' 2) — Hoe konde het ons genoeg zijn, slechts de zonde, zij het ook de kleinste, te vlieden? Ware het billijk, Jesus alleen te laten. Hem, die mij heeft liefgehad, en Zich voor mij heeft overgeleverd? O armoede, o Kruis en lijden! O geringheid en smaad! o gij. levensgezellen van den Heiligste der Heiligen, weest ook mijne begeleiders, en voert mij over doornen en nagelen, over Gethsemani en Golgotha naar Thabor en het hemelsche Jerusalem!

Hebt gij nooit van Heiligen gelezen, die ter wille van God alles vaarwel hebben gezegd? Zie, dezen zijn het, die inliet leger van den Christus eene zoo verheven waardigheid be-kleeden.

Ziedaar nu de rangorde in de strijdscharen des lichts. Kies in haar midden uwe plaats, dierbare jongeling; maar zie wel toe, dat gij niet uit karigheid ten opzichte van uw Heiland, uit gebrek aan liefde en toewijding dienst nemet in eene legerafdeeling, die te ver van het middelpunt, van den Aanvoerder, van de banier is verwijderd.

Kies uwen post, jongeling, en kies hem voor geheel uw leven,

) Cor. 2, 2. •) Plulipp. 1. 21.

ocr page 643

605

met dit voorbehoud alleen, dat gij nog steeds dichter bij Jesus kunt geraken, als de hemelsche Aanvoerder u die eer mocht waardig keuren.

En — waar gij eenmaal zijt, strijd daar, als een kloek soldaat van Christus Jesus!

') 2 Tim. 2, 3.

ocr page 644

(

ste

bot

]

ger. ore bei vei ge\ (

sta

HOOFDSTUK CXXVIII. mij

1 bes

HET TEGENWOOHDIGE EN DE TOEKOMST. bijs

aar

J

Fili, sine concüio nihil facias, ; WO et post factum non poenitebis zijr Eccl. 32, 24. ' -j,

m. poedig, o dierbare jongeling, zult gij bij den kruisweg Go( uws levens staan. J

v Hier moet gij een besluit voor de toekomst nemen, — lijk

paden hier, paden ginds. voo

De tijd der algemeene voorbereiding is voorbij, die van geb

de bijzondere gaat beginnen; gij moet thans weten, tot welken keu

staat gij eerlang 7Ailt behooren. kur

Beslissend oogenblik, het oogenblik eener keuze, waarvan har

misschien de eeuwigheid afhangt! sta.

Ja, mijn vriend, van de keuze van een levensstaat kan de | en

eeuwigheid afhangen. Iedere staat brengt plichten mede, en A

de vervulling of verwaarloozing daarvan zal eenmaal de hoofd- mij:

grond van ons oordeel uitmaken. ■ de

ocr page 645

607

Om mij van deze plichten van staat getrouw en verdienstelijk te kunnen kwijten, heb ik twee dingen van noode: eene bovennatuurlijke en eene natuurlijke bekwaamheid.

De bovennatuurlijke bekwaamheid is niets anders, dan de genade van staat, d. w. z.: de niet slechts voldoende, maar ook overvloedige hulp van Boven, die mij beschermend, leidend, bemoedigend ter zijde staat, die mij kracht verleent tot de vervulling mijner bijzondere plichten, die mij in de bijzondere gevaren beschut, in de bijzondere moeilijkheden staande houdt.

Op die genade heb ik slechts dan aanspraak, wanneer de staat, dien ik omhels, de mij door God voorbeschikte is. Valt mijne keuze op een staat, welken God niet voor mij heeft bestemd, dan doe ik willekeurig afstand van den bijzonderen bijstand, die mij in den staat, door den wil der Voorzienigheid aangewezen, ware toebedeeld.

Natuurlijke bekwaamheid schenken eenerzijds talent en wetenschap, schenkt anderzijds een opwekkend bewustzijn, dat zijn oorsprong vindt in de overtuiging: ik ben op mijne plaats; ik ben waar God begeert, mij te zien; ik vervul den wille Gods — ik mag op zijne hulp rekenen.

Ja, dit bewustzijn kan met recht eene soort van natuurlijke bekwaamheid worden genoemd. Heb ik mij door eene voorbarige keuze, waarbij God niet is gekend, in een staat gebracht, welke noch door den Allerhoogste wordt goedgekeurd, noch door mij-zelven, wanneer ik rijp nadenk, — dan kunnen mismoedigheid, toorn, berouw mijnfen geest en mijn hart dermate verduisteren en bezwaren, dat de plichten van staat vreeselijk er onder lijden, en de veerkracht van ziel en lichaam grootendeels wordt verlamd.

Arbeid ik met lust: sterkt mij de overtuiging, dat ik op mijne plaats ben; werkt de gedachte, dat 's Heeren wil met de keuze van mijn levensstaat overeenstemde, geest- en

ocr page 646

608

hartverheffend op mij, — dan ondervindt geheel mijn handelen daarvan den meest heilzamen invloed, dan is mijn werk frisch, krachtig, duurzaam, onvermoeid.

Gij kunt noch de eene, noch de andere bekwaamheid ontberen, — de bovennatuurlijke het allerminst. Zoo de Heer het huis niet bouwt, te vergeefs arbeiden de bouwlieden er aan. l) En: Wie van u, een toren willende bouwen, zet zich niet vooraf neder, en berekent de kosten, die noodig zijn, of hij heeft, om te voleindigen? 2)

Het lijdt geen twijfel, dat zeer vele menschen in en door dezen staat verloren zijn gegaan, die in een anderen zalig waren geworden. Zij waren tegen de moeilijkheden, welke de staat, door hen gekozen, medebracht, niet opgewassen, zij kweten zich niet van hunne plichten, God riep hen over dat verzuim ter verantwoording, en zijne rechtvaardigheid moest hen verdoemen.

Ja, hoe menigeen viel der hel ter prooi, omdat hij op-aarde niet was hetgeen God wilde; hoe menigeen troont nu in den Hemel, die in de hel ware geweest, hadde hij niet den staat gekozen, dien God hem aanwees!

Wie blindelings een staat omhelst, wie zich in die aangelegenheid van zoo onmiskenbaar gewicht alleen door stoffe- . Ujke belangen laat geleiden; wie zich om den wille Gods | niet of weinig bekreunt; wie den Allerhoogste niet raadpleegt, — die schendt zijne rechten, belemmert de volvoering | van zijn wil, verijdelt zijne liefdevolle oogmerken.

Hij begaat een onrecht tegenover de maatschappij. De niet | geroepene, de indringer gelijkt op het verstuikte lidmaat, dat pijn veroorzaakt en geheel het lichaam doet lijden, daar het zich niet op de behoorlijke plaats bevindt.

') Ps. 120, i.

!) Luc. 14, 28.

ocr page 647

609

Hij berokkent zich-zelf onberekenbaar nadeel, daar hij zich tot een werkkring veroordeelt, waarin zijne talenten en bekwaamheden zich niet of weinig kunnen ontwikkelen, waarin hem die vruchtbare speelruimte ontbreekt, hem door den Schepper en Verdeeler van alle goede gaven aangewezen. Vooral echter berokkent hij zich nadeel, doordat hij in euvelen moede zijn hoogste en kostbaarste goed, de onsterfelijke ziel, op het spel zet.

Hoe ook de lichtzinnigheid der jeugd over de keuze van een levensstaat denken moge, hoe aardsch en eigenmachtig vele jongelieden daarbij te werk mogen gaan, — blijf gij, dierbare, de heilzame overtuiging met u omdragen, dat veel, zeer veel, dat wellicht alles voor u van de keuze van een levensstaat afhangt, — tijd, eeuwigheid, Hemel, hel, vreugde, smart.

Raadpleeg dus God, o jonge pelgrim der aarde; vraag Hem, waarheen uwe schreden te richten. Het is niet onverschillig, welk pad gij kiest. Beter is het, rijpelijk na te denken, dan later in bitteren rouw een overijlden stap te moeten betreuren.

ocr page 648

HOOFDSTUK CXXIX.

BIJ GOD IS RAAD.

Ipse diriget consilium ejus et disciplinam, et in absconditis suis con-

'--n siiiabitur. Eccl. 39, 10.

„Busaaisai aarom, zegt gij, moet ik God bij de keuze van een ferquot;- levensstaat om raad vragen? Is 't Hem dan niet onveracliillig, wat ik worde? En ben ik dan niet vrif).

.'y' te kiezen wat mij goed dunkt?

L' Gij zijt vrij, geheel vrij, dierbare jongeling, — d. w. z.: God heeft u het vermogen des vrijen wils geschonken; gij kunt dezen of dien staat omhelzen, — mits hij u tot heil, niet tot verderf strekke. Het richtsnoer van onzen ivil kan slechts de wil van God zijn, en ieder bewust en vrijwillig afwijken van dat richtsnoer is een strafwaardig misbruik onzer vrijheid.

En onverschillig ten opzichte uwer keuze van een levensstaat kon de Heer slechts dan zijn, wanneer 't Hem ook te

ocr page 649

611

eenenmale onverschillig was, of zijn heilige wil door ons, menschen, al dan niet gekend en vervuld werde, en of wij al dan niet ons einddoel bereiken.

God is vader-, het is zijn recht, ieder onzer in het grocte gezin der menschheid eene plaats aan te wijzen.

God is veldheer; aan Hem is het, te bepalen,, welken pose deze en gene mensch in het leger zal innemen.

God is heerschar; de vorst roept zijne onderdanen in de nabijheid zijns troons, of vereert hun op grooten afstand daarvan met betrekkingen, waarin zij de welvaart des rijks moeten behartigen en zich-zelf met roem kronen.

Moet hier-beneden alles voor God worden verricht en met Hem, ons einddoel, in betrekking staan, dan is ook eene ter-zijde-stelling van God ondenkbaar, wanneer het geldt de keuze van een levensstaat, met dit ons verheven einddoel samenhangende.

Ja, o mijn God, het is mij duidelijk: Gij moet mijn Raadgever zijn in deze aangelegenheid van zoo hoog en onmiskenbaar gewicht; ik kan, ik mag niet zonder U een besluit nemen! Ik ben verplicht, alles in het wTerk te stellen, om in die beslissende zaak den wil uwer Voorzienigheid te kennen.

Maar hoe zal ik tot de kennis van dien wil geraken?

Hoewel God niet langs den weg der zinnen met ons in betrekking staat, resten Hem nog tuegen te over, om ons zijnen wil meê, te deelen.

Of kan Hij niet ons verstand verlichten, onze neiging zóó bestieren, dat ons in betrekking tot de keuze van den levensstaat, ons door God aangewezen, geen twijfel overblijft?

Buitengewone openbaringen van 's Heeren wil moogt gij echter niet verwachten; maar gij hebt die ook geenszins van noode. Nadenken en gebed verschaffen u in deze voldoende zekerheid.

ocr page 650

612

Werp dan een blik op u-zelven. Dit zijn mijne talenten en bekwaamheden; dusdanig is mijn karakter, ziedaar de goede, ziedaar ook de verkeerde zijde mijner geaardheid; dit is mijne hoofdpassie, waarbij zich nog deze en die aansluiten; zóó verliep tot dusver mijne jeugd; dit waren de klippen, die mij gevaarlijk toeschenen, of waarop ik inderdaad schipbreuk leed ....

Laat vervolgens de reeks der verschillende, staten vóór het oog uws geestes voorbijtrekken. Deze plichten brengt die staat mede, in genen moeten deze worden vervuld. In dien staat dreigen mij gene, elders deze gevaren; hier worden mij deze. elders die middelen ter zaligheid aangeboden.

En breng nu de verschillende staten in betrekking tot uwe persoonlijkheid, tot uive bekwaamheden, tot uw ziele-toestand, immers, het geldt hier uw roep, — de keuze van een staat, voor u geschikt, van een staat, waarin gy tijdelijk en eeuwig geluk moet vinden, van een staat, die u tot een bruikbaar lid der samenleving moet maken, voor u een veilig pad ten Hemel vormen.

En voeg dan bij dit rijpe nadenken het gebed, gebed om licht, gebed om moed, — want God eischt mogelijkerwijze een offer. Nader in deze periode vaker tot de Sacramenten, en leg vooral bij de Communie den Zaligmaker uwe belangen bloot.

Hebt gij vertrouwen in een wijs en ervaren persoon, wien de eere Gods en uiv ivaar geluk ter harte gaan, die u grondig kent, met uwe zwakheden en goede eigenschappen, met uw verleden en met uw huldigen toestand geheel is vertrouwd, — spreek dan met hem in alle oprechtheid; zijn raad kan u bij uitstek nuttig zijn.

Verzuim ook niet, met uwe ouders te spreken, — tenminste dan, wanneer gij weet, dat zij onpartijdig zijn, en u van

ocr page 651

613

hunne zijde geen ongeoorloofde pressie te wachten staat.

Ten tijde, dat gij u met de keuze van een levensstaat oezig houdt, moet gr nog reiner leven, dan anders. De zonde verduistert 's jongelings geest, bezwaart zijn gemoed, vermindert zijne bekwaamheid tot het goede; de zonde belemmert de volvoering van goede voornemens en zoekt breede, effen paden op. De zonde, — ach! de zonde verijdelt zoo menige verlieven roeping, smoort zoovele grootsche denkbeelden reeds in de kiem!

Stel u ook de volgende vragen, en beantwoord ze kalm en oprecht; — groot is hare beteekenis, en zonder twijfel brengen zij u tot de kennis der waarheid.

Welken staat zal ik eenmaal op mijn doodsbed wenschen, gekozen te hebben ?

Over welke keuze van een levensstaat zal ik ten jongste dage byj het oordeel met de meeste gerustheid rekenschap voor God kunnen afleggen?

Had ik een vriend, dien ik zoo goed kende en zoo oprecht liefhad, als mij-zelven, wiens gelak mij even na ter harte ging, als mijn eigen geluk, — welken staat zoude ik hem aanraden, als hij mijne beslissing inriep?

Tot welken staat voel ik mij herhaaldelijk uitgenoodigd door die geheimzinnige stem in mijn binnenste, door eene op godsdienst en geloof steunende neiging?

Ja, mijn dierbare jongeling, overweeg dit alles rijpelijk! De keuze van een staat heeft schier altijd de beslissing over geheel het leven, — want „staatquot; (stand) beteekent eene^erwa-nente (blijvende, duurzame) betrekking, waarin ieder mensch zich bevindt tegenover de groote menschelijke samenleving, waarvan hij deel uitmaakt. En, het worde geen oogenblik door u vergeten, ons eeuwig leven zal geheel afhankelijk zijn van het leven, dat wij hier-beneden hebben geleid.

ocr page 652

614

Een misgreep bij de keuze ware noodlottig, een misgreep konde Avellicht nooit worden hersteld.

O bid, bid vurig den Allerhoogste, dat Hij uwe schreden in waarheid bestiere, 1) dat Hij u voorlichte bij de keuze van een levensweg! 1

1

Zie nader: „Be Keuze van een Levensstaat, beschoinvd in het licht van Geloof en Bedequot;; door wijlen P. Adolph van Dosz, vert, door Joseph Witlox. (Bekker, Arasterd.)

ocr page 653

HOOFDSTUK CXXX.

BETHLEHEM.

Et Verbum caro factum est et habitavit in nobis.

Jo. 1, 14.

et is vooral noodzakelijk, dat hij, die een levensstaat moet kiezen, te eenenmale, onvoorwaardeliik aan m- 's Heeren wil onderworpen zij; dat hij zich niet door ^ vooroordeelen late verblinden, dat hij niet moedwillig de 1 stralen van het licht des heiligen Geestes ontwijke, dat Hij uit 's Heeren hand in liefde en dankbaarheid aanvaarde wat hem is voorbeschikt.

Om dien goeden wil te verkrijgen, om in de keuze der middelen, die ons naar de eeuwige bestemming moeten voeren, niet te falen, is het zeer nuttig, dat wij aandachtig het verheven voorbeeld beschouwen, ons door Jesus nagelaten. Zijn oordeel over de dingen der wereld, zijne volkomen onderwerping aan den wil zijns eeuwigen Vaders bevatten voor

ocr page 654

61C

ons gewichtige lessen, wijzen ons recht duidelijk op den plicht van kinderlijke gehoorzaamheid aan den wille Gods.

Te Bethlehem begonnen de verheven daden van onzen Koning en Aanvoerder. Daar ontplooit Hij zijne banier en schrijft daarop in lichtende karakters zijne leuze.

En het Woord is vleesch. Gods Zoon is mensch geworden en heeft onder ons gewoond. ')

God neemt de menschheid aan en bekleedt Zich met de armzalige, broze menschelijke natuur.

Maar nog is dit zijner liefde niet genoeg.

Jesus wordt kind, een arm, lijdend wichtje.

Hij brengt Zich uit vrijen wille in dien toestand van hulpeloosheid, afhankelijkheid en vernedering, die den mensch op den drempel van zijn aardsch leven verbeidt.

Hij kiest Zich eene arme Moeder, die, in weerwil van alle liefde en bezorgdheid, waarmede zij haar Kindeken omgeeft, den Heiland nauw kan in doeken winden. Hem als legerstede een handvol stroo moet aanbieden.

Tijd en plaats, alle omstandigheden dragen er toe bij, om zijne intrede in deze wereld hard en pijnlijk te maken.

De gevoelloosheid der menschen, het ruwe jaargetij, de weinig gastvrije spelonk, de harde kribbe, de verlatenheid, het gezelschap van redelooze dieren, — smarten, ontberingen, vernederingen, die slechts door eene liefde zonder maat worden gekozen, worden geduld.

O nederigheid, geadeld door de keuze van mijn Zaligmaker!

O armoe, met rijkdommen overstelpt door de opoffering van een God!

O lijden, door Jesus' voorkeur, aan u boven alle vreugd dei-aarde geschonken, te eenenmale in zoetheid verkeerd!

') Joh. i u.

ocr page 655

617

Hoezeer beschaamt Gij mijne karigheid, o milde Verlosser! Ik wil U dienen, maar zonder eenig offer te brengen, — dienen in eer, in gegoedheid, in gemakken en geneugt! Ik ben, v/el-is-waar, bereid, uwen wil te volgen; maar ik gedoog niet, dat hij mij op smalle, oneffen wegen voere, die mijner laffe natuur konden mishagen.

Word ik uitgenoodigd, een klein offer te brengen, mij eenig geweld aan te doen, mijne zelfzucht te overwinnen, mijne zinnelijkheid, mijne gierigheid, mijne genotzucht te breidelen, - o, dan is mijn goede wil uitgeput, dan ontzinkt mij de moed, dan verkoelt mijne liefde, dan verflauwt mijn ijver, dan trekt zich mijne hand, nauw tot geven bereid, weder terug.

Nog eenmaal, o Jongeling, ijl ter kribbe heen, en aanschouw het Kindeken!

Hier hebt gij daden, geene woorden.

Het zijn daden der eeuwige Wijsheid: zij spruiten voort uit beweeggronden, die zelfs de mogelijkheid eener dwaling uitsluiten.

Het zijn daden der eeuwige liefde: zij beoogeri slechts het geluk der menschheid, hare genezing van het ziekelijk streven naar weréldsch geluk.

Het zijn daden der eeuwige heiligheid: zij moeten God de eere teruggeven. Hem door de drievoudige afgoderij van geest, vleesch en stof vermetel ontroofd.

Zóó handelt Jesus, — en — voor mij. Wat echter heb ik voor Jesus gedaan'? Wat zal ik voor Hem doen?

Jongeling, die bij Jesusquot; kribbe verwijlt, ziet gij niet, dat de vervulling van Gods heiligen wil alle volmaaktheid in zich besluit? Ziet gij niet, dat ook in het offer zaligheid is, of, juister gezegd, — dat het offer alleen waar en duurzaam geluk kan schenken, door het zondige Jkquot; uit ons te verdrijven? En

ocr page 656

618

straalt u uit de lieflijke trekken van het Kindeken niet het volle licht van dien onbeschrijflijk zoeten hemelvrede tegen, welken de ééniggeboren Zoon in den schoot zijns Vaders in eeuwigheid geniet?

Ja, verwerp bij Jesus' kribbe die vooroordeelen, welke gij reeds met de moedermelk inzoogt, vooroordeelen tegen lijden, ontbering, ootmoed, offer. — In het offer, door God gewild, is zaligheid!

ocr page 657

HOOFDSTUK CXXXL

NAZARETH.

Pauper sum ego et in laboribus a juventute mea. Ps. 87, 10.

ot aan het dertigste jaar zijns levens vertoeft de Zaligmaker in de verborgenheid van Nazareth, is •xr Maria en Joseph onderdanig ') en helpt zijn voedster-

vader in diens arbeid voor een sober levensonderhond. Het kind Jesus groeit op tot een knaap, de knaap tot een jongeling, de jongeling tot een man, — en der wereld is hiervan niets bekend; zij vermoedt in geenen deele, dat heur bodera sinds lang Dengene draagt, naar wiens verschijning duizenden jaren in biddend verlangen is uitgezien.

Zoo vervult reeds nu de Heiland datgene, wat Hij straks leeraart: Leer van Mij, dat Ik ootmoedig van harte ben. 2)

l) Luc. 2. 51.

I

Math. 11, 29.

40

ocr page 658

620

Hij leert niet werelden scheppen, niet mirakelen wrochten, niet dooden opwekken, niet op de baren der zee wandelen, niet verbazing opwekken en bewondering afdwingen door nooit geziene, nooit gehoorde dingen. — Hij leert gehoorzamen, ontberen, lijden ; Hij leert ootmoedig, ingetogen zijn, — dagen, maanden, jaren onbekend, in noesten arbeid doorbrengen.

Arm leven, dat Jesus te Nazareth leidt! Voedsterzoon eens timmermans, kent Hij geen overvloed, geene weelde, geene pracht, geen hoogmoed des levens.

Moeilijk leven, het leven van Jesus te Nazareth! Hij arbeidt; zweet druppelt van zijne slapen, en, moede van het dagwerk, legt zich de goddelijke Jongeling ter korte nachtrust op een hard leger. De arbeid reikt der ontbering de hand en beide verzwaren elkanders druk.

Nederig leven, door den Zaligmaker der wereld te Nazareth geleid! Jesus gehoorzaamt; — wel-is-waar gehoorzaamt Hij Maria en Joseph, maar ook dezen zijn menschen, en Hij, Hij is de Schepper der wereld, de Wonderdoener, de Op-wekker van dooden, de Wereldveroveraar: Jesus leeft nederig en ingetogen; niets opvallends biedt zijne houding, zijn woord — geene mirakelen, geene profetiën.

Wij streven rusteloos naar bekendheid. Toon u der wereld, ^ klinkt het schier onophoudelijk in onze ooren, in ons hart. Niet vroeg genoeg, meenen wij, kan men het tooneel der wereld betreden; hierop te schitteren is ons vurig verlangen. Helaas! die gedachte oefent ook bij de keuze van een levensstaat invloed uit, en wereldsche belangen geven daarbij te vaak alleen den doorslag.

Echter — wat is, van christelijk standpunt beschouwd, alleen goed, lofwaardig, noodzakelijk? Dat wij den wil Gods

') Joh. 7, 4.

ocr page 659

621

vervullen. Groot is slechts datgene, wat geschiedt, omdat God het wil, en zooals God het wil; nietig, klein, ijdel, verachtelijk is datgene, wat ons het einddoel niet meer nabij doet komen, wat niet om God en volgens zijn ivü geschiedt,, wat in eigenliefde en zelfzucht zijn oorsprong vindt, wat niet verder gaat. dan het tijdelijke en zich daarin te eenen-male oplost.

Jesus gehoorzaamt in liefde, Jesus arbeidt, Jesus leeft verborgen, — zoo wüde het de hemelsche Vader; dit is den Zaligmaker genoeg: Ik zoek niet mvjn wil; doch alleen den wil van Beng ene, die mij gezonden heeft. ') En zoo vervult Jesus door lijden en wachten zelfs in de verborgenheid van Nazareth zijn ambt van Middelaar, en gebruikt die lange jaren als tijd van voorbereiding voor zi]n openbaar leven.

Slechts datgene, o jongeling, wat God u aanwijst, waarvoor Hij u bestemt, is goed en kan uw geluk bevorderen. Eene groote rol op het schouwtooneel der wereld te willen spelen is gevaarlijk; gelukt het niet, dan is de vernedering des te dieper, de storing te heviger, de schuld te zwaarder. En hoe zal het gelukken, wanneer God den hoogmoedige leen zoodanige rol niet heeft toegedacht, wanneer de goddelijke zegen ontbreekt, wanneer slechts vermeende aanleg en eigenwaan, geene ware geschiktheid, zoo hoog doen opzien? En gesteld nu, dat wij er in slaagden, een gewichtige rol te spelen, dat wij groot waren in het oog der wereld, dat wij overvloedig lauweren oogstten. — wat schenkt onzen handelingen ware grootheid, echten adeldom, hoogere wijding, verdiensten voor God? Het innerlijke, de geest, de vervulling van den wil des Allerhoogsten.

O deemoedige, o arbeidzame, o geduldige Jongeling van

') Joh. 5, 20,

ocr page 660

622

Nazareth, leer mij willen wat de hemelsche Vader wil, leer mij ook bij de keuze van een levensstaat aan de inspraken der genade gehoorzamen! Leer mij liefhebben wat Gij be-mindet, leer mij ontberen wat Gij hebt ontbeerd!

En moge ik thans, in den tijd mijner jeugd, handelen naar uw voorbeeld, en mij zoo voor de toekomst bereiden. Alle treden des ouder doms, die ik bestijg, hebt Gij door uwe voetstappen geheiligd. Er is geen spoor, dat ik niet kan volgen, geen voetstap, dien ik niet zou kunnen drukken. Nooit zal ik te mijner verontschuldiging kunnen aanvoeren, dat de weg te steil, te moeilijk, te ongewoon is geweest; — kan ik niet gehoorzamen? kan ik niet arbeiden, gebruik maken van de goede gave des tijds? kan ik mij mei zooveel mogelijk buiten het gewoel der samenleving houden, mij tevreden stellen met de goedkeuring van den Allerhoogste?

ocr page 661

HOOFDSTUK CXXXIL

GOLGOTHA,

Dilexit me et tradidi semetipsum pro me.

Gal. 2, 20.

a, Gij hebt mij liefgehad, o mijn Heiland, en IJ V001' mÜ overgeleverd!

Gethsemani is geleden; Annas, Caiphas, Pilatus en Herodus zijn ter vierschaar gezeten; de geeseling, S de kroning met doornen, de lijdensweg, de kruisiging, — voorbij....

Aan het schandhout, tusschen twee moordenaars, hangt in wreede pijnen de Verlosser der wereld. Om het Kruis verdringt zich de hoon- en laster brakende menigte, zonder eenig gevoel voor zooveel onschuld, zooveel lijden, zooveel grootheid van ziel.

') Gnl. 2, 20.

ocr page 662

624

Het Bloed des Lams drenkt den aardbodem. De ledematen trillen van pijn. Het moede hoofd zoekt vruchteloos een rustpunt. Het oog aanschouwt slechts datgene, waardoor het wordt gemarteld: woedende vijanden, laffe vrienden, een ruw gepeupel, een ondankbaar, wreed, waanzinnig volk. Het oor verneemt slechts datgene, wat het krenkt; vloeken, ver wenschingen, hoon en smaad.

O Heer, sterk mijn geloof! ')

Gij zijt Christus, de Zoon van den levenden God! -) Ja — deze gekruisigde, naakte, gehoonde, verlatene, stervende — is God. Liefde tot ons heeft Hem bewogen, dit alles geduldig te lilden; de zorg voor ons eeuwig geluk noopte Hem, ons zulk eone treffende leering over de waarde van de dingen der wereld voor te houden.

Immer Zich-zelven getrouw, op Golgotha Dezelfde als te Bethlehem en Nazareth, veracht Jesus den roem, de glorie der wereld, versmaadt den rijkdom, is afkeerig van alle zingenot, — omhelst veeleer de armoê, het lijden, de nederigheid; en had Hij deze lief gedurende zijn geheel leven,. Hij wil nu ook, dat ze Hem in den dood vergezellen.

Hoe verheven, hoe beminnelijk, hoe zalig moeten ontbering, nederigheid en lijden zijn, daar zij met wieg en stervenssponde van den Zoon des Eeuwigen en met alles, wat tusschen beide ligt, zoo onafscheidelijk verbonden waren I

De wonden, door eene drievoudige begeerlijkheid dom geslagen, waren te diep; slechts een buitengewoon middel kon redding brengen. De rooroordeeïen, die zich meer en meer aan het menschdom hadden opgedrongen, de verkleefdheid aan de schepselen, vooral aan die, welke eergierigheid en zinnelijkheid streelen, waren te diep geworteld:

■) Luc. 17. 5. !) Math. 10, 10.

ocr page 663

625

en alleen het getuigenis van de hoogste Wijsheid, een getuigenis, en door daden gestaafd, vermocht den blinddoek, die de waar-gt;0!quot; heid voor ons oog verborgen hield, die elk onzer pelgrims-en schreden op deze aard onzeker en gevaarlijk maakte, weg Iet te nemen.

reiquot; Het reddingsmiddel is aangeboden, het getuigenis afgelegd.

O Kruis, in u alleen is heil! O Kruis, welsprekende kansel der waarheid, predik, roep zonder ophouden, verhef als bazuingeschal uwe stemme, verkondig eener dwaze wereld het e1quot;- oordeel van een zóó stervenden God-Mensch!

dit O Kruis, waarop de eeuwige liefde is vastgeklonken, met

luk welk een vurig verlangen breidt gij de armen uit, om geheel het menschdom in liefde op te nemen, en het op te voeren ') tot Hem, die dit alles voor ons wilde lijden!

gt; te Ja — voor ons, ja — voor u, dierbare jongeling, heeft de

^'ie Zaligmaker dit leven van armoe en ontbering, dien bitteren -he dood uit vrijen wille gekozen en geleden, — en zoude Hij ''le- clan geen recht op onze, geen recht op uwe grootmoedige rlt;'ni dankbaarheid hebbenquot;?

Hij heeft u liefgehad, en Zich voor u overgeleverd, — en tbe- gy wilt Hem geene wederliefde betoenen, u niet voor Hem ;ter- opofferen?

wat Wel verlangt Jesus niet van alle menschen, door Hem

verlost, dezelfde toewijding; maar — hebt gij u-zelven ooit sch- afgevraagd, ivelk offer Hij van u begeert, tot welk offer Hij ,oon u bijzondere genaden wil verleenen?

leer En zou dan werkelijk van niemand een offer worden ge-ëischt, dat met Jesus' offer overeenkomt? En waartoe zulk i'ig- eene matelooze liefde? waartoe zulk een onvergelijkelijk eld: voorbeeld?

•) Joh. 12, 32.

ocr page 664

626

Gekruisigde Heiland, wiens brekend oog zich in deez' gewichtige ure vragend op mij richt, — wat zal ik doen?

Achter mij een verleden, hetwelk tot boete, wellicht tot zware boete vermaant, eene reeks van jammerlijk ontwijde jongelingsjaren, een traag, verdiensteloos leven, waarin weinig of niets voor de eeuwigheid is gedaan; — vóór myj, op meer of minder afstand, de overzijde des grafs — hel of Hemel; en meer dan waarschijnlrjk is mijne keuze van een levensstaat van beslissenden invloed op mijne eeuwige toekomst ....; — boven mij een uit vrijen wille voor mij stervende God-Mensch, uit wiens tallooze wonden de laatste bloeddruppel vloeit, mijn Jesus met uitgebreide armen, mijn God en mijn alles, die mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgeleverd, M mijn Zaligmaker, wiens grootmoedigheid mijne grootmoedigheid ten wedstrijd komt uitdagen —: o God des lichts en der sterkte, wat zal ik doen?

') Gal. 2, 20.

ocr page 665

I

HOOFDSTUK CXXXIIL

])£ WERELDLIJKE STAAT.

Et qui utuntur hoc mundo, taii-quam non utantur; praeterit enim ligura hu jus mundi.

1 Cor. 7, 31.

jyjf e wereldlijke staat wordt zoo genoemd in tegenstelling met den geestelijken, die zich voornamelijk

met het bovenaardsche bezig houdt.

De wereldlijke staat is de gewone; tot dezen roept God het meerendeel der menschen, opdat de samenleving, als zoodanig, in stand blijve, en haar de verschillende begaafdheden ten goede komen.

De wereldlijke staat vervult de geboden Gods, door de getrouwe naleving van de bijzondere ambts- en beroepsplichten, welke voortvloeien uit ons aller eindbestemming: God te kennen, Hem te beminnen, Hem te dienen. Hoe nauwgezetter hij die plichten vervult, des te meer komt hij die zedelijke

ocr page 666

628

volmaaktheid nabij, door Jesus Christus met woord en voorbeeld gepredikt.

De hoofdtaak van den wereldlijken staat is derhalve het trouw en met volharding vervullen van de christen-plichten jegens God en Kerk, het vlijtig gehoorzamen aan de overheid, het bewijzen van achting en liefde aan hen, die met ons gelijk zijn gesteld, en van behoorlijke zorg en goedertierenheid aan minderen, — eindelijk in de getrouwe naleving om Gods wil van de plichten, welke ieders ambt of heroep in't bijzonder oplegt.

Die bijzondere plichten van staat vereischen, bij de keuze van een levensweg, al uwe opmerkzaamheid; immers, de overige zijn voor alle staten dezelfde.

Des onderwijzers verheven en lieflijke taak is het, echte wetenschap te verbreiden en onze dierbare jeugd, de ontkiemende menschheid, tot een wèl-onderricht, meer nog tot een godvreezend geslacht op te kweeken.

De christen-^ewees/zeer wijdt zich met voorzichtigheid en opoffering aan het lijdende menschdom; hij tracht, door woord en voorbeeld ook der ziel naar best vermogen nuttig te zijn. Op de eerste plaats zorgt hij er voor, dat niemand dergenen, die de hulp zijner wetenschap inroepen, in vijandschap met God den beslissenden stap over den drempel der eeuwigheid wagen.

De rechtsgeleerde verzekert der maatschappij hare kostbaarste goederen: bezit, eer, leven. Vrij van vooroordeelen, verheven boven het menschelijk opzicht, ongenaakbaar voor lage om-kooping, vervuld met liefde voor recht en waarheid, bezadigd en kalm van oordeel, in 't bezit van deugdelijke wetskennis, den arme een steun, den zwakke eene schutse, den weduwen en weezen, den bedroefden en verdrukten eene toevlucht, volgt hij den Allerhoogste na, Die slechts ééne weegschaal

ocr page 667

1-

629

or. kent, ^ bij Wien geene „aanneming des persoons is,quot; quot;-) Die

een ieder naar zijne werken zal vergelden. 3)

iet De krijgsman dient het vaderland met onkreukbare trouw

ten en toewijding; zijn hart is tot elk offer in 't belang der goede ld zaak bereid. Hem kenmerken eergevoel en moed. Zijn wapen

ms wordt geenszins tot ruw geweld misbruikt, het strekt hem gi^ niet tot ijdel sieraad, hij wacht zich wel, het door schuldige )C]S wraak te bezoedelen. Hij dient den honing, doch meer nog -ler God. Haat hij de lafheid, op de eerste plaats verafschuwt hij

de willekeur van blinde hartstochten.

lze De christelijke huisvader leidt de hem toevertrouwden met

(je vaste hand en goedertierenheid. Orde en eerbaarheid, godvruchtigheid en werkzaamheid, eendracht en gehoorzaamheid hte vormen zijn gezin tot een klein Koninkrijk Gods, waarover •ie. hij beschermend en bestierend zijn milden scepter zwaait. ien Hij weet, dat, zoo iemand voor zijne huisgenooten geene zorg draagt, hij zijn geloof heeft verloochend, en erger is dan een en ongeloovige;4) hij weet, welk eene zware verantwoordelijk-

3r(j heid de schouder torst van dengene, die over anderen is ge-jn steld, — en dat hij over de zielen der hem toevertrouwden

en rekenschap schuldig is.5) Woord en voorbeeld, vermaning en

iet bestraffing, waakzaamheid en ijver, ernst en goedheid, —

gjfj alles wordt door hem aangewend als middel, om de zijnen

in wijsheid te bestieren en hun eeuwig en tijdelijk geluk te g^e verzekeren.

.en Edele taak voor dengene, wien zij door God is toevertrouwd!

im. Gelukkige menschheid, werden de plichten van staat zóó

gd opgevat, zóó nageleefd!

jjg^ Gevoelt gij u, mijn jongeling, tot een dier staten geroepen? 'en --

ht, I) Spr. 20, 10. =) Rom. 2, 11. ') Math. 16, 27. ') 1 Tim. 5, 8.

lal ') Hebr. 13, 17,

i,

ocr page 668

630

Goed in zich-zelve, nuttig voor de menschheid, bevorderlijk aan de eere des Allerhoogsten, zijn ze voor u, door God als werkkringen aangewezen, door den godsdienst geheiligd, vertrouwbare wegen ter eeuwige bestemming.

't Behoeft wel niet gezegd, dat ook op die wegen gevaren u wachten. Het aardsche wil u in zijne strikken vangen; de booze wereld zal geene moeite sparen, om u van God los te rukken. Tal van netten zullen worden opgesteld; verleiding zal u in eiken vorm omringen; ongeregelde liefde tot geld, eerzucht, zinnelijkheid zullen haar best doen, om zich van u meester te maken.

O Heer. doe mij waarheid en gerechtigheid vinden! Laat niet toe, dat mijn oog door ijdele glansen verblind worde, dat het gejool der wereldvreugde mij verlokke; Uwe stem alleen beslisse hier. Laat mij niet vergeten, dat de gedaante dezer wereld voorbij gaat. 1) Verleen barmhartig, dat, wanneer ik mijne keuze op den wereldlijken staat vestig, ik de wereld zoo gebruike, als gebruikte ik ze niet, dat wil zeggen: in bescheiden mate en in behoorlijke ondergeschiktheid aan mijn eeuwig einddoel.

') l Cor. 7, 31.

ocr page 669

HOOFDSTUK CXXXIV.

INTREDE IN DE WERELD.

leven, zooals de knaap, de jongeling het leidt in deugdelijke opvoedingsgestichten of aan den stillen ^ huiselijken haard, tot het meer vrije, meer onafhanke-f lijke leven, zooals het zonder toezicht, misschien te eenenmale buiten het bereik van 't waakzame ouderoog, aan de inrichtingen voor hooger onderwijs of, na het bezoek van dezelve, tot aan de intrede in den maatschappelijken werkkring gemeenlijk wordt gevoerd. Deze overgang kan gevoegelijk de intrede in de ivereld genoemd worden.

Het toenemende aantal zijner levensjaren wijst den jongeling, den jongen man allengs zijne plaats onder de vohvassenen aan. Hij voelt zich genoopt, te juichen, omdat de ure der „vrij-

To oportet adorari Domine.

Bar. 6, 5.

evaarlijk is de overgang van het eenvoudig, geregeld

4

ocr page 670

632

heidquot; eindelijk voor hem sloeg. Eeeds waant hij zich van alle voogdijschap ontslagen, hij duldt geen leidenden invloed meer, hij gevoelt zich zelfstandig.

De arbeid haast niet meer zoo, orde heeft voor willekeur plaats gemaakt; zoo gemakkelijk wordt men in deze periode traag en onbedachtzaam.

Was tot nu toe het verkeer met de wereld niet zeer druk, thans wordt de kring der bekenden allengs uitgebreider; men hoort meer, men ziet meer; verstrooiingen van alle zijden, tijdverdrijf, bezoeken, vermaken. De gelegenheid tot buitensporigheden biedt zich vaker, het voorbeeld wekt daartoe op, de wufte beginselen der wereld noodigen daartoe uit; „men moet alles medemaken; de jeugd moet haar recht hebben; men moet met den stroom medezwemmen ...quot;

De begrippen van deugd, die eene vrome leiding den jongeling deed opvatten, worden minder helder. Om zoo menig iets bekreunt hij zich niet meer; zoo menig iets, hetwelk den lichtzinnige vroeger heilig was, schijnt hem nu „kinderachtigquot;, hij lacht over de vroomheid zijner jeugd, over zijne toenmalige „scrupulenquot;, over zijne vroegere „kleingeestigheidquot;.

De teerheid zijns gewetens verdwijnt. De ruwheid van zekere makkers walgt hem niet meer gelijk vroeger, hunne misstappen wekken niet meer zijne afschuw op; naar de stem der genade en de vermaning des gewetens wordt niet geluisterd. De eene passie hoopt zich op de a;idere, de eene golf stuwt de andere vóór zich uit, en er ontstaat een gedruisch, waarin het geluid der stemmen van Boven jammerlijk te loor gaat.

Wel-is-waar kunnen die treurige veranderingen in 's jon-gelings denk- en handelwijze reeds vóór het tijdpunt, door ons bedoeld, intreden, zooals dit ook werkelijk niet zelden

ocr page 671

633

geschiedt; maar, toen huisgezin en school voorbeeldig hun plicht betrachtten, toen een ijverig zielzorger zich den jongeling liefdevol aantrok, dwaalde hij tenminste nog niet ver van het pad der gerechtigheid af. Nu echter de warme straal der zoogenaamde vrijheid plotseling het zaad der boosheid bescheen, dat in den grond des harten sluimerde, ontkiemde het snel, en de giftplant wies op tot een zwaar-gekruinden boom.

Hoor, mijn dierbare jongeling, waartoe Geloof en licdo u aansporen, teneinde het gevaar dier overgangsperiode voor u zooveel mogelijk weg te nemen.

Het goede en het kwade kan niet van natuur veranderen; hetgeen in zich kwaad is, is kwaad voor den man, voorden jongeling, zooals voor den knaap.

Gods gerechtigheid is gerechtigheid in eeuwigheid;') zijne Wet heeft eeuwige waarheid tot grondslag en is, gelijk deze, onveranderlijk.

De knaap, de jongeling, de man — zij hebben allen hetzelfde doel; God kennen. Hem beminnen. Hem dienen en zoo het geluk des Hemels verwerven is voor hen, gelijk voor allen, het éénig noodzakelijke.

De godsvrucht is tot alles van nut; zii heeft de belofte van het tegenwoordige leven, en het toekomende. 2) Godsvrucht siert den knaap, den jongeling, den man; zij is in hooge mate nuttig voor den knaap, voor den jongeling, voor den man; zij is den knaap, den jongeling, den man eene brugge ten Hemel.

Vlucht hel hooze, vroeg en spade.

Vlucht de boozen, vroeg en spade.

') Ps. 118, 142. ') 1 Tim. 4, 8.

ocr page 672

634

Treed in de wereld vervuld met ivantrouwen, en gelijk iemand, die gevaarlijke hinderlagen en strikken vreest.

Blijf uwen gewonen oefeningen van Godsvrucht standvastig getrouw; verzuim vooral niet, dikwijls en waardig de H. Sacramenten te ontvangen. Waarom zoudt gij datgene achterwege laten, wat u tot dusverre deugdzaam hield en u op het goede pad voortgang deed maken ?

Zoek den omgang met deugdzamen.

Biecht, zooveel mogelijk, steeds bij denzelfden priester, en laat hem een bestierenden invloed op uw binnenste uitoefenen. Zijne hand is krachtig genoeg, om u, zoo noodig, in toom te houden, zijn hart mild en liefderijk genoeg, om het uwe voor God te bewaren.

Wees arbeidzaam en bedenk, dat gij eenmaal aan God rekenschap van het geringste deel van den u vergunden tijd zult afleggen.

Wees voorzichtig in de keuze van hen, met wien gij vertrouwelijk wilt omgaan.

Wacht u wèl, beginselen te huldigen, gelijk ze alleen door lichzinnige personen, wier oog zich niet meer ten Berg des Heeren richt, door wereldlingen, door aanbidders van slijk en stof kunnen worden aangehangen en gepredikt.

Treed het menschelijk opzicht met voeten; slavernij is uwer jeugd onwaardig.

Laat u door het voorbeeld der menigte niet medeslepen.— Hoor, wat Jeremias den gevangenen Hebreërs schreef, en pas het op u-zelven toe; Gij zult in Babyion gouden, zilveren, steenen en houten goden zien, welke men, tot schrik der heidenen, op de schouders omdraagt. Ziet wèl toe, dat niet ook gij den vreemdelingen in zulke werken gelijk wordt, dat gij niet vreezet, en u door hen geen schrik laat inboezemen. Ziet gij, hoe iedereen ze aan de voorzijde en achter-

ocr page 673

635

zijde aanbidt, spreekt dan in uwe harten: U, o Heer, moet men aanbidden. ')

O zeker, dierbare jongeling, gij zult in de wereld menschen zien die, om zoo te spreken, afgoderij plegen; hun afgod is de rijkdom, hun afgod is de ijdele eei-, hun afgod is het zinge-neugt, — hiervoor buigen zij de knie, hiervoor krommen zij den nek in het stof.

In 't midden der wereld zult gij vaak de ondeugd hoog in eere, de deugd in verborgenheid en minachting zien. Wat gij als goed en eervol beschouwt zult gij hooren smaden en vloeken, wat in uw oog laag en verachtelijk is hooren prijzen. Dan is het tijd, te spreken: U alleen, o Heer!

Ik blijf onwankelbaar trouw aan mijn ouden God, den God mijner jeugd, aan oen Trouwe, Onveranderlijke, Eeuwige.

') Baruch 6, 3—5.

41

ocr page 674

n

zi

HOOFDSTUK CXXXV.

HET HEILIG PRIESTERSCHAP.

Vos antem sacerdotes Domini vocabimini; ministri Dei nostri. dicetnr vobis. Is. 61, 6.

wm

e priesters zijn de plaatsbekleederen der menschheid bij God. Zij vormen een afzonderlijken stand. Hun jjjiv deel is de Heer, 1) en hun plicht bestaat hierin, den ^ Allerhoogste een bijzonder uitverkoren volk 1) te zijn.

^ en de menschen te helpen in het bei eiken van hunne eeuwige bestemming.

De priesterlijke staat is de staat der fjenezendm, der hiddenden, der offeraars.

Zij reinigen de menschen van de vlekken der ziel, zij voeden hunne broeders op voor den Hemel, zij vervullen jegens den afgedwaalde den plicht eens goeden herders, zij verzekeren

') Ps. 15, 5.

1

) 1 Petr. 2, 9.

ocr page 675

637

den rouwmoedige vergiffenis, zij gieten olie en wijn ') in de zielewonden, zij reiken den moeden sterveling eene weldoende lafenis, zij lenigen de smart, verhoogen den moed, schenken nieuwe krachten.

Zij loven God uit naam van alle geloovigen, zij smeeken, zij danken, zij verzoenen.

Zij vieren het verheven Mysterie des Nieuwen Verbonds en offeren dagelijks, hun-zelven en der menschheid ten zoen en tot verwerving van tallooze genaden, aan den Eeuwige het vlekkelooze Lam. dat wegneemt de zonden der wereld.2)

Zij zijn medehelpers van God, 3) gezanten Gods, idtdeelers van zijne verborgenheden. 5)

Zij zijn de werktuigen, waarvan God Zich ter redding der menschheid bedient, zij volgen den scheppenden God na, ondersteunen de verlosten, bereiden de harten voor het heilige. Zij zijn zieleredders.

Zielen redden, — meest verheven aller werken, Gode-be-haaglijk, roemvol, goddelijk werk!

Ik zoek mijne broederen,6) spreekt de priester, en zijn vurig verlangen drijft hem vooruit — in de nabijheid, in de verte. Zijn oog speurt onafgebroken rond, hij zoekt de verdwaalde schaapjes, teneinde ze onder den staf van den Herder en Hoeder onzer zielen •') terug te voeren. •

Ik zoek mijne broederen, — en hij volgt den zondaar, waarschuwt, smeekt, dreigt, strijdt, zegeviert,

Ik zoek mijne broederen, — en hij gordt zich ten strijd tegen de dwaling aan, verdrijft de onwetendheid, maakt de hardnekkigheid murw, overwint de boosheid.

Ik zoek mijne broederen, — en hij ijlt naar verre landen,

=) Joh. 1, 29. •) 1 Mos. 37, 16.

») 1 Cor. 3, 9. «) 2 Cor. 5 20.

') 1 Mos. 2, 25.

') Luc. 10, 34. 5) 1 Cor. 4, 1.


ocr page 676

638

steekt de oceanen over, en slaat zijne tente op te midden diergenen, die zitten in duisternis en in de schaduwe des doods. ^ En de Blijde Boodschap breekt zich baan. De dag des heils doemt ter kimme, — de heidenen gaan tot uw licht, o Heer, 2) en zij kennen God en Dengene, dien Hij gezonden heeft, Christus Jesus, 3)

Ik zoek mijne broederen, — en hand en hart beuren zich ten Hemel op, en vurig dringt uit de borst de kreet: Zielen, o God, zielen, — al het overige wil ik derven!4)

O priesterhart, ruim gelijk het heelal, hoog als de Hemel, rusteloos gelijk het vuur, gloeiend als Apostelliefde, dorstend gelijk het Hart des Zaligmakers, — wie begrijpt, wie voelt uw smachtend verlangen, uwe hope, uwe smarte, uw wellust, uw strijdnood, uwe vreugden des triomfs! —

Is de priester door zijn staat tot een hoogeren graad van volmaaktheid verplicht, is hij in waardigheid boven de geloo-vigen verheven, dan betaamt het ook, dat hij verre boven hen sta in zieleadel en in heiligheid van leven.

Hij is een zout. Wee het zout, dat zijne kracht verliest. Het is tot niets meer goed, dan om weggeworpen en van de menschen vertreden te worden. 5)

Hij is een licht. Wee het licht, dat als dwaallicht flonkert! wee het licht, dat zich verbergt, of uitgaat! c)

Hij is de Stede Gods op den berg. Wee den in puin gevallen muren, die, in zich nutteloos, ook niet meer den hoopvollen pelgrim een richtpunt bieden! 7)

Zijn den priester zielen toevertrouwd, en moet hij die ten Hemel geleiden, dan moet hij zeker ook zelf den weg des heils bewandelen.

• ') Ps. 100, 10. s) Is. 60, 3. ■) Joh. 17, 3. ') 1 Mos. 14, 21. !) Math. 5, 14. «) Math. 5, 15. ') Math 5, 14.

ocr page 677

639

Is liet zijne taak, de raenschheid geestelijkerwijze op te ■voeden, dan moet hij voorzeker ook rusteloos aan de veredeling van zijn eigen hart arbeiden.

Mag aan de hand, die zegent, de vloek der zondekleven?

Mag de mond. die woorden des levens moet verkondigen, de mond eens geestelijk-dooden zijn?

Deugden moeten den priester sieren, overeenstemmend met de verhevenheid van zijn staat, met de onderscheiding, hem ten deel gevallen, met het nut, dat hij geroepen is, te stichten, met de gevaren, waavaan hij in zijne bediening bloot staat.

Echteloosheid en kuischheid. Met zonder redenen wordt hij geestelijke genoemd. Aangezien hij meer dan de gewone mensch verkeert met God, den boven alles zuiveren Geest, moet hij ook verder dan elk ander zich van het vleeschelijke verwijderd houden.

Afzondering van de wereld — niet enkel door kleedij en alleen voor wat het uiterlijke betreft, neen, door geest en daad, door hooge zedelijkheid, door onverschilligheid tegenover alles, wat niet God is of tot God voert, door koelheid en wijze voorzichtigheid ten opzichte eener wereld, die in den booze ligt, 'j in welke alles begeerlijkheid der oogen, begeerlijkheid des vleesches en hoogmoed des levens is, 2) uit welke zoo licht een giftige walm overwaait in harten, die niet zorgvuldig genoeg worden bewaakt.

Godsvrucht, ijver in het gebed, ingetogenheid. De Heer is mijn deel en mijne erve; 3) ik stel mij den Heere geduriglijk vóór oogen, 4) en ik ben mij steeds van zijne tegenwoordigheid bewust. Zijn dienst houdt mij vóór alles bezig; zijne eere ligt mij het naaste aan 't hart.

Arbeidzaamheid, onverdroten ijver in de vervulling van

') Ps. 15, 5.

4) Ps. 15, 8.

Joh. 2,10.

ocr page 678

640

heilige ambtsplichten. Alle krachten van lichaam en geest moeten streven naar het ééne, groote punt.

Zielevjver, — wijze, maar ook rustelooze, gloeiende, onverschrokken zieleijver. Als Ik tot den goddelooze zegge: gij zult den dood sterven, en gij waarschuwt hem niet,.... die goddelooze zal in zijne ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal ik van uice hand eischen. ^

Welk eene verheven waardigheid, maar ook — welk een last!

Dan, de bron van hemelsche genaden vloeit voor den priester ook milder, dan voor den leek.

In zevenvoudige stralen dalen zij in de heilige Wijding op 's priesters hoofd. En op de hoogste trede des Altaars verbeidt hem de eeuwige Iloogepriester, bekleedt hem met onbeschrijflijke waardigheid, plaatst hem aan zijne zijde, spijst hem dagelijks met zijn eigen Vleesch en Bloed en wenscht vurig, zijn priesterlijk Hart met hem te deelen, zijn Hart vol reinheid, goedertierenheid en offerwillige liefde.

De Kerk van hare zijde onderricht hem door den mond van verlichte opperherders, omgeeft hem door een schutsmuur van wijze bepalingen; heur zorgzame hand leidt vooral den priester met voorzichtigheid en liefde, heur moederoog waakt met bijzondere teerheid over den leviet.

De priesterlijke „getijdenquot;, dat heilig, verheven gebed, waartoe de priester op zonde is verplicht, dat hem onverpoosd aan zijn ambt als middelaar herinnert, de „getijdenquot; vooral zijn een beschuttende dam tegen der,, aandrang van het gewone leven, dat hem poogt te verwereldlijken. Zij roepen den priester weg uit de woelige samenleving, om God te verheerlijken; zij wekken vrome gedachten in 's priesters geest; zij dwingen hem als 't ware, onophoudelijk naar

') Ez. 3, 18.

ocr page 679

641

's Heeren Woord te luisteren; zij laten de eindelooze rij der helden van christelijke heiligheid vóór zijn oog opdoemen; zij verklaren hem steeds duidelijker de mysteriën der Verlossing en het begrip, door heilige, verlichte mannen daarvan opgevat.

En dan het hoogheilig Offer, de dagelyksche Communie, de telkens hernieuwde vereeniging met de Bronne des Levens! En zooveel heilige gebruiken, zegeningen, uitdeelingen der Sacramenten, die hem telken reize vermanen tot gebed, ingetogenheid, verkeer met God, die hem voortdurend herinneren aan de grootsche macht, hem toevertrouwd, aan de plichten van zijn heerlijk ambt!

Gijlieden zult priesteren des Heeren heeten. men zal u dienaren omes Gods noemen; gij zult de macht der heidenen eten, en in hunne heerlijkheid zult gij roemen. ^

En ik, tot zulke hooge waardigheid geroepen, — wanneer uwe Voorzienigheid mij die bestemming heeft toegedacht, — ben verheugd in den Heere; mijne ziel verblijdt zich in mijnen God, want Hij heeft mij bekleed met de kleederen des heils, den mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan; gelijk een bruidegom zich tooit, en eene bruid met hare sieraden!

') Is. 61, 6.

ocr page 680

HOOFDSTUK CXXXVI.

DE ROEPING TOT HET PRIESTERSCHAP.

Nee quisqiiam sumit sibi honorem, sed qui vocatur a Deo. tanquam Aaron.

Hebr. 5, 4.

priesterlijke staat is waarlijk zoo verheven, dat vooral hij door niemand zonder chtidelvjk erkenden roep mag worden gekozen.

^ Neen, niet zich-zelven neemt iemand die eere, maar 1 geroepen wordende door God. gelijk Aaron. ') Een negatieve of niet geheel duidelijk positieve roep is geenszins voldoende. Gij voelt geen afkeer van den priesterlijken staat; het schijnt u niet onmogelijk, de voornaamste plichten, in 't bijzonder den plicht der echteloosheid, na te leven; gij waant u vrij van hevige passiën; begaafdheden ontbreken u

') Hebr. 5, 4.

ocr page 681

643

niet: — en dit zou alles zijn, wat tot den roep behoort?

Nog veel minder konde „roepquot; worden genaamd wat op louter uitwendige beweeggronden steunt.

Men wenscht, dat gij priester zult worden. Edele wensch, indien hij de eere Gods beoogt, aan zijn heilig welgevallen ondergeschikt blijft en wordt geuit op eene manier, die de vrijheid uwer keuze geenszins belemmert!

Men wil het. — Wie wil het? wie heeft hier te willen? In zake-de roeping tot een levensstaat geldt niet de wil uwer familieleden, maar de wil van God. Hij is de hoogste gezagvoerder in de menschelijke samenleving, en wijst een ieder zijne plaats, aan; immers, van Hem moet de gratie komen, noodig voor de vervulling van allen roep. Mogen al ouders en verwanten hun verlangen te kennen geven, — gebiedend en als 't ware dwingend mag het nimmer worden geuit.

Dwaas, onzalig, wreed aandringen van onverstandig-vrome, of zelfzuchtige, of iidele ouders, die hunne eigen belangen niet ondergeschikt weten te maken aan de belangen van God en die hunner kinderen!

O ja, het kind leene volgzaam het oor aan de stem van goede, verstandige ouders; het kind spreke met hen over eene zaak van zooveel gewicht, en late zich door hen raden; maar de beslissing geeft God door zijnen roep in 't jeugdige hart.

Nog veel erger ware het, indien men aan den staat-zelven beweeggronden ontleende van zuiver stoff'elijken aard.

Gij wenscht, spoedig en goed verzorgd te wezen. — O ont-eering van het meest eerbiedwaardige! De Kerk eene broodwinning? Het Heiligdom denzulken een toevluchtsoord, die voor iets anders niet geschikt zijn, of te traag, om voor het dagelijksch brood te arbeiden?

Gij rekent op gemakken? Gij vergist u, rampzalige: de

ocr page 682

644

priesterlijke staat is een staat van lijden. Arbeid inwendig, arbeid uitwendig; arbeid ter zelfheiliging, der zielzorg; arbeid der studie, arbeid van het predikambt, arbeid van den biechtstoel, van het onderwijs der jeugd, van het bezoek der kranken..

In gemakken leven'? Wee u, indien gij niet het Evangelie predikt! ') En het Evangelie wordt gepredikt door voorbeeld en ivoord, — door een voorbeeld, hetwelk op waarheid steunt, en door de verkondiging van het Woord Gods, welke verkondiging onder den zegen van Boven door zorgvuldige voorbereiding en overtuigende kracht de beoogde uitwerkselen moet erlangen.

Gij rekent op gemakken? O huurling .'Be schaapkens weiden, de verdwaalden opsporen, de vermoeiden op uwe schouderen nemen, de zieken ondersteunen, de wolven afweren, zoo noodig met hen strijden, hun den buit ontrukken, — dit alles zal u geene moeite kosten? Ja, rust, sluimer, weid u-zelvenmet opoffering der kudde; 2) wees traag, verraad den Zaligmaker in zijne duur gekochte schaapjes; maar — o schuld! o Godsgericht 1 o eeuwigheid!

Verlangt gij, de kenteekenen van den waren roep tot den priesterlijken staat te vernemen?

Vestig dan allereerst uwe aandacht op zekere eischen.

Zijt gij in het bezit der noodige begaafdheden? Verkeerdelijk of, juister gezegd, op godslasterende wijze wordt wel eens-beweerd, dat voor God alles goed is. Luister naar zijn eigen Woord: Des priesters lippen zullen de wetenschap bewaren, en men zal uit zijnen mond de wet zoeken; want hij is een Engel des Heeren der heirscharen. 3) — En de priesterlijke

') 1 Cor. 9, 10. =) Ez. 34, 8. ») Mal. 2, V.

ocr page 683

645

welsprekendheid, door middel waarvan de H. Geest Zich tot de geloovigen richt, — kan zij een dengdelijk-wetenschappe-lijken grondslag ontberen?

En is uw levenswandel vlekkeloos? Eene in ziurerheid doorleefde jeugd biedt den veiligsten waarborg; maar ook hoel-vaardigen zijn niet van het Priesterschap uitgesloten. — boet-vaardigen, d. w. z.: zulken, die op zich-zelven wraak hebben genomen en nog nemen over datgene, wat hunne jeugd, helaas! ontwijdde; boetvaardigen, die, nadat zij slechte gewoonten sinds lang en beslist hebben afgelegd, door het zuivere heden zich voorbereiden tot een nog reinere toekomst, boetvaardigen, die geen middel onbeproefd laten, om zich te adelen en voortgang in de deugd te maken.

Eigenlijke kenleekenen zijn er in groot aantal; hoe meer men ze aantreft, des te zekerder is de roep.

Is uwe meening te eenenmale zuiver? Zoekt gij in den priesterlijken staat God, uw geluk en dat uws naasten, echter geen tijdelijk geluk, — aanzien, welstand, rust? Is het op de eerste plaats God, die u aanspoort, dezen staat te omhelzen ? hebt gij zijne roepstem meer dan éénmaal, hebt gij ze herhaaldelijk gehoord ?

Gevoelt gij eene bijzondere, immer in kracht groeiende neiging tot dien heiligen staat? Troost en verkwikt u de gedachte aan uw toekomstig priesterschap?

Ligt u de eere Gods na aan het harte? Gevoelt gij een levendig verlangen, zielen hemelwaarts te geleiden?

Schept gij behagen in geestelijke dingen? Mint gij het gebed, de Sacramenten, godvruchtige lezing, den omgang met vrome, geestelijk gezinde personen ?

Gevoelt gij u sterk genoeg, om voor uw toekomstigen staat offers te brengen ? Oefent gij u, met het oog op de toekomst, reeds nu in de verstorvenheid, — tenminste in die, zonder

.

ocr page 684

646

welke het hart niet zuiver kan blijven, het lichaam niet de tempel des H. Geestes?

Hoe! — gij zoudt tot den priesterlijken staat, d. w. z.: den staat des offers zijn geroepen, en gij mist kracht en goeden wil om het kivaad in u op te offeren, aan uwe lievelingszonde te verzaken, uwe lievelingsneiging te beheerschen ?...

Onderzoek u-zelven, o jongeling, stel u met heiligen ernst op de proef. Heeft men eenmaal het H. Priesterschap ontvangen, dan blijft men priester, kan men niet meer tot de hoedanigheid van leek terugkeeren; het eenmaal gebondene blijft gehouden.

Doch, o zaligheid, o eere — zijt gij inderdaad geroepen om die heilige phalanx te versterken, die Christus' strijdende Kerk hare kloekste kampioenen, hare meest strijdbare aanvoerders levert!

Maar — nog eenmaal: de roep moet u ran Boven geworden. Ziedaar de éénig rechtvaardige poort tot Christus' schaapsstal, van welke poort staat geschreven: Wie niet door dezen toegang den schaapsstal betreedt is een dief en een roover. ')

O ja, dierbare jongeling. God moet roepen! Wee hem, die zich ongeroepen durft indringen in dien heiligsten aller staten, waarin reeds dan, wanneer geen nut wordi gesticht, zulk ontzettend nadeel wordt veroorzaakt!

O vreeselijk woord der Eeuwige Waarheid-zelve: Alle plant, die mijn hemelsche Vader niet geplant heeft, zal worden uitgeroeid; 2) zij brengt geene bloesems, geene vruchten voort, zij is èn zich-zelve èn anderen nutteloos: zij behoort te worden uitgeroeid en aan de vlammen prijsgegeven.

') Joh. 10, :. =) Math. 15, 13.

ocr page 685

HOOFDSTUK CXXXVII.

DE EVANGELISCHE RADEN.

Si vis perfectus esse, vade, vende, quae habes,... et veni,

sequere Mo.

IjlaÉSl? • Math-19gt;2L

imJ\y aar ons, menschen, is geboden, Gi-od lief te hebben geheel ons hart, uit geheel onze ziel en uit al onze krachten, ') zijn wij allen tot de volmaaktheid

f bestemd. bestemd.

Dan, er is eene wezenlvjke of onmisbare volmaaktheid, en eene buiten-wezenlijke, hoogere volmaaktheid, die men ook eenvoudig „de volmaaktheidquot; pleegt te noemen.

De enkel wezenlijke volmaaktheid sluit de doodzonde uit, welke de liefde wegneemt en ons van den Allerhoogste losrukt.

De eigenlijke volmaaktheid heeft een hooger doel. Zij maakt

') Luc. 10, 27.

ocr page 686

648

zich los van al hetgeen de nauwe vereeniging met God kan belemmeren; zij houdt zich vrij van ongeregelde wereld- en zelfliefde; zij bemint God boven alles, en wat zij buiten Hem bemint, dit bemint zij alleen of tenminste voornamelijk om God en in verband met zijn heilig Wezen; aan de liefde Gods maakt zij alles ondergeschikt, en zi] is bereid, voor God elk offer te brengen.

De middelen ter volmaaktheid verschillen van de volmaaktheid-zelve.

In 't bijzonder drie middelen om de volmaaktheid te bereiken heeft de Zaligmaker ons door woord en voorbeeld ter vrije keuze aangeduid; zij staan lijnrecht tegenover de drievoudige begeerliikheid, — de begeerlijkheid der oogen, d. w. z.: de hebzucht; de begeerlijkheid des vleesches, d. w. z.: het ongeregelde van het lage deel in den mensch; den hoogmoed des levens, d. w. z.; de ongeregeldheid des geestes; deze middelen heeten: vrijwillige armoede, altijddurende zuiverheid, volmaakte gehoorzaamheid aan de geestelijke oversten.

Er zijn drie soorten van goederen dezes levens: het zijn uitwendige goederen, goederen des lichaams en goederen des geestes.

Ongeregeldheid in betrekking tot die goederen wordt ons door de Geboden ontzegd. Wie dezelve als zijn einddoel zoude aanzien, zijn oogmerk alleen daarop richtte, die zou onfeilbaar de hemelsdie, de eeuwige goederen verliezen. Echter, men kan die goederen gebruiken en toch zalig worden: de algeheele onthechting daarvan draagt geenszins het karakter van den plicht.

Natuurlijk wordt het einddoel gemakkelijker, zekerder bereikt, wanneer men van die goederen te eenenmale afstand doet, gelijk ook de zwemmer, wien geen last bezwaart, gemakkelijker en zekerder de overzijde van den stroom bereikt, dan hij, die eenig gewicht heeft meê te voeren.

ocr page 687

649

Daarom geeft ons de Verlosser in het Evangelie den raad, ons van die goederen te onthechten. Het Evangelie dwingt ons niet tot die onthechting, het raadt ze aan; immers, het Evangelie is de wet der vrijheid, die ons behandelt als vrienden, als kinderen Gods, en niet enkel ons heil in :t algemeen, neen, ons hoogste geluk beoogt. Zoo wordt ons ook gelegenheid geboden tot grootere verdiensten, zoo wordt aan onze grootmoedigheid speelruimte gelaten. — Wilt gij volmaakt zijn, ga dan heen, verkoop wat gij bezit, en geef het den armen; dan kom en volg Mij; ') — indien gij wilt...

Er is een staat op aarde, die al dezulken omsluit, die het als hunne levensstaat beschouwen, de aangeraden evangelische middelen tot zekerheid en volmaking des heils in toepassing te brengen; zij verplichten zich tegenover C4od en hunne oversten door „geloftenquot; tot de naleving der evangelische raden.

De kloosterlijke staat is derhalve de staal der volmaaktheid, in zoo verre hij die levenswijze vormt, waarin iemand zich blijvend tot vrijwillige armoede, tot voortdurende zuiverheid en tot volmaakte gehoorzaamheid op behoorlijke, door de Kerk goedgekeurde wijze verbindt.

Door de vrijwillige annoê doet de kloosterling afstand van alle eigendomsrecht en van elk gebruik van tijdelijke goederen, dat op de uitoefening van liet eigendomsrecht zoude gelijken. Tenminste verzaakt hij aan elk onafhankelijk eigendomsrecht en aan elk willekeurig gebruik van wat het zijn moge.

De evangelische zuiverheid verzaakt niet slechts, uit kracht eener nadrukkelijke belofte, aan al hetgeen met de lieflijke deugd der Engelen in strijd is, — zij verbindt zich ook, in volmaakte zuiverheid buiten den huwelijken staat te leven,

quot;) Math. 19. 21.

ocr page 688

650

opdat de ziel God alleen tot Bruidegom kieze en Hem onverdeeld toebehoore.

De volmaakte gehoorzaamlmd onderwerpt zich, ook in dingen, waarvan door de goddelijke wetten de beslissing aan de menschelijke vrijheid is overgelaten, aan den wil en het goedvinden der bestierende geestelijke overheid, in wie zij de plaatsbekleedster van God ziet. — Den ivü opofferen, het goed, waarmede men over alle andere goederen beschikt, dit is wel het offer der offers. Ja, kostelijker, dan alle offergaven, is de gehoorzaamheid! ')

Hoe verheven deze staat der volmaaktheid is, dit begrijpt degene, die over het verschil tusschen gebod en raad nadenkt, en den graad der liefde overpeinst, welke als drijfveer tot de vervulling van het eene en van het andere moet worden aangezien.

Overleg, en meet den afstand. Deze wil geen vijand des Allerhoogsten zijn, en mijdt daarom de doodzonde; doch met 's Heeren wenschen, met zijne raadgevingen, met zijne inspraken houdt hij geen rekening, daar zij slechts het karakter van raad dragen, en de opvolging van dien raad geene eigenlijke voorwaarde tot de zaligheid uitmaakt. Voor een ander daarentegen is de geringste aanduiding van Gods wil voldoende; daarom offert hij met liefde wat hij is en heeft, wat hij zijn en hebben kan. En deze afstand herroept hij nimmer, en hij verbindt zich daartoe plechtig onder eed. Ziet gij nu het onderscheid der liefde?

En welk leven komt dat van Jesus meer nabij, het leven der geboden of het leven der raden? Rijkdom, zingenot, willekeur — Jesus Christus wilde niets daarvan weten; Hij

') 1 Kon. 15, 22.

ocr page 689

651

gaf de voorkeur aan het tegendeel — armoede, kruis, verachting, deemoed, gehoorzaamheid.

En waardoor wcrdt de afgrond der drievoudige begeerlijkheid, welke zich bij den eersten zondeval voor ons opende, gevuld, tenzij juist door het offer van die goederen, waarvan het misbruik die ongelukkige scheiding tusschen God en mensch te weeg heeft gebracht? Daar nu de mensch, met zijn naar het stof geneigden zin, uitermate aan die goederen is verkleefd, kan de vrijwillige afstand van dezelve in den omvang, hooger aangeduid, in waarheid het offer aller offers worden genoemd. Zich geheel aan God toewijden en, teneinde Hem onverdeeld te kunnen liefhebben, alle verkleefdheid aan het aardsche afleggen, — welke eene grootheid van ziel!

Ziet gij wellicht, o dierbare jongeling, met verbazing op tot die hoogte der christelijke verstorvenheid?

Ja, zij is hoog gelegen, de kruine der volmaaktheid, — doch zij is niet onbereikbaar, en de roeping tot zulk een verheven staat moet als de grootste en heerlijkste genade worden beschouwd.

Maar, werpt gij misschien op, wie een levensstaat omhelst wil daardoor toch gelukkig worden; en kan een staat des offers, der verstorvenheid, zooals de staat der „evangelische raden,quot; iemand wel gelukkig maken? En de prijs van die zware offers, van dat zedelijk zwoegen?

Luister, en sta verbaasd!

't Is waar — men zegt vader, moeder, broeders, zusters, geld, eer, genot, vrijheid vaarwel; men verlaat, in één woord, pe wereld, om God alleen, teneinde Hem volmaakter te kunnen dienen; men betreedt een doornig pad, men neemt liet Kruis tot banier voor het leven; en, o schijnbare tegenspraak, — juist hierin bestaat het buitengewone geluk, dat Jleze staat den geroepenen verzekert.

42

ocr page 690

652

Hun staat draagt alle kenteekenen des heils.

Hun staat is een staat der verhevenste volmaaktheid.

Hun staat is een staat der uitverkiezing, der verdienste, des bijzonderen rechts op de zoetste belooningen in het Rijk der heerlijkheid.

En omdat hij zulk een staat is, kan hij slechts een staat van geluk zijn, — hij leidt tot het hoogste, tot het eeuwig geluk, hij maakt hier beneden gelukkig door het vertrouwen op een nimmer-eindigend Hemelgeluk.

En wordt door dit bewustzijn der zekerheid, door dit vast betrouwen op een eeuwig-durend geluk, ja zelfs door de tweedracht met de booze wereld van buiten en in 't eigen hart — dengene, die ter liefde van God alles ten offer brengt, een vrede geschonken, die alle begrip te boven gaat, 1) een vrede, zooals de wereld dien niet vermag te schenken, quot;) daar zij hem niet begrijpt; wordt door de gedachte, alles voor God te hebben opgeofferd en Hem, den Rijkste en Milddadigste, zich om zoo te spreken tot schuldenaar te hebben gemaakt, de ziel met de reinste en heerlijkste vreugden vervuld, vreugden, die de harde wisselvalligheden des levens door heur alsem niet kunnen verbitteren, — vindt men dan niet juist hierin het honderdvoudige, 3) door Jesus Christus, Hij, die de „evangelische radenquot; op aarde heeft gebracht, zoo plechtig ook reeds voor dit leven beloofd?

Nochtans, het zal der wereld immer onbegrijpelijk voorkomen, dat men vrede kan vinden in 't midden des stvijds. in 't midden des offers, in ;t midden der ontberingen.

En toch, nog eenmaal, — vrede, onuitsprekelijk zoete vrede. Echter geen trage, geen weekelijke vrede, geen vrede die voortvloeit uit de bevrediging van elk zinneliik verlangen.

•) Piiilipp. 4, 7. •-) Joh. U, 27. s) Math. 1!), 29.

ocr page 691

653

uit laffe toegeeflijkheid jegens de bedorven natuur, uit immer opnieuw beproefde verzadiging van onverzadeüjke begeerten; — neen, een vrede, welke voortvloeit uit den heiligen haat tegen zich-zelven, uit het offer, uit de kruisiging van zinnen, eigenliefde, willekeur, — vrede in armoê, in deemoed, in verborgenheid, in geduld, in de getrouwe vervulling dei-zwaarste plichten van staat.

Wonderbare tegenslelling! Hoe menigeen heeft alies ter beschikking, wat hij begeert, is rijk en hoog in aanzien, geniet, ja zwelgt met breede teugen, kent geene verstorvenheid, — en is toch ongelukkig, beklaagt zich, wil meer, wil iets anders, ducht berooving van zijn bezit, heeft booze luimen, is menschenhater, schouwt droevig in verleden en toekomst, — terwijl de man des offers, blijde, kalm, in har-monischcn vrede met God en zich-zelven, gerust in zake het verleden, welks feilen hij sinds lang heeft uitgeboet, vol betrouwen op de toekomst, die hem lieflijk stralend van de overzij der groeve tegenwenkt, niets vreezend, niets hopend, tenzij het eeuwige, de gelukkigste dagen beleeft en zelfs niet met den meest bevoorrechten gunsteling der wereld zou willen ruilen.

Deze tegenstelling is leerrijk voor u, o mijn vriend, ook clan, wanneer zulk een verheven roep u niet is weggelegd.

De wereld belooft, en houdt geen woord. Zij spreekt zonder ophouden over geluk, en ziedaar — ellende, anderen bekende en meer nog — geheime ellende. Zij spreekt over vrede, *) en ziedaar — geen vrede, — onrust, verwarring.

De Heer belooft en Hij is zijn woord getrouw; het is onmogelijk, dat God liege. 1) En Hij zegt: Komt tot Mij, gij allen, die belast en beladen zijt, en Ik zal u verkwikken. 3)

') Jer. 6, U.

1

) Hebr. 6, IS. 3) Math. 11, 28.

ocr page 692

654

Neemt mijn juk op uwe schouderen; mijn juk is zoet, en licht mijn last. ') Oefent nederigheid en geduld, zooals Ik, en gij zult rust voor uwe zielen vinden. Meer nog; Hij spreekt: Voorwaar, Ik zegge u: wie zijn huis verlaat, of broeders, of zusters, of vader, of vrouw, of kinderen, of akkers, om mijnen naam, die zal het honderdvoud ontvangen en het eeuwige leven bezitten.

H. J. Boeghols. Libr. Censor.

') Math. 1], 29, 30

1 M P R I M A ï U E.

Sassenheim, die 30 Maji 1896.

ocr page 693

INHOUD VAN HET DERDE BOEK.

Voortgang.

Hoofdstuk. Bladz.

LXXXVII. Jesus — Koning...............413

LXXXVIII. Deugd en deugdzaamheid...........417

LXXXIX. Middelen tot de ware deugd..........422

XO. Geest des geloofs...............426

XCI. Do vroomheid.................430

XCII. Vertrouwen op God..............437

XCIIJ. De naastenliefde...............440

XCIV Heilige onderworpenheid............445

XCV. Do vreedzaamheid...............449

XCVI. Vergevensgezindheid..............453

XCVII. Een dringende liefdeplicht...........458

XCVIII. Ware vriendschap...............463

XCIX. Arbeidzaamheid................468

C. Mannelijke zin.................473

Cl. De heilige zuiverheid.............477

CXI. Innerlijke waakzaamheid............482

CIII. Bescherming der zinnen............484

C1V. Nederigheid..................489

CV. Nederigheid verheft..............494

CVI. Blijmoedigheid.................498

ocr page 694

656

Hoofdstuk. Bladz.

CVII. Ontspanning.................503

CVIII. De manieren..................506

CIX. De dagelijksche handelingen..........513

CX. De goede meening...............516

CXI. De eerste oogenblikken van den dag......521

CXII. Het heilige misoffer..............526

CXIII. Houding in de kerk..............580

CXIV. Orde......................536

CXV. De goede gedachten..............540

OXVI. De geestelijke lezing..............546

CXVIL De overweging.................551

CXVIII. Verschillende wijzen van bidden........558

CXIX. Het einde van den dag............562

CXX. Het leven mot de Kerk.............567

CXXI. De Zon- en feestdagen.............573

CXXII. Het woord Gods................578

CXXIII. De godsvrucht tot de H. Maagd........583

CXXIV. De heilige bewaarengel.............588

CXXV. Twee banieren.................593

CXX VI. Een krijgsbeeld.........•......598

CXXVII. Twee legerafdeelingen.............601

CXXYIII. Het tegenwoordige en de toekomst.......606

CXXIX. .Bij God is raad...............610

CXXX. Bethlehem ..................615

CXX XT. Nazareth...................619

CXXXir. Golgotha...................623

CXXX lil. De wereldlijke staat..............627

CXXXIV. Intrede in de wereld..............631

CXXXV. Het heilige priesterschap............C38

CXXXVI. De roeping tot het Priesterschap.......642

GXXXVII. De evangelische raden.............647

ocr page 695

.

: mmm

i

i ^s

ocr page 696

656

Hoofdstuk. Bladz.

CVII. Ontspanning.................503

CVIII. Do manieren..................506

GIX. De dagelijksclie handelingen..........513

CX. De goede meening...............510

CXI. De eerste oogenblikken van den dag......521

CXII. Het heilige misoffer..............526

CXIII. Houding in de kerk..............530

CXIV. Orde......................536

CXV. De goede gedachten..............540

CXVI. De geestelijke lezing..............546

CXVIL De overweging.................551

CXVIII. Verschillende wijzen van bidden........558

CXIX. Het einde van den dag............562

CXX. Het leven met de Kerk.............567

CXXI. De Zon- en feestdagen.............573

CXXII. Het woord Gods................578

CXXIII. De godsvrucht tot de H. Maagd........583

CXXIV. De heilige bewaarengel.............588

CXXV. Twee banieren.................593

CXXVI. Een krijgsbeeld......... ......598

CXXVII. Twee legerafdeelingen.............601

CXXVIII. Het tegenwoordige en de toekomst.......C06

CXXIX. .Bij God is raad...............610

CXXX. Bethlehem ..................615

CXXXI. Nazareth...................619

CXXXII. Golgotha...................623

CXXXIH. Do wereldlijke staat..............627

CXXXIV. Intrede in de wereld..............C31

CXXXV. Het heilige priesterschap............036

CXXXVI. De roeping tot het Priesterschap.......642

CXXXVII. De evangelische raden.............647

ocr page 697
ocr page 698
ocr page 699

GEDACHTEN EN RAADGEVINGEN.

(4de BOEK).

ocr page 700
ocr page 701

EEN HANDBOEK VOOR ONTWIKKELDE JONGELIEDEN.

Adolescens. rilii ilioo : sui'fgt;e 1 Lur. 7. 14.

NAA R HET H(K»(i i H'1TS( H

(9e Uitgaaf)

vax wijlen

P. ADOLPH VON DOSZ S. J.

hew kr kt door

JOS E P H W I T \j O X.

Met kerkelijke goedkeuri

IV

's Bosch. G. MOSMANS ZOON.

ocr page 702
ocr page 703

VIERDE BOEK.

ocr page 704
ocr page 705

HOOFDSTUK CXXXVIII.

HEILIGE JEUGD.

Senectus enlm veneraWlis est non diuturna neque an-norum numero computata.

Sap. 4, 8.

jj

ji' aarom zoude niet ook de jongeling tot sterke deugd, ja zelfs tot hooge volmaaktheid bekwaam zijn? Is dit misschien een voorrecht van den rijperen Is leeftijd.

U O neen, dierbare. Er kunnen jongelingen zijn, die een rijpen geest in de jeugdige borst dragen, jongelingen, die, vroeg voleindigd, vele jaren vervullen. ^

Niet de lengte des levens maakt den ouderdom eerbiedwaardig, zegt de Schriftuur.

Verheffende gedachte: — hoe jong ook, toch kan ik een heilige zijn!

Ik kan het. Staat mij van de zijde van God iets in den weg? Voorzeker niet. Juist Hij wil, dat ik, hoe jong ook, heilig

') Wijsh. 4, 13.

ocr page 706

660

zij. Zegt Christus: „Wees-volmaakt, gelijk uw Vader inden Hemel volmaakt is'', ') dan geldt deze vermaning voor een ■ieder en strekt zich uit tot eiken leeftijd, tot ieder geslacht, tot eiken staat. En schrijven de Apostelen: Dit is de wille Gods, uwe heiligmaking, 2) dan wordt door deze woorden de heiligheid in geenendeele tot welken leeftijd het zijn moge beperkt.

Ik kan het. Mij, zoo goed als elk ander, wordt door de gratie hulp geboden; ik kan daarom bidden en ook mij zal God zijnen goeden geest niet onthouden, 3) wanneer ik vurig zijn bijstand afsmeek. Ook de jongeling kan steun zoeken bij Dengene, die van Zich-zelf getuigt: Zonder Mij vermoogt gij niets;*) doch met de hulp mijner genade vermoogt gij alles. 5)

Ik kan het. Moeilijkheden staan mij in den weg, — lichtzinnigheid, tegenstand der opwellende passiën, onervarenheid, zwakheid. Maar — is het onmogelijk, over die moeilijkheden te zegevieren ?

Gesteld ook, dat 's jongelings verstand minder ontwikkeld is, dan het verstand eens volwassenen, — dan nog is hij door de genade voldoende bekwaam, om de wetenschap der Heiligen te leeren. Het juiste inzicht in de verborgenheden der liefde en kennis van God verschaffen niet zoozeer de jaren, scherpzinnigheid en ondervinding, dan wel het gretig luisteren naar de stemme Gods, het vorschen in de Wet des Heeren, het nadenken over God en het Goddelijke, het volgzaam gehoor geven aan de leering van wijze, door God verlichte mannen en het voorbeeld der rechtvaardigen.

Vooral een zuiver leven draagt bij tot een spoedig en juist begrip van al hetgeen met de heiligheid in betrekking staat.

') Malh. 5, 48. 2) 1 Thess. 4, 3. 2) Luc. 11, 13. 4) Joh. 15, 5.

s) Philipp. 4, 13.

ocr page 707

661

Het reine hart is de beste spiegel om het eeuwige, zuivere licht, den driemaal Heiligen-zelf te weerkaatsen.

Ik kan het. Zelfs biedt te dezen opzichte mijn leeftijd menig voordeel.

De vooroordeelen zijn minder in aantal. Nog heeft de wereld mijn blik niet beneveld, mijn gezichtskring niet beperkt.

Het hart is frisscher. Het ontvlamt spoediger in geestdrift voor wat schoon is, goed en edel.

De jongeling berekent minder; daarom is hij des te cmcZer-nemender.

Ik kan het. O ja, mijn God, mijn hart roept het mij duidelijk toe: ik kan het. Mijn verstand zegt het mij, de voorbeelden der Heiligen verkondigen het luide, de eeuwige waarheid verklaart het onomwonden: gij kunt, o jongeling, het is u niet ontzegd, gij moei zelfs ...

En toch, — ik word teruggehouden.

Wat belet mij, een heilige te worden, en met gevleugelden voet op mijne zedelijke volmaaktheid toe te ijlen?

O groote God, ik-zelf htn het, mijne lafheid is het, mijn schroom voor alles, wat naar een offer zweemt!

Ik aarzel, de mij aangeboden middelen te gebruiken.

Ik vlucht de inspanning, ik vrees den strijd. Ik kan er niet toe besluiten, mij ten kamp tegen mijne bedorven natuur aan te gorden, haar den oorlog aan te doen, met onverbiddelijke gestrengheid tegen haar op te treden.

Voorwaar. Ik zegge u: Tenzij het tarwegraan in de aarde valle, en sterve, blijft het alleen, brengt geene vrucht voort, ') vult geene schuren.

Voor dit sterven deins ik terug. En toch is dit sterven leven, verrijzenis, onsterflijkheid . ..

') Joh. 12, 24.

ocr page 708

660

zij. Zegt Christus: „Wees-volmaakt, gelijk uw Vader inden Hemel volmaakt is'', *) dan geldt deze vermaning voor een ieder en strekt zich uit tot eiken leeftijd, tot ieder geslacht, tot eiken staat. En schrijven de Apostelen: Dit is de wille Gods, uwe heiligmaking, 2) dan wordt door deze woorden de heiligheid in geenendeele tot welken leeftijd het zijn moge beperkt.

Ik kan het. Mij, zoo goed als elk ander, wordt door de gratie hulp geboden; ik kan daarom bidden en ook mij zal God zijnen goeden geest niet onthouden, 3) wanneer ik vurig zijn bijstand afsmeek. Ook de jongeling kan steun zoeken bij Dengene, die van Zich-zelf getuigt: Zonder Mij vermoogt gij niets; 4) doch met de hulp mijner genade vermoogt gij alles. 5)

Ik kan het. Moeilijkheden staan mij in den weg, — lichtzinnigheid, tegenstand der opwellende passiën, onervarenheid, zwakheid. Maar — is het onmogelijk, over die moeilijkheden te zegevieren?

Gesteld ook, dat 's jongelings verstand minder ontwikkeld is, dan het verstand eens volwassenen, — dan nog is hij door de genade voldoende bekwaam, om de wetenschap der Heiligen te leeren. Het juiste inzicht in de verborgenheden der liefde en kennis van God verschaffen niet zoozeer de jaren, scherpzinnigheid en ondervinding, dan wel het gretig luisteren naar de stemme Gods, het vorschen in de Wet des Heeren, het nadenken over God en het Goddelijke, het volgzaam gehoor geven aan de leering van wijze, door God verlichte mannen en het voorbeeld der rechtvaardigen.

Vooral een zuiver leven draagt bij tot een spoedig en juist begrip van al hetgeen met de heiligheid in betrekking staat.

') MaUi. 5, 48. s) 1 Thess. 4, 3. ') Luc. U, 13. ') Joh. 15, 5.

s) Philipp. i, 13.

ocr page 709

661

Het reine hart is de beste spiegel om het eeuwige,, zuivere licht, den driemaal Heiligen-zelf te weerkaatsen.

Ik kan het. Zelfs biedt te dezen opzichte mijn leeftijd menig voordeel.

De vooroordeelen zijn minder in aantal. Nog heeft de wereld mijn blik niet beneveld, mijn gezichtskring niet beperkt.

Het hart is frisscher. Het ontvlamt spoediger in geestdrift voor wat schoon is, goed en edel.

De jongeling berekent minder; daarom is hij des te ondernemender.

Ik kan het. O ja, mijn God, mijn hart roept het mij duidelijk toe: ik kan het. Mijn verstand zegt het mij, de voorbeelden der Heiligen verkondigen het luide, de eeuwige waarheid verklaart het onomwonden: gij kunt, o jongeling, het is u niet ontzegd, gij moet zelfs ...

En toch, — ik word teruggehouden.

'Wat belet mij, een heilige te worden, en met gevleugelden voet op mijne zedelijke volmaaktheid toe te ijlen?

O groote God, ik-zelf hen het, mijne lafheid is het, mijn schroom voor alles, wat naar een offer zweemt!

Ik aarzel, de mij aangeboden middelen te gebruiken.

Ik vlucht de inspanning, ik vrees den strijd. Ik kan er niet toe besluiten, mij ten kamp tegen mijne bedorven natuur aan te gorden, haar den oorlog aan te doen, met onverbiddelijke gestrengheid tegen haar op te treden.

Voorwaar, Ik zegge u: Tenzij het tarwegraan in de aarde valle, en sterve, blijft het alleen, brengt geene vrucht voort, ') vult geene schuren.

Voor dit sterven deins ik terug. En toch is dit sterven leren, verrijzenis, onsterflijkheid . . .

1) Joh. 12, 24.

ocr page 710

HOOFDSTUK CXXXIX.

DE HEILIGHEID.

Sancti eritis, quia Ego-sanctus snm.

Lev. 11. 45.

aat is de heiligheid anders, dan de grootst mogelijke overeenstemming van hQt nienschelijk denken en handelen met het denken en handelen van Dengene, die de Heiligheid-zelve is?

Gij stelt u wellicht de heiligheid voor, o jongeling, als iets, hetwelk buiten ons bereik ligt; gij denkt aan grootsche daden, aan wonderen, aan buitengewone, bovenmenschelijke dingen.

Gij dwaalt! Niet de navolging der goddelijke Almacht of van soortgelijke eigenschappen, die ons God vooral in zijne grootheid toonen, vormt de menschelijke heiligheid; deze bestaat in de navolging van God, in zoo verre zijn Wezen alle, ook het geringste kwaad uitsluit.

ocr page 711

663

Daarom vermaant de H. Schriftuur ook nergens: „Weest almachtig, evenals Ik, uw Godquot;, — of iets dergelijks; wel echter staat geschreven: „Weest heilig, want Ik hen heilig. ^

Gud is heilig, omdat Hij het kwaad verafschuwt, en het goede mint en wil.

God is heilig, omdat Hij van de eeuwige wet, die Hij-zelve is, niet afwijkt, en niet kan afwijken.

God is heilig, omdat Hij geheel zuiver is, en geen schiin van kwaad in Hem gevonden wordt.

God is heilig, omdat zich in Hem alle denkbaar zedelijk goed en alle volmaaktheid vereenigt.

God is echter heilig door zijn natuur.

God is het loezen der heiligheid.

God is heilig zonder maat en grens, Hij is oneindig heilig.

In God is de heiligheid volmaakt, d. w. z.: niet vatbaar voor groei of vermindering.

Gods heiligheid is ondoorgrondelijk; zij is de volheid aller heiligheid, de oorsprong aller heiligheid, de grondslag aller heiligheid, het voorwerp aller heiligheid, de mate, het voorbeeld en einddoel aller heiligheid.

Het redelijke schepsel is heilig, indien en in zoo verre het de zonde verafschuwt, het goede mint, wil en beoefent.

Een schepsel is heilig, indien het de eeuwige Wet, die God-zelve is, onwankelbaar getrouw naleeft.

Een schepsel is heilig, als het de deugd in hare volheid beoefent, en zich met de borst op de volmaaktheid toelegt.

Een schepsel kan echter alleen heilig zijn door God.

Het schepsel is niet van nature heilig; het moet zich de heiligheid verwerven.

De heiligheid van het schepsel is beperkt en eindig; immers.

') 3 Mos. 11, 45.

ocr page 712

664

nooit kan het God liefhebben in die mate, waarin Hij verdient, door het schepsel te worden bemind; nooit kan het zoo nauw met God worden vereenigd, dat het in zijn Wezen overgaat.

De heiligheid van het schepsel is veranderlik, kan toe-en afnemen.

De heiligheid van het schepsel is en blijft een zwakke schaduw der eeuwige heiligheid, zij is niets in vergelijking met deze; zij \s slechts heiligheid, omdat en in zoo verre zij Gods heiligheid nastreeft.

Gij ziet, waarom God tot zijn redelijk schepsel niet alleen zeggen kon, maar zeggen moest: Wees heilig, want Ik ben heilig. ^

Omdat Ik heilig ben, moet gij heilig zijn, — daarvoor alleen heb Ik u geschapen; u scheppende, en u mijner aanschouwing deelachtig willende maken, moest Ik ook willen, dat gij heilig ziit, — want niets, wat onheilig is, kan den Hemel binnengaan. 2)

Zooals Ik heilig ben, moet gij heilig zijn, — zooveel mogelijk, naar uw beste krachten, in het bereik uwer plaats hier-beneden, in evenredigheid der gratiën, u verleend.

O, ik begrijp, God der heiligheid, dat ik na dit leven nimmer met U kan vereenigd worden, tenzij ik heilig ben! Het heilige kan niet met het onheilige wonen; Gijzijtte eenenmale rein, te eenenmale heilig, — daarom moet ik gansch rein, gansch heilig wezen.

Waarin bestaat dus mijne taak hier op aarde? Het is noodzakelijk,'dat ik mij steeds meer loutere. Ik moet in mijn hart meer en meer uitroeien wat der heiligheid in den weg staat. Ik moet meer en meer Gode gelijkvormig worden. De deugd moet mij allengs meer eene tweede natuur worden, zij moet

') 3 Mos. 11, 45. ') Openb. 21. 27.

ocr page 713

665

welig in mij tieren, mijn hart tooien met de geurigste bloemen.

Maar ach! — de menschelijke zwakheid!

O — ik wil niet kleinmoedig worden! Ik moet tot de heiligheid komen, niet uit mij-zelven, ik moet, ik kan er toe geraken door goddelijke hulp. Aan ü, o Heilige, o Zuivere, laat ik mij geheel over! Heilig mij, vorm mij tot hetgeen U aangenaam is, opdat ik in eeuwigheid uw Aanschijn genieten moge.

Gij meent, o jongeling, dat het moeilijk is, de heiligheid van God in ons na te volgen, daar zij ons niet zichtbaar vóór de oogen treedt.

Heeft inderdaad niemand haar gezien? Is zij werkelijk nooit voor ons zichtbaar geweest? Wat leert het Geloof? — Zoudt gij niet hebben gehoord, hebben uwe oogen niet gezien, uwe handen niet aangeraakt — het Woord des Levens, Dat was van den beginne ? ^

Heeft Gods oneindige heiligheid zich niet als 't ware in Jesus Christus belichaamd'?

Wel zoude het ons moeilijk zijn geweest, de goddelijke heiligheid, de begrippen, die wij van haar moeten hebben, op onze menschelijke toestanden over te brengen, ze daarop toe te passen. Doch Gods Zoon kwam ons ter hulp. Hij is mensch geworden; Hij heeft onder ons gewoond;2) Hij leefde in den meest gewonen staat; zijne voorheelden, zijne leeringen, — hebben zij voor ons niet de geheele diepte van Gods heiligheid ontsloten? Ik spreek tot de wereld, zegt Jesus Christus, wat ik van den Vader heb gehoord; 3) Ik doe de werken mijns Vaders.

Dring derhalve door in den geest van den Zaligmaker, o jongeling, en het begrip der heiligheid zal u in voldoende mate helder worden. quot;Volg zijne leering, volg zijn voorbeeld. —

•) Joh. 1, 1. !) Joh. 1, 14. 3) Joh. 8, 26. •) Joh. 9, 4.

ocr page 714

666

en zeker wordt gij heilig, evenals uw Vader in den Hemel heilig en volmaakt is. 1)

O mijn God, het is mijne bestemming, eenmaal vóór uw Troon dien ouden en toch eeuwig nieuwen lofzang aan te heffen: Heilig, heilig, heilig is de Heer der heirscharen, 2) — en ik zoude mij geene moeite willen geven, om zelf heilig te worden, om eens in het koor der Heiligen dien lofzang uwer heiligheid te kunnen zingen 1....

') Math. 5, 48.

a) Openb. 4, 8.

ocr page 715

HOOFDSTUK CXL.

HET STREVEN NAAR HEILIGHEID.

Beati, qui esurhmt et sitiunt justitiam.

Math. 5. 6.

e eerste en meest noodzakelijke voorwaarde tot de IviF heiligheid is ernstige wil, heilig te worden, jm» Daar de heiligheid ons niet is aangeboren, daar

zij ons door God niet zonder ons toedoen wordt ver-1 leend, daar zij niet van-zelve tot ons komt, moeten wij er naar streven, d. w. z.: krachtig willen, ons best doen, middelen gebruiken.

Dit streven vindt op de eerste plaats zijn oorsprong in de levendige overtuiging, dat onze medehulp te eenenmale onmisbaar is; voorts in de ware hoogachting van datgene, wat men heiligheid noemt, en in het bewustzijn, dat wij, nood-zakelyjkerwijze, voor onze ziel niet eene karige, doch eene teedere, milde zorg moeten dragen.

ocr page 716

668

Het streven naar heiligheid wordt ook geboren uit de zeer gegronde vrees, dat wij ons einddoel wellicht geheel zullen missen, wanneer wij het niet op voortreffelijke wijze bereiken.

Bij deze overtuiging voegt zich nog het oprecht verlangen, ons naar best vermogen Gode gelijkvormig te maken, en de neiging om al datgene in toepassing te brengen, wat, overeenkomstig de oogmerken Gods, onzen overgang in zijn Wezen moet bevorderen. Mijn hart is bereid, o God, bereid is het! 1) Wat wilt Gij, dat ik doe? 2) Spreek, o Heer, uw dienaar luistert! 3)

O heilig verlangen! o zalige stemming! De ziel wil volmaakt worden, gelijk God-zelf volmaakt is; 4) en daar nu God oneindig volmaakt is, gunt de ziel zich nimmer rust, overtuigd, dat het doel, door haar beoogd, nog immer verre blijft, in weerwil van haar rusteloos streven.

Zie, dat is de dorst, dat is de honger naar de gerechtigheid, waarvan de Schriftuur getuigt, dat zalig te prijzen zijn degenen, die op deze wijze hongeren en dorsten, daar zij verzadigd zullen worden, 5) — verzadigd — wel-is-waar eerst ten volle hiernamaals, wanneer elke dorst, elke honger heeft opgehouden te bestaan, verzadigd evenwel ook reeds op aarde — door het streelende bewustzijn, dat men den god-delijken wil vervult, en door den zoeten voorsmaak eener zekere, alles overtreffende belooning in de eeuwigheid.

En vraag u thans, o dierbare jongeling, ernstig af, of gij inderdaad een vurig verlangen naar heiligheid koestert.

Aan de zware zonde, aan de zonde in 't algemeen hebt gij verzaakt; streeft gij echter ook naar christelijke volmaaktheid?

') Ps. 107, 2. ') Hand. 9, 0. *) 1 Kon. 3, 9. *) Math. 5, 48. !) Math. 5, (i.

ocr page 717

669

Brandt gij van begeerte, geestelijk te groeien, — steeds dieper in alle deugden te wortelen, steeds hooger op te schieten ?

O treurige voldaanheid, waardoor onze beste krachten te loor gaan! Wij meenen, reeds genoeg te hebben gearbeid, wanneer het kwade is uitgeroeid, en wij ons nauwelijks zooveel deugd hebben eigen gemaakt, als wij strikt van noode hebben, om niet voor God schuldig te zijn!

Maar deze voldaanheid vindt reeds hier-beneden hare straf. God verwijt ons lauwheid, het geweten lafheid, de menschen. zelf bespeuren ras de gebrekkigheid onzer deugd. En rijst bij ons-zelf nu en dan twijfel, of onze zaligheid wel is verzekerd in die mate, waarin wij het wenschen, — die twijfel is niet ongegrond. — Zijn wij karig tegenover God, dan kan ons zijne genade, welke ter zaligheid onontbeerlijk is, niet in breede stralen toevloeien.

Ontsteek dus in uw hart, o jongeling, een vurig en altijd vuriger wordend verlangen, der volmaaktheid van God meer en meer nabij te komen. Voeg u niet bij die kleine zielen, die immer vragen: moet ik dit? is dat noodig? ben ik daartoe verplicht? ontgaat mij de Hemel, wanneer ik dit achterwege laat? — kleine zielen! alledaagsche harten!

Weet gij, hoe ver de Heer u zoude voeren, tot welk een graad van heiligheid Hij u wilde verheffen, indien Gij aan de werking zijner genade geen weerstand boodt? O — 'tis ons niet mogelijk, te bevroeden, wat God van ons zoude maken, indien wij zijner liefde, zijner eindelooze barmhartigheid de vrije hand lieten! Zie wel toe, dat gij uwen God niet onbillijk bejegenet, door Hem grenzen af te bakenen en de vervulling zijner oogmerken in u te verijdelen!

En de Hemel is ook niet dezelfde voor allen. Hoor den Apostel: Eene andere is de heerlijkheid der zon, eene andere

ocr page 718

670

de heerlijkheid der maan, en eene andere de heerlijkheid dei-sterren. Want ster verschilt van ster in heerlijkheid. ') De mystieke zin dezer woorden kan voor u, o jongeling, eene verklaring derven.

In betrekking tot het tijdelijke kent men geene rust. Men streeft, men arbeidt, men wil zijn welstand vermeerderen, men wil hoog in aanzien klimmen, men tracht zijne maatschappelijke positie te verbeteren, men verrijkt zich met altijd nieuwe kennis, men is vindingrijk in hooge mate. Immer vooruit! is de leuze van den wereldling.

Welaan, — immer vooruit, ook gij, dierbare! ijl van deugd tot deugd, rust niet, schroom niet, wees niet voldaan.

Stel uw doel hoog, seer/ioor;, o jongeling! de pijl zal, helaas! nog diep genoeg dalen, — zoozeer drukt hem zijne zwaarte naar beneden.

M 1 Cor. 15. 41.

ocr page 719

HOOFDSTUK CXLI.

DE GODDELIJKE INSPRAKEN.

Ecce sto ad ostium, et pulso. Ap. 3, 20.

TffSl

'-ÈSs 06 dikwerf sta Ik aan de deur uws harten, o jongeling, en smeek u, Mij toegang te verleenen, ') — Mij, uw m Zaligmaker, uw welmeénenden Eaadgever, uw belange-| loozen Vriend, uw teer bezorgden Vader!

02)ent gij voor Mij?

Opent gij spoedig?

Hoe lang moet ik vaak wachten! hoe dikwijls hoort ge Mij niet eens, en moet ik bedroefd heengaan!

En wien berokkent zulks nadeel?

Weet, dat gij nimmer heilig zult worden, als gij niet opmerkzaam naar mijne stemme luistert, niet trouw met de genade medewerkt.

') Openl». 3, 20.

ocr page 720

672

Ik openbaar u mijn wil; gij weet, wat gij doen, wat gij laten moet. Van Mij leert gij, hoe men volmaakt handelt, hoe men de volle tevredenheid mijns Vaders kan verwerven.

Ik leer u wat nuttig is; ^ Ik leid u op de wegen des heils.

Ik ben het licht, dat lederen mensch verlicht, die komt in deze wereld, 2) en Ik wensch, uwen geest met dat licht te bestralen. In dat licht ziet gij, Avelke taak u op deez' aard' is aangewezen, tot welke zedelijke grootheid gij zijt geroepen, en hoe gij die bereiken kunt.

Ik breng vuur van den Hemel, 3) en wensch dat vuur in uw hart te zien, teneinde het daar hoog opvlamme. Ik vermeerder uwe liefde; Ik maak haar rusteloos en vindingrijk, Ik bied heur offerwilligheid voedsel.

Aan u, mijn kind, uw oog voor dat licht te openen, den straal binnen te laten, in den luister van dat licht te wandelen. Aan u, de heilige vonk aan te wakkeren, het ontstoken vuur niet meer te laten kwijnen.

Hoeveel schade berokkent gij u, wanneer gij weigert, aan mijne inspraken gehoor te geven, wanneer gij ze niet behoorlijk opvolgt! Hoeveel kan afhangen van ééne goede inspraak!

Hoe oneerbiedig handelt gij, wanneer gij niet opmerkzaam naar mijne woorden luistert, of ze bijna aanstonds vergeet, of ze in den wind slaat en minacht!

Ja, Ik sta aan uwe deur en klop,4) en wordt Mij door niemand geopend, dan ga Ik voorbij, en breng anderen, die wijs en dankbaar zijn, mijne zegeningen.

O, luister in de toekomst aandachtig naar mijne stem, en wees volgzaam. Trek u meer uit de wereld terug, opdat haar gewoel u niet verhindere, mijn woord opmerkzaamheid te

') Is. 48, 17. ') Joh. 1. 9. =) Luc. 12, 49. ') Openb. 3, 20.

ocr page 721

673

schenken, en haar voorbeeld u niet tot minachting van mijn raad verleide.

Luister, wanneer aan de deur van uw hart wordt geklopt; en hoort gij, dat Ik het ben, open dan spoedig, verleen Mij toegang en houd Mij bij u.

Zoo iemand Mij liefheeft, hij zal mijn woord onderhouden, en mijn Vader zal hem liefhebben; en wij zullen tot hem komen, en woning bij hem nemen. ')

') Joh. 14, 23.

44

ocr page 722

HOOFDSTUK CXLII.

ONDERRICHTING EN LEIDING.

Cum viro sancto assiduus esto. Eccl. 37, 15.

w a a Iwegen zijn er overal, omwegen overal. Van vÊOlf hoeveel belang is het, in de juiste richting te worden gevoerd!

Door leiding bereikt gij zekerder, sneller en langs meer verdienstelijken weg het einddoel uwer reize. Ook het pad ter heiligheid heeft zijne duistere, gevaarvolle plaatsen, zijne oneffenheden, zijne hellingen, zijne kronkelingen, — zullen wij het zonder gids bewandelen?

Wee hem, die alleen wandelt! Wanneer hij valt heeft hij niemand, die hem de hand reikt. ^

Hij, die op zijn eigen hart vertrouwt, is een dwaas. quot;) Zoek u een man des vertrouwens, maant de Schriftuur, een man,

') Eccli. 4, 10. 8) Spr. 28, 20.

ocr page 723

675

wiens ziele is naar uwe ziel, en die, wanneer gij in de duisternis struikelt, medelijden met u heeft. l)

Deze man zal wel degene ziin, wien gij uwe ziel hebt toevertrouwd, wien gij, vooral in het Sacrament van Boetvaardigheid, uwe hartsgeheimen hebt ontsluierd, uw biechtvader, de leidsman uiuer ziel.

Is het ten opzichte der Absolutie onverschillig, door welken bevoegden plaatsbekleeder van God zij wordt gegeven, voor uwe leiding is het in geenendeele zonder belang, wie uw biechtvader is.

De priester, als plaatsbekleeder van God. is niet alleen rechter, hij is ook geneesheer-, en 't behoeft wel niet gezegd, hoeveel de eene geneesheer van den anderen kan verschillen.

De zieleleiding gaat verder, dan de enkele bediming van 't Sacrament.

Vele omstandigheden zijn er, in welke het der ziel, be-geerig naar voortgang in het goede, wenschelijk voorkomt, nauwkeurig onderricht te worden; haar moet worden aangetoond, hoe men de verschillende passien met goed gevolg kan bestrijden, hoe men vertrouwelijk met God kan omgaan, hoe men op verschillende manieren kan bidden, hoe men zekere goede werken beoefent en de plichten van staat ijverig en verdienstelijk nakomt, hoe men de verschillende deugden verkrijgt en die allengs tot volmaaktheid kan voeren.

Bezit gij, jongeling, van al het genoemde reeds nu zooveel kennis, dat gij als uit u-zelven altijd den besten, kortsten, veiligsten weg zult inslaan?

O, laten wij nopens het bovennatuurlijke in ons-zelf niet meer betrouwen stellen, dan in zake — het natuurlijke!

Droevig en tevens bespottelijk ware het, als een blinde

') Eccl. 37, 15, 10.

ocr page 724

676

zijn lotgenoot tot gids wilde strekken; ') maar niet minder droevig en bespottelijk is het, wanneer een blinde zijn eigen gids wil zijn, — en dit op oneffen, kronkelige, hem schier geheel onbekende paden.

Men heeft vrienden en leent volgzaam het oor aan hun raad; maar kostelijker dan een gezelschaphouder en een tafelgezel 2) is een vriend, wien enkel ons zideheil ter harte gaat, en die wetenschap, ondervinding bezit, om het te bevorderen.

Men heeft raadslieden; met hen bespreekt men dikwijls en uitvoerig zaken en plannen; men maakt zich hunne kennis ten nutte, verneemt belangstellend hun oordeel. En zoude het niet prijzenswaardig en nuttig zijn, ook de aangelegenheden der ziel tot onderwerp eener wijze beraadslaging te nemen?

Men heeft leeraren; zij onderrichten in wetenschap en kunst, en lange jaren wandelt men schier immer aan hunne zijde, en hunne uitspraken gelden bijna als orakelen. En toch is het pad der wetenschap niet zoo kronkelend als de weg des zielelevens.

En toch zijn de afdwalingen van het pad der wetenschap niet zoo treurig in hare gevolgen, dan de afdwalingen van den weg, die ten Hemel voert.

En toch geldt het hier slechts de wijsheid der wereld, tijdelijk gewin, ontwikkeling van het verstand, maatschap-pelijken vooruitgang — ginds echter de wetenschap dei-Heiligen, de ziel. God, de eeuwigheid!

En toch hebben de leeraren der menschelijke wijsheid geene sacramenteele wijding van staat.

Dierbare jongeling, welk een dank waret gij der Voorzie-

*) Eed. ü, 10.

Math. 15, 14.

ocr page 725

677

nigheid schuldig, indien Zij u ook in geestelijke zaken een bekwaam en toegewijd leermeester ter ziide stelde!

Zie. uw iveten en willen, beide hebben zij volmaking van noode, — die volmaking gewordt u door een verstandig leidsman uwer ziel.

Of spreek. — waar is uw ervaring? Kent gij de wereld genoegzaam? zal zij u niet misleiden, begoochelen? zult gij tijdig hare strikken bespeuren? Zijn u de listen des boozen vijands in voldoende mate bekend? Overschat gij uwe Arac/i-ten niet? Kent gii de geschikte wapenen ? Zijt gij omzichtig genoeg? Kent gij de kronkelwegen der passiën, de begoochelingen der zelfliefde, de natuur, het ontwikkelingsproces, den innerlijken samenhang der verschillende deugden? Hebt gij niet in deze ure aansporing, in de volgende beteugeling van noode? nu eens steun, dan weder bescherming? Wilt gij den heeten strijd der jeugd alleen strijden? Weet gij niet, dat de broeder, gesteund door een broeder, sterk is, gelijk eene wèlverdedigde stad ? ^

En geldt het vooral die meer uitgebreide wereld- en zelfkennis, geldt het een dieperen blik in het wezen der deugden, het vaak zoo moeilijk te bepalen verschil tusschen het goede en betere, de voorzichtigheid in de keuze der middelen, — hoezeer hebt gij dan behoefte aan een oog, dat met u en voor u ziet, aan eene hand, die met u en voor u arbeidt! Hoezeer komt u dan het oordeel, de ondervinding van anderen te stade! Hoe menig gevaar zult gij dan door eene wijze bestiering ontgaan! Hoeveel omwegen zult gij u daardoor besparen!

Dat iemand uit zich-zelf en als onder rechtstreeksche inwerking des H. Geestes tot de wetenschap der Heiligen, de meest ernstige, de belangrijkste onder alle, geraakt, dit is eene uit-

') Spr. 18, 19

ocr page 726

678

zondering, waarop niet zonder dwaasheid en vermetelheid kan worden gerekend.

Neen, de goddelijke Voorzienigheid is gewoon, de menschen door menschen te leiden; en nimmer zal Zij het dengene, die in waarheid geleid wil worden, en die zich met kinderlijk betrouwen aan leiding wil overgeven, aan een deugdelijk gids laten mangelen.

Aan de hand van trouwe, in het geestelijk leven ervaren zielegidsen zijn de meeste Heiligen geworden wat zij waren, en gevoerd tot die verheven tronen, waarop nu ons oog hen met bewondering aanschouwt.

Ja, uitermate kostbaar is zulk een leidsman tot het eeuwig leven, wien het hart zich kan toevertrouwen, wien men zonder schroom een blik in de geheimste plooien onzer ziel kan doen slaan, bij wien men raad, onderricht, troost, waarschuwing, aansporing naar de behoefte van het oogenblik kan vinden! En zulk een vriend heeft voor ons meer waarde, naar mate wij eenzamer, meer aan ons-zelven overgelaten zijn.

Maar, vraagt gij, waar vind ik dengene, die voor mij is geschikt ?

De man, die u naar wensch hulp kan verleenen, zij een man Gods, een priester.

Hij moet ervaren zijn in de wegen Gods, in het inwendig leven.

Hij kenne de jeugd in haar leven en streven, in hare goede en kwade eigenschappen, in hare edele en booze neigingen.

Zijn hart zij vol liefde. Laffe toegeeflijkheid zij hem niet minder vreemd, dan ruwe strengheid. Hij moet ernst aan zachtheid paren; zijn ernst kwetse u niet, zijne zachtheid worde voor u geene reden tot aanmatiging.

Hij behoort een man te zijn. die u vertrouwen inboezemt, zoodat het u weinig of geen moeite kost, uw hart voor hem te openen.

ocr page 727

679

Hij toone levendige bezorgdheid voor uw waar geluk. Hij levere het bewijs, dat hij slechts u zoekt, slechts uwe ziel, — maar ook uwe ziel tot eiken prijs.

Hij worde niet moê, u aan te sporen t het waardig en dikwijls naderen tot de Sacramenten, en geve juist hierdoor blijk, dat hij u langs bovennatuurlijke wegen tot een bovennatuurlijk leven wenscht te voeren, of u in dat leven wil bevestigen.

O, bid, dat God u zulk een leidsman aanduide! Zoek naar een getrouwe, die met u gaat, ') op de gevaarvolle reis door het leven.

Gelukkig, wanneer gij hem mocht vinden! In hem bezit gij een vriend in den meest volkomen zin des woords, en een waar vriend is een geneesmiddel des levens en der onsterfelijkheid, en die den Heer vreezen zullen hem vinden.

') Tob. 5, 4.

ocr page 728

HOOFDSTUK CXLIII.

DE LIEFDE TOT GOD.

Plenitudo legis est dilectio.

Tl$gt; Rom. 13, 10.

e liefde is dat hemelsch element, in hetwelk en door hetwelk de heiligheid leeft; de heiligheid harerzijds baart de liefde, welke de kroon, de koninginne aller deugden is.

' Wonderbare onderlinge betrekking, voortvloeiende uit de natuur van God-zelven!

God is heilig, dewijl en terwijl Hij Zich-zelf bemint, en God bemint Zich-zelf, dewijl zijn Wezen heilig is: Is de heiligheid oorzaak van Gods liefde tot Zich-zelf, de liefde is ook oorzaak zijner heiligheid.

De mensch is slechts in zoo verre heilig, als hij God bemint; naar mate hij God vuriger bemint is zijne heiligheid grooter. Doch hij bemint God ook vuriger, naar mate zijne heiligheid

ocr page 729

681

grooter is, en de mate zijner heiligheid is de mate zijner liefde tot God.

Liefde en heiligheid gelijken twee majestueuze stroomen, wier machtig golvenheir samenvloeit, echter zoo, dat beider wateren hunne oorspronkelijke tinten bewaren. Zij richten zich beide naar één doel. De oevers van den eenen stroom zijn de oevers van den anderen; de bedding van den eenen is de bedding van den anderen; de golven dragen elkaar wederzijds en bereiken het doel van hun loop spoediger, naar mate de strooming. door hun vereenigde wateren bewerkt, krachtiger is.

Zeg mij, in welke mate gij den Allerhoogste lief hebt, en ik zal u zeggen, in welke mate gij heilig zijt.

De liefde is de vervulling der wet. 1) Door de liefde komt de wet tot vervulling; hoe vuriger de mensch God liefheeft, op des te volmaakter wijze vervult hij de wet.

Wie is heilig'? Die de wet volmaaktelijk vervult; want hij, die volmaakt is, vermijdt alle boosheid, doet al het goede. En wat spoort mij aan, de wet volmaakt te vervullen? Op de eerste plaats de liefde.

Wie bemint? Degene, bij wien de daad aan de gezindheid beantwoordt; hij. die naar best vermogen den wil vervult van hem, dien hij voorgeeft, te beminnen. De wil van God uit zich door de wet; derhalve is hij, die op de meest volmaakte wijze de wet vervult, ook de heiligste. Waarheen voert dus de liefde? Tot de heiligheid!

O dierbare jongeling, heb God steeds oprechter, steeds inniger, steeds werkdadiger lief, en gij wordt heilig, steeds reiner, steeds rijker aan deugden, steeds volmaakter.

) Rom. 13, 10.

ocr page 730

682

O ja. de liefde is de grondslag aller heiligheid, de mate aller heiligheid, de volheid aller heiligheid.

Waarom blijven de zalige bewoners van het Paradijs immer heilig? Dewijl zij niet ophouden, te beminnen.

Waarom beminnen zij thans God zonder einde en met een gloed, in vergelijking waarbij de liefde, welke zij God hier op aard' hebben toegedragen, nauwelijks een glimmende vonk is? Dewijl zij eerst nu eigenlijke Heiligen zijn.

De liefde is de vervulling der wet. ') De liefde is de band der volmaaktheid. 2)

Bemin derhalve, en bemin door navolging, d. w. z.; gelijk God ons bemint, u ten eenenmale opofferend voor God, voor Hem levend, voor hem werkend en lijdend, te zijner liefde u-zelven verloochenend.

s) Col. 3, 14.

') Rom. 13, lü.

ocr page 731

HOOFDSTUK CXLIV.

DE UITGESTREKTHEfD DER GODDELIJKE LIEFDE.

Diliges Dominum Deum tunra ex toto corde tuo.

Luc. 10, 27.

ij-zelf, o Heer, hebt ons de uitgestrektheid aangetoond, welke onze liefde tot U moet hebben. Gij ^ spraakt: Gij zult den Heer, uwen God, liefhebben, uit geheel uw hart, en uit geheel uwe ziel, en uit geheel uwe kracht, en uit geheel uw verstand. ^ O, gewaardig U, mij de beteekenis dier woorden, eenigermate door mij bevroed, geheel te verklaren!

Mijn zoon! die woorden behelzen te saam den zin van dit ééne: heb God boven alles lief, en zooveel gij kunt-, — boven alles, d. w. z.; uit geheel uw hart, in de mate, waarin gij bekwaam zijt, te beminnen; daarom luidt mijn Woord: uit

') Luc. 10, 27.

ocr page 732

684

geheel uwe ziel, en uit geheel uwe kracht, en uit geheel uw vei'stand. — In u moet alks de liefde jegens Mij dienen; er zij in u geen vermogen des lichaams, geene kracht dei-ziel, welke niet mijne liefde beoogt, niet voor mijne liefde arbeidt, zich niet daarvoor opoffert.

Gij zult Mij liefhebben uit geheel uwe ziel. Uw denken zij op Mij gericht, dringe steeds dieper in mijne volmaaktheden door.

Uw geheugen toeve menigwerf bij de groote weldaden, van Mij ontvangen, en welke u nog dagelijks ten deel vallen.

Vorm u beginselen en oordeelen, op mijne liefde steunend, — beginselen, wier kracht met goed gevolg aan den storm van de onzalige beginselen der wereld kunne weerstaan.

Prent u mijn beeld, het beeld van den God-Mensch, van uw Verlosser, steeds dieper in de ziel, en houd het, vooral in de jaren uwer jeugd, onophoudelijk vóór oogen, opdat de indrukken der booze wereld, vaak zoo sterk, zoo geweldig, de poorten van uw hart reeds bezet mogen vinden.

Gij zult Mij liefhebben uit geheel uw hart. De ivil pare zich aan de kennis. Zeg dikwijls: Wien heb ik naast U in den Hemel, en wat lust mij op aarde buiten U? ') Ik zij het éénige voorwerp uws begeerens. Daar Ik het hoogste goed ben, mogen de ondergeschikte goederen ook slechts op ondergeschikte wijze en te mijner liefde worden begeerd en bemind. Heb Mij lief met geheel uw gemoed; Mij behoort gij aan te hangen met al de innigheid uwer ziel. Uw jeugdig gevoel, nog zoo teeder, zoo levendig, hebbe Mij tot eerste en voornaamste voorwerp.

Gij zult mij liefhebben uit geheel mee kracht. Gelijk geen

') I's. 72, 25.

ocr page 733

685

vezel van uw hart zich aan mijne liefde raag onttrekken, zoo mag ook geen vermogen uws lichaams een ander einddoel kennen, dan Mij. van Wien gij alles ontvingt. dan Mij, uw alles. G-ij bestaat uit lichaam en ziel; gij moet Mij liefhebben, — dus moet uw lichaam uwe ziel ondersteunen, opdat ze Mij diene, Mij verheerlijke. Zintuigen, ledematen, krachten, alle behooren ze Mij te zijn gewijd; gezondheid, leven, — Mij behooren ze toe; handelend, lijdend, zij uw lichaam een offer der liefde tot Mij.

Zie, o mijn kind, zoo hebt ge Mij lief uit geheel uw hart, uit geheel uwe ziel, uit geheel uwe kracht, uit geheel uw verstand. —

O mijn God, hoe karig was ik tot dusverre jegens U! Wat moet Gij van mijne lauwheid denken! Treurige waarheid; schepselen geef ik mijn hart, hetwelk U toebehoort, Aai geheel aan V moest gewijd zijnl En — word ik daardoor rijker! word ik gelukkiger? O neen; steeds gevoeliger wordt de leemte, steeds drukkender de eenzaamheid.

O mijn God. het moet anders worden! Leer mij U beminnen. zooals Gij het verdient, en zooals mijn geluk het ver-eischt. Gun mij een blik in de reeks uwer lieflijkheden, ontrol vóór mijn oog de wonderen uwer goedheid, opdat ik eindelijk in liefde voor U ontbrande en U mijn jeugdig hart geheel en voor altoos schenke!

ocr page 734

HOOFDSTUK CXLV.

DE WELDADEN GODS.

Deus caritas est.

1 Jo. 4, 8.

God, mijn God, hoe onbeschryfJi/jkgroot goeA-

heid jegens mij!

Als ik overpeins, wat Gij voor uw onwaardig kind reeds hebt gedaan, dan voel ik mij diep beschaamd, i dan ga ik als 't ware gebukt onder den last van de overmaat uwer liefde.

Uit den schoot van het niet hebt Gij mij te voorschijn ge roepen, en schonkt mij zoo aan mij-zelven; Gij beurdet mij op uit den afgrond der eeuwige vergetenheiö, en Gij lijfdet mij in bij de tallooze wezens, in wie Gij uwe macht en goedheid zoo heerlijk openbaart.

Gij gaaft mij het lichaam met zijne ledematen en zintuigen. — een meesterwerk van ondoorgrondelijke wijsheid.

Gij schonkt mij de dien geest, geschapen naar uw beeld

ocr page 735

687

/

en gelijkenis. ^ Van U heb ik verstand en wil, die heerlijke vermogens der gedachte, des gevoels, der liefde ontvangen, die den mensch zoo hoog boven de overige onbezielde en bezielde, maar redelooze natuur verheft. U vermag ik te kennen, ü, het volmaakte Wezen. — U vermag ik lief te hebben, U, het hoogste goed: o onschatbare weldaad, die den adel onzer ziel en geheel ons geluk uitmaakt!

Gij stelt geheel de zichtbare schepping te mijnen dienste; zij is aan mij onderworpen, en ik ben haar koning. Door haalkan ik in uwe kennis toenemen, door haar TJ steeds vuriger leeren beminnen, wanneer ik mij van de schepselen bedien als van zoo vele treden eener ladder ten Hemel, langs welke men opstijgt tot vóór uw Troon.

De goede Geesten, die verheven vorsten des Paradijzes, hebt Gij te mijner schutse afgevaardigd; Gfi] hebt hun bevolen, mij op de handen te dragen, opdat ik mijnen voet niet stoote aan een steen. 2)

En terwijl Gij, o milde God, de geheele zichtbare wereld en Uwe Engelen mij gaaft, treedt Gi/j-zelf mij nader; want in U en door U is alles, en in ieder schepsel zijn sporen uwer oneindige volmaaktheden aanwezig.

Ja, de liefde bestaat in mededeeling. Zelfs uw Wezen, o God, hebt Gij als 't ware medegedeeld, toen Gij. tot ons afdalende, mensch zijt geworden, door een ongehoord en onnaspeurbaar wonder in één goddelijken Persoon de twee naturen, de goddelijke en de menschelijke, hebt vereenigd.

O geheim der Menschwording van het Woord! Zoozeer hebt Gij, o God, de wereld liefgehad, dat Gij uw ééniggeboren Zoon voor haar, voor mij wildet overleveren! 3) ïe mijner liefde is Hij op aard' gekomen, en neemt de gestalte eens

• ■ ï

i- ,ï

-:4

') Wljsh. 2, 23.

s) Ps. 90, 11.

:i) Joh, 3, Ifi,

ocr page 736

V

688

dienstknechts aan, ') wordt een zwak en hulpeloos kindeken, leeft in armoede en ontbering, lijdt, sterft - voor mij. Toen ik niet bestond, hebt Gij mij geschapen, en toen ik van U was afgedwaald, voerdet Ge mij tot U terug!

En welke leeringen sprak niet Uw goddelijke mond! En welke voorbeelden van alle deugden hebt Gij mij niet achtergelaten !

En de stichting der Kerk, wier taak het is, het begonnen Verlossingswerk uit te breiden! En de ouieVoaxe middelen ter zaligheid, die Gij in den schoot der Kerk hebt neergelegd!

En het hoogheilig Sacrament, waarin Gij te mijner liefde nog immer tegenwoordig zijt, om mij tot spijze der ziel, tot lafenis en sterking te dienen; o zichtbaar gedenkstuk eener onbegrensde liefde, hoe machtig wekt Ge mij tot wederliefde op!

Gij schenkt mij nog U-zelven door de (/ewade, die mij immer ten dienste staat, die mij leidt, die mij sterkt en opwekt, mij den Hemel ontsluit, mij deelachtig aan uw eigen heerlijkheid maakt.

Maar, o God van liefde, nog heb ik schier alleen aan die weldaden gedacht, welke mij met andere menschen gemeen zijn.

In hoeveel omstandigheden mijns levens waart Ge bijzonderlijk mvj goedertieren!

Welke ouders gaaft Ge mij. Wat al uiterlijke voorrechten, die mij door uwe genade zooveel middelen ter zaligheid kunnen zijn. hebt Ge mij verleend!

Welke talenten hebt Ge mij toevertrouwd! Hoeveel kiemen der deugd legdet Gij in mijn jeugdig hart! Hoeveel bijzondere genaden schonkt Ge mij! Hoe vaak hebt Ge mij.aangespoord tot rasschen terugkeer op het goede pad, tot betering mijns levens! En die roep uwer genade bij deze Biecht, en die

!) Philipp. 2, 7.

ocr page 737

(589

goddelijke stein bij gene Communie, en dat woord der waarschuwing bij dit sterfgeval! en de bijzondere neiging, die ik zoo vaak in mij bespeur, om ü ijveriger te dienen, U onverdeeld toe te behooren!

Hoe wonderbaar leidet Gij menigwerf de schreden mijner jeugd! Uit hoeveel gevaren van lichaam en ziel hebt Gij mij gered!

Met welk eene teedere goedheid naamt Ge mij, verloren zoon. na deze, na gene afdwaling weder op !

En hoeveel weldaden zijn er, die ik niet eens ken, die mijne kortzichtigheid niet bespeurde!

Wat zal de dag des oordeels mij vele dingen openbaren, waaraan ik nooit heb gedacht, en waardoor Ge mij niettemin eene geheel bijzondere liefde hebt bewezen!

Uwe mildheid, o goede God, glanst voor mij in een nog heerlijker licht, wanneer ik overpeins, hoe Gij weldaden bewijst, wie Gij zijt en wie ik ben; want hier is niet de menigte en grootheid uwer weldaden hoofdzaak: de afstand tusschen Gever en ontvanger, en de wijze, waarop wordt gegeven, leveren den maatstaf tot beoordeeling uwer weldaden.

En hier wordt mij de onmetelijkheid uwer liefde recht duidelijk; Gij, o goddelijke Gever, zijt de Oneindige, de Eeuwige, de alleen Groote en Heerlijke, — ik echter, uit niets geschapen, ben vergankelijk, klein, nietig, gebrekkelijk, arm.

En hebt Ge mij slechts in zoo verre lief, als een goed vorst zijne onderdanen, een goedertieren meester zijne dienaren bemint? 0 neen, — onze Vader, die in de Hemelen zijt! ^ Abba, Vader,2) mogen wij U noemen. Gij hebt ons lief gelijk een vader.

En mint Ge mij eerst kortelings, slechts voor eenigen tijd'?

') Matli. 6. 9. Kom. 8, 15.

45

ocr page 738

690

Met eeuwige liefde heb Ik u bemind, ') spreekt Gij-zelve. Dus van eeuwigheid af hebt Ge aan mij gedacht, hebt Gij alles zoo geregeld, dat het eenmaal mijn geluk kon bevorderen. Nog vóór ik in staat was, ook slechts aan vergelding te denken, beweest Ge mij overvloedige weldaden, schonkt Ge mij te over bewijzen uwer liefde.

En van welk nut is U die overgroote mildheid? Hebt Ge mij noodig? Hebt Gij behoefte aan vergelding? Mij behooren alle dieren des wonds, spreekt Gij, — Mij behoort wat op de heuvelen weidt, Mij het sieraad der velden. Zoo Mij hongerde, Ik zoude het u niet zeggen; want Mijner is de wereld en hare volheid. ^

Uwe liefde is dus de meest belaugelooze, die men zich kan voorstellen. Gij maakt op geene dankbaarheid cn vergelding mijnerzijds aanspraak, die niet wederom mij-zelf nuttig is en nieuwe zegeningen over mij afroept.

O mijn God. Gij zijt waarlijk geheel liefde!3)

O onpeilbare afgrond der goedheid! O oceaan der liefde! Liefde zonder hoogte, zonder diepte, zonder breedte, zonder lengte, — grenzenlooze liefde, ondoorgrondelijke liefde! Waarlijk, hier roept de afgrond den afgrond, 4) — de afgrond der goedheid den afgrond der onwaardigheid.

Wat zal ik U wedergeven, o goede, o grootmoedige, o belangelooze, o milde Schenker, — voor alle weldaden mij bewezen? 5)

O mijn God, indien na de beschouwing van al deze weldaden mijn hart nog weigert, voor U te kloppen, laat het dan ophouden te kloppen, daar het onwaardig is, langer te leven.

') Jor. 31, 3. 2 Ps. 40, 10-12. s) 1 Joh. 4, S. ') Ps. 41, S.

115, 12.

ocr page 739
ocr page 740

HOOFDSTUK CXLVI.

DANKBARE LIEFDE.

Diligamus Deum, quoniam

Deus prior dilexit nos.

1 Joh-4-19-

e l'e^e bestaat uit mededeéling.

Nu is liet mijne beurt, o God, mede te deelen. Ik moet U liefhebben, daar Gij mi] het eerst hebt be-

jc mind. ')

Hoe smartelijk, o mijn groote en belangelooze Weldoener, gevoel ik in dit oogenblik mijne armoede en onmacht!

O konde ik mij verduizendvoudigen! Konde ik U duizend harten toewijden, en daarmede duizendmaal mij-zelven!

Maar — hoe weinig bezit ik, Uwer waardig! En wat ik heb is mij door TJ geschonken; bied ik U hetzelve aan, dan offer ik U niet meer dan uw eigendom.

') 1 Joh. 4, 19.

ocr page 741

(•.93

En toch — Gij verlangt niet meer.

Welaan, waarom toef ik, U mij-zelven als tegengeschenk aan te bieden?

Neem aan, o Heer, en neem voor U geheel mijn bestaan, mijne vrijheid, mijn geheugen, mijn verstand, mijn wil! Al hetgeen ik bezit, al hetgeen in mij is ben ik U schuldig; Gij hebt het mij geschonken, U geef ik het thans terug, Niels wil ik voor mij-zelf behouden, alles ter beschikking van uw gezegenden wil stellen. O — laat mij slechts uwe liefde en met haar uwe genade, en ik ben schatten rijk en verlang niets anders! —.

Dankbaarheid bestaat op de eerste plaats uit de erkenning van ontvangen weldaden.

Zij sluit derhalve de herinnering aan die weldaden in zich.

Zij bestaat verder uit de genegenheid des wils om den weldoener zooveel mogelijk te vergelden.

Tot hiertoe is de dankbaarheid inwendig. Naar mate onze overtuiging, dat wij don weldoener veel verschuldigd zijn, levendiger is; naar mate wij de bewijzen zijner liefde hooger schatten; naar mate ons geheugen vaker wijlt bij de weldaden en meer nog bij den weldoener-zelven; naar mate onze wensch, hem wederkeerig van dienst te zijn, vreugd te bereiden, offers te brengen, vuriger is, — des te oprechter en warmer onze dankbaarheid.

Echter - maken gedachten en oordeelen, gevoelens en woorden reeds dankbaarheid uit? Zij vormen het begin van dezelve, een grondslag, een punt van uitgang, eene roorloopige uiting.

Heeft God Zich jegens den mensch tot de gezindheid bepaald ? Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde, spreekt Hij, en daarom heb Ik u tof Mij getrokken met goedertierenheid. ')

') Jer. 31, 3.

ocr page 742

694

— Wat konde Ik, zoo spreekt Hij verder, meer aan mijnen wijngaard doen, dan Ik reeds aan hem gedaan heb? ') — Zoozeer heeft God de wereld liefgehad, dat Hij zijn éénig-geboren Zoon voor haar overleverde. -) Daden, o jongeling, geene woorden!

Dankbaarheid bestaat dus in het waarnemen, in het opzoeken der gelegenheden om den weldoener onzerzijds te verheugen. Dankbaarheid bestaat op de eerste plaats in daden, in opoffe-ringen.

Hoe meer ik voor mijn weldoener ten offer wil brengen, hoe Wijder ik alles voor hem doe, des te inniger, des te oprechter, des te warmer is mijne dankbaarheid.

Uit dien hoofde is het vuur het zinnebeeld der liefde. Het vuur brandt zonder ophouden, het rust niet; het vuur verteert, het kan niet alleen blijven, het deelt zich mede.

O Heer, hoe waar is liet, dat Gij een verlerendr/iiur zijt! 3) O verander ook mij in een verterend vuur! O wil hoog opvlammen, gij verscholen gloed! verspreid u naar alle zijden, verteer, verander .. .

Maar ach — koelheid, trage rust, onverschilligheid, werkeloosheid !

O ondank! o koudheid! Jongelingshart, anders zoo vurig, zoo ontvankelijk, zoo ras bewogen, — dus alleen tegenover God zoo ijzig koud, zoo terughoudend, zoo wederstrevend?

Vuur zondt Gij op aarde, o God, en gij wilt, dat het ontbrande;4) als lichtende, gloeiende vonken zaaii: Gij weldaden zonder getal en maat over het aardrijk. En hoe vele dier vonken, die zelfs metaal gloeiend kunnen maken en tot smelting brengen, vielen in mijn hart; en nog is het niet in vuur ontstoken, nog is de ijskorst niet gesmolten!

■) Is. D, i.

') Juli, 10, ') 5 Mop. 4. 2i. ') Luc. 12. 49.

ocr page 743

695

O schande! o vernedering! o boosheid! Schepselen boeien mij, God bedwingt mij niet; schepselen houden mij aan zich geketend, God kan Zich niet ver genoeg van mij verwijderd houden; menschenliefde zegeviert bijna immer, goddelijke liefde blijft machteloos!

ocr page 744

HOOFDSTUK CXLVII.

GELIJKVORMIGE LIEFDE.

Ifca, Pater; quoniam sic fuit placitum ante te !

Math. 11, 26.

|S fo 'J .ï-j.

yamp;al c dankbare liefde brengt den geest ten offer en biedt quot; God als 't ware een tegengeschenk; doch zij brengt ook den wü ten offer.

Wil zij één met God zijn, door aan God te denken, ' door evenals God te denken, door te oordeelen, gelijk God oordeelt, — zij is nog vaster besloten, te willen wat God wil, en zooals God wil, en daarom ook voor wat betreft den wil zich aan God mede te deelen, in Hem over te gaan.

Uw wil, spreekt zij, geschiede op aard', zooals in den Hemel! quot;) Hij geschiede in mij, hij geschiede stzeds en overal,

') Math. 6, 10.

ocr page 745

697

hij worde vervuld in zijn geheelen omvang. J;x, mijn Vader want /.00 is liet uw welbehagen geweest ^; — mijn hart is tevreden.

Niels gebeurt zonder uw iüü of toelating; en niets gebeurt dan op de wijze, door U gewild of toegelaten. Het zedelvjk-kioa.de alleen vindt niet zijn oorsprong in uw wil; Gij zijt, noch kunt zijn de voorsprong van het booze. Dus met uitzondering van het kwaad, dat alleen het werk onzer misbruikte vrijheid is, gebeurt niets, ten eenenmale niets op aarde zonder uw wil of toelating.

Ja, geluk en ongeluk, leven en dood, welstand en armoede komen van God 2). Het lot wordt in den schoot geworpen, — maar het geheele beleid daarvan is bij den Heer. Geen haar valt van ons hoofd, geene musch van het dak zonder de toelating des hemelschen Vaders 3).

O troostrijke ivaarheid, — in staat om elk leed te verzachten, over elke moeielijkheid te doen zegevieren, elke vrees in vertrouwen te veranderen!

Die waarheid echter beschuldigt ons van grove tegenspraak.

Is de wil van God niet de meest heilige, volmaakte? Kan God iets willen, dat niet goed is, niet overeenstemt met zijne heilige volmaaktheden? En, wat ons persoonlijk aangaat, kan God, die geheel liefde is 4), die ons zoo vaak en duidelijk heeft bewezen, dat Hij ons geluk beoogt, iets willen of ook slechts toelaten, dat ons welzijn niet bevorderlijk is? Moet niet den-zulken, die God liefhebben, alles ten goede strekken? quot;) — En wij morren! en wij verliezen zoo lichtelijk den moed! en ons betrouwen op God is vaak zoo luttel!

Spreek alle dagen mes levens, o jongeling, met den zwaar-beproefden Job : de naam des Heeren zij gezegend B).

4) I Joh. 4,8.

a) Math. 10, 29.

•-) Ecdi. 11. 14. 6) Job 1, 21.

') Mat li 11, 2(i. 5) Kom. 8, 28.

ocr page 746

698

Spreek in ongeluk, bij verlies, in druk en kommer: ile Heer heeft het gegeven, de Heer heeft het genomen, de naam des Heeren zij gebenedijd ! En inderdaad, zouden wij het goede van God ontvangen, en het kwade weigeren? ')

Spreek eveneens in het geluk, wanneer zich alles naar uw begeeren voegt: de naam des Heeren zij gebenedijd! maar — spreek het oprecht, de vervulling van den wil Gods verheuge u veel meer, dan de overeenstemming van dien heiligen wil met uwe verlangens, veel meer dan het tijdelijk nut, voor u daaruit geboren.

Eene rjroote kunst, o jongeling, den eigen wil nauw te vereenigen met Gods wil, — eene kunst, die men vroegtijdig moet aanleeren! Nog is alles buigzaam in u, ook de ivil. Maak hem gewoon, geheel en al in Gods wil op te gaan.

Juli. quot;J, 10,

ocr page 747

HOOFDSTUK CXLVin.

•JROOTMOEDIC4E LIEFDE.

Impendam et super-impendare.

2 Cor. 12, 15.

|il rootmoeclicj jegens God is hij, die ook in moeilijke dingen bereidwillig, gaarne en verlangend naar zwaardere offers den wril van God in trouwe naleeft.

Heer, wat wilt Gij. dat ik doe? ') vraagt zonder ophouden de grootmoedige, en noodigt schier den Hemel uit, hem moeilijke dingen op te leggen.

Mijn hart is bereid, o God, het is bereid! 2) Beproef, o mijn Heer en mijn God, of Gij uw kind eenig offer kunt opleggen, te zwaar voor zijne liefde, voor zijn moed: in U, o mijn God, vermag ik alles! Geef, dat ik mij voor U opoffere, mij-zelven voor IT geheel verloochene! Verleen mij kracht om te doen wat Gij van mij begeert, en eisch dan volgens uw welbehagen.

O heilige wedstrijd drr liefde! De God van liefde worstelt met de minnende ziel, gelijk weleer de Engel des Verbonds

') Hand. 0, C. Ps. 107. 2.

ocr page 748

700

met Israël, den Patriarch. ') En God wordt overwonnen, Hij wijkt; en de ziel volgt Hem op zijne schreden. Een offer wordt door God gevraagd, en reeds heeft de minnende ziel het gebracht, en een tweede, en ook dit wordt niet geweigerd. De ziel verlaat, om zoo te spreken, haar omhulsel, zij verruimt zich meer en moer; al de wenschen van God, ook de meest omvangrijke, vinden ruimte in haar. Heldendaden worden verricht, heldendeugden beoefend, en zulks gemakkelijk, en als-van-zelf, en zonder tijdroovende en der verdienste schadende terugblikken en zelfbeschouwingen.

Gij zegt, jongeling, dat uwe jeugd voor eene grootmoedigheid, zoo bij uitstek heldhaftig, zich niet of weinig leent.

Maar, o dierbare, is uw leeftijd niet bekwaam tot het offer, welke leeftijd dan? Juist nu zijn de indrukken machtig, is het gevoel levendig, de wil ondernemend en kloek. Spoediger dan de man, dan de grijsaard ontvlamt gij in geestdrift.

Maak u gewoon, do zachtste inspraken van God trouw te volgen. Doe uw best, waar mogelijk meer te doen, dan de genade van u eischt. Voorkom de wenschen van God. Lever u geheel in zijne handen over.

O wat zoude God van ons maken, indien wij ons geheel en zonder voorbehoud te zijner beschikking stelden!

De bovennatuurlijke, grootmoedigheid verschilt zeer veel van de natuurlijke. Wel is ook deze van hemelschen oorsprong en dient zij gene tot grondslag en steun; maar de boven natuurlijke grootmoedigheid heeft een ander voorwerp, een ander einddoel, bedient zich van andere middelen tot bereiking van haar doel.

De natuurlijke grootmoedigheid doet ter wille van den naaste afstand van eenig bezit, misschien zelfs van een zeer kostbaar: de bovennatuurlijke offert uit liefde tot God, om

') 1 Mos. 32, 24.

ocr page 749

701

Hem te behagen, zich-zelve. Verstand, wil, vrijheid, eer, gezondheid, leven, — al hetgeen ons dierbaar is wil de grootmoedigheid ten offer brengen, 't Behoeft wel geen betoog, dat het moeilijker is, afstand te doen van hetgeen men is, dan van hetgeen men heeft.

De natuurlijke grootmoedigheid is, helaas! te dikwijls voor zelfzachl toegankelijk; ijdelheid, eergierigheid, menschelijk opzicht zijn menigwerf de hoofddrijfveeren eener grootmoedigheid, welke zich nog niet tot de verloochening van liet „ikquot; weet op te beuren. De bovennatuurlijke grootmoedigheid daarentegen beoogt alleen Gods verheerlijking. Zij weet, dat die verheerlijking volmaakter is, naar gelang de mensch oprechter afstand van zich-zelven doet; is die afstand volkomen, dan vallen die zelfzuchtige beweeggronden van-zelf weg, daar de bedorven natuur, in stede van haar neiging te zien ingewilligd, den offerdood steeds meer nabij komt. Daarbij worden op dit gebied de zegepralen zoo moeilijk bevochten, en kent de grootmoedige zijne eigen grootheid en de macht der genade zoo wél, dat van zelfbehagen nauwelijks meer spraak kan zijn.

De natuurlijke grootmoedigheid heeft hiu c grenzen; het zijn de grenzen, haar aangeduid door ons bezit of door den reeds gelenigden nood des evenmenschen. Voor de bovennatuurlijke grootmoedigheid bestaat, onder zeker opzicht, geene grens. God is de Allerhoogste, de Volmaakte; daarom ook is Hij den hoogsten eerbied, eene volmaakte toewijding waardig. De mensch is en blijft eindig; daarom kan zijne toewijding ook slechts eindig wezen. Al is zijne toewijding nog zoo volkomen, immer blijft zij tocli slechts eene zwakke schaduw van hetgeen de Allerhoogste waardig is, en onze betrekking tot Hem zoude vereischen.

Uit dien hoofde schijnen den waarlijk grootmoedige ook

ocr page 750

702

de zwaarste offers van geringe. twlt;anfc. Heeft hij schier boven • menschelijke dingen verricht, toch gelooft hij, niets gedaan te hebben, en spreekt in het gevoel zijner gebrekkigheid: ik ben een onnutte dienstknecht. ') Zijn blik richt zich alleen op God. Hij ziet geenszins, hoeveel hij ten offer heeft gebracht, hij ziet slechts, wal God eigenlijk verdiende.

Heer, roept beschaamd de ziele, ik kan, helaas! U niet dienen, zooals Gij het waardig zijt! O neem mij gansch tot uw eigendom, en bereid Gij-zelf mij tot een offer, uwer oneindige Majesteit aangenaam! Verheerlijk U-zelven in mij, en handel met mij, zooals hot U welgevallig is!

Gedoog niet, dat ik de grootheid van uw Wezen afmete naar den maatstaf mijner kleinheid1. Verleen, dat ik over U denke, zooals uwe verhevenheid mij dit gebiedt, en dat ik dienovereenkomstig handele, dienovereenkomstig mijn offer brenge!

En God heeft de oprechtheid dier meening doorschouwd. En zijne genade vloeit in breede stroomen; want God laat zich niet in edelmoedigheid overtreffen.

Eerlang kent de ziel geen lait, geen jak meer; haar is ieder juk zoet, elke last licht. 2) Zij staat verbaasd, dat God zoo weinig van haar vordert; zij is tot veel moeilijker dingen bereid. Zij getuigt in jubel:

God werkt in haar, en zij met God; hare kracht wordt steeds vernieuwd, zij neemt wieken aan, gelijk die des adelaars, zij loopt en wordt niet moede, zij vliegt en behoeft geene ruste meer. s)

O heilig, verheven gevoel! o edelmoedigheid! o zielegroot-heid, zeldzaam op aarde, bewonderd in den Hemel, heerlijk beloond door een rechtvaardigen God, die niets onbeloond kan laten, doch een ieder naar zijne werken vergeldt!

■) Luc. 17, 10. ') Math. 11, 30. ■) Is. 40, 31. •

ocr page 751

HOOFDSTUK CXLIX.

WANDELEN VOOR GOD.

Ambula coram me et esto porfectus.

Gen. 17, 1.

ijn zoon, gij hebt het begrepen; de liefde, welke gij Mij, uwen Heer en God, uw teederen Vader

7 ö cn milden Weldoener, verschuldigd zijt, mag zich niet tot gevoelens bepalen, zich enkel in woorden uiten : Gij moet verder gaan; gij moet ook handelen, gij moet bewijzen uwer liefde geven.

Ziehier een voortreffelijk middel, om uwe liefde voor Mij aan den dag te loggen, een middel tevens, om uwe liefde tot Mij steeds oprechter, steeds vuriger te maken.

Bewijs Ik u weldaden, dan, gij weet het, doe ik zulks niet als uit de verte cn als door vreemde handen, — gelijk de vorst, die een onderdaan door zijn hoveling een geschenk laat toekomen. Ik kom zelf, Ik nader u persoonlijk.

ocr page 752

704

Overal, waar gij iets van Mij ontvangt, ben Ik, de Gever, met de gave tegenwoordig.

Vergeet het niet, mijn zoon: overal, waar schepselen zijn, leven, voelen, denken en willen, daar leven, voelen, denken en willen zij door Mij en in Mij. Door Mij is de steen, door Mij is en leefl de plant; het dier bestaat, leeft en roeit door Mij; de menschen zijn, leven, voelen, denken en icülen door Mij.

Naar evenredigheid van de graden des bestaans in een schepsel, wordt door mijne scheppende kracht meer aan hetzelve, door mijne behoudende kracht meer in hetzelve gearbeid.

Voorzeker begrijpt gij, hoe noodzakelijk deze mijne tegenwoordigheid voor de schepselen is. Zou datgene, waarvan Ik mijne hand terugtrek, niet aanstonds in het niet verzinken?

Is het werk des hehouds niet eene altijd nieuwe schepping? Blijft niet het geschapene enkel hierom en hierdoor voortbestaan, dat Ik, de Almachtige en Alomtegenwoordige, het draag door het woord mijner kracht, ') dat Ik dit broze, vergankelijke bestaan des schepsels ondersteun dooi- mijne macht en door middel van het onveranderlijke bestaan, dat Ik van alle eeuwigheid af uit Mij-zei ven heb?

O mijn zoon, eene bij uitstek groote liefde wordt u hierdoor betoond, dat ik u elke goede gave, ieder volmaakt geschenk 2) persoonlijk kan overreiken.

En ook cjij zijt enkel en alleen door Mij en in Mij. Ja, door Mij alleen zijt gij, leeft gij, voelt, denkt en wilt gij. Mijn beeld heb ik u ingeprent, naar mijne gelijkenis heb ik u geschapen. Gij zijt mijn gewijde tempel; in u woon Ik, en ben u nader, dan gij u-zelven zijt.

*) Hebr. 1, 3. -'j Jac. 1, 17.

ocr page 753

705

Wandel dus voor mijn Aangezicht en wees volmaakt. ')

Herinner u, dat Ik steeds bij u, in u, met u ben, en maak de gedachte hieraan tot eene mild vloeiende bron van deugdzaamheid.

Spreek ; de Heer is bij mij, — kan ik voor zijne oogen kwaad bedrijven? 2)

Spreek: de Heer is bij mij, — zal ik voor de vijanden mijns heils beven? 3)

Spreek: de Heer is bij mij, onder zijne oogen doe ik wat ik doe, — zal zijne tegenwoordigheid niet mijn ijver opwekken ?

Spreek : de Heer is bij mij, — Hij zal Zich mijner jeugd ontfermen, in mijn gebrek aan ondervinding voorzien, mijne zwakheid ondersteunen.

Spreek : de Heer is bij mij, mijn voorbeeld zweeft mij dus altijd voor oogen, — ik behoef slechts na te volgen wat ik zie.

Spreek : de Heer is bij mij, — waarom zoude ik een ongeregeld verlangen naar aardsch gezelschap voedsel geven ?

Spreek: de Heer is bij mij, — Hem wil ik mijn leed klagen, bij Hem wil ik troost zoeken, zijn bijstand afsmeeken.

Ja, wandel mijner tegenwoordigheid indachtig, en gij wordt zeker volmaakt.

De geest des geloofs, waardoor ge Mij bestendig in uwe tegenwoordigheid ziet, worde sterker en sterker in u.

Rust niet, vóór dat gij u zoo geheel en al van het denkbeeld mijner tegenwoordigheid hebt doordrongen, dat die gedachte, zoo heilzaam, zoo uitermate sterkend, in uw dage-lijksch leven bestendig invloed op u uitoefent, uw streven adelt, uwe daden heiligt.

') 1 Mos. 17, 1. =) 1 Mos. 39, 9. ■) Ps 2(5, 1.

46

ocr page 754

TOG

Wel valt het der jeugdige lichtzinnigheid moeilijk, onver poosd de gedachte op 's Hoeren tegenwoordigheid gevestigd te houden; maar oefening maakt ook hieraan gewoon.

Neem slechts de proef; niet lang zal het duren, vóór dat gij cenige vaardigheid daarin hebt verkregen; en wat u eerst onmogelijk scheen neemt allengs voor u het karakter der behoefte aan; De gedachte aan Gods heilige tegenwoordigheid is een onvergelijkelijk zoete troost in don kommer cn het lijden van dit dal der tranen.

ocr page 755

HOOFDSTUK CL.

ALTIJDDUREND GEBED.

Erit allocutio cogitationes et tacdii mei.

^ Sap. 8, 9. —

/ at God ons bevcle, wat Hij ons ook aanrade, 't is alles mogelijk, bereikbaar met de hulp zijner genade. Dit stemt overeen met zijne wijsheid, met zijne liefde.

Bidt immer door en verflauw niet l).

Bidt zonder ojihouden 2).

Hoort gij, wat Jesus zegt? Hoort gij, waartoe de 11. Geest vermaant ?

't Is derhalve mogelijk, altijd, zonder ophouden te bidden.

quot;Wat is toch het gebedquot;? Is het aan zekere formulieren gebonden? moet het immer vergezeld gaan van uitwendige teekenen ? behoort het slechts op zekere plaatsen, op bepaalde

') Luc. 18, 1.

3) I Thess. 5, 17.

ocr page 756

708

uren te worden verricht? Is het onder andere omstandigheden van waarde ontbloot?

Is niet veeleer het gebed, in meer uitgebreiden zin des woords, iedere verheffing des harten Hemelwaarts? elke toe-naderlrtg tot God, met Wien de ziel zich nu op deze, dan op gene wijze vereenigt? —

God is een geest, en die Hem aanbidden moeten Hem aanbidden in geest en waarheid ').

God is een geest; Hij is overal, Hij toeft in ons midden, Hij is getuige van de geringste beweging onzes harten. Hij kent ook de flauwste neiging onzes wils tot Hem.

God is een geest; nauw rees in uw hart eene gedachte aan Hem, nauw ontwaardet gij u eenig verlangen, Hem te behagen, en reeds draagt God kennis daarvan, reeds aanvaardt Hij bereidwillig uwe hulde, reeds aanhoort Hij met liefderijk oor de beê uwer ziel.

Het mondgebed kunt gij slechts op zekere uren van den dag verrichten; ook is het u onmogelijk, voortdurend te mediteer en; 't laat zich met uwe bezigheden en zorgen moeilijk vereenigen, zonder tusschenpoozing en geheel bijzonder aan Gods tegenwoordigheid te denken. Maar één ding is u niet onmogelijk: uw hart te bewaren in de liefde tot God.

Blijf in die stemming van liefde; volhard in onwankelbaar betrouwen op God; wees te allen tijde onderworpen aan zijn wil; luister aandachtig naar de inspraken des gewetens en naar de stemme van God, — en gij bidt voortdurend, gij hebt 's Heeren woord vervuld: men moet zonder ophouden bidden en nooit verflauwen 2).

Gelijk een vuur, dat, eenmaal ontstoken, van tijd tot tijd nieuw voedsel bekomt, blijft voortbranden. zoo duurt ook het verkeer met God, hoewel slechts nu en dan door eigenlijk

') Joh. 4. 24. 'I Luc. 18, 1.

ocr page 757

709

bidden gevoed, zoo lang als de neiging der ziel hare richting hemelwaarts behoudt.

Juist de handelingen, die wij dagelijks overeenkomstig onzen staat of ons beroep verrichten, zijn een voortreffelijk gebed, wanneer zij geschieden om den wille Gods, te zijner liefde, met eene zuivere meening en met eene volmaaktheid, die aan de natuur der op zich-zelf staande handelingen en aan 's Heeren oogmerken onzentwaart genoegzaam beantwoordt.

Maar ook het onmiddellijke verkeer met God, de eigenlijke verheffing des gemoeds, ook al geschiedt deze menigwerf, levert geene zware moeilijkheden op.

Is het dan noodzakelijk, dat de gebeden, die gij van tijd tot tijd verricht, lang duren, dat zij u afmatten? is den Heer het korte en zakelijke onaangenaam ? Moogt gij u slechts van geleende woorden, van formulieren, door anderen gemaakt, bedienen? zijn de uwe, zooals zij uit uw hart vloeien, Gode niet welgevallig?

O heilige zielen, gij, die door welgemikte liefdepijlen het hart van uwen God zoo aangenaam wist te treffen, o loert mij, schroomvallige on trage, de kunst, eenvoudig en hartelijk met den Heer om te gaan. Hem nu als Meester en Schepper, dan als Vader en Weldoener, een andere maal als Vriend en Trooster, of als Raadgever, of als Getuige, of als Leermeester te begroeten, in eenige woorden nu te aanbidden, dan weder te loven, te danken, om vergiffenis van eene fout te smeekon, om nieuwe zegeningen te bidden, eenigen twijfel bloot te leggen, den raad dien ik noodig heb, te vragen!

Hoe aangenaam is het God, dat wij, eenvoudig als kinderen, mededeelen, wat ons verheugt, wat ons met hope, wat ons met vreezo vervult! Mijne vreugde is het, spreekt Hij, bij do kinderen der menschen te zijn; ') en zoude het niet

') Spr. 8, 31.

ocr page 758

708

uren te worden verricht? Is het onder andere omstandigheden van waarde ontbloot?

Is niet veeleer het gebed, in meer uitgebreiden zin des woords. iedere verheffing des harten Hemelwaarts? elke toe-nadering tot God, met quot;Wien de ziel zich nu op deze, dan op gene wijze vereenigt? —

God is een geest, en die Hem aanbidden moeten Hem aanbidden in geest en waarheid ').

God is een geest: Hij is overal, Hij toeft in ons midden, Hij is getuige van de geringste beweging onzes harten, Hij kent ook de flauwste neiging onzes wils tot Hem.

God is een geest; nauw rees in uw hart eene gedachte aan Hem, nauw ontwaardet gij u eenig verlangen, Hem te behagen, en reeds draagt God kennis daarvan, reeds aanvaardt Hij bereidwillig uwe hulde, reeds aanhoort Hij met liefderijk oor de beê uwer ziel.

Het mondgehed kunt gij slechts op zekere uren van den dag verrichten; ook is het u onmogelijk, voortdurend te mediteer en; 't laat zich met uwe bezigheden en zorgen moeilijk vereenigen, zonder tusschenpoozing en geheel bijzonder aan Gods tegenwoordigheid te denken. Maar één ding is u niet onmogelijk: uw hart te bewaren in de liefde tot God.

Blijf in die stemming van liefde; volhard in onwankelbaar betrouwen op God; wees te allen tijde onderworpen aan zijn wil; luister aandachtig naar de inspraken des gewetens en naar de stemme van God, — en gij bidt voortdurend, gij hebt 's Heeren woord vervuld: men moet zonder ophouden bidden en nooit verflauwen -).

Gelijk een vuur, dat, eenmaal ontstoken, van tijd tot tijd nieuw voedsel bekomt, blijft voortbranden, zoo duurt ook het verkeer met God, hoewel slechts nu en dan door eigenlijk

') Joh. 4. 24. a) Luc. 18, 1.

ocr page 759

709

bidden gevoed, zoo lang als de neiging der ziel hare richting hemelwaarts behoudt.

Juist de handelingen, die wij dagelijks overeenkomstig onzen staat of ons beroep verrichten, zijn een voortreffelijk gebed, wanneer zij geschieden om den wille Gods, te zijner liefde, met eene zuivere meening en met eene volmaaktheid, die aan de natuur der op zich-zelf staande handelingen en aan 's Heeren oogmerken onzentwaart genoegzaam beantwoordt.

Maar ook het onmiddellijke verkeer met Giod, de eigenlijke verheffing des gemoeds, ook al geschiedt deze menigivcrf, levert geene zware moeilijkheden op.

Is het dan noodzakelijk, dat de gebeden, die gij van tijd tot tijd verricht, lang duren, dat zij u afmatten? is den Heer het korte en zakelijke onaangenaam ? Moogt gij u slechts van geleende woorden, van formulieren, door anderen gemaakt, bedienen? zijn de uwe, zooals zij uit uw hart vloeien, Gode niet welgevallig?

O heilige zielen, gij, die door welgemikte liefdepijlen het hart van uwen God zoo aangenaam wist te treffen, o leert mij, schroomvallige en trage, de kunst, eenvoudig en hartelijk met den Heer om te gaan. Hom nu als Meester en Schepper, dan als Vader en Weldoener, een andere maal als Vriend en Trooster, of als Raadgever, of als Getuige, of als Leermeester te begroeten, in eenige woorden nu te aanbidden, dan weder te loven, te danken, om vergiffenis van eene fout te smeeken, om nieuwe zegeningen te bidden, eenigen twijfel bloot te leggen, den raad dien ik noodig heb, te vragen!

Hoe aangenaam is het God, dat wij, eenvoudig als kinderen, mededeelen, wat ons verheugt, wat uns met hope, wat ons met vreeze vervult! Mijne vreugde is hot, spreekt Hij, bij de kinderen der menschen te zijn; ') en zoude het niet

') Spr. 8, 31.

ocr page 760

710

onze vreugd wezen, vertrouwelijk met God om te gaan?

O God, mijn Vader, mijn Vriend, — ik wil voortaan U tot den Vertrouweling van alles, wat in mij omgaat, maken! Eenvoudig en hartelijk als een kind wil ik met U omgaan. Tot U wil ik in radeloosheid mijn toevlucht nemen, tot U mij wenden in droeve uren, met U spreken, wanneer ik onder den last des kommers gebukt ga.

Dreigen gevaren mijne jeugd, dan zal ik onder den schuts-mantel uwer liefde ijlen. Ben ik gevallen, dan zal mijn eerste woord „vergiffenis!quot; zijn. Wil do onstuimigheid der jonge jaren mij voortsleuren, dan zal ik smeekend mijn blik tot u verheffen. Dringt de stem der verleiding tot mij door, dan worde zij onverstaanbaar gemaakt door den luiden roep in mijn harte; in God alleen is waar geluk; Hij is mij genoeg, en Hij alleen. ')

') Zie: „Do K i n d o r 1 ij k e Omgang metGod, eenboekskc n v o o r al wie haakt naar den t e e d e r e n eenvoud z ij no r w are 1 i e fd equot;, Voor Nederlands Katholieken bewerkt door Joseph W i 11 o x. — Waalwijk , H. de Jong, 1894.

ocr page 761

HOOFDSTUK CIA.

INNERLIJK LEVEN.

Non liabet amaritudinem convcrsatio illius. nee taedium convictus illius, sed laetitiam ot gaudium. Sap. 8, 1G.

|p?oo nieuw als het woord u waarschijnlijk in de ooren klinkt, o jongeling, zoo welbekend is het dengenen, wier voet reeds den weg der volmaaktheid mocht drukken: innerlijkheid, innerlijk leun.

Het lichaam heeft zijn leven, de ziel het hare.

Het lichaam leeft door spijs en drank en openbaart zijn leven door de verrichting der zintuigen; de zid leeft door genade, door gebed, door den omgang met God, en openbaart haar leven door het geestelijk zien en hooren van God, door te spreken met Ood, door in liefde met Hem te verkeeren, door duizend wederzijdsche betrekkingen met God. Hoe me-nigvuldiger die betrekkingen zijn, hoe natuurlijker en inniger, des te ruimer levenskracht woont in de ziel, des te volmaak-

ocr page 762

712

ter is dit haar leven, des te gelukkiger is de ziel, die zulk een leven leeft.

Waarom noemt men een blinde, een doove, een stomme ongelukkig? Gij zegt: er ontbreekt iets aan zijn leven, het leven heeft weinig waarde voor hem. En inderdaad: het eigenlijke genot van quot;t natuurlijke, van 't zinnenleven bestaat hierin, dat men dit leven doe arbeiden; een „dood levenquot; is eene tegenspraak met het woord zeiven.

Tot Grod opzien, naar Gods stem luisteren, met God ver-keeren, ziedaar levensverrichtingen der ziel, waarin heur waar geluk bestaat, waardoor zij heur verder leven verzekert.

Is niet degene blind., die, trots geloof en overtuiging, dat God waarlijk in zijn hart tegenwoordig is, geheele dagen doorbrengt, zonder dien alomtegenwoordigen God een blik waardig te keuren?

Is niet degene doof, die Gods woorden niet verstaat, in wiens hart de stemme Gods geen echo vindt?

Is niet degene stom, wien de taal des harten onbekend is, die zelfs niet weet, hoe inwendig met God te spreken?

Is niet hij zonder gevoel, dien de wonderen der goddelijke goedheid, grootheid, heiligheid en rechtvaardigheid koud laten, dien weldaden evenmin tot dankbaarheid vermogen te stemmen, als de oordeelen Gods tot eerbied en schroom?

O jongeling, trek u dan meer en meer van de schepselen terug; treedt in u-zelven, zie, hoor, en spreek daar met God.

„Zie, ik sta aan de deur en klop: indien iemand mijne stem zal hooren en de deur open doen. Ik zal tot hem n-komen, en Ik zal avondmaal met hem houden, en hij met Mij.quot; ') Die geestelijke maaltijd is de vertrouwelijke omgang met God, welke der ziel een krachtig voedsel is, haai ver-

') Oiionb. 20,

ocr page 763

713

kwikt, waarin zij onbeschrijflijke zoetheid en nooit gemaakte wellusten smaakt.

Ach, te dikwerf gelijkt ons hart op het marktplein eencr volkrijke stede, waarop zich een ieder en alles in bonte mengeling en gedruischmakende verdringt, — dieren en men-schen, groot en klein, goed en slecht.

Waarom, o dierbare jongeling, maken wij ons hart niet veeleer tot eene goclgeivyjde cd met nauwe, goed gesloten deur, door welke niemand, die het ijdel gejool der wereld in dit stille toevluchtsoord van deugd en godsvrucht wil doen schateren, toegang verkrijgt?

O weldoende stilte! O zoete eenzaamheid!

O verkwikkende ingetogenheid des geest es. zoo rijk aan vruchten der genade en hemelsche vertroostingen! Wie, o dierbare stilte, zou niet alle vriendschap der wereld, met heur jagen en drijven, met heur holle phrasen, heur bedriegelijke aanbiedingen, heure luidruchtige vreugden, heur spoedig wegstervend gejuich, vaarwel zeggen voor uwe zoetheid?

Waarschijnlijk, o mijn vriend, wordt in uw hart door talrijke vooroordeelen strijd gevoerd tegen die richting des inwendigen levens, die u onder zoo menig opzicht Zmitemjwocm toeschijnt.

Gij meent wellicht, dat die „innerlijkheidquot; den mensch tot een zonderling maakt, dat zij u in de meest onhoudbare positie tegenover de buitenwereld zoude plaatsen.

Wie heeft u opgelegd, u aan het noodzakelijke en nuttige verkeer met de buitenwereld te onllrekken ? Verkeer met wien gij moet, met wien het waarlijk nuttig is te verkeeren, en verkeer op liefdevolle, bescheidene, aangename en onberispelijke, netto manier; verkeer zóó, dat gij den muiste sticht, en u-ze'f niet van God losscheurt.

ocr page 764

714

Zijn de Heiligen onbruikbare, voor de samenleving onnutte mannen geweest? En waren zij niet mannen Gods, mannen des gebeds, mannen der ingetogenheid, mannen van het innerlijk leven? En hoevelen hunner hebben groote daden verricht, een leven van ongemeene, glansrijke werkzaamheid geleid, op de geschiedenis van landen en werelddeelen den meest heilzamen invloed uitgeoefend!

Hieruit blijkt u, dat de hooge bloei van 't innerlijk leven der werkkracht geenerlei afbreuk doet; die bloei regelt haar slechts, loutert hare motieven, verleent haar eene hoogere wijding, verheft haar op de vleugelen der goddelijke liefde tot in reine, hemelsche, bovennatuurlijke spheren.

Gij vreest, dat de „innerlijkheidquot; droefgeestig, somber zal maken, dat zij uwer jeugd de frischheid, uwen leeftijd zijne ongedwongen blijmoedigheid zal ontrooven.

O, verwissel toch niet immer de heerschappij der natuur met de leiding der genade! Zou de gratie niet in de ziel kunnen wrochten wat de ziel in het lichaam uitwerkt? Komt zij niet van Dengene, die het leven-, de werkzaamheid-, de kennis-, de wil- en de liefde-zelf is? En zoude zij nietdei-o^-heid des levens schenken?

Wel zal de blijmoedigheid een ander karakter aannemen, het onstuimige, beweeglijke, woelige, uitgelatene, zuiver-uitwendige afleggen; maar zal zij daardoor niet edeler worden, meer en meer den stempel der echtheid gaan dragen? O vriend, waai' God heerscht, daar heerscht vreugde. Het Rijk Gods is niet eten en drinken, doch rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap in den H. Geest. ')

Begrijpt gij niet, hoe het mogeiyk is, uitwendig werkzaam te zijn en tegelijkertijd inwendig te „levenquot;? Dat het mogelijk is, dit wordt u door voorbeelden aangetoond. Zijl gij

') Kom. 14. 17.

ocr page 765

715

niet meester in uw eigen huis ? Kunt gil niet naar willekeur in- en uitgaan? Kunt gij niet in de woning uws harten toelaten of daarvan uitsluiten wien en wat u goeddunkt?Kunt ge bij uw arbeid niet kalmer te werk gaan? Kunt gij niet veeleer u-zelf den arbeid leenen, dan u aan hem prijs te geven, aan hem over te leveren?

Wat kan men niet, met goeden unl en zeker van de hulp der goddelijke genade!

ocr page 766

HOOFDSTUK CLII.

WAT DER VEREENIGING MET GOD IN DEN WEG STAAT.

Et er mi L oculi mei el cor meum ibi cunctis diebus. ? 3 Keg. 9, 3.

i»

oe wein'0 jongelingen zijn er, zelfs onder do godvruchtige, die iti waarheid een ,,innerlijkquot; leven leiden! Worden onder de mcnschen in 't algemeen zoo luttel .innerlijkequot; zielen aangetroffen, hoeveel zeldzamer nog zijn ze onder de jeugd!

Waar is het: wil de jongeling „innerlijkquot; zijn, dan staan hem, meer dan anderen, moeilijkheden in don weg.

De jeugdige leeftijd-zelf schijnt eene belemmering.

De geest is in hooge mate beweeglijk. Ras ijlt hij van het, eene voorwerp tot het andere. Het kost hem moeite, zich geruimen tijd mot één subject onledig te houden.

Do verbeelding maakt zich dra van alles meester, en neemt spoedig den vorm der subjecten over. En nu is de geest

ocr page 767

daarmede vervuld, tot een nieuw beeld het spoedig verouderde komt verdringen en een verschen indruk in de ziel achterlaat.

De zinnen staan, om zoo te spreken, nog wijder open; de indrukken zijn levendig, schoon niet immer duurzaam. Daarom is voor den jongeling de buitenwereld alles.

Wat hem integendeel noodzaakt, in zich te treden, wat hem tot zich-zelf terugvoert, hem in zich-zelf opsluit — is hem onaangenaam, schijnt belemmering, verkorting zijner vrijheid, ondermijning van de krachten zijner bloeiende jeugd.

Hierbij voegt zich de omstandigheid, dat hij dikwijls bij andere jongelingen vertoeft, en door de sleur van het alle-daagsche tot al hetgeen stof en uitwendig is wordt aangetrokken. En zijne makkers — zijn dit niet menigwerflieden, bij wie te eenenmale gebrek aan degelijkheid heerscht, die den ernst van het leven moedwillig uit het oog verliezen, die slechts waarde aan het oogenblik hechten, dieniet alleen geenerlei begrip van het innerlijk leven hebben en niet willen hebben, maar die ook de godsvrucht bespottelijk trachten te maken, door woorden als „fanatisme, overspanning, femelarij, schijnheiligheidquot; hunne moderne „ontwikkelingquot; te luchten hangen ?

En zoo wordt den jongeling een afkeer van het innerlijke leven ingeboezemd, zoo wordt hem de smaak van 't geestesleven bedorven, zoo wordt hem de lust benomen, de ingetogenheid te beoefenen, naar degelijkheid te streven, in God en voor God te leven.

Is bovendien het gezin, waartoe hij behoort, in hooge mate wereldsch, zijn daar genot en praalzucht, werkelijkheid, oppervlakkigheid, en hoe ze alle mogen heeten — die misgeboorten der moderne maatschappij, kinderen des huizes, dan is het individueel schier onmogelijk, zonder opzien te baren en

ocr page 768

718

zonder groote offers te brengen paden te bewandelen, die van meer genoemde zooveel afwijken.

Hoe nu te handelen?

Op de eerste plaats, jongeling, wees niet kleinmoedig, — gij, die met 's Heeren hulp den voet op het pad des innerlijken levens wilt zetten.

De moeilijkheden zijn niet onoverkomelijk; schitterende voorbeelden bewijzen het u. Denk aan Aloysius, aan Casimiris, aan Stanislaus Kostka.

Wapen u met moed. Veracht de groote narinne, die men wereld noemt. Tioee heeren kunt gij niet dienen; ') maar dit zult gij ook niet, dit wilt gij niet. Vóór lang reeds spraakt gij: Mijn deel is de Heer 2) en Christus mijn leven 3).

Behandel de wereld op den voet van beleefde onverschilligheid. Wek niet haar toorn op, tart haar niet uit; sla evenwel ook weinig acht op haar en op hare meeningen: wat gij van hare beginselen en voorbeelden hebt te denken, dit is u genoegzaam bekend. Uwe wegen en hare wegen verschillen te veel, een samengang met haar is niet mogelijk ; laat haar dus alleen, en ga kalm uws weegs, ga den weg, dien gij als den waren beschouwt, den weg, u door het geweten en den vinger Gods aangetoond, goedgekeurd door den leidsman uwer ziel.

Wees niet „stijf, niet somber. Praal niet met vroomheid en deugd; het is genoeg, dat God u kent, dat Hij weet, wie gij zijt, en wat in uw binnenste omgaat.

Sla hier uw tente op; hier bevinde zich het Heiligdom, waarin God, de Heer, in geest en waarheid aanbeden wordt4). Het sta geheel alleen, evenals weleer Sions tempel in 't midden der ontelbare afgodentempels der aarde. Gods oog zal te blijder op die stille plaatse neerzien, naarmate rondom

') Malh. 6, 24. Ps. 15, 5. ') Plulipp. 1, 21. *) Joh. 4, 24.

ocr page 769

719

ii de geest der wereld meer verwoesting aanricht, het godendom der zelfzucht, des gelds, des vleesches, der ijdele eer in onbeperkter macht den scepter zwaait.

En hebt gij u eenmaal van de wereld losgescheurd, hebt gij tegenover haar een onafhankelijk standpunt ingenomen, keer u dan tegen u-zelven, werp ter deure van uw hart alles uit, wat niet in een Heiligdom betaamt, wat de eerbiedige rust daar binnen kon verstoren.

Beteugel uwe zinnen. Oog, oor en tong vooral moeten voortdurend uwe gestrengheid ondervinden. Zedigheid, ingetogenheid, stilzwijgendheid zijn de lieflijke gezellinnen des „innerlijkenquot; levens.

Verweer u tegen ijdele niemcsgierighcid] beteugel uw praat-lust, wees niet uitgelaten door uwe zinnen.

Voorkom alle wanorde in uw binnenste, en weer het ge-druisch van den hartstocht.

Meng u in niets, tenzij in hetgeen uw plichten aangaat. Slechts voor datgene, wat plicht en liefde van u vorderen, zijt gij aan God verantwoording schuldig.

O goede God, wanneer toch zal ons hart den gladden spiegel van een rustig meer gelijken? Immer nog woeste golven, ebbe en vloed, branding, schuim en schrikwekkend gedruisch!

ocr page 770

HOOFDSTUK CLIII.

OMGANG MET JESUS IN HET ALLERHEILIGSTE SACRAMENT.

Sub umbra illins, quem desido-raveram. sedi, et fructus ejus dulcis » gutturi meo.

wÊÊ' Cant- 2'a

weet liet' 0 Jongeling: de Zaligmaker wilde in ^ jie^ aanbiddeliik Sacrament des Altaars niet alleen onze Spijze worden; — neen, de Gezel onzes levens, ï de Vriend onzes harten, onze Raadsman, onze troost ' wilde Hij zijn.

Daarom toeft Hij dag en nacht op onze autaren, in onze tabernakelen. In 't midden van Israël heeft Hij zijne tente opgeslagen, ') opdat Hij, zichtbaar onder de gedaante van brood, onze God zoude wezen, en opdat wij zijn volk zouden zijn 2).

Maar, o schande, hoe velen onzer bekreunen zich niets om

•) Eccli. 24, 13. s) Jei'. 11, 4.

ocr page 771

721

de liefde van hun God! Zij laten hem schier alleen, wonen slechts op Zon- en feestdagen de heilige Mis bij, omdat de strenge plicht dit wil, bezoeken Hem anders nooit, en schijnen nauwelijks te weten, dat zoo dicht in hun nabijheid Degene troont, die de wellust der Zaligen uitmaakt en met hemelvreugd dezulken overstelpt, die Hom geloovig naderen.

En ledig en eenzaam is het dag en nacht tusschen de gewijde muren, en Hij alleen, de eeuwige Hoogepriester Jesus Christus, bidt en smeekt zonder ophouden voor ons, zijn volk, voor de schaapkens zijner kudde

O geest des geloofs. hoe zicak zijt gij in ons! O wonder van Gods liefde, hoe luttel vruchten brengt gij voort in de harten dergenen, op wie de plicht der dankbaarheid zoo zwaar en altijd zwaarder drukt!

En gij, o dierbare jongeling, — gifj? . Van tijd tot tijd, met lange tusschenruimten, eene heilige Communie; misschien nu en dan ook op een werkdag eene H. Mis, — verwijlt gij nog vaker in Jezus' nabijheid?

Ach neen, — gij hebt geen tijd, het is te moeilijk, gij weet niet, wat in de kerk te doen, gij verveelt u bij Jesus ...

Is het niet zoo? Valt u het bezoeken der kerk reeds zoo lastig, wanneer het, bij voorbeeld, de Mis op een werkdag geldt, hoe kan men dan van u veronderstellen, dat gij op buitengewonen tijd ter kerke zult gaan?

Doch is hier sprake van uren? of ook slechts van kwartieren? Neen.

Uw weg voert langs eene kerk; gij zijt alleen. Treed nu het Heiligdom binnen, buig do knie, groet kort en hartelijk uw Zaligmaker; zeg Hem wat gij een dierbaren vriend zoudet zeggen, wanneer gij hem toevallig ontmoet, en ver-

') I's. 78, 13.

47

ocr page 772

722

wijder u dan, opnieuw verkwikt door de vriendelijke woorden die de Zaligmaker als tegengroet tot u zal spreken.

Een kleine omiveg kan u tot eene kerk brengen ; maak hem indien gij tijd hebt. Om ijdele nieuwsgierigheid te bevredigen, iets schoons te zien of te hooren, zich eenig genot te verschaffen, schroomt men vaak geen aanzienlijken afstand en getroost zich het verlies van tijd en geld.

En ware het te veel, indien gij nu en dan een geheel kwartiertje ten offer bracht, om ten hove eens zoo goeden en verheven vorsten behoorlijk uwe opwachting te maken?

O verkeerde spaarzaamheid! Hoeveel uren worden verspild in nuttelooze gesprekken ! Hoeveel tijd vereischt de zorg voor ons lichaam, hoeveel tijd nemen wereldlijke zaken, nemen uitspanningen voor zich !

En gelooft gij, dat de oogenblikken, aan God gewijd, verloren zijn? Dat Hij niet in staat is, dat kleine offer te loonen?

Maar, werpt gij op. waar heeft men ooit gezien, dat jonge lieden op buitengewone uren de kerk binnengaan?

O goede vriend, maakt niemand daarmede een begin, dan voorzeker zal een zoo prijzenswaardig gebruik nooit in zwang komen.

En is die nuttige uitoefening inderdaad zoo vreenul, zoo ongehoord? O neen. Men treft nog menig vroom jongeling aan, die in de nabijheid eener kerk woont en zich de nabijheid des Zaligmakers ten nutte maakt. Zie eens uit, — wellicht vindt gij hem dagelijks op een ongewoon uur in een hoekje van het Godshuis.

Doch wat doet men bij zulke bezoeken aan Jesus in de Eucharistie ?

Wat men doet! Wat toch doet gij, uw vriend bezoekende ? Gij stort uw hart voor hem uit; gij vraagt, gij spreekt, gij luistert, gij antwoordt, en eindelijk neemt gij met een vrien-

ocr page 773

723

delijken handdruk afscheid; en heengaande zijt gij overtuigd, dat uwe vriendschap wederzijds in kracht heeft toegenomen.

Het laat zich moeilijk beschrijven, hoeveel het levendige verkeer met Jesus in de Eucharistie bijdraagt om de ziel tot een „innerlijkquot; leven te voeren. Immers, God is hot leven en het leven is hier zoo nabij. En het leven deelt zich hier overvloediger mede, naar mate wij het oprechter zoeken, naarmate wij ons zwaarder offers getroosten om het te vinden.

Wat al heilzame gevoelens worden vóór het altaar, in de eenzaamheid van het stille bedehuis, opgewekt, wat al zegenrijke besluiten daar genomen! Hoe menige kiem van een verdienstelijk werk wordt daar door den hemelschen Tuinier in 't welbereide hart gelegd, om later eene heerlijke vrucht voort te brengen!

O G-ij, verborgen God. trek ons tot u in dit aanbiddelijk Geheim uwer liefde!Gedoog niet, dat zij door ons vergeten, met koudheid beloond worde!

Neen, o Jesus, voortaan wil ik tot de weinige jongelieden behooren, door wie nu en dan een oogenblik wordt afgezonderd, om zich vóór het Tabernakel op de knieën te werpen, U daar teeder begroeten,, eerbiedig te aanbidden, U eene wijle gezelschap te houden, U de belangen van hun jeugdig hart bloot te leggen, en daarna heen te gaan, gevolgd door uw zegen, met nieuwe verdiensten verrijkt, verheugd in de gedachte, U, o goede Jesus, eene kleine vreugde bereid te hebben. Rusten wil ik in de schaduw van Dengene, naar wien mijn harte verzucht, en zoet is zijne vrucht mijn gehemelte! ')

Bij zulke bezoeken, en ook anders, wanneer mijne godsvrucht mij daartoe aanspoort, zal ik op geestelijke wijze communiceeren, eene vurige begeerte in mij opwekken om mij met U, o Jesus, te vereenigen, ü onder de sacramen-

') Hoogl. 2, 3.

ocr page 774

724

teele Gedaanten te nuttigen, U in een zuiver hart te ontvangen.

O, mocht ik door dit middel tot de „innerlijkheidquot; des levens geraken, die heilige zielen kenmerkt, die hét teedere plantje mijner godsvrucht heerlijk doet gedijen, die mijner jeugd eene machtige schutse is, tegen in- en uitwendige stormen!

ocr page 775

HOOFDSTUK CLIV.

HET GODDELIJK HART VAN JESUS.

Praebe, lili mi. cor liium miliil Prov. 23, 20.

ü|ncler de menigvuldige devotiën, die in den loop der Y tijden bij de geloovigen ingang hebben gevonden, en

die zich voor het heil der zielen zoo vruchtbaar hebben getoond, is er eene, gewichtig boven alle. omdat zij dieper dan eenig andere in 't leven ingrijpt, en ten doel heeft, het hart van den Christen aan het Hart van Jesus gelijkvormig te maken.

Inderdaad: eene devotie, wier vrucht uit der nature een bloeiend zieleleven en een ware geest van offervaardigheid is, moet wel een voortreffelijk middel te onzer volmaking zijn. Is de „innerlijkheidquot; een der grondslagen van de ware christelijke volmaaktheid, de geest van offervaardigheid is het toppunt derzelve, en beide, innerlijkheid en geest van

ocr page 776

72t)

offervaardigheid, met elkander verbonden, elkander steunend, maken den mensch tot een Heilige.

Hier is sprake van het hart. Is dit geregeld, dan is de geheele mensch geregeld; is dit vervuld met God, dan is de geheele mensch vervuld met God; behoort dit geheel aan God, dan behoort de geheele mensch aan God.

Het hart is de zetel der gevoelens; daar ontvlamt de geestdrift, daar vindt de daad haar voorliereiding. Het hart bemint, ijvert, gloeit; het hart is deelnemend, mild, edelmoedig. Een slecht hart, een slecht mensch; een edel hart, een edel mensch; een man van hart, een man der daad.

Het Hart van den God-Mensch Jezus Christus, het lichamelijk Hart, in zooverre met de Godheid onafscheidbaar ver-eenigd, heeft recht op onze aanbidding. Ziedaar het rechl-streeksche voorwerp der devotie tot het Allerheiligste Hart van Jesus.

In niet geringer mate is het Hart des Zaligmakers vereering waardig, als de zetel der heiligde gevoelens, die ooit in eene borst hebben geleefd, als de haard dier gloeiende liefde, waardoor eene gansche wereld in vlammen opging, als dc woonstee van goddelijke, onuitsprekelijke schoone deugden, door welker navolging de menschenkinderen vergoddelijkt worden.

Bevroedt gij eenigermate, jongeling, welk een schat ran zegen het aanbiddelijke Hart des Verlossers voor u konde zijn ?

De deugden hebben een wortel van noode; die wortel bevindt zich in den grond des harten. Geene deugd zonder levensadem; en die adem is de geest, die in ons den scepter zwaait, de ziel, die alles leven schenkt.

Onze handelingen zijn wat de geest is, — klein, groot, slecht, goed, alledaagsch, verheven, koud, gloeiend — overeenkomstig den yeest, waaruit zij voortkomen.

ocr page 777

727

Bewonderenswaardig zijn Jesus' daden. Wat verleende haar zulk eene verhevenheid? Het Hart, waaruitzij voortkwamen.

Wilt gij, niet doordringende in Jesus' Hart, een volmaakt christen worden ? O mijn vriend, in dit goddelijk Hart moet gij leeren, tv aar om men handelt, leeren, hoe men handelt, leeren, wat gij moet verafschuwen, wat beminnen.

Zie het Hart van Jesus. Hoe onderworpen is het aan den hemelschen Vader! De Heiland beschouwt zich als een offer, bestemd om de geschonden eer des Vaders te herstellen, om der goddelijke rechtvaardigheid eene schitterende voldoening te geven. Daarom leeft Hij alleen voor de eere zijns Vaders, Hij kent alleen diens wil, slechts naar vereeniging met Hem streeft Hij. Mijne spijze is, spreekt Hij, dat Ik den wil Desgenen doe, die mij gezonden heeft. ^

Welk een geest der liefde bezielt Jezus' Hart ten opzichte van den mensch! Liefde heeft al zijne schreden op aarde bestierd, uit liefde bezweek Hij aan het Kruishout, uit liefde is Hij in de Eucharistie immer tegenwoordig, — matelooze, rustelooze liefde, liefde jegens allen, liefde tot den dood, liefde immer, liefde eeuwig.... Niemand heeft grooter liefde dan hij, die zijn leven opoffert voor zijne vrienden! ^

Jesus' heilig Hart is vervuld met deemoed, zelfverloochening, offervaardigheid. Hij ziet in Zich-zelf den met schuld beladene, het zoenoffer, aller kastijding waardig. Ik ben een worm en geen man, een smaad van menschen en veracht van het volk. 3) Hij is om onze overtredingen gewond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld ; de straf, die ons den vrede brengt, was op Hem, en door zijne wonden is ons genezing geworden 4).

Zie, dat is het Hart van Jesus-, door zulken geest werden al zijne handelingen bestierd.

') Joh. 4, 34. quot;) Joh. 15, 13. :') Ps. 21, 7. ') Is. 53, 5.

ocr page 778

728

En ware zulk een Hart niet beminnensivaardig ? zoude Het niet bekwaam zijn, ons hart voor immer aan zich te ketenen? verdient Het geene navolging'? moet zulk een Hart niet te allen tijde het richtsnoer onzer gedachten, onzer gevoelens, onze]- begeerten zijn ?,

Hoe zullen wij volmaakt leeren handelen, als wij niet in Jesus' Hart binnendringen? Evenals wij door geen anderen naam zalig kunnen worden, dan door den glorierijken Naam Jesus, ') zoo is er ook geen andere leeraar, door wien wij tot heiligheid kunnen komen, dan het Allerheiligste, aan deugden zoo rijke Hart van Jesus.

Eeuwig zullen wij beginnenden blijven; nooit in de diepten der volmaaktheid doordringen, nooit eene ware, mannelijke, edelmoedige deugd erlangen, nooit den geest van offervaardigheid in ons doen wortelen, nooit ons den Heer zonder voorbehoud toewijden, zonder Jesus' Hart te hebben leeren kennen en, tenminste eenigermate, begrijpen.

En gij, o jongeling, moet Jesus' aanbiddelijk Harte warm vereeren.

Heeft Het niet ook u, en wellicht juist u, met uitnemende liefde bemind'?

Heeft Het niet uwer jeugd de heerlijkste voorbeelden gegeven ? Welke eene zuiverheid! welk een bescheidenheid! welk eene vredelievendheid! welk een ijver in 't gebed! welk eene ingetogenheid! welk een gehoorzaamheid! welk eene liefde! welk eene getrouwheid aan alle plichten! welk eene arbeidzaamheid !

Cla heen, bestudeer het Hart van den Jongeling Jesus, en leer een christelijk jongeling zijn.

Uw geheel hart is nog te vormen; de ze!fopvoiding is buiten

') Hand , 12.

ocr page 779

729

kijf de gewichtigste taak uwer jonge jaren; op welk ander voorbeeld wacht gij? —

Misschien wenscht gij te vragen, waarin de godsvrucht tot Jesus' Harte eigenlijk bestaat.

Zij bestaat, voor wat betreft haar innerlijk wezen, hierin, dat men steeds dieper in dit allerheiligste Hart doordringt, dc onmetelijke liefde, welke Het ons toedraagt, steeds hoogcr op prijs stelt, dat men naar best vermogen tracht, het eigen hart aan dat van Jesus gelijkvormig te maken.

Naar het uitwendige bestaat zij in dc gebruikelijke of door bijzondere devotie ingegeven oefeningen. Godvruchtige zielen, bij voorbeeld, zijn gewoon, jaarlijks den Vrijdag, na het octaaf van H. Sacramentsdag, wanneer de Kerk harerzijds het feest van Jesus' heilig Harte viert, ijverig meê te vieren. Bovendien wijden zij aan het goddelijk Hart op bijzondere wijze den eersten Vrij day van elke maand. Op deze Vrijdagen ontvangen zij, wanneer het gevoegelijk kan geschieden, de H. Sacramenten; in ieder geval gaan zij ter kerke, bezoeken Jesus in de Eucharistie en verrichten dc bekende „acte van eerherstel.quot; Velen ook bedienen zich dagelijks, en meermalen per dag, van het schietgebed: Hart van Jesus, brandend van liefde tot mij, ontvlam mijn hart door liefde tot U!

Het zal u niet moeilijk vallen, te begrijpen, waarom de godsvrucht tot Jesus' heilig Hart zoo nauw met het hoogheilig Sacrament des Autaars samenhangt.

Op de eerste plaats, omdat in het Sacrament met de overige deelen van Jesus' glorierijke menschheid ook zijn allerheiligst Hart tegenwoordig is, en dus het Sacrament moet worden beschouwd als het middelpunt, van waar uit de matelooze liefde onzes Heilands in breede stroomen over het aardrijk vloeit.

De Eucharistie is dus het wonder der liefde. Liefde alleen

■

-

ocr page 780

728

En ware zulk een Hart niet beminnemwaardig ? zoude Het niet bekwaam zijn, ons hart voor immer aan zich te ketenen? verdient Het geene navolging? moet zulk een Hart niet te allen tijde het richtsnoer onzer gedachten, onzer gevoelens, onzer begeerten zijn?.

Hoe zullen wij volmaakt leeren handelen, als wij niet in Jesus' Hart binnendringen? Evenals wij door geen anderen naam zalig kunnen worden, dan door den glorierijken Naam Jesus, ') zoo is er ook geen andere leeraar, door wien wij tot heiligheid kunnen komen, dan het Allerheiligste, aan deugden zoo rijke Hart van Jesus.

Eeuwig zullen wij beginnenden blijven; nooit in de diepten der volmaaktheid doordringen, nooit eene ware, mannelijke, edelmoedige deugd erlangen, nooit den geest van offervaardigheid in ons doen wortelen, nooit ons den Heer zonder voorbehoud toewijden, zonder Jesus' Hart te hebben leeren kennen en, tenminste eenigermate, begrijpen.

En gij, o jongeling, moet Jesus' aanbiddelijk Harte warm vereeren.

Heeft liet niet ook u, en wellicht juist u, met uitnemende liefde bemind''

Heeft Het niet uwer jeugd de heerlijkste voorbeelden gegeven ? Welke eene zuiverheid! welk een bescheidenheid! welk eene vredelievendheid! welk een ijver in 't gebed! welk eene ingetogenheid! welk een gehoorzaamheid! welk eene liefde! welk eene getrouwheid aan alle plichten! welk eene arbeidzaamheid !

Ga heen, bestudeer het Hart van den Jongeling Jesus, en leer een christelijk jongeling zijn.

Uw geheel hart is nog te vormen; de zeifopvoeding is huilen

') Hand 12.

ocr page 781

729

kijf de gewichtigste taak uwer jonge jaren: op welk ander voorbeeld wacht gij ? —

Misschien wenscht gij te vragen, waarin do godsvrucht tot Jesus' Harte eigenlijk bestaat.

Zij bestaat, voor wat betreft haar innerlijk wezen, hierin, dat men steeds dieper in dit allerheiligste Hart doordringt, de onmetelijke liefde, welke Hot ons toedraagt, steeds hooger op prijs stelt, dat men naar best vermogen tracht, het eigen hart aan dat van Jesus gelijkvormig te maken.

Naar het uitwendige bestaat zij in de gebruikelijke of door bijzondere devotie ingegeven oefeningen. Godvruchtige zielen, bij voorbeeld, zijn gewoon, jaarlijks den Vrijdag, na het octaaf van H. Sacramentsdag, wanneer de Kerk harerzijds het feest van Jesus' heilig Harte viert, ijverig mee te vieren. Bovendien wijden zij aan het goddelijk Hart op bijzondere wijze den eersten Vrijdag van elke maand. Op deze Vrijdagen ontvangen zij, wanneer het gevoegelijk kan geschieden, de H. Sacramenten; in ieder geval gaan zij ter kerke, bezoeken Jesus in de Eucharistie en verrichten de bekende „acte van eerherstel.quot; Velen ook bedienen zich dagelijks, en meermalen per dag, van het schietgebed; Hart van Jesus, brandend van liefde tot mij, ontvlam mijn hart door liefde tot U!

Het zal u niet moeilijk vallen, te begrijpen, waarom de godsvrucht tot Jesus' heilig Hart zoo nauw met het hoogheilig Sacrament des Autaars samenhangt.

Op de eerste plaats, omdat in het Sacrament met de overige deelen van Jesus' glorierijke menschheid ook zijn allerheiligst Hart tegenwoordig is, en dus het Sacrament moet worden beschouwd als het middelpunt, van waar uit de matelooze liefde onzes Heilands in breede stroomen over het aardrijk vloeit.

De Eucharistie is dus het wonder der liefde. Liefde alleen

ocr page 782

730

was het, die Jesus bewoog, het Mysterie van zijn Vleesch en Bloed in te stellen; liefde houdt Hem op onze altaren gekluisterd; liefde noopt Hem, Zich aan minachting en smaad bloot te stellen. In liefde neemt Hij allen tot Zich, die Hem naderen, hetzij om zijn dierbaar Lichaam als Spijze te nuttigen, hetzij om door een bezoek zijne gesluierde Majesteit te huldigen.

Verder beoefent de Zaligmaker in het Sacrament des Au-taars deugden, welker navolging ons onfeilbaar tot de kruine der heiligheid zal voeren. Leert van Mij, zoo klinkt ons zijne stemme tegen, dat Ik ootmoedig en zachtmoedig van Harte ben '). O ja, dierbare jongeling, hoe nederig, geduldig, zachtmoedig is uw Verlosser in het Sacrament zijner liefde! — En welk een diepe ingetogenheid I En hoe vurig een ziele-ijver! En hoe groot eene mildheid jegens allen, die Hem naderen!

Eindelijk is juist de tegenwoordigheid onder de gedaante van brood voor den Zaligmaker eene bron van bitter lijden. In de Eucharistie wordt Hij miskend, gesmaad, verraden; goddelooze menschen misbruiken haar, onverschilligen veronachtzamen haar. Ondank en boosheid wedijveren met elkander, om den liefdevollen Zaligmaker zijn verblijf in het Sacrament zoo smartelijk mogelijk te maken.

Om deze laatste reden draagt de godsvrucht tot Jesus' Hart meer in 't bijzonder een karakter van eerherstel; de vereerders van het aanbiddelijk Hart zijn gewoon, dikwijls vóór het Tabernakel de „acte van eerherstelquot; te verrichten, om den Zaligmaker voldoening te geven voor zulk eene zwarte ondankbaarheid, voor zooveel liefdeloosheid, onverschilligheid, wreedheid.

') Math. 11, 29.

ocr page 783

731

O onbegrijpelijk, o door liefde verteerd Harte van mijn Jesus, niet tevergeefs klinkt uw smeekbede: Zoon, geef mij uw hart! ') Hier, o mijn Zaligmaker, is dit hart, zoo nirig door U begeerd, — dit arme, dit koude, dit liefdelooze hart! O, verander het volgens uw welbehagen, en geef het mij vernieuwd terug! Vervul uwe belofte: „een niemv hart zal Ik u geven, een nieuwen geest, in uw midden voeren; en wegnemen zal Ik uw hart van steen en u geven een hart. vcm rleesch,' een ontvankelijk, een gevoelig, een dankbaar, een mild, een grootmoedig, een offer wil lig hart, een harl vaar mujn Hart.

') Math. 11, 29.

ocr page 784

HOOFDSTUK OLV.

WERKZAME LIEFDE.

du idelijk waar genomen.

vjr. Beweegt Hij de schepselen niet? beheerscht Hij ze JJ- niet? leidt Hij ze niet op den weg tot hun doel? Schijnt Hij niet door hen te arbeiden 't Ja, God arbeidt, om zoo te spreken, voor mij in de schepselen, Hij vermoeit zich, als 't ware, te mijnen behoeve.

En Jesus Christus, de God-Mensch, mijn Zaligmaker — Hij heeft niet alleen voor mij gearbeid, maar ook voor mij geleden, zweet en bloed voor mij vergoten, zijn leven voor mij aan het Kruishout ten offer gebracht. En hoe onverdroten werkt en lijdt de Zoon Gods nog te huidigen dage voor mij in het Sacrament zijner liefde!

Echter — God arbeidt, en verliest zijne kalmte niet, God

Qui timet Deurn, niliil negligit.

Eccle. 7, 19.

Wes Heeren tegenwoordigheid in de schepselen wordt

ocr page 785

offert Zich voor mij op, en zijne (jelukzaligheid wordt Lierdoor niet in het minst benadeeld.

O God, hoezeer beschaamt Gij mijne liefde!

Wel ben ik geneigd, U lief te hebben, maar deze liefde mag gciquot;n offertje eischen, vau deze liefde moet ik genot hebben.

Mijne liefde is geene sterke liefde; zij kan zich niet tot de hoogte des offers verheffen.

Misschien denkt gij, jongeling, dat u hoogst zelden gelegenheid wordt geboden, om God eenig blijk te geven van sterke, offerwülige liefde.

Gij dwaalt. Den geheelen dag vindt gij daartoe gelegenheid.

De ruimte van uw dag wordt ingenomen door handelingen, in verband staande met plichten van ambt of beroep. Die handelingen vorderen opmerkzaamheid, vorderen toewijding, vorderen geheel uw werkkracht.

Legt gij u inderdaad met de borst op het deugdelijk verrichten van die handelingen toe ?

Verricht gij ze met die zorg, beantwoordende aan de grootheid en beminnelijkheid van Hem, te wiens eere gij verklaart. ze te verrichten?

Hoe blind zijn wij vaak! hoe kortzichtig oordeelen wij zoo menigwerf! Aan het groote hechten wij misschien gewicht, het kleine minachten wij. En toch biedt zich tot groote dingen zelden gelegenheid, terwijl het kleine de geheele ruimte inneemt.

De geest, de volharding moet hier als hoofdzaak worden beschouwd: — voor God, en daarom bestendig en op zooveel mogelijk volmaakte wijze, daar ook Hij steeds de Volmaakte blijft, en geene verandering in Hem is — heden, zooals gisteren en morgen, nu en altijd.

ocr page 786

734

Maak geen onderscheid tusschen plicht en plicht; zeg niet deze plicht is een voorname, dure plicht, gene is het niet; het verzuimen van dezen plicht zou noodlottig worden, do niet-vervulling van genen ware zonder beteekenis. Wie den Heer waarlijk vreest, wie Hem met echt kinderlijke, gehoorzame, eerbiedige liefde is verknocht, die beschouwt geen plicht als klein,, gering. Liefde zal overal heur kracht doen gelden — hier, zoowel als ginds; het hart zal naar de bereiking van Gods Hart streven — nu, en dan, en immer; God, de eeuwig oude en toch eeuwig nieuwe, — mijne liefde — oud en toch immer frisch en onverzwakt!

Ziehier het middel om het bewijs te leveren van uwe liefde, welke, naar gij beweert, oprecht is. Handel, evenals God: wat gij doen moget, doe het met grootst mogelijke deelname van geheel uw wezen; verricht ieder werk, vervul lederen plicht, van hoe weinig beteekenis hij u schijnen moge, met geheel uwe liefde, en verricht wat gij te verrichten moget hebben, als ware uw zieleheil van die ééne daad afhankelijk.

Getrouw in 't kleine - o diepzinnig woord, voor de lauwe ziel een woord der verschrikking, voor de ijverige een zoete klank!

Getrouw in 't kleine, — o kort begrip der heiligheid!

Getrouw in 't kleine, — o smal, met doornen bezaaid, doch reehtste pad ter volmaaktheid!

Getrouw in 't kleine, — o heldenmoed der liefde, o offerdienst, o martelaarschap!

Uwer jeugdige lichtzinnigheid valt die getrouwheid in kleine dingen moeilijk; immers, zij glijdt zoo gemakkelijk over alles heen, vooral dan, wanneer het voorwerp niet bijzonder gewichtig is:

Yriend, aarzel niet, u-zelven geweld aan te doen. Wees

ocr page 787

735

voortaan ook getrouw in 't kleine. Toon, dat uwe liefde ook duurzaam het offer mint, dat zij eene rustelooze, kloeke liefde is, dat gij u ten eenenmale van de groote waarheid zijt bewust: ik moet alles, alles voor God verrichten, en daarom mijne plichten, de groote zoowel als de kleine, te zijner liefde zoo volmaakt mogelijk vervullen.

ocr page 788

HOOFDSTUK CLVI.

LIJDENDE LIEFDE.

Patient ia opus perfectum habet.

Jac. 1. 4.

In den smeltkroes wordt het goud gereinied.

ffll

IE€I iet eei;i ieder, die spreekt: Heere, Heere, zal ingaan in hot Rijk der Hemelen, ') daar niet ieders handelwijze met dit woord overeenstemt. Velen spreken van liefde tot God, maar te dikwijls biedt hun gedrag eene schrille tegenstelling met hunne woorden.

Neemt men echter het lijden gewillig uit de hand des Heeren aan, toont men zich daarin geduldig, is men bereid tot nog zwaardere offers, dan levert men daardoor het bewijs, te hebben begrepen, wat liefde is, dan toont men in waarheid, te kunnen liefhebben.

Met Jesus Thabor te bestijgen, daar aan zijne verheerlijking deel te hebben, hiertoe is wel ieder onzer bereid;

') Math. 7, 21.

ocr page 789

737

doch is er sprake van Gethsemani, misschien zelfs van Golgotha, dan blijven wij staan, dan moet de Heiland alleen zijn weg vervolgen.

De ware liefde is sterk, als de dood, onverbiddelijk, als het graf; hare kolen zijn vurige kolen ■j. De dood laat nimmer de prooi ontglippen, waarvan hij zich heeft meeseer gemaakt; het graf geeft nimmer de dooden terug, die het heeft verslonden; de oven verteert gretig de brandstof, en vereenigt alles met zijn vuur, wat onder het bereik zijner vlammen komt.

Bemint gij waarlijk God, dan is geene macht bekwaam, u van Hem los te rukken. Het lijden vereenigt u dan nauwer met Clod, naarmate het u met krachtiger hand van de dingen der aarde onthecht.

Wel is het doorgaans niet de tijd der jeugd, die rijk is aan lijden en kommer; de latere jaren brengen meer droefe nis. Dan komen zorgen, ontberingen; het leven wordt in hooge mate ernstig; wederwaardigheden, verdriet, bittere ervaringen vergallen ons uren en dagen. Cledenk uwen schepper in de dagen uwer jongelingschap, vóór dat de kwade dagen komen en de jaren naderen, van dewelke gij zeggen zult: Ik heb geen lust in dezelve! 2)

Maar, o dierbare jongeling, verdroogt gij met overgeving, met heilig geduld het iveinige lijden, dat u tot dusverre trof?

Och neen! eene lichte ongesteldheid, eene geringe smart, eene teleurstelling, eene kleine onbillijkheid, eene bedrogen verwachting, ongeluk bij het spel, weinig beteekenend verlies, onaangenaam weder, hitte, koude, eene kleine ontbering, honger, dorst, — en hoe ze verder heeten mogen, die alle-daagsche, onbeduidende wederwaardigheden, — zij brengen

') Hoogl. 8, 0. Eccli. 12, 1.

48

ocr page 790

738

u in verdrietige stemming, zij ontrooven uw hart den vrede, zij prikkelen uwe gevoeligheid, zij maken u bits, toornig, gij beklaagt u, neemt houding en gebaren aan van iemand, wien onrecht geschiedt, gij mort tegen God, gij wordt mismoedig, treurig, gij verwenscht misschien u-zelven. ...

O goede God, — eu wij durven zeggen, dat wij U liefhebben ! O tegenspraak!

Hoe zal het later worden, wanneer 's levens bitterheden als oen geweldige stortvloed op u nederkornen ? wanneer moeilijkheden van elke soort zich voor u opdoen, wanneer gij onder den last der zorgen schier bezwijkt, wanneer tegenspoeden inwendig en uitwendig, ter rechter en ter linker zijde, van boven en van onder als 't ware samenzweren, om u het weinigje leven geheel te verbitteren, om een doornstruik te planten op ieder plekje gronds, dat uw pelgrimsvoet wil drukken?

En, gij weet het; door ongeduld, mismoedigheid, door morren tegen Gods heiligen wil verzwaren wij ons leed.

Evenals een kind, hetwelk, zich door eigen onvoorzichtigheid gekwetst hebbende, toornig op de wonde slaat, of een stuk speelgoed, waaraan iets gebroken is, uit gramschap geheel vernielt, zoo handelen wij, als wij door ongeduld do wonden, die het lijden ons sloeg, nog verder openrijten, ze betten mot scherpe zuren.

Niets verschaft beter gelegenheid om de sterkte onzer liefde te bewijzen, om ons-zelven nuttig te zijn, dan het lijden.

In de bezoeking toonen wij, hoeveel God ons ivaard is. In de bezoeking geven wij tc kennen, op welken prijs wij de diensten schatten, ons door den Zaligmaker bewezen, het Lijden, door Hem te onzer liefde vrijwillig verduurd. In liet lijden uit zich onze dankbaarheid.

Geduld en overgeving aan 's Heeren wil lenigen ook de

ocr page 791

739

smart, gieten balsem in de wonde, weren daaruit de besmetting.

Geduld boei zonden uit.

Geduld is verdienstelijk voor den Hemel.

Geduld maakt ons gelijkvormig aan Jesus.

Geduld schaart ons in de rij der martelaren.

Geduld is het metaal, waaruit wij sleutelen voor de poort des Hemels smeden.

Geduld, met één woord, voert alles tot volmaaktheid 'j. Door geduld behouden wij onze zielen 2).

') JilC. 1, i.

3) Luc. 21, lü.

ocr page 792

HOOFDSTUK CL VIL

VERSTERVING.

Adimpleo ca, quae (lesunt passionum Christi in carno moa.

Col. 1. 24.

f^ are het mogelijk, dat do God-minnende ziel bij het quot;mSS? geduldig vc.rdracjen der beproeving bleve staan?

O neen, liefde is rusteloos, liefde is grootmoeclicj.

Liefde verdraagt niet slechts met overgeving het ^ lijden, waaraan niet te ontkomen is; liefde zoekt op wat pijn doet, wat der bedorven natuur onaangenaam is, wat de zinnelijkheid wederstreeft, de eigenliefde pijnigt, den ouden mensch doodt.

Hoe vindingrijk waren de Heiligen in het kruisigen van zich-zelf!

Zij gunden zich geen oogenblik ruste; zij bejegenden zichzelf als vijanden. Kastijding van geheel den zondigen mensch.

ocr page 793

7-11

beteugeling der zinnen, verstorvenheid, zelfverloochening, — daarop richtten zich hun denken en streven.

Het ongeoorloofde mijden, dit was hun verre van genoeg; zij geloofden eerst dan eonigermate de zaligheid hunner ziel te hebben verzekerd, als zij geleerd hadden, zich ook geoorloofde dingen te ontzeggen.

Zij legden zich ontberingen op; zij geeselden het zondig lichaam, lieten het gebrek lijden, onderdrukten zijne lusten, veroorloofden honger, dorst, hitte, koude, slaap, het te kwellen ; niet slechts waren zij er op bedacht, do opgroeiende passion onverwijld terug te dringen, zij trachtten ook, de wortelen te dooden, de kiemen te verstikken. Immer waren zij in openlijke vijandschap met zich-zelven; in stede van zich tot verweer te bepalen, traden zij aanvallend op, en vervolgden rusteloos en onmeedoogend de vijanden van God en van hun zieleheil.

Dit kan niet zonder pijn en smart geschieden. De natuur draagt ongaarne het juk des lijdens. Bitter zucht zij onder de geeseling der verstorvenheid, en de passiën, zoo heftig aangevallen, stellen zich hardnekkig te weer. Maar de Heiligen stieren den blik ton Hemel, zij bouwen op 's Heeron bijstand, en het vooruitzicht op de krone der zegepraal staalt hun moed, schenkt hun volharding. Immer zweeft het beeld des lijdenden Zaligmakers vóór het oog hunner ziel. en diep geroerd door dien aanblik roepen zij uit: Slechts door het lijden kunnen wij ware ledematen worden van ons Hoofd, Christus Jesus. Ik vul aan in mijn vleesch, zegt Paulus, wat aan Christus' Lijden ontbreekt. ') Ja, ook ik ben een van Christus' ledematen; wil ik deel hebben aan zijne glorie, dan moet ik lijden, met Hem lijden, dan moet ik mijn deel tot liet lijden bijdragen en zoo het beeld van den lijdenden

') Col. 1, 24.

ocr page 794

742

Christus in mij weerspiegelen. Ik ben het aan Chrislus en de Kerk. zijn Lichaam, schuldig, dat ik lijde; ik ben dit ook mij zeiven schuldig, — de maat des lijdons bepaa't de grootheid der Hemelvreugde.

Reeds de gedachte aan versterving, zelfverloochening, zelf-kruisiging verschrikt u, niet waar, jongeling? Misschien waren u zelfs de ivoorden onbekend....

Maar, zijt ook gij niet een discipel des Gekruisigden'?

Zijn niet de helden, die hun vleesch met al zijne lusten gekruisigd hebben, ') uwe broederen?

Zoon van heilige voorouderen, spruit van een zoo roemrijk geslacht, verloochen uwe afkomst niet, schaam u niet voor het Kruis uws Meesters!

Dat gij nog jeugdig zijt, deze omstandigheid is van geen invloed op den plicht des lijdens; integendeel: uwe jeugd vormt een nlemven beweeggrond om eene deugd te beoefenen, die de deugd van alle christenen zijn moet.

quot;Wie is door grootore gevaren bedreigd, dan de jongeling? naar wien slingert satan bij voorkeur zijne giftige wapenen ? wien geldt in het bijzonder de arglist der wereld? Wiens driften zijn onstuimiger ? wiens bloed kookt rasscher? in wiens hart wordt heviger strijd gevoerd ? wiens vleesch poogt stouter, den teugel der Rede af te werpen? Wien drijft de begeerlijkheid sterker tot zingenot, geoorloofd en niet geoorloofd ?

En zou dan versterving noode en nutteloos zijn?

Och ja, vele jongelingen zijn er, die slechts voor weeke-lijkheid, voor zingenot leven, die hunnen driften willoos botvieren. Zij kennen niet, zij willen niet kennen dat heilig geweld, quot;) waarvan Christus in het Evangelie verklaart, dat alleen hiervoor de poorten des Hemelrijks zwichten; zij vlieden het kruis; zij mijden angstvallig elk oneffen, met doornen

') Gal. 5, 24. -) Math. 11, 12.

ocr page 795

743

bezaaid pad. Slechts snet bloemen bestrooide en omzoomde wegen willen zij bewandelen, hun voet schroomt voor de geringste oneffenheid.

Geen wonder, dat men zoo luttel heilige jongelingen aantreft ; geen wonder, dat men zoovele aan de ondeugd verslaafde jongelingen ziet, — want; als men zijnen tec/» van jongs op dartel houdt, hij zal ten laatste een zoon willen zijn *); en: een paard, dat men niet beteugelt, wordt onhandelbaar, een kind, dat men niet tuchtigt, overmoedig 2).. ,

Gij vreest toch niet voor uwe gezondheid, misschien zelfs voor uw leren?

Zie, vele, ja ontelbare Heiligen bereikten een hoogen ouderdom, en soberheid en streng leven schonken hun meer jaren, dan overvloed en weekelijkheid anderen menschen.

O, — het lichaam heeft zoo weinig van noode, liet verdraagt veel meer, dan wij geneigd zijn te gÉooven. Inmiddels zal uwe voorzichtigheid en die uws biechtvaders u zeker in deze de juiste grens weten af te bakenen.

Overigens worden hier geene buitengeivone dingen bedoeld. Getrouwe liefde en volharding verleenon ook kleinen verstervingen ivaarde voor God.

De kastijding des geesles. de kastijding van eigenliefde, ongeduldigheid, lichtzinnigheid, prikkelbaarheid, nieuwsgierigheid, uitgelatenheid levert in ieder geval geen zweem van gevaar op; zij is, integendeel, voor hot lichamelijk welzijn nuttig, zeer nuttig.

De beoefening van de deugd der verstorvenheid, zonder welke het onmogelijk is, volmaakt te worden, vereischt eene zekere opmerkzaamheid. Zonder deze laat men vele gelegen heden, die zich dagelijks, ja bijna elk uur van den dag aan-

') Spr. 29, 1. 3) Ecdi. 30, 8, 9.

ocr page 796

744

bieden, ongebruikt voorbijgaan. Nu eens den oogen, dan den ooren, dan het reukorgaan, dan het gehemelte, een andermaal der gemakzucht, der ongeregelde mismoedigheid, der praatzucht, der opvliegendheid, der uitgelatenheid, der wispelturigheid, der lichtzinnigheid, der onbestendigheid kunnen wij offers opleggen, offers van hooge waarde voor God en onze volmaking.

Hoevele gelegenheden dagelijks!

O, wil het toch begrijpen: uw voortgang op den goeden weg is afhankelijk van de mate uwer verstorvenheid; naar gelang gij, o vriend, u meer geweld aandoet, gaat gij sneller vooruit.

Overwin u-zelven, — deze vermaning klinke u te allen tijde in het oor. Cleene triumphen zijn roemrijker dan die, welke men op zich-zelf behaalt; evenwel ook geene strijden heeter, dan die, welke in het strijdperk onzes harten worden gestreden.

O Lijden van Christus, sterk mij! Gelukt hei üenjongeling, heerschappij over zich-zelf te voeren en zich naar willekeur op te offeren, hoe gemakkelijk zal het dan voor den mun zijn, den weg des plichts, den weg der verstorvenheid, den weg des offers te bewandelen!

Hoe sterk moet niet de wil worden, door zoo vaak herhaalde, zij het ook kleine overwinningen op zich-zelf! Weekelijkheid daarentegen en betreurenswaardige toegeeflijkheid kunnen slechts tot algeheele verzwakking en grenzenlooze onmacht voeren, leveren den mensch weerloos aan de luimen des vleesches, aan het geweld der bedorven natuur.

ocr page 797

HOOFDSTUK GLVIII.

DE LIEFDE TOT HET KRUIS.

Milii autom absit gloriari, nisi in cnico Domini nostri Jcsu Cliristi.

Gal. 0, U.

eer, hoeveel is er, dat ik nog leeren moet! Men lllip'''' spreekt van lyjdcn, en ik ontstel; men spreekt van liefde lol het lijden, en 't is mij te eenenmale onbegrijpelijk,

O zeker, mijn zoon, er is nog veel, dat gij niet weet. Doch, geloof Mij, het is tijd, dat gij de wetenschap des Krui-ses eenigermate leeret kennen. Hier evenwel kan slechts sprake zijn van ééne school, en die heet oefening. Onderricht is noodzakelijk, oefening noodzakelijker; onderricht toont u den weg, oefening bewandelt den weg.

O kendet gij de gave Gods. 1) Wist gij, welk oen schat het lijden in zich verbergt, — gij zoudet niet slechts nimmer

') Joli. J, 10.

ocr page 798

746

de zoogenaamde „gelukkigenquot; dezer aarde benijden, gij zou-defc hen beklagen, gij zoudt voor hunne toekomst vreezen, gij zoudt hen aanzien als armen, hulpbehoevenden, wie een ernstig gevaar bedreigt.

Geluk en welvaren leiden dikwijls tot godvergetenheid. De mensch wordt overmoedig, hij bouwt op eigen krachten, hij waant mijne hulp niet moer van noode te hebben.

Kruis en lijden zijn bevorderlijk aan den ootmoed. De mensch gevoelt hoe zwak, hoe gebrekkelijk hij is; hij tracht bijstand te vinden, hij stiert den blik ten Hemel en klemt zich aan Mij vast.

Geluk en welvaren brengen den mensch er toe, aan de dingen der wereld meer loaarde te hechten, dan zij bezitten, van liet aardsche duurzame bevrediging te verwachten.

Kruis en lijden onthechten van het aardsche, loeren datgene hoogschatten, wat alleen hoogschatting verdient, doen in 's menschen hart een vurig verlangen naar verheven, onvergankelijke goederen ontstaan.

Geluk en welvaren ontrooven uw hart zijne vrijheid, zij doen het, om zoo te spreken, geweld aan, zij misleiden het tenminste, dringen het vooroordeelen op. De mensch wordt slaaf der uitwendige goederen. Daarop alleen is zijn streven gericht, daarvan is zijne stemming afhankelijk; zij schonken cn benomen hun slaaf vrede en vreugde, zij heorschen over hem als dwingelanden.

Kruis en lijden verheffen u boven de aarde. Met elk aardsch goed, dat u wordt ontnomen, valt ook een schakel der zware keten, die u de vlucht ten Hemel belet.

En is niet uwer liefde waardig datgene, wat zoo heilzaam is, wat ii onschatbare voordeden verzekert ?

Werp dan oen blik op Mij, uw Zaligmaker, uw voorbeeld in alles. Wat maakt u rasschor aan Mij gelijkvormig, dan

ocr page 799

747

het lijden? Mijn zoon, eene groote eer is het, deel temogen hebben aan mijne smarten, aan mijn Kruis, aan het Kruis van den Zont Gods!

Hoort gij niet den Apostel uitroepen: Het zij verro van Mij, te roemen, dan in het Kruis onzes Heeren Jesus Christus? ') En: ik oordeelde niet, iets te weten onder u. dan Jesus Christus, en Dien cjukruisicjd. 3)

Aanschouw ook liet loon. Denk: Ik houde het daarvoor, dat het lijden des tegenwoordigen tijds van geene waarde is bij de toekomende heerlijkheid, die in ons zal geopenbaard worden. ■'1) Het tegenwoordig tijdelijke en lichte onzer verdrukking werkt een onmetelijke, overtreffende zwaarte van heerlijkheid in ons. 4) -

Heer, ik begrijp, wat Gij zegt, en voel den wensch in mij opkomen, te beoefenen wat gij leer aart. Maar hoe zulks doen? Ik ben jong, en voor mij biedt zich weinig gelegenheid tot lijden. Ik ben jong, en de natuur dwingt mij als 't ware, tot lijden te ontvluchten. —

Mijn zoon, maak trouw gebruik van die kleine gelegenheden, u dagelijks aangeboön. Verdraag met liefde, met verheuging des geestes en met uiterlijke blijdschap de wederwaardigheden, die het menschenkind op aarde volgen. De luim der elementen, de boosheid uws naasten, de moeilijkheden uwer loopbaan, lichamelijk lijden, kommer des geestes, arbeid, tegenspoed, klein en groot, — neem alles moedig op, verheug u daarover, dank Mij daarvoor, juich, jubel, dat u gelegenheid wordt geboden, voor Mij, dien gij beweert lief te hebben, eenig lijden te verduren. Wees immer bereid tot meer lijden; verlang, in behoorlijke onderwerping aan mijn

*) 2 Cor. 4, 17.

3) Rom. 8, 18.

') Gal. G, 1-1.

') 1 Oor. 2, 21.

ocr page 800

748

wil, nog meer beproevingen, bid daarom, wapen u bij voorbaat tot iederen strijd.

Wees hiervan zeker; wat u ook treffen moge; ziekte, kommer, armoe, verlatenheid, vernedering, elendo, — het zal niet boven uw krachten zijn, ') gij zult het kunnen dragen.

O Kruis, wil mij naderen! Hoe ver gij uwe armen moogt uitbreiden, ik omhels u, ik ben, in vertrouwen op God, bereid, u nimmer af te werpen.

O teeken der Zaligheid, welkom! Sinds de Heiland, aan u vastgeklonken, onbeschrijflijk veel heeft geleden, sinds Hij u met zijn dierbaar Bloed heeft besproeid, is alle schrik van mij geweken, en druppelen troost en zoetheid met Jesus' Bloed op hem neder, die u geloovig omhelst.

O teeken der overwinning, kom tot mij! Wijkt, gij booze machten, — in des Kruises heiligen naam, vliedt! En gij, o bedrieglijke, dwaze, blinde loereld, — o zie, nu scheidt mij de Kruisboom van u; u is het Kruis eene ergernis, mij echter kracht Gods en wijsheid. 2)

O mijn God, ik voel het, gij hebt U over mijn arm barte ontfermd! Uwe genade heeft het ruimer gemaakt, het kan nu een oceaan van bitterheid en leed bevatten.

Alle beproeving is mij dierbaar; zelfs slroomen van lijden zullen mijne liefde tot U, o Jesus, o Bruidegom mijns harten, niet wegnemen, en geene wateren zouden haar uitblusschen. 3)

') 1 Cor. 1, 23, 24.

') 1 Cor. 10, 13.

3) Hoogl. 8, 7.

ocr page 801

HOOFDSTUK CL1X.

NOG MEER. O HEER!

Mihi autem vivero Christus est, ot mori lucrum.

Philipp. 1, 21.

|feer, hoe toegevend zijt Gij te mijnen opzichte!

Ach, bijna moet ik vreezen, niet uw Herding te zijn ; nog wilt Gij mij niet bezoeken, nog keert zicli het . lijden van mij af!

Wel-is-waar verdien ik weinig een zoo groote gunst, en ben ik de onderscheiding des Kruises onwaardig.

Hoe weinig beteekent de geringe beproeving, die Gij, o Heer, mij nu en dan overzendt! Hoe zwak moetik nog zijn, daar Gij uwe hand nog niet naar mij durft uitstrekken!

O God mijns harten, neem de proef! Zend lyden, geef Kruis....

Steeds meer, o Jesus, opdat ik U meer en meer gelijkvormig worde, opdat ik mij voor die.onuitsprekelijk teedere liefde, welke Gij mij toedraagt, dankbaar kunne toonen!

ocr page 802

750

Steeds meer, o mijn Zaligmaker, opdat ik do afdwalingen mijner jeugd boete en eens genade voor U vindo!

Steeds meer, o mijn God, opdat de zonde niet wederkeere in mijn hart, en met den voorspoed niet ook de boosheid weder binnensluipe ter plaatse, waar zij reeds zooveel onheil heeft aangericht!

Steeds meer, o God, cpdat do prikkel der begeerlijkheid immer stomper worde, opdat de gevaren, dio mijne ziel met dood en bederf dreigen, worden afgewend!

Steeds meer, o Jesus, opdat ik in de licirscluutr uwer Kerke niet den laagsten rang inneme, en niet, den lafaards gelijk, aan het gevecht onttrokken blijve!

Steeds meer, o God, opdat ik eenigermate dien helden gelijk worde, die öf hun bloed jubelend voor de eere uws Naams hebben vergoten, öf door strenge boetvaardigheid zich eveneens den roem van het martelaarschap waardig hebben gemaakt.

Steeds meer, o mijn God, opdat mijn loon in het Rijk uwer glorie niet te gering zij, opdat ik niet eenmaal diep beschaamd moete opzien tot die groote zielen, wien Christus leven was, en sterven gewin. J)

O bezat ik den heldenmoed der Heiligen! De Martelaar Itjnalius riep bij het aanschouwen der wilde dieren, welke hem moesten verscheuren, uit: Ik bon de tarwe van den Christus; dat de tanden der leeuwen mij malen, opdat ik als zuiver brood bevonden worde! — En reeds vroeger had hij geschreven: Thans begin ik een discipel van Christus te zijn. Laten vuur, kruis, wilde dieren mij wachten; laten mijne beenderen verbrijzeld, mijne ledematen van elkander gescheurd, geheel mijn lichaam verpletterd worden; late

') Philipp. 1, 21.

ocr page 803

alle kwelling, die satan kan uitdenken, op mij nederkomen, — als bet mij slechts vergund is, deel met Christus te hebben! —

O God, hoe sterk maakt Gij de zielen, die ze oprecht beminnen! Hoe groot is de zoetheid, die Gij denzulken, die U vreezen, die op U betrouwen, die aan U do voorkeur boven allo schepselen geven, hebt weggelegd! ')

O ja, de rechtvaardige vloeit over van blijdschap bij al zijne verdrukking en juicht en jubelt, en zou niet met den „gelukkigstequot; op aard' willen ruilen!

O raadselachtige tajcmldling: een druppel wereldvreugde vergalt vaak der zoo even nog wereldlijk-blijde ziel al haar geneugt: een druppel Goddelijke liefde daarentegen verandert zeeën van bitter lijden in zoetheid boven alle begrip.

Christen jongeling, denk hierover na en tracht dit raadsel op te lossen.

Hebt gij dal begrepen, dan heeft de ware volle wijsheid zich aan u medegedeeld, dan begint ook gij een discipel van Christus te zijn. de wondteekenen des Gekruisigden in uw lichaam te dragen :,), d. w. z. • uw lijdenden Zaligmaker gelijkvormig te worden.

3J 2 Cor. 7, 4.

') Gill, (i, 17.

■j p.s. au, 20.

ocr page 804

HOOFDSTUK CLX.

ONTHECHTING VAN DE SCHEPSELEN.

Vani sunt omnes homines, in quibus non subest sciontia Dei.

Sap. 13, 1.

|f waas, voorzeker, zijn alle menschen, die God niet l'öïy- ^ kennen en die uit de zichtbare goederen Hem, Die 'wk is, niet konden begrijpen; die, geen acht gevende op de werken, den Werkmeester niet erkenden. *)

Hebt gij, o jongeling, u deze kennis van God reeds eigen gemaakt? Weet gij, uit welke bron aardsche schoonheid en goedheid, en al het lieflijke en volmaakte, dat gij bij de schepselen waarneemt, voortvloeien?

Al de stralen der zon, de warmste en de minder warme, de schitterendste en die minder schitteren, hebben een ge-mecnschappeli/jken oorsprong. Zoo gaan ook run God, den Hoogste, Beste, den oorsprong en het wezen van al wat goed is, alle stralen van goedheid en volmaaktheid uit, die

') Wijsh. 13, i.

ocr page 805

753

ons, nu helder, dan minder glanzend, nu in deze, dan in gene tinten, uit de verschillende schepselen tegenblinken.

Aardsche majesteit ontvouwt zich voor uw oog. Flauw schaduwbeeld van die onbeschrijflijk majestueuze heerlijkheid, waarmede Hij Zich omkleedt, die het ontoegankelijk licht bewoont, v) dis van de wolken zijn wagen maakt, die op de vleugelen des winds wandelt en zijne dienaren stelt tot een vlammend vuur! 2)

Aardsche grootheid verblindt u. Hij komt van Boven, — een zwakke weerschijn van die grootheid en verhevenheid, welke God uit Zich-zelven heeft. Hij - die is. 3).

Gij verbaast u over de macht der menschen, en het schijnt u toe, dat niets den machtigen der aarde kan weerstaan. Doch — er is geene macht, dan van God. 1) God is aamachtig. Hij kan wat Hij wil. Hindernissen kent Hij niet. De cederen Libanons breekt Hij als rietstaven. '') Vreeselijk zijt Gij, o Heer, wie zal voor uw Aangezicht bestaan? c).

Gij aanschouwt aardsche gerechtigheid. Zij wordt medegedeeld door Hem, van wien staat geschreven, dat gerechtigheid de gordel zijner lendenen is. 7) Rechtvaardig zijt Gij, o Heer, en al uw oordeelen zijn rechtvaardig. 8)

Mildheid en goedheid, u door de menschen bewezen, zijn een balsem voor uw hart. Maar, o Heere, hoe goed en zachtmoedig is uw geest in alles! 9) Gij, Beheerscher der kracht, straft ons met kalmte en bestuurt ons met groote barmhartigheid. 10) Groot schijnt u menschelijke wetenschap, en zooveler kunstvaardigheid verbaast u. O wetenschap, beuzelarij en waar-delooze bezitting, vergeleken bij 's Heeren woord en gedach-

•) Ps. 103, a, 4. G) Ps. 75, 8. '») Wijsh. 12, 18.

') 2 Mos. 3, 14. ') Is. 11, 5.

') Rom. 13, 1. s) Is. 11, ö.


49

1

■) 1 Tim. e, 16.

ocr page 806

ten! Van Hem heeft 's menschon geest ontvangen wat hij is en weet, van Hem komt alle voorwerp zijns vorschens; niets kan door het menschelijk denkvermogen worden bereikt, wat verholen is voor het Aangezicht van God, wat niet geopend en naakt is voor zijne oogen. ') — De wijsheid, van waar komt zij? En waar is de plaatse des verstands? 2) God alleen kent haren weg, en Hij weet hare plaatse; want Hij aanschouwt de einden der aarde. Hij ziet alles, wat onder de hemelen is; Die den winden gewicht gaf, en de wateren afwoog naar mate; als Hij den regen wetten voorschreef, en den onweders hun we;: toen zag Hij haar, en openbaarde ze, en bereidde ze, en doorzocht ze. s)

Deugdzaamheid en zedelijke grootheid ontmoeten u; — God is de heiligheid-zelve. Dit is het lied, dat zij dag en nacht zonder ruste zingen: Heilig, heilig, heilig is de Heere God, die was en die is en die komen zal. 1) Van Dezen harpt de Koninklijke Zanger: Hij is getrouw in al zijne woorden, en heilig in al zijne werken. 2) — Zie, uit deze bron vloeit alle reinheid, alle zedelijke waarde.

Frisch bloeit het leven om u in de makkers uwer jeugd, en de volheid der kracht schijnt het deel der jonge jaren. Maar onsterfelijk leven is de Heer: G) wat leeft, dat leeft door Hem en omdat Hij leeft. Hij is ook de eeuwig Onveranderlijke: de hemelen vergaan. Gij echter, o Heer, zult eeuwig blijven; allen zullen zij als een kleed verouden, en evenals een o vergewaad zult Gij ze veranderen, cn zij zullen veranderd worden: Gij echter zijt Dezelfde, en uwe jaren zullen niet ophouden. 7)

Met verrukking weidt uw blik over de schoonheid der aarde; hoe schoon echter moet Degene zijn, in wien geen fout is,

1

') Hobr. 4, ia -) Jub 28, 20. J) Job 28, 23, 27. *) Opcnb. -t, 8.

2

) Ps. U4, 13. quot;) 1 Tim. ö, IC. !t Hobr. 1, 11, 12.

ocr page 807

755

noch zijn kan, die geheel licht is, in wien zich niet de geringste schaduw bevindt! ')

Hier dus bereikt de liefde haar toppunt. Zij wil God alleen, God in alles, God hoven alles. Zij wil de schepselen slechts in verband met den Schepper. Zij aanschouwt het bestraalde slechts tegelijkertijd met den straal en den oorsprong des lichts.

En zoo worden voor mij alle schepselen: zon, maan en sterren, aarde, water en lucht, bergen en dalen, weiden en bosschen, de vruchten, de bloemen, de dieren, de menschen en hunne werken, een reusachtig gedenkboek, waarin de volmaaktheden mijns Gods in lichtende en gloeiende letteren staan opgeteekond, en mij in hare menigvuldigheid en eenheid, in hare zelfstandigheid en onderlinge betrekking worden verhaald en als 't ware aanschouwelijk vóór oogen gesteld.

Zoo ook erlangt voor mij alles een middelpunt, en de geheele schepping vormt zich tot eene veelsnarige lier, waaruit mij de meest verschillende tonen, die alle tot één welluidend accoord samensmelten, lieflijk tegenklinken.

En hoeveel ufdiocüinfjen zou eene zoodanige beschouwing der dingen ons besparen! Geene ongeregelde, ja zelfs niet eene al te groote gehechtheid aan de schepselen zou ruimte in ons vinden. De overschatting zou een einde nemen, het, misbruik ophouden. Aardsche schoonheid zou niet meer in ons het vuur der zondige liefde ontsteken, aardsch genot ons niet meer tot buitensporigheden verleiden. Niet meer teruggehouden door de ketenen van het stof, zouden wij in rassche vlucht onze richting hemelwaarts nemen. Het schepsel zouden wij, om zoo te spreken, van zijne aardsche kieedij ontdoen, en voortaan slechts het bovenaardsche daarin liefhebben; en zoodanig eene liefde is geregeld, in stede van

*) 1 Joh. 1, 5.

ocr page 808

75G

ongeregeld, is deugd, in stede van misdaad, wordt beloond, in stede van bestraft.

Ja, geheel anders, dierbare jongeling, zou bij zoodanige beschouwing uw innerlijk leven zijn. In welk licht zou u de wereld, zoudt gij u-zelf verschijnen! Hoe geheel anders zoudt gij denken over leed en bitterheid, over de wederwaardigheden des levens! Het bittere zou onuitsprekelijk zoet voor u worden, het onverdraaglijke eene bron van troost.

Nooit en nimmer, wel-is-waar, zal het leed, als zoodanig, en van aardsch oogpunt beschouwd, zoet en benijdenswaardig schijnen, — het weerstreeft de begeerten onzer natuur, onder eenig opzicht ongelukkig te zijn. Doch wij kunnen in het leed het bittere, dat aardsch is, afscheiden van het waarlijk goede, dat hovcnaardsch is, wij kunnen het leed beminnen om den wille van het laatste. Goed is het leed in zoo verre het van Boven komt, van Gods wil uitgaat, in zoo verre het ons eeuwig heil kan bevorderen.

Min dus het lijden, — en wat u zooeven nog hard, met uw geluk onvereenigbaar toescheen wordt thans voor u eene bron van onwankelbare gelijkmoedigheid, van geestelijken troost, van dankbaarheid jegens God.

Dat zijn geheimenissen, o jongeling; het licht des Geloofs kan ze u begrijpelijk maken; en ze begrepen te hebben is volmaakte wijsheid.

O, mochten deze raadselen zich voor u oplossen! Nog zooveel rampspoed kan u op 's levens weg overvallen, aan zooveel doornen kan de pelgrim zich verwonden, zooveel onweerswolken kunnen zich boven u samenpakken! Onberekenbaar gewin is het, de duisternis van ons leven hier op aard' door de liefde Gods voor een vriendelijk daglicht te zien plaats maken, zich een standpunt uit te kiezen, van waar ons alle beproeving verdraaglijk, ja zoet en benij-denswaardig toeschijnt.

ocr page 809

HOOFDSTUK CLXI.

ONTHECHTING VAN ZICH-ZELVKN.

Qui pediderit animain suam propter mo, üiveniot earn.

Math. 10, 39.

'eer, al hot goede in de schepselen komt van U, en ^ moet tot U wederkeeren; voor mij volgt hieruit onbetwistbaar, dat ik mij-zelven moet verloochenen, mij-zelven afsterven.

1 Ook ik ben een schepsel. Ook ik heb alles van U ontvangen. Al wat in mij goed, lofwaardig en beminnelijk is stroomde mij toe uit de eeuwig vlietende bron uwer volmaaktheid.

Tot U moet ik dus ook mij-zelven terugvoeren. In U moet ik, in TJ slechts mag ik mij-zelven ivedervinden.

Liefhebben mag ik in mij-zelven slechts U.in U slechts mij-zelven liefhebben. Waar mve liefde door de 'liefde tot mij-zelf schade lijdt, daar is de zelfliefde ongeregeld, daar wordt zij onheilig, roofzuchtig, doemwaardig.

Waarom hebben wij ons-zelven lief? Omdat wij goed zijn.

ocr page 810

HOOFDSTUK CLXII.

GOD BOVEN ALLES.

Mi hi autem adhaererc Deo boiium est.

God, mijn God, wanneer toch zal ik u volmaakt W%\ beminnen?

Wanneer zal ik mij zoo volkomen van do schep-1° solen hebben losgerukt, dat Gij alleen in mijn harte leeft en regeert?

Wanneer zal ik den aardschen mensch in mij hebben gedood, mijn hart zoo geheel en al van ongeregelde liefde tot mij-zelven gelouterd hebben, dat Gij het kunt binnentreden, in bezit nemen, U er in kunt handhaven?

O milde God, die niemand, wie er U om smeekt, uw goeden geest weigert ■) voeg bij al de weldaden, die ik reeds van U ontving, nog deze: dat ik U boven alles beminne!

') Luc. 11, lü.

ocr page 811

761

O dat ik U liefhaddo boven allen, die mij dierbaar zijn, ouders, broeders en zusters, vrienden, weldoeners, beven alle menschen, in wie ik groote en beminnelijke eigenschappen vereer!

Dat ik U meer liefhadde dan geld en bezit, dan kostbaarheden en schatten, dan roem en menschenlof, dan aardsche vreugde en zingenot!

Dat ik U meer liefhadde dan myj-zelven, dan mijn verstand en mijne vrijheid, dan mijne begaafdheden naar geest en hart, dan de voorrechten mijns liclmams, dan mijne zinnen, dan behaaglijkheid en voorspoed, dan leven en gezondheid!

O, hoezeer ben ik verblind! Hoe koud, hoe gevoelloos ben ik!

Wonderlijke tegenstelling: mijn jeugdig harte is zoo ontvankelijk, alle indrukken neemt het op; het wordt zoo gemakkelijk gewonnen, door zoo tveinig vastgebonden. En toch — Gij hebt zooveel voor mij gedaan, en nog ben ik U niet trouw verkleefd; Gij hebt mij liefde bewezen, die geene taal vermag uit te drukken, eene liefde, geheel onmetelijk, — en nog ben ik niet overwonnen, nog heerscht wanorde, nog heerscht zelfzucht in mijn hart, nog ben ik terughoudend, ivispellurig. koud.....

O Heer, geef mij een ander hart, indien het hart, dat ik bezit, door aardsche liefde, zóó koud is geworden, dat de gloed van mee liefde het niet meer kan doordringen, — een hart, dat alleen voor U klopt, een hart, dat zich voor alle schepsel sluit, zich niet dan voor TJ opent, - een hart, dat slechts moe liefde kent, en door deze liefde elke andere geoorloofd en verdienstelijk maakt!

Wat zoek ik, waarop wacht ik?

Zal aardsche beminnelijkheid ooit bekwaam zijn, mij blijvend te boeien?

ocr page 812

756

ongeregeld, is deugd, in stede van misdaad, wordt beloond, in stede van bestraft.

Ja, geheel anders, dierbare jongeling, zou bij zoodanige beschouwing uw innerlijk leven zijn. In welk licht zou u de wereld, zoudt gij u-zelf verschijnen! Hoe geheel anders zoudt gij denken over leed en bitterheid, over de wederwaardigheden des levens! Het bittere zou onuitsprekelijk zoet voor u worden, het onverdraaglijke eene bron van troost.

Nooit en nimmer, wel-is-waar, zal het leed, als zoodanig, en van aardsch oogpunt beschouwd, zoet en benijdenswaardig schijnen, — het weerstreeft de begeerten onzer natuur, onder eenig opzicht ongelukkig te zijn. Doch wij kunnen in het leed het bittere, dat aardsch is, afscheiden van het waarlijk goede, dat hovenaardsch is, wij kunnen het leed beminnen om den wille van het laatste. Goed is het leed in zoo verre het van Boven komt, van Gods wil uitgaat, in zoo verre het ons eeuwig heil kan bevorderen.

Min dus het lijden, — en wat u zooeven nog hard, met uw geluk onvereenigbaar toescheen wordt thans voor u eene bron van onwankelbare gelijkmoedigheid, van geestelijken troost, van dankbaarheid jegens God.

Dat zijn geheimenissen, o jongeling; het licht des Geloofs kan ze u begrijpelijk maken; en ze begrepen te hebben is volmaakte wijsheid.

O, mochten deze raadselen zich voor u oplossen! Nog zooveel rampspoed kan u op 's levens weg overvallen, aan zooveel doornen kan de pelgrim zich verwonden, zooveel onweerswolken kunnen zich boven u samenpakken! Onberekenbaar gewin is het, de duisternis van ons leven hier op aard' door de liefde Gods voor een vriendelijk daglicht te zien plaats maken, zich een standpunt uit te kiezen, van waar ons alle beproeving verdraaglijk, ja zoet en benij-denswaardig toeschijnt.

ocr page 813

HOOFDSTUK CLXI.

ONTHECHTING VAN ZICH-ZELVKN.

Qui pediderit animam suam propter me, inveniet eam.

Math. 10, 39.

|*1

.mWeev, al het goede in tic schepselen komt van U, en lil^^ moot tot U wederkeeren; voor mij volgt hieruit on-^ betwistbaar, dat ik mij-zelven moet verloochenen, mij-1 zeiven afsterven.

1 Ook ik ben een schepsel. Ook ik heb alles van II ontvangen. Al wat in mij goed, lofwaardig en beminnelijk is stroomde mij toe uit de eeuwig vlietende bron uwer volmaaktheid.

Tot U moet ik dus ook mij-zelven terugvoeren. Tn 17 moet ik, in U slechts mag ik mij-zelven ivc der vinden.

Liefhebben mag ik in mij-zelven slechts U. in U slechts mij-zelven liefhebben. Waar uwe liefde door de 'liefde tot mij-zelf schade lijdt, daar is de zelfliefde ongeregeld, daar wordt zij onheilig, roofzuchtig, doemwaardig.

Waarom hebben wij ons-zelven lief? Omdat wij goed zijn,

ocr page 814

758

of meenen te zijn. Doch wie schonk ons het goede, dat wij bezitten? wie is het voorbeeld, naar hetwelk al het goede zich vormt? Gij alken, o hoogste, beste goed!

Overschatting van ons-zelven vindt hierin haar oorsprong, dat wij het oneindig goed, hetwelk is God, uit het oog verliezen, en niet meer denken aan den onmeleli/jken afstand, die tusschen onze werkelijke of vermeende goede eigenschappen en de volmaaktheden van een God bestaat.

Zich-zelf in God ivedervinden, welk een onberekenbaar gewin! In waarheid kunnen zeggen: Wel leef ik, doch niet meer ik, het is Christus, die in mij leeft, ') — welk een onderpand voor het eeuwiye leven!

Dat is zijne ziel vinden, na haar om den wille Gods verloren te hebben. 2)

En toch, hoe moeilijk valt het den mensch, zich-zelven prijs te geven, zich van zich-zelven los te rukken, het offer-staal tegen zich-zelf te keeren, in zich-zelf te vernietigen wat niet bovenaardsch en heilig is.

En hoe zwaar valt die afscheiding vooral in de jeugd, in een tijd, waarvan men meent, dat hij op geheel bijzondere wijze ons toebehoort, dat hij is een tijd van geneugt, een tijd waarin wij van ons-zelven partij moeten trekken!

Maar — nog eenmaal: gaarne sterf ik mij-zelven af. Wie verlangt, zijne ziel te gewinnen, moet haar eerst op deze heilige manier verliezen. Voorwaar, Ik zeg u: tenzij hettar-wegraan in de aarde valle, en sterve, blijft het alleen; doch wanneer het sterft 3) wordt het eene kiem, duikt op uit den aardbodem, vormt aren en levert rijke vrucht.

Waarom toef ik dan, mij-zelf geheel op te offeren?

In mij worde alles, wat- niet goddelijk is, vernietigd.

■) Math. 10, 39.

') Gal. 2, 20.

quot;) Joh. 12, 24.

ocr page 815

759

De oude mensch, met zijne begeerlijkheid, sterre; weg met hem, aan het kruis!

Het vleesch zij onderworpen aan den geest, en de geest aan God.

De Schepper neme weder bezil van het schepsel, het. werk zijner handen.

Mijn hart reinige zich meer en meer, mijn gemoed rakke zich los van het aardsche, mijne ziel vuile zich gretig met het hemelsche; mijn denken, mijn willen richte zich altijd naar Boven.

Mijn blik zij immer gevestigd op de eeuwige schoonheid,. op het hoogste goed.

O vreugde, o troost, o zaligheid; God behoort mij, en ik behoor eindelijk God\

O leven, dat alleen dezen naam verdient! O voorsmaak des Hemels, bestaande in het onverdeeld bezitten van God!

O wereld, vaarwel! Eindelijk mocht ik uw waarde begiij-pen, begrijpen ook, wat God voor mij kan zijn...

ocr page 816

HOOFDSTUK CLXÜ.

GOD BOVJSN ALLES.

Wanneer zal ik mij zoo volkomen van de scliep-1° selen hebben losgerukt, dat Gij alleen in mijn ' harte leeft en regeert?

Wanneer zal ik den aardschen mensch in mij hebben gedood, mijn hart zoo geheel en al van ongeregelde liefde tot mij-zelven gelouterd hebben, dat Gij het kunt binnentreden, in bezit nemen, U er in kunt handhaven?

O milde God, die niemand, wie er U om smeekt, uw goeden geest weigert ') voeg bij al de weldaden, die ik reeds van U ontving, nog deze: dat ik U boven alles bcminne!

') Luc. 11, 13.

Mi hi au tem adhaererc Peo bonum est.

Ps. Tl'. 28.

|| God, mijn God. wanneer toch zal ik u volmaakt

ocr page 817

761

O dat ik U liefhadde boven allen, die mij dierbaar zijn, ouders, broeders en zusters, vrienden, weldoeners, beven alle menschen, ia wie ik groote en beminnelijke eigenschappen vereer!

Dat ik U meer liefhadde dan geld en bezit, dan kostbaarheden en schatten, dan roem en menschenlof, dan aardsche vreugde en zingenot!

Dat ik LT meer liefhadde dan mvj-zélven, dan mijn vorstand en mijne vrijheid, dan mijne begaafdheden naar geest en hart, dan de voorrechten mijns lichaams, dan mijne zinnen, dan behaaglijkheid en voorspoed, dan leven en gezondheid!

O, hoezeer ben ik verblind! Hoe koud, hoe gevoelloos ben ik!

Wonderlijke tegenstelling: mijn jeugdig harte is zoo ontvankelijk, alle indrukken neemt het op; het wordt zoo gemakkelijk gewonnen, door zoo iveinig vastgebonden. En toch — Gij hebt zooveel voor mij gedaan, en nog beu ik U niet trouw verkleefd; O-ij hebt mij liefde bewezen, die geene taal vermag uit te drukken, eene liefde, geheel onmetelijk, — en nog ben ik niet overwonnen, nog heerscht wanorde, nog heerscht zelfzucht in mijn hart, nog ben ik terughoudend, lüispelturig, koud.....

O Heer, geef mij een ander hart, indien het hart, dat ik bezit, door aardsche liefde, zóó koud is geworden, dat de gloed van uwe liefde het niet meer kan doordringen, — een hart, dat alleen voor ü klopt, een hart, dat zich voor alle schepsel sluit, zich niet dan voor U opent, - een hart, dat slechts moe liefde kent, en door deze liefde elke andere geoorloofd en verdienstelijk maakt!

Wat zoek ik, waarop wacht ik?

Zal aardsche beminnelijkheid ooit bekwaam zijn, mij blijvend te boeien?

ocr page 818

762

O, hoe veranderlijk is al het geschapene! Misschien is morgen reeds verwelkt wat heden nog frisch en heerlijk bloeit. Gij echter, o Heer, zijt de wezenlijke schoonheid. Gij bezit haar uit U-zelven, en zij is evenmin veranderlijk als Gij-zelve.

O, hoe gering is alle schoonheid, in wier bezit wij door het oog der zinnen komen. In God vereenigt zich alle denkbare schoonheid, en wat men in de schepselen verspreid en in geringe mate aantreft, vereenigt zich in den Hénen, cn dit te aanschouwen is zoetheid, is hemelsche wellust. Het is mij goed, o Heer, U nabij te zijn ! ')

O, trek mij tot U, houd mij bij U, laat mij nimmer gescheiden worden van U - de gansche eeuwigheid!

') Ps. 72, 28.

ocr page 819

HOOFDSTUK CLXIII.

ZALTGHErD IN GOD.

Gusiat.c et videto, quonium suavis est Dominus.

Ps. 33, 9.

flAWp 'T-t is geluk?

pj IU

Geluk is welvaart, geluk is overeenstemming, rust 011 vrec'e-

Naarmate mijne liefde tot God reiner en vuriger is, ben ik gelukkiger in God.

Bevredigt God niet volkomen? Blijft mij nog iets te wen-sclien over, wanneer ik God bezit? Dit zou slechts dan het geval kunnen zijn, wanneer naast God eenig ander goed bestond, dat niet van Hem kwam.

Maar neen; God is het besle en hoogste, en daarom ook het éénig goed. Hij alleen is den naam van het goede waardig ; niemand is goed, dan Hij. ') God is goed in Zlch-zeh en

') Math. 19, 17.

ocr page 820

764

en zijne goedheid vloeit over in de geschapen wezens.

O yoedc God, hoe verheugd is mijne ziel, dat zij u mocht vinden! in ü bezit zij alles. Geen verlangen des geestes. geen wensch des harten vindt niet in U bevrediging.

Doch in welke mate zou mijn geluk toenemen, als ik nog dieper in U wist door te dringen! Mot de kennis van U en met de liefde tot U zou ook miin geluk grooter worden, wijl geest en hart steeds dichter bij hun einddoel zouden komen, en do harmonische ontwikkeling van al de krachten mijner ziel geheel mijn wezen met het reinste geneugt zou vervullen.

De groote Kerkleeraar sprak niet ten onrechte het schoone woord: Onrustig is mijn hart, o Heer, en geene ruste zal het vinden, tot dat het shumere in U!

De geest zoekt immer, — het ware is zijn element, het hart verlangt immer, — zijn element is het goede.

De reinste waarheid is God, het volmaakt goede is God. De liefde vereenigt. Geest en hart bereiken zoo datgene, naar hetwelk zij uit kracht hunner natuur streven. En zou do mensch niet, gelukkig, niet bovenmate gelukkig zijn door de liefde en in do liefde van God? O, smaakt en ziet, hoe lieflijk de Heere is! ')

Geluk is vrijheid. Voel wordt door dc wereld hierover gesproken. Vrijheid is vooral de leuze der jeugd.

Hebt gij de vrijheid lief? Bemin God, en gij zijt zri/j, — vrijer naarmate gij den Heer oprechter bemint.

Hoe meer liefde gij den Heer toedraagt, des te meer banden verbreekt gij, des te onafhankelijker wordt gij van de schepselen, des te onafhankelijker van u-zelven.

Hoe meer liefde gij den Heer toedraagt, des te meer wordt

') P.s. 33, lt;».

ocr page 821

gij éen met God, des te inniger wordt uw wil met den wil van God saamgesrnolten. En is God niet de meest vrije? Gij hebt nu deel aan zijne vrijheid.

Hoe meer liefde gij den Heer toedraagt, des te verder verwijdert gi] u van het booze; het toppunt der vrijheid bestaat hierin; dat men zich van het goede niet kan verwijderen, dat men slechts keuze heeft tusschen het goede en betere.

Hoe minder heeren iemand boven zich erkent, des te vrijer is hij. Wie God boven alles bemint, en wie niets bemint, tenzij om God, tenzij in God; wie God in alles vindt, en alles tot Hem terugvoert, — die erkent in waarheid slechts God als zijn heer, die geniet eene mate van onafhankelijkheid, zelfs den grooten dezer aarde onbekend.

Aanschouw de vrijheid der God-minnende ziel! Ziet gij haar, door niets teruggehouden, tot God ijlen ? Zij kent slechts één doel: de eere van haar God.

O heilige vrijheid der kinderen Gods, voor de slavinne, die men wereld noemt, een onoplosbaar raadsel! hoe verheven zijt gij! hoe bewonderenswaardig in de Martelaren, hoe zegenrijk in de Belijderen! Wie kan ons. roepen zij uit, van Christus' liefde scheiden? Verdrukking? of honger? of naaktheid? of gevaar, of vervolging? of zwaard? M O neen! — Ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, nog Engelen, noch heer-schappijen, noch machten, noch het tegenwoordige, noch sterkte, noch hoogte, noch diepte, noch eenig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jesus, onzen Heere. 2)

') Rom. 8, 35.

-) Rom. 8, 38, 39.

ocr page 822

HOOFDSTUK CLXIV.

GEZUIVERDE NAASTENLIEFDE.

Qui diligit fratrem snmiin, in ^ lumino mauet.

ct 'JOiid der naastenliefde is zeer dikwijls met oneddc stoffen vermengd; het is de moeilijke taak eener .(-i oprecht naar de volmaaktheid strevende ziel, die on-: reine bestanddeelen te verwijderen.

Staat de eigenliefde vijandelijk tegenover de zuivere liefde Gods, zij verschuilt zich ook in de naastenliefde, misvormt deze, wekt twijfel aan dezer oprechtheid, vermindert de waarde van deze.

Hoe baal zucht iy is te vaak onze liefde!

Wij beminnen den naaste, daar wij op erkentelijkheid en wederliefde rekenen.

Wij beminnen den naaste, in het vooruitzicht op vergelding. Wij beminnen den naaste, omdat ons het gevoel der liefde ivel doet.

ocr page 823

Wij beminnen den naaste, doen hem wel, om menschenlof in te oogsten.

Wij maken verschil, hetwelk doorgaans al te zeer met vleesch en bloed in betrekking staat.

Wij handelen ivispellurig, en beminnen, als wij goed zijn gehumeurd; zijn gevoelloos en koud, als die goede stemming is geweken. Eene kleinigheid is bekwaam, den evenmensch van onze genegenheid te berooven. Werkelijke of vermeende ondank verbittert ons; een onbeduidend misverstand brengt verkoeling, misschien vijandschap te weeg; de geringste fout, tegen ons begaan, wekt toorn, maakt wrokzuchtig, voert tot kleingeestige wraakneming, laat in het gevoelige hart diepe sporen achter. Hoe snel wordt mistrouwen opgewekt! Hoe ras ontwaakt ijverzucht!

O jongeling, zoo handelt God niet te onzen opzichte! Hij is mild, en kan door ons niet rijker worden; Hij schenkt zegen, en niets daarvan keert tot Hem terug; Hij treedt ons liefdevol tegemoet, wij vervolgen hem snoode; Hij overlaadt ons met goed, en weet, dat wij Hem met kwaad zullen vergelden; wij krenken Hem, Hij liefkoost ons; wij zijn ruw en hoogmoedig te zijnen opzichte. Hij bejegent ons zachtmoedig en toegevend.

De liefde is goud. Goud blijft zijne waarde behouden, zoolang het goud is; met stof bedekt, vergeten, misvormd, blijft het edel, blijft het koninklijk metaal. Het goud neemt de fijnste vormen aan, hot is zeer rekbaar. Naarmate het reiner is, klimt zijne waarde, is het beter geschikt om tot kunstrijke sieraden verwerkt te worden.

O jongeling, vraag u-zelven af: icien bemin ik? waarom bemin ik? hoe bemin ik? wanneer? hoelang? Vindt gij bij de oprechte beantwoording dier vragen, dat uwe naastenliefde niet vrij is van zelfliefde, hetzij in betrekking tot den persoon,

ocr page 824

764

en zijne goedheid vloeit over in de geschapen wezens.

O cjoedc God, hoe verheugd is mijne ziel, dat zij u mocht vinden! In U bezit zij alles. Geen verlangen des geestes. geen wensch des harten vindt niet in U bevrediging.

Doch in welke mate zou mijn geluk toenemen, als ik nog dieper in ü wist door te dringen! Met de kennis van U en met de liefde tot U zou ook mijn geluk grooter worden, wijl geest en hart steeds dichter bij hun einddoel zouden komen, en do harmonische ontwikkeling van al do krachten mijner ziel geheel mijn wezen met het reinste geneugt zou vervullen.

De groote Kerkleeraar sprak niet ten onrechte het schoone woord: Onrustig is mijn hart, o Heer, en geene ruste zal het vinden, tot dat het sluimere in U!

Do geest zoekt immer, — het ware is zijn element, het hart verlangt immer, — zijn element is het goede.

De reinste waarheid is God, het volmaakt goede is God. Do liefde vereenigt. Geest en hart bereiken zoo datgene, naar hetwelk zij uit kracht hunner natuur streven. En zou de mensch niet, gelukkig, niet bovenmate gelukkig zijn door de liefde en in do liefde van God? O, smaakt on ziet, hoe lieflijk de Heere is! ')

Geluk is vrijheid. Veel wordt door de wereld hierover gesproken. Vrijheid is vooral do leuze der jeugd.

Hebt gij de vrijheid lief? Bemin God, en gij zijt vrij, — vrijer naarmate gij den Heer oprechter bemint.

Hoe meer liefde gij den Heer toedraagt, des te meer banden verbreekt gij, des te onafhankelijker wordt gij van de schepselen, des te onafhankelijker van u-zelven.

Hoe meer liefde gij den Heer toedraagt, des te meer wordt

') Ps. 33, !).

ocr page 825

765

gij een met God, des te inniger wordt uw wil met den wil van God saamgesmolten. En is God niet de meest vrije? Gij hebt nu deel aan zijne vrijheid.

Hoe meer liefde gij den Heer toedraagt, des te verder verwijdert gij u van het booze; het toppunt der vrijheid bestaat hierin: dat men zich van het goede niet kun verwijderen, dat men slechts keuze heeft tusschen het goede en betere.

Hoe minder heeren iemand boven zich erkent, des te vrijer is hij. Wie God hoven alles bemint, en wie niets bemint, tenzij om God, tenzij in God; wie God in alles vindt, en alles tot Hem terugvoert, — die erkent in waarheid slechts God als zijn heer, die geniet eene mate van onafhankelijkheid, zelfs den grooten dezer aarde onbekend.

Aanschouw de vrijheid der God-minnende ziel! Ziet gij haar, door niets teruggehouden, tot God ijlen? Zij kent slechts één doel: de eere van haar God.

O heilige vrijheid der kinderen Gods, voor de slavinne, die men wereld noemt, een onoplosbaar raadsel! hoe verheven zijt gij ! hoe bewonderenswaardig in de Martelaren, hoe zegenrijk in de Belijderen! quot;Wie kan ons. roepen zij uit, van Christus' liefde scheiden? Verdrukking? of honger? of naaktheid? of gevaar, of vervolging? of zwaard? ') O neen! — Ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, nog Engelen, noch heerschappijen, noch machten, noch het tegenwoordige, noch sterkte, noch hoogte, noch diepte, noch eenig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jesus, onzen Heere. 2)

') Kom. 8, 35.

a) Hom. 8, 38, 39.

ocr page 826

HOOFDSTUK CLXIV.

GEZUIVERDE NAASTENLIEFDE.

Qui diligit fnitrcm snnuir, in lumino manet.

1 Jo. 2, 10.

^ et goud der naastenliefde is zeer dikwijls met onedele stoffen vermengd; het is de moeilijke taak eener oprecht naar de volmaaktheid strevende ziel, die onreine bestanddeelen te verwijderen.

' Staat de eigenliefde vijandelijk tegenover de zuivere liefde Gods, zij verschuilt zich ook in de naastenliefde, misvormt deze, wekt twijfel aan dezer oprechtheid, vermindert de waarde van deze.

Hoe baatzuchtig is te vaak onze liefde!

Wij beminnen den naaste, daar wij op erkentelijkheid en wederliefde rekenen.

Wij beminnen den naaste, in het vooruitzicht op vergelding.

Wij beminnen den naaste, omdat ons het gevoel der liefde ivel doet.

ocr page 827

767

Wij beminnen den naaste, doen hem wel, om menschenlof in te oogsten.

Wij maken verschil, hetwelk doorgaans al te zeer met vleesch en bloed in betrekking staat.

Wij handelen loispelturirj, en beminnen, als wij goed zijn gehumeurd; zijn gevoelloos en koud, als die goede stemming is geweken. Eene kleinigheid is bekwaam, den evenmensch van onze genegenheid te berooven. Werkelijke of vermeende ondank verbittert ons; een onbeduidend misverstand brengt verkoeling, misschien vijandschap te weeg; de geringste fout. tegen ons begaan, wekt toorn, maakt wrokzuchtig, voert tot kleingeestige wraakneming, laat in hot gevoelige hart diepe sporen achter. Hoe snel wordt mistrouwen opgewekt! Hoe ras ontwaakt ijverzucht!

O jongeling, zoo handelt God niet te onzen opzichte! Hij is mild, en kan door ons niet rijker worden; Hij schenkt zegen, en niets daarvan keert tot Hem terug; Hij treedt ons liefdevol tegemoet, wij vervolgen hem snoode; Hij overlaadt ons met goed, en weet, dat wij Hem met kwaad zullen vergelden; wij krenken Hem, Hij liefkoost ons; wij zijn ruw en hoogmoedig te zijnen opzichte. Hij bejegent ons zachtmoedig en toegevend.

De liefde is goud. Goud blijft zijne waarde behouden, zoolang het goud is; met stof bedekt, vergeten, misvormd, blijft het edel, blijft het koninklijk metaal. Het goud neemt de fijnste vormen aan, het is zeer rekbaar. Naarmate het reiner is, klimt zijne waarde, is het beter geschikt om tot kunstrijke sieraden verwerkt te worden.

O jongeling, vraag u-zelven af: icien bemin ik? waarom bemin ik? hoe bemin ik? wanneer? hoelang? Vindt gij bij de oprechte beantwoording dier vragen, dat uwe naastenliefde niet vrij is van zelfliefde, hetzij in betrekking tot den persoon,

ocr page 828

7G8

hetzij in betrekking tot den beweeggrond, hetzij in betrekking tot de ivvjze, waarop, of de mate, waarin gij liefhebt, — dan moet ge het werk der loutering ondernemen, ware het ook door middel van het vuur. 1)

O, deins niet terug voor de moeite dier loutering! De liefde is de koningin der deugden. Die zijnen broeder liofheeft blijft in het licht, en geene ergernis is in hem. 2)

Te licht mengen zich vooral in 's jongelings liefde aardsche bestanddeelen. Wees opmerkzaam. Vestig uwe liefde op bo-venaardschen grondslag. Laat u niet door vorm en schijn verblinden. Daarentegen zij de Gode-gelijkvormigheid, de Persoon van Christus in den naaste, het welgevallen Gods de eerste en laatste beweeggrond uwer liefde.

') Potr. 1, 7.

') I Joh. 2, 10,

ocr page 829

HOOFDSTUK GLXV.

DE WERKEN VAN BARMHART\GHEFD.

Quo modo potueris, ita esto misericors. Tob. 4, 8.

l||i||'? oezeer het Christendom aandringt op werkdadige naastenliefde, is u genoegzaam bekend. Onze heilige Godsdienst is de Godsdienst der liefde.

* Wie niet iverkdadiy bemint, die bemint niet in waar.

1 heid. Wie het goed der wereld bezit, en zijnen broeder ziet gebrek lijden, en zijn hart voor hem sluit, — hoe kan in denzulken Gods liefde blijven? ^ Dit geldt voor de aalmoes, dit geldt voor ieder werk van barmharligheid, waartoe het ons niet ontbreekt aan krachten en middelen.

Gij, o christen jongeling, moogt geene werken verzuimen, die aan uw streven naar zedelijke hoogheid het kenmerk der echtheid verleenen, werken, die uwer liefde-zelf voortdurend een nieuw en krachtig voedsel reiken.

') 1 Joh. 3, 17.

50

ocr page 830

770

't Is mogelijk, dat zich voor den jongeling nicl zoo vaak gelegenheid biedt, den evenmensch metterdaad hulp te ver-leenen, hetzij nu, daar hij wellicht geen eigendom bezit, hetzij, daar hij de maatschappelijke toestanden nog zoo weinig kent; maar — scherp is de blik der liefde, ras ontdekt hij, ivaar geholpen kan worden, en hoc men hulp kan verleenen.

En daar de God van liefde van ons, mensehon, niet meer eischt, dan wij kunnen, en daar Hij ondersteunend medeheipt bij al het goede, dat wij lu'dlcn, zal do beoefening dier werken ook voor den jonrjcliny gemakkelijk zijn, wanneer hij overtuigd is, dat 's Hoeren gebod der werkdadige naastenliefde ook voor hem is gegeven.

Werken van christelijke barmharlir/heid zijn: hongerigen spijzen, dorstigen laven, naakten kleeden, vreemdelingen herbergen, gevangenen bevrijden, zieken bezoeken, dooden begraven.

Kies nu. — Kunt gij meerdere dier werken beoefenen, doe het. Zijt gij niet in staat, dit werk te verrichten, verricht dan het gene. In 't bijzonder de aalmoes ligt bijna immer in ons bereik. — Wie heeft niet tenminste eene Jdeinkihekl, wie heeft niet van lijd tot tijd het een of ander te missen?

Misschien hebt gij de vrije beschikking over iets, dat men u tot uw vermaak heeft gegeven, — deel het met den arme. Hoe menig noodlijdend jongeling kon door u worden bijgestaan? Kent gij iemand, wien een kleine gift welkom zoude zijn? Denk hierover na.

O, een zoel, een streelend gevoel is het, een mensch gelukkig te hebben gemaakt, hem eene weldaad b'jwezen, eenige vreugd bereid te hebben! De Zaligmaker getu gt; het is zaliger te geven, dan te ontvangen. ')

En weet gij niet, dat de aalmoes van iedere zonde en van

') Hand. 20, 35.

ocr page 831

771

den dood bevrijdt, en de ziel niet laat komen in de plaatse der duisternis ? ') De aalmoes reinigt van do zonde, en maakt, dat wij barmhartigheid en het eeuwig leven vinden. 2) Het water bluscht brandend vuur, en de aalmoes weerstaat den zonden. 3) Wees barmhartig, zooals gij het kunt; 4) wie mild is jegens de armen, kan zonder schroom voor 's Heeren aangezicht verschijnen.

En Daniëi geeft den trotschen heerscher van Assyrie den raad: Koop de schuld uwer zonden af door aalmoezen, en bevrijd u van den last uwer misdaden door mildheid jegens de armen. Dan kunt gij hopen, vergiffenis bij God te zullen verwerven.

Geef aalmoezen naar vermogen: hebt gij veel, geef dan mildelijk; hebt gij weinig, zoo deel ook met blijdschap van dit weinige mede. 5)

Beproef, leg u er op toe, in alle stilte en geheel ter liefde van God weldadig te zijn. Hebt gij eenmaal ervaren, met welk een zoet en rein geneugt weldadigheid 's menschen hart vervult, dan zal uw gemoed dien troost steeds vuriger begeeren. Gij stort vreugde in het hart eens behoeftigen, en God stort vreugd in het uwe,—ja, lieflijken troost, de uiting zijner tevredenheid en do aankondiging der genade, welke de goede, om den wille Gods verrichte daad op den voet volgt.

En verbindt gij de aalmoes met eenig offer, met eenige versterving, die de beoefening der weldadigheid voor u-zelven medebrengt, dan heeft uw gave dubbele waarde voor God, dan wordt zij u dubbel vergolden.

De beoefening der weldadigheid heeft eene eigenaardige terugwerking op het eigen hart.

') Tob, i, 11, quot;) ïob, 12, 9, ■') Eccli. 3, 33, *) Tob, 4, 8.

s) Tob, 4, 9,

ocr page 832

772

Een medelijdend hart zal gewoonlijk naar de stemme van God bereidwillig luisteren. Het hart, dat gevoelig en mild jegens den naaste is, zal wel niet ongevoelig zijn jegens God, en Hem niet weigeren wat Hij begeert.

Een medelijdend hart is meestal ook een edel hart; groot-sche gedachten neemt het gastvrij op, verheven besluiten vormt het gaarne en gemakkelijk, laat ze wortel schieten en spoedig tot rijpheid komen.

Een medelijdend hart is zeer dikwijls ook een rijk hart, — rijk aan deugden, deugden die bloeien aan den stengel der hemelsche plant „weldadigheidquot;; rijk aan zegenwenschen van degenen, wien hulp is verleend; rijk in ieder geval aan verdiensten voor God en Hemel.

O laten wij dus naar vermogen barmhartig zijn!

O, laten wij in den persoon des noodlijdenden broeders den Zalifimaker-zeJf aanschouwen! Voorwaar, spreekt Hij: wat gij aan den minste mijner broeders zult hebben gedaan, dit hebt gij aan Mij gedaan. ') Ik zegge u: Maakt u van den onrechtvaardigen Mammon vrienden, opdat, wanneer gij te kort schiet, zij u in de eeuwige woningen ontvangen. 2)

O, laten wij, evonals de Zaligmaker, weldoende door de wereld gaan, 3) en door ons edel handelen de sporen uitwis-schen, die monsters van hebzucht, gevoelloosheid en onmen-schelijke wreedheid bij hun doortocht in don gevloekten aardbodem hebben achtergelaten.*

O, drogen wij toch eenige dier ontelbare tranen, die als beken uit het oog van Adams kinderen vloeien!

O, verzachten wij toch naar best vermogen het leed, de smart, den kommer, die op zoo vele harten drukt!

Mijn zoon, onttrek den arme zijne aalmoes niet, en zie wèl toe, dat gij uw oog niet van den behoeftige afkeeret.4)

') Math. 25, 40, s) Luc. 1«, 9. a) Hand. 10, 38. ') Eccli. 4. 1.

ocr page 833

773

Toon u hurmharthj, vermaant de Schriftuur, en gij zult een gehoorzaam kind des Allerhoogsten zijn, en Hij zal u liei-devol tot Zich nemen, gelijk eene moeder.

Zalig do barmhartiyen, want zij zullen barmharliglieid vmverven.

ocr page 834

HOOFDSTUK CLXVI.

ZIELE! J VER.

Qui converti fecerit peccatorem ab errore viae suae, salvabit animam ejus a inerte et operiet vv,,.. . multitudinem peccatorum.

^20' ~

diiJlii' de liefde, welke gij uwer eigen ziel toedraagt, — damp;P? welke gij haar schuldig zijt, daar zij uw kostbaarste goed is, — die gij haar niet kunt weigeren, tenzij Geloof en Rede u geheel vreemd zijn — red zielen, doe wel den zielen, bekeer zielen, beter zielen, voer zielen ten Hemel!

Of ware het u genoeg, geene ziel tot verderf te strekken ?

Beschouwt gij het als eene verdiensle, niemand met opzet of door onvoorzichtigheid in zee te hebben gestooten, en hem zoo den dood in de golven te hebben doen vinden?

Gij staat op den oever, en dicht vóór u kampen schiphreu-kelinrjen met den wilden vloed ; — zult gij hun niets toewerpen, waaraan zij zich kunnen vastklemmen? reikt gij

ocr page 835

775

hun niet de hand? springt gij niet in de reddingsboot, om te redden wie gered wil worden? — GUi spreekt: Wat gaan mij anderen aan! Ik zorg voor mij-zeiven .... O wreed, afschuwelijk woord! Bat is de tale Kaïns, die hoogmoedig zeide: Ben ik Abels hoeder? ^ — Hoe? zoude het ons onverschillig zijn, of zielen, die wij kunnen redden, al dan niet in de boosheid volharden? — Indien Jesus zoo gesproken had? Indien zulk eene taal was gevoerd door de Apostelen, door dezen cn genen, van wie God zich wilde bedienen, toen Hij in zijne liefde besloot, ons te ontrukken aan een betreu-renswaardigen, hoogst gevaarlijken toestand der ziel?

Gij vraagt, waar vind ik gelegenheid om zielen nuttig te zijn? Wat vermag een jongdlrig! Wie zal zich iets door hem laten gezeggen ?

Hebt niet ook gij, dierbare jongeling, uwe omgeving? Verkeert gij met niemand? Hebt gij geene broeders en zusters, geene vrienden, geene mode-leerlingen? Ontmoet gij ook buiten den familiekring, buiten den kring uwer bekenden menschen met onsterfelijke zielen?

Weet, dat een wakker, ijverig, verstandig jongeling zeer veel voor het zieleheil zijns naasten doen kan. Juist omdat men in den jongeling zoo weinig een Apostel vermoedt, vindt hij gemakkelijk toegang, strooit hij onbemerkt het goede zaad, wekt hij levendig ten goede op.

En de werken van geestelijlcc barmhartigheid zijn talrijk: zondaren terechtwijzen, onwetenden loeren, twijfelenden raad-geven, bedroefden vertroosten, het onrecht geduldig lijden, hun, die ons beleedigen, gaarne vergeven, voor levenden en dooden bidden. Gij hebt de keuze!

Ook heeft het gncde roorhecld machtigen invloed en redt zielen; maar het is uw plichi, een goed voorbeeld te geven;

') 1 Mos. 4, o.

ocr page 836

776

doet gij zulks niet, dan zijt gij schuldig voor God. Het goede voorbeeld zonder meer is nog geen zieleijver, vooral dan niet, wanneer het zich tot de vervulling van de gewone plichten eens christenmenschen bepaalt. Voor anderen bidden, den Heer om leniging hunner geestelijke armoede smeeken, dit maakt reeds deel uit van den zieleijver; ja, dit werk des zieleijvers moet elk ander vergezellen, — want God is het, die aan het goede zaad den ivasdom verleent! l)

Edoch, zieleijver in don eigenlijken zin des woords toont alleen hij, die opzettelijk en met bewustheid datgene zegt of doet, wat geschikt is om der ziel des naasten nuttig te zijn. —

Intusschen mag het den zieleijver niet aan zekere eigen-schappen mangelen; hij moet, gelijk alle andere deugd, zijner natuur getrouw blijven en zich binnen bepaalde grenzen bewegen.

De ware zieleijver is ivyjs. Die wijsheid vestigt onze aandacht op het juiste oogenblik, toont ons de geschikte middelen, de juiste mate.

De zieleijver moet welgeregeld zijn. Gij moogt u-zelf niet in gevaar brengen.

Ook zal het grootere of geringere gevaar, waaraan hij, dien men ter hulp moet komen, blootstaat, op de mate en natuur des ijvers invloed uitoefenen.

De zieleijver moet onverschrokken zijn? Zult gij eenig goed werken, zoolang gij vreest?

De zieleijver zij geduldig. Bereid u voor op tegenstand. Verlies nooit den moed bij een aanvankelijk mislukken uwer pogingen. Dikwijls zegeviert berekende volharding ter plaatse, waar onstuimige moed werd getrotseerd.

Leg u toe op zoodanig een zieleijver.

Beschaamt u niet de hel, de onvermoeide hol, - zij, die

') 1 Cor. 3, 7.

ocr page 837

777

alles in het werk stelt, om zielen ongelukkig tc maken?

Beschamen u niet satans trawanten, die, gelijk hij zelf, als brallende leeuwen rondloopen, zoekende, wie zij zullen verslinden? ')

Clij bidt zoo vaak: „ons tockome uw Rijk;quot; '•3) — is het u ernst? Wat doet gij, opdat 's Heer en Rijk kotne? Wat draagt gij bij tot voorbereiding, tot bevestiging, tot uitbreiding van Gods Rijk in de harten der mcnschen?

Verzaak, o jongeling, aan die kleinhartige zelfzucht. Spreek niet: als slechts ik zalig word! O neen, — met u ten Hemel allen, die gij op uw weg ontmoet! Hoe dankbaar zullen u de geredden eenmaal zijn, dat gij hen medenaamt!

Hier verbreekt gij een verderfelijken vriendschapsband, ginds beteugelt gij door liefdevolle bejegening een ontstuimig karakter; nu wederlegt gij eene gevaarlijke meaning, straks roeit gij schadelijke vooroordeelen uit, of geeft eenvoudig en nadrukkelijk uwe afkeuring van onbehoorlijke reden te keuken. Hier is hot een goed woord, door u ten geschikten tijde gesproken, ginds een nuttig boek, dat gij een vriend in handen speelt. Nu houdt gij dezen van slechte makkers terug, straks wordt gene door u in aanraking met goede menschen gebracht. Nu beweegt gij een bekende, met u tot 's Hoeren Tafel te naderen, dan wordt een vriend door u uitgenoodigd, deel te nemen aan een werk van barmhartigheid:

O, hoe vindingrijk is de zieleijver!

En hot loon, dierbare jongeling, het loon voor die moeiten? Broeders, indien iemand onder u van de waarheid is afgedwaald, en iemand hem bekeert, die wete, dat degene, die een zondaar van de dwaling zijns wegs bekeert, eene ziel van den dood zal behouden, en menigte zijner eigen zonden zal bedekken. 3)

') 1 Petr. 5, 8. s) Math. U. 10. ') Jac. 5, 10 20.

ocr page 838

HOOFDSTUK CLXVII.

DOOD DES RE CUT VAARDIGEN.

nicitc justo, quonian: bene.

ee mij, dat ik een vreemdeling ben in Mesech, dat ...

In ^en':c'n Kedars wone! ') O mijn God. hoe lang duurt mijne pelgrimsreize! hoe diep verzucht l'Y ik naar uw heilig Sion! Mijne ziele bezwijkt van verlangen naar uwe voorhoven, naar uwe altaren, o

God! 2)

O — ik verlang ontbonden te worden en met Christus te te zijn! 3) Och, dat mij iemand vleugelen als eener duive gave: ik zoude henen vliegen waar ik blijven mocht, ^naaide plaats mijner ruste!

Om mij heen ellende en smart en nietigheid zonder maat en einde; om mij heen gevaar en strijd en kwelling. Ner-

') Ps. 119, B. 8) Ps. 83, 3, 4. •) Philipp. 1, 23. ') Ps. 54, 7

ocr page 839

779

gens troost, nergens blijvende ruste! Allerwege booze men-schen, verleiding en bedrog. Geene zekerheid, tenzij in het „land des blijvensquot;, geen vrede, tenzij in het land der zegepraal, geene vreugd, tenzij in het land des eeuwigen jubels. —

Geduld, arm harte, - strijd en ken geen vreeze! Wacht geduldig op den Heer '), en Hij zal u bevrijden quot;). - Voelt gij in u een smachtend heimwee naar de heilige bergen, naar do plaatse, voor u bereid, verheug u over dat verlangen en maak het steeds vuriger — niet uit lafheid, uit vreeze voor den strijd, maar uit lirfde, uit begeerte naar de veree-niging met uw hoogste Goed.

Maar ach, vóór ik mijn einddoel bereike, wacht mij nog een zoo lancje, moeilijke weg! Een pad heb ik te bewandelen, duister, oneffen, gevaarlijk. Do dood, — o, de dood met zijne verschrikkingen, — hoe bang wordt mij het hart, alleen bij de gedachte daaraan!

Niet zoo, o christelijke, God-minnende ziel! Heeft niet ook Jesus dien weg betreden? Ja, en Hij heeft lichtende sporen erop achtergelaten, opdat wij Hem zonder schroom zouden volgen, opdat wij over de verschrikkingen des doods zouden triumpheeren, opdat wij zegevierend zouden ingaan tot het leven des lichts - tot Hem, den Verheerlijkte.

Wel staat ook de rechtvaardige onder de natuurwet der vergankelijkheid. De dood kiest ook hem ter prooi; hij wordt door kommer en lijden bezocht; ook zijn lichaam verzet zich tegen het heengaan der ziel; maar is de dood des zondaars verschrikkelijk, 3) do dood des rechtvaardigen is bovenmate kostbaar, 4) troostrijk, beminnelijk, begeerenswaardig.

Daar ligt hij kalm op zijne sponde, en verbeidt de ure des verscheidens. Over zijn aangezicht glijdt eene vreugdestraal, en vertrouw vol staart zijn oog ten Hemel. Zorgen voor het

') Ps. 20, 14. ■-) Spr. 20, 22. ') P.s. 38, 32. ') Ps. 115, 15.

ocr page 840

780

tijdelijke drukken hem niet; vóór lang reeds heeft Hij alles den Heer toevertrouwd. In zijn gemoed heerscht vrede; hij stelt zijn betrouwen op 's Rechters goedertierenheid. De gedachte aan den dood is hem niet vreemd; hij kent den dood, — hij ziet hem zonder vrees in 't sombere aangezicht. In zijne handen rust het teeken der Verlossing; hoe innig drukt hij het kruis aan zijne kleurlooze lippen! Van Jesus leerde hij Uven, — van Jesus ook leert hij nu sterven.

Daar ligt hij, de schuldelooze jonkman; achter hem een rein verleden, vóór hem de glanzende eeuwigheid, de Hemel, waartoe hij zich met onstuimig verlangen voelt aangetrokken. Kom, o mijn Jesus, kom, 1) zucht hij altijd vuriger.....

En Jesus komt. De ziel heeft zich losgerukt van het lichaam; door lichtende Engelenkoren omstuwd, ijlt zij opwaarts naar het land der levenden. Daar verbeidt heur Jesus: „Kom, o goede en getrouwe dienaar! o kom, gezegende mijns Vaders 3)quot; ! — en wijd openen zich de poorten des Hemels, en de onmetelijke ruimte telt één bewoner meer, en de legioenen der Heiligen verheugen zich in de blijde inkomste van een broeder.

Zoo sterft de onschuld, zoo wordt zij beloond, zoo wordt zij in alle eeuwigheid verheerlijkt. Gaarne zegt zij vaarwel aan deez' onreine aarde, om met vlekkeloozen bruidstooi jubelend de hemelsche Bruiloftszaal binnen te gaan.

Doch ook de ware, volhardende boetvaardigheid voleindigt op geheel dezelfde wijze haar moeilijken tocht, en erlangt vrede en gerustheid.

O — sterve mijne ziel den dood der rechtvaardigen!4) Is zulk een dood te vreezen?

Ach, onze zonden alleen maken den dood verschrikkelijk! Te harer oorzake beven wij voor zijne komst. En toch is hij

') Openb. 22, 20. ■J) Math. 25, 23. •■') Math 25, 24. ') 4 Mos. 23, 10.

ocr page 841

781

niets anders, dan de doortocht door de Ronde Zee naar het Beloofde Land, overvloeiende van melk en honing. V En vergezelt ons niet de Engel des Verbonds? en gaat niet de vuurzuil ons vooraf?

O, zegt den rechtvaardige, dat het hem wel zal gaan 2) in het oogenblik des verscheidens, waarvoor de zondaar terugschrikt! Hem foltert geen met schuld beladen geweten, hem pijnigt geene treurige herinnering, hem boezemt de wakende Rechter geene vrees in.

O, zegt den rechtvaardige, dat het hem wel zal gaan bij het eindigen van zijn aardschen dag: het dagwerk is volhracli/, het uur der ruste gekomen, het verdiende loon wordt hem uitbetaald.

O, zegt nu den rechtvaardige, dat zijn lot bovenmate gelukkig is; — voorbij de onzekerheid, de vrees, het struikelen, liet afdwalen; het doel is bereikt, de zaligheid verzekerd, de Hemel verdiend.

O, zegt nu den rechtvaardige, dat heil en jubel hem is beschoren; eene verrassing, oneindig zoet, wacht hem: — eene nieuwe wereld doemt voor hem op, eene wereld, waarin zonnen schitteren, zoo glanzend, dat hierbij vergeleken het lichtste licht op aarde schaduw en somberheid is.

O, zegt nu den rechtvaardige, dat hij gelukkig zij in zijn geluk: zijne ketenen worden geslaakt, hij is nu te eenenmale vrij en kan ongehinderd tot God ijlen.

O, zegt nu den rechtvaardige, dat niemand zijn geluk vermag te schilderen; de hand, die schijnbaar beroofde, overlaadt nu met Hemelschatten. De dood is de sleutel tot die wonderbare schatkameren, in vergelijking waarmede aardsche rijkdom armoê en ellende is.

O, zegt nu den rechtvaardige, dat zijn geluk een eeuwig

') 2 Mos. 3, 8. -) Is. 3, 10.

ocr page 842

782

geluk is; de bloemen, uit deze aard' ontsproten, verwelken ras, — maar nu bloeien kransen van onvergankelijke schoonheid, en slingeren zich om het stralende hoofd des overwin-nenden strijders.

O, zegt nu den rechtvaardige, dat gij zijn geluk benijdt; alles heeft hij volbracht; reeds werd uit den dood het leven geboren, en weder verheft zich de getrouwe, groot en edel, in vernieuwde jeugd, glanzend en lieflijk, — de zonne gelijk, die voor een korte wijle in duistere wolken onderduikt, om weder met nieuwe pracht en heerlijkheid tor kimme te rijzen.

Ja, zegt nu den rechtvaardige, dat hij voor eeuivig zalig is, dat hij de vruchten zijner -werken gaat eten. 1) Hij bezit, hij rust, hij geniet.

') Is. 3, 10.

ocr page 843

HOOFDSTUK CLXVIIL

DE VERGELDING.

Eccc vonio cito, et mercos mea mecum est.

Ap. 22, 12.

i|^ e Heer zal den zegevierenden strijder zijn loon, hem zoo dikwijls en plechtig beloofd, niet onthouden; immers, God is waarheid en is geen onrecht, rechtvaar dig en recht is Hij. ')

En wat heeft God dan beloofd?

O mijne ziel, hoe mild is de Heer! welk een grootmoedig Vergelder is Hij! Een mensch doet zijnen plicht, en een God beloont zoo rijkelijk, — rijkelijk in datgene, wat Hij schenkt, rijkelijk in de wijze, waarop Hij schenkt, rijkelijk in den duur, rijkelijk boven alle begrip en boven elke verwachting!

Den overwinnaar zal Ik te eten geven van den boom des levens, die staat in het Paradijs van mijn God. '2) O glorievolle onsterfelijkheid!

') 5 Mos. 32, 4. ') Openb. 2,

ocr page 844

784

Den overwinnaar zal Ik te eten geven van het manna, dat verborgen is, en Ik zal hem geven eenen witten keursteen, en op den keursteen een nieuwen naam geschreven, welken niemand kent, dan die hem ontvangt. ')

Die overwint en die mijne werken tot den einde toe bewaart, Ik zal hem- macht geven, 2) en Hij zal heerschen en sterk zijn.

De overwinnaar zal bekleed worden met witte Ideederen, en zijnen naam zal Ik belijden voor mijnen Vader en diens Engelen. 3)

Die overwint, Ik zal hem maken tot eenen pilaar in den tempel mijns Gods, en hij zal niet moer daaruit gaan, en Ik zal op hem schrijven den naam van het nieuwe Jerusalem ____4)

Die overwint. Ik zal hem geven met Mij te zitten op mijnen Troon, gelijk als Ik overwonnen heb, en ben gezeten met mijnon Vader op zijnen Troon. ü)

Zij zullen eeuwig leven, en bij den Heer is hun loon, en de zorg voor hen bij den Allerhoogste; daarom zullen zij ontvangen een heerlijk rijk en eene glanzende kroon uit de hand des Heeren; want met zijne rechterhand zal Hij hen beschermen en met zijn heiligen arm hen verdedigen. c)

Ik-zelf, spreekt God, zal zijn overgroot loon zijn. ') Ik zal hem een God zijn, en hij Mij een zoon zijn s).

Gij zelf, o mijn God, — groote, oneindig volmaakte, heilige, beminnelijke God! O rijkdom! o heerlijkheid! o zoetheid! En — voor eeuwig] nimmer zal mij het beste deel ontnomen worden 0j.

Onder „Hemelquot; hebben wij niet enkel eene plaats te ver-

') Openb. 2, 17. s) Openb. 2, 2G. 3) Openb. 3, 5. ') Openb. 3, 12.

'■) Openb. 3, 21. quot;l Wijsli. 5, 10. :) 1 Mos. 1«, 1. quot;) Openb. 21, 7.

quot;) Luc. 10. 42.

ocr page 845

785

staan, waar geen lijden meer heerscht; in den Hemel is louter vreugde, en de Hemel is God-zelf.

Wel zoude reeds de afwezigheid van elk lijden op zichzelf een gewichtig voorrecht uitmaken; wel zoude reeds het eeuwigdurend genot van alles, wat de gereinigde zintuigen slechts kunnen begeeren, eene bron van zaligheid doen vlieten; maar, evenals de straf der verdoemden niet enkel in de pijn der zinnen bestaat, doch op de eerste plaats hierin, dat zij van het bezit van God voor eeuwig zijn uitgesloten, — zoo is ook het toppunt der hemelsche zaligheid de Aanschouwing, het bezit van God.

O Heer, uwe goedertierenheid is (tot) in de hemelen, uwe waarheid tot de bovenste wolken toe! ') Ja, hoe groot is uwe barmhartigheid, o God ! En de menschenkinderen zoeken onder uwer vleugelen schaduw. Zij zullen dronken worden van den overvloed uws Huizes; en uit de beek uwer wellusten zult Gij hen drenken. Want bij U is de bronne des levens; en in uw licht zien wij het licht! — 2)

Nadat de ziel van den gestorvene rechtvaardige door God is bekwaam gemaakt, Hem te aanschouwen ; nadat Hij haar heeft overgoten met dat licht der glorie, hetwelk verhoedt, dat de Majesteit des Allerhoogsten de kleine menschenzie! nederdrukt, schenkt God Zich aan die ziel, opdat zij Hem steune, beminne, aanschouwe, —niet meer door eenen spiegel in een raadsel, 3) doch van aanschijn tot aanschijn, 4) en opdat zij, spiegelende met ongesluierden aangezichte de heerlijkheid des Heeren, worde van gedaante veranderd in hetzelfde beeld, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest. quot;)

Hoe zou het zwakke oog onzes geestes bekwaam zijn, de

') Pa. amp;gt;, G. a) Ps. 35, 8-11. ') 1 Oor. 13. 12. ') 1 Joh. 3, 2.

5) 2 Col'. 3, 18.

51

ocr page 846

786

oneindige Majesteit van God in zich op te nemen, als niet een bijzonder bovennatuurlijk licht ons daartoe het vermogen schonk, een licht, gelijk dat ongeschapen licht, waarin God zelve woont, ') waarin Hij Zich-zelf aanschouwt? - In uw licht zullen wij het licht zien. 2)

O onbegrijpelijke wonderen, gewrocht door de almacht, liefde en mildheid van een God ! God aanschouwen! — hier is de eindpaal voor alle menschelijk denken. Den Onzichtbare aanschouwen, den Ondoorgrondelijke kennen, den Onmetelijke bezitten! En toch — aanschouwen, kennen, bezitten ....

Alle vermogens der ziel, en vooral de wil, de heerlijkste onder alle, hebben deel aan die zaligheid.

O yjdele loereld, vaarwel! Hij, die ernstig nadenkt over hetgeen de Hemel is, kan niet meer naar u verlangen.

O Hemd, vervul met smachtend verlangen naar u mijn Jeugdig hart, opdat niet de aarde zijne liefde zij, opdat het niet in aardsche begeerten zijne kracht verspille!

O dienst Gods, een zoo rijk loon waardig, waarom wijd ik mij niet aan u met moer liefde, ijver, volharding ?!

'-) Ps. 35, 10.

') 1 Tim. 6. 10.

ocr page 847

HOOFDSTUK CLXEX.

HET HEMELSCH JERUSALEM.

Bcati, qui habitant in domo tua, Domino, in saccuJa seaculorum laudabunt te.

Ps. 83, 5.

ik zag de heilige stad, het nieuwe Jerusalem, ge-smukt als eene bruid, die haren bruidegom wacht. O, ^ zie, de Tabernakel van God is bij de raenschen, en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen zijn volk zijn, en God-zelf zal bij hen (en) hun God zijn. ')

O stede Gods, heerlijke dingen worden van u gesproken! 2) Gij zult blinken in het schitterende licht, en de uiteinden der aarde zullen aanbiddend voor u nederzinken! 3) De poorten Jerusalems zullen gebouwd worden uit saphir en smaragd, en al zijne muren rondom uit kostbaar gesteente. Met witte en glinsterende steenen worden al zijne straten belegd, en op zijne pleinen wordt het Alleluja gezongen. 4) Gij, o Jeru-

') Ps, 86, 3. ') Tob. 13, 13.

Tob. 13, 21, 22.

') Openb. 21, 2, 3.

ocr page 848

788

salem, zult u verheugen in uwe kinderen, want allen zullen gezegend worden en vergaderd tot den Heere. l)

De stede-zelf zal zijn van zuiver goud, zijnde gelijk zuiver glas. 2) Geen tempel zal in haar zijn; want de Heer, de almachtige God-zelf en het Lam zullen haar tempel zijn. :i) Klateren zal daar, helder als kristal, de stroom van het ivaler des levens, en in 't midden van hare straat zal de boom des levens met zijne wonderbare vruchten prijken. 4)

En hare poorten zullen niet gesloten worden; want er is geen nacht meer 5) en geene vrees voor vijanden.

En do stad behoeft do zon en do maan niet, dat zij in dezelve zouden schijnen; want de heerlijkheid Gods heeft haar verlicht, het Lam is hare fakkel. c) God, de Heer, zal hare inwoners verlichten, en zij zullen als koningen heerschen in alle eeuwigheid. '•)

Welgelukzalig het volk, wiens God de Heer is. 8) In het licht uws Aanschijns zullen zij wandelen, en zij zullen zich den ganschen dag verheugen in uwen Naam! quot;)

Welgelukzalig zij, die in uw Huis iconen, o Heer, zij prijzen u gestadiglijk! 10)

Hoe liefelijk zijn uwe woningen, o Heer der heirscharen, u) en hoe groot is het goed, dat Gij hebt weggelegd voor degenen, die U vreezen, dat Gij gewrocht hebt voor dezulken, die op U betrouwen! 12)

Voorwaar: Geen oog heeft gezien, geen ooro gehoord, noch is 't in 's menschen harte opgerezen, wat God heeft bereid voor degenen, die Hem liefhebben. 13)

Zie, alzóó wordt de man gezegend, die den Heere vreest! 14)

quot;) Tob. 13, 17. !) Openl). 21, 20. •) Ps. S8, l(i, 17. quot;) 1 Cor. 2, 9.

-) Openb. 21, 18. ») Openb. 21, 23. 'quot;) Ps. 83, 5. quot;) Ps. 127, 4.

') Openb. 21, 22. ') Openb. 22, ó. quot;) Ps. sy, i.

') Openb. 22,12. quot;) Ps. 143, lö. quot;) Ps. 30, 20.


ocr page 849

789

O dierbare jongeling, gij, ciio ook tot zoo groot eene heerlijkheid zijt geroepen, waarom hecht gij u aan het slijk eener met zonden bedekte aarde?

Waarom voelt gij u door het lokaas eener nietige wereld sterker aangetrokken, dan door de onveranderlijke beloften van een God, bij wien alleen en in waarheid rijkdom en eere en geneugt is?

Waarom zijt gij. in weerwil van zulk een loon, zoo koriy tegenover een zoo milden, zoo terughoudend tegenover een zoo liefdevollen, zoo kleinhartig tegenover een zoo groot-moedigen God ? Waarom zijt gij niet edelmoedig op uwe beurt ? waarom schroomt gij voor daden en offers ? O yecf, en u zal gegeven ivnrden, — eene goede, en nedergedrukte, en geschudde, en overloopende maat zal u in den schoot worden gegeven. ')

Hoe „licht,quot; hoe rijk aan deugden zou uw leven zijn, indien gij menigwerf uwe gedachten wildet vestigen op dat hemelsch Jerusalem, op uw Vaderland, — indien gij het glanzende licht van die Stede Gods liet doordringen in uw harte, omfloerst door den nevel van het stof!

O laten voortaan de zondaren de aarde bezitten, zich aan haar vastklemmen, haar als vaderland beschouwen, laten zij blind worden door het stof, waarin zij rondkruipen: — ik wil in mijn hart liederen des verlangens aanheffen, de ellende van mijn pelgrimstocht beweenen, den blik stieren naar het lichtende, veelbeminde Jerusalem, waaruit ik ben voortgekomen, dat eenmaal de plaats mijner ruste zal zijn.

„Aan Babels stroomen, daar zit ik en weene, en mijn geest is uwer, o Jerusalem, indachtig! De liederen mijns jubels weerklinken niet meer, en mijne harpe treurt aan de wilgen.

') Luc. 6, 38.

ocr page 850

788

salem, zult u verheugen in uwe kinderen, want allen zullen gezegend worden en vergaderd tot den Heere. ')

De stede-zelf zal zijn van zuiver goud, zijnde gelijk zuiver glas. 2) Geen tempel zal in haar zijn; want de Heer, de almachtige God-zelf en het Lam zullen haar tempel zijn. :i) Klateren zal daar, helder als kristal, de stroom van het waler des levens, en in 't midden van hare straat zal de boom des levens met zijne wonderbare vruchten prijken. ^1)

En hare poorten zullen niet gesloten worden; want er is geen nacht meer 5) en geene vrees voor vijanden.

En do stad behoeft de zon en do maan niet, dat zij in dezelve zouden schijnen; want de heerlyjkheld Gods heeft haar verlicht, het Lam is hare fakkel. B) God, de Heer, zal hare inwoners verlichten, en zij zullen als koningen heerschen in alle eeuwigheid. 1)

Welgelukzalig het volk, wiens God de Heer is. s) In het licht uws Aanschijns zullen zij wandelen, en zij zullen zich den ganschen dag verheugen in uwen Naam! !')

Welgelukzalig zij, die in uw Huis iconen, o Heer, zij prijzen ii gestadiglijk! 2)

Hoe liefelijk zijn uwe woningen, o Heer der heirscharen, 11) en hoe groot is het goed, dat Gij hebt weggelegd voor degenen, die U vreezen, dat Gij gewrocht hebt voor dezulken, die op U betrouwen! 12)

Voorwaar: Geen oog heeft gezien, geen oorc gehoord, noch is 't in 's menschen harte opgerezen, wat GoJ heeft bereid voor degenen, die Hem liefhebben. 13)

Zie, alzóó wordt de man geseind, die den Heere vreest! I4)

2) Openb. 21, 18. 6) Openb. 21, 23. ,0) P.s. 83, 5. ,4) Ps. 127, 4.

:') Openb. 21, 22. 7) Openb. 22, 5. quot;) P.s. 83, 1.

*) Openb. 22,12. 8) Ps-. 143, 15. I9) Ps. 30, 20.


1

') Tob. 13, 17.

2

,3) ï Cor. 2, 9.

ocr page 851

789

O dierbare jongeling, gij, die ook tot zoo groot ecne heerlijkheid zijt geroepen, waarom hecht gij u aan het slijk eener met zonden bedekte aarde?

Waarom voelt gij u door het lokaas eener nietige wereld sterker aangetrokken, dan door de onveranderlijke beloften van een God, bij wien alleen en in waarheid rijkdom en eere en geneugt is?

Waarom zijt gij. in weerwil van zulk een loon, zoo karig tegenover een zoo milden, zoo terughoudend tegenover ten zoo liefdevollen, zoo kleinhartig tegenover een zoo grootmoedigen God ? Waarom zijt gij niet edelmoedig op uwe beurt ? waarom schroomt gij voor daden en offers ? O yecf, en u zal gegeven worden, — eene goede, en nedergedrukte, en geschudde, en overloopende maat zal u in den schoot worden gegeven. ')

Hoe „licht,quot; hoe rijk aan deugden zou uw leven zijn, indien gij menigwerf uwe gedachten wildet vestigen op dat hemelsch Jerusalem, op uw Vaderland, — indien gij hot glanzende licht van die Stede Gods liet doordringen in uw harte, omfloerst door den nevel van het stof!

O laten voortaan de zondaren de aarde bezitten, zich aan haar vastklemmen, haar als vaderland beschouwen, laten zij blind worden door het stof, waarin zij rondkruipen; — ik wil in mijn hart liederen des verlangens aanheffen, de ellende van mijn pelgrimstocht beweenen, den blik stieren naar het lichtende, veelbeminde Jerusalem, waaruit ik ben voortgekomen, dat eenmaal de plaats mijner ruste zal zijn.

„ Aan Babels stroomen, daar zit ik en weene, en mijn geest is uwer, o Jerusalem, indachtig! Do liederen mijns jubels weerklinken met meer, en mijne harpe treurt aan de wilgen.

') Luc. 0, 38.

ocr page 852

790

Wel treedt de wereld nader en noodigt mij uit tot vreugdebetoon; zij, die mij gevangen houdt, wil liederen hooren, en zegt mij gebiedend; wees blijde en zing mij een van Sions gezangen. Maar hoe? zal ik in een vreemd land de liederen mijns Heeren zingen ? Verraderlijk Babyion, wilt gij, dat ik Sion vergete ? Neen, in u zing ik geen lied des Plee-ren, in Babyion voel ik mij nimmer tehuis, daar zal geene valsche vreugd zicli van mij meester maken. Indien ik u vergeet, o Jerusalem, dan vergete mijne rechterhand zich-zelve, dan grijpe zij nimmermeer in de snaren; mijne tong kleve aan mijn gehemelte, zoo ik Jerusalem niet verheffe boven liet hoogste mijner blijdschap!quot;

ocr page 853

HOOFDSTUK CLXX.

DE ZALIGE EEUWIGHEID.

Nos autom ambulatimus in nomine Domini Doi nostri in aetorniim et ultra.

Midi. 4, 5.

^an het wave, volk geluk wordt de mogelijkheid van een cin^e uitgesloten.

W Wat de hel tot hel maakt, — het is de eeuwigheid ; ,t wat den Hemel tot Hemel maakt, - het is de eeuwigheid, i Laat eene straal der hope de hel binnendringen, en de hevigste pijn der verdoemden is gelenigd; laat eene schaduw der vrceze den Hemel binnensluipen, en de zaligheid dei-uitverkorenen is niet meer volmaakt, niet meer hemelsch.

Maar — o neen, vrees niet, bevoorrechte ziel, — uw Hemel duurt eeuwig!

En zij zullen ingaan in het eemcige leven. ')

Zij zijn wedergeboren tot eene levende hope, tot eene onverderfelijke erfenis. 2)

') Math. 25, 4f). =) 1 Petr. 1. 4.

ocr page 854

792

Uw harte zal zich verblijden, en niemand zal uwe blijdschap van u wegnemen. ')

Zoolang God God zal zijn, zoolang zullen de zaligen des Hemels zaliri blijven; immers, hunne zaligheid is God-zelf, dien zij aanschouwen, dien zij bezitten, in wien zij rusten. En deze God is eeuwig, onsterfelijk, 2) onveranderlijk.

Dus in eeuwigheid geen lijden meer, geen kommer, geene smart, geene vreeze.

Dus in eeuwigheid slechts vreugde, troost, jubel, zaligheid.

Kunnen deze gelukkigen nog ooit hun Hemel verliezen? Nimmermeer.

Kunnen zij nog van God worden losgescheurd, van hun geluk worden beroofd? Nimmer meer.

De Heer zal in eeuwigheid en zonder ophouden regeeren, 3) en wij zullen wandelen in den naam van den Heer, onzen God, eeuwiglyjk en altoos. 4)

O zaligheid boven alle zaligheid, in de zaligheid bevestigd te wezen!

Eene gansche eeuwigheid van geluk vóór myj, geene vermindering, geen einde!

Verbleekt is elke glans op aarde, — en mijne glorie straalt met eeuwig nieuwen luister.

Tot stof geworden, verdwenen is al het kostbare der wereld, goud, zilver, edelgesteenten, — en mijn rijkdom blijft voortbestaan.

Verzwonden is alle geneugt op aarde, en mijn wellust duurt nog en eeuwig.

Eén gelukkige dag hier-beneden, een dag zonder moeite, vrij van zorg en kommer, een waarlyjk blijde dag, waarin zich geen zweem van bitterheid mengt, — hoe zeldzaam! En ginds — millioenen en millioenen jaren van ongestoorde

') Joh. 10, 22. ■') 1 Tim. 1, 17. ') 2 Mos. 15, 18. *) Miclia. 4, 5.

ocr page 855

793

blijdschap, van zncte ruste, van immer schallenden jubel!

Stel u voor, dat de geheele aardkloof moest worden weggedragen, en wel om de duizend jaar één zandkorrel, — welk een tijd! O, juich, mijne ziele, uw geluk duurt langer!

Stel u voor, dat de oceaan, en alle zeeën, en alle meren, en alle rivieren, en alle beekjes, en alle bronnen moesten worden geledigd, en wel zóó, dat om de duizend jaar één druppel daaruit werd verwijderd, — welk een tijd! O, juich, mijne ziele, uw geluk duurt langer.

Indien elk hemellichaam, ieder zonnestraaltje, iedere dauwparel, ieder regendrupje, iedere sneeuwvlok, iedere korenaar, iedere grashalm eene tijdruimte van duizend jaar voorstelde, — welk een tijd! O, juich, mijne ziele, uw geluk duurt langer.

O goede God, o milde God! voor een zoo korten dienst beloont Gij met zulk een lange zaligheid! Wat is de mensch, dat Gij zijner gedenkt ') in zoo teedere liefde, dat Gij hem roept tot deelname aan uwe eigen onvergankelijke glorie?

Welk offer zoude mij voor die eeinvige belooning te zwaar zijn? O, verwijder u, kortstondig geneugt der aarde, — en gij, snoode wereld, ellendige, nietswaardige, vergankelijke, wijk van mij! Kas weerklinkt uw sirenengezang niet meer, en de beker des genots, dien gij mij voorhoudt, hoe spoedig is hij geledigd! Niet zoo de hymnen des Paradijzes, niet zoo de reine vreugden des Vaderlands. Houd op, o wereld, met logen en list en geweld mijne jeugd te belagen! Ik weet nu, waar duurzaam, echt geluk in volle mate heerscht.

De eeuwigheid, de gelukzalige eeuwigheid, — zij is het doel van mijn streven. De gedachte aan haar schenkt nieuwen moed, staalt voor het offer, wekt op tot volharding.

M Ps. 8, 5.

ocr page 856

HOOFDSTUK CLXXI.

GOD DE VOLEINDER.

Ego sum Alpha cL Omega, principinm et finis.

Ap. 1. 8.

......li óór alle wezens waart Gij, o Heer, en nadat alle tijd

en al het tijdelijke is geëindigd, zult Gij i-oortóes/«f«?, altijd en immer — zonder verandering, in allo eeuwigheid.

Ik ben de Alpha en de Omega, het begin en het einde, zegt de Heer, die is, en die was, en die komen zal, de Almachtige. ')

Van U, o Heer, ging alles uit, en to/ ü keert alles weder. Zoo gaan alle stroomen in zee, nochtans wordt de zee niet vol.2) Alle dingen zijn door U gemaakt, o Heer, en zonder U is geen ding gemaakt, dat gemaakt is. 3) Gij zijt do werkende oorzaak van alles; Gij zijt echter ook de ei» door zaak, het ') Openl). 1, 8. Pred. 1, 7. n) Joh. 1, li.

ocr page 857

795

doel van alles. Door U en om U werd alles; door U en in U vindt ook alles zijne voleinding.

Gij hebt den mensch geschapen, opdat hij U kenne, lovo, beminne, U diene, uw heiligen wil op aarde vervulle; en na een korten proeftijd roept Gij hem weder tot L, en voleindigt grootmoedig wat zijn vrije wil hier op aarde begon. De getrouwe ziel wordt met U vereenigd, zij kent U, zij gaat in U over on leeft voortaan in U en van U.

Van U komen de goederen, naar welke 't hart des men-schen verlangt; maar Gij zijt ook hot einddoel van alles en het opperste Goed., en de ziel begeert niets buiten U.

In den Hemel geeft Gij U der ziel te eenenmale, en bemint, en laat U beminnen, en verzadigt het overgelukkige hart met eeuwig nieuwe wellust. Daar heeft de ziel haar doel bereikt, daar leeft zij in haar doel; zij rust en begeert niets meer, en haar geluk is volmaakt, is grenzenloos, wijl voor haar niets meer bestaat, buiten U, o God, het oneindig kostbare Goed, dat geene maat heeft, noch hebben kan.

Een lichaam neemt de eigenschappen van een ander sneller en vollediger aan, naarmate de inwerking van het eene op het andere krachtiger is. Zoo heeft do vlam zich nauwelijks aan het hart medegedeeld, of het is met den gloed vereenigd en schijnt zelf vuur.

Reeds hier op aarde is het natuurlijke gevolg van een langdurigen, vertrouwelijken omgang, dat men elkander meer en meer gelijk wordt. En onze ziel, o jongeling, — wanneer zij eeuwigheden lang, zonder de geringste onderbreking, met God, hot volmaakte en hoogste Goed omgaat. Hem aanschouwt, door het licht zijner Majesteit wordt overstroomd, in Hem rust en van Hem leeft?

Welk eene klaarheid in onzen geest! Welk een gloed in onze harten! Welk een licht, welk eene warmte! Welk eene

ocr page 858

796

kennis, welk eone liefde! Geene wateren kunnen haar meer blusschen, dezo liefde, geene stroomen haar overweldigen. 1) Deze liefde verandert ons geheel; zij wordt een zegel op het harte, 2) zij maakt ons den Bruidegom meer en meer gelijkvormig.

Ja, door het licht dor glorie bestraald, weerspiegelt de ziel het beeld der Godheid, en wordt Gode gelijkvormig, in zoo verre een geschapen geest den Schepper gelijkvormig kan worden: Zij, de ziel, dringt door in God, en God woont nu voor eeuwig in de ziel, op een nieuwe, meer volmaakte wijze, dan voorheen. God deelt Zich-zelven mede, d. w. z.: in God vindt de ziel al het begcerenswaardige, verhevene, schoone, zoete. En do loil stort zich op dat hoogste Goed met al de onstuimigheid des vurigen verlangens, en daar geen hinderpaal de ziel meer tegenhoudt, vereenigt zij zich door de liefde op eene zoo volmaakt mogelijke wijze met God, het inbegrip van alle denkbare goederen, met Hem, den Beste, Beminnelijkste.

En op deze wijze doordringt en verandert God door het licht der glorie de menschenziel, en voor deze ontstaat hieruit een nieuw, als 't ware goddelijk leven. Welk een lieflijk bestaan! Welke eene verzadiging, welk een geneugt voor onze ziel, zich met zulk een voorwerp, met God, te mogen bezighouden, en dit op eene volmaakte, met hare natuur zoo geheel en al overeenstemmende wijze!

Geraken wij reeds nu schier buiten ons-zelven, doorstroomt ons nieuw leven, is geheel ons wezen verrukking, wanneer onze zinnen zich vereenigen met een voorwerp, dat met hun natuur overeenkomt, — wanneer zich, bij voorbeeld, grootsche natuurtafreelen voor onzen blik ontrollen of wanneer zoete melodieën ons gehoor streelen, — welk een on-

') Hoogl. 8, 7. 2) Hoogl. 8, 6.

ocr page 859

797

beschrijfelijke wellust zal eenmaal die vercemgiug onzer zielen bereiden, eene vereeniging, zoo vurig door haar ge-wenscht, zoo volmaakt met heur wegen overeenkomende, eene vereeniging, zoo volkomen, eene vereeniging, die geene scheiding meer kent! —

Begrijpt gij nu de offers der Heiligen? waarom zij gedurende hunne ballingschap alleen troost kunnen vinden in de gedachte, dat zij nu den wil vervullen van Hem, die straks eeuwigheden lang hun wil zal doen, van Hem, in wien zij volmaakt gelukkig zullen worden?

O, dierbare jongeling, verander eindelijk uw te aardsch gemoed, uw aan het stof te innig verkleefde hart! Veredel het, werk, strijd, schroom geene moeite. T5ij uwe zaligheid, welke gij u groot, zeer groot wenscht. voed u op voor den Hemel, bouw rusteloos aan den troon, dien gij daar eenmaal zult bestijgen!

Weet, dat de volmaaktheid ginds Boren nauwkeurig zal overeenstemmen met do volmaaktheid, naar welke gij hier-beneden zult hebben gestreefd. Met de maat, waarmede gij thans meet, zal u eens worden toegemeten. ')

Er is u weinig aan gelegen, thans Gode gelijkvormig te worden; gij zijt traag, onverschillig, te gemakkelijk voldaan ; — is het dan niet uw eigen schuld, wanneer gij later, door's Hoeren barmhartigheid ten Hemel opgenomen, in aanschouwing, kennis en liefde van God verre beneden andere Heiligen staat?

Gij bemint veel, gij doet uw best om toe te nemen in de kennis van God; 2) gij bevlijtigt u, Christus gelijkvormig te worden, — te komen tot eenen volwassen man, tot de mate des ouderdoms van de volheid van Christus; 3) gij beoefent de waarheid in liefde, opwassende in alles tot Hem, die het Hoofd is, Christus: 4) — welaan, uwe liefde en kennis daar-

') Math. 7, 2. ') Eph. 4, 13. ') Eph. 4, 13. ') Eph. 4, 5.

ocr page 860

793

Boven zullen geëvcnrodigd zijn aan de mate van uw ijver hier-benedén; uwe zaligheid wordt grooter, uw troon verheft zich, hij komt den Troon van God-zelf meer en meer nabij. —

O G-od, Voleinder van uwe rechtvaardigen, oorsprong en wezen van alle volmaaktheid, zegen den goeden wil, zegen de zwakke pogingen eens jongelings, die U geheel en al wil toebehooren, en vurig wenscht, in den Hemel zoo dicht mogelijk bij uw Troon te staan! Geef mij heilige voornemens in, het doel van mijn streven waardig; schenk mij ook den moed, dien voornemens getrouw te blijven; verleen mij volharding ten einde toe!

O glorievolle verrijzenis van den dood der traagheid, lafheid, lauwheid! O glanzende starre, die heur licht spreidt in den nacht van kortzichtigheid, blindheid, kleinhartigheid!

Op, ten lichte! op, ter ware grootheid! op, ter heiligheid! op, ter hemclsche voleinding!

„Weet gij niet. hebt gij niet gehoord, dat de eeuwige God, de Heere, de Schepper van de einden der aarde, noch moede, noch mat wordt? Zijne wijsheid is ondoorgrondelijk. Hij geeft den moede kracht, en Hij vermeerdert de sterkte van hem, die geene krachten heeft: de jongen zullen moede en mat worden, en de jongelingen zullen gewissel ijk vallen; maar zij, die hun betrouwen stellen op den Heer, zij nemen vleugelen aan. gelijk die des adelaars; zij zullen loopen en niet moede worden, zij zullen wandelen en niet mat worden, — totdat zij hun einddoel hebben bereikt ; — en daar, o jubel, worden zij door heerlijke tronen ter ruste uitgenoodigd, daar roepen zij overgelukkig uit: Hier is de plaats mijner ruste in eeuwigheid, hier zal ik wonen, want ik heb haar begeerd!') __A. M. D. G.

') Ps. 131, 14.

ocr page 861

NAWOORD.

' erderfelijke gedachten worden, helaas! in grooi.en getale der jeugd medegedeeld — in schrift on woord, 'quot;IT in boeken en dagbladen, in het maatschappelijk verkeer ^ en van den katheder, — wereldsche gedachten, ijle gt;J gedachten, gedachten der dwaling, booze, afschuwelijke gedachten, goddelooze gedachten; raad wordt der jeugd gegeven, die middellijk of onmiddellijk den weg tot haar ongeluk baant: men raadt heur aan, zich alle zingenot te gunnen, den hartstochten vrijelijk bot te vieren, eiken teugel af te werpen; men raadt heur plichtverzuim, buitensporigheden, opstand, dwaze en verboden wraak, een ongeregeld, woest leven, verachting van God en Kerk ....

Wie zal het den waren vriend der jeugd euvel duiden, dat hij zich gedrongen gevoelt, ook van zijn kant den jongelieden „gedachtenquot; voor te leggen, gedachten des heils; - dat ook hij verlangt, hun „raadquot; te geven, raad, die hun welzijn beoogt, het geluk hunner onsterfelijke ziel, den vooruitgang

ocr page 862

800

op het goede pad, het ware geluk hier beneden, de zalige eeuwigheid ?

Blijft alleen der hel het gewichtige voorrecht toegestaan, zich van jongelingen meester te maken, hen op te nemen in haar bondgenootschap?

En is het niet wreed, der jeugd geene afdwalingen te besparen, waartegen zij wellicht kan worden behoed, als haren geest heilzame gedachten worden toegevoerd, als men heur waarlijk ten goede raadt?

Men zegge wat men wil, — een jong hart is een jong hart, is murw, is ontvankelijk; de hoop op zijne redding moet niet zoo ras worden opgegeven, het wordt door belangstelling en liefde gemakkelijk voor het goede gewonnen.

O — redde hij, wie redden kan! Wel keert menigeen in latere jaren op het pad der gerechtigheid weder; doch wie vergoedt den man zooveel verloren tijd? wie stelt hem schadeloos voor de vermoeiende omwegen? wie zal hem zijne frissche jeugd terugschenken?

't Is mogelijk, dat zeer weinige dier jongelieden, welke aan heilzame „gedachtenquot; en goeden „raadquot; dringend behoefte hebben, deze bladen onder het oog zullen krijgen, veel minder nog, den inhoud ter harte nemen; maar ook slechts ééne ziel, gered door het woord van 's Heeren almacht en liefde: „Ik zeg u, o jongeling, sta op!quot; zou den schrijver zijne moeite en de vele uren, aan de samenstelling van dit werk gewijd, ruim vergelden. En naar schrijver vurig hoopt, zullen goede jongelingen, wie dit boekje tegenkomt, middel en weg vinden, om het ook in de hand eens hulpbehoevenden vriends te doen glijden.

De „gedachten en raadgevingen,quot; in deze bladen vervat, vooronderstellen bij den lezer een geloovig gemoed; zij richten zich tot die jongelingsharten, waarin nog kiemen des

ocr page 863

801

geloofs aanwezig zijn. Is dit niet meer het geval, dan moeten andere middelen te baat worden genomen, moet het werk der bekeering op een anderen grondslag worden beproefd.

Het verloop eener geestelijke opwekking van den dood is gelijk volgt:

Een jongeling is van den goeden weg afgedwaald; hij heeft zich aan den vijand overgeleverd, zijne ziel is dood, begraven onder een heuvel van misdaden. Hoor, daar weerklinkt het bazuingeschal der eeuwige waarheden! Hij wordt herinnerd aan zijn einddoel, aan zijn verheven kleinood; de ziel, aan de hooge waarde van den tijd der jeugd; de boosheid dei-zonde wordt hem vóór oogen gesteld, men wijst hem op hare schrikkelijke gevolgen, op de vermetelheid van dengene, die op een onzekere toekomst durft bouwen. Men spreekt hem moed in, opdat hij de offers, wier vruchten zoo lieflijk zijn, kloek brenge, opdat hij niet aarzele, de stappen te doen, noo-dig tot die verzoening, naar welke zijn gepijnigd hart reeds zoo lang heeft verzucht. Er wordt hem een geneesmiddel aangeduid, goddelijk in zijn oorsprong, hemelsch in zijne werking; men onderricht hem nopens de wijze, waarop hij zich van die artsenij moet bedienen. — En zie, — de jongeling leeft; de machtige en liefdevolle Opwekker van den dood, Christus Jesus, heeft hem, dien men reeds ten grave droeg, bij de poorte van Naïm de levenwekkende hand gereikt. De verrezene jubelt, en de eerste daden van zijn nieuw leven zijn acten van oprechte boetvaardigheid, waardoor Hij de onschatbare weldaad, hem bewezen, poogt te vergelden.

Echter, — wie leeft drage zorg, dat hij niet weder sterve. Het grootste gevaar dreigt van den kant der schepselen; overschat men deze, gelijk vroeger, dan wacht meer dan waarschijnlijk een nieuwe dood de arme ziel. Wat zijn de schepselen? wat is de wereld? O ijdelheid ! o niets! o logen!

52

ocr page 864

802

o misleiding! — Niet minder gevaarlijke vijanden bedreigen in ons-zelven het pas vernieuwde leven: blindheid, zwakheid, lichtzinnigheid, hartstochten. Van hoog belang is het, die onheilbrengende gedaanten van nabij te leeren kennen; zien Wij haar in het demonisch gelaat, dan worden wij met afschuw vervuld, dan mijden wij elke aanraking met die kinderen der duisternis. — Nog kan aanleiding geven tot nieuwen val het dwaze raenschelijk opzicht, de macht der niet vermeden gevaarlijke gelegenheden, de geringschatting van bekoringen en de verkeerde wijze, waarop men zich in de bekoring gedraagt, het over 't hoofd zien van kleine fouten, die zoo gemakkelijk den weg tot grooter kwaad banen, — de achteloosheid en traagheid in het gebruik dier ontelbare middelen : gebed. Biecht en Communie.

Dan, welk jongeling, die eenmaal de zoetheid van Gods vriendschap heeft gesmaakt, zou tevreden zijn met de verworven gunste, zou niet hooger in die vriendschap willen stijgen ? Neen, de ziel wil voorwaarts; zij wil het leven in de ruimste mate genieten, zij wil sterker worden, gedijen, arbeiden, zelf scheppen. De Zaligmaker van zijn kant noodigt ons dringend uit, steeds hooger in volmaaktheid te klimmen. Ja, het goddelijk voorbeeld van Jesus Christus stelt zich onzer ziel, die naar daden verzucht, liefderijk vóór oogen; Hij verschijnt haar, de Koning der eeuwen, met harnas en wapen, ten strijde aangegord. Volg mijne schreden, spreekt Hij, trek uit met Mij. ter verovering van het rijk der deugden. — En de deugden zijn zoo talrijk, zoo verheven. — deugden, die God, deugden, die den evenmensch, deugden, die ons-zelf en onze plichten van staat tot voorwerp hebben. Met al deze deugden moet de jongeling bekend worden gemaakt; hij moet ze leeren beminnen en beoefenen. Nog niet genoeg; de deugd dei-deugden is: het dagwerk heiligen, de verschillende bezighe-

ocr page 865

803

den, die onze uren, dagen, weken, jaren voor zich eischen, de handelingen van den uitwendigen godsdienst, onze verhouding tot den evenmensch, kortom geheel ons leven op eenc aan God aangename wijze regelen. En wat al moet hier geregeld worden! — Op de eerste plaats de toekomst, die in het tegenwoordige moet worden voorbereid.

Hot vraagstuk der keuze van een levenstaak is buiten kijf het gewichtigste onder alle, die de jongeling zal oplossen. —

Eindelijk is de omvangrijke wetenschap der ascese in geenen deele enkel de wetenschap van den kloosterling. Hoeveel zedelijk-groote dingen zijn er, die ook in den wereldlijken staat, die ook door den jongeling verdienen te worden gekend en beoefend! Immers, door de beoefening van het goede, juister gezegd van het beste, worden die beide volmaaktheden bereikt, welke van elkaar afhankelijk zijn, in het nauwste verband met elkander staan : 's menschen volmaaktheid in dit loven door de grootst mogelijke gelijkvormigheid met God, zijne volmaaktheid hiernamaals door eenen met eerstgenoemde volmaaktheid overeenkomenden graad der aanschouwing en des bezits van het oneindig volmaakte Wezen: God. — Ook de deugden hebben hare rangen;geene is in waarde volkomen gelijk aan eenig andere. En in het bereik der op zich-zelf staande deugden vindt men weder verschillende hoogtepunten. Nu is het de taak der christelijke ascese, d. w. z.: de taak van de wetenschap der practische heiligheid, den mensch in die gelouterde deugden in te wijden en hem zoo tot een hoogeren trap in de volmaaktheid des zielelevens op te voeren. De liefde is de grondslag, zij is de ziel, de krone aller deugden. — Maar ook de liefde heeft heur gradatie. Hoe zuiverder goud zij is, des te meer komt zij der liefde van God-zelf nabij. God is geheel liefde. Hoe bemint Hij ons? Door Zich en al het zijne ons meê te

ocr page 866

804

deelen. Hij verspreidt weldaden zonder mate noch getal; en die weldaden bewijst Hij met eigen hand en, om zoo te spreken, in eigen Persoon, en met overgroote liefde; en wel verre van hiermede voldaan te zijn, berooft Hij Zich als 't ware van Zich-zelven, deelt den schepselen zijne volmaaktheid mede, opdat wij Hem toch overal kunnen vinden — buiten, binnen, in de schepselen, in ons eigen hart, en opdat wij te bereidvaardiger om zijnentwille het offer van ons zeiven brengen. — En ziedaar nu de geestelijke, vrijwillige dood des rechtvaardigen, welke dood echter de meeste volmaakte zedelijke verrijzenis, die zich laat denken, evenaart, eene verrijzenis, de zekere voorbode van die heerlijke opstanding, welke den volmaakt rechtvaardige bij de scheiding uit dit leven verbeidt. — De volmaaktheid ginds vormt de kroon der volmaaktheid hierbeneden. Reeds heft de volmaakte het nimmer zwijgende Alleluja des eeuwigen Paaschdags aan. — Welk een verschil: het leven des Paradijzes en de lange reize in het dal der tranen.

Zoo voert dus het Greloof ons altijd hooger op, zoo komen wij den Troon des driemaal-Heiligen allengs meer nabij. Zoo eindigt de cirkelloop : van God, naar God. —

En hiermee is genoegzaam uiteengezet het doel, door schrijver met deze „Gedachten en Raadplegingenquot; beoogd; zij richten zich blijkbaar tot jongelieden van schier elke moreele gesteltenis.

De vele Schriftuurplaatsen, woordelijk of naar den zin in deze bladen opgenomen, hebben de strekking, aan dit arme werk van den menschelijken geest eene hoogere wijding te verleenen, en den aardschen woorden door de zalving des H. Geestes kracht te geven.

Elk hoofdstuk staat op zich-zelf en kan als een geheel worden

ocr page 867

805

beschouwd, hoewel zeker logisch verband tusschen alle punten, door schrijver behandeld, den lezer van-zelf in het oog zal springen.

Het boek wil niet vluchtig doorbladerd worden; men leze het op de wvjze, in hoofdstuk 116 van het „Derde Boekquot; aangeduid', ■weinig in éénmaal, doch met nadenken, met toepassing van het gelezenc op den zielestaat van den lezer.

Vaarwel, jongeling! Wees op uw heil bedacht. Werk, zoo lang het dag is, ja, werk vroeg, — in den ochtendstond uws levens. Misschien daalt voor u de nacht rasscher, dan gij verwacht.... De Heer schenke u moed en volharding, opdat gij heiliget uwe jeugd, opdat uw heilige jeugd door een nog heiliger ouderdom bekroond worde! Maria, uw teedere Moeder, — uw heilige Bewaarengel, — Aloysius, de beminnelijke patroon der jeugd, dat zij met hunne voorspraak u bijstaan bij den Vader, den Zone en den H. Geest, wien eere zij, liefde, dank en aanbidding in der eeuwen eeuwigheid!

EENDE.

ocr page 868
ocr page 869

INHOUD VAN HET VIERDE BOEK.

Volmaking.

Hoofdstuk. Blad2.

CXXXVIIL Heilige jeugd.................659

CXXXCX. Do heiligheid.................363

CXL. Het stroven naar heiligheid..........068

CXLI. Do goddelijke inspraken............673

CXLII. Onderrichting on leiding............675

CXLIIL De liefde tot God...............681

CXLIV. Do uitgestrektheid der goddelijke liefde .... 684

CXLV. De weldaden Gods..............687

CXLVI. Dankbare liefde................692

CXL VIL Gelijkvormige liefde..............696

CXLVIII. Grootmoedige liefde..............699

CXLIX. Wandelen voor God..............703

CL. Altijddurend gebed..............707

CU. Innerlijk leven................711

CLII. Wat der vereeniging met God in den weg staat 716

GLUT. Omgang met Jesus in het allerheiligste Sacrament 720

CLFV. Hot goddelijk hart van Jesus.........725

CLV. Werkzame liefde...............732

CLVI. Lijdende liefde................736

ULVH. Versterving..................740

ocr page 870

808

Hoofdstuk. Bladz.

CLVIII. De liefde tot het kruis.............745

CLIX. Nog meer, o Heer!...............749

CLX. Onthechting van de schepselen.........752

CLXI. Onthechting van zich-zelven...........757

CLXII. God boven alles.................760

GLXIII. Zaligheid in God................763

CLXIV. Gezuiverde naastenliefde.............766

CLXV. De werken van barmhartigheid.........709

CLXVI. Zieieijver....................774

CLXVIf. Dood des rechtvaardigen............778

CLXVIII. De vergelding..................783

CLXIX. Het hemelsch Jerusalem............787

CLXX. De zalige eeuwigheid..............791

CLXXI. God, de voleinder................794

Nawoord....................799

ocr page 871
ocr page 872
ocr page 873
ocr page 874

-a:

7 ^

■^r

/f N ^

A ' --. \ Y gt; i.

V. 1

! /

~x

■gt;v

ï%lt;

J

s \lt; . \

^ .....

, gt;•'

/ ^

. . ƒ .rtl

-v^f