HCET '
TAN DEN
GEOOTEN WONDER WEEZEE
ncoiaas van
van de Orde der Eremieten van den H. Angnstinus,
BEWERKT OIT HET LATIJN,
'Haat' den iamp;afiycn efozdanuA van Sacccn,
Qatzus 9e 9Klonte cfiuamp;iano,
iamp;ij.n tijdgenoot en andezen,
DOOR
Fr. f. nm
p I r, i ' Q 1 'T C A
1
o. e. s. a.
ifrm-v S, 3 ,
Ij * :i-lv-J 1)
|L Ã R 0.
BREDA,
EDUARD VAN WEES,
Snelpers-, Boek- en Muziekdrukkerij.
1896.
BuEDiE, hac 9 Aug. 1896.
J. J. M. VAN CrOCH,
Libr. Cens.
Voorwoord.
Gebouwd op zulk een vasten grondslag, als de Apostolische levenswijze is, en door zoo kundig een bouwmeester als onze heilige vader Aügustinus met recht genoemd mag worden, heeft de Orde van de Eremieten van zijn naam, niet alleen de stormen van vijftien eenwen getrotseerd, maar ook in dat tijdsverloop eene onoverzienbare rij van mannen voortgebracht; mannen, die als Augustinus zijn groot geworden in heiligheid.
Tgt;e glorie van hun naam heeft weerklonken tot aan de uiterste palen der aardt en geheel een wereld buigt het hoofd voor hun hooge aanzienlijkheid. Eenstemmig luidt het getuigenis van vijanden als van vrienden, dat de Orde der Eremieten van den Afrikaanscheti Vader, ten allen tijde, zich in een onbegrijpelijken, ja laat ik zeggen wonderbaren bloei van uitstekende mannen heeft mogen verheugen.
Die waarheid roept zoo luide uit hare geschiedrollen, dat zij niet kan worden geloochend, veel minder overschreeuwd, en het licht, waardoor de Augustijner naam, beschenen als hij is, door het stralend gelaat van den godminnenden Vader Augustinus , wijd en zijd schittert in Christus'1 Kerk, kan niet verborgen blijven.
IV
Voor haar pleiten zoovele hoéken; voor haar pleiten de stemmen van zoovele en zoo groote geleerden, voor haar pleiten zoowel de gewijde als de profane letteren: zoovele academiën en bibliotheken en kerken en monumenten van allerlei aard, verkondigen eenstemmig den lof van Augustinus' grootsche stichting.
Na de groote vereeniging der Orde, onder Inno-centius IV voltrokken, werd bewaarheid, hetgeen jaren te voren door den Cistercienser-abt Joachim was voorspeld; »Er zal eene orde opstaan, welke nieuw zal tschijnen en het met is, gekleed in zwarte kleederen gt;ere met eenen lediren riem omgord: zij zal bloeien en thaar naam zal worden verbreid. Zij zullen tot de y voleinding het geloof prediken en verdedigen in den tgeest en met de kracht van Elias. Het zal eene torde van Eremieten zijn; zij zal een engelachtig leven vleiden en hun leven zal zijn als een brandend vuur gt;tn liefde en ijver voor God.quot;
Een der eersten, die van dien liefdegloed blaakte en dan ook ontelbare blijken van hemelsch wélgevallen mocht ondervinden; een der eersten, die zich een eeuwigen naam heeft verworven in die onoverzienbare schaar van belijders en martelaren en heilige maagden, welke hebben gestreden onder aanvoering van dien beleid-vollen aanvoerder Aügtistinus , is de heilige Nicolaas van Tolentino.
In eeuwigdurende gedachtenis zal de rechtvaardige zijn f1) mogen wij met den Psalmist uitroepen. Want God heeft hem uitverkoren en hem groot gemaakt in den luister van zijne heiligen. God heeft door Zijnen
1
Ps. ni.
T
dienaar Nicolaas, den volken de kracht zijner werken verkondigd. Met roem en eer heeft Hij zijn heilige gekroond; hoven de hemelen heeft Hij hem verheven, (i) Was het leven van den groeten wonderdoener Nicolaas van Tolentijn voor de meesten in deze streken een gesloten boek, niettegenstaande reeds voor jaren herwaarts, het te zijner eer gewijde brood bekend en gebruikt werd: de omstandigheden of beter gezegd, God heeft het daarheen geleid, dat de faam van zijnen dienaar Nicolaas algemeen zou worden gekend; dat de roemvolle kracht van zijn wonderbaren arm meer en meer zou worden bevestigd, opdat Hij ook hier-, zooals hij onze zuidelijke naburen met eere moge worden herdacht en met groot vertrouwen in alle noodwendigheden des levens aangeroepen.
Zijne deugden meer en meer te verbreiden en zijn machtige voorspraak aan te toonen is het doel van deze levensschets. * Hij was (zooals Paus Bügenius , in de bul zijner heiligverklaring zegt) godvreezend, dankbaar, ynederig, gehoorzaam, welwillend, zachtmoedig, vroom, dgeduldig, standvastig, ingetogen, hij was bemind om â »den goeden geur zijner deugden, hij was een zoo diep igeloovige, dat al zijne woorden en al zijne werken de tgt; kracht van zijn geloof ademden.
*Hij wai een voortdurend trooster van de zieken en ^bedrukten, hij was eerbaar, kuisch, zedig, openhartig ten opgeruimd en aan den avond van zijn leven ge-ykomen, mocht hij hooren: * Welnu trouwe dienaar, *ga binnen in de vreugde des Heeren.quot;
* Menigvuldige mirakelen heejt hij zoowel gedurende yzijn leven, als na zijnen dood gewrocht. Vele men-
1) Kerk. getijden.
VI
TSchen van beider hunne, va» den dood opgewekt, den yblinden het gezicht weergegeven en hen van oogziekten ygenezen; de kreupelen en lammen het gebruik hunner tledematen; bezetenen, gevangenen, ingekerkerden, heeft thij onder verschijningen en openbaringen bevrijd. Voor y schipbreuk, voor gevangenschap, voorverlies van goe-* deren heeft hij behoed. Aan koortslijders, aan waterig zuchtig en, aan lijders van koortsen aan maag- en ^hartlijders en andere zieken heeft hij de gezondheid ^teruggeschonken. Driehonderd en een mirakel, in de ^registers opgeteekend, tot tvier staving driehonderd een ten zeventig getuigenissen werden opgeroepen zijn in â gt;openbaar consistorie ons medegedeeldquot;
Wie zal het getal wonderen opnoemen, nadien geschied ? Waar de lezer, in die overstelping van mirakelen, den donder van Gods almacht rollen hoort, daar zal hij in zich-zelven treden en in vrome beschouwingen rusten en genieten. Van de zijde des schrijvers zijn zij daarom overbodig.
Moge het leven van den H. Nicolaas strekken tot zijne meerdere verheerlijking, tot glorie van God, tot luister der H. Kerk en tot troost voor velen, die in Hem hun betrouwen hebben gesteld.
Eindhoven, 21 Juli, feestdag van de zaligen Benignus en Caküs van de Eremieten van den H. Augustinüs.
I.
'Wonderbare aankondiging van de geboorte van den E. Nicolaas door eenen Engel. Zijne jeugd. Zijne roeping tot het kloosterleven. Zijne intrede in het Augustijnen-Klooster.
I ngeveer drieduizend passeu van de Adri-atische zee, in den kerkelyken staat, in het distrikt Fermo ligt de kleine versterkte stad San Angela. Daar leefde in de eerste helft der dertiende eeuw een god-vreezend man, Gompagnono genaamd, met Amata, zgne echtgenoote. Zij waren in eer en aanzien; doch meer door hunne deugden, dan wel door het bezit van tijdelijke goederen, want ofschoon zij op een edel voorgeslacht konden wijzen, was hunne fortuin slechts middelmatig.
Beiden reeds waren in jaren gevorderd, doch hun echt was kinderloos gebleven. Amata nam, als een andere Anna van het Oude Verbond, haar toevlucht tot God en smeekte den Heer in veelvuldige bezoeken van Zgnen tempel, haar toch kroost te verleenen.
8 HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
In de zoete overtuiging, dat het gebed ge-makkelijker wordt verhoord door de tusschen-komst van de heiligen, Gods vrienden en onze voorsprekers, riep zij, den raad indachtig van den H. man Job, »wendt u tot een der heiligen ,quot; (1) de voorspraak in van den H. Nicolaas van Bari, dien zij met eene bijzondere godsvrucht vereerde.
Als zij nu op zekeren dag wederom in de kerk in het gebed lag verzonken en hevig weende, sprak zij eene plechtige belofte uit, zeggende: »0 mgn Heer Jesus Christus, die alles kunt en vermoogt, aanschouw met een genadig oog uwe dienstmaagd en neem de schande weg van mijne kinderloosheid; schenk mij het moederschap in het huis mijns mans; dat ik eenen zoon ontvange, uw dienaar, en dien ter wereld brenge, U ter eer en ter verheerlijking van uwen Naam. Doch terwijl mijne gebeden zoo luttel zijn, ten aanzien van uwe Majesteit, zoo bid ik, in allen ootmoed, uwen heiligen bisschop Nicolaas, dat ik ter wille van zijne gebeden, door ü, o almachtige God, moge worden verhoord, terwigl ik beloof, met mijnen man, uw dienaar, zijn roemrgk graf te Bari te zullen bezoekenquot;.
Daarna, terwijl beiden in de nachtrust waren, verscheen hun in den slaap een engel des Heeren,
1
Ad aliqaem Sanctorum Convertere. Job 5.
NICOLAAS VAN TOLENTINO.
die hun zeide: »Staat op, staat op en gaat tot den H. Nicolaas van Bari, daar zal u gezegd worden, hoedanig de zoon zal zgn, die weldra uit u zal worden geboren.quot;
Het echtpaar ontwaakt en ten hoogste verblijd over zulk een visioen, staat het spoedig op; zij danken God, den gever van alle goed, dragen de zorg voor hunne zaken en bezittingen op aan hunne bloedverwanten en vrienden en ondernemen de reis, als pelgrim gekleed, naar Bari.
Daar aangekomen in de kerk van den H. Nicolaas , brengen zij Christus Jesus, hun Heer en God en den H. Nicolaas, warmen dank voor de ontvangen weldaad en genade. Nadat zij van hunne giften hadden geofferd, vielen zij, afgemat als zij waren, door den vermoeien-den pelgrimstocht, op den vloer der Kerk, voor het altaar van den H. Nicolaas, waar zij nederzaten, in diepen slaap.
Terwijl zij sliepen, ziet, daar verschijnt hun de H. Nicolaas, in bisschoppelijk gewaad en spreekt hen toe: »de engel, die u heeft aan-»gekondigd, dat u een zoon zal worden geboren, »Christus (stem), heeft mij gezegd, dat ik u »vermoeiden, die ter bedevaart naar mijne kerk gt;zijt gekomen, zoodra mogelijk boodschappe, gt;dat u een zoon zal worden geboren en dat »hij Nicolaas zal worden genoemd, opdat hij, »die door mijne voorspraak in de wereld zal »komen, ook mgnen naam drage. Deze zal
9
HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
gt;een hoogst welgevallig dienaar zij a van Christus »mijn Heer; hij zal een religieus en streng »leven leiden; hij zal de priesterlijke waardigheid bekleeden en God den Vader een welge-»vallige offerande opdragen. Hij zal zijn leven »eindigen in groote mirakelen en ook schitteren »door teekenen en wonderbare dingen. Keert »derhalve terug, in de verzekering, dat gij zult »verkrijgen, hetgeen gij hebt gevraagd, zooals »de engel u heeft aangekondigd.quot;
De godvruchtige pelgrims staan op uit hunnen slaap en terwijl zij zich zulk eene verschijning onwaardig achten, slaken zij zuchten in hunne blijdschap en zijn bigde in hunne droefenis, omdat hun een zoon zou worden geboren. Dan baden zij: »Heer Jesus, wij zijn niet waardig door zoo groot eene genade en door zoo feel zoetheid uwer vertroosting te worden verheven; doch daar ons is gezegd: »Keert terugquot;, en er niemand kan weêrstaan aan uwen wil, zoo geleid, bidden wij ü, onze schreden volgens uw welbehagen en bezoek ons met uw heil, volgens uwe beloften.quot;
Vol vreugde keeren zij nu naar huis terug. Weldra, na de vervulling der dagen, wordt een zoon geboren, die in het H. Doopsel, naar verlangen van zgne ouders den naam van Nicolaas ontving. Dit geschiedde in 1246.
Het kind groeide op in de vrees des Heeren. Reeds vroegtijdig werd het, ter voltrekking zijner
10
NICOLAAS VAN TOLENTINO
studiën, toevertrouwd aan de hoede vau zekeren heer Angelus, kapelaan van de Salvator-kerk te Castro San Angelo. Nauwelijks tien jaar oud, openbaarde zich bij Nicolaas de roeping tot het kloosterleven. Op zekeren dag deelde hij dit mede aan Angelus zijn leermeester, zeggende: »ik wil een frater Eremiet worden,quot; waarop deze antwoordde: ïdit keur ik volkomen goed, want gij zult een braaf maa zijn.quot;
Angelus had wel redenen om de beste verwachtingen van den knaap te koesteren. Want reeds op zevenjarigen leeftijd vaste hij drie dagen in de week op het voorbeeld van den H. Nicolaas van Bari, die Maandags, Woensdags en Vrijdags, het natuurlijk voedsel zgner moeder weigerde.
Hij vermeed niet alleen het bijzijn der vrouwen en de dartelheid der kinderen, maar zocht alleen den omgang van bejaarde en godvruchtige personen, het woord van den profeet indachtig: Met den heilige zult gij heilig zijn en met den slechte zult gij bedorven worden. Algemeen wordt aangenomen, dat hij de maagdelijke onschuld altijd heeft bewaard. Was hij in de kerk, zoo was hij geheel in God verslonden. Rijkelijk werd hg in zijne jeugdige jaren door God beloond, daar het hem gegeven werd, (zooals hij zelf heeft geopenbaard aan een zijner medebroeders, die hem in zijne ziekte bijstond) met de oogen des lichaams Christus, in de H. Hostie te mogen aanschouwen. Want toen zij eens
11
12 HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
te samen spraken over de onschuld der kleinen, zeide de heilige tot den zieken-broeder: »Zulk een onschuld mijn zoon, wordt helaas, bij het klimmen der jaren, verloren. Want ik, de zondaar, dien gij voor u ziet, heb in de Kerk, welke ik gewoonlijk bezocht, terwijl de priester de H. Mis deed en het lichaam des Heeren ophief, met deze mijne oogen, een kind gezien, allerschoonst van aanzien, glinsterend gekleed, met een schitterend gelaat, dat teekenen van goedkeuring gaf, zeggende: »De onschuldigen en rechtvaardigen hebben my aangehangen.quot;
Gaarne ontving hg de armen in het huis zgns vaders; hij was begeerig naar goddelijke dingen; aanhoorde met gretige ooren bet woord Gods, als ware hij reeds op rijperen leeftijd gekomen. De bewoners zijner geboorteplaats, die reeds gernimen tijd zijne deugden hadden opgemerkt, zeiden dan ook onderling: »indien God dien kleine het leven laat, zal het een heilige zijn.quot;
Tot jongeling opgegroeid, ontvangt hij om zijn heilig leven de kleinere Orden en wel in de Salvator-kerk van San Angela, waar hij het H. Doopsel en Vormsel had ontvangen. Ook wordt hij tot kanunnik dier kerk benoemd. Had hg, reeds van af zgne kinderjaren een tegenzin in de wereld gevoeld en gevoed, meer en meer groeide de afkeer van de tgdelgke en wereldsche dingen bij hem aan, zoodat hg begon na te denken, welk kloosterleven, welken kloosterregel
NICOLA AS TAN TOLENTINO
hg zou aannemen, om zoodanig een dienaar Gods te worden, dat de wereld zijner onwaardig was.
Intusschen leefde er in het Augustijnen-klooster te -Saw Angela een pater, machtig door zijn woord als redenaar, die door zijne leering en zijn voorbeeldig leven, geheel het volk had gewonnen. Het was de lector, frater Reginaldus, prior van bet klooster. Toen deze eens, op de straat, waar een groote menigte was toegestroomd, predikte over de ijdelbeid der wereld zeide hij: »Hebt de wereld niet lief ,⢠noch datgene wat in de wereld is, want de wereld gaat voorbij en hare begeerlijkheid.quot;
Dit woord drong zoo diep door in de ziel van den jongeling, dat hy na het sermoon den pater bad en smeekte, van hem toch aan te nemen in zijn klooster, daar hij de wereld wilde verlaten. Reginaldus wilde echter niet instemmen met de smeekbeden van Nicolaas, vooraleer diens ouders hunne goedkeuring aan zijn voornemen hadden gehecht.
De ouders worden dan ontboden en ontvangen in het klooster de mededeeling van den vastberaden wil van hunkind. Niet anders dan welgevallig kou hun deze tijding zijn en vol blijdschap, loven zij God, die zijne beloften in hun zoon volwrochte.
De prior Reginaldus neemt hem dan in 1264 in het klooster op; Nicolaas had toen den leeftijd
13
HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
14
van achttien jaren bereikt. (1) Hij doet afstand van zijne kanunniksdij en oefent zich in alle moeilijkheden van het noviciaat, waar hij met reuzenschreden voortgang deed in de heiligheid. Onbevlekt was zijn leven, streng waren zijne boetewerken, groot was zijn ootmoed in de meest nederige werkzaamheden; zoet was zijn gezelschap, oprecht zijne armoede, stipt zjjne gehoorzaamheid, volkomen zijne zuiverheid.
Na zijn proefjaar in volmaaktheid te hebben doorgebracht, legde hij de drievoudige belofte af van gehoorzaamheid, armoede en zuiverheid, steeds strevende naar grooter heiligheid te midden zijner medebroeders. Hij had zich van den ouden-mensch geheel ontdaan, om Jesus Christus aan te trekken. Hij had de ongehoorzaamheid van den eersten mensch verzaakt, door de gehoorzaamheid te beloven en te aanvaarden, in welke hij, met verloochening van eigen wil, zich geheel en al overgeeft aan het goddelijk welbehagen. Hij heeft â begeerig om een apostolisch leven te leiden, na te zijn ontvlucht aan de strikken der wereld, na zelfs zijn vader en zijne moeder te hebben verlaten â de armoede gevolgd en zich omkleed met den Gekruiste. Minnaar der reine kuischheid, heeft hij de begeerlijkheid en zijn vleesch gekruisigd.
1
Torelli meent dat hjj toen slechts tien jaar oud was en dat zjjne intrede in het klooster plaats had in 1259, hetgeen hij zegt duidelijk te zjjn uit het proces der heiligverklaring.
N [COL A AS VAN TOLENTINO
Terwijl hij nu wist dat hij de beloften God gedaan, niet mocht schenden, maar van den anderen kant vreesde, dat hij niet kuisch zou kunnen leven, indien hij niet zijn lichaam door kastijding in bedwang hield, zoo begon hij een nog strenger leven te leiden dan voorheen, strenger dan een zijner medebroeders. Door aanhoudend vasten en nachtwaken, door volhardende gebeden, door ruwe geeselingen, telken dage herhaald, leefde hij kuisch en rein te midden der bekoringen en aanlokselen tot zonde. Hij kastijde zich, dan eens met koorden, dan wederom met riemen, dan met scherpe ketenen.
Met groote nauwkeurigheid bad hij het breviergebed en vulde dit aan door het officie voor de overledenen, litanieën en tal van herhalingen der Groetenis des Engels. Zijne geliefkoosde plaats van gebed was ofwel de kapel, nabij het altaar, ofwel zijne cel, waar hij twee stukken marmer had, waarvan hij het eene gebruikte om op neer te knielen en het andere, als steunsel voor zijne armen, indien hg was vermoeid, om ze dan ten minste door de koude nog te kastijden.
15
HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
II.
Hij wordt priester gewijd. Verschoningen van overledenen. Hij verlost vele zielen uit het Vagevuur.
ele blijken had hg reeds gegeven van zijne heldhaftige deugd en grondige kennis in het zesjarig verblijf te midden der Augustijner-orde en zijn voorbeeld had als eene ster geschitterd in verschillende kloosters van de mark Ancona; zooals in die van Macerato, Firmum, Recineto en anderen. Hij verbleef thans te Valsuagnente en werd daar in 1270, in het vier-en-twintigste van zijn leven, door den bisschop van Osma, S. Benevenutus tot priester gewijd.
Nadat hij het priesterschap had ontvangen, werd hem door den prior-provinciaal gelast, in dat klooster te verblijven. Inniger aan God verbonden, diende hg Hem te ijveriger. Geen dag ging er voorbij, zelfs niet wanneer hij ziek was, zonder dat hij het heilig sacrificie der Mis opdroeg, na zich door een vurig gebed tot de fl. Geheimen te hebben voorbereid.
16
NICOLAAS VAN TOLENT1NO
Het gebeurde nu, dat hij als hebdomadarius (!) -werd aangesteld en derhalve gedurende de week de H. Convents-Mis moest opdragen. Dit ge-geschiedde in den nacht tusschen Zaterdag en Zondag. Na het ontvangen van dezen last, was hij ingeslapen op den vloer zijner cel, als hem eene ziel verscheen, die met krachtige, luid jammerende stem hem toeriep: 5gt;Mijn broeder, Nicolaas, man Gods, zie op mij neer.quot; Nicolaas sloeg de oogen op, doch kon de verschijning, niettegenstaande hij den persoon in leven had gekend, niet terugkennen, welke moeite hij ook deed. Hij vraagt dan: »Wie zijt gij? En de geestverschijning antwoordt hem: »Ik ben de ziel van uw broeder Peregrinus van Osimo, uw dienaar, dien gij in zijn leven hebt gekend. Ik wordt thans gekweld in de vlammen, tot welke God, in zijne barmhartigheid , mij heeft verwezen, niet ter eeuwige straf der hel, zooals ik had verdiend, maar tot de tijdelijke straf van het vagevuur. Want God heeft myn berouw niet verworpen. Ik smeek u derhalve, gewaardig u eene H. Mis op te dragen voor de overledenen, opdat ik worde verlost uit deze vlammen.quot;
»Mijn Zaligmaker, door Wiens bloed gij zijt vrijgekocht, moge u helpen o broeder, antwoordde Nicolaas: â wat mij aangaat, ik kan geen H. Mis
(1) Is hij, die de dienst der week heeft voor de leiding van het choor en de Convents- of Kloostermis.
17
2
18 HET LEVEN VAN DKN HEILIGEN
voor de overledenen opdragen, vooral niet, daar de Zondag aanstaande is; ik ben belast met het zingen van de plechtige Kloostermis.quot;
Peregrinus echter antwoordde wederom: » Eerwaarde Vader, kom met my en zie, of het passend is, dat gij de bede van zoo een ellendige menigte, welke mg heeft gezonden, zoudt afwijzen ?quot; En hg voerde Nicolaas tot de overzijde van de woestenij, aan welke het klooster was gelegen en toonde hem daar de vlakte bij Pesaro, waar eene ontelbare menigte, van beider kunne, van eiken leeftijd en staat en kloosterorde zich bevond en zeide hem dan: »Ontferm ü, o vader; ontferm U over eene zoo ongelukkige menigte die van U, de zoo hoog noodige hulp verwacht. Want indien gij U wilt ge-waardigen het H, Sacrificie der mis voor ons op te dragen, dau zullen wij bijna allen uit deze allerzwaarste pijnigingen worden verlost.quot;
De heilige dienaar Gods ontwaakt, door groot medelijden bewogen, en begint onder het storten van vele tranen, hun aller Verlosser, voor die zielen te bidden. Reeds vroeg in den morgen lag hij neergeknield aan de voeten van zijnen prior, wien hij, ter wille der nederigheid, slechts ten deele de veropenbaring mededeelde en hg smeekte hem de gunst af, van gedurende de week, welke ging volgen, de H. Mis voor de overledenen te mogen opdragen.
De prior bewilligde in zijn verzoek en stelde
NICOLAAS VAN TOLKNTINO
eenen anderen aan, die in plaats van Nicolaas, den dienst van hebdomadarius zou waarnemen.
Als nu de week ten einde was, zoo verschijnt zijn broeder Peregrinus hem andermaal en zegt hem dauk voor de verworven barmhartigheid, onder de verzekering, dat hij, en met hem een groot getal van de menigte, welke hij had aanschouwd, uit de zwaarste folteringen waren bevrijd: door Gods barmhartigheid voorzeker; maar ook door zijne sacrificiën, gebeden en tranen en dat zij allen nu waren opgegaan in de heerlijkheid Gods.
Zoo wordt Nicolaas op jeugdigen leeftijd reeds bekend in het vagevuur, waar hij, door de eerstelingen zijner verdiensten verlossing brengt aan de uitverkorenen van Gods liefde, middelerwijl dat de wereld zijne heiligheid, die eens grijsaards waardig, begint te vereeren.
19
Maar niet alleen ontvolkte hij het vagevuur; hij betwiste de hel hare prooi. Het gebeurde dat toen hij was overgeplaatst in het klooster te Recineto, (of volgens anderen te Macerato) een ongeluks-bode, van wege het huis zijns broeders Gentilis, tot bem kwam, om hem mede te deelen, dat Gentilis, in de burcht Apetium, door booswichten was vermoord. De bode had nauwelijks den heilige gezien, of hij wierp zich op de knieën en riep luid schreiend:
(1) De schrijvers zijn het niet eens, of deze een volle dan wel een halve broeder was.
HET LEVEN VAN DKN HEILIGEN
»0 heilige Nicolaas, waar zijne uwe gebeden, vwaar zijn uwe deugden? Zie uit uwe handen »7.al de ziel en het lichaam van uw broeder »worden opgeëischt, want hij is in de burcht » Apetium door booswichten vermoord: â nu gij, »iu uwe heiligheid, hem als het ware, niet vineer naar ziel en lichaam bemindet.quot;
Nicolaas, dit hoorende, kon zijne tranen niet bedwingen en riep uit: »0 ongelukkige, gij zijt verloren!quot;
Hij zond den bode heen en vaste nog strenger, terwijl hij gedurende veertien dagen, nacht en dag weende en bad, opdat zijn Verlosser Jesus Christus hem mocht openbaren, of de ziel zijns broeders de zaligheid had verworven, dan wel de eeuwige straf had ontvangen.
Toen hij daarop eens in de kerk stond om eene lamp te ontsteken ter eere van het Lichaam en Bloed des Heeren, dat daar rustte, hoorde hij eene stem, welke zeide: gt;0 broeder, mijn broeder! Ik dank mijnen God en mijnen Heer Jezus Christus, die met het oog zijner barmhartigheid heeft neergezien op uwe voorspraak en op uwe, met tranen vermengde, gebeden: die my hebben gered, toen ik verloren was.
Nicolaas, steeds op zyne hoede, vreesde in deze verschijning een strik van den helschen vijand, die zicb bijwijlen voordoet als een engel des lichts, om des te gemakkelijker de zielen te wikkelen in de netten der zonde. Hg
20
NICOLAAS VAN TOLBNTIHO
21
sprak dan onbevreesd: »Wat beproeft gij mij, sluwe vgand? â Mgn broeder is dood en God kan de zaligheid geven, zooals Hij ter straf kan verwijzen.quot;
Gentilis echter antwoordde: gt;Twijfel ioeh niet, o broeder! Ik ben in waarheid Gentilis. uw broeder, op uwe gebeden door Jezus Christus uit de vlammen verlost. Sterk u derhalve en volhard in de boetewerken, welke gij hebt begonnen: want die werken zijn Gode en onzen Verlosser zoo aangenaam, dat gij in dit leven, alles wat gij Hem zult vragen, zult verkrijgen en na uwen dood, zult worden verheerlijkt.
III.
Groote armoede van Nicolaas in zijn dage-Ipsoh leven. Hij verzwakt door die vrijwillige verstervingen. Zijn neef tracht hem over te halen om het klooster te verlaten. Wonderbare waarschuwing aan Nicolaas gedaan.
icli van aard?che zaken onidoen, bij het iutreden van den kloosterlijlien staat, zonder den vasten wil, om geheel het opvolgend leven, de ziel in die onthechting van de tijdelijke dingen te bewaren: is van luttele beteekenis. ^Daarom wordt er vereischt gt;
HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
dat men er steeds naar strove in armoede te leven, volgens den apostoliscben regel, op welke de kloosterregel van Augustinus is geënt.
Zij, die de religieuse armoede aanvaarden, kunnen in vier klassen worden onderscheiden.
Tot de eerste klas behooren diegenen, die bunne meening veinzen; die uit valscbe beweeggronden trachten bet klooster in te gaan. Deze, die niet de vrijwillige armoede aanvaarden, omdat zg , zoo mogelgk, liever rijk in de wereld zouden willen zijn, kunnen nooit arm van geest worden genoemd. »En omdat zg in hunne armoede, toen zij nog in de wereld waren, zelfs het nood-zakelijke levensonderhoud niet konden vinden, achten zij zich al heel gelukkig, voedsel en kleeding te hebben gevonden, betgeen zij in de wereld niet konden vinden.quot; (1)
En zoo ontstaat die verloeilijke omkeer van zaken (zooals Augustinus in zyn regel zegt), dat de armen in het klooster verfijnde zeden aannemen, waar de rijken werkzaam worden.
De tweede klas bestaat uit diegenen, die met een goed en heilig voornemen den kloosterataat aanvaarden, maar, eenmaal op weg, de kracht verliezen en slecht eindigen; die, zooals bet spreekwoord zegt, als jongelingen, engelen zgn; doch duivelen, als ouden van dagen.
22
De derde zijn zij, die met een slecbte meening.
1
Eegel van O. H. Vader Augustinus. O. I, no. 4.
NICOLA AS VAN TOLENTIMO
of wel gedwongen en niet vrij van wil, beginnen, maar eenmaal in het klooster, een goede meening vormen en in deze meening, tot hun geluk, ook volharden. De H. Paulus, de eerste woestijnbewoner, strekke hiervan ten voorbeeld. Doodsangst dreef hem naar de woestijn, doch, als hij daar eenmaal was, ketende zijn vrije wil hem aan de plaats, waarheen de noodzakelijkheid hem te voren drong, en hij werd de vader van het leven der woestijnen.
Tot de vierde soort eindelijk, behooren zij, die zuiver voor God, de heilige armoede in het religieuse leven hebben aanvaard en op dien weg steeds naar hooger volmaaktheid streven.
Tot dit zalige geslacht mocht ook Nicolaas worden geteld; want hij leefde in de orde der Eremieten van den H. Augustinus, welke hij had omhelsd, in groote armoede, welke hij vrijwillig had gevolgd met den armen Jezus.
Hard was zijn leven; een kleine cel zijne woning, een stroozak zijn bed, een mantel zijne deken, een steen dikwijls zijn hoofdkussen. Een grof en opgelapt habijt was zijn kleeding, terwijl hij kostbare kleederen schuwde. Hij onthield zich van vleesch, van eieren, van visch, van boter en vet, van melkspijzen en zelfs vau fruit, in weerwil van den raad der geneeskundigen en de smeekingen zijner medebroeders. In plaats van soep nam hij water; zijn drank was wederom water, met een weing wijn ver-
23
HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
mengd. Op de Maandagen, Woensdagen, Vrijdagen en Zaterdagen en gedurende geheel de Goede Week, at hij slechts éénmaal daags en dan alleen maar brood met water.
De oude vijand poogde echter den heilige te misleiden, zooals hy den stamvader vau het menschelijk geslacht, door Eva, had ten val gebracht. Hij gebruikte hiertoe de bemiddeling van eenen neef van Nicolaas, een kloosterling, die prior was van het in weelde levende klooster te Fermo, waar de heilige, wegens zgne heilige bediening eens vertoefde. Deze prior getroffen door de gestrengheid van leven, door de armoede en de boetplegingen van pater Nicolaas zegt hem, door een valsch medelijden bewogen: »Waarom toch verduurt gij zoo groot eene »ellende? â De levenswgze uwer orde (1) is » zeer armoedig en gij zult de harde verplichtingen »uwer beloften niet kunnen volbrengen; wil »daarom rekening houden met uwe zwakke ge-»zondheid en uwe jeugd. Gij kunt met mg »genieten van den overvloed van dit klooster; »wamp;nt verbonden als ik met u ben, door de »banden des bloeds, kan ik de ellende uwer »jeugdige jaren niet langer aanzien.quot;
De heilige herkent in deze woorden een pyl van den bekoorder; hij begeeft zich naar de kloosterkerk en zoekt een schild in een vurig gebed. En nauwlijks had hij de knieën gebogen,
24
1
Hieruit blijkt dat deze prior geen Augustijner-Eremiet was.
NICOLAAS VAN TOLENTINO
de handen samengevouwen en de oogen hemelwaarts geslagen, om Gods hulp en genade af te smeeken in het kort gebed: »Bestuur o Heer mgnen weg in uw aanschijn,quot; of weldra verschenen in de kerk, op de plaats, .waar hij nederlag, twintig jongelingen, verdeeld in twee koren, gekleed in witte kleederen, en stralende van gelaat, die tot driemaal, eenstemmig riepen: sgt; Te Tolentino, te Tolentino, te Tolentino zal uw einde zijn. Volhard in het leven, tot hetwelk gij zijt geroepen; in dien staat zult gij uwe zaligheid bewerken.quot;
Het was Nicolaas duidelijk, dat hij geen menschen had gezien, maar dat de stem Gods hem deze waarschuwing had gegeven, zooals hij later, in de eenvoudigheid des harten, bij gelegenheid, dat hij zijnen dood aldaar voorspelde, aan zijne medebroeders heeft geopenbaard.
De vleierijen van zijn onwaardige neef, die telkens nieuwe pogingen deed om hem afkeerig te maken van de strengheid der Augustijuer-orde en daartegen de gemakkelijkheid van 74jn klooster voorstelde, konden den man Gods niet meer bewegen, noch door de vrees van den eenen kant, noch door de bekoorlijkheid van den anderen, maar hij ging op last zijner oversten naar Tolentino, zooals hem door den hemel was aangewezen. Dit geschiedde in 1276, het twaalfde jaar van zijn kloosterleven, in den ouderdom van dertig jaren.
25
HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
IV.
Nieuwe beproevingen. Hij wordt ziek, God toont door nieuwe wonderen, hoe aange-naani Hem de getrouwheid van Nioolaas is.
£« 1 enmaal te Tole.ntino gevestigd, begon voor den heilige, die reeks van be-xtó proevingen, door welke God zijne uit-W verkorenen, als het vuur het goud in den smeltkroes, zuivert. Naarmate God hem meerdere genaden schonk en hem sterkte en steunde in de bekoringen, verdubbelde ook de hel hare aanvallen tegen hem. De dertig jaren, welke hij te Tolentino zoude doorleven, mochten van strijd en overwinning gewagen.
Zijn verzwakt lichaam was niet in staat de kwellingen, welke hij het aandeed, te over-winuen; hij werd ziek en de kloosterlingen, vol zorg en onrust over zijn toestand, riepen de hulp der geneesheeren in. De heilige stelde echter zyn eenige hoop in den hemelschen Geneesheer, Jesus Christus.
Onrustbarend werd langzamerhand zijne zwakte, zoodat zijne medebroeders wanhoopten aan zijn herstel; hij leed aan een snel verval van krachten. Men raadde hem nu, gemakkelijk verteerbaar vleesch te gebruiken, doch hij luisterde naar
26
NICOLAAS VAN TOLENTINO
dergelijke raadgevingen niet, evenmin als naar het voorschrift der geneeskundigen. De piior van het klooster, pater Angelus de Sancta Victoria, volkomen op de hoogte van het gevaar, dat Nicolaas dreigde, vermaande hem herhaaldelijk, van toch in den raad dar geneeskundigen te berusten. Hij echter antwoordde: »Maar Prior, waarom toch wilt gy, met de paters, mij zoo bemoeilijken. W eet gij dan niet dat dit lichaam spoedig wil terngkeeren tot de spijs, die het eenmaal heeft geproefd met voldoening der zinnen? Hebt daarom medelijden met mij; het is immers beter het vleesch te breidelen, dan het den vrijen toom te geven.
Als de prior nu zag, dat hij niets aan het besluit van den heilige kon veranderen, nam hij zijn toevlucht tot den Generaal der Orde, Franciscus a Monte Rubiano, die toen in het klooster verbleef, met verzoek, dat deze Nicolaas mocht bevelen, dat hij den raad der genees-heeren zou opvolgen.
üe prior-generaal komt daarop bij den zieke, ziet dat er gevaar is voor het leven en beveelt daarom, na vele voorbeelden van heilige gehoorzaamheid te hebben aangehaald, in naam dier gehoorzaamheid, vleesch te eten, zooals was voorgeschreven De heilige durft en mag nu niet langer weerstand bieden, ofschoon zijn afkeer van vleesch niet was overwonnen. Hij roept den prior en zegt dat, hij aan pater
27
HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
Generaal zal gehoorzamen. » Ãit toch, zegt hij, »heb ik beloofd; deze belofte heb ik mijnen » Zaligmaker, Zijne heilige Moeder en den heiligen »Augustinus gebracht en tot in mijn dood zal »ik ze getrouw zijn. Men bereide derhalve »vleesch!quot; Het vleesch werd gebracht.
De meest strijdige gewaarwordingen woelden op dat oogenblik in zijn gemoed; hij wild« doorzeilen tusschen de klippen der onmatigheid en der ongehoorzaamheid. Hij wikt en weegt en proeft eindelijk een klein stukje vleesch, zeggende: «Ziet, ik heb gehoorzaamd: plaagt »mij nu niet langer met de ondeugd der gul-»zigheid, want ik wil mij aan den raad van »een beteren geneesheer houden!quot;
Welgevallig zag God neer op de volharding van zijnen dienaar, die dan ook weldra, zonder geneesmiddelen, en bij het gebruik zijner magere spijzen was genezen.
Maar de booze geest, die het eerste menschen-paar door de gulzigheid heeft overwonnen; die ook den tweeden Adam, Christus onzen Zaligmaker heeft bekoord, geeft de hoop niet op van over de standvastigheid van Nicolaas te zullen zegepralen. Hij stelt hem voor, van den eenen kant, hoe zijne kloosterbroeders worden gespijsd en van den anderen, hoe hij aan voortdurende pijnen lijdt, vooral door de maagkrampen, door zijn gewrichts-lijden , hoofdpijnen en duizelingen, welke allen een gevolg zijn van het streng vasten.
28
NICOLAAS VAN TOLENTINO
God zou echter toonen, dat Hij over Nico-laas waakte en dat diens lijden Hem een aangenaam offer was. Verschillende geloofwaardige schrijvers verhalen, dat Nicolaas opnieuw in ziekte vervallen, tot het uiterst was gekomen door de uitputting der koortsen. De doodskleur had hem reeds omtogen en indien niet een zacht ademen nog leven in hem had verraden, zou men hem een lijk hebben gewaand. Om hem eenigszins te versterken bracht men hem een gebraden patrijs. Hij echter weigerde daarvan te eten. Maar de prior beval hem, in naam der Gehoorzaamheid, te beginnen En Nicolaas die niet ongehoorzaam wilde zijn, slaakte eene verzuchting, hief de oogen ten hemel op, maakte het heilig kruisteeken en stak de hand uit naar de patrijs. Maar ziet op denzelfden oogenblik, wordt de in stukken gesneden patrijs vereenigd, met vederen bekleed en met nieuw leven bezield, vliegt zij heen. (1)
Ondertusschen begonneu gewetensangsten hem te kwellen en hij vroeg zich af, of die strengheid en dat vasten God wel aangenaam zoude zijn en hij daarom misschien ten prooi was van zoovele bekoringen. Maar gewoon als hij was tot God zijn toevlucht te nemen, bad hij: »0 myn God, kom mg te hulp, want indien Gij mij
29
1
Aldus Jordanus de Saxonia, Torclli, Albericius en Scipio Jar-dinus die van twee patrijzen spreken. Ook Petrus de Uzeda, die hierop schreef: ,,Do voiucres Coelo, coelum mihi sidera reddit.quot; Soortgelijke wonderen worden van verschillende andere heiligen verhaald.
HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
niet bijstaat zal ik verloren gaan.quot; Maar Jesus, onze hoogste voorvechter, die niet wilde gedoo-gen, dat zijn moedige strijder zoude bezwijken in de bekoringen, verschijnt hem daarop in den slaap en zegt hem: »Nicolaas, wees niet droevig maar welgemoed, want de werken, welke gij hebt begonnen, zijn mij aangenaam.quot;
Op dit woord ontwaakt hij en roept uit: gt;Ik »heb mij verheugd ia hetgeen mij is gezegd; »met blijdschap zal ik ingaan in het huis des »Heeren.quot; Gerustgesteld op zulk een wijs, verdroeg hij voortaan alle bekoringen met blijdschap.
De booze geest, die van God de macht ontvangen had over het lichaam van den heiligen man Job, poogt nu ook onzen vriend des hemels het geduld te doen verliezen, door weerzin in de ziekte. Door inwerking des duivels verergert deze en de koortsen nemen wederom toe.
Hij zelf gevoelde zich uiterst zwak en erkende in deze nieuwe beproeving zoo duidelijk het werk des boozen, dat hij herhaaldelijk den bijstand inriep van de H, Maagd Maria en van den H. Vader Augustinus.
Toen hij zich nu wederom had aanbevolen, overviel hem een zoete slaap. En, zegt de geschiedenis, spoedig verscheen hem de Moeder Gods, door den heiligen Augustinus vergezeld en onbeschrijfelijk van aanschijn. De H, Nico-laas ziet tot haar op en uiting verleenende aan zijne bewondering, roept hij uit: »0 vrouw.
30
NICOLAAS VAN TOLENÃINO
wie zijt gij, die zoo wonderbaar tot mi] komt, tot my, die stof en asch ben?quot; â Waarop Zg antwoordt: »Ik ben de moeder van uwen Zalig-»maker, de Maagd Maria: gij hebt mg zoo »menigmaal met Augustinus, dien gij bg mij »ziet, tot uwe hulp ingeroepen; zie, wg zijn »gekomen, opdat gij door mijne bemiddeling »raad zoudt ontvangen, tot herstel uwer ge-»zondheid.quot; En den vinger uitstekende naar de bijgelegen straat sprak zij: !gt;Zend daarheen tot »die vrouw eu dat men haar, in naam van »mgnen Zoon Jesus-Christus, versch gebakken »brood voor u vrage, hetwelk gij, zoodra gg »het hebt ontvangen, na het in water te hebben »gedoopt, zult nuttigen, en zoo zult gij de weisdaad der gezondheid bekomen.quot;
De heilige ontwaakt en wekt den ziekenbroeder ; hij zendt dezen, het visioen evenwel verborgen houdende, naar de aangewezen plaats, om in naam van Jesus Christus, brood voor hem te vragen. De ziekendienaar ontvangt het brood van de aangewezen vrouw, drenkt dat brood in water en geeft het den heilige om het te nuttigen. Deze maakt het kruisteeken over het brood, nuttigt daarvan een klein stukje en verlaat op hetzelfde oogenblik, in volle gezondheid zijne legerstede. (1)
31
1
Hieraan ontleent onze Orde de gewoonte om brood te zegenen., ter eere van den H. Nicolaas, (zooals wij later zullen zien), welks wonderbare uitwerking en heilzame kracht, tegen ziekten, brand en andere ellenden van het menschelijk leven, de Christen-wereld heeft ondervonden en nog dagelijks erkent.
HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
Op deze en andere wijzen toonde God, dat Hij over Zijn dienaar waakte. Zoo werd herhaaldelijk het water, zijn dagelijkschen drank, in een genezenden wijn veranderd, om den kwijnenden heilige, nieuwe krachten te schenken. Tot gedachtenis van deze gebeurtenissen bestaat in het klooster te Tolentino in de eetzaal eene schildering, met het opschrift: » De heilige » vader Nicolaas heeft door vasten en onthouding, »zoodanig zijne ziel versterkt met deugden, dat »hij noch vleesch, noch zuivel, noch iets at, gt;tenzij brood met water; doch God in zijne »barmhartigheid, heeft medelijden gehad met »zijnen heiligen ouderling en dikwijls het water »voor hem in wijn veranderd.quot;
Een geloofwaardig schrijver, Albericius, verhaalt dienaangaande, hoe een ooggetuige, Con-radus van Orbisaglia, uit het Tolentijnsch gebied, kapelaan van de St. Laurentius-kerk en een groot vriend van den heilige, heeft bevestigd, dat toen hij eens met den heilige aan tafel at, hg dezen een pot vol water overreikte. Toen nu de heilige hiervan dronk, zeide hij: »Gij hebt u vergist, welk een uitstekende wijn geeft gij mij; wat wijn is dit?!quot; En de kapelaan zelf een teug nemende, proefde dat het waarlijk een heerlijke wijn was. Dit geschiedde zelfs tot twee maal, dat hij hem bezocht; doch de heilige smeekte hem met allen aandrang, bij de liefde Gods, dat hg over deze zaak met niemand zoude spreken.
32
NICOLAA.S VAN T0LENT1N0
V.
De duivel kwelt Nicolaas door verschoningen en mishandelingen. â Naastenliefde van den Heilige. â Wonderbare verschijning van eene ster. â Op zijne voorspraak worden vele weldaden van (rod ontvangen.
e duivel gaf ia den strijd, dien hij tegen de deugd van den vriend Gods voerde, nog geen gewonnen spel. Nu hij hem niet ten val kon brengen door bekoringen en slechte ingevingen, begon hij, in zijne helsche plagerijen, een openlijken strijd met schelden en verschrikkingen van geestverschijningen, mishandeling en slagen.
Het gebeurde dat, terwgl de heilige vol godsvrucht lag neergeknield voor het altaar van de bidkapel, de duivel de ontstoken godslamp niet alleen uitdoofde, maar haar tegen den grond in stukken wierp. Nicolaas herstelde echter door zijn gebed, de lamp in haar vorigen staat; vulde die met de olie, die naar alle kanten was uitgespat en ontstak haar zonder vuur, alleen door zijn gebed.
De duivel klom toen boven op het dak van de bidkapel en bootste het gehuil na van verschillende wilde dieren. Hij|rukte de deksteenen
3
33
HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
los en scheen geheel het dak te willen neder-werpen. De heilige wist van wien deze verschrikkingen kwamen en bad nu nog vuriger. Maar nu drong de afschuwelgke vijand, verwoed en vreeswekkend, de deur binnen, greep Nicolaas aan en sloeg hem zoo hevig, dat de lidteekens der wonden gedurende vele dagen zichtbaar waren over geheel zgn lichaam. Dit was nog slechts het begin der kwellingen.
Een anderen dag was de heilige bezig met het verstellen van zijn eenig, oud versleten kleed, toen zijn vijand de eene helft van het kleed wegnam. De heilige zocht en herzocht, maar kon het verloren deel niet vinden. gt; Goede God â sprak hij dan â wie heeft mij zoo kunnen beetnemen? Voorwaar, dit heeft hij gedaan, die zelfs niet waardig is, dat men zijn naam ver-noemequot;.
De duivel antwoordde hierop: gt;Ja, dat heb ik; ik heb u beetgenomen en ik zal u nog meer bespotten. Maar ik zal andere middelen weten te gebruiken, indien ik u zoo niet kan ten onder brengen!quot;
Als nu Nicolaas hem vroeg: gt;Wie zijt gij?quot; gaf hij tot antwoord: »Ik ben Belial, u gegeven ten prikkel uwer heiligheid.quot; Het eenig bescheid van den heilige was hierop: »Indien de Heer mijn helper is, zal ik niet vreezen, welke ook de aanvallen zijn.quot;
't Werd nacht. De duivel hield woord aan-
34
N1C0LAAS VAN TOLBSTINO.
gaande zijne bedreiging. Nicolaas wilde om hetgeen was voorgevallen, de gewone gebeden niet achterlaten, doch daar hij, om het nachtelijk uur, de kapel nog gesloten vond, zou hij de eetzaal binnengaan, waar de beeldtenis van den Gekruiste, boven den ingang, was afgemaald.
Hier werd hij door Belial met zulk een geweld aangevallen en tegen den grond geslagen, dat hij als ademloos daar nederlag. Hij verzamelt echter zijne krachten; staat in naam van den Gekruiste op, maar wordt, als hij wil gaan bidden, andermaal op den grond geworpen en wreedelijk mishandeld. Ja de duivel dwingt hem de plaats te verlaten, maar stoot hem in hef heengaan met geweld tegen eiken hoek, dien hij aantreit.
De kloosterlingen hooren het geraas, dat de booze geesten verwekken. Zij snellen toe, vinden Nicolaas als levenloos liggende op den grond; zij dragen hem, daar hij kreupel was geslagen en niet meer loopen kon, naar zijne armoedige legerstede. Christus echter versterkt hem en steunende op een stok verlaat Nicolaas het bed om zijne gewone gebeden te gaan verrichten en zijnen God en Heer te danken.
35
Te midden van 'al deze bezoekingen, vergat Nicolaas de werken der naastenliefde niet, door
1) Een gedenksteen bg de eetzaal vermelde dit feit. Zacconius verhaalt dat de stok waannede de duivel Nicolaas had geslagen te Tolentino werd bewaard.
36 HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
welke hij God even welgevallig was als door zijne gebeden. Hij bezocht de zieken en toonde zijne welwillendheid, door altijd eenige versnaperingen voor hen te vragen. Nooit liet hij die bezoeken na, ook zelfs niet, toen hij door de mishandelingen van den duivel genoodzaakt was op een stok te steunen. Hij sprak de lijdenden moed in en sterkte hen door zijne hemel-sche gesprekken Hij sprak bij zieken en gezonden voortdurend over de wonderbare zoetheid van Gods woord en de onschatbare goedheid van God. Groot was dan ook de toeloop tot zgne predikingen en met groote voldoening keerde de menigte huiswaarts.
Groot was ook het getal zondaars, dat in den Stoel der Boetvaardigheid, troost bij hem zocht. Hij bad, vastte, storte overvloedig tranen en droeg H. Sacrificiën op voor de zieken naar de ziel, die hem hunne biecbt hadden gesproken, opdat God de banden hunner zonde zoude verbreken. Hjj trok de zondaars door zijne vermaningen en zijne vrijwillige boetedoeningen, welke hij in hunne plaats verrichtte.
De armen hadden weldra zijn hart geheel ingenomen en hij koesterde hen, door zijn opwekkend woord en vertrouwelijken omgang en bedelde voor hen brood en kleederen. Zijne medebroeders uit den vreemde, ontving hij als waren het engelen Gods; den treurenden bracht hg blijdschap; den arbeidzamen verkwikking: den armen onder-
NICOLAAS VAN TOLENTINO
stand; den gevangenen, bijzondere middelen ter verlossing.
In zijn milddadigheid ontzag hij dikwijls de kloostergoederen niet. Maar God beminde dezen blijden gever in die mate, dat Hg zou voorkomen dat reen Nicolaas zou verwaten, alsof hij de middelen, zoo hoog noodig voor het onderhoud des kloosters, zoude verspillen door zijne groote aalmoezen aan de armen.
Het was waar, Nicolaas reikte niet alleen datgene, wat hij aan aalmoezen bedelde aan de noodlijdenden uit, maar hij gaf ook datgene, wat voor zijn eigen middagmaal was bestemd, terwijl hij zich met water en brood tevreden stelde; ja hij verzamelde alles, wat hij in eetzaal of spijskamer kon machtig worden, om zijne geliefde armen te voeden.
De broeder, belast met de zorg der spijskamer, had het opgemerkt en deelde zijne bevinding aan den Prior mede. Deze zoude zich overtuigen van de beschuldiging. Het was midden in den winter, in de maand December. De bergen waren met sneeuw overdekt en geheel de natuur lag, door de koude, in haar winterslaap.
Daar ziet de prior Nicolaas naderen met een vollen schoot brood, op weg naar de kloosterpoort, waar de armen reeds wachten. Hg gaat hem te gemoet en vraagt hem wat hg daar draagt: »Ik heb hier versche rozenquot; zegt de heilige op ingeving Gods en toonde tegelgk den
37
HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
prior een schoot vol roode rozen, wier welriekende geur zich aanstonds verspreidde.
Getroffen door dit voorval, gaf de prior hem volle vrijheid, om in het vervolg naar welgevallen aalmoezen uit te deelen.
Zelfzucht was den heilige geheel vreemd; hij leefde slechts voor den naaste. Gedachtig aan den eersten regel van den H. Augustinus, de grondslag van geheel het grootsch gebouw zijner stichting: »Op de eerste plaats moet men God beminnen, en vervolgens den naaste,quot; schitterde hg in de mate door zjjne naastenliefde, dat hg het sterven een gewin zoude hebben gerekend, niet alleen voor Christus, maar ook voor zgn medemensch. Hij sloeg er geen acht op, welke spijzen door zijne kloosterbroeders werden gebruikt, noch, hoe hunne kleeding was, terwijl het minste hem bevredigde. Hij zocht niet zyn eigenbelang, maar de belangen van Jesus Christus; hij stelde niet zijn eigen belang boven dat van de gemeenschap; maar dat van de gemeenschap boven het zyne. Voorzeker, hij was een stipt naïever van zijn heiligen Ordens-regel, die de woorden van den apostel Paul us daar ter plaatse verklarende zegt: »De liefde tot God, van welke staat geschreven, dat zij niet zoekt datgene, wat voor zich zelve is, moet zoo worden verstaan, dat zij het algemeen belang stelt boven het bijzonder en niet het bijzonder-, boven het algemeen belang.
38
nicolaas van toijentixo
In zijne woorden, allen ontsproten aan dat hart van liefde vol, lag dan ook nooit iets ijdels, iets overtolligs, maar zij waren altijd vol stichting, godsvrucht en goedheid. Hij was eerbaar, kuisch, zedig, oprecht, opgeruimd, vrijgevig, kalm, rechtvaardig, van nijd afkeerig, wijs, voorzichtig, bescheiden, de ledigheid vluchtend; hij was trouw, nedèrig, welwillend en zijn bleek gelaat gaf hem een engelachtig aanzien. Ging hij van de eene plaats naar de andere, dan had hij de kap over het hoofd getrokken en ging met neergeslagen hoofd en oogen, zoodat men zijn gelaat nauwlijks kon aauschouwen. Hij stond in geur van heiligheid, in groote vereering en vertrouwen Kwam hg om te bedelen, er was niemand, die hem eene aalmoes zoude weigeren.
Omdat nu zooveel heiligheid niet verborgen kan blijven voor de wereld, waar Christus het ware licht ontsteekt in zijne heiligen, â niet opdat zij het zouden zetten onder de korenmaat, maar het plaatsen op den kandelaar der openbaarheid: opdat het schijne voor allen; â zoo was het te begrijpen, dat Nicolaas om de heerlijkheid zijner verdiensten, door God ook met een bijzonder teeken zoude worden gekenmerkt.
De hemel zelve zoude dan ook dat licht ontsteken tot belichting zijner wonderbare heiligheid. Want als Nicolaas in zekeren nacht, nadat hij geruimen tijd in zijne cel had gebeden, een
39
HET I,EVEN VAN DEN HEILIGEN
weinig was ingeslapen, zag hij eene groote, schitterende ster in Castro San Angelo opgaan, zich langzaam vcortbewegeu, slechts weinig boven de oppervlakte der aarde, en in rechte lijn afkomen naar Tolentino. Daar stond zij stil bij het altaar, achter het bidkoor van het klooster, waar hij gewoon was de H. Mis op te dragen en zoowel des nachts als gedurende den dag te bidden.
Bet scheen hem, alsof op dit schouwspel vele volkereu van verschillende landen en talen kwamen toegeloopen.
Toen hij nu deze wonderteekens, niet alleen dien nacht, maar nog herhaalde malen daarna, had gezien, werd hij door groote zielsvrees bevangen. Om zich rekenschap van deze zaak te kunnen geven, vertelt hij, in alle eenvoudigheid des harten, hetgeen hij had gezien, aan een der paters, die om zijn scherp oordeel, als om zijne wetenschap algemeen bekend was.
Deze nu, als met profetischen geest bezield, antwoordde hem: »Eerwaarde Vader, deze ster »is in waarheid een voorteeken van uwe heilig-»heid en ik betwijfel niet, of uw lichaam zal »daar eenmaal begraven worden, waar de ster »haar loop heeft voleind, en vele volkereu, die »u niet hebben gekend, zullen van alle kanten stoestroomen, om op uw graf neergeknield te »bidden en door uwe voorspraak de gezondheid ;gt;te verkrijgen: bewogen als zij zullen worden
40
NIC0LAA3 VAN lOLENTINO
»door de vele wonderen, welke zullen plaats »hebben.quot;
Fel geschokt in zijne nederigheid, antwoordde nu Nicolaas; »0 lieve broeder, koester toch zoo-»danige gedachten niet over mij; want ik was »altijd een nutteloöze dienaar van Christus: dat »God zelve het mij verklare, want gij begrijpt »mijn visioen niet.quot;
Na weinige dagen wederom de bidkapel binnentredende, zag hij opnieuw eene ster, die langzaam voortbewoog tot aan het altaar. Dagelijks herhaalt zich deze verschijning en hij begreep hieruit dat deze ster getuigenis der waarheid kwam afleggen ten gunste dergene, welke hg vroeger had gezien.
Eens dat ze wederom verscheen en voor hem uitging, liep hij (in de kerk op en neder), na een kort gebed voor het altaar te hebben verricht. Toen hij zich nu omkeerde, verdween de ster, maar zoodra was hij niet naar het altaar gewend, of zij verscheen wederom boven dezelfde plaats.
Vele jaren voor zijn dood en in de laatste dagen voor zyn verscheiden, drong hij er op aan, dat men hem op het door de ster aangewezen plekje zoude begraven en hem nooit van daar zoude wegvoeren.
41
42 HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
VI.
Wonderen op zijne voorbede geschied. Hij doet eene waterbron ontspringen. Hij stut een muur, welk dreigt in te storten. Hij geneest een kloosterbroeder. Hij zegent een kinderlooze vrouw Hij geneest twee kinderen, en eene vrouw die reeds driejaren aan bloedverlies leed. Een houthakker genezen. Vermenigvuldiging van meel.
oowel te midden zijner medebroeders als in de wijde kringen der wereld, mochten allen, die met den heilige in aanraking kwamen, zijn zoeten en wonderbaren invloed ondervinden. Toen het klooster te Tolentino werd verbouwd en uitgebreid , had men reeds geruimen tijd, doch vruchteloos gezocht naar een waterader. Nicolaas, dit ziende, nam zijnen stok, welken hij sedert dien vreeselijken nacht, altijd moest gebruiken, stak dien in den grond en na God te hebben gebeden , ontsprong een groote waterstraal. Men groef een put op deze plaats en zij gaf ten allen tijde een kristalhelder water, dat een blijvende geneeskracht bezat voor vele zieken.
Eenige dagen later geschiedde er eea nieuw wonder. Terwijl men bezig was met het graven
NICOLAAS VAN TOLENTINO
der put, bad er door de sterke persing van het water eene groote aardverschuiving. plaats, en dit juist onder het fundament van den kerkmuur, zoodat de muur reed» waggelde en zou zijn ingestort, had Nicolaas haar niet gestut door zijn gebed, totdat het muurwerk was ondervangen en met grond ondervuld.
Een oude kloosterbroeder, Joannes de Mon-ticulo, om zijne heiligheid van leven met lof vernoemd, leed aan een zeer pijnlyke breuk en was daardoor als machteloos. Hg deed den heilige roepen en zeide hem: »0m de liefde van het bloed van Christus, bid ik ü, o broeder Nicolaas, dat gij mij moogt genezen. De heilige maakte op dit verzoek het kruisteeken over hem en de broeder was op hetzelfde oogenbJik hersteld.
Een zekere Leonardus de Apulia deed eene overzeesche reis, nadat hij zijne vrouw Mar-garetha aan de hoede zijner uaastbestaanden had toevertrouwd. Margaretha bracht middelerwijl een welgeschapen zoon ter wereld. Maar helaas, het kind wordt ziek en sterft. De moeder nu wordt door zoo groote droefheid gepijnigd, dat zij door eene ziekte aangedaan, in zeven achtereenvolgende jaren telkens ontijdig door de smarten wordt overvallen en helaas verder kinderloos blijft. De heilige heeft medelijden met de goede vrouw. Het was dezelfde, bij welke de heilige indertijd gedurende zijne ziekte, op aanwijzing der H. Maagd brood had laten halen
43
HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
ter zijner genezing. (1) Hij bidt gedurende verscheidene dagen en zegt dan tot de vrouw, dat zij niet meer voor de toekomst behoeft te vreezen, maar eene gelukkige nakomelingschap zal hebben. Inderdaad, zij werd nog met een talrijk kroost gezegend.
Zecha, een dochtertje van voornoemde Mar-gareet had een gezwel aan de kin, ter grootte van een ganzenei. De geüeesheer wordt geroepen en hij oordeelt, dat men tot eene insnijding moet overgaan. De moeder vreest hiervan noodlottige gevolgen en weet in hare smart niet waar zich te wenden. »Moet het kind de »operatie ondergaan, sprak zij, zoo zal het »sterven; volg ik den raad der geneesheeren »niet op, dan zal de ziekte, welke het heeft aangegrepen, mijn kind naar het graf slepen.quot;
Nicolaas, die in den geest de droefenis der vrouw zag, zond haar een bode, die haar de oorzaak van hare droefheid moest vragen. Als de knaap met de boodschap belast, was teruggekeerd en de reden van de smart der moeder had medegedeeld, zond de heilige den jongen andermaal om het kind te halen. De moeder droeg dan het kind naar het klooster en zeide tot den heilige: »lk weet en ik geloof dat mijn dochtertje door U zal genezen worden.quot;
»Zwijgquot; antwoordde de goede pater en waag het niet zoo iets van mij te zeggen. Smeek
44
1
Torelli.
NICOLA.AS VAN TOLENTINO
God, Zijne heilige Moeder en den H. Augustinus, opdat uw dochtertje moge genezen. Dan maakte hij het kruisteeken over het kind, raakte even het gezwel aan, onder de woorden: »Oa, Onze Heer Jesus Christus verleene u den troost, welken gij verlangt!quot; De moeder ging nu heen, vol bewondering over de deugd van dezen man; maar nauwlijks was zij te huis gekomen of, naar haar dochtertje ziende, zag zij niet eenig overblijfsel meer van ziekte noch gezwel.
Van dezelfde vrouw werd eens een zoon geboren, die slechts weinige teekenen van leven gaf en daarom zonder uitstel door de hulpvaardige vrouwen werd gedoopt. Maar terwijl dit geschiedde, schenen de levensgeesten voor goed geweken.
De bedroefde moeder berst hierop in tranen uit en gilt: »Helaas, mijn kind komt niet tot de zaligheid.quot; Maar ondertusschen heeft Nicolaas een droomgezicht gehad. Hij gaat naar de vrouw, om haar dit mede te deelen. »Ik was zoo zegt hy in mijnen slaap, toen de ziel van een kind werd aan mijne handen toevertrouwd. Rondom my stonden afgrijselijke helscbe geesten, welke onder elkander twisten over de ziel van dat kind. Ik echter bad God voor de ziel, welke aan mijne handen was aanbevolen en smeekte Hem, dat Hij zijnen Engel zoude zenden tot verdediging van het stervend wicht. En het behaagde God een sterken Engel af te zenden,
45
HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
die de duivelen verdreef en de ziel uit mijne banden opnam om haar over te planten in de hemelsche gewesten. (1)
Verdiana, de echtgenoote van Compagnoni van Macerato, was door een vreeselijke ziekte aangetast. Geheel haar gelaat was verwrongen. Hare oogen waren zoo hevig ontsteld, dat zij niets meer zag. Vol vertrouwen gaat zij tot den vriend Gods Nicolaas, om door hem te worden gezegend.
Door medelijden bewogen, zegent hij haar door het kruisteeken en zegt: »Jesus Christus sgeneze uquot; en op denzelfden stond is zij genezen.
Een jongske van deze Verdiana was door onachtzaamheid in het vuur gevallen en had arm en hand verbrand, zoo zelfs dat de vingers als een enkelen ruwen vleeschklomp schenen. De moeder gaat wederom tot den helper in nood, om de genezing van haar kind te verkrijgen. gt; Jesus Christus zegene u quot;, sprak hij, en nadat hg het kruisteeken over hem gemaakt had, gaf hij den jongen aan de blijde moeder weder. De hand en arm waren geheeld, geen lidteekeu zelfs verried een spoor van de brandwonden.
46
Eene andere vrouw van bijna gelijkluidenden naam, Viridiana van Tolentino, was blind geworden ten gevolge eener oogziekte. De genees-
1
Men moet, ter voorkoming van wanbegrippen dit feit zoo verstaan, dat God, op voorbede van zgn dienaar, het leven uit het kind niet liet wyken, vooraleer het H. Doopsel was voltrokken.
N1C0LAAS VAN TOLENTINO
heeren hadden geoordeeld, dat er verschillende insnijdingen in het hoofd moesten gemaakt worden. In plaats van te beteren, verergerde de ziekte. Wat zal de arme vrouw beginnen? â Na vergeefsche hulp te hebben gezocht by de mannen der wetenschap, neemt zij haar toevlucht tot God en de gedachte welt in haar op om tot Nicolaas te gaan.
De vrouw wordt in de kerk gebracht, waar Nicolaas de H. Mis opdroeg. Zij begint daar tf bidden en te smeeken, dat de heilige het gebed des Heeren over haar zal uitspreken en haar zal zegenen met het kruisteeken. »In God heb ik » mijne hoop gesteld, sprak zg, en op uwe voor-»spraak zal ik genezen!quot;
De heilige is beschaamd over deze loftuitingen; de zieke vrouw laat echter niet af en nadat hg aan haar verlangen heeft voldaan, voegt hg haar toe: »Ga nu, de Heer verlost de geboeiden, de » Heer verlicht de blinden.quot; (1) Hare hoofdpgnen verdwgnen en zij krggt het gezicht terug.
Elders was een kind in het vuur gevallen en had geheel het gelaat verbrand, zoodat het gezicht verloren was. De moeder gaat met het wicht naar Nicolaas en deze geneest het door oplegging der handen.
Duncella, een Tolentgnsche vrouw, leed reeds meer dan drie jaren voortdurend aan eene ziekte, haar geslacht eigen. De middelen der wetenschap
47
1
Psalm 145 : 8.
HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
hadden allen gefaald in het beletten van het bloedverlies en in hare genezing. Zij wordt naar Nicolaas vervoerd. Daar gekomen, kust zij eerbiedig zijne hand en smeekt hém, dat hg God om hare genezing zoude vragen. Nauwelijks had hij haar gezegend door het teeken der verlossing, of zij kon geheel hersteld huiswaarts keeren.
Een houthakker, Thomas genaamd, hakte bij het houtkloven zoo diep in den voet, dat hij de pezen doorsneed en de geneesheeren hem moesten zeggen, dat er geen kans was om hem het vrije gebruik van zijn voet terug te geven. Er bleef geene hoop. â Hij laat zich dan naar het klooster vervoeren en smeekt den wonderdoener, zijnen voet te zegenen.
Deze nu nam het verband van den voet, beschouwde de wond en sprak diep bewogen: »Mijn zoon, God helpe u, bedek de wonde «spoedig.quot; Verder beval hg, dat men het verband wederom zoude aanleggen. Terwijl dit geschiedde, bad hij het »Onze Vaderquot;. Dan maakte hij het kruisteeken over Thomas en zeide: »Ga in vrede, mijn zoon, gij hebt u zwaar ge-»kwetst: dat Christus mijn Zaligmaker uw geloof » bevestige!quot;
Thomas gevoelde, ofschoon hij niet zoo spoedig eene gunstige wending had verwacht, dat hij beter werd; maar had hij de hulp des Hemels ingeroepen: toch verwaarloosde hij daarom de hulp der geneesheeren niet.
48
NICOLAAS VAN TOLENTINO
De heelmeester kwam dan op het gewone uur van bezoek; hg maakt de windsels los en â o wonder I â hij vond geen spoor meer van de wond.
De zieke had dit nauwelijks gezien of hg riep uit: »0 man Gods, o Nicolaas, aan u heb ik »het te danken, dat ik op wonderbare wijze, heden van zoo een vreeselijke wonde ben genezen quot; En hg spoedde zich naar den heilige om hem in het bijzijn van alle kloosterlingen te bedanken.
Nicolaas wilde echter niet, dat Thomas deze genezing aan zgne verdiensten zoude toeschrijven: hij weet haar aan het oprecht geloof en den godsdienstgver van den braven Thomas.
Er leefde in zijne landstreek een arme man, Minaldutus genaamd; deze was gewoon ten geschikten tijde een weinig graan te koopen. Hij had zijne huisvrouw tijd en wijze aangegeven voor het bakken en het bewaren van het brood. Als hij nu zijne maat graan had gekocht en het brood was gebakken , kwam juist de heilige, volgens gebruik der bedelmonniken, eene aalmoes vragen voor zijn medebroeders. De vrouw, ofschoon zelf behoeftig, deelde gaarne van het weinige mede, vooral waar Nicolaas kwam bedelen en schonk hem een versch gebakken brood.
De heilige, getroffen over de aalmoes der arme vrouw, zegende haar, zeggende: jgt;God, »om wiens liefde gij, die toch ook in de uiterste
4
49
HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
» armoede verkeert , deze aalmoes zoo bereidvaar-»dig hebt gegeven: God vermenigvuldige uw «meel.quot; En heengaande bleef hij deze zegening herhalen, totdat hij in het klooster was aangekomen, in welks nabijheid Minaldutus woonde.
Toen na de arme vrouw wederom brood zoude gaan bakken en hare meelkist opende, zag zij deze geheel gevuld, zoodat het over de boorden heenviel. Zij dankte God en den heilige, maar zweeg het geheim voor haren man.
De tgd tot het inkoopen van nieuw graan was echter aangebroken en Minaldutus trad in overleg met de vrouw, welken prijs kon worden besteed. Zij echter zweeg en hoe de man ook op antwoord aandrong, zij antwoordde niet.
Eindelijk echter kan zij zich niet langer bedwingen , toont hem de volle meelkist en deelt hem mede, hoe zij dit had verkregen.
50
NICOLAAtf VAN TOLENTINO
VII.
Laatste levensdagen van Nicolaas. Hij voorzegt zynen dood. Engelengezang wordt gehoord. Dood van Nicolaas.
bil terling vooral steeds moet gereed staan
om den Heer, indien Hij klopt te ; openen, zoo moet hij toch, wanneer ziekte hem op de lijdensponde heeft neergeworpen en de dood in aantocht is, zich met allen ijver voorbereiden op de komst des Heeren, om met Hem in te gaan in Zijn Rijk.
Nicolaas werd van zijn naderend einde door den hemel in kennis gesteld, opdat hij, hoewel heilig, zich nog meer zoude heiligen. Zes maanden lang voor zijn overlijden, hoorde hij eiken nacht, voor het uur der Metten, met zijne lichamelijke ooren, een wonderzoeten zang van engelen, waardoor hij in vervoering gebracht, uitriep: »Ik wensch ontbonden te worden en met Christus te zijn.quot;
En inderdaad hij gevoelde, dat zijne wenschen weldra in vervulling zouden gaan en deelde dan ook zijne omgeving mede, dat hij ging sterven.
51
52 HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
Zooals hij na de mishandeliDgen van den duivel, na dien nacht van geweldige worsteling met den boozen geest, kreupel was gebleven, zoodat een i-tok zijne ledematen moest steunen; zoo moest hij ook nu, bij het toenemen zgner ziekte, op zijne legerstede worden ondersteund. Groot, zooals men kon verwachten was de toeloop van vrienden, toen de mare werd verspreid , dat het einde ging naderen van den man, die zoovelen troost en hulp en genezing naar lichaam en ziel had gebracht.
Zooals zijn heilige Ordestichter en Vader Augustinus zelf ziek zijnde, zieken genas, zoo zoude ook Nicolaas gezondheid verspreiden in zijne ziekte. Vele ongelukkigen kwamen tot hem, en ook velen ontvingen door zijne voorspraak, terwijl hij daar nederlag, hun heil van den hemel.
Een zekere Blanda, had reeds vyftien jaren geleden aan de zwaarste hoofdpijn, zoo zelfs, dat zij dikwijls niet kon hooren of zien. Zij kwam bij den kranke en bad hem dat hij haar de handen zoude opleggen. En nauwlijks had hij, na het kruisteeken te hebben gemaakt, aan haar verlangen voldaan, of alle pijn was geweken.
Toen een zgner medebroeders, de Augustijner-eremiet pater Thomas was overleden, werd diens zuster zoo bedroefd over dit sterfgeval, dat hare oogen geheel met bloed werden overschoten en zij het gezicht verloor. In hare smart wilde zij
NICOLAAS VAN TOLENT1NO
geen geneesheer raadplegen en zoo ontstond eene verzwering van beide oogeu. De vrouw wordt bij Nicolaas gebracht en ook hg, als hg de oorzaak van hare smart verneemt, begint overluid te weenen over het afsterven van zijnen medebroeder, in wiens dood hij een groot verlies voor de Orde ziet, daar de man bijzonder werkzaam was.
Hij maakt dan het kruisteeken over haar en zegt: » Dat Jesus Christus, mijn Heer en mijn God zich ontferme over uwe smart en u de gezondheid der oogen wedergeve!quot;
Opgebeurd door deze woorden is de vrouw van zijne cel gegaan naar de kerk, waar het haar was, alsof eene ongekende klaarheid in hare oogen scheen. En zich tot hare geleidsters wendende, zeide zg: »Ziet, of gij nog iets aan mijne oogen bespeurt, want ik heb het gezicht terug bekomen.quot; En volkomen genezen keerde zij terug naar hare woning.
De krachten namen allengskens af. Acht dagen voor zgn dood, liet hij het kruisbeeld, voor hetwelk hij altijd het gebed had gedaan in zijne cel, tegenover hem hangen in zijne slaapplaats. Daags daarna vroeg hij in kinderlijken eenvoud de hemelsche gunst, aan de H. Maagd en den H. Augustinus, de vertroosting te mogen smaken, van door Christus, in hun gezelschap, te worden bezocht.
53
HKT LEVEK VAN DEN HEILIGEN
Nadat Mj den derden dag zijn gebed had geëindigd, verscheen hem inderdaad Christus met zijne H. Moeder, zooals hij had afgebeden. Met allen eerbied vraagt hij nu, of zijn dood binnen eenige dagen zoude plaats hebben, waarop de H. Maagd hem antwoordde: »Den derden dag na mijn geboortefeest zult gij van deze wereld overgaan naar het rijk der hemelen; haast u derhalve om de H. Sacramenten te ontvangen en u voor te bereiden tot den dood.quot;
Nicolaas had echter nog ééne gunst af te bidden. In zijn leven was hij door de booze geesten overvallen en gepijnigd; in het uur van zijn dood hoopte hij daarvan bevrijd te blijven. Hierop echter gaf de H. Maagd geen antwoord. Maar terwijl hij nog vuriger bad, zoo verscheen hem, twee dagen later, een engel, die hem zeide: »üw gebed is verboord!quot;
Zijn lijden werd nog drie dagen gerekt. Den laatsten dag, terwijl alle kloosterlingen rondom zijn bed stonden geschaard, bad hij, dat men het kruisbeeld vóór hem zoude houden. Dan vroeg hg allen ootmoedig vergiffenis voor de beleedigingen, welke hij hun ooit had aangedaan. »Want (sprak hij,) ofschoon ik mij van niets »bewust ben, acht ik mij daarom nog niet ge-» rechtvaardigd: indien ik dus iemand heb belee-»digd of tegen iemand heb misdaan, oordeelt gij zei ven mij dan eu vergeeft mij mijne misslagen, »opdat ook uwe zonden u worden vergeven. En
54
NICOLAAS VAN TOLKNTINO
»u vooral prior, bid ik met aandrang dat gij » mij vergiffenis schenkt van al de fouten, welke *ik heb bedreven en mij de H. Sacramenten der »Kerk, inzonderheid het Lichaam en Bloed van «Christus toedient, opdat ik, door deze heilige »Teerspijze gesterkt, op mijne reis van deze »wereld, naar mijn hemelsch vaderland, niet »bezwijke en mijnen vijand Belial, indien hij » mocht genaken, kunne weerstaan.quot;
Omgeven door al zijne medebroeders van Tolentino, ontving hij daarop de generale absolutie en nuttigde onder een vloed van tranen het Lichaam des Heeren zeggende: »Gezegend is Hij, die komt in den naam des Heeren.quot; Dan zich wederom tot den prior wendend, zeide hij: »Ik bid u, vooraleer ik sterve, mijnen gebroken oogen, dat zilveren kruis te toonen, hetgeen ik heb doen vervaardigen uit de aalmoezen van die goede lieden dezer stad; toon het mij op die plaats, waar een stuk van het ware kruis is ingezet, opdat ik door de kracht van dat kruis gesterkt, de Jordaan dezes lovens ongehinderd moge doorwaden om gelukkiglijk aan te landen in dien stroom des Paradijzen, aan wiens boorden de boom des Levens, Christus Jesus is.
De prior voldeed aan het verlangen van den stervende en gaf last, dat men het kruis zoude brengen. En nauwelijks had de heilige het gezien of, zoo goed en slecht als hij kon, knielde
55
HET LEVEN TAN DEN HEILIGEN
hij neder in zijn bed en zeide, onder een vloed van tranen: »Gegroet o heerlijk kruis, dat waardig waart, den prijs der wereld te dragen! â Op u heeft de Zaligmaker gerust; op u is Hij vastgehecht geworden; op u heelt hij zijn bloed gelaten; op u heeft bij vergifienis geschonken aan den goeden moordenaar; op u heeft hij zgne Moeder aanbevolen aan zijn maagdelijken leerling ; op u eindelijk heeft Hij zijnen Vader om vergiffenis gebeden voor hen, die hem kruisigden ! â O! dat Hij ook mij, in dit uur bescherme tegen mijnen boozen vijand!
En na het kruis te hebben gekust, valt hij machteloos neder op zijne sponde; hij roept zijn kamerdienaar, broeder Joannutius en zegt: â Zorg dat gij niet vergeet aan mijn oor te roepen: »Gij hebt, o Heer, mijne banden verbroken, U zal ik een offer van dank opdragenquot;, opdat wanneer mijn lichaam in die mate zal zijn verzwakt, dat ik zelf niet meer spreken kan, ik het ten minste in den geest tot mijn Heer en God kunne zeggen. â
Terwijl de kloosterlingen nu elkander aflosten, omdat de doodstrijd nog niet scheen ingetreden, hoorde men Nicolaas blijde spreken en van vreugde lachen. Als zij hem vroegen: »Wel Vader, wat is er, waarom zijt gij zoo blijde,quot; antwoordde hij vol verbazing over het visioen hetgeen hij zag: »God en mijn Heer Jesus Christus, in gezelschap van Zijne Moeder en van onzen heiligen vader Augustinus zegt mij: » Wel-
56
NICOLAAS VAN TOLENTINO
aan goede en trouwe dienstknecht, ga binnen in de vreugde des Heeren.quot;
De kloosterlingen begrijpen, dat zijne laatste oogenblikken zijn gekomen. Zy beginnen de gebeden der stervenden te bidden. De heilige verheft nog eenmaal zijne stem, maar nu ook voor het laatst en zegt: »ln uwe handen o Heer beveel ik mijnen geestquot; en met saamge-vouwen, ten Hemel opgeheven handen, de oogen slaande op het kruis, geeft hij, met blij gelaat en bigden geest, zijne reine ziel aan haren Schepper weder.
Zoo stierf op Zaterdag 10 September van het jaar 1306 de H. Nicolaas, van Tolentino genaamd, omdat hij daar de laatste dertig jaren, en dus de helft van zijn aardsch leven, had doorgebracht.
Toen nu zijne ziel uit het lichaam scheidde, werd zy door het zoetluidend gezang van engelen binnengeleid in de hemelsche heerlijkheid.
Het volk kwam daarop naar het klooster toegesneld. Bij het vernemen van den dood van den heilige, waren er velen, die zich met hem om zijne zaligheid verheugden; velen ook die wegsmolten in tranen. De armen toch hadden eenen vriend en vader verloren, de rijken eenen raadsman, de zieken een vertrooster, de noodlijdenden eenen helper, allen eindelyk een vertrouweling in eiken nood en gebeurlijkheid des levens.
57
HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
VIII.
Br geschieden vele wonderen. Hij geeft blinden het gezicht, â kreupelen het gebruik hunner leden terug. Hij geneest vele ziekten en kwalen. Hij doet de dooven hoeren, de stommen spreken. Hij wekt een kind, zonder doopsel gestorven, van den dood op. Opwekking van een meisje tot het leven. Vele andere opwekkingen uit den dood; o. a. van een verdronken kind en van een man, die door een strop een einde had gemaakt aan zijn leven.
ie zal het beslaan, alle wonderwerken te schetsen, die door Nicolaas zyu gewrocht? God toch heeft de teekenen en wonderen, welke Hij, door zijnen Dienaar bewerkte, in die mate vermenigvuldigd, dat degene, die ze allen naar waarheid en in bijzonderheden zou willen te boek stellen, de pen zou behoeven van een schrijver, die vlug schrijft: van Hem namelijk, die niet met pen of stift, maar door de kracht van zijn vinger de steenen tafelen op Sinaï heeft gebeiteld.
Twintig jaren waren reeds voorbijgegaan en die jaren waren onafgebroken reeksen van wonderen. Onnoemelijk was hun getal en soort.
58
NICOLAAS VAN TOLENTINO
Ja, zegt een tijdgenoot, die het leven van Nico-laas heeft geschreven: het kwam zoo ver, dat de groote menigte notarissen, eindelijk te moede, door de onafgebroken werkzaamheden in het beschrijven der wonderbare feiten, zelfs niet meer door goede belooning konden worden bewogen , om de mirakelen, welke als dag op dag geschiedden, te boek te stellen. Ik zal daarom (gaat hij voort) uit die zee, uit die overstrooraing van genaden slechts hier en daar wat putten om de van eerbied dorstige geloo-vigen te drenken: om hen, die in lijden zijn, te verkwikken en de tragen tot ijver in zijn vereering aan te moedigen.
Jesus-Christus, het ware licht der wereld, zag, om de verdiensten van zijnen dienaar, met welgevallen van den troon zijner majesteit neder en gaf aan velen het licht der oogen terug.
Eene vrouw, Massecta geheeten, te Civita-Nova woonachtig, werd dooreen langdurig oog-lijden blind, tot groot verdriet van haar vader Alexander. Deze had reeds alle middelen, hem door de wetenschap aangeraden, beproefd; doch vruchteloos. Het gezicht was verloren. Van Gods hulp alleen was nog heil te verwachten. Herhaaldelijk riep hij de voorspraak in van den dienaar Gods Nicolaas, met gevolg, dat Massecto geheel genas en beter zag, dan ooit te voren.
Vrouw Dimisia, echtgenoote van Zacheus Berardi had een ongeval aan het linkeroog. De
59
HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
geneesheeren verklaarden dat het oog verloren was. Zij beveelt zich, onder belofte van goede werken, den heilige aan, maar wijfelt in haar betrouwen. Door hevige pijnen gekwelt, roept zij dringender en met meer geloof, Nicolaas' hulp in, onder hernieuwing van de eenmaal gedane belofte. Nauwlijks is dit geschied, of een schil valt van haar oog; zij ziet zooals voorheen.
Maar helaas, kort is haar verblijden, want terwijl zij haar eenig dochtertje op den schoot draagt, slaat dit kind, met zooveel geweld in het genezen oog, dat dit naar buiten dringt en op de wang ligt. quot;Wederom neemt zij haar toevlucht tot Nicolaas, die haar ten tweeden maal redding brengt.
Andriolus Merius, een inwoner van lolentino had een broeder, wiens oog, door eene els was uitgestoken. Het licht was, volgens verklaring van verschillende geneeskundigen, verloren. Daar menschelijke hulp te kort schoot, zocht Merius haar bij God; hij beval zich aan Nicolaas aan en zag op denzelfden oogenblik; de oogappel was geheeld.
Contenatius Ugolinus te Santo Genesio was blind. Met de menigte welke naar Tolentino toog, om op het graf van Nicolaas te gaan bidden, wilde ook hg daarheen gaan, in de vaste hoop, dat hij het gebruik der oogen daar zoude terugkrijgen.
Maar de ongelukkige vindt, bij de steeds af-
60
NI COL A AS VAN TOLENT1NO
koelende Christelijke liefde niemand, die hem zal geleiden. De blinde kan daarom slechts langzaam zijnen weg vervolgen, waar hij toch de eerste zou willen zijn, om een groote weldaad te ontvangen.
O wonder! â Het is reeds nacht, wanneer hij aankomt en door ingeving van boven, gaat hij onder een olyfboom zitten om wat te slapen. Hij is zoo weinig bevreesd voor de nachtelijke duisternis en de wilde dieren, alsof eene groote menigte menschen hem vergezelde. De Heilige, aan wien ügolinus zich had aanbevolen, wilde het groot geloof van den man beloonen en schonk hem het gezicht weder. Want een licht vau den hemel omstraalde hem en hij, die te voren niets kon zien, zag nu te middernacht alles duidelijk en klaar voor zich, als ware het vollen dag geweest. Hg had nu des morgens geen geleider meer noodig om bij het graf te komen; hij haaste zich daarhenen om God voor de ontvangen weldaad te loven en te danken.
Dergelijke genezingen ondervonden ook een zoon en eene dochter van Jan Ponsaine; ook een jongeling van San Severino; en Guilinus Bartolini van Monte-Milone, met vele anderen. Het getal dergenen, die Gods weldaden op voorspraak van den Heilige mochten verkrijgen, werd van dag tot dag grooter.
Zooals de blinden het gezicht mochten verwerven , zoo kregen kreupelen en lammen het
61
HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
recht en vrij gebruik hunner ledematen. Te Florence toch lag, reeds meer dan twee jaren, voor het kerkgebouw van het Augustijner-klooster een arme bedelaar, die niet alleen krom was in elkander gegroeid in armen en beenen, maar daarenboven met zweren was overdekt.
In die kerk nu was eene beeltenis van den H. Nicolaas tot hetwelk vele zieken en kwijnenden, op hoop van herstel, hunne toevlucht namen.
Up zekeren dag zeide een der paters tot den zieken bedelaar: gt;Maar mijn zoon, waarom beveelt gij u niet aan Nicolaas aan. Zijne verdiensten toch zgn Gode zoo aangenaam, dat bijna alle ziekten door zijne voorspraak worden weggenomen.
Toen de pater weg was, ontstond bij den bedelaar eensklaps een zoo groots devotie tot den heilige, dat hij zijne stokken en andere dingen, waarop hij steunde, weg wierp, niettegenstaande hij herhaaldelijk op den grond nederviel en onder luide tranen bad: »0 heilige Nicolaas, sta mij bij! â O God, wat zijt Gij machtig en schrik-kelijk, verheven en verheerlijkt in dezen uwen heilige en uitverkorenen.
Nauwelijks heeft de bedelaar deze verzuchting uitgesproken of zgne samengekrompen beenen worden gerekt; zijne voeten en handen strekken zich recht uit. Hij staat op van den grond, loopt door de kerk tot aan den ingang van het
62
NICOLA AS VAN TOLENTINO
klooster en roept de paters zeggende: Komt, komt spoedig, want ik ben door de verdiensten van Nicolaas van mijne kwalen bevrijd quot;
De kloosterlingen komen toegeloopen bij het hooreu zijner stem; men luidt de klok en het volk stroomt samen om getuige te zijn van het wonder.
De nieuwsgierige Florentyuers laten, tot aan den avond, den bedelaar niet met rust, maar noodzaken hem, dan hierheen te wandelen, dan daar te loopen, zijne armen uit te steken , de hand te openen en zich geheel en al op te richten. â Ongeloovigen, die niet aannemen, vooraleer zij zich hebben overtuigd. â En den volgenden morgen keeren zij weder; zij slaan hem gade; zg zien dat hij volkomen gezond is, ja dat zijne zweren verdroogd en genezen zijn
Het wonder niettemin stemt die nieuwsgierigen tot nederigheid. En zij loven en prijzen God den Heer, die op zulk eene wijze zijne heiligen verheerlijkt. Middelerwijl keeren zij vol vrees en angst naar huis weder.
Een andere inwoner van Tolentino, lag geheel gekromd in een wagentje, waarin hij werd rondgereden. Hij was zoo hulpeloos, dat alle behoeften in het wagentje moesten geschieden, waardoor hij niet alleen zich zeiven, maar ook anderen tot grooten last en walging strekte.
Toen een zekere Mercantus hem eens voorbij ging, en op dat oogenblik nadacht over de
63
HET LKVEN VAN DEN HEILIGEN
wonderen , welke het graf van Nicolaas verheer-1 ijkten, zeide Lij: » Waarom, mijn jongen, neemt »gij niet uw toevlucht tot God en den H. Nico-»laas, die reeds door zoovele wonderen schittert ?quot;
De bedelaar nu antwoordde: »Dat hij mij dan helpe, dien God zoo verhoort!quot;
Mercantus wederom : » Doe eene belofte in oprechtheid des harten , dan zult gij beter worden.quot;
gt;Ik bid U heilige man Nicolaas, (bad toen de ongelukkige) dat gy dit ten minste voor mij verkrygt, dat ik mij kunne oprichten, opdat ik binnen een zoo kleine ruimte niet langer behoef rond te wentelen in eigen onreinheid.quot; Hij wordt verhoord; ten aanschouwen van velen, staat hij uit zijn wagentje op, hij wandelt, op een stok steunend, daarhenen, terwijl hij zich te voren niet kon bewegen.
Een man van de stad Foligno, leed aan hetzelfde euvel. Ook deze werd in een houten wagentje rondgevoerd, daar ook hij zich niet kon bewegen en geheel vergroeid was. Als hij nu hoorde van de vele mirakelen, welke waren geschied , liet hij zich, na veelvuldige gebeden, van Foligno naar Tolentino bij het graf van Nicolaas brengen. Toen hij daar in zijn wagen lag, werden al zijne ledematen en pezen als uitgerekt en men hoorde een vreeselijk gekraak, alsof met geweld hout werd omgebogen. Zijne vervoerders en anderen komen opr'dit ongewone verschijnsel toegesneld en van heilige vrees en
64
nicolaas van tolentino
innige blijdschap verstomd, roepen zij uit: » Geregend zij God en de H. Nicolaas!quot; En in dat oogenblik stond de zieke op, om God en zgn heilige yoor de schoone genezing te danken.
Nog eenzelfde genade viel ten deel aan vrouwe Oalandra, echtgenoot van Gorralus Corrigiolus van Monte-Milone. Handen en voeten waren haar zoo vreeselijk verwrongen, dat zij veel meer een monster, dan een menschelijk wezen gelijk scheen. Toen zijn in een draagstoel werd gebracht naar het graf van Nicolaas, zag zij, volgens hare verklaring, eene allerschoonste vrouw, die haar lachend zeide: gt;Ga binnen in de plaats waar de overblijfselen van den H. Nicolaas rusten.quot;
Deze verschoning verdween, zoodra Calandra de kerk was binnengegaan; maar Gods arm was nabij, want zg genas op denzelfden stond. Zij was echter weinig dankbaar en bleef zelfs nalatig in het uitvoeren van hare beloften. Daarop verscheen haar des nachts de H. Nicolaas, in de gedaante van eenen knaap en gekleed met het kleed der Augustijner-eremieten, die haar vroeg, waarom zij hare belofte niet had gehouden. Andermaal ging zij nu naar het graf en schonk hetgene zij had beloofd voor hare genezing.
Ook de dooven zouden den lof van Nicolaas hooren en de stommen zouden dien verkondigen.
Zeker iemand van JEsculo, Siceus genaamd, kon daar hij doof was, niet dan door gebaren,
5
65
HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
de wonderen, door Nicolaas gewrocht, vernemen. Toen hij den machtigen invloed van den heilige kende, werd zgn hart van groote godsvrucht jegens hem ontstoken en hij verlangt, zoodra mogelijk het graf van Nicolaas te bezoeken.
Zijne vrienden en kennissen gaan met hem mede naar Tolentino. Maar nog zgn zij daar niet aangekomen, doch nog slechts op den heuvel, welke de stad bestrijkt, en van waar men de Augustinus-kerk, in welke het lichaam van Nicolaas rustte, konde zien, of Siceus tong werd ontbonden en hij bad luide: »Heilige Nicolaas, sta mg bgquot;.
De reisgezellen staan verbaasd, zg danken God, geven ruchtbaarheid aan het wonder en spoeden zich vol blijdschap naar huis.
Baldus van San-Severino geboortig, was doofstom ter wereld gekomen en hulpeloos gebleven. Hg had echter Nicolaas leeren kennen en ging met vele anderen ter bedevaart naar lolentino. Niét ver van het graf slaapt hij in; en ontwakende begint hij te spreken met zijne gezellen. Allen vielen op de knieën en dankten en verheerlijkten God voor de groote gunst door de voorspraak van den heilige verkregen.
Matheus Antonini was reeds drie jaren stokdoof. Hg kan nergens baat vinden, neemt zgn toevlucht tot Nicolaas en wordt op dienzelfden oogenblik verhoord.
Te JEsculane woonde een man, welke nooit
66
NICOLAAS VAN TOLENTINO
anders dan »de doofstommequot; werd genoemd, omdat èn gehoor èn spraak hem faalden. Eenige goedgezinde lieden van Falerone namen hem mede naar Tolenlino. Daar aangekomen, knielt de ongelukkige neder en geeft door allerlei teekenen zijne godsvrucht te kennen. God zag met welgevallen dit groot geloof en terwijl de doofstomme daar nederligt, wordt zijne tong ontbonden en worden zijne ooren geopend. » Heb dank, Heilige Nicolaas, omdat gij mg geholpen hebtquot; roept hg uit, en zijne gezellen verkondigden in alle steden en vlekken welke zij, op hunne terugreis aandeden, het nieuwe wonder, op voorspraak van den heilige, aan dezen man voltrokken.
Grooter zou de naam, grooter de vermaardheid van Nicolaas worden, door nieuwe eu nog meer sprekende wonderen. De dooden zouden uit het graf opstaan om te komen getuigen van de wonderbare macht welke God hem had geschonken. Lezen wij in het leven van verschillende heiligen, dat zij dooden tot het leven hebben opgewekt: van Nicolaas vinden wij op-getêekend, dat hij niet alleen vele dooden, â maar dat hij vele dooden op verschillende wijze tot het leven heeft teruggeroepen.
Een zekeren Thomas te Tolentino werd een zieltogend jongske geboren. De wijze-vrouwen hadden zoolang getalmd, vooraleer zij het kind ten doop droegen, dat het reeds den geest ge-
67
68 HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
geven had, voordat zij in de kerk waren aangekomen. De vader ziende dat het dood was, wilde niet, dat zij het kind nog zouden doopen en beval tot de begrafenis over te gaan.
Door eene werking der natuur was het kind, ontzield zgnde, een vormelooze massa gelijk geworden. De vader en de nabestaanden slaken luide jammerklachten en bidden den H. Nicolaas, van toch God te smeeken, dat Hij hun de schande sparen zoude, uit de geboorte van zulk een monster, te verwachten en de ziel van hun kind zoude redden.
De heilige versmaadde hunne gebeden niet en verkreeg door zijne voorspraak, dat de ziel wederom met het vormeloos lichaam verbonden werd, maar wel in zoodanige vereeniging, dat alle ledematen werden onderscheiden, zooals in een welgeschapen kind wordt vereischt.
Te Offidvm, een stadje van de mark Ancona, woonde een zekere Mancinus, wiens dochter, na een langdurig lijden, den geest had gegeven. Zij had de laatste een-en-vijftig dagen en nachten niet het minste voedsel, noch eten, noch drinken gebruikt.
De paters Minderbroeders, in wier kerk zij, op haar verlangen zoude worden begraven, waren, op het luiden der klokken, reeds gekomen om het lijk af te halen: als de vader op eenmaal dacht aan Nicolaas en hem zijne overleden dochter aanbeval.
NICOLAAS VAN TOLENTINO
0 wonder! Terwijl men om haar lijk treurt, staat zij levend en volkomen gezond op.
Joannes Golinus te Parma, had een zoon Venturinus genaamd die gehuwd was. Geruimen tijd reeds had deze in koortsen gelegen en alle hoop was eindelijk verloren; de geneesheeren hadden hem voor dood verlaten.
Eenige kennissen en kloosterlingen bezorgden, daar zij zagen dat hg dood was, alles, wat voor de beaardiging werd vereischt. Intusschen werd gedurende den nacht bij het lijk gewaakt.
Droefheid had, zooals men begrijpen kan, de huisvrouw van Venturinus overstelpt en onder bittere tranen smeekte zij den H. Nicolaas, dat hij toeh God zoude bidden, om het leven aan haar man terug te geven. Terwijl zij nu zat te bidden aan haar bed, zag zij eensklaps een wonderbare klaarheid, door het raam bg het bed, naderen. Zij nu in bigde ontroering, riep uit: »0 ja Heilige Nicolaas, kom uwen dienaar in dit uur te hulp!quot;
Niet lang daarna kwamen de Igkverzorgers, die bij den doode waakten, tot haar en zeiden: O! treur niet langer, want uw man leeft. Terwgl wg bij het venster zaten klonk ons zijne stem tegen, en wij hoorden hem zeggen: » Hoe schoon, hoe groot mijn God!quot; De vrouw vindt hem, dien zij reeds als dood had beweend, levend terug en het wonder verspreidt zich door de stad. Maar het dwaze ongeloof schudt het hoofd.
69
HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
Eenige naamhebbende lieden komen en ondervragen hem om hunne nieuwsgierigheid te bevredigen : »Gij zegt dat gy, door de verdiensten »van den H. Nicolaas van den dood tot. het »leven zijt teruggekeerd; vertel ons dan, waar »gij wel zijt geweest, toen uwe ziel van het »lichaam was gescheiden ?quot;
sToen ik, antwoordde hij, het leven verliet, »kwam ik in eene weide, welke met groenende »planten en geurende bloemen was bedekt. »Hier en daar waren rustplaatsen, met welrie-» kende kruiden bekleed, ter lengte en hoogte van »mgn lichaam. Dit alles verschafte mg, terwijl »ik daar zat en rustte, groot genot. Ja ik was »zoo van zoetheid vervuld, dat mg niets te gt;wenschen overbleef. Toen kwam een aller-»schoonst kind tot mij en ik werd verdrietig, »omdat ik vreesde, dat zijne tegenwoordigheid »mgn geluk zoude storen. En het zette zich op »mijne schouders neder en het was my zoo »wonderbaar zwaar, als wilde het misschien de »zwaarwichtigheid beteekenen van het leven, tot »hetwelk het mij had teruggeroepen. Na lang »bidden, verliet het eindelyk mijne schouders »en zijn gelaat schoot stralen en zijne kleederen »schitterden ; ja de stralen van zijn glans door-»drongen mij zoodanig, dat het mg scheen alsof »mgne ziel in het stralenlichb dér zon ware. »Lofgezangen ontvloden aan zijn mond en mg »werd eene vreugde medegedeeld, die mg de
70
NICOLAAS TAN TOLENTINO
»verlustiging, welke ik in de weide ondervonden »had, deed vergeten en mjj reeds de hemelsche gt;genoegens scheen te doen smaken.
gt; Vol bewondering vroeg ik dan, wie hij was; »en hij zeide mg: gt;Ik ben uw engelbewaarderquot;.
»Bedwelmd door dien glans, dien zang en »het genot van dat gesprek, keerde ik in het »lichaam terug, treurend, omdat ik zooveel » vreugde had verloren. Ik keerde tot het leven, » hetgeen ik had verlaten en ik verloor het geluk, hetwelk ik smaakte.quot;
Het bleek, dat op denzelfden stond, waarop de vrouw de klaarheid aan haar venster zag, de engel hem naar de aarde had teruggevoerd.
Eene vrouw te Sancto-Genesio, ging linnen spoelen in de rivier en nam haar kind mede. Het jongske viel bij ongeluk in het water en verdronk.
Het lijkje dreef weg en geraakte tusschen het rad van den watermolen, zoodat deze tot stilstand werd gebracht. De molenaars zien verwonderd op, dat de molensteen niet meer loopt; zij roepen en onderzoeken. Daar hooren zij de moeder, die haar kind beschreit en gilt: »Heilige Nicolaas, waar is mijn zoon, dien ik u zoo dikwijls heb aanbevolen?quot;
Eindelijk gaat men het kanaal voor het molenrad onderzoeken en men vindt het verdronken kind. Grooter smart grijpt nu de moeder aan en zij bidt den heiligen Nicolaas, opdat hij haar kind
71
72 HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
het leven wedergeve. Haar gebed werd verhoord; de moeder kon met haar kind, en met velen die getuigen waren geweest van het wonder, den terugtocht ondernemen.
Een man uit de burcht Belfort, niet ver van Tolentino gelegen, leefde in oumin met zijne vrouw. Deze was met geheel haar gezin de echtelijke woning ontvloden, waarop de man, door wauhoop aangegrepen, door ophanging een einde maakte aan zijn leven.
Toen nu de vrouw wederkeerde en hem daar vond, hangende aan een strop, kwam het berouw en zij berste uit in luid weegeklaag. Het lijk werd afgenomen. Men beproeft door alle middelen de levensgeesten op te wekken, doch vruchteloos. Dan bidt men tot den H. Nicolaas en doet beloften. Nauwelijks was dit geschied of de doode begint te spreken en prijst en verheerlijkt den Heilige die hem uit een schande-lijken dood, een nieuw leven had verkregen.
NICOLAAS VAN TOLENTINO
IX.
Terugblik. De wonderbare ster verschijnt op zijn graf. Inleiding tot zqne heiligverklaring.
auwelijks was Nicolaas tot een beter leven overgegaan of de eerbied voor den heilige en het vertrouwen in de groote macht, welke God hem had geschonken, groeiden van dag tot dag. De bede-vaait naar Tolentino nam steeds grootscher verhoudingen aan en was een breeden stroom van menschen gelijk geworden, voor elke aangelegenheid heil verwachtende en heil bekomende, door de voorspraak, van den vriend en dienaar Gods, wiens gebeente daar bleef rusten.
Er waren nu ongeveer vijf jaren verloopen sedert den dood van Nicolaas en het was een tijdperk geweest van voortdurende mirakelen, op zijne voorbede geschied.
De wonderbare ster, welke in zgn leven was verschenen, ten teeken zijner deugd, kwam ook na zijn dood, jaar op jaar, op den dag van zgn overgang van het aardsche- tot het hemelsche leven zgn graf verheerlgken, en deze verschoning bracht niet weinig bij tot opwekking van
73
HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
den ijver en de vermeerdering van het vertrouwen der geloovigen.
Waren de wonderwerken ontelbaar, nooit hadden zij in zoo groot getal tegelijk plaats, als in den nacht van Allerheiligen van het jaar 1310, wanneer van heinde en verre, vele zieken, ongelukkigen en lijdenden waren te saamge-komen, in de kerk, waar hij was begraven, om daar het oogenblik hunner genezing af te wachten.
Niet minder dan vijf-en-veertig wonderen hadden er in dezen merkwaardigen nacht plaats. De klokken der kerk begonnen als door ouzicht-bare handen bewogen, van vreugde te luiden en eene ongeloovige vrouw, die getuigen was van Gods wonderwerken, werd geloovig.
Eene adelijke vrouwe wier naam om de boosheid van haar misdrijf moet verzwegen worden, geloofde echter niet aan de macht van Nicolaas. Het gebeurde â terwijl de klokken luidden, om kennis te geven van de nieuwe wonderen, welke waren geschied â dat zij het durfde bestaan te zeggen: »Het is bedrog der paters; hij kan zoo min wonderen doen, als mijn zoon geen oogen hebben!quot; â Wreede moeder! â Nauwelijks heeft zij dat woord gesproken of de beide oogen van haar kind, dat gezeten was op de armen der voedster, vallen uit de kassen en hangen op de wang, zoodat de lieveling van zooeven, een monster gelijk was geworden.
74
NICOLA AS VAN TOLENT1NO
De voedster weent en huilt, de moeder weeklaagt en jammert; de vader wordt geroepen; het ongehoorde feit wekt stomme verbaasdheid.
Wat geschiedt er verder? De man verneemt den vloek, door zijne vrouw uitgesproken.; hij zal trachten de vervloeking in zegening te veranderen. »0 Heilige Nicolaas, roept hij uit, »sta mg bij in mijn klein geloof. Ons kind, onze »zoon, die blind is geworden door onze schuld, »zij, na door u te zijn genezen, voortaan de »uwe; hij zij uw dienaar; hij zij u geheel ge-»wijd; maar ook wij, wg willen uwe dienaren ijn. Daarom verstoot ons niet, en handel met pns volgens de groote liefde, welke de volkeren gt;an u verkondigen. O neen gij zult toch niet oor altijd gram tegen ons zijn! â Oefen uwe wraak uit door weldaden; geef ons blijdschap voor de droefheid, welke wij U hebben veroorzaakt!quot;
Het zoude hier blijken, welk een macht God aan zijn Heilige had gegeven. Op het weegeklaag der ouders, trekken de oogen van het kind langzaam op, tot zij in hun natuurlijken staat zijn wedergekeerd.
De dankbare ouders spoeden zich met groote geschenken naar het graf van den Heilige om hunne beloften jegens hem te vervullen.
Twintig jaren waren er nauwelijks over heengegaan , sedert dat de man Gods deze aarde had verlaten, of er werden reeds pogingen aan-
75
HET LEVEN TAN DEN HEILIGEN
gewend, om hem onder het getal der heiligen te plaatsen.
Vele staten, steden en plaatsen hadden zich te dien einde tot den H. Stoel gewend, bij monde van den Augustyner-abt Anselius met de magistraten van de gemeenten der Mark Ancona.
Paus Joannes XXII beval daarop in 1325, te Avignon, bij breve van 23 Mei 1325, den bisschoppen van Siniglaglia en Cesena en den abt van het St. Pieter-klooster te Perugia, de zaak te onderzoeken.
Dit onderzoek werd iu het consistorie van 5 December 1326 voorgebracht. Het was beschreven in een lijvigen foliant en zoude zeer waarschgnlijk de onmiddelijke heiligverklaring tot gevolg hebben gehad, indien niet de dood van Joannes XXII en meer nog de monsterachtige scheuring, welk toen den boezem der kerk van een reet, dit hadden verhinderd.
Ofschoon deze zaak nu geen voortgang kon hebben, bekoelde den ijver der geloovigen daarom niet. En ook de H. Stoel schgnt toestemming te hebben gegeven tot de openbare vereering van den uitverkoren man Gods, Nicolaas, op wiens voorbede dagelyks nieuwe wonderen plaats grepen. Reeds eene eeuw voor de heiligverklaring, schijnt hij, onder de zaligen te zijn gerekend. Want zeker is het, dat in de veertiende eeuw altaren en kapellen ter zijner eer waren opgericht en gebouwd, dat de pausen aflaten
76
NICOLAAS VAK TOLENTINO
hem ter eere hadden verleend en gewild, dat zijn feestdag, telken jare, plechtig zou worden gevierd.
Hoe het zij, toen de Augustijner-orde getuige was van die aanhoudende wonderen, deed zij nieuwe pogingen om de zaak der heiligverklaring wederom aanhangig te maken. Hare oversten wierpen zich neder voor Paus Innocentius VI smeekten dezen, dat hij een onderzoek zou doen instellen aangaande de wonderen, welke zich na het eerste proces hadden vermenigvuldigd.
De paus droeg dan in 1357, te Avignon een nieuw onderzoek op aan den kardinaal Aegidius Carillio, bisschop van Sabinen; doch de droevige tijdsomstandigheden, in welke de H. Stoel nog steeds verkeerde en de dood van Innocentius VI, welke in 1362 inviel, belette ook nu den voortgang van het proces der heiligverklaring.
Bleef alzoo de plechtige uitspraak van den onfeilbaren kerkvoogd, over de deugden en wonderwerken van Nicolaas, nog een onvoldongen feit: het volk zoowel als de pausen noemden hem reeds de Zalige, de Heilige en vereerden hem als zoodanig, dan ook openlyk.
Ancona was reeds in 1339 in het bezit van eene kapel, den zaligen Nicolaas toegewijd, in de kerk, welke de inwoners van de stad aan de Eremieten van den H. Augustinus hadden geschonken.
Te Pisa bestond in 1388 eene kapel met een
77
78 HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
altaar ter zijner eer gebouwd, waaraan een vaste kapelaan was verbonden. Maar ook de pausen bleven niet achter eu moedigden de godsvrucht der geloovigen en hunne vereering van den H. Nicolaas, door bijzondere gunsten en voorrechten, meer en meer aan.
Een der eersten, was Bonifacius IX. Buitengewone aflaten schonk hg reeds de le Maart 1391, het tweede van zijn pausschap en eenige jaren later, namelijk in 1400, stond hij toe, dat allen, die op den Zondag (1) onder het octaaf van den feestdag van den H. Nicolaas van To-lentino, de kapel van dien heilige aldaar zouden bezoeken, elk jaar denzelfden aflaat zouden deelachtig worden, welke aan het bezoek van Assisië, op het Portiuncula-feest, was verleend. Ook wilde dezelfde paus, dat de prior van het klooster te Tolentino met vijf paters, door dezen aan te wijzen, gedurende tien dagen voor het feest, biecht zoude hooren, voor den stroom van bedevaartgangers , ten welken einde hij hen, met uitgebreide macht ook wilde bekleeden. In deze Bulle, van 1 Maart 1400, trekt het bijzonder de aandacht, dat de Paus, sprekend over Nicolaas hem herhaaldelijk » den heiligequot; noemt, ofschoon de heiligverklaring nog altoos was onafgedaan.
1
N.l. van af de eerste vesper tot Zondag-avond.
NICOLAAS VAN TOLENTINO
X.
VERVOLG VAN DE WONDERWERKEN.
79
Een doode tot het leven opgewekt. Een gevangenen bevrijd. Schipbreukelingen gered. De wonderbare bloedvloeiing uit den arm van den H. Nioolaas. Drievoudig wonder.
et geschiedde dat twee gebroeders, Nu-zolus en Vannus vau Osimo, die te samen door Aquila gingen, werden gevangen genomen, omdat op hetzelfde uur, waarop zij daar waren gezien, een moord was gepleegd. Zij worden voor den schout der stad gebracht om hun vonnis te hooren. Ofschoon zg nu, bij hoog en bij laag, verzekeren, dat zij onschuldig zijn aan de gepleegde misdaad â hetgeen waarheid was â komen zij er toe, door de vreeselijkste pijnen gefolterd, te bekennen dat zij aan den moord, aan welken zij zelfs niet hadden gedacht, inderdaad schuldig waren. Want zij wilden liever sterven, dan zooveel pijnen doorstaan, als men hen aandeed, om de bekentenis van het misdrijf te ontlokken. Zij worden ter dood veroordeeld en wel om aan de galg hun leven te eindigen.
80 HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
De onschuldig veroordeelden stellen zich in de handen van Gods barmhartigheid en hevelen zich der verdiensten van den H. Nicolaas aan.
Wat geschiedt er verder?
Vannes is reeds opgehangen en na vier dagen komen de heulen, om ook Nozulus door een gelijken dood te straffen.
Toen de scherprechters hij Vannes zijn ge-gekomen , die reeds vier dagen aan de galg had gehangen en naar hunne meening reeds in staat van ontbinding moest verkeeren, ontdekten zg, tot hun niet geringe verbazing, dat hij nog leefde. Hij wordt dan afgenomen van de galg; een nieuw onderzoek wordt ingesteld en de rechter, in erkentenis van Gods tusschenkomst en die van den H. Nicolaas, stelt hem met zijn broeder in vrijheid.
Petrus Bonagratia van Matilica was beschuldigd van krijgsverraad. Hij wordt met zijne eedgenooten gevangen genomen, aan handen en voeten geboeid en in den kerker geworpen. Eene maand reeds hadden de beschuldigden in boeien gelegen, toen het vonnis viel, dat zij door den strop zouden worden omgebracht.
De ongel ukkigen echter roepen dag en nacht de hulp in van den H. Nicolaas. Deze verscheen hun daarop in den nacht, verbrak hunne boeien, opende den kerker en vergezelde hen tot buiten den burcht en sprak dan: »Ik ben Nicolaas dien gij met zooveel godsvrucht hebt aange-
NICOLAAS VAN TOLENTINO
roepen: volgt dezen weg en gaat naar mijn graf, om uwe belofte te volbrengen.
Een koopman van San-Genesio, ondernam met zijne moeder, in gezelschap van vele anderen «ene zeereis. Een zware storm stak op en de golven dreigden elk oogenblik het schip in te zwelgen. Elk der reizigers had zijne bijzondere devotie en vier heiligen werden door de verschillenden aangeroepen; zg echter die van San-Genesio waren, riepen Nicolaas aan, opdat hij de schipbreukelingen zou bijstaan.
Men beloofde aan elk der vier aangeroepen heiligen (Nicolaas was nog niet heilig verklaard) eene kaars. Nauwelijks hadden zij dit gedaan, of in de lucht, boven de zee verschenen vijf ontstoken kaarsen, wier vlam, hoe fel de wind ook blies, niet werd uitgedoofd. Deze kaarsen bewogen zich op- en nederwaarts en gingen voor hen uit, als waren het bezielde wezens. De reizigers zagen hierin een teeken, dat de kaarsen werden bewogen door diegenen, wier vermogende hulp zij hadden ingeroepen. En inderdaad, deze gebeurtenis mocht met recht een dubbel wonder heeten. Op de eerste plaats, dat de kaarsen zich, als de vuurkolom in de woestijn, door engelenkracht gedreven, voortbewogen; en ten anderen dat door de triomferende kerk eene vijfde kaars was ontstoken voor den heilige, die door de strijdende kerk
li
81
HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
nog niet in de rijen was opgenomen, als wilde zij te kennen geven, dat hij, die door den hemel op zoo voortreffelijke wijze werd aangewezen, ook op de aarde moest worden vereerd. Terwgl nu die kaarsen zich voortbewogen en brandden, werd de storm gebreideld en werd het stil, zoodat allen uit het doodsgevaar waren gered.
Wenden wij ons thans naar het klooster te Tolentino, want daar had in 1345 eene gebeurtenis plaats, een wonder, dat zich in latere tijden nog dikwijls zoude herhalen.
Veertig jaren na den dood van den heilige, hadden de kloosterlingen zijn stoffelijk overschot ontgraven en dit in eene kapel in een grafgesteente boven den grond geplaatst.
Een der leeke-broeders nu, een Convers, duitscher van geboorte, die koster in het klooster was, scheen bijzonder getroffen door de wonderen, welke daar, dag op dag, plaats hadden. Door misplaatste godsvrucht en geheel verkeerden ijver gedreven, wilde hij ook zijn vaderland deelachtig maken aan die hemelsche gaven: dus besloot hg, de armen van het lichaam van den heilige Nicolaas af te snijden en met dezen schat, zoodra mogelijk naar Duitschland te vluchten. Op sluwe wijze, wist hy dan, zekeren nacht, binnen te dringen in de kapel waar het heilig overschot werd bewaard; hg breekt de kist open en snijdt beide armen aan de ellebogen af.
82
NICOLAA8 VAN TOLENTIKO
Maar wat geschiedt? â
Nauwelijks heeft hij deze heiligschennis gepleegd, of uit de afgesneden armen begint, op wonderbare wyze bloed te vloeien en wel in die mate, dat het harder stroomde, dan of de armen van: het levend lichaam van den heilige waren gescheiden.
De broeder heeft reeds twee potten met bloed gevuld; hij beproeft het met watten te stuiten; dan wikkelt hij de armen in een altaardwaal, om ze zoo naar Duitschland te vervoeren.
Hij vlucht dan, zooals hij meent, loopt geheel den nacht door en waant zich, door een zinsbedrog, dat God in hem toelaat, in zijne vermoeidheid , reeds ver van Tolentino verwijderd. Maar als het dag wordt, ziet hij, dat hij nog in de kapel staat, waar de kloosterlingen hem, met den heiligschendenden roof in de band betrappen.
De paters, ontsteld over de gepleegde misdaad van den goedmoedigen dief, zijn, onder een vloed van tranen, alleen in de weer, om het bloed in vasen te verzamelen.
De broeder intusschen werpt zich op de knieën voor den prior en vraagt hem ootmoedig vergiffenis voor het gepleegde misdrijf. Hij ontrolt den altaardwaal, maar door een nieuw wonder is het bloed uit den dwaal verdwenen en in plaats van bloed verspreidt zich uit dezen, een welriekend manna.
83
HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
Het bloed dat in de vasen was opgevangeu werd als een kostbaren schat bewaard en een gedeelte werd onder verschillende aanzienlijke en hooge personen verdeeld.
Ter gedachtenis aan dit drievoudig wonder, werd in de kapel te Tolentino een gedenksteen geplaatst, die de feiten vermeldde.
Na dien beproefden roof der armen van den heilige hebben de Augustijnen twee prachtige reliekschrijnen van verguld zilver, met edelgesteenten versierd, doen vervaardigen, welke zijn gesloten, in een met ijzer beslagen kist, door eene zware keten omgeven en met drie sleutels gesloten, van welke sleutels, een bewaard werd door de Augustijnen, een andere door den magistraat der stad en de derde door het adellijk geslacht Maurito, om zoodoende voortaan tegen nieuwen diefstal te zijn beveiligd.
84
N1C0LAAS VAK TOLENTINO
XI.
Heiligverklaring van Nioolaas door Pans Eugenius IV. Siztus V verheft den feestdag.
oen Eugenius IV der pauselijken Stoel had beklommen en van zeer vele, zeer vertrouwens waardige mannen had gehoord van de heiligheid en de nooit onderbroken wonderen van Nicolaas, zoowel wat het getal, als de grootheid dier wonderen betrof, nam hij de onafgedane zaak der heiligverklaring, voor honderd twintig jaren reeds door Joannes XXII begonnen, op nieuw ter hand en bracht ze tot het gewenschte einde.
Het Florentijnsch Concilie was geëindigd; de Armeniers had hij tot de éénheid gebracht, vrede gesloten tusschen de Roomsche en Grieksche kerk, en Eugenius keerde naar Rome terug, waar hij met eer en lof werd ontvangen.
Den vijfden Juni, tweeden Pinksterdag 1446, had de groote plechtigheid plaats.
Van geheel de geestelijkheid omgeven, begaf de Paus zich, onder openbare gebeden, van den St. Pieter naar de kerk van den H. Augustinus en droeg daar de plechtige Mis op, in tegenwoordigheid van alle kardinalen, van vele prelaten en van het volk van Rome.
85
HET LEVEN TAN DEN HEILIGEN
Nicolaas was onder algemeene instemming der kardinalen opgenomen in de rij der heiligen en aan de vereering der geloovigen voorgesteld.
Deze zoo schoone dag, kon niet zonder nieuw blijk van Gods voorliefde voorbijgaan. Een kind, het zoontje van een fluitspeler viel, door het gedrang, van een brug in den Tiber, op het oogenblik dat de Paus naar de Augustijnen-kerk ging om de heiligverklaring van Nicolaas uit te spreken. Het kind wordt levenloos, door middel van duikers, opgehaald; maar nauwelijks heeft de vader eene belofte gedaan aan den H. Nicolaas, of tot aller verbazing, herleefde het.
Een soortgelijk wonder had te Venetië plaats. Daar vierde men in het Augustijner-klooster, gedurende acht dagen feest, wegens de plechtigheid, welke te Rome had plaats gegrepen. In die dagen nu viel daar een kind te water en de nabijzijnde waterval van een kanaal, dat als eene snelvlietende rivier zich daar uitstort, greep den jongen aan, zwolg hem in, en sleurde hem naar de diepte. Geheel den dag hadden schippers en beproefde zwemmers naar hem gezocht, doch hem nergens gevonden.
De brave moeder van het jongske had reeds veel gehoord van de uitgelezen wonderen, welke de H. Nicolaas wrochte. Zij nam, in allen ootmoed , tot hem haar toevlucht. En toen het avond werd, kwam, terwgl de golven voortstroomden, het verdwenen kind, op de plaats.
86
N1C0LAAS VAN TOLEHTINO.
waar het was weggezonken, voor aller oog, uit de de wateren te voorschijn en sprak zijne moeder aldus aan: »0 vrouw, mijne moeder, ik heb geheel drn dag doorgebracht bij een allerbeminnelijksten pater, die in glansrijk zwarte kleederen was gekleed en mij met een blij gelaat, in heilige aandoeningen heeft gestreeldquot;. De moeder kon hieruit gemakkelijk afleiden, dat haar jongske door tusschenkomst van den H. Nicolaas uit de wateren was opgedoken en op wonderdadige wijze aan den dood was ontkomen.
In de H. Mis zong Paus Innocentius, voor het eerst, het gebed, dat nog elk jaar, den vijfden Juni, feestdag van de heiligverklaring, in de H. Mis, door de Augustijner-paters wordt gebeden: gt;Geef, bidden wij u, almachtige God, dat uwe Kerk, welke in het einde der eeuwen, in uwe wonderbare Voorzienigheid schittert door de grootheid van deugden en wonderwerken van den heiligen Nicolaas, uw belgder: ook door zijne verdiensten en voorspraak, na verdwijning van alle dwalingen, in vrede en eendracht zich verheuge. Door onzen Heer Jesus Christus, uwen Zoon, die met U leeft en heerscht, in de eenheid van God den H, Geest, in alle eeuwen der eeuwen. Amen.
Wij laten hier de Bulle der heiligverklaring volgen:
87
88 HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
»Eugenins, Bisschop, dienaar der dienaren Gods. Aan . alle Geloovigen, welke dezen tegen-woordigen brief zullen zien, zaligheid en Apo-stolischen zegen.
Ofschoon de strijdende Kerk hier op aarde, met een kinderlijke en godvruchtige genegenheid de zegepralende-, in den Hemel eerbiedigt, ofschoon zij de deugden, den lof en roem der heiligen, voor zooveel de menschelijke broosheid toelaat, op de meest waardige wijze verheft; ofschoon zij gebeden en plechtige dankoffers tot luister en vereering der hemelbewoners opdraagt: zoo ontvangen deze daarom toch niet nieuwe volmaaktheid of meerderen roem en kan hun overzalig geluk door ons toedoen noch vermeerderd, noch worden versterkt. Evenwel, de barmhartige God gewaardigt zich door de voorspraak eu verdiensten der heiligen, die wij door passende plechtigheden vereeren op aarde, onze onvolmaaktheid aan te vullen, opdat wij, wat wij door eigen krachten niet vermogen, door hunne voorspraak mogen verkrijgen.
Dan, de God van eeuwigheid, die alleen groote wonderen wrocht, heeft in zgne oneindige wijsheid , zijnen waardigen dienaar Nicolaas van Tolentino, van diens jeugd af, opgevoed in de goedgekeurde orde der Eremieten van den heiligen Augustiuus, schitterend, door zuiverheid; vruchtbaar in goede werken door zgne liefde, uit duizenden uitverkoren, als een lichtend voorbeeld
NICOLAAS VAN TOLENTINO
gesteld en diens bijzondere voortreffelijkheid van leven bevestigd, door vele teekenen en haar kenbaar gemaakt, door vele mirakelen.
Dat de hemelen zich dan verheugen; dat de aarde zich verblijde; dat geheel de wereld met blijdschap vervuld zij, omdat de hemellingen, hem, die, in den tempel Gods heeft uitgeschenen, een ruim verblijf hebben geschonken in den hemel.
Want, toen deze gelukzalige man uit het leven is gescheiden eu zijn roem, met de bijzondere godsvrucht der geloovigeu, was aangegroeid: zoo heeft onze voorzaat, Paus Joannes XXII, zaliger gedachtenis, te Avignon met zijn hof zetelend, met zijne medebroeders {de kardinalen) gaan handelen over diens heiligverklaring, welke hij ook, zonder twijfel, zoude hebben voltrokken, indien niet de dood en de vreeselijke kerk-scheuring waren tusschenbeide gekomen.
Deze gelukzalige Nicolaas dan, werd van eerzame ouders te St Angelus-burcht, in het diocees van Fertno geboren. Hij schuwde het gezelschap der kinderen en begaf zich naar de kerken en de goddelijke diensten. En omdat wij de voortreffelijke werken van zijn schitterend leven niet wijd en breed kunnen nagaan: zoo willen wij toch eenige weinige, uit die vele daadzaken aanhalen, opdat de levenden daardoor, den hemelschen Vader verheerlijken, zooals het behoort.
89
HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
Die heilige nu, was nog slechts in jeugdigen leeftijd, toen hij reeds met grooten ijver voor het kloosterleven, zich oefende in de meest stipte gehoorzaamheid en de diepste nederigheid. Hg kastijdde zijn lichaam; hij was volhardend in vasten, waken en bidden; hij was godvruchtig, goedhartig, nederig, gehoorzaam, lieftallig, zachtaardig, vroom, geduldig, standvastig, bezadigd, ingetogen; hij wist velen te trekken, door den geur zijner deugden en hij was zoodanig een beoefenaar van het geloof, dat al zijne woorden en werken de kracht des geloofs ademden.
Hg was een vaste vertrooster van bedrukten en zieken, en eindelijk eerbaar, kuisch, zedig, oprecht en blijmoedig en aan den avond van zijn leven gekomen, mocht hij uit den hemel hooren: gt;Welaan goede dienaar, ga binnen in de vreugde des Heeren.quot; Zoo wast de graankorrel, na in de aarde gevallen en verrot te zijn, tot een vruchtbare koornaar op; zoo geeft de druiventros, in de wijnpers verpletterd, een overvloed van sap; zoo wordt het rijk der hemelen verkregen; zoo hebben de heiligen, door het geloof, den hemel gewonnen.
Doch het betaamde de grootheid van Gods goedheid, dat Hij door zekere getuigenissen zoude bewijzen, dat degene, die Hij met zoo uitstekende deugden had versierd op aarde, ook nu in den hemel was verheerlijkt. Immers God heeft hem roemrijk gemaakt door menigvuldige en aanzien-
90
nicolaas VAN tolentino
lijke mirakelen, niet alleen gedurende zijn leven, maar ook na zijnen dood; van welke mirakelen wij slechts de voornaamste, welke bewezen zijn, in dit schrijven zullen aanhalen, om de moei-lijkheid van de groote menigte te ontkomen.
Een man was zoodanig aan den linkerkant verlamd, dat hij hand noch voet op eenigerlei wijze kon bewegen, of door het linkeroog iets kon zien. Na vele middelen en zalven van vele geneesheeren te vergeefs beproefd te hebben, raakte de heilige de lamme zijde aan met het heilig kruis en gaf den zegen aan den zieke, waarop deze terstond van zijn bed opstond, ziende werd en geheel was genezen.
Eene vrouw, die reeds gedurende drie jaren voortdurend had geleden aan eene bloedvloeiing, kwam tot Nicolaas, kuste hem eerbiedig de hand en smeekte hem, dat hij tot God voor haar herstel zoude bidden. De heilige maakt het kruiateeken over haar en zij gaat genezen naar huis. Dit geschiedde voor zijn dood.
Na zyn verscheiden is het geschied, dat een kind in den loop van een watermolen was gevallen en daar tusschen bet rad was blijven liggen, gedurende zooveel tijd, als iemand voort-wandelende noodig heeft, om eene mgl gaans afteleggen. Na veel moeite werd het levenloos opgehaald.
De moeder had intusschen de belofte gedaan, dat, indien haar kind, door de voorspraak van
91
HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
den gelukzaligen Nicolaas het leven terug ontving, zij hetzelve op het graf zoude kleeden in het habijt der kloosterlingen. En het kind herleefde door de hulp des heiligen.
Bovendien werd een man levend, die in zijn huis verhangen en dood werd gevonden, en leefde nog lang daarna, nadat zijn vrouw, door gebeden en beloften, de voorspraak van den zaligen Nicolaas had ingeroepen.
Zeer talrijk zijn de mirakelen, die hij zoowel tijdens zijn leven als na zijnen dood heeft verricht ; vele personen, van beider kunne, heeft hij van den dood doen opstaan; aan blinden heeft hij het gezicht weergegeven en hen van oogziekten genezen. Gekrompen en uitgerekten van ledematen en kreupelen heeft hij opgebeurd, lammen het gebruik hunner leden wedergegeven; bezetenen verlost, gevangenen bevrijd, ingeker-kerden door verschoningen en openbaringen de deuren ontsloten; hij redde in den val, bij verplettering, bij schipbreuk, in slavernij, bij verlies van goederen, bij koortsen, bij tering, bij waterzucht, bij podagra, bij pijn in de lenden, bij maagpijn, hartkwalen en andere zieken en gaf de gezondheid weder: in het geheel drie honderd en een wonder, tot wier staving drie honderd een en zeventig getuigen zijn gehoord geweest, in registers beschreven en ons in openbaar Consistorie medegedeeld.
Vermits dan door deze en andere wonder-
92
NICOLAAS VAN TDLENTINO
werken, de heiligheid en kracht van zijn christelijk geloof wordt bevestigd; zoo komt het volk, waar de tong der mirakelen spreekt, van alle kanten tot ons geloopen; de roem en de godsvrucht is aangegroeid; de Heer wordt geprezen om zijne heilzame genaden en men dankt den oorsprong van onze zaligheid.
De algemeene en groote stem des volks heeft zich over dit alles reeds doen hooren en de jubeltonen van vele kerkvoogden hebben als een donder in ons oor geklonken en ons bewogen, om een onderzoek, in onzen naam, daarover intestellen. Vooraf hebben wij onzen Eerwaarden Broeder Joannes, bisschop van Prceneste, en onzen beminden zonen Joannes, kardinaal-priester, van den titel van den H. Laurentius, in Lucina, en Prosper, kardinaal-diaken van den H. Gre-gorius, van het Gulden Vlies, opgedragen, nauwkeurig te onderzoeken, wat er waarheid was van al het voorgaande en van den voortduur der mirakelen.
Uit dit verslag is de waarheid, ook wat deu voortduur der mirakelen betreft, bewezen en heeft Ons en onze eerwaarde Broeders, de Kardinalen der H. Roomsche Kerk, het wonderbaar leven van dien heilige, door de mirakelen en roemvolle verdiensten doen kennen.
En omdat wij grootere en meerdere bewijzen van den heilige hebben ontdekt, dan aanvankelijk waren voortgebracht, hebben wij, â in overleg
93
HET LBVEN VAN DEN HEILIGEN
met-, en onder goedkeuring van voornoemde broeders, in tegenwoordigheid van zeer vele voogden der Kerk, steunende op het gezag van God almachtig en van de heilige apostelen Petras en Paulus en de macht Ons verleend, â denzelfden H. Nicolaas onder het getal der heilige belijders gemeend te moeten aanteekenen. Daarom manen wij u allen aan en wekken u zorgvuldig op, u bevelende door het bevelschrift van dit Apostolisch schrijven, dat gij den tienden September , op welken dag de heilige tot den fleer is opgegaan, zijn feestdag godvruchtig en plechtig zult vieren en door allen op waardige wijze doet vereeren, opdat gij door zijne goedgunstige voorspraak, hier in dit leven moogt bevrijd big ven, van al wat schadelijk is, en in het andere leven de eeuwige vreugde moogt verwerven.
En opdat de menigte der Christen-geloovigen, met te meer ijver, op zijn graf samenstroome, en den feestdag van dezen belgder met meer luister viere, verleenen Wij, steunende op de barmhartigheid van den almachtigen God en op het gezag van zijne apostelen Petrus en Paulus, eenen Aflaat van zeven jaren en zeven quadra-genen, jaarlijks aan allen, die meteen oprecht leedwezen gebiecht hebbende, op den feestdag met godsvrucht en eerbied zijn graf zullen hebben bezocht, om zijne voorspraak in te roepen.
Gegeven te Rome bij Sint Pieter, in het jaar Onzes Heeren duizend, vierhonderd zes-
94
NICOIiAAS VAN TOLENTINO
en-veertig, den eersten Februari, het zestiende jaar van ons Pausschap.quot;
Zoo was Nicolaas dan door het onfeilbare gezag van Christus ötedehouder verklaard, een heilige te zijn. Geen wouder dan ook, dat paus Eugenius hem den grootsten eerbied toedroeg, en altijd en bij elke gelegenheid met den meesten lof van hem sprak, ja hem Thaumaturgus, Wonderwerker noemde.
Diezelfde paus schreef ook voor, dat de heilige Nicolaas zou worden afgebeeld in het zwart habijt van zijne Orde, met een ster op de borst, dragende in de linkerhand een boek met de woorden: gt;Ik heb de geboden mijns Vaders onderhouden en ik blijf in zijne liefde,quot; en in de rechterhand een kruisbeeld en een lelietak, waardoor zyne strenge boetvaardigheid en engelachtige zuiverheid werden beteekend.
Ook moest een stralende zon schijnen in zijne rechterhand, ten teeken van zijne groote en verheven wonderwerken, welke zoowel in de nieuwe- als in de oude wereld zijn naam luistervol hebben gemaakt en dien in eere gehouden van geslacht tot geslacht, door zoole eeuwen.
95
Men zal zich wellicht afvragen, waarom in het proces der heiligverklaring spraak is van driehonderd-en-e^Vi mirakel ?
1) Joaa. XV ; 10.
HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
Torelli geeft hierop ten antwoord. Do advo-kaai-conistoriaal had drie honderd mirakelen, zonder eenig bedenken, als in een adem, uit het hoofd opgenoemd, waarop de paus, die dit feit als een nieuw wonder beschouwde, bevel gaf, het bij de drie honderd te voegen.
Volgens sommige schrijvers nam de opvolger van Innocentius IV, de kardinaal Thomas de Sarcana, uit eerbied Voor den H. Nicolaas van Tolentino, dien naam aan. (1) Zeker is het, dat het gebed, door Eugenius, voor de eerste maal, ter gelegenheid van de heiligverklaring, in de Augustijnen-kerk gezongen, om door de voorspraak van den heilige, de vrede en eendracht in de kerk van God aftesmeeken, op eene zichtbare wijze is verhoord geworden.
Sixtus V, die later den Stoel van Petrus beklom, heeft het openlijk erkend, zooals uit de Bulle van 23 Januari 1585 blijkt.
Dit pauselijk stuk luidt aldus:
Sixtus, Bisschop, Dienaar der dienaren Gods. Tot eeuwige gedachtenis.
96
gt; De algemeene, heilige, Roomsche Kerk heeft gewild, dat de uitverkorenen, welke de almogende God in den hemel kroont, en in het licht van zijn aanschijn als de zou doet schitteren, op aarde, geheel het jaar, worden gevierd met godsvrucht en wonderbare eerbewijzen, maar
1
Platina meent echter van Nicolaas Albergate.
NICOLAAS VAN TOLENTINO
vooral op deu dag, waarop het hun gegeven was, het rijk der hemelen in te gaan, opdat de geloovigen, ontstoken door de roemrijke herinnering en ontvlamd door de voorbeelden, er gemakkelijker toe komen , door de beoefening van goede werken en gesteund door de voorspraak der heiligen, de majesteit Gods te erkennen in de heiligen en Deszelfs gunsten gemakkelijker te verwerven.
Tot dit lofwaardig getal van heiligen behoort ae H. Nicolaas van Tolentino, over wiens leven, wandel en heiligen dood de Tolentiners zich beroemen. Want, den Regel der Eremieten van den fl. Augustinus aangenomen hebbende, heeft hij zijn leven in zoo groote zuiverheid en deugd doorgebracht, dat de heiligheid van dien man wijd en zijd, tot in de verschillende gewesten der aarde, ja tot in West-Indië, is doorgedrongen en zich heeft verspreid.
Door de teekenen dezer wonderen, waardoor de onuitputbare goedheid Gods, tijdens het leven, als na den dood heeft willen werken, werden weleer de Roomsche Pausen, onze voorzaten, Joannes XXII en Innocentius, roemrijker gedachtenis, bewogen om hem onder het getal der heiligen op te nemen en later heeft Paus Eüge-nius IV zaliger gedachtenis, hem op plechtige wijze op de naamrol der heiligen geplaatst.
Na zijne heiligverklaring is dat roemrgk en
7
97
98 het leven van den heiltgen
groot wonder geschied, te weten: dat de Rootn-sche Kerk, reeds meer dan vijftig jaren, door twisten en scheuringen hevig gekweld, door de verdiensten en door de voorspraak van dezen heiligen man, van dwalingen is verlost en, tegen alle verwachting, een vollen vrede heeft verworven. Daarom wenschten wij, die in mindere waardigheid geplaatst, de Kerk van Fermo hebben bestuurd, in welk diocees het stadje van Sint Angelus, de geboorteplaats van den H. Ni-colaas , is gelegen, voor zooveel onze krankheid toelaat, den naam en de heiligheid van den gelukzaligen Nicolaas door passende eerbewijzen op te luisteren en bevelen diensvolgens, door deze onze constitutie, dat voortaan de feestdag van meergemelden roemwaardigen belgder, den H. Nicolaas, den tienden September worde gehouden , met dubbel en eigen officie en dat daar, waar geen eigen officie bestaat, het algemeen officie van de Belijders, geen bisschoppen zijnde, zal genomen worden, en dat die feestdag aldus gevierd worde in alle kerken van geheel de christen wereld, alle jaren en in alle toekomende tyden, en dat hij in den roomschen kalender met by voeging van dubbel feest zal worden aangeteekend.
En zoo men op eenige plaats den voornoemden feestdag van den heiligen Nicolaas gewoon ware, op eene meer plechtige wijze te vieren, door den ijver der geloovigen of bij beschikking
NICOLAAS VAN TOLENTINO
of toelating van het kerkelijk gezag, die gewoonte daar geheel in wezen blijve.
Wij bevelen aan alle Patriarchen, Aartsbisschoppen, Bisschoppen en andere Oversten der H. Kerk in de uitgestrektheid der wereld aangesteld , dat ieder in zijne kerken, gewesten, steden en bisdommen, deze onze tegenwoordige Brieven plechtig tal doen afkondigen en doen nakomen door alle seculiere geestelijke personen en door alle reguliere orden hoe ook genaamd, ook indien deze feestdag in de laatste veranderingen van het Brevier en Missaal niet zoude zgn aangeteekend.quot;
Gegeven te Rome bij St. Pieter, in 't jaar onzes Heeren 1585, den 23 December, het eerste van ons Pausschap.
XII.
Vele dooden worden tot het leven opgewekt.
s#
e Monte-Rot undo werd een man op den weg door zijne vijanden overvallen. Daar hij hunne handen niet kon ontkomen , bad hij hen bij de liefde Gods en van den H. Nicolaas, dat zij, alvorens hem te dooden, eenen priester zouden roepen, wien hij zijne biecht konde spreken.
1) Mont' Ortona.
99
100 HET LEVEN VAN DKN HEILIGEN
De booswichten weigeren zulks en doodden hem, terwijl hij zich aan God en den H. Nico-laas aanbeval. Toen zij zagen, dat het leven in hem was geweken, sleurden zij het lijk voort en wierpen het in een put, welks water kookte en daar uit den bodem opwelde. Het lichaam verdween in de diepte en bleef acht dagen verborgen. Den achtsten dag kwam de H. Nicolaas in zijn habijt gekleed en wekte den vermoorde op uit den put. Te middernacht kwam de verrezene te Monte-Rotundo aan en riep dat men hem de poorten zoude openen. Als dit geschied was, trad hij zijne woning binnen, waar zgne echt-genoote en kinderen hem onder veel tranen ontvingen, fly nu plaatste zich bij het bed; vroeg eenen priester, wien hij zijne zonden beleed; ontving de H. Teerspijze en het H. Oliesel, maakte zijn testament, nam dan afscheid van vrouw en kinderen en van al de overigen. Dan openbaarde hg, hoe de H. Nicolaas hem tot het leven had opgewekt, hem had bewaakt en naar zijne woning geleid en in het derde uur, na de opwekking gaf hij den geest.
Toen men hem daarna op de lijkbaar had gfelegd, waren het slechts witte beenderen zonder eenig vleesch, welke beenderen volgens Jordanus in zgn tijd nog werden bewaard, om het wonder hetgeen was geschied.
Een meisje, Philippine Barachi van Fermo, lag in zware koortsen. De moeder riep, met
NICOLAAS VAN TOLENTOO
groote vurigheid Nicolaas aan en deed hem ter eere, eeue belofte. Maar helaas het kind sterft, tot zoo groot verdriet van de moeder, dat geen pen in staat is, hare smart te beschrijven.
Niettemin, nog wanhoopte zij niet, maar beval zich andermaal met groot vertrouwen den heilige aan. Toen de door droefheid uitgeputte vrouw zich ter rust had begeven, verscheen haar de H. Nicolaas, die haar troostte en zeide: »Goede vrouw, wil niet treuren, want uw dochtertje is niet dood, maar leeft. De ontwakende vrouw springt van hare legerstede op; zij snelt naar de plaats, waar haar kind ligt, maar vindt het dood, als te voren.
Opnieuw galmt haar geschrei en weêgeklaag. En als nu de geestelijken, onder welke vijf Augustijnen, waren gekomen, om het Igk af te halen naar de kerk en de kist reeds buiten werd weggedragen, viel de bedroefde moeder, als onzinnig en razend in de heiligschennende verwijten uit: »0 gij heilige Nicolaas, bedrieger, gij hebt mij misleid; want gij hebt mij dezen nacht gezegd, dat mgne dochter niet dood, maar levend was; en zie nu, daar wordt zij naar den grafkuil heengedragen; en mij, mij blijft geen hoop, haar ooit te zullen wederzien!quot; Terwijl de wanhopige vrouw deze dwaasheden uitstiet, richtte het doode kind zich op, zoodat het op de lijkbaar was gezeten en berispte zijne moeder, zeggende: »Zwijg o moeder, want ik
101
102 HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
ben niet dood, maar leef!quot; En het kind keerde met de berouwhebbende moeder naar huis terug, leefde vele jaren, huwde en werd op zijne beurt moeder van een talrijk kroost, zooals uit het proces der heiligverklaring kan blijken.
Een geleerd en heilig pater, de Florentgner Antonius Dulciatus, verhaalt ons nog een groot wonder, dat te Grenoble is geschied.
Een edelman' leefde met zijn godvruchtige vrouw reeds jaren, maar nog alt\jd was het huwelijk kinderloos gebleven, tot zijne niet geringe droefheid en spijt.
Op zekeren dag sprak hij hierover een Augustijner-pater, die een warm vereerder was van den H. Nicolaas. Deze gaf hem daarom den raad, onder de een of andere belofte, de bescherming van den Heilige in te roepen.
De edelman was hiertoe gemakkelijk over te halen en hij beloofde onder eed, dat hij, indien het kind, dat zoude geboren worden, een jongen was, hem den naam van Nicolaas zoude geven, den feestdag van den heilige zoude vieren en op dien dag, aan een groot getal arme lieden, in zijn huis een maaltijd zoude bereiden. De heilige verhoorde de belofte. Na eenige maanden werd een kind ten doop gedragen, dat den naam van Nicolaas ontving.
Voor de tweede maal was de dierbare kleine verjaard. De feestdag van St. Nicolaas brak aan, maar de vreugde-zon, zoo heerlijk opgegaan,
NICOLAAS VAN TOLENTINO
zoude door een droevig lijkkleed worden omtogen. De ouders woonden, volgens belofte, de plechtigheid bij der kerk; daarna zouden zij in huis met hunne vrienden en met de genoodigde armen feest vieren.
Terwijl zij in de kerk zijn, loopt het kind onbewaakt in de keuken rond en valt in een kokenden ketel. Als zij te huis zijn gekomen, zoeken zij overal hun kind; maar vergeefs. Eindelijk, terwijl de kok het vleesch uit den marmiet wil ophalen, heeft hij het gekookte kind aan den vork.
Wanhoop grijpt de moeder aan; zij wil zich uit het venster neerwerpen, maar de omstaan-ders weerhouden haar. De vader echter, die zijne zinnen bij elkander hield, ging in ?ijne kamer, viel voor de beeltenis van den H. Ni-colaas op zijne knieën en riep, onder een stortvloed van tranen, de hulp van den heiligen patroon in.
Daar nog in gebed verzonken, komt een bediende hem boodschappen, dat een Augustijner-pater is aangekomen, die hem wenscht te spreken. De pater wordt binnengelaten en hij beveelt allen, goeden moed te hebben; hij legt het kind op de tafel, past alle ledematen van het verminkte lichaam op hunne plaats ; bidt eenigen tijd met geheel de familie; staat dan op en roept het doode kind, in naam van God, terug tot leven. Op denzelfden oogenblik herleefde het
103
HET LEVEN TA» DKN HEILIGEK
kind en was volkomen gezond. Hij echter, die het kind aan de bigde ouders en familie had weergegeven, was verdwenen.
Niet minder belangrijk is het volgende feit, door .denzelfden schrijver opgeteek?nd, hetgeen is geschied te Empoli aan de Arno, tijdens dat de hongersnood ia Etrurie zijne verwoestingen aanrichtte.
Eene arme, doch brave weduwe, had geen middelen meer om in het onderhoud van hare drie kinderen te voorzien. Zij leed broodsgebrek.
Het was ter keunis gekomen van een rijkaard. Deze bood de arme vrouw al het noodige aan, mits zij de onreine liefde, waarvan hij blaakte, wilde dienen.
Zulk een gruwel deed echter de weduwe terugdeinzen en zij verklaarde liever te willen sterven, dan aan zulk een prijs brood te koopen.
Intusschen sterft een barer kinderen en een gelijk lot wachte ook de beide anderen. Vol bezorgdheid wendt de moeder zich nu tot den H. Nicolaas en bidt hem onder heete tranen, dat hij haar toch in zoo grooten nood zoude bijstaan en niet zoude gedoogen, dat zij door broodsgebrek gedreven, in zonde zoude vallen.
Terwijl zij bidt, wordt aan hare deur geklopt. Zij vreest echter, dat het de belager harer deugd is en twijfelt om te openen. Maar onder aanroeping van den heilige, wiens beeltenis zij op haar hart verbergt, snelt zij naar de deur.
104
mcOLAAS VAN TOLENTINO
Nadat de grendels zijn afgeschoven, ziet zij daar een kloosterling, een Augustiju, voor zich, die haar toevoegt: »Ik weet, mijne dochter, dat gt;gij met uwe kinderen in groote behoefte ver-»keert en daarom heb ik o eenigen onderstand gt;gebracht!quot; En meteen gat hij haar een zak, gevuld met brood, onder de woorden: » Ziedaar, »neem dien zak en eet met uwe jongens van het »brood, hetgeen hij bevat en vrees niet: want gt;de goede God wil niet, dat u iets ontbreke.quot;
De verheugde moeder neemt den zak aan en plaatst dien achter de deur; zij wil zich vervolgens tot haren weldoener wenden om hem te bedanken, en daar zij niemand meer zag, begreep zij, dat de H. Nicolaas zelve het was geweest.
Nadat den honger was gestild, dacht de moeder ook aan haar gestorven kind. Als door eene hemelsche ingeving bewogen, legt zij een stukje van dat brood in den mond van het doode kind. En zie, nauwelijks heeft zij dit gedaan, of het kind herleeft en eet en verzadigt zich zooals de anderen.
Bij deze wonderwerken ontving de brave vrouw nog eene nieuwe weldaad. Toen namelijk het brood langzamerhand verbruikt was, vond zij op den bodem van den zak zooveel geld, dat zij gedurende al den tijd, dat de hongersnood woedde, haar gezin kon voeden en in stand houden.
105
HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
Wij zullen eenige opwekkingen van den dood tot het leven, door de voorspraak van den H. Nicolaas verkregen, voorbijgaan, om alleen, indien men zoo spreken mag, deze uit te kiezen, welke onzer zoovelen, meer bijzonder de aandacht trekken.
Onder deze neemt eene vooruame plaats in, het wonder aan den kamerdienaar van Giacco of Jacobus, koning van Cyprië geschied.
Toen Giacco eens, na het eten de handen had gewasschen en om ze gemakkelijker af te drogen, zijn koninklijken zegelring had neergelegd op den rand der zilveren schotel, die van alle kanten was verguld en in welke, uit een gouden kruik het water op de koninklijke handen stroomde, ging de ring verloren.
De dienaar had niet bemerkt, dat de koning den ring op het waschbekken had gelegd: en zoo gebeurde het, dat hij den ring, met het waschwater wegwierp. Een uur was er over heen gegaan, toen de koning aan zijn zegelring dacht en dien aan zijn dienaar vroeg. Deze echter wist hoegenaamd niets van de zaak en bevestigde dit met eerbied, maar niettemin met waardigheid.
De koning ontsteekt hierop in toorn en zich zeiven niet meester, beveelt hij, dien kamerdienaar onmiddelijk op te hangen.
Volgens katholiek gebruik werd den ongelukkige eenen priester toegevoegd, om hem in
106
NICOLAAS VAN TOLENTINO
de laatste oogenblikken bij te staan. Het was de Augustijner-pater Guilielraus, biechtvader des konings. Als deze de onschuld van den man had vernomen, raadde hij hem aan, met een bijzonder vertrouwen en in alle godsvrucht tot den H. Nicolaas zijnen toevlucht te nemen.
De dienaar des konings volgde den raad van zijnen biechtvader nauwgezet op. Een weinig later werd hg naar de strafplaats geleid, waar de galg was opgesteld. Want het koninklijk besluit was onherroepelijk en moest aanstonds worden volbracht. De scherprechter grijpt hem aan en knoopt den dief van den zegelring des konings aan de galg.
Als het avond is geworden en de lichten ia de eetzaal zijn ontstoken, schittert de ring van verr^ op den grond. Een der dienaren neemt hem op en brengt hem den koning.
Hevige zielesmart greep Giacco aan, toen men hem zijn ring wederbracht en gefolterd door de diepste verwijten, gaf hij eensklaps bevel, dat men den, des morgens opgehangen dienaar, zoo spoedig mogelyk van de galg zou afnemen. Men liep heen, sneed hem af; en.... hij leeft. Voor den koning gevoerd en door dezen 'ondervraagd, op welke wijze, hij de levensgeesten had bewaard en den dood was ontvlucht, antwoordde hg met allen eerbied en welwillendheid: door den wonderbaren bijstand van den H. Nicolaas van Tolentino te zijn ontkomen, niet
107
HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
alleen aan de diepste diepten des doods, maar zelfs aan het voorportaal van het andere leven.
Aan dit wonder ontleende de gewoonte van het Cyprische volk, van alle Woensdagen te gaan bidden voor het altaar van den heilige, zynen oorsprong. Want, bij het vallen van den avond van dien dag, was het geschied.
Ook te Bologne geschiedde een dergelijk wonder. Een zekere Petrus, aldaar woonachtig, had een diefstal gepleegd en werd door het gerecht, nadat hij reeds vele lijfstraffen had ondergaan, ter dood veroordeeld.
Toen de schuldige naar de strafplaats werd geleid, wendde hij zich tot den H. Nicolaas en bad dezen, van hem toch van een zoo schan-delijken dood te bevrijden. Hij voegde daarbij de belofte van het kloosterkleed, hetgeen Nicolaas bad gedragen, te zullen aannemen, om hem geheel zijn leven voortaan , door een heiligen wandel te vereeren.
Men kwam by het schavot, hij beklom de ladder en den beul hing hem op, plaatste zijne voeten op de schouders van den gerichten dief, om den dood spoediger te doen intreden. De ongelukkige had daar twee-en-twintig uren gehangen , toen de beulsknechten kwamen om hem te begraven.
Wie zal hunne verbazing beschrijven, als deze, na hem afgenomen te hebben, zien, dat hij leeft! Gehee! de stad loopt te samen op deze
108
NICOLAAd VAN TOLENTIKO
gebeurtenis. De rechters vragen hem, hoe het komt, dat hij nog leeft en hij zegt: »Ik heb den H. Nicolaas van Tolentijn aangeroepen en deze is mij aanstonds te hulp gekomen; want, toen ik was gehangen, heeft de heilige mg met zijne handen ondersteund op zulk een wyze, dat het mij scheen of ik zacht sliep en niet leed.quot;
Toen het wonder overal bekend was, ging de man naar de kathedraal der stad; nam daar het kleed van de Augustynen aan en ontving van den Prior, Joannes de Ripa, den naam van Nicolaas, in gedachtenis van de groote weldaad, hem bewezen.
Als hy nu in deze kleeding, omstuwd door vele Eremieten en eene groote menigte volks naar het St. Jacobs-klooster zoude gaan, kwam hij voorbij het paleis van den magistraat, waar eene kapel, Maria toegewijd, stond. Daar knielde hg neder om te bidden en sommigen uit het volk, door dwaze en misplaatste godsvrucht gedreven , vielen op hem aan, scheurden het zwarte habijt in duizend flarden van zijn lichaam, om een aandenken te hebben van het wonder, hetgeen had plaats gegrepen.
De zoo bevoorrechte man was echter weinig dankbaar voor de groote gunst, welke hem was geschonken. Langzamerhand kwam, zooals de geschiedschrijvers zeggen, de bedorven natuur wederom boven, zoodat het noodig was, hem uit de Orde der Eremieten te verdrijven.
109
110 HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
XIV.
Het gebruik van het brood, ter eere van den H, Nicolaas gezegend. â Zijn oorsprong. â Zegening en Uitdeeling is den Augustijnen voorbehouden.
ivilli an allen, die meer van nabij op de hoogte zijn van de gebruiken der H. Kerk, is het bekend, dat hetzegenen
J t) van verschillende dingen niet dagteekent van vandaag of gisteren.
Zoo, om van vele anderen niet te gewagen, zegenen de dienaren der H. Kerk, onder goedkeuring van het hoogste kerkelijk gezag, brood, vooral met Paschen; zij zegenen brood ter eere van den H. Machutus, ter eere van H. Blasius en zooals in onze gewesten gebruikelijk is, ter eere van den H. Hubertus. Zoo ook zegenen zij water ter eere van den H. Ignatius, van den H. Albertus, van den H. Raymundus Nonnatus, van Vincentius Ferrerius, van Willibrordus, van Vincentius a Paulo, van de H. Adelhaidis en anderen.
Een dergelijk gebruik van het zegenen van brood en kleederen ter eere van den H. Nicolaas van Tolentino en van rozen ter eere van de
N1C0L4.AS VAN TOLENTINO 111
zalige Maagd Rita van Cassia, om door hunne voorspraak de genezing en de voorkoming van ziekten en ongevallen te verkrijgen, bestaat sedert onheugelijke tijden in de Orde der Eremieten van den Augustinus.
Dwaasheid is het voorzeker, met soortgelijke zegeningen den spot te drijven en slechts onkunde , kwaden wil of verregaande lichtzinnigheid kunnen als bronnen van zooveel vermetelheid worden aangemerkt, vooral indien men dien flauwen spot moet hooren van sommige lieden, van wie men dezen het minst zoude verwachten. Want wat de H. Augustinus zegt aangaande den zegen, mogen wij ook hier toepassen: gt; Bij den zegen moet men zich vernederen en ziel en lichaam buigen: want ofschoon de zegen u door menschen wordt gegeven, komt hij echter niet van menschen. En geeft er ook geen acht op, gaat hg voort, dat hij, die den zegen geeft, onachtzaam is; maar slaat alleen het oog op den Heer. die u de weldaden overzendt. De zegen toch, welke u wordt gegeven, is een hemelsche dauw en regen, zooals Mozes zegt.quot; (1)
En elders: »Ofschoon iemand heilig zij, moet hij toch het hoofd buigen om den zegen te ontvangen ; en wel omdat het niet iets, den priester eigen is, maar eene vinding Gods.quot;
Wat nu het gebruik van het St. Nicolaas-broo'd aangaat: het bestaat reeds velen honderden
1
Sermo de Or. intra eccl.
HET LEVEN VAK DEN HEILIGEN
van jareu, werd door de Kerkelijke Overheid goedgekeurd eu door ontelbare mirakelen in zijn bestaan bevestigd.
Zooals wij hebben geaien, verscheen de H. Maagd aan den ter dood kranken Nicolaas en schonk hem herstel, door dat hij een weinig van het gebedeld brood en dit in water gedoopt, had genuttigd.
Van dit brood, op aanwgzing van de goede Moeder Maria verkregen, deelde de H. Nicolaas, zooals verschillende schrijvers verhalen, ook aan andere zieken mede; en zooals hij zelf de wonderdadige kracht van dit brood bad ondervonden, zoo schonk het ook hun de verloren gezondheid.
Toen nu dit brood was verbruikt en de burgers van de stad zijner inwoning, zooals die der omgelegen plaatsen, hem nog altijd vroegen om dit heilzaam geneesmiddel, deelde hij ander brood uit, na dit eerst te hebben gezegend.
Had hij het gedaan gedurende geheel zijn opvolgend leven: na zijn dood zegenden de prioren van het klooster te Tolentino dit brood, hetgeen een bijzonder redmiddel was in alle ziekten en tegenheden. Zoo althans luidt de overlevering.
Moge deze nu al vatbaar zijn voor eenige tegenspraak, de geleerde Bollandist Constantijn Suyskens van de Societeit van Jesus zegt echter, niet te twijfelen, dat, wanneer dan ook, de gewoonte van deze brood-zegening zij begonnen,
112
KIOOLAAe VA» TOLEMTHIO. 113
deze buiten allea twijfel zgn oorsprong heeft genomen in de ironderibare genezing vaa. den Heilige, door het gebruik va» bet wonderbare brood verkregen.
Dit althans is geheel xeker, zegt de Augug» tyner-psuter Nicolaas «ie Toaabeur, wiens naam geen onbekeade is ia de geletterde wereld v dat Eugenius IV na de heiligverklaring van den H. Nicolaas van Tolentino, door eene uitdrukkelijke Bulle van het jaar 1446, de gewoonte dezer broodzegening, zij het, als reeds vroeger ingevoerd, heeft goedgekeurd; zij het, opnieuw toestemmiug heelt verleend aan de kloosterlingen van de Orde der Augustijnen-Eremieten, tot het plechtig zegenen van brood ter eere van den H. Nicolaas, vooral den 10 September, zij iien feestdag.
En de Congregatie der kardinalen heeft her-haaldelgk in 1622 en 1627 verklaard, dat niemand , zonder de uitdrukkelijke machtiging van de Oversten der Augustijner-Orde, dit brood kan zegejaen, noch uitdealen.
Waarschynlgk, zegt Suyskens, zijn er onder de drie honderd mirakelen, welke Eugenius IV werden voorgelegd, er eenige geweest, door het gewijde brood verkregen en zoude hij daarom het gebruik van deze zegening hebben goedgekeurd.
(1) Vide Empoli. Bullarium Augustmiauum.
8
114 HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
Hoe het overigens zij: waaneer reeds een vermaarde dichter, de Carmeliet Baptista van Mantua, die in het jaar 1500 leefde, de wonderen van den H. Nicolaas in Latijnsche verzen heeft bezongen, dan kan er geen twijfel meer bestaan aangaande het overoud gebruik van dit brood, waarvan voornoemde dichter zingt:
»Dit brood wordt artsenij voor alle soort van plagen:
»'tKomt, in Gods naam gewqd, des duivels macht verjagen,
»Het heelt de diepste wond, verzacht de felste pgn
»En doet de hoopelooze een blqde Moeder zgo.
»,t Geeft blinden het gezicht, behoedt ons in gevaren
gt;Van onweer, donder, storm; het stilt de holle baren;
Redt hem, die schipbreuk l^jdt; in 't kort, dit heilzaam brood
»Verkwikt den sterveling in allen druk en nood.quot;
Niet alleen derhalve het bestaan van deze broodzegening wordt hier bewezen, maar tevens erkend, dat dit gebruik inderdaad heilzaam en voordeelig is. Trouwens door geheel de wereld wordt erkend, dat Gbd, in zijne oneindige barmhartigheid, een onnoemelijk getal wonderen, door dit gewijde brood, heeft willen uitwerken. Wonderen in het blusschen van branden, in het bedaren van stormen; door het een heilzaam tegengift te maken tegen pest, koortsen, krankzinnigheid, vallende ziekte, bloedvloeiing, optrekking en verlamming der ledematen, tegen doodelijke wonden en inwerking der booze geesten.
Wilde ik, zegt de Tombeur, de getuigenissen aanhalen van hen alleen, die, in de Belgische gewesten, heil hebben gevonden bij het gebruik
NICOLAAS VAN TOLENTINO
van het brood en de inroeping van de hulp des heiligen Nicolaas: ik zoude vele boekdeelén moeten vol schrijven. Daarom zong Baptista van Mantua waarheid:
Wat is het noodig al de wond'ren te verhalen,
Die hij door God verricht in ziekten, rampen, kwalen,
In schipbreuk, stormen, brand, in pest of hongersnood,
In alle lotgeval van leven en van dood?
Welk dienaar Gods zag ooit zoo zynen roem verbreiden?
Wie heeft door wondrent^l zich scherper onderscheiden,
Dan deze Thaumaturg? Ziet! zonder paal of perk,
Stroomt Nikolaas' zegenstroom nog altyd in Gods Kerk.
Drie honderd wonderdaan, wel waard te zijn beschreven,
Heeft ons een pen verhaald; maar wien, wien is 't gegeven,
Wat schrjjver is bekwaam, van ooit in een chrooijk
Dat groot miraklen-tal, door heel het aarder^jk
Tot heden toe verricht, kortbondig te besluiten ?
Dit is een taak, waarop en vlijt en arbeid stuiten;
En wat men werkt en zweet, men achterhaalt noch weet
De wonderen zonder tal, die Nicolaas eens deed.
XV.
Wonderen door het gewade brood geschied. â Branden te Bologna, te Venetië, te Florence, te Clinchon. â Stormen bedaren. â Wonderen te Cordova geschied.
Si
et geschiedde in het jaar 1349, zegt Torelli, dat onze Heer Jesus Christus een groot wonder heeft willen doen, tot eer en luister van zijnen dienaar Nicolaas van Tolentino en wel door het brood, ter zijner eer gewijd. Op den 4'i,!n Juli brak te
115
116 HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
Bologne brand uit in de gebouwen van Dardus Franciscns Bonaventura Paleotti, een edelman van een zeer oud, adel ijk geslacht. Menschelijke kracht noch hulpmiddelen waren in staat zoo een grooten brand te blusschen Terwijl geheel dit grootsch gebouw van alle kanten door de vratige vlammen was aangegrepen, wierp een van de daar aanwezige kloosterlingen een broodje van den H. Nicolaas in den vuurgloed.
Nauwelijks was dit geschied, of de verschrikkelijke brand doofde uit, juist als hadde eene rivier zich in de vlammen uitgestort.
Te Venetië brak herhaaldelijk brand uit in twee gebouwen, het eene in de St. Paulus-straat en het andere in de straat van de Apostelen-kerk gelegen. Men wierp het gewijde brood in de vlammen, die, als bedwongen, onbewegelijk werden, zoodat de brand zich niet verder kou uitstrekken,
Eenige jaren later was Venetië getuige van een zelfde wonder. Tijdens het leven van prins Mozzanigi werd het tót. Marcus-paleis door het vuur aangegrepen, doch, nadat een broodje in het paleis was geworpen, doofde vuur en vlammen uit.
Te Florence was het paleis van de familie de Medicis door zoo zwaren brand aangegrepen, dat de vlammen reeds eenige ellen boven het dak uitvlogen. Iedereen ook achtte het onmo-gelijk, zulk een uitgestrekte vuurzee, door men-
NICOLAAS TAN TOLENTINO 117
schelijke middelen te dooven. Een godvruchtig vereerder van den H. Nicolaaa, een pater Augustijn klom op het dak en wierp, met een grenzeloos vertrouwen een broodje in den vuurgloed. 't Was of de woede der vlammen op dat oogenblik werd gebreideld. Binnen weinige oogenblikken waren zij geheel gedoofd.
Te Clinchon een stadje onder het aartsbisdom van Toledo in Spanje, ontstond in 1526, een allerhevigste brand. Verscheidene paters van het Augustijner-klooster waren toegeloopen om hulp te brengen. Eenigen hunner hadden gewijde broodjes medegebracht. Hiervan werd er een genomen en na de hulp van den H. Nico-laas te hebben ingeroepen, in de vlammen geworpen.
Het behaagde God, het geloof van dit volk en de godsvrucht tot onzen roemrijken heilige meer en meer op te wekken, want weldra had er een groot wonder plaats. Nauwelijks lag het brood in het vuur, of de vlammen grijpen niet verder om zich heen; zij verminderen meer en meer en vereenigen zich op de plaats, waar het brood lag, staan op dit brood, als een bol van vuur, die van zelve uitdooft.
Nadat de brand aldus was gebluscht, zocht men naar het brood en men vond het onder de asch, zoo wit en ongeschonden, gelijk het in de vlammen was geworpen. Om nu zulk een wonderbaar feit aan de vergetenheid te
118 HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
onttrekken, werd dit gezegend brood, als een geschenk opgedragen aan de doorluchtige en vrooine vrouwen, dochters van Ferdinand V, Koning van Spanje, religieuze Augustijnessen, in het klooster van Madrigal, waar het als een kostbare herinnering werd bewaard.
Ambrosius Senensis schrijft in het leven van den H. Nicolaas dat, toen pater Gregorius van Perusia in 1479 van Arimino naar Venetië voer en reeds een twintigtal mijlen in zee was ver-wijderd, een zoo plotselijken storm opstak, dat de raas braken zoodat de zeilen in zee vielen en verdwenen. Het scheepsvolk zag een zekeren ondergang te gemoet, doch de pater maande het aan, zooals ook de Veroneesche kooplieden, die van de groote markt te Ausimo terugkeerden, het beste te verhopen.
Hg wierp daarop een broodje, ter eere van den grooten heiligen Nicolaas van Tolentino in de golven en smeekte den heilige, dat hij hem en zijne reisgezellen van den schipbreuk zou bevrijden. »0 glorievolle H. Nicolaasquot; â bad en herhaalde hij â »0 sta ons bij en red ons uit het doodsgevaar, waarin wy verkeeren!quot; Zijn gebed werd verhoord; de storm bedaarde en de pater dankte God en den heilige. Waar hg later ook predikte, overal verhaalde hij deze gebeurtenis om zijne dankbaarheid te betuigen.
Een priester uit een klooster van Casfellane, in Spanje werd op zee door een zoo zwaren
NICOLAAS VAN TOLENT1NO
storm overvallen, dat zoovelen, als er op het schip aanwezig waren, op den rand der eeuwigheid stonden. Het schip, waaraan zij zich hadden toevertrouwd, was geheel ontredderd; volgens de menschelijke berekeningen, was er geen hoop meer om aan den zekeren dood van een schipbreuk te ontkomen.
De kloosterling echter had groot vertrouwen in God en den H. Nicolaas en sprak de bemanning aldus toe: »Heeren en broeders schept moed en vertrouwt op onzen Heer Jesus Christus, zijne allerheiligste Moeder en den H. Nicolaas, die, wanneer hg godvruchtig wordt aangeroepen, in zulke omstandigheden gewoonlijk te hulp komt.quot; Op deze woorden beginnen de bemoedigde reizigers, die meer dood dan levend schenen, de barmhartigheid Gods en de hulp van de H. Maagd en van den H. Nicolaas in te roepen. Zij beloven drie missen te zullen laten lezen en daarenboven dat ieder, volgens zijne middelen, eene aalmoes zal schenken.
De pater nam vervolgens een gezegend broodje in zijne handen, strooide eenige kruimels daarvan in zee en smeekte, onder het storten van tranen, den H. Nicolaas, dat hij hen allen, die hem aanriepen en zijn hulp verbeidden, in zoo groot gevaar toch zoude bijstaan.
Wonderbaar, wat toen werd aanschouwd! Nauwelijks was het brood in zee geworpen, of een groot gehuil van wilde dieren, die in de
119
120 HET L EVEN VA» t)Elï HEILIGEN
bosschen leren, wordt onder het scbip gehoord; daarna zien de reizigers groote, zwarte, afzichtelijke vögela heenvliegen, zoodat allen geloofden, dat deze dieren, duivelen waren, die hadden beproefd, om het schip te doen vergaan, doch door het brood van den H. Nicolaas op de vlucht waren gedreven. De zee kwam tot kalmte; allen landden in veilige haven en volbrachten honne beloften.
Het volgende wonder is geschied te Cordova in Spanje. Daar was een meisje gernimen tijd reeds ziek; men had het om die ziekte de haren kort gesneden. Als het nu eens, te midden der dienstboden in de kamer zat, bracht het de hand aan het hoofd, om te zien of het haar reeds groeide. Toen dit niet het geval was zeide het: »Dat de duivel mijn haar hale!quot; Al» de aanwezigen het kind hierover berispten, herhaalde het die woorden, waarop het een nieuwe bestraffing ontving. Dan herhaalde het ten derde male dezen vloek en voegde er eene verwensching van zich-zelve bij, zeggende: »En mij ook!quot; Maar nauwelijks had het deze laatste woorden gesproken, of het werd door den boozen geest aangegrepen; het sprong met zooveel snelheid en geraak rond; het bracht zulke ijselijke geluiden en uitroepen voort, dat alle aanwezigen met schaamte, verwondering en afschrik werden vervuld. Alle dienstboden waren geërgerd, door de taal en handelingen van het voormaals zoo
NICOLA AS VAK TOLENTINO
stille en zedige meisje. Want om slechts iets te noemen: het wilde niet knielen, toen het H. Sacrament voorbijgedragen werd en moest met geweld worden gedwongen om het te zien voorbydragen. Op dit oogenblik viel het uit in godslasteringen; stak de tong nit en maakte allerlei heleedigende gebaren.
De aanwezigen hadden medelijden met het ongelukkige kind, riepen onder groote godsvrucht den H. Vader Nicolaas aan en gaven het een broodje ter eere van den wonderdoener gewijd. Het kind echter weigerde dit brood, ofschoon het te voren had gezegd, dat zijne tanden jeukten van honger.
Vrees greep allen aan, toen het vervolgens, zonder den grond te raken, door de kamer als rondvloog. Een der mannen greep daarop het kind aan en bracht met geweld het brood in den mond van het kind. Maar als het dit brood uitbraakte, wierp de man het brood in een weinig water en goot dit vervolgens, onder aanroeping van den heilige, in den geopenden mond en de keel van het meisje.
Toen dit door de keel van het kind vloeide, zette het zich neder op den grond, was tot volkomen rust gebracht en heeft nooit eenige kwelling meer ondervonden. Op de vraag, door wien het was genezen, antwoordde het: »door den H. Nicolaas van Tolentino.quot; Men bracht daarom het meisje naar de kerk voor het beeld
121
122 HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
van zijn weldoener, opdat het hem voor de ontvangen weldaad zou bedanken.
In deze zelfde stad geschiedde in 1602 een ander wonder, wel waard, dat het worde verhaald. Eene vrouw, welke de haar man gezworen trouw had geschonden, vreesde met recht voor haar leven. Toen zij zekerheid had, dat haar man haar ter dood wilde brengen, stelde zij zich in handen van den grooten H. Nicolaas van Tolentino en beloofde, indien zij deze gevaren ontkwam, in het vervolg altijd den trouw te bewaren en een christelijk leven te zullen leiden.
Op zekeren dag sprak de man, door den duivel hiertoe aangezet, haar toe: »Vrouw, wikkel u in uw sluier, want wij gaan wandelen langs den oever van de rivier.quot;
Dit hoorende, overvalt haar een groote vrees; zij beveelt zich vurig den heilige aan, legt een gewyd broodje tusschen hare kleederen, neemt haar sluier en gaat uit, met den man.
Terwijl zij voortwandelt roept zij Nicolaas voortdurend aan én is vol zorg dai; het broodje niet van haar hart verdwijne.
Ondertusschen voert de man haar op een eenzaam, afgelegen oord en als zij daar op die plaats, welke een geheim moest verbergen, zijn gekomen, stoot hij haar een dolk in het hart. De vrouw is echter ongedeerd, omdat het broodje den stoot had gebroken.
NICOLAAS VAK TOLENTINO
In dit lijfsgevaar roept de vrouw uit alle kracht den bijstand van den heilige in; doch de man stoot opnieuw toe en terwijl hij vlucht, stort zij, als levenloos, op den grond neer. Nadat hg was verdwenen, om nooit meer terug te keeren, in den waan, dat hij zijne vrouw had vermoord, stond zij op, zocht naar de wonde, maar vond zelfs geen spoor van wonde of letsel.
Het gebeurde te Cordova, dat zeven kinderen van verschillende huizen eensklaps aan verstikking leden. De moeders naar hen opziende, zagen hen lijden; hun gelaat was zwart, de oogen puilden uit en het leven scheen geweken.
Terwijl nu de H. Nicolaas met den dag meer en meer geroemd werd, om de weldaden, welke hij den kinderen bewees, zoo baden de ouders hem, dat hij deze kinderen toch zoude te hulp komen. En, het wonderbare brood indachtig, gaven zij de kinderen een weinig van dit brood in den mond. Nauwelgks was dit geschied, of het een der kinderen braakte eene naald uit; het tweede een gouden ring; het derde een grooten vischgraat; het vierde den ruggegraat van een sardientje; het vijfde de kroon van een sleutel; het zesde en zevende een geldstuk. Daarna waren allen wederom gezond en opgeruimd. Men bracht de kinderen naar de kapel van den H. Nicolaas, om God, door hem te danken en ter herinnering werden al de uitgebraakte voorwerpen daar, in de kapel, opgehangen.
123
124 HET LEVBN VAN DEN HEILIGEN
Een jongeling, elf jaren oud, een vurig vereerder van den H. Nicolaas, droeg aan den hals twee gezegende broodjes, het eene op de borst, het andere op den rug. Op een avond, nadat hij veel over den heilige had gesproken en diens vereering met warmte aanbevolen aan de dienstboden , begaf hg zich, daar de nacht reeds was ingegaan, ter rust. Het kamertje, dat hg bewoonde , was zeer klein; zijn bed eene mat, belegd met stroo, hetgeen overigens in zijn kamertje was opgestapeld voor de behoeften van den stal.
De jongeling rolt zijne kleederen op, om die tot hoofdkussen te gebruiken, legt zich neer en slaapt in, zonder er aan te denken, dat de kaars nog brandt.
Diep in den nacht grijpt het omliggende stroo vuur en alles verbrand, ja zelfs het halve bed, zoo, dat er behalve het hoofdkussen en het gedeelte van de legerstede, waarop de jongen sliep, niets dan asch was overgebleven.
Ondertusschen had zich te middernacht daardoor een zoo verstikkenden rook door het huis verspreid, dat alle dienstboden waren opgesprongen om te onderzoeken waar de brand was uitgebroken. Terwijl zij rondzoeken, zien zg licht schijnen door de deur van de kamer des jongelings. Zij openen het slot en vinden hem slapende te midden van het vuur, dat reeds van negen tot twaalf uur had gebrand.
NICOLA.AS VAM TOLENTIKO
Men maakt hem wakker en by staat gezond en ongedeerd op; geen haar van zyn hoofd wae zelfs geschroeid, niettegenstaande hij te midden der vlammen had gelegen.
Allen zagen in deze wonderbare redding van den knaap en van geheel het gezin, eene belooning van den jongeling voor de groote godsvrucht , welke hij voor den H. Nicolaas koesterde.
Een rechtsgeleerde geloofde niets van al de wonderen, welke de H. Nicolaas zou hebben uitgewerkt; hij meende dat al die verhalen fabelen waren, ofschoon hij nooit die meening aan anderen had geopenbaard.
Ziet, daar wordt zijn kind, zijn eenigen zoon, door een hevige ziekte aangetast en is den dood nabij. De rechtsgeleerde zegt nu tot zyne vrouw: »Ga spoedig naar de Augustijnen-kerk en beveel ons kind daar aan by den roemrijken heiligen Nicolaas.quot;
Zij, baar kind ziende sterven, liep aanstonds naar de kerk en smeekte, onder een vloed van tranen, om het behoud van haar zoon en liet te dien einde eene H Mis lezen.
Als de Mis ten einde was, ging zy huiswaarts, om te zien, hoe of het was met haar kind. Toen zij daar aankwam, was het jongske echter reeds geheel hersteld.
Ook de vader was van zyn ongeloof genezen. Want bij gelegenheid dat hij in een preek had gehoord, hoe het ongeloof van sommigen lakens-
125
126 HET LEVEK VAN DEN HEILIGEN
waardig is, sloop hij stil naar het klooster, beschuldigde zich daar van zijne ongeloovigheid en werd een trouwe vereerder van den heilige.
De eerwaarde pater Jesuiet, Const. Suysken, die het leven van den heiligen Nicolaas heeft beschreven, verhaalt ook de genezing van zich zelve, op voorspraak van den H. Nicolaas van God door het gebruik van het gewijde brood verkregen. Hij getuigt op de waarheid, met de hand op het geweten waarachtig te zijn, dat toen hij te Perusia studeerde en van Rome was wedergekeerd, eene brandende koorts hem overviel en wel van dien aard, dat allen, zonder onderscheid, meenden dat eene vreeslijke pestziekte hem had aangegrepen. »Iedereen vluchtte »om het meest, zegt hij, wegens den afschrik, »dien ik inboezemde. En als ik mij zoo verlaten »zag van alle schepselen, die op aarde zijn, riep »ik uit den grond mijns harten den H. Nicolaas » van Tolentino aan; ik gebruikte met veel gods-»vrucht het, hem ter eer, gewijde brood en »van af dien oogenblik was ik geheel genezen.quot;
Zacconius verhaalt van eene vrouw, in de Abruzzen, dat zij, op het punt van haar man een kind te schenken, door de vreeselijkste smarten werd overvallen. De zaak stond hopeloos, want alle pogingen van de wetenschap, om een gelukkigen afloop te bewerken, moesten falen. De ongelukkige moeder had zeven dagen en zeven nachten de zwaarste pijnen te verduren en wor-
NICOLAAS VAN TOLENTINO
stelde herhaaldelijk met den dood. Hare krachten waren eindelijk geheel uitgeput en het einde was nabij.
Intusschen komen de buren van het slachtoffer , vrouwen in dezelfde omstandigheden, haar bezoeken. Vele godvruchtige personen en reli-gieuse dochters bidden voor haar behoud. Een dezer laatsten bracht haar een broodje van den H. Nicolaas en noodigde de lijderes, dit, na het in water gedoopt te hebben, te gebruiken. Om met meer zekerheid een gunstigen uitslag te verkrijgen, zetten alle aanwezigen zich op de knieën en bidden driemaal het »Onze Vaderquot; en het »Wees gegroet.quot;
Nauwelijks was dit gebed ten einde, of door eene gelukkige en wonderbare wending van het kind, door het kind zelve volbracht, had het geval den meest gunstigen afloop.
127
128 HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
XV.
Wonderen in België door de aanroeping van den ZL Nicolaas en door het gezegend brood geschied.
icolaas de Tombeur, een Augustijner-Eremiet , licentiaat in de Godgeleerdheid , lag reeds geruimen tijd ziek, gekweld door eene hevige jicht, welke hem aan de lijdenssponde had geketend.
Hy gebruikte dezen tijd, om eene lijst te verzamelen van heiligen, die als voorsprekers in soortgelijke ziekten werden aangeroepen, daar hij in dezen meer vertrouwen had, dan in de mengsels der artsenijkunde, die hem niet hadden gebaat maar veeleer geschaad.
Hiermede bezig, werd hem door een der professoren van het klooster opgemerkt, dat de H. Nicolaas van Tolentino, op wonderbare wijze, jichtlijders had genezen en ook zelf aan gewrichts-rhumatisme had geleden. Dit hoorende werd De Tombeur er toe gebracht, een leven van den H. Nicolaas uit geloofswaardige schrijvers te verzamelen. Hij voegde er echter eenige wonderen bij, welke in België waren voorgevallen, onder de uitdrukkelijke verklaring, dat
NICOLAAS VAN TOLENTINO 129
het er slechts eenigen uit velen waren; omdat, zooals wij reeds hebben gezegd, vele boeken zouden noodig zgn, om ze allen te beschrijven.
Toen de stad Enghien door de pest werd geteisterd, zoodat zij by na geheel was uitge-r moord en de besmetting, niettegenstaande alle middelen bleef voortduren, namen de burgers het heilzaam besluit, tot Nicolaas hun toevlucht te nemen. Een bededag werd uitgeschreven en het beeld van Nicolaas, werd met groote godsvrucht , door de straten der stad rondgedragen. Op de markt aangekomen, plaatste men daar het beeld en allen smeekten, in een gezamenlijk gebed, om hulp in dezen grooten nood, waarin zij verkeerden.
De barmhartigheid Gods liet zich niet wachten. Niemand werd in het vervolg door de ziekte aangestoken en allen, die reeds waren besmet, stonden van de ziekte op.
Uit dankbaarheid voor deze bevrijding, vierden de burgers van Enghien telken jare den feestdag van den H. Nicolaas. Wijk na wijk, kwam op een der dagen van het octaaf, de H. Mis in de Augustijnen-kerk bijwonen en een processie werd op den Zondag onder het octaaf gehouden, in welke het beeld van den weldoener, plechtig werd rondgedragen.
Hetzelfde ondervonden vele burgers te Gent en te Brugge toen die steden in 1634, door
9
130 HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
dienzelfden geesel werden geslagen en geen ander geneesmiddel gebruikten, dan het gewijde brood.
De naaste buren van het klooster lieten toen eiken dag, zelfs het brood, hetgeen zij aten, door de paters zegenen en terwjjl de stad treurde om het verlies van vrienden of magen, bleven zg, die het gewijde brood hadden gebruikt, vrij van alle besmetting.
Pater Servaas Smets, oud-prior van ons klooster te Mechelen, kon in deze ook getuigen van hetgeen hij had ondervonden, toen hij, eerst in het jaar 1625, op verzoek van den Aartsbisschop en later, in 1635, van den magistraat en het volk, de pestzieken, onvermoeid had bijgestaan. Door het dagelyksch gebruik van dit gewijde brood, is hij altgd van de ziekte bevrijd gebleven, zooals de oud-provinciaal pater Neefs getuigt.
Josef Clemens, keurvorst van Keulen, Prins van Luik, Hertog van Beieren, heeft den 17n September 1704, een geloofwaardig getuigschrift opgesteld, dit eigenhandig onderteekend en openbaar gemaakt, waarin hij zegt, door het gebruik van het gewijde brood, op bovennatuurlijke wijze te zijn genezen.
Vrouwen, die door de hevige weeën in levensgevaar verkeerden, hebben door het gebruik van dit brood dikwijls verlichting gevonden.
1) Zie ^Eremus AugustiDiana.quot;
NICOLA AS VAN TOLENTINO
»Ik zelf â zegt bovengenoemde P. Neefa â »heb te Hasselt eene vrouw gekend, die reeds »drie dagen in doodsgevaar was en niet kon »worden geholpen. Zij ontving gewijd brood »van een onzer paters, en nadat zij eeu stukje, gt; met groot vertrouwen had gebruikt, mocht zij »weldra een gezond kind aanschouwen.
» Deze vrouw heeft de waarheid van het ge-»beurde, onder eed verklaard aan Joan Prede-srikszn. Pastoor van Hasselt, die, op zjjne beurt »het mij onder getuigenis van waarheid, heeft » geschreven quot;
Te Antwerpen leefde in 1684 eene deugdzame vrouw, Maria de Wael, echtgenoote van Bartho-lomeus van Beekhoven. Deze werd door eene krimping der zenuwen zoodanig gepijnigd, dat de beenen inwaarts gekeerd, als in het lichaam groeiden en zij, als een bal in elkaar gedrongen, noch gaan, noch zelfs zitten kon, zoo zij niet met banden aan haren stoel was gebonden. Dit duurde zoo reeds vier jaren, als haar zoon Adriaan, haar, onder het octaaf van den feestdag van den H, Nicolaas, gewijd brood bracht. Zij gebruikt des avonds, met groote godsvrucht van dit brood en den volgenden dag, onder de Hoogmis, laten alle banden, door welke zij aan den stoel was vastgehecht van zelf lós; de beenen rekken zich uit en keeren in hun na-tuurlgken staat terug.
De vrouw staat onmiddeljjk op en ziende dat
131
132 HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
haro beenen haar dragen, begint zij te loopen. Zij was volkomen genezen en verzweeg het niemand, dat zij door de voorspraak van den H. Nicolaas deze weldaad had ontvangen.
Te Luik woonde in 1584 eene moeder, die een wederspannigen en kwaadaardigen zoon had. Zg beklaagde zich over hem bij den prior van het klooster, pater Gratianus, die haar eenige gewijde broodjes gaf, met den raad van dit brood een weinig te mengen in de spijzen van haar jsoon. Toen zg nu twee of drie stukjes in het eten van den jongen had gedaan, at hij dit zonder het te weten en van af dat oogenblik was hg in een geheel ander mensch veranderd; nooit heeft hg zgne moeder meer reden tot droefheid gegeven.
Petrus Phalesius leefde in 1618 te Antwerpen. Hij werd, in zgn drie en zeventigste jaar, door eene typhus-koorts aangetast. Zekeren nacht hoorde hg een zoeten zang van engelen en de H. Maagd verscheen hem met den H. Nicolaas, die in het zwart habgt zgner Orde was gekleed. De grijsaard begon op dit gezicht van blgdschap mede te zingen.
Toen zgne dochters deze buitengewone vreug-deteekenen vernamen, spoedden zg zich tot den vader en vonden hem daar lachend en vol blijdschap liggen. Hij verhaalt nu aan zgne kinderen dat de H. Nicolaas, nadat het gezang geëindigd was, tot hem was genaderd en had gezegd:
NICOLA AS VAN TOLENTINO
»Petrus, God heeft de gebeden en verzuchtingen, door de uwen Hem toegezonden, verhoord: uw leven is met eenige jaren verlengd.quot;
En inderdaad, de man stond van de slepende ziekte in dat oogenblik op en als de geneesheeren kwamen, die daags te voren op zijne genezing niet de minste hoop meer hadden, moesten zij verklaren, dat hier een wonder was tusschenbeide gekomen.
De machtige bescherming van Nicolaas werd ook ondervonden door den naamhaften Jacob Stalins, president van den Grooten Raad te Mechelen. Toen deze zes of zeven jaren oud was, leed hij aan een zoo hevige samentrekking der kniezenuwen, dat het scheen alsof de knie-schijf er was afgerukt en hij voor geheel zijn leven kreupel zoude blijven.
Tegen alle hoop en verwachting in, werd hg echter door de aanroeping en tusschenkomst van den H, Nicolaas genezen. In de Augustinus-kerk te Gent placht eene schilderij te zijn op het altaar van den H. Nicolaas, welke het knielende jongske voorstelde, en door de ouders ter dankbare herinnering van deze genezing was geschonken.
133
134 HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
XVI.
Genezing van dieren door de voorspraak van den H. Nioolaas van Tolentino. â Verdrijving van duivelen.
en ossendrijver dreef zijn kudde door het gebergte bij Cordova, als een der ossen struikelde en van een hooge rots in de diepte neerviel.
Toen de man bg het beest kwam, vond hy het als dood liggen en had geen hoop het nog in het leven te behouden. Niettemin riep hg den fl. Nicolaas aan en beloofde eene heilige Mis te laten lezen, indien het beest zoude bijkomen. Doch als het rund geen teekenen van leven meer gaf en zelfs niet meer ademde, vervolgde de drijver met het vee zijnen weg en liet den os voor dood liggen. Als de man echter, onder het bidden van den Rozenkrans, Nicolaas ter eere, eene mijl ver was gevorderd, hoort hij eensklaps het van den berg gestorte dier bulken. Hij ziet om en het dier volgt hem van verre. Geen wond, geen schram of stoot was zichtbaar. Onverlet kon hij het beest medevoeren.
Een muilezel van een bode, die naar Cadix vertrok, stortte, beladen met een last van drie
NICOLAA8 VAN TOLENÃINO 135
honderd dertig pouden, op een eng pad, neer op den grond. Daar het dier zich, bezwaard door zulk een last, niet kon oprichten en de man hek dier niet helpen kon, riep hij den roemrijken Vader Nicolaas aan en beloofde eene H. Mis. Dan, daar hij niemand tot hulp zag opdagen â want hij was geheel alleen â nam hij het gewijd broodje, hetgeen hij om den hals droeg, hing dit om den nek van het dier, dat op denzelfden stond, zonder eenige hulp, met geheel zijn last zich zonder eenige moeite oprichtte.
Een man te Zalamea, een stadje in de Spaan-sche provincie Estramadura, vertrok met een muildier naar het gebergte. Toen hij hier was aangekomen, stortte het beest ter aarde en bleef voor dood liggen. Althans, de lieden, die hem vergezelden, spraken hem toe: »Maat, sla de hoefijzers af en laat ons gaan, want uw muildier is dood.
Als de man zich gereed maakte om de hoef-ijzers af te nemen, kwam er een ander, uit de richting van Azuaga, die, na gehoord te hebben wat er was geschied, tot den eigenaar van het dier zeide: gt; Broeder, hier hebt gij brood van den roemrijken Vader, den H. Nicolaas van Tolentino; leg dat brood met groot vertrouwen op het dier, opdat de heilige ook u helpe, zooals hij er zoovele anderen heeft bijgestaan.
De andere nam het brood aan, wekte zooveel hg kon zjjn vertrouwen op en legde het brood.
136 HET LEVEN VAK DEN HEILIGEN
onder belofte van eene H. Mis te doen lezen, op het dier. Dit laatste stond gezond en wel op, at en vervolgde zijnen weg naar Cordova, Waar de eigenaar zijn dank ging brengen voor het beeld van den heiligen Nicolaas, de Mis deed lezen en verklaring gaf van hetgeen was voorgevallen.
Twee arme lieden, wonende in de buurt eener stad van Spanje, hadden ieder een enkel rund, met hetwelk zij den kost moesten verdienen. Beider dieren waren ziek, zonder dat men de oorzaak vermpcht te kennen en de dood was aanstaande. Toen zij lagen te zieltogen en alle hoop was opgeheven, hoorden die lieden van de wonderen, door den H. Nicolaas geschied. Zij oordeelden dat hij, die zooveel menschen genas, ook de dieren kon genezen. Derhalve bidden zij hem met groote godsvrucht, dat hij hun deze dieren, waardoor zij in hun onderhoud moesten voorzien, toch zoude redden.
Een der beide mannen had gewijd brood; hij brak het in stukken en gaf het aan het dier te eten, dat reeds in drie dagen niets had gebruikt en weinig teekenen van leven meer gaf.
De andere beloofde twee H. Missen. Niet vruchteloos; want de dieren stonden van hunne ziekte op en verrichten hun gewonen arbeid.
In dezelfde stad was een landman, die reeds verscheidene runderen aan dezelfde ziekte had verloren. Het gebeurde nu, dat een os van een
TÃICOLAAS VAN TOLENTINO.
zijner arbeiders insgelijks ziek werd. Deze man, ziende dat zijn beestje sterven ging, versmolt in quot;zuchten en met groote godsvrucht bad hij: »0 groote Vader, H. Nicolaas van Tolentino, daar gij gewoon zijt hulp te verleenen in elke gelegenheid en behoefte: kom dan ook nu mij te hulp, bid ik u, en genees mijn rund. Bevrijd het van zijne ziekte, opdat ik, voor geheel mijn leven, mij u toewijde en u eene H. Mis doe opdragen.quot;
Als hij dit had gezegd, nam hij een broodje, hetgeen hij op 's landswijs aan den hals droeg en hing dit om den nek van het dier. Nauwelijks was dit geschied, of de os stond op, niet alleen gezond, maar sterk en zwaar, en hetzelfde dier, dat een oogenblik te voren stervende scheen, begon met de overigen den grond te ploegen. Drie dagen later echter nam de man het broodje weg van den hals des beesten en hing dit zich zeiven op de borst. Doch een oogenblik daarna verviel het dier in zijn eerste ziekte, ja scheen in een veel gevaarlijker toestand dan te voren; want de man dacht er over om het te dooden. Ten tweeden male echter hing hg , met de meeste godsvrucht, het brood om den hals van het beest en andermaal sprong het gezond op en werkte, als het voor den ploeg gespannen was, met meer vuur dan de overigen.
Wij zullen nu eenige wonderen aanhalen, door welke kan blijken, hoe groot een macht de
137
138 HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
H. Nicolaas van Tolentino bezat over de booze geesten, ofschoon hg tijdens zijn leven al de bitterheid van hun helschen haat moest ondervinden.
»Vrees en angst grijpen bij wijlen de gemoederen der stervelingen aan, wanneer zij met eigen oogen een wonder aanschouwen.quot;
Zoo spreekt een schrijver, wanneer hg een mirakel gaat verhalen, dat zooals hg zegt, alle inwoners van Arimini bekend was.
Het geschiedde in het jaar onzes Heeren 1449, dat een Eremiet onzer Orde, Frater Raphael, een Duitscher, die de heilige wgdingen nog niet had ontvangen, maar in den eersten bloei der jaren was, door den boozen geest op velerlei en onbegrijpelijke wgze werd gekweld.
Zgne medebroeders besproeiden hem herhaal-delgk met wgwater, maar hij weerstond hen daarin, zeggende; »Zeg mij toch, wat kracht is er in dit door u gewijde, en op mij zoo dikwijls uitgesproeide water; er zgn soms twintig en meer dagen, sedert het uur dier wgding, vervlogen: weet gij dan niet, dat het wijwater eiken Zondag moet worden gewijd?quot;
Daar nu deze kloosterling dagelijks slaag ontving van den boozen geest, zoo had de Prior des convents, die medelgden met hem had, hem toegestaan, van tijd tot tijd op zgn bed te komen rusten. Dan toch bad de onreine geest geen macht over hem.
NICO LAAS VAN TOLENTINO
De duivel kon dit niet verdragen, en liet hem niet met rust, Eensklaps begon hg, door een fijn verzonnen machinatie, hard aan de deur te kloppen, en de stem van een mensch nabootsende, sprak hij: »Lof zij God, o eerwaarde Prior; er is iemand, die u zoekt op het kloosterplein bg de deur; open de deur en ga tot hem.quot;
De booze geest verzon dit spel, om, wanneer de brave Prior zou verdwenen zijn, opnieuw zijne kwellingen van den ongelukkigen Frater te beginnen en zich geheel en al van hem meester te maken. Want zoolang de gekwelde zich ophield bij den eerwaarden Prior, die priester en daarenboven in de overheid gesteld was, bleef de kwelgeest van macht verstoken. En hieruit was het vooral duidelijk, dat de plagerijen, welke Raphael onderstond, van den boozen geest voortkwamen.
Langzamerhand echter werd het meer en meer blijkbaar door de ongehoorde uitroepen en kreten en ongelooflijk zware geluiden, dat de ongelukkige door de duivelen werd gekweld. Hij werd daarom, op bevel des Priors, met zware ketenen en sterke banden van alle kanten gebonden , door zijn medebroeders in een kamertje vastgemaakt.
De bezetene echter verbrak herhaaldelijk die ijzeren ketenen en koorden zonder de minste moeite, maar werd, zoo dikwijls hij alleen was, door de duivels, die bezit van hem hadden ge-
139
140 HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
nomen, met toelating van God, op vreeselijke wijze geslagen en wel op zulk een wijze, dat zij hem voor dood, nauwelijks meer ademend, achterlieten. Die satansgezellen hieven hem som-tijds op tot aan de balken van de slaapzaal, waar hg sliep en voerden hem dan met groote snelheid door de lucht, van den eenen balk op den anderen, zoodat niemand ooit zoo duidelijk dergelijke wonderbare dingen had gezien.
De Prior liet hem nog sterker binden en opsluiten in den donkeren kloosterkerker; frater Raphaël echter was even spoedig verdwenen door de ijzeren traliën, welke slechts kleine openingen hadden, iets wat op natuurlijke wijze aan elk lichaam onmogelijk is.
De Prior, door een zeer groot medelijden jegens den ongelukkige bewogen, liet, veel te vroeg en lang voor middernacht de klok luiden voor de Kerkelijke Getijden, met het doel, dat de duivel frater Raphaël niet verder zoude kwellen. Want het was door een langdurige ondervinding gebleken, dat na de Metten, door het luiden der klok aangegeven, de duivel alle macht miste om hem te benauwen, te kwellen en te folteren: ofschoon vóór het luiden der klok, dat het uur der nachtgebeden aangaf, de Duitscher, op vreeselijke wijze, door de duivelen werd ge-geeseld.
Als de kloosterlingen hiermede eenige nachten waren voortgegaan en de booze kwelgeesten dit
NICOLAAS VAN TOLENTINO
hadden bemerkt, voorkwamen deze laatsten het nachtelijk uur in nog grooter tijdsverloop. Zij voerden dan Raphael op het hoogste van den toren, zetten hem neer op de klok, welke moest worden geluid en bevestigden hem daarop door hem met een grooten last te bezwaren.
Als dan de koster wilde gaan luiden en uit alle macht aan het. klokke-touw trok, om de kloosterlingen het uur der Metten aan te geven, zoo was het hem onmogelijk de klok aan te trekken, of eenige beweging in het touw te krijgen, zoodat hij van het luiden moest afzien. Meerdere broeders kwamen toegeloopen om met gezamenlijke krachten de klok te doen aanslaan, maar zonder gevolg.
Nu ijlen allen naar het kloosterplein om te zien, wat of er dan toch op den toren mag plaats hebben. En aanstonds verschijnt de gekwelde Prater aan een raam van den toren, ziet van de hoogte op hen neder en begint te schateren van lachen. Hij lacht nogmaals en spreekt den koster in dezer voege toe: »Gij zijt wat al te voorzichtig geweest koster; want indien gij naar boven waart gekomen, om te zien wat er aan het klokke-touw haperde, zoudt gij dit niet vruchteloos hebben gedaan. Want ik zelf had u, van deze hoogte, door het torenvenster, naar beneden geworpen en zoude u genoodzaakt hebben die luchtreis te maken om door zulk een sprong, den voet van den toren en den grond
141
HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
te gaan opzoeken. Want gij waart van plan de Metten te gaan luiden, ofschoon de tijd nog niet was gekomen.
Dikwijls zag men hoe Frater Raphaël door de booze geesten werd opgenomen en door de lucht gevoerd, ja het geschiedde des namiddags omtrent het uur der Vespers, dat hij, ten aan-schouwe van al het volk van A rimini, na eerst door de duivelen te zijn geslagen en mishandeld, zoodat hij zijneinde nabij scheen, tot aan den nok van het dak van de slaapzaal'werd opgeheven.
Ook gebeurde het wel dat de beklagenswaardige jonge man, daar op schrikbarende wijze, door den mond gloeiende kolen uitbraakte en wel in zulk eene hoeveelheid, dat men er een zeer groote schotel mede had kunnen vullen. (!)
Dan voerden zij hem op het dak van den toren, zetten hem op de spits en poogden hem van daar met alle kracht neder te werpen op het plein; maar alle kloosterlingen en het volk, dat de worsteling van den armen kloosterling gadesloeg, riepen hem toe, dat hij toch den H. Nicolaas van Tolentino zoude aanroepen.
142
Toen gewerd hem aanstonds hulp van den hemel, zijne tong, te voren als door onzichtbare banden gebonden, scheen bevrijd en, met heldere stem, riep hij uit: »0 Heilige Nicolaas, sta mij bij; kom mij te hulp.quot; En eensklaps
1) Ut propemodum perquam immensus ex illis impleri integerrime potuisset catinus. Acta. Sanct. Mens. Sept. T. III. 720.
NICOLAAS VAN TOLENTINO
flikkerde op zichtbare wijze eene lans in zijne hand en op onzichtbare wijze nam de H. Ni-colaas hem bij den arm en geleidde hom tot in de kerk, waar de stervende Raphael, voor het Sacraments-altaar den lofzang aanhief: »U o God loven wijquot;, waarop de kloosterlingen antwoordden: »ü o God belijden wij.quot;
O luisterrijk wonder! o beroemd wonder! O wonder van Gods goedheid, die nogmaals een bewijs wilde geven hoe aangenaam Hem de levenswandel, de onschuld, reinheid en maagdelijkheid van Nicolaas was. Sedert dien tijd was Raphaël voor goed bevrijd.
Een man van Monte-Falco, eene stad in Umbrie werd zoo hevig door den duivel geplaagd, dat zijne tong en alle andere ledematen als waren gebonden. Hij kon noch gaan, noch staan, noch spreken. Deze beloofde tot zijne bevrijding tien pond was voor het graf van den heilige. Nadat hij een nacht in den grafkapel had gelegen, was hij bevrijd.
Aldisia Jacobi van Tolentino, werd reeds vijf weken door den duivel gekweld. Zoo dikwijls zij zich te rust wilde begeven, werd geheel haar bed het onderst boven gehaald. Zij riep daarom den H. Nicolaas aan, opdat zij van die plagerijen zou worden bevrijd. Toen zij eens op hare legerstede lag, zag men een roofvogel, met groote woestheid en onder scherp gekras, door het raam binnenvliegen en zich
143
144 HET XEVBN VAN DEN HEILIGEN
bij het bed nederzetten. Maar de vrouw riep op dat oogenblik: »0 Heilige Nicolaas, bid de zalige Maagd Maria dat zij mg bescherme.quot; En de duivel, die de gedaante van dien roofvogel had aangenomen, verdween door het venster en heeft de vrouw daarna nimmermeer gekweld.
Philippina, eene geestelijke dochter vaa de Cistercienser-Orde te Sancto-Genesio, was reeds vijf jaren onder de macht des boezen geesten, zoodat zij in haar zinnen geraakt, geen herinneringsvermogen meer had en allo schaamte had afgelegd. Zij riep menigmaal de duivelen aan, vooral Belial, zooals ook sommige afgestorvenen, zooals Joannes van Aesculum en Reinald van Bronfort en meer anderen. Handen en voeten waren haar verwrongen, de oogen draaiden ia haar hoofd; zij kroop op handen en voeten; zij plaatste voorwerpen tegen den vlakken muur, welke daar dan onbeweeglijk bleven hangen, alsof zij op den grond waren geplaatst; zij bracht schaamtelooze woorden voort, welke zij te voren nooit had vernoemd en ergerde de kloosterzusters door weinig passende handelingen.
Toen zij zekeren dag een weinig was bedaard, beval zij zich met groote godsvrucht den H. Nicolaas aan en beloofde, dat zij, zoo zij van deze kwellingen werd bevrijd, zijn graf zoude bezoeken.
Zij ging naar Tolentino. Met gebonden handen en bloote voeten naderde zij het graf en werd daar volkomen bevrijd. Door Gods genade en
NICOLA.A.8 VAN TOLENTIKO
de bescherming van den H, Nicolaas had zij de vorige gezondheid terug bekomen.
Tola van het dorp Morro, in de Mark Ancona gelegen, werd reeds gedurende vier jaren kwalijk bejegend door de booze geesten. Het was haar, alsof zij twee beruchte booswichten uit de buurt daar zag: Alardus en Traversus, die om hunne groote misdrijven op den brandstapel waren gestorven. Zij meende deze te zien als twee brandende honden, welke met elkander vochten. Ook stiet zij allerlei ergerlijke woorden uit.
Haar man stelde Tola onder de bescherming van den H. Nicolaas, onder de belofte, van zooveel was, als noodig mocht zijn om zijn lijkkist te omringen en daarenboven eene geldsom te schenken. Hij bracht haar naar Tolentino en beval haar, een nacht bg de grafkist te blijven. Toen zij hieraan had voldaan, was zij voor altijd bevrijd.
145
10
146 HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
XVII.
Verschoningen van den H. Nicolaas van To-lentino aan de zalige Rita van Cassia en Helena van ütina. â Wonderbare Beelden.
fschoon de heilige Nicolaas op vele plaatsen en aan vele personen is verschenen, zooals uit al het voorgaande kan blijkea, zoo is het toch wel van eenig belang, deze twee meer in het bijzonder te verhalen.
De zalige Rita te Cassia, in Umbrie, uit brave en godvreezende ouders geboren, was als kind reeds door den hemel begunstigd. Toen het nog in de windsels lag, zag men herhaaldelijk een zwerm van witte bijen, den mond van het kind in- en uitvliegen. Op twaalfjarigen leeftijd wilde zij reeds zich voor eeuwig aan God toewijden, doch op verlangen der ouders huwde zij een man, die wreedaardig van inborst en slecht van zeden was, maar met wien zij niettemin gedurende twee-en-twintig jaren in vrede leefde.
Haar man werd echter door vijanden vermoord. De beide zoons nu waren met grooten wraaklust bezield, niettegenstaande Rita hen aanmaande, om dien moord te vergeven en te
NlCOLAAS Vak tolentino.
verbeten. Zij bad daarom God, hare kinderen uit het leven weg te nemen, vooraleer zg hunne plannen van wraak konden volvoeren.
De kinderen stierven en zij had reeds driemaal te vergeefs aangeklopt aan de kloosterpoort der Augustinesaen te Cassia, om daar te worden aangenomen en het kleed van de Augustijner-Orde te mogen ontvangen.
Rita ging echtei: met hare gewone gebeden en oefeningen van godsvrucht voort, als in zekeren nacht, wanneer zij nog in het gebed lag verzonken , met geweld aan hare deur werd geklopt en geroepen: »Rita, Rita!quot; Zij ijlt naar het raam, doch ziet niemand en gaat voort met haar gebed. Opnieuw klinkt nu diezelfde stem, welke haar zegt, aan Jesus te vragen van tot zijne bruid te worden aangenomen. En opziende zag zij drie heiligen, haar ten bijstand gezonden. Toen, als buiten zich zelve, hoorde zij met klare woorden: »Kom, mgne beminde Rita, want het is tijd, dat gij het klooster intreedt, waar men zoo dikwgls heeft geweigerd u op te nemenquot;. Zij gaat wederom naar het venster en ziet daarbuiten den H. Joannes den Dooper. Dan begeeft zij zich daarheen en volgt hem tot op een hooge rots, maar schrikt, terwijl zij in de diepten ziet; want niemand durft, zelfs op klaarlichten dag, die gevaren trotseeren.
Nu verschijnen echter ook de H. Augustinus en Nicolaas van Tolentino, die haar moed in-
147
148 HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
spreken, Rita volgt hen tot in Cassia en dringt met hen het klooster in, terwijl alle deuren en vensters zijn gesloten.
De kloosterzusters vinden haar daar, en de eene meent, de schuld van de ontsluiting der poort te moeten werpen op de andere. Rita echter geeft verklaring, hoe zij daar gekomen is en niemand der religieuzen werd er meer gevonden, die haar, op zoo wonderbare wgze door de heiligen binnengebracht, nog wilde verjagen.
Een andere dergelijke verschoning had de zalige Helena, gesproten uit het adellijk geslacht de Valentinis. In den echt verbonden met den ridder Cavalcantus, wilde zg na diens overigden van haar man, hare overige levensdagen God alleen dienen.
Nadat zg in een sermoon had hooren spreken over de voortreffelgkheid der Eremieten-Orde van den H. Augustinus, liet zg het hoofdhaar kort sngden, ontdeed zich van allen opschik, deelde al hare goederen aan de armen uit en nam het Ordeskleed der Augustgnen van den Derden Regel aan. Zij leefde in groote heiligheid, in versterving, Igfskastgdingen en boetvaardigheid en had het geluk op haar ziekbed een bgzonderen troost des hemels te ontvangen. Simon Romanus legt haar de volgende woorden in den mond, door welke zg zelve verhaalt, hetgeen was geschied.
»0 welbeminde zuster, (sprak zg tot hare
NICOLAAS VAN TOLENTINO
medezuster Perfecta) ik zal u een zielsgeheim openbaren, mits gij het bij mijn leven aan niemand zult zeggen; na mijn dood kunt gij doen, zooals God u zal ingeven. Weet dan, dat dezen avond en veelmaals voorheen, mijn zoete Heer Jesus Christus mij is verschenen en mij heeft toegesproken, tegelijk met zijne heilige Moeder, mgne Vrouwe , in gezelschap van onzen H. Vader Augustinus, van den H. Nicolaas en van de H. Monica, wier kleed ik onwaardig draag. Wanneer ik hen echter zie, word ik door zoo groote vreugde vervuld, dat geen menschelijke tong in staat is, mijn geluk uittesprekenquot;.
Andermaals geschiedde het, dat zij in gebed was verzwonden en als vervoerd buiten zich zeiven, als de H. Nicolaas aan de deur van hare bedeplaats klopte en zeide: »Open my, mijne zuster Helena.quot; Maar vooraleer zij de deur geopend had, was de H. Nicolaas reeds binnen en sprak haar toe: »Vrede zij met u!quot; En haar omhelzende, voerde hij haar van de aarde op, zeggende: »Ga zoo van het goede steeds tot het betere op, o zuster; want zoo zult gij door de engelen in het paradijs worden binnengedragen!quot; Daarna verdween hij en de zalige liet eene H. Mis, hem ter eere, zingen en verhaalde deze verschijningen aan hare medezuster.
Er blijft ons nog een woord te zeggen over de wonderbare beelden, welke op eenige plaatsen
149
HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
de macht en luister van den H. Nicolaas van Tolentino hebben vermeerderd en verbreid.
De schrijver van het leven van onzen heilige, by de Bollandisten, (i) haalt er drie aan, welke bgzondere vermelding verdienen.
Het eerste was het beeld van den heilige, in de hem toegewijde kapel te Tolentino geplaatst. Zooals wg hebben gezien, was paus Innocentius IV vol eerbied voor den heilige bezield; hg was het, die Nicolaas plechtig op de naamrol der heiligen had gebracht. Welnu, toen Innocentius zou gaan sterven en slechts eenige dagen meer te leven had, geschiedde in de kapel van de Augustinus-kerk te Tolentino dit wonder, dat het beeld van den H. Nicolaas, ten aanschouwe van iedereen zeer sterk begon te zweeten.
De gouverneur en afgevaardigde van de mark Ancona, kwam met al het volk toegeloopen, om getuige te zijn van het wonder en de gouverneur riep uit: »Gij zult weldra eene groote verandering zien in Gods kerk!quot; En waarlijk, den volgenden dag kwam het bericht van het overlijden van Zjjne Heilighrid, in het zestiende jaar van zijn pausschap.
Ook te Venetië wordt een wonderbaar beeld in de kerk der Augustijnen vereerd. In die kerk is eene kapel, welke door hare oudheid, de geloovigen altijd nieuwe gevoelens van eerbied inboezemt. De hardheid van het marmer,
(1) Acte Sanctorum. Sept. T. Ill, f 691. n. 173 et seq.
150
NlOOLAAg VAK TOLENTINO 151
maakt er de gemoederen der Christenen week. Het altaar telt in zijne drie nissen even zoovele beelden, wonderschoon gemaakt en overoud. Rechts staat het beeld van den H. Paulus, links dat van den H. Hieronymus en in het midden dat van don H. Nicolaas van Tolentino, welk laatste beeld zoo schoon is uitgevoerd, dat het met leven bezield schj.jnt en de magerheid en bleekheid van zyn wezen, een gevolg van de zware lijfskastgdingen, op voortreffelijke wijze wedergeeft.
De vele schildergen, welke de kapel versieren, zyn zoovele getuigen van weldaden, steeds door de vrome vereerders van den heilige, in zgn beeld verkregen. Groot was ook waarlijk de godsvrucht des volks en de vereering bij dit altaar.
God scheen echter door wonderwerken die godsvrucht en vereering nog te willen aanwakkeren.
Het gebeurde op den tweeden Pinksterdag, als de zon haren loop had volbracht en de duisternissen over de aarde kwamen, dat het beeld van den heilige in vollen luister begon te schitteren. Vele personen, nog in de kerk aanwezig en godvruchtig neergeknield om den heilige hunne belangen aan te bevelen, waren getuigen van het wonder. Onder hen bevonden zich de heeren Lucas Carrara en Ludovicus Bartatti, priesters en de Heeren Joannes Baptista Rovetti en Joannes Brochii, welke met meer anderen
HET LEVEK VAN DEN HEILIGEN
verklaarden te hebben gezien, dat boven bet hoofd van het beeld lichtglansen schitterden en dat het beeld zelve de oogen bewoog en den mond opende, als wilde het spreken.
De aanwezigen ijlen naar de paters, die toen hun avondmaal gebruikten eu verhalen onder tranen van aandoening, hetgeen geschiedde.
Ook de paters spoeden zich naar de kapel, vallen op de knieën en beginnen eenparig te bidden. Meer en meer wordt de kerk gevuld met volk en de wonderbare verschoningen gaan voort tot twee uur in den nacht. Ditzelfde herhaalde zich nog vele dagen daarna en het werd door eene reeks van hooggeplaatste mannen, die het met eigen oogen hadden gezien, bevestigd.
Zoude men eene groote lijst van namen kunnen opnoemen, die getuigenis der waarheid kwamen afleggen: ook de weldaden, door zieken ontvangen en openlyk door hen verkondigd, stemmen jubelend met de eersten in. Zoo kreeg eene nicht van den wijdvermaarden hooggeboren heer Morosini del Campo het gezicht terug.
Zoo verklaarde een koopman, die met heel zgn gezin was vergiftigd, door de voorspraak van Nicolaas te zijn bevrijd van den dood.
Meer dan dertig kreupelen hebben daar getuigd, genezing te hebben gevonden en zoovele zieken hebben er de gezondheid geput, dat het vertrouwen in het gebed grooter werd, dan dat in steenen en kruiden.
152
NICOLAAS VAN TOLBNTINO.
En, voegen de schrijvers hieraan toe: de meest hardnekkige zondaars, die eerst niet wilden ge-looven, werden op het gezicht van het wonder zoo diep bewogen, dat zij hunne afdwalingen beweenden en zich aan de voeten der priesters gingen werpen, om de verzoening met God af te smeeken.
Wij zullen eindigen met een wonder in het jaar 1602, te Cordova, in Spanje geschied..
Cordova, in het midden van Andalusie gelegen, werd door de pest, dien geesel Gods, op vree-selijke wijze geteisterd. Tn het Augustijnenklooster alleen, waren in tien dagen, van 20 tot 30 Juni, vijf der paters, mannen, in den bloei van bun leven, weggerukt.
Menschelijke hulpmiddelen waren uitgeput; daarom wendde men zich tot hooger macht, tot de voorsprekers bij God in den hemel.
De paters Augustynen, bewogen door de vele sterfgevallen, ook onder hunne medebroeders, hadden besloten, het beeld van den H. Nicolaas van Tolentino, in den nacht van den 30 Juni, door het klooster rond te dragen en voor het algemeen lijfsbehoud te bidden. Blootsvoets en met fakkels in de hand togen zij, onder tranen en gebeden, door de donkere kloostergangen, om redding in den bangen nood te verkrijgen.
Niet vruchteloos hadden zij den H. Nicolaas aangeroepen; want na dien tijd werd in het klooster niemand meer door de ziekte aangegre-
153
HET LEVEN VAN DEN HEILIGEN
pen en. de magistraat der stad getuigde daags daarna den paters, dat er dien morgen in het hospitaal meer dan honderd, wier toestand te voren door de doctoren hopeloos was verklaard, buiten alle gevaar verkeerden, en er ook dien nacht niemand was gestorven.
Jacobus de Vargas en Carvajal, toparch van Puerto, schout en gerechts-voorzitter van Cordova , besloot met alle senatoren, dat het beeld van den H. Nicolaas zoude worden heengedragen naar het hospitaal van St. Lazarus, buiten de stad gelegen.
Deze processie had plaats en zij werd door bovengenoemde waardigheidsbekleeders begeleid. Aan het eind van den weg was eene kapel met altaar opgeslagen, met boomen, planten en bloemen versierd, waar pater Joannes de Navas, een Franciscaan, de biechtvader van het hospitaal , hen afwachtte, bekleed met een witten stool, terwijl hij een groot kruisbeeld in de hand droeg.
Ter eene zijde van de kapel stonden de herstellende vrouwen en kinderen, â ter andere zijde de mannen geschaard.
Wanneer nu de Augustijn, die het beeld van den H. Nicolaas droeg, dit op het altaar ging plaatsen, en hij voorby den Franciskaner-pater kwam, die het kruis in de handen had, knielde hg daar, en met hem zoovelen, als er tegenwoordig waren, neer voor het kruisbeeld. Dan
154
NICOLAAS VAN TOLENT1NO 155
hief hij het beeld op, totdat het gelaat der beeld-tenis van den H. Nicolaas ter hoogte was van de voeten van het kruisbeeld en ziet! de roemvolle heilige neigt het hoofd, kust de voeten van den Gekruiste en blijft in die heilige omhelzing gedurende den tijd, dien men noodig heeft, om het Symbolum der Apostelen te bidden.
Een algemeene kreet steeg uit die menigte van zieken op en zeer velen, ja de meesten mochten op genezing hopen.
Inderdaad den 15 Juli was het hospitaal geheel ledig en er bleef in de gansche stad niet één pestlijder over. Den 28 dier maand werd door den magistraat afgekondigd, dat de pestziekte was geweken en dat de lucht van alle schadelijke dampen was gezuiverd.
Zietdaar, vereerders van den grooten vriend Gods, Nicolaas van Tolentino, een kleine schets van zijn leven en van eenige der ontelbare wonderen, door zijne voorspraak geschied. Moge het strekken tot uwe stichting en tot aanwakkering van uwe vereering.
Gij zult het lezen ; gij zult het anderen meda-deelen en ter lezing geven, om den eerbied en de hoogschatting, die gij jegens Hem voedt, om het vertrouwen, hetgeen gij in zijne machtige bescherming stelt, ook in hunne harten aan te kweeken; om in hen te ontsteken dat
156 het leven tan den h. nic. t. tolentino
heilige vuur, die moedige geestdrift, die zoo menigwerf in anderen, door de milde gunsten, door de hulp in alle omstandigheden van den kant van den H. Nicolaas werd beloond en vergolden.
Dat de H. Nicolaas in deze streken niet vruchteloos wordt aangeroepen, kunnen ook in onze gewesten velen reeds getuigen. Helmond kan het openlijk getuigen, waar ouderen van dagen zich nog den vreeselijken cholera-tijd zullen herinneren en met dezen tijd de devotie tot den Heiligen Nicolaas. Van vele bijzonderen wil ik niet spreken. Vertrouwende op God en den H. Nicolaas, durf ik de hoop koesteren, dat velen later de machtige tusschenkomst van den vriend Gods volmondig zullen erkennen.
Eindhoven, 28 Augustus 1896.
Feestdag van den H. Augustinus.
XVIII.
Meien ter eere van len H. Nicolaas van Tolentino.
GEBEDEN
bij het gebruiken van het Si-Hicolaasbrood.
m eenige bijzondere gunst van God door de voorspraak van den H, Nicolaas te verkrijgen, is het loffelijk (doch geen verplichting) te biechten, te communi-ceeren en gedurende negen achtereenvolgende dagen een weinig van het gewijd brood, na het in water te hebben gedoopt, te nemen en na onderstaande gebeden te hebben verricht.
Zij, die niet kannen lezen, kunnen volstaan met vijfmaal het Onze Vader en Wees gegroet te bidden; namelijk: driemaal ter eere van de H. Drievuldigheid, éénmaal ter eere van de H. Moeder Gods Maria en éénmaal ter eere van den H. Nicolaas.
De plechtige wijding en uitdeeling van deze St.-Nicolaasbroodjes geschiedt jaarlijks op den 10aen September in de Kerken van de E.E. Paters Augustijnen. Ook gedurende het jaar zijn zij op aanvraag verkrijgbaar.
158 gebeden ter eere van den
Gebeden, voor men het Brood gebruikt:
1°. Ter eere van de Allerheiligste Drievuldigheid : Driemaal het Onze Vader en Wees Gegroet.
2°. Ter eere van de H. Maagd Maria.
Wees gegroet, o Koningin, Moeder van barmhartigheid , ons leven, onze zoetheid en onze hoop, wees gegroet; tot à roepen wij, ballingen , kinderen van Eva; tot U smeeken wij, zuchtend en weeaend in dit dal van tonnen. Daarom dan, onze Voorspreekster, sla op ons Uwe zoo barmhartige oogen en toon ons na deze ballingschap, Jesus, de gezegende vrucht Uws lichaams, o goedertierene, o mededoogende, o zoete Maagd Maria!
3°. Ter eere van den H. Nicolaas.
De heilige Nicolaas, die volmaakte beoefenaar der armoede van Christus, om zijne maagde-lijkheid door God uitverkoren, is door zijne nauwgezette gehoorzaamheid, zijne wonderen en deugden de luister en het sieraad geworden van de Orde der Augustijner-Eremieten.
Bid voor ons, H. Nicolaas.
Opdat wij de beloften van Christus waardig worden.
Laat ons bidden.
Verleen, bidden wij U, Almachtige God, aan Uwe Heilige Kerk, die door den luister der deugden en mirakelen van den H. Nicolaas,
H. N1C0LAAS VAN TOLENTINO
Uwen Belgder, zoo glansrijk schittert, zich in eenen voortdurenden vrede en eenheid te verheugen. Door Christus onzen Heer. Amen.
ILi 1 T-A. HST I E
VAN DEN
ÃjcUtjgcn Htf olnas uan ^Eolcnttno,
Algemeene Patroon in nood voor levenden en dooden.
Heer, ontferm U onzer.
Christus, ontferm U onzer.
Heer, ontferm U onzer.
Christus, hoor ons.
Christus, verhoor ons
God, hemelsche Vader, ontferm U onzer.
God Zoon, Verlosser der wereld, ontferm ü onzer.
God H. Geest, ontferm U onzer.
H. Drievuldigheid, één God, ontferm U onzer.
H. Maria, bid voor ons.
H. Nicolaas van Tolentino, bid voor ons.
Wonderlijk kind, door de boodschap eens § Engels aan uwe ouders voorspeld, quot;o Gelukkige spruit van onvruchtbare ouders, g Reeds in uwe jeugd door Jesus in het Heilig Sacrament begroet,
Teedere beminnaar van Maria,
159
160 GEBEDEN TER EERE VAN DEN
H Nicolaas, Standvastig bewaarder van de zuiverheid uws doopsels, bid voor ons. Volmaakte navolger van Jesus,
Heldhaftig versmader der wereld,
Vurige beoefenaar der vrijwillige armoede. Engel van maagdelijke zuiverheid.
Verheven toonbeeld van gehoorzaamheid. Spiegel van ootmoedigheid,
Kostbare diamant van geduld.
Schitterende parel van godsvrucht, Edelmoedige verloochenaar van ü zeiven. Zeldzaam voorbeeld van alle boetvaardigheid. Wijze omhelzer van het kruis.
Aandachtige overweger van het leven en ü den dood van Jesus,
J| Onvermoeide beoefenaar des gebeds, lt; .§ Onverzoenlijke vijand der zonde, o
^ Onverwinnelgke overwinnaar van duivel, 0 M wereld en vleesch, 5°
Wonderbare verlosser van de zielen des vagevuurs,
Priester, uitstekend door godsvrucht, gedurende de Onbloedige Offerande,
Brandende fakkel der goddelijke liefde. Blakende ijveraar voor de zaligheid uws naasten,
Krachtige verkondiger van Gods Woord, Verrukkend voorbeeld voor alle Priesters
en Religieusen,
Verheven dienaar Gods, wiens heiligheid in
H. WICOLAAS VAN TOLENTINO 161
het gebed zeer dikwijls door een schitterende ster werd verkondigd,
Groote vriend Gods, gedurende zes maanden vóór uw dood door de Engelenkoren met hemelsche gezangen vereerd en verlustigd, Groote minnaar Gods, die in het uur van uwen dood door Jesus, Maria en den H. Vader Augustinus getroost werd, Hemelsche lusthof van allerlei genaden en ^deugden,
S Verdry ver van brand en andere rampen, *o door het gewijde brood, o-
g Patroon tegen pestziekten en alle licha- ^ melijke kwalen, o
® Verdrijver van tweedracht, oorlog en scheu- H ring in de H. Kerk, g
Troost van vrouwen in barensnood.
Bijstand der stervenden,
Opwekker van dooden.
Beschermer der H. Kerk door de wonderbare bloedvloeiing uwer armen,
Groote mirakeldoener, die twintig jaren na uw dood, nooit een dag zonder mirakel hebt later voorbijgaan,
Heilige Nicolaas van Tolentino, algemeene Patroon in noodwendigheden bij leven en bij sterven,
Wees ons genadig, spaar ons, Heer!
Wees ons genadig, verlos ons, Heer!
11
GEBEDEN TER EEEE VAN DEK
Wij zondaren, wij bidden U, verhoor ons. Dat wij met den H. Nicolaas de wereld altjjd
mogen versmaden,
Dat wy naar zijn voorbeeld een onverzoenlijken
haat tegen de zonden mogen verkrijgen, Dat wij steeds met vurigheid het leven en
den dood van Jesus mógen overwegen, ^ Dat wij zijnen eerbied gedurende de On-5^ bloedige Offerande zorgvuldig mogen onder- g houden, §
Dat wij door onze navolging, zijne engelachtige c} zuiverheid, zijne diepe nederigheid en zijne andere deugden mogen vereeren, g-
Dat wy met Hem in niets anders onzen roem o zoeken dan in het kruis van Jesus Christus, o Dat wij bij de gedachte aan de bloedvloeiing 5° zijner armen, ons bij tijds, op de ware boetvaardigheid toeleggen.
Dat wij door de voorspraak van den H. Nicolaas in eeuwigheid, met Hem, aan uwe glorie mogen deelachtig worden,
Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld r
spaar ons. Heer!
Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld,
verhoor ons, Heer!
Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld^
ontferm U onzer. Heer!
Christus, hoor ons!
Christus, verhoor ons!
Onze Vader, enz.
162
h. nicola as v an tolkntino 163
De H, Nicolaas, die volmaakte beoefenaar der armoede van Christus, om zijne maagdelijkheid door God uitverkoren, is, door zijne nauwgezette gehoorzaamheid, zijne wonderen en deugden, de luister en het sieraad geworden van de Orde der Augustijner-Eremieten.
Bid voor ons, H. Nicolaas.
Opdat wij de beloften van Christus waardig worden.
Laat ons bidden.
Verleen, bidden wij ü, o almachtige God, dat uw heilige Kerk â die door den luister der deugden en mirakelen van den heiligen Nicolaas, uwen Belgder, zoo glansrijk schittert â zich in een voortdurenden vrede en eenheid moge verheugen. Door Jesus Christus, onzen Heer.
Barmhartige en rechtvaardige God, die den mensch bestraft om zijne zonden en door de bestraffing hem geneest, wij smeeken U â door de verdiensten van uwen heiligen Vriend Nicolaas, die door het Brood, dat uwe H. Moeder hem bracht, de gezondheid wederom heeft verkregen â aan dit gewijde Brood, dat wig in uwen H. Naam en in naam van uwen dienaar Nicolaas gebruiken, zulk eene kracht te geven, dat wij de barmhartigheid en genade mogen verwerven, verlost te worden van alle gevaren, van pest en andere ziekten en bewaard te blijven van den vuurpoel der helsche geesten. Amen.
GEBEDEN tee kere van den
GEBED in alle ziekten en zielesmarten.
Goedertierene en barmhartige God, die leven en dood in handen hebt, zie genadiglijk op mij neder in de kwellingen en smarten, die mij trefien. Ik weet, o Heer, dat Gij, als een barmhartige Vader en een wgze geneesheer, mij deze ziekte en smarten hebt overgezonden tot zaligheid mijner ziel. Doch wederhoud uwe straffende hand! Ik beken mijne schuld, o Heer! Ik heb gezondigd, ik vraag nederig om genade en beloof, met den bijstand van deze uwe genade mgn zondig leven te beteren. Genees mg, o Heer! door den Zegen over dit Brood uitgesproken; genees mij door de gebeden en verdiensten der gezegende Moeder Maria en door de groote liefde, welke Gij onzen heiligen Beschermer Nicolaas, welken wij met een heilig vertrouwen aanroepen, hebt toegedragen. Of indien Gij het lijden dienstig acht tot mijne zaligheid, dan bid ik U, o God! verleen mij uwe genade om mijn lijden standvastig en geduldig en in onderwerping aan uwen Goddelijken Wil te dragen. Gij alleen, o God! weet, wat mg dienstig is. Uwe genade is my genoeg, opdat ik mij aan uw welbehagen volkomen onderwerpe. 0 Vader, uw Wil geschiede! Amen.
164
H. NICOIiiAS TAN TOLENTINO 165
GEBED van een gehuwde maar kinderlooze vrouw.
Verhoor, o Heer! de verlangens van uwe dienares, die ü smeekt om een zalig kroost, gelijk Gij de kinderlooze moeder van den propheet Samuel en de ouders van den H. Nicolaas van Tolentino verhoord hebt.
Bid voor ons, H. Nicolaas,
Opdat wg waardig worden de beloften van Christus.
Almachtige en eeuwige God, die de beloften en het gebed der moeder van den H, Nicolaas verhoord en haar in dien grooten Heilige een voortreffelijk nakroost gegeven hebt; ik smeek U ootmoedig door de verdiensten en menigvuldige wonderwerken van dezen uwen heiligen dienaar, mijne gebeden te willen verhooren en mij eene gewenschte uitkomst te verleenen, opdat wij het kind, dat Gij mij schenken zult, opvoeden tot eer van U, o God, die leeft en heerscht in alle eeuwigheid. A.men.
GEBED
van eene vrouw, die met een kind gezegend is.
O God, die uwen dienaar Nicolaas hebt verheerlijkt door ontelbare wonderwerken, verleen uwe dienares, welke uwe genade met een nieuw
166 gebeden ter bere van den
kroost heeft verrijkt, dat ik door de voorspraak van den H. Nicolaas de gunst moge verkrijgen, dit kind gelukkig en gezond de wereld te zien intreden en dat het, na het H. Doopsel ontvangen te hebben, moge opgroeien in deugden. Door Christus, onzen Heer. Amen.
GEBED voor de zielen in het Vagevuur.
O God, die door de verdiensten en de voorspraak van den H. Nicolaas van Tolentino zoo vele zielen van de pijnen des Vagevuurs hebt bevrijd, geef genadiglijk, dat zij, die nu nog de smarten van het Vagevuur ondergaan, door Zijne gebeden tot de eeuwige vreugde des hemels worden toegelaten; door Jesus Christus, onzen Heer. Amen.
v. Door de voorspraak van den H. Nicolaas. a. Heer! geef hun de eeuwige rust.
v. Het eeuwige licht verlichte hen.
a. Dat zij in vrede rusten. Amen.
GEBED tegen sterfte oamp;der het vee.
Rechtvaardige God, die ons kastijdt om onze zonden en ons spaart volgens uwe barmhartigheid , wij bidden U, wend door het gebruik van
H. NIC0LAA3 VAN TOLENTINO
dit Brood, in den naam van uwen dienaar, den H. Nicolaas, gezegend, de slagen uwer gramschap, welke ons door de sterfte ouder het vee treffen, van ons af; opdat wij door zijne voorspraak bij ü geuade vinden en de welverdiende straffen van ons worden afgewend; opdat door uwe goedheid datgene, waardoor het mensche-Igk geslacht gevoed wordt, daarvoor behouden blijve Dit bidden wij U, door onzen Heer Jesus Christus. Amen.
Bid voor ons, H. Nicolaas van Tolentino.
Opdat de straffen des Hemels van ons worden afgewend.
Ander Gebed.
O God, die verlichting hebt geschonken aan de kwalen der redelooze dieren, zooals aan die der menschen: wij bidden ü ootmoediglijk, door de verdiensten en de voorspraak van uwen grooten dienaar Nicolaas, dat Gij de dieren, zonder welke het menschelijk geslacht niet gevoed wordt, voor ons gebruik niet doet verloren gaan. Door Christus onzen Heer. Amen.
Gebed tegen Brand.
O God, Schepper en Bewaarder van alle dingen, die herhaaldelijk aan het brood, ter eere van den H. Nicolaas van Tolentino gezegend,
167
GEBEDEN TER EERE VAN DEN
de kracht hebt verleend, van de hevigheid des brands te stuiten: geef ons, die U smeeken, en met godsvrucht en vertrouwen dit brood gebruiken , dat onze lichamen, woning en goederen van de woede des vuurs en onze zielen van de vlammen der hel mogen bevrijd big ven. Door Christus onzen Heer. Amen.
GEBED voor de bekeering der zondaren.
O barmhartige God, die door de wonderbare bloedvloeiing uit de armen van den H. Nicolaas zoo dikwijls tot boetvaardigheid hebt aangemaand, wij bidden U, verleen ons door zijne voorspraak, zoo krachtige genade, dat wij, in dezen tijd reeds, voldoende aan uwe Rechtvaardigheid, de vruchten van het dierbaar Bloed van uwen Zoon, Jesus Christus, barmhartiglijk mogen verkrijgen. Amen.
GEBED van Ouders voor bnnne Kinderen.
O hemelsche Vader, die de morgen der ouders van den H. Nicolaas van Tolentino, door het voorbeeldig leven en de engelachtige deugd van hun kind hebt beloond: geef ons, bidden wij ü, door de voorspraak van dezen onzen beschermer, dat wij de opvoeding van onze kinderen zoo
168
H. NICOLAAS VAN TOLKNTINO 169
mogen volbooien, dat wij met hen de eeuwige vreugde eenmaal mogen smaken. Door Christus, onzen Heer. Amen.
GEBED van Kinderen voor hnnne Onders.
O God, die ons geboden hebt vader en moeder te eeren, ik bid ü door de voorspraak van den H. Nicolaas van Tolentino, die dit gebod zoo nauwgezet heeft volbracht; geef dat mijne ouders hier op aarde in alle deugden hunnen levensloop mogen voleinden, opdat ik hen hiernamaals in de eeuwige vreugde des hemels mag aanschouwen. Door Christus onzen Heer. Amen.
Gelied bq Onweder.
O Heer! verhoor ons uwe dienaren, die hunne bange stemmen tot uwe oneindige Majesteit verheffen, opdat wij, door de voorspraak van den H. Nicolaas van Tolentino en door het godvruchtig gebruik van zijn gewijd brood, tegen de dreigende gevaren des onweders bescherming en veiligheid mogen vinden onder de vleugelen uwer barmhartigheid. Door Christus onzen Heer. Amen.
gebeden ter eeee van den
GEBED
vooraleer men de Reliqnie van het wonderbaar Bloed van den H. Nicolaas van Tolentino gaat vereeren.
O God, zoo wonder in uwe Heiligen, die door uwe oneindige Goedheid eeuen geestelijken schat van hulp en troost voor allen, die in nood zijn, hebt bereid in het wonderbaar Bloed van uwen dienaar Nicolaas; geef, bidden wij U, ons de genade van die kostbare Reliquie met een groote godsvrucht en betrouwen te eeren en er de heilzame kracht, door de voorbidding van dien groeten wonderdoener, zoo naar ziel, als naar lichaam van te mogen ondervinden. Door Christus onzen fleer. Amen.
170
H. NICOLAAS TAN TOLENTINO
GEBEDEN bij de wijding van het Brood,
TER BERE VAN DEN
H. NICOLAAS VAN TOLENTINO.
Wanneer het brood sal worden yewijd, gaan de kloosterlingen processie-gewijs de kerk rond, onder het zingen van den lofzang: Nicolaas, o! alle volken Prijzen ü tot in de wolken;
Land en stad en jong en oud Zingt ü dankb're jubeltoonen,
Komt zich van beloften schoonen Zoete hoop op U gebouwd.
U, dien blinden, kreup'len danken, Bieden stommen de eerste klanken Der ontbonden tongen aan:
Allen, die ge eens uit de baren,
Ziekte, nood of doodsgevaren,
Hebt gered en bijgestaan.
Zie! uit duizend dank'bre monden Komen ze uwen lof verkonden; Vrienden, die ge aan Satans macht Door uw voorspraak kwaamt ontlokken: Kind'ren, aan den dood onttrokken, Wien gij eens nieuw leven bracht.
171
GEBEDKN TKE EERE VAN DEN
Nicolaas, gij wond're sterre,
Glanst en schittert reeds van verre Aan den hoogen hemeltrans!
Laat uw licht onz' ziel bestralen, Laat uw warmte in 't harte dalen, d' Ijskorst smelten door zijn glans
Lof zij God, den eeuw'gen Vader, Lof den Zoon met Hem te gader, Lof zij God den H. Geest,
Zooals 't altijd was voor dezen, Is en eeuwig ook zal wezen, Eer zij God, en lof om 't meest.
Op het altaar aangekomen, zingt de sub-diaken het Epistel:
Les uit het Boek der Koningen III: 17.
In die dagen werd het woord des Heeren tot Elias gedaan, zeggende: Sta op en ga naar Sarepta, dat hij Sidon ligt en daar zult gij big ven. Want, ik heb aldaar eene weduwe bevolen, dat zij u spijzige. Hij stond op en ging voort naar Sarepta. En als hij aan de stadspoort kwam, zag hij daar eene weduwe hout rapen; en hg riep ze eh zeide haar: »Geef mij een weinig water in een vat, dat ik drinke.quot; En als zij heenging om het te halen, riep hg haar achterna en zeide: »breng mij ook, bid ik u, een bete broods in uwe hand mede.quot; Zij echter antwoordde:
172
H. NICOLAAS VAN TOLENTINO 173
«Zoowaar de Heer, uw God leeft, brood heb ik niet, maar alleen een handvol meel in het meelvat en een weinig olie in de kruik, en zie, nu raap ik een paar boutjes, om dan binnen te gaan en het mij en mgn zoon te bereiden, opdat wij bet eten en dan sterven.quot; Maar Elias zeide tot haar: »Wil niet vreezen, maar ga benen en doe gelijk gij hebt gezegd; doch bak eerst van dat weinig meel mij een broodje onder de asch en breng het mij hier. Daarna zult gij dan voor u en uwen zoon wat maken. Want, dit zegt de Heer, de God van Israël: »het meelvat zal niet ledig worden en de oliekruik zal niet verminderen, tot op den dag dat de Heer regen op den aardbodem geven zal.quot; Zij ging dan henen en deed naar het woord van Elias. En hij at en zij met baar huis, en van dien dag af werd het meelvat niet ledig en de oliekruik verminderde niet, volgens het woord des Heeren, hetwelk hij door Elias had gesproken.
De Cantoren zingen:
Jf. Elias zag boven zijn hoofd een brood, onder de asch gebakken; hij stond op, at en dronk, en door deze spijs versterkt, wandelde hij naar den berg des Heeren.
Intusschen vraagt de Diahen den zegen en zingt het Evangelie.
Æ. L)e Heer zij met u.
jf. En met uwen geest.
174 GEBEDEN TER EERE VAN DHN
Vervolg vit het Evangelie van den H. Joannes.
VI :1.
In dien tijd trok Jesus weg over de zee van Galileen, hetwelk is het meer van Tiberias. En eene groote schare volgde hem, omdat zij de teekenen zagen, die hij aan kranken deed. Jesus ging dan op den berg en zat aldaar neder met zijne leerlingen. Het Paschen nu, het hoogtgd der Joden, was nabij. Jesus dan, zijne oogen opheffende en ziende, dat «r eene zeer groote menigte tot hem kwam, zeide tot Philippus: gt; Van waar zullen wij brood koopeu, opdat dezen mogen eten?quot; Doch Hij zeide dit om hen te beproeven; want Hij wist zelf wel, wat Hij zou doen. Philippus antwoordde hem: »Voor twee honderd denariën brooden is niet genoeg, opdat ieder een weinig krijge.quot; Een van zijne leerlingen, Andreas, de broeder van Simon Petrus, zeide tot hem: »Er is een jongen hier, die vijf gerstebrooden heeft en twee visschen; maar wat is dit onder zoo velen ?quot; Jesus zeide dan: »Doet de menschen aanzitten! Er was veel gras nu op die plaats. De mannen zaten dan aan omtrent vijf duizend in getal. Jesus nam nu de brooden en nadat hij gedankt had, deelde tij ze uit onder de aanzitten den; desgelijks ook van de visschen, zooveel zij wilden. En toen zij verzadigd waren, zeide hij tot zijne leerlingen: Verzamelt de overgeschoten brokken, opdat zij niet verloren gaan! Zij verzamelden
H. NICOLiAS VAN TOLENTINO.
dan en vulden twaalf korven met brokken van de vijf gerstebrooden, welke hun, die gegeten hadden, waren overgebleven. Toen die menschen dan het teeken gezien hadden, dat Jesns verricht had, zeiden zg: Deze is waarlijk de profeet, die in de wereld komen moet.
JVa het EvangeHe zingt de priester:
Æ. De Heer zij met ü.
juf. En met uwen geest.
laat ons bidden.
Heer Jesus Christus, die de vijf brooden gezegend hebt in de woestijn, stort op uwe ge-loovigen den overvloed uwer barmhartigheid, zooals Gij met onze vaderen hebt gedaan, die in uwe barmhartigheid hunne hoop hadden gesteld en gewaardig ü te zegenen gt;5 en te heiligen dit brood, hetwelk Gij hebt geschonken tot onderstand uwer geloovigen, opdat het, bij hem die het gebruikt zal hebben, vervuld worde met den rijkdom van uwen zegen en geheiligd door U, door de werking uwer genade in hunne ingewanden. Door Christus onzen Heer. pf. Amen.
Laat ons bidden.
O Heer van heiligheid, almachtige Vader, eeuwige God, die ons door uwe macht, dit brood onder eene zichtbare gedaante _hebt ge-
175
GEBEDEN TER EERE VAN DEN
schonken en door uwe groote mildheid uit het graan hebt doen ontspruiten; wij bidden U ootmoedig, dat de genade van den heiligen Geest, dit brood, hetgeen onze nalatigheid heeft bevlekt, tot reinheid terugroepe en heilige zuivere en schoon make j dat de onreinheid van den boezen geest wgke en dat dit brood voortaan , uwe kinderen, door uwen zegen tot voedsel strekke, de harten van die het eten, zuivere en hunne lichamen door uwe genade heilige. Door Christus onzen Heer. pf. Amen.
LAAT ONS BIDDEN.
Wij bidden, o Heer en God, uwe goedertieren barmhartigheid, dat Gij dit brood door uwe hemelsche zegening wilt )J( heiligen en U ge-waardigen, alzoo allen invloed van de helsche macht te verdrijven, opdat allen die van hetzelve zullen gegeten hebben, de zoetheid van volle kracht en gezondheid genieten en U, aller Heiligmaker en Zaligmaker hun dankgebed met vreugde en blijdschap mogen opdragen. Door Christus, onzen Heer. Amen.
LAAT ONS BIDDEN.
Wij smeeken U dan ootmoediglijk, dat Gij U gewaardiget, dit schepsel van brood te zegenen gt;5 en te heiligen ®, opdat hij, die er van geproefd zal hebben, door de voorspraak van uwen beminden Nicolaas van Tolentino het eeuwige
176
H. KICOLAAS VAN TOLENTINO 177
leven verwerve; en neem van allen, die het waardig zullen genomen hebben, indien er iets vergiftigs of eenige doodelijke werking in hun is, dit weg en bescherm hen in uwe barmhartigheid. Door Christus onzen Heer. Jt'. Amen.
LAAT ONS BIDDEN.
God en Vader van onzen Heer Jesus Christus, door wiens woord de hemelen zijn gevestigd; wien alles onderdanig is, wien alle schepselen ten dienste staan, wien alle macht is onderworpen, voor wien zij vreest en siddert, wij roepen U in tot onze hulp: ü, op wiens naam de slang zich verbergt, de draak vlucht, alle vergiftige, ook de groote kruipende schadelijke dieren van vrees worden bevangen en alle gewassen , nadeelig voor den mensch, verdroogen tot in den wortel: Wij smeeken U ootmoedig, o HeerI dat Gij ü gewaardiget dit schepel van brood te zegenen en te heiligen )J(, opdat alwie er van zal hebben gegeten, door de voorspraak van uwen geliefden zoon Nicolaas van Tolentino het eeuwig leven verwerve. Door onzen Heer Jesus Christus, uwen Zoon, die met ü leeft en heerscht in de eeuwen der eeuwen. Jt'. Amen.
12
GEBEDEN. TEE EERE: VA-V DEN
jVa deze gebeden wordt het brood met wijwater besproeid en bewierookt. Vervolgen» wordt het uitgedeeld, terwijl het koor zingt r
Komt o kranken, komt met hoopen Tot dit heilzaam brood geloopen,
Eet het brood, dat ziekte toomt Reizigers te zee, te lande 't Zij uw hulp, iu nood, bij brande In elk onheil, 't geen gij schroomt.
Kwijnt gij, niets kan beter voeden.
Niets van ziekte ons beter hoeden;
't Stilt den storm, en bluscht den brand; Als onheilen u omringen;
ötelt uw hoop dan stervelingen Op dit kostbare onderpand.
Welke kwalen u benauwen.
Eet dit brood met groot betrouwen;
In ellende, ziekte eu pijn.
Waar natuur noch kunst vermogen,
Moogt ge op Gods genade bogen;
Zij zal u een trooster zijn.
O voorzienigheid des Heeren,
Komt nog meer uw dienaar eeren.
Geef, dat het gewijde brood Honger stille, dorst'gen drenke.
Allen Christen alles schenke Te allen tijd, in allen nood.
178
it. NICOLAAS TAN TOLENTINO.
Ons, zoo droeve stervelingen,
Wien gevaren dicht omringen,
Zij dit brood een sterke macht.
't Moog ons tot een wapen strekken; 't Moog als veilig schild ons dekken ;
't Zij onz' hulp, ons heil onz' kracht
't Zg de roem van dien wij loven,
God, ons heil, die van hier boven.
Over de afgrond zegepraalt:
Mogen wij, na moedig stryden In den hemel ons verblijden Waar zgn luister eeuwig straalt.
Amen.
Antiphoon. Nicolaas, ware arme van Christus, om zijne maagdelijke zuiverheid door God uitverkoren, is, door zijne nauwgezette gehoorzaamheid, door zijne wonderen en deugden de luister geworden van de Orde der Augustijner-Eremieten.
/. Bid voor ons H. Nicolaas.
Opdat wij de beloften van Christus waardig worden.
Laat ons bidden.
Verleen smeeken wij U, o almachtige God, dat uwe heilige kerk, die door den luister der deugden en wonderen van den H. Nicolaas, uwen belijder, zoo glanrijk schittert, door zijne
179
LIED BEEN TER EERE VAN DEN
voorspaak en verdiensten, zicli in een voort-durenden vrede en éénheid moge verheugen. Door Christus onzen Heer. Amen.
XjIEIDIBIRIBIISr ter eere van den H. Nicolaas v. Tolentino.
O Nicolaas van Tolentiin,
O Heil'ge rijk aan deugd,
Wiens glorie thans de Kerk versiert
En 't hemel-hof verheugt.
God schonk C reeds met milde hand,
Op aard zgn wonderkracht
En na uw dood bet vaderland 1 ^
Voor de ofiers Hem gebracht. gt;
Hoe paardet Ge aan de zuiverheid De deugd van ootmoed schoon;
En hoe kastij de t Gij uw vleesch. Met strengheid ongewoon;
Hoe prgsdet Gij de Moedermaagd, Hoe mindet Gij haar eer,
Hoe bracht Gij zondaars diep verlaagd K Door Haar tot Jesus weer. gt;
180
NICOLAAS VAN TOLENTINO 181
Gij kind, van God eens afgebeên,
Van 't eerste levensjaar
Tot in uw hoogen ouderdom
In alles wonderbaar,
Gij kunt voor ons een trooster zijn.
Een helper in den nood,
O Nicolaas van Tolentijn
O Heilige zoo groot. gt;
Verkrijg voor ons bij God den Heer
Niet uwe wonderkracht;
Maar dat ons hart zoo mensch'lijk zwak
Naar schoone deugden tracht:
Dat wij (J volgen hier op aard
In heiligheid en deugd,
En dat ons worde een kroon bewaard
In de eeuw'ge henuelvreugd. J
Hymnus: TE CANUNT.
ü, Nicolaas! bezingen alle volken
Voor ü gaat stad aan stad in maatgeluid: Melodisch dringt een danklied door de wolken Der kind'ren gorgel uit.
ü zingt de blinde en stomme zijn gebeden,
Zoo ieder, wien ge in ziekte redding bracht; De kreuple, gansch hersteld, roeint in zijn schreden Uw groote wondermacht.
182 LIEDEKEN TER EK EE VAN DEN
Bij 't steigeren der opgezweepte baren,
Is duizenden, met ziekten zwaar belaan, Gezondheid weer in de aderen gevaren: Elk hunner prijst uw daan.
Gij hebt elks ziel van kwellingen ontheven, Onttrokken aan der duiv'len dwinglandij, Gij hebt hun weêr èn levenslicht gegeven En leveuspoëzij.
Gg! als 't gestarnt, bestralend lager landen,
Onthef den geest der neevlen zwaar gewicht Kom harten, aan het ijs gelijk, ontbranden Door 't schitterende licht.
Lofzang: ECCLESIAE FLOS. 0
O bloem der Kerk, schoon bloeiend, Gij wondersterke schans,
In vollen lichtglans gloeiend,
Dooft gg der sterren glans.
Gy ziet, als ge in deez' kringen. Op 't Brood der eng'len staart, Den roem der hemellingen, Die hemellusten baart.
(1) Breviarium Augustlnianum: Comm. mens.
H. NTCOIiAAS VAN TOLEVTINO.
Gij gruwt van lustbejagen En 's werelds too very , Gg draagt met vreugd de slagen Der helsche razernij.
Het lust U, 't vleesch te wraken 't Geen uw onthouding voedt; Geen streelende vermaken Geen hemeldauw zoo zoet.
Wij 's Vaders volgelingen, U prijzend onverstoord,
Gaan uwen lof bezingen In jubelend akkoord.
Den Vader, vorst des levens. Den Zoon, vol heerlijkheid. Zij met den Trooster tevens Lof in alle eeuwigheid.
183
Amen.
Lofzang: 8PE8 0RBI8. f)
O! trouwste hoop der aarde. Den zuchtende ten troost, Gg een, in 's Hemels gaarde, Van 't rijkst beg'nadigd kroost.
(1) Ibidem.
LIEDEREN TER EERE VAN DEN
Natuur staart diep ontstellend Op uwer armen macht,
Als levend bloed, hoog zwellend'
De dood te voorschijn bracht.
0 bloed! robijnenregen,
0 kostbare erfenis.
Wier wonden allerwegen Den kranken, redding is.
Bg uw altaar knielt zwijgend Een breede, vromé schaar,
Uw naam, hun hart ontstijgend, Beheerscht hen, al te gaar.
Vraag ons van God erbarmen,
Voer ons zijn bliksems af.
Behoed ons door uw armen Van dood en eeuw'ge straf.
Den Vader, vorst des levens,
Den Zoon, vol heerlijkheid.
Zij met den Trooster tevens Lof door alle eeuwigheid.
Hyranns: ITE MOÃRORES.
Weg smarten, die de boezems nog bezwaren!
Gij nevels van 't beangstigd hart, wijkt ver 't Omwolkt verstand kan hier nieuw licht ontbaren
Van Niclaas wond're ster.
184
H. NICOLAAS VAN TOLENTINO 185
Zie zij keert weer, ter zege thans getogen â
De duivel en het vleesch zijn overheerd, De wereld richt verwonderd tot haar de oogen, â Zij immers triomfeert!
De booze drift, zoo tuk op önlustbroeien,
Ligt vast, en brult schuimbekkend in 't gareel, Gedwongen staat zij toe dat ijzren boeien Zich slingren om haar keel.
Een rij van deugden siert uw zegepralen,
Elk hunner vlecht uw schedel eene kroon: Met buit bevracht, gaan nu uw drommen dwalen In 't licht bij 's Heeren troon.
De stoet, door kracht herwonnen, komt zich stellen
Bij die verwon, en zingt een jubellied, Het geestenkoor voelt zich van zangdrift zwellen In 's Heeren rijksgebied.
Den Vader en den Zoon zij lof en eere,
Den Geest, die te gelijk van beiden komt; Vóór 't scheppingswerk en de verlossing, Heere! Knielt 't aardrijk steeds verstomd. Amen.
Nicolaas, de roem der wereld.
Heeft, van 's hemels licht bepereld, Op Gods werk de kroon gedrukt.
De Eremiet, wien hemel-weelde Op Itaaljes grond omspeelde Heeft door reinheid de aard verrukt.
186 LTEDJSUEN TBR EERE VAN DEN
Volgend Augustinus' regel Drukkend steeds het Godezegel Heeft hij de Orde rijk gesierd.
In zijn kindsheid, God zoo heerlijk Ziet hij Jesus, zoo begeerlijk, Die verheerlijkt 't hoogtij viert.
Door den Oudren beê verkregen,
Werd hij door gebed gedreven Tot den maagdelijken staat.
Kind nog Eremiet geworden Een van Augustinus' Orden Leeft in heil'gen kloosterstaat.
Zie van armoe hier een voorbeeld, Die onzuiverheid veroordeelt.
Beeld ook van gehoorzaamheid.
Staag door duiv'len geplonderd.
Maar van God nooit afgezonderd,
Heeft hg wonderdaan verspreid.
Blinden, kreupleh, stommen, dooden, Allen heeft hij heil geboden:
't Heil van 's levens lentetijd.
Den bedrukte weer de blijheid. Den gevangenen de vrijheid.
Kracht hem, die aan ziekte lijdt.
Winden, onweer, stormen, zeeën, Eu der woeste orkanen weeën, 't Al was op zgn woord gedwee.
H. NICOLA.AS VA.N TOLENTINO
't Vagevuur ligt gansch geheiligd De aardeliug is ook beveiligd, En berooft de vlammenzee.
Veel kwam bij op aarde vesten,
Meer uit bemelsche gewesten Zeetiend in Gods glorierijk.
Petrus Scheepje schier bedolven Onder de opgezweepte golven,
Tuige van diens wonderblijk.
Als hij, (immer hulp betoonend), In der heilgen midden tronend Christus Kerke vrede bracht.
't Brood te zgner eer gezegend, Schonk wien plaag op plaag bejegend, Zoetheid door geen leed verkracht.
Zóó de zieken in hun Igden Te genezen, vol verblijden,
Heeft Maria hem geleerd.
Zóó toch mocht hg ook zich spgzen Als een wildbraad van patrijzen Op een kruis in brood verkeert.
Ziekentrooster van dit leven Tot geneesheer ons gegeven Wees, ó Niklaas, wees gegroet!
Gij wien 's Heeren Englen eeren Wien de Hemelen begeeren In hun jubelenden stoet.
187
188 LIEDERENTER EERE V. D. H. NIC. V. TOLENTINO
Zoo gij opwaarts stijgt â ten hemel, Daagt de ster, en in 't gewemel,
Gij der Englen harpen roert.
Heel de schaar der hemelkoren Koept: Belijder, kom naar voren, Schittrend, waarlijk heilig licht.
Alle reien, alle rangen
Zijn van zangdrift gansch bevangen
Prijzen ü in jubelzangen
Als om strijd uit heiige plicht.
Boven 't rijk der starren leeft gij,
Glorie aan Gods Zone geeft gy,
In des Heeren lichtzee zweeft gij,
Toon ons eens Gods aangezicht.
Amen.
Met de verklaring mg volkomen te onderwerpen aan de decreten in 1622, '31 en '32 door Paus Urbanns VIII uitgevaardigd omtrent het wonderbare en bovennatuurlijke in de levens van Gods vrienden vermeld, bied ik deze uitgave den goedgunstigen lezer aan.
Eindhoven, 1 Aug. 1896.
FR. P. PIUS HOUBEN, O. E. S. A.
Libellus, cui titulus Vita Thaumaturgi Sancti Nicolai de Tolentino, neerlandice conscriptus a Fr. PIO HOUBEN, imprimatur, servatis ser vandis.
Datum Amstelodami in festo B. Mariae Virginis de Consolatione, 30 August! 1896
J. VAST EERT,
Prior Provineialis O. E. S. A.
INHOUD.
Bldz.
Voorwoord..........3
I. Wonderbare aankondiging van de geboorte van den H. Nicolaas door eenen Engel. â Zijne jeugd â Zijne roeping tot het kloosterleven. â
Zijne intrede in het Augustijnen-
Klooster ............7
II. Hij wordt priester gewijd. â Verschijningen van overledenen. â Hij verlost vele zielen uit het Vagevuur........16
III. Groote armoede van Nicolaas in zijn
dagelijksch leven. â Hg verzwakt door die vrijwillige verstervingen. â Zijn neef tracht hem over te halen om het klooster te verlaten. â Wonderbare waarschuwing aan Nicolaas gedaan . . 21
IV. Nieuwe beproevingen. â Hij wordt
ziek. â God toont door nieuwe wonderen, hoe aangenaam Hem de getrouwheid van Nicolaas is . . 26 V. De duivel kwelt Nicolaas door verschoningen en mishandelingen. â Naastenliefde van den Heilige. â Wonderbare verschijning van eene ster. â Op zijne voorspraak worden vele weldaden van God ontvangen .........33
Bid».
VI. Wonderen op zijne voorbede geschied â Hij doet eene waterbron Ontspringen. â Bij stut een muur, welk dreigt in te storten. â Hij geneesteen kloosterbroeder. â Hij zegent een kinderlooze vrouw.â Hij geneest twee kinderen en eene vrouw die reeds drie jaren aan bloedverlies leed. â Een houthakker genezen. â- Vermenigvuldiging van meel . . . . . . 42 Vil. Laatste levensdagen van Nicolaas.â Hij voorzegt zijnen dood. â Engelengezang wordt gehoord. â Dood
van Nicolaas . ......51
VIII. Er geschieden vele wonderen â Hg geeft blinden het gezicht, â kreupelen het gebruik hunner leden terug. â Hij geneest vele ziekten en kwalen. â Hy doet de dooven hooren, de stommen spreken. â Hij wekt een kind, zonder doopsel gestorven, van den dood op. â Opwekking van een meisje tot het leven. â Vele andere opwekkingen uit den dood; o. a. van een verdronken kind en van een man, die door een strop een einde had gemaakt aan zijn leven .... 58 IXi Terugblik. â De wonderbare ster
in
Bldz.
verschijnt op zijn graf. â Inleiding tot; zijne heiligverklaring ... 73 X. Vervolg van de Wonderwerken.
Een doode tot het leven opgewekt. â Een gevangene bevrijd. â Schipbreukelingen gered â De wonderbare bloedvloeiing uit den arm van den H. Nicolaas. â
Drievoudig wonder.....79
X[. Heiligverklaring van Nicolaas door Paus Eugenius IV, â Sixtus V verheft den feestdag .... 85 XII, Velen dooden worden tot het leven
opgewekt........99
XIII, Het gebruik van het brood, ter eere
van den H. Nicolaas gezegend. â
Zijn oorsprong. â Zegening en üitdeeling is den Augustijnen voorbehouden ........110
XIV. Wonderen door het gewijde brood
geschied, â Branden te Bologne, te Venetië, te Florence, te Olin-chon. â Stormen bedaren, â Wonderen te (lordova geschiedt. 115 XV. Wonderen in België door de aanroeping van den H. Nicolaas en door het gezegend brood geschied, 128 XVI. Genezing van dieren door de voorspraak van den H; Nicolaas van Tolentino. â Verdry ving van dui-
IV
Bldz.
velen..........134
XVII. Verschijningen van den H. Nico-
laas van Tolentino aan de zalige Rita van Cassia en Helena van Ubina .........146
XVIII. Gebeden bij het gebruiken van het
St. Nicolaasbrood......158
Litanie ter eere van den H. Nicolaas van
Tolentino...........159
Gebed in alle ziekten en zielesmarten . . 164 Gebed van een gehuwde maar kinderlooze
- vrouw............165
Gebed van eene vrouw die met een kind
gezegend is ...........165
Gebed voor de zielen in het vagevuur . .166 Gebed tegen sterfte onder het vee . . .166
Ander gebed..........167
Gebed tegen brand........167
Gebed voor de bekeering der zondaren. . 168 Gebed van Ouders voor hunne kinderen . 168 Gebed van Kinderen voor hunne Ouders . 169
Gebed bij on weder........169
Gebed vooraleer men de Reliquie van het wonderbare Bloed van den H. Nicolaas
gaat vereeren.........170
Liederen ter eere van den H. Nic. v. Tolentino 180
Lofzang Te Canunt...... . .181
Lofzang Ecclesiae Flos.......182
Lofzang Spes Orbis........183
Lofzang Lte Moerores.......184
-
p;./.
.
_