ocr page 1

Vak 89 ?1 mm,

EEN WOORD VAN ERNST EN LIEFDE

tot df.

CHRISTELIJKE JEUGD.

llnm ltd .fiootidmiscti (i)'le uilannl)

van w1ji-kn

P. ADOLPH v DOSZ, s. j.

quot;Venerunt imlii omnia bona pariter quot; cum ilia.quot; _SaP-vll-n-

21e herziene druk.

GBA-VE

quot;1 r.k. Liefdadigtieids-Bookh

(blik den-instituut).

ocr page 2

IMPRIMATUR,

Amstklodami, F. T. H. VAN OGTROP,

die 4 Junii 1890. Libr, Cens.

ocr page 3

Voorwoord tot den tweeden druk.

Jm de ^aiHofieie leugd oau llederfmid.

Heht dank, dierbaren, hebt dank voor de bereidvaardigheid, waarmede (jij dit nederig boeksken ter hand wildet nemen! Och, dat het u vergund ware de zoete, reine vreugd te kennen, welke het diep gewonde hart des armen Hinden zalft, nu men hem uitnoodigt, den tweeden druk van „De Parel der Deugdenquot; bij u in te leiden !

Hebt dank! gij begreept uw eigen heil, toen gij met edel vuur de hand uitstrektet naar een kleinood uit de nalatenschap eens heiligen priesters.

ocr page 4

6

Heht dank! binnen weinige maanden,— weken konde ik bijna zeggen, — naarnt gij duizenden exemplaren weg eener penne-vrucht, uit hare natuur alle geschiktheid missende, om den wereldling, tuk op de fantasieën eener godsdienMooze pers, doch geheel verachting voor alles, wat naar eene „zedepreek'quot; zweemt, eenig belang in te boezemen.

Dat pleit voor u, dierbaren, dat pleit voor uwe christelijke gevoelens, dat pleit voor uwe begeerte naar het bezit van die kostbare, van die overheerlijke Parel deu

Deugden.....Och, dat gij deze weinige

bladen nog lang uw vademecum, uw kleinen lieveling noeniet !

Ga dan, klein boekslcen van den „edelen edelman,quot; ga zonder schroom uwe tweede rondreis beginnen! Men bereidt u eene welwillende ontvangst, men klaagt zeljs over uwe te lange afwezigheid: meer dan

ocr page 5

7

duizend uwer vrienden, wier deur gij de eerste male voorhijgingt, schreven mij thans reeds om een bezoek van u te ontvangen. Mannen, eerbiedwaardig om hun priesterlijk karakter, hekend om hunne wetenschap, sieraden van het Katholieke Nederland, noemden u : „zoo in- als uitwendig rein en fijn,quot; een „juweeltje, in het zuiverste goud gevat,'quot; „een der merkwaardigste en heerlijkste voortbrengselen van de ascetische littérature.. . Ga vrij, wees dankbaar : men ontvangt u welwillend!

Ten slotte eene herhaling van den vurig en xcensch hij de eerste uitgave neergeschreven : Volle, o christen Jongeling en Maagd, valle het woord des vomen priesters zalvend in uwe harten! Date het weldoend neder op uwe zielen, gelijk de dauw des ochtends op de sneeuwblanke lelie komt glinsteren, teneinde heur die kracht te verleenen, waarmede zij des daags aan het schroeien der zomerhitte

4

ocr page 6

8

zal weerstaan ! Schittere voor u in de volheid van een verheven luister die wonder-sckoone Parel der Deugden, dat verrukkelijke juweel, welks bovenaardsche glans doordringt in het oog, dat zonnelicht weerspiegelt noch sterrengejlonker.....

Gods milde zegen over „Die Peele der Tugesden!quot;

Joseph quot;WTTLOX. R. K. Blinden Instituut.

_ , 19'lel1 Maart

(irave, den --

1890.

H. Joseph.)

(Feestdag van den

ocr page 7

de parel der deugden.

I.

DE ZUITEKHEID, DE FAKKEL DER JEUGD.

„De fakkel van uw lichaam,quot; zoo spreekt de Goddelijke Zaligmaker, „is uw oog. Is uw oog zuiver, dan is geheel uw lichaam verlicht.quot; En inderdaad: gerust en welgemoed vervult het stoffelijke omhulsel onzer ziel hier beneden zijne taak, en schrijdt met betrouwen voort op den weg, die tot het doel zijner reize voert, — zoolang het oog in zijn gewonen toestand verkeert, zoolang het door geene nevelen verduisterd wordt, zoolang het zich gretig voedt met de stralen des uitwendigen lichts. — „Is echter uw oog slecht geworden,quot; zoo gaat Jesus voort, „dan zal geheel uw lichaam in duisternis wezen dan kent

ocr page 8

10

het geen rust, dan vreest het bij elke beweging, dan wordt het schier onophoudelijk bedreigd door hindernissen, door afgronden, door roovers, door wilde dieren of door andere gevaren, welke het niet voorziet, en niet ontwijken kan....

Uwe fakkel, o christen Jongeling en Maagd I is de zuiverheid. Zij gloeit in uwe ziel gelijk eene hel vlammende toorts. Hoe volmaakter uwe zuiverheid is, des te lichter uwe ziel, des te glansrijker voor God, des te bekwamer om het beeld des Allerhoogsten te weerspiegelen, het licht van elke deugd in zich op te nemen. De zuiverheid is tevens, in welbegrepen zin, de fakkel uws lichaams : zij verleent het eene zekere klaarte, zij bekleedt het met de edelste aanvalligheid, zij kenmerkt het met iets hemelsch, dat zich niet laat beschrijven, doch krachtig op den voorgrond treedt, wanneer men de lieflijkste aller deugden vergelijkt met den meest verfoeilijken van alle hartstochten.

Het verbaze u derhalve niet, dat ik

ocr page 9

11

de moeilijke taak ga ondernemen, u rechtstreeks over die engelachtige deugd te onderhouden, om hare onvolprezen schoonheid geleidelijk voor uw blik te ontrollen. Zij het mij gegeven u dermate te verrukken, dat gij, om deze Parel te verwerven, bereid wezet eiken strijd te strijden, de zwaarste offers met liefde te brengen 1

Zijt gij zuiver, dan bezit gij alles; zoolang gij het niet zijt, blijft nog alles te doen over,—dan ontbreekt nog alles, dan mist gij ontegensprekelijk het waarachtigste, het voortreffelijkste, het uit-gelezenste. Zijt gij zuiver, — hebt gij uwe kuischheid vrij van alle smet bewaard , hebt gij dien schat in heete strijden heroverd, o 1 dan moogt gij met het boek derWijsheid uitroepen: „A 11e goed ontving ik met haar, en onberekenbaar voordeel gewerd mij door hare han d.quot;

Nog was Anscharius een knaap, vroolijk en onbezorgd van zin; nog had hij slechts een flauw denkbeeld van den hoogen ernst des levens. De

ocr page 10

12

wereld, met hare ijdelheden, met hare valsche geneugten, begon naar zijne gunst te dingen, spande hare eerste strikken voor de voeten des armen jongelings .. .. Toen vestigde God, door een wonderbaar droomgezicht, de aandacht van zijn voorbeschikten lieveling op het nakende gevaar: Het scheen Anscharius toe, dathijslij-kerige, oneffen paden bewandelde, en dat van beide zijden doornen en ander struikgewas zijn weg belemmerden.Het voortgaan werd den jonkman steeds moeilijker. Plotseling evenwel verhief hij het oog en ontwaarde nu, op geringen afstand, een ander pad,— effen, zuiver, onbelemmerd; en op dat pad zweefden eene schaar lichtende vrouwengestalten,onder welke één door verhoogden glans uitblonk.De vrouwen wenkten Anscharius, stierden hem een zoeten glimlach toe, en noodigden hem door teekenen uit, tot haar te komen.

Anscharius begreep den droom: ijdel was voortaan het streven der wereld,vruchteloos haar verdervend pogen !

Van dien stond af, hoedde de jongeling nauwlettender zijne onschuld, betoonde zich ernstiger, meed zorgvuldig het gezelschap zijner lichtzinnige makkers van weleer, en werd een der grootste en heiligste mannen van het tijdvak, waarin hij leefde. Zijne hand plantte in den bevrozen bodem van Scandinavië voor de eerste maal het aanbiddelijke teeken der Verlossing.

ocr page 11

13

Kendet gij de waarde der zuiverheid, hoe angstvallig zoudet gij er over waken, dat het licht dier fakkel niet in duisternis verkeerd Hoe gelukkig zijt gij, zoolang het oog uws harten klaar is en onbeneveldl Echter,—wee u, wanneer het nacht wordt in uwe ziel, wanneer gij de fakkel uwer kuischheid ziet uitgedoofd door den ruwen adem des or-kaans!....

*

II.

DE ZUIVERHEID, GEPREZEN IN Dl H. BOHEIFT.

Onuitputtelijk is de H. Schrift in den lof der zuiverheid. Welk een geestdrift ademen bijv. de zoo bekende woorden van het Boek der Wijsheid: „O hoe schoon is een kuisch geslacht in den glans zijner deugd! Onsterfelijk is zijne gedachtenis, want bij God, zoowel als

i

ocr page 12

14

bij de menschen, staat het in hoog aanzien. Is het tegenwoordig, men volgt het na; en is het van ons weggegaan, men gevoelt er het gemis van; en het zegepraalt, in eeuwigheid gekroond, dewijl het den prijs behaald heeft van een vlekkeloos strijden.quot;

O jal welk eene onvergelijke schoonheid woont in den boezem der onschuld! Hoe verbreidt zij allerwege hare stralen! Hoe betoovert en boeit zij zelfs het oog van den wereldlingl Hoe zien allen bewonderend op tot den kuische, zelfs diegenen, welke te laf zijn om hem op het pad der deugd te volgen! Welk eene eer bewijzen hem tijdgenooten en nakomelingen! Hoe staat hij daar, als een voorbeeld, een spoorslag voor allen! En dan, hiernamaals, welk eene vergelding wacht zijne deugd! Aan gene zijde van het graf siert eene onvergankelijke kroon zijn schedel, en ontvangt hij een over-winningsprijs, den harden strijd waardig, welken hij hier beneden zoo kloekmoedig doorstaan heeft.

ocr page 13

15

Èn wederom zegt de H. Schrift: „Wie de zuiverheid des harten bemint, heeft den Koning tot vriend...Den aller-hoogsten Koning, den Almachtige, den Heilige, den Beminnelijkste, denRijkste, den Milddadigste tot vriend te hebben, — welk een voorrecht! En wat al kostbare vertroostingen moeten uit die god-delijke vriendschap voortspruiten IWelk een vertrouwelijke omgang zal daar plaats vinden, welk eene toenadering, welke overeenstemming, welk eene we-derzijdsche uitstorting van de innigste gevoelens I O, zegt het ons, gij, reine zielen, hoe gij God verstaat, en hoe Hij u verstaat, — hoe warm uw hart voor God klopt, en hoe gij duidelijk ontwaart, dat Gods Hart het uwe tegenkloptl Verhaalt ons van uwe gesprekken met 's Heeren Majesteit,—hoe de Schepper van Hemel en aarde zich tot u aflaat, of beter gezegd, — hoe Hij u als het ware aan zijn heiligst Hart drukt, om u daar met Joannes te laten rusten, en vervolgens weder — omwolkt door

ocr page 14

16

den adem des Paradijzes, — voor eene wijle in de koude wereld terug te zendenl

O christen Jongeling en Maagd, blijft, wordt een vriend, eene vriendin des Hemelschen Konings, en gij kunt elke aardsche vriendschap derven 1

Reeds als kind had Joseph vaak zijn afkeer betuigd van de buitensporigheden, waaraan zijne oudere broeders zich overgaven. Te dezer oor-zake, en wijl de jongeling, volgens plicht en geweten handelend, zijn vader met die wandaden in kennis had gesteld, werd hij spoedig het voorwerp van hun haat: zij verkochten hem aan een slavenhaler, die Joseph in het huis eens rijken Egyptenaars voerde. Diir wacht den edelen jongeUng eene zware beproeving: de schaam-telooze vrouw van Putiphar, zijn meester, spant Joseph strikken, wil hem tot zonde vervoeren. Joseph echter laat een stuk van zijn bovenkleed in hare handen achter en vlucht haastig weg van de noodlottige plaats, waar zijne dierste bezitting met ondergang wordt bedreigd. Nu treft hem de wraak van het snoode wijf, op wier aanklacht men hem in de gevangenis werpt. Dan, hoewel Joseph in het duistere kerkerhol zucht, meer nog onder den druk van een vuigen laster, dan onder het gewicht van de ketenen, welke zijne ledematen boeien — toch is hij vrij, want zijn

ocr page 15

17

hart kent geene schuld, zijne ziel geen smet. En spoedig, voorzeker ten loon van zijne kloek bewaarde onschuld, veranderen de ketenen in eene vorstenkroon en vervangt het koninklijke purper het slavenkleed. Joseph's naam, waarlijk stralend in den „glans der kuischheidquot;, leeft voort in het heiligste aller boeken en in de vereering van alle edele menschen.

Heilige deugd, heerlijke deugd, verblind met uw glans mijn oog zóó, dat al het aardsche, en vooral het lage zinnelijke, mij een zwarte nacht toeschijne 1

III.

de zuivehheid, terheeelijkt doge

het voorbeeld yan christus.

Te welker plaatse echte hoogheid, ware beminnelijkheid, reinste ziele- en lichaamsadel zetelen, — wie konde het beier weten dan Jesus, de Zuiverste, Ver-hevenste en Wijste, die alle dingen in hunne waarde doorziet, op wiens heilig

oordeel het schoone der wereld geenerlei

-

ocr page 16

18

invloed uitoefent, voor wiens alziend oog vorm en wezen van al het geschapene ontsluierd zijn .

Tot wie gevoelde zich de Zoon des Menschen gedurende zijne aardsche loopbaan meer aangetrokken, dan tot de zuiveren? Was zijne Moeder niet eene maagd ? en zijn Voedstervader niet de maagdelijke Joseph ? —Werpt een blik om u en ziet, met welk eene teederheid Hij de kinderen bejegent. In hun midden gevoelt Hij zich verplaatst naar het Paradijs, in zijn hemelsch vaderland, bij zijne hemelsche boden, de Engelen. „De kleinenquot;, de zuiveren, laat Hij tot zich komen: hun behoort het Rijk der Hemelen !quot; Hun legt Hij de handen op, hen zegent en liefkoost Hij. Teneinde de onschuld te beschermen, spreekt Hij een vreeselijken vloek uit tegen de ergernisgevers en verleiders. De jeugd trekt Hij tot zich, onderwijst haar met voorliefde, toont haar den weg der volmaaktheid en schenkt haar de kostbaarste raadgevingen. — Te wier gunste wrocht

ocr page 17

19

Hij de schitterendste mirakelen, waarover de H. Boeken ons spreken? Denkt aan den jongeling van Naïm, denkt aan den jeugdigen Lazarus, denkt aan het dochtertje van Jaïrus. En welk eene voorliefde had Hij niet tot den maagdelijken Joannes! Hoe na bevond zich deze reine jongeling steeds bij Jesus 1 Hem vindt gij opThabor, bestraald door het licht van de verheerlijking zijns goddelijken Meesters; hem in de eetzaal aan de borst van den Godmensch ; hem in Gethsemané, als getuige van den beginnenden lijdensstrijd ; hem, alleen van alle discipelen, onder het kruis, waar het Bloed van het Offerlam op zijne schouderen nederdruppelt.

En hier — o leerrijke en beteekenis-volle gebeurtenis—hier neemt de maagdelijke Joannes, krachtens goddelijk bevel, de maagdelijke Maria tot zijne moeder aan,—wordt haar zoon, haar beschermer, in één woord haar alles,— in Jesus' plaats.

Overweegt dit wel, o christen Jonge-

ocr page 18

20

ling en Maagd: Wilt gij een lieveling van Jesus worden ? Daartoe is slechts ééne zaak noodig:weest kuisch.Rijkdom noch hooge afkomst, talenten noch lichaamsschoonheid, menschenlof noch aardsche | roem kunnen u tot een vriend, tot eene i lieveling van Jesus maken. Wilt gij dat onschatbaar voorrecht verwerven: weest kuisch I

Edmundus, de later zoo beroemd geworden aartsbisschop van Canterbury, had eene buitengewoon vrome moeder, Mabila genaamd.

Zij nam de taak, haar door God toevertrouwd zeer ter harte, en voedde haar kroost op in godsvrucht en onschuld.

Toen zij Edmundus op jeugdigen leeftijd met zijn broeder Robert naar Parijs zond, om in die stad de leergangen eener bekende hoogeschool te volgen, gaf zij beiden, om hen aan de noodzakelijkheid der versterving te herinneren, een haren boetkleed mede. „Draagt het eenige malen per week,quot; sprak de godvreezende moeder „want in die groote stad en te midden eener uitgelaten jeugd wachten u heete strijden, en tóch wil ik, dat gij zuiver terugkeeret, even als gij thans zuiver het ouderlijke dak verlaat.quot;—En wanneer Mabila later kleedingstukken of iets anders ten gebruike van hare zonen naar Parijs zond, droeg

ocr page 19

21

zij steeds zorg, het een of andere boetwerktuig daarbij te voegen. Hoe getrouw beantwoordde Edmundus aan die moederlijke zorgen! Ja — hij wist, dat de blanke lelie der onschuld met eene haag van doornen omgeven wil z'jn. Overigens had de brave jongeling reeds in het negende jaar zijns levens den Heer eeuwige zuiverheid beloofd. In al zijne bekoringen placht hij zich tot Maria te wenden, wier machtige bijstand, naar hij verzekerde, nooit door hem te vergeefs was ingeroepen.

Lichtzinnige jongelieden meed hij nauwlettend. En toen Edmundus eens, zoo verhaalt de legende het gezelschap vluchtte van makkers, wier gesprekken eene gevaarlijke richting insloegen en tot het booze overhelden, ontmoette hij een verrukkelijk schoonen knaap,op wiens voorhoofd in vlammende letters de zoete naan Je sus schitterde. „Wijl gij u van DIE afwendt,quot; sprak de hemelsche verschijning, „zoek Ik U op....quot; De bevoorrechte Edmundus, hierdoor nog gesterkt in het vaste voornemen, dat hij eenmaal vormde, van in eeuwigheid zijn hart en zinnen rein te bewaren, bleef te allen tijde getrouw aan de vriendschap, welke hij der Onschuld zelve gezworen had.

O christen Jongeling en Maagd, moge de zuiverheid uwer gedachten, uwer ge-

ocr page 20

22

voelens, uwer gesprekken, uwer handelingen, u de vriendschap verwerven van uwen Heer en Meester! Wel ia waar schenkt de wereld haee vriendschap slechts diegenen, welke haar gelijken en naar uiterlijke voordeelen streven: maar Jesus, de Beminnelijkste, Rijkste en Milddadigste, wil uw vriend zijn, — verlangt gij meer ?

IV.

de zuiverheid, geroemd dook de kerkleeraren.

Onuitputtelijk zijn de heilige vaders, de kerkelijke schrijvers en de leeraren des geestelijken levens in den lof van de zuiverheid. Hoe verrukkelijk klinkt niet het woord van Tertulliaan. „De zuiverheid is het glanspunt van alle zedelijkheid, de waarde der lichamen, het sieraad der geslachten; zij is de steun van alle heiligheid, zij bereidt de aarde voor alle geestelijk goed.quot;

ocr page 21

23

En de H. Athanasius; „Eene verheven deugd is de verstorvenheid, iets heerlijks de zuiverheid, boven alles lofwaardig de maagdelijkheid. Onbeschrijfelijke rijkdommen der zuiverheid ! O zuiverheid, gij, onverwelkbare kroon I O zuiverheid, gij, tempel Gods en woonstede des H. Geestes! O zuiverheid,gij,kostbare parel, die, voor de meesten verborgen, slechts door weinigen ontdekt wordt! O verstorvenheid, gij, vriendin Gods ! — Gij, die bij de Heiligen zoo hoog staat aangeschreven ! O verstorvenheid, gij, voor den allendaagschen mensch raadselachtig en onbekend, hun echter, die u waardig zijn, des te beter bekend ! O zuiverheid, welke den eeuwigen dood en de hel ontgaat, gij, die de onsterfelijkheid in u voert! O verstorvenheid, gij, de vreugde der Propheten, de roem der Apostelen ! O zuiverheid, gij, leven der Engelen, tooisel der Heiligen ! Zalig hij, die u bezit, — zalig hij, die zich in geduld en volharding op het nauwst met u vereenigt; want na zich kloek in

ocr page 22

24

den strijd betoond te hebben, ontvangt hij om uwent wille een schitterend loonl j Zalig hij, die in dit leven de verstorven- ■ heid wist te beoefenen : want zijne woonstede zal het eeuwige Jerusalem zijn, en met de Engelen jubelend zal hij des-zelfs poorten binnengaan en zich niet de Propheten en Apostelen in de eeuwige rust verblijden 1quot;

En de H. Cyprianus: „De kuischheid brengt het lichaam tot zijne waarde, vormt het schoonste sieraad der zeden, heiligt de geslachten. De zuiverheid kan eiken anderen tooi derven, zij is haar eigen tooi. Zij is het, die ons aangenaam maakt voor den Heer, die ons met de sterkste banden aan Christus vastsnoert; zij houdt van onze ledematen de ruwste aanvallen eener wilde begeerlijkheid verwijderd, en brengt onzen lichamen kalmte en vrede. Zij is gelukkig en maakt gelukkig.quot;

O christen Jongeling en Maagd, gevoelt gij in u niet een vurig verlangen naar het bezit dier schatten ?

ocr page 23

25

Gregorius van Nazianze had in zijn jongelingsjaren een geheimnisvollen droom. Vóór hem stonden twee vrouwengestalten van wonderbare schoonheid. De eene stelde de Kuise hheid voor, de andere de M a t i g he i d. Zij liefkoosden Gregorius, alsof hij haar kind geweest ware, en noodigden hem uit haar te volgen. „Ga met ons,quot; spraken zij „en wij zullen u geleiden tot vóór den stralentroon der Hoogheilige Drievuldigheid.quot;— Dat Gregorius met haar ging, en dat hij eene verheven kennis der goddelijke zaken erlangde, zulks bewijst de eerenaam „T h e o-1 o o g,quot; onder welken hij bij het nageslacht roemrijk bekend staat.(T h e o 1 o g e n noemt men diegenen, welke zich onderscheiden in de wetenschap van het goddelijke).

Het kan u in geenen deele verwonde- i ren, dat een zuiver hart zeer geschikt is, om verheven zaken te overwegen en te begrijpen: door een besmeurd glas ziet het oog slecht ofin het geheel niet.

ocr page 24

26

V.

DE ZD1VEHHEID, VEREERENSWAARDIG IN ZICH.

De H. Schrift noemt de zuiverheid eenvoudig „heiligheidquot;: „Dit is de wil Gods, uwe heiliging, — dat gij afziet van alle onreinheid, dat ieder onder u zijn vat, (dat wil zeggen: zijn lichaam) in heiligheid en eer beware; want God heeft ons niet geroepen tot onzuiverheid, maar tot de heiliging.quot;

Wie is zuiver, wie is kuisch ? Hij, die met de gansche macht zijns wils zich afwendt van alles, wat tot de lage, zinnelijke driften in betrekking staat; hij, die, in volle overeenstemming met de heilige en wijze inzichten van den Schepper, het vleesch aan de heerschappij des geestes onderwerpt; hij, die verbeeldingskracht en geheugen, denkvermogen en wil, gevoelens en gewaarwordingen, oog en oor, mond en hand, kortom alle

ocr page 25

27

in- en uitwendige zintuigen en alle leden zijns lichaams naar best vermogen aan de dienstbaarheid der lage driften onttrekt, hij, die zooveel mogelijk in zijn lichaam leeft, als hadde hij geen lichaam.

Gij zijt alzoo kuisch, o christen Jongeling en Maagd, wanneer gij, in weerwil van alle aansporingen tot hetbooze, in weerwil van bekoringen,waaraan gij niet schuldig zijt, ja, in weerwil van de overmacht, door verachtelijke menschen tegen u gekeerd, u onthoudt van elke tegemoetkoming,van degeringste inwilliging, van alle toestemming,van de minste verstandhouding of medewerking; gij zijt kuisch, wanneer gij, verheven boven het golfgeklots van den.onteerenden harts tocht, als een onwankelbare vuurtoren, ten spijt van de duisternissen, die uwe voeten omhullen, een helder licht uitstraalt, wanneer gij in het midden van den strijd het hoofd opgericht houdt en den blik hemelwaarts stiert.

Dat gaat menschelijke kracht te boven, denkt gij. Toch niet i Zoovelen vermoch-

ocr page 26

28

ten het, waarom gij niet ? Ook gij zult het kunnen, onder den machtigen bijstand der goddelijke genade.

Valt het u echter zoo moeilijk, zoo zwaar, uwe zuiverheid geheel smetteloos te bewaren, o ! denkt dan aan de verheven schoonheid eener deugd, die ons zoo na brengt tot Hem, die „geheel geest isquot;, — tot God zeiven, den Ongeschapene, den Zuiverste, den Beminnelijkste, den Heiligste!

In het Missiehuis te St. Charles in Maryland (Amerika) stierf op den 16'lequot; December 1865 een jongeling, wiens nederige deugd eerst in haar volle waarde gekend werd, toen de leeraren en kweekelingen van het Instituut de leemte bespeurden, welke zijn vroegtijdig heengaan in hun midden had gebracht. Johan Kostello, den Iden October 1846 te Shenectady geboren, werd in den loop van September 1863 door den bisschop van Albany in voornoemd Missiehuis opgenomen. Reeds als kind trok hij door zijne vurige godsvrucht en zijn zedig, engelachtig voorkomen aller oogen tot zich. Kostello had geenszins een somber karakter: integendeel, hij was vroolijk en hield op gepaste uren van ontspanning. Men zocht hem op, en ieder verwijlde

ocr page 27

29

gaarne in de tegenwoordigheid van dien „bemin-nenswaardigen kleinen heiligequot;, zooals men destijds reeds gewoon was hem te noemen. Uit onderstaanden brief ziet men ras, welk eendiepen indruk eene ontmoeting met dien onschuldigen jonkman achterliet:

„In den vacantie-tijd van 18G4 trof ik in de straten van Albany een vriend aan, die mij na den gewonen groet toeriep: „Frans! ik heb vandaag den H. Aloysius gezien!quot;

„Zoo,quot; antwoordde ik „zijt gij dan in den Hemel geweest?quot;—«Toch nietquot; hernam mijn vriend, «doch een hemelsch wezen is op aarde verschenen.quot;

Hij verhaalde mij van Kostello en zeide, waar hij hem gezien had. Kostello bracht toen eenige dagen door ten huize van een vriend. Wijl deze laatste mij reeds herhaalde malen tot een bezoek had uitgenoodigd, maakte ik thans hiervan gebruik en werd den jeugdigen gast voorgesteld.

Ik was geheel overweldigd door die lieflijke verschijning: zóó heilig, zóó glanzend van zalige vreugd en hemelschen vrede vond ik zijn gelaat.

O mijn God 1 mogen de schoone dagen toch spoedig wederkeeren, die ik in het gezelschap ; dier vrome, onschuldige ziel gesleten heb ! — 1 Later ontmoette ik Kostello nog meermalen en | verwierf eindelijk de gunst hem te mijnent te mogen ontvangen.

Ik heb vele godvruchtige priesters en leeken

ocr page 28

30

uit alle standen der maatschappij gekend, doch niet één was voor mij dermate met een waas van heiligheid omhuld,als deze reine, van het aardsche onthechte jongeling!.....quot;

Ziet gij, hoe het licht zich allerwege verbreidt? Hoe de fakkel der ziel vaak het stoffelijk omhulsel verbreekt, om hare stralen in de buitenwereld te zenden? En wie is dwaas genoeg om het licht niet te beminnen? O christen Jongeling en Maagd , weest ook gij eene fakkel, voor u en voor anderen !

VI.

DE ZUIVERDEID. VEEHETEN IN HAEE BETREKKING TOT DE ENGELEN.

Wij noemen de zuiverheid dikwerf de deugd der Engelen, maar deze spreekwijze is, grondig beschouwd, niet juist. De Engelen zijn rein, niet echter door deugd, maar ter oorzake van hunne geheel geestelijke, onbelichaamde natuur.

ocr page 29

31

Tegen het vleesch hebben slechts die wezens te strijden, welke in sterfelijk vleesch een sterfelijk leven leiden. De engel is slechts geest, en derhalve kan hij slechts zuiver zijn. „Hem bekoort geene schoone gestalte, geene verwijfde muziek, geene aardsche bevalligheidquot;, zegt de H. Chrysostomus; hij heeft geene uitwendige zintuigen,hij is bovenaardsch. Gelukkige zuiverheid, die niet verloren kan gaan, wijl te haren opzichte het voorwerp der zonde en tevens derzelver aanleiding ontbreekt !

Overweegt thans, o christen Jongeling en Maagd, het verhevene der mensche-lijke reinheid. „Door geene andere deugd,quot; zegt Cassianus, „maken zich de menschen zoo gelijkvormig aan de Engelen, als door de zuiverheid.quot; Bekleed met de stof der aarde; toegerust met zintuigen , die voor eiken indruk ontvankelijk zijn en die wijd geopend staan voor al het geschapene ; in het bezit van een hart, dat op een vlammen-den, gloeienden haard gelijkt, — en toch

ocr page 30

32

rein, toch kuisch: o deugd, verheven boven die der Engelen, wien alle strijd des vleesches, alle bekoring der zinnen ten eenenmale vreemd zijn 1

Geen wonder, dat engelachtige men-schen voorrechten genieten, gelijk aan die der Engelen. Zij begrijpen het goddelijke gemakkelijker en zijn voor het hemetsche beter toegankelijk; hun blik is scherper, hun streven reiner, hun bidden niet zoo moeilijk. En de hemelsche geesten, door wie de kuischen van harte schier als huns gelijken worden aangezien, schijnen met voorliefde tot hen te naderen ; zij beschermen hen te vlijtiger en verwerven hun van 's Heeren goedheid rijkere genaden.

Rupertus, de zoon van Hertog Robolaus, een bevallige, onschuldige knaap, vreesde zoozeer de gevaren, welke zijne kuischheid aan het hof zijns edelen vaders bedreigden, dat hij, gelijk weleer de H. Alexius, het besluit vormde, te ontvluchten en als een onbekend kluizenaar op eene heilige plaats te gaan leven. Dan, de liefde tot zijne vrome moeder Bertha, die eene hevige smart gevoelde over de afwezigheid van haar kind, be-

ocr page 31

33

woog Rupertus spoedig, naar Bingen terug te keeren. Van dien stond af tot aan zijn vroegen dood, wijdde hij zich geheel aan de werken van christelijke barmhartigheid. Zulk eene onverpoosde en werkzame beoefening der naastenliefde droeg er veel toe bij, om die gevaren, welke hij zoozeer duchtte, onschadelijk te maken, entevens verzekerde zij hem een nieuw en heerlijk loon in den Hemel. De legende verhaalt, dat Rupertus, de heilige, weldadige jonkman, zekeren dag op den oever des Rijns, aan den voet van een heuvel, was ingesluimerd. Op den boord van den zilveren stroom, die aan zijne voeten bruiste en, naar het Rupertus toescheen, een heir van glansrijke edelgesteenten in zijn schoot voerde, bespeurde hij een eerbiedwaardigen grijsaard.

Eene schaar levenslustige knapen sprongen in den Rijn; de ouderling wiesch hen allen en schooner en bloeiender kwamen zij uit den vloed weer te voorschijn. En zie. plotseling rees in het midden der wateren een groenend eiland op, met de schoonste bloemen en heerlijkste vruchten overdekt,— een waar paradijs ! Nu steeg de grijsaard met zijne jeugdige makkers in eene boot en zette koers naar die wonderlieflijke plek. Daar aangekomen, bekleedde hij de knapen met sneeuwwitte gewaden en noodigde hen uit, te spelen en zich met de vruchten te laven. Verrukt door het gezicht dier wonderen,badRupertus den grijsaard: „O laat ook mij toe op dat schoone eiland.

3

ocr page 32

34

bij die aanvallige kinderen!quot; En het woord luidde ; „Mijn zoon, ook gij zult hierheen komen, en spoedig! uwe goede werken bouwen u thans de brug tot dit paradijs.quot; Rupertus verhief het oog; boven de oase in den schoot des Rijns prijkte een heerlijke regenboog, en op de glan zende wolken verscheen het Kindeken Jesus, spelend met een fraai lam. Twee engelen naderden liet goddelijke Kind en omhingen zijne schouders met het kleed, dat Rupertus den vorigen dag aan een behoeftig jongetje geschonken had. „Dit heeft Rupertus Mij gegeven,quot; sprak jesus „en daarom wil Ik hem spoedig tot Mij roepen, om hem te bekleeden met het reine gewaad des Hemels.quot;

O christen Jongeling, o christen Maagd, blijft engelen, wordt engelen I De met stof bedekte aarde gelijk ergelen door te trekken, en van alle aanraking met haar vuil gevrijwaard te blijven, — gelijk engelen hierbeneden te spelen, alsof men zich reeds op de stranden eener gelukzalige eeuwigheid bevond, — rein als engelen bij den Koning der engelen te verwijlen, — hoe heerlijk is dat, hoe zoet, hoe benijdenswaardig!

ocr page 33

35 VIL

DE ZUIVERHEID, ROEMRIJK WEGENS DÉ STRIJDEN, DIE HAAR BEWAREN OF HEROVEREN.

Slechts weinigen zijn er, die, vooral in hunne jeugd, ter wille van hunne zuiverheid geene zware, langdurige of zelfs onophoudelijke strijden te voeren hebben. Uit ligt in 's menschen natuur, in de omstandigheden der jeugd, in de betrekkingen tot de buitenwereld.

gt;Gij zijt stof,quot; gij zijt aarde, gij zijt vleesch. In u kookt en gist het zonder verpoozing, en nooit heviger dan in de jeugd. Hierin gelijkt de jeugd op de lente, dat juist in dit jaargetijde des levens heftiger stormen woeden, de aarde innerlijk gloeit, de driften weliger ontkiemen, ds toekomst gemeenlijk vooruit hare beslissing vindt. Voor den jonge ling, de jongedochter, is dan alles nieuw: nieuw hét leven, nieuw de wereld, nieuw

ocr page 34

36

de indrukken, nieuw de geneugten, welke zich aanbieden. Daarbij de school met de haar eigen gevaren : de onderwijzers, de medeleerlingen, de leerstoffen, het heidendom, de letterkunde ; dan later ; het kantoor, de werkplaats, de verleidende omgeving.... En nu eerst de wereld — met hare beginselen, hare voorbeelden, hare verstrooiingen, hare verleidingen. Eindelijk, de giftige pijlen, welke satan telken reize uit zijn welgevulden koker te voorschijn haalt en op het zoo licht kwetsbare hart der jeugd afschiet 1

Dit alles overdenkende, roept de H. Chrysostomus uit: ^Ik ken het moeilijke dezer zaak, ik ken de hevigheid van dezen strijd, ik ken het geweld dezes oorlogs. Men heeft daartoe een kloeken, sterken geest noodig, een geest, die het lage verafschuwt. Het geldt hier over gloeiende kolen te gaan, zonder zich te branden, — tusschen zwaarden heen te snellen, en zich niet te verwonden. Want het geweld der zinnelijkheid

ocr page 35

37

is even groot als dat van het vuur en van het staal. Wanneer dus de ziel s;eene wapenen heeft, wanneer zij te laf is om te strijden, dan moet zij ten gronde gaan. Derhalve zijn ons ijzeren zinnen, een immer waakzaam oog, eene groote volharding, sterke muren, omheiningen en grendels, trouwe en krachtige wakers, en vooral eene hemelsche gezindheid noodig.quot;

Ziedaar,o christen Jongeling en Maagd, het woord eens heiligen, eens grooten zielkundigen! Denkt thans na over de waarde der zuiverheid, welke zoo duur ! gekocht, zoo dapper verdedigd moet worden. Zijn er wellicht eenige bevoorrechten, wien de natuur een harden strijd bespaart, of die in voortreffelijke omstandigheden en onder eene bijzonder krachtige en vrome leiding opgroeien : hun getal is ontegensprekelijk zeer luttel, en zonder eenigeh strijd bereikt als het ware niemand het doel zijner reize. Eere alzoo den dapperen, die veel en overwinnend kampen, —

ocr page 36

38

de Heer ziet met welgevallen op hen neder, en houdt, wanneer zij ten einde toe volharden, de schoonste zegekransen voor hen gereed.

Een arme, diep gezonken jongeling was op het punt zich aan wanhoop over te geven. „Nooit zal ik er in slagen mij op dat punt te overwinnen,quot; sprak hij : „hoe vaak reeds beloofde ik God en mijnen biechtvader mij te beleren, en steeds viel ik dieper!quot; De lafheid voegde zich bij de kleinmoedigheid, en het gebed werd opgegeven, de biecht achterwege gelaten. Nu geleek de beklagenswaardige jonkman een zwakke boot, die, ten spel der golven, door niets weerhouden stroomafwaarts drijft. Vervuld met sombere gedachten, en helaas! reeds op zelfmoord peinzend, sliep hij zekeren avond in.

Plotseling ontwaarde hij in zijn droom een reus, die vóór hem stond, benevens een engel, welke den armen zondaar gebood het monster te bevechten. „Op,quot; klonk de stem des engels, „strijd tegen hem !quot;

„Hoe is mij dat mogelijk! is dit geen reus? en zie, ik ben zoo klein ! Hij zal mij verpletteren Maar de engel sprak:

„Houd moed en aanvaard denstrijdjik verleen u hulp.quot; En de jongeling streed legenden reus, en de engel stond hem ter zijde. Spoedig

ocr page 37

39

stortte het monster op dea grond en werd nu onschadelijk gemaakt. ..

Badend in een klam zweet, ontwaakt de jongeling en denkt na over het gedroomde. Was dat niet een wenk van Boven ? Ben ik dan alleen in den strijd ? vraagt de onkuische zich af. Zal de Hemel mij niet bijstaan, wanneer ik met ernst en vurigheid zijne hulp inroep, en wanneer ik moedig en vertrouwvol ten strijde ga ?

Van dien stond af ging het beter : dra was de overwinning bevochten, eene volkomen, duurzame overwinning. Hoe gelukkig gevoelde zich thans de bekeerde jongeling ! hoe zegende hij 's Heeren eindelooze barmhartigheid,diehem van een anders gewissen ondergang naar ziel en lichaam had gered! Met welk eene dankbaarheid zag hij steeds terug op de heilrijke ure, waarin hij de overtuiging erlangde, dat een moedig en volhardend strijden de overwinning schier verzekert!

O christen Jongeling en Maagd, weest ook gij onversaagd in den strijd tegen alle onzuiverheid. God laat niet toe, dat iemand boven zijne krachten bekoord worde, want Hij is rechtvaardig en goedertieren. Doet slechts uw plicht, en het zal u nimmer ontbreken aan de machtige hulp van Boven.

ocr page 38

40

VIII.

DE ZUIVERHEID, EEN KOSTBAAR DOCH BROOS TAT.

De zuiverheid, welk een heerlijk, welk een kostbaar vat 1 Kostbaar wegens de stof; want noem mij hetgeen zeldzamer is, dan die lieflijke deugd, vooral bij jongelingen en jongedochters, in wie het vuur der jaren strijd voert tegen rede en geweten, tegen de vertoogen van den godsdienst en tegen die van welmee-nende vrienden; — kostbaar wegens | den vorm, want de zuiverheid schenkt den jongeling en de maagd, om zoo te spreken, het voorkomen van een engel, van een bewoner des Paradijzes; — kostbaar wegens de s i er a d e n, die het opluisteren, want de heerlijkste deugden ontkiemen weelderig in het hart van den kuische; — kostbaar wegens zijn inhoud; is niet de zuivere een vat van eer, een vat van genade, een vat van heiligheid ?

ocr page 39

41

Echter, de zuiverheid is een heerlijk, een uitverkoren, maar helaasl ook een broos vat. Hier vooral geldt het woord des Apostels: dat wij onzen schat in aarden vaten dragen. Broos is het vat, waarover wij spreken, want de Kerk leert ons, dat, in betrekking tot de ondeugd, aan de zuiverheid tegenovergesteld, alles,- wat met volle toestemming geschiedt, zwaar zondig is; — broos: want onze bedorven natuur helt tot niets sterker over, dan tot deze zinnelijke overtredingen. En nu nog het glibberige pad, dat wij hier beneden allen veroordeeld zijn te bewandelen, de onstuimige aandrang der wereld, de booze men-schen, die, met versmading van de schoonheid des vats, den jongeling eu de maagd bestormen, omringen, bedreigen: — hoe groot, hoe bewonderenswaardig is dan de kuische, welke trots al die gevaren zijn kostbaar vat onbeschadigd door het leven draagt, om het ten dage des oordeels den eeuwigen Schepper onzer zielen, den

ocr page 40

42

oneindig heiligen God, in zijn oorspron-kelijken luister terug te geven!

Voorzichtigheid dus, o christen Jongeling en Maagd, de grootste voorzichtigheid ! Ziet wel toe, waar gij uw voet zet; houdt het vat met zorg bij u; ontwijkt de groote menigte, ontwijkt vooral diegenen, wier booze plannen gij kent. Uw heilige Engel zal u in eiken nood beschermend ter zijde staan 1

Hoe innig was de H. Aloysius, die engel, er van overtuigd, dat wij „onzen schat in aarden vaten dragen !quot; Vandaar zijne behoedzaamheid, vandaar zijn ijver in het gebed, van daar zijne strenge boetvaardigheid. Door dit alles omiingde hij zijne onschuld als met een wal. Hoe dikwerf bracht hij geheele nachten door, op de knieën liggend, of, wanneer zijn krachten hem begaven, uitgestrekt op den blooten grond! In zulk een toestand en half verstijfd vonden hem op zekeren morgen de kamerdienaars; ea toen de leermeester des jongelings hem eene berisping gaf, bevredigde Aloysius den man door woorden, die ons herinneren aan hetgeen de twaalfjarige Jesus in den tempel sprak: „Wist gij dan niet, dat Ik moet zijn in hetgeen mijns Vaders is ?quot; — Bij het gebed en bij het dikwijls ont-

ocr page 41

43

vangen der H. Sacramenten voegde hij boet-plegingen, zóó gestreng, dat het verwondering baart, hoe zijn teeder lichaam zulk een voortdurend vasten, zoovele nachtwaken, zulke dikwerf herhaalde en bloedige geeselingen kon doorstaan.

Men weet, dat de vorstelijke vader eerst na een veeljarigen strijd er in toestemde, dat Aloy. i mus in de Societeit van Jesus zoude treden. Was hij niet zijn geliefde eerstgeborene, die hem in de regeering van het markgraafschap moest opvolgen, en droegen al zijne onderdanen den engelachtigen jongeling niet eene warme vereering toe ? !

De volgende gebeurtenis dwong den graaf als het ware zijne toestemming af: Op zekeren keer geeselde zich Aloysius heviger dan ooit, om van den Hemel eindelijk de verhuoring zijner harte-wenschen te bekomen. Dienaren, welke voorbij zijne kamer gingen, hoorden het geluid der geeselslagen, wierpen door een reet van de deur een oogslag op het bloedig tooneel, en berichtten hun meester, wat zij gezien hadden. Ver-«chrikt kwam de graaf toesnellen : „Laat af, mijn zoon,quot; riep hij uit, „spaar uw leven ! Voer in Gods naam uwe plannen uit en ga in vrede !quot;

Is uw vat nog ongeschonden ? of ligt het reeds verbrijzeld ter aarde ? O weest behoedzamer in de toekomst! geeft acht

ocr page 42

44

op u-zelven en verdedigt u tegen de verleiders.

IX.

DE ZUIVERHEID, EENE LELIE.

Men vergelijkt de zuiverheid zoo gaarne bij eene lelie, en hierin ligt diepe waarheid besloten. De lelie, die lieflijke bloem, munt vooral uit onder drie opzichten : door eene hooge, slanke gestalte, door een verblindend wit, door een heerlijk zoeten geur.

Zoo staan ook de kuische jongeling en jongedochter daar, dichter bij den Hemel dan bij de aarde, met opge-richten hoofde, onbesmeurd door het slijk der wereld,een verrukkend schouwspel voor allen, die hen van nabij kennen. Daarentegen kruipt de arme slaaf van den hartstocht op de aarde rond, gelijk een verachtelijk slingerkruid, hetwelk door de voorbijgangers met voeten wordt getreden; laag is zijn

ocr page 43

45

denken, laag zijn pogen; in het lage zoekt hij zijne bevrediging, zijn troost, zijne verkwikking ; op het bezit van den hemel hoopt hij niet meer, want den „Berg des Heerenquot; bestijgt slechts diegene, welke rein is van handen, zuiver van harte ; slechts aan het oogenblik wijdt hij zijne opmerkzaamheid, — hiervan op schandelijke wijze gebruik te maken, ziedaar zijn eenig, zijn ellendig streven ; de overzijde van het graf is voor hem in zwarte duisternis gehuld, het hemelsch Jerusalem doemt niet meer op voor zijn beneveld oog....

Wit is de lelie ; prachtvol staat zij daar, in heur bescheiden glans. Gaarne rust het oog op dien smetteloozen kelk, welke zich hemelwaarts opent, om den verkwikkenden dauw toegang te verschaffen, en om een wonderzoeten geur uit te wasemen. Ziedaar de kuische, een bloemuit bovenaardsche lustwaranden! — Verbleekt, kleurloos, besmeurd is de onzuivere, een afschuw voor den Hemel, een ergernis en walg voor de menschen,

ocr page 44

40

die zijn ongeluk kennen. Hij wordt betreurd, geminacht, ontweken. Hem baten geene schoone kleederen, geene kostbare zalven, geene bedriegelijke schoonheidsmiddelen, geene rijke sieraden : zijl gij niet kuisch, dan zijt gij niet schoon voor God; wal niet rein is, kan niet aangenaam wezen; geene schoonheid zonder zuiverheidl

Welk een heerlijke balsemlucht verspreidt de lelie! ieder voorbijganger verkwikt zich daaraan. De zuiverheid geurt als een fijne wierook voor God en de menschen. De hemelsche Bruidegom, zegt de H. Schrift, verwijlt gaarne „onder leliën,quot;en zelfs de wereldling gevoelt zich met wonderbare kracht tot de onschuld aangetrokken. Er zijn, zoo verhaalt men, heiligen geweest, o. a de H. Philippus Nerius, die aan den zoeten of onaangenamen geur, kuische van on-kuische jongelingen onderscheidden. Dit is de hoogere wijding, de bijzondere eigenschap van die lieflijke deugd : dat zij aan het Paradijs herinnert...Kleinood,

ocr page 45

47

dierbaar kleinood, om u benijden 's Hee-ren engelen dit tranendal!

En ziet gij, o christen Jongeling en Maagd, de lelie als het zinnebeeld der volmaakte zuiverheid in de handen van een H. Joseph, of in die van een H. Aloysius; ziet gij haar bloeien op het altaar, dat men der Reinste van alle maagden heeft opgericht — denkt dan : ook ik wil eene lelie zijn, den Hemel tot blijdschap, de aarde tot sieraad, mij-zelven ten kroon!

In de laatste helft der 16e eeuw toonde de H. Kerk zich bijzonder vruchtbaar in allerlei heiligen. Geen staat of stand, die, ter beschamiog der ketters en ter bevestiging der heiligheid van Jesus' Kerk, niet zijne heiligen kon aanwijzen. Eene dezer, en zeker niet de minste was de H. Magdalena de Pazzi. Als eene blanke duif ving zij haar leven aan; maar gelijk Noe's eerste duifje, vond zij in de wereld geen plekje om haar maagdelijken voet gerust neer te zetten; zij vloog naar het heiligdom des kloosters als naar eene ark, waar zij veilig was legen den zondvloed der

ocr page 46

48

wereld en eenig en alleen kon leven voor den Bruidegom, die hare ziel bezat: Jesus, de kroon der maagden. Zij stierf, gelijk zij geleefd had, als een toonbeeld der beminnelijkbte onschuld. Zelfs na haren dood toonde zij, hoe dierbaar haar de reioheid was. Reeds lag zij uitgestrekt op een praalbed, dat men haar, als aan eene heilige, in de kloosterkerk had bereid. Haar aangezicht was naar de deur der sacristie gericht. Doch daar vertoont zich aan die deur iemand, wiens leven onrein was, en door een wonder, ongehoord in de geschiedenis, wendde de gestorven Magdalena het aangezicht naar den anderen kant, om de blikken des onheiligen te ontwijken.

Woest is de wereld, die u allerwege haar verleidend geroep in de ooren doet galmen. Woest en geweldig zijn de hartstochten, welke u dan hier, dan ginds heendrijven. En ook woeste menschen kunt gij aantreffen, die slechts zich zalven zoeken, maar voor wie uw zielenheil niet de minste waarde heeft. OI neemt in elk gevaar uw toevlucht tot Maria, die u met den manlel harer liefde zal bedekken als met een pantser, waartegen het schandelijk geweld van de boozen

ocr page 47

49

niets vermag. Jongeling en Jongedoch-ter, vertrouwt uwe lelie aan de handen van de zuiverste Maagd: (Mar is zij in veiligheid!

X.

DE ZUIVERHEID, EENE PAREL,

De zuiverheid is eene echte, eene kostbare,eene lieflijke parel.Heur waarde bestaat voornamelijk hierin : dat zij die booze neiging in toom houdt, welke onder alle het moeilijkst te bedwingen is, en dat zij ons lichaam en onze ziel vormt tot eene verblijfplaats,Gode waardig. Zij maakt inderdaad van onze ziel een heerlijk, voor het booze gesloten heiligdorti, want de zuivere laat zich niet winnen door het gevlei eener bedorven wereld, wier ijdelheden hij versmaadt. Streng is hij tegen zich-zelven en hij waakt met schier angstvallige nauwgezetheid over zijne zinnen.Terwijl

4

ocr page 48

50

de onreine zich, als het ware, geheel oplost in den vuilnispoel zijner ongerechtigheid ; terwijl hij als vernietigd wordt door den verterenden invloed van den hartstocht; terwijl hij verbrokkelt, als een rottend gesteente; terwijl hij, gelijk poreuse lava, alles opneemt en zich door de wereld geheel laat doordringen : hardt zich de kuische, met behulp van de vreeze Gods, meer en meer, wordt in den geest versterkt door herhaalde zelfoverwinning en vormt zich tot den vasten, slechts voor de stralen van het licht toegankelijke diamant,—tot eene echte parel des Hemels, den menschen , ja zich-zelve wellicht onbekend, maar des te glansrijker voor God, den waren Kenner van alle goed.

De zuiverheid is de parel der paarlen. Of kan zij niet een zeldzaam kleinood genoemd worden? Waar bevindt zich ten huidigen dageeen Joseph vanEgypte? Waar een Aloysius? Waar een Casimirus? Ach ja, er is nog menig kuische jongeling en jongedochter, — maar hoe onver-

ocr page 49

51

gelijkelijk grooter is het getal van de nietswaardiger), van de kwijnenden, — van de waarlijk verlorenen I „Ontwijd is de aarde door hare bewoners.quot; zegt de H. Schrift, „en daarom verteert vloek het land en boeten diegenen, welke het bevolken. De maan bloost en de zon schaamt zich.

De zuiverheid — de parel der paarlen, want door haar eerst verkrijgen de overige deugden waarde en glans. Zij is de kostbare steen, waaruit een stralenbundel ontspringt, zóó helder, zóó schitterend, dat hij elke andere deugd tot lichtbaken kan strekken.

De kuischheid, o Jongeling en Jon-gedochter, is dan wel het onschatbare kleinood, waarvan de H Schrift zegt, dat hij, welke die parel ontdekt heeft, heenga, alles verkoope en slechts haar bezitte. Deinst ook gij voor niets terug, düdr waar het geldt de zuiverheid te bewaren of te heroveren ; geen offer wege u te zwaar, geene moeite zij u te groot, om in het bezit dier eenige parel te

ocr page 50

52

geraken. Met welk een luister zal dat hemelsch juweel eenmaal fonkelen in de kroon, welke de Reinheid zelve haar lieveling na zijn verscheiden uit dit tranendal op de slapen drukt!

Beroemd in de geschiedenis der Kerk is de jeugdige Nicetas, martelaar voor het geloof en voor de onschuld tevens. Vruchteloos had de ariaansche dwingeland alles in het werk gesteld, om het geloof des dapperen jongelings te doen wankelen : daar bedenkt hij zich en ontwerpt een duivelsch plan. Men boeit Nicetas, doch niet met ijzeren ketenen, neen — met kostbare zijden banden. De arme jongeling, wiens afval van het geloof men door het verlies zijner onschuld wilde voorbereiden, moest den aanblik van een schaamteloos wezen doorstaan. Nicetas kon, geboeid als hij was, der verworpene geen weerstand bieden, maar toch .... hij zegeviert! Met een krachtiger! beet scheidt hij een stuk van zijne tong, en spuwt dit met een stroom van bloed de handlangster van de hel in het aangezicht. De ellendige vliedt ontsteld, en Nicetas, dubbel overwinnaar, overschrijdt in triumph den drempel van de hemelsche bruiloftszaal.

Nicetas, de kloeke martelaar, was overtuigd, dat de parel der zuiverheid het kostbaarste van alle kleinoodiën is.. .

ocr page 51

53

Moget gij, o christen Jongeling en Maagd, den edelen Nicetas ten minste hierin gelijken, dat gij voor de parel der zuiverheid den onbloedigen strijd waget, waartoe zich dagelijks de gelegenheid biedt!

Voor eene zaak, welke iemand niet na aan het harte ligt, zet hij niets op het spel. Leert derhalve de zuiverheid meer en meer hoogschatten, dan zal u voorzeker niet één offer te zwaar wezen.

i

i ■

f

XI.

DE ZDIVERHEID, DE VBÜCHT VAN HEILIGE VREEZE GODS.

De parel aller deugden, de heilige zuiverheid, moet door eene harde schaal omsloten zijn, opdat zij rijpe, zich harde, en voor roofzuchtige handen beschut blijve.

Geene deugd, wel in het minst de zuiverheid, wortelt, gedijt, blijft behouden zonder vreeze Gods.

■ l

; i r t

i t t 3 t e

i

3 □

e d t.

i, n

ocr page 52

54

De vreeze des Heeren is die heilige afschuw, Godes Majesteit te beleedigen en te tarten, welke ons in het oogenblik van zware bekoring met den Egyptischen Joseph doet zeggen : hoe zoude ik onder de oogen van mijnen Heer zulk eene snoodheid kunnen bedrijven ! Zij is het, welke ons in de beslissende ure herin-I nert aan Gods straffende gerechtigheid, eene heilzame gedachte, die bewerkt, dat wij van de inwilliging afzien en, voor den gapenden afgrond terugdein-zend,met ernst en oprechtheid uitroepen: „liever sterven dan zondigen ! — Kort is de wellust, eeuwig de pijn!quot; — De vreeze Gods: zij is het, die ons den vlammenden cherub doet aanschouwen, welke Adam en Eva, de pasgevallenen, uit het Paradijs verdrijft; zij, die ons het verschrikkelijk beeld van den alles verslindenden zondvloed voor den geest i voert; zij, die ons den vuurregen vertoont, welke Sodoma en Gomorrha tot asch verzengt; zij is het, die ons tot den Rechter geleidt en het groote boek der

ocr page 53

55

alles beslissende vergelding voor ons openslaat; zij, die in onze ooren, de bazuin van het jongste gericht doet schallen ; zij, die den eeuwigen afgrond met zijne afgrijselijkheden voor ons opent en ons toeroept: Houdt op ; — schrikkelijk is het, in de handen van den levenden God te vallen !

Gij kunt onder het bedrijven der zonde of kort na de zonde onboetvaardig sterven, — en dan ?

O alvermogende vreeze Gods, gij zijt die teugel, welke in staat is, de wildste natuur te breidelen ! Gij zijt die sterke slagboom, welke reeds zoovelen belet heeft, zich in de diepten der hel te storten I Gij zijt die trouwe waker, welke ons bij dag noch bij nacht, in de eenzaamheid noch in het gewoel, in de hut der armoede noch in het verblijf der weelde verlaat, en ons voor den slun-gebeet der wereld behoedt!

De vreeze Gods 's vooral noodig ter bewaring van eene deugd, waartegen gemeenlijk slechts buiten het oog der

ocr page 54

56

menschen en in de diepste verborgenheid gezondigd wordt.

Bedwing dus met dezen teugel uwen hartstocht ! Laat u door dezen slagboom weerhouden! Worde ook in u de geheime kracht van dit kostbare middel bewaarheid! „De vreeze des Heeren verdrijft de zonde.quot;

Ecds leefde er een jongeling, die als het ware in een doolhof van ondeugden rondzwierf. Welgemeende vertoogen sloeg hij inden wind, en de stem zijns gewetens trachtte hij door nieuwe overtredingen tot zwijgen te brengen.

Op zekeren keer begaf hij zich in het bosch ter wandeling. Moê geworden, legde hij zich onder een boom neder en sluimerde in. Daar hoorde hij plotseling eene stem met ontzagwek-kenden ernst uitroepen : „O! schrikkelijk is het, in de handen van den levenden God te vallen. ..quot; Had hij gedroomd ? Bevond zich niemand in de omgeving ? Tegelijkertijd scheen het den be-klagenswaardigen jonkman toe, dat Maria naast hem stond en hem zijne misdaden vóórhield. Tot Haar, die hij in betere tijden als zijne Moeder had vereerd, wendde hij zich nu in zijn angst, doch werd opnieuw hevig verschrikt door het geluid eener stem, die de volgende woorden sprak; „Hoe! zal ik handelen evenals

ocr page 55

57

gij ? zal ik zoo veranderlijk wezen rquot; Het werd hem nog banger om het hart, en hij smeekte Maria vurig, hem toch te willen bijstaan en voor hem te bidden. Maar helaas! de heilige Mangd wendde Zich van hem af. Hier ontwaakte hij in doodelijke benauwdheid en terwijl het angstzweet in dikke druppelen op zijn wezen parelde.

Lang dacht de jongeling na over het gebeurde, overwoog, hoe hij tot dusverre de genade misbruikt had en kwam eindelijk tot het besluit, eene rouwmoedige biecht te spreken. En niet slechts bekeerde hij zich, maar werd een vurig kloosterling en strekte zijnen medebroeders immer ten voorbeeld.

O ja, er zijn oogenblikken, waarin wij zoo hevig bekoord worden, dat slechts deze gedachte bekwaam is, om ons voor een diepen val te behoeden : ik wil mij niet in de hel storten; ik vrees c^e hel! Laat het zoo zijn, o Jongeling en Jonge-dochter, wanneer gij slechts gered wordt en de zonde vlucht !

ocr page 56

58

XII.

DE ZÜIVEEHEID, BK VETTCHT VAN WARE LIEFDE TOT GOD.

Hoe rchoon is God, hoe beminnelijk 1 Hij is geheel licht 1 geen schaduw glijdt over zijn wezen. Volmaakt van natuur, vereenigt Hij alle goed in Zich. Hij is de oneindige Wijsheid,Rechtvaardigheid Heiligheid; Hij is de Almacht, de Grootheid, de Majesteit.

Hoe goed is God. hoe milddadig, hoe liefderijk, hoe barmhartig! Met welke onschatbare weldaden heeft Hij ons overladen en overlaadt Hij ons nog dagelijks! .Uit het niet heeft Hij mij te voorschijn geroepen, en mij met de heerlijkste gaven van natuur en genade toegerust: door het bloed zijns goddelijken Zoons ben ik verlost, bij zijne H. Kerk ingelijfd. Tallooze genadebronnen zijn voor mij ontsprongen; hare levendmakende wate-

ocr page 57

59

ren drenken mij, wanneer ik naar het hemelsche dorst. „Wat konde Ik voor mijnen wijngaard nog meer verrichten, dan Ik reeds gedaan hebt ?quot; kan God met recht zeggen.

Verdient een zoo groote, een zoo goede, een zoo beminnelijke God niet, dat gij Hem liefde voor liefde gevet, en dat gij te zijner liefde de zonde vlucht, vooral diegene, welke met zijn Wezen in het bijzonder strijdt, daar zij zoo laag, zoo afschuwelijk, zoo ellendig is ?

En zoude al die matelooze liefde, welke Hij u in alle eeuwigheid heeft betoond en niet ophoudt te betoonen, zoude al die liefde niet bekwaam zijn, om u tot een offer te bewegen, waarvan gij zelf de eerste vruchten plukt, daar het u veredelt en u verheft tot God, den zuiversten Geest ?

O 1 laat het vuur der heilige liefde Gods elke aardsche liefde in uw jeugdig hart uitdoovenl Tracht die heilige liefdevlam niet te blusschen, doch wakkert haar aan, opdat zij tot een hellen gloed

ocr page 58

60

oversla en u geheel doordringe. Moge dat kostbare vuur in u de wereld met hare wellusten verschroeien, vernietige het in u elke lage drift, verdrijve het uit uw gemoed alle spoor van zinnelijkheid ; gelouterd door dat vuur, door die hemelsche liefdevlammen, zij uw hart slechts de reine tempel van den reinen God, waar het lied der Engelen schalie en waar de zoete geur van den heiligen wierook uwer verstorvenheid in lichtende wolken hemelwaarts rijze 1

Agapitus, een vijftienjarige knaap van hooge afkomst, onderging in het jaar 270 den gruw-zaamsten marteldood. Zijne ziel had in zware strijden voor het behoud der onschuld die sterk-moedigheid geleerd, welke hem later tot een derroemrijkste bloedgetuigen vanChristusmaakte. Op bevel van keizer Aurelianus gevangen genomen, moest hij eerst eene zware geeseling doorstaan, waarna men hem vier lange dagen zonder spijs of drank in het afgrijselijke kerkerhol liet zuchten. Toen bracht men gloeiende kolen aan en wilde ze Agapitus op het hoofd strooien. De jeugdige martelaar evenwel voorkwam zijne pij-nigers, greep met eigen hand de kolen en legde zich die kransgewijze op den schedel. In woede

ocr page 59

61

ontstoken, grepen nu de handlangers van den dwingeland Agapitus aan, hingen hem bij de voeten op en ontstaken een vuur onder hem. Daarna weid zijn teeder lichaam opnieuw met zweepslagen verscheurd door vier beulen, die elkaar aflosten. Nog niet tevreden met zulk eene ontzettende pijniging, begoot men den jongeling vervolgens met kokend water, brak zijne beenderen en wierp hem den leeuwen ten prooi. Deze dieren echter, anders naar bloed snakkend, lieten Agapitus ongedeerd, zoodat de plaatsbe-kleeder des keizers eindelijk beval, hem met het zwaard ce dooden. Het onschuldige, zoo wreed mishandelde kind ontving met een glimlach op de lippen den genadeslag en op zijn hoofd, hetwelk zoo even nog een vuurkrans droeg, daalde nu de eeuwig schitterende kroon van het martelaarschap neder.

Agapitus schijnt door het vuur der goddelijke liefde, dat in hem brandde, ongevoelig te zijn geworden voor de vlammen, welke zijn lichaam zengden. Hebt gij uw wellust in den Hooge, o christen Jongeling en Maagd, bemint gij het waarlijk schoone, het hemelsche : dan zal voorzeker al het lage u ten walg zijn, en zullen alle pijlen eener gif-

ocr page 60

62

tige aardsche liefde afstuiten op uw door de goddelijke liefde beschermd hart 1

xiir.

DE ZUIVERHEID, EENE VRUCHT VAN DE NATTVTGEZETHEID DES GEWETENS.

O, gaven wij steeds acht op de stem van ons geweten ! betoonden wij ons immer volgzaam 1 Het geweten toch is niets anders, dan God zelf, die in ons spreekt.

Hier, in ons binnenste, veropenbaart Hij Zich als den Heilige, den vijand van al het booze. Hier laat Hij Zich hooien, zegt, wat Hij wil, wat Hij niet wil; wederspreekt,bedreigt,verschrikt,— bemoedigt, trekt tot Zich, dringt aan....

Vooral in betrekking tot de zuiverheid, is het geweten een verlicht en welmee-nend leermeester.

Is het geweten de stem Gods, en God zelf de Allerreinste; hoe ernstig waar-

ocr page 61

63

schuwend zal dan het geweten optreden, als er sprake is van schandelijkheden, in grove tegenstelling met de zuiverheid des Allerhoogsten !

O ja — dan klopt het hart, dan slaat de pols hoorbaar, dan kookt het bloed, dan verft zich de wang, dan is het, alsof wij door iemand bij den arm worden gegrepen, om ons terug te houden. En wanneer het booze werkelijk begaan wordt, o 1 dan is het somber en akelig daarbinnen, dan is het hart om zoo te spreken tot eene doodenkamer geworden, waarin het geluid eener schrikwekkende stem zich spookachtig doet hoo-ren : „voorbij, gedaan, — wee 11quot;

Ik herhaal het: vooral in betrekking tot de heilige zuiverheid is het geweten onze beste leermeester. Hier toch is meestal sprake van dingen, zóó ongenaakbaar voor den blik van anderen, dat slechts de Alomtegenwoordige als toestemmende (of aanklagende getuige kan optreden, dat Hij alleen in staat is te loven of te berispen.

ocr page 62

64

Het eerste ontwaken van den onreinen hartstocht is gelijk aan eene vonk, die, wanneer zij niet aanstonds wordt uitgedoofd, spoedig tot een laaien brand overslaat, welke men niet of zeer moeilijk kan blusschen. Hoe eindeloos veel is er dus aan gelegen, de stem des gewetens niet te versmoren I Hoevele jongelieden zouden zich tallooze mistappen en den bittersten rouw bespaard hebben, hadden zij in het beslissende oogenblik, toen hunne onschuld ter slachtbank werd gevoerd, naar het kloppen van hun hart geluisterd!

Weest gij, o christen Jongeling en Jon-gedochter, teeder van geweten.

Mijdt de angstvalligheid, doch weest ook oprecht jegens u zeiven. Wat kan het baten, u zeiven te bedriegen, daar toch op den grooten dag der rekenschap alles in het licht treedt en voor het oog der gansche wereld ontsluierd wordt ? Hoort gij: — alles 1

Een priester werd op zekeren keer bij een stervenden jongeling geroepen, wiensbiechtvader

ocr page 63

65

hij was. Hij trof hem niet meer in leven. Wat bleef thans over, dan te bidden ?

De geestelijke knielde dus met de bloedverwanten des dooden bij het lijk neder, en stierde een vurig gebed ten Hemel voor hem, die zoo even van deze aarde verscheiden was. Men verbeelde zich de ontzetting, die alle aanwezigen vervulde; de overledene, of dood gewaande, beweegt zich, opent de oogen, beurt het hoofd op en roept met klagende stem twee-, driemalen uit; — ik heb mij bedrogen!quot; Daarna zinkt hij weder in het kussen terug, om niet meer te ontwaken.. . .

„Ik heb mij bedrogen,quot; — wat wilde hij hiermede zeggen? De priester kon zulks verklaren.

Meermaals in den laatsten tijd had de afgestorvene op duidelijke wijze als zijn gevoelen te kennen gegeven, dat eenige zinnelijkheden, welke jongelieden zich veroorloofden, hun onmogelijk zoo zwaar konden aangerekend worden : niemand ergerde zich over dergelijke „beuzelarijenquot; en daarenboven kon men van de jeugd niet vergen, dat zij in de schoonste jaren des levens alle vermaak den rug toekeerde. Hij had zich „bedrogen,quot; de arme! Beschenen door het licht der eeuwigheid, krijgt menige zaak een geheel ander voorkomen.

Weest oprecht jegens u-zelven, o Jongeling en Jongedochter ! Vooral ten op-

ocr page 64

66

zichte der reinheid geene misleiding, dië gij aan u-zelven te wijten liebt ! Hoe moeilijk kan het welig opgeschoten onkruid vernietigd worden, wanneer gij hebt nagelaten het pas ontkiemde plantje te ontwortelen I

XIV.

DE ZUITERHEID, EENE VEUCHT VAN STANDVASTIGE AYAAKZAAMHEID.

Ons hart gelijkt op eene vesting, die van alle zijden belegerd wordt. En toch, -wij moeten haar behouden,anders wordt zij verwoest, anders geraakt onze ziel in de schandelijkste slavernij. Wij moeten dus even waakzaam als dapper zijn ; zonder waakzaamheid, o christen Jongeling en Maagd, geene zuiverheid! Wie alle poorten van zijne zintuigen wijd geopend laat en der bewaking van zijne bolwerken geene onverpoosde zorgen waardig keurt: dien leert de zegekreet

ocr page 65

67

der binnengedrongen vijanden spoedig, dat de vesting reeds genomen is, dat haren meester niets meer over blijft dan schande, ondergang en slavernij.

Beschermt vooral uwe oogen, want door deze sluipt de dood gaarne binnen. De ongepaste nieuwsgierigheid, het gebrek aan zelfbeheersching, overal blijven staan, alle dingen willen zien en weten, zich niets kunnen ontzeggen, dit heeft reeds vele, tot dan toe nooit veroverde vestingen tot roofburchten des vijands gemaakt of in puinhoopen veranderd. En gesteld, dat de vrijwillige, booze blik geene zonde ware: hoe licht verbindt zich aan dien blik de booze gedachte, de voorstelling, de begeerte I En wanneer de booze gedachte, de voorstelling en de begeerte aanwezig zijn, hoe ver is men dan nog van de booze daad verwijderd ?.....

Verbeeldt u een jongeling of eene jon-gedochter, wier schaamtelooze nieuwsgierigheid hen zonder blozen alles doet gadeslaan, wier oog voor den aanblik

ocr page 66

68

van het lage niet schroomt, die nu eens de schilderij van een zedenloozen kunstenaar, dnn weder een ander zondig voorwerp met den blik verslinden, die schouwspelen , dansen en andere va1-strikken der onschuld zoeken ; en vraagt u-zelven dan eens af, wat gemakkelijker is: dat deze jongeling, dat dezejonge-dochter zuiver blijve, of dat een broos vat, hetwelk men van de hoogte eens torens naar beneden werpt, onbeschadigd den grond bereike.

De Heiligen wisten, wat zij deden, toen zij de groote wereldmarkt ontvluchtten, toen zij ten opzichte van hunne oogen en van al hunne zintuigen eene strengheid uitoefenden, die ons bijna overdreven toeschijnt, of die wij ten minste geneigd zijn, als kleingeestig te beschouwen. Zij echter kenden de zwakheid der menschelijke natuur; zij wisten, dat, wanneer het de zuiverheid geldt, eene overhaaste vlucht de zekerste waarborg voor het behalen der overwinning is ; dat hij, die het gevaar be-

ocr page 67

69

mint, daarin vergaat; dat tegen roofzuchtige handen slechts beveiligd is, wat men achter slot en grendel geborgen heeft. Hoe vaak reeds was een vonkje het begin van een grooten brand! Zoo gaat het dikwerf met den boozen blik en met de gedachten, daaruit ontstaan.

Sluit dus, o christen Jongeling en Maagd, met uwe oogen en met al uwe zintuigen „een heiligen bondquot;, een bond voor het geluk van uwe onsterfelijke ziel. Weest behoedzaam, voorzichtig, ingetogen; weest bescheiden, waakzaam, mannelijk. Helt vrij tot die zoogenaamde kleingeestigheid over , liever dan tot lichtzinnigheid. De wijze,quot; zegt de H. Schrift, „is schroomvallig en ontwijkt het booze, doch de dwaas acht zich daarboven verheven en is vermetel.quot;

Benedictus, in het jaar 480 te Norcia uit voorname ouders geboren, bracht de eerste jaren zijner jeugd door op het land, waar hij zeer ingetogen leefde. Toen hij zich later naar Rome

ocr page 68

70

begaf, om te dier plaatse het openbaar onderwijs bij te wonen, maakten de bedorven zeden van die nog half heidensche stad zulk een diepen indruk op den veertienjarigen knaap, dat hij Rome ontvluchtte en zich in de eenzaamheid van het gebergte terugtrok. Daar vestigde hij in eene spelonk zijne woon, en hield zich voortdurend bezig met het gebed en met de beoefening tener strenge boetvaardigheid. Door den geest des Heeren geleid, bereidde hij zich, des onbewust, tot het aanvaarden der verheven taak, welke God hem had voorbeschikt. Wie kan het gelooven ! Benedictus had het onkuische Rome verlaten ; doch eene verderfelijke zwakheid van 's roenschen natuur was hem naar de wildernissen van Subiaco gevolgd. Er kwam een dag, waarop beslist zoude worden, of het vleesch en bloed voortaan over hem, dan wel hij over het vleesch en bloed zoude heerschen. Eene onzuivere voorstelling daagde op voor zijn geest, en wel met zulk eene kracht, dat het Benedictus eerst gelukte die afschuwelijke beelden te verdrijven, toen hij in een doornachtig struikgewas nederstortte en zich daarin v, en telde, totdat zijn teeder lichaam geheel verscheurd was, en hij, zooals de H. Gregorius zegt, den wellust in een smartelijk lijden had doen verkeeren. Van dien stond af bleef Benedictus verschoond van den strijd des vleesches. —- Voorwaar, de Heilige sprak bij ondervinding, toen hij later

ocr page 69

71

schreef; „Gij kunt met betrouwen de eeuwige zaligheid verhopen, mits gij den bekoorder be-schamet, door zijne helsche influisteringen van den drempel uws harten te verdrijven, en door het nog zwakke gebroed der bekoringen te verpletteren tegen de rots, die Christus is...quot;

Bezit gij, o Jongeling, o Jongedochter, een voldoende mate van zelfbeheer-sching? Beteugelt gij uwe zintuigen, en uwe oogen in het bijzonder, of wordt gij door die vijanden medegesleept, gelijk een ruiter door zijn hollend paard? Doet u-zelven geweld aan, weest ingetogen en vroom ; tallooze en moeilijke strijden bespaart gij u, wanneer gij voorzichtig en verstorven zijt.

XV.

DE ZUIVERHEID, EENB VEÜCHT VAN STEENGHBID TEGENOVER ZICH-ZELVEN.

Het is geenszins voldoende, de bolwerken en poorten eener stad te ver-

ocr page 70

72

dedigen; ook het inwendige moet wèl bezet zijn. Daarbij is het noodig, dat men in de belegerde vesting voor geen hongersnood behoeve te vreezen, en dat een bevelhebber van beproefde trouw de krijgstucht naar eisch handhave.

Meermalen immers gevoelt men bekoringen, die plotseling oprijzen, gelijk vijanden onverwacht uit hunne loopgraven te voorschijn treden. Bij een derge-lijken aanval is het van groot gewicht, dat men onyerwijld en kloek weerstand bie-de. Hoe velen zijn ellendig overwonnen, daar zij den aanvaller niet ijlings tegemoet traden! De vijand doet zijn voordeel met dit verzuim, maakt zich de zwakheid van zijne tegenstanders ten nutte, stormt vooruit, neemt het eene bolwerk na het andere en is dra meester van de arme vesting. Hoe onstuimig is vaak de natuur ! hoe lichtelijk vergeet men, op het beslissende oogenblik te letten ! Hoe vele jongelieden worden, vóór men zulks vermoedt, in ketenen geklonken, en be-weenen in het duister van hun rampza-

ocr page 71

73

ligen kerkerde zonde van besluiteloosheid, van aarzeling, van lafheid I

Waakt, o Jongeling, o Jongedochter, waakt met zorg over uw hart en over uwe zinnen. Laat niets aan uw oog ontsnappen. Een fijn geslepen spiegel verliest zijn glans, wanneer hij met het kleinste rookwolkje in aanraking komt: zoo derft uwe zuiverheid aanstonds haren luister, wanneer gij u vermeet, der zondige natuur het geringste offer te brengen. Laat men de vonk ook slechts een oogenblik voortgloeien, dan vertoont zich gewis een brandteeken ; heeft de hartstocht eenmaal uwe ziel beroerd , dan laat hij tenminste eenig spoor achter, wanneer het hem ook niet j vergund is, u geheel te verteren. —quot;Wan- i neer gij een steilen berg langs een glibberig pad moet afdalen, kunt gij misschien wel hopen, het oord uwer keuze met uw voet te betreden; docli zijt gij hiervan wel zeker? Steil is de helling, glibberig het pad; hoever zal de begeerte des vleesches u voortrukken, wanneer

ocr page 72

74

gij het ongeluk hebt, ook slechts even voor haar te /wichten ? „Wij dragen onzen schat in broze vatenquot;: zoude het dus niet vermetel, zorgeloos en afkeurenswaardig zijn, wanneer wij, ons in het gedrang der wereld mengend en onzen hartstochten den vrijen teugel vierend, op de zoo moeilijk te betreden baan des levens voorttuimelden ?

Wapent u dus, o Jongeling en Jonge-dochter, met eene heilige strengheid tegen u-zelven. Zijt gij thans, nu het zoo moeilijk valt, meesters in uw eigen huis, met welk eene kracht zalt gij er heer-schen, wanneer de storm u niet meer zoo hevig komt bestoken, en gij fier op een vlekkeloos verleden terugblikt I

Casimims, zoon des Poolschen konings van dien naam, trok van zijne prilste jeugd af, door eene volmaakte reinheid van zeden en door een gestrengen levenswandel, aller bewonderende blikken tot zich. Niets verafschuwde hij zoozeer als de wellustige pracht van het hof. Uit dien hoofde droeg hij steeds een zeer eenvoudig gewaad, sliep dikwerf op den blooten grond en bracht een deel van de koude Poolsche nachten

ocr page 73

75

door in het gebed, vaak geknield op den drempel cener kerk, om Jesus in het hoogheilig Sacrament te aanbidden. Maria was hij toegedaan, gelijk een teedere zoon. Bekend is de hem toegeschreven lofzang: Omni die „Zingt en verkondigt dagelijks den lof van de Koninginne des Hemels,quot; eene heerlijke uitstorting van zijne liefde en vereering jegens de nooit volprezen Maagd der maagden. — Casimirus leefde rein als een engel, verstorven als een kluizenaar. Toen een jongeling van aanzienlijken huize hem tot eene booze daad wilde overhalen, klonk 's prinsen antwoord beslist; m a 1 o mo ri, quatn foedari, — liever sterven, dan mijne zuiverheid verliezen!... Hij stierf op vijf-en twintig jarigen leeftijd den dood eens heiligen. Honderd en twintig jaren later vond men het lichaam van Casimirus nog geheel frisch ; -zelfs de kleederen waren als nieuw, schoof de vochtigheid van het grafgewelf de^.yèrtering slechts bevorderen kon. . ,

Zoo eert God dikwerf .ni den dood de Parel der Deugden in het stoffelijk overschot van de heiligen, die haar bezeten hebben ; doch Velke eene verheerlijking moet debiel ten deel vallen, die hier benedeiv-iOver het vleesch heeft gezegepraalcfr'.Strijdt dus, o Jongeling,

ocr page 74

76

o Jongedochter, strijdt met alle kracht, die in u is I Treedt den bekoorder onver schrokken tegemoet en doet hem afdeinzen bij het hooren van uw strijdkreet: ra aio mori, quam foedari; zuiver wil ik blijven — tot eiken prijs !

XVI.

DE ZÜITERUEIJ), EENE VRUCHT DES GEI5EDS.

„En daar ik wel wist, dat ik onmogelijk rein en verstorven zijn kon, wanneer de kracht Gods niet in mij was, zoo wendde ik mij smeekend tot den Heer, en riep tot Hem uit den grond mijns harten.quot; (Boek d e r W ij s he i d).

O ja, hoe noodzakelijk is het gebed, om zuiver te blijven, om de verloren zuiverheid te herwinnen! Het gebed, als eene verheffing des harten tot God, als een gesprek met God, stelt ons met Hem, den Zuiverste, in gemeenschap.

ocr page 75

77

Hoe vaker en hoe inniger wij bidden, des te nader komen wij bij God, des te nader komt God tot ons. En wat is niet reeds het gevolg van een vertrou-welijken omgang met de menschen ? Dat allengs eene groote overeenstemming van karakter, gevoelens en neigingen tot stand komt. God is de zuiverste geest; geen wonder, dat diegene welke veel met Hem in het gebed verkeert, steeds meer en meer den engel in zuiverheid nabij komt, en een diepen walg gevoelt, van het aardsche en vooral van het lage zinnelijke.

Dan, in het bijzonder als de bron der genade, als een voortreffelijk middel, om der goddelijke hulp deelachtig te worden, is het gebed van groot gewicht tot het bewaren of terugwinnen der heilige zuiverheid. God wil om alles gebeden zijn ; — zóó heeft hij het bevolen. Maar hij heeft ook beloofd, dat een vertrouwvol gebed steeds verhooring zal vinden, en op de vervulling dezer belofte kunnen wij te zekerder bouwen.

ocr page 76

78

naargelang de zaak, waarom wij bidden Gode aangenamer en ons noodzakelijker is. Nimmer onthoudt de Almachtige „zijnen goeden geest aan hen, die er om bidden!quot; en is wel een betere geest denkbaar, een geest, welken God zijn schepsel met meer liefde inboezemt, dan dien der zuiverheid ?

Stelt gij er dus prijs op zuiver te blijven, weest dan niet slechts getrouw aan uwe gewone oefeningen van godsvrucht, maar bidt vaak uitdrukkelijk om den geest der zuiverheid. Bevlijtigt u tevens, dikwerf aan God te denken. Laat uwe gedachte van tijd tot tijd hare vlucht naar Boven nemen, door het vernieuwen der goede meening, door een vurig schietgebed, door eene warme liefdesverzuchting.

Vooral het levendige bewustzijn der Alomtegenwoordigheid Gods is uitnemend geschikt, om ons tegen de bekoring te wapenen, om ons van de zonde terug te schrikken, met sterkte en troost te vervullen en liefde in te boe-

ocr page 77

79

zemen voor al hetgeen waarlijk schoon en edel is. En inderdaad : in tegenwoordigheid van een achtbaren persoon, op wiens goeden dunk te uwen opzichte gij prijs stelt, zult gij u wel wachten eene daad te bedrijven, waarover gij moet blozen, of die u in zijne oogen verlaagt. Welnu, o christen Jongeling en Maagd, gij bevindt u steeds in de aanbiddelijke tegenwoordigheid uws hemelschen Va ders; weet het wel, dat de geringste onzuiverheid Hem ten walg is, dat Hij den wellusteling van zijn aanschijn verwerpt.....

Op zeventienjarigen leeftijd werd Carolus Bor-romeus naar Pavia gezonden, om daar in de rechten te studeeren. Toenmaals heerschte in die ongelukkige stad een grenzenloos zedenbederf; een groot aantal studenten waren te Pavia uit alle hemelstreken bijeen gestroomd, en de verleiding drong door tot in de leerzalen der hoogeschool. „Nauwelijks een enkele kon aan het algemeen bederf ontsnappen,quot; zegt een bekend schrijver uit die dagen, „want door eene helsche tactiek poogden zij, die reeds lang me-laatsch waren, van alle zijden, op alle plaatsen

ocr page 78

80

en zonder ophouden hunne nieuw aangekomen makkers tot val te brengen.quot;

En toch behield Carolus zijne reinheid in vollen glans. Terwijl anderen hun tijd in beuzelarijen verkwistten, of den geheelen dag de zondige vermaken der wereld najoegen, verdiepte hij zich in het gebed of in zijne studiën. Nooit betrad zijn voet een schouwburgofdanszaal,nooit zag men hem bij de woeste drinkgelagen zijner medestudenten. IJdele, wereldsche gesprekken, kon hij niet aanhooren; bij dubbelzinnig gepraat leed hij zichtbaar. Eene koude siddering voer Carolus door de ledematen, wanneer hij zijne dierbare onschuld bedreigd zag; zijne overwinning bestond immer in de vlucht en nooit moest hij in den strijd tegen de onzuiverheid het onderspit delven.

Ziet gij, wat het gebed vermag ? hoe het u zuivert, versterkt, veredelt ? bidt gij wel uit den grond uws harten ? — Arme jongeling, arme jongedochter, die een afkeer gevoelt van het gebed,—want gij zijt niet rein 1 Heil echter degenen, voor wie het gebed eene behoefte, eene dierbare plicht, eene lafenis genoemd mag worden: dezen toch zijn zekerlijk in het bezit van die heerlijke deugd, welke

ocr page 79

81

hun reeds hier in het ondermaansche een aureool van gelukzaligheid om den schedel doet glanzen. In kuischheid zullen zij groeien en bloeien 1

XVII.

DE ZUIVEEHEID, EENE TEUCHT DEK H. BIECHT.

Geen werkzamer, ja geen noodzakelijker middel, om zuiver te blijven, om zuiver te worden, dan het dikwijls en waardig ontvangen van het H. Sacrament der boetvaardigheid. Gij misleidt u-zelven, wanneer gij dwaas genoeg zijt, te meenen, dat een zoo moeilijke arbeid verricht kan worden zonder bijstand der goddelijke genade, alleen door de macht van den menschelijken wil. De hemelsche genade van het Sacrament moet hulp bieden, ja zij moet het meeste doen. Daarbij is het noodzakelijk, dat

ocr page 80

82

een helper, u door God toegezonden, u met krachtigen arm ondersteune.Zoekt u derhalve een ervaren biechtvader, die echter ook geheel de man van uw vertrouwen is. Legt hem zonder eenig voorbehoud den toestand van uwe ziel bloot. Spreekt hem over uwe strijden en tevens over de zegepralen, die gij bevochten, hebt. Laat u door hem onderrichten over hetgeen u niet duidelijk is, terechtwijzen, wanneer gij onvoorzichtig, opbeuren, wanneer gij zwak geweest zijt; laat u troosten, wanneer angst u het hart beklemt, moed inspreken, wanneer gij voor den kamp terugdeinst. Hoe weldadig zal elk woord voor uwe ziel zijn, het woord door Gods priester tot u gesproken! Hoevele strikken, u door satan gespannen, zal de hand van uw leidsman verbreken ! Vergeet het niet: de priester, wien gij u toevertrouwt, ontvangt van den Hemel bijzondere gratiën tot uw heil; want ook over uwe ziel zal hij eenmaal rekenschap moeten afleggen.

ocr page 81

83

Nadert dikwijls tot zulk een vruchtbaar Sacrament. Zoekt den geneesheer uwer ziel niet eerst dan op, wanneer gij krank, zeer krank zijt; laat u veeleer door hem bijstaan, om uwe geestelijke gezondheid te bewaren. Biecht dikwerf, biecht zorgvuldig, biecht vervuld met den geest des geloofs aan de kracht van dat hemelsch genees- eu voorbehoedmiddel.

O hoe velen zijn hunne redding verschuldigd aan dit heerlijk Sacrament! Hoe velen zouden geboeid zijn door de j slavenketenen van schandelijke gewoon-! ten, hoe velen verstikt in de omarmingen der onkuische wereld, hadde G-od hun niet een priesterlijken vriend gezonden, wiens hand de ketenen brak, de strikken verwijderde !

In de eerste helft der zestiende eeuw leefde ei in het Noorden van Italië eene maagd, Cathaiina Kaceonigi geheeten. Reeds in hare prilste jeugd ontving zij van de Allerh. Maagd zelve Jesus tot Bruidegom. Eens werd zij zeven achtereenvolgende dagen gekweld door hevige bekoringen

ocr page 82

84

togen een deugd, welke haar dierbaarder was lt;ian het leven. Vasten en lijfkastijdingen brachten haar geen verlichting. Toen snelde zij naar den leidsman harer ziel en legde aan dezen man Gods haar toestand bloot. Werp u, zegde deze, in eene smeekende houding voor God neder, en wacht zoo de hulp af, die gij noodig hebt. Zij gehoorzaamde. Daar verscheen haar eensklaps Jesus Christus, omringd van licht, l eggende „vrees niet; ik ben met u.quot; Tegelijk daalden twee engelen neder en omgordden de zalige met eenen gordel zoo blank als het kleed der Engelen, en weg waren hare bekoringen. Kalmte en vrede vervulden nu blijvend hare ziel,

Zoo nagenoeg was het ook rèeds eeuwen vroeger geschied met eene naamgenoote dezer Ca-tharina, nl. de groote Gatharina van Senen. Vreeselijk waren hare bekoringen. Jesus verscheen en verdreef den duivel. „Waar waart gij toch, Heerequot;, zuchtte Catharina, „toen ik zoo te s'.rijden had ?quot; „Midden in uw hart, mijne dochter.quot; „Hoe is dat mogelijk, mijn Bruidegom ? Gij te midden van een hart zoo vol onreine verbeeldingen ?quot;— „Toch was ik daar; want wie gaf u in, die verbeeldingen te verfoeien ? Dat was ik door mijne tegenwoordigheid.quot;

O christen Jongeling en Maagd, beproeft ook gij dit middel; nadert dikwijls

ocr page 83

85

en met de vereischte gesteltenis tot het H. Sacrament der boetvaardigheid, en hemelsche kracht en vertroosting zullen ii ten deel worden. Weest hiervan overtuigd, want: wie kende beter de behoeften van het menschelijke hart, dan de God-Mensch Jesus Christus, de Insteller van de H. Biecht ?

XVIII.

DE ZUIVERHEID, EENE VRUCHT VAN KINDERLIJKE OPENHARTIGHEID.

Er zijn oogenblikken in het leven van den knaap, van den jongeling, van de jongedochter, waarin het voor hen van bijzonder gewicht is, niet a 1-1 e e n te staan, doch hunne hand, of veeleer hun hart, in de hand eens priesterlijken vriends te voelen. Wel is waar zijn vader en moeder onder menig opzicht de eerste vertrouwelingen van het kind; maar niettemin bestaan er zulke

ocr page 84

86

diepe geheimen, en verbergen de plooien van het hart meer dan eens zulke schier onnaspeurbare gevoelens, dat slechts voor dengene , wien God den sleutel van de harten en van den hemel heeft toevertrouwd, recht en mogelijkheid bestaat tot de ontsluiering dier geheimen , tot het binnendringen in die zoo verborgen plaatsen.

Niet op eens wordt men een schaamteloos verachter van de wetten der heilige zuiverheid. Niet op eens komt men tot diepen val. Ook de giftplant, welke nu een hoogen stengel en een dichten bladerdos vertoont, was vóór korten tijd eene kiem,een spichtiggroen. Hoeveel is er aan gelegen, dat de jeugdige kiem der onzuiverheid vóór hare ontwikkeling door een geoefend oog ontdekt, door eene vaardige hand uit den grond gerukt worde!

Teneinde zulks den tuinier uwer ziel mogelijk te maken, moet gij hem veroorloven , in de diepten uws harten af te dalen; gij moet u aan hem

ocr page 85

87

overgeven, zooals gij zijt; gij moet niet schromen over alles te spieken, wat uwe verdenking wekt; gij moet u verklaren omtrent zekere gevoelens, waarover gij begint te blozen, die u het hart doen kloppen en op welke gij niet gaarne betrapt zoudet worden. Slechts op deze wijze kunt gij den storm ontgaan, die uwe onsterfelijke ziel bedreigt.

Hoe lichtelijk konde het u anders berouwen,het rechte oogenblik verzuimd te hebben I Hoe ongelukkig zoude het wezen, als later door eene pijnlijke bewerking verdreven moest worden, wat vóór luttelen tijd de hand eens bekwamen meesters bijna zonder smart had kunnen vernietigen! quot;Weest dus openhartig, rechtzinnig, vertrouwelijk ; voegt bij de bekoorlijke schuchterheid der deugd de helderheid van een spiegel, die ook de geringste vlekken weergeeft. Deze weg alleen yoert u tot een volmaakten vrede. Niet slechts de dolk, welke u in de borst dringt, veroorzaakt pijn; ook de scherpe doorn, welke zich buiten uw

ocr page 86

88

weten onder uwe huid heeft vastgezet, doet het vleesch ontstellen en drijft u een klaagtoon op de lippen.

Petrus Canisius, wien Duitschland zooveel te danken heeft, was van zijne prilste jeugd af, een roerend toonbeeld van ijver in het gebed en van liefde tot de boetvaardigheid. Zóó onberispelijk en stichtend wos zijn levenswandel, dat men zich vaak afvroeg : „Wat toch zal uit dezen knaap groeien ?quot; Toen Canisius zijn 14de jaar was ingetreden, moest hij zijne geboortestad Nijmegen verlaten, en werd naar Keulen gezonden, om daar zijne studiën voort te zetten.

In die tijden begon zich Luthers dwaalleer over het arme Duitsche rijk te verspreiden, en de gevolgen hiervan bleven niet uit. Hooger, immer hooger steeg de vloed der onzedelijkheid. Dekuischheidscheen voorimmervan die plaatsen gevlucht, waar het godslas'.erend woord van den eerloozen apostaat weerklank gevonden had. Luther zelf, onzuiver als de booze geest, die in hem heerschte, had duur gezworen eeden gebroken, om zijnen schandelijken lusten voldoening te kunnen verschaffen. Kon men van zijne volgelingen meer liefde voor de christelijke onthouding verwachten, dtn van de zijde huns verworpen meesters ? Ook Keulen bleef van de pest der ketterij niet verloochend ; maar God erbarmde

ocr page 87

89

Zich over Petrus Canisius, dien Hij tot een geweldig strijder voor de zaak van zijne verdrukte Kerk riep, en wien Hij den vromen en geleerden priester Nicolaas Eschius als een vaderlijlc vriend en leidsman toezond. Hoe dankbaar was Petrus den goeden God later voor zulk een uitstekend gunstbewijs en welk een goed gebruik maakte hij van die genade voor zijn eigen heil en voor de zaak des Heeren ! Hierover schrijf! hij met eigen hand in zijne „B e 1 ij d e n i s s e nquot; ; „Loof, mijne ziel! den Heer en vergeet niet, dat Hij u in zijne goedheid een zoo voortreffelijken leermeester schonk, wiens teedere zorgvuldigheid niet ophield over u te waken en u te bestieren. ... Onder zijne leiding kreeg ik meer en meer afschuw van mij-zelven, opdat ik voor U, o God, dien ik in den bloei mijner jaren nog niet genoeg kende en vreesde, in behagelijkheid zonde toenemen. Zijne raadgevingen, zijn levenswandel, de voorbeelden van deugd, die hij mij gaf, ontstaken als het ware in mijne zinnen een nieuw licht. Volgens zijn woord, handelende, mocht ik er in slagen, die plotselinge aandoeningen en die dwaze begeerten der jeugd te beteugelen ; het verkeer met hem deed mij de overige makkers en vrienden vergeten. Voor niemand, in zoover mij bekend, had ik meer achting en liefde dan voor mijn leermeester, wiens raadgevingen immer toegang in mijn hart vonden. Niet slechts in de biecht legde ik hem den toestand mijner

ocr page 88

90

ziel bloot; maar dagelijks, o. a. steeds vóór het slapen gaan, ontdekte ik hem in alle oprechtheid (zoo groot was mijn vertrouwen !) de fouten en dwaasheden, waaraan ik mij plichtig kende : zoo gaf ik mijn leermeester voortdurend rekenschap van de wijze, waarop ik mijne dagen sleet, om uit zijn eerbiedwaardigen mond het woord der berisping, der aanmoediging, der goedkeuring te hooien. Ik erken en prijs in diepen eerbied uwe barmhartigheid, o God ! Gij, trouwe beschermer der menschen en leidsman mijner dagen, Gij hebt te allen tijde mijne schreden op een weg des heils gevoerd. Het was, ik kan er niet aan twijfelen, uw bijzonder raadsbesluit, hetwelk mij te Keulen dien voortreffelijken man deed ontmoeten, aan wiens teedere wijsheid Gij de bestiering van uw kind hebt toevertrouwd......quot;

Later kwam Petrus te Mainz, waar hij den beroemden Faber leerde kennen : onder het bestuur van dezen heiligen kloosterling maakte hij de zoogenaamde Exercisiën of geestelijke oefeningen, entrad vervolgens, door eene vaderlijke hand geleid, in de pas gegrondveste Sociteit van Jesus.

Ziet gij, hoe nuttig het is, openhartig te zijn en naar wijze raadgevingen te luisteren ? Zelfs dan, wanneer gij reeds eenigermate in het goede bevestigd zijt

ocr page 89

91

en daarin vorderingen maakt, zelfs dan nog is het raadzaam, u door de hand van een ervaren gids te laten besturen, die u veel omwegen bespaart, en met liefde, zorg, trouw en voorzichtigheid zijne moeilijke taak vervult

XIX.

DE ZUIVERHEID, DE VBDCHT VAN HET BROOD DER ENGELEN.

Men noemt het hoogheilig Sacrament des Altaars beteekenisvol: »het Brood der Engelen, de Tarwe der Uitverkorenen,de Wijn, die maagden voortbrengt.quot; »Het Brood der Engelen Iquot; Diep zinrijk is dit woord, want zuiver, in staat van genade, moet de mensch zijn, die het genieten wil; nadert hij evenwel met de vereischte gesteltenis tot het verheven Gastmaal, dan bevestigt het goddelijke Brood zijn hart in het goede en bijzonder in de heilige kuischheid. En-

ocr page 90

92

gelenspijze verleent engelendeugd. Hoezeer kende Jesus de strijden, welke vleesch en bloed ons zoo dikwerf aandoen 1 En daar Hij ons meer en meer aan Zich gelijkvormig wilde iraken;daar zijn liefdevol Hart het vurig verlangen koesterde den mensch te heiligen, na hem van een drukkenden zondelast bevrijd te hebben, verrijkte Hij zijne Kerk met den grootsten schat van liefde en genade, waarover zijneAlmacht beschikken kon: Hij gaf ons Z i c h-z e 1 v e n...

„DE TAB WE DER UITVERKOBENEN !''

Spreekt niet de Heiland zelf: ïWie mijn Vleesch eet en mijn Bloed drinkt, die blijft in Mij en Ik in hem?quot;

Waar Jesus verwijlt, daar bevindt zich de reinheid zelf. En wanneer gij nu Jesus dikwerf, zeer dikwerf in uwe ziel opneemt,wanneer zijne liefde haar voedt, versterkt, adelt, heiligt: zal zij dan niet to* alle goed bekwaam, en boven het aardsche verheven worden ?

ocr page 91

93

„DE WIJN, Dl ft MAAGDEN TOOETBRENGT !quot;

Het is toch Christus' Bloed, het Bloed van den zuiveren Godmensch I En dit Bloed wordt door ons genoten,het wordt onze drank ; wij gaan over in Christus, Vleesch, in Christus' Bloed 1

De wonderen der maagdelijkheid in het nieuwe verbond, de tallooze heldendaden eener volmaakte zuiverheid des harten waren voorzeker slechts mogelijk door de kracht van het Allerheiligste Sacrament. Hierdoor gesterkt en als het ware tot leeuwen gemaakt, zooals de H. Chrysostomus zegt, kampten die vlek-kelooze zielen den zwaren strijd tegen vleesch en bloed, en droegen juichend de palmen van het onbloedige martelaarschap weg.

Hebt gij, o christen Jongeling en Maagd, de zuiverheid lief, weest dan een vurig vereerder van het hoogwaardig Sacrament. Woont, indien geene omstandigheden u zulks verhinderen, dagelijks de H. Offerande der Mis bij.

ocr page 92

94

Gaat ciikwerf, zeer dikwerf, en goed voorbereid ten Engelendisch. En hebt gij het aanbiddelijke Lichaam uws Verlossers genuttigd , dan zij uwe eerste bede: »Reine Jesus, maak mij rein! Schep in mij een zuiver hart, oGodlquot;

Wekt het geene verbazing, dat ook in den tuin der wereld, aan het hof der grooten, leliën kunnen bloeien, dat men in het gevolg der machtigen van deze aarde engelen vindt ? — Een dergelijk wonder liet zich in de jaren 1581 — 84 aan het Spaansche hof zien. Onder de edelknapen van keizerin Maria en later van den kroonprins Jacobus,bevond zich toenmaals delSjarige Markgraaf van Castiglione, Aloysius van Gonzaga. Gedurende zijn verblijf in deze plaats van aard-sche grootheid, liet hij zijne wekelijksche communie niet éénmaal na. — Met zijne blikken was hij zóó behoedzaam, dat hij slechts zag, hetgeen hij zien moest; nooit keurde hij de beuzelarijen der groote wereld een Oogslag waardig. Mochten eenige zijner makkers ook den spot drijven met hetgeen zij „dweepzuchtquot; geliefden te noemen : Aloysius bleef standvastig 5 hij geleek op Daniël in den leeuwenkuil en op de jongelingen in den gloeien den oven.

Wat eene zeldzaamheid !

Aan een ander hof, dat van Savoye, waar hij

ocr page 93

95

op 16jarigen leeftijd eenige maanden moest doorbrengen, ontmoette hij een kamerheer, die zich niet ontzag, in tegenwoordigheid van Aloysius en in die van andere hofjonkers onbetamelijke woorden te spreken. .,Deiik aan uwe grijze haren, en schaam u,quot; riep Aloysius verontwaardigd uit, „men zou meenen, dat gij, zoo oud van dagen, boven dergelijke dwaasheden verheven waart!quot; En de Markgraaf verwijderde zich, om een geestelijk boek ter hand te nemen.

Jongeling, Jongedochter, is het he-melsche Manna ook uwe lievelings-spijze? Weet, dat alleen een vast geloof u in het bezit kan stellen van de onmetelijke schatten, welke hier begraven zijn. Is uw geloof zwak, begrijpt gij niet, wat het Brood der Engelen zijn moet voor eene ziel, welke zich den hemel-schen geesten in zuiverheid gelijkvormig wenscht te maken : dan zie ik tot mijn diep leedwezen gemakkelijk in, waarom gij u niet krachtiger tot de Altaren, tot het Tabernakel, tot den goddelijken Liefdedisch voelt aangetrokken.

ocr page 94

96 XX.

DE ZUIVERHEID, BENE TEUCHT DEE

OTEEWEGING VAN HET BITTER LIJDEN DES ZALIGMAKERS.

Het lijden en sterven des goddelijken Verlossers, in het juiste oogenblik vóór onzen geest gevoerd, is een bijna zeker middel tegen de onverstorvenheid. Jesus zweet bloed, Jesus wordt voor de rechterstoelen mishandeld, Jesus wordt gruwzaam gegeeseld, met doornen gekroond; Jesus sleept het zware kruis naar Golgotha en wordt daar op het schandhout vastgeklonken; Jesus hangt onder naam-looze smarten drie lange uren tusschen hemel en aarde : welke beelden! welke hartverscheurende tooneelen 1 En welke eene tegenstelling: de folteringen van het Lam Gods, en de weekelijkheid van den onverstorven menschl Weet het wel, o Jongeling en Jongedochter: Vooral om die wraakroepende overtredingen van de slaven der vleeschelijke lusten

ocr page 95

97

uit te boeten, heeft Christus zijn godde-lijken persoon ten zoenoffer gesteld, heeft Hij in zijn vleesch zoo naamloos i veel geleden. Wilt gij zijne smarten vernieuwen ? Neen, veeleer zij het aanschouwen des gekruisigden Zaligmakers voor u een krachtig middel, om in alle bekoring tegen de zuiverheid den palm der overwinning meester te worden. Mijn Jesus lijdt, en ik zou door eene zondige zwakheid zijn lijden vergrooten ? Mijn Jesus lijdt, en ik, wel verre van met Hem te lijden en mij-zelven door eene volmaakte verstorvenheid met Hem i aan het kruis te hechten, zou de hand uitsteken naar een verboden genot, naaide giftige vrucht der zinnelijkheid ?

Op zekeren keer, toen David tegen de Philistijnen oorlog voerde, werd hij gekweld door een hevigen dorst. Ingesloten tusschen twee bergen, niet ver van Bethlehem, verlangde hij zeer naar e©n koelen dronk uit de bron, welke nabij de poort van hoogergenoemde j stad uit den schoot der aarde ontsprong.

ocr page 96

98

Een drietal kloeke strijders baanden zich een weg door het vijandelijke leger, schepten water uit Bethlehems bron en brachten het David. Deze echter wilde , niet drinken ; hij goot instede daarvan, en „den Heer ten offer,quot; het water op den grond uit, zeggende : „Het zij verre van mij, dat ik voor het aanschijn van mijnen God het bloed dezer mannen 1 zoude drinken, want met gevaar van hun leven hebben zij dit water geput.quot;

Christen Jongeling en Maagd, wanneer de gloed der bekoring u naar het verbodene doet dorsten, zegt dan eveneens: het zij verre van mij, dat ik een j schandelijken lust zoude inwilligen, terwijl mijn goddelijke Verlosser, uit alle wonden bloedend, aan het kruis versmacht ! Plengt ook gij den dronk van de zinnelijkheid den Heer ten offer, weest verstorven en ontzegt u ter liefde van een gekruisigden God de inwilliging van het booze.

De heilige knaap Vitus moest een zwaren 1 strijd doorstaan, vóórdat hij de kroon des Hemels

ocr page 97

99

won: hij was een martelaar voor het geloof en voor de onschuld tevens. Zijn onmenschelijke vader, Hylas genaamd, trachtte den 12jarigen knaap door wreede mishandelingen tot afval te dwingen. Toen die snoode toeleg mislukte, leverde hij Vitus over in de handen van den stadhouder Valerianus, die hem eveneens door zware gee-selingen liet verscheuren. Vitus echter dacht aan den gekruisigden Heiland en bleef standvastig. Het arme kind werd nu zijn vader teruggegeven, en deze schroomde niet, zijne toevlucht te nemen tot een afschuwelijk middel: tot de verleiding. Hij wilde Vitus, met de parel der zuiverheid, den schat des geloofs ontrukken. Alles werd in het werk gesteld om den knaap te verleiden en zijn hart toegankelijk te maken voor de genoegens der wereld, Vergeefsche poging! Vitus waakte, bad en streed. Toen men op zekeren dag een verachtelijk wezen bij den jeugdigen held bracht, teneinde hem door het gezicht van een gruwel tot onkuischheid te vervoeren, sloot Vitus de oogen en bad in het gevoel zijner zwakheid : «Versmaad niet, o Heer, een vermorzeld en rouwmoedig hart.quot; En opnieuw aanschouwde hij in den geest zijn aan het kruishout stervenden Verlosser. — Eindelijk meende Vitus, dat hij zich door de vlucht moest redden. Hij verliet met zijne onderwijzers Modestus en Crescentia de ouderlijke woon; doch later namen Romein-

ocr page 98

100

sche soldaten de vluchtelingen gevangen en voerden hen voor keizer Diocletianus, die hen de zwaarste folteringen deed ondergaan. Kr staat geschreven, dat Vitus het kranke zoontje van Diocletianus door de aanraking lijner hand genas ; maar niettemin sprak de ondankbare keizer het wreede vonnis uit, dat men den kleinen martelaar voor Jesus Christus in een ketel met gesmolten lood zoude werpen. O wonder! het kuische lichaam van het edele kind bleef ongedeerd ____Toen wierp men de drie bloedgetuigen

des Heeren aan de wilde dieren ten prooi, doch als zachtmoedige lammeren gingen de leeuwen aan hunne voeten liggen en bedelden om eene liefkoozing. Eindelijk gaven de msrtelaars op de folterbank den geest en hunne zielen stegen met blijden jubel hemelwaarts.

Jongeling en Jongedochter, waarom kunt ook gij niet bij het naderen der bekoring tot het Kruis opblikken, of, wanneer gij alleen zijt, het dierbare teeken des Kruises maken? Te allen tijde was dit een waarborg der overwinning, hetgeen de H. Kerk doet uitroepen : „Ziet het Kruis des Heeren ; — vlucht dus alle, gij, vijandelijke machten;

ocr page 99

101

de Leeuw uit Juda's stam heeft gezegepraald !quot;

XXI.

DE ZÜIVEEHEID, EENE VRtTCHT VAK D« TOEWIJDING AAN HET GODDELIJK HART VAN JESÜS.

De zuiverheid heeft hare wortelen in het hart. „TJit het hart,quot; spreekt de Heiland zelf, »koinen de slechte gedachten en begeerten voort;quot; en uit de begeerten en lusten ontwikkelen zich de daden, — slecht zaad, slechte vruchten ! Uit het hart tevens ontspruiten de heilige voornemens en goede werken. — edel zaad, edele vruchten !

Weest er dus op bedacht, uw hart zuiver te bewaren, uw hart steeds meer en meer te louteren. Deze zaak van zoo hoog belang vereischt al uwe zorg. Stelt gij er prijs op uw hart vlekkeloos

ocr page 100

102

te houden, laat dan het goddelijk Hart van Jesus uwe leidstar, uwe toevlucht, uwe hulp wezen. Het is het Hart van den Zoon des Menschen, het zuiverste, dat ooit op aarde heeft geklopt! Nimmer stuwde ook slechts het kleinste golfje der hartstochten zijn schuim tegen deze, voor alle zwakheid der menschelijke natuur ongenaakbare rots. Pal in de felste branding, stond Het altijd daar, ons tegenschemerend als een vuurtoren, ons wenkend als eene haven, wanneer schripbreuk ons dreigde, of als eene veilige plaats in nood en storm.

Jongeling, Jongedochter, hoe vurig bemint u het liefderijke Hart van Jesus! Hoezeer verlangt Het naar ui Hoe innig wenscht Het, u voor de lagen der wereld en voor uw eigen booze natuur te kunnen verbergen ! «Kom tot Mij ,quot; roept het goddelijke Hart, en opent zich om u toegang te verschaffen, — »kom tot Mij, gij, die belast en beladen zijt, en Ik zal u verkwikken.quot; Ik wil u den waren vrede schenken, waarin de

ocr page 101

103

zuiveren zich verblijden ; Ik wil u schadeloos stellen voor die offers, zonder welke de zuiverheid onmogelijk is ; Ik wil u verrijken met mijne uitgelezen schatten, welke slechts den reinen zielen weggelegd zijn.

Christen jongeling en Maagd, bij al hetgeen u dierbaar moet zijn, bezweer ik u: weest oprechte, vuriye vereerders van den zetel en de bron aller reinheid, van het goddelijke Hart uws Zaligmakers! Dit Hart immers roept u toe: «Leert van Mij, dat Ik zachtmoedig en ootmoedig ben 1quot; Weet, dat de ootmoedigheid de zuster der kuischheid is, en dat slechts hij, die een onbepaald gebied over zijn eigen hart voert, zachtmoedig kan wezen. Hoog vlamt Het op, dit goddelijke Hart van Tesus, en, omgeven door een krans van liefdevuur, beurt Het een dierbaar teeken, het kruis, ten hemel. Dat kruis, het fonkelt u in hellen glans tegen ; het zegt u, dat de zuiverheid haar troon heeft opgeslagen, ter plaatse, waar de god-

ocr page 102

104

delijke liefde aardsche genegenheid verzengde of louterde en waar het kruis, zinnebeeld der zelfverloochening, eene roemrijke overwinning op de booze natuur heeft behaald.

Bernardinus van Siena verloor zeer vroeg zijne moeder,,., doch zijne zuster voedde hem op met zorgvuldigheid en vrome toewijding. Van zijn elfde jaar af studeerde hij te Siena en verwierf hij door eene geheel smettelooze deugd, die op zijn edel gelaat uitblonk, dermate de achting van zijne medeleetlingen, dat zij onvoegzame gesprekken afbraken, zoodra Bernardinus op hen toeschreed. »Stil,quot; zeide men dau, »Bernardinus komt.quot; Sedert lang namelijk had men bemerkt, dat vuile of dubbelzinnige taal hem niet alleen hoogst onaangenaam was, maar den anders zoo vreed-zamen, zachtmoedigen jongeling bijna toornig maakte. — En met welk eene liefde was Bernardinus zijn Heer en Verlosser toegedaan! Hoe dikwijls liet hij zijn hartin Jesus' Hart verzinken, om het daar van de minste vlek te reinigen! — Bernardinus trad later in de Franciscauer-orde, verkondigde Gods woord en arbeidde met noeste vlijt aan het heil der zielen.

O Jongeling, o Jongedochter, wijdt uw hart grootmoedig en met al zijne wen-

ocr page 103

105

schen en gevoelens toe aan het Hart, aan het onuitsprekelijk heilige Hart van uwen God en Zaligmaker. Waar. beter dan in die verheven plaats, kan uw arm, zoo vaak gekweld hart rusten ? En welk verblijf zoude uw hart meer waardig zijn, dan deze naamloos gelukkige woonstede ?

XXI.

DE ZUIVERHEID, EENE TEUCHT VAN DE VEREERING DEE H. MAAGD.

Maria, de Vlekkelooze, die om hare volmaakte zuiverheid werd uitverkoren tot Moeder van den Allerzuiverste — welk een heerlijk toonbeeld voor den jongeling, voor de jongedochter, in wier oog de reinheid de parel der deugden is! Ach ja — werpt een blik op Haar, en gij voelt in uw hart nieuwe geestdrift voor die lieflijke deugd ontwaken; werpt een blik op Haar, en gij bindt u met ver-

ocr page 104

106

schen moed ten strijde aan tegen de vijanden uwer zuiverheid; werpt een blik op Haar, en gij deinst niet meer terug bij het zien der tallooze gevaren, welke uwe deugdomgeven. O! vreest niet, blijft onversaagd ; Maria is niet slechts een voorbeeld, Zij is ook eene beschutting. Zij is de toren met duizend schilden, u allen door heure maagdelijke hand aangeboden, om den vermetelen vijand te weerstaan. Door die schilden gedekt, blijft gij ongedeerd in het midden van een gloei-enden kogelregen ; de schoten van satan stuiten af, de prikkels der wellust worden stomp, de speren van de vijanden uwer zaligheid zinken machteloos op den grond.

j Te dezer oorzake waren de kuische zielen steeds oprechte vereerders van Maria. Zij, de maagdelijke Moeder dquot;s , Heeren, zweefde onophoudelijk voor het oog van een Bernardinus, van een Casi-! mirus, van een Aloysius, van een Ber-j nardus, van een Stanislaus, van eenjoan-: nes Berchmans. Tot Maria zagen on-

I -

ocr page 105

107

verpoosd diegenen op, wier fakkel de | zuiverheid was, — onder Maria's mantel i' zochten allen bescherming, die hunne geliefkoosde parel in veiligheid wilden brengen.

En Maria, de reine Dochter van den hemelschen Vader, de zuivere Moeder van den zuiveren Zone Gods, de onbevlekte Bruid des Heiiigen Geestes,— met welk een heiligen aandrang, met welk eene vurigheid zal zij den Vader, den Zoon en den H. Geest om bijstand en gratie smeeken voor hare kinderen, die i in het behoud hunner zuiverheid een warm belang stellen, en in het bijzonder ; voor die jongelieden, welke geen offer te zwaar vinden, wanneer hunne deugd uit den maalstroom der onkuische wereld gered moet worden 1

Leert derhalve Maria steeds beter en beter kennen, draagt Haar eene kinderlijke liefde toe, treedt in hare voetstappen, roept Haar betrouwvol aan. Hoevelen zijn langs dien weg engelen gebleven, engelen geworden 1 Zegt dik-

ocr page 106

108

wij Is, zeer dikwijls :Omijne Meesteres, o mijne Moeder, — ik offer mij geheel aan U op, en omU mijne aangekleefdheidte betuigen, wijd ik heden mijneoogen, mijne ooren, mijn mond, mijn hart en geheel mij-z elven aan Utoe. Dew ij 1 ik dus, o goede Moeder, geheel de uweben, bewaar mij, en bescherm mij als uw goed, als uw eigendom!

Stanislaus Kostka, een Pool van hoogadellijke afkomst, bracht zijn studietijd door te Weenen, met zijn ouderen broeder Paul en met hun ge-meenschappelijken onderwijzer Bilinski. Paul deelde geenszins de vrome gevoelens van zijn j broeder. Hij vond steun bij den goeverneur Bi- ! linski, en zoo kon het wel niets anders, of men ! had dikwerf kleine onaangenaamheden te betreuren. Stanislaus echter bezweek niet. Voor hem was er alles aangelegen, zijne kuischheid, op welke niet de minste vlek kleefde, ook in de toekomst vrij van alle smet te bewaren. Ter bereiking van dit prijzenswaardige doel vond Stanislaus krachtige middelen in het vluchten der wereld, in het versterven van da zinnen, in

ocr page 107

109

het dikwijls ontvangen der H. Sacramenten, in de warmste liefde tot Maria. Zóózeer haatte de jonkman alle openbaring van den schandelijken hartstocht, dat hij te huis op zekeren dag in onmacht viel, toen zün maagdelijk oor gekwetst werd door vuile gesprekken. Zijn engelachtig voorkomen was de getrouwe spiegel zijner kui-sche ziel; het edele voorhoofd des jonkmans droeg zichtbaar den stempel van de maagdelijkheid, en uit zijne heldere oogen lichtte het met hemelschen gloed. Wie Stanislaus maar zag, gevoelde zich aangetrokken door eene deugd, welke ook het lichaam eene niet uit te drukken bekoorlijkheid verleent.

Stanislaus, dit gelukkige kind, was te goed voor de wereld, te goed voor de aarde. God riep hem tot den kloosterlijken staat, en op 17jarigen leeftijd overschreed hij te Rome den drempel der Societeit van jesus. Echter, reeds tien maanden later behaagde het den hemelschen Tuinier, deze lieflijk bloeiende lelie te plukken, om haar in bovenaardsche lustwaranden opnieuw te doen wortelen: Stanislaus stierf, aan geene zichtbare krankheid lijdend en als verteerd door de goddelijke liefde, op het feest van Maria Hemelvaart, in den jare 156S. De Heer had hem waardig bevonden, Maria's triomf in den Hemel meê te vieren. Op deze aarde noemde hij Maria steeds zijne Moeder. gt;Hoe! zoude ik

ocr page 108

110

Haar niet liefhebben ? Is Zij daa mijne Moeder niet?quot; sprak Stanislaus op zekeren keer tot iemand, die hem vroeg, of hij de Koningin des Hemels wel teeder beminde.

XXIII.

DE ZUIVERHEID, EENE VRUCHT VAN DE NAVOLGING DEK HEILIGEN.

Ongetwijfeld wordt de jeugd het meest aangetrokken door die Heiligen, welke hierbeneden hebben uitgemunt door eene roemrijke zuiverheid. Dezen vooral sporen haar aan tot navolging, bezitten haar vertrouwen, spreken haar moed in. Zij schijnen haar bovenaard-scha wezens toe, en vaak kost het h aar moeite zich te herinneren, dat ook zij eenmaal zwakke kinderen van het stof waren, dat ook zij, aan alle gevaren blootgesteld, in sterfelijk vleesch gewandeld hebben. En inderdaad : vele hun-

ocr page 109

Ill

ner leefden in omstandigheden, welke het behoud der zuiverheid zeer moeilijk maakten.

Zoo groeiden bijv. verscheidene dier Heiligen op aan de vorstelijke hoven, waar een verfijnde weelde hen omgaf, waar alle genoegens der wereld hen aanlokten ; waar zij in de netten van den wellust zoo gemakkelijk veru ard konden : geraken; — en toch, zij stonden daar i als leliën tusschen de doornen ! Was het J echter niet waarschijnlijk, dat ook zij | hunne beginselen zouden inrichten naar de beginselen van de onreine wereld, die hen omgaf? dat ook zij, met al hetgeen hun oog aanschouwde, zich in den wild bruisenden stroom zouden werpen, die zijne wateren naast hun levenspad voortstuwde? dat zij, naar het voorbeeld van hunne makkers, den beker van het booze genot aan de lippen zouden brengen en tot den bodem toe ledigen, zich daarmede vergenoegende,den Heer, die toch ook de God hunner jeugd had moeten zijn, de luttele rest van een ver-

ocr page 110

112

kwist leven, de gesloopte krachten van hunne ziel en van hun lichaam aan te bieden? Maar neen,bijzonder in hunne jeugd wilden zij God toebehooren ; zuiver bleven zij, en de wereld en het vleesch bestonden voor hen als het ware niet....

Anderen weder moesten het behoud hunner zuiverheid ten prijze van hun bloed koopen. Om niet te spreken van de tallooze Maagden, die in zulk geval bereidwillig haar leven offerden, brengen wij slechts in herinnering, dat ook velen knapen en jongelingen de keus werd gelaten, tusschen het verlies hunner onschuld en den dood. En met blijdschap deden zij afstand van het aardsche leven, om in ruil hiervan het bovenaardsche te verwerven.

Nog anderen, en hun getal is onnoemelijk groot, heroverden in wel is waar onbloedige, doch vaak zeer langdurige en moeilijke strijden het eens verloren kleinood der zuiverheid; zij wischten, door een strenge boetvaardigheid,hunne misslagen uit, en verwierven over zich-

ocr page 111

113

zelf eene heerschappij, in scherpe tegenstelling met die, waaronder eene vijandelijke macht hen eertijds gebukt deed gaan. Jongeling en Jongedochter, ook den rouwmoedigen wordt de eeuwige zaligheid ten deel; maar zoude het loon van hen, die immer getrouw waren, niet grooter zijn?

Pelagius, een heilige knaap, bad veel en met vurigheid. Innig was hij ervan overtuigd, dat eene zoo heerlijke deugd slechts met den bijstand des Hemels behouden kan blijven. Wanneer Pelagius bad, was hij zóó ingetogen, dat geen geroep of gedruisch in staat was hem op te schrikken. Uit het leven der Heiligen, over wie hij zoo gaarne las of hoorde spreken, prentte hij zich vooral datgene in het geheugen, wat hem 1 bijzonderlijk behaagde en wat hij besloot na te volgen. Vaak sprak hij tot zich-zelven: ,,Waarom zoude ik niet kunnen, wat zij gedaan hebben?quot;— Pela gius bereidde zich door stren ge waakzaamheid en door het overdenken van de daden der Heiligen des onbewust voor tot den zwaren strijd, die hem wachtte. Op lüjarigen leeftijd werd hij door de Mooren aan zijne ouders ontroofd en buiten Spanje gevoerd. Nu moest hij drie jaren lang voor het behoud van geloof en zuiverheid een

8

ocr page 112

114

wreed lijden verduren. Geene middelen bleven onbeproefd om den schoonen knaap te verleiden; doch Pelagius, hoewel in slavenketenen geklonken, overwon zijne belagers en zich zeiven. Hij j vt-r;ette zich met zulk eene fierheid tegen de ■ booze plannen des konings, dat de liefde, welke j de Moor hem toedroeg, in haat verkeerde. Op bevel van den wreedaard folterde men het i arme kind gruwzaam ter dood.

Wat zegt gij van zulk een heldenmoed ? En u zoude een gering offer te zwaar wezen ? gij zoudel terugschrikken voor de minste poging tot wederstand ? Maar hoe zult gij dan, zoo zwak, zoo laf, in den dag des oordeels die edele jongelingen en maagden ter zijde durven treden, die alles, alles voor het behoud hunner zuiverheid veil hadden ! .. ..

ocr page 113

115

XXIV.

DE ZUIVERHEID, EENE VRUCHT VAN DIEP GEAVOETELDBN

AFKEER TEGEN ALLE ONKUISCHHEID

Het schoone slraalt in verhoogden glans aan de zijde van het leelijke ; de Parel der Zuiverheid zal u, o Christen Jongeling en Maagd, heerlijker toe-1 schijnen, als gij daarnaast een verach-! telijk stuk modder ziet, duister, afschuwwekkend, vormeloos, waardig om door aller voet vertreden te worden .... Hier echter moet de pen zich veel ontzeggen, | en slechts in het voorbijgaan mag eene 1 ondeugd aangeroerd worden, waarvan j de Apostel schrijft: „zij worde onder u niet eens genoemd !quot;

Den geest door voorstellingen, het hart door begeerten, de tong door woorden, ! het oor door gesprekken, het oog door blikken, het lichaam door daden —

ocr page 114

116

des bewust en vrijwillig te onteeren : dit is een afschuwelijk bedrijf, eene verlaging van zijne geheele persoonlijkheid, eene misdaad, welke in de H. Schrift als eene „schending van Gods tempel,quot; wordt aangeduid. „Tempelen Gods,quot;zijn wij, door den Vader gebouwd, door den Zoon hersteld, door den heiligen Geest ingewijd, door den Doop geheiligd,door het Vormsel opgeluisterd, door het dikwijls ontvangen van het hoogheilige Sacrament des Altaars bestemd tot waarachtige tabernakelen, tot bijzondere woonsteden van den menschgeworden God. „'s Heeren tempel is heilig, en gij zijt die tempel„gij zijt tempels van den levenden God — en dien tempel wilt gij in een hol van ondeugden veranderen ? of veeleer, — gij wilt hem verwoesten, om uit zijne puinhoopen een afgodstempel te bouwen, waar de onreinheid haar zetel vestigt en waar den gloeienden Moloch het offer van uwe onschuld, het offer van uwe gewetensrust, misschien zelfs dat van uwe licha-

ocr page 115

117

melijke gezondheid op de nimmer Ter-zadigde armen wordt gelegd?

En hoe vaak wordt de onkuische ook gestraft met het verlies van den schat des geloofs ! Ook dat werpt hij over boord, om, zooals hij dwaaslijk meent, zijn geweten hierdoor tot zwijgen te brengen.

Heeft hij langzamerhand alle genegenheid voor het gebed verloren, nadert hij niet meer tot de H. Sacramenten, is hem, den laffen wellusteling, al het hoo-gere ten afschuw geworden : dan breekt hij eindelijk ook met zijn geloof. De geheimen van den christelijken godsdienst noemt hij kindersprookjes, zijn god is het vleesch, den hemel begeert hij niet, de hel kan hem niet meer beangstigen. Ontzettende maalstroom, die alles verslindt !....

Eens leefden er twee broeders, wier inborst veel verschilde. De jongste, een beeld van schier bovenaardsche zuiverheid en het voorwerp van de vereering zijner medescholieren, kende nau-

ocr page 116

118

welijks een anderen weg dan dien, welke naar de kerk., de school en zijne stille woning voerde. De oudste daarentegen, vol wereldzin en door slechte makkers omringd, sloeg geen acht op de roepstem der genade. Hij zonk steeds dieper in den vuilnispoel der ondeugd, en spoedig was zijn ongeluk van iedereen gekend. Zijn jongere broeder strekte hem tot ergernis, veeleer dan tot stichting. Zijn hoogmoed werd gekwetst door elk vermanend woord, dat over de lippen van het zuivere kind vloeide. Eerlang kwam hij tot het besluit, zich van dien „onuitstaanbaren heiligequot;, zooals hij hem noemde, ie ontdoen, of hem tenminste in het net zijner eigene boosheid te vangen. Op een vrijen namiddag wist de ongelukkige zijn broeder te bewegen, met hem in het nabijgelegen bosch eene wandeling te gaan maken : op die plaats loerden de medeplichtigen der voorgenomen misdaad op hunnen buit. Het was de gang van Kaïn met Abel, en Abels onschuld zoude ongetwijfeld wreed vermoord zijn, als niet God zelf, — Hij, die eenmaal op den broedermoorder Kaïn eene verschrik kei ijke wraak uitoefende,—tusschen wolf en lam getreden ware. Nog had men bet woud niet bereikt: daar komt met razende snelheid een hevig on weder aan de lucht. Een eerste slag, een tweede, een derde, zoo vreeselijk dreunend, dat de boomen des wouds trilden : — o rechtvaardige Hemel!

ocr page 117

119

Kaïn ligt dood ter aarde, en achter hem, eenige passen teruggebleven, staat, bevend als een riet, de onschuldige Abel. Deze verneemt eerst later uit den mond van zijne ontzette, nu rouwmoedige belagers, aan welk gevaar hij heeft blootgestaan, en welk een vreeselijk wonder Gods toorn en barmhartigheid te zijnen gunste heeft gewrocht. Hij verzaakte voor immer aan de wereld en wijdde zich geheel aan den dienst zijns godde-lijken Beschermers.

In welke ontzettende diepten voert toch de ladder van deze ondeugd! Zij doet den mensch ontaarden, zij verdierlijkt hem, zij maakt hem tot een willoos werktuig van den hartstocht, zich-zelven tot last, anderen tot ergernis en afschuw. Wat blijft nog over, dan de wanhoop, en de eeuwige afgrond ?

XXV,

DE ZUIVERHEID, BENE VEDCHT TAN DE VERACHTING DER quot;WERELD.

Vóór lang reeds heeft men gezegd: de wereld is het graf der onschuld;

ocr page 118

120

want „in haar is alles oogenlust, hist van het vleesch, hoogmoed des levens.quot;

Arglistig spreidt zij voor u, onervaren jongeling en jongedochter, hare zoogenaamde rijkdommen ten toon, en dringt bij u aan, opdat gij met volle hand zou-det grijpen.

Zij laat u een blik werpen op hare schatten : geld en goed. Maar hoe verwerft men deze meestal ? en wat schenken zij op hunne beurt ? Het bezit is de gouden sleutel tot het genot, tot de weekelijkheid, tot den afgodstempel van het vleesch. De rijkdom vervreemdt het hart maar al te vaak van den Schepper, en wie rijk is, vervalt zoo licht tot hoog moed, den gezworen vijand der zuiverheid.

De wereld voert onophoudelijk nevelachtige beelden eener valsche eer voor uwen geest. Uw „Ikquot; moet uw afgod worden. IJdelheid, hoogmoed, eerzucht pralen in zoo vele tempels en schier alle menschen branden hun den onheiligen wierook.

ocr page 119

121

Weet echter, dat de hoogmoedigheid de zuster van de onkuisch-heid is, gelijk de ootmoedigheid de zuster van de kuischheid genoemd moet worden. Dit is zeer natuurlijk : „God weerstaat den hoogmoe-digen, maar hun, die ootmoedig van harte zijn, geeft Hij zijne genade;quot; en zonder genade, zonder veel genade — geene zuiverheid ....

En dan het sirenengezang der wereld, die ons in den tnaalkolk van de zinnelijkheid poogt ie lokken ! Arme jongelins:, arme jongedochter, gij, die het oor leent aan die verleidelijke muziek 1 Steeds | meer bedwelmend wordt de omloop, — j niets weerhoudt de woeste vaart van den ! kolk, die u in peillooze diepten slingert. Beroofd van alle wilskracht, geeft gij u aan het noodlot over en drijft in het bodemlooze rond. Hoevelen, daar aangekomen, vloeken in alle eeuwigheid die snoode wereld, welke hen bedroog, i beloog, ten gronde richtte. Hoeveler stem roept den argeloozen uit de diepte

ocr page 120

122

een waarschuwend „T e r u gquot; toe !

Ja — terug, o Christen Jongeling en Maagd! Wilt gij zuiver blijven, mistrouwt dan de wereld, gaat niet vóór hare deur bedelen, schat hetgeen zij u aan-1 biedt, nimmer te hoog; weest voorzich-i tig, ingetogen, verstorven; stelt het genieten uit tot aan gene zijde van het | graf, tot in den schoonen Hemel. Thans j moet gij u alle genot ontzeggen, wat 1 alleen ten prijze uwer gewetensrust gekocht kan worden. O, er zijn betere zaken dan die, welke de wereld u aanbiedt !

Een der beroemdste kluizenaars uit de vierde eeuw is de H. Hilarion. Op 15jarigen leeftijd i bezocht hij den heiligen kluizenaar Antooius, : wiens faam zich reeds over het geheele Morgenland verbreid had. Twee maanden bleef hij bij hem, maai toen trok hg zelf ds tusschen Egypte en Palestina gelegen woestijn dieper in, en volg-i de na, hetgeen hij gezien had. Van leem en stroo bouwde Hilavion zich eene hut, nauwelijks groo-| ter dan hij-zelve; het armïaüge verblijf geleek ■ meer op een graf, dan op eene menschelijke 1 woon. Hier beoefende hij eene buitengewoon

ocr page 121

123

strenge boetvaardigheid. Nooit at Hilarion vóór zonsondergang, en zijn maaltijd bestond slechts uit eenige vruchten. En toch werd deze heilige 1 jongeling tot de schandelijkste dingen bekooid, zoodat hij reden vond, om in de toekomst zich nog meer boetplegingen op ie leggen. Meermalen riep hij uit: „Wacht, boos lichaam, gij, lui, wederspannig lastdier, — ik zal u wel tam maken en allen lust tot dergelijke zaken ontnemen ! En dan geeselde hij zich onbarmhartig en vastte nog strenger. Hilarion stierf in den ouderdom van 80 jaren.

Nog staart het oog van den Christen met eerbiedige verwondering op de heerlijke figuur van dien held der boetvaardigheid.

De wereld, o jongeling en Jonge-dochter, meent het niet goed met u. Is zij niet de tegenpartij van Christus op aarde, de bondgenoot en handlangster van satan ? Waarom mistrouwt gij haar niet? waarom schroomt gij, haar lokkend geroep met een beslist „N e e nquot; te beantwoorden ? Gelukt het haar uwe zuiverheid te rooven, dan vlucht gij haar te laat: zij heeft dan het doel van haar schandelijk streven bereikt.

ocr page 122

124

XXVI.

DB ZUIVERHEID, EENE VRUCHT DER BEHOEDZAAMHEID IK HET VERKEER MET DE MENSCHEN.

De hel heeft hare apostelen. Hoevele menschen, zelf reeds bedorven, slepen, al dan niet hiervan bewust, anderen in hun ongeluk mede ! Diegenen, welke zulks met voorbedachten rade doen, zijn verleiders, duivels in menschengedaanten ; de anderen daarentegen rampzaligen,die, zelf verteerd door eene afschuwelijke pest,hunne geheele omgevingbesmetten.

Hoe voorzichtig moet gij zijn in de keuze van hen, die vertrouwelijk met u omgaan, of dikwerf met u samenkomen ! „Slechte gesprekken bederven de goede zeden,quot; — hoeveel te eerder dus booze handelingen, slechte voorbeelden, wanordelijke gedragingen.

Hoe ernstig en met welk een strengheid moet gij optreden, wanneer de on-

ocr page 123

125

deugd haar masker begint af te werpen, wanneer zij hare pijlen op u gaat richten!

Ach ! tallooze jongelingen en jonge-dochters werden de slachtoffers van de boosheid hunner vrienden. Zij vermoedden geenszins, dat zij met n e-laatschen verkeerden, — en ziet: langzamerhand bedekte zich hunne eigene ziel met afschuwelijke pestbuilen, die, steeds dieper invretend, haar alle frisch-heid en kracht ontroofden. Liever geen vriend, dan een slechte vriend ! In waarheid is een booze vriend veeleer een vijand, want hij brengt uwe ziel in gevaar en wordt te uwen opzichte een dief, een roover, een moordenaar, een duivel.

De zuiverheid is een kleinood, zij is een schat; laat dus geene roovers uw huis binnentreden. De zuiverheid is uw leven, uwe frischheid, het sieraad uwer ziel; laat dus geene booswichten tot u naderen, die het moordstaal tegen u wetten, die uw hart tot een doodenakker, tot een plaats des bederfs maken.

ocr page 124

126

Dan, ook boeken zijn vrienden,slechte of goede, onheilbrengende of nuttige, verderfelijke of reddende, — al naargelang hun inhoud ; boeken zijn doodsvijanden of echte weldoeners.

Voorzichtigheid dus, o dierbare Jongeling, o dierbare Maagd, de grootste voorzichtigheid! Werpt uwe Parel niet voor de zwijnen, doch hoedt haar met i teedere zorg, opdat zij in beter Vaderland het schoonste sieraad uwer kroon moge vormen.

Gregorlus van Nazianze en Basilius, later ,.de Grootequot; genaamd, studeerden saam te Athene. Welkeen heilige vriendschap verbond die jongelieden onderling ! Vrienden, die elkaar door woord en voorbeeld opwekken tot zuiverheid, tot getrouwe plichtsbetrachting, tot alle deugden, zijn voor elkander ware schutsengelen ; maar zij, die elkander in de boosheid stijven, moeten duivelen genoemd worden.„Wijkendenslechtstwee straten,quot; schreef Gregorius later, „de eene voerde naar onze kerk en tot de bedienaren des altaars, die de goddelijke Geheimen vierden en de ledematen van Jesus Christus met het Brood des Le-

ocr page 125

127

vens versterkten ; de andere straat, waaraan wij de voorkeur niet gaven, geleidde ons naar de openbare scholen en tot de leeraren der wetenschap Iquot; Hieruit moest wel volgen, dat de buitensporige levenswandel van de andere bezoekers der hoogeschool geenerlei invloed uitoefende op de reine zeden van Gregorius en Basilius, en tevens, dat die heilige vrienden volkomen het doel bereikten, dat hen naar Athene gevoerd had : zich te bekwamen. De ongebondenheid is ook eene vijandin der wetenschap ; maar een vrome zin en een rein gemoed zijn, volgens het woord van den Apostel tot alles nuttig.

Jongeling en Jongedochter, weest niet vrijgevig met den titel van „vriendquot;. Laat hen, die uwe vrienden willen zijn, eerst bewijzen, dat zij dien zoeten naam waardig zijn — duor zedelijken ernst, door ingetogenheid, door een zuiver en vroom gemoed. Weigeren zij, u vrienden voor den hemel te zijn, dan moet gij hun den rug toekeeren, dan ga ieder zijns weegs.

ocr page 126

128

XXVII.

Igt;E ZU1VKUHEID, EEHE VRUCHT DEK WEliKZAAMUEIU.

De ondervinding heeft maar al te vaak de waarheid bevestigd van een spreek-wooid, hetwelk den lediggang de bron van alle ondeugden noemt. Het nietsdoen is bijzonderlijk de oorsprong van den onreinen hartstocht. De geest, van natuur werkeloos, houdt zich bezig met hetgeen men hem voorstelt. Bij gebreke van een bepaald hem aangeduid voorwerp, geraakt hij op dwaalwegen, komt tot buitensporigheden en wordt door de zinnen misbruikt, die hem in den modderpoel van het aardsche dompelen. Dan bezoedelt zich de voorstelling, dan wordt de ziel vervuld met lage stoffen, j en, gelijk uit stilstaand water giftige dam pen opstijgen, zoo ademt zij krankheid en besmetting.

Een verdienstelijke arbtid daarente-

ocr page 127

129

gen houdt de ziel rein; bij het verrichten van degelijke werkzaamheden waait, om zoo te spreken, een verfrisschende wind door den geest. De gedachte, op een zeker, geoorloofd punt gevestigd, blijft in de haar aangewezen baan rondzweven, en, ganschelijk gericht op het doelwit, dat men haar voorhoudt, wijst zij het onbetamelijke af en streeft slechts hiernaar: den wil als eene fakkel voor te lichten en hem te overreden, gezamelijk met haar te handelen. Daarenboven schenkt eene onverpoosde werkzaamheid, die geen oogenblik verloren laat gaan, den mensch eene groote vasthoudendheid en eene genoegzame zelfbeheersching, die hem in alle bekoring den triumplipalm moet bezorgen. „Nooit vinde satan u ledig,quot; vermaant de H. Hieronymus, die persoonlijk ondervond, met welk eene kracht de werkzaamheid ons in den strijd tegen het booze ter zijde staat. Begraven in de woestijn, door bidden, vasten en boetpleging als tot een schaduw geworpen, gevoelde hij desniettemin den

9

ocr page 128

130

prikkel van het vleesch en werd tot de schandelijkste dingen bekoord. Toen ondernam hij een werk, zóóvele moeielijk-heden barend en zóó weinig aanlokkelijk, dat slechts een ijzeren wil, als de i zijne, mocht hopen die reuzentaak gt;) te kunnen voleinden. Eenmaal echter zou-' de hij uitroepen :

„Hoe erkentelijk ben ik den goeden God, dat mijne moeiten en mijn arbeid I mij eindelijk den zoo vurig verlangden troost en den zoo gewenschten vrede ! geschonken hebben.quot;

; Bidt dus, o Christen Jongeling en Maagd, bidt, leest, schrijft of houdt u op I eene andere wijze onledig. Wijdt u met i ernst en ijver aan de plichten van uwen staat. Tracht, in verhouding van de talenten, u door God toevertrouwd, nut- | tige, degelijke zaken tot stand te brengen. Stelt uwe eerzucht daarin: tot troost uwer Kerk, tot nut van den even- j mensch, tot vreugd uwer ouders, een

1) Een diepvorschende studie der Hebreeuw- ! sche taal.

ocr page 129

131

bruikbaar lid der samenleving te worden, en langs dezen weg eenmaal naar be-hooren den post te vervullen, dien Gods Voorzienigheid u zal aanwijzen.

Joannes Berchraans, het kind van onaanzienlijke ouders, bloeide als een lieflijke rozeknop.

| „Op zijn aangezicht.quot; zoo verhaalt eene oude levensbeschrijving, „zag men eene zoo groote lieflijkheid, in zijne houding zulk een wegslepende bevalliglieid,dat menige familie van den hoogen adel bij zijne ouders er op aandrong, dat men haar dien engel in menschengedaante zoude afstaan ...De aartspriester Emtnerichus getuigt in zekere oorkonde van Joannes : „Hij was een engel, en de zuiverheid goot zichtbaar heur glans over hem uit. Wiejoannes meer van nabij kende en over hem wilde spreken, die moest getuigen ; ,,men vindt in dien jongeling een schat van deugden.quot; — En zijne onderwijzer-; verklaarden ; „Joannes is zoo onschuldig geweest, dat hij zelfs niet bij name eene soort van zonde kende, waaraan de jeugd zich maar al te dikwerf plichtig maakt.quot;

Om eene zoo groote zuiverheid des harten volkomen te bewaren, vlood hij als de pest die jongelieden, in wier karakter hij zekere neiging tot losbandigheid bespeurde. Met niemand ver-

ocr page 130

132

keerde Joannes bijzonder vertrouwelijk ; hij betoonde zich vriendelijk en voorkomend jegens allen, doch was niettemin spaarzaam met zijne woorden en bracht den tijd, welken de school hem overliet, steeds in gebed of studie door. Op ruim IPjarigen leeftijd tradjoannes te Mechelen in de Societeit van Jesus. Later tot voltooiing zijner studiën naar Rome gezonden, stierf hij, door allen betreurd, in den jeugdigen ouderdom van 22 jaren. Geer.e buiteogewone zaken had hij in zijn leven verricht, maar in alles was hij de blijmoedigheid en de nauwgezetheid zelve. De regels en voorschriften van de orde, waaraan hij zich verbonden had, waren hem zóó heilig, dat hij ook de kleinste met buitengewone s-tiptheid opvolgde. Om deze liefde voor de regelen zijner orde kenbaar te maken, behield hij het boekje, waarin dezelve geschreven waren, tot op zijne stervenssponde bij zich. „Met deze drie dingen, wil ik gnarne sterven.quot; sprak hij, en drukte het crucifix, zijn rozenkrans en het boekje aan zijne borst. — Onder de grondregelen, die in de papieren, door hem nagelaten, geschreven staan, bevindt zich de volgende, waaruit iederjonge-ling, die de zuiverheid bemint, een kostbaren raad kan putten ; „Niets moet ik zoozeer vermijden, als den lediggang, de neerslachtigheid, de vertrouwelijkheden.quot; En op eene andere plaats ; „Ik ben er niet zeker van den hemel te verwer-

ocr page 131

133

ven, tenzij ik eene warme liefde en godsvrucht jegens de H. Maagd in mij aankweeke.quot;

Ja, dierbare Jongeling en vrome Maagd, mijdt voor alles den lediggang! üe werkzaamheid, die haar oorsprong vindt in plichtgevoel, de arbeid, die Gods eer beoogt, is een voortreffelijk middel om zware bekoringen van u verwijderd te houden of ten minste om de-i zelve te overwinnen. Vraagt het den Heiligen, vraagt het zelfs dien roemvol-len kluizenaars, welke in de eenzaamheid der woestijn hun arbeid slechts door het j gebed onderbraken; zij zullen u verhalen, dat werkzaamheid, onverpoosde werkzaamheid veler behoud is geweest.

XXVIII.

DB ZUrVBKHEED, EEWE TRUCHT VAN DEN ONOPHOUDELIJKEN STRIJD.

„Is het geheele leven van den mensch een

ocr page 132

134

tijd van strijden,quot; hoeveel te eerder dan de jeugd. En wordt geen zedelijk goed zonder zware strijden veroverd, hoeveel te minder de zuiverheid. Schikt u dus, o Jongeling en Jongedochter, in het onvermijdelijke; bekleedt u met de heilige wapenrusting, en dan — in 's Heeren naam moedig voorwaarts !

Strijdt onverschrokken en dapper. Kan het groote getal der vijanden u beangstigen? vreest gij hunne listigheid, hunne boosheid? verschrikt u de menigte van hen, die vóór u het onderspit moesten delven? twijfelt gij aan de zegepraal? O, laat het niet aldus zijn ! Denkt veeleer met den grooten H. Augustinus: dezen en genen vermochten het; waarom zoude ik het niet kunnen ? Satan vreest dezulken, die geene vrees kennen; men vindt immers geschreven: „Weerstaat den dui-yel, en hij zal de vlucht nemen.quot; Ook de ■ wereld durft den strijd niet volhouden j tegen hem, die haar moedig het hoofd biedt. Kan de begeerlijkheid der zinnen wel is waar niet uitgeroeid worden, toch

ocr page 133

135

zijn het zwaard en het vuur in staat, hare macht veel te besnoeien en hare driestheid te beschamen.

Wie was David, en wie Goliath ? Welk een ongelijke strijd! en de zwakke herdersknaap overwon den reusachtigen krijgsman — op de eerste plaats door God en met God, op de tweede plaats echter, omdat hij onversaagd, behendig en dapper was. „Gij komt tol mij met zwaard en lans en schild,quot; sprak David tot Goliath; „ik echter kom tot u in den naam van den Heer der Heerscharen. Voor Hem aanvaard ik den strijd, en Hij zal u in mijne handen leveren.quot;

Strijdt evenwel onophoudelijk en tot aan uw jongsten snik. Geene zegepraal i make u overmoedig, of brenge u in bekoring, eene trage rust te zoeken; houdt u instede daarvan immer kampvaardig : en legt nooit de „wapenrusting des ^ lichtsquot; af, welke de Apostel volgender-wijze beschrijft: „de lendenen omgord met waarheid, en bekleed met het pantser der gerechtigheid, en geschoeid aan

ocr page 134

136

de voeten in de gereedheid van het Evangelie des vredes, bij eiken aanval het schild des geloofs grijpend, waarmede gij de vurige pijlen des boozen kunt uitdooven: en ontvangt den helm des heils, en het zwaard des geestes, hetwelk is Gods Woord.quot;

Dierbare Jongeling en Jongedochter, strijdt gij met moed en volharding, dan behoeft gij aan de zegepraal niet te twijfelen, want slechts hij. tiie zulks wil, delft het onderspit. En den overwinnaar wacht de kroon, welke dengene nimmer onthouden wordt, die rechtvaardig gestreden heeft.

De Indische koningszoon Josaphat, hoewel in pracht en weelde opgevoed, muntte door eene zoo hemelsche reinheid uit,dat God hem waardig bevond het werktuig tot de bekeeriog zijns eigenen vaders, ja van geheel zijn volk te worden. Barlaam verhaalt ons zijn overgang tot het Christendom, de H. Joannes Damascenus zijne geweldige strijden en zijne overwinning. Nadat Aben-ner, de vader van den jeugdigen held, vruchteloos gepoogd had Josaphat tot den dienst der afgoden

ocr page 135

137

terug te voeren, beproefde hij een ander, waarlijk duivelsch middel, hem door een afgezant der hel aangeraden. Dit raiddel, dacht hij, moest bepaaldelijk gelukken; want hoe zwak is nietdemensch, hoe sterk zijne neiging tot de zinnelijke lusten ! De goddelooze vader sloot Josaphat op in zijn paleis, en omringde hem met ontuchtige personen, die allen van den koning bevel hadden ontvangen, den armen jongeling te verleiden, hem de onschuld zijner jeugd te ontrooven. Dat was een harde strijd. Joannes Damascenus beschrijft hem volgenderwijze : „De onreine geest, dien de hel uitzond, had nog boozere duivelen mei zich genomen en beval hun den jongeling te naderen. Nauwelijks had dekuischejosaphatdienhelschen aanval bespeurd, nauwelijks begreep hij, dat eene bange ure voor hem was geslagen, of hij werd hevig bedroefd en wenschte vurig van een zoo groot kwaad bevrijd te worden, zijne onsterfelijke ziel rein te bewaren, en het nog blanke kleed zijns Doopsels niet te besmeuren met het vuil van den wellust. Om dit edele doel te bereiken, stelde hij de goddelijke liefde aan de onzuivere liefde tegenover Hij dacht aan den luister en de verrukkelijke schoonheid, welke de deelname aan de heerlijkheid van Christus den reinen zielen verleent, en bevend herinnerde hij zich, dat die zielen, welke haar bruiloftskleed bevlekt hebben, van die bovenaardsche voortreffelijkheden uitge-

ocr page 136

138

sloten zijn, om met gebonden handen en voeten in de uiterste duisternis geworpen te worden. Vervuld met deze gedachten en onder een vloed van tranen, klopte hij deemoedig op zijne borst en trachtte den bekoorder op de vlucht te jagen. Dan stond hij op, hief zijne handen len Hemel en riep onder weenen en snikken den bijstand j Gods in ; „Almachtige Heerquot; zoo bad hij, „Gij, ! die alleen groot, alleen barmhartig «ijt; rnijn | Heer en God, Gij, de hoop der kleinmoedigen j en van allen, die hulp behoeven. — Ik bid U, ach 1 aanzie toch den nood van uwen knecht. Werp een mil den, genadigen blik op mij ; bescherm mijne ziel tegen het zwaard der hel, red mijn kostbaar pand uit de klauwen van het dier en laat mij niet vallen in de handen mijner vijanden. Gedoog niet, dat zij, die mij uit boosheid haten, zich over mijn ongeluk verblijden *, | laat mij in de boosheid niet ten gronde gaan, en ! bewaar mijne ziel, welke U in zuiverheid is toe-; geheiligd, opdat zy niet geschandvlekt worde. 1 Want naar U verlang ik, U aanbid ik — den Vader, den Zoon en den H. Geest, in eeuwigheid.quot; — Nauwelijks had Josaphat „Amenquot; gezegd, of een dauw van hemelsche verkwikking i daalde in zijn hart, en de booze gedachten vervlogen als een rook. Niettemin bleef hij tol ! middernacht in het gebed volharden, en daar hij de kunstgrepen zijns arglistigen vijands zeer wei

ocr page 137

139

bemerkte, tuchtigde hij zijn lichaam wreedelijk, verrichtte uren achtereen staande zijn gebed, en ! dacht slechts aan den heiligen bond, door hem met de Onschuld gesloten. Tevens overwoog hij met verrukking de glorie des Hemels, en stelde zich de hel, met al hare afgrijselijkheden, duidelijk voor den geest. Zulks deed josaphat, opdat de booze vijand hem niet ledig of verstrooid i zoude vinden ; ware dit het geval geweest, dan zoude satan immers gemakkelijk be^it genomen ! hebben van het ledigstaande heiligdom eener 1 voor hem ontsloten ziel.quot;

Welk een verrukkelijk schouwspel voor den Hemel — een aldus kampende jongeling of jongedochter! Welk een smaad voor satan, door zwakke schepselen op de vlucht gedreven, ja ten gronde geslingerd te worden, en den voet zijns overwinnaars op den trotschen nek te voelen! Christen Jongeling en Maagd, blijft steeds onversaagd; Zij, die u bijstaan, zijn grooter in aantal, dan die, welke u bevechten !

ocr page 138

140

XXIX.

DE ZUITERHEID, EENE VRTTCIIT VAN GROOTMOEDIGE ZELFOVERWINNING.

Gaat nog verder: Gij moet u niet slechts verdedigen tegen duivel, wereld i en vleesch, — grijpt die vijanden zelf aan, brengt hun nederlaag op nederlaag toe.

Omgordt u met het zwaard der verstorvenheid; gaat ter heilige kruisvaart tegen u-zelven, tegen uw vleesch, tegen uw eigen wil ; wordt „voor de wereld een kruis gelijk zij „voor u een kruis moet wezen.quot; Ontzegt u ook dikwerf hetgeen geoorloofd is, opdat gij des te beter van het ongeoorloofde kunnet afzien. Bindt, kruisigt, kwelt uw vleesch, ten einde het u minder beoorloge, veront ruste, pijnige. Onttrekt u-zelven, wanneer de genade u daartoe aanspoort, of wanneer de bekoringen dit raadzaam maken, zekeren overvloed in spijs en drank; gunt u slechts de hoog noodige

ocr page 139

T

141

rust en weinig gemakken, Weest doof voor het zuchten der natuur. Behandelt uw vleesch als uw grootsten vijand, laat j het geen oogenblik met rust.

Merkwaardig! juist die heiligen, wier zuiverheid ons met den grootsten luister tegenblinkt, waren ook glorierijke voorbeelden van de strengste boetvaardigheid; deukt slechts aan den H. Benedic-tus, Aloysius, Stanislaus. Dezen gingen als het ware den vijand in zijn eigene veste bestoken, — eene hemelsche wijze van oorlog voeren, die steeds de overwinning aan hunne zijde bracht. Hel wekt uwe verbazing, dat in den loop der | eeuwen zoovele uitgelezen jongelingen i en maagden afstand deden van de gemakken des levens, van de rijkdommen, van hunne vooruitzichten op aardschen I roem; dat zij zich in wildernissen be ' groeven, of tegen zich-zelven als vijan-i den optraden, door het plegen van strenge boetvaardigheid, door vasten, ; door een onverpoosden arbeid: Ziet, j hun allen lag de reinheid zoo na aan het

i

ocr page 140

142

hart; om die verheven deugd te behouden of terug te winnen, brachten zij de zwaarste offers en legden zich de grootste ontberingen op. Met eene haag van doornen omgaven zij zich, opdat de lelie der zuiverheid veilig konde bloeien; door lichaamssmarten doodden zij hunne lusten, door zelfkruisiging verwierven zij het leven, door een voortdurenden krijg den vrede hier beneden en daar boven.

Verweekelijkte jongeling of jonge-dochter, hoe wilt gij de heerschappij des vleesches vernietigen, wanneer gij het uwe heerschappij niet laat gevoelen ?

Nadat Constantijn de Groote alleenheerscher was geworden, liet hij zich niet zelden medeslepen tot daden van willekeur en voorbarig geweld. Crispus, een zoon uit zijn eerste huwelijk, was een schoon en dapper jongeling, in wiens hart de lelie der kuischheid op het heerlijkst bloeide. Zijne stiefmoeder, Fausta, spande zijner onschuld strikken, maar hij onttrok zich, gelijk eene andere Jozef, door de vlucht aan haar schandelijk streven. Nu veranderde Fausta's liefde in een vree-

ocr page 141

143

selijken haat. Zij beschuldigt Crispus bij den keizer van eene zwarte misdaad, en Constanlijn is blind en voorbarig genoeg, zijn kind zondei ; verder onderzoek den dood te wijden ; hij liet | Crispus vergiftigde spijs toedienen. De godde-j looze Fausta bekende later heure snoodheid j en werd eveneens vermoord,

|

O ja, het rijk der hemelen lijdt ge- ■ weid, en opent zich alleen voor hen, , die met de wapenen in de hand zijne | poorten naderen ! Wij, lafaards! mogelijk ; koestert ons hart den v/ensch, zuiver te ! ' zijn, maar ons-zelven pijn doen, ons ver- | j sterven, het vleesch de overmacht des geestes te laten gevoelen, neen, dat willen wij niet, daarvoor schrikken wij terug. God der lankmoedigheid, heb geduld met ons ! God der sterkte, verleen ons uwe kracht !

ocr page 142

144

XXX-

DE ZUIVERHEID, EENE BEON VAN ZALIGEN VREDE.

Eens zongen de Engelen : „Vrede op aarde den menschen van goeden wil!quot; Van den besten wil is ongetwijfeld de jongeling, de jongedochter, die niet slechts de zonde in het algemeen vlucht, maar den gruwel van de onkuisch-heid in het bijzonder. Zij zijn van den : besten wil, want door zware strijden ver wierven zij een zoo kostbaar goed, en door tal van klippen stuurden zij hun broos vaartuigje. Zij zijn van den besten wil, want zij bleven niet doof voor de stem van hun geweten, en zij hebben aan de genade trouw beantwoord. Hierom vrede, troost, zoete rust voor den jongeling, voor de maagd, die de zuiverheid hoogschat! — Vrede, als gevolg der behaalde overwinning, — vrede als het loon van bewaarde trouw, — vrede als

ocr page 143

145

een heilige bruidschat van strenge zelf-beheersching.

Vrede — ziet gij hem niet stralen uit het reine, heldere oog van den onschuldige? „De sterren, de bloemen en de glanzende oogen der onschuld,quot; placht een vroom en geestig man te zeggen, „schijnen mij heerlijkheden uit het Paradijs.quot;

Vrede, — wordt hij niet eenigermate uw deel in de nabijheid van den kuische? Zijne vrijmoedigheid, zijne gepaste woorden, de zedigheid van zijne handelingen, j vaak het lieflijke zijner geheele verschij-' ning, — hoe weldadig is u dat alles, ! hoe verkwikt het u — als de lucht van den geboortegrond!

Ziet ginds een vreedzaam landschap, ! in het milde licht der avondzonne; aan uwe voeten het rustige, klare meer, omzoomd door lachende beemden, door vruchtbare bergvlakten, door heerlijk groene wouden. Werpt echter op dit alles een blik, wanneer het stormt, wanneer gij den hemel van sombere onweerswol-

10

ocr page 144

146

ken zwanger ziet: Dan jaagt het spookachtig door de lucht. Dan kookt en raast en schuimt het in den boezem der wateren, dan wordt het huiveringwekkend in de anders zoo kalme bosschen ; want de kruin van den woudreus buigt zich, zijne takken breken, zijn stam zucht.... De natuur is in opstand, akelig gehuil vaart door het luchtruim, hét wordt duister en vreeselijk.

Ziet, christen Jongeling en Maagd: hier den hartstocht, d^r den zielevrede !

Op een groot vaartuig ging het zeer ruw toe. Eene schaar matrozen omringden scheldend eea vijftienjarigen scheepsjongen, die op eene rol touw nedergehurkt zat. „Kwezelaar, luiaard, schijnheilige,quot; riep men hem toe. Een vuistslag en de knaap laat een boekje, dat hij ia de hand houdt en waarop „/)lt; Navolging van Christusquot; te lezen staat, op den grond vallen; dan een schop, — en het boekje vliegt overboord. Nu krijscht de bende met akeligen jubel en trekt af. „Alfquot; echter, zooals men hem noemde, was noch een schijnheilige, noch een luiaard, noch een kwezelaar. Alfred was van goede afkomst, kon lezen, was bescheiden, blijmoedig, werkzaam.

ocr page 145

147

dienstvaardig: maar hij oam geen deel aan de vuile gesprekken zijner makkers, en hij was zui ver onder de onzuiveren. Om deze reden plaagden zij hem en spaarden bij wijle zelfs geene mishandelingen. Het wil veel zeggen, onder matrozen en ruwe scheepsjongens rein te blijven, zich door eene alles verslindende pest niet te laten besmetten. Alfred bleef standvastig. — Na het schandelijke tooneel, dat wij hooger beschreven hebben, daalde hij den scheepstrap af, om beneden in het ruim zijn overkropt gemoed door schreien te ontlasten. Weder bad hij, gelijk telkenmale : „Mijn God, ik zal met geduld alle kwellingen verduren ; doch laat mij, smeek ik U, mijne onschuld behouden !quot; Nu was echter ook zijn trooster, het kleine boekje, verdwenen. Maar wie beschrijft de verbazing der woeste horde, toen zij den volgenden dag, in het rustuur, Alf aan den voet van den grooten mast nederge-hurkt zagen, met het welbekende boekje in de hand ! Alfred verraadde zijn geheim niet! Eeni-ge uren te voren was hij toevallig in een der zij-waarts hangende sloepen afgedaald, en ontdekte daar zijn kleinen schat, welke op den bodem I dier sloep en niet in de golven der zee te recht I was gekomen. Deze in schijn wonderbare gebeurtenis bracht onder de jeugdige bemanning van het schip een groote verandering te weeg. Zij begonnen Alf te hoogschatten en verzochten hem

ocr page 146

148

zelfs, hun van tijd tot tijd iets uit zijn won-derboekje voor te lezen. Eindelijk verstomden de onzedige liederen en de lippen van de scheepsjongens bezoedelden zich niet meer met vuile taal.

Aldus zegent Cod de zuiverheid, het geduld en het vertrouwen ! Een kuisch hart schenkt troost en vrede, tot zelfs in het midden der stormen van buiten!

XXXI.

DE ZUIVERHEID, EENE BEON VAN HEILIGE BLIJMOEDIGHEID,

De aarde, dit tranendal, dit land der verbanning, geeft weinig stof tot blijdschap. Toch is er één, die wel redenen heeft om blijmoedig te zijn, die zich alleen met recht kan verheugen; het is degene, die hopen mag in staat van genade te wezen — het is vooral de kui-sche.

ocr page 147

149

Ja, o reine Jongeling en Maagd „weest verblijd in uwe jeugd,quot; zooals de H. Schrift zegt! Gij hebt redenen daartoe, want gij weet, dat (jod over u tevreden is. Met hoeveel behagen rust zijn oog op uwe nimmer ontwijde ziel, op uw lichaam, hetwelk der zuiverheid is toegeheiligd! „De oogen des Heeren vestigen zich op dezulken, die Hem vreezen!quot; Gij hebt er een afschuw van, gij vreest Hem te beleedigen, gij deinst terug voor de scha-duw eener zonde, — hoe zoudet gij dan niet behaaglijk voor God wezen, en daarover uwe blijdschap toonen ?

Gij hebt redenen, om u te verblijden ; want in de woning uws harten gaat alles naar behooren toe. Hier woelen de hartstochten niet door elkander ; hier grijpt niet deze, dan weder gene naar de teugels van het bewind, om een oogenblik later op zijne beurt te moeten zwichten voor den meest heersch-zucbtigen, voor den onverzadelijksten aller hartstochten, — voor den zinnen-lust.

ocr page 148

150

Gij hebt redenen, om verheugd te zijn; want uw lichaam is geen slaaf van de schandelijke tirannie der zonde. Als een Gode waardig heiligdom verheit het ^ zich in heerlijken glans boven de puin-hoopen der vernielde onschuld,welke om u heen den grond overdekken.

Gij hebt redenen,om blijmoedig te zijn, want uw geweten, dat gij niet overstemt, dat gij niet mishandelt, dat gij niet tot stilzwijgen veroordeelt, dat geweten legt eene verblijdende getuigenis van u af. O ! luistert ook in de toekomst naar zijne stem, naar zijne waarschuwingen, naar zijne raadgevingen ! Een goed geweten — een donzig rustbed !

Wat is de ondeugd vaak misnoegd, ; ontevreden over zich-zelf en over de ge-heele wereld! hoe menigmaal blijkt de schijnbare vroolijkheid eener bedorven ziel slechts de uiting van den hartstocht te wezen! hoe dikwerf gelijkt die vroolijkheid op het schuimen der wild bruisende golf, die zich torenhoog verheft,

ocr page 149

151

om een oogenblik daarna weder ineen te plompen 1

Maar de deugd, in het bijzonder de kuischheid, wat maakt zij den geest bestendig, het gemoed blijde, het voorhoofd helder, de oogen glanzend — hoe veredelt en verheft zij den geheelen mensch !

Roerend is hetgeen de legende ons verhaalt, nopens den kleinen lieveling van Jesus en Maria, den gelukzaligen Herman-Jozef, een kind van wonderbare zuiverheid des harten. Ruwe makkers en woeste spelen vlood de kleine met zorg. Hij was nergens liever dan in de kerk.;en daar bad hij zeer gaarne vóór de beelden van de Moeder Gods, die hij sedert lang tot ZIJNE moeder had uitverkozen. In onze dagen nog wijst men te Keulen in de kerk „S t. M a r i a i m C a p i t o 1quot; de plaats aan, waar hij zich, naar luid eener vrome legende, vertrouwelijk met het Kindeken Jesus en Maria onderhouden heeft. Daar begroette hij de Lieve Vrouwe, wanneer hij ter school ging; daarheen trok hij zich terug, wanneer de andere kinderen van zijn leeftijd op het plein voor de kerk stoeiden. — Op zekeren keer had ! Herman als mondvoorraad een schoonen appel

ocr page 150

152

bij zich, en nu kwam in zijn hartje de wensch op, het Kindeken Jesus dat blozend fruit ten geschenke aan te bieden. Hij strekt zijn handje naar het beeld uit, en zie — de appel wordt aangenomen. — Een andermaal, het was in den winter, verscheen de arme jongen barrevoets in de kerk, en knielde, bevend van koude, op de treden van zijn geliefkoosd altaar. Op eens vroeg hem Maria: „Kleine Herman, waarom gaat gij bij zulk eene groote koude zonder schoenen ?quot; Hij antwoordde; „Ik heb er geene.quot; Toen wees Maiia op een steen en sprak : „Zie, daar zult gij zooveel geld vinden, als gij noodig hebt, en wanneer u voortaan iets mocht ontbreken, kom dan steeds hierheen en zoek met vertrouwen.quot; Toen de andere kinderen bemerkten, dat Heiman op die plaats geld vond, zochten ook zij naar de blinkende muntstukken; maarzij waren noch zoo rein, noch zoo vroom als Herman en ook hadden zij niet zulk eene groote liefde tot Jesus en Maria. Om deze redenen bleef hun zoeken vruchteloos en ontdekten zij niets : het geld was voor Herman alleen ! De zuiverheid van dit kind blonk in het oog der menschen, zoowel als in dat van God, met zulk een luister, dat men hem later, toen hij in het klooster Steinfeld getreden was, den naam van den maagdelijken Bruidegom zijner lieve Moeder toevoegde. Herman-Jozef, welk een lieflijke verschijning !

ocr page 151

153

Gij zelf waart misschien reeds vaak in de gelegenheid, om eene vergelijking te maken tusschen de woeste, hartstochtelijke blijdschap van menigeen, en de stille, zedige vroolijkheid van anderen. Waar ook zou de echte, voortdurende blijmoedigheid wonen, zoo niet in reine, : God beminnende, Gode getrouwe, en door God bemind wordende harten?

XXXII.

OE ZUIVERHEID, EENE BRON VAN MENIGVULDIGE AARDSCHE ZEGENINGEN.

De ondeugd heeft dikwerf, zoo niet immer, in haar treurigen hofstoet zekere aardsche gevolgen, welke ten deele overeenstemmen met de natuur van den hartstocht, waaruit zij voortspruiten. En j zoo gaat het dikwijls ook met de deugd, in betrekking tot aardsche zegeningen, die haar volgen, overal waar zij gaat.

Wel is waar ontvangt de deugd, die

ocr page 152

154

vóór alles den blik op God gevestigd houdt, hoofdzakelijk een hemelsch loon; zij kan het aardsche derven, dewijl zij van het bovenaardsche verzekerd is. i Maar de goede God loont den deugdzame ook vaak reeds hier beneden — eenerzijds om hem te bemoedigen, anderzijds om de aan het stof verkleefde harten van booze menschenzoo mogelijk dour de aantrekking van aardsche goederen tot de deugd te lokken.

En waarom ook zou de lieflijkste aller deugden, die vooral het lichaam, des-zelfs ledematen en zinnen tot voorwerp heeft, zich niet verheugen in talrijke ! aardsche zegeningen ?

„Wie handelt gelijk de onzuivere,quot; I spreekt de H. Schrift, „is een nietswaardige; verrotting en bederf zullen hem verteren, en hij zal gesteld worden tot groote waarschuwing.quot; Daarentegen; „Een rein, gezond hart is ook gezondheid en leven des vleesches,quot; en: „O, hoe schoon is een kuisch geslacht in den glans zijner deugd,quot; — hoe richten

ocr page 153

155

zich aller blikken op den zuivere, hoe wonderbaar gevoelt men zich tot hem aangetrokken !

Niet zelden schenkt een verstorven levenswandel den jongeling en de jonge-dochter eene volheid van lichaamskracht, anders slechts den volwassen leeftijd eigen. Niet zelden verleent de kuischheid aan hunne trekken eene schier bovenaardsche lieflijkheid. Niet zelden blikt uit het oog van den reine een vonk, die betoovert, roert, in uw eigen hart overstraalt. Niet zelden ademt I het geheele voorkomen des zuiveren jongelings en der reine maagd eene frischheid, een kracht, eene lieftalligheid, die ons machtig aanlokken, en der deugd tot spoorslag, der ondeugd tot beschaming strekken. En hoe innig is men vooral den kuische toegedaan, met welke eerbiedvolle genegenheid voelt men zich aan hem vastgesnoerd, wanneer men een dieperen blik in zijn on-| schuldig hart heeft mogen werpen, wan-: neer men de bewonderende getuige van

ocr page 154

156

zijne zware strijden, doch tevens van zijne triumphen geweest is !

Nog eenmaal: „Hoe schoon is een kuisch geslacht in den glans zijner deugd! hoe staat het in eer bij God en bij de inenschen 1quot;

Van Godfried van Bouillon, den held der eerste kruisvaart, verhaalt men wonderen van lichaamskracht en dapperheid. Gedurende het gevecht zog men hem steeds op de gevaarlijkste punten. De strijdbaarste vijanden zocht hij op en mat zich met hen. Hoe menigen geharnasten Turk kloofde hij met zijn slagzwaard tot aan den zadelknop ! Ondervraagd, wat hem eene zoo buitengewone sterkte schonk, antwoordde hij : „Dat is de kracht der reinheid ; want nooit heb ik deze handen met onzuiverheid bevlekt.quot; Toen Godfried op zekeren keer — het was in de nabijheid van Antiochië — een armen pelgrim gered had, \ die door een grimmigen beer achtervolgd werd, ging het roofdier op den hertog los, en wilde hem ter aarde werpen. Godfried echter hield met de linkerhand den beer zoo lang van zich af, totdat hij met zijn rechter het zwaard had kunnen grijpen. Nu stiet hij het wapen tot aan de greep in de zijde van het monster.

ocr page 155

157

Hecht gij ook niet veel waarde aan de goederen der wereld, toch kan het u niet onverschillig zijn, of uw lichaam, uw kostbaarste goed na uwe ziel, hetzij beloond, hetzij gestraft worde. Houdt uw lichaam in eere, o Jongeling en Jongedochter, en gij zult om uw lichaam geëerd worden 1

XXXIII.

DB ZUIVERHEID, EENE BRON VAN GEESTELIJKE FRISCHHEJD EN KRACHT.

Karakter wil een ieder hebben ; op geesteskracht roemt men; zwak wil niemand zijn. Dan, de zelfbeheersching is een bewijs en eene bron tevens van echt christelijke sterkte des geestes. Geen wonder dus, dat reine zielen doorgaans sterke zielen zijn. De kracht des geestes bewaarheidt zich in het geduld. Wellicht ontmoeten de jongeling of de jongedochter op hun pad nog niet vele doornen;

ocr page 156

158

maar vorderen zij in jaren, dan wordt het leven ernstiger, dan komt er menige teleurstelling, dan krijgen zij hun deel in de wederwaardigheden dezer ballingschap, dan wordt hun vaak de gelegenheid geboden, zich bij de lange rij van kruisdragende pelgrims aan te sluiten. Schier altijd is het reine gemoed, zelfs afgezien van de werking der goddelijke genade, opgeruimder, taaier, geduldiger, wijl het zich iets kan ontzeggen, wijl hel aan offers gewoon en van de wereld onthecht is.

De zielskracht moet door stoute ondernemingen blijk van haar bestaan geven. Hier is geen sprake van aard-sche dingen ; ook op geestelijk gebied, meer dan elders, — in het bereik van het ideale, op het gebied van het zedelijk hooge, kunnen groote zaken verricht worden. En wie zou de lokkende stem der genade beter verstaan, wie zou aan de edele neigingen van het hart beter gehoorzamen dan de zuivere ? Klaar is zijn blik — niet beneveld

ocr page 157

159

door den hartstocht; en gezond zijn hart, — niet verkankerd door de wee-kelijkheid; kan het dan wel bevreemding wekken, dat hij zijne gedachte op verheven zaken vestigt, dat hij die onderneemt en volbrengt ?

De ware geesteskracht toont zich in de volharding. Niet zonder voortdu-renden strijd blijft de zuivere zuiver, niet zonder bestendig waken en bidden blijft hij overwinnaar van het vleesch en het bloed en de wereld en de hel: deze volharding beoefent hij ook vaak ten opzichte van datgene, wat hij voor God en voor het heil zijner ziel begonnen heeft, en welks voltooiing voor hem als het ware eene zaak van eer geworden is.

Werpt een blik op den machtigen eik. Diep wortelt hij in de aarde Gezond in merg en schors, breidt hij zijne zware takken ver om zich uit. Zijne dichte kruin beurt hij trotsch ten wol- 1 ken. Eeuwen lang staat de woudreus daar, en wanneer hij geveld is, biedt

ocr page 158

160

zijn hout nog krachtig weerstand aan schadelijke invloeden.

Maakt gij van u-zelven, o christen Jongeling en Maagd, zulk een eik. Verweert u tegen den noodlottigen invloed der ondeugd; wordt immer sterker en sterker. Wandelt vast besloten op den weg van het goede. Treedt het booze onversaagd tegemoet. Biedt zich de gelegenheid aan om iets grootsch te ondernemen, beproeft het dan; bidt God om zijn bijstand, slaat de hand aan het werk en arbeidt met volharding.

De H. Vincentius a Paulo, eenmaal zelf gevangene te Tunis, stelde alles in het werk om den Christen slaven van de Barbarijsche roofstaten een beter lot te bereiden. Velen kocht hij los, anderen zond hij aalmoezen en, hetgeen nog beter was, missionarissen, om hen te vertroosten en voor het verlies des geloofs te behoeden. Uit dien tijd staan eenige voorbeelden van kloeke standvastigheid opgeteekend, die ons leeren, wat geloof, godsvrucht en liefde tot de zuiverheid zelfs in knapen en jongelingenkunnen uitwerken. Iq eeo brief, ged. Juli 164i6 verhaalt de missio-i naris Guérin de geschiedenis van een lljari-j gen knaa p, welke op de kusten van Engeland den

ocr page 159

161

zeeroovers in handen viel. Bijgestaan door de genade des Hemels, weigerde hij de dwaalleer te omhelzen en beleed, onder stokslagen en folteringen met on wankelbaren moed zijn geloof. „Sla mij, als gij wilt, het hoofd af,quot; sprak hij tot zijn meester, ,,inaar weet, dat ik een Katholiek Christen ben en als zoodanig wil sterven.quot; En zich tot den missionaris wendend, voegde hij er bij: ^Wees gerust, goede Vader; ik ben vast besloten, alles te lijden en zelfs den dood te ondergaan, liever dan mijn goddelijken Meester te verloochenen. — Den 26sten Juli van hetzelfde jaar werd een jeugdig Portugees ter dood gebracht, omdat hij beslist weigerde, op bevel zijns meesters eene zonde van onkuischheid te bedrijven. Eenigen tijd daarna onderging een jong Franschman den gruwzaamsten marteldood; ook hij wilde zijn schat tot eiken prijs bewaren.— In het jaar 1S48 waren het twee IBjarige knapen, (de een uit Engeland, de andere uit Frankrijk geboortig), die voor geloof en onschuld zware folteringen leden, maar eindelijk door het verheven schouwspel van hun christelijken moed de beulen ontwapenden. Een dier wreedaards wierp zich met het dolkmes in de hand op den Franschman en dreigde hem de ooren af te snijden. De jongeling echter maakt zich met een behendigen greep meester van het wapen, snijdt zich-zelf het eene oor af en reikt het gelaten

11

ocr page 160

162

den verbaasden Turk over, zeggende : „Wilt gij ook het andere ?quot; — Eenigen tijd daarna werden de beide vrienden door eene besmettelijke ziekte aangetast en gingen te zamen in den Hemel de belooning van hun trouw ontvangen.

O ja, de zuiverheid schenkt den jongeling en de jongedochter moed en sterkte. „Mannelijk hebt gij gehandeld en vol moed was uw hart, wijl gij de kuisciiheid bemindet,quot; zoo spraken de inwoners van Bethulië tot de zuivere Judith, toen zij den trotschen Holofernes het hoofd had afgeslagen.

XXXIV.

de zuiverheid, eene bron van 1ieilza-men invloed op anderen.

In den gelukkigen tijd, toen onze stamouders, zelf aan God gehoorzamende,

ocr page 161

163

waarlijk als koningen over de zichtbare schepping heerschten, was de geheele natuur aan hunne bevelen onderworpen. Met den zondeval kwam echter eene treurige verandering indezen staat van zaken. Opstand hier, opstand daar; Adam en Eva verloren de vriendschap Gods, geraakten in de slavernij der zonde en moesten zich wapenen tegen de dieren, welke hun eertijds gehoorzaamden.

Niettemin oefenden laterverscheidene heilige mannen, door eene bijzondere toelating des Scheppers, een wonderlijken invloed uit op de redelooze, den mensch vijandig gezinde natuur. Spreken wij hier slechts van een Franciscus van Assisië en van een pater Anchieta.

Insgelijks waren er te allen tijde bevoorrechte menschen, die ook over de wilde dieren van de met oordeel begaafde wereld eene zekere heerschappij uitoefenden, hunner geheele omgeving eerbied inboezemden, zich aller genegenheid verwierven.

Met name geldt dit van de onschuld,

'Ü ■n te Je

e-

e. ol

)B

ie re

es

A.-

tïl-le,

ocr page 162

164

welke dikwerf zegevierend tegen de men-schelijke boosheid streed, en grimmige wolven in zachtmoedige schapen, roofzuchtige havikken in vreedzame duiven veranderde.

Zoo is het voorbeeld eens reinen jon-gelings of eener kuische maagd niet zelden van machtige uitwerking. Trekt vaak reeds hun geheel uiterlijk aan, hunne edele vrijmoedigheid, hunne gepaste vroolijkheid, het beminnelijke van hun omgang, beter is nog hunne welbekende gestrengheid en de wijze, waarop zij al het onbetamelijke van zich en uit hunne omgeving pogen te weren, in staat, om lichtzinnige menschen, die zij op hun weg ontmoeten, in toom te houden. En gesteld, dat de schaamtelooze ondeugd den spot zoude drijven met hetgeen zij domheid, dweepzuchten misschien zelfs huichelarij noemt, toch gevoelde reeds menig diep gezonkene, in de tegenwoordigheid van een beter en zuiver persoon, een soort van berouw of afgunst in zijn hart, toch hoorde hij dan

d o

SI

e w

a d \v A n v h d

P n tf d

d g

vl w zi

ocr page 163

165

de stem der genade hem tot bekeering opwekken; — met één woord, de onschuld was voor menigen verloren zoon en maagd eene stomme zedepreek, welke hare uitwerking niet miste.

Dierbare Jongeling en Maagd, o weest apostelen der zuiverheid I Verjaagt dooiden glans van die heerlijke deugd, overal waar gij komt,hare lichtschuwe vijandenl Aarzelt niec, steeds en overal, weliswaar met beleid, doch tevens met nadruk en vrijmoedigen ernst, uw protest te doen hooren, wanneer de schaamtelooze taal der ongebondenheid uwe ooren komt pijnigen; bijaldien gij hiertoe den moed niet zoudet bezitten, verwijdert u dan ten minste uit een kring, waar men u de rol heeft toegedacht van het schaapje, dat in het leger der wolven verdwaald geraakte.

Een brave jongeling, door een ieder om zijne vlekkelooze zuiverheid hooggeschat, ging eens wandelen; weldra ontmoette hij iemand van zijne jaren, w iens gedrag veel te wenschen overliet. Onbeleefd wilde Richard niet zijn, en daarom

ocr page 164

166

moest hij het zich laten welgevallen, dat Henri hem vergezelde. Overigens behoorde Richard niet tot dezulken, welke voor zich-zelven goed zijn, maar het niet wagen een vrijmoedig woord tot vermaning eens afgedwaalden te spreken. Spoedig nam het onderhoud eene ernstige wending, „Zeg, Henri,quot; sprak Richard, „hoe zult gij het later maken? Gij tracht niet eens, uwe onverschilligheid in alles wat den godsdienst betreft te verbergen, en evenmin geeft gij u moeite, om te verhelen, hoe treurig het er uitziet in uw hart, dat geheel aan de wereld behoort. Hoe zult gij het later maken ? Neemt gij u voor, altijd zóó te blijven ?quot; — „Eene wonderlijke vraag,quot; wedervoer Henri een beetje geraakt; „wat ik later doe, zal wel blijken Het kan echter ook zijn, dat ik mij eens bekeer,quot; voegde hij er met [een spotlachje bij. .,Dan moet ik u wel gelukwenschen,quot; hernam Richard ; „ikben waarlijk in verzoeking, u een halven God te noemen. Gij schijnt heer eo meester over de toekomst te zijn en reeds nauwkeurig te weten, wanneer het tijd is, om aan sterven te gaan denken.quot; — „Och ja,quot; zeide Henri, „anderen maken het ook niet beter; die genieten evenals ik van de jeugd en sparen den ernst tot later. En wat u, vromen, betreft, gij zijt (met uw verlof gesproken!) huichelaars; gij niet, dat weet ik; gij meent het eerlijk,— maar de anderenquot;.... — „Wel verplicht, Henri!

ocr page 165

167

Maar hoe weet gij, dat wij huiehelaars zijn ? Kunt gij ons in het hart zien?quot; — „De zaak is toch duidelijk,quot; antwoordde Henri •, welke jongeling is in staat zoo rein te leven, als gij er den schijn van aanneemt ? Dit is niet mogelijk.quot; — , Gij gelooft dus niet, Henri, dat ik het kan en dat ik het werkelijk doe ? En hoe zoude het God van ons, jongelingen, kunnen vorderen, als het niet mogelijk ware ? Gij hebt overigens gelijk : de menschelijke wil alleen is onmachtig om zulk een arbeid te verrichten, gewild hebt gij misschien reeds zelf, en dat het u mislukt is, dit bekendet gij mij zoo even. De hulp van boven,die moet den zwakken wilvandenmensch rugsteunen.quot; En nu sprak Richard eenvoudig, maar hartelijk over het noodzakelijke, het zoete van 't gebed. Daarna ging hij over tot de H. Sacramenten en bewees den armen Henri, dat men in de zoo moeilijke jaren der jeugd, waarin vaak over het geheele volgende leven beslist wordt een geestelijken leidsman, eeu vaderlijken vriend noodig heeft, wiens hand den jongeling ondersteune, geleide, aanspore.De uitslag van dit langdurige onderhoud was, dat Richard den reeds half bekeerde spoedig in kennis bracht met een vromen priester, wien het door eene liefdevolle, geduldige verzorging mocht gelukken, Henri's zware zielewonden te genezen. „Zulks ben ik naast God mijnen vriend Richard verschuldigd,quot;

ocr page 166

168

placht Henri later te antwoorden, als men naaide reden vroeg van die groote verandering in zijn levenswandel.

O hoe schoon is het, anderen voor de deugd, voor de zuiverheid, voor God, voor den Hemel te winnen I Het is juist de vlekkeloosheid van uw eigen wandel, o, reine Jongeling en Maagd, welke u doet hoogschatten,welke uwen woorden nadruk bijzet, welke u een zeker recht verleent, om mede te werken aan de verbreiding van het rijk der deugd.

XXXV.

DE ZUIVERHEID, BEHULPZAAM BIJ HET TEBKIEZEN VAN EEN STAAT DES LEVENS.

In die gewichtige periode van het leven des jongelings en der jongedoch-ter, waarin zij tot de keuze van een levensstaat moeten overgaan, is er veel aan gelegen, dat hun geest onbeneveld

ocr page 167

169

in de toekomst schouwe en dat hun hart geopend sta, om de verlichtende en verwarmende stralen der goddelijke genade in zich op te nemen.

Gij moogt geenszins een levensstaat aanvaarden, zonder den Heer in het gebed geraadpleegd te hebben, zonder het voor en tegen van den staat uwer keuze met zorg te wikken en te wegen. En hoe meer talenten God u heeft toevertrouwd, des te gewichtiger is de rol, welke Hij u voorbestemt, des te vuriger moet gij Hem om licht smeeken, des te meer u bevlijtigen, om uw hart in de stemming te brengen, die eene krachtige werking der genade bevordert.

Wees er vast van overtuigd, dat velen door de zonden hunner jeugd, door langdurige slechte gewoonten, door hun zedelijken ondergang, (ook wanneer men die niet van buiten kan bespeuren) zich onbekwaam hebben gemaakt voor zekere staten des levens, waarvan God hun wellicht een zoude hebben aangewezen, als hunne onwaardigheid geen

ocr page 168

170

beletsel gesteld hadde, of wanneer zij — met hun aan het stof verkleefd hart — niet doof geweest waren voor zulke aanwijzingen der goddelijke genade.

Hoe treurig is het, dat menig jongeling, door het begaan van zekere feiten, zich een hoogerenroep onwaardig maakt! Zal God, bijvoorbeeld, den koninklijken mantel van het priesterschap om zulke schouders werpen ? Kan hij zul-ken handen wel de sleutels van het Rijk der Hemelen,ja het vlekkeloozeLichaam zijns eeniggeborenZoonstoevertrouwen? Kan hij zulke lippen uitkiezen, om het woord des levens te verkondigen, om den lof der deugd te zingen, om het booze te vervloeken, om de zondaars tot bekeering, de rechtvaardigen tot volharding aan te sporen ?

En wanneer zelfs die jongelingenden wenk der genade begrepen, zouden zij dan nog niet te laf zijn, om een roep te volgen, die hun zoovele moeilijkheden in het verschiet stelt ? Zouden zij niet ontmoedigd wezen, tegen de verant-

ocr page 169

171

woordelijkheid opzien ? Zouden zij niet met recht een terugval in die schandelijke zonden vreezen ?

Wel is waar kan een diepgezonken jongeling of jongedochter uit den modderpoel der ondeugd opstaan, wel is waar, kan God den verloren zoon als met geweld tot zich trekken, wel is waar, kan een sauiüs een paulus worden ; maar zulke wonderen geschieden niet dagelijks, en het is onze plicht, der genade, welke misschien grootsche dingen met ons voorheeft, alle beletsel uit den weg te ruimen.

En afgezien daarvan : ook tot de wereldlijke standen maakt eene in godsvrucht en zedigheiddoorgebrachtejeugd veel beter geschikt, dan een weekelijk, onzuiver leven zulks doen kan.

Hoe menig jongeling, edel van karakter, misschien zelfs van geboorte, gelijkt op een kostbaren steen, welke men onder vuilnis en modder begraven heeft!

Zwaar verdriet woonde in het moederlijke hart der vorstin-weduwe Corsini want dage-

ocr page 170

172

lijks gaf haar jongste zoon Andreas nieuwe blijken eener groote bedorvenheid. Hoe dikwerf had zij hem gesmeekt, dat losbandige leven toch vaarwel te zeggen! „Ach, Andreas,quot; bad zij dan, ,,maak u los van die jongelieden, welke u ten gronde richten ! Gij schandvlekt ons Huis en wordt een nagel aan mijne doodskist!quot; Maar wat konden zulke vertoogen baten ! In dit oogen-blik geroerd, vergat Andreas in het andere zijne beloften. — Op zekeren keer had de beklagenswaardige jongeling den nacht weder buiten het paleis zijner moeder doorgebracht. Toen beval de vorstin haren huisgenooten, zich in rouwgewaad te kleeden. Zij zelf ijlde naar de kerk der Karmelieten en stortte daar in vurig gebed hare ziel uit. Bij het weggaan ontmoette zij Andreas in een der kruisgangen. „Hoe !quot; riep hij verschrokken uit, „in rouwgewaad ? Wie is bij ons gestorven ?quot;

„Het is hier niet de plaats, u dit te zeggen,quot; antwoordde Mevrouw Corsini. Thuis gekomen sprak zij: ,,Gij schijnt dus niet te weten, wien wij allen betreuren, Andreas ? Zijt gij het niet zelve? Inderdaad, gij behoort voor ons niet meer tot de levenden, — wij treuren over u en over ons. Ach, moet zoo het eerste deel van den droom bewaarheid worden, dien ik vóór uwe geboorte had ! Ik zag een wolf, die op den drempel van het Karmelieten-klooster in een zachtmoedig lam veranderde. Het laatste schijnt niet veel in ver-

ocr page 171

173

vulling te zullen gaan, en toch heb ik u reeds vóór lang geheel toegewijd aan de Onbevlekte Moeder des Heeren !quot; En Mevrouw Corsini weende bitter. Deze woorden, gevoegd bij hetgeen hij reeds gezien had, maakten een diepen en blijvenden indruk op Andreas. „Moeder, lieve Moeder quot; snikte ook hij, de wolf was ik, — het lam wil ik worden. — En Andreas hield woord. Hij trad in het klooster der Karmelieten, pleegde strenge boetvaardigheid, streed zegevierend tegen de zwaarste bekoringen en bracht het door een heiligen levenswandel zoo ver, dat hij later bisschop van Fiesole werd. Het is de heilige Andreas Corsini, wiens gedachtenis de Kerk op den Februari viert.

Langs welke omwegen bereikte Andreas eindelijk de hem doorGodaangewezenbestemming!

Jongeling en Jongedochter, bespaart u zulke omwegen ! Gij benadeelt ook uwe toekomst, wanneer gij hel tegenwoordige ontwijdt, miskent, bezoedelt. Leeft rein en versiert reeds thans uw hart met alle deugden; wanneer het Gode behaagt, opent zich dan voor u de toekomst, gelijk een uitgestrekt veld van nuttige, verdienstrijke werken.

ocr page 172

174

XXXVI.

DE ZUIVERHEID, EENE BRON VAN TROOSTRIJKE HERINNERINGEN, WANNEER

MEN IN LEEFTIJD GEVORDERD IS.

Menigeen denkt in zijne jeugd slechts aan het oogenblik, dat pijlsnel voorbij vliegt. Zulks te doen is echter niet verstandig en nog minder heilzaam. Rekent gij dan niet op latere jaren , op den mannelijken leeftijd, op den ouderdom ? Zoo niet, dan zijt gij de dwaasheid-zelve, daar gij u aan het gevaar blootstelt, met een enkele schrede van het pad der ondeugd op den drempel van de eeuwigheid te moeten overgaan, waar de hellestraf u verbeidt. Zoo ja, — dan moet gij weten, dat de mannelijke leeftijd en de ouderdom op de jeugd, als op hunne grondslagen rusten, dat zij uit de jeugd opgroeien, gelijk de plant uit hare kiem.

En de herinnering aan een zondig verleden — laat zich deze altijd op-

ocr page 173

175

schudden, gelijk een drukkende last ? Hoe menigeen wordt op rijperen leeftijd gekweld door de gedachte aan het vroegtijdige verlies zijner onschuld, aan de door zonden ontwijde jaren van de jeugd, aan dien verkwisten en toch zoo kostbaren tijd, waarin men heeft nagelaten, het goede zaad aan een vruchtbaren bodem toe te vertrouwen ! Hoort de zuchten van een H. Augus-tirus, die zich eerst op 32jarigen leeftijd door de steeds luider klinkende roepstem der genade uit den zondeslaap liet wekken : „Hoe laat ben ik begonnen u lief te hebben, o eeuwig oude en toch zoo nieuwe schoonheid. — hoe laat I Ach — gij waart in mijn binnenste, en ik zocht u daar buiten, en op deze schoone wereld, die het werk uwer handen is, dwaalde ik rond, in al mijne

leelijkheid 1quot;.....

Zie, o christen Jongeling en Maagd, zulke weeklachten kunt gij u besparen, wanneer gij over uwe onschuld waakt, wanneer gij voor haar zorg draagt, als

ocr page 174

176

voor eene kostbare parel, wanneer gij nauwgezet alle middelen aanwendt, die u ten dienste staan, om uwe zuiverheid te bewaren, of om haar van eenige smet te louteren. Dan kunt gij later getroost en welgemoed terugblikken op de afgelegde baan; dan kunt gij u eenmaal verblijden als een held, wiens zilveren schedel louweren draagt en die met geroerd hart en edelen trots de behaalde triumphen overdenkt; danmoogt gij juichen als een kloeke stuurman, die honderd malen zijn schip aan de macht van stormen, klippen en zeeroovers ontweldigde, en de rijke lading onbeschadigd in vaderlandsche haven binnen-stuurde.

„Eene kroon der eere is de ouderdom,quot; zegt de H. Schrift; „maar zij wordt slechts op den weg der gerechtigheid gevonden.quot;

Graaf Eleazar, of Elzear, uit het beroemde geslacht der Sabran, leidde reeds in zijne jeugd een godgevallig leven. Evenals Blanca, had zijne moeder reeds bij de geboorte haars

ocr page 175

177

zoons hem den Heere toegewijd. „O mijn God,quot; sprak zij, „mocht dit kind ooit het pad der deugd verlaten, ontruk het dan veeleer aanstonds na zijn doopsel aan mijn liefde!quot; En Eleazar bleef kuisch tot aan zijn jongsten snik. Zijne waardige en toch bevallige houding won hem aller genegenheid en eerbeid. Zijne grootste vreugde bestond hierin, den behoeftigen milde aalmoezen te schenken, en reeds toen hij nog op de armen zijner moeder rustte, stak de kleine zijne handjes uit naar hen, die noodlijdend waren. Later droeg hij dikwerf zijn eigen middageten naar het slotplein, om in dezen of genen hoek een hongerigen knaap te spijzen. Zekeren vromen geestelijke deelde hij eens in vertrouwen mede, dat hij den vurigen wensch koesterde, eenmaal zijn bloed voor Jesus te storten. God echter beschikte het anders. Op den wensch van koning Karei II van Sicilië, trad'hij nog zeer jong in het huwelijk met Delphina de Synhas, eene jonkvrouw van teedere godsvrucht en hoogen adel. Met deze waardige levensgezellin sloot Eleazar reeds in de bruidsdagen een heiligen bond, tot bewaring hunner maagdelijke zuiverheid. Eene meer voorbeeldige huishouding, dan die van Eleazar en Delphina, laat zich nauwelijks denken. Daar heerschte orde, daar werd zorgvuldig gewaakt op de onderhouding van Gods geboden en van die der heilige Kerk. Eleazar

12

ocr page 176

178

betoonde zich een waren vader voor zijne onderdanen, en ook was hij een edelman en ridder in den vollen zin des woords. Aan het hof stond hij in zoo groot aanzien en vertrouwen, dat koning Robert hem de leiding zijn zoons opdroeg en hem met vele gewichtige zendingen belastte. Hoe menigen vreugdevollen terugblik wierp Eleazar op de reeds afgelegde baan zijns levens, hetwelk door niet ééne zonde van onkuischheid besmeurd was'. Hij stierf in den ouderdom van 38 jaren; zijn geheel leven gelijkt op een prachtigen, veelkleurigen bloemkrans, waarin de zoetgeurende lelie der kuischheid telkens wederkeert.

Waarom, o Jongeling en Jongedoch-ter, zoudet gij slechts het tegenwoordige uwe aandacht waardig keuren ? Wellicht heeft God u eene lange toekomst weggelegd; wilt gij liever gelijken op het verwoeste korenveld, dat zijne door den hagel geknakte halmen nederbuigt, dan op den fraaien oogstwagen, die, zwaar beladen en omringd door jubelende maaiers, naar de voorraadschuren gevoerd wordt ?

ocr page 177

179

XXXVII.

DE ZüIVEIiïIEIDj EENE BRON VAN ZOETEN TROOST IN HET UUR quot;VAN DEN DOOD.

Voor ons allen breekt eenmaal het zoo moeilijke, beslissende uur aan, waarin de tijd eindigt en de eeuwigheid haar cirkelloop begint. Uitgestrekt op de ster-vensponde, de siddering des doods in de ledematen, met brekend oog, htt koude zweet op het voorhoofd, — hoe zullen wij in dien toestand over het aardsche denken! hoe verachtelijk zal ons dan het lage genot van den zinnelust voorkomen 1 En ons lichaam, nog slechts een duimbreed van de groeve verwijderd, die het zal herbergen en waar het binnen een paar dagen tot spijs der wormen moet strekken, — wat zal het overhouden van zijn schuldeloos, of wel van zijn besmeurd verleden ?

De onkuischaard zoude in het ver-

ocr page 178

180

schrikkelijke uur van zijn sterven willen uitroepen; Hoe kort was dat alles I hoe ellendig! hoe laag beneden alle uitdrukking! — De zuivere daarentegen: Wèl mij, dat ik verstorven geleefd, mijne kuischheid bewaard, den goeden strijd gestreden heb 1.,.. — O konden allen uit het graf opstaan, die voor eene »lin-zensoepquot; voor eene jammerlijke, kortstondige vreugd hun srecht van eerstgeborene,quot; hun recht op de eeuwige zaligheid verkocht, verraden, verloren hebben!

En dan het oordeel I Hoe betrouwvol zullen de kuischen voor God verschijnenl dan zal der gansche wereld verkondigd worden, dat zij, hoewel de strijd voor ) hen niet minder hevig was dan voor den laffen wellusteling, moedig gekampt en de overwinning behaald hebben. „O gij, waarlijk gezegenden,quot; zal de Rechter tot hen spreken, sgij, die uwe kleederen hebt gewasschen in het bloed des Lams, komt, neemt bezit

*

ocr page 179

1

I

181

van de bijzondere glorie, u door het zuivere Lam Gods bereid!quot;

Voor hoe menigeen was het een zoete troost, in zijn stervensuur te kunnen zeggen: Ik ga zuiver de eeuwigheid in; nooit heb ik eene schandelijke zonde begaan ; steeds haatte ik de onzuiverheid en smeekte God, mij voor dien gruwel te bewaren! Hoezeer verheugt het mij, gewaakt, gebeden, gestreden te hebben ! Ik mag thans met recht verhopen, dat ik spoedig zal binnengaan in het gezelschap der heilige Moeder'Gods, van de heilige Engelen, van den heiligen Aloy-sius. Ik verlang naar den stond mijner ontbinding, wanneer ik dit stoffelijk omhulsel zal afleggen, dat mij zoo gevaarlijk had kunnen worden.

O, mijn Heer en mijn alles, neem mij op in den schoonen Hemel, waar geen gevaar meer dreigt, en waar de triumph der zuiveren eeuwig duurt!

Koestert gij niet den vurigen wensch, o christen Jongeling en Maagd, in het uur van uwen dood zóó te kunnen spreken ?

n )e k-

èl ie id ;n n-t-

;t-

?e

m

ol

nl

;d

or ) or

P1 ,0 h-ve iet zit

ocr page 180

182

Eens lag een 12jarige knaap, die voorbeeldig geleefd had, op sterven. Zijne bedroefde moeder gaf zich geheel over aan hare smart; zij overdekte het gelaat van haar stervend kind met kussen en tranen. De knaap spande zijne laatste krachten in en sprak; »Ach lieve moeder, hoe kunt gij toch zoo treurig zijn ! Loof en dank veeleer God, dat Hij mij de genade verleend heeft, van mijne onschuld des Doopsels tot op dit oogenblik te bewaren.quot; Weinige minuten daarna ging het benijdenswaardige kind met een hemelschen glimlach om de lippen tot een beter leven over. —• Daarentegen werd eens een andere jongeling ziek. — Dikwijls en streng had de priester, die zijn vertrouwen genoot, hem tot beterschap vermaand, maar de ongelukkige, iens slechte voorbeelden reeds menigen jongeling in het verderf hadden gestort, was te laf, om van zijne ongeregeldheden af te zien. Met schrik werd de priester gewaar, dat de ziekte een dreigend verloop nam; zulks kon noch mocht hij den geheel onvoorbereiden jongeling verhelen. Hoezeer werd de kranke beangstigd bij het hooren dezer ernstige, schoon met voorzichtigheid gedane mede-deeling ! »Ach,quot; riep hij uit, »ik zoude anders geleefd hebben, wetende, dat ik zoo vroeg moet sterven.

Sta ik dan werkelijk reeds nu aan den rand

ocr page 181

183

van het graf?quot; Hij biechtte en'stierf boetvaardig, tot aan zijn dood vervuld met de gedachte, dat hem, helaas! de tijd niet meer vergund was, om het zondige verleden goed te maken.

Zoo is het: velen hopen op lange jaren, en zie, — onverwachts komt de dood en gunt den verrasten jongeling, of de verraste jongedochter nauwelijks den tijd te denken: achter mij slechts boosheid, vóór mij — de eeuwigheid — o God, — erbarming!

XXXVIII.

de zuiverheid, eeïte bron van buitengewone verheerlijking in het rijk der glorie.

Gelijk aan het firmament de eene ster de andere overtreft in glans, helderheid en invloed op de haar onderworpen of haar omringende planeten, zoo munten in den Hemel eenige zaligen boven de

ocr page 182

184

andere uit door eene grootere verheerlijking; zij verheugen zich in bijzondere voorrechten en hun wezen is omstraald door eene dubbele mate van glorie. Dit kan vooral gezegd worden van diegenen welke met gansch onbevlekt kleed de hemelsche bruiloftszaal binnentreden. Van dezulken staat geschreven; „dat zij liederen zingen, welke anders niemand te zingen vermag,quot; en dat zij „het Lam volgen, overal waar het gaat.quot; De groote verdienste der zuiverheid verheft hen dus boven alle anderen. Hun worden bijzondere tronen in het rijk der met Christus heerschenden aangewezen, of, beter gezegd, hun staat de toegang vrij tot alle plaatsen der zalige woonsteden: zij mogen »op den berg Sion staan,quot; dus op het toppunt der hemelsche glorie, aan de zijde van het Lam. Hun reine mond zingt hemelsche melodieën, anderen zaligen onbekend, en hunne zuivere hand tokkelt op de snaren van hemelsche harpen den lof des Bruidegoms.

ocr page 183

185

In hun mond werd nooit leugen gevonden !

»Leugenquot; is elke zonde, — onwaarheid misleiding, zelfbedrog, — geene echter meer dan de onzuiverheid; geene vreugden zijn kortstondiger, ellendiger, verachtelijker, meer onleerenddan deze.

„Waarheidquot; is elke deugd, — want al het goede is ook waar; vóór alle deugden echter is de zuiverheid vol waarheid, daar zij op geheel bijzondere wijze de heiligheid Gods afschildert en ons het kenmerk der Gode-gelijkvormigheid schenkt.

Geen wonder dus, dat God, wiens wegen vooral „waarheid en gerechtigheid zijn,quot; in het bijzonder diegenen beloont, in wier hart men »geene leugen vindt.quot;

Zij staan Hem nader, daar zij Hem meer gelijkvormig zijn, — zij worden door Hem boven anderen verheven, wijl hun strijd tegen satan, »den leugenaar van den beginne,quot; en tegen de wereld, gt;welker bedriegelijke schijn vergaat,quot; zooveel te moeilijker geweest is !

ocr page 184

186

En terwijl in de afgronden der hel de vervloekte slaven der schandelijke ondeugd meer dan anderen gepijnigd | en veracht worden, siert in het Paradijs eene bijzondere kroon de nederige onschuld, en blikken alle Heiligen met eerbiedvolle verwondering op tot die uitgelezenen, aaangekocht tusschen de menschen-seerstelingen,quot; geheel afgezonderd van de aarde, „voor God en het Lam.quot;

De bekende vriend der jeugd, de H. PhUippus Nerius, was te Rome de biechtvader van een zeer groot getal jongelingen, die hem met kinderlijke genegenheid aanhingen. — Onder dezen bevond zich een vorstelijke knaap, Paolo Mas-sini, een vroom, onschuldig kind. Ongeveer 13 jaren oud, werd Paolo gevaarlijk ziek. Verontrustende verschijnselen deden zich voor, en men zond eene boodschap naar den H. Philippus : maar ach, deze bevond zich juist aan het altaar. Na de voltrekking des H. Offers ijlde Philippus naar het paleis Massini. Hij las reeds in de trekken van de dienaren des huizes, dat het ongeluk reeds gebeurd was, en Paolo niet meer tot de levenden behoorde. Inderdaad vond Phi-

ocr page 185

187

lippus slechts een lijk, waarbij de troostelooze vader bitter schreiend nederknielde. Philippus zelve Was diep getroffen, want hij beminde Paolo teeder. In zijne smart drukte hij het lijk in zijne armen, besproeide het met zijne tranen en riep verscheidene malen met doordringende stem: »Paolo, Paolo, Paolo!quot;

Wie beschrijft de verbazing der omstanders, toen Paolo plotseling de oogen opende en verwonderd om zich en op den Pater blikte, als wilde hij zeggen : waarom heeft men mij gewekt? »Paoloquot;, roept nu de H. Philippus, — »wilt gij blijven leven, of begeert gij weder te sterven ?quot; •Ach, Vader,quot; sprak de kleine, »ik heb boven in den Hemel mijne moeder en mijn zusje gezien, ik wil gaarne weder sterven.quot; En Paolo sloot de oogen, haalde diep adem en was ten tweeden male dood. Nog ten huldigen dage wordt jaarlijks in de sterfkamer van kleinen Paolo de H. Mis gelezen, ter gedachtenis van het wonder, dat geheel Rome met eene heilige i blijdschap vervulde. — Zóó zoet is het, rein te sterven! en zóó heerlijk in het Paradijs der zuiveren, dat zelfs een vorstenkroon geene waarde meer heeft in het oog van hem, die ook slechts even den blik op die onverwelkbare schoonheid, op die nimmer verbleekende glorie mocht slaan !

ocr page 186

188

En nu, o Christen Jongeling en Maagd, hoe denkt gij over de Parel der Deugden? G-elooft gij, dat zij kostbaar is? Wilt gij haar bezitten, ware het ook om den prijs van groote moeiten en zware strijden? Wilt gij u in haar bezit handhaven, al kostte het u pijnlijke offers? — O schept moed ! hoe verrukkelijk is de zuiverheid in zich-zelve! hoe liefelijk voor God 1 van welke zegeningen is zij de bron ! welk een schitterend loon wacht haar in den schoonen Hemel! En hoe bemoedigend zijn de voorbeelden van zulk een groot aantal edele jongelingen en maagden ! Hoe toonen zij u den weg, die jeugdige helden ! Op dus, — in hun voetspoor — naar den Hemel der Zuiveren !

Gebed om de genade der zuiverheid.

O gij heilige, gij allerreinste Maagd! o heilige Joseph, gij maagdelijke, eerbiedwaardige Bruidegom van Maria! O gij zuivere hemelsche geesten, en vooral gij mijn heilige bewaareogel! o gij heilige Aloysius, Stanislaus, Joannes en gij an-

ocr page 187

189

dere jeugdige Heiligen, welke door uwe zuiverheid hebt uitgeschitterd; o ziet aan uwe voeten een jongeling, een maagd, wiens hart den vuri-gen wensch koestert, zuiver te zijn en zich aan u gelijkvormig te maken! Zulks valt mij echter zoo moeilijk; de hartstochten bruisen, de wereld lokt, satan spant mij strikken. Zonder uw bijstand zal ik wel nimmer datgene bereiken, waaraan zooveel gelegen is. Smeekt dus God voor mij om rijke genaden; komt mij in de bekoring ter hulp; verkrijgt mij sterkte, opdat ik de gevaarlijke gelegenheden vermijde en trouw tot die middelen mijn toevlucht neme, zonder welke het behoud mijner zuiverheid onmogelijk is. O mocht ik er in slagen, uwe voetstappen volgend, zoo vlekkeloos mijne aardsche loopbaan af te leggen, dat ik eenmaal bij u in den Hemel der zuiveren kome. Amen.

Coscecratiostudiorum in honorem immacuiatae Conceptionis B. M. V.

GEBED TOT DE ONBEVLEKT ONTVANGENE MAAGD VÓÓR DE STUDIE.

Sub patrocinio tuo. Allerliefste Moeder,

Mater dilectissima, et onder uwe bescherming

invocato immacuiatae en onder de aanroeping

Conceptionis tuae my- van het Geheim uwer

ocr page 188

sterio, studia mea labo-resque litterarios prosequi volo: quibus me protestor hunc maxime ob finem incumbere, ut melius divino honori tuoque cultui progagan-do inserviam. Oro te igitur, Mater amantissi-ma, sedes sapientiae, ut laboribus meis benigne faveas; ego vero, quod justum est, pie libenter-que promitto, quidquid boni mihi inde succes-serit, id me tuae apud Deum intercessioni to-tum acceptum relatu-rum Amen.

Onbevlekte Ontvangenis, ga ik mijne studiën en mijn wetcnschappe-lijken arbeid hervatten, en ik betuig, dat ik mij hierop toeleg voornamelijk met dit doel: beter in staat te wezen, om de goddelijke eer en uwen dienst te bevorderen. Ik bid U dus, zeer liefderijke Moeder,Zetel der Wijsheid, mijn arbeid goedgunstig te zegenen; en ik, naar billijkheid, beloof U kinderlijk en gaarne, dat ik geheel den goeden uitslag daarvan aan uwe voorbede bij God zal dank weten. Amen.


Z. H. Paus Leo XIII verleende bij rescript van de H. Congregatie der Aflaten, ged. 18 Nov. 1882, een aflaat van 300 dagen, eenmaal per dag, aan alle studeerende knapen en jongelingen, wanneer zij bovenstaand gebed rouwmoedig verrichten.

ocr page 189

191

Wed tot fldi Ü. losepfi.

Virginum Custos et Pater, sancte Joseph, cujus fideli custodiae ipsa innocentia Christus Jesuset Virgo virginum Maria commissa fuit, te per hoe utrumque caris-simum pignus,Jesum et Mariam, obseero et ob-testor, ut me, ab omni immunditia praeserva-tum, mente iDContami nata, puro corde etcasto corpore Jesu et Maria semper facias castissime faroulari. Amen.

Bewaarder en Vader dermaagden, H.Joseph, aan wiens getrouwe hoede, de onschuld zelve, Christus Jesus, en de Maagd der Maagden zijn toevertrouwd geweest, ik bid en smeek u, door deze beide dierbaarste panden, Jesus en Maria, dat Gij mij tegen alle onzuiverheid wilt vrijwaren, en dat Gij mij altoos met on-bezoedelden geest en rein lichaam in den dienst van Jesus en Maria allerzuiverst wilt I behouden Amen.


Z. H. Paus Leo XIII verleende bij rescript van Februari 1877 allen geloovigen, die bovenstaand gebed rouwmoedig en met aandacht verrichten, een aflaat van 100 dagen, eenmaal daags.

EINDE.

A. M. D. G.

ocr page 190

INHOUD.

Biz.

1. De zuiverheid, de fakkel des jongelings. 9

2. De zuiverheid, geprezen in de H. Schrift. 13

3. De zuiverheid, verheerlijkt door het voorbeeld van Christus........17

4. De zuiverheid, geroemd door de Kerkleeraren........ .... 22

5. De zuiverheid, vereerenswaardig in zich. 26

6. De zuiverheid, verheven in hare betrekking tot de Engelen.......BO

7. De zuiverheid, roemrijk wegens de strijden , die haar bewaren of heroveren. . 35

8. De zuiverheid, een kostbaar doch broos vat.............

9. De zuiverheid, eene lelie......44

10. De zuiverheid, eene parel.....49

11. De zuiverheid, de vrucht van heilige vreeze Gods..........53

12. De zuiverheid, de vrucht van ware liefde tot God...........58

13. De zuiverheid, eene vrucht van de nauwgezetheid des gewetens .... 62

14. De zuiverheid, eene vrucht van standvastige waakzaamheid......66

15. De zuiverheid, eene vrucht van strengheid tegenover zich zeiven.....71

ocr page 191

INHOUD.

16. De zuiverheid, eene vrucht des gebeds. 76

17. De zuiverheid,eene vrucht der H. Biecht. 81

18. De zuiverheid, eene vrucht van kinderlijke openharttgheid.......85

19. De zuiverheid, de vrucht van het Brood

der Engelen..........91

20. De zuiverheid, eene vrucht der overweging van het bittere lijden des Zaligmakers ...........96 .

21. De zuiverheid, eene vrucht van de toewijding aan het goddelijke Hart van Jesus............100 ;

2?-. De zuiverheid, eene vrucht van de

vereering der H. Maagd.....105

23. De zuiverheid, eene vrucht van de navolging der Heiligen......110 I

24. De zuiverheid, eene vrucht van diep gewortelden afkeer tegen alle onkuisch-heid............115

20. De zuiverheid, eene vrucht der behoedzaamheid in het verkeer met de men-schen.......• 124

27. De zuiverheid, eene vrucht der werkzaamheid ..........128

28. De zuiverheid, eene vrucht van den onophoudelijken strijd ......133

29. De zuiverheid, eene vrucht van grootmoedige zelfoverwinning . • . . .140

30. De zuiverheid, eene bron van zaligen vrede . . . .........144

II

ocr page 192

INHOUD.

31. De zuiverheid, eene bron van heilige

blijmoedigheid -.......148

32. De zuiverheid, eene bron van menigvuldige aardsche zegeningen. . . .3 53

33. De zuiverheid, eene bron van geestelijke frischheid en kracht.......157

| 34. De zuiverheid, een bron van heilzamen

invloed op anderen.......163

35. De zuiverheid, behulpzaam bij het verkiezen van een staat de levens . . . 108

30. De zuiverheid, eene bron van troostrijke herinneringen, wanneer men in leeftijd gevorderd is.........l^-l

37. De zuiverheid, eene bron van zoeten troost in het uur van den dood. . .179

38. De zuiverheid, eene bron van buitengewone verheerlijking in het rijk der

glorie...............183

Gebed om de genade der zuiverheid . 189 Consecratio studiorum in honorem im-maculatae Conceptionis B. M. V. . .189 Gebed tot den H. Joseph.....191

ITI

ocr page 193
ocr page 194