NHOUD.
De mirakelen van Genazzano.......6, 33
De overleveringen in Albanië.......65, 161
De titel van O. L. Vr. van Goeden Raad . . . 225 De titel van O. L. Vr. van Goeden Raad (goedkeuring der kerk in het officie en de H. Mis) 257, 289 De titel van O. L. Vr, van Goeden Raad. â Algemeenheid zijner erkenning. â De Pausen . 321, 353 O. L. Vr. van Goeden Raad en de Augustijnen-orde
(Vervolg van bl. 257, lste Jaargang) .... 101 De HoogEerw. Pater Belgrano, Apostel van O. L
Vr. van Goeden Raad.......107, 129
Eene bedevaart naar Genazzano.......193
De parel van het Ghetto.........133
GEDICHTEN.
Bij het Nieuwjaar 1895.......... 1
Het achtste zwaard...........36
Paaschlied; naar het victimae Paschali laudes (met
muziek)..............87
Op Palm-Zondag............116
In sponsam Chquot;, Ecclesiam. Aan de Kerk, Christus' bruid..................146
VI
Pinksteren. Veni Creator.........142
Veni Sancte Spiritus......144
Aan de HH. Martelaars van Gorcum.....204
Op het feest van O. L. Vr. van Goeden Raad.
Hymne. Plaude festivo.........260
Psalm 1...............232
» 132 ............................233
» 2 ...............277
» 22 ............................279
» 50 ............................234
» 129 ............................337
Aan het Kindjen Jesus. Kerstlied. (Met muziek) . 359
VERHANDELING en BESCHOUWINGEN.
Bij Feesten.
Bij den aanvang van het Nieuwe Jaar. . ⢠. . 2
Het Monogram JHS..........216
Het Kind Jesus............16
De tijd der Veertigdaagsche Vaste......3£
Pater Abraham van Sancta Clara, lofrede op den
H. Joseph.............7quot;!
Palm-Zondag............91, 11^
Pinksteren..............13^
De H. Monika.............14^
Het beeld van Jesus' Hart in het gezin . . . . 17(
Het feest van alle Heiligen........32'
Gedachtenis van de overledene geloovigen. . . . 33i Het feest van Kerstmis, gevierd in S. Maria Mag-
giore te Rome............36!
-
vii fi I
Geschiedkundig.
144 Uit de eerste eeuwen van het Christendom De
204 H. Polykarpus............22
Uit de eerste eeuwen van het Christendom. De 260 HH. Martelaars van Lyon .... 151, 245, 298
232 Godsvrucht van Jeanne d'Arc tot de H. Maagd. . 48
233 ⢠Het 450-jarig feest van Jeanne d'Arc.....240
277 Liefdadigheid van den H. Thomas van Villanova . 54
279 De H. Juliana en de feestdag van het H. Sacra-
234 ment..........176, 207, 305, 376
337 Naastenliefde van den jeugdigen Maria Dominicus
359 Peyremale..............280
De liefde van den H. Augustinus voor de Katholieke Kerk.............234
Zedekundig.
N.
De H. Pranciscus van Sales over de ware godsvrucht 21
De kunst om gelukkig te worden......88
2 Noodzakelijkheid der veelvuldige communie . . . 186
216 De orde in het gezin..........50
16 Een zaadkorreltje............60
39 Het gebed en de opvoeding........61
jeil Iets over opvoeding...........254
77 Over de opvoeding...........315
91 11^ Waarin is het heil der school en der opvoeding
. 188 gelegen..............20
148 Alles tot grootere eer van God.......219
. 170 _
⢠327 0 ,
oQo Spreuken ...â¢â¢â¢Â«..â¢5, 223, 228, 352
. . 362
I
|
___
vin ALLEBLEI.
Napoleon en Pius VII..........14
Wij moeten 's morgens bidden..............15
Eene aalmoes.............15
Een liefdedaad............15
De opvoeding eener keizerlijke prinses. . . . . 39
Eene godvruchtige echtgenoote.......75
Goed gezegd...........* . 121
Wgze voorzorg.............121
De twee waskaarsen geoflerd aan de Madonna . . 122
Bekeeringen in Engeland.........150
De heiligen der laatste eeuwen.......150
Flink antwoord............151
Albert, aartshertog van Oostenrijk......222
Een echte..............252
Exempla trahunt. Voorbeelden trekken .... 287
Voor den spiegel............339
Bruid en Bruidegom...........345
Eene zegepraal der kinderlijke liefde.....347
]
1] ligt |||ijsuwiaaip 1895.
De vaste grond bij de vergankelijkheid.
De lente ontstaat;
Haar pracht vergaat;
De schoonste bloesems, die verschenen, Hoe ras, hoe ras zijn zij verdwenen!
Het water vliet;
Het beekjen schiet Steeds voort, en blijft zijn weg vervolgen, Totdat de zee straks 't heeft verzwolgen.
De zonne glanst.
Van goud omkransd.
Om stijgend aan den trans te lichten, En dan weêr voor den nacht te zwichten.
Een jaar begint,
Een jaar verzwindt;
De snelle dagen, maanden ijlen,
En kennen nooit, neen nooit, verwijlen.
De jong'ling streeft;
De man beleeft;
Maar, als de dood haar zeis laat zweven, Is 't heen, het streven en beleven.
2
Bij 's levens drang En wisselgang,
Waar alles wordt, om te verzwinden. Waar alles leeft, om zich te ontbinden.
Wie, wie verkondt Me een vasten grond.
Waarop ik veilig kan vertrouwen.
En bij die wisseling mag bouwen?
O lieve Vrouw Zoo zoet en trouw!
't Is 't Jesus Kind daar op uw armen, De God vol liefde en vol erbarmen.
O God der macht!
O eeuwge kracht!
O rots nooit wiss'lend, nooit ontbonden!
Op ü zal steeds mijn hoop zich gronden. --
»i] djzn aanvang van hpl cpaar.
egroet, o jaar, dat ons weder is geschonken! Ge-vfcsf groet o jeugdig kind geboren uit den tijd! Gegroet, o onbekende, die tot ons komt. Gij verschgnt voor ons geheel omsluierd! Wij vermogen niet te ontdekken , of uw gelaat lachend of dreigend is; of uwe nog geslotene handen ons voor- of tegenspoed zullen aanbieden; of gij in de plooien van uw gewaad vrede of oorlog draagt. Gij zijt geheel en al geheim voor ons.
3
Maar des ondanks wordt gij ons door God gezonden. En daarom ontvangen wij u met dankbaarheid; daarom heeten wij verheugd u welkom. Wees gegroet.
Ja het nieuwe jaar is eun geschenk van God. Het wordt, hoedanige toevallen en gebeurtenissen het ook met zich zal voeren, ten onzen dienste gesteld. Gelijk het ons gegeven wordt met voor- of tegenspoed, kunnen wij en moeten wij het benuttigen. Wij moeten het gebruiken tot den dienst en de verheerlijking van onzen God. Gelijk elke andere goede gave door den besten der Vaders ons geschonken, moeten wij het uitsluitend besteden tot meerdere eer van God, ad majorem Dei gloriam.
Wij weten niet, of na dit jaar nog een volgend jaar voor ons zal opdagen. Wij moeten daarom des te meer bezorgd zijn, om het te doen strekken tot vervulling van Gods heiligen en aanbiddelijken wil. Wij zullen het daartoe besteden, als of wij dit eene jaar daartoe slechts beschikbaar meer hadden. Wij zullen ons beijveren om dit kind des tijds geheel en al te offeren aan onzen God.
In de middeleeuwen, de tijden des Christendoms, werd eene fontein, die geopend werd voor de inwoners eener stad, plechtig gezegend. Een priester of bisschop verscheen om er het gebed der kerk over uit te spreken en ze te wijden tot den dienst van God. Ook ons is in het nieuwe jaar eene milde bron van genade en verdiensten geopend. Moge die bron dan ook ons ten dienste gezegend worden. Moge Jesus Christus de eeuwige Hooge-priester door de onweerstaanbare stem van het eerste bloed, dat Hij op dezen dag vergoot, voor ons den besten zegen des Hemelschen Vaders afsmeeken, over die bron van hemelsche goederen, en ze door de kracht van zijn Goddelyken naam heiligen.
4
Laten wij met en door Jesus dit nieuwe jaar aan God toewijden! Moge het geheel en al een Christelijk jaar voor ons zyn! Dit zij ons streven in al ons doen en laten, in ons denken, in ons spreken, in ons werken, in al onzen handel en wandel, eiken dag dezes jaars.
Onder de zon hebben de wateren, die daar heenstroomen en de jaren die voorbijgaan, een groote overeenkomst. Die wateren snellen voort naar den oceaan, de jaren naar de eeuwigheid. Maar indien de oceaan niet zegt tot de wateren, die zich in hem uitstorten, waarom zijt gij troebel en verontreinigd? God toch zal tot onze jaren zeggen: waarom zijt gij niet rein?
Laten wij dus dit jaar aan God opdragen! Laten wij er Gods zegen over afsmeeken! Laten wij voorzien en bepalen, hoe wij het zullen doorbrengen en vruchtbaar maken voor ons zeiven, voor onzen evenmensch en voor de eer van God.
Geliefde lezer, in dien zin bieden wij u den tweeden jaargang aan van dit Maandschrift. Moge het bijdragen om ook dit jaar de liefde voor waarheid, recht, deugd en godsdienst bij u en uw gezin te bevorderen, de goede opvoeding der kinderen bemoedigen, de eendracht, vrede en liefde tusschen de huisgenooten en tusschen de verschillende leden der maatschappij aan te kweeken, en alzoo uw geluk voor den tijd en de eeuwigheid zooveel mogelijk te verzekeren.
Laten wij in dien geest dus heden aanvangen. Onze hulp zij in den naam des Heeren. O Lieve Vrouw van Goeden Raad, wij nemen onze toevlucht tot u.
5
IpmikïD.
Er is geen mensch gemakkelijker te bedriegen dan de raensch die hoopt. Hg zelf helpt het bedrog.
Het geluk is als het wild; mikt men er op van te verren afstand, dan mist men het.
Er zijn drie soorten van onwetendheid; niets weten, niet goed weten, wat men weet, en iets anders weten, dan hetgeen men moest weten.
Onze hartstochten doen ons leed, omdat wij ze verkeerd aangrijpen, gelijk een degen dien wij aanvatten bij,het lemmet, en niet bij den handgreep.
Hij, die God niet overal ziet, vindt Hem nergens.
Hij die een leugen doet, let niet op den arbeid dien hij onderneemt. Hij moet er duizend verzinnen om de eerste vol te houden.
De zoetste honig is die, welke de bij puurt uit den Thijm, een klein en bitter kruid; zoo is de voortrefie-lijkste deugd die, welke gevormd wordt door vernederingen en smarten.
|||jS mirakjzW lp ^gnassano.
de mirakelen van de vroegere eenwen willen wij er nu nog twee voegen uit den jongsten tijd. Laten wij ze Mgr. Dillon verhalen, die zelf ze op de plaatsen vernam.
De menigten, zoo schrijft hij, die van alle zijden toe-stroomen hg het feest van Maria's geboorte zijn zeer in 't oog vallend. De kleine stad van Genazzano heeft als dan een zeer levendig aanzien. Het opdagen van ontelbare scharen pelgrims, die hunne lofliederen zingen, en aan het hoofd hunner processie het beeld der Moeder
van Goeden Raad voor zich uitdragen, is voor den vreemdeling , die aan zulke vertooningen niet gewoon is, hoogst belangwekkend, 's Avonds voor het feest of zelfs eenige dagen te voren wordt de kerk druk bezocht door deze godvruchtige groepen, die geheel vervuld zyn van het doel, dat zij beoogen, om namelijk voor zich of voor anderen door O. L. Vrouw eenige gunst te bekomen, of ook om te danken voor eenige weldaad, die zij reeds hebben verkregen. Deze bedevaarten nemen gedurig toe. Die welke plaats greep in September 1882 was ongemeen druk bezocht. De schrijver dezes (Mgr. Dillon) en andere bezoekers uit verre streken, waren alsdan vele malen in het heiligdom. Den morgen van den 8s,ei1, het feest van O. L. Vr. geboorte, bemerkte hij, toen hij in de kerk kwam, dat de opgewektheid en de godvruchtige uitroepen van een kleine groep pelgrims buitengewoon levendig en opvallend werden. Hij meende, dat er een van hen ia bezwijming was gevallen, of plotseling ongesteld was geworden. Doch dit kon niet zijn, want de uitroepen waren uitroepen van vreugde: leve Maria! leve Maria, de Moeder van Goeden Raad! zoo klonk het gedurig aan. Ten laatste, na geruimen tijd in de heilige kapel te hebben vertoefd, moest deze groep plaats maken voor anderen, en zij die hem samenstelden, keerden op de gewone wijze, met het gezicht naar het H. beeld gekeerd, als ware het hunne hemelsche Koningin, terug. Toen zij de kerk door den voornaamsten uitgang verlieten, kon men eenigzins de reden hunner buitengewone opgewektheid bespeuren. In hun midden was eene maagd, oogen-schijnlijk negentien of twintig jaar oud. Haar gelaat was overdekt van tranen, en toen zy het gewyde gebouw verliet, zag zij op met een onbeschrijfelijken blik van vervoering, vreugde en godsvrucht naar de menigte, die
8
het plein vervulde, en zich verdrong op de breede steenen treden, die geleidden naar het platform of het vlak voor de groote kerkdeur. Zij zag op naar de huizen van het vierkant, naar de fontein, naar den rijzigen voorgevel vau Santa Maria, naar de zon schitterend aan een helderen morgenhemel. Met genotrijke verwondering hief zij alsdan als onwillekeurig hare handen ten hemel, en slaakte verzuchtingen, terwijl zij, die haar vergezelden, allen in tranen, luid eovivas en gratias lieten hooren ter eere der geliefde Madonna van Goeden Raad, die andermaal eene genade aan haar volk had bewezen. De menigte daarbuiten, sinds jaren gewoon mirakelen bij het heiligdom te zien of te hooren, bespeurde de kreten, ofschoon waarschijnlijk niemand met juistheid wist, wat was voorgevallen. Het was hun genoeg, te begrijpen, dat er nieuwe reden bestond voor dank, en daarom kwam het verlangen, steeds levende in hun hart hun dadelijk ook weder over de lippen, dat Maria gedurig moge leven en heerschen tot het welzijn der volgelingen van haren Zoon. Deze is de beteekenis van hun Eoviva Maria!
Zoodra de groep aan het gedrang der menigte was ontkomen, had Mgr. Dillon gelegenheid om de oorzaak van de opgewektheid der jonge vrouw te vernemen en van de tranen barer vreugde. Zij had namelijk ten volle en gelijk de beste geneeskundige getuigenissen verklaarden onherstelbaar het gezicht van haar linker oog verloren door eene scherpe en pijnlijke neuralgische aandoening. Hare smarten hadden bij haar ook de vreeselijke kwaal der epilepsie of vallende ziekte teweeg gebracht. Zij was geruimen tijd doch te vergeefs onder de behandeling van den plaatselijken geneesheer barer geboortestad geweest, en had daarna drie der beste oculisten en geneesheeren te Rome geraadpleegd. Langzamerhand was zij erger
geworden, en waren de aanvallen der epilepsie heviger, smartelijker en langduriger geworden. Het gevolg was dat zij tot niets meer in staat was, en dat haar lijden een graad bereikte, die haar dood als eene uitkomst voor haar zelve en hare familie deed beschouwen Onophoudelijk dreigde het gevaar, dat zij vervoerd door de smart harer stuiptrekkingen zich zelve uit het venster harer woning zou neerwerpen, en dood zou nederkomen op den grond daar beneden. De pastoor, daar hij het ergste verwachtte, had alles gedaan, wat hij vermocht, en bezocht haar dagelijks, even als de geneesheer. Alle hoop op deze wereld scheen voor haar verloren, toen zij op het gelukkige denkbeeld kwam, om zich tot de maagdelijke Moeder van Goeden Raad te wenden, om hare genezing af te smeeken, en zich daartoe bij het op handen zijnde feest naar Genazzano te begeven. Niettegenstaande de gegronde vrees harer vrienden, voor het gevaar en ongemak, dat hare gewone toevallen op de reis konden veroorzaken, bleef zij vast besloten de bedevaart naar Maria's heiligdom, en dit wel te voet, te doen Hare moeder gaf hare toestemming en het was gelukkig dat zij het deed. De hulp van Maria liet zich dadelijk gevoelen. Tot verwondering van allen bleven de toevallen der epilepsie gedurende de reis en den volgenden dag geheel achterwege. Natuurlijk kou niemand in zoo korten tijd uitmaken, of dit eene genezing of slechts een tijde-lijke onderbreking der kwaal was Hare smarten waren geweken, ofschoon haar gezicht even gebrekkig bleef als te voren. Zij kon desniettemin al de boetewerken volbrengen, die zelfs de ijverigste feestgangers zich oplegden Zij kroop vooruit op hare knieën van den grooten iugang der kerk tot aan het hek van het heiligdom en kuste gedurig den marmeren grond. Vervolgens ging zij te
10
biechten en te communie, en toen zij nu allervurigst smeekend nederknielde voor het altaar van O. L. Vrouw, was het als of een zachte hand weldoende over haar oogen ging, en kreeg zij op den eigen stond het verlorene gezicht weder. Het eerste voorwerp, dat zij duidelijk kon onderscheiden, was het schoone wonderbeeld der maagdelijke Moeder van Goeden Raad, dat als met de meeste liefde en goedheid op haar nederzag, en omgeven was met ontelbare zilveren lampen en lichten. Van daar die opgewektheid, die tranen, die vreugdekreten, en zeker onder zulke omstandigheden bestond er alle reden voor.
Meer kwam Mgr. Dillon op dit oogenblik niet te weten. De groep zette zijn weg voort tusschen de talrijke scharen van vreemdelingen in de straat, en was spoedig tusschen de duizenden aanwezigen verdwenen. Mgr. Dillon was er echter op gesteld, iets meer van den aard der genezing te weten. Was zij voortdurend? Bestond zij in werkelijkheid? Zou het geheele voorval bevestigd kunnen worden? Slechts de tijd kon leeren, of de vallende ziekte en blindheid verdwenen waren. De pastoor en de geneesheer konden natuurlijkerwijze alle inlichtingen geven, doch Mgr. Dillon kende geen van beiden, en had onge-lukkigerwgze verzuimd te vragen, uit welke plaats de genezene was. Hij wendde zich tot den prior van het klooster, doch deze wist niets van het geheele geval. Pater Berio, de sub-prior, die reeds veertig jaren het heiligdom bediende, wist evenmin eeuige inlichting te geven eu zeide: wij zijn hier nog geen 30 biechtvaders in het geheel, en reeds aan 12000 personen is de heilige Communie toegediend. Het is onmogelijk al deze bezigheden te verrichten en dan nog acht te geven op al wat er voorvalt bij die duizenden van pelgrims. Ook de overige paters waren met niets bekend. Doch gelukkig ontving
11
men eenigen tijd na het feest eene mededeeling uit Za-garolo, een stadje ongeveer 14 mijlen van Genazzano verwijderd, en dit leidde tot verderere onderzoekingen. De ijverige aartspriester van bet stadje had gemeend aan den Prior van Santa Maria te moeten berichten , dat een jeugdige vrouw zijner parochie Lydia. Vernini genaamd, tot onuitsprekelijke vreugde der geheele gemeente op miraculeuze wijze genezen was van blindheid en epilepsie in het heiligdom van Genazzano. Hierdoor werd hetgeen Mgr. Dillon vernomen en verhaald had, ten zeerste be-
o â¢
vestigd. De prior verzocht dadelijk in een schrijven om eene vormelijke en duidelijke uiteenzetting met alle omstandigheden en van den aartspriester, die het hoogste kerkelijk gezag was in de plaats, en van den geneesheer, die zeker bevoegd was om over het geval met betrekking tot de ziekte te oordeelen. Hij ontving twee brieven, die door Mgr. Dillon in hun geheel werden medegedeeld. In den eersten brief, gedagteekend den 18den October 1882, berichte de aartspriester en pastoor van Zagarola, Vin-centius Manucci, dat Lydia Vernini te vergeefs de hulp van den geneesheer bij de reeds vermelde kwalen had ingeroepen, en eindelek op het einde van Juli 1882 zich naar Rome begeven had om geholpen te worden en daar de professoren Mazzoni, String en Feti had geraadpleegd. Twee hadden hare kwaal als onherstelbaar opgegeven; de derde had haar verzekerd, dat de genezing lang zou duren en kostbaar zou zijn.
De kwaal verergerde. Doch van tijd tot tijd gaf de lijderes het voornemen te kennen om het heiligdom van Genazzano te bezoeken en daar door de tusschenkomst der Lieve Vrouw van Goeden Raad hare genezing af te smeeken. Zij begaf er zich heen op 7 September, en ondervond op de reis daarheen geen der toevallen meer,
12
die zij auders eiken dag ondervond. Op den 8sten September had hare volmaakte genezing plaats en de brief bevestigt geheel en al het verhaal, dat daaromtrent hierboven is gedaan.
De geneesheer van Zagarolo, Ernest Ondeschi, zegt, dat Lydia Vernini, oud achttien jaren, op het einde van Juni aan het linker oog begon te lijden, en dat zij binnen 14 dagen er niet meer door kon zien Zij werd onderzocht door bekwame oculisten te Rome, doch geen enkele gaf de oorzaak aan harer kwaal. Daarom meende hij deze te moeten zoeken in eene zenuwziekte, die altijd moeilijk te genezen is. Ten gevolge van bijkomende stuiptrekkingen werd zij ook aangetast door epileptische toevallen, die aanvankelijk eens, later tweemaal daags terugkeerden. Deze brachten bij haar eene gevoelloosheid te weeg, die van twee tot drie uren duurde, en wanneer zij erg waren, veroorzaakten zij bij de kranke zelfs geheeld wezenloosheid. Verscheidene soorten van geneesmiddelen , zoowel opwekkende (tonici) als algemeene, werden aangewend, doch zonder eenig uitwerksel De geneesheer getuigt dat hij gedurig haar ging bezoeken , maar op den 7den September haar niet te huis vond, en vernam dat zij zich naar Genazzano had begeven, om in het heiligdom van O. L. Vrouw te bidden voor hare genezing. Bij ging haar bezoeken bij haren terugkeer, en zie, zoowel de oogziekte als de epilepsie waren zonder gebruik van verdere middelen volkomen genezen. De gezondheid bleef voortduren, gelijk hij kon getuigen tot aan den 13dei1 October, toen hij dezen brief schreef.
Mgr. Dillon was verheugd met dit tweevoudige en zoo voldoende getuigenis, doch hij zoo min als de paters Augustijnen vergenoegde zich daarmede. In de maand Januari 1883 begaf hij zich met den ZeerEerwaarden
13
Pater Berio naar Zagarolo, en bezocht daar vooreerst den aartspriester der stad. Deze had de vriendelijkheid de moeder der genezene te ontbieden, eene weduwe met 8 weezen. Deze was vol dankbaarheid voor O. L. Vrouw van Genazzano; want het was voor haar iu de omstandigheden, waarin zij verkeerde, eene blijde uitkomst, dat Lydia volkomen geuezen was. Zij verhaalde, dat dit de tweede gunst was, die zij van O. L. Vrouw van Genazzano had verkregen. Haar tweede zoon was aangetast sedert zijne jeugd door eene zenuwkwaal, zoodat hij niet recht kou staan. Te vergeefs gebruikte hij geneesmiddelen. De kwaal werd erger, en hij teerde geheel weg, zoodat hij een geraamte scheen. In dezen toestand had de moeder het beeldjen van O. L. Vrouw van Goeden Raad genomen, dat aan den gevel van haar huis was gehecht, zooals dit meer gebruikelijk is in Latium. Zij was met dit beeldjen naar de legerstee vau haren zoon gekomen en had daar tot de allerliefderijkste Moeder onzes Heeren een recht moederlijk en allerinnigst gebed voor haar kind gedaan. Nauwelijks had zij dit gebed geëindigd, of haar zoon gaf plotseling eene groote hoeveelheid bedorvene stoffen op, alsof er iets in zijn lichaam gebarsten was Daarna gevoelde hij zich wel en verzocht voedsel. Eenige dagen later was hij volkomen genezen.
Nu bezochten zij ook de dochter, Lydia Vernini. Zij vonden haar met de overige kinderen van het gezin in den wijngaard, niet ver van het stadje. Zij genoot de beste gezondheid. Zij verhaalde dat zij naar Genazzano was gegaan met het volle vertrouwen genezen te zullen worden. Zij had uit dankbaarheid de gelofte gedaan, telken jare het heiligdom te zullen bezoeken. Zij droeg eene groote bronzen medaille van O. L. Vrouw van Genazzano op hare borst. Ook was eene afbeelding van
u
O. L. Vrouw van Goeden Raad geplaatst in elk vertrek van haar huis, en ditzelfde was het geval bij den aartspriester. Haar broeder en haar mannelijke bloedverwanten waren te voet naar Genazzano gegaan tot dankzegging voor de ontvangene weldaad. Zij zelve, daar zij nu sterk was, was van plan binnen kort hetzelfde te doen in gezelschap van hare moeder. Werkelijk zagen de Paters Augustijnen ze te Genazzano verschijnen op den llden Januari 1883 en alsdan was Lydia Vernini geheel welvarende.
(Wordt vervolgd.)
laplinn pn l^ins vn.
Toen Napoleon vernam, datPiusVII, om zijne rechten te verdedigen, van plan was om tegen hem en zijne raadgevers den kerkdijken ban uit te spreken, (wat hij ook werkelijk later deed), maakte hij de spottende bemerking, dat daardoor aan zijne soldaten het geweer wel niet uit de hand zou vallen.
En zie, er verliep slechts geringe tijd, of deze spot-ternij werd letterlijk waarheid. Bij den terugtocht van het Fransche leger uit Rusland, ontvielen duizenden geweren aan de verstijfde handen van Napoleon's soldaten. Zoodra Napoleon de hand ophief tegen Petrus' stedehouder, week Gods zegen van hem en stortte zijn troon ineen.
15
ttfij iiiDEtBn 'siiiorgEns liiöïiBn.
Als de H. Franciscus van Assisië des morgens de vogeltjes hoorde zingen, zeide hij tot zijne kloosterlingen: onze gevleugelde broertjes prijzen nu hun Schepper en zingen Hem een lied van erkentelykheid toe voor den nieuwen dag, dien zij hebben zien aanbreken. Zouden wij ons door de vogels laten beschamen?
fraE imllIlOES.
»Monseigneur! een oude arme vrouw verkeert in nood; zij vraagt om een aalmoes.quot;
Met die woorden bracht een huisbediende het verzoek over aan den bisschop, dat door eene ongelukkige tot hem gericht was.
»Hoe oud is zij?quot; was de vraag.
»lk denk om de zeventig.quot;
»Verkeert zij in hoogen nood?quot;
»Zij zegt het ten minste.quot;
»Geef haar vijl en twintig franken.quot;
»Dat is veel, te veel, Monseigneur, want het is eene jodin.quot;
»Eene jodin, dat maakt een onderscheid, geef haar vijftig franken.quot;
(!5EH lifförkaö.
Alphons Vquot;, koning van Arragonië, zag eeus eene galei vol soldaten in gevaar van te zinken. Hij beval haar ter hulp te snellen. Toen men hiermeê draalde, wierp hij zelf zich in eene sloep met den uitroep: liever wil ik deelgenoot dan toeschouwer zijn van hun dood. Allen werden gered.
16
iiffi od verdient al onze liefde. Hij is de oneindige Schoonheid, beminnelgkheid, Heiligheid, Goed-heid en Volmaaktheid. Doch ofschoon God onder elk opzicht onze liefde waardig is, en ten zeerste verlangt om door ons bemind te worden, is er toch voor den zinuelijken mensch een hinderpaal om Hem te beminnen. God is een geestelijk wezen, en zijne goedheid en beminnelijkheid is geheel geestelijk. Zij ligt geheel buiten het bereik der zinnen van den zinnelijken mensch. God is oneindig boven den mensch verheven, en door die verhevenheid als het ware van ons verwijderd! God is de God van glorie en majesteit, en die Majesteit, dat gezag, die Macht en heerlijkheid schrikt den mensch af.
Maar Gods Macht, Gods Wijsheid, Gods Liefde hebben ook hier in voorzien. Is God een geest, Hij heeft zich binneu het bereik van onze zinnen willen plaatsen, zoodat wij Hem konden zien met onze oogen, hooren met onze ooren, tasten met onze handen, en voorstellen met onze verbeelding. God heeft eene lichamelijke natuur aangenomen , om niet langer buiten het bereik van 's menschen hart te zijn.
17
God was oneindig boven den mensch verheven, en er bestond een oneindige afstand tusschen God, die den troon des hemels inneemt, en den mensch, een geringen aardworm. Doch zie! God daalde neder, en kwam tot den mensch, die kruipt in het stof. God, de oneindig Heilige, kwam tot den mensch, die nederlag in den afgrond der zonde. Hij wilde de liefde des menschen, en sprak op die wijze: mijn zoon, geef mij uw hart!
Eindelijk daar de liefde gelijken vindt of gelijken maakt, heeft de God aller Majesteit en Heerlijkheid zijne Majesteit en Heerlijkheid als het ware afgelegd. Het Woord is vleesch geworden, en het heeft onder ons gewoond. Hij onze God is inensch geworden, gelijk wij zijn. Hij heeft de menschelijke natuur aangenoincn. die wij hebben, omdat wij des te gemakkelijker, des te vuriger zouden beminnen. God had den mensch geschapen naar zijn beeld en gelijkenis door de weldaad der schepping, en nu maakte Hij zich aan den mensch gelijk door de weldaad der menschwording, om den mensch te verplichten door die dubbele en wederzijdsche gelijkvormigheid zijne liefde voor God ook te verdubbelen.
Ja, om nog meer zijne oneindige liefde jegens den mensch aan den dag te leggen, heeft Hij zelfs als kind onder ons willen geboren worden. De Eengeboren Zoon des Vaders, Zoon des menschen geworden, kwam ter wereld als een kind. Waarom? Het is, zegt de H. Petrus Chrysologus, omdat Hij bemind wilde worden, en dat niets zoozeer tot liefde en teederheid opwekt dan de aanvallige gedaante van een klein kind. Hij kwam niet op de wereld om vrees in te boezemen, maar om zich te doen beminnen. Vandaar dat Hij zich eerst als een zwak en arm kind heeft willen vertoonen. De H. Ber-nardus, wanneer hij dit overweegt, roept uit: »Groot
2
18
is de Heer en niet genoeg te prijzen. Maar wanneer ik Jesus beschouw, die zich in den stal van Bethlehem klein heeft gemaakt, dan voeg ik er hij: klein is de fleer, en Hij is niet genoeg te beminnen.quot;
Het kind in de kribbe van Bethlehem, het is de God, üie liefde is; het is de God der liefde, belichaamd voor ons zinnelijk oog; het is de God der liefde, die tot ons afdaalt en tot ons komt; het is de God der liefde, die gelijkvormig aan ons wordt; het is de God der liefde, die een klein kind wordt om onze liefde te gewinnen.
Het Kind Jesus is de Koning der liefde. Waar Hij tot Joannes den Dooper nadert, daar heiligt Hij hem reeds in den moederschoot, voor dat hg geboren is. Den Koning der liefde aanbidden de engelen. Voor dien Koning der liefde knielen de herders neder; aan Hem brengen de wijzen uit het oosten hunne geschenken. Hg is de Koning der liefde en trekt den mensch allerinnigst, allerkrachtigst tot zich. Aanschouw slechts Maria! met welke zuivere liefde bemint Hem die Maagd der maagden! Met welke onuitsprekelijk innige en teedere liefde bemint Hem die duizendmaal gezegende Moeder! En wie zal de liefde beschrijven waarvan het hart van den H. Joseph ontvlamd is voor zgn God, Die zich als een kind aan hem heeft geschonken. Zal het ons dan verwonderen, dat de heiligen met de teederste gevoelens van liefde vervuld waren voor het Goddelijk Kind Jesus? Als de H. Petrus van Alcantara op het kersfeest de woorden van het evangelie hoorde zingen: in den beginne was het Woord, geraakte hij in verrukking en kon hg de gevoelens zgner liefde niet verbergen. â De H. Franciscus van Assisië, als hij de liefde overwoog, die Jesus ons door zijne nederige en armoedige geboorte bewezen heeft, riep uit met een onuitsprekelijk gevoel van vreugde: mijne broeders,
10
laten wij het kind van Bethlehem beminnen! Het is een kind; het spreekt niet; nauwelijks boort men het in zijne kribbe kreunen, maar dit gekreun is als een liefdekreet, die om wederliefde vraagt. Hoort, hoe een H. Thomas van Villanova geheel opgetogen is, als hij Jesus in de kribbe aanschouwt: »0 bekoorlijk Kind! o allerschoonst Kind, dat geboren is, om zoo grooten arbeid voor ons te ondergaan. Gelukkige tranen, waardoor onze misdrijven worden uitgewischt! Gelukkig geween, waardoor wij de eeuwige vreugde bezitten! Gelukkige doeken, die onze naaktheid bedekken, en ons kleeden met de glorie der onsterfelijkheid! Gelukkige engte der kribbe, waardoor ons de ruimte des hemels is geschonken! Want Gij, o Heer! ligt in de kribbe, opdat wij zullen nederzitten op den troon der glorie en der eer. Gij verblijft tusschen de redelooze dieren, opdat wij tusschen de koren der engelen worden opgenomen. Gij wordt gevoed' door de melk eener Maagd, opdat wij de altijddurende lusten zouden proeven. Mijn erfdeel is uwe armoede, en mijne kracht is uwe zwakheid!quot; En op een andere plaats roept hij uit: »meer hebt Gij U kenbaar gemaakt, o God, in uw Zoon, dan in de wereld, meer in den mensch, dan in het heelal. In Hem hebt Gij getoond, wie Gij zijt, hoe verre Uwe Wijsheid gaat, wat Gij vermoogt; hoezeer Gij bemint, hoeveel Gij vergeeft; hoe liefdevol, hoe goed, hoe barmhartig, hoe edelmoedig Gij zijt. In Hem schittert de oneindigheid en de onmetelijkheid uwer eigenschappen met meer helderheid dan in al het overige. Want wie, ik zeg niet onder de menschen, maar wie onder de engelen, die ü reeds eeuwen aanschouwen, heeft het onmetelijke gewicht uwer liefde en hare allervurigste kracht zoo begrepen als hier?quot; Allervurigst was de liefde van een H. Augustinus, een H. Bernardus, een H. Bonaven-
20
tura, een H. Alphonsus de Liguorio en zoovele andere heiligen voor het Goddelijke Kind Jesus, en waar zou ik eindigen, indien ik u al de ontboezemingen hunner liefde voor dat Goddelijke Kind zon willen aanhalen?
Moge dan ook het zien, het bewonderen, het aanbidden van dat Goddelijke Kind door den vurigsten gloed onze koude harten verwarmen! Moge dat Goddelijke Kind de vreugde zijn en de lust onzer ziel, de bekeering en vermorseling der zoudaars, de troost der bedroefden, de rijkdom der armen, de kracht der zwakken, het heil van allen! Vereeren wij, vooral in deze maand, het Kind Jesus! die godsvrucht zal de heerlijkste vruchten dragen.
|aarin ip lijsl kjsil djsr ^elkool lt;sn ckr opvoeding
(Uit een Duitsch Tijdschrift.)
men weten, waar het ware heil der menschheid en onzer scholen te zoeken en te vinden is. â Alles van den troon tot aan de hut des dagloo-ners, werke en vereenige zich daartoe, dat de vrome, de godsdienstige zin, die onze voorvaderen tot alle goed aanspoorde, in onze familieën, in onze huizen, in onze kerken en scholen, in onze openbare inrichtingen, met één woord, in ons aller harten terugkeere. Het is die zin, die de onderwijzers van den vroegeren tijd met geestdrift vervulde tot de getrouwe vervulling der zware plichten van hun beroep; die hun alle moeite, inspanning en lijd-
21
zaamheid dragelijk maakte; die ze leerde werken voor den tijd en de eeuwigheid om God en des gewetens wille. Het is die zin, welke iedere hunner werkzaamheden heiligde , elke gebrekkige methode aanvulde, elke goede nog ten zeerste verbeterde, en elk loonend gevolg reeds vooraf verzekerde. Alles werke daartoe mee, ik herhaal het, dat deze godsdienstige zin, dat ware en levendige grondbeginsel, hetwelk de daden der goede menschen bestuurt en bezielt, in ons midden terugkeere en de harten van onderwijzers en leerlingen vervulle. Dan zal het ware heil onzer scholen gevonden zijn. Waar die godsdienstige zin op de scholen ontbreekt, daar zyn ook de beste methoden ijdel, en slaven wij ons te vergeefs af. Het onderwijs zonder godsdienst zal nimmer goede vruchten dragen.
il|g ||||. Ipraneifcuf van ^aljsf ovlt;sr djs warjs godfvrmcliL
(Phil. 1. D. 2. H.)
godsvracht is de geestelijke suiker, die de bitterheid aan de zelfverloochening, en de schadelijkheid aan het genot ontneemt. Zy doet de neêr-slachtigheid der armen, den hoogmoed der rijken, de droefgeestigheid der bedrukten, de uitgelatenheid der voorspoedigen, het verdriet van het eenzame leven en de losbandigheid der gezelschappen verdwijnen. Zij is dienstbaar als vuur in den winter, en als verfrisschende dauw in den zomer. Zij weet weelde en gebrek te verdragen,
22
zij trekt nut uit eer en uit oneer, zij neemt vreugde en smart met dezelfde gemoedsgesteltenis aan, en vervult de zielj'met wonderbaren vrede.
De godsvrucht is zoet boven alle zoetheid, en de koningin der deugden. Want zij is de volmaaktheid der werkdadige liefde. Is de liefde de melk, dan is de godsvrucht de room. De liefde is de plant; de godsvrucht is de blosm. De liefde is het edelgesteente, de godsvrucht is ziju glans. De liefde is de balsem en de godsvrucht is de zoete geur, die de meuschen sterkt en de engelen verheugt.
if cljz jgjSFfijz Mit lijzl |||Wi#Ijsndom.
De H. Folikarpus.
p de westkust van Klein Azië, die bespoeld wordt ^oor de wateren van den Archipel der Middel-landsche zee, aan een ruimen en veiligen zeeboezem der Egesche zee, gelijk zij oudtijds genoemd werd, ligt Smyrna. Het is eene der grootste en volkrijkste koopsteden van het Oosten. Het ligt aan de monding van den Melastroom, en zijne omstreken zijn schoon en zeer vruchtbaar. De wijnstokken leveren den voortrefïelgken Smyrnischen wijn, die reeds bij de ouden bekend was.
Smyrna is zeer oud en bestond reeds eeuwen voor Christus. Ten tijde der apostelen was zij reeds eene bloeiende stad, ofschoon zij later aanmerkelijk is toegenomen. Zij nam, gelijk een latere geschiedschrijver ons meldt, het Christendom aan ten tijde der prediking van
23
den H. Paulus, en volgens hem was haar eerste bisschop Bucolus. (I) Doch, hoe dit ook zij, zeker is het, dat wij in het boek der openbaring van den H. Joannes reeds lezen: Schrijf aan den engel (of den bisschop der kerk) van Smyrna: dit zegt Hij, Die de eerste en de laatste is, Die gestorven is en leeft: Ik ken uwe kwelling... wees getrouw tot aan den dood en ik zal u de kroon des levens geven (2). Wij zien hier uit, dat ten tijde van den H. Joannes hier eene Christelijke Kerk bestond, die door een bisschop werd bestuurd. Deze bisschop was geen andere dan de H. Polikarpus. Polikarpus bekeerde zich naar het schynt, omtrent het jaar 80 tot het Christendom, terwijl hij nog zeer jong was. Dit was, gelyk wij gissen, vooral te dankeu aan de tusschenkomst van den H. Joannes. Volgens het getuigenis van den H. Ireneus, een van Polikarpus leerlingen, was hij uit de school van den H. Joannes, en had hg ook nog andere personen, die met J. C. hadden omgegaan, gehoord Hij was zeer bevriend met den H. Ignatius van Antiochië, wiens gevoelens en vurigen ijver voor den bloei van Jesus' H. Kerk hij deelde. Hij werd, zooals Tertulianus en de H. Hiero-nymus (3) ons mededeelen, door den H. Joiimies tot bisschop van Smyrna aangesteld en gewijd, en tot hem werd door den H. Apostel het boven vermelde woord uit het boek der openbaring als tot den engel der Kerk van Smyrna gericht. Het verdient opmerking, dat, terwijl de bisschoppen der zes andere kerken, aan welke Joannes schrijft, eenige berisping ontvangen, Polikarpus alleen geprezen wordt. De kroon van het martelaarschap wordt hem als het ware toegezegd: »Wees getrouw tot in den dood, en ik zal u de kroon des levens geven.quot;
(1) Zie het leven van den H. Polikarpus op 26 Januari bij de Bollandisten. (2) Apoc. II, 8â11. (3) Tertul. de prseser. q. 32. S. Hier. de vir. illustr. c. 1?'
24
Toen de H. Ignatius gevangen naar Rome werd heengevoerd, zette hij te Smyrna voet aan wal, en nam hij ziin intrek bij den H. Polikarpus, die vol eerbied zijne ketenen kuste. De H. Ignatius beval hem de zorg voor zijne kudde aan, en beide dienaren Gods troostten en sterkten elkander in den strijd, dien zij voor Christus hadden te strijden. De H. Ignatius, toen hij nit Smyrna te Troas was aangekomen, liet niet na zijne dankbaarheid en genegenheid jegens den H. Polikarpus en de Kerk van Smyrna door twee schoone brieven aan den dag te leggen.
De brief van den H. Ignatius aan Polikarpus vangt aan met den lof des heiligen:
» Daar ik weet, dat ge in God bevestigd zijt en op Hem steunt als op eene onwrikbare rots, acht ik mij gelukkig waardig geoordeeld te wezen, om met mijn eigen oogen een zoo heiligen bisschop te aanschouwen.quot; Nu gaat hij voort met verschillende wenken ten opzichte der eensgezindheid en onderlinge broederliefde te geven, en hij eindigt: Eindelijk ben ik volkomen gerust, nu ik weet, dat de Kerk van Antiochië den vrede heeft verkregen door de hulp uwer gebeden. Moge ik door het martelaarschap, dat ik op het punt ben te ondergaan, het be/.it van mijnen God verwerven , en ten dage der ver-rijzenis onder uwe leerlingen geteld worden, 'Jij moet, gelukzalige Polikarpus! eene vergadering, gelijk Gods heiligheid past, bijeenroepen, en iemand, die u zeer dierbaar is, verkiezen, en hem gelasten om de schitte-terende blijken van uwe liefde en van uwen ijver voor de eer van J. C. naar Syrië over te brengen. Een Christen behoort niet aan zich zeiven; hij moet geheel toebehooren aan God.
Eindelijk verzoekt hij den H. Polikarpus bij het slot van zijn brief, naar de kerken van Azië te schrijven,
25
omdat hij zelf het niet kon doen, daar hij zich ijlings moest inschepen om van Troas naar Napels te varen
Eenigen tijd nadat de H. Ignatius naar Rome was gevoerd, ontving Polikarpus van de Philippensen, bij wie de H Ignatius na zijn vertrek uit Troas eenigen tijd had verbleven, een brief, waarin zij hem verzochten om eenige ^ bijzonderheden aangaande den H. Ignatius, eenige raad
gevingen voor hunne kerk, en om hun de brieven van den H. Ignatius, die in zijn bezit waren, toe te zenden. De Heilige beantwoordde hunnen brief. Hij prijst de Philippensen, dat zij den H. Ignatius en zijne gezellen met zooveel liefde en gastvrijheid hadden ontvangen, en dat zij hen hadden geëerd, die de ketenen droegen, waarop de heiligheid trotsch gaat en die het sieraad zijn van hen, die door God en onzen Heer J. C. zijn uitverkoren, Hij prijst ook hunne onwrikbare standvastigheid in het geloof, dat hun oudtyds (namelgk door den H. Paulus) was verkondigd. Ten einde zij daarin zouden volharden, wapent hij hen tegen de ketters, en waarschuwt hen tegen de doketen, die loochenden, dat de Zoon waarlijk is menscb geworden. Hij richt tot beu eenige vermaningen, die hij besluit met deze schoone woorden: »dat God, de Vader van O. H. J. C. en onze Heer zelve, de eeuwige Hoogepriester, de Zoon van God, ,f Jesus Christus u bevestige in het geloof en de waarheid!quot;
ilij eindigt met de opdracht der Philippensen te aanvaarden. Hij belooft hun, bij de eerste gelegenheid ot zelf of door een vertrouwd persoon, hunnen brief aan de kerk van Antiochië te zullen bezorgen. Bij zendt hun al de brieven van Ignatius, die in zijn bezit ziju, en verzoekt hen wederkeerig hem al het nieuws mede te deelen, dat zij over Ignatius hadden ontvangen.
ft
26
De H. Polikarpus, nadat de H. Joannes en de H, Ignatius deze wereld hadden verlaten, was nog meer dau eene halve eeuw voor geheel Klein-Azië werkzaam met de zorg van een apostolischen herder. Hij genoot zoo hoog een aanzien, dat de fl. Hieronymus hem het hoofd van geheel Azië noemt (1). Een kring van leerlingen omgaf hem. Ireneus, een der voornaamsten, bericht ons welke achting en eerbied zij hem toedroegen. Hij getuigt van hem , dat de eerbiedwaardige gestalte van Polikarpus, zijn gelaat, zijn gang, zijn wijze van spreken hem nog immer voor oogen zweefde; dat hij zyne woorden in zijn hart geprent droeg, en dat het hem onvergetelijk was, wat hij hun van Joannes en door diens mond van den Heer zelf verhaald had. (2)
Nog eene wetenswaardige omstandigheid is ons uit het leven van dezen voortreffelijken leerling der apostelen bekend. Er waren omtrent het vieren van het Paasch-feest en den voorafgaanden vasten verschillende twisten ontstaan. In Kleiu-Azië heerschte een geheel andere praktijk ten dien opzichte dan te Rome en in andere kerken. Zij vierden namelijk volgens joodsche wijze den sterfdag van Christus of het Paaschfeest der kruisiging op den 14den Nisan, op welken dag ook der week dit vallen mocht, en de verrijzenis van Christus of het Paasch ⢠feest der opstanding den 16den Nisan. Te Rome en elders daarentegen werd Christus' verrijzenis immer op een Zondag, en Christus' dood op een Vrijdag herdacht. Was de 14de Nisan geen Vrijdag, dan vierde men het Paaschfeest op den eersten Vrijdag, die daarop volgde. In Klein-Azië eindigde de vaste immer op 14 Nisan, te Rome daarentegen op Paasch-zondag.
(1) S. Hier. de viris illustr. c. 15; princeps totius Asiae.
(2) Euseb. IV: 21. V: 23. Iren. adv. Hser. III: 3,
27
De H. Anicetus bezette als paus den zetel van Petrus van het jaar 157 lot het jaar 108. Toen deze paus Christus' Kerk bestuurde, begaf de H. Polikarpus zich tot hem , om eenige verschillen , die tusschen beide kerken bestonden, te vereffenen (l). Zij ontmoetten elkander met den kus des vredes en met de broederlijkste welwillendheid. Bij de verschillende zaken, die zy behandelden, kwam nu ook het Paaschfeest ter sprake. Anicetus ondernam het echter te vergeefs Polikarpus eene praktijk te doen vaarwel zeggen, die hij reeds in gemeenschap met den H. Apostel Joannes in beoefening had gebracht. Maar ook Anicetus wilde niet afwijken van de praktijk, die volgens de overlevering van Rome afstamde van den prins der apostelen. Beiden bleven dus bij hunne praktijk, en onderhielden des ongeacht met elkander de kerkelijke gemeenschap. Ja, Anicetus bewees aan den grijzen leerling van den H. Joannes de onderscheiding, welke in die tijden geheel bijzonder was, dat hij in zijne kerk, in zijne plaats en in zijne tegenwoordigheid het H. Misoffer opdroeg of de eucharistie vierde.
Tijdens deze zijne aanwezigheid te Rome gelukte het den eerbiedwaardigen leerling der apostelen verschillende aanhangers der dwalingen van Valentinus en Marcion door zgn woord en aanzien tot de kerkelijke eenheid terug te voeren. Toen laatstgenoemde ketter hem toevallig ontmoette, vroeg hij Polikarpus, of hij hem kende. De H. Bisschop gaf hem ten antwoord: »Voorzeker ken
ik den eerstgeborene van Satan.
* *
*
De H. Polikarpus had het geluk, even als den H. Ignatius, den marteldood te ondergaan voor het geloof in
(1) Euseb. V: 34.
28
J. C. Het was liet zevende jaar van Markus Aurelius, het 167ste onzer jaartelling. Eene geweldige vervolging heerschte in Klein-Azië tegen de Christenen. Smyrna was eene heidensche stad; zij had een circus, en daar moesten nu de Christenen tot verlustiging der heidenen den kamp met de wilde dieren ondergaan. De jeugdige Germanicus legde daarbij een hewonderenswaardigen heldenmoed aan den dag. Hij weigerde met de grootste standvastigheid om te offeren aan de afgoden, en liet zich door niets schrik aanjagen, zelfs niet door den dood. Dit verbitterde het volk, en het begon te schreeuwen: weg met de goddeloozen; men hale Polikarpus!
Polikarpus vernam hetgeen er gaande was, doch bewaarde zijne kalmte. Hij wilde eerst bij zijne kudde blijven, doch gaf daarna toe aan de beden zijner vrienden, en trok zich terug op een landhuis buiten de stad, waar hij met eenige personen verbleef. Hij hield zich met niets bezig dag en nacht, dan met bidden voor al de kerken der wereld. Drie dagen voor zijne gevangenneming had hij daarbij een visioen. Hij zag zijn hoofdkussen in brand. Hy wendde zich tot zijne omgeving en sprak voorzeggend: »ik moet levend verbrand worden.quot;
Intusschen hadden de zoekende gerechtsdienaren een jongeling zijner onderhoorigen gevangen genomen en door hem te pijnigen de verblijfplaats van den heiligen ontdekt, die zich naar een ander huis had begever. Sterk gewapend drongen zij op een Vrijdagavond laat het huis binnen. Polikarpus bevond zich in een bovenvertrek. Toen hij het gedruisch der gewapenden hoorde, daalde hij tot hen af, en sprak hij hen vriendelijk toe. Zij stonden verbaasd over zijn ouderdom en zijne bedaardheid, en zeiden: hadden wij zooveel drukte te maken om dien goeden grijsaard gevangen te nemen? Hij liet
29
hun spijs en drank voorzetten, en verzocht hen een uur, om ongestoord te kunnen bidden. Men stond het hem toe, eu hy bad luide twee uren lang. Hij maakte melding in dat gebed van allen, die hij'gekend had, grooten en kleinen, en van de geheele Katholieke Kerk over de wereld. Verseheidenen, die het hoorden , werden er door getroffen eu betreurden het, gekomen te zijn, om dien betninnelijken grijsaard gevangen te nemen.
Toen zyn gebed geëindigd was, deden zij hem neder-zitten op een ezel, en voerden hem naar de stad. De Irenarch (1) Herodes en zijn vader Nicetas reden den heilige in hun wagen te gemoet. Zij namen hem op in hun rijtuig. Hier spraken zij hem toe: wat kwaad is er in gelegen, te zeggen: Leef keizer, te offeren en zich te redden. Polikarpus gaf aanvankelijk geen antwoord, doch toen zij bleven aandringen, zeide hij: ik ben niet van plan uwen raad te volgen. Toen werden zij verbitterd en deden hem met geweld den wagen verlaten, zoodat de heilige viel en zich het been bezeerde. Maar hy bleef geduldig eu begaf zich naar het amphiteater als of er niets was voorgevallen.
Toen Polikarpus het amphiteater betrad, was er eene groote volksmenigte, die zeer opgewonden was. Hij vernam eene stem uit den hemel, die hem toeriep: »Polikarpus wees sterk!quot; De Christenen hoorden de stem, doch zagen niemand. Polikarpus werd nu voor den proconsul , Statius Quadratus, gebracht. Deze vroeg hem: »Zijt gy Polikarpus?quot; De heilige antwoordde bevestigend. De proconsul noodigde hem uit, medelijden te hebben met zijnen hoogen ouderdom, en zeide hem: »zweer bij de fortuin van den Cesar, zorg voor u zeiven en zeg:
(1) Een overste, die tegen het oproer moest waken.
30
weg met de goddeloozen.quot; ^Docli de heilige weigerde. De proconsul drong andermaal aan: »zweer en laster Christus.quot; Polikarpus hernam: »zes entachtig jaren dien ik Hem, en nooit heeft Hij mg eenig kwaad gedaan. Hoe zou ik den Koning kunnen lasteren , die mij gered heeft? quot; De proconsul hield nogmaals aan: »zweer by de fortuin van Cesar.quot; De H. Polikarpus antwoordde: »indien gij het als uwe eer beschouwt, dat ik zal zweren bij hetgeen gij de fortuin der Cesars noemt, en indien gij veinst niet te weten, wie ik ben, zal ik het vrijmoedig zeggen. Luister! ik ben Christen. Indien gij de leer der Christenen begeert te kennen, schenk mg een dag, en gij znlt ze vernemen.quot; De proconsul zeide tot hem: «overtuig het volk.quot; Polikarpus antwoordde: »tot u wil ik wel spreken, want men leert ons de verschuldigde eer te geven aan de magistraatspersonen en aan de machten, die van God gesteld zijn. Maar wat genen betreft, ik acht ze niet waardig om mij tegen hen te verdedigen.quot; De proconsul zeide: fik heb wilde dieren; ik zal u aan hen prgs geven, indien gij niet verandert.quot; De heilige antwoordde: »laat ze komen, want ik ben niet bereid om van het goede tot het kwade over te gaan ; maar het is mg goed door het lijden tot de gerechtigheid te komen.quot; De proconsul hervatte: »indien gij de dieren veracht en niet verandert, zal ik u door het vuur laten verbranden.quot; Polikarpus zeide: s-gij bedreigt mij met een vuur, dat een wijle brandt en weldra wordt gebluscht, want gij kent niet het vuur van het toekomstig oordeel en van de eeuwige straf, die voor de goddeloozen is weggelegd. Maar wat draalt gij ? Voer aan, wat ge zult willen quot;, zoo sprak hij terwijl zijn hart vervuld was met moed en vreugde, en zijn aangezicht straalde van verrukking, zoodat de proconsul verwonderd was.
SI
Toen deze nu zag dat hij niets vorderde, gebood hij aan den heraut om midden in het amphiteater af te kondigen : Polikarpus heejt beleden, dat hij Christen is. Hierdoor werd de gansche volksmenigte, die uit heidenen en joden bestond, verwoed, en riep het luide uit: »deze is de leeraar van Azië, de vader der Christenen, de bestrijder onzer goden. Hij leert eene menigte lieden, om den goden geen offers op te dragen en ze niet te aanbidden.quot; -Men eischte met onstuimigheid van den Asiarch Philippus, om een leeuw tegen hem los te laten. Phi-lippus antwoordde, dat zulks niet meer kon geschieden, daar de gevechten met de dieren waren afgeloopen. Toen werd de heilige door het volk veroordeeld om gedood te worden door het vuur. De menigte beijverde zich om den brandstapel op te richten. De heilige ontdeed zich zelf van zyne kleederen Hij verzocht om niet aan den brandstapel gehecht te worden en zeide: laat mij! Hij, Die mij de kracht schenkt om het vuur te verduren, zal ze mij ook geven om op den brandstapel te blijven, zonder vastgehecht te zijn. Met de handen op den rug gebonden, stond derhalve de H. belijder op den brandstapel, richtte de oogen ten hemel, en legde een laatste plechtige bekentenis af van zijn geloof aan Christus den eeuwigen en gezegenden Zoon Gods, met de dringende bede, dat hij als een welgevallig offer mocht aangenomen worden.
Toen hij geëindigd had, werd de brandstapel ontstoken en nu greep het ontzettende wonder plaats, dat de opstijgende vlammen den H. Martelaar niet aanraakten en zich om hem heen welfden. Polikarpus stond ongedeerd in het midden van het vuur. Toen de menigte dit zag, gelastte zij den confector (1) den heilige met een dolk (1) De persoon, die de veroordeelde zwaardvechters afmaakte.
32
te doorsteken De confector gehoorzaamde, en er stroomde zulk eene menigte bloed uit de wonde, dat het vuur er door werd gedoofd. De Christenen wilden hierop het lijk des heiligen wegnemen en behoorlijk begraven. Doch de genoemde Herodes wist den proconsul te overhalen het lijk te laten verbranden, uit vrees, gelijk zg spottend zegden, dat de Christenen den Gekruisden zouden verlaten en hem in Diens plaats zouden aanbidden.
Het was de groote Sabbathdag, volgens sommigen de 25ste April, volgens amleren de 23ste Februari van het jaar 166, 's namiddags ten twee uur. (1)
Daar hij waarschijnlijk zeer jong het Christendom had omhelsd, en daarna 86 jaren Christus bad gediend, stierf hij omtrent 100 jaren oud, volgens verscheidenen. De
H. Ireneus spreekt van hem als van een zeer bejaarden grijsaard. De Christenen verzamelden met veel zorg de overblijfselen des heiligen en zetten ze bij op eene passende plaats.
Nog heden ziet men het graf des heiligen te Smyrna in eene kleine kapel. De Latijnsche Kerk viert zijne gedachtenis den 26ste Januari, de Grieksche den 23ste Februari.
De brief van den H. Polikarpus aan de Philippeusen werd 300 jaren na zijn dood nog in de kerk van Azië voorgelezen. Hij is een eeuwigdurend gedenkteeken van zgne nederigheid, zijne zachtzinnigheid, zijn geloof, zijne liefde en van zijn ijver. Door deze deugden is hij een voorbeeld voor alle Christenen.
(1) De akten zeggen: de H. Polikarpus leed den marteldood op den 2den der maand Xanthikus, zeven dagen voor den Isten Maart, op den grooten Sabbath, op het achtste uur van den dag. Volgens Ideler (handboek der chronologie 1825,
I. B. bl. 419) begon de maand Xanthikus op 22 Februari. De 23ste Februari zou dan de sterfdag van den heilige zyn. Butler en anderen denken bij den grooten Sabbath aan het Paaschfeest.
IMFR.IM-A.TXJS.-
Bredje, die 17 Januarli 1895. A. H. VAN DEN CORPÃT, Vic.-Oen.
|jz mirakjzljzn lp ^cnazzaaol (Vervolg op bladz. 14.)
I nder de bijzondere genezingen is zeer opmerkenswaardig, zegt Mgr. Dillon, die van Andreas Scavola, uit Milaan, die het heiligdom bezocht en plotseling genas den 30stei1 April 1740, van een bui-tengenwone kwaal, welke de geneesheeren ongeneeslijk hadden verklaard. Evenzoo is het de genezing van de edelvrouw Martha Poli, die bevrijd van een vreeselijke ziekte, welke van bovenmeuschelijken aard was, zoodat hier de macht van O. L. Vrouw van Goeden Raad over den duivel duidelijk zichtbaar was.
Honderden van zulke mirakels als deze werden dankbaar erkend door de menigte van ex votos, die de geheel e kerk vervulden tot aan het einde der vorige eeuw. Verschei-denene dezer waren van kostbaar metaal, maar meerdere, de giften van Gods armen, waren van was of hout. De krukken achtergelaten door de lammen en de verbanden der verminkten, waren zoo talrijk en vervulden zoo de kerk, dat het hinderlijk word, en werden met de noodige vergunning vernietigd of veranderd ten bate van het heiligdom, in 't begin der vorige eeuw. Tegen het einde dier eeuw en bij het begin der tegenwoordige, waren de kostbaardere giften zoo vermenigvuldigd, dat de Franschen en de municipaliteit van ongeloovigen door hen aangesteld, zich een onberekenbaren buit toeeigenden, ook
3
34
nadat de Paters eene groote hoeveelheid zilveren en gouden offers hadden afgestaan, om Paus Pius VI in staat te stellen de verschrikkelijke som der belasting te betalen, die hem opgelegd was door de willekeur van Napoleon.
De eerwaarde J. Spencer Northcote, president van S. Maria's collegie, Oscott, deelt in eene belangrijke schets over de Madonna van Genazzano in zgne beroemde heiligdommen der Madonna, het volgende verhaal mede van de wonderbare bescherming, die Kardinaal Acton en eenigen zijner reisgenooten in 1845 ondervonden, toen zij op weg waren naar het heiligdom van O. L. Vrouw van Goeden Raad. Hij zegt van Genazzano: het is immer eene geliefde bedevaart geweest voor onze kerkelijke studenten in het Engelsch collegie te Rome, en kardinaal Acton had er eene bijzondere godsvrucht voor. Bij gelegenheid dat hij het bezocht in den herfst van 1845, ondervond hij een ongeval, dat zeer noodlottig had kunnen zijn voor hem zelf en zijne reisgenooten. Hij reisde van Palesirina met zijn kapelaan, bedienden en drie studenten van het Engelsch collegie, gezamenlijk acht personen, toen het rijtuig omsloeg op eene zeer gevaarlijke plaats aan den weg Rijtuig, paarden en passagiers stortten neder van een hoogte van 20 voeten. Desniettemin, schrijft een der aanwezigen, had niet een onzer zelfs de minste wond, voor zoo ver ik weet, en ik vernam van geen enkele, dat hij eenig leed had ondervonden, dan een bediende, die meer verschrokken dan geraakt klaagde, dat hij zeer geschokt was geworden. Hij en de anderen daarbuiten werden tot op zekeren afstand in het veld geworpen; wij, die in het rijtuig waren, vielen op elkander, en de kardinaal lag onmiddellijk onder mij. De ramen van het rijtuig werden omhoog geworpen door den val, maar bleven geheel, tot dat men kwam en ze brak, om
35
ons te bevrijdeo. Het rijtuig had niet zeer veel schade geleden; het gzerwerk was eenigzins gebogen, en de disselboom gebroken, hetgeen aati een der paarden eene diepe vleeschwond had toegebracht. Wij wandelden verder op onder het bidden van den Rozenkrans naar de nabijge-legene stad, waar de bisschop ons ontving en ons naar Genazzano liet brengen. Toen wij daar kwamen, ver-eenigden zich de rector, de studenten en de religieuzen met ons in het Te Deuvi, dat den volgenden morgen herhaald werd om God te danken voor de wonderbare bevrijding, die God ons had geschonken. De kardinaal liet eene kopie maken van het beeld, die hij immer behield tot bevordering zijner bijzondere godsvrucht, en die nu zich bevindt in het sacristie der kerk van O. L. Vrouw der engelen te Stoke op Trent. Een andere kopie of liever eene zeer schoone schilderij volgens deze kopie gemaakt door Seits, die hetzelfde algemeene idee en houding van de Moeder en het kind terug geeft, is in de kapel van het ISt. Katharina-Klooster te Clifton.
Voortdurend heeft dus God van den eersten aanvang, dat het wonderbeeld te Genazzano verscheen, tot op den dag van heden, door talrijke wonderen hen begenadigd, die met liefdevol vertrouwen er. vol geloof aan de machtige voorbede der maagdelijke Moeder Gods haar heiligdom te Genazzano bezochten.
'jsl aekt^tjz swaard.
Lieflijk door het groen omgeven
Van een statig eikenwoud,
Stond een kerkjen in de dreven, Tot Maria's eer gebouwd.
Gansch de ziel bij 't binnentreden,
En hetgeen haar tegen glom,
Werd gestemd tot zoete beden In het fraaie heiligdom.
Want men zag de vrouw van smarte,
Die bij Jesus' kruishout stond, 't Zevenvoudig zwaard in 't harte, Allerscbrikkelijkst gewond.
't Moederoog op 't kruis geslagen
En geprangd door bitt'ren nood, Scheen tot ieder zij te klagen Over Jesus' bitt'ren dood.
Daaglgks in den vroegen morgen.
Trad een jong'ling 't kerkjen in, En vertrouwde hier zijn zorgen Aan Maria's teedre min.
Dikwerf bad hg meenge stonde,
Wijl voor 't beeld hg nederviel; En Maria's wreede wonde Prentte diep zich in zijn ziel.
Die zoo teed're liefde werkte Bij des levens harden strijd In zijn hart de trouw en sterkte, Die aan geen bezwijken lijdt.
37
Eens verscheen hij lange dagen Niet meer in de bosehkapel;
Toen bestreed door list en lagen Hem met alle kracht de hel.
En zijn liefde werd steeds lauwer, 't Beeld der Moeder sprak niet meer;
Daaglijks werd zijn weerstaud flauwer; Toen sloeg hem de zonde neer.
En terwijl hij zoo bleef leven,
Zondig, met verkeerden zin,
Ging hij eens langs de eikendreven Weêr toevallig 't kerkjen in.
Knielend voor de Vrouw van smarte. Wierp hij op haar beeld een blik;
Hij verbleekt: om 't kloppend harte Sloeg hem plotseling een schrik.
In de plaats der zeven zwaarden Toonde er 't moederhart hem acht;
't Zwaard, waarop zijn oogen staarden, Wie, wie had dit aangebracht?
Daar scheen hij een stem te hooren: Uwe zonde heeft de schuld;
Steeds blijft zij me 't hart doorboren, Tot ge uw boete hebt vervuld.
Door die stem werd hij bewogen Tot in 't binnenst van zijn ziel;
Tranen vloeiden hem uit de oogen, Om het kwaad, waarin hg viel.
38
Eu hij giug, en knielde neder,
Wijl hg treurend schuld beleed;
Godes vrede keerde weder In zijn ziel, die boete deed.
Daarna ijlde hij vol liefde
Weêr naar 't kerkjen in het woud,
Om der Moeder, die hij griefde,
Dank te brengen voor 't behoud.
Zie! slechts zeven zwaarden steken Thans in 't minnend Moederhart;
En zij schijnt hem toe te spreken Vol vertroosting na zijn smart:
Uw berouw is waar bevonden, En gereinigd is uw schuld;
Wil nu nooit mijn hart meer wonden. Blijf met liefde en trouw vervuld.
Diep getrofien door die goedheid,
Wierp hij zich ter aarde neer,
En hij bad vol troost en zoetheid Tot de Moeder van den Heer:
Ik beloof U, bij uw lijden.
Bij den dood van uwen Zoon,
'k Wil aan Jesus mij steeds wgden; Sterk mij voor uw hulpbetoon!
Steeds wil ik mijn God beminnen, Met ü. Moeder van den Heer!
'k Schenk Hem geest en hart en zinnen Nooit bedrijf ik zonde meer.
Ijs tijd cljSF ^fzrligdaagfcli^
feestkringen viert de kerk gedurende den loop van het kerkelijk jaar, die van Kerstmis, van Paschen en van Pinksteren. De tweede dezer feestkringen heeft zoowel als de beide overigen, drie af-deelingen. De eerste, die der voorbereiding, is de tijd van de Vaste. Alsdan volgt het groote feest van Paschen of het feest der Verrijzenis. Eindelijk wordt de feestkring besloten door de naviering, of de dagen na Paschen tot aan de Hemelvaart.
De voorviering van het Paaschfeest begint eigenlijk met de drie Zondagen van Septuagesima, Sexagesima en Quinquagesima. De benaming dezer drie Zondagen heeft haren grond in de geschiedenis van de Vaste voor Paschen. In de eerste eeuwen namelijk, toen deze Vaste nog niet immer gelijk nu gedurende veertig dagen, maar in sommige kerken gedurende vijftig dagen, in andere gedurende zestig dagen, en wederom in andere gedurende zeventig dagen werd gevierd, werden de Zondagen die in het begin dezer tijdstippen vielen, even als nu fjua-dragesima van quadraginta of veertig, zoo ook qninqna-gesima van quinquaginta of vijftig, sexagesima van cexa-ginta of zestig, en septuagcsima van Septuaginta of zeventig genoemd Deze benamingen zijn van daar overgegaan op de drie Zondagen, die aan den Zondag Quadragesima voorafgaan Onder deze benamingen komen zij reeds voor in het Sacramentarium van den H. Gelasius aan het einde der vijfde eeuw.
40
Eerst later werd overal de gelijkvormige gewoonte aangenomen, dat men met Asch-Woensdag begon te vasten. Wanneer men toch de dagen tusschen den Zondag Quadragesima en het booge Paascbfeest bgeen voegt, en tevens in aanmerking neemt, dat men immer op de Zondagen meermalen spijs mocht gebruiken, en deze dus niet onder de vasteda^en mochten gerangschikt worden, zal men zien, dat er vier dagen ontbraken, zou de vaste een veertigdaagsche vaste zijn. Daarom beval Paus Gre-gorius de Groote, daar hij het veertigtal dagen van dezen heilige Vaste naar Christus' voorbeeld getrouw wilde gehouden zien, dat van Woensdag na den Zondag Quinquagesima de Vaste voor Paschen overal zou begonnen worden. (1)
De Zondagen Septuagesima, Sexagesima en Quinquagesima zijn dus heden, daar men thans niet meer vast in de week, die er op volgt, eene voorbereiding tot de Vaste. Alles ademt reeds dan den geest van boetvaardigheid. Wij worden herinnerd aan de gestrenge vaste, die de Christenen der eerste eeuwen zich in die dagen reeds oplegden. De priester verschijnt op die zondagen en op hunne weekdagen, die door geen bijzonder feest onderscheiden zijn, in paarsch gewaad voor het altaar en verkondigt reeds daardoor, dat de tijd der boete is aangebroken. Het Gloria in excelsis Deo, het blijde gezang der engelen wordt achterwege gelaten, en even zoo het alleluja; want de kerk verlangt ons te stemmen tot rouw en tot droefenis over onze zonden.
De laatste dagen, die aan Asch-Woensdag voorafgaan, worden vastenavond-dagen genoemd. Elders worden zij Carneval geheeten, omdat het de laatste dagen zijn,
(1) Can. 16 distiaet 6 de consecrat.
41
waarop het vleesch niet is ontzegd, en waarop men, gelijk de naam Caro vale het uitdrukt, aan die spijs vaarwel moest zeggen. Maar al te dikwerf worden deze dagen op lichtzinnige, op losbandige, op zeer zondige wijze doorgebracht. De Kerk, in hare moederlijke bezorgdheid, om deze buitensporige vermakelijkheden tegen te gaan, hare kinderen in de vereischte stemming te brengen, en Gods barmhartigheid over eene zondige wereld af te smee-ken, stelt gedurende deze drie dagen met allen mogelijken luister het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, in het H. Sacrament des Altaars ter aanbidding uit. De ware Christenen scharen zich dan in de kerk, om hunnen Goddelijken Koning, om bij zooveel ongetrouwheid, Hem verdubbelde trouw toe te wijden, en Hem at te smeeken, dat hunne dwalende broeders hun verkeerdheden mogen laten varen, en zich in de dagen van genade en zaligheid der veertigdaagsche vaste tegelijk met hen mogen keeren in alle oprechtheid tot den Heer hunnen God, en met hen en met Hem hun Verlosser, Die voor hen leed, boete doen voor hunne zonden. Het was de godvruchtige kardinaal Gabriël Paleotti, aartsbisschop van Bologna en tijdgenoot van den H. Carolus Borromeus, die dit vrome gebruik, om op de vasten-avond-dagen het veertig uren gebed te vieren, instelde in de 16de eeuw. De H. Carolus Borromeus sloot zich bij hem aan, en de beroemde Kardinaal Prosper Laraber-tini bevorderde, en als aartsbisschop van Bologna en later als Paus Benedictus XIV, op invloedrijke wijze dit godvruchtige gebruik.
De Woensdag, waarop, gelijk wij zeiden, de heilige Vastetijd begint, wordt Assc/ien- Woensdag genoemd, omdat de Kerk vóór de Mis van dien dag plechtig de asch wijdt door hare dienaren, en na ze gewijd te hebben ,
42
uitstrooit over het hoofd harer geloovigen. De gebeden bij het wijden der asch wekken ons allen op tot vernedering voor God en tot rouw over onze zonden. Zij smeeken allen Gods barmhartigheid af voor ons, die deze zoo zeer behoeven. Wanneer de priest3r de assche uitstrooit, zegt hij tot iederen geloovige: »gedenk, o mensch, dat gij stof zijt en in het stof zult wederkeeren.quot;
Wanneer de wijding der asch is geëindigd, keert de priester, na eerst zelf met asch te zijn bestrooid, zich naar het volk, en deelt ze dan uit eerst aan de geestelijkheid aan den voet van het altaar, en vervolgens aan de geloovigen buiten het presbyterium. Deze bestrooiing met asch was reeds algemeen in gebruik ten tijde van het oude verbond tot teeken van rouw, tot afsmeeking van Gods barmhartigheid, tot afwering van eene tegenwoordige of dreigende kwaal. Ik zelf tuchtig mij, zegt de H. Aartsvader Job en doe boetvaardigheid door vlam en asch. De Israëlieten deden vaak, om dreigende gevaren van de maatschappij af te weren, boetvaardigheid in zak en asch. Zulks lezen wij van Josuë en het Israëlitische volk na de nederlaag bij Hai (1), van Mardocheus, toen Aman het toelegde op den ondergang van zijn volk (2), en Jesus zelf spreekt van dit bekende gebruik in het evangelie (3). Hetzelfde lezen wij van de Niuivieten. Toen namelijk Jonas riep en predikte: nog veertig dagen en Ninive zal vergaan, geloofden de Ninivieten in God, schreven een vaste uit, en bekleedden zij zich met een zak van den grootste tot den kleinste. En men berichtte de zaak aan Ninive's koning, en hij stond op van zijn troon, en hij legde zijn gewaad af en bekleedde zich met een zak en zat in asch (4).
(1) Jos. VII: 6. lt;2) Esth. IV : 1. (3) Mt. XI : 21. (4) Jon. III.
43
Deze wijze om zich voor den Allerhoogste te verue-deren en boete te doen, is immer in de kerk gebruikelijk geweest. In de eerste eeuwen echter bestrooiden zich bij den aanvaug der Vaste alleen zij in het openbaar met asch, die verplicht waren openbare boete te doen. Doch al spoedig sloten ook de overige geloovigen, aangedreven door nederigheid en boetvaardigheid zich uit eigen beweging meer en meer bij dezen aan, totdat vooral in de elfde eeuw dit gebruik algemeen werd.
De beteekenis dezer plechtigheid springt van zelve in het oog. De Kerk wil hare geloovigen herinneren aan hun dood, gelijk zij bij het einde der Vaste ons wijst op Christus' verrijzenis en ook op de onze. Zij laat ons gevoelen, dat de zaken van dit aardsche leven vergankelijk en ijdel zijn, terwyl zij ons bij het Paaschfeest ons de eeuwige heerlijkheid en gelukzaligheid voor oogen stelt, die Christus ons heeft bereid. Wij moeten ons niet hechten aan de dingen dezer wereld, maar aan de dingen die daar boven zijn.
In de eerste eeuwen begon op Asch-Woensdag de openbare boete, gelijk wij reeds zegden. De zondaars, die openlijk met de Kerk verzoend, en tot de gemeenschap der geloovigen toegelaten moesten worden bij het Paaschfeest, traden op dezen dag openlijk als boetelingen op. De priesters hoorden hun de biecht, bekleedden hen vervolgens met een cilicium of zak, bestrooiden hun hoofd met asch, besproeiden ze met wijwater, en baden met de geheele geestelijkheid de zeven boetpsalmen over hen.
Zij werden vervolgens geleid naar de deur der kerk, om ze deze te doen verlaten, en de priesters zongen daarbij de woorden, die God heeft uitgesproken tegen Adam en Eva, toen Hij hen verbande uit het aardsche paradijs. Zij verlieten daarop de kerk en mochten er niet meer in
44
terugkeeren, dan op Witten Donderdag. De kerkdeur werd achter hen gesloten en alsdan begon de 11. Mis der geloovigen.
Het leven van den mensch, zegt de H. Augustinus, wordt in twee groote tijdvakken verdeeld: het eerste bevat het tegenwoordige leven, dat daarheen vliedt te midden van bekoring, kommer en ellende; het andere begint om nooit te eindigen bij onze intrede in het huis der eeuwigheid, waar rust en zaligheid, vreugde en vrede ons deel zullen zijn. Beide tijdstippen worden tot onze leering afgebeeld door de verdeeling van het kerkelijk jaar. De tijd vóór Paschen is het beeld van de bekommeringen van het tegenwoordige leven, terwijl de tijd na Paschen het beeld dier gelukzaligheid is, die wij in den hemel zullen genieten. Daarom vasten en bidden wij voor Paschen; na Paschen vasten wij niet meer. maar heffen alsdan in plaats van rouwliederen, enkel vreugdezangen aan.
Wanneer wij nu veertig dagen vasten, dau doen wij zulks volgens apostolische overlevering. Wij vasten, zegt de H. Hieronymus, gedurende veertig dagen volgens de overlevering der apostelen (1), De instelling der apostelen, zegt de H. Paus Leo, wordt bij de veertigdaagsche vaste vervuld niet slechts door matig gebruik van voedsel, maar vooral door de onderdrukking der ondeugden (2). Dit is duidelijk; want het is eene sprekende navolging van Onzen Heer, Die, vooraleer Hij zijne openbare bediening begon, veertig dagen en veertig nachten heeft gevast. (3)
De veertigdaagsche vaste is, gelijk ook die van Christus, een tijd van gebed. Wij moeten alsdan meer bidden dan op andere tijden. Vooral moeten wij dikwerf denken aan het bitter lijden en den smartelyken dood van J.-C. Schier
(1) Epist. 54 ad Marcellam. (2) Serm. XLIII de quadrages. c. 2. (3) Matth. IV.: 1, 2,
45
overal worden lijdens overwegingen van den kansel gehouden. Eiken dag of althans elke week volgen wij den aanbiddelijken Verlosser op zijnen laatsten lijdensweg. Eiken morgen behooren wij bij het onbloedige offer der Mis, het offer des kruises, ons voor den geest te roepen, en het geslachte Lam Gods aan den hemelschen Vader aan te bieden. Door het zien van Jesus' kruis, van Jesus' wonden, moeten wij ons zeiven doordringen van afschuw voor de zonden en tot rouwmoedige liefde jegens Hem, die ons bemind heeft tot in den dood. Wjj moeten gedurende dezen tijd aanhoudend bidden om genade en barmhartigheid, en met de priesters smeeken: »spaar, Heer! spaar uw volk!quot;
De tijd der vaste is een tijd van versterving en van boete. Wij moeten door het vasten ons lichaam kastijden en onder bedwang brengen. Zij die aan Christus toebe-hooren, kruisigen hun vleesch met zijne ongeregelde begeerlijkheden. Het vasten behaagt aan God, Die gelijk de Kerk zingt, door het lichamelijke vasten de ondeugden onderdrukt, den geest verheft, deugden schenkt en belooningen.
De tijd der vaste moet ook een tijd zijn vau aalmoes en liefdadigheid jegeus den evenmensch. Willen wy barmhartigheid verwerven bij onzen Vader in den hemel, dan moeten wij barmhartigheid bewijzen aan onze broeders hier op aarde. Laten wij voor de deugd benuttigen, zegt de H. Paus Leo de Groote, wat wij onttrekken aan het genot. De onthouding van den vastende, worde de verkwikking van den arme (1). Zoo wil de Kerk, dat deze veertig dagen een tijd van gebed, van vaste en versterving, van liefdadigheid zal zijn. Wij moeten het woord
(1) Serm. 2 de jejun. decimi mensis et Collectis.
46
van Tobias ia ons verwezenlijken: het gebed, gepaard met vaste en aalmoes, brengt ons meer heil aan, dan schatten van goud op te leggen.
ge opi-o.eding ppnpv pf.GlsarlijkiS .
p 25 Januari 1567 werd aan den Duitschen keizer Maximiliaan II te Weenen een kind geboren, dat bij het H, Doopsel den naam Margaretha ontving, en later uitmuntte door geheel eenige godsvrucht. Hare moeder heette Maria, en was eene dochter van keizer Karei V. Wij lezen in de geschiedboeken het volgende over de opvoeding dezer prinses.
De moeder zelf schonk aan haar kind het eerste onderricht over God en leerde het bidden. Zoodra het kind daartoe in staat was, moest het zijne moeder naar de H. Mis vergezellen. Daar moest zij met hare andere zusters nederknieleu vóór den bidstoel harer moeder, ten einde deze ze steeds onder het oog zou hebben. De moeder gaf haar ook aanwijzingen, hoe zij voordeel uit het Misoffer konden trekken.
Het prinsesje moest de volgende dagorde onderhouden: Als het aangekleed was, begaf zich de moeder met haar naar de huiskapel. Hier verrichtte de moeder met baar het morgengebed, en bad vervolgens met haar den Rozenkrans eu de daggetijden van Maria Op het morgengebed volgde dadelijk het H. Misoffer. Daarna werd het ontbijt opgediend, waarvan Margaretha zooveel aan de armen mocht geven als zij wilde. De voormiddag was
47
voor het onderwijs bestemd. Na den maaltijd mochten de kinderen een tijd lang spelen. Daarna moesten zij naaien, breien, stoppen en allerlei handwerken verrichten, even als de burger kinderen. Des avonds kwamen allen bijeen om het avondgebed gezamenlijk te houden. Daarbij moesten de kinderen bun geweten onderzoeken. Om den dag te besluiten, moest elk kind eene korte overweging houden; want de keizerin beschouwde het als eene onmogelijke zaak zonder overweging een volkomen Christelijk leven te leiden.
Een zeer schoon gebruik heerschte destijds aan het keizerlijk hof; men vierde den verjaardag der kinderen op geheel byzondere wijze. Men noodigde zooveel arme kindereu op het keizerlijke kasteel, als het kind, welks verjaardag werd gevierd, jaren telde. Men noodigde nog een kind daarboven, om God niet alleen voor de afgelegde jaren te danken, maar ook om zijn zegen voor het volgende jaar over het keizerlijke kind te verwerven. De arme kinderen ontvingen goede kleederen en goed voedsel en bij den maaltijd moest het keizerlijke kind, welks verjaardag werd gevierd, de arme kinderen bedienen.
lfodl,swue!il *an ^^annjs d'|^rc tol ds ^paagd ^paria.
feanne d'Arc, de maagd van Orleans, was bezield niet eene innige godsvrucht tot de H, Maagd Maria. Zie hier eenige trekken die het ons bewijzen.eanne d'Arc, de maagd van Orleans, was bezield niet eene innige godsvrucht tot de H, Maagd Maria. Zie hier eenige trekken die het ons bewijzen.
Een priester, die te Domremy woonde, toen Jeanne nog een kind was, legt dit getuigenis af; »zij was, toen zij 10 jaren oud was, een deugdzaam meisje, dat God beminde en vreesde. Wij zagen haar dikwerf in de kerk. Zij knielde neder voor het kruisbeeld; zij hield er van de oogen te vestigen op het beeld van den Gekruisigde en op dat der H. Maagd Maria. Met de handen samengevouwen op het hart, lag zij daar neder en bad, terwijl hare oogen de HH. beelden aanschouwden.quot;
Zij ging dikwerf, vooral des Zaterdags, de kapel, toegewijd aan de H. Maagd, onder den titel van O. L. Vr. van Berrnont, bezoeken. Zij liet er kaarsen ontsteken, en terwijl hare speelnoten zich met het spel bezighielden, vlocht zij niet zelden bloemenslingers, waarmede zij Maria's altaar versierde. Op zon- en feestdagen hield zij er van zich af te zonderen in het heiligdom van O. L. Vrouw van Domremy. Als het Angelus luidde op den klokketoren van het dorp, hield zij op in het midden van haren arbeid, knielde neder en bad met vurigheid. Als hg, die moest luiden, verzuimde het Angelus te luiden, berispte zij hem met zachtheid, en beloofde hem eenige belooningen, indien hij getrouw was aan dat godvruchtige gebruik.
49
Gedurende de drie weken van strijd en angst, die zij doorbracht ie Vaucouleurs, vooraleer naar Chinou te vertrekken, beklom de godvruchtige Maagd meermalen daags de hoogte, die het kleine stadje beheerscht, begaf zich alsdan in de krypte der kapel van het kasteel, dat zich daar bevond, en bleef daar uren voor het altaar van Maria, soms geheel ter aarde gebogen in den aandrang van haar gebed, soms in staande houding met de oogen opgeheven naar den hemel, vanwaar zij de redding van haar land verwachtte.
Te Rouen, voor hare rechters, schreef zij na God aan de H. Maagd hare groote zending toe. Zij was tot den koning van Frankrijk gekomen, zeide zij, van wegens God, van wegens de Maagd Maria en van wegens de gelukzalige heiligen van het paradijs.
Toen zij zich naar Chinon tot Karei VII begaf, zond zg hare moeder naar Onze Lieve Vrouw van Puy, om er deel te nemen aan het jubilé van 1429 en om voor haar en hare zending de alvermogende bescherming van Gods Moeder af te smeekeu.
De naam van Maria prijkte met dien van Jesus op de banier, die zij droeg iu den strijd Op marsch liet zij de troepen, die zij naar strijd en overwinning voerde, de Litanieën onzes Heeren en der Allerheiligste Maagd zingen, en alle avonden vereenigde zij om hare banier de kloosterlingen, die het leger volgden en deed hen lofzangen zingen ter eere van Maria.
4
Ijs ordljS in
ferscheidene gewichtige redenen moeten hen, die een gezin hebben te besturen, aandrijven om er de orde in alles te doen heerschen.erscheidene gewichtige redenen moeten hen, die een gezin hebben te besturen, aandrijven om er de orde in alles te doen heerschen.
Vooreerst is de orde eene heiliging van alle onze handelingen. Die heiliging bestaat in het volbrengen van Gods wil. God nu wil, dat wij de regels en de orde volgen, die door zijne zichtbare plaatsbekleeders onze ouders en oversten gesteld zijn. Hij wil, dat dezen die orde in hunne gezinnen, bij hunne kinderen, bij hunne ondergeschikten in het leven roepen. Hij zelf als de Vader van allen geeft daarvan het allerschoonste voorbeeld in het groote wereldgezin, aan welks hoofd Hij staat. Alles heeft daar zijne maat, zijne plaats, zijn tijd, zijn regel. Vaste wetten beheerschen den loop der geheele natuur; vaste wetten regelen al de zedelijke handelingen der men-schen. Zijn Goddelijke wil is het, dat wij als getrouwe kinderen dit zijn schitterend voorbeeld zullen navolgen. Alle dingen, zegt de H. Geest, moeten niet onverschillig op welk uur, maar op een bepaald oogenblik geschieden. Wilt gij dus het eerste, wat gij te doen hebt, verrichten, u zeiven en de uwen heiligen, zorgt dan uw gezin aan eene vaste orde, aan een verstandige regeling te onderwerpen. Die volgens de vereischte orde leeft, leeft voor God.
Een tweede voordeel is, dat wanneer onze handelingen door eene vaste orde geregeld zijn, men minder gevaar loopt ze te vergeten, en men daarvan weldra de zoete gewoonte aanneemt. Het uur zelf noodigt daartoe uit Buitendien, moet men zich zeiven menigmalen een klein
51
offer opleggen, en zich zeiven overwinnen door te laten varen, wat men bij de hand heeft, ten einde te doen wat God op dat oogenblik van ons vraagt.
Een verstandige orde verschaft een groot gemak om het goede te doen. Men verwaarloost niets van hetgeen voorgeschreven is, en doet niets met te veel overhaasting en inspanning Men volgt Christus na, wiens oogen-blikken nimmer zonder regel en doel voorbij gingen. Mijne uur, zeide hij, is nog niet gekomen. Hij leerde ons, dat wij zjjne bevelen niet moeten vooruit loopen en uitstellen. Wij moeten alles doen op het oogenblik, dat Hg het verlangt.
Men moet zijne dagelijksche bezigheden verrichten met vlijt. Men moet ze doen op den gestelden tijd, eer vooruit dan te laat, en bij voorbaat als men eenig beletsel verwacht. Uitgestelde oefeningen worden dikwerf met overhaasting en niet goed gedaan, brengen verveling voort, en worden altijd minder door God gezegend. Vooral moet gij uwe verplichtingen nooit tot den laten avond uitstellen. Gij stelt u daardoor in gevaar om ze te verzuimen of slecht na te komen.
Een derde voordeel eener goede dagorde in een gezin is, dat men de ledigheid vermijdt.* Aan bekoring tot lediggang en tijdverspilling zijn zij vooral blootgesteld, die veel tijd tot hunne beschikking hebben. Wij zijn van nature tot gemakzucht en tot rust geneigd. Indien wij geen vastgestelde bezigheid hebben, dan zij n wij ten prooi aan onstandvastigheid, aan luimen en grillen, aan de verlokselen van het oogenblik, aan de ongeregeldheden onzer verbeelding en onzer neigingen. Wij vangen aan met het eene; wij laten het varen voor iets anders; en misschien stellen wij ook dit na eenigen tijd ter zijde voor een derde zaak. Men gaat, men komt, men loopt
52
rond en weet niet wat aan te vangen. Men verveelt zich en geeft zich niet zelden over aan werkeloosheid en aan ijdele of gevaarlijke vermaken. Hoe nuttig kon die tijd besteed worden, die nooit meer terug keert. Men weet niet, wat men kan doen, wanneer men al de oogenblikken, waarover men te beschikken heeft, aanwendt en benuttigt, en voor elk oogenblik eene vaste bezigheid heeft. Uit gebrek van overleg en regeling verliezen vele lieden een aanmerkelijken tijd. Wanneer gij eene vaste orde hebt voor de bezigheden en zaken van den dag, weet gij immer wat gij hebt te doen. Gij voorkomt tijdver-kwisting, verveling en de luimen van neigingen en verbeelding. Men voorkomt vele gevaren en bekoringen.
Een vierde voordeel is, dat men zijne zaken bespaart en ze in welstand en schoonheid behoudt. Niet alles is geschikt, om immer en voor alles gebruikt te worden. Er is een regel in het gebruik. Wanneer men het kostbaarste , wat men heeft, voor alledaagsche dingen gebruikt, zal het waarde-verlies van het eerste niet beantwoorden aan hetgeen het tweede vereischt. Deze eisch had met minder opoffering kunnen bevredigd worden.
De wanorde is moeder van onzindelijkheid, en onzindelijkheid veroorzaakt noodzakelijkerwijze geen geringe schade posten. Eene vrouw, die geen regel weet te stellen op hare zaken, zal vele zuur verdiende penningen van haren man nutteloos verkwisten door verwaarloozing en slordigheid. Geen fortuin zoo groot, of zij kan op die wijze verspild worden. Als alles goed geregeld is in uw gezin, dan verschaft gij u zeiven een groot gemak. Gij hebt altijd alles bij de hand Gij hebt niet noodig te wachten of te zoeken. Neem eene werkplaats, waar materialen, gereedschappen, afgewerkte en onafgewerkte stukken, modellen en teekeningen, alles met één woord
53
overhoop ligt; neem een bibliotheek, waar de boeken geen vaste orde hebben en sommige deelen van een werk hier, en andere deelen weder op een geheel andere onaangewezene plaats staan; neem een archief, waar de stukken geen volgregel hebben en in kisten of kasten zijn geborgen, gelijk het toeval dit heeft gewild; hoeveel arbeid en tyd zal het dan dikwerf rooven, eer men alles gevonden heeft wat men zocht. Orde spaart uitgaven, spaart moeite, spaart tijd.
Eindelyk de orde in het gezin bevordert den ijver, de stiptheid, de getrouwheid bij elk der leden in het vervullen zjjner plichten. Wanneer een ieder weet, wat en wanneer hij het heeft te doen, gevoelt hij beter de verantwoordelijkheid, die op hem rust, en gevoelt hij zich geprikkeld om te beantwoorden aan de verwachtingen, die men van hem koestert. De bezigheden, daar zij geregeld verdeeld zijn, vallen minder zwaar. Zij worden spoediger en beter verricht door den persoon, die ze heeft te verrichten , niet te zoeken, maar aangewezen is, en ook gereed staat, wijl zijne werkzaamheden geregeld zijn, en hij voor elke taak zijn tijd en uur heeft.
De goede orde in het gezin voorkomt veel onaangenaamheden , veel teleurstellingen, veel twist, veel verdriet. Allen worden verzorgd, op hun tijd bediend en ontvangen het hunne. De man, wanneer hij van zijn arbeid terugkeert, vindt de noodige rust, de billyke verkwikking, de gewenschte versterking. De vrouw kent de middelen, waarover zij heeft te beschikken, ontvangt ze op haren tijd, en wordt in staat gesteld om op hare beurt hare plichten ten aanzien der godsdienst te kunnen waarnemen. Het lijdt geen twijfel, de tevredenheid, de eensgezindheid en de vreugde worden door eeae verstandige orde in het gezin ten krachtigste bevorderd.
54
Zeker kan de liefde tot schikking, regeling en orde te ver gedreven worden, en wanneer zij buitensporig wordt, bespottelijk en lastig zijn voor hen, die met ons hebben om te gaan. Doch blijft zij biunen de perken van het gezonde verstand, dan zullen de opgesomde voor-deelen niet uitblijven, en zal zij uw persoonlijk geluk en dat van uw gezin bevorderen. Zij zal ons twee uitersten , een te grooten lediggang en eene te gejaagde bedrijvigheid, doen vermijden.
|i)z|dladigli)zidl ran dgn ||||. ^homa^ ran ^lilla Iffiora.
'ene arme weduwe was na den dood van haren man met de zorg voor verscheidene kinderen belast. Zoodra de H. Thomas van hare behoefte en deugd kennis droeg, ondersteunde hij haar maandelijks met eene aalmoes. Hij bemerkte echter, dat zij hiermede niet ten volle geholpen was, eu wilde daarom weten, of zij den eenen of anderen arbeid verstond, om dan door middel zijner aalmoes op die wijze behoorlijk in haar eigen onderhoud en dat harer kinderen te voorzien. Hij begon met deze zaak den Heer aan te bevelen in zyn gebed, en dacht er vervolgens eens goed over na. Eindelijk ontbood hij de weduwe en sprak tot haar. Zuster, het doet mg leed, dat gij en uwe kinderen in zoo groote armoede en behoefte verkeert. Gaarne zou ik weten, of gij het een of ander beroep of handwerk verstaat, om
55
daarmede iets te gewinnen, en dan met uw gewin en de aalmoes, die gij van mij ontvangt, den nood en kommer van u en de uwen te verwijderen. Ik zal u daartoe het noodige aanschaffen en u helpen. De vrouw antwoordde: ik heb geleerd tarwe- en gersten-meel en andere dingen van dien aard te bereiden. Hierover verheugd, liet de heilige dadelijk alles, wat zij tot deze nering noodig had, aanschaffen, een kleine molen, de noodige kasten en talels; op het bevel van den H. aartsbisschop werd voor haar een ezel, tarwe en gerst en al het noodzakelijke aangekocht. Met het drijven nu dezer kleine nering en met de aalmoes van den H Thomas, was de weduwe in staat bare kinderen eerzaam op te voeden.
Dezelfde liefde en hulp legde hij jegens verscheidene anderen aan den dug in soortgelijke omstandigheden, door hun werktuigen en grondstoffen te verschaffen, om alzoo in hun eigen onderhoud te voorzien.
Het was den heilige echter niet genoeg, zelf naar vermogen aalmoezen uit te deelen. Hij spoorde ook anderen daartoe aan, die hij wist een genoegzaam vermogen te bezitten. Wanneer de armenverzorgers uit verschillende parochieën tot hem kwamen, dan trad hij immer met hen in gesprek over de armen aan hem toevertrouwd, over welke middelen zij beschikten, welke aalmoezen zij uitdeelden. Hiermede begon hij dadelijk en dit was de inhoud van het geheele gesprek. Hij spoorde hen gedurig aan tot liefdadigheid, tot ijver voor het welzijn der armen, tot zorg om de goederen der armen wel te bewaren, met beleid te besturen, en, kon het, te vermeerderen.
Op zekeren dag richtte de heilige tot den armenverzorger Lodewijk Camarena eene vermaning, die de liefde en de wijsheid van den H. bisschop waardig is. Daar ik u, zeide hij, wegens uwe toegenegenheid en uwe zorg
56
voor de armen innig lief heb, wil ik n den volgenden raad geven. Wat gij wilt doen met de goederen, die God n verleend heeft, doe dat tijdens uw leven, en daar gij geene kinderen hebt, moet gij ze geheel en al besteden voor de armen en voor hen, die in het verborgene grooten nood lijden. Verschuif het echter niet, indien gij voor het geval van uwen dood iets voor de armen bij geschrifte wilt beschikken. Want de hand des Heeren is niet verkort en hij leidt het hart der geloovigen voor de toekomst, om ook ten hunnen dage de armen te helpen en aalmoezen uit te deelen. God zal u ook geen rekenschap vragen over de armen, die na uwen dood op aarde zijn, maar over degenen, die tijdens uw leven nood lijden, en die terwijl gij het vermocht, niet geholpen zijn. Overweeg wat gij in de veertigdaagsche vaste over den rijken vrek en den armen Lazarus gehoord hebt. De Heer rekende den rijke geen andere schuld toe, dan dat hij de ellende van den armen Lazarus, die dagelijks aan zijne deur nederlag, niet geholpen had. Voor de thans levende armen zijn de thans levende rijken; voor de armen der toekomst zijn de rijken der toekomst bestemd. Deze waarheid steunt op deze uitspraak van den H. Geest: de rgke en de arme hebben elkander ontmoet; want de Heer heeft ze beiden geschapen (1). Het is duidelijk, dat een mensch, die reeds geboren is, en een andere, die nog niet geboren is, elkander niet kunnen ontmoeten, maar slechts twee, die geboren en tegelijk in leven zijn.
Uit het aangevoerde zou reeds kunnen blijken, hoe zeer de H. Thomas van Villa nova den naam van aalmoezenier verdiende, maar nog meer zal het blijken, hoezeer hij dien eervollen titel verdiende, indien wij acht geven op
(1) Spreuk XXII: 2.
57
verschillende standen, die hy in hunnen nood en druk ter hulpe kwam.
Ook hier hield zgue evangelische wijsheid den rechten regel. Onder de armen, die hij met volle handen aalmoezen uitreikte, bekleedden de priesters de eerste plaats. Hij onderscheidde ze met geld en kleedingstukken, opdat zij behoorlijk zouden kunnen leven. Hiervan hebben wij verschillende bewgzen.
De heilige kende met nauwkeurigheid de namen aller priesters van zijn bisdom, hunne bezigheden, de uitgestrektheid hunner beroepsplichten en hunne inkomsten. De visitators of bezoekers hadden buitendien de bijzondere lastgeving, bij hunne rondreis in kleinere en grootere vlekken naar de arme geestelijken te vernemen, hiervan een verslag op te maken en hem, volgens de eischen van het geweten, een juist bericht toe te zenden. Alsdan droeg de aartsbisschop zorg voor hunne benoodigdheden. De levensbeschrijvers des heiligen berichten ons niets over den toestand en de omstandigheden der geestelijkheid tijdens zijn ambt. Intusschen blijkt genoeg, dat er destijds vele priesters waren, die tot hun onderhoud geen andere inkomsten hadden, dan het dagelijksche mis-sti-pendium en nu en dan eene toevallige vergoeding, wanneer zij in de plaats van anderen de geestelijke bediening waarnamen. Verscheidenen hadden wel een kerkelijk beneficium, maar de inkomsten waren niet toereikend tot een onderhoud volgens hun staat. Ook geschiedde het niet zelden, dat zg met hun gering inkomen eene moeder of eene zuster hadden te onderhouden. Voor deze allen meende de liefdevolle herder te moeten zorgen, en stelde hij eene toelage uit zijne inkomsten vast, die volgens den eisch der behoeften geëvenredigd was. Zoo gaf hij aan verscheidenen jaarlijks 30, 40, 50 dukaten en zelfs
58
nog meer. Indien zulke priesters of hunne moeders en zusters ziek werdea, zond hij zijnen kapelaan, om voor een geneesheer, voor geneesmiddelen en andere benoo-digdheden zorg te dragen, zonder daarom ook maar in 't minst iets van de gewone aalmoezen in te houden. Bij buitengewone gevallen en benoodigdheden voegde hij, indien de gewone aalmoes niet voldoende was, er nog immer volgens den eisch der omstandigheden iets bij.
Te Valencia leefde een arme priester, die nog buitendien zijne moeder en zijne zuster in zijn huis had, en onderhouden moest. Deze bevond zich in grooten nood; want wat hij door het mis-stipendium en andere omstandigheden in de kerk verkreeg, bedroeg dagelijks niet meer dan een reaal. Hij wist echter zijde te weven en bezat een weefgetouw in zijn huis. Als bij nu zijnen dienst in de kerk geëindigd had, arbeidde hij den overigen tijd zelfs des zondags aan zijn weefgetouw, en verdiende daarmee zoo veel, dat hij behoorlijk in den nooddruft van zich en zijne familie kon voorzien. Zijne naburen echter klaagden hem aan bij den aartsbisschop, dat hij hun een slecht voorbeeld gaf, wijl hij zijnen priestertoog aflegde, en als een leek er eene zijdenweverij op nahield, ja zelfs op zon- en feestdagen werkte. De H. Thomas bracht daartegen in tot zijne verdediging: is deze priester misschien arm, en zgn zijne kerkelijke inkomsten misschien niet voldoende tot zijn onderhoud? In dit geval had men geen reden om zich daaraan te ergeren, maar veel meer om daardoor gesticht te zijn, want ook de H. Paulus werkte met zijne handen, en verwierf zich en zijne begeleiders op die wgze het noodige onderhoud. Hierop liet hij de aanklagers gaan en ontbood den priester bij zich, en verzocht hem oprecht te zeggen, of hetgeen men tegen hem had ingebracht, waar was. De priester
59
gaf ten antwoord, dat het werkelijk zoo was; na het eindigen der kerkelijke dieasten besteedde hij den overigen tijd, ook de zondagen, met het weven van zijde; hij legde daartoe zijn geestelijk kleed af en gedroeg zich als een leek; ook sloot hij alsdan zorgvuldig de deur. In de kerk ontving hij dagelijks niet meer dan een reaal, en hiermeê en met het gewin van zijn weven onderhield hij zich en de zijnen. Dit was de zuivere waarheid. Alsdan omarmde hem de heilige en zegde: indien het mij veroorloofd was, zou ik die handen kussen, die zulk een werk van Christelijke liefde verrichten, en moeder en zuster voeden. Houd daarmede niet op, want gij bewijst daardoor God een grooten dienst. O mochten toch vele priesters, die, als zij de kerk verlaten hebben, rondslenteren en hunnen tijd verkwisten, zich liever naar huis begeven en zich met een handenarbeid bezighouden! Mochten toch zij, die geen handwerk verstaan, er een leeren, en het gewin, dat zy daaruit trekken, indien zij het niet voor zich zeiven behoeven, onder de armen uitdeelen! O hoe gezegend zou zulk eene aalmoes zijn. Ofschoon het u geoorloofd is, na volbrachten kerkdienst met geslotene deuren op zon- en feestdagen te werken, om uwe moeder en zuster te kunnen onderhouden, zoo verzoek ik u echter het niet op deze dagen te doen. Ik zelf zal u bijstaan en door mijne aalmoezen vergoeden, wat gij in dien tijd gewonnen zoudt hebben. Kom tot mij in 't begin van iedere maand, ik zal u telkens twintig realen geven. â Zoo dikwerf nu deze priester kwam, verheugde zich de heilige, en schonk hem met groote liefde den toegezegden onderstand, en verdubbelde dien zelfs op de feestdagen.
Wellicht zou iemand de laatste woorden des heiligen bevreemdend vinden. Men bedenke echter, dat het gebod, om op zon- en feestdagen niet te werken, volgens de
60
verklaring van Christus, niet verplichtend is, wanneer men in nood is, en bijgevolg ook wanneer de arbeid ten gevolge van bijzondere omstandigheden het eenige middel is, zijn eigen leven of dat zijner naaste bloedverwanten te onderhouden, en dan zorgt zooveel mogelijk alle ergernis en aanstoot te voorkomen. In dit geval bevond zich de gezegde priester.
( Wordt vervolgd )
ene moeder lag zes weken gekluisterd aan het ziek-bed. Op zekeren avond kwam haar tweede kind, een meisje van negen jaren, bij haar bed, en zegde: »moeder, de menschen zeggen van u, dat gij geduldig zijt.quot; Zou ik zulks dan niet zijn, antwoordde zij terstond. Zie, ik vind ook in het geheel geen reden tot ongeduld. Daar hangt een kruisbeeld. Dit leert mij, dat de Godmensch nog veel meer geleden heeft, dan ik een zondig mensch.
Ongeveer een half jaar later, toen de moeder weder in zooverre hersteld was, dat zij de huiselijke bezigheden kon verrichten, werd haar kind, dat vroeger een aller-levendigst en allervrolijkst meisje was, door eene zware ziekte aangetast. Na eenige dagen sloeg de ziekte op het hart en ontwikkelde zich eene hartkwaal. Met engelachtig geduld leed het kind zijne smarten. Op zekeren dag bezocht het eene tante. Liefdevol bewonderend zeide deze: gelijk ik zie, zijt gij een zeer lief, geduldig kind. »Moet ik dat dan niet zijn ?quot; antwoordde het meisje.
61
Onze Goddelijke Zaligmaker heeft nog veel meer geleden, ofschoon Hij nooit eenige zonde had gedaan.quot; Verrast en vol vreugde zag de moeder neder op haar allerliefst kind. Zij had dadelyk in dat antwoord hare eigene woorden erkend.
Upsl jsn cl lt;2 op^o^ding.
p^atfillen ouders hunnen kinderen eene goede opvoeding geven, dau moeten zij God bidden om het licht, de genade, de kracht, die daartoe noodig zijn.
Het is niet zoo gemakkelijk om in de tegenwoordige omstandigheden zijne kinderen te bewaren voor ongeloof en zedebederf, en ze te vormen tot brave Christenen. Het eerste, wat ouders hebben te doen , het is hulp af te smeeken in deze zoo moeilijke taak Moet men ooit eene taak aanvangen met een Veni Creator, dan is het wel de taak der opvoeding, daar zij de moeilijkste van allen is. Men moet die taak aanvangen met het gebed, voortzetten met het gebed, voleindigen met het gebed.
Ouders moeten niet slechts voor zich zeiven bidden, zij moeten ook bidden voor hunne kinderen. Zij moeten God smeeken om reeds spoedig hun verstand te openen en het te verlichten door het licht des geloofs, om hunnen wil te sterken door de genade, om hun hart te ontvlammen door de liefde. Want, om aan de lessen der opvoeding te beantwoorden , moet het kind begrijpen, willen en doen, en dit zijn gaven van God. Een allerschoonst voorbeeld van zulke biddende moeder, is de H. Monika,
62
die hare sterkte zocht bij God, en die niet ophield Gods hulp en barmhartigheid voor haren zoon Augustinus af te smeeken.
Doch ook het kind zelf moet leeren bidden, en het is de taak der moeder vooral, dit hare kinderen te leeren. De godsdienst is de grondslag van alle ware en boven-natuurlijke deugd. Zonder godsdienst en zonder gebed verwachte men geen bereidwillige gehoorzaamheid, geen krachtige zelfverloochening en beheersching zijner driften; geen geest van offervaardigheid, geen ware en vurige naastenliefde. Het gebed is de ontwikkeling, de beoefening, de bloei van het geloof, de hoop en de liefde, en deze drie Goddelijke deugden beheerschen hei geheele bovennatuurlijke leven. Het is dus van het hoogste gewicht, dat de moeder haar kind leere bidden. Want leert zij haar kind goed bidden, dan zal het godsdienstig zijn, en is het godsdienstig, dan zullen ook de andere deugden als van zelve wortel schieten in dien welbereiden grond.
Doch hoe zal eene moeder hare kinderen leeren bidden ? Zg moet daartoe zelf goed kunnen bidden. Indien zij zelf misschien hare gewone gebeden niet eens kent, indien zij ze wel kent, maar ze slechts weet te bidden met den mond, zonder eerbied, zonder aandacht, zonder hart, hoe zal zij dan haar kind leeren bidden, gelijk het behoort. Het kind, om goed te leeren bidden, heeft een voorbeeld noodig; en welk beter, schooner, invloedrijker en krachtiger voorbeeld kan zich bij het kind doen gelden, dan het voorbeeld eener Christelijke moeder. Wanneer het kind zijne moeder ziet en hoort bidden, zal het haar van zelf navolgen, «a indien zijne moeder daarbij aandachtig, eerbiedig, godvruchtig is, zal zijn gebed daarvan ook den invloed ondergaan.
De moeder zal haar kind leeren bidden, zoodra het
63
daartoe maar eenigzins vatbaar is. Zoodra het kind maar eenigzins begint te spreken, zal de moeder zijn spraakvermogen zoeken te heiligen, door het de zoete namen van Jesus en Maria op de lippen te leggen. De H. Au-gustinus getuigt, dat hij den aanbiddelijken naam Jesus van zijne moeder met de moedermelk in zich had opgenomen , en de liefde tot dien heiligen naam liet zich nog aan hem gevoelen in het midden zijner buitensporigheden. De Moeder zal zich beijveren om haar kind reeds spoedig het kruisteeken te leeren vormen, en zijn kinderlijk verstand daarbij doen denken aan Hem, Die om onze zonden, om ous te redden, gestorven is aan een kruis. De moeder zal het kind, wanneer het toeneemt in jaren, zijne verdere gebeden leeren, die het moet kennen volgens het voorschrift der H. Kerk. Zij zal zorgen, dat haar kind leert bidden des morgens om den dag God toe te wijden, des avonds om God te danken en hetgeen aan den dag ontbreekt te herstellen en te volmaken Zij zal het kind voor en na den maaltijd leeren bidden, om Gods zegen af te smeeken, en God te danken voor zyne gaven.
Op verdere jaren zal zij haar kind deu weg naar de kerk leeren, en het deze doen liefhebben als het huis des Heeren , als het huis des gebeds. Het moet leeren daar vooral aandachtig te zijn bij zijn gebed, wijl J.-C. daar woont in het tabernakel; eerbiedig te zijn, wyl het de tegenwoordigheid erkent van zijn Verlosser; met levendig geloof, met onbeperkt vertrouwen, met warme liefde zijn kinderhart uit te storten voor onzen lieven Heer. Zij zal het kind leeren daar vooral de ingetogenheid waar te nemen, en zich te wachten voor nieuwsgierigheid, rond zien, en verstrooidheid. Zij zal het naar stichting doen trachten door zijne eerbiedige en welvoegelijke houdiug, en door alles te vermijden wat stoornis kan verwekken.
64
En wanneer zij haar kind nu leert bidden, zal zij het tevens doordringen van de behoefte, die wij allen hebben aan het gebed. Zij zal het leeren bidden voor zich zeiven om verlichting bij zijne onwetendheid, om hulp bij zijne zwakheid, om liefde en kracht tot beoefening der deugd, om bescherming tegen lichaams- en zielsgevaren, om zegen en gezondheid, om al wat het behoeft voor zijn tijdelijk en eeuwig heil.
Zij zal het kind ook leeren bidden voor zgne ouders. Nooit moet er een dag voorbijgaan, zonder dat het kind van den Vader in den hemel zegen, hulp, bescherming, geluk afsmeekt voDr zijn vader en zijne moeder, die zijne grootste weldoeners zijn, die belast zijn met de zorg voor zijn geluk, die de plaatsbekleeders zijn van dien hemel-schen Vader.
Ziedaar voorzeker eene allerschoonste, eene allergewichtigste, eene allerheilzaamste taak weggelegd voor eene minnende en Christelijke moeder bij de opvoeding van haar kind. Zij volvoert de taak der apostelen , leert gelijk slechts eene moeder dat kan, haar kind de handjes vouwen, opzien naar den hemel en bidden; zij stort in dat hart eene kiem, die eens de rijkste vruchten van godsdienst en deugd zal dragen; zij stelt de ziel van haar kind in gemeenschap met God, met Christus, met zijne heilige Moeder, met de H. Engelen. Zij treedt in de zending der priesters en is niet zelden krachtiger werkzaam dan zg, om ware Christenen, verdienstvolle leden der Kerk, verhevene bewoners des hemels te vormen. Hoevele heiligen hebben hunne heiligheid te danken aan eene Christelijke moeder, die door hen vroegtijdig, met liefde, en standvastig te leeren bidden, den grondslag gelegd heeft van al hun godsdienstige en zedelijke grootheid!
Ijs orjzrljSKjSping in
p^LS'et zou vreemd schijnen, dat de ijverige wachters van ^ heiligdom te Genazzano en andere god-vruchtige vereerders van O. L. Vrouw van Goeden Raad, er na de inname vau Skutari geen werk van maakten om op de plaats zelf te gaan onderzoeken, of en waar en hoe, het beeld van 0. L. Vrouw van Goeden Baad daar verdwenen was. Maar wij moeten rekening houden met de omstandigheden. Vooreerst hadden de voornaamste Christenen Skutari verlaten , en waren de achtergeblevenen niet de meest ontwikkelden. Ten andere verkeerde het geheele land van Albanië in den toestand der hoogste verwarring. En eindelijk waren de Turken, die thans meester waren van de stad, geen lieden gunstig gestemd om de Christenen ten dienste te staan, vooral in een onderzoek, gelijk hier verlangd werd. Integendeel dweepziek als zij waren, zochten zij het Christendom uit te roeien door geweld en moord, door schatplichtigheid en slavernij, door over te halen, op welke wijze ook, tot den Islam. Een Christen, die zich gewaagd zou hebben, had het ergste te vreezen. Het was dus voor de Paters Augustijnen te Genazzano onmogelijk iets te vernemen aangaande de kleine kerk te Genazzano, waaruit het miraculeuze beeld vertrokken was.
Zoo bleef de toestand geruimen tijd Eindelijk omtrent het midden der vorige eeuw verzwakte de waakzaamheid, ofschoon nog steeds gestreng, toch eenigzins. De agent te Rome van de Katholieke missies in Albanië was alsdan in staat zeer belangwekkende mededeelingen omtrent deze zaak te doen.
5
66
Men vernam door hem, dat het volk van Albanië ni( alleen bekend was met het wonderbeeld, maar er nc altijd eene groote godsvrucht voor had. Zi] wisten allei dat het zijn oorspronkelijk heiligdom had verlaten. Vele hadden vernomen, dat het was heengegaan naar eene st£ van Italië. De herinnering aan hunnen laatsten konir en aan zyne godsvrucht tot dit beeld duurde steeds vooi Zelfs de muren van het kerkjen, waar het zich eens bi vond, werden als heilig beschouwd en werden, wannei de Turken het toelieten, door het landvolk der omlij gende streken godvruchtig in pelgrimstocht bezocht. Oc scheen het, dat geen macht der Turken in staat was d kerkjen in een moskee te veranderen, â een lot, d aan al de overige Katholieke kerken van Skutari te beu viel, â ter oorzake van bovennatuurlijke tusschenkomf Zij vermochten ook niet zijne bouwstoffen tot ongewij( doeleinden te gebruiken. Men geloofde zelfs, dat ve scheidene mirakelen en bovennatuurlijke gebeurtenissen zijn bouwvallen plaats grepen. De eerste inlichting( daaromtrent verschaft een stuk afkomstig van een Alb neesch edelman, de graaf en bevalhebber Stephanus Medi en werd gericht in 't jaar 1745, tot den heer gra Joannes Baptist Medin.
Dit bewijsstuk is openbaar gemaakt door de Orgio lt; werpt een aanzienlijk licht op het feit, dat het beel dat reeds zoo lang te Genazzano werd vereerd, ge ander is dan dat, waarvoor Georgio en de Sklavis l haddén uitgegeven, dat namelijk, hetwelk vereerd we door Skanderbeg en geheel Albanië.
Ziehier de vertaling van het stuk, gelijk het door M] Dillon in het Engelsch wordt aangegeven.
Kopie van een brief geschreven door den heer gri en bevelhebber iStephanus Medin op den 23sten Juli 17 aan den heer graaf Joannes Baptist Medin.
67
Wat betreft den last, dien uwe Hoogheid mij heeft opgedragen om te onderhoeken, of er in Skutari eenige kerk bestaat, toegewijd aan de allerheiligste Madonna, en of daarin eene nis wordt aangetroffen of eene plaats, waar men kon erkennen, dat er ooit een beeld was van de Madonna, bericht ik u het volgende: Voor zoover ik kon vernemen van de oudste bewoners der streek, personen , die alle geloof verdienen, zegden zij, dat er in de voorsteden van Skutari een kerk is, grooteudeels bouwvallig, die genoemd wordt de allerheiligste Boodschap, en waar voortdurend talrijke wonderen plaats grijpen, waarvan de voornaamste de volgende zijn. Hoe dikwerf ook de Turken deze kerk wenschten te veranderen in eene moskee, zij konden er nooit in slagen, want al wat zij bouwden bij dag, stortte telkens weder in bij nacht. Zoo menigmaal de Hosa of de priester der Turken poogde de muren te beklimmen, om door zijn geroep volgens hunne gebruiken het volk naar den tempel te doen komen, zoo menigmaal ontstond er plotseling een sterke wind en stortte de Hosa of priester daardoor neder in de rivier Bojana en verdronk. Eenige jaren geleden kwam de Mufti, hun voornaamste priester, in de gezegde kerk, en schond een heilig beeld, dat daar aan den muur hing, door zijne oogen te vernielen, en er uit smaad eenige kerven aan te geven. Toen hij te huis kwam, vond hij zeven personen van zijne familie dood, en hij zelf werd krankzinnig. Zoodanige mirakelen, die vroeger plaats grepen en nog steeds aanhouden , bewerkten , dat ofschoon de deuren van gezegde kerk dag en nacht open staan, de Turken niet meer beproefden, op eenige wyze gezegden tempel te onteeren, die bouwvallig is. Desniettemin ondersteunen twee balken, die schier geheel in de lucht hangen, een zeker gedeelte van het dak; ook hierin zien
68
wij eeu duidelijk wonder. Buitendien werd in den nacht van de allerheiligste Boodschap (des engels) een lamp gezien, die brandde voor het verlatene altaar. De plaats, waar het beeld der gezegende Maagd, dat er nu niet meer is, zich eens bevond, is zeker daar te zien; en (zooals wij weten door de overlevering) sommigen zeggen, dat dit heilig beeld werd weggenomen, anderen houden stellig vol, dat het zich uit zich zelf verwijderde.
Indien soms deze inlichtingen ontoereikende waren, laat het mij dan weten, en ik zal een verder onderzoek instellen, enz.
De heer Nikolaus di Antonio Cambsi, een edelman van Skutari, legde voor den agent van de Katholieke missies in Albanië het volgende getuigenis af:
In den naam van God. Amen. Ten einde de glorie van het wonderbeeld der allerheiligste Maagd Maria, genoemd van Goeden Raad, dat door een ontelbaren toeloop van volk in het beroemde district van Genazzano vereerd wordt, meer en meer kenbaar te maken enz.
Toen in het verleden jaar het octaaf der heiligverklaring van den H. Petrus Regolato werd gevierd, was daar ook tegenwoordig de heer Nikolaus di Antonio Cambsi, een edelman der stad Shutari en procurator van de 9 kerken, die in de nabijheid der genoemde stad ten dienste der apostolische missionarissen en bisschoppen door de propaganda daarheen gezouden, worden aangetroffen. Toen deze den hooggeëerden Heer Antonins Giuli Mondi, een Romein en burger van Genazzano, ontmoette, werd deze laatste, toen hij gezegden heer Nikolaus di Antonio in Albaneesch kostuum gekleed zag, door nieuwsgierigheid gedreven hem te vragen, van waar hij kwam. Doch daar hij geen Italiaansch kon spreken, gaf een geestelijke, die hem .vergezelde en als tolk optrad, ten antwoord.
69
dat hij kwam uit de stad Skutari. De gezegde geestelijke heette de heer Dom Gaspere Azuri. Hg zegde dat de bovenvermelde heer Nikolaus de hier volgende berichten mededeelde, gelijk hij, dezelfde heer Nikolaus, onder eed getuigt in het bijzijn der ondergeteekende getuigen. Hij verklaart alzoo, dat de kerk, waar oudtijds het bovenvermeld heilig beeld werd vereerd, voor dat de aangewezene stad in de handen der Turken viel, was en nog is gelegen buiten de stad, op een afstand van een halve Italiaansche mijl. Deze kerk wordt door de Katholieken in hooge eere gehouden om de overlevering, dat op den muur tegenover de deur of ingang, het heilig beeld was geplaatst, en dit des te meer, wijl de ledige ruimte waar het stond, duidelijk te erkennen is door schilderingen van zekere heiligen aan beide zijden. En dezelfde heer Nikolaus, toen hij eene kopie der H. Maagd van dezelfde grootte als het beeld van Genazzano had gezien, verzekerde , dat het nauwkeurig beantwoordde aan de ledige plaats op den muur, ofschoon deze gedeeltelik geschonden is door het ongeloof der Turken. De gezegde kerk, zegt hij, is in de macht der Turken, die aan de Christenen niet toestaan er binnen te treden.
Hij verklaart verder, dat de Katholieken derzelfde stad het als eene ware traditie beschouwen, dat den Turk, die eene hooge plaats bekleedde tusschen die ongeloovigen, met den titel in hunne taal van Effendia, deze kerk wilde veranderen in eene moskee om de nabijheid zyner woon. Hij klom er op bij middel eener ladder, ten einde de Turken saam te roepen, om daar volgens hunne leer quot;hunne godsdienstoefeningen te verrichten. Terwijl hij zulks deed, geraakte zijn hoofd in de war; hij begon te blaten als een geit. Zoo daalde hij af van de hoogte eu zag hij af van zijn voornemen.
70
Hij zegt eveneens, dat vóór slechts weinigen tyd een andere voorname Turk, Vegliado Zerde geheeten, om eene brug over de Bojana-rivier bij de kerk te maken, steenen van den muur der kerk durfde nemen, daarmede verschillende muilezels belaadde, en ze heen voerde naar de rivier. Ternauwernood waren de muilezels ontladen, of zij vielen dood. Desniettemin bleef hij zijn plan doorzetten. Hij deed de brug bouwen; maar toen zij voleindigd was, stortte zij ineen. Hierna bracht hij de steenen naar de kerk terug, waar hij, die deze verklaring aflegt, ze ongeveer drie jaren geleden bij de muren uog zag, ten tijde van zijn vertrek uit Skutari. Zoo groot is de vrees, die de Turken bezielt bij zulke feiten, dat zij zelfs eenige boomen 'bij eene andere kerk niet ver van de reeds genoemde niet willen aanraken.
Dezelfde heer getuigt bovendien, dat hij verscheidene malen van Katholieke bewoners in de nabijheid der kerk vernomen heeft, dat zij op zekere tijden met eigen oog des nachts een licht over de kerk zagen afdalen en daar op wonderbare wijze branden.
Hij verklaart verder, dat, terwijl genoemde kerk zonder dak boven hare muren is gebleven, het ronde gedeelte van het gewelf in de lucht blijft, dat het muurgedeelte dekt, waar de schilderingen der heiligen met de ledige tusschenruimte, van waar het heilige beeld zich onthechtte, zich bevinden. Hij verzekert ook, dat om al de vermelde redenen en feiten, de onderdanen van de doorluchtige Venetiaansche republiek en andere kooplieden deze muren komen vereeren, waar eens het zoo heilige beeld stond en dus openlijk de burgers gelukkig noemen, bij welke het vertoeft.
Hij, de heer Nicolaus verklaart, dat toen men hem vroeg van waar hg kwam, hij het Italiaansch niet kende,
71
noch verstond; maar dat hij thans genoegzaam heeft geleerd, en in het Italiaansch de bovengezegde verklaring heeft afgelegd en aan mij ondergeteekende heeft toegestaan deze geheele verklaring openbaar te maken, die hij zelf onderschreven heeft met eigen hand in het bijzijn van de mede-ondergeteekende getuigen den 9den Februari van het genoemde jaar 1748.
Was geteekend: Paschalis Regoli, Roomsch priester, en verder door Nikolaus di Antonio Cambsi uit Skutari, Nikolaus Maria Conto Piccini en Joannes Angelus Pas-quasmi.
Het onderzoek der laatste eeuw werd met grooter gemak en gevolg voortgezet door den ZeerEerwaarden Pater Belgrano van de orde der Paters Eremieten van den H. Augustinus, kapelaan van hare Majesteit , de keizerin weduwe van Oostenrijk en verscheidene jaren prior van het klooster te Genazzano. Monseigneur Radoja, generaal vikaris van Skutari en een pastoor derzelfde stad zonden hem een zeer belangrijk bericht over de kerk der boodschap, waaraan wij het volgende uittreksel ontleenen.
In de lente van 1878 begaven zich Mgr. Radoja en Pater Paschalis Junchi in gezelschap van den Apostoli-schen prefect der missies van Castrati naar eene plaats achter de vesting van Skutari, waar de bouwvallen eener kerk zich bevonden, welke de geloovigen als de over-blijfsels van de kerk der Madonna beschouwen. Deze heeren hadden bovendien een kundigen architect en een inboorling van Skutari, die goed met de geschiedenis zijns lands bekend was bij zich. De eerste indruk der bovwvallen was die van een gewoon huis, maar bij nadere beschouwing der innerlijke indeeliug zagen zij duidelijk, dat dit de bouwvallen waren, welke graaf Medin en de heer Cambsi reeds voor 130 jaren beschreven hadden.
72
De kerk scheen uit drie deeleu bestaan te hebben, waarvan het middengedeelte zich slechts weinig van de beide vleugels onderscheidde. Men bemerkte ook, dat zich in het midden van den muur drie nissen bevonden, waarvan de kleinste juist tegenover den ingang was geplaatst. De nis had juist de grootte van het beeld te Genazzano. De muren vertoonden nog overblyfselen van de roode verf, die ze eens bedekt had.
In de nabijheid der kerk naar den kant der vesting, lag een steen van den omvang eener groote medaille, waarop het beeld der allerzaligste Maagd met haar god-delijd Kind was uitgehouwen. Deze steen, die sedert onheugelijke tijden een voorwerp van vereering voor de Katholieken van Skutari was, werd in het jaar 1877 verwijderd, hetzij met booze inzichten, hetzij uit vrome hebzncht, dit is onbekend. Eene godvruchtige vrouw van Skutari verhaalde, dat zij bij haar veelvuldig bezoek der kerk dien steen telkens gekust had. Hij was vroeger geplaatst aan de buitenzijde van den muur, waarin de nis zich bevond, die eens het miraculeuze beeld behelsde. Verder verzekert deze vrouw, dat het aangezicht van de Madonna en van het kind op het beeld geleken, dat in de Kathedraal vereerd werd. Dit nu was eene getrouwe kopie van het miraculeuze beeld van Onze Lieve Vrouw te Genazzano.
Dat de beschrevene bouwvallen afstammen van de kerk, waar eens het wonderbeeld der Moeder van Goeden Raad zieh bevond, wordt niet slechts door de Christenen van Albanië, maar ook door de Turken geloofd. Ofschoon de Mahomedanen door het verlies bunner krijgsknechten zeer verbitterd waren, en alle teekenen der Christelijke godsdienst te Skutari vernielden, lieten zij echter de Christenen in het bezit van de kerk der verkondiging.
73
Tot op den dag van heden gaan vrouwen van eiken leeftijd en stand barrevoets ter bedevaart naar die kerk en bidden daar geruimen tijd voor de ledige nis. Ja zelfs een arme Turk, die reeds verscheidene jaren blind was, besloot de kerk te bezoeken en op zijne wijze daav te bidden. Drie dagen later zag hij weder, en men hoorde hem er zich op beroemen, dat hij de genade, waarom hij had gebeden, van de Madonna verkregen had.
Wij hebben gezien, hoe God hen bestraite, welke het heiligdom onteeren wilden. Bij de reeds aangevoerde voorbeelden kunnen nog de volgende gevoegd worden.
Eenige Turksche herders hadden besloten hunne kudden des nachts tusschen de muren te doen verblijven, ofschoon zij van verschillende zijden gewaarschuwd waren. Het gevolg was, dat de schapen den volgenden morgen de plaats niet konden verlaten, want zij waren aangetast door eene ziekte, die ze belette op te staan. Toen de herders hun leedwezen over hun verkeerd gedrag aan den dag hadden gelegd en God om vergeving hadden gebeden, hield de plaag op.
Vroeger stonden op de helling van den heuvel, waarop de vesting Skutari is gebouwd, vele bijzondere huizen van rijke Turken. In het begin dezer eeuw verlangde de regeeriug om krijgskundige redenen de verwijdering dezer gebouwen. Er bleven slechts weinige sporen van over, daar het bouwmateriaal voor openbare doeleinden werd benuttigd.
De muren der kerk daarentegen, welke nog eene aanmerkelijke hoogte hadden, mochten blijven bestaan, ofschoon dit materiaal voor de gebouwen der regeering geschikter ware geweest; liever liet men met groote kosten bouwsteenen van verre komen.
(Wordt vervolgd.)
Ipan dis d^sur Mn Hst ffi^aradijf.
it het leven van den H. Frauciscus Borgia ontlee-nen wij het volgende:
^ Eene dame te Valladolid liet dezen godvruch-tigen Jesuiet verzoeken bij baar te komen, want het moederhart werd haar uit het lichaam gereten; haar kind lag namelijk op sterven. Toen de heilige het huis binnentrad, lag het jongske, dat nog maar een jaar oud was, met geslofene oogen, met schier onmerkbaren polsslag , daar neder als dood. Zonder een woord te spreken, knielde de godvruchtige priester neder, en begon stil te bidden, waarbij zijn gelaat meer en meer ontvlamde. Toen hg uit zijne verrukking tot zich zeiven keerde, opende ook het kind de oogen, en bewoog zich weder. Franciscus Borgia zeide uu tot de moeder: gij moet God danken, Die u uw eenig kind thans nog laat. Doch het is eene dwaze liefde, die met bidden en^ranen van God een kind terug begeert, dat zich reeds aan de deur van het paradijs bevindt en dat nu daarvoor de gevaren van dit tegenwoordige leven moet ondervinden, en misschien daarbij zijn zielenheil verliezen.
De moeder antwoordde hierop: hoezeer ik ook mijn eenig kind en zijn leven liefheb, zoo bemin ik toch nog meer zijne eeuwige zaligheid. Ik offer het daarom op aan Gods Majesteit, Hij moge het kind sterven laten, indien dit er heil bij vindt. De heilige antwoordde: nu is het Gods wil, dat het kind in leven blijft, en het zal er geen nadeel bij ondervinden.
75
Werkelijk werd de knaap weder gezond, en leefde nog 1(5 jaren, maar zoo onschuldig en godvruchtig, dat hij zeker het eeuwig geluk des hemels verworven heeft.
(^ehe gohrnrjitigE irjitgpnaDte.
Een oude dappere generaal uit den tijd van het eerste keizerrijk was in den avond van zijn leven zeer godsdienstig geworden, zoodat hij in de week meermalen tot de heilige tafel naderde. Op zekeren dag vroeg hem een zijner vrienden, hoe hij toch na een in den krijg zoo veel bewogen leven tot eene zoo innige godsvrucht geraakt was. Hij antwoordde met de vrijmoedigheid van een soldaat: na den terugkeer iu mijn vaderland, liet mij God eene godvruchtige echtgenoote vinden Ik achtte haar geloof zonder het te deelen. Zij van haren kant sprak mij nimmer over God, doch ik las hare gedachten op haar gelaat. Wanneer zij bad in mijne nabijheid, of wanneer zij na de H. Communie zoo kalm, zoo zachtmoedig, zoo voorkomend en geduldig terugkeerde, dan was het mij, als zag ik een engel. Wanneer zij op kwistige wijze hare zorgen aan mij besteedde en mijne wonden verbond, scheen zij mg eene zuster van barmhartigheid. En zie! daar rees eensklaps in mij het verlangen op. God op dezelfde wijze te beminnen, als zij Hem beminde, en ik zegde tot haar: voer mij naar uwen biechtvader. Onder de leiding van dezen dienaar des Heeren en met de hulp der goddelijke genade ben ik geworden, wat mij thans zoo gelukkig maakt.
lt;v
H. JOSEPH,
Voedstervader van Jesus, Bruidegom van Maria,
bid voor ons.
llpalfzr l^braham 5?an öancla ^lara. Uittreksel van zijne lolrede op den H. Joseph.
braliam a Sancta Clara werd te Krahenheimstetten, een dorp in Zwaben bij Moskirch, dat thans tot het Groothertogdom Baden behoort, den 4den Juni 1642 geboren. Op twintigjarigen leeftijd trad hij ten jare 1662 in de orde der Paters Eremieten van den H. Augustinus. Hij verwisselde zijn familie-naam Ulrich Megerle met dien van Abraham a Sancta Clara. Hg onderscheidde zich als kloosterling in zijne orde, en bekleedde verschillende gewichtige bedieningen. Hij was achtereenvolgens Prior, Provinciaal en Definitor der pro-vincie. Toen hij in 1689 provinciaal was geworden, woonde hij iii deze hoedanigheid het algemeene kapittal zijner orde bij, eu predikte daar herhaalde malen.
Hij werd in het jaar 1669 benoemd tot keizerlijk prediker aan het hof te Weenen, en stierf daar den lsten December 1709 als lieveling van alle standen. Als prediker verwierf hij zich een grooten, doch eigenaardigen roem. Hij had dien te danken vooral aan zijne groote kennis en belezenheid, zijne overvloeiende en levendige geestigheid en zijne onuitputtelijke vindingsgave. Hij is vooral rijk in vergelijkingen, woordspelingen en toepassingen. Hij zocht daarbij echter meer het frappante dan het schoone, en ontzag zich niet in trivialiteiten te vervallen, indien hij er effect mee kon maken. Zijne leerredenen en geschriften laten daarom zeer veel te wenschen over, wat betreft den goeden smaak, doch onder het boertige uiterlijk
78
schuilen dikwerf eene menigte diepe gedachten, fijne zielkundige bemerkingen en indrukwekkende en verrassende
~ o
leeringen. Hierbij bezat hij eene fiere vrijmoedigheid, en geeselde onverschrokken de ondeugden ook der voor-naamsten, en had den takt om de gebreken zijner Weener toehoorders, zonder ze te stooten, allerkrachtigst aan de kaak te stellen.
Een zijner schoonste redevoeringen is de lofrede, die hij als keizerlijk prediker hield op den H. Joseph, toen deze door het keizerlijk huis tot beschermer en patroon over geheel Oostenrijk was aangewezen. Hier schittert Pater Abraham a Sancta Clara in al den rijkdom en in al de eigenaardigheid van zijn vernuft. Ziehier de inleiding en verder eenige uittreksels van deze lofrede, die gehouden werd op den 12den Mei 1675 voor het keizerlijk huis, voor den adel en voornamen des rijks, voor de geestelijkheid en het volk. Zij zal tevens voedsel schenken aan onze godsvrucht tot den H. Joseph in deze maand hem toegewijd.
Ex omnibus florihus or his elegit sibi lUium.
Uit al de bloemen der wereld heeft hij zich eene lelie gekozen. esür. iv.
Vrede- vreugde- liefde- lof- schat- schut- genade- en troostrijk nieuws kondig ik u allen aan, van God gezegende erfkronen en erfprovinciën van het allerdoorluch-tigste huis van Oostenrijk. Gij weet ongetwijfeld, dat de Katholieke, Apostolische, Roomsche, bloeiende, regee-rende, alleen zaligmakende Kerk met een schoonen scha-duwrijken bloemenhof vergeleken wordt, die de uitverkorene hovenier, genaamd Jesus van Nazareth, (1) met zijn kruis omgraven, met doornen omzoomd en overvloedig
(1) Nazareth beteekent bloemenstad.
79
rijk geheel met zyn eigen bloed bevochtigd heeft. Van daar is het geen wonder, dat uit een zoo vlijtig bebouwden tuin zoo veel schoone welriekende bloemen zijn ontsproten.
In dezen hof der Katholieke Kerk is gewassen, heeft gebloeid en gegeurd de schoone Sleutelbloem Petrus. Hem geldt deze lof:
Met allen roem als sleutelbloem
Siert Petrus deze gaard;
Men is het loon van 's hemels woon Slechts door dien sleutel waard.
In dezen tuin der Roomscbe Kerk is gewassen, heeft gebloeid en gegeurd de welsmakende bloem Eereprijs Paulus, op wien wij deze woorden mogen toepassen: Deez' eereprijs kan op geen wijz'
Gansch de aard genoegzaam schatten;
Wijl Christus' eer door Paulus' leer Al 't menschdom moet omvatten.
In dezen tuin der Apostolische Kerk is gewassen, heeft gebloeid en gegeurd het bekoorlijk bloempje: hoe langer hoe liever, Joannes de evangelist, de geliefde leerling van Christus, waarop het volgende slaat:
Dit bloempje prijkt met geur verrijkt,
Hoe langer steeds hoe liever;
Want zie! het biedt, steeds naar het biet.
Zijn God meer trouw en iever.
In dezen tuin der alleen zaligmakende Kerk is gewassen, heeft gebloeid en gegeurd de aangename Majoraan Joannes de Dooper, gelijk de Heer zelf hem noemt: non sur rexit major. Van hem kunnen wij zeggen:
Reeds groeit hij aan de majoraan
In 't eenzaam somber woud;
Nog schooner is hij bloeiend wis.
Waar hij de zon aanschouwt.
80
In dezen tuin der altijd bloeiende Kerk is gewassen, heeft gebloeid en gegeurd de schoone Ridderspoor, de H. Ridder Georgius.
Als Ridderspoor trad edel voor
Georgius in 't strijden;
Een bloem, gezaaid en weggemaaid Door dapp'ren dood en lijden.
In dezen tuin der altijd regeerende Kerk is gewassen, heeft gebloeid en gegeurd de welgevallige Lavendel Maria Magdalena, die al hare kracht en haar sap aan hare boetvaardige tranen ontleende.
Lavendel kruid, dat weeldrig spruit,
En allerzoetste geuren heeft,
Is 't beeld der vrouw, vol liefde en rouw, Die Jesus kostbren balsem geeft.
In dezen tuin der Katholieke Kerk is gewassen, heeft gebloeid en gegeurd boven alle anderen als Koningin der bloemen de allerschoonste en liefelijke Roos, Maria rosa mystica, eene roos zonder den stekenden doorn der erfzonde, eene roos zonder eenige verwelking: rosa non arrom, eene roos, waaruit de hemelbloem Christus den honig zijner menschheid heeft genomen, eene zoo lieftallige roos, dat reeds lang van haar is gezongen:
Er is een roos ontloken, die haren oorsprong nam, God had weleer 't gesproken, uit Jesse's eedlen stam. In dezen tuin der Katholieke Kerk zijn ontelbaar meerdere bloemen gewassen en ontsproten, die allen in den eeuwigen hof van bet paradijs bloeien en geuren Iloe veel schoone viooltjes der patriarchen, hoeveel schoone zonnewenden van H. Profeten, hoeveel schoone tulpen van H. Apostelen, hoeveel schoone welgemoed van II. Martelaren, hoeveel schoone dag- en nachtbloemen van H. Belijders., hoeveel schoone witte narcissen van H. Maag-
81
den, hoevele schoone vergeet-mij-nieten van H. Weduwen, hoeveel schoone goudbloemen van H. Echtgenooten bloeien daarin den eeuwigen bloemenhof, die, bestraald als zij zijn door de Goddelijke zonnestralen, in eeuwigheid niet zullen verflensen of uiteen vallen!
Een vreugderijk nieuws verkondig ik het gansche rijk en zijne erflanden. Uit al deze schoone bloemen heeft Leopold den 12den dag der bloemenmaand Mei in het jaar 1665 door ingeving Gods, met goedkeuring des hemels, met toejuiching der engelen, met vreugde des volks, met groote voldoening zgns harten eene sneeuwwitte lelie, den H. Joseph eer- en pleegvader van J.-C. uitverkoren en gesteld tot een algemeenen Beschermer van u allen. Gelijk de natuurkundige Pliuius heeft opgeteekend, dat, waar de koningin der bijen heen vliegt, zij dadelijk door de overige bijen gevolgd wordt, zoo ook, waar Leopoldus onze allergenadigste koning en Heer zich met vlammenden ijver op de Josephinische lelie werpt, en er het overvloedige sap der genade hoopt uit te puren, verheft u met hem alle gij van den hemel gezegende erflanden en zegt eenparig: curremus in odorem: ijlt naar den zoeten geur van deze hemelsche lelie Joseph; zingt en juicht, roept en schrijft: vivat Joseph! vivat!
Zoo wel door het zeggen van den opmerkzamen Plinius als door eigene aanschouwing is het u allen bekend, dat eene welgevormde lelie door hare witte kleur zelfs de sneeuw overtreft. Indien nu eene bijzondere kleur eene bijzondere beteekenis heeft, dan beteekent de witte kleur onder de deugden de reinheid, de zwarte de nederigheid, de groene de hoop, de roode de liefde. By de jaarge-tijden wijst de groene kleur op de lente, de roode op den zomer, de blauwe op den herfst, de witte op den winter. Wat den leeftjjd aangaat, is de witte kleur het
6
82
beeld der kindsheid, de groene dat der jeugd, de blauwe dat der mannelijke jaren, de zwarte dat van den ouderdom. Bij de elementen beduidt de roode kleur het vuur, de blauwe de lucht, de witte het water, de groene de aarde. Bij de edelgesteenten speelt de blauwe in den turkoois, de groene in den smaragd, de witte in den diamant, de roode in den robijn. Wijl nu alle kleuren zoo schoon en schitterend zijn, daarom wil de vrome nieuwsgierigheid weten, welk eene kleur aan God het anngenaamste is, of welke liverei God in geene wereld schenkt aan zijne hovelingen. Wie het laatste hoofdstuk van den H. Mattheus oplettend doorleest, zal spoedig vernemen, dat de witte kleur bij God de liefste en aangenaamste is. Want toen de gezegende Heer met zijne drie geliefde leerlingen den berg Thabor besteeg, en daar eene flauwe schemering zijner glorie vertoonde, werden zijne kleederen wit als sneeuw en op dezelfde wijze zullen al zgne uitverkorenen in den hemel gekleed zijn. Toen dan ook Magdalena na Christus opstanding twee engelen aantrof bij het graf, aanschouwde zij hen gesierd met een wit gewaad. Ook vergelijkt Christus onze God zich bij een wit lam, waarom de zaligen in de heerlijkheid zich zullen scharen. Wijl God dus het meest behagen schopt in de witte kleur, daarom heeft Hij den H.«Joseph, die sneeuwwitte lelie van maagdelijke reinheid en reine maagdelijkheid, tot echtgenoot en bruidegom aan Maria, zijne maagdelijke Moeder geschonken: Joseph autem vir ejus. Deze verloving is bekrachtigd in den raad der allerheiligste Drievuldigheid, waar besloten werd, aan Maria de van eeuwigheid verkorene Moeder Gods geen anderen bruidegom te schenken dan Joseph, die door zijne reinheid schittert als een sneeuwwitte lelie.
83
Even als de allerheiligste Drievuldigheid het huwelijk het eerst en het volmaaktst heeft ingesteld ia het paradijs tusschen twee personen aan elkander gelijk: Adam en Eva, en hij hunne schepping sprak: laten wg hem eene hulpe maken hem gelijk; zoo ook heeft God gewild, dat in dit heilig huwelijk eene volkomene gelijkheid zou bestaan tusschen Joseph en Maria. Wijl Maria een sieraad en pronkstuk was aller reinheid, wijl zij was een glans en krans aller maagdelgkheid, wijl zij een beeld en schild was aller vlekkelooze schoonheid, wijl zij met een woord was eene onbesmeurde lelie: simt hlium inter spinas, sic arnica mea, heeft God uls eenen, die haar als witte lelie gelijkvormig was, den H. Joseph verkoren. Gelijk het paste, zegt Gerson, dat Maria zou schitteren door eene zoo groote reinheid, als er beneden God geen grootere kan gedacht worden, heeft Hij gewild, dat de H. Joseph door een dergerlijk voorrecht zoude uitmunten. De groote leeraar van Milaan, de H. Ambrosius, schrijft iets wonderbaars over de sterre, die aan de drie Oostersche koningen den weg naar Bethlehem toonde; hoe zij namelijk, na het bereiken barer beste raming, daar in een diepe bron is neergezonken, en tot op den dag van heden door niemand gezien is, dan door onbevlekte maagden Indien dus God deze ster zoo hoog achtte, dat Hij haar niet wil laten aanschouwen, dau door maagdelijke oogen, hoeveel te meer zal God dan bezorgd geweest zijn voor Maria, die in de Lorettaansche litanie genoemd wordt de sterre der zee. Ja, veel meer zal Hij verlangd hebben, dat niemand dan de allermaagdelijkste en allerreinste Joseph, als haar bruidegom Maria zoovele jaren zou aanschouwen , zoo langen tijd met haar zou verblijven, zoo vele jaren hare tegenwoordigheid zou genieten.
84
De leliebladen hebben dit aan zich, dat zij in- en uitwendig wit zijn. Zoo was ook de H. Joseph geheel blank en rein, in- en uitwendig blank en rein in het hart, wyl dit niets anders was dan een troon van God; blank en rein uitwendig naar het lichaam, dat vrij was van de begeerlijkheid der erfzonde, zooals Gratianus en Gerson aannemen; blank en rein i.aar den wil, wijl hij niets anders dan zijne reinheid en die zijner bruid begeerde; blank en rein in de oogen, die twee allerschoonste smettelooze spiegels waren, waarin zich de reinheid vertoonde; blank en rein was hg in het verstand, wyl hij in 't geheel niet wist, wat men niet moet weten. Met één woord is het kristal rein, is het goud rein, is de sneeuw rein, is de bron rein, is de spiegel rein, is een engel rein, nog reiner, nog blanker is geweest de H. Joseph, die reine lelie, die tot zeker punt gelijkvormig was aan de reinheid zijner gezegende bruid.
In de witte lelie toont ons de natuur zes gulden stuifmeelzakjes, die aan tengere draden hangen, en, omdat zij in den ronde zijn geplaatst, den vorm eener gouden kroon hebben, waarom de lelie ook flos regius, konink-Igke bloem wordt genoemd. Uok zulke schoone gouden kroon droeg de Josephinische lelie, en deze kroon was Maria zijne gezegende echtgenoote. Dit toch bevestigt ons de wijze Salomon door zijn spreekwoord: muiier diligens est corona viro, eene vlijtige vrouw is eeu kroon voor haren man................
Joseph bekwam door de verordening des H. Geestes, toen er een witte duif uit zijn wonderbaar bloeienden staf in den tempel verscheen, eene gansch gouden met edelgesteenten ingezette kroon, Maria: Muiier diligens corona viro. De hemel had het zoo besteld, dat hij een timmerman de edelste der vrouwen tot echtgenoote zou
85
verkrijgen, Maria, de koningin des hemels, de koningin der aarde, de koningin der menschen, de koningin aller schepselen, de Dochter van God den Vader, de uitgele-zene Moeder van God den Zoon, de Bruid van God den H. Geest, een kunststuk der goddelijke Almacht, een meesterstuk der goddelijke Wijsheid, een proefstuk der goddelijke Liefde. 0 welgelukzalige Joseph aan wien Maria zijne echtgenoote tot een gouden kroon geweest is!
Alle witte leliën hebben dit gemeen, dat zij voortspruiten uit een bol, die den vorm heeft van een hart. Niet minder was de H. Joseph in dit heilig huwelijk met Maria één hart om de innige liefde, die hij haar toedroeg. Corona Cor nnum..............
Er wordt zeldzaam eene bloem aangetroffen, die zoo hoog opwast als de lelie. Joseph wordt vertolkt accres-cens, dat is opwassend. Hoe hoog deze Josephinische lelie in waardigheid en macht is opgewassen, werd misschien beter door stilzwijgen dan door woorden afgemeten. Het is gewis bekend, dat God aan iederen mensch op aarde een bijzonderen schutsengel heeft geschonken, om hem steeds ten gids en ten geleider te zgn en hem uit de gevaren van lichaam en Tan ziel te redden. Dit is eene Christelijke waarheid; doch ik vraag u, verstandige God- en Schriftgeleerden, of Christus als mensch even zoo een bewaarengel heeft gehad. Want daar Hij zich vrijwillig aan de menschelijke ellenden, koude, honger, dorst heeft onderworpen, is het dan wel onpassend aan te nemen, dat Hij zich aan een schutsengel heeft toevertrouwd , wel niet aan eenen, gelijk de menschen hebben, uit het laagste koor der engelen, maar aan eenen uit de hoogste rangen, die het allernaast Gods Majesteit nabij komen? Daar antwoordt de H. Thomas van Aquino, dat Christus onze Heer geen beschermengel heeft gehad. Wijl
86
een schutsengel is boven hem dien hij beschut, en Christus ook als meusch geeu engel boven zich heeft, maar Hij het hoofd is aller engelen, zoo was het niet mogelijk, dat Hij een schutsengel had. Desniettemin was Joseph de schutsengel, de schutsheer van Christus. Hieruit volgt zonneklaar, dat, wijl Christus geeu schutsengel heeft uitverkoren, omdat Hij er geen boven zich had. Hij door Joseph tot zijn schutsengel te verkiezen, hem boven alle engelen, ja boven Zich heeft verheven. Defensio Messiae, educatio Salvatoris sunt propriet at es supra Christum.
Zoo was dus Joseph een engel, wel niet volgens de natuur, maar in wandel en heiligheid; ja nog meer dan een engel, wijl aan dezen de reinheid is ingeschapen, Joseph ze daarentegen heeft verdiend. Hij was een aartsengel , niet volgens de natuur, maar volgens waardigheid, wijl hij toegevoegd was aan de Koningin der engelen. Hij was meer dan een aartsengel, wijl deze slechts een gezant en bode van God is hier op aarde, maar Joseph de Vader en pleegvader is van Gods Zoon Hij was een Cherubijn, niet naar de natuur, maar door genade en voorrecht, wijl hij volgens het vermoeden der leeraars meermalen op aarde (in Christus) de Godheid heeft aanschouwd ; ja hij was meer dan een Cherubijn, wijl deze God slechts ziet en aanschouwt, Joseph Hem echter ook heeft gedragen, omhelsd en gekust. Hij was een Serafijn, niet naar de natuur, maar door de vlammende liefde, want hij heeft Christus zijn pleegzoon met zoo hevige liefde bemind, dat, hadde Gods Voorzienigheid het niet belet, hg door die brandende liefde geheel verteerd zou zijn. Hij was meer dan een Serafijn, wijl deze zijne liefde slechts bezit in den geest, Joseph echter ze aan den dag legde in den geest en in het vleesch. Hij was als engel eene macht niet volgens de natuur, maar door zijn gezag
87
wijl hi] heerschte over Maria en Christus, ja meer dan eene macht, omdat deze slechts het gezag voert over schepselen en aan Joseph zelfs de Schepper gehoorzaamt.... Heeft derhalve de wereld wel zoo hooge lelie gezien, als deze Josephinische lelie is opgegroid, daar Joseph boven de engelen, de aartsengelen, de Cherubijnen, de Serafijnen, de Krachten, de Machten, de Tronen, de Patriarchen en Profeten, de Apostelen, de Martelaars, de Belijders, de Maagden boven alle heiligen is verheven. Hij was op aarde boven Maria. Zij noemde hem haren heer
en hoofd; zij bad hem; hy gebood haar..... Ik weet
niet, waarover men zich meer verwonderen moet, over de nederigheid van Christus, den eenigen Zoon van God, die zich onderwerpt aan een timmerman of over de verhevenheid van Joseph, aan wien Gods Zoon gehoorzaamde.... Aan Josuë gehoorzaamde de zon.. .. Op Moses bevel
sprong water uit de steenrots..... Maar wie is hij, aan
wien de Allerhoogste, de Allerheiligste, de Allerrijkste, de Allerwijste, de Allergrootste in den hemel en op aarde onderdanig is ? Het was Joseph; et erat subditus illis.
|jz kun^t om gelukkig IfZ worden.
t beroemde Taulerus, een uitstekend priester, ivenschte grooten vooruitgang te maken in de iengd, en, daar hij in zijne nederigheid zich niet op zijne eigene inzichten liet voorstaan, bad hij acht jaren lang innig en nederig tot God, hem een zielbe-stuurder te zenden, die hem den kortsten en zekersten weg om aan God te behagen, zou toonen. Toen hij nu op zekeren dag dit verlangen met meer vurigheid dan gewoonlijk had opgewekt, en met vernieuwden ijver God om verhooring smeekte, riep hem plotseling eene stem toe: ga! en op de treden, die naar de kerk voeren, zult gij hem vinden, dien gij zoekt. beroemde Taulerus, een uitstekend priester, ivenschte grooten vooruitgang te maken in de iengd, en, daar hij in zijne nederigheid zich niet op zijne eigene inzichten liet voorstaan, bad hij acht jaren lang innig en nederig tot God, hem een zielbe-stuurder te zenden, die hem den kortsten en zekersten weg om aan God te behagen, zou toonen. Toen hij nu op zekeren dag dit verlangen met meer vurigheid dan gewoonlijk had opgewekt, en met vernieuwden ijver God om verhooring smeekte, riep hem plotseling eene stem toe: ga! en op de treden, die naar de kerk voeren, zult gij hem vinden, dien gij zoekt.
Taulerus gehoorzaamde en verliet zijn huis. Doch op de aangewezene plaats zag hij niemand dan een armen bedelaar, die armoedig en met lompen gekleed, barrevoets daar stond, en veeleer geschikt scheen het medelijden der voorbijgangers op te wekken, dan hen in het inwendig leven te onderrichten. Desniettemin sprak Taulerus hem aan en wenschte hem een goeden dag.
Ik dank u voor uwen groet, sprak do bedelaar; echter kan ik mg niet herinneren, ooit een slechten dag gehad te hebben. Best, hernam Taulerus; dan wensch ik u toch, dat God u bij de goede dagen, die ge steeds hebt, verder alle mogelijk geluk voege. Ik dank u, antwoordde de bedelaar. Weet echter, dat ik nooit ongelukkig geweest ben en dat mij in mijn gansche leven nog geen ongeluk is overkomen. Moge God u geven, zegde Taulerus geheel
89
verwonderd, dat gij ook de eeuwige zaligheid met vurig verlangen moogt verwerven. Maar 'k moet erkennen, dat de zin uwer woorden mij niet recht duidelijk is. â Gij zult u nog meer verwonderen, hervatte de bedelaar, als ik u zeg, dat ik steeds gelukkig was en het nog ben. Ik erken, zeide Taulerus, dat uwe woorden ruij verwonderen en mij raadselachtig zijn; wees echter zoo goed en verklaar u nader.
Toen sprak de bedelaar: ik heb u gezegd, dat ik nog nooit een slechten dag heb gehad. Want onze dagen zijn dan alleen slecht, wanneer wij ze niet gebruiken om door onze gehoorzaamheid aan God de verschuldigde eer te geven; zij zijn echter altijd goed, indien wij ze wijden aan de verheerlijking en den lof van God, en dit vermogen wij steeds met Gods genade, overkome ons wat het ook zij. Ik ben, gelijk gij ziet, een arme, kranke bedelaar, die geen onderhoud, geen te huis heeft, die alleen door de wereld gaat en overal veel ellende heeft te dragen. Lijd ik nu honger, wijl niemand mij iets geeft, dan prijs ik God. Ben ik zonder dak, blootgesteld aan hagel, regen en wind, verstijven mijne leden van koude, wijl mijne weinige lompen mij daarvoor niet bewaren , dan dank ik God daarvoor. Verachten mij de menschen, omdat ik arm en ellendig ben, dan loof ik de Goddelijke Majesteit daarvoor. Met één woord, wat mij ook hards en ongenaams gebeure, hetzij de menschen mij vriendelijk opnemen of door bitse woorden beleedigen, het geeft mij alles aanleiding om God te loven. Mijn wil blijft steeds in alles met Gods wil vereenigd, en voor alles prijs ik zijn heiligen naam. Zoo is elke dag voor mij een goede dag; want geen wederwaardigheden noch lijden bezorgen ons slechte dagen Waarom anders zijn wij ongeduldig, dan omdat onze wil zich verzet, in plaats
90
van zich te onderwepen en God steeds naar krachten te loven en te prijzen.
Ik heb u verder gezegd, dat ik nog nooit ongelukkig ben geweest en mij gedurende geheel miju leven geen ramp is overkomen, en gij zelf zult oordeeleu, of ik daarmede waarheid gezegd heb, ja dan neen. Alle menschen toch achten zich gelukkig, indien de dingen hun zoo goed gaan, dat zij ze niet anders wenschen. Mij echter, gelijk ik hier ben, valt dit geluk immer ten deel. Dit verwondert u; desniettemin is het waar. Gij weet, dat niets ons overkomt zonder Gods wil, en dat wat Hij wil immer het beste voor ons is. Daaruit volgt, dat ik mij immer gelukkig moet achten, God moge dan beschikken wat Hij wil. En waarom zou ik mij dan niet gelukkig achten, daar ik weet, dat alles wat geschiedt, het nuttigste en heilzaamste voor mij is? Taulerus, vol bewondering over de hooge wijsheid dezes bedelaars, verzocht, dat hij hem nu ook zou mededeelen hoe hij deze grondbeginselen, die hem zoo gelukkig maakten, in beoefening bracht. Ik leef, was het antwoord, als een kind met zijn teerbeminden Vader. Ik vergeet nooit dat deze al wijze en almachtige Vader zeer goed weet, wat voor zijne kinderen het beste is en het hun steeds geeft. Nu moge, hetgeen mij overkomt, mijne zinnelijke natuur kwellen of streelen, het moge voor de oogen der menschen roemvol of vernederend zijn, het moge bitter of zoet, der gezondheid voor-of nadeelig zijn, ik neem het aan met de volle overtuiging, dat het op dat oogenblik het beste voor mij is, en ik beu daarmeê tevreden. daar niets anders mij gelukkiger zou kunnen maken. Zoo is alles zonder uitzondering een geluk voor mij, en voor alles dank ik den lieven God.
Maar gij hebt mij nog gezegd, hernam Taulerus, dat gij zalig zijt, hoe verstaat gij dat? Ja, zegde de bedelaar,
91
gewis is hij zalig, wiens wil immer en in alle dingen in vervulling gaat, en wiens wenschen immer bevredigd worden. Zeker kan geen menscli, zoolang hij hier op aarde leeft, deze gelukzaligheid volkomen eilangen. Dit is het lot der heiligen in den hemel, wier vereeniging met Gods heiligen wil de hoogste volmaaktheid bereikt heeft. Weet echter, dat wij geroepen zijn, reeds hier op aarde daaraan deel te nemen, en wel door de gelijkvormigheid van onzen wil met den Goddelijken wil. Aan den wil, die steeds wil, wat God wil, komt nooit iets verkeerds in den weg. Al zijne wenschen stemmen overeen met Gods welbehagen, en moeten daarom steeds onfeilbaar in vervulling gaan. Hij is bijgevolg zalig en deze zaligheid geniet ik. De wil van God maakt mijn gansch geluk en mijne gansche vreugde uit.
£l£we Palmzondag, waarmede de kerk de lijdensweek aanvangt, herinnert ons de volgende gebeurtenis.
Het was de 10lt;le Nisan, wanneer het lam, dat met het Paaschfeest geslacht moest worden, werd ingehaald. Op den 10den dag dezer maand, zoo had God in de oude wet verordend, neme een ieder voor zijn gezin
en zijn huis een lam..... Dit lam zal zijn zonder vlek
en gij zult het bewaren tot op den 14deudag dezer maand. Dan zal de geheele menigte van Israëls kinderen het des avonds slachten. â Ja, deze dag was een ware vreugedag,â en de vaders der verschillende gezinnen, vergezeld van
hunne kinderen, gingen alsdan uit Jeruzalem's verschillende omstreken de sneeuwwitte lammeren afhalen om ze getooid met palm en olijftakken onder vrolijk gejuich de poorten der stad binnen te drijven. Doch vooral moest heden het Paaschlam der nieuwe wet bereid en ingehaald worden, Jezus was dat zachtmoedige Lam door Isaïas aangekondigd, het vlekkelooze Lam, door Joannes aangewezen, Dat Goddelijke Lam ging door zijn zoendood de zonde der wereld wegnemen. Geljjk het oude Paaschlam door zijn bloed de eerstgeborenen van Israël tegen den slaanden engel beveiligde, zoo zou het Paaschlam der nieuwe wet door het vergieten van zijn bloed het nieuwere Israël van den eeuwigen dood en de slavernij des duivels verlossen. Daarom moest het even als zijne voorafbeelding op dezen dag met vreugde, met gejuich, met plechtigheid, met palm- en olijftakken worden ingehaald. De palm met zijn rijzigen stam, zijne sierlijke bladen, zijne trotsche kroon is het zinnebeeld van overwinning en zegepraal, De olijfboom met zijn liefelijk en zilvergroen lover en zijne weldadige vruchten is het zinnebeeld van den vrede,
Jesus verliet dus des Zondags morgens het geliefde Bethanië, waar Hij bij Lazarus, Martha en Maria den Sabbath had doorgebracht, en besteeg met zijne apostelen de oostzijde van den Olijfberg. Deze berg heeft drie kruinen en tusschen den zuidelijken en den middelsten dezer bergtoppen loopt het pad, dat van Jeruzalem naar Bethanië en Jericho voerde. Dit werd door den Heer gevolgd, terwijl hij met zijne apostelen den weg naar Jeruzalem insloeg.
Al spoedig was de Heer met de zijnen uit het rotsdal, waar Bethanië ligt, opgestegen tot nabij de plaats, waar de weg zich in tweeën scheidt. Hier nog aan de oostzijde
93
van den Olijfberg ligt een klein vlek, naar de vijgen-plantingen , die er zich bevonden , Bethphage of vijgenhuis genoemd In de nabijheid dezer plaats gekomen, riep Jesus twee zijner apostelen (Petrus en Joannes?) tot zich, en gelastte hun eene ezelin en een veulen, die zij aan den ingang van het vlek zouden vinden, los te maken en tot zich te brengen. Mocht iemand hen daarin bemoeilijken , dan hadden zij slechts te antwoorden, dat zij zulks deden op last van den Heer, Die ze noodig had. De apostelen gehoorzaamden en brachten het veulen en dezes moeder tot Jesus. De Zaligmaker nam nu plaats op het veulen, waarover de apostelen hunne overkleederen hadden gespreid. En nu ging zich vervullen de schoone profetie door Zacharias reeds vijf eeuwen vroeger gedaan: zegt aan de dochter van Sion: zie! uw Koning komt tot u, zachtmoedig gezeten op eene ezelin en een veulen, het jong eener jukdragende.
Jesus dus neergezeten, sloeg langs de westelijke helling van den Olijfberg den weg in naar Jeruzalem. Eene talrijke menigte was Hem gevolgd uit Bethanië en groeide gedurig aan door degenen, die uit de stad Hem tegemoet stroomden. Meer en meer werd de geestdrift opgewekt voor den grooten Zoon van David, Die Lazarus had doen herleven. Ook zij wierpen als om strijd hunne overkleederen op den weg tot een tapijt voor Hem uit, om te toonen hoe zij Hem alles ten ofier wilden brengen. Juichend hieuwen zy takken van de olyf- palm- en vijgen-boomen, die binnen hun bereik waren, en strooiden ze met blijde liefde op zijn pad. Zij wuifden met palm- en olijftakken in de hand, om aan den zegepralenden intocht van Israels grooten Weldoener vreugdevoilen luister bij te zetten. Zoo kwamen zij aan de nederdalende helling van den Olijfberg, en zie nu begonnen de scharen, die Hem
94
tegemoet waren gesneld en Hem voorafgingen, en tevens die, welke uit Bethanië Hem volgden, met Inide stem te juichen en God te loven over al de wonderen, die zij hadden aanschonwd. Hosanna den Zoon van God! zongen zij. Gezegend zij de Koning, Die komt in den naam des Heeren! Gezegend het rijk van onzen Vader David, dat daar komt! Vrede in den hemel en heerlijkheid! Hosanna in den hooge!
De Palm-Zondag ontleent, zooals duidelijk is, zijn naam aan de palmen, die de scharen droegen bij Jesus' zegevierenden intocht, en die tot herinnering aan deze gebeurtenis telken jare op dezen eersten dag der goede week door de kerk worden gewijd.
De dienst van dezen dag bestaat uit drie verschillende plechtigheden: de palmwijding, de daaropvolgende processie en de H. Mis.
Vooreerst geschiedt de palmwijding. Na de tertia (1) en de besproeiing met wijwater als gewoonlijk vangt de priester aan, gekleed met paarsche koorkap of zonder kasuifel, met diaken en subdiaken ook in kerkgewaad, de palm-, olijf- en andere boomtakken te wijden, die midden voor het altaar of aan den epistelkant geplaatst zijn. Het koor begint met de antifoon:
Hosanna den Zoon van David! Gezegend Hij, Die komt in den naam des Hèeren! o Koning van Israël! Hosanna in den Allerhoogste!
De priester zingt aan den epistelkant het volgende gebed: God, Wien lief te hebben en te beminnen rechtvaardigheid is, vermeerder in ons de gaven Uwer onuitsprekelijke genade, en daar Gij ons door deu dood van uwen Zoon hebt doen hopen, wat wij gelooven, zoo maak, dat wij
(1) De dag was oudtgds in vier gedeelten gesplitst. Het eerste begon ten 6 uur en heette prima; het tweede heette tertia en begon ten 9 uur; het derde heette sexta en ving aan ten twaalf uur, terwgl het laatste gedeelte van 3â6 uur nona werd genoemd. De vier gedeelten der daggetijden werden naar deze indeeling ook prima, tertia enz. geheeten.
95
door zijne verrijzenis komen, werwaarts wij streven. Die met U leeft en heerscht in de eenheid des H. Geestes, God door alle eeuwen der eeuwen. Amen.
Daarna zingt de subdiaken eene les uit het boek Exodus II: 15. Hierin wordt verhaald, hoe de kinderen Israels bij hunne bevrijding uit Egypte te Elim kwamen, waar twaalf waterbronnen en zeventig palmboomen waren, en daar hunne tenten nedersloegen. Vervolgens wordt meegedeeld; hoe Israels kinderen op den weg van Elim naur den Sinai in de woestijn van 8in klaagden over gebrek, en hoe God hun het manna schonk om hen te voeden.
Vervolgens wordt het graduale gezongen, dat betrekking heeft op de samenzwering der Phariseën, om Jesus te dooden, en op den raad, dien Kaïphas hun gaf.
Alsdan volgt het evangelie, dat door den diaken gezongen wordt. Dit is het verhaal van Jesus' zegevierenden intocht, gelijk wij hiervoor reeds hebben medegedeeld.
Eindelijk begint de wijding der takken. Na één gebed en eene prefatie, worden nogmaals vijf gebeden gezongen, waarvan het derde vooral de beteekenis der plechtigheid uitdrukt, en aldus luidt:
God, die door wonderbare beschikking hebt willen aan-toonen, dat ook uit gevoellooze dingen ons medeeling des heils geschiedt, geef, bidden wij, dat de vrome harten uwer geloovigen heilzaam begrijpen, hoeveel geheimzinnigs het feit heeft, dat heden het volk door het hemelsche licht, bestraald, den Verlosser is tegemoet gegaan en palm- en olijftakken op zijnen weg heeft gestrooid. Immers de palmtakken wijzen op de zegepraal over den vorst des doods, en de olijftakken verkondigen eeniger-mate, dat de geestelijke zalving gekomen is. Toen reeds toch heeft de gelukkige menigte begrepen, dat afgebeeld
96
werd, hoe onze Verlosser, vol deernis met 's raenschen ellende, voor het leven der gansche wereld met den vorst des doods zou strijdeu, eti door te sterven zou zegepralen. Ea daarom bracht zij zulk eene hulde, die in Hem èn den luister der overwinning èn den overvloed der barmhartigheid kon aanduiden. Wij dus vol geloof herdenken de gebeurtenis en hare beteekenis, en smeeken U ootmoedig, heilige fleer, almachtige Vader, eeuwige God, door denzelfdeu J.-C. onzen Heer, dat wij in Hem en door Hem, Wiens ledematen Gij wilt, dat wij worden, verdienen mogen over de macht des doods te zegevieren en deelgenooten te zijn van zyne glorievolle verrijzenis. Die met U leeft enz.
Na deze vijf gebeden besproeit de priester de takken met wijwater en bewierookt ze vervolgens. Hij eindigt de wijding door een gebed, waarin hy smeekt, dat, gelijk de schare hare kleederen en palmtakken voor den Heer op den weg uitspreidde, wij eveneens den weg des geloofs Hem zoo mogen bereiden, dat de steenen van aanstoot en ergernis er van worden geweerd en onze goede werken voor Hem er op mogen bloeien aan de takken der gerechtigheid, opdat wij zijne voetstappen verdienen te volgen. Die met U leeft en heerscht enz.
Hierna worden de palmtakken uitgedeeld, eerst aan de geestelijken, daarna aan de geloovigen. Gedurende de nitdeeling zingt het koor.
De kinderen der Hebreeuwen gingen, terwijl zij olijftakken droegen, den Heer tegemoet, juichten en zegden: Hosanna in den allerhoogste.
De kinderen der Hebreeuwen spreidden kleederen langs den weg en riepen, zeggende: Hosanna den Zoon van David, gezegend Hij, die komt in den naam des Heeren.
De priester na de nitdeeling der takken besluit met een gebed. (Wordt vervolgd.)
QfCaaZ' -fVct victitnae lt;§a$(Svlt;xii iaudus. Kan ook eenstemmig gezongen worden.
|
1. Feestelijk, doch blij. ^l=^(=\= =t 51= I p=ï -lz=± m S-----0-- 1 Chris - tus is ver |
âo---l-â---# â i i r r re - - zeu! Zingt I I f3Em |
|
r j I 1 ⢠â â |^| christ - nen 't Paascla - lam blij j- =§^=1 |
f 1 een lied. Dat JâJ- |
-3=
T
I
2
|
zich voor u ten of - fer biedt! Dit | ||||||||
|
1
-i- A
08
屉$
ié
/â¢Ts
5
S J
1
Lam,'t kocht al de scha - pen af, Daar
__s__j_J.__= -
=Ã=^ÃgÃi£ÃS=f=iS
1
P=;
-4
i i I i
't Zich voor hen ten los - prijs gaf. Al -
I I
-P-L
=§4
EÃ
» »
--^ I
à à A J j
Z3ÃI
i T^i i ix r i^i r f
r i
le - lu - - ja, al - ie - lu
---ja.
s I I
5
l
sgt;#
M
! J^l
quot;#--*--#-
! j-S '
99
2.
Christus is verrezen!
Gods Zoon, door zonde nooit besmet, Heeft, zondaars minnend, ons gered, Toen Hij zijn Vader 'toffer bood. En ons ten zoen zijn bloed vergoot. Alleluja! Alleluja!
3.
Christus is verrezen!
Het Leven, Dat dit offer bood,
liet kampte in tweestrijd met den dood ; En zie, o wonder! 't heil begon,
Daar 't Leven stervend overwon.
Alleluja! Alleluja!
4.
Christus is verrezen!
Volstreden is de wond're strijd, Die gansch het menschdom heeft bevrijd. De Vorst des levens. Hij herleeft Die aan de dooden 't leven geeft. Alleluja! Alleluja!
Christus is verrezen! Zeg ons, Maria! wat ge zaagt; Wat is u ginds voor 'toog gedaagd? Ik zag het graf en 's levens Heer, Vol hemelglans en Goddelijke eer. Alleluja! Alleluja!
100
6.
Christus is verrezen!
Ik zag twee eng'len afgedaald,
Wier schoon gewaad van reinheid straalt; Den zweet- en lijkdoek in het graf, Die mijn gestorven Heer omgaf.
Alleluja! Alleluja!
7.
Christus is verrezen!
Mijn Heiland, Hij is opgestaan!
Nooit zal nu nog mijn hoop vergaan; En Galilea is het oord,
Waar dra ook gij Hem ziet en hoort. Alleluja! Alleluja!
8.
Christus is verrezen!
Wg weten 't! Hij verwon den dood, 't Verzegeld graf, dat Hem omsloot; Sta, zegevierend Koning, Gy (Jntfermingvol ons immer bij!
Alleluja! Alleluja!
⢠lp' Iff17' :,£'an' t|occl.cn |||lt;3aöl dlt;s
^pugiu^ti]nizn,-^rdl^.
(Vervolg van blz. 257, Eerste Jaargang.)
sen jare 1401 schreef Paus Bonifacius IX deze on-vergetelgke woorden: (f) âDe Orde der Augustijnen schittert zóódanig door toenemende deugd, dat zij wel verdient verheven en gevoed te worden door bijzondere genaden en gunsten.quot; Bezield door den geest huus Vaders â Magister orhis maxime, â gestaald in godsvrucht en geloof, doorkneed in wetenschap, dragers van die wijsheid, welker hoogste wit en diepste grond de Vreeze is des Heeren, was der Augustijnen-Orde dit Pauselijk woord een lied van glansvolle victorie; â zoete belooning tevens in kloeken, manhaftigen strijd, in dien strijd, die den bodem van Heidensche landen drenkte met hun bloed en in Apostolisch vuur in kerk en maatschappij, in hoogere en lagere school een kroon van parelen om hun slapen vlocht â een kroon vao het zweet in de hitte van den dag! Roma locuta ! Aldus had de Paus gesproken.
Zoude dit Pauselijk woord niet de echo wezen en weerklank van betgeen 's Heeren Moeder te aanschouwen gaf in datzelfde tgdsgewricht â in 1467 â toen namelijk op Engelenschouderen Hare wonderbare beeltenis werd gedragen tot onder de gewelven der Augustijnen-kerk te Genazzano ?
(-j-) Bullarium Ord. Erem. S. Aug. ex Typ. Rev. Camerae Apost. 1628,
102
Judicia Dei abyssus rnulta! Vele oordeelen Gods zijn een afgrond, en wie het wagen zou deze te onderzoeken, zal door Gods Majesteit in overweldigende kracht worden verplet.
Zeker is het, dat de Orde der Augustijnen, welke, volgens Paus Bonifacius, om haar deugd diende geprezen, geen grootscher roem, geen glansvoller verheffing ten deele kon vallen. Alle volkeren toch roemden hare wijsheid, en 's Heeren Kerk zelve verkondigde haren lof! Sapientiam ipsorum nar rant populi! Het éénstemmige getuigenis der volkeren , wier leven deze Orde medeleefde; het onvergankelijk gedenkstuk â âin perpetuarn rei me~ moriamquot; â geschreven door de hand van Paus Bonifacius, maar bovenal het heerlijke wonder door Maria gewrocht, had deze Orde niet lauweren getooid â eeuwig jeugdig als het beeld te Genazzano. âGloria et honore coronasti eos Dornine.quot;
âIn omnem terram exivit sonus eorum! quot; Van nu af aan klonk over de gansche aarde hun hemelsche uitverkiezing. Maria immers verbond aan Haren wonderdadigen naam ook die van St. Augustinus' Orde! Wat sinds dat heilig uur het leven en streven, lijden en strijden was dier onafzienbare reeks van mannen en vrouwen, die, in heiligheid en wetenschap, duizendvoudige vruchten droegen, vermeldt ons het onwraakbaar gericht der historie. Maria was hun Raad! Hier rijzen zij voor onzen geest al die duizenden â van wie we eenigen meldden (blz. 257), die voor de beeltenis dier lieve Moeder baden in kloeken kracht en kinderlijke genegenheid, telken dage. â In sanctilate et justitia coram Ipso omnibus dielms nostris!quot; Te wandelen voor 't aanschijn van die Moeder geheel hun leven in gerechtigheid! Hoe moest die Orde bloeien!
103
Zij kende dan ook een tijd, waarin zij meer dan 3000 kloosters telde, maar ook buiten deze godgewijde muren leefden Augustinus' kinderen.
De »Derde Ordequot; kweekte evenzeer onthechting aan de wereld, navolging van den Heer en â allen was de beeltenis der Moeder vau Goeden Raad hun oogappel â hun centrum of middenpunt tevens.
Millioenen hemellichamen ontvangen van de zon hun pralenden glans, hun glansende majesteit, hun majesteuze pracht en allen te zaam verkondigen zij Gods lof en het uitspansel zijner handen werk; niet anders ontleenden de Augustijnen hun glansende en ongerepte deugd van Haar âr âde opkomende dageraadquot; â Hun glorie was de afstraling van Maria's luister in het wonderwerk te Ge-nazzano, daar, daar werden de grootste hunner Heiligen gelaafd in hun godminnend harte aan den peilloozen stroom van Gods peillooze liefde, zich vertoonend in het beeld der Moeder van Goeden Raad,
Beproeven wij echter geen bovenmenschelijk werk hier namelijk het volle licht te doen schijnen op het tafereel van liefde in die H. Orde tot deze Moeder.
Afgezien nog van de enge omlijsting, binnen welke het zoude moeten gemaald, gaat het 's menschen pogen te boven.
VVie kan in menschelijke taal naar volle waarde in hemelsche bezieling melden, hoe de zonen van St. Augustinus, al die eeuwen door, waakten en baden voor die beeltenis, zoo heerlijk, zoo schoon ? De Moeder van Goeden Raad beloonde deze Orde. Door alle eeuwen schonk zij haar groote Heiligen â Gods lievelingen; ook nog in onzen tijd!
104
Wie 't ooit gegeveu was neder te knielen op den killen grafsteen van een daar sluimerend in den dood, wordt eveneens door sombere kilte overstemd; een mengeling van gedachten aan verleden en toekomst, doortrilt hem tot in de fijnste roerselen des harten.
In den linkerbeuk der kerk te Genazzano is ook een graf. Eenige passen afstands van het wonderbaar beeld vinden wij een steen, een stillen, eenvoudigen grafsteen. Maar wie hier nederknielt, o voor hem ryzen geen sombere schaduwen; â neen hier voelt men zich verjeugdigd, gesterkt, gestaald om den strijd des levens aan te binden in ongeschikt vertrouwen.
Eenvoudig als de man, wiens stoffelijk omhulsel daar de verrijzenis wacht, eenvoudig is dat graf, eenvoudig ook de steen daarboven, die u zijn naam vermeldt.
Niet veel jaren liggen achter ons, toen deze man pastoor was dezer kerk, wachter van dit heiligdom en thans?.... Thans is hij gelukzalig! Venerabilis Bellesini. Zijn naam is de naam van een Heilige, van den âEerbiedwaardigen Bellesini quot;. Zijn lichaam ligt begraven â- kon hem grooter eer geschieden ? â in de schaduwe der wonderbare beeltenis van Haar, die hij immer als zijn Raadgeefster vereerde. Zijn tijdgenoot en medebroeder Menochio is evenzeer ,.venerabilisquot; eerbiedwaardig! Dan beide beoefenden in verhevener adeldom en godsvrucht, wat al hun broeders en zusteren der H. Orde eigen is: liefde tot de Moeder van Goeden Raad.
De tallooze mirakelen door hun beider voorspraak geschied, zijn als zoovele aansporingen, nog verhevener deze liefde te betrachten. Daarom is dan ook met hun verscheiden niet heengegaan de diepgevoelde warme genegenheid tot de Moeder van Goeden Raad.
Wie onzer weet. niet hoe onder de hoogste auspiciën
105
van den onsterfelijken LEO XIII de dragers der hoogste waardigheid van deze Orde in alle landen huu quderhoorige medebroeders hebben aangezet deze godsvrucht allerwege te ontsteken in de harten der Christenen?
Meer nog dan het welsprekendst woord is de enkele voorstelling van Paus LEO XIII, die, wijzende op Haar beeltenis, sprak: âKind, berust in Hare raadgevingen!quot; voor de Orde van St. Augustinus een grootere spoorslag geweest, naarmate in deze dagen twijfel en ongeloof veld wonnen, ook de Moeder van Goeden Raad meer te doen kennen, beminnen, innig liefhebben. Verkwikkend schouwspel , ook nog in onze dagen diezelfde Orde, in een zelfden ijver te zien werken voor hetzelfde doel â de eer dei-Moeder van Goeden Raad. Te ver zoude het ons voeren dit in den breede aan te toonen. Eéne naam zij hier echter genoemd, het geldt een sieraad der Augustijnen-Orde; Mgr. Pifïeri te Rome.
Waardige bekleeder van hetzelfde ambt als wat eens de gelukz. Menochio torschte â pastoor van het Vaticaan en geestelijke leidsman des Pausen -â munt ook hij uit in godsvrucht tot de Moeder van Goeden Raad. Enkele jaren geleden doorreisde hij â schoon gebukt onder den last der jaren â geheel westelijk Europa, ook ons vaderland. Het doel dezer reize?... Niets anders dan de liefde en godsvrucht, waarvan zijn harte blaakte, ook hier te doen gloeien.
Zoo dan de vereering der Moeder van Goeden Raad in ons dierbaar Nederland telken dage grootscher omvang neemt, mag deze Apostel niet vergeten worden, die, gezegend door Paus Leo deze godsvrucht tot ons bracht. Zoo hier, zoo elders. Waar deze Apostel van Maria verschijnt, daar wordt terzelfder tijd de Moeder van Goeden Raad niet gekend â maar hartelijk zelfs bemind, getrouwe
106
zoon zijner H. Orde kent bij ook geen grootscher doel. Door zijn .bemiddeling wordt in geheel Frankrijk aan iederen pasgewijden priester een zilveren medaille uitgereikt, waarop het beeld der Moeder van Genazzano, en werd iu elke kapel der Seminariën van de verschillende Fransche bisdommen een beeltenis geplaatst der Moeder van Goeden Raad.
Zoude dit grootsch begin dezer schoone devotie in Frankrijk â la fille ainée de l'Eglise â niet met zich voeren de herleving in vroegeren luister van deze Orde binnen die schoone landpalen ? Onafscheidelijk toch verbond de Moeder van Goeden Raad haar glorie aan die van St. Augustinus' Orde!
Door de nevelen van het verre verschiet rijst in blijde schittering een hoopvol gesternte: de stichting van het nieuwe Augustijnen-klooster te Nantes. Onder Maria's schutse zal niets deze glorierijke Orde deeren. Maria's roem is ook haar roem, Maria's grootheid ook haar grootheid , en in allen nood is en blijft zij de Moeder van Goeden Raad,
P. Jansen, Orel. S. Aug.
Apostel van 0. L. Vr. van Goeden Eaad.
p vier kilometers afstand van Oneglia, ia de. omstreken van Genua, verheft zich op een heuvel
het liefelijke kleine dorpje, genoemd de kust van Uiieglia. Tuinen en wijngaarden omgeven het, vooral ten zuiden; maar de olijf is zijn voornaamste eu schier zijn eenigste voortbrengsel. Daar werd den 21 Augustus 1821 geboren en in de parochie-kerk gedoopt Petrus Paulus Belgrano. Zijne moeder Maria Apollonia Astraldo stierf kort daarop. Zijn vader Bartholomeus ging nu een tweede huwelijk aan met Maria Angelica Bellone. Deze waarlijk christelijke vrouw besteedde aan het kind alle zorgen en teederheid, zoodat Petrus reeds eenige jaren telde, toen hij vernam, dat Angelica zijne moeder niet was. Ook zijne broeders wisten eerst, later, dat Petrus een andere moeder had.
Na eerst de gemeenteschool en het onderwijs van Joannes Barla en daarna de vrije school van Antonius Belgrano bezocht te hebben, werd Petrus naar het collegie gezonden, dat bloeide onder het bestuur der paters van den H. Joseph Calasanzio. Zonder rijk te zijn, genoot zijn vader Bartholomeus, een vrij ruim bestaan. Zijne schatten waren zijne eer, zijn geloof en zijne christelijke werken. Iedereen achtte hem en had hem lief.
De jeugdige Petrus groeide op in deugd en eenvoud te midden zijner brave familie. Op zekeren dag ontmoette hij een Pater Augustijn. Het zien van dien religieus was
108
het begin zijner roeping. Hij vernam in het binnenste zijns harten eene stem, die hem aanspoorde om de orde der Paters Eremieten van den H. Augustinus te omhelzen. Hij volgde die roepstem. Zijn vader weigerde aanvankelijk zijne toestemming. Maar toen hij zag, hoe zijn zoon bleef volharden in het kenbaar gemaakte verlangen, meende hij hierin een beslissend teeken zijner roeping te erkennen, en schonk hem alle vrijheid. Hij schreef derhalve aan den E. P. Provinciaal der Augustijnen in Ombrië een brief, met het verzoek om zijn zoon onder de novicen op te nemen. Toen hij aangenomen was, vergezelde hij zelf hem in Januari 1838 naar Terni, waar het noviciaat zich bevond. Toen nu de jeugdige Belgrano zijn noviciaat geëindigd had, werd hij naar het klooster van Viterbo gezonden, en na twee jaren studie daar doorgebracht, naar dat van Fermo. Hier wijdde de aartsbisschop, zijne eminentie de kardinaal de Angelis, hem priester. Hij werd aan de eene zijde om de echtheid zijner deugd en de uitmuntendheid van zijn verstand en aan de andere zijde wegens de zwakheid zijner gezondheid ontslagen van zijne laatste studieën, om de heilige bediening der biecht te kunnen waarnemen. Hij werd benoemd tot directeur van het externaat van het Collegie van Bracciano. In 1835 besloten de oversten te Gubbio hot gemeenschappelijke leven en de gestrenge onderhouding der constituties in te voeren; ze deden daarom een beroep op de toewijding van den Heiligen kloosterling, en benoemden hem tot prior van het klooster. Zijne Eminentie de kardinaal Joseph Pecci en diens opvolger Mgr. Innocertius Sannibale hadden eene bijzondere achting voor hem, en gelastten hem geestelijke afzonderingen te houden in de meeste kloosterhuizen hunner bisschoppelijke stad. Mgr. Sannibale gaf hem het beste bewijs van zijn vertrouwen,
109
door hem tot biechtvader te kiezen voor zich, en hem tot gewoon biechtvader aan te stellen der kloosterzusters der derde orde van den H. Donaiuicus, in het klooster van den H. Antonius. Zoo was Pater Belgrano hier met vrucht werkzaam. Doch helaas! Gubbio behoorde tot de pauselijke staten en werd daarom op 14 September 1860 door Piëmontesche troepen ingenomen en bezet. Dit had ten gevolge, dat P. Belgrano de stad verliet en werd benoemd tot prior van het klooster van San Maria del popoio te Rome. Hier wijdde hij zich gedurende drie jaren aan de heilige bediening der biecht en der prediking. Daarna verzocht P. Belgrano, die niets liever wenschte dan te leven in een huis, waar de kloostertucht streng:
' O
werd onderhouden, om zich te mogen begeven naar Ge-nazzano. Hier bestuurde hij met allen ijver de parochie en de godvruchtige vereeniging van O. L. Vrouw van Goeden Raad. Hij spaude al zijne krachten in om de godsvrucht van O. L. Vrouw van Goeden Raad alom te doen bloeien.
In het midden dezer werkzaamheden werd hij benoemd tot pastoor der kerk van O. L. Vrouw van Troost te Genua. Doch reeds na eene maand riep men hem terug naar Genazzano.
Hier stelde hg zich aan het werk om de oude handschriften uit het stof der archieven op te delven, ten einde eene volledige geschiedenis te schrijven van het beeld, van zijne komst, van zijne wonderen, en van zijn heiligdom. Maar de omstandigheden dwongen hem, dien arbeid te staken.
In 1870 verzocht Theodoor Ratisbonne, broeder van Alphonsus Maria, den beroemden bekeerling der mira-kuleuze medaille, de oprichting van verschillende kloosters der paters Augustijnen in Frankrijk. De roepingen zouden
110
niet ontbreken; verschillende godvruchtige en tevens verstandige priesters zouden Augustijn worden, en binnen korten tijd zou de orde bloeien. De oversten namen dit verzoek goedgunstig aan. Zij zonden drie kloosterlingen, waaronder P. Belgrano, om te Parijs een huis te stichten. De drie Augustijnen kwamen den 2den Augustus in de hoofdstad. De oorlog tusschen Frankrijk en Pruissen was in vollen gang Weldra werd het gevaar zoo groot; dat zij gedwongen waren te vertrekken. Den 4dei1 September schreef Pater Belgrano aan zijn broeder: wij hebben den 25sten Augustus Pargs verlaten, 's avonds ten 0 ure, en den volgenden dag, den feestdag van den H. Augustinus, zijn wij hier aangekomen. Gij zult de redenen wel raden, die aanleiding gaven tot ons vertrek; de vrees voor eene belegering en hare gevolgen heeft hierbij geen groot gewicht in de schaal gelegd. Dit feit, ofschoon onvermijdelijk, bedroeft mij grootelijks gedurende verschillende dagen. Toen ik Genazzano verliet, heb ik, gelijk gij weet, uit liefde tot mijne orde een zeer groot offer gebracht. En zie, nu moeten wij andermaal vertrekken, met de reistasch in de hand, zonder iets gesticht te hebben, onder het vooruitzicht van vreeselijke gebeurtenissen. Geloof mij, ik heb daarbij geleden , veel geleden. Laten wij echter hopen, de hoop is onsterfelijk.
Hoe pynlijk was die toestand vol onzekerheid! De volgende brief van den 19aen Mei bewijst het. »Ik beklaag de arme Hebreeuwen, en ik beklaag ze, naarmate zij met meer vurigheid den Messias verlangden. Heden verlang ik den mijnen. Ik zie uit naar den gezichteinder om eenige teekenen van zijne komst te bespeuren. Helaas! na 11 maanden ben ik nog aan het sicut er at.quot; De ongeregeldheden der Commune barstten los. »Slechts door een mirakel van goedheid van Maria heeft de E. P. Ra-
Ill
tisbonne kunnen ontsnappen. Daags toch na zijne ontsnapping schreven de leiders der commune een bevelschrift tot gevangenneming tegen hem uit, gelijk zij gedaan hadden tegen den aartsbisschop van Parijs en tegen andere personen. De stoffelijke schade is groot; het klooster der dames van Sion heeft veel nadeel geleden; een brand, die in eene naburige straat al de huizen vernielde, deelde er ^ich aan mede. Veel linnen werd verbrand; er zal tijd noodig zijn om de verliezen te herstellen.quot;
Daar de verwarring dreigde voort te zullen duren, besloten de oversten de stichting uit te stellen en gelastten de Paters naar Italië terug te keeren. Eindelijk, zoo schrijft P. Belgrano den 20sten Augustus, is onze ballingschap helaas! zeer droevig geëindigd. Onze zending in Frankrijk kon zich niet verwezenlijken en de E. P. Generaal roept ons naar Rome terug. Den 22stei1 keerde hij, vergezeld door P. Gigante, naar Parijs terug, om het reisgoed te halen, dat hij er het vorige jaar in den haast van het vertrek had achtergelaten. Den 30ste kwam hij langs Mo-dane te Rome aan, van waar hij na eenige dagen oponthoud naar Genazzano terugkeerde.
Het leven van P. Belgrano was een weefsel van beproevingen en vertroostingen. Den 8steu Juni 1872 schreef hij aan zijnen broeder: in het midden der vorige maand ben ik naar Rome gegaan, om den Heiligen Vader te bedanken, dat hij zich gewaardigd heeft mij te kiezen, om hem in de godvruchtige vereeniging van O. L. Vr. van Goeden Raad op te nemen. Ik heb hem eene prachtige schilderij der Madonna aangeboden. Hij heeft ze met veel genoegen aanvaard. Ik heb het gehoor verheugd en opgetogen verlaten. Pius IX is welvarende; men zou niet zeggen, dat hij 80 jaren oud is. Zijne zachtaardigheid en goedheid nemen iedereen in.quot;
112
Daar hij plaatselijk postulator was benoemd voor het proces der zaligverklaring van den Eerbiedwaardigeu Ste-phanus Bellesini, vroeger Pustoor te Genazzano, woonde Pater Belgrano den lSaeu October 187.-$ de herkenning van het lichaam bij. Deze gebeurtenis schonk hem veel vreugde.
Den 25sten November 1874 schreef de goede kloosterling: ik bevind mij sedert drie dagen te Rome, waar ik onverwachts ben ontboden. Morgen ochtend vertrek ik naar Praag in Boherae. Bidt en laat bidden voor mij.
Waartoe begaf zich P. Belgrano naar Praag? Hij ging er zijn verblijf nemen als biechtvader van Hare Majesteit de Keizerin Maria Anna, echtgenoote van Keizer Ferdinand I. Op den leeftijd van 54 jaren moest hij zich nieuwe gewoonten eigen maken en een nieuw en gevaarlijk noviciaat beginnen. Hij gevoelde, hoezeer hg behoefte had aan gebeden en hij verzocht ze. Den 9den December werd hij met buitengewone goedheid door Hare Majesteit de Keizerin ontvangen.
De Keizerin was eene Ttaliaansche, dochter van koning Victor Emmanuel van Sardinië, die in 1821 afstand deed van den troon, ten gunste van zijn broeder Karei Felix. Reeds lang gewoon om te biechten aan een priester in hare taal, had zij aan den Generaal der Augustijnen een zijner kloosterlingen verzocht. P. Belgrano werd aangewezen. Door niets was hij voorbereid op de omgeving, waarin hij zich ging bewegen. Indien hij er niet op stond om voor een volmaakt hoveling door te gaan, wilde hij echter ook niet te boek staan als een Bedowien. Zijn groots steun was Gods heilige wil. Men kon hem laten vertrekken, wanneer men verkoos; hg zou er in berusten.
P. Belgrano vergat in deze omstandigheden de ongelukkige kloosterzusters niet , die hij in ongelukkige om-
113
standigheden te Gubbio had moeteu verlaten. Door zijne tusschenkomst schonk haar de keizer van Oostenrijk 1000 franken. Helaas, de vreugde die deze keizerlijke mildheid aan zijn hart schonk, werd door eene harde beproeving gevolgd. Het was de feestdag van den H. Petrus 1874. 's Middags ten twee uur werd keizer Ferdinand plotseling door eene beroerte getroffen. Ten vier uur was hij een lijk. Een groote weldoener was aan P. Belgrano ontvallen.
Ofschoon P. Belgrano een afkeer had van de eer, verleende hem de E. P. Generaal Joannes Belluomini wegens zijne verdiensten den 23 Mei 1876 uit eigen beweging den titel van theologice magister.
Terwijl hij te Genazzano verbleef, had de geleerde kloosterling verschillende bizonderheden omtrent de komst en de vereering van het wonderbeeld bijeen verzameld. Hij had een groot getal werken gelezen, de archieven van het klooster doorzocht en naar Skutari geschreven; maar de tijd had hem ontbroken om eene geschiedenis der Moeder van Goeden Raad saam te stellen. De E. P. Buonano, oratoriaan van Napels, had zich met deze zaak belast. De eerste uitgave van zijn werk voldeed P. Belgrano niet geheel en al. Hij gaf zich de moeite om den achryver aan te wijzen, wat men behoorde weg te laten of bij te voegen; eene tweede en verbeterde uitgave verscheen weldra daarna.
(Wordt vervolgd.)
8
^alm-lpoiuclag. (Vervolg van bladz. 96.)
H. Carolus Borromeus bespreekt in de 5de Synode van Milaan deze plechtigheid en hare vruchten in dezer voege: het is eene allerheiligste en alleroudste instelling in Gods kerk, dat op den zondag, die het Paaschfeest der verrijzenis onmiddellyk voorafgaat, palm- en olijftakken gewijd en uitgedeeld worden aan de geloovigen, die ze ronddragen en in hunne woon godsdienstig en passend bewaren. En daar deze plechtigheid dien roemrijken intocht van den Heer Jesus Christus in de stad Jeruzalem en die heugelijke zegepraal beteekent, die de Heer door zijn lijden en dood, na zgne vijanden te hebben overwonnen, verrijzend heeft verworven, zoo worde zij, vervuld als zij ook is van andere geheimen, door den pastoor en de predikers aan de geloovigen verklaard, ten einde zij met meerdere vurigheid voor dezen heiligen dienst ontvlamd, de geestelijke vruchten verwerven, die de kerk van God afsmeekt. Het zijn vooral deze: dat zij naar lichaam en ziel kracht ontvangen, ten einde de zaligheid en Gods genade te verwerven â dat gelijk takken groenen door bladeren, zoo ook onze werken allerbloeiendst mogen zijn door gerechtigheid en allerlei heilige deugd â dat gelijk het Hebreeuwsche volk den Heer tegemoet kwam en met Hem Jeruzalem binnenging, zoo ook wij door allerheiligste diensten en godvruchtige werken den Heer tegemoet gaan, en zijne schreden drukkende in het hemelsche vaderland
115
door zijii toedoen en geleide mogen ingaan â dat gelyk Christus de Heer door zijn kruis heeft gezegevierd over Satan, zijn vijand, zoo ook wij zeer dikwerf dat werk van barmhartigheid in den geest herdenken, opdat wij door Christus' liefde ontvlamd worden tot den strijd om de overwinning over don duivel, het vleesch en de wereld te behalen â dat overal, waar deze takken worden binnen gevoerd, de inwoners dier plaats Gods zegen verwerven en onder afwering van allen tegenspoed door de kracht des Allerhoogsten verdedigd worden.
O O
De plechtigheid dezer wijding is reeds zeer oud. Het sacramentarium van Gregorius den Groote en het kalen-darium van Rome's kerk, dat dagteekent van de 4de eeuw, spreken van de palmtakken, die de geloovigen op dezen dag plachten rond te dragen.
Na de zegening en uitdeeling der palmen volgt onmiddellijk de tweede plechtigheid van dezen dag, de processie. Door dezen luistervollen optocht wordt Jesus' glorierijke intrede in Jeruzalem levendig voorgesteld. Hij herinnert ons hoe Jesus den strijd, dien Hij heeft te strijden, te gemoet snelt, en hoe het vlekkelooze Lam naar de heilige stad wordt gevoerd om daar den I4den Nisan geslachtofferd te worden. Tegelijkertijd herinnert hij ons, dat die strijder door zijn Goddelijk bloed zijne opstanding en de heerlijke zegepraal zijner hemelvaart tegemoet gaat, en het Goddelijke Lam door zijn zoendood ons den ingang tot het allerheiligste of den hemel gaat openen.
De Diaken keert zich tot het volk en opent de processie, terwijl hij zegt: laat ons opgaan in vrede. Het koor antwoordt: in den naam van Christus. Amen.
Voorop gaat de wierooker met hetrookend wierooksvat; daarna de subdiaken in zijn kerkgewaad, het omsluierde kruis dragend midden tusschen twee akolieten met bran-
116
dende kaarsen. De geestelijkheid volgt naar rang, en eindelijk de Priester met den diaken aan zijne linker zijde, allen met palmtakken in de hand. Het koor zingt zoolang de processie duurt verschillende antifonen, waarin telkens de triomftoon terugkeert, die eigen is aan dezen dag: Hosanna den Zoon van David! gezegend zg Hij, Die komt in den naam des Heeren!
In de middeleeuwen was het op verschillende plaatsen gebruik, het evangelieboek in deze processie rond te dragen. Op eene vastgestelde plaats stond de processie stil. De diaken opende het boek en zong daaruit het verhaal van Jesus' zegevierenden intocht te Jeruzalem. Vervolgens ontdekte men het kruisbeeld, dat vooraan in de processie gedragen werd. Alle priesters naderden het, en legden tot huldebewijs voor den Heer een gedeelte hunner palmtakken aan zijn voet neder. Daarna zette de processie haren weg voort, terwijl het kruisbeeld ontbloot bleef, totdat men de kerk weder binnentrad.
Wanneer de processie, die in Katholieke landen naar buiten trekt, tot de kerk terugkeert, gaan twee of vier zangers de kerk binnen en heffen met het aangezicht naar de processie gekeerd den volgenden lofzang aan:
ü Christus, Koning, Heiland!
Zij glorie, lof en eer!
Wien 't big Hosanna zongen De kind'ren lief en teêr.
Vaa Isrêl zijt Gij Heerscher,
Gij Davids erfgenaam,
Die als gezegend Koning
Daar komt in 's Heeren naam.
U Christus, enz.
117
ü prijst in 't allerhoogste Geheel het hemelkoor;
U prijzen stervelingen
En schepslen op zijn spoor.
U Christus, enz.
't Hebreeuwsehe volk met palmen 't Stroomt blij U te gemoet,
Met bee, begeerte en hymnen Zie! volgen we ook Uw stoet.
ü Christus, enz.
Zij zongen U als Lijder Een U verheffend lied;
Aanvaard den lof als Heerscher,
Dien mede ons stem ü biedt!
U Christus, enz.
Zij mochten ü behagen,
Behage U ook ons groet!
O O
U toch behaagt al 't goede,
0 Koning goed en zoet!
ü Christus, enz.
Deze lofzang werd in 't jaar 818 vervaardigd door Theodulfus, bisschop van Orleans, toen hij te Anger om een lasterlijke beschuldiging va# samenzwering met Bernardus, koning van Italië, tegen Lodewijk den Goede in den kerker geworpen was. Toen nu deze vorst op Palmzondag de processie vergezelde, en in de nabijheid des kerkers kwam, liet Theodolfus dezen lofzang door kinderstemmen zingen.
De aandacht van den vorst werd hierdoor getrokken, en toen hg nu was ingelicht, wie de vervaardiger was,
118
liet hij den bisschop uit den kerker bevrijdeu en op zijn zetel herstellen. Dezelfde Lodewijk bewerkte, dat deze lofzang bij het einde dezer processie overal gezongen werd.
De strofen van dezen lofzang, die in de kerk worden gezongen, zingen gewoonlijk kinderstemmen. Dit is een beeld van de engelen, die in den hemel den Koning der heerlijkheid opwachten en begroeten, terwijl het koor daarbuiten het menschdom voorstelt, dat nog verwijderd is van de woon der gelukzaligen.
Bij het einde van den lofzang stoot de subdiaken met den staug van het kruis tegen de geslotene kerkdeur, die terstond wordt geopend. De processie trekt de kerk binnen, en zet haren weg voort onder het zingen eener antifoon, waardoor zij Hem prijst, Die de opstanding en het leven is.
Door deze .zinnebeeldige handeling wordt ons de intrede voorgesteld van den Goddelijken Zaligmaker in het andere Jeruzalem, waarvan Israels hoofdstad slechts de voorafschaduwing is. Dat tweede Jeruzalem is de hemel, die ons gesloten was door de zoude en on ons geopend werd door het kruis en het bloed des Goddelijken Verlossers. Het einde der processie wijst dus op Jesus' hemelvaart, terwijl ons het begin wees op zijne zegevierende intrede in Jeruzalem.
De derde plechtigheid van dezen dag is de heilige Mis. Zij wordt gekenmerkt door diepe droefenis. De kerk drukt een diepe smart uit in al hare gebeden, en herinnert ons, dat met de intrede in Jeruzalem Jesus' lijden een aanvang gaat nemen, dat wij in de volgende dagen zullen herdenken. In deze Mis wordt dan ook de passie of het evangelie verhaal van Jesus' lijden volgens den H. Mattheus gezongen. Terwijl men dit zingt, worden de palmtakken in de hand gehouden, opdat, terwijl de
119
kerk den hoon des kruises herdenkt, de geloovigen zich dankbaar de zegepraal zullen herinneren, die Jesus door zyn kruis heeft bevochten.
Dat onder den H. dienst in de goede week de passie wordt gelezen, is een overoud gebruik uit de vroegste tijden des Christendoms. Dit weten wij uit den H. Joannes Chrjsostomus (1) en den H. Augustinus (2). Deze laatste beroemde Kerkleeraar getuigt, dat men ten zijnen tijde in de kerk van Afrika het gebruik invoerde, om op vier verschillende dagen het verhaal van het Lijden-volgens de vier verschillende evangelisten voor te lezen. In het Sacramentarium van den H. Paus Gregorius den Groote werd op Woensdag der goede week de passie volgens den H. Lucas en op Goeden Vrijdag die van den H. Joai;nes voorgedragen Hieruit kunnen wij opmaken, dat de passie volgens de twee overige evangelisten 's zondags en dinsdags werd voorgelezen.
Slaan wij, terwijl de H. Mis wordt voortgezet, nogmaals een blik op Jesus bij zijn intocht. Terwijl Hij den Olijfberg afdaalt, vestigt Hij zijn blik op Jeruzalem, dat een paar honderd voeten lager aan zijne voeten ligt. Zijne sterke muren, zijne golvende straten, zijne talrijke koepels, het paleis van Herodes en de Davids burcht op den Sion, zijn prachtige tempel op den Moria, zijne torens en poorten vertoonen zich met treffende duidelijkheid aan zijn Goddelijk oog onder de glanzende stralen van de reeds hoog staande zon. O lief is zij Hem, de dochter van Sion! Maar hoe grooter zijne liefde voor haar is, des te inniger wordt zijne smart, waar Hij op haar nederblikt Zij blinkt Hem toe als eene uitgelezene parel. en helaas! Hij weet het, dat kostbaar kleinood gaat Hij verliezen. Weemoe-
(1) Homil. 88 in Matth. (2) Serm. 144 de temp. al. 232.
120
dij^ deukt Hij aau baar verleden; grievend is voor Hem de oudaukbaarlieid, waarmede zij al zijne weldaden gaat betreden, pijnlijk de gruweldaad, die zij aan Hem zal voltrekken; allertreurigst het vooruitzicht van haren on-gelukkigen ondergang. Ach! dat zij zijne diefde, die haar nog redding biedt, versmaadt. Innig medelijken en onuitsprekelijke droefenis overstelpen zijn minnend hart, en terwijl de scharen juichen, de jubelkreten weerklinken en de hosannas ten hemel stijgen, daar denkt de God-mensch aan het ellendig lot van Jerusalem en stort Hij tranen over de stad, die Hem zoo dierbaar is. De Pha-riseën benijden Hem en zoeken Hem te vermoorden, en Hij, Hij weent uit medelijden over de misdadige versteendheid dier ongelukkigen en de onvergetelijke klacht komt Hem over de lippen: o, oj ook gij erkendet, en wel op dezen uwen dag, wat u tot vrede strekt!... Doch nu is het verborgen voor uwe oogen. Want er zullen dagen over u komen, dat uwe vijanden u met een wal omringen en u insluiten en n van alle kanten benauwen zullen. En zij zullen u tot op den grond toe verdelgen, en uwe kinderen in u; en zij zullen in u niet een steen op den andere laten, omdat gij den tijd uwer bezoeking niet hebt gekend.
O mochten althans wij in deze dagen den tijd onzer bezoeking kennen, en de Koning der liefde niet te vergeefs tranen over ons hebben gestort!
121
toll gi^Egii.
Een daglooner liet zich op zekeren dag door een waarzegger de toekomst voorspellen. Toen dit geschied was, eischte de waarzegger, dat hij zou betalen De man was verwonderd en vroeg: wel hoe! gij wilt het tegenwoordige, het verledene en het toekomstige kennen, eu gij weet niet eens, dat ik geen geld bij mij heb.
ÃBij^E «Doreorg.
Een rijk koopman uit de republiek van Genua maakte, toen hij op het punt was om te sterven, geenerlei beschikking tot lafenis zijner ziel. Iedereen was verbaasd dat een zoo rijk, zoo godvruchtig, en voor een ieder zoo edelmoedig mensch, zoo wreed was voor zich zeiven. Maar toen men na zijn dood zijne papieren onderzocht, vond men een zakboekje, waarin de verschillende goede werken stonden opgeteekend, die hij tijdens zijn leven gedaan had voor bet heil zijner ziel.
Voor Missen, die ik tijdens mijn leven heb doen opdragen: 2000 franken.
Voor huwelijksgiften aan arme jonge dochters: 10,000 franken.
Voor het gasthuis: 200 franken, enz.
Bij het slot van het boekje las men deze spreuk: Hij, die voor zich zeiven het heil wenscht, zorge daarvoor tijdens zijn leven, en late die zorg niet over aan de overlevenden. Het is een spi eek woord algemeen onder het volk verspreid in Italië, dat eene kaars vóór de oogen meer licht geeft, dan een fakkel achter den rug.
|l|iS twgfZ wafkaarfjzii Qpofjgrd aan dl^aciom ia
l
woners allerlei kwellingen ondergaan. Wat vooral de lieden van Lithuanië bedroefde, was, hen op de grofste wijze te hooren spotten met de godsdienstige praktijken der Katholieken, en zich vrolijk te zien maken met hunne vereering der mirakuleuze Madonna van Ostra-Brama.
Deze Madonna bevond zich in eene rijk versierde kapel boven de poort der stad, Ostra-Drama genoemd, en ontleende daaraan haren naam.
Niet verre van dit heiligdom stond een klein huisje,
bewoond door eene arme weduwe en hare kleindochter 'i
van 18 jaren. Op zekeren avond kwam de lieve Vanda het aangezicht vol tranen in de woon. Ik vrees, zeide zij, dat een ongeluk zal overkomen aan het Lieve Vrouwe beeld van Ostra-Brama.
De grootmoedor antwoordde op strengen toon: kindlief,
zoodanige vrees is gebrek aan geloof jegens de H. Maagd.
Zij zal, als het noodig is, haar beeld wel weten te beschermen. Maar wat hebt gij dan vernomen? Zeker i weder eene nieuwe beleediging van onze godsdienst.
â Geenszins. Ik kwam van de fontein, en hoorde,
toen ik langs de straat ging, dicht bij de poort, twee i
soldaten in gesprek. Zij achtten het jammer, dat er zoo groote sommen gelds aan een katholiek Lieve Vrouwenbeeld werden besteed. Een hunner, die wel wat te veel glaasjes had geledigd, zeide:
et was in 1708. De soldaten van Peter den Groote bezetteden Wilna en deden de ongelukkige in-
123
Hij die alleen het zilveren kleed der Madonna en hare diamanten kroon zou weten machtig te worden, zou rijk zijn voor geheel zijn leven.
â Ja wel, antwoordde de andere; maar wie zou ooit zulk een diefstal durven bedrijven ? Heilige zaken aanranden met verkeerde inzichten brengt ongeluk. De dief zou wel den dood kunnen vinden, vooraleer hij eenig genot had gehad van zijn rijkdom.
â Bah! het is geen Madonna gelijk de onze. Als ge den slag wilt wagen met mij, zullen wij beiden de winst verdeel en.
Toen kon ik mij niet meer inhouden, zeide Vanda. Ik trad op de soldaten toe, en liet hun verstaan, dat de H. Maagd zeker hem zou straffen, die dergelijke misdaad zou durven bedrijven.
â Ongelukkige, is dit waar? hernam de grootmoeder. Heer! wat zal er gebeuren?
Wat antwoordden die soldaten?
â Ik wachtte dat antwoord niet af, dat kunt ge wel denken. Zij bleven een oogenblik zonder spraak, verrast als zij waren; ik heb van het oogenblik gebruik gemaakt om mij haastig te verwijderen. Terwijl ik hier heen spoedde en dacht aan de slechte plannen dier mannen, werd ik overstelpt door zulk een smartgevoel, dat ik begon te weenen.
* *
*
Toen het oogenblik van ontzetting voorbij was, begon de half dronken soldaat, Iwan genoemd, te lachen en spottend de woorden van het meisje te herhalen. Zijn kameraad gaf hem ten antwoord:
â Zij zou toch wel eens gelijk kunnen hebben. Ik ben geen lafaard, dat weet ge. Toch zou ik het niet durven wagen het beeld te onteeren door iets te stelen in de kapel.
124
â Ja, Semenek, ik weet dat ge geen lafaard zijt, maar ge zijt bang, ziet ge.
â Zeer goed, miju dappere! de brandewijn heeft uwe hersens wat in de war gebracht en uwe denkbeelden verduisterd. Ga slapen.
Iwan volgde den raad. VVachelend begaf hij zich naar een vertrek, dat tot wachtkamer diende, en werd daar weldra overvallen door een diepen slaap. Semenek bleef alleen en begon te denken aan zijne moeder en aan zijne bruid Olga. Verscheidene kleine steden bij zijn geboortegrond waren de prooi der vlammen geworden. Zou die ramp ook het huis niet trefien, dat zijne grootste schatten bewaarde! Daar hij wist hoe machtig de tusschenkomst is van Maria bij haren Goddelijken Zoon, stond hij op en begaf zich naar de kapel van Ostra-Brama. Pas was hij daar binnen getreden, of een kreet van schrik trof zijne ooren. .Het was een kreet van Vanda. Vanda was in de verbeelding, dat Semenek op het punt stond om de heiligschennis te voltrekken, hem door zijn gezel aangeraden.
â Vrees niet, sprak de Rus, ik wil u geen kwaad doen.
â Maar gij wilt de versierselen der Madonna wegrooven.
â Ik? riep Semeuek uit, terwijl hij een kruis sloeg. Waar ziet gij mij voor aan. Dat de Voorzienigheid mij straffe, indien ik zoo iets van plan ben.
â Echter heb ik u gehoord, u en uw kameraad,
â Mijn kameraad, ja; mij, neen! Buitendien was Iwan niet nuchter. Geloof mij, hij denkt er niet aan de rijkdommen te rooven, die het beeld versieren.
â Wat er ook van zij, ik ga in elk geval deze waskaars voor het altaar ontsteken en de H. Maagd bidden, dat zij hare kapel door zulk een heiligschennenden diefstal niet late ontwijden.
125
â Ik bewonder uw vertrouwen op 0. L. Vrouw van Ostra-Brama. Moet men geloof hechten aan al wat men van haar verhaalt. Is het waar, dat de Zweedsche soldaten , die in eerbied jegens haar waren te kort geschoten, voor 6 jaren op verschrikkelijke wijze werden gestraft.
â Niets is meer waar. Koning Karei XII had zich meester gemaakt van Wilna. Hij liet al de poorten bewaken, onder anderen ook die van Ostra-Brama, die aan vier Luthersche soldaten werd toevertrouwd. Door de losbandigheid hunner zangen, door de goddeloosheid hunner gesprekken, en de ergerlijkheid hunner dartele scherts, haalden zich die soldaten Gods rechtvaardigen toorn, die de beleediging van zijne gezegende Moeder wilde tuchtigen, op den hals. Te midden hunner godslasteringen en buitensporigheden in en om het heiligdom, ontstond er een hevig gedruisch. De ijzeren poorten stortten neder en doodden twee van hen. De andere twee, zwaar gewond, gaven den volgenden dag den geest in het hospitaal, ten prooi aan vreeselijke smarten. Vooraleer echter te sterven, beleden zij de beleediging, die zij der Moeder Gods hadden aangedaan.
â Ja het is juist, gelijk men mij heeft verhaald. Mijn kameraad zal zich wel aan zoo verschrikkelijke straf niet blootstellen.
â Ik hoop het. Thans ben ik gerust. Ik heb de Madonna aangeroepen en haar een waskaars geofferd en ik hoop dat mijn geued zal verhoord worden.
Toen Vanda zich nu gereed maakte om heen te gaan, zeide Semenek niet zonder blijkbare aarseling: ik bid u, nog een woord. Onze Lieve Vrouw van Ostra-Brama verhoort dus de gebeden, die men tot haar richt. Zijt gij daarvan overtuigd? zeg het mij.
â Ja ik ben er van overtuigd, ten volle van overtuigd.
126
â ü, ja! maar mij ? mij, die niet tot de Katholieke Kerk behoort, zal Onze Lieve Vrouw mij verhooren? Ik zou haar wel willen bidden voor mijne moeder en mijne bruid, wier huis misschien heden in brand wordt gestoken.
â Waarom zou zij u niet verhooren? Gij vereert de Moeder Gods; richt u tot haar met alle vertrouwen en zij zal u verhooren. Wilt gij soms eene waskaars ontsteken by het altaar, dan kan ik er wel een voor u halen.
â Best zoo! wat zijt gij goed. Heb dank! heb dank!
Eenige oogenblikken later ontstak Semenek zijne waskaars en plaatste haar bij het altaar.
â Indien gij nu uwe gebeden met de mijnen ver-eeuigt, dan zal O. L. Vrouw, dunkt mij, ze gemakkelijker verhooren.
â Volgaarne, op deze voorwaarde dat ook gij de Moeder Gods zult smeeken, niet toe te laten, dat men een diefstal plege in deze kapel.
â Ik beloof het u, sprak Semenek met zekere plechtigheid.
Beiden knielden neder en baden gezamenlijk met ver-eenigd vertrouwen en vereenigde godsvrucht. Vanda keerde naar huis terug met het hart vol vreugde. Semenek ondervond eene buitengewone gerustheid. Vol vertrouwen, dat O. L, Vrouw over zijne moeder en zijne bruid zou
waken, viel hij dien avond in een zachten slaap.
* *
*
De twee waskaarsen brandden in de kapel langzaam, zeer langzaam voort. Daar Vanda ze beschouwde als dragers van haar gebed, had zij ze tot zoodanige grootte genomen, dat ze den geheelen nacht konden branden. De overige kaarsen waren uitgegaan ; deze twee brandden nog alleen en vereenigden hunne flikkering bij die welke de lampen van het heiligdom afwierpen op het altaar.
127
Plotseling gaat de deur vau het heiligdom zachtjes open. Er treedt een man binnen. Zijne gelaatstrekken zijn woest; zijn oog is verwilderd; hij draagt het kleed van een Rus-sischeu soldaat. Hij beeft over al zijne leden, en men zou de kloppingen van zijn hart kunnen hooren. Hij ziet rond; maar er is niemand, en alles is stil. Hg siddert echter telkens, als de flikkering der waskaarsen de schaduwen daar rondom hem doet dansen. Wij moeten tot een einde komen, zoo gromt hij. Daar treedt hij voort en nadert tot het altaar. Hij klimt er op. Zijne bevende hand zoekt een der zijden los te maken van het zilveren kleed, dat het beeld omgeeft. Eindelijk heeft hij het los gekregen en glijdt langs de kandelaars naar beneden. Maar tegelijkertijd rolt de misdadiger naar beneden, getroffen door een plotselingen dood, zonder zelfs een enkelen
kreet te laten. ⢠â¢â¢Â»â¢â¢â¢â¢â¢â¢â¢â¢â¢Â«â¢â¢â¢â¢â¢Â«
De twee waskaarsen brandden en wierpen hun zacht licht op het lijk van den heiligschenner.
amp;
⢠â¢â¢â¢â¢â¢â¢â¢â¢â¢â¢â¢â¢â¢â¢â¢â¢â¢â¢â¢
Den volgenden dag bemerkte Vanda bij haar ontwaken eene groote beweging rondom de kapel. Zij had niet noodig naar de oorzaak te gaan vernemen. Hare grootmoeder kwam reeds terug in het huis en zeide:
â Welnu, mijn kind! gij zult voortaan weten, welk een vertrouwen de Russen verdienen. Hij die daar zoo godvruchtig bad bij het Lieve Vrouwe beeld, hij is getroffen door Gods Rechtvaardigheid, op het eigen oogenblik, dat hij het zilveren beeld wilde stelen. Zijn lijk ligt aan de voet van het altaar.
Onmogelijk, zeide Vanda; het is dat van een andere. Zij vervoegde zich bij de menigte, die de poort van Ostra-Brama omgaf. Het wonderbare voorval had een levendigen
128
indruk gemaakt op de Russische soldaten Allen wilden het lijk zien van hun kameraad.
Vanda kon niet doordringen tot het lijk, om te zien, of het de soldaat was die met haar in de kapel had gebeden. Zij was overtuigd van het tegendeel. Juist wilde zij onverrichter zake terugkeeren, toen zij plotseling Semenek voor zich zag staan.
â O ik «vist wel, riep de maagd, dat gij het niet waart. Wanneer men bidt, gelijk gij hebt gebeden, randt men het Lieve Vrouwe beeld van Ostra-Brama niet aan.
â Neen, het was Iwan , die de misdaad heelt bedreven, zeide hij. Ik had ongelyk met niet meer waarde aan zijne woorden te hechten. Onze Lieve Vrouw heeft uwe gebeden gehoord.
â Ik wist wel, dat zij mij zou verhooren; doch ik had gehoopt, dat Iwan zijn plan zou laten varen.
â Gods oordeel heeft hem getroffen. Doch ook mijne beden zijn verhoord. Ik heb zoo even de tijding vernomen , dat de brand hevig heeft gewoed in mijne geboorteplaats; maar het huis mijner moeder bleef gespaard en ook dat van Olga.
â Laten wij God bedanken, zeide Vanda, en beiden knielden neder.
(Annates de N. D. du bon Conseil.)
lïijsrwaardjs 'iBa'tzv yö^lqpano,
oJfyi ^
Apostel van 0. L. Vr. van Goeden Raad.
(Vervolg van bladz. 113)
|e geschiedenis der Madonna had het licht gezien, maar er was behoefte aan een handboek over de godsvrucht van O. L. Vr. van Goeden Raad. Pater Belgrano tijdens zijne ledige uren te Praag vervaardigde dit werk. Hij gaf het uit in 1880, onder dezen titel: Handboek van lezingen en gebeden voor de dienaars der Moeder van Goeden Raad. De lezingen zijn 31 in getal. De eerste betreffen de geschiedenis en de vereering van het beeld van O. L Vr. van Goeden Raad; de overige betreffen de raadgevingen, die deze teedere Moeder aan hare kinderen kan geven. Het tweede gedeelte van dit handboek behelst eene reeks schoone en godvruchtige gebeden, ter eere de1- geliefde Madonna. Bij den aanvang van het boek treft men eene prachtige afbeelding van de overvoering van het H. Beeld. Drie personen zijn geknield voor het altaar: de eerbiedwaardige Pater Ãtephanus Bellesini, de zalige Petruccia en in het midden de H. Alphonsus de Liguorio. Deze afbeelding werd te Neurenberg door het toedoen en volgens de inlichtingen van den schrijver van het handboek gegraveerd. In 1881 gaf P. Belgrano een klein boekje uit, getiteld: Gids voor de pelgrims naar het heiligdom van het wonderbeeld der Lieve Vrouw van Goeden Raad. Om de Madonna der pausen meer en meer te doen kennen en vereeren, liet hij eene plaat van het wonderbeeld in groot formaat uitgeven bij den vermaarden uitgever F. Pustet te Regensburg.
9
130
Een Augustijuer kloosterling, godvruchtig en ijvervol prediker, Pater Antonius Socini, begaf zich nooit op missie zonder een beeld van O. L. Vr. van Goeden Raad niet zich te dragen, dat te Rome geschilderd was op witte zijde, door eene jeugdige maagd Theresia Simonetti. In 1728 bevond zich die Pater te Genazzano. Op het punt om naar Ierland te vertrekken, liet hg dit kostbaar beeld aan het klooster. Het was oorzaak van een tal mirakelen, zoo als blijkt uit bewijsstukken, bewaard bij de Paters Eremieten van den H. Augustinus op den berg Savino, in het bisdom van Arezzo, in Toskaan. Ziehier eenige genezingen.
De kleine Jem ma Maria, van het bisdom Marsi, was acht jaren oud en stom sedert hare geboorte. Men zalfde ze met de olie der lamp, die voor dit beeld brandde, en zij ontving het gebruik der spraak. Eene zelfde genezing werd door hetzelfde middel bewerkt, den 2den April 1722, in de streek van Fonticoli, aan Domenica en Grazia, jeugdige meisjes, de eene van 15, de andere van 13 jaren, en evenzoo aan Crescensio, uit Rocca de Gugno.
Dit beeld werd doör Pater Michael Mareschi in 1737 naar Praag gezonden, en daar ter openbare vereering tentoongesteld op het hoofdaltaar der kerk van de H. Ka-tharina. Maagd en Martelares. Nadat deze schilder^ achtereenvolgens in bezit was geweest van de Paters Augustijnen en van de Minnebroeders Observantijnen te Praag, kwam zij in bezit van Pater Belgrano. Deze immer vol godsvrucht en vol ijver voor de vereering van O. L. Vr. van Goeden Raad, liet haar in een grooten en prachtigen lijst zetten. Nog heden prijkt zij op het altaar der kapel van de hospitaal-zusters te Praag.
In de laatste dagen van April 1884 werd Hare Majesteit de Keizerin Marianna plotseling ziek. Zij stierf in
131
de eerste week van Mei, voorzien van al de genademiddelen der kerk, die haar toegediend werden door Pater Belgrano, ofschoon hij zelf ongesteld was. Hij vergezelde het lijk naar Weenen, waar het bijgezet werd in het keizerlijke graf, en keerde vervolgens terug naar Praag, om zorg te dragen voor de papieren der overledene De keizer Frans Joseph benoemde Pater Belgrano tot ridder der orde van het ijzeren kruis.
Pater Belgrano verlangde nu te gaan rusten te Gubbio, maar de generaal der orde P. Pacificus Neno raadde hem aan liever dan het klooster van Umbrië eene cel in het klooster der H. Monika te Rome te verkiezen. Weldra werd hij prior van dit klooster, en vervolgens assistent-generaal der orde. Toen de E. P. Neno den 15aei1 Maart 1889 gestorven was, werd hij door Zijne Heiligheid Leo XIII aangesteld tot Vikaris-generaal der orde. Zes maanden later werd de E. P. Sebastian us Martinelli tot generaal verkozen.
Na nu nog eenmaal het dierbare heiligdom van Ge-nazzano te hebben bezocht, begaf hij zich naar het klooster van Gubbio. Hier bracht hij zijne laatste levensjaren door in gebed, meditatie en studie. Eindelijk sloeg het uur, dat God hem riep om als getrouwe en godvruchtige dienaar der lieve Moeder van Goeden Raad, zich voor eeuwig met Haar te gaan verblijden in het genot van de onuitsprekelijke zaligheid des hemels Na eene kortstondige ziekte van tien of elf dagen, waarbij hij eene bewonderenswaardige kalmte en geduld aau den dag legde, gaf hij, na voorzien te zijn van de HH. Sacramenten der stervenden, den 27sten der maand Mei 1804, aan Maria toegewyd, zgne ziel vol godvruchtige berusting'aan God over
Ten slotte voeg ik hier de woorden bij, waarmede dere godvruchtige Dienaar van de Moeder van Goeden Raad zijne bovenvermelde lezingen besluit. Zij zullen ous den
132
geest, die hem bezielde en zijne innige godsvrucht tot Maria beter doen kennen.
Ons gelukkig onvermogen om de grootheid van dezen allerglorievolsten titel van Maria (waardoor zij begroet wordt als Moeder van Goeden Raad) te kennen en uit te drukken, geeft een nieuwe beweegreden aan onze godsvrucht en verhoogt de blijdschap en de vreugde van ons hart. Aldus beheerscht door het allerzoetste gevoel van verwondering en liefde buigen wij het hoold voor dit meesterstuk der H. Drievuldigheid, en beg veren wij ons zooveel mogelijk, om tot besluit, ons zeiven diep in het hart te drukken en altijd voor oogen te houden den raad, dien deze liefderijke Moeder reeds gaf aan de dienaren op de bruiloft te Kana: doet alles, wat Hij (Jesus) u zeggen zal. Gedurig herhaalt zij aan een ieder onzer dienzelfden raad: doet alles, wat Hij u zeggen zal. Deze is, wel beschouwd, de raadgeving der raadgevingen; de raadgeving, welke al hare overige raadgevingen ten doel hebben. O vergeten wij nooit een enkelen dag onzes levens dezen zoo goeden, dezen zoo noodzakelijken raad van Maria, onze Moeder.
Laten wij , vooraleer afscheid te némen van dezen heiligen tempel van Maria, de Moeder van Goeden Raad onze oogen nog eenmaal met godsvrucht vestigen op het liefelijke beeld dierzelfde dierbare Moeder van Goeden Raad en bidden wij, voor haar en aan de voeten van haren Zoon neergeknield, met de Kerk: o God, üitdeeler aller goederen. Die het schoone beeld der Moeder van uwen geliefden Zoon hebt willen verheerlijken, door het op wonderbare wijze te doen verschijnen; schenk ons, bidden wij U, dat wij door de voorspraak derzelfde zalige Maagd Maria gelukkig binnen gevoerd worden in het hemelsche vaderland. Door de verdiensten van denzelfden Jesus Christus, onzen Heer. Amen.
133
Laten wij besluiten, door met het godvruchtige volk van Geuazzano op onze beurt te zingen:
0 Vrouw van Goeden Raad! Die ons als Moeder mint, 0 zegen ons Maria, Met Jesus, 't Goddlgk Kind.
?^*yS^et was op de helft der 18ae eeuw. Het feest der ^quot;bevlekte Ontvangenis werd gevierd, en het was bijna het uur van het Ave Maria. Een eerbiedwaardig geestelijke ging door de straten van Rome; hij had zoo even de laatste Sacramenten toegediend aan de bejaarde Lucia Levi, eene bekeerde jodin. Pater Andreas ging langs de kerk, die door een jood, eveneens tot het Christendom bekeerd, was opgetrokken tegenover de poort van het Ghetto. De stralen der ondergaande zon wierpen hun purperen gloed op de muurschildering der kruisiging, en verlichtten dit opschrift, dat gelezen werd in het Latijn en in het Hebreeuwsch: ik hel) den ganschen dag de armen uitgestrekt tot een ongehoorzaam en weerbarstig volk.
Plotseling snelt een lief klein meisje van tien tot twaalf jaren uit de poort van het Ghetto, vat de hand van den priester en kust ze, en zegt met gedempte stem: neem mjj met u. Padre mio, en help mg Christen te worden.
Zware lokken van bruine haren omsloten het gelaat van het kind, een gelaat dat bijzonder edel was. Zijn
134
olijfkleurige tint werd afgewisseld door het hoogroode der lippen en der wangen; en hare groote en heldere oogen waren schitterend. De geele sluier door Pans Paulus IV voorgeschreven, viel bevallig over haar hoofd.
Pater Andreas deed haar de vraag: welke is uw naam, mijn kind?
Zij antwoordde: Perla Gradiglia.
â Perla? Eene ware parel, en zeker eene zeer kostbare , dacht de priester, die geen geringen indruk onderging van de buitengewone levendigheid, bevalligheid en zuiverheid van haren oogslag, â en hij zeide luide: waar wonen uwe ouders?
Helaas! was het antwoord, zij zijn reeds lang dood. Ik woon bij een meester, die handel drijft in stracci feracci. Mijn eenige vriendin, de oude Lucia Levi, is vandaag gestorven. Zij had mij geleerd de Madonna lief te hebben en te bidden: wees gegroet, Maria. De meester slaat mij telkens, als hij mij daar betrapt â en zij wees met den vinger naar de kerk; â hij heeft mij zoo juist weggejaagd, omdat ik het rozenhoedje bad, en heeft mij met een vloed van barsche woorden verboden ooit weer den voet in zijn huis te zetten. O pater Andreas, smeekte zij, terwijl zij voor hem op de knieën viel, terwijl het Angelus begon te luiden, neem mij met u en maak mij Christen!
In den naam van God en van zijne heilige Moeder, antwoordde de priester, kom met mij.
De schaduwen van den nacht vielen neder op de eeuwige stad. De priester voerde de kleine jodin verre van het Ghetto, achter de piazza del Pianto, waar zich een huis van kloosterzusters bevond, belast met de verzorging en
het onderhoud der katechumenen.
* *
*
135
Luid weerklonken de snikken op den vooravond van Christus' komst of van den Advent in den gang van het klooster.
De volle maan wierp haar licht door een kloosterraara zonder gordijnen, en toonde Perla Gradiglia, voorover hangende over eene leuning, met het lichaam ineen gedoken en met een vloed van tranen op hare wangen.
De overste ging voorbij. Weent gij nog en zijt gij nog ongelukkig, mijn dierbaar kind? zeide zij. Zij legde hare hand streelende op den schouder van het jonge meisje en voegde er bij: Zuster Consiglia heeft mij gezegd, dat gij smartelijk beproefd zijt. â Vergeef het mij, signora, antwoordde het kind, ik ben zeer ongelukkig; ik heb spijt over hetgeen ik gedaan heb. Ofschoon ik niet weet waarom, gevoel ik mij verlaten en vol vrees. Laat mij, bid ik u, terugkeeren naar mijne speelnoten in het Ghetto.
Nieuwe snikken volgden op dit antwoord.
Intusschen kondigde eene zuster aan , dat Pater Andreas in de spreekkamer was.
Kom, mijn kind, zeide de Moeder.
En Perla in tranen, met hangende haren, werd tot den Pater gebracht en alleen met hem gelaten.
Zie eens, sprak hij, zie eens, wat ik u breng, mijne lieve kleine !
Zij hief haar hangend hoofdje op en bewonderde een fraai medaillon van Onze Lieve Vrouw van Goeden Raad. Zij nam het in de handen en drukte het tegen hare lippen.
O mijn vader, riep zij uit, mijn hart is als de Tiber, als hij in de lente het Ghetto overstroomt, opgezwollen, somber, woest. Iets donkers en verschrikkelijks verheft zich voor mij, telkens als ik den God der Christenen aanroep.
â Hebt gij bij uwe neerslachtigheid de hulp der Madonna ook ingeroepen?
136
â Helaas, neen Eeue hand, verschrikkelijk als die des meesters, schijnt mij bij de keel te grijpen en te verstikken, zoo dikwerf ik het A ce Maria wil bidden.
â Mijn kind, dat alles is het werk des duivels. De geest van God is licht, zoetheid en vrede en gij zijt in de duisternis en de verwarriug. Maar zie hier, en hij gaf haar het medaillon, â ziehier de morgensterre, die u tot God zal voeren. Zij is de vreugde van Israël, de glorie van Jerusalem, de roem van haar volk. Indien gij haar aanroept, Perla, zal zij u verhooren en u helpen.
Het arme kind wierp op den priester een blik als van een schuchter hert, dat men vervolgt. Toen de overste ze kwam halen, hoorde zij den Pater op dringenden toon zeggen: verzoekt de zusters dezen nacht eene novene te
beginnen tot O. L. Vr. van Goeden Raad.
* *
*
De novene werd gehouden en Satan was vol gramschap als een woedende leeuw. Den vijfden dag werden de zusters overwachts bezocht door de kleine jodin. Haar kleed van witte wol viel neder in regelmatige plooien; haar oogopslag was kalm en haar gelaat blijmoedig. Zij maakte een gunstigen indruk op de zusters.
â Geliefde Moeder, zeide het kind, dank God voor mij. Onze Lieve Vrouw van Goeden Raad heeft mij verlost.
De overste drukte haar aan het hart. Mgn beste Perla, zegde zij, verhaal mij alles
Perla antwoordde: een uur lang waren duisternis en droefenis onuitstaanbaar. ïwee vreemde stemmen schenen mg in de ooren te klinken; de eene, helder en aangenaam , spoorde my aan de oogen te vestigen op het beeld der Madonna van Pater Andreas, en haar om bijstand te bidden; de andere, afschuwelijk en verschrikkelijk, beknorde mij. Ga niet tot, haar, ga niet tot haar; indien
137
gij u bekeert, zal ik u niet met rust laten. Ik sleepte mij naar de kapel voor het beeld van O. L. Vrouw van Goedeu Raad, en beschouwde met teederheid haar beminnelijk beeld en dat van haren goddelgken Zoon. Goede Moeder, help mij! trachtte ik te zeggen. Op deu eigen stond hield al mijn lijden op, en mijne ziel was vervuld met licht, blijdschap en vrede. Thans heb ik slechts een verlangen: het H. Doopsel te ontvangen Mijn hart zal breken, indien ik niet spoedig de Roomsch-Katholieke
godsdienst kan omhelzen.
* *
*
Een weinig voor do H. Mis van den dageraad in den morgen van Kersmis, knielde Perla in een wit kleed gekleed neder voor het beeld van O. L. Vr. van Goeden Raad. Pater Andreas stortte tranen van geluk. Terwijl hij het doopwater uitstortte over het bevallige hoofd dei-jodin, verhief zich eene zachte en zegevierende stem uit het koor der kloosterzusters en zong in het Latijn: »het rijk der hemelen is gelijk aan een koopman, die kostbare paarlen zocht en als hij er eene gevonden had van zeer grooten prijs, offerde hij alles, wat hij had, en kocht ze.quot; Dadelijk daarop hieven de katechumenen den blijden zang aan van het Venite adore mus. Perla, nu Christen, knielde neder en aanbad voor de eerste maal haren Zaligmaker in het Bethlehem van het aanbiddelijke Sacrament.
Our Lady of good Counsel.
Dit maandschrift wordt uitgegeven te Philadelphia in Amerika. De godsvrucht tot U. L. Vr. van Goeden Raad is zeer verbreid in de nieuwe wereld. Onder de steden, die kapellen bezitten, toegewijd aan O. L. Vr. van Goeden Raad, kunnen wij de volgende opnoemen: Baltimore, Chicago, Aldrick, Nieuw -Orleans, Ottawa, Bryn Mawr,
138
Saint Loais, Normandy, Wallew, Falls, Glasgow, Brooklyn, Rocklawen, Kansas, White Borch, Washington, Lehigh, Montreal, Philadelphia enz. in deze laatste stad werd de geheele kapel gesticht door de rijke gave van Miss Elisabeth Tiers.
Er bevindt zich aan de zijde van het evangelie eene prachtige schilderij in olieverf, geschilderd door P. Eduard Mul'en zaliger, secretaris te Geuazzano voor de Veree-nigde Staten in hunne koloniën. Zij is omgeven door een allerfraaiste lijst van kostbaar hout, dat gebeeldhouwd en gepolijst is. De lijst is 53 voeten hoog, 8 voeten breed en 20 duimen diep. Het geheel is zeer schoon versierd, en onophoudelijk branden er eene menigte waskaarsen. Deze godsvrucht nam daar een aanvang in April 1885.
ünkf ijSFjSüiu
r fSp^inksteren beteekent volgens den zin van hetGrieksche woor^ den vijftigsten dag en was daarom ook de vijftigste dag gerekend van den dag na het Paasch-feest. Het was een der drie hoofdfeesten, die door al de Israëlieten van het mannelijke geslacht moesten worden bezocht Geheel Jerusalem had alsdan een feestelijk aanzien en was met vreemdelingen vervuld. Israël vierde op dien dag het feest des oogstes, ook het feest der weken genoemd, omdat alsdan de weken eindigden, dat de oogst werd ingezameld. Twee gezuurde brooden uit het nieuwe meel werden op dien dag in blijde stemming als eerstelingsoffers in den tempel opgedragen. (1) Deze feestdag werd ook genoemd vreugde der wet, wijl God op den (1) Levit XXIU 17.
139
vijftigsten dag na den uittocht uit Egypte zijne aanbid-delijke wet op den berg Sinaï had afgekondigd. Buiten het gezegde eerstelingsoffer werden 7 lammeren, een kalf en twee rammen tot een plechtig dankofier den Heer opgedragen. Ook werden vrijwillige offergaven geschonken. Een vroolijke maaltijd werd door den vader des huisgezins voor zijne kinderen en al zijne huisgenooten aangericht. Alle slaafsche arbeid werd gestaakt en de dag werd als een sabbath in gebed en godsdienstige vreugde doorgebracht.
Als feest des oogstes was het joodsche Pinksterfeest eene schoone voorafbeelding van het Christelijke Pinksterfeest, dat voortaan gevierd zou worden. Gelijk Israël God dankte voor de rijke zegeningen zijner velden en zijn eerstelingoffer bracht, zoo zou de Kerk van Christus God danken voor de rijke en schoone vruchten haar door den pijnlijken arbeid van haren Verlosser geschonken. Duizenden bekeerlingen zou zij bij haar eerste Pinksterfeest God aanbieden tot een eerstelingsoffer uit den oogst, dien de maaiers, door Christus uitgezonden, gingen inzamelen. Zoo zou zij al de volgende geslachten uitnoodigen om op dien blijden dag immer J. C. voor de heerlijke vruchteu zijus kruises te danken en Hem door de genade des H. Geestes een eerstelingsoffer van vernieuwden ijver aan te bieden.
Ook is het Pinksterfeest van het nieuwe verbond veel meer dan dat van het oude verbond een feest van vrengde der wet. Op Sinaï werd de wet der vreeze, op Sion de wet der liefde afgekondigd. Daar werd Israël vervuld met eerbied en nederigheid door den glans der Goddelijke Majesteit; hier werd de kerk bezield met moed en ijver door den beminnelijken gloed van Gods grenzelooze toenadering. Toen werd de wet op twee steenen tafelen
140
geschreven, thaus werd zg uitgestort iu de harten der apostelen. Daar bepaalde zich de wetgeving tot slechts een volk; hier was zij bestemd voor al de volkeren der wereld. En gelijk de eerste wetgeving plaats greep op den vijftigsten dag, nadat Israël door den doortocht der roode zee van het slavenjuk van Egypte was bevrijd, zoo zou ook deze tweede wetgeving den vijftigsten dag kenmerken, nadat het menschdom door de zee van Jesus' smarten en zijne heerlijke opstanding van de helsche slavernij was verlost.
In den morgen van dien schoonen en beteekenisvollen dag waren honderd en twintig personen ten tienden male in de bovenzaal vergaderd, die door het vieren van de grootste liefdegeheimen reeds geheiligd was. Allen waren door een uegendaagsch gebed bezield met hetzelfde vertrouwen en hetzelfde vurige verlangen. Met Maria, Jesus' heilige Moeder aan hun hoofd, smeekten zij met al de innigheid huns harten om dien Goddelijken Geest, Die door de almacht zijner genade de zielen der menschen moest herscheppen en door hunne prediking het aanschijn der aarde vernieuwen. Op wondervolle wijze werd hun gebed verhoord. Er ontstond plotseling uit den hemel een hevig ^edruisch als van een hevig opkomenden storm. Uet was het zinnebeeld van de Goddelijke Almacht, Die in en door de Kerk op wonderbare wijze werkzaam zou zijn. Dat gedruisch werd in gansch Jerusalem gehoord, en het geheele huis, waar zy samen waren, werd er door vervuld. De zaal, waar zij baden, werd verlicht door een hemelsch licht. Hierdoor werd gewezen op den Goddelijken Geest der waarheid, die de duisternis der dwaling en de nevelen der onzekerheid kwam verdrijven, en de Kerk van Christus volgens Christus' belofte kwam verlichten en haar alle waarheid leeren tot in eeuwigheid.
141
Een vlammende stroom als van vuur daalde neder en verdeelde zich boven de hoofden der aanwezigen in den vorm vau vurige tongen. De met den Vader en den Zoon eveneens eeuwige Geest, zegt de H. Gregorius de Groote, is aau de menschen in de gedaante des vuurs verschenen, wgl God een onlichamelijk, onzichtbaar en onuitsprekelyk vuur is. De Goddelijke Geest uit deu hemel afgezonden, greep de Kerk aan om ze door zijne liefde te doordringen en aller harten door dien hemelschen gloed te ontsteken. Allen werden vervuld met deu H. Geest. De Kerk, die het lichaam is van Christus, werd bij deze nieuwe schepping bezield met den Goddelijken Geest. Zij ontving daardoor een Goddelijk loven van waarheid, liefde en heiligheid, on zou daardoor hare zending voortzetten tot aan de voleinding der dagen.
Zoo wordt op dezen schoonen feestdag herdacht hoe de H. Geest door Christus volgens gedane belofte is uitgestort en hoe de Kerk daardoor hare voltooiing heeft gekregen en met licht, liefde en kracht is toegerust tot de taak, die haar was opgedragen om alle de volkeren te leeren, met hemelsche liefde te bezielen en te heiligen.
Het Christelyke Pinksterfeest is dan ook zonder twijfel eene apostolische instelling. Dit getuigt de H. Augustinus ten duidelijkst en met den meest mogelijken nadruk. (1) Reeds lang voor hem gewaagden de apostolische constituties (2) Origenes (3) Tertulianus (4) van dit feest. Zelfs werd het Pinksterfeest reeds in de vierde eeuw met eene octaaf gevierd. Opmerkelijk is de feestzang Veni Creator, die heden in de terts, het uur, waarop Petrus pas bezield met den H. Geest tot het volk sprak, (5) en dat daarom bijzonder aan den H. Gêest is toegewijd, wordt gezongen.
(1) Epist. 118 ad Januar. (2) L. 5 cap. 20. (3) Libr. 8 contr. Celsum. (4) L. de Coron. Mil. c. 3. (5) Hand. II : 15.
142
Deze lofzang dagteekeut van de 9de eeuw en wordt volgens D, Gueranger aan Karei den Groote toegeschreven. Het denkbeeld om er de getijden der terts op het Pinksterfeest mee te verrijken , hebben wij te danken volgens denzelfden schrijver aan den H. Hugo, abt van ( luny, in de elfde eeuw. Hij luidt:
Kom Schepper, Heiige Geest! o kom!
Bezoek uw kindren wederom,
Vervul met bovenaardsche kracht De harten, door U voortgebracht.
U noemt men Trooster in ons lot,
't Geschenk van 'd Allerhoogsten God, De levensbron, de liefdevonk,
Die geestelijke zalving schonk.
Gij, zevenvoud in 't geen Ge ons bracht, Gij, Vinger van des Vaders kracht.
Belofte Gods zoo hoog vereerd,
Die onze tong de sprake leert;
Ontsteek uw licht in ons gemoed,
Stort in ons hart uw liefdegloed.
En sterk ons zwakke lichaamskracht Gedurig door uw eeuwge macht.
Drijf Satan verre op onze beê!
Schenk spoedig ons uw zoeten vreê!
En voere uw leiding ons zoo aan.
Dat we al wat schaadlijk is ontgaan!
Leer Gij ons kennen hier beneên Den Vader en den Zoon met een.
Laat ons gelooven 't allen tijd,
Dat Gij de Geest van beiden zijt!
143
Steeds zij aan God den Vader eer,
Zijn eeu'geu Zoon ook onzen Heer!
Ook God den Trooster zij bereid Een zelfde lof in eeuwigheid. Amen.
In de middeleeuwen gaf men aan het feest vau Pinksteren den schoonen naam van Paschen der rozen. De roode kleur en de zoete geur der roos herinnerden aan onze vaderen die vlammende tongen, die in de eetzaal afdaalden boven elke der 120 personen als de losgelatene bladeren der Goddelijke Roos, die de liefde en de volheid der genade uitstortte over de ontluikende Kerk. De liturgie koestert hetzelfde denkbeeld, wanneer zij de roode kleur kiest voor hare plechtigheden gedurende het geheel octaaf. Durandus leert ons in zijn rationale, hetwelk ons eene menigte liturgische gebruiken uit de middeleeuwen heeft bewaard, dat men in de dertiende eeuw bij de H. Mis van Pinksteren in de kerken duiven losliet, die vlogen boven de hoofden der geloovigen tot herinnering aan den H. Geest, Die zich bij den Jordaan openbaarde in gedaante van een duif; en dat men van het gewelf vlammende vonken en bloemen liet nederdalen tot se-dachtenis van de nederdaling des H. Geestes in de eetzaal.
De kerktaal slaat in de H. Mis op dezen dag een aller-stoutsten en allerverhevensten toon aan. De Gregoriaansche zang weerklinkt met ongeëvenaarden geestdrift bij het introitus: de Geest des Heeren heeft het aardrond vervuld; alleluja! en Hij die alles omvat, bezit de kennis der taal; alleluja! alleluja! alleluja! Dat God opsta en zijne vijanden verstrooid worden! Eu dat zij die Hem haten, heen vluchten voor zijn aangezicht!
De H. Mis van dezen hoogen feestdag is eene der vijf missen, die eene sequentia hebben. Dit is een schoone zang, vol geestdrift en vol teederheid. Volgens D. Gue-
144
ranger dagteekent hij van de twaalfde eeuw en zou men hem met waarschijnlijkheid toeschrijven aan Paus Inno-centius III. Doch Carolus Kozraa de Papi (1) schrijft hem toe aan Robertus, koning van Frankrijk, overleden in 1031, zoodat hij zou dagteekenen uit de elfde eeuw. Hij luidt:
Kom! o Geest vol heiligheid!
Zend uit 's hemels heerlijkheid,
Van uw Goddlijk licht een straal!
Vader Gij van 't arm gemoed,
Kom en schenk het alle goed!
Dat uw licht in 't hart ons daal!
Trooster in verlatenheid,
Gast der ziel, vol lieflijkheid,
Voer ons zachte koelten aan!
Ruste van des arbeids leed.
Droog Gij bij de hitte 't zweet,
En der droeven stille traan!
O Gij, licht vol zaligheid!
Deel u vol vrijgevigheid
Aan 't geloovig harte meê!.
Zoo Ge, o God, geen hulpe biedt.
Gaat al 's menschen kracht te niet,
Is geen ziele zonder wee.
Reinig al, wat is besmeurd!
Laaf al, wat van dorheid treurt!
Heel de ziel, die wonden heeft!
Buig wat zich in 't kwade stijft!
Koester wat in koude blijft!
Leid wat naar 't verkeerde streeft!
(1) Liturgica Sacra Catholica § 87, bladz. 179 in de aanteekeniug.
145
Geef aan al uw trouwen saam,
Die steeds hopen in uw naam,
't Heilig zeven gavental!
Geef der deugd 't verdiende loon!
Geef in 't eind ons 't heil als kroon,
Vreugd, die eeuwig duren zal.
Toen de H. Geest nederdaalde over de apostelen, schonk Hij hun, gelijk het door Jesus aan zijne volgelingen was toegezegd, de gave der talen. Door dit groote wonder bleek het duidelijk voor allen, dat de H. Geest, gelijk zij zegden, over hen was uitgestort. Het gaf tevens te kennen, dat de Kerk bestemd was niet meer gelijk vroeger voor een volk, maar zich zou uitstrekken tot alle volkeren, welke talen zy ook zouden spreken. De apostelen, zegt de H. Augustinus, begonnen de talen aller volkeren te spreken, en dit was in hen een voorteeken van hetgeen de ééne kerk eens zou doen. Hier had juist het tegendeel plaats van hetgeen bij Babels torenbouw was geschied. Wat die torenbouw verstrooid had, zegt de H. Augustinus, vergadert de Kerk. Uit eene taal zijn vele geworden. Het verwondere u niet; de hoogmoed was er de oorzaak van. Uit de vele talen werd wederom eene. Het verwondere u niet; de Goddelijke liefde was er de oorzaak van. Ja de Goddelijke Liefde, de H. Geest, uitgestort over de Kerk zou ondanks alle taalverscheidenheid , zich meester maken van de harten, om allen te vereenigen in ééne verheerlijking van den Drieëenigen God, door de eene taal der Katholieke Apostolische Kerk
10
146
|n sponsam ^Sccfesiam.
Dei regautn nostri Ducis. Fandatum per lignum crucis Ex mtimis te amo meis!
O gloriosa Civitas!
Coelestium tu amoenilas! Tu luce vincens vel stellas.
Quam firma circum moenia Conjuncfca per mortaria Sanctorum sanguinantia.
Ccelestis urbs, qua nulla nox; Quam personat Divina vox Cui cedit hostis ille atrox.
Te, Christi sponsa! diligo E corde pleno et iutimo;
Tibi me totum dedico.
Sit laus Patri, qui te regit Sponsoque, qui te diligit Paracleto, qui te instruit!
AMEN.
147
^an 5c Jicrfi, ^tisfus' 'gSimb.
U, Rijk van God, gevest op 's aardrijks rond,
Toen 's Heeren kruis als bron des heils daar stond, U mint mijn ziel uit haren diepsten grond.
O stad, gekroond met roem en eerekrans. Der heemlen lust door 't flonkren van uw glans, Het sterrenlicht verwint gij aan den trans.
Hoe krachtig staat uw sterk gebouwde wal,
Vereend door 't bloed van 't heilig strydrental! Het is een burcht, die nooit bezwijken zal.
O hemelstee, nooit somber door den nacht! In U weerklinkt Gods stem met wondre kracht, Die zwichten doet de felste hellemacht.
U, Christus' bruid, die mij zoo dierbaar zijt,
Wier teedre min mijn hart en geest verblijdt,
U zij ik gansch en immer toegewijd!
Den Vader eer. Die over U regeert,
Den Bruidegom, Wiens Hart uw heil begeert.
Den Trooster, Die u alle waarheid leert.
AMEN.
148
149
moeder, en ontsnapte haar door bedrog. Ook dit hebt Gij my, o God, in uwe barmhartigheid vergeven Gij beschermdet mij, die met afschuwelijke zonden besmeurd was en voerdet mij bevrijd van alle gevaar over de wateren der zee tot de wateren der genade, die mij rein waschten, zoodat toen de tranenstroomen van het moederoog werden gedroogd, waarmede zy dagelijks om mijnentwille de aarde bevochtigde. Toen zij weigerde zonder mij naar huis te keeren, bewoog ik haar met moeite den nacht, niet verre van het schip, door te brengen in eene kapel, die aan het aandenken van den H. Cyprianus was gewyd. Doch ik reisde dien nacht ongemerkt af, terwijl zij daar in gebed en tranen verbleef. En wat verlangde zij onder zoovele tranen van ü, o mijn God! Wat anders dan dat Gij mijn vertrek niet zoudt toelaten? Maar uw raadsbesluiten zijn diep, en weigerden haar het ondergeschikte waarom zij smeekte, opdat Gij aan mij zoudt doen, wat zij immer had gevraagd. De wind werd gunstig; de zeilen zwollen op en de oever verdween voor onze oogen. Daar stond zij nu des morgens, de verlatene moeder, schier waanzinnig van smart, zuchtend en weenend.
Ziedaar Monika in haar hoogste lijden. Maar zij bleef op haren God vertrouwen, en Hij beschaamde haar niet. De weg dien Hij Augustiuus liet inslaan, voerde Hem naar den H. Ambrosius, naar zijne bekeering.
Christelijke moeders, de wereld is tegenwoordig vol van volwassene kindren, die de dwaalwegen van Augua-tinus volgen. Maar waar zijn de andere Monika's. Hoe zal het echter beter worden in de wereld, wanneer de moedors den hemel geen geweld aandoen door haar gebed, en wanneer de moeders de harten hunner dwalende kinderen niet verteederen door hunne tranen! Laten wij deze groote waarheid uit dien oogopslug op Monika aan Afrika's strand leeren.
150
®fkmingen in (fngplanif.
In het jaar 1880 werd tusschen den Anglikaan Dr. Littledale en den Katholieken schrijver Orby Schipley een penuestrijd gehouden over het getal der personen, die in Engeland gedurende den laatsten tijd tot den schoot der Katholieke Kerk teruggekeerd zijn. Dr. Littledale had beweerd, dat het getal der bekeerden in vijftig jaren slechts 2000 bedroeg. Dit gaf den heer Schipley aanleiding om onderzoekingen te doen, die hem loonden met voldoening en vreugde. De heer Schipley betoogde nu dat hij in staat was uit aktenstukken te bewijzen, dat er in drie vierde gedeelte der Engelsche bisdommen gedurende het tijdsverloop van zestien jaren â verder strekten zijne onderzoekingen zich niet uit â het getal dergenen, die tot de Katholieke Kerk waren teruggekeerd, niet minder dan 37177 bedroeg.
De jjfiligra kr laatst? inimra.
Een Italiaansch blad gaf in 1880 de volgende statistiek van heiligen en gelukzaligen der laatste eeuwen. Het getal van hen, die na J500 stierven en tot dusverre heilig verklaard zijn, bedraagt 96. 320 werden gedurende denzelfden tijd zalig verklaard. Onder deze 416 ondergingen er 297 den marteldood en 119 heiligden zich als belijders door heldhaftige beoefening der deugd. 321 behoorden tot kloosterorden; de overige 95 waren wereldpriesters en leeken. De uitgebreide orde der Franciskanen telde gedurende dit tijdstip 215 heiligen en zaligen uit haar midden. Er waren 90 Jesuieten, 59 Dominikanen, 19 Augustynen, 5 Karmelieten, 5 ïheatijueu, 3 Trini-
151
tarissen, 2 Premonstratensen, 2 barmhartige broeders uit de orde van deu H. Joannes de Deo, 2 Oratorianen, 1 Benedictijn, 1 Serviet, 1 Somane, 1 Clericus van de Moeder Gods, 1 Minoriet, 1 Camilliaan, 1 Piarist, 1 Barnabiet, 1 Lazarist, 1 Passionist, 1 Redemptorist. Er behoorden 222 tot Europa, 187 tot Azië en 7 tot Amerika.
(ü^n flink antrannrïi.
Een godsdienstig werkman werd door zijn patroon aangezocht om op Zondag te werken. De werkwan weigerde zulks. Maar, zoo sprak de patroon, in de H. Schrift lezen wij toch: als bij iemand een os of ezel op den Sabbath in de gracht valt, zal hy dien er uit halen. Dat is waar, zei de werkman. Maar wanneer de os of ezel de gewoonte heeft, om eiken Zondag in de gracht te vallen, dan zal de eigenaar öf de gracht dempen öf den os of ezel verkoopen.
il jsjsuwn ln^l
Se HH. Martelaars van Lyon.
yon is de tweede stad van Frankrijk en telt heden een half millioen inwoners. Zij is prachtig gelegen aan het vereenigingspunf van twee aanzienlijke stroomen, de Saone en de Rhone, op de helling der heuvels, die het dal vormen, waarin zij is gebouwd, en die de versterkingen dragen welke haar beschermen.
152
Wanneer men op den 122 meters hoogen heuvel staat, waarop Notre Dame de Fourvières zich verheft, dan ziet men de golvende stad midden van het heerlijkste panorama in al hare grootheid aan zijne voeten uitgestrekt.
Lyon kan roemen op eene hooge oudheid. Het is het oude Lugdunum der Romeinen, reeds 560 jaar voor Christus door Grieken gesticht. Het bereikte echter een grooten bloei tegen het begin onzer Christelijke jaartelling, toen de Iloraeinen hier een sterktepunt zochten in het veroverde Gallië, en keizer Augustus Lyon tot hoofdzetel verhief van drie provinciën. De afgevaardigden van vier en zestig volkeren hielden er huu verblijf als in het middelpunt van een uitgestrekten boud. Jaarlijks hadden zij er hunne vergadering onder het toezicht en den invloed der Romeinen en kozen dan den hoogepriester, die in naam van het drievoudige Gallië het altaar bedienen moest, dat op het vereenigingspunt van de Saone en den Rhone zich verhief. Deze afgevaardigden vormden onder Rome's voorzitterschap een raad, die het bestuur, de geldelijke zaken, de staatkundige verhoudingen der drie genoemde gewesten regelde.
Het Christendom droeg al spoedig door tot deze gewesten. Bekend is wat omtrent Lazarus en zyue beide zusters Martha en Maria van Bethanië wordt verhaald. Ook de H. Apostel Paulus, na Spanje te hebben doorkruist, bezocht Gallië. Aan zijn invloed had naar alle waarschijnlijkheid Vienne, dat even als Lyon aan de boorden van den Rhone, zijn eersten bisschop, Crescens, leerling van den H. Paulus te danken.
Van de zijde der Middellandsche zee en van Vienne drong het Christendom, met de vele vreemdelingen, die gedurig van deze zijde naar Lyon stroomden, eveneens door tot deze stad, Pothinus, waarschijnlijk een leerling
153
van den H. Polikarpus, moet reeds vroeg in de tweede eeuw den bisschoppelijken zetel hebben ingenomen. Het blykt, dat onder de vreemdelingen, die zich te Lyon vestigden, verscheidene Christenen uit Griekenland, Klein Azië en Phrygie waren. De H. Ireueus, die de rechterhand was van Pothinus en hem opvolgde op zijn bisschoppelijken zetel, was een Griek, een leerling van Papias en den H. Polikarpus. De brief, door Lyon's Christenen na den marteldood, dien wij gaan verhalen, aan de geloovigen van Azië en Phrygië geschreven, toont ons dit mede allerduidelijkst aan.
Het was het jaar 177. Marcus Aurelius, die den Christenen uit heidensch bijgeloof en uit staatkunde hoogst vijandig was, voerde den schepter over het Romeinsche rijk, terwijl Eleutherius nog pas den pauselijken zetel had beklommen. De spanning, die toch reeds heerschende was tusscheu de heidensche bevolking, die onder den invloed der regeering Roma en Augustus als godheden aanbad, en de Christenen, die weigerden ook het minst aan dezen eeredienst deel te nemen, bereikte zulk eene hoogte, dat eene bloedige vervolging uitbarstte, en verschillende Christenen als martelaars stierven voor hun Heer en hun God. Wij willen hetgeen thans plaats greep, laten verhalen door de Christenen vau Lyon zelve in den brief, dien zij bij deze gelegengeid schreven aan hnnne broeders in Klein-Azië, die bezield waren met hetzelfde geloof en dezelfde hoop.
Deze brief wordt ons schier geheel meêgedeeld door den geschiedschrijver Eusebius. Deze akten zyn door talrijke getuigenissen van kerkvaders en martelaarsboeken boven allen twijfel verheven. Tillemont beschouwt ze als een der schoonste en belangwekkendste stukkeu der kerkelijke geschiedenis van dien tijd. Hij voert de woorden
154
aan van den Protestantscheu geleerde Joseph Scaliger, die ze ten hoogste prijst en onder anderen zegt van dit stuk: kan men iets lezen in de gedenkteekenen der Christelijke oudheid, dat verhevener is en meer eerbied verdient ?
* *
*
De dienaren van Christus, die in Gallië te Vienne en te Lyon wonen aan de broeders gevestigd in Azië en Phrygië, die met ons hetzelfde geloof en dezelfde hoop der verlossing hebben, vrede en genade en eer door God den Vader en Jesus Christus, onzen Heer.
Na eene kleine inleiding vangen zij aldus aan:
Hoe zwaar de kwellingen, en welke de woede en razernij van de heidenen jegens de heiligen zijn geweest, en wat en hoeveel de zalige martelaars geleden hebben, kunnen wij niet door woorden uitdrukken, noch is iemand in staat in geschrift met juistheid saam te vatten. Met al de inspanning zijner krachten viel de vijand op ons aan, en liet ons. reeds den eersten aanvang ondervinden van dien aanval, waarbij hij met alle geweld tegen ons zou optreden. Want hij liet niets na, terwijl hij zijne aanhangers oefende, en als het ware door eenige voorgevechten opwekte tegen de dienaren Gods. Dit ging zoo verre, dat men ons verjoeg uit de huizen, de badplaatsen en het openbare vergaderplein, en zelfs ging het gebod uit, dat er geen uit ons waar dan ook zou verschynen. Maar Gods genade streed voor ons tegen den duivel; zij beschermde de zwakkeren en stelde tegenover hem mannen die vast en onwankelbaar waren als zuilen en door hunne sterkte geheel den aanval des duivels konden doorstaan. Dezen dus in den strijd getreden, hebben allerlei smaad verduurd Wat anderen langdurig en zwaar vinden, achtten zij licht, en zoo snelden zij naar Christus, terwijl zij
155
door hun voorbeeld deden blijken, dat het lijden dezer wereld niet waardig is, vergeleken te worden met de heerlijkheid die zich in ons zal openbaren. Eerst verdroegen zij onwankelbaar wat het geheele volk bij menigten hun aandeed door zijn geschreeuw, slagen, uitplundering, be-rooving van goederen, steenworpen, opsluiting in kerkers, door alles met één woord wat een volk, dat door woede en razernij is aangegrepen, ter hand neemt tegen zijne vijanden en tegenstrevers.
Vervolgens kwam het zoo verre, dat men ze bracht op het openbare rechtsplein {forum) en zy door den krijgs-tribuun der dertiende stedelijke cohorte (1) en de stadsmagistraten in het bijzijn van het geheele volk werden ondervraagd. Toen zij nu hun geloof beleden, werden zij in den kerker geworpen, totdat de bestuurder van het gewest, de propretor des keizers, die afwezig was, zou terugkeeren. Toen deze teruggekeerd was, werden zij voor hem gevoerd, en door hem met allerlei wreedheid bejegend. Vettius Epagathus was daarbij tegenwoordig. Het was een jeugdig man van een voorname familie. Leocadius, die van hem afstamde, wordt door den H. Gre-gorius van Tours de eerste Senator van Gallië genoemd, en de familie der Vettiussen of Vectiussen was langen tijd beroemd te Rome, zooals blijkt door de geschiedenis en een tal van opschriften. Hij was een uit het getal der broeders en vloeide over van eene overgroote liefde tot God en den evenmensch. Hij leidde een zoo zuiver en heilig leven, dat men op hem het getuigenis, hetwelk de H. Schrift geeft van den priester Zacharias, kon toepassen, namelijk immer den weg der rechtvaardigheid bewandeld en de geboden des Heeren volbracht te hebben. Daar hij dus
(1) Zie Marquardt Komische Staatsverwaltuug.
156
vol vurigheid en gver was, kon hij zulk een onrechtvaardig vonnis tegen de Christenen niet verdragen. Innig verontwaardigd, verzocht hij de zaak zijner broeders te mogen bepleiten en aan te toonen, dat er geen goddeloosheid noch ongodsdienstigheid bij de Christenen werd aangetroffen. Maar zij die den rechterstoel omgaven, verzet-teden zich daartegen met geschreeuw, want ze kenden hem als een der roemrijkste Christenen. Ook de propretor was geheel gekant tegeu zijn overigens allerrechtvaardigst verzoek, en vroeg hem tot eenig antwoord, of hij Christen was. Epagathus verklaarde met zeer duidelijke stem Christen te zijn. Onmiddellijk daarop werd hij onder het getal geplaatst van hen, die voor den marteldood bestemd waren. Sedert dien tijd werd hij de advocaat der Christenen genoemd en niet zonder het volste recht. Want de H. Geest, die in de H. Schrift onze paracleet wordt genoemd, dat is onze Trooster en pleitbezorger, had zijn verblijf in zijne ziel, vervulde hem met zoo vurige liefde, dat hij met vreugde zijn bloed en zijn leven opofferde om zgne broeders te verdedigen. Hij toch was een rechtgeaarde leerling van den Christus en volgde het Lam, waar het ook gaat.
Van dit oogenblik begon men ook de overige ware leerlingen te kennen en te onderscheiden. Dit was het gevolg der gestrengheid van den propretor. Er waren er die bereid waren en gereedelijk optraden aan het hoofd der martelaars en die met vreugde zich onderwierpen aan alles wat het gevolg dier belijdenis zou zijn. Daar waren er echter ook, die hier niet op voorbereid en niet genoeg geoefend waren in de Christelijke deugd, en die daarom zoo als bleek, te zwak waren om zoo geweldigen strijd te doorstaan. Daar waren er ongeveer tien, die gezamenlijk bezweken, en ons daardoor met overgroote droefheid
157
en smart vervulden. Zij deden ook grootelyks den yver verflauwen van hen, die nog niet gevangen waren genomen en de belijders niet verlieten, ten einde ze bij te staan, ofschoon zij zulks slechts konden doen met veel moeite en gevaar. Wij allen waren met groote vrees geslagen om den uitslag. Niet dat wij zoo zeer beducht waren om de folteringen, die men ons zou doen ondergaan , maar omdat wij vreesden dat de een of andere voor het geweld zou bezwijkeu.
Men nam echter dagelijks verschillende Christenen gevangen , die waardig waren het getal aan te vullen van hen die gevallen waren. Al de uitstekende personen, die zich onderscheidden door geleerdheid en godsvrucht, die do bestuurders eu de steun waren der beide kerken (van Lyon en van Vienne) vielen den vervolgers in handen.
Daar de propretor gelast had, dat men met de grootste nauwgezetheid al de Christenen zou opsporen, zoo nam men met hen ook eenigen hunner slaven gevangen, die afgodendienaars waren. Dezen, wijl zij vreesden dezelfde martelingen te zullen ondergaan, die zij de heiligen zagen verduren, en wijl zij daartoe werden aangespoord door de kvygsknechten, legden door het toedoen dier krijgsknechten de valsche getuigenis af, dat de Christenen aten en zich schuldig maakten aan bloedschande even als een Edipus en Thyestus. Zij legden hun bovendien een groot getal andere misdryven ten laste.
Dit had men reeds gedaan by den eersten aanvang der vervolging, onder Marcus Aurelius, en de H. Justinus had in zijn verweerschrift toen reeds getoond, hoe onredelijk het was op zulk getuigenis af te gaan. Desniettemin, toen deze lasteringen onder het volk werden verspreid, werd dit tegen ons zoo vertoornd, dat, indien eenigen om reden van bloedverwantschap tot nu toe ge-
158
matigd jegens ons waren, zij toen met eene bittere verontwaardiging tegen ons bezield werden. Alzoo werd vervuld wat door den Heer voorspeld was met deze woorden: er zal een tijd komen, dat al, wie u gedood zal hebben, zal
meenen dienst aan God bewezen te hebben.
* *
*
Dit had ten gevolge, dat men om aan het volk te behagen, en in de hoop van bekentenissen af te persen, de gevangenen ten tweeden male folteringen deed oudergaan. Een bevelschrift van Marcus Aurelius en Lucius Verus veroorloofde meermalen denzelfden beschuldigde te folteren, vooral wanneer de bewijzen tegen hem duidelijk waren, en hij lichaam en ziel tegen de folteringen had verhard. De leugens der slaven werden door den rechter opgevat als duidelijke bewijzen ; de standvastigheid der martelaars werd aangezien als verhardheid en stijfhoofdigheid. Daarom hadden de hoogstheilige martelaars thans onbeschrijfelijke martelingen te verduren. De duivel toch wendde al zijne krachten aan, om ook hun de be-lijdenis van eene dier misdaden af te persen. Vooral keerde zich de haat van het volk, van den propretor en van de krijgsknechten tegen den diaken Sanctus uit Vienne, en tegen Maturus, die wel is waar nog niet lang gedoopt was, maar toch een edelmoedig strijder van J.-C. was; alsmede tegen Pergamus, afkomstig uit Pergamus (in Azië), die altijd de zuil en de kracht onzer kerk was geweest, en eindelijk tegen Blandina, door welke Christus getoond heeft, dat hetgeen gering, onaanzienlijk en veracht is bij de menschen, door God dikwerf met de grootste eer wordt overladen om de uitmuntende liefde die door deugd en kracht er in uitschijnt, en zich niet bepaalt tot een ijdelen schijn.
Zij was slavin en had een teeder en zwak lichaam,
159
zoodat de overige Christenen en zelfs hare meesteres, die mede zich onder de martelaars bevond, ten zeerste bevreesd waren, dat zij den moed niet zou bezitten om haren Christelijken godsdienst te belijden. Doch zij legde zulke geestkracht en zulken heldenmoed aan den dag, dat de beulen, die de eenen na de anderen van den vroegen morgen tot aan den nacht niet ophielden haar op allerlei wijze te folteren, veeleer eerst vermoeid werden. Zij beleden , dat. zij overwonnen waren, en dat zij geen soort van pijniging meer kenden, die zij niet vruchteloos tegen haar hadden aangewend. Zij verwonderden zich, dat eene maagd, wier lichaam met duizenden wonden overdekt en overal verscheurd was, nog leefde. Zij erkenden in aller byzijn, dat de minste der folteringen, die zij had ondergaan , voldoende was geweest om haar te dooden, laat staan zoovele verschillende martelingen.
Maar gelijk de hevigheid van het gevecht aan dappere strijders nieuwe krachten schenkt, evenzoo schonk de moedige belijdenis van het Christelijke geloof aan die gelukzalige martelares een nieuwe sterkte. Het was haar eene verkwikking en eene rust, en het ontnam haar het gevoel der tegenwoordige smart, deze woorden uit te spreken: ik ben Christin, en geen misdrijf heeft er by ons plaats.
Ziedaar waartoe het Christendom eene jeugdige en zwakke slavin in staat had gesteld. De slavin Blandina, zoo ziet de ongeloovige Renan zich gedwongen te verklaren, toont ons dat een geheele omkeer had plaats gegrepen. De ware invrijheidstelling of emancipatie van den slaaf, de emancipatie van den heldenmoed, was grootendeels het werk van het Christendom. (1) Die heldenmoed had, zooals uit
(1) Kenan Marc. Aurèle p. 312.
160
de akten blijkt, zjin oorsprong in een groote en sterke liefde tot God. De Kerk heeft ook immer voor deze heilige een bijzondere liefde aan den dag gelegd. Overal wordt zij onder Lyons martelaren het eerst en dikwerf alleen bij naam genoemd. (I)
Ook de diaken Sanctus doorstond allerlei eenigzins te bedenken folteringen. De heidenen hoopten hem eenig minder passend woord af te dwingen. Maar hij, ondanks de felheid en grootheid der martelingen, weigerde te zeggen welk zijn naam, welke de naam van zijn volk en van zijne stad, of hij slaaf dan wel vrij was. Op alle vragen gaf hij dit eenig antwoord: ik ben Christen. Geen ander antwoord konden zij van hem verkrijgen. Daardoor werden de propretor en de beulen zoo woedend tegen hem, dat zg, na al het overige te hebben aangewend , met platen van gloeiend koper de teederste deelen van zijn lichaam verschroeiden. Zijne leden werden wel verbrand, maar hij bleef onwrikbaar en standvastig in zijne belgdenis. Het heilzame en levende water, dat uit het Hart van Christus als uit eene hemelsche bron neder-vloeit, had hem geheel overstroomd en gesterkt; geheel zijn lichaam droeg de teekenen der doorgestane wreedheid Het geheele lichaam was eene wond, opengereten, saam-getrokken, en vertoonde geen menschelijke gedaante meer.
C Wordt vervolgd.)
(2) Aldus bg den H. Eucherius, Ãsuard, Ado, de kerk van Vienne, en gelijk men ziet in den brief der Christenen van Lyon, wordt haar str\jd het eerst verhaald.
|||js owW^ping van
(Vervolg van bl. 73.)
zagen in het kort de verschillende berichten over het heiligdom in Albanië, die wy te danken hebben aan den ijver van den E. P, Belgrano, van wien wij eene korte levensschets hebben gegeven. Wij voegen hierbij een brief van den Vikaris-generaal van Skutari, den hoogwaardigen heer Augelo Radoja, betreffende het gezag der overlevering in Skutari aangaande het heilig beeld. Hij is gericht aan Pater Mariano Pizzocbini van Paltnanova, apostolisch Prefekt van Epirus.
ZeerEerw. Pater.
Uwe ZeerEerw. Paterniteit heeft, door mij den hoog-geschatten brief van den beroemden Pater Belgrano van de orde der Augnstijnen te laten lezen, mij daardoor een uitstekend blijk van vertrouwen willen geven. Ik stel er prijs op, u rondborstig te betuigen, dat ik eene groote vreugde des harten heb ondervonden, toen ik daarin las, dat de voornoemde Pater voldaan is geweest over het bericht, hem over de oude kerk der Madonna te Skutari toegezonden. Maar daar de eervolle religieus er op staat om van ons, die ons op de plek bevinden, nog vollediger bericht te ontvangen, zoo ben ik bereid volgens UwEerws. verlangen ze hem te geven.
Gezegde Pater Belgrano wenscht te weten, of de kleine kerk wordt aangetroffen binnen den omtrek der oude stad Skutari. Gewis was de kleine kerk vroeger evenals nu
11
1G2
gelegen in eene der voorsteden, genoemd, sedert de eerste jaren van de vreeselijke Turksche verovering, Ali-Begli Mahalassi. Deze voorstad was voor zestig jaren vol huizen en bewoners, allen Muselmannen.
De oude stad Skutari was veel kleiner en omsloot het kasteel en de sterkte. Zij was eens gedurende een tijd vol huizen, grootendeels bewoond door heeren en edellieden. Zij omsloot ook de tegenwoordige markt, die het plein wordt genoemd, alsook de straat Ciafïa geheeten, plaatsen deels ten Noorden, deels ten Oosten gelegen, terwijl Ali-Begh Mahalassi aan den tegenovergestelden kant zich aan de zijde van het Zuiden en het Oosten bevindt. Het is daarom duidelijk, waarom de gezegde plaatsen omstreeks een mijl van Ali-Begh Mahalassi gelegen zijn. Het punt, dat het moeielijkste op te helderen is, schijnt dit te zijn, of het waar is dat. de overlevering van Skutari omtrent het wonderbeeld vaag is; want ware zulks waar, dan zou zij weinig gezag hebben. Wij, hoogst dierbare Pater, de kinderen der oude Albaneezen, die eens de glorievolle verdedigers der Katholieke godsdienst waren tegen Schismastiken en Turken, wij zijn in staat met alle rondborstigheid (een karakterizeerende eigenschap van dit volk) te verklaren, dat wij vernomen hebben niet alleen van priesters maar veel meer nog van onze voorouders, die gewis er niet eenig belang bij hadden om hunne nakomelingen te bedriegen: dat in de kleine kerk aan den voet der sterkte van Skutari, tusschen de twee rivieren Drino en Bojana een beeld bestond van O. L. Vrouw van Goeden Raad â Fuguria e Eois Skodres â en dat het eenige jaren, voordat de Turken Skutari bemeesterden, dit kerkje had verlaten en door een mirakel was overgevoerd naar een vreemde stad, Genazzano genoemd. Deze eigene woorden worden gebruikt door de inwoners van
163
Skutari en over 't algemeen door al de Albaneezen als eene kostbare herinnering ons nagelaten door onze voorouders, die ze op hunne beurt hebben vernomen van ouden in dagen, en dezen weder van anderen, totdat wij opklimmen tot lang verledene geslachten. Uwe paterniteit, die twintig jaren in Albanië verbleef, kent zeer goed het karakter der Albaneezen. Zijn deze niet zeer vasthoudend en hoogst zorgvuldig in het bewaren van belangrijke berichten, die zij hebben ontvangen van hunne eigene voorouders, en hebben zij tevens niet een afkeer om nieuwe dingen, die s-trijdig zijn met hunne traditioneele denkbeelden , aan te nemen ? Hoe zou dus een verstandig man op eenige wijze zich verzetten tegen eene meening, die van geslacht tot geslacht tot op den dag van heden is bewaard gebleven? Deze meening is zoo diep doorgedrongen en geworteld in al de klassen, dat hij die zou wagen het tegendeel te beweren of het in twijfel te trekken, hij, indien hij een inboorling was, zich onge-tvvijfeld aan de openbare verontwaardiging en verfoeing zou blootstellen, en gevaar zou loopen minder aangenaam bejegend te worden. Ware hij een vreemdeling, zou men hem met een medelijdend oog aanschouwen en zou men zijn gezelschap vluchten, om zulke nieuwigheid niet van hem te moeten hooren. Het is waar, wij zijn verstoken van opschriften en geschiedenissen door Albaneezen geschreven , die betrekking hebben op deze overlevering Maar wie onder ons is niet bekend met de langdurige en rampvolle belegering, die onze roemvolle voorouders hebben verduurd tegen het overgroote leger der barbaren, zoo nochtans, dat zij na veel bloed vergietens eindelijk de stad moesten overgeven ? De Turken, verbitterd door het verlies van zoo ontelbare soldaten, waren nauwelijks meester van Skutari, of erger dan Wandalen vernielden zij al de
164
opschriften en kenteekenen der Christelijke godsdienst, en verbrandden de boeken en de overige godsdienstige voorwerpen.
Maar waartoe dit vermeld? Het is een ontegenzeggelijk feit, dat zij zeiven, hoe woedend dan ook, twee kerken ongedeerd aan de Christenen overlieten, namelijk de kleine kerk toegewijd aan O. L. Vr. van Skutari en die van de H. Maria Magdalena van Tebue, die nog in ons bezit zija. Zij veranderden de overige kerken in moskeeën, maaar zij konden het niet uit het geheugen der Christenen wisschen, dat in de kleine kerk aan den voet der sterkte in de voorstad der Turken, Ali-Begh Mahalassi genoemd, het mirakuleuze beeld had gestaan, waarvan wij spreken. Het is dus niet waar te verkondigen, dat de Christenen na den inval der Turken of afvallig werden, of indien zij wenschten te volharden in hunne godsdienst naar de bergen vloden of zich naar Italië begaven. Dit is waar van eenigen, maar niet van allen. Aan velen werd het vergund te wonen in Suza, Tebuena, Berdizza, Cacci en Semagni, vlekken dicht bij de stad. De Christenen dezer vlekken in zoo groote nabijheid (der kerk) hebben sedert de eerste jareu van den inval gedurig betrekkingen en bezigheden gehad met de Turken, die toen niet zoo talrijk waren. Zij bezochten derhalve even als nu de kleine kerk, ofschoon in het geheim, uit vrees voor de Turken, wier oogen ze maar al te zeer gadesloegen. Maar waarom gingen die arme Christenen naar die heilige plaats? De weinige priesters in deze ongelukkige tijden konden niet openlijk spreken, wilden zij zich niet aan nog grootere gevaren blootstellen. De Christenen gingen er heen om geen andere reden, dan omdat zij zeker wisten, dat het vereerenswaardige beeld, welks verlies hunne nakomelingen thans betreuren, daar langen tyd had verbleven.
165
Is het mogelijk, dierbare Pater, dat geheel een volk te beginnen van de hoogst tot de laagst geplaatsten, van leeftijd tot leeftyd, met zooveel vasthoudendheid zulk een geloof kon bewaren en kon dwalen? En kan zulk eene overlevering door een persoon van goed verstand vaag worden genoemd? Indien deze onze overlevering vaag kan worden genoemd, zeg mij dan welke andere ter wereld kan dan waar worden genoemd?
Ontvang enz.
Skutari, 17 Dec. 1878.
Angei.o Radoja P.P., Vikaris-generaal.
Hieraan kunnen wij nog de volgende stukken toevoegen.
1. Een vrome en godvruchtige dame van Skutari van aanzienlijken stand, toen zij vernam in Juli van 1878, dat onderzoekingen werden gedaan, om te bewijzen dat de muren achter de sterkte van Skutari, die door het volk als heilig worden vereerd, de eigene overblijfsels zijn der kleine kerk, waar het beeld stond der Moeder van Goeden Raad, verhaalt, hoe zij bij haar veelvuldig bezoek van deze vereerde bouwvallen, gewoon was deze meerdere malen rond te gaan, en iederen keer een steen te kussen, waarop een klein beeld der Madonna was uitgehouwen en die zich aan de buitenzijde van den muur bevond, waarin de nis was, waarin eens het gezegende beeld van Genazzano had gestaan. Ook verklaarde zij, dat de figuur van het kleine uitgehouwen beeld gelijkvormig was aan dat, hetwelk in de kathedrale kerk van Skutari werd vereerd. Zij zeide dat tot haar groot leedwezen ongeveer twee jaren voor gezegden tijd het kleine beeld verdwenen was. Zij dacht, dat de een of andere vereerder der Madonna den steen, waarop het beeld der Madonna was uitgehouwen, uit den muur had genomen en weggevoerd.
166
Dit feit is eene onbetwijfelbaar bewijs te meer, dat deze muren de overblijfsels zijn der kleine kerk, waar eens het L. Vr. beeld van Skutari zich bevond.
2. De ZeerEerw. Don Pascbali Junchi, assistent der parochiekerk van Skutari, betuigt, dat hij vóór weinige jaren een uitgesneden steen heeft gezien van vierkanten of langwerpigen vorm, waarop in kapitale letters het toewijdende opschrift was gehouwen: D. O. M. et Beatoe Virgini. Deze steen lag sedert onheugelijken tijd op den groud, niet ver van de boven beschrevene bouwvallen; hij werd ongelukkiglijk weggenomen door de Muselmannen en gebruikt tot herstel der naburige brug over den Drino. Het zal nuttig zijn te bemerken, dat in de nabijheid geen andere kerk bestaat, noch ooit bestond in oudere of latere tijden, toegewijd aan de H. Maagd, uitgezonderd volgens de overlevering die, waarvan hier de overblijvende muren worden aangetroffen. Wy mogen dus wel besluiten, dat deze steen inderdaad behoorde tot het heiligdom, waarvan de bouwvallen nog slaan.
3. Door geschiedenis en overleveriug is het duidelijk, dat op de helling van den heuvel, waarop de sterkte van Skutari zich verheft en in de nabijheid der hiervoor beschrevene bouwvallen vroeger verschillende huizen van bijzondere aanzienlijke Turken werden aangetroffen. De Regeering beval in het begin dezer eeuw om staatkundige en krijgskundige redenen, dat de boven genoemde families zich naar elders zouden begeven en dat de huizen zouden worden gesloopt. De negentigjarige Don Jacobus Vassia getuigt in zijne jeugd verschillende dezer huizen nog bewoond te hebben gezien, en dat hg met zijn veertigste jaar hunne algeheele verlatenheid kon aanschouwen. Heden zijn al die woningen omvergehaald en van de meesten blijven zelfs de grondslagen niet over. De reden hiervan
167
is, dat de regeering en de eigenaars, die zich elders gingen vestigen met elkander wedijverden om de bouwstoffen voor openbare of bijzondere werken te benuttigen. Nu rijst natuurlijker wijze de vraag, waarom blijven de muren (der kerk) die door de Christenen als eerbiedwaardige overblijfselen worden beschouwd, onaangeroerd en tot eene aanzienlijke hoogte staan, en ondergaan zij niet het lot der overige woningen in de nabijheid? Waarom besloot ze de regeering niet in het bevelschrift ten dienste van openbaar nut en veiligheid? Waarom maakten de Muselmannen geen gebruik van de bouwstoSen dezer muren, die zeker in vergelijking met die der verwoeste huizen veel geschikter zouden geweest zijn om hunne nieuwe en niet ver verwijderde woningen op te trekken? Gedurende geruimen tijd hebben de regeering en bijzondere Turksche familieën van de voorstad Baccalik niet opgehouden bouwwerken uit te voeren. In den loop van dertig jaren hebben zij een groot getal huizen gebouwd. Zij hebben rondom ilen burcht verdedigingsmuren, graven en andere dergelijke werken opgebouwd. Ook nu nog richten zij van tijd tot tijd nieuwe gebouwen in de nabijheid der genoemde op, en de bouwstof voor deze werken wordt tegen hoogen prijs gekocht, en wordt daarheen gebracht met paarden van vrij verren afstand Maar noch vroeger, noch nu kwam het iemand in de gedachte, de bouwvalleu der kerk omver te werpen , ten einde zich te bedienen van het materiaal, dat zij aan vierkante en geschikte bouw-steenen zouden opleveren. Buitendien is het bekend, hoe de Turken gewoon zijn elke zaak, die verlaten is, te benuttigen, en vooral, wanneer zij kunnen vermoeden, dat zoo iets aan de Christenen heeft toebehoord, beschouwen zij het als eene verdienste, dit zich toe te eigenen.
Hoe is nu dit feit, dat ontegenzeggelijk in strijd is met
168
de hebzucht der Muzelmannen en met hunne godsdienstige en dweepzieke neigingen , gelijk het behoort te verklaren ? Het is daartoe noodzakelijk, of te beweren, dat de Turken het voordeel niet hebben ingezien dat zij konden trekken uit de bouwstoffen dezer muren en er geen acht op gaven gedurende meer dan 50 jaren (wat aan het mirakel zou grenzen); of wel dat zij deze muren ontzagen en het niet beproefden ze aan te raken, uit vrees van vreeselijk gestraft te worden, gelijk hunne vaders gestraft werden, als zij het ondernamen ze te ontheiligen. Men bedenke wel, de overlevering, dat de plaats niet kan ontheiligd worden zonder tuchtiging, leeft nog immer voort en is krachtig onder de Muselmansche bevolking van Skutari.
Genazzano, 26 Februari 1879.
B. Giampiero van Bergamo, Minor observant.
Feeraei , Apostolisch prefekt.
Het feest van O. L, Vr. van Goeden Raad wordt nog immer gevierd te Skutari, als het voornaamste feest van Albanië. Dit blijkt uit den volgenden brief:
ZeerEerw. Pater.
Gisteren hebben wij een plechtig feest gevierd te Skutari, namelijk van de allerheiligste Madonna. Vespers werden op den vooravond gezongen. Er was verlichting rondom de kerk, en het altaar schitterde met twee honderd vijftig waskaarsen. Eene zeer talrijke menigte volks stroomde toe. Bij de processie was een buitengewone stoet, daar zeventien broederschappen, ieder met eigen banier en kruis er aan deel nameu. De wereldlyke en reguliere geestelijken waren veertig in getal. De seminaristen en scholen der stad sloten er zich bij aan. Voor het heilige beeld, dat gecopieerd is naar dat van Genazzano, speelde het nationale muziekgezelschap. Stukken van klassieke
169
auteurs waren voor deze plechtigheid gekozen. Bij den grooten toeloop des volks ontbraken geen Turken en Grieken. De dag was zeer schoon; daarom was geheel Skutari vol vreugde. Bid, dierbare Pater, de H. Maagd, dat zij moge zegenen.
Skutari, 21 October 1879.
UZEerws, enz., D. Pasquale , Vice-Pastoor.
Hiermee besluiten wij de reeks bewijzen, die zoo duidelijk de traditie openbaren van Albanië aangaande het bestaan en de overvoering van het beeld van O. L. Vr. van Goeden Raad, dat reeds meer dan vier eeuwen te Genazzano wordt vereerd. Indien de kennis van dat verlies zoo algemeen is in dat land op dit oogenblik, en de droefenis over den schat, die verwijderd is, nog zoo groot is, dan kunnen wij zeer goed ons verbeelden, welke de gevoelens waren van het volk, toen het pas vertrokken was. Noodzakelijker wijze werd het beschouwd niet slechts door de Albaneezen, maar evenzoo door al hunne tijd-genooten als een ongeluk en eene straf. Het was een feit, hetwelk niemand, die eene gewone liefde heeft, zou hebben willen doen opmerken, waarover hij zou hebben willen roemen of waarover hij zou hebben willen schryven in een tijd, toen de Christenen van Skutari zulk een Moedigen en ongelijken strijd hadden te strijden tegen de Turken.
Allen ontzagen de droefenis en den druk hunner broeders, en dit verklaart genoeg, waarom de schrijvers van dien tijd er over zwegen. Doch zoodra de gevoeligheid der Albaneezen door verloop van tijd niet langer meer te ontzien was, kwamen al de omstandigheden aan het licht. Voeg hierbij, dat de plaats, waar de inwoners
170
van Skutari het eerst heentrokken, na de inname hunner stad door de Turken, Latium was. Zij staken de Apennijnen over, gingen Rome voorbij, en trokken naar Latium. Waarom? Senni en al de geschiedschrijvers van dien tijd geven als reden op, dat zij daar hunne geliefde Madonna vonden. Naar Genazzano komen de Albaneezen heden even als toen, wanneer de gelegenheid zich voordoet. Hunne afstammelingen in het ver verwijderde Kalabrië, begeven zich nog immer met liefde naar dit heiligdom, dat zij beschouwen als de dierbaarste plek ter wereld.
Itfjsl san c^sus #fi-. #fart in het aamp;sin.
-fyf CSsamp;ü) 0)5^0
I f ,rtgt;u elk Christelijk gezin moest een beeld van Jesus' uiPk Hart worden aangetroffen. De Goddelijke Zalig-maker gewaardigde zich aan de gelukzalige Maria Margaretha a la Coque in eene bijzondere openbaring te verklaren, dat het beeld zijns Harten een voorwerp van zijn Goddelijk welbehagen is, dat men zulke beelden aan de vereering der geloovigen moest voorstellen, en dat Hij over zulke plaatsen, waar men dit beeld vereert, en over de personen, die dit beeld vereeren, alle zijne genaden zal uitstorten. Volgens deze belofte zal dus zulk een beeld een rijke bron van zegeningen en genaden voor het gezin zijn, waar het is uitgesteld.
Het beeld van het H. Hart is voor al de leden van het gezin, waar het is tentoongesteld, eene opwekking tot Goddelijke liefde. Zulk een beeld toch is niets anders dan de voorstelling van den Goddelijken Zaligmaker,
171
gelijk Hij aau de gelukzalige Maria Margaretha is verschenen. Het stelt den menschgeworden Zoon van God voor in de menschelijke natuur, die Hij uit liefde tot ons heeft aangenomen. Hij de schoonste en beminnelijkste der menschenkinderen is ons afgebeeld als volwassen raensch met den stralenden kruisnimbus om het Goddelijk hoofd. Zijne handen en voeten dragen de teekenen van zijn heilig kruisoffer. Hij toont met zijne hand zijn menschelijk hart, dat vereenigd is met de Goddelijke natuur en slechts door den Goddelijken persoon des Woords bestaat. Dat Hart draagt nog de wonde, die het aan het kruis voor ons ontving. Het is omkransd met eene kroon van doornen. Het draagt een kruis. Het is geheel omgeven door stralen van licht, die er van uitgaan, terwgl vlammen, die er uit opschieten, den Goddelijken gloed aantoonen, waarmede het is vervuld.
Zulke voorstelling doet elk lid van het gezin, dat er zijn blik op vestigt, dadelijk denken aan den Goddelijken Zaligmaker en aau zijne grenzenlooze liefde. Aanzien doet gedenken en gedeuken doet beminnen. Wij stelleu prijs op het portret van een persoon, die ons dierbaar is, om hem niet te vergeten. En zouden wij dan het beeld vau onzen God en Heer voor oogen kunnen hebben, zonder dat onze gedachten en alzoo ook onze liefde tot Hem getrokken worden. Dat beeld zal ons herinneren, dat Jesus onze God om ons te redden, de menschelijke natuur heeft aangenomen, onze broeder is geworden, zich voor ons geslachtofferd en uit liefde zich geheel voor ons gegeven heeft En zal dan het zien van Jesus' beeld, dat ons zijn Hart toont om ons te wijzen op zijne oneindige liefde, ons niet opwekken om Hem te beminnen Moeten althans van tijd tot tijd, wanneer wij den blik vestigen op zulke voorstelling, geen gevoelens ontstaan
172
in ons hart, als daar oprezen in het hart van een H, Augustinus, die uitriep: O Liefde, die altijd brandt en nooit wordt uitgebluscht. Zoete Jesus, God der liefde, ontsteek mij geheel door het vuur uwer liefde en door den grooten gloed uws Harten! Allerzoetste, allerbeste, liefdevolle, allerdierbaarste, allerschoonste, hoogst bemin-nelijke Verlosser, zoeter dan honig, witter dan de sneeuw, kostbaarder dan goud en edelgesteenten, ik bemin U meer dan alle rijkdommen en eer der wereld.
De H. Theresia, toen zij een beeld zag van Christus met de teekenen van zijn lyden, werd innig bewogen, wierp zich daarvoor neder, stortte tranen, en smeekte haren God om Hem toch nooit te beleedigen. En zal dan het. beeld van Jesus Goddelijk Hart niet hoogst geschikt zijn om ook de verschillende leden van het gezin tot Jesus' H. liefde op te wekken? Zal hetgeen allerheil-zaamsten indruk maken op de teedere harten der kinderen. Zullen zij daardoor niet aangespoord worden om van kindsbeen af Jesus innig te beminnen. Vooral zal dit het geval zgn, wanneer ook hunne aandacht wordt getrokken tot zulk een beeld, omdat zulk een beeld op sommige dagen op meer dan gewone wyze wordt versierd, of er alsdan een licht voor wordt ontstoken.
De Goddelijke Verlosser deed aan de gelukzalige Maria Margaretha de belofte, dat Hij in de familie van hen, die zgn Goddelijk Hart vereeren, den vrede zou doen heerschen. Het beeld van het Goddelijk Hart van Jesus onder het oog der hoisgenooten geplaatst, zal hen voortdurend opwekken tot onderlinge liefde en vrede. Dat aanbiddelijk Hart roept hen gedurig daardoor toe: leert van mij, dat ik zachtmoedig en ootmoedig van harte ben. (I)
(1) Mt. XI : 29.
173
Het is voor ouders en kinderen, zusters en broeders, oversten en onderdanen eeue bron, een spiegel, eene aansporing van de reinste en innigste liefde. Het herhaalt voor hen gedurig dat veelbeteekenende woord: dit is mijn gebod, dat gij eikanderen lief hebt, gelijk ik u heb lief gehad. (1) Jesus H. Hart vloeide over van liefde tot de menschen. Het vergaf aan zijne beulen, en leerde ons vergeven. Het was barmhartig en zegde zijne barmhartigheid aan de barmbartigen toe. Het stelde zich ten dienste voor aflen; want Jesus kwam om te dienen en niet om gediend te worden. De wonde, die dat Goddelijk Hart draagt, zegt ons genoeg, hoe offervaardig het was. Het zien der afbeelding van Jesus' H. Hart zal tot al de leden van het gezin zeggen: hebt die gevoelens in u, die in Christus Jesus waren. (2) Het H. Hart van Jesus zal aller harten met zich en daardoor ook met elkander vereenigea. O het beeld van Jesus' aanbiddelijk Hart in het gezin, moet een vereenigingspunt en vereenigings-middel zijn voor al de leden, die tot dat gezin behooren. Wanneer zullen wij, zegt de H. Franciscus van Sales, de zielen van onze medemenschen in het H. Hart onzes Zaligmakers aanschouwen? Helaas, wie zijn evenmensch aanschouwt buiten dat Hart, hij loopt gevaar hen noch op een ruimere, noch standvastige, noch gelijkmatige wyze te beminnen. Maar in dat H. Hart.... wie zou hem niet beminnen, wie hem niet verdragen?
De Goddelijke Zaligmaker beloofde aan de gelukzalige Margaretha voor de vereerders van zijn H. Hart: ik zal hen troosten in al hunne smarten. Elk huisje heeft zijn kruisje; elk gezin heeft zgne wederwaardigheden. Nu is het een verlies, dan weder eene ziekte, andere malen een
(1) Jo. XV ; 12. (2) Philipp. II ; 5.
174
proces, dat ons wordt aangedaan, een smaad, een laster die te kort doet aau onze eer, eene teleurstelling in onze ondernemingen, de ontrouw van een vriend, liet wangedrag van een familie-lid, de scheiding of de dood van een onzer dierbaren. Wanneer wij nu bij dat alles een blik werpen op het H. Hart van Jesus, dan zullen wij getroost worden. Het kruis op dat Hart geplaatst, de doornen kroon, die het omgeeft, de wonde die het heeft ontvangen, zeggen ons, hoeveel Hij, do Schuldelooze, voor ons heeft geleden. Dat alles roept ons toe, dat ons lijden gering is vergeleken bij zijn lijden; dat wij moeten lijden naar zijn Goddelijk voorbeeld met geduld; dat wij door ons lijden aan Hem gelijkvormig worden; dat wij met moed en vertrouwen moeten bezield zijn, wijl Jesus' H. Hart ons niet zal verlaten; dat wij moeten lijden met ouder-werping en met dat Goddelijk Hart moeten verzuchten: niet myn maar uw heilige wil geschiede; dat wij moeten lijden met liefde, en met dat Goddelijk Hart moeten zeggen: zal ik den kelk, dien de Vader mij te drinken geeft, niet drinken; dat het lijden niet immer duurt en de weg voor ons is evenals voor Jesus' Hart tot onuitsprekelijke zaligheid en eeuwige heerlijkheid. Het H. Hart van Jesus zal al de leden vau het gezin door het gezicht van zijn beeld en door zijne herinneringen troosten. Het roept allen door zijne afbeelding toe: komt allen tot Mij, die belast en beladen zijt en Ik zal u verkwikken.
Het H. Hart van Jesus zal voor al de leden des gezins eene voortdurende opwekking tot kuischheid en reinheid zijn. Het is een maagdelijk Hart, het is een Hart, dat de kuischheid bemint. Het is een Hart, dat een maagdelijken Joannes tot lieveling, een maagdelijken Joannes den Dooper tot wegbereider, een allerkuischten Joseph tof voedstervader, de Maagd der maagden tot zgne Moeder
175
heeft verkoren. Zal dat reine Hart ons dus geen kracht zijn tegen al onze onreinheid? Zal het ons niet snerken in de bekoringen tegen de engelachtige deugd, waaneer wij het aanroepen. Zal het ons geen afkeer van alle onreinheid en innige liefde voor de reinheid inboezemen? Zal het aan allen dat Goddelijke Woord niet voorhouden; zalig de zuiveren van harte, want zij zullen God zien. En zal de afbeelding ven Jesus' H. Hart dus zulke gedachten en gevoelens niet in ons opwekken?
Eene verdere belofte voor de vereerders aan Jesus' Goddelijk Hart door den Zaligmaker aan de gelukzalige Maria Margaretha gedaan, luidt: ik zal hun al de genaden geven, die zij in hun staat noodig hebben. Dat H. Hart zal de harten der echtgenooten vereenigen, en hun trouw, liefde en toewijding aan elkanders tijdelijke en eeuwige belangen inboezemen. Het zal bij de ouders ijver, waakzaamheid , liefde, zorg voor het geestelijk welzijn der kinderen bevorderen, en ze aansporen om die kinderen voorwerpen te maken van zijn Goddelijk welbehagen. Het beeld van Jesus' Goddelijk Hart is voor de kinderen eene opwekking tot gehoorzaamheid en eerbied jegens hunne ouders. Dat Hart was onderdanig aan Joseph en Maria, het was gehoorzaam tot in den dood des kruises. Het noodigt daarom kinderen en onderdanen door zijn voorbeeld, niets zoo hoog te schatten, als het volbrengen van Gods heiligen wil. Werken en bidden zijn plichten in eiken staat. Jesus' H. Hart zal ze leeren aan al de leden van het gezin.
Daarom plaatst een fraai, een zoo schoon mogelijk beeld van Jesus' H. Hart in eene plaats van uwe woon, waar het staat onder het oog van al uwe huisgenooten. Versiert op zekere tijden dat beeld op meer dan gewone wijze en laat er een licht voor branden. Wilt gij eene
176
genade verkrijgen van uwen God, knielt neder voor dat beeld en gij zult bidden met vertrouwen. Hebt gij eene onderneming, die gij wilt doen slagen, schaart u met uwe huisgenooten om dat beeld, aanroept Jesus' H. Hart en gij zult de belofte des Heeren tot de gelukzalige Maria Margaretha in vervulling zien gaan: ik zal al hunne ondernemingen zegenen. Zorgt dat het oog uwer kinderen en uwer huisgenooten 's morgens en 's avonds op het beeld van Jesiis' Goddelijk Hart gevestigd zij; het zal hun een spiegel aller deugden zijn. Vergeet de belofte niet des Heeren: ik zal al de plaatsen, waar de beeldtenis van mijn H. Hart zal uitgesteld en vereerd worden, zegenen.
-^ owS^y-â-----
He pf. Ipuliana gn dg fggfldag van. lugl i|i Ipaeramgnl.
^b^Tanneer men aan de oostzijde van Luik de Maas, nmM J®26 volkrijke stad bespoelt, oversteekt, laat -SjPM men aan zijne rechterhand een weg, die geleidt naar Chaudfontaine en Spa, en bereikt men al spoedig Cornillon. Daar splitst zich de weg. Aan de linkerzijde buigt hij zich om den voet des bergs, om zich te verliezen in de vlakte van Jupille, aan de rechterzijde kronkelt hij over de helling des bergs en voert langs het stadje Herve naar Duitschland. Langs beide wegen kan men na twee uren gaans Retinne bereiken. Wanneer men Retinne nadert langs den grooten weg over Herve, heeft men recht voor zich de fraaie kerk der H. Juliana, gebouwd in den stijl der Gothiek van de twaalfde eeuw. Liefelijk
177
verheft zij zich op den kleinen heuvel, die boven Retinne uitsteekt. Hare rijzige voorgevel, die schoon is door de gelukkige overeenstemming vau al zijne onderdeden, vertoont u boven den ingang het beeld der H. Juliana. Zij draagt den sluier, heeft bet II. Sacrnient in de rechter hand en in de linkerhand het boek van haren kloosterregel. De rozenkrans, die door haar tijdgenoot den H. Dominicus ( 1221) werd ingevoerd, hangt ter rechter zijde aan haren gordel.
Op de afsluitingen der gevelhoeken verheffen zich twee schoone beelden van Robertus van ïorote en Paus ür-banus IV, die in het nauwste verband staan met het leven der H. Juliana.
Dit alles zegt ons, dat wij te Retinne, een vlek, dat in de 12de eeuw slechts vier huizen bezat en thans met drie bijbehoorende gehuchten 600 inwoners telt, de geboorteplaats begroeten van de H. Juliana. Nog ontspringt hier een beekje, dat de bron der H. Juliana wordt genoemd. Het behoudt haren naam bij geheel zijn loop, tot waar het zich uitstort in de Maas.
Hier woonde een godsdienstig echtpaar, Hendrik en Fraysenne, dat na vele en vurige gebeden het leven schonk in 1191 aan eene dochter Agnes en in 1192 aan eene tweede dochter Juliana genoemd. Pas aan de wieg ontwassen, waren beide kinderen reeds weezen. Dientengevolge geleidde haar voogd Juliana op vijfjarigen leeftijd met hare zuster naar Mont-Cornillon, en vertrouwde hare opvoeding toe aan het klooster, dat zich daar bevond.
De berg Cornillon, waarschijnlijk aldus genoemd naar den H. Cornelius, is de berg te Amercoeur, voorstad van Luik, aan de oostzijde van de Maas, waarop vroeger het oude Karthuizer klooster stond, waarvan heden nog slechts het priesterkoor bestaat in de kerk der Karmelitessen.
12
178
Voor dat de kinderen van den H. Bruno het in bezit namen, behoorde het misschien aan eene afzonderlijke congregatie, die den regel van den H. Augustinus volgde, en later in de orde van den H. Augustinus, toen deze in 1256 door Paus Alexander in het leven was geroepen, werd opgenomen. Het is waar, ook de Bernardijnen en de regulieren van Premonstreit beweren, dat dit klooster hun toebehoorde, en dat de H. Juliana van Cornillon van de hunnen is, zooals wij zien uit de Bollandisten. Doch de Bernardijneu worden uitgesloten, omdat zij den regel volgen van den H. Benedictus. De H. Juliana volgde echter gewis den regel van den H. A ugustinus, en nog wordt heden te Cornillon het beeld van den H. Augustinus tot driemaal toe naast dat van de H. Juliana aangetroffen. Het is waar, ook de Norbertijnen volgen den regel van Augustinus. Doch vooreerst zgn zij geheel in bet wit gekleed; terwijl de H. Juliana ons immer en reeds op de oudste afbeeldingen te Cornillon, in de St. Martinus-kerk, te Luik, te Retinne immer met het zwarte kleed wordt voorgesteld. Van daar wordt in het brevier der Augustijnen Eremieten gezegd: de H. Juliana, die van ome orde wordt gezegd te zijn. (1) Zij behoorde namelijk tot een huis en eene vereeniging van Augustijnen, die wellicht later met verschillende vereenigingen in de orde van den H. Augustinus werd opgenomen. Dit huis was in 1185 gesticht, om hen te herbergen, die bij hun terugkeer van Palestina besmet waren met melaatschheid.
Hier namen Agnes en Juliana hunnen intrek. Hier gingen beider kinderjaren in eenvoud, onschuld en innige godsvrucht voorbij. De overste, opdat de kinderen geen hinder zouden hebben van de melaatschheid, had ze geplaatst in de eeiiigzins,verwijderde inrichting, waar het
(1) S. Juliame ordims aostri nuncupate.
179
vee van het klooster werd verzorgd. Hier verliet reeds na eenige jaren Agnes als schuldelooze maagd deze aarde.
De vermelde inrichting stoud onder de leiding eener verstandige kloosterlinge, Sapience genaamd. Deze werd voor Juliana eene ware moeder. Zij boezemde aan hare leerliuge dat levendige geloof, die teedere liefde, die innige godsvrucht in tot Jesus in het H. Sacrament, die haar zoozeer onderscheidde. Zij waakte over hare onschuld en oefende haar in nederigheid, gehoorzaamheid en werken van naastenliefde. Juliana was reeds vroeg de bruid van Jesus in het liefdegeheim onzer altaren Door de kronijk-schrijvers dier dagen wordt ons de volgende trek medegedeeld. Eens begaf zij zich naar de Collegiale kerk van den H. Martinus. Zij gevoelde daar, dat de heilige hostie zich niet in de gewijde vaten bevond. Zij gaf dit te kennen, en toen men ze opende, werd de waarheid van hare bewering gestaafd.
* *
*
Terwijl Juliana dagelijks meer en meer toenam in liefde voor Jesus in zijn allerheiligste Sacrament, werd zij in 1208, toen zij zestien jaar oud was, begunstigd gedurende haar gebed door een buitengewoon visioen. Zij zag de maan en daarop eene duistere vlek, die haar als verdeelde. Aanvankelijk sloeg zij er weinig acht op, doch telkens wanneer zij bad, keerde dat visioen terug. Zij werd ongerust en vreesde voor misleiding en verkeerden invloed. Zij besloot daarom eindelijk de zaak aan hare oversten te openbaren, en maakte er Sapience mee bekend. Deze raadpleegde eerst eenige voorzichtige zusters, vervolgens ook godvruchtige en geleerde personen. Eenigen beschouwden de zaak als gevaarlijk; allen raadden haar aan dat visioen als een droom te beschouwen.
180
Juliana verzette zich zooveel zij vermoclit tegen die verschijning, en bad om er van bevrgd te worden. Maar het visioen bleef haar bij, niettegenstaande al hare pogingen en vervolgde haar gedurig.
Zoo verliepen er twee jaren Toen bad zij haren God om verlichting aangaande dit visioen, en hoe zij hieromtrent zich had te gedragen. Zij had nu haar achttiende jaar bereikt. De vrees voor het bedrog zou nu wijkeo, maar om plaats te maken voor een langen strijd van nederigheid.
Op zekeren dag overviel haar een zachte slaap in het midden harer overwegingen. Toen openbaarde haar God, dat de schitterende maan in den nacht eene afbeelding was van de strijdende Kerk, die hier op aarde de duisternissen verdrijft. De zwarte vlek gaf te kennen, dat aan de kerk een plechtig feest ontbrak. Maar de tijden waren daar; het was Gods uitdrukkelijke wil, dat dit feest ingesteld en gevierd zou worden in de geheele Christenheid. Volgens zijne eeuwige besluiten moest de instelling van het allerheiligste Sacrament plechtig herdacht worden niet slechts op Witten Donderdag, wanneer de kerk te zeer verdiept is in Christus' lijden, maar op een vastge-stelden dag en op een bijzonder feest in de geheele wereld. Het doel der instelling van dit feest was voor het vervolg der tijden de verzwakking van het geloof te voorkomen, aan hen die de gerechtigheid beminden, nieuwe wapenen tegen den vijand der zaligheid te verschaffen, en eindelijk om voor de lauwheid der Christenen te voldoen en door verschuldigde eer en eene bijzondere hulde te boeten voor de heiligschennissen en de goddeloosheden, die bedreven worden tegen de Goddelijke Majesteit in dit geheim.
Juliana. gevoelde zich onuitsprekelijk getroost bij deze openbaring. Maar toen de Heer er op liet volgen, dat
181
Hij baar had verkozen om dit verhevene feest, deze opwekking der liefde aan de wereld aan te kondigen, toen was de nederigheid van Juliana ontsteld. Hoe! er waren zoovele uitstekende personen in de kerk te Luik, in de gansche kerk, en zou zij, een jeugdig kind, zich vermeten
eene zoo gewichtige taak op zich te nemen!
* *
*
Omstreeks het jaar 1220 leefde te Luik eene jonge maagd, Eva genoemd. Vol godsvrucht voor het H. Sacrament, koesterde zij het denkbeeld om zich als bruid van Jesus Christus, gelijk het destijds geschiedde voor Hem in zijn heilig Sacrament op te sluiten. Zulk eene opgeslotene zegde vaarwel aan al de vermaken der wereld, onttrok zich aan de zoete vreugden der familie, en sloot zich op in eene kleine cel, die het haar toegestaan werd te bouwen en te vereenigen met eene kerk, om er gedurig het allerheiligste Sacrament te zien en te aanbidden. Terwijl zij nog aarzelde in dit besluit, kwam zij de heilige van den berg Cornillon bezoeken en hierover raadplegen. Juliana, die geheel godsvrucht en liefde was voor den God onzer altaren, juichte hare liefde toe en versterkte haar in haar plan. Eva besloot vaarwel te zeggen aan de wereld en zich toe te wijden aan Jesus in zijn heilig Sacrament. Zij zou zich eene cel bouwen bij de Collegiale kerk van den H. Martinus, doch Juliana moest haar beloven haar minstens eens in het jaar te komen bezoeken en haar in hare godsvrucht tot den God onzer altaren te ondersteunen.
Door deze bezoeken ontstond tusschen die twee reine harten, die de liefde tot Jesus in zijn wondergeheim door zoete banden vereenigde, eene vriendschap, die immer gedurende haar leven zou voortbestaan. Welke vertrou-welijke mededeelingen hadden zij elkander bij hare bijeen-
182
komsten te doen! welke troostende gevoelens hadden die heilige zielen in elkander over te storten! En hoe veel-vuldig een voedsel ontving daardoor de vlam der liefde, die beiden voor haar Goddelijken Vriend en Bruidegom
in het heilig tabernakel bezielde!
* *
*
In het jaar 1230 volgens de Bollandisten, stierf de eerwaardige Sapience, die thans overste was van Cornillon, en immer eene goede moeder voor Juliana was geweest. Deze had immer met ijver beautwoord aan de voorzichtige leiding van hare meesteres, eu muntte uit onder al hare medezusters, door de beminnelijkheid harer deugden. Zij werd dan ook tot priorin van het klooster op den berg Cornillon verkozen.
Zij wijdde zich met allen ijver toe aan hare nieuwe taak. Doch zij ondervond groote moeilijkheden. Zij had een krachtigen steun in Pater Godefridus, prior van het klooster. Doch de heilige voorzag het lijden, dat haar te wachten stond. Eens, toen zij Eva bezocht in de cel bij den H. Martinus, voorspelde zij haar, dat de prior Godefridus bij het einde van dat jaar zou sterven. Dientengevolge zouden groote verwarringen ontstaan. Zij vroeg Eva, of zij alsdan haar in hare cel zou willen ontvangen en in haren nood voorzien. Bewogen door die droevige vooruitzichten harer vriendin , gaf deze hare toestemming.
Juliana had nu in 1230 haar acht en dertigste levensjaar bereikt. Twintig jaren waren voorbijgegaan sedert God haar de geheimzinnige beteekenis van het wonderbare visioen, dat haar reeds twee jaren verontrustte en achtervolgde , had geopenbaard. Deze openbaring had zij immer geheim gebonden. Zij waagde het niet, om de zending, die haar opgedragen was, te vervullen, en vreesde nog altijd, door. een bedrog van den boozen vijand misleid te
183
worden. Doch van tijd tot tijd herhaalde Christus haar de zeuding, om te bewerken, dat een nieuw feest ter eere van het H. Sacrament zou worden ingesteld.
Sedert zij nu priorin te Cornillon was geworden, gevoelde zij zich weder en met meer kracht gedrongen om die taak te vervullen. Zij besloot nu na zooveel strijdens, haar geheim aan hare vriendin Eva mede te deelen. Zij kwam derhalve tot deze bruid van J. C., eu stortte het geheim, dat reeds 20 jaren in haar hart begraven was, voor hare vriendin uit. Zij verhaalde haar, hoe zij aanvankelijk de schijf der maan zag, die geheel glanzend was, doch in het midden door eene zwarte streep was verdeeld, en hoe de beteekenis van dit wonder haar twee jaren later werd geopenbaard. De schijf der maan was het zinnebeeld van de strijdende kerk, die door het licht, dat zij ontvangt van den H. Geest, de wereld verlicht in den nacht der duisternis. De zwarte streep beteekende, dat aan de kerk nog een feest ontbrak, dat haar een nieuwen luister zou bijzetten, en dat dit feest moest ingesteld worden ter eere van het allerheiligste Sacrament. Vervolgens verhaalde zij aan Eva de ongerustheden en beproevingen, die zij had verduurd, hare verzuchtingen en gebeden, hare tranen, haar strijd om eene eer te weigeren, die hare zwakheid te boven ging; maar dat de Goddelijke Meester meer dan ooit aandrong om zijne lastgeving te volvoeren; zij zwakke en onwaardige kloosterlinge , was door Hem met die taak belast, en zij had dit feest aan de geheele wereld aan te kondigen.
Eva stond verbaasd over de vlammende liefde van Juliana voor Jesus in zijn alleraanbiddelijkste Sacrament. Zij smeekte haar om bij Jesus voor haar eene dergelijke liefde te verkrijgen. Juliana antwoordde haar: heb moed; God zal den dauw zijner genade over u doen afdalen en u de
184
grootheid van dit geheim doen begrijpen, en zal ons krachtige helpers zenden.
Het woord van Juliana werd verwezenlijkt, en sedert dat oogeublik had zij in Eva eene trouwe bondgenoote, die ijverig met haar voor de instelling van dit feest begon meê te werken.
In hetzelfde jaar werd in het klooster van den berg Cornillon eene godvruchtige Maagd uit Huy aangenomen, Isabella genaamd. Zij won door hare godsvrucht en hare deugden geheel het vertrouwen en het hart van de H. Juliana. In een der godvruchtige gesprekken, die zij niet zelden samen voerden, liet de priorin van Cornillon het gesprek vallen op de grootheid en verhevenheid van het allerheiligste geheim der altaren en zeide haar: God heeft ons in dit verheven geheim een allerheerlykst onderpand zijner onuitsprekelijke barmhartigheid gegeven; zuster Isabella! zou het niet behooren, dat de Christelijke wereld zich erken tel yk betoonde voor eene zoo groote weldaad door een bijzonder eerbewijs en een bijzonder feest. Isabella antwoordde: alle dagen vieren de Christenen de gedachtenis van die hemelsche gave; alle dagen danken zij God daarvoor in het H. Sacrificie der Mis. Waartoe meer? Om de dankbaarheid met de weldaad in evenredigheid te brengen, daartoe is de inensch veel te gering.
Dit antwoord stelde de H. Juliana te leur, en zij liet het ook blijken. Dit deed Isabella nadenken. Deze verscheidenheid van meening ten aanzien van eene zaak, die haar ten zeerste ter harte ging, deed haar dikwerf en vurig God bidden om hieromtrent zijn Goddelijken wil te mogen kennen.
Zoo ging een jaar voorbij. Eens ging Isabella Eva de opgeslotene aan de H. Martinus-kerk bezoeken. Zij vond de kerk geopend en trad er binnen, om er eenige oogen-
185
blikken te bidden. Terwijl zij neergeknield was en zich met haren God onderhield, had zij eene geestvervoering: het was haar alsof de hemelen geopend werden Zij zag de talrijke scharen van engelen en heiligen; zij hoorde hen bidden tot den driewerf Heilige, om een middel tegen de flauwheid, de onverschilligheid en de ongodsdienstigheid der Christenen. Toen vernam zij eene Goddelijke stem, die aankondigde, dat weldra het verhevene feest van het
O 1
allerheiligste Sacrament des Altaars in de geheele kerk op aarde jaarlijks met luister zou gevierd worden.
Na dit visioen was Isabella geheel ontvlamd van ijver voor de instelling van dit heilige feest. Zij liet natuurlek niet na, wat haar overkomen was, aan Eva, die zy ging bezoeken, mede te deelen. Vooral was de vreugde van de H. Juliana overgroot. Van dezen dsg vormden Juliana, Eva en Isabella een driedubbelen bond om voor het gestelde doel te ijveren. O blanke en beminnelijke drieeenheid! O heilige bruiden van Christus! gaat! gij zult sterk zijn door de genade des Heeren; sterk door uw geloof, uwe hoop, uwe liefde jegens Jesus Christus uwen Goddelyken Vriend in het geheim onzer altaren. Gij zult zegepralen en God zal toonen, dat zwakke werktuigen sterk zijn doer Hem, en dat de feestdag van het heiligste dat de Katholieke Kerk bezit, uitsluitend zijn werk is.
( Wordt vervolgd )
Izak^lijkHjzid dier communis
vooral voor cljz aankomend^ ]^iigcL
nze Goddelijke Zaligmaker zegt in het H. Evangelie van den H. Joannes: voorwaar, voorwaar, zeg Ik u, tenzij gij het vleesch van den Zoon des nienschen gegeten en Zijn bloed gedronken zult hehhen, zult gij het leven in u niet hebben.
Aldus, zegt de H. Franciscus van Sales, heeft Christus onze Zaligmaker het hoogwaardig H. Sacrament van zijn vleesch en bloed ingesteld, opdat hij, die het eet, in eeuwigheid zoude leven. En daarom versterken al degenen, die het dikwerf met godsvrucht ontvangen , daardoor zoozeer de gezondheid en het leven hunner ziel, dat zy bijna onmogelijk doer eenige kwade genegenheid vergiftigd zoudeu worden. Neen men kan door dit vleesch des levens niet gevoed worden en nog blijven leven in het verlangen van den dood. Want gelijk de mensch in het paradijs door de kracht van de vrucht des levens zich tegen den dood konde bevrijden, alzoo kan zich ook een Christen door de kracht van dit H. Sacrament tegen den geestelijken dood versterken.
De kerkvergadering van Trente leert hieromtrent het volgende: genoten wilde Christus, dat dit Sacrament een geestelijk zielenvoedsel zou worden, waardoor de levendigen gevoed en gesterkt zouden worden in het leven Desgenen, Die zeide: die Mij eet, zal door Mij leven. Hij wilde, dat het een tegengift zon wezen, waardoor wij van de dagelijksche zonden bevrijd en voor de doodwonde behoed zouden worden.
187
Doch is het veelvuldig ontvangen der H. Communie daarom aan alle geloovigen aan te prijzen, zoodat zelfs de maandelijksche communie als een regel voor allen aanbevolen wordt (1), dan is zulks nog meer bet geval voor jongelieden. De jaren der jeugd te beginnen met het dertiende of veertiende tot aan bet twintigste, zijn die vreeselijke tijd, waarin de hartstochten, vereenigd met de verderfelijke voorbeelden der wereld en met duizenden verleidingsmiddelen en gevaren, de ziel allerhevigst bestormen. De ziel heeft dan bijzondere genade en kracht noodig om wederstand te bieden; waar zal zij die beter vinden dan in het veelvuldig nuttigen van het hemelsche brood des levens. De cathechismus van Rome geeft daarom het veelvuldig ontvangen van de H. Sacramenten als een
O O
allerkrachtigst middel aan, om de onschuld te bewaren.
De H. Philippus Nerius, die zijn leven wijdde aan het heil van Rome's jeugd, en wiens getuigenis dubbel weegt, vooreerst om zijne engelachtige heiligheid en vervolgens ook om zijne rijke ondervinding in dit punt, zegt het volgende: »de veelvuldige, communie vereenigd met de liefde tot de Allerzaligste Maagd Maria is niet slechts hel beste, maar zelfs heï eenige middel, om een jong mensch in de reinheid van zeden en het leven des geloofs te bewaren, en hem wanneer hij valt, weder op te richten en zijne zwakheden te genezen.quot;
Wil men de bekoringen ten tijde der jeugd aan den eenen kant voorkomen en aan den anderen kant overwinnen, dan is het veelvuldige gebruik van de Sacramenten der boete en des altaars noodzakelijk. In deze levende bron van Gods genade, zegt de uitmuntende Gobinet,
(1) Een zekere regel schrijft niet voor, zegt de provinciale kerkvergadering van 's Bosch bl. 140, of zulks elke maand, of week, of dag heilzaam is, maar laat dit over te bepalen aan een voorzichtigen biechtvader. â Zie Lehmkuhl P. II n. 15G. Aertnys LYI tr. IV n. 9i.
188
terwijl hij het woord richt tot de jeugd, zult gij overvloedig al de hulpmiddelen en de genade putten, die gij noodig hebt. Gij zoekt de wijsheid; hier zult gij de eeuwige Wijsheid vinden in eigen persoon. Gij verlangt de reinheid; hier ontvangt gij de Reinheid zelve. Gij behoeft kracht om uwe deugd te bewaren tusschen de gevaren en klippen dezes levens; hier zult gij den Gever aller genadeu ontvangen, Die u kan beschermeu tegen al wat uwe zaligheid bedreigt. Derhalve moet gij dikwerf tot de H. Tafel naderen en niet weigeren de genade van dien Goddelijken Verlosser die Zich met zoo bewonderenswaardige liefde aan u schenkt. Voorzeker hij, die een zoo krachtig en heilzaam middel dat niets minder bevat dan den Gever des heils, verwaarloost, hij toont duidelijk, zich weinig om zgne zaligheid te bekreunen.
Eu ofschoon men in 't algemeen geen vasten tijd voor de communie kan bepalen, omdat dit afhangt van een ieders bijzondere gesteltenis, meen ik toch te mogen zeggen, dat gij gewoonlijk elke maand de H. Communie behoort te ontvangen. (I)
Wie gij ook zijn moogt, gij die nog in de jaren zijt uwer jeugd, hetzij gij nog rein zijt, hetzij reeds gevallen, zegt Mgr. Segur, nader tot de H. Communie. Zij alleen zal u voor de deugd behouden of u tot haar terugvoeren. Geloof mij, niets is gemakkelyker dan kuisch te leven onder den bijstand en invloed van het allerheiligste Sacrament. Wat gij zonder Jesus niet vermoogt, zult gij met Jesus gemakkelijk vermogen. Denk aan uwe toekomst. Wilt gij een braaf en flink man worden, dan moet gij de jaren uwer jeugd goed hebben doorgebracht. En ik herhaal het u nogmaals, wilt gij in dien tijd uwe deugd
(1) C. Gobinet instruction de la jeunesse 2 partie ch. XI.
18Ã
en eer ongeschonden bewaren, dan bestaat er voor u geen ander middel, dan uwe toevlucht te nemen tot het allerheiligste Sacrament. (I)
De jeugd is de tijd der hartstochten. Geen beter middel bestaat er om ze te overwinnen, dan de H Communie. Blaast u het gift van den hoogmoed op, zegt de H. Cyrillus, ontvang dit Sacrament! en dit nederige brood zal u nederig maken. Overvalt u de gierigheid, geniet dit hemelbrood en dit vrijgevige brood zal u vrijgevig maken. Waait u de giftige lucht van den nijd aan, neem dan dit engelenbrood , en dit liefdevolle brood zal u liefdevol doen zijn. Hebt gij u overgegeven aan onmatigheid in spijs of drank, geniet dan bet vleesch en bloed van J. C., en dit vleesch, dat zich zoozeer onthield, veertig dagen en veertig nachten vastte en voor de scheiding van de ziel niets dan gal en edik proefde, zal u voorzeker matig doen zijn. Overvalt u de traagheid en zijt gij zoo koud, dat gij noch de eeuwige waarheden te overwegen, noch met den mond te bidden vermoogt, sterk u dan met het lichaam van * Christus en gy zult met godsvrucht vervuld worden. Wordt
gij eindelijk bekoord tot de zonde van ontucht, ontvang dan dit H. Sacrament en het allerkuischte vleesch van Christus zal u rein en kuisch maken.quot;
T
Het hart van den mensch is inwendig vol boosaardig vuur, namelijk voor de begeerlijkheid der hartstochten. Laat men ze over aan hunnen aandrift, dan dringen zij voort uit het hart en spuwen zij vuur. Het is toorn, wraakzucht, vervloeking, valsche eed, woestheid, hoogmoed , diefstal, moord en boven alles het vreeselijkste, de stinkende vlam der ontucht. Van dezen hartebrand komt alle onheil der wereld. Om hem echter te blusschen
(1) Mgr. de Segur.
190
en de wereld te redden, lieeft de goede God in zijne barmhartigheid aan een ieder die wil, genoegzame tegen-middelen gegeven. Het Christendom met zijne leer en zijne heilige Sacramenten en andere genademiddelen is de van God verordende bluschkracht, maar ook de eenige en die ook alleen de kracht heeft, om het woeste vuur van het mensclielijk hart te beteugelen.
Het kind, zegt het pastoraalblad van Munchen, moet beminnen, en niemand bemint zoo innig en hartelijk als de -jeugd. En wordt die liefde niet vroegtijdig op God gericht en door het veelvuldig ontvangen der H. Sacramenten immer meer en meer ontvlamd en bevorderd, â dan dringt maar al te spoedig eene andere liefde in het hart, die de grondslag van verwoestend verderf voor lichaam en ziel wordt.
De veelvuldige communie kan niet genoegzaam aanbevolen worden, vooral aan de aankomende jeugd.
Ziehier wat le Sage ten Broek ten dien opzichte verhaalt in zijn boekje: »de Heer is mijn heil.quot; In 1813 heeft uwe uitmuntende moeder zoowel als ik, een kind gekend, dat ik niet behoef te noemen. Het was een engel op den dag zijner eerste Communie. Zijne ouders koesterden ten zijnen opzichte de streelendste verwachtingen. Hij verwezenlijkte die gedurende achttien maanden Zijn gedrag was onberispelijk, omdat hij dikwerf biechtte en communiceerde. Zijne ziel gereinigd en versterkt, bleef onbesmet. Van lieverlede verwijderde nalatigheid en verstrooiing hem van de Sacramenten. Slechts alle twee maanden ging hij den vrede zijner ziel nog zoeken, vervolgens alle drie maanden, voorts slechts tweemaal in het jaar. Eindelijk bepaalde hij zich tot de jaarlijksche biecht en communie. Zijn biechtvader waarschuwde hem meermalen tegen het gevaar, dat hem dreigde; hij deed
191
hem opmerken, hoe aaustootelijk het ware, dat hij in ijver verminderde, naarmate hij in jaren toenam. Alles te vergeefs Zijne vermetelheid eindigde, waar zij altoos op uitloopt. Er werd een gewichtig misdrijf begaan. Schaamte hield hem terug Slechte voorbeelden en hartstochten deden het overige Wij hebben hem gezien, uwe moeder en ik, in eene omstandigheid, die nooit uit myn geheugen zal worden gewischt. Wij hebben hem ziek gezien, op bedorven stroo uitgestrekt, met lompen bedekt, met de rimpels des ouderdoms op zijn vijf en twintigjarig gelaat, terwijl hij de kwalen, die hein verteerden, en als wier slachtoffer hij stierf, toeschreef aan het verzuim der Sacramenten. Mocht zjju voorbeeld tot les strekken aan alle jongeren van jaren, die in verzoeking komen, om zijn verzuim na te volgen. Dezelfde weg zou hen tot hetzelfde einde voeren.
De ondervinding bewijst het; verwacht geen voortgang van een jongere, die niet alle maanden biecht en gezuiverd nadert tot de H. Tafel des Heeren. Wees verzekerd, dat zoodra hij hierin nalatig wordt, zijne godsvrucht zal verminderen en zijn val nabij is.
Door alle schrijvers van het geestelijk leven wordt de maandelijksche communie over het algemeen en in het bijzonder aan de jeugd aangeraden. In congregatiën en vereenigingen wordt overal, vooral bij jeugdigen van jaren, op eene veelvuldige en althans op eene maandelijksche Communie aangedrongen. De aflaten door de pausen verleend, prijzen de maandelijksche communie zijdelings ten sterkste aan, daar de volle aflaten niet zelden aan eene maandelijksche oefening zijn verbonden, en tot voorwaarde wordt gesteld, dat men die maand de H. Sacramenten ontvange. Blijkt het door dit alles niet, van hoeveel gewicht het is, zich de maandelijksche communie tot regel
192
te stellen en hoezeer de fT. Kerk zulks van ons verlangt. Waarom zouden jongeren van jaren 7.ich die uitmuntende gewoonte dan niet eigen maken ? En waarom zouden ouders door woorden en voorbeelden hunne kinderen niet aansporen, om dit toch nooit te verzuimen?
De eerste Christeuen gingen dagelijks te communie en lieten niet na om eiken dag het brood der sterken en den wgn, die maagden voortbrengt, te ontvangen. De diakenen brachten de H, Communie aan de afwezige zieken. Daar in de tijden der vervolging gedurende de drie eerste eeuwen de Christenen slechts eenmaal in de week vergaderden en de heilige geheimen vierden, deelden in iedere vergadering de priesters volgens Tertuliaan de heilige Eucharistie voor de geheele week aan de geloovigen uit. De H. Kerkvergadering van Trente, bezield door denzelfden geest, wenscht eveneens dat de geloovigen, zoo dikwijls zij de H. Mis bijwonen, niet slechts op geestelijke wijze maar door werkelijke nuttiging van Jesus' Goddelijk Vleesch en Bloed, zullen deel nemen aan het offer.
Indien de eerste Christenen behoefte hadden aan dat Goddelijke voedsel, gij hebt er niet minder behoefte aan dan zij. Of zgt gij wellicht sterker dan de moedige belijders? Is de strijd in uwe jeugdige jaren minder hevig? Zijn de tijden, waarin gij leeft, minder gevaarlijk? De ergernissen, het verregaande zedebederf, de algemeene onverschilligheid, de verleidelijke lectuur, de kwade gesprekken, de hartstochten van anderen die met de uwen samenspannen, de slechte en dubbelzinnige vertooningen, met één woord, de gevaren zijn allertalrijkst en allerbe-denkelijkst voor een leeftijd, die zoo zwak is en zonder ondervinding. Communiceert dus ton minste alle maanden, en laat u geleiden door een ervaren biechtvader.
aetatus sum in his, quae dicta sunt rnihi. ,,Ik ben quot; ' verblijd over hetgeen mij werd gezegd; in domurn Domini ibimus. Wij zullen ingaan in het Huis des Heeren.quot; Heerlijke en bezielende ontboezeming van het jubelend hark des koninklijken Harpzaugers; konden ook wij in geen anderen lof onze vreugde vertolken. Nooit steeg voor ons de zon in gloedvoller praal, nooit koesterden we ons blijder in beur verkwikkend licht dan op dezen dag, dien de Heer ons maakte. Was de Moeder van Goeden Raad niet het doel, liet grootsclie doel dezer verre reize ? Parijs gaf ons te zien, wat grootsch is en majestueus op aarde; toongeefster vau beschaving, is het hier, dat het men-schelijk bestaan zich opvoert in een wereld, die nergens ter aarde wordt aanschouwd; en daarbij, wat gemoedelijke vriendschap, wat vriendelijk leven, wat levendige afwisseling boeien en verpoozen u!
De blauwe, kabbelende golven der doorschijnende wateren van Nizza tot Genua eenerzijds, en de grillige koppen in onovertroffen schoonheid zich verheffende als kronen op de reuzengebergten aan den anderen kant; de palmboomen, die, door zéfirs bewogen ons vriendelijk groetten in hnn wuivenden bladerentrots; de natuur in heiligen wedstrijd zich beijverend ons niet haar rijkdom, maar haar weelde te toonen, wat was dit alles in vergelijking met den glans van dezen dag? Ons werd het vergund ten Thabor op te gaan, â te bestijgen den berg der gedaanteverandering van Maria!
BjscijZïaarö naar lÃjsnassano,
13
194
Reeds bij het krieken van den dag werden we per as heeDgevoerd naar het âStazione della Ferroviaquot; â naar het station; de biljetten geverifieerd en per wiekslag ging het laugs bloeiende akkers en wijngaarden, langs en door ten hemelreikende bergen, die zich in den begiune op een eerbiedigen afstand hielden om even later dreigend vooruit te schrijden en ons den doortocht te betwisten; het menschelijk genie overwon hen en baande zich door deze duizendjarige steenmassa's een vrijen weg. Voor ons, die reeds zoovele uren ter spoortrein hadden doorgebracht, maar, op dit stuk, in de eeuwige stad ter ruste waren geweest, was deze tocht bovendien een vriendelijke verscheidenheid
In Rome en daarbuiten wordt ge dikwijls geschud en geschokt als ge rijdt, zelfs op den heirbaan der oude Romeinen. Op de via Appia ten minste, waar hun groote helden zoo menigmaal hun victorieuse tochten vierden, zouden zij nu moeite hebben hun zegepralenden Caesar, getrokken en omringd door zijn verwonnenen tu begroeten... en te zien; â wolken zand zouden hun geen uitzicht gunnen. Hier was gladder baan, en zoo spoorden we voort al biddend en keuvelend circa anderhalf uur.
Nauwelijks te Valmentone aangekomen â dit is de spoorhalte voor Genazzano â en het vriendelijk station binnengegaan, of daar stond het te lezen in groote letters op de postillon: âGenzanoquot;. Eerst ons goed vergewist en binnen een oogenblik zaten we in den omnibus â wel een doorluchtige om de vele kieren en opene vloer â voor óns toch een zegewagen.
De tocht schijnt niet te gemakkelijk, ten minste er zijn vijf vlugge paarden voorgespannen; langzamerhand stijgt de eene passagier na den andere binnen; jawel het duurde niet lang, of de niet al te groote ruimte was geheel ge-
195
vuld. Inmiddels schoot de zon in verdubbelden warmtegraad bijna loodrecht heur gouden flonkerende stralen rondom ons; boven ons werden met gewone hardhandigheid allerlei pakjes en koffers geordend eu eindelijk nam de koetsier zijn heerschersstaf, alias zijn vier el lange zweep, monsterde kar en paarden, en besteeg zijn troon. Op het punt af te varen, klimmen als echte âjanmaatsquot; twee maréchaussees aau weerszijden op den hoogen bok, 't liefst, met revolver aan den gordel en karauijn in de hand. Dat was voor rustige Hollanders toch wat sterk! Zelfs te Amsterdam rijdt ge vrij, behalve naar een bewust âdorpquot; dat het âroodequot; genoemd wordt, en waarheen u insgelijks twee zulke getrouwen gratis vergezellen! In-tusschen we begrepen het; het was de onveiligheid der wegen, die het Ital. gouvernement hier toe verplichtte. De tocht werd in tamelijken draf aanvaard, en we klommen tegen de bergen. De weg is allervriendelijkst; waar de natuur en rotsachtige bodem maar eenigszins duldden, daar lachten u de heerlijkste landouwen en geurigste wijngaarden tegen; de omstreek van Genazzano levert dan ook den besten Ital. wijn en vandaar dat door geheel Italië het âVino di Genzanoquot; met eerbied wordt herhaald. Ook in ons gezelschap schenen zich eenige wijnhandelaren te bevinden; dan â wat interesseerden ons die gasten,â onze geest was de wagen reeds verre vooruit; allerlei gedachten overstelpten ons, verschillend en toch één, nl. de Moeder van Goeden Raad ter eere! Ook langs de we^
O O
waren vele dienaren van Hermandad geposteerd, maar geen zweem van vrees kwam in ons op; wie toch zoude nu ons kunnen verontrusten ? nü, nu we waren onder de schaduwe des heiligdoms van Haar, die geroemd wordt en vereerd als âmuiier fortisquot; de Sterke Vrouwe! mille clypei pendent ex ea! duizend schilden dekken Haar en
196
henr kinderen. Aldus rolden we voort langs en over bergen; âhet duurt nog al langquot; ontsnapte ons; geen wonder, we verlangden zoo!
De tijd liep harder dan ons voertuig, want schoon we met het morgenkrieken waren opgetrokken, wees ons klokje reeds over tien. Doch met dat al de weg was vroolijk en het vooruitzicht elke wielslag dichter by onze Moeder te zijn, gaf elk oogenblik de heerlijkste bemoediging. Eindelijk halt! âZou hier Genazzano wezen?quot; Een vriendelijk antwoord van een der medereizigers was voldoende ons te doen begrijpen, dat hier een verwisseling der omnibussen plaats heeft, bij aankomst van de eene vertrekt de andere. De maréchaussees stijgen af. Van nu af aan bemerkten wij bij het voortrijden, dat de weg al meer bevolkt werd en nieuwsgierig wendden we den blik, want Genazzano was weldra bereikt.. Ja, daar is het! dat was ons aller vreugdekreet. Daar rees Genazzano op in den vollen zin des woords, want deze uitverkorene plaats ligt boven een berg; van verre biedt het een on-vergetelgk aanschouwen; reeds ziet ge daarboven een wijde poort, welker geopende deuren u het welkom toeroepen; de oude vestingwerken lieten nog hun sporen achter in den vorm van oude hechte muurwerken en bastions. Wij reden langzamer; wij klimmen. Halt! en daar staat onze diligence recht tegenover de poort daarboven ; en daarboven bleef ons oog gericht en onze geest. De natuur is hier bewonderenswaard; een zacht blauwe hemel koestert hier de beste voortbrengselen op top en helling dier lachende bergen. Dat ge hier en daar stoot en botst tegen een kei of bergsteen merkt ge niet; hier en daar wat rusten om ruimer adem te halen is evenmin iets deerlijks; binnen weinig tijds stonden we aan de poort.
197
Uit aesthetisch oogpuut zoudeu voor het minst een stukadoor en metselaar goede diensten kannen bewijzen, als ge ziet, hoe de gepleisterde huizen elkander in die enge straten medelijdend aanzien. Nochtans zien we er ver-scheidenen , die getuigeuis met zich voeren van een grootsch verleden; de hooge stoep of bordes zegt het bij het eerst aanschouwen. Inmiddels is ook binnen deze plaats de klimtocht niet opgehouden; steeds zijn we merkbaar stijgende; hier en daar staan we voor een kruispunt te overleggen, wijl de enge straten u een ruimer blik ontzeggen en aldus het heiligdom verborgen houden; doch de verscheidene groepjes huismoeders, die wars van vele huishoudelijke zorgen zich alleen tot het noodzakelijkst schijnen te bepalen en de âschoonmaakquot; niet of niet zoo overijlend schijnen te doen als onze moedertjes, zitten voor hun deur in gezelligen kout; zij wijzen ons met de hand op de vraag âMadonna del buon consiglio?quot; Een kleiue knaap â blootvoets als elk rechtgeaard inwoner dezer plaats â wijst ons den weg.
Klimmend passeeren we een klein pleintje, waar parochiekerk en school onze aandacht vragen en een eerbiedwaardige geestelijke ons ook den weg toont; hooger altijd hooger â eindelijk, daar rijst zij voor ons op de vriendelijke kerk, het heiligdom der Moeder van Goeden Raad! Geen enkele stonde verzuimd; den kleinen gids eenige soldi's, en fluks die gewijde muren binnen. Wie denkt nu aan vermoeienis of dorst onder de brandende stralen der Italiaansche zon ? Ginds aan de linkerhand zien we een ijzeren hek, daar, daar is het. Zwijgend vallen we neder; we knikken: ja, hier is het; meer spraken we niet, we konden ook niet meer. Was hier niet die goede moeder?
Gedachten â duizendvoud â overmeesterden ons. Hier op deze plek brachten de Engelen des Hemels de beeltenis
198
onzer Moeder van Goedeu Raad! En die beeltenis zweeft hier! Gods almacht draagt ze, en dan die gedaanteverandering! Gratias agamus! Dank, lieve Moeder dank! dat was ons jubelend lied, wellend uit ons hart in geheim-uisvolle stilte. De eerste mengeling van blijdschap en dank, van genegenheid en godsvrucht tot de beste aller Moeders had ons begeesterd; overgoten met dat vuur zoo heerlijk spattend van Davids harpe, de ijver voor uw huis; o Moeder, heeft ons verslonden! Nu durfden wij het wagen vrijmoedig ons oog tot Haar op te slaau; edoch de beeltenis was niet zichtbaar; een ijzeren hek hield ons op een afstand en bovendien een fijn bewerkte koperen plaat hield ze verborgen.
Een oogenblik werden de recommandatie â brieven gesorteerd die hier zoowel als te Rome â ons onvergetelijk veel deden genieten â en in het sacristy verlof gevraagd te mowen celebreeren. Naar verluid van deze brieven mocht
O
hier de H. Mis thans gevierd worden âdetecta imaginequot; de beeltenis moest zichtbaar worden gesteld den ganschen duur van dit H. Officie. Allervriendelijkst werden we daar binnen het hek toegelaten, en zichtbaar waren we getroffen, toen we van aanschijn tot aanschijn dat wonder mochten genieten. In onnoemelgke blijdschap, in ongeschokte hoop baden we voor allen en alles; wie zoude hier, waar zóóveel stroomen neder golven van genade en ontferming, iemand kunnen vergeten?
Onbeschrijfelijk wat nu volgde. Diep bewogen zagen we onder de H. Mis hoe de oogen dier goede Moeder leefden, hoe het gelaat dier vlekkelooze hemelsche blijdschap weerspiegelde in de trekken; hoe die oogleden zachtkens zich sloten om straks in weergaloozen glans ons tegen te schitteren! Te lang kan nooit worden her haald en overwogen, wat dit half uur tijds aan dat heilig
199
Altaar werd genoten! Een warme dankzeggig voor die heerlijke openbaring was hier meer dan ooit uit ganscher harte. Nog werd aldus geruimen tijd genoten, geproefd, gesmaakt, gedronken in volle teugen van zalige, van overweldigende stroomen van hemelsch geluk! terra mihi sordet! hoe walgde ons hier de wereld! Liever is het der kinderen van Maria één uur door te brengen in haar zalige tegenwoordigheid, dan duizend jaren in aardsch verrukken! Dit jubelden we David na â en uit ganscher harte! Intusschen werd de beeltenis gesloten en keerden we, allervriendelijkst uitgenoodigd, binnen het klooster, waar we gastvrij ten ontbijt werden verzocht. Het smaakte heerlijk, heerlijker dan ooit; en toch voor Hollanders in het bijzonder was dit ontbijt niet aantrekkelijk; probeer het maar eens den echten Hollander droog brood eu koffie zonder melk te dienen. Maar de goede Paters deden hun uiterste best. Allerhartelijkst en allervriendelijkst werden we door hen onthaald en de honger was er, bovenal een onuitsprekelijke zielevreugd! Was deze niet de smakelijkste kruiderij ?
Wat genoegelijken tijd brachten we daar bij die goede Paters door! Onze ziel verblijd, verrukt, als het kind dat na lange afwezigheid weer rusten mag in moeders woning. Zoo hadden we getoefd, verwijld aan Maria's voet; hoe liefelijk lonkte zij ons tegen, als bracht zij ons een groet uit den hoogen hemel, en nu â nu genoten we in gezellig onderhoud met Hare vrome wachters; we keuvelden wat we konden in onuitsprekelijke vreugde over de Moeder, zooeven aanschouwd; over Holland en zijn godsvrucht tot de Moeder van Goeden Raad, over â ja over alles, soms spraken we allen tegelijk, in één woord we waren thuis, â thuis als kinderen bij hun moeder, â hier was een hemelsche Moeder, maar ook een hemelsche
200
pret. Verschillende prentjes, gedachtenissen etc. werden gretig aangekocht, en wijl de Moeder van Goeden Raad in al haar onvergetelijken glans ons bijbleef, was het nogmaals dat we vroegen en dankbaar verkregen het verlof ten tweedenmale die goede Moeder, zoo wonderbaar te aanschouwen. Thans gingen we Haar vragen met nog vuriger aandrang, met nog inniger warmte; vragen alles wat ten heil verstrekken kan, ook de eeuwige rust voor zóóvelen ons dierbaar, opdat de Moeder van Goeden Raad ook hun mocht tegenlonken ter bevrijding uit de knellende boeien des vagevuurs, zoo zij daar nog verwijlen.
Alvorens we wederom tot dien troon van genade mochten opgaan, werden we hartelijk in de gelegenheid gesteld, eens van nabij te beschouwen, wat al dankbare uitingen zich hadden vertolkt in den loop der eeuwen in den vorm van kostbare kerkgewaden en ornamenten. O. a. bewonderden wij zes kandelaren en kruis van Korintisch koper, geheel belegd met allergrootste bloedkoralen â een geschenk van Kardinaal Colonna. Vorsten en grooten bleven niet ten achter! Keizerin Marianne gaf een monstrans, die het achtenswaardig gewicht hield van 36 pond. En zoo boeiden de grootste schatten, door dankbaarheid hier te zaatn gebracht, langen tijd onze blikken. âEen mooi bikje voor het Ital. gouvernementquot;, zeiden we, gedachtig dat even als elders ook hier het grootste en beste deel des kloosters in alle vrijheid was ingepalmd. Het heiligdom trok ons bovenal en met haastigen tred spoedden we ons ter kerke, en binnen geen tijd lagen we neergeknield aan Maria's voet. Wat ongeschokt vertrouwen wekt die Moeder in u op! Wat vurig, wat brandend vurig stort ge hier uw smeekend gebed! Zoo baden we lang in ongestoorde stilte! Een klein groepje â ook vreemdelingen â waren hier, maar moesten zich, alvorens
201
de beeltenis ontdekt werd, verwijderen. Wij dus alleen bij die Moeder! En die Moeder groette ons zoo hartelijk! Welk een voorrecht! Ach, waren maar meer der onzen hier, ja was geheel Holland hier om met ons te drinken iu volle teugen aan die bron van zaligheid! Gelukkig, we konden toch spreken met onze dierbaren in het verre vaderland. Daar waren hier briefkaarten, geen gewone, maar met de beeltenis onzer Hemelsche Moeder. Fluks eenlge gekocht, en â die goede Paters lieten ons maar kinderlijk henen doen â wij schreven, wat? dat weet ik niet, maar heilige, jubelende vertolkingen van een hart overstroomd vau hemelsche bljjdschap; en wij schreven â ja raadt eens waar? â op het altaar zelve, onder do levende oogen dier Hemelsche Moeder. Zij groette die kaart, zij lonkte haar moederlijke zegen toe, en aldus werd die kaart met zóóveel blijdschap ook ontvangen, dat ge haar nog kunt zien, maar alleen achter glas in een lijstje!
In Italië â heel vertrouwelijk gezegd â laat het propere wel eens wat te wenschen over, niet hier. De kerk is kelder, kraakhelder zelfs. Boven de wonderbare beeltenis ziet ge in gedreven koper een heerlijke groep, de wonderbare overbrenging van Ãcutari naar Genazzano vooi-stel-lend; daarbij eenige groepen in biddende houding. De beeltenis zelve is niet groot. Maar ge moogt het wonder al dadelijk erkennen, alleen reeds in het feit dat het dunne laagje kalk, waarop de Moeder van Goeden Raad werd afgebeeld, overal schilvert behalve waar het geschilderd is; het geheel is bruinachtig, waarschijnlijk van ouderdom , het gelaat vau Maria hemelsch en frisch, van het Kindje ook, doch â wonderbaar â niet zoo aantrekkelijk. Een flink rgk bewerkt ijzeren hek sluit dit altaar ter linkerbeuk geheel af. Daarbinnen ziet ge op de muur
202
een heerlijke fresco, de verloving van Jozef en Maria, levensgroot. Het plafond is rijk verguld en van mozaiek kunstig belegd. Vier marmeren kolommen rijzen statig boven het altaar dier goede Moeder, en rondom hangen 22 zilveren lampen; de bogen zijn heerlijk geschilderd in polychromie en twee diademen, broches en halssnoeren schitteren van juweel en brillant flonkeren u tegen van het hoofd en hals van Maria en hear goddelijk Kind. De uis, waarin de wonderbare beeltenis rust, is geheel van kostbaar marmer en rijk aan gedreven koper. Ook de kapel toont u in den geheelen omvang fresco's en marmer, terwijl het plafond door marmeren kolommen geschraagd quadraatsgewijze verdeeld, rijk verguld is. De honderden ex-voto's, de graftombe van den âeerbiedwaardigquot; verklaarden Stefanns Bellesini, vurig vereerder der Moeder van Goeden Raad, de heerlijke schilderstukken Haar lof verkondigende, dit alles zoude te veel vorderen voor een klein bestek als deze beschrijving, doch één schilderstuk is bijzonder vermeldenswaard. Het heeft een plaats on-middelijk boven het zijaltaar in de rechterbeuk. Een groen gordijn houdt het verborgen; nauwelijks is het weggetrokken of ge ontwaart een kunstvol doek, den aan het kruis gestorven Meester voorstellende. Drie plaatsen zijn hier echter deerlijk gehavend en bloeddruppelen kleven er aan. Hoe kwam dit? In vroegere eeuwen heeft een soldaat in woesten of duivelschen drift zijn sabel hierin geslingerd en terzelfder tijd stroomde dat bloed, waarvan ge nu nog duidelijk de sporen ziet. Het zwaard kronkelde zich inéén en hangt daarnaast van glas overdekt. We waren verplet bij zoo gruwzame aanschouwing en wonderbare werking Gods tevens. Lang hadden we reeds getoefd en eer we het vermoedden, was de tijd voor vertrek genaderd, terwijl ouder hartelijksten dank afscheid werd
203
genomen van onzen onvergetelijken gastheer. Maar.....
even nog naar Moeder! vroegen we, ja we hadden vergeten onze rozenkranzen, souvenirs en medailles arm te strijken. Wat waren we gelukkig, dit wederom werd een rede, waarom wij ten derdemale verlof bekwamen het wonder te zien en voor het laatst van aanschija tot aanschijn die Moeder te groeten, te bedanken, ons Haar toe te wijden! Zoo moesten we dan uu deze plaats verlaten, afscheid nemen van Haar, die we eenmaal nog beter hopen te aanschouwen, om dan nooit van Haar te worden losgerukt. Een mengeling, een zeldzame â oogenschijnlijk tegenstrijdige â mengeling van vreugde en smart tegelijk overmeesterde ons; nu we scheiden moesten van dit onvergetelijk, zalig genot. Vaarwel dan, lieve beeltenis, vaarwel! Het koperen gordijn valt zacht maar gestadig en verbergt dat onvergetelijk en hemelsch aanzien. Als weezen trokken we terug; bij tusschenpoozen den blik richtend naar dat heiligdom, terwijl we bergaf gingen. De diligence stond reeds gereed en weldra klonk het sein
O O
tot vertrek. Nog eens, nog voor het laatst den blik omhoog, op dien berg â voor ons een Thabor â wel konden we niet meer aanschouwen, wat we zoo vurig wenschten; maar was deze wensch niet heerlijk vervuld? Ja, verblijd was ons hart, âIsetatis sum in hisquot;. Wij waren in het huis, het heiligdom des Heeren, bij uitstek geweest. Langs denzelfden weg werd de terugreis aanvaard en voleind in besten welstand; maar gedurende dezen tocht was het bij eiken wielslag, die ons verder voerde van die Moeder, dat onderlinge vreugde en blijdschap , dat warme en innige dankbaarheid ons meer eu meer bezielden ! dat we in heiligen geestdrift ons verbonden
O O
aan Haren dienst en ook nu nog, ons vermeiend in de
204
zoete herinneriDg van 't geen ons daar te beurt viel, smeekend tot haar bidden:
»Zie Moeder, zie, dit slechts is ons verlangen.
Dat wij aan U, voor 't leven lang gewijd,
Van U den Raad, den goeden raad ontvangen. Waarvan toch Gij zoo schoon de Moeder zijt.quot;
P. Jansen.
3an èf ittortdaars oan (feorkunu
Wijze: Creator alme Siderum.
Gegroet! o Gorkums martelschaar! O helden, die voor geen gevaar Noch kerker, moordtuig, smart of dood Beducht , u blij ten offer boodt!
Hoog hieldt ge^in 't dierbaar Nederland Het vaan, door Willebrord geplant; Niets, niets ontrukt u het geloof; Gij blijft voor dreig- en vleitaal doof.
Gij, vruchtloos door Lumey getard, Verwonnen door geen martelsmart, Wordt twee aan twee te zaamgesnoerd Des nachts naar 't galgenhout gevoerd.
205
De bange ladder rijst omhoog!
Gij stijgt; gij sluit het stervend oog! Maar neen! gij leeft! Die ladder leidt, Waar Jesus u de kroon bereidt.
Als zoo veel beelden van uw Heer, Hangt gij van 't aaklig doodshout neer. O negentien belijderental!
U prijst ons plechtig feestgeschal.
O gij, die schittert met den glans Van 's hemels eeuwgen zegekrans!
Ziet, bidden we, op uw broed'ren neêr. Nog immer strijdend voor den Heer.
Verwerft 't geloof, dat gij beleedt, Waarvoor gij zoo heldhaftig streedt, Als waren echten eenheidsband Voor 't gansch u dierbaar Nederland.
Ja smeekt, dat voor der waarheid licht De duisternis bij allen zwicht. Het worde één kudde en herder weer Eén geest, één hart, één Opperheer.
206
klfinf hckmling in ^iwrika.
Voor eenige jaren, zoo verhaalt een kloosterling uit S. Louis, kwam in het klooster der Maria-kerk te B... in den staat New-York, een nette, lieve, beeldschoons knaap van veertien jaren. Hg antwoordde, toen een Pater hem vroeg, wat hij begeerde, dat hij Katholiek wilde worden. De Pater was verwonderd over de besliste wijze, waarop de knaap zijn verlangen té kennen gaf.
Onder andere gewone vragen zeide hem ook de orden-priester: zeg mij eens, mijn jonge vriend, hoe zijt gij op den inval gekomen om katholiek te worden? Wel, hernam hij, toen ik bevestigd was, dacht ik bij mg zeiven nu wil ik eene kerk zoeken, die mij bevalt. Ik ging dus den volgenden zondag in eene andere protestantsche kerk, daarna weder in eene andere en zoo vervolgens in al de protestantsche kerken der stad, maar geene beviel mij. Daarop begaf ik mij achtereenvolgens naar alle katholieke kerken, en het laatst kwam ik in de uwe, en hier bevalt het mij het beste.
Maar, zoo wierp de kloosterling op, daarom mijn beste jongen, mag men niet katholiek worden omdat deze of' gene kerk ons beter bevalt.
Ja, zeide de knaap, daarom ook wil ik niet katholiek worden. Maar ziet ge, heer priester, ik heb bevonden, dat in iedere protestantsche kerk anders eu anders gepredikt wordt. Maar, waar ik ook eene Katholieke kerk bezocht, daar predikte men overal hetzelfde, en weerspraken zich de priesters niet een enkele maal Zoo weet ik thans met zekerheid, dat de Katholieke Kerk de ware Kerk van Jesus Christus is; want zij blijft zich overal gelijk.
De pater onderrichtte hem verder en nam hem, daar de ouders geen zwarigheid maakten, in den schoot der Katholieke kerk op.
'
lp uUcma .en cl^ feestdag ran list ^aeram^nL (Vervolg van bladz. 185.)
^ du Vaud, in Zwitseland, was het vaderland van Joannes van Lausanne, beroemden kanonik der H. Martinus-kerk te Luik. Hij had een grooten naam van wetenschap en deugd en werd door de uitstekendste lieden geraadpleegd.
De drie engelen, die wij leerden kennen, oordeelden hare toevlucht te moeten nemen tot een persoon van zoo groot gezag, die uitmuntte door kennis en godsvrucht, Juliana, bemoedigd door Eva en Isabella, kwam aan den kanonik haar geheim toevertrouwen, en hem de verhevene en moeilijke zending bekend maken, die zij van den hemel ontvangen had.
De H, Priester was ten hoogste verheugd, toen hij deze ontboezeming van liefde voor Jesus in het altaargeheim vernam. Hij keurde van ganscher harte de instelling van dit feest goed, omdat hij er niets in zag, dat strijdig was met de leer en eeredienst der Katholieke Kerk. Hij zag hier des te spoediger den vinger Gods, daar hij volkomen overtuigd was van Juliana's heiligheid en deugd. Maar de zaak was van het hoogste gewicht; het was niets minder dan een nieuw feest in de geheele kerk; al licht kon men stuiten op ernstige bezwaren, Joannes van Lausanne was de man niet om hierin lichtzinnig te werk te gaan. Hij gaf Juliana ten antwoord,
ausanrie' 66116 beli;oorliike stad van Let kanton
i.
208
#
dat hij de zaak degelijk zou onderzoeken en bekwame godgeleerden zou raadplegen.
Joannes van Lausanne sielde zich onmiddellijk aan het werk. Hij raadpleegde op de eerste plaats Jacobus Pan-taleo, aartsdiaken der kerk van den H. Lambertus, die later als Paus Urban us IV de geheele Kerk eens zou besturen. Hij ondervroeg verder Hugo van Saint Cher, provinciaal der Dorainikanen, die het Romeinsche purper eens zou dragen Hij ging ook te rade bij Guy de Laon, bisschop van Kamerijk, die in een hoogen roep stond van wetenschap en deugd. Hij onderwierp de zaak ook aan het oordeel der universiteit van Pargs. Eindelijk wendde hij zich ook tot de orde der Domikanen, die sedert eenige jaren te Luik gevestigd was.
Alle deze uitstekende personen antwoordden eenparig, dat de instelling van het verhevene feest van het allerheiligste Sacrament onder geen enkel opzicht strijdig was met de Katholieke leer, en dat zij ongetwijfeld hoogst nuttig was voor het Christelijke volk, om den geest des geloofs en der liefde bg hen op te wekken en tevens hoogst aangenaam was aan Jesus, Wiens eer in het H. Sacrament er krachtig zou door worden bevorderd.
Intusschen lieten Juliana, Eva en Isabella niet na de ijverige werkzaamheid van Joannes van Lausanne door hare gebeden en haren invloed te ondersteunen. Al spoedig terwijl de onderzoekingen bij de verschillende personen, die wij opnoemden, werden voortgezet, begon Juliana, toen hare hoop meer en meer werd bevestigd, om te zien naar een priester, die het officie of de getijden voor het nieuwe feest zou samenstellen. Zij noodigde verschillende geestelijken daartoe uit, doch allen onttrokken zich aan dien moeielijken arbeid. Eindelijk slaagde zij bij een jeugdigen priester in het klooster van den berg Cornillon,
209
Joannes genaamd, door lang bij hem aan te houden eu na hem den steun van haar gebed te hebben toegezegd.
o ^ o
De priester Joannes zette zich aan den arbeid en zocht in de H. Schrift en in de kerkvaders, al zulke gezegden en uitdrukkingen, die de godsvrucht der geloovigen voor het H. Sacrament konden bevorderen. Wanneer hij iets had gevonden, onderwierp hij het aan het oordeel van Juliana. Wanneer zij het goedkeurde, stelde hij het verder in orde. En zoo werd onder het bidden van eene Christelijke maagd, door den arbeid van een jeugdigen priester en met de wonderbare hulp van God (1) een officie saam-gesteld , dat door geestelijken en geleerden werd aanvaard. Het was in gebruik in de collegiale kerk van den H Mar-tinus, totdat de H. Thomas zijne prachtige getijden voor den feestdag had saamgesteld. Volgens Romsee en anderen zou de engelachtige leeraar grootelijks dezen eersten arbeid benuttigd hebben. Te bejammeren is het dat ons niets van dit officie is bewaard.
Juliana was nog op andere wijze werkzaam. Terwijl de onderzoekingen werden voortgezet en sommigen zich aankantten tegen de openbaringen van Juliana en tegen de instelling van het nieuwe feest, deed zij met eenige zusters van den berg Cornillon eene bedevaart naar Keulen, daarna naar Tongeren en eindelijk naar Maastricht , om er de voorspraak van de heilige grondleggers des geloofs in deze streken, onder anderen van den H. Servatius, af le smeeken.
Doch de beproevingen der heilige moesten nog veel heviger worden. De godvruchtige Godefridus, prior van Cornillon, was in 123B, gelijk Juliana had aangekondigd, gestorven. Hij was opgevolgd door Roger, die met een
(1) Christi virgine orante, jnvcne fratre componente, Deo antem mirabiliter auxiliantc.
14
210
geheel anderen geest was bezield. Hij begon een geheel ander leven, en zocht zich, om aan zijne verkeerde neigingen te voldoen. meester te maken van het beheer en de inkomsten der kloosterzusters van den berg Cornillon. De H. Juliana verzette zich tegen zijne plannen. Zy weigerde de boeken af te geven en riep de kloosterzusters bijeen, die het volkomen eens met haar waren. Toen Roger dien tegenstand ontmoette, liet hij door zijn aanhangers onder de kloosterlingen allerlei lasteringen tegen Juliana en hare kloosterzusters in de stad verspreiden. Hij wist een oploop des volks te bewerken, die tegen Juliana en het bestuur des kloosters was gericht. Het volk drong binnen en zocht de registers, maar vond ze nergens. Men drong door tot in de cel van de heilige, maar zy was er niet.
De heilige was bytijds ontweken. Gevolgd door hare zusiers, was zij de gastvryheid in gaan roepen van Eva, gelijk zy aan deze vroeger had voorspeld. Zij klopte aan bij de ingeslotene. Deze ontving haar met de meeste welwillendheid en liefde. Doch zij kon het geheele gezin van Juliana niet huisvesten. Eva riep de hulp in van den godvruchtigen Joannes van Lausanne, die Juliana reeds had leeren kennen. Toen hij met de geheele toedracht der zaak bekend was geworden, bood hij zijn eigen huis aan de heilige en hare zusters ten verblijf aan, zoo lang de vervolging zou duren. Verblijd en vol dankbaarheid nam zij dit zoo edelmoedig aanbod aan, en betrok
nu het huis van haren redder.
* *
*
Juliana deed geen enkelen stap om zich tegen hare vijanden te verzetten. Zy haatte ze niet; zy beschuldigde ze niet; zij-bad voor hen. Maar Joannes van Lausanne, kauonik van den H. Martinus, meende het onrecht niet
211
te mogen laten zegevieren. Hij liad machtige vrienden, die met hem instemden en de zaak werd onderworpen aan het oordeel van den bisschop. De prior van Cornillou Roger werd beschuldigd, zich den weg tot het prioraat door heiligschennende mildheden verschaft te hebben; in het klooster den religieusen geest te ondermijnen; de inkomsten van het huis te verkwisten; Juliana, die zich tegen zijne verderfelijke aanmatigingen verzette, op onrechtvaardige wijze vervolgd te hebben, het volk door lasteringen tegen haar opgezet en haar gedwongen te hebben het klooster te verlaten.
Robert, voortgesproten uit het edele geslacht van Torote, was destijds de 68ste bisschop van Luik. Rodolph, een zijner broeders, was bisschop van Verdun. Een andere zijner broeders, Joannes, was gouverneur van Champagne. Een gezond en zeker oordeel, een welsprekend woord, de kennis van het kerkelijk recht, een vlammende ijver en eene groote zuiverheid van zeden verhoogden den luister van zijne geboorte. Hij werd op den lsten November van den bisschopzetel van Langres overgeplaatst op dien van Luik.
Korten tijd nadat hij bisschop van Luik geworden was, werden de beschuldigingen tegen den prior van Cornillon voor hem gebracht. De beschuldigers waren allerachtings-waardigst en de bisschop begreep recht te moeten doen. De bisschop zelve ging de H. Juliana bij de kerk van den H. Martinus bezoeken, haar troosten bij hare wederwaardigheden en beloofde haar recht en steun. Hij benoemde rechters en deed het proces aanvangen. Alles bewees de schuld van Roger en de volkomene onschuld van Juliana. De bisschop zette den schuldige om zijne simonie of als prior en verwees hem naar het hospitaal van Huy.
212
Zoo keerde Juliana na drie maanden terug naar baar klooster, terwijl hare onschuld en deugd allerschitterendst werd erkend.
De heilige liet niet na, terwijl zij met den bisschop meer dan eens bij deze gelegenheid in aanraking kwam, om bij hem op het vieren van het feest van het H. Sacrament aan te dringen, en hem in kennis te stellen van hetgeen haar was wedervaren en hetgeen de geleerden, die gedurende 10 jaren geraadpleegd waren, hieromtrent geoordeeld hadden. Doch het scheen dat Robertus van Torote doof was voor dit alles, en de smeekingen van de heilige bleven onverhoord.
In dien toestand bleven dus de zaken, toen in 1245 de algemeene kerkvergadering van Lyon werd gehouden. De bisschop van Luik, vergezeld van den aartsdiaken der H. Lambertuskerk, Jacobus Pantaleo, begaf er zich heen. Ongetwijfeld raadpleegden zij de bisschoppen van het concilie, waarmede zij dagelijks in aanraking kwamen, aangaande de instelling van het feest van het Sacrament.
De bisschop keerde in 1246 naar Luik terug. Hij was nu geheel van denkbeeld veranderd. Hij bezocht de heilige op den berg Oornillon en zeide haar: de Heer, Juliana, heeft mij groote genade bewezen Hij heeft mij zijn wil kenbaar gemaakt omtrent de instelling van het feest van het H. Sacrament. Ik neem dus de woorden terug, die ik vroeger tot u heb gesproken. Volgens mijne innigste overtuiging eischeu de eer van 's Heeren naam en het belang der geloovigen, dat telken jare het allerverhevenste geheim van het lichaam van J. 0. door een plechtig feest aanbeden worde.
Bij deze gelukkige tijding werd het hart der priorin van Oornillon met vreugde vervuld. Zij stortte hare gevoelens van dankbaarheid uit voor het H. Tabernakel.
213
De bisschop van Luik riep nu de synode van zijn diocees bijeen. Hier werd de instelling en de altijddurende viering van het plechtige feest van het allerheiligste Sacrament in het bisdom van Luik door de beroepenen bij stemming aangenomen. Robertus van Torota maakte nu het vol-
O
gende mandement gereed voor zijn bisdom.
Robertus, door de genade Gods bisschop van Luik, aan zgne geliefde zonen in J. C., de abten, prioren, dekens, priesters en andere geestelijken van het bisdom van Luik, heil en volheid van genade.
Onder de wonderbare dingen en de talrijke wonderen, die de wonderbare Heer uit de hoogte der hemelen heeft gewerkt, verdient geen enkel meer onze bewondering dan dat, waarbij Hij zich tot voedsel schenkt aan hen, die Hem vreezeu, het onuitsprekelijke Sacrament namelijk van zijn heilig Lichaam, dat Hij ons tot eene wonderbare en kostbare gedachtenis heeft achtergelaten, opdat Hij altijd tegenwoordig zij aan ons geheugen en ons verstand, en altijd zoetheid schenke aan onzen wil. David, de koning profeet, ingeleid in het heiligdom der geheimen, bezong het door deze woorden: de goedertierene en barmhartige Heer heeft tot vereeuwiging van de gedachtenis zijner wonderen spijze geschonken aan hen, die Hem vreezen.
En indien God, Die Zich in eeuwigheid Zijne werken zal herinneren, zijne wonderen, voordat Hij ze werkte, heeft kenbaar gemaakt, en andermaal na ze gewerkt te hebben zegt om er bet aandenken van te bestendigen: doet dit, zoo dikwerf gij het zult verrichten, tot mijne gedachtenis; dan moet men het ook niet afkeuren, dat wij, wier geheugen ons ontsnapt, om de dwaasheid der ongeloovigen te beschamen, behalve de dagelijksche gedachtenis van het H. Sacrament aan het altaar een jaar-
214
lijksch feest viereu van dit kostbaar, hoogwaardig en onuitsprekelijk geheim om met meer nadruk en met meer plechtigheid het te herinneren aan al de geloovigen.
Wij oordeelen dat, indien het waardig, passend en billijk is, de heiligen, wier gedachtenis dagelijks wordt gehouden in de litaniën, missen en andere gebeden der kerk, desniettemin telken jare op bun eigen feestdag te herdenken en alsdan meer in 't bijzonder hunne deugden voor den geest te roepen; het zulks niet minder is den Heilige der heiligen, de zoetheid der zoetheden met eene bijzondere plechtigheid te eereu hier op aarde, om buitengewone en meer indrukwekkende dankbaarheid en hulde aan den Heer onzen God te betuigen, omdat Hi) met onmetelijke en onuitsprekelijke liefde dagelijks op geheimzinnige wijze op onze altaren afdaalt en omdat Hij niet ophoudt noch ophouden zal in dit wonderbaar geheim de gedane belofte te vervullen: zie ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der eeuwen, en ons tevens dat andere woord te herinneren: het is mijn vermaak met de kinderen der menschen te zgn. Op dit plechtige feest zal men ook met ijver en godsvrucht de verzuimen en de tekortkomingen kunnen herstellen, waarin men dagelijks door onoplettendheid vervalt bij het H. Sacrificie der Mis.
Welke geloovige zou inderdaad kunnen betwijfelen dat eene zoo eerbiedwaardige plechtigheid geschikt is om de eer van God en de toename van godsvrucht, van geloof en van hoop, van liefde en van alle Christelijke deugden te bevorderen, en op die wijze hoogst nuttig is voor de uitverkorenen van O. H. J, C. Wijl wij derhalve de kudde, die aan onze zorgen is toevertrouwd, deze voordeden willen doen genieten en de menschelijke zwakheid willen helpen om waardigen dank aan God te brengen, hebben wij verordend en verordenen wij, dat gij telken jare op den
215
vijfden dag na het octaaf der H. Drievuldigheid plechtig en ten allen tijde het feest van het allerheiligste Sacrament zult vieren, en de negen lessen, responsoria, verzen en antifonen zult lezen, waarvan wij u een afschrift zullen verschafien. Gij zult aan uwe gemeentenaren aankondigen, dat men zich op dieu dag even als op den dag des Heeren van alle slaafsche werken moet onthouden. Gij zult tevens in uwe kerken aankondigen op den voorafgaanden zondag, dat allen tot vergiffenis hunner zonden daags voor de plechtigheid moeten vasten, en er zich toe voorbereiden door gebeden, aalmoezen en audere goede werken, om zich waardig te maken deel te nemen aan de genaden van het Sacrament, en opdat de geloovigen , wier harten door God bewogen zijn, na zich zelveu beproefd te hebben, het met vrucht kunnen ontvangen, zonder er echter eene verplichting van te maken, doch slechts eene aangename oefening vau godsvrucht.
O O
Moge aldus God en zijn Christus, bewogen door dit feest en deze offers, zich ge waardige de schatten zijner goedheid uit te storten over eene wereld, die bedreigd wordt met eene nabijzijnde schipbreuk.
Neemt een afschrift van dezen brief en bewaart zulks voor u. Gegeven het jaar 1246.
De bisschop Robertus liet vervolgens in zijn bisdom twintig exemplaren verspreiden van het officie, dat onder toezicht van de H. Juliana was opgesteld. Hij mocht het nog bijwonen, dat deze getijden voor het eerst werden gezongen. Voor dat zijn mandement was uitgevaardigd, stierf hij, en liet aan de kerk als bij testament een feest na, dat een der grootste glories is van de glorievolle stad Luik. In 1247 gaven de kanonikken van den H. Martinus gevolg aan de verordening van den overleden bisschop
21G
en vierden voor het eerst dit feest in hunne kerk, daartoe aangespoord en ondersteuud door de drie engelachtige maagden Eva. Isabella en Juliana, die voortaan slechts leefden voor den luister van dit feest. Doch de overige kerken van Luik weigerden voor als nog zich bg hen aan te sluiten. (Wordt vervolgd.)
Het Monogram
Dit Monogram komt onder al de overigen wel het meeste voor in het kerkelijke en bijzondere leven, en desniettemin is het velen onbekend, hoe men het moet verklaren. Sommigen beschouwen het als de drie aanvangletters van een zin, bijvoorbeeld: lesus Homo Zal-vator; of wel: Iw Hoc Zalus of ook Jesus Kostia Zalutaris. Kafaël Patroni geeft het weder door Jesus Hominum Zal-vator. Anderen beweren, dat dit Monogram eenvoudig Jesus beteekent, zonder echter een grond voor hunne zienswijze aan te geven. De Revue de l'art Chretien zegt, dat dit Monogram niets anders beteekent dan eenvoudig Jesus. De drie letters zijn volgens dit tijdschrift de verkorting van IHZOYS of in kapitale letters den Griekschen naam Jesus. Dat aan het einde van het Monogram geen £ (Sigma) maar eene S_ staat is daaraan te wijten, dat men het Grieksche Monogram gelatiniseerd heeft. Het
217
bijbehouden der H (y) wordt daardoor verklaard, dat onze vaderen de âequot; aspireerden en JHESUS schreven. Dit wordt volgens anderen bevestigd door de veelvuldige samenstelling der beide Monogrammen IHS (Jesus) en XPC (Christus). De Grieken, zegt Durandus, plaatsen C voor S. Dit blijkt door het opschrift in het museum van Reuen: BENEDICTUS-JHS-Christus Dit ziet men ook door vereeniging der beide Monogrammen
^die men op vele oude gedenkteekenen vindt.die men op vele oude gedenkteekenen vindt.
De ZeerEerw. Heer H. J. M. Everts in zijn keurig boekje: »Onze Kerkenquot; zegt kort en zaakrijk: IHS
1° verbeeldt den Zoeten Naam lysovg â Jesus, Zaligmaker of Verlosser, verkort in kapitalen IHX, vervolgens geschreven IHS. In zooverre volgens de Grieksche taal.
2° Later opgevat als de initialen of de beginletters van het Latijnsche Jesus TLomin urn Zalvator â Jesus der Menschen Verlosser. Jhesus in het middellatyn gaf nog gereeder aanleiding hiertoe.
3° Ook gebruikt als beteekenende: In Hoe Zigno (vinces) onder een kruis = In Dit Teekeu (zult gij overwinnen) doelende op de verschijning, waarmede Constautyu begunstigd werd vóór zijne overwinning op Maxentius. De V van vinces wordt min of meer duidelijk onder IHS geplaatst.
Nog komt voor waar de twee Monogrammen
Jesus en Christus j m amp; vereenigd zijn. Later plaatste men ook een kruis op de clwarsstreep van -j-de H en drie nagels onder deze letter, wat ^ ® men kon lezen Jesus Gekruist.
yljpi^g lol Qroólppfi jsjsp ran IpfOcL
iedaar de lievelingsspreuk van den H, Iguatius van Loyola, deu grooter stichter der Societeit van Jesus. Zij was gedurig op zijne lippen; zij bezielde hem bij al zijn daden; zij prikkelde gedurig zijn ijver; zij dreef hem tot de grootste ondernemingen; zij vertolkt ons al de vurigheid zijner vlammende liefde; zij was de kern van zijne exercitiën, van zijne constitutiën, van geheel zijn geestelijk leven. Onder al zijne schoone en zinrijke leerstellingen en spreuken is deze: »alles tot grootere eer van Godquot; ongetwijfeld de schoonste en zinrijkste.
.Nog heden na meer dan 300 jaren roept hij ons door zijn heilig voorbeeld en door zijne achtergelatene geschriften uit den hemel onophoudelijk toe: doet alles tot grootere eer van God,
Alles; daardoor hebben wij te verstaan; alle onze gedachten , alle onze woorden, alle onze werken, ook de geringste en onbeduidendste. Deze is ook de leer van den H. Paulus, die schreef aan de Korinthiërs: hetzij gij eet, hetzij gij drinkt, of wat gij ook verricht, doet het alles ter eere van God! Daarom zoowel in het geringste als in het grootste zij God en zijne eer de eenige drijfveer, het hoofddoel, het eenige streven van al onze werken. Onophoudelijk moet dit doel ons voor den geest zweven. Eiken dag onzes levens moeten wij aanvangen door ons te bezielen met dat inzicht en door deze goede meening op deze of dergelijke wijze te verwekken: o mijn God, ik offer my aan ü op en wijd mij aan U toe met al wat ik beu en al wat ik bezit. Met en door Uwen god-
220
delgken Zoon J. C. wil ik al mijue gedachten, al mijne woorden, al mijue werken, alles doen strekken tot Uwe eer en tot Uwe verheerlijking. O mijn God, ontvlam mij daartoe met uwe heilige liefde en schenk mij daartoe Uwe overvloedige genade.
Gedurende den dag behooren wij dit dikwerf bij onze inspanning en onze moeilijkheden te herhalen met de schoone spreuk; alles tot meerdere eer van God.
Het spreekt van zelf, dat indien deze meening ons werkelijk bezielt, wij ons slechts zullen stellen tot werken, die geoorloofd, goed en God gevallig zijn. Slechts door deze kan God geëerd worden. Gedachten, gesprekken, eene levenswijze, die niet naar Gods geest en Gods wet, die niet naar het voorbeeld van Jesus en Maria zouden zijn, zouden zeker God niet tot eer verstrekken.
Alles ter grootere eer van God. Wat bedoelde de groote heilige Ignatius met het woord: tot grootere eer van God ? Klaarblijkelijk niets anders dan dat wij alles, wat wij door de goede meening aan Gods eer toewijden, steeds zoo goed en volmaakt mogelijk zullen verrichten; immer beter, edeler en gerechter zoeken te denken en te oor-deelen; immer passender, verstandiger, stichtender, liefderijker trachten te spreken, immer vuriger en aandachtiger bidden, immer trouwer en met meer liefde onze pliciiten als Christenen, de plichten van onzen staat vervullen en zoo verder. Gelijk wij door verbetering en volmaking van onze gedachten, van onze begeerten, van onze gesprekken, van onze handelingen, God grootere eer bevorderen kunnen, zoo ook kunnen wij zulks door veredeling onzer meening, die op zich zelve reeds goed is. De beste meeuing is voorzeker, wanneer wij uitsluitend zonder eenig eigenbelang iets doen; wijl God het wil, wijl het Hem lief is, wijl het Hem eer schenkt.
221
Hoe voortreffelijk deze meening is, leeren ons de openbaringen van de H. Gertrudis. Ze zag Christus op een hoogen troon zitten en den H. Joiinnes Evangelist aan zijne voeten. Deze schreef soms met inkt, soms met bloed van Christus, dat hij aan Diens heilige zijde ontleende, soms eindelijk niet goud. De Heer liet aan de H. Gertrudis door dit visioen verstaan, dat hetgeen met inkt was geschreven, de goede werken waren, die uit gewoonte of uit eigenbelang geschiedden, bij voorbeeld om daardoor eene genade, eene deugd, eene bijzondere hulp van God te verwerven. Wat met het bloed van Christus zijde geschreven werd, was datgene dat ter eere van Jesus heilig lijden werd gedaan. Wat met goud geschreven werd, waren de werken die men doet uit liefde en tot heil der Kerk. Handelen met dit laatste inzicht is hetzelfde als: alles doen tot meerdere eer van God.
De H. Gertrudis maakte zich deze haar gegevene leer ten nutte en bad daarop immer alleen het inzicht te hebben, Gods wil te volbrengen, God te eeren. En zie Christus nam dit haar gebed aan in den vorm van eene kostbare parel en verborg die in zijn boezem op zijne borst tot een teeken, hoe dierbaar zij hem was.
Volgen wij derhalve den H. Ignatius na; immer zij onze leuze: alles tot meerdere eer van God. Laten wij niets zoeken dan dit; stellen wij dit tot het eenige doel onzes levens. Eiken dag zij daaraan besteed, Dit zij onze liefde en onze hoogste lust. Bevorderen wij Gods meerdere eer steeds in ons zeiven en bij anderen, bij zondaars en bij rechtvaardigen, in lijden en in verblijden, nu en tot in eeuwigheid.
aariamp;hamp;rloQ ran ©osljsnrijk.
e Catlaolica schrijft in haar nummer van
April dezes jaars, bl. 123.
De aartshertog Albert was tegenover zoovele groote heeren van onzen tijd hoogst godsdienstig. Hij beleed vrijmoedig zijne godsdienstige overtuiging door woord en daden, niet slechts in het bijzonder, maar ook in het openbaar leven, op reis, in het kamp, bij de oefeningen der krijgskunde, en zelfs op het slagveld. Verscheidene anecdoten hebben de katholieke dagbladen der hoofdstad en van het platteland in Oostenrijk dezer dagen verhaald. Wij kiezen er een tweetal uit. Toen hij in 1854 zich naar Rome begaf om in de basiliek van S. Pieter de plechtige afkondiging van het leerstuk der Onbevlekte Ontvangenis bij te wonen, hadden de Romein-sche dagbladen woorden vol bewondering voor de godsdienstigheid , door hem bij die gelegenheid aan den dag gelegd. Als het soms op een zon- of feestdag gebeurde, dat hij in de Mis kwam, wanneer zij reeds was aangevangen , dan stapte hij hier niet over heen, en hoorde nog een tweede Mis. Meerdere malen, wanneer hij op reis was, stapte hij uit zgne koets, om alleen binnen te treden in eene kerk van het platteland en er het allerheiligste Sacrament te aanbidden. Dit mogen wij zijne bijzondere godsvrucht noemen, die hij wellicht beoefende naar het voorbeeld van den vromen Rodolph van Habs-burg. Voor het geval, dat de allerheiligste Teerspijze aan een zijner dienaren of onderhoorigen tijdeus zijn verblijf
223
in zijn paleis te Weenen werd toegediend, had hij bevel gegeven hem dadelijk te waarschuwen, wijl hij in persoon den priester aan de deur wilde ontvangen, hem vergezellen in het vertrek van den zieke. en, na geknield de communie te hebben bijgewoond, weder den priester begeleiden bij zijn vertrek.
Ijirntktn ra tóarjitra.
De tijd, die het slechtst wordt besteed, is die welke men doorbrengt met treuren, tenzij men uit de treurnis lessen putte voor de toekomst.
De dwazen geven feestmalen en de wijzen eten ze op.
Een vleier is een slaaf, die niet goed is voor een enkelen meester.
Men ziet een geheelen hemel in een dauwdrop en eene geheele ziel in een traan.
De fortuin is blind, en zij, die ze omhelst, worden schier immer blind.
De verveling sluipt de wereld binnen door de luiheid.
Het is beter zich bloot te stellen aan ondank, dan te kort te schieten jegens ongelukkigen.
De bescheidenheid is voor de verdienste, wat de schaduwen zijn voor de figuren op een schilderstuk. Zij schenkt kracht en doet uitkomen.
Kinderen en dwazen verbeelden zich, dat twintig jaren en twintig guldens geen einde hebben.
Door kleine plichten te verwaarloozen, leert men groote fouten begaan.
224
Vergeef gemakkelijk aan anderen , maar vergeef u zeiven nooit.
Als gij eene bloem ontmoet, zegde de H. Paulus van het kruis tot de medebroeders zijner orde, vraag haar dan: vauwaar zijt gij? Zij zal u antwoorden: ik ben de stem, die de Macht, de Wijsheid, de Goedheid, de Voorzienigheid van myn grooten God verkondig.
Het is gemakkelijk, goed ; het is moeilijk, rechtvaardig te zijn.
Het berouw over het kwaad neemt een goed deel over van den luister der onschuld.
Wij bouwen ons leven op als een burcht; de dood slaat het ineen als een kaartenhuis.
xan |p. lp. ^r. Mn Ãfogcll^n ^aad.
anneer wij een persoon of eene zaak, die eene groote volraaaktlieid of voortreffelijkheid bezit, willen noemen, dan gebruiken wij niet zelden verschillende titels of benamingen. Daar wij de volmaaktheid of voortreffelijkheid, die wij uit willen drukken, niet in eens ten volle weêr kunnen geven, stellen wij haar in verschillende opzichten en door verschillende eigenschappen voor. Wij zoeken, daar wij zulk een persoon in alle hare voortreffelijkheid willen prijzen, door deze uit verschillende oogpunten te beschouwen en voor te stellen, een denkbeeld te geven van die grootheid en verhevenheid, die wij dikwerf niet in eens kunnen overzien en daarom nog minder in eens kunnen uitspreken.
Om deze redenen geven wij aan Maria, de allerheiligste Moeder van God, verschillende titels of benamingen. Door die titels te vermenigvuldigen, geven wij allerduidelijkst te kennen, dat Jesus' H Moeder voor ons onuitsprekelijk groot is, en dat wij haar slechts naar waarde weten te prijzen, door haar de meest verscheidene eeretitels te geven.
Zulk een eeretitel is die van O L. Vrouw of van Moeder van Goeden Raad. Die eeretitel is allerschoonst en wordt met alle recht door ons gebruikt. Wij willen de voor-treffelijkheid van dien eeretitel eenigzins nader uiteenzetten. Die voortreffelgkheid is gegrond op de oudheid van zijn oorsprong, op het hooge gezag dat hem heeft goedgekeurd , op de algemeene erkenning van hen, die hem gebruiken, op de waarheid en verhevenheid zijner betee-kenis, op het groote nut, dat hij voor ons heeft. Vestigen wij heden onze aandacht op zijne oudheid.
15
226
Het. kan aan geen twijfel onderhevig zijn, of deze titel is reeds sedert meer dan vier eeuwen aan Maria toegekend. Reeds sedert 1467, toen het wonderbeeld van iSkutari, gelijk wij zagen, door engelenhanden werd overgebracht naar Genazzano, werd Maria in dit heiligdom aanroepen en vereerd met den titel van O. L, Vr. van Goeden Raad. Van dat oogenblik werd dat heiligdom in geheel Italië, ja in Europa bekend als het heiligdom van de Madonna del buon consiglio of van de Lieve Vrouw van Goeden Raad. De ontelbare bedevaartgangers, die hier heenstroomden, riepen Maria aan als de Moeder van Goeden Raad, en vandaar zingt nog heden het volk van Genazzano:
Maria, Madre del buon Consiglio Gon Voi, ci benedica il vostro Filio! O Moeder, bron van Goeden Raad,
Die ons ten zeerst bemint,
O zegen ons, Maria,
Met uw zoo dierbaar Kind.
Aanvankelijk, zegt de Hoogwaardige Pater Belgrano, werd het verschenen beeld eenigen tijd Santa Maria de Miracoli, dat is: Heilige Maria der mirakelen genoemd, om de talrijke en sprekende wonderen die hier plaats grepen, gelijk ook zijne wonderbare verschijning aanleiding had gegeven om het te noemen: Madonna del Paradise: Tyieve Vrouw van het Paradijs. Maar langzamerhand zegevierde de titel van Goeden Raad, en werd het algemeen genoemd: het beeld van Maria, Moeder van Goeden Raad. Dezen titel, zoo glorievol voor de Maagd en voor ons zoo heilzaam, had de Goddelijke Voorzienigheid reeds sedert eeuwen voorbereid in Genazzano en voor dit ver-eerenswaardig beeld bestemd. Want reeds van oudsher droeg deze kerk den titel der Moeder van Goeden Raad,
227
eu was het volk dus gewoon ze met dien titel aan te wijzen en te onderscheiden. En daar het heilige beeld nu in haar de eerste plaats innam eu de voornaamste eer en hulde ontving, zoo ging hierdoor ook deze titel over op het beeld der Maagd. Het heiligdom werd genoemd het heiligdom, toegewijd aan het wonderbare beeld van Maria Moeder van Goeden Raad.
Doch de titel van O. L. Vr. van Goeden Raad, gelijk wy hieruit reeds kunnen opmaken, was van veel ouderen oorsprong. In het jaar 1356 droeg Petrus Jordanus Co-lonna, een wijs en godvruchtig prins, zonder iets te weten van de gebeurtenissen, die een eeuw later hier plaats zouden grijpen, bij patronaats recht het oude kerkje van O. L. Vr. van Goeden Raad, te Genazzano, dat in vervallen toestand verkeerde, aan de Paters Augustijnen over. In het wettelijke stuk der overdracht wordt aan dit kerkje de overoude titel van de H. Maria van Goeden Raad gegeven. Het stuk luidt:
Tot hulde en eer van den Almachtigen God en van zijne hoogst roemvolle maagdelijke Moeder Maria. De edelman Petrus Jordanus Golonna, heer van Genazzano, bewogen door het vertrouwen en de genegenheid, die hij en zijne voorouders immer hebben gekoesterd eu nog koesteren voor de broeders en de orde der Eremieten van S. Augustinus, en die deze kloosterlingen wederkeerig hebben voor het huis van Colonna,.... wijl de kerk vau de H. Maria van Goeden Raad in de stad Genazzano op het oogenblik ledig staat en door de onoplettendheid der wereldsche geestelijkheid ten aanzien van het geestelijke en het tijdelijke in. een vervallen toestand verkeert, draagt haar over, voor zooverre het hem en zijne opvolgers toekomt, aan broeder Dominicus, prior der kerk van S. Franciscus te Genazzano, die optreedt voor eu in naam
228
van zijne broeders en van zijne orde; en hij smeekt eerbiedig den heer kardinaal, bisschop van Palestrina, en den HoogEerwaarden Pater, broeder Daniël, bisschop van Tivoli, plaatsbekleeder van gezegden heer kardinaal, dat het hun moge behagen over te dragen aan gezegden broeder Dominicus, optredende in de plaats en in den naam der voornoemde orde, de gezegde kerk met al hare rechtsbevoegdheid en eigendommen te gelijk met hare voortdurende verzorging en haar volledig bestuur in het geestelijke en tijdelijke, gelijk de wereldsche geestelijkheid gewoon was haar te besturen.
Gedaan in de kerk van Santa Maria etc., terwijl ik de aangewezen notaris er bij tegenwoordig was.
D. Jakobus v. Genazzano,
27 December 1356. Priester der Mariaherk em.
Hieruit blijkt, dat de titel van O. L. Vr. van Goeden Raad reeds aan deze kerk moet verbonden zijn geweest sedert hare eerste stichting. Deze klimt op tot de dagen van Konstantijn den Groote. Die christen keizer schonk aan paus Sylvester eene keizerlijke villa aan den weg van Preneste, op een afstand van ruim 30 mijlen van Rome. Zijn opvolger, de H. Paus Markus, bouwde hier eene kerk, die hij toewijdde aan Maria, de Moeder van Goeden Raad. Het wit marmeren beeld van O. L. Vrouw in verheven relief, afkomstig uit deze tijden , dat nog heden wordt bewaard en reeds voor de komst van het heilige wonderbeeld te Genazzano werd vereerd, droeg dan ook dezen titel. Wij mogen dus besluiten, dat deze titel van Maria reeds algemeen bekend was in de vierde eeuw.
Geen wonder! want de Vaders der kerk en de heiligen, gerijpt in de beschouwing van de verschillende waarheden yan den godsdienst en van haren verheven samenhang.
229
hadden ten volle begrepen, hoezeer Maria den titel verdiende van O. L. Vrouw van Goeden Raad. Dit geven zij te kennen, wanneer de H. Ildephonsus haar noemt het licht der volkeren (1), de H. Joannes Damascenus zegt, dat zij ons licht (2), het licht omes harten is (3), en de H. Bonaventura haar erkent als het licht der rechtvaardigen (4) en het licht der geloovigen, dat schittert als de dageraad (5). Zij is het nieuwe licht der christenen volgens den gelukzaligen Albertus den Groote (fi), het licht der wereld volgens den H. Laurentius Justinianus (7). De H. Joannes Chrysostomus noemt haar de Moeder des Lichts. (8; Zij is volgens den H. Epiphanius de Moeder van het eeuwige Licht, van het Licht dat in den hemel de scharen der engelen verlicht; van het Licht dat het wijd omvallend oog zelfs der Serafijnen verlicht; van het Licht dat door zijn vlammenden luister de zon verlicht; van het Licht, dat de grenzen der aarde verlicht, om te gelooven aan de Drievuldigheid; van het Licht, dat gezegd heeft: Ik, het Licht, ben in de wereld gekomen; van het Licht, dat opgenomen is en alles verlicht in den hemel en op aarde (9).
De H Bernardus erkent in haar de Moeder der wijsheid (10), en de gelukzalige Albertus de Groote begroet haar als de wijsheid, die den rechtvaardige langs rechte wegen geleidt en hem het rijk Gods toont (11). De H. Bernardus, de H. Anselmus, de H, Laurentius Justinianus, ja de geheele kerk prijzen haar als den zetel der wijsheid.
De H. Joannes Damacenus vergelijkt haar bij eene ster, die de zon ons toont (12), en de H. Andreas van Kreta
(1) Serm. VII de assuiupt B. M. V. (2) In parade! B. V. M. (3) Ibid. In psalt. minor B. V. quinquag. 3. (5) In exposit super Salve Regina. (6) Super libr. Esther. (7) Serm. in Nativ. S. M. V. (8) Orat. in Nativ. B. M. V. (9) Haeres 78. (10) Hom 4 super super missus est. (11) Sermo 1 in nativ. B. M. V. (12) Canon in annunt Despar.
230
zegt, dat zij is de sterre der zee; want gelijk eene sterre voor de varenden op zee de gids is van den rechten weg, zoo toont ook de gelukzalige Maagd aan hen, die in deze bewogene wereld leven, nu eens den weg dar nederigheid, dan weder den weg der kuischheid, andere malen den weg der goede werkzaamheid en nog andere malen den weg der bescbouwing of van welke deugd dan ook.
Hierdoor zien wij, dat de heiligen en kerkvaders aan Maria volmondig de eigenschap toekenden, die opgesloten ligt in den titel van O. L. Vr. van Goeden Raad. Zy getuigen zulks dan ook rechtstreeks Dionysius de Kar-thuizer zegt, dat zij het volmaaktste is onder al de schepselen, wat de verhevene gave van Raad betreft, en wel volmaakt boven alle uitdrukking, wijl zy boven al de schepselen boven mate en overvloedig vervuld was met wijsheid, waaruit de raad voortvloeit. Met dit denkbeeld wus ongetwijfeld de H. Andreas van Kreta bezield, toen hij reeds eeuwen voor Dionysius Maria een onuitspreke-lijken Raad noemde. Gelijk nu die gezegende Maagd niet alleen voor haar zelve de schatten der genade ontving, zoo ontving zij ook niet alleen voor haar zelve met zulk een overvloed de gave van Raad. Als Moeder der Kerk moest zij uit hare rgkdommen putten en met volle handen over de ziel der geloovigen uitstorten. Daarom noemt de H. Anselmus Maria onze raadgeefster bij al onze behoeften. De H. Bonaventura noemt haar de Raadgeefster der onwetenden. De H. Birgitta zegt, dat zij de verstandige Raad was der Apostelen (1). De Andreas van Kreta noemt haar den onuitsprekelijken ea onbegrijpelijken Raad, die reeds bestond voor dat de verlossing des menschdoms was voltrokken (2). Joannes Geometra noemt haar den
(1) In oration I Kevel. (2) Orat. 3 de Dormit Virg.
231
geheimen Raad der Goddelijke wijsheid (1) De abt Gode-fridus erkent in haar den voornamen Raad voor de zondaren, opdat zij zich bekeeren (2). Albertus de Groote vat tot een zeker punt het denkbeeld van al de leeraars samen , als hij haar als algemeene Raadgeefster voorstelt (3). Daarom wordt zij te recht Maria genoemd, wijl deze naam volgens den engelachtigen leeraar, den H. Thomas, verlicht of verlichtster beteekent. Omdat hij verlicht is, is haar geest verrijkt met allerlei soort van verworvene en ingestorte wetenschap meer dan alle geschapene geesten weten en zullen weten. Want waarin kon zij onwetend zijn, vraagt de H. Gaudentius, die als Moeder een God in haren schoot draagt? Zij draagt het Goddelijke licht in hare armen. Omdat zij verlichtster is, kent zij al de wisselvalligheden der Kerk, het geheimzinnige lichaam van haren Goddelijken Zoon, waarvan zij zelve de Moeder is geworden; kent zij ook duidelijk de behoeften van elk lid des geheimzinnigen lichaams, van elk harer kinderen, die zij als eene goede Moeder behulpzaam moet zijn door hare raadgevingen. Met alle reden roept daarom de H. Cyrillus uit: o Maria, uw goddelijke Zoon, de Engel van den grooten Raad, heeft u door de allerheiligste gave van Raad gemaakt tot wonderbaar volmaakte Raadgeefster van al de menschen.
Wij zien dus door dit alles, dat deze titel van O. L. Vr. van Goeden Raad aan Maria gegeven, een alleroudste titel is, dien Maria minstens reeds droeg in de vierde eeuw. Onder het opzicht van oudheid valt dus voorzeker aan de voortreffelijkheid van dezen titel niet te twijfelen.
(1) In B. V. M. hymn. 2. (2) Serm, in omnes festo B. M. Virg. (5) Super missus est c. 100.
232
FS^I^VE I.
Bezingt het geluk en den zegen der gerechtigen (1â3), en het ongeluk en de straf der goddeloozen (4 â 6).
V. 1. Gelukkig hij, die naar den boozen raad
Niet wandelt, noch op 't pad der zondaars staat, Noch op den stoel van schimpers (1) wil verblijveu. Die driest den spot met God en godsdienst dryren; V. 2. Maar 's Heeren wet met gansch zijn wil betracht En voor zijn geest laat zweven dag en nacht.
V. 3. Want hij zal zijn gelijk een schoone boom, Die wortelt bij een frisschen waterstroom;
Op tijd zal hem een schat van vrucht verrijken; Hem kroont een blad, dat onverwelkt zal prijken. Geen storm, geen ramp, die hem ter nederdrukt. Al, wat hij doet, heeft zegen, en gelukt.
V 4. Gansch anders gaat het hem, die 't kwaad bemint. Hij is als 't kaf, dat wegstuift voor den wind. De booswicht zal Gods oordeel niet ontvluchten En heeft gewis zijn strengste straf te duchten. De zondaar staat vernederd en vervaard.
Waar zich om God der heilgen schaar vergaart.
De mensch ontgaat het oog des Heeren niet; Hij is het, die met liefde neder ziet Op allen, die, gerecht in al hun hand'len, Den weg der deugd met vasten tred bewand'len. Des zondaars pad is gruwel voor den Heer: Het stort hem in den eeuwgen afgrond neer.
(I) Cathedra pestilentiae, in 't Hebreeuwsch stoel der spotters. (3) Pulvis of stof, in 't Hebreeuwseh kaf,
233
CXXXII.
Hoe eendracht en broederliefde lieflijk en heilig is als de geurige zalf des Hoogepriesters (1â2); hoe zij heilzaam en zegegevend is als de dauw van den Hermen (3).
V. 1. Ziet, hoe rijk aan alle goed En hoe aangenaam en zoet 't Is, wen samen 's vaders zonen In diens huis als broeders wonen.
V. 2, Lieflijk is 't als zalf die wijdt Aarons hoofd, en nederglijdt,
Geurend in de woon des Heeren,
Langs diens ganschen baard en kleêren.
V. 3. Heilzaam is 't als dauw, die zweeft Om den Hermon, en wat leeft Op des 8ions (1) zij doet bloeien,
Door het zachtkens te besproeien.
Op de broederliefde rust
's Heeren zegen, 's Heeren lust;
Haar zal Hij gena en leven
Tot in de eeuwen ruimschoots geven.
(1) De Hermon wordt ook de Sion of verhevene genoemd. Zie Deuteron IV : 48 vergeleken met deze plaats,
IfS lifZjfcijS ran dgn Jlpuguflimi# scor djs ^alHoli^kjZ |p^rk.
fene der heerlijkste eigenschappen van den H. Au-gustinus is zijne vurige liefde voor de Katholieke Kerk. Hij was een der grootste geesten, die ooit bestonden. Eene levendige, rijke en vermogende verbeeldingskracht was bij hem gepaard aan eene buitengewone scherpte van verstand. Een diep gevoelig hart vereenigde zich in hem met eene logische helderheid van geest, Eene buitengewone denkenskracht, eene allerbeminnelijkste goedheid, een onuitputtelijke rijkdom van denkbeelden en redevormen, eene uitgebreide wetenschap, eene groote ondervinding en wereldkennis werden, wat hoogst zeldzaam is, allen bij hem aangetroffen. Dien heerlyken schat nu van gaven werd geheiligd door eene allervurigste liefde tot de Kerk, eu maakte hem tot den grootsten der kerkleeraren. Die vurige liefde tot de Kerk willen wij eenigzins van naderbij beschouwen, ten einde ons zeiven daaraan te spiegelen, eu daartoe zooveel mogelijk op te wekkeu.ene der heerlijkste eigenschappen van den H. Au-gustinus is zijne vurige liefde voor de Katholieke Kerk. Hij was een der grootste geesten, die ooit bestonden. Eene levendige, rijke en vermogende verbeeldingskracht was bij hem gepaard aan eene buitengewone scherpte van verstand. Een diep gevoelig hart vereenigde zich in hem met eene logische helderheid van geest, Eene buitengewone denkenskracht, eene allerbeminnelijkste goedheid, een onuitputtelijke rijkdom van denkbeelden en redevormen, eene uitgebreide wetenschap, eene groote ondervinding en wereldkennis werden, wat hoogst zeldzaam is, allen bij hem aangetroffen. Dien heerlyken schat nu van gaven werd geheiligd door eene allervurigste liefde tot de Kerk, eu maakte hem tot den grootsten der kerkleeraren. Die vurige liefde tot de Kerk willen wij eenigzins van naderbij beschouwen, ten einde ons zeiven daaraan te spiegelen, eu daartoe zooveel mogelijk op te wekkeu.
De liefde van den H. Augnstiuus voor de Katholieke Kerk was krachtig, omdat zij steunde op eene gegronde en vaste geloofsovertuiging. Ziehier hoe hij de Katholieke Kerk beschouwde.
Wij moeten vasthouden aan den Christelijken godsdienst en aan de gemeenschap met die Kerk, zegt hij, welke de Katholieke (algemeene) is, en de Katholieke wordt genoemd niet alleen door hare kinderen, maar zelfs ook
235
van al hare vijanden. Want zelfs de ketters en scheurmakers, huns ondanks, wanneer zij niet met elkander maar met vreemden spreken, noemen de Katholieke Kerk niet anders dan de Katholieke. Zij zouden niet verstaan kunnen worden , wanneer zij haar niet zouden onderscheiden door den naam, waarmede zij over het gansche aard-rond genoemd wordt (1).
De Kerk is volgens hem zichtbaar. De Kerk treedt voor allen duidelijk en zichtbaar op. Want de stad, die op den berg gebouwd is, kan niet verborgen blijven; in haar heerscht Christus van zee tot zee en van den vloed tot aan de grenzen der aarde... Haar heeft ook de H. Cyprianus zoo aangewezen, dat Hij zegt: zij is van het licht des Heeren doorstroomd; hare lichtstralen strekken zich uit over het gansche aardrond; hare takken in de volheid hunner vruchtvaarheid breiden zich uit over de gansche aarde. (2)
De H. Augustinus noemt de Kerk de eenige bruid, de eenige duive des Heeren. Zij is het eene en onverdeelde lichaam des Heeren. Hij vergelijkt haar met den rok zonder naad, die haar onder 't kruis door de krijgsknechten niet mocht verdeeld worden.
Het is dan ook niet te verwonderen, dat hij diep doordrongen is van het primaat van Petrus en van de Kerk van Rome, wijl dit het middenpunt en de bron is dier eenheid. In Petrus is het primaatschap der apostelen. (3) Petrus alleen vertegenwoordigt in zijn persoon de gansche Kerk; daarom verdiende hij te hooren: Ik wil u de sleutelen van het rijk der hemelen geven. Wijl hij de algemeenheid en de eenheid der kerk zelf vertegenwoordigde, ontving de sleutels in hem niet een mensch alleen maar
(1) De vera Relig. C. VII, n. 12. (2) Contra crescon L. II C. 36, n. 45. (3) De baptosni L. 2, C. I, n. 2.
236
de geheeleKerk (1). Het primaat van Petrus is eene blijvende instelling in de kerk. In de kerk van Rome bestaat het primaat van den apostolischen stoel immer voort; want daar is de stoel, waarop Petrus heeft gezeten en op welke heden Aanastasius zetelt (2). Hij noemt al de pausen van Petrus tot Anastasius op. Wat verlangt gij, zoo spreekt Aagustinus zijnen bestrijder Julianus van Eclanum toe; wat verlangt gij nog eeoe onderzoeking? deze is reeds door den Apostolischen Stoel geschied (3). En in de zaak van Pelagius sprak hij tot het volk: reeds zijn over deze zaak (de besluiten van) twee conciliën aan den Apostolischen Stoel overgezonden. Van daar zijn ons ook geschrevene antwoorden gekomen. De zaak is beslist. (4) De Eerk is volgens den H. Augustinus ook heilig en onoverwinnelijk: de kerk is de heilige Kerk, de eene Kerk, de ware Kerk, de Katholieke Kerk, die tegen alle ketterijen strijdt. Strijden kan zij; de nederlaag lijden kan zij niet. Alle ketterijen zijn uit haar voortgegaan, even als onnutte ranken, die van den wijnstok worden weggesneden. Maar zij blijft in haren wortel, in haren wijnstok, in hare liefde. De hel zal haar niet overwinnen (5). Hij voert dan ook de beweegredenen aan, om in de Katholieke Kerk te blijven. Velerlei is er, zegt hij, wat mij in den schoot der Kerk met alle recht vasthoudt. Mij houdt daarin de overeenstemming der volkeren en naties. Mij houdt daarin het gezag, dat met wonderen aangevangen is, door de hoop gevoed is, door de liefde vermeerderd is, door de oudheid bevestigd is. My houdt daarin de opvolging der bisschoppen op den zetel van den apostel Petrus.... tot aan het tegenwoordige episkopaat. Mij houdt daarin zelfs de naam van Katholieke, zoodat
(1) Serm. 295 n. 2. (2) Epist. 43 n. 7 contr. epist. Petilion L 2, c. 51. (3) Op. Imp. L 2, c. X03.. (4) C^us» finita est serm. III c. 10, n. 10. (5) Serm. I de Sym. c, 6.
23?
geen ketter op de vraag naar de Katholieke Kerk daarvoor zijne basiliek of huis durft aanwijzen. (1)
Hij erkent ook, dat er buiten de Kerk geen heil is te vinden. Het heil kan de raensch niet vinden, tenzg in de Katholieke Kerk Buiten de Katholieke Kerk kan hij alles hebben, uitgezonderd het heil. Hij kan eer hebben, kan een Sacrament hebben.... Maar nergens dan in de Katholieke Kerk is het heil te vinden (2). Niemand kan tot het leven en het heil komen, tenzg hij onder Christus, het hoofd, zij, en niemand is onder Christus, het hoofd, tenzij hij behoore tot zijn lichaam, dat de Kerk is (3) Buiten dit lichaam maakt de H. Geest niemand levendig; want, gelgk de apostel zelf zegt: de liefde Gods is uitgestort in ouze harten door den H. Geest, die ons geschonken is. (4)
De liefde van Augustinus voor Christus' Kerk steunde niet slechts op vaste gronden; zij was ook allerinnigst. Hij was immer bezield geweest met een oprecht en innig streven naar de waarheid zelfs in het midden zijner verregaandste afdwalingen. O waarheid, o waarheid, roept hg uit in zijne belijdenissen, hoe zeer haakte ik en zuchtte ik naar u uit het diepste mijner ziel, uit al hare krachten, zelfs in den tijd, toen die menschen (de Manicheën) rondom mij gerucht maakten met uwen naam... steeds werd ik begeeriger om mg geheel van u te vervullen, en steeds tooverden zij in uwe plaats niets dan lichtende schijnbeelden voor mijne oogen. Maar gij alleen, o waarheid, gij waart het, die ik zocht. Naar u hongerde en dorstte ik. (5) En toen nu die waarheid zich aan hem vertoonde in al hare overweldigende macht, in al hare onweerstaanbare werkelijkheid, in al hare verhevene schoonheid, in haren
(J) Libr. contr. epist. faudum c. 4, n. 5. (2) Sermo ad caesariensis eccl. plebem n. 6. (3) De unitate Eccles c. 19, n. 49. (4) Epist. 185, n. 50. (.5) Confession.
238
heiuelschen eu goddelijken liclitglaus, toen zij belichaamd voor hem optrad in de Katholieke Kerk, toen schonk hij zich aau haar met al deu gloed van zijn minnend hart. Had hij die Kerk vroeger afgewezen, thans gedreven door leedgevoel, door dankbaarheid jegens God, Die zich zoo onverdiend over hem ontfermde, door het geluk haar te bezitten, die hij zoo lang had gezocht, schonk hij haar zone innigste toegenegenheid, en wijdde hij haar al zijne liefde. alle zijne krachten en alle zijne werkzaamheid.
Zijn geheel leven, al zijne talenten, al zijne bedrijvigheid waren haar ten dienste. Als kloosterling, als priester als bisschop deed hij alles voor de kerk, wat een hoogst begaafd en vurig minnend dienaar vermocht. Hij wijdde haar al zijne welsprekendheid. Hij verdedigde haar door zyne redevoeringen en zijne geschriften. Ruim vierhonderd redevoeringen, twee honderd achttien brieven en negentig werken, verdeeld in twee honderd vijftig boeken, getuigen ons, hoe rusteloos zijne liefde werkzaam is geweest om de Kerk te verheerlijken.
In zijn werk over de ketters leert hij ons al de ketterijen van Simon den magiër tot aan Pelagius, 88 in getal, kort en degelijk in hare valsche leerstellingen en hare geschiedenis kennen. Hij trad vooreerst in strijd met de Manicheën. In twaalf verschillende werken beschaamde hij achtereenvolgens de Manicheën, Adamantinus, Faustus, Felix , Fortunatus en Secundinus Zegevierend handhaafde hij de reinheid en eer der Katholieke Kerk en weerlegde hij hunne dwalingen. Zelfs tegen de Priscillianisten, een zijtak der Manicheën in Spanje, vervaardigde hij twee geschriften
Ook de Donatisten, die zich onder üonatus, bisschop van Karthago, van de kerk losscheurden, en weldra in zeer gevaarlijke dwalingen vervielen, bestreed hij twaalf jaren lang van 400 tot 412. Achtereenvolgens trad hij
23Ã
op tegen Donatus, afvallige bisschop van Karthago, tegen Farmenianus diens opvolger iu Karthago, tegen Petilianus, Donatistischen bisschop van (Jirta, tegen Cresconius diens verdediger, tegen Emeritus, Donatistischen bisschop van Cesarea, en tegen Gaudentius. Twaalf werken getuigen
'O O o
hier weder, hoe bedrijvig Augustinus liefde voor de kerk was Dit toonde hij ook op de kerkvergadering te Karthago en toen hij optrad tegen Emeritus in diens kerk te Cesarea.
Niet minder bleek zijne krachtige gehechtheid aan de kerk in den strijd tegen de Pelagianen. Hier behandelde hij de leerstukken over de erfzonde, over de natuur des menschen voor en na den val, over de begeerlgkheid en het huwelijk, over de genade, hare noodzakelijkheid en werkzaamheid, over de predestinatie of voorbeschikking met eene diepte van opvatting en degelijkheid, gelyk het geen kerkvader voor noch na hem heeft gedaan. In dezen strijd volhardde hij tot aan zijn dood, die hem belette zijn gewichtig werk tegen Juliaan, dat reeds zes boeken beslaat, te voleindigen.
Eindelijk bond hij den strijd aan tegen de Semipelagianen, en hield daarbij aan de eene zijde de vrijheid van den wil en aan den anderen kant de noodzakelijkheid niet slechts der actueele en volgende (adjuvans en subsequens) maar ook der voorkomende genade staande. Zonder Gods genade vermogen wij niets, en de gave der volharding hebben wij haar te danken.
Zoo was dus de liefde van Augustinus voor de kerk eene liefde, die gegrond was op de echtste beginselen, eene liefde die allerinnigst en allervurigst was, eene liefde die allerwerkzaamst en onvermoeibaar was, eene liefde die geheel zijn persoonlijkheid en zijn leven in beslag nam. Zorgen wij hem in die schoone, edelmoedige en verdienst-volle liefde na te volgen.
Hllfsl; 450-jarig van ^(zannjs d'^prc. De kardinaal Vanghan te Orleans.
t Tablet verklaart, dat zijne Eminentie de kardinaal iartsbis3chop van Westminster zich heeft willen begeven naar de stad der Maagd van Orleans, met bet uitdrukkelijke en alleredelste doel om in naam van Engeland een plechtig eerherstel aan te bieden aan de heldin, die zoo zeer gelasterd en miskend is door eenigen onder zijne voorvaders in Engeland. Hij kwam den 7 Tablet verklaart, dat zijne Eminentie de kardinaal iartsbis3chop van Westminster zich heeft willen begeven naar de stad der Maagd van Orleans, met bet uitdrukkelijke en alleredelste doel om in naam van Engeland een plechtig eerherstel aan te bieden aan de heldin, die zoo zeer gelasterd en miskend is door eenigen onder zijne voorvaders in Engeland. Hij kwam den 7den Mei des avonds binnen de muren der oude stad Orleans, en eene uitgeleiene schaar van niet minder dan twintig
O O
Fransche prelaten waren met den kardinaal aartsbisschop van Tours aan het hoofd in het bisschoppelijke paleis bijeen om hem te wachten Langs de wegen schitterden al de gebouwen met verlichtingen, met versierselen, met opschriften, met vaandels. De spoorwagens hielden niet op honderden en honderden bezoekers aan het station af te zetten. De burgerij had hare werkzaamheden gestaakt. Eene groote volksmenigte van het platte land aanschouwde met open mond en met blijdschap op het gelaat de levendigheid en drukte, die haar omgaf. Al het leven der stad vereenigde zich in haar voornaamste ader, de straat van Jeanne d'Arc, die uitloopt op het groote plein waarvan de kathedraal een der zijden inneemt met het stadhuis aan haren linkerkant.
Na de aankomst van den doorluchtigen Engelschen gast, werd met grooteren luister dan naar gewoonte de jaarlijk-sche ceremonie der nachtelijke nederplaatsing van Jeanne's banier in de kathedraal gevierd, eene ceremonie, die bij
241
deze gelegenheid wel een kleine verklaring verdient. Zij roept eene episode van 1445 voor den geest. De krijgs-hafte Maagd, na aanvalleuder wijze de voornaamste stelling der Eugelschen te hebben geuomeu, begaf zich in allerijl naar de kathedraal om daarvoor aan God den verschul-digden dank te brengen en zette in die kerk haar vaandel neder gedurende den geheelen nacht. Ziedaar, waarom nog heden, 450 jaren later, de stad Orleans de godsvrucht van bare bevrijdster in herinnering brengt en zinnebeeldig voorstelt door eene nachtelijke plechtigheid. De burgerlijke gezagvoerders treden iu een fraaien stoet uit het stadhuis de geestelijke gezagvoerders tegemoet, om hun het kostbare embleem toe te vertrouwen, dat met luistervolle godsdienstpraal wordt ontvangen.
Zoo geschiedde het den 7aen Mei, en het behoeft niet gezegd te worden, dat het ruime plein geheel gevuld was met eene ordelijke, godsdienstige en geestdriftige volksmenigte. De soldaten waren in gelederen gesteld eer tot sieraad dan om de orde te handhaven. Het benedengedeelte van den reusachtigen tempel schitterde geheel en al in veelkleurig licht, dat eveneens straalde uit de vensters van de gebouwen, die het plein omgaven, terwijl het bovengedeelte der kathedraal en hare torens met strenge majesteit half donber uitstaken tegen den gesternden bemel. Een groep van bevoorrechte bezoekers nam de treden in van het gebouw. Eensklaps verschijnt uit het midden der zuilenrij eene prachtige processie. Eerst verschijnt de stoet der seminaristen, ⢠die zich schaart langs beide zijden. Maar de processie zet zich voort in een lange rij van purper, mijters, kerkgewaden, en treedt statig voort uit de kathedraal. De trommen, de bazuinen, al de instrumenten der militairen weerklinken vroolijk en grijpen de gemoederen aan tot in bet diepste der ziel. Het gekletter der
16
242
wapenen, bet getrappel der paarden, het wuiven der helmen verhoogen den indruk. Aller oogen zijn thans gevestigd op de poort der kathedraal. Wat is het dat ze als met magnetische kracht daarheen trekt. Het is het gezicht van twee prinsen der kerk, de kardinaalaartsbisschoppen van Westminster en van Tours, die daar staan in bet midden der zuilenrij omgeven door eene eerbiedwaardige schaar van bisschoppen, van kanonikken en andere prelaten, allen gekleed met feestelijke koorkap. Zij staan daar tegenover het standbeeld van Jeanne d'Arc, die in haar hand de banier houdt, welke zij immer heeft doen zwaaien in plaats van het zwaard. Op dat oogenblik schrijden de burgemeester, de stadsraad en hun gevolg te voorschijn uit het stedelijk raadhuis, voorafgegaan dooiden groep van de leerlingen der militaire school. Een heerlijke feestzang weergalmt door de lucht met krachtige en zoetluidende melodieën. Wanneer deze geëindigd is, treedt de burgemeester vooruit, neemt de banier van Orleans maagd, en overhandigt ze aan den bisschop van Orleans. Op dat oogenblik schittert de geheele voorgevel der kathedraal in purperen lichtgloed; dequot; krijgs-instru-menten weerklinken ; kanonschoten dreunen door de lucht; geheel het volk ondekt zich het hoofd, en allen knielen neder om den zegen van de prinsen der kerk te ontvangen. Het is een oogenblik dat verrukt. Daarna trekt de processie weder de kerk in; het plein wordt van liever-leden ontruimd en de lichten verminderen. Maar de kardinaal-aartsbisschop van Westminster blijft nog geruimen tijd diep bewogen het standbeeld van Jeanne aanschouwen. In deze zijne daad ziet men de toenadering van twee tijdstippen, van twee volkeren; en eene levendige hoop rijst in bet gemoed voor een grooten en troostvollen dag voor Engeland en de geheele Christenheid.
243
x?oli«jrkjSFk ran ^annjs sf^lre,
(SY® A amp; «Ma V
te Domremy.
is liet vaderland van Jeanne d'Arc. Het 7^^ is gelegen tusseben prachtige weiden, niet. verre van de lachende boorden der Maas. Men bereikt het van het spoorwegstation Maxey-Domreniy, aan een zgtak, die te Pagny den spoorweg van Parijs naar Straatsburg verlaat.
In dat vlek ziet men nog het kleine kerkje, dat, wat de hoofdzaak betreft, hetzelfde is, waar Jeanne nederknielde in hare jonge jaren. Daarneven bevindt zich het huis van haren vader, omgeven van een tuin, waar haar op dertienjarigen leeftijd het eerste visioen van den H. Michaël verscheen. Op een afstand van drie kwart mijl van het vlek bereikt men langs de hellingen van den heuvel de plek, waar Jeanne bij eene frissche bron onder de schaduw van een grooten boom van den hemel eene harer voornaamste openbaringen ontving.
Daar op de hellingen van den heuvel, die bekroond wordt door de eikenboschjes van Bois-Chesnu, met het gezicht op de Maasvallei, zal eene votief kerk van Jeanne d'Arc worden gebouwd. De plek is aangenaam en rustig. Aan onze voeten doorkruist de stroom ongestoord de weiden met lachend groen, die zich ongeveer over een mijl uitstrekken tot daar waar de heuvelen zich verheffen en de overzijde van den vloed afsluiten. De glooiingen zijn bebouwd en met wijngaarden overdekt; de kruinen zijn boschachtig en verschaffen voedsel aan de kudden. Het uitzicht der natuur is onveranderd gebleven, en van hier hebben wij dezelfde tafereelen, die het oog van Jeanne
244
aanschouwde in hare gelukkige jeugd. Op deze plek nu zal de gezegde votief kerk verrijzen.
De bisschop van Saint-Dié, in wiens diocees Doraremy gelegen is, deelde hieromtrent den 5 Mei dezes jaars aan eeu Engelsch gehoor in de kerk der Onbevlekte Ontvangenis van Farmstreet te Londen eenige bijzonderheden mede. Het is aangenaam en zoet, zegde hij, voor Christelijke harten de laatste verlangens te volvoeren van hen, die ons dierbaar zijn. Twee zaken slechts verzocht Jeanne, en geene van deze voor haar eigen persoonlijk belang. Voor het vlek van hare geboorte verzocht zij den koning om vrijstelling, en tot aan de stormachtige dagen der Fransche revolutie heeft Domremy nooit eenige belasting te betalen gehad. Haar tweede verzoek was, dat de koning na haren dood kapellen deed bouwen, waar men gebeden zou storten voor de zielen der krijgers, die bij de verdediging des vaderlands den dood vonden. Dit weten wij door de verklaring, die met een eed bekrachtigd is van haren biechtvader Pasquerol, dien zij meermalen smeekte deze zaak, wanneer zij dit leven zou verlaten hebben , aan den koning aau te bevelen. Vier eeuwen ruim zijn sedert dien tijd verstreken, en nu eindelijk zal men trachten het verlangen van Orlean's maagd te verwezenlijken. De votief-kerk van Domremy, toevertrouwd aan de zorg der Paters Tudisten, zal getuigen, dat de Fransche katholieken der 19de eeuw een der groote verlangens van Jeanne's liefderijke ziel hebben vervuld. Moge zulks bij God barmhartigheid verwerven voor hun edel volk en voor de eeuw zelve.
Hier dus zullen onophoudelijk gebeden ten hemel gaan, volgens hetgeen men Jeanne's uitersten wil kan noemen. Hier zal nog een ander liefdewerk worden verricht, niet minder dierbaar aan Jeanne's hart. Het christelijk leven te bevorderen bij de krijgslieden was haar groot zedelijk
245
doel tgdens haar militair leven. De gezegde votief-kerk zal de hoofdzetel worden eener broederschap, besterad om te werken voor de heiliging en het zedelijk welzijn van den soldatenstand.
ill eU gavBÃg, peuwzn c!lt;s^ fSHinglendlomf.
De HH. Martelaars van Lyon.
(Vervolg van bladz. 160.)
^hristus leed als het ware in Sanctus en deed zijne wonderbare kracht in hem uitschenen. Hij beschaamde in hem den vijand geheel en al, en toonde door zijn roemrijk voorbeeld aan allen, dat men niets heeft te vreezen, wanneer de liefde des Vaders aanwezig is, geen smart hoegenaamd, wanneer het de eer geldt van Christus. Toen toch na eenige dagen die god-deloozen andermaal aanvingen den martelaar te folteren, meenden zij over hem te zegevieren, wanneer zij, terwijl zijne wonden nog ontvlamd en opgezwollen waren, hem dezelfde martelingen deden ondergaan, daar hij zelfs de aanraking der hand niet kon verduren. Was dit niet het geval, dan zou hij toch zeker sterven, dachten zij, en alzoo schrik aan de anderen aanjagen Maar tegen alle verwachting in gebeurde niets van dat alles. Zijn lichaam herstelde zich eensklaps en richtte zich op bij deze tweede foltering en herkreeg zijne vorige gedaante en het gebruik zijner leden. Zoo scheen die tweede marteling onder den invloed der Goddelijke genade hem eer genezing dan pijn te hebben aangebracht.
246
Ondertusschen waren de belijders niet de eenigen, die gekweld werden. Ook Biblias, eene van degenen, die het geloof verzaakt hadden, werd door de dienaars des duivels tot de foltering geleid. De eerste malen was zij lafhartig geweest en bezweken; daarom gelastte men haar de Christenen van goddeloosheden te beschuldigen. Maar dat lijden deed haar als uit een diepen slaap ontwaken; die voorbijgaande pijnen deden haar denken aan de eeuwige straffen der hel. Zij verzette zich tegen de ondervragingen der goddeloozen en zeide: hoe zouden wij kinderen eten, daar wij zelfs het bloed der diereu niet mogen nuttigen (1). Zij beleed van dit oogenblik af Christen te zijn, en werd weder bij de martelaars gevoegd.
Daar de folteringen zonder uitwerking waren gebleven door de kracht van Christus en het geduld der martelaren, beproefde men het op eene andere wijze. Men wierp ze in de openbare gevangenis (2) voor de groote misdadigers, en sloot ze in een duisteren en lastigen kerker. Men legde hun boeien aan de voeten, die men toehaalde tot aan het vijfde gat. Men vertrouwde hen toe aan wachters, die er op afgericht waren de gevangenen op allerlei wijzen te kwellen. Een zeer groot getal bezweken in dien kerker. God, die in alles zijue heerlijkheid toont, riep ze door den dood tot Zich. Anderen, die allervreeselijkst gefolterd waren, zoodat men meende, dat zij hoe ook verpleegd, het niet zouden overleven, leefden voort in den kerker, wel verstoken van de hulp der meiischen, maar zoodanig door God naar ziel en lichaam gesterkt, dat zij de overigen
(1) Dit is eene ziDspeling op het voorschrift der kerkvergadering van Jerusalem. [Act. XV : 20, 29], dat nog ten dezen tyde in gebruik was in de kerk van Lyon, gelijk wij het ook bij het begin der derde eeuw in de kerk van Karthago vinden. [Tertul. Apolog. 9.]
(2) Custodia publica; hier tegenover staat de custodia privata, wanneer het den gevangene als Paulus toegestaan was aan een krijgsknecht, geboeid b\j aangewezene personen te verblijven.
247
troostten en bemoedigden. Nog anderen, die frisch en pas gevangen genomen waren, wier lichamen nog geen folteringen hadden verduurd, waren tegen de ongemakken der gevangenis niet bestand en stierven.
Eene van hen, die op deze wijze omkwamen, was de allerzaligste Pothinus, die de bisschoppelijke waardigheid in de kerk van Lyon bekleedde. Hij was meer dan negentig jaren oud en genoot slechts eene zwakke gezondheid. Hij was gevangen genomen en door de gerechtsdienaren heen gevoerd naar het tribunaal van den legaat, terwijl de overheidspersonen der stad en al het volk hem volgden onder een geweldig geschreeuw. Was echter Pothinus zwak naar het lichaam, hij was vol sterkte naar den geest, vol heldhaftigen moed, vol vurig verlangen naar den marteldood. Wie is de God der Christenen, vroeg hem de pretor. Onverschrokken en vol waai'digheid antwoordde hem de heilige grijsaard: »gij zult Hem kennen, indien gij het waardig zijt.quot; Men voerde hem heen, terwijl men hera overlaadde met beleedigingen, hem met de vuisten sloeg en met de voeten schupte, zonder zich in het minst om zijn ouderdom te bekreunen of eenig men-schelijk gevoel aan den dag te leggen. Zij die verder af stonden, wierpen hem met al wat zij bij de hand konden krijgen. Zoo meenden allen, hunnen ijver voor liuune valsche goden aan den dag te moeten leggen, door hem als om strijd te mishandelen. Uitgeput, ofschoon nog levende, werd hg in den kerker geworpen, waar hij twee dagen daarna overleed.
Pothinus wordt, over het algemeen beschouwd als de eerste bisschop van Lyon. Daar hij stierf in 177 en meer dan negentig jaren oud was, was hij omtrent bet jaar 87 geboren. Hij kan dus nog den H. Joannes Evangelist gekend hebben. Het meer algemeene gevoelen is echter,
248
dat hij een leerling was van den H. Polikarpus en door dezen naar Gallic was gezonden. Ook schijnt de Grieksche afkomst van Pothinus bevestigd te worden door zijn Griek-schen naam, die beminnelijk of begeerlijk beteekent. Zeker is het dat de H. Ireneus, priester van den H. Pothinus, gelijk de H. Hieronimus bem noemt, en die hem opvolgde op den bisschoppelijken zetel van Lyon, leerling is geweest van den H. Polykarpus, en men gelooft hetzelfde van
verschillende andere heiligen, die in Gallië waren.
* *
*
In den kerker waren met de martelaars ook zij die Christus verloochend hadden, toen zij gevangen genomen waren. Want het baatte ten dien tijde niets te loochenen, Zij die beleden hadden, bevonden er zich als Christenen zonder van iets anders beschuldigd te worden; terwyl zij die geloochend hadden, op eene lijn stonden met misdadigers en moordenaars. De eenen werden getroost door de vreugde, getrouw te zijn geweest in hunne belijdenis, door de hoop der beloften, door de liefde voor J. C. en door den Geest des Vaders De anderen werden gefolterd door de knaging van hun geweten Dit verschil was hun uiterlijk aan te zien. De eenen vertoonden een blij gelaat, vol waardigheid en bekoorlijkheid. Zij droegen hunne ketenen veeleer als een sieraad dan als een last- Zij verspreidden een goeden geur. De anderen waren bedroefd, neerslachtig en mismaakt Zelfs de heidenen verweten hun hunne lafhartigheid. Dit schouwspel bevestigde de overige Christenen
Toen dit.had plaats gehad, werden de belijders bij verschillende groepen ter dood gebracht. Zij vlochten alzoo uit allerlei bloemen en kleuren een kroon, dien zij den Heer aanboden. Het eerst werden uit den kerker vier martelaars gehaald, om aan de dieren te worden
249
voorgeworpen. Deze vier wareu Maturus, Sanctus, Blandina en Attains. Een buitengewoon schouwspel werd ten dien einde gegeven. Mathurus en Sanctus werden gezamenlijk in het amphitheater gebracht. Zij ondergingen er andermaal allerlei folteringen, alsof zij nog niets hadden doorstaan. Na volgens het bestaande gebruik voorbg de beulen te zijn gegaan, die ze sloegen met hunne geesels, werden zij blootgesteld aan de wilde dieren, die ze aanvielen, beten en voortsleurden; daarna moesten zij alles verduren , wat het volk verkoos. Vervolgens werden zij op een gloeienden zetel geplaatst, zoodat zij als het ware werden gebraden. Met al hunne martelingen konden zij echter aan Sanctus geen enkel woord ontlokken dan de belijdenis, die hij van den beginne gedurig herhaalde: ik ben Christen. Eindelijk werden zij na een langdurigen strijd onthalsd.
Blandina werd intusschen aan een paal gehecht, om door de beesten verslonden te worden, waarschijnlijk op eene hoogte, (l) zoodat zij aan allen in het gezicht viel. Zij hing daar als gekruisd, bad met vurigen aandrang tot God en boezemde aldus moed in aan de overige strijders. Deze zagen in den persoon harer aldus gemartelde zuster Dengene, Die voor hun heil was gekruisd om de geloo-vigen te overtuigen, dat hij die voor Christus eer zou lijden, de deelgenoot van God zou worden. Maar geene der beesten raakte haar aan. Zij werd daarom losgebonden van den paal en weder in den kerker geworpen.
Nu werd Attalus door het volk met allen aandrang opgeëischt, daar hij bij allen bekend stond. Moedig trad
(1) De veroordeelde afgebeeld op de lamp, die men ziet in den Billetino do archeologia Cristiana 1879 pi. III, is blootgesteld aan een leeuw op eene verheffing van planken met een schuins opgaanden vloer aan de voor- en achterzijde, om aan het dier den toegang en den aanval gemakkelyk te maken. Een persoon voorgesteld tusschen twee leeuwen in eene schildering der eerste eeuw van de katatombe van Domitilla en die onder het uiterlijk van Daniël zeker een martelaar afbeeldt, is mede op eene verheffing geplaatst. De schilder dacht hier niet aan den leeuwenkuil , maar aan het gebruik, dat b\j de Romeinen heerschte voor de veroordeelden tot de wilde dieren.
250
hij toe tot den strijd, want hij was grondig doordrongen van de waarheden des Christendoms en was immer een heldhaftig getuige der waarheid geweest. Hij werd langs het amphitheater rondgeleid met een bord voorop, waarop in het Latijn geschreven stond: deze is Attains, de Christen. Het volk was woedend tegen hem. Doch de Pretor, toen hij vernam, dat hij Romeinsch burger was, liet hem terug voeren naar den kerker. Hierop schreef de pretor over hem en over de andere gevangenen naar den keizer
en wachtte diens beslissing af.
* *
*
De tijd, dien nu de martelaars in den kerker doorbrachten , was niet nutteloos en zonder vruchten, Door hun geduld werd op schitterende wijze eene overgroote barmhartigheid van Christus verworven. Want de doode ledematen der kerk werden door den invloed en de hulp der levende tot het leven teruggeroepen. De martelaars verkregen genade voor hen, die het geloof geloochend hadden. De kerk, de maagdelijke bruid van Christus, werd met groote vreugd vervuld, toen zij hen, die dood geboren waren, weder vol leven terug ontving. Die bekeerlingen werden door God, welke de dood des zondaars niet wil, maar door zijne barmhartigheid hem noodigt tot boetvaardigheid, met zulk eene zoetheid en kracht vervuld, dat zij later moedig Christus' naam zouden belijden.
Niet slechts eene groote liefde voor hunne medegevangenen , maar ook eene groote nederigheid legden de martelaars aan den dag. Zij verlangden zoo zeer Christus na te volgen, dat zij na niet slechts eens, of tweemaal, maar herhaaldelijk zijn naam beleden te hebben, na aan de wilde dieren blootgesteld, gebrand en met wonden overdekt te zijn, zich den naam van bloedgetuigen niet
251
gaven, noch ook zoo wilden genoemd worden. Indien iemand hun hetzij bij brief, hetzij bij mondelings gesprek, dien naam gaf, beklaagden zij er zich bitter over. Zij lieten dien titel aan J. C. den waren en getrouwen getuige , den Eerstgeboorne ouder de dooden, het hoofd van het Goddelijk leven. Zy zijn martelaars, zegden zij, die J G. zich gewaardigd heeft toe te laten tot de belijdenis van zijn naam, zoodat zij haar door hunnen dood bezegeld hebben. Wij, wij zijn slechts geringe belijders. Zij smeekten de broeders met tranen toch vurige gebeden voor hen te storten, opdat zij bij hun lijden tot het einde toe zouden volharden. Tot de heidenen spraken zij met groote vrijmoedigheid.
* *
*
Daar de Montanisten zich invloed zochten te verschaffen door hunne buitengewone gestrengheden, wilde Gods geest wellicht deze dwaling tegengaan, door aan een der martelaars te bevelen zijne onthouding te matigen. Dit was een zekere Alcibiades, die een gestreng leven leidde en slechts water en brood gebruikte. Hij besloot deze levenswijze ook te volgen in den kerker. Maar nadat Attains zijn eersten strijd in het amphitheater had gestreden, openbaarde hem God, dat Alcibiades door die levenswijze niet wel deed, en dat hij (bij het woelen der Montanisten) aan zijne medebroeders allicht ontstichting zou kunnen geven. Alcibiades luisterde naar deze terechtwijzing en at voortaan allerlei voedsel. Wij zieu hierdoor dat God de H. Martelaars niet verstoken liet van het licht zijner genade, maar ze geleidde en bestuurde door zijn heiligen Geest.
De Montanisten, die groote gestrengheden uitoefenden, lieten ten dien tijde veel van zich hooren, en brachten veel verwarring aan in de kerk. De martelaars van Lyon
252
in hunnen kerker, waren ten hoogste werkzaam om den vrede te bevorderen, en schreven daarom verschillende brieven aau de kerken van Azië en Phrygië Zij schreven ook in dien geest aan Paus Eleutherius en zonden tot hem den H. Ireneus, priester der kerk van Lyon, dien 7,ij in hunnen brief ook grootelijks prezen.
(Wordt vervolgd.)
Een Echte.
In een Duitsch tijdschrift lees ik:
Op zekeren dag kwam ik in gesprek met een soldaat. Toen wij nu eenigen tijd met elkander gesproken hadden, zeide ik:
Bij de soldaten is er iets zonderlings, dat ik niet begrijp.
Wat dan? vraagde de soldaat.
Niemand voorzeker trekt uwen moed in twijfel. De dappere soldaat werpt zich op de vijandelijke slagorde, ook dan wanneer een gewissen dood hem voor oogen staat. Hij is onvervaard en onverschrokken voor den mond der kanonnen. En toch diezelfde soldaat heeft dikwerf den moed niet, om in de kazerne neer te knielen tot het gebed, dat hem zijne moeder geleerd heeft. Dat begrijp ik niet.
Het is waar; weinigen slechts bezitten dezen moed.
Maar, hoe verklaart gij dat?
Heer, daar schiet mij iets te binnen, dat nog niet lang geleien in onze kazerne plaats greep Een rekruut, vooraleer zich ter ruste te begeven, knielt neder voor zijn bed en verricht zijn avondgebed. Nu hadt ge dat leven eens moeten zien! De eene werpt hem met zijne muts,
253
een tweede met zijn zakdoek, een derde met iets anders Men lacht; men fluit; een spotvogel richt zich op, buigt zich voor hem heen, en schreeuwt hem in de ooren. Maar de rekruut blijft bedaard en maakt geen haast, om zijn gebed te bekorten.
Den volgenden avond was iedereen nieuwsgierig, of de rekruut weder zou neerknielec. Maar ja wel! hij knielde neder; en het gedruisch van den vorigen avond herhaalde zich, doch nog heviger. De rekruut echter bleef bidden op zijne knieën, en ging voort als of er niets gebeurde.
Op den derden avond deed hij wederom zoo; het gedruisch was reeds niet meer zoo hevig. Den vierden ea vijfden avond werd het nog stiller.
Den zesden avond zegde een zijner kameraden: dat is een echte! hij staat in het vuur.
En van dien tijd had iedereen eerbied voor den rekruut.
Lezer! deze rekruut was een echte. Hij kwam uit voor hetgeen zijne godsdienst hem leerde en beval. Hij wist zijnen kameraden achting af te dwingen voor zijne godsdienst, en verwierf door zulk gedrag ook achting voor zich zeiven.
De dag en het uur komen eens, wanneer de groote eeuwige Bevelhebber zal opdagen om zijn legerschouw te houden. Dan zal de zwakheid van het menschelijk opzicht veroordeeld en bestraft worden. Dan komt het er op aan, of men een echte is geweest en in het vuur heeft gestaan.
o\'jsr d/s opvoeding.
' 'gt; vffl'a' ^ii05^0^ edele vruchten dragen, dan moet liij gedinig aan besnoeid worden. Alle overvloedige 011 nuttelooze ranken worden door den wijngaardenier of tuinier mededoogenloos, naar het schijnt, weggesneden. Maar de wijngaardenier kent zijnen wijnstok. Moet deze menigmaal bloeden onder zyn snoeimes, dan komt toch dit alles den wijnstok ten goede, die later veel ednlere vruchten, veel voortreffelijkere druiven op zal leveren.
Ook ouders zijn wijngaardeniers; wijngaardeniers in den wijngaard van God. De wijnstokken , die zij hebben te verzorgen, zijn hunne kinderen. Ook dezen zullen zij eens brave menschen, voortreffelijke Christenen worden, moeten besnoeid worden. Al wat verkeerd is, moet van hen verwijderd worden. De wijngaardenier is mededoogenloos, en toch tevens vol liefde. Hij is mededoogenloos voor al wat schadelijk en verkeerd is; hij spaart het niet; en hij zet er zonder genade het scherpe snoeimes op Zoo ook moeten ouders het scherpe snoeimes eener gestrenge tucht bij de verkeerde en verderfelijke neigingen hunner kinderen onverbiddelyk aanwenden. Gij kunt het kwa !e eu verderfelijke in uwe kinderen niet genoeg haten en bestrijden.
Gij moet dus gestreng zijn tegen al wat kwaad is en het zonder genade tegengaan. Wie zijn zoon lief heeft, zegt de H. Schrift, tuchtigt hem. Wie de roede spaart, haat zijn zoon Eigenzinnigheid, snoeplust, overdrevene zucht tot lust, spel en genot, verkeerde gewoonten, lichtzinnigheid, gemakzucht, opvliegendheid, gierigheid, luiheid.
255
met één woord, alle gebreken en verkeerde neigingen kun tien niet krachtig en spoedig genoeg worden tegengegaan. Zeker moet men hierbij verstand en voorzichtigheid gebruiken ; men moet toezien, dat het gebruik der roede niet voortvloeie uit onberadene gramschap, niet ontaarde in wreedheid en hardvochtigheid. Het snoeimes moet niet aanranden wat edel en goed is, doch slechts wat verkeerd en verderfelijk is. Tevens echter moet men zich niet laten terughouden door een valsch medelijden, en niet bevreesd zijn, indien het noodig is, door het snoeien wee te doen. Juist dat wee moet de genezing aanbrengen Met één woord, gij moet reeds van den beginne onverbiddelijk gestreng zijn tegen elk gebrek, maar gestreng met verstand en voorzichtigheid.
Eu opdat dit zoo geschiede, moet gij den wijngaardenier ook navolgen in zijne liefde tot den wijnstok. Hij beoogt in al zijne hardvochtigheid en wreedheid niets anders dan de volmaking, veredeling, vruchtbaarmaking van de plant, die hij besnoeit.
Tucht der ouders, ware, deugdzame, heilige tucht is liefde, ja liefde in den waren zin des woords, liefde, die zich niet oplost in zoetheden, toegeeflijkheid en weekheid, maar gepaard gaat met minzame vastheid en ernst Uw kind moge uwe hand soms hard vinden, en voor uwen gestrengen blik terugdeinzen, toch zal het spoedig merken, dat het welgemeend is, en dat getrouwe ouders het door hunne tucht niet zoeken te benadeelen. En later, wanneer uw kind eens tot verdere levensjaren zal gekomen zijn en te waardeeren geleerd heeft, wat ware en getrouwe ouderliefde is, dan zullen heete tranen van dank het loon uwer gestrengheid wezen. Ziet op, o ouders, naar onzen eeuwigen Goddelijken Opvoeder. Ook Hij zal ons dikwerf in zijne opvoedingswijze en leiding gestreng toeschgnen,
256
waar Hij zijne plannen onverbiddelijk en onwrikbaar doorvoert ; en toch zegt ons het gezegde en godsdienstiggezinde verstand, dat alles, wat God doet, welgedaan is, het moge onze menschennatuur aangeuaam of onaangenaam zijn. Een dergelijk vertrouwen moeten ook kinderen het gansche doen en handelen hunner ouders toedragen, onverschillig of dit hun aangenaam is of niet. Zij moeten er immer vast van overtuigd zijn, dat de gestrenge tucht hunner ouders niet minder dan hunne goedheden en weldaden naar hun beste welzijn streeft.
|js Hljzl x?an ^r. ran ^'o/sdjsn ^laacl.
De goedkeuring der Kerk.
fen titel van O. L. Vrouw, hoe passend en hoe oud ook, verkrijgt een bijzonder gezag door de goedkeuring der Kerk, en vooral wanneer deze goedkeuring zich uitdrukt door een bijzonder feest, eene bijzondere Mis en bijzondere getijden, onder de straf, verbonden aan eene wet der kerk, hetzij voor het geheele aantal, hetzij voor een deel barer kinderen. Dit toch is het hoogste en meest sprekende zegel van goedkeuring op zulk een titel gedrukt door het onfeilbare gezag van Christus' Bruid Zoodanig is de goedkeuring, die de titel van O. L. Vr. van Goeden Raad heeft mogen verwerven.en titel van O. L. Vrouw, hoe passend en hoe oud ook, verkrijgt een bijzonder gezag door de goedkeuring der Kerk, en vooral wanneer deze goedkeuring zich uitdrukt door een bijzonder feest, eene bijzondere Mis en bijzondere getijden, onder de straf, verbonden aan eene wet der kerk, hetzij voor het geheele aantal, hetzij voor een deel barer kinderen. Dit toch is het hoogste en meest sprekende zegel van goedkeuring op zulk een titel gedrukt door het onfeilbare gezag van Christus' Bruid Zoodanig is de goedkeuring, die de titel van O. L. Vr. van Goeden Raad heeft mogen verwerven.
Reeds op den 12den Juli 1727 werd na een nauwkeurig onderzoek en rijpe overweging, gelijk ze door den Stedehouder van J. C. was voorgeschreven, door de heilige congregatie der riten een dekreet uitgevaardigd, waardoor de seculiere en reguliere geestelijkheid der stad Genazzano het voorrecht ontving om het feest van O. L Vrouw van Goeden Raad te mogen vieren. Dit feest werd gesteld op den verjaardag der miraculeuze verschijning van het beeld. Spoedig daarna werd hetzelfde privilegie uitgestrekt tot de seculiere en reguliere geestelijkheid van Palestrina. Het feest werd alsdan verheven tot een dubbel van den tweeden rang, (1) maar zonder een oktaaf.
Wij hebben hier echter acht te geven, dat dit feest voor als toen nog slechts een beperkten omvang had,
(1) Duplex secuudie classis.
17
258
daar het zich uitstrekte tot Palestrina en zgne onderhoo-righeden. Ook had het feest nog geene bijzondere Mis of getijden, dan alleen de gewone der allerheiligste Maagd Maria.
Zoo gingen twee en vijftig jaren voorbg. Toen begonnen de beide broeders Calistus en Uajetanus Marini, bewaarders van het geheime archief van den Paus in het Vatikaan, een vernieuwd onderzoek. Eindelijk werd op 18 December 1780 een dekreet uitgevaardigd, onderteekend door kardinaal Marefuscns, prefekt der gezegde congregatie, waarbij een eigen officie samengesteld door den postulator Pater Daniel Marcolini werd goedgekeurd.
Op den dertigsten Januari 1885 eindelijk werd nog een andere schoonere en sprekendere Mis en officie goedgekeurd door de heilige Congregatie der Riten. Wij laten ze hier volgen, wijl zij zoo uitdrukkelijk eene erkenning in zich besluiten vau den titel van O, L. V. van Goeden Raad en ons leeren, hoe die titel door de Kerk wordt verstaan.
Die 26 Aprilis. Den 26ste April.
In festo Op het feest
Beat es Mar ice Virginis de van de gelukzalige Maagd bono Consilio. van Goeden Raad.
IN I VESPERIS. IN DE EERSTE VESPERS. Ant. ut ad Laudes. De antifonen als bij de Lauden.
Psalmi ut in festis B. M. V. De psalmen als bij de feesten
van O. L Vr.
|
Capitulüm. Pkov. C 8. Beatus homo, qui audit mc, et qui vigilat ad fores meas quotidie, et observat ad |
Kapittkl. Spjieuk. H. 8. Zalig de mau, die luistert naar mij, en die dagelijks bij mijne deur waakt, en acht |
259
|
postes ostii mei. Qui me in-venerit inveniet vitam, et hauriet salutera a Domino. Ilyminis Ave, maris stella, ut in festis B M V. y. Ora pro nobis, Mater boni Consilii. Utdigniefficiiinuirpro-missionibus Cliquot; . Ad Magvif Ant Candor est lucis wternae et speculum sine macula Dei majestatis et imago bonitatis illius, et ideo nihil inquinatum in eam incurrit. ORATIO. Deus, qui Genitrieem di-lecti Filii tui matrem nobis dedisti, ejusque speciosam imaginem mira apparitione clarificare dignatus es; concede qusesumus; ut ejusdem monitis jugiter in haerentes, secundum cor tuum vivere et ad caelestem patriam feli-citer pervenire valeamus. Per eumdeiu Dominum etc. |
geeft op de deurposten van mijn toegang Die mij gevonden zal hebben, zal het leven vinden, en het heil van den Heer verwerven. De hymne. Gegroet, o ster der zee, als op de feesten van O. L. Vr. Æ. Bid voor ons, Moeder van Goeden Raad. p'. Opdat wij waardig worden der beloften van Christus Antif. bij hel Mag, Zij is de glans van het eeuwige Licht en een onbevlekte spiegel van Gods Majesteit, en een beeld van Zijne goedheid; en daarom heeft niets, wat bezoedeld is, tot haar toegang. GEBED. O God, Die de Moeder van uwen geliefden Zoon aan ons tot Moeder gegeven hebt, eu U gewaardigd hebt haar schoon beeld door eene wonderbare verschijniug te verheerlijken ; verleen, bidden wij, dat wij door ons gedurig aan hare vermaningen te hechten volgens uw Hart mogen leven en gelukkig het |
260
|
AD MATUTINÃM. Invitat. Saucta Maria Dei Genitrix Virgo, Mater Boni Consilii, intercede pro nobis. P«. Venite exultemus. HYMNUS. Plaude festivo, pia gens ho-nore, Dum Genestanara veneraris aedem; Qua Dei magnse Genitricis alma Splendet imago. Haec ubi miram speciem re-pente. Obtulit Isetis populis viden-dam Multa mox secum bona ferre nostras. Visa per oras. Ipsa tunc aegria aderat, moles tos Corporis morbos animique peliens. |
eeuwige vaderland mogen bereiken. Door denzelfden Heer enz. BIJ DE METTEN. Invitatorium Heilige Maria, Maagdelijke Moeder van God, Moeder van Goeden Raad, wees onze voorspraak! De Ps. Komt laten wg juichen. LOFZANG. Viert blijde feest, godvruchtig volk, en juicht. Geeft Genazzano's tempel eer. Terwijl geknield voor 't wonderbeeld ge u buigt Der groote Moeder vaa den Heer. Gansch onverwachts op won- dre wijs' verscheen Voor 't juublend volk dit lieflijk beeld; Toen vloden ver de kwalen van hier heen, Werd tal van goedren ons bedeeld. Het werd de hulp der kran- ken en het gaf Het heil voor smart van lijf en ziel; |
261
|
Longe et ajrumnas Latio im- miuentes Ipsa fugabot. Virgo quae magnis decorata signis Nunc quoque efïulges; mise- ris juvamen Aiïer et fusis patiens clien- tum Annua votis Sit salus llli, decus atque virtus Qui super coeli solio corus-cans, Totius mundi seriem guber-nat, ïrinus, et unus. Anaeu. IN 1 NOCTÃRNO. Ant. la, Accipe consilium intellectus et ne abjicias consilium meum. Psalmi ut in festis B. V. M. Ant. 2a. Sine consilio nihil facias et post factum non pcenitebit. Ant. 3a. Audits disciplinara et estate sapientes et nolite |
Ook deinsden ver gevreesde rampen af, Toen 'tLatium ten deele viel. Nog heden door uw groote teeknen, Maagd! Straalt gij van bovenaard- schen glans! Schenk hulp daar u de ellende biddend vraagt. Hoor minzaam ons van 's hemels trans. De zaligheid zij Hem en eer en macht, Die schittert op des hemels troon, Die gansch het wijd heelal bestuurt met kracht, Eén wezen, doch driemaal persoon. BIJ DEN 1^ NOCTÃRN. lste Antif. Ontvang den raad des verstands en verwerp mijn raad niet. De psalmen als bij de feesten van O. L. Vr. 2lt;ie Antif. Doe niets zonder raad, en na het gedaan te hebben, zal het u niet berouwen. 3de Antif. Luistert naar de leering en weest wijs, en wilt |
262
|
objicere earn. y. Venerunt mihi omnia bona pariter cum ilia. JÃquot;. Et innumerabilis hones-tas per manus illius. De lihro Proverbiorum. Lectio 1. Cap. 2. 10. öi intraverit sapientia cor tuum et scientia animse tuse placuerit, consilium custodiet te, et prudentia servabit te, ut eruaris a via mala, et ab homiue, qui perversa loquitur, Qui reliuquunt iter rectum et ambulant per vias tenebrosas; qui laetantur cum male fecerint et exultant in rebus pessimis, quorum vise perservae sunt, et infames gressHS eoBum. H'. Si sapientiam invoca-veris et inclinaveris cor tuum prudentiae: * tune intelliges tiniorem Domini, et scien-tiam Dei invences. y. Quia Dominus dat sse-ze niet verwerpen. |
y Alle goederen zijn mij te zamen met haar gekomen. Jlf. En eeae onuitsprekelijke eerzaamheid door hare hand. Uit het Boek der Spreuken. lste Les. 2de Hoofdst. 10. Indien de wijsheid uw hart binnengaat, en de wetenschap behaagt aan uwe ziel, zal de raad u beschutten en de voorzichtigheid u behouden, opdat gij van den slechten weg gered wordt, en van den mensch, die verderfelijk spreekt; van hen die den rechten weg verlaten, en wandelen langs duistere wegen ; van hen, die zich verlustigen in kwaad te doen, en juichen over aller verderfelijkste dingen; van hen, wier wegen verkeerd en wier voetstappen vol schande zijn. Jjf. Indien gij de wijsheid aangeroepen en uw hart tot voorzichtigheid geneigd zult hebben; dan zult gij begrijpen de vrees des Heeren en de wetenschap Gods vinden, y. Want de Heer schenkt |
263
|
pientiani ei ex ore ejus pru dentia et scientia. Tudc intelliges etc. Lectio TI. C 111:21. Fili mi, ne effluant htec ab ocnlis tuis. Custodi legem atque consilium, et erit vita animse tuse et gratia faucibus tuis. Tune ambulabis fida-cialiter in via tua et pes tuus non impinget. Si dor mieris, non tinebis; quiesces et suavis erit som mus tuus. Ne paveas repentino terrore et irruentes tibi potentias impiorum, Dominus enim in latere tuo, et custodiet pe-dem tuum, ne apiaris. ft. Si intraverit sapientia cor tuum et scientia animaa tusB placuerit; * consilium custodiet te et prutentia servabit te. |
Æ. Ut eruaris a via mala, et ab homiue, qui perversa wijsheid en uit zijn mond is voorzichtigheid en wetenschap. Dan zult gij begrijpen enz. Tweede Les. H III: 21. Mijn zoon, laat dit niet afwijken van uwe oogen. Onderhoud de wet en den raad, want zij zullen het leven zijn voor uwe ziel en een sieraad voor uwen hals. Dan zult gij vol vertrouwen uwen weg bewandelen, en zult gij uwen voet niet stoo-ten. Als gij zult slapen, zult gij niet vreezen; gij zult rusten, en uw sluimer zal zoet zijn Vrees dan niet voor een onvoorziene verschrikking , noch voor de macht der goddeloozen, die u aanrandt Want de Heer zal aan uwe zijde zijn en uwen voet bewaren voor eiken strik. ft. Als de wijsheid zal binnengaan in uw hart, en de wetenschap aan uwe ziel behaagt , dan zal de raad u beschutten, eu de wijsheid u bewaren. Ten einde gij gered wordt van den slechten weg |
264
|
loquitur. Cousilium etc. Lectio III. C. VIII: 12. Ego sapientia habito in consilio et eruditis intersum cogitationibus. Timor Domi-ui odit malum , arrogantiam et superbiam et viam pravam, et os bilingue detestor! Me-am est consilium et sequitas; mea est prudentia mea est fortitude. Per me reges regnant, et legum conditores justa decernunt. Per me principes imperant, et potentes decernunt justitiam. Ego di-ligentes me diligo, et qui mane vigilant ad me, inve-nient me. ijt. Beatus homo, qui in-venit sapientiam et qui affluit prudentia. Primi et pa-rissimi fructus ejus. Æ. Pretiosior est cunctis opibus, et omnia quse desi-derantur huic non valent en van deu mensch die ver-derfelijk spreekt. Dan zal de raad enz. |
Derde Les. H. VIII: 12. Ik, de wijsheid woon in den raad, en ben te midden der schrandere bedenkingen. De vrees des Heeren haat het kwaad, de trotschheid, den hoogmoed en den kwaden weg, en ik verfoei den mond, die twee woorden spreekt. Mijn is de raad en de gerechtigheid; mign is de voorzichtigheid; mijn is de sterkte. Door mij heerschen de koningen en verordenen de wetgevers wat rechtvaardig is. Door mij bevelen de vorsten en dienen de machtigen der gerechtigheid. Ik bemin hen, die mij beminnen , en die des morgens tot mij waken, zullen mij vinden. I(. Welzalig de man, die de wijsheid vindt en die overvloeit van voorzichtigheid. Allervroegst en allerreinst zijn hare vruchten. Æ. Zij is kostbaarder dan alle schatten, en al wat men verlangt, kan met haar niet |
265
|
coraparari. Prim. Gloria Patri. Primi. IN II NOCTURNO. Ant. la. Justi sunt omnes sermones mei; non est in eis pravum quid neque per-versum. Ant. 2a. Consilium illius sicut fons vitee permanet. Ant. 3a. Audi consilium, et suscipe disciplinam, ut sis sapiens in novissimustuis. Viam sapientias mostra bo tibi. Jïquot;. Ducam te per semitas aequitatis. De sermone 8. P. N. Augustini, Episc. Lectio IV. In natali S Joann. Baptist. Hominem concepit Elisabeth, hominem Maria; sed Elisabeth solum hominem, Maria Deum et hominem. Mira res est, quomodo potu-erit concipere creatura Cre-atorem. Quid est ergo intel-ligendum, fratres mei, nisi verseleken worden. Aller-vroegst. Eer zij den Vader. Allervroegst. |
BIJ DEN 2den NOCTURN. Ant. 1. Gerechtig zijn al mijne woorden, er is daarin mets kwaads noch verder-felijks. Ant 2. Haar raad duurt voort als bron des levens. Ant. 3. Luister naar raad en ontvang de leer, om wijs te zijn in uw uiterste. y. Ik zal u den weg der wysheid leeren. pf. Ik zal u leiden langs de paden der gerechtigheid. Uit de leerrede van 0. H. V. Augustinus, bisschop. Vierde Les. Op de geboorte van den H. Joannes den Dooper. Een mensch ontving Elisabeth ; een mensch ontving Maria; maar Elisabeth een enkel mensch, Maria een God en mensch. Het is een wonderbare zaak , hoe een schepsel den Schepper heeft kunnen ontvangen. Hoe hebben |
266
|
quia ipse sibi fecit carnem de sola niatre qui fecit pri-mum horuiuem sine patra et matre. Primus ilie noster casus fuit quando femina, per quam mortui sumus, iu corde sus-cep't venena serpentis. Per-suasiteuim serpenspeccatum, et admissus est male suadens Si primus noster casus fuit, cum femina concepit corde veneua serpentis, non mi-randum, quod salus nostra facta est, cum femina concepit in utero carnem Om-nipotentis. Uterque ceciderat sexus, uterque fuerat repa-randus. Per mulierera in in-teritum missi eramus; per mulierem nobis reddita est salus. 1'. Fili, custodi legem atque consilium.* Et erit vita animae tuse et gratia faucibus tuis. |
wij dit dus te begrijpen, mijne broeders, dan dat Hij Zich het vleesch uit zijne moeder alleen gemaakt heeft, Die den eersten mensch zonder vader en moeder gemaakt heeft Onze eerste val is die geweest, toen de vrouw, door welke wij gestorven zijn, in haar hart het vergift der slang heeft opgenomen De slang toch heeft de zonde aangeraden en is in haren slechten raad gevolgd. Indien het ouze eerste val is geweest , toen de vrouw in haar hart het vergif der slang O O heeft opgenomen, is het geen wonder, dat ons heil is bewerkt, toen eeiie vrouw iu haren schoot het vleesch van den Almachtige heeft ontvangen. Beide geslachten waren gevallen, beiden moesten hersteld worden. Door eene vrouw waren wij in 't verderf gestort; door eene vrouw is ons het heil teruggeschonken. Zoon,onderhoud de wet en den raad. * En het zal zijn leven voor uwe ziel en een sieraad voor uwen hals. |
267
|
Tuuc ambulabis fidu-cialiter iu via tua, et pes tuus uoii impiuget. Et erit. De sermone Santi Fulgentii, Episc. Lectio V. De laud Marice ex partu Salvat. Quoniam diabolus per ser-pentera Evae loquitus, per Evae aures mundo intulit moitera. Deus per angelum ad Mariam pertulit verbum et cunctis sseculis vitara effu-dit. Angelus sermonenejecit et Christura Virgo concepit. Hoe splendore concipitur Dei Filius; hac munditia gene-ratur. De ccelis medicus trau-siens per virginem post trau-situm suum illsesam fecit Virginem permanere. Qui euim disrupta corporura membra iu aliis poterat integrare taugendo, quauto magis in sua Matre, quod inveuit integrum , potuit uoa violare nascendo? Crevit enim ejus partu integritas corporis po-tius quam decrevit, et vir- |
Æ. Dan zult gij met vertrouwen wandelen op uwen weg, en zal uw voet zich niet stoeten. En het zal zijn. üit de leerrede van den H. Fulgentius, bisschop. Vijfde Les. Over Maria s lof om de geboorte des Zaligmakers. Daar de duivel, terwijl hij door de slang sprak tot Eva, door Eva's ooren der wereld den dood heeft toegebracht, heeft God door een engel aan Maria het Woord gebracht en voor al de eeuwen het heil uitgestort. De engel heelt het woord uitgesproken en de Maagd heeft Christus ontvangen. Met dezen luister is Gods Zoon ontvangen, met deze reinheid geboren. Uit den hemel giug de geneesheer door de Maagd, eu na zijn doorgang deed hij de Maagd ongerept blijven. Want Hij die de verbrokene lichaamsdeeleu in anderen door ze aan te raken ongeschonden wist te makeu, hoeveel te meer kou Hij wat |
268
|
giuitas ainpliata est potius quam fugata. Audi, Fili mi, et sus-cipe verba mea,*ut multi-plicentur tibi auni vitae. Æ. Viam sapieutiae monstra bo tibi, ducam te per semitas sequitatis. Ut multipliceutur. Lectio VI. Maria quam pneclarissimis tribus bonis sublimetur, aus-culta, salutationis angelieae, benedictionis divince et pleni-tudinis gratise. Sic euim earn legitur salutasse: ave Maria, gratia plena, benedicta inter mulieres. Et ut nihil non sublime esset in hac sanctis-sima Virgine, quam angelus gratia plenam salutavit, non sine divino consilio factum est, ut ejus etiam imagines |
Hij ongeschonden vond in zijne Moeder bij zijne geboorte niet verbreken. Want de ongeschondenheid van baar lichaam nam door zijne geboorte eer toe dan af, en de maagdelijkheid werd veeleer vermeerderd dan ontnomen. Luister, mijn zoon, en ontvang mijne woorden, opdat u de jaren des levens vermenigvuldigd worden. Tk zal u den weg der wijsheid toonen; ik zal u langs de paden der gerechtigheid leiden. Opdat u de jaren. Zesde Les. Luister, hoe Maria door de drie allervoortreffelijkste goederen wordt verheven, van des engels groetenis, van den Goddelijken zegen, van de volheid der genade Want zoo lezen wij, dat hij haar groette: wees gegroet, Maria, vol van genade, gezegend zijt gij onder de vrouwen. En opdat alles verheven zou zijn in deze allerheiligste Maagd, die de engel als vol van ge- |
269
|
summo essent in honore, et prodigiis et miraculis clares, cerent. Quas inter ea tribus abhinc sseculis prsecipuo honore colitur, quae Paulo se-cundo sedente mirabili appa-ritioue in pariete Ecclesiae Patrum ordinis Eeremitarum S. Augustiui in oppido Ge-nestani Prsenestlnae dicecesis, ck pontificiis diplomatibus et supparibus monumentis comprobatur. Quibus permo-lus Pius Papa sextus praefatis ejusdem oppidi cenobitis, officium proprium concessit septimo Kalendas Majas, ipso scilicet apparitiouis die, reci-tandum, ac deinde illud die, quae immediate subsequitur pro ejus recitatione in poste-rum assignata ad universum prsedictum ordinem sub ritu duplicis majoris extendit. Leo vero Decimus tertius ad au-gendum cultum erga beatis-simam Virginem sub titulo Matris boni consilii novum hoc officium approbavit. |
nade begroette, is het ook niet buiten Gods raad geschied , dat ook hare beelden ten zeerste vereerd en door wonderen en mirakelen verheerlijkt werden Ouder deze wordt sedert drie eeuwen datgene bij uitstek vereerd, hetwelk onder de regeering van Paulus II op wonderbare wijze op den muur der kerk van de paters der Orde van de Eremieten van den H. Augustinus in de stad Ge-nazzano, van het bisdom Preneste verschenen is, blijkens de diplomen der pausen en de gedenkteekenen van dien tijd. Hierdoor bewogen heeft Paus Pius VI aan de vermelde kloosterlingen van dit stadje een eigen officie verleend op den 25 April, den dag namelijk der verschijtiing en het daarna op den onmiddellijk volgenden dag voor het vervolg te bidden voorgeschreven, en het onder den ritus van een dubbel majus tot de geheele voorzegde orde uitgestrekt. Leo XIII eindelijk heeft om de vereering der allergelukzaligste Maagd |
270
|
Ausculta sermoues me-os , et ad eloquia, mea iuclina au em tuaiu; * ne recedant ab oculis tuis, custodi ea in medio cordis tui. Vita ennm suut inve-nientibus ea et universje carui sauitas. Ne recedant. Gloria Patri Ne recedant. IN III NOCTÃRNO. Ant. la. Via stulti recta in oculis ejus; qui autem sapiens est, audit consilia. Ant. 2a. Cor boni consilii statue tecum; non est enim tibi aluid pluris illo. Aid. 3a. Sapiens cor et in-telligibile abstinebit se a pec-catis, et in operibus justitise successus habebit Æ. Corona sapientiaj timor Domiui. $. Replens pacem et salu-tis fructura. |
onder den titel van Moeder van Goeden Raad te bevorderen, dit nieuwe officie goedgekeurd. Jf. Luister naar mijne woorden en neig uw oor tot mijne uitspraken; * laat ze niet wijken van uwe oogen ; bewaar ze midden op uw hart. Æ. Want zij zijn leven voor hen, die ze vinden, en gezondheid voor alle vleesch. Laat ze niet wijken. Eer zij denVader. Laat ze niet wijken BIJ DEN Squot;⢠NOCTURN. Ant. 1. De weg desdwazen is recht in zijne oogen; maar die wijs is, luistert naar raad. Ant. 2. Vestig u een hart vol goeden raad; want er is niets anders, dat u meer waard is dan dit. Ant. 3 Een wijs en verstandig hart zal z'ch van de zonde onthouden, en slagen in de werken der gerechtigheid. Æ. De kroon der wijsheid is de vrees des Heeren. ff. Die overvloedigen vrede schenkt en vrucht des heils. |
271
|
Lectio Sancti Evangelii secundum Lucam. Lectio VIL C. L In illo tempore missus et augelus Gabriel a Deo in (;ivitateiii Galileae cui noraen Nazareth ad virginem des-ponsatam viro, cui nomen erat Joseph de domo David, et nomen Virginis Maria. Et reliqua. Homilia. S. Burn audi , Abbatis, Ex homilia 2a super Missus circa Jinem. Et nomen inquit, Virginis Maria, quod interpretatum maris stella dicitur. Ipsa namque est nobilis ilia stella ex Jacob orta, cujus radius universum orbem illiminat. Ipsa inquam, est pneclara et eximia stella super hoc mare magnum et spatiosum necessario sublevata miccans meritis, illustrans exemplis. O quisquis te intelligis, in hujus saeculi profluvio magis inter procellas et tempestates fluctuare, quam per terram |
Les uit het H. Evangelie volgens Lukas. Zevende Les. H. I. Ten dien tijde werd de engel Gabriël door God gezonden naar eene stad van Galilea, Nazareth genaamd, tot eene maagd, verloofd aan een man, Joseph geheeten, uit het huis van David en de naam der Maagd was Maria. En verder. Homilie van den H. Beii-nakdüs. Abt. Uit de 2ie homilie over Missus aan het einde. En de naam, zegt hij, der Maagd was Maria, dat verklaard zeester beteekent. Want zij is ons die ster uit Jakob opgegaan, wier straal de geheele wereld verlicht. Zij is, zeg ik, die heerlijke en voortreffelijke ster boven de groote en uitgestrekte zee noodzakelijker wijze verheven, die schittert door verdiensten, en voorlicht door voorbeelden. O wie gij ook zijt en ziet, dat ge op de strooming dezer wereld veel- |
272
|
ambulare; ne avertas oculos a fulgore hujus sideris, si non vis obrui procellis. Si insurgant venti tentationum, si incurras scopulos tribula-tionuiu , respice stellam, voca Mariam. Si jactaris superbiae undis, si anibitionis, si de-tractionis, si aemulationis, respice stellam voca Mariam Si criminum iramanitate tur-batus, conscientiae feditate confusus, judicii horrore per territus barathro incipias ab-sorberi tristitise, desperationis abysso cogita Mariam. In periculis, in angustiis, in rebus dubiis, Mariam cogita, Mariam invoca. Ipsam sequens non devias, ipsam ro-gans non desperas, ipsam cogitans non erras; ipsa te nente non corruis, ipsa protegente non metuis; ipsa duce non fatigaris, ipsa pro-pitia pervenis et sic in te-metipso experiris quam me-rito dictum sit et nomen Virginis Maria. |
eer tusschen stormen en on-weders geslingerd wordt, dan dat gij op den vasten grond wandelt, wend uwe oogen niet af niet af van den glans dezer sterre, indien gij niet in den storm wilt bezwijken. Indien de winden der bekoringen opsteken, indien gij klippen van kwellingen ontmoet , zie op naar die ster en aanroep Maria. Indien gij geslingerd wordt door de golven van den hoogmoed, of van de beerschzucht of van den laster of van den nijd. Zie op naar de sterre, aanroep Maria! Indien gij ontsteld door de vreeselijkheid uwer misdaden, beschaamd over de afschuwelijkheid van uw geweten , vol schrik voor het oordeel begint te zinken in den kolk der droefenis in den afgrond der wanhoop, denk aan Maria! Bij gevaren, bij benauwdheden, bij twijfelingen, denk aan Maria, aanroep Maria. Haar volgende , wijkt gij niet af; haar biddende, wanhoopt gij niet; aan haar denkende, dwaalt gij niet. Als zij u vasthoudt, |
273
|
pf. Filii audite me; beati qui custodiuut vias meas. Audite disciplinam et estote sapientes et nolite abjicere eam. Beati. Lectio VIII. Intuere, o homo, consilium Dei; agnosce consilium sapientisB, consilium pietatis. Redempturus humanum genus , pretium universum con-tulit in Mariam. Altius ergo intuemini quanto devotionis affectu a nobis voluerit ho-norari, qui totius boni pleni-tudinem posuit in Maria, ut proxinde, si quid spei in nobis est, si quid gratise, si quid salutis, ab ea nove-rimus redundare, quse ascen-dit deliciis affluens, Tolle Mariam banc maris stellam, valt gij niet, als zij u beschermt, hebt gij niet te vreezen; als zij u leidt, wordt gij niet vermoeid; als zij u gunstig is, bereikt gij uw doel, en zoo ondervindt gij in u zeiven, hoe het terecht gezegd is: en de naam der Maagd was Maria. |
p'. Kinderen, luistert naar mij; zalig zijn zij, die mijne wegen houden. Æ. Luistert naar de leer en weest wijs en verwerpt die niet. Zalig. Achtste Les. Zie op, o mensch, naar Gods raad; erken den raad der wijsheid, den raad der goedertierenheid. Toen hij het menschelijk geslacht zou verlossen, bracht hij den ganschen prijs over op Maria. Ziet het dus dieper in, met welk een gevoel van godsvrucht Hij haar door ons geëerd heeft willen zien, Die al de volheid des goeds heeft gesteld in Maria, zoodat wij dus, indien er eenige hoop, eenige genade, eenig heil in ons is, dit zouden erkennen 18 |
274
|
quid nisi caligo involvens, umbra mortis et densissimae tenebrae relinquuutur? Totis ergo medullis cordium totis praecordiorum affectibus et votis omnibus Mariam banc veneremur, quia sic est voluntas ejus, qui totum nos habere voluit per Mariam. In omnibus si quidem et per omnia providens miseris tre-pidationem nostram solatur fidetn excitat, spem roborat, diffidentiam abigit, erigit pusillanitatem. pf. Principium sapienti® timor Domini; * et scientia sanctorum prudentia. y. Per me enim multipli-cabuntur dies tui, et adden-tur tibi anni vitae.Et scientia. Gloria Patre. Et scientia. |
als van haar neer te vloeien, die opgestegen is vol van geneugten, Neem Maria, die ster der zee, weg, wat blgft er dan over tenzij donkerheid die ons omgeeft, schaduwe des doods eu allerdikste duisternis ? Laten wij dus uit het diepste van ons hart, met al de gevoelens van ons gemoed, met alle verlangen Maria vereeren , want zoodanig is de wil van Hem, die gewild heeft dat wij alles zouden verwerven door Maria. Want in alles, terwijl zij door alles de on-gelukkigen helpt, schenkt zij troost bij den angst, wekt zij het geloof, versterkt zij de hoop, verwijdert zij het mistrouwen, bemoedigt zij de kleingeestigheid. pf. Het beginsel der wijsheid is de vrees des Heeren, en de wetenschap der heiligen is voorzichtigheid. Æ. Want door mij zullen uwe dagen vermenigvuldigd worden, en zullen uwe levensjaren vermeerderd worden. En de wetenschap. Eer zij den Vader. En de wetenschap. |
275
|
Lectio ÃX. AdPatrem verebaris acce-dere , solo audita territus ad folia fugiebas. Jesum dedit tibi mediatorem. Sed forsitan et in ipso majestatem vereare divinam, quod licet factus sit homo, manscrit tamen Deus. Advocatum habere vis et ad ipsum ? Ad Mariam re-curre. Pura siquidem huraa-nitas in Maria. Nec dubius dixerim, exaudietur et ipsa pro reverentia sua. Exaudiet utique Matrem Filius, et ex-audit Filium Pater Filioli hsec peccatorum, hsec mea maxima fiducia est, hsec tota ratio spei mese. Quid enitn ? Potest ne Filius aut repellere aut sustinere repulsam ? Non audire, aut non audiri Filius potest. Neutrum plane. In-venisti ut angelus, gratiam apud Deum; feliciter. Semper hsec inveniet gratiam et sola est gratia qua salvamur. Quid nos alia concupiscimus, ira-tres? Quseramus gratiam, et per Mariam quseramus, quia quod qserit invenit, et frus-trari nou potest. Quseramus |
Negende Les. Gij schroomdet te naderen tot den Vader; geschrikt alleen door het g#druisch, vlucbtet gij heen in het gebladerte. Hij heeft u Jesus tot Middelaar geschonken. Maar al licht zijt gij bij Hem beducht voor de Goddelijke Majesteit, omdat Hij, schoon Hij mensch werd. God is gebleven. Wilt gij een voorspreker ook bij Hem hebben, ga tot Maria. Want in Maria is alleen de menschheid Ik aarsel niet te zeggen: ook zij zal volgeus hare eerbiedwaardigheid verhoord worden. Voorzeker zal de Zoon zijne Moeder, en de Vader den Zoon verhooren. Kinderkens, deze is voor de zondaars, is voor mij het grootste vertrouwen; deze is de geheele grond mijner hoop. Kan wel de Zoon verstooten of ver-stooten worden ? Kan de Zoon niet hooren, of niet verhoord worden. Geen van beiden, gewis. Gij hebt, zegde de engel, genade gevonden bij God; het is gelukkig Altijd |
276
|
gratiam sed gratiam apud Deum nam apud homines gratia fallax. Quaerant alii meritum , nos invenire gratiam studeamus. Quid enim ? Non gratiae est quod hie sum us; profecto misericordiae Domini est, quod non sumus consumpti. Te Deum. |
zal deze genade vinden, en het is alleen de genade, waardoor wij gered worden Wat anders begeeren wij, broeders ? Laten wij genade zoeken en door Maria zoeken, want zij vindt wat zij zoekt, en kan niet teleurgesteld worden. Laten wij genade zoeken, maar genade bij God; want de genade by de men-scben is bedriegelijk. Laten anderen verdienste zoeken; maar beijveren wij ons, ge-genade te zoeken. Want wat is de zaak? Is het niet aan de genade te danken dat wij bier zgn? Voorzeker wij hebben te wijten aan 's Hee-ren barmhartigheid, dat wij niet verdorven zijn. Te Deum. |
277
De tweede Psalm.
Een heerlijke psalm van David over den toekomstigen Messias en zijn luistervol rijk.
In 't eerste deel schildert David den strqd der goddeloozen tegen God en zyn Gezalfde, en daar tegen over Gods al beheerschende macht (1â6). Hierop maakt de Christus zich kenbaar als God en onweerstaanbaren Heerscher (6â9). David roept de volkeren en vorsten op om niet oproerig te zyn, maar dien Koning te dienen. (10â13).
1. Hoe 't heidendom vol woede raast? Wat plannen zint het volk verdwaasd?
2. De koningen zijn opgestaan;
Alom zijn vorsten saam gegaan Ten strijde tegen 's Heeren troon En tegen Gods gezalfden Zoon. (1)
3. Wij willen hunne boei verbreken! (2)
Hun juk zij ver! zoo is hun spreken.
'4. Maar Hij, Die in den hemel woont,
Hij lacht met 't schepsel, dat Hem hoont. De Heer bespot hun dwaze daan,
Hun onmacht en hun ijdlen waan.
5 Want zie het vuur zijns toorns ontbrandt En maakt hun ijdle praal ten schand;
En al het oproer, dat zoo schettert,
Wordt door zijn dondrend woord verpletterd.
6. Ik heb Hem door mijn arm met kracht Gesteld tot koning, hoog in macht Op Sions berg der heiligheid, (3)
Hij meldt 't besluit vol majesteit: (4)
(1) Vgl. Hand. IV, 23. (2) De banden waarmeê men 't juk vastbindt. (3) Deze laatste woorden zyn woorden van God den Vader volgens 't Hebreeuwsch. Zie Beelen. (4) De Christus spreekt.
278
7. De Vader zelf Hij sprak tot mij:
Gij zijt mijn Zoon; door Mij zijt gij Geteeld als God van God in 't heden Der altijddurende eeuwigheden. (1)
8. Eisch vrij van mij: der volkren macht Wordt u ten erfdeel toegedacht.
Gansch de aarde met haar grenzen zij ü tot bezit ter heerschappij
9. Al wie zich tegen ü verzet,
Zij door uw ijzren staf verplet! (2) En wederspannige onderzaten Verbrijzelt gij als aarden vaten.
10 Weest dus bezonnen, die regeert!
Weest wijs, die de aard door 't recht beheert.
11. Dient God, gehoorzaam van gedrag, En huldigt Hem met diep ontzag,
12. Ja kust den Zoon, (3) Zijn toorn late af! Hij redde u van der dwaling straf!
13. De vlam zijns toorns doe u niet rouwen, Welzalig zij, die op Hem bouwen.
(1) Vergelijk hiermede deu naam Ecngeboorm Uugenitus, dien Christus in het evangelie van den H. Joannes [I : 18] draagt. Christus is koning der kerk in z\jn nienscheiyke natuur, omdat Hij God is. (2) Voor heerschen heeft het Hebreeuwsch verpletteren. Zie Beelen. (3) volgeus 't Hebreeuwsch. Dit kussen is een teeken van 't Oosten, waardoor men den koning huldigt.
279
De twee en twintigste Psalm.
Het is een dankpsalm voor Gods goedheid. Hjj verheerlqkt God vooreerst onder 't beeld van een liefde vollen herder (1â4) en vervolgens onder dat van een gullen gastheer (5). Hy besluit met het vertrouwen, dat die goedheid Gods hem immer zal bgblyven. (6)
1. God is miju Herder en geleide!
Wat is er dat Hg mg niet scheukt?
2. Hij weidt me als schaap op vette weide,
Waar Hij me aan 't koele beekjen drenkt.
3. Hij schenkt me een rust vol lieflijkheden,
Verkwikt miju ziel, die is vermoeid; Hij leidt langs 't rechte pad miju schreden, Waar deugd, zijn naam vereerend, bloeit.
4. Al zwierf ik rond in duistre dalen
En in de schaduw van den dood; (1)
Gij zijt bij rag; ik vrees geen kwalen ( Uw stok en staf troost me in mijn nood.
5. Gij schenkt, schoon haters mij verfoeien,
Me een rijke tafel, welbelaan;
Gij laat me op 't hoofd uw balsem vloeieu; Wat vollen lustkelk biedt Gij me aan!
6. Uw goedheid zal mg begeleiden
Geheel mgn leven, dag en nacht; (2) In 's Heeren huis me een woon bereiden.
Waar 'k levenslang uw heil verwacht.
(1) In 't Hebreeuwsch: door een dal van schaduwe des doods.
(2) In 't Hebreeuwsch: heil en genade xullen my achtervolgen. Zie Beelen.
van ^paria
^ominieuf ^jsyr^maljs,
later Pastoor te Lourdes.
n 't begin van een regenachtigen herfst had Madame WjÃk Peyremale een paar klompen, die zij van de stad had meêgebracht, neergezet in een hoek van haar voorhuis, daarna was zij uitgegaan om eenige bezoeken af te leggen. Bij haren terugkeer ontmoet zij bij hare woon eene oude vrouw, die zeer arm was, wier voeten, die anders steeds ontbloot waren, thans geschoeid waren met prachtige geheel nieuwe klompen. De kleine Dominicus stond op den drempel der deur en zag haar met oogen, die straalden van vreugde en met een opgeruimd gelaat zich verwijderen. De moeder had het begrepen. Hoe, kleine deugniet, zeide zij tot haar zoon, hebt gij de vrijheid genomen, om mijne klompen aan die vrouw te geven ?
Mama, antwoordde het kind met ongewonen eenvoud, zij is armer dan gij.
Een andermaal, toen hij acht of tien jaar oud was, dwaalde hg rond op een weg in de nabijheid van het huis. Het was vreeselijk koud. Daar heeft hij plotseling een ander kind des lands voor zich staan, gekleed met linnen lompen, en bevende van den ijzigen wind. Maria Dominicus houdt hem tegen.
Halt, sprak hij. Ieder hebbe zijne beurt. Verwisselen wij van kleederen. Ik zal koude lijden; gij zult het warm hebben.
281
Toen nu het arme kind, geheel verrast groote oogen opzette, bevreesd was en scheen te aarselen, daar legt hem Maria Dominicus de hand op den kraag en trekt hem zijn buis uit. Het overige volgde: ook voeten en hoofd ondergingen de verandering.
Toen hij nu te huis kwam met zijn onverwachte plunje, liet zijne moeder een kreet van schrik. Hij verhaalde haar het voorgevallene. Zij opende de lippen om hem voorzichtigheid, matiging en bedachtzaamheid op te lezen; maar zij kon geen woord uitbrengen. Zij nam haar zoon tusschen de armen en drukte hem weenend aan haar hart.
Zoo was het kind; zoo zou de man wezen. Hij groeide op, maar veranderde niet.
Toen hij in 1835 priester was gewijd, werd hy kapelaan te Vic-en-Bigorre.
Bij gelegenheid van zijn verjaardag had dokter Peyre-male zijn vader hem 200 franken ten geschenke gegeven, 's Avonds kwam een geringe en arme koopman, weduwnaar en vader van talrijke kinderen, aan zijne deur aankloppen en klaagt hem zijn nood en zijn gebrek aan geld. De goede kapelaan troost hem en spoort hem aan om niet te wanhopen, terwijl hij hem het woord der bergrede voor den geest roept: »wilt niet bekommerd wezen voor morgenquot;. Kniel neder, zeide hij, op het bidbankje en vraag God ons een goede gedachte in te geven.
Hij had reeds de goede gedachte.
Ik ken, zeide hij, iemand, die heden juist de som heeft ontvangen, die gij noodig hebt.
En de koopman hoort den kapelaan in allerijl den trap afdalen, in het vertrek van den Z.Eerw. Heer Bayle treden en voorzichtig de deur achter zich sluiten. Mynheer Pastoor, zeide de heer Peyremale, ter welker ure moet morgen de dienst zyn?
282
Hg onderhield zich eeuige miuuten met den pastoor over onverschillige zaken, zonder in het minst gewag van den bewusten persoon te maken. Hij verlaat daarop het vertrek, haalt de twee honderd franken uit 'lijn zak, en komt op zegevierenden toon terug in zgne kamer, terwijl hij ze in zijne hand houdt.
Uwe zaak is in orde. Ziehier de som. Hij die u deze gift schenkt, wil niet genoemd worden.
Ik heb niets noodig om het te vatten, antwoordde de koopman, diep bewogen en geheel misleid door het heengaan van den kapelaan. Wat een gouden hart heeft die pastoor!
Maar na drie of vier maanden keerde de koopman, die zijne ongelegenheden te boven was, naar de pastorie terug. De heer Peyremale was uitgegaan. Hij bezocht den Zeer Eerw. Heer Deken.
Mijnheer Pastoor, zeide hij, gij hebt mg waarlijk gered.
â Hoe dit? antwoordde de pastoor verwonderd.
â Door de twee honderd franken, die gij mij gegeven hebt, en die ik u terug breng.
â Welke twee honderd franken? antwoordde de priester nog meer verwonderd.
â Noodeloos te veinzen, mijnheer Pastoor, zegde de goede man met de tranen in de oogen. Ik weet alles.
â Hoe alles? wat alles?
De uitdrukking van verwondering van den grijsaard werd niet begrepen.
O geloof niet, mijnheer Pastoor, dat de kapelaan Peyremale u heeft verraden; maar ik heb alles geraden, of liever alles gezien. Ik heb hem van uwe kamer met het geld zien terugkeeren.
De naam van den kapelaan was een lichtstraal voor den deken. De heer Peyremale, ja die was tot allerlei
283
in strat. Hij wilde de zaak kennen, en liet zich de geschiedenis verhalen.
Wie was er dien avond teleurgesteld en beschaamd aan de tafel der pastorie? Het was de heer kapelaan, toen de deken hem het geld overhandigde, niet zonder hem eene vaderlijke vermaning te geven. Maar die geheele les had geen ander uitwerksel, dan dat de heer Peyremale deze weinige woorden bij zich zeiven sprak, die niet al te eerbiedig waren voor een kardinale deugd: de voorzichtigheid dient tot niets.
Het was een warme zomer-namiddag. De heer Peyremale keerde te voet terug van Tarbes en begaf zich weder naar Vic. De weg was geheel eenzaam en niemand was er te zien. Aan de zijde van den weg, overschaduwd door de dichte bladeren van een grooten olm, lag een arme grijsaard te slapen, met het hoofd rustende op den bedelzak, waarvan hij zich bediende om zgn brood te gaan vragen. Vermoeid van den weg had hij zijn schoeisel afgelegd, en de vormelooze stukken leer die met een stukje touw aaneen waren gebonden en op geen schoenen meer geleken, lagen daar nevem hem. De heer Peyremale herkende hem. Het was een oude wijngaardenier, die geheel zgn leven dapper gewerkt had, maar wiens sobere verdienste verdwenen was ten gevolge van veelvuldige ziekten. Zoo was hij op zijn ouderdom zonder middelen, niet meer in staat om te werken, en genoodzaakt om zijn onderhoud te bedelen, niet zonder te blozen; want hij had eergevoel. â Het is harder de hand uit te steken, dan zijne armen te vermoeien, was het antwoord, dat hij niet zonder zekere droefgeestigheid meermalen herhaalde, terwijl hij zich aanmeldde bij de deuren. De jeugdige priester had het opgevangen en het bad hem behaagd
De grijsaard nu lag in een diepen slaap, toen de kapelaan van Vic daar bij hem kwam.
284
De priester neemt hem in oogeuschouw, en het duurt niet lang, of hij stelt zich aan het werk. Hij ontdoet zich van zijn schoeisel en verwisselt zijne schoenen met de lederen lappen van den bedelaar. Hij neemt die en bevestigt ze aan zijn jeugdige voeten. Daarna zet hij zijn weg voort, terwijl hij zijn toog zooveel mogelijk laat nederhangen.
De arme ontwaakt en ziet de verwisseling. Hij gelooft dat Onze Lieve Heer daar langs is gegaan. Hij trekt den eersten schoen aan; men zou gezegd hebben, dat hij voor hem gemaakt was.
Het was mg, zoo zeide hij later, als of ik den hemel inging.
Maar toen hij den tweeden wilde aantrekken, vond hij hem te kort. De groote teen, op de helft gekomen, kon niet verder vooruit. Toch was de schoen uiterlijk van dezelfde grootte.
Wat mag dat zijn? zegt de goede man ongerust. Maar zijne verontrusting neemt weldra een einde. Hij vindt in het binnenste uiteinde een som gelds gewikkeld in een zakdoek, waarvan de slimme schenker het merkteeken had afgescheurd.
Hij hield de zaak niet geheim. Het duurde niet lang, of de geheele wereld beschuldigde den heer Peyremale.
Eens toen de heer Peyremale op weg was door de straten van Vic in gezelschap van een der kleine bankiers van het stadje, werd hij aangesproken door eene deerniswaardige weduwe, die haren oudsten zoon, den eenigen steun van haar gezin, had verloren. Zij had hare twee in lompen gekleede kinderen bij zich en strekte de hand uit.
De kapelaan zoekt te vergeefs naar geld.
â Ik heb niets bij mij, mijn arme vrouw
De bewoner vau Vic trekt zijne beurs uit. Mynheer, zegt hij, neem er de noodige stuivers uit.
285
Wat, stuivers? zegt de heer Peyreraale, terwijl hij hem met een onbeschrijfelijken blik aanschouwt, stuivers!..,. Neen, geldstukken! voegt hij er bij op een toon van gezag. En hij haalt uit de beurs van den gierigaard vier groote zilveren geldstukken, die hij aan de behoeftige geeft.
De goede God, zegt hij aan den bankier, is u 20 franken verschuldigd, en daar hij honderdvoudig betaalt, is dit 2000 franken. Geheel uw leven hebt gg uw geld zoo voordeelig niet uitgezet.
De blijdschap echter van den kleinen bankier van zulke goede zaken gedaan te hebben, scheen niet geheel vrij te zijn van sombere wolken.
De heer Peyremale bemerkte het, en voegde er dadelijk met zijne gewone goede stemming bij: Kom aan, kom aan! ik blijf borg voor den goeden God en ik word geheel uw schuldenaar, wel te verstaan wat betreft het kapitaal; want wat den honderdvoudigen interest betreft, dat is eene woekerwinst; Hij alleen kan die betalen.
Eenige dagen later bestelt hij by een kleedermaker een kinderpak: jas, vest en broek, in gewone stof des lands. Het kostte ongeveer 20 franken.
â Wilt gij het mij mee laten nemen op voorwaarde?
â Zeer gaarne. Eerwaarde.
â Zie hier 20 franken.
â Nutteloos is het te betalen, wijl het een voorwaardelijke koop is.
â Neen, ik sta er op.
De kapelaan brengt het pakje naar een der beide kinderen van de weduwe. Hij neemt het bij de hand en voert het naar den bankier, gevolgd door zijn jonger broertje in lompen gehuld.
In dit nieuwe en warme kleed zag het kind er goed uit. Geheel zijn gelaat teekende vreugde. Het jongere
286
broertje bibberde onder zijne lompen, en zag naar hem met verwondering en verlangen. Zoo stelde de heer Peyremale ze aan zijn schuldeisch^r voor.
Ik kwam om mijn£ sphuld te verefienen, zoo sprak hij, na de beide kinderen een wenig van hen verwijderd te hebben, om niet van hen gehoord te worden, maar ik trof op mijn weg deze kleeding aan, en ik heb ze onder voorwaarde gekocht; want ik wilde weten of het aan het kind paste. Moet ik die kleeding nu houden of terug brengen en de twintig franken weder opvorderen, die ik aan den kleedermaker als waarborg heb gelaten?
De kleine bankier liet zijn oog vallen op het kind. En de gevoelens, die in hem sluimerden door den veelvul-digen geldhandel, kwamen weder boven. Zoo begint een beekje, dat door een langen winter is bevroren, onder de koesterende stralen der zon weder te stroomen. Een traan vloeide uit de oogen van dien mensch.
Eerwaarde, zeide hij, gij zijt een heilige. Hier hebt gij ook het noodige om het andere kind en de moeder te kleeden. Altijd zullen zij van nu af hout en brood hebben.
H. Lassere.
287
Exempla trahunt. Voorbeelden trekken.
In een klein werkje, dat tot titel heeft: »de kniebuiging voor het H. Sakramentquot;, verhaalt de bekende schrijver Gaume het volgende; Wie kent niet den hoogwaardigen heer Mermillod, den heiligen bisschop, den welbespraakten apostel? Hij verhaalde mij, dat hij, toen hij nog vikaris was te Geneve, eene protestantsche bekeerde, zonder het te vermoeden, alleen door op passende wijze eene kniebuiging te doen voor het H. Sakrament. Hij had namelijk de gewoonte eiken avond bij het Allerheiligste Sakrament een laatste bezoek af te leggen, de godslamp te verzorgen, te zien of de deuren der kerk gesloten waren en of niemand zich in de kerk verborgen had. Na dit alles gedaan te hebben, knielde hij alsdan eenigen tijd aan den voet van het altaar neder, maakte eene diepe kniebuiging, kuste den grond, tot teeken zijner eerbiedige en nederige aanbidding van het H. Sakrament en begaf zich daarop naar zijn huis.
Op zekeren avond, terwijl hij meende alleen te zijn en zijne godsdienstoefening als naar gewoonte had verricht , hoorde hij, juist toen hij opstond, een gedruisch. De deur van een biechtstoel opende zich, en eene zeer voorname dame trad er uit te voorschijn. Wat doet gij hier ter deze ure, mevrouw, vroeg haar Mermillod.
Ik ben protestant, gelijk gij weet, antwoordde zij. Ik heb de predikatiën, die gij gedurende den vastentijd over de ⢠wezenlijke tegenwoordigheid van J.-C. in het H. Sakrament des Altaars gehouden hebt, bijgewoond. Uwe bewijsvoering heeft mij van de waarheid dezer leer overtuigd. Slechts een twijfel bleef mij nog over, â vergeef mij dat ik het u zeg, â namelijk deze: gelooft hij ook
m
zelf datgene, wat hij zegt ? Ik heb daarom willen zien, of gij u, alleen zijnde in de tegenwoordigheid der Eucharistie , zoo gedroegt, gelijk iemand zou doen, die daaraan gelooft, en ik was besloten mij te bekeeren, indien uwe handelwijze zou beantwoorden aan uwe leer. Ik ben gekomen; ik heb gezien; ik geloof.
Zij werd eene der ijverigste katholieken van Geneve.
ï)riE Iprfukrn.
Er is geen gevaarlijker dief dan een slecht boek.
Het goud moet geslagen worden om waarde te verkrijgen ; zoo ook het kind.
Laat ieder de plaats voor zijn huis schoon houden, en de geheele straat zal rein zgn.
^r. van ^oadjsn ^|aad.
|)Z lllpl
lean
De goedkeuring der Zerk.
(Vervolg op bladz. 276.)
|
Ad Laüdes et peu houas. Ant. la. Ego Mater pulchrae dilectionis et tiraoris et agni-tionis et Sanctae spei. Ps. de Dominica, Ant. 2a. lu me gratia om-nis vise et veritatis, in me omnis spes vitae et \prtutis. Ant. 3a. Qui audit me non confundetur et qui operantur in me, non peccabunt. Ant. 4a, Da tuihi sedium tuarum assistricem sapienti-am, et noli me reprobare a filiis tuis. Ant. 5a, Optavi et datus est mihi sensus; et invocavi; et venit in me spiritus sa-pientiae. Capitulum ut ad Vesp. Hymnus. O gloriosa Vir-ginum, ut in festis B M. V. |
Bij de Lauden en uiien. Ant. 1. Ik ben de Moeder der schoone liefde en der vreeze en der kennis en der heilige hoop. Ps. van den Zondag. Ant. 2. In mij is de genade van allen weg en waarheid ; in mij is alle hoop des levens en der kracht. Ant. 3. Die mij hoort, zal niet beschaamd worden; en die door mij werken, zullen niet zondigen. Ant. 4. Geef mij de wijs heid, die bij uwen zetel staat, ea wil mij niet verwerpen van tusschen uwe zonen. Aiit. 5. Ik heb verlangd en mij is verstand gegeven; en ik heb gebeden en de Geest der wijsheid is ia mij gekomen. Kapittel als bij de Vesp. Lofzang. O roemrijke der maagden, als op de feesten van O. L. V. |
17
290
|
y. Dignare me laudare te Virgo sacrata. Jlf. Da mihi virtutem contra hostes tuos. Ad Benedictus Ant. Beata Mater et intacta Virgo, regina mundi, nostras deprecationes ue despicias in necessitatibus, sed a periculis cunctis libera nos semper. Oratio ut supra ad Vesp. Ad Terïiam. Capitulum. Beatus homo, ut ad Vesp. jf. bh. Venerunt mihi omnia bona, * pariter cum ilia. Venerunt. Æ. Viam sapientise mon-strabo tibi. Jlf. Ducam te per semitas sequitatis. Ad Sextam. Capit. Prov. Cap. 6. Conserva, fili mi, prae-cepta patris tui et ne dimit-tas legem matris tuae, liga ea in corde tuo jugiter, et circumda gutturi tuo. jf. bu. Viam sapientiae * |
/. Sta mij toe U te loven, o heilige Maagd. pf. Geef mij sterkte tegen uwe vijanden. Bij het Benedictus Ant. Zalige Moeder en ongerepte Maagd, Koningin der wereld, versmaad onze gebeden niet bij onzen nood, maar verlos ons immer van alle gevaren. Gebed als boven bij de Vesp. Bij het derde uur. Kapittel. Zalig de man, als bij de Vesp. jlf. be. Mij zijn geworden alle goederen, * tegelijk met haar. Mg zijn geworden. Ik zal u den weg der wijsheid toonen. pf. Ik zal n geleiden langs de paden der gerechtigheid. Bij het zesde uur. Kapitt. Spreuk. Hoofdst 6. Onderhoud, mijn zoon, de bevelen van uwen vader, en verlaat de wet niet uwer moeder; bind ze immer vast op uw hart, en bevestig ze aan uwen hals. hf. br. Den weg der wgs- |
391
|
monstrabo tibi. Viam sa-pientiae. Ducam te per semitas sequitatis. â Monstrabo tibi. â Gloria Patri. â Viam sapientiae. Corona sapientiae timor Domini. pf. Replens pacem et salu-tis fructum. Ad Nokam. Capüulum Prov. 23. Praebe, fili mi, cor tuum mihi et oculi tuf vias meas custodiant. Be. Corona sapientiae timor Domini. Corona. Keplens pacem et salu-tis fructum. â Timor. â â Gloria Patri. â Corona. Æ. Venite Filii, audite me. Jlf. Timorem Domini doce-bo vos. IN II VESPERS. Omnia ut in primis prater Ad Magnificat Aniiph. |
Felix es, sacra Virgo Maria heid * zal ik u toonen. Den weg der wijsheid. Æ. Ik zal u geleiden langs de paden der gerechtigheid. â Zal ik u toonen. â Eer zij den Vader. â Den weg der wijsheid. Æ. De kroon der wijsheid is de vrees des Heereu. Hquot;. Den vrede volmakende en de vrucht des heils. Bij het negende uur. Kapiitel Spr. 23 Geef mij, mijn zoon , uw hart en laat uwe oogen mijne wegen bewaren. Jïquot;. Br. De kroon der wijsheid is de vrees des Heeren. De kroon Æ. Den vrede volmakende en de vrucht des heils. â De vrees. â Eer zg deu Vader. â De kroon. Æ. Komt, kinderen! luistert naar my. Ik zal u de vrees des Heeren leeren IN DE 2de VESPERS. Alles als in de eerste behalve Bij het Magnificat de Antif. Zalig zijtgij, Maagd Maria, |
2Ã2
|
et omni laude dignissima, quia ex te ortus est sol justi-tiae, Christus Deus noster, magni Consihi Angelus. Die 26 Aprilis. In festo Beaice Marien Virginis de bono Consilio. AD MISSAM. Intkoitüs, Eccles. Gaudeamus omnes in Domino, diem festum celebran-tes, sub honore Beatae Marise Virginis; de cujus solemni-tate gaudent angeli et col-laudant Filium Dei. Alleluja! Alleluja! Ps. 44. Eruclavit cor me-um verbum bonum; dico ego opera mea regi. Gloria Patri. oratio. |
Deus qui Genitricem dilecti Filii tui matrem nobis de-disti, ejusque speciosam ima-ginem mira apparitione cla-en allen lof ten zeerste waardig, want uit u is voortgekomen de Zon der gerechtigheid , Christus, onze God, de engel van den grooten Raad. Den 26ste April. Op het feest van de gelukzalige Maagd van Goeden Raad. BIJ DE MIS. Introïtus , Eccles. Laten wij allen ons verheugen in den Heer, terwijl wij feest vieren ter eere der gelukzalige Maagd Maria, over welke plechtigheid zich de engelen verheugen en Gods Zoon loven. Alleluja! Alleluja! Ps. 44. Een heerlijk woord welt mij op uit het hart; den Koning wijde ik mijne werken toe. Æ. Eer zij den Vader. gëb£d» God, Die de Moeder van uwen geliefden Zoon ons tot Moeder gegeven hebt, en haar schoon beeld door eene |
293
|
rificare dignatus es; concede qusesumus; ut ejusdem mo-nitis jugiter inhserentes, secundum cor tuum vivere et ad cselestem patriam feliciter pervenire valeamus Pereum-dem Dominutn. Lectio lihre sapienliai. Eccl. 24. Ego quasi vitis fructificavi suavitatem odoris; et flores mei fructus honoris et hones-tatus. Ego Mater pulchrse dilectionis et timoris et agni-tionis et sanctaa spei. In me gratia omnis viae et veritatis; ia me omnis spes vitae et virtutis. Transite ad me om-nes, qui concupiscitis me, et a generationibus meis imple-mini; spiritus enim meus super mei dulcis et hareditas mea super mei et favum; memoria mea in generationes sseculorum. Qui edunt me ad hue esurient, et qui bibunt me, adhuc sitient. Qui audit me non confundetur, et qüi operantur in me, non pecca-bunt. Qui elucidant me vitam seternam habebunt. |
wonderbare verschijning u gewaardigd hebt te verheerlijken ; verleen, smeeken wij, dat wij immer hare raadgevingen ter harte nemen, volgens uw Hart leven en het hemelscbe vaderland gelukkig bereiken. Door den-zelfden Heer. Les uit het boek der wijsheid. Eccl. 24. Ik heb als een wijnstok vruchten vol zoeten geur voortgebracht en uit mijne bloemen spruiten vruchten van eer en rijkdom. Tk ben de moeder der schoone liefde en vreeze en kennis en heilige hoop. In mij is de genade van allen weg en waar ⢠heid; in mij is alle hoop des levens en der deugd. Komt tot mij allen, die mij begeert te bezitten, en wordt verzadigd van mijne voortbrengselen ; want mijn geest is zoeter dan honig en mijn bezit dan honigraat en honig. Mijne gedachtenis duurt bij de geslachten der eeuwen. Die mij eten, zullen hongeren , en die mij drinken, zullen nog dorsten. Die naar |
294
|
Alleluja! Alleluja! y. Luc. I. Ave Maria gratia plena, Dominus tecum ; Benedicta tu in mulieribus. Alleluja! Per te Dei Genitrix nobis est vita perdita data, quae de ccelo suscepisti prolem, et mundo genuisti Salvatorem. Alleluja. Si celebretur post tempus paschale dicetur: Graduale, Prov. 8. Ego sapientia habito in consilio, et eruditis intersum cogita-tionibus. Æ. Beatus homo, qui audit me et vigilat ad fores meas quotidie, et observat ad pos-tes ostii mei. Alleluja! Qui me invenerit, in-veniet vitam et bauriet sa-lutem a Domino. Alleluja. |
mij luistert, wordt niet beschaamd; en die voor mij werkzaam zijn, zondigen niet. Die mgn licht verspreiden, zullen het eeuwig leven bezitten. Alleluja! Alleluja! Æ. Luc. I Wees gegroet, Maria, vol van genade; de Heer is met u; gezegend zijt gij onder de vrouwen. Alleluja! Door u, o Moeder Gods, is ons het verlorene leven geschonken, die van den hemel uw kind hebt ontvangen en voor de wereld den Zaligmaker hebt gebaard. Alleluja! Indien dit feest na den Paaschtijd wordt gevierd, zegt men : Liet Graduale. Spreuk 8. Ik , de Wijsheid, woon met den raad, en ik vergezel kennisrijke uitvindingen. f. Welzalig de mensch die naar mij hoort, en die waakt aan mijne poort dag aan dag, en de wacht houdt aan dë deurposten van mijn ingang. Alleluja. y. Die mij vindt, vindt het leven, en zal het heil uit den Heer putten. Alleluja. |
295
|
Post Septnag. omissis Alleluja et Æ seq. dicetur ; Tractus. Pkov. 8. Meum est consilium et sequitas; mea est prudentia, mea est fortitude. Ego diligentes rue diligo; et qui mane vigilant ad me, inveuient me. Æ. In viis justitise ambulo, in medio semitarum judicii y. Ut ditem diligentes me, et thesauros eorum repleam. -j- Sequentia Sancti Evangelii secundum Lucam. Luc. I. In illo tempore missus est anselus Gabriël a Deo in o civitatem Galilese, cui nomen Nazareth, ad Virginem des-ponsatam viro, cui nomen erat Joseph, de domo David, et nomen Virginis Maria Et ingressus Angelus ad eam dixit. Ave gratia plena; Do-minus tecum, benedicta tu in mulieribus. Quse enm au-disset, turbata est in sermone ejus et cogitabat, qualis esset |
Na Septuagesima laat men het alleluja en de volgende Æ achter, en zegt: De Tractus. Spreuk 8. Mijn is de raad en gerechtigheid ; mijn is de voorzichtigheid; mijn is de sterkte. Die mij lief hebben, heb ik lief, en die des morgens tot mij waken, zullen mij vinden. y. Op de wegen der gerechtigheid wandel ik, midden op de paden des oordeels. y. Om te verrijken die mij beminnen en hunne schatten vol te maken. f Les uit het H. Evangelie volgens Lukas. Luk. I. Ten dien tijde werd de engel Gabriël door God gezonden naar eene stad van Galilea, Nazareth genoemd, tot eene maagd, verloofd aan een man, Joseph geheeten, uit het huis van David, en de naam der Maagd was Maria. En de engel ging tot haar binnen en zeide: Wees gegroet, gij vol van genade; de Heer is met u; gezegend zijt gij onder de vrouwen. |
296
|
ista salutatio. Et ait angelus ei; ne timeas Maria; inve-nisti enim gratiam apud De-um; ecce concipies in utero et paries filium, et vocabis nomen ejus Jesum. Hie erit magnus et Filius Altissimi vocabitur et dabit illi Do-minus Deus ejus sedem David patris ejus; et regnabit in dorao Jacob in aeteruum, et regni ejus non erit finis. Offertorium, Recordare Virgo Mater in conspectu Dei, ut loquaris pro nobis bona, et ut avertat indig-nationem suam a nobis. Alleluja. Secreta. Sanctifica quaes u-mus, Domine, oblata libamina et Beatae Dei Genitricis Ma-riae saluberrima intercessione nobis salutaria fore concede. Per eumdem. |
Toen deze zulks hoorde, werd zij ontsteld over dit woord, en bedacht, hoedanig deze groetenis was. En de engel zeide tot haar: vrees niet, Maria! want gij hebt genade gevonden bij God. Zie gij zult in uwen schoot ontvangen en een zoon baren, en zijn naam Jesus noemen. Deze zal groot zijn en de Zoon des Allerhoogsten genoemd worden, en de Heer zijn God zal Hem den troon van zijn vader David geven, en Hg zal heerschen in het buis van Jakob tot in eeuwigheid, en zijns rijks zal geen einde zijn. Offertorium. Gedenk, o Maagd en Moeder, die voor het aangezicht van God staat, om voor ons ten goede te spreken en zijne verontwaardiging van ons af te weren. Alleluja! Secreta. Heilig, smeeken wij U, o Heer, het offer, dat wij plengen, en door de allerheilzaamste tussckenkomst van de gelukzalige Moeder Gods, verleen, dat het ons tot heil verstrekke. Door denzelfden. |
297
|
PkjEfat. B M. V. Er te IN FESTIVIÃATE. Communio. Regina mundi dignissima, Maria, Virgo perpetua, intercede pro nostra pace et salute, qui genuisti Christum Dominum Salvato-rura omnium. Alleluja! Post commukio. Adjuvet nos, quaesumus Domiue gloriosae tuae Geni-tricis semperque Virginis Mariae intercessio veneranda, ut quos perpetuis cumulavit beneficiis, ea quae agenda sunt jugiter videre faciat et ad implenda, quae viderint, convalescere. Qui vivis. |
PEiEFAT. vau O. L. Vr. Et te IN festivitatb. Communie, Allerwaardigste Koningin der wereld. Maria, altijd Maagd, wees onze voorspraak tot onzen vrede en heil, Gij die Christus den Heer, aller Zaligmaker, gebaard hebt. Alleluja! Post communie. Wij bidden U, Heer, dat de vereerenswaardige tus-schenkomst van uwe glorievolle Moeder en altijddurende Maagd Maria ons helpe, om hen, die zij met immerdu-rende weldaden heeft verrijkt, hetgeen zij hebben te verrichten immer te doen zien, en hetgeen zij gezien hebben, krachtig te doen volvoeren. Die leeft. |
Door de goedkeuring van deze Mis en dit Officie zieu wij dus duidelijk, dat de Katholieke Kerk dezen schoonen titel van O. L. Vr. erkent en hoe zij hare kinderen uit-noodigt onder dezen schoonen titel te aanroepen. Verscheidene bisdommen zijn hierdoor aangespoord tot de aanvrage van het bijzondere voorrecht deze Mis en dit Officie op den gestelden feestdag te mogen gebruiken. Nog onlangs verzocht de aartsbisschop van Praag met zijne vier onderhoorige bisschoppen van Bohemen, van
298
den H. Stoel, dit feest te mogen vieren gelijk bet te Genazzano werd gevierd, hetwelk hun werd toegestaan. Evenzoo heeft de uitgestrekte congregatie der Paters Ma-risten deze e'gen Mis en Officie verkregen Hetzelfde voorrecht gewerd der nonnen van de Visitatie te Brooklijn. De geheele Kerk uan Ierland viert met goedkeuring van Zijne Heiligheid Leo XIII dit feest met eigen Mis en Officie. Deze stilzwijgende goedkeuring van dezen schoonen titel heeft zelfs verschillende bisdommen aangespoord tot de aanvraag, dat Maria ouder den titel van O. L. Vrouw van Goeden Raad zou gesteld worden tot hunne bijzondere patrones Zoo mocht Mgr. Crane, de ijverige bisschop van Sandhurst in Australië, de gunst verwerven niet slechts de eigen Mis en het Officie te mogen gebruiken, maar ook om zijn uitgestrekt bisdom op kanonieke wijze onder de bescherming van O. L. Vr. van Goeden Raad te stellen. Door dit alles moet deze schoone en prachtige titel onzer geliefde Moeder ons meer en meer dierbaar worden.
il clp pzviplp, ppmxpn rakrlpl^ndlomf.
Pe HH. Martelaars van Lyon.
(Vervolg op bladz. 252.)
indelijk ontving de pretor het antwoord des keizers. Het luidde, dat de belijders met het zwaard zouden worden gedood. Toen nu de jaarlijksche marktdag aanbrak, wanneer eene groote menigte uit de verschillende provinciën en steden van Gallië te Lyon samenstroomde , deed de pretor de gevangenen andermaal voor zgn rechterstoel verschenen. Nadat hij hen alsdan weder ondervraagd had, veroordeelde hij hen, die Romeinsche
299
burgers waren, om onthoofd, en de overigen om aan de wilde dieren voorgeworpen te worden. Grootelijks werd nu Christus verheerlijkt door hen, die Hem eerst verloochend hadden, en Hem thans tegen alle verwachting der heidenen beleden. Zij werden namelijk afzonderlijk ondervraagd, alsof zij dadelyk vrijgelaten zouden moeten worden; doch daar zij beleden Christenen te zijn, werden zij by de martelaars gevoegd. Eenigen vielen af, maar zij hadden nooit een zweem van geloof, noch eerbied voor het bruidskleed, noch eenige vreeze Gods gehad, en hadden hunnen godsdienst onteerd.
Terwijl nu het verhoor plaats greep, was er een zekere Alexander, Phrygiër van geboorte, geneesheer van beroep, die zich reeds verscheidene jaren in Gallië had opgehouden, een man door iedereen gekend om zijne liefde tot God en zijne vrijheid om openlijk met de genade van een apostel de leer des geloofs te verkondigen. Deze had plaats genomen bij den rechterstoel en beijverde zich ten zeerste om door teekenen de geloofsbelijders te bemoedigen, zoodat het door het volk werd opgemerkt. Dit was vertoornd, dat zij die eerst Christus verloochend hadden, Hem nu heldhaftig beleden, en begon nu tegen Alexander te schreeuwen, als ware hij daarvan de schuld. De pretor wendde zich daarop tot hem, en vroeg wie hij was. Hy zegde Christen te zyn en de pretor veroordeelde hem tot de wilde dieren.
Hy trad dus den volgenden dag met Attains in het strijdperk Want ook dezen had de pretor, om aan het volk te believen, tot de wilde dieren veroordeeld. Beiden na al de martelingen doorstaan te hebben, die in het amphitheater werden toegepast, zegevierden ten volle en werden onthoofd. Alexander liet niet een zucht, noch sprak een enkel woord, maar onderhield zich vurig in zyn hart met zijnen God, Attalus, toen hij op den gloei-
300
endeu zetel was geplaatst, en op afschuwelijke wijze werd gebrand, zeide tot het volk: zie, dat is nu eerst menschen verslinden. Maar wij, wij verslinden geen menschen, noch doen eenig leed. Toen men hem vroeg, welken naam zijn God droeg, gaf hij ten antwoord, dat God geen naam heeft als wij stervelingen.
Op den laatsten dag, die voor de zwaardvechters was bestemd. bracht men na al de overigen Blandiua weder in het amphitheater met een jeugdigen knaap van vijftien jaren, Ponticus genaamd. Zij waren dagelijks daarheen gevoerd om de folteringen der overigen te aanschouwen. Men wilde ze dwingen om te zweren bij de afgoden, maar ze legden er slechts de grootste verachting voor aan den dag. De menigte werd zoo opgewonden tegen hen, dat zij noch eenig medelijden voor den jeugdigen leeftijd van den knaap, noch eenigen eerbied voor de kunne van Blandina aan den dag legden. Zij lieten hen achtereenvolgens al de folteringen ondergaan en kwelden hen door allerlei pijnen, om ze te doen zweren. Doch al hun moeite was te vergeefs. Ponticus werd bemoedigd door de woorden zijner zuster, en de heidenen moesten het aanhooren, hoe zij hem aanspoorde en kracht insprak. Hij gaf den geest na edelmoedig aan alle folteringen weerstand te hebben geboden.
Blandina was de laatste. De zalige was als eene moeder, die al hare kinderen voor zich uit had gezonden tot den hemelschen koning. Zg ging als het ware veeleer naar een bruiloftsmaal dan tot de marteling. Na de geesel-slagen, de wilde dieren, den gloeienden rooster te hebben verduurd, werd zij omgeven met een net, en blootgesteld aan een woedenden stier. Deze wierp haar met zijne horens herhaaldelijk in de lucht. Maar zij, vervoerd door de verwachting der hoop, door de beschouwing der hemelsche goederen, door het vurig onderhoud met Christus, gevoelde
301
niets van dat alles. Eindelijk werd ook zij onthoofd, terwijl de heidenen het moesten erkennen, dat nooit eene vrouw zoovele en zoo groote martelingen had verduurd.
Doch ook hiermede stelde de woede der heidenen zich niet tevreden. Zij richtte zich ook tegen hunne doode lichamen. Zij, die in den kerker waren bezweken, werden den honden voorgeworpen, en dag en nacht zag men nauwlettend toe, dat zij niet door de Christenen begraven werden. Zij verzamelden mede de overblijfselen van hen, die in het amphitheater waren omgekomen, namelijk hetgeen door de dieren en het vuur was gespaard, zooals ook de rompen en hoofden van hen die onthalsd waren. Zij deden dat alles verscheidene dagen door krijgsknechten bewaken. De eenen waren vol haat tegen de gedooden en zouden ze nog geweldiger folteringen hebben willen doen lyden. De anderen bespotten ze, versmaadden ze, verhieven hunne goden en schreven hunne martelingen aan hen toe. Velen waren eenigzins beter gezind, hadden tot een zeker punt medelijden met ons en zeiden: Waar is hun God, en wat heeft hunne godsdienst gebaat, waarvoor zij hun leven zelf hebben moeten geven? Wij waren intusschen diep bedroefd, dat wij hunne lijken niet konden begraven Want de nacht baatte ons niet, en de wachters lieten zich noch door goud noch door gebeden overwinnen. Na ze alzoo zes dagen lang voor aller oog tentoongesteld en gedurig bewaakt te hebben, verbrandden zij ze tot assche en wierpen ze in den Rhone, opdat er geen spoor van op aarde zou overblijven. Zoo gingen zij te werk, alsof zij boven God verheven waren en hun de opstanding konden ontrooven. Zij deden het om aan de Christenen de hoop op de verrijzenis te ontnemen, die hun zeiden zij, de stoutheid schonk om een nieuwe godsdienst in te voeren, de martelingen te verachten en met blgdschap den dood te ondergaan.
302
Wij moeten dit luistervol getuigenis onzes geloofs ba-wonderen Geestdrift en bescheidenheid, nederigheid eu fierheid, verhefiing van geest en wijsheid, zorg voor de kerk, medelijden met de zondaars, een levendig geloof, dat alle lichamelijk lijden trotseert, eene liefde en vurig gebed, die onder de felste folteringen de ziel met onver-winnelijke kracht en toewijding vervullen, ziedaar hetgeen Lyon's martelaars veseerenswaardig en hoogst dierbaar maakt. Deze schaar van helden uit het jaar 177 heeft de latere strijders der kerk van Gallic, ja van degansche. kerk door haar schitterend voorbeeld gedurende den loop der eeuwen niet zelden met geloof, met hoop, met de toewijding der liefde bezield. Zelfs ongeloovigen hebben dezen heldenmoed des geloofs moeten bewonderen. Ook hier is het waar geworden, dat het bloed der martelaars het zaad is der Christenen.
Eusebius in zijne kerkgeschiedenis maakt wel melding van de Igst der martelaarsnamen , die den brief der Christenen van Lyon besloot, doch hij acht het overbodig, die namen zelf mede te deelen. (I) Die namen zijn ons vooral bewaard door Ado in zijn martelaarsboek op den 2den Juni en door Gregorius van Tours in zijn geschrift over de glorie der martelaars. Men telt 18 martelaars, die in de gevangenis zijn bezweken, 6 die aan de beesten zgn voorgeworpen, 24 die ten gevolge van verschillende folteringen gedood zijn. Gelijk de namen te kennen geven, waren ongeveer de helft van Griekschen oorsprong, terwijl de overigen van Gallische of Romeinsche afkomst zullen zijn geweest. (2)
Na den dood dezer HH. Martelaars hield de vervolging te Lyon en in de omstreken niet op; zfl bleef voortwoeden tot aan den dood van Marcus Aurelius. Verscheidenen
(1) Euseb. LV, c. 4. (2) Deze acht en veertig namen kan men vinden bjj Tillemont.
303
stierven den marteldood. Hunne akten bezitten echter het gezag niet als de brief der Christenen van Lyon en dag-teekeuen eerst van de vierde, vijfde en zesde eeuw.
De akten van de HH. Epipodius en Alexander zijn zeer schoon en eenvoudig, doch werden eerst geschreven na den vrede der kerk. Zij verbinden den strijd dezer martelaars met de reeds verhaalde gebeurtenis van 177. Alexander was Griek, Epipodius was burger van Lyon. De heidenen meenden het Christendom te hebben uitgeroeid, toen het verraad van een slaaf deze twee jeugdige personen gevangen deed nemen. Zy behoorden beiden tot eene aanzienlijke familie, die geheel en al het Christendom beleed. Beiden waren dus opgevoed in de ware godsdienst. Alexander was de oudste. Beiden waren reeds van hunne eerste jaren door de banden der vriendschap vereenigd. Met den leeftijd nam deze gedurig toe, en zij waren voor elkander aanhoudend eene opwekking om in den godsdienst, in de deugd en ook in de letteren te wedijveren en uit te munten.
Toen nu de heidenen meenden het Christendom door den marteldood der vermelde 48 te hebben uitgeroeid, kwam een slaaf den pretor verwittigen, dat zijne jeugdige meesters in het geheim het Christendom beoefenden. De pretor gaf bevel, ze op te sporen en gevangen te nemen. De twee jonge vrienden, nog bijtijds gewaarschuwd, verlieten ijlings Lyon en begaven zich alleen naar een nabij gelegen vlek, niet verre van Pierre-Encise. Hier vonden zij eenigen tijd een schuiloord, verborgen èn door de onaanzienlijkheid van het vlek, èn door hun verblijf in het geringe huis eener christelijke weduwe, Lucia genaamd. Eindelijk werd hun schuiloord ontdekt. Andermaal stonden zij op het punt om te vluchten, doch werden zoo plotseling overvallen, dat Epipodius den tijd slechts had gehad een schoen aan te trekken en alzoo werd weggevoerd.
304
De achtergeblevene schoen werd volgens den H. Grego-rins van Tours door de genoemde weduwe als een kostbare reliek bewaard.
De beide vrienden werden in de gevangenis geworpen. Drie dagen daarna werden zij door den Pretor ondervraagd en beleden zij beiden onbeschroomd Christen te zgn De Pretor beval nu ze te scheiden, en Alexander naar de gevangenis terug te voeren.
Hij begon nu met Epipodius te vleien en hem de schoonste vooruitzichten des levens voor te spiegelen. Doch de H. Martelaar stelde God boven dat alles. Toen de jonge christen moedig al zijne voorstellen verwierp, werd de rechter toornig en beval hem met vuisten op den mond te slaan; vervolgens deed hij hem op de pijnbank uitstrekken en het vleesch door ijzeren haken openscheuren. Eindelijk toen de rechter bespeurde, dat het volk ongeduldig werd en dreigde tot de steeniging over te gaan, liet hjj Epipodus onthoofden.
Twee dagen daarna werd ook Alexander ondervraagd. Doch hij beleed niet minder onverschrokken dan zijn vriend. Hij werd geruimen tijd gegeeseld en stierf aan een kruis. Florus en Ado maken in hunne martelaarsboeken melding van 34 Christenen, die tegelijk met Alexander zouden zijn gedood.
Andere aktea verhalen ons, dat de HH. Marcellus en Valentianus ontsnapten, toen de vervolging woedde te Lyon. De eerste werd gevangen genomen en gedood te Chalon aan de Baone, de tweede te Tournus, eene stad tusschen Chalon en Macon.
Eindelijk worden nog de HH. Benignus, Andoclus, Thyrsns en Felix als slachtoffers der vervolging van Marcus Aurelius genoemd.
Uit dit alles blijkt, hoe talryk het Christendom reeds was in Gallic bij de helft der tweede eeuw, en hoe diepe
305
wortelen het geloof hier reeds had geschoten. Hierdoor wordt eenmaal te meer bevestigd, wat wij elders reeds hebben opgemerkt, dat het Katholieke geloof in Gallic van Apostolischen oorsprong is. Moge dit geloof, dat er sedert de eerste eeuw immer heeft gebloeid, immer voor dat schoone land bewaard blijven !
ip-c Ipuliana «sn hpi feepl van hpl 'SaemmjsnL
Gfo
(Vervolg van bladz. 216.)
fuliana mocht derhalve den dageraad aanschouwen van het feest van het H. Sacrament. De groote arbeid van geheel haar leven ging zijne vruchten dragen. Lijden, kwellingen, ballingschap zouden voortaan haar deel zijn, maar hare ziel zou blijven overvloeien van zoete liefde voor haren Goddelijken Bruidegom, verscholen in onze tabernakelen en zou door Hem de zoetste vertroostingen smaken.uliana mocht derhalve den dageraad aanschouwen van het feest van het H. Sacrament. De groote arbeid van geheel haar leven ging zijne vruchten dragen. Lijden, kwellingen, ballingschap zouden voortaan haar deel zijn, maar hare ziel zou blijven overvloeien van zoete liefde voor haren Goddelijken Bruidegom, verscholen in onze tabernakelen en zou door Hem de zoetste vertroostingen smaken.
Na den dood van bisschop Robertus bleef de zetel van het bisdom een jaar lang onvervuld. Toen begonnen de verwarringen op den berg Cornillon opnieuw.
Nu werd Hendrik van Gelderen geplaatst op den bisschopszetel van Luik. Hij onteerde helaas! het purper dat hg droeg. Zijn bestuur was allerellendigst en in de kerkvergadering van Lyon werd hg van zijn zetel ontzet
Dit verklaart ons hetgeen er plaats greep op den berg Cornillon. De ontevredenen vingen aa* met prior Roger uit Huy terug te roepen. Toen zij dit bewerkt hadden,
20
306
stonden zij op tegen Joannes, den rechtmatigen prior van het klooster, die hun in den weg stond, en stelden een monnik met het witte kleed uit het hoogere klooster van Cornillon tot prior aan.
Juliana zag maar al te duidelijk ^ wat de ontevredenen in het schild voerden, en waarschuwde hare zusters. Inderdaad het duurde niet lang, of de om Simonie afgezette Hoger was wederom prior. Juliana werd uitgenoodigd om hem te erkennen. Zij weigerde, gelijk het haar plicht was, en van dat oogenblik werd zij bespot, beleedigd en vervolgd tot in hare cel. Maar zij bleef onverwinnelijk.
Nu nam men zijn toevlucht tot leugens en laster. Geheel het bisdom van Luik was destijds in verwarring. De ontevredenen van Cornillon ruiden het volk tegen Juliana op. De menigte deed een aanval op het klooster, richtte er de grootste verwoestingen aan en vernielde zelfs de cel der Heilige. Juliana zag in, dat zij het kwaad niet konde keeren, en wilde niet langer een twistappel zijn. Zij verliet met drie barer zusters, waaronder ook Isabella, het klooster en sloeg, van alles beroofd, den weg der ballingschap in.
Zij kwam het eerst de gastvrijheid verzoeken in het klooster van Robertmont, gelegen op eene verlenging van den berg Cornillon en bewoond door kloosterzusters van den H. Bernardus, die den regel van Citeaux volgden. Zij werd hier door de abdis Sibylla gastvrij ontvangen en geherbergd. Doch de valk achtervolgde de vluchtende duive. Prior Roger wist door laster en bedreigingen te bewerken, dat Juliana dit klooster moest verlaten. Nu nam zij hare toevlucht tot een tweede klooster der Ber-nardinessen te Val-Benoit, waaruit Robertmont was ontstaan. Daar dacht zij rust te vinden in de vruchtbare vallei aan de schilderachtige boorden der Maas, die hier voortkronkelt door bergen en rotsen. Doch ook hier liet
307
de misdadige prior niet na, haar het verblijf onmogelijk te maken. Maar de hemel scheen de onschuld van Juliana te willen handhaven. Dank zij der getuigenissen van Rohertmont en Val-Benoit ontving haar een derde klooster der Bernardinessen te Val-notre-Dame, bestuurd door Basilia Dunois. Doch ook dit zou zij weldra moeten verlaten. Jesus echter in zijn H. Sacrament zou zij overal
terugvinden, en overal zou zij door Hem getroost worden.
* *
*
God echter liet zijn werk intusschen niet rusten. Zijne Voorzienigheid weet haren weg te vinden door de wisselvalligheden dezer wereld. Het feest van het H. Sacrament moest een feest worden der Katholieke Kerk.
Hugo van Saint Cher, provinciaal der Dominikanen, die in 1233 te Konstantiuopel met behulp van drie andere kloosterlingen, een Dominikaan en twee Franciskanen, de leer der voortkomst van den H. Geest uit den Vader en den Zoon bg Germanus II, patriarch dier stad, tot aller verbazing had weten te doen zegevieren, was, toen hij in 1235 Luik bezocht, gelijk wij vroeger reeds zagen, geraadpleegd door Joannes van Lausanne omtrent de instelling van het feest van het Allerheiligste Sacrament. Hugo had toenmaals de zaak der H Juliana welsprekend verdedigd Diezelfde Hugo werd niet zonder leiding van God, door Paus Innocentius IV in 1245 benoemd tot woordvoerder van Zijne Heiligheid op de algemeene kerkvergadering van Lyon, De Paus, om zijne diensten te beloonen, bekleedde hem met het Romeinsche purper en benoemde hem tot kardinaal van Santa Sabina.
In het jaar 1248 werd hij door den H Stoel afgevaardigd als apostolisch legaat by de krooning van Willem van Holland te Aken. Doch hij vond de stad in staat van beleg. Hij bezocht derhalve Luik, waar wij hem
308
vroeger reeds leerden kenneu, en verscheen hier juist op het tijdstip, dat de heilige deze stad verliet.
Toen hij zich nu hier ophield, raadpleegden hem de voornaamste geestelijken der stad aangaande het feest, dat door Robertas van Torote was ingesteld en dat alleen de collegiale kerk vau den H. Martinus getrouw bleef vieren. Ook onderwierp men het officie, onder het toezicht van de H. Juliana samengesteld, aan zijn oordeel. De pauselijke legaat, die vroeger als provinciaal zijne stem reeds ten gunste van het feest had verheven, keurde het officie goed en bekrachtigde het door zijn gezag. Hij bepaalde zelfs een dag, waarop hij plechtig in eigen persoon het nieuwe feest in de kerk van den H. Martinus zou vieren.
Op den gestelden dag stroomde eene geheele menigte volks van allerlei rang naar de kollegiale kerk. Sommigen werden aangetrokken door het nieuwe en ongewone; anderen ondergingen hierbij den invloed van den grooten naam des geleerden kardinaals.
In het midden der plechtigheid besteeg de kardinaal met al den luister van zijn pauselijk gewaad den predikstoel. Hij zette uiteen, hoezeer de instelling van het feest van het Allerheiligste Sacrament de glorie van 's Heeren naam moest vermeerderen. Hij spiegelde den Luikenaren den onsterfelijken roem voor, waardoor hunne kerk eens zou schitteren, omdat zij dit feest in het leven had geroepen. Hij beschreef hun de schatten van genade, die de hand des Heeren als een vruchtbaren dauw kwistig zou uitstorten over allen, die een zoo grooten dag met liefde en godsvrucht feestelijk zouden vieren. Hij eindigde met de geestelijkheid en het volk van Luik op te wekken om de plechtigheid te doen beantwoorden aan de majesteit van het feest. Hij gaf hun te verstaan dat het beste middel daartoe was iu groote menigte het brood der
309
engelen te ontvangen. Na deze preiiiking zette hij het sacrificie der Mis voort.
Het gevolg van deze aansporing was, dat een kaaonik van den H. Martinus al zijne goederen aan de koliegiale kerk vermaakte, opdat het feest van het H. Sacrament des te schittender zou kunnen gevierd worden.
Niet tevreden op zoo glansrijke wijze dit feest goedgekeurd te hebben, wilde de pauselijke legaat het nog blijvend bekrachtigen en schreef daartoe het volgende mandement uit, dat een allerprachtigst gedenkstuk is van het levende geloof dier tijden.
Aan alle onze eerbiedwaardige broeders, ons dierbaar in J.-C., aan de aartsbisschoppen, bisschoppen, abten en andere overheden, aan de dekens, aartsdiakens en personen van allerlei rang en aan al de geloovigen die be-hooren tot den kring van ons gezantschap, wenschen wg fritter Hugo, door de barmhartigheid Gods kardinaal priester van Santa Sabina en legaat van den apostolischen Stoel, heil in den Heer.
Wanneer wij in een zelfde weegschaal de verdiensten van het menschelijk geslacht opwegen tegen de weldaden van den eeuwigen Schepper en wij alsdan daarin een grooter verschil opmerken dan tusschen een dauwdrup en de onmetelijkheid der zeeën, wordt onze geest met ontzetting en nederigheid vervuld. Inderdaad onze rede zegt ons luide, dat al verteerde de mensch zich geheel en al in den dienst van God, even als het was wegsmelt door het vuur, hij toch niets zou kunnen doen der Majesteit van God waardig. Want hij heeft den mensch door Hem gevormd uit het slijk, schier gelijk gesteld met de engelen; Hij heeft Je gedaante van den slaaf aangenomen , en terwijl hij ons vleesch met de Godheid vereenigde, zijn kostbaar bloed vergoten om ons vrij te koopen en ons te ontrukken aan de slavernij des duivels, die ons
310
vastgeketend hield. Dit echter was hem niet voldoende; om ons nog sprekender bewijzen zijner Goddelijke liefde te geven, wilde Hij alvorens van ons weg te gaan en zich naar het eeuwige verblijf te begeven , ons zijn lichaam zelf achterlaten onder den allerreinsten sluier van het allerheiligste Sacrament, opdat zijne kracht ons behoede tegen onze zinnen en de machten, die rondzweven door de lucht, onze dagelijksche zonden afwissche, ons aan de doodzonden doe wederstaan, en ons sterke op den weg der volmaaktheid en der deugden. Hg wilde, dat wij door zjjn Lichaam te nuttigen de gedachtenis zouden vieren van zijn lydeu, dat wij voor zoo groot eene weldaad Hem een offer van dank zouden opdragen, aan Hem die «Ik oogen-blik onzes levens door zijne troostende en aanhoudende goedheden verblijdt. Hij wilde ons tot den staat van den volmaakten mensch, en tot den leeftijd en de volheid van Christus opvoeren door ons het merg der tarwe te doen eten en den zuiveren wijn te doen drinken aan de tafel van zijn rijk, welke goederen ons die leven in het midden der duisternissen en der schaduwen des doods voorgesteld worden onder het omhulsel om zoo te zeggen van het Sacrament, onder het stroo der letter, onder den sluier van het geloof.
Ofschoon men eiken dag de gedachtenis viert van dit eerbiedwaardig Sacrament en het Sacrificie der Mis, is het echter billijk dat men om de dwaasheid van sommige ketters te beschamen, buitendien eens telken jare het den geloovigen op eene bijzondere en plechtige wgze in het geheugen roepen op een anderen dag dan dien van het laatste avondmaal, wanneer de H. Kerk ook de voet-wasschiug verricht en zich verdiept in 's Heeren lijden. Want indien de heiligen, die de kerk dagelijks in de litaniën, dé H. Missen en andere gebeden vereert, telken jare minstens een bijzonderen feestdag hebben, wanneer
311
hunne verdiensten bijzonder worden herdacht, dan is het allerbilliikst, dat de Heilige der heiligen, de Liefde boven alle liefde, de Zoetheid die alle zoetheid overtreft, een bijzonder feest hebbe, waarop men de tekortkomingen der overige dagen vergoedt.
Om deze redenen bepalen wij, dat binnen de grens-perken van ons gezantschap men het feest van het H. Sacrament viere Donderdags na het octaaf van Pinksteren. Ook smeeken wg u en wekken wij u op in onzen Heer om het in acht te nemen. Wij bevelen en gebieden u krachtens het gezag, waarmee wij bekleed zijn, en leggen u op tot vergiffenis uwer zonden op gezegden dag het feest te vieren door de negen lessen, reponsoria, verzen en antifonen daaraan eigen te lezen, die tot dat doel aan alle kerken gegeven zijn; tevens dat gij telken jaar op den zondag, die aan het feest voorafgaat uwe parochianen uitnoodigt om zich door nachtwaken, gebeden, aalmoezen en andere goede werken daartoe te bereiden, ten einde deel te hebben aan de genaden van dit onuitsprekelijke Sacrament. Zij die zich zullen beproefd en voorbereid hebben, en wier harten door God geraakt zijn, zullen dan met nut de H. Communie uit godsvrucht kunnen ontvangen, zonder dat wij het als een plicht opleggen, opdat zij door hare uitwerkselen zich verbeteren en volmaken. Buitendien om de geloovigen op te wekken, dit feest met godsvrucht te vieren, verleenen wij 100 dagen aflaat aan allen, die na gebiecht te hebben, den dag van het feest of onder het octaaf te communie zullen gaan in eene kerk, waar men het officie houdt.
Gegeven te Luik den 24 December, het tiende jaar van het pausschap van Innocentius IV (1252)
Het moet geen geringe troost geweest zyn voor de H. Juliana op de wegen barer ballingschap die gezagvolle goedkeuring van het feest van het H. Sacrament doo
312
deu pauselijken legaat, Hugo de Saiut Cher te vernemen. Het moest haar geen geringe kracht en vertrouwen schenken , te zien, hoe de openbaring, die haar was te beurt
gevallen, meer en meer verwezenlijkt werd.
* *
*
Juliana, met hare drie gezellinnen Isabella, Agnes en Ozilia, zagen zich genoodzaakt ook Val-Notre-Dame, het derde Bernardinessen klooster, dat ze geherbergd had, te verlaten Zij sloegen langs de schoone boorden der Maas deu weg in, die hen steeds verder van Luik verwijderde en kwamen zoo te Namen.
Zij hadden niets; zij waren onbekend; zy bevonden zich in een vreemd land. Zij gingen eene huisvesting vragen bij kloosterlingen, die artu waren als zij. Zoo leeiden zij hier eenigen tijd, terwijl zij dagelijks van deur tot deur hun brood gingen bedelen. Welk een school van heiliging! Met Jesus hadden zij vervolging, onrecht, ballingschap, beleedigingen, armoede en ellende te verduren. De liefde tot den Goddelijken bruidegom was de eenige troost, die haar overbleef bij dat vreeselijke lijden. O met welk een minnend hart zullen zij hebben opgeüen tot den God, aan welken zij mochten gelijken, terwijl Hij den troon zijns Vaders verlaat, en arm wordt, en miskend wordt in zijn heilig Sacrament om ons rijk te maken door de schatten zijner genade Hij, Die getrouw is en vol goedheid. Hij verliet zijne bruiden niet in haren nood.
Ten dien tijde leefde in de nabijheid van Namen Himêne van Hochstede, abdis van Salzinne en zuster van Koen-raad , aartsbisschop van Keulen, die al zijne goederen afstond aan het aartsbisdom en in 1246 den eersten steen legde van de reusachtige kathedraal, die nog heden het pronkjuweel is van Keulen. Himène, toen zij op de
313
hoogte was gebracht van deu toestand en de armoede der priorin van Cornillon, schreef naar Joannes, den aartsdiaken van Luik. Joanues bood dadelijk Juliana tot verblijf een huis aan, dat hg bezat in de nabijheid der kerk S. Aubain Hier nam nu Juliana met hare gezellinnen haren intrek en verbleef er eenige jaren, terwijl zij dagelijks hun brood bedelden, en hare vreugde zochten bij den God onzer tabernakelen in de kerk S. Aubain. Later schonk de aartsdiaken, toen hij een hospitaal liet optrekken te Namen, haar eenigen grond tusschen dit gebouw en de kerk van den H Symphorianus. Hier bouwde zij met behulp der aalmoezen voor zich en hare gezellinnen eene kleine cel, terwijl de abdis Himène haar die al het hare had afgestaan aan Cornillon, een klein inkomen had weten te bezorgen. De priorin van Cornillon had zich reeds dadelijk, om geen kwade vermoedens te wekken, onder de gehoorzaamheid der abdis van Salzinnes gesteld.
Het duurde niet lang, of Agnes en Ozilia stierven hier, gelijk Juliana het haar had voorspeld. Nu namen Juliana en Isabella haren intrek volgens het verlangen van Himène in de abdij van Salzinnes, aan de boorden van Lambre, in de nabijheid van Namen.
Intusschen had de bruid van het H. Sacrament een nieuwen troost mogen smaken. De pauselijke legaat Petrus Capocci, die te Maastricht in de nabijheid des keizers vertoefde, werd naar Luik gezonden om de geschillen bij te leggen, die tusschen de inwoners van Luik en de geestelijkheid gerezen waren. Ook hij, toen hij op de hoogte was gebracht en de zaak andermaal had onderzocht, ge-waardigde zich andermaal het nieuwe feest van het Allerheiligste Sacrament even als zijn voorganger goed te keuren. Zijn mandement luidt:
Petrus, door de barmhartigheid Gods, kardinaal-diaken van den H. Gregorius met deu gulden sluier, apostolisch
314
legaat, aan al de christelijke geloovigen vau ous gezantschap, heil in den Heer.
Wanneer de christenen ernstig de verhevenheid van den eeuwigen God overwegen, gevoelen zij in zich een levendige begeerte ontstaan, om aan J. C., den Zoon Gods, door eene toewijding van edelmoedige liefde te beantwoorden en Hem met een zuiver hart te aanbidden, vooral wanneer zij zich herinneren, hoe de gevallen mensch, na door de listen van het serpent vervoerd te zijn, door het bloed des Zaligmakers is vrijgekocht. Hugo van Santa Sabina, kardinaal en apostolisch legaat in Duitschland, daartoe opgewekt door de Voorzienigheid heeft reeds door zgne brieven bepaald, dat het onuitsprekelijk Sacrament van het lichaam van J.-C. (niettegenstaande men er dagelijks de gedachtenis van viert in het Sacrificie der Mis) elk jaar een bijzonder en plechtig feest hebbe in zijne legatie den eersten Donderdag na het feest van de H. Drievuldigheid. Wij vinden deze bepaling heilig, loffelijk en billijk; wij nemen het volgaarne over en wij bevestigen het door het gezag van dezen brief. Dat niemand zich dus verstoute dezen bevestigingsbrief te overtreden of er zich roekeloos tegen verzette. Indien iemand het zou bestaan dien brief aan te randen, dat hij dan wete, de gramschap van den Almachtigen God en van de gelukzalige apostelen Petrus en Paulus te zullen beloopen.
Gegeven te Luik op den vooravond van December 1254.
Zoo werd het feest van het H. Sacrament steeds meer verbreid, beter gekend, en door grooter gezag bevestigd. Langzaam maar zeker ging de openbaring, aan de FT. Juliana gedaan, hare verwezenlijking te gemoet.
)x?jzr dfZ
Neem dit kind en voedt het m\j op en ik zal u daarvoor uw loon geven. Exod. II : 9.
lt;n het boek »Exodusquot; lezen wij het volgende verhaal : Een man, uit het huis van Levi, ging en huwde eene dochter van Levi. Deze werd bevrucht en baarde een zoon. Toen zij zag, hoe schoon hij was, verborg zij hem drie maanden. Maar als zij hem nu niet langer verbergen kon, nam zij een mandje van papierriet en zg bestreek het met lijm en pik. En zij legde het kind daarin en plaatste het in het riet aan den oever der rivier (de Nrjl). En zijne zuster (Maria) stelde zich van verre, om toe te zien, wat er mee geschieden zou. Doch zie, de dochter van Pharao kwam af, om zich te baden in de rivier. (Zg en) hare jonge maagden gingen dus langs den kant der rivier; en zij zag het mandje in het midden van het riet; en zg zond eene harer maagden om het te halen. Toen men het haar gehaald had en zg het opendeed, zag zij dat het een kind was. Toen nu de kleine schreide, had zg er medelijden mee en zeide: dit is een van de jongskens der Hebreeuwen Nu zeide zgne zuster (die naderbij trad) tot haar: wilt gij dat ik ga en voor u eene Hebreeuwsche vrouw ontbiede, opdat zij het kind voor m zoge? Zij antwoordde: ga. En het meisje ging en riep hare moeder. Alsdan zeide Pharao's dochter tot deze: Neem dit kind en voedt het op voor mij en ik zal u uw loon geven. Toen nam de vrouw het kind en voedde het op. En als het jongske groot geworden was , bracht zg het tot Pharao's dochter, en het was haar tot een zoon, en zg noemde zijn naam Moses.
316
Neem dat kind, voed het mij op, en ik zal u daarvoor uw loon geven, zoo sprak de konings dochter van Egypte, en Moses, die ter dood veroordeeld, was gered. Datzelfde woord geldt ook voor alle christelijke kinderen Die kinderen toch waren allen door de erfzonde ter dood veroordeeld. Maar er was eene konings dochter, die ze redde van dien dood. Die liefdevolle konings dochter is de heilige Katholieke Kerk van J.-C. Zij, die dochter van den hetnelscheii Koning, vond ons in den allerongeluk-kigsten toestand, waarin wij zonder haar reddeloos verloren waren. Die konings dochter ontfermde zich met ware koninklijke grootmoedigheid en liefde over onzen deerniswaaniigeu toestand, en redde ons. Zij haalde ons op uit het water des doopsels en zij nam ons op als hare kinderen. En toen zij alzoo aan den dood onttrokken en tot hare kinderen aangenomen had, toen sprak zij tot onzen Vader en onze Moeder: neem dat kind, voed het mij op, en ik zal u daarvoor uw loon geven.
Drie beweegreden moeten vooral gelden bij de ouders om de opvoeding te verzorgen hunner kinderen. Vooreerst zijn zij de plaatsbekleeders van God. De Goddelijke Koning en zijne bruid de H. Kerk eischen van de ouders, dat zg in hunne plaats de taak der opvoeding op zich zullen nemen. Gelgk de konings dochter aan de moeder van Mozes deu last gaf om in hare plaats als opvoedster op te treden, zoo stelt de Kerk, de konings dochter van God, aan de ouders den eisch hunne kinderen voor haar of liever voor Jesus op te voeden. Zij bekleedt daartoe de ouders als met Goddelijk gezag. Neemt dit kind, zegt zij, dat mij toebehoort, en voedt het voor mij op en ik zal u daarvoor uw loon geven.
Van God en van de Kerk hebben dus de ouders de lastgeving hunne kinderen als plaatsbekleeders op te voeden. Deu naam van vader en moeder dragen de ouders
317
slecbts omdat zij de plaatsbekleeders zijn vau Hem, uit wien alle vaderschap is iu den hemel en op de aarde. Zij zijn de wachters door God aangesteld over hunne kinderen, gelijk de konings dochter Mozes moeder aanstelde over het kind, dat zy uit het water had opgehaald. Zulke wachters zijn verantwoordelijk voor hetgeen hun is toevertrouwd. Wanneer de wachter den vijand ziet aanrukken, zegt God by den profeet Ezechièl, en hij verzuimt met de bazuin het teeken te geven, en dientengevolge zij die hem zijn toevertrouwd, omkomen, dan zal ik hun bloed van de hand diens wachters opeischen [Ezech XXXIII: 8]. Zoo ook zal God de ouders verantwoordelijk stellen voor de ziel van hun kind, die Hij hun heeft toevertrouwd. Zullen zulke ouders niet moeten sidderen en beven, wanneer de Goddelijke Koning zal opdagen om van hen den schat op te eischen, die Hij hun ter bewaring heeft gegeven , indien die schat door hunne onachtzaamheid en hun plichtverzuim verloren is gegaan? Wat zou er met Moses moeder geschied zijn, indien zij aan de konings dochter het toevertrouwde pand niet had kunnen teruggeven? Zou dan van zulke wachters niet het woord gelden: ik zal het bloed van zijne band terugeischeu. Hoe ongelukkig zullen de ouders zijn ten dage des gerechts, wanneer zij beschaamd zullen moeten erkennen, dat door hunne schuld eene onsterfelijke ziel, voor welke Christus zijn Goddelijk bloed heeft gegeven, die gered was uit den dood der zonde, die geheiligd was door de wateren des doopsels, die het kind was van God, voor eeuwig ongelukkig is, terwijl de Goddelijke Koning hen toch juist had aangesteld om dat kind voor zulk een ongeluk te behoeden.
Eene tweede beweegreden om in den plicht der opvoeding niet te kort te schieten. Zij verzorgde het kind niet alleen om wille der verantwoordelijkheid, die haar
318
was opgelegd, maar buitendien omdat zg dat kind als moeder met de teederste liefde beminde. Ouders, God heeft u zijne vaderliefde in het hart gestort, toen Hij u die kinderen heeft geschonken. Van nature reeds bemint gij uwe kinderen als uw evenbeeld, als een deel van u zeiven, als degenen die slechts door u leven en zijn. Zoudt gij aan de eischen dier ouderliefde voldoen, indien gij de christelijke opvoeding dier kinderen zoudt verwaar-loozen, en zg daardoor zouden opgroeien niet tot eer, maar tot schande, niet tot verdienste, maar tot strafschuldigheid, niet tot eeuwige zaligheid, maar tot een immerdureud verderf. Gij zegt, dat gij uwe kinderen bemint; maar is het wel ds echte liefde, indien gij u slechts bekommert om hun lichamelijk en tijdelijk welzijn, en u niet bekreunt om hun eeuwig geluk? Waarom heelt God u tot ouders gemaakt? Is het om kinderen op te voeden voor den dienst der wereld of voor Zijnen dienst. Is het om ze te doen leven voor het zinnelijk genot der aarde, of om ze eeuwig te doen leven voor het genot des hemels? Is het voor de eer bg de menschen, of voor de eer bg God? Wanneer gg ware liefde hebt voor uwe kinderen, dan moet gg werkelgk goede gaven aan hen mededeelen, maar geen gaven die uiterlijk fraai schgnen, maar inwendig vol verderf zgn. Wat baat het uwen kinderen, dat gg hun de geheele wereld zoudt doen gewinnen, indien zg daarbg hunne ziel zouden verliezen ?
Neem dit kind, voed het mij op, en ik zal u daarvoor uw loon geven. Nog een derde beweegreden ligt in dit woord opgesloten voor de ouders, om hunne kinderen christelgk op te voeden. De Goddelgke Konings dochter, de Kerk van Christus, beloofde hun, toen zg hunne kinderen uit het water des doopsels had opgehaald, en ze hun weder in de handen legde met een onbedriegelgk konings woord hun loon. En welk zal dat loon zijn?
319
De H. Hieronymns leert het ons door een kort en zinrijk woord: Sal us infantiam lucrum est parent um: het heil der kinderen is het gewin der ouders. Deugdzame, chris-telijke kinderen zijn zelf reeds een rjjk gewin, een overgroot loon voor de ouders. Met genoegen, met innige ziels-voldoening, met vreugde zullen zij nederzien op die kwee-kelingen , die door hunne ouderlijke zorgen ziju opgegroeid tot de schoonste deugden. Hoe gelukkig zullen zij zich gevoelen, wanneer zij die kinderen hunnen arbeid zullen zien vergelden door hunne liefde, door hunne vereering, door hunne zorgen, door hunne hulp, door hunne offers, door hunne weldaden. O hoezeer zal hun ouderlijk hart reeds hier op aarde overvloeien van vreugde, wanneer zij die kinderen het met dankbare liefde zullen hooren verkondigen, dat zij hunne godsdienst, hunne braafheid, hunne zegeningen , hun welzijn aan hunne ouders te danken' hebben.
Het heil der kinderen is het gewin der ouders. Zij zgu het loon der ouders reeds hier op aarde, omdat zij de ouders met eere omgeven voor het oog der wereld. Gelijk een fraaie bloementuin, die schittert door de heerlijkste bloemen, de eer is van den tuinman, die deze bloemen heeft gezaaid, geplant, verzorgd, en tot zoo luistervolle ontwikkeling heeft gebracht, zoo ook zijn de kinderen, die uitmunten door godsdienst en deugd, de kroon van bun vader en moeder, omdat zij er de oorzaak, de kweekers, de verzorgers van zijn. Cornelia, de moeder der Gracchussen, noodigde eene odele matrone, die haar hare edelgesteenten, paarlen en schatten had getoond, om die ook ten harent te komen bezichtigen. Toen nu die matrone aan hare uitnoodiging voldeed, liet zij ze eenige oogenblikken wachten. Alsdan geleidde zij ze in een vertrek , waar zij haar al hare kinderen in den bloei hunner jaren, in al de frischheid des levens, met de schoonste
320
lichaams- en geestesgaven vertoonde. Eu toen zij zulks gedaau had, zeide zij met recht matigen moedertrots: ziedaar mijne paarlen, ziédaar mijn schat. Zoo zijn de Moeder der Machabeën, de H. Symphorosa, de H. Feli-citas, drie moeders welke kunnen wijzen op den kring hunner zeven zonen als op eene rijke kroon, die schittert voor het oog der gansche Kerk.
Het heil der kinderen is het gewin der ouders. Zij ontvangen ook hun loon van God. God zal hen zegenen om wille dier kinderen. Hetgeen zij aan de minste dier kleinen hebben gedaan, dat zal God beschouwen als aan Hem zei ven gedaau. Beloofde de konings dochter van Pharao aan Moses moeder haar loon, hoeveel te meer zal de Goddelijke Koning een overvloedig loon schenken aan de ouders, die hunne kinderen van het eeuwig verderf hebben gered en eeuwig gelukkig hebben gemaakt. Gelijk de Heer in de parabel de dienaren, die zijne talenten goed hadden bewaard en getrouw hadden beheerd, verhief, rijk beloonde en in zijne vreugde liet deelen, zoo zal ook de Goddelijke Koning hen eenmaal op den dag des ge-richts het troostrijke woord toespreken: welaan, gij goede en getrouwe knecht, omdat gij u met zooveel zorg van de u toevertrouwde taak hebt gekweten, zal uwe belooning overgroot zijn. Treed binnen in de vreugde uws Heeren.
Ijs IÃ.GI van van ^ojzdl^n ^aad.
Algemeenheid zper erkenning. â De Pausen.
^jCpen titel van 0. L. Vrouw wordt ons niet alleen dierbaar door de oudheid van zijn oorsprong, door het hooge gezag der Kerk, die hem heeft goedgekeurd, maar ook door het algemeen gebruik hij de kinderen van Maria. Die kinderen van Maria zijn in een bijzonderen zin onze broeders, om de banden die ons tegelijk met hen aan die hemelsche Moeder verbinden. Waar zij dien titel op de lippen nemen, om met kinder-lijke liefde die beminde Moeder te begroeten, daar sluiten wij ons volgaarne en met geestdrift bij hen aan. En die geestdrift neemt toe, naarmate hun getal grooter is en naarmate zij meer uitmunten door godsvrucht, wetenschap, voornamen rang, maatschappelijke verdiensten en deugd.
Wij willen daarom thans de aandacht er op vestigen, hoe al de klassen der kerk van rang tot rang, van de pausen, die de hoogste bestuurders zijn, en van de prinsen, die onder hen de geleiders zijn van Jesus' kudde, tot de eenvoudigste en nederigste landslieden, van de koningen tot de bedelaars, deze godsvrucht hebben ter harte genomen, en Maria hebben begroet als de Moeder van Goeden Raad, en daarom gezegend zijn geworden door de onuitputtelijke goedheid dier beminnelijke Moeder, zoo in haar heiligdom te Genazzano, als waar ter wereld dan ook zij onder dien voortreffelijken titel zij wordt vereerd.
Het is niet meer dan billijk, dat wij hier een aanvang nemen met de plaatsbekleeders van Christus Indien zij
21
322
op welken het oog der geheele kudde als leeraars niet alleen, maar ook als voorbeelden gevestigd is, Maria onder dezen titel met bijzondere godsvrucht standvastig hebben vereerd, dan is daardoor het pleit gewonnen in de achting der geheele Katholieke wereld. Van onwaarheid, van bijgeloof, van buitensporigheid in dezen titel kan er geen spraak zijn, waar zijn gebruik ons wordt aangeprezen door zulk een gezagvol voorbeeld.
Laten wij aanvangen met Paulus U. Deze paus, toen het wonderbeeld te Genazzano verscheen, liet niet na deze gebeurtenis te doen onderzoeken. Na gedaan onderzoek beijverde hij zich ten zeerste deze godsvrucht tot Onze Lieve Vrouw van Goeden Raad op verschillende wijzen te bemoedigen. Onder hem werd de kerk van Petruccia afgebouwd. Onder hem werd het nieuwe en schoone klooster der paters Augustijnen te Genazzano gesticht; onder hem werden de mirakelen, welke plaats grepen door tusschenkomst van O. L. Vr. van Goeden. Raad, notarieel geschreven en door getuigen onderteekend in de openbare registers opgenomen. Onder hem kwam geheel Italië volgens het woord van Coriolanus bij wijze van processie het wonderbeeld der Moeder van Goeden Raad te Genazzano bezoeken.
Gedurende de vier jaren, die voorbijgingen sedert de verschijning van het wonderbeeld en den dood van Paulus II, leefde te Rome de kardinaal Franciscus de Rovera, die Paulus II opvolgde onder den naam van Sixtus IV. Hg had behoord tot do orde der Franciscanen, was langzamerhand opgeklommen tot de waardigheid van generaal, en werd eindelijk bekleed met het Romeinsche purper. Hij was kardinaal geworden in hetzelfde jaar dat het wonderbeeld te Genazzano verscheen. Hij was de vertrouwde vriend van Coriolanus, die destijds de generaal
323
was van de orde der Augustijnen, en hg was geheel op de hoogte van het onderzoek door Paulus II te Genazzano ingesteld. Toen hij nu op den pauselijken stoel was verheven , legde hij de grootste godsvrucht voor O. L. Vr. van Goeden Raad aan den dag. Van hem schrijft Grusenius: door dit mirakel (der verschijning van Maria's beeld te Genazzano) werden Sixtus IV en de kardinaal Gulielmus d'Estouteville opgewekt om te Rome twee kerken voor de orde der Augustijnen te doen bouwen en met rijke schenkingen te begiftigen, namelijk de kerk van Santa Maria del popoio, die Sixtus IV bekostigde, en de kerk van den H. Augustinus, die door gezegden kardinaal werd gesticht.
Verschillende pausen van Innocentius VIII tot aan Clemens VIII schonken gunsten en voorrechten aan het heiligdom van O. L. Vr. van Goeden Raad. Onder dezen onderscheidde zich de heilige Pius V, die er voor beloond werd, wijl hij onder de schaduw van Maria's heiligdom den held vond, welke te Lepanto een doodelijken slag toebracht aan de Turksche macht ter zee.
In 1630 legde ürbanus VIII een openbaar en veelbe-teekenend bewijs van zijne godsvrucht voor O. L. Vrouw van Goeden Raad aan den dag. De godvruchtige paus wenschte door de tusschenkomst van O. L. Vrouw van Goeden Raad voor Rome de gunst te verwerven, dat het bevrijd zou blijven voor de pest, die destijds geheel Italië verwoestte. Geen paus echter was ooit afkeeriger van ongegronde berichten omtrent mirakelen dan Urbanus VUL Hij gaf de gestrengste verordeningen om misleiding en verkeerden ijver te voorkomen.
De pans bevond zich toen te Gastel Gandolfo, dat hij kan gezegd worden, het eerst gekozen en ingericht te hebben tot zomerverblijf der pausen. Daar hij besloten
324
had eene bedevaart te doen naar het heiligdom ran O. L. Vr. van Goeden Raad, wilde hij daaraan alle openbaarheid geven en allen luister bijzetten. De pausen hielden destijds een luisterrijk hof, niet slechts als opperhoofd der kerk, maar ook als koning, die den eererang onder de vorsten innam. Op gebruikelijke wijze werd dus kennis gegeven van de voorgenomen bedevaart. Op den bepaalden dag begaf zich Paus ürbanus, omgeven door een talrijken stoet van kardinalen en Romeinsche prinsen van den hoogsten rang en vergezeld van de pauselijke lijfwacht, langs de» weg van Cave naar Genazzano. Daar werd hij ontvangen te Cave op drie mijlen afstand van het heiligdom, door den heer van Genazzano, den prins Constable, Philip Colonna, omstuwd door duizenden krijgsknechten van allerlei wapenen te voet en te paard. De wegen waren overal versierd met verschillende triomfbogen, en waren aan beide zijden bezet met volk uit Latium en omgrenzende provinciën.
Toen de Paus Genazzano had bereikt, viel prins Colonna voor hem op de knieën, en reikte hem de sleutels over van de stad en van zijn paleis. Kanonschoten werden afgevuurd en trompetten schetterden. In de toespraak, die de prins daarop richtte tot den paus, vernemen wij deze opmerkenswaardige woorden:
De Koningin der hemelsche en menschelijke wezens, de Moeder van God, heeft haar behagen er in genomen om op deze plaats vereerd te worden. Haar beeld dat hier is, werd hier niet heen gebracht door de handen van stervelingen, noch geschilderd door menschelijke kunst, maar werd eensklaps gezien op den tempel. Het werd, gelijk men meent, vervaardigd door een hemelschen kunstenaar.
Met alle mogelijke koninklijke en geestelijke praal betrad nu de paus het schoone heiligdom van Maria. Hij scheen
325
verrukt door de onverwachte schoonheid, frischheid en aantrekkelijkheid vau het heilige beeld, waarvan geen enkele kopie hem een geschikt denkbeeld had gegeven. De godsvrucht en liefde, die hem naar het heiligdom voerde, en die hem geheel zijn leven met zoo innige genegenheid vervulde voor Onze Lieve Vrouw van Goeden Raad, nam nu, even als bij allen, die het heiligdom bezoeken , nog toe in innigheid en teederheid. Den volgenden morgen, terwijl de menigten, die geen plaats konden vinden in de kerk, stonden te wachten, droeg hij het heilig Misoffer op aan het altaar der Maagdelijke Moeder, met gevoelens van de allergrootste vurigheid. Hij was een man, die niet gemakkelijk bewogen werd, maar voor dat beeld werd hij bewogen tot in het binnenste zijner ziel. Zoodra de Mis geëindigd had, barstte hij uit onder aller oog in een vloed van tranen. Hij gevoelde al de goedheid dier beminnelijke Moeder en hij hield zich verzekerd, dat zijn gebed was verhoord en dat het Romeinsche volk voor hetwelk hij had gesmeekt, van de gevreesde ziekte bevrijd zoude blijven.
Geen mindere godsvrucht legde Innocentius XI aan den dag. Hij zag met gegronde vrees de overgroote toebereidselen der Turken, om Oostenrijk aan te vallen. Vruchteloos had hij pogingen aangewend om Lodewijk XIV, koning van Frankrijk, en Karei II, koning van Spanje, hunne vijandelijkheden te doen staken en met elkander te verzoenen tot heil van het Christendom. De geschillen der Christene vorsten namen nog toe. De heldhaftige Sobieski had verschillende klachten in te brengen tegen den Duitschen keizer. Al de katholieke mogendheden waren met elkander in strijd en van de protestantsche prinsen in het noorden was geen hulp te verwachten.
Zoodanig was de staat van zaken, toen Paus Innocentius
326
besloot op bijzondere en sprekende wijze zijne toevlucht te nemen tot de Moeder van Goeden Raad. Op het einde van 1682 gaf hij last aan het kapittel van S. Pieter te Rorae het beeld der maagdelijke Moeder en haar goddelijk Kind te Genazzano te kroonen met eene kroon van juweelen en van goud. Dit geschiedde dan ook met alle mogelijke praal op den 17den November van hetzelfde jaar. Al dadelijk had deze daad hare gelukkige gevolgen. De paus slaagde er in, Joannes Sobieski met Karei van Lorraine te verzoenen. De legers van Sobieski en Karei vereenigden zich en vielen van de omliggende heuvelen aan op de Turken, die Weenen hadden ingesloten. De dapperheid der Christelijke troepen was groot en de bekwaamheid der bevelhebbers was uitmuntend; doch zonder de hoogere tusschenkomst des hemels zouden zij gewis niet hebben overwonnen. Een plotselinge schrik sloeg de Turken om het hart. Zij vluchtten in aller haast en lieten een aller-rgksten buit achter. Vijf duizend tonnen kruid, honderd duizend tenten en drie honderd stukken geschut werden onder meer veroverd. De Christelijke bevelhebbers benuttigden de behaalde voordeden en in vier jaren tijds was de gevreesde macht niet minder geknakt te land, als zij het geweest was ter zee bij den beroemden slag van Lepanto.
* t tMlu J â -
JffZfSgt x?an alljZ ^(giligjsn.
et luistervolste gedenkteeken der oudheid te Rome Prachtige tempel van het Pantheon. Deze schoone Rotonde, gelijk zij meestal genoemd wordt, werd gebouwd door den schoonzoon van Augustus, 27 jaren voor Christus geboorte. Nog zijn op de fries van het portaal de sporen van het opschrift in koperen letters te erkennen ï M. Agrippa L, F. Cos, tertium fecit; Markus Agrtppa, Lucius'1 zoon, heeft dezen houw gesticht in zijn derde Consulschap. Agrippa had de bedoeling een tempel ter eere van den wrekenden Jupiter te bouwen, het standbeeld van Augustus als beschermgod daarin te plaatsen, en den bouw naar den keizer te noemen. Maar de keizer weigerde deze dubbele eer, en gedoogde slechts, dat zijn standbeeld en dat van Agrippa de twee nissen zouden sieren naast den ingang onder het schoone voorportaal.
De tempel bestaat uit twee deelen, het voorportaal of de voorhal en de eigenlijke rotonde. Het front van den tempel kwam vroeger veel beter uit dan thans. Toen was het plein daar voor veel lager gelegen en steeg men langs zeven trappen op, terwijl er thans slechts twee zijn. Het voorportaal beslaat eene breedte van 103 voeten op eene diepte van 61 voeten. Het wordt gevormd door 16 kolommen , allen uit een stuk van Oostersch craniet met
' O
wit marmeren kapiteelen, welke de schoonste, zyn uit de oudheid bekend. De zuilen hebben een omvang van 14 en eene hoogte van 38 voeten. In het driehoekige gevel-
328
veld boven de acht zuilen van het front prijkte weleer een allerheerlijkste beeldengroep van verguld brons.
De rotonde vormt den eigenlijken tempel. Hij heeft een diameter van 132 voeten, en de hoogte is hieraan juist gelijk. De zijmuur verheft zich tot eene hoogte van zes en zestig voeten en heeft eene dikte van zes meter of 19 voeten. Tegenover den ingang bevindt zich een groote ronde nis, die in den genoemden muur inspringt en zijne geheele hoogte tot aan de kroonlijst beslaat, en het hoofdaltaar omgeeft.
Aan elk der beide zijden van het hoofdaltaar bevinden zich drie kapellen, die zich mede in den gezegden muur verdiepen, doch zich slechts tot de helft zijner hoogte verheffen. Elk dezer kapellen heeft aan de voorzyde twee pilasters in den muur en twee geel marmeren en gecanneleerde kolommen, die bekroond worden door fraaie bronzen kapiteelen. Deze pilasters en kolommen dragen de lijst, die den zijmuur in twee vakken verdeeld. Het vak boven deze lijst tot aan de lijst die de koepel draagt, was in 14 nissen, 7 aan elke zijde verdeeld. Het was alles met marmer, porfier en graniet bekleed. Boven de tweede Igst welfde zich de halfkogelvormige koepel.
Het gewelf der koepel is met eene vijfvoudige rij van driemaal verdiepte kassetten (150 in getal) versierd, die afnemen in omvang, naarmate zij hooger opstijgen. Elke kassette was met boorden en rosetten van verguld brons versierd. De koepel is aan de bovenzijde niet gesloten, maar vormt een rond oog met een doorsnede van 8 meters. Door deze opening wordt de geheele binnenruimte des tempels met een gelijkmatig en harmonisch licht verlicht, terwijl geen zonnestralen verblinden, geene terugkaatsing plaats heeft en overal gelijke schaduwen worden gevormd. In de evenredigheden van het gebouw en het spel van
329
het licht is zulk een verband, dat alles grooter schijnt dan het werkelijk is, terwijl in S. Pieter juist het tegendeel plaats heeft. Men moet de groote kunst bewonderen van den bouwmeester, die volgens Plinius een zekere Valerius uit Ostia is geweest. De vloer is met porfier, grauw graniet en met Aziatische en Afrikaansche marmersoorten ingelegd en prykt met eene fraaie kleurschakeering. Bg het midden onder de opening der koepel loopt hij langs alle zijden eenigzins af, om het nedervallende regenwater langs een onderaardsche geleiding af te voeren.
In het jaar 655 beroofde keizer Konstans II het Pantheon voor een groot gedeelte van zijne bronsversiering om deze te Konstantinopel te benuttigen. Urbanus VIII gebruikte een ander gedeelte om er de fraaie kolommen van den altaarbaldakijn in S. Pieter uit te gieten. Men kan zich een zeker denkbeeld vormen hoe rijk het Pantheon oorspronkelijk met brons was versierd, wanneer men weet dat de bronzen nagels alleen 9364 ponden wogen, en dat de geheele massa van het kostbare metaal 450,230 ponden bedroeg.
Behalve het standbeeld van den wrekenden Jupiter bevonden zich in de zes zijkapellen en in de verschillende nissen, bronzen, zilveren, gouden en ivoren beelden van verschillende godheden. De tempel werd Pantheon genoemd, of wel omdat hij aan al de godheden van den Olympus was gewijd, of omdat hij, gelijk Dio Cassius zegt, den Olymp moest voorstellen.
Paus Bonifacius IV wist van de keizers te Konstantinopel te verwerven, dat hem het Pantheon werd afgestaan, om het tot een Christelijken tempel in te richten. Op den 13 Mei van 610 wijdde hij dien plechtig toe aan den drieeenigen God, onder de aanroeping van de allerheiligste Maagd Maria en al de martelaren. In het bijzijn van den
330
paus, bekleed met al de teekenen zijner hooge waardigheid, omgeven door een talrijken stoet van bisschoppen en priesters en omstuwd door eene overgroote menigte volks, werden de relieken der martelaren, die men alom in de verschillende katakomben had bijeen verzameld met acht en twintig prachtige versierde triomfwagens naar den nieuw gewijden tempel gevoerd. Van dien tijd af werden nu alle de martelaren van Christus, wier getal zoo overgroot was, dat zij allen onmogelijk op een eigen feestdag konden worden herdacht, allen gezamenlijk jaarlijks op den in-wijdingsdag van dezen tempel gevierd.
Doch weldra ontstond nu het denkbeeld om niet alleen de martelaren, maar ook de overige heiligen, de maagden, de kluizenaars, de belijders, mede op een enkelen feestdag te gedenken. Eerst werd eene kapel in de S. Pieterskerk door paus Gregorius III in 781 aan alle heiligen toegewijd. De herinneringsdag van de toewijding dezer kapel werd gelijktijdig gevierd met de herinnering van de toewijding van het pantheon aan al de martelaren. De gezegde paus smolt nu weldra beide feesten in een, en stelde de viering van dit eene feest vast op den l8ten November. Paus Gregorius IV, toen hij zich in Frankrijk bevond, spoorde in 835 koning Lodewijk den Goeden aan om het feest aller heiligen, dat tot dusverre alleen te Eome werd gevierd, ook in zijn rijk te doen vieren. De gezegde paus ging nog verder en strekte het feest van alle heiligen op den genoemden dag tot de geheele kerk uit.
Zoo is dan het Pantheon onder al de tempels van het heidendom bij de verschillende verwoestingen der eeuwen alleen gespaard gebleven, om eene gedurige herinnering te zijn, hoe de macht en de praal van het heidendom hoeft moeten wijken voor het Christendom. De deugden vieren hare zegepraal, waar vroeger de ondeugden werden
331
aanbeden. De goden van den Olymp hebben plaats gemaakt voor de Koningin en de heiligen des hemels. Zoo voert het tegenwoordige Pantheon, zoo voert het feest van alle heiligen ons op den lsten November naar de verblijven der zaligheid, waar de eene God in drie personen heerscht in alle glorie en majesteit, omgeven en aanbeden door Maria en alle de koren der heiligen.
Welke schoone herinneringen, welke heerlijke zegepralen, welke onbeschrijfelijke luister rijzen ons bij dit veelbetee-kenende feest voor den geest. Wie zal den roem en de zaligheid der heiligen beschrijven. God, zegt Bossuet, zal zijne gewone macht niet gebruiken om de heiligen gelukkig te maken. Hij zal meer doen: Hij zal zgn arm uitstrekken; Hij zal zich niet laten binden door de natuur der dingen. Hij zal alleen te rade gaan met zijn vermogen en zijne liefde. Hij zal in den diepsten grond der ziel de plaats zoeken, waar zij het meest vatbaar is voor de zaligheid; de vreugde zal er binnenstroomen met allen overvloed en ze overstelpen met genot.
God is het licht, dat de heiligen verlicht. God is de heerlijkheid, die ze omgeeft. God is de vreugde, die ze verrukt. God is het leven, dat ze bezielt. God is de eeuwigheid, die ze vestigt in een roemrijke rust.
Ja in den hemel zal God alles in allen zijn.
L
il^clastójzmf dljsr ovp,v\£lt;ig,nlt;i g^loo^ig^n.
ver 't algemeen neemt men aan, dat de EL Odilo, ]rSiL. yan ^^1111^' eers^e ia geweest, die omtrent het jaar 998, op den dag onmiddellijk volgende na het feest van alle heiligen, het eerst van allen de plechtige gedachtenis aller overledenen in zijne kloosters heeft gevierd.
Op den feestdag van alle heiligen hield de Kerk ons het geluk der heiligen, hunne eindelooze genietingen, hunne onuitsprekelijke heerlijkheid voor oogen, opdat wij den volgenden dag met meer vurigheid en aandrang zouden bidden, dat de God der levenden en der dooden aan onze ouders, aan onze bloedverwanten, aan onze vrienden, die gelukzaligheid zou schenken, die wij in de heiligen hebben bewonderd.
Op den avond van alle heiligen weergalmt het sombere gelui der klokhen. Die dofte en treurige klanken zijn als de stem der kerk, welke ons uitnoodigt om onze dierbare overledenen te gedenken en voor hunne zielerust te bidden. Zij roept ons op tot het gebed.
Allerzielen, 'tis een dag van droevige herinneringen. Maar die herinneringen zijn ons zoet, om de liefde, waarmede zij gepaard gaan. En onze droefenis zij is niet zonder hoop. De vooruitzichten der onsterfelijkheid mengen zich met de gedachten aan den dood. Wij wenden met vertrouwen onze blikken op den gekruisigden Verlosser, en wij smeeken barmhartigheid af voor onze broeders, die wellicht in de vlammen des vagevuurs voor hunne
334
zwakheden en zonden nog moeten boeten. De Kerk legt ons vooral op dezen dag de twee volgende Psalmen in den mond:
De Vijftigste Psalm.
Miserere.
Het is een boetpsalm, waarin David Gods barmhartigheid afsmeekt en de schuldbekentenis herhaalt, die hij uitsprak, nadat Nathan de profeet zijn ellendig overspel en den moord van ürias onder het oog had gebracht. De Kerk wil, dat wij met dezelfde gevoelens van nederigheid, rouw en biddend vertrouwen om vergifiPenis zullen vragen voor ons zelven en voor de zielen in het vagevuur.
1. Genade, o God! wil mgner U ontfermen.
Want eindloos groot is uw barmhartigheid. Verdelg mijn schuld! Aanhoor mijn smeekend kermen, Tot veel gena, het bleek, zijt gij bereid.
4. O wasch mij gansch van de ongerechtigheid! (1)
En reinig mij! ik heb uw wet geschonden;
5. 'k Erken mijn schuld, tot boetedoen bereid,
En steeds staan voor mijn oog mijn zware zonden.
6. 'k Heb tegen ü alleen, o Heer! misdreven;
Ik heb voor Uw oog het schandlijk kwaad gedaan. Aan uw gerechtig Woord (2) zij eer gegeven, Verwinnend moet ge in 't oordeel met mij staan.
(1) De zonde was vergeven, gelyk Nathan hem had aangekondigd. H\j smeekt, dat ze hem ten volle en nog overvloediger worde vergeven ten aanzien vooral van de gevolgen en de straffen der zonde, en der genaden, die hg om haar nog mocht derven.
(2; Het gerechtig woord van God big de bestraffing van Nathan, of ook dat boete eischt van den zondaar.
335
7, Zie, zonde ontsiert reeds mijn ontvangonis;
'k Werd zondig in den moederschoot ontvangen (1); Erbarming dus voor die gevallen is!
Mijn zwakheid moog' van ü genade erlangen!
8. ü lust, dat schuld naar waarheid wordt beleden;
Gij weet ook, wat Gij ra' hebt geopenbaard. Geheimen groot en veel verborgenheden
Heeft liefdevol uw wijsheid my verklaard. (2) Besprenkel mij met hysop! en mijn ziel,
Bezoedeld door mijn zonden, zal genezen.
Wasch mij! en sneeuw, die smeltloos nederviel, Zal minder rein dan mijne reinheid wezen.
Doe mij met vreugd en blijdschap 't woord aauhooren.
Dat Ge in gena mijn schuld vergeven hebt; Dan wordt in mij het droef gebeent' herboren, En dankend looft U 't harte dat 6' herschept.
11. O Heer mijn God! wend uw gelaat toch af
Van mijne schuld, mijn allerzwaarste zouden; Wisch af het kwaad, waaraan ik me overgaf;
Niets worde aan mij dan zuiverheid gevonden!
12. God! schep in mg een harte zonder vlekken!
Vernieuw in mij den rechten wil en geest!
13. En wil mij niet uw aangezicht onttrekken,
Schenk mij een hart, dat elke zonde vreest.
(1) Hier wordt de erfzonde geleerd. De zonde zijner ouders kan niet bedoeld z\jn; want hun huwelijk was wettig.
(2) De beweegredenen tot vergiffenis aangebracht zjjn Gods barmhartigheid (v. 3). Zijn leedwezen en schuldbekentenis (v. 5â6). Zyne zwakheid (v. 7). Hierbij voegt hij Gods liefde tot de waarheid en oprechtheid en tevens Gods beloften en openbaringen aangaande zijn troon. (v. 8).
336
14. Hergeef me, o Heer, uw troost, uw hulp, uw vreugd.
Die bij uw dienst het zoetst geluk bewerken; Schenk mij den geest, die zich in 't goed verheugt, Wil steeds dien geest, die 't kwaad beheerscht,
[versterken.
15. Vol ijver zal ik de overtreders leeren
Den rechten weg, o God! die tot U leidt; En rouwvol zal het hart zich tot U keeren
Van hen die schuld thans verre van ü scheidt.
16. Verlos mij van het bloed, dat ik vergoot,
0 God, o God, Die slechts mij 't heil kan geven! En dankend maakt mijn ziel uw goedheid (1) groot, Die uit den dood herschept tot een nieuw leven.
17. O Heer! mijn mond zal uwen lof verkonden.
Zoo Gij de lip mij opent door uw kracht.
18. Begeerdet Gij een ofier voor de zonden.
Volgaarne werd het U door mij gebracht. Brandoffers zijn uw welbehagen niet;
19. Als offer vraagt Ge een geest, die is gebroken; Een hart, dat Gij vol rouw, vernederd ziet,
0 God! blijft niet van uw gena verstoken.
20. Doe Sion wel, en laat uw schuts niet wijken
Van uwe Stee, ondanks haar grooten val!
Bouw Salem op, en laat het nooit bezwijken, Als woest geweld bestormt zijn vasten wal.
21. Alsdan vindt Gij weêr lust in de offervlam,
In de opdracht, die gerechtigheid zal brengen; Dan smaadt Gij niet geslachte var of ram.
En zal men op uw altaar offers plengen.
(1) Zoo kan de gerechtigheid, waarvan de tekst spreekt, opgevat worden. Zie Beelen.
337
Psalm 129.
De Profundis.
Het is een boetpsalm. Een boetende smeekt om vergiffenis vol vertrouwen op Gods barmhartigheid (1â5). Tot dit vertrouwen wekt hij geheel Israël op. De psalm kan ook zeer goed gebeden worden in naam der zielen van het vagevuur.
1. Uit de diepte van mijn smarten
Roep ik smeekend tot U, God!
2. Heer! aanhoor den kreet mijns harten!
Hoor mijn beê bg 't drukkend lot!
3. Zoo Gij in 't gerecht wilt treden
En de zonden gadeslaan;
Bij al de ongerechtigheden,
Wie, o Heer! wie zal bestaan?
4. Maar daar is bij ü vergeven;
't Wordt geleerd door uwe wet;
En die goedheid doet mij leven,
'k Heb op haar mijn hoop gezet.
5. Mijne ziel blijft op Hem bouwen.
Wacht op zijn nooit falend woord;
Op den Heer blijft zij vertrouwen;
Zeker wordt haar beê verhoord.
6. Met meer zucht dan wachters wachten, (1)
Dat de morgen eindlijk daagt;
Blijft mijne ziele naar ü smachten,
Wacht ze op redding, die ze ü vraagt.
(1) De verzen 5 en 6 luiden in 't Hebreenwsch: myne ziel wacht op den lieer, meer dan wachters op den morgen, wachtende op den Heer. Dat Israël hope op den Heer, want by den Heer is barmhartigheid.
22
338
7. Isrêl hope op Gods bescherming!
Machtig is Hij, eindloos goed;
Bij den Heer is milde ontferming En aan redding overvloed.
8. Redding wordt door Hem geschonken,
En het volste heil bereid,
Is ook Isrêl neergezonken,
Diep in de ongerechtigheid.
Laten wi], vooral gedurende de Novembermaand, veel voor de overledenen bidden. Laat ons gebed, gelijk de Kerk het ons in deze Psalmen leert, een gebed vol nederigheid , vol rouwmoedige boetvaardigheid, vol liefde tot God, vol barmhartigheid voor onze lijdende broeders, vol vertrouwen op de verdiensten onzes Goddelijken Verlossers zgn. En terwijl wij barmhartigheid voor anderen afsmee-ken, zullen wij zelf ook barmhartigheid verwerven.
^|oor djzn
ugenie was de eeuige dochter eener gegoede familie in de stad Boutiers, in het gebergte van Savoye. zii was een meisje van iets meer dan 18 jaren en in haar hart eigenlijk nog onschuldig en oprecht, maar door hare ouders te zeer vertroeteld en verwend. Zij werd niet slechts beschouwd als de eerste en onberispelijkste bloem onder de meisjes der stad, zij was het ook, wanneer men acht gaf op stand, vermogen, schoonheid en zoogenaamde fijne beschaving. Indien men echter lette op het geestelijke en godsdienstige leven der ziel, dan liet dit veel te wenschen over. Eugenie bad wel dagelijks, maar zonder veel aandacht; zij ging naar de kerk, maar niet met liefde; zij was braaf, maar geen echte Christiu, niet echt godsdienstig. Zij pleegde geen enkele persoon meer te bewonderen dan zich zelve. Met niemand hield zij liever lange gesprekken dan met haren spiegel. Niets scheen haar natuurlijker en begrijpelijker dan het denkbeeld, dat zij tot iets voornaams bekend was wegens hare vorming en schoonheid. Als svij er nu nog bijvoegen, dat zij dagelijks driemaal en soms nog meerdere malen haar gewaad verwisselde, en toch trots alle hare ijdelheid toch de vaste overtuiging had, nederig en bescheiden, gelijk het behoorde, te zijn, hebben wij aan deze jeugdige dame niets meer ten laste gelegd, dan alle ervarene en bejaarde lieden der stad over haar dachten. Er moet echter bijgevoegd worden, dat vooral de ouders de schuld waren van deze levensopvatting, en dat Eugenie in den grond
340
een goed hart had. Daarom nam de goede God dan ook wellicht op het bepaalde oogenblik de taak op zich om haar eene geduchte les te geven en haar, even als den H. Paulus en zoovele dwalende zielen, door een krach-tigen greep der genade op den rechten weg te plaatsen.
Zij had in het jaar 1815 een bal bijgewoond, en keerde des avonds of liever tegen den morgen van het uitgelezene gezelschap met hare ouders naar huis terug Alle drie-, terwijl zij ia het elegante rijtuig gezeten waren, waren hoogst voldaan. De ouders waren het, want hun doch-
o '
tertje had zich heden schooner en schitterender voorgedaan dan ooit te voren en was letterlijk de koningin van het bal geweest. De dochter ook was hoogst tevreden, want het balgewaad van witte zijde en kanten, dat zij droeg, en de edelgesteenten, die haar sierden, hadden haar eerst recht voldaan, om den naijver der overige dames en om de talrijke komplimenten der heeren. Deze beide getuigenissen van hare zegepraal zweefden haar voor den geest, en het eene verschafte niet meer voldoening dan het andere.
Welke vreugde hebt gij ons heden avond bereid, mijn kind, zeide de moeder verheugd.
En papa voegde er bij: den volgenden winter gaan wij naar Parijs. Daar zal Eugenie recht schik hebben.
De koets stond stil. Men steeg uit. Eugenie nam afscheid van hare ouders, en werd door hare dienares naar hare kamer geleid.
Eene ware wonderprinces, vleide deze.
Ja, dat was ik inderdaad, antwoordde Eugenie, en begon nu aan hare kamenier alles te verhalen, wat zij gehoord en gezien had en hoe zij alleen de hoofdpersoon van het feest was geweest.
O voorzeker, riep hare kamenier uit, is mijne gevierde meesteres tot iets hoogers bestemd, dan om slechts hier
341
in dit armzalig stadje te leven. Zij moet bewonderd worden te Parijs, gezien worden tot in Amerika en tot zelfs in Rome, waar de voortreffelijkste dames der wereld worden aangetroffen.
Eugenie sloot haar den mond, ofschoon zij hare vreugde over deze vleierij niet kon verbergen.
Het is maar al te waar, wat ik zeg, herhaalde het meisje. Gelooft gij het niet zelf, dat gij tot iets zeer hoogs bestemd zijt. Mag wel een gewoon beambte of fabrikant voor u voldoende zijn, om daarmeê verbonden door het leven te gaan.
O! riep Eugenie levendig uit, aan het huwelijk heb ik waarachtig nog nooit gedacht; daar heb ik vooreerst nog geen plan op. En indien ik eenmaal heb te kiezen, dan moet het de beste en edelste van het land zijn.
Bij het uitspreken dezer woorden nam zij trots een hooge houding aan, en de fierheid die uit hare oogen straalde, toonde genoeg, dat bij al hare ijdelheid afkeer voor het geringe en een sterke neiging voor het werkelijk hoogste en beste in hare ziel woonde.
Eugenie begaf zich in volle balgewaad naar haar slaapvertrek.
Ik zal zelf mgne versierselen afleggen, zeide z^ tot de
kamenier; goede nacht! En zij sloot de deur.
* *
*
Op den achtergrond van het slaapvertrek stond een groote spiegel, die schier de geheele gestalte van Eugenie terugkaatste. Bloeiend en slank , hocg en schoon stond zij daar voor haar wederbeeld. De jeugdige gestalte in een schitterend kleed van glanzend en mat witte zijde, met tal van edelgesteenten op het hoofd en den hals, met gouden gespen aan de armen, met een bloeiende
342
roos iii het prachtvolle haar vertoonde zich aan hare blikkeu.
Eugnie aanschouwde zich zelve en bewonderde zich met trots. Zij was overschoon.
Zij hief de handen op, vouwde ze en fluisterde J o lieve God, voer mij naar het hooge doel, waartoe Gij mij bestemd hebt.
Hadde Eugenie het geweten, dat niet de nederigheid, maar de hoogmoed haar, zonder dat zij het zich bewust was, dit gebed ingaf, dan had zij het zeker achterwege gelaten. Maar zij vermoedde niet het minst, dat zij door deze woorden eer haren God beleedigd dan Hem geëerd had. Maar het uur was geslagen, dat God zelf haar de oogen over haren toestand zou openen om het goede en verkeerde in haar hart te kunnen scheiden.
Vol zelfbehagen richt Eugenie hare oogen weder naar den spiegel en ziet er in. Maar wat aanschouwt zij?.... Daar staat Christus, onze Zaligmaker, voor hare oogen en ziet haar aan. Donker vloeit het bloed over zijne wangen en van zijne slapen. Een doornen kroon omgeeft met. een gansche rij stekels zijn hoofd, die er diep in doordringen. Zijn heilig aangezicht is ingevallen. Zijne lippen zijn vertrokken door de hevige folteringen, en onuitsprekelijk wee straalt er in dat Goddelijk oog, dat onuitsprekelijk klagend, zacht en liefdevol, haar aanschouwt. Met bloed overstroomd staat zijne gansche gestalte daar voor haar. Handen, armen en schouders zijn doorwond en bepurperen den mantel, die los hem om de schouders hangt... En het is haar, alsof haar het woord toeklinkt: leert van Mij; want ik ben zachtmoedig en nederig van harte... en gij zult rust voor uwe zielen vinden... En of de verschijning slechts een oogenblik duurt of langer aanhoudt, daarvan weet zij zich geen rekenschap te geven. Dit eene weet slechts de ijdele maagd: zij is bekeerd.
343
Uitroepend: barmhartigheid! barmhartigheid! Mijn Goddelijke Zaligmaker, vergeef mij, vergeef mij! was zij ter aarde gezonken. Als schubben vielen haar van de oogen, en vol rouw en droefenis verliet zij de plaats, waar de Heer zich haar getoond had. O welke zonde, o welke ijdelheid! o welk een hoogmoed! zuchtte zij. O myn Zaligmaker! wie zijt Gg toch en wie ben ik voor U!
En alsof het balkleed, dat zij droeg, zelf zondig was, zoo rukt zij het in een oogenblik van de schouders, werpt het zorgvuldig gekapte haar uiteen, ontdoet zich van edelgeseenten en goudsieraden, werpt ze op den bodem, schupt al die ijdelheid met den voet van zich af, en werpt zich andermaal op de knieën neder.
Daar gaat de deur open. Vader en moeder en de kamenier staan voor haar Zij staat op, vliegt hare moeder in de armen en weent. O, wie ben ik geweest, roept zij uit, o welke zonde! bidt voor my.
En als de ouders eindelijk zich overtuigd hebben, dat het geen waanzin is, stellen zij zich gerust en verwijderen zich. Maar Eugenie werpt zich andermaal neder en bidt en overweegt, totdat de morgenzon in de kamer dringt, en nu heeft zij hare toekomst beslist. Zij weet, dat zij tot iets hoogs, tot het hoogste, namelijk tot het vaarwel zeggen van de wereld geroepen is, en dat de Zoon van God zelve haar eenige bruidegom is. Haar besluit is onherroepelgk genomen.
* *
*
Voor eenige jaren stond hij, die dit schreef, gedurende de eerste Octoberdagen, op een namiddag voor de deur van het klooster en van de kerk Trinita dei Monti te Rome. De zon wierp een purperen gloed over de heilige stad, en van de hoogte daarbij het klooster wierp hij een
344
blik op den prachtigen koepel van S. Pieter, die als met goud getint boven al de huizen van Rome uitstak. Toen na eenige oogenblikken de poort zich opende, en hij binnentrad in het klooster der zusters van het H. Hart, en daarna de gangen doorliep, bevond hij zich op de plaats, waar Eugenie haar leven geëindigd had. Als novice had zij op den feestdag van den H. Konradus 1816 vaarwel gezegd aan de wereld. Als zendelinge werd zij in 1820 naar S. Louis in Amerika gezonden. Als vertrouwde vriendin der zalige stichteres van de Congregatie du Sacré Cceur, Sophie Barat, en als hoog vereerde Overste van het klooster Trinita dei Monti te Rome, stierf zij den 6 Maart 1842, in de armen der geueraal-overste van de congregatie. De wonderbare wijze van bare bekeering en roeping tot den kloosterstaat, gelijk ze hierboven beschreven is, namelijk de verschijning van den Ecce homo is opgeteekend in de jaarboeken der Congregatie.
Zoo staan wij ook hier voor een dier wonderen van genade, die in 't geheel niet zeldzaam of onmogelijk zijn, zooals eene wereld meent, die zich om God niet bekreunt. Jesus Christus toonde hier eenmaal te meer, dat zijne armoede en smaad, dat zijne bittere smart en diepste vernedering het edele en reine menschenhart duizendmaal sterker tot zich trekken, dan de vorst dezer wereld met al zijne pracht en ijdelheid vermag. Want voor God is ons hart geschapen, en het vindt geen rust, tot het ruste in Hem.
â¢ruid pn ®niicllt;zgom.
tH. Hilarius, bisschop van Poitiers, in Frankrijk, was gehuwd, eer hij priester en bisschop werd, 3n had uit dit huwelijk eene dochter. Toen hij door de vijanden der kerk, wegens ^ijne standvastigheid iu de belijdeuis in het geloof, naar Azië werd verbannen, liet hij zijn dochtertje, wgl de moeder reeds overleden was, bij eene christelijke vrouw achter om opgevoed te worden. Na eenige jaren dong een jongeling van een aanzienlijk verinogen en stand om de hand dezer maagd, die uitmuntte door de voortreffelijkste gaven der natuur, en wenschte haar te huwen. De dochter echter, het vierde gebod gedachtig, wilde hare toestemming niet geven, voor dat zij de goedkeuring en zegen van haren geliefden afwezigen vader had ontvangen. Zij schreef hem derhalve een brief in zijne ballingschap. De H. Hilarius gaf hierop ten antwoord: de bruidegom, die naar uwe hand dingt, is voor u van veel te geringen stand; hij is niet schoon genoeg voor u; hy is niet rijk genoeg; hij is niet wijs genoeg; hij is niet beminnelijk genoeg. Uw hart is te edel om eene zoo geringe verbindtenis aan te gaan. Ik heb voor u een anderen bruidegom uitgezocht; hij is een konings zoon, en zijne schoonheid, zijne goedheid, zijn rijkdom, zijne macht overtreft elke voorstelling. Ik houd mij overtuigd, dat gij hem zult beminnen, zoodra gij hem zult leeren kennen, en door zijne liefde zult gij gelukkig zijn. Wanneer ik na korten tijd terugkeer, gelijk ik hoop, breng ik u zijne beeldtenis mede, daarna zalH. Hilarius, bisschop van Poitiers, in Frankrijk, was gehuwd, eer hij priester en bisschop werd, 3n had uit dit huwelijk eene dochter. Toen hij door de vijanden der kerk, wegens ^ijne standvastigheid iu de belijdeuis in het geloof, naar Azië werd verbannen, liet hij zijn dochtertje, wgl de moeder reeds overleden was, bij eene christelijke vrouw achter om opgevoed te worden. Na eenige jaren dong een jongeling van een aanzienlijk verinogen en stand om de hand dezer maagd, die uitmuntte door de voortreffelijkste gaven der natuur, en wenschte haar te huwen. De dochter echter, het vierde gebod gedachtig, wilde hare toestemming niet geven, voor dat zij de goedkeuring en zegen van haren geliefden afwezigen vader had ontvangen. Zij schreef hem derhalve een brief in zijne ballingschap. De H. Hilarius gaf hierop ten antwoord: de bruidegom, die naar uwe hand dingt, is voor u van veel te geringen stand; hij is niet schoon genoeg voor u; hy is niet rijk genoeg; hij is niet wijs genoeg; hij is niet beminnelijk genoeg. Uw hart is te edel om eene zoo geringe verbindtenis aan te gaan. Ik heb voor u een anderen bruidegom uitgezocht; hij is een konings zoon, en zijne schoonheid, zijne goedheid, zijn rijkdom, zijne macht overtreft elke voorstelling. Ik houd mij overtuigd, dat gij hem zult beminnen, zoodra gij hem zult leeren kennen, en door zijne liefde zult gij gelukkig zijn. Wanneer ik na korten tijd terugkeer, gelijk ik hoop, breng ik u zijne beeldtenis mede, daarna zal
346
hij zelf komen, eu zich aan u verbinden. Wilt gij derhalve den raad uws vaders volgen, wijs dan den jongeling af, die om uwe hand vraagt en heb geduld, totdat de bruidegom komt, die uwe liefde verdient.
De maagd volgde den raad baars vaders, en toen Hi-larius weder in Frankrijk terugkeerde, toonde hij aan zgue dochter het beeld van den gekruisigden Jesus, den hemelschen bruidegom der reine zielen, en zij was met deze keuze tevreden. Zij besloot haar hart geheel en uitsluitend aan Jesus' liefde te wijden.
Niet langen tijd daarna lag deze maagd in den vollen bloei barer jeugd op haar sterfbed. Want het blijft immer waar, dat de mensch den dag en het uur niet kent, wanneer de Heer van leven en dood onze ziel van ons zal opvorderen. Hilarius stond zijne stervende dochter bij, en toen hg Jesus in het allerheiligste Sacrament als teerspijs haar bracht en haar het Lam Gods toonde, vooraleer zij het ontving, sprak hij met innige zielsaandoening; »Zie, mijne dochter, de bruidegom komt. Deze is de konings zoon, waaraan, ik u verloofd heb eu aan wien gij uw hart en uwe liefde geschonken hebt. Ga biunen in de vreugd uws Heeren, begeef u naar het hemelsche bruiloftsfeest en wees voor eeuwig gelukkig dooi het bezit der Goddelijke liefde.
|p*sn)s spQaipvaal djzr kind^rli^|dl^.
'waar en dof klonk de toon der klok door de ledige gangen eener geplunderde abdij te Parijs. De uurwijzer wees op het negende uur, en het schemerlicht begon binnen de ledige muren van het gebouw den strijd met den nacht, toen een man in zwarte morsige kleeding met langzaam sleependen tred eene deur naderde, die zich aan het uiterste einde van deu gang der abdij bevond. Hij trad binnen. Het was een ruim vertrek in verwaarloosden toestand. De zwarte vochtige muren hadden geen ander sieraad dan groenen uitslag of schimmel, en deze wisselde hier en daar af met opschriften, die er met houtskool op waren gekrabbeld. In het midden van het vertrek stond een zware tafel van eikenhout, waarom twaalf revolutiehelden nederzaten. Roode jakobijneu mutsen bedekten hunne verwilderde haren; zonder zich in het minst aan vormen te storen, lieten zij hunne hoofden leunen op hunne armen, terwijl een walgelijke tabakslucht uit hunnen mond walmde. Bij het binnentreden van den zwarten man, die hun aanvoerder scheen te zijn, stonden eenigen op om hem te groeten, terwijl de anderen zich niet om hem bekommerden. Alsdan begon hij, die hun aanvoerder was, in dezer voege: burgers der republiek, voor eenige dagen zegde de groote republikein Danton, dat het volk zich in massa op zijne vijanden moet werpen en ze met eenen slag moet uitroeien. Wij moeten de vijanden der republiek in den kerker werpen en ze onschadelijk maken, lleeds 'heeft Parijs hier een aanvang mee gemaakt en da-
348
gelijks drinkt de aarde het bloed van de vijanden der republiek. Wij mogen niet langer dralen, en daarom zij bet bloedgericbt geopend over al de vijanden der republiek. Zoo sprak bet bloeddorstige monster en zijne gezellen juichten hem toe.
* *
*
De daden volgden op de woorden. De eene gevangene na den andere, die niets bad misdreven, dan dat zg bun God en koning niet ontrouw geworden waren, werd binnengevoerd en door deze ellendige rechters, die weleer als daglooners en straatbedelaars een lui leven geleid hadden , onder hoongelach ter dood gevoerd. Door een klein poortje werden de slachtoffers uit deze rechtskamer gevoerd op het binnenplein der abdij. Daar had zich een dronken gepeupel van de bedorvenste soort verzameld, dat bet als het hoogste genot der verlangde republikeinsche vrijheid beschouwde, zijne vroegere beeren en medeburgers nu straffeloos te kunnen vermoorden.
Reeds was een zeker getal dier ongelukkigen langs het genoemde poortje uitgegaan, en had onder de handen der bloeddorstige beulen bun bloed vergoten, en nog scheen aan bet moorden geen einde te komen. Want al weder klonk de stem, die een nieuw slachtoffer des doods in de rechtskamer riep. Eenige oogenblikken daarna verscheen, begeleid door een gevangenbewaarder, een eerbiedwaardige grijsaard met indrukwekkende houding, bleek, niet uit vrees, maar door de uitputting van het verduurde lijden. Rustig trad bij vooruit, maar niet alleen. Eene maagd met blonde haren en bleeke wangen, trad, ofschoon wankelende van zwakheid, aan zijne zijde. Zij was de dochter van den aangeklaagde, die als trouwe aanhanger zijns koning den 14 Juli 1792 op de oproerigen had laten
349
vuren, en daardoor in het oog der republikeinen duizendmaal den dood schuldig was. Hij was daarom op bevel der reateerius van de revolutie gevangen genomen en zou
O O O O O
nu zijn vonnis vernemen. De treffende verschijning van de maagd, zijne dochter, die met haren vader vrijwillig den kerker gedeeld had, ontroerde zelfs de steenen harten zijner beulen. De voorzitter draalde om het verhoor te beginnen; die maagd, zoo zwak en toch zoo vast besloten, boezemde allen achting in. Het gesprek, dat voor een oogenblik nog levendig was, verstomde, en er heerschte een diep stilzwijgen. Dit oogenblik maakte de maagd zich ten nutte, door voor de tafel, waaraan de rechters zaten, te treden en met sidderende stem te spreken: »burgers, gij zijt de plaatsbekleeders des volks; gg kunt het niet weigeren, dat een kind in plaats van zijn vader den dood ondergaat. Indien gij besluiten mocht, dat hg zal sterven, laat dan eene verwisseling des offers toe! En dit offer wil ik zijn. 0 sta mij deze gunst toe.quot;
De rechters werden door deze wending der dingen nog meer getroffen. Maar zij verdubbelde hare smeekingen en riep uit: o ontferming! ontferming voor den armen grijsaard, die hier voor u staat en u toch geen leed meer kan berokkenen. Hebt medelyden met eene arme dochter, die in de gansche wereld niets meer heeft dan haren armen vader... wij zullen het land verlaten; wij zullen verre heenvlieden van hier... 0 mijn God! laat toch mijnen vader vrij! En terwijl zij dit zegde, viel zij haren vader om den hals en bedekte zijn voorhoofd met kussen. Een treurige glimlach zweefde op zijn gelaat; want hij
verhoopte geen medelijden van die versteende harten.
* *
*
En toch hij bedroog zich. De tranen zijner dochter hadden de harten week gemaakt. Of hij schuldig is of
350
onschuldig, riep de voorzitter uit, het schyut mij niet gepast het bloed van dezen grijsaard te vergieten.
Op dit oogenblik verscheen een der beulen, die op het plein der abdij de slachtoffers, die veroordeeld waren, ter dood brachten. Hij kwam om den uitslag van het vonnis te vernemen. Nog waren de rechters besluiteloos. Geene waagde het om den grijsaard vrij te spreken, geene ook wilde hem veroordeelen.... De beulen, die langzaam binnen gekomen waren, waren getuigen van deze besluiteloosheid. Eindelijk riep een der rechters een der beulen toe: doe met hem, gelijk gij verkiest. Deze vatte met zijne nog bebloede hand den arm der maagd vast, die sidderde door merg en been. Kom, zegde hij, ik wil u iets van uwe broeders laten proeven, die hier reeds in vrede rusten. Ja, drinken zal ze; drinken moet ze, riepen al de beulen. Wilt gij uwen vader redden, zoo sprak de eerste, diink dit dan op het welzijn des volks... en tegelijkertijd reikte hij haar met honende buiging eene tas toe, gevuld met menschenbloed van de vele slachtoffers, die daar vermoord waren. Een schreeuw van schrik klonk uit den mond der ongelukkige; zij deinsde terug en geheel ontsteld bedekte zij haar aangezicht met beide handen. Woeste kreten der beulen waren het antwoord en men maakte zich gereed om haren vader te slachtofferen. Reeds waren meer dan twintig bajonetten op de borst van haren vader gericht. Met eenen sprong was de edelmoedige dochter aan zijne zijde en riep, gedreven door den angst, met luider stemme: houdt op, geeft mij de tas. Het arme meisje ontving vol afschuw de tas; haar geheele lichaam werd geschokt en sidderde; haar aangezicht werd wit als marmer. Maar een blik op haren vader schonk haar de kracht om de tas aan hare lippen te brengen, die geverwd met menschenbloed, nadat zij met half gestikte stem het woord had
351
i
uitgebracht: leve het volk. Toen viel zij bewusteloos neder aan de voeten haars vaders en naast haar de ge-brokene tas, die haar ontvallen was.... Toen zij weder tot zich zelve kwam, lag zij iu de armen haars vaders, die haar weenend kuste, in een uederig huis van een der voorsteden van Parijs. Zij had haren vader gered. Hare kinderliefde had gezegevierd.
I
Voor eenige jaren werd hij, die dit verhaalt, bij eene blinde, meer dan negentig-jarige vrouw geroepen. Zij zat in een leunstoel en bereidde zich tot de reis naar de eeuwigheid. Zij verhaalde hem deze geschiedenis; zij zelve was de edele jonkvrouw, die dezen verschrikkelijken strijd had gestreden. Na de boven verhaalde gebeurtenis had zg met haren vader Franhrijk ontvlucht. Zij had gearbeid en ontberingen voor haren vader doorstaan, totdat hij stierf. Toen de priester om haar te troosten, haar wilde wgzen op de Goddelijke goedheid, toen gaf zij hem ten antwoord: mijn vader! verschrikkelijk is het, wat ik heb beleefd, maar de lieve God heeft mij niet verlaten en ik wil vertrouwen, dat Hij mij nimmer, ook niet wanneer ik van deze wereld scheid, zal verlaten. En de Heer Hij verliet haar niet. Haar laatste woord was: Jesus!
352
Spreuken over de aalmoes.
Het is een grootere genade armen te helpen, dan dooden te verwekken. Want de aalmoes maakt God tot onzen schuldenaar, terwijl wij door dooden te verwekken de schuldenaars worden van God.
De H. Joannes Chrysostomus.
Wilt gij dat uw gebed opvliege tot God? Maak het twee vleugelen: het vasten en de aalmoes.
De H. Augüstinus.
Kleed een arme, en gij bedekt uwe zonden.
Dezelfde.
De barmhartige mensch is iets zeer groots. God ver-gelijkt hem met Zich zeiven.
De H. Geegorius de Groote.
Zij, die aalmoezen geven, drijven koophandel. Voortreffelijke koophandel! Gij geeft een penning en ontvangt den hemel; want deze behoort aan de armen.
De H. Thomas van Villanova.
lifjzl ran |||r. )can ^Ofzdcn ^aad.
Algemeenheid zyner erkenning. â De Pausen. (Vervolg van bladz. 326.)
fyEsPet is opmerkelijk, dat al de pausen, die uitmuntten ^00r eene bijzondere godsvrucht tot Onze Lieve Vrouw van Goeden Raad, tot de roemvolste be-hooren van hunne lauge en luistervolle reeks. Urbanus VIII, die de Madonna van Genazzano bezocht en Innocentius IX, die het heilige beeld liet kroonen, waren even uitstekend in hunne dagen als Sixtus IV of Pius V in vorige jaren.
De opvolger van Innocentius XI was Clemens XI, geboortig te Urbiuo en lid eener familie, die gelijk verschillende schrijvers over het heiligdom getuigen, oorspronkelijk zoo als haar naam (Albani) te kennen geeft, afkomstig was van de streek, die het heilige beeld had verlaten. Eene zaak is zeker: de godsvrucht dezer familie tot de Madonna van Genazzano was zeer groot. Deze godsvrucht spoorde den neef des pausen, den beroemden kardinaal Albani, aan, gelijk Vanutelli ons verhaalt, zeer veel voor het heiligdom te doen. Hij bezocht niet slechts het heilige beeld, maar vereerde het op elke wijze. Het prachtige altaar met zijne versierselen, de kostbare vloer en verdere omgeving in verschillende gekleurde marmers, en de kolommen van verdantique waren geschenken van den kardinaal. De paus, zgn oom, ontving in het jubeljaar, dat ook het jaar zijner verheffing was, de processie welke van Genazzano kwam, met bijzondere teekenen van voorliefde
23
354
Terloops kuunen wij opmerken, dat in deze heilige jaren van het jubilee, als al de aflaten overal elders ophouden, het heiligdom van O. L. Vrouw van Goeden Raad te Genazzano hetzelfde voorrecht geniet als dat van Loreto.
De pausen Gregorius XIII, Benedictus XIII, Clemens XII en Clemens XIV verrijkten, zooals de archieven van het klooster ons leeren, het heiligdom met verschillende geestelijke voorrechten. Het was echter voorbehouden aan Benedictus XIV, om de godsvrucht tot Onze Lieve Vrouw van Goeden Raad niet slechts in het heiligdom te Genazzano te bevorderen, maar ook overal elders door Apostolisch gezag te vestigen. Hij deed zulks in eene breve van den 2aen Juli van het jaar 1753, gericht tot den generaal der Augustijnen, Pater Franciscus Xav. Vasquez, waarbij hij de godvruchtige vereeniging ter eere van O. L. Vr. van Goeden Raad openlijk goedkeurde en door zijn hoog gezag instelde. Hij verrekte ze met verschillende aflaten. De groote paus deed nog meer voor dit godvruchtig werk. Hij wilde, dat zijn naam het eerst van allen zou ingeschreven worden op de eerste bladzijde van dit goedgekeurde register. Hij schreef zijn naam met eigen hand.
Wy ontvangen, zegt hg in zijn brief aan den generaal, met zeer veel genoegen deze bladzijde, en wij hechten er de grootste waarde aan. Zoo zullen zelf wg opgeschreven worden in dezen geestelijken bond en zelf deelachtig worden aan dien zoo grooten geestelijken schat.
Deze grootste onder de pausen der vorige eeuw had dan ook niet minder dan het nederigste lid dezer vereeniging zgne afbeelding van O. L. Vr. van Goeden Raad gedurig bg zich; bad dagelijks zgne drie wees gegroeten en droeg jaarlijks zgn II. Misoffer op voor de medeleden der Vereeniging.
355
En hg had gelijk. Want ofschoon allen behoefte hebben aan licht en goeden raad, toch heeft niemand er meer behoefte aan dan zij, aan wier zorg het bestuur en de leiding der zielen in de kerk zijn toevertrouwd.
Er hangt zooveel af van al hunne eigenschappen, van hunne gematigdheid, van hunne liefde, van hunne kennis en wetenschap, van hunne waakzaamheid, van hunne zelfverloochening, van hun onvermoeiden arbeid, van hun nog minder vermoeid gebed, van hun vlekkeloos leven, van hun geduld onder laster, vervolging en kwelling, van hun vaderlijk hart, van hunne gehechtheid aan de ware leer van J. 0., van hun afkeer van alle ijdelheid, heerschzucht of jaloerschheid in de groote taak, die zij hebben voor te staan, van hun verwijdering van alle hebzucht en van eiken hartstocht, waardoor de duivel zoo dikwerf bekoort tot misstappen niet minder vreeselijk dan de misstap van Eva en niet minder onherstelbaar dan die van Lucifer.
Al deze hoedanigheden worden gevorderd voor eiken goeden bestuurder in de kerk Gods; maar vooral zijn zij onontbeerlijk in hem, wiens gezag boven dat van alle anderen ver verheven is, en die daardoor meer dan eenig andere aan de grootste gevaren is blootgesteld. Van waar zal het licht dagen, dat mannen, zoo hoog geplaatst, niet dwalen, en de belangen van Christus en van de zielen vrijgekocht door zijn dierbaar bloed niet beuadeelen veeleer dan ze te bevorderen? Van waar zal hun dat overvloedige licht geworden ? Van de vlekkelooze bruid van den H. Geest. Van haar, die voor immer de lagen van het serpent heeft verplet, van haar, door welke de koningen heerschen en de wetgevers met oordeel hunne besluiten nemen, van Maria, de Moeder van Goeden Raad.
De verstandige Paus Benedictus XIV, toen hij het eerst
356
van allen zijnen geëerbiedigden naam nederschreef in het register der godvruchtige vereeniging van O. L. Vr. van Goeden Raad, gaf een schitterend voorbeeld aan allen, maar vooral aan de herders der zielen en aan hen die met de zielzorg voor anderen belast zijn.
Wij gaan de pausen, die Benedictus XIV volgden, voorbij, om stil te staan bij den grooten Paus Pius IX, die den weg betrad, eens betreden door Urbanus VIII, om het afgelegene heiligdom van Genazzano te bezoeken, verscholen in de bergen van Latium.
Van zijne vroegste jeugd had zijne deugdzame moeder hem eene teedere godsvrucht ingeboezemd voor de maagdelijke Moeder van Goeden Raad; en zoo groot was in hem de godsvrucht tot haar, dat hg zijne eerste H. Mis opdroeg aan een altaar, dat haar te Rome was toegewijd. Hij was er op gesteld om hare liefelijke afbeelding altijd bij zich te hebben, en tot haar bad hij bij de veelvuldige beproevingen en kwellingen, waarmede zijn pad vervuld was in zgn langdurig en zijn ondanks tijdelijke verliezen allerluisterrijkst pontificaat.
Van het oopenblik zijner verheffing bad hg een groot verlangen om het heiligdom te Genazzano te bezoeken, even als Urbauus VIII, en hij volvoerde dit plan in 1864.
Toen de paus het verlangen te kennen gaf, om dezen pelgrimstocht te doen, gaf men hem te kennen, dat de rechtstreeksche met eene koets bereidbare weg van Gastel Gandolfo naar Genazzano nog niet voltooid was. Welnu, zeide hg, dat men hem dadelijk voltooie. Ik wil den geloovigen den toegang tot het heiligdom vergemakkelijken en de belangen bevorderen van dat bergland, dat geen genoegzame wegen van verbinding heeft. De aangestelde ingenieurs gaven ten antwoord, dat men met groote moeielgkheden te kampen had en dat de tijd ontbrak.
357
Ja, ja, antwoordde Pius IX glimlachende. Gelukkig heb ik iemand, die deze moeielijkheden zal overwinnen. Indien gij er van afziet, zal ik aan Mgr. de Marode zeggen den weg aan te leggen, en de weg zal aangelegd zgn voor den 15den Augustus. Nu waren de ingenieurs dadelijk gereed en stelden zich aan het werk. De minister van oorlog stelde 200 krijgsknechten ten hunnen dienste om hun behulpzaam te zgn. Weldra was de weg voltooid; hij stelde 17 vlekken in verbinding met den spoorweg.
Den 15 Augustus 1864 verliet de H. Vader zijn zomer-verblyf Gastel Gandolfo en begaf zich langs den nieuwen weg van Valmontone naar Genazzano. Overal in de vlekken, die hij voorbij trok, heerschte groote geestdrift. Hij daalde uit het rijtuig op het plein voor het heiligdom. Daar hadden zich vereenigd met het stedelijk gezag om hem te ontvangen zijne Eminentie de kardinaal Amat, bisschop van Palestrina, Mgr. Jacovacci, zijn secretaris, het seminarie, de ZeerEerw. Pater Micaleff, generaal der Augus-tijnen, en de religieusen van het klooster. De paus, omstuwd door die allen, trad de prachtig versierde kerk binnen. Het was tien uur. Mgr. Pacca kamerheer droeg de H. Mis op, en Mgr Borromeo Arnese, majordoom offerde in naam van Zijne Heiligheid aan de Maagd van Goeden Raad een halssieraad, dat schitterde van diamanten, en een hart met dit opschrift:
PIUS, PAPA IX,
Die xv Augtjsti, Anno mdccclxiv,
prcBsens offerebat.
Vervolgens werd de Litanie van Loreto aangeheven, waarna Zgne Heiligheid de slotgebeden zong. Na het dierbare beeld bewonderd en vereerd te hebben, begaf het pauselijk hof zich naar de groote zaal van het klooster, waar hunne Doorluchtige hoogwaardigheden, de bisschop-
358
pen van Anagni, van Cita-di-Castello, van Cayli en Pergola, de suffragaan van Palestrina, de geestelijkheid en de gezaghebbers door kardinaal Amat aan Zgne Heiligheid werden voorgesteld en tot den voetkus werden toegelaten. Vervolgens begaf Zijne Heiligheid zich naar het paleis Colonna en werd daar ontvangen door den ridder de Vincent. De paus, in pauselijk gewaad, met de tiaar op het hoofd, begaf zich naar het balkon en schonk daar, omgeven door den kardinaal en de bisschoppen, zijn plechtigen zegen aan eene ontelbare menigte, neergeknield op het plein, in de weiden, op de heuvelen. Ten een uur keerde hg naar het klooster terug.
Alvorens te vertrekken, bezocht de H. Vader nogmaals het heiligdom en thans iu al zijn bijzonderheden. Hij wierp zich neder voor het wonderbeeld, en bad zelf de litanie, terwijl het volk antwoordde. Ten vijf uur verliet hjj het klooster, trok door Genazzano en begaf zich met zgn rgtuig naar Gastel Gandolfo terug.
OTi HSW
Aan 't Kindjen Jezus.
VIEESTEHinCK
|
Vrij levendig, f m V |
quot;j l . Mr l |
-0. 'â r f g r r J i i i *- |
360
gë
I-P
Ãi-
i
pg^ï=l=Ã
pl U ^ ^
i ÃJ
_ P=±=ö=f^-P=! o-ver-won, Het schoon waar-meê Ge praalt; Geen
±
m
ÃüÃ
Vi t
quot;D
i
é
z
a
2=3
J i
P=F=#
Jâ-:
luis - ter doet zoo lief - lijk aan Als
feiifeamp;2gi=?-=^ rât?âtâBr^-rr-râdâFâ^
J ^ J J
i
i5i
^ «â^:;
t^
lief - ste Je-zus Gij, En'tzoet-ste zoet moet
_i--u,âiâiâ
|
-K- ±; 1 P -iâd- |
r- \JV y ^ 1 i -T-T--1-â Jr.L :^aT7: tsp= |
ach-ter-staan, Maakt mij aw schoon-heid big.
361
2.
O heiige Onschuld, hier op aard
Uit 's hemels woon gedaald,
Waarbij gansch 't englenkoor geschaard
In rein en schoon niet haalt. O Jesus, Zoon der reine Maagd,
Die alle reinheid geeft!
Schenk mij een ziel die (J behaagt, Die rein steeds voor U leeft.
3.
O Eindjen, onuitsprekelgk zacht,
Dat tot vergeving kwam,
En aan den zondaar 't leven bracht,
Als 't godd'lijk Offerlam.
O Jesus, 'k werp mij voor ü neer,
Mijn zonden zijn mij leed, Barmhartigheid, o liefste Heer!
Vergeef wat ik misdeed.
4.
O God van liefde, teeder Kind,
Dat hemelsch tot mij lacht. Dat mensch de menschen innig mint,
En zondaars niet veracht.
Gij strekt tot mij uw armpjes uit;
Omarm mij, o mijn God!
Zorg dat Gij steeds mijn liefde omsluit. En bindt aan uw gebod.
5.
O Jesus, Kind, zoo hemelzoet.
Met godd'lijk stralend oog,
Die met genade oneindig goed
Zich tot mij nederboog.
Aan U zij gansch mijn ziel gewijd,
Aan U zij gansch mijn hart,
ü, die mijn God en al steeds zijt. Min ik in vreugd' en smart.
Gevierd in S. Maria Maggiore te Rome.
punt van den heuvel, waarop het paleis van het Quirinaal is gebouwd, dan bevindt men zich op een prachtig kruispunt, gevormd door vier straten, waarvan de eene voert naar de fontein van Moses en de tegenovergestelde eindigt bg de reusachtige paarden voor het Quirinaal. Zij worden gekruist door twee straten, aan wier uiteinden zich de prachtige kerken bevinden van Trinita dei monti en van 8an Maria Maggiore. Wij begeven ons naar deze laatste.
Aan den voet van den heuvel, waarop de schoone basiliek zich verheft, rijst een Egyptische obelisk van ongeveer tachtig voeten omhoog. Het is een der twee monolithen van graniet, die vroeger geplaatst waren bij het mausoleum van Augustus. In 1587 werd hij door Sixtus V hersteld en hier geplaatst om het plein voor de prachtige kerk te versieren. Hij draagt deze drie opschriften , die allen wijzen op de geboorte van Christus:
Christi Dei Vreugdevol eer ik
In Eeternum viventis De kribbe
Cunabula Van Christus, God
Laetissime colo. Die eeuwig leeft;
Qui mortui Ik, die bij het graf Sepulchre Augusti Van den gestorven Augustus
Tristis Treurig
Serviebam. Dienst deed.
anneer men te Rome zich plaatst op het hoogste
363
De tegenovergestelde zijde leert ons, dat Augustus zelf in deze aanbidding was voorgegaan.
|
Quem Augustus De Virgine Nasciturum Vivens adoravit, Seq. deinceps Dominum Dici vetuit, Adoro. |
Ik aanbid Hem, Dien Augustus Bij zijn leven aanbeden heeft, Als zullende geboren worden Uit de Maagd, Zoodat hij daarom van toen af Verbood Zich God te noemen. |
De obelisk, na hulde gebracht te hebben aan Christus, richt zijne smeeking tot Hem, Wiens kruis hij draagt.
|
Per invictam Crucem Populo pacem Prsebeat Qui Augusti pace In prsesepe nasci Voluit |
Christus schenke Door zijn onverwinlijk Kruis Aan zijn volk den vrede ; Hij, Die Gedurende den vrede van Augustus Heeft willen Geboren worden in een stal. |
Op den grooten feestdag van Kerstmis hebben deze drie opschriften eene bijzondere beteekenis en sporen ons aan om met meer dan gewone godsvrucht in de basiliek der Moeder Gods onze aanbiddingen en smeekingen te gaan aanbieden aan den Eeuwigen God, Die uit de Maagd geboren is.
Aan eene andere zijde van de basiliek heeft men mede een plein, waar zich eene prachtige gegroefde zuil van wit marmer verheft. Zij behoorde vroeger als versiering bg den tempel des Vredes op het forum. Paus Paulus V
364
liet haar hierheen voeren en bekroonde ze met een beeld der H. Maagd,
Op het voetstuk leest men:
Pax unde vera est Cousecravit Virgini.
Hij wijdde haar toe aan de Maagd Die de bron is van den waren vrede.
Aan een anderen kant bevindt zich het volgende:
Tmpura falsi templa Gerondam Numinis
Jubente incerta Sustinebam Caesare Nunc laeta vere Perferens Matrim Dei Te, Pouce, nullis Obtacebo seclis.
Weleer droeg ik op Cesars bevel met weerzin den on-reinen tempel eener valsche godheid; maar thans, verheugd de Moeder van den waren God te dragen, zal ik Paulus! uwen lof aan al de eeuwen verkonden.
Aan een derde zijde leest men:
Ignis columna Praetulit lumen piis
Deserta nocta üt permearent invia
Securi ad arces Haec recludit igreas Monstrante ab ulta sede Callem Virgine.
De vuurzuil schitterend van licht, ging de rechtvaardigen voor , opdat zij veilig des nachts de woestijn zouden
365
doortrekken. Deze geleidt tot de stede zelf des lichts, terwijl de Maagd van haren hoogen zetel het pad aanwgst.
Zoo verkondigt deze witte zuil den lof der Maagd, terwijl de obelisk de glorie van het kind bezingt. Doch wij keeren tot dezen taatsten terug en wij treden de kerk binnen langs een prachtigen trap.
San Maria Maggiore heeft haar ontstaan te danken aan het schoone wonder der sneeuw. In de vierde eeuw (352 â366) leefde te Rome een rijk gegoed man, de patriciër Joiinnes. Daar hij geen erfgenamen had, besloten hg en zijne vrouw hunne rijke fortuin te wijden aan God, Die ze hun gegeven had. De beide echtgenooten koesterden dit plan, toen de H. Maagd hun gedurende den nacht van den vierden tot den vijfden Augustus (352) in een droomgezicht verscheen en hun gelastte ter hare eere eene basiliek te bouwen op den heuvel, die den volgenden dag met sneeuw zou bedekt zijn. Ook paus Liberius had in denzelfden nacht een dergelijk droomgezicht. Den volgenden dag was de Esquilijnsche heuvel met sneeuw overdekt. Paus Liberius en de patriciër Joannes erkenden hierin den wil van God. De kerk werd op de eigen plek ten koste van den edelmoedigen patriciër gebouwd en ontving den naam van O. L. Fr. ter Sneeuw. Zij werd ook de Liheriaansche basiliek genoemd, omdat paus Liberius het volgende jaar ze inwijdde. Men noemt ze ook O. L. Vr. ter kribbe, om de overblijfselen der kribbe, die hier worden bewaard. Ook heet zij O. L. Vr. de meerdere, omdat zij de voornaamste is onder alle Maria-kerken van Rome.
Eene eeuw later werd de kerk door Sixtus III (432â 440) vernieuwd en verfraaid. Waarschijnlijk echter behoort het prachtige middelschip tot den oorspronkelijken bouw. Omtrent dien tijd verspreidde Nestorius de dwaal-
366
leer, die het Goddelijk Moederschap van Maria loochende. Sixtus kon zich niet beter daartegen verzetten dan door het heiligdom van Maria glansrijk op te luisteren en het te noemen: de basiliek van Maria, de Moeder Gods. Zijne opvolgers Eugenius III (1145â1153), Nikolaas IV (1288 â 1293), Gregorius XI (1370â1378), de kardinaal Des-touteville (1480), Paulus V, Sixtus V en Benedictns XIV hebben saamgewerkt, om de kerk van haar, die het leven schonk aan Gods menschgeworden Zoon, tot een der schoonste kerken van Rome te maken,
Verrassend is de eerste indruk bij het binnentreden van dezen prachtigen tempel. Zes en dertig zuilen van zuiver wit marmer, afkomstig uit den naburigen tempel van Juno Lucina, en uitmuntend bearbeid loopen in twee rijen van 18 zuilen over de lengte van het gebouw en dragen het breede middelschip, dat zij van de zijbeuken afscheiden. Op hunne Dorische kapiteelen rust een breede prachtige lijst, die ze allen verbindt en die een muur draagt met eene rij van pilasters, waartusschen de ramen zijn aangebracht. Sterke lichtstroomen vloeien door de hooge vensters naar binnen, en verbreiden zich in de schoone hallen. Het licht, dat zij verspreiden, is zacht en aangenaam, en draagt bij tot de feestelijke en godsdienstige stemming, die de binnentredende reeds dadelijk gewaar wordt.
De heerlijke marmeren vloer met schoonen mosaiek-arbeid stamt af nog van den tijd van Eugenius III. Het sier-lijke plafond is uitgevoerd naar de teekening van Juliauo da San Gallo, en prijkt met den frisschen glans van het stralende goud, dat het roemrijke vorstenpaar van Spanje, Ferdinand en Isabella, het eerst door Christophorus Columbus uit Amerika ontving en aan Maria toewijdde.
Tusschen en beneden de vensters boven den fries der
367
twee prachtige zuilenrijen zijn twee rijen van mosaiek afbeeldingen aangebracht. Zij zyn ontleend aan het oude testament, en stellen zijne aartsvaders en profeten, zijne rechters en bestuurders, zijne wonderen en voorspellingen voor, die betrekking hebben op de komst van Christus en de verlossing der wereld. De voorstellingen van den triomfboog bevatten tafereelen, die met Christus mensch-wording en Verlossing in verband staan als de boodschap des engels, de aanbidding der wijzen, de opdracht in den tempel, de apostelvorsten, de krooning der Moeder Gods enz. In het midden van den boog leest men Xystus (i V) episcopus plehis Dei: Xystus (432â440) bisschop van het volk Gods. Hieruit blijkt, dat deze mosaiek tafereelen meer dan 14 eeuwen oud zijn. Daar nu Xystus de hernieuwing van dezen tempel ondernam, om in Maria de waardigheid van Moeder Gods te eeren, moet ook de rangschikking en volgorde dezer tafereelen daaruit verklaard worden. Maria's betrekking tot het werk der Verlossing en hare waardigheid van Moeder Gods moest daarin worden uitgedrukt. (1)
Het hoofdaltaar, 11 treden boven den grond verheven, wordt gevormd door eene groote porfieren urn uit de oudheid, waarvan het dekstuk, dat de altaartafel vormt, gedragen wordt door vier engelen in 't brons. Het altaar wordt overwelfd door een schoonen baldakijn, die rust op vier prachtige zuilen van Porfier.
Aan de beide zijden van het altaar, op het einde der armen van het transept bevinden zich rechts de Sixtijnsche en links de Paulijnsche kapel van de familie Borghese.
(1) Opmerkelijk is, dat de geboorte van Christus in den stal van Bethlehem hier niet is afgebeeld. Hieruit leidt de Civilta Catholica af, dat deze waarschynlgk reeds was afgebeeld in de krgpte der kribbe, die toen reeds, naar het allen schyn heeft, bestond. De kerk zou toen reeds S. Maria ad praesepc (O. L. Vr. ter kribbe) geheeten hebben.
368
De Sixtijnsche kapel werd door den architect Fontana op bevel van Sixtus V gebouwd. Men ziet er het graf van dezen paus, versierd met zijn standbeeld in knielende houding, en daar tegenover het graf van den H. Pius V. In een onderaardsch heiligdom werden hier weleer de relieken van Christus' kribbe bewaard; doch thans bevinden zij zich in eene andere kapel.
Doch de pracht der Sixtijnsche kapel wordt door die der Paulijnsche nog ver overtroffen. Zij ontleent haren naam aan Paulus V, haren stichter. De altaartafel is een prachtstuk van den schoonsten Oosterschen lazuursteen. Op voetstukken van groenen Siciliaanschen Jaspis verheffen zich vier zuilen van bloedjaspis; de gevel is Oos-tersche jaspis, de fries is Japanesche agaat; de voet en de kapiteelen der kolommen en de gebinten zijn uit brons. In een lijst van Lazuursteen en Ametist is in het midden van het altaar een overoud Madonnabeeld gevat, dat men aan den H. Lukas toeschrijft. Dit eerbiedwaardig beeld van de Moeder Gods met haar kind werd reeds in 590 op den 25sten April in plechtige processie door den H. Oregorius den Groote langs de straten der stad naar het Vatikaan gedragen, om door de machtige voorspraak van Jesus' Moeder het ophouden eener vreeselijke pest te verkrijgen. In dagen van zwaren nood geschiedt nog heden hetzelfde, onder anderen in 1860 om de cholera af te weren.
* *
*
Gedurende den Advent is het te Rome eene ware voorbereiding tot het kerstfeest. Reeds bij den aanvang ver-schijnen de Pifferari. Dit zijn herders uit de Sabijnsche bergen en de Abruzzen. Elk jaar verlaten zij hunne bergen en komen iu de straten van Rome bij de zoete
369
klanken hunner veldmuziek de nabijzijnde geboorte van het Kind van Bethlehem aankondigen. Zij vormen niet zelden een drietal, een grijsaard, een man en een kind, en herinneren alzoo aan de legende, dat er drie herders nederknielden bij de kribbe. Bij voorkeur zingen zij staande en blootshoofds huune liederen voor de Madonna beelden, die hier en ginds prijken in de gevels der huizen, of waarvoor eene lamp brandt in het midden van de uitstallingen der winkels. Hunne instrumenten zijn eenvoudig gelijk zij zeiven: een hobo, eene schalmei en een triangel. Zij dragen een Tyroolschen hoed, versierd met een breed, verschillend gekleurd lint, een korten mantel van grove groene stof, een broek van schaaps- of geiten vel, een schoeisel, dat eindigt in een zool, die met riemen op den voet is vastgebonden. Voeg hier nu bij lange zwarte haren, die tot op de schouders afdalen, een schoonen baard, levendige oogen, en een hoog voorhoofd, en gij kunt u het beeld der Pifferari voor den geest roepen.
Hunne canzonetta is eenvoudig, vol geloof, vol zoete godsvrucht voor het bambino en zijne maagdelijke Moeder, en drukt het nederige geheim der kribbe zeer lief uit. Zij zingen dat lied gedurende de dagen van den Advent. Maar wanneer het blijde kerstfeest daar is, is hunne zending geëindigd en keeren zij terug naar hunne bergen. In de dagen voor het kerstfeest zijn de winkels vol van de schoonste uitstalliugen, die betrekking hebben op het groote geheim van Jesus' geboorte. Er is te Rome schier geen huis, waar men geen presepio vindt, en alles wat op die kribbe betrekking heeft, wordt met de grootste verscheidenheid aan het oog en aan den smaak aangeboden. Ieder siert zijne kribbe en zijn bambino, gelijk hij het best vermag, en eiken avond vereenigen zich jongeren en ouderen, om het Jesus kindjen en zijne heilige
24
370
Moeder door gebeden en gezangen te vereeren. Het kerstfeest is vooral te Rome een volksfeest. Op den vooravond van Kerstmis heerscht in de gezinnen een feestelijke stemming. Een vreugde maaltijd wordt gehouden. De kribbe is op zijn prachtigst versierd, en alles denkt aan de geboorte des Heeren.
In de dagen, toen men de zoogenaamde zegeningen nog niet had ondervonden, die gevolgd zijn op de bres der Porta Pia, stelde de Paus zich openlijk aan het hoofd der plechtige feestviering. De lange en breede straat van het Quirinaal uaar San Maggiore was alsdan des midder-nachts schitterend verlicht. De Paus, vergezeld van het pauselijk hof, reed alsdan naar de groote basiliek der Moeder Gods, om er met alle plechtigheid de geboorte des Zaligmakers te vieren. Tusschen de zes en dertig wit marmeren zuilen hingen overal reusachtige kristallen kroonen. Duizenden en duizenden waslichten brandden daarop, en het vonkelende kristal wierp hunne glanzen naar alle zijden op het marmer, op de mosaieken, die nog immer den roem van Maria's moederschap verkondigen en op de rijk vergulde gewelven. Alles herinnerde aan het Goddelijke licht, dat in het midden der duisternis in het Goddelijke Jesus-kind is verschenen. In het midden dier heerlijke lichtenpracht droeg Pius IX, omstuwd door bisschoppen en priesters, uitgedost met al dien rijkdom van gewaden, dien Rome alleen ten toon spreidt, de H. Misofferande op. (1) Juichend klonken door de tempelruimte de toonen van den heerlijken lofzang, dien de engelscharen weleer deden weergalmen over de velden
(1) Dat de paus de H. Mis in den kerstnacht in S. Maria Maggiore opdroeg, dagteekent reeds voor eeuwen. In het missaal lezen wy big de eerste Mis statto ad S. Mariam majorem ad prasepe en b\j de derde Mis statio ad S. Mariam majorem. Volgens de Ordo Romanus van Cencio Savelli aan het einde der 12de eeuw ging de Paus naar S. Maria Maggiore en las daar na de vigilie de H. Mis ad pracscpe.
371
van Ephrata, en eeu machtig koor bezet door een overgroot getal en vorstelijke keur van de versclieideuste stemmen bracht door zijn overschoonen, klankrijken en opgewekten zang den geest in verrukking. Aangrijpend vooral was het oogenblik, wanneer onder de diepste stilte in het midden van dien nacht in de handen vau den opperherder der gansche kerk op nieuw als het ware de Goddelijke Herder voor zijn volk werd geboren, terwijl allen aanbiddend rondom lagen neergeknield, en de wolken van den geurigsten wierook opstegen voor den duizendmaal gezegenden Zoon der Maagd. 0 hemelsche nachtmis, waarbij de onzichtbare geesten, die hun hemelschen Koning vergezelden, zich mengden onder de blijde stervelingen , en dankend met hen hunnen God en Zaligmaker begroetten! O overschoone nacht, bekoorlijker en hartverheffender dan de dagen!
Na de onvergetelijke nachtmis van den H. Vader volgt eene andere aantrekkelijke plechtigheid, die vooral bij dit feest op hare plaats is. De rijkste schat van San Maria Maggiore wordt ten toon gesteld.
Reeds van de eerste dagen af omgaven de Christenen van Judea met diepen eerbied en liefdevolle hulde de plaatsen en voorwerpen, geheiligd door de tegenwoordigheid en de aanraking van den Goddelijken Zaligmaker. Naarmate het evangelie zijne overwinningen uitbreidde, voerden erkentelijkheid en geloof talrijke scharen van pelgrims uit het oosten en het westen naar Palestina. De keizerin Helena begaf er zich heen in eigen persoon, en deed de kribbe des Zaligmakers met zilveren tranen en de grot met de kostbaarste marmers versieren Ten tijde van den H. Hieronimus was de toevloed zoo aanhoudend en zoo talrijk, dat de heilige leeraar schreef uit Bethlehem: men stroomt hier saam uit de gansche wereld; de stad
372
is nooit ledig van menschen uit allerlei volken. Bewaard met inniger liefde dan de arke des verbonds, met meer eerbied dan het Tugurium van Romu.lus, omgeven door ononderbroken geslachten van Christelijke geloovigen, bedekt met de kassen van millioenen pelgrims, besproeid met hunne vurige tranen, verliet de kribbe het Oosten bij den aanval van de Mahomedanen. Het was het tweede jaar van Paus Theodorus, het jaar 642. (I) Rome plaatste de kribbe in de Liberiaansche basiliek met het lichaam van den H. Hieronimus; de heilige leeraar, die de kribbe met zooveel zorg had bewaard gedurende zgn leven , mocht er niet van gescheiden worden na zijn dood.
De kribbe is de schat, het juweel van San Maria Mag-giore; zij is voor Rome een bron van geluk, een glansvolle roem. Hier wordt zij bewaard met de zorgvuldigste toegenegenheid en omgeven met den diepsten eerbied. Zij is gesloten in een bronzen kast, en wordt slechts eenmaal 's jaars tentoongesteld. De kribbe wordt sedert den vooravond van het kerstfeest geplaatst op het altaar der groote sacristie, terwijl er gedurig reukwerken bij branden. De vier jongste kanonikken van San Maria Maggiore nemen haar op de schouders, en dragen ze na de nachtmis, vergezeld door al de geestelijken, plechtig naar de Six-tijnsche kapel. Na de Mis van den dageraad dragen zij ze weder heen, en plaatsen ze nu op het tabernakel van het hoofdaltaar. Daar verblijft zij gedurende geheel den dag ter herinnering aan den God, die als menschenkind voor ons geboren is, en ter vereering der geloovigen.
(1) Misschien zelfs was zy reeds vroeger naar Rome overgebracht. Doch hiervoor heeft men geen strikte bewijzen. Waarschgnigk is het, dat de kerk reeds vroeger S. Maria ad praesepe wordt genoemd. Zeker is het, dat wjj van Mauritius Byzan-tjjnsch Cortularius ten tjjde van Paus Theodorus (642â649) lezen, dat hg om zijne vervolgers te ontkomen, vluchtte naar S. Maria tot de kribbe. Fugit ad beata Maria ad Prasepo. lAber Pontif. It p. 331. Later komt die naam meerdere malen voor.
373
's Namiddags na de Vespers nemen haar weder twee kanonikken van liet tabernakel en plaatsen haar op een klein draagbaar altaar. Nu komen allen om de kostbare reliek yan nabij te vereeren. De kardinaal beschermheer is de eerste, die voorttreedt en zijne hulde brengt aan de wieg des Verlossers. Gelukkig de pelgrim, die de arme kribbe mag aanschouwen, waarin Maria haar kind neder-legde , in doeken gewikkeld !
De kribbe heeft niet meer haar vroegeren vorm. De vijf kleine planken , die hare wanden vormden, zijn samen vereenigd. De langste kunnen twee en een halven voet lengte en vier of vijf duimen dikte hebben. Zij zijn dun en zwart geworden door den tijd. Deze kribbe is gesloten in een kristallen kast, die rust op een zilveren voet, ge-emailleerd met goud en versierd met kostbare gesteenten, een vorstelijk offer van Philippus IV, koning van Spanje. Boven deze kostbare kast ziet men het Christus kindjen in zilver, liggende op gouden stroohalmen. Tegen den avond, wanneer de openbare vereering der geloovigen geëindigd is, wordt de kribbe weder weggesloten in den schat der basiliek, om slechts bij het volgende kerstfeest weder vertoond te worden.
Nog eene laatste plechtigheid heeft plaats na de Mis van den dageraad, wanneer de kribbe is uitgesteld. Al de geestelijken begeven zich naar de Paulijnsche kapel, om er het eeuwenoude wonderbeeld van Maria te ont-blooten. Het is eene liefdevolle en openbare hulde gebracht aan de beminnelijke Moeder, die ons den Godde-1 ijken Verlosser geschonken heeft. De Katholieke Kerk scheidt Jesus en Maria niet. op het Kerstfeest. Dit eerbiedwaardige beeld der Moeder Gods werd reeds vereerd door Sixtus III, toen hij na de veroordeeling van Nestorius in 431 de schoone mosaieken der absis liet aanbrengen.
374
Voor dit beeld brachten de heilige pausen Symmachus, Gregorius III, Adrianus I, Leo III, Paschalis I, geheele nachten door. Voor dit beeld kwam Clemens VIII bij den dageraad met ontbloote voeten het H. Misoffer opdragen. Aan ditzelfde beeld liet de beroem de Benedictus XIV geen enkelen Zaterdag na zijne hulde te brengen door het bijwonen van den zaug der Litanie van Laureto. De herinnering aan zoovele gebeden, aan zoovele tranen, aan zoovele schitterende blijken van geloof en godsvrucht, is wel geschikt om een onuitsprekelijk vertrouwen op de liefderijke voorspraak van Jesus heilige Moeder op te wekken, vooral bij het Kerstfeest.
De Kerk heeft bij de eerste Mis de tijdelijke geboorte van het Woord verheerlijkt; met den dageraad vereert zij bij de tweede Mis eene tweede geboorte van denzelfden Zoon Gods, eene geboorte van genade en barmhartigheid, welke namelijk voltrokken wordt in het hart van eiken geloovigen Christen. De pausen droegen weleer deze tweede H. Mis op in de kerk van de H. Anastasia, gebouwd op de plaats zelve, waar de woon der heilige zich bevond. Leo XII en Pius IX hebben in deze eeuw de H, Mis daar opgedragen.
Anastasia, echtgenoote van een Romein, Publius ge-heeten, had veel te lijden van de heftigheid van dezen heiden, die verbitterd werd om hare edelmoedigheid jegens de dienaren van God. Na met geduld vele mishandelingen verduurd te hebben, werd zij door God van dit drukkende juk bevrijd. Toen zij zich nu wijdde aan de edele taak, om de geloofsbelijders, die de kerkers van Rome onder de wreede vervolging van Diokletiaan vulden, te verkwikken en te troosten, werd zij zelve als Christin gevangen genomen, aan een paal gebonden en levend verbrand,
Eindelijk de derde Mis wordt door den Paus opgedragen
375
in de trotsche basiliek van S. Pieter. In die derde Mis beschouwt en bewondert de Kerk eene derde geboorte, die de twee andere geboorten nog verre overtreft, de Goddelijke geboorte van het Woord uit den Eeuwigen Vader. Bij deze H. Mis, die den God van God, het Licht van Licht, den medezelfstandigen Zoon des Vaders begroet, spreidt de kerk te Rome al de praal ten toon, die zij ten toon kan spreiden. De paus, omgeven door al zgne kardinalen, door een tal van bisschoppen, door eene overgroote menigte geestelijken, door ontelbare ge-loovigen, draagt dit offer op in den heerlijksteu tempel der aarde an geeft daarna van de groote loggia van S. Pieter, terwijl het ruime plein voor de S. Pieterskerk met menschen is gevuld, zijn zegen urhi et orbi.
Ziedaar hoe vroeger het schoone Kerstfeest te Rome werd gevierd. Maar sedert de Paus een gevangene is op het Vatikaan, is al dien luister grootendeels verdwenen. Laten wij bidden, dat die roemvolle, die blijde, die gelukkige dagen mogen terugkeeren. Laten die zoete herinneringen ons aansporen, om het geboortefeest van onzen God met allen luister, met alle blijdschap, met alle toewijding, met alle liefde, ieder in zgn kring te vieren.
Ipaalfljz loigjsmiljsn puiiana.
(Vervolg van bladz, 314.)
falzinne was eene abdy der orde van Citeaux, besproeid door de Sambre, in de nabijheid van Namen. In onze dagen is er niets van overgebleven. Slechts wordt de plaats aangewezen door eene hoeve en een landhuis van het klein Semiuarie te Namen, die oorspronkelijk behoord hebben tot het nieuwe klooster, dat in de nabijheid der verwoeste abdij was opgebouwd. lu 1740 zag men er nog een vertrek met de kerk verbonden, waar do H. Juliana van Cornillon zich ophield, om dag en nacht zich bezig te houden met het gebed.alzinne was eene abdy der orde van Citeaux, besproeid door de Sambre, in de nabijheid van Namen. In onze dagen is er niets van overgebleven. Slechts wordt de plaats aangewezen door eene hoeve en een landhuis van het klein Semiuarie te Namen, die oorspronkelijk behoord hebben tot het nieuwe klooster, dat in de nabijheid der verwoeste abdij was opgebouwd. lu 1740 zag men er nog een vertrek met de kerk verbonden, waar do H. Juliana van Cornillon zich ophield, om dag en nacht zich bezig te houden met het gebed.
Terwijl de heilige hier de gastvrijheid en de vriendschap genoot van Himene, de vijfde abdis van Salzinne, werd haar ook de derde zuster, Isabella, ontrukt, die evenals Agnes en Ozilia om haar te volgen Cornillon had verlaten. Zij werd bij de genoemde maagden begraven, en door Juliana beweend. Doch ook bij dit offer, dat God van haar vroeg, bleef de heilige geheel onderworpen aan Gods heiligen wil.
Juliana was nu geheel alleen. Door den ouderdom en haar lijden had zij ondersteuning noodig. Zij ontbood daarom uit Cornillon eene andere zuster harer orde, Er-mentrudis genaamd. Op de roepstem harer verbannen overste snelde zij naar Salzinne en bleef Juliana bij tot aan haren dood. Later keerde zij alleen te Cornillon terug. Dit toont ons duidelijk, dat Juliana immer den regel van Augustinus, die te Cornillon gebiedend was,
377
bleef volgen en nimmer tot de orde van Citeaux is overgegaan.
Terwijl zij alzoo hare dagen sleet te Salzinne, zond God haar eene zoete vertroosting. Joannes, de trouwe prior, die het officie van het H. Sacrament had samengesteld , was de heilige bannelinge niet vergeten en bezocht haar te Salzinne. Hoe groot was de vreugde van Juliana, toen zij haren getrouwen vriend mocht wederzien. Reeds acht jaren waren voorbij gegaan, sedert zij Cornillon had verlaten. Hoe zoet was het haar, al haar lief en leed te mogen uitstorten in het hart van dien heiligen priefter harer orde, en zich met hem te onderhouden over de verheerlijking van het H. Sacrament, en over de viering van het feest, dat nog steeds alleen in de kerk van den H. Martinus werd gehouden. Beiden wekten elkander op tot vernieuwden ijver om door gebed, invloed, en alle middelen, die hun ten dienste stonden, de luistervolle viering van het feest te bevorderen en uit te breiden.
Voor dat Juliana afscheid nam van den prior Joannes, zeide zij tot Ermentrudis: mijne dochter, leg uwe biecht af bij uwen wettigen prior; want het is de laatste maal, dat gij en ik hem zullen zien. Inderdaad, toen Joannes te Luik was teruggekeerd, stierf hg zachtkens, gelijk hij had geleefd, in de armen des Heeren, Wiens lof hy had bezongen.
Keeren wij tot Salzinne terug.
Het Latijnsche keizerrijk van Konstantinopel bezweek onder de laatste stuiptrekkingen van een langen doodstrijd. Joannes van Brienne, de eenvoudige Pransche ridder, die zijne zilveren haren door eene wispelturige speling van het lot met twee kronen versierd had gezien, die keizer was geworden en koning, schoonzoon van twee koningen en schoonvader van twee keizers, had zich ter ruste gelegd
378
in zijne glorie, gewikkeld in de wollen pij van S. Fran-ciscus van Assisië. Die Judas de Macchabeër, die Roland van de I3de eeuw, had slechts een oogenblik den onver-inijdelijken ondergang van het rijk kunnen tegenhouden. Te vergeefs had hij op den leeftijd van 81 jaren tot tweemaal toe met 160 Fransche ridders 100,000 Bulgaren, die de muren van Konstantinopel bedreigden, teruggedrongen. Hij liet aan Boudewijn I, die zijne dochter had gehuwd, een rijk achter, dat weldra te niet zou gaan.
Boudewijn 1, graaf van Namen, uit het edele huis van Courtenay, schonk aan Maria van Brienne, zijne echtge-noote, het graafschap Napels. Hij liet haar het beheer, en vertrok naar Konstantinopel, om daar zijn rijk in te zien storten. De deugdzame Maria, dochter van Jerusalem, bezield met de zuiverste inzichten, had eene innige vriendschap gesloten met de abdis van Salzinne, Himene van H astede.
De rampspoed van Byzantium , de ongelukken van Bou-dewgn hadden hunnen weerklank te Namen. De zwakke hand van Maria wist met geen genoegzame kracht de teugels van het bewind te voeren. Men begon het juk van haar beheer ondragelijk te vinden en te klagen over de zware belastingen. Deze smeulende vonk werd door hetgeen te Salzinne plaats greep, een groot vuur.
Een heer van Namen had in de nabijheid van Salzinne een lusthuis, waar hij met eenige vrienden zijner soort een allerergelijkst leven leidde. Het was een hol van buitensporigheden, dat het heiligdom der maagdelijkheid gedurig ontstichtte. Het gelach en de luide vroolijkheid der feesten, de schandelijke liederen van den wellust, het gedruisch der komende en vertrekkende gasten, brachten stoornis in de stille afzondering der christelijke maagden, in hare overwegingen, in hare gebeden. Himène verzocht
379
aan de gravin dit huis te doen sluiten. Maria van Brienne bij een van hare bezoeken te Salzinne, was in persoon getuige van deze wanordelijkheden. Verontwaardigd over deze buitensporigheden, beloofde zij er een einde aan te zullen maken, en deed werkelijk kort daarna dit verblijf der brooddronkenheid ontruimen.
Salzinne was vol vreugde; de slang had moeten wijken. Doch Juliana was droefgeestig en stortte tranen in het midden der algemeene vreugde. Men vroeg naar de reden barer droefgeestigheid. Toen voorspelde zij de ongelukken, die eerlang op Namen zouden nederstorten en den nabij-zijnden ondergang van Salzinne. Zij zegde te treuren over het lot der gastvrije Himene, die al hare dankbaarheid en vriendschap bezat.
De voorspellingen der heilige gingen in vervulling. De schandelijke mensch, wiens lustverblijf gesloten was, was woedend en zon op wraak. Hij wist een oproer te Namen te verwekken. Zijne aanhangers vermoordden den bevelhebber der stad. Maria op hare beurt maakte aanstalten om deze euveldaad te tuchtigen. Men deed een beroep op hare goedertierenheid. Maar de gravin wilde hier niets van weten en verzocht hulp van hare bloedverwante Margaretha, gravin van Vlaanderen. Nu wapenden zich ook de burgers van Namen en riepen de tusschenkomst in van den H. Lodewijk, koning van Frankrijk. Doch de heilige koning stelde tot voorwaarde, dat zij aan de beleedigde keizerin genoegdoening zouden verschaffen. De oproerlingen weigerden en wendden zich thans tot Hendrik II, graaf van Luxenburg, die aanspraak meende te kunnen maken op het graafschap van Namen.
Hendrik rukte op tegen Namen. Bij het naderen van het vijandelijke leger trok Maria van Brienne zich terug in de citadel van Namen. Zij zond tevens een vrijgeleide
380
aan Himene, en spoorde de abdis van Salzinne aan om haar onveilig verblijf te verlaten. Zij voorzag dat de woestelingen zich op de abdij zouden wreken. Deze treurige tijding bracht geen geringe ontsteltenis te Salzinne te weeg. De dochters van den H. Bernardus moesten hun geliefd verbluf verlaten. De meest bedroefde was Juliana. Vruchteloos zocht Himene haar te troosten met het vooruitzicht, dat het onweder niet van langen duur zou zijn. Juliana gaf haar ten antwoord: o of ik den dag der bevrijding konde voorzien! Maar neen, langdurige verwarringen zullen elkander opvolgen; en wanneer de vrede weder zal heerschen, zullen verscheidene dochters van Salzinne er niet meer zgn.
Inderdaad, Hendrik II rukte Namen binnen op Kerstnacht van 1256. Onmiddellijk daarop sloeg hij het beleg om de citadel. Dit beleg duurde twee jaren. Gedurende dien tijd werd Salzinne geplunderd en de abdij in brand gestoken. Niets dan puinhoopen bleven er van over. Na twee jaren zag de citadel van Namen zich genoodzaakt zich over te geven.
* *
*
Himene, na Salzinne te hebben verlaten, nam de H. Juliana en Ermentrudis met zich, en begaf zich naar Fosses. Deze kleine stad der provincie Namen is gelegen in het midden van grazige weilanden, aan de boorden van een stroompje, in eene vallei, die rondom door fraaie heuvelen is omgeven.
Te Fosses was de bisschop van Luik, Robertus van Torota, in 1246 overleden. Twaalf jaren later schonk een godvruchtig kanonik zijner collegiale kerk de gastvrijheid aan de H. Juliana en hare gezellen. De abdis Himene, die later als abdis te Flines verbleef en stierf,
381
had hem haar aanbevolen. De edelmoedige kanonik kende haar reeds door den roem harer deugden. Hij ontving haar met alle liefde in zijn huis en verzuimde niets om haar treurig lot te verzachten.
De zuster van den kanonik, die voor eenige jaren overleden was, had mede een stil en afgetrokken leven geleid, en de cel, die zy als opgeslotene had bewoond, was nog aanwezig. Hij liet ze herstellen, voorzag ze van meubels en weldra kon hier Juliana troost zoeken voor hare smarten by den God onzer altaren, in gezelschap van Ermentrudis.
Hier sleet zij hare laatste dagen. Doch hare gezondheid was door al die herhaalde slagen ondermijnd. Zij viel ziek en zag dat haar einde naderde. Zy wenschte nog een laatste maal Joannes van Lausanne, haren eersten en getrouwen beschermer aan hare zijde te zien. Zij liet hem verzoeken tot haar te komen, ten einde hare laatste mededeelingen te ontvangen. Doch hetzy de wegen te onveilig waren, hetzij Joannes op eenige andere wyze verhinderd was, haar verlangen bleef onbevredigd. Niemand harer kennissen uit Luik bezocht haar in hare laatste ziekte en op haar sterfbed. Zoo werd letterlijk vervuld, hetgeen zij reeds jaren te voren aan Eva, de opgeslotene, had voorspeld.
Himene verliet hare vriendin niet in haar lijden. Zij kwam te Fosses en wilde by de zieke in hare cel den nacht doorwaken. Juliana verzocht haar zich hare nachtrust niet te ontzeggen. Toen Himene echter aanhield, wyl zy vreesde dat de dood haar wellicht zou overvallen, liet de heilige haar verstaan, dat zy noch dien dag, noch den volgenden dag de wereld zou verlaten. Inderdaad stierf zy slechts den derden dag, zoodat haar sterfdag haar reeds vooruit schijnt bekend geweest te zyn.
Eindelyk brak de dag van haar verscheiden aan. Zij
382
was niet meer in staat hare getgden te bidden, gelijk zij tot nu toe immer had gedaan. Zij verzocht daarom dat men deze in hare tegenwoordigheid zou bidden. Zij verlangde nog immer te doen voor haren God, wat zy vermocht en herhaalde dikwerf de woorden van het boek openbaring: zalig de dooden, die in den Heer sterven.
Het uur van den dood was genaderd. Himene, vergezeld van eenige harer zusters, en de kanonik bij wien zij inwoonde , waren in hare cel vergaderd. Himene, die wist met boe groote liefde de heilige bezield was voor haren Hemelschen Bruidegom in het H. Sacrament onzer altaren, wilde baar nog een laatste troost verschaffen. Gij kunt, zoo sprak zij tot de stervende, om den aard uwer ziekte het Lichaam onzes Heeren J. C niet ontvangen; maar wij zullen het H. Sacrament hierheen doen brengen, opdat gij u door zijne tegenwoordigheid moogt troosten en u aan zijne liefde aanbevelen. Tot tweemaal weigerde zij het in hare nederigheid, omdat zij zich iets dergelijks niet waardig achtte. Toen echter eene der zusters opmerkte , dat zij het voorstel der abdis niet mocht afslaan, bewilligde zij er eindelijk in. De kanonik haastte zich, om, gehuld in het witte priestergewaad, bet H. Sacrament tot haar te brengen. Zoodra zij het teeken vernam dat het H. Sacrament in aantocht was, richtte zij zich op met inspanning van al hare krachten en zat overeind in bet midden van haar bed. De kanonik, in de cel gekomen , nam het Lichaam des Heeren uit de gewijde vaas en sprak tot de zieke terwijl bij bet baar toonde: Ziedaar uwen Zaligmaker, Die voor u beeft willen geboren worden en sterven. Bid Hem, dat Hij u bevrijde van uwe vijanden en uw geleider zij. Juliana vestigde een vurigen oogslag op het allerheiligste en antwoordde: Amen. Dit smeek ik ook voor mijne vrouwe. Na dit gezegd te hebben,
383
zonk haar hoofd neder op den rand der legerstede en blies zij den laatsten adem uit. Zij had geleefd en zij stierf in de aanbidding en liefde van haren Hemelschen Bruidegom in zijn H. Sacrament op Vrijdag ten drie ure, het uur waarop Hij zijn Goddelijk offer had voltooid. Het was de vijfde April van het jaar 1257. Juliana was 66 jaren oud. De heilige had gedurende haar leven het verlangen te kennen gegeven om begraven te worden in de cistercienser abdij van Villers, op de grenzen van Brabant, acht uren gaans verwijderd van Fosses. Zij had tijdens haar verblijf te Fosses een kloosterling van Villers, Gobert geheeten, uit het beroemde geslacht der graven van Apremont, leeren kennen. Zij had hem de zorg harer begrafenis opgedragen. Himene zond hem eene kennisgeving van Juliana's overlijden.
Nadat op Zaterdag de gebeden voor de overledenen bij het lijk waren verricht, en nadat op Zondag het lijk naar de kollegiale kerk was overgedragen en aldaar de ge-bruikelijke plechtigheden waren verricht, werd het lijk gevolgd door Himene en Ermentrudis, overgevoerd naar de gezegde abdij en aldaar den volgenden dag achter het hoogaltaar plechtig bijgezet. Zoo rustten dan de stoffelijke overblijfselen van Robertus van Torota en van de H. Juliana, die beiden zooveel voor de instelling van het feest van het H. Sacrament hadden bijgedragen in hetzelfde klooster.
Helaas! dat klooster en het marmeren graf der heilige is geheel en al verdwenen. Slechts eenige relieken van de H. Juliana werden in 1565 naar Portugal gezonden. Van daar werden zij door Antonius I weder teruggevoerd naar Parijs en later door diens zoon Emmanuel naar Brussel. Het waren drie gedeelten van de ruggegraat der H. Juliana. Zij werden door den Portugeeschen prins
384
in het jaar 1626 geschonken aan de kerk des allerheiligsten Zaligmakers te Antwerpen. Op den 20 Januari 1746 ontving van daar de kollegiale kerk van den H. Martinus te Luik eenige deeltjes van deze relieken. Het zijn dezelfde, die daar nog heden worden vereerd.
Indien de mensch met liefde de gebeenten en de overblijfselen eener beminde moeder in eere houdt, indien er een traan opwelt in zijn oog bij het zien van het graf zijns vaders, indien hij gaat bidden en nederknielen bij de groeve van een heiligen vriend, dan is het God die dit godvruchtige gevoelen in ons hart heeft gelegd, deze hoop op de onsterfelijkheid En waarom zou de Christen dan ook de overblijfselen niet in eere houden van Gods uitstekende vrienden, die zich verdienstelijk hebben gemaakt door godsdienst ea deugd, en die hem door God tot voorbeelden zijn geschonken.
i â