k@i |
Vak 22
gja^sl
Kris i^fe
' ** * *
r5 fs , Vv*
i ' t'v
4-.â¢â¢ ' ïK * q
.Av ' ^
, lt; * ^ v â
, J » , *â -. v? «
â ' ' T ji* * â1
i-;-ga^ipfi^
K^/^v#'ffi?SgS^;r.3SS
I
........
â¢â¢â¢â¢'. â .-â â¢-- -..f.' '.'-'';
MmM
⢠.... - 7^.:
I-V
âï-i-
â : /; . â . : :â â
-5
â * a. f. ^ ^ v - t
- m 4 Vgt;-'
.⢠; â ' ⢠quot;-V /- gt; -' f *\ quot; '
V-'-l H ' â '
gt; v ^ :- gt; ,3 \ ' â ' ' .*r-. ' ⢠*- amp; '-gt;â¢*⢠,v* -d' â 1 ^ v
-T' ^ *â¢â â¢- â '' Jk ' ' *gt;-⢠'?» â¢' .â .
#â ?'; #⢠'
- 4* - --,
*r %- C''- Wy;-gt;
»' '? '..lt;*; k»3»V- ⦠V,5 ^ »
;. ⢠- wgt;v.-»-.' '.
â V.-;. ... 4
X^.-. W'*** '-v ⢠' â
» ... - VV . * I».
- %f ;£*quot;v
*,
^ ^ 1' â
S Vi:
^ quot;V
' -i
-V
..rf;, , * ^ ^ -
â f ' *quot; ^ O lt;quot; * «'-quot;^ '
a ' v gt;. *
% ^ 'r,. . quot;'⢠^ ⢠- VU -l
X ⢠J % â¢â w . .
* /I - w , V-
1 ïgt; ,
' * ^
â v^ -â .lt;
'â ⢠j5v?i
:;CT
W*
- quot;ij
v«?, â¢quot;*â
â r^
' 'â 'â¢. * - f quot;â¢â
*.â « v .* .. ^ 1 *â¢
% i.
â %.
ift'
.f
.Ir ^ j4-' * â '
V;- -^
-} -
:
gt; .V ** â¢'â¢quot; /
«i?ï
â * ^ â f. , â¢Â»
â 4« » ' â¢gt;
« ⢠* . 4 â ââ gt;T -
.{ T- ,
. . ' â¦quot;=-gt; .^.i-
'â ⢠V .1.' «V-
. -i ^ *r
. gt;gt; ir,V gt; . gt;?
V ^ Jr â ^ J3k:fV? â¢/.⢠â â / ï â¢-
%â -*, .X â '*' /; *» ^ .%â¦. * * v * f .* 'fe^.
'.* # ^ l*/ *quot;\} y 'i* «^ ^ r.
H â¦. - ' ^ 41P ^ gt;⢠T* fl'
. â v *-quot; '-t- -^r.Ã ,
â â A. * %â¢gt;â¢â¦quot;⢠V *⢠-*C ^ ». ⦠lt; ja ^* 4 *. i# s- ** -«ai
^ â¢' ' -« :
quot;'quot;*. .X-'^
=* , 1 quot;e:
lt; ?. ^ . »A' * V
v 1»
v.-, . # 4
^ *
-SSf^ ^ *lt;l*k
DE SCHRIFTUUR quot;
BEWEZEN
uit de huidige ArÃaeologie
VAN
ASSYEIÃ, EGYPTE en PALAESTIITA,
DOOR
yy v-
(â
g. d. mm eik.
H- ^OUD-TESTAMENT.
Testimonia tua crcdibilia facta sunt nimis.
Uwe bewijzen zijn doorslaande gebleken. Ps. XCII, 5.
A. KUSTERS. â
Alkmaar. Æ j
/r
X.
N f t-AVyyfamp;fSl, amp; y'M . Hc '4ut4h
Aan God den Almachtigen Vader, Aan God den Alwijzen Zoon, ^an God den Genade-gevenden H, Geest; Aan God Drie-Een
e-'
3-. IDOI-.S, IT. E.,
Tuncjelroy-Weert, Feestdag der H. Drie-Eenheid IS'U.
BiblioL )3k M.'NDEt»quot; /QEÃERS WEERT.
J. J. c. /;j;;ent
Hoofd (ier St-iivul
y â¢jjeiroij (yieamp;i i)
. I
m
A
VOORWOORD.
De godsdienstvi'aag hofift zir-li in onzen tijd opgelost tot de/.e ééne vraag: »gelooven of niet gelooven.quot; Zij, die in onze eeuw niet willen gelooven, rekenen zich onder de verlichte mannen der wetenschap. Het is echter van alle kanten bewezen, dat de wetenschap de trouwste dienares des geloofs is; maar de wetenschap wil grondig onderzocht en niet kennis van zaken beoordeeld worden, want eene oppervlakkige kennis vooral in deze zaak. leidt meestal naar den verkeerden weg.
In ons werk »l)e Wetenschap voor de vierschaar van den Bijbelquot; hebben wij dit in algemeene beschouwingen bewezen, en klaar bleek het: gt;Deus scientiarum Dominus est.quot;' Het einde van dat werk luidde: gt;Met spijt moeten wij bekennen, dat uit het groote voorhanden zijnde materieel slechts het weinige genomen is, dat binnen het bestek van dit werk lag. Uit het overige hadden wij zeker nog eene schoone kroon kunnen vlechten, om die aan de voeten van den gekruist en Overwinnaar neder te leggen; misschien kan dit bij leven en welzijn, met Gods genade een andermaal gebeuren.quot;
Thans is dit »andermaalquot; gekomen.
In het werk, dat thans den lezer wordt aangeboden, bewegen wij ons vooral op het uitgebreide veld der ,.archaeologie,quot; die de wereld van onzen tijd verbaast door hare vruchtbare ontdekkingen. Deze tak der wetenschap, die hel physisch, geestelijk en zedelijk leven dor oude volken uit het stof der puinhoopen heeft opgedolven, en uit de ontdekte monumenten die volken ons voorstelt en beschrijft alsof zij nog onder ons woonden, deze wetenschap hebben wij getoetst aan do Schriftuur, en wij kunnen uitroepen: «Testimonia lua credibilia facta sunt nimis;quot; zij heeft de doorslaandste bewijzen voor de Schriftuur geleverd.
Moge de lezer met ons het schoone niet alleen, maar ook het nuttige, zelfs het in onzen ongeloovigen tijd noodzakelijke van deze studie inzien, mocht dit werk iets bijbrengen Ier verheerlijkiging van God en zijn H. Geloof, dan is onze moeite ruimschoots beloond.
Do Schrijrcr.
---O-O-----
INHOUD.
Biz.
Voorwoord................................................vu.
1 gt;lt;' ontdekliinsjfen.
Inleiding ................................................1
Hoofdstuk I. Euphraat en Tiger......................................4
» II. Ontdekking van Ninive..................................7
» III. Ontdekkingen te Babyion................................12
» IV. Schrift der oude volken................................15
Grenesis.
EERSTE AFDEELING.
Van de Schepi'ing tot Abraham.
Hoofdstuk I. De Schepping............................................20
» II. De aondenval............................................26
gt; III. Antediluviaansche menschen............................29
» IV. De zondvloed............................................31
* V. Ethnographische tabel van Genesis....................-ü
» VI. Toren van Babel........................................54
TWEEDE AFDEELING.
Abraham.
Hoofdstuk I. Ontdekkingen omtrent Abraham........................63
gt; II. Vaderland van Abraham. Tocht van Ghaldea naar
Palestina..............................................6-4
» III. AankomstvanAbrahaminPalestina.TochtnaarEgypte. 76
» IV. Overwinning van Abraham op Ghodorlahomor. ... 83
» V. Patriarchale zeden en gebruiken........................87
DERDE AFDEELING.
Joseph.
Hoofdstuk I. Algemeene beschouwingen over het leven en karakter van Joseph........................................97
X
Hoofdstuk II. Joseph als slaaf verkocht................................99
» 111. Geschiedenis van Egypte................................1.4
gt; IV. Joseph in het huis van Putiphar........................111
» V. Joseph in de gevangenis................................120
» VI. De pharao ten tijde van Joseph........................126
» VII. Joseph verklaart de droomen van Pharao............129
» VIII. Joseph als hoogste waardigheidsbekleeder............135
gt; IX, Joseph en zijne broeders................................136
⦠X. Josephs bestuur..........................................143
» XI. Dood van Jacob en van Joseph........................147
Exolt;lu.s.
EERSTE AFDEELING.
De HEBREëns in Egypte.
Hoofdstuk I. Het land Gessen..........................................151
» 11. De vervolging............................................155
gt; III. Geboorte en opvoeding van Mozes....................104
» IV. De plagen van Egypte..................................166
» V. Vertrek der Hebreërs uit Ramses......................177
» VI. De weg der Hebreërs naar de Roode Zee............179
» VII. Doortocht der Roode Zee..............................184
gt; VIII. Wondervolle eigenschap van den doortocht..........1H9
TWEEDE AFDEELING.
De Sinaï.
Hoofdstuk I. Het schiereiland van den Sinaï........................192
» II. Legerplaatsen in de woestijn............................194
» III. Het manna en de kwartels..............................197
IV. Raphidim..................................................202
» V. De berg Sinaï............................................205
» VI. De Hebreeuwsche godsdienst............................210
gt; VII. Kunsten en wetenschap...........,..........215
» Vlll. Vertrek naar de woestijn Pharan......................218
» IX. Hedendaagsche zeden op Sinaï..........................220
» X. Dood van Aaron en Mozes..............................224
.Tosuë en tie üecliters.
EERSTE AFDEELING.
Josuë.
Hoofdstuk 1. De verovering van Palestina............................226
» II. Graf van Josuë..........................................230
XI
TWEEDE AFDEELING.
De Rechters.
Hoofdstuk 1. Maatschappelijke toestand der Israëlieten..............234
gt; 11. Ofhoniël..................................................241
» III. Aod........................................................242
» IV. Debora en Barac........................................245
gt; V. Gedeon....................................................249
» VI. Abimeleeh................................................254
» VII. Jephte....................................................255
» VIII. Samson....................................................258
IX. Heli........................................................266
gt; X. Samuel.......................................260
Koningfen.
EERSTE AFDEELING.
DYNASTlëN.
Hoofdstuk I. Babylon en Ninive......................................272
» II. Israël......................................................277
TWEEDE AFDEELING.
Salomon.
Hoofdstuk I. Begin der regeering van Salomon......................280
» II. Innerlijk bestuur..........................................283
» lil. Voorbereiding lol den tempelbouw....................285
» IV. Tempel van Jerusalem..................................290
» V. Verdere werken van Salomon..........................295
⦠VI. Handelsbetrekkingen van Salomon......................297
gt; Vil. Zeehandel, Ophir........................................300
DERDE AFDEELING.
Van ue scheiding der tien stammen tot aan den val van het koninkrijk ISRAëL.
Hoofdstuk I. Roboam en Sesac........................................306
gt; II. De Assyriologie en de Schriftuur......................309
» lil. Eerste invallen der Assyriërs in Syrië en Phenicië. 310
» IV. De stéle van Mesa......................................313
» V. Salmanassar II. Joram en Jehu........................317
» VI. Eerste aanval der Assyriërs tegen Israël..............321
» Vil. Phul. Tiglath-Pilasar II..................................324
» Vlll. Ondergang van liet rijk Israël. Salmanassar, Sargon. 330
XII
Igt;e lgt;alliTi£gt;-scliap.
EERSTE AFDEELING.
EzECHlëL.
I. Gevaren voor den waren godsdienst van Israël
II. Zending der Profeten...............
III. Visioen der Cherubijnen.............
IV. Voorspelling van Ezechiêl tegen Egypte. . . .
#â .
à I
â gt;' â ' . |
r, -. 4
'â â ïj. -I fl
.u , a
TWEEDE AFDEELING.
Dasiül.
Hoofdstuk I. Zending en boek van Daniël.'..........................373
» 11. Opvoeding van Daniël....................................374
gt; 111. Eerste droom van Nabuchodonosor....................37(i
» IV. Het gouden beeld in de vlakte Dura..................379
» V. De muziek te Babyion..................................382
» Vi. De jongelingen in den vuuroven........................383
» VII. Krankzinnigheid van Nabuchodonosor..................385
» VIII. Opvolgers van Nabuchodonosor........................387
» IX. Baltasar..................................................390
» X. Het feestmaal van Baltasar..............................392
â gt; NL Daniël in den leeuwenkuil..............................394
Xll. Bel en de Draak........................................396
» X11L Cyrus. Einde der Babylonische ballingschap.....398
Narede....................................................402
VIERDE AFDEELING.
Van den val van Israhls ruk. tot aan de Babyloni sche uallinuschap. I
Hoofdstuk I. Ezeohias en Sennacherib................................342 hd
» II. Asarhaddon..............................................349 quot;
III. Assurbanipal..............................................351 -_.t-.
» IV. Judith en Holofernes....................................353 gSpl
» V. Ondergang van het Assyrisch rijk....................357 ^
» \rI. Nabuehodono.sor. Einde van liet rijk Juda............359
Hoofdstuk
Bi'
IÃ?; |
O ntdekkingen
INLEIDING.
Indien men een klaar oordeel wil hebben over de geschiedenis, dan moet men tot de oudste bronnen zijn toevlucht nemen. Waar echter die bronnen ontbreken of slechts ten deele aanwezig zijn, daar is men niet zeker, dat niet na korter of langer tijd verdichtsels en fabelen de plaats der geschiedenis innemen.
Hieraan ontkwam ook 'niet het land, eenmaal gesierd door de beroemde steden Babyion en Mnive. Het eenige ware, wat wij daaromtrent hadden, was hetgeen de Bijbel ons voorhield ; en dit werd nog veelal bestreden, om geen andere reden, dan omdat de Bijbel het verhaalde. Maar zelfs do Bijbel laat in de geschiedenis van dat land eeno groote leemte. quot;Want toen Abraham, de vader van het volk van Israel, dat land verliet, volgt de Bijbel hom door Syrië en tot in zijn nageslacht naar Egypte, om de geschiedenis van het Joodsche volk te verhalen in de woestijn van Arabic en in Palaestina, terwijl eerst weder van Babylon en X inive gesproken wordt, toen de koningen van dat land hunne vreesehjke rooftochten tegen Juda richtten..
âSaxa loquenturquot;, lezen wij, âde stecnen en rotsen zullen spreken.quot; Mnive en Babyion, alsmede vele verdwenen steden in Egypte zijn herrezen, en hunne steenen zijn het, die spreken, on die de klaarste getuigenis der Waarheid afleggen.
De
1
Wij zien tie trotsche steden van Assyrië herrezen, niet als eene verbeelding van onzen geest, niet in boeken en oorkonden, neen, zij staan daar in hare werkelijk wondervolle pracht en schoonheid van voor duizenden jaren, al is hot dan ook iu een eeuwig zwijgen van onder de puinhoopen te voorschijn gekomen. AN ij kunnen die oude prachtvolle zalen binnentreden, en nu na meer dan drieduizend jaren de hijbelsche voorstellingen betrachten, die zich in grooten getale in de koningspaleizen bevinden; terwijl uit al het daarbij gevondene zelfs een grondig oordeel kan getrokken worden omtrent de verhoudingen op geestelijk, zedelijk en staatkundig gebied.
De geschiedenis van dat volk en zijne vorsten uit die grijze oudheid, wordt ons onder de oogen gelegd iu eene onafzienbare rij van geschreven gedenkstukken.
Thans kennen wij geene geschiedenis der oude volken zoo goed als de Assyrische, welke voor een veertig jaren nog zoo goed als onbekend was.
Zooals wij weten, is Babyion nooit geheel on al uit de geschiedenis verdwenen; daartoe bracht zjjne godsdienstige eu wetenschappelijke beroemdheid te veel bij. Zelfs Alexander de Groote zou Babylon nog tot zijne hoofdstad gemaakt hebben, indien do dood dat plan niet had verhinderd.
Maar toen men in hare nabijheid de nieuwe hoofdstad Seleucia bouwde, en daarvoor het bouwmateriaal trok uit de gebouwen van Babyion, toen begon voorgoed de val dezer groote stad. liet is echter bijna niet te beslissen, wanneer Babyion ophield te bestaan, daar het nog gedurende de geheele middeleeuwen bewoond werd, en thans nog rust de ïurksche stad Hillah op een gedeelte van de oude beroemde hoofdstad.
Niet alleen aan Seleucia, maar ook aan Ktesiphon en Bagdad moesten de ledigstaande paleizen van Babyion hunne bouwstukken leveren; en nog tot op heden worden de steenen ervan opgedolven, om langs den Euphraat vervoerd, op andere plaatsen voor nieuwe woningen gebezigd te worden.
Men kan begrijpen, dat het na zulke verwoesting ontzaglijk
veel moeite, studie en ijver gekost heeft, om uit de verspreide brokstukken de geschiedenis van liet oud Chaldeeuwsch rijk op te maken; en toch, de volhardende ijver der geleorden heeft dit kunststuk verricht.
Met Ninive was het geheel anders gestold, omdat de âgroote stadquot; van Assur nooit eene andere dan staatkundige beteekenis gehad heeft. Haar alles vernielend en verwoestend geweld word slechts met verkropten haat verdragen; en zoo zien wij in do zevende eeuw vóór Chr. alle schatplichtige volken verbonden tegen haar opstaan, om die stad in 606 van den bodem te doen verdwijnen als ware zij in oenen afgrond verzwolgen; onder hare puinhoopon begraven bleef zjj vorder onopgemerkt.
Xenophon vond bij zijnen terugtocht een groote ruïne, maar vermoedde niet, dat daar eens de stad Xinive gestaan had. Toen Alexander de Groote met zijne krijgers naar Indië doordrong, dacht hij er niet aan, dat hij vlak langs Xinive trok.
Zoo bleef deze groote stad tot in onze dagen onzichtbaar en in vergetelheid; maar hierdoor juist werd zij voor een geheel verdwijnen gevrijwaard, daar de door de veroveraars achtergelaten puinhoopon de kunstwerken en kostbaarheden van hare paleizen bedekten, en aldus beschermden togen de roofzuchtige Arabieren.
De kennis door de opdelving van Xinive vorkregen is de sleutel geworden tot ontelbare geheimnissen, waarin voorheen do oudste geschiedenis der monschheid gehuld was.
Alvorens tot die oplossingen over te gaan, willen wij eerst eenige bladzijden, wijden aan den vroegeren toestand van den aardbodem nabij den Euphraat en den Tiger; dit zal ons ook in sommige gevallen voel klaarheid geven.
IIOOFDSTTK I.
EUPHRAAT en TIGER.
â Ilet land, waarin do gesehiedenis word afgespeeld der beide in Voor-Azië gelegene wereldrijken, is geheel en al afhankelijk van twee groote stroomen, den Euphraat (in de oostersche-talen ook Prat, Phrat of Forat genoemd), en den Tiger (ook Tigris), welke dat land in liet westen en in liet Oosten doorsnijden.
De Euphraat, de grootste rivier van W.-Azië, ontspringt in Arrnenie, vloeit zuidwaarts door liet Taurusgebergte en stroomt dan, Mesopotamië van Syrië en de Arabische woestijn scheidende, in Zuid-oostelijke richting voort, om zich bij Korna met den Tiger te vereenigen; waarop deze samen onder don naam van Schat-el-Arab (rivier der Arabieren) zich in de Perzische golf storten.
De Tiger ontspringt in de nabijheid, op een klein uur afstand van den Euphraat uit twee bronnen, scheidt het oude Assyrie van Mesopotamië, en vereenigt zich bij Ivorna met den Euphraat.
Ofschoon nu de Tiger en de Euphraat in elkanders nabijheid ontspringen, dwingt hen toch eene kleine verhevenheid van den bodem, hunnen loop in tegenovergestelde richting te nemen. Zoo vinden wij die stroomen weldra meer dan 370 kilometer van elkander verwijderd; en na ongeveer twee derde gedeelte van hunnen weg te hebben afgelegd, komen zij wederom tot op 50 K. M. bij elkander. Dan vloeien zij nogmaals van elkander af tot op 185 K. M. om zich eindelijk bij Korna op 150 K. M. afstand van de Perzische golf te vereenigen.
liet noordelijk tusschen beide stroomen gelegen land, heet jMesopotamiü, in de II. Schrift âAram naharaïmquot;, thans âel Dsche-sirehquot;. genaamd liet zuidelijk gedeelte met de vlakte op den
D
rechteroever van den Eupliraat, licet in liet oude Testament âSinearquot; ot' âSennaarquot;, gewoonlijk âChaldaeaquot; of' âBabyloniequot;. liet zuidelijkste gedeelte van Chaldaea is vroeger door de wateren van den l'orzischon zeeboezem bedekt geweest; deze wateren hebben zich teruggetrokken, waarbij op te merken valt, dat dit hier niet gebeurd is door de vorming oener delta, daar van deze geen spoor te vinden is.
De Eupliraat is een zachtvloeiende, statige en vischrjjke stroom; lijj is ook bevaarbaar, ofschoon watervallen in zijn bovenloop, en zandbanken in den benedenloop de scheepvaart zeer bemoeielijken, waarom dan ook van eigenlijke groote scheepvaart daarop nooit sprake geweest is. Do Tiger daarentegen is een woeste snelle stroom. Hij wordt op geheel eigenaardige wijze met vlotten bevaren, die op met lucht gevulde lederen buizen gedragen worden. Do bevindingen te Xinive hebben aangetoond dat dit voor drieduizend jaren eveneans geschiedde als heden.
Merkwaardig is het regelmatig wassen en vallen van do wateren der beide stroomen. Wanneer in Maart de sneeuw begint te smelten op de Armenische en Kurdische bergen, dan beginnen beide stroomen te zwellen en dit duurt voort tot in het midden van .Mei. J5ij den Eupliraat heeft een was plaats tot ongeveer vijf meter boven den gewonen stand, en deze blijft dan 30 tot 40 dagen onveranderd; terwijl het water van den Tiger reeds tegen liet einde van Mei begint te vallen. Het water van beide stroomen valt dan regelmatig tot in bet midden van September, en van dan af tot half October hebben zij den laagsteu waterstand. Daarna wassen en vallen zij nu en dan door den regen.
Dit wassen heeft bij beide stroomen eene verschillende uitwerking. De Tiger, die in eendiep bed tusschen hooge steenigc oevers vloeit, kan reeds veel water opnemen, eer hij buiten de oevers treedt, en eerst op het laatste vijfde gedeelte van zijne loopbaan treden zijne wateren geregeld jaarlijks naar beide zijden buiten hunne oevers. Bij den Eupliraat vinden Avjj eene geheel andere gesteldheid. Ternauwernood toch beeft hij de bergen beneden Kakka (nabij het oude Thapsakus) verlaten, of hij stroomt in de groote vlakte door uitgestrekte niergellagen en week krijt, waar-
uit liij cenc massa modder medevoert, die het verder gedeelte zijner bedding ophoogt. Buitendien zijn zijne oevers geheel vlak; niet zoodra heeft de stroom de vlakte bereikt, of de bedding kan het wassende water niet meer omvatten, en dit verspreidt zich onafzienbaar ver langs de beide oevers. 31 aar daar de modder ook de vlakte ophoogt, vooral het meest in de nabijheid van den stroom, zoo kan het water niet meer naar den stroom terug en blijft het gelieele jaar door in moerassige plassen staan. Deze moerassen strekken zich zelfs uit tot in de nabijheid van den Tiger, en dewijl deze ook langs zijnen benedenloop jaarlijks zijne wateren over de vlakte stuwt, zoo is thans het gelieele land, dat vroeger Sinear heette, niets anders meer dan eene vlakte vol uitgestrekte mocraspoelen en stilstaande wateren.
De bodem van Mesopotamiö en Sinear kenmerkt zich als alluvium, hetgeen zijn ontstaan te danken heeft zoowel aan eenc langzame opheffing van den bodsm, en het daardoor bew erkt terugtrekken van den zeeboezem, alsook aan de jaarlijksche overstroomingen. Deze bodem bestaat meerendeels uit met zand vermengde potaarde, leem en klei, welke boven eene gipslaag ligt en rijkelijk van hars doortrokken is.
Het klimaat is thans zeer verschillend en afwisselend, en nog meer wegens het ongezonde klimaat dan wegens de gesteldheid van den bodem is dit vroeger zoo schoone land thans eene wildernis.
Dit land stond nochtans vroeger in grooten roep van vruchtbaarheid, en deze was vooral toe te schrijven aan den ijver en het beleid, waarmede men eene algemeene bewatering van het land mogelijk maakte. Het was naar alle zijden met groote en kleine kanalen en grachten doorsneden, en men dwong den Euphraat langs dammen in deze zijn water over te gieten, waardoor tevens de overstroomingen voorkomen werden. Deze waterwerken, waarvan men nog heden overal do sporen vindt, waren werkelijke meesterstukken. Zij brachten buiten de vruchtbaarheid van liet land, ook nog eene gelieele verandering in de temperatuur teweeg. Door do onophoudelijke verdamping werd de gloeiende zonnehitte verkoeld, de onuitstaanbare winterkoude verzacht; het kon daarom niet anders of het weder moest veel regelmatiger zijn dan
7
thans, terwijl do geweldige orkanen en omveders van heden veel zeldzamer voorkwamen. Van zijnen kant droeg ook weder de weelderige plantengroei hot zijne bij tor regeling dor luchtgesteldheid.
Hot spreekt van zeiven, dat oone dichte bevolking noodig was om al die grooto werken uit te voeren en vooral om ze door hot gansche land in stand te houden. Toen dan ook dit gezegende land zijne zelfstandigheid ver.'oor, en de inlandsche bevolking onder den druk van het vreemde juk verminderde, werden de groote werken veronachtzaamd; eindelijk word alles verzuimd, de Euphraat ging zijnen gewonen loop, de overstroomingen deden haar gezag weer geldon, en het land werd wat hot thans is, eene onoverzienbare zeewoestijn.
In Assyrie vinden wij eencu geheel anderen toestand. Groote bergen en vele bergstroomen doorsnjjden het land voor een groot gedeelte. Ofschoon het aan uitzonderingen niet ontbreekt, hoerscht er over het algemeen een gematigd klimaat, liet land brengt nog overvloed van vruchten en zaden voort.
ILOOFDSTL'K li.
ONTDEKKING van NINIVE.
Ueeds sinds lange jaren haddon oen aantal eigenaardige heuvelen langs den Euphraat en den Tiger de opmerkzaamheid van reizigers getrokken; uit do wonderlijke gesteldheid ervan kwam meu op do gedachte, dat zij wel overblijfsels konden zijn van vergane steden. De belangstelling die men daaraan reeds wjjddo, werd eensklaps nog vergroot, door dat men brokstukken had gevonden van briksteenen mot een onleesbaar en onbegrijpelijk inschrift. Dat die toekeuen wel degelijk een schrift waren, bleek uit daarmede oenigszins overeenkomende inschriften, afkomstig uit de koningspaleizen te Porsepolis en uit de grafsteden der Persischo koningen. Daar de Europeanen echter steeds korten tijd in deze boven beschreven streken doorbrachten, kon er van geen grondig onderzoek sprake zijn.
8
Eerst do Engelschman Rich, ilio gedurende cenige jaren to Bagdad als resident de zaken der Oostindisehe Compagnie leidde, bracht zijne ledige uren door niet een ijverig onderzoek der puinvelden van Babyion en Ninivc. Zijne weinige opdelvingen niet eenige teekeningen der plaatsen zond bjj naar Londen voor het Britsch Museum.
Ondertussclien was men erin geslaagd do raadselaclitige inschriften to Persepolis to ontcijferen.
Do Fransche Regeering zond in 1842 den sedert dien tijd zoo beroemd geworden natuurvorschor P. E. Botta, als consulairen agent naar Mosul.
Mosul is eene handelsstad in noordelijk Mesopotamiö, op den rechter oever van den Tiger. Tegenover Mosul vloeit de kleine rivier Khoser, en zes uren lager, do groote Zab in den Tiger uit. Op de geheele tegenover Mosul uitgestrekte vlakte vindt men niets dan hier en daar eon dorpje van Xestoriaansche christenen; wel zwerven er Bedouïnenstammen rond, over welke do te Mosul resideeronde Turksche Pacha een soort van schijn-heerschappjj voert. Hot eerste, wat op die vlakte het oog moet treffen, zijn de hier en daar verspreide heuvels. A ooral vallen in het oog twee hoogten, die tegenover Mosul op de beide oevers van den Khoser uitsteken, en die in verre omgeving met een soort wal omringd zijn. De op den rechter oever van den Khoser gelegen hoogte heet Kujundschik, de andere, waarop zich eene moskee bevindt omringd van eenige huizen, heet Xebbi Junus, of graf van Jonas. Verder opwaarts langs don Khoser ligt links van Mosul, op oenen afstand van ongeveer vier en een half uur, een heuvel met een Chaldeeuwsch dorp, dat Khorsa-bad heet. Verderaf langs den Tiger, op een afstand van vijf uren, bevindt zich een kleine heuvel, dien de Arabieren Solamijeh noemen ; nog wat verder een grootero, genaamd Nimrud; nog verder, op ongeveer veertien uren van Mosul, vindt men op den rechteroever van don Tiger do uitgestrekte puinhoopon van Kalah Schor-gat. â Do menigte andere puinhoopon welke zich aldaar nog bevinden, kunnen wij wegens hunne geringe beteekenis, stilzwijgend voorbijgaan.
Dc U in üc Oost. talen spr. u uc.
I
9
â ])ij zijne eerste nasporingeii vernam Botta, dat do bewoners der Chaldeeuwsche dorpen liunne kalk uit bekapte en deels gebeeldhouwde steenplaten wonnen, welke zij uit die heuvels opdolven.
Terstond toog hij aan hot werk, maar na eouen arbeid van verschillende weken had hij nog niets anders ontdekt dan eenige baksteenbrokstukken, gelijk aan die welke Rich in Babyion go-vonden had. Daar het werk alhier niet aan zijne verwachtingen voldeed, verliet hij Kujundschik en ging naar Khorsabad, vier uren noordwaarts verwijderd van zijn eerste onderzoeksterrein.
De eerste opening, die hij door zijn volk op eono woeste plaats van den heuvel deed maken, legde eenen muur bloot, welke met
beeldwerk op albastplaten bekleed was: dit was de grondslag tot eene der schoonste ontdekkingen van onze eeuw.
Weldra kwam men tot de bevinding, dat deze heuvel, waarop Khorsabad stond, een kunstmatig opgevoerd platform was, waarop een uitgebreid gebouw gestaan had. Later ontdekte men dan ook, s dat dit gebouwd was door don in de schriftuur bij Is. XX, 1. ge
noemden Sargon (Sarrukin). Alles wat nu gevonden werd boe-; zonule liet grootste belang in. Do muren waren geheel bekleed
1 met albastplaton, waarop men keurig uitgewerkte voorstellingen
3 vond: don bodem vond men bedekt met inschriften, en onder het
!; puin waren alle merkwaardige voorworpen als opgeborgen, zooals
i zij eensdaags den bewoners van hot paleis toebehoord hadden, p â Thans was het oude Xinivo teruggevonden. â
ii In 1845 keerde Botta naar Europa terug met eene rijke ver-r zamoling Assyrisch beeldwerk en inschriften.
n Jn 1851 kreeg do architect Place, opvolger van Botta, van de
i- Fransche regeering in last, liet onderzoek van het gevonden paleis
i, en omliggende plaatsen door te zetten. Dozo ontdekte als het
gt; ware hot geheelo huiselijk leven dor oude bewoners, doordat hij
r, allo benoodigdheden vond voor hot huishoudelijk- en buitenleven;
i- de uit ijzer, potaarde enz. bestaande artikelen bevonden zich in
r- den besten toestand.
ig Bij de rij van beroemde ontdekkers mogen wij niet vergoten te
Ij- noemen Henry Layard, een Engolschman die do door Botta afgebro
ken onderzoekingen mot don meosten ijver in 1845 doorzette. Als mikpunt van zjjn onderzoek stelde hij zich den op vijf uren afstand van ilosul gelegen heuvel, genaamd Ximrud. Een zijner eerste
lü
en gewichtigste ontdekkingen was oen van die reusachtige gevleugelde gestalten, welke evenals in Persopolis, ouk in de Assy-rische paleizen, de portalen versierden.
Deze beelden hebben gewoonlijk het hoofd van een mensch, het lichaam van een leeuw of stier en de vleugelen van eenen adelaar, en zij zijn ongeveer drie meter hoog en even lang, en keiuig bewerkt. Deze figuren waren voor de Assysiers, zooals uit de verdere bevindingen blijkt, niet zonder beteekems, daar zij een zeker denkbeeld der godheid moesten weergeven. Als zinbeeld van verstand en kennis, gaven die oude volken aan die beelden een menschenhoofd; als dat der kracht, het lichaam van eenen leeuw, en als dat der alomtegenwoordigheid, de vleugelen
van den adelaar.
De door Layard ontdekte beelden sierden do portalen van een paleis, gebouwd door Salmauasser 1 in 1800 v. Olir. zooals de verdere opdelvingen bewezen. Dit paleis was in veel beteren toestand dan het te Ivhorsabad ontdekte, en een pronkstuk van bouwkunst. De vele zalen, vertrekken en gangen waren opgetrokken uit lucht-droge baksteenen, welke van beide zijden met gebeeldhouwde albastplaten bekleed waren. De bevindingen wezen zelfs aan, dat de platen onbewerkt waren aangebracht, en eerst na plaatsing gebeeldhouwd waren; en op deze was de geheele levenswijze der Assyriers voorgesteld; men vond erop voorstellingen van oorlogen en jachten, van offers en processies, van reizen te land en te water, familieleven, enz. Daarenboven vond Layard wapenen, helmen, bronswerken, vazen en in ivoor gesneden zaken. Maar nog merkwaardiger dan dit alles waren de ontelbare menigte schriften,
waarmede alles bedekt was.
Nu stelde Layard nog op andere plaatsen een onderzoek in; vooreerst in het nog lageraf langs den Tiger gelegen Kalah Scher-gat: hier vond hij eene ingemetselde bouwoorkonde, welke latei-bewezen werd te ziju opgesteld in 1130 v. Chr. door eenen koning
Tiglat Pilasar I.
Na eenigen tijd werd Layard naar Engeland terug geroepen,
en van daar naar Constantinopel geplaatst.
11
Do vele en gewichtige ontdekkingen door Layard openbaar gemaakt deden liet vermoeden rijzen, dat men daarin nieuwe ontdekkingen zou kunnen maken tot staving der onvervalschte waarheid der schriftuur, en andermaal werd Layard naar Assyrie gezonden, en van alle kanten werd liij thans gesteund.
Vooreerst deed lijj nogmaals een grondig onderzoek teKujund-schik, en het gelukte hem thans reusachtige bouwwerken bloot te leggen; deze werden later bewezen afkomstig te zijn van het paleis van Sennacherib, den belegeraar van Jeruzalem, en van dat van zijnen opvolger Asarhaddon.
Daarna zette hij zijn onderzoek door te Nimrad, op den Xebbi Junus, te Kalah Schergat, te Khorsabad, in de woestijn, tot zelfs in Armenië. En bij dit alles ontdekte hij niet alleen inschriften en beeldwerk, maar ook in werkelijkheid alle zaken, waarvan bij reeds op de albastplaten de teekeningen had gezien, als: alle soort handwerkgotuig, vazen, bronzen meubelen, weelde-artikolon, wapenen, paardentuig, gewichtstoonon, zelfs do gietvormen van ccnon goudsmid.
Bovenal van belang was echter de vondst van beschreven plaatjes en dat in zoo groot getal, dat zij op de meeste plaatsen oenen voet hoog den grond bedekten. Deze plaatjes zijn uit fijne potaarde vervaardigd, in elke grootte van af drie tot dertig centimeters in liet vierkant, on circa oenen halvon centimetor dik. In weeken toestand werden zij met een ti jn instrument beschreven, cu dan in het vuur gehard. Dit schrift is zeer fijn en met zorg bewerkt, en moot moestal door oen vergrootglas gelezen worden. Do moesten dezer plaatjes hadden veel geleden en werden bij hoopen in manden gepakt, zonder dat men oenigszins op rangorde of ligging lette, waaruit later do grootste mooielijkhedon ontstonden om ze te ontcijferen, toen men tot de ontdekking was gekomen, dat zij tot do volledig gerangschikte bibliotheek of boekerij behoorden van Assurbanipal, opvolger van Asarhaddon.
Mot dezen rijken schat beladen koerde Layard in 1852 naar Engeland terug, om zijne studio aan het gevondene door te zotten.
12
Ju Engeland was thans een gezelschap opgericht onder den naam van ,, Assyrian excavation fundquot;, hetwelk na de noodige middelen verzameld te hebben, den kolonel Kawlinson aan het hoofd der verdere werkzaamheden in Assyrie stelde. De geoloog Loftus met Ilormuzd Rassam legden in 1852 en 1853 het heerlijke paleis bloot, dat koning Assurbanipal in 600 v. Chr. gebouwd had. Alle vervoerbaro vondsten met do topographische teekeningen van Boutcher en Jones werden naar Londen vervoerd, en kwamen terecht bij de âSociety of Biblical Archeology.quot;
Een groeten naam in de Assyriologie verwierf zich George Smith door zijnen ijver in die studie; hij stierf echter in 1876 en Hormnzd Rassam zette zijn werk voort; dezes bevindingen waren oorzaak, dat de opmerkzaamheid wederom nicer op Babyion begon te vallen, omdat de steeds nog gevonden wordende litteratuur zeker alhier haren oorsprong scheen te vinden.
1IOOEDSTUK 111.
ONTDEKKINGEN te BABYLON.
De rijke schat van bevindingen te Xinive moest natuurlijk het verlangen doen ontstaan om ook op den bodem van liet oude Babel een dergelijk onderzoek in te stellen, en dat des te meer, omdat men niet gelijk te Xinive, nog eerst de plaats dier stad behoefde te zoeken.
Ofschoon de groote wereldstad Babyion sedert eeuwen langzaan was teniet gegaan, werd zij toch nog dikwijls door nieuwsgierigen bezocht, en daarom vindt men haar hier eu daar vermeld.
De Arabische aardrijkskundige, Ibn ïïaukal, beschrijft Babel, in het jaar 917 van onze tijdrekening, als een klein dorp. Een Perzisch aardrijkskundige zegt eenigen tijd later, dat van Babyion nauwelijks nog eenige puinhoopen te zien zijn. Benjamin van ïudehi verhaalt in de twaalfde eeuw, dat van Babyion nog alleen
IP.
do puinhoopen van liot palois van Nebukadnezar overgebleven zijn, maar dat niemand deze durft bezoeken wegens de slangen en adders, die erin huizen. De Engelschman Eldred, die in 1573 door Mesopotamië reisde, beschrijft Babylon als flde oude machtige stad, waarvan nog vele ruïnen te zien zijn; daarbij bevindt zich ook de toren van Babel, die den omvang heeft van eene (Engelsche) mijl, en bijna zoo hoog kan zijn als de St. Paul van Londen.quot; Rauwolf, die omstreeks dienzelfden tijd Babylon bezocht, maakt melding van overblijfselen van eene oude brug, van vestingwerken en van de ruïnen van den Belsteinpel. J Metro della Valle, die in 1G16 te Babylon was, beschrijft bet als eene verzameling van puinhoopen, die allen zoo met grond overdekt zijn, dat men er niet uit wijs kan worden; toch werd zijne opmerkzaamheid getrokken op den oostelijken oever van den Euphraat door eene groote vierhoekige massa, welke uit velerlei bouwmaterieel schoen te bestaan, die meer dan een vierde uur in omtrek had en zich kegelvormig verhief.
Wij zouden nog vele reizigers uit latere jaren kunnen noemen en hunne beschrijvingen aanhalen, maar dan blijft nog alles even duister; want de noodige klaarheid en zekerheid kon niet anders dan door onderzoek en opdelving verkregen worden.
Do eerste, die de puinen van Babyion wetenschappelijk onderzocht, was de reeds genoemde Bieb, in 1811. Hom volgde in 1818 Kor Porter, begeleid van don vroegoren secretaris * van Rich, Bel-lina. Beiden konden do opgaven van Rich verder uitvoeren, terwijl â¢Ie laatste zich nog bovendien verdienstelijk maakte door het verzamelen en bekend maken der voorhanden inschriften.
Koppel in 1824, Frasor in 1834, Wellsted in 1840 voleindden dit werk, en sedert dien tijd is het oude Babyion, wat zijn uiterlijk betreft, volkomen bekend.
^len hoopte echter in Babylonie, oven als in Assyrie vele en gewichtige schatten voor de geschiedenis eu kunst op te dolven. Maar na al do roovenjon der Arabieren was het begrijpelijk, dat te Babyion zelve niet veel bizonders zou te vinden zijn,
14
en daarom richtte men de opmerkzaamheid meer naar de overige oud-Chaldeenwsche steden. Dc eerste op dit terrein in 1850 was Loftus, welke weldra gevolgd werd door Layard. Daarna werden van Frankrijk uitgezonden in 1852, Fresnel, de architekt Thomas en de orientalist Oppert. In 1854 werden do hoofdruïnen van Babyion nogmaals aan een grondig onderzoek onderworpen door Rawlinson eu hij vond de bouw-oorkonde van koning Nebukadnezar.
Loftus onderzocht in 1853â:)4 do oude ruïnen der steden, welke bij de Arabieren den naam droegen van Sinkara eu A\arka; terwijl Taylor bezig was ter plaatse genaamd Mugeïr, Abu Schahrein en Teil el Lahm.
Midden in eene landstreek van zeeën, moerassen en half vergane kanalen, ongeveer twintig uren westelijk van Bagdad, op den rechter oever van den Euphraat, ligt de stad Itillah. I it allo gegevens is het onbetwijfelbaar zeker, dat dit het oude Babel is, bij de Grieken Babyion geheeten. De stad Ilillah wordt door niet meer dan 15,000 menschen bewoond, die eenen levendigen handel op den Euphraat drijven, en hierin gelijk ook in hunne buitensporige zeden, aan de vroegere bewoners dezer plaats herinneren.
De ruïnen van het oude Babel beginnen reeds op 14 K. M. noordelijk van Ilillah, en strekken zich op eene breedte van ongeveer 20 K.M. op beide oevers van den Euphraat zuidwaarts nog 10 K.M. verder over do stad heen. Onder al de ruïnen, die zich op deze groote uitgestrektheid bevinden, verdient vooral vermelding de Birs Nimrud, d. i. de toren van Nimrod, van welke Ritter zegt, dat zij âde verhevcuste en alleroudste ruïne is van den gebeden aardbodem.quot;
Wij zullen later gelegenheid hebben hierop terug te komen, en ter gelegener tijd van den oorsprong en herkomst dezer ruïnen melding maken.
HOOFDSTUK IY.
SCHRIFT der OUDE VOLKEN.
Do Hebreërs en clo Assyriërs, beide afstannnende van Sein, liebben eenon gemeensebappelijken oorsprong; liunne voorvaders bewoonden lietzelf'de land en voerden eenzelfde levenswijs. .Met Abraham verliet het geslacht van Heber dat land, en kwam niet eerder met deszelfs bewoners weer in aanraking, dan toen do Israëlieten met de Assyriërs in oorlog kwamen, en door het wapengeweld van Nabuchodonosor in ballingschap werden gevoerd naar het land, vroeger door hunne voorvaderen bewoond.
Daar alzoo deze beide volken in de oudste tijden in nauwe aanraking leefden, moesten de zeer vele gedenkstukken en meer nog de geschriften door de Assyriërs nagelaten, en gelijk wij gezien hebben, door Gods beschikking zoo wondervol bewaard, ons veel omtrent die tijden openbaren.
Ongelukkigerwijze was echter de sleutel van dat oude schrift verloren gegaan, en men had reeds geheele boekerijen van geharde beschreven plaatjes gevonden, eer men iets ervan kon verstaan.
Gelijk wij weten, waren de Hebreërs onder den oudvader Jacob naar Egypte getrokken, en hadden zich aldaar tot een volk ontwikkeld. Dit land moest dus ook eene bron van ophelderingen nopens de Israëlieten voor ons worden. Hier ook vond men vele gedenkstukken en daarenboven vele inschriften; maar ook van deze was wederom de sleutel verloren.
Het was echter aan een genialen man gegeven het geheime schrift dei- Egyptenaren te ontcijferen. Deze groote en beroemde man was Jean Francois Champollion, geboren te Figeac in 1790 on gestorven te Parijs in 1832. Aan dezen geleerde is de oplossing der Egyptische hiëroglyphen te danken; hieraan offerde hij zijne gezondheid en zijn leven, maar alvorens den jongsten snikte geven, kon hij op zijn sterfbed aan zijnen broeder zijne âGram-maire Egyptiennequot; dicteeren, en aldus zijn werk bekronen.
Hiëroglyphen zijn afbeeldingen van alle soort van voorwerpen,
16
ontleend aan allo rijken der natuur en zelfs aan de verbeelding. ^ Daarenboven onderscheidt men in het hiëroglyphisch schrift de v phonetische teekens, waardoor afzonderlijke klanken der taal | worden aangeduid, en dc ideographische teekens, welke niet uitgesproken worden, maar ter nadere bepaling dienen. Die taal bevat n meer dan drie duizend teekens. Brusch, Gr. hier. 1. () Lang reeds voor dat men aan de ontcijfering der hicroglyphen e dacht, had men zich in Europa reeds bozig gehouden met het ge- j heimzinnige schrift der Assyriërs. ], De Franschen noemen het ('er If ure ciniéiforme, de Duitschers s Iceilschriff, hij ons gewoonlijk sonskricf. g De oplossing van hot sanskriet had echter niet vóór het hiëro- v glyphisch schrift plaats, en ook was er geen geest als die van Champollion, om met oenen enkelen blik die teekens te doorschou- ^ wen. En toch heeft men denzelfden weg van Champollion moeten inslaan om tot eene goede oplossing te komen; menlieeft nl. eene i, vergelijking gemaakt tusschen de drietalige inschriften van Persé- 1 p polis en Déhistoun; en zoo is liet eindelijk gelukt lieden hetsans- y kriet te verklaren. si AVjj willen hier niet de namen der ijvervolle mannen opsommen, ü die zich op dit gebied verdienstelijk hebben gemaakt, daar zij nader- ][ hand in dit werk op verschillende plaatsen zullen voorkomen. ]j
___d
- di
De schrijfwijze, welke de Babyloniörs en de Assyriërs gebezigd Vl
liebben, was niet door hen, noch door een ander volk van Semiti- d,
schon oorsprong uitgevonden, /ij was afkomstig van een volk, dat oi
eene geheel andere taal sprak, een volk van Chamitisclien oor- m sprong, Eenigen noemen deze oudere taal arcadisch, anderen
sumerisch. zi
De Assyriërs namen alzoo deze reeds geheel volmaakte schrijfwijze over, ofschoon de lettergrepen in de Assyrische taal geen te beteekenis hadden. De ontdekking van den oorspong der sanskri- va tische teekens hebben wij te danken aan Oppert. Ãi De sanskritische boeken, waarvan wij meermalen zullen melding op maken, zijn coctïles laterculi, zooals Plinius ze noemt, llist. nat. to VII, 5G, d. w. z. baksteenen of platen, geheel plat of vierkant, bu van gebakken aarde, die op beide kanten met sanskritische teekens
beschreven zijn. Dit zeer fijn en dicht in elkander staand schrift werd op de weeke klei aangebracht en dan in het vuur gebakken.
De Assyriërs gebruikten geen papyrus, gelijk de Egyptenaar^, noch bereide huiden, gelijk de bewoners van Pergamus, de Grieken of de Romeinen; maar hun land leverde hun klei in overvloed, en daarvan maakten zij als het vare hun papier. Hieraan is het te danken, dat hunne zoogenaamde boeken de eeuwen getrotseerd hebben en onder ons bereik zijn gekomen; immers zulke stof weerstond aan water en vuur, eu al ziju zij dan ook niet geheel ongeschonden gebleven, toch geven zij ons getrouw de gedachten weder, die zij voor eeuwen hebben opgenomen.
Daar de Assyriërs hunne gebouwen optrokken uit ongebakken briksteenen of zelfs uit opgetaste klei, maakten zij de muren 2 tot (j meters dik om hun de noodige sterkte te geven. Alleen de bedekking der muren was in gebakken baksteenen. De zalen der paleizen, ter lengte van ongeveer 30 meters en ter breedte van 8 meters, waren bedekt met beeldhouwwerk in bas-relief en inschriften op albasten platen; alleen van boven ontvingen zij hun licht. De vertrekken hadden geen vensters en hadden geen ander licht, dan dat door de deuren of openingen in het plafond aangebracht, doordrong. Wanneer zulke huizen instortten, dan verbeeldden zij niots meer, dan een aardhoop. Indien de gewelven, die de platte daken steunden, bezweken, dan viel alles in de binnenvertrekken neder; dan loste de regen het klei der muren op, en de brandende hitte van den zomer deed alles tot stof overgaan eu maakte daarvan een vaste massa, en deze was een veilige mantel, waaronder de basreliëfs, do inschriften en plaatjes der boekerijen eene veilige schuilplaats hadden. Zoo beschermd zijn zij tot onzen tijd bewaard gebleven.
Omtrent de beschreven plaatjes of tabletten dient nog vermeld te worden, dat elk daarvan een nummer droeg en als een blad van een boek diende, omdat liet steeds tot zekere serie behoorde. Om een punt van aansluiting te hebben, bevonden zich onderaan op elke tablette de beginnende woorden van de volgende. Wat tot een boek behoorde, was van eenzelfde grootte. Eenige boeken besloegen meer dan honderd tabletten.
De koninklijke boekerij van Niuive bevatte volgen Sayce, onge-
o
veer tion duizend beschreven tabletten; daarin waren verhandelingen over godgeleerdheid, sterrenkunde of sterrenwichelarij; geschiedenis, natuurgeschiedenis; spraakkunst en lexicographic; aardrijkskunde of ruwe teekeningen van landen, steden, rivieren, bergen en volken. Over deze boekerijen waakte een bibliothecaris, die tevens de catalogussen ervan opmaakte, en den naam droeg van nis dtip-pisati, man der beschreven plaatjes.
Het is ten zeerste te betreuren dat de boekerij van Assurbanipal zoo schrikkelijk veel geleden heeft. De brand van zijn paleis te Ninive is zoo hevig geweest, dat de meeste plaatjes in stukken zijn gesprongen, cu naderhand hebben de roofgierige Arabieren in hun zoeken naar goud en kostbaarheden, er ruw onder huis gehouden. Birch zegt ons in zijne Trans, of the Soc. I dat reeds meer dan twintig duizend stuks fragmenten ervan te Londen zijn. Sedert is dit getal nog aanzienlijk vermeerderd, maar men berekent dat nog slechts de helft ervan bijeen is.
Al blijven tot nog toe leemten bestaan, die hoe langer hoe meer door de ijverige nasporingen worden aangevuld; liet is desniettemin aan al die schoone ontdekkingen te danken, dat vele geheimen reeds ontsluierd zijn, en zoowel de gebeeldhouwde gedenkstukken alsook de beschrevene, hebben onze kennis ten zeerste vergroot.
De Assyrische vorsten lieten de verhalen hunner tochten inschrijven op kolommen, op kantzuilen of cylinders en deden deze nederleggen in de fondamenten van tempels en paleizen, of achter het beeldhouwwerk dat hunne muren sierde; met verwondering hebben de Assyriologen de namen erop gelezen van de koningen van Israël en Juda, alsmede het verhaal der gebeurtenissen aangehaald in den Bijbel.
In de sanskrietsche boeken vinden wij de gesehiedenis der Assyrische koningen met hunne veldtochten tegen Israël, gelijk zij ons in de 11. Schriftuur worden aangehaald, o. a. van Phul of ïeglathphalasar, Salmanasar, Sargon, Sennachérib, Assaraddon; zelfs de naam van Nabuchodonosor, de overwinnaar van Jerusalem, is in de ruinen van Babyion teruggevonden.
Xemen wij nu hierbij nog de Egyptische ontdekkingen, die ons zulke schoone inlichtingen bezorgd hebben, om beter en klaarder
19
onze Heilige Boeken te verstaan, clan kunnen wij zeggen: God heeft ten rechten tijde, in deze eeuw van diccdingen, de dooden uit het (jruf doen opstaan om yetniyenis der Waarheid te geven.
Met doel van dit werk in de archeologisclie ontdekkingen van onzen tijd aan te halen tot staving der schriftuur, in zoover zij o]) deze betrekking hebben.
Alle moeielijkheden zijn door de egyptische en assyrische gedenkstukken nog niet opgelost, maar die bronnen zijn ook nog ver van uitgeput; vele opdelvingen moeten nog gedaan worden, vele geschriften moeten uog ontcijferd worden, ja vele duisterheden in het gevondene nog opgelost worden, dus de oogst is nog groot en de uitkomst is en blijft:
âGods woord staat onfeilbaar vast.quot;
Genesis
EERSTE AFDEELING. Van de Schepping tot Abraham.
HOOEDSTUK 1.
DE SCHEPPING.
Even gelijk do Bijbel, zoo ook klimmen do oorkonden van Assyrie op tot aan het begin der wereld.
Op de eerste bladzijde van Genesis lezen wij:
//In het begin schiep God hemel en aarde; maar de aarde was vormloos en ledig, en duisternissen waren over de oppervlakte van den afgrond. Den eersten dag schiep God het, licht. Den tweeden dag scheidde hij tie wateren van het uitspansel van de wateren onder liet uitspansel. Den derden dag schiep hij het plantenrijk. Den vierden schiep hij zon, maan en sterren. Den vijfden de visschen en de vogelen; den zesden de dieren dezer aarde en eindelijk deu racnscli.quot;
Dit is de korte inhoud der zes scheppingsdagen.
Het latijnsche inarm et vacua, is in het hebreeuwsch: tohu va-bohu, en wordt gebezigd om het chaos uit te drukken. De Assyriers, ofschoon van Semitischen oorsprong, vervielen reeds vroegtijdig tot het heidendom, en bij hen vinden wij van hot bijwoord holiii reeds een zelfstandig naamwoord gemaakt, en tot godin verheven onder den naam Bahu, de godin van de chaos. Cun. Inscr. of W. Asia, pl. 59 1. 27; Sayce III, S3. â Ook de oorspronkelijke afgrond
'21
ahi/sxns trhuni werd in do Assyrischc mythologie dc godin Tihavti.
â Berosus, geboren ten lijde van Alexander den Groote, en priester van den tempel van Bel te Babylon, had in drie boeken eene belangrijke Chaldeeuwsche Geschiedenis geschreven, geput uit do bronnen der nationale tradities in de groote boekerijen van Babyion, Ongelukkigerwijze is zijn werk verloren gegaan, en wij bezitten ervan hok slechts ceni^e stukken, aangehaald door oude
o O 7 O
schrijvers, vooral door Eusebins van Césarea. Volgens dien geschiedschrijver kwam in het eerste jaar der wereld, uit de Erythraeische zee (Roode zee) een dier met verstand begaafd. Dit monster was te gelijk mensch en visch. Een visschenhoofd kwam uit boven zijn menschenhoofd, uit zijnen staart kwamen menschenvoeten, en het sprak de taal der menschen. Men noemde dat monster Oannès.
Het beeld van Oannès als hier beschreven is op assyro-chaldeeuwsche gedenkstukken teruggevonden, Layard, Xin. and its Rem. II, 406; en Nin. and Bad. p. 348 en 350. Smith, Diet, of the Bible I, 381.
Dat monster leefde overdag op aarde onder de menschen en leerde hun de letteren, wetenschappen en kunsten; bij den ondergang der zon stortte liet zicli wederom in de zee, waarin het den nacht doorbracht. Oannès schreef een boek over den oorsprong der dingen van den volgenden inhoud:
//Er \viis een tijd, waarin alles duisternis cu water was, cu in dit mid-10 . . . .
deu ontstonden jilotsoling monsterachtige dieren en zeer bizondere wezens;
meuschen met twee vleugelen, en eenigen niet vier, met twee aangezichten,
met twee hoofden, het een van eeu man en het andere van eene vrouw
ios op eeu lichaam, en tegelijkertijd van twee geslachten; menschen met pooten
en en hoornen als geiten, of met paardenvoeten; anderen met het achterlijf van
en eeu paard en het voorlijf van een meuseh, gelijk aan den hippoeentaurus,
lag Ãok waren er stieren met meusohenhoofdcu, honden met vier lichamen en den
3ii, â staart van ceuen visch; paarden met, hondenhoofdeu; insgelijk mensehen met hon-
â de (lenhoofden; dieren met het hoofd eu lichaam van eeu paard eu den staart vau
eenen visch; andere viervoetige dieren waarin alle vormen van dieren vermengd
waren, onder dc meest, verschillende afwisseling, zooals hunne heelden ze
JIU weergeven op de schilderingen in deu tempel vau Bel (Belus). Eene vrouw,
genaamd üraoroca bestuurde deze schepping; deze heet in de Chaldeeuwsche
taal T/avvalh, hetgeen in het Grieksch //de zeequot; beteekeut; men vereenzelvigt
''0'' liaar ook met de maanquot;.
ids //Toen dit aldus bestond, kwam Belus eu kapte de vrouw in twee
Ier deelen: van de onderste helft van haar lichaam maakte liij de aarde, vau de
ja bovenste helft deu hemel, en alle wezens die in haar waren, verdwenen.
nd
22
Dit is eeue figuurlijke wijze om de voortbreuging van liet lieclal en van dc bezielde wezens uit liet natte stof uit te drukken. Alsdan sloeg Bolus zicli zijn eigen hoofd af, de andere goden kneedden het bloed, dat uit hein stroomde met de aarde en maakten daarvan de mensclien, die hierom met verstand begaafd zijn en deel hebben aan dc. goddelijke gedaehte. Nadat Belns, dien de Grieken verklaren door Zeus, aldus de duisternissen gescheiden had, deelde hij den hemel en de aarde en regelde dc wereld; en al de wezens, die dc werking van het licht niet konden vcrdr.igen, vergingen. Bel us die de vruchtbare aarde verlaten zag, beval aan een der goden hem het hoofd af te staan, en het bloed dat eruit vloeide, met dc aarde knedende, gaf hij het aanschijn aan dc mensclien, alsook aan dc dieren die in aanraking met de lucht kunnen leven. Daarna schiep Bclns ook de sterren, dc zon, dc maan en de vijf planetenquot;.
Tot zoover Berosus. De Assvro-clialdeemvselie ontdekkingen bevestigen dit verhaal. Wij vinden op de babelsche cylinders meermalen Bel-Marduk of Bclus, dn beschermgod der hoofdstad, afgebeeld met het zwaard in dc hand, waarmede hij dc godin van den dood en van den chaos heeft doorgekapt. Deze godin Bclit-Tihavti, Gricsch Omoroca, heet ook in het assyrisch Um-Uruk of moeder der stad Uruk (Erech), de stad der dooden bij uitnemendheid, het groote doodenveld van het oude Chaldaea. Fr. Lenormant, Ess. de coinin. de Bcr. 88; F. Layard etc. â Ook het overige van liet verhaal van Berosus wordt door de bevindingen gestaafd.
Wat echter onder de latere ontdekkingen van bizonder belang is, is de door George Smith in de boekerij van Ninive ontdekte, cn op het einde van 1875 door hem openbaar gemaakte zoogenaamde Chaldeeuwsche Genesis. Deze is een heldendicht in tien gezangen of op tien tabletten, bevattende de oorspronkelijke geschiedenis der wereld cn der menschheid; zij heeft zeer veel overeenkomst met het Bijbelverhaal, zooals ook met de Joodschc cn Christelijke overleveringen; en ofschoon Smit er een geheel van gemaakt heeft, blijft het toch nog onzeker of daarin werkelijk sprake is van het werk der zes dagen, van het oorspronkelijk geluk der mensclien, van den zondenval in het Paradijs enz.; want geen enkel dezer tabletten was ongeschonden en van sommigen zijn zeer groote stukken verloren.
Hetgeen Smit ontdekt heeft, dagtcckent van den tijd van Assur-banipal, omstreeks het jaar 670 v. Chr. en dat heldendicht was nog een afschrift van eenon veel ouderen tekst, afkomstig van Chaldaea, zooals erbij opgeteekend staat. Omtrent den tijd van
I'S
hot orgineel stuk is niets zokor, dan dut; het van vóór Abraliam dagteekent. Smith, The Chahl. ace. of (ren. p. 20, 144, en Smith Delitsch. Die Chald. Gen. p. 90 en/..
liet eerste tablet is het beste bewaard, Fr. Kaulen Ass. u. Bab. 158; daarom is do inhoud hiervan geinnkkeljjk weer te geven. De nummers geven de regels aan. Daarop luidt het:
1. Van oudsher heette, hoven niet hemel,
2. En wat, onder op aarde was, had geeuen naam;
3. Want een ledige afgrond opende zicli, dat was hun oorsprong.
4. Ecu chaos was het meer, dat alles voortbracht:
5. Do wateren stroomden tezamen in eéne plaats.
6. Ecne duisternis was het zonder lielitkloof, een stormwind zonder rust.
7. Van vroeger heen waren de goden nog niet,
S. Een naam werd niet genoemd, een lotgeval niet bestemd;
0. En er werden voortgebracht de goden,
10. God Lahmu, God Lahamu bestonden (alleen)
11. Tot dat zich vermeerderde (hun getal)
12. God Assor en Kissor werden tucu geschapen
13. En lange dagen verstreken...
14. De God Auu...
15. De goden Assor en...
(liet overige is verloren)
Het is verwondelijk dat wij iüer, evenals in alle oude cosmogo-niën en wjjsgeerige stelsels, niet liet denkbeeld vinden van den scht'iipenden God, maar wel van eenen bcttierenden God; terwijl overal min of meer doorschemert, dat men aannam dat liet stof van eeuwigheid bestond. Drioux 1, Ti}.
Ook vinden wij op tie aangehaalde gebakken plaatjes, niet de leer van het geloof aan éénen God. Xochtans was dit zeker het oorspronkelijk geloof der bewoners van Chaldaen, en hiervan bestaan meerdere bewijzen in de Assyriologie.
\ au den anderen kant is het zeker dat de aangehaalde plaat de eerste was van het heldendicht, omdat men op de keerzijde ervan leest:
1. Eerste plaat van Emima elis.
2. Paleis van Assurbanipal, koning der volken, koning van Assyrië, enz. âEnuma elis la nabü samamuquot; zoo begint het heldendicht.
âVan oudsher iieette boven niet hemelquot;. Alzoo duidde men door de aanhaling der eerste twee woorden het begin van een geschrift aan. De drie volgende platen van het heldendicht zijn verloren;
24
lint vijfde bestaat nog cu komt overeen met den vierden dag van Genesis. Hot luidt:
]. Hij scliiep do woouplaatson, zeven iu getal, voor cle groote godeu,
2. en woes aan de sterren, die zijn zouden de woningen dor zeven
3. Hij schiep den omloop van het, jaar en verdeelde hem in decaden.
4. En voor elk der twaalf maanden, stolde hij vast drie sterreu.
5. Van af deu dag waarop begint het jaar tot aan zijn einde.
0. Hij wees zijne woonplaats aan den god Nibir, opdat de dagen zich
vernieuwen iu hunne grenzen,
7. Opdat zij niet worden verkort, noch onderbroken.
S. Hij plaatste ter zijde van deze do woonplaats van Bel en van Hea Ã. Eu opende de groote deuren in de zijdeu, bij de hoeken;
10. Hij bevestigde de sigar ter linker cu ter rechter;
11. Op de vier vlakke zijden bezorgde hij trappen.
12. Xannar (de maan) werd gelast te verlichten deu nacht,
13. Eu hij deed hem zich vernieuwen om te bewimpelen den nacht en om te doen duren den dag.
14. //Maandelijks, zonder ouderbreking, vul uwe schijf.
15. //In het begin vau de maand, moet de nacht heerschen,
10. «De horens zullen zijn onzichtbaar, want de hemel vernieuwt zich.
17. //Den zevenden dag zal zich vullen de sehijf van rechts uaar links,
18. //Maar er zal open blijven, in de duisternis, de helft.
19. //. . . de zon zal zijn in de diepten des hemels bij uwe opkomst,
20. //, . . ontplooi uwen vorm;
21. //. . . wend u om te hervinden den weg der zou,
22. r. . â de duisternis, keer terug naar de zon.
23. //. . . zoek den weg der zou
24. //. . . en ga onder, volgens de eeuwige wettenquot;.
De tekst hiervan is uitgegeven door Fox Talbot, Trans, of te Soe. etc 438â438; de vertaling door Oppert, Fragm. de cosm. chald. 2,3.
Een overblijfsel der zevende plaat beantwoordt aan den zesden scheppingsdag:
1. In dien tijd de goden in hunne vergaderingen schiepen ._ . .
2. Waren weldoende de groote monsters . . .
3. Zij maakten levende schepselen . . .
4. Dieren dör velden, beesten der velden, en kruipende dieren der velden, 3. Zij ervan maakten levende schepselen.
J)ezc verdeeling der dieren in drie klassen, is gelijk aan die der schriftuur Gen. 1, 25. Vertaling en tekst der plaat: Delitzsch. Chald. Gen. 29!). 300.
Do platen waarop gesproken wordt over de schepping van den
25
mensch, zijn zoozeer geschonden, dat er geen samenhangend verhaal uit te maken is. Daarom achten wij het beter zo hier weg te laten, en niet dat vennoedel ijk verhaal aan te halen: wij willen zekerheid en niets twijfelachtigs.
De zevende dag gold ook bij de Assyriers als rustdag, maar werd beduid met mini Ihiunii, slechte dag. AVij lezen op een plaatje:
2S. Zevcude dag.....van Merodach en van Zarpauit, gewijde dag,
29. Slechte dag. De koning der groot,c volken
30. Moet niet eten het vleesch vt-u Tinti, do dadels;
31. Hij moet niet verwisselen de kleeding van zijn lichaam;...
32. ... Offeren offeranden. l)e koning op eenen wagen moet niet. . .
Omtrent deze plaat: Cuneif. Inscr. of W. AsiaII, 33 en I\r, 32.
Deze zoogenaamde Chaldeeuwsclie Genesis van den tijd van Abraham, komt in zeer vele punten zeer nabij aan de Mosaische Genesis. Uit latere aanhalingen zal blijken dat een overgroot gedeelte van het Chaldeeuwsclie volk, waaronder Abraham leefde, reeds in diepe afgoderij vervallen was, toen deze, die het voorvaderlijk geloof zuiver bewaard had, zijn land verliet. Door Abraham kwam alzoo de zuivere overlevering tot Mozes, en de aangehaalde platen bewijzen, dat Mozes niet een verdicht verhaal heeft geschreven, maar de zuivere waarheid, welke hij overigens ook niet ontleend kan hebben aan de Chaldeërs of Assyriers.
Hier zou men wel iets kunnen bijbrengen over de opsporingen omtrent het Paradijs. Men kan niet zeggen, dat men ooit tot eenig resultaat zal komen; hetgeen ook goed te begrijpen is, daar de wateren van den zondvloed bijna een jaar lang op den aardbodem her- en derwaarts woelden, en alzoo wel het geheele aanschijn der aarde kunnen veranderd hebben. Zelfs al worden op hoogerc ingeving door Mozes de vier stroomen genoemd, die men heden nog meent terug te vinden, dan blijft het nog de vraag of met die woorden dezelfde stroomen bedoeld zijn. Euphraat is immers niets anders dan Frat = stroom; Tigris = snelstroom enz.
Daarom willen wij liever onze aandacht wijden aan het voorgevallene in het Paradijs, en zien hoe dat bevestigd wordt in Assyrië.
26
HOOFDSTUK II DE ZONDENVAL.
Alsvorens over den zondeval in nadere bizonderlieden te treden, willen wij hier eerst liet opschrift aanhalen van eenc plaat die zich in het liritsch Museum bevindt, die ook door Delitzsch is uitgegeven in zijn Ass. Lit.t., en die door Talbot vertaald wordt als volgt:
Het begin ontbreekt
1. Driemaal sprak liet goddelijk wezen deu aanvang van een loflied.
2. De god der heilige liederen, de aangebedene en geprezene heer,
3. Beriep duizend zangers en verzamelde het choor,
4. Dat in zijn loflied duizendstemmig inviel.
5. Met luiden sehimproep daar onderbraken zij den heiligen zang,
(5. Stoorden, verwarden het heerlijk loflied.
7. Doch de god met de stralende kroon, om de zijnen te verzamelen,
8. Stiet plotseling in de bazuin, welke dooden oproept,
9. En zij weerden de oproerige geesten (tot) den terugkeer:
10. Een einde maakte hij hunnen dienst en zond hen naar de goden, die hem vijand waren.
11. In hunne plaats schiep hij inenschen;
12. De eerste, die leven ontving, verwijlde bij hem.
13. Moge hij hun kracht geven, zijn woord nooit te misachten,
11. Niet op der slange roep te hooren, die zijne hand gemaakt heeft!
15. Zoo verstiet de heer van den goddelijken zang van zijne vijfduizenden die duizend goddeloozcn,
16. Die midden in zijnen hemelschen zang boozen spot aanhieven.
17. De god Assur, die de boosheid der goden gezien,
18. Die, om oproer te stichten, van hunnen bond geweken,
l'J. Weigerde, met hen te gaan.
Wat hier bij dit plaatje vooral opmerkenswaard is, is dat de Assyrische schrijver op den rand heeft aangemerkt dat de verschillende benamingen: het goddelijk wezen, de god der heilige liederen, de heer, enz. alle namen zijn van één en dezelfde godheid. Kaulen, Ass. U. Uab. 1(15.
Dit tablet toont ons weer duidelijk, dat de Assyriers de leer aankleefden van het geloof aan éénen God, en duidelijk vinden wij er de overlevering van den zondenval der engelen.
Gen. IT, 9 lezen wij dat God in het midden van liet paradijs geplant had den boom des levens, en den boom der kennis van quot;-oed en kwaad.
O
In de tot heden openbaar gemaakte sanskrietsche schriften vinden wij niet uitdrukkelijk melding gemaakt van den boom des levens; daarentegen zjjn de afbeeldingen ervan op Babelsche beeldhouwwerken, schilderingen en gebakken cylinders menigvuldig. Delitzsch. Clmld. Gen. 304. A. Layard, id. F. Layard. Bech. etc; Botta, Mon. de Xin. 150. Fr. Lenormant, llist anc. de l'Orient I, 33, 34.
Schrader, Seniit. und Bab. I, 124, 125 zegt: âGelijk men ziet, ontmoet men zeer dikwijls op de assyrische gedenkstukken eenen gewjjden boom, dien men naar zijn voorkomen oordeelende terstond voor een cypresbootn hield; op eiken kant van dien boom staat een priester, in zijne hand eenen pijnappel houdend en den boom vereerend. Omdat het hout van dien boom niet aan bederf onderworpen is, volgt eruit dat liij het onvergankelijk leven moet verbeelden. Dit blijkt ook duidelijk uit de aanwezigheid der priesters, die naast hem in aanbidding staan, en nog meer uit de volgende omstandigheid; op de ontdekte lijkkisten van ar ka, thans bewaard in het British Museum, ziet men steeds eene cenigc voorstelling, het is die van den boom des levens; deze kan niet anders dan het eeuwig leven, de onstertljjkheid beduiden.quot;
Waar wij dien pyramidalen boom ook aantreffen, steeds vinden wij er hooge personen bij in aanbidding, priesters, koningen, gevleugelde geniussen enz.; terwijl meestal boven den boom een gevleugelde schijf is aangebracht als zinnebeeld van den oppersten God; op andere plaatsen is hij nog omringd van het sterrenbeeld de Groote Beer, de zon of de maan. Dit alles duidt ons aan, dat die boom een verheven zinnebeeld van den godsdienst moest voorstellen.
Niet alleen het boek Genesis, maar alle naburige volken der Assyriers, hebben hunne overleveringen nopens het Paradijs en dien boom. De Indiërs noemen hem Kalpavrikscha, Kalpadruma of Kalpataru, âboom der verlangens of der toppunten.quot; fngelijks vinden wij hem zoo bij de Perzen (Iraniërs) en bij de Mendeërs, waar hij Setarvan heet.
In de door Felix Layard uitgegeven verzameling komt een zeer
28
oude babylonische cylinder voor in cliloriot schiefer. Daarop staat een boom met horizontaal uitgestrekte takken, waaraan twee dikke vruchten hangen, en waarvoor twee personen, een man en eene vrouw tegenover elkander gezeten zijn. Achter de vrouw bevindt zich eene slang. Die slang staat recht op haren staart en kruipt nog niet. Layard en O. Smith behoefden ons die voorstelling niet te verklaren; voor iedereen is het duidelijk dat hier de zuivere schriftuur wordt weergegeven, vooral daar wij hier de slang, het serpent zien optreden, dat toen nog niet met den vloek Gods beladen was.
Deze heilige boom, welken de Chaldeërs dikwijls ook den naam geven van palmboom, vinden wij soms door geniussen bewaakt, dus door geesten of engelen; en uit dit feit valt niets op te werpen tegen de gevolgtrekking, dat dit nauw overeenkomt met Gen. [1 [, 24, waar gezegd wordt, dat God voor hot Paradijs Cherubijnen plaatste, om te bewaken den weg naar den boom dos levens.
Hier valt nog op te merken, dat de Cherubijnen, van welke dikwijls spraak is in de schriftuur, evenzeer veelvuldig voorkomen in Assyrie, ten minste wat den naam betreft. Op de hoeken dor deuren in de paleizen van iN'iiiive bevinden zich reusachtige beelden, nl. gevleugelde stieren met menschelijk aangezicht; deze zjjn als de bewakers en beschermers beschouwd, zooals blijkt uit een kanthoekig opschrift van Assaradon; waarop hij, over deze dieren sprekende, zegt: âDe wakende stier, die de kracht van mijn rijk en den naam van mijne eer beschermt.quot; â Welnu, deze beelden worden in het sanskriet geheeten, nu eens âAlapiquot; dan weer Kirubi.quot; Hiervandaan, dat men zelfs de deuren, waaraan zij tot versiering dienen, den naam gaf van Kirubi. â Deze Kirubi droegen bij de Assyriers een bovennatuurlijke beteekenis, zeker om de onder hen voortlevende overlevering der Cherubijnen als bovennatuurlijke wezens. Omtrent dit bovennatuurlijk kenmerk hebben wij zekerheid uit de volgende ontdekking: Men heeft te Kujundschik een gebeeldhouwde muurplaat gevonden, waarop onder de leiding van Sennacherib zulk een beeld ter bestemde plaats wordt opgericht; op het hierbij gevoegd opschrift bevinden zich twee ideogrammen, waarvan het óéne luidt: alapu, stier, en hot andere sidu, godheid.
20
at
ee :
en HOOFDSTUK TIT.
iw
irt ANTEDILUVIAANSCHE MENSCHEN.
jr-
ier
tie Nadat Adam en Eva uit het paradijs verdreven zijn, verhaalt
ek de Grenesis de geboorte en geschiedenis der eerste menschenkin-
doren Caïn en Abel.
un Hieromtrent is tot heden niets in de assyrologie ontdekt, maar kt, wel heeft het sanskriet ons opheldering gegeven omtrent de beer- teekenis der namen.
net Het hebreeuwsehe Habél werd vroeger altijd vertaald door:
lijs ijdelheid, wat hot ook kan beteekenen. In hot assyrisch is op
om menigvuldige opschriften bij de eigennamen het woord habal ontdekt, en dient telkens om zoon, kind uit te drukken.
Ike Sillem, Das alte Test. etc. 10 zegt: Het is een bewezen zaak,
ion dat alle semitische talen, behalve liet assyrisch, het oude woord,
der waarmede men zoon (habal) uitdrukte, verloren iicbben. Het be-
3el- houd ervan in Genesis pleit voor de hooge oudheid van dit boek.
«ijn Habal of Habal = Abel.
een De oudste zoon van Adam en Eva heette Caïn, en beteekent:
ren verkregene, vrucht. Dit woord vinden wij als qin terug in de
rijk taal van Ninive en Babyion waarin liet beteekent: irat mm bezit,
den | een slaaf.
eer In liet assyrisch hebben wij dachni, dad mé en adinii ommensch
aan te teekenen. Delitzsch, Chald. Gen. 304. Den naam Eva vinden
leze wjj terug onder dien der godin Ava, leven; dien van Cham in
nis, den god Kairai; dien van Sein in den god Samu; dien van Chus
non in den god Kusa. Pinzi, Ric. per lo stud, etc 532.
lerk _____
fc te |
11 quot;l1 Van af Adam tot Noë , d. i. van de schepping van den mensch
quot;^1 tot den zondvloed, telt de schriftuur tien patriarchen. De chal-
11 ideeuwsche overleveringen spreken ook van tien koningen vóór
| Ln den zondvloed. Niet alleen bij de Assyriers, maar bij alle oudste volken vinden wij hun begin bij tien oudvaders. Ann. de phil. leliret. 183G, p. 113, 105. Hij de Iraniers zijn het de tien vorsten
0
30
Peischaildin; hij de Hindoes de negen Brahmadikas, die met. Brahma vereenigd, de tien Pitris of vaders genoemd worden; bij de Germanen en Scandinaviers, zijn liet de tien oudvaders van Odin; de Chineezen tellen tien keizers van goddelijken oorsprong; de Arabieren tellen tien eerste koningen Aditen, enz. enz. Kern Eik. De wetenschap enz. 81.
Ook vinden wij bij al die volken, tot zelfs hij de inboorlingen van Amerika, eene langen levensduur voor die tien antédiluviaan-sche patriarchen opgegeven.
Berosus sprekende over de Babelsehe overleveringen, gaf eenen ontzettend langen levensduur aan ieder dier tien koningen, volgens zijne telling der saren, welke hij elke voor 3,600 jaren neemt. Hiervan zegt echter Mozes van Khorene, Armenisch geschiedschrijver, omtrent het verhaal van Berosus over de tien chaldeeuwsche koningen: âDe oude schrijvers hebben de namen veranderd alsmede den levensduur der antédiluviaansche patriarchen, hetzij uit louter gril of om eene andere reden; en wat zij ons omtrent den oorsprong der dingen mededeelen is een mengsel van waarheid en leugen; sprekende b. v. over het eerst geschapen wezen, maken zij van hem eenen koning, in plaats van eenvoudig eenen niensch. zij geven hem eenen naam zonder betee-
kenis, en kennen hem 30,000 jaren toe.....Hetzelfde is het
geval met Noë.quot; Moz. v. Khor. Hist, d' Arm. I. 4.
Omtrent den duur der saren of tijdperken der Babyloniers is opmerkenswaard, wat ons Suidas in Lex. III. 289 verhaalt; âDe Sareu, zegt hij, gebruiken de Chaldeërs voor een maat en voor een getal. Volgens de telling der Chaldeërs zijn honderd twintig saren 2,222 jaren, want de sare bevat 222 maan-maanden, dus zij staat gelijk met 18 jaren 6 maanden.quot;
Volgens deze gegevens krijgen wij eene wondervolle overeenkomst van do telling der Chaldeërs met de schriftuur.
ai
|
Patriarchen |
'/aj gewonen |
tljop. van |
i l |
CiiAr.nEEüwsciiE | |
|
i)ek |
voi |
jgens |
18 .1 aken |
k.on.voorZosdvl. | |
|
schriftuur. |
Vul®. |
Septuag. |
en (i maand. |
volgens UeROSUS. | |
|
Adam. |
130 |
230 |
185 |
10 |
Aiorus. |
|
Seth. |
105 |
205 |
56 ^/o |
3 |
Alaparus. |
|
Enos. |
90 |
190 |
24073 |
13 |
Almelon. |
|
Caïnan. |
70 |
170 |
222 |
12 |
Ammenon. |
|
Malaléel. |
05 |
165 |
333 |
18 |
Amegalarus. |
|
,Tared |
162 |
162 |
185 |
10; |
Daonus. |
|
Henoch. |
05 |
165 |
333 |
| 18' |
Edoranchus. |
|
Mathusalem. |
187 |
167 |
185 |
10 |
Amempsinus. |
|
Lamech. |
182 |
188 |
148 |
8 |
Otiartes. |
|
Noë |
G0Ã zdv |
600 zdv |
333 zdv. |
18 |
Xisuthrus. |
|
Totaal |
ÃGSÃ- |
2242 |
222Ã |
120 | |
In Chaldaca vinden wij ook menigmaal melding van de reuzen bij Gen. VI, 4. Zij worden genoemd gelijk in den hebreeuwschen tekst gabru of yibor. Ook Abydenes spreekt uitdrukkelijk van de âeerste menschen, verhoovaardigd door hunne kracht en grooten lichaamsbouwquot; Fr. Lenormant. Ess. de Comm. de lier. '540. Eusebius, Chron. f, c. VI11.
HOOFDSTUK IV.
De Zondvloed.
Onder de overleveringen omtrent het oudste menschdom, neemt ile Zondvloed eene eerste en Algemeene plaats in bij alle volken, (r. I). Kern Eik, De wetenschap enz. 71 â 78.
Alvorens do Assyrische ontdekkingen hierover na te gaan, willen wij eerst een blik werpen op Egypte.
82
In Trans, of the Soc. of Bibl. Arch. IV, vinden wij melding van de schepping, zooals de oude Egyptische gedenkstukken haar verhalen. Dit stuk is vertaald door Ed, Naville, Ree. of the past VI, 109 en luidt:
//Gezegd door de majesteit, ran God: Dat ecu veld van ruste zich uitstrekke;
eu daar verhief zich eeu veld van ruste. Dat dc planten daar groeien ; en daar verhief zich het, veld der Aalu. Ik stelde (er) als bewoners al dc wezens, die opgehangen zijn in den hemel, de sterreu.quot;
//Osiris is de schepper van de aarde, van het water, van dc planten en van de dierenquot; Cliabas. Rev. arch 1857, Verder lezen wij;
//Hij heeft gemaakt deze wereld met zijne hand, hare wateren, haar uitspansel, haar plantcurijk, al hare kudden, al hare vogelen, al hare visseheu,
al hare kruipcudc diereu en hare viervoetige dieren.quot;
Wij vinden dus melding van al het geschapene, behalve van den mensch. De schepping van den mensch wordt gewoonlijk aan Num of Chnumis toegeschreven. Volgens Chainpollion, Lett. d'Eg, et de Nub. stelden de Egyptische tradities den oorsprong van alle natuurlijke zaken in het hemelsche water.
â Van den âboom des levensquot; vinden wij bij de Egyptenaars slechts voorstellingen op de hjkmonumenten. Het heerschend denkbeeld was, zooals ook uit andere gegevens blijkt, dat de boom des levens niet meer op deze aarde groeide, en dat men de vruchten ervan plukte hiernamaals in eene betere wereld.
â Gelijk de overlevering der schepping bij de Egyptenaars zeer onduidelijk is, zoo levert ook die omtrent den Zondvloed niet ^ ^ zoo veel bizonderheden op als bij alle andere oude volken. Xoch- ^ ^ tans hebben wij van hen een opschrift van Seti 1, gevonden te Thebe, en uitgegeven door Ed. Naville in Trans, etc IV l.e, v. Hierop roept Ra, de oudste goddelijke koning de goden tesamen rj en zegt hun: c|ia
//Gezegd door Ra aan Num: Gij, de oudste der goden, uit wien ik ge- ver!
boren ben, en gij, oude goden, ziet de menschen die uit. mij zeiven geboren joni
zijn; zij brengen woorden uit tegen mij, zegt mij wat. gij op dit voorstel va]1
doen zult: ziet, ik heb getalmd en ik heb hen niet gedood, alsvorens uwe ^ ^ woorden gehoord te hebben.quot;
«/Gezegd door de majesteit van Num: Mijn Zoon Ra, god grooter dan die- ||
gene die hein gemaakt heeft en dan diegene die hem geschapen hoeft, ik volg
blijf vol groote vreeze voor u; dat gij zelf overdenket in uw eigen. jjj
oen wa:
geh
./Gezegd door tic majesteit van Ra: Ziet, zij vluchten weg in hun land, ^
en luiuue harten zijn verschrikt...
3:5
«Gezegd door de goden; Dat nv.' aanschijn liet veroorlove eu dat men treffc deze meuschcn die sleelito plannen smeden, uwe vijanden, en dat niemand besta onder lien ...
«Deze godin... vertrok, en zij doodde de niensclu n op de aarde ... En zie, Secliet, gedurende vele nachten, trapte onder de voeten hun bloed tot aan de stad Heracleopolis.
De wraakzucht van Ra bekoelde.
,Men deed vruchten in ronde vazen . . . met het bloed der meuschcn, en daarvan maakte men drank zeven duizend kruiken.quot;
,/Gezegd door de majesteit van Ha: Dat is goed zoo; ik ga de mensehen beschermen ter wille daarvan.quot;
«Gezegd door Ra: Ik hef mijne handen op bij deze gelegenheid, dat ik niet meer zal dooden de mensclien.quot;
Dit offer vau vruchten en bloed dat Ra bevredigt, en hem eene belofte doet uitspreken gelijk aan die van Genesis Vlil. 21 en IX, 11, was bereid door den Sekti van Heliopolis. Na deze offerande leest men verder:
, i)e majesteit van Ra, de koning van Opper en Neder Egypte, beval te midden van den nacht te gieten het water uit de vazen, en de velden werden heel en al met water vervuld, door den wil van dezen god. De godin kwam des morgens en vond de velden vol water. Haar gelaat werd erover verblijd, en zij dronk iu overvloed en ging verzadigd heen. Zij outwaarddc geene menschen.quot;
Vervolgens ziet men weder eenige menschen, ten bewijze dat niet allen waren vergaan.
De aanhaling der velden met water overstroomd, is zeker i oene zinspeling op de jaarlijksclie overstrooming van den Nijl, ' waarvan het geluk van Egypte afhangt. Overigens blijkt uit dit \ geheele opschrift, dat van de overoude overlevering van den Zondvloed bij de Egypteuaars slechts eene flauwe, onbestemde herinnerins: meer over was.
Treffender dan de Egyptische monumenten, zijn voor ons de chaldeeuwsche overleveringen. 1 n deze vinden wij een tweëerlei [verhaal nopens den Zondvloed. liet eene nl. dat van Berosus, is [jonger dan de Genesis van ^Fozes; het andere, nl. bet gedicht Ivan izdubar is vóór Mozes tijd. Laten wy eerst het verhaal van Berosus nagaan.
Grehjk wij op de tabel van het voorgaand hoofdstuk zien, was [volgens Berosus, de tiende antedilnviaansche koning Xisuthrus, in wiens 333ste jaar de Zondvloed plaats greep. Kern Eik. De wetenschap enz. 74 en 75.
i
3
I
u
Ket verhaal van Berosus, aangehaald door Eusebius, cn verklaard door Fr. Lenormant, Ess. etc. 2G(), 2G1, luidt: bei
»l)e groote overstroomiiig had plaats onder Xisutlirus, eu hieromtrent luidt lan
do gosoliiodenis in do gewijde oorkonden. Cronos versoheeu hem in zijnen uit slaap, cn kondigde hem aan dat den vijftienden van de maand Daesins alle menschen zouden vergaan door eene overstroomiiig. Daarom beval hij hem te nemen het begin, het midden eu het einde van al wat hem bij geschrifte te bewaren was gegeven en dit te begraven in dc stad van de Zon te Sippara;
daarna eeu schip te bouwen eu zich daarin te begeven met zijne familie en liet zijne dierbaarste vrienden; daarin aan te brengen voorraad van spijs eu noe drank, en er binnen to doen gaan do diereu, vogelen en viervoeters, in ]-01 ééu woord alles in gereedheid te brengen voor de scheepvaart.... Xisutlirus ^ gehoorzaamde en bouwde eeu schip, lang vijf stadiën eu twee breed; liij verzamelde alles wat voorgeschreven was en scheepte zich in met zijne vrouw, ,ct zijne kindoreji eu zijne dierbaarste vrienden. De zondvloed opgekomen zijnde jeu en weldra afnemende, liet Xisutlirus eenigo der vogelen los. Deze gevonden A hebbende uooh voedsel, noch plaats om te ruston, kwamen terug naar ijj,! het schip. Eenigen tijd daarna gaf Xisutlirus hun op nieuw de vrijheid; maar ..j, zij kwamen nogmaals terug naar het schip met do klauwen vol slijk. Eindelijk, ten derden male losgelaten, kwamen de vogeleu niet meer terug. Dan be-greep Xisutlirus, dat de aarde ontbloot was; hij maakte eeue opening in het :|0U(1 dak van het schip, en hij zag dat dit vastzat op oenen borg. Hij steeg dan ilaiK uit mot zijne vrouw, zijne dochter eu eeneu stuurman, vereerde de aarde, Sg^j. richtte con altaar op en offerde er aan de goden; op dit oogonblik verdween ^ hij met hen, die hem vergezelden.... Van het schip van Xisutlirus, dat 'â eindelijk stil stond in Armenië, bestaat nog een gedeelte in do Gordyeonsol.e bergen in Armenië, en de pelgrims nemen het asphalt mede, dat zij afgoschrabt hebben van het wrak; men bedient zich ervan om don invloed gep der betooveringen af te weren.quot; iloni
Dit verhaal heeft eeue treffende gelijkenis met den Mozaïschen t\\ ij
zondvloed. â De Hebreeuwsche tekst zegt, Gen. VIII, 4, dat de feclu
ark rustte op de bergen van Ararat; Berosus zegt âin Armenië.quot; 187
Lenormant, Ess. enz. en Oppert, Exp. eu Mesop. beweren, dat in saiu
den oorspronkelijken Babclschen tekst, waaruit Berosus zijn ver- Eest
haal geput heeft, ook stond: de bergen van Ararat, omdat de al- afsc
gemeen gebruikte naam voor Armenië op de sanskrietsehe inschriften kotii
steeds luidt: âUrartiquot; of âArartiquot;; deze naam was bekend bij de pat
Hebreërs eu als zoodanig onbekend bij de Grieken en Latijnen; S'erli
en Berosus (2(JÃ v. Cli.) schreef zijne Babyl.-Chald. geschiedenis flar
in het Grieksch. De H. Ilierouymus, ten volle op de hoogte der leidt
Joodsche uitleggingen, heeft daarom vertaald: de bergen van Volk
Ararat door Armenië. |e'uJ
1
35
ver- Hierbij moet editor opgemerkt worden, dat er staat: âop de
bergen van Araratquot;, en dat er in den oorspronkelijken tekst geen
luidt land genoemd wordt. Bolden heeft het eerst als zijne overtuiging
jueu nitgesproken, dat hot Ararat van den zondvloed hetzelfde is, als
aquot;e het Aryavarta, gelegen ten noorden van den Ifindostan; en deze
'lem meening wordt heden algemeen aangenomen. Daaromtrent wijst riftc
Lenormant, Ess. etc. 299â300 naar Gen. XJ, '2. âEn als zij van iara; ' _ _ T
B en het Oosten uitgingen, kwamen zjj in de vlakte van Sennaar. Wan-
s en neer wij aldaar een der hoogste punten zoeken, waarop do ark
*gt; i'1 kon blijven rusten, dan vinden wij de toppen van den Indo-Kusch,
'irus lof veeleer nog de bergen nabij welke de Indus zijnen oorsprong ver-
m\v heeft, en alwaar ook de oudste volken van Azië, nl. de Hindoes
judc |on de Perzen, de wieg van het menschdoni stellen.
idcn Wanneer men die meening wil houden en de hoogten van den
naar Indo-Kusch (jf Hindou-Khouch in het oude Aria of het huidig njk van Herat plaatsen, dan komt dit wel is waar niet overeen
i ' jinet den naam Armenië, maar wij weten daarentegen ook, dat de
het joude volkplanters meermalen den naam van hun verlaten vader-
oan -land aan hunne nieuwe woonplaats gaven. Kern Eik. De weten-
rde, Isehap etc. 50 enz.
rean d'it
scl.c
zij Berosus verzekert ons, dat hij zijn verhaal van den zondvloed loed geput heeft uit de gewijde oorkonden der boekerijen van Baby-ionie; na de huidige ontdekkingen is daaromtrent dan ook alle
; o O
lien Itwijfel opgeheven. Een dergelijk boek, op gebakken kielplaten ge-de jBehreven, is ontdekt en openbaar gemaakt door George Smith in ë.quot; |1872. Het is een met veel moeiten uit zijne brokstukken weer tin samengesteld heldendicht, in twaalf zangen of twaalf platen, toe-er- geschreven aan Sin-liei-unnini. Dit gevonden heldendicht is een al- afschrift, in do zevende eeuw v. Chr. gemaakt op bevel van den ten koning van Ninive, volgens 'een zeer oud oorspronkelijk stuk, de dat in de stad Erech bestond. Van wanneer het oorspronkelijk 3n; verhaal dagteekent is niet bekend, maar volgens eenparige vernis klaring der geleerden, is het van vóór Mozos; deze hooge oudheid Ier loidt men af uit het aanwezig zijn van zeer oude schnjfteekens, 'an welke in het afschrift nog op eenige plaatsen gebezigd zijn, waarschijnlijk zoo afgeschreven, omdat de afschrijvers den zin dier tee-
I
3G
kens niet verstonden. â Dit stuk is alzoo een Assyrisch werk. Naderhand heeft Hornmzd Rassam een niet Assyrisch, maar Chaldeeuwsch afschrift gevonden, verschillend wel is waar in schrift van liet eerste, maar juist van denzelfden inhoud. Sayce, Smith's Chald. Acc. of Gen. p. TUI.
Men heeft den naam van den held, bezongen in dit dichtstuk, nog niet kunnen ontcijferen, daarom heeft men hem volgens de accadische teekenen Izdubar genoemd. Smith beweerde reeds dat met deze teekens de bjjbelsche Ximnul werd bedoeld, en naderhand verklaart Haupt, met philologische zekerheid te bewijzen dat die naam naar zijne semitische waarde genomen Xamrutu moet gelezen worden.
De held van dit epos verschijnt als koning van Erech (vgl. Gen. X, 10). In het begin verschijnt een godenpaar, Dumuzi (de bjjbelsche Tammuz of Adonis) en zijne gade Istar, als heerscher over Zuid-Babylonie of Sumir en hun verblijf houdende te Erech. Na den dood van Dumuzi veroveren de Elamiten onder hunnen koning Humbaba den troon en liet rijk der godin weduwe. Dan komt do ((Ik kume jugcr reed* alom bekende held Izdubar de benauwde Sumeriers te hulp. Xadat hij als bewijs zijner dapperheid eenen krachtigen leeuw met zijne hand heeft gewurgd, gelukt het hem voor zij iie zaak den verafwouenden ziener Eabani te winnen, en met vereenigde krachten verlossen zij Erech van den Elamitischen indringer. Izdubar bemachtigt den troon, en vol verwondering voor hein, biedt Isthar hem hand en hart; maar trotsch wijst de held dit van de hand. Istar werd over deze weigering uiterst vertoornd, steeg daarop teu hemel en bad haren vader Anu, ]iaar eenen stier te bezorgen als werktuig barer wraak tegen Izdubar. Anu bevredigt haren wil: maar Izdubar en Eabani trekken met een krijgsbende op het dier los ; Eabani houdt het vast bij den kop en den staart, en Izdubar doodt het. Alsdan spreekt Istar van de hooü-te van den stadsmuur den vloek uit over Izdubar; maar liet volk jubelt om zijnen nieuwen vorst. Daar aldus liet plan der verbitterde godin verijdeld was, nam zij het besluit in de bel neder te dalen, om aldaar de machten tegen Izdubar op te roepen. Maar eene stem waarschuwt haar en roept haar dringend toe, niet naar de onderwereld af te dalen, maar te vergeefs; want door haat en ijverzucht verteerd wil zij liever alles trotseeren.
H7
Als Istar do eerste ileur der onclerwerekl is binnengetreden,
ontneemt de wachter ervan haar tie kroon, en zoo wordt haar aan elke der zeven poorten een deel van haar sieraad ontnomen.
Eindelijk wordt Istar weggevoerd mot eene loelijke ziekte aan hare «ogen, zijde, voeten, hart en hoofd. Daarop houden de goden raad om haar te hulp te komen. Op hun bevel wordt over Istar het water dos levens uitgegoten, en zij wordt uit do onderwereld verlost.
Tot hiertoe hebben wij den verkorten inhoud van het heldendicht gegeven; hier is oene grooto leemte wegens de verbrokkelde
cn verdwenen stukken der plaatjes. Vit do volgende blijkt, dat ' {|
eindelijk Anatu de smart van Istar wreekt op Tzdubar, doorhem eene vroeseljjke ziekte over te zenden. De pijnen dezer ziekte zijn dubbel lastig voor Izdubar, omdat ook nog zijn vriend Eabani gestorven is. â Hier weder eene leemte. â Izdubar verlaat zijn koninkrijk en begeeft zich in de woestijn naar zijnen voorvader Hasisadra, die wegens zijnen vromen levenswandel onder de goden is opgenomen; mot dezen wil hij spreken en beraadslagen. Xa veel mocieljjkhodon is Izdubar bij Hasisadra aangekomen. â Tot hiertoe de korte inhoud van tien plaatjes. ââ
Xu verlangt Izdubar te weten hoe Hasisadra ontstorfelijk is geworden, waarschijnlijk met het doel die eer ook to verwerven.
Xu verhaalt Hasisadra aan Izdubar de geschiedenis van den zondvloed. In deze vinden wij meer dan in elk ander bekend verhaal der oude volken, do bizonderheden in treffende overeenkomst mot Mozes. \ olgens Kaulen Ass. u. Bab. 158 heeft Lenor-mant klaar bewezen, dat de zich in het land aan de monden van don Eupliraat bevindende Hasisadra, oen en dezelfde persoon en beteekonis is, als do bij Berosus genoemde Xisuthrus.
Hier volgt het verhaal in zijn geheel volgens Smith:
Ml ill
Kolom I.
9. Geopeubaard worde u, Izdubar, do kennis mijner redding.
10. Verkondigd worde u de beschikking der goden.
11. De stad Surripak kent gij, aan den Eupliraat ligt zij.
12. Deze stad is oud. De goden woonden daar.
13. Eenen vloed aan te richten, was de drijfveer hunner harten,
14. Allen, zooals zij daar waren; hun vader Anu (Oannès),
15. Hun demiurg (do wereldbestuurder), liel do krijgsheld.
! | ' ;;5
i I
38
10. Hun troondrager Adar.
17- Hun vorst Ennugi.
IS. Dc god echter van ondoorgrondbare wijsheid, do god Ilea rat met lieu te rade.
En hun besluit verkondigde hij . . .
20. i/Gij zoon van Ubaratutu, van Surripak herkomstig
21. Verlaat dat huis, maak u ecu groot sehip, voleindig het (weldra)
22. Zij willen vernietigen het zaad dos levens; lied gij, wat leven heeft.
23. Eu breng op het schip het zaad van het levende van ieder soort. 21. Het schip, dat gij bouwen zult.
25. . . . ellen zij dc maat zijner lengte,
20. ... ellen dc maat zijner breedte eu hoogte.
27. Over den afgrond doe het zwemmen eu met een dak bedek het.quot;
2S. Toen ik (dit) vernam: sprak ik tot Ilea, mijnen heer:
29. âHet schip dat gij mij hebt bevolen
30. Wanneer ik het maak
31. ... de zonen van het leger (de jongelingen) en de grijsaards (bespotten mij).quot;
32. Dan deed Ilea zijnen mond open en sprak tot mij, zijn knecht:
33. ». . . Dan zult gij hun zeggen:
31. Die zich tegen mij verzet
35. . . .
30. . . . hij heeft gericht op mij
37.....kima kippaii . . .
3S. Ik wil richten boven en beneden . . .
39. . . . sluit niet (dc deur)
10. . . . (tot dat kome) do tijd, dat ik het zal berichten.
41. Bij den vloed, dien ik (over) u wil zenden, ga erin en sluit dc deur
van het vaartuig.
42. Midden erin breng uw koren, uwe meubels eu uwen voorraad.
43. Uwe bezittingen, knechten uwer vrouw, vrouwelijke slavinnen en do jonge lieden.
44. De dieren dos velds, dc beesten des velds, dat al zal ik verzamelen en
45. Ik zal u zenden, en dc deur zal alles bewaren.quot;
40. Hasisadra opende den mond en sprak, en
47. Hij zeide tot Hea, zijnen heer:
48. //Heer, niemand heeft ooit gezien (zulk) schip;
49. ... Ik zal vaststellen . . .
50. . . . Kou ik zien ook het schip . . .
51. ... iiut qaqqufi het schip . . .
52. den bouw van het schip welke gij mij bevoelt, gij, aldus.quot;
Kolom II,
1. Sterk . . .
2. Den vijfden dag . . . mtsu
39
3. In zijne, ganlma 14
4. 11 (maten) mat, iiet . . . bovenop.
5. Ik plaatste zijn dak erop ... Ik voleindigde het.
0. Ik ging erin ten zesden . . .; ik onderzocht het van buiten bij den zevenden . . .;
7. Zijn innerlijk onderzocht ik den achtsten . . ,
8. Zijne planken lieten nog water doorkomen;
9. Ik zag scheuren en vulde het ontbrekende aan.
10. Drie (maten) aardpek goot ik over de buitenzijde;
11. Drie (maten) aardpek over de binnenzijde;
12. Drie (maten) (nagels of pinnen?) dragende dc korven gevuld met brooden.
13. Ik bewaarde een . . . brooden, opdat zouden eten
14. Twee maten brooden verdeelden zich de schippers
15. Om ... ik deed slachten ossen
1(5. ... al de dagen
17. Dranken, brooden en wijn
IS. ... als de wateren ccner rivier en
l'J. ... als het stof der aarde en
20. ... brooden met mijne hand plaatste ik.
21. ... Samas . . . het schip was klaar
22. . . . Sterk en
23. Hen ... ik deed dragen naar boven cn naar beneden . . .
24. . . . gingen tot de twee derden
25. Al wat ik bezat, ik bracht het te zamen, al wat ik bezat in zilver, ik bracht, het te zamen;
2C). Al wat ik bezat in goud, ik bracht het te zamen,
27. Al wat ik levends bezat, ik bracht liet te zamen, het al
28. Deed ik plaatsen in het schip, alle mijne knechten en mijne meiden
29. De dieren des lands, de beesten des lands (wilde cn tamme dieren) en de familieleden, allen, ik bracht hen erin.
30. En als Saraas (dc zongod) de bestemde tijd bracht
31. Sprak ecne stem: //Ten avond zal do hemel verwoesting regenen,
32. Ga binnen in liet schip en sluit uwe deur.quot;
33. Dc vloed brak los, waarvan
34. Hij had gesproken, zeggende: //Ten avond zal de hemel verwoesting regenen.quot;
35. Op dien dag, attari punasu
30. Den dag aua itciplusi was ik in vrccze.
37. In het schip ging ik, sloot dc deur.
38. Toen ik het schip had gesloten, aan Busurkurgal, den bootsman.
39. Den grooten bouw gaf ik over met zijne lading.
40
40. Tegen den oclitcud daar brak een storm los.
41. Verhief zich aan den gezichteinder breed en zwaar;
42. Bin dondert daarin en
43. Nebo en Semi trekken los op elkander;
44. De troondragers verwoesten bergen en dillen.
45. De machtige Nergal sleept storm na zich,
4fi. Adar laat zonder onderbreken de sluizen overstrooinen;
47. De geesten brachten vloeden;
48. Door hunne macht deden zij de aarde beven.
49. De watervloed van Bin steeg hemelhoog;
51. Een afgrond werd de heldere aarde.
Kolom III.
]. ... van de oppervlakte der aarde als . . .
2. Verdelgde alle leven van het aanschijn der aarde.
3. Hemelhoog steeg do vloed over alle menschen.
4. De broeder zag den broeder niet meer aan, de mensehen kenden elkander niet meer. In den hemel
5. Beefden de goden voor den storm, en
fi. Zochten toevlucht, stegen naar den hemel van Ann.
7. Gelijk hondjes, zoo legerden zich de goden terneer.
8. Daar gilde Istar gelijk eeue barende.
9. De groote godin riep met luider stemme:
10. âDo wereld is tot slijk vergaan, en
11. In tegenwoordigheid der goden heb ik het ongeluk voorspeld.
12. ïoen ik ongeluk voorspelde in der goden tegenwoordigheid,
13. Al mijn volk . . . tor vernietiging, en ik heb ook verkondigd:
14. Ik gebaar niet ik, moeder, mijne menschen, opdat
15. Als de jongen der vissehen zij vullen do zee!quot;
IC). De goden op de Anunalci weenden met haar.
17. De goden zaten op hunne tronen te weeklagen;
18. Hunne lippen waren gesloten wegens het nakend kwaad,
19. Zes dagen en zeven nachten
20. iud, vloed en storm overweldigden alles.
21. Den zevenden dag, des morgens, de regen, do schrikkelijke storm,
22. Die had verwoest, gelijk een aardbeving,
23. Bedaarde. De zee werd stil en de wind en de storm hielden op.
24. Ik zweefde met droefheid op de zee, omdat allo woningen der men-schen vernield waren tot slijk, (het mcnsohengeslaeht was verdwenen. Kaulen 100)
2(1. gelijk boomstammen dreven hunne lijkeu.
27. Open deed ik het venster, en het licht viel op mijn aangezicht.
28. Ik werd aangegrepen van droefheid, ging zitten en weende:
29. Over mijn gelaat stroomden mijne tranen.
30. Ik voer over de landstreken, geworden cenc zee.
41
31. Eciiru oever ontwaarde ik aau het ciiidc clcr zcc. Twaalf (cllcu) was liet boven de aarde gestegen.
32. Naar het land Nizir dreef mijn soliip.
33. Do bergen van Ni/ar hielden het sehip tegen, niet kou het erover.
34. Den eersten dag, dcu tweeden dag, de bergen van Ni/.ir, dezelfde.
35. Den derden dag, den vierden dag, de bergen van Nizir, dezelfde.
36. Den vijfden dag, den zesden dag, de bergen van Nizir, dezelfde.
37. Den zevenden dag, bij liet verloop
38. Ik deed uitgaan cene dnif, en ik liet (haar) los. Do duif vloog hoen en weer en
39. Eene rustplaats vond zij niet en keerde terng.
40. Ik deed uitgaan oenc zwaluw, en ik liet (haar) los. De zwaluw vloog heen en weer en
II. Eene rustplaats vond zij niet eu keerde terug.
42. Ik deed uitgaan eenen raaf, ik . . .
43. De raaf vloog weg, en de lijken die waren op het water zag hij en
44. Hij vrat, hij zette zich en draaide en kwam niet terug.
45. Toen liet ik los de dieren naar de vier windstreken. Ik bracht een offer. 40. Hot offervuur (altaar, Kaulen) maakte ik op den top van den borg.
47. Bij zeven en zeven stelde ik de vazen ndagur.
48. Daaronder legde ik stokken cederhout eu Simgar.
49. De goden roken den geur, de goden roken den goeden geur;
50. De goden als vliegen schaardou zich boven den offeraar (Hasisadra)
51. De groote godin Istar kwam erbij,
52. Hief omhoog de groote bogen welke Ann had gemaakt op het verlangen.
53. ü goden! Bij de versiersels van mijnen hals! ik zal het nooit vergeten. (')
Kolom IV.
]. Deze dagen, ik zal ze mij herinneren, ik zal ze nooit vergeten
2. Mogen do goden komeu naar het vuur (altaar, Kaulen)!
3. Moge Bel niet komen naar mija altaar! 0
4. Omdat hij geen medelijden heeft gehad, en aangericht heeft den vloed
5. En hij heeft gerekend mijn volk voor den afgrond.
G. Maar ook Bel, toen hij naderde,
7. Zag het schip, cn Bol ging heen, vol woede tegen de goden eu do geesten:
8. Wie is de mcusch die levend outkomeu is? üeen mensch mag loven (gered) van den vloed (gered door het sehip. Kaulen)
9. Adar opende den mond cn sprak eu zcidc tot Bel den krijgsheld:
10. âWie, behalve Hca, kan dit plan verzonnen hebben?
11. Want Hca weet alle dingen cn alles is hem bekend.quot;
1 ; Knul eu; Gelijk dc jmveelcu van mijnen hals zijn mij de geredden, ik za! ze niet vergeten. Gedenken wil ik hunner, uinnner hen vergeten.
2] Anderen.- Hu, inplaats van Bel.
42
12. Ilea ()|)ciulc zijnen mond en sprak en zeide tot Bel deu krijgsheld;
13. «Gij, vorst der goden, krijgsheld;
14. Waarom hebt gij zouder overleg den vloed aangcrieht!
15. Den zondaar, belaad liem met zijne zonde; die doet het kwaad, belaad hem met kwaad.
10. Ue rechtvaardige worde niet verdelgd, niet vernietigd de geloovige!
37. In plaats dat gij nogmaals eeuen vlood aanricht, dat dó leeuwen vermeerderen en de mensehen verminderen;
IS. In plaats dat gij eenen vloed aanricht, dat de leoparden zich vermeerderen en de mensehen verminderen;
1'J. In plaats dat gij eeuen vloed aanricht dat ecu hongersnood ontsta en het land ontvolke:
20. In plaats dat gij eenen vloed aanricht, dat de pest uitbreke eu de mensehen verdelge
21. Ik was liet niet die het besluit der groote godeu bekend maakte.
22. Aan Hasisadra zond ik eenen droom eu het besluit der goden heeft hij begrepen.quot;
23. Zie, daar bedaarde de grammoed eu Bel steeg in het schipquot;.
21. Mijne hand nam hij eu richtte mij op.
23. Richtte mijne vrouw ook op eu legde hare hand in de mijne.
20. Hij stond voor ons en zegende ons;
27. //Tot hiertoe was Hasisadra (Xisuthrus, Kaulou) een ineusch, eu
28. Nu zullen Hasisadra en zijne vrouw vereenigd den godeu gelijk zijn, en
2'J. Hasisadra zal wonen in eeuc verre plaats aan de monding der rivieren.quot;
30. Zij namen mij eu iu een verre landstreek aan de monding der rivieren
lieten zij mij neder.
H
Het is zeker overbodig in liet voorgaande te wijzen op do groote overeenkomst, alsook op het minder van belang zijnde verscliil tusschen liet bijbelsch en bet babelscb verhaal. Bebalve de heidensche denkbeelden omtrent de goden en hunne hartstoebten, vinden wij in bet babelscb gedicht ook nog eenige onnatuurlijke en onmogelijke voorstellingen. Terwijl alzoo het geheel van d it verhaal een sprekend bewijs is voor Mozes, zijn het juist cüo afwijkende en onmogelijke bizonderheden, welke ten /.eerste pleiten voor het oorspronkelijke van hot verhaal der schriftuur.
Jlen merke echter wel, dat zoowel de tekst der beschreven platen, alsook de ontcijfering ervan nog menige leemte laat, zoodat do bovenaangehaalde vertaling; alleen zeker is voor baren
O O
gebeelen inhoud, maar niet voor elk woord in 't bizonder, zooals wij reeds op een paar plaatsen omtrent dc verschillende vertaling in den tekst hebben aangetoond.
43
Do verdere lotgevallen van Izdubar kunnen wij overslaan, als hebbende voor ons g-eeiio beteekenis.
Uit liet voorgaande kunnen wij nog een paar gevolgtrekkingen nemen.
Bjj de assyriologen staat liet vast, dat het Babelsch verhaal ouder is dan liet Mozaisch. 3Iozes kon ook geen kennis hebben van dat oudere verhaal; daarom is het besluit liet volgende:
Men moet aannemen, dat de schrijver van Genesis en de Jlesopo-taansche schrijver, van elkander onwetend, ieder voor zich ons eene zelfde overlevering hebben nagelaten, welke overlevering eencn zelfden oorsprong heeft, maar welke hare verschillende wijzigingen te danken heeft aan de verschillende wegen, waarlangs zij tot ons gekomen is. Welnu, hij die maar eenigszins bekend is met het karakter en de geschiedenis van het Joodsche volk, met zijne strenge vasthoudendheid aan de geopenbaarde waarheid en aan de natuurlijke voorstelling der gebeurtenissen, lijj kan niet twijfelen aan welken kant de waarheid ligt. Kern Eik. üe Wet. enz. 69, TO, 1G0, 161.
Wat ten tweede uit liet sanskrietsch verhaal blijkt, is de eenheid van den Bjjbel. Aan deze eenheid werd door eenigen getwijfeld, omdat zij onderscheidden eenen jehovist als schrijver en eenen anderen als elohist. De verwisseling van twee hetzelfde beteekenende woorden kan aan de waarheid en ook aan de authenticiteit van Genesis niets afdoen, dunkt ons. Maar meer dan dat, wij hebben iu hoofdst. âde scheppingquot;, het, als men dan zoo wil, elohistisch verhaal gezien der Chaldeërs, en in hoofdstuk âde zondevalquot; hot jehovistisch, gelijk ook weer dio twee woordverwisselingen voorkomen in dit hoofdstuk âde zondvloedquot;; do Babylonische bevindingen bewijzen do eenheid en de waarheid van den bijbelschon schrijver en zijn verhaal in Genesis.
-14
HOOFDSTUK V. ETHNOGRAPHISCHE TABEL van GENESIS.
In liet tiende hoofdstuk van Genesis wordt de genealogie opgesomd der zonen van Xoë, uit welke na den zondvloed de volken der aarde hnn oorsprong hehben. Delattre heeft in zijn âPlan de la Gen. 46 cte in 1870, zeer schoon uitgewezen hoe eiken naam een volk vertegenwoordigt, nadat reeds ilenochius in de zeventiende eeuw eene zeer volmaakte uitlegging ervan gegeven had, waarin slechts weinige dwalingen voorkomen.
De ontdekkingen van onzen tijd hebben dit echter nog tot eenen hoogeren trap van volmaaktheid gebracht: Egypte heeft hierover zeer veel licht verspreid, en Assyrie blijft hierin niet ten achteren. Zelfs Ebers, Aelt;gt;'. u. die Biich Mos. 1. 55 heeft dit moeten erkennen.
Egypte is volgens de schriftuur bevolkt door do afstammelingen van Cham Ps. LXXVII. 51, CIV. 23. 27. CYI, 22. De Egyptenaars noemen, wel is waar, zich zeiven niet Chamiten, maar bijna altijd geven zij den naam Cham aan het X ij ld al. C7«h.s', zoon van Cham, komt op de Egyptische monumenten veelvuldig voor om Ethiopië te beduiden: het wordt uitgesproken Kesi, heden Koshiten. De eigenlijke Negers worden beduid met Nehasi. De kroonprins van Egypte droeg don naam van gouverneur van Kush.
I'liiifh (Punt of Put) ook een zoon van Cham, is volgens Delitzsch, de stamvader der Lvbiers, volgens Ebers Arabic, er volgens do laatste ontdekkingen van Mariotte, Somal.
Volgens Ebers zou LikHih, zoon van ilesraim, de Putcnnu der Egyptologie beduiden, omdat hnn naam ook geschreven word:: Lut-ennu. .Maar Ilougé beweert met meer grond, dat Ludim de stamvader der eigenlijke Egyptenaars is, omdat rut of lud te-teekent: het heerschend deel des volks. Rollin. llist. Anc. zegt: Alle geschiedschrijvers komen hierin overeen, dat Menes de eerste koning (pharao) van Egypte is; niet zonder grond beweren zij dat hij dezelfde is als 31esrnTm. do zoon van Chain. Herod. II c. !){). Diod. I, 42. Ludim is in de schriftuur de eerstgenoemde zoon van JIcsraïin.
45
Verder de zonen van Mesraïm nagaande, hebben wij Ncjihtluüm, volgens Rouge, de ^lemjiliiten, omdat Mempliis in de Egyptische priestertaai wordt genoemd Na-I'htali: l'liétniüiiii zijn de Pa-to-res, '⢠bewoners van het zuiden; Anamim, zijn de Ann, de stichters
van On in liet noorden (Heliopolis) en van On in het zuiden 0p. (llermontliis). llougé. Mem. de l'Acad XX^ , 228.
een __________
de
am Uit de Egyptologie zien wij, dat de bewoners van Africa at
en. stammen van Cham en zijne zonen. Laten wij nu nagaan, hoever de Assyriologie het reeds bekende staaft en nog verschillende duistere punten opheldert.
Nemen wij vooreerst J. Menant, Syllab. assyr. p. 10U--H!4: eft Madal, derde zoon van Japiiet, in het sanskriet juist hetzelfde iet geschreven als in den Bijbel, is do naam der Meden; Javanci, djt hebr. Javan, vierde zoon, beteekent op de opschriften van Sargon te Khorsabad en van Darius te Bóhistun: .loniö en Griekenland, en Kuschi, hebr. Kush, zoon van Cham, is de naam van Ethiopië irg op de baksteenen van Assaraddon en op vele andere monumenten. jj(| Miifsttr bij Sennacherib en 31 it sir bij de Achemenid.en, is die van m Egypte, in het hebr. door bijvoeging van aim ilisraïm. Hasifi is de stad Graza. Sididiii, hebr. Sidon, ook op den cylinder van [)e Sennacherib. Arvadn, Arudi, Aruda, hebr. Arvad, zoon van ail Chanaan, bij Sennacherib in Phenicie tusschen Sidon en Byblos, bij Assaraddon tusschen Byblos en Samarië. Amatu, Amath, hebr. .ns Ilamath bij Téglath-phalasar IV bij do Syrische steden geteld, er . die hem cjjnsplicbtig waren.
Omtrent Goincr, eerstgenoemde zoon van Jnphet, bevestigt er Lenormant, Lettres assyr. I, 76, dat deze de op de Assyrische [j; monumenten aangehaalde Gimirai zijn, de Cimbren en Cimmeriers; ,|e alsmede dat Thoyonna, zoon van Gom er, de stamvader is der e. Georgiers.
Bij de zonen van Japhet noemt de Schriftuur: Tlnihal en ite Mesek (Mosoch). Deze twee namen zijn ook gevonden op de zij Assyrische opschriften nl. Muski en Tabali, bij Herod. Ill, 94 c. Tibareniers genaamd; volgens El. Josephus waren de nakome-jc lingen van Timbal de Iberiers, niet die van Spanje, maar die welke tusschen de Caspische en Zwarte Zee woonden; hier woon-
46
gt;
den volgens de gevonden opschriften de Tabali. Salmanasar ITT «tic
telt op een obelisk onder zijne cijnspliclitigen, vier en twintig een
koningen van liet land Tabal, een bewijs zjjnor uitgestrektheid. welt;
Men heeft de kinderen van Meselc (Mosocli) herkend- in do diei
Moschen (Moscou) van Herodotus; op verschillende opschriften ziel
van Khorsabad spreekt Sargon, de koning van Ninive, van de van
iluski. Uit alle Assyrische gegevens blijkt de waarheid der vroegere Clu
meening, dat de jMoschiërs ten noorden van Assyrie woonden tani
tusschen de Zwarte- en de Caspisclic Zee. Zij zijn de voorouders zoo
der Moscoviten. Finzi, llic. etc. 20. Rawl's Tier. T, 595. voo
ï; ook Tud
Meestal vindt men in de Assyriologie do benaming van Chanaan tot
als: âmat Aharri, de aarde van de rugzijdequot; tl. i. liet rijk in het hen
zuiden. Volgens Schrader, Keilinschr. etc. 1878 p. 365 is die naam vad
thans gevonden als Kanana. Oppert, Exp. en Mesop. I, 333, zegt: een
Eene aanhaling van koning Hinnirar TTT omschrijft zeer juist dat brat
land. Onder de schatplichtige landen, die hij opnoemt, staat ook lievi
âhet land Aharri in zijn geheel, (nl.): het land Tyrus, het land god
Sidon, het land Omri (Israel), het land Edom, het land Palastav van
(Palestina), tot aan de zee van de ondergaande zon. 1
Chanaan was even als Chus een zoon van Cham. Nemrod was, vroe
zooals wij in ons vorig hoofdstuk gezien hebben, dezelfde als eers
Izdubar, zoon van Chus; Izdubar of Xemrod wordt genoemd: Schi
de machtige krijgsheld. ontv
Van Nemrod lezen wij Gen. X, 8: hij begon te worden machtig gebl op aarde. Hieruit laat zich afleiden, dat na den Zondvloed de Chamitische stam het eerste de wereld beheerschte.
Hieromtrent zegt Lenormant, Man. d'hist. anc. en Or. 1,99 â100: O
âHeden zijn alle wetenschappelijke mannen het eens, dat do en j
omgeving van den Tiger, het zuiden van Perzie en zelfs een 1gt;
gedeelte van Indie, waar deze stammen den naam van Kaucikas uit
dragen, het eerst bevolkt zijn door de familie van Chus (Kousch, blijv
Koshieten) de vader van Nemrod, voordat de nakomelingen van A:
Sein en de Aryers of Japhetanen deze landstreken in bezit namen... 15ab;
Men ziet, dat van de drie groote families die zich na de taal- woes
verwarring scheidden, de Chamiteu zich het eerst uitliet algemeen stroo
middelpunt der menschheid verwijderden... en de oudste rijken hoop
stichtten. Bij hen maakte de stoffelijke ontwikkeling het eerst oen snelle voortgang. Maar Noë had zijnen zoon Cham gevloekt wegens zijn bekend misdrijf... Hij had gezegd: Gij znlt de dienstknecht zijn van Sein en van Japhet. De voorspelling heeft zich ten volle vervuld. Weldra verspreidden zich ook de stammen van Sem en van Japhet. De Semiten namen hunne plaats in Chaldea, in Assyrie, in Palestina en in Arable, de Aryers (Japhe-tanen) in Indie en in Perzie. De nakomelingen van den gevloekten zoon hielden hunne macht nergens staande dan in Africa, en voornamelijk in Egypte, waar zij tot hoogen bloei kwamen. Maar ook aldaar heeft zich de uitwerking van deu vloek doen gevoelen... Imlien de nakomelingen van Cham ook onder stoffelijk opzicht tot hooge ontwikkeling kwamen, van den anderen kant bleef bij hen ook altijd de bedorven, dierlijke neiging bestaan, die den vadervloek over Cham had getrokken. Overal bleef hun godsdienst een ruw materialistische, ja een schaamtelooze... Daarentegen brachten de nakomelingen van Sem en Japhet overal eene verhevener ontwikkeling, hoogere geestelijke gedachten in hunnen godsdienst en een zuiverder zedenleer, zelfs nog daar waar zij van heidendom doorweven was.quot;
Tot bewijs hoever de Chamiten het op stoffelijk gebied reeds vroegtijdig gebracht hadden, diene dat zij de uitvinders zijn der eerste schnjfteekens, zooals wij gezien hebben onder hoofdstuk: Schrift der oude volken. Daarenboven blijkt hunne stoffelijke ontwikkeling uit de gebouwen der steden, die van hen zijn overgebleven.
Gen. X, 10: De aanvang echter van zijn rijk was Babyion, en xVrak en Achad en Chalanne, in het land Sennaar.
Babylox. Zooals wij vroeger gezien hebben, is Babyion nooit uit de geschiedenis verdwenen; daarom zullen wij hierbij niet blijven stilstaan.
Akak. Ongeveer dertig mijlen zuidelijk van Hillah (Jiet oude Babyion) strekt zich op den linkeroever van den Euphraat een woeste landstreek uit ter breedte van vijf uren; wegens de over-stroomingeu is het bijna niet te bereiken. Benevens andere puin-hoopen van minder beteekenis, liggen hier do uitgestrekte ruïnen
48
van Warka. In do Arabische taal is Warka hetzelfde als Erech of Arak in do Schriftuur Gen. X, 10. üezo stad heette hij de Grieken, Ãrech en bij Strabo, Urchoe. \ olgens Strabo was Erech een beroemde zeer ondo plaats, âlieden, zegt Loftus, die de ruïnen dezer stad onderzocht heeft, is de verwoesting en de eenzaamheid nog meer aangrijpend dan die welke Babyion ons biedt. Nergens een levend wezen, zelfs geen jakhals of hyaena; nooit zweeft een adelaar boven deze woestenij. Noch grashalm, noch insekt kan hier bestaan. Warka overtreft elk beeld van verwoesting. Zelfs de naam dezer stad is bij de omwonende j stammen verloren gegaan, en ternauwernood kunnen zij zich iets i van hare geschiedenis herinneren.quot; Kaulen. Ass. u. Babyl. 87.
In de ruïnen dezer stad heeft Loftus, Trav. in Chald. a. Sus. i 139 de oudste oorspronkelijke documenten gevonden, die tot heden in Chaldaea ontdekt zijn; het zijn nl. de inschriften van den 1 ouden koning Uruk (of ürkham volgens Rawlinson, Arioch volgens Hincks, bij Ovidius Metam. IV genaamd Orclxamus) en zijn zoon Dungi. G. Smith zegt, dat deze Uruk twee duizend jaren vóór Christus geleefd heeft. Naast dit bewijs voor de hoogste oudheid der stad en hare oude beroemdheid, kwamen ten bewijze van haar lang voortbestaan naast die oudste stukken, ook opschriften te voorschijn met de namen Silucu, Antiikusu en I)i-mitrisu; volgens Oppert, Les inscr. etc.: Silusu is Seleucus I \ Philopator (187â176); Antiikusu, Antiochus IV Epiphanus (176â164); Dimitrisu, Demetrius Soter (162â151).
Het schijnt dat Erech (Arak) de hoofdstad was van de koningen van Chaldaea, dat zij zelfs als een heilige stad beschouwd werd, waaraan men het toeschrijft dat aldaar de hoogere rijkspersonen, vooral de koningen, wilden begraven worden. âHet overoude Erech, zegt Kaulen, Ass. n. Lab. 90, eene der stamplaatsen vin de Babelsche volkeren, heeft ontelbare leden van dit volk in eene gemeenschappelijke rustplaats verzameld. Sedert het begin der Assyrische opdelvingen was het vreemd, dat men nergens graven noch begraafplaatsen ontdekte, totdat eindelijk Loftus dit raadsel oploste. Warka (Arak) is namelijk eene doodenstad, die in hare ingewanden nog meer bederf en dood doet ontwaren dan aan hare oppervlakte; want met uitzondering der betrekkelijk geringe oppervlakte der gebouwen, is niet alleen de stad zelve, maar ook
I
49
do omliggende woestijn tot op eeno verre uitgestrektheid niets anders dan graf bij graf. Het schijnt dat quot;Warka, vanaf hare stichting tot haar verval onder de l'arthen, minstens 2500 Jaren lang eenc heilige begraafplaats voor liet gehcele land is geweest. Gelijk de Perzen nog heden hunne dooden van uit de verst afgelegen plaatsen des rijks naar do heiligdommen te Kerbela en ^iesched AU brengen, zoo hebben de Habyloniers hunne af-| gestorvenen naar het heilig Erecii ter laatste rustplaats gebracht.quot; I Ook bij Kaulen, Das Land Sinear etc. I, 97.
Aciiad. Deze naam was in vroegere tijden nog slechts bekend , uit den Bijbel. Xa do opdelvingen in Babylonie heefr men dien | naam veelvuldig ontdekt, vanaf de oudste tot de laatste tjjdon der mïnensteden, vooral «/;â Sintiiri u Akkctcli, koning van Sumir en van Accad. Accad beduidt op de opschriften eene stad, een land en een volk.
Een opschrift van Sennacherib, betrekking hebbende op de tweede belegering van Babylon, maakt melding van eenen koning van Accad, tijdgenoot van Teglat-phalasar 1, koning van Ninive, omstreeks 1130 vóór Chr. Hij zegt: âDe goden, die daar woonden, â onze soldaten namen ze en verbrjjzelden hen... zij namen hunne 1 schatten mede. Bin, Sala, de goden van den tempel, die liarduk-nadin-ahi, koning van Accad, ontroofd had aan Tuklat-habal-asar len medegenomen naar Babyion, ik bracht hen terug van Babyion na 418 jaren, en ik heb hen op hunne oude plaats hersteld. C'uncif. Inscr. etc. III. pl. 14.
Hieruit blijkt de hooge oudheid en belangrijkheid der stad, en Itoch is de juiste ligplaats van haar tot heden niet teruggevonden. «Oppert, Exp. en Mesop. I, 271 is van meening dat Accad dezelfde «stad is als het oude Nippur. Zij was gelegen 15 mijlen zuid-,'xn Boostelijk van Babylon, ten noorden van Erech. Smith, Delitzsch en Schrader willen Achad terugvinden in het oude Agadé, waar in overoude tijden de oude Sargon regeerde.
Rawlinson oppert niet ten onrechte de nieening, dat de Accadiers of Akkadiai de Chamitische stam is, die het eerst Sennaar bewoonde.
Chalaxxe. De plaats dezer laatste stad van het rijk van Xemrod is tot heden niet teruggevonden door de Assyriologie. Volgens eenparig gevoelen was Chalonne of Calno gelegen oj) den ooste-lijken oever van den Tiger iu Babylonië, ter plaatse, waar later
â
4
-
5U
Ctesiphon ontstond, tegenover Seleuoia, alzoo ton noord-oosten van 1
Hillali. Deze meening berust op vele goede gegevens, en vroegeri ^
noemden de Grieken do streek waarin Ctesiphon ligt, Clialonitis.B j.|
---- 1 ne
As zie mn
plu vai
Xini
Mosi
van haba Ri
tussc
niet
zes
gc
Genesis X, 11. Uit dit land vertrok Assur, en bouwde jSTinive, en Rehoboth-Ir, en Chale; ook Resen, tussclicn Ninive enChale;
deze is eene groote stad.
Eenige uitleggers zijn van meening, en Vigouroux, La Uiblo etc. I, 322 noemt deze nog wel de best gegronde meening, dat deze Assur dezelfde is als Nimrod, wiens geschiedenis de Schriftuur hier vervolgt, zoodat de tekst zou beteekenen niet eenen eigennaam j,.. van eenen man, maar: de meester der steden van Chaldaea trok j uit het zuiden naar het noorden, naar Assyrie, en bouwde aldaar Ninive, enz. Met deze uitlegging zouden wij ons kunnen vereenigen,! ^ als de grond voor die best gegronde meening werd aangewezen. j Dit is onze meening niet. 0 |
Al geeft de Schriftuur ons eene geschiedenis, zij is echter niet | geschreven met het doel eener opvolyeude geschiedenis. Zij haalt ^ de tradities en feiten aan uit een godsdienstig oogpunt, en dit; ^ staat in alles voorop; daarom zien wij in de Schriftuur niet zelden
. ZIJ IK
omplaatsing van feiten, en gelijk hier het aangehaalde van Mnmal () een tusschenvoegsel is in de genealogie, zoo kunnen wij ook aannemen, dat de Schriftuur van dit eerste rijk Babyion en zijn stichter gesproken hebbende, terstond daarop van het tweede rijk ^ Ninive en zijnen stichter spreekt, deze twee stichters Nemrod en Assur tegenover elkander stellende.
Daarenboven is het een bewezen feit, dat de Chamiten, waartoe i; Nemrod behoorde, de oudste rijken stichtten, maar dat zij op vele| plaatsen werden verdrongen door de Semiten, waartoe Assur behoorde.
quot;Wat nog meer zegt: De Assyriërs waren Semiten en hielden
later hunnen stichter Assur als een god, wat zij met een persoon |^aat
van het Chamitisch ras niet zouden gedaan hebben. 'V
. . ivara
Assur de Semiet verliet het rijk der Chamieten en stichtte ^
meer noodwaarts een nieuw rijk der Semiten, en deze bleven
naderhand de overheerschende stam. ^
liet woord âAssurquot; heeft betrekking in de assyriologie op eenen
0 o i (ile ^
ul
god, op oen land, en op eone stad, hot huidig Kujundschik, op den linker oover van den Tiger. Ook in de Schriftuur vinden wjj dikwijls melding van het land Assur of Assyrië, maar zij spreekt nergens van eene stad Assur, den vergoddelijkten voorvader der â¢Vssyriërs, en tweeden zoon van Sem. De oudste koningen noemden ^ zich voor de veertiende eeuw v. lt; 'lir. niet koningen van Assyrië, ' maar âkoning der vier rijken, koning der Sumiriërs en Accadiërs.quot; Ren dezer Chaldeeuwsche vorsten wordt trenoemd hij Toalat-
iinle i i -T - . o
^ ^ phalasar 1: Ismidagan, hcerscher van Xiffar en der andere steden
van het zuiden van Mesopotamië.
De stad Xinua (Xinive) wier grootheid en roem niet alleen de
Bijbel verkondigt, maar die ook ten zeerste blijkt uit de Assyri-
1 sche inschriften, heeft niets nagelaten van wat daar teekent vóór Lltltir â¢
Sennacherib, en alleen de bevindingen te Kujundschik, te Xiinrud
0 quot; en te Khorsabad hebben ons omtrent die oude stad op de hooarte
, rr .n n *â ö
geholpen.
Heiiobotu-Iu. De 11. Ilieronymus geeft dit weer door âde straten niet ⢠. .
der stadquot; misschien wegen of straten, waarlangs huizen, die naar
Itltllt â
'' de stad leidden, of voorsteden. Oppert heeft in Eyp. en Mesop.
^ I, 13() eone plaats voor dezen naam pogen aan te geven; maar
^ zijne bewijsvoering is zwak.
Cilvle (Kalach) las» op tien linker oever van den Tiger, evenals ook v. . 1 . r ' ...
iMmve, maar op viif uren alstand zuidwaarts van het huidiae
Zl] II | r
! Mosul. Zooals door Layard bewezen is, lag het ter plaatse, waar
^ ^ zich heden de ruïnen van Ximrud bevinden. Zij was de zetel
van koning Salmanasar I, en hij en zijne opvolgers Assurnasir-
^ habal, Salmanasar lil enz. bouwden er prachtige paleizen.
'l' Resex. Oppert, Exped. en Mesop. 1, 82, 83 zegt: Eesen ligt
^ tusschen Kalach en Ninive, d. i. tusschen Ximrud en Kujundschik,
niet op den oever van den stroom, maar in het binnenland, op
dden Z0S Uien van Mespila of van Khorsabad. Ik meen deze
iilaats te herkennen in eenen uitgebreiden heuvel in die vlakte, rsoon ^ '
! s tusschen Xiuive en Karamles of Karakuch. Ik zou zelfs aan
. , ,, Karamles denken, indien dit niet te ver naar het Oosten lag, en
ICllttG S
daarenboven ligt dit te ver van den stroom. Kalach is zeker
levenB
®Nimrud; de stad Xinive zeker Kujundschik, do stad Kesen____
Xenophon spreekt van Larissa als van eene oude ruïnenstad, aeneii . r ' «iie vroeger door de Meden bewoond was..... Larissa moot de
va»
'gei'
itis.
ivo
oude stad Resen zjjn.quot; Ifiorvoor is ochtcr nog geen bewijs gevonden.
Dat is de gkoote stad. Vigonroux, L-x lgt;il)le etc. 1,311 zegt: âEen groot getal schriftverklaarders, dezen bijbeltekst verwringende, meenden dat de zin: âdat is de groots stadquot; betrekking bad niet op Resen, maar op Muive, omdat tot voor weinige jaren de geschiedenis slechts sprak van de beroemde stad van Sennacherib en Sardanapalus (dus Ninive), en zweeg over de grootheid van Resen, maar Resen was ouder en eertijds beroemder dan het j naderhand beroemde Ninive.
Kaulen, Ass. u. Bab. 241 zegt van dezen tekst: âDat is de i groote stad. Deze aanteekening is thans eerst verstaanbaar ge- | worden. Vooreerst verhief zich van de in den tijd van Mozes | beroemd geworden steden, Ninive, d. i. de omringde stad Xinua, 1 benevens âde straten der stadquot;, of met de verstrooide volkplantingen ' of wel voorsteden, welke niet binnen de vesting lagen; dan Ivalacl , I de latere residentiestad, eindelijk het uit de inschriften nog niet : bekend geworden Resen, en dat op de plaats van het huidig gt; | Karamles moet gezocht worden. Door de ver uitgestrekte aanleg- r lt;riii(r dezer steden, was de hoek tusschen den Zab en den Tigris
o o 7
zoo aangevuld, dat ilH allex gezamenlijk heette: de groote stad.quot;
Als zoon van Chanaan vinden wij vooreerst Sidon den lEethaeër, J Gen. X, 15. Do naam der 1 [cthaeörs komt op de Assyrische in- :â schriften als âHattiquot; voor, om de bevolking van Syrië te beduiden, ; die in de vlakte van Damascus en in het dal van den Orontes ï woonde. De Hatti komen ook op de Egyptische monumenten voor : als Hetas of Chetas.
Onder de zonen van Sem vinden wjj Elam, Assur en Aram. Over Assur hebben wij reeds gesproken. Elam blijkt dus een Semiet te zijn en op de Perzische inschriften van liéhistnn vinden | wij hem terug in het woord âUvajaquot; (Susiana) overeenkomende met het Assyrisch âHam.quot;
Aram vinden wij in het sanskrit terug als âAramu, Aruinn, 1 Arimi,quot; waarmede Aramaea bedoeld wordt. Soms vindt men Aramu saamirosmolten met het laud Hatti, soms beiden onderscheiden.
o '
Uit de beste gegevens heeft men gemeend te kunnen opmaken, g
dut: âmat Aramuquot; .Mesopotainiö beduidt tot aan Hamatli, en dat âmat 1 [attiquot; Syrië aanwijst van af Hamatli tot aan dc grenzen van Chanaan, en âmat Aliarriquot; liet westland, nl. Clianaan.
Verder lezen wij dat een dezer Semiten, een zoon van Heber, L'haleg lieette, omdat gedurende zijn leven de aarde verdeeld werd. Gen. X, 25. Ifet hebreouwsclie plaleg beteekent rerdeeliny. Hierbij merkt Oppert, Exp. en Mesop. li. 288 eeliter op: âliet woord pahja in liet opschrift van liet kanaal van Xabuchodonosor, beteekent iu het Clialdeeuws âkanaalquot;, en dit woord vinden wij terug in den Griekschen naam Pallacopas, Men heeft; deze be-teekenis algemeen aangenomen, en zelfs daarmede in verband gebracht den stam van het woord l'haleg, zoon van Jfeber en broeder van Yoctan (.loctan). Daarom zijn eenige schriftverklaarders van meening dat Gen. X, 25, moest vertaald worden: âEn Heber gewerden twee zonen, de naam van den eenen was Phaleg, omdat in zijne dagen liet land (jekanaHseerd werd... '
üie deze uitlegging toegedaan zijn, zijn van meening dat de verdooling der aarde reeds vóór Phaleg moet hebben plaats gehad.
Anderen echter beweren, dat de vertaling moet blijven: verdeeling, en zij zeggen dat hier slechts van eene gedeeltelijke verdeeling sprake is, nl. dat een gedeelte der familie van Heber, de .loktaniden (Jectan) verhuisde naar Zuid-Arabie, terwijl de oudste stam, nl. die van Phaleg, in Chaldaea bleef wonen.
\V. Ij. Bevan. Smith's Diet, of the Bible 11, quot;GO zegt hieromtrent : âGewoonlijk neemt men aan, dat bij het bouwen van den toren van liabel de geheelo toenmalige menschheid verzameld was; maar deze meening is onvereenigbaar met het aantal jaren die de Grieksclie tekst aangeeft tusschen den Zondvloed en den torenbouw; want in die zeshonderd jaren moesten de menschen zich reeds zoodanig vermeerderd hebben, dat zjj volgens den toenmaligen toestand niet in eene enkele stad konden samenwonen. Xeteler, Litt. Handw. etc.
Bij Monochius XIV geeft Tonrncminius 532 jaren tusschen den Zondvloed en Phaleg, 1055â21 SS.
Wanneer wij echter Gen. XI optellen, dan blijven wij bij 200 jaren ongeveer, van af de geboorte van Sem tot Phaleg; indien tijd kon de bevolking reeds zeer zjjn toegenomen, vooral in Azie zooals bekend is; of die echter niet geheel bij den torenbouw
54
kon vertegenwoordigd zijn, zal zonder betere gegevens dan de bovenstaande, niet te ontkennen zijn.
HOOFDSTUK VI.
DE TOREN VAN BABEL.
In Denesis Xi, Iâ!) lozen wij:
Maar cr was op aarde slechts écuc taal en cenerlei uitspraak. Eu toen zij vau het oosteu vertrokken, vouden zij eeue vlakte iu het land Seunaar, en daar wooudeu /.ij. En de een zeide tot den anderen: Komt, laat ons briksteeiien maken en die in het vuur bakken. En zij hadden briksteeneu voor steenen, en aardpek voor mortel. En zij zeiden; komt, lateu wij ons eeue stad bonweu en ecueu toren, waarvan de spits tot aan den hemel reike; en laten wij onzen naam beroemd maken, alvorens wij verdeeld worden over de gehecle aarde. Maar de lieer daalde neder, om de stad en den toren te zien, dien de zonen van Adam bouwden, en hij zeide: Zie, één is het volk en ééne taal voor allen: en zij hebben begonnen dit te doen, en zij zullen niet afgaan vau hunne gedachten, totdat zij hen in werk ten uitvoer brengen. Komt dus, laat ons nederdalen, en laten wij aldaar hunne spraak verwarren, opdat een ieder de rede van zijnen nabuur niet versta. En alzoo verspreidde hen de Heer uit die plaats over de goheele aarde, en zij hielden op de stad te bouwen. En daarom is haar naam genoemd Babel, omdat hier de spraak van geheel de aarde is verward; en van daaruit verspreidde hen de Heer over de oppervlakte van alle landstreken.quot; Van ditzelfde feit vinden wij gewag bij Abydenes, die eene geschiedenis der Chaldeërs en Assyriers geschreven had, van welke echter niets tot ons is gekomen, dan wat Ensebins en Oyrillus van Alcxandrië er nit aangehaald hebben. Het belangrijkste van alles is zijn verhaal bij Eusebius nopens den toren van Babel:
//Men verhaalt dat de eerste menschon, buitenmate verhoovaardigd over hunne kracht en sterken lichaamsbouw, er toe kwamen de goden te verachten en zich boven hen te willen verheffen; met deze gedachte bezield bouwden zij eeneu toren van eene wondervolle hoogte, die nu Babylon is. Reeds naderde zijne spits d®u hemel, toen de winden den goden ter hulp kwamen en alle bouwsteigers omver wierpen, hen op do bouwenden neerstortende. De ruïnen ervan worden Babyion genaamd, en de menscheu die tot dien tijd eeue enkele taal hadden, begonnen van toen af, op bevel der goden, verschillende talen te spreken.quot;
Het verhaal van Berosus over den toren van Babel komt in alles overeen met de bijbelsche overlevering, behalve dat hij de
55
- o-obcurtenisseii in den iiioiul der Sibylle legt. Fr. Lenormant Ess. De overigens volkomen overeenkomst deed bij eenigen, als Tuch en Kenan, liet vermoeden rijzen, dat liet verhaal van Berosus van jongeren tijd moest zijn, bijna zeker aan do Scliriftunr ontleend. Maar de Assyrische ontdekkingen hebben bewezen, dat het verhaal geput is uit de oude assyrische bronnen.
George Smith vermeent liet sanskrietsch verhaal over den toren van Babel te hebben teruggevonden. Maar do schriftplaatjes zijn ongelukkig zeer verbrokkeld en geschonden. Jlet begin van het verhaal ontbreekt. Ziet hier wat men er nog van bezit op vier plaatjes in het British Museum:
Kolom I.
1.......zij dc vader......
2. Uc gedachten van zijn hart waren slecht..
3.....hij, de vader van al de goden, hij had verworpen.
'I. Do gedachten van zijn hart waren slecht.
5.....van Babylon haastte hij zich ter onderwerping.
Ci. (Kleinen) en grooten, hij verwarde op de omheining.
9. lliume muren geheel den dag smolt hij.
lü. Ter hunne vernietiging (straf), gedurende den nacht.
11.....hij liet niets over.
12. In zijne gramschap ook (zijn) geheim besluit drukte hij uit;
13. om te verwarren limine taal wendde hij zijn aangezicht.
l'l. Hij gaf het bevel, hun besluit werd verijdeld.
15.....het verloop hield hij in het oog
1G.....hij nam (koos) een heiligdom.
Kolom II.
1. Sar-tuü-elli (de koning des hemels, Anu,) vernietigde (of strafte.)
2. Voorop Ann had opgericht . . .
3. aan i?cl-Esir zijnen vader . . .
I-. sedert dat zijn hart ook . . .
5, die voerde het bevel . . .
â¢i. In deze dagen ook . . .
7. hij richtte hem op . . .
S. De godin Dav-Kina . . .
Mijn zoon ik verhef en . . .
1Ã. Zijn aantal . . .
11. hij maakte niet.
Kolom III en V op den keerkant.
1. Ju . . .
2. Zij bliezen ou . . .
3. voor tic toekomstige tijden . . .
â¢1. De god zonder bestuur ging
5. Hij zeide, gelijk do hemel en de aarde . . .
0. Langs dezen weg gingen zij ....
7. ü|) eene vreeselijke wij/.e trotsteu zij zijne tegenwoordigheid . . .
8. hij zag hen en de aarde . . .
sedert dat zij niet nalieteu . . .
10. der goden . . .
11. de goden zij stonden op tegen.
12. Welp . . .
13. bitter weenden zij over Babylon W. hevig waren zij ontmoedigd . . .
15. hun hart ook . . .
Een der grootste en gewichtigste overblijfsels van de oude gebouwen der omgeving van Babylon is do op den realiter oever van den Eupliraat, en op 12 K. 31. zuidwestelijk van Hillali gelegen Birs Ximrud, d. i. Ximrudstoren.
Aldus volgens de trig, opname van Dr. J. Oppert.
Wanneer men de poorten van Hillali pas is uitgetreden, verschijnt ile Birs Ximrud reeds in de verte als een berg, dien men weldra meent te bereiken; maar naar mate men voortreist neemt de berg toe in grootte en omvang. Xadat men oenen afstand van twee uren ver afgelegd beeft, kan men den berg reeds in zijn geheel opnemen, llingsom is alles een wildernis van briksteenen, van baksteenscherven en bazaltstukken. Daarna valt de blik liet eerst op eenen puinheuvel, dien de Arabieren âTeil i brahim el Klialiiquot; noemen. Deze hoogte vormt een langwerpig trapezium, waarvan de grootste lengte 500 M. en de grootste breedte 300 M. is. De hoogte ervan is 2ü 31. en op die hoogte is de vlakte nog 300 31. lang en 150 â 200 31. breed. Het geheele bestaat uit briksteenen. Ofschoon deze puinmassa eene niet onaanzienlijke hoogte heeft, steekt zij echter zeer af tegen den op 100 31. daarachter gelegen Birs Ximrud.
liij nadere beschouwing toont de Birs Ximrud een vierkante rechthoekige grondvlakte van 710 3Icter omvang en 18 31. hoogte
ö7
])io vier hoeken liggen naar de vier windstreken. Op de Zuidwestelijke helft van dit onderdeel rust een kegelvormig opgetrokken gebouw van 4(5 M. hoogte, dat naar het noordoosten langzaam in den vierkanten onderbouw uitloopt; naar den noordwesten zuidoostkant is de helling zeer steil tot aan eenen lagen voorsprong. Op de 160 M. breede zuidwestzijde stijgt de geheele bouw tot eene hoogte van 65 31., en wordt bekroond met eenen zwareu muurpijler van meer dan tien 31. hoogte oji acht breed en dik. Dit zonderling bouwwerk heeft naar zijn uiterlijk beoordeeld, vroeger als hoekstuk gediend van ecu verder doorloopend metselwerk ; ook draagt het de sporen van eene gewelddadige verwoesting door het vuur. Verschillende oppervlakten zijn heel en al verglaasd, en de gansche pijler is als door een gloeiende hitte van boven tot beneden gesprongen. Rondom dezen bouw liggen hoopenpuin van muurwerken, die allen naar den buitenkant gesmolten zijn, en waarvan zelfs briksteenen door de hitte kromgebogen zijn; verder af vindt men nog overal zulke in vuur verglaasde en op hoopen afgerolde briksteenen.
Zeer merkwaardig is de bekentenis van Rassam, die deze ruïne zeer dikwijls en met de grootste zorg onderzocht heeft; hij verklaart dat deze verwoesting door vuur geen anderen dan eenen bovennatuurlijken oorsprong kan hebben.
Om deze grootsche ruïnenmassa loopt eene rij van lage heuvels on muurpuinen, welke klaarblijkelijk eene rechthoekige omwalling aanwijst die 5 K.1L lang en breed is, en welke op de noordoostzijde als tot eenen ingang onderbroken is. Kaulen, Ass. u. Bah. 82, 88.
Omtrent dezen puinberg sprak Rich reeds bestemd als zijne meening uit, dat hij oorspronkelijk torras- of trappenvormig was | opgetrojeken, en dat men daarom erin den tempel van Hel moest j zoeken, dien Ilerodotes als hebbende zulken vorm gehad, beschrijft. Layard was dezelfde meening toegedaan, en na ijvervolle, naspo-ringen gelukte het hem uit alle gegevens eene teekening te maken van deze trapvormige pyramide. Ilerodotes telt acht zware numr-pijlers op den tempel van Bel, en met de beschrijving van deze komt de bestaande muurpjjler overeen, als zijnde tevens de hoek
58
van zulke verdieping. Maar toen kon nog niet verklaard worden of de bestaande pijlerblok liet hoogste metselwerk van dat gebouw was geweest. Rawlinson liet verdere opgravingen doen, en bevond alsdan dat de IJirs Minrod nog onder zijne puinhoopen de trap-vormige pyramide verborg, welke Herodotus als den tempel van 15el beschrijft. De beschreven hoekpijler is naar deze bevinding de hoekaanzet van den zesden âtorenquot; (verdieping); één of twee nog hoogere verdiepingen moeten aldus bij de verwoesting neergeworpen zijn. In de fundamenten alleen bevonden zich eenige gewelfde ruimten, voorzien van de luchtkanalen, die men bij dergelijke inrichtingen gewoonlijk aantreft. Ook dagteekent iiet metselwerk ongetwijfeld uit den tijd dien Herodotus voor den Belstempel aangeeft. Eindelijk haalde do onvermoeide en geleerde Mawlinson uit de vier hoeken van het gebouw de vier cylinders te voorschijn, welke in zestig kolommen van fijn sanskriet de oprichting van den bouw vermelden door Nabukadnezar.
Zoodoende is do Birs Mmrud het overblijfsel van een gebouw, dat eens onder de zeven wonderen der wereld geteld werd. Nabukadnezar noemt hem âden tempel der zeven planeten, welke de toren is van Borsippaquot;, en geeft daarbij aan dat âvroegere koningen hom gebouwd en tot op do hoogte van 42 ellen gebracht hebben, maar niet voleindigd.quot;
Het is dan ook duidelijk gebleken dat men aan het gebouw ecne oudere en ocno jongere bouwperiode kan onderscheiden. Ook de Griekscho geschiedschrijvers verhalen dat Xabukadnezar den Belstempel alleen voltrokken heeft, maar dat hij zijn ontstaan te danken heeft aan Semiramis.
(Semiramis heeft nooit bestaan, dus het oudste gedeelte van het gebouw dagteekent uit onheugelijken tijd).
De Grieksche naam luidt Borsippa, maar de cylinders noemer, hem in zijnen oudsten inheemschen naam Barsip; dit woord geeft den tijd aan, waarin het gebouw ontstaan is. De tweede helft van het woord bardp is het babylonisch woord beduidende spmal-, hebr. saphah; de eerste helft daarentegen kan gelijk zijn aan het huidig birs (Bars-sip) en toren beduiden, maar het kan ook eene afleiding 'njnwinhayur â rrrircirren. Hieruit volgt dat Barsip of Borsippa beduidt of spnd-odorm of wat nog waarschijn lij kei-is, spraakver icarrinj.
59
Hieruit valt niet anders te besluiten, dan dat dc Babyloniers zelve het aandenken aan die gewichtige gebeurtenis bewaarden, die de II. Schrift uit de eerste tijden van liet inenschdom verhaalt, en ons voorstelt als te Babel te zijn voorgevallen. Kaulen, Ass. u. Babyion, 85, 80.
De stad, welke tegelijk met den toren van Babel ontstond, kan geene andere geweest ziju dan de op den rechter of westelijken oever van den Euphraat gelegene oude stad; terwijl Xabukadnezar daartegen de nieuwe stad aanbouwde op den linker oever, uit welker vereeniging de vroegere groote wereldstad ontstond.
De vroegere joden van Babyion hielden ook de oude traditie, alzoo dat de toren van Babel stond ter plaatse waar de groote pyramide met zeven verdiepingen van Xabuchodonosor zich verhief. Volgens de oude bewoners, was deze pyramide met nog eene dergelijke, die zich binnen de vesting zelve van Babyion verhief, het oudste gebouw van het land. Een en ander waren zoo oud, dat de naam hunner stichters zich in den nacht der tijden verloor; daarom gaf men hem den naam van âeen oude koningquot; of nog juister âde oudste koningquot;.
Hiervan vinden wij melding op een beroemd inschrift van â Nabukadnezar, dat niet alleen deze inlichtingen geeft, maar ook de plaats van den toren van Babel aanwijst. Oppert, Et. assyr. 192, 193, heeit in 1857 dit stuk bekend gemaakt en vertaald als volgt:
«Wij zeggen voor liet andere, welk dit gebouw is; De tempel der zeveu lichten van de aarde, en waaraan do oudste herinnering van Borsippa kleeft, werd gebouwd door eenen alonden koning; van daar af telt men twee en veertig mensehenlevens, maar hij volmaakte niet zijn hoogste punt. De nieiischen hadden hem verlaten van af dc dagen van den Zondvloed, hunne woorden in verwarring uitsprekende, üc aardbeving en de donder hadden dc ongebakken brikstceneu door elkander gesehud, hadden gesmolten de gebakken brikstceneu der bekleeding; dc ongebakken brikken der zware bouwwerken waren tot heuvels op elkander gerold. De groote god Mcrodaeh heeft mijn hart aangexct om hem te herstellen; ik heb de grondvesten er van niet aangeroerd. In den naam des heils, op den gelukkigen dag, heb ik de ougebakkeu brikken van het zware muurwerk en de gebakken brikken
60
vim hot bekleedsel In araideu laten doorboren. Ik heb den roem vau inijueu uaara in de friezen der arcaden ingeschreven. Ik heb de hand aangeslagen om den toren te herbouwen cn de kruin er van op te richten; gelijk hij vroeger had moeten zijn in de verwijderde (vroegste) tijden, zoo heb ik het toppunt er van opgericht.quot;
Deze vertaling van Opport bevat eenen zeer betwisten zin, nl.: âDe menschen hadden Itoin verlaten van af de dagen van den zondvloed, hunne woorden in verwarring uitsprekende.quot; Ofschoon Lenormant aanvankelijk deze vertaling voor goed nam, week hij er toch weldra van afin Essai, 351, 352. Lenonnant las vooreerst in plaats van: âvan daar af telt men 42 inenschenlevcnsquot; het volgende: âhij had hem 42 akkermaten (oppervlakte) gegeven.quot; Vervolgens, in plaats van; âVan af de dagen van den zondvloed enz.quot; las hij: âvan af do dagen van den zondvloed had men hem verlaten zonder zijne (regen) waterleidingen te onderhonden.quot; â In deze vertaling verdwijnt alzoo de aanduiding der spraakverwarring, er is ook geen sprake meer van opvolgende geslachten.
Xa nog zorgvuldiger ontcijfering door 11. Ivawlinson, Fox Talbo en E. Schrader, ontdekten deze, dat er stond ijami niqufi: ver-wijder de (vroecje) dagen ^ in plaats van: ijhiii riktd: dagen van den zondvloed. Alzoo blijft de vertaling: âDo menschen hebben hom verlaten sedert verwijderde dagen, zonder zijne waterleidingen tc onderhouden.quot;
Bewezen is thans, dat deze laatste lezing de ware is. Dit noemt echter niet weg, dat hot eenparig oordeel dor geleerden, zelfs dat van E. Schrader, Die Keilinsch. 35, blijft, dat de Birs Nimrod bepaald bewezen is te zijn âdo toren van Babol dor II. Schrift.quot;
In dit aangehaalde stuk vinden wij vermeld, dat Xabiikadnezar op do inschriften heeft laten zetten, dat hij don toren herbouwd heeft âgelijk hij vroeger had moeten zijn,quot; alzoo volgens hot oorspronkelijk plan.
Herodotus, dien men alleen kan vertrouwen in zaken, die hij had gezien, had werkelijk dezen toren gezien, zooals hjj door den zoon van Xabopolassar hersteld was, en beschrijft hom volgendei' wijze; llorod. I, 181, trad. Saliat:
(!1
«Aan ilcu audcren kant (van do stad Bahvlon) ligt de tempel van Jupiter Belus, waarvan de poorten in koper zijn. Hij is nog heden in goeden staat en beslaat twee stadii;n in liet vierkant. I n liet midilen hiervan is een toren gebouwd, die eene stadie hoog is en ovenzoo dik. Daaronder is gelegen een andere toren, dan nog een andere, en zoo tot acht. De trap ervan is rond cn buiten het werk aang -legd. Op het midden van den trap zijn rustplaatsen voor hen, die opklimmen. Ãp don laatsten van boven is eene groote kapel.quot;
in werkelijkheid echter had de toren slechts zeven verdiepingen, daarom heette hij ook bij Xalmkadnezar (Xabuchodonosor), de dequot; tempel der zeven lichten. Ilerodotns nam dus de onaangeroerde fundamenten van den ouden toren van Babel, als de eerste verdieping, waarop de zeven anderen waren opgetrokken. De boven elkander gebouwde afdeelingen waren vierkant in vorm, en vormden ai zoo eene in afdeelingen telkens terugspringende pyramide. Elke verdieping was even hoog, en de geheele hoogte had eene zelfde afmeting als de oppervlakte van iedere zijde op den vlakken grond.
De vier hoeken waren gericht naar de hemelstreken. De afdeelingen wisselden ieder af in kleur, en was van beneden naar boven elkander opvolgend in wit, zwart, purper, blauw, vermiljoen, zilver, goud. â Deze kleuren echter van dien lateren tempel of toren zullen zich wel niet op den toren van Babel bevonden hebben.
Hoeveel dezer afdeelingen voltooid waren, toen God het werk vernielde, valt niet uit te maken, maar zooals wij bij Xabukadnezar zagen, had hij hot getal zeven niet bereikt, hij was niet ten toppunt voltooid.
De Assyro-Chaldeeuwsche pyramiden, en wel in 't bizonder die van Borsippa (de toren van Babel), dragen den inheemschen naam /i(/qurat of Zilcarat. â âZikurat Barsip leest men op het inschrift van Xabukaduezar â V. Place. Xiu. et l'Ass. II, 58.
(reu. XI, 4. âLaten wij onzen naam beroemd maken.'quot; enz. Zikurat komt af van het werkwoord Zakar, assyrisch en liebreeuwsch, beteekenende nieinorari, zich herinneren. Dus zou do zin zijn: laat ous een gedenkteeken stellen ter eeuwige herinnering aan ous scheiden, of wel aan onzen naam.
Gen. XI, 9. âEu daarom is haar naam genoemd Babel, omdat hier de spraak van geheel do aarde is verward.quot;
62
Het woord Babel heeft men meenen uit te leggen door te lezen Bab-ilu of Bal)-êl (met lange e) en dat dit dan beteekende: deur van Hu, dat is, deur van God. Maar Oppert en Lenorniant, Cuneif. Inscr. of w. Asias 11, 10 en Ess. etc. 567, hebben klaar en duidelijk bewezen, dat het door .Mozes uit het assyrisch overgenomen woord moet gelezen worden, gelijk de gewijde schrijver het geeft, nl.: babel (met korte e), welk woord niet anders kan beteekenen dan verwarring. Norris, Assyr. Diet. 1, 70â72.
Tot staving hiervan hebben wij nog andere bewijzen: Alexander Polyhistor bij Eusebius Cliron. Arm. Ie. IV zegt:
»Sybilla ait «inues hommes, uua liugua uteutes, turrim illara celsissimam extruxisse ut in coelum consceiidereut; Deum vero fortissimum, veuto afflato, turrim dejeoisse, peculiaromque singulis sermonem tribuisse, iileoque et urhem Bubj/lonem esse appellatam.quot;
Abydenus bjj Lenormant, Essai, 340 getuigt hetzelfde;
âTune a diis confusio varia et dissona liuguaruin in cos, qui uua lingua utebantur, immissa est.
TWEEDE AFDEELING. Abraham.
HOOFDSTUK I.
ONTDEKKINGEN OMTRENT ABRAHAM.
In de eei'rite afcleeling hebben wij iu de Chaltleeuwscli-Assyrisehe overleveringen bijna voet voor voet liet verhaal van Mozes in Genesis kunnen volgen. Xu echter wordt de Hebreeuwsclie tak, door God tot hoogere doeleinden bestemd, van den ouden Semi-tisehen stam afgerukt, en naar een ander land verplant; daarom wordt zijne geschiedenis onafhankelijk van die van Chaldaea.
Nadat de wetenschap ons de eerste woonplaats van Abraham zal aangeduid hebben, zullen wij dien aartsvader volgen op zijne reis naar Palestina, alsmede naar Egypte: van dan af verlaten wij voor langen tijd Chaldaea.
Wij, Katholieken, zijn door ons geloof kinderen van Abraham, den waren dienaar van den eenigen God; wij maken deel uit van die nakomelingschap, dat nakroost, talrijker dan de sterren des hemels, hetwelk God aan hem beloofd had in de stad Haran en in het land Kanaan. De geschiedenis van Abraham is bij gevolg voor ons als eene familie-geschiedenis, waarin alles onze opmerkzaamheid verdient, wat haar kan verklaren en ophelderen.
De archeologische ontdekkingen der jongste tijden in voor-Azië alsmede in het oude rijk der Pharaos, leveren ons voortreffelijke inlichtingen omtrent dezen oudsten stamvader in Chaldaea, waar Inj geboren is, iu Egypte, waarheen hij trok gedurende den hongersnood, in Kanaan, waar hij zijne laatste levensjaren doorbracht. Hierbij moeten wij echter niet denken, dat ons de bak-stoenplaten van Chaldaea, de opschriften in Egypte of de
64
gedenktcekenen van Palestina eone aaneenhangende geschiedenis van Abraham geven; neen, deze plaatsen bevestigen slechts in het algemeen al datgene, wat Mozes tot in zijne bizonderheden mededeelt; zij zijn noch meer noch minder dan krachtige bewijzen voor de trouw en waarheid van den gewijden schrijver Mozes.
Daar wij alleen op het gebied der ontdekkingen blijven, zoo kunnen wij hier geene volledige geschiedenis geven van Abraham. Deze is overigens genoeg bekend, en onze verhandeling dient dus slechts ter opheldering van eenige voorheen moeilijke plaatsen.
Wij willen dan vooreerst het vaderland van Abraham opzoeken, dan volgen wij zijnen weg uit Chaldaea naar Kanaiin (Chanaan) on Egypte; daarna zullen wij zijne overwinning over Chodorlahomor bespreken, om vervolgens een vergelijkend onderzoek in te stellen tusschen de schilderingen die Mozes ons geeft omtrent de leefwijzen en gebruiken uit dien Patriarchalen tijd, en die welke nog heden het arabisch volk ons biedt,
Siet ten onrechte noemen wij dit schilderingen. Want herhalen wij nogmaals liet geschrevene in âDe Wetenschap voor de vierschaar van den Jbjbelquot; p. 08. Cr. D. K, E. âdaarom eigenden zich de dialecten der Semitische taalfamilie alleen tot eenvoudige geschiedkundige verhalen en tot de uitgelezenste dichtkunst, waarin bloote aandoeningen en indrukken in snelle opeenvolging-gevoeld en beschreven worden... Daarvandaan dat wij in het Hebreeuwsch de diepzinnigste openbaringen van den godsdienst, de verschrikkelijke voorspellingen der profeten, de leerzaamste deugdelessen ingekleed vinden in beelden en voorstellingen uit de uiterlijke natuuromgeving geput,quot;
HOOFDSTUK II.
VADERLAND VAN ABRAHAM. ZIJN TOCHT VAN CHALDAEA NAAR PALESTINA.
In 't algemeen neemt men voor de geboorte van Abraham, twee duizend jaren vóór Christus. Ussher stelt haar in 1902 v. dir. Clinton stelt den dood van Abraham in 1955 v. Chr. en Palmer in 1984 v. Chr.
Tourneminius stelt de geboorte van Abraham in 2232, en volgens den liebroeiiwschen tekst in 2008.
De Clialdeeuvvsehe overleveringen hebben hieromtrent tot heden geen klaarheid gegeven, en ook de Egyptische opschriften duiden niet aan, onder welken pharao Abraham met Sara in Egypte kwam. Ebers is van meening, da; ganseh waarschijnlijk Abraham naar Egypte was gereisd vóór den inval der Hyksos of herderskoningen. â Verdere ontdekkingen kunnen nog nadere uitleggingen hieromtrent geven. Al biedt ons de chronologie weinig zekerheid op dit gebied, de geographic daarentegen geeft klare ophelderingen.
In Genesis XI, 31 lezen wij: âen hij voerde hen uit Ur Kasdim (Ur der Chaldeën), om naar het land Chanaan te trekken, en zij kwamen tot Haran, en woonden aldaar.quot;
Volgens Calmet, Diet, de la liible I, 91, is de ligging van Ur Kasdim, het vaderland van Abraham, altijd een veel bestreden plaats bij de aardrijkskundigen geweest. Maar, dank aan de ontdekkingen der wetenschap, is deze moeieljjkheid thans opgelost.
^ ij willen een enkel woord zeggen omtrent de vroegere meeningen der ligging van Ur. De H. Ephrem, beroemde schrijver in Syrië, en met hem vele anderen stelden het vaderland van Abraham te Orfa, het oude Edessa der Grieken, de stad waarover eens koning Abgar of Akbar regeerde, die eenen brief zou geschreven hebben aan Jesus Christus, en die van onzen Zaligmaker een antwoord met zijn traditioneel afbeeldsel zou gekregen hebben.
Stanley, the Jewish Church I, 7â8, schrijft hierover:
âDe overlevering van Abraham leeft nog voort in den mond der Arabieren die Orfa bewonen, zij is als in den bodem van dit land ingeworteld. De stad ligt op de grens van een der laatste, naakte en steile zijgebergten der bergen van Armenie, die naar de vlakten van Assyrie afdalen te midden van vruchtbare landouwen, wegens hunne ligging onder de bergen genaamd Padan-Aram. Twee onvergane trekken van het uiterlijk dezer plaats getuigen ons, dat zij sedert onheuglijke tijden de wieg is geweest van de ontwikkeling dezer streken. Vooreerst hebben wij een hooge rots, die haar toppunt steil verheft en nog heden eene natuurlijke versterking daarstelt, dubbel verdedigd als zij is door eenen wal
5
(it)
on eene gracht in deze rots geboord. Dan hebben wij aldaar cene rijke rivier, die in oen klein helder meer uitvloeit, omgeven met een weelderig groen; deze plaats is heden, gelijk zij altijd geweest is, eene heerlijke oase, een paradijs te midden der dorre woestenij, die haar omringt. Rondom dezen gewijden vijver, dien de Grieken âde schoone bron, callirhoëquot; noemden, vinden wij de moderne overleveringen van dezen Patriarch. Geheel in de nabijheid, te midden der cypressen verheft zich eene moskee, waar hij zijn eerste gebed deed; dit verfrisschend water ontsprong oudtijds om de vlammen van den vuuroven uit te dooven, waarin de onge-loovigen hem geworpen hadden; de gewijde visschen, die bij millioenen in deze wateren leven, omdat men hen sedert eeuwen gespaard heeft, zijn de lievelingen der geloovigen, omdat zij onder zijne bizondere bescherming staan; de twee corinthische zuilen die zich daarboven verheffen op die steile rots, zijn de gedenk-teekenen zijner verlossing. Wij weten, dat men in de eerste eeuwen van het Christendom aldaar nog andere gedenkstukken aanwees uit den patriarchalen tijd. Het jaar van Abraham was te Edessa als eene tijdrekening aangenomen. Josephus spreekt van het graf van Haran, dat men nog te zijnen tijde te Ur zag; Eusebius maakt melding van de tent, welke Jacob bewoond had toen hij de kudden van Laban hoedde, en welke men in eere had gehouden tot op zekeren tijd in de tweede eeuw, toen het hemelvuur haar vernielde. Maar afgezien van deze voorbijgaande en onzekere getuigen, kunnen wij toch als onze meening aangeven, dat dit verheven rotspunt, de heldere bron, de weelderige plantengroei der omgeving van deze plaats, hebben moeten maken: de lichtbaken van het ras van Arphaxad â zooals men Ãr-Kasdim kan verklaren â evenals eene evenarende ligging van Damascus het ooy van het Oosten heeft gemaakt. Daarenboven is het zeker, dat eenige van de ontelbare graven, die de rotsachtige hoogten innemen, opklimmen tot in de eerste tijden, waarin de mensch de wereld bewoonde.quot;
Tot hiertoe Stanley. Dezelfde meening wordt nog gedoeld door Ilitzig, Gesch. des Volkes Israels I, 42, on door Fausset Comm. crit. and expl. I, 8.
Ã7
Hierbij valt op te merken: Orfa of Edessa is een oud middelpunt van beschaving, â- maar dat is een zwak bewijs. Vervolgens is liet niet het traditioneele Ur, â deze overlevering dagteekent echter eerst sedert het Christendom. Edessa droeg wel is waar in de landtaal den naam van Ur, maar nooit dien van Ur Kasdim, het Ur der Chaldeën.
Buitendien vinden wij in het Oosten naast de ware overleveringen ook veel onware. Zoo toont men te Ninive het graf van Jonas, die echter begraven is te Geth-Opher zijn vaderland. IV Reg. XIV, 25; en te Hebron het graf van Joseph, die begraven ligt te Sichem. Jos. XXIV, 32.
Nog eene andere meening is die van Bochart, later ook gedeeld door Michaëlis, Rosenmuller enz. Deze hielden dat het Ur Kasdim zijn moest de stad Ur, waarvan Ammianus Mareel-liuus melding maakt bij Grardthausen XXV e. 8, n. 7, waar hij zegt, sprekende over den terugtocht van het romeinsche leger, na de nederlaag van keizer Julianus: âDux Mesopotamia? Cassianus et tribunus Mauricius pridem ob hoc missus ad Ur nomine Per-sicum venere castellnm.quot; Deze schrijver plaatst dan Ur tussehen ..Nisibis en den Tiger nabij Carrae, zooals wij het ook aangeduid vinden in de oude Atlassen, o. a. van Arnz.
Hunue verklaring luidde aldus: Indien men Ur in het eigenlijk gezegde Chaldaea, ten westen van den Euphraat plaatst, dan moest Abraham twee keeren over dezen stroom trekken, en wel lu om van Ur naar Haran te reizen, en 2° om van Haran naar het land Chanaan te verhuizen, en dit beide zonder noodzakelijkheid. Indien daarentegen Ur de stad was, waarvan Ammianus Marcellinus spreekt, op een afstand van twee dagreizen van
Nisibis, dan ligt Earan juist op den weg, die van Ur naar het beloofde land voert.
Deze opgeworpen moeiehjkheden missen allen grond voor hen, die de uitgestrekte landstreek kennen, en zich niet gelijk Bochart, met eene zeer onvolledige en onduidelijke kaart moeten behelpen.
ant waar men Lr ook wil plaatsen, ïiiare met Abraham moesten zoolang mogelijk in de nabijheid van vruchtbare streken blijven, indien zij niet met al hun volk en zeer groote kudden
(38
voo in do uitgcstrokto naakte woostiju tussclicn don Euphraat on het Jordaanland wilden omkomen.
Maar laten wij in de Assyriologie hot ware Tr Kasdim opsporen.
Volgens liet sanskrit is de ware beteekenis van Ur Kasdim âdo stad der Chaldeën.quot; Dit wijst alzoo de geographiselie beperking aan van het gebied, waarin do vaderstad van Abraham moet gezocht worden. Ifet Chaldoeuwsch gebied was echter binnen enge o-ronzen besloten. Do sovonden gedenkstukken kennen don naam
O no
van âChaldeënquot; alleen toe aan de bewoners van het Zuidelijk van Babylon gelegen land, zoodat liabylonie geen deel ervan uitmaakte.
De sanskritsche inschriften ondorsohoiden altijd zoor duidelijk Chahlaea van Mesopotamia. Zij verdoelen het land als volgt:
a) Mat ^sswr, het land van Assyrië, omvattende Ninive en de andere steden ten Zuiden gelegen langs den Tiger, boven den mond van den benedeii-Zab, Kalach of Nimrud, El Asur.
b) Muf Aram, het land Aram in don ongen zin, bevattende Mesopotamia tot aan Hamath, alzoo de Arameërs ten noorden en ten oosten.
c) Mat Hatfi, de Arameërs ton zuiden en westen, het land dat zich uitstrekt van Hamath tot aan do grenzen van Chanaiin.
cl) Maf Aharri, het westland, nl. Chanaiin tot aan do Midde-landsehe Zee.
r.) Maf Kaldu, het land der Chaldeën ton zuiden van liabylonie, Babila. E. Schrader, Die Keilinschr. u. d. Alte Test 32, 33. Ménant, Ann. d'Ass. carte VII, p. '297. Fr. Lenormant. Atl. etc. pi. XI. Gcogr. des mon. ass. etc.
Nooit vinden wij Kaldu met Uabilu verwisseld of vereenzelvigd, maar altijd streng onderscheiden; b. v. de volgende aanhaling uit de Annalen van Sargon: âIn mijnen Xllden veldtocht, Merodoch-Ualadan, zoon van Jakin, koning van het land Kaldi, die zijne woonstede had geplaatst op de zee dor zon (Perzische Grolf), heeft vertrouwd op de zee en op de macht zijner krijgers.... Hij had gesloten een verbond met Humbanigas, koning van Elam â Chaldaea lag hiervolgens aan den benedon-Euphraat, nabij de Perzische golf; aldaar dus moeten wij ook ür Kasdim of l r Ivnldu zoeken.
fi'.l
Do naaiii Chfiklaoa op di' iiisclirifton klimt, volgens Menanl:, Hah. ct la Chald. c. 1. ]gt;. 45 en Delattre. Les Chald. tot ongeveer -000 jaren en wordt nog gevonden op üOO jaren v. dir.
Wat nu den naiun Ur betreft, eerst meende men dat hij een landstreek beduidde, omdat men de ideograpltisclie teekenen, waarmede de plaats was aangeduid, niet wist weer te geven ; maar eindelijk werden deze opgehelderd door een spelboek uit de boekerij van Assurhanipal, uitgegeven door Rawlinson en Xorris, Cun. Inscr. II. 46. Ziethier de uitlegging er in:
Men vindt daar twee ideographische groepen: Sis. x ki en //. kt. Ki. dient om de voorafgaande teekenen nader te bepalen, en om aan te duiden, dat zij eene stad beteekenen. l.-i wordt in dat spelboek verklaard door Ak-ka-du of Accad, de stad waarover wjj vroeger gesproken hebben bij Gen. X, 10.
gt;S7s. x. ki beteekent U-rn-u, d. i. Ur. Was Ur een landstreek of rijk, dan moest in plaats van het bepalend ki, het bepalend maf staan.
Deze groep sis, x. ki vindt men op tallooze baksteenen in de opgehoopte ruïnen te Mugheir in Chaldaea, en duidt daarop den ouden naam dezer stad aan.
Hieromtrent hebben wij nog een bewijs van Eupolemos, aangehaald bij Eusebius, i'raep. Evang. IX, 17, waarin hij zegt: âKama-rina in 13abylonie wordt wok door sommigen Our ié genaamd, dat beteekent de stad der Chaldeën.-' Ivamarina is het huidig Mugliëir.
--- Omtrent Ur Ivasdim zegt l)r. Fr. Kaullen, Ass. u. Bab.
97: âAl de ontdekkingen van den moedigen Engelander, Taylor, waren echter van minder beteekenis dan de schriftelijke documenten, die hij hierin Mughëir opdeed____Op verscheidene plaatsen
lageu onder de puinhoopen ook brokstukken van beschrevene kleicylinders, die waarschijnlijk met de bovengedeelten van het gebouw nedergestort waren. Deze wekten zijne aandacht, en hij onderzocht de vier hoeken van liet hoofdgebouw, nl. den tempel, eu gelukkig vond hij daarin de karakteristieke tonvormige oorkonden terug. Deze zijn even, gelijk do vroeger gevonden brokstukken, afkomstig van den laatsten liabylonischen koning Xaboned, en geven merkwaardige onthullingen over de moeite, die deze vorst zich gaf ter herstelling van de oude landsheiligdommen. Uit deze, gelijk ook uit de baksteeninschriften blijkt, dat het huidige Mughëir
Td
de plaats van hot oude âUr der Chaldeënquot; is, dus die gedenkwaardige plaats, waar Abraham geboren is en zijne eerste opvoeding genoot. De overoude beduidentllieid dezer plaats kan men opmaken uit de rij van koningsnamen, die hier sedert 2500 jaren v. Chr. genoemd zijn; daaruit blijkt nog dat Ur de zetel was van een koninkrijk, waaraan de overige steden van zuidelijk Babylonie met hare eigen koningen schatplichtig waren. De pyramide was een tempel van den maangod Sin; deze was door Urea aangelegd, maar eerst door zijnen zoon en opvolger Dungi voltooid. Na tweeduizend jaren werd hij weder door Xaboned hersteld, en daarom werden zijne cylinders in liet oude muurwerk nedergelegd. Het einde zijner bouwoorkonde is even gewichtig voor de latere gewijde geschiedenis, als de overige inhoud voor den aanvang ervan: âO Sin, bidt de Babylonische koning, behoud mij, Naboned, koning van Babel, in den dienst van uwe groote godheid! verleng mijn leven tot in verre dagen! en prang diep in het hart van Belzarussar, mijnen doorluchtiger! eerstgeborenen, den eerbied voor uwe grootheid, opdat hij nooit in zonden valle en geen onrecht begunstige.quot; Deze Belzarussar is âde koningquot; of prinsregent Belschassar (Baltassar) die bij Dan. V, 1 genoemd wordt; hij werd door zijnen vader te Babyion achtergelaten, toen Cyrus hiertegen optrok, en hierdoor wordt de duistere plaats der II. Schrift opgehelderd, daar wij weten, dat ook Xebukadnezar reeds van af het begin zijner regeering den titel âkoningquot; voerde. Jer. XLYI, 2.quot;
Wanneer men langs den Euphraat afdaalt, dan vindt men ongeveer halverwege tusschen Babyion (Hillah) en de monding van den stroom of de Perzische golf, ten westen op eene kleine verhevenheid een rulnenveld. Dit nu was eens de oude âstad der Chaldeën,quot; Ur, het vaderland van Abraham. Heden heet die plaats Mughëir, ook Omghëir, de ,stad van asphalt, van jodenhars, of de met aardpek bedekte, welke stof men hier bij eiken voetstap overvloedig aantreft. Taylor, Journ. of the R. As. Soc. XV, 260â 270. Vroeger was deze eene zeer bloeiende stad, waarin kunst, letteren en sterrekunde bloeiden; daarenboven was het een vruchtbaar land, van kanalen, dijken en dammen voorzien, gelijk wij vroeger vermeld hebben.
Het schijnt, dat die stad verlaten is sedert 500 jaren v. Chr., maar na dien tijd diende zij nog lang als gewijde begraafplaats
71
voor Cluililcörs en Assyriërs; ontelbaar is liet getal graven, die mfni er vindt. Ten tijdo van Abraham lag deze rijke, vruchtbare stad nog nabij de Perzische Golf, die echter vanaf Ivah, thans Hit steeds is blijven terugtrekken, niet door de vorming eener delta, maar naar liet schijnt door eenc rijzing van het bod der zee.
Dusdanig was do toestand van liet schoone land, dat Abraham moest verlaten om te gehoorzamen aan Gods bevel.
Volgens de Oostersche overleveringen, aangehaald bij Herbelot, Bibl. Or., Chron. de Tabari, Aboulpharage, enz. enz., wordt ons Abraham in een heerlijker daglicht voorgesteld dan in de JI. Schrift; deze zwijgt zelfs over den toestand van Abraham en zijne familie te Ur. En toch geefc de Schriftuur, Oen. XIV, 14, 15, XII[, 2, XIII 6, te verstaan dat hij het hoofd van eenen stam was en zeer rijk, omdat hij met eene groote familie, kudden en rijkdom in Kanaan kwam. â De Assyrische overleveringen schilderen hem als een bekwaam astronoom, bedreven in alle weten-â schappen; een held, sterk genoeg om elke moeilijkheid en tegenspoed te overwinnen; zij heetten hem Abraham de Rijke.
Gen. XI, â ! 1.... en zij trokken tot Haran, en woonden alhier.
Toen do familie Thare uit Ur Kasdiin vertrok, richtte zij hare 1 schreden naar het Xoorden, naar Haran. Weldra moest Thare H den Enpliraat oversteken en langs den oostenlijken oever zijne | reis voortzetten, omdat hij op den onvruchtbaren rechteroever onmogelijk zijne talrijke kudden kon onderhouden of voeden. Uit | hot aangehaalde bij den Zondvloed weten wij reeds, dat het gebruik van schuiten, vlotten en veren in Chaldaea overbekend was I sedert de oudste tijden; die overtocht baarde dus geen moeie-ir hjklicid.
Het is van algemeene bekendheid, dat het voor-Aziatisch volk | van heden in levenswijs en zeden bijna zuiver de oude tradities van over drie tot vierduizend jaren bewaard heeft. Om ons dus H een denkbeeld te maken van den tocht van Abraham, willen wij i aanhalen, hoe Layard, die van zulk eene karavaan ooggetuige I was, haar beschrijft in Nin. a. i. Rem. I, 89â90. Hij ontmoette
haar ter plaatse, waar eenmaal dc familie getrokken was.
âWij vertrokken, zegt hij, heel vroeg 's morgens. 2sa eenigen tijd bereikten wij de vlakte, die zich aan onze voeten ontrolde. Deze geleek op een in beweging zjjnden bijenzwerm. En werkeljjk, wij stieten op den voorttrekkenden stam van Schammar. Moeielijk valt het den aanblik te beschrijven van eonen grooten stam, gelijk wij dien toen ontmoetten, wanneer hij eene landstreek verlaat om nieuwe weiden te gaan opzoeken.... Weldra bevonden wij ons te midden van kudden schapen en kameelen, die over eene groote uitgestrektheid verspreid waren; overal, zoover ons oog naar alle kanten kon dragen, zagen wij dezelfde beweging, hetzelfde gedrang. Lange rijen ezels en ossen, beladen met zwarte tenten, groote kruiken, tapijten in verschillende kleuren ; grijsaards zoo mannen als vrouwen, die van ouderdom niet meer konden gaan, vastgehecht boven huisbenoodigdheden; kinderen in zatel-tasschen gestoken, waarboven zij hunne kleine hoofden uitstaken, en hebbende tot tegenwicht jonge geiten en lammeren, op den tegen-overgestelden kant van den rug van het dier vastgebonden; jonge meisjes, slechts gekleed in een eng arabiscb hemd ; moeders met hunne zuigelingen op de schouders, terwijl de kinderen kudden lamineren voor bon uitdreven; ruiters, gewapend met lange lansen voorzien van een pluim, en de vlakte op hunne vlugge paarden onderzoekende; mannen op dromedarissen gezeten, welke zij met liuiine korte, gebogene stokken aandreven, terwijl zij de raspaarden bij een touw leidden; jonge veulens, midden in dien troep dravende ... zietdaar de bonte menigte, waardoor wij ons gedurende verscheidene uren eenen weg moesten banen.quot;
Wanneer wij de paarden weglaten, daar Thare waarschijnlijk geone bezat, dan hebben wij een zuiver voorbeeld van de oudste tijden. Zulk een tocht moest daarenboven langzaam geschieden. Daaromtrent schreef in 187quot;) Thomson, die dertig jaren in Palestina heeft doorgebracht, in The Land and the Book 331â332: âSedert verscheidene maanden zijn de kudden, die thans door de vlakte van 8eidjur gedreven worden, vertrokken uit de zuidelijke vlakten van den boven-Euphraat, en nu zjjn zij op weg naar Acra en andere steden langs de kust. Het Oosten is thans, gelijk het altijd geweest is de bakermat der schapen, gelijk de vallei van den Misissipi die der varkens. Job bezat 14.000 stuks vee (Job
XLIf. 12), un Salomon (111 lïe^. A'111, 63) oflerde 120.000 stuk. Men behoeft niet hieraan te twijfelen, wanneer öaen ziet wat tegenwoordig iiier te lande gebeurt. Het gaat onze verbeelding verre tu boven, hoeveel kudden teikenjare uit liet Noorden komen. De weg door het binnenland was in 1853 niet veilig, toen trokken allen langs het strand. Gedurende de maanden November en December was dc geheele kust ermede bedekt. Zij kwamen uit hot noorden van Syrië en Mesopotamië. De hen begeleidende herders, gelijken, naar mijne overtuiging, in kleederdracht, zeden en spraak, volkomen op die van Abraham en Job. âSit spatium inter gregem et gregem,quot; lezen wij Gen. XXXll, 16; aldus ook hier; elke kudde is door een tussehenruimte gescheiden; langzaam trekken zij voort gelijk de herders van Jacob, om eenzelfde reden; want zou men den gang versnellen, dan kwamen vele schapen oin. Xu zelfs schieten velen het leven erbij in, niettegenstaande dc grootste voorzorgen. De noordelijke vlakten zijn letterlijk overstroomd van schapen, en hun voorraad is onuitputtelijk. Natuurlijk baart het geene verwondering, dat er twist onstaat tusschen de herders, gelijk wij lezen in de geschiedenis der patriarchen, wanneer men al deze kudden moet drenken, op plaatsen waar de putten schaars zijn.''
Daar dc rois langzaam vorderde, kwam do familie eerst na langoren tijd te Haran aan. Haran ligt op het snijpunt der wegen, die elkander hier kruisen van den oenen kant naar den Euphraat, van don anderen kant naar den Tiger.
Haran, Gen. XI, 32, ('haran. Act. Ap. VII, 4, Charrae bij do Grieken en Romeinen, is bekend in de oude geschiedenis als do plaats waar Crassus overwonnen werd door de Parthen, in do gewijde geschiedenis . en bij de christenen als do woonplaats van den stamvader der Hebreeuwen. Die naam is tot heden onveranderd gebleven, gelijk men hem veelvuldig aantreft op de Assyri-sche documenten, waar hij als eene Aramëische stad voorkomt. De na am Haran komt voor op de inschriften van Khorsabad naast dien van Balbiki of Halbok, en hij wordt opgesomd op de gedenkzuil van Salmanasar bij de overwonnen steden in het noorden van Mesopotamië.
74
Ten oosten en ten noord-oosten van Orfii ligt ccne uitgestrekte kalkachtige hoogvlakte, aan welker zuidelijken voet een bijzonder vruchtbare laagvlakte hare gronden ontplooit; deze is besproeid door do Belilk, vroeger genaamd lïilichiis, een kleine zijarm van den Euphraat; en op den oever van de Belilk ligt Haran. Dr. Beke kan dit tot zijn spijt niet meer loochenen. Naar alle waarschijnlijkheid behoorde Haran eertijds tot het koninkrijk van Algar, waarvan de hoofdstad was het op eene dagreize verwijderde Edessa; tijdens het liomeinsch keizerrijk was het een middelpunt van afgodendienst, hevig gekant togen Edessa, waar de Christengodsdienst reeds heerlijk bloeide. Heden ontwaart men daarvan nog slechts de reeds van verre zichtbare ruïnen van een kasteel, omgeven door de woningen der Hedouïnen, die uit de verte op bijenkorven gelijken.
Men vindt aldaar geen hout, en daarom waren ton tijde van Abraham gelijk heden de woningen gebouwd in suikerbroodsvorm, van briksteen zonder mortel op elkander gevoegd, en die huizen van boven van eene opening voorzien, waardoor het licht binnendringt.
In do omgeving dor stad is hot land met kanalen doorsneden. Merkwaardig is vooral de put van liebecca Gen. XXIV, 15, waar deze Eliezer ontmoette. ïen huidigen dage nog verzamelen de kudden zich 's morgens nabij dezen put, en de vrouwen van Haran komen er hunnen dagelijkschen voorraad opdoen. De trappen evenwel, waarlangs Rebecca afdaalde om hare kruiken te vullen, zijn verdwenen, en thans vullen de vrouwen liunne lederen waterzakken aan eene uitmonding van den put. Daar bevinden zich nog meer putten, maar hun water dient alleen om het vee te drenken. De Robecca-put alleen heeft voor de menschen drinkbaar water. Nabij die putten bevinden zich verscheidene waterleidingen van verschillende hoogte, waaraan kameelen, schapen, geiten en lammeren hunnen dorst lossclien. Do vrouwen aldaar dragen neusringen en armbanden in goud, zilver of koper, al naar bunnen stand.
Tusschen Haran en den Euphraat strekt zich de thans nog vruchtbare vlakte van Servj uit, waar heden de Bedouinen hunne kudden weiden, gelijk Abraham dit deed, toen hij te Haran woonde.
Dit land moet nochtans verre onderdoen voor Chaldaea. Kitte», Cycl. I, 22 meent dat Abraham 15 jaren te Haran vertoefd
(O
heeft, Allen. I, ;{04, meent, dat hij er sloolits 5 of 6 jaren bleef.
Alsdan kreeg Abraham wederom het bevel van God, om dit land te verlaten. Gen. XII, 1. Hieraan voldeed lij] terstond, en in den ouderdom van 75 jaren vertrok hij uit Haran. Om het beloofde land te bereiken moest hij andermaal den op twee dagreizen van Haran stroomenden Euphraat oversteken. Dit gebeurde te Zeugma, de vroegere veerplaats, liggende een weinig ten westen van Birt, waar men heden dien stroom oversteekt. Stanley, Jew. Ch. I, 10.
Do weg uit Mesopotamië naar Palestina leidt over Damascus. De geographie, de traditie en alle geleerden komen hierin overeen, dat Abraham van Haran naar Damascus trok. Justinus 36, 2 de koningen van Damas opsommende, zegt: âPost Damascum Azelus, mox Adores et Abraham et Israhel reges fuere.quot; Bij Josephus Antiq. I, VII, 2 zegt Xicolas van Damascus: âAbraham was koning van Damascus.quot;
Damascus ligt zeven dagreizen verwijderd van don Euphraat, maar Abraham moest daarover veel meer tijd afleggen wegens [zijne talrijke kudden. Volgens Josephus Antiq I, VII, 2; Stanley, jJew. Church I, 485â4S7 en volgens de plaatselijke overleveringen â heeft Abraham eenigen tijd te Damascus doorgebracht. Waarschijnlijk he^ft hij de inwjners met geweld moeten onderwerpen. Zijn getrouwe dienaar Eliezer schijnt wel een buit zijner overwinning te hebben uitgemaakt, want Eliezer was een Damasceen.
Om de afstamming van Abraham uit Chaldaea noy- nader te
O O
[bevestigen, nemen vele geleerden hier hunne toevlucht tot de IA.ssyrische en Hebreouwsche taal. Het Assyrisch wordt aldus benaamd, omdat men die taal in Assyrië op de inschriften heeft leruggevonden: zjj moest eigenlijk heeten âde Chaldeeuwsche.quot; J Volgens alle geleerden is er eene treffende overeenkomst tusschen et liebreeuwsch van Abraham en de Chaldeeuwsche taal. Ofschoon |iet zonneklaar is, dat de andere Semitische talen, als het Ara-ineesch, het Arabisch en het Ethiopisch dochtertalen van het Assy-ïisch of Chaldeeuwsch zijn zoo hoeft toch geene van de genoemde tnlen l'joveel overeenkomst met liet Chaldeeuwsch als wel het liebreeuwsch,
^og eenc andere belangrijke zaak valt hier to constateeren. liet feit, dat de assyrisehe taal gedurende haar tweeduizendjarig bestaan, welk tijdstip do ontdekkingen omvatten, bijna onnierkeljjk onveranderd is gebleven, levert ons het bewijs dat ook het 1 febreeuwsch in het verloop van eeuwen onveranderd is kunnen blijven, want tusschen geene talen bestaat een zoo nauw verband als tusschen die twee. Daardoor vervalt van zeiven de opwerping, dat Mozes niet de schrijver van den Pentateuch zou zijn, omdat de taal van deze boeken zoozeer overeenkomt met die der Psalmen, en de nog latere der profeten. â Reeds een andermaal hebben wij besproken en bewezen hoe onveranderlijk standvastig de Oostersciio volken aan hunne eeuwenoude tradities, zeden, gebruiken, taal. enz. vasthouden. Cl. I). Kern Eik. De Wetenschap enz. OSâ69,
HOOFDSTUK III.
AANKOMST VAN ABRAHAM IN PALESTINA. ZIJN TOCHT NAAR EGYPTE.
Het land Chanaan was nog min bevolkt, toen Abraham er kwam; want zoowel Abraham als Isaac en Jacob doortrokken dat land in alle richtingen, leidden hunne kudden naar elke streek om te grazen, en toch vinden wij niet, dat men hen ergens bemoeiebjkte.
Een stuk, dat dagteekent van liet tijdperk voor Abraham, rd.: do papyrus hieraticus van Berlijn geeft ons 1, 1, T'.lâ85 eenc beschrijving in egyptisch schrift over Palestina. Doze is bijna eensluidend met die van Mozes. Volgens die beschrijving bestond ^ de voornaamste rijkdom van Palestina in zijne weidegronden en in zijnen veestapel. Do inwoners waren aanhoudend in twist over de weilanden, en beoorloogden elkander om ossen, schapen, mondbehoeften en slaven; dit geschiedde dus even als ten rijde van Abraham en iiot. Gen. XI11, 7 etc.
Goud en zilver worden hij deszelfe voortbrengselen niet genoemd ; daarentegen was liet rijker aan wijn dan aan water; honiquot;1 en graan waren overvloedig; vijgen niet minder en zeer zoet van smaak; de olijfboom vermenigvuldigt zich dermate, dat hij in het hieroglyphisch schrift dient om een gedeelte van het land zijne benaming Aéa te geven. Amonenseha, de hak (opperhoofd) van lonnou, gaf deze landstreek aan Sineh, als huwelijksgift zijner dochter. Dit lag in zuidelijk Palestina. 1'ap. hier. z. b. Chabas, Et. sur 1 antiq. hist. 10Gâ109 Delgeur, La géogr. des anc. Egypt. 548â549.
Abraham was nog niet lang in Chanaün, toen een hongersnood er uitbrak en hem dwong de reis naar Egypte te aanvaarden. Het Xijldal is sinds eeuwen eene voorraadsclmur geweest in granen voor andere volken, want twee duizend jaren na Abraham zien wij de Romeinen op dienzelfden grond hunnen noodigen voorraad ijgranen komen halen.
Het kostte aan liet nomadenhoofd Abraham niet veel moeite zijne tenten op te rollen eu zich ter bekoming van levensmiddelen naar Tanis te begeven. Hierin waren hem andere Semiten en C'liananeërs reeds voorafgegaan, eu in de toekomst zouden zijne afstammelingen hetzelfde moeten doen onder Joseph.
Toen Abraham bij de Egyptenaars verscheen, en deze de schoone »Sara zagen, snelden zij heen om aan hunnen Pharao de aankomst an deze schoone vreemdelinge te melden. (Jen. XII, 14. ])e vorsten van dat land kenden zich, zooals later nog meer zal blijden, steeds het recht toe om in hunnen harem te voeren alle ongehuwde vrouwen, waarin zij behagen hadden. Olearius, Reisb. 504; Kiimpfcr, Amaenit. exot. 203. Deze werden dan betracht üs nevenvrouwen; van deze vindt men melding van uit den tijd Ier pyramiden.
In een hieratisch papyrus, thans in het museum van Berlijn inden wij het volgende:
-Ecu opzichter had aan ecuen werkman zijnen ezel ontnomen; deze maakt hierover zijn beklag bij den hoofd-opziehter Mernitens, die ua vele omwegen de zaak voor den koning Neb-ka-Ra brengt. Na de klacht gehoord te heb-ben, geeft de Pharao het volgend bevel; ./de koning zegt: Hij antwoordt
mg ilijk 'sch 'ant hen jzes van de be-iche ;aal, BO,
t.
ii cr i dat c om jkte. nl.: eene jijna tond i en ;wist pen, tijde
1
7.s
niets op wat, men hem zegt.... Men make ons een schriftelijk verslag der zaak; wij zullen de zaak begrijpen; dat zijne vrouw en zijne kinderen aan den koning toekomen .... Dat men nog in stilte over dezeu landwerkmau wake, over zijne persoon. Gij zult hem brood doen geven. Men deed hem brood geven en twee kruiken hak (een soort bier) eiken dag. De groot-opzichter Meruitens deed ze hem geven do gt;r zijnen hofmeester. Deze was het welke ze gaf. De hoofd-opziehter Meruitens zond naar den Hak (opperhoofd) van het zoutland, opdat men broodcu maakte voor de vrouw van dezen landwerkmau, drie per dag. Chabas, Les Pap. hier. de Berlin, récits d' il y a quatre mille aus. Pap. uquot; 11 Ch. s. S. 11-, 15.
Chabas zelf stelt hier in het lieht, hoe dit overeenkomt mot het verhaal van Mozes, omtrent Abraham, wat betreft Abraham zeiven en zijne vrouw.
De toenmalige pharao was een inlandseh vorst en geen hyksos of herderskoning; Abraham was een vreemd nomadenhoofd; daarom meenen eenigeu, dat liét onwaarschijnlijk is, dat deze vreemdeling bij den pharao een goed onthaal ondervond, Gen. XII, 16. Maar ook hiervan bestaan andere voorbeelden. Beni-IIassan, (kinderen van Hassan), de naam van den ouden arabischen stam, die hier gevestigd was, ligt op den oostelijken oever van den Nijl, op bijnn gelijken afstand van Tanis als van Thebes. Aldaar vindt meu de oudste graven van Egypte, en deze zijn vooral opmerkenswaardig omdat men daarin niet alleen godsdienstige en hieratischo voorstellingen vindt, maar ook alle andere uit het leven en de natuur genomen. Op een dezer graven to Beni-IIassan, uit het tijdperk van Osortesen II is de aankomst van een nomadenhoofd voorgesteld; deze, vergezeld van zijne familie en bedienden brengt eerbewijzen aan Khnum-liotep, gouverneur van het land en familielid van den koning. Deze vreemdelingen komen zijne bescherming inroepen. Het opschrift duidt hen aan onder den naam Amu, welke volk beteekent, maar vooral gebezigd werd om de nomaden, het herdersvolk van Arabië en Palestina aan te duiden. De aanvoerder wordt genoemd Hak, d. i. vorst of stamhoofd, en zijn naam luidt Abschah. Hij en zijn gevolg zijn klaarblijkelijk Semiten, en ofschoon zij volgens gebruik geschenken brengen, worden zij met onderscheiding ontvangen. In het opschrift van deze voor stelling zegt de ambtenaar van Osortesen, dat een hongersnood is uitgebroken, maar dat dc voorzorgen, die genomen zijn, alle gebrek voorkomen hebben en dat iedereen voorraad kan komen halen.
79
Lnpsius, Denkin. aus. Aegypten, Abth. II, t. JV. 131â133. Cham-pollion, Monuin. etc. II, 411 â12.
Ter wille van Sara werd Abraham met geschenken overladen. Gen. XII, 10; de pharao gal' hem schapen en ossen, ezels en kameelen, slaven en slavinnen.
Wij willen nagaan in hoeverre deze ten tijde van Abraham in Egypte waren.
Onder de zoogenaamde Xllde dynastie, dus voor Abraham, wordt op liet opschrift van een graf' der groote pyramide melding gemaakt van een eigenaar, die voor zich alleen eene kudde bezat van drie duizend twee honderd en acht stuk schapen, Sau. Lepsius, Denkm. A. II, t. III. 106. Daarenboven komt de god Num of Khnuin bijna overal voor, afgebeeld met het hoofd van een ram. Chabas, Etudes etc. 396.
De ossen cuui waren altijd in groote getale in Egypte. Volgens Lyell heeft de geoloog IIekekyan-I3ey bij zjjne nasporingen de beenderen van ossen in de Delta op eene groote diepte gevonden. Zooals ons de gebeeldhouwde monumenten aantoonden, werden zij tot denzelfden dienst gebezigd, gelijk ook heden, nl. als trekdier. Op een inschrift der Xllde dynastie beroemt zich een beambte Ameni erop, dat hij in de nome van Sahou, waarvan hij hot hoofd was, eene kudde van drie duizend stieren met hunne runderen had bjjeen gebracht. De melkspijs speelde eene groote rol bij de voedingsmiddelen der Egyptenaren en bij hunne godsdienstige plechtigheden. Diodorus I, 22 verhaalt, dat te zijnen tijde dagelijks drie honderd en zestig ofi'erschalen met melk gevuld werden door de priesters, die do geheimen van Osiris vierden. Buitendien is do dienst van den heiligen stier Apis, Ilapi in Egypte van uit do allereerste tijden algemeen bekend.
Ook de ezel aa was van uit de vroegste tijden in Egypte bekend. Dikwijls wordt hij genoemd op de papyrus, hij is afgebeeld in de monumenten van Beni-Hassan, en men ziet werkelijk go-hocle kudden dezer dieren afgebeeld en vermeld op de graven der pyramiden. Om van verdere bewijzen te zwijgen, kon men in de Egyptische afdeeling der Algemeene Tentoonstelling van 1807 een afgietsel zien van eene voorstelling in bas-relief op het
80
graf van Ti, zoogenaamde Vde dynastie, en deze stolde een troep ezels voor. Zie verder Lepsius 11, ill. Til, li!2. Chabas, Et. sur 1' antiq. 404, 421} enz. â De Egyptische ezel stamt af van den wilden ezel der woestijn van Noord Afrika, hij is een sterk en vurig dier, en hij staat in veel beteren roep dan onzen ezel. L. de Lalorde, Comm. geogr. etc. zegt: L'ane est un noble animal en Orient, il a été ainsi considéré de tout temps.
De kameel, kam((al: komt op de gedenkstukken weinig voor. Dit kan men echter niet als een bewijs, ook niet als een negatief bewijs aanhalen tegen het verhaal der Schriftuur. Zoo is het bekend uit Plutarchus, Is. et. Os. 01, dat men in Egypte veel kippen fokte en dat zij zelfs als offerdieren dienden, en tocli worden ook zij nooit op de monumenten aangetroffen.
Als de kameel ook geen inheemsch dier was, dan kon de pharao er nog vele bezitten, omdat reeds voor Abraham verschillende stamhoofden en vorsten naar Egypte gekomen waren, en geschenken zoowel in dieren als anderszins voor den pharao hadden medegebracht. En wanneer nu Pharao Abraham bizonder wilde vereeren, waarom zon hij hem dan ook niet iets hebben gegeven, wat en voor den pharao en voor Abraham iets bizonders was, zooals de kameel? Dit dier kwam aan Abraham zeer te stade op zijne terugreis naar Palestina, en daar het veelvuldig in Arabic voorkomt, dus in de nabijheid van Egypte, eti daar de Arabieren ook reeds om voorraad van granen naar Egypte gekomen waren, gelijk de gedenkteekeneu ons doen zien, zoo is het allerwaarschijnlijkst, dat dit dier in Egypte reeds veelvuldig moest bestaan. Chabas, Et. etc. 418â419.
Buiten dit alles levert ons de geologie het grondig bewijs voor het bestaan van den kameel in Egypte ten tijde van Abraham. Lyell, Fanc. de l'homme etc. p. 41 zegt, dat Hekekyan-Bey bij zijne onderzoekingen in het Xijldal, tusschen overblijfsels van andere viervoetige dieren, ook beenderen van dromedarissen gevonden heeft, die daar meer dan vierduizend jaren in het alluvium zijn bedolven geweest.
Bij de geschenken voor Abraham wordt geen melding gemaakt van paarden. Daarom dient men te weten, dat de pharao die niet kon geven, omdat zij toen in Egypte nog niet waren; want zij zijn eerst in het Xijldal ingevoerd door de dit land veroverd
81
hebbende Ilyksos. Lenormant, Prem. civil. 1, 300, 803, 306. Ebers, A eg. ii. d. Büch. Mos. 2ö5â206. Pietrement, 450.
In de Schriftuur Gen. XFII, 2 lezen wij, dat Abraham na zijne teiugkorasfc uit Egypte in Pülesritiii, zeer rijk was in goud en zilver. Daar Abraham onder zijn dienstvolk drie honderd achttien strijdbare mannen relde, zooals wij in het vervolg zullen zien. dus oenen groeten stum vormde, die n.u-.uirljjk zeer voel vee voor hun onderhoud no uiig had, moest hij Z'Acr rijk wezen. Goud en zilver waren echter destijds zeer sch:i;u-s in Chanaan; nergens vindt men melding van deze edele metalen ten tijde van Abraham. Zij waren echter overvloedig in hot Xijldal, alwaar de aartsvader cenigen tijd vertoefd had, overladen mot gunsten eu gaven van den koning, waarbij het hem dus niet ontbrak om deze schatten te bemachtigen.
De Egyptenaars ontgonnen in Abrahams tijd belangrijke gouden zilvermijnen. Ethiopië was vooral het land dezer metalen. Bij Chabas, Inscr. des mines d' or, 27â29 vinden wij hierover de beschrijving, en op p. 30 levert hij ons oen afbeelding van eene egyptische landkaart der goudbergen; deze is wel de oudste kaart die bestaat, zij dagteekent waarschijnlijk van den tijd van Seti ' ' V 111 !'oih1lt;' kleur aangewezen plekken leest men erop: âGoud-berg.'' L. Delgeur, Geogr. des anc. Egypt, in de Revue dos quest, scient. Oct. 1880 p. 543-545. Do egyptische naam van goud is tinh, daarvandaan de benaming Nubië voor het noordelijk deel van Ethiopië.
Hot zilver dat Abraham had medegebracht, heette in Egypte âanit goud, nub hot,' maar was zeldzamer dan het goud. liet Leidsch museum bezit eeno diadeem in goud en zilver, die toebehoorde aan Entef, pharao der zoogenaamde Xide dynastie.
Veelvuldig wordt heden beweert, dat Abraham de besnjjdenis aan de Egyptische zodon ontleend heeft, en dat deze uit oen hygiënisch oogpunt geschiedde.
Herodotus 11, 104 zegt, dat do Colchidiers, Egyptenaars en wluopiers do eenige volken waren, die uit do alleroudste tijden
6
S2
gebruik maakten van de besnijdenis. Hij voegt hierbij dat do Pheniciers en Syriers van Palestina verzekeren, haar van de Egyptenaars te hebben overgenomen. Dit laatste wordt echter gelogenstraft door de Schriftuur, Ezech. XXXli, 1)0 (de Ilebr. tekst noemt de Phiniciers hier Sidoniers); door Josephus, Antiq. \ 111, XX, ; Ebers, Aeg. u. d. Bücher Clozes I, 278. â Zoo blijven alleen de drie Chamitiseho stammen over.
Chabas, De la circ. etc. ilev. arch. 1861, III, 299 zegt: âDat de besnijdenis tot in dc diepste oudheid bij de Egyptenaars bestaan heeft, is een feit waaromtrent do monumenten geenen twijfel overlaten.quot; Diezelfde gedenkstukken leveren ons het bewijs dat zij vóór Abrahams tijd in Egypte bestond. Ebers, 279. A\il-kinamp;on wil, dat de ontdekte voorstellingen haar bestaan opvoeren tot 2-iOO jaren v. Clir. Wilk. Mann. a. Cust. Y. 818. Gedurende langoren tijd had de meoning ingang gevonden, dat in Egypte de besnijdenis voor de priesters alleen verplichtend was; heden echter weet men met zekerheid dat zij eigen was aan alle Egyptenaars.
De 11. Ambrosius zegt, De Abrah. J, TI, cap. XI: âAegyptii quarto decimo anno cirumcidunt maros, et feminae apud eos eodem anno circumcidi feruntur.quot;
Het gaat echter niet aan, do liooge oudheid van dit gebruik te willen bewijzen doordat men er een steenen instrument voor gebruikte. Immers om de zijden van het lichaam te openen en de noodige behandeling- bij het inbalsemen der lijken te verrichten, werd ook steeds een steenen instrument gebruikt. De reden van het gebruik van steen in plaats van ijzer ligt voor do hand.
Wij kunnen ons ook niet vereenigen met de denkwijze van hen, die haar in een hygiënisch oogmerk willen zoeken, wijl dit er niet te vinden is.
Onwillekeurig komt ons de oorzaak van den vloek over do Chamiten voor don geest. Geen volk is zoo vloeschelijk gezind als het nakroost van Cham. Sommigen dragen zelfs roem op dien elleudigen staat.
Wij willen in geen nadere bizonderheden treden. Zeker is het, dat Abraham de besnijdenis bij dc Egyptenaars hoeft loeren kennen, maar dien last eerst later heeft toegepast op bevel van God. Ook bestond daaromtrent op verschillende punten groot verschil tusschen die der Egyptenaars en die der Hebreeuwen. Lane, Mann. a. Cost, of the mod. Egypt. I, 82, 83, 85; II, 278, 313, 320.
SB
Vóór den Islam was do besnijdenis reeds hij de meeste Arabische stammen in gebruik. Seliahrastani etc. door Haarbrucker. Zij' bestond bij de Ismaelieten en bij de Ethiopiers zegt Josephus, Antiq. I, XII, 2; bij de Sabeërs, Samaritanen, Idumeërs, Moabiten en Ammoniten. Zij bestaat nog als een oude overlevering zonder godsdienstige beteekenis bij de Abbessinisclie en Coptisclie Christenen ; ook bij de Teamas en Manaos der Amazonenrivier, bij vele Australische stammen, de Papuas, Xieuw-Caledoniers, de bewoners dor Nieuwe Hebryden. Veel ook komt zij voor in Africa, vooral bij de Kaffers. Eucycl. Brit. 1876, V, 7'JO.
HOOFDSTUK IV.
OVERWINNING VAN ABRAHAM OP CHODORLAHOMOR.
Genesis XIV, 1. âEu het gebeurde te dien tijde, dat Amraphel, koning van Sennaar, en Arioch koning vau Elassar, en Chodor-lahomor, koning der Elamiten, en Thabal, koning der volken oenen krijg ondernamen tegenquot; enz.
Dr. Fr. Kaulen, Ass. u. Bab. 197: âAssurhanipal, koning der Assyriers, verhaalt bij het opsommen zijner krijgsdaden, dat hij in zijnen achtsten veldtocht, ü5!) v. Chr. het beeld der godin Xana herwonnen had, hetwelk de Elamitische koning Kudurna-ehunti vóór lt);}5 jaren uit het land âAkkadquot; geroofd had, dat hij het weder naar Erech had teruggevoerd en aldaar eenen nieuwen tempel ervoor gebouwd had. \ ervolgeus heeft omtrent hot jaar 22!)4 een koning met eenen naam, die in Elam en Susiana nog meer voorkwam, gedurende eenigen tijd Babylonie aan zich onderworpen. Door dergelijke krijgstochten is eeu groot Elamitisch rijk ontsaan, waarvan Babylonie slechts eene provincie uitmaakte. Berosus wijst op den tijd dezer vreemde overheersching, als hij
lt;S4
verhaalt, dat de Mediërs Babylonie veroverden en hier de tweede dynastie van acht koningen sticlitten. Een dezer was Kndnrinabulc, die op baksteenen van Ur genoemd wordt, en volgens de inschriften zijne heerschappij tot in Syrië uitstrekte. Zijn zoon Eriaku noemt zich âkoning van Larsam, koning van Sumir en Akkad,quot; waaruit volgt, dat hij als vasal zijns vaders over de oude zonnestad geheerscht schijnt te hebben. Tot deze dynastie behoort ook de in Gen. XIV, 1 genoemde Chodorlahomor, welke Palestina gedurende twaalf jaren onder zijne heerschappij hield; zijn hebreeuwsche naam, âc'dorlaomerquot;, komt klaarblijkelijk overeen met het Elamitische Kudurlagamar''.
Ue benaming van dezen koning bij de Septuaginta is Chodol-logomor.
Do namen der vorsten dezer dynastie beginnen bijna allen met het woord âKudurquot;, b.v. Ivudnrmabuk, Kudurnachunti of Kudur-nankundi; hieruit heeft Oppert aanleiding gevonden om de koningen dezer dynastie âde Kuduridenquot; te heeten. Oppert, l'eber Kedorlaomer, in de Theol. St. en Kr. l!S7ü, 509â512. Het .Medische kudur is gelijk aan het Assyrisch tnliat en beteekent dienaar. Daar wij Lagamar op de inschriften als eene godheid vermeld vinden, beteekent alzoo die naam âdienaar van god Lagamar,quot; want âlahomorquot; is hetzelfde als âlagamar,quot; bij de Septuag. âlogo-mor.quot; Pinzi, C'un. Jnscr. pl. tiü, 1, 2.
Het inschrift op een baksteen van Ur begint aldus; âAan den god Ur, zijn koning Kudur-Mabuk, heer van het westland, zoon van Simti-Silhac, enz.quot; Kudurmabuk noemt zich Adda, heer of meester van Syrië en van Yamatbaal, d. i. Elam. Hij heerschte dus vanaf Susiana tot aan de Middellandsche zee. 0. Smith, Ree. of te past. 11J, 19 zegt: âThe early Babylonian inscriptions confirm the statements of Genesis as to the power and importance of Elam at this period.quot;
De Egyptische monumenten stem/nen met de Schriftuur overeen, om ons te bewijzen dat de Rutennu nl. de Assyriers het overwegend gezag in Azië bezaten, voordat de Hebreeuwen zich meester maakten van Chanaan. Zjj regeerden ook over het tand van den Jordaan. Onder pharao Ramses II, dus ten tijde van Mozes, waren de Khetas meester van het Jordaanland.
85
I)(! vastillcn van Olioclorlahoinor waren Anirapliel, koning van Sennaar of Habylonie; Arioch, koning van Ellassar; Thargal, koning van Gutium.
Fr. Lenormant wil Arioch terugvinden in Eri-akn, dimaar ivii den god Maan, koning van Larsn, zooals bij Kaulen aangehaald, vasal van zijn vader Kudurmabuk. Sclirader, Die Keilinschr. n d. alto Test, p. 135: âArioch, koning van Ellassar, is voor mij ontwijfelbaar dezelfde als Eri-akn, koning van Larsav. Hij was de zoon van Kudur-Mabug, koning van Ur en koning van Sumir en Accadâ Zooals blijkt nit den naam van zijn vader Kudur-Mabug en uit dien van zijn grootvader Simti-Silhak, behoorde hij tot de Elamito-Babylonische dynastie, dus, zooals men uit den naam kan opmaken, tot dezelfde dynastie als zijn bondgenoot Chodor-lahomor of Kudur-Laganiar.quot;
AV at Ellassar was en waar liet lag, is nog niet met zekerheid uit de Assyriologie op te maken.
Thargal is volgens Kawlinson en Lenormant Thur-gal, groot opperhoofd.
Gutium werd algemeen vereenzelvigd met hot hebreeuwsch Goïin, genfes, de volken. Men vindt echter op de inschriften dikwijls molding van Guti, en 11. Rawlinson wil, dat liiennedo de nomadische volkstammen bedoeld worden, die de woestijn bewonen van af den Euphraat tot Syrië.
Gen. XI \, 4. Gedurende twaalf jaren was Chanaan afhankelijk geweest van Chodorlahoinor; in het dertiende jaar weigerden de â¢'hananeërs verder schatting te betalen. In het veertiende jaar trok Chodorlahoinor tegen hen te velde, alles op zijnen weg ver-iiiolonde, van af het Oosten van den Jordaan tot aan Petra, ten Zuiden. De beslissende slag viel voor in het dal Siddim. De Cha-naneërs leden eene volslagen nederlaag; twee der vijf koningen bleven dood op het slagveld. Chodorlahomor en de zijnen roofden en plunderden alles, en namen allen, die zij konden vatten als gevangenen mede. Onder deze bevond zich ook Loth, de neef van Abraham, die, nadat hij van dezen gescheiden was, te Sodoina woonde.
Niet zoodra was Abraham door ounou vluchteling met bet voor-
so
gevallene in kennis gesteld, of hij verzamelde in haast drie honderd achttien zijner dapperste mannen om de vijanden te achtervolgen. Meerderen nog sloten zich bjj hem aan o. a., Xl\ , 24 Aner, Eseoi en ifamhre, waarscl'.jjnijjk met lain krijgsvolk.
Daar Abraham toen in liet dal Mamhre bjj Hebron woonde, moest hij bijna geheel het land ('banaan doortrekken tot in het noorden bij Laïs of Lesem, in de Schriftuur Dan geheeten. .lose-phus I, 10. IT. llioronymus, (Juaest. heb. iu Gen. zeggen dat dit LaTs werkelijk het Dan is, gelegen aan dc bron van den Jördaan.
Na dus in allen haast over liethleëm, Salem en de bergen, later de bergen van Ephraïm genaamd, getrokken te zijn, en de vlakten van Sichar en Jesraël overgestoken te zijn, moest hij tegen den avond van zijne vierde dagreis de hoogten van Xephtali beklimmen. Josephus, Antiq. i, X, 1, t. J, 31, zegt dat Abraham de vijanden in den vijfden nacht aanviel. Vanaf die hoogten kon de patriarch de Elamiten gemakkelijk bespieden, terwijl deze, zorgeloos na hunne overwinning geen gevaar duchtten; zij waren gelegerd nabij een der bronnen van don Jordaan, heden de El Leddan genaamd. De slag, dien bij daarop leverde, geschiedde evenals in gelijke omstandigheden de Arabische stammen dit heden nog doen.
Indien de overwonnen stammen besluiten de overwinnaars te vervolgen, dan rekenen zij niet op eenen openlijken weerstand om hunne wraak te nemen, maar zij nemen daartoe de duisternis van den nacht te baat. Zij vallen den vijand niet aan, dan nadat deze in eenen diepen slaap gedompeld ligt. Alsdan is eene overrompeling gemakkelijk, omdat de uitgestelde posten en schildwachten onbekend zijn met de onberaden krijgskunde der Oosterlingen. Burckardt, Xotes on the Bed. 1, 803. De aanvallers verdeden zich in groepen, âdivisis sociisquot;, en wanneer liet volslagen nacht is, âirruit super eos noctequot;, werpen zij zich plotseling van verschillende zijden op den vijand. Iu een oogenblik liggen alle tenten omver en zijn de palen waaraan zij bevestigd zijn, omgeworpen. Natuurlijk heerscht te midden der ontwakenden, die als onder hunne tenten begraven liggen, de grootste wanorde, verwarring en verbijstering, zoodat zij nauwelijks weten wat zjj doen. Iu deze ontsteltenis vriend noch vijand kuunende onderscheiden, zelfs door duisternis en angst misleid, iedereen voor vijand aanziende.
S7
lieoft liciio algcmconc slachting plaats; cu een algomeene panische schrik doet allen op de vlucht slaan, niet achterlating van alles; de vluchtenden worden nog eenigen tijd achtervolgd door de aanvallers, wier getal in de duisternis niet kan berekend worden.
Zoo overviel Abraham niet de zijnen de legerplaats van Cho-dorlahomor. Deze zocht zijn heil in de vlucht, waarbij do omlig-logende moerassen voel volk moeten verslonden hebben ; die hierbij niet omkwamen, vluchtten door liet dal van Yafury, vervolgens naar de vlakte langs IJoit Djenn, waar zjj nog achtervolgd werden tot Ilobab, dat volgens Wetzstein en Stanley ongeveer een uur ten noorden van Damascus li^t.
O
Later zien wij do nakomelingen van Abraham ongeveer op dezelfde wijze tegenover hunne vijanden optreden. Zoo deed Gedeon, toen hij de achterhoede der vluchtende Madianiten vervolgde, waarbij hij zich in de woestijn over den Jordaan meester maakte van hunne koningen Zebee en Salmana. Judicum, VIII, 10. Insgelijks was de handeling van David, toen hjj de Amaleciten versloeg, die Sicelcg geplunderd hadden 1 Sam. XXX. 17.
HOOFDSTUK V.
PATRIARCHALE ZEDEN EN GEBRUIKEN.
In ,,de Wetenschap voor de vierschaar van den Bijbel p. 155quot; schreven wij: âHet Oosten is de moederschoot der volkeren, niet alleen omdat de mensch oorspronkelijk aldaar na den Zondvloed geboren is, maar ook omdat daar door eene ongekende kracht menschenstam op menschenstain werd voortgebracht, en deze als de golven van den Oceaan over den aardbodem heenrolden. Proefondervindelijk is het on klaar, dat het Oosten onmachtig is, zijne eigene bewoners op geestesgebied tot eene meer dan middelmatige ontwikkeling to brengen; en toch is dat volk toegerust en
88
voorbereid met geestesgaven, welke onder andere en gunstige invloeden zich verheffen tot eiken denkbaren trap van beschaving, ontwikkeling en macht.quot;
âDe Aziatische volkstammen in hun eigen land, kan men best vergelijken bij eene boomkweekerij, waarin zij het niet verder brengen kunnen dan tot zekere hoogte... in bot Oosten zien wij do beschaving eeuw op eeuw onafwisselend op zekere hoogte staan, zelden daalt zij, maar nooit klimt zij.quot;
âDit... dient ons heden tot eeno schoone bron van onderzoek. Daardoor toch zijn wij in staat de geschiedenis en instellingen der Aziaten met hun onveranderlijk karakter tot in de verste eeuwen na te gaan; daarin vinden wij eenen band van samenhang tusschen het tegenwoordige en het verledene, dien men elders te vergeefs zal zoeken, en die ons thans een lichtbaken is bij de onthulling onzer heiligste gedenkstukken.quot;
âHet natuurlijk gevolg hiervan moet zijn, dat wij bij eiken stap in dat land ontelbare ophelderingen voor de H. Schrift aantreffen. Daarenboven ligt in die onveranderlijke gelijkvormigheid der Ãos-tersche volken een hardnekkig vasthouden aan alle groote tradities, en een heiligen ernst om al datgene te bewaren, wat do overoude geschiedenis der menschen bevat; daar dus wordt voor ons de onfeilbare toetsteen voor liet verleden bewaard.quot;
In de verdere geschiedenis van Abraham vinden wij tot nu toe geen feiten meer, die door de Assyriologie of de Egyptologie kunnen opgehelderd worden; maar do zeden en gebruiken van over vier duizend jaren zijn onveranderd gebleven; in Palestina leven voor ons nog die oude bewoners; zij dragen nog dezelfde kleedij; zij spreken nog eene bijna zelfde taal, met eenzelfden toon, eenzelfde zinswending. Abraham woont er nog in zijne tont, Sara bereidt er nog brood voor hare gaston. Rebecca put er nog water aan de bron. Nergens in de Heilige Boeken vinden wij zulke schoone zedeschilderingen als in de geschiedenis van Abraham. De maatschappelijke toestand, daarin weergegeven, vinden wij heden onveranderd. Het gebruik van in eigen familie te huwen, bestaat heden nog gelijk vroeger, en geen vader zal zijne dochter uitliuwebjkon aan iemand, die niet tot de familie behoort, dai;
80
nadat zjj door do familieleden afgewezen of geweigerd is. Lano, Mann. a. Gust. of mod. Egypt. I, 215. ]\ren vindt er stammen, die het nooit veroorloven, dat iemand hunner eene vrouw neemt uit eenen anderen stam. Seetzon, lieiz. durch Syr. III, 22. Dikwijls hernieuwt zich in de Arabische families de oneenigheid tusschen Sara en Agar, waarbij dan een der vrouwen om des vrede» wille verplicht is de echtelijke woning te verlaten. Lavard, Xin. a. liab. XIV, 310.
AVanneer eene karevaan zich gereed maakt om andere weilanden te gaan opzoeken, dan worden alle rijkdommen, die de familie bezit op de neergehurkte kameelen geladen. âUniversam substan-tiam quam possederant et animas qua» fecerant. Gen. XII, 5.quot; Geheel hot dienstpersoneel volgt do meesters, omgeven door hunne kudden van schapen, geiten, ezels en kameelen. De scheik, van alle anderen onderscheiden door zijn purperen mantel, Jud. VILI, 26, en door den lederen band, die den tulband om zijn hoofd vasthoudt, hoeft een lange lans in de hand, leidt de karavaan en wijst do rustplaatsen aan. Stanley. Jewish Church. I, 11â12.
De vrouwen schikken zich op met dezelfde versiersels, die Eliezer aan lïcbecca ten geschenke gaf, en waarmede ook Sara zicli opsmukte ; vooreerst dragen zij eenen gouden of zilveren ring in den neus, bezet met paarlen en koralen, de nhezem; dan sieren kostbare banden hunnen hals en armen. Voor het overige komt hunne kleederdracht veel overeen met die der Trapistinen en Carme-litessen.
Twee zedeschetsen van Genesis nopens Abraham mogen wij vooral niet voorbijgaan, iü. : de gastvrijheid, die hij te Mambre aan de drie engelen schonk, en de aankoop der grot van Makpelah. lieido feiten vielen voor in do nabijheid van Hebron, aan welke stad Abraham den naam gaf van El-Khalil, vriend van God, zooals die nog lieden door do bewoners genoemd wordt, en alwaar du oud© zeden liet zuiverst en onveranderlijkste bewaard zijn ge-blev en. Hiervan zegt Laurent de St. Aignan, Le sép. d'Abr. 15. âDe bewoners van Hebron bewaren zoo getrouw de oude overleveringen dezer stad, dat deze nog lieden een onschendbaar âtoe-vlucbtsoordquot; is, zooals zjj was van af den tijd, dat Josue haar
90
aldus verklaard had. Jos. XX, 7. Indien zolfs de regeering zieli zou willen meester maken van oenen schuldigen, die, om aan de onverbiddolijke lex. talionis te ontkomen, zich in luin midden lieef't neergezet, dan zouden alle inwoners te zijner verdediging de wapenen opnemen.
Gen. XVIII, 1 enz. Abrahams legerplaats te Mambre was omgeven door vele terpentijnboomon, qnereus ilex pseudococcif'era; zij lag op een half uur afstand ten noord-westen van Hebron. Dewijl op het midden van den dag de hitte ondragelijk is in eene tent, waarin geen luchtstroom doordringt, daarom zit Abraham voor den ingang der tent in de schaduw van den terpentjjnboom. Men wijst daar ter plaatse nog eenen dergelijken traditioneelen boom aan, die eenen omvang heeft van tien meters en ter hoogte va i zes meters vier takken werpt, welke eene kruin vormen van tachtig meter omtrek. Baedeker, Pal. u. Syr. 295. Op dat uur komen de reizigers, die 's morgens vertrokken zijn aldaar aan, om uit te rusten en zich te verkoelen voor de brandende zon.
De tent van den scheik is in een nomadenkamp altjjd onderscheiden van tie andere tenten van den stam. Tot deze wenden zich alle voorname reizigers. Volgens de streng onderhouden wet der gastvrijheid, zal men hen steeds een goed onthaal aanbieden. Deze wet is streng verplichtend voor de üeduïnen. Hurckardt, Xot. on the Bed. I. ;U!-S. Behoort de bezoeker tot den gewonen stand, dan staat men eenvoudig op om hem te ontvangen; is hij' echter van hoogeren stand, dan treedt men hem te gemoet, maakt eene diepe buiging en geleidt hem naar de tent, met den arm om zijnen gordel geslagen, of wel hem met de hand op den schouder kloppende, tot teeken dat lijj welkom is. Zonder hem eene enkele vraag te stellen, haast men zich water te brengen om de gloeiende, bestorven voeten te reinigen en af te koelen.
Daarna maakt men terstond eenen maaltijd gereed, om den reiziger te versterken. In het Oosten bakt men het brood dagelijks, en niet meer dan voor een dag noodig is. Eene vrouw, gewoonlijk de meesteres van het huis, kneedt en bakt het brood in hare afzonderlijke tent, of wel in eene voor haar afgezonderde plaats van de tent der mannen. Daartoe mengt zij meel met water, vormt den deeg tot koeken, en legt deze dan op daartoe verhitte steenen. Dan strooit zij glooiende houtkolen over die
01
koeken en weldra is het brood gebakken; dit wordt dan versch gegeten.
Slechts voor aanzienlijke personen wordt een lam of eene geit geslacht, en hun vleescii voorgezet. De grootste eer echter, die men den vreemdeling kan aandoen, is dat men voor hem een kalf slacht, zooals wij lezen dat Abraham deed. Men braadt dit dan in zijn geheel of wel bij gedeelten aan liet spit boven een vuur. Hit gebruikt men met gekookt koren, dat op eene saus van gesmolten boter of vet drijft. Men doopt ieder stuk vleesch op een stuk brood gelegd in deze saus en brengt het, zonder eenig instrument, met zijne handen naar den mond; dit. maal wordt met eene schaal kameel-melk besloten. Niettegenstaande het aantal bedienden, blijft de gastheer gedurende den maaltijd staan naast de nedergezetene reizigers. Allen, Abrah. 1, 338; Layard, Xin. 1, ISli â87; Lane, Mann, a Cost. I, 394â395.
Heden gebeurt dit alles nog bij do minbeschaafde nomaden der Syrische woestijn, gelijk het over vier duizend jaren in het Zuiden van Palestina voorviel.
Te Hebron is niet alleen de gastvrijheid eene duurzame wet gebleven, maar ook alle andere overleveringen van dien overouden tijd; en plaatst men het Hebreeuwseh dialect in plaats van het Arabisch, dan was in handel en wandel geen verschil tusscheu het toen en het thans.
Eenigen tijd nadat Abraham op de vooromschreven wijze gastvrijheid aan de engelen geschonken had, bevond hij zich weder ter zelfder plaatse, toen Sara, zijne echtgenoote, te Hebron kwam te sterven. Abraham had nog steeds het nomadenleven blijven voeren en bezat geenen duim grond in eigendom. Zijn eerste bezit zou zijn een graf om zijne gade bij te zetten. Gen. XXII f, 1 enz.
Hot gebruik van de dooden te begraven, was zooals wij gezien hebben, sprekende over de doodensteden, herkomstig uit Chaldaea; graf heet chald. qahrnv en hebr. qchcr. Bij de heidensche schrijvers vinden wij het begraven der dooden aangehaald als eene eigenaardigheid der Joden; corpora coudere quam cremare, zegt Tacitus Hist Y, 5.
Wanneer een voornaam persoon in het Oosten komt te over-
92
lijden, dan wordt een openbare rouw en buitengewoon klaagbetoon gepleegd, dat veeleer al» ecne solonmeele plechtigheid ter cere van den afgestorvene te beschouwen is, dan als teeken van iuner-lijken rouw der familie. Yenitque Abraham ut plangerot et fleret eam. De smart van Abraiiam zal zeker inniger gemeend zijn geweest, dan zij, die heden iu liet Oosten geuit wordt in kreten, woest geschreeuw, handenwringen, op de borst slaan, enz.
Xa deze zoogenaamde plichtplegingen wordt de doode ter aarde besteld. Eene groote waarde hecht men in het Oosten aan het bezit van een eigen graf, en Abraham bezat dit niet. Toen hij dan volgens landsgebruik zijne overleden vrouw beweend had, begaf bij zich te midden van het volk. Do plaatselijke gebruiken en de zekerheid van eigendomsovergang vorderen in het Oosten, dat elke koop en verkoop altijd in liet openbaar geschiede; niets dergelijks mag in liet geheim gebeuren. Volgens dit nog heden in zwang zijnde gebruik, gaat Abraham voor bet volk staan. Dan spreekt Inj hen aan: Beni-1 leth, kinderen van Heth, hen noemende bij hunnen stam; ik ben een vreemdeling onder u; door dit woord wekt men thans, gelijk toen, meer oplettendheid en medelijden op. Xa deze voorzorg vervolgt bij: geeft mij recht op een grafinuw midden. De landsbeleefdheid, die niet zelden op doortrapte geslepenheid uitkomt, vorderde dat de Detheers hem hunne eigen graven aanboden, zooals zij dan ook deden. Toen Abraham dit aanbod hoorde, neeg hij vol eerbied, adomvit, voor het volk van dit land; maar hij wist zeer goed, dat dit niets meer dan eene landspliclit-pieging was, waarbij men de woorden niet te nauw moet nemen. Daarom drong hij verder aan op een eigen begraafplaats, die hij zich reeds uitgekozen had.
Op een hoog punt ten Oosten van Hebron lag een boscb je van olijf- of terpentijnboomen; daarin bevond zicli eene rots met ecne dubbele spelonk; daarvandaan haar naam âJlakpelah.quot;
â In deze spelonk zijn begraven: Sara, Abraham, Isaac, Lia en Jacob. â
Deze plaats behoorde iu eigendom aan Epliron; maar Abraham wachtte zich wel om rechtstreeks het woord tot den eigenaar te richten; daarom wendt hij zich tot /.ijne bureu, die inliet Oosten steeds als bemiddelaars optreden tusschen kooper en verkooper, en zonder deze gebeurt niets, zelfs geen huwelijk. Dergelijke
il.i
overeenkomsten worden door die bemiddelaars aldaar soms tot in het oneindige getrokken, waarbij de geslepenheid dier lieden de grootste moeielijkheden doet ontstaan, vooral tegenover vreemdelingen. Dan staat Abraham op, nijgt, adorat popnlnm terrae, en zegt; Indien het n behaagt, dat i.c mijne doodebegraaf, overreedt dan Epliron, den zoon van Seor, om mij de hem toebehoorende spelonk Makpelah, aan het einde zijner gronden af te staan. In uwe tegenwoordigheid zal ik hem in geld den prijs betalen om de begraafplaats in eigendom te bezitten. Epliron zat te midden der Beni-Heth, en hij antwoordde op eene wijze, dat allen die bij de stadspoort verzameld waren, hem konden verstaan: Niet aldus mijn heer, maar ik wil u mijn grond, waarop de spelonk zich bevindt, geven, ik schenk hem u; in tegenwoordigheid der zonen geef ik hem u; begraaf er uwe doode.
Elke reiziger, die heden ten dage aldaar komt, kan getuige zijn van ditzelfde tooneel. Ook heden (jeeft de Arabier zijn huis, zijn paard, zijnen grond, terwijl hij daarbij onder de heiligste eeden de aanwezigen als getuigen neemt; en toch weet iedereen, dat al die omslag slechts dient om de te verkoopen zaak duurder door den kooper te doen betalen.
Abraham wist dit ook en betaalde hem vier honderd sikels in zilver voor het bezit der grot. Die prijs was minstens driemaal te hoog, en nog voegde de sluwe lletliiter er bij: Wat beteekent deze kleinigheid tusschen u en mij! Daarop werden wederom ten aanschouwe van allen de vier honderd sikels zilver afgewogen en betaald.
Jlet woord sikel, selcel, beteekent gewicht; men heeft er eene geldelijke waarde aangegeven, gelijk b.v. in Engeland aan een pond sterling. Niettegenstaande men in het Oosten gemunt geld heeft van bepaalde vorm en waarde, is toch elke koopman steeds van zijn weegschaaltje voorzien, om zich te verzekeren of het geld niet aan gewicht verloren heeft.
Jbj dergelijken handel wordt ook alles tot in het geringste opgesomd. Zoo werd aan Abraham als eigendom verzekerd het land van Epliron, met de spelonk Makpelah, die het uitzicht heeft op Mambre, met al de boomen op dien grond en die er rondom staan.
Daarna wordt de overeenkomst gesloten en het contract aangenomen, ten aanschouwe van de zonen van Heth en van allen, welke
!t4
de poort van die stad binnentraden. Zoo is nog heden ^vettig en onaantastbaar elke overeenkomst op liier omschreven wijze gesloten, terwijl de beste authentieke stukken en gesclireven titels van eigendom van geene waarde zijn.
Boven hebben wij melding gemaakt van hen, die in de spelonk 3Iakpelah begraven zijn; laten wij even aldaar verwijlen, want wij hebben bier eene onbetwistbare overlevering. In de eerste eeuwen van het Christendom hebben eenige reizigers naar het II. Land de graven der patriarchen gezien, b.v. de heilige Paula, Lagrange, Hist, de Ste. Paule 281; maar heden zijn zij besloten in eene moskee, die voor de Europeanen ontoegankelijk is. De Ilaram of' gewijde omgeving van do moskee is omgeven van een zwaren muur, (J5 meters lang op 38 breed en bijna 9 hoog, G. Rosen, Die Patriarchengruft zu Hebron I, 394. Deze wordt gehouden voor liet oudste en sdiounste overblijfsel der bouwkunst van Palestina.
In 1861 veroorloofde de Porte den toeffanquot;' erin aan den Prins
o o
van quot;Wallis, maar deze gunst verleende hem slechts het gezicht der spelonk Makpelah, hij mocht in deze niet binnengaan. Geen grooter gunst kon de kroonprins van Pruisen in 1869 verkrijgen. Men bleef dus verstoken van de kennis der spelonk, totdat het eindelijk aan eenen gunsteling van den Sultan gelukte kennis ervan te nemen.
Deze was een Piemonteesch architect, met name Pierotti, hij was in dienst bij den sultan. Dank aan de bescherming van den gouverneur van Jerusalem en dien van Hebron gelukte het hem verkleed als Arabier, tot driemaal toe in de moskee van Abraham binnen te komen. Daar echter ook deze niet tot in de graven heeft kunnen doordringen, zooals hij zelf bekent p. 93, zoo kunnen wij weinig waarde hechten aan zijne beschrijving.
De dokter Frankel had Abd el Rachman, scheik van Hebron behandeld en genezen, en daarom werd hem in 1843 toegestaan in de graven van ilakpelah binnen te gaan. Een groen damast werd weggenomen, en nu zag hij op de sarcophagen de in gouden letters geschreven namen der patriarchen in liet hebreeuwsch en arabisch. Frankel, Nach Jerus. II, 478â479.
Op 2G Januari 1883 word aan do Academie dos Inscriptions ot Belles Lettres oen tot hiertoe onbekend document uit doXII eeuw openbaar gemaakt. Dit manuscript verhaalt dat de monnik Arnoul van het klooster to Hebron de graven dor patriarchen terugvond in 111!) of 1120. Den eersten dag vond hij niets bizondors, maaiden andoren dag, 20 Juni, diende het geluk hom boter.
âHot manuscript zogt, dat de prior van hot klooster verzocht, dat Arnoul oenen tweedon koor in de spelonk zou gaan, om met de moeste zorg den bodem op alle plaatsen te onderzookon. Mot oenen stok don grond omwoelende, vond hij do beenderen van don H. Jacob. Daar hij toen nog niet wist aan wion zij toebehoorden, verzamelde hij ze op eonon hoop. Vorder zoekende vond lnj aan hot hoofdeinde van Jacob den ingang naar eene tweede spelonk, waar zich de beenderen van Abraham on Isaac bevonden, maar deze grot was toen afgesloten. Toon hij eono opening had gemaakt, onderzocht hij do holte, en hij vond in den versten hoek liet in verzegelde doeken gewikkeld lichaam van den heiligen patriarch Abraham; en aan zijne voeten bevond zich hetgobeento van den zaligen Isaac, zijnen zoon. Want niet allen waren, gelijk men algemeen meent, in dezelfde holte begraven; maar Abraham en Isaac in de binnenste en Jacob in de buitenste. Toen Arnoul dozen grooten en onvergelijkelijken schat gevonden had, verliet lnj de spelonk om aan den prior en zijne medebroeders bekend te maken, dat hij de overblijfsels ontdekt had van de heilige patriarchen. Toen deze dit lang verwachte nieuws hoorden, sprongen zij op van vreugde en dankten God in hymnen en lofgezangen. Dan nam Arnoul water en wijn en wiesch de beenderen der heilige overblijfselen, en na ze verzegeld te hebben logde hij de over-bljjfsols dor heilige patriarchen op houten tafels, die daarvoor worden gereed gemaakt. Hier liet hij ze liggen en ging heen. Toon dood de prior alle monniken uit de spelonk gaan on verzegelde in hun bijzijn don toegang, opdat zonder zijn verlof niemand er zou binnendringen. Toen eenigon 's anderensdaags er hoen gingen om te bidden, vonden zij tor rechterzijde letters gekapt in de steenen; zij gaven hiervan kennis aan hunne medebroeders, daarna werden de steenen opgenomen, maar men vond niets dan aarde. Daar zij echter dachten dat deze steenen eene bestemming moesten hebben, wondden zij zich naar do linkerzijde, doorboorden
9(i
den imiuv, cn ontdekten liiev op 27 Juli, ongeveer vijftien aarden vasen met beenderen gevuld; zij konden echter niet met zekerheid to weten komen, aan wien deze toebehoorden, ^ren mag evenwel veronderstellen, dat dit overblijfsels waren van eenige patriarchen van Israel.quot;
Dit stuk laat nog menigen twijfel. Jmmers het verklaart niet, waaraan men de beenderen der patriarchen, behalve die van Abraham, kon herkennen. Wat het lijk van Jacob betreft, do Schriftuur Gen. L, 2, 3 verklaart nirdrukkeljjk dat dit op de wijze der Egyptenaars tot mumie gemaakt werd. Hiervan zegt ons Hoare, Rel. of the anc. Egypt.: âDe op Egyptische wijze gemumi-fiëerde lijken zijn zoo goed bewaard, dat, wanneer men een doel ervan in warm water weekt, dit zijne natuurlijke vleescbkleur terugkrijgt eu dan eerst tot verrotting overgaat, als men hot daarna aan de werking der lucht blootstelt.quot; Hoe zou dan van Jacobs lijk of mumie niets dan beenderen zijn overgebleven?
Do tijden zullen niet ver meer zijn, dat er vrijheid zal bestaan in het land van den Islam, om dit alles nader cn grondiger te onderzoeken.
\\ ij bobben Abraham, den dienaar van den eenigen God, gevolgd op zjjne levensbaan te midden der afgodendienaars, vooral der Chananeërs. \\ ij hebben van hem alleen datgene aangehaald, wat de Wetenschap ons zonneklaar bewijst; wij hebben bevonden dat Mozes de beste eu onwraakbaarste bron is voor do oudste co-schiedenis der wereld en der volken; bij alleen geeft ons overtuigende bewijzen der Waarheid; de Wetenschap bevestigt dit hoe langer hoe meer. Wie toch zal tegen iets, van al datgene, dat wij tot hiertoe hebben aangehaald, durven opkomen?
Wij zullen nu de geschiedenis van Joseph nagaan in liet land van Egypte, en ook daar zullen wij de doorslaande bewijzen vinden van de nauwkeurigste waarheid van den gewijden schrijver.
DERDE AFDEELING. Joseph.
HOOFDSTUK J.
ALGEMEENE BESCHOUWING OVER HET LEVEN EN KARAKTER VAN JOSEPH.
quot;Wanneer wij het leven van Joseph in zijn geheelen samenhang nagaan, dan staan wij verwonderd over de wisselvalligheden, aan welke deze bizondere man was blootgesteld en onderworpen. Vooreerst daagt hij op als de lieveling zijns vaders, welke liefde hem den haat zijner broeders op den hals haalt. Van den bevoor-rechten zoon eens rijken vaders, die aan het hoofd van een noma-denstam stond, zien wij hem weldra als slaaf van l'utiphar. Zijne verheven hoedanigheden verwerven hem eenerzijds de grootste gunsten van zijnen meester, maar berokkenen hem van den anderen kant wederom een groot onheil. Wegens zijne standvastige deugd tegenover eene misdadige vrouw geraakt hij in de gevangenis, waaruit zijne groote begaafdheden hem tot den grootsten post van het rijk der pharaos voeren. Als dusdanig wordt hij do groote redder, sal va tor van zijne familie, die hem wordt teruggeschonken, en van geheel Egypte.
Het karakter evenwel van Joseph blijft zich steeds gelijk in al deze wisselvalligheden. Wij kunnen ons Joseph voorstellen, zegt Goethe, met zijn kalm en zachtzinnig gelaat, zijnen lieven en toch diepen blik, met zijne ietwat melancholieke trekken, waaraan niets kon weerstaan.
Wat echter een bizonder kenmerk van Joseph is, is dat hij niet
98
minder uitmuntte door grootheid van ziel, dan door grootheid van den stand, waartoe Pliarao liein verheven had.
Do zedelessen die in zjjn leven liggen opgesloten, zijn niet minder merkwaardig. Nadat Joseph eerst het slachtoffer van den nijd en afgunst zijner wreede broeders geworden was, nadat hij andermaal liet slachtoffer was der booze driften eener ontuchtige vrouw, wordt hij eindelijk om zijne beproefde deugd en braafheid beloond met do grootste eer, waarnaar een sterveling hier op aarde dingen kan. â Jacob, die don zoon van Rachel met tc veel liefde overlaadde, wordt voor lange jaren van Joseph beroofd, dien hij steeds als dood beweende. Zijne laakbare broeders moeten steeds stomme getuigen zijn van de wonde, welke zij aan het hart van hunnen ontroostbaren vader hebben toegebracht; hunne straf is nog slechts ten halve volbracht, toen zij zich vernederd ten gronde wierpen voor hem, dien zij eens verkocht hadden; hun laag gedrag zelfs maakte hen verachtelijk. Bijaldien de vrouw van Putiphar ongestraft bleef, waaromtrent de Schriftuur zwijgt, dan moest toch de verheffing van haren vroegeren slaaf tot eersten man des rijks voor haar eene aanhoudende pijniging zijn gebleven.
Abraham verliet de aarde nadat zijn zoon Isaac met dezes nicht Rebecca srehuwd was. Isaak heeft nooit het Chaldeeuwsch vader-land gezien; hij is ook nooit naar Egypte afgedaald, zooals Abraham gedaan had, en zooals weldra zijne kleinzonen zouden doen om aan den hongersnood te ontkomen. Zijne geschiedenis heeft dus niets uit te staan met ons ontdekkingsveld der archeologie.
Wat nu zijnen zoon Jacob betreft, deze nam zijne vrouwen in Mesopotamië, in de omstreken van Haran; hierover hebben wij gesproken bij den tocht van Abraham door dat land. Wij zullen Jacob terugvinden in Egypte, in de geschiedenis van Joseph, want de andere voorvallen en gebeurtenissen met Jacob dragen eenzelfde karakter als die wij reeds beschreven hebben.
Alvorens omtrent de geschiedenis van Joseph in bizonderheden tc treden, willen wij aanmerken, dat de aan te voeren bewijzen wel is waar geen rechtstreeksche zijn, maar die bewijzen zijn
99
daarom niet minder grondig, en in zoo grooten getale, dat de grootste moeielijkheden erdoor opgelost kunnen worden. Mannen, die als Ewald dc authenticiteit van het verhaal der Schriftuur ontkennen, zijn nog verplicht te erkennen: âDe schildering der Egyptische zeden door dien schrijver, is over het algemeen zeer juist en nauwkeurig.quot; Ewald, Gesch. des volkes. Isr. I, 599.
In deze verhandeling kunnen wij niet blijven stilstaan bij die herinneringen aan Joseph, welke heden door de Arabieren den reizigers als dusdanige worden aangewezen, nl. de groote gebouwen van het Eayum, en die welke men pleegt aan te wijzen onder den naam van âgraanschuren van Joseph.quot; Van deze zaken kan men de echtheid niet bewijzen; wij bepalen ons alleen bij die zaken, die of door bewerkte monumenten of door Egyptische opschriften kunnen verklaard worden, en nauwkeurig de waarheid aan het licht brengen.
HOOFDSTUK II.
JOSEPH WORDT ALS SLAAF VERKOCHT.
De Schriftuur zegt ons, dat Rachel de meest geliefde echtge-noote was van Jacob, en daarom had haar zoon Joseph ook eene grootere plaats in het vaderhart ingenomen dan de zonen zijner andere vrouwen. Als bewijs dezer bevoorrechting had Joseph van hem een veelkleurig bovenkleed tunicam polymitam gekregen. Gen. XXXVII, 3.
Te dien tijde waren algemeen de stoffen van een enkele kleur: wit, purper of zwart; maar de Semiten waren bizonder gesteld oj) veelkleurige kleederen, d. w. z. kleederen bestaande uit stukken stot van verschillende kleur. Zoo stellen ons de grafsteenen van Benni-Hassan, zie Afd. 11, hoofdstuk III, de Amu voor in kleederen met blauwe, roode en witte strepen. âDitzelfde, zegt J. Koberts, Or. 111. of the Sacr. Script. 43 geschiedt ook heden nog in het
100
Oosten met bevoorrechte kinderen. Stoffen van purper, scharlaken en andere kleuren zijn met veel smaak in elkander genaaid. Somwijlen dragen de kinderen der Muselmannen kleederen gestikt met goud en veelkleurige zijde.quot;
Daar Joseph reeds minder in goed gezien was bjj zjjne broeders, omdat hjj hun misdadig leven had bekend gemaakt, wekte deze bevoorrechting hunnen haat tegen hem nog meer op; toen dan ook eensdaags âde droomerquot; naar Dothaln kwam, ver van hunnen vader, besloten zij hem van kant te maken.
Voorheen was men algemeen van denkwijze, dat Dothaïn ten zuiden lag van Safed, noordelijk van het meer van Tiberias, te KIkiii Djidt Yfitiiif, Khan van den Josephs kuil of put. Burckhardt Trav. in Syr. 318 beschrijft deze plaats aldus; âAldaar toont men den put, waarin Joseph door zijne broeders werd nedergelaten; bij ligt op eene kleine binnenplaats nabij Khan; hij is bijna drie voet in doorsnede en minstens dertig voet diep. Men zeide mij, dat hij in de rots is uitgekapt; in zooverre ik erover kon oordee-len, bestaan zijne wanden uit metselwerk. Jlij houdt altijd water en droogt nooit op. Dit doet mij denken, dat men moeielijk kan aannemen, dat het de put is, waarin men Joseph geworpen had.quot;
Wanneer men uit bet Noorden afdaalt door de vlakte van Esdrelon, dan komt men in den eenig bruikbaren bergpas der noordelijke keten van de bergen van Ephraïm. Daar ligt Engannim, heden Djenin; van daar steekt men eene hoogvlakte over, en dan komt men te Teil Douthan; het oude Dothaïn, de dubbele citerne. Omtrent deze ligging lezen wij, Judith, IV, 5: âEliachim schreef aan allen, die waren tegen Esdrelon, dat bij Dothaïn tegenover de groote vlakte ligt,quot; en VII, 3: âen kwamenâ op de hoogte, die over Dothaïn ziet, van af de plaats die Belma heet tot aan Chelmon, dat tegenover Esdrelon ligt.quot; Naar deze beschrijving herkende E. Robinson de plaats in 1855. âThans, zegt Robinson, is dit een schoon groenende Teil, met een fontein ter zijde van deze hoogvlakte.... Klaarblijkelijk kenden de broeders van Joseph de beste weilanden. Na die van .Mnkhna afgeweid te hebben, bij Sichem (Napluse) het âpraedium Josephquot; van Genesis, gingen zij naar de vruchtbaarder weilanden van Dothan.quot; Robinson's Journ. in I'alest. 17 â18.
Nog voor weinige jaren was dit eene vruchtbare plaats met citroen-.
101
oranje- on granaatboomen. Deze zijn voor veertig jaren vernield door de troepen van Kaïmakan van Xapluse bij de inneming van Arrabeh; thans groeien er nog eenige cactussen. âDe veelvuldige regenwaterbakken, zegt Anderson, The Survey of Palest. 4615, welke men overal te Dothaïn vindt, boden den broeders van Joseph eene gelegene groeve aan om hem erin af te laten, en daar deze regenbakken den vorm eener Hesch hebben met eenen engen mond, zoo was het onmogelijk dat de erin neergelatene zonder andermans hulp zich eruit kon bevrijden. Thans zijn al die citernen iu slechten toestand en onbruikbaar.quot; De meesten dezer putten, zelfs van geheel Palestina, drogen in den zomer uit, ofschoon de grond vochtig en ongezond blijft door den aanslib.
Terwijl Joseph in den put zuchtte, ongewis over zijn lot, kwamen Madianitische kooplieden langs dezen van dien tijd tot heden altijd gebruikelijk geweest zijnden weg. Zij kwamen uit het land Gralaad, en waren nabij het huidig Bethsan den Jordaan overgestoken. Clarke, Trav. in var. countr. etc. If, ch. XV, 512â513: âWij zagen door deze vallei eene karavaan Ismaeliten trokken, zij kwamen uit Galaad gelijk in de dagen van Ruben en Juda; hunne kameelen waren beladen met reukkruiden, balsem en myrrhe, en zeker zouden zij graag eenen anderen Joseph van zijne broeders gekocht hebben, om hem naar Egypte te voeren en als slaaf aan eenigen Putiphar te verkoopen.quot;
De dag van heden toont ons ook iu Egypte het onveranderlijke dezer eeuwenoude karavanen. Wilt gij nog eens de sporen terugzien, zegt Ebers, van een lang verdwenen ras, gaat dan naar Egypte, en ziet daar de kinderen van Ismael met hunne gebruinde huid, als zij daar aankomen uit het Oosten met hunne rijk beladen kameelen. Bergens, vervolgt hij, vindt men het voorheen zoo standvastig gelijk aan het thans, dan op de handelswegen die door de karavanen gevolgd worden naar de oevers van den Njjl. Een dezer woestijnscliippers gaf eensdaags aan Niebuhr tenantwoord: âIk geef er niet om, dat de geheele wereld vergaat, als Egypte maar bestaan blijft.quot;
In Egypte vinden wij hondorde bewijzen in beeld en schrift, van de groote hoeveelheid reukwerken en specerijen, die er ver-
102
bruikt werden, en toch uit liet Oosten moesten aangevoerd worden. Men vindt deze in Dümichen, Ebers enz. enz. Om een enkel voorbeeld aan te halen: i)e r/roote papi/nt* Harris vei'ineldt onder de geschenken, welke Ramses III in den tempel zijner goden bracht: twee en zestig amphoren witten wierook; drie honderd acht duizend drie en negentig maten wierook; drie en negentig amphoren en elf honderd hins zoeten balsem; zeven honderd acht en zeventig amphoren brandwierook; een en dertig amphoren rooden balsem enz. Eec. of the past Tl, 45.
Genesis XXXYIF, !2(i zegt ons de gewijde Schrijver, dat de Ismaeliten naar Egypte voerden nek'of, son on lot.
Nek'ot is de gom of' hars, die uit den tragacanthus getrokken wordt, en door de Arabieren genoemd wordt uakaat. Deze boomsoort groeit op den Libanon, in Perzië en in Armenië, en is volgens do beschrijving van Tournefort in Rel. d'un voy. du Lev. een schoone plant, maar van geenen aangenamen geur.
Sóri is de balsem, die vroeger in Palestina overvloedig voorkwam, en waaronder die van Ualaad vooral beroemd was;heden vindt men hem aldaar niet meer; de boom, waaruit hij door middel van eene insnijding verkregen werd, komt nog alleen voor in Arabië en Afrika.
Lot, Arabisch Jadan, heeft dien naam in onze talen behouden en heet ladunatti; dit is eene welriekend liars van onderscheidene Cistus-soorten, bruinrood, soms zwart, van bitter balsamieken smaak, en werd veel in de geneeskunde toegepast.
In Egypte had elke tempel zjjn laboratorium met eenen drogist, die de geneesmiddelen voorschreef, en een anderen die ze moest bereiden. Ebers heeft in de opschriften van het laboratorium van den tempel van Edfu den naam der twee eerste bestanddeelen ontdekt. Met .só/v, egypt. tdrci, werd de kyphi, egypt. kuphni bereid. Xek'ot vond hij terug onder den naam nekpat, en diende ook ter bereiding van geneesmiddelen. De naam van Lot is tot heden nergens in de opschriften ontdekt, maar men vindt dit hars in de mummies; zelfs kan men hem nog ruiken onder do reukwerken, gebezigd bij liet inbalsemen der lijken. Th. Smith, Te Hist, of Joseph, 21â22. Dezelfde reukwerkhandel wordt ook heden nog tusschen het Oosten en Egypte gedreven.
103
De Madianiten dreven niet alleen handel in parfnmericn, maar wanneer de gelegenheid zich voordeed, ook in slaven. Toen de broeders van Joseph de karavaan zagen aankomen, bracht liun dit op de gedachte van liever hunnen broeder als slaaf te ver-koopen, dan hem te dooden.
âüe Egyptenaars, zegt Chabas, Eech. sur la XIX dyu. (J2, konden nooit slaven en dienstboden genoeg naar hunnen zin krijgen. In de gebouwen van Ramses III waren alle wereldstreken door slaven vertegenwoordigd: Xegers, Beduïnen, Syriërs, Arabieren, Lybiërs, bewoners der eilanden van de Middellandschc Zee, Etru-riërs en Grieken uit Klein-Azië waren daar vereenigd.quot;
Omtrent de Semitische slaven lezen wij bij J. Soury, Rev. des deux Mondes, 15 Pebr. 1875 p. 808. âTen allen tijden waren do Semitische slaven bij de Egyptenaars bizonder gezocht. Do papyrus van den tijd der pharaos Ramses maken lang voor den tijd van Aristophanes, zooals Chabas schrijft, melding van het classiek âSyriër.quot; De karavanen, die door Palestina naar Egypte trokken, waren niet alleen met reukwerken en balsem beladen, maar voor de bazars van Memphis en Thebe vervoerden zij ook uitgezochte slaven, keurige voorwerpen van weelde. Syriërs en negers liepen in de volkrijke straten der steden voor de wagens van rijke burgers in linnen gekleed, met een gouden stok of een roede in de hand.quot;
Het was bijna dezelfde toestand als die aldaar nog heerscht. Zoo verhaalt ons Samuel Baker, dat zekere Saat, een jongeling die hem naar de bronnen van den Xijl begeleidde, door do Arabieren overvallen was, toen hij op den leeftijd van zes jaren de kudde zijns vaders hoedde; zij namen hem gevangen, staken hem in eenen zak en wierpen hem op den rug van een kameel. Zoo werd hij door Kordofan naar Dongola, op de oevers van den Xijl vervoerd, waar hij aan slavenhandelaars verkocht werd, die hom naar Cairo voerden, en aan de Egyptische regeering verkochten.
Ziethier het besluit van Ebers, Aeg. u. d. Rücher Mozes I, 295: âAVij vinden alzoo tot hiertoe nauwkeurig alles terug, wat ons de Bijbel van Joseph verhaalt.quot;
Toen de Ismaelieten in Egypte aankwamen, verkochten zij Joseph aan Putiphar. Deze was toon zeventien jaar oud, volgens Joseph us Ant. jud. 111, 72 ; Gen. XXXVI 1,2 lezen wij dat Joseph zestien jaren oud was, toon hij met zijne broeders de kudde zijns vaders hoedde.
104
HOOFDSTUK J11 .
GESCHIEDENIS VAN EGYPTE.
Afd. J, Hoofdst. \ hebben wij melding gemaakt van de ontdekkingen der Egyptologie; wij hebben gezien, dat de eerste Egyptische bevolking tot het ras der Chamiten behoorde, en dat Mesrann do eerste pharao van Egypte is geweest. Algemeen wordt Mesraïm en Menes voor denzelfden persoon gehouden.
Duidclijkhoidshalve zijn wij verplicht hier de geschiedenis van Joseph te onderbreken, en ons een oogenblik met die van Egypte bezig te houden.
De eerste schrijver, die eene geschiedenis over Egypte opgesteld heeft, was ilanetho, een Egyptisch priester geboren te Sebenitos, archivaris te Heiiopolis; deze leefde ten tijde van l'tolemaeus Soter I, circa 310 v. Clir. en meer dan 1200 jaar na Clozes. Hjj schreef een werk waarin liij dertig dynastiën van Egypte opsomde; maar dit geschrift is verloren gerankt, en nog slechts bekend uit do aanhalingen bij andere schrjjvers. Zijne chronologische lijsten loo-pen van Menes (Mesraim), volgens Ennsen 3643, en volgens Lep-sius 3892 v. Ch. tot aan de tweede Perzische verovering in 340 v. Chr. Laten wij vernemen, wat eenigen daaromtrent leeren:
.Do oudste zetel dier vorsten was This in Opper-Egvpte. Menes toog naar liet noorden cn stichtte Memphis. Zijn geslacht regeerde 253 jaren; hierop volgde een ander, dat 302, en daarna nog een auder, dat 214 jaar het bewind in handen had. Uit den tijd van laatstgenoemde dynastie zijn de groote pyramiden van Memphis afkomstig.
De vierde dynastie kwam volgens Lepsiiis in 3121' aan het bestuur, en met de volgende heeft zij de pyramiden van Gizeh gebouwd. Naast de 5do dynastie ontstond eene 6de op Elephantine, thans Dsohesiret-Assuan.
Weinig weten wij van de volgende vorstenhuizen in Keder-Egypte, de 11de van deze verklaarde zich onafhankelijk te ïhebe in Opper-Egypte. De 12de verhief zich in 23S0 tot een algemeen rijksbewiud, waaronder Egypte het toppunt bereikte van macht en welvaart.
Dit tijdperk van bloei nam een einde door den inval der Semitische volken van Syrië in het Nijlgewcst, 210(1 v. Chr. Hunne vorsten, Hyksos(herderskoningen) genaamd, deden de vorsten der 13de en 14de dynastie waarschijnlijk bukken voor hun gezag. Die der 17de dynastie verjoegen echter de indringers en deden een nieuw tijdperk van bloei aanbreken; en ouder de
105
ISde ontstonden reiisaclitigc bouwgewrochten, waarvan de overblijfselen nog voorhanden zijn.
Do meest beroemde dynastie is echter do 19de, 1320â11S3. Daartoe behoorden Sethos I en Ramses II, beiden door Herodotns met den naam van Sesostris bestempeld. Eerstgenoemde strekte zijne veroveringen uit tot Assyrie en lledië, en laatstgenoemde tot in Lybië en Aethiopië, en beiden verwierven eeuen oumetelijken bult. Daarenboven brachten zij iu hun eigen land groote hervormingen tut stand, eu vereeuwigden hunne gedachtenis door giootsche gebouwen, als den tempel van Karnac, enz.
Volgens Lepsius verkeerde Mozes in Egypte ten tijde van Ramses II, terwijl ouder zijn opvolger Menephta (Pheros) de Israelieten naar elders togen. De 20ste dynastie begint met Ramses III, die als veroveraar naar Azie trok. Zijne opvolgers werden afhankelijk van de aristocratie der priesters, waartoe vermoedelijk de vorsten der 21ste dynastie behoord hebben.
Sesonehis I, de eerste koning der 22ste dynastie, veroverde Palestina en Jerusalem; en de 21ste dynastie ontruimde den troon, toen Egypte door den Aethiopisehen vorst Sabakon overweldigd werd. De opvolgers van dezen vormden de 25ste dynastie 719â697. De laatste van hen, ïarakosgenaamd, keerde uit eigen beweging naar Aethiopië terug, en bracht er de Egyptische beschaving.
Hierop volgde een omwentelingstijdperk, â dat der Dodecarchie van Herodotus, â doch daaraan werd een einde gemaakt door Psammetieus I, den stichter dor 26ste dynastie 670â616.
In 525 v. Chr. werd Egypte veroverd door Cambyses, koning van Perzië. Het bleef een Perzisch wingewest tot '105 v. Ch.; toeu herkreeg het zijne onafhankelijkheid, totdat het in 310 nogmaals door de Perzen, aangevoerd door Oehns, onderworpen werd.
In 332 werd liet een Macedonisch wingewest onder Alexander de Groote. In 305 besteeg Ptolemaeus Lagi den Egyptischen koningstroon. Ka den slag bij Actium werd Egypte ingelijfd bij het Romeinsche Rijk.
-Huiiseu en Lepsius uoemou wel is wanr de geschiclenis van Manetho eeuc fabel; dit kan ook niet anders, want de eerste vorstenhuizen zijn bij liem allen goden en halfgoden. Over het werkelijke dier dertig vorstenliuizen valt ook nog veel te zeggen. Maar uit het aangehaalde blijkt toch vooreerst en vooral, dat versehil-lende dynasticn tegelijk hebben geregeerd, de eóne in Opper-Egypte, de andere in JNeder-Egvpte. /oo zien wij de 6de dynastie, ontstaan te Elephantine, aldaar rogeeren -maat de 5de te Memphis. â De 12de dynastie regeerde te gelijkertijd niet de 11de, want zij verdreef deze laatste en verkreeg het algemeen rijksbewind. â Terwijl de I lyksos in de Delta heerschten, regeerden de andere dynastiën hooger in Egypte enz. enz. â Algemeen stemmen de geleerden
106
hierin overeen; zelfs O. v. Corvin en L. Dieffenbach, vert. door Witkamp zegt p. 76: âHet is bewezen, dat Manetho niet alleen alle dynastiën heeft opgegeven, die het gehoele land hebben bestuurd, maar ook die welke tezelfder tijd zoowel in Opper- als in Neder-Egypte als heerschers werden geörbiedigd. Daardoor is eene zoo groote verwarring in de chronologie onstaan, dat geleerde oudheidkenners tot geheel van elkander afwijkende uitkomsten kwamen.quot;
Wij willen hier nog eene andere chronologische lijst aanhalen, nl. die van Rollin, Abr. I, 34, die ook weer geen verschil maakt tusschen de gelijktijdig regeerende dynastiën. Hij verdeelt do Egyptische regeeringen in drie tijdperken, en geeft voor het eerste tijdperk de volgende vorstennj ;
Jaar
der wereld.
Jaar
dkk wereld.
Jaar v. Ciir.
Jaar v. Ciir.
|
Mcnes Busiris üsymandias Euchoraeus Moeris De, Hyksos, die 200 jaar regeerden Thetmosis Harnesses Miamum Amenopbis Sesostris Phcrou Protce Rhampsiuit Clieops Chepliren isiö 21S8 1(,)20 2179 2427 2494 251 2547 280U 2084 1825 1577 1510 1491 1457 1204 |
Mieeriuus Asvehis 2991 Pharaon 1013 2020 Scsao 978 3063 Zara 941 Anysis 3280 Setliou 724 3299 Tharaoa 705 3319 i)e dodccarchie H85 3334 Psammeticus 670 3388 Nechao 616 3404 Psammis 600 3410 Apries 594 3435 Amasis 569 3479 Psammeuit 525 ........Cambvses |
Champollion schreef aan kardinaal Wiseman den 23 Mei 1807 âNiemand kan aan de Egyptische geschiedenis eenen hoogeren ouderdom aanwijzen dan 2'200 jaar voor Christus. Stellig is die een hooge ouderdom, maar hij bewijst niets tegen de heilige boeken; ja, ik durf verzekeren, dat hij deze bevestigt. Want de Egyptische geschiedenis komt treffend met de II. Schrift overeen; zelfs dan, wanneer men de door de Egyptische monumenten aangegeven chronologie en volgnj der koningen aanneemt. Zoo b. v.
107
kwam Abraham naar Egypte tegen 1900 nl. onder de herders-vorsten. Tusschen de Chamitisehe Egyptenaars en de Semiten bestond haat en afgekeerdheid, (wij zullen later zien waarom.) Daarom werd Joseph minister onder eenen herderskoning; zulks kou noch mocht gebeuren onder eenen koning van Egyptische afkomst, liet hoofd der Diospolitaansche dynastie, de achttiende genoemd, was de rex vodks, die in zijne hoedanigheid van Egyptenaar Joseph niet wilde aanerkennen, enz. i)e oorkonden van den Bijbel zijn door mijne ontdekkingen meer en meer bevestigd.quot;
Om nog meer volledig te zjjn en nog andere meeningen weer te geven, willen wij hier de lijst der pharaos aanhalen volgens Corvin en Dieffenbach.
1ste Dynastie. Meuos regeert 03 jaron. Deze gehecle dynastie 253 jaren.
2de Dyn. regeert 302 jaren. Kaieklios, een koning dezer dynastie verklaarde den stier Apis tot, God. Zijn opvolger verzekerde aan de vrouwen van koninklijken bloede liet recht van erfopvolging.
3de Dyn. regeert 214 jaren. De eerste koning van dit huis voerde oorlog met de Lybiërs. Zijn opvolger Tosorthes en de andere monarchen van dit huis bouwden de Pyramiden aan den rand der Lybische woestijn.
4de Dyn. De stichter dezer dynastie, Sncvru of Sephoris, liet de kopermijnen en turkooizengroeven op het schiereiland van den Sinuï bewerken, en bouwde vestingen op do grenzen naar die zijde.
5de Dyn. Onder deze werden de meeste pyramiden gebouwd. De grootste werd gebouwd door Khufu, ook Kheas en Kheops geheeten, die 50 jaren regeerde. Zijn zoon Menkera (Mykerinos) volgde hem op. Dezes opvolger Aseskaw (Asychis, Sasychis) werd als groote wetgever vermeld door Diodorus.
öde Dyn. Tijdens de te Memphis heerscheude 5de dynastie, onder koning Teta, verhief zich een vorst van Abydos (Elephantine), met name Oesarkara Ati, tot koning van Zuid-Egypte. Zijn zoon Meri-ra-Papi 1, stichter der öde dynastie, resideerde niet te Memphis, maar te Abydos. Zijn kundige minister Oena liet eenen weg aanleggen door de Koptische woestijn naar de lloodc Zee, veroverde Nubië en onderwierp de Herusja in Syrië.
Under 1'api's zoon en opvolger Merenra, werd Oena stadhouder van het gansche land, van af Elephantine tot de Delta. Nowerkara (Papi 11), jongste broeder van Merenra, regeerde honderd jaren. Na zijnen dood braken onlusten uit.
Mentesuphis werd vermoord. Zijne zuster en gemalin Nitagrit (Nitokris) volgde hem op.
7de en Sde Dyn. Na anderhalve eeuw ging de heerschappij over op ecuc
108
koninklijke familie uit Hcraklcopolis, eone overoude ZuidwaSrls van Memphis gelegen stad.
9de en lOde Dyn. Deze sehijneu te Herakleopolis geheerselit te hebben.
11de Dyn. Tegen do vorigen verhieven zich de vorsten van Thcbe, waaruit vorvolgons do 16 koningen dezer dynastie sproten (de 1ste ïhebeïscho dynastie.)
12de Dyn. Do eerste koning van dit stamhuis, Amenemha I rogeerde wijs en verstandig, en op zijnon ouden dag nam hij Oesortosen I (Sesortosis) tot mederegent. â De acht koningen dezer dynastie regeerden 213 jaren, 1 maand en 27 dagen, en schijnen verdienstelijk geregeerd te hebben. Onder lien oudernamen de Sehasu of Sati, strooptochten in Egypte. Om de grenzen te beveiligen hadden reeds de vroegere koningen sterkten aangelegd van af do Roode Zee tot den Nijl, eu den toegang vau do woestijn bij do Wadi-ïumi-lat door eeneu muur versperd, die de uiterste grens vormde naar het Oosten.
Oesortosen III maakte do onderwerping van Nubiö tot oen voldongen feit, eu Semneh, bij den tweedon waterval, tot Zuidelijk uiteinde van Egypte. Ouder deze vorsten werd een begin gemaakt met het vergrooten en tot een moor maken van Jloeris (Tajoem). Dit werd voltooid onder Amenemha III, die alhier ook een paleis bouwde en er zijuo residentie vestigde.
Amenemha IV en zijne zuster Seveknovre (Skemiophris) waren de laatsten dezer dynastie.
13de Dyn. Deze begon met Sevckhotop vau Thcbe. Zij regeerde 453 jaren.
14de Dyu. Deze kwam uit Xois, eene stad in het midden der Delta, en zou in 4S4 jaren 75 koningen geleverd hebben. De inval dor Hyksos maakte een einde aan hun rijk, 2100 v. Cbr.
15de en 10c Dyu. Deze Theboïschc vorsten verhieven zich tegen de Hyksos, die te Tanis resideerden, en voerden meer dan 200 jaar oorlog tegen hen. Onder deze Hyksos, van welke eenigen Apapi heetten, kwamen de stamvaders der Joden naar Egypte.
17de Dyn. Ra-Skoneu-Taaii I stichttode 17de dynastie cu begon den honderd vijftigjarigen onafhankelijkheidsoorlog. Een koning dezer dynastie, Alisfrag-muthosis bij Manetho, veroverde eindelijk Memphis, eu dreef de Hyksos naar Hamer (Avaris) terug. Dit sterke kamp werd ingenomen door Ahmos 1.
ISde Dyn. Ahmos I, stichter dezer dynastie 1(500â 1450, werd opgevolgd door zijn zoon Amenhotop 1 (Amenophis) 1059â164G.
Thotmes I drong met zijn loger Syrië binnen. Toen hij oud werd, gaf hij zijne dochter Hatasoe aau zijn broeder ten huwelijk, die opvolger werd als Thotmes II. Na dezes dood bleef de weduwe regooren onder den naam van Ilamaka, 1613â1591. Deze vrouw liet zicli op de monumenten afbeelden met oen kiunebaard. â Haar broeder Thotmes III volgde haar op 1591â15fi5. Deze vorst behaalde groote overwinningen iu Syrië, Mesopotamia en Ninive. â Amenhotop III, 1555 â1555 trok ook tegen de opgestane Syriërs op onver-sloeg hen. Hij on zijn opvolger legden groote werken aan. Amenhotop komt op do standbeelden als een ontmande voor.
19do Dyn. Ramses I was de stichter dezer groote dynastie, 1445â1270 v. Chr. Hij werd na eene zevenjarige regeering opgevolgd door zijn zoon Soti (Sethos) 1439â1388. Deze versloeg de Hethitcu iu Sytië ou nam Kadesh in.
109
Ramses II, 1388â1322 maakte zijnen naam meer beroemd dan eenig koning vóór hem.
De Grieken noemden dezen Ramses 11 Sesostris of Sesoosis, cn de gescliied-selirijvers door den naam in dwaling gebracht, schreven hem ook menig bedrijf van zijn naamgenoot uit de 12de dynastie toe, en verwarden beiden op wonderbare wijze. Herodotus zoowel als Diodorus zijn dus in dwaling.
Ramses II, die de Israëlitcn en andere vreemdelingen tot harden arbeid dwong, word bij zijnen dood opgevolgd door zijnen dertienden zoon Meneptha 1322â1302.
Na dezen regeerde Menephta II, een ander nakomeling van Ramses II, die opgevolgd werd door Sethos II, zoon van Menephta I. â Verder kan men aannemen dat de doortocht der Roode Zee is voorgevallen tegen het einde of na de regeering van Sethos II.
20stc Dyn. Een nazaat van Ramses stichtte de 20ste dynastie, onder den naam van Neklit-Seti; deze was een Thebeïsch vorst.
Volgens Dr. C. Leemans bezit liet oudheidkuntlig Museum van Leiden Egyptische monumenten van de volgende personen:
Pharaos OO yoóe j)k X V1 Dynastie.
ilen-nofre-het. Men-sche-re. Osorsen. Re-ooli-ninaa. Re-amon-mei-nito. Re-amon-nob. Re-mei. Re-mei-amon. Re-mei-niouro. Re-mei-pasclit. Re-men-ka. Re-men-onch. Re-men-to-ka. Re-mere nofre. Re-noub-otp. Re-neb-men. Re-neb- ninofre. Re-nofre.'Re-nofre nito...? Re-en-ka-neb. Re en-nito-iri-en-tme. Re-sclia-oncli, Scliekotp. Re- tomen P Re-to-neb. Re-tmo-to. Re-tme. Re...tme-neb. Souten-re-onch.
XVI of XY1I Dyn.
Amen-hem-he. Re-to-ka, Osortasen I. Re-noub-nika. Re-en-tme.
XVIII Dyn.
Aah-mes. Re-nasehti-ka, Amenotp, (I). Ooh-mes- nofrct-ari, vrouw van Amenotp I. Ooli-otp, andere vrouw van denzelfden. Re-ka-tme, Amense, koningin, moeder van Thoutmes IV. Amen-he-net, man der koningin Amense. Re-men-to, Thoutmes (IV). Re-men-nito, Thoutmes V. Re-neb-tme, Amenotp (III). Taja, vrouw van Amenotp III. Re-neb-nito, (Amentuonch) broeder van Amenotp 111. Amenosen, vrouw van Amentuonch. Re-naschti-nito-neb, (Horus). Amonmei Hor-en-hem-neb, (I torus), Hor-hem-neb. Re-men-tme, ülenephtah (1). Re...tme, sopt-in- re, Rhamses (III), Amon-mei-bai-en-re,
no
Menephtah (IT). Re-mto-mei-amon, Menephtah (TTT). Nofre-utari, koningin. Ivofre...? koningin. Nofreteibm...? koningin, vrouw van eenen Amcnotp.
XIX Dyx.
Re-tme-mei-amon, Rhames IV.
XXII Dyx.
Re-ini-ehrei-to-sopt-en-re, Amonmei-Osorkon, Re-naa-to-sotp-en-amon, Osorkon.
XXY (?) Dyx.
Sabak-hem-of.
XXA'I Dyx.
Amenirites, moedor der vrouw van Psametichus II. Kato... zoon eener prinses der familie van den laatsten koning der XXYste dyn. Re-nofre het, Psainetiehus (1). Re-lieni-...liet, Xeko ul'Xeclio (II). Re-en-het, Aahmes Xeitli-si.
XXVIII Dyn.
Re-ssch-het-sopt-en-amon, Amyrteus.
XXIX Dyx.
Re-en-tme, Hakor ?
XXX Dyn.
Re-to-ka, Nasehtincbf, Xectanebo.
Dynastie der Lagiden.
Arsinoe Philadelphus. Ptolemaeus Epiphanes. Kleopatra. Soter II. Ptolemaeus Evergetes II. Ptoleinaus Philometor. Ptolemaeus Alexander Philometor. Ptolemaeus Alexander I en Berenice. Ptolemaeus Philadelphus.
Voor ons doel behoeven wij oogenblikkelijk de verdere dynastiën niet na te gaan; het gegevene van Corvin en Dieffenbach komt in hoofdzaak de waarheid zeer nabij. Wat de aangehaalde dynastiën betreft, daarvan zeggen de gemelde schrijvers zelve: âHet
Ill
is bewezen dat do hier opgegeven dynastiën ter zelfdor tijd in Opper- en Neder-Egypte regeerden,quot; beter gezegd: dat de eene dynastie in Opper-Egypte .:,e gelijker tijd regeerde, als eene andere in Neder-Egypte, die beiden als elkander opvolgend bij Manetho genoemd worden.
Alvorens de geschiedenis van Joseph weer op te vatten, moeten wij opmerken, dat wij gedwongen zijn ons te houden aan de alge-gemeen aangenomen volgcijfeis der dynastiën, om verwarring te voorkomen bij hen, die uit andere dan de aangehaalde werken, vergelijkingen willen trekken.
Ook merken wij nu reeds op, dat de bevindingen bewezen hebben, dat de ware geschiedenis in vele punten van al de hier aangehaalde lijsten afwijkt, zooals uit liet verdere zal blijken.
HOOFDSTUK IV.
JOSEPH IN HET HUIS VAN PUTIPHAR.
De naam Putiphar kwam in Egypte veelvuldig voor; de ware Egyptische schrijfwijze is Petiphra, Peti-pafpha)-ra, gegeven, gewijd aan Phra. Phra was de god zon, en hieruit schijnt de naam Piiarao te zijn gemaakt. In het Egyptisch luidt hij Petephrè, zooals Cham-pollion hem ook op de papyrus Caillaud in hieroglyphen las. Rossel-lini, Monum. stor. I, 117.
Wij lezen in Genesis XXXIX, 1, dat deze Putiphar oen eunu-chus was. Ofschoon men hiervan tallooze voorbeelden vindt op de Egyptische monumenten, moet dit woord niet altijd in zijne strenge beteekenis genomen worden, zoo ook hier; immers deze Putiphar was gehuwd. Dit woord beteekent veelal, volgens Winer, I3ibl. Realwürterbuch II, 760: âhofbediende;quot; in de Targums vinden wij het steeds weergegeven door âchef, opperhoofd, bevelvoerder,quot;
Ton allen tijde heeft men dergelijke namen gehad, die in het geheel geen betrekking hadden op hunne beteekenis, b.v. maréchal, maarschalk, 's konings stalmeester, enz.
In Egypte was de monogamie algemeene regel, ofschoon de pharaos en ook andere grootwaardigheidbekleeders er eenen harem op nahielden. Omtrent deze zaak kan men verder nazien: Ebers, Aegypt 1, '299; Gesenius, Thes. liug. hebr. 973; Maspero, Coute des deux frères, 782, enz.
De Vulgaat zegt verder, dat deze Putiphar was âprinceps excr-citus,quot; hetgeen Alioli weergeeft door âoverste der lijfwacht.quot; In den hebr. tekst staat liat-tahhu-hlm; de ware beteekenis van dit woord is tot nog toe niet bekend.
Zooals wij in ons vorig hoofdstuk gezien hebben, heerschten thans in Egypte de Ilyksos; om de Egyptenaar» niet onnoodig te grieven, hadden zjj alle landsgebruiken en zeden van deze aangenomen, daaronder begrepen de ontelbare hoogwaardigheidbekleeders. Omtrent deze en vele navolgende zaken zullen wij onze bewijzen nemen zoowel uit do vroegere als uit de latere monumenten. Dit mogen wij met volle recht, wegens de onveranderlijke standvastigheid iler oude Egytenaars in zeden en gebruiken. Van deze verklaart ons Chabas, Etudes sur 1'antiq. bist, 71â73: âDe oudste gedenkstukken die wij kennen, toonen ons de Egyptenaars, gevestigd op do oevers van den Nijl met Memphis tot hoofdstad. quot;Wij ontwaren, dat zij toon reeds even hoog stonden in ontwikkeling-als op elk ander tijdstip hunner geschiedenis; hun schrift geleek volmaakt op dat van latere tijden, en hunne taal kon niet eenvoudiger zijn, dan in hunne laatste tijden.... Daarom kan het ons niet verwonderen, dat ten tijde van het bouwen der pyrami-den reeds alles geregeld was op godsdienstig, krijgskundig en burgerlijk gebied.... De eerste Egyptenaars waren reeds in bezit van alle en dezelfde metalen, waarvan zij zich bedienden tot aan het einde van hun rijk; deze bezigden zij voor akkerbouw, kunsten, oorlog, jacht, sieraad, opschik, enz; zij maakten harpen en fluiten; hunne hooggeplaatsten droegen oenen rijken gouden halsband met steenen ingelegd, zooals in latoren tijd Joseph oenen ontving uit de handen van pharao; huisbenoodigdhedon en kostbare
113
vazen hadden zij in groote hoeveelheid.... zij legden zich toe op den wijnbouw... zij maakten beelden uit hardsteen... De vorm en het uiterlijk hunner gereedschappen, wapenen, versieringen, enz. hebben niet de minste verandering ondergaan, wanneer men ze vergeljjkt mot de oudste specimen, die men hoeft kunnen ontdekken.quot;
Schilderingen alsook beeldwerken toonen ons de pharaos steeds omringd van officieren, die hot flabellum en alle andere teekenen van waardigheid en sieraden dragen. De titels welke wij op de epitaphen der hooggeplaatste personen lezen, zijn talloos. Wij behoeven deze niet na te gaan, omdat zij buiten het bestek van ons werk liggen; alleen willen wij eenige opmerkzaamheid schenken aan de legeroversten, omdat wij op hen moeten terugkomen bij den Exodus.
Bij het leger was een afdeeling, welke mudjaiu genoemd werd, en belast was met de staatsorde en de uitvoering der koninklijke bevelen. Naar deze noemde men later in het Coptisch de soldaten âmatoi.quot; Rossellini, Monum, etc. .III, 201. Do naam Madjal of Matoi was afkomstig van een Libische stam, waartegen de oude pharaos krijg hadden gevoerd, en dien zij eindelijk overwonnen hadden. Hun hoofdman, her mudjaïu, voerde het bevel over de Egyptische soldaten, belast met de uitvoering der wet, alsmede over de vreemde huurlingen, die in het leger der pharaos dienden. Hun ambt is in de hieroplyplien aangegeven door âar-ti en suten res, anh-ti en ab,quot; âde twee oogen van den koning van Opper-Egypte, de twee ooren van den koning van Neder-Egypte.quot; Ook waren deze madjaïu met het opsporen en straffen van booswichten, alsmede met het vervolgen van gevluchte slaven belast.
De oude vertalingen komen niet overeen omtrent den titel van Josephs meester. De Arabische en Syrische geven âde hoofdman van de lijfsvachtde Septuaginta en de Coptische âde hoofdman der koks.quot; Wilkinson, Mann, a Cost. II, 32, 35, 39 beweert, dat de laatste vertaling philologisch onhoudbaar is. Onze Vulgant geeft het hebr. hat-fabbahim weer door âprinceps exercitus.quot; Tab-bah beteekent trawant, soldaat (die wurgt, kerft, doodt).
Verder zegt de Schriftuur Gen. XXXIX, 1, vir Aegyptius; deze
S
114
aanmerking- schijnt bijgevoegd te zijn. om te doen uitkomen, dat hij niet tot don stam van zijnen vorst behoorde, die een herders-koning was, hyksos, van het Semitisch ras der âSchasu.quot;
Weldra won Joseph in zijne nieuwe woning do volle gunst zijns meesters. De Egyptische families stelden altijd oenen slaaf, die hun volle vertrouwen genoot, als majordomus over hunne slaven en goederen; tot deze waardigheid werd .Joseph verheven. Volgens Ebers, Aeg. etc. 1, 304, droeg zulk een opzichter in de hieroglyphen den naam van mer, hir, herp, nieiih enz.; de opzichter des huizes heette mer-pa en dit was de titel van Joseph in het huis van Putiphar. Aan die betrekking was ook verbonden die van opzichter over de landbouw-werkzaamheden; en de waardigheidbekleeders aan het hof bezaten meestal een onmetelijk fortuin, zooals de epitaplien aangeven. Labu, die in het eerste tijdperk der Egyptische regeering leefde, verhaalt op zijne graf-steenen te Sippara, dat hij bezat 405 ossen van de beste hoedanigheid, 1237 van een tweede en 1300 van een derde; 1220 kalveren van een soort, 1138 van een ander, 1308 gazellen enz. Eenden, ganzen en duiven worden er bij duizenden opgesomd. Mariette, Catal. du Mns. de Boulaq, 337.
Zoo eenvoudig en ellendig als de huizen der gewone lieden uitzagen, zoo rijk waren in het oude Egypte de paleizen der grooten; daarin waren zalen, vol van alle soort vazen in goud en zilver, anderen gevuld met allen mogelijken mondvoorraad, enz. Champollion. Figeac, Egypte anc. 174, 177, 184, 185. Wilkinson, Mann. etc. 129 en 132.
â In zijne nieuwe hoedanigheid genoot Joseph natuurlijk eene groote vrijheid, en deze was het die hem aan een nieuw gevaar blootstelde.
Soury zegt dat wij ons niet moeten verbeelden, dat de egyptische vrouwen zoo streng in hunnen harem waren opgesloten gelijk de turksche; neen, zegt hij, zij waren in hun handel en wandel even vrij als de vrouwen van het huidig beschaafd Europa. Op de monumenten zijn zij voorgesteld bij alle gelegenheden en feesten, zonder sluier voor hun aangezicht. Maspero, Contes pop. etc. 71-73.
Taylor in zijne beschrijving over het huiselijk leven van Egypte:
115
âSoms zion wij mannen en vrouwen in afgescheiden vertrekken; elders zien wij lien tesamen gelijk in liet moderne Europa. De kindoren genieten dezelfde vrijheid als de vrouwen, zij worden niet in den harem opgesloten, maar in de samenleving gebracht, en zij mogen naast hunne moeders of op de knieën huns vaders plaats nemen.quot; Hengstenberg. Die Buch. Mos. 25.
De vrouwen waren in Egypte in zulk hoog aanzien, dat de koning Bai-Neteru van de tweede dynastie haar het recht verzekerde van opvolging op den troon. Men kan de verdere bizonder-heden omtrent het leven der vrouwen vinden bij Champollion, Monuments III, pi. 397.
Van den anderen kant blijkt echter ook uit alle mogelijke gegevens, dat vele Egyptische vrouwen zeer lichtzinnig van gedrag waren. Herodotus Jf, 111; Wilkinson, Manii. etc. I, 392, 393; Birch. Hist, of Egypt, p. XIV. Chabas, in Mei. egypt. geeft een voorbeeld, dat wij willen aanhalen om liet vorige te bewijzen, al is dit voorbeeld ook te algemeen en te streng. Hij haalt t. 11, p. 135 een der oudste papyrus aan, nl, de papyrus l'rissa, X, 3, 4 daar staat: âde vrouw is een ophooping van alle soort van ongerechtigheid, een zak van alle soort list en bedrog.quot; Dit geeft ons genoegzame inlichting omtrent de handelwijze der vrouw van Putiphar opziclitens Joseph. Soury, die niet zeer bijbelgezind is, zegt in zijne Etudes bist. 1(J4: âNiets is meer waarschijnlijk, dan dat de vrouw van Putiphar dikwijls Joseph moest ontmoeten, daar deze de opzichter van de goederen zijns meesters was; ook dat zij hare oogen heeft geworpen op dezen slaaf met zijne slanke gestalte, en schoon gelijk zijne moeder Rachel...quot;
Om het echt Egyptisch karakter van de geschiedenis van Joseph beter te doen uitkomen, geven wij hier een verhaal, dat wij bekennen liever weg te willen laten, ware het niet, dat wij het vinden in de meeste werken over de Egyptologie, zelfs die door deftige geleerde priesters zijn geschreven. De oude talen, vooral de oostersche waarbij de hebreeuwsche niet uitgesloten, hebben dikwijls iets stootends voor ons ontwikkeld gevoel, omdat zij, volgens onze uitdrukking, het kind vlakweg bij den naam noemen
IK)
on nllos openhartig selinjvon on zogg'cn, zolfs zondor sleclito bedoeling. Het âVerhaal der Twee Uroedersquot; is opgesteld omtrent de vijftiende eeuw voor Christus, onder do regeering van Menephtah Hotep-herma,, zoon van Ramses II Meiamun, de Sesostris der Griekon. De scriba Ennana had het samengesteld voor den prins, die later regeerde als Seti II. Dit oorspronkelijk handschrift, dat eenmaal aan genoemden kroonprins toebehoorde, berust in hot British .Museum, liet bevat negentien bladzijden, elk van tien regels, in schoon hieratisch schrift.
Verhaal der Twee Broeders.
»1. Er waren ocus twoc broeders van een /.elfde moeder eu een zelfden vader; Anupu was de uaam van den grooten, Bitiu was de naam van den kleinen. En Aimpn, hij liad een huis, iiad eene vrouw, en zijn kleine broeder was bij hem bij wijze van dienaar. Deze was het, die de kleederen maakte, eu achter zijn vee naar het veld ging; die den landbouw dreef, die dorschte, die alle akkerwerk verrichtte. Deze kleine broeder was een uitmuntend werkman; hij had zijns gelijke niet op geheel de aarde. Ziet wat hij deed.
,/2. Eu vele dagen nadien, toen de kleine broeder was achter de runderen, volgens zijn gebruik van eiken dag, hij kwam terug eiken avond naar huis, beladen met alle kruiden van het veld, ziet wat hij deed nadat hij was teruggekomen: hij legde ze af voor zijnen grooten broeder, die gezeten was bij zijne vrouw: hij at, hij dronk, hij sliep in zijnen stal, bij zijne uitnemende runderen. 3. En wanneer de aarde verlichtte en dat een tweede dag was, nadat de brooden waren gebakken, zotte hij zo zijnen grooten broeder voor, hij nam mede de brooden voor het veld; hij zette zijne runderen aan om hen op de velden te doen eten. Terwijl hij achter zijne runderen ging, zeiden zij hem: //Het gras is goed op die plaatsquot;; hij hoorde alles wat zij zeiden, hij leidde hen naar het goede weiland dat zij verlangden. Ook de runderen die bij hem waren werden sehoon, zeer, zeer; zij vermeerderden hunne L'cboorteu, zeer, zeer.
âi. En toen hot jaargetijde van het akkerwerk daar was, zeide hem zijn groote broeder: //Maak ons span gereed om te akkeren, want de aarde is uit het water gekomen, [Dit zinspeelt op het zakken van den Nijl. ü. D. K. E.] zij is goed om te bebouwen. Ga ook naar liet veld niet zaaigraan, want morgen vroeg stellen wij ons aan den arbeidquot;; aldus sprak hij. 5. 'Zijn kleine broeder deed alles wat zijn groote broeder hem zeide te doen. 0. ïoeu de aarde zich verlichtte, en dat een tweede dag was, gingen zij naar het veld met hun span; zij stelden zich aan den arbeid, en hun hart was vreugdevol zeer, zeer, over hunnen arbeid, en zij verlieten niet liet werk.
iiT. En na vele dagen waren zij op het veld en zij werkten. 8. De groote broeder zoud zijnen kleinen broeder weg, zeggende: ,Loop heen, breng ons
117
de zaden uit het dorp.quot; IJc kleine broeder vond de vr.mw van den grootcn broeder, welke men bezig was te kappen. Hij zeide haar; âSta op, geef mij de zaden, dat ik naar het veld lonp, want mijn groote broeder mij heenzendende heeft gezegd: Geeu opouthoud. 10. Zij zeide tot hem; «Ga, maak het magazijn open, neem wat n bevalt, mijn kapsel kan niet wachten.' 11. De jongeling ging in zijnen stal, nam een groote maat, want zijne meening was van vele granen mede te nemen, hij vnlde haar met koren en gerst en ging heen onder den last.
»12. Zij zeide tot hem: //Welk is do hoeveelheid die is op nwoii schouder rquot; Hij zeide tot haar: //Gerst, drie maten, koren, vijf maten, samen acht, zie dat is op mijnen schouder.quot; Zoo sprak hij tot haar. 13. Zij richtte tot hem liet woord, zeggende: //Er is eene groote waarde in u, want ik zie uwe krachten eiken dag!quot; En haar hart kende hem in begeerte. 14. Zij stond op, zij greep hem vast, zij zeide hem: //Kom, laten wij samen rusten, gedurende een uur! Indien gij toestemt, zeker, ik zal u schoonc kleedercn maken.quot;
â⢠Gen. XXXIX, S. Post muitos itaque dies injecit domina sua oculos suos in Joseph et ait: Dormi mccum. â
//15. Ue jongeling werd als een panter uit liet zuiden, in groote drift, wegens de eerlooze woorden welke zij tot hem sprak, en zij had angst zeer, zeer. ]ö. Hij sprak tot haar, zeggende: //Maar zeker, gij zijt voor mij als eene moeder! maar uw man is voor mij als een vader! maar hij die mijn oudere broeder is, is het die mij onderhoudt! Ach! die groote gruwel dien gij mij gezegd hebt, zeg hem mij niet opnieuw, en ik zal hem aan niemand zeggen, en ik zal hem niet bekend maken met mijnen mond aan eeuig mcnsch.quot; Zie Genesis XXXIX, 10â12. //Hij laadde zijnen last op, hij ging heen naar het veld. 17. Toen hij bij zijnen grootcn broeder gekomen was, volbrachten zij verder hun werk.
//IS. Eu, op het oogenblik van den avond, toen de groote broeder terugkeerde naar zijn huis, en dat de jongere broeder achter zijne runderen was, beladen met alle zaken van den akker, dat hij zijn vee voor zich uitdreef om hen te doen slapen in hunne stallen die waren in het dorp, alsdan had de vrouw van den grootcn broeder vrees over de woorden die zij gesproken had. 19. Zij nam heel zwart vet, en werd als die geslagen is geweest door een boosdoener, om aan haren man te zeggen: //Het is nw kleine broeder, die mij geweld heeft aangedaan!quot; toen haar man tegen den avond zou terugkomen volgens zijn dagelijkscli gebruik. Thuis komende vond hij zijne vrouw te bed, en kermende als over ecu gewold; zij goot hem geen water op de handen volgens het dagelijksch gebruik; zij stak geen licht voor hem op; zijn woning was in duisternis en zij geheel besmeurd uitgestrekt. Haar man sprak haar aan: «Wie dan heeft met u gesproken''quot; Zie wat zij zeide: »Kr is niemand die met mij gesproken hebbc, behalve uw kleine broeder. Toen hij de zaden voor n kwam halen, njij geheel alleen gezeten vindende, zeide hij tot mij: //Kom, gij, dat wij samen een uur rusten; versier uw haar.quot; Hij sprak mij aldus aan, ik aaniioorde hem niet. Maar ik zeide: «â ben ik niet uwe moeder? en is uw groote broeder niet voor u als een
118
vader?quot; Aldus sprak ik hem aan. Hij kreeg vrees, liij sloeg mij opdat ik liet niet zou aanbrengen. Maar indien gij gedoogt dat liij leve, ben ik dood; zie, wanneer hij van avond zal komen, daar ik mij over zijne onzedige woorden beklaagd heb, wat hij zal doen is duidelijk.
//20. De groote broeder werd als een panter van het zuiden; hij wette z'jn mes, hij nam het in zijne hand. 21. De oudste hield zich achter de deur van zijnen stal, om te dooden zijnen kleinen broeder, wanneer hij tegen den avond zou komen, om zijn vee te doen ingaan in den stal. En toen de zon onderging, en de kleine broeder de kruiden der velden opnam, volgens zijn dagelijkseh gebruik, en dat hij kwam, de koe die voorop ging, bij het binnengaan van den stal, zeide aan haren bewaker; //Hier is uw groote broeder, die zicii voor u stelt, met ziju mes, om u te dooden, red u voor hem.quot;
//22. Toen hij vernam wat de koe zeide die voorop ging, de tweede hem insgelijks gesproken hebbende, keek hij onder de deur van zijnen stal, hij ontwaarde de voeten van zijnen grooten broeder, die zich achtcr de deur hield, ziju mes in de hand; hij legde zijnen last af, hij zette het in allen haast op een loopen, en zijn groote broeder vertrok achter hem met het mes. 2:!. De kleine broeder riep tot Plira-Harmakhuti, zeggende: //Mijn goede meester, gij zijt het die het valsche van het ware oordeelt!quot; EnPhra hoorde al zijne klachten, en Phra deed verschijnen een onmetelijk water tusschen hem en zijnen grooten broeder en dit was vol krokodillen; de eenc van hen was aan den cenen kant, de andere aan den anderen, en de groote broeder wierp tot tweemaal zijne hand om tc treffen, tot tweemaal doodde hij niet zijnen kleinen broeder; zie wat hij deed. 2J-. Zijn kleine broeder riep hem van den overkant, zeggende; //Blijf daar tot den dageraad. quot;Wanneer de zonneschijf zal opkomen, zal ik met u voor haar pleiten, opdat ik de waarheid herstelle. Want ik zal nooit meer bij u zijn, ik zal niet meer in de plaatsen zijn waar gij zult zijn, ik wil naar het dal van den Acacia gaan.quot;
â Nadat de jongere broeder zich den anderen dag van den laster gerechtvaardigd en zijne onschuld bewezen had;
,/2S____ De groote broeder vervloekte ziju hart zeer, zeer, bleef weeueu
heel luid, hij kon niet overkomen op deu oever waar zijn kleine broeder was wegens de krokodillen.
____29____30____ Toeu de groote broeder thuis was gekomen, doodde hij
zijne vrouw, wierp haar lijk voor de honden en bleef in rouw over zijnen kleinen broeder.quot;
â Het volgende om reden hier weglatende, volgt het eiude;
//75. En vele dagen nadien, maakte Zijne Majesteit hem erfprins van de geheele aarde. 70. En vele dagen nadien, toen hij was gebleven vele jaren erfprins, 77. Zijne Majesteit vloog naar den hemel. Bitiu sprak; «Men brenge mij de groote raadsheeren van Zijne Majesteit, opdat ik hen onderrichte over alles wat met mij gebeurd is.quot; 78. Men bracht hem zijne vrouw, hij pleitte tegen haar voor hen,' men voerde hun vonnis uit. Men bracht hem zijnen grooten broeder en hij maakte hem erfprins van de geheele aarde. Hij was twintig jaren koning van Egypte, stierf, ziju groote broeder kwam in zijne plaats van deu dag der begrafenis.
11!»
Dit is het voornaamste uit liet rerhaul der twee broeders. Op het einde staat in hot manuscript telkens achter Zijne Majesteit nza, senlequot;, beteekeiiondo den wensch âleven, gezondheid, kracht.quot;
Begin en einde van dit verhaal heeft veel overeenkomst mot de Injbolsclie geschiedenis van Joseph. Het slachtoffer der booze driften eener vrouw wordt op het einde in beide verhalen tot do hoogste waardigheid verheven. Of echter nauwere betrekking tusschen beide bestaat, kan blijken uit Ebers, Aegypt. u. d. Bücher Muses 314--315: âDo grond en de toon van beide stukken zijn voorzeker eenzelvig. Do stijl van de hieratische papyrus hooft eene zoodanige bijbelsche tint, dat men bij de vertaling ervan onwillekeurig gedrongen is, zich van de zinnen der H. Schrift te bedienen. Volgens onze opvatting moet het verhaal, in zijn geheel genomen, beschouwd worden als cene proeve van de Aegypticitat, indien men dit woord mag gebruiken bij het verhaal waarmede wij ons bozig houden. Moeten wij echter ook in dit papyrus een weerklank zoeken van de geschiedenis van Joseph? Heeft de scriba Ennana alles uit zijne inbeelding geput? Zijn de beide verhalen van elkander afhankelijk of niet? Men kan niets stellig verzekeren, maar de natuur dor feiten die aan de beide verhalen gemeen zijn, feiten die op andere plaatsen gebeurd zijn, doet ons vermeenon dat do ééne schrijver niets aan den anderen ontleend heeft.quot;
Do op dit gebied beroemde criticus, E. Cosquin schrijft in do Revue des quest, hist. Oct. 1877 p. 515; âEr ligt een kenschetsende trek in het geschiedkundig verhaal van de Genesis, dat daaraan zijne geheele zelfstandigheid geeft; deze bestaat nl. in hot feit dat Joseph zijn bovenkleed achterliet in de handen der vrouw van l'utiphar, waardoor deze meer waarschijnlijkhoid aan hare beschuldiging kon geven. Deze onderscheidende kenschetsende trek komt niet voor in het Egyptisch verhaal der twee broeders.quot;
Dit verhaal is alzoo geen bewijs voor het feit, maar wel een degelijk bewijs voor liet volmaakt Egyptisch karakter, dat het verhaal van Mozes draagt.
120
De straf die Joseph werd opgelegd, schijnt niet in evenredigheid met het misdrijf, waarvan hij beschuldigd was.
Soury. Etudes sur les relig. 165 zegt, dat de Egyptenaars niet het recht van leven en do 3d op hunne slaven hadden, dat deze door de Egyptenaars niet harder behandeld werden dan door de Hebreërs.
Ebers, Aegypt. etc. 319 zegt, dat de opschriften der lijkgrotten ons toonen, dat de overledenen zich erop beroemen, dat zij hunne slaven als meesters behandeld hebben.
â De reden echter dier zachte straf kan ook wel zijn, dat Putiphar misschien reeds vroeger bewijzen van de lichtzinnigheid zijner vrouw had, en dat hij daarom niet dat groote gewicht aan hare beschuldiging hechtte, en misschien den vertrouwden Joseph slechts verwijderde om vrede met zijne vrouw te houden; want Putiphar bekommerde zich om niets anders dan om het eten. Genesis XXXIX, (J, en hiervoor moesten de vrouwen zorgen.
Toen Joseph in de gevangenis werd opgesloten, was hij ongeveer zeven en twintig jaar oud. Vergelijk Gen. XLI, 4G, XXXVII, 2 en XLI, 1.
HOOFDSTUK V.
JOSEPH IN DE GEVANGENIS.
In het oude Egypte speelden de droomen eene groote rol, en die do droomen goed konden verklaren, stonden alom in hooge achting. Ewald, Gesch. d. v. Isr. I, 599: âDit is een treffend kenteeken der Egyptische zoden, waarin het geloof aan droomen sedert de oudste tijden zoo bizonder machtig was. Niet minder gewicht werd gehecht aan waarzeggen en sterrewichelarij.
âDit alles werd er als de hoogste wetenschap betracht. Soury, Et. etc. 1G8â170, en de Egytologie evenals de klassieke getuigenissen toonen ons de belangrijke rol, welke de droomen spelen
121
in het loven dor Egyptonaars, on de oer en achting welke men koesterde voor hen die ze wisten nit te leggen.
âDe overheersching van Sesostris over de geheele aarde was in eenen droom aangekondigd door den god Ptah. Zonder molding te maken van den beroemden droom van Sethon, priester van Pta, dien Herodotus verhaalt II, 118, leest men op een hieroglvphisch opschrift van Karnak, waarop de heldendaden van Menephtah I aangehaald worden tegen de overweldigers, die van de Middollandsche Zee kwamen, dat deze pharao in den droom iets als een beeld van Ptah zag; het plaatste zich voor hem en belette hom vooruit te trekken, en op te rukken mot zijne legers. De âstele van den droomquot;, ontdekt in de ruinen van Napata, hoofdstad van het Aethiopisch koninkrijk, verhaalt ons dat de pharao Nu at Maiamun, in het jaar waarin liij den troon van Egypte en Aethiopiö beklom, des nachts in oenen droom twee serpenten zag, hot eene aan zijne rechter, het ander aan zijne linkerzijde. Hij ontwaakt en ziet ze niet moor. âDat men mij dit uitloggequot;, zegt hij, evenals de herdorskoning van Joseph. Men antwoordt hom: âGij bezit het zuiden, onderwerp hot land van het Noorden; dat do kroonen der twee rijken op uw hoofd schitteren, opdat gij liet geheele land liezit in zijne lengte en in zijne breedte.quot;
â Het aangehaalde woord âstélequot; beteekent; eene elliptische figuur, mot hieroglyphen gevuld, op oud-egyptische monumenten. Kortheidshalve bljjven wij ons van hot grieksche woord bedienen.
âDitzelfde bijgeloof heerscht nog in Egypte. De fellahs zijn bijgeloovig, zij golooven aan waarzeggers, aan den talisman, aan den invloed van het kwaad oog, aan do slechte geesten, enz. zij erkennen zeker niet minder bovennatuurlijke geesten dan de oude Egyptenaarsquot;. Michaud, Corr. d'Or. VII. 60.
C. Reuvens, Lett, a Lotr. etc. zegt, dat in het Museum to Leiden oen papyrus bewaard wordt met recepten voor droomen, van den volgenden inhoud : âRecepten om eenen droom te zenden, van Agathocles. Bij middel van mystische zinnen, geschreven op een klein tablet, en gelegd in den mond van eene zwarte kat.... Tweede recept om eenen droom te zenden door middel van een linnen, van Zminis Tyntiritus, waarop men toekent eene menschehjke figuur met vier vleugelen en vier andere zinnebeel-
122
den, on daarenboven mystieke zinnen. (Ander) middel om oenen droom te bekomen. Men moet op een stuk byssus met liet bloed eener kwartel, liet beeld teekenen van oenen god, staande, met een ibishoofd; men roept liem aan in den naam van zijnen vader Osiris en van Isis zijne moeder.quot;
â Het oneindig aantal voorbeelden der auteurs voorbijgaande, wijden wij nog slechts onze aandacht aan het volgende: âEens-daags, dat de prins van Bachtan op zijn bed lag te slapen, had hij eenen droom. ]lij zag den god Khons, alsof hij uit zijn heiligdom kwam en ten hemel vloog onder de gedaante van een gouden sperwer, en zijne richting nemende naar het land Khemi of Egypte .. ..quot; Lauth, Aus altaegypt. zeit. 33âG8.
De Egyptenaren noemden hun land Khemi, Cham, Ham. De Grieken gaven het den naam van Aigyptos, dat als mannelijk den Xijl beteekont.
Meerdere geleerden willen van Khemi het woord chemie en al-chemie afleiden, omdat de Khemi bij hunne magie alle soort kruiden, sappen, enz. mengden eu bereidden, Suidas, Lexicon; waar hij ook aanhaalt dat Keizer Dioclecianus, om de Egyptenaars wegens een oproer te straffen, al hunne boeken over de chemie deed verbranden, om hun aldus do rijkdommen te ontroovon die zij zich bij middel dezer boeken verwierven.
Vigouroux II, 71: âWij mogen veronderstellen dat Putiphar te Memphis woonde. De gevangenis waarin Joseph werd opgesloten was die der staatsgevangenen (gevangenen des konings). Thucydides en Herodotus spreken beiden van eene gevangenis of beroemde sterkte van Memphis, welke zij âde witte muurquot; noemen.quot;
Dit is eene veronderstelling zonder bewijs. De ware hoofdstad der herdersvorsten was Tanis. In deze plaats heeft Mariëtte de zeldzame monumenten van hen opgedolven, die van lien zijn overgebleven. Het is wel zeker, dat de herdersvorsten ook uit Meinph:.s de Egyptische pharao's verdreven hadden, en in navolging van hen eenigen tijd aldaar resideerden, maar hiervoor heeft men nog geene bewijzen van den tijd van Joseph.
Deze versterkte gevangenis van Memphis beschrijvende, zegt
Ebers Aeg. etc. I, 317: âDeze bevatte voorzeker ook de woningen voor de soldaten en tempels naast de gevangenissen. De stéle van Pianchi zegt ons, dat zij een geregeld beleg onderstond bij do inneming der stad door Cambyses. Putiphar, die volgens alle waarschijnlijkheid een legerhoofdman was, moest in deze dus ook zijne woning hebben, en indien werkelijk alsdan hot hof te Memphis was, dan mogen wij aannemen, dat deze sterkte de sohar van Genesis is.
â Jn de gevangenis werd Joseph belast met liet opzicht; onder zijne hoede waren ook twee waardigheidbekleeders van het hof, de opperhofbakker en de opperhofschenker. Van deze beide hooge posten hebben wij do bewijzen op de Egyptische monumenten, zegt de Rouge, N ot. somm. des mon. égypt. 33â34. Wanneer men deze monnmenten betracht, en leest dan Genesis XL, 9â20, dan zou men meenen eenc beschrijving dier voorstellingen voor oogen te hebben.
Wij lezen nergens, om welke misdaad die twee hofbeambten in den kerker waren geworpen; liiin ware kenteekening ligt in Gen. XL, 8: âWij hebben eenen droom gehad en wij hebben niemand om hom ons uit te lesjijeii.quot;
O o
Hier moeten wij een weinig nader toelichten, wat wij in het kort hebben aangehaald in âde Wetenschap voor do vierschaar van den Bijbel.quot;
Gen. XL, 9, enz.: âik zag eenen wijnstok voor mij, waaraan drie ranken waren, en hij botte allengs tot bloei, en de druiven werden rijp en den beker van L'harao bad ik in do hand; dan plukte ik druiven, en perste ze uit in den beker dien ik vasthield, en overreikte den beker aan l'harao.quot;
Herodotus li, 77 zegt: âEr zijn geen wijngaarden in Egyptequot;, en riutarchus, de Iside et Osiride 6: âDo koningen... begonnen wijn te drinken van af den koning Psammitichius, en voor hem dronken zij in liet geheel geenen, en offerden hem niet aan de goden, meenende dat hij dezen niet aangenaam was, omdat zij dachten dat hij liet bloed was van hen, die vroeger den goden den oorlog hadden aangedaan.quot;
â Hoever wij op Herodotus kunnen betrouwen, blijkt uit de volgende vijf plaatsen van hem zeiven: Herod. li, 91; 11, 110; 11,127 ; 11, 115; 11, 83; alwaar hij ons verhaalt, dat bij de grootc
124
fecstoljjkheül van Bubastes in Egypte meer wijn gedronken werd, dan anders gedurende een geheel jaar; dat de zoon van don oppersten metselaar, die den koninklijken schat stal, de wachters met wijn had dronken gemaakt; dat elk soldaat van de koninklijke lijfwacht eiken dag vier bekers wijn bekwam; dat ilycerinus dag en nacht met drinken doorbracht; dat do priesters zelve eiken dag âwijn van den wijnstokquot; ontvingen.
Ook Plutarchus zegt zelf, als boven § (J: do priesters onthielden zich slechts van wijn als zij vastten.
Overigens Diodorns I, 12â13; Strabo, 679, 087, 691; Plinius, IT K JX, 9; Horatius, 1, ode 37 verzekeren ons, dat de wijnstok van af de oudste tijden in Egypte verbouwd werd.
Met zekerheid is thans uitgemaakt, dat niet alleen ten allen tijde, ook door de onderdanen dor pharaos, wijn gedronken werd in Egypte, maar dat zij hem ook aan hunne goden otterden.
De groote papyrus Harris maakt melding van vele wijnoffers, die Ramses 111 in do tempels der goden bracht; âDertien honderd zeven en zeventig gekleurde kruiken wijn; elf honderd elf kalm en twintig duizend acht en zeventig; twee en veertig duizend kruiken wijn, enz.quot; Ree. of the past. VI, 28 etc. en p. 34 staat, dat dezelfde pharao aan de tempels van Thebe âwijngaardtuinenquot; schonk in Ut van het noorden en in Ut van liet zuiden.quot; Dit was op do oevers van het meer Mareotis, van welken wijn viiuini mareoticum Horatius J ode 37 gewag maakt.
De grafsteenen der pyramiden van Beni-Hassan toonen ons, dat de wijnbouwvelden in Egypte overoud zijn; daarenboven werd nog vreemden wijn ingevoerd. liet opschrift van Xes-llor meldt omtrent eeu opdracht aan den tempel van Elephantine: âOKnum... o Sati en Anuki... ik heb u geofferd eenen uitmuntenden wijn uit het noordelijk Ann.quot; Ann was ten westen van Aleppo in Syrië.
De druif heette egyptisch: el el, alcl-t, scp en de wijn erp, ar/i.
Ten slotte zij opgemerkt dat na de ontdekkingen hieromtrent vanaf Champollion tot heden, geen ontkenning meer mogelijk is.
De droom van den ópper-bakker draagt eene even zuivere
Egyptische tint. Uit de monumenten bfijkt dat do bakkerskunst er ver gedreven was.
Rosellini, 3Ion. civ. JJ, 464; âOp oenen der muren van het graf van Ramses III, te Biban el Moluk, nabij Thebe, ziet men twee bakkers, die op hunne stokken leunende, het deeg met hunne voeten kneden. Anderen e-even aan hot deequot;- verschillende vormen.
O O
Eenigen laten het bakken in een soort oven of stoof. Het gebak of de broeden, die reeds klaar zijn, liggen op tafels, in pannen of in manden. Eenigen gelijken op sterren, anderen op driehoeken,quot; enz.
Gen. XL, lü. âDrie korven meel droeg ik op mijn boofd.quot; Herodotus II, 83 verhaalt dat in Egypte de vrouwen hunne lasten op de schouders droegen, en de mannon op de hoofden. Dit getuigenis wordt gestaafd door de schilderingen op het graf van J {.anises Ilf, waar de Egyptische mannen werkelijk de broeden op limine hoofden dragen.
Een zekere volzin door Horrack openbaar gemaakt, luidt: âpau-u ari em sebti het, brood gemaakt in de AVitte sterkte.quot; Van deze sterkte of vesting hebben wij gezien, dat eenigen van meening zijn, dat Joseph en de twee hofbeambten erin opgesloten waren.
Ook van de korven voor meel en brood vinden wij vele afbeeldingen. Wilkinson, Mann. a. Cost. II, 14(J, 147, 151, 393.
Een papyrus Rollin, uit den tijd der XIX dynastie, dus vóór den uittocht uit Egypte, geeft ons den naam op van den opperbakker: fata. Daar worden vier bakkers genoemd, en hun hoofdman draagt den titel van tata. 1'Ieyte, 10.
Genesis XL, 20: âDen derden dag daarna was het do geboortedag van pharao.quot; Bij de geboorte van de kinderen der voorname personen werd steeds de horoscope getrokken ter voorspelling; ook toont do Egyptologie ons aan, dat de verjaring der groeten steeds met groote feesten gepaard ging; vooral was dit het geval met den pharao.
Letronne, Inscr. de Rosette, 1. 4Gâ47, p. 250. Op dezen Rosetto steen hoet het: âOmdat do XXX van mesori, waarop men de geboorte des konings viert, alsook de XVII van mechir, waarop luj de kroon zijns vaders heeft aanvaard, (do priesters)
12G
dczo hebben aanerkend als loffeesten in do tempels, welke dagen zijn in waarheid voor allen, oorzaak van veel goed; dat zij hen vieren door een feest ter zijner eere, enz.quot; Verder wordt melding gemaakt van gratie, die geschonken wordt.
Gen. XL, 22: âDen anderen liet hij ophangen aan de galg.quot; Deze doodstraf werd wel in Egypte toegepast, maar niet bij de Hebreeuwen. Op de schilderingen van Egypte vinden wij dikwijls de krijgsgevangenen onthoofd en toch een touw om den hals; meestal werd liet lichaam eerst aan de galg gehangen na de tor doodbrenging.
De Egyptenaar» geloofden aan de verrijzenis der dooden; daarom droegen zij zooveel zorg, balsemden on begroeven de lijken; want wanneer het lichaam niet in zijn geheel bleef, dan was de hoop op verrijzenis verdwenen. Daarom was de onthoofding de zwaarste straf, evenals wanneer liet lichaam door dieren ver-seheurd werd, gelijk in het verhaal der twee broeders, het lijk dor vrouw ter verscheuring voor de honden werd geworpen.
HOOFDSTUK YI.
DE PHARAO TEN TIJDE VAN JOSEPH.
In den boven aangehaalden brief van kardinaal iseman zegt Champollion verder; âAbraham kwam naar Egypte omstreeks 1900, nl. onder de herders vorsten. Welnu, de koningen van Egyptische afkomst veroorloofden niet, dat vreemden in hun land kwamen, ook Joseph werd onder oenen herderskoning minister in Egypte en wijst zijne broeders aldaar land toe, iets wat onder oenen koning van Egyptische afkomst noch kon noch mocht geschieden. Het hoofd der dynastie der Dospolitanen, welke men de achttiende noemt, was de rex novtis, qui iynorabut Joseph, der H. Schrift; daar deze koning van Egyptische afkomst was, durfde en wilde hij Joseph niet aanerkennen, omdat deze minster was van eenen ingedrongen koning. Die rex noriis bracht de Hebreërs in slavernij, welke zoolang duurde als deze dynastie. Mozes be-
vrjjdde de Ilobreërs onder Ramses II, genaamd Amenopliis, in hot ))eg'in van het vijftiende jaarlionderd v. Chr. Dit geschiedde toen Sosistris nog jong was; deze volgde onmiddellijk zijnen vader op, en zette zjjne veroveringen naar Azië voort, terwijl Mozes en Israël 40 jaren in de woestijn omtrokken. Daarom ironft in de If. Schrift ocer dezen veroveraar niet yesprokenquot;
Die herderskoningen werden genoemd Hyksos, Egyptisch Iliq-Sus, koning of hoofd der Sus, Sclios of herders, gew. vorst der Scliasu. Twee ontdekte groote standbeelden van eenen herders-koning dragen als opschrift den titel Mer-Sos-a, vorst der 8chos of herders. Mariette, Quest, rel. etc. 35â80. Te Tanis, de hoofdstad van hun rijk, heeft men standbeelden van ben gevonden, waarop bun afbeeldsel duidelijk voorkomt, en waaruit klaar blijkt dat zij van Semitischen oorsprong zijn. Ma netto, Not. des mon. etc. 318, geeft de volgende beschrijven ervan: âDe oogen zijn klein, de neus sterk vooruitspringend is gebogen en tevens plat, de wangen zijn dik en beenderig, de kin springt vooruit en de mond daalt omlaag aan zijne hoeken. Het gelieele van liet aangezicht toont ruwe trekken, terwijl bet dichtbezet hoofdhaar, dat het gelaat omsluit, aan hot monument een opmerkenswaardig aanzien geeft.quot;
De naam Shashus of Schasu werd in het algemeen gegeven aan de Arabische stammen of Beduinen, die tusscben Syrië en de noordoostelijke grens van Egypte verbleven. Ree. of the past YI, 83. Die stammen leefden van de opbrengst hunner kudden of van roof. Het woord Schasu beteekent ook : roover.
Ten tijde van Joseph waren deze ruwe mannen echter reeds zeer beschaafd, en hadden alle gebruiken overgenomen van de Egyptische koningen, die zij naar het Zuiden hadden teruggedrongen. Het eerste doel dezer nomaden was om Egypte te be-rooven en te plunderen; maar toen zij eenmaal in het bezit der rijke en vruchtbare Delta waren, vonden zij meer voordeel in eene goede regeering dan in roof. Op krijgskundig gebied stonden zij hooger dan de Egyptenaars, maar voor deze moesten zij onderdoen in verstandsontwikkeling. Daarom waren zij wel gedwongen in het begin zooveel mogelijk Egyptische beambtente houden, en weldra deed hun hof niet meer onder voor dat huuer verdreven voorzaten. Maar onder deze vorsten, zegt Maspero, Hist anc. etc. 133,
nam do stroom van Semitische landverhuizers hand ovor hand toe naar Egypte. Deze vonden nu in het vruchtbaarste Nijldal mannen van hun eigen ras, die, al schikten zjj zicli ook naar de oude gebruiken van het land, toch hun taal en herkomst niet vergeten hadden. Deze landverhuizers werden met des te meer graagte opgenomen, naarmate de vreemde veroveraars het noodzakelijke gevoelden zich te versterken onder de hun steeds afkeerig blijvende inlandsche bevolking. Aziatische mannen cn vrouwen begonnen hunne plaatsen in de paleizen in te nemen, on in het versterkte kamp van Ilaruar bevonden zich Syrische en Arabische soldaten. Invallen, hongersnood, burgerkrijg, alles spon samen om geheele stammen vreemdelingen in Egypte te werpen.
Maspero 174 zegt, dat eene oude gegronde traditie ons aanwijst, dat de Koning Hyksos aan wien Joseph de droomen uitlogde Apophis, Apapi heette. Deze zou dan waarschijnlijk een der Apapi zijn, die de stad Tanis verfraaide, en wiens monumenten door Mariette zijn teruggevonden. Brusch, 1 list. d'Egypte I, 80 zegt: âDe aankomst van Joseph in Egypte valt in liet midden der achttiende eeuw, te weten onder de tweede dynastie der her-dersvorsten... Zeer waarschijnlijk was bet koning Apapi II, die Joseph tot die hooge waardigheid verhief, waardoor deze later de beschermer en begunstiger kon worden van zijne broeders, toen zij uit het land Chanaan naar Egypte kwamen.quot;
De pharaos Hyksos lieten hunne daden, evenals do Egyptische pharaos op monumenten vereeuwigen; maar de innige afgekeerd-heid der Egyptenaars heeft dat alles later meerendeels vernietigd, zelfs hunne namen weggekapt. Daarom is hunne geschiedenis van dien tijd ons minder goed bekend. Nochtans hoeft men eene lijst der herderskoningen, hoewel zeer onvolmaakt, samengesteld. Daarop komt tweemaal een Apapi voor.
Apapi II was een der herderskoningen, die het meest de oude pharaos navolgde in hunnen smaak voor monumenten, daarom ook de meest beroemde dier dynastie. De Semiten hadden vanaf Memphis de geheele Delta ingenomen onder de zoogenaamde veertiende dynastie. ISTa hunne overwinning kozen zij Schilat, een hunner hoofden, tot koning. Deze vestigde zich te Memphis en stelde eene regelmatige regeering in. De Schasu moesten meer dan twee honderd jaren strijd voeren om de Egyptische pharaos te Thebe
129
in bedwang to lioudon. Vijf herderskoningen, Bnón, Apachnas, Apapi I, Jannes en Assos moesten hun geheel leven krijg tegen hen voeren. Asses eindelijk wierp de vijftiende dynastie te Thebe omver, en bleef alzoo meester van Opper-en jSTeder-Egypte. Onder de zestiende dynastie poogde Opper-Egyte herhaaldelijk het vreemde juk af te schudden, maar dit bleef zonder gelukkigen uitslag tot onder Apapi 11.
Apapi II, dio zeer aan den godsdienst van zijnen stam gehecht was, wilde dat al zijne onderdanen, Egyptenaren en vreemden alleen 8utech of Set, den god der Schasu zouden erkennen. Dit verwekte eeiion algemeenen opstand onder de inlandsche bevolking, en Apapi werd verslagen. Ebers.
HOOFDSTUK YII.
JOSEPH VERKLAART DE DROOMEN VAN
PHARAO.
Twee jaren nadat do opperschenker in zijne waardigheid hersteld was, had de pharao de bekende droomen der vette en magere koeien, en der volle en ledige aren.
Eenigen zijn van meening dat de pharao van Joseph zou zijn Apapi Jl, de laatste koning der Hyksos. Maar deze meening mist allen grond, en stemt slecht met de aangegeven jaartallen der Schriftuur: Gen. XLVJL 28; L, 25 en Exodus I, 9 en lü. Daarenboven wil men: ârex novus, qui ignorabatquot; vertalen door: âdie Joseph niet kendequot;, dan kon die nieuwe pharao niet de onmiddellijke opvolger zijn van den kaatsten Hyksos, daar hij in dit geval zeker van de beroemde daden van Joseph, den eersten minister des rijks had moeten hooren, en bijgevolg, hem kennen. Neemt men echter voor de zuivere vertaling van ignorabat, âdie Joseph niet aanerkendequot;, dan is de tijdruimte van het bestuur van Joseph rijkelijk lang, om onder den laatsten Hyksos alleen
9
l:iu
te zijn voorgevallen. Joseph kwam op dertigjarigen leeftijd aan het bestuur, leefde honderd tien jaren, en hij en al zijne broeders waren gestorven voordat de rex novus de vervolging tegen hen begon.
Do beide droomen dragen een zuiver Egyptisch kenmerk.
Vooreerst hebben wij âden stroomquot; waaruit de koeien kwamen. De Egyptenaren gaven aan den Xijl den naam anr, coptisch /Vo, hebreeuwsch //^or, de stroom; den oever waarop Pharao stond, vinden wij in het hebr. weergegeven door aefat, egypt. sepf, de lip van den stroom, den oever.
Xa den Xijl komen de koeien. Het is zeer natuurlijk dat de pharao eenen droom had over de rivier, zonder welke Egjpte niets anders dan eene woestijn zou zijn, en waarvan Ampeie zegt. Vox. en Eg. et in Nub. :i04; AVanneer men aan Egypte den Xijl ontnam, dan zou er niets overblijven dan eene dorre woestijn; indien men den bovennijl zou afleiden naar de zee, dan zou men Egypte vernietigen. Zooals wij reeds gezien hebben, werd de Xijl dan ook als eene godheid vereerd, onder den naam Hapi.
Van do koeien in Egypte, zegt Plutarchus, de Is. et Osir. 68: âDe Egyptenaren houden de koe als een afbeeldsel van isis en van de aardequot;; eu Clemens van Alexandrië, Strom. A. 6!). âDe vaars is het symbool van de aarde, den landbouw en van de voeding.'
Dieffenbach, vert. Witkamp, Oude Volken, 121: âGeen Egyptenaar durfde eene koe slachten, wijl ze aan Isis was gewijd. Voor de Egyptenaren waren uit dien hoofde de Grieken (en Mebreërs/ aterlingen, omdat deze vreemdelingen rundvleesch aten. Bij eenen hongersnood aten de inwoners liever elkander op dan de heilige dieren te slachten.quot; Wij zien dit bewaarheid Gen. XLVII, 17 waar de Egyptenaren aan Joseph ook de runderen brachten in ruil voor granen. In Egypte waren veel runderen, maar deze werden gehouden voor de melkspijzen, en als zoodanig moet men
het woord âvoedingquot;, niet âvoedselquot; van Clem, van Alex, verstaan.
Over de ontzaglijke opbrengst van granen in Egypte, hebben
wij reeds gesproken.
De koeien en de korenaren waren zeven in getal. Dit was een heilig getal bij dat volk, hierin stemmen allen overeen. A igouroux 11, 114: âZeven is een mystiek getal bij de meeste oude volken, en niet minder opmerkenswaardig is, dat het bijna op dezelfde wijze uitgesproken wordt in de Egyptische taal als in de Semitische
131
on Indo-earopeesche talen: cgypt. xofch ; semit. xeha; sanscr. sajjt; gr. 1 tc.pt lt;i; lat. scpteni; duitsch Ziehen; lioll. zereii.
Op do voorstellingen der koeien, vindt men doze bijna altijd ten getale van zeven; volgens Bohnen stellen de hieroglypliische papyrus van Leiden minstens viermaal de zeven koeien voor met den stier Osiris.
Toen pharao ontwaakte, pavore perterritus, overviel hom schrik. Op de stole van Ramses XI staat te lezen van don vorst Baclitan, nadat hij eenen droom had gehad, iiehax jut ar ncf itm liciiuli, ontwakendo overviel hem schrik.
De personen die Pharao doet ontbieden om zijne droomon uit te leggen, worden in don hebreemvschen tekst genoemd/»//â /«;gt;///« en liakniiilni, waarzeggers en wijzen.
In Egypte had elke tempel zijne priesters, die er als het ware een eollegie vormden. Allen waren oehter afhankelijk van don groot-priester, die aan liet hot' was. Met decreet van Canope vermeldt vier klassen van priesters; elke klas bad vijf vertegenwoordigers in de hoofdstad. Deze vertegenwoordigers vormden den raad des konings.
Verder noemt dit decreet zes afzondorljjke soorten van priesters, nl. de aartspriesters of tempelhoofden, de profeten, do stolisten, do pterophoren, de hierogrammaten (scriba) of do wijzen, en de heilige vaders of gewone priesters. Ebers, Aegypt. u. d. 15. Moses 343 enz. beschrijft uitvoerig de samenstelling en werkzaamheden der priesterkaste.
De koning had altijd de âdroomuitleggersquot; en do âwijzenquot;, die tot de priesterkaste behoorden, bij de hand. Deze spraken niet uit hun eigen, noch ook bij ingeving, maar alvorens hunne uitleggingen te geven, raadpleegden zij eerst hunne heilige boeken. Joseph XLI, 10 spreekt echter bij ingeving van (iod. Dit moest den pharao zeer treffen.
Hoe haastig liet bevel des konings om Joseph to zien en te hooren ook moest volbracht worden, deze moest toch eerst se-schoren worden. Gen. XLI, 14. Creen onreine mocht voor den koning verschijnen. Do priesters, die den naam ab-u, reinen,
droegen, moesten geheel geschoren zijn. Ilerodotns IT, 84 vermehU, dat quot;het tot de Egyptische zeden behoorde, dat alle Egyptenaren geheel geschoren waren; alleen gedurende den rouw lieten zij de
haren en den baard groeien.
Rosellini, Monum. civ. II, 395, zegt, dat de priesters niet alleen hunnen baard, maar ook hun hoofdhaar afschoren, eemgen ook droegen hoofdhaar maar dan kort geknipt. De personen, die wij op do monumenten met lange haren afgebeeld vinden, dragen pruiken. Ook de baard op eenige beelden is yalscli en slechts bijgevoegd om do mannelijkheid of zelfs de koninklijke waardig-heid aan te duiden, want men ontwaart hem ook aan de kin van eene koningin. Maar de vreemdelingen als Assyriërs, Chana-neërs, Syriërs, Joden, alsook de menschen van lage afkomst komen op de basreliëfs steeds gebaard voor. AVilkinson, Mann, a Cost. Ill, 358 voegt hieraan toe, dat âzoodra vreemdelingen in dienst van dit beschaafd volk traden, zij zich dan aan de zuiverings-regelcn van hunne meesters moesten onderwerpen, zich den baard laten scheren, en het haar scheren of kort knippen. Mas-pero, Hist. anc. etc. 123 zegt, dat dit alles reeds zoo bestond vóór den inval der llyksos, zooals blijkt uit eenen brief van den
papyrus Sallier 11.
Joseph, die volgens de Egyptenaren tot de vreemdelingen en menschen van lage afkomst behoorde, schoor zijn haar en baard niet in de gevangenis, terwijl, zooals Evers zegt, de Joden eenen afkeer hadden van de kalen (kaalgeschoren). Uit blijkt ook uit IY Keg. II, 23.
Pharao verhaalde zijne droomen aan Joseph. Volgens Chabas, Pap. mag. Harris, 174â175 veroordeelde de Egyptische wet iederen slaaf, die zich met waarzeggen durfde bezighouden, ter dood. Maaide klare en eenvoudige uitlegging van Joseph deed allen verbaasd staan, en de herdersvorst vond zeker eenigen trots erin, dat een man van zijn ras, vreemdeling als hij, eene zoo natuurlijke uitlegging gaf van de droomen, waarvan de Chamitische waarzeggers
niets begrepen.
De jonge Hebreër had overigens niet eens noodig zijne toevlucht
tot de boeken te nemen, hij sprak bij ingeving en wel zoo treffend, dat allen eenparig van de ware beteekenis overtuigd waren.
133
HOOFDSTUK VUL
JOSEPH ALS HOOGSTE WAARDIGHEIDS-BEKLEEDER.
Gen. XLI. 39: âKan ik oonon man vindon, die wijzer is dan gij, of ook slechts aan u gelijk? (jjj zult aan het hoofd van mijn huis staan, en geheel het volk zal gehoorzamen [op het bevel van] uwen mond, ik zal nier grooter zijn dan gij, dan door mijnen troon.quot;
l)e pharaos waren zeer vrijgevig èn met geschonken èn met waardigheden. Cliabas, Tap. hicrat. van Herlijn, 43- 44. âSineh, aanhalende wat pharao voor hem gedaan heeft, zegt: ,,11 ij zeide voor mijn aangezicht: Leid Egypte, om alles te doen ontwikkelen, wat goed erin isâ W ees met mij, mijn oog is goed voor n. Hij benoemde mij gouverneur over zijne jonge krijgslieden, en schonk mij zijne oudste dochter ten huwelijk; hij deed mij kiezen in zijn land, in de keus van wat hem toebehoorde, op de grens van een andere streek____quot;
Records of the past, \ I. 7 â10, wordt een opschrift van Ahmcs aangehaald; deze was bevelvoerder der mariniers, en een voornaam persoon onder de achttiende dynastie. Daarin luidt het: ik heb ontvangen zevenmaal (van den koning) goud ten geschenke ten aanschouwe van geheel het land, ook mannelijke en vrouwelijke slavenâ \\ ij streden op het kanaal Patehit van Avaris, daar bekwam ik belooningen. Ik veroverde eene macht, daarvan werd mededeeling gedaan aan den koninklijken kroniekschrijver, en toen werd mij gegeven de gouden (halsband) der waarde. Een tweede maal vocht ik op deze plaats en een tweede maal ontving ik belooningen. Ik veroverde eene macht en het goud der waarde werd mij een tweede maal gegeven. Er was een gevecht te Taka-mith, ten zuiden dezer stad, en ik nam eenen man gevangen. Ik sprong in liet water om hem weg te voeren, om den weg naaide stad te vermijden, en ik stak met hemquot;het water over. Melding ervan werd gemaakt aan den koninklijken kroniekschrijver, en ik kreeg nog eens het goud ten geschenke. Wij namen Avaris in
134
en van daar nam ik gevangen mede oen man en drie vrouwen,
in liet geheel vier personen...... Ik voerde weg twee officieren,
die ik op liet schip van de l'rsf had gevangen genomen, (de Egyptenaren noemden de llyksos de pest;, zoozeer verachtten zjj heii)... ik werd verheven tot de waardigheid van âkrijgsman des koningsquot;... Ik werd verheven tot de waardigheid van bevelvoerder der mariniers.
Op een stele van Turijn, zonder namen en zonder datum, zegt Beka, (dit beteekent een slaaf) dat hij zijne plichten jegens zijne ouders vervuld heeft. Hij werd de gunsteling van pharao. Deze overlaadde hem met weldaden en stelde hem tot bizondoren opzichter aan over de openbare graanschuren.
Vele dergelijke voorbeelden over do milddadigheid der pharaos jegens hunne beschermelingen zouden nog kunnen aangehaald worden.
Chabas, Ilech. sur la XIX dyn. 14â15 merkt vooral als Egyptisch kenmerk aan, liet woord van ])harao tot Joseph: âGeheel het volk zal aan mmt mond gehoorzamenquot;, letterlijk âzal kussen op uwen mondquot;. Er bestond in Egypte, zegt hij, een titel van opperste mond. Deze is ons bekend uit een opschrift van de achttiende dynastie, door Brngsch aangehaald in zijn Recueil des monuments. Een hooge beambte, Tenuna geheeten, wordt er genoemd âopperste groot-mond in geheel het land . Deze was de ambtenaar, aan wien do pharao alle gezag toevertrouwde. De Bijbel geeft dit zeer juist weer in do aanspraak tot Joseph. I oen Set-nekt zijne macht met Ramses III ging doelen, verhiel hij hem tot de waardigheid van âopperste mond der landen van Eg\ pte.
Tot teekon der macht waarmede hij Joseph bekleedde, gaf Pharao hem zijnen ring, deed hem een fijn linnen kleed aantrekken en hing hem een gouden halsketen om.
Alle Egyptenaren van hoogen rang hadden oenen zegelring.
Linnenkleederen, byssus, dragen was verplichting voor de priesters en alle hoogere beambten, en werd als een bizonder toeken van reinheid betracht. .Men wikkelde ook do mummies in fiju linnen. Mozes schreef dit voor in de bediening van den Tabernakel, en do 11. Kerk heeft ditzelfde gebruik in eere gehouden.
De Kongo, Not. d. mon. Egypt. «2â63, beschrijft eenige ju-
135
weeion in het Egyptisch .Vuseuin van liet Louvre, onder anderen een sperwer, een kunstgewrocht van drijfwerk: het lichaam van dien vogel is bedekt met kleine vederen van lapis, groen feldspath, in goud ingelegd, dan zegt hij: âZulke juweelen konden de tjjd-genooteu van Mozes vervaardigen. .Men ziet dat de kunst van goud te drijven, van fijne steentjes in te leggen en in de hardste stoffen te graveeren den iioogsten trap van volmaaktheid bereikt had ton tijde dat de Israëlieten in Egypte verbleven.quot;
Goden, koningen en njksgrooten waren mot don gouden halsband behangen. J)it gebruik bestond volgens do gevonden monumenten reeds onder do regeering van Soti 1, vador van Ramses II on grootvader van .Monophtah; dus zeer zeker ten tijde van Joseph, die ook wegens zijn hoogo waardigheid met een dergeljjken gouden halsband omhangen werd, zogt Prisse, Mon. egypt. (i.
(renosis XLI, 4ii: âJ'liarao dood Joseph zijnen tweeden wagen boklimmon, terwijl oen heraut voor hem riep: âabi-okquot;.
A brok is een Egyptisoii woord, dat Mozes als dusdanig in zjjn boek had behouden; daarom bleef de boteokonis lang twijfelachtig; gewoonlijk word het vertaald door: âbuigt don kniequot;. Daar dit woord tot heden in het ijldal is blijven bestaan, heeft men ook de boteokonis gevonden, nl. âbuigt liet hoofdquot;. Wanneer de Arabieren hunne kameolen gaan beladen, roepen zij deze dieren toe: âAbrokquot;, daarop buigt het dier zijn hoofd en logt zich tor aarde om zijnon last to ontvangen, ('habas. Et. s. Pant. hist. 418â410. In eono noot voegt hij orbjj: De heraut, die Joseph voorafging riep ook âAbrokquot;.
Do koning gaf Joseph don naam âSafnat pa'neahquot;. Ilarkavy, Mots. Egypt. 17!) vertaalt dit door âredder des levensquot;. Lonor-mant, Manuel etc. I, 363: âAan de Thebalsche koningen, die tegelijk mot do ll vksos rogeorden, zijn de twee laatsten, Tiaakon en Kamos, ons slechts bij name bekend, fn oen koninklijk protocol van dozen laatsten leest men den titel âvoeder dor wereldquot;, nauwkeurig onder denzelfdon vorm Tsaf-en-to geseliroven, in hot hebroeuwscli overgeschrovon 'rsaphnath, zooals in Genesis do bijnaam aan Joseph gegeven werd terzelfder tijde, dat noder-Egypte van den hongersnood gered werdquot;.
136
Daarna gaf pharao aan Joseph ten Imweljjk Asenath, dochter van Putiphar, priester van On of Heliopolis. Deze hoogepriester Putiphar was niet dezelfde als do eerste moester van Joseph. De naam van den priester luidt in den hebr. tekst Piijplira, en de andere heet Piijphr.
Joseph was dertig jaren oud, toen hij tot deze waardigheid verheven werd.
HOOFDSTUK IX.
JOSEPH EN ZIJNE BROEDERS.
Toen de hongersnood niet alleen over Egypte, maar ook over de naburige landen was uitgebroken, handelden de broeders van Joseph evenals hunne voorouders en daalden af naar Egypte om graan te koopen.
Joseph, aan wiens oog niets ontging, merkte onder hen die koren kwamen koopen, ook zijne broeders; maar niet zoodra zag hij hen, of een wreedo argwaan, een pijnlijk vermoeden rees in zijn geest, want zijn jongste broeder, het kind van dezelfde moeder als hij, was niet bij hen. Zouden zij met zijn broeder ook gehandeld hebben als met hem! Deze nomaden, geheel verblind door de pracht van de eerste beambten des rijks, herkennen Joseph niet, en geven op al zijne vragen natuurlijke en eenvoudige antwoorden.
Joseph, gedraagt zich oogenschijnlijk wreed tegen hen, en verwijt hun, dat zij spionnen zijn. Dit verwijt, door Joseph slechts gebezigd om zijne broeders te kunnen ondervragen, lag voor de hand; want de ITyksos hadden wel de Delta veroverd, maar de Egyptische dynastiën, die nog steeds in het zuiden regeerden, waren steeds erop bedacht hun oud rijk te heroveren, waarvoo. de spionnen moesten dienst doen. Slechts weinige jaren brachten de ITvksos in het rustig bezit, van hunnen troon door. Ook moeten wij hier aanstippen, dat diezelfde Ilyksos nog langen tijd oorlog voerden nadat zij uit de Delta verdreven waren, om het verloren
137
rijk tc herwinnen, zooals blijkt uit liet in liet vorig hoofdstuk iiangeliaald opschrift van Ahmes.
Buitendien stond Egypte te allen tijde bloot aan invallen uit het noord-oosten. Van die zijde was hot gevaar zoo groot, dat ile vele jaren vroeger regeerende Egyptische vorsten eenen muur hadden doen optrekken als versterking tegen de verwoestende invallen der Sati. .Met grond mag men veronderstellen, dat deze muur liep van de golf van Suez naar liet meer Menzaleli (Sirbonis) of in de richting van i'clusiiun. Deze muur werd niet dooi' Sesostris gebouwd, zooals üiodorus verhaalt, maar wel door hem hersteld. Chabas, Papyrus van Berlijn, 82.
Joseph laat zijne broeders niet vertrekken dan na de verzekering ontvangen te hebben, dat zij Benjamin zullen medebrengen bij hunne eerste terugkomst, en om meer zekerheid hiervoor te hebben, houdt hij Simeon als gijzelaar, üet smart liet Jacob zijnen jong-sten lieveling vertrekken, en deed dezelfde geschenken voor Egypte gereed maken, die wij vroeger reeds hebben leeren kennen, nl. sori, nek'ot en lot, daarenboven nog honig, pimpernooten en amandelen. Deze laatste zijn vruchten uit het land Chanaan, maar wat hier honig wordt genoemd, is geen eigenlijke honig van bijen. De liebr. tekst noemt dit debets, de Arabieren. (UIih; dit is een soort siroop gemaakt van druiven. Deze siroop is ook lieden nog zeer gezocht in Egypte, en jaarlijks worden uit Hebron ongeveer drie honderd kameel vrachten erheen gezonden.
Toen de zonen van Jacob andermaal naar Egypte kwamen met hunnen jongsten broeder Benjamin, vonden zij bij Joseph een goed onthaal. Deze beval aan zijnen vertrouwsten opzichter: Breng deze mannen in mijn huis, en richt een feestmaal aan. Zij werden dan in het paleis van Joseph gebracht.
De woningen der rijke Egyptenaren waren groot, uitgebreid en met verschillende verdiepingen. Uosellini, Lenormant, Prisse, Perrot, Chipiez, enz. 1)3 b 3 u^lsn-ver trekken waren verlicht door kleine vensters. Op de eerste verdieping, waar de slaapkamers waren, bevonden zich kleine kruisramen, met gekleurde glasruiten,
138
Xaast het luiis waren de schurcu en nevengebouwen gelogen; het geheele werd besloten door een open terras.
Van binnen waren de vertrekken versierd met smaakvolle fresco-schilderingen in schitterende kleurschakeering, die echtei niet, zooals in tempels en graven, historische of mytholische voorstellingen te aanschouwen gaven.
De rijke woningen waren overvloedig bemeubeld. De bedden van matrassen voorzien, stelden gewoonlijk het een of ander viervoetig dier voor, en waren vol versieringen ovenals de kasten, divans, fauteuils enz. Schoon gekleurde tapijtwerken of dieren-vellen bedekten den vloer. Aan gouden, zilveren, kristallen enz. vazen en andere sieraden ontbrak het evenmin.
Vooral werd gezorgd dat in zeker vertrek alle mogelijke mondvoorraad aanwezig was.
Nooit ontbrak een met palissaden omheinden tuin aan een groot huis, zoo mogelijk langs een kanaal of waterleiding.
Daarenboven hadden de hoogwaardigheidbekleeders van het hof hunne landhuizen.
Rijke lieden legden voor zich en hun geslacht graven aan, en andere voorname lieden kleine pyruniden. Indien een eigen giaf volledig was, dan bestond dit uit eene kapel, eene schacht en onderaardsche kelders. Boven don ingang, op de oostzijde, zag men eenige basreliëfs en een opschrift, hetwelk den naam van den afgestorvene bevatte, benevens eene opgave der dagen aan
zijne herinnering.
Op eeno zuil die de eereplaats in de kapel innam, stond vooraan een gebed aan de goden, dan volgde eene korte biographic dor overledenen, van hunne titels onz. Veelal zijn ook taferoclon uit do levensgeschiedenis dor afgestorvenen in schilderwerk op do wanden voorgesteld, en deze zien dikwijls zoo frisch, als hadden zij eerst onlangs hot aanzijn gekregen. Vooral aan dit schilderwerk,
waarvan nog veel is overgebleven, danken wij de nauwkeurige konnis, die wij over hot loven dor oude Egyptenaren hebben verworven.
Over do bizondorhedon zio men Rosellini, Mon. dell. Eg. e dclla jSub, 11, 384 etc.; Champollion Figeac, Eg. anc. 174 etc.
139
Toon clan de broeders binnen het paleis van Joseph gebracht waren, werd hun volgens algemeen Oostersch gebruik eerst water aangeboden om hunne voeten te wasschen. Dit gebruik bestond ook in Egypte. Toen Joseph zelt' binnentrad, boden zij hem de geschenken aan, die zij in de handen hadden, en bogen zich diep, ter vereering, voor hem ter aarde.
Wanneer wij do volgende mededeeling van Bohnen lezen, dan kunnen wij ons van die gebeurtenis eeno levendige voorstelling maken;
,I[et 1!ritselt Museum is in bezit van eene schildering, die onder du achttiende dynastie een der grafkelders van Thebe versierde. Zjj geeft eene voorstelling van liotennu, die aan eenen koning of aan eenen waardigheidbekleeder geschenken aanboden.
âüeze schildering levert op den eersten blik zooveel overeenkomst met het beschrevene in hoofdstuk 4:5 van Genesis, dat men haar voor eene voorstelling ervan zou aanzien; maar de namen en het getal personen van den Bijbel verschillen, evenals de Amu op de schildering van Beni-llassan.
âDe kunstenaar, die dit tafereel schilderde onder de regeering der Thotmes, heeft de Asiaten op twee horizontale lijnen gerangschikt, tellende elk twaalf personen, waarbij een kind. A'oor elke rij ziet men oen groep van drie liotennu, de eenen geknield met voorovergebogen lichaam en hunne handen ten teeken van aanbidding omhoog geheven, de anderen neergezeten en het hoofd tot op den grond gebogen, eene te allen tjjde gebruikelijke houding der llebreeuwsche herders. Zij hebben hunne geschenken aan de voeten van Pharao neergelegd nu roepen zij zijne welwillendheid in. âObtulerunt ei manera... et adoraverunt proni in terrain.quot; Do personen die daarop volgen, staan nog rechtop, en honden in hunne handen gouden en zilveren vazen, die zij aanbieden, alsmede voortbrengselen uit hun land. âObtulerunt ei munera, tenentes in manibus.quot; Zij wachten om zich op hunne beurt voor de voeten van Pharao neder te werpen.
De geschenken der liotennu komen evenzeer overeen met die, welke de broeders van Joseph daar brachten, alsook de wijze waarop zij ze aanbieden. liet zijn dezelfde, die ook Gen. v. 11 genoemd worden. De Bijbel maakt wel is waar geen gewag van het stof, waaruit de vazen bestonden, welke de broeders aan-
140
brachten, maar wij weten uit Gen. XXIV, 53, dat voor twee honderd jaar Abraham aan Rebecca door zijnen knecht Eliezer gouden en zilveren vazen liet aanbieden.
âAl de personen der schildering te Thebe, behalve het kmd, dragen een lange, witte tunica, een echte âtunica talaris , met drie of vier schuine strepen in rood en blauw gestikt. Aan eenigen zijn mouwen, ook in rood en blauw, die tot aan do pols reiken,
anderen zijn zonder mouwen.
âDe aangezichten der llotennu, hebben alle .loodsche of Arabische typen behalve wat de oogen betreft... Ofschoon blanker van kleur dan de Egyptenaren, zijn /.ij toch nog zwartachtig.
Xadat Joseph de geschenken ontvangen had, begaf men zich tot den feestdisch. Volgens de landsgebruiken was eene bizondere tafel aangericht voor Joseph, eene andere voor zijne broeders,
en eene derde voor de Egyptenaren.
De aanbidders van Isis en Osiris betrachten alle vreemdelingen als onreinen, en zouden onder geene voorwaarde de tafel met hen gedeeld hebben. Hieromtrent zegt Herodotus 11,45: âDe Egyptenaren eeren de koeien (tor wille van Isis) boven alle andere dieren.
Daarom zal geen man noch vrouw van Egypte oenen Griek kussen,
zieli niet van het mes, van het spit of van het bord van oenen
Griek bedienen, en hij zal zelfs geen vleesch eten, dat door het mes
van oenen Griek is aangeraakt.quot; Ditzelfde getuigt Diodorus 1, 54.
Mozes zegt v. 33, dat de genoodigden gezeten waren. Om hunne maaltijden te nemen legden de llebreeuwsche patriarchen zich op den grond of op een tapijt, gelijk nog heden de Beduïnen doen; uit voorstellingen bij Rosellini Mon. civ. pi. LXX1X blijkt dat by de Egyptenaren aan tafel, elk op oenen stoel zat.
Xa afloop quot;van dit feest, stelde Joseph zijne broeders nog op
eene harde proef.
Over de voortbrengselen van Egypte sprekende, hebben wij gezien dat er veel goud was, maar minder zilver; ook behooren Egyptische overblijfsels in zilver tot de zeldzaamheden; daarom werden de zilveren voorworpen hoog geschat. Joseph bezat echter oenen zilveren beker; en. om zijne broeders te beproeven deed hij dezen in den zak van Benjamin bergen.
141
Toen do broeders wegens deze voorgewende misdaad achter-haald waren, zeide de opzichter: âDe beker dien gjj gestolen liebt, is die waaruit imju meester drinkt, en waaruit Inj pleegt te waarzeggen.quot;
In De Wetenschap enz. 105 G. D. Kern Eik, hebben wij bewezen dat deze manier van waarzeggen uit don beker, in geheel het Oosten algemeen in zwang was en nog zoo is. Hiertoe werd een glazen of metalen beker of kom met water gevuld, dan wierp men daarin stukjes goud, zilver, paarlen of andere kostbare dingen, en dan nam men de verschijnselen en figuren waar, die zich in hot water voordeden, om daaruit de toekomst te voorspellen of het verborgene te openbaren.
1 it die woorden van den opzichter volgt nog niet dat Joseph zijnen drinkbeker tot waarzeggen gebruikte; maar Joseph stond bij de Egyptenaren als groot waarzegger bekend, en de waarzeggers gebruikten tot dat doel steeds hunnen drinkbeker; de opzichter sprak dus volgens de toenmaals aangenomen opvatting.
Toen Joseph zich aan zijne broeders bekend maakte, zeide hij volgens de \ ulgaat. Gen. X1j\ , 18, dat God hem âals vader van Pharaoquot; had a-emaakt. Brusch, l'exode etc. 17â18, zest dat
^ 7 O
men Uth niet volgens het hebreeuwsch door cudcr moet vertalen, maar volgens liet in egyptische teksten veelvuldig voorkomend u]gt; c.n pifdo beduidende den hoogsten beambte of den opzichter, die bizonder met 's konings zaken belast was.
Volgens vers 11 kwam Jacob naar Egypte in liet tweede jaar van den hongersnood.
O
Gelijk alle Scmitcn en vreemdelingen die naar Egypte kwamen, zoo moest ook Jacob zich aan Pharao voorstellen. Op de graven te Beni-Hassan vindt men schilderingen van dergelijke handelingen. Birsch, Anc. Hist. etc. 05â00 beschrijft eene dergelijke voorstelling van Amu of Semiten op de muren van het graf van Khnum-hetp, een gewezen gouverneur der oost-districten van pharao Amenemha II, en zegt dat deze zoozeer gelijkt op de aankomst van Jacob in Egypte, dat eenigen vermeenden dat deze de voorstelling zelve was van die gebeurtenis. Daar echter het aantal personen alsmede hunne opgegeven namen verschillen, zoo
142
kan men deze slechts als eeno overeenkomstige afbeelding aannemen.
Alvorens Joseph zijnen vader en broeders aan Wiarao voorstelde, drukte hij hen vooral op het hart, dat zij moesten bekennen herders te zijn, dat hun bedrijf bestond 111 veeteelt, eindelijk dat zij hunne runderen en schapenkudden hadden medegebracht. â Dan volgt: âWant de Egyptenaren verafschuwen alle herders.''
Zooals wij weten, was de toenmalige pharao een herderskoning, een veroveraar; deze herderskoningen, Hyksos, bleven steeds gehaat door de Egyptenaren; de Hebreërs waren stamverwanten der herders vorsten, nomaden als dezen, en even als deze als onreinen gehaat door de oud-inlandsche bevolking. Hierom dus waren de Hebreërs reeds meer aangezien door de Hyksos. Maar daarenboven kon het niet anders, of de aanwinst van eenen geheelen stam, bestaande in zestig mannen behalve de vrouwen, moest den pharao aangenaam zijn, omdat zij als zijnde stam-genooten, een steun voor hem waren in den voortdurenden ooilog, dien hij te voeren had tegen de naar Thebe teruggedrongen oude dynastie, welke haar verloren noordernjk steeds zocht te herwinnen.
Aan Jacob en zijne zonen werd het vruchtbaar weideland van Gessen toegewezen. Het afstaan van grond aan vreemdelingen, was een oud gebruik, meermalen op de monumenten voorgesteld. Een dergelijk voorval levert ons de geschiedenis van Menephta, den pharao van den exodus, over wien wij later zullen spreken. Een der papyrus Anastasi houdt in, dat onder de regeering ^ an dien vorst, Schasu of Semiten uit het land Atema (Fdumea) kwamen om hunne kudden te weiden te Pa-Tum (Pithom) op de weilanden die 'skonings eigendom waren. Lautb, Aus altaegypt. Zeit, zegt hieromtrent: â...Om kort te zijn, deze zijn die van Edom, welke zich volgens Numer. XX, 1« vijandig opwierpen tegen den tocht der Hebreërs op het schiereiland van den SinaT. Men kan hieruit gemakkelijk de vriendschappelijke verhouding der Aduma tot de Egyptenaren afleiden. quot;Aan dezen schonk dus do pharao een gedeelte van het door de Hebreërs verlaten land van Gessen.
14:'.
HOOFDSTUK X.
JOSEPH'S BESTUUR.
Do hongersnood heerselite reeds mot allo wroodlioid, toon de brooders van Joseph naar Egypte kwamen, en zonder de goede voorzorgen van Joseph, zou hij ontelbare slachtoffers gemaakt hebben.
Onder anderen was Joseph ook opzichter der voorraadschuren. Lepsius, Denkm. 11 [, 70, 77. en Prisse, ilon. egypt. 7, 8, halen meerdere voorbeelden aan van mannen, die in Egypte dozen post bekleedden, van welken twee Chemnecht en een ander Chaemha heetten; nog een ander wordt genoemd Mentothopt, zoon van -Xefortot, enz. J)eze opzichters stonden aan het hoofd van verscheidene beambten, die de belastingen in natura moesten innen.
Gen. XLf, 47. Op bevel van Joseph werd het koren in garven gebonden en ingezameld in do schuren van Egypte.
ij bezitten overvloedige afbeeldingen van den geheelen akkerbouw iu Egypte. Op do schilderingen van Thebe wordt de ploog getrokken door vier slaven; gewoonlijk werd dit werk door ossen verricht. Andere monschen werken den grond om met een tweetandig houweel. Zulke houweelen heeft men ook teruggevonden, zij zijn in geel ebbenhout en voldoende sterk om den lichten rivierslib van den Nij 1 te bewerken. Wanneer de grond een weinig omgewerkt was, dan wierp men gewoonlijk daarover de zaden en liet deze door do huisdieren, geiten enz. intrappen. Eenige maanden na het zaaien brak de oogst aan. De maaiers grepen de aren met de eene hand en sneden ze met de andere hand met eenen sikkel af. Menig museum bezit dergelijke sikkels. Achter de maaiers kwamen vrouwen en kinderen en verzamelden de aren in zakken of netten. In hunne nabijheid hadden de arbeiders altijd op eenen drievoet aarden kruiken met versch water staan om zich te laven gedurende den arbeid. Mannen droegen de garven in zakken of netten, aan eenen stok hangende, naar de plaats waar zij door de ossen uitgetrapt werden. Dit laatste moest ongeveer eene maand na den oogst geschieden. Hot geheele werk werd steeds opgevrolijkt door zingende slaven.
144
Wanneer hot koren van liet stroo ontdaan was, dan liet men het langzaam van cene hoogte vallen, zoodat de doorstroomende wind het kaf en zand meenam. Daarna werd het koren gemeten en een schrijver merkte zorgvuldig de hoeveelheid maten aan en schreef die op. Hiervan staat vers 49: âde hoeveelheid overtrof de matenquot;, hebr. âer was geen getal (meer)quot;. Ten laatste bracht men het koren naar eene schuit op den Xijl of op een kanaal om het naar de voorraadschuur te vervoeren.
Champollion-Figeac, Eg. anc. 188 etc. heeft deze voorraadschuren beschreven. Het waren zware kegelvormige gebouwen, naast elkander op eene rij geschaard, en die men van boven sloot zoodra zij gevuld waren. Op de helft hunner hoogte hadden zij een soort van vierkant venster, hetzij ter verluchting, hetzij om er het graan uit te halen.
.Joseph deed het overvloedige graan der zeven ceHc jaren in de voorraadschuren der verschillende steden van Egypte verzamelen. De tempels bezaten zulke schuren, en allerwaarschijnlijkst bediende zich Joseph van deze.
In het drooge klimaat bewaarden de granen zich voortreffelijk. In het Museum van het Louvre bewaart men graankorrels uit Egypte, die 4ü eeuwen oud zouden zijn, en zekere Dronillard, woonachtig bij Saint-Pol-de-Leon zou koren getrokken hebben uit in Egypte gevonden granen van Joseph's tijd. (liet kan mogelijk zijn!) Zeker is het, dat het graan voor de volgende zeven jaren onbedorven kon bewaard blijven.
Wanneer de Nijl niet buiten zijne oevers gaat, dan is geheel Egypte eerder eene woestenij vol ellende dan eene voorraadschuur, het geheele land is onvruchtbaar en de hongersnood is daar, zooals wij reeds vroeger hebben aangetoond.
Het baart geen verwondering, dat dit onheil zeven achtereenvolgende jaren voorviel, wanneer zelfs Ovidius, De Art. am. 1, G47 melding maakt van een hongersnood in Egypte, die //«/«« jaren duurde; terwijl Plinius, Hist. nat. V, 57 ons beschrijft, hoe door den geringen was van den Jfjjl zoo gemakkelijk miswas en hongersnood kon ontstaan, daar Egypte nog honger leed bij een was van dertien elleboogsmaten; zich verheugde bij veertien, verzekerd was bij vijftien en overvloed had bij zestien. Ook Abd-Allatif, Rel. de l'Egypte 330 verzekert, dat nog altijd min
145
of meer gebrek aan levensmiddelen bestaat, wanneer de Xij 1 geen zestien ellen stijgt. Deze maakt ook melding van eenige verschrikkelijke hongersnooden in Egypte p. 300â3Gi) waarvan de afgrijselijkiteden onbeschrijfelijk zijn. Een dezer duurde ook zeven 4 jaren, van 1064 tot 1071. A an een anderen hongersnood in 1199 en volg. zegt hij o. a.: â...Ik zelf heb gezien, dat men kinderen kookte om ze te eten... Men werd zoo gewoon aan menschenvleescli te eten, dat er waren die er hunne gewone voeding van maakten... Ik zag ecne oude vrouw het kind van hare eigene dochter eten.quot;
Het scheen in Egypte iets merkwaardigs te zjjn, wanneer in langen tijd geen hongersnood ontstond, want van dit feit maakte men melding. Zoo vinden wij b. v. te Beni-Hassan op het graf van Ameni, die in het 4:5ste jaar der regeering van Osortesen I stierf, als gouverneur der provincie Sah, het volgende: âEr was in mijn tijd geen hongersnood, (men leed) niet honger onder mijn bestuur, want ik deed de akkers van de nome Sah bewerken ten zuiden en ten noorden; ik hield alle bewoners in het leven, door hun de voortbrengselen (der velden) aan te bieden, zoodat niemand van honger stierf.quot; Maspero, Hist. anc. 102. Meerdere voorbeelden hiervan vindt men bij Hirsch, Hist, from the Mon. Eg. 02.
Brusch, Gesch. Aeg. 244â24ü meent zelfs op de monumenten de vermelding van den hongersnood onder Josejdi gevonden te hebben. Ka het opschrift aangehaald te hebben, stelt hij het onder de achttiende dynastie, wegens de toenmalig gebezigde randversieringen enz. AVij geven dit opschrift niet, omdat de bewijzen van Brusch niet grondig genoeg zijn, daar wij toch weten, dat de Egyptenaren, na de verdrijving der Hyksos, alles vernielden, wat nog aan deze vorsten herinnerde, dat zij zelfs hunne residentiestad Tanis en andere plaatsen uit haat lieten vervallen. Het is alleen onder de puinhoopen dezer laatsten, vooral van Tanis, dat de zeldzame overblijfsels der Hyksos gevonden zijn.
Met hoeveel beleid Joseph te werk ging om liet afgekeerd volk te meer aan den gehaten herdersvorst te onderwerpen, bleek
10
14(1
hieruit, dat hij do Egyptenaren achtereenvolgens afstand deed doen van hunne kostbaarheden, van hunne kudden en eindelijk van hunne gronden, hiervan dio der priesters uitgezonderd. Hij droeg huu echter den last op, de hun toebehoord hebbende akkers te bebouwen, en het vijfde gedeelte der opbrengst aan pharao als cijns te leveren.
Onder de dieren, die aan Joseph geleverd werden, vinden wij vers 17, vooreerst paarden. Deze schijncn door de Hyksos te zijn ingevoerd, daar men ze voor hunnen tijd oj) de monumenten nergens ontwaart, terwijl zij na hen zeer veel voorkomen. Papyrus Sallier T, 7; Papyrus Anastasi III, 8, bij Chabas, Etudes etc. 428â429.
Cr. v. Eichthal, La sortie d'Eg. 28: âMen kan al deze bizonder-heden niet als verzinsels aanzien. Men speelt niet aldus met de geschiedenis van een groot volk in dezes nabijheid en om zoo te zeggen, onder zijne oogen, terwijl dit zijne authentieke stukkeu zou kunnen te berde brengen tegen verzonnen verhalen. Merkt op, dat de gewijde schrijver zoo stipt en nauwkeurig is, dat hij zegt, dat de verplichting van een vijfde der opbrengst als cijns op alle landerijen van Egypte gelegd, opklimt tot Joseph â Herodotus verhaalt dat Ramses II, de groote Sesostris, de landerijen van Egypte in gelijke deelen onder de bewoners verdeelde, en deze maatregel, die slechts van uiterst korten duur was, veronderstelt dat voordien een staat van onverdeeldheid bestond, zooals Joseph hem had daargesteld.quot;
Diodorus I, 59 zegt, dat de grond van Egypte in drie deelen verdeeld was, waarvan het eerste gedeelte voor de priesters, het tweede voor de koningen, het derde voor de krijgslieden.
Wij zien in de Schriftuur, dat de priesters en de koning landerijen hadden, en dat de priesters vrij van don cijns van liet vijfde der opbrengst waren; van die vrijheid voor de soldaten lezen wij niets. Hengstenberg, The Kingd. of God, 1, 197 beweert dat de derde verdeeling van grond voor de soldaten, waarvan Diodorus en Herodotus spreken, later is ingevoerd en hun werd toegedeeld als soldij. Het gewone volk mocht niet grondbezitter zijn.
â Vóór het bestuur van Joseph bestond in Egypte een soort van leenstelsel. De nomen (provincies) waren erfelijke prinsdommen, die steeds in de familie bleven, maar van den regeerenden vorst
147
hunne bevestiging moesten ontvangen. Daar deze oude families van Egyptenareu togen de Hyksos gekant waren, fnuikte Joseph door zijnen wijzen maatregel hunne macht; na de Hyksos komt dan ook van deze leenheeren nergens melding meer voor.
De Revue des deux mondes 15 Fevr. 1875 zegt, dat men volgens een schrijven van Amenemapt aan Pentaur te dien tijde de tienden van den oogst moest opbrengen. Dus waren de Hyksos strenger, maar deze moesten ook alles aanwenden om het overwonnen volk geheel in hunne macht te houden. Daarenboven dient men in te zien, dat de vruchtbaarheid van Egypte afhing van den Nijl, die gekanaliseerd moest zijn en waartoe ieder bizondere persoon niets kon bijbrengen; maar deze groote werken vorderden eenen algemeenen regeeringsmaatregel, zoodat om deze reden de regeerende vorst ook meer aanspraak kon maken op den eigendom der landerijen, welker vruchtbaarheid 1gt;Ã moest bevorderen, en waarvoor hij dus ook groote uitgaven had. Dan nog moet men de gebruiken van voor vierduizend jaren in Egypte niet beoordeelen naar onze hedendaagsche zienswijzen. A olgens Miehaud, Corr. de l'Or. VII, 07, is heden liet ware grondbezit, zooals wij dat opnemen, zelfs in Turkije een onbekende zaak.
Ook heden nog, zegt John Ninet in de Revue des deux mondes, 1 Dee. 1875, werken en slaven de vier millioen fellahs op den grond der pharaos om eónen man, denkliedive, te onderhouden..., de fellah, geboren om te gehoorzamen, te betalen en onophoudelijk op te brengen, heeft geen eigen wil.
Besluiten wij met Ewald, Geseli. des Yolk. Isr. I, 593. âHoe dom het zou zijn, Joseph daarom de bevordering eener willekeurige en gruwzame heerschappij voor te werpen, behoeft na het voorgaande geen verder bewijs.quot;
HOOFDSTUK Xl.
DOOD VAN JACOB EN VAN JOSEPH.
Toen Jacob zijn einde voelde naderen, deed hij Joseph zweren, dat deze hem in Chanaan zou bijzetten in het graf, waarin ook de overblijfsels van Sara, Isaac, Rebecca en Lia rustten.
14S
Gen. XLVII, 31 ; âTerwijl deze zwoer, bad Israel God aan, naar liet hoofd van zijn bed gekeerd.' De Septuaginta vertaalt: âbij neeg naar het hoofd van den staf zijns zoons.quot;
De uiterlijke vormen die bij dezen eed waargenomen werden, waren zoowel Hebreeuwsch als Egyptisch. Toen Joseph zwoer legde hij, evenals de oude Hebreërs zijne band onder de dij van Jacob, en deze de waardigheid van zijnen zoon in Egypte erkennende, neeg volgens Egyptisch gebruik naar bet hoofd van den staf, dien hij zulke gelegenheid ieder waardigheidbekleeder, en dus ook Joseph, in zijne hand hield. Chabas, Mél. égyptol. I, 80. Ook de H. Paul us, Hebr. XI, 21, zegt: de stervende Jacob neeg naar het hoofd van den staf van Joseph.
Gen. L, 2â10. Joseph beval aan zijne artsen het lichaam zijns vaders te balsemen. Volgens landsgebruik duurde deze bewerking veertig dagen. En Egypte beweende Jacob zeventig dagen; onder groot geween en gejammer vierden zij de begrafenis gedurende zeven dagen.
Het balsemen ter bewaring der lijken in Egypte sproot voort uit het overoud geloof aan de verrijzenis.
Dit inbalsemen geschiedde natuurlijk naar gelang den rang en stand der familie. Xa de eerste rouwplegingen werd het lijk aan de bewerkers overgegeven. Herodotus 11, 86 etc. zegt, dat de lijken van gewone personen van binnen gezuiverd werden met min kostbare drogen, en daarna gedurende zeventig dagen in natron gelegd werden, om vervolgens iu eene ruwe stof gewikkeld in de openbare katacomben bijgezet te worden.
Met de rijken werd meer omslag gemaakt. Door de neusgaten haalde men met een krom gebogen instrument de hersens uit het hoofd, en in hunne plaats bracht men een hars, dat bij bet afkoelen bard werd. De oogen werden uitgenomen, en daarin bracht men glazuren oogen aan. Met eenen geslepen steen opende men de linkerzijde, en haalde daardoor de ingewanden uit. De holten van maag en onderbuik werden zorgvuldig uitgewasschen met in reukwerken gekookten palmwijn; daarna werden zij gevuld met myrrbe, ladanum en andere reukwerken, vermengd met bijgeloovige kostbare metalen en steenen. Wanneer dit alles klaar was, legde men het lijk in den natron, waarin liet vleesch zoodanig verteerde dat slechts de zwart geworden huid meer op de
14!)
beenderen overbleef. Ook kenden de Egyptenaren eene vloeistof, die zij in de aderen speten, waardoor het lijk zijne natuurlijke veerkracht bleef behouden.
Terwjjl liet lichaam aldus vermuinmied werd, ondergingen de voornaamste ingewanden cene zekere bereiding in kokend hars; daarna werden hersens, hart en lever omwonden mot linnen, en al die iichaamsdeelen werden in vier vazen, canopen genoemd, gedaan. Deze canopen, met van te voren op liet vuur vloeibaar gemaakte asphalt gevuld, bestonden uit potaarde, albast of eenige andere stof, en hadden eenen omgekeerden kegelvorm. De deksels dezer vier canopen droegen verschillende hoofden, voorstellende de vier geniussen der doodenwereld. Wij vinden in liet Ritueel der inbalseming de liturgische gebeden, die bij de geheele bewerking plaats hadden.
Hij de inbalseming van Jacob werd nauwkeurig alles weggelaten wat op den egyptischen afgodendienst betrekking bad.
-Na de zeventig dagen werd het lichaam bijgezet. Eerst omwond men met smalle banden de vingers, dan de handen, armen en overige Iichaamsdeelen. Deze banden waren dikwijls versierd met 1 lioroglyphische of hieratisclie teekenen, eenigen zelfs met eenen zodiak. Kern Eik. De wetenschap enz. 109.
Als alles geregeld was, legde men de mummies in kisten van sycomorenhout, grijs of roodachtig graniet, of basalt. Lijken van voorname personen werden meestal neergelegd in drie of vier kisten, de eene in de andere besloten; in deze kisten werden bijgeloovige voorwerpen geplaatst.
Familieleden en vrienden vormden eenen lijkstoet om den overledene naar âhet huis der eeuwigheidquot; te brengen.
liet lijk van Jacob werd behandeld als die der voornamen van Egypte, werd daarna naar Hebron gebracht, om naast Abraham, Isaac en Lia bijgezet te worden. Alle bedienden van Pharao en de voornaamsten van Egypte sloten zich aan bij de broeders van Joseph, om het lijk naar Hebron over te brengen.
Zooals wij gezien hebben in Afd. 11, Hoofdst. V, rust de mummie van Jacob in de dubbele spelonk Makpelah, onder de hoede der Muselmannen.
150
De geschiedenis haalt ons niets verders aan over liet leven van Joseph, clan dat lijj zijne broeders met goedheid behandelde. Toen de Hebreërs Egypte verlieten, namen zij de overblijfsels van den overleden Joseph mede om deze te Sichem to begraven.
Te Sichem bevindt zich eene plaats, welke bewonderenswaardig door Samaritanen, Joden, Turken en Christenen voor het graf van Joseph wordt gehouden, en toch is klaarblijkelijk het monument, dat men daar aantoont, betrekkelijk van jonge dagteekening. Tigouroux 11, 20!). Kern Eik. De AVetenschap enz. 12iJ.
OâOâOâO
Exodus.
EERSTE AFDEELING. De Hebreërs in Egypte.
HOOFDSTUK I.
HET LAND GESSEN.
Te rcclit zegt Cliabas, Rech. pour serv. etc. 7 : âIn Egypte moet men de inlichtingen zoeken omtrent dit nierkwaardisr feit der se-
o O o
wijde geschiedenis; ik bedoel den Exodus, het uitgangspunt der vorming van de Hebreën tot een volk, tot eene staatkundige samenstelling eener natie, die eenig en alleen zuiver en klaar de leer der eenheid van God heeft bewaard.quot;
In liet land Gessen groeiden en vermenigvuldigden zich do Hebreürs, daar verwisselden zij hun zwervend leven tegen vaste woonplaatsen, daar kwamen zij nader in kennis met de Egyptische kunsten en wetenschappen, in één woord. Gessen is de bakermat van het Hebrecuwscli volk.
De Schriftuur geeft ons weinig aanwijzingen omtrent Gessen, en toch zijn hare enkele gegevens voldoende om als leiddraad te dienen in liet geographisch onderzoek.
Do Ilyksos hadden de Delta van Egypte veroverd en hunne heerschappij strekte zich naar liet zuiden niet veel verder uit dan Memphis cn de oase Fajoem. Meer zuidwaarts kon Gessen
150
De geschiedenis haalt ons niets verders aan over hot leven van Joseph, clan dat hij zijne broeders niet goedheid behandelde. Toen do Hebreërs Egypte verlieten, namen zij de overblijfsels van den overleden Joseph mede om deze te Sichem te begraven.
Te Sichem bevindt zich cene plaats, welke bewonderenswaardig door Samaritanen, Joden, Turken en Christenen voor liet graf van Joseph wordt gehouden, en toch is klaarblijkelijk het monu-meiit, dat men daar aantoont, betrekkelijk van jonge dagteekening. Vigouroux If, 209. Kern Eik. De Wetenschap enz. 12S).
lt;gt; lt;gt; O O
Exodus.
EERSTE AFDEELING. De Hebreërs in Egypte.
HOOFDSTUK I.
HET LAND GESSEN.
Te reclit zegt Cliabas, llech. pour serv. etc. 7 : âIn Egypte Tiioet men de inliehtingen zoeken omtrent dit merkwaardig feit der gewijde geschiedenis; ik bedoel den Exodus, liet uitgangspunt der vorming van de Hebrcën tor een volk, tot eene staatkundige samenstelling eener natie, die eenig en alleen zuiver en klaar de leer der eenheid van (iod heefr, bewaard.quot;
In bet land Gessen groeiden en vermenigvuldigden zich de Hebreërs, daar verwisselden zij hun zwervend leven tegen vaste woonplaatsen, daar kwamen zij nader iu kennis met de Egyptische kunsten en wetenschappen, in één woord. Gessen is de bakermat van het Hebreeuwsch volk.
De Schriftuur geeft ons weinig aanwijzingen omtrent Gessen, en toch zijn hare enkele gegevens voldoende om als leiddraad te dienen in liet geographisch onderzoek.
Do Hyksos hadden de Delta van Egypte veroverd en hunne heerschappij strekte zich naar het zuiden niet veel verder uit dan Memphis en du oase Fajoem. Meer zuidwaarts kon Gessen
152
dus niet liggen; wij moeten liet daarom zoeken in de Delta.
Wij vinden ook nergens aangehaald, dat de Hebreërs den Xijl overstaken om in het land Grossen te komen; evenzoomin wordt vermeld dat zij dezen stroom moesten oversteken hij hunnen uittocht uit Egypte. Toen zjj uittrokken, hadden zij op weinige dag-marschen de Jvoode Zee bereikt.
l it deze gegevens kunnen wij gereedeljjk besluiten, dat de Hebreërs het noord-oosten van Egypte bewoonden, nl. liet land ter rechterzijde van dou Pelusischen Xijlurm gelegen. Egypte was toenmaals ingedeeld in iionicn, en dit gedeelte droeg den naam van Arabische nome.
Dümichen, Geogr. inschr. 1, 20 zegt, dat op de lijst der Egyptische nomen ook de nome Quesen voorkomt, als de twintigste van Neder-Egypte; deze moet men zoeken in de nabijheid van Phacusa, Arab. Eaqüs, Egypt. Pagos of Pha-gos. Dit was volgens Ebers, Durch Gosen, etc. 503, en Brusch, La sortie etc. 24, het land Gessen.
Gen. XLYI, 28 lezen wij bij de Septuag; in het land Ramesses,quot; in plaats van âin liet land Gessen,quot; zooals de Vulgaat weergeeft. In het land Ramesses of Kamses lag de door de Hebreërs gebouwde stad Pithom, waarvan de Grieksche naam is Heroopolis. Exod. I, 11. Deze stad Pithom is in 1883 ontdekt door Ed. Xavihe. Langs het zoetwaterkanaal dat Ouadi Tumilat doorsnijdt, vindt men ten oosten van Maskhuta, ter plaatse waar men nog de sporen van een oud kanaal ontwaart, een groot granietblok, voorstellende den pharao Ramses 11, wiens naam zes malen in het bijgevoegd opschrift voorkomt; Ramses is gezeten tusschon don god Ra en den god Tum. De puinhoopen rondom dit blok bestaan uit brik-steenen, gemaakt van Nijlleem, vermengd met stroo; wij weten, dat de Hebreërs tot dwangarbeid gedoemd, de briksteenen aldus moesten vervaardigen om de steden te bouwen. De inschriften door Xaville aldaar ontdekt, toonen aan dat die stad twee namen droeg, den gewijden Pa-tum of Pithon en den profanen Thekut of Sekut, Soccoth. Heden worden zij genoemd de ruïnen van Teil el Maskhuta. De ondergrond daar ter plaatse bewijst nog duidelijk, dat die streek eertijds onder de Israëlieten een vruchtbaar land was, waarover de Xijl bij zijne overstroomingen het vruchtbaar slib uitwierp ; sedert het verval van Egypte is die schoone streek langzaam onder hot woestijnzand bedolven.
Wat wij reeds meermalen omtrent het Oosten hebben aangemerkt, vindt ook zijne toepassing in Egypte, nl: dat de oude zeden ea gebruiken er streng en bijna onveranderlijk bewaard blijven. Zoo kunnen wij uit de huidige levenswijze der Egyptenaren ten naastenbij besluiten tot die van voor drie duizend jaren. Herodotus JI, 97 zegt van Egypte: âEerst is liet eene zoetwaterzee, dan een bloementapijt, eindelijk een stofland.quot; Zoo is het gesteld met Egypte, dat jaarlijks drie tijdperken ondergaat. In Juli, Augustus, September en October overstroomt de Nijl liet land en brengt het vruchtbaar slib aan; niet zoodra is de Xij 1 teruggetreden of een krachtige planten- en vruclitengroei ontwikkelt zich, en het geheele land wordt herschapen in een paradijs gedurende Xovember, December, Januari en Februari. Maar wordt de Js'ijl geheel laag en is het laatste vocht aan den grond onttrokken, dan verbrandt alles onder eene verzengende hitte gedurende de maanden Maart, April, Mei en Juni. Daar de Delta echter niet zoozeer als het zuiden van Egypte door de droogte lijdt, blijft dit land steeds zijne bekoorlijkheden behouden. De hemel is steeds klaar en de lucht zuiver; de boomen blijven immer groen, en de meeste dragen meermalen vruchten per jaar; de zaden, die men na het terugtrekken van den Xjj 1 aan den grond toevertrouwt, ontwikkelen en groeien zoo krachtig, dat men zou denken zich in de eerste dagen na de schepping te bevinden. De dorpen liggen schilderachtig verborgen tusschen de groene omgeving, maar de woningen zijn ellendig, vooral die der fellahs, en dit steekt zeer af bij de prachtvolle overblijfsels der oude tempels, die men alom aantreft. De hutton der Egyptenaren bestaan eenvoudig uit vier van Nijlslib vervaardigde wanden, meestal op eene hoogte opgetrokken, daarbij door een binnenwand in twee doelen gescheiden. Van den buitenkant zijn deze woningen meerendeols smaakvol versierd. De geliefde haard is den Egyptenaar onbekend; in dit warme land, waar overigens hout niet overvloedig is, legt men slechts een vuur aan van dierlijke uitwerpsels om de noodige spijzen te bereiden. Ch. Lenormant, Beaux-Arts etc. 11, 1(56âHiT: â...wij brachten een bezoek aan een dorp van Abbadeh Arabieren, die een patriarchaal leven leiden, onder het lommer der schoonste palmboomen der aarde... Onder dezen helderen hemel is er weinipr noodigr om hunne
O O
lage maar toch reine hutten een bevallig uiterlijk te geven... lu
154
deze vindt men al liet noodige om te voorzien in datgene, wat zelfs ten tijde van Abraham niet kon gemist worden: eenc mat en eenc slaapdeken, de handmolen, water en eenige groote aarden vazen, de knddon voor melk en vacht, de boomen voor Iniune vruchten, eenige velden met dourah, schoone wijngaarden maken geheel den rijkdom van den stam uit. De vrouwen weven het doek en vervaardigen zelve het voor het huishouden noodige aardewerk. Van elders betrekt men slechts liet minder noodzakelijke, nl; de weeldeartikelen... Ook treft men er vele jongelingen aan, gewapend met lans, pijlen en schild gelijk ten tijde van Clozes... '
Zulke aan de buitenwanden versierde hut is gewoonlijk van eenige bloemperken omgeven; dit geheel omsloten door lommerijke boomen, heet de Egyptenaar zijn aiiiin, waarheen hij, op reis zijnde, evenzeer verlangt als wij naar onzen huislijken haard, zooals ons blijkt uit zeer vele schriften, liet was binnen de beperkte ruimte dezer umm, dat de Kebreërs zich onderhielden over de voorspellingen van (iod aan hunne vaders: daar zelfs konden zij den zwa-ren slavenarbeid vergeten, dien hun de Egyptenaren hadden opgelegd ; ja, het denkbeeld der a mm bleef hun nog lang bij in liet voor ben ongewoon leven in de woestijn, waarheen Mozes hen voerde.
Xiet alleen de gedachte aan de (omn bezielde do Hebreërs nog steeds in de woestijn, maar ook die aan de spijzen van Egypte, en hier dienen wij vooral melding te maken van de nog steeds gezochte Egyptische kleine uien on van de visschen.
In zijn warm klimaat reikhalsde de Egyptenaar naar alles wat de maag prikkelde en tot eetlust kon opwekken; en daartoe vond hij niets kostbaarder dan de inheemsche uien, zooals ons menigvuldige gedenkstukken aantoonen.
Hieromtrent schrijft ook de Egyptische Jesuiet P. Xoory over zijne huidige landgenooten: âDe goede, zedige en eenvoudige boeren van het Xijldal heeten hun vaderland de vruchtbare grond, waarin de komkommer, de porrei en alle groenten gedijen; maar de uien maken hunne geliefkoosde spijs uit. 's .Morgens, 's middags en 's avonds stijgt uit hunne hutten de voor hen zoo aangename geur der gecle uien of van het zilverwitte knoflook. Deze zijn. evenals
155
het graan, zoo algemeen in Egypte, dat de landbouwers slechta hen tot de behoeftigen rekenen, die hun zwartbrood en de traditioneele uien derven.quot;
Zoowel uien als visschen werden als eene bizondere lekkernij aan de goden geofferd. De great Papyrus Harris maakt melding van buitengewone hoeveelheden, zoowel van het eene als van het andere. Kce. of the past VI, 4.!. 48. Zoo lezen wij daar bv. dat Ramses 111 onder zijne offers opsomt: 2200 versche visschen, 15500 gesneden visschen, 15500 gezouten visschen nkvs, 441000 bereide visschen.
HOOFDSTUK II. DE VERVOLGING.
De vorsten van Thebe hadden hunnen blik niet van Neder-Egypte afgeslagen. Een nieuwe oorlog was ontsponnen, die anderhalve eeuw duurde, en waarin de Ilyksos of herderskoningen meer eu meer veld verloren, totdat eindelijk Ahmes, hot hoofd der XA'III dynastie, de hoofdstad Tanis innam, en daarmede een einde maakte aan de regeering der Ilyksos, die meer dan driehonderd vijftig jaren meester waren geweest van de Delta.
De vorsten der XYIII dynastie regeerden 215 jaren, en hoewel deze den vreemdelingen niet goed gezind waren uit rassenhaat, lieten zij de Semitische rassen toch ongemoeid, waarschijnlijk om politieke reden. Xoch deze, noch de vorsten der volgende dynastie wilden de Hebreërs uit liet land zetten, uit vrees of deze zich soms zouden aansluiten bij den uit het land verdreven en nog steeds aan de grenzen loerenden vijand. Daarenboven zochten de vorsten der XIX dynastie alle voordeel uit de Semiten te trekken door den dwangarbeid.
Exod. 1, 8: âSurrexit rex novus, qui ignorabat Joseph.quot; Volgens Champollion moet dit vertaald worden door âdie Joseph niet aanerkende.quot; Wij kunnen ons niet vereenigen met de vertaling;
156
âdie Joseph niet kendequot;, daar de vorsten der XVIII dynastie Joseph ook niet kenden, en toch de vreemdelingen niet verdrukten, misschien uit aanerkenning der diensten van Joseph den lande bewezen. Zoo kunnen wij vertalen: er kwam een nieuwe koning, die de verdiensten van Joseph miskende of' niets ervan wilde weten.
Wie was echter de pharao, die de Hebreërs zoo hard verdrukte ?
Corvin en Dieffenbacii, 98: âEven als de Hyksos de Egypte-nareu voor hen lieten zwoegen, kwam nu de beurt aan hen, die men als herders verachtte, als onreinen en melaatschen beschouwde. Inzonderheid moet het liamses 11 geweest zijn, die de Israëlieten en andere vreemdelingen tot harden arbeid aan de openbare
werken dwong____ liet kanaal naar de Igt;ittere meren liep door
hot land Gosen, en in de nabuurschap daarvan verrezen de steden liamses en Pithom. liet is schier aan geen twijfel onderhevig, dat de Israëlieten tot hot bouwen dezer steden en dergelijke werken gebezigd zijn, en licht is het te begrijpen, dat zij dit niet willig deden en zich meermalen weerbarstig toonden.quot;
Met grond kan men aannemen, dat het liamses 11 was, die de Israëlieten onderdrukte. De reden hiervan zijn :
1quot;.) Seti (Sethos) I had, volgens de monumenten, eenen zwaren oorlog te voeren tegen de Hethiten in Syrië, welke hij eindelijk overwon, eu waarbij hij de stad Kadesh innam. Zijn zoon liamses II had als jongeling dezen krijg medegemaakt. Deze versloeg in de eerste jaren zijner regeering de Klein-Aziatische volkeren, die de Delta waren binnengedrongen. Daarna werd de vrede in het rijk, gedurende de laatste zes en veertig jaren van Ramses II geen enkel oogenblik gestoord. Hij kon dus de Hebreërs en de in den krijg gevangen gemaakte slaven tot dien harden arbeid dwingen, dewijl hij geen vrees behoefde t'j hebben, dat zij zich bij eenen oorlogvoerenden vijand zouden aansluiten, noch eenen opstand zouden wagen tegen zijne sterke macht.
Menephta I, de zoon van liamses 11 had weer oorlog te voeren tegen de Lybiërs en hunne bondgenooten. De groote papyrus Harris wijst aan, dat binnenlandsche oproeren en onlusten van allerlei aard voortdurend de rust verstoorden onder de volgende koningen. Chabas, Iloch. sur la XIX dyn. 15 etc.
2quot;.) Corvin en Dieffenbach 9iJ: â(Jok Sethos werd niet voor
157
wettig gehouden... Eerst Ramses IT, den zoon van Sethos, erkende men als legitiem troonerfgenaam, en uit dien hoofde nam zijn vader, toen dio zoon nog een knaap was, hem als mederegent aanâ Reeds op tienjarigen leeftijd woonde deze Ramses 1' den oorlog in Syrië bjj....quot;
Lenormant. hist. anc. de l'Orient I, 404: Een opschrift in den tempel van Abydos zegt, dat Ramses 11 koning was vanaf de moederschoot, omdat zijn vader Seti 1 niet van koninklijken bloede was, en slechts als regent beschouwd werd, totdat zijne vrouw Tal, kleindochter van Amenhotep 11F hem eenen erfgenaam schonk. Volgens een opschrift van Ramses IV, en ook volgens Jlanetho regeerde Ramses J[ zes en zestig jaren Ki88â1322, ongerekend do jaren die hij met zijn vader Seti I samenregeerde. Geen koning van deze dynastie regeerde zoo lang. â 31 ozes was veertig jaren oud, toen hij naar Madian vluchtte Act. Ap. Vil, 23; hier verbleef hij wederom veertig jaren, ib. 30, tot na den dood van den Egyptischen pliarao. Dit is alzoo alleen toepasselijk voor Ramses II, daar zijne opvolgers noch zijn voorzaat veertig jaren regeerden.
Geen Pliarao van Egypte heeft ooit zooveel tot stand gebracht als Ramses II. In alle deelen der landen, waarover zijne heerschappij zich uitstrekte, vindt men overblijfsels van gebouwen door hem gesticht. Als werken van hem kunnen wij noemen de twee heerlijke tempels van Ibsambul in Nubië, liet Ramesseum van ïhebe, den tempel van Abydos, een gedeelte der tempels van Karnac en van Luqsor. Hij stichtte steden, groef kanalen, legde dijken aan, hij versierde Eajum, Memphis, Ramses enz. met zijne monumenten en standbeelden.
Hooren wij echter Er. Lenormant, hist. anc. de l'Orient I, 423â420, om te weten onder welke verdrukking en dwingelandij, behalve in de Delta, de werken ook iu het overige rijk werden tot stand gebracht. âXiet dan met een gevoel van afschuw kan men denken aan de duizende gevangenen, die wegstierven onder den knoet der opzichters, hetzij als slachtoffers van overmatigen arbeid, ofwel van ontberingen van allerlei aard, terwijl zij als dwangarbeiders die reuzengebouwen moesten daarstellen, waarin een trotsche kuning zijn behagen schiep. Men kan bijna zeggen, dat
158
elke steen, dien men in de monumenten uit de regeering van Ramses II aantreft, een menschenleven gekost lieeft. L)aar er geen oorlog meer was met Azië, moest men tocli gevangenen maken om de bouwwerken op te trekken. Dan ontstond iets, dat tot hiertoe onbekend was, nl. de jacht oj) den mensch, op die ongelukkige negerbevolking van Soudan. Het gold nu niet meer eene uitbreiding van grondgebied naar dien kant, om zicli meester te maken van de landen die ivoor en gotul opleverden, gelijk onder de Thotmes en Amenhotep; neen, het voornaamste en eenig doel was om slaven te maken. Bijna elk jaar werden groote strooptochten van uit Aetiiiopië ondernomen, die dan terugkwamen met een sleep van duizende zwarte gevangenen, van elk geslacht
en eiken leeftijd____ Ook werden alle stammen van Semitischen
oorsprong, die onder de voorouders van Ramses naar de Delta waren overgekomen om het land te bevolken, aan karweien en dwangarbeid onderworpen____quot;
Zonder twijfel is dus Ramses II de onderdrukker der Israëlieten. Brugscli, Eg. Gesch. 15G: ,,De identiteit van den pharao met Ramses II is thans boven allen twijfel verheven, door het bevel dat hij aan do kinderen van Israel gaf, van voor hem de twee steden Pithom en Ramses te bouwen.quot; Exod. I, 11. Men vindt wel is waar meer steden van den naam Ramses, maar de hiero-glyphische opschriften zeggen ons, dat Ramses de stichter, ten minste de hersteller is van de stad, die zij noemen âPi-Ramessuquot; d. i. stad van Ramses. Xaville lieeft bij zijn nauwkeurige navor-schingen te Pithom, geen enkel monument van ouderen datum dan Ramses kunnen ontdekken.
Wij weten dat Ramses II bij de Grieken Sesostris genoemd wordt. De mummie van Ramses II is in 1881 te Deir-el-Bahari ontdekt: zij is 4.80 meter lang. Eene beschrijving ervan alsmede van zijn graf is gegeven in de Gazette des Beaux-arts, 1 févr. 1883, p. 133.
Volgens Ex. XII, 40 hadden de zonen van Jacob tlians meer dan vierhonderd jaren in Egypte doorgebracht; zij waren in het
15Ã
bezit der vruclitbaarsto streken, liun aantal en ook liun rijkdom had in den voorspoed sterk toegenomen; maar zjj waren ook langzamerhand door de slechte voorbeelden der Egyptenaren verleid geworden en van den waren weg afgedwaald, zooals wij weten uit de profeten.
Ex. 1, 9 etc. Er heerschte vrede in het land, maar de buiten-landsche vijand kon weer opdagen, en do pharao vreesde dat in zulk geval do machtige stammen der Hebreërs partij zouden trekken voor hunne rasgenooten. âLaten wij met omzichtigheid te werk gaan, zeide pharao, en de zonen van Israel onderdrukken.quot; Daarom werd den Israëlieten dien zwaren arbeid opgelegd, waaronder men wist dat er in Egypte zoovele bezweken.
Volgens L. de Laborde, Comm. geogr. do l'Ex. 17, en Edm. Planchut, Le tour dn monde, Rev. des deux mondes, 1 Sept. 1871, werden door den onderkoning van Egypte nog voor eenige jaren twee honderd vijftig duizend fellahs gedwongen, om het kanaal van ilamudieh te graven, dat de stad Alexandrië met den Xijl te Afteh verbindt. Twintig duizend dezer ongelukkigen bezweken hetzij onder den overmatigen arbeid, hetzij onder de slagen der onverbiddelijke opzichters. De glooiingen langs het kanaal zijn gevuld met hunne gebeenten, en worden bij het geringste omwoelen blootgelegd.
De Papyrus Sallier II, 0, 1, en de Papyrus AnastasiVII, 1,1, die beide dagteekenen van ongeveer denzelfden tijd als de Exodus, geven ons een verhaal van de ellende die de ongelukkigen moesten verduren, welke tot de karweien veroordeeld waren, vooral van die welke als lastdieren gedwongen werden ontzaglijke steenklompen op slechte en oneffen wegen voort te sleepen.quot;
»lk zeg u, aldus vervolgt de tekst, tot welk punt de bouwer derbuiten-niureu, de ziekte verteert hem. Waarlijk hij staat buiten, in deu wind. Indien liij bouwt ouder dak, ziju zak met werktuigen ligt op de verdiepingen van liet huis, buiten zijn bereik. Zijue beide armen worden geheel onbruikbaar. Een mengsel van alle mogelijke vuilnis is het, wat hij eet, het brood zijner vingeren; hij wascht zieh in een enkel seizoen. Wat hem waarlijk ellendig maakt, is een blok te verplaatsen, dat tien ellen op zes heeft, een blok van een maaud sleepens over den grond der huizen. Al dezen arbeid volbracht hebbende, indien hij brood heeft, wordt hij gegeven aan zijn huis, en hij, hij omhelst zijne kinderen.quot;
De regeering voorzag de werklieden van koren, vleeseh, verscho
160
en gedroogde viscli, groenten, maar of dit alles niet genoegzaam voorhanden was, ofwel slecht en willekeurig uitgedeeld werd, zij leden honger en wel dermate, dat men moer dan eens hot werk deed staken wegens de zwakheid der arbeiders; Chabas, deux papyrus hierat. 24â28. â Nergens heeft men nog kunnen ontdekken, hoeveel uren het volk per dag moest werken, noch ook iets over den rusttijd.
De last van dien arbeid werd nog ondragelijker door de gestrengheid der opzichters. Ex. I, 11, lezen wij dat pharao, om de Israëlieten te onderdrukken, dienstopzichters over hen aanstelde, en V, G, worden genoemd dienstopzichters en volksdrijvers. Gen. Afd. Ill, Iloofdst. IV hebben wij gesproken over den hoofdman der Libische soldaten, her niadjaïu; deze onverbiddelijk strenge mannen zijn de in Ex. 1, 11 genoemde nógsim, dienstopzichters of mannen belast met de uitvoering der wet; deze staan bekend om hunne wreedheid. Die welke Mozes in Ex. V, (J, exactores populi, volksdrijvers, sóterlm noemt zijn de schrijvers, die den werklieden hun werk moesten voorschrijven. In de papyrus hierat. van Leiden I, 348, PI. 118, p. VI, schrijft de suterim Kauisar aan Bekenphtah, dat hij de Hebreërs heeft overgeleverd aan Amenemam, hoofdman dor Madjalu.
Thans evenals ten tijde der Israëlieten werd herhaaldelijk en veelvuldig in het Oosten de wreede straf der bastonnade toegepast. Planehut, p. 121 verhaalt: âTe Aden traden wij eenen winkel binnen, die er heel netjes uitzag, om eenige pakjes sigaren te koopen... Toen wij den winkel verlieten, trad een man in het uniform van policeman op ons toe, en vroeg heel beleefd naar den prijs der sheroots, welke wij nog in de hand hadden. M. Campbell, mijn gezel, antwoordde: Acht rupeien. â Men heeft u bedrogen, was het koele wederwoord van den zwarten Hindou; daarop treedt hij den winkel van den koopman binnen, grijpt hem hij de kleeren en sleept hem met geweld naar buiten, waar hij hem op den grond smijt en een vracht stokslagen toedient... Met moeite stond de koopman op, en ging bleek en over geheel zijn lichaam bevend naar binnen, zonder een woord te durven uitbrengen.quot; Dit gebeurt te Aden, en deze stad, liggende ten Z.-W. van Arabië, behoort tot Engeland.
1G1
Wij bfigrijpon al het vreeselijke der bastonnade, wanneer wij de geschriften der Egyptenaren inzien, aangehaald bij lirugsch, Zeitschr. f. aegypt. spr. 77; Chabas, Kech. s. 1. XIX dyn. 53; Maspero, Du genre épist. chez 1. égypt. 74, 75; Ebers, Duroh Gosen zum Sinai, 521.
Mozes zelf schreef deze straf voor; Deut. XXY, 2.
Eene schildering te Beni-IIassan stelt ons werklieden voor, die met stokken geslagen worden. Men ziet hen voorover op den grond uitgestrekt en ontkleed; twee mannen houden hunne armen strak vooruit getrokken en een derde houdt hunne voeten vast; de opzichter zelf dient hun de bastonnade toe. Op eene andere schildering terzelfder plaatse zien wij die wreede straf op oene vrouw toegepast, die echter eene zittende houding heeft.
Cliabas, Mél. égypt. geeft do vertaling van twee documenten uit de regeering van Ramses IT, welke duidelijk bewijzen, dat hij de Hebreërs bezigde om de stad van zijnen naam te bouwen. Deze documenten vermelden een vreemd ras, Aperi of Aberi genaamd. De naam van Israëlieten komt noch in Genesis, noch in Exodus voor, wij treffen hem het eerst aan Levit. XXIV, 10. De naam van Joden komt eerst voor na de scheuring van Roboam. Den naam echter van Hebreërs vinden wij reeds Gen. XIV, 13. Die documenten luiden:
«Ter voldoeuing van mijnen meester, heb ik gehoorzaamd aan het bevel, dat, mij mijn meester gegeven heeft., zeggende: Lever de voeding aan de soldaten, evenals aan de Aperin, die de steeneu vervoeren voor de groote Bekben van koning llamses Meriamen, vriend der gerechtigheid, (welke zijn) toevertrouwd aan Amenemam, hoofdman der Madjaïu.quot;
Dit document is van den schrijver Kauisar aan zijnen meester, den schrijver Bekenphtah. Heiden waren soterlni.
Het tweede is van den schrijver Keniamen aan zijnen meester den Kadjena Hui van het hof van Ramses II, en luidt aldus:
«.Ik heb gehoorzaamd aan het bevel, dat mijn meester mij gegeven heeft, zeggende: Geef het voedsel aan de soldaten, alsook aan de Aperiu, die de steenen vervoeren voor de zon vau de zon' (den tempel der zou van) Ramses Meriamen, ten zuiden van Memphis.quot;
De Egyptenaren konden hot woord Hebreërs niet zuiverder weergeven dan door Aperiu.
11
1Ã2
Exod. 1, 11, worden de steden Pitliom en Ramses genoemd are miskenot, hetgeen de Vulgaat weergeeft door urbes taberna-culorum, en Alioli geeft iu eene noot: do steden, waarin zich do koninklijke voorraadshuizen bevonden. Do ontdekkingen van Xa-ville hebben dit laatste bewezen. Magazijnen of arsenalen hoc ten in Egyptisch (n\ meerv. aru. De Grieken heetten de stad Pithom Heron, afgeleid dus van liet egypt. am. Later voegden zij het Grieksche woord poli* erachter, dus Iteroopolis, d. i. stad der magazijnen of der voorraadshuizen, ileroopolis, het oude Pithom, door Xaville ontdekt, eu van welke stad het zeker is, dat zij op bevel van llamsos II door de Mebreërs gebouwd is, was eene verbazende sterkte, niettegenstaande haren geringen omvang. De stad bevatte niets dan eenen tempel van Tum en de groote voorraadshuizen, en deze met den tempel besloegen slechts eene oppervlakte van vier hectaren, omgeven door eenen twee en twintig voet dikken muur in baksteenen. Alle gebouwen erin waren in baksteen met mortel opgetrokken en hadden onderling geene gemeenschap; zij dienden tot het bewaren der granen en wapenen, die benoodigd konden zijn iu eenen oorlog met Azië, omdat de Egyptenaren alsdan eerst verschillende dagreizen door de woestijn moesten afleggen; daarom ook lag Pithon, niet ver van de landsgrens, ter plaatse waar thans Tell-el-Maskhuta ligt.
Ook de stad Ramses was eene stad van voorraadshuizen. Ofschoon de ontdekkingen er wel toe geleid hebben, om uit te wijzen dat Pi-Ramessu of Pa-Ramessn, de stad Ramses is, ook op bevel van Ramses door de Hebreërs gebouwd, toch heeft men tot heden de ligging dier stad niet duidelijk kunnen aanwijzen. Wel is eene beschrijving van die stad ontdekt, aangehaald bij Maspero, Du genre epist. etc. 103â10G.
Om deze steden te bouwen, moest eerst een platte grond in gebakken briksteenen tot op zekere hoogte aangelegd worden wegens de overstroomingen van den Xij 1; dan werden daarop die geduchte wallen en versterkingen in briksteenen opgetrokken; daarom is het bijna niet mogelijk het aantal brikken zelfs bij benadering te berekenen, die voor dit kolossaal werk benoodigd waren.
I foe liet met liet vervaardigen van brikken in Egypte toeging, toonen ons duidelijk de seliilderingen op de monnmenton, die liet verhaal der Scliriftuur zoo zuiver wedergeven, als waren zij als illustratie ervan daargesteld. In eene begraafplaats van üimiali, nabij Tliebe, ziet men op bet graf van Rescliara, hofbediende van Thotnies 111. vreemdelingen in kleur en uiterlijk verschillend van de inboorlingen, en die als gevangenen van den koning, den tempel van zijnen vader Amnion moesten opbouwen. Eenigeu graven grond 0111 met de spade, anderen putten water of kneden het leem; deze weer vervoeren den onbewerkten leem, anderen vervaardigen de brikken in houten vormen; de een laadt brikken aan zijn sehouderjnk, de andere draagt ze ter plaatse, waar men bezig is den tempel te bouwen. De kleederen der werklieden zijn slecht en versleten. Egyptische opzichters met stokken gewapend, waken bij hen en dwingen hen meedoogenloos hunne harde taak te volbrengen. â⢠Deze afbeelding vindt men weergegeven in alle egyptologiën.
lu Exodus i lezen wij, dat de Egyptenaren de Hebreërs wreed verdrukten en hun het leven verbitterden door hen den zworen arbeid op te leggen van mortel en brikken te maken. Verder V, 'j 11) 13, 15 zien wij, dat de Hebreërs stroo gebruikten ter vervaardiging der brikkeu, en dat, toen de pliarao hen verplichtte om zelf het stroo te bezorgen dat hun tot hiertoe geleverd werd, liet volk zich over het geheele land Egypte verspreidde, om riet qa» te verzamelen in plaats van stroo teben.
Langen tijd werd het woord ([as vertaald door stroo, evenals teben. Dit kwam doordat het door Mozes gebruikte woord qas geen Hebreenwsch, maar een Egyptisch woord is, hetgeen eerst in onzen tijd door de egyptologie opgehelderd is. Al/.oo moet de vertaling luiden, dat de Hebreërs overal riet gingen halen, dat in overvloed groeit op de oevers van den Xijl en langs de boorden der kanalen in Egypte.
De opdelvingen hebben brikken opgeleverd vervaardigd met stroo, anderen met riet, en nog anderen bestaande uit Xijlslib zonder bijmengsel. Lepsius heeft te Teil eWlaskhuta de zware briksteenen gemeten, en eenigen ervan naar het museum van Herlijn gezonden. Zij meten 44 centimeter lengte, 24 breedte en 12 dikte.
1 (gt;4
Niettegenstaande allo verdrukking, vermeerderden de Hebreërs onder Gods bescherming. Do beide vroedvrouwen Schiphra en Pu'ah, welker namen op do hieroglyplien luiden Schepman en Pué, vreesden God en volbracliten niet den goddeloozen last van pharao; daarom beloonde hen God, en maakte hun huizen; deze Egyptische uitdrukking beteekent: zij werden in eenen hoogeren stand tot
huisvrouwen verheven.
De pharao dreef eindelijk zijne woede tot het uiterste, en gebood alle mannelijke jonggeborenen der afstammelingen van Jacob in den Nijl te verdrinken.
Ook dit onmenschelijk bevel kan niet lang uitgevoerd zijn, omdat de Hebreërs zoodanig aangroeiden, dat Mozes na tachtig jaren zes honderd duizend strijdbare mannen uit Egypte voerde.
HOOFDSTUK Hf.
GEBOORTE EN OPVOEDING VAN MOZES.
Exodus H, 1; VI, 20. Amram, een man uit den stam van Levi, was gehuwd met zijne tante Joehabed, eene vrouw uit denzelfden stam. Deze bracht een buitengewoon schoonen zoon ter wereld, en het gelukte haar hem gedurende drie maanden te verbergen. Daar echter do Madjaïu onophoudelijk strenge navorschingen deden, kon de ongelukkige moeder haar kind niet langer in stilte bewaren; zij nam een tehat (jom(-\ klein kistje van papyrus, legde haar kind daarin, en zette dit op het water van den Xijl, langs eenen kant, waar zij wist, dat de dochter van Pharao dagelijks kwam baden.
Nergens anders dan in Egypte bediende men zich van schuiten van papyrus; hiervan ook maakte men matten, korven, manden, sandalen, enz.
Op de tentoonstelling te Parijs in 18(57 bevond zich in het Egyptisch Museum een lepel, waarvan Lenormant, 1 Egypte, .5(5, zegt: âDeze keurige houten lepel, die eene nubische maagd voor-stolt zwemmende, en op het water een ovaal bekken voor zich uit duwende, is uit den tijd van Mozes.quot;
1(55
' Wij hebben vroeger reeds opgemerkt uit Wilkinson II, 389, dat
de Egyptische vrouwen eene vrijheid van handelen genoten, die overigens in het Oosten niet meer gevonden wordt. Tot deze vrijheid behoorde ook het baden in den stroom.
De dochter van Pharao kwam zich baden. ^ olgens eene overlevering bij Josephus, Antiq. II, 95 heette zij Thermuthis. He Egyptische monumenten vermelden eene vrouw van Kamses, genaamd T-mer-en-mut. Tmermuth. Daar het in Egypte meermalen gebeurde, dat eeu vorst met zijne zuster huwde, als zijnde dit de gelukkigste vereeniging ter onvermengde bewaring van hun goddelijk bloed in de koninklijke familie, zoo zou het niet te verwonderen zijn, dat de genoemde Thenmithis, de vrouw en zuster was van Ramses II en dus de dochter van pharao Seti I.
Ebers, Durch Gosen /.uiii Siuaï, Ml ; âToen de pharao het on-menschelijk bevel van den kindermoord gaf, moest hij onder den rechtstreekschen indruk als ooggetuige in het land (lessen zijn. Toon het kind op den Xijl werd gezet, verbleef hij in zijne residentie Tanis, en was volgens Egyptisch gebruik, van zijne familie w» vergezeld. De prinses met haar gevolg gaat zich baden in den tanitischen arm van den Xijl, alwaar de strooming langzaam is en gemakkelijk een waakzaam oog kan gehouden worden, zonder gevaar dat het kleine schuitje uit het riet wegdreef. Ten tijde dat de papyrusplant, die men thans alleen aan den Witten Xijl aantreft, langs alle waters en kanalen van de Delta groeide, moest zij ook krachtiger en dichter op elkander staan dan heden, en aldus eene passende plaats voor een koninklijk bad opleveren, waarover zij een dichte schaduw wierp. De zuster van het kind moest met deze plaats bekend zijn.
âMen mag niet uit het oog verliezen, dat zoowel Kamses als
^ Seti slechts tijdelijk to Tanis verbleef. I it een gevonden opschrift
blijkt dat de pharao tachtig jaren vóór den uittocht, waarvan de
tijd met juistheid is aangegeven, zich in de stad Ramses bevond,
dus in het land Gessen. Verder kan men met zekerheid aannemen,
.
dat bij de geboorte van Mozes, Seti 1 en Ramses II tesamen regeerden. Wanneer men ons dus spreekt van eene dochter van Pharao, die Mozes redde, dan kan deze niet anders zijn dan eene dochter van Seti en zuster van Ramses....quot;
16(5
^fozes werd door toedoen zijner liooge besch erin vrouw in all(i Egypiiselie wetenscliappen opgevoed, Act. A ll, 22.
Do meeste egyptologen zijn de ineening toegedaan, dat de naam Moseh dezelfde is als het Egyptisch woord uieg, menu, d. i. kind.
Niettegenstaande zijne Egyptische opvoeding, behield Mozes de voorliefde voor zijn volk. Op veertigjarigen leeftijd gaf hij hiervan het bewijs door oenen Egyptenaar te verslaan, die oenen ITobreër mishandelde. I ir vrees voor Ramses zag zich .Mnzes genoodzaakt de vlucht te nemen naar de woestijn van Madian, alwaar hij veertig jaren verbleef.
Jethro in Madian, naar wien Mozes vluchtte, schijnt een priester van den waren (fod te zijn geweest. Dit is trouwens licht te verklaren door zijne afstamming van Madian, die een zoon was uit het huwelijk van Abraham mot diens tweede nevenvrouw Cethura.
HOOEDSTUK 1Y.
DE PLAGEN VAN EGYPTE.
.Mozes keerde terug naar Egypte na den dood van Ramses II, die ongeveer zes en zestig jaren geregeerd had. Deze heeft ons op de muren van den tempel van Sebua eene lange lijst nagelaten met de namen van zijne honderd en elf kinderen. De twaalf oudsten waren overleden, en zijn dertiende zoon volgde hem op; deze heette 1'aïenra-Mcrianion-.Meneplitab-11 otep-l Lima. Deze was reeds bejaard, ongeveer zestig, toen hij aan de regeering kwam. De veelvuldige papyrus van onder de regeering van Meneplitah, die het British Museum, dat van Hologna en van Turijn bezitten, toonen ons, dat deze vorst meerendeels zijn verblijf hield in Xedor-Egypte, nl. te Memphis, te Heliopolis, te Ramses, te Tanis, waar zich nog heden vele monumenten met zijnen naam bevinden.
Zooals wij in lloofdst. Jl gezien hebben, hadden de Jletluten en
107
Lybisclie stammen do oostclijlvo grenzen van Egypte aangevallen onder Soti I; maar dezo werden krachtig teruggeslagen in don veldslag, waarbij Ramses 11 tegenwoordig was. Deze volken bleven bedaard uit vrees voor Ramses, maar achtten na dezes dood het tijdstip gekomen om wraak te nemen. Zij sloten een verbond met de bewoners der eilanden van de Middellandsche Zee, met de Achaiers, Mysiers, Lyciers, en eenige Syriers en vielen Egypte te land en ter zee aan. Dit bericht bracht in Egypte eeno verbijsterende uitwerking voort; edoch, de vijand werd verslagen en liet !Ki7G gevangenen, zorgvuldig opgenovmd in een opschrift van Medinet-Abu, in handen van den Egyptischen overwinnaar. Chabas, Rech. etc. 91â!)4; Dümichen, llist. Insch. Taf. I NI; De Rougé, Rev. arch. lSt)7, YJIJ, il(i etc.
Deze oorlog was van korten duur, en al verzwakte daardoor eenigermate de verdrukking der Ilebreërs, deze hield daarom niet op. Dit voorval echter deed den pharao besluiten om zooveel mogelijk zijn verblijf te Tanis te houden, om aldaar met meer gemak den vijand in het oog te houden, en zijne legerscharen langs de oostzijde gereed te hebben bij den weg, die uit Tanis derwaarts voerde. De pharao bevond zich alzoo te Tanis, toen Mozes naar Egypte wederkeerde.
Voorheen hadden reeds de vorsten der XII Ide dynastie Tanis bij voorkeur verfraaid, maar na de verdrijving der Ilyksos, had men deze hunne residentie van lieverlede laten vervallen, ja zelfs de muren en wallen ervan afgebroken, totdat de pharaos der XIXde dynastie haar weer tot een der schoonste steden verhieven.
Tanis lag op den rechteroever van den tanitischen arm van den Xijl, en was met den overkant door eene brug verbonden. Tanis bleef nog langen tijd in roem en voorspoed, want Strabo noemt haar nog XVII, 20: Tanis de groote; en Steplianus van Byzantie: Tanis de groote stad. Haar Xjjlarm was oudtijds zoo breed, dat de galeien der Middellandsche Zee hem konden opvaren, om in hare haven het anker te werpen. Thans is deze ingekrompen tot een kanaal, nl. het nog bevaarbaar kanaal van Muiz, uitkomende op het vischrijk meer van Mcnzaleh. Brugsch, La sortie etc. 20. De thans nog bestaande ontzaglijke ruïnen van Tanis leveren ons
168
liet bewijs van hare vroegere grootlieid. Mariette, Mei. d'arcli. Egypt, et Assyr. 1, 91â98, en velo reizigers na hem, hebben bevonden dat de visschers en bewoners der omstreken van Menzaleh nog zuiver den Semitisclien stam verraden, en in bun uiterlijk geheel verschillen van de cop ten en do fellahs van de andere streken van Egypte. Deze zijn nog afstammelingen der Scmiten, die zich onder de Ilyksos in Egypte hadden nedergelaten; zij worden genoemd Khalu.
Toen Mozes in Egypte kwam zag hij de verdrukking zijner stam-genooten; deze toestand deed hen een gewillig oor aan de voorstellen van Mozes leenen. Toen hij zich dan van de bereidwilligheid van zijn volk overtuigd had, begaf hij zich naar den pharao te Tanis, dien hij in zijne jeugd zeker aan het hof moest gekend hebben, daar hij slechts een tien tot twintigtal jaren jonger was dan Mozes, die tot veertigjarigen leeftijd aan het hof was geweest. Hierom zal hij dan ook wel gereedelijk toegang tot Meneplita 1 gehad hebben. Deze trotsche stijfhoofdige vorst erkende geen anderen wil dan den zijnen. Daarom lette hij dan ook geenszins op hot wonder van Aaron, die den staf van Mozes in een serpent veranderde; integendeel hij ontbood de harhtiiiim Jannes en .Jaiubro8, de hoogepi'iesters van Kamses-ïanis, die door toovenj dit wonder nabootsten.
Dit laatste legt men gewoonlijk uit door de in Egypte uit overoude tijden bekende kunst van slangen te betooveren en te bezweren. De oude schrijvers verhalen do wondervolste zaken over de Psyllen en hunne macht over de slangen; o. a. Silius Italicus 3, ÃU'i; Strabo 692; i'linius, llist, nat. YII, 2, VIII, 38; Aristoteles,Mirab. 151; Virgilius, Aen. Vil, 753 enz. Xiet minder opmerkenswaardig zijn de feiten, die daarvan door ooggetuigen van onzen tijd zijn opgeteekend.
H. von Schubert, lleize in das Morgenland, II,, 11 ö â116; âHier te Caïro, op de plaats Rumeylek (plaats der kunstenaars) heb ik kennis gemaakt met een dezer psyllen of slangenbezweerders, die deze kunst sedert de oudste tijden in Egypte uitvoeren. Deze psylle is een der Sadiyehsche derwisehen, welke men gewoonlijk in de huizen ontbiedt, zoodra men vermeent, dat eene vergiftige slang zich daarin verborgen heeft. Het gelukt hem werkelijk de serpenten
](j9
uit hunnen schuilhoek te voorschijn te doen komen. Zelfs wanneer deze zich boven tussehon het plafond of in de muren verborgen hebben, dan vallen zij plotselijk op den grond. De zoogenaamde toovenaar, waarin ook zijne kunst moge bestaan, grijpt de slang zoo behendig vast, dat zij hem nooit wondt, ofschoon zij in het volle bezit is van het vergift harer tanden, waarvan wij ons overtuigd hebben. Die derwisch komt bijna dagelijks bij ons aan huis, en heeft dan vergiftige slangen, scorpioenen en dergelijke dingen bij zich.quot;
Bruce, Travels to discover etc. V, 208: âTe Cairo zag ik, wat overigens elkeen kosteloos en onbevreesd kan zien, een man die met zijne hand eene hoornslang opnam uit verschillende anderen, die iu eeneu grafput lagen; hij legde haar op zijn bloot hoofden zette dan zijn fez op; daarop nam hij haar van zijn hoofd weg en zette ze aan zijne bloote borst, vervolgens slingerde hij haar om zijnen hals. Daarna liet hij eene kip door haar bijten, en deze stierf binnen enkele minuten. Om eindelijk zijne voorstelling te voleinden, nam de man haar bij den hals, en met den staart beginnende, at hij haar op als was zij een raapâ De negers uit het rijk Sennaar nemen altijd de hoornslangen met hunne bloote handen op, zetten ze aan hunne borst, en werpen ze zich de een den anderen toe gelijk kinderen dit plegen te doen met vruchten of ballen.quot;
Elke der tien plagen van Egypte was een werkelijk wonder. De meesten dier plagen waren uit hunnen aard natuurlijk, maar wonderen bovennatuurlijk in de omstandigheden, waarvan zij vergezeld gingen.
Volgens den If. Thomas, in '2 lib. sent., dist. 18, 9, 1, a, 3, bestaan drie soorten van wonderen of mirakelen; a) contra naturam, bv. het opwekken van eenen dooden; de natuur kan wel het leven geven, maar niet aan eenen dooden. hj supra in naturam, b.v. de verheerlijking van het menschelijk lichaam in den hemel, c)praefer naturam, bv. de plotselijke genezing van een teringziekte zonder geneesmiddel; de natuur kan wel genezing geven van de tering, maar niet plotseling.
Alzoo supra naturam gaat alle natuurkrachten te boven; contra naturam is tegen den natuurlijken loop der dingen is een feit dat volgens de natuurwetten kan plaats hebben, maar buiten deze om gebeurt.
170
De meeste der door Jlozes verwekte plagen behooren tot de derde soort. Glaire, Ijcs livres saints vengós IT, 15: âDeze plagen zijn buiten twijfel natuurlijke gecsels, en wat nog meer beteekent, zij zijn vooral de schrik van Egypte. Door de Egyptenaren te slaan met deze bekende en zoozeer gevreesde landsplagen, liaiidcldc Mozes veel krachtiger, dan indien hij een onbekend verschijnsel had te voorschijn geroepen, waarvan de Egyptenaren het gevaar
niet hadden kunnen voorzien noch berekenen____ Mozes schiep dus
hier niets nieuws; die landsplagen waren ten allen tijde in Egypte bekend; maar hij roept ze op als booze dingen, en zij gehoorzamen op zijne stem als aan die van God.quot; Ditzelfde gevoelen deelt Alioli, Xeu litt. comm. etc.
Let men echter op de omsfcandigiieden, die deze natuurlijke zaken vergezellen, dan verschijnt alles in een geheel ander daglicht. Janssens, Herin. Sacra I, par. 2.S: âHoe toch kan men langs natuurlijken weg verklaren, dat zoo veelvuldige en verschrikkelijke geesels, die onderling geen verband hebben, in eene tijdruimte van vijf tot zes weken over een land neerkomen, en dat alleen de Israëlieten in het land Gessen daarvan bevrijd blijven?quot;
De betrekking echter in welke deze plagen tot den physischeu toestand van Egypte staan, is een nieuw bewijs voor de authenticiteit der boeken van Mozes.
Eerste Pi.aag. Het water verandert in bloed (De Roode Nijl).
Osburn, The monum, Hist, of Egypt. I, 10 12: Des morgens aan boord van het schip op den Nij I ontwakende, zag ik eenen donkerrooden weerschijn der zon in het water, en weldra bood de Xijl een gezicht aan als van louter bloed... Het water was ondoorschijnend, donkerrood, en ik kan het bij niets beter vergelijken dan bij bloed... De Arabieren verklaarden mij, dat dit de Roode Njjl was... Ik vulde een glas met dit water en liet dit een kwartier rustig staan; het bovenste gedeelte van het vocht bleef volmaakt ondoorschijnend en bloedkleurig, terwijl een vierde deel van het glas gevuld was met een mengsel van zwart slijk. Een groot gedeelte van dit slib is reeds gezonken, voordat het wassend water Midden- en Xeder-Egypte bereikt heeft, want daar heb ik het water van den gt;iijl nooit aldus gezien.
De Nijlstroom wast regelmatig elk jaar van af 15 Juni tot 15
October; lijj begint buiten de oevers te treden tnsschen 15 en 20 .lull, en in October bereikt bi) den hoogsfcen stand. Volgens Linant-15oy, lettre a Helgrand, ilie een diepzinnig onderzoek omtrent den N ijl lioeft ingesteld, komt het verkleuren van bet water aldaar voort uit eenen nevenstroom, die zicb in den Xjjl ontlast. ^De stormen, die do regens over Abyssinië brengen, komen allen van de Indische zee; do stortregens ontlasten zich eerst op de bergen, dan in Sen-naar, verder te Khartum en komen eindelijk te Atbara bij Berber. Eerst zwelt de Blauwe Xj'l, dan de Khabad en de Dender en eindelijk de Atbara. A óór den regen is de Blauwe Njjl zuiver en klaar, maar een zijner bijstroomen, die zich te Fazoglo boven Sen-naar, in hem onrlast, brengt het roodkleurig water aan, dat zich met den Njjl vermengt.quot;
Heden komt die bloedkleur niet meer te Tanis voor, zegt Osburn, maar dit kan wel zijn grond hebben in de ophooging van de Uelta.
Alvorens verder te gaan, moeten wij nog het volgende opmerken: In de eerste dagen van het wassen van den Nijl, wordt het water groen en slijkerig, ten gevolge der meegevoerde plantendeelen uit Sudan; dit heet de groene Njjl; de stank, dien het water dan verspreidt, is afschuwelijk en geen filtreeron baat. Deze toestand duurt gelukkiger wijze slechts drie of vier dagen, want hij is uiterst ongezond voor menscli en dier, en de visschen komen om. Na een wassen van tien tot twaalf dagen treedt de Roode Nijl in. Zooals gezegd is, levert dit water in een glas gegoten liet volgende: een vierde van het glas is met zwart slib gevuld, in liet midden is beider water, en bovenop drijft de ondoorzichtbare bloedroode massa. Dit kleuren doet het water aan deugdzaamheid niets verliezen.
Glaire, Livres etc. 11, 9 â 10 kan er zich mede vereenigen, dat men in deze plaag een natuurlijk verschijnsel ziet.
liet wonder dezer plaag bestond in zijne bijkomende oinstandig-lieden. Vooreerst had de Roode .Vijl, die onschadelijk is, den schadelijken invloed van den Groenen Njjl; vervolgens riep Mozes dit feit te voorschijn tegen liet midden van Februari, in plaats van op het einde van Juni. Kurtz, Gesch. d. alt. Bundes 1 f, 100. Tegen de berekening van Kurtz valt niets in te brengen, wanneer wij in Exod. XII, 18 zien, dat de tiende plaag den veertienden nisan, dus aanvangs April voorviel. De zevende plaag ontstond, toen de
170
Do meeste der door Mozes verwekte plagen behooren tot de derde soort. Glaire, Les livres saints vengés II, 15: âDeze jilagen zijn buiten twijfel natnnrlijke gecsols, en wat nog moer beteekent, zij zijn vooral de schrik van Egypte. Door de Egyptenaren te slaan met deze bekende en zoozeer gevreesde landsplagen, handelde 3Iozes veel krachtiger, dan indien hij een onbekend verschijnsel had te voorschijn geroepen, waarvan de Egyptenaren liet gevaar
niet hadden kunnen voorzien noch berekenen____ Mozes schiep dus
hier niets nieuws; die landsplagen waren ten allen tijde in Egypte bekend; maar hij roept ze op als booze dingen, en zij gehoorzamen op zijne stem als aan die van God.quot; Ditzelfde gevoelen deelt Alioli, Neu litt. comm. etc.
Let men echter op de omstandigheden, die deze natuurlijke zaken vergezellen, dan verschijnt alles in een geheel ander daglicht. Janssens, Hom. Sacra I, par. 28: âHoe toch kan men langs natuurlijken weg verklaren, dat zoo veelvuldige en verschrikkelijke geesels, die onderling geen verband hebben, in eene tijdruimte van vijf tot zes weken over een land neerkomen, en dat alleen de Israëlieten in het land Gessen daarvan bevrijd blijven?quot;
De betrekking echter in welke deze plagen tot den physischen toestand van Egypte staan, is een nieuw bewijs voor de authenticiteit der boeken van Mozes.
Eerste Plaag. Het water verandert in bloed (De Roode Njjl).
Osburn, The monum, Hist, of Egypt. I, 10--12: â... Des morgens aan boord van liet schip op den Xjjl ontwakende, zag ik eenen donkerrooden weerschijn der zon iu liet water, en weldra bood de .Xjjl een gezicht aan als van louter bloed... Het water was ondoorschijnend, donkerrood, en ik kan het bij niets beter vergelijken dan bij bloed... De Arabieren verklaarden mij, dat dit de Roode Xij 1 was... Jk vulde een glas met dit water en liet dit een kwartier rustig staan; het bovenste gedeelte van het vocht bleef volmaakt ondoorschijnend en bloedkleurig, terwijl een vierde deel van hot glas gevuld was met een mengsel van zwart slijk. Een groot gedeelte van dit slib is reeds gezonken, voordat het wassend water Midden- en Xeder-Egypte bereikt heeft, want daar hei) ik het water van den X'ijl nooit aldus gezien.
De Njjlstroom wast regelmatig elk jaar van af 15 Juni tot 15
171
October; hij begint buiten de oevers te treden tusschen 15 en 20 Juli, en in October bereikt hi) den lioogsten stand. Volgens Liuant-Bey, lottre a Bolgrand, die eon diepzinnig onderzoek omtrent den ^ijl heeft ingesteld, komt het verkleuren van het water aldaar voort uit eenen nevenstroom, dio zich in den Nijl ontlast. âDe stormen, die de regens over Abyssinië brengen, komen allen van de Indische zet;; de stortregens ontlasten zich eerst op de bergen, dan in Sen-naar, verder te Khartum on komen eindelijk te Atbara bij Berber. Eerst zwelt de Blauwe Nijl, dan de Khabad en de Dender en eindelijk de Atbara. A óór don regen is de Blauwe Nijl zuiver en klaar, maar een zijner hijstroomen, die zich te Fazoglo boven Sen-naar, in hem ourlast, brengt liet roodkleurig water aan, dat zich met den Nijl vermengt.quot;
Heden komt die bloedkleur niet meer te Tanis voor, zegt Osburn, maar dit kan wel zijn grond hebben in de ophooging van de Delta.
Alvorens verder te gaan, moeten wij nog het volgende opmerken: In de eerste dagen van het wassen van den Nijl, wordt het water groen en sljjkerig, ton gevolge der meegevoerde plantendeelen uit Sudan; dit heet de groene Nijl; de stank, dien het water dan verspreidt, is afschuweljjk en goen filtreeron baat. Deze toestand duurt gelukkiger wijze sloclits drie of vier dagen, want hjj is uiterst ongezond voor mensch en dier, en do visschen komen om. Na een wassen van tien tot twaalf dagen treedt do Roode Nijl in. Zooals gezegd is, levert dit water in een glas gegoten hot volgende: een vierde van hot glas is met zwart slib gevuld, in het midden is helder water, en bovenop drjjft de ondoorzichtbare bloedroode massa. Dit kleuren doet het water aan deugdzaamheid niets verliezen.
Glaire, Livres etc. II, 0â10 kan er zich mode vereenigen, dat men in deze plaag een natuurlijk verschijnsel ziet.
liet wonder dezer plaag bestond ia zijne bijkomende omstandigheden. \ ooreerst had de Roode Xjjl, die onschadelijk is, den schadelijken invloed van den Groenen Nijl; vervolgens riep Mozes dit feit te voorschijn tegen het midden van Februari, in plaats van op het einde van Juni. Kurtz, Gesch. d. alt. Bundes If, 100. Tegen de berekening van Kurtz valt niets in te brengen, wanneer wij in Exod. XII, 18 zien, dat de tiende plaag den veertienden nisan, dus aauvangs April voorviel. De zevende plaag ontstond, toen de
172
gerst aren had geschoten en hot vlas bladeren droeg, Exod. IX, ül, alzoo in Maart; nlzoo vielen de vier laatste plagen in éón maand tijds voor, voor elk eene week tiissclicnruimte. Do tweede plang, Exod. VI F, 25 ontstond zeven dagen na de eerste. Uit dit alles kan man afleiden, dat tusschen elko plaag, van de eerste tot de tiende, cone week tusschenmimte was.
Tweede Plaag. Exod. VI11, KI). Plaag der kikvorschen.
Alioli, Uibel J, 20!). âWanneer de Xijl iioog is, maar nog meer wanneer de wateren zich binnen zijne oevers hebben teruggetrokkoii, ontwaart men vele kikvorschen in do poelen en moerassen, en weldra groeien zij tot eene overgroote menigte aan. jVIaar deze plaag ontstond op het einde van Februari, dus voor dat do Xijl begint te wassen, (terwijl bij de eerste plaag geen spraak is van het wassen van den Nijl of het buiten zijne oevers treden); daarenboven heeft zij dit buitengewoon en wondervolle, dat deze dieren togen hot natuurlijk instinct der scfurdca (arab. tsofd'a, lat. buvo mosaicus) zich niet tot don waterkant beperkten, maar overal op het land doordrongen tot in do huizen, in do bedden, in de potten, in do kruiken; vervolgens waren zij plotseling verschenen en weer even plotseling verdwenen lt;gt;p den tijd dat Pharao dit aan Mozos had gevraagd.quot;
Derde Plaag. Exod. VIII, 17. (Plaag der moskieten).
De kinnim, moskieten, zijn ook oen bekende geesel van Egypte. Hun steken is vooral te vreezon bij zuivere, t'risscho luchtsgesteld-lieid; zij vervolgen den mensch bij dag en bij nacht, en de puisten daardoor ontstaan, verwekken dikwijls de koorts. De muskietenscher-men zijn dan ook in Egypte uit de oudste tydenb'.'kfnd. De kinuliii houden zich in overvloed op langs den zeekant; Pococke zegt dat zij te Cairo zich tot zulke dichte drommen bijeen ophouden, dat zij als eene wolk de zou verduisteren. Het wondervolle van dit feit was, dat alle stof in muskieten veranderde, en deze over het go-heele land in even dichte zwermen aanwezig waren.
Vierde Plaag. Exod. VLII, 21. (Plaag der vliegen).
De beteekenis van het hebr. woord ttrób is eigenlijk mengsel, en zou dus hier kunnen zijn âvliegen van allerlei aard.quot; Wanneer de vliegen in Egypte zich meer dan gewoonlijk vermenigvuldigen, dan maken zjj daar het leven werkelijk oadr.igoljjk, vooral daar zij hot bij voorkeur op do oogen en ooghoeken gemunt hebben;
17:!
daar nu de oogziekten in Egypte zooveel slachtoffers tellen, kan men zich gemakkelijk voorstellen, wat het moet zijn, wanneer deze doelen nog door die lastige dieren aangevallen worden. Alicli 294: âDe vliegen vermenigvuldigen zicli sterk in de heete landen, vooral op vochtige, moerassige plaatsen, temeer wanneer zich aldaar bedervende bestanddeelen bevinden. Gedurende en na het verloop van den Xijl, komen zij in Egypte overvloedig voor, en bniten twijfel brachten bij deze gelegenheid de hoopen doode kikvorschen hot hunne ter vermeerdering bij. En toch ontstonden zij toen niet langs natuurlijken weg, en zeker was liet niet de tijd waarop zij zich zoozeer vermenigvuldigen.quot;
Nog komen in Egypte schrikwekkende andere vliegen voor, nl. de dthehaJj, de zimb. Bruce, Trav. V, 190. Grijs van kleur en langwerpig, kan hun steek zelfs oenen kameel dooden, wanneer men niet zorgt voor de wonden welke zij doen ontstaan.
De uitwerking dezer plaag had op pharao zooveel invloed, dat hij reeds tot toegeven begon over te hellen.
Vijfde Plaag. Exod. JX. 8. (Dood der dieren, die zich op het veld bevonden.)
Alioli, 293. âTen allen tijde en op alle plaatsen kunnen veeziekte, pest en andere besmettelijke kranklieden voorkomen... Maar vooral het Oosten en wel in het bijzonder Egypte is hieraan meer blootgesteld dan de noordelijke landen. De miasmen die in Egypte uit het nagelaten Xjjlslib opstijgen, het doodgaan der zwermen van insecten, het voor de dieren schadelijk eten van rauwe vruchten, het gebrek aan reinheid, deze en meer andere oorzaken verwekken aldaar besmettelijke ziekten; maar de geheele toedracht der zaak bij Mozes toont ons het bovennatuurlijke.quot;
Zesde Plaag. Exod. IX, 10. Dr. Lambert, Hygiene d l'Egypto, 27â28, wil het doen voorkomen, alsof de van den Xijl achtergebleven stilstaande waterplassen geene besmettelijke ziekten in Egypte konden doen ontstaan, omdat de door geen bergen onderbroken windstroomen alle smetstoffen medenemen, en andererzijds, omdat de drooge grenzen van Afrika ten westen, en Arabië ten oosten alle uitwasemingen van Egypte opslurpen.
Men kan moeielijk bepalen welke de ziekte der zesde plaag was, maar algemeen houdt men haar voor een soort van pest. Meer dan eens ontstaat na het terugtrekken van den Nijl eene pest,
172
gorst aren had geschoten en het vlas bladeren droeg, Exod. IX, 31, alzoo in Maart; alzoo vielen do vier laatste plagen in één maand tjjds voor, voor elk eene week tassch.onruimte. Do tweede plaag, Exod. VIf, 25 ontstond zeven dagen na de eerste. Uit dit alles kan men afleiden, dat tusschen elke plaag, van de eerste tot de tiende, eene week tussehenruimte was.
Tweede Plaag. Exod. VIII, 10). Plaag dor kikvorsehen.
Alioli, Uibel I, 200. âWanneer de Xijl hoog is, maar nog meer wanneer de wateren zich binnen zijne oevers hebben teruggetrokken, ontwaart men vele kikvorschen in de poelen en moerassen, en weldra groeien zij tot eene overgroote menigte aan. Maar deze plaag ontstond op hot einde van Februari, dus voor dat de Xijl begint te wassen, (terwijl bij de eerste plaag geen spraak is van het wassen van den Xijl of het buiten zijne oevers treden); daarenboven heeft zij dit buitengewoon en wondervolle, dat deze dieren tegen het natuurlijk instinct der sefurdea (arab. tsofd'a, lat. buvo mosaicus) zich niet tot den waterkant beperkten, maar overal op hot land doordrongen tot in de huizen, in de bedden, in de potten, in de kruiken; vervolgens waren zij plotseling verschenen en weer even plotseling verdwenen op den tijd dat Pharao dit aan Mozcs had gevraagd.quot;
Derde Plaag. Exod. VIII, 17. {Plaag der moskieten).
De kinnim, moskieten, zijn ook een bekende geesel van Egypte. Hun steken is vooral te vreezen bij zuivere, frissche luchtsgesteld-lieid; zij vervolgen den mensch bij dag en bij nacht, en de puisten daardoor ontstaan, verwekken dikwijls de koorts. De muskietenschor-men zijn dan ook in Egypte uit de oudste tijden bekend. De houden zich in overvloed op langs don zeekant; l'ocoeke zegt dat zij te Cairo zich tot zulke dichte drommen bijeen ophouden, dat zjj als eene wolk de zon verduisteren. Het wondervolle van dit feit was, dat alle stof in muskieten veranderde, en deze over het ge-heele land in even dichte zwermen aanwezig waren.
Vierde Plaag. Exod. VIII, 21. (Plaag der vliegen).
De beteekenis van het hebr. woord drub is eigenlijk mengsel, en zou dus hier kunnen zjjn âvliegen van allerlei aard.quot; A\ anneer de vliegen in Egypte zich meer dan gewoonlijk vermenigvuldigen, dan maken zjj daar het leven werkelijk ondr.igelijk, vooral daar zij het bij voorkeur op de oogen en ooghoeken gemunt hebben;
17;i
daar nu de oogziekten in Egypte zooveel slachtoffers teilen, kan men zich gemakkelijk voorstellen, wat hot moet zijn, wanneer deze deelen nog door die lastige dieren aangevallen worden. Alioli 294; âDe vliegen vermenigvuldigen zich sterk in de heete landen, vooral op vochtige, moerassige plaatsen, temeer wanneer zich aldaar bedervende bestanddeelen bevinden. Gedurende en na het verloop van den Xijl, komen zjj in Egypte overvloedig voor, en buiten twijfel brachten bij deze gelegenheid do hoopen doode kikvorsehen het hunne ter vermeerdering hij. Eu toch ontstonden zij toen niet langs natuurljjkcn weg, en zeker was liet niet de tijd waarop zij zich zoozeer vermenigvuldigen.quot;
Nog komen in Egypte schrikwekkende andere vliegen voor, nl. de dthehaJ), de zimb. 15riice, Trav. V, 190. Grijs van kleur en langwerpig, kan hun steek zelfs eenen kameel dooden, wanneer men niet zorgt voor de wonden welke zij doen ontstaan.
De uitwerking dezer plaag had op pharao zooveel invloed, dat hij reeds tot toegeven begon over te hellen.
Yijkde Plaag. Exod. IX. ;J. (Dood der diereu, die zich op het veld bevonden.)
Alioli, 293. âTen allen tijde en op alle plaatsen kunnen veeziekte, pest en andere besmettelijke krankheden voorkomen... Maar vooral liet Oosten eu wel in het bijzonder Egypte is hieraan meer blootgesteld dan de noordelijke landen. De miasmen die in Egypte uit hot nagelaten Xijlslib opstijgen, het doodgaan der zwermen van insecten, het voor do dieren schadelijk eten van rauwe vruchten, liet gebrek aan reinheid, deze en meer andere oorzaken verwekken aldaar besmettelijke ziekten; maar de geheelo toedracht der zaak bij Mozes toont ons het bovennatuurlijke.quot;
Zesde Pi.aao. Exod. IX. 10. Dr. Lambert, Hygiene d l'Egypte, 27â28, wil het doen voorkomen, alsof de van den Xijl achtergebleven stilstaande waterplassen geene besmettelijke ziekten in Egypte konden doen ontstaan, omdat de door geen bergen onderbroken windstroomen alle smetstoifen medenemen, en andererzijds, omdat de drooge grenzen van Afrika ten westen, en Arabië ten oosten alle uitwasemingen van Egypte opslurpen.
Men kan moeieljjk bepalen welke de ziekte der zesde plaag was. maar algemeen houdt men haar voor een soort van pest. Meer dan eens ontstaat na hot terugtrekken van den Xijl eene post.
174
â
r
welke oudtijds de âjaarljjksche genoemd werd, en op de ge-denkteekenen gegrift staat. Chabas, Hél. Egypt, f, 3!J.
Zevende I'i.aag.. Exod. IX, IS. (Onweder met zwaren hagelslag).
Voorlieen was in Egypte regen eene zeldzaamheid; maar sedert de doorgraving van het kaneel van Suez en het aanleggen van nog andere waterwerken regent het er dikwijler. Dr. Primer, Krank-heiten des Orients, 36: âGedurende de twaalf jaren, die ik in Egygte heb doorgebracht, heb ik slechts eenen enkelen keer vernomen, dat iemand door den bliksem gedood is. in al dien tijd heb ik in den zomer driemaal hagelslag, en nog niet in hevige mate, waargenomen.quot; Daar liet aan iedereen bekend is, iioe groot eene verwoesting een hagelslag in den zomer kan aanrichten, behoeven wjj hier niets anders bij te voegen dan de opmerking, dat toch niet alles vernield was; want wat nog overbleef, viel onder de volgende plaag. Zooals wij boven aangegeven hebben, had de zevende plaag in Maart plaats.
Achtste Plaag. Exod. X, 4. (Sprinkhanen.)
Alioli I, 290: âIn Egypte, in Palestina en over het algemeen in de omliggende streken zjjn de sprinkhanen voor den oogst oe i der verschrikkelijkste geesels.quot; Geheel Afrika van af de Kaap de * Goede Hoop, geheel het land van af China tot de Groene Kaap (W.-Afr.), en vooraf van af Arabic tot Indië, van den Nij 1 en de Roode Zee tot Griekenland en Klein Azië, geheel dit land is blootgesteld aan de verschrikking en verwoesting der sprinkhanen; ge-heele legioenen dezer insecten zijn zelfs over de Zwarte Zee getrokken tot in Polen (in 16S0), en over de Middellandsche Zee tot in de vlakten van Lombardije; hun ware vaderland evenwel is het Zuiden der Oude Wereld, vooral de Arabische woestijn en Syrië.
ïegen de maand October leggen de wijfjes hunne eieren in den droogen grond, beschut tegen den wind; in Maart of April komen de jongen te voorschijn, uitgebroeid door de zonnehitte. Die jongen ^ zijn kleiner dan onze vlieg, hunne vleugels liggen opgerold op den rug, en hunne lange boenen zijn in eene hul besloten. In negen tot tien weken ondergaan zij vier transformaties, en zjjn dan volwassen. Hunne soort telt vele verscheidenheden. Die waarmede wij hier te maken hebben, is de locuda mic/ratoria, reizende sprinkhaan.
Wanneer de tijdsomstandigheden voor de ontwikkeling gunstig zijn, dan verschijnen zij in zoo groot aantal dat zij de zon ver-
duisteren als eene onweersbui. Ofschoon zij eene aanzienlijke vlucht hebben en groote afstanden kunnen afleggen, kunnen zij zich tocli niet naar eigen wil richten; als blinde indrnmenten der goddelijke. Voorzienigheid, zijn zij geheel en al overgeleverd aan den wind, wier adem hen voert naar het door God gewild doel. Waar zij onder het stillen van den wind nederdalen, doen zij in onbegrijpelijk korten tijd meer schade aan de gewassen dan een vijandelijk leger kan uitrichten, want aciirer hen blijft niets dan een wildernis. Geheele legers soldaten kimnen hunnen voortgang niet stuiten; men legt grachten aan, hunne voorhoede vult deze en de anderen trekken erover heen; men legt lange vuren aan, hunne voorhoede verstikt, maar hunne onophoudeljjke massa dooft het vuur, en de anderen zetten hunne verwoesting voort. âZij zijn in waarheid de geesel Gods.quot;
Sterven zij op eenige plaats, dan verpesten zij alles.
Op het gebed van Mozes deed God een hevige westewind opkomen, die de sprinkhanen, na hunne verschrikkelijke verwoesting, in de Roode Zee wierp.
Ofschoon Egypte dikwijls van do sprinkhanen te lijden heeft, is deze plaag aldaar toch niet zoo erg als in de landen aan de overzijde der lioode Zee en van het Suezkanaal.
Negende plaag. Exod. X. 21. (De duisternis).
De schrik en dood aanbrengende wind, die in Arabië, Syrië en N. \\. Indië waaien kan en Samum heet, heeft nog die onheilaanbrengende eigenschappen van den Simun (vergift) van het noorden van Afrika. Deze doet zich soms nog als een tegenslag gevoelen tot in het zuiden van Frankrijk, en in Italië heet deze de Sirocco, in Spanje de Solano. De Arabieren van Egypte noemen hem chainsin (vijftig), omdat hij gedurende vijftig dagen aanhoudt tusschen Maart en Mei, met tussciienruimte van telkens eenijje
' o
dagen. Zijn kracht is van dien aard, dat hij in de woestijn bergen zand opneemt en soms gansche karavanen er onder begraaft. Herodotus 1, 141 zegt, dat het leger door Chambyses tegen de Ammoniten gezonden, eronder verdween alsof het door de baren van den Oceaan was verslonden.
Xiet ten onrechte zijn vele Schriftuuruitleggers van meening, dat deze de negende plaag uitmaakte, maar gepaard aan bovennatuurlijke omstandigheden.
De chamsin is een zuid-westen wind die uit Lybië waait op die
176
dagen dat dc zon erg brandend is. Do eigenaardige hitte, waardoor hij zich aankondigt, is den inlander goed bekend on vervult hem met afgrijzen. De lucht is stil, maar aan den gezichteinder vertoont zich een kleine zwarte stip, die aanziender oogen toeneemt en weldra breekt hot tempeest los, dat in zijnen reusachtigen kringloop alles voor zich vernielt als een hoos. Zware roodgekleurde zandwolken vervullen de lucht en geven haar liet uitzicht van eenen onmete-lijken brand; en werkelijk zij verschroeien alles op hunnen doortocht, de hitte verdubbelt en de thermometer stijgt tot 40 a 50 gr. C. Zwaarder worden de duisternissen en dikke nevels beginnen alles te omringen; voeg daarbij een fijn stof dat tot in de best gesloten vertrekken doordringt, dat in neus en mond, oogen en ooren indringt, en alle organen brandend pijnlijk aandoet, bezwaard als het is met solferachtige bestanddeelen; in één woord, het verlamt den geheelen mensch, die zelfs niet ertegen bevrijd is in onderaardsche vertrekken. Geen sterveling waagt zich buiten in do doodende lucht van brandend zand; de omringende duistere lucht kan men inderdaad voelen. Pococke, A Description of the East, I, 19.3.
Deze tastbare duisternis heerschte gedurende drie dagen over geheel Egypte, uitgezonderd in het land Gessen.
Dat deze plaag zeer den gewonen chamsin overtrof, bewijst de meerdere toegevendheid van Pharao.
Tiende Plaag. Exod. XII, 23, 29, 30. (Dood der eerstgeborenen).
Deze geheel miraculeuze plaag had met de Egyptische geschiedenis, noch met zijnen toestand iets te maken. Chabas, Rech. etc. 159 : âOp een monument van het Eerlijnsch museum, beschreven door Brugsch, vinden wij aangehaald het bestaan van eenen zoon van Meneptha I, die vóór zijnen vader gestorven is, evenals die van de Exodus.quot; Lauth, Aus altaegypt. zeit, Allg. Zeit. zegt hieromtrent: âDe pharao, die bij den terugkeer van Mozes uit Madian, in Egypte regeerde, kan niemand anders zijn dan Menephta; nu vinden wij op een groot standbeeld van Menephtah in liet Berlijnsch museum, ook dat van zijn zoon Menephtah, als mederegent zijns vaders. Deze prins was gestorven vóór zijn vader, daar Menephtah I opgevolgd werd door Sethos, den jongeren zoon. Daar nu volgens Exod. XII, 29 vermeld staat, dat de eerstgeborene zoon van Pharao, die met hem op den troon znt, ook dooiden dood zou getroffen worden, kunnen wij liet aangehaalde voor goed als een bewijs voor het ware verhaal van Mozes aannemen.quot;
177
HOOFDSTUK V.
VERTREK DER HEBREëRS UIT RAMSES.
Het is langer dan drie duizend jaren geleden, dat Israël het Nijldal verliet en de golf van Suez doortrok, en sedert is liet uiterlijk van de Delta in Egypte niet weinig veranderd; alle plaatsen zijn van naam veranderd; waar voorlieen vruchtbare bewaterde gronden lagen, is thans meerendeels alles onder woestijnzand bedolven ; zelfs de kusten der Iloode Zee hebben velerlei verandering
' O
ondergaan. Alles heeft dus liet zijne bijgedragen om de nasporin-gen in Egypte zoo lastig en moeiehjk mogelijk te maken.
Van het oude land en zijne uiterlijke eigenschappen is echter nog zooveel overgebleven, dat door groote moeiten en opofferingen, toch ten naastenbij eenige zekerheid kan verkregen worden. Immers de uiterlijke gesteldheid van den bodem van Egypte is van dien aard, dat zij eene karavaan of eene menigte, die tesamen reist, dwingt zekeren weg te volgen om ter bestemder plaatse aan te komen.
Hieruit volgt, dat wij slechts behoeven te weten het punt van vertrek en de plaats van aankomst der Hebreërs, om dan te weten welken weg zij gevolgd zijn.
Josephus, Ant. jud. II, XY, I, 111: âDe Hebreërs vertrokken, terwijl de Egyptenaren bitter weenden en berouw hadden, dat zij hen zoo mishandeld hadden. Zij reisden naar Letopolis (bij Memphis), dat alsdan verlaten was; hier was hot dat naderhand Baby-lone gebouwd werd, toen Chambyses Egypte verwoestte.quot; Het is evenwel zeker dat Josephus Egypte niet kende, ten minste niet de plaats waarover hij hier schrijft; maar hij geeft hier eene oude onder de Copten en Arabieren heerschende overlevering weer, waarvoor men nergens eenigen grond heeft kunnen ontdekken.
Sicard S. J. missionaris in Egypte, was de eerste, die een grondig onderzoek in 1720 naar den door de Hebreërs genomen weg instelde. Hij kwam tot het volgend besluit: âIk beweer dat de pharao, die regeerde toen de Israëlieten uit Egypte trokken onder aanvoering van Mozes, te Memphis resideerde en niet te Tanis. Zonder tegenspraak is liamesses het huidig Bessatim, een klein dorp op
12
1 7 S
drie uren afstand van Cairo, ten oosten van den Nij 1 en midden in eene zandvlakte gelegen, die eono uitgestrektheid hoeft van twee uren van af het oude Cairo tot aan den berg Tora, en van een uur van af den Nyl tot aan den berg Diuchi. Bessatin en deze vlakte zijn niet alleen de plaats van waar de Israëlieten vertrokken, maar ook hier nog verzamelden zij zich eenige dagen onder tenten, terwijl intusschen Mozes hunne verlossing van Pharao vroeg en afdwong. Zij konden alzoo twee wegen volgen, do eenige die van Memphis en llamesses (Bessatin) naar do lloode Zee leiden, nl. het dal tusschen de bergen Tora en Diuchi, of wel de vlakte die van Babylon of Caïro naar Arsinoë, het huidige Suez, leidt. Mozes koos den eerstgenoemden.quot;
Daar sedert den tijd van Sicard bewezen is, dat deze dwaalde omtrent het punt van uitgang, zoo vervalt zijne geheele meening.
I's. LXXV1I, 12 en 4:! lozen wij uitdrukkelijk, dat de wonderen verricht werden te Tanis, hebr. Tsoan, thans San.
Brugsch, L'exode, etc. 20â21: âEene zandige, uitgestrekte en treurige vlakte, thans San genaamd, ter herinnering aan haren ouden naam Zoan, bedekt met grootsche ruïnen... dit alles wijst u de ligging aan van Tanis... De Egyptenaren hebben aan deze vlakte, in welker midden Tanis ligt, den naam van Sokkot Zoiin. de vlakte van Zoiin, gegeven; de oorsprong van dezen naam dagteekent uit den tijd van Ramses Ji. De opsteller van Psalm 47 gebruikt denzelfden naam. Dit is geen toeval, daar de Hebreers goed op de hoogte waren van alles wat te Tanis gebeurde, zooals blijkt uit de Heilige Schrift, waarin wij aangeteekend vinden, dat de stad Hebron zeven jaar vóór de stichting van Zoan gebouwd is. Deze stad Tanis was voor den oostkant der Delta ten tijde der Pharaos, een belangrijk punt, dewijl aldaar de groote verkeersweg tusschen Egypte en Palestina een aanvang nam, en de legers der pharaos er saamgetrokken werden om van daaruit naar het Oosten te trekken.quot;
Het is boven allen twijfel verheven, dat de pharao te Tanis verbleef, toen Egypte door de tien plagen geteisterd werd.
Ook kan Bessatin niet Ramesses zijn, want de stad Ramses lag in het land Gessen, en Ramesses als land genomen was liet land Gessen, terwijl het Dorp Bessatin in de oude nome van Memphis ligt.
17!»
Ook Brugscli, l'exode etc. 7â9 dwa.alt wanneer lijj zegt: âDe hoofdstad van de Tanitbcho noine wordt nu eens Zoiin, dan weer Pi-Harnesses, de stad Hainses, gelieeteu.quot; Zooals wij reeds in lioofdst. II hiervoren opmsrkten, droegen meer steden den naam van Ramses, maar daarom kan men nog niet tot de gevolgtrekking komen, dat de 1 [ebreörs van uit Tanis vertrokken; immers liet eigenlijk Ramses door de HobreSrs gebouwd, en van waar zjj dus ook vertrokken, lag in de nöme Quoson of Gessen. Het verscliil is klaar, want de Hyksos resideerden buiten eenigen twijfel te Tanis. Jacob eebter kreeg liet land Gessen aangewezen; Joseph verliet het hof en Tanis om zijnen vader te bezoeken; daarna trok Jacob uit het land Gessen om zich aan pharao voor te stellen. Overal dus wordt het verschil aangetoond. â Verder zien \\ jj Mozes de tien plagen te Tanis te voorschijn roepen, en het land Gessen blijft gespaard.
Ramses lag dus in het land Gessen in de nabijheid van Pithoin, niet ver van het zoetwaterkanaal, in de omstreken van het huidig Teil el-lTaskhuta, ook genaamd Abu-Kescheb, tusschen Teil el-Kobir en hot meer Tiinsah.
HOOFDSTUK VI.
DE WEG DER HEBREëRS NAAR DE ROODE ZEE.
Exod. XII, :{7 ; XEII, 20; XIV, 1, 2 : âDe zonen van Israël vertrokken van Harnesses naar Soccoth... En zij trokken op van Soccoth en legerden te Etkam, aan de grens van de woestijn... En Jehovah sprak tot Mozes: Zeg aan de zonen van Israël, dat zij zich wenden en zich legeren voor Pihahiroth, tusschen Magdol en de zee, voor Beélsephon.quot;
Brugsch, l'exode ct les monum. egypt. 25, beeft getracht eene aanwijzing te geven van de plaatsen Soccoth, Ethain, Pihahiroth, Magdol en Beélsephon; maar na eene geograpldsche kaart volgens eigen phantasie gegeven te hebben, na de namen toegepast te
ISO
hebben op plaatsen welke slechts weinig met die namen overeenkwamen, laat hij de Israëlieten aan het meer Mensaleb (Serbonis) bij de Middellandsche Zee belanden, en de Egyptenaren in den opkomenden vloed omkomen. Nadat Chester, Quarterly Statement, 154, ter plaatse naar de opgave van Brugscb en diens aanwijzingen een onderzoek ingesteld had, schreef hij: âIk stond letterlijk verstomd, toen ik tot de bevinding kwam, dat die geheele voorstelling niets anders was dan eene zuivere vinding der verbeeldingskracht van 31. Brugseh. Ten oosten van de Gelse (of berg Casius) bevindt zich wel eene smalle effene zandtong, die van uit de woestijn komende zich zijdelings naar het noorden richt, maar deze gaat niet verder dan tot op de helft van den afstand van het meer. Volgens Hadji Abdullah heeft zich eenmaal voor 1878 de gemeenschap met de Middellandsche Zee verstopt, en was het meer zoozeer uitgedroogd, dat eenige Arabieren erin slaagden zicii door het slijk heen te werken en alzoo op dat land te komen, tusschen het meer en de zee. Maar daar is geen spoor van landtong noch zandbergen te vinden in de richting die Brugseh aangeeft.quot;
Brugseh geeft ook eene geheel willekeurige vertaling van een gedeelte van den Papyrus Anastasi, waarin het verhaal voorkomt van een scriba, die twee ontvluchte slaven nazette, en laat deze den weg afleggen langs de in de Schriftuur genoemde plaatsen, zooals hij die wil plaatsen; zelfs berekent hij naar die gegevens den tijd en den afstand. â Wij willen niet twijfelen aan eenige overeenkomst tusschen bet Egyptisch en Mozaïsch verhaal; maar er is toch geen gelijkheid van tijd en afstand tusschen twee vluchtelingen en een geheel volk met vrouwen, kinderen en vee, enz. Dan, de scriba en de vluchtelingen vertrokken uit Tanis, de Ilebreürs uit Harnesses; de eersten komen door Khetam, de tweeden door Etham; beiden komen wel is waar nabij Migdol, maar Migdol beteekent âeene sterkte,quot; en er waren in Egypte verscheidene versterkte plaatsen, die Migdol heetten. Volgens Brugseh lag Soc-coth ten oosten van Tanis, en Naville beeft bewezen dat het ten zuiden van die stad lag, nl. waar nu Teil el-Maskhuta ligt. Ei i-d el ijk is het niet alleen de Schriftuur, maar ook de gegronde onafgebroken overlevering, die ons zegt, dat de Israëlieten dooide Roode Zee zijn getrokken.
1,S1
Zooals uit de vroegere gegevens blijkt, lag Ramses, de plaats van den aftocht, bij l'ithom of Soccoth; Soccoth zelf lag langs het kanaal, dat de tegenwoordige Onadi Tumilat besproeide; na eenige dagreizen bereikte Israël de Roode Zee; bier werden zij ingehaald door de troepen van pharao, cn hier werden zij wondervol verlost uit zijne handen.
Bijna zonder uitzondering komen heden de geleerden hierin overeen, dat de stad Ramses langs het oude, aangehaalde kanaa! lag, dat .Mozes van daaruit optrok en zich op een gegeven oogenblik plotseling naar het zuiden wendde. Bij het doorgraven van de landengte van Suez hebben verschillende ingenieurs zich bezig gehouden met den Exodus, en hunne meening was, dat toen ter tijde do Bittere Meren niet de Roode Zee slechts één uitmaakten â eenigen opperden zelfs de meening, dat de ITebreürs door deze meren waren getrokken. De Lesseps, Comptes-rendus hebd. etc. 22 Juni 1874. Conferences de F. de Lesseps, a Xantes etc. 8 Dcc. 1866.
Het is noodzakelijk dat wij hier eene korte beschrijving van het kanaal van Suez geven.
Kanaal vax Suez.
Dit kanaal heeft, i» het geheel eene lengte van honderd dertien kilometers. Van uit het noorden nabij hot meer Menzaleh zieh naar liet zuiden begevende, komt men langs eene rij zandduinen, welker hoogste punt Kantara of de brug heet, omdat hier de weg leidt uit Egypte naar de woestijn, dus uit Afrika naar Azië. Achter die duinen komt men anu het meer Ballah, daarna aan een plaats genaamd de dorpel van el üuisr, het hoogste punt der landengte. Bij helder klare lucht ziet men van hier den berg Attaka, de keten van den Sinuï, den loop van het kima:il en de Bittere Meren.
\ au daar allijd zuidwaarts, komt men eerst aan het meer Timsah en achtereenvolgens aan twee hoogten, genaamd de dorpel van ïussum en dbn van Serapeum. ïe Serapeum bevinden zich de ruïnen van een egyptisch monument, iu graniet en zandsteen; aan den voet hiervan zijn nog de sporen van het oude kanaal der pharaos.
^g tien kilometers verder zuidwaarts komt men aan de Bittere Meren. Deze beide meren hebben eene gezamentlijke lengte van ongeveer veertig kilometers, en op het breedste punt tien tot twaalf, terwijl hunne grootste diepte bijna vijftien meters onder de oppervlakte der zee is. Deze twee meren waren sedert eeuwen uitgedroogd voor de doorgraving der landengte, cn hun bodem was bedekt mot zoutbanken ter dikte van tien tot twaalf meters op eene lengte van dertien kilometers, en op eenige plaatsen waren zij tot zes kilometers uitgebreid. Zij vormen verschillende horizontale, evenwijdige lagen, door dunne zandlagen geschoidcn. Wanneer alzoo voor vele eeuwen
1S2
dc zee ecnon zeer lioogcn stand bereikte eu langs den z. g. dorpel vau Chaluf hare wateren in de nieren deed dringen, eu dit water allengs verdampte, dan liet dit telkens eene zoutlaag aehter, waarover zich ook telkens verder een zandlaag uitbreidde.
Eenigo geleerden willen, dat do doortocht dor llobroürs door do Bittere Meren plaats had. Deze zijn slechts van de Roede Zee gescheiden door den Chaluf, die ongeveer zeven nieters hoven de zee uitkomt, en door eene zandvlakte van twintig kilometers.
Geheel aan het zuiden der vlakte ligt Suez. Bij hevigen zuid-wind en hoogen vloed wordt nog dikwijls deze vlakte tot aan den Chauluf onder water gezet.
Lecointre, Du pass. de la mer Rouge etc. Et. Rel. Oct. 1869: âHet is onbetwistbaar en onbetwist, dat de Bittere Meren met de Roode Zee in gemeenschap stonden; dat de ophooging van Chauluf de gemeenschap onderbroken heeft; dat het zoutgehalte der meren hooger was, dan dat der zee. Dit dwingt ons te besluiten, dat de gemeenschap bij tusschenpoozen onderbroken was. Bij gevolg bestond de Chaluf wel niet juist in eene voorde, uitdrukking die beter past voor eene gewoonlijk onder water staande plaats, maar veeleer in eencn doorgang, die gewoonlijk droog was. /ijue overtuiging is, dat de Hebreürs door de Bittere Meren trokken en zoo in do woestijn van Sur kwamen, terwijl de wateren op Mozes' bevel terugstroomden en do Egyptenaren verzwolgen.
Mauriac in Bartlett, Erom Egypt to ralestine, 103, zoekt aan t-3 toonen dat de Chaluf van tertiaire vorming is; en Eraas, Aus dein Orient etc. 170 geeft dit als zeker: âAan den Clialut ontdekt men krijt, gekleurd met rood en bruin ijzeroxide... men vindt er fossielen uit het tertiaire tijdperk.
Naar onze meening geldt deze opmerking niet. ant volgens Carl Muller en Charles Lyell, wordt nog steeds krijt in de zeo gevormd door dc Moneren. Daarom kan eene knjtlaag evengoed in onzen als in vroegeren tijd gevormd worden; daartoe toch behoefde de zee met hare wateren slechts eene bank moneren mede te voeren en ze ter plaatse van den Chaluf neder te leggen. Overigens is eene gronding van bewijs op eene tertiaire oi (juaternaire
1815
vorming bijna nergens vol te houden en zeker niet in Egypte, dat aan zoo buitengewoon groote verandering blootstaat. Zelfs Ivitf, die aan de tertiaire vorming vasthoudt, bekent toch. Kist. de risthme de Suez, 8, dat do onderbreking der gomeenschap tusscheu de Bittere Meren en de Zee betrekkelijk van jongen datum is; luj schrijft de verheffing van Chalouf aan eene vulcanische werking of aardbeving toe.
Of nu de Bittere Meren met de Zee in verbinding stonden of niet, dit doet niets ter zake, want de doortocht der Hebreürs had niet plaats door de Bittere Meren, maar door de Roode Zee, en dit is zeker, zooals wij zullen zien.
Tot hiertoe hebben wij in ons onderzoek bevonden, dat de archaeologie de geschiedenis der Schriftuur woord voor woord, ja letter voor letter bevestigd heeft. Wanneer nu de archaeologie voor-
O O
loopig in gebreke blijft met de bewijzen voor de plaats van doortocht, en wanneer dan ook alle andere bewijzen ontbreken behalve do Schriftuur alleen; en wanneer deze zegt, dat de doortocht heeft plaats gehad door de lloode Zee, en wanneer geene bewijzen hiertegen kunnen aangehaald worden, wie ter wereld zal dan tegen de Schriftuur kunnen opkomen!
De Lesseps, Confer etc. IS6'2, 1G: âHet opschrift van Seti l te Karnac zegt ons, dat zich alhier het kanaal bevindt, loopende van liet westen naar het oosten, en dat in dit kanaal vele krokodillen waren. Do kom aan liet einde van het dal, waarin het kanaal noodzakelijk moest uitkomen, is en kan niet anders zijn dan het meer, dat thans den A â abischen naam draagt van Timsah, en Timsah beteekent krokodil.quot;
Dit kanaal was het oud zoetwaterkanaal, hetwelk Sesostris of Seti J, grootvader van Menophtah aangelegd heeft. Langs dit kanaal hadden de HebrcC-rs de steden Harnesses en l'ithom gebouwd. 1'ithom droeg ook den naam Soccoth, en lag niet zeer ver van de grens der woestijn. Allerwaarschijnlijkst volgden de llebreërs dit kanaal, om zoodoende steeds water te hebben voor menschen en vee.
Het is nog niet met zekerheid bekend, waar Etham lag; maar
184
eenigo gegevens wijzen aan, dat liet eene plaats was tlie behoorde tot de sterkten, aangelegd door de pharaos tegen de nomaden van Arabië.
Mozes kon nu zijn volk, dat door do harde slavernij zeker niet tot strijden gesteld was, niet naar het land Chanaan voeren; deze toch waren na hunnen laatsten oorlog niet Egypte, in een bondgenootschap getreden niet pharao, en moesten dus volgens de vredesvoorwaarden vijandelijk togen de Ilobreërs optreden. Daarom voerde Mozes zijn volk naar Sinaï. Daar hij zich echter op de noordelijke zijde van liet kanaal bevond, volgde hij dit, totdat hij in de woestijn kwam om geen achterdocht op te wekken bij pharao, aan wien hij gezegd had, dat zij in de woestijn gingen offeren.
Toen hij echter te Etham in de woestijn was aangekomen, nam h j de richting van Sinaï, dus hij wendde naar het Zuiden, het kanaal overstekende, en nam den rechten weg naar den hoek van de golf van Suez, om aldaar aan de Roode Zee te komen. Zij hadden dus do Bittere Meren links en don borg Geneffé, thans Djebel Achmed Tacher rechts, in welke streek ook kanalen waren. Om aan do Koode Zoo te komen, was dit de eenig mogelijke weg voor ongeveer drie millioen menschen met hun vee, enz.
HOOFDSTUK VII.
DOORTOCHT DER ROODE ZEE.
Mozes met de Hebreërs kwam alzoo van den noordkant af aan de Ivoude Zee, en daar hij hen naar het Schiereiland van Sinaï wilde voeren, bracht hij hen boven aan het noordeinde der galt van Suez. Aldaar legerde hij op den Egyptischen bodem, waar water was, om dan van daar over te stoken naar de woestijn en zich naar de bronnen to begeven, die heden den naam dragen van Aïn-Mouga. Daar overviel hem Pharao met zijn leger en amp;loot hem ten noorden van de Roode Zee den weg af, die naar de woestijn leidde.
185
Dewijl do waterstand der Roede Zee vroeger hooger was dan thans, kan men niet met juistheid de plaats terugwijzen waar Mozes gelegerd was; dit alleen blijkt duidelijk, dat Pharao hem den weg naar Sinaï had afgesneden, dat dus pharao meer oostwaarts aan de golf van Suez zidi bevond dan Mozes. Daarom moet ook Pi-hahiroth aan den noord-oosthoek der golf van Suez gelegen hebben, omdat Pharao met zijne geheele ruiterij in Pi-hahiroth kwam.
Ten westen tegenover genoemde plaats ligt de berg Djebel Attaka. Hiervan zegt Ebers, Durch Grosen zum Sinaï 511: 15eól-sephon moet Djebel Attaka zijn. Peélsephon of Baal Saphon schijnt een Semitische naam te zijn en penen berg te beduiden, gewijd aan den dienst van Baal.quot;
Zooals wij reeds gezien hebben, beteekent Migdol of Magdal eeno sterkte; op de Egyptische inschriften vinden wij dit woord als Maktl. Er lagen in Egypte verscheidene sterkten met den naam Migdol. De ligging van deze sterkte aan de lioode Zee is onbekend.
De Ivoode Zee werd door de Hebreërs geheeten ifam souf, wierzce, wegens haar veelvuldig wier en zeegras. Van haar zegt Isambert, Itin. en Orient, 701: âHare kleur is hoog groen en langs de landzijde lichtgroen gestreept, ter plaatse waar de klippenriffen zich bevinden. Zoover het gezicht zich uitstrekt, ontwaart men van den Egyptischen oever achter deze koraalbank, beneden de oppervlakte van het water, dichte massas wier en zeegras, en donkergroen struikgewas. Verderaf ziet men eene kale naakte berghelling. Xabij de riffen bevinden zich tallooze kleine eilandjes door ontelbare zeevogels bewoond. Op plaatsen van geringe diepte ontwaart men duidelijk den bodem en zijne met zeegras begroeide plaatsen, waar groote schildpadden, zeekoeien en dugongs hun voedsel zoeken.
âWanneer de nacht is ingetreden, dan vervult de zware uitwaseming der wateren van de Roode Zee de lucht met eenen lichtenden nevel, die zijn ontstaan te danken heeft aan eene hitte van 38 tot 40 graden en aan de geringe breedte van het kanaal van Bab-el-Mandeb, dat slechts eenen geringen doortocht biedt aan de wateren, welke door den noordwind daarheen gestuurd worden. Hieruit valt lichtelijk te verklaren het verschil van 4 of 5 graden, dat men bij de hevigste hitte tusschen de lucht- en water-gesteldheid waarneemt.
186
Water cn lucht tot ccno cindelooze massa van damp verbonden, zegt Dr. Scliweiufurth, laten slechts eon dofwit vaal schijnsel door. Eene heldere lijn slechts baant zich een doortocht tot op het water. ])c bron dezer lichtende helderheid schijnt langs den horizon door te breken, maar dit is niets dan zinsbedrog, want boven ons schijnt de maan. Een boot drijft dan over het zachte water als bevond hij zicli in den schoot van een nevelglobe. Onder den schijn der loodrechte stralen der maan, heeft de zee het aanschijn van eenen omgekeerden hemel, waaraan zich legioenen van geheimzinnige wezens van allerklei kleur en onbepaalde vormen, zacht voortbe-wegen. De betoovering wordt nog vergroot door hot kalme der lucht en eene onderbroken diepe stilte.
Deze lichtende nevel, die nog heden de bewondering van iederen vreemdeling opwekt, heeft natuurlijk niets gemeen met de vuurkolom, die reeds bij den uittocht van Egypte en te Etham de Hebrecrs vergezelde, en hun bijbleef op hunnen tocht in de woestijn van den Sinal.
Daar de Hebrecrs langs verschillende sterkten voorbijgetrokken waren, had zeker een soldaat uit eene dezer aan IMiarao de tijding gebracht, dat de Israëlieten gevlucht waren. De buitengewone sue -beid, waarmede de boden in hot Oosten, cn nog heden de fellahs hunnen last volbrengen, is overbekend.
Toon Menephtah vernam, dat zij den weg der woestijn verlaten hadden in de richting van de iloode Zee, begreep hij, dat zij zien naar de ondoordringbare bergen van Sinaï zouden begeven. Zijn plan was weldra genomen; hij zou hen met zijne ruiterij in allen haast den weg afsnijden, voordat zij langs het noordpunt der Iloode
Zee voorbij waren.
Zooals wij gezien hebben in Gen. Afd. 11, Hoofdst. Ill, waren de paarden in Egypte niet inheemsch, maar ingevoerd door de Hyksos. Sedert dien vermenigvuldigden die dieren zoo stciv in de Delta en in het land Gessen, dat wij op de monumenten van af de Hyksos eigenlijk geen andere Egyptische krijgers meer aantreffen, dan ruiterij. Ebers, Durch Gosen zum Sinial, 100.
Menephtah kwam met zijne krijgers van zijne residentie Tanis, en toen hij nabij het meer Timsah het kanaal was overgetrokken,
187
volgde hij denzelfden weg waarlangs de Ilobreërs hunnen tocht genomen hadden, en daar hij het noord-oostelijke punt der golf van Suez bezette, w?.ar deze als eene tong het land inliep, en waar heden het kanaal van Suez erin uitkomt, zoo sloot hij de Hebreërs van alle kanten in. Ten oosten toch hadden zjj de Roode Zee, ten zuiden en ten westen de bergketen van Djebel Attaka, ten noorden en noordoosten legerde pharao met zijne soldaten. Men-scheljjkerwijze gesproken was voor de Hebreërs geen uitkomst mogelijk.
Het was nacht, toen ifozes op bevel van God zijnen staf over de wateren uitstak; een hevige wind stak op; de wateren openden eenen weg, en stonden rechts en links als een muur, waartusschen de zonen van Jacob hunnen weg namen en naar den Aziatischen oever trokken.
Do afstand, dien zij te maken hadden van den Afrikaanschon naar den Aziatischen oever kon niet zeer groot zijn, daar de doortocht van mannen, vrouwen en kinderen zonder nog van het vee te spreken, in éénen nacht volbracht werd, dus in ongeveer acht uren.
Exod. XI \ , 21 wordt de opstekende wind genoemd qadin; dit be-teekent een noordoosten wind, ook een verschroeiende wind. Volgens de eerste beteekenis zou men kunnen aannemen, dat de weg door de Roode Zee niet recht door van het Westen naar het Oosten, maar schuins naar hot zuidoosten van Azië jnnff.
O O
Ofschoon het bijna zeker is, dat de Hebreërs benoorden den Djebel Attaka den doortocht begonnen, moeten wij toch met Palmer, the Desert of the Exodus I, B6 â .38 bekennen; âWij hebben overvloedige bewijzen ervan, dat de noordhoek van de golf van Suez langzaam verslijkt is, en dat dus de kustgrens zich steeds naar het Zuiden verlegd heeft. Het gevolg daarvan is dat de juiste plaats, waar het wonder heeft plaats gehad, voor altijd een onop-helderbaar geheim blijft.
Exod. , 28 lezen wij dat de wagens en ruiters van het geheele leger van pharao, die de Hebreërs in de Roode Zee gevolgd waren, door de wateren verzwolgen werden. De Schriftuur zegt echter nergens dat ook pharao Menephtah zelf hierbij is omge-
188
komen. Uit do Egyptologie meent men te kunnen opmaken, dat Menephtali niet in de lloode Zee verzwolgen werd. Men heeft echter op de monumenten niets meer omtrent dezen Menephtah ontdekt na het achtste jaar zijner regeering. Men houdt het gewoonlijk ervoor, dat hij twintig jaren geregeerd heeft over Egypte, ofschoon men niets gevonden heeft, dat deze meening kan staven.
De Rouge, Moïse et les Hehreux, 213 sprekende over den naam Aperiu, zegt: âDit is het eenige spoor, dat de gevangenschap van Israël waarschijnlijk op de monumenten heeft nagelaten. Men kan niet verwachten, dat de Egyptenaren ooit een herinnering aan de plagen of aan de verschrikkelijke ramp der lloode Zee hebben opgeteekend, want uitdVst zelden maken hunne monumenten melding van hunne nederlagen.quot;
Toch behelst de Pap. Anastasi V pi. XVIII, 6 een schrijven, dat hierop betrekking kan hebben, liet luidt: âBekendmaking; wanneer mijn schrijven tot u zal komen, weet dat gij aanbiengt de Madjaïu van do vreemde Safkhi, die is aan het opgaan terstond. Gij moet niet aanbrengen het totaal der mannen, die ik u go-geven heb in eene lijst. Wacht u. Dat niet zich verzetten de mannen togen hunne bestuurders. Gij, gij zult ze aanbrengen naai mij te Takhu, ik bon het, die u zal doen aanvangen, u en hen.quot;
ïakhu was eene sterkte op de oostgrens der Delta. Die is aa.i het opgaan, betcekent: die opgaat naar de oostelijke grenzen. Het aangehaalde schrijven is een afschrift, gemaakt onder Seti 11 van een oorspronkelijk stuk, waarschijnlijk uit den tijd van Menephtah 1. Uit dit alles meent Chabes, Rech. 153â'l!)4 te kunnen besluiten, dat het wel betrekking kan hebben op de vlucht der llebreërs, toen dit aan Menephtah geboodschapt werd.
189
HOOFDSTUK VIII.
WONDERVOLLE EIGENSCHAP VAN DEN DOORTOCHT.
Men hoeft al het mogelijke gedaan om den tocht der IIebret;rs dooi- de Jloode Zee langs natuurlijken weg uit te leggen. Zelfs Josephus Antiq. jud. II, XIV, 5, haalt het verhaal der Schriftuur aan, en zegt dan: âIk heb dit vermeld, zooals ik het in de II. Boeken gevonden heb, en het moet niemand verwonderen, dat menschen... gevonden hebben eenen weg door de zee om zich te redden, hetzij dat deze zich van zelve geopend hebbe, hetzij dat dit op Gods wil gebeurd zij... Dat iedereen daarover denke zooals het hem goeddunkt.
Du Bois-Aymé. ^Notice sur le séjour, etc. in Descr. de l'Egypte. 1809, I, 309â310: âHet is ongeveer tegenover Adjrud, naar het zuid-oosten, dat de verzanding ontstaan is, die do Koode Zee scheidde van dit grooto bekken (der Bittere meren) hetwelk men heden ton noorden dezer Zee vindt. Voordat deze zandbank hoog genoeg was om aan het noordelijk uiteinde der Arabische Golf een moer te vormen, moest te dezer plaatse eeno laagte zijn, die langen tijd slechts bij ob of lagen waterstand doorwaadbaar was. Waarschijnlijk werden de Israëlieten door Mozes naar deze voordo gevoerd. Deze man... wist dat het mogelijk was to voet hier over te steken... Pharao, van hunne vlucht onderricht, zette hen na; en zijne troepen wierpen zich, in den ijver die hen bezielde, op hot voetspoor der Hebreërs, zonder te bedenken, dat de vloed hen niet den tijd liet, om den tegenovergostoldon oever te bereiken.quot;
De Jood Salvador, Hist, dos instit. de Molse ot du pouple hebreu,
â55 veronderstelt dat hot bed der Zee van den oenen oever tot den anderen eeno verhooging daarbood, veronderstelt dat deze verhooging nu eens geheel onder water stond, dan weer bijna bloot lag. Dit, zegt hij, kan men gemakkelijk begrijpen, en do naspo-ringen ter plaatse gedaan, schijnen dit te bevestigen.
190
Aan het uiteinde van de Roodo Zee zijn werkelijk twee voorden of ondiepten, do eeno op anderhalf uur ten noorden van Suez, de andere ten zuiden. De groote karavaan naar Mekka volgt de noordelijke, die vóór de doorgraving van het kanaal gewoonlijk bruikbaar was. Dit kanaal heeft vele toestanden veranderd, en zoo kan men ook thans slechts bij middel van een pont den overkant bereiken. De zuidelijke ligt tegenover Suez en loopt in zuid-oostelijke richting; bij vloed of hoogen waterstand is zij niet bruikbaar, daar zij over de lengte van een half uur onder water staat; bij ebbe wordt het water teruggedrongen binnen een engen waterloop van twee honderd meter breed, die voor Suez eene diepte heeft van 80 centimeters tot 1,60 meter; zij is alsdan doorwaadbaar, en hier trokken do Arabieren ook werkelijk over, op ezels gezeten, om zich naar do bron van Mozes te begeven. Sedert do doorgraving moet men zich ook hier met eene schuit laten overzetten.
Zoodanig was de toestand vóór de doorgraving van het kanaal, en als hij ook zoo geweest was over drie druizend jaren, dan zou er niets tegen te zeggen zijn, dat de Hebreërs niet langs die doorwaadbare plaats hadden kunnen doortrekken. Maar zooals v. ij gezien hebben, was de bodem der zee toen veel lager, do kust veel meer noordelijk, en de Schriftuur zegt dat zij niet aldus zijn doorgetrokken. Maar als zij op die wijze hadden kunnen doortrekken, dan had dit onmogelijk op éénen nacht kunnen geschieden.
Exod. XII, 37: Van Ramses naar Soccoth trokken ongeveer zes honderd duizend mannen te voet, zonder de kinderen; 38, en met deze trok nog eene groote menigte van allerlei volk op, ook schapen eu vee en allerlei dieren in groote hoeveelheid. Een jaar na den doortocht bleek bij de volkstelling. Num. I, 40, dat het aantal strijdbare mannen, boven de twintig jaren oud, bedroeg zes maal honderd drie duizend vijf honderd en vijftig man, behalve twee en twintig duizend levieten ouder dan een maand, en alle vrouwen, kinderen en grijsaards, behalve nog de slaven, en een groot aantal vreemdelingen en Egyptenaren, die met hen opgetrokken waren.
Wanneer men duizend mannen telt boven de twintig jaar, dan komt men tot de bevinding dat men op dit getal liet dubbele heeft aan vrouwen, kinderen en grijsaards. Alzoo moest men op de zes honderd duizend mannen minstens twaalf honderd duizend vrouwen,
1!) 1
grijsaards on kinderen teilen. Daarbij mogen wij niet vergeten, dat de Hebreërs allen huwden en polygamie tot den regel behoorde. Voegt men daarbij de Levieten, de vreemdelingen en do slaven, dan komt men zeker zonder overdrijving boven de twee millioen menseben, die de Roode Zee moesten doortrekken.
Dit voorop gezet, zegt de Americaan Robinson, Biblical, Resear-cbes I, 84, die ter plaatse een grondig onderzoek had ingesteld, âdit voorop gezet, dan spreekt bet van zeiven dat de tocht langzaam moest geschieden. Toegegeven nu, dat hot droogliggend gedeelte der zee eene halve mijl breed was, dan konden duizend man naast elkander trekken, en zou de geheele kolon (zonder vee en reisgoed) nog uit tweeduizend man achter elkander hebben bestaan, die om zich te kunnen bewegen, eene lengte van twee mijlen noodig had. De geheele kolon zou dus twee uren tijd noodig hebben, ah'orens de laatste man aan den zeebodem gekomen was.quot; A\ anneer wij die veronderstelling, die zeker in den wijds te n zin is genomen, met Robinson aannemen, dan konden allo Israëlieten tegen middernacht op den zeebodem zijn, en des anderen daags morgens waren zij op den anderen oever, dan hadden zij den overtocht in den onbegrijpelijk korten tijd van drie tot vier uren gedaan; men boude in het oog hoeveel last grijsaards, vrouwen, kinderen en vee moesten veroorzaken.
A\ el nu geen der voorden kan duizend mannen, zelfs nog geen honderd naast elkander laten doortrekken in de Roode Zee, en toch moesten dit duizend man zijn, daar Mozes volgens de naturalisten bij ebbe den doortocht begon, en bij opkomenden vloed, dus na zes uren, den overkant moest bereikt hebben met al zijn volk.
A\ ij willen niet verder uitweiden over deze zaak, want uit het aangehaalde blijkt genoeg, dat Je doortocht niet anders dan door het in de Schriftuur vermelde wonder in Exod. XIV, 21 euz. kon geschieden.
Zoo verlieten de Israëlieten Egypte vier honderd en twintig jaren, nadat Jacob zich in het land Gessen had neergezet. De slavernij der Hebreërs eindigde bij hunnen tocht door de Roode Zee, waarbij het leger van .Menephtab, dat hen vervolgde, in de golven omkwam.
-lt;gt;-lt;gt;
TWEEDE AFDEELING. De Sinaï
HOOFDSTUK T. HET SCHIEREILAND VAN DEN SINAï.
Voor 18GS was hot sclieireilancl van den Sinaï zoo goed als onbekend. Het wordt ook genoemd El-Hadschir, steenachtig Arabië, en ligt in liet noord-westen van het groote scheireiland Arabië, tusschen de golf van Suez en die van Akabah, voorheen do Heroo-politische en de Elamitisehe golf.
In het najaar van 1868 vertrok eene Eïigelsche expeditie er heen onder majoor H. S. Palmer en C. . A\ ilson, om aldaar gedurende een half jaar alles op te nemen en een grondig onderzoek in te stellen. Dit leverde heerlijke uitkomsten, die in 1872 ia vijf volumen openbaar werden gemaakt. Aan deze ontleenen wij hetgeen volgt.
De woestijn van den Sinaï is niet, zooals men gewoonlijk meent, eene groote zandvlakte, hier en daar slechts door lage bei gen onderbroken; integendeel, het is een ongelijke bergachtige streek,
waar hot zand, dat de Afrikaansche woestijnen bizonder kenschetst,
niet de overhand heeft; slechts op eenige plaatsen der weimg voorkomende vlakten vindt men eenige ophoopingen ervan; overal elders ziet men niets dan bergen en naakte rotspunten, valleien die meerendeels dor en woest zijn. De algemeene aanblik zegt u, dat het een onvruchtbaar land is, waar weinig groeit; de lage bergen zijn zonder aarde of planten; in de ouadis of valleien ontbreekt meestal het water en de vlakten zijn kaal en naakt. Niettegenstaande dat, heeft het land iets indrukwekkends door zijn
O 7
betooverend lichteffect.
193
Bijna altijd is de hemel wolkenloos, de lucht zuiver heldor, en de zon kleurt door hare stralen de rotsen met eenen ongeëvenaarde n glans. De kalksteen hult zich in bruine en roode tinten; het schilferachtig gneis omkleedt zich met eenen myrthenmantel, purper, zwart en hoogrood gestreept; het graniet is afwisselend rood, grijs, bruin on rose; de stroomen schijnen een bruin of roodachtig bed te hebben; de woestijn is een effen geel; de blootliggende tertiaire vormingen vertoonen zicli wit en grijs met roode, lila, kanstanjebruine en karmozijnestrepen doorweven. Ofschoon nu op den Sinaï liet groen, liet water, de landbouw, de met sneeuw gekroonde bergtoppen en de ijsvelden ontbreken, evenals steden en monumenten, tocli vindt dit alles zijne vergoeding in den beerlijken hemel, over dag van het schoonste azuur, en 's nachts prachtvol onder bet schitterend gesternte, alsmede door het betoo-verende der plotseling voorspringende rotsen met hun verrukkelijke luchtschakeering, achter geenen plantengroei verborgen.
In dit droog, onvruchtbaar land regent het toch wel in den winter en in de lente; zelfs bedekt nu en dan in den winter de sneeuw de bergen. Men heeft ook nachten, waarin het overvloedig dauwt. Ook komen tusschen December en Mei soms stormen opsteken, die den Beduïnen den schrik om het hart jagen, omdat woeste bergstroomen daaruit geboren worden, die schuimend en kokend alles op bunnen weg in de valleien vernielen, en in bunnen onstuimigen loop meevoeren. Deze stormen, xcil genoemd, duren meestal slechts enkele uren, maar laten eene ongelooflijke verwoesting achter. Om zich biervoor te hoeden, legeren de Beduïnen zich nooit in een ouadi, vooral wanneer deze eene enge monding beeft.
De temperatuur wisselt natuurlijk af met de jaargetijden, maar er is vooral een sterk verschil tusschen dag en nacht, hetwelk soms dertig graden bedraagt. Hierom gaf Mozes, Exod. XII, 27, de wet dat men den armen zijnen in pand gegeven mantel voor zonsondergang moest teruggeven, opdat bij zich 's nachts ermede kon dekken. De bitte is over dag op de hoogten gewoonlijk te verdragen, maar in do dalen is zij verschroeiend, zelfs voor de huid der menschen; de grond brandt onder de voeten en maakt bet reizen zeer lastig. Over dag ging de wolk des Ileeren steeds voor de Hebreërs, Exod. XI11, 2'J. Ofschoon do lucht zuiver en gezond is, kan die gedurige afwisseling toch zeer nadeelig zijn
13
194
on soms wel do gelo pest veroorzaken, wanneer do Afrikaansche (â hamin, dien wij beschreven hebben, zijnen tocht naar Arabiö voortzet, om daar zijne onheilen aan te richten.
liet water is zeldzaam op het schiereiland van den Siuaï; hier en daar treft men eenige bronnen of putten aan. Niettemin zijn de welbronnen talrijk in do nabijheid van den Djebel-Muca, waaide Wet aan de Israëlieten gegeven werd.
De voortbrengselen van den Sinaï zijn onbeduidend. Men vindt in de valleien en vlakten eenige aromatische kruiden, die ofschoon zij weinig sap bevatten, toch tot voeding dienen voor kameelen, geiten en schapen. Op enkele zeldzame plaatsen treft men vrucht-boomen en tuinen aan. Onder do boomen beslaan de eerste plaats de dadelpalm, de acacia en de tamaris; de dadelpalm komt slechts voor op natte gronden 5 de acacia of niftoh, Lx-od. XX^ , 10 enz. arab. seual groeit zou wat overal; hij draagt zware doornen en brengt de Arabische gom voort; de tamaris, tarfah, brengt van Juni tut Augustus een hars voort van genezende kracht, waaraan men den naam manna heeft geven.
Thans telt liet schiereiland van den Sinaï ongeveer vier duizend mannen; van vrouwen en kindereu wordt daar geenc rekening gehouden. Wij kunnen niet weten, hoeveel bewoners het telde, toen Mozes er kwam; maar wegens zijne onvruchtbaarheid zal hun getal wel niet groot zijn geweest.
HOOFDSTUK 11. LEGERPLAATSEN IN DE WOESTIJN.
Palmer, The Desert of the Ex. I, 38; âTiet woord Schur be-teekent in het Hebreeuwsch inuur. Toen wij van Ayun-Mmja (de bron van Mozes, aan het begin der woestijn) over de schitterende vlakte heen naar de bergen er-Rahab en et-Tih opkeken, die haar voornaamste van de overzijde begrenzen, merkten wij terstond het voornaamste, zoo niet eenig kenschetsende van dit gedeelte der woestijn, die lange bergketen in den vorm van oenen muur, en het verwon-
195
derde ons niet, dat de Israëlieten deze geddgkwaardige plaats naar haar voornaamste keuteeken, den naam gaven van woestijn van Schur of van den Muur.quot; Exod. XV, 22.
Nadat de Israëlieten door de Iloode Zee waren getrokken, maakten zjj hunne eerste halte ter plaatse die heden den naam draagt van Aynn-Mu^a; dit is ten minste volgens de plaatselijke overlevering. Het is eene kleine oasis, waarin men eenige bronnen aantreft mot een helder, maar zoutachtig water, benevens eenige boschjes van palmboomen.
Mozes trok naar den Sinal, dus naar liet zuiden en volgde daarom over eene lengte van vijftig mijlen de ongeveer twaalf mijlen breede kustvlakte der Iloode Zee, hebbende alzoo ten oosten den Djebel er-Ilahab.
Exod. XV, 22: âEn zij trokken drie dagen door de woestijn en vonden geen water.quot; Wellsted, Trav. in Arabia li, 40: âDe ge-heele streek (met eene oppervlakte van duizend vierkante mijlen) die zich uitstrekt vau Howara tot Ayun-.Muca, staat in een kwaad boek bij de Bedulnen, wegens haar gebrek aan water.quot; Behalve zes of zeven holten met brak water ontdekt men geen zoet water.
âDan kwamen zjj te Marah.quot; Palmer, SinaT, 190: âHet eenig overblijvend spoor van Marah is te Ouadi-Mereira, de ral hu van het hittere water. Hier op de negen en twintigste mijl, ontdekte ik in 1800 poelen met brak water; wat men echter ook beproefd lieeft om met zekerheid de ligging van .Marah te bepalen, dit is alles vruchteloos gebleven.quot;
Algemeen echter meenen de geleerden dat Marah het huidig Aïn-Hauarah is. Burckhardt, Trav. in Syr., p. 472; Schubert, Reize in das Morgenl., II, p. 274; Robinson, Biblic. Ree I, 97; Ebers, Durch Gosen u, z. w. 110; Wellsted, Trav. in Arab. II, 39â40 enz. enz. Op het midden van eene kleine kalkachtige verhevenheid vindt men hier eene bron van twee voet diep met ongeveer zes engelsche voet omtrek. Ofschoon de hoedanigheid van het water naar het seizoen afwisselt, is het toch immer slecht en bitter, alsof het eene lichte oplossing van Glauberzout bevat, zoodat liet voor den inensch bijna niet drinkbaar is. Wellsted, Trav. in Arab. II, 40: âIk iiad een weinig water in mijne hand genomen en drukte halfluid mijne gedachte uit, dat het hier te Marah was. Mijn Arabische gids, dit woord Marah hoorende, zeide: Gij
1 IK!
/ecvt de waarheid, dir water is murali (bitter). Alle reizigers deelen
O
dit gevoelen.quot;
God wees Mo/es een houtsoort aan, die hij in het water moest mengen, waardoor dit zoet werd. Eenigen zjjn van oordeel, dat dit hout eene plant was, genaamd ifliurbul, welker bessen hij in het water zou geworpen hebben. Palmer, Sinaï, 12(J zegt: âNiemand kan zeggen, van welk hout zich Mozes bediende om het water zoet te maken. Do Exodus beschrijft het niet, en de inlanders kennen geen middel, waaraan deze eigenschap verbonden is. De bessen van den gharkad hebben geene zoetinakeude kracht, en de Israëlieten trokken door do woestijn in een seizoen, waarin die plant nog geen bessen droog.quot;' Ebers, Durch Crosen u. z. \\. lib 118 zegt ook, dat Mozes zich niet van de bessen van den gharkad kon bedienen om hot water zoet te maken, om redewil dat men toen in de lente was, en dat hij eerst vruchten draagt in het midden van den zomer. Burckhardt, Trav. in Syrië 47 ïi erkent ook, dat de Arabieren geen middel weten of bezitten om brakwater zoet te maken. F. de Lessops, die in zijne Conference van 8 Dec. 1800 eene tegonovorgestelde meening doelde, was door do Arabieren verkeerd ingelicht.
Na Marah verlaten te hebben, kwamen de Israëlieten te Elhn, waar twaalf bronnen en zeventig palmboomen waren. Exod. XN , 27. Sedert Burchardt zijn op weinig uitzonderingen na, allen van gevoelen dat Elim lag in de Ouadi Gharandol, welke oasis op violen vijftig mijlen afstand van Ayum-Mura ligt. Aldaar vindt men nakhl (wilde palmboomen), tamarisken en andere woestijnplanten, o-evoed door eene immer stroomeude heldere beek. In de lento, alzoo in den tijd dat de Ilebreërs zich aldaar bevonden, weipt deze beek haar water buiten de oevers en vormt vijvers, waarlangs een riet groeit, waarin zee- en andere vogels eene schuilplaats zoeken; Bartlett, From Egypt to Palestina 204â205.
Daarna verlegden zij hunne legerplaats naar de kust van de Roode Zee. Palmer, Sinaï, 192-193: âDe studie der streek geeft ons omtrent deze plaats genoegzame zekerheid. Men kan met veronderstellen dat zij door de Ouadi Gharandel naar do Zee trokken... Daar Mozes naar don Sinaï ging, moest hij den eenigen rechten,
107
lungs do lioogtcns aan den voet van don Djebol Hammam-Faruin, voerenden weg volgen: dun van liier naar de kust afdalen langs den eerst brnikbaren weg, dus door de Ouadi Seheibekeh en de ouadi 'raivtbeli. Allen, die deze streek bezocht hebben verineenen, dat deze kampplaats aan de grens van de ouadi ïaiyibeh, of' nabij de kust in de vlakte van el-J!urkheiyeh, dus een weinig vorder, gelegen was. Mozos bad waarschijnlijk zijn hoofdkwartier opgeslagen bij de bronnei1 en do paimboomen van de ouadi Taivi-beh, op eene mijl afstand van de kust en ongeveer negentien mijlen van de ouadi Gharandel. ilon mag gerust veronderstellen dat zij na de lange rust van Elim, dezen vrij langen weg aflegden om zulke goed gelegen legerplaats te betrekken. (Jfsehoon het welwater aldaar tlians tamelijk brak is, was dit ten tijde van de Exodus waaröcliijiilijk van betere hoedanigheid.quot;
itüOEDSTUK lil. HET MANNA EN DE KWARTELS.
Van af de legerplaats op de kust van de Roede Zee, heeft de besproken Engelsehe wetenschappelijke expeditie onder majoor Palmer, de sporen der Hebreërs niet meer met genoegzame zekerheid kunnen volgen. Noehtans stonden slechts twee wegen voor hen open naar den SinaT; de een loopt van af de ouadi Taivibeh gedurende verscheidene injjlen langs liet zeestrand, en gaat dan het gebergte iu door de ouadi Feiran; de andere of noordelijke weg, gaat van uit het laagste gedeelte der ouadi Taiyibeh op tot aan den aanvang dezer vallei, dringt daar verder het land in, wendt dan zuid-oostwaarts tot aan den uitersten westhoek van Debbet cr-Ramleh, en na verscheidene zijdalen doorsneden te hebben, komt hij weder samen met den weg van de zeekust op vier en twintig mijlen van den SinaT.
Deze laatste of noordelijke weg is negentien mijlen korter dan
198
die langs do zeekust; en toch is do algeraeeno meening dat de Ilebreërs den weg langs de zee gevolgd hebben, omdat deze voor eene trroote menigte volks minder hindernissen en meer water biedt; dan nog luidt de oude overlevering dat in de ouadi 1' eiran ook Raphidim lag, alwaar de Ilebreërs de overwinning behaalden op de Amaleciten.
Exod. XVI, 1: Den vijftienden dag van de tweede maand na den uittocht uit Egypte, kwamen de Israëlieten in de woestijn van Sin. Volgens Stanley, Robinson, Bartlett, enz. was dit in de tegenwoordige vlakte van el-Markha. Deze neemt een aanvang op den afstand van tien mijlen ten zuiden van de ouadi faiyibeh, en is ongeveer veertien mijlen lang op eene breedte van drie. In deze vlakte zijn twee bronnen, de zoetwaterbron Aïn-Dhafary, en de Aïn-Markha, waarvan het water heden brak is. Hier scheen dus geen gebrek aan water te zjjn, noch aan voeder voor het vee, maar geen mondvoorraad en ook geen andere voeding van het land voor de menschen. God deed daarom liet manna vallen, dat van nu af gedurende veertig jaren tot aan de intrede van het beloofde Land niet meer ontbrak.
Toen de Israëlieten voor het eerst deze witte korreltjes zagen, riepen zij uit: ^Man-hu? Wat is dat?quot; Voortaan bloei dit den naam houden van manna; de smaak ervan was als die van meel mot honig gemengd.
âHet manna, zegt Ehrenberg, symb. phys. vindt men nog heden in de gebergten van den Sinaï. Het valt van een heester op den grond. De Arabieren noemen het Man. De inlandsche Arabieren, alsook do Grieksche monnikken verzamelen het en nuttigen het met brood bij wijze van honig. Ik zelf heb het van den boom zien vallen, ik heb het verzameld, een teekening ervan gemaakt, jn het medegebracht naar Berlijn, alsmede de plant en doode insecten. Dit manna, zegt hij elders, valt van den Tamarix mannilera, en komt voort door den steek van een insect, de Coccus manniparus. In Uittor, SinaT, GGö.
De tarfah of tamariske groeit op vele plaatsen van het schiereiland, maar vooral in de ouadi Schech, waar eon boscli van deze boomen staat ter lengte van een uur gaans; daarom heeft men
aan het westen van deze vallei den naam gegeven van ouadi Tarfah.
Het manna van den tamariske is een kleverig liars met zoeten smaak, en liangt als dauwdruppels niet aan de bladen, maar aan de stengels. Gedurende de maanden Juni en Juli wordt het dooide heete zonnestralen vloeiend en valt op den grond, waar het zich gewoonlijk vasthecht aan de drooge bladeren van den tarfah, die in vorm nog al overeenkomen met de dennespelden. Het heeft den smaak van honig. Wegens de eigenschappen, die veel over-eenkomst hebben niet het in Exodus beschreven manna, hebben de Arabieren den naam Man eraan gegeven, en de huidige rationalisten zien in beiden hetzelfde voortbrengsel. â Hengstenberg en Keil, Dor Pentat 11, 7;i â 74 beweren dat het manna, waarvan Mozes spreekt, wel degelijk de gom van de tarfah was, maar door een wonder vermenigvuldigd ten tijde dat de Hebreörs aldaar vertoefden.
Er bestaat een zoo groot verschil tusschen het manna der Hebreers, en het gelijknamig voortbrengsel van de tamariske, dat het onmogelijk is ze te vereenzelvigen:
1quot;. I let manna van Mozes viel gedurende veertig jaren het ge-heele jaar door, en het andere komt alleen voor in Juni en Juli.
2quot;. Het eerste viel 's morgens met den dauw, het andere valt op het heetste van den dag, wanneer het eerste smolt.
3quot;. Het hemelscli manna viel eiken dag, maar op den Zaterdag viel hoegenaamd niets; do tamarisk zweet zijn hars gedurende ongeveer zes weken en niet in liet overige gedeelte van het jaar.
4quot;. Volgens Tischendorf, Aus dom H. Lande 55â56, die het beproefd heeft, kan men het huidig manna langen tijd bewaren; dat van Mozes bedierf na eenen dag.
5quot;. J Iet manna van Mozes was voldoende om moer dan twee inillioenen menschen te voeden, voor eiken persoon dus per hoofd een gomor; de gomor was eigenlijk eene waterkruik van 4,88 liters inhoud. Hot huidig manna brengt zoo weinig op dat Stanley, Sinai and Palestine, 2(), n. verzekert, dat het niet voldoende is um eénen mensch gedurende zes maanden te voeden.
Burckhardt, Trav, in Syr. (Jüi schatte do geheele jaarlijksche opbrengst van den tamariske op het schiereiland van den Sinaï
200
op zes honderd ponden. Wellsted en mot hem Corvin en Dieffenbach, 222, brengen bjj een uiterst voordeelig jaar liet jaarlijks product op zeven honderd ponden. Wanneer men nu per hoofd en per dng slechts één lood wil rekenen, dan zou het diiijelijkscJi verbruik reeds meer dan 90,000 ponden beloopen hebben, alzoo de opbrengst van honderd dertig jaren. En de steenwoestijn van Arabië kan ten tijde van Mozes niet vruchtbaarder geweest zijn dan heden, daarvoor blijven ons alle schrijvers borg, die er ooit over gesproken hebben. Dus waren weinig meer tamarisken dan heden, en ook was er geen ander voldoend voedsel evenmin als thans.
Oquot;. JLet manna van Mozes was en moest zijn de hoofdzakelijke spijs; het huidig manna heeft geene voedende spijs, maar dient tot purgatif geneesmiddel. Dit bekent zelfs Derthelot; Comptes rendns de l'Acad. des Sciences, Sept. 1861, en hij geeft p. 584â58C, het bewijs van zijn chemisch onderzoek.
Den dag voordat God het manna had doen vallen, had hij ook aan Zijn volk in de woestijn van Sin geheele vluchten kwartels gezonden, die hun lust naar vleesch konden voldoen. Exod. XV1, 13: Deze kwartels kwamen bij het vallen van den nacht boven de legerplaats der Hebreërs. Daar zij de golf van Suez hadden overgestoken, moesten zij zeer vermoeid zijn, zoodat zij gemakkelijk, zelfs met de hand, konden gevangen worden.
Ditzelfde gebeurde ook Num. XI te Qibrot llattaavah, bij de graven van wellust. âJehova deed eenen wind opsteken, en (de wind) voerde kwartels aan van de overzijde der (Roode) Zee, en verspreidde ze over het kamp over de uitgestrektheid van eenen dag gaans, rondom het kamp, op twee ellen boven den grond, liet volk stond op en den geheelen dag, den geheelen nacht en den volgenden dag verzamelde hot kwartels. Die het minste ervan verzamelde, had nog tien gomors. Men spreidde ze uit rondom het heele kamp (om ze te laten drogen).quot;
Volgens de Vulgaat vlogen de kwartels ongeveer twee ellen boven den grond. Dit alles komt zuiver met de natuur overeen. De kwartels vliegen bijna altoos laag bij den grond, maar vooral dan, wanneer zij vermoeid zijn. Zij trekken regelmatig in de lente en in den herfst, maar nooit hoog in de lucht.
201
Tristam. Nat. Uist of' tlm Bible, 231â2;5:?: âDe kwartels verhuizen bij groote troepen, en trekken geregeld over de Arabische woestijn, en meestal bij nacht. Daar zij geen sterke vlucht hebben, kiezen zij instinctmatig de smalste deelen der zee, en gebruiken elk eilandje tot een halte. Hierdoor komt het, dat men eene zoo groote slachting eronder aanricht te Malta en op vele Gricksche eilanden, welke zjj na een paar dagen verlaten, /ij kwamen in de lento in hot kamp van Israël aan, alzoo trekkende uit Afrika naar het noorden. Volgens hun bekend instinct kwamen zij langs de Roode Zee tot aan het schiereiland van den Siiuü'. staken daar bij eenen gunstigen wind de Golf over om daarna op de kust te rusten. Zoo lezen wjj in de Schriftuur, dat de wind hen aanvoerde van de zee, volgens onze berekening in April, en dat zij dicht bij den grond vliegende, als regendruppels om het kamp nedervielen. Het wonder bestond dus hierin, dat de vogels naar de tenten der Israëlieten gevoerd werden bij bizondere beschikking van God, die zicli van hun bekende gewoonte bediende (tot zijn doel). Voordat zij genoegzaam rust hadden kunnen nemen, werden de kwartels door de Israëlieten gevangen, en gedood rondom het kamp uitgespreid om te drogen iu de zon en voor later te bewaren, juist, zooals ons 1 Icrodotus verhaalt, dat de Egyptenaren gewoon waren te doen.
âTegen den avond begonnen zij aan te komen, en des morgens waren zij in rust. De kwartels reizen altijd bij nacht in de streken der Middellandsche Zee. Ik zelf heb in April te Algiers den grond met kwartels bedekt gezien tegen den morgen, en dat op eene uitgestrektheid van verscheidene acres, waar men in den vorigen namiddag geen enkele dezer vogels ontwaardde. Zij waren zoo vermoeid, dat zij zich niet verroerden tot men op hen trapte; ofschoon men hen bij honderden doodde, verlieten zij de plaats niet voordat p de wind omging; alsdan vertrokken zij plotseling naar het noorden over zee, zoodat geen enkel achterbleef.quot;
Wij zien dat al deze omstandigheden puntelijk overeenkomen met het aangehaalde in het boek Xumeri. Daaruit volgt dat geen bedenking over deszelfs waarheid mogelijk is. Het wonder bestond dus in de voorspelling die Mozes van het feit deed, en daarin dat God bij bizondere schikking de vlucht kwartels daar liet neerkomen, waar hij wilde, om zijn doel te bereiken.
202
HOOFDSTUK IV.
RAPHIDIM.
Xa het verblijf te Sin vermeldt de Eyodus XN II, 1, onmiddellijk dat van Rapliidiin, waar zij slag moesten leveren tegen de quot;*â Amalcciten, bewoners van dit land; volgens liet boek Xumeri XXXIII, 12, 13, waren echter nog twee tusschenplaatsen, nl.
Daphen en Alns.
Heden kan men langs drie verschillende wegen doordringen van el-Markha naar de ouadi van Feiran, hot oude Ilaphidim. Do meest noordelijke en kortste weg van allen, dringt liet land in over de Bin-Dhafary, de zoetwaterbeek die de Hebreërs in de woestijn Sin van het noodige water voorzag; deze weg loopt vervolgens over do bergketen van Xagh-Budenah. Dezen moeie-lijken weg hebben do Hebreërs onmogelijk kunnen volgen.
De tweede weg ligt zeven mijlen lageraf naar liet zuiden, en , j loopt van west naar oost door de ouadi Sidreh, wendt dan rechts,
om ton zuid-oosten, door de ouadi Mokattob aan de ouadi Feiran uit te komen, na eene lengte van zeventien mijlen. Deze weg loopt langs Maghara âde spelonkquot;, waar vroeger de Egyptische mijnwerkers, do rijke metalen voor do pharaos dolven.
De derde, gemakkelijkste, maar ook langste weg loopt van uit het zuiden der vlakte van el-Markha langs de kust, en klimt op negen en veertig mijlen afstand van de ATn Dhafary tot aan Itesi-el-Kattatin. De engelsche natuuronderzoekers vermeenen dat het hoofdleger der 1 lebreërs met do kudde dezen weg gevolgd is,
terwijl een gedeelte zonder kudde of bagage den veel kortoren tweeden weg zou gevolgd hebben, vooral daar ten tijde van Mozes de mijnwerken der Egyptenaren alhier hadden opgehouden,
zoodat zij daar geen hinderpaal behoefden te duchten.
Ofschoon Ebers, Birch, Lepsius en Chabas getracht hebben do plaatsen Daphca en Alus weer to vinden, is toch tot heden omtrent dezen niets zekers te zeggen.
203
Op al deze binnenwegen is heden volslagen gebrek aan water, en dit was ook zoo ten tijde van Mozes, zooals blijkt uit Exod. XVIf, 3. God beval Mozes met den staf op de rots Horeb te slaan, en er stroomde water uit in overvloed.
Horeb beteekent droogte, ook drooge en waterlooze plaats. De cngelsclie wetenschappelijke expeditie maakt een verschil tusschen deze plaats en TForeb, waar Mozes het brandend braambosch zag.
Omtrent het Horeb, de rots, waaruit liet water stroomde, waren verschillende meeningen; de voornaamste was van Sliaw, Travels or Observations etc. 352, 3quot;)3; Laborde, Comm. géogr. de 1'Exode, 99; Stanley, Sinai a Palest. 44â40; Pococke, Voyages etc, F, 432â434. Deze allen stellen Raphidim in de vallei ten westen van den berg Sinaï en van dat gedeelte ervan wat men noemt den berg Serich. Maar Raphidim is niet de huidige ouadi el-Ledja, maar het ligt in de ouadi Feiran, volgens eene oude overlevering bjj Eusebius, en den H. Hieronymus in de vierde, en bij Antonius, Mart. in de zevende eeuw; dit is ook bevestigd door liet plaatselijk onderzoek.
Palmer, Sinaï, 78â79; âEene der waarschijnlijkste en meest belangrijke legenden, die op den Exodus betrekking hebben, is die welke handelt over eene plaats van de ouadi Feiran, genaamd Hesi el-Khattatin, d. w. z. âde onbekende bron der schrijvers.'' Volgens de Beduïnen is deze de plaats, waar Mozes op de rots sloeg om zijn van dorst versmachtend volk water te geven. Hier dient opgemerkt, dat do BeduTnen dikwijls van Mozes spreken als van den âschrijver,quot; die liet boek der Wet geschreven heeft... De Arabieren zeggen, dat de Israëlieten, nadat zij zich aan de wonderbaar ontsprongen bron gelaafd hadden, zich nedervleiden en vermaakten door met keisteenen op de omliggende rotsen te werpen. Ter gedachtenis aan dit feit bestaat nog heden het gebruik, dat iedereen, die daar komt, een steentje ter plaatse nederlegt met het bizonder doel om de bescherming van Mozes te verkrijgen voor zieke familieleden en vrienden. Deze overlevering heeft ten minste de verdienste van de plaats aan te wijzen, die topographisch het beste past, om de waarschijnlijkste ligging der wonderplaats van Massah aan te duiden.
204
Raphulim boteckent âi-ustiplaats, lialtc.'quot; De I.sraólietcn rustten liior van limine vermoeienis, ter plaatse, waar de onadi l1 eiran en de onadi Aleyat bijeenkomen, onder aan den 1) job el et lahuneh, vier mijlen boven Hesi-el- Kbattatin, toen zij voor liet eerst in botsing kwamen met inlanders, de Ainaleeiten, die bun den doortocht wilden beletten. Dit was een oorlogzuchtige stam, die mot de Madianiten, vrienden van Mozes, de woestijn bewoonden. De Midia.niot Jethro was schoonvader van Mozes. De Amaleciten stamden at van Amalec, achtci'-kloinzoon van Abraham, en bewoonden do woestijn Pharan, waarschijnlijk een gedeelte der woestijn lib, die zich uitstrekte van de ouadi el-Arabah ten oosten, tot bjj Egyte t«?n westen, en tot de omstreken van den Sinai, ten zuiden, l'haran vras de naam van de huidige ouadi en oasis van I' eiran, bjj den berg Serbal.
rainier, Sinaï, 1!U â 200; âDe Amaleciten, die vernomen hadden, dat een talrijk leger landverhuizers in aantocht was, en buiten twijfel van dezen kant voor eone verovering beducht waren, hadden zich zoo snel mogelijk vereenigd oj) het eerste jiniit dat hun gelegen kwam om den vijand den weg af te snijden, en hem te beletten zich voor goed op hot schiereiland te nestelen. Daarvoor was nergens een betere plaats, dan do enge bochtige pas van I1 eiran, met zijne bronnen op hunnen kant en zonder water op dien dor Hebreörs, omgeven van spitse, hoekige rotsen, met houtgewas begroeid, verzekerd tegen elke overrompeling, en allo mogelijk voordeel aanbiedende om zich bij eene nederlaag te dekken. Nog eene rede hiervoor is, dat deze schoone oasis met zijne vruchtbare boschjes en strooinende wateren, hunne dierbaarste bezitting van het ganscho land was... Ook dachten zij waarschijnlijk, dat de Israëlieten, die eeuen weg van vijftig mijlen hadden moeten afleggen zonder water, verzwakt en afgemat van dorst moesten zijn; daarom kon een aanval op hen het beste gelukken, alvorens zij de bronnen van Peiran bereikt hadden. Daarbij kwam nog, dat zij hot den Israëlieten van uit do nevendalen van ter zijde en op de achterhoede konden lastig maken, waarop do Douteroiiomium zinspeelt zeggende XXN ,
17_18; âHerinner u wat de Amalociet u gedaan heeft op den
weg toen gij uit Egypte trokt; hoe bij togen u opkwam, en de achterblijvers van uw leger, die vermoeid waren en rustten, sloeg, terwijl gij onder honger en matheid gedrukt waart.
U'O.j
Aan li'ct liootd der JIebreórs vorsloeg Josnü d** Amalecitpn, terwijl ^Iozos bad. Ter rechterzijde van tie ouadi Feiran, nabij de plaats waar Israel gelegerd was, verheft zich een berg van ongeveer 720 voet hoog, genaamd Djebel-et-Tahuneh. Op deze hoogte, de Gibeah van Exodus, bevond zicii Mozes gedurende het gevecht. Hier was iijj buiten bereik der pijlen en spiezen, en kon gemakkelyk de wisselvalliglieden van den strijd volgen en bidden. Xa de nederlaag der Amaleciten richtte iiozes tot dank een altaar op, waaraan Inj den naam gaf van J ehovah-nissi, waarschijnlijk op de nabij gelegen hoogte, Maharrad genaamd.
Ter gedachtenis aan deze heuglijke gebeurtenis, stichtten de eerste Cliristenen alhier do l)isschoppelijke stad Pharan; heden ziet men er nog de ruïnen van talrijke kerken en kapellen, van kloosters en grafsteden. De Engelsehe ontdekkingsreizigers hebben onder de hoopen van puinen een kapiteel gevonden, waarop men eenen man ziet in lange tunica en de armen ten hemel strekkende in biddende houding, zooals .Mozes in Exodus XVII, 11 beschreven wordt. Nog meerdere dergelijke bas-reliefs heeft men aldaar ontdekt.
HOOFDSTUK V.
DE BERG SINAï.
Exod. XIX. De derde maand na den uittocht uit Egypte, kwamen de Israëlieten in de woestijn van den Sinaï; want, nadat zij van Kaphidim vertrokken en in deze woestijn aangekomen waren, legerden zij zich alhier en sloegen hunne tenten op tegenover don berg (Sinaï.)
Twee wegen leiden uit do ouadi Feiran naar hot binnenste van het land; de eene loopt ten noorden en heet el-Ouati-yeh, de andere ten oosten van Haphidim heet de Xagb Ilaua. Beiden doorsnijden eene groote bergketen met steile rotsen, ter hoogte van twee tot drieduizend voet. (De engelsehe voet is 30 eentim. en bijna een halve.)
20G
Daar de Nagb Haua eon uiterst moeielijke weg is, hebben de Hebreers dezen allenvaarschijnlijkst niet gevolgd, en kwamen dus door el-Ouatiyeh aan den voet van don Sinaï, dan hadden zij vanaf Ayun-Muga, de eerste legerplaats in de woestijn, tot aan den Sinaï, in elf keeren, bij de 285 kilometers afgelegd.
Burckhardt, Lepsius, Bartlett, enz. by Ebers, Durch Gosen etc. vermeenen, dat onder den berg Sinaï de Djebel Serbal âde berg
van den maliekolderquot; moet beduid worden. Hij is een der schoonste, ofschoon niet de verhevenste hoogte van het Sinaï-gebergte. Zijne kruin, bedekt met tien tot twaalf hooge rotspunten, levert een prachtig gezicht van den zuidkant aan de zee, en van den noordkant, lüt de ouadi Aleyat. Zijn hoogste punt bereikt 6.(34 voet boven de zee. Ten zuiden is hij wegens de steile rotsen onbo-Himbaar; ten noorden heeft bij drie enge valleien, de ouadi er llimm, de ouadi Aleyat en de ouadi Adjeleh, die in de helling van den berg een aanvang nemen en met eene steile helling n'itloopen in de op drie mijlen afstand gelegen ouadi Feiran. Daalde drie genoemde valleien, alsmede hunne scheiding met tal van rotsblokken bezet zijn, zou het zeer lastig zijn om een kamp erin op te slaan; daarenboven bevindt zich geene andere vlakre in zijne nabijheid. De topographische studie levert verder het bewijs, dat in zijne nabijheid de Hebreürs niet konden verzameld worden, tenzij dat zij zich in groepen verdeelden; buitendien konden zij van geene zijde den top van den berg zien, dien men alleen op verren afstand in het oog krijgt. Deze berg zou dus slecht beantwoorden aan de gegevens van Exodus XIX.
Men vindt wel is waar op den Djebel Serbal, ruïnen van gebouwen, waaraan men eenige valsche overleveringen vastknoopt; maar deze gebouwen zijn van veel jongeren datum dan men alo-emeeu geloofde, immers zij zijn met mortel opgetrokken, en dit vindt men aan geen enkel oud gebouw of ruïne van het land.
Ook de opschriften bewijzen niets ten deze; daar het thans bewezen is, dat geen enkel van de toenmalige Israëlieten er op voorkomt; deze komen overigens op andere bergen en rotsen ook, en zelfs nog veelvuldiger voor b. v. op den Djebel-el-Moneidjeh.
Oude schrijvers, die in de nabijheid geleefd of het schiereiland bezocht hebben, en dus het best getuigenis kunnen geven, zeggen
207
dat niet do Serbal, maar do Pjebel-lluga âdo berg van Mozesquot; als do ware berg van Sinaï moet gehouden worden. Dit leert ons Silvanus Animonius, de II. Nil, monnik van den berg Sinaï, Procopus, Antoninus martelaar en Eutycbius; dan nog de monniken van St. Catharina, wier klooster zich in dit gebergte bevindt.
De berg Sinaï is volgens do Engelsche expeditie eene uitgebreide langwerpige hoogte, van het noordwesten naar het zuidoosten, metende over zijne grootste lengte twee mijlen en eene mijl over Je breedte, /ij ie gemiddelde hoogte bedraagt 6.500 voet boven de zee, en 1.500 boven de omliggende valleien. Verscheidene spitse en stompe granietrotsen verheffen zich op zijne kruin, waarvan de hoogste ééno op hot zuidelijk gedeelte van 7.3t);5 voet, genaamd Djebel-Muca gelijk het geheele gebergte, on drie of vier op het noordwestelijk gedeelte, gezamentljjk genaamd Ras-Sufsafeh, naar den naam van de hoogste steilte, welke 6.937 voet boven de oppervlakte der zee ligt. Behalve aan hot zuidoosten is overal de helling zeer steil. De Sinaï is van alle kanten met valleien omringd; ten noordoosten door de ouadi ed-Deir, die ook den naam draagt van ouadi Schooib, d. i. Hobab, naam van den schoonbroeder van Mozes; ten zuidwesten door de ouadi el-Ledja. Deze laatste vallei komt uit het zuiden, wendt dan om den Ras-Sufsafeh naar het noorden tot aan de ouadi ed-Déir, die dan hare richting naar het noordoosten neemt. Ten noordwesten tegenover den Ras-Sufsafeh ontplooit zich de breede vlakte van er-Rahah, Deze strekt zich vanaf den voet van den berg, waar zij uit de ouadi ed-Ledja en de ouadi ed-Déir ontspringt, niet eene zachte daling anderhalve mijl ver uit naar het westen; zij is zeer vruchtbaar en levert overal een duidelijk gezicht op den Ras-Sufsafeh. âDe hellingen zijn minder steil op de zuidoostzijde, waar men over eene mijl oppervlakte niets dan glooiende rotsen vindt, doorsneden van ravijnen, die de hoogte van den eigenlijken DJebel-Muca van de ouadi Sebayeh scheiden, zoodat alleen van uit dit punt het gezicht op den Djebel-Muca-Sufsafeh eenigszins belemmerd wordt.
Palmer, Sinaï, 174â176; â...De veronderstelling, die het eerst geopperd werd door Robinson, als zoude de Ras-Sufsafeh en de daartegenover liggende vlakte er-Rahah het tooneel geweest zijn van het verhaal in Exodus XIX, XX, XXXI1, is in den kaatsten
208
tijd algemeen aangenomen; want liet blijkt bepaald uit de plannen, photographiën en teekeningen der Engelscho expeditie, dat ten zuiden onmogelijk eene goede stelling te vinden was, terwijl die ten noorden aan alle vereischten voldoet.quot;
Do oppervlakte van er-Rahah is ongeveer 400 acres (do Engelsche acre is 40 aren en 47 centiaren); voegt men daarbij de aansluitende gedeelten van do ouadi's ed-Dcir en el-Ledja, en de onderste zachte helling aan den berg, dan komt men tot 940 acres. A an elk punt dezer oppervlakte heeft men een vrij gezicht op den Ras-Sufsafeli, en zij is meer dan voldoende om een nog grooter kamp dan dat der Israëlieten te bevatten. De vooruitspringende helling van den lias is ongeveer twee duizend voet boven deze vlakte verheven, zoodat men aan zijnen voet letterlijk onder den berg staat.
De Hebreërs konden gevoegzaam alhier eenige maanden doorbrengen, omdat er water in overvloed is en er tevens genoeg voedsel quot;â¢roeit voor de kudden vee, die zij medevoerden. Geen streek van het geheele schiereiland levert zoo veel weidegewas op als de om-lio-gende vlakten van den Djebel Muca; daarenboven is de berg zelf, de hoogten en de dalen van nimmer uitdrogende rivieren en beeken doorsneden.
liet is licht te begrijpen dat men thans na drie duizend jaren, niet meer niet zekerheid alle voorvallen in den Exodus verhaald, hunne plaats kan aanwijzen; nochtans komen eenige streken aldaar zoo passend overeen met het Mozaïsch verhaal, dat dit wel eenige aanmerking waard is.
Zoo leverde de huidige Djebel Moneidjah eene geschikte pla.ats op, om er den tabernakel op te richten. Exod. XXXill,78, lezen wij dat deze zich op eenigen afstand buiten liet kamp bevond, maar toch zoo, dat hij van al het volk kon gezien worden, De Djebel Moneidjah is een lage berg, ten oosten van den Djebel Muga, maar zoodanig gelegen, dat men van uit er-llahah in zuidoostelijke richting voorbij den Ras-Sufsafeh hem gemakkelijk kan zien ; dan nog leverde de ouadi el-Déir, die bij den Moneidjah aanvangt, eene uitmuntende plaats op voor het volk, wanneer het zich om den tabernakel vereenigde.
Het zuid oostpunt van den Sinaï, do eigenlijke Djebel-Muga, is waarschijnlijk de borg Tloreb, waarop Mozes de verschijning had van het brandend braambosch en waarop hij volgens Exod. III, 12 aan God een offer moest brengen; Mozes bracht dit offer op den Sinaï, Exod. XXIV, 4, 5. Uit alle gegevens kunnen wij besluiten, dat in het verhaal van Mozes de Djebel-Mu§a als de ben* Iloreb beduid werd; maar na den Exodus beduidt Horeb veelal de geheele reeks van granietbergen in hot binnenland van het schiereiland.
Eene oude overlevering stelt de plaats, waar het gouden kalf aanbeden werd, aan den aanvang van do oude Schreich, ten westen en vlak naast den Has-Sufsafoh gelegen, en ook zichtbaar uit alle punten van er-Rahah, zoodat alle Israülieten aan de afgoderij konden deelnemen. â Wanneer men door de ouadi Scheich opklimt, komt men aan een ruw, maar toch begaanbaar terrein, dat op de westelijke helling van den berg uitkomt. Het uiterlijke dezer plaats komt zoo goed met Exod. XXXII overeen, dat men haast niet kan twijfelen, of Mozes daalde hierlangs af met de stee-nen tafelen, toon hij het geluid hoorde van het volk, dat in do vlakte feest vierde om het gouden kalf.
Wij zien in het voorafgaande wederom een nieuw bewijs voor do Schriftuur, omdat de wetenschap der negentiende eeuw bevonden heeft, dat zich alles op het schiereiland van den Sinaï bevindt tot in de kleinste bizonderheden, zooals Mozes het beschreven heeft, en na hem van af zijnen tijd tot aan do Engelsche expeditie van 1S6S niemand meer gedaan hoeft noch heeft kunnen doen.
14
â¢J 10
HOOFDSTUK VI. DE HEBREEUWSCHE GODSDIENST.
Daar Mozes den godsdienst aan de voeten van den Sinai aan zijn volk afkondigde, willen wij hier daarop eenen vluchtigen blik werpen, om te zien ot' Mozes, die door zijne opvoeding in alle geheimen van den Egyptisclien eeredienst was ingewijd, daarvan ook iets in den z. g. Mozaiselien godsdienst heeft opgenomen. Daarom zullen wij een kort verslag van beiden geven.
Voorop zij gezegd:
â âDo geloof- en zedeleer in den door Mozes afgekondigden godsdienst bewijzen duidelijk dat zij van goddelijken oorsprong zijn.quot; _ âVerscheidene ritueele voorschriften verraden eene bekendheid met de Egyptische gewoonten en gebruiken.quot; â
1.) Pierret, Essai sur la myth, cgypt., en Mariette, Mere d Apis, 45: Dat de Egyptische godsdienst aanvankelijk het monotheïsmus was, blijkt nog uit de monumonten der negentiende dynastie. Deze o-inquot;- echter over in eenen natuurdienst, die zich in de eerste tijden tot de zon, als tot de bizonderste goddelijke voorstelling bepaalde. De Egyptenaren legden de onveranderlijkheid van God uit door eene altijddurende vernieuwing, en deze vonden zij in do steeds onder- en opgaande zon. Aij betrachtten het licht dei zou als de stoffelijke uiting van God. Het licht en de warmte der zon was het behoud der wereld door God. Naarmate de zon van stand veranderde, kreeg ze een anderen naam, als: de opkomende, de daagsche, de ondergaande, de nachtelijke zon. Weldra werden de verschillende benamingen naar de verschillende standdeelen, als zoovele onderdeelen van de zon betracht. Toen men echter eenmaal zoover op den dwaalweg was, werd de god steeds meer en meer verdeeld, en verviel Egypte zoo diep in het polytheïsme, dat men goddelijke oer bewees aan dieren en aan planten. Hunne voornaamste goden waren tijdens den uittocht van Israël: En, de zon; Amun, de alles scheppende; Osiris, de verpersoonlijking van het loven; Isis, de algoede natuur; Phtah, de alles vol kunst en waarheid uitvoerende; Serhet of Pacht, do geboortegodiu;
211
Knum, de god van het bloeien; Sebek, de god der eeuwigheid; Nebt-ha, de god der onderwereld; Anubis, de gids der dooden naar de onderwereld; Hor, de god der opstanding; Toth, de maangod. Dit waren in het begin slechts vormen en namen voor een en denzelfden god; door hunne verschillende vormen en afbeeldingen werden zjj weldra afzonderlijke wezens en goden. â Elk museum bewijst het hier aangehaalde.
2.) Daarna werden deze goden, ter betere en klaardere voorstelling, afgebeeld met hoofden van dieren, en daar men de eigenaardigheid van vele dieren met de godheid in verband bracht, werden nieuwe goden bijgevoegd; langs dezen weg schijnt vooral de dierendienst ontstaan te zijn, waaronder de dienst van den stier Apis de eerste plaats besloeg, vervolgens de koeien, katten enz. welke als heilige dieren beschouwd werden. Clozes haalde dit aan bij Menephta, toen hij zeide dat hij in de woestijn moest gaan offeren, omdat de Egyptenaren hen zouden dooden, wanneer zij zagen dat de Hebreërs dieren slachtofferden, die zij voor heilig hielden. Exod. Y1I1, 26, hieronder vooral koeien en stieren.
Iets buitengewoons was de vereering der dooden bij de Egyptenaren. Aan deze brachten zij plengoffers en brandden voor hen wierook, evenals voor de goden. 3Ien vierde feesten te hunner eer, doodenfeesten genaamd. Ook de meeste voorstellingen in de grafkelders strekken veeleer om aan te toonen wat de doode na dit leven doet, dan om weer te geven wat hij gedurende zijn leven gedaan heeft.
De godsdienst door Mozes aan zijn volk afgekondigd, week in alles af van het voorgaande.
1.) Deuter. IV, 39; âWeet het dus heden, en neem het u ter harte, dat Jehovah de God is van den hemel boven, en van de aarde beneden, en dat er geen ander is.quot; In het begin van Genesis maakt Mozes reeds dit verschil opmerkelijk, door God aan te wijzen als schepper van zon, maan en sterren.
Exod. XX, 4. âGij zult u niet maken een gesneden beeld, noch eenige afbeelding van wat boven in den hemel is, of onder op de aarde, noch van wat beneden de aarde in het water is.quot;
Deut. IV, 12 enz. âEn God sprak tot u midden uit het vuur. Den klank zijner woorden hebt gij gehoord, maar een (uiterlijken)
vorm hobt gij geenszins gezien____ (iij hebt geen gelijkenis gezien
oj) den dag toen de Heer tot u sprak op den Horeb uit het midden van het vuur: opdat gij niet zoudt dwalen en u een gesneden beeltenis niakou, of de gelijkenis van een man of vrouw,
een beeld van eenig dier..... opdat gjj niet, uwe oogen ten hemel
heffend en daar de zon, de maan en alle sterren ziende, zoudt verleid worden, en datgene zoudt aanbidden en eeren, wat Jehovah geschapen heeft voor alle volken, die onder den hemel zijn.quot;
â Hierin zien wij eene vormelijke veroordeeling van den egyptisehen zonnedienst, dio den Ilebreërs niet onbekend kon zijn.
2.) God verbiedt door den mond van Clozes onverbiddelijk elke afbeelding van God of van diens eigenschappen, en herhaalt dit verbod. Levit. XXY1, 1. Dent. V, 8. Hij gebiedt zelfs dat, wanneer de Israëlieten in het beloofde land zullen zijn aangekomen, de eerste vervloeking door de levieten uitgesproken, moet zijn de volgende: Deut. XXVII, 1H. âVervloekt den mensch, die maakt een gesneden of gegoten beeld, een gruwel des Ileeren, een werk van kunstenaarshanden... en al het volk zal antwoorden en zeggen: Amen.quot; Jozue volbracht dit gebod.
3.) Nadat Mozes alle voorstellingen van God verboden had tot wering der afgoderij, breekt hij eensklaps den draad af. Om de Ilebreërs van de Egyptische bijgeloovigheden voor de dooden af te houden, spreekt hij zoo min mogelijk over de onsterfelijkheid der ziel en Deut. XXVI, 14 verbiedt hij offers aan de doodon te brengen, (niet: voor de dooden).
Inplaats van overeenstemming in geloof- en zedeleer tusschen de twee godsdiensten, vinden wij dat de Mozaïsche lijnrecht tegen den Egyptisehen indruischt. Dit is echter, zooals wij zeiden, niet het geval onder ritueel opzicht.
Daar de mensch verstand en gevoel heeft, wil hij ook eenen godsdienst, die zoowel tot zjjn hart als tot zijn verstand spreekt. Daarvandaan dat wij bij alle volken tempels en altaren, offers en uiterlijke plechtigheden vinden.
Zoolang de Israëlieten hun nomadeleven voerden in de woestijn van den Sinaï, kon van eenen tempel geen sprake zjjn. Nochtans moesten zij iets hebben als uiterlijk teeken van de tegenwoordigheid van Jehova. De ark en de tabernakel zouden hiertoe dienen.
21M
De tiibcniiikol was de plaats van gebed en offers, en de ark in den tabernakel geplaatst, was do troon voor Gods Majesteit.
De ark bestond uit aeaciahont, sittim, was twee en een half el lang, anderhalf el breed en hoog; daarin waren de tafelen der wet neergelegd; hot hipporct, deksel, ge.nadetroon, van zuiver goud wa.s anderhalf el lang en broed. Aan de twee uithoeken van den genadetroon, zat een chenibjjn. Deze twee cherubijnen strekten hunne vleugels hemelwaarts uit en bedekten alzoo den genadentroon, waarheen beider aangezicht gekeerd was.
Hierin nu vinden wij eenige sporen, die aan Egypte herinneren. De egyptische tempel bestond uit een pylone (reusachtige deur aan het voorportaal), een rechthoekige binnenplaats, een zaal meer breed dan lang die oen soort pronaos was, en dan het heiligdom of de fel la. Inliet eigenlijke heiligdom waren geen gedenk-beeldcn gelijk bij de Grieken, maar daar bevond zich een gewijd voorwerp, de har'/ of heilige bark, benevens eene kleine kapel, waaraan men den naam ««as gaf.
De gewijde barken bestonden gewoonlijk uit kostbaar hout, soms wel uir zilver en goud, en geleken in uiterlijk op de schuiten van den Xijl. Midden op de bank stond de naos, gewoonlijk tusschen twee beelden, men liet aangezicht naar elkander gericht, die met hunne naar voren uitgestrekte vleugels den naos overschaduwden. Deze gewijde barken werden op feestdagen plechtig rondgedragen, en dansende vrouwen met tympanums of lieren volgden den stoet; Wilkinson, Popular account etc. 1, 2(37-285. Op den achtergrond van het heiligdom bevond zich het bizonder naos in graniet of bazaltsteen, soms ook in hout, ongeveer 2,30 meters hoog, ü,96 breed en 1,15 diep. Aan het steenen naos was een dubbele deur, die gewoonlijk verzegeld was, terwijl alleen de koning of' de hooge priester deze mocht openen.
Bij vergelijking moet men dus eenige overeenkomst tusschen beiden opmerken. De naos, somwijlen in hout, gelijk de ark des verbonds was bestemd om gewijde voorwerpen op te nemen; maar de naos was werkelijk een kleine kapel, waarin men eenige afgodische voorstelling plaatste, de ark daarentegen is eenvoudig eene kist waarin geen beelden, maar alleen de tafelen der wet lagen, maar de troon van God is Zwc« op het deksel. De belangrijkste (ivereenkomst was wel, dat op de bark twee gevleugelde
214
godheden en op de ark twee cherubijnen waren. Plet denkbeeld der kerabi was van Chaldeeuwschen oorsprong, zooals wij vroeger gezien hebben; zij ook waren de bewakers van het paradijs. Alleen deze twee beelden in nederige, biddende houding mochten bij de Israëlieten voorkomen.
Nog vinden wij eenige sporen van egyptische gebruiken in zekere mozaische riten en in de kleeding van den hoogepriesfcer.
Exodus XXYIII, 15-21: beschrijft liet borstbekleedsel van den hoogen priester aldus: âGij zult ook het borstblad van het oordeel maken; het zal geweven zijn gelijk het ephod, uit goud, purper, tweemaal goverwd scharlaken en uit fijn getwijnd linnen, liet moot vierkant en dubbel zijn, het moet een palm (span) hebben in breedte en in lengte. En gij zult er vier rijen (kostbare) stee-
nen in plaatsen..... En deze moeten in goud gevat zijn naar hunne
rangschikking. En deze moeten de namen der kinderen Israels dragen; twaalf namen moeten er in gegrift zijn, in eiken steen een bizondere naam naar de twaalf stammen.quot;
Mariette, Notice dos mon. du 3Iusée de Boulaq. 2G3-2G4, beschrijft hot borststuk gevonden op dc mummie der koningin Aah-Hotep, moeder van koning Amasis, hoofd der achttiende dynastie: âT)e algemeene vorm van het monument is die van een klein
naos..... In het midden is Amasis voorgesteld, rechtop staande in
eene bark. Twee godheden. Amnion en Phre gieten het zuiveringswater over zijn hoofd. Boven deze voorstelling zweven twee sperwers, als symbolen der levengevende zon. Het werk van dit monument is buitengewoon schoon. Do grond der figuren is diep uitgesneden; dc figuren zelf zijn in gouden slotjes gevat, waarin kostbare steenen zijn aangebracht. (Kier worden ongeveer dezelfde steenon genoemd als bij Mozes.) Dit soort mozaïkwerk, waarbij alle steenkleur van hare aangrenzende door een schitterend gouddraad gescheiden wordt, levert een stemmig en rijk samenstel.quot;
Wanneer men uit het laatste liet bijgeloovige wegneemt, dan zien wij veel overeenkomst; dat men zulk borststuk op de mummie eener koningin gevonden heeft, bewijst wel dat het in Egypte niet voor den hoogepriester alleen diende.
Het kon wel niet anders of vele gereedschappen bij liet offeren als messen enz. moesten bij Hebreërs en Egyptenaren dezelfde zijn in vorm en uiterlijk.
Wanneer wij alles samenvatten, dan komen wij tot het besluit, dat niettegenstaande de Hebreërs hunne beschaving en ontwikkeling aan Egypte te danken hebben, de Hebreeuwsche godsdienst nochtans een eigen en onafhankelijk begin en leven heeft, al blijft dan ook in nevenzaken nog eenig spoor van Egypte over; ja, het zijn zolfs deze nevenzaken in ritueelc voorschriften, die als een bewijs dienen voor de waarheid en oorspronkelijkheid van het I Icbreemvsch monotheïsmus.
HOOFDSTUK VIL KUNST EN WETENSCHAP.
Het is buiten twijfel waar, dat kunst en wetenschap in Egypte bij dc Chamiten reeds eeno hooge vlucht genomen hadden, toen deze bij do Japhetanen, of zooals men hen gewoonlijk noemt, bij de Ariërs nog op eencn lagen trap stonden. Volgens de Ilias VI, 168â170; Gladstone, Time a Place of Homer 63 â 65 was zelfs te dien tijde bij de Grieken de schrijfkunst nog weinig bekend. De egyptische monumenten hebben ons echter bewezen, dat deze kunst zeer lang voor Mozes in het Xijldal algemeen bekend was. Nergens ontbreekt de egyptische scriba met zijn schrijfstift in de hand; inon schreef op steen, op hout, op linnen en vooral op papyrus. Men zou zeggen, dat schrijven in Egypte eene manio was.
Daarom kan het geene verwondering baron, dat Mozes de geboden Gods aanbrengt op twee steenen tafelen geschreven; dat hij voorschrijft deze zelfde geboden in do rots van den berg Hebal in te griffen; dat men ze op de deurstijlen moest schrijven enz. Die zulke bevelen geeft, moet zijne opvoeding in Egypte genoten
210
hebben, en moet zieli richten tot een volk, dat met alle egyptischc gebruiken bekend inoent zijn.
De geschiedenis van liet gouden kalf, de bouw van den tabernakel, van de ark en der benoodigdlieden voor de offeranden leveren het bewijs, dat de Israëlieten in Egypte alle kunsten aangeleerd hadden.
\ an af do vijfde en zesde dynastie der egyptische pharaos vindon wij melding van de ontginning der mijnen, breedvoerig is dit beschreven in Wilkinson, Manners and customs of the anc. Egypt. II, 242. Mitchell, rapp. In a la Soc. khediv. Nov. 1879: âWij bezitten eeno kaart van de goudmijnen uit hot dal van Ilammamat, die dagteekent uit do regeering van Ramses II; deze mijn is gelegen tusschen don Xjjl en de Roodo Zee. In 1874 heeft de khe-dive in do vallei van Ilammamat nasporingon doen instellen om de werken op deze kaart aangegeven, bonevens andere monumenten terug te vinden, lion heeft er de overblijfsels ontdekt van ongeveer twee duizend in briksteenen opgetrokken woningen, groote hoopen potscherven, veel overblijfsels van mortieren, granietsteenen en andere werktuigen, die ontwijfelbaar gediend hebben om het kwarts te stampen en fijn te malen. Duizende tonnen metaalscliuim liggen daar opgehoopt langs do gewezen vijvers waar liet gouderts ge-wasschen werd. Tallooze kwartsaderen doordrinyren do erraniet-
O ~
rotsen...quot;
Zooals wij weten, was deze Ramses 11 do verdrukker der I lobreërs, en zal dus velen hunner tot den zwaren arbeid van mijnontginning gedoemd hebben in den berg Buklien, dat is het huidig Ilammamat. Ook werden toen in Egypte de fijnste goudwerken uitgevoerd; ja, het inzetten van goud en edelgesteente uit dien tijd baart nog in de museums de bewondering onzer huidige kunstenaars. De meer begaafde onder de Hebreürs moesten deze kunst ook kennen, zooals blijkt uit Exod. XXXI, 2 en XXXV, 30,
Wanneer de Israëlieten niot genoeg goud voor al die werken hadden medegenomen, dan kondon zij erts genoeg vindon in de thans door de Egyptenaren verlaten mijnon van don Sinaï, waarbij zij ook de noodige instrumenten vonden, dio gewoonlijk do ir de gouddelvers werden achtergelaten wegens het lastige en zware vervoer.
217
Het valt niet te ontkeunen dat in de aanbidding van lier gouden kalf eene navolging lag van den egyptiselien eeredienst van den stier Apis; evenzoo is het gesteld met de daarbij uitgevoerde spelen en dansen.
Itoe onbegrijpelijk ver de Egyptenaren liet in do kunst van snijwerk en graveeren gebracht hadden, tot zelfs in het hardste edelgesteente, blijkt uit de kostbare juweelen van de koningin Aah-Hotep in het beroemd museum van Cairo, Mariette Xot. des mon. etc. 2(31â2()3. Daarom is het wederom niet te verwonderen, dat Mozes de namen der J2 stammen op steenen deed insnijden.
Ook leveren ons de monumenten de schoonste bewijzen over het maken en weven van gouddraad, waarvan even als van gekleurde stoffen nog fragmenten ontdekt zijn van onder de regeering van Osortosen I, de Sesostris der twaalfde dynastie, dus langen tijd voor Mozes. Wilkinson, Manners etc. II, 59, 79.
Alle muziekinstrumenten, waarvan in den Exodus spraak is, vinden wij terug in de grafkelders van Thebe. Wilkinson, Planners etc. II, 118.
Zoo zien wij, dat alles wat bij Mozes verhaald wordt over het verblijf der Israëlieten in de woestijn van Sinaï ten volle bewaarheid is. Zij hadden eerst kortelings Egypte verlaten, en morden nog zeer dikwijls tegen Mozes, vooral als zij dachten aan de feestmalen, die zij daar verlaten hadden, aan dat tusschen groen gelegen erf, de «//;///, waar zij, evenals de huidige fellah, alle lijden en verdrukking vergaten; omdat zij alzoo zoozeer doordrongen *â waren van de Egyptische zeden, vinden wij hiervan bij hen de sporen nog terug, en een strenge tucht was noodig, om hen van den dwaalweg der Egyptenaren af te houden.
218
HOOFDSTUK VII r.
VERTREK NAAR DE WOESTIJN PHARAN.
Dc Israëlieten legerden bijna een jaar aan Jen voet van den Siiuu, waar zij als het ware van de overige wereld waren afgesneden. Hier ontvingen zij de geboden Gods, richtten den tabernakel op, maakten de ark des verbonds, vervaardigden de priesterlijke kleeding en al datgene wat God door Mozes had voorgeschreven. ïen zuiden en zuid-westen waren zij veilig achter onoverkomelijke bergen, ten noorden en noordwesten achter steile rotsen, die slechts door twee gemakkelijk te verdedigen bergpassen toegang verleenden. Ten oosten hadden zij de Madianieten, wier scheik Jethro, schoonvader en bondgenoot van Mozes was. Aldus tegen eiken aanval verzekerd, leefden zij veilig.
Xum. X, 11, 12: âliet tweede jaar na den uittocht uit Egypte, in de tweede maand, op den twintigsten van do maand, verhief zich de wolk van boven den tabernakel, en de kinderen van Israël vertrokken, afdeeling bij afdeeling, uit de woestijn van Sinaï, en de wolk liet zich neder in de woestijn Pharan. Volgens IVum. XI, 34 bevatte deze woestijn nog Qibroth-Hattaavah, de graven der wellust; alwaar ten tweede male door God eene vlucht kwartels gezonden werd.
Eenigen zijn van meening, dat Mozes, bij liet verlaten van den Sinaï, zicli terstond noordwaarts wendde; anderen meenen dat liet meer zeker is, dat hij zich naar liet oosten, naar de golf van Akabah (elamitische golf) wendde. Volgens de engelsche expeditie zou dan Erueis-el-Ebeirig, op dertig mijlen van den Djebel-Muga naar de golf van Akabah, het Qibroth-Hattaavah zijn. Daar ook ontwaart men over verscheidene mijlen uitgestrektheid do sporen van een oud kamp, omheiningen, steenen gerangschikt om vuur aan te leggen en tuinulussen. Maar Bartlett, From Egypt to Palestine 293 merkt op, dat de vereenzelving van Erueis-el Ebeirig mot Qibroth-Hattaavah mogelijk, maar niet zeker is. Al neemt men ook de feiten aan, dan kan men daaruit nog niet die gevolgtrekking nemen, ofschoon men ze ook niet behoeft te verwerpen; hier echter hebben wij geene zekerheid.
219
De Hebreërs trokken volgens Nnm. XT, 34 van Qibrot Hattaavah naar Haseroth, dat in de richting van Akabah vijftien mijlen verder ligt, omdat die naam gemakkelijk herkenbaar is in hot huidig Aïn-Hudherah. Hier ook vindt men de sporen van een oud kamp, rivieren en palmboomen. Haseroth beteekent afsluiting, omheinig. De Afrikaansche Arabieren, die oorspronkelijk uit Arabic komen, zegt Palmer, The Desert of the Exodus H, 321, zoeken eene kampplaats uit en vereenigen hun vee, dat hun hoogste rijkdom uitmaakt, en leggen rondom het vee hunne hutten of tenten aan; rondom hoopen zij dan steenen op, en de doorgangen in deze worden met dikke bossen van doornige acacia gesloten; deze ondoordringbare schutting noemen zjj duars, en het lijdt haast geen twijfel of deze duars zijn een en hetzelfde als de haserot, afsluiting.
Num. XIII, 1. Van Haseroth vertrokken de Israëlieten, maakten negentien rustplaatsen, en kwamen in de woestijn Pharan, waarschijnlijk aan dien kant waar Cades ligt. Volgens Palmer, The
i desert etc. H, 350â353 is Cades het huidig Ain-Gadis, in den
, Djebel-Magrah, op de zuidwestelijke grens van den Xegeb. Van
hieruit werden de spionnen naar het beloofde land gezonden, i De voorlaatste der negentien rustplaatsen is het met zekerheid
bekende Asiongaber, gelegen op do noordkust van de elamitische golf bij Elatli. De zevende rustplaats, Arada, schijnt wel nabij den [i DjebelAradeh geweest te zijn, zoodat ilozes van Haseroth langs
t den weinig bekenden, maar gemakkelijken weg bij den Djebel
n Aradeh, over Asiongaber naar den Djebel Tih trok. e | Ch, Muller, Atlas of anc. Geogr. bibl. a. class. 25: âToen do a Israëlieten Haseroth verlaten hadden, kwamen zij door de woestijn k aan den voet van een bergachtige streek en sloegen hun kamp n aldaar op. Van daaruit zonden zij mannen om het land te onder-ir zoeken en hun bericht te brengen. Het kamp was te Cades; nabij 3- do grens van Edom, en in de wroestijii Pharan, aan den voet der g bergen was een vooruitstekende rots voor het volk; dat wil zeggen, it dat men zich bevond bij den Arabab of de woestijn Sin, die op 5- de berghoogte van et-ïih aan Idumea grenst. Dit schijnt te duiden i; op den voet van den Djebel-Mukrah, waar een oude weg uit de bergstreek afkomt. Palmer echter wijst hiervoor eene plaats aan kortelings door Rowlands ontdekt, op eenigen afstand naar
218
HOOFDSTUK VIII.
VERTREK NAAR DE WOESTIJN PHARAN.
Dc Israëlieten legerden bijna een jaar aan den voet van den Sinaï, waar zij als liet ware van de overige wereld waren afgesneden. Hier ontvingen zij de geboden Gods, richtten den tabernakel op, maakten de ark des verbonds, vervaardigden de priesterlijke kleeding en al datgene wat God door Mozes bad voorgeschreven. Ten zuiden en zuid-westen waren zij veilig acliter onoverkomelijke bergen, ten noorden en noordwesten achter steile rotsen, die slechts door twee gemakkelijk te verdedigen bergpassen toegang verleenden. Ten oosten hadden zij de Madianieten, wier scheik Jethro, schoonvader en bondgenoot van Mozos was. Aldus tegen eiken aanval verzekerd, leefden zij veilig.
Num. X, 11, 12: âHet tweede jaar na den uittocht uit Egypte, in de tweede maand, op den twintigsten van de maand, verhief zich de wolk van boven den tabernakel, en de kinderen van Israël vertrokken, afdeeling bij afdeeling, uit de woestijn van Sinaï, en de wolk liet zich neder in do woestijn Pharan. Volgens Num. XI, 34 bevatte deze woestijn nog Qibroth-Hattaavah, de graven der wellust; alwaar ten tweede male door God eene vlucht kwartels gezonden werd.
Eenigen zijn van meening, dat Mozes, bij het verlaten van den Sinaï, zicli terstond noordwaarts wendde; anderen meenen dat het meer zeker is, dat hij zich naar het oosten, naar do golf van Akabah (elamitische golf) wendde. Volgens de engelfiche expeditie zou dan Erueis-el-Ebeirig, op dertig mijlen van den Djebel-Muga naar de golf van Akabah, hot Qibroth-Hattaavah zijn. Daar ook ontwaart men over verscheidene mijlen uitgestrektheid de sporen van een oud kamp, omheiningen, steenen gerangschikt om vuur aan te leggen en tumulussen. Maar Bartlett, From Egypt to Palestine 293 merkt op, dat de vereenzelving van Erueis-el-Ebeirig met Qibroth-Hattaavah mogelijk, maar niet zeker is. Al neemt men ook de feiten aan, dan kan men daaruit nog niet die gevolgtrekking nemen, ofschoon men ze ook niet behoeft te verwerpen; liier echter hebben wij geene zekerheid.
219
De Hebreërs trokken volgens Num. XI, 34 van Qibrot Hattaavah naar Haseroth, dat in de richting van Akabah vijftien mijlen verder ligt, omdat die naam gemakkelijk herkenbaar is in het huidig Aïn-Hudherali. Hier ook vindt men de sporen van een oud kamp, rivieren en palmhootnen. Haseroth beteekent afsluiting, omheinig. De Afrikaansche Arabieren, die oorspronkelijk uit Arabië komen, zegt Palmer, ïlie Desert of tbc Exodus II, 321, zoeken eene kampplaats uit en vereenigen hun vee, dat hun hoogste rijkdom uitmaakt, en leggen rondom het vee hunne butten of tenten aan; rondom hoopen zij dan steenen op, en de doorgangen in deze worden met dikke bossen van doornige acacia gesloten; deze ondoordringbare schutting noemen zij duars, en het lijdt haast geen twijfel of deze duars zijn een en hetzelfde als de haserot, afsluiting.
Num. XIII, 1. Van Haseroth vertrokken de Israëlieten, maakten negentien rustplaatsen, en kwamen in de woestijn Pharan, waarschijnlijk aan dien kant waar Cades ligt. Volgens Palmer, Tbc desert etc. II, 350â353 is Cades bet huidig Aïn-Gadis, in den Djebel-Magrah, op de zuidwestelijke grens van den Negeb. Van hieruit werden de spionnen naar bet beloofde land gezonden.
De voorlaatste der negentien rustplaatsen is het met zekerheid bekende Asiongaber, gelegen op de noordkust van de elamitische golf bij Elath. De zevende rustplaats, Arada, schijnt wel nabij don Djebel-Aradeh geweest te zijn, zoodat Mozes van Haseroth langs den weinig bekenden, maar gemakkelijken weg bij den Djebel Aradeb, over Asiongaber naar den Djebel Tih trok.
Cb, Muller, Atlas of anc. Geogr. bibl. a. class. 25: âToen de Israëlieten Haseroth verlaten hadden, kwamen zij door de woestijn aan den voet van een bergachtige streek en sloegen bun kamp aldaar op. Van daaruit zonden zij mannen om bet land te onderzoeken en bun bericht te brengen. Het kamp was te Cades; nabij de grens van Edom, en in de woestijn Pharan, aan den voet dei-bergen was een vooruitstekende rots voor het volk; dat wil zeggen, dat men zich bevond bij den Arabah of do woestijn Sin, die op de berghoogte van et-Tib aan Idumea grenst. Dit schijnt te duiden op den voet van den Djebel-Mukrab, waar een oude weg uit de bergstreek afkomt. Palmer echter wijst hiervoor eene plaats aan kortelings door Kowlands ontdekt, op eenigen afstand naav
220
het noord-westen, ofschoon deze niet ligt in de woestijn van et-Tih, noch mibjj den Arabali, noch aan het uiteinde van den bebouwden bergstreek.quot;
Zooals wij zien, is niet gcene zekerheid de ligging van Cades aan te wijzen, terwijl nog steeds grooten twijfel blijft bestaan over de ligging der meeste plaatsen van af den Djebel-M ik.-i tot aan Cades.
HOOFDSTUK IX. HEDENDAAGSCHE ZEDEN OP SINAÃ.
A. Stanley, wiens gezag wij reeds meermalen hebben ingeroepen, die voorname Eugelsche reiziger, geeft ons in Siuaï (J3Câ 9:i7 volgenden vluchtigen blik van de zeden op Sinaï, zooals deze door hom zijn waargenomen.
âDe algemeene naam van Midbar, waarmede de llebreërs eene woestijn bedoelden, en voornamelijk die van Sinaï, beteekent we de, veevoeder. Xiettegenstaamle die woestijn eene kale naakte oppervlakte te aanschouwen geeft, zal men haar toch zelden geheel en al van alle groen ontdaan vinden, terwijl vooral do aromatische heesters langs de hooge berghellingen genoegzaam voedsel opleveren voor de kudde der zes duizend Beduïnen , die de tegenwoordige bevolking van liet schiereiland daarstellon. De overal verspreide schapen weiden in volle vrijheid door welriekende kruiden, die de woestijn langs de groene hellingen dor bergen voortbrengt. ,
âDit is een zelfde verschijnsel als dat der oude tijden, teen zij daar quot;'raasden onder de hoede der dochters of slavinnen van Jethro. Evenals toen, kan men ze nu nog zien klimmen langs de rotsen of zich verzamelen om de waterplassen en bronnen der valleien, onder de hoede der zwartgesluierde Beduiiische maagdon. En in de stammen der Tiyaha, der Tow ara of der Aluin met hunne hoofden en volReliti^en. met hunne kleederdracht, zeden, wonin-
Son, zion wij waarschijnlijk do afbeelding der Madianiten, der Amalociten en zelfs der Israëlieten in hunnen oorspronkelijken staat.
âDie lange rechte lijnen van zwarte tenten rondom de bronnen der woestijn geschaard, geven .ons op kleine schaal eene voorstelling van de grootc legerplaats om den gewijden tabernakel, dio zich onder de gekleurde huiden, niet majesteit in hun midden verhief, en nog na langen tijd aan de in Palestina gevestigde Ilebreërs, don tijd van hun zwervend leven herinnerde. De verlaten dorpen, die nog herkenbaar zijn aan de ruwe omheiningen in rotsblokken, zijn zonder twijfel dezelfde als die, waaraan do dwalende Israëlieten den naam gaven van Haseroth, als die welke hun later de gedachte gaven van hot eerste heiligdom to Silo.
âDo onhebbelijke begraafplaatsen met hunne talrijke naamlooze steenen, ver van elke mensehelijko woning gelegen, zijn het evenbeeld van die, welke het leger van Israël op de verschillende halten van zijne reis moest achterlaten te Massa, bij don Sinaï, te Quibroth-IIattaavah. Jlet groeten der opperhoofden in hunne schitterende scharlaken kleeding, die de eon den anderen tegemoet gaan, de buiging, het kussen op beider wang, het stilzwijgend binnengaan in de tent ter overweging, dat alles kon niet beter geschilderd zijn dan in het verhaal van het weerzien van Mozes en Jethro. i)e samonstelling der stammen, mot hunne rangen van Scheiks of opperhoofden, zooals Jethro dit aan Mozes voorstelde, bestaat daar nog onder den deftigen stam derïowara die misschien in rechte lijn van hen afstammen.quot;
Palmer, The desert etc. 1, 52 : âEen kenschetsende trek deed zich voor bjj onze intrede in de woestijn; daar zagen wij eene dagelijks zich herhalende gebeurtenis, zooals die voorviel ten tijde der patriarchen. Wij waren gekomen tot in de nabijheid der legerplaats van onzen scheik Eid; zijne vrouw met twee kinderen en oen oud man der familie kwamen hem te gemoet. Eid groette den grijsaard, omhelsde hem, kuste hem op boide wangen; daarop drukten zij elkander do hand herhaaldelijk uitroepende: Taiyibin ? Gaat het u wel! terwijl de andere antwoordde: 'Al hamdu hillah taiyibin! God zij dank, wel! Toen ik dit zag, herinnerde ik mij de woorden van Exodes XVIII; ö, 7: âJethro, de schoonvader van Mozes, kwam hem te gemoet in de woestijn, met zijne vrouw en kindoren. En hij zond tot Mozes, hem latende zoggen: Ik
222
Jethro, uw schoon vader, ik kom u bezoeken, met uwe vrouw en uwe twee kinderen. En Mozes ging zijnen schoonvader te gemoet, neeg, en omhelsde hem, en zij vroegen elkander: Zijt gij â wel?
âToen Mozes bij zijne eerste vlucht uit Egypte op het scliier-eiland van Sinaï kwam, ontmoette hij de dochters van Jethro, die de kudden hoedden. Datzelfde gebruik bestaat nog in dat land. De ongehuwde meisjes zorgen voor de kudden en hoeden die, omdat deze bezigheid geacht wordt beneden do waardigheid van den man te staan.quot;
De bevolking der bewoners van het schiereiland bedraagt ongeveer vier duizend mannen, van vrouwen en kinderen maakt men geen melding zooals ook Mozes bij de telling deed.
De ontmoeting van Mozes met Sephora en de andere dochters van Jethro wordt in Exod. II, 16-17 volgenderwijs verhaald: âMozes bleef in Madian en zette zich neder bij eenen put. Maar een priester van Madian had zeven dochters , die water kwamen scheppen, en na de drinkbakken gevuld te hebben wilden zij de kudden laten drinken. Maar de herders kwamen en dreven haar weg. Toen stond Mozes op, en verdedigde haar en liet hare kudden drinken.quot;
Palmer, The desert, etc. II, 319-320: âEen vallei van den Sinaï heet el-Biyar, de putten, omdat daar drie of vier diepe maar slijkerige putten zijn. Dit waren de eerste die wij aantroffen, die een vorm hadden zooals men ze gewoonlijk in Palestina vindt. Daaromheen bevinden zich een zeker aantal steenen drinkbakken om het vee te drenken. De opening van de putten is met eenen grooten steen gesloten, die men er voor uit wentelt, juist zooals dit in Genesis beschreven staat, wanneer men water moet hebben.quot;
Palmer, The desert, etc. I, 1'25-126, geeft eene uitvoerige beschrijving van het weven, zooals dat tegenwoordig nabij den Djebel-Muya door de vrouwen en meisjes der Beduiuen geschiedt met de meest oorspronkelijke werktuigen, welke hij beweert, dat in drie duizend jaren niet de minste verandering kunnen ondergaan hebben.
De huidige samenstelling der stammen en der opperhoofden op het schiereiland gelijkt in alles op die, welke door Jethro ter vaststelling onder het volk aan Mozes werd aanbevolen.
223
r
r De misdrijven onder dit van elkander onafhankelijk voik wor-
; den nog- altijd gestraft gelijk ten tijde van Mozes; de lex tcdionis
? heerscht nog in al hare gestrengheid; en zij heeft dit goede: dat
zelden een moord bedreven wordt. â De man moet den verleider zijner vrouw tot den dood toe vervolgen. â De Eeduinen 1. zullen gaarne in den handel iemand bedriegen, maar als zij een-
:5 maal de overeenkomst gesloten of hun woord gegeven hebben,
n dan blijven zij eraan getrouw. â Laat iemand op reis zijne
goederen achter, dan zullen deze met de meeste zorg bewaard worden. â Alle huiselijke bezigheden blijven aan de vrouwen v overgelaten, tot zelfs het fijn malen van het graan met eenen
m kleinen ronden steen in de holte van eenen grooteren. â De
riten der offers van rammen en bokken, de besprenking met bloed, de besnijdenis, het verbod van het vlecseh van zekere
l; dieren als voedsel, de ceremonies van het huwelijk, de bepaalde
xr dagen voor de zuivering der kraamvrouwen, dit alles is bijna
;11 onveranderd hetzelfde gebleven bij de Eeduinen van af den tijd
ie der Hebreen.
ar ..........
re
Holland, lid der engelsche wetenschappelijke commissie besluit
gn in On Mount Sinai, in Recovery of Jerusalem 546â547: âliet
ar is waar, dat men den weg der Israëlieten niet met absolute zeker-
[ie heid heeft kunnen vaststellen; maar er is toch een groot licht
it. opgegaan over deze zaak door het gedane onderzoek; en ik kan
en hier bijvoegen, dat geen enkel lid der expeditie naar Engeland
eil is teruggekeerd, of het was vaster dan ooit overtuigd van de
jis waarheid dor gewijde geschiedenis, welke wij in de woestjjn zelve
jquot; onder de oogen hebben gehad. De bergen en de dalen, zelfs de
je- rotsen, naakt en geblakerd als zij zijn door de zon, leveren het
en bewijs, dat geen ooggetuige kan weerspreken, dut daar icel de
3dt groote en verschrikkelijke woestijn ligt, door welke Mozes onder
lat Gods leiding, zijn volk voerde.
er-
len ter
HOOFDSTUK X.
DOOD VAN AARON EN MOZES.
Xum. XX, 22 enz.: âToen zij te Cades de legerplaats hadden opgebroken, legerden zij aan den voet van den berg Hor, die aan de grenzen van het land Edom ligt. En Jeliovah sprak tot Mozes: â...Neem Aaron en zijnen zoon met u en gij zult hen leiden op den berg Hor... en Aaron zal vereenigd worden (met zijnen vaders) en hij zal daar sterven.quot; Dit gebeurde.
Volgens Joseplms, Ant. jud. IV, 4 ligt Hor in de omstreken van Petra. Heden nog is er een graf met den naam Aaron.
Irby and Mangles, Travels etc. 133â135: â...De wondervolle kleurenverselieidenheid maakt Petra tot eeno dor schoonste plaatsen (in do woestijn). Xa eenen arabischen herder tot gids te hebben genomen, begonnen wij den steilen, vermoeienden en gevaar-vollen weg te beklimmen... Op den top van den berg aangekomen, vonden wij in de rots een vooruitstekend punt, waarin zich eene spelonk bevindt. Daarin hing een lederen zak met tamelijk slecht water gevuld: een slecht stroobed was met eene kruik benevens eenige ellendige meubels het huisraad van den scheik dio daar verblijft... Het graf zelf bevindt zich in een klein gebouw. Jn uiterlijk verschilt het niet van de satons der muzelmannen die men in alle Turksche wingewesten zoo veelvuldig aantreft. Oogen-sehijnlijk heeft het nog in jongeren tijd eeno herstelling ondergaan... Alles wrat hier is, pleit voor het verhaal van Josephus... Xiet ver van den noordwestelijken hoek is een doorgang die langs eene trap naar eene gewelfde grot voert... Aan het uiteinde van deze is eene dubbele ijzeren traliedeur, die voorheen den toegang tot het graf van Aaron afsloot, maar die heden vrijen toegang verleent, zoodat wij hot graf konden aanraken; dit is mot een uit lappen gemaakt tapijt bedekt... Wij haddon een uur tijds noodig gehad om den berg te beklimmen, in eveu zooveel tijd daalden wij af.quot;
225
Eenigo maanden na Aaron verliet zijn broeder Mozes de aarde. Deut. XXXII, 40: âStijg op dezen borg Abarim, op den berg Nebo, in liet land .Moab tegenover Jericho: en aanschouw hot laud Chanaan, dat ik aan de zonen van Israel in bezit zal geven.quot;
XXXIV, 1â3: âEn Mozes klom uit de vlakte van Moab op den berg Xobo, op het toppunt van den berg ISTebo, op het toppunt van den Phasgah tegenover Jericho, en Jehovah gaf hem het geheele (beloofde) land te aanschouwen van Gralaad tot Dan, en geheel Xephtali en hot land Ephraim en Manasse, en geheel hot land Juda tot aan de westzee (Middellandsche Zee), de Xegeb en de Kikkar in de vlakte van Jericho, -de palmenstad tot aan Zoar.quot;
Chateaubriand. Hineraire. âOver den geheelen bergrug die zich van uit Palestina ten oosten aan het oog vertoont, zal men te vergeefs een hoog uitstekend punt boven de bergvlakte zoeken, dat aan de beschrijving van den Xebo voldoet. Om de plaats dezer hoogte zeker te bepalen, hadden wij er eene uitvoeriger beschrijving over moeten hebben.quot;
Nabij den mond van den Jordaan is echter de bergrug zoo hoog, dat men van daaraf het beschrevene kan overzien. Van daar ziet men ten noorden het geheele land Galaad, tot zoover het gezicht draagt naar Dan; dit echter lag achter liet gebergte Xephtali. Ten oosten heeft men een vrij uitzicht tot omtrent aan de Middellandsche Zee, terwijl zelfs Jerusalem over de lage omgeving van Jericho zichtbaar is. Jleer naar liet zuiden ligt de âcirkelquot; (Ilik-kar) van de vlakte om Jericho; dan komt do Xegob of woestijn van het Zuiden, en eindelijk de groote woestijn âZoar.quot;
Wij zijn aan het einde der boeken van Mozos, in zooverre deze de geschiedenis bevatten van af de Schepping tot den intocht in liet beloofde Land. Mot welgevallen kunnen wij nederzien op de bewijzen (waarbij wij ons steeds tot de oonig noodzakelijke beperkt hebben), die ons geleverd zijn door de archaeologie, de epigraphie, de philologie, en de ware historische kritiek, die allen eenparig samengaan om ons de zuivere waarheid der Schriftuur te bevestigen.
O-O
15
Josué en de Rechters.
EERSTE AFDEELING.
Josué.
HOOFDSTUK I, DE VEROVERING VAN PALAESTINA.
Ofschoon wij hier vooreerst die schoone ontdekkingen niet bevinden, zooals Assyrië on Egypte ons die overleverden, zoo moeten wjj in waarheid bekennen, dat de bemoeiingen der hedendaagsche wetenschap veel heeft bijgebracht, om door de bestudeering der zeden en gebruiken van het Oosten, dat gedeelte der Schriftuur beter te verstaan, dat nog vele duisterheden bevatte, en besloten is in het tijdperk van af Mozes tot aan de daarstelling van hot Israëlietisch koningschap.
Volgens Josephus, Antiq. V, '29 was Josué vijf en tachtig jaren oud, toen hij Mozes moest vervangen. Zijne dubbele zending bestond iii het innemen van het beloofde Land, en in het verdeelen ervan onder de twaalf stammen.
Toen de Israëlieten het land Chanaan binnendrongen, bestond dit uit vele kleine koninkrijkjes, wier gebied zich meestal niet verder uitstrekte dan tot eene stad met hare naaste omgeving. Hierin komt de Schriftuur volkomen overeen met de egyptische monumenten. Delaunay, compte-rendu, etc. 18 Aug. 1874, p. 5952 : âNiet dat de annalen van Thoutmes 111 de gegevens van den
Bijbel weerspreken, integendeel zij bevestigen ze op de schoonste wijze.quot; En werkelijk op eene pylone, ontdekt door Mariette in de ruïnen van eenen tempel van Karnak, nabij bet oude Tbebe, bad Tboutmes 111 van de achttiende dynastie, meer dan zes honderd geographiscbe namen doen ingriffen; te dien tijde hadden de Chananeërs Palestina in bezit en de Hebreërs woonden in Egypte. Daaronder zijn honderd negentien namen uit Palestina. Mariette, Les listes geogr. des pylones de Karnali, 53: âDe plaatsen, waaruit Tboutmes de inwoners als gevangenen naar Tbebe medenam, stellen een land voor, dat in zich omvat ten noorden Galilea, ten zuiden Judea, dat ten westen begrensd is door de Middellandsche Zee, en dat ton oosten een gedeelte van het koninkrijk Basan, van het land der Ammonieten en Moabiten beslaat. Daarin is Samaria niet inbegrepen, omdat... dit bergland met zijne enge passen dapper de wapenen van Tboutmes afsloeg, of omdat deze bondgenooten van hem waren, in plaats van vijanden.quot; Mariette, die de namen Kadesch en Megiddo slechts voor titels houdt, meent de zes overige groepen, gerangschikt als vorstendommen te kunnen noemen: de Jcbussi (Jebuzeër), de Amori (Amorrheër), de Guir-gaschi (Gergezeër), de Hivi (Heveër), de Erki (lletbeür), de Sini (Pherezeür).
Joaué had dus vele vijanden te bevechten, die afzonderlijk wel zwak, maar vereenigd zeer sterk waren. Hij was over den Jordaan in Chanaan gedrongen, had Jericho ingenomen, weldra ook Haï en Bethel, en zelfs Sichem in het hart van het land. Daarop sloten de meest bedreigde vorsten een bondgenootschap en ver-eenigden hunne stnjdkracliten onder Adonisedek, koning van Jebus. Deze wilden hunnen eersten aanval richten tegen de inwoners van Gabaon, die zich gewillig aan Josué onderworpen hadden; maar toen Josué door de Gabaoniten van het hun dreigend gevaar onderricht werd, snelde hij hen ter hulp. Het gros van het leger van Josué bevond zich te Galgala bij den Jordaan. Toen Josué den eersten keer van Galgala naar Gabaon trok, bad hij drie dagen erover gedaan, maar nu maakte hij in allerijl den weg in éénen nacht af, en viel de verbondenen op het onverwachts op het lijf, reeds bij het opkomen der zon. De Chananeërs sloegen op de vlucht langs den weg naar Bethoron.
Stanley, Sinaï and Palestine, quot;207â208: âUit de vlakte van
228
Saron richt zich ocno brocdc vallei van korenlanden rechtstreeks naar de hoogten, die hier meer dan elders verheven zijn. Deze vallei is die van Alalon of der Herten, en haar naam leeft nog voort in een klein ten zuiden gelegen dorp. De vallei is een weinig onderbroken door eene kleine verhevenheid, waarop het dorp Beit-Nuba ligt. Na achtereenvolgens door Hoit-Sii'ch en Boit-Likhi te zijn getrokken, komt men aan ccne andere hoogte en aan een ander dorp. Van daar af wordt de vallei steeds nauwer en men klimt langzaam omhoog. Van deze hoogte ziet men beneden het dorp Beit-ur el-tahti, herkenbaar aan zijne palmboomen, terwijl boven aan de oostgrens van den bergpas het dorp Beit-ur el-foka gelegen is. Langs dezen bergpas loopt de weg van Xeder-Bethoron naar Hoog-Bethoron âhet huis der spelonken.quot; Men vindt nog sporen van deze spelonken, ofschoon in onvoldoend aantal om dezen naam te rechtvaardigen. Men zegt, dat zich twee of drie diepe grotten bevinden in eenen heuvel onmiddellijk beneden Iloog-Bethorou. Van IIoog-Bethoron komt men na dalen en klimmen wederom op eene andere verhevenheid, die de hoogten beheerscht boven El-Gib, het vroegere Oabaon, dat men langs eene zachte
helling bereikt.quot;'
Het was langs den beschreven weg naar Bethoron, dat de Cha-naneërs vluchtten, achtervolgd door de Israëlieten. De eersten waren reeds aan den overkant op de helling van den berg, eer de laat-sten op den berg waren; zij hadden alzoo reeds IIoog-Bethoron achter den rug en vluchtten naar Xeder-Bethoron, toen een verschrikkelijke hagelslag hunne gelederen dunde.
Stanley-Sinai etc. 209-211 : Van de hoogte van den bergpas, waar nu het dorp Hoog-Bethoron ligt, ziet men in de verte, in westelijke richting de diepe glooiingen der valleien, op eenigen afstand ontplooit zich de vlakte van Aïalon, die allengs breeder wordt; daarachter strekt de Middellandsche Zee zich uit. Op deze hoogte was Josué met zijne krijgers aangekomen; de bergen die Gabaon aan hun oog onttrokken, lagen achter hunnen rug; de zon had reeds de helft van haren loop afgelegd en stond midden aan den hemel boven deze bergen, en de maan stond boven de naar het westen gelegen vallei Aïalon. Toen zag Josué in, dat hij de Amorrheërs vóór den avond niet geheel meer kou verslaan en luj sprak: Zon blijf staan boven Gabaon, en gij maan, boven
hot dal van Aïalon. Dit wonder gescliicdde, en Josué liad nu op den met vierentwintig uur verlengden dag, den tijd om zijne vijanden te vernietigen. G. D. Kern Eik, De wetenschap, enz. 117 , 125-126.
De vijf verbonden koningen hadden zich in eene spelonk van .Miceda verborgen, waar zj doir Josuó gevangen en gedood werden. De juiste ligging van .Maceda kan men niet moer aanwijzen.
Door deze overwinning was Josuó meester over het gehoele zuidelijk land vanaf de noordoUjko bergen van Ephraiiu tot aan de woestijn in hot zuiden.
Toen de koningen van hot Noorden van Chanaan het gebeurde vernamen, sloten ook zij zich aaneen, en kozen tot aanvoerder Jabin, koning van Mazor; zij sloegen hunne legerplaats op in de vlakte nabij het meer .Moroni, heden Huloh genaamd. In deze vlakte kondon zij gemakkelijk hunne macht, die vooral in strijdwagens met paarden bespannon, bestond, ontwikkelen. Maar Josuó gebood zijn volk, dat zij de vootspieron dorpaarden moes-ton doorsnijden, on dan de strijdwagens in brand stoken. Hierdoor behaalde hij eeno volledige overwinning op do noordelijke vorsten, zoodat nu geheel Chanaan in zijn bezit was.
Josuó kon nu overgaan tot de verdeeling van het land, hetgeen to Silo gebeurde. In 1838 heeft Robinson Silo, heden Seilün, teruggovondon. Op con Teil of hoogte liggen nog de overblijfsels van hot in jongeren tijd bestaan hebbende Seilün. Ten noorden daarvan loopt oene diepe vallei, en in de rotsen daarlangs zijn gekapte grafgrotten. Deze rots is van boven over eene oppervlakte van vierhonderd voet geëffend; de ongelsche wetenschappelijke commissie, op de beschrijving van de Mischma afgaande, meent dat oj) die plaats de Tabernakel en de Ark hebben gestaan gedurende Sfiii jaren. Condor, Tentwork in Palest. I, 83-84.
Op een uur afstand van die plaats springt oene waterrijke klare bron, die haar water langs een leiding hierheen voerde. Thans ligt daar alles woest, ook vindt men niets meer van de wijngaarden, die cr ten tijde van Josuó waren.
23Ã
HOOFDSTUK II.
GRAF VAN JOSUé.
Nadat Josué zijne dubbele zending volbracht had, stierf hij in den ouderdom van honderd en tien jaren; hij werd begraven langs de grens zijner bezitting te Thainnat-Sarc, op den berg Ephraim, noordelijk van den berg Gaas.
J)it graf is ontdekt op 31 Aug. 1863 door V. Guerin. Daarna beschreef hij het als volgt: âOp ongeveer twee en een half uur ten noordwesten van Djifneh, het oude Oophna, bevinden zich uitgebreide ruïnen, bekend onder den naam van Khirbet-Tibneh, ruïnen van Tibneh. Zij bevinden zich langs en op eenen berg, waarom ten noorden en ten oosten een diep ravijn loopt.
âDo berg loopt naar het zuiden trapsgewijze af naar eene vallei, eenmaal met woningen bezet, en in welker midden een heerlijke
eikenboom staat____ Verder naar hot zuiden gaande, komt men
weldra aan de laatste hellingen van eenen berg, die tegenover Tibneh ligt; in de zijden van dezen berg ontwaart men verscheidene grafgrotten, overblijfsels van een oude doodenstad; deze liggen allen trapsgewijze langs den berg.... De achtste gret is de meest opmerkenswaardige. Door een langwerpige voorplaats, komt men in een vierkante grootere plaats, alles in de rots gekapt gelijk het monument zelve. Vier pijlers dienen tot steim aan de voorplaats; die aan de uiterste rechter- en linkerzijde, zijn ter helft in de rots verborgen, terwijl de twee middelste vrij staan. Deze zijn zonder kapiteelon eu van boven slechts van eenige lijsten voorzien. Twee groene eiken bedekken met hunne takken ten halve den voorkant. In de wanden der voorplaats bevinden zich 288 kleine nichen, vierhoekige, driehoekige en ronde op acht rijen. Door cene vierhoekige lage en smalle deur komt men in eeue doodenkamer, die vijftien openingen in de wanden heeft, waarvan er slechts veertien bestemd waren om lijkkisten op te nemen. Midden in de doodenkamer is eene vierkante holte, waarin ik dacht, dat de hoofdpersoon in een praalgraf zou begraven liggen... maar de Saulcy, die eenige maanden na mij dit graf onderzocht heeft, en door de middelste opening in den muur.
vink tegenover den ingang, is doorgt-ilrongen, heeft eeno kleine doodenkamer aldaar ontdekt, welke, volgens dezen knndigen ar-chaeoloog, voor den hoofdpersoon bestemd was... Op don eersten oogslag moet men bekennen, dat men hier te doen hoeft met het mausoleum van eenen doorluchtigen doode, daar dit van alle graven, die ik in Palaestina ontdekt bob, liet eenige is, dat naar buiten met lichten voorzien kon worden; men vindt in dit land wel moor doodenkamers, waarvan do muren van binnen van nichen voorzien zijn om er lampen in te plaatsen.
^len diende natuurlijk bij zokoro gelegenheden, als bij het plaatsen van een nieuwe lijkkist, in de binnenkamer licht te ontsteken, en daartoe nichen aan te brengen; daar echter de voorgevel door zijne openingen het daglicht in het voorste vertrek doorliet, ge-Ijjk ook hier het geval is, had men geen lamplicht noodig, en daarom vindt men er dan ook nergens nichen, behalve in dit graf, waar zij zich in do geheelen muur bevinden, en dus nergens toe konden dienen dan rot eene illuminatie. Doch iets dergelijks kan men alleen voor een buitengewoon persoon aannemen, en deze komt mij voor hier Josué te zijn geweest.
âMot Eli Smith, die in onzen tijd de eerste schijnt geweest te zijn, die het Khirbot-Tiuneh van liet gebergte van Ephraim bezocht heeft, vind ik in de ruinen van deze plaats die van Thimnath Serah terug.
âDe Schriftuur zegt ons, dat deze plaats ten noorden van den berg Gaas, in het gebergte van Ephraïm gelegen was. Welnu ons Khirbet-Tibneh, dat juist midden in dat gebergte ligt, is aan den zuidkant behoerscht door eeno tamelijke hoogte, waarop Deir-ed-Dham ligt, en in de noordelijke bergflanken ziet men nog de acht grafgrotten, waarvan ik gesproken heb. Kan men nu niet terecht zeggen, dat dit do berg Gaas dor Schriftuur is, en moet men dan niet het graf van Josué zoeken tusschcn de grafsteden die zij bevat, en welke onbetwistbaar tot de algemeeno begraafplaats behoorde, waarvan wij te Tibneh de overblijfsels vinden ?
âDo H. Hieronymus, Epit. Paulae § 13 zegt, dat hot graf van Josué tegenover dat van Eleazar ligt. I lot graf van Eleazar lag in do stad Gabaa, hot tegenwoordig dorp Djibia, op oenen korten afstand van Khirbet-Tibneh, op den naburigen berg liggende juist
232
tegenover die van Deir-ed-Dham. Allen duidt aan, dat dit grat van jongere dagteekening is dan dat van Josuó.
âSedert mijne ontdekking van dat graf in 18G3, is het door andere geleerden bezocht, vooral door de Saucly en Aurès, die de maat ervan opgenomen en bevonden hebben, dat deze volgens het Egyptisch systeem is, nl. de elleboogsmaat in zeven spannen of palmen verdeeld. Het graf is dus niet Chananeesch; de Israëlieten bedienden zich bij hun werk in Egypte ook van de egyptische maat, en hadden dit gebruik mede naar Palestina gebracht.
âDe abbó Richard deed in 1870 eene nieuwe ontdekking in dit graf. Hij had Galgala bezocht, waar op bevel van Josue de alge-meene besnijdenis met xtecncn incssen had plaats gehad. Hij had nu nog, na zoovele eeuwen, op eene oppervlakte van verscheidene kilometers vele van deze instrumenten iu silex op en in den grond gevonden. Bij de Septuaginta lezen wij na XXI, 40: âDe kinderen van Israël hadden op bevel van den Heer aan Josué zijn deel afgestaan. Zij hadden hem de stad Thamnasachar, welke hij vroeg, gegeven, in het gebergte Ephraïm; hij had haar gebouwd onbewoonde die. Josué had de steenen messen verzameld, waarmede hij de zonen van Israël had besneden, die gedurende do reis in de woestijn geboren waren; hij bewaarde deze te Thamnasachar. Xa XXIV, 30: Men begroef Josué aan de grenzen van zijn bezitting,... en toen men hem had bijgezet, legde men bij hem in het graf de steenen messen, waarmede hij de zonen van Israel te Galgala besneden had... en deze messen zijn er hedeti nor/.
âMet eenen pi-iester van het patriarchaat van Jerusalem en met eenen scheik van hot dorp El-Birzeit, schrijft Richard aan Meigim in dd. 20 Juni 1870, heb ik op 3 Juni 11. het graf van Josué bezocht, en een groot getal messen in silex erin gevonden. L it hunne gelijkheid met die welke ik in het Jordaanland gevonden heb, kan ik hunne indentiteit bekrachtigen.quot;
De abbé Richard deelde op 5 Augustus 1871 zijne ontdekking mede aan het wetenschappelijk congres van Edinburg. Tegen het einde van denzelfde maand bood hij ook de steenen mossen in silex aan, die hij uit Palestina en vooral van Tibnoh had medegebracht, aan de academie van Wetenschappen en aan de academie der Inscripties en Schoone Kunsten te Parijs.
De steenen hebben over bet algemeen oenen mesvorm, en eenigen
233
zijn nog zeer scliorp. Men vindt ook getanden erbij, eenigo langwerpig, andere rond. Hijiia allen zijn van silex, ettelijken zijn in witten kalksteen, die dour liet vuur gehaald scliijnt.
Guerin besluit: âDeze ondekking bewijst tegelijkertijd liue gewaagd, om niet te zeggen valscli, de leerstelsels zijn van hen, die aan de instrumenten cenc fabelachtige oudheid toekennen, en op losse gegevens steunende, tegen de H. Sebrif'c willen opkomen, door den mensch oenen oneindig ouderen tijd op de wereld aan te wijzen, dan de 11. Schrift hem geeft.quot;
Omtrent de zekerheid, dat bovengenoemde plaats liet ware graf van Josué is, bestaat heden geen twijfel meer.
TWEEDE AFDEELING. De Rechters.
HOOFDSTUK J.
MAATSCHAPPELIJKE TOESTAND DER ISRAëLIETEN.
T5ij geen volk ter wereld vinden wij oenen zoo zonderlingen maatschappelijken toestand, als die was hij de Israëlieten vanaf den dood van Josué tot aan koning Saul. Wij willen hier echter terstond wijzen op eene uitzondering, nl.: de Beduïnen, omdat do huidige maatschappelijke regeling aldaar â als men dit zoo mag noemen â veel overeenkomt met die der Israëlieten na Josué en vóór Saul.
De gewijde schrijver van hot boek âde Rechtersquot; geeft bijna geeno inlichtigen omtrent dien toestand, maar bespreekt meeren-deels de groote mannen en hunne daden; ook de algemeene geschiedenis van de volkeren van dien tijd geeft hier geen nadere opheldering.
Toch hebben wij gelukkig andere bronnen, die den duisteren shiier van den toeninaligen toestand van hot volk van Israël wegnemen.
Een onophoudelijk onderzoek in Palestina op archaeologisch en topographisch gebied, de plaatselijke bestudeering van geleerde en kundige mannen omtrent de Arabische zeden en gebruiken in hunne huidige oorspronkelijkheid, hebben ons in staat gesteld om nienigen lichtstraal in die duistere tijden te ontdekken.
Mozes had aan zijn volk eene geestelijke en eene wereldlijke wet gegeven, in welke beiden slechts één enkel doel lag, nl. hot
235
iiionothelsmus eenen zoo diep mogelijken wortel in de harten van de Israëlieten te doen schieten; maar bij dit alles had hij gecne maatschappij gesticht.
Do geostelijlvo wet was eene ware centralisatie: een enkel God, voor Hem in het geheele land slechts één enkele plaats en één enkel altaar om er de offeranden te brengen. Hieraan kleefden voorzeker vele nadeelen voor een volk, dat zijne genegenheid tot afgoderij als eene kiem mede uit Egypte had gebracht; maar van den anderen kant werden Je Israëlieten hierdoor ook als in éénen band samen geslagen.
De wereldlijke wet van Mozes berustte op do gewoonte en gebruiken der nomadische afstammelingen van Abraham, op Gods bevel verbeterd en meer volmaakt.
De maatschappelijke regeling der Israëlieten in dien tijd was niet monarchisch, of onder de algeheele macht van een enkel persoon; nog minder was zjj een gemeenebest of republiek, zooals men haar dikwijls heeft trachten voor te stellen, en waarin men haar vergeleek met den toestand van Carthago en Tyrus uit de toenmalige geschiedenis, toen aldaar ook geene koningen waren.
De Israëlieten vormden eene jiafriturhale regeering; zij vormden dus eenen oorspronkelijken staat, berustende op het gezag van den familievader, dat steeds van den vader op den oudsten zoon overging, een gezag, dat overeenkomt met dat der Arabische scheiks. Deze inrichting had alzoo geenen anderen grond dan het familieleven ; de hoofden werden niet gekozen, want de oudste zoon was altijd van natuurwege als opvolger zijns vaders tot hoofd bestemd. Daar bestond dus niets van alles, wat wij ons door eene regeering voorstellen; do Israëlieten dreven geenen handel, kenden geen nijverheid, hadden geone betrekking met vreemde volkeren; zelfs, zooals Dr. Michaelis gedwongen is te erkennen in zijn Mos. Recht I, 2152, de stammen hadden onderling geen betrekking.
Daar dus noch regeering, noch bestuur, volgens onze opvatting bestond, was er ook geen hoofd dor regeering; dit kon zelfs toen ter tijde niet bestaan bij de onafhankelijkheid van eiken stam, en bij de erfopvolging van elk plaatselijk gezag. Er was geene wet-
236
gevende macht;, omdat alles geregeld was door liet gebruik en door Mozes. Ook waren openbare werken geheel onbekend. â Om ons van dit alles te overtuigen, vinden wij het sprekend voorbeeld bij de Beduïnen. â- De Israëlieten betaalden hunne tienden aan de priesters volgens geweten, gelijk lieden een pachter aan zijnen heer betaalt. Ook kenden die lieden weinig of niets van onze behoeften; elkeen leefde van de opbrengst van zijn land en kudden, want hun voedsel bepaalde zich tot brood en vleesch, vijgen en wijn. De vrouwen weefden, maakten kleederen en schoeisel, zooals ons dit uit luinnen tijd op do Egyptische monumenten wordt voorgesteld, en zooals zij dit op liet schiereiland van den Sinaï doden; zjj bereidden hot brood en de maaltijden.
Xemen wij nu aan, dat er in de steden en dorpen eenige mannen waren, die meer kennis hadden van smeden, timmeren enz, dan bestond overigens het golieele volk uit landbouwers en herders; wel werd een soort van ruilhandel gedreven met de door het land trekkende karavanen.
Men kende evenmin eeuo bi/,oudere inrichting om rust en vrede te handhaven. Hij oen geschil waren de rechters door het gebruik aangewezen; deze waren de ouderlingen der stammen, die aan do poorten der stad oordeel velden. Was het oordeel geveld, dan zorgde ieder in geweten voor het ton uitvoer brengen van het recht. Aan do poorten der stad werd ook elk verdrag gesloten op de wijze, als wij dit reeds vroeger gezien hebben in Gen. Afd. 11, Hoofdst. V, toen Abraham de grot Makpelah aankocht, welke wjjze van verhandelen nog altijd in het Oosten bestaat. Konden de ouderlingen het onderling over een geschil niet eens worden, dan moest men volgens de wet van Mozes de zaak voor do rechters brengen.
Eenigen hebben gemeend dat dit liet saiihedriit was. Dit is zoo niet, want het sanhedrin dagteekent uit den tijd dor overheer-selling der Seleuciden; overigens het woord zelf verraadt zijnen griekschen oorsprong: sunhedrion, Kitto, Biblic. Cyclop. 111,769. Maar Lemann 4, stelt zijnen oorsprong tusschen de jaren 170 en 106 voor Christus.
Hot; gelioolo boek der Rechters strekt ons ten bewijze, dat er noch wetten, noch reglementen bestonden voor hot geval van oorlog. De Israëlieten wilden slechts in vrede hun land bezitten on haakten niet naar veroveringen. Hun geheel oorlogvoeren beperkte zich dan ook tot do verdediging hunner bezittingen.
Wanneer zij alzoo met een naburig volk in oorlog kwamen, dan deden zij gelijk heden de Beduïnen; de hoofden der families riepen zooveel mogelijk volk te zanten, in zooverre namelijk als de zaken of sclioik van het dorp aan den oorlog besloot deel te nemen. Deze oudste van het dorp riep de hoofden der families ten oorlog; iedereen kon dan optrekken, maar niemand gedwongen worden. Er was geen sprake om zich van leeftocht te voorzien; bovendien bezaten de Israëlieten geene of slechte krijgswapenen. Door dien ongeregelden toestand gebeurde het niet zelden, dat zij liever schatting aan een naburig volk betaalden, dan de kansen van den krijg te wagen; maar alsdan werden zjj dikwijls immer zwaarder door hunne vijanden verdrukt. Werd die verdrukking onverdraaglijk, dan stond een dapper en stoutmoedig man op en verhief den oorlogskreet; deze dappere werd dan sofefiiii (redder) of Rechter van Israël. Al wie wilde, schaarde zich dan bij hem, en zijn gezag strekte zich uic naar de maat van zijn beleid en bekwaamheid om zijne mannen aan te voeren en hun gemoed te winnen.
Was de oorlog afgeloopen, dan trokken de soldaten, indien men die vrijwilligers zoo kan noemen, alsook de Rechter zich terug naar hun erf. Rohrbacher, Hist. univ. de l'Eglise, II, 3. De roep en faam van dien Rechter was dan wel een waarborg voor den vrede, en aldus bleef hij de sofetim, redder van Israël; maar hij regeerde niet, hij bestierde niet, zooals wij dit heden zouden opnemen. Wanneer wij dan in het boek der Rechters lezen, dat deze of gene zooveel jaren rechter was over Israël, dan moeten wij dit verstaan alsof er stond: hij was zooveel jaren (of tot aan zijnen dood) redder van Israël. De H. Ilieronymus heeft wel eens liet woord âpraefuitquot; gebruikt, maar dit staat niet in den oorspronke-lijken tekst; bv. VIII, 28, quibus Gedeon praefuit, vertaal: gedurende het leven van Gedeon.
Al stond de Rechter in hooger aanzien om zijne heldendaden, daarom bezat hij toch nog niet een bepaald, wettig gezag. Zelfs Josué trok zich, na zijne zending volbracht te hebben, terug, en
leefde eenzaam op zijn erf, zonder voor zijnen dood aan eenen opvolger te deuken, zoozeer dmischte het tegen de denkwijze van het volk in, dat een enkel man met onbeperkte' macht over alle stammen kon regeèren. jSog een sterker voorbeeld hiervan vinden wjj bij koning Saul, die volgens I Kon. X, 26, en XI, 5, na den oorlog tegen de Ammoniten naar zijne akkers en ossen terugkeerde. Onder Saul eerst zien wij het volk van Israël langzaam onder liet gezag van eenen enkelen man komen.
Wjj hebben gezien dat de sofetim eigenlijk niet rechters, maar bevrijders waren. Hierbij moet men ook in aanmerking nemen, dat de meeste van de Rechters nooit als de redders van al de stammen te boek staan. Debora is do heldin van hare noordelijke landgenooten, Gedeon de bevrijder van het middelland, Jephte van de bewoners ten oosten van den Jordaan; Samson heeft nooit eenig gezag gehad, zelfs niet over zijn eigen stam Dan, terwijl die van Juda hem ongeveer als vijand behandelden, en uitleverden aan de Philistijnen.
Tot aan Heli en Samuel stonden de Rechters niet als gezag hebbenden over al do stammen; daarenboven volgden zij zich niet alleen niet geregeld op, maar uit den samenhang van den tekst blijkt, dat er tegelijkertijd verschillende rechters over verscheidene deelen van het land van Israël stonden.
Uit dit alles blijkt, dat de sofetim der Hebreërs niets dan den naam gemeen hadden met de Charthaagsche suffeten. Gratz. Q-esch. der Jud. I, 407 : âUe suffeten waren niet opperhoofden, die slechts bij buitengewone gelegenheden aan het hoofd van het volk gesteld werden (gelijk de Joodsche sofetim), zij waren gerangschikte magistraatspersonen, die de een den anderen regelmatig opvolgden, en macht hadden over het gezamenlijk volk in het algemeen, en over ieder in het bizonder. Dusdanig was de inrichting bij de Carthagers.quot;
Ook kan men de sofetim niet eens vergelijken met de Romein-sche Consuls, zij hadden veeleer iets weg van de Romeinsche Dictators, die in de ure des gevaars aan het hoofd van liet volk gesteld werden.
2:59
Men kan den toestand van het volk ton tijde der Rechters eenigormate vergelijken met dien der Zwitsersche cantons; maar zonder bondsraad, en dan in plaats van de gekozen hoofden voor ieder canton en iedere plaats stelle men do ouderlingen en familiehoofden.
Layard, Niniveh a. i. Hem. I, 'JS: âfn do woestijn bestaat nog het stelsel van patriarchale regeering, gelijk dat over vier duizend jaren bestond.quot; Elke Arabische stam heeft zijn eigen scheik, en ofschoon hij aan hun hoofd staat, heeft hij toch geen eigenlijk gezag over ieder in 't bijzonder; zijne persoonlijke hoedanigheden kunnen hem wel eenen grooteu invloed verwerwen, zoodat men zijnen raad wel volgt als hij een wijs en kundig man blijkt te zijn; zoo hij echter zijn gezag wilde opdringen, zou men hem verachten. Kan men het in twistgedingen niet tot overeenstemming brengen door overtuiging, dan beslist hot geweld en niet het gezag. De scheik wordt soms tot scheidsrechter gekozen, maar hij heeft geen recht om zijn uitspraak gerechtelijk te doen uitvoeren. De Beduïn beweert een vrij man te zijn, en geenen anderen meester te erkennen dan dien van liet heelal.
In tijd van oorlog staat de scheik aan het hoofd van zijnen stam, en in tijd van vrede regelt hij de onderhandelingen; maar hij mag noch oorlog noch vrede maken, zonder niet de voornaamste leden van den stam hiertoe besloten te hebben.
De verschillende families van een zelfden stam zijn onderling onafhankelijk. Hunne respectieve hoofden zijn van nature aangewezen tot raadsleden van den scheik, die zonder dezen raad geen belangrijk besluit kan nemen.
Do toestand der Israëlieten vóór het koningschap berustte ongeveer op donzelfden grond, zooals de studie van de Schriftuur in deze ons toont.
Zooals wij echter reeds aangemerkt hebben, werden de onderscheidene doelen der Israëlieten door éénen band aan elkander gehecht, nl. door den godsdienst. Meer dan alle andere volken van dien tijd, die door denzelfden godsdienst tot één volk waren saamgesmolten, vonden de Israëlieten hunne eenheid in de regeling van hunnen godsdienst met zijne strenge voorschiften. Alle Hebr eërs moesten Jaarlijks eenmaal naar Silo, de eenigo offerplaats
240
voor God ten tijde der Rechters; ofschoon zij aldaar kwamen ter vervulling hunner godsdienstplichten, spreekt liet van zelf, dat het volk aldaar vereend, ook zijne gezamenlijke belangen moest bespreken, zoodat men dat een groot parlement kon noemen, dat uit de natuur der zaak steeds nauwer aaneengesloten en verbroer-derd, eindelijk het koningschap moest voortbrengen.
De Jehova-dienst sloot eiken anderen godsdienst uit, hetgeen niet het geval was met den afgodendienst der andere volken, hetgeen alzoo wederom tot eene strenge aaneensluiting der Joden
IciJde. â. Toen Jeroboam de tien noordelijke stammen van bet huis van David afscheurde, gaf hij hun terstond eenen nieuwen godsdienst; deze bestond echter waarschijnlijk in dezelfde vereering van Jehovah, maar op onwettige wijze. Ook verbood Inj hun uitdrukkelijk naar Jerusalem te gaan. Hij begreep alzoo zeer goed, dat zijn rijk geen stand kon houden, wanneer hij den innerlijken band van den godsdienst niet verscheurde.
Eene laatste bizonderheid van het patriarchaal bestuur, en waarin dit zich van alle volken, ook van de Beduïnen onderscheidde, was do regeling van het priesterdom. Do priesters der Israëlieten vormden niet eene kaste, die eigendommen bezat en deel had in bet bestuur, gelijk dit b.v. in Egypte en in Chaldaea bet geval was; neen, de stam van Levi had zelfs geen aandeel gekregen in de verdeeling van het Land. Zijne zending was niets anders dan eene geestelijke, en ofschoon de priesters wel een afzonderlijk lichaam vormden, kon dit toch geenen anderen dan eenen geestelijken invloed hebben. De steden, die hun waren aangewezen, waren over geheel Palestina verspreid, en om hunnen dienst uit te oefenen, moesten zij naar Silo, en later naar Jerusalem, beide plaatsen, die bun niet waren aangewezen in de landsverdeeling.
Zoo was dan de godsdienst de eenige band, die dat volk met zijne onderscheidene belangen, toch tot een eenig volk samenhield, al stond het niet onder een eenig hoofd, behalve Jehova.
Men telt veertien, vijftien of zestien rechters, al naar men Barac en Abimelech onder hun getal rekent. Zij zijn: OthoniOl, Aod, Samgar, Debora, Barac, Gedeon, Abimelech, Thula, Jair, Jephte,
Abesan, Elon, Abdon, Samson, Heli en Samuël.
_
241
HOOFDSTUK jr.
OTHONIEL.
De Israëlieten hadden niet geheel Palestina veroverd, in hun midden waren zelfs verschillende der vroegere bewoners gebleven, nl. Recht. JU, 5: Chananeërs, Hethiten, Amorrheërs, Pherezeërs, Heveërs en Jebuseërs. Yelen dezer afgodendienaars waren gehuwd met Israölietische dochters, en zonen der Israëlieten hadden dochters der Chananeërs gehuwd. Daardoor waren de Israëlieten tot afgoderij verleid geworden, en knielden behalve voor Jehovah, ook voor Baal en Astoreth. Daarvoor werden zij gestraft.
Van uit Jiet hart van Mesopotamië kwam Chusan Rasathaim. Rawlinson, Herod. I, 572 en Sayce, Ree. of the past, UI, 32 noemen Iiem Assur-ris-ilim, kleinzoon van Assur-dayan en vader van Teglathphalasar J. Deze vorst drong J'alestina binnen en maakte het schatplichtig. Zijn strooptocht door het land schijnt wel de ergste geweest te zijn, die de Israëlieten onder de Rechters hebben te verduren gehad. Daar hij van de oevers der rivier Ivhahur of Chaboras kwam, zoo moest hij door liet noorden in Palestina indringen, en tot in het Zuiden van Juda alles onderwerpen, omdat Othoniël tot den stam Juda behoorde en in het zuiden van dit land te Hebron woonde, toen hij zich aan het hoofd der Israëlieten â stelde en liet vreemde juk afwierp.
Die cijns of schatting werd in natura betaald, gelijk dit heden ile Keraki in het oude land Moab en ook de Beduïnen doen. Deze 5 schatting werd geheven door de dorpshoofden, en door de Israëlieten zeiven aan Chusan-Rasathaim gebracht. Werd de schatting niet meer gebracht, dan werd dit betracht als oproer of oorlog. Acht jaren had het volk dit juk gedragen.
Caleb, die met Josué het beloofde land veroverd had, was nog een krachtig man, ofschoon hij oud begon te worden. Hij had | oenen neef, Othoniël, die met zijne nicht Aya, dochter van Caleb huwde. Deze had reeds bewijzen van moed gegeven door Cariath Sepher of J)abir in te nemen.
Toen Chusan-Rasathaim op liet weigeren der schatting een tweeden
1G
242
keer Palestina wilde binnendringen, om dit tot gehoorzaamheid te dwingen, stelde Othoniel zich aan het hoofd zijner landgenooten, en behaalde eene volledige overwinning op den vijand. Hoe otquot; waar deze overwinning plaats had, is onbekend, maar dat zij schitterend was blijkt hieruit, dat zij aan Israël een tijdperk van veertigjarigen vrede verschafte.
HOOFDS'lTK 111.
AOD.
Veertig jaren na zijne overwinning op ('husnn-Kasathaïn stierf Othoniel op gevorderden leeftijd. Dan verviel het onverbeterlijk Israëlietiseh volk weder in afgoderij. Tot straf daagde wederom een vijand op.
Moab, als afstammeling van Loth, was op bevel van God gespaard gebleven, en had ook tot hieraan in vrede geleefd naast de Israëlieten. Hun grondgebied ten oosten der Doode Zee en ten zuiden van de rivier Anion, besloeg eene geringe oppervlakte. Allengs waren zij naijverig geworden op de bezittingen der Israëlieten ; maar daar zij zicli tegen deze niet sterk genoeg gevoelden, riepen zjj de hulp in van de Ammoniten, die even als zjj van Loth afstamden, en van de Amaleciten, een roofzuchtig volk, dat zich ten oosten van Moah in de woestijn ophield, en daar van plunderen leefde, geljjk de Ueduïuen, die nog heden diezelfde plaatsen bewonen met dezelfde zeden en gebruiken.
De Moabiten, onder hunnen koning Eglon, trokken niet hunne hondgenooten over den Jordaan, en versloegen de Israëlieten, die zjj niet alleen schatplichtig maakten, maar van welker laad zij ook een gedeelte in bezit namen. Eglon nam Jericho in en vestigde in die stad zijnen zetel. Van hieruit hield hij de Israëlieten gedurende achttien Jaren onder het juk, waarschijnlijk echter alleen ten westen van den Jordaan, die van* den stam Benjamin, waarin Jericho lag.
Do Benjamiten waren niet alleen bekend als goede schutters en slingeraars, maar ook omdat /.ij even bekwaam waren in alles met hunne linker als met hunne rechterhand. De Benjamiet Aod vooral was in dit laatste bedreven; hij was het die het plan opvatte zijne broeders te bevrijden. Even geheimzinnig als alle Oosterlingen smeedde hij zijn plan, en even berekend voerde hij het uit.
Aod moest het achttiende jaar de schatting naar Eglon brengen.
ll[j had zich een tweesnijdend zwaard, veeleer een dolk, laten maken, en om alle achterdocht te mijden, verborg hij dit op zijne rechterzijde, waar niemand het zou gezocht hebben. Toen hij bjj Eglon de schatting voldaan had, trekt hij met de hem vergezellende mannen af naar Galgala; van hier keert hij alleen terug, en vraagt om bij den koning toegelaten te worden, daar hjj hem een geheim, âeen goddelijk orakelquot; had mede te deelen. liet geringste vermoeden kon niet vallen op Aod, die oogenschijnlijk ongewapend was, en nog kortelings den schatplicht had komen voldoen. Aod werd dan bij den koning toegelaten.
A olgens Oostersch gebruik moest hij zulke gelegenheid iedereen terstond den koning verlaten. Bruce, Trav. to disc. etc. T, 153: âIk gebruikte eene tas kolfie, en verklaarde hem, dat ik eene vertrouwelijke boodschap van AU Bey uit Cairo medebracht, en dat ik hem die zou mededeelen, waar liet hem behaagde. Daarop verlieten allen terstond het vertrek.' Zoo ook verlieten allen terstond het vertrek, en Aod was met koning Eglon alleen in een verheven vertrek aliyah.
Shaw, I rav. or observ. etc. 280: âXaast de meeste huizen ligt een kleiner huis, gewoonlijk een verdieping hooger dan dat waarbij het behoort; eenigen daarvan bestaan uit slechts twee kamers en een dak; somtijds is dit ook aauö'ebracht hoven den hoofdin^an0* dan heeft het wel geene vertrekken gelijkvloers, maar overigens is het van alle gemakken voorzien, gelijk elk ander huis. De beide huizen, liet groote en het kleine staan door eene deur in verbinding, die uit het kleine huis naar de galerij van het groote toegang geeft, en naar willekeur door den huisheer afgesloten of geopend kan bljjven. Buitendien heeft het kleine huis nog eene andere deur, die rechtstreeks naar den hoofdingang of naar de straat leidt, zoodat men zonder hinder voor de bewoners van het groote huis, er kan in- en uitgaan. Het groote huis heet dur of half, het kleine
244
nliijah of oliijdh; in het laatste worden gewoonlijk de bezoeken ontvangen.quot;
Over deze huizen zegt De A ogué, Syrië centr. I, 52: âDe meeste huizen bewoond door de Druzen van llaurnn, dagteekenen uit de oudste tijden; daar zij heclenal in steen zijn opgetrokken, hebben zij beter dan anderen aan den tijd en do aardbevingen weerstand geboden; en al zijn ook eenigen ten deele vervallen, zij bieden toch eene genoegzame schuilplaats voor die eenvoudige maai geharde bevolking. Eenige ruwe herstellingen, als eeuige gaten met slijk dichtgestopt. eeuige terrassen hersteld mot rijshout en gestampte aarde, dit zijn de eenige sporen van bouwkunst der Druzen. Zij nemen niets weg aan den vorm en het uiterlijk der ruinen.
Eglon was in het aliyah, en ontving daar Aod, waar zij alleen bleven. âVorst, zeide Aod, ik heb u een woord van Godswege te spreken.quot; Hij het uitsproken van het woord God, staat en stond in het Oosten ieder nederzittend persoon op. Volgens de bedoeling-van Aod stond dan ook de zwaarlijvige Eglon op, en op dit oogen-blik trok de Israëliet met zijne linkerhand het ter rechterzijde verborgen zwaard en stiet dit den koning tot het heft in hetlijt, daarop sloot hij de verbindingsdeur af' en vluchtte langs de straatdeur; hij kwam te Seirath, eene onbekende plaats in het gebergte van Benjamin, riep zijn volk te zamen, deed de voorden van den Jordaan bezetten, zoodat den Moabiten den terugtocht njiar hun land was afgesneden, en bracht ongeveer tien duizend vijanden om. Ff ij tastte niet den Moabiet in zijn rijk aan, hij vernielde den vijand dus niet, maar hij vernederde hem slechts.
240
HOOFDSTUK IV.
DEBORA EN BARAC.
Gedurende de honderd vijftig jaren dat; de Israëlieten thans in Palestina woonden, hadden de Chaneërs, die gespaard waren gebleven, den rijd gehad om hunne krachten te herstellen. Dit was vooral het geval met die liet noorden van het land bewoonden nabij de Phenieeërs en de bergbewoners van den Libanon. Vroeger liad Josuó het hoofd van de noordelijke bondgenooten, met name Jabin bij het meer Merom verslagen. Een afstammeling van hein, ook Jabin geheeten en even als hij llazor bewonende, stond aan liet hoofd van de oude bezitters van bet land. Hij liet den krijg voeren door zijnen legeroversten Sisara, die den titel voerde van mr sehd'o, prins van het leger. Deze Sisara was overigens zelf koning, waarschijnlijk vasal van Jabin: zijn grondgebied bepaalde zich tot Haroseth met eene beperkte omgeving.
De Ohananeürs bewoonden eene min bergaehtige streek, waarin men vooral goed met strijdwagens kon vechten. De kracht van een volk in dien tijd werd vooral gemeten naar het aantal met ijzer beslagene strijdwagens. Maspero, llist. anc. etc. 204 1 fet gedicht van Pantaur, waarin de veldtocht van den jongen Ramses II (Sesostris) tegen de Kbetas, in ditzelfde land ('hanaan, verhaald wordt, meldt dat de Khetas 2500 strijdwagens bezaten. Hij den buit, die Ramses III door zijne overwinning op de Chananeërs in de vlakte van Mageddo behaalde, vermelden de Egyptische monumenten !MI4 strijdwagens.quot;'
De Israëlieten, die een meerendeels bergachtig land bewoonden, waarin men met geene strjjdwagens kon geworden, bezaten ergeene; maar Sisara liad in zijne vlakte 000 dezer wagens, die gedurende de twintig jaren, dat de Israëlieten in het noorden onder het strenge juk van Jabin, koning van llazor, gekneld waren, hun grootste schrik uitmaakten. â¢
24(5
Jn het gebergte van Ephraïni, tussclieii llama en Bethel, woonde do profetes Debora âde bij. 1 Door bare wijsheid had zjj oenen grooten invloed bjj haar volk verworven. Daar zij het vreemde juk van haar volk wilde afwerpen, zocht zij naar eenen hoofdman om de Israëlieten aan te voeren. Tiaar keus viel op ]gt;arac, zoon van AbiuoOin, van (Vdrs (Kedes) nit den stam Xephtali. Stanley, Sinai a. Palest. :gt;!»(): âDe steden van de bergstreek van Xephtali komen allen onder dit opzicht overeen, dat zij gelegen zijn op hooge rotsen te midden van gebergten boven groene stille dalen. Onder deze steden is de meest merkwaardige Cedes van Xephtali. de vaderstad van Harnc. liet huidig dorp van dien naam bekroont de kruin van den berg.
Debora keude Barac als een vastbesloten man, gereed om hare plannen ten uitvoer te brengen; deze woonde midden in het meest onderdrukte land. lier plan van Debora was zoo good gesmeed, dat Barac bereid was het uir te voeren, maar op voorwaarde dat de profetes hem zou vergezellen, hetgeen deze aannam.
Op bevel van Deborah luid lgt;arae in t geheim tien duizend moedige mannen langs alle mogelijke omwegen op den berg ihabor bijeenverzameld, eene plaats die voor de negen honderd ( hana-nitisehe strijdwagens ongenaakbaar was. Deborah wilde niet meer volk dan deze tien duizend man, omdat zij geen open veldslag tegen de strijdwagens konden wagen.
De berg Thabor ligt in den stam Issachar, aan de grens van Zabulon. Van bet zuidoosten gezien, geljjkthij op eenen reusacb-achtigen koepel, geheel op zich zeiven staande, en om den top ervan te genaken heeft men ruim een uur gaans noodig. De helling is geheel met boomen begroeid, dus geschikt om vele menschen te verbergen. De top. dien men in een half uur kan rond gaan is deels met boomen, deels met gras begroeid. \ an hieruit kan kan men de geheele vlakte van Esdrelon overzien, zoodat geen enkele beweging der Chananeërs aan het oog van Deborah en Barac kon ontsnappen. Stanley, Sin. a. Palest. 335, 337.
Hier nu waren meerendeels mannen der noordelijke stammen samengekomen, van Zabulon, Xephtali en Issachar. De naburige stammen van Epbraïm, Manasse en Benjamin hadden ook hulp quot;â ezonden, maar die van het oosten en bet zuiden waren thuis gebleven.
'.'47
Dewijl toon tor tjjdo niot, gelijk thans liet geval is, beambten in een ouderworpen lam! door den vijand werden aangesteld, had de samentrekking der Israëlieten in stilte kunnen plaats hebben, zoodat dit gebeurd was eer Sisara er iets van vernam. Sisara las:
^ o
met zijn leger en strijdwagens in de vlakte van Esdrelou, ook genaamd de vlakte van Mageddo en van Jezraël. In die zelfde vlakte streden naderhand Gredeon, Saul, Josias, de Assyriers,de kruisvaarders en Honaparte.
Toen Sisara dat vernam, trok hij onmiddelljjk met zijn strijdwagens uit. Daar hij echter van deze laatste geen gebruik kon maken tegen de onneembare hoogte, sloeg hij zijne legerplaatsoj) langs de oevers van den ('ison in de vlakte van Esdrelon ten zuidwesten van den Thabor. Zoodoende kon hij erop rekenen, dat de I srarlieten wegens gebrek aan levensmiddelen weldra hunne natuurlijke sterkte moesten verlaten; ook kon hij de aldaar liggende dorpen afstroopeu en in brand steken. Daarenboven was hij steeds bij het noodige water âde wateren van Mageddo,quot; d. w. z. daar waar hot water van de hoogte waarop Mageddo ligt, in den ('isou uitloopt. Do (quot;ison stroomt alleen in don winter over zijn geheele lengte, terwijl hij in den zomer slechts water heeft vijf mijlen boven zijne uitmonding. Sisara stelde ziju leger op van af die wateren tot aan het zuidelijk gelogen Tanach, oene stad deels nog door ('hananoers bewoond.
De Israëlieten zonden zeker geen gevecht durven wagon in deze voor (,'icara. zoo gunstige stelling, waarin alles ten hunnen nadeelo was. Maar er viel niet te dralen. .Moedig in vertrouwen op den God liunner vaderen, violen zij zoo onstuimig op hot leger van Sisara aan, dat dit bevreesd aan het wankelen ging, terwijl eon storm zijn woedo togen Sisara keerde, waardoor ook de Cison buitengewoon opzwol. Hierdoor endoor de verwarring in het vijande-lijk leger werd Sisara, geslagen. Sisara, sprong van zijn strijdwagen, waarop hij zich in het gebergte slechter kon redden, en vluchtte te voet tot Kodes.
Condor, Tentwork in Palest, i, 132: âDit slagveld was onge-
O O
voor gelijk aan dat waar Xapoloon den slag leverde, dien hij den veldslag van don berg Thabor noemde, en waar de Franschen ook do Turken in deze hedriogoljjke moorasplaatson van de bronnen van den Cison dreven.quot;
24S
Te dien tijde verbleef in het noorden van Palestina een gedeelte van den stam der Cineërs, die hnnne broeders verlaten hadden en met Hebreërs het beloofde land waren binnengedrongen, /ij waren altijd nomaden gebleven, en toefden aanvankelijk nabij Hebron in Jnda. Van daar waren zij onder hun opperhoofd Haber naar liet noorden getrokken, en deze had zijne tent opgeslagen onder een terpetijnboom nabij Cedes, in den stam Xephtalie, de vaderstad van Barac, op eenigen afstand van liet meer Merom.
De tent der nomaden is gewoonlijk groot, rustende op negen palen op drie rijen geschaard, drie palen in liet midden en op elke zijde drie, bij de Arabieren anuiil genaamd. 7Aj is met zwartachtige bokkenvellen gedekt, die langs hunne zijden aan elkander genaaid zijn en waardoor de zwaarste regen niet biniinendringt. Met lederen riemen wordt de tent vastgehecht aan houten pinnen, die met eenen houten slagel of knots in den grond worden gedreven. Kond-om, op den voor- en achterkant bevindt zich doek, dat men als een gordijn kan verschuiven om versche lucht te laten binnenkomen. Een aan de drie middelste palen opgehangen tapijt scheidt de tent in twee deelen, waarvan dat wat rechts van den ingang is, voor de mannen, en links voor de vrouwen bestemd is; in dit laatste bevinden zich ook de keukenbenoodigdheden, potten, melk, boter, enz. Het bed bestaat uit eenemat en eenigedekens als matras op den vloer uitgespreid. De bovendeken bestaat enkel uit een tapijt of wel uit den mantel, dien men des daags als kleedingstuk draagt.
Zoo ook was de tent van Haber, naar wien Sisara vluchtte, terwijl het leger op zijn vlucht den weg naar hunne stad Haro-seth der Goïm was ingeslagen. Daar Haber geen vijand van Sisara was, meende deze hier veilig te zijn. De vrouw van Haber heette Jahel en was, zoo niet eene Hebreeuwsche, dan toch dezen goed gezind; zij bracht Sisara in de tent, deze legde zich op de mat, zij bedekte hem met de semienh, mantel, en gaf hem gestremde melk te drinken. Conder, Tentw. enz. I, 134: âDe Beduïnen weten de gestremde melk op eene fijne wijze te bereiden, zij bieden ze den gasten aan. Bij ondervinding weet ik, dat zij voor den vermoeiden reiziger zeer verfrisschend is, maar zij bezit een eigenaardig slaapverwekkend vermogen, zoodat een oningewijde zich zou kunnen verbeelden er door vergiftigd te zijn,quot;
'_'4n
Toen Sisara lt;le Ichat of' gestremde melk gedronken had, sliep liij gerust in. Dan nam Jaliel een houten nagelvormige jiin van de tent en den houten slagel, en dreef met dezen de pin dooide slapen van Sisara.
Herder, Hist, de la poésie des llebr. 436 : âIk beken dat.Jahel, de vrouw van Haber, die den vijandelijken overste in haar tent, een nagel door het hoofd dreef, niet een eereteeken zou verdienen , zooals men dien heden wegens heldendaden den militairen op de borst hangt, maar zij verdiende terecht allen lof van Deborah, Wil men de Hohre.irs beo mleelen volgens de huidige gebruiken en krijgswetten, dan moest men eerst die wilde horden, die zij te bestrijden hadden, in geregelde en onder tucht staande troepen veranderen; vooral zou men dan aan die ver achterstaande tijden het begrip en de zeden van onze eeuw moeten toekennen.quot;
Israël was voor altijd van de Chananeörs bevrijd, daar deze niet meer als zijne vijanden in de geschiedenis opdagen.
HOOFDSTUK Y.
GEDEON.
De Israëlieten waren wederom in afgoderij gevallen en aanbaden Baal en Asehera. De straf bleef niet uit. Gedurende zeven jaren werd hun land afgestroopt door de Madianiten. De Madianiten, Ameleciten en Arabische nomaden uit de woestijn, ten oosten van Palestina, aan den kant van llauran, hielden telken jare strooptochten op de bezittingen der Hebreërs. Onder deze waren de Madianiten de wreedsten en de meesten in aantal. Ofschoon zjj door Cetura van Abraham afstamden, waren zij toch steeds de onverzoenlijke vijanden der rsraëlieten; zjj hadden in het leger van Sehon, koning der Amorrheërs, tegen Mozes gestreden; hunne dochters niet die der Moabiten hadden te Settin de Israëlieten tot
l25()
ontucht en afgoderij verleid. De tuelitiging. die zij daiirvoor vun Mozes ontvangen hadden, had lien nog meer verbitterd. liet eerste vinden wij hen ten oosten van de Elanitische Golf, van daaruit waren zij allengs naar het noorden getrokken, om voedsel te vinden voor hunne talrijke kudden op de uitgestrekte weidegronden ton oosten van Amnion, Moab en de Israëlitische stammen ten oosten van den Jordaan.
Vereenigd met de Amaleciten, die in hunne nabijheid in het noorden van het Arabisch schiereiland verbleven, en met de Beduï-nen der woestijn, trokken zij ieder jaar omtrent den oogst op onder hunne emirs Zebee cn Solmana en onder hunne twee voornaamste aanvoerders Oreb en Zeb, do raaf en de wolf: zij brachten hunne kudden en kameelen mode en sloegen hunne zwarte tenten van bokkenvellen op te midden dor velden van Israël. Ontelbaar als eeno wolk van sprinkhanen, roofden zij den oogst en hot vee.
Zulke razzias zijn in het Oosten algemeen, daar roof en diefstal voor zekere Arabische stammen een beroep zijn. Reeds voor Abrahams tijd was plunderen oen bedrijf, zoo was het onder de Mochters, ten tijde van David, en zoo is het nog.
Porter, Handbook for Palestine, 34G: âIn de lente van 1857 had ik gelegenheid om eeno hernieuwing te zien van den strooptocht der Madianiten, toen liet Beduïnonhoofd, Akeil Agha zijne mannen en bondgenooten bijeenriep na den moord op de Kurdon te llattin, om den buit te vordeelon. Zij waren daar in do vlakte zoo talrijk als sprinkhanen, en hunne kameelen waren ontelbaar, als het zand aan het strand der zee. Toen mijne oogen violen op die woeste gezichten, op die onstuimige, wanordeljjke menigte, op dien roof en buit, toen was hot mij als had ik in werkelijkheid het bedrijf der gewijde geschiedenis voor oogon.quot;
Stanley. Sin. a. Pal. 840: âIn onzen tijd is geen mensch dooide vlakte van Esdrelon getrokken, die niet gezien of gehoord heeft van do aanvallen dier Beduïnen, dio van uit de woestijn daarheen hunne strooptochten richten. Overal, nabij de bronnen of tussciien het geboomte der bergen ontwaart men hunne tenten en woeste gezichten, die do schrik zijn dor vreedzame bewoners zoowel als van den woorloozen reiziger. Wat wij daar thans op kleine schaal zien gebeuren, is eeno voorstelling van do groote strooptochten van voorheen.quot;
251
J)e Beduïnen van heden gelijken als twee druppels water op de vroegere Madianiten; alles rot zelfs Imnne kleeding is gelijk aan die van voor drie duizend jaren. Ifunne hoofden dragen oenen purperen mantel, hunne paarden en kameelen dragen gouden en zilveren ketenen om den hals, met versieringen van de halve maan; hunne vrouwen dragen halssnoeren, oorhangers en nczem of neusringen.
De vlakte van Jozraël heeft ten allen tijde eene betooverende aantrekkingskracht uitgeoefend op de bewoners der woestijn. Sedert onheuglijke tijden trekken zij in het begin van de lente over den Jordaan naar liethsan. De vlakte van .lezrael is dan ook in waarheid een klein paradijs, door den rijkdom van den grond en zijne overvloedige vruchtbaarheid.
Ten tijde van Gedeon waren de Israëlieten zoo beangst en moedeloos, dat zij naar de bergen vluchtten en zich in holen verborgen, en de Madianiten zetten hunne rooftochten voort tot Gaza, de zuidwestelijke grens van het land, alles verwoestende en vernielende.
Het was omstreeks het begin van Mei, toen men reeds beangst was voor hunne nadering, dat Gredeon te Ephra bezig was het nog niet heel rijpe graan uit te kloppen of te dorschen in eenen trog of vat, om het aan de Madianiten te onttrekken. Die trog behoorde eigenlijk tot een wijnpers, die in Palestina uit twee ongelijke kuipen bestond, zooals wij die nog heden zien uitgekapt in de rotsen. Men trapte de druiven in de bovenste kuip of bak, en het sap liep dan langs een in den steen gekapt riool naar den ondersten bak, die gewoonlijk grooter was dan de bovenste, zelfs zoo groot, dat men menschen en levensmiddelen er in kon verbergen. Dit alles was in de rots uitgekapt, In den bovenste bak dorschte Gedeon zijn koren.
Nabij deze in de rots gekapte wijnpers stond een terpentijnboom, die aan de familie van Gedeon toebehoorde. Daaronder verscheen hem een engel, die hem aankondigde dat hij uitgekozen was om Israel te bevrijden. Den volgenden nacht beval God aan Gedeon dat hij het altaar van Baal moest afbreken en de aschera afkappen, nl. den stam van den boom, die de godin Astharte moest verbeelden, ofwel de boomen aldaar die aan haar gewijd waren. Toen
'250
ontuclit en ii fgodcry vei'leid. De tuclitiging'. lt;!!(' /ij daarvoor van Mozcs ontvangen hadden, had hen nog meer verbitterd. 1 Iet eerste vinden wij hen ten oosten van de Elanitische Oolf', van daaruit waren zij allengs naar het noorden getrokken, om voedsel te vinden voor hunne talrijke kudden op de uitgestrekte weidegronden ten oosten van Amnion, Moab en de Israëlitische stammen ten oosten van den Jordaan.
Vereenigd met de Amaleeiten, die in hunne nabijheid in het noorden van het Arabisch schiereiland verbleven, en met de Beduï-nen der woestijn, trokken zij ieder jaar omtrent den oogst op onder hunne emirs Zebee en Sulmana en onder hunne twee voornaamste aanvoerders Oreb en Zeb, de raaf en de wolf; zij brachten hunne kudden en kameelen mede en sloegen hunne zwarte tenten van bokkenvcllen op te midden der velden van Israël. Ontelbaar als eene wolk van sprinkhanen, roofden zjj den oogst en het vee.
Zulke razzias zijn in liet Oosten algemeen, daar roof en diefstal voor zekere Arabische stammen een beroep zijn. Reeds voor Abrahams tijd was plunderen een bedrijf, zoo was het onder de Uecliters, ten tijde van David, en zoo is het nog.
Porter, Handbook for Palestine, ;54(j; âIn de lente van 1857 had ik gelegenheid om eene hernieuwing te zien van den strooptocht der iladianiten, toen liet Beduïnenl.....fd, Akeil Agha zijne
mannen en bondgenooten bijeenriep na den moord op de Karden te Ilattin, om den buit te verdeelen. Zij waren daar in de vlakte zoo talrijk als sprinkhanen, en hunne kameelen waren ontelbaar, als het zand aan het strand der zee. Toen mijne oogen vielen op die woeste gezichten, op die onstuimige, wanordelijke menigte, op dien roof en buit, toen was het mij als had ik in werkelijkheid het bedrijf der gewijde geschiedenis voor oogen.quot;
Stanley. Sin. a. Pal. 840: âIn onzen tijd is geen mensch door de vlakte van Esdrelon getrokken, die niet gezien of gehoord heeft van de aanvallen dier Beduïnen, die van uit de woestijn daarheen hunne strooptochten richten. Overal, nabij de bronnen of tusschen het ffeboomte der berden ontwaart men hunne tenten en woeste
o o
gezichten, die do schrik zijn der vreedzame bewoners zoowel als van den weerloozen reiziger. AVat wij daar thans op kleine schaal zien gebeuren, is eene voorstelling van de groote strooptochten van voorheen.quot;
251
De Beduinen van heden gelijken als twee druppels water op de vroegere Madianiten ; alles tot zelfs limine kleeding is gelijk aan die van voor drie duizend jaren. Hunne hoofden dragen oenen purperen mantel, hunne paarden en kanieelen dragen gouden en zilveren ketenen om den hals, met versieringen van de halve maan; hunne vrouwen dragen halssnoeren, oorhangers en nczcm of neusringen.
J)e vlakte van Jezraël heeft ten allen tjjde eene betooverende aantrekkingskracht uitgeoefend op de bewoners der woestijn. Sedert onheuglijke tijden trekken zij in het begin van de lento over don Jordaan naar Bethsan. J)e vlakte van .lezrael is dan ook in waarheid een klein paradijs, door den rijkdom van den grond en zijne o ver vlo edig e vr uc! i tba ar 11 eid.
Ten tijde van (iedeon waren de Israëlieten zoo beangst en moedeloos, dat zij naar de bergen vluchtten en zich in holen verborgen, en de Madianiten zetten hunne rooftoditen voort tot Gaza, de zuidwestelijke grens van het land, alles verwoestende en vernielende.
Het was omstreeks het begin van Mei, toen men reeds beangst was voor hunne nadering, dat (Iedeon te Ephra bezig was het nog niet heel rijpe graan uit te kloppen of te dorschon in oenen trog of vat, om het aan de -Madianiten te onttrekken. Die trog behoorde eigenlijk tot een wijnpers, die in Palestina uit twee ongelijke kuipen bestond, zooals wij die nog heden zien uitgekapt in de rotsen. Men trapte de druiven in de bovenste kuip of bak, en hot sap liep dan langs een in den steen gekapt riool naar don ondersten bak, die gewoonlijk grooter was dan de bovenste, zelfs zoo groot, dat men iienschen en levensmiddelen er in kon verbergen. Dit alles was in de rots uitgekapt. In den bovenste bak dorschte Gedeon zijn koren.
Nabij deze in de rots gekapte wijnpers stond een terpentijnboom, dio aan de familie van Gedeon toebehoorde. Daaronder verscheen hem een ongel, die hem aankondigde dat hij uitgekozen was om Israël te bevrijden. Den volgenden nacht beval God aan Gedeon dat hij het altaar van Baal moest afbreken en de aschera afkappen, nl. den stam van den boom, die de godin Astharte moest verbeelden, ofwel de boomen aldaar die aan haar gewijd waren. Toen
202
liij deze daad volbracht en het hout vorhraiul had, wilde het volk
hem steenigen, maar zijn vader, die â waarschijnlijk priester van Baal was, kwam tusschenbside en zeide: âBaal wreke zieh zelve.'
rntusscheu waren de .Madianiten reeds teJezraOl verschenen en Credeon, sterk en vol moed door Uods belofte, verzamelde haastig de mannen der naaste stammen, Manasse, Zabulon, Xephtali en .Vser, en daarna uit het zuiden optrekkende legerde hij s nachts op de noordelijke helling van den berg Gelhoë. Hij had toen twee en dertig duizend man onder zijne bevelen, en beneden zijne kampplaats lagen de vijandelijke tenten aan zijne voeten in de vlakte.
Gedeon stelde volgens de wet van Dent. XX, S, den bevreesden voor, niet deel te nemen aan den strijd; iedereen weet, hoe hij eindelijk nog slechts drie honderd mannen overhield.
Ten noordwesten van den berg Gelboü stroomt de zeer waterrijke Ain-Djalud, voorheen Aïn-llarod genaamd. Deze stroomt uit eene rots, die van binnen als eene spelonk is uitgehold, en over het groot half cirkelvormig bekken helt, waarin zij zich uitstort. De steenen van het vroeger plaveisel van dit bekken, liggen nu door elkander. Van uit dit bekken loopt het water langs twee kanalen verder. Guérin, Descr. 1, 308.
Naar deze bron leidde Gedeon zjjne krijgers om te drinken.
Voor hen bedekten honderd vijf en dertig duizend vijanden de vlakte, van af het noorden van Gelboë tot aan den berg Moreh ot kleinen Ilermon. Zoo hielden zij den ingang bezet van de vallei, die naar den .Tordaan en naar hun land voerde, en hunne tenten spreidden zich uit naar het westen.
Gedeon verdeelt zijne drie honderd man in drie afdeelingen, die elk langs eene andere richting moesten trekken. Aan eiken strijder geeft hjj eene bazuin en eene kruik waarin eene fakkel verborgen was. Op een gegeven teeken slaan /.ij de kruiken stuk en stoeten op hunne bazuinen; de Beduïnen springen verschrikt uit den slaap, en op het geschal der bazuinen en op het gezicht dier lichten maakt een panische schrik zich van hen meester, /.oodat de een den anderen vermoordt in de duisternis, om zich uit de voeten te maken; tusschen zulke ongedisciplineerde bende kon niemand eenige orde lierstellen, en alles vluchtte door elkander in de grootste wanorde.
In Journ. Asiat. 1841,11, 510, verhalen Niebuhr en Keil, hoe een
Anxbisch hoofd, A limcil-hcu-Saad, vier tof vijfduizend man van eenen anderen stam ouder Bel-Arad versloeg, door dezelfde krijgslist te gebruiken als üedeon. üm hunne fakkels niet te doen lichten, bedekt de stil tit of (Kjha van de politie te Cairo hen van boven met aarden potten.
Onder hun gewoon oorverdoovend geschreeuw vluchtten do Bedulnen naar Bethsetfca, lieden Ohuttah genaamd, en naar Abel-melmla, heden onbekend, om zoodoende de ondiepten van den Jordaan te bereiken. Men kan gemakkelijk begrijpen, welke verwarring daarbij moest ontstaan, daar zij nl hunne kudden hij zich hadden; daarenboven schoten nu ook de achtergebleven mannen van Xephtali, Aser en Manasse bij, terwijl Gedeon de Ephraïmiten deed aanzeggen, dat zij de doorwaadbare plaatsen van den Jordaan moesten bezetten. De twee scheiks of aanvoerders Oreb en Zeb werden aldaar gegrepen en vermoord, maar Zebee en Saimana waren reeds ontkomen en op den anderen oever. Deze waren met vijftien duizend man tot Karkor gevlucht, honderd twintig duizend l'eduïiien waren omgekomen. Men kan niet met zekerheid zeggen waar Karkor lag; heden nog is de woestijn ten oosten van den Jordaan zoo onveilig wegens de Bedulnen, dat aan de onderzoekingen aldaar de grootste moeilijkheden in den weg staan.
Gedeon doodde de beide emirs, omdat deze zijne broeders vermoord hadden. Palmer zegt, dat ook heden de Bedulnen bij hunne razzias zoo min mogelijk mensclien dooden wegens den vermeenden plicht van weerwraak, de lex talionis.
Do overwinning was zoo schitterend, dat de Israëlieten, aan eenen nauweren band onder één hoofd behoefte gevoelende, aan Gedeon het oppergezag aanboden. Maar hoe moedig, onversaagd en kundig Gedeon ook was, toch weigerde hij en trok op zijne bezittingen terug, na zich uit den buit een gouden ephod, een opperkleed gelijk aan dat van den hoogepriester, te hebben laten maken.
254
HOOFDSTUK VI.
ABIMELECH.
Het oppergezag was niet aangeboden aan Abimelecli, zoon van Gedeon en van eene vrouw uit Sieliem; Inj verwierf liet door eerzucht, iiij behield het een tijdlang door sluwheid, hij verloor het door zijne misdaden. Om zijn plan te bereiken, liet hij zijne broeders ombrengen, maar Joatham ontsnapte aan den moord.
Alzoo ontstond een begin van alleenheersdiappij, en daarmede een begin van belasting, van leger en van bestuur, en als eerste beambte zien wij hier Zebul optreden. Abimelecli vormde zich een leger, en daartoe had hij geld noodig. De Sichemiten, zooals vele volken der oudheid, hielden de tempels voor de onschendbaarste schuil- en bewaarplaatsen; zij bewaarden dan ook hunne schatten in den tempel, dien zij aan den afgod Baal-Berith hadden opgericht. Baal-Berith, beteekenende âBaal van het verbondquot; zou op een verbond wijzen tusschen Sichem en de nabijgelegen plaatsen Beth-Millo, Arumah, Thebes. Stanley, Jew. Church, i, ;)34. Abimelecli regeerde drie jaren over Israël, maar niet over geheel Israël; o. a. niet over Bera, waarheen Joatham gevlucht was. Bera lag volgens eenigen in den stam Juda, volgens anderen zou het Beeroth zijn in den stam Renjamin.
De Sichemiten namen zeventig sikels zilver (ongeveer een kilogram) en gaven die aan Abimelecli. Te Sichem woonden ook nog Chananeürs, die afstamden van I[einor, vader van Sichem; deze schijnen de eerste geweest te zijn, die zich tegen Abimelecli verzetten, want zij legden hem hinderlagen in de bergen van Hebal en Garizim; daarenboven vielen zij de karavanen aan, die over hun grondgebied trokken. Dit oproer werd ondersteund door den Chananeër Gaal. Toen Abimelecli, die waarschijnlijk op zijne bezitting te Ephra woonde, zulks door zijnen aangestelden Zebul vernam, snelde hij toe, versloeg de strijders van (raai, en trok zich dan terug naar Arumah of Kuma, volgens ^ . de. Velde, Syr. a. Palest. II, iJOS, thans de ruïnen van El-Arma. Daarna versloeg hij de Sichemiten, maakte zich van de stad meester, die hij ver-
delgde, en verbrandde den tempel van Haal met allen die erin gevlucht waren.
Daarna richtte hij zijnen aanval tegen Thebes; dit lag vier uren gaans van Sichein, in noordoostelijke richting op den weg van Sichem naar Bethsan. Toen hij, om de poorten der stad inbrand te steken, zelf hout mede aanvoerde, wierp eene vrouw eenen handmolensteen van boven neder en verpletterde hem het hoofd.
Zoo mislukte eene eerste proef om in Israël een koningschap op te richten.
HOOFDSTUK VII.
JEPHTE.
Hier hebben wij voor het eerst een man, die bij keuze van het volk tot hoofdman gekozen wordt. Jephte, dien men als krijgsoverste verlangde, aanvaardt dit op voorwaarde, dat hij na volbrachten veldtocht mét hot hetzelfde gezag zal bekleed blijven.
Jepbte was een onwettige zoon van Galaad, die in het land Galaad ten oosten van den Jordaan woonde. De andere wettige zonen verdreven Jepthe uit het vaderlijk huis en erf, deze vluchtte naar het land Tob; de ligging hiervan is onbekend, maar waarschijnlijk was het op de grens of in het land Amnion. Jepthe was een heldhaftig, ondernemend man; hij verzamelde alle ontevredenen om zich tot eene bende, en leefde van roof en buit.
Na Abimelech hadden de stammen ten westen van den Jordaan als rechter gehad Thola uit Issachar, en die ten Oosten Jaïr van Galaad. Heiden waren overleden, en van hunne daden weten wij niets.
Toen waren de Israëlieten meer dan ooit tot afgoderij vervallen. De Philistijnen en Ammonieten werden de instrumenten van Gods wraak.
Hier verschijnen voor het eerst de Philistijnen, die als vijanden
256
dor Israëlieten niet van liot tooneel zullen verdwjjuer voor de liabylonischo gcvangeuschap. Do strijd togen deze vijanden was voor Samson weggelegd.
Do Ainmoniten waren vereenigd met do Moabiton reeds togen Israël opgetrokken onder Aod. Nu achtten zij zich alleen sterk genoeg. Zij waren ook nomaden en afstainnielingen van Loth, maar roods vroegtijdig nl. onder Abraham do vijanden der Ilebreërs. Thans verbleven zij langs den oostkant van het land Galaad. Ofschoon de grenzen van dit land door hare natuurlijke sterkte, nl. de bergen, moeieljjk in te dringen zjjn, was dit toch aan de Ammoniten gelukt, en zij hadden alreeds hunne rooftochten uitgestrekt over den Jordaan tot in Ephraïm, Benjamin en Juda.
In dezen nood riepen de Israëlieten, die ten oosten van den Jordaan woonden, het land Galaad genaamd, Jephte te hulp en boden hem het oppergezag aan; deze nam dat aan op voorwaarde, dat hij die waardigheid altijd bleef behouden, hetgeen hom te Maspha beloofd werd. Dit was wederom een pas nader op don weg naar het koningschap.
Daar Jephte niet ten onrechte den strijd tegen de talrijke Ammoniten duchtte, trachtte hij vooreerst met hen in onderhandeling te treden, en toen deze mislukten, trok hij tegen hen op en versloeg hen van Aroer tot Abel in de wijngaarden.
Zooals wij boven zeiden, zijn de ontdekkingen ten oosten van Palestina nog zeer schaars wegens de onveiligheid der streken. Nochtans heeft Tristam het land Moab iu 1872 bezocht, en verhaalt daarbij over zijne ontdekking van Abel-Keramim, Abel de plaats der wijngaarden, The Land of Moab, i;50, 140; âTwintig minuten achter Dliiban liep onze weg uit in eene vallei, die echter om hare geringe laagte nauwelijks dien naam verdient. Daar ziet men nog overblijfsels van muren en terrassen, die lieden slechts aardklompen vormen; zij zijn onder de graszode bedekt en liggen op eene regelmatige rij langs den heuvel, op oenen afstand van ongeveer honderd yards. (De yard = 0.914 meter). Op onze vraag, wat dat was, bleef men ons de uitlegging schuldig, men zeide ons alleen, dat de vlakte heette Khurm Dliiban, de wijngaarden van Dhiban. Deze daldiepte is ongeveer drie mijlen lang; en de
menschen die den naam ervan bewaard hebben, hebben in hun leven aldaar misschien nooit wij ngaarden gezien, en nooit begrepen waartoe die oude grachten, zooals men zo noemen kan, eertijds gediend hebben. Maar hier vinden wij een voorbeeld ervan, hoe goed do Semitische benamingen zijn bewaard gebleven; hier vinden wij eeno uitdrukking terug uit het boek der Rechters. Toen Jcplite do Ammoniten tot in deze vlakte versloeg, heet liet: 1 lij versloeg hen van af Aroer totdat gij komt te Minnith, twintig steden, en tot aan de vallei der ivijnyaarden. Hier in deze vallei, waardoor het verslagen leger der Ammoniten op zijne vlucht uit het westen, moest langs komen, vinden wij dien naam terug, wel is waar in eene andere taal, maar in dezelfde beteekenis. Wij weten niet waar Minnith lag. Ofschoon men verondersteld heeft dat het Menjah kon zijn, dat naar men zegt zeven mijlen ten westen van Hesebon ligt, hebben wij toch geen spoor ervan kunnen vinden noch van den naam, noch van de plaats, noch daar noch elders.quot;
Jephte'had gezworen, dat hij den eersten, die hem uit zijn huis zou te gemoet komen na den strijd, den Heer als otter zou brengen, wanneer God hem de overwinning schonk. â Deze nu was zijne dochter, die hij dan ook volgens de oude Joodsche traditie en volgens de meeste heilige Vaders slachtofferde.
Wij willen hier niets inbrengen tegen de meening vnn anderen, maar het feit, dat Jephte zijne dochter werkelijk slachtofferde, komt volkomen met de zeden van dien tijd en dat volk overeen.
Toen de Ephraïmiten twist met Jephte zochten, versloeg hij hen, waarbij twee en veertig duizend van hen op het slagveld bleven.
Jephte was zeven jaren rechter geweest, toen hij stierf.
258
HOOFDSTUK VJ1I.
SAMSON.
Terwijl Jephtc zij no zoiuling bij do oostoljjke stammen van Israël vervulde, was Samson de wreker der westelijke. Deze was eeu man met reuzenkrachten, en onuitputtelijk was zjjn geest in sluwe listen; iiij strijdt steeds alleen, zonder leger.
Oratz, Geseh. der -Inden I. 406 : De Philistijnen waren oorspronkelijk uit Creta (Caudia), landverhuizers uit de stad Caphtor of' Cydonia; men weet echter niet of zjj voordien Chananeërs dan wel PelaSgers waren; zij waren reeds ten tjjde van Josué in Palestina gevestigd, en waren meester over de rjjke vlakte van Sephela. Nabij de Middellandsche Zee bezaten zij drie steden, üaza ten zuiden, Azot ten noorden en Ascalon midden tusschen deze twee; verder in hof land bezaten zij nog Gefh en Accoron. Behalve Oeth bestaan deze steden heden nog; zij maakten onder Samson een bondgenootschap uit, bestuurd door vijf wiinim of prinsen, een voor elke stad.
Men wil dat de Egyptenaren cu Grieken naar de Philistijnen, hef geheele land Palestina geheeten hebben. Onder opzicht van handel en bedrijf stonden zij beneden de Phenicirrs, welke zij echter op krijgsgebied ver overtroffen; zij waren zeer oorlogzuchtig. Daar zij buitendien in hunne vlakte een handig gebruik wisten te maken van hunne vele strijdwagens, waren zij aldaar beveiligd tegen de Israëlieten, die buiten hunne bergen geen sfrjjd in het open veld met hen durfden wagen.
Tegen hen trad de vindingrijke sluwe reus Samson op. Hij was thuis van Saraa. Dit is thans een dorp van drie honderd inwoners en beef nog Sar'ah; het ligt langs do noordelijke holling van den berg, die Hothsames beheerscht; in deze helling vindt men vele grafspelonken, en onder langs don voet stroomt eene rivier.
Op oon uur afstand ten westen van Bethames ligf Thaninata, heden Tibnoh, tusschen oen liouvelenrij; daar kreey Samson zijne eerste vrouw.
Samson is hef eerste voorbeeld van een Xazareër, waarvan do
259
Scliri(tiiiii' spreekt. Zijn eerste hewijs van liehaamskracli!'. gaf tiij door het dooddrukken vn.n eenen jongen leenw te Maiianeli-Dan, dat volgens Guérin, Jnd. II, 14 in de nabijheid van Saraa ligt. Waarschijnlijk drukte hij dien leenwdood onder zijne armen, geljjk de Assyriërs ook deden, en Avat als een bizonder blijk van kracht bij hen stond aangeschreven, zooals ons de vele voorstellingen van den reus Izdnbar, eenen leeuw onder zijnen linkerarm verstikkende, te aanschouwen geven.
\ roeger was die streek rjjk aan wilde dieren, zooals blijkt uit eenige plaatsnamen; bv. Lebaoth, de leeuwinnen; Saalbim, de jakhalzen; Lais, leeuw; enz. Er waren vooral veel leeuwen langs de oevers van den Jordaan, waar zij in hel vele en hooge struikgewas eene si'h uil plaats vonden. Daar hebl)en zij zich staande ge-honden tot in de twaalfde eeuw, en daarna zijn zij uit Palestina verdwenen. Die leenw was eene Aziatische variëteit van het gewone soort dat in Syrië bestond, zoonis wij zien bij Aristoteles, Hist. anim. IX, 14 en Plinius, llist. nat. VIII, 17.
Samsoni ging zich eene vrouw zoeken onder de dochters der Philistijnen, en daarom daaldr hij «/'van het hooger gelegen Saraa naar I hamnata of libneh. Do ruinen dezer plaats liggen onderaf langs een lager gebergte, zij zijn begroeid met wilde kruiden en distels, en van de vruchtbare wijnbergen is niets overgebleven ; de overal verspreide, met mos begroeide steenblokken wijzen alleen nog hare ligging aan.
Dertig inwoners van I hamnata werden ter bruiloft ffenoodiird.
⢠' lt;5
Het is algemeen bekend, dat het opgeven van raadsels in het Oosten eene liefhebberij is, waarop allen zich aldaar toelegden. Op den weg naar I ibneh bad Samson eenen bijenzwerm met honig gevonden in het skelet van den voor eenigen tijd door hem ge-dooden leenw.
Oedmaun, Verin. Samml. a. d. Naturk. VI, 135: ..Dir feit zou alle waarsehijnUjkheid verliezen, wanneer men zich een lijk in ontbinding voorstelde. Maar het is bekend, dat in deze streken de hitte op zekere tijden van het jaar zoo sterk is, dat zij zonder voorafgaande ontbinding of bederf in vier en twintig uren zoo volmaakt het vleesch der doode kanieelen doet uitdrogen, dat hun lijk zich langen tjjd gelijk mummies bewaart, zonder te veranderen of slechten reuk af te geven. Daarvan heb ik verscheidene be-
â¢J()0
wijzen cn voorbeelden geleverd in mijne beschrijving van het kli-maat van Arabia Patraea. Buiten twijfel heeft ditzelfde plaats cevoiulen met den leeuw van Samson, en daar de bosscben van Palestina met ontelbare zwermen van wilde bijen bewoond zijn, die niet alleen in hulle boomen wonen, maar ook, bij gebrek aan andere plaatsen, hunnen voorraad honig brengen in de spleten der rotsen en in onderaardsche holen, met geen ander doel dan om zich in hunne schaduw te beschutten, zoo valt hieromtrent niets in te brengen tegen het verhaal der Schriftuur in het boek der llcchtors.quot;
Door het verraad zijner vrouw verloor Samson de weddingschap om dit raadsel aangegaan. Terstond trok hij naar Ascalon, versloeg daar dertig Philistjjuen, ontdeed de lijken van hunne kleederen, betaalde daarmede zijne schuld en ging heen naar Saraa.
Eenigen tijd nadien was de woede van Samsom bekoeld, en inj ging weder naar zijne vrouw te Thamnata en bracht haar een geitenbokje ten geschenke. In het oosten stelt men het vleesch van een geitenbokje, in melk gekookt, verre boven lamsvleesch, het is ook malscher cn fijner van smaak. â Maar zijne vrouw was met eeneu anderen gehuwd. Hierover in toorn ontstoken ging hij heen zeggende: Van af heden heb ik het recht den Philistijnen zooveel kwaad te berokkenen als ik maar kan. Jlij hield woord.
Ofschoon de vlakte van Sephelah langs den zeekant eene breede strook van onvruchtbaren zandgrond heeft, levert zij overigens een dor rijkste korenvelden, hier en daar onderbroken door weelderige tuinen en groene vlakten met rijke boomgaarden, en nog in onze dagen lokt dit de roofzuchtige BeduTnen erheen.
Het was op het einde van April of aanvangs Mei, dus in den oogsttijd, als geen druppel water den grond komt drenken. Savnsou vond hierin zijne eerste gelegenheid tot wraak over de hem aangedane beleediging. Daartoe bediende hij zich van drie honderd sudihn of jakhalzen.
De sual is eigenlijk niet een vos, zooals de Vulgaat weergeeft, maar oen jakhals, canis aureus. Hij behoort tot het geslacht dei-honden cn is een zeer vraatzuchtig roofdier, dat alles weghaalt wat hij maar machtig kan worden, 's nachts op roof uigaat en
2() 1
filsclan een akelig geluid laat hooren. Hij is grijs en goudgeel gekleurd, o[) den rug donkerder, aan de keel witachtig, kleiner dan de wolf, maar hooger op de pooten dan de vos; hij leeft bij troepen van twee tot drie honderd, in geheel het Oosten, maar vooral in Palestina in do omstreken van Jaffa, Graza en Gralilea.
Mislin. Les saints Lieux II, 156: âToen de nacht gekomen was, maakte Soleyman ons maal gereed, en wij zaten buiten de tenten... toen de jakhalzen ons bot wanlnidendste concert kwamen brengen, dat ik ooit gehoord heb. Dat gehuil en gejank, dat uit alle holen en rotsspleten gedurende den nacht in de eenzame woestijn opstijgt, brengt iemand in een vreemde gesteltenis... Ik weet niet of er drie honderd waren, maar ik ben er zeker van, dat indien een andere Samson al do korenvelden van het vroegere land der Philis-tijnen wilde in brand steken, dat hij nog heden en alleen in deze vallei meer vossen en ranken zou vinden dan hij noodig had... Toen ik mij eensdaags tor plaatse bevond, waar Samson zijne drie honderd vossen had losgelaten, zijn de afstammelingen van die zelfde vossen door hun akelig gehuil het bewijs komen leveren, dat zij alle volkeren overleefd hebben, die naelkandar dien schuldigen grond bewoonden, en gevallen zijn onder het zwaard of een prooi der jakhalzen zijn geworden.quot; L. I'orter zegt dat het gehuil der jakhalzen hem in Palestina meermalen belet heeft te slapen.
Om de oude vertaling van rosset/ inplaats van jakhalzen te begrijpen. behoeft slechts opgemerkt te worden, dat de Arabieren geen verschil tusschen deze twee dieren maken. Overigens de vos, de wolf en de jakhalzen behooren tot het geslacht der honden.
Het gehuil dezer dieren verraadt ook hun verblijf. Herder, llist. de la poésie, etc. -UiO: âDaarom kostte het aan Samson zooveel moeite niet om er drie honderd bij elkander te krijgen, en zjjn plan uit te voeren; terwijl het hem zeker niet aan hulp ontbrak van diegenen, die van zulk schouwspel wildon getuigen zijn zonder voor iets verantwoordelijk te zijn. De geschiedenis der drie honderd jakhalzen en der brandstokken achter hunne staarten ontstoken, is geheel en al volgens het karakter van Samson, en zij die haar in het belacheljjke willen trekken, verdienen niet eens weerlegging.quot;
262
Samson bond tic jakhalzen twee aan twee aan don staart liij elkander, hechtte daaraan een harstoorts vast, en joeg ze dan in de rijpe korenvelden der IMiilistijnen , welke door geen hagen , muren of andere lieletselen onderbroken waren. Woldra was alles een prooi der vlammen, waaraan zelfs de druif- en oljjfhoomen niet ontsnapten. Samson kou de geheele verwoesting gadeslaan van af de hoogte waarop Saara lag , omdat liij van daaraf een vrij gezicht had over de vlakte van Sephcla.
V. Lennep, Bible Lands 1, 2s0: âAVij belioeven overigens niet te veronderstellen, dat de jakhalzen uilen (jemmcnlijk naar de akkers der Philistijnen en in dezelfde richting werden losgelaten. Waarschijnlijk wilde Samson eeuen hongersnood bij de rhilistijnen verwekken ... De Israëlieten zouden hunne vijanden niet zooveel schade hebben kunnen berokkenen, als zij met hunne handen het vuur hadden ontstoken, ieder man van eenige ondervinding moet dit bekennen... Een enkel dier met een brandstok zou dien kunnen blusschen, twee echter worden hierin niet alleen door hun loopen belet, maar kunnen ook geen hol vinden breed genoeg om samen er in te kruipen; zij zijn dus verplicht in woede en angst hunnen weg over het veld te kiezen, en aan alles het vuur te steken. Buitendien konden de Philistijnen de bewerkers van dit onheil niet meester worden. Oatisch waarschijnlijk waren de toortsen gemaakt van het harsachtig pijnboomenhout nir dat land, hetwelk eenmaal ontstoken, moeieljjk uitgedoofd kan worden.quot;
Om zich over dat groot onheil te wreken, verbrandden do rtiilis-tünen den schoonvader van Samson en zijne dochter in zyn huis.
Thomson, The Land a. the Book, 553: âDe Arabieren zijn zoo bevreesd voor brand wanneer de oogst rijpt, dat zij nog in onzen tijd hem ter dood brengen, die vrijwillig of onvrijwillig tiet vuur
in een korenveld brengt.quot;
Na, de rhilistyncn nog eenmaal zwaar getroffen te hebben , ging hij zijn verblijf zoeken in ecne spelonk van do rots Etam. \ olgens Stanley, Sin. a. Palest. 258 lag deze langs het uiterste zijgebergte van Juda, in de richting van Lekièh en Deir-Dubban, alwaar men overal holen vindt, woningen der oude Troglodieten, welke de Schriftuur aanduidt door het woord Horim of grotmenschen. In deze holen ging Samson zich verbergen, in afwachting dat de Philistijnen hem zochten, waarin hij zich niet bedroog.
Toon de Pliilistjjiicn gcwiipomlcrliaml Judu binnendrongen, gaf lnj zich aan de Israëlieten over, op voorwaarden dat deze liem alleen zouden binden en overleveren. Dit gebeurde, maar in hot kamp der Pliilistijnen verbrak lijj zijne banden, en met een ezels kinnebak, dat hem onder handen viel, doodde hij duizend vijanden. Omtrent groote heldendaden der Beduïnen zie men Burekhardt, Notes on the Beduins I, 1'iH - lliö en Palmer, The desert ete. 11, 415. Ofschoon de Arabier liever mot list dan met geweld te werk gaat, ontbreekt het bij hen toch geenszins aan helden; zoo werd I), v. do Shorif iriiniud, gouverneur van Yemen, met zijn geleide van tachtig man verslagen door Shammer alleen.
Hoe sluw en sterk Samson ook was, toch werd hij het slachtoffer zijner vloeschelijke driften. Ilierdoor viel hij een eerste maal in de handen zijner vijanden, maar ontstapte door dat hij eene der poorten van de stad Oaz-i uit hare grondels lichtte, en deze tot bewijs zijner kracht naar don berg droeg tegenover Hebron, Volgens do oude traditie wijst men nog heden ton zuidwesten dezer stad de plaats aan, waar Samson die poort nederzette, op een hoogte genaamd el-Montar
Daarna liet hij zijne oogen vallen op Dalila; deze vrouw woonde in de vallei, die van af den voet van Saraa naar het westen loopt. Hij liet zich door deze vrouw, die door geld voor de Pliilistijnen gewonnen was, bepraten en maakte haar hot geheim zijner kracht bekend. Men schoor Samson do haren van bet hoofd, en toen hij alzoo ontwapend was, maakte men hem voor altijd onschadelijk door hem de oogen uit te steken. Zoo word hij naar Gaza gevoerd en daar tot den nederigste» slavenarbeid gedoemd, nl. tot den handmolen.
Deze handmolens zijn in het Oosten nog in gebruik, ongeveer gelijk zij van Abrahams tijd zijn gebleven. Wanneer men door de straten van Gaza gaat, hoort men nog hun gedruisch gelijk ten tijde van Samson; het is dit gedruisch, waarvan de Schriftuur dikwijls spreekt om eene volkrijke plaats aan te duiden.
Thomson, The Land etc. 526: âVan af liet zuiden door het geheele land der Pliilistijnen is geen watermolen, en wij moeten het gedruisch van den handmolen hooren van den ochtend tot den
2()4
avond, en dikwijls tot ver in den nacht, in alle dorpen en legerplaatsen der Arabieren.quot; Dan besclinjft lüj dien molen als volgt: Twee vrouwen zijn tegenover elkander aan den molen gezeten, en elke geeft oenen kalven draai aan de greep, die aan den rand van den bovensten steen vastzit. Die bovensteen, van den onderkant concaaf, holrond, heet Arab, relknh en Tlebr. rekeb] de ruiter; deze is op bet midden doorboord, en door dit gat loopt eene ijzeren stang, die stevig in den ondersten steen is vastgemaakt. Deze benedensteen die op den grond rust, is haar den bovenkant convex, bolrond, zoodat hij in den bovensten steen sluit. Beide steenen zijn rond aan den buitenkant. Het koren wordt erin gegoten door het gat van den bovensteen langs de ijzeren stang; dit komt dan gemalen tusschen de twee steenen uit, en wordt als meel op een op den grond uitgespreid doek opgevangen. Elk huishouden bezat eenen dergelijken molen.
Nooit, zegt Thomson, heb ik eenen man dit slavenwerk zien verrichten, altijd vrouwen.
Men kan dus denken, hoe Samson hierbij te moede moest zijn.
Samson bad zeker langen tijd dit slavenwerk moeten uitvoeren, daar zijne haren intusschen weder waren bijgegroeid, waarbij bij ook weer zijne kracht had herkregen. Toen de Philistijnen eens-daags feestvierden in den tempel van hunnen God Dagon, deden zij Samson ter bespotting hierbij brengen. Deze liet zich door den hem begeleidenden knaap tusschen de twee kolommen plaatsen, waarop vooral het platte dak rustte. Dan stortte bij een kort gebed, en wierp de kolommen omver, lljj zelf kwam onder de puinhoopen en met hem meer vijanden, dan hij in zijn geheele leven had omgebracht.
Starck, Gaza mul die philist. Kuste I, 332: âDe vorsten der ( Philistijnen brachten een groot offer aan Dagon, in tegenwoordigheid van veel volk. De heit (tempel in den strengen zin van het t woord), is gevuld met mannen en vrouwen. Daarenboven bevinden i zich op het c/r?y of platdak nog drie duizend menschen om hot t. ( dansen van Samson te zien. l it deze omstandigheid blijkt het klaar, c dat er sprake is van eenen grooten tempel in de open lucht, van t een open plaats of binnenplaats die deel uitmaakt van den tempel, 1 gelijk wij later bevinden aan den tempel van Jerusalem; in deze 1
plaats geschiedde zoowel liet offeren, als het dansen van Samson, liet volk betracht dit schouwspel van afliet gag, nl. van de gaanderij die deze plaats van boven omgeeft. Hier wordt niet bedoeld het gag of platdak boven do eigenlijke re-Ha, waarin liet beeld van Dagon stond; dit heiligdom immers was klein en als gewijde plaats ontoegankelijk voor de profanen; Samson was daarom ook niet daarin. De estrade of gaanderij rustte op kolommen en houten balken, aiiiKcliin, gelijk wij die later bevinden in de zalen van de voorplaats aan den tempel van Salomon. Samson wordt tusschen twee kolommen geplaatst, niet de eenige kolommen, want daar waren er meer; maar tusschen twee ervan, lioel nabij de gaanderij, in de buitenste voorplaats. Deze rwee hadden den meesten last der gaanderij te dragen, Samsom wierp ze om, en daarmede moest al liet overige uit zijn verband gaan en instorten, vooral daar het gedrukt was door den last van al die menschen.
âHier is dus geen spraak van do twee kolommen, diegeljjkde obelisken in Egypte, voor den tempel stonden en waarop niets rustte. Ook waren het niet twee kolommen, die het gebouw in het midden schraagden; dezulken toch treft men daar niet aan, terwijl overigens eene enkele middenzuil, gelijk in de rondvormige crypten, meer draagkracht heeft dan twee kolommen.
âHet is zeer moeielijk uit te maken, hoe overigens het ffe-
quot; ⢠O O
bouw was.quot;
De Philistjjnen waren over dit voorval zoozeer ontdaan, dat zij er niet eens aan dachten om de Israëlieten te beletten het lijk van Samson weg te halen.
Rabbi Ishak Chelo schreef in 13H8: âVan .lerusalem naar Sarea, het vaderland van Samson. Men heet die heden Sarah, en toont er het graf van Samson. Dit zeer oud monument, is versierd met de ezelskinnebak, waarmede iuj de Pliilistijnen had gedood.quot;'
(hierin, Descr. geogr. Judée ill, 1524 heeft deze plaats bezoclit te Khirbet A'selin bij Saraa en Ahrtuf. Daar ligt een door de inwoners vereerd graf onder den naam van Kabr ('liuiiirhuiii^ het draagt ook den naam üualy Clieik Gherib. De kinnebak is verdwenen en de tweede naam komt van den Clieik, die in lateren tijd in het graf van Samson is bijgezet. Volgens Hecht. XVI, 31 ligt zijn graf tusschen Saraa (Tsorah) en Esthaol (Eehtaol). Ahrtuf heette volgens zijne bewoners, vroeger Achtual (Eehtaol).
2(5()
Hieromtrent is zelfs Ewald verplicht tc erkennen, in Gesch. d. Volkes Isr. 11, 558: âNiets kan zekerder zijn dan dat Jif'tali en Samson echt-hebreeuwsche helden dier tijden waren.quot;
In de wondervolle geschiedenis van Samson is thans niets meer, waaromtrent eenigen twijfel kan geopperd worden. De schrijver van het boek der Rechters verdient niet minder geloof, wanneer hij spreekt over Samson, dan wanneer hij de geschiedenis geeft van Gedeon of Debora; do nauwkeurigheid zijner aanteekeningen tot , in al hare bizonderheden, zijn bevestigd door een grondig onderzoek in het land en door eene ijverige bestudeerlng van deszelfs zeden en gewoonten.
HOOFDSTTK IX. HELI.
Waarschijnlijk reeds bij het leven van Samson was Heli rechter te Silo over Israel. Deze man was niet een redder of bevrijder van het volk gelijk de vorige rechters, maar het schijnt dat de Israëlieten een dieper overtuiging kregen van de noodzakelijkheid van vereeniging onder één hoofd, liet is ook de eerste hoogepries-ter, die als rechter optreedt. Iljj stamde door Itiiamar van Aaron af. Het schijnt, dat noch luj, noeh zijne zonen aan krijgsverrichtingen deelnamen; zijne zonen volgden alleenlijk de ark.
Ofschoon Heli een godvruchtig man was, was hij echter zwak voor zijne zonen; tot straf hiervoor verliest hij zijne zonen, en het opperpriesterschap wordt aan zijne nakomelingen ontnomen. \ order zwijgt de gewijde schrijver omtrent Heli en verhaalt slechts de gebeurtenissen in Israël wnder hem.
I Sam. (1 Kon.) IV lezen wij dat de Israëlieten in twee gevechten door de Philistijnen verslagen werden, en in het tweede gevecht de Ark des Verbonds buit maakten. Het is niet bekend waar deze veldslagen plaats hadden.
267
Hij do overwinningen der toenmalige volken stond steeds do godsdienst voorop; liet was alsof do god van het eone volk dien van liet andere overwonnen had. Zoo ook beschouwden de Phili-stjjnen den uitslag van den strjjd als eone overwinning van hunnen 'tod Dagon over den God der Israëlieten; danrorn plaatsten zij do Ark als een overwonnen buit voor de voeten van het beeld Dagon. Ditzelfde gebeurde toenmaals ook iu andere landen.
Meuant, Ann. des rois d'Ass. 40: âTe dien tjjde, zegt het prisma van I eglathphalasar I. ilie in Assyria leefde in het i.ijdperk, waarin dit bij de Israëlieten voorviel, heb ik geotterd de vijf en twintig goden van dit land (Kirkhié), die de zegeteekens zijn mijner handen, als utu. uit, in den tempel van Sala, de groote geliefde echt-genoote van den god Assur, mijnen lieer, en ik heb ze opgedragen aan de goden van mijn land, aan Ann, aan Bin, aan [star Assurit, in mijne stad Kl-Assnr.quot;
Dagon, de voornaamste god der l'hilisrjjnen, had het bovenlijf van een man, en van af de lenden was hij visch, waarschijnlijk een herinnering hunner oude zeetochten. Zoover hij visch was, lag hij plat op het voetstuk van het altaar, maar van af de lenden zoover !)ls hij mensch was, was hij in rechte houding; van deze voorstelling zijn twee zilverstukken bekend, een ervan is in het museum van 1'. Du pró te Parijs, en een in de verzameling der Fransche .Nationale Bibliotheek. De vrouw van Dagon heette Atergatis, ook wel Derketo, dat is deur of spleet, zij ook werd voorgesteld half vrouw en halfvisch. Dagon had eenen tempel te Azot en te Gaza, Derketo te Ascalon.
Toen de Ark gedurende den eersten nacht in den tempel te Azot had gestaan, lag Dagon 's morgens op den grond. De priesters zetten het afgodsbeeld op zijne plaats, maar den anderen morgen lag het verbrijzeld, zijn hoofd en handen lagen in stukken tot aan de deur van de cella. Dan nog werden de Philistijnen met eene ziekte geslagen, die de Schriftuur iifnlhii noemt, dat beteekent âheuvelvormige verhevenheidquot; en veelal door haemorrhoïden vertaald wordt, bij anderen door pestbuilen. Daarenboven werden hunne akkers door eene zware plaag getroffen. I Kon. V, G: âKn de dorpen en velden braken op in die streek, en er werden (overal) muizen geboren. ' In het westen van Azië leeft een soort van ratten, die wjj volgens de beschrijving die ervan gegeven
2fi8
wordt, hamsters kunnen noemen. Hamsters, ratten en muizen be-hooren tot liet geslacht iiiuriiia, muis. Geen dezer rassen vermenigvuldigt zich zoo sterk als de kortstaartige rat (hamster) in West-Azië, niettegenstaande zijne verbitterde vijanden; de uil vervolgt haar des nachts, de sperwer en andere roofvogels over dag, het i'ret dringt hare holen binnen, en toch verminderen zij niet. /ij richten groote schade aan, want vaten vol vruchten dragen zij naar hunne holen als voorraad voor den winter. Soms dagen zij in ontelbaar getal op, verwoesten in weinig tijd geheele koren- en tarwevelden, en sparen zelfs de wortelen der hoornen niet. Bochart, Hierozoicon II, 429 meent, dat de I lebreeuwsche naam van rat (hamster) '(ikhiir, eene samentrekking of verkorting is van'akalbar, verwoester der velden.
De Ark werd van Azot naar Goth en Accoron gebracht en de plagen volgden haar op den voet, daarom besloten de Philistijnen haar naar Israël terug te zenden. Volgens den raad hunner priesters plaatsten zij haar op eenen nieuwen wagen, bespannen met twee kalfkoeien, die nog niet in bet juk waren geweest, en aan welke men de kalveren ontnam. Daarenboven legden zij op den wagen vijf gouden builen en vijf ratten, als geschenken van elk der vijf vorstendommen.
Die wagen verschilde in niets van het eenig voertuig, dat men nog heden in Palestina gebruikt, nl. twee zware houten raderen uit één stuk, soms met ijzer beslagen, en gestoken in eene as die mede onder den wagen ronddraait, hetgeen een akelig gekras voortbrengt.
De vijf scruu'nn der Philistijnen volgden om te zien waarheen de koeien zich richtten. Deze trokken rechtstreeks naar Hethsames, op de grens van Juda en Dan. De Israëlieten waren bezig met den oogst en zagen de ark aankomen, die eindelijk nabij eenen grooten steen op het land van Josué van Hethsames bleef staan. Hethsames was eene levietenstad; de levieten kwamen, hieuwen den wagen stuk, en maakten daarvan een brandstapel op den samp;en, waarop zjj de koeien slachtofferden.
Toen de ark des Yerbonds bij de Israëlieten terugkwam, was Samuel rechter.
Keil, Die Bücher Sam. al zegt, dat bij die gelegenheid slechts zeventig Israëlieten wegens hunne nieuwsgierigheid met den dood gestraft werden, en dat de 50,000 man bij vergissing door eenen
2(5!»
eopist zijn bijgevoegd; vooreerst, omdat zoovele menschen aldaar niet konden bijeen zijn; tweedons, vindt men hot laatste getal niet in vele riebreeuwsche liandscliriften; vervolgens, maakt Joseplms in Antiq. VI, 4 ook slechts melding van zeventig man.
v
'r
i'
|j
sl
li
HOOFDSTUK X. SAMUEL.
Ewald, Geseh. d. V. Isr. 11, 591; âSamuel behoort tot het geringe getal dier mannen welke do geschiedenis ons voorstelt, als levende in een hacheljjk, maar beslissend tijdperk, en die eerst handelen tegen him wil, maar dan meegesleept door den drang der omstandigheden niet al de kracht van hunnen omveerstaanba-ren geest optreden... Hij is de ware held van dat tijdvak, en hij besliste over het lot van Israël voor eeuwen. Hij brengt zjjne inzichten met zijne macht ten-otter om aan de zijnen het noodzakelijke te bezorgen. Te goeder trouw verzet hij zich in het begin tegen de nieuwe veranderingen, die zich als van zeiven opdringen; maar toen bij het noodzakelijke hiervan had ingezien, steunt hij ze met alle kracht... Hij, de schepper van dit nieuwe tijdperk, was zoo gelukkig het goede dat hij gezaaid had, te zien wortel schieten , niettegenstaande de onvermijdelijke gisting. J)e daden van David zijn grooter en schitterender dan die van Samuel, maar buiten twijfel zou David nooit zoo groot geworden zijn zonder het nederig en vruchtbaar werk van Samuel. Deze is de stichter van al het groote, dat de volgende eeuwen voortbrachten.
Onder de zonen van Levi vinden wij I Paral. VI, 23. Elcana, de vader van Samuel. Samuel is de laatste rechter, de eerste der profeten en de stichter der profetenscholen. Door zijne bovennatuurlijke gaven was Samuel de aangewezen opvolger van Heli; hij werd dan ook door geheel het volk, van af Dan tot Bersabee, nis iidhi, profeet van Jehovah erkend.
'
i! li
270
Toen de Ark was teruggevoerd, werd zjj niet meer naar Silo gebracht, maar verbleef vooreerst te Cariathiarim, en hier zien wij Samuel reeds zijne vermaning tot het volk richten. Nadat de Israëlieten, die nog steeds den druk der overwinnaars te torschen hadden, op raad van Samuel, de afgodsbeelden van Baal en As-taroth vernietigd hadden, beriep Samuel het geheele volk te Maspha.
De ligging van Maspha is niet met zekerheid aan te geven, Robinson wijst daarvoor aan het huidig Xeby-Samuil. Stanley, Sin. a. Pal. 213 zegt, dat Ramathaïin-Sophim, de geboorteplaats van Samuel, Maspha, Cariathiarim en Gabaon, allen niet ver van elkander lagen in de nabijheid van het land der J'liilistjjnen, dat zij op hoogten lagen en sterke stellingen waren.
Te Maspha werd Samuel voor goed door rillen als rechter erkend. lütusschen hadden de l'hilislijnen vernomen, wat te Maspha voorviel, en rukten hiertegen op. Juist was Samuel bezig aan Jehova een lam te offeren, toen de Pliilistijnen het gevecht openden; maar Samuel bleef bidden en de l'hilistijnen werden versla-jren ten westen van den wes nnar Bethoron tot aan Betchar.
O O
Na deze overwinning treedt Samuel onder alle rechters als de eerste rechtspreker op. Met dit doel gaat hjj naai-Bethel, Galgala, Masphath en Ramatha, om in de geschillen uitspraak te doen. De vereeniging van al het volk onder één persoon, was wederom een stap nader rot het koningschap.
Op zijnen ouden dag werd Samuel in zijne bemoeiingen bijgestaan door zijne zonen, iets wat voordien ook nog nooit gebeurd was. Maar die zonen handelden niet rechtvaardig; daarom kwam het volk bij Samuel en zeide : Geef ons een koning , die ons richt, gelijk alle volken hebben.
Samuel was, gelijk vóór hem Gedeon, tegen dit voorstel; maar toen hij den wil van Jehovah kende, berustte hij erin.
Hij koos dan eenen koning, maar zorgde tevens dat de anthro-pocratie de ondergeschikte dienares bleef van de theocratie. Samuel begreep opperbest, dat alles wat het volk van zijnen God kon scheiden, ook zijn nationaal bestaan bedreigde. Door den godsdienst alleen was uit de onsamenhangende zwervende bende een volk, eene natie geworden; het verbreken der betrekking tot Jehovah en van den godsdienstband moest vnn zeiven den uiter-lijken band van het volk verbreken en hen ten ondergang bren-
gen, zooals ook later maar al te duidelijk bleek. Daarom mocht de koning geen despotische alleenheerseher zjjn gelijk in de overige landen van het Oosten, maar hij moest onderworpen zjjn aan de wetten van den godsdienst.
Doordat Saul niet regeerde volgens deze wetten, werd hij het slachtoffer zijner ongetrouwheid, en ware dit niet gebeurd, dan zou later David zich wellicht even goed tegen den profeet Nathan verzet hebben, als Saul dit deed tegen Samuel.
Saul was alzoo een voorbeeld voor David, en de groote David werd een echte type van een theocratische koning.
De Koningen.
EERSTE AFDEELING. Dynastiën.
HOOFDSTUK J.
BABYLONIë EN NINIVE.
In de oudste tijden, tot welke de geschiedenis kan opklimmen, vinden wij in Babylonië talrijke kleine vorsten in de tempelsteden. Hunne geschiedenis is alzoo verbonden aan het bouwen dier afgo-denlieiligdoinmen, want hunne namen zijn in de briksteenen gedrukt of in bouwoorkonden op de cylinders aangegeven; soms ook vindt men korte opschriften in de bouwsteenen.
Aan het eerste begin der Babylonische geschiedenis vinden wij Sargon, gebieder in Agada (Akkad). Op een onlangs gevonden opschrift van Naboned, stelt deze de regeering van Naramsin, zoon van Sargon, 3200 jaren vóór zijne eigene regeering, dit zou zijn in 3750 v. Chr. Dit is echter zeer waarschijnlijk eene onberekende telling en opgaaf; want men kan zelfs niet zoggen of Sargon voor eenen eigen naam kan genomen worden, wijl Sarrukinu beteekent âware koning.quot; Men heeft echter brokstukken van steenplaten gevonden met vermeldingen omtrent Sargon en zijn zoon. Volgens deze zou hij Elam en het âWestlandquot; beoorloogd hebben, de oproerlingen in Babylonië getuchtigd, en het âAvondmeerquot; (de .Middellandsche Zee) bevaren hebben, hij zou alzoo een groot rijk gesticht hebben.
Borosus stelt ITarnmsin aan liet hoofd der SG âkoningen na den vloedquot; en Naboned vond cylinders van Xarainsin in do groiidslagcn van den zonnetempel van Sippara eu van den tempel van Anunit te Agade.
Twee historische personen, nl. twee Patesi van Eridu zijn uit dien tijd teruggevonden, maar liiinne namen zijn onleesbaar.
Te Sirgullu ot' Zirlaba worden Emanna en Gudea als sticlitors van den tempel voor Nana en voor Ninib genoemd. Ook heeft men te Warka en te Babylon briksteenen van Gudea gevonden, waaruit het schijnt dat zijne macht zich ver uitstrekte. Te Urukh verschijnt Singasit als bouwer van den âhenieltempelquot; van Nana en van een paleis.
Het schijnt wel, dat Ur in liet land Sumir, het eerste zich tot een groot rijk uitbreidde. Do gebieders daarvan onderwierpen de noordwaarts liggende landen, en heetten zich daarom âkoning van Ur, koning van Sumir en Akkad,quot; welken titel later alle koningen van Babylonie voerden. De meest bekende dor vorsten van dozen eersten staat is Urea (Somit. Aradoa) ook Uruch of Urbagas genoemd. Deze bouwde den groeten tempel van JSin te Ur, eenen zonnetempel to Larsam, eenen tompol van lielit te Nipur. Volgens aanwijzing op eenen cylinder van Naboned schijnt hij omtrent 2400 jaar v. Ciir. geregeerd te hebben. Zijn zoon en opvolger Dungi is bekend geworden uit gebouwen te Ur en in de nabijheid van Warka; van dezen komen het eerst inschriften in do Assyri-sche taal voor.
B:j het opsommen zijner krijgsverrichtingen haalt Assnrbanipal, koning van Assyriö, aan, dat hij bij zijnen achtsten veldtocht, G59 v. Chr. hot beeld der godin Nana hoeft herwonnen, dat de Elaini-tischo koning Kudurnachunti vóór 1 (j'iö jaren uit âhot land Akkadquot; geroofd had, dat iijj dit weder naar Erech teruggevoerd en daar oenen nieuwen tempel ervoor gebouwd hooft. Volgens deze aanwijzing zou in 2294 een koning mot oenen naam, die in Elam on Susiana nog moer voorkomt, gedurende eenigen tijd Babylonie aan zich onderworpen hebben. Uit dergelijke krijgstochten ontstond eon groot Elamitisch rijk, waarvan Babylonie slechts een wingewest was. Hierop doelt Borosus, als hij zegt, dat do Mediörs Babylonie veroverden en hier do tweede dynastie van acht koningon stichtten.
«/ O
Een dezer koningen heette Kudurniabuk, hij komt op baksteenon
18
274
van Ur voor, en heersehte volgens do inschriften tot in Syrië. Zijn zoon Eriaku iieet zicli âkoning van Larsam, koning van Sumir en Akkad,quot; zoodat bij als vasal zijns vaders in de oude zonnestad schijnt geregeerd te hebben. Tot deze dynastie behoort ook de in Gen. XIV, 1 genoemde Chodorlahomor, Kudnrlagamar, die twaalf jaren lang de vorsten van Palestina aan zich onderworpen hield.
Deze dynastie schijnt zich 200 jaren lang staande gehouden te hebben.
Berosus stelt na de Medische dynastie 12 koningen, maar geeft niets aan omtrent deze, en daarna 49 Chaldeeuwsche of inheemsche vorsten met eenen regeeringstijd van 458 jaren, die bjj benadering van 197(j tot 4519 v. Chr. kunnen gesteld worden. Gedurende dezen tijd keerden de vroegere toestanden weder terug. Zuidelijk Babylonie kwam onder eene rij van kleine koningen te Ur, Eridu, üruch, Larsam en het onbekende Risin. Het schijnt dat alsdan de onafhankelijke Syriërs herhaalde malen deze kleine staten hebben aangevallen, want een koning uit lateren tijd, Agukakrime, haalt aan, dat hij het beeld van Merodach âuit het veraf gelegen land Syriëquot; heeft teruggebracht, en dat kon alleen in dezen tijd zijn weggevoerd. Naast en tegelijkertijd met deze vorsten bestond een groot rijk in Kurdumias, d. i. in het noordelijk Akkad met Babyion. Een baksteen, thans in het Britsch Museum, vermeldt uit dezen tijd âelf koningen der dynastie van Babel,quot; waarbij de zoon steeds den vader opvolgt. De machtigste van deze was Hammurabi of Chammuragas, welke aan de kleine heerschappij in het Zuiden, vooral door de overwinning op koning Rimsin, een einde maakte, en ganseh Babylonie onder zijne macht vereenigde. Deze koning, die zich den titel gaf van âkoning van Babel, koning der vier wereldstrekenquot; is de eigenlijke stichter van het groot Babylonisch rijk. Na hem regeerde zijn zoon Samsuiluna, die opgevolgd werd door vier koningen, wier namen nog onbekend zijn.
Na dien tijd verschijnt op de Babylonische monumenten een rij van âKassischequot; regeerders. Deze waren veroveraars uit den, stam der Koshiten, die ten oosten van den Tigris tot in het Zagrosge-bied woonden als de stamvaders der huidige Kurden. Berosus bedoelt deze dynastie, wanneer hij na de inheemsche vorsten 9 Arabische, met eenen regeeringsduur van 245 jaren, laat volgen ; dezen tijd kan men bij benadering stellen van 1520 tot 127C v. Chr.
275
Do eerste koning dezer dynastie was Agukakrimc, die zijne veroveringen ver naar hot noorden uitstrekte, zonder echter moester te zijn van zuidelijk Babyionie, dat weder tot kleinere staten verviel. Een andere koning van deze dynastie heette Sagaraktias.
Onder deze dynastie trad Babyionie voor het eerst in betrekking met Assyrië. Er bestond roods een goestesverbancl tusschen beide landen, doordat de onvermengde Semitische stam, die Assyrië bewoonde, met zijne stamverwanten in Babyionie op éóne Ijjn stond in taal, zodon, godsdienst en beschaving; maar de geheel andere verhouding, welke do grondgostoldlieid van Assyrië vorderde, had dit land onder politiek opzicht tot oenen zelfstandigen staat gevormd.
Sargon II meldt op oenen cylinder, dat 350 koningen voor hem in Assyrië geregeerd hebben. Een ander koning, die omstreeks 800 v. Chr. regeerde, zegt dat Bolkapkapu en Sulili de oudste beheerschers waren. Sennacherib noemt zich een afstammeling van Belbani, den zoon van Adasi, den ouden veroveraar. Aleer klaarheid levert de geschiedenis over Samsiramon 1, zoon van Ismidigan, die G41 jaren voor Tiglatli-I'iliisar I, alzoo omstreeks 1700 v. Chr. eenen tempel bouwde voor Ann en Raman. Samsiraman 1 f stichtte oenen tempel voor Assur, waarvan nog steenen gevonden zijn, alsmede een heiligdom voor Istar te Ninive, waarvan onder hom voor het eerst do naam genoemd wordt. Al deze koningen heetten zich nog ishal-ki (patosi), priestervorsten, en eerst sedert 1500 voeren zij den titel van koning.
A an at dozen tijd dagteekenen de gevonden synchronologische tabellen, waaruit oen nieuw licht over de geschiedenis verspreid wordt. Deze beginnen met de rogoering van don Babelschen koning Karaindas, opvolger van Sagaraktias, omstreeks MöO v. Chr. Te dien tijde bestond oen verbond tusschen Babyionie en Assyrië, omdat de Egyptische Pharaos der achttiende dynastie hunne krijgsverrichtingen tot over den Euphraat uitstrekten.
Weldra echter onstond oneenigheid in Babyionie. In 1410 word Karachardas, de schoonzoon van den koning van Assyrië, door een oproer der Kassische soldaten onder Xazibugas, onttroond, waarop de koning van Assyrië dezen laatsten aangreep en versloeg, en in zijne plaats tot koning aanstelde oenen zekeren Kuri-galzu, uit het geslacht van Hammurabi.
27(1
Do macht ilor Aésyviörs breidde zich al verder en verder uit. Assumbnllit onderwierp noordelijk Mesopotamia tot den Chaboras, en veroverde iianin. Zjju zoon lielnirari hielp no^- eenmaal een oproer dempen in Bahylonie. Zijn kleinzoon Pndiel breidde de grenzen van Assyriö naar het zuid-oosten uit.
Salmanassar 1, tweede opvolger van Pudiel in 1200, maakte nog meer veroveringen in het noorden en verlegde de residentie uit liet zuidelijk Assur naar het door hem gestichte Calach of' Chale. iu 1270 ontstond vijandschap tusschen de twee bondgenooten ; do Assyrische koning Tiigulti-Xiuib 1 behaalde de overwinning op den Balsehen koning Naziniurudas, veroverde Babylon en maakte een einde aan de Kassische regeering. Eerst beklom hij zelf den troon van Kardunias, maar later stelde hij er ecne nieuwe Semitische dynastie aan.
Deze is dezelfde koning, met wien Berosus de Assyrische regeering begint. Maar Tulgulti-Xiiiili 1 behield zich de opperheerschappij voor; dit legde echter den grond tot velerlei moeielijkheden en gevechten, waarin Babyion gedurende ecne eeuw naar zijne onafhankelijkheid streefde, en waarbij nu deze en dan die de boven land had. Een eerste optreden schijnt reeds tegen Tulgiti-Xinib zeiven te hebben plaats gehad; ten minste Sennacherib meldt, dat hij diens zegelcylinder als zegeteekeu uit Babel heeft teruggebracht. âDit zegel, zegt Sennacherib, was uit Assyriö naar Akkad als buit geroofd. Ik, Sennacherib, koning van Assur, heb na COà jaren Babel veroverd, en het uit de schatkamer van Babel te voorschijn gehaald.quot;
Belkuduruzur, opvolger van Tugulti-Kmib, verloor tegen den koning van Babel slag en leven; maar zijn zoon Mnib-bel-ekur versloeg do tegen Ninive oprukkende Babyloniers. Assurdan I, 1290â1170 deed den Babyloniers veel afbreuk, maar van toen af kwam de macht van Assyriö in verval, want Nabukudurusur of Xabuchodonosor I van Babyion kon zijne veroveringen naar het westen en naar het oosten tot Elam voortzetten, zonder door de Assyriërs bemoeilijkt te worden. Zelfs keerde hij zijne wapens met goed gevolg tegen Assyriö, totdat Assur-risch-isi hem in eenen tweeden veldslag eene volkomen nederlaag toebracht. â Zuid-Babylonie stond toen nog onder zijne priesterlijke stadkoningen.
Marduk-nadin-achi van Babylon ondernam in 1110 eenen roof-
tocht tegen Assyriö, maar wenl in 1109 door Tiglat-Pilasar f overwonnen, cn lt;loze verwoestte het geheelc land Akkad. ])eze koning liad, volgens de rabellen, scilort 1 125 groote veroveringstochten gemaakt naar liet noorden on w oston, de Syriörs en Hethiten geslagen cn golieel liet land veroverd vanaf de M iddellandscho Zee, nl. van het land der Phenicicrs tot aan hot meer Na'iri (Unnia). Al zjjne veroveringen gingen echter onder zjjnon naasten opvolger weder verloren, cn zelfs de Babyloniers vielen de grenzen van Assyric weer aan. Van toen af zonk de macht van Assyrië meer en meer, zoo zelfs dat de Syriörs hun belangrijke nadeelen toebrachten. Daarom moest het wel met Babylon in vrede leven, om voor de herstelling zijner innerlijke krachten te zorgen.
Hieraan is het toe te schrijven, dat dc Assyriörs niets tegen de uitbreiding van het rijk van Israël durfden ondernemen. Kaulcn, Ass. ii. liabyl. 108â2Ã1.
HOOFDSTUK 11. ISRAëL.
I)t! huidige archaeologischo ontdekkingen hebben niets nieuws aan den dag gebracht over Saul en David; daarentegen leveren zy zeer veel inlichtingen over de gescliiedenis van een groot aantal hunner opvolgers. Xasporingen en opdelvingen te Jerusalem en in Palestina geven veel licht over de rogeering van Salomon; de Egyptologen hebben te Thebes op do muren van den tempel van Karnak de overwinning van Sesac over lipboain, koning van Juda, gelezen; de Assyriologen hebben in Mcsopotanuc het verhaal gevonden van de vijandelijke invallen der koningen van Ninive in Samaria en Judea. Met deze ontdekkingen gaan wij ons verder bezighouden.
278
De regeering van Saul was eigenlijk een overgang van de patriavcliale levenswijze onder do Rechters naar de monarcliale regeering; want de monarchie werd eerst voor goed gesticht onder David.
David vereenigde de macht in een middelpunt, doordat hjj voor zijn volk eeno hoofdstad, Jerusalem, stichtte: hjj breidde de grenzen van zijn rijk uit, verder dan deze ooit waren geweest, en aan hem kwam de eer toe do goddelijke belofte aan Abraham verwezenlijkt te zien: âIk zal geheel dit land aan uw volk geven van af den stroom van Egypte tot aan don grooten Euphraat.quot;
De overwinningen van David worden stilzwijgend bevestigd door de Assyriologie, daar deze ons hot verval verhaalt van die gevreesde macht aan dc oevers van den Tigris in dit tijdperk ; deze kon zoodoende geen hinderpaal stellen aan do vestiging van het rijk van Da\ id en Salomon.
G . Smith, Anc. 11 ist. from tlie monum. Ass. 34: nIiet Assyrisch rijk viel na den dood van Samsi-Jün, 1080, in vergeet, en zelfs do namen zijner koningen zijn ons onbekend. De inschriften leveren ons over honderd vijftig jaren slechts het volgende: de tegenspoed der Assyrische wapenen; de koning van Aram of Syrië verslaat de Assyriërs onder de regeering van Assur-rabamar; de val van Pethor en Mulkinn, en de overgang van de geheele streek van den Euphraat en Xairi (Urmia) in de handen der overwinnaars.
âDit tijdperk van verval van het Assyrisch rijk valt samen met de opkomst der Hebreeuwsche monarchie. Er was een machtig rijk ontstaan te Soba, waar Hadarezer regeerde; na de overwinning op dezen koning onderwierp David allo vorsten tot aan den Euphraat. liet joodscho rijk nam onder David en Salomon do plaats in der vorige koningen van Assyrië; maar toen het zich na den dood van Salomon verdeelde, verloren de Joden hunne opperheeerschappjj. AVest-Aziö vormde toen eeno menigte kleine vorstendommen, die altijd tegen elkander in oorlog waren, en in hunne zwakheid den eersten den hesten veroveraar schenen aan te roepen. Kort na den dood van Salomon, begon het Assyrisch rijk zich te herstellen onder Assurdan 11, liet hoofd van eenen nieuwen stam van machtige koningen.quot;
Terwijl do ocgenblikkeiijk gefnuikte macht der Assyriërs aan David vrij spel moest laten in zijne veroveringen ten noorden en
ten oosten, was Egypte door burgeroorlog en binnenlanclsche beroeringen onmachtig, zoodat ook van dien kant niets te vreezen was.
Nooit was Israels macht zoo groot als thans. Edoch zij duurde niet langer dan de regeering van haren stichter en dezes onmid-dellijken opvolger, omdat de Israëlieten door hun wangedrag de bescherming Gods niet langer waardig waren.
Do overwinningen van David waren do grondsteen der vreedzame regeering van Salomon, en daardoor was deze laatste in staat gestold de groote werken tor, stand te brengen, waaromtrent wij een nader onderzoek zullen instellen.
TWEEDE AFDEELING. Salomon.
HOOFDSTUK I.
BEGIN DER REGEERING VAN SALOMON.
Salomon, de derde koning van Israël, was do tweede zoon van David en Bethsabee. Hij word geboren na den oorlog tegen de Animoniten, de laatste groote krijgsdaad van David. Salomon kreeg nu, in tegenstelling met Saul en David eene koninklijke opvoeding, en werd onder tie bizondere leiding van den profeet Xatlian grootgebracht.
Door een bizondcr toeval word zijne troonsverheffing bespoedigd. Zijn broeder Adonias trachtte zich door overrompeling van den troon meester te maken. Na vele aanzienlijken gewonnen te bobben, waaronder de krijgsoverste Joab en den hoogepriester Abiatbar, deed hij zich tot koning van Jerusalem uitroepen; dit gebeurde ten zuidoosten van Jerusalem bij de bron Kogel, lieden genaamd Kir Eyüb, putten van Joab; deze is gelegen bij de vereeniging van de vallei Ilinnom met do vallei Cedron.
Maar Nathan had het plan ontdekt, waarschuwde Bethsabee en David, en om met Adonias korte metten te maken, zorgde hij dat Salomon terstond op plechtige wijze op den troon verheven werd ten westen van Jersulem bij de bron Gihon.
In hot oosten zijn de bronnen meestal de vereenigingspunten.
Salonion was nog geen twintig jaren oud. Volgens de algemeen aangenomen Chronologie regeerde hij van 1015 tot 975.
Volgens Josephns, Ant. jud. VI11, 3; Michaelis, Poes. hebr, Prael. XXXI, en volgens Cant. Cant, der Schriftuur, was Salomon een der schoonste, bestgevormde mensclienkinderen, terwijl hij in
281
begaafdheid dos gecstcs allen overtrof. Bij zijn optreden vertoonde lijj zieli terstond als krachtig, maar tevens gematigd, streng, maar vooral voorzichtig.
Aan zijnen broeder Adonias schonk hij vergeving, op voorwaarde dat hij zich van eiken zweem van oproer moest onthouden; maar Adonias verbrak zijne belofte en werd op bevel van Salomon gedood. Behalve dat deze daad met do toenmalige zodon strookte, moest Salomon elk oproer in zijne kiem smoren, omdat na den tlood van David de schatplichtige volken het juk trachtten af te werpen, wat hun zeker zou gehikt zijn bij oen binnenlandsch oproer. Daarenboven was de polygamie alles behalve een band van broederlijke liefde tusschen de kindoren der onderscheidene vrouwen.
Terwijl David de Syriörs beoorloogde, versloegen zijne voldlieeren .1 oab en Abisai do Idunieërs, nakomelingen van Esau, te Geih-Molah, het zoutdal, ton zuiden der Doode Zee. Iladad of Tladar, een zoon des konings van Idumea ontkwam aan de slachting en vluchtte naar hot hof van 1'harao, alwaar hij eene zuster van Pharaos vrouw huwde; een zoon uit dit huwelijk, Genubat, werd door do koningin tegelijk met hare kinderen opgevoed. Toen Hadad don dood van David en Joab vernomen had, trachtte hij zijn rijk te herwinnen, liet schijnt dat deze Iladad in voortdurende vijandschap mot Salomon is gebleven; daar het rijk van Salomon zich uitstrekte tot aan do Elanitischo golf, moest hij ook het gebied hebben over Edom, hetwelk echter niet vrij bleef van de aanvallen van Iladad, die er als een scheik der Boduïnen zal gehuisd hebben.
Behalve dezen zuidelijken vijand had Salomon nog oenen onver-zoenlijken vijand in het noordoosten, tegen wien hij gedurende zijne gehoelo regooring te strijden had. Deze was Koson. Toon David den koning van Syrië, Hadarezar, overwonnen had, stolde zich Koson aan hot hoofd van een troep mannen, en gelukte eriu zich van Damascus meestor te maken, waar hij zich tot koning van Syrië liet uitroepon.
Salomon huwde met eene dochter van den Egyptischen Pharao; ook huwde bij niet eene dochter van lliram, koning van Tyrus, en met Xaania, eene dochter van don konins; van Ammon. Volffons
O O
de wet was alleen uitdrukkelijk verboden een huwelijk mot de
282
Chananieten. Ofschoon liet zijn kan, dat de dochter van Pharao den Mosaïsclicn godsdienst omhelsde, heeft toch de Sanely, Hist, de l'art jud. 220 in liet dorp Siloani, nabij Jerusalem, eene onge-schondene Egyptische kapel ontdekt, en hij, evenals Lenormant, Manuel etc. I, 237, is van nieening dat Salomon die kapel gebouwd heeft, opdat zjjne vrouw aldaar den godsdienst van haren vader kon beoefenen.
Onder de bruidsgeschenken, die de Egyptische prinses aanbracht. behoorde ook Gazer. Clermont-Ganneau heeft deze plaats in 1870 ontdekt. Rev. pol. et lift. 3 avril 1875. Gazer ligt op ongeveer drie mijlen van Khulda, dicht bij het dorp Abn-Chuchc. Het vertoont heden slechts een puinheuvel, genaamd Tell-el Djezer; men herkent hier nog de ligging dier groote plaats. Men vindt daar in de rots diep ingesneden, den hieratischen perimeter en de sabbatische zone die Gazer omsloot, en daarbij den naam in het Grieksch en II ebreenwsch.
Voordat Salomon zjjne groote werken ondernam, ging hij te Gabaon een plechtig offer brengen aan Jehovah in bijzijn der voornaamsten van Israël. Gabaon, el Djib, was gelegen op een der menigvuldige heuvelen in het land Benjamin, tegenover Maspha. üe weg naar Jaffa loopt erlangs; vele wijn-en olijfboomen bedekken de hoogte. Aan de oostzijde ontspringt eene bron; ter zijde ziet men nog de overblijfsels van eenen grooten vijver.
Salomon verkoos voorzeker deze plaats om er te offeren, omdat de ark des Verbonds zich toen aldaar bevond, liet is niet vermeld, hoe zij daar was gekomen, maar dit was reeds gebeurd onder David. Toen de ark uit Cariathiarim naar de hoofdstad vervoerd werd, bouwde men hier voor haar een nieuw tabernakel, liet oude bleef te Gabaon, alsook het metalen altaar waarop Salomon offerde. Toen Salomon naar zijne hoofdstad was teruggekeerd, had hij weldra gelegenheid een blijk zijner wijsheid te geven in het geschil der twee moeders over een kind.
HOOFDSTUK II.
INNERLIJK BESTUUR.
Saul had weinig of niets gedaan voor een Staatsbestuur, maar David had hiervan reeds de groote trekken aangegeven. David bestreed zijne uitgaven door den oorlog, en had daarenboven bezittingen en landerijen, wijn- en olijfboomen, talrijke kudden scha-pen, ossen en kameelen. In f Paral. XXYII, 25 etc. vinden wij twaalf beambten, die do goederen van David beheerden.
Salomon echter richtte zijn hof in, naar echt oosterschen trant in alle pracht. Aan zijn hof had hij verscheidene hoofdbeambten, waarover Azarias, zoon van den hoogepriester Sadoc, het opzicht voerde.
Elihoreph en Ahia, zonen van Sisa, vervulden het ambt van soferim, secretaris; Josaphat, zoon van Ahilud, was kanselier; Bana-nias, zoon van Joïada, was krijgsoverste; Abiathar behield den titel van opperpriester, maar Sadoc was de werkelijke hoogepriester; Azarias, neef van Salomon, zoon van 's konings broeder Nathan, was hoofd der twaalf nisabim van Israël; diens broeder Zabud was colten reek of geheim raadsheer dos konings; Ahisar was minister van het huis des konings; Adoniram was aangesteld over de belastingen.
Wegens het algemeen beheer der Staatsregeling waren vele uitgaven noodig, en om deze te dekken was de tot hiertoe onbekende belasting noodig. Tot hiertoe hadden de Israëlieten niets op te brengen dan de tienden en de eerste vruchten, en alle eerstge-borenen vrij te koopen; dit behoorde bij de godsdienstplichten; nu kwamen burgerplichten. Salomon verdeelde het rijk in twaalf deelen, niet volgens de stammen, maar zoodanig dat er evenredigheid bestond tusschen de betere en slechtere landerijen; elk dezer moest gedurende oen maand het koninklijk hof onderhouden, van daar de indeeling in twaalf deelen. Over elke afdeeling stond een nisabim, hoofd, die zorgen moest voor de inning dor belastingen.
De belastingen werden in natura geheven, gelijk dit nog heden in het Oosten gebruikelijk is; zjj bestonden in goud, zilver, metaal.
2S4
ijzorstaven, ossen, scliapon enz.; ditzelfde had plaats in Assyriö, Menant, Ann. dos rois d' Assyrië, 75, alsook in Egypte, Maspero Hist. etc. 19. Ofschoon hot niet met zekerheid to zeggen is, zon men toch uit eonige gegevens kunnen opmaken, dat de belasting aan den koning een tiende was, en deze gepaard aan do tiende voor de priesters maakte twintig ten honderd, liet is dus niet te verwonderen, dat de vrijstelling van belasting zoo hoog gewaardeerd werd.
David had reeds geregeld, dat elk bekwaam man jaarlijks gedurende een maand krijgsdienst moest verrichten, die mannen waren verplicht zich zeiven te bekostigen.
De nisahim (ontvangers kunnen wij hen noemen) moesten ook de inkomende rechten van allo koopwaren en vooral van de Arabische reukwerken heffen.
Xog eeu bron van inkomen bestond in den cijns dor schatplichtige volken, en in het monopolie van het goud on van do paarden.
Het verbruik aan hot hof was zeer groot; hieraan waren ongeveer veertien duizend menschen verbondon. Wij moeten ons niet verbeelden, dat dit veel was voor een Oostersch hof. De bekende Athenaeus, Deipnosoph. 111, 10 verhaalt dat do Perzische koningen eiken dag duizend ossen noodig hadden voor hun hof; en Tavernier bij Rosenmüllor, A. u. n. Morgenland lil, 107 zogt, dat nog te zijnen tijde hot hof van den sultan gemiddeld por dag vier honderd schapen en lammeren verbruikte.
Toen Salomon bezig was den tompol te bouwen, moest hij buiten zijn eigen hof ook nog voorzien in hot onderhoud dor Chananeërs en Israëlieten, die met dit werk bozig waren; daarenboven had hij voor do Tyrsche werklieden noodig twintig duizend/rors ïarwe, olie en wijn. â Een kor is twee hectoliters.
Ton allen tijde hebben in hot oosten do karweien bestaan. Daar oigonljjko werklieden onbekend zijn, moet men steeds voor openbare gebouwen dwangarbeiders bezigen. Hiertoe gebruikte Salomon do in hot land gebleven Ohananoërs. Er loefden nog Amorrhoërs, Heveörs, Hethiten, Phorozoürs iu do omstreken van Bothsan, in de vlakte van Jezrael, tusschon de stammen Zabulon, Nephtali
285
on Ascr ton noorden, on Dan ton westen. Salomon dwong honderd vijftig duizend krachtige mannen uit deze tot don arbeid.
Salomon onderhield ook goede betrekkingen met buitenlandsche hoven, o. a. met Egypte en met Tyrus, waaruit hij vele voordoelen trok.
HOOFDSTUK Hl. VOORBEREIDING TOT DEN TEMPELBOUW.
Ofschoon David niet den tempel voor Jehovah zou bouwen, maakte lijj hiertoe toch reeds eene voorbereiding, doordat hij hiervoor veel goud, zilver on andere noodzakelijkheden verzamelde.
Toen Salomon zich de medehulp van Hiram, koning van Tyrus, verzekerd had, begon hij in het vierde jaar zijner regeering, 1011 v. Chr. met de werkzaamheden. David had reeds de plaats voor den tempel aangewezen op den berg Moriah. Deze hoogte ligt in den oosthoek van Jerusalem, grenzende aan de vallei, die men heden het dal van Josaphat heet. Zij is van de westelijke hoogte van Sion gescheiden door de enge groef van Tyropoeon.
De hoogten Moriah en Bezetha maakten ten tijde van David waarschijnlijk nog geen deel uit van Jerusalem. Op Moriah lag toen een dorschvloer, toebehoorende aan Oman den Jebusiet. Die dorschvloer lag eenige meters lager dan de tot graanberging dienende grot boven op de hoogte. Hier luid David reeds op bevel van den profeet Gad een altaar opgericht en aan Jehova geofferd, nadat hjj die plaats van Ornan gekocht had voor vijftig zilver-sikels (heden 75 gulden.)
Al het door David voor den tempel verzamelde was verre van voldoende. Het hout, waaraan Palestina arm is, moest van elders komen. De Israëlieten hadden zich, sedert zij uit Egypte waren gekomen, op geene kunsten toegelegd; daardoor hadden zij gebrek
280
aan bouwkundigen en aan bouwlieden. Salomon kreeg van zijnen vriend Uiram hout en kundige werklieden.
In die oude tijden was geen hout hooger geschat dan de ceder; dit is zeer duurzaam. Layard was in het gure jaargetijde bezig het paleis van Assurnasirhabal te Ximnul te onderzoeken, toen zijne werklieden om zich te verwarmen, eenen ouden balk hadden ontstoken, en terstond merkte Layard, die op eenigen afstand was, dat do Arabieren cederhout brandden aan den welriekenden ffeur,
O 7
dien het toen, alzoo na drie duizend jaren nog verspreidde. Layard, Nin. a. Bab. 357; dit hout had weder en tij.1 getrotseerd en was nog geheel gaaf. De ceder is biz mder geschikt t )t bouwhout, omdat hot zich eigenï tot kolommen, balken, paueelen, lambrizeering, vloeren en alle timmerwerk, daar die boom een uitgebreide dikte krijgt. Bij de Assyriërs, zoowel als bij de Egyptenaren was het hiertoe dan ook om het zeerste gezocht. Wilkinson, A pop. Account etc. II, 38; Cuneif. inscr. of W. Asia, 1, 45.
Maandelijks losten zich tien duizend man af, om op den Libanon ceders en pijuboomen te kappen voor den tempelbouw; zeventig duizend dienden als lastdragers; tachtig duizend werkten in de steengroeven en kapten steen. Deze steen word gekapt uit de âkoninklijke groevequot; van den berg Moriah. Vigouroux, II f, 491.
Daar wij weten hoe het in Egypte ging, om zooveel menschen tot den arbeid bijeen te krijgen, kunnen wij goed begrijpen, hoe dit iu Palestina moest toegaan, daar alles wat tot dit nieuwe werk behoorde, aan de naburige volken moest ontleend worden.
Perrot, Hist, de l'art dans 1'antiq. I, 20: âEen bevel werd ge-gegeven aan liet hoofd der nome, die dit van dorp tot dorp deed omroepen, en den anderen morgen werd de geheele mannelijke bevolking als een kudde naar het werk gedreven, ledereen droeg in een zakje of mand eenen voorraad levensmiddelen mede voor twee weken of voor een maand. Oud en jong, alles droeg. De bekwaamsten en sterksten moesten de kalk- en granietsteenen ophijschen en richten, de anderen moesten naar gelang hunner krachten lasten op hunne hoofden vervoeren. Al dit volk werkte onder het opzicht van bouwkundigen en meesters, die vaat aan liet werk verbonden wareu. Na eenigen tijd werd dan die werkende
287
ploeg door eone andere afgelost, de eersten keerden naar huls terug.quot;
Wanneer wij bedenken, dat in dientijd alles door menschenban-den, zonder vervoermiddelen, langs ongebaande wegen moes!, gedaan en vervoerd worden, dan kan geen twijfel meer bestaan of al die menschen waren groot noodig voor dien bouw van Salomon.
liet zwaarste werk was in de steengroeven en het vervoer der steenen; dit werd verricht door honderd vijftig duizend Cha-naneërs, met drie duizend en drie honderd opzichters. Slechts dertig duizend Israëlieten moesten een van de drie maanden naaiden Libanon met do Phenieic-rs boomen kappen. Hoeveel Pheniciërs aan het werk waren, is onbekend; wij weten wel dat onder deze mannen waren uit Gebal of Jiyblos, die zeer bekwaam waren en dicht bij de cederbosschen woonden.
Het hout werd van den Libanon naar eene have der op tien tot twaalf uren afstand gelegen zee vervoerd door Chananeërs, aldaar tot een vlot gemaakt en naar Joppe vervoerd om ontladen te worden; hier werd het weder door Chananeërs overgenomen en naar Jerusalem vervoerd.
Geheel het werk der voorbereiding duurde drie jaren.
De huidige ontdekkingen hebben bewezen dat de gegevens van Josephus, De Bello jud, V, 1, omtrent den Tempel waarheid bevatten, Volgens hem was de top van den Moriah steil, en daarenboven onvoldoende om den grootschen bouw te bevatten. De top moest dus geëffend en verbreed worden; daarom werden ten oosten en ten westen twee evenwijdig loopende muren opgetrokken en de tusschenruimte met aarde aangevuld; ten noorden werd het terrein verlaagd; ten noordwesten bevond zich eene rots, die gedeeltelijk werd doorsneden, zoodat zjj naar dien kant eenen natuurlijken muur vormde, zooals men dit heden nog ziet. Ten zuiden moest men wegens de helling den grond ophoogen. hetgeen geschiedde door een geheel stelsel kelders en gewelven. De gewelven die heden het zuidelijk gedeelte van het platform van den Haram ech-Cherif, het edel heiligdom, (plaats van den ouden tempel) schragen, zijn van Arabischen oorsprong. A'ogué, Temple de Jerus. 14. Saulcy, Hist, de l'art jud. 170: âDe omvang van den Haram, is zeker
niet anders dan dien van den tempel van Salomon,quot; want alle vernielingen en verbouwingen hebben liet oorspronkelijk plan niet kunnen veranderen.
De Sauley, Hist. etc. ib. âDe oostzijde is drie honderd vier en tachtig meters, de zuidzijde twee honderd vijf en twintig; de westvlakte kan men niet zuiver opmeten, zjj maakt een bocht naaide oostzijde, zoodat de noordzijde aanmerkerlijk grooter is dan de zuidzijde. De platform was oudtijds niet zoo uitgebreid, die is naderhand vergroot. De muren, dienende tot steun van den platform, waren uit zware granietblokken opgetrokken; de smaak der Pheniciërs voor zware steenblokken blijkt uit al hunne gebouwen.quot; Van den tempel van Salomon, evenals van dien van Herodes is do eene steen niet op den anderen gebleven, maar de steunmuren dor fondementen bestaan nog ten deelo. De Vogué, Le temple de Salomon, 22.
Warrem, Underground Jerusalem, 420: âAan den zuidoostelijken hoek van den tempel... wij groeven eenen put op twintig voet afstand... op den bodem van don put maakten wij eenen doorgang naar den muur van den tempel, waaraan wij op ongeveer zes voet van don hoek uitkwamen. Do steenen van dezen muur zjjn gelijk aan die van dien muur waarbij de Joden gaan weenen,'ofschoon do diepte meer dan tachtig voet beneden de oppervlakte is. Wij ontdekten op eenen steen de phenicische letters, gelijkstaande aan onze O, Y, Q. Op den niet zeer harden rotssteen, waarop de muur is opgetrokken, vonden wij eene laag van acht tot tien voet plantaarde, deze was roodachtig en met potscherven gemengd. In deze aarde had men een loopgraaf gemaakt en daarin de zware steenen van den tempelmuur geplaatst, waaruit volgt dat de twee tot drie onderste steenlagen altijd aan den blik onttrokken zijn geweest. Beneden deze lijn vonden wij de genoemde lettors in roode kleur aangebracht. Van boven waren deze over drie duizend jaren uit-gewischt. Do teekens dus, die wij vonden, waren die welke op het oogenblik van het bouwen van den muur bedekt werden. M ij wilden het authentieke hiervan bewijzen. Te Jerusalem was do Duitsche consul Dr. Petermann, een der grootste Oriëntalisten van Europa, die bij de eerste inzage zonder aarzelen verklaarde, dat de teekens van Phenicischen oorsprong waren, ofschoon hij den zin der woorden niet kon weergeven. Deutsch verklaarde nopens deze
289
teekens: 1° die teekens waren reeds op die steenen aangebracht, voordat deze geplaatst werden; 2° zij hebben niet de bedoeling van een opschrift; 3quot; zij zijn Phenicisch... Deze steenen waren dus bij het bekappen geteekend om hunne ligging aan te wijzen... Wij vonden daar ook ooren van vaatwerk, waarop cene gevleugelde of ronde zon was ingedrukt. Ringsom las men, dat dit vaatwerk tot gebruik van bet hof diende. Daar nu het paleis van Salomon aan den zuidoostelij ken hoek van den tempel lag, baart het geene verwondering dat deze afval daar bij de aarde gemengd was.quot;
Vogué, Temple, etc. 40: âDe steenen boven den grond hebben eene zeer groote afmeting, maar hoogerop verminderen de lagen in dikte; de grootste aan den voet van den muur meet 1,90 meter; de lichtste ternauwernood 1,00 m. In de lengte der blokken is nog meer verschil, deze verschilt van 7 meters tot SO centimeters. ]5ij de hoekpunten zijn de steenen het zwaarste; daar zijn ook de lagen met 5 centimeter versneden... Elke steen is met zorg geplaatst zonder mortel... De steengroeven, waaruit deze blokken gehaald zijn, zijn de nog zichtbare âkoninklijke grotten,quot; die zich onder het noorderkwartier der stad uitstrekken... De krijtachtige kalksteen dezer banken is wit, vast, maar bjj het uithalen zeer zacht, die echter in de lucht steeds verhardt. Er zjjn zachtere en hardere aderen, en omdat men bij de grondwerken van den tempel hierop geen acht schijnt geslagen te hebben, vindt men steenen die dooide natte winters van Jerusalem veel geleden hebben, en veel ouder schijnen dan zij zijn; en anderen volmaakt in goeden staat, en die men voor nieuwe zou aanzien, indien de tijd hunne oppervlakte niet geelachtig had gekleurd. Lijsten en dergeljjken zijn in den steen ingesneden, niet buiten erop aangebracht. Men kan den vorm der beitels kennen uit het kapwerk.quot;
De best bewaarde steenmuur van Salomons tijd is de Heit-el-Maghrebi, westmuur, waar joden van beider kunne, van eiken ouderdom en uit alle landen eiken Vrijdag op de ruïnen van den tempel komen weenen en van God zjjn herstel vragen, met de woorden van Ps. LXXVIII, 1, 4, 5. Zij hebben door geld van de Turken hiertoe verlof gekregen; van oudsher hebben zij dezen muur als een overblijfsel van den eersten tempel betracht.
Een grondig onderzoek heeft aan het licht gebracht, dat do steenen van de nog bestaande muurgedeelten der grondwerken van
19
290
Salomons tempel uit de aangehaalde groeven ten noorden van Jerusalem afkomstig zijn. Bij toeval werd de toegang dezer groeven in 1854 ontdekt, toen een gedeelte van den noordermuur der stad bij de poort van Damascus instortte.
110ÃÃSÃT K IV.
TEMPEL VAN JERUSALEM.
Iedereen weet, dat men een plan niet zuiver kan weergeven, al heeft men daarvan eene nog zoo zorgvuldige beschrijving, terwjjl een vakman door eenen enkelen oogopslag op eene teekening het plan begrijpt. Daar nu geen plan van den tempel van Salomon is overgebleven, moeten wij hem trachten weer te geven uit do beschrijvingen en ontdekkingen; de beste hulp vinden wij in de Egyptische, Phenicische en Assyrische architectuur.
Het algemeen plan van Salomon was om in duurzaam, sterk materieel en in dubbele verhouding den tabernakel weer te geven, zooals Mozes dien in de woestijn had opgericht. Dit blijkt uit de vergelijking der beschrijving van den tempel in het boek der Koningen met die van den tabernakel in Exodus.
Do handeldrijvende Pheniciërs hadden geenen oorspronkeljjken bouwstijl, wel alles ontleend aan de volken, met welke zij in betrekking stonden, vooral aan de Egyptenaren en Assyriërs.
Zooals wij reeds in Exod. Af'd. 11, Hoofdst. VI gezien hebben, had de ark en de tabernakel in uiterlijk veel weg van datgene wat de Hebreërs in Egypte van.de tempels kenden; daar nu de tempel naar het model daarvan gemaakt werd, en ook de Pheniciërs hunne voornaamste kennis van bouwwerken in Egypte hadden opgedaan, kan men met de geleerden zeggen, dat de eigenlijke tempel van Salomon een Egyptisch plan tot grondslag had, zooals de Saulcy klaar bewezen heeft.
De drie hoofdzakelijke deelen van den bouw van Salomon, nl.
291
de clfihir, tie helrd on de voorplaats of pjjhne, mot de bijkomende omgeving van nevenverr,rekken, vinden wij ook zoo terug in de Egyptische tempels, in dien van Khons te Karaak, in die van Luksor en Denderali; de twee eersten zijn uit ouderen, de laatste uit jongeren tijd dan de tempel van Jerusalem. Dumielien, Bau-gescli. etc.: â De hoogte van don bouw is door dezelfde wetten geregeld; de opeenvolgende vermindering der hoogten, een vaste regel in de Egyptische gewijde bouwkunst, is hier in acht genomen; de hoogte van de pylone (voorplaats) is het dubbele van die van het Heilige, en driemaal die van liet Heilige der Heiligen, en de zijkamers volgden denzelfden regel... Eeu enkel verschil bestaat tusscheu den Joodschen tempel en de daarmede overeenkomende Egyptische tempels, nl. terwijl de nevenvertrekken in Egypte slechts gelijkvloers liggen, hebben zij te Jerusalem drie verdiepingen.quot;
Allo geleerden komen hierin overeen, dat de tempel dezelfde oppervlakte besloeg als de huidige Haram. II jj bestond uit een samenhang van onderscheidene gebouwen.
at de Grieken naos en de Latijnen cella noemden, was in den strikten zin âhet huis Gods,quot; waar liet volk nooit mocht binnen komen. Daar in dit gedeelte van den tempel slechts eenige gewijde voorwerpen bewaard werden, was het niet groot; in Salomons tempel had het eene lengte van zestig ellen (elleboogsmaten), op eene breedte van twintig, met eene hoogte van dertig in het Heilige (het voorste gedeelte), en van twintig in het Heilige der Heiligen. (De el is een weinig meer dan een halve meter). Het Heilige der Heiligen was dus ongeveer tien meter lang, hoog en breed; dit werd genaamd debir, orakel of diepste gedeelte, en ook ipdes haq-qodasiin, het Heilige der Heiligen, en alleen de hoogepriester mocht bij plechtige gelegenheden erbinnen gaan. Daarin was de ark van Mozes geplaatst, waarin zich de steenen Wetstafelen bevonden.
Het gedeelte vóór de naos was ongeveer twintig meter lang, tien breed en vijftien hoog; dit droeg gewoonlijk den naam hekal, tempel. Dit was het Heilige, van het 1 Eeilige der Heiligen gescheiden door eenen muur of in steen, of in cederhout. De deur tusschen beide was in olijfboomenhout, en, naar het schijnt, gewoonlijk open; maar
292
daavachtor hing van bovenaf een gordijn van kostbare stof met cherubijnen bestikt.
In liet Heilige bevonden zich tien gouden kandelaars en het altaar der reukwerken. Dit altaar in cederhout was vierkant en inet gouden platen bedekt, ruim een meter hoog, en op elke zijde een halve meter breed. De vier uithoeken liepen van boven punt-achtig omhoog, dit noemde men de hoornen van het altaar. Het had dus een vorm bijna gelijk aan de Oostersche altaren, en niet gelijk do ronde altaren der Grieken en Latijnen.
Ter rechter en ter linker zjjde stonden in het Heilige vijf gouden lampen, waarin men een zuivere olie brandde. In den tempel van Zorobabel en IIerodes was slechts een enkele kandelaar in plaats van tien. Deze kandelaars waren waarschijnlijk in uiterlijk gelijk aan dien welke .Mozes in de woestijn had doen maken, zij hadden dus zeven armen en waren wellicht in vormgelijk aan die, voorkomende op den triomfboog van Titus.
Nog bevonden zich in het Heilige tien gouden tafelen, vijf tor rechter en vijf ter linker zijde, voor de toonbrooden.
Vóór het Heilige verhief zich een pycoiaos, in het liebr. genaamd 'oulaiu, portaal of pylone, zijnde dit eene voorplaats voor hot Heilige. Dit was even als de hekal tien meter breed en vijf meter lang. Josephus VHI, 2 zegt dat dit honderd twintig ellen hoog was, dus iets meer dan zestig meters; maar de Saulcy, Hist, etc. 192, en Vogué, Le temple etc. St-i nemen hiervoor slechts do helft, ;il. dertig meter aan. Eene deur in met goud opgelegd cipreshout leidde uit het 'oulam naar de hekal. Het pronaos zelf was open en vormde een zuilengang, gesteund door twee kolommen van twee meter doorsnede aan het grondstuk en bijna tien meter hoog. Deze waren niet gelijk aan de obelisken, noch in vorm, noch in plaatsing, daar zij niet op zich zeiven en vóór de pylone stonden, maar hiermede verbonden waren. De kolommen, zegt Vogué, waren niet voor, maar den zuilengang geplaatst. Weinigen zijn van een ander gevoelen. De kolommen waren ongeveer drie meter van elkander. Zij waren in gegoten brons, hol, het stof vijf en zeventig millimeters dik. Deze kolommen, waarvan de eene Yakim en de andere Booz genaamd werd, waren kunstig gewerkt.
De binnenmuren van de naos waren met een cederhouten beschot bedekt, en dit hout zelf was weder met. goudplaten bedekt; de
2!»:$
vloer in ciprcslioufc was ook met goudplaten bedekt. Het dak in platten vorm bestond uit ribben met cederplanken van binnen verguld, van buiten met witten steen bedekt.
Wanneer de Vulgaat spreekt van /(ipldes pretiosi, dan betoekent dit: uitgekozene steeneu, niet edele steenen, zooals eenigen meenen.
Battissier, Kist. de 1'art monum SO: âZooals men ziet, was het bouwstelsel van den tempel van Salomon heel eenvoudig; van don buitenkant had men niets dan steen, van den binnenkant niets dan hout; alleenig was het hout of verguld of met goudbladen bedekt.quot;
De gouden beschotten der muren waren evenwel ook met laag relief bedekt.
Do meening van Vogiu' is: âDe innerlijke versiering van don tempel was zeer rijk. Muren, zoldering en grond waren met cederhout beschoten, zoodat dit overal den steen bedekte. De zijwanden waren versierd met beeldhouwwerk in relief, dan werd liet hecle mot goudbladen bezet en deze mot gouden nagels vastgehecht.quot; (Zulk werk hooft men onlangs in don Assyrischou tempel van lïalawat ontdekt). âZulke manier van handeion vindt men terug bij don oorsprong aller kunsten. In liet Heilige stelden de laag reliefs kolokwinten (komkommerachtigo planten) on ontloken bloomen voor; in hot Heilige dor Hoiligen waren palmboomon en kerubim gemengd mot bloemen.quot;
De kerubim waren van Assyrischou oorsprong, en, zooals wij reeds vroeger gezien hebben, voorstellingen in allo mogelijke vormen uit hot dierenrijk niet menschenhoofden. Onder do bloomen spoelden do Assyrische rozetten oene hoofdrol.
De naos lag aau hot oosten van don tempel.
Lateii wjj nu oenen oogslag worpen op do bijgebouwen van don Tempel.
Tegen do muren van het 1 leiligo en van het Heilige der Jloiligen lagen drie verdiepingen van kamers sclciof, die van beneden naar boven breeder worden. De kamertjes gelijkvloers waren vijf ellen brood, op de eerste verdieping zes, en op de tweede zeven. Dit kwam doordat do muren van den tempel telkens versneden werden, ou zoodoende naar boven telkens in dikte vermindordon. Do ribben onder den vloer dor kamers lagen daarom ook niet in don tempel-
294
muur, maar op tic versnijdingen. Volgens Joscplms, Ant. jud. Vin, 2, Waren er dertig kamers, waartoe men van buiten toegang had, en langs oenen wenteltrap bereikte men do bovenste kamers.
Elke verdieping was vijf ellen hoog, liet gelieele der verdiepingen negen meters, zoodat liet Heilige nog ongeveer zeven meters hooger was. In deze hoogte waren de vensters aangebracht, die het Heilige van licht voorzagen. Het Heilige der Heiligen ontving geen daglicht.
Ue Tempel van Salomon was, gelijk de groote tempels van Egypte met een open plaats en zuilengang omgeven. Die open plaats heette ook het voorhof der priesters of het bovenste voorhof. Dit was met eenen muur omgeven, waarvan het fondement uit steen en het bovendeel uit cederhout bestond; het was uitsluitend voor de priesters bestemd, en lag hooger dan het azurah hayyedölah of buitenhof, dat voor het volk bestemd was.
Salomon had alleen het voorhof der Priesters voltooid, van het buitenhof had hij slechts de oostelijke muur gebouwd. Het buitenhof, dat waarschijnlijk liet geheele binnenhof omvatte, had koperen poorten, en ter zijde dezer poorten alsook op de vier hoeken bouwde men kamers en zuilengangen.
In het binnenhof werd het oog het eerst getroffen door liet twintig ellen lang en breed, en tien ellen hoog brandofferaltaar. Volgens de overlevering was dit gebouwd boven de rots Sakkrah, welke men nog in de Haram ech-Cherif kan zien. Tusschen dat altaar en het voorhof stond ten zuidwesten in het priesterhof de koperen zee. Dit bewonderenswaardig bekken was vijf ellen hoog en had tien ellen middellijn, liet koper had de dikte van een handbreedte. Het rijk met verheven slingers versierde bekken, dat van boven als een schaal eindigde, werd door twaalf koperen stieren gedragen, drie bij drie naar do vier hemelstreken. Langs vier kranen, die men kon openen en afsluiten, liep het water eruit, benoodigd voor de hand en voetwassching der priesters. Dit bekken werd gevuld met water uit onderaardsche vergaarbakken, waarvan eenige nog bestaan, terwijl volgens Rosen, Zeitschr. d. morgenl. Ges. 609, en Vogné, 15 de citern onder de Sakkrah minstens uit den tijd van Salomon dagteekent, bijaldien zij niet ouder is.
Er stonden nog in het priesterhof langs beide zijden van het
29ö
altaar tien mekviiót, vier olloii liooge metalen bekkens op raderwerken, dienende tot vervoer van water en van het offcrvlcesclt. De uverige tot den dienst benoodigde zaken bestonden deels in goud, deels in gepolijst koper; ook waren tor opluistering harpen en luiten in sandelhout.
In het vierde jaar zijner regeering begon Salomon met het bouwen van dezen Tempel, dien liij in zeven en een half jaar voltooide. Met grooto pracht werd de Ark des Yerbonds naar do voor haar bestemde plaats gebracht, en daarop de Tempel met grooto pracht en feesten ingewijd. Van toen af was de Tempel âde trots en de kracht van Israël, het genot zijner oogen.quot;
IIUOPD8TUK V.
VERDERE WERKEN VAN SALOMON.
Salomon bouwde behalve den Tempel ook meerdere paleizen, waaronder het voornaamste was het zoogenaamde liosch Lil/au, aldus gebeeten, niet omdat het op den Libanon lag, maar omdat het bijna geheel uit cederhout bestond, en omdat do ontelbare kolommen in cederhout gelijkvloers er het uitzicht van een boscli aan gaven. De menigvuldige kamers kwamen in bewerking overeen met de zalen van den tempel; vooreerst cederhouten beschotten, dan kostbare aangebrachte steenen in verschillende rijen, daarboven gebeeldhouwde voorwerpen uit de plantenwereld, allerfijnst bewerkt. Ilooger nog en daarbij het gewelf, was alles in gipswerk met prachtige kleuren afgezet. Dit laatste vooral was geheel en al iu Assyrischen trant. Alles was buitengewoon weelderig. De troon stond verheven boven zes treden, op welks zijden twaalf leeuwen prijkten, terwijl elke armleuning van den zetel eveneens door een leeuw werd versierd. De geheele troon, die in eene ronde kroon uitliep, was van ivoor en met goud overtrokken. Battisier, Ilist. etc. 88. Men meent dat deze troon door Nabuchodonosor naar Babylon is vervoerd.
296
Salomon legde ook grootc waterleidingen cn vergaarbakken aan, vooral te Etham, van waar lijj zijne hoofdstad van water voorzag. (Ook de piscine van Siloë, heden de ,vijver van Salomonquot; genoemd, is door hem aangelegd. Warren, Untergr. Jerns. 129. Deze ligt op drie uren afstand van Jerusalem, nabij Bethleëm.) Zij zijn ten getale van drie, door de Arabieren geheeten el-Burak, de vijvers. Zij liggen open, ten deele in de rots uitgehold, en zijn in metselwerk. De wateren uit den hoogsten vergaarbak ontlasten zich in den tweeden en van hieruit in den derden. Aan het benedeneind der helling van de vallei Etham scheiden zich do wateren in twee beeken, waarvan do oostelijke naar de Doode Zee en de westelijke naar de Middellandsche Zee stroomt. De vijvers liggen ieder eenige voeten de een boven den anderen, door eenen dikken muur gescheiden. Honderd dertig passen boven den hoogsten vijver ligt de âverzegelde bron.quot; Guerin, Descr. de la Jud. III. U2: âOnderaards en moeielijk te bereiken, kon zij gemakkelijk voor het volk afge-afgesloten worden bij middel van eenen steen, voorzien van het koninklijk zegel... Ik ken geen andere bron in Palestina, die zoozeer den naam van âverzegeldequot; verdient als deze.quot;
Het water der verzegelde bron deelt zich in twee armen, waarvan een in de vijvers uitloopt, terwijl de andere zich naar Jerusalem richt. Warren zegt, dat er voorheen te Jerusalem drie waterleidingen van oneven hoogte bestonden; hij heeft de hoogste en laagste teruggevonden. Do hoogste krijgt niet alleen haar water uit de verzegelde bron, maar ook nog uit eene waterleiding die uit de ouadi Biar komt. Dit alles ligt heden in duigen, maar men kan het spoor ervan volgen tot Bethleëm. De buizen waren van steen en in elkander geschoven.
Men kan zeker niet met juistheid het aandeel bepalen, dat Salomon in deze waterwerken had, maar de overlevering schrjjft ze aan hem toe, en wie kan die bestrijden!
Salomon had ook buitengoederen aangelegd in het dal van Josaphat; maar het is niet met zekerheid te zeggen, of hij ook in de ouadi Ourtas lusthoven heeft aangelegd.
Volgens Josephus, Antiq. Jud. VIII, 3 âging Salomon, begeleid van zijne lijfwacht en gezeten op zijnen wagen, in een witten mantel gehuld, dikwijls bij hot krieken van den morgen naar Etham. De tuiueu en het overvloedig water maakten die plaats zeer vrucht-
297
baar en tot een aangenaam verblijf. Daarheen begaf zieh Salomon.quot;
Naar oene algemeene overlevering zijn de boomgaarden van de ouadi Ourtas de âgesloten tuin.quot; hortus conclusus, van do Cant. Cant, lieden genaamd: Bestan Soidei/man, tuinen van Salomon. Daar groeien heden nog oranje- en citroenboomen, granaat-, vijgenen amandelboomen, en een murmelend water onderhoudt er leven en lentegroen. quot;Wat moest dat zijn, toen dit land ongevloekt, nog in alle vruchtbaarheid pronk! Dit alles ligt in ecnen bergkring, die oenen natuurlijken afgesloten muur er omheen trekt, waardoor deze plaats bekoorlijk is als een aardsch paradijs.
Salomon zocht ook zijn land in staat van tegenweer te brengen. Jfij versterkte Jerusalem, dat hij met muren omgaf. In het noorden van zijn rijk maakte hij Hazor en Mageddo tot versterkte plaatsen. I lazor bestreek de grenzen van Syrië; Mageddo, tusschen den berg Thabor en de Zee, was de sleutel van de vlakte Jerzarel, en hier vooral lag de groote kampplaats, waarin de meeste gevechten geleverd werden. Ten zuiden versterkte hij Gazer en Bethoron, om de bergpassen te verdedigen waardoor de 1'hilistijnen konden binnendringen.
Als een vooruitgeschoven post legde hij Thadmor of Palmyre in de woestijn aan.
Al deze versterkingen begunstigden ook den handel.
HOOFDSTUK VI.
HANDELSBETREKKINGEN VAN SALOMON.
Om al do genoemde werken tot stand te brengen, had Salomon ontzaglijke sommen noodig. Op liet voorbeeld van Tyrus zocht hij hiervoor eene bron te openen in den handel. De wegen, door hem aangelegd, begunstigden ten zeerste dit plan.
Ofschoon niet veel bekend is omtrent den handel, dien hij met
2!t8
de naburige rijken dreef, weten wij toch vooreerst zeker, dat hij rechten hief op de karavanen, dio door zijn rijk trokken. Langen tijd vóór Salomon, nl. in de achttiende eeuw v. Chr. werd een drukke handel gedreven tusschen de volken van den Euphraat, de Phiniciërs en de Egyptenaren, altijd bij middel der karavanen. Do kooplieden vermeden vooral de door de Beduïnen onveilig gemaakte woestijn; hun overoude weg liep van Sidon naar Laïs of Dan, van daar door de vallei van den Xatsana on van den Orontos, om bij do voorde van Circesium of van Thapsakos den Euphraat over te steken. Salomons rijk strekte zicli uir tot Thapsakos aan den Euphraat, zoodat een groot gedeelte van dien weg door zijn rijk liep; dezen gehoelen weg versterkte hij door vestingen om de karavanen te beveiligen. Ilamath werd de voornaamste stapelplaats aan de grens, en de laatste sleutel van de rij versterkingen langs den Libanon.
De kortste, maar minst veilige weg was niet die op Circesium, maar die door de woestijn naar Thapsakos. Om dozen veilig te maken, bouwde hij de stad Palmyra, palmenstad, midden in do woestijn. Deze stad, ook Thadmor genaamd, lag aan den voet van een houvelennj, die uit het zuidwesten naar liet noordoosten loopt; twee kleine stroomon besproeien de palmbosschon, waaraan zij haren naam ontleent. Toen Salomon deze sterkte had gebouwd, was de weg veilig van Damascus of Hamath tot Thadmor, en van hier tot Thapsakos. Maspero, Mist. anc. etc. 321. Thadmor werd eene der blooiondste steden. Plinius, 1 list. nat. V, 25 begroot voor Rome alleen, op honderd millioen sestorcen den handel van Palmyra.
Josephus VIII, 4 verhaalt, dat Salomon in hot binnenland van Palestina, wogen naar Jerusalem Hot aanloggen in zwart basalt-stconon. Daarenboven dood hij in onderscheidono steden voorraadschuren aanleggen, om hongersnood te voorkomen.
Hü deed paarden en strijdwagens in Egypte opkoopon, zoowel voor zich zelvon, als ook om daarin handel te drijven. Hierin week hij af van de voorschriften van Mozos. Hij had twaalf duizend paarden en veertien honderd strijdwagens. De paarden werden volgens bepaalden prijs gekocht te C'oa. Volgens Michaelis is Coa
Kk, in liet binnenland van Africa, ten zuidwesten van Egypte. Ofschoon Coa ons onbekend is, lag dit toch volgens de algemcene meening langs de grens van Egypte en Palestina.
Daar de paarden en strijdwagens uit Egypte afkomstig varen, kunnen wij ons een goed denkbeeld ervan maken uit de voorstellingen op de monumenten.
De Egyptische strijdwagens hadden geen zittingen; liet onderdeel ervan bestond uit koorden of riemen, om bij gebrek aan veeren het stooten en horten te voorkomen. De raderen waren geheel achteraan, zoodat de last op den dissel droeg, waaraan de paarden gespannen waren. De wagenkast bestond uit zeer licht beschilderd hout, soms met edelgesteente versierd. Zij hadden altijd slechts twee raderen, en werden nooit door meer dan twee paarden getrokken.
De paarden waren door de Ilyksos in Egypte ingevoerd. Onder de achttiende en negentiende dynastie werd veel werk gemaakt van de veredeling dezer dieren, om tot een zuiver ras te komen; er werd zelfs een stamboek van aangelegd. Maspero, Hist. etc. 2150.
De pharaos lieten zich veel aan de stoeterijen gelegen liggen, omdat deze eene voorname bron van inkomsten waren. Volgens Hartman, Zeitschr. etc. 1864 p. 24 en Lonormant, Prem. Civilis. 1, 1512 bewijzen de monumenten dat de Egyptische paarden, grooter krachtiger en hooger gewaardeerd waren dan do Arabische en Syrische, reden waarom Salomon de paarden in Egypte liet opkoo-pen voor zich zeiven, en om ze met verdienst aan de Syrische en Cliamitische vorsten en vasallen te verkoopen.
De Vulgaat ID Reg. X, 29 vertaalt: en alzoo verkochten alle koningen der Hetheërs en van Syrië hunne paarden. De Hebr. tekst heeft : en alzoo beJciramen enz. Ook lezen wij in hetzelfde vers: quadriga, dit moet eenvoudig strijdwagen beteekenen, omdat in Egypte, waaruit deze wagens betrokken waren, nooit een vierspan voor den strijdwagen voorkwam, zooals alle monumenten getuigen.
:juo
HOOFDSTUK VII.
ZEEHANDEL, OPHIR.
Salomon had voorzeker bij zijnen vriend, den koning van Tyrus bemerkt, welk oen rijke bron van inkomsten de zeehandel leverde. Om echter voor zich deze bron te openen, ontbrak het hem aan scheepslieden en aan schepen; maar gelijk hij zich om werkvolk voor zjjne gebouwen tot Hiram gewend had, zoo vroeg hij hem nu ook weer om hulp. Daar Hiram hierin voor zich een nieuwe handelsweg geopend zag, nam bij de vraag van Salomon welwillend aan. De Pheniciörs waren wel om zoo to zeggen, meester op de geheole Middellaudsche Zee, maar bezaten geen enkele haven, waaruit zij naar dc Perzische golf konden stevenen.
Lindsay, Hist, of nierch. Shipp. a. anc. Comm. I, 26: âDaalde karavanen van Idumea tusschen do Arabische grens en Egypte onophoudelijk hoen en weer trokken, was dc stichting der havens van Elath en Asiongaber eene noodzakelijkheid geworden. Maai' toen David zich van doze steden meester maakte, kregen zjj eene hoogere waarde dan zjj hadden in de handen van Hadad of van eiken Idumeeschen vorst.
Salomon maakte van Asiongaber eono zeestad van do eerste Idas.
Stanley, The Jew. Church, 182; âAsiongaber, de rug van den reus, aldus genaamd naar de dubbele rij bergen, die zicli langs zijne zijden ontplooit, werd een stapelplaats vol leven en bedrijf. Wat Suez in onze dagen op den westelijken arm van de Roode Zee is, was Asiongaber toen aan den oostelijken. Beneden deze hoogte vol palmboomen, waaronder thans het ellendig dorp Akaba schuilt, hoorde men toen liet woelig gedruisch der matrozen en scheepstimmerlieden. Salomon stelde zooveel belang in deze stad, dat hij zich persoonlijk naar Akaba begaf om de haven te bezichtigen.quot;
Daar werd de vloot gebouwd, die naar Ophir moest stevenen.
Lindsay, Hist. etc. i, 27: âHet is eene uitgemaakte zaak, dat de eerste schepen platbodems waren, die slechts diendei om de rivieren tc bevaren. Men moest deze echter van een kiel voorzien.
:k)1
zoodra men zidi langs de zeekusten waagde en men mot moer snelheid wilde vooruitkomen. Ofschoon men op lage waters zich van den stuurstok bediende, moeten toch de riemen en minstens één zeil reeds vroegtijdig zijn ingevoerd... 1'liinieië, Cyprus en Griekenland waren goed voorzien van het noodzakelijke voor den scheepsbouw. Uit zuivere documenten weten wij, dat men eiken-kastanje- ca cederhout gebruikte. Ouk gebruikte men pijuboomen, olmen en esschen. liet is opvallend, dat, terwijl wij talloozegegevens hebben over zaken va:i betrekkelijk minder belang, niet een oude schrijver vóór onze jaartelling, ons eenige duidelijke aantoe-ning heeft nagelaten omtrent de inhoudsgrootte van hunne transportschepen.quot;
Do monumenten stellen ons in kennis met de Egyptische schepen, zelfs van vóór den Exodus, alsook mot de Assyrische; maar noch Egypte, noch Assyriö, noch Pheniciö leveren ons iets, waaruit wij kunnen afleiden, hoe de schepen van Asiongaber gebouwd waren, dio naar Ophir moesten varen.
Hot is bijna niet to zoggen, hoeveel boekon geschreven zijn ovor de plaats, waar Ophir ligt. Men plaatst hot in Arabic, to Sofala in Oost-Afrika, op verschillende punten van do westkust van Indië, te Coylan, to Malakka, to Sumatra, ja zelfs in Amerika. Do hoofd-moeningon komen neer op drie plaatsen, dat nl. Ophir lag in Afrika, in Arabic of in Indië.
Do voorstanders voor Afrika gronden zich erop, dat men tussehon do monding van do Zambosio en die van Marfumo hot goudland van Pura vindt, genaamd Sofala. Maar Gesenius komt terecht hiertegen op, on voegt erbij, Algom. Encykl. S. 5, Th. 4, p. 201, dat Salt, dio deze plaatsen bezocht heeft, bepaald tegen de vereen-zolving van Ophir mot Sofala opkomt, wegens de plaatselijke gesteldheid. Ook ligt dit 200 Spaansche mijlen ver van de kust.
Die de mooning toegedaan zijn, dat Ophir in Arabië lag, gronden zich erop, dat in hot tiende hoofdstuk van Genesis Ophir wordt genoemd, als liggende in Arabië, te midden der zonen van Joctan, dio in hot zuiden van dit land woonden. Maar aangenomen, dat aldaar oen Ophir lag, dan waren toch nog andere gelijknamige plaatsen, gelijk wij dit oudtijds evenals thans aantreffen. In Zuid-
:?02
Arabic vindt men heden nog eene plaats el-Ophir goheeten, in het land Ojnan, op twee mijlen ten zuiden van de stad Schar, alwaar ook apen leefden, en waar men volgens Diodorus, Plinius, Strabo en anderen ook edelgesteenten, en in de omstreken van Saba zuiver goud vond. Als nu geene andere plaats beter aan de ver-eisehten van de door de vloot aangevoerde voorwerpen voldeed, dan zou men dit Ophir van Oman voor het bedoelde kunnen houden. Dit is echter niet het geval.
De philologie heeft de zaak tot zekerheid gebracht; zij heeft de plaats aangewezen, uit welke de koopwaren van Salomon herkomstig waren. De namen toch, waarmede zij in den Hebr. tekst worden aangeduid, zijn niet Semitisch.
Lassen, Ind. Altertii. 1, 651 heeft bewezen, dat de woorden qóf, tukkyim en kIhiikj of (tljum, die de apen, de pauwen en het sandelhout beduiden, Sanskritsch zijn; Denary heeft uitgemaakt, dat senhabhim beteekent olifantstand, ivoor.
De naam van den aap f/ó/' is in liet Sanskrit kapi in zijne eerste beteekenis van ligt, vlug. â De pauwen worden in den Hebr. tekst tuklciyiin genaamd, het meervoud van tukki, Tamulsch en Malabarisch tokei, heden beteekenend âde pauwstaart,quot; oudtijds alleen âpauw.quot; Deze naam is alzoo Indisch, en ook alleen in Jndië vindt men de pauwen in vrijen wilden staat. â Het hout aigum is sandelhout, dat alleen in Indië groeit. Lassen zegt, dat het in 't Hebr. den naam draagt van almiuj-im of Neemt men
den uitgang van het meervoud hu weg, dan heeft men den Sanskr. naam calyu, in de uitspraak te Dekkan valgum. â Daar deze drie dingen aan de Israëlieten sedert den uittocht uit Egypte onbekend waren, tot dat zij door de vloot werden aangebracht, hadden zij nog geenen Hebreeuwschen naam. Dit kan men niet zeggen van het ivoor.
Sedert onheuglijke tijden hadden de Pheniciërs met Griekenland en alle landen, waarmede zij in betrekking stonden, handel gedreven in ivoor; daardoor was het ook bekend bij de Hebreërs.
In den Hebr. tekst luidt de benaming van ivoor altijd sew, tand, qarnot-sen, tandhoorn; hier echter wordt het aangevoerde ivoor met een woord aangeduid, dat men elders niet vindt: sen-hahbin. Muller, Legons sur la science du langage V, 225 zegt dat hahbln eene verbastering is van het Sanskrit ibha, met het Semitisch artikel
808
on in hot meorvoud; dat alzoo sen-hdhhin don Hobr. naam van ivoor verbindt aan don Indiscbon naam van liot dier, en beteekont: tand der olifanten.
In de vulgaat lezen wij Jl[ Reg. X, 22: âClassis... ibatin ïbar-sis.quot; Do Hebr. tekst zegt: âdo schopen waren van Tliarsis,quot; d. w. z. van denzolfden inhoud als do schopen der Pheniciërs, die naar Tartessus in Spanje voeren.
Het is een bewezen feit, dat de koopwaren uit Imlië kwamen; nu blijft nog do vraag, of de Phenicische en Israëliotische matrozen ze werkelijk in Indië haalden.
Lassen, Ind. Alterthumsk. I, G51 : ,Wij moeten aannemen dat de zeereizen naar de kust van Malabar tot de oudste tijdon opklimmen, omdat do voortbrengselen van Indië door de Pheniciërs in de vroegste tijden naar het Westen worden vervoerd. Indien men kan bewijzen dat al de koopwaren, die Hiram en Salomon uit Ophir doden halen, van Indischen oorsprongen hunne benamingen Indousch zijn, dan wordt bet nutteloos hier te twisten over de talrijke veronderstellingen over de ligging van Ophir. AVelnu, de koopwaren en hunne benamingen zijn Indisch. Daaruit is genoegzaam bewezen dat Ophir oene streek in Indië is.quot; Max Muller, Logons, etc. 258: âDe namen gebezigd om de apen, de pauwen, het ivoor en het algumhout te beduiden, zijn aan het Ilebreeuwsch vreemde namen, oven als gutapercha en fabric vreemd zijn aan onze taal. Willen wij dus weten, waar vandaan die zaken naar Europa zijn ingevoerd, dan moeten wij zien in welke talen die woorden thuis hooren. Zoo ook moeten wij besluiten omtrent Ophir.quot;
Deze redenooring houdt echter geen steek, omdat de vloot deze waren evengoed kon halen in oene stapelplaats van Zuid-Arabië, die mot Indië ruilhandel dreef. Er pleiten evenwel andere reden voor Indië; en vooreerst het vele goud en de edelgostoenton, die tevens met de bovengenoemde koopwaren werden aangevoerd.
Bij de oude volken was Indië beroemd om zijnen overvloed aan goud. Herodotus III, IOC; Strabo, XV, 1, 80, 57; Plinius, Hist, nat. YI, 28. Ook nog heden is dit land rijk aan goud; men vindt hot veelvuldig op zekere plaatsen van den Himalaya, en in de wateren die vanaf dir gebergte stroomen. Men vindt hot minder
804
in Nopal en in den bovenstroom van don Ganges, maar weer overvloedig in do rivieren van Ladakh en Ikardo. Tussclien Attok en Kalabagli wascht men hot zand oin liet goud eruit te halen; ook vindt men het te Asam en in Dekkan.
Indië is ook een der rijkste landen aan edelgesteenten, die sedert de oudste tijden aldaar een voorwerp van handel zijn geweest. Grieksche en Latijnsche schrijvers maken ophef van zijne diamant-steenen, amethist- agaat- topaas- saphir- en granaatsteenen.
De geharde en beproefde Phenicische matrozen haalden het zilver ter plaatse in Spanje, en hot tin in Engeland, en begrijpende hoeveel voordeel het hun aanbracht, ook hot goud en de odolgo-steonton op de plaats hunner herkomst te halen, is hot bijna zeker, dat zij voor zulke zeereis niet terugdeinsden.
Vervolgens komt het onbegrijpelijk voor, waarom Salomon met zoo groote kosten oene vloot bouwde te Asiongaber, wanneer hij al die koopwaren slechts uit Zuid-Arabië liet halen, daar de karavanen geregeld het Arabisch Schiereiland doorkruisten en de voortbrengselen en de koopwaren naar Asiongaber brachten.
Even zoo onbegrijpelijk is hot, waarom de vloot drie jaren uitbleef en over weg; en dit ligt voor de hand, daar zij elke drie jaren uitvoer, terwijl zij voor de reis naar Arabië zeer zeker niet één jaar noodig had, on dus elk jaar kon uitvaren.
Buitendien hebben de oudste schriftuitleggers en ook Josophus onder dit Ophir steeds Indië bedoeld. Josophus, Ant. Jud. I, 457 : âDe koning deed tal van schepen bouwen te... Asiongaber... dat aan de Joden toehoorde... Hiram, koning van Tyr zond hem matrozen en mannen bedreven in de zeevaart, zooveel hij noodig had, en Salomon beval hem met deze lieden zich te begeven naar die strook van Indië, voorheen genaamd Sophir, en heden hot Goudland.quot;
Uit deze on meer dergelijke gegevens kan men met bijna volle zekerheid afleiden, dat Ophir eene landstreek in Indië was.
M. Muller, Lemons etc. 256: âIndien Ophir, dat is het land van hot algumhout, in Indië moet gezocht worden, en indien de plaats van waar de vloot van Salomon pauwen, apen en ivoor aanbracht, ook moet gezocht worden in eene streek, waar men Sanskrits sprak, dan is de monding van den Indus hiervoor de natuurlijk aange-
805
wezen plaats. Deze stroom bood aan de Xoordsdie bewoners allo gemak tot vervoer naar de knst van hun goud en edelgesteenten; en de kooplieden van Midden en Zuid-Indië konden wel hun voordeel zoeken in eene marktplaats zoo gunstig gelegen om hunne pauwen, apen en sandelhout te verkoopen... Mae-Murdo verhaalt in zijn beschrijving der provincie Cutcli, dat hij aldaar een ras van Ahir* vond, waarschijnlijk de afstammelingen der verkoopers onder Salomon. De Indous noemen die bevolldng Abhira.quot; Lassen, Ind. Alt. I. G53: âOmtrent Ophir-Abhira (koeherders aan den Indusmond) kan geen gerechte twijfel meer bestaan... In het land der Abhira (koeherders) verkoopen de herders het maankristal voor drie Cowrieschelpen. Daar konden alzoo de Pheniciërs goeden handel maken.quot;
Salomon gebruikte niet alleen veel goud voor den tempel en de paleizen, maar deed ook twee honderd groote en drie honderd kleine met goud beslagen schilden maken voor zijne lijfwacht, wegende de eerste zes honderd sikels en de laatste drie minen. Een talent is zestig minen; een mine vijftig sikels, een sikel vijftien grammen.
Sandelhout wordt tot reukwerk gebezigd. De kern van den boom is rood, daarom geel en het buitenste wit. lluc donkerder het hout, des te welriekender is het.
Maar Salomon verliet den goeden weg, en viel in afgoderij, verleid door zijne bijzitten. Ilij zocht meer zjjn eigen voordeel, dan dat van zijn volk, hij verhoogde de belastingen, vermeerderde de heerediensten, en nam nog andere maatregelen welke het zedenbederf bevorderden. De godsdienst verslapte, langzamerhand scheidden zich de noordelijke stammen van liet huis van David en tegelijkertijd van den waren God, en deze scheiding werd een voldongen feit onder lioboam.
20
DERDE AFDEELING.
Van de scheiding der tien stammen
tot aan den
val van het koninkrijk Israël.
jiooFDS'rriv i.
ROBOAM EN SESAC.
Salomon had hot volk zware lasten opgelegd; na zijnen dood wilde het deze niet meer dragen. Heeds bij hot leven van Salomon had de profeet Achias van Silo, Jeroboam aangewezen als de koning der tien stammen. Toen Salomon dit vernam, moest Jeroboam naar Egypte vluchten, maar na des konings dood keerde hij terug, en hij gaf' zeker den grooten stoot aan do betreurenswaardige scheuring der stammen. Door dit feit was het verdeeld rijk niet meer in staat om met zoo goed gevolg als voorheen zijnen vijanden te wederstaan; do tien noordelijke stammen die hot koninkrijk Israël vormden, waren dikwijls in oorlog met Juda en Benjamin, waarbij de Levieten, die in liet koninkrijk Juda verbleven; hierdoor maakten zij zich zeiven tot prooi hunner vijanden.
Thans treedt een nieuw tijdperk in vour de Joodsche geschiedenis. Nu gaan wederom de Egyptenaren op het tooneel treden, alsook de Semiten van de oevers van den Euphraat en den Tiger, die wij sedert Abraham, Joseph en Mozes uit het oog hebben verloren. Deze zullen ons de documenten leveren, die ons in staat stellen een rechtstreeks oordeel over de gewijde geschiedenis uit te spreken.
307
haar zelfs to volmaken en in een klaarder daglicht te stellen. Reeds terstond na de scheiding treedt Egypte op.
11 Paralip. XII: In liet vijfde jaar der regeering van Roboani, trok Sesac, koning van Egypte tegen Jerusalem op met twaalf honderd strijdwagens cu zestig duizend ruiters, ongerekend eene ontelbare menigte Lybiërs, Sukkiërs (Troglodyten) en Ethiopiërs. 11 jj nam de versterkte steden van Juda in en verscheen voor Jerusalem, waar de voornaamsten van Juda bij Roboam verzameld waren... Sesac nam te Jerusalem de schatten van het huis van Jehovah en de schatten van liet huis des konings, mot de gouden schilden, die koning Salomon had laten vervaardigen.
\ olgens Birch. Mariotte, Brugscli was Sesac van Semitische afkomst. Maspero, Hist. d. peuples de POr. II, 339: âSesac was wel degelijk van eene Semitische familie, wien toevallige gebeurtenissen op den troon van Egypte hadden gebracht; niettegenstaande zijn langdurig verblijf op dezen vreemden bodem, had hij de herinnering zijner herkomst, alsook de herinnering zijner nationale goden niet vergeten.quot;'
Sesac was van Assyrische afkomst; de Ilebr. tekst heet hem Schischaq; Manetho, Sesonchis; de Egypt, monumenten, Scliesclianq. Hij is het hoofd der twee en twintigste Egyptische dynastie. Cham-pollion ontdekte op 23 Nov. 1828 zijn afbeelding aan het einde van den zuidelijken muur van den grooten tempel van Karnac. Op deze voorstelling is Sesac afgebeeld volgens het gewone gebruik op Egyptische monumenten; hij houdt eene schare bijeen geknield liggende figuren bij de haren vast, in zijne opgeheven rechterhand houdt hij zijne strijdbijl, alsof hij allen met eenen slag wilde onthalzen. Eenigszins van hem verwijderd drijft de god Ammon-Ra eenen troep gevangenen met op den rug gebonden handen naar hem toe. De eersten moeten diegenen voorstellen, welke Sesac liet vermoorden, en de tweeden die, welke hij tot slaven of alleen schatplichtig maakte. Volgens de voorspelling van den profeet Semeias, moest de koning van Juda zich onder de tweeden bevinden. Onder de tweede rangschikking staat werkelijk een beeld met eene volmaakt joodsche physionomie. leder dezer gevangenen draagt een schild met gekartelden rand, hetgeen eene versterkte stad moet voorstellen; cu op ieder schild staat een hieroglyphisch opschrift, dat den naam of titel aangeeft van hem, die het draagt. Jammer
:{(KS
genoeg hebben de meeste dezer schilden zooveel geleden dat de opschriften bijna niet meer leesbaar zjjn. Een echter is geheel ongeschonden bewaard, nl. dat der joodsche figuur.
Op dit laatste schild bevinden zich negen phonetische teekens: eerst twee veders, beteekenende 1, E; dan een vogel U; daarna een opene hand 1) of' ï. Dit is alzoo JEUD, het Ilebr. woord voor Juda. De vijf volgende teekens beduiden de letters H. A. M. L. K. aangevuld door de klinkers: Ilamelek, het llebr. van koning. Ket laatste teeken beduidt het woord Hak; land. Alzoo was het Joodsch koningland of koninkrijk onder do scliatplichtigen.
Daarenboven had Sesac te Karnac hieroglypbische lijsten laten ingriffen van de steden en landen, die hij overwonnen had. Deze namen, waarvan zeer vele onleesbaar zijn geworden, zijn bestudeerd door Blau, Erugsch en Maspero, en deze hebben namen van versterkte steden erop gevonden, o. a. Adnlnid, d. i. Adullam. Ai/iilo», Aialon, Sc li anke, Socho, Ailorait, Aduram, Scharhdtaii, Saraa, Taaukau, Thekoa.
De overwonnen volken worden op deze voorstelling geheeten âde Amu uit een ver land.quot; Amu is het Ilebr. am, volk, en beduidde bij de Egyptenaren de Semiten.
Sesac regeerde reeds in de laatste tijden van Salomon, en Jeroboam vluchtte naar zijn hof, waar hij vriendelijk werd opgenomen. Daaruit kan men besluiten dat Sesac niet de Pharao was, met wien Salomon verwant en bevriend was; daarenboven vinden wij hierin de reden, waarom die vriend van Jeroboam ten oorlog trok tegen denzoon van Salomon, die Jeroboam vijandig was.
Jeroboam wilde tot eiken prijs zijnen troon bevestigen en de scheuring in stand houden. Om zijne onderdanen af'keerig te maken van Jerusalem, richtte hij een altaar op te Bethel en een ander te Dan, waar voorheen ook geofferd werd; hij richtte wel is waar geene afgodsbeelden op, maar als een gedachtenis aan zijn verblijf in Egypte voerde hij den dienst in van den stier Apis, die tevens een herinnering was aan het gouden kalf, dat de Israëlieten in de woestijn hadden aanbeden.
Hierdoor haalde hij zich Gods vloek op den hals. Geen enkel zijner opvolgers bleef den waren God getrouw.
:{()!)
HOOFDSTUK II. DE ASSYRIOLOGIE EN DE SCHRIFTUUR.
In hot begin van ons werk hebben wij reeds gezien, welk lioht de Assyro-Chaldeeuwsche epigraphie en archaeologie op het bijbelver !iaal werpt. Uat was echter een flauw schijnsel bij hetgeen zij ons voor het vervolg der Joodsclie geschiedenis opleveren.
Origenes Contra Celsum zeide: âDe oud-Assyrische geschiedschrijvers getuigen dat zij zware oorlogen met de Joden gevoerd hebben, gelijk de Joodsclie schrijvers dit op hunne beurt getuigen.quot; De Assyriologie hoeft ons niet alleen de namen onthuld van de Assyrische vorsten, maar ook de namen van zes koningen van
J ' O
Israël: Amri, Achab, Jelui, Manahem, I'liacee, (Jsee, en van vier koningen van Juda: Azarias of'Ozias, Achaz, Ezechias en Manasse, zonder nog melding te maken van do geographische namen. Zoo geven zij, die voorheen de vijanden waren van het volk Gods, thans getuigenis voor datzelfde volk.
In de Schriftuur zijn de Boeken der Koningen slechts een uittreksel uit het dagboek der koningen van Juda en Israël, waarheen zij telkens verwijzen; wij begrijpen alzoo dat er veel leemten in zijn. omdat dit dagboek verloren is. Yele dezer leemten kunnen aangevuld en klaar gemaakt worden door de Assyriologie.
Verschillende tot hiertoe niet begrijpelijke zinspelingen op feiten en gebruiken zjjn nu ook klaar, vooral die welke bij de profeten voorkomen.
Nochtans geven de Assyrische koningen, bij het vermelden hunner krijgsdaden, geene lange geschiedenis omtrent de Israëlieten, meestal maken zij van hen slechts melding in eenige regels. Ook blijven tot nog toe onoplosbare zaken in de chronologie, en daarom bepalen wij ons tot dit eene, dat wij aannemen, dat de personen wier namen gelijktijdig vermeld worden op de inschriften, en overeenstemmen met de bijbelsche namen, ook tijdgenooten waren. Daar nog lang niet alles onderzocht en aan het licht gebracht is, kan men den een of anderen dag eene ontdekking doen, welke den knoop der chronologic losmaakt. De gewijde schrijver, die den
;uo
oorspronkelijkeu tekst opstelde, lieeft zeker eene juiste chronologie aangegeven, maar allen komen hierin overeen, dat de afsclirijvers fouten erin hebben gemaakt, en zoo heeft men heden geene ware, maar eene kunstmatige chronologie. Mocht men eenmaal tot de ontdekking der ware komen, dan zal de Kerk de eerste zijn om haar toe te juichen.
De nieuwere ontdekkingen zouden nog alle kunstmatige chro-nologiën kunnen te niet doen, maar de geopenbaarde feiten en daarmede overeenkomende inschriften blijven onveranderd vaststaan. Vele Duitsche archaeologen nemen de chronologie van de canons der Assvrische eponymen niet aan, maar willen, dat de uit den Bijbel opgemaakte nader bij de waarheid komen. V. Gutschmid. JNeue Beitr. etc. 97 â108.
HOOFDSTUK HL
EERSTE INVALLEN DER ASSYRIëRS IN SYRIë EN PHENICIë.
Over de stad van Assur hebben wij reeds gesproken in Gen. Afd. I, Hoofdst. V; en over de ontwikkeling van Assyric en Babyion tot aan Davids tijd in Kon. Afd. I, Hfst. I.
Ten tijde van Mozes sprak Balaam over de Ciniters (Cin, afstammende van Kain): âSterk is uwe woning, gij bebt uw nest in eene rots geplant, maar toch geraakt liet tot verwoesting, o Kaïn! want Assur zal u in gevangenschap wegvoeren. Zij zullen op schepen komen uit Cliittim, (de eilanden en kustlanden van het Westen, vooral Italië, Griekenland, Macedonië) en de Assyricrs overwinnen, (Alexander van Macedonië) en Ileber verwoesten, (Titus kwam uit Italië, en verwoestte nog vele steden behalve Jerusalem) en ten laatste zal ook hen ondergang treffen (de Romeinen door de Xoordsche volken).quot;
Ahias sprak tot de vrouw van Jeroboam; âEn de Heer God zal
Hl 1
Isiiirl treffon... liij zul Israël uitroeien uit dit goed land, dat liij aan zijne vaders gegeven had, en hij zal hen verstrooien aan gene zijde van den vloed (Euphraat), omdat zij zich hagen (ter eere der afgoden) hebben gemaakt om den Keer te vergrammen.quot;
Osee: âXaar liet land Egypte zullen zij niet terugkeeren (noch hulp van Pharao ontvangen) en Assur zal hun koning zijn... Samaria zal vergaan.quot;
isaïas: ,Omdat dit volk de zacht vlietende wateren van Siloü versmaad heeft (do eigen koningen van Jerusalem)... daarom zal Adonal over hem heengieten de geweldige en woeste stroomen van den Euphraat, den koning van Assyrië en heel zijn heir; en hij zal uitstroomen over al hunne rivieren, en overstroomende zal hij naar Juda gaan en tot aan den hals reiken, en de geheele oppervlakte van uw land bedekken, o Emmanuel! AVee den Assy-r'ur, hij is de roede en de stat' mijner wraak... want Assur zal vallen.quot;
Zooals wjj vroeger gezien hebben waren do Assyriërs het eerst onder Tiglath-l'iiasar I tot in Phenicië doorgedrongen. Xa twee honderd jaren zien wij Assurnazirhabal liet vervallen Assyrisch rijk weer verheffen (884â800). Hij bouwde of vergrootte het z. g. Xoordwestpaleis te Ximrud, door Layard ontdekt, en dat door zijne pracht nog heden den roem van zijnen stichter verkondigt. Van hem is nog eene beeldzuil in het üritsch-Museum, dat op de borst het volgend opschrift draagt;
03. Assur-ua/.ir-hiibal, groote koniug, nuichtigc kouiug, koniug der volken, koning viiu Assur,
64. zoon van Ãugidti-Xiuib (Ãuklat-Samdan), groote koning, maclit.igc
kouiug, kouiug der volken, koning van Assur.
55. Zoou van Ramau-Nirar (Bin-uirar), groote kouiug, machtige koning, GG. koning der volken, kouiug vau Assur, die lieerseht van de boorden 07. van den Tiger tot den berg Labuaua (Libanon)
OS. tot, het groote meer; allo landen OU. vau don opgang der zon tot deu ondergang der zou 70. aau zijn juk hij heeft onderworpen.
Onder eene relief-voorstelling te Kalach, leest men dat hij geheel noordelijk Syrië onderwierp, het land der Hatti, de keten van den Amanus en het bekken van den (Jrontes; dut hij persoonlijk in
312
l'honicui tot aan don oever der Middellandsclie Zee kwam en scliat-ting ontving in edele metalen en in stoffen van do steden Tyrus, Sidon, Gebal (Byblos), en Arvad; dat luj ook tot Armenië doordrong ; maar daarop worden ook do ongehoorde gruwelen aauge-haald, die deze hartvochtige noodeloos bedreef.
(De aangehaalde jaartallen zijn volgens Kanlen, Ass. u. ]gt;ab.)
Diens zoon Salmanassar II, 860â824, trad in zijne voetstappen.
Op een obeliske in zwart basalt verhaalt luj in 190 liniën een en dertig zijner veldtochten. Hierin leest men ook iets geheel onbekends, nl. dat Achab, koning van Israël, als bondgenoot van Binhidri (Benhadad) koning van Damascus, deel zou hebben genomen aan eenen krjjg togen do Assyriërs.
Amri, de vijfde koning van Israël stichtte Samaria, de hoofdstad van zijn rijk. Thomson, The Land and te Book, 46S: âHet is eene zeer schoone ligging op die ovaalronde hoogte, boven de lagen van opvolgende terrassen. Van af de hoogte van Samaria heeft men een bijna onbelemmerd gezicht over de rijke vlakten en de omgevende heuvelen; in de verte bespeurt men de blauwe wateren der Middellandsclie Zee. Die stad was bijna onneembaar; zij weerstond meermalen met goed gevolg aan de Syrische wapenen, en de troepen van den koning van Xinive hadden niet minder dan drie jaren noodig om haar in te nemen, terwijl Jerusalem het slechts anderhalfjaar tegen het leger van Nabuchodonosor uithield.quot;
Achab volgde zijn vader Amri op. Deze was eerst met Benhadad in oorlog geweest; na zijne overwinning op den Syriër te Aphek, ten oosten van den Jordaan, sloten zij vrede.
Met Salmanassar II treedt Assyrië voor het eerst op in doge-wijde Geschiedenis. Zijne voornaamste veldtochten ondernam luj naar het Westen. Door diens veroveringen in het land der Ara-meürs voor hunne zelfstandigheid bevreesd, sloten twaalf vorsten in het Syrisch-palestijnsche land een verbond; bij dezen komen ook voor ; Hadad-ezar (Benhadad II), Achab van Israël en Baesa van Ammon.
Salmanassar trok in 854 tegen lien op en versloeg hen bij Karkar en maakte grooten buit. Taylor, Cuneif. inscr. of West. Asia III, pl. 8 vond bjj de bronnen van den Tigris een stéle van Salma-
:n:$
iiassar, waarin hij deze overwinning in alle bizonderheden verhaalt. Hij liad echter de landen dezer vorsten niet onderworpen. In 849 trok hij weer op tegen den koning van Emath, ter wiens hulp Benhadad van Damascus toeschoot. Ook nu weer schrijft Saliuanassar zich de overwinning toe, maar hjj drong niet verder. Maar drie jaren nadien verzamelde hij zijn volk in ontelbare scharen oin het krijgsgeluk nogmaals te beproeven. Henhadad met zijne verbondenen trok tegen hem op, maar deze werden verslagen en het verbond verder verbroken. A an deze hachelijke omstandigheid voor den Syriër, maakte Achab gebruik om met hulp van Josaphat van Juda, III Kon. Xlf, de stad Ramoth Galaad te heroveren, die de Syriër had ingenomen, maar Achab verloor slag en leven. Benhadad werd kort daarop door Hazael vermoord.
HOOFDSTUK IV. DE STèLE VAN MESA.
Deze steen van zwart basalt komt zuiver overeen met de stelen van Egypte, liet is een platte steen met rand, een meter hoog en zestig centimeter breed, van boven gerond en beneden hoekig, ongeveer gelijk vele rechtstaande zerksteenen op onze kerkhoven. HU is door Clermont-Ganneau te Dibon, ten oosten der Doode Zee, drie dagreizens van Jerusalem, in 1869 ontdekt. Daar had deze steen zich bevonden sedert 81)7 v. Chr. toen hjj gemaakt was. Ongelukkig is hij door do Beduïnen verminkt; maar meer dan twintig eraf geslagen stukken zijn teruggevonden, zoodat men hem ten naasten bij in zijn geheel heeft kunnen herstellen.
Dit is bovendien het oudste stuk in alphabetisch schrift, dat men kent.
:il4
^lesa. koning van Moab, lie oft dit stnk doon vervaardigen. IV Kon. 11 f, 4: âEn .Mesa, koning van Moab, onderhield veie kudden, en hij betaalde (als schatting) aan den koning van Israël honderd duizend schapen en honderd duizend rammen met hunne vachten.quot;
Het land Moab was rijk aan schapen; maar Mesa zocht toch naar eene geschikte gelegenheid om dezen last af te werpen. Deze meende hij te vinden bij den plotselingen dood van Achab.
Ochozias, zoon en opvolger van Achab, was een zwakke vorst. Mesa weigerde niet alleen hem de schattinquot;: te betalen, maar na
O O
zich onafhankelijk verklaard te hebben keerde hij zijne wapenen tegen het rijk Juda, en vereenigd met de Ammoniten en de Idumeërs trok hij over de grenslinie van de rivier Arnon en nam verscheidene Israëlitische steden in. Maar met Gods hulp werd Josaphat van Juda zonder slag te leveren van zijne vijanden verlost; de verbondenen kregen twist onder elkander, en de Moabiten cn Ammoniten keerden hunne wapenen tegen de Idumeërs.
Kort daarop verbinden de Idumeërs zich met de Ilebreërs tegen Moab; maar deze laatste behaalde aanvankelijk eenig voordeel.
Ochozias stierf na eene tweejarige regeering, en werd opgevolgd door zijn broeder Joram. Deze maakte een verbond met Josaphat, koning van Juda, en met den koning van Edom tegen Mesa. Benhadad had nog altijd de stad Ramoth in bezit en was dus meester in hot land Galaad. Om hem te ontwijken trokken Joram en Josaphat zuidwaarts om de doode /ee, en vielen de Moabiten in den rug. Toen de Moabiten dit ontdekten, riepen zij allen, die tot tegenweer in staat waren, te wapen, en snelden naar de grenzen. En toen de Moabiten 's morgens vroeg optrokken, en do zon aan den tegenovergestelden kant van het water opkwam, toen zagen zij het water rood als bloed, en zeiden : Dat bloed is door het zwaard gevloeid, de koningen hebben tegen zich zolven gestreden en zich onderling vermoord; op, Moab, naar den buit! Zij trokken naar het kamp van Israël, maar de Israëlieten trokken uit, versloegen de Moabiten en deze gingen op tie vlucht. Israël trok het land Moab binnen, doodde de bewoners, vernielde de steden, bedierf hunne landen met steenen, verstopte de putten, on sneed hunne fruitboomen af, belegerde eindeljjk Kir-llareset. Toen wilde de koning van Moab zich met zeven honderd man op den koning van Edom werpen, maar hij werd teruggeslagen. Daarop nam hij
zijnen oudsten zoon, troonopvolger, en slachtofferde Item op don stadsmuur; tocMi de Israëlieten dit zagen, trokken zij af, maar hadden Mesa niet gedwongen de vroegere schatting te betalen.
Aldus luidt het verhaal der Gewijde Geschiedenis; nu zullen wij zoo letterlijk mogelijk de vertaling geven van de stéle van don koning van Mo al). Er is natuurlijk tusschen het een cn liet ander eenig verschil, maar beiden hespreken dezelfde feiten, zooals men ziet, al wijken zij dan ook af in de nevenzaken.
Revue archeologique. Juin 1870, p. 380;
1. Ik ben Mcsa, zoon van Charaos, koning van Moab, de
2. Diboniet. Mijn vader heeft geregeerd over Moab dertig jaren, cn ik heb geregeerd
3. na mijn vader. En ik heb gemaakt dezen bamah (stéle) aan Chamos, te Qorka, de bamah van Mesa,
4. omdat hij mij gered heeft van alle aanvallers cn mij heeft doen zien alle vijanden overwonnen.
5. Amri was koning van Israel en hij onderdrukte Moab talrijke dagen, omdat Chamos vergramd was op zijn land.
ü. En zijn zoon Achab volgde hem op en hij xeide ook aan hem: «Ik zal onderdrukken Moab, in mijne dagen, ik zal hem gebieden,
7. en ik zal hem zien (aan mijne voeten) hem, en zijn huis.quot; En Israel is vergaan, vergaan voor altoos. Eu Amri had genomen het land Medaba
8. en had er gewoond hij en zijn zoon. En... de dagen van zijnen zoon, veertig jaren... cn heeft het hernomen
9. Chamos in mijne dagen en ik hel) herbouwd Baalmeon en ik heb er gemaakt putten cn ik heb gebouwd...
1Ã. Cariathaïm. En de mannen van lt;jad woonden in het land Ataroth sedert lang en hun had gebouwd de koning van
11. Israel Ataroth. En ik tastte aan de stad en ik nam haar en ik doodde al de mensehen
12. van de stad, schouwspel aangenaam aan Chamos en aan Moab. Eu ik nam mede van daar de Ariel (?) Dodo en ik hem
13. plaatste ter aarde voor Chamos te Carioth. En ik deed cr wouen de mannen van Saron cu de mannen
14. van Makarat. En Chamos zeidc mij: Ga, neem Nabo op Israel. Eu ik
15. ging des nachts cn ik vocht tegen haar van af den sehemermorgen tot middag. En ik
10. nam haar, en ik doodde alles, zeven duizend mannen en hunne vrouwen. Eu ik liet leven de dochters eu
17. de slaven, omdat aan Astorcth Chamos ik hen wijdde. Eu ik nam van daar de
:gt;1()
IS. vatcu van Jehovah cu ik ze plaatste ter aartic voor Cliamos. Eu ilc koning van Israël had gebouwd
1'J. Yasa cu woonde er toen hij gevochten had tegen mij. Eu Chamos hem verjoeg vau voor zijn aanschijn. Eu
20. ik nam van Moab twee honderd man, al het beste, en ik liet hen op-trekkeu tegen Yasa, en ik nam het
21. om te voegen bij üibou. Ik gebouwd Qorka, de muur van Yaharin cu de muur
'22. van Ophel. Eu ik heb gebouwd zijne poorten en ik heb gebouwd zijne torens, en
23. ik heb gebouwd het huis des konings, cu ik heb opgericht dc gevangenissen der gebonden meuschen midden in de
2k stad. Er waren geen putten te midden der stad. in Qorka, cn ik heb gezegd aan al het volk: Maakt
25. u elkeen eeuen put in zijn huis. Eu ik heb doen graven kanalen, om tc leiden het water naar Qorka, door gevangenen
20. van Israël. Ik heb gebouwd Aroër en ik heb gemaakt deu weg vau dc Aruou.
27 Ik heb gebouwd Bcth-Ramoth, omdat liet lag in puineu. Ik heb gebouwd Bo.sor, omdat....
2S..... Dibon, vijftig, omdat heel Dibon mij gehoorzaamt. En ik heb
vervuld
20. het getal vau honderd met dc steden, die ik gevoegd bij het land Moab. Eu ik heb gebouwd
3 0..... en Beth Diblathaim en Beth-Baal-Meou en ik heb daar ge
bracht de....
31. het land. En üronaïm woonde erin....
32. Eu Chamos zeide mij; Daal af en vecht tegen üronaïm, eu ik ....
33. Cliamos in ouze dagen en op ... . heeft gemaakt....
3 1.....Eu ik ....
Wat wij bij dc Assyrici's cn Egyptomu'en stccd« bevonden hebben, zien wjj ook liier. Xooit of nimmer wordt op hunne monumenten een door liet eigen volk geleden nederlaag vernield: daarentegen zien wij dat de Sciiriftiiur met onverbiddelijke gereelitiglieid zoowel de nederlagen van het Joodsche volk als zijne overwinningen aanhaalt.
Wanneer wij nu het opschrift vau Mesa vergelijken niet het aangehaalde uit IV Kon, en II, Paralip, en met Isaias XV en Jere-mias XLVIII, dan vinden wij al de plaatsen uit de Schriftuur in dit opschrift terug, ilesa verhaalt niets van zijne nederlaag; hij zegt dat hij die steden heeft gebouwd, dat moet zijn: nadat die
:n7
steden door de Israëlieten verwoest waren, heeft hjj ze/wbouwd; de door de Israëlieten verstopte putten en kanalen lieeft lijj weer doen open maken, en/., enz.
Ueoordeelt men alzoo dit stuk, gelijk alle Oostersche opschriften moeten beoordeeld worden, nl. vergelijkenderwijs en onderling, dan is de stéle van Mesa wederom een bewijs te meer voor de Schriftuur.
HOOFDSTUK V.
SALMANASSAR II, JORAM EN JEHU.
Ter meerdere helderheid in do geschiedenis willen wij hier de synchronomische lijst geven der gelijktijdige koningen van Palestina en Syrië, zooals die is opgemaakt uit de Schriftuur en uit de Assyrische epigraphie, door U. Smith, The Assyrian Eponym Canon, 11)1.
|
Naam. Jaar. Tijdgenoot. | Naam. Jaar. Tijdckxoot. I | ||||||||||||||||||||||||||||||
|
Smith maakt hierbij de opmerking: âHierin komen twee betwijfelbare namen voor, nl. Hazael II en Benhadad TV, het is best mogelijk dat deze slechts de verdubbeling zijn van Hazael I en Benhadad III.quot;
Wij voegen hierbij, dat de jaartallen in het algemeen niet nauwkeurig zijn, en vooral de twee eerste.
Kaulen, Ass. u. Babyl. 204: âOndertusschen beleefde Benhadad niet veel vreugde van zijne overwinning, daar hij door Hazael
818
vermoord word. .Maar tegen dezen opende Salmanassar in 842 oenen veldtocht, waarin de Syriër verloor 10.000 man en 1121 knjgs-wagens met zijnen gelieelen krijgsvoorraad. Salmanassar vernielde de heerlijke bosschen om Damascus en verwoestte het geheele land tot aan llanran. Van allo kanten bracht men hem schatting, en onder die welke zijne opperheerschappij erkenden, noemt hij ook ââ¢Talma liabal 1 lumri,quot; .lelm, zoon (opvolger) van Amri, de bekende koning van Israël. Op de zwarte obeliske staat boven een beeld, dat eenen voor den Assyrischen koning knielenden vorst of afgezant voorstelt, aan het hoofd van schatting brengende mannen: âTribuut van Jehu, zoon van Amri; zilverstaven, goudstaven, een gouden schaal, oen gouden keten, gouden bekers, enz. dat ontving ik.quot;
Ziethior het opschrift van Salmanassar over zijne overwinningen; de jaargetallen erbij gevoegd, zijn van Smidt:
2(J. In mijn tiende jaar (850),
30. ik trok over den Eaphraat den achtsten keer, de steden van Sangar van Carchamis, ik nam ze, ik ze verwoestte, ik ze verbrandde. Van de stad
31. Carchamis ik vertrok, de steden van Aram ik naderde; Arne zijne hoofdstad, ik haar nam, en 100 steden die waren nabij haar
32. Ik ze verwoestte, ik ze verbrandde.... In die dagen Ben-hadar van Syrië, Irkulini
33. van Hamath en de twaalf koningen van nabij do zee, vertrouwden op hunne vereende krachten, en mij te beoorlogen en te vechten stelden zich voor mij.
31. Tegen hen ik vocht, ik versloeg hen, hunne wagens, hunne ruiters, hun krijgsvoorraad, ik ze hun ontnam. Om te redden hun leven, zij vluchtten.
35. In mijn elfde jaar (819), ik vertrok van Ninive, ik trok over den Euphraat den negenden keer op deu tijd der overstrooming, 97 steden van Sangar, ik ze nam, 100 steden van Aram
30. ik ze nam, ik ze verwoestte.... Ik nam de overzijde van deu berg Hamanu, ik trok over den Yaraku, ik ging naar de steden van Hamath,
37. ik nam Astamaku en 99 steden.... In die dagen Benhadar van Syrië, Irkulini van Ramath
38. en de twaalf koningen van de kusten der zee betrouwden op de macht van elkander en om mij te bestrijden en slag te leveren, trokken op tegen mij. Tegen hen ik streed, op de vlucht
39. ik hen joeg, 10.000 huuuer strijders ik versloeg door de wape.ien... . Bij mijnen terugtocht, Arrapasu
40. de sterkte van Aram ik nam. lu die dagen, het tribuut van Garparundi van Patina, zilver, goud, lood, paarden, ossen, schapen,
41. klecreu van wol en linnen ik ontving.
HUI
In zjjii twanlt'dc jaar behaalde Salinanassar nog oene andere overwinning op Benliadad en zijne bondgenooten:
43. In mijn vcortioude jaar, ui liet laud, ontelbaar, ik verzamelde; met 11. 120,000 mijner krijgers, ik trok over den Euphraat op liet punt van zijn was. In die dagen Ben-imdar van Damascus, Irkuliui van Ilamath en 15. de twaalf kouingeu vau de kusten der boven-en benedeuzee vereenigden hunne krijgers zonder tal, zij trokken op tsgeu mij, ik hun leverde slag, 4(5. ik joeg hen op de vlueht; hunue wagens, liunue ruiters ilc nam, hunne oorlogswapens ik ze Mam. Om te redden hun leven, zij vluchtten.
Salinanassar verhaalt op de obeliske van Nimrud de overwiiininy;
i O
van Karkar, uit zijn zesden veldtocht, en zegt:
5'J. In die dagen Heahidri
GO. van Damas, Irkuliui van Ilamath en de twaalf koningen, die bewonen de oevers der zee,....
Het opschrift der stieren zegt evenals dat der bronnen van den Tiger, dat deze koningen van Syrië, Jfafti, ten getale van twaalf waren.
l it dit alles blijkt, dat de koning van Israël steeds bij de verbondenen tegen den Assyriër was. Waarschijnlijk heeft hij zich meermalen van dien bond willen losrukken, en kan het wel om deze reden zijn dat Benhadad in Israël viel, en bij zijnen tweeden inval Samaria belegerde, waar zjju leger door eenen panischeu schrik op de vlucht sloeg.
Benhadad II word door Ilazael vermoord en opgevolgd. Joram versterkte zijne oostelijke grenzen en nam ook Ramoth Galaad in, Ilazael kon de stad niet herwinnen, maar hij sloeg de Israëlieten buiten de stad en wondde zelfs den koning. Toen Joram te Jesrael was om van zijne wonden te genezen, liet de dappere krijgsoverste Jelui zich tot koning van Israël uitroepen.
Deze Jehu riep de hulp in van Salinanassar tegen Ilazael van Damascus, en verklaarde zicli schatplichtig aan den Assyriër.
Daarop deed deze aan Ilazael den oorlog aan, waarop het volgend opschrift betrekking heeft, waarvan wij een uittreksel gezien hebben ia het begin van dit hoofdstuk bij Kauleu:
1. In mijne achttiende jaar, den zestienden keer, deu Eupliraat
2. ik overstak. Hazael van Syrië
3. op de macht zijner krijgers
4. betrouwde, eu zijne krijgers
5. iu menigte hij verzamelde.
fi. Van Sanira, een rots der bergen 7. die zijn tegenover den Libanon, zijne sterkte S. hij maakte. Tegen hem ik streed,
9. zijne nederlaag ik volbracht, 10,00(1
10. man van zijn leger, met de wapens,
11. ik vernietigde; 1121 zijner strijdwagens,
12. 470 van zijn ruiters met hun krijgsvoorraad
13. ik hem ontnam. Om te redden zijn leven
14. hij vluchtte. Ik hem vervolgde.
15. In Dainas, zijne koniugstad, ik hem belegerde,
1 ('i. zijne bossehen ik kapte af. Naar de bergen
17. van Hauran ik ging, steden
18. zonder tal wierp ik neder, ik vernietigde,
19. ik stak het vuur eraan, lumne gevangenen,
20. zonder tal ik nam mede.
21. Naar de bergen van Bahlirahsi,
22. die raken aan de zee, ik ging. Een zuil mijner majesteit
23. te midden ik maakte. In die dagen
24. liet tribuut van Tyrus
25. en van Sidon, van Yahua (Jehu)
26. zoon (opvolger) van Amri, ik ontving.
Zooals wij weten was Jehu niet de zoon van Amri, integendeel hij had liet geslacht van Amri uitgeroeid, maar naar zijnen stichter heetten do Assyriërs het rijk Israël mot Humrt of mai hit-Humri, land van Amri.
De Assyriër trok af na zijne overwinning, en toen wreekte zich Hazael op de Israëlieten, en versloeg hen in den eenen veldtocht op den anderen.
821
HOOFDSTUK VI.
EERSTE AANVAL DER ASSYRIëRS TEGEN
ISRAëL.
Kaulen Ass. u. Bab. 204: âDe gunsten, welke Samanassar zijnen veldoverste Danassur bewees, ontstak den nijd van zijnen oudsten zoon Assur-Danipal, zoodat deze vier jaren voor zijns vaders dood (827) tegen hem opstond en grooten aanhang verwierf. Ook Assur en Arbela benevens 25 andere steden sloten zich bij den opstand aan. Salmanassar stelde tegen hem zijnen tweeden zoon Samsi-Raman (lü), een nog jongen, maar ondernemenden man; deze vermocht echter eerst twee jaren na zijn vaders dood, 822, den opstand te dempen. Samsi-Raman volgde als de derde of vierde van dien naam zijnen vader op, en regeerde van 824 tot 811 v. Chr. Vooreerst was hij verplicht de grensprovinciën van zijn rijk, welke onder den opstand zijns broeders tegen hem waren, door verschillende krijgstochten weder aan zich te onderwerpen, hierbij trok hij ook tegen het afgevallen Babyion op. Bij dit alles was hij ook een hartstochtelijk jager, die midden tusschen zijne heldendaden niet vergat aan te geven, hoeveel leeuwen hij verslagen kad.
âNog grooter was zijn opvolger Raman-nirari III (811â782; deze strekte zija rijk uit tot aan de kusten der Kaspische Zee; âalle koningen van het land Kaldiquot; betaalden hem schatting; in de groote Babylonische steden trad hij als Opperheerscher op en bracht den goden offers; hij onderwierp westelijk van den Euphraat âal het land tot aan de kusten der Westzee;quot; hij ontvoerde ongehoorde schatten uit Damascus. Eene beeldzuil, die Loftus te Calach vond, noemt op haar opschrift behalve Raman-nirari ook zijne gemalin Sammuramat, bij de Grieken Semiramis genaamd. Mag men Herodotus gelooven, volgens wien Semiramis koningin van Babyion was, dan moet men aannemen, dat zij de erfgename van den troon van Babel was, en dat Raman-nirari zich door hare hand het bezit van haar land verzekerde.quot;
Genoemde Raman-nirari wordt door anderen Binnirari geheeten, omdat het eerste teeken van zjjnen naam ideographisch geschreven
21
:!22
an. im. of an. u een godennaaam is, on zoowel voor IJin nis voor Hainan genomen kan worden.
Zijn opschrift luidt:
1. Paleis van Ramin-mrari, (1(^ grooti; kouiiiü;, onz. de koning van liet land Assur....
5. Ik iieb overmeesterd het land Silnna,
fi. gelegen ten oosten, het land Kil), liet land Illipi, Karkar Arazias,
7. Misu, Medië, Ginumbuuda in al zijn uitgestrektheid,
8. Munna, Perzië, Allabrië, Abdadan,
9. liet laud Nahiri niet al zijne afhankelijkheden, het land Andiu, ver afgelegen,
10. de bergen van Balk tot aan de groote zee gelegen teu oosten;
11. aan gene zijde van deu Euphraat, ik heb onderworpen hot land der Hatti (Syrië), het land Aharri (kust der Middellandsehe Zee), in geheel zijne uitgestrektheid,
12. (ul.) Tyrus, Sidon, het land Amri (rijk Israël) het land dor Philistijncu,
13. tot aan het groote Westmeer (Middel. Zee).
14. Ik heb hem opgelegd het betalen van een tribuut.
15. Ik beu ook opgetrokken tegen het land Imirisu (Damascus), tegen Mahira, koning van het land Imirisu.
16. Ik heb hem opgesloten in Damas, zijne hoofdstad.
Dan volgt eene opnoeming van den liier geroofden huit. Onder al de genoemde landen vindt men niet het rijk Juda, ofschoon als schatplichtigen aangehaald worden: Phenicië en Israël ten noorden, de Philistijnen ten westen, en de Idumeërs ten zuiden van Juda, alzoo alle omringende volken. Toen regeerde Amasias te Jerusalem, In dit opschrift is geen jaartal aangegeven; Smith meent dat de tocht naar Palestina plaats had in 797.
Israël had veel geleden door Hazael koning van Damascus. Deze werd opgevolgd door den zwakken Benhadad 111; -loas, die toen in Israël regeerde, keerde zijne wapenen tegen Benhadad 111, nadat de Assyriër was afgetrokken, versloeg hem in drie veldslagen en herwon alle plaatsen ten westen van de Jordaan. Zyn opvolger Jeroboam II herwon ook de landen ten oosten van den Jordaan, alsmede het land Ammon en Moab.
De door de Assyriërs overwonnen en bijna geheel vernietigde Mahira van Damas was tijdgenoot van Jeroboam. Toen alzoo Mahira tot het uiterste gebracht was, nam Jeroboam die gelegenheid gretig ter hand om zjjne gewesten te herwinnen.
I o dezer tijrle werd de profeet Jonas naar Xinive gezonder. Daar wij nu weten, dat de Assvrisdie koning; voel nadeel aan dt Isiaëlieten berokkend had en hun land scliatplielitig had gemaakt, begrijpen wij zeer goed, dat die Hebreër, niet den zijn volk aangeboren nationalen trots, den grootsten tegenzin in die zending had. E\ eiigoed begrijpen wij thans, dat de Assyriërs geloof sloeg(Mi aan dien I[ebreenwschen nnbi. omdat bet volk naast zijn eigen foden. in alle landsgoden geloofde, en dus ook in den God van Israël. Buitendien kon bet niet missen, of de Assyriërs hadden op hunne \ eelvuldige veldtochten naar het N\ esten, van de groote daden van den God der 1 lebreërs gehoord.
Te Assyrië volgde op Uaman-nirari de koning Salmanasar 111 (Ts-J -772.) Deze verliet Mnive om Assnr te bewonen: hij deed zes veldtochten naar Armenië, waar toen een groot rijk zich begon te ontwikkelen met A an tot hoofdstad. j)e rotsopsehriften in Armenië dngteekenen uit den tijd van dit Armenisch rijk. Xoch Salmanasar lil, noch zjjn opvolger Assurdan III (i 71â704), ja zelfs niet dezes opvolger Assurnirari (7Ã4â-745) vermochten iets tegen dat nieuw Armenisch rijk. J)e laatste keerde terug naar -Xinive.
Onder deze zwakke vorsten wierpen verschillende schatplichtige vorsten het juk van de schouders, en hierbij ook die van Hamaria.
lu 74(i brak een verschrikkelijke opstand uit, waaraan Tiglath-Pilasar 11 (745â727) een einde maakte, doordat hij de vorige dynastie van den troon stiet.
1\ Kon. XV, lü wordt deze koning genoemd âPhul, koning van Ass\rië. Hieromtrent zijn verschillende meeningen, waarvan wij de waarschijnlijkste zullen verklaren.
:i24
HOOFDSTUK VII.
PHUL, TIGLATH-PILASAR II.
Ten tijde der zwakke vorsten van Assyrie, hadden de Israëlieten zich aan de schatting onttrokken, maar innerlijke onlusten en oproeren scheurden herhaalde malen de tien stammen en brachten hen tot broederkrijg. Dit had vooral plaats in de laatste jaren van Jeroboam 11. Deze werd opgevolgd door zijn zoon Zacharias, die in de zesde maand na zijne troonsbestijging vermoord werd door Sellum, zoon van Jabes. Nauwelijks regeerde deze een maand, of Manahem, legeroverste van Zacharias, vermoordde hem en beklom den troon.
Toen kwam Phul, koning van Assyrie, in het land, en Manahem, koning van Israël, gaf hem duizend zilvertalenten om hem te helpen en zijn gezag te bevestigen.
De Schriftuur noemt hier een Assyrischen koning bij zijnen naam, en de regeeringskanon in het Britsch Museum, alsmede alle bevindingen wijzen geenen Assyrischen koning aan van dien naam.
I Paralip. V, 26: âEn de God van Israël verwekte den geest van Phul, koning der Assyriërs, en den geest van Teglathphalasar, koning van Assur, en voerde weg Ruben en Gad, en den halven stam Manasse, enz.
Euaebius, Chronic. I, li. Babyl. reges, stelt Phul en Teglathphalasar in de rij der koningen van Babyion, maar hij noemt hen tegelijkertijd beiden âkoningen van de Assyriërs.quot;
Kaulen: Tiglath-Pilasar II was een usurpator, die aan de duizendjarige dynastie van Belkapkapus een einde maakte, en vermoedelijk bij het beklimmen van den troon eenen in Assyrie hoog-gevierden naam aannam. Het gelukte hem niet alleen het weerspannige Babel met sterke hand tot gehoorzaamheid te dwingen, maar ook een aantal der zuidelijke vorsten te onderwerpen. Toen hij in het jaar 731 deze veroveringen volbracht had, noemt hij zich van toen af âkoning van Assyrie, koning van Babel, koning van Sumir en Akkad.quot; In hetzelfde jaar 731 begint in den kanon van Ptolemaeus, naast de regeering van eenen inheemschen koning
in Babylon, oulc nog dc regeering van Poms, die volgens dei; naam met Phul overeenkomt, maar volgens zijne daden met Tiglath-l'ilasar, zoodat ook reeds op dezen grond uit beide namen maar ééne persoon te denken is.quot;
Rawlinson, The five great monarchies, etc. JI, 124; âPhul was con usurpator, die de westelijke provincies van hot Assyrisch rijk had ingenomen. Het is ook mogelijk, dat zooals Oppert aanneemt, Phul do Chaldeeuwsche koning Phulus is, van wien Berosus spreekt, en die veel overeenkomst heeft met den naam van den Chaldeeuw-schcn koning Porus uit don kanon van Ptolemaeus.quot;
V. Gutschmidt, Xeue Bcitr. etc. 125: âPhul kan slechts een mederegent van Tiglath-Pilaser geweest zijn, of juister uitgedrukt, een naast hem in gedeelten van Babylonie en ook wel van Assyrië hcerschende en met hem nauw verbonden koning.quot;
Vigouroux IV, 99: âDe moeste Assyriologen en critici vereenzelvigen heden Phul met Teglathphalasar, vooral in Engeland en Duitschland. Daar zij geene leemte in de lijst der eponymen aannemen, blijft ook geen plaats over voor de regeering van Phul.quot;
Ook Rawlinson heeft zijne eerste meening veranderd en zegt, dat de Bijbelsche Phul dezelfde persoon is als de Teglathphalasar der monumenten. Ook vindt men in de Syriaksche en Arabische vertalingen, in de eene alleen den naam Phul en in de andere alleen den naam Tiglath-Pilaser.
Schrader, Keilinschriften etc. 45cS: â De naam Phul was een algemeene, verspreide naam; Teglath-Pilasar was een aangenomen, officieele naam. Phul komt als naam van geen enkelen koning voor. Daar Phul wellicht van lage afkomst was, en niet van koninklijken bloede, nam hij oenen in de koningslijsten wel bekenden naam aan, om zijnen troon meer steun te geven.quot; De gewijde schrijver noemt hom hier echter bij zijnen ouden bekenden naam, gelijk Napoleon I ook nog veelal Bonaparte bleef hoeten in onzen tijd.
De kanon dor eponymen vermeldt niets omtrent den val dei-oude dynastie, maar haalt alleen aan, dat Tiglath-Pilasar op den troon kwam 13 lyyar 745. Alle andere koningen noemden zich steeds âzoon van koningquot; die of die, up hunne opschriften: dit
320
doet «loze koning niet, en levert zooiloemlt' liet bewijs, «lal lijj oen usurpator is, niet van koninklijke afkomst. Zjjne «laden zijn slechts uit verminkte stukken 1gt;eken«l, wijl later .Vsarhadilon, die tot «'ene andere dynastie behoorde, zijn paleis re (.'alacli verwoestte, en «ie albastplaten voor oenen nieuwen bouw gebruikte, l it de overgeblevene ,'ksten, die «ip de keerzjjde stonden «Ier platen, welke Asarliad«lon voor zijn paleis ))ezigd«', kan men aH«'i«hni, dat'Tiglatli-I'ilasar niet alleen de opgestane gewesten onderwierp, maar beoogde een Assynsch wereldrjjk te stichten.
Zijne eerste voroveringstochten golden de kleine ()haldeeuwsche staten, en toen liij «leze onderworpen hiid, heette lijj zich âkoning van Sii])iir en Akkad.quot; Dan trok li ij oostwaarts en veroverde liet geheele land tot aan Armenië. Daarna ging lijj naar Syrië, maar hier vond liij bjj eenige staten krachtigen weerstand, zoodat de oorlog hier vijf jaren duurde. Op dezen tocht kwam inj ook te Samaria, waar koning Manahem voor duizend talenten zijne vriendschap kocht en zoo zijnen wankelenden troon zocht staande te hemden.
Smith, Ane. Jlist. etc. 57: âMen vindt niet den naam van Mana-iiem, koning van Israël, op dit verminkt stuk, maar daar zjjn naam op de andere platen in de lijst der schatplichtigen voorkomt, zoo moet hij ook op deze gestaan hebben.quot;
liet tweede fragment van Teglathphalasar is ook «Tg gesehoiulen. maar het «lenle levert moor gegevens; eenige regels van niir«ler belang slaan wij over:
De steden van..... ri, Ellitarbi en Zilaiui, te muiden van de stad
Altiini,.... Bunanii, 1{.) districten
10. van Ilamatli, en de steden, die om hen zijn, «ILe zijn op «Ie kust «Ier Westzee (Mi«l(lell. Zee) in plichtverzuini en ontrouw naar Azariah hebben zich gewend;
11. aan de grenzen van Assvric ik hen voegde, en ik stelde over hen mijne generaals als gouverneurs. 30.300 ....
1-2..... iu liunne steden en de stad van Ku .... ik «leed iieinea, 1^23
personen in liet district Ulluba plaatste ik. De stam Qura....
13 . .. . ik nam «len weg. Ue stam Qura.. .. door de rivier Zau om te nemen de Aklandakkazi en de Gummi ....
11..... Zij eu de Arameërs die waren bezijden den stroom, zij doodden
hunne krijgers, zij namen hunne steden en zij vervoerden liunuou buit. . . .
15..... Zij en de Arameërs kwamen iu groot getal en zij leverden slag
en zij doodden de Arameërs zijne bondgenooteu ....
10.....om zijl. Icvcu te rcdileu, hij vlood alleen eu hij ging op naar de
stad Kiuiva. De stad Saragilu ....
17. eu de steden die om haar zijn zij namen, 12000 personen van hun volk
en de Iduderen, hiume ossen eu lianue schapen, üira ....
IS. naar het land der Hitta, iu uiijue tegenwoordigheid zij vervoerden (l'J, 20, 31. mncmeii van steden en vervoer van volk)
.....naar het land der Hitta in mijne tegenwoordigheid hij vervoerde,
(iUO vrouwen van de stad Aralate der Damuui, 5100 vrouwen van de stad Dur
21.....iu de streek van Uikii ik plaatste .... vrouwen van Quti, Beth-
sangibuti; 1200 mannen van den stam lllil, 6208 mannen van den stam Xakkip eu Buda,
28. vrouwen vau Quti en BethsangibuH, in de stad Tulgarimi ik plaatste, aan het volk van Assvric ik hen voegde eu de uitvoering van den dienst als aan de Assyriërs 21). ik legde hun op. i)e tribuut vau Kustapi van Kumuha, van Rasin
van Svrië, van ilanaliem van Samarië (Mi-ni-hi-im-mi Sa-mi-ri-na ai) 30. vau Hiram van Tvrus, van Sibiltibaal van Gebal, vau Urikki van Kui,
vau Pisiris van Carehamis, vau Euiel â¢'! 1. vau Hamath, vau, en/,.
3.3. van Urimmi van Husanna en vau Zabibi, koniugin vau Arabic, goud, zilver, lood, ijzer, buffelhuiden, buffelhoorns, stoffen enz.
Uit dit opschrift blijkt dat Azarias of Ozias, koning van .luda, gfnoemd in regel 10, en .Manaliem, koning van Israël, regel 20, tjjdgenooten waren van Teglatltphalasar. Daar de Schriftuur die beide koningen tjjdgenooten noemt van Phul, blijkt te meer dat l'hnl en Teglathphalasar een en dezelfde persoon zijn.
Verder blijkt, dat de Assyriër niet het rijk van Juda onder zijne ivei w onnenen of scliatplichrigcn opnoemt, ofschoon alle omringende staten aangehaald worden; dit pleit voor hot verhaalde in de Schriftuur nopens de goed gegronde macht van Ozias.
De onderwerping der Arameërs was niet van langen duur; in 7;5!) moesten de Assyriërs eenen nieuwen veldtocht naar het westen ondernemen.
Volgens ile fragmenten komt .luda hier voor het eerst in de gevechten tegen de Assyriërs voor. Azarias of Ozias, koning van Jerusalem, had een verbond aangegaan met den koning van Hamath tegen Assyrië. Teglathphalasar herwon alle afvallige plaatsen en nam in 7HS Kullani, ('alano of Calno bjj Isaïas X, 0, de poort van Syrië: waarna hij de verbondenen onder Azarias,koning van
328
Juda, versloeg. Uznu, Siannu met vele steden bij de zee, liaali-Zapuna (Baalsephon), Ajnana, vele steden bij den Libanon, Hadrach bij Damascus, gaven zich aan den Assyriër over.
Alsdan verdeelde Teglathphalasar het land onder zijne generaals, en voerde de bewoners van negentien districten uit dit land naar Assyrië. Hiermede begon hij zijn wreed stelsel van verbanning, door 1223 personen uit Haniath weg te voeren. Volgens de opschriften vervoerde hij toen in het geheel 180,900 man, de mannen naar het eene land en de vrouwen naar het andere, waardoor hij liet nationaliteitsgevoel wilde verstikken.
Van nu af komt Manahem niet meer op de inschriften voor. Het rijk Israël kwam hoe langer hoe meer in beroering door innerlijke onlusten en oproeren.
Op Manahem volgde Phaceia, die na twee jaren door zijnen opperbevelhebber Phaceë vermoord en opgevolgd werd. Daar Phaceia even als zijn vader aan de Assyriërs schatting schijnt betaald te hebben, was hot natuurlijk dat Phaceë tegen deze steun zocht in Egypte; ook ging hij een hondgenootschap aan met Rasin van Damascus. Daar Ozias weigerde tot dezen bond toe te treden, rustten Israël en Syrië zich tot eenen gemeenschappehjken tocht tegen Jerusalem uit.
Eer deze kon uitgevoerd worden, was Ozias gestorven, en door zijn zoon Joatham opgevolgd; maar ook deze stierf, voordat de vijand voor zijne residentie verscheen. Op hem volgde zijn zoon Achaz, die hun met goed gevolg het hoofd bood, en ook in Jerusalem zoo goed zijne maatregelen nam, dat zij het tevergeefs belegerden. Alzoo mislukte hun plan, om den âzoon van Tabeelquot; in de 2gt;laats van Achaz op den troon van Juda te zetten. Maar in-tusschen trokken Rasin en Phacee plunderend en moordend door Juda, en drongen door tot Ailath, veroverden deze havenstad en gaven haar aan de Idumeërs terug. De rooflustige Idumëers begonnen nu ook hun oud handwerk, terwijl de Philistijnen in het zuidwesten op Juda aanvielen. Dit geschiedde terwijl Teglathphalasar in zijne oostelijke bezittingen had moeten optrekken; maar in 734 verscheen de Assyrische koning weder in het land âPilista,quot; en versloeg de troepen van Rasin en zjjne bondgenooten, tegen welke Achaz zijne hulp had ingeroepen. Na melding van deze veldslagen gemaakt te hebben, lezen wij verder:
329
6.....Ora ziju leven te reddeu vluchtte hij alleen en
7..... in de groote poort van zijne stad hij intrad. Zijne veldoversten
levend
8. ik nam gevangen en aan kruizen ik hen ophing....
9. Damas, zijne hoofdstad ik belegerde, en als een vogel in zijne kooi ik hem opsloot. Zijne oosschen
10. waarvan de boomen waren zonder tal, ik kapte ze af, en liet niet een enkel.
Hij kon echter deze stad niet terstond machtig worden en üet daarom een deel zijner manschappen als belegeringsleger, terwijl het andere de grenzen van Bit-Hu-um ri, Israël, binnenrukte. Daarvan zegt hij:
27. Het land Bit-Ha-um-ri, het verre .... zijne bewoners de voornaainsten
28. met hun fortuin ik vervoerde naar Assyrië. Phacee, hunne» koning, deed sterven. Ik stelde aan A-u-si-e (Osee)
29. als koning over hen. Ik ontving als tribuut, enz.
Volgens de fragmenten had Teglathphalasar eerst de steden ten zuiden van den Libanon en ten noorden van Samaria ingenomen, dan had hij zich op Israël geworpen, van daar op Gaza in het zuiden der Philistijnen; van hier trok hij naar de grenzen der Arabische woestijn, waar hij in 737 de koningin Zabibieh verslagen had, en nu de koningin Samsieh overwon. Israël moest niet alleen schatting betalen, maar hij voerde ook een gedeelte zijner inwoners weg naar Assyrië. â Schooner bevestiging der Schriftuur kan men niet verlangen.
âIk stelde aan Ausiequot; zou men moeten lezen: âik erkende Osee als koning.quot;
De Assyriër had na eene tweejarige belegering (732â731) Damascus ingenomen, hij doodde Kasin en voerde de inwoners naar Kir. Dan deed hij zich te Damascus door alle onderworpen vorsten huldigen en schatting betalen.
Teglathphalasar trok in 731 naar Babylonie, en onderwierp de kleine Chaldeeuwsche staten, den eenen na den anderen. Hier vinden wij ook den uit de Schriftuur bekenden Merodach-Baladan :
23. Kiuziru, zoon van Amukkan, in Sapi zijne hoofdstad, ik hem belegerde, zijne tallooze strijders tegenover zijue groote poort ik doodde.
20. Marudduk-habal-iddina (Merodach-Baladan), zoon van Yakin, koning der kusten der zee (aan de Perzisehe golf), die van den tijd der koningen, mijne voorgangers niet was verschenen voor hen, en niet had gekust hunne voeten,
:58()
27. ili' vrees ilcr majcstoit van Assur, niijiicu llccr, hem beving ou hij kwam naar Sapiya en liij kustte mijne voelen, gemfl, stof uit zijn laud, in overvloed,
28. gouden sehaleu enz. als schatting ik outving.
In 7.10 voerde Togbitlipluilasai; goencn dorlog, iiij huil allen weerstand gebroken en Assyrië opperniaclitig gemaakt. In 727 barstte een oproer uit en hij moest nog eenen laatsten veldtocht maken. Daar de platen omtrent dit feit uitermate verminkt zijn. kunnen geene bizoiulerheden ervan opgemaakt worden, zoodat wij zelfs niet weten tegen welk kind hjj moest oprukken. Kort daarop stierf hjj; hjj had geregeerd van 745--727.
Dewijl onder zijne regeering een groot aantal Arameërs en Israëlieten naar Assyrië vervoerd waren, begon het Pheniciseh alphabet, hetwelk de liannelingeu bezigden, even als hunne taal veelvuldig gebruikt te worden in handelszaken, zoodat wij van toen af dikwijls l'lienieiselie of Arameesehe inschriften naast de Assyrische vinden.
IIOOFDSTCK VIII.
ONDERGANG VAN HET RIJK ISRAëL.
SALMANASAR IV, SARGON.
Salmanasar kwam op den troon van Assyrië in 727 en regeerde tot 722. Uit zjjne regeering zijn geene monumenten of inschriften voorhanden; alleen op een leenwengewicht heeft men zijneu naam gevonden. Zijne geschiedenis moeten wij alzoo zoeken in andere bronnen, ui.: de Schriftuur en eene aanhaling van Menander bij Jose-phus, Antiip Jud. IX, 2. Hieruit blijkt dat hij eenen krijgstocht ondernam tegen Tv rus, dat waarschjjnlijk Israël tot bondgenoot had. Maar Osee bracht aan Salmanasar schaiting. toen deze aanrukte, en verklaarde zich zijn leenman. Om echter dit juk af te
:i3i
worpen, g'ing' lijj in stilto con boiKl^oiiDotsclinp iiiiii mot ilou cthid])!-sclicu jiliarao Scliahak, die in 725 meester was gewerden van Hgypte.
Hcliabak wordt in de Vulgaat goheeten Sua, bij do Grieken Sabakoos en in het sanskrit Sab-i sil-tan-nu-, Sabi do sultan.
Dit plan lekte uir, en in baast trok Halmanasar tegen Osee op, om hem te verslaan, eer hulp van Schabak opdaagde. Hij nam Osee gevangen, wierp hem in do gevangenis, en nooit heeft men moor iets van ()seo gehoord. Daarmede was orbtor do zaak niet beslecht. De Israëlieten, die nu bij ondervinding wisten, wolk lot bon wachtte, sloten zicb in Samaria op on verdedigden zich wanhopig. Eerst in het dorde jaar dor belegering word do stad genomen.
Smith. Ane. Mist. etc. 91, meent dat de militaire opstand in Assyrië was uitgebroken ten voordeele van oenen hoofdman, Sargon genaamd, wegens den ongewoon tragen voortgang der krijgsverrichtingen iu Palestina; dat Salmanasar dood was voor de inneming van Samaria, welke door Sargon volbracht word.
Kaulon. Ass. u. lïab. 21)9: â(ledurendo de belegering stierf Salmanasar, men weet niet op welke wijze, en in zijne plaats trad een koning, wiens naam vroeger slechts uit eeno enkele plaats der 11. Sehrift (Is. XX. I) bekend was., ul. Sargon.quot;
Vigouroux, La iüble, etc. I\. I â ! 4 : âMen mag veronderstellen dat do hoofdstad van Israël werkelijk gevallen is onder de regoering van Salmanasar... maar dat Sargon, die do belegering leidde, zich de eer van het welslagen toerekende.
Do meeste Assyriologon doelen de mooning van Smith on van Ka,uien.
A an nu af aan treedt oen nieuw tijdperk op in de geschiedenis van hot Oosten, wijl de geschiedenis van Palestina steeds in verband blijft met die van Egypte, gelijk zij het van don tijd van Achab was met die van Asrsvrië.
De oorlog van Schabak met Assyrio opent oenen strijd op leven en dood tusschen Egypte en \ oor-Azië, en daar Palestina door zijne geographische ligging de beide kampioenen scheidde, bad het steeds van hen te lijdon. De Egyptische monnmonton werpen wel eenig licht op do volgende gebeurtenissen, maar de Saus-
332
kritschc monumenten vooral stellen ons die zware gevechten voor tot in hunne bizonderheclen.
Schabak was niet van Egyptische afkomst; hij was een koning van Ethiopië. Maspero, Hist. ane. 38G: âEgypte, dat na den dood van Scheschonk IV in verschillende kleine staten verdeeld was, viel in de macht der Ethiopiërs. Alsdan regeerde Piankhi, de ethiopisehe koning te Napata, die een oproer in Egypte gewelddadig onderdrukte. Piankhi had tot opvolger een zekeren Kaschta, wiens afkomst onbekend is; waarschijnlijk had deze eene dochter van Piankhi gehuwd. Onder dezen bracht Bokenranf, een inlandsche vorst en zoon van ïafnekht, vasalkoning van Piankhi, het door verschillende gevechten zoover, dat hij de Delta en Midden-Egypte veroverde. Toen Kaschta stierf, liet hij den troon aan zijnen zoon Schabak, een krijgshaftig vorst, die terstond Egypte heroverde, Bokenranf gevangen nam en hem levend deed verbranden. Schabak werd het hoofd der vijf en twintigste dynastie, die geheel uit Ethiopiërs bestond. Daar hij een goede en wijze vorst voor zijne onderdanen was, had hij weldra het hart der Egyptenaren gewonnen.quot;
Toen de grootheid en roem van dien vorst verder bekend werd, richtten vele volken, als: Pheniciërs, Joden, Philistjjnen en allen, die bevreesd waren voor de onmenscheljjke Assyriërs, hunne oogen naar Egypte, van hier alleen hulp verwachtende tegen den woesteling.
Daarenboven werd het steeds voortdringen der Assyriërs naaide landengte van Suez gevaarlijk voor Egypte. Daarom moest de Assyriër over den Euphraat teruggeworpen worden, ofwel men moest voor hem eenen dam stellen van kleine koninkrijken.
Osee zond om hulp naar Schabak, daarbij geschenken voegende. Schabak liet dit aanhalen op de muren van Karnac, als hebbende ontvangen âde schatting der Syriërs.quot; Maar Schabak kwam te laat; toen hij Palestina binnenrukte, was Samaria gevallen, en in plaats van Salmanasar vond hij den geduchten Sargon als vijand.
Hoe is het mogelijk geweest, dat die groote, roemvolle Sargon. die held, die stichter van zooveel werken, tot in onze eeuw zoo onbekend is gebleven, dat men niet alleen zijn naam, maar zelfs zijn bestaan niet wist, terwijl wij heden omtrent geen enkelen Assyrischen vorst zoo goed zijn ingelicht, als omtrent Sargon! Isaias had wel gezegd XX, 1: âIn het jaar, waarin de opperveld-
heer tegen Azot optrok, op bevel van Sargon, koning van Assyrië, en waarin liij Azot belegerde en innammaar de wetenschap wist hem geene plaats aan te wijzen. Zijn voorganger was Salma-nasar, zjjn zoon Sennacherib en kleinzoon Asarhaddon. Dit alles is in de laatste helft onzer eeuw klaar geworden uit de ontdekkingen van Khorsabad. â Zoo moet de steeds voortgaande wetenschap ten laatste bewijzen, dat ook de kleinste bizonderheid der Schriftuur boven allen twijfel verheven is.
Voorheen hield men het er voor dat Salmanasar IV en Sargon een en dezelfde persoon was, omdat datgene wat in de Schriftuur aan Salmanasar wordt toegeschreven, volgens de Assyrische monumenten door Sargon verricht is.
liet is waar, dat men weinig over Salmanasar op de monumenten ontdekt heeft, omdat deze zoo erg geschonden zijn. Een enkel brokstuk van kanon VII der lijst van de eponymen heeft: â... zan; krijgstocht naar de stad... (Salma)nasar op den troon.quot; Dit duidt op het jaar der troonsbeklimming van Salmanasar. Hieruit, alsmede uit het leeuwengewicht, dat zijnen naam draagt, weten wij alzoo dat Salmanasar koning van Assyrië is geweest, hetgeen overigens, zooals wij boven zeiden, door Menander (350 v. Chr.) bevestigd wordt; dan behoeven wij nog niet eens te spreken van het onbetwistbaar gezag der Schriftuur. Sargon verschijnt als eponyme in de kanons I en III in het jaar 719, in kanon III staat achter zijnen naam het woord koning. De gevonden gedenkstukken
toonen ons aan, dat Sargon geregeerd heeft 722â707.
Smith, The Ass. Eponym. Canon, 84â88: âHet verdrag K 2686 is gedagteekend: âstad Khalah, maand Sivan, 27ste dag, eponyme Dabzilliesar, gouverneur van Assur, 6de jaar van Sarukin-arqu (Sargon II), koning van Assyrië,quot; d. i. in 716; K 2679: âstad Khalah, maand Veadar, 13de dag, 9de jaar van Sargina-arqu,quot; d. i. in 713; meerdere zulke doorslaande bewijzen voor Sargon bezitten wij. Een ander van Salmanasar in het Britsch Museum te Londen: K 740, 229te dag, eponyme Salmanasar, koning van...quot;
Oppert, Stud. u. Krit. 702: âDe meening, als zoude Samaria niet door Salmanasar, maar door Sargon zijn ingenomen, is geenszins tegen den Bijbel. Het boek der koningen zegt nergens, dat
Salinanasni' Samnria liocft iiigciiomcn. Nadar IN IvnningpnXN Ilf. f) is verliaald dat 8aliiiaiuisar tcgcu Sa;iuiria optrok en hei; belegerde, staat vers 10, dat zij de stad iimanieii; zij, dat is niet de koning van Assyriö, maar de Assyriërs (vayyilkeduah.) in liet vers 11 wordt de koning, die Israel in gevangenschap wegvoert, niet genoemd. Deze is niet Salmanasar, maar Sargon, De/in van XA 11, C is ongeveer dezelfde; daar moet men aan nemen, dat de me-lel- Ansnr koning van Assyriö van v. 5 Salmanasar is, en de ongenoemde van v. (gt; Sargon, en aldus verhoudt de zaak zich ook. Overigens zou liet niet onmogelijk zjjn, dat het woord Sargon in den oorspronke-lijken tekst stond, maar bij afschrijven is weggevallen.quot;
Met deze meening kan zich iedereen gemakkelijk vereenigen, die bierbij liet karakter en de taal der Joden in aanmerking neemt, om, zooals uit den liijbel tot hiertoe bljjkt, alles snelopvolgend te verhalen.
Yigouroux, La Bible, etc. IV, lol' geeft als zijne meening: âSargon schrijft aan zich de inneming van Samaria toe, echter niet als koning, maar als legeroverste van Salmanasar en als volbren-ger zijner bevelen. Uit het verhaal van Menander weten wij, dat Salmanasar gelijktijdig Samaria en Tyrus belegerde; beiden kon hij persoonlijk niet leiden, daarom gaf hij de leiding der belegering van Samaria over aan zijnen legeroverste Sargon... Omdat Sargon op al zijne inschriften zich als overwinnaar van Samaria verklaart, moet men aannemen, dat hij de stad innam in hoedanigheid van krijgsoverste van Salmanasar.quot; Daarna tracht hij dit uit te leggen door ina ris sarruti begin der regeering, en hurrat aarruti verstreken tijd van bet burgerlijk jaar vóór het begin van de regeering, terwijl een ref/eeriuyjaar beduidde. Hij voegt echter terstond hierbij: âSargon mocht in zijne Annalen niet aanhalen de bedrijven, die hij had uitgevoerd, voordat hij koning was.quot; Dus blijft de uitlegging twijfelachtig.
De afkomst van Sargon is duister, hij kwam niet door erfopvolging, maar door geweld op den troon. Waarschijnlijk was hij een spruit eener vroegere dynastie; dit ten minste haalt hij zelf aan; ook beroemt hij zich op 350 koningen, zijne voorvaderen. Hij nam den naam van zijnen grooten voorvader Sargon aan, die beduidt
âroohtmatigc koning.'' Hij verhaalt ile innamo van Samavin in zijne .faarboeken:
23. Ik heb belegerd de stad Sii-mi-ri-ua (Samaria), en ik heb haar ingenomen.
24. Ik heb verbannen 27,280 zijner inwoners, ik heb haar ontnomen 50 strijdwagens, ik heb geleverd (aan de mijnen) liet overige van zijne rijkdommen; ik heb gesteld over haar mijne laitenants, het tribuut van den vorigen koning
25. ik haar heb opgelegd.
Behalve deze aanhaling bij Opport, Pastes do Sargon, Ree. of the past. IX, .quot;); en bij Smith, The Ass. Rpon. Can. 120, geeft Schradcr, Uio Keiliusdir. etc. 100, de volgende:
1. In het begin mijner (regeering.... ik belegerde en nam Samaria).
2. Ik voerde weg in ballingschap .... ik behield mij vijftig wagens voor
mijn koninklijk deel;
3. In de plaats van heu, deed ik komen de bewoners der landen, die ik
had veroverd;
4. Ik legde hun een schatting op gelijk aan de Assyriërs.
De inneming van Samaria had plaats in 722. Do Selmftuur noemt ons de namen der plaatsen, waarheen de 272S0 Israëlieten verbannen werden, nl. Ilala, Habor, Gozan en de steden van Medio.
Ilala, Ilebr. Halah, sansk. Ha-la-hu. Ptoiemeus heet haar Cal-chitis; heden genaamd (Ha, bij don bovenstroom van den Khabur, boven zijn vereenigingspunt met de Djeradjer, oudtijds ilygdonius, dicht bij zijn onstaan te Ilas-al-aïn.
Habor, assyr. Ila-bur, lieden Khabur; deze groote stroom ontspringt uit verschillende bronnen in do bergketen oudtijds Masius, lieden Kharadja Dagh genoemd, en loopt uit in den Euphraat. Ijangs zijne oevers vindt men vele ruinen der oude bloeiende steden uit den tijd der Assyrische overheersching. De plaats waar de Khabur in den Euphaat stroomt, heet Kerkesiah, oudtijds Circesium.
Grozan, gewest in Mesopotamie bij Haran. IV Kon. XIX, 12. Ptoiemeus noemt het (iausanites, en Strabo Mygdonia, liesproeid door de Djeradjer. Salmanassar II zegt daarvan: âIk heb gekregen ile schattingen van Asu, koning van het land Gruzani.quot;
Deze plaatsen lagen allen in Mesopotamie, en hunne namen zijn op de sanskritsche monumenten teruggevonden.
Do verbannen Israëlieten waren vrij in hunne bewegingen, zij
;i3t)
konden zich op hunne zaken en handel toeleggen, maar waren niet altijd van plagerijen en vervolgingen verschoond.
Een inschrift van Khorsabad zegt ons, dat Sargon in 715 bewoners van Arabic naar Samaria zond; Sinidt, The Ass. etc. 128; Schrader, Die Keilinschr. etc. 277:
3. De Tainudu, de Ibadidi,
4. de Marsimaui eu de Hayapa, verre stammeu uit Arabië, woueude in het land Bari, dat de geleerden en de loopers (reizigers) niet kenden, en
5. die aan geeuen onzer koningen luidden betaald huune schattingen; onder de bescherming van Assur, mijnen heer, ik ze vernietigde, en hunne overblijveuden, ik hen verbande en
fl. iu de stad van Samaria, ik hen plaatste. Van den Pharao, koniugvan Egypte, van Samsieh, koningin van Arabië en vau Itamar de Sabeër.
7. koningen, die woonden aan de oevers van de zee eu iu liet land van .... goud .... edelgesteente, ivoor .... hout, reukwerken, alles .... paarden, kameelcn, hun schattiug, ik ontving.
In IV Kon. X\rll, 24 vinden wij vollediger inlichting:
De kouing van Assyrië voerde lieden aan uit Babylon, uit Cutha, uit Avah, uit Hamath, uit Sepharvaïm, eu hij plaatste hen iu de stad Samarie, iu de plaats der kinderen Israëls.
Babylon. Mardukbaliddin (Merodach-Baladan) koning van Baby-Ion, had zich reeds in het begin der regeering van Sargon tegen dezen opgeworpen. Daarover lezen wij in de Jaarboeken van Sargon, Schrader, Die Keilinsch. etc. 276:
S. Mardukbaliddin, die bij den wil der goden----het koningschap te
Babyion, ik hem overwon;
9. (ontbreken de cijfers behalve de laatste), .... 7 inwoners met hunne
bezittingen ik vervoerde en 10. ik hen omplantte in het land Hatti (Syrië en Palestina).
Cutiia, assyr. Kuthi. stad van Babylonie, welker naam steeds bij de andere steden van Chaldea op de monumenten genoemd wordt; zoo op de obeliske van Salmanassar: âIk bracht daar rijke offers te Babyion, te Borsippa en te Cutha.quot; Hormuzd Rassam heeft de ligging van Bijbelsch Cutha in 1881 ontdekt te Tell-Ibrahim, ongeveer tien mijlen ten noordoosten van Babylon. Van dat volk zegt Josephus, Ant. Jud. IX, 3: âDie, welke de Hebreërs in hunne taal Cutheërs noemen, zjjn die welke men in het Griekach Samaritanen heet.quot;
Skpii.vrvaim, 'I'' iliibbelo vorm van het Assyr. Sipav, .Si|l]ln^â Diibclst'ho stad up deu linkei1 oever van den Eupliraat. l)e Assyri selie inschriften onde.'sclieideii it' Sippai'a .srt Stiiiias, Sippara d( stad der zon, en /V Si/i/uiru xa Ann nit ^ Sippara de stad v;iii Aiiimit van daar het verdubbelde Sepharvaïm, liet dubbele Sippara. Hor niuzd Kassam hoeft dit teruggevonden te 'rell-Abu-irabba, ten zuidwesten van Bagdad, een weinig ten oosten van liet huidig bed van den Eupliraat, waar hare ruïnen eene oppervlakke van twee mijlen omtrek beslaan. Daar aanbad men de zon, en te Deyr, het andere gedeelte van Sippara vereerde men Annnit.
Avau is nog niet teruggevonden.
Hamatk, Assyr. A-ma-tu en A-ma-ti, stad van Svriö, reeds genoemd hiervoren in de hoofdst. A en \ II met zijnen koning Irkulina, in bondgenootschap met Benhadad van Damascus. Ilaniath lag in het Orontesdal, halverwege tnsschen den oorsprong dezer rivier te Baalbek en hare kromming naar het westen te Isr-hadid. Onder Sargon werd deze koningstad vernield, ten minste haar naam komt op de monumenten van nu af niet meer voor als ^roote stad.
Sargon zegt ook nog, znoals wij straks zagen, dat hij Arabieren in Samaria geplaatst bad. Dit komt overeen met II Esdrasll, 10 waar Gosem een Arabier genoemd wordt.
Deze zijn de landen en steden, waaruit nieuwe volkplantingen naar Israël werden geplaatst; wij hebben ook gezien waarheen de Israclieten verbannen werden. Hierbij moeten wij nou' eea enkel woord voegen over Medië, wat ook vooral voor de uirlej^im;' van ïobias kan dienen.
IV Kon. X\ 11, (i en X\ III. 11 zegt dat doden naar Medic verbannen werden. Het boek Tobias zegt, dat zij daar in groot aantal waren en eene tamelijke vrijheid genoten in handel en wandel In .Medic te Bcbatana was ook Raguel en te Jtha^ae perz. llaga, Med. Rakkau wasGabael. \ ('air Teglatphalasar hadden de Medicrs de lauden ten westen van Uhagas in bezit, hetgeen voor de Assyriërs niet geruststellend scheen. Denormant, Lettres Assyr. I. 51; âTcglathphalasar trok in het tweede jaar zijner regeering naar Medic en bracht aan dit land zulke zware nederlagen toe, dat het onder hein stil bleef. Sargon echter moest meermalen krijg in Medië voeren. Zijn eerste veldroeht naar Medië had plaats in 710, het zesde jaar zijner regeering. i I jj vervoerde de
:U3gt;s
voornaamste inwoners der kleine rijken Kazalla en Allabria naar Jla-math in Syrië. Een deel der Haniatheürs was naar Saniarië gevoerd.quot;
Lenormant, ibid I, 53: De op de monumenten van Kliorsabad genoemde IJahyauka was Dejoces, ten tijde van Sargon nog slechts een kleine koning, die zijne grenzen van 712 tot 7(KS uitbreidde, terwijl de Assyrische koning in oorlog was met Babyion, Azot en liet eiland Cyprus; gedurende de onlusten, die bij den dood van Sargon ontstonden, bad Dejoces bet juk van Xinive geheel afgeschud. Sennacherib behaalde weer eenige voordeelen op de aan zijn rijk grenzende landen van Medie, maar Dejoces kreeg de overhand, en volbracht de eenheid van hot Medisch rijk van 701 tot G88, toen Phraortes. zijn zoon, hem opvolgde en twee en twintig jaren regeerde.
Onder Sargon was alzoo door de betrekking tusschen Assyrië en Medië, de reis van Tobias veilig, toen hij zijn verbannen broeders in .Medië ging bezoeken; maar zij was dit niet meer onder Sennacherib, toen hij zijn zoon zond om het geleende gold bij (jabelus (Gabael) terug te halen.
IV. Kon. XIX, 21 lozen wij, dat van de naar Samaria verplante volken, elk voor zijnen god eenen bizonderen dienst inrichtte.
Die van Babyion eerden Succoth-benoth. Dit beteekent âtenten der dochters.quot;' Wij willen omtrent deze zedeloosheid slechts aanhalen, dat bij dezen dienst Zarpanit, de godin der voortbrenging, op ontuchtige wijze geëerd werd; het was eene ergerlijke Venusvereering.
Die van Cutha eerden Nergal. Xergal was de godleeuw, zooals hij aan den ingang der Assyrische paleizen stond en Hu genoemd werd, waarvan fin Aria. Oppert. Eyped. en Mesop. 1, 219 heeft te (Jutha eenen tempel van Xergal ontdekt.
Die van llamath eerden Asimah; de Aviërs of Ileveërs eerden Xibhaz en ïhartaq. De namen dezer goden zijn in de sanskrit teksten niet teruggevonden, wijl llamath eene Syrische en niet eene Assyrische stad was. Avah is tot nog toe onbekend. â A olgens de Sabeërs, die beweren, de Babelsche overleveringen bewaard te hebben, was Xibhaz een god der onderwereld, die zich aan de afschuwelijkste buitensporigheden overgaf.
Die van Sepharvaïm brandden hunne zonen in het vuur aan Adrammelek en Anammelek. Volgens Lenormant, beteekende Adur oorspronkelijk vuur, daarvan de âgod die verlicht als de zon,quot;
daarna de god Saturnus, wiens eeredionst in Babylonio on Assyrië zoer verspreid was. Anu, (Jannes, iialf menscli, half viseh, de god der onderwereld, dio de eeuwige wetten bestuurt. â Rawlinson meent, dat Adranimelek het mannelijk vermogen, en Anammelek het vrouwelijk vermogen der zon is, waaruit men kan verklaren het barbaarsch gebruik te Sippara, do zonnestad, van aan dien god kinderen levend te offeren in liet vuur. ()p een inschrift leest men; âSargon, de koning, koning van Agade, aan den god Samas (de zon) te Hippara, lieb ik iiem geofferd.quot; Deze Sargon, koning van Akkad, leefde o40() jaren v. C'iir. Een ander luidt: âAan Samas, koning van hemel en aarde, de god Tugulti-Mer, koning van liana, zoon van Ilu-saba, voor zijn land en (persoonlijke) bescherming, heeft hem geofferd.quot; Jiana lag bij Carchamis; dit inschrilt dagteekent van ongeveer tS5ü vóór Ciiristus.
Merodaeh-Baladan, vasalkoning van Babylon, iiad reeds bij den aanvang der regeering van Sargon, zicli tegen dezen opgeworpen; met hem had zich de koning van Klam verbonden. In 721 trok Sargon tegen Elain op, wierp den voortdringenden koning terug en dwong ook Merodach-Baladan van verdere ondernemintren af te zien, zonder echter vooreerst zijne heerschappij over Babylonie te kunnen hernemen, omdat zekere llubiiiid in Syrië van uit Hamath een oproer verwekt liad. Sargon versloeg hem te Karkar in 71!), verwoestte de stad en liet Ilubiliid levend het vel afstroopen.
Thans verscheen ook Schabak van Egypte, verbonden met Hanno, koning van Gaza, op het tooneel, en vocht tegen Sargon bij Raphia; de Assyriër behield de overwinning. Smith, The Ass. Epon. Can. 125:
54 .... lu uaaiu vun Assur, mijueu heer, huime nederlaag ik volbracht en
55. Sibalil (Schabak) de hoofdman, die had weinig moed, vlood en r^dde zich.
55. Hanno met eigen hand ik greep, en ik zond zijne familie naar mijne stad Assur.
57. Ik verwoestte Itaphia, ik verdelgde haar, ik verbrandde haar, 20,033 gevangenen en hnnne talrijke sehatten ik voerde weg als buit.
Smith, 184:
IS. Ik overwon Egypte iu de stad Raphia, en ik voerde naar Assyria Hauun, koning van Gaza, die ik daar gemaakt had gevangen.
20. Ik viel aan de stammen der Tarnudi, Ibadidi, Marsimani, llayapa, waarvan eenige deeleu waren voortgetrokken tot in Bit-Hmuri (Israël).
:i4o
Rapliia is eene grensstad on haven van JJalestina, ten zuiden van Gaza, op do grens van Azii; en Airlka.
Sargon kon zijnen tocht naar Egypte niet vervolgen, omdat de Armenische koning ürsa een groot bondgenootschap tegen hem op touw had gezet. Uier duurde de krijg van 718 tot 710. In zijne Jaarboeken staat in 714 een krijgstocht opgeteekend tegen Medic, waarvan de inwoners in 71:5 naar Palestina, werden verbannen. In het elfde jaar zijner regeering (710)had de belegering van Azot plaats. Daarvan leest men. Smith, ibid. !-â¢'
1. lu mijn negende jaar. naar liet lantl dat aan de knst ib
2. dor groot,e zee, in Pliilistie en
3. naar Asdod CA zot), ik ging
4. Azuri, koning van Asdod, om niet te hrengen het tribmir,
5. had versteend zijn hart. en aan de koningen rondom hem,
0. vijanden van Assvrië, liij zond en stiehtte kwaad.
7. Op het volk, dat om hem was, ik verbrak zijne heerschappij,
S. en ik vervoerde ....
Sedert dien tijd....
10. Ahimite, zoon van ....
11. zijn broeder, voor zijn aanschijn, op zijn koninkrijk
12. ik verhief en stelde tot koning.
13. Cijns en schatting aan Assvrië,
14. gelijk aan de koningen zijne naburen
15. ik hem oplegde. Maar zijne onderdanen
IC. slechte, om niet te brengen de cijnseu en schattingen
17. versteenden hun hart en ... .
I'S. zij stonden op tegen hunnen koning,
10. en wegens het goed dat hij had gedaan
20. zij verjoegen hem cn ....
21. Yavan, die niet was erfgenaam van den troon
22. in het rijk over hen zij plaatsten. Op den troon
23. van hunnen meester, zij hem deden zitten
24. en zij bereidden hunne steden
25. om te maken oorlog....
20. het domein ....
27. tegen de inneming zij zich versterkten
28. san .... zij stelden zich op ....
20. en rond erom groeven zij cenc gracht,
30. twintig ellen diep zij haar maakten
31. cn zij brachten het water der bronnen voor de stad.
32. Het volk van Philistie, van Jnda, van Mom,
33. cn van Moab, wonende langs de zee, brengende schatting, 31. cn geschenken voor Assnr, mijnen heer,
:gt;41
â¢'ió. sprukcii viiu MnTaad, lid volk cu /.ijuc slcclitc uverslen,
:i(). om mij te bcvuclitcu, iiau dcu J'liurao,
â¢'!7. kouiun' van Egy|)te, vorst, die niet kou liou lielpou
3S. bnioliteu gescheukcu cu zij vcrzochtcii zijn
â¢Hi), hulp. Ik, Sargon, de csdelc vorst,
â¢10. gedeukoudo den eed van As^ur cu van Alcrodach, bewakeade
*11. de eer vau Assnr; dc strooiucu van dcu Tiger en dcu Eupliraat
42. op liet oogouhlik vau hun hoogsteu was, aau dc krijgers mijner wacht
â¢13. geheel ik deed oversteken. En hij, Vavau
I I. hun koning, die op zijn eigcu macht
15. betrouwde en zitli niet onderwierp aau onze macht,
4'i. van mijn krijgstcciit, naar het land der llatti hoorde spreken, en
17. de majesteit van Assur, inijncn heer, overlaadde hein en
IS. op tie grenzen van Egypte, aan de oevers van den stroom,
â¢ly. aan den eindpaal van Mcroc .... beneden de wateren
5U.....hij uam deel
öl.....een weinig verwijderd
52.....hij vluchtte
53. en zijn plaats van toevlucht was niet gezien. De steden van Asdod 51. van Gimzo der Asdodeërs
55. ik belegerde en ik innam. Zijne goden, zijne vrouw, zijne zonen en zijne dochters,
50. zijne meubels, zijne goederen en de schatten vau zijn paleis met het
volk des lands,
57. als buit ik telde, cu zijne steden een tweede maal 5S. ik bouwde, liet volk dat was overwonnen door onze handen 5',). uit het midden der streken van dc opgaande zou, te midden van heu ik plaatste, eu ik hen verplaatste naar het uiiddcu van hel volk van Assyric en zij deden mijnen wil.
Zuoals Isaias XX. 1 ons zegt, was liet niet Sargon in persoon, maar zijn tartan, krijgsoverste, die Azot belegerde en innam, terwijl de koning intusselien een krjjgstoclit ondernam naar (iaingum in datzelfde jaar 710.
Deze onheilen over de Pliilistjjuen had Isaias voorspeld in 727, vier jaren vóór het begin der belegering van Samaria, zes jaren voor Sargon. acht jaren voor de nederlaag van ilanno, koning van Uaza, zeventien jarea voor de inneming van Azot.
In 70!) trok Sargon op tegen zijnen dapperen vijand .Mnrdnk-baliddin, Morodach-Baladan, dien hij eindelijk, na met afwisselend geluk gestreden te hebben, in 70S overwon. Van toen af noemde Sargon zich ook koning van ilabylon. Vier jaren later viel hij onder het wapen van eenen sluipmoordenaar.
VIERDE AFDEELING. Van den val van Israels rijk
tot aan de
Babylonische ballingschap.
HOOFDSTUK I.
EZECHIAS EN SENNACHERIB.
Tot hieraan was .) udii van de invallen der Assyriërs bevrijd go-bleven. liet was getuige geweest, van den ondergang der tien stammen, van de nederlaag van Egypte en van den koning van (faza te Kaphia, van de inneming van Azotli en de verwoesting der I'hilistjjnselie steden door den tartan van Assyrië. Thans lag Juda van alle zijden ingesloten door de maeht van den Xiniviet, terwijl zijne eeuwige vijanden, de Moabiten en de Aininoniten gereed waren om zich bij den eersten den besten vijand aan te sluiten en zich op Juda te werpen.
Achaz de vroegere koning van Jerusalem had den Assyriër schatting betaald; maar Ezecbias wierp «lit juk af, waarschijnlijk in 705 bij den dood van Sargon. Dit werd reeds aangezien als een daad van oproer, maar de trotsche Sennacherib, zoon en opvolger van Sargon. voelde zich nog meer gekwetst, toen Ezecbias de gezanten van Mcrodach-15a 1 adan, koning van Babyion, hoffelijk ontving.
IV Kon. \X. 1 i; Is. XXXJ.X. I; //To dien tijde zoutl ilorodacli-Baladan, zoon van Ualadau, kouiiiar van Babylon, hrieven cu gescliciikcn aan Ezecliias, want hij had vernomen, dat, Eze.eliiass krank was geweest, en weer genezen.quot;
Dewijl deze Mcroduch Haladan (II) op de monumenten ,,zoon
van Vaki» genoemd wordt, hebben eenigen gemeend fnsselien die beiden verschil te moeten maken. Op den l'avlors cylinder lezen wij:
Mei'odacli-Balailau (Mardukbaluldiu) zoon van Vakiu, koning der zee (d. i. Ncder-Chaldea nabij do Ãerzisobe golf) die van den tijd van onze koninklijke vooronders geen eijns meer betaald had 27. en niet had gekust hunne vo,:teu, werd bevangen door de machtige vrees van Assur, mijnen heer; hij verscheen voor mij iu de stadSapiya en kustte mijne voeten.
Civilta catr. 1!» Febr. 1881: âOvereenstemming to brengen tus-seben den Mijbel, die Merodacli-Haladan âzoon van Baladanquot;' noemt, en de Assyriscbe opschriften, die hem âzoon van Va-ki-ni''heeten, is liet .liet noodig tnsscbon beiden te onderscheiden, zooals Sehrader doet, noch ook om het bijbelseli verbaal eene dwaling aan te wrijven, zooals Lenormant en Menant, onzes inziens, te lichtzinnig doen. De enkele en eenige Merodacli-I5aladan, dien de documenten aanhalen, kon zeer goed de zoon van Baladan zjjn, gelijk de Bijbel op verschillende plaatsen hem heet, en tevens de zoon van Yakin genoemd worden, zooals hem de sanskrit teksten van Teglatpha-lasar lt;mi van Sargon heeten; wel niet in den eugen zin van âzoon,quot;' maar in de algemeene beteekenis van opvolger en erfgenaam van den staat, dien Va kin in vorige tijden in N i der-Cbaldea gesticht had, waarvan de naam Bet-Yakin.quot;
De Assyricrs gebruikten veelal het woord hubul, zoon, om daarmede den bezitter van den troon te beduiden, dus een opvolger van den stichter van het rijk; dit hebben wij gezien in de vorige Afd. boofdst. V, waar Vahua habal Mumri te lezen staat, Jehu zoon van Ainri, ofschoon Jehu slechts opvolger was, daar hij de familie van Aniri liad uitgerooid.
Sennacherib of Sanherib (Sin-achi-irib), 705â(gt;81, zou zijnen eersten veldtocht openen tegen Merodach-Baladan ; lt;le laatste had een verbond aangegaan met don koning van Flam; buitendien had hjj in 704 naar Fzecbias gezonden, oogensehijnlijk om hem geluk te wenschon over zj'jne genezing, maar metde geheime bedoeling om hem tot een verbond over te halen. Daar Sennacherib echter reeds in het laatst van 70.! in het land Babylon gevallen was, kon geen tijdige hulp van Jerusalem moer komen. Sennacherib overwon de
:;44
hoofdstad Babylon met honderd aiuloro steden en stelde eenen zekere i Belibns (Belibni) als vasnlkonin^ op den troon. Daarmede was echter her gevaar nog* niet geweken: want Merodaeh-Haladan lud een verbond gemaakt met Egypte, waar de moedige Tirluika ( riiaraka) de kroon van Egypte; en Ethiopië op zijn lioofd vereenigd had. \ ereenigd met de Synsrh-Palestijnsehe vorsten, onder welke ook Ezechias was. rustte Tii-luika zich uit tegen den overmoe:ligen Assyrir-r. en zoo werd Sennacherib genoodzaakt in 701 naar het westen te trekken. Kaulen, Ass, u. Bab. '21
I aylors (â¢ylinder verhaalt dien tocht in kolom II, regel â N') en kol. Ill, 1 41. als volgt:
Mijiicn dcnlcii vcldtoclit oiulcriinin ik t.cü'cn liet iaud Hatti (bvric). Dc koiiiug liiili ( hliil:iiis) van Sidou. dien de vrees mijner niajesteit. bevan^eu liad. vluelitto eeue verre plants te midden der zee (Cvpms). Ik maakte
zijn land seliatpliehtig. (Jrool-Sidon, !\lein-Sidon, IVit.zitti (d(; olijvenstad), Sariptav (Sarepta), MahalHl)a, I sa, Ak/il) (Kkdippai Akko, zijne versterkte steden en inirehten, de open en ommnnrde plaatsen, zijne trocpenplaatsen lagen ootmocdii»'.voor mijne voeten: de stralende wapenen van Assur, mijnen lieer, hadden hen nedergeworpen. Ik zette Tubal (Ethohal) als heerseher over hem op den troon, en legde hem een jaarlijks op te brengen tribui.t. op, mijner majesteit onverweigerlijk. Daarop braehten Manahem, kouiug van Samarii', Lthobal, koning van Sidou, Abdilit van Arvad, Urnmelek ( Uriu lilki) van Uvblos, Mitinli van Azdod (Azot), Pnduel van Ammoii, Kamosnadab van AEoab, .Malikram van Edom, al de koningen van Aharri (het westelijk kustland), hunne rijke gesehenken en kostbaarheden in mijne tegenwoordigheid en kustten mijne voeten. .Maar Zidika i.Iedek), koning van Asealon had zieh niet geblikt onder mijn juk; de goden van zijns vaders huis, hem zeiven, zijne vrouw, zijne zonen, zijne doehters, zijne broeders, dc familie van het huis zijns vaders nam ik weg en bracht ze naar Assyiië. S'arhidari, zoon van Rukibti, liun vorige koning, stelde ik over het volk van Asealon, en een tribuut als afhankelijkheid van mijne majesteit, legde ik liem op, en hij beloofde gehoorzaamheid. Vervolgende mijnen veldtocht, trok ik op tegen iiet-Dagon, Joppe, Benebarak, Jlazor, de steden van Zidka, die mij gehoorzaamheid geweigerd hadden, ik nam ze in en voerde de bewoners gevangen weg. De opperste priesters, de edellieden en het volk van Akkaron (Amgirnnna, volgens Oppert: Migron) dat hunnen koning Padi, i)ondgenoot en vasal van Assvriê, in ijzeren ketens had gelegd en aan Ifa-za-ji-////⢠ha ] a-hu-fla-ai (Ezechias van Juda) uitgeleverd had, die hem had opgesloten, deze mensehen waren vol vrees. De koningen van Egvpte met de boogsehutters, strijdwagens en de rossen der koningen van Milnhhi lt; Kthiopie), eeue onoverzienbare strijd-maeht, riepen zij erbij, en deze kwamen hun te hulp. Imie vinkte v; n Altaku (hltekc, in den stam Dan, stelden zij tegen mij de slaglinie op en voerden hunne troepen ten strijde. In vertrouwen op Assur, mijnen lieer, vocht ik
:U5
met lieu en bracht linn eeiic ncderlaMS toe. Deu bevelhebber der strijdwagens on de zonen van de koningen van Egypte, alsook den wagenvorst van de koningen van Milulihi. namen mijne handen levend gevangen, midden in den .strijd. De steden Altakn en Timnat tastte ik aan, veroverde hen en voerde den buit, wég.
Kolom lil: ik trok op tegen de stad Amgarnnna; de opperpriesters en edellieden, die oproer gestookt hadden, deed ik dooden en hiume lijken op de muren der stad op palen steken. De mannen der stad, die druk en geweld hadden gebruikt, liet ik met hunne vrouwen wegvoeren; de overigen, die zich aau geen misdrijf hadden schuldig gemaakt, deze gaf ik last te sparen. Hunnen koning, Padi, in Ui-sa-li-im-mu i Jerusalem) deed ik uitkomen en op zijnen troon zette ik hem, e i legde hem een tribuut op aan jnijne majesteit. En Ezechias van Juda, die zich niet aan mij onderworpen had, zes en veertig zijner versterkte plaatsen, burchten en kleine vlekken van zijn rijk zonder tal, viel ik aan met pat-bu-us (onbekende krijgsmachinen): en ik nam 200,150 mannen en vrouwen, groot en klein, paardquot;u, muildieren, ezels, kameelcn, runderen en schapen zonder tal en ik voerde ze weg als buit. Hem zelveu, als een vogel in zijne kooi, in .ierusalem zijne hoofdstad, sloot ik op en richtte belegeringstorens tegen hem. Den uitgang der groote stadspoort versperde ik. Ku ik scheidde van zijn rijk af de steden, welker bewoners ik gevangen had gemaakt en gaf ze aan Mitinti, koning van Azdod, l'adi. koning van Amgarunim, en aan Ismibil, koning van Gaza, zoo verkleinde ik zijn rijk. I k voegde bij hun vroeger tribuut een verder tribuut aan mijne heerschappij, een deel van hunne i nieuwe) inkomsten. En zelfs Ezechias werd aangegrepen door eene machtige vrees mijner heerschappij, zoo ook do L rbi (Arabieren i en zijne krijgers en de lieden, die hij ter verdediging van .Ierusalem, zijne hoofdstad genomen had. Zij verstonden zich tot tribuut, en Ezechias zond dertig talenten goud, acht honderd talenten zilver, geweven stoften, metalen, robijnen, Day. Dak. Si, groote edelgesteenten za-sun-nn .... ivoor .... butfelhuiden, bullelhoorns, sandelhout, ebbenhout (?) groote schatten, zijne dochters, de vrouwen van zijn paleis, slaven en slavinnen, naar Xinive, den zetel mijner heerschappij. Voor het overhandigen van het tribuut der onderwerping stuurde hij zijn afgezanten.
Volgens Herodotus II. 141 en Josephus, Anr. Jud. X. -t was deze overwinning op de Kgyptenaren aan Sennacherib duui'komen te staan, /.ij had eigenlijk meer weg van eene nederlaag; want liij bedoelde naar Egypte te trekken, en na tien veldslag trok liij terug. Wanneer wij nu den Hijbei openslaan en de ware daadzaken vergelijken, dan zien wij dat Sennacherib even bedreven was in het bedekken zijner nederlagen, als dat heden geschiedt. Kat ziju tocht naar Egypte geheel mislukte door hef gevecht bij Altaku, verzwijgt hij doodstil; hij zegt wel. dat hij aldaar een paar gevangenen gemaakt heet'r, maar van dien ophef' over den
:!44
hoofdstad Babylon mof hondord andoro steden on stoldo ocnon zokoroi Belibns (Holibni) als vasal kon ini»* op den troon. Daarmede \vlt;ts echter lier gevaar nog- niet geweken : want Arerodach-Baladan luid een verbond gemaakt met Egypte, waar de moedige Tirhaka (I haraka) de kroon van Hgypte en I*]thioj)i(M)p zjjn hoofd vereenigd bad. \ ereenigd met de Syriscli-Palesrijnselie vorsten, onder welke ook Lzechias was. rnsrte Tirlmka. zich nir tegen den overmoe ligen -Vssyri» r, en zoo werd Sennacherib genoodzaakt in 701 naar het westen te trekken. Kanlen, Ass. n. liab. 21)5.
1 aylors ( vlinder verhaalr dien tochr in kolom II, regel o4 â (S3 en kol. lil, 1 41. als volgt:
Mijnen dmlcii wldioclil, oiulcniam ik togen liet l;iiul llnt.ti (I5'\ri(:). De koning* Lull ( Klulaüs) van Siclon. dien de vrees mijner majesteit bevangen liad, vluclitto naar eene verre plaats te midden der zee (Cvprns). Ik maakte zijn land seliatplielitig. (Jrool-Sidon, Klein-Sidpn, lützitfi ule olijvenstad), Sariptav (Sareptai, Malialliba, I sa, Akzih (Kkdippal Akko, zijne versterkte steden en Imrehten, de open en ommniirde plaatsen, zijne trocpenplaatsen lagen ootmoedig .voor mijne voeten: de stralende wapenen van Assnr, mijnen lieer, hadden hen ned erge worpen. Ik zette T nhal (J'itliobal) als lieerseher over hem oj) den troon, en legde hem een jaarlijks op te brengen tribui.t op, mijner majesteit onverweigerlijk. Daarop braeliten Manahem, koning van Samariê, Kthobal, koning van Sidon, Abdilit van Arvad, Urunn-lek ( Ãimu lilki) van JWblos, Alitinti van Azdod (Azot), Pndnel van Ammou. Kamosnadab van Moab, .Malikram van Edom, al de koningen van Aliarri (liet westelijk kustland), hunne rijke geschenken en kostbaarheden in mijne tegenwoordigheid en kustten mijne voeten. AFaar Zidika t.ledek), koning van Asealon had zich niet gebukt onder mijn juk: de goden van zijns vaders huis, hem zeiven, zijne vrouw, zijne zonen, zijne dochters, zijne broeders, ih; familie van het huis zijns vaders nam ik weg en bracht ze naar Assviië. Sarludari, zoon van Kukibti, hun vorige koning, stelde ik over het volk van. Asealon, en een tribuut als afhankelijkheid van mijne majesteit, legde ik hem op, en hij beloofde gehoorzaamheid V ervolgende mijnen veldtocht, trok ik op tegen iiet-I)agon, Joppe, Benebarak, ilazor, de steden van Zidka, die mij gehoorzaamheid geweigerd hadden, ik nam ze in en voerde de bewoners gevangen weg. De opperste priesters, de edellieden en het volk van Akkaron (Amgarnnna, volgens Oppert : Migron) dat hunnen koning Padi, bondgenoot en vasal van Assvric, in ijzeren ketens ha l gelegd en aan Ifa-zd-ji-j/a-hn Ya-hii-da-ui (Ezeehias van .Inda) uitgeleverd had, die hem had opgesloten, deze mensehen waren vol vrees. De koningen van Kgvpte met de boogschutters, strijdwagens en tic rossen der koningen van Miluhhi ( Kthiopie), eene onoverzienbare strijdmacht. riepen zij erbij, en deze kwamen hun te hulp. I n de vlakte van Altakn (Klteke, in den stam Dan) stelden zij tegen mij de slaglinie op en voerden hunue troepen ten strijde. In \ertrouwen op Assur, mijnen heer, vocht ik
M-T)
met lieu en bracht- him ce-ie uederlaaf; toe. Ueu bevelhebber der sfi'ijdwagcns en de zoueu van de koutugeu van Egypte, alsook deu wageuvorst van de koningen van Miluhlu, nanicii uiijiie liimden levend gevangen, midden in den strijd. De steden Altakn en ïimnat tastte ik aan, veroverde lien en voerde den buit weg.
Kolom ill; Ik trok op tegen de stad Amgarnnna; de opperpriesters en edellieden, ilie oproer gestookt hadden, deed ik dooden en hunne lijkeu op de muren der stad op palen steken. De mannen der stad, die druk eu geweld luidden gebruikt, liet ik met hunne vrouwen wegvoeren; de overigeu, die zieh aan geen misdrijf hadden schuldig gemaakt, deze gaf ik last te sparen. Hunnen koning, Padi, in Ui-sa-li-im-mu (.Jerusalem) deed ik uitkomen en op zijnen troon zette ik hem, ei legde hem een tribuut op aan juijne majesteit. Kn Ezeehias van Jmhi, die zich niet aan mij onderworpen had, zes eu veertig zijner versterkte plaatsen, burchten en kleine vlekken van zijn rijk zonder tal, viel ik aan met pat-lm-us (onbekende, krijgsmaehineu); en ik uam 200,150 mannen eu vrouwen, groot en klein, paard-n, muildieren, ezels, kameehai, runderen en schapen zonder t:il en ik voerde ze weg ais buit. Hem zeiven, als een vogel in zijne kooi, in Jerusalem zijne hoofdstad, sloot ik op en richtte belegeringstorens tegen hem. Den uitgang der groote stadspoort versperde ik. Ku ik scheidde van zijn rijk af de steden, welker bewoners ik gevangen had gemaakt en gaf ze aan Mitinti, koning van Azdod, i'adi. koning vau Amgarnnna, en aan Ismibil, koning van (iaza, zoo verkleinde ik zijn rijk. Ik voegde bij hun vroeger trihuut een verder tribuut aan mijne heerschappij, een deel van hunne ( nieuwe) inkomsten. En zelfs Ezeehias werd aangegrepen door eene machtige vrees mijner heerschappij, zoo ook de ürbi (Arabierenquot;! en zijne krijgers en de lieden, die hij ter verdediging vau Jerusalem, zijne hoofdstad genomen iiad. Zij verstonden zich tot tribuut, en Ezeehias zond dertig talenten goud, acht honderd talenten zilver, geweven stollen, metalen, robijnen. Da//. Dak. Si, groote edelgesteenten zn-aun-mt .... ivoor .... buUelhuiden, buUelhoorns, sandelhout, ebbenhout (? ) groote schatten, zijne dochters, de vrouwen van zijn paleis, slaven eu slavinnen, naar Ninivc, den zetel mijner heerschappij. Voor het, overhandigen vau het tribuut der onderwerping stuurde hij zijn afgezanten.
\ iilgcns Iloroilotus li, 141 en Josepluis, Aur. .ruil. X. 4 was deze overwinning' op 'Ie Kgvptenaueii aan Sennaclierib iluui'komen te staan, /.jj lia.d eigenlijk meer weg van eene nederlaag; want hij bedoelde naar Egypte te trekken, en na den veldslag trok liij terug. \\ an neer wij nu den Hijbei openslaan en de ware daadzaken vergelijken, dan zien wij dat Sennacherib even bedreven was in het bedekken zijner nederlagen, als dat heden geschiedt. Dat zijn tocht naar Rgypte geheel mislukte door het gevecht bij Altaku, verzwijgt hjj doodstil; hij zegt wel. dat hij aldaar een paar gevangenen gemaakt heeft, maar van dien ophef' over den
:{4(i
buit, dien hij elders nooit achterwege laat, is hier geen spoor, liet betalen van tribuut door Ezeehias stelt hjj voor, alsof hij hem hiertoe gedwongen had door de belegering van Jerusalem, terwijl uit het te Lachis gevonden laag-relief, thans in het lir. Mus. te Londen, blijkt, dat Ezechias hem die schatting te Lachis en niet te Xinive, en wel vóór de belegering van Jerusalem had doen ter hand te stellen, alles zooals de Schriftuur het verhaalt.
Van den nadeeligen afloop zijner belegering van Jerusalem rept hij geen woord, en spreekt maar met een enkel woord over een klein voordeel, dat hjj aan eene stadspoort behaalde. Van zjjne verschrikkelijke nederlaag bij Jerusalem en zijnen snellen aftocht wachtte hij zich wel te gewagen.
Vóór de belegering van Jerusalem bevond zich Sennacherib te Lachis, het huidig Ournm-Lachis, zuidwest van Beit-Djibrim, het oude Eleutheropolis, in de vlakte Sefelah, langs den weg van Jerusalem naar Gaza. Hoven Gaza splitst zich de weg, en een arm loopt naar de noordelijke steden der Philistijnen. en de andere naar .1 udcu. De onverwachte tegenstand van Jerusalem dwong Sennacherib om zich noordwaarts terug te trekken naar Altaku voor de aanrukkende Egyptenaren. Altuka ligt ter hoogte van Jerusalem, en zoo zou Sennacherib tusschen de twee vijanden hebben ingezeten, wanneer hjj te Lachis ware gebleven.
Ezechias had aan schatting betaald dertig talenten goud, en drie honderd hebr. talenten zilver, welke laatste gelijk stonden met acht honderd Assyrische talenten zilver. Die beide sommen bedragen ongeveer 3,250,000 gulden, maar zooals wij vroeger gezien hebben was dit voor de bestaande hoeveelheid edel metaal, geenc onmogelijke zaak. al was de som buitensporig iioog.
Sennacherib was met de schatting niet tevreden, maar vorderde ook do overgaaf van Jerusalem om zijnen terugtocht re dekken. Op do weigering zond hjj eene troepenafdeeling tegen .Jerusalem onder zjjneu tartan, zijnen rab-saris en zjjnen rab saqeh. Deze kwamen aan de zuidwestzjjde voor Jerusalem bij de poort van Jaffa âbij de waterleiding van den bovensten vijver, op den weg, die naar het vollersland voert.quot;
Tar-ta nu, tartan is de algemecne legeroverste; rab-saqeh of
347
rab-saq is een hoofdofficier; rab-saris is dc overste der eunuchen.
])ie gezanten trokken onverrichter zake af; intusschen was de koning van Assyrië teruggetrokken oj) Lobna in den stam Juda, lieden Tell-es-Safieh. Tharaqa, do koning van Meroe, d. i. Kuscli of Ethiopië, wiens naam Sennacherib niet noemt, naderde.
Rouge, Mól. d' archeol. cgypt. et. assyr. nov. 1872, p. 11: âDc
I dynastie van Sabaco, tot welke Tahraka behoorde, stamde af van een Thebaanschen tak, die van den lioofdstam gespleten was ten gevolge van eenige omwentelingen, waaromtrent wij nog geene juiste inlichting hebben, maar die taal, zeden en godsdienst van het oude vaderland naar Xubië had overgebracht.
De afkomst van Tahraka ligt nog in het duister, lljj is do derde koning der Ethiopische dynastie, maar hjj is noch de recht-streeksche troon erfgenaam van Sabako, den eersten koning, noch van Sabatak, den tweeden koning dier dynastie. Eerst regeerde hij alleen over Ethiopië, maar overmeesterde door geweld den troon der pharaos; op de muren der Thebaansche tempels vindt men zijne inschriften; hij telt zijne regeeringsjaren van af 692, en noemt onder zijne overwonnenen de Sasu (Arabieren), de Heta (Noord-Syriërs), Kati (de IMieniciërs) Assur en NaharaTm (Mesopo-tamië). lljj schrijft zich alzoo ook de overwinning toe op den Assyriër. liet is in allen gevalle zeker, dat de Assyriërs vooreerst genoeg hadden aan hun verlies in Palestina, dewijl Asarhaddon eerst in »570 zijnen veldtocht tegen Egypte durfde ondernemen.
Sennacherib zond nu een tweede maal tot Ezechias om te onderhandelen over de overgaaf van Jerusalem, maar wederom te ver-
Igeefs. Daarop kwam hjj met zijn leger voor de stad en begon met hot beleg te slaan voor de poort van Jaffa, maar verder kon hij niets uitvoeren, want toen hij morgens ontwaakte, lagen honderd vijf en tachtig duizend zjjner krijgers zielloos op den grond. Daarop brak hjj op on trok terug naar Ninive.
Darras, llist. gener. d 1' Egl. 111, 48: Het zij ons geoorloofd hier op te merken, dat in de spraak der Schriftuur, met de melding van den engel des verderfs gewoonlijk bedoeld wordt de pest.
Larcher. die in zijne eerste uitgaaf der vertaling van Herodotus dit mirakel zoover mogelijk had trachten weg te cijferen, trok dit later terug en zegt 11, 447; âIk vind. dat de gedachte aan eene natuurlijke pest niet alleen onwaarschijnlijk is. maar volstrekt
:i4s
viilseh: 1quot;.) In do onistrekcii vim IV'liisiuiu (dit inoct zjjn ..Lolmaquot;) zijii gceu sfilstaaude wateren, en bij gevolg geene verdcrfVljjko uitwaseiningen, lt;Ue de lucht kunnen bederveii eu laumoii invloed uitoefenen op de gezondheid der Assvricrs, 2quot;.) Jfaar laten wij dit al veronderstellen, hoe zou dit dan den dood hebben kunnen veroorzaken in drie dagen van 185,000 man'i Hiervoor was noodig een mirakel ten minste zoo groot als dat, waarvan de Schriftuur gewaagt. Wanneer men aan de Gewijde Boeken tornt, dan valt men ongemerkt in stuitende ongerijmdheden.quot;'
Dat het feit onbetwistbaar zeker is, blijkt uit Herodotus II, 141, die zegt, dat, naar men hem verbaalt beeft, een beirleger van ratten in den nacht het kamp van Sennacherib overvallen had, en alle pijlkokers, boogsnaren en de riemen der schilden hadden stuk gevreten.
Tegen zijne gewoonte in. bewaart Sennacherib zelf bet diepste zwijgen over de oorzaak van zijnen terugtocht naar Ninive; en ofschoon de Elamiton de zuidelijke grenzen van zijn rijk waren binnengevallen, onderneemt hij niets tegen ben; dit blijkt uit de monumenten, Smith, Assyria, 125; Budge, lice, of the past, XI. 46.
I\ Kon. XIX. 30; Is. XAW II. 'iT. âSennacherib trok terug naar Xinive en bleef er; en terwijl bij Xisroch zijnen god, in don tempel aanbad, versloegen hem Adramelech en Sarasar, zijne zonen, met het zwaard, en Asarhaddon. zijn zoon. regeerde in zijne plaats.quot;
Menant, Ann. des rois d' Ass. 238: ,,Xa zijne nederlaag in Palestina leefde Sennacherib nog achttien of negentien jaren.quot; Oppert, .Mem. etc. \ lil. 55i): âDe overwonnen Sennacher.b keerde nooit meer naar liet westen terug.quot;' Het is zeker, dat hij nooit meer in Palestina kwam. al mag men ook uit zijne jaarboeken kunnen opmaken, dat hij nadien nog togen Arabic is opgetrokken. Zijne jaarboeken maken melding van vijf krijgstochten naar het noorden, oosten en zuiden, maar nier moer naar Palestina.
De Assyriscbe monumenten vermelden niets nopens den dood van Sennacherib, maar het verhaal van Berosiis stemt hierin met de Schriftuur overeen. Alexander Polvhistor noemt slechts Ardu-
:U!)
musanus (Adrameloch) als moordoiiaar van Sennachorib, maar Abydpnes meldt ook Xcrgilus. die. door /.ijii broeder Adramelecli werd vermoord, welke weder op zijne beurt werd omgebraeht door Axerdes (Asarhaddon).
HOOFDSTl Iv II.
ASARHADDON.
Assm* ali-iddin volgde zijnen vader op den troon in 681 en
I regeerde tot Cü8, toen hjj den troon overgaf aan zijnen zoon Assurbanipal. Bij den dood van zijnen vader was Assuraddon op een krijgstoelit in het noorden van zijn rijk. 1 lij vernam den moord op zjjnen vader, en liieromtrent leest men op een te Kujiindschik I gevonden inselirift: regeerde tot Cü8, toen hjj den troon overgaf aan zijnen zoon Assurbanipal. Bij den dood van zijnen vader was Assuraddon op een krijgstoelit in het noorden van zijn rijk. 1 lij vernam den moord op zjjnen vader, en liieromtrent leest men op een te Kujiindschik I gevonden inselirift:
Ilii mijn hart deed ik eeuo gclufte. Mijno lever was vau toom outvlamd. Oogenblikkelijk schreef ik brieven met iuliomi, datik de heersclmppij in mijns vaders plaats aantrad.... lu allerijl liet ik liet noodige voor eenen krijgstocht gereed maken. Een groote sneeuwstorm hulde de maand Januari in, maar ik liet, mij niet weerhouden .... In de bergpassen van Kliani-Rabbi grepen hunne krijgers mijne voorhoede aan, maar... . toen zij de macht, van mijn hoofdleger zagen, vloden zij terug.... In hunne rijen klonk de roep: »J)ie is onze koning.quot; Door de gunst der goden kon ik mijne banier daar planten, waar ik verlangd had ....lii mijn hart deed ik eeuo gclufte. Mijno lever was vau toom outvlamd. Oogenblikkelijk schreef ik brieven met iuliomi, datik de heersclmppij in mijns vaders plaats aantrad.... lu allerijl liet ik liet noodige voor eenen krijgstocht gereed maken. Een groote sneeuwstorm hulde de maand Januari in, maar ik liet, mij niet weerhouden .... In de bergpassen van Kliani-Rabbi grepen hunne krijgers mijne voorhoede aan, maar... . toen zij de macht, van mijn hoofdleger zagen, vloden zij terug.... In hunne rijen klonk de roep: »J)ie is onze koning.quot; Door de gunst der goden kon ik mijne banier daar planten, waar ik verlangd had ....
Eenige vasalkoningen aclitten het oogenblik gekomen om het juk af te werpen, en hiertoe was ook een lid der Babylonische koningsfamilie overgegaan in Siuear:
De oproerige koning verzamelde zijn leger, trok tegen Xingal. ... den stadhouder van Ur, mijnen getrouwen onderdaan, en doodde hem met het zwaard.... Ik zond legen hem af diegenen mijner vasallen en hoofdmannen, die zich het naast bij zijn land bevonden. Toen vluchtte hij, Nabuzirziz, zoodra hij tijding van het opbreken mijner troepen kreeg, naar Elam ....
Nadat Assuraddon de eerste acht jaren zijner regeering besteed had om de verloren en in opstand gekomen landen te herwinnen.
850
besloot hij tegen Egypte op te trekken, waarschijnlijk in 672. â Toen Tahraka tegen Sennacherib vocht, was hij nog slechts koning van Ethiopië, maar zooals w ij boven zeiden, overweldigde hij den troon van Egypte, dien hij mi sedert twintig jaren vreedzaam bestuurde, toen de Assyrische inval plaats had.
De Egyptonaren trokken de Assyriërs te gemoet tot in l'honicië. Smith, The Ass. Ep. Can. 141:
Assuraddou, koniug van Assync;, zijne krijgers en zijn kamp .... tegen de mannen van Egypte gaan vechten met Tarqu (Tahraka) koning van Kus .... Gevecht leverend zond Assuraddon, koning van Assyrië, zijne macht tegen Tarqu, koning van Kus .... en overwon hem.
Smith, ibid, zegt dat een ander verminkt inschrift meldt, dat deze veldslag plaats had nabij Ascalon, in liet land der Philistijnen.
.Na deze overwinning drong Assuraddon langs Pelusiiim in het Xjjldal, en versloeg de Ethiopiers zoodanig, dat Tahraka tot Napata moest vluchten. Memphis en Thebe vielen den overwinnaar in handen; hij maakte grooten buit, waaronder ook al de benoodigd-heden tot den godsdienst, en liet dit alles naar Assyrië overbrengen. Hij verklaarde de twintig kleine vorsten tot koningen van Egypte, legde hun eene jaarlijksche sciiatting op, en schoeide geheel Egypte naar Assyrische leest. Als algemeen overste stelde hij Xechao I koning van Laïs aan; iu de vestingen legde hij Semitische garnizoenen, en keerde daarop terug naar Ninive. Voortaan noemt hij zich op de monumenten: âAssur-ah-iddin, de groote koning, de koning van hot land Assur, opperleenheer van Habylon, koning der Sumir en Akkad, de. hmhui der koningen van Egypfe, van Patros (Opper-Egypte) en van Ethiopië.
Zoo was de voorspelling van isaias XIX over Egypte vervuld.
Ezechias van Juda was in (i96 overleden en opgevolgd door zijn zoon Manasse. Deze betaalde weder schatting aan Assuraddon. Smith, The Ass. etc. 189, die het volgende als waarschijnlijk jaar der gebeurtenis, ,672 aanwijst:
Ik beriep de koningen van llatti en van mijn rijk over de zee; Baal van Tyrus; Mi-na-si-i «ar ir Yahudi (Manasse,koning van Juda); Kadumuh koning van Gaza, Mussuri van Moab, Zillibil van Gaza, Mitinti van Ascalon, It.uzu van Amgnrnnna (Aeearon), Milkiasaph van Gebal (Byblos), Matanbaal van Arvad, Abibal van Samsimuruna, Bnduel van Bit-Ammon, Abimelek vau
:55l
Azot; (leze zijn de twaalf koningen van de kuston der zee. Ikistu, koning vau idalie, l'i-ta-gn-ni (J'vtiiagoras) vau Citiuin, Kinyras van Salamina, Ituander van Paphos, Irisu van Sole, Damasn van Knrii, ilmnmisn van Taniissns, Dainusi van Amathonte, L'nasagns van Lidini, liulili van Apiirodisium; deze zijn de tien koningen van liet land Vatnan (Cyprus), te midden der zee , iu liet geheel 22 koningen vau het land Ilatti op de kusten der zee en in het midden der zee ; ik ontbood ze allen.
Assuraddon verplaatste vele stammen der overwonnen Oostersche volken naar Palestina. Lenonnant, Lettres assyriol. I, 6i, in betrekking op I Esdras, IV, 2. 9: âDeze verbannenen zijn ; de Dineërs, de Apharsatliacheërs, de Terplialecrs, de Apiiarseürs, de Erchueërs, de Babyloniërs, de Susaneoheërs, dc Dieveërs en de Elamiten. De oude Schriftuitleggers hadden veel moeite inet de ineesten dezer namen, maar heden hebben wij ze allen, behalve een enkele, de Terpiialeërs, in de sanskritschriften; en wij kunnen vaststellen, dat zij alle» betrekking hebben op de laatste veldtochten van Sennacherib, waarvan zeker de gevangenen kwamen, die door Assuraddon in het voormalig rijk van Israël geplaatst werden.
Assuraddon stierf' in (gt;68, latende den troon aan zijnen zoon Assurbanipal, dien hij reeds als mederegent had opgenomen.
Over zijn herstellen van de stad Babylon, die door zijnen vader verwoest was, eu over het beleid zijner innerlijke regeering, zie Kanlen, Ass. u. 15ab. 217 enz. Dit heeft weinig te maken met de Schriftuur.
HOOFDSTUK 111.
ASSURBANIPAL.
Nog voor den dood van Assuraddon was Tahraka wederom met een machtig leger in Egypte gevallen en had ïhebe en Memphis heroverd. Assurbinipal trok terstond tegen hem op en versloeg de Ethiopische troepen te Kar Banit.
Assurbanipal (608â(gt;2(5) leefde moer in zijnen harem dan zijne
voorgangers. Hij voordo niet persoonlijk zijne legers aan, maar liet de veldslagen door zijne legeroversten leveren en verscheen hoogstens nu en dan eens na den slag om de overwinnig te vieren. Hjj legde zieli vooral erop toe, om, zoo het mogelijk was, de scliat-pliehtige vorsten dour goedheid aan zidi te verbinden, en zoo zien wjj hem meerdere vjj;indeljjke vorsten, watironder ook M-inasse, met weldaden overladen, naar linn rijk terug sturen. Kanlen, Ass. Bab. _'17. Jl.s. Anderen bclundelde hij met de buitensporigste wreedheid.
Korten tijd na de overwinning te Kar-Banit, verbonden de inlandselie vi^rsten zieh audennaal on i;gt;r .\;' *!iao om met be'uulp vail 1 :i!iraka de As^yrici's te veiMrijven. M i ir .\ 'riiii gt; van Meninhis, Sarludiiri van Zihau en Pa^rur van Pisabfi wenleu door do Assv-riers gevangen genomen en geboeid naar Xinive gezonden, waar zij echter nieu volgens geiimik onder de schrikkelijkste pijnigingen gedood werden, maar waar het volgende gebeurde. Smith, Jlist. of Assnrban. 45 :
Aan Neclioa, den seliatplichtigen, stond ik giiusteu tos en nnaktc met hem eon verooml. Ik deed den uMdsdienst. hertellen ou zond hom tcrao;. Ik deed zijn hurt \ crljtijdoLi eu iK omhiuu; liom iiii-r lljiio kl.'oili-riai cu gouden sieraden; ik deed een koninklijk standbeeld voor hem maken: ik hing iiein godden banden om de voeten; ik gaf hom een zwaard met gonden schede; ik bestemde voor hem krijgswagens, paarden en innildleren. ik zo;id mijne krijgsoversten als gouverneurs met hem naar Egypte. Ik herstelde hem in zijn rijk te SaiSj wiens naam i.s Karbel-mat;iti. ik deed hem met meer weldaden en gnusten overladen dan mijn virlrr jjyJanii luul. ca ik u'a!' hem voor zijnen zoon .Naln^ v.ibaiii een koninkrijk te llaihariba.
Zoo ook handelde Assurb iiiipal met Ammula.di. koning van lt; 'edar. Smith, ibid. 201. Volgens I Paralip. XXXIII. II. H handelde hjj op dezelfde wjjze met Mauasse, dien hij eerst geboeid naar Babvlon voerde, en daarna weder vrij naar Jerusalem zond.
Manasse was niet naar Xinive, maar naar lgt;a.b\Ion in de gevangenis gebracht, omdat Assurbanipal alsdan zelf in Habvlon was. ^ oor zijnen dood had Assuradon zijnen natuurlijken zoon Samas-sumukin tot regent over Babylon gesteld. Die verwekte in 650 oenen opstand, waarbij zich Akkad, Chaldoa, Aram, het zeelaanl van Akaba tot Balsalimit, en de Assyrisehe stadhouders van Lr aansloten. Xa drie jaren was de opstand gedempt, maar Babyion kreeg geenen anderen koning meer en Assurbanipal besloot te
:S5M
Uabylon tc resideeren. In den gewezen opstand hadden zich ook do koningen van liet Westland gewikkeld en onder deze de schatplichtige Manasse, die alsnu naar den koning te Babyion gevoerd werd. Een tablet gedagteekend âErech, maand Xisan, 20stc dag, 20ste jaar van Assurhanipalquot; houdt in, dat deze vorst twintig jaren koning van Babylon is geweest. Polyhistor noemt 21 en de kanon van Ptolemeus 22 jaren voor zijne regeering.
Toen de begunstigde Nechao naar Egypte was teruggekeerd, stierf ïahraka in 604, en de reeds bejaarde Urdamani zoon van Sabako, volgde hem op. Deze trok wederom op tot Memphis; hij werd echter door de Assyriörs verslagen en achtervolgd, en in No Anion (Xahum 111, 8) gevangen. De stad Xo Anion is Thebe in Opper-Egypte, zooals wij lezen in regel 71 van het sanskrit verhaal over den tweeden krijgstocht naar Egypte door Assurbanipal; dus niet Alexandrie, zooals de Vulgaat weergeeft. De profetie van Xahum moet alzoo dagteekenen van kort na den val van Thebe, alzoo uit 004 of 00;i. Kern Eik, de Wetenschap, enz. 107.
HOOFDSTUK IV.
JUDITH EN HOLOPHERNES.
De meeste schriftverklaarders zijn van meening, dat de geschiedenis van Judith en Ilolophernes voorviel, ten tijde dat .Manasse te Babyion gevangen zat. De Assyrische monumenten geven hiervoor geen andere dan onrechtstreeksche bewijzen; de naam van Ilolophernes is op de tot heden ontdekte inschriften als veldheer nog niet gevonden. Assurbanipal wordt in het boek Judith steeds Xabuchodonosor genoemd, maar wij weten dat do oorspronkelijke tekst van dit boek is verloren, en dewjjl Assurbanipal in de Schriftuur onbekend is, kan deze naamverwisseling niets afdoen. Judith
23
:$54
beteekent wel is waar âdo Jodin,'quot; maar is tevens oen eigonnaam; ook de eerste vrouw van Esau heette Judith, Gen. XXVJ, 34.
Het is zeker, dat de krijgstocht van Holophernes tegen Israël lieeft plaats gehad na de wegvoering der tien stammen, alzoo na Sargon, omdat toen geen koning in Samaria was, en omdat de overgebleven of teruggevluchte Joden te Bethulia, nabij de vlakte van Esdrelon, het gezag van den hoogepriester te Jerusalem weer aanerkenden; want sedert den val van Samai'ia hadden de Israëlieten van het Noorden zich weder met hunne broeders van Juda vereenigd. Die tocht had plaats vóór de Babylonische ballingschap, omdat de Joden vreesden, dat do vjjand den tempel van Jerusalem zou vernielen. Deze vernieling had eerst plaats onder Nabuchodonosor, koning van Babylon, toen Ninive nog slechts een puinhoop was en Assyrië als koninkrijk niet meer bestond. Maar er was geen koning te Jerusalem, toen Holophernes met zijn leger opdaagde, en toch het rijk van Juda bestond nog; dat valt dan te verklaren door de ballingschap van Manasse.
Zooals wij gezien hebben had Assurbanipal 22 koningen aan zijne macht onderworpen. Daarna ondernam hij eenen krijgstocht tegen Ahseri, koning van ilinni, genoemd bij .Ier. Li, 27. Smith 84;
In mijncu vierden krijgstoolit verzamelde ik mijn leger, en trok op tegen Ahseri, kouing van -Miuul en trok overwinnend in Minui.... tot binnen Izirtu ....
Daarna verhaalt hij zijnen tocht tegen de Mediërs, Smith, 97;
In dien tijd, Birizliadri, hoofdman van Medii;, Sariti en Pariza, zonen van Gagi, een oppperhoofd der Saha (Scvthië), die het juk mijner heerschappij hadden afgeworpen, ik nam op hem 75 versterkte plaatsen ....
Terwijl Assurbanipal dezen oorlog in de oostelijke staten voerde, ontplooide zijn stiefbroeder Saulmugina (Somassumukin) in G30 de vaan des oproers, en met hem alle schatplichtige vorsten langs de Middel. Zee. Smith, 154:
En Saulmugina, mijn jongste broeder, werd mij ongehoorzaam, en bracht tegen mij in opstand de mannen van Akkad, Chaldea, Aram en die der kusten van de zee, van af Akaba tot Babsalimitu, allen schatpliehtigen van mij. En Ummanigas do vluchteling.... dien ik in Elam tot koning had aangesteld, en de koningen van Gutl (Arabische Beduïnen), Martu (Syrië) en Milnhe (Egypte en Ethiopië), verstonden zich met hem.
J)e (rneksclie tokst van Judith f, 7â10 noomt diezelfde volken, behalve die ten oosten en noorden van Palestina:
Nabufliodonosor (Assurbiiuipul), koning der Assyriërs, zoud iiaiii' de l'crzcn (Elamiten) on naar al de volken van liet. westen, die bewoonden Cilicie, Damascus, den Libanon en Anti-Libanon, en alle wingewesten langs de zee, en den berg Carniel, eu Cedar (Ismaelitiseli herdersvolk) en Opper-üalilea en de vlakte van Esdrelon, en al de steden van Samaria, eu de oevers van den Jordaan tot aan Jerusalem, en Bethauië eu Cliellns en Cades, en do landen van den Mjl, en Taplmes eu Ramses en geheel het land Gessen, tot voorbij Tanis en Memphis, eu geheel Egypte tot aan de grenzen van Ethiopië.
De naam van Cilicië, Kilakkaai, met hunnen koning vindt men op andere inschriften, die dezen tocht vermelden. Rawlinsons Ilerod. I, 1 (!!): âCilicië komt het eerst voor op de Assyrisclie inschriften in 711 v. Ciir.. . . Sennacherib overwon lugt;t in 701 . , . . Assuraddon in G85, en Assurbanipal omstreeks 060 voor den eersten koer.quot; Smith, (gt;4;
Gugu (Gyges) koning van Lu-ud-di (Lydië).... die mijn heerschappij erkende.... onderwierp de Gi-nü-ra-ai rCimmereërs, Cimbreu] ... . Daarna stond hij tegen mij op .... zoud zijue troepen naar Psammeticus in Egypte tegen mij.
Assurbanipal verzekert verder, dat hij de eerste koning van Xinive was, die tot in Lydië is doorgedrongen. Voor de waarheid en liet tijdstip van Juditii pleit, dat geen der opvolgers van dien koning van Assyrië meer in Kleiu-Azië is doorgedrongen, omdat allen zwakke vorsten waren.
Toen deze opstand van alle kanten was uitgebroken, zond de Assvriër naar alle genoemde rijken gezanten, maar zonder gevolg, daarom moest hij naar de wapenen grijpen, en zond zijne veldoversten uit aan het hoofd der troepen. Tot heden zijn slechts vier of vijf namen dier generaals gevonden, ofschoon de inschriften telkens herhalen, dat Assurbanipal zijne krijgsoversten aan het hoofd zijner troepen stelde, waaruit volgt dat Inj hen niet persoonlijk aanvoerde; onder die weinige bekende generaals is de naam van Ilolophernes nog niet ontdekt.
Volgens de monumenten werd de eerste tocht (waarschijnlijk aangevoerd door Ilolophernes) ondernomen tegen Klein-Azië, en de troepen drongen door Cappadocië tot in de bergstreken van
35(3
Phud en Lud (Pisidië on Lydiü); daarna trok liij moordend en verwoestend terug over Tarsis in Cilicië, tot de Arabisclie nomaden in Syrië, rechts van den Eupliraat.
Bij den tweeden krijgstoclit Jud. JI, 14 zegt de Vulgaat gelijk de monumenten: hij trok over den Euphraat; alzoo zijn tocht ging naar de Oostelijke landen, door Mesopotamië tot aan de zee. De monumenten verklaren do oorzaak van dezen terugtocht, doordat dit leger tegen het oproerige Babyion moest optrekken. Het schijnt zeker te zijn, dat Saulmagina eerst openlijk te Babylon in opstand kwam, toen het grootste deel van liet leger van Assyrië in Klein-Azië was. Dit trok nu terug en veroverde liet geheele land van den stroom Abrona (Khabur) tot aan de zee (Perzische golf).
De derde krijgstocht was gericht tegen de Arabische Beduïnen ten westen van den Euphraat, die den Babelschen opstand gesteund hadden. Jud. II, 15âlü. Smith, Hist. etc. 2'Jt), etc.:
In mijnen negenden veldtocht verzamelde ik mijn leger tegen A'uïteli, koning van Arabië. Toen Elam verraad pleegde met Akkad, verstond hij zich met hen tegen mij. Ik deed mijne legers binnentrekken in het land Azai-an, Ilira-taqasa, in Edom, in de buurt van Yabrud, in Bit Amnion, in liet district Hauran, in Moab, in Saharri, in Harge, iu liet district Soba. Ik doodde strijders zonder tal en volbracht zijne nederlaag....
Yautah, zoon van llazael onderwierp zicli aan mij. Daarna stond hij tegen mij op. Hij ruidde liet volk van Arabië op en hij ontnam den roof van llatti [Syrië]. Ik zond tegen hein mijn leger, dat aan de grenzen van zijn land stond. Mijn volk bracht hem de nederlaag toe; zij doodden alle Arabiere;i met het zwaard; zij verbrandden de tenten, de paviljoenen, de verblijven. Zij namen talloozc ossen, schapen, ezels, kameeleu en mannen.
Hieruit zien wij, dat Assurbanipal denzelfden oorlog deed voeren tegen de Beduïnen, als J lolopherues volgens het boek Judith; ook treffen wij in beiden dezelfde namen van volken aan. Zoowel in de monumenten. Smith, Hist, of Assurbanipal 271, 281, als bij Judith vinden wij, dat de Assyriërs de goden roofden en de sterkste mannen in hun leger inlijfden.
Ik heb mij meester gemaakt van huiiue goden .... ik heb deze weggevoerd .... Ik heb de overige inwoners weggevoerd naar het midden van het land Assur, ik heb hen verdeeld in mijn talrijk leger.
Assurbanipal verhaalt verder, Smith, ib. 271: âIk heb hen den weg van Dimaska (Damascus) doen nemen.quot; Alles boog nu voor den overwinnaar, en hij zou zijnen tocht tegen Egypte kunnen
aanvangen, want wjj weten nit Jud. f, 9, dat lijj ook het opgestane Egypte wilde tuchtigen. Maar op zijnen weg lng Bethulia, en dit wilde zich niet onderwerpen. Deze stad lag nabij Dothaïn, langs den weg, die uit do vlakte van Esdrelon naar het binnenland voert, en was alzoo de sleutel van Samaria en Juda.
Xabij Bethulia vond do Assyrische krijgsoverste den dood door de hand van de schoone en zeer godvruchtige Judith.
Het aangehaalde uit de monumenten pleit ten zeerste voor het boek Judith, al leveren ons dan ook die verminkte inschriften tot heden nog geen rechtstreeks bewijs; wat het onafgebroken onderzoek nog aan den dag zal brengen, kunnen wij gerust afwachten, zeker als wij zijn, dat het steeds meer de waarheid der Schriftuur zal bevestigen.
HOOFDSTUK V.
ONDERGANG VAN HET ASSYRISCH RIJK.
Maspero, Hist. anc. etc. 438: âEgypte had /.ijne onafhankelijkheid herkregen van af den opstand van Saulmugina. Assurbanipal, afgemat in den strijd met Klam, zag van zijne rechten op Kgypte af. Zijn rijk was nochtans grooter dan dat van een zijner voorgangers, welke hij ook overtrof in onverpoosden moed, wilskracht, en in de verdere jaren zijner regeering door eeno ongeëvenaarde wreedheid.quot; Hij stierf in 020. Als laatste koning van Assyriü volgde hem op ziju zoon Assur-edei-ilani, bij de Grieken Assurukini.
De narichten der monumenten omtrent dezen koning zijn zeer karig. Verminkte baksteenen met zijnen naam vermelden alleen, dat hij te Calach een paleis en eenen tempel heeft beginnen te bouwen, maar do inval der Scythen verhinderde de voltrekking, daar deze Calach, heden Ximrud, verwoestten.
Um den Scythiürs in hunnen voortgang te stuiten, en tevens het opgestane Babyion te beteugelen, vaardigde hij zijnen tartaan
35lt;S
Nabubiilusar of' Xabopolassar at'; deze kwccf zich gedurende vijftien jaren zoo goed van zijne zaak, dat lijj zich foen als koning van Jiabylou kon hesclionwen. Iljj sloot heiineljjk een verbond niet Cyaxares, koning der Mediërs, en zijn zoon Xabnkndurnsur huwde met de dochter van Cyaxares, Amytis. Dit verbond, waartoe ook Nechao, opvolger van l'sainineticlius in Egypte was toegetreden, was gericht tegen Assyrie. Toen ging de voorspelling van Xahum tegen Assyrie in vervulling. Xa eene tweejarige vruchtelooze belegering van Assyrie door de Babyloniërs en Meden, had eene buitengewone overstrooining van den Tiger plaats, die een gedeelte van den stadsmuur ondermijnde en deed instorten, en alzoo den belegeraars den weg opende. J)e laatste koning van Assyrië verbrandde zich met zijne vrouwen en schatten in zjjn paleis; Xinive met Dur-Sargon, Calacli en Assur werden ganschelijk verwoest en nooit meer bewoond, liet Assyrisch rjjk werd tusschen de over-winnaars verdeeld. Mcdië bekwam liet gansche land ten noorden en oosten van den Tiger, met een gedeelte van Assyrie ten westen van dien stroom; Mesopotamic en Syrië vielen Babylon ten deel.
Maspero, Ilist. anc. 405: â lu liet vroegjaar van 608 verliet Necliao Mcmpius en trok naar Asië langs den gebruikebjken weg. Zij waren Azot reeds voorbij, en meenden zonder gevecht in de vallei van den Jordaan en den Xatsana door te dringen, toen zij op do voorhoede van liet leger van Josias, koning van Jerusalem stieten, .losias werd gedood in den slag van Mageddo, en Xachao zotte zijnen tocht voort tot Carchamis aan de voorde van den Kuphraat, waar hij de Assyriërs meende te vinden. Hier trof' hij echter het leger aan van Babyion, en leed eene zoodanige nederlaag in (gt;05 door zijnen vroegeren bondgenoot, dat hjj naar Egypte moest aftrekken. Jer. XLV1, 2.quot;
Up zijnen terugtocht onttroonde hij Joachaz, zoon vau Josias van Jerusalem, die zonder zijne toesteinining den troon beklonimen had, voorde hem mede naar Egypte, en stelde diens broeder Elia-cim, onder den naam Joakim als koning aan.
Carchamis is het huidig Djerablus, ten westen van den Euphraat, halfweg tusschen de dorpen Sadjur en Bircdjik; liet is niets meer dan ecu ruïnenheuvel.
IIOOFDSTI'K VI.
NABUCHODONOSOR EN EINDE VAN HET RIJK JUDA.
Xabopolassar, to oud ojii zelf krijgstochten aan te voeren, gaf aan zijnen zoon Xabneliodonosor liet bevel over de troepen en gelastte hein Neehao te achtervolgen om het verloren Syrië te herwinnen.
liet koninkrijk Babylon, of beter Chaldea met do hoofdstad Babyion heeft zijnen roem vooral te danken aan Xabneliodonosor, die zich eenen naam in de wereldgeschiedenis heeft gemaakt door de verwoesting van Jerusalem en hot vernietigen van het rijk .luda. Dit koninkrijk was van korten duur, nl. van (gt;2;) tot 538, in het geheel slechts SS jaren, waarvan Mabuchodonosor er 43 regeerde. De monumenten geven zijnen naam Xabu-kudurri-usur, maar zeggen ons weinig over zijne geschiedenis, die wij alzoouit andere bronnen, vooral uit Berosus bij Josephus, moeten putten; des te meer echter verkondigen zjj ons over zijne grootsche bouwwerken, do tempels van Ur, Erech, Larsam, Sippara, Nippur en Babylon, en van de herstelling van den tempel der zeven sfeeren te Borsippa, den toren van Babel of der spraakverwarring, de hangende tuinen (in de fabelleer aan Semiramis toegeschreven). II ij maakte Babyion tot de schoonste en sterkste stad, liet door het geheele land de kanalen herstellen en nieuwe bijmaken enz. zoodat hij kon zeggen. Rod well. Jlec. of the past, A, 129:
Boven Babyl'm en Borsippa hel) ik geenc stad geplaatst, iu het rijk van Biihvlouie; als stad van mijne grootsche stichting.... Ik heb prachtig volmaakt en ik heb verheven als woning van mijn koninkrijk .... Ik heb dit huis gebouwd, een voorwerp vau bewondering.
Daniël IV, 27: âIs dit niet het grootsche Babylon, dat ik gebouwd heb tot rijkswoning door kracht mijner macht, en tot eer mijner heerlijkheid!quot;
360
Xa zijne ovcnvinning te Carchamis op Ncchao trok \abiichodo-uosor zonder tegenstand tot in Palestina en ontving de huldiging van al de koningen van liet land, waaronder ook Joakim, koning van Juda. Toen hij op het punt was van de Egyptische grenzen te overschrijden, vernam hij den dood van zijn vader Xabopolassar, en keerde nu ijlings terug om den troon in bezit te nemen. (gt;04â561.
Xa twee jaren trok hij andermaal naar Syrië om een oproer te dempen, waarin ook Joakim van Juda betrokken was; deze werd verslagen, vernederd en schatplichtig gemaakt. Xa dit drie jaren gedragen te hebben, besloot Joakim, in vereeniging met de Egyp-tenaren, en met Ithobaal, koning van Tyrns, het vreemde juk af te werpen. Nabuchodonosor rukte op, maar toen hij in Juda aankwam, was Joakim gestorven en opgevolgd door zijn zoon Jecho-nias (Joachim), die weinig wederstand bood, maar zich na drie maanden met fauiilie en bezittingen aan Xabuchodonosor overgaf. Deze voerde hem met tien duizend voorname inwoners naar Babyion, en stelde Joakims broeder Matthanias onder den naam Sedecias op den troon van Jerusalem, 596.
Cyaxarcs, koning dor Meden en schoonvader van Xabuchodo-nosor, was gestorven en opgevolgd door zijn zoon Astyages, die zich vijandig betoonde tegen hot Chaldeeuwsch rijk; zoodat de oorlog tnsschen Babylon on Elam uitbrak. De koningen van Juda, .Moab, Amnion, Idumea en Tyrns grepen die gelegenheid aan om hunne onafhankelijkheid to herkrijgen. Weldra waren de zaken met Medio bijgelegd, en Xabuchodonosor rukte op naar Palestina, waar hij liet vooral op de Joden gemunt had. Hij sloeg het beleg voor Jerusalem, maar onderbrak dit ecu wijle, om den Egyptischen koning Ouhabra (Apries, 589 â 571) die ter hulp kwam, slag te leveren. Deze echter trok zich terug on gat Syrië prijs. Jer, XXXVII, G.
Jerusalem hood oenen hardnekkigen, heldhaftigen tegenstand, on werd niet overwonnen door geweld, maar door den hongersnood. In 588 moest hot zjjae poorten openen voor de Babyloniörs. Toen werd de voorspelling van Jeremias vervuld; XXY, 8âI I ; âAldus spreekt do Hoer dor heerscharen: Omdat gij niet naar mijne woorden geluisterd hebt, zal ik verzamelen en tegen u opzenden alle stammoii uit het noorden (zij kwamen afzakken uit hot noorden van Syrië, den gewonen weg) zegt Jehovah, met Xabuchodonosor,
361
koning van Babel, mijn(s wils) dienaar, en ik zallien voeren tegen dit land en zijne bewoners, en tegen alle volkeren, die ringsom wonen, en ik zal hen ton vloek wijden, ik zal verwoesten, ik zal maken een voorwerp van spot, een woestenij, voor altoos... Heel dit land zal worden eene woestijn en verlaten wildernis; zijne volkeren zullen den koning van Babel gedurende zeventig jaren dienstbaar worden gemaakt.quot;
Dit werd letterlijk vervuld. Alles werd vernield, huizen, paleizen, muren, en zelfs de tempel werd een prooi der vlammen, de voornaamste ingezetenen werden vermoord en de anderen naar Babyion in balling- en gevangenschap weggevoerd.
Sedecias meende zich door de vluclit te redden, maar hij werd achtervolgd en gevangen genomen, men stak hem de oogen uit en zond hem ook naar Babyion. 'Nabuchodonosor wilde dat het rijk Juda voor altijd verdween, daarom verklaarde hij het tot een eenvoudig wingewest, en stelde eenen Joodschen stadhouder, Godo-lias, erover aan. Deze werd echter door de nog overgebleven Joden vermoord, en toen vluchtten deze naar de Delta, waar zij echter niet veilig bleven voor den toorn van den koning van Babyion.
De Joden, die naar Babyion vervoerd waren, woonden op den rechter oever van den Enphraat in het huidig Tlillah, waar allen moesten verblijven, die door de Chaldeers als profanen werden beschouwd.
/(9 e)1»
De Ballingschap.
EERSTE AFDEELING. Ezechiël.
HOOFDSTl'K i.
GEVAREN VOOR DEN WAREN GODSDIENST
VAN ISRAël.
Dc ballingschap was het gevaarlijkste tijdstip voor don Joodschen godsdienst. De grootheid van iiabylon moest hen verblinden, want de buitenste muur besloot in zich de stad met eene oppervlakte van 513 vierkante Kilometers, veel grooter dan dc wereldstad Londen; zjj was door Xabuchodonosor zoo heerljjk verheven, dat deze koning zelf, bij het beschouwen eensdaags van zjjn prachtwerk,zinneloos werd. Wat was Jerusalem daartegen! Die koning had alle pracht uit de overwonnen landen naar Babyion doen voeren, tot zelfs de goden dier volken, die als overwonnen stonden aan de voeten van zijne goden Bel, Merodach, Xebo, Istar.
De Israëlieten waren niet beschaafd en ontwikkeld als in onzen tijd do menschen, en konden daarom gemakkelijk geloof slaan aan de algemeen heerschende gedachte, dat ieder land zijnen god had, maar dat de machtigste god altijd overwon, dat dus ook de goden van Babyion machtiger waren dan hun God. Alles werd toen ter tijde door vorst en volk aan de goden toegeschreven. Do Joden daarenboven dachten zich door Jehovah verlaten; zouden zij geen eer bewijzen aan die machtige goden, naast Jehova! limners geen
nr.H
volk loochende de goden van andere volken, en zoo erkenden ook de Babvloniërs den god der Joden.
Buitendien heerselite een algemeen gebruik, dat nog gevaarlijker was dan alles, id. dat het overwonnen volk, benevens zijne eigen goden, ook die van dat land moest aanbidden, waarheen het ver-
o / '
voerd was. Waarom zouden de Hebreiirs, die nu Chaldeërs waren geworden, niet doen gelijk de Chaldeërs, die Samaritanen waren geworden, en hunnen godsdienst samensmelten met dien der Babvloniërs. Immers Babvloniërs en Hebreërs waren van een zelfden oorsprong, beiden waren Semitische volken, beider taal kwam veel overeen, zij hadden beiden vele overleveringen gemeen; er was alzoo tusschen beiden veel verwantschap.
Die toestand was dus oneindig verschillend en gevaarlijker, dan die van van hun verblijf bij de geheel vreemde en van hen afgekeerde Chamiteu in Egypte.
Maar God zal ziju volk ook in de strafplaats niet verlaten; hij zal hen bijstaan door de zending zijner profeten.
HOOFDSTUK II.
ZENDING DER PROFETEN.
Ten tijde der ballingschap leefden drie der groote Profeten, nl. Jeremias, Ezechiël en Daniël. Isasias, die vóór dien tijd geleefd had, voorspelde in zijn tweede gedeelte dien ongelukkigen tijd, die over zijn volk en zijn land zou komen.
Jeremias leefde te Jerusalem tot aan den ondergang dier stad, toen liet hem, Jer. XL, 40, de overwinnaar de keus mede te gaan naar Babyion, waar hij hem grootehjks wilde doen eeren of te Jerusalem te blijven bij de weinige Joden, die daar nog mochten blijven. Do profeet verkoos het laatste, maar werd eenigen rijd nadien, naar Egypte vervoerd, en God stolde hem hier als wachter bij dat groot deel der Joden, dat hierheen gevlucht was.
364
Ezecliicl werd reeds met de eerste gevangenen naar Babyion vervoerd, en lijj moest te Tell-Abib verblijven, waar die Joden waren, die niet in Babylon woonden.
Daniel bleef te midden der verbannenen in Babylon. Zoo had God aan elk dezer groote mannen eenen wachtpost aangewezen, om bij zijn volk liet geloot' aan den éónen, waren God staande te houden. Onophoudelijk klonk de stem van Ezechiël; Gij zult het weten... de heidenen zullen het weten, dat ik Jehovah, uw God, de eenige God ben. Het kwam zoover, dat zelfs Nabuchodonosor, na de uitlegging van den droom van het standbeeld door Daniël, uitriep. Dan. II, 47: TVaarlijk uw God is de God der goden.
Wat wij I lier in het voorbijgaan willen aanstippen, omdat wij later erop neer zullen komen, is de brief geschreven door Jeremias aan de Joden te Babylon; de eehtlieid en juistheid van dien brief, die aan het einde van Baruch VI wordt aangeliaald, is bewezen uit de archeologische ontdekkingen. Daarin worden de Joden gewaarschuwd tegen den indruk, dien de praal en pracht der gouden standbeelden, de feesteljjkheden van den Chaldeeuwschen godsdienst en hunne luisterrijke optochten of processies met de godenbeelden op hen zouden kunnen maken.
Xog moeten wij hier opmerkzaam maken op eene zekere wending in den Mozaïschen godsdienst; tot hier werd het voorschrift van geene afbeeldsels te maken ten stipste waargenomen door de godvruchtige Joden; nu komen daar eensklaps die heerlijke visioenen van Ezecliicl en Daniël, om langzaam den overgang tot den Messias voor te bereiden. En om de Israëlieten in hunne ware leer staande te houden, voegen de profeten de belofte van God aan alles toe, dat zij wederom bezit zullen nemen van het beloofde land, en dat de ballingschap slechts tijdelijk zal zijn.
En werkelijk Jehovah bleef de hoop dor Joden ; er waren afvalligen onder hen, maar daartegenover stonden de vruchten, dat nl. de eenheid van God meer bij het Chaldeeuwsch volk beiron in «ranquot;-
O O o
tc vinden, en aldus nu reeds den weg baande tot het latere Christendom. Lao-tse, J'ythagorus, Plato enz. hadden hunne begrippen over de godheid en drie-eenheid te danken aan de ballingschap van do Joden to Babyion. Kern Eik, De Wetenschap enz, Ienz.
Wij zullen hieruit die punten verhandelen, die hunne bev estiging gekregen hebben uit de archaelogie.
üüö
HOOFDSTUK III.
VISIOEN DER CHERUBIJNEN.
Hot visioen, waarmede Ezeehiël zijn boek begint, heeft eene nieuwe helderheid gekregen door de ontdekkingen onzer eeuw.
Feer, Les ruines de Ninive, etc. G7â70: âTe Kiiorsabad vindt men bijna geen anderen dan van stieren. Deze reuzenbeelden zijn zoodanig laags en in den wand aangebracht, dat de helft ervan slechts in relief uitgewerkt is. Deze stieren staan rechts en links langs den binnenmuur der ingangsdeur, zoodat zij er de zijkanten van maken, terwijl luiiine voorzijde als het ware den deurstijl moet verbeelden. Komt men van buiten om naar het paleis te gaan, dan ziet men hen van voren met hun menschelijk gelaat en de twee voorbeenen van eeiien stier in staande houding. Gaat men binnen, dan ziet men hun profiel of zijkanten, maar alsof de dieren in gaande houding waren. Daarom heeft de beeldhouwer hun vijf beciien gegeven, de beide achterste in gaande houding, de beide voorste een weinig vooruit in staande houding, maar aan den voorkant van de binnenzijde langs don wand een vijfde been in gaande houding. Komt men nu van voren, dan ziet men dit laatste been niet, en staat men van terzijde, dan ziet men het langs don wand staande binnenbeen niet, zoodat men steeds een dier met vier beenen voor zich heeft, en niet een monster met vijf. Het menschelijk hoofd is gedekt met eenen mijter in kegelvorm, bezaaid met sterren, en met drie boven elkander liggende rijen hoornen, die om den mijter loopen, waarboven een ronde rij van vederen, liet gelaat heeft gewoonlijk een schoone uitdrukking, met eenen langen gekrulden baard. Ook de hoofdharen zijn gekruld, alsmede zijn gekrulde haren aangebracht op de borst, den rug en in de zijden; de staart is ook gekruld.
âAan de schouders ontspringen ontplooide vleugelen, die zich ter hoogte van het hoofd verheffen en het bovenste deel van het lichaam bedekken. Alles tot zelfs de ooren is als het lichaam van eenen stier, het gelaat en de vleugels alleen uitgezonderd. Om den ingang nog meer te versieren, waren behalve de twee stieren der
:Ui6
deur, nog twee dergelijke reusachtige beelden, maar van kleiner afmeting, aan weerskant naast de deur op den buitenmuur aangebracht. Deze twee stieren, die reeds van verre in het oog vielen, waren op hunne zijkanten voorgesteld, in gaande houding wanneer men naar het paleis ging, en in staande wanneer men aan den dorpel der deur was. Zij hebben even als de boven aangehaalde vijf' beenen, en verschillen van hen slechts hierin, dat hun gelaat niet in de richting van liet dier staat, maar naar buiten gewend de aankomenden aanziet.quot; Men vond ook veelal leeuwen, in plaats van stieren.
Zoo hebben wij gewoonlijk aan elk paleis der stieren. Ezech. J, 5. Bij uitzondering heeft men op den buitenmuur verderaf van de deur nog twee stieren aangetroffen, in dezelfde houding nis de laatst beschrevenen, maar hunnen rug naar deze wendende; maar in dit geval bevindt zich tusschen de beide met het hoofd van elkander afgewende stieren, welke allen slechts tiree vleugelen hebben, een reusachtig menschenbeeld, dat eenen leeuw tusschen do armen dooddrukt en ric.r vleugelen heeft. In dit geval hebben wij acht voorstellingen, nl. vier aan elke zijde van de deur, drie stieren en een mensch.
Toen Layard het eerst zulk een beeld opdolf, stond hij werkelijk verbaasd; wanneer dan de groote geleerden van onzen tijd vol verwondering voor dat grootsche stonden, welken indruk moest dit dan niet maken op de Joden, die voor het uiterlijke meer voor indrukken vatbaar waren, naarmate hun geest binnen beperkter grenzen bepaald was! Daarom moesten de profeten hen doen begrijpen, dat Jehovah grooter was, dan al dat grootsche wat zij daar onder de oogen hadden. Kan het ons dan, na het gegevene, verwonderen, dat Ezechiül, die te midden van dat grootsche verbleef, ook aan dat reusachtige zijn punt van uitgang ontleende!
Josephus, Ant. Jud. VIII, 424: âNiemand kan verklaren, wat de cherubijnen van Ezechiël waren.quot; Hieron. Comm. XXV, c. 19; âAlle Joodsche synagogen blijven stom in de verklaring van Ezechiël; zij zeggen, dat liet den mensch te boven gaat het visioen der cherubs te verklaren.quot; Dit kan ons niet verwonderen, omdat de voorstellingen der Assyriërs en Babyloniërs, waaraan dit visioen ontleend was, diep bedolven lagen onder de puinhoopen der steden van de oevers van Tiger en Euphraat, en eeuwen zijn verloopen,
:W7
alvorens oen Botta, een Layard, enz. zijn opgestaan, om het daglicht in die monumenten te doen doorschijnen.
Men ga echter niet liet boek Ezechiël in de hand naar liet Assyrisch museum van liet Louvro te Parijs, en het enkele gezicht der gevleugelde stieren zal meer ophelderen, dan de beste beschrijving. Daar ook vindt men de voorstellingen van Ez. VIII, 10: âIk ging binnen en aanschouwde, en ik zag allerlei afbeeldingen van vormen en dieren, en de afgoden van liet huis van Israel waren rondom op de muren geschilderd.quot;
Saulcy, llist. de l'art jud. 20: âHet zou moeielijk zjjn niet verrast te worden door de treffende overeenkomst en gelijkenis, die er bestaat tusschen de symbolische wezens der Schriftuur en de gevleugelde stieren met menschengelaat, die ons uit de ruïnen van Xinive zijn weergegeven, ik voor mij twijfel niet of de Keru-bim der Hebreërs waren gelijk aan de symbolische stieren der Assyriërs.
Ezechiël X, 20 zegt, dat hij toen eerst vernomen had, dat de dieren van zijn visioen den naam droegen van kenihini; vóór dezen tekst noemt hij ze niet. In het begin van dit werk hebben wij reeds gezien, dat ook dit de naam was der gevleugelde stieren, kirubi. I)ij de Assyriërs was alap en kirub gelijknamig, beide voor stier; zoo ook noemt Ez. 1, 10 hen .so/-, stier, en X, 14 kerub.
De profeet had tweemaal een visioen der cherubijnen, het eerste aan de oevers van den Chobar (Khabur), het tweede aan de tempelpoort van Jerusalem, waarheen hij in den geest vervoerd was. lljj noemt hen hai/ól, dieren, dus niet menschelijke figuren. Zijne kirubi verschillen echter van die der Assyriërs; deze laatste waren gevleugde stieren met menschengelaat en heetten kirubi, of gevleugelde leeuwen met menschengelaat en heetten niryalU. Die dieren van Ezechiël waren op de eene zijde leeuw en op de andere stier, gevleugeld en met menschengelaat.
De dieren van den profeet hadden elk vier panim, dit vertaalt de Vulgaat door facies, gelaat; dit woord beteekent echter ook âuiterlijk, figuur, vorm.quot; Daarom zou ook de meening misschien niet verkeerd zijn, dat elk dier een viervoudig uiterlijk, een vier-voudigen vorm had, dien nl. van een stier, van een leeuw, van
36«
eenen arend (de vleugels) en van eenen menseh (her gelaat).
De gezanten van God in het Oude Verbond namen steeds een punt van uitgang bij datgene, wat het volk onder do oogeu bad. God doet Mozes eenige zaken ontleenen aan de Egyptenaren, zooals de kleeding van den lioogepriester en eenige zaken benoonigd voor liet otteren; daarna vinden wij in Palestina wederom de meeste zaken ontleend aan de omgeving van dat land; en zoo laat God zijnen profeet nu weer zijne gelijkenissen nemen uit de omgeving in Assyro-Chaldea. â Tot nog toe is echter in Assyrië en Babyion niet of slechts bij enkele uitzondering een meerhoofdig beeld gevonden, terwijl deze beelden niet zeldzaam zijn in Egypte, Griekenland en Italië. Daarom zou het vreemd zijn, ofschoon niet onmogelijk, dat de profeet een ander type nam, dan wat hij onder oogen had.
Gaan wij nu verder de vormen na der kirubi, dan vinden wij nogmaals veel gelijkenis. Ez. I, 7 : Hunne voeten stonden recht en hun voetzool was als de voetzool van oen rund, en zij schitterden als gepolijst metaal, liet eerste hebben wij reeds aangetoond in de beschrijving der kerubi; en die dieren welke uit het paleis van Sargon naar het Louvre vervoerd zijn, hebben werkelijk glimmende voeten.
De samenstelling bij Ezechiël van stier en leeuw baart geene moeielijkheid, dewijl in de paleizen de eene kant der deur soms versierd was met eenen stier, kirub, en do andere met een nirgal, leeuw; omdat nu de dieren slechts voor de helft in relief waren (halfverheven beeldwerk), zag hij, die zich tusscheu beiden bevond, op den eenen kant den leeuw van voor tot achter op de eene zijde, en insgelijks den stier op de andere zijde, maar beiden slechts voor de helft; zoodat men een geheel dier half stier en half leeuw zou gehad hebben, wanneer men beide helften van den wand had genomen en tegen elkander gezet.
Ezechiël geeft aan zijne cherubijnen vier vleugels. Op de monumenten vindt men geene dieren, maar wel menschen met ricr vleugels, zooals wij boven hebben beschreven. Menschenhanden, zegt de profeet, kwamen van onder hunne vleugelen te voorschijn. Monumenten naar deze voorstelling zijn zeldzaam; echter in het Britsch Museum bevinden zich twee nii'galli, leeuwenbeelden, met handen.
;}69
llug, handen en vle jgcls, zegt Ezechiël, waren met hïh bezet. De Vulgaat verhaalt dit ain X, 12 door oculi, oogen. 1'uxtorf, Lex. hebr. et. cliald. ain, saepius oculas, metaph. fons, superficies, color, vooral genomen voor het uiterlijk eeuer kleur. In dezen zin zijn vele in allerlei kleurschakeeringen geëmailleerde baksteenen gevonden, liet zou kunnen aangenomen worden, dat die doelen beschilderd waren met de sehoone kleuren welke men aantreft in het oog der pauwveder.
Hij de Assvro-Chaldeërs was alles grootsch, in sehoone maar ruwe trekken weergegeven. Dat volk was bovenal oorlogzuchtig, wreed in het behandelen der overwonnenen, maar door en door van godsdienst doortrokken. Hieruit is dan ook gemakkelijk de ware bedoeling hunner kirubi en nirgalli al' te leiden. Hun men-schelijk hoofd is kalm en majestueus, en moest het begrip, de kennis beduiden ; de vleugelen van den adelaar, de vlugheid ; de stier, de schepping, de voortbrenging; de leeuw, de kracht. Alzoo hebben wij God die zich zeiven en alles kent en weet, die schept en machtig is en zich met adelaarssnelheid beweegt, alzoo alom tegenwoordig is. Hun hoofddenkbeeld was echter de kracht, die zij onberispelijk weergaven in de zware spieren van den stier en den leeuw. Door dit denkbeeld bleven zij verschoond van de laagheid, waartoe de Grieken in hunne godsvereering daalden, die alles zochten in de sehoone vormen van het menscheljjk lichaam, en daardoor allengs tot den Venusdionst kwamen.
Op de tweede plaats beschrijft Ezechiël 1,15â21 en X. 12â13 de yalyal, raderen, maar hieromtrent leveren ons tot heden de monumenten geene inlichting.
Derdens zegt Ez. ï, 22: âBoven het hoofd der dieren was de gelijkenis van een uitspansel, het uitzicht hebbende van een schrik-kehjken ijsspiegel en dit was uitgespreid boven hunne hoofden, Onder het firmament waren hunne vleugelen uitgespannen, de eene naast de andere; elk dier, van den eenen kant, had twee vleugelen, die het bedekten, elk, van den anderen kant, had twee vleugelen, die zijn lichaam bedekten.quot;
De Chaldeeuwsche kirubi hebben op eiken kant slechts een
24
:57('
vleugel, die hun lichaam bedekt, en deze vleugels reiken niet tot aan het gewelf, ofschoon men zou zeggen, dat zjj het willen steunen. Zij stonden als men ze van voren zag, zjj gingen, als men ze van terzijde bezag.
Na deze voorafgaande schildering geeft de profeet eensklaps aan dat alles beweging, en beschrijft dan Hem. die op den troon zit. Ezech 1, 20, 11, 1 en VUT, 2: âEn ik beschouwde, en ziedaar een aanzien, als de gelijkenis van vuur, van zijne lenden en daar beneden een uitzicht als vuur, en van zijne lenden en daarboven, als eene gelijkenis van schittering, als het uitzicht van hasmal quot;
Er zijn zeer vele monumenten ontdekt met afbeeldingen van den Oppersten god der Chaldeërs. Het monument in het Britscli-Museuin te Londen geeft de volgende voorstelling. Tn eenen van liet hoofd tot het onderlijf reikenden ring of krans staat eene menschelijke figuur, hoofd en borst tot aan de lenden, eene hand zegenend uitstrekkende, en in de andere eenen boog houdend. Beneden do lenden, binnen en over de lijst van den krans, zijn vlammen en stralen; boven de lenden, tot en met het hoofd, maar buiten den krans zijn eveneens schitterende stralen en vlammen.
Hier vinden wij voor het eerst in het Oude Verbond God weergegeven door eene menschelijke figuur. Ezechiël kan ook tot punt van uitgang voor deze beschrijving weer genomen hebben, datgene wat hij en de Israëlieten dagelijks onder oogen hadden, nl. die Chaldeeuwsche afbeeldingen of beter gezegd voorstellingen van de Opperste godheid. Wij moeten echter bemerken, dat de profeet steeds herhaalt en nadruk legt op: als het uitzicht, als de gelijkenis, als den vorm.
Het woord hamnal, dat men alleen bij Ezechiël aantreft, wordt in de Vulgaat vertaald door electnau, hetgeen de meesten houden voor (turiclidJcion, een samenstelling van goud, zilver en koper. Volgens de Assyrische monumenten schijnt het eiiKttl te beduiden. De Grieken kenden wel elektron, metaal uit goud en zilver samengesmolten, maar geen email, zij hadden alzoo ook geen woord om dit weer te geven bij de Septuaginta.
Place, Xin. et 1' Ass. II, 250 beschrijft hoe aldaar het email gemaakt werd, en zegt vervolgens p. 253: âHet email van Ninive, van middelbare kwaliteit, heeft op verre na niet de waarde van dat van Babyion. Dat van Xinive heeft meer weg van een opge-
371
legd glazuur, omdat hot niot diep genoeg is ingebrand... Do fragmenten onlangs te Babylon ontdekt, toonen ecu uitstekend omail, zeer vast in den baksteen, het heeft een schitterenden glans en kan in sterkte wedijveren met die van porselein.quot;
Aurichaleum is tot heden in de monumenten niot ontdekt.
Place, ib. 252: âDe hoofdkleuren van hun email zijn het blauw en liet oranjegeel, het eerste voor den grond, liet tweede voor liet voorspringende, als personen, dieren, kleederen, boomen enz. Groen en zwart zijn zeldzaam; wit diende alleen voor groote en kleine rozetten en raamljjsten.quot; De goddelijke figuur was alzoo oranjegeel of goud, en de troon als achtergrond blauw.
Wjj mogen echter aan de Schriftuur on hare hemelsehe voorstollingen niets afdoen, en aan de archaeologie te veel toeschrjjven; deze laatste dient alleen om ons op eenige punten in te lichten.
HOOFDSTUK IV.
VOORSPELLING VAN EZECHIëL TEGEN EGYPTE.
Na do verwoesting van Egypte voorspeld te hebben, zegt Ezechiül XXtX, 10: âDaarom kom ik tegen u en togen uwe stroomen, en ik zal het land Egypte tot eono woestijn maken, vanaf Migdol (de noordelijkste sterkte) tot Sycne (de zuidelijkste grensstad van Egypte).quot; Xa vervolgens gezegd te hebben, dat Xabuchodonosor, koning van Babyion, wegens zijne bestraffing van Tyrus geen loon ontvangen heeft, daarom, vervolgt hij, li): âIk zal aan Xabuchodonosor het land Egypte geven, bij zal zijne rijkdommen weg nemen, hij zal liet uitrooven, hij zal het plunderen.quot;
Josephus, Ant. jud. X, 7 en C. Ap. I, 11) zegt, dat Xabuchodonosor niet alleeii Egypte innam, maar ook den koning doodde en oenen anderen op den troon stelde. Wiedemann, Zeitschr. f. aegypt. Spr. 187S p. 5 zegt. dat do juistheid van Josephus door
de monumenten bewezen wordt; Megasthones, Indien,, verhaalt, dat Nabuehodonosor LybiO en Iberië veroverde. Deze trok op tegen Egypte in liet 27ste jaar der ballingschap van Ezecbiël, in 572. Toen regeerde in Egypte Ilophra (Apries, Ouhabra) die in 571 na den verloren veldslag vermoord werd, volgens Kopper, Encyel. door zijn eigen volk gewurgd; ditzelfde bij Alioli in Jer. XLIV, 30, volgens Herodotus.
liet beeld van Nes-Hor, alsdan gouverneur te Elephantine, geeft het volgende over dezen veldtocht van Nabuehodonosor tegen Egypte; Kircher, Obeliscl aegypt. 127 :
Ik heb mij een beeld doen opdchten, daardoor zal mijn naam altijd duren; hij zal niet vergaan ia den tempel, omdat ik gezorgd heb voor het huis [der goden], toen dit te lijden had van do vreemde troepen der Amu [dc Se mi ten] van de volken uit het noorden, van die uit Azië, de ellendelingen .... die [kwaad bedreven hebben] in hunne gedachte; want het bovenland [Opper-Egypte] aüoopen en verwoesten lag in hunne gedachten. De vrees voor zijuo Majesteit was klein. Zij voerden de plannen uit, die hun hart iiad gesmeed. Ik liet hen niet komen tot Ta-Keus Brugsch. Geogr. Inschr. 1,150 : Kenus, hoofdstad van dit district bij de eerste watervallen van den Nijl]; ik liet hen naderen tot de plaats, waar Zijne Majesteit was. Zijne Majsstcit bereidde bun oene nederlaag.
Alzoo was do voorspelling van Ezechiël vervuld; de Assysiërs waren doorgedrongen tot aan den eersten waterval bij Syene, de grens van Ethiopië.
Uit dien tijd zijn ook twee cylinders in Babyion gevonden met den naam Apries in Egyptisch loofwerk, de eenige van dien aard, die men kent, en die dus de betrekking bevestigen tusschen Nabuehodonosor en Apries.
Het 37ste jaar van Nabuehodonoser, koning van het land [Babyion .... [trok] ik naar Egypte [Misir] om slag te leveren. [Ama]su [Amasis] koning van Egypte, verzamelde zijne troepen.... hij deed optrekken .... de kusten der zee .... tribuut midden uit liet land Egypte .... 15000 man, paarden en strijdwagens....
Deze krijgstocht tegen Amasis, opvolger van Apries, had plaats in 570 en was alzoo verschillend van dien tegen Apries in 571 of 572.
In deze tot hieraan ontdekte bewijsstukken zien wij wederom de waarheid der Schriftuur bevestigd, tegen de eeuwenlange loochening van den krijgstocht van Nabuehodonosor tegen Egypte, volgens Ezechiël.
TWEEDE AFDEELING. Daniël.
HOOFDSTUK I.
ZENDING EN BOEK VAN DANIel.
Gelijk voorheen Mozes aan liet hof van Ramses in Egypte werd opgevoed, zoo werd thans Daniël opgevoed in hot paleis van Nabu-ehodonosor. Ofschoon Mozes, Joseph en Daniël vele trekken gemeen hebben, is hunne zending toch zeer verschillend.
Daniël is geroepen om gelijk Ezechiël bet monotheismus ongeschonden tc doen bewaren, te midden der gevaren bij de heidenen; dan moet hij de Joden doen begrijpen, dat de Wet ook buiten Palestina verplichtend is tot aan do komst van den Messias; eindelijk moet bij de vernederde Joden troosten door de voorspellingen van den Messias.
Het boek Daniël bevat zes geschiedkundige en zes profetische hoofdstukken, daarenboven twee hoofdstukken over Susanna, en Bel en den draak. Do eerste hoofdstukken behandelen zes onderscheidene historische tijdperken, om daaruit te bewijzen, dat do God van Israël de ware God is, die zijne getrouwen nooit verlaat, en lion, die de heilige zaken ontwjjden, streng straft. Ditzelfde doel ligt ook in de profetische hoofdstukken, en wel zoo, dat wij met Zündell 40 moeten zeggen: wij kunnen dit boek afdeelen, maar niet scheiden. Er ligt alzoo een eenig plan in het geheele boek, waaraan zelfs geen afbreuk wordt gedaan door de tweeërlei taal, waarin liet geschreven is. Een gedeelte toch van het boek Daniël was oorspronkelijk geschreven in het Hebreeuwsch en liet ander in Arameesch, de taal van het land Aram of Syrië.
Yigouruiix, La Dible etc. IV, 42'J: .,De aanwending der twee
:574
talen bewijst, dat dit boek ten tijde van Daniël is gesclireven, want alleen te dien tijde spraken de Joden gemakkelijk de twee talen. Een falsaris zou zeker in eene enkele taal geschreven hebben.quot;
God openbaart ook bier de toekomst door zjjnen gezant met zaken, die bet volk onder oogen bad; b. v. de vier groote rijken door gond, zilver, koper, ijzer en klei, waaruit het beeld bestond. Daarenboven zien wij daar schoone wonderen gebeuren, en deze zullen door de Assyrisebe epigrapbie schoon bewezen worden.
Lenormant, La divination etc. 170: ,,ik moet bekennen, dat ik langen tijd vermeende, dat de bewijzen van Corrodi, Eichborn, Jalin, Gesenins, de Wette, Lengerke, Ewald en lützig togen het boek Daniël, onomstootelijk waren. Ik deelde hunne meening en heb die uitgegeven. Enkel en uitsluitend wetenschappelijke reden hebben mij van meening doen veranderen, en de gegevens dei-traditie aannemen. Mijne nieuwe overtuiging berust oj) de studie der sanskrit-teksten, welke tot nu toe aan ons oordeel ontbraken, en welke men nu noodzakelijk moet nazien. liet getuigenis dezer teksten is in waarheid, een onmisbaar element in den strijd.quot;
De voornaamste verdedigers van Daniël zijn: Keil, Auberlen, Delitzsch, Zündel, Birks, Pusey, Speil, enz.
HOOFDSTUK II. OPVOEDING VAN DANIëL.
Nabuchodonosor maakte zich op last van zijn vader Nabopo-lassar, in liet dorde jaar der regeering van Joakim, koning van Juda, meester van Jerusalem, en voerde een deel zijner bewoners mede in ballingschap; GOG v. Chr. Onder deze gevangenen was Daniël, een jongeling van koninklijk geslacht, niet mirder uitstekend in begaafdheden als door geboorte. Daniël met uog drie
:i75
zijiior lotgenootcn, nl. Ananias, 3Iisael lmi Azarins worden uitgekozen om hunne opvoeding te ontvangen in de Babylonische paleis-school. Deze manier van handelen vinden bij reeds bij Sargon, die oenen zekeren liolibni aan zjjn hof had laten opvoeden, en van wien Sennacherib zogt, dat lijj hein na de verovering van Chaldea op den troon zotte:
13. liclilmi, zouii v;iii ccuüii wijzen, uit het geslacht van Suaima [Babylon], tlie van af een klein kind in mijn paleis was opgevoed, stelde ik over het koninkrijk der Sumir en der Akkad.
Dat was gebeurd in 702, nadat Merodach-Haladan van Babylon verslagen was.
Ook kregen deze vier jongelingen Chaldeeuwsche namen, volgons bestaand gebruik; zoo deed reeds voorheen Assurbanipal met l'sammoticus van Egypte:
64. En ik gaf aan zijnen zoon Xahusezibani, te Hathariba, wiens naam is Limir-patesi assur, een koninkrijk.
liet onderzoek heeft geleid tot do ontdekking, dat Assurbanipal te Niiiivo oenc biblotllook liad laten aanloggen, voornamolijk bestemd voor de onderwijzers en leerlingen in hot paleis. Deze kleiaarde boekdeolen bevatten spelboeken, taalboeken, woordenboeken, enz.
Menant, La bibl. du pal. de Nin. 40: ^Zij bevatten voorstellingen, zooiils die. welke heden nog op onze lagere scholen in gebruik zijn. De teekons staan in drie kolommen; in het midden het uit te leggen toeken, rechts do betoekonis van tien klank, links die van het begrip (phonetisch en idoographisch toeken), weergegeven in oen Assyriscli woord... De Juniviten, die zich reeds vroegtijdig op do drie tot vier honderd teekons van hot Sumerisch schrift toelegden, leerden gemakkelijk de teksten in do twee talon geschreven lezen... Onder Assurbanipal dreigde het Sumerisch te verdwijnen, maar was nog niet vergeten en noodzakelijk.quot;
liet Accadisch was echter nog moeiehjker en reeds eene doode taal, maar toch onontbeerlijk, omdat in deze taal do godsdienstige, astronomische on magische boeken waren geschreven. Daniël zegt dat men in die scholen ging om âde boeken en de taal der Chal-deërs te loeren.quot; Die taal verschilde van die dos Bjjbels, welke laatste eigenlijk Aranu'ixch was.
376
Dc naam van Daniël werd veranderd in Beltsassar, Assyr. Balatsu-usur; die van ^lifiael in Meisak un van Ananias in Sadrak. Jjcnormant, La divin. etc. ITS beweert, dat al de in de Daniël aangehaalde woorden volmaakt Babylonisch zijn, maar dat de twee laatste onherkenbaar bedorven zijn door de copisten. Abad-Xego staat voor Abcd-Xebo.
Aspenazar was rab-saris, een titel bekend uit de belegering van Jerusalem. Deze had onder zijn bestuur een onderhoofd, wiens naam niet genoemd wordt, maar wel zijne betrekking: .Melsar (Malasar), Assyr. massaru, hoofdman, prefect.
De geschiedenis van Susanna staat in den Griekschen tekst vooraan in Daniël. Dit was de eerste proeve van wijsheid van den jongeling; zij had plaats, naar liet sclnjnt, in het derde jaar der Babylonische ballingschap. Joakhn, dc echtgenoot van Sussana was idet de koning Joakim van Juda, want deze leefde niet in,Chaldea, noch Joachim (Jeclionias) omdat Daniel geen jongeling meer was, toen Jechonias gevangen naar Babyion werd gebracht.
]IOüFDSTi:K III.
EERSTE DROOM VAN NABUCHODONOSOR.
Lenormant, Langue primit. de la Chaldée, 330: âDaniël II, 4 moet men aldus vertalen: De waarzeggers antwoordden aan den koning: (Arameïsch). Dit wil zeggen: hetgeen volgt is in Aranreïsch geschreven, maar niet: de waarzeggers antwoordden in Arameiseli.quot;
Van hier tot aan het einde van het zevende hoofdstuk is het boek Daniël in Arameïsch geschreven.
Xabuchodonosor zag in eenen droom een groot beeld : zijn hoofd was van goud, borst en armen van zilver, buik en lenden van koper, boenen van ijzer en de voeten deels van ijzer, deels van klei.
Dir. alles is zuiver Uabylonisch. Vooreerst de bezorgheid om den droom te herinneren. Onder het opzicht van droomen waren de
Assyriürs en ChaUleürs niet minder bjjgeloovig dan de Egypte naren.
Lenormant, La divination eliez les Chaldéens 127 : Diodorus van Sicilië zegt. dat de Chaldeërs de droomen uitleggen als wonderlijke voorspellingen der toekomst. Die uitlegging was aan geregelde wetten onderworpen en behoorde tot de wetenschap. De voorteekens der droomen waren begrepen onder die, waarover een oud werk handelde, waarvan Assnrbanipal een afschrift in zijne boekerij van Xinivé had doen neerleggen...
âVolgens liet verhaal van Jamblichus, gingen te Babyion de vrouwen slapen in den tempel van Aphrodite, d. i. Zarpanit, om droomen te bekomen, die men dan opschreef en waaruit de waarzeggers de voorspelling der toekomst trokken.
âVolgens eenige inschriften waren in Assyrië en vermoedelijk ook in Chaldea â de Assyriërs waren immers in dit alles slechts navolgers en leerlingen der Chaldeërs â zieners, mbru, -die door de goden vooral met profetische droomen begunstigd waren. Het lijdt geen twijfel dat deze, gelijk het bij tallooze en zelfs wilde volken gebeurt, gebruik maakten van verdoovings- en be-dwelmmiddelen.
âZieners en ziensters gelijk Ea-bani in het verhaal van Izdubar, waren steeds aan zekere tempels verbonden. Do Assyriërs deden hunne droomen opschrijven naast de geschiedkundige feiten; onder dit opzicht is niets zoo wonder als de jaarboeken van Assnrbanipal; vooral in het verhaal omtrent Te-Oumman, koning van Elam, die de uitlevering vroeg der prinsen van zijne familie, die naar Assyrië gevlucht waren, en welke hij van samenzwering verdacht; hierin spelen de profetische droomen de hoofdrol.quot;
Onder Assnrbanipal en na hem werden de zieners of waarzeggers als liooge geleerden beschouwd, maakten een zekere kaste uit en hadden grooten invloed. Zij hadden wetenschappelijke regels opgesteld voor alle mogelijke bjjgeloovigheid, en zeer langen tijd daarna was het woord Chaldeër nog synoniem met waarzegger en toovenaar.
Do geleerde waarzeggers en toovenaars van Babyion zijn in vijf afdeelingen verdeeld; deze vinden wij in de Schriftuur en eveneens iu de magische boeken van Babyion; zij zijn de kasdini de astrologen, de '/u^rini de voorspellers, de hurtiuiiiin de bezweer-
378
dors, de lialcoiiiiin de gcnoeshcercn, do u^iphiin du godenkenners.
Dan II. 14 spreekt van den rab-tahhaluiijijii^ hoofd der scherprechters, die iiier Arioch heet. Dienzelfden naam vinden wij ook bij Jeremias, waar hij Xabuzardan heet, waarschijnlijk de voorganger van Arioch, die dezelfde betrekking bekleedde. Volgens Lenormant, ibid. 198 vindt men verscheidene malen op de documenten den naam Ariku als eigennaam.
Tut hiertoe is alles zuiver Babylonisch, en geen schrijver had den plaatselijken toestand zoo zuiver kunnen weergeven, of hij moest, gelijk Daniël, van dit alles ooggetuige zijn.
Maar ook de droom op ziehzelven vnn den koning was niet minder Babylonisch dan do voorafgaande bizonderlieden. Xabucho-donosor had, zooals wij reeds meermalen bemerkt hebben, eenc bizondere voorliefde voor gebouwen, want hierover handelen de meeste zijner monuineiiten. Eenzelfden hartstocht bezielde hem voor beelden, die in Babyion zeer schaars waren, zooals uit de ontdekkingen bleek. Daarom liet hij bij alle overwonnen volken de godenbeelden ontvoeren en naar Babyion brengen, gelijk overigens de koningen der naburige landen ook deden.
In zijnen tweeden oorlog tegen Ummanaldas, koning van Elani, verhaalt Assurbanipal, de vroegere koning uit liet naburig Assy-risch rijk:
75. iSusiuiiq, de god van liunuc orakels, die dc hagen bewoonde, 7(). Tan wien niemand liad gezien het aanschijn Ipsit 77. Samud, Lagamar, J'artikira,
quot;S. Ammankasibar, Uduran en 8apak,
79. van welke de koningen van Elani aanbidden dc godheid,
bO. Jlagiba, Simgursara, Karsa,
SJ. Kirsainas, Sudun, Aipaksina,
52. J3ilala, J 'aiiiutimri, Silagara,
53. Napsa, Nabirt en Kindakarb,
84. deze goden en deze godinnen met huuno versierselen,
85. hunue rijkdommeu, hunne have,
8(). alsook de priesters, die hen aanbidden, ik voerde naar Assvrië, 87. Twee en dertig beelden (salam) van koningen, gemaakt, van zilver
(kamp), goud (huras), brons (ent),
SS. en albast (samulrub), van Susa,
VJ. van Aladakt en van liuradi enz.
379
Uit dit insclirift blijkt niet alleen de voorliefde dier koningen voor beelden, maar er komen dezelfde stoffen, goud, zilver, koper in voor, als in het beeld van den droom van Nubuchodonosor. Uzer en klei wordt wel is waar niet genoemd, omdat beiden als van geen waarde geteld werden; maar bij de opdelvingen zijn vele aarden beelden aan het licht gekomen.
HOOFDSTUK IV.
HET GOUDEN BEELD IN DE VLAKTE DURA.
De profeten moesten vooral waken dat het Joodsclie volk niet in afgoderij viel, waartoe vooral aanleiding kon geven do plechtige herhaalde omgangen of processies met de godenbeelden, waarvan verschillende voorstollingen op de monumenten gevonden zijn. Uit deze blijkt ook de groote eer, die de Babyloniërs aan die beelden bewezen, en do oostersche praal en pracht dier ceremonies was zeer verleidend voor do Israëlieten met hun weinig ontwikkeld geestesgemoed, dat daarom des te eerder door het uiterlijke werd medegesleept.
De Babelsche kunst leverde veel half verheven beeldwerk, maar weinig beelden, en daarom waren de laatsten des te meer in aanzien en cere. Steenon beelden zijn weinig ontdekt; het assyr. museum van hot Louvre bezit er echter nejjen; gebakken beelden
o 7 O
zijn meer ontdekt; deze verbeelden meestal goden en godinnen,
als Xebo, Istar, Mylitta of üoltis, Dagon, de vischgod, enz. Over
den omgang daarmede, een voorbeeld:
Den overvloed van scliattcn der landen heb ik opgehoopt (zegt Xobu-chodonosor)
55. rond de stad, dit werd geplaatst als versiering,
ófi. toen bij het feest van Lilmuku, in het begin van het jaar,
57. don achtsten dag en den elfden dag,
5S. de goddelijke vorst, de godheid van hemel en aarde, de heer god, 59. men er verhief.
H80
00. Het beeld van tleu goil El, de sclioouheid der sfeer,
61. ineii draagt mot eerbied;
02. men ontplooit de seliatteu voor haar.
J)o inwijding van liot beeld van Nabuchodonosor zou echter des te pechtiger zijn, naarmate dit meer uitmuntte in grootte en schoonheid. Het beeld (de beeldzuil?) â¢\velke men verlangde, dat uok Ananias, ^fisael en Azarias zouden aanbidden, was van goud en zestig ellen (meer dan dertig meters) hoog, en zes ellen (drie nieters) breed.
Nocb hoogte, noch gewicht van goud kunnen ons verwonderen. Diodorus I, 88 beschrijft met eene treffende juistheid, die hij aan een Babelsch document moet ontleend hebben, de drie beelden, die tot aan den roof van Xerxes de pyramide van Babyion E-Sag-gadu kroonden, en die met de ervoor geplaatste altaren en andere bjjbehoorende zaken, een totaal aan goud bevatten van 5,850 talenten, d. i. 143,550 kilogram, alzoo eene waarde in gewicht van 215,338,500 gulden Xederl. Herodotus verhaalt, dat in het binnenste heiligdom van de pyramide Borsippa, welke hij bezocht, voor Xerxcs een massief gouden beeld was van twaalf ellen hoog. Lenorniant geeft het volgende uit de inschriften, id. 192:
//liet goud dat iu de maand tasrit, de geheime raadsheer (tukulluc) en de hoofdman van het paleis [aba hikal] mij hebbeu doen overgeven, drie talenten zuiver goud, en vier talenten zuiver goud, in de handen van den rab daninu, het goud voor het beeld des konings, voor het beeld der moeder van den koning, is niet gegeven aan de werklieden . Dat de koning, mijn heer, bevel geve aan den geheimen raadsheer en aan den hoofdman van het paleis het goud over te geven, vau het te geven van nu af binnen eeu maaud aan de lieden, en dat zij dit zorgvuldig volbrengen.quot;
Zeven talenten zijn 212 kilogr. en 100 gr.; 318, 150 gulden licht, en 636,300 gulden zwaar talent.
Nabuchodonosor had Egypte en Voor-Azic doen uitplundoren, en vroeger hebben wij gezien hoe rijk beide streken aan goud wareu. Volgens Berosus, Fragm. 14 besteedde hij liet grootste deel daarvan ter versiering der tempels on in Cuneif. inscr. of W. As. 1, 53 zegt die koning zelf op een monument, dat hjj âin zuiver goud van een onmetelijk' gewichtquot; een monumentaal altaar' liet beslaan voor de pyramide van Mabylon, en dat hij het geheele bovengedeelte binnen in het heiligdom van de pyramide Borsippa
:i.sl
tleotl bokleeden âmet geslagen goud, schitterend als het morgenen avondrood/'
âAlzoo, zegt Lenormant, id. 196 is niets onwaarsclijjnljiks meer voor het gouden beeld van Daniël. Het draagt het zegel van dat tijdperk.quot;
Daniël geeft 11J, 1 de maat aan van het monument, en zegt niet dat het alleen een beeld was, en daarom naar de Babylonische bevindingen oordeelende, kunnen wij hot even goed aanzien als eene zuil waarop het beeld stond, dus een beeldzuil. Meer nog: volgens diezelfde bevindingen kon het een aarden beeld zijn, met goud bekleed, en dan vervalt alle twijfel evenals elke opwerping.
De vlakte Doura of Dura in de provincie Babylon, heeft tot lieden haren naam bjjbehouden. Verlaat men Babylon in zuidoostelijke richting, dan komt men aan verscheidene droge kanalen, en na bijna twee uur gaans aan een ouden waterloop, Nahr Dura. Vervolgens komt men aan eene één uur ver uitgestrekte heuve-lenrij, Tulul Dura, heuvelen van Dura geheeten, waarbij de Nahr Dura uitkomt. Daarachter liggen nog naast elkaneer twee heuvelen. Daarvan zegt Oppert, Exped. etc. I, 239:
âDe kleinste heuvel heet el-Mokhattat, de geregelde heuvel, en hij verdient werkelijk dien naam, omdat hij ter hoogte van zes meter een bijna zuiver vierkant van 14 meters aan de oppervlakte vertoont; hij ligt naar de vier hemelstreken en is hooger op de hoeken dan in het midden, welke nog bestaan uit metselwerken, die vroeger een geheel vormden; deze metselwerken bestaan uit gebakken brikken van 15 centimeters dikte. Men ontwaart er nog de luchtgaten... Als men dien heuvel ziet, wordt men onmiddellijk getroffen door zijne overeenkomst met het voetstuk van een ontzaglijk beeld, en men is overtuigd, dat zich hier het standbeeld bevond, waarvan Daniël ons de overlevering bewaard heeft.quot;
HOOFDSTUK V
DE MUZIEK TE BABYLON.
Lenormant, La divin etc. 100: âOndei'Assurnazirpal bekleedden de muzikanten nog sleclits eene geringe plaats bij do feestelijkheden... Onder de Sargoniden daarentegen ontmoeten wjj ze telkens onder de bas-reliefs, en op de inschriften zijn zo veelvuldig vermeld. Assurbanipal zegt:
Ik haalde Duiiau eu zijue broeders midden uit de stad Sapibel, en als buit nam ik zijne vrouw, zijne zonen, zijne dochters, zijne bijzitten, zijne muzikanten mannelijke [nis lain] en vrouwelijke [sal labiquot;. ... de muziekinstrumenten van zijn paleis (naganti ekalsu). Met de muzikanten van Elam en Gambul, muziek makende [nin guti] trok ik Ninive binnen.
Omtrent dit en verdere inschriften over de muziek van Babyion, Smith, Ilist. of Assurb. 131 â134.
liet boek Daniël vermeldt zes muziekinstrumenten: de trompet, romeinsche vorm, reebt; de puit, dubbele Huif; de Egyptische was enkel; de cither of harp, ecu rechtstaand bout verbonden aan een horizontaal stuk met negen tot tien snaren bespannen en door een band aan den bals gedragen. Later werd zij niet meer driehoekig, maar meer recht gemaakt en dit hoofdstuk bestond uit eene ronde van gaten voorziene klankkast, en ongeveer 17 snaren; de sambuka, een ander soort van harp met vier snaren, zij gaf alleen hooge toonen; de pmlterion, pesanterin, de huidige santur van het oosten, bestaat uit een klankkast niet minstens tien snaren; do si/iuphonie, de sampogna der huidige Italianen.
Daniël voegt daarbij: en allerhande muziekinstrumenten. Men vindt op de voorstellingen, behalve de zes opgenoemde, nog vele andere muziekinstrumenten, waaraan men geen naam weet te geven, omdat men heden dergelijke niet meer kent; wel herkent men de lier, de gitaar, de trom, de handtrom en de koperen bekkens of cy inhalen.
Layard, Nin. a. Bybyl. 455: âEen bas-relief uit den tijd van Assurbanipal stelt een troep van 11 muzikanten en 15 zangers voor. Onder de eersten bespelen zeven de harp, en twee do dub-
;58:-5
I)p1o fluit, een liet pesar.teriu eu een ander de kleine trom of tubbul. Dit zijn allen mannen, onder welke zes eunuchen, herkenbaar aan hot gemis van den baard; de vijftien zangers bestaan uit zes vrouwen en negen kinderen, die den zang begeleiden met handgeklap. De drie eerste muzikanten houden eenen voet omhoog, alsof zij op de maat dansten.
Op andere monumenten vinden wij gevangenen, die instrumenten bespelen.
Dat onder do muziekinstrumenten bij Daniël grieksche en andere uitheemsche namen voorkomen, bewijst niets anders, dan dat de Babyloniërs, die zooveel van muziek bielden, en die reeds van den tijd van Sargon de âJavanuquot; de Joniërs kenden, terwijl Sennacherib de Grieken op Ciliciü versloeg, dat die alzoo in betrekking stonden met de Grieken en andere lauden en van hen eenige gezochte instrumenten betrokken, die misschien het eerst door de gevangenen bespeeld werden, die dit dan aan de Babyloniërs leerden, of wil men liever, eerst aan de Assyriërs, van welke de overheerschers van Babyion bij den val van Xiuive alles hadden overgenomen.
Dit eene is zeker, dat iemand die vier honderd jaren later, het boek Daniël had willen schrijven, onmogelijk alle bizonder-heden had kunnen weergeven, zooals zij bij Daniël staan opge-teekend, en heden na bijna drie duizend jaren zoo treffend dooide ontdekkingen bewezen worden.
HOOFDSTUK VI. DE JONGELINGEN IN DEN VUUROVEN.
Alle waardigheidbekleeders van hot hof van Nabuchodonosor moesten dezen vergezellen naar de inwijding van het beeld in de vlakte van Dura.
Lenormant, La divin. etc. 198: âGeen enkele titel wordt hier opgenoemd of bij komt overeen met eene ware Assyrische bena-
384
ming' bij de opsomming in de documenten van Assyrië en Jiabylon. Twee daarvan bestaan zelfs nog in liet Ottomansehe rijk, n\.pahnt eu sakan, pacha en kihaya. Als dit boek onder Antioclius Epiphaues was opgesteld, dan hadden wij daar eenige Grieksclie namen moeten vinden, minstens dien van strategos, generaal, die terstond daarna in de Semitische talen werd opgenomen, zooals de Arameësche inschriften bewijzen.quot;
Daniël was bij de inwijding niet tegenwoordig, misschien voor zijnen vorst op reis. Zijne drie metgezellen, die hooge staatsambten bekleedden, waren erbij; en toen zjj weigerden het beeld te aanbidden, werden zij door de op hun ambt afgunstige Babyloniers aangeklaagd bij den konng.
Alle tempels en alle inschriften van Xabuchodonosor getuigen van diens groote vereering voor zijne goden. Niets erger kon hjj zich denken dan een vergrijp tegen zijne goden. Om hunne ongehoorzaamheid werden de drie jongelingen tot den vuurdood veroordeeld. Deze straf was niet nieuw. Smith, iüst. of Assurba-nipal, 157 :
Duiiau eu Nebozalli, mauneu dio bevel voerden t,c Gamlml, die tegen mijno goden groote verwenschiugen hadden uitgebracht, te Arbeles rukte ik hunne tong uit; ik stroopte hunne huid af. Men wierp Dtman tc Xliilvc in eenen vuuroven (eli maskasi) en men verbrandde hem geheel en al.
Eenzelfde lot onderging Saulmagina wegens den opstand tegen zijn broeder. Smith, ib. 104:
Saulmagina, mijn weer.spanuige broeder, die tegen mij oorlog voerde, in do vlammen van een hevig vuur {ina ma-kil isati ariri) wierpen zij hem.
De vuurdood in den oven was in Assyrië en Chaldea alzoo geene zeldzaamheid; hij was echter onbekend in Palestina, en ook de Machabeïsche broeders werden in het rijk der Seleuciden niet in eenen vuuromt verbrand.
De gewijde tekst noemt het foltertuig uftuni; dit wras een soort smeltoven in vorm veel op een romeinschen gelijkende. Smith, Diet, of Antiq. 546. Hij had van boven eene wijde opening en langs den benedenkant eene deur, waarlangs het gesmolten metaal kon wegvloeien.
Chardin, Voyage en Perse, IV, 271» verhaalt, dat het gebruik van zekere veroordeelden in eenen oven te verbranden in 10G2 nog in Perzië bestond, alwaar hij te Ispahan twee hiertoe ingerichte ovens op openbare pleinen zag staan.
385
HOOFDSTUK VII. KRANKZINNIGHEID VAN NABUCHODONOSOR.
Nabuchodonosov had andermaal oenen droom, en ook nu weer moest Daniël hem uitlea'sen; deze kondiffde hem de krankzinnia:-
O 7 O O
held aan. Eenige bizonderheden, die in de proclamatie voorkomen, duiden Daniël als den opsteller aan van de proclamatie, die Xabu-chodonosor. Dan III, 98 (31) aan het volk richtte. Wij weten reeds welk gewicht do Chaldeërs aan droomen hechten; ook kennen wij meerdere hunner proclamaties als b. v. een van Assurbanipal aan de bewoners der kusten van de Perz. golf; Smith, ib. 189;
Ordauuaus van den kouiug aan clc bewoners der kusten der zee, en aan de zonen mijner dienaars. Vrede aan uwe harten, gezondheid! Ik waak oplettend enz.
Wij kennen Xabuchodonosor als een trotschen vorst; dit stuk van hem getuigt van niet minder trots, en ofschoon hij de macht van den God van Daniël looft en prijst, geeft hij toch zijn polytheismus niet prijs, want in ditzelfde stuk zegt hij van Daniël dat hij hem Baltassar heet ânaar den naam van zijnen god âBel,quot; en tot driemaal toe spreekt hij uitdrukkelijk van zijne goden, IV, 5, G, 15. Hij blijft dus na als voor, een vurig vereerder van Bel, Merodach, Nebo enz. Ook had hij den raad van Daniël niet gevolgd om den waren God door goede werken te verbidden; een jaar nadien werd hij met eene bekende krankzinnigheid geslagen, nl. de lycantliropie. Bij deze ziekte verbeeldt zich de mensch, dat hij een wolf is, waarvan haar naam, of elk ander dier.
Brierre de Boismont, Des hallucinations, 383; âDe oorsprong der lycantliropie klimt op tot de oudste tijden van het heidendom. Herodotus verhaalt hiervan vele voorbeelden. De H. Augustinus zegt dat in Italië zekere vrouwen zich door een soort vergift in eenen paardentoestand veranderen. Maar deze zonderlinge inbeelding verspreidde zich vooral in Europa in de veertiende en vijftiende eeuw. De cynanthropen en de lycanthropen verlieten hunne woningen om zich naar de bosschen te begeven, zij lieten hunne nagels,
25
a86
haar en baard groeien en in hunne woestheid doodden zij ongelukkige kinderen, die zij verslonden.quot;
Zulke waanzinnige spreekt niet meer, maar handelt en doet in alles gelijk het dier, dat hij zich verbeeldt te zijn. Zoo verbeeldde zich I^abuchodonosor, dat hij een os was; hij verliet zijn paleis en verbleef waarschijnlijk gedurende dien tijd in de paleistuinen, waar hij gras at als de dieren; de phytophagie is bekend. Deze waanzin is niet ongeneesbaar, en toen dan die tijd der ziekte voorbij was, gelijk Daniël voorspeld had, nam hij weer bezit van den troon, waarover de hoofdbeambten zeer verblijd waren, omdat die groote vorst zooveel voor Babyion en zijn rijk gedaan had. Daarna gaf Kabuchodonosor zijn proclamatie bij Dan III, 9S uit. Wanneer wij die vergelijken met de andere documenten van hem, dan vinden wij ze eenzelvig van spreekwijze en vorm.
De groote aanhaling van Nabuchodonosor, Ree, of the past, V, col IX, I, 47 noemt Merodach: âden 11eer, den groeten lieer, den goeden lieer, het hoofd der goden, den verhevenen, den aller-hoogsten,quot; enz.
Abydenes zegt van Nabuchodonosor, dat hij profeteerde van af een terras van zijn paleis en den ondergang van zijn rijk voorspelde; alzoo gelijk Daniël IV, 27.
De documenten van Babylon vermelden dat Xeriglissor, schoonzoon en tweede opvolger van Nabuchodonosor, in zijne ofticiëele documenten den titel van koning van Babyion geeft aan zijn eigen vader Bel-sum-iskun, welke naam echter niet op de konings-hjsten voorkomt. Deze heeft dus niet regelmatig geregeerd en kan tocli niet anders dan ten tijde van Nabuchodonosor gesteld worden. Daarom moet hij regent geweest zijn gedurende de krankzinnigheid des konings.
Oppert, Eyped. en Mesop. I, 18(J: Neriglissor was fab-inaf/; hij stond alzoo aan het hoofd der kaste van de geleerden, de erfgenamen der oude Chaldeeuwsche wetenschap, die dezen naam droegen. Daar alles in deze kaste door erfrecht verkregen werd, moest zijn vader ook rah-tiuiy, d. i. hoofd, geweest zijn. Deze hoofden waren rechtens regenten bij afwezigheid des konings. Vandaar dat hij zich zeiven, of wel later zijn zoon hem den titel van koning gaf.
387
Hierop schijnt Nabuchoclonosor te zinspelen, als hij ze^'t: BIk herkreeg mjjn verstand; do waardigheid van mijn koningschap, mijne heerlijkheid en de glans van mijn rijk teerden mij tenujge-yeven... ik werd op mijnen troon hersteld. Dan. IV, 33
Berosus Fragm. 14 zegt uitdrukkelijk, dat dc kaste der rab-mcuj het regentschap uitoefende bij den dood van Kabopolassar, in afwachting van do teragkomst van Nabuchodonosor van zijnen krijgstocht naar Syrië.
Xabuchodonosor stierf op ongeveer tachtigjarigen lecffijd te Babyion, na ccnc regeering van 44 jaren, in 5lt;)1 v. Chr.
HOOFDSTUK V1J1.
OPVOLGERS VAN NABUCHODONOSOR.
Daar dc tijd- en lotgenooten van Daniël alles wat te Babyion gebeurde, onder oogen hadden, was het niet noodig dat de profeet zaken aanhaalde, die niet rechtstreeks aan zijn dool verbonden waren, en daarom gaat hij eensklaps over op Baltasar.
Het laatste inschrift van Xabuchodonosor dagtcckent van de oerste maand, Xisan, van liet drie en veertigste jaar zijner rogee-ring; het eerstvolgend inschrift dagteekent van de zevende maand, Tisri, en draagt den naam van Avil-Marduk.
Deze Evil-Merodaeb zoon en opvolger van Xabuchodonosor regeerde slechts twee jaren, hij stelde den ongelukkigen koning Joachim of Jechonias van Juda in vrijheid. Hij werd vermoord door zijn zwager Xergal-sar-ussur, Neriglissor, die eene samenzwering tegen Evil-Merodach had gesmeed. Die Neriglissor is waarschijnlijk de rah-nuuj van Jeremias XXXIX, waar de Vulgaat heeft 3: Xeregel-Sereser, Reb-mag, lees: Xeriglissor rabmag. Hij regeerde van 550 tot ööti, en deed niets dan eenige gebouwen verfraaien.
:588
Zijn zoon Labasimarduk (Labosoarcliod bij de Grieken) werd wegens zijne boosaardige inborst vermoord door de hovelingen ; deze stelden Nabunahid (Naboned) op den troon; zijn vader was rab-mcuj. Naboned was niet van koninklijke familie, maar huwde volgens Oostersch gebruik mot eene dochter van Nabuchodonosor, waarschijnlijk de weduwe van Labosoarcliod.
Maar nog voordat Naboned op den troon was gekomen, was in de naburige landen eene groote verandering ontstaan. Do krijgshaftige stam der Perzen had Susiana bemachtigd onder het geslacht der Achameniden. Op Kambyses I volgde in 558 zijn zoon Cyrus II, die togen de opperheerschappij der Meden in verzet kwam, en in 550 hunnen koning Astyages gevangen nam. Medië met Perzië vormden voortaan het Perzisch rijk, dat zich tot aan den Halys uitstrekte.
Cyrus wilde Asie veroveren, en Xaboned trachtte het Mesopotamische Haram te herwinnen, en ging daarom een verbond aan niet Kroesus van Lydië. Kaboned beijverde zich om Babylon to versterken; hij liet den Euphraat, die tot nu toe vrij door do stad stroomde, indijken met hooge briksteenen muren, hier en daar met openingen voorzien, waarin hij bronzen poorten liet aanbrengen; aldus Berosus en Herodotus I, 180.
Kroesus werd door Cyrus verslagen, en wat dan volgt, zegt ons het volgende potaarden tablet, ontdekt in 1879.Pinches,Transactions of the Soc. of Bibl. Arch. Ylf, 156 enz.
Astuvegu (Astyages) verzamelde ziju leger eii trok op tegeu Cyrus, koiiing van Ausau, maar ziju leger kwam iu opstand en leverde lieiu uit aan Cyrns. Cyrus uam in het land Ecbatana, de kouiugstad, het zilver, liet goud en de bezittingen. Hij voerde ze van Ecbatana en nam ze te Ansan, de goedere.i die hij geroofd had.
Het zevende jaar was de koning Naboned iu do stad Teva; de zoou dss konings, de olüieren van ziju leger te Aecad. De kouing ging niet naar Babylon; Ncbo ging niet naar Babylon; Bel ging niet erheen; zij brachten voor den vreden een offer der slaehtolfers in Bit-Saggatu en Bit-Zida, aan de goden van Babylon en Borsippa; er werd een opzichter benoemd ever den tuin en over liet paleis.
Achtste jaar.
Het negende jaar was de kouing Naboned te Teva, de zoon van den koning, de officieren ou de krijgers waren te Accad. De koning iu de maand Nisan ging niet naar Babyion; Kebo ou Bil gingen niet naar Babylon; men bracht een offer voor de zonde. Brandoffers voor deu vreden werden iu Bit-Saggatu
H89
en Bit-Zida aau do sodcn vau Babyion en Borsippa gebracht. Den vijfden dag van de maand Nisau stierf de moeder vau deu koning, die in eene sterkte en een kamp was op den Eupliraat achter Sippara; dc zoon des koniugs en zijne krijgslieden hielden drie dagen rouw en beweenden haar. In dc maand Sivan was rouw voor de moeder dos koniugs in het land Accad. In de inaaud -Sisau verzamelde Cyrus, koniug van Pcrzie, zijn leger cu trok beneden Arbcles over den Tiger en in de maand lyar, in het land Is .... zijn koniug, het geld dat hij verzamelde, zijn eigen kroost....
Het elfde jaar was dc koning to Teva; de zoon des koniugs, dc oflicicrcu en do krijgers waren te Accad. In de maand Elul ging de koning niet bij Bol, men bracht oen offer voor do zonde; men bracht braudofifers iu Bit-Sag-gatu en Bit-Zida aau dc goden vau Babyion cu Borsippa.
Hier is do plaat erg geschonden, maar men kan toch eruit opmaken, dat het volk van do lOddellandsche Zee in opstand kwam, en dat de koning, die zich tot heden zoo weinig om de goden bekommerd had, omgangen deed houden, waarin Bel, Zamal-mal on do goden van Kis (Ilymer), Deltis en de god van Kharsak-Kalama worden rondgedragen. Dan volgt:
Op het einde van de maand Elnl daalden af de goden van Accad .... die boven cu bonoden Babylon waren. Dc goden van Borsippa, van Cutha cu van Sippara daalden niet neder. Cyrus, ecu veldslag te Rutum, (op eenigen afstand ten zuiden van Baby Ion) tegen.... Van dc rivier Nizallat te midden van het leger van het land Accad.... Dc mannen van Accad kwamen iu opstand. Do krijgslieden van Cyrus namen don veertienden dag, Sippara, zonder gcvccht. Naboned vluchtte. Don zestienden dag daalde Ugbaru (Gohryas bij Hcrod.) gouverneur van hot land Gutium, on hot leger vau Cyrus, zonder slag naar Babyion. Daarna nam hij Naboned gevangen en kluisterde hem. Op het ciude van de maand Tamiuur, sloten de opstandelingen van het land Gutium dc poorten van Bit-Saggatu; tor zijner verdediging was in Bit-Saggatu niets geplaatst, noch in de tempels en ecu enkel wapen was er niet. In do maand Arah Samnu (achtste maand, Oct. Nov.) don derden dag kwam Cyrus naar Babyion. Dc wegen voor hem waren donker. Hij stelde den vrede in do stad. Cyrus beloofde don vrede geheel te Babylon. Ugbaru zijn gou-voruour en lagere gouverneurs stelde hij aan in Babylonie, en van af dc maand Kislov tot do maand Adar bracht men do goden uit hot land Accad iu hunne heiligdommon terug, die Naboned naar Babylon had gezonden. Den elfdon dag van do achtste maand was oen eclips (?) Ugbaru naar.... cu dc koning stierf. Van af den zeven en twintigston dag vau de maand Adar tot don derden dag van do maand Nisan was rouw in Accad. Door dcu dood van zijn hoofdman was al hot volk vrij. Don vierden dag stelde Cambyses, zoon van Cyrus, con feest in, in don tempel van den scepter der wereld.
Flieruit volgt dat Cyrus do stad Sippara, Sopharvaïni in don Bijbel, waar toon dc koning was, zonder slag of stoot overmees-
;59ü
tcrdc. De koning vluchtte, maar werd twee dagen later gevangen genomen, den zestienden Tliammur, door Ugbaru. Nadat het leger van den zoon des konings in Accad verslagen was, trok Cyrus naar Babylon en nam de stad in, in het zeventiende regeerings-jaar van Xaboned. Maar hiermede is ons onderzoek niet ten einde.
HOOFDSTUK IX.
BALTASAR.
Daniël zegt dat Baltasar, en niet dat Naboned te Babyion heersehte, toen Cyrus die stad innam. Daar wij genoegzaam de gebruiken van liet oosten kennen, levert dit in 't geheel geeiio moeielijkheid op.
Naboned was, zooals wij gezien hebben, een usurpator, gehuwd met de dochter van Xabuchodonosor. Om alzoo vaster op den troon te zitten, maakte hij zijiien zoon zoodra mogelijk mederegent; dezen zoon noemt hij zelf Bel-sur-usur, Baltasar. Deze Baltasar zelf zegt tot Daniël V, 16: âgij zult de derde vorst in het rijk zijn;quot; nlzoo was Naboned de eerste en Baltasar de tweede; daar staat ook niet âin mijn rijk.quot;
Fox Talbot, Ree. of the past, Y, 140: Op eenen cylinder van Xabonides, gevonden te Mugheir (Ur) lezen wij Col. f:
Naboned, koning van Babylonic, hersteller van Bit-Saggatu enz. Dan volgt zijne aanhaling over herstellingen van bouwwerken, en Col. II reg. 19:
Mij zclven, Naboned, koning van Babylon, bewaar mij in de vrees van uwe groote goedheid. Verleng mijn leven voorspoedig gedurende lange dagen, en dat van mijnen eerstgeboren zoon Bel-sar-nsur (Baltasar), aan mij ontsproten enz.
Naboned verhaalt alzoo dat zijn zoon Baltasar heette; Xenophon verhaalt dat Naboned na zijne nederlaag niet naar Babyion, maar naar Borsippa gevlucht was; Daniël vermeldt, dat Baltasar als
391
tweede vorst te Babylon heersclite. Alzoo is de zaak geheel klaar. Ook in liet vorig hoofdstuk zagen wij, dat de zoon des konings steeds aan het hoofd der Babylonische troepen stond; ditzelfde vinden wij op eenen cylinder van Cyrus, waarover later.
In 1S7C had liet water van den Euphraat een ruïnenheuvel van Ilillah omgespoeld en eeiiigc vazen bloot gelogd, waarin drie tot vier duizend documenten waren, de oudste uit den tijd van Sennacherib, de jongste uit dien van Darius: allen zijn gedagteekend en zij werpen een groot licht op de toenmalige chronologie. Zij worden genoemd naar eene familie Egibi, die er gedurende twee eeuwen in voorkomt.
Tot aan de ontdekking van het sanskrit, had men voor de chronologie niets anders dan den kanon van Ptolemus, Grieksch sterre-kundige uit liet midden der tweede eeuw van onze jaartelling. Maar do inschriften hebben bewezen, dat daarin vele namen van koningen ontbreken, o. a. van die welke minder dan éen jaar geregeerd hebben. In deze vindt men ook niet Mardnk-sar-usur, die in de collectie Egibi, thans in het Britsch museum voorkomt.
Boscaven, Babyl. dated Tablets in de Transact etc. VI, 25: âIs deze Marduk-sar-usur dezelfde persoon als Bel-sar-usur ? Het eerste bewijs hiertegen, getrokken uit de verschillende benaming, heeft weinig kracht, wanneer wij in herinnering brengen, hoeveel Assy-rische koningen eeneu dubbelen naam dragen, wanneer slechts do naam van den god veranderd is, als Hin-ahi-iriba en Assur-bani-pal en Sin-bani-pal. In dc familie Egibi hebben wij insgelijks Bel pahir, Nabu pahir- en Bubu-zir-ukin als namen van den vader van Sula. quot;Wanneer wij de innige betrekking betrachten, die bestaat tusschen den Babelschen Bel en den god Marduk, dan wordt deze gelijkheid tusschen de namen nog treffender. De enge samenhang der geschiedenis van Bel met den draak in de tabletten over de schepping, en de geschiedenis van Bel en den draak bij Daniël, is gemakkelijk te vatten; eindelijk de groote tempel van Marduk te Babylon, was zeker dezelfde als de groote tempel van Bel.quot;
De naam van den koning-, die mot Naboned regeerde, volgens de colectie Egibi, nl. Marduk-sar-usur, was alzoo dezelfde als Bel-sar-usur; de eerste beteekent: Marduk bescherme den koning, en de tweede: Bel bescherme den koning.
Ã590
tcrJe. De koning vluchtte, maar werd twee dagen later gevangen genomen, den zestienden Thammur, door Ugbaru. Nadat liet leger van don zoon dos konings in Acead verslagen was, trok Cyrus naar Babylon en nam de stad in, in het zeventiende regeerings-jaar van Naboned. Maar hiermede is ons onderzoek niet ten einde.
HOOFDSTUK IX.
BALTASAR.
Daniël zegt dat Baltasar, en niet dat Naboned te Babylon heerschte, toen Cyrus die stad innam. Daar wij genoegzaam de gebruiken van het oosten kennen, levert dit in 't geheel geenc inoeiclijkheid op.
Naboned was, zooals wij gezien hebben, een usurpator, gehuwd met do dochter van Xabuchodonosor. Om alzoo vaster op den troon te zitten, maakte hij zijnen zoon zoodra mogelijk mederegent; dezen zoon noemt hjj zelf Bel-sur-usur, Baltasar. Deze Baltasar zelf zegt tot Daniël V, 16: âgij zult de (hrdc vorst in het rijk zijn;quot; nlzoo was Naboned de eerste en Baltasar de tweede; daar staat ook niet âin mijn rijk.quot;
Fox Talbot, Ree. of the past, V, 140: Op eenen cylinder van Nabonides, gevonden te Mugheir (Ur) lezen wij Col. F:
Naboned, koning van Babylonic, hersteller van Bit-Saggatu cn/,. Dan volgt zijne aanhaling over herstellingen van bouwwerken, en Col. IT rog. 10:
Mij zclveu, Naboned, koning van Babylon, bewaar mij iu de vrees van uwe groot,c goedheid. Verleng mijn leven voorspoedig gedurende lange dageu, en dat van mijneu eerstgeboren zoon Bel-sar-usur (Baltasar), aan mij ont-sproten enz.
Naboned verhaalt alzoo dat zijn zoon Baltasar heette; Xenophon verhaalt dat Naboned na zijne nederlaag niet naar Babyion, maar naar Borsippa gevlucht was; Daniël vermeldt, dat Baltasar als
391
tweede vorst te Babylon lieersclite. Alzoo is de zaak geheel klaar. Ook in liet vorig hoofdstuk zagen wij, dat de zoon des konings steeds aan het hoofd der Babylonische troepen stond; ditzelfde vinden wij op eenen cylinder van Cyrns, waarover later.
In 187G had het water van den Euphraat een rnïnenheuvel van Hillah omgespoeld en eenige vazen bloot gelegd, waarin drie tot vier duizend documenten waren, de oudste uit den tijd van Sennacherib, de jongste nit dian van Darius; allen zijn gedagteekend en zij werpen een groot licht op de toenmalige chronologie. Zij worden genoemd naar eene familie Egibi, die er gedurende twee eeuwen in voorkomt.
Tot aan de ontdekking van liet sanskrit, had men voor de chronologie niets anders dan den kanon van Ptolemus, Grieksch sterre-kundige uit het midden der tweede eeuw van onze jaartelling. Maar de inschriften hebben bewezen, dat daarin vele namen van koningen ontbreken, o. a. van die welke minder dan éen jaar geregeerd hebben. In deze vindt men ook niet Marduk-sar-usur, die in de collectie Egibi, thans in het Britsch museum voorkomt.
Boscaven, Babyl. dated Tablets in de Transact etc. VI, 25: âIs deze Marduk-sar-usur dezelfde persoon als Bel-sar-usur ? Het eerste bewijs hiertegen, getrokken uit de verschillende benaming, heeft weinig kracht, wanneer wij in herinnering brengen, hoeveel Assy-rische koningen eenen dubbelen naam dragen, wanneer slechts de naam van den god veranderd is, als Sin-ahi-iriba en Assur-bani-pal en Sin-bani pal. In de familie Egibi hebben wij insgelijks Bel pabir, Xabu pahir- en Bubu-zir-ukiu als namen van den vader van Sula. Wanneer wij de innige betrekking betrachten, die bestaat tusschen den Babelschen Bel en den god Marduk, dan wordt deze gelijkheid tusschen de namen nog treffender. De enge samenhang der geschiedenis van Bel met den draak in de tabletten over do schepping, en de geschiedenis van Bel en den draak bij Daniël, is gemakkelijk te vatten; eindelijk de groote tempel van Marduk te Babylon, was zeker dezelfde als de groote tempel van Bel.quot;
De naam van den koning, die met Xaboned regeerde, volgens do colectie Egibi, nl. Marduk-sar-usur, was alzoo dezelfde als Bel-sar-usur; de eerste beteekent: Marduk bescherme den koning, en de tweede: Bel bescherme den koning.
392
Rawlinson, ïlio five great anc. num. TIT, 70; â Daar Naboned eerst de dochter van Xabuehodouosor gehuwd had na zijiie troons-beklimiuiug, kon Baltasar eerst veertien jaren zijn, toen bij medekoning werd. Tn liet derde jaar der mederegeering van Baltasar werd Babyion ingenomen.
Baltasar was alzoo nog jong en weinig rijk aan ondervinding, toon Cyrus Babylonie beoorloogde. De koningin-moeder, Dan V, 10 was zijne raadgeefster, en de stad was zoodanig versterkt, dat Cyrus, volgens Herod. 1, 190, wanhoopte haar met geweld in te nemen. Daarom bedacht Cyrus cene krijgslist; hij trok den Euphraat op tot op zekeren afstand, en liet slechts een gedeelte van zijn leger voor de stad. Dan deed hij door zijne soldaten kanalen graven om het water van den Euphraat af te leiden, ten minste voor zooveel, dat de rivier voor eenige uren doorwaadbaar werd, om dan daarlangs de stad binnen te dringen. Om zijn plan ten uitvoer te brengen, wachtte hij oenen feestdag af, waarop hij wist, dat de gehecle stad zich aan buitensporigheden zou overgeven. Midden in den nacht, toen geheel de stad dronken jubelde, leidde do Perzische koning eensklaps hot water in do kanalen, en zijne soldaten drongen in do stad. Dan. V, 30; Jerem. LI, 39; Herod. I, 191; Xenophon, Cyrop. VT, 10; VTT, 15â33.
Do godspraak van Jeremias ging in vervulling, en Daniël ging aan Baltasar den nabijzijnden ondergang verkondigen; dit gebeurde aan liet feestmaal dat Baltasar bij gelegenheid van dit feest aan do duizend voornaamste personen der stad gaf.
HOOFDSTUK X.
HET FEESTMAAL VAN BALTASAR.
De Assyriërs, van welke de Chaldeërs do zeden en gebruiken hadden overgenomen, leveren ons verschillende monumenten mot voorstellingen van feestmalen. De gasten zitten telkens met vier aan eenc afzonderlijke tafel, twee on twee tegenover elkander up
39:?
lioogc stoelen; meestal houden zij in de rechter hand een bokaal, waarvan de voet een leeuwenhoofd verbeeldt. De gedekte tafel is rijk voorzien.
Layard, Mon. of Xin. 1 s. pl. 75; 2 s. 35: âIn de warme landen eet men weinig vleeseli, omdat men zulks voor ongezond houdt; dit gebeurde vroeger gelijk heden, vooral ook omdat het schaars was. Want nit do mom;inenten van Kujundschik blijkt, dat de soldaten, na eone overwinning en na het buit maken van vee, dit in overvloed slachtten en zich eraan te goed deden... Chaldeërs en Assyriürs hielden veel van wijn; de druif werd in die landen op groote schaal verbouwd. Dan. V, 1â5 spreekt ook slechts van wijn drinken.
In zijne dronkenschap en overmoed, deed de zoon van Naboned de gewijde vazen, aan den tempel van .Terusalem ontroofd, aanbrengen om eruit te drinken en zijne goden te verheerlijken. Toen schreef de geheimzinnige hand op hot hentrijksel van den muur.
Kier hebben wij wederom een schitterend bewijs voor do authenticiteit van Daniël. In Assyrio eu lïabylonie bestonden de muren uit gebakken en ongebakken briksteenen; in Xinivc waren zij van binnen met albastplaten, waarop do voorstellingen stonden, bedekt; maar in Babyion werden zij mot een laag opgeloste kalk en gips bestreken ter dikte van drie tot vier millimeters. Place, Xin. et l'As II, 77. Op dit wit bestnjksel, dat zeer hecht en gewoonlijk beschilderd was, schreef de geheimzinniffe hand:
' O O
Mene' .Mono' ïoqêl Ufarsin,
Mene': God heeft berekend (menah) uw rijk, en maakt een einde eraan. â Teqêl: gij /.ijt gewogen (teqilta) op de weegschaal en (te) licht bevonden. â Perês: uw rijk is gedeeld, (perisat) en aan de lieden cn Perzen gegeven.
Terwijl Daniël deze woorden uitlegde, en geheel Babyion beneveld was door het feestvieren, drongen de Perzen boven en beneden de stad door den doorwaadbaren Euphraat in do stad cn hielden op hunne gewone manier huis; ook Baltasar word gedood. Xeno-phon, Cyrop. Vil, 2G.
Jerem. LI, 31: âEen looper ontmoet den anderen, de eene bode den anderen om den koning te berichten, dat zijne stad aan beide
:3!)4
zijden was ingenomen.quot; Ilerod. F, 191 : âDe stiul is echter zoo groot, dat, gelijk de lieden aldaar zeggen, de buitenste doelen der stad reeds in tie handen der vijanden waren, toen de Babyloniers, die in hot midden der stad woonden, daarvan nog niets afwisten, want zij vierden juist een feest, waren lustig en ploizierig, tot zij zulks tot hunnen schrik vernamen.quot;
Overvallen in hunne dronkenschap en onmachtig zich te verdedigen, werden zjj als vee geslacht.
HOOFDSTUK XI.
DANIëL IN DE LEEUWENKUIL.
Dan. V, 31: âEn Darius de Mediür, nam bezit van het rijk in den ouderdom van twee en zestig jaren.
Wie deze Darius, de Medier was, is tot lieden nog niet met volle zekerheid te zeggen uit do monumenten, maar zooals deze trapsgewijze de onbetwistbare waarheid der Schriftuur hebben bewezen, zoo zullen de onverpoosde onderzoekingen ook eenmaal omtrent dezen persoon het volle daglicht doen schijnen. Voorshands moeten wij ons nog tot waarschijnlijke veronderstellingen bepalen; maar men bedenke, dat dit do eerste koer is in geheel do Schriftuur, dat wij dien weg moeten betreden.
Josephus, Ant. jud. X, 4 zegt uitdrukkelijk: âDarius de ilodiër droeg eonon anderen naam bjj de Grieken;quot; maar hij noemt dien naam niet.
Oppert, Le pouplo et les langues des Medès, 107: Xidintabel (usurpator koning van Babyion) neemt don valschen naam aan v in Xabuchodonosor. Do documenten van dozen laatsten vermelden als zoon, Bol-sar-usur, de Belsazzer (of Baltasar) van Daniël, die hem heet Belsazzar zoon van Xabuchodonosor. Het schijnt, dat deze onvindbare koning mederegent was van zjjn vader Xaboned, on dat hij overwonnen werd door oenen veldheer van Cyrus, Darius
395
BSSEgSaquot;
de ilediür, in ccno Clialileemvschc stad, die niet Babylon was.quot;
Civilta cattolica 15 Maart 1884, p. 656, dat Darius de Mediër, Cyaxares was, zoon van Astyages.
Lenormant, Ln divin. etc. '181 meent, dat Darius is die T'gbaru, die als gouverneur van Babylon genoemd wordt, op de tablet aangehaald in boofdst. VIll van deze Afd. Xa de inneming van Babylon regeert Ugbaru, onder den naam van Darius de Mediër, over deze stad; luj voerde als gouverneur oen koninklijk gezag uit. âTk vind, zegt Lenormant, ecne aanwijzing in bet veelbotee-kenend feit, dat op de Babelsche en Chaldeeuwsche contracten in cuneiformschrift, Cyrus eerst in bet derde jaar na de inname van Babyion genoemd wordt âkoning van Babyion, koning der volkeren;quot; in de contracten van bot eerste en tweede jaar beet bij slecbts âkoning der volkeren.quot;
Alioli in Dan. V, 31: Darius do Mediër beet volgens de (rriek-scbe gescbiedscbnjvers, Cyaxares 11, zoon van Astyages.
Kaulen, Ass. u. Bab. 227: âReeds in bet jaar der inname van Babyion wordt Kambyses, do zoon van Cyrus, als deelnemer in de to Babylon aangerichte godsdienstige feestelijkheden genoemd. Vader en zoon zochten do eigenaardigheden en de zelfstandigheid der Babyloniers te verschoonen; op keilschrift-documenten voert Cyrus tot titel âkoning van Babyion en der overige landen.quot; Evenzoo komt Kambyses op de inschriften voor als âkoning van Babyion.quot;
T
Bij het vorige moeten wij ons bepalen tot op don een of anderen dag eene nadere ontdekking de zaak opheldert.
Wegens zjjne bizondere begaafdheden stond Daniël weldra ook in hoog aanzien bij den nieuwen regeerder van Babyion, hetgeen bom lievige vijanden verwekte, ilie zijnen ondergang besloten. Omdat Daniël weigerde te voldoen aan bot Medo-Perzisch edict, werd hij in de leeuwenkuil geworpen. Dit was ook eene inheem-sche straf, die in onzen tijd nog bestaat in Marokko. Smith, Dist of Assurbanipal 166 :
Gelijk Saimacherib ilc vader van mijn vader, zoo liet ook ik, in navolging van hem, de overlevende ineuschen tc midden der stieren en leeuwen werpen.
1
39 fi
In bas-reliefs van Assurbanipal te Londen vinden wij vele voorstellingen van leeuwen en leeuwen hokken, waarin deze zaten.
Leeuwen waren voorheen overvloedig in Babylonie, en ook heden nog leven zij langs den geheelcn Euphraat tot aan Bir en in de geheele vallei van den Khabur, maar zij honden zich het meeste op bij de moerassen van dén henedcn-Euphraat. Layard Nin. a. i. Kern. II, 48.
A\ ij vinden verscheiden inschriften, waarop de koningen hunne jachten op leeuwen vermelden, en anderen, waarop deze dieren voorkomen als schatting der overwonnen volken.
De waarheid van de leeuwenkuil is onbetwistbaar gebleken uit alle mogelijke gegevens.
HOOFDSTUK XII. BEL EN DE DRAAK.
De geschiedenis van Del en van den draak, evenals de visioenen van Daniël, konden onmogelijk door eenen anderen in al hare bizonderheden gegeven zijn dan door hem, die de zaken of voorstellingen ervan onder oogen had. Bij de verwoesting van Ninive en Babyion werd dit alles onder de puinhoopen verborgen, en. sedert was het, zooals wij uit de getuigenis der grootste mannen gezien hebben, bijna onmogelijk om eenig begrip van de gegevens daaromtrent in Daniël te verklaren, totdat God het aan onzen tijd gegeven heeft, om die verloren gewaande zaken wederom voor het daglicht te halen, en liet geheimzinnig boek te openen. Wij willen ons bepalen tot de geschiedenis van Bel en van den Draak.
De groote god van Babylon was Bel, en aan hem evenals aan de andere goden werden dagelijks spijzen voorgezet, die in den nacht geheimzinnig verdwenen. Delattre, Les deux dern. chap, de Dan. 5i3; Nabuchodonosor zegt:
397
Ik bracht dagelijks eerbiedig otters aan Marduk, ik verniccrderde de offers 011 rijke geseheukeii meer dau te voreu. Elke dag was eeu groote eu vette os het deel der goden van Bit-Saggatn en van Babylon. Vissehen, gevogelte, schat der vijvers, honig, melk, eeu uitmuntende olie, zoete wijn, sikar (gegiste drank), wijn getrokken uit de landen Isalla, ïuimiuu, ïsimiui, Hilbunu(Aleppo), Aranabauu, 87 uit Sulia, uit Bet-Hubati, Bigativ, zonder maat, gelijk de wateren der rivieren, waren door mij geplaatst op de pasur (tafelquot;) van Marduk en van Zirbanit, mijne meesters.
Dit bewijst klaar genoeg de geschiedenis vnn Bel bij Daniël. Niet minder bewezen is de geschiedenis van den Draak, Lenor-mant, La divination, etc. 88: âHet serpent of de slang speelt een groote rol in hunne waarzeggingen. Bij de Semiten is nahas de wortel van liet woord slang en van waarzeggen. De slang was bij de Chaldeo-Babyloniers en bij de Assyriërs, een der voornaamste zinnebeelden van Hea, het opperste verstand, de god aller kennis. In den brief van Jeremias. achter de profetie van Barnch, leest men over de afgodsbeelden. Bar. VI, 19: Men zegt, dat slangen hunne harten likken. Deze zin schijnt betrekking te hebben op deze omstandigheid, dat men in eenige tempels van Babyion slangen optrok, die men betrachtte als de tolken der goden en die dienden om de orakels te geven.quot;
De geschiedenis van den draak of Babylonische serpent is geen andere, dan die eener dezer slangen, die in eenen tempel dei-hoofdstad als godheid vereerd werd.
Bij do beschouwing van al het voorgaande, zien wij dat het boek Daniël te Babyion zelve moet samengesteld zijn. Seleukus Nikator verwoestte de tempels en paleizen van Babyion, nadat reeds vóór hem de muren en een groot gedeelte der stad verwoest waren, en legde op eenigen afstand Seleucia aan, dat hij deed opbouwen met de steenen, die uit de puinhoopen van Babyion gehaald werden. Al do monumenten en documenten waren bedolven, en het was onmogelijk, dat een jood dit boek zou hebben kunnen schrijven onder Antiochns Epiphanes. 17Gâ164 v. Chr.
De wetenschap heeft haren dienst aan haren Heer niet schooner kunnen bewijzen, dan zij tot hiertoe gedaan heeft.
398
HOOFDSTUK Xni.
CYRUS.
EINDE DER BABYLONISCHE BALLINGSCHAP.
De ondergang van liet Babylonisch rijk, dien Daniël eerst voorspeld had, en waarvan liij daarna ooggetuige was, werd het door God bestemd tijdperk der verlossing der Joden. Cyrus stond de Joden toe naar hun land terug te keeren.
Tot in 1879 had men slechts twee oorspronkelijke inschriften van Cyrus, buitengewoon kort van inhoud. Nabij het beroemde graf, dat de Perzen noemen Takt-i-Mader-i-Suleiimoi, de troon van de moeder van Salomon, welk graf dat is van Cassandana, vrouw van Cyrus, leest men vijfmaal op de pijlers van Murghab, liet oude Marrhasiou, het tweetalig eenvoudig inschrift, eerst in het Perzisch: âAdam Kurusch, Klischayathiya, Ilakhamanaschiya,quot; dan in het Ansanisch: âU Kuras Unan Akkamannisiya,quot; beteekenend; âIk, Cyrus, de koning, de Achemenide,quot; (afstammeling van Achemenes).
Een tweede inschrift van Cyrus bezaten wij op een briksteen, gevonden door Loftus te Senkereh, in beneden-Chaldea, en heden in hot Britsch museum, waarop men leest: âKuras...banu Bit-Saggatu u Bit-Zidda Abil Kambuziya... dannu anaku;quot; dit beteekent: âCyrus... stichter (bouwer) van Bit-Saggatu en Bit-Zida, zoon van Cambyses... (de koning) machtig, ik.quot;
Deze inschriften, hoe kort dan ook, hadden eene historische waarde; maar niet alleen voor de geschiedenis, ook voor andere bizonderheden is een nieuw document van veel waarde ontdekt in de leute van 1870. Ilormuzd Ilassam was door de administratie van het Britsch museum belast met een onderzoek in de ruïnen van Babylonie, en in die streken, waar voorheen hot Assyrisch gesproken werd. Zijne Arabische werklieden ontdekten eenen cylinder in potaarde, die jammer genoeg, nog al erg geschonden was. Hij was geheel en al met vijf en veertig lange regels beschreven, bevattende bijna duizend woorden inde Assyrisohe taal. Begin en einde ontbreken, maar de middelste vijf en twintig regels hebben bijna niets geleden. Wij laten van deze hier den zakehjken inhoud volgen:
:5i»9
â¢20. Ik ben Cyrus, de opperste koning, de grootc koning, de machtige koning, koning van Babyion, koning der Sumir en der Aecad, koning der vier landstreken; 21. zoon van Cambyses, de groote koning, koning van de stad Ansan, acliter-kleinzoon van Teispes, de groote koning, koning van de stad Ansan. 22. De oude koninklijke familie, van welke Bel en Nebo, in de goedheid van hun hart, de regeering hadden gestennd, verdween toen ik als overwinnaar Babyion binnenrukte. 23. In vrougde en blijdschap vestigde ik in het koninlijk paleis den zetel mijner opperheerschappij, Marduk, de groote god, de oude beschermer der zonen van Babvlonio en .... 2 J-. Mijne uitgestrekte heerschappij werd vreedzaam gevestigd in Babylonie en de nieuwe districten der Snmir en der Aecad.
Hun goede orde werd niet gestoord. 2C. Ik bewaarde de sterkten van Babylon en al zijne vestingen in goeden staat. Ue inwoners van Babyion waren nalatig geweest iu het herstellen van hnn verval; 2Cgt;. de scheuren waren groot, de muren helden over. Ik ondernam het herstellingswerk van het heiligdom van Marduk, den grooten god. 27. Aan mij Cyrus, den koning, zijnen aanbidder, en aan Cambyses, mijnen zoon, den spruit van mijn hart en aan mijn getrouw leger 28. schonk Marduk vriendelijk zijne gunst, en het gelukte ons ook het heiligdom in zijnen eersten staat van volmaaktheid te herstellen ....
Verscheidene koningen wonende iu de versterkingen, 29, die behoorden tot de verschillende stammen die de landstreek bewonen tusschen de Bovenzee (Middel, zee) en de Benedenzec (Perz. golf) met de koningen van Syrië en der onbekende (?) landen van de overzijde 30. brachten mij hot, geheele van hunne schatting tc Kal-Anna (midden in Babylon) en omarmden mijne voeten. Zij kwamen uit .... zoo ver als de steden van Assur en van Istar, 31. van Agade, Isnunnak, de steden van Zamban, Mii-Turnu en Duran, zoo ver als de grenzen van Gutium en de versterking langs de oevers van den Tiger, waar zij sedert do oude tijden gevestigd waren. 32. Ik herstelde op hunne plaats de goden die bij hen woonden en ik wees hun eeue gestadige woonplaats aan. Ik verzamelde al hau volk en deed dit naar hun land terugkecren.
(Men lette vooral op dezen regel 32.)
33. Do goden van Sumir en van Accad, welke Xabonid had verheerlijkt bij de feesten van den meester der goden te Kal-Anna, op het bevel van Marduk, den grooten god, 34. gaf ik eene eervolle plaats in hunne heiligdommen, zooals al de goden in hunne eigen stad eene bezaten.
35. Eu alle dagen bad ik Bel en Xebo, opdat zij mijne dagen verleugen en mijn nageslacht vermeerderen, en herhalen zouden aan Marduk, mijnen heer, dat uw aanbidder, Cyrus de koning, en zijn zoon Cambyses....
Het overige ontbreekt.
Dit stuk is zeker oorspronkelijk, ofschoon het niet door Cyrus of een Perzier van zijn hof is geschreven, omdat deze dit sclirift waarschijnlijk niet konden schrijven. liet is waarschijnlijk gemaakt
40Ã
door de priesters van Babylon, maar deze hebben onder liet oog van Cyrus niet anders dan de waarheid kunnen schrijven, die wel een gedienstige tolk tot zijn beschikking zal gehad hebben. Overigens wordt de waarheid ervan gestaafd door hot aangehaalde in ons hoofdst. VIII van deze afd.
Uit don cylinder van Cyrus blijkt vooreerst dat die koning in het geheel geen monotheist is geworden, of een vernieler der afgoden, integendeel hij schoof de godsdienstleer van Zoroaster, welke de zijne was en dichter bij het monotheismus kwam, op zijde, en maakte den godsdienst dienstbaar aan de politiek.
Tweedons kunnen wij uit het inschrift op dien cylinder opmaken, dat niet, gelijk vroeger, de goden van Babylon als zegeteekens naar Perzië werden gezonden. Wanneer Isaias XL Al, 1 alzoo zegt: âBel nijgt, Nebo valt,quot; dan moet men dit opnemen in de toenmaals aangenomen opvatting: Bel en Nebo, als goden van Babyion, zijn zwakker dan de goden van Perzië, door welke laatste zij overwonnen zijn.
Derdens zien wij dat Cyrus de goden van alle landen evenzeer eerbiedigde en overal voor hen i i hunne oude steden liet tempels oprichten en de geroofde goden herstellen. Daarenboven brak hij met het wreedaardig gebruik van het volk te expatrieeren; integendeel hij zocht en vond de liefde van al zijn volk, doordat Inj al de volkeren de gelegenheid aanbood, om weder naar hun land terug te keeren, zooals wij lezen in regel 32 op den cylinder.
Ten laatste bewijst dit document ten volle de waarheid van liet edict bij Esdras I, 2: âAldus spreekt Cyrus, koning der Perzen: De lieer God des Hemels heeft mij alle rijken der aarde gegeven, en hij heeft mij bevolen hem eenen tempel te bouwen in Jerusalem, in Judea.quot; Dit edict gaf hij in 536 v. Chr.
De Perzische leer van Zoroaster had meer overeenkomst met de godsdienstleer der Joden, dan met het toenmalig heidendom van Chaldea. Daar Cyrus zich voegde naar het heerschend heidendom dier plaatsen en noodzakelijk edicten moest uitgeven om de godentempels te herstellen, zoo lijdt het geen twijfel of hij deed ditzelfde voor de Joden, en daarom is het edict bij Esdreas zeker een afschrift van het oorspronkelijke. Dit blijkt onbetwistbaar uit het opschrift van den cylinder.
401
Cyrus zond, volgens zjjii oigon bekoutcnis. alle volkon naar hunne landen terug, dus ook de Joden, en maakte alzon een einde aan de zeventigjarige Babylnniacho Ballingsr-liap.
Van nu af werden alle overwonnen landen als wingewesten van Perziö bescliouwd; de inl;indst;!io koningen bleven als dusdanig door Cyrus erkend, maar hjj stelde hun ter zijde een satraap, of verantwoordelijk IVrzisch lundvoigil. die zorgen moest, dat alle onlusten in luinnon oorsprong moesten gesmoord worden.
Naar rijdregeliug is de aangehaalde cylinder met zijn opschrift in sanskrit de laatste getuigenis, welke de Assyrische epigrapliie aan de Schriftuur geeft tot heden.
NAREDE.
l)lt;'r Alli'i'lii-il/i/sft' Drlr-mihrid /.â gt;â mis werk' lihinr, iv
zoorern'. hrtrcft lui yrmfr fijdperl.' rt'tiïr 'Ir i/rJioorfe ran oiizm God-(Iflijki')i ZiiHywrilifr.
Van alle hnwijzr.n frr lirrrstiiiiii;/ der lt;ieü(liiedkandige wciarliedcn, die in ons In â zit zijn, hebben ui/ slechts de lirsten (iinii/cJinrdd; en ook onder deze lirhl/rn irij steeds eenii/e enkele Htfi/ekoZfiH, Ojnhd dit werk niet door Inniidrudiijlieid rerrelenil zon irorden.
rildiis ine.den inj het den lezer nun, nen lt;ieesfelijken en den leek. de)! i/eloorii/en en den DiuieliKtriijen.
Den i/cesfelijken m den onhrikki'lden lee.l: zij het eene hnlp, om in deze tijden run ongeloof met te meer krocht het rfifioni(lisinus en de rrijdeni'erij te kunnen uf weren of best rijden, ruh/ens den irenseh, run Onzen H. ]ruiler den 1 'kus Leo, xi n.
â Den oiKjeloopuien zij het een licht oji den d ui stèren wmirop
hem (/lt;â driest rerkondiiide onwniirheden run onzen tijd (/eroeril hebben.
Mof/e. dit werk' onder (rods zeilen, rijke rnichten drihjen roorhquot;! heit der zielen.
J). (â