BIBLIOTHEEK NED. HERV, KERK
--s . cv, ,
VOOR DE KMIKENKAMER M BIJ HET STEREBED.
i
I
S
Al ging ik ook in eon dal der sehaduwe dos doods, ik zou geen kwaad vreezen.
Ps. 23 : 4.
BOEKHANDEL AMSTERDAM. voorheen PRETORIA. HÜVEKER amp; WORMSER.
sm*m
■ H
Nog niet een jrrooi des doods; zelfs nog niet ten doode (jeyrepen; maar zóó. dat toch de dood zijn sombere schaduw reeds over u werpt.
Zoo is liet bij liet sterfbed.
Zoo is het bij den aanvang in elke ziekenkamer.
En daarom moet tegen die macht des doods bij elk sterfbed en in elke ziekenkamer liet geklank van den Vorst des Levens uitgaan.
Vandaar deze bundel met het opschrift: In de Vallei der Schaduwe des Doods. Meditatiën in den trant van wat ik vroeger gaf in Honing uit den Rotssteen; in Dagen van Cioede Boodschap; in den Gomer voor den Sabbath; en in Distel en Mirt. *
Wat we uit vroegere eeuwen voor de krankenkamer en voor het sterfbed als erfenis ontvingen, spreekt niet meer ónze taal; en, boe innig en diep gedacht bet ook zij, toch is liet voor veler oor te stroef geworden. Eer ze den zin vatten, is de bekoring er van voor ben weg. Zoo grijpt het niet aan; sleept niet meer meê; en stemt, noch steunt, noch sticht den verborgen mensch des harten.
En ook, wat, meest uit Engelsche methodistische geschriften
overgezet, als vrucht van het geestelijk leven dezer eeuw tot ons overkwam, was te weinig uit den sappigen wortel van onze rijke Gereformeerde belijdenis opgebloeid, om ons. Calvinisten, die soort lectuur te bieden, waar ons hart om riep.
Vandaar de poging, hier aangewend, om althans iets te geven, dat bij aanvang de bestaande leemte kon aanvullen. Een reeks meditatiën. Eerst, om te weenen met de weenenden, geschreven voor anderen op wier levensweg ik zag dat do Dood zijn sombere schaduw wierp, hetzij ze weer uitkwamen in het vroolijk licht, of de vallei tot aan liet graf toe voleindden; later, nadat ik zelf bij liet graf van een onvergetelijk kind geweend had, uit eigen zielservaring voltooid.
Vinde dit boekske bij menig krankbed een geopend oor. Spreke het menig worstelaar toe in dien bangen strijd, waartegen geen geweer is. En druppele het, ook bij het sterven, en na het heengaan, van wie ons van het hart worden gescheurd, balsem in de wonde van wie achterbleef.
KUYPER.
Amsterdam, 28 Juni 1803.
Bladz.
I. ludicn fjij zonder kasfijcliug zijl........ 1
GocMelflke kastylt;ling.
II. Hij bewnart ulle zijne beenderen........ 5
Ook uw lichaam in Gods hand.
UT. Mijns levens kraeht.............. 9
Uws levens kracht.
IV. De ziel des menschen is een lump des lieeren . . 13
Ziel en lichaam.
V. Van niemand kunnen genezen worden...... 17
De Heere onze Medicynmeester.
\I. Een klomp vijgen.............. 31
Geuezüifj door middelen.
VIL A eel geleden van vele medieijnmeesters..... 35
Onze artsen.
VUL Gelijk een wever zijn web........... 39
Onverwachte dood.
IX. Gaande gelijk hij gekomen was........ 33
Is uw taak voleind?
X. Tot aan de poorten des doods gekomen..... 37
De plage Gods.
XI. De tijd mijner ontbinding is aanstaande..... 41
Mets verzwijgen.
XII. Draag hem tot zijne moeder.......... 45
Het kranke kind.
Bladz.
XIII.. Zij had het hard in haar baren......... 50
Hard in haar baren.
\IV. Kwaad dat krankheid aanbrengt........ 54
Ziekte en zonde.-
XV Smelten als een mot............. 58
Verkwijnen.
XVI. Ren testament is vast in de dooden ...... fil
Uw testament.
XVII. Zoekt den Heere, terwijl Hij te vinden is ... . 65
Bekeering op hot krankbed.
Will. Mijn weeklage veranderd in een rei ......
Weer opgericht.
XIX. De Heere is aan allen goed.......... 71
Rusten in Gods bestel.
XX. Gij hieldt mijn oogen wakende......... 77
Slapelooze nachten.
XXL De geest eens mans zal zijue krankheid ondersteunen. 81
Geestkracht.
XXli. Moeilijke vertroosters............. 85
Moeilijke vertroosters.
X.XIll. Een scherpe doorn in liet vleeseli........ 80
Satan in ons lijden.
XXIV. Ziende op den oversten Leidsman....... ^
Het lijden en de man van Smarte.
XXV. Omdat Hij zijne ziel uitgestort heeft in den dood . 97 Golgotha.
XXVI. Die psalmen geeft in den naeht........1('1
Het waken.
XXVII. Krank en gij hebt Mij bezocht........-105
Onze kranken verplegen.
XXVIII. In zijne krankheid verandert Gij zijn gansche leger. 109 In zyn krankheid verandert Gij zijn leger.
Bladz.
XXIX. Dat ik mij verkwikke, eer dat ik heenga, .... 113
Eon laatste helder oogenblik.
XXX. Welke de mate mijner dage zij.........116
Ook gy moet sterven.
i
XXXI. Ziet, de Rechter staat voor de deur.......120
Ziet de Rechter staat voor de deur.
XXXII. Voleind, om aan zijn zonen bevelen te geven . . 123
Om ons sterfbed.
XXXIII. Dood, waar is uw prikkel?..........128
De prikkel des doods.
XXXIY. In welke ure gij het niet meent........132
Plotselinge dood.
XXXV. Zend uw sikkel en maai...........136
Zend uw sikkel en maai.
XXXVI. Hij leide zijne voeten samen op het bed.....139
Het sterfbed.
XXXVII. Him sterkte ter tijd van benauwdheid...... 144
Overwinning door het geloof.
XXXVIII. Hij gaf den geest..............148
Het geven van den geest.
XXXIX. Te sterven is mij gewin............152
Het sterven gewin.
XL. tiet einde van dien man zal vrede zijn!.....156
Het einde van dien man was vrede.
XLI. Heden met mij in het Paradijs.........160
Is hij behouden?
XLII. Gelijk een bloem des velds..........164
Een bloem des velds.
XLIIL Hij verbindt ze in hunne smarten.......168
De Heere verbindt uw smarte.
XLIV. Innerlijk bewogen..............172
Onze tranen.
Bladz.
XLV. Eon Eechter der weduwen...........^7fi
Weduwe geworden.
XLVI. Gezaaid in verderfelijkheid ..........180
Gezaaid in verderfelijkheid.
XLYII. In de keure onzer graven...........184
Een eigen graf.
XL VUL Als engelen Gods..............188
Het weerzien.
XLTX. Overkleed te worden.............193
Overkleed worden.
L. Niet bedroefd als de anderen.........196
Rouwdragen.
1.
Indien gij zonder kastijding zijt
GODDELIJKE KASTIJDING.
Maar indien gij zonder kastijding zijt,
welke allen deelachtig zijn geworden, zoo zijt gij dan bastaarden, en niet zonen.
Hebr. 12 : 8.
„Bastaardquot; is een hard woord, om het ia Christus' kerk te bezigen; en toch is het er volkomen op zijn plaats; want „bastaardquot; is de eigenlijke naam voor een hypocriet, of, om het nog zuiverder te nemen, voor een iegelijk, die de uitwendige kerk verkiest, zonder tot de inwendige kerk te behooren.
De kerk treedt dan in het beeld van de vrouwe op, die God tot „haar manquot; heeft, gelijk de Schrift dit van de dochter Zions zegt. Maar deze vrouw verontreinigt haar paden, loopt haar boelen na, en nu baart ze een onheilig kroost, dat wel in haar gezin opgroeit, maar huiten het kindschap Gods staat.
Die beide soort kinderen moeten dus een eigen merktceken hebben; want de echte kinderen krijgen de erfenis, de bastaard krijgt die niet; en het is nu met het oog hierop, dat de heilige apostel u gebiedt, een dier merkteekenen in de kastijding te zoeken.
Als ge een man doende ziet, om een kind, niet uit boosheid te slaan, maar met kalmte te kastijden, dan weet ge tien tegen één, dat die man de vader van dat kind is; en dan weet ge dit zoo goed als zeker, ook al hadt ge noch dat kind noch dien man ooit gezien; ja al waart ge getuige van zulk een tafereel in een ganseh ver en vreemd land.
Het recht cn de plicht van die kastijding ligt in den aard van het vaderschap, in verband met de zondige natuur, waarin elk kind opgroeit. En zoo in deze macht van het vaderschap als in deze verhouding tot het zondige kind, is de vader op aarde niets dan een zwak schaduwbeeld van den Vader in de hemelen, wiens macht over zijn kind volstrekt is, en tegenover wien het kind in nog veel onheiliger gestalte overstaat.
Zoo is het dus geheel natuurlijk, dat God de Heere in zijn kerk kastijdt al wat in zijn hemelsch kindschap staat. En indien ge in de
1
3
kerk personen ziet leven, die de Vader in den hemel voorbijgaat, en aan wie Hij nooit een kastijding toedient, dan ligt hierin alle grond om te zeggen; Dan zal die man of vrouw yei'n kind van dien Vader zijn.
En daarom nu zegt de apostel: „Indien gij (namelijk in Gods kerk) zonder kastijding zijt, welke allen (alle kinderen van God) deelachtig zijn geworden, zoo zijt gij dan bastaarden en niet zonen.quot;
Hoe is dit gemeend?
Heeft de apostel met te spreken van lieden, die zonder kastijding zijn, het oog op die enkele wereldlingen, waarvan Asaf zong; „Daar zijn geen banden tot hun dood toe, en zij zijn niet in moeite als andere mensehenkinderen ?quot;
Stellig niet.
Dan immers zou de ervaring moeten leeren dat alleen Gods kinderen uit den beker des lijdens dronken, en dat alle lieden der wereld, van de wieg naar het graf, over een pad met rozen wandelden. Wat niet zoo is. Want ook onder de lieden der wereld is veel bitter geklag ea somber lijden. Ook van hen geldt het: „Door uwen toorn vergaat ons kwijnend leven.quot; En omgekeerd zijn er heel wat kinderen Gods, die, zoo ge ze vergelijkt met menig kind der wereld, bijna geen lijden gekend hebben.
Zoo opgevat, zoudt ge dus een gansoh verkeerden maatstaf aanleggen en uitkomen bij een ganseh valsehe conclusie. Een conclusie, die er de bekeerde ziel dan toe voeren zou, om het lijden te gaan inroepen, om de smart te gaan begeeren, en als het kruis niet kwam, het door roekelooze zelfkastijding te gaan zoeken.
Heel deze onware tegenstelling moet ge derhalve geheel opzij zetten. Er is hier geen sprake van lieden die wel, en lieden die yeen tegenspoed kennen; maar van personen met, en personen zonder
KASTIJDING.
Een kastijding nu is heel iets anders dan een teug uit den beker des lijdens. Als een man van vijftig jaren door een ander op den weg wordt aangevallen en hard door hem geslagen w ordt, zal het noch hemzelf, noch iemand in de gedachte komen, om te zeggen, dat die man gekastijd is.
Of ook, als een slechte vader, verhit van den sterken drank thuiskomt, en hij wil nu ook zijn kinderen dwingen om te drinken, en ze weigeren dit, en hij slaat ze daarom, dan zal het niemand in cien zin komen, om dit een vaderlijke kastijding te noemen.
Kastijding is er dan eerst en dan alleen, als mij een tuchtiging overkomt van iemand, die over mij te zeggen heeft, en zoo mijn consciëntie mij getuigt, dat ik het verdiend heb.
3
En hiermee is het npostolisehe woord ons duidelijk geworden.
Nu tooh wil het volstrekt niet zeggen, dat o-e te zekerder van uw kindschap zijt, naarmate ge te banger lot op de aarde hebt te dragen; want er zijn heel wat booswichten geweest, die een vreeslijk, heel wat ondeugende mensehen, die een ontzettend lot hadden te dragen, en die toch niets van een kind van God hadden.
Maar hier volgt uit, dat een kind van God alle verijdeling van zijn plannen; alle struikelblok op zijn weg; alle onaangename ontmoeting; allen tegenspoed, waarmee hij te worstelen heeft; kortom, al wat zijn geluk onvolkomen doet zijn, beschouwt als niet behoorende bij zijn staat als kind van God, en het dus ondergaat als iets dat eigenlijk vreemd aan zijn staat is.
Dat hij voorts ook deze kleine en gewone hindernissen aanziet voor iets, dat hem niet de menschen aandoen, en dat ook niet bij geval hem overkomt, maar als over hem gebracht door zijnen Yader in de hemelen, die immers machtig was hem dit alles te sparen, maar het blijkbaar nuttig en noodig voor hem keurt, dat hij het ondergaat.
En eindelijk dat hij alzoo in alles wat aan zijn volkomen geluk ontbreekt of hapert, een rechtstreeksche daad van zijn God ziende, zjch in zijn consciëntie geslagen gevoelt, erkent en belijdt dat hij het door zijn zonde verdiend heeft; dat het, om hem vau de zonde af te schrikken, noodig voor hem is; en deswege in stille verbrijzeling de hand kust die hem slaat.
Vindt ge nu iemand, die naar het oordeel der wereld, er wel aan toe is; ruim zich bewegen kan; gezond van lijf en leden is; een prettig huisgezin heeft; en een eervolle positie bekleedt; die ja soms ook wel met die kleine bitterheden, teleurstellingen en onaangenaamheden van het leven te worstelen heeft, maar dit alles aanziet voor de gewone doornen, die altoos zitten aan den tak, waarop de rozen bloeien; zich daar dus over heen zet; en er zelfvoldaan om lacht; dan is er alle grond voor het vermoeden, dat deze man in Gods huisgezin geen kind van den Vader in de hemelen, maar een iastaard is.
Dan toch hebt ge te doen met een mensch, die met een zeer beperkt en klein geluk vrede neemt, en dus geen denkbeeld blijkt te hebben van de heerlijkheid, die eigenlijk bij een kind van God past. Dan blijkt het een man te zijn, die deze gewone bitterheden des levens aanziet voor iets, dat van het geval of van het noodlot of van de menschen komt, en die er niet bij denkt aan zijn hemelschen Vader. En dan merkt ge aan alles, dat hij insteê van er met zijn consciëntie op in te gaan, en zich onder al deze bittere druppelen,
4
die in zijn beker gemengd worden, te verootmoedigen, buiten zijn ziel om leeft, en het afdoet met een hooghartigen glimlach.
Vindt ge daarentegen een man of vrouw, die de stoute pretentie hebben, dat hun geluk eigenlijk volkomen zou moeten zijn; die daarbij dag aan dag, uiterst fijngevoelig als ze zijn, beseffen hoe allerlei hen deert, hun beker vergalt en hun op den weg tegen is; en die toch, wel verre van hierdoor zwartgallig of ontevreden te worden, integendeel, in dit alles Gods bestel, het doen van hun Vader in de hemelen zien, en er zich stil, eerbiedig onder vernederen, om er steeds een prikkel tot nauwgezetter leven aan te ontleenen; dan merkt a:e wel, dat ge met geegt;t, bastaarden te doen hebt, maar met echte kinderen van uw God.
En vraagt ge, waarom dan op enkele van Gods kinderen het kruis zoo bitter hard neerkomt, terwijl anderen toch, betrekkelijk, een zoo weinig tegenspoedia; leven hebben, dan is die vraag zelf reeds goddeloos, als ze een bedillen van Gods voorzienig bestuur bedoelt.
Kleuters van 6, 7 en S jaar, die niet begrijpen waarom vader zus en moeder zoo deed, en nu saam tot de conclusie komen, dat hun ouders het mis hadden, zijn geen kinderen, maar kleine wijsneuzen.
En hoeveel te meer maken wij ons dan niet tot een bespotting, zoo wij, nietige kinderen der menschen, het doen vol majesteit van den hoogen God willen bedillen.
Doet ge die vraag daarentegen, om temidden van de stormen des levens een kompas te hebben, merk dan op drieërlei.
Vooreerst hierop, dat het klinken van de nagels in ijzer sterker slag eischt dan het slaan van een spijker in wagenschot. Zijn er dus-twee kinderen Gods, wier hart ongelijk in verharding is, zoodat de één met ijzer, de ander met het weekere wagenschot kan vergeleken, dan is het volkomen natuurlijk, dat de één veel harder moet geslagen dan de ander.
ïen tweede weet ge ook wel, dat een diamant veel moeilijker te slijpen is dan een stuk kristal. Op een diamant moet tien- en twintigmaal meer kracht gezet.
Nu weet ge uit Jezus' gelijkenis, dat niet alle kinderen Gods gelijk zijn. Eens zullen ze blinken als starren in het uitspansel, maar niet aile sterren zijn in fonkeling gelijk.
Er ligt dus niets onnatuurlijks, maar iets zeer begrijpelijks in, dat God op zijn diamanten sterker slijpt dan op zijn kristallen lenzen. Deed Hij het niet, de diamant zou zijn glans nooit doen schitteren.
En ten derde, de heelmeester werkt uitwendig, als er uitwendige verzwering of ontwrichting is; maar de geneesheer inwendig, als-uiterlijk alles heel bleef, maar het bederf van binnen schuilt; en beiden doen dit naar de gesteldheid van den patiënt is. En zoo nu
5
kan het ook onder Gods kinderen zijn, dat de één in zijn uitwendig lot zeer hard wordt aangegrepen en de ander bijna niet, en dat toch die andere niet minder lijdt, maar met een lijden, dat ge zoo niet merkt.
Kij bewaart alle zijne beenderen.
OOK UW LICHAAM IX GODS HAXD.
Hij bewaart alle zijne beenderen; niet een van die wordt gebroken. Psalm 34 : 21.
Toen de Romeinsche soldaten hun taak op Golgotha als afgeloopen beschouwden, gingen ze over tot het stukslaan van de beenen der kruiselingen.
Dit was hun zoo voorgeschreven; deels als daad van barmhartigheid, om op die wijs aan het nameloos lijden der kruiselingen een einde te maken. Ze deden dit dan ook alleen, als er in de gekruiste personen nog eenig teeken van leven was: en deden het niet, zoo overtuigend bleek, dat de kruiseling reeds dood was.
Toch was het niet enkel barmhartigheid. Er sprak ook laatdunkende ruwheid in. De dood van de gevonniste personen moest geconstateerd zijn. En nu vond de wreede baldadigheid er lust in, om met een ijzeren bout, of wat zij anders bij zich hadden, zoolang op de beenen der kruiselingen te slaan, tot ze stuk waren. Een onheilige spotternij, als om te maken, dat ze niet meer van het kruis wegliepen.
Ku wijst er ons de Heilige Schrift uitdrukkelijk op, dat deze beenbreking bij den Heere Jezus, als overbodig, achterwege is gebleven. Hij was reeds gestorven; en bij Hem had ze dus niet plaats.
En hiervan nu merkt de Evangelist op, dat hierin een woord vervuld is, dat reeds vóór eeuwen door den psalmist was uitgeroepen, toen hij zong: „Hij bewaart alle zijne beenderen; niet één van die wordt verbrokenquot;.
Iets wat uiteraard niet zeggen wil, dat David dit uitsluitend met liet oog op Jezus betuigde.
Integendeel, zijn betuiging is gansch alyemeen. Het zijn de „knechten des Heerenquot; (vs. 33); „de gebrokenen van harte en de verslagenen van geestquot; (vs. 19), kortom, het zijn „de rechtvaardigenquot;, van
6
wie hij betuigt: „Vele ziju de tegenspoedeu des rechtvaardigen, maar uit die alle redt hem de Heerequot;; en dan laat hij er onmiddellijk op volgen: „Hij bewaart alle zijne beenderen; niet één van die wordt verbrokenquot;, zonder dat er van Messias sprake is.
Maar natuurlijk, als de Heere zulk een teedere zorge tot voor het verborgen beengestel van ziju knechten bewijst, dan moet in de hoogste mate dezelfde zorge aan „den lijdenden knecht des tleeren'quot;, d. i, aan Messias, ten goede komen; en in dien zin is metterdaad eerst op Golgotha de volle, diepe zin van dit heerlijke woord bewaarheid.
Het gevaar bestond, dat Jezus' lichaam met ruw geweld zou verbroken worden. En nu zou dit zeer zeker aan zijn opstanding niet in den weg hebben gestaan.
Maar toch, het mocht niet.
Goddelijke zorge waakte tegen zoo stuitende verminking van Jezus' lichaam.
En toen de krijgsknecht Jezus voorbijging, was het God, die van omhoog voor zijn heilig kind Jezus gewaakt had.
Hij bewaarde dus aan dat kruis alle zijne beenderen, en niet één van die mocht verbroken worden.
Eu zoo eerst is ook deze Schrift in Jezus vervuld.
Maar juist zoo ligt er in deze betuiging, dat de Heere alle onze beenderen bewaart, wezenlijke vertroosting.
De ontleding van ons lichaam is in de Heilige Schrift volstrekt geen wetenschappelijke ontleedkunde.
Wat de Schrift desaangaande zegt, is geheel berekend op het prac-tische besef, dat een iegelijk onzer van zijn eigen lichaam heeft; en deswege nu is de hoofdonderscheiding, dat we bestaan uit een been-derengestel, en dat dit beenderengestel met vleesch bekleed is.
In het gezicht, dat Ezechiël van de doodenvallei had, kwam dit zoo sterk mogelijk uit. En ook is die onderscheiding geheel natuurlijk; want als iemand gestorven is, en zijn lijk is verteerd, dan blijft er wat wij noemen het skelet, of wilt ge, de doodsbeenderen over.
Die beenderen vormen dus het verborgen deel van ons lichaam. Wat wij bij levenden lijve zien, is het vleesch met het bloed, dat er op het aangezicht in doorschijnt. Maar dat vleesch bestaat op zich-zelven niet. Dat vleesch is slechts het bekleedsel van datgene, waarin de eigenlijke opstal van ons lichaam ligt; en die opstal is ons geraamte, zooals men het bij een doode noemt, of ons beenderengestel., gelijk het heet bij een levende.
De beenderen zijn dus het verborgen deel van ons lichaam, dat we zelf nooit zien. immers de vorm er van moge onder huid en vleesch uitkomen; en door huid en spier heen moge men zijn beenderen
7
kimneii voelen; maar, vreeselijke verminkingen nu daargelaten, heeft niemand ooit zijn eigen beenderen gezien.
Voor onze huid, en zelfs voor ons vleesch, kunnen we dus ook nog op zekere hoogte zorgen; maar voor onze beenderen niet.
Die zijn buiten ons weten ineengezet; ze worden buiten ons om verzorgd en in stand gehouden.
Veel houdt de Schrift zich met ons lichaam bezig; veel meer dan men doorgaande uit de predicatie zou opmaken. We neigen, zoodra we het heilige terrein betreden, maar al te spoedig, om ons alleen in het geestelijke te verdiepen, en al wat ons lichaam betreft, te laten liggen. Iets, wat zich in het gewone leven dan gemeenlijk door gebrek aan heerschappij over het lichaam wreekt.
Maar de Schrift doet zoo niet.
Zij komt wel telkens ook op uw lichaam terug, om u te herinneren, hoe wonderbaar dat lichaam door God gewrocht is, toen ge als een borduursel geweven werdt in uw moeders ingewand. Om het u te zeggen, hoe het God was, die u uw oor heeft ingeplant, en diezelfde God, die u uw oog schonk. Om er u op te wijzen, hoe het God de Heere is, die de lengte van uw lichaam bepaald heeft, zoodat gij aan die lengte niets kunt toe- of afdoen; en hoe het dezelfde God is, die uw lichaam dag aan dag drenkt en voedt. Om het u te betuigen, hoe die God eiken traan die uit uw oog vloeit, kent, en geteld heeft al de haren, die op uw hoofd zijn. Ja, hoe het de Heere uw God is, die in pestilentie en ongeval zijn engelen beveelt, om uw lichaam te beveiligen. En die, wierd eens uw lichaam een prooi des doods, het ook als lijk nog in zijn hoede neemt, om het straks, als de dag van glorie komt, u in verheerlijkte schoonheid te hergeven.
En in dien zin nu is het, dat de Schrift u ook op uw verborgen beenderengestel wijst, en u de verzekering geeft, dat ook daarover de hoede van Gods almachtigheid gaat.
Hij bewaart niet alleen uw lichaam, maar in dat lichaam ook al uwe beenderen.
God ziet ze.
En Hij is het, die als de God onzes levens, ook dit verborgen deel van ons lichaam bewaart.
Dit nu werkt op ons innerlijk besef.
Gods Woord wil altoos, dat ge aan uwen God niet alleen denken zult in zijn verhevenheid en majesteit, gelijk Hij hoog boven u troont in de hemelen; maar dat uw God u ook zijn zal een God van nabij.
Echte vroomheid ontdekt steeds duidelijker, dat we in Hem leven, ons bewegen en zijn.
En nu moet ge over dat bewegen niet heenlezen, maar wel ver-
8
staan, dat ge u nooit anders beweegt, dan doordien uwe beenderen uit den éénen stand in den anderen overgaan.
De apostel wil dus hetzelfde wat David wil, en dringt er op aan, dat we Gods almogende kracht in onszelven, en ook in ons eigen lichaam, zullen gewaarworden.
Dat ge niet denken zult: „Hier leef ik, en daar hoog boven mij leeft Godquot;, maar dat ge weten zult, en in uw eigen levensbesef zult ontwaren, dat gijzelf leeft, u beweegt en zijt in uw God, en dat het zijns levens kracht is, die in uw ademtocht, die in den gloed van uw bloed, en die ook in de beweging, in de voeding, in het weerstandsvermogen van uw beenderen inwerkt, en zich openbaart.
Ook uw lichaam is een instrument des Heeren, dat zeker ook u, maar in de eerste plaats Hem dienen moet, om zich aan u bekend te maken, en u in uw eigen levensbesef de werking van zijn almogendheid te doen gevoelen.
Telkens en telkens leidt het lichaam u van God af. Dat kan niet anders. Dat is onze zonde. Maar dit neemt niet weg, dat toch dat lichaam even goed de roeping blijft behouden, om u tot God op te leiden. Niet alleen door de overdenking van Gods wondermacht, die iet schiep en in stand hield; maar veelmeer nog door uw God in uzelven te ontdekken, als dengene, die ook in het verborgen deel van uw lichaam, van oogenblik tot oogenblik, inwerkt met zijn goddelijke kracht.
Zoo eerst wordt ook het leven van uw lichaam in het leven van uw godsvrucht opgenomen, en zal het u al minder vreemd worden, om aan de opstanding van uw lichaam na den dood te gelooven.
Al moet gij uw lichaam in den dood loslaten, en er met uw ziel van scheiden. God laat het daarom niet los.
Hij, die alle de dagen uws levens alle uwe beenderen bewaart, bewaart ook bij krankheid en bij ongeval. Hij is die wondere God, die ook dan als uw doodsbeenderen aan de vertering zijn prijsgegeven, niet aflaat u ook naar het lichaam te behouden, en eens heerlijk u ook naar het lichaam weer uitbrengt.
9
III.
UWS LEVENS KRACHT.
De Heere is mijn licht en mijn heil, voor wien zou ik vreezen? De Heere is mijns levens kracht, voor wien zou ik vervaard zijn ?
Psalm 27 : 1.
Der Joden uitroep, als iemand moed ingesproken, als iemands besef wakker gesclnid of iemands kracht gespannen moest worden, klonk: „Wees sterkquot;, of in de oorspronkelijke taal: Chazak.
Ze riepen niet Ach tune/, gelijk onze Duitsehe naburen, noch Attention, gelijk de Franschen, noch ook: Opgepast, zooals men ten onzent zegt.
Een man in Israël gevoelde het anders dan wij, en dacht daarom niet aan oppassen, of opletten, of acht geven, maar aan de levenskracht, die er toe noodig was.
TNces sterk; heb kracht er toe; maak dat ye het kunt, zooals wij het konden uitdrukken. En de kunst, om te maken, dat het kon, ging nu naar dezen regel der vroomheid: „Wees sterk en Hij zal uw hart versterken, ja, wacht op den Heere.quot;
Zóó staat er in het slot van Psalm 27 ; en in verband hiermee nu begint de aanhef van datzelfde lied met de heerlijke betuiging: „De Heere is mijns levens kracht.quot;
\ cel meer dan wij er zeiven toe neigen, bindt ons de Schrift dan ook aan dat rekenen met de kracht, met de sterkte, met de macht om te leven en het uit te houden. „Gij hebt mij gesterkt met kracht in de zielquot;, is als uitroep uit het hart van de gedachtenwereld der Schrift gegrepen (Ps. 138). In Psalm 31 heet het evenzoo: „ik zal uw hart versterken.quot; Yan den Messias heet het in Ps. 89: „Ook zal hem iiiïjn arm versterken.quot; En waar zoo het Oude Testament voorging, is het Sieuwe Testament gevolgd, want ook daar vangen we de bede op: „Opdat Hij u versterke met kracht naar den inwendigen menschquot; (Ef. 3 : 16).
De Schrift is dus een vijandin van slapheid. Matheid en dorheid bestrijdt ze. En ook neemt ze geen vrede met gevoelsbeweging en bespiegeling.
Haar eiseh is dat er kracht in Gods kinderen zij en uit Gods kinderen spreke, mits kracht ons toegevloeid uit de Springader van alle macht en de Fontein van alle mogendheden.
10
„De Heere is mijns levens krachtquot;, jubelt de Siouiet.
Hij onderstelt dus niet, dat hij er is, om nu voorts alleen aan zijn verstand en zijn wil te denken, maar hij rekent vóór alle dingen, met wat achter zijn verstand en zijn wil ligt, d. w. z. met zijn aanzijn, met zijn bestaan, met zijn leven, en met de kracht, waardoor dat leven er kwam en stand hield en duren zal.
Oppervlakkigheid haat de Schrift. Ze gaat diep. Neen, het spreekt maar niet vanzelf, dat ge er zijt en het leven hebt. Juist dat ge er zijt en het leven ontvingt en het leven behieldt, is het eerste wonder, dat u toe moet spreken. Voor u het naaste wonder. Dat wonder dat ii persoonlijk raakt.
Het is niet genoeg, dat ge, in die lijn, op uw vader en uw moeder teruggaat, omdat uw vader u gegenereerd en uw moeder u gebaard heeft. Zie het maar in vers 10; ook vader en moeder sterven en verlaten u, maar ook al laten zij u eenzaam en verlaten achter, daarom zijt ge van den wortel uws levens nog niet afgesneden, want die wortel van uw aanzijn, en waar het levenssap van uw kracht uit, opstijgt, is uw God.
„Mijns levens krachtquot; is dus niets anders noch iets minder dan de rechtstreeksche werking van Gods almachtigheid in mijn eigen lichaam en in mijn eigen ziel, en in de saambinding van die beide.
Ku kunt ge gezond en frisch en sterk zijn, dat die mogendheid des Heeren Heehen krachtig in u werkt, en toch goddeloos zijn, goddeloos zijn juist omdat ge u zoo sterk voelt, en alzoo die kostelijke, gezonde, frissche levenskracht niet van uwen God afleiden, maar toeschrijven aan uzelf.
Gij die sterke, om desnoods het buiten uw God te kunnen stellen, ja, in hoovaardij en overmoed ten leste u te stellen tegenover uw God.
Want dat is het vinnig karakter der zonde in ons.
Als we ons zwak gevoelen, en inzinken, en merken dat onze levenskracht vergaat en bezwijkt, dan begint dat roepen; „De Heere is mijns levens krachtquot; ons lief te worden.
Maar zoolang die „levenskrachtquot; gaaf en ongestoord in ons werkt, zien we ze voor onze eigen kracht aan, en vergeten den Heere wiens maaksel we zijn.
Zelfs als Gods kind geestelijk verlicht wordt, gaat het hierin nog zoo vaak feil.
Dan toch merkt (je telkens, hoe hij wel denkt aan de ontvangen genade, en wel er in leeft en hoe hij zonder die genade geen oogen-blik zijn pad zuiver kan houden; maar o zoo velen denken er niet aan, dat deze regel des geloofs vóór alle dingen moet toegepast op
11
hun bestaan, op him aauzijn, op de kracht, waardoor ze leven en er zijn.
De psalmist begint altoos met het natuurlijke. Wat de apostel ons-leeraart, „dat eerst het natuurlijke is, daarna het geestelijkequot;, brengt hij in eiken psalm in practijk.
Hij gaat altoos uit van zijn levensexistentie, van zijn bestaan als-menseh onder de mensehen, van zijn nooden en behoeften, van de gevaren die hem bedreigen, van de vijanden die hem belagen, en van de kracht die onder dit alles hem staande houdt, om eerst uit dat natuurlijke tot het geestelijke, tot het hoogere, tot het eeunige op te klimmen.
Ge kunt het kort zóó zeggen: In de Schrift gaat het altoos uit van Gods almachtigheid, en eerst nadat die almachtigheid beleden en aangebeden is, klimt het van daaruit op tot de heiligheid, de gerechtigheid en de ontfermingen des Heeren.
Geen eenzijdig rekenen met het werk van den Heiligen Geest en het werk des Zoons, maar altoos achter die beide het werk des Vaders in de belijdenis van zijn almachtigheid.
Juist zooals de kerk in de XII Geloofsartikelen begint, eerst: „Ik geloof in God den Vader, den Almachtigequot;, en dan daarna: „Ik geloof in den Heiligen Geest.quot;
Zoo eerst komt er eenheid in het leven van Gods kind.
Niet eenerzijds een onbezield en doodend leven in zijn lichaam en in zijn huis en in zijn beroep, en daarnaast een hoog gestemd leven in de ziel en in den kring der vromen; en nu die twee naast elkaar geplaatst als cirkels, die elkaar niet raken.
Die tweeslachtigheid kent de Schrift niet, en onze Gereformeerde belijdenis verfoeit ze.
Beide cirkels moeten één zdfde middelpunt hebben, en dit middelpunt moet voor beide in den Heere onzen God liggen. Van Hem elke uitstraling van kracht in ons dagelijksch leven; en van dienzelfden trouwen Verbondsgod elke uitstraling van kracht in ons geestelijk leven; en die beide uitvloeiingen van kracht uit eenzelfde bron en in eenzelfden persoon, op elkaar aangelegd, de ééne de andere steunende, omdat eenzelfde Goddelijke wijsheid ze beide verbindt.
Ui' Heere is mijns levens kracht, is de zalige zielsuiting, die met het Bidt te allen tijde saam valt.
Immers, leeft ge waarlijk in dat heilig besef, dat, van oogenblik tot oogenblik, de kracht van uw leven, waardoor ge leeft en waarw/i ge leeft, niet in u is, u niet uit de wereld toevloeit, maar u toekomt uit den levenden God, dan is elke ademtocht, elke klop van uw hart.
12
elke slag van uw pols u een teeken van Godswege, dat Hij op datzelfde oogenblik u in stand houdt, u draagt door zijn sterkte en in u werkt.
Uw eigen leven in u is u dan een getuigenis van Gods alomtegenwoordigheid en van Gods almachtigheid, en eiken avond, dat ge voor Hem neerknielt en u in de aanbidding van den Eeuwige verliest, is liet u dan een opnieuw ontvangen van uw eigen aanzijn uit de hand van uwen God.
Spijs en drank nemen, is dan niet maar uw bloed voeden, zooals het rund doet door gras te eten, maar een bewust en vromelijk u stellen onder de zorge uws Gods, die door wat op uw tafel staat, uw levenskracht komt sterken; en de zegen dien ge afbidt is dan niets minder, dan het van uw God begeercn, dat Hij er u de levenskracht door vernieuwen en verfrisschen wil.
Vroomheid is dus niet, van elke 60 minuten in het uur er 59 huiten uw God leven, en dan eens een enkele minuut aan uw God denken, maar een gestadig, bestendig, aldoor rusten in de trouwe, in de majesteit en in de almachtigheid van uw God.
En komen er dan dagen van benauwing, dat zorg en angst u het hart dichtnijpt, of plotseling gevaar u overvalt, of de kracht .van den arbeid tekortschiet, of een ziekte of het naderen van den dood u in nzelven doet verkwijnen, dan draagt juist zulk een vroom practisch leven in de gemeenschap des Heeren zijn schoonste vrucht.
Ge gingt dan met uw God op en neer. Al meer zijt ge aan Hem gewend. Ja, tot in uw kleinste belangen en tot in de minste moeilijkheden des levens hebt ge dan geleerd op uw God te steunen. En die gestadige oefening heeft er uw ziel de plooi voor gegeven, het u tot een tweede natuur gemaakt, en teweeggebracht, dat ge moeilijk anders kunt bestaan.
Uw levenskracht is niet meer in u, maar in*den Heere, en thans in dagen van zorge of zielsbenauwing komt u uit die rijke, diepe zielsovertuiging vanzelf de genade van een volkomen quot;genoegzame vertroosting toe.
Indien toch de Heere zijn kracht uit u terugtrekt, dan zult ge met al uw zorg en al uw inspanning toch niets vermogen. En blijft Hij u die levenskracht gunnen, dan is er immers geen macht in hemel of op aarde, die zijn macht breken zou.
Wacht u .een moeilijke taak. Hij die u die taak oplei, is immers uws levens kracht, die op het oogenblik zelf uit zijn almachtigheid n de kracht zal instorten.
En overkomt u ziekte, of nadert voor u de ure van het sterven, dan is er immers nog niets weg, omdat gij machteloos neerligt, cf straks van de aarde weggaat.
13
Hij toch is uws levens kracht, en die kracht die uw aanzijn in stand houdt, werkt immers ook in en over het graf, en blijft eeuwig in de hemelen.
IV.
De ziel des menscfien is een lamp des Keeren.
ZIEL EN LICHAAM.
De ziel des menschen is eene lamp des Heeren, doorzoekende al de binnenkameren des bulks. Spreuken 20 : 27.
De Schrifttaal is nog niet rijk aan namen voor al de verborgen deekn Van ons lichaam.
Ju de jaren toen de Geest des Heeren de Heilige Schrift tot stand bracht, was de ontleedkunde nog niet wat ze nu is. Als er daarom sprake is van „de buikquot; moet ge dit niet kunstmatig verstaan, maar nemen als een algemeene uitdrukking voor heel het midden van uw lichaam. Vandaar dat het; ook gebruikt wordt voor wat wij noemen ons gemoed.
Dat middenstuk nu van uw lichaam vergelijkt de Schrift bij een huis, en in dat huis denkt ze zich kameren die naar buiten, en kameren die nanr binnen liggen, en omdat het middengedeelte van uw lichaam geen oogen heeft, stelt ze die binnenkameren voor als donker.
Maar in die donkere binnenkameren van uw lichaam zegt ze nu, dat de Heere een licht ontsteekt. Hij ontsteekt dat licht aan een lamp, en die lamp, waarmee de Heere licht in uw lichaam ontsteekt, is uw ziel.
Lees maar wat er in Spreuken 30 : 37 staat: „De ziele des menschen is een lamj) des Heeren, doorzoekende alle de hinnenkameren des hulks'quot;. Eenigszins vreemde woorden, maar die na deze korte toelichting genoegzaam duidelijk zullen zijn. Want wel wordt deze spreuk ook enkel overdrachtelijk van het gemoed verstaan, doch zonder reden.
De dood is donker en somber.
Als de dood is ingetreden, is alle licht in ons uitgegaan. God, die Heere van dood en leven is, heeft dan het licht in ons oog uitge-
14
bluscht; en het licht, dat heel ons innerlijk lichaam doorstraalde, van ons weggenomen.
Het is alles ondergegaan in zwarten, duisteren nacht.
Ook bij krankheid en ziekte heeft dus onze ziel een taak in ons lichaam te vervullen.
Zij doet dus dienst als een van God ons gegeven lamp, om inwendig ons lichaam te doorzoeken.
Ken teekenende, schilderachtige uitdrukking, om te zego-en. dat we door het besef onzer ziel merken en gevoelen, wat er inwendig in ons lichaam omgaat.
Want wel werkt het gevoel door onze zenuwen, maar in die zenuwen zelve zit het gevoel even weinig, als dat een telegram ia den gespannen electrischen draad schuilt.
Stonden die zenuwen niet met uw ziel in geheimzinnig verband, en ving uw ziel niet, door middel van die zenuwen, de aandoeningen op, zoo zoudt ge niets ontwaren.
Zie het maar als men iemand gechloroformiseerd heeft. Dan heeft men het verband tusschen zijn ziel en zijn zenuwen een oosenblik opgeheven, en dan kan men u een been afzetten, zonder ^dat gij het merkt.
Het is dus metterdaad uw ziel, die dienst doet, om te letten ook op wat er in uw lichaam omgaat, en nu is het, naar Bilderdijk's schoone opmerking, de pijn, die ons als een middel van God gegeven is, om ons te waarschuwen, dat het in ons lichaam niet is gelijk het hoort.
Door, wat ge noemt, u onwel te gevoelen, onaangename gewaarwording te hebben, of als het erger wordt, het benauwd te krijgen, en pijn te lijden, doet God de Heere u bij de lamp uwer ziel ontdekken, dat het niet wel met u is.
Meestal^ zelfs doet Hij u bij die lamp uwer ziel ontdekken, waar het kwaad in uw lichaam schuilt, en stelt Hij u alzoo in staat den arts te ontdekken, wat hij niet zien kan.
Door diezelfde lamp uwer ziel ontdekt Hij het u, zoodra na ingespannen arbeid de kracht van uw lichaam opgebruikt is, want dan wordt ge moe. Door diezelfde lamp uwer ziel waarschuwt Hij u, zoo ge door onmatigheid in spijs of drank tegen uw lichaam zoudt zondigen; want dan voelt ge u bezwaard of nevelachtig. En door diezelfde lamp uwer ziel waarschuwt Hij u nu evenzoo, als ge door koude of ziekte zijt aangegrepen; want dan voelt ge u onwel.
/eer uitgebreid is alzoo' de dienst, dien onze ziel van 's Heeren wege ook in en voor ons lichaam waarneemt; want natuurlijk ze zegt
15
u ook, of het middel dat ge aangreept, om uw gezondheid te herstellen, doel treft.
Het heerlijke gevoel als de benauwdheid afneemt of wijkt; als ds pijn aflaat of althans mindert; als het onwel u gevoelen plaats maakt voor frisscher zelfbesef; eu ge dus merkt dat ge bij het medicijn baat vondt, het is alles een kennis omtrent hetgeen iu uw lichaam omgaat, die u door uw ziel wordt aangebracht.
Lijdelijke onaandoenlijkheid omtrent uw lichaam is dus door uw God niet gewild.
Als Hij een lamp ontsteekt in de donkere binnenkameren van uw lichaam, dan heeft dat ee)/, doel. Dan wil Hij, dat ge bij dat licht zien zult en er op merken, wat in de geheimzinnige verborgen deelen van uw lichaam omgaat. Hij wil dat ge, met die kennis gewapend, uw lichaam zóó verzorgen en uw leven zóó in zult richten, als dit noodig is, om uw welstand te verzekeren. En ook, dat ge, als er onraad in de binnenkameren van uw lichaam blijkt te zijn, raad zult schaften, en de middelen zult aanwenden, om wat van streek raakte, weer op streek te brengen.
Maar die lamp der ziel doet ook ernstiger diensten, eerst bij het leven dat komt, en straks bij het leven dat ondergaat.
Eerst bij het leven dat komt, want het is bij het licht, dat van die lamp in de binnenkameren des lichaams uitstraalt, dat een moeder haar kindeke reeds aanschouwt en liefheeft, eer het nog geboren is.
Die wondere, geheimzinnige liefde, waaruit straks de kracht geboren wordt, om te triomfeeren over de smarte, waarin het kindeke zal gebaard worden; en waaruit eenige oogenblikken later de bijna hemelsche zaligheid der moederweelde geboren wordt, als ze het wicht aan haar hart drukt, dat ze nu pas ziet, en dat ze toch reeds zag; dat nu eerst haar oog aanschouwt, en dat haar toch niet vreemd is. Het kindeke, dat ze reeds kende; waar ze reeds maanden lang in stille sympathie mee had saamgeleefd; en dat reeds lang eer bet uitkwam, haar liefde gewonnen had.
Maar dan ook als het leven afneemt en straks heengaat.
Gemeenlijk in den vorm, dat men zich oud gaat gevoelen, en niet meer kan, wat men eerst kon.
Dan licht de Heere ons inwendig met die lamp bij, en bij dat licht merken we, dat het huis en in dat huis onze binnenkameren iets van de oorspronkelijke frischheid verliezen, en dat toout de Heere ons, om ons te zeggen, dat matiging plicht wordt, dat niet meer van het lichaam mag gevergd, wat het vroeger uithield; meer nog, om ons te waarschuwen, dat het met ons lichaam afloopende is, en dat hot einde langzaam nadert.
16
Maar soms ook zendt de Heere ons die bange waarschuwing nog midden in de kracht van ons leven, als Hij ons bij die lamp onzer ziele zien doet, dat er in die verborgen binnenkameren een kiem des verderfs woelt, die ongeneeslijk is, en bestemd is om ons lichaam, zooals men zegt, voor den tijd te sloopen.
En wijs is dus, die zich hier niet over heen zet, maar zich door zijn God laat waarschuwen en zich voorbereidt op het einde, op de snelle ontknooping die komt.
Nog is er tweeërlei, dat die lamp des Heeren in ons lichaam doet. Batuj het één, vertroostend het ander.
Ook als de Heere met die lamp der ziele licht in de donkerheid van ons lichaam ontsteekt, is Hij de Heiliye, en die daarom ook ons oog ontdekt voor de wrange vrucht der zonde, die in de binnenkameren der ziel merkbaar is.
Soms de vrucht van een voorgaande zonde, als we ons, op wat wijs ook, te buiten zijn gegaan, en de schuldige afmatting nawerkt. Maar soms ook, als ook in het lijdelijk lichaam de sporen nawerken van booze zonde, van zonde der jeugd, of zonden van den mannelijken leeftijd.
Die dan de lamp bijhoudt, is onze Rechter, die wil dat we ons verootmoedigen zullen voor zijn aangezicht.
Maar soms ook geeft die lamp des Heeren in de binnenkameren van ons lichaam zalige vertroosting.
Want eens moeten we toch van dit lichaam scheiden, en zal onze ziel een tijdlang ontkleed zijn.
Maar zoo hlijft het niet. Eens komt de Heere weder op de wolken, en dan ontvangt, wie zalig insliep, zijn lichaam in heerlijken vorm weder.
En nu, ook daarvan doet die lamp des Heeren u eenige profetie gissen.
Ze toont u, dat er ook in uw lichaam, geheimzinnig en verborgen, iets is dat eeuwig blijft.
17
Yan niemand kunnen genezen worden.
DE HEERE ONZE MEDICIJNMEESTER.
En eene vrouw, die twaalf jaren lang den vloed des bloeds gehad had, welke al haren leeftocht aan medicijnmeesters te koste gelegd had, en van niemand had kunnen genezen worden. Luk. 8 : 43.
Er staat iu de Heilige Schrift een hard woord voor onze dokters, en dat nog al door een dokter zelf geschreven.
Ge weet toeh, Lukas, de Evangelist, was arts van professie; en toch aarzelde hij niet van de vrouw, die den zoom van Jezus' kleed aanraakte, deze korte historici morbi te boeken: Zij was eene vrouw, die twaalf jaren lang den vloed des bloeds had gehad; die om baat te vinden al haar leeftocht aan de medicijnmeesters te koste gelegd had; en die van niemand had kunnen, f/enczen worden.
Markus, die geen dokter was, licht nog een tip meer van den sluier op, en voegt er in Mark. 5 : 36 bij, dat niet alleen al haar geld verdokterd was, maar dat ze bovendien veel geleden had van de medicijnmeesters, en dat haar bittere kwaal in plaats van beter, erger was geworden. Er staat toch letterlijk, dat ze een vrouw was, „die veei geleden had van de medicijnmeesters, en al het hare daaraan te koste gelegd had, en geen baat had gevonden, maar met welke het veeleer erger geworden was.quot;
Voor onze artsen harde, maar niettemin kostelijke woorden; die wel geschikt zijn, om een dokter, die bij God en zijn Woord leeft, tot bescheidenheid en deernis te stemmen.
Want wat hier staat, komt nóg voor.
Nóg zijn er kranken, die heel wat verdokterden, zonder dat ze baat vonden, en met wie het, in weerwil van de pijn, die ze hadden uitgestaan, niet beter, maar erger was geworden.
En ook, al neemt ge nu dat laatste, als altoos zeldzaam, er af, dan nog blijft het een niet zeldzaam, maar gedurig voorkomend feit, dat wie lijdt, veel aan de medicijnmeesters te koste legt, en toch van niemand kan genezen worden.
Telkens staan onze artsen machteloos tegenover veel pijn en doodsgevaar.
De geheimzinnige plage, die ook nu rondwaart, toont het opnieuw. Ze gissen, ze tasten, maar feitelijk staan ze voor een mysterie.
2
IS
En liieria steekt mi geen schande, noch vermindert het onze waardeering voor hun kunde, als ze wel genezen.
Maar wat er wel in steekt, is een vermaan aim al wie arts is, om niet te hoog van zijn kunst te denken; en evenzoo een vermaan voor al wie lijdt, om in zijn dokter geen god te zien, die zijn genezing in zijn hand zou hebben.
En dit vermaan is verre van overbodig.
Telkens toch hoort ge én artsen, én hoogleeraren in de geneeskunde, én geneeskundige raden, optreden met een autoriteit en spreken op een apodictischen toon, alsof hun inzicht onfeilbaar en hun medicijn alvermogend was.
Ze bazelen van een „otticieele wetenschapquot; en roepen den sterken arm der overheid in, om die u op te leggen.
In hun gasthuizen ontsluiten ze een soort tempels, waarover een sprake uitgaat, als ware er alleen heil te vinden.
En treden ze de woning van den kranke binnen, dan hoort men ze niet zelden orakelen op een toon, alsof het leven van den lijder niet in Gods macht, maar in hun hand was.
En terwijl alzoo in den kring onzer artsen zoo bijna niets te bespeuren valt van het besef hunner diepe afhankelijkheid van God den Heere, vindt ge onder de lijders en lijderessen niet dan bij uitzondering personen, die wezenlijk in hun krankheid op God betrouwen, en in den arts niets zien dan een „instrument in Gods hand.quot;
Vooral wie geld heeft, en door dat geld de hulp van de knapste dokters en professors kan afdwingen, of ook naar badplaatsen en zachter streken kan reizen, verkeert meestal zoo sterk onder den indruk, dat een dokter alles ku)i en moet genezen, dat ze in hun arts een soort god zien, en op hun arts toornen, zoo de kwaal niet wijken wil.
Toen onlangs de roep uitging, dat zekere Dr. Koch te Berlijn een geneesmiddel tegen de tering had uitgevonden, werd deze arts letterlijk vergood. Vergood door de teringlijders, die in treinen vol naar Berlijn stoomden, en vergood door de overheid, die reeds aanstalten maakte, om een tweede soort vaccinatie in te voeren.
De zieken denken niet om God, maar wachten alle hulp van de medicijnmeesters, en zij zijn het, die door hun ongeloof maken, dat de dokters zich als halve goden gaan gedragen.
En zelfs belijders van den Christus doen, lang zoo zelden niet, aan die ongeloovige doktersvereering meê.
Zal men deswege nu de geneeskunde verachten, en, gelijk sommigen dit poogden, buiten den arts om, door handoplegging, door zal-vina: of door aebed araan a'enezen?
19
Jezus zegt het anders. Zijn uitspraak was: „De kranken hebben den medicijnmeester van nonde.quot;
Bovendien, de verschijning van den Christus bracht ons ook op dit terrein een gave Gods.
Tn de wereld buiten den Christus is de geneeskunde nn noy zeer achterlijk. Zie dat maar aan China, op Java, in Afrika, en waar niet al.
Alleen in dat deel der wereld, dat gedoopt wierd, is de geneeskunde tot hoogere ontwikkeling gekomen; en veilig mag gezegd, dat, zoo de Christus niet gekomen ware, ook de geneeskunde nooit zou ge-worden zijn, wat ze thans is.
Zeer groot is dan ook de gave, die uit Goddelijke ontferming, om Teel lijden te verzachten, in de thans zoo rijk ontwikkelde geneeskunde, aan de gedoopte natiën geschonken is.
Die gave te willen verachten, ware dus niet godvruchtig, maar een tekortschieten in de dankbaarheid, die we Gode schuldig zijn.
Alleen maar, zoomin uw brood u voedt, zoo God u dat brood niet zegent, evenmin baat u de geneeskunde, zoo God de Heere den arts niet leidt en zijn zegen op de artsenij schenkt.
En waar deze eenvoudige, kinderlijke waarheid door arts en door patiënt uit het oog wordt verloren, daar wordt „de gave Godsquot; teyen God en om van Hem af te zijn, in plaats van tot zijn eere gebruikt.
Klaag dus niet uitsluitend over de onvroomheid van onze artsen, hoeveel grond ei voor klacht ook over het materialisme van zeer vele medicijnmeesters zijn moge.
Nooit toch kunt ge het feit wegnemen, dat juist de patiënten door hun ongeloof de artsen zoo ongeloovig gemaakt hebben.
Onze artsen wandelen van ziekbed naar ziekbed, en vonden ze nu in den regel hun patiënten met hun omgeving in die eenvoudig vrome stemming, die voor de ziekenkamer het beste aroma is, zoo zou een dagelijkseh verkeeren in zulk een omgeving ongemerkt op hun eigen stemming inwerken.
Maar juist dit ontbreekt zoo veelszins.
In tal van kringen lacht men over alles heen. Zelfs waar iemand doodgevaarlijk ziek ligt, mag met den kranke meestal niet over zijn sterven gesproken worden.
We zijn overtuigd, dat als ge zelf dokter waart, en ge uw twintig a dertig visites hadt afgelegd, het u tretlën zou, hoe op de meeste ziekenkamers bijna elke uiting van een vromer gemoedsstemming bij den kranke en bij wie hem verplegen, ontbreekt.
En zelfs zijn er Christenhuisgezinnen, waar anders wel met onzen Vader in de hemelen gerekend wordt, maar die, als de dokter komt, .zich aanstellen, als moest ter wille van den dokter alle besef, dat die
20
kranke niet maar een zieke romp, maar een ziek mensch is, zorgvuldig onderdrukt.
Zeker, er zijn ook andere oorzaken; maar stellig hebben de patiënten een niet gering deel aan het ongeloof onzer artsen.
Kon nu een arts ulles genezen, dan zou hier nooit een keer in komen.
Als een mensch de keus heeft, om tot het creatuur of tot zijn God zijn toevlucht te nemen, kiest hij van nature altoos het creatuur, zoo dat creatuur maar helpt.
Merk dat in. uzelven maar op bij al die krankheden, waartegen een probaat kruid gevonden is.
Dan dankt bijna niemand zijn God.
Maar nu er nog dag aan dag patiënten zijn, waar de artsen machteloos bij staan, zoodat ze toch sterven; en er nog gestichten vol met ongeneeslijke zieken zijn, en er telkens epidemieën rondwaren, waar de kunst bij tekortschiet; nu ligt juist in dat droeve feit: dat zoo-velen gt;net kunnen genezen worden, het medicijn tegen het ongeloof. Een zeer bitter medicijn, dat vroeg of laat op het graf van een iegelijk, onzer wast.
Dan gaat naar dat graf nog' wel de herder, maar niet de arts mee. Eenvoudig omdat die herder van een medicijn ook tegen den dood weet, en de arts in het sterven van zijn patiënt de grens vond van zijn macht.
Maar zal het in onze ziekenkamers, zal het in onze ziekenhuizen, zal het op onze sterfbedden, zal het op onze graven beter worden,, versta het dan, o volk des Heeren, dat gij allereerst, en gij allermeest een einde hebt te maken aan die dorre gelootloosheid, waarmee tijden van krankheid zoo vaak in uw eigen kringen doorleefd worden.
Uw geloof moet koninklijk, moet in Goddelijke glorie ook op en bij het ziekbed weer gaan schitteren.
Kiet enkel dat geloof, dat om genezing van de krankheid en redding van den dood vraagt, en dientengevolge, zoo er genezing kwam, straks weer doodbloedt.
Neen, maar ook, ja bovenal dat vrome, dat teedere, dat innige geloof, dat elke krankheid met zijn God doorleven doet, en ook uit pijn en doodsangst winste trekt voor eeuwig.
31
VI.
GENEZING DOOR MIDDELEN.
Laat men nemen eenen klomp vijgen, en tot eenen pleister op liet gezwel maken, en hij zal genezen. Jesaia 38 : 21.
Wordt voor ouze klanken wel altoos gedaan wat doenlijk is, om ïmn lijden te verzachten, de kracht der ziekte te stuiten, en, voor wat aan ons staat, te waken voor hun levensbehoud ?
Helaas, er valt op de zegenende kracht, die van onze medische wetenschap uitgaat, nog niet al te hoog te roemen. Want wel deed ze schitterende ontdekkingen, wekken haar operatien bewondering, en vond ze tegen meer dan één kwaad een vaste practijk; maar van de veertienhonderd millioen personen hier op aarde, trekt hoogstens één derde hier profijt van; en zelfs bij dat één derde is de medische verzorging uit stedelijke bussen, en door een factotum ten platte-lande, nog zoo bitter gebrekkig, dat er eigenlijk alleen bij hen, die ruimer betalen kunnen, van eenigszins volledige verzorging sprake is. En ook dan zelfs nog, wat vergissingen en wat verzuimenissen, die de kranke maar al te vaak bckoopen moet met den dood.
In den volksmond is dan ook het zeggen bestorven, „dat de dokters ■er meer onder den grond helpen, dan genezen.quot; En ook al moge hierin nu iets overdrevens schuilen, toch staat wel vast, dat ook de genadegifte Gods, die ons in de medicijnen gegeven is, op verre na nog niet den zegen spreidt, dien ze spreiden kon.
■luist daarom is het dan ook volkomen begrijpelijk, dat zoo menigeen weigert in ziekte op de middelen te vertrouwen; dat meer dan één de middelen slordig gebruikt; en dat er zelfs hier en daar zijn, die stelselmatig weigeren doktershulp in te roepen.
Althans veel verklaarbaarder en veel begrijpelijker, dan dat er zooveel anderen en meerderen zijn, die hun God vergeten, bij hun dokter zweren, en zich liever in mensohenhaaden werpen, dan dat ze steunen zouden op den Heere hunnen God.
Asa, de anders zoo vrome koning, die in zijn ouderdom zijn medicijnmeesters meer dan zijn God zocht, blijft voor al 's Heeren volk in krankheden en bij het dreigen des doods een ernstige waarschuwing.
22
Maar toch mogen onze kranken van liet gedurig slingeren onzer ziel op dit punt niet het slachtoffer worden.
Toen Hiskia doodelijk krank ter neder lag, wat ware het toen voor den Heere onzen God geweest, om dezen uitverkoren vorst wonderdadig en zonder middel te redden?
En toch, zoo doet de Heere het niet. Veeleer zendt hij zijn profeet tot den kranken koning; en nu verschijnt .Tesaia aan zijn ziekbed, niet om hem een wonder iets aan te kondigen, noch ook om hem geestelijk aan te grijpen; maar om Hiskia heel prozaïsch, bijna plat, naar het ons schijnt, in den Naam des Heeren aan te zeggen, dat ze moesten nemen.....een klomp vijgen.
Kon het nu ooit duidelijker en sterker worden geopenbaard, dat de Heere onze God, waar Hij besluit een kranke te genezen, die genezing in den regel tot stand doet komen door een tweeledig, creatuurlijk middel? Vooreerst in casu door de vijgen, die Hijzelf heeft laten groeien, en waar Hij die sterk uittrekkende kracht in geschapen heeft; en ten andere door een mensch, door wiens hand en zorg Hij die vijgen op de booze zweer laat leggen.
Waartoe anders liet God ook de geneeskruiden groeien, en prepareerde Hij zelt het geneeswater in zoo menige bron, indien het zijn wil niet was, dat zijn kranke mensehenkinderen met al zulk hulpmiddel tegen kwalen en ziekten strijden zouden?
Ook den melaatsche in Israël liet de Heere volstrekt niet vrij omloopen; maar, opdat het kwaad der melaatschheid niet heel het volk zou aantasten, gaf Hijzelf aan en door ilozes de strengste verordeningen, om elke aanraking met melaatsche personen af te snijden.
De ziekte is, evenals de dood, uit de zonde; krankheden en pestilentiën zijn booze, vernielende machten, die als uitvloeisel der zonde over ons komen. Als eens de zonde verdwenen zal zijn, zal er ook geen ziekte meer wezen. Zoolang de zonde stand houdt, blijft ook de krankheid woeden. En daarom is het een strijd en één worsteling, die ons van Godswege tegen zonde en ellende, tegen het geestelijk en lichamelijk kwaad is opgelegd.
Daarom nu moeten ook uw zieken met teederheid, maar ook met ernst verzorgd worden. En liggen ze ernstig krank, zoodat ze gegrepen liggen als ten doode, dan gaat er van hun kermen en zuchten tot u een roepen om redding uit, waar ge geen oogenblik de ooren voor moogt toestoppen.
Als ge iemand, die in het water ligt, om hulp hoort gillen, zult ge er geen oogenblik aan denken, om stil door te loopen, leukweg naar huis te gaan, en in huis voor dien man te bidden, onderwijl hij reeds lang gezonken en verdronken is. Neen, dan gaat er een schietgebed naar boven. Een: „God help mij!quot; van dien drenkeling, ea
een „God, help mij hem redden!quot; uit uw hart; en inmiddels grijpt ge een touw, een stok, een ladder, of springt zelf te water, en voelt van Godswege uw roeping, om dien man van den dood te redden; om straks, als ge hem redden mocht, uw God voor dien zegen te danken.
Maar waarom nu dien u vreemden drenkeling wel geholpen, en uw eigen vrouw of eigen kind, die thuis ziek liggen, zonder hulp laten verkwijnen ?
Blijft dan sterven geen sterven, onverschillig of ge iemand op een oogenblik ziet sterven in het water, of langzaam ziet wegsterven op het bed van dons?
Want natuurlijk, of ge iemand nu redt door een touw of door chinine; met een stok, dien hij aangrijpt, of met het staal, dat hij inneemt; toch blijven dit al te saam midJelen, die God u in de hand geeft, om er mee te strijden voor het leven van uw even-mensch.
Een dier ziet dat niet. Al liggen er tien stokken bij hem, geen dier zal aan een ander dier, dat ligt te verdrinken, een stok toesteken. Niet aan het dier, alleen aan den mensch gaf God dat inzicht; en daarom blijft gij onder de klem van het zesde gebod, verantwoordelijk, of ge wel alles deedt wat in uw vermogen was, om het leven van uw man, uw vrouw, uw kind of uw dienstmaagd te redden.
U werd het toevertrouwd, en zoo gij hierin slordig waart, zal het eens van uw hand geëischt worden.
Slechts tegen één zonde zult ge daarbij op uw hoede zijn. Ge zult niet het middel losmaken van uw Gad, alsof uw hand dit middel gemaakt had, e'n alsof ge nu met dat middel tegen God wondt strijden, om uw kranke uit de lumd des Heeren te redden.
Daarin en daarin alleen ligt het booze misbruik.
Dan denkt een mensch: God wil mijn kind dooden, want God heeft het ziek gemaakt; en nu zal ik met dit medicijn mijn kind aan Gods doodende macht pogen te onttrekken.
En dat natuurlijk is goddeloos.
Dat mag nooit.
God is het die doodt, en God die levend maakt. Wie er ooit uit het water gered is, is er door God uit gered; en wie ooit uit ziekte opkwam, is er door God uit genezen. En dat blijft zoo, ook al gebruikt God een man met een stok, ora den drenkeling te redden, en een arts met medicijn, om den kranke van de pestilentie te genezen.
In alles is de Heere.
Hij is de Almachtige in de plage, in de pestilentie en in de krank-
24
heid, maar ook eveuzoo is Hij de Almachtige in den arts, in het medicijn, en in ieder, die uw kranke verzorat.
Gij moogt als tiveerle oorzaak door Hem gebruikt worden, maar Hij is en blijft altoos de eerste oorzaak, èn in het kwaad, dat uw leven bedreigt, èn in de medicijn, waardoor Hij dat kwaad wil afwenden.
Het is dan ook geen ziekenverpleging, gelijk ze in een Christengezin betaamt, als het bed zacht geschud wordt en het medicijn stipt ingegeven, maar zonder dat er even stipt geroepen wordt naar den Hooge en gesmeekt tot den God van alle ontferming.
Bidden zonder werken is ook in de ziekenkamer een caricatuur van de ware vroomheid; maar werken zonder bidden is vooral nan het ziekbed een hoonen van den levenden God.
Zie het maar aan Hiskia.
Eerst hebt ge in .Tesaia 38 : 10 v.v. ziju heerlijk gebed, en daarop eerst komt het prozaïsch gebod van den klomp vijgen.
De mcnsch zal, naar luid van Dent. 8, bij brood alleen niet leven; want als ge enkel brood hebt, en God zegent dat brood niel, dan komt ge toch van honger om.
En zoo ook zal de kranke niet enkel bij zijn medicijnen leven, want al die medicijnen werken niets, zoo er Gods almogende kracht niet in werkt.
Van uw medicijn als van uw brood geldt wat in Deut. 8 : 17 en 18 staat; „Zeg niet in uw hart: Mijner is die kracht, en de sterkte van mijn medicijn heeft mij dat herstel gegeven: maar gij zult «'eden-ken den Heere uwen God, dat Hij het is, die u dit medicijn gaf, om genezende kracht te werken.quot;
Ook bij uw medicijn dus bidden, evengoed als bij uw werk. De redding van uw God en van uw God alleen gewacht, om waar het Hem belieft, uw krankheid door medicijn te genezen.
Zelf bidden en uw kranke tot bidden uitdrijven.
Uw God, en Hem alleen grootmaken bij uw kranke, en zelf niets dan een instrument in zijn hand willen zijn, maar dan ook een willig instrument, dat stipt werkt, zooals God wil dat ge werken zult.
Uw kranke is misschien ten doode gegrepen; en nu wil God u gebruiken, om voor zijn leven te strijden; en daarin zal een kind van God teeder van consciëntie, altoos volijverig, en in heiligen zin zelfopofferend zijn.
Bij een drenkeling, die om hulp gilt, maar ook bij uw kranke, die kermt op zijn leger.
33
VII.
Veel geleden van vele medicijnmeesters.
ONZE ARTSEN.
En eone zekere vrouw, die twaalf jaren den vloed des bloeds gehad had, en veel geleden had van vele medicijnmeesters, en al het hare daaraan te koste gelegd, en geen baat gevonden had, maar met welke het veeleer erger geworden was.
Marcus 5 : 25, 20.
De mcdieijnmeester vervult in veler leven een maar al te breede plaats, waaraan, soms bitter droeve heriunerinu;en kleven, ja, die soms aanleiding ojaf tot een banden geloofsstrijd.
En ook hierop wil de Schrift, dat ge letten zult, en daarom legt ze ons gedurig weer die tragische woorden uit het verhaal van de bloedvloeiende vrouw voor; „Er was een vrouw, die twaalf jaar den vloed des bloeds had gehad, en vrnd i/eleclm hod van vele medicijnmeesters, en al het hare daaraan te koste had yelegd, en geen haat gevonden had, maar met welke het veeleer erger was geworden.quot;
Snijdende woorden, en die toch ook op het heden nog tiaar droeve toepassing vinden; want nóg zijn ze er in alle landen, die, met een verborgen of ongeneeslijke kwaal omloopende, het nu bij dezen en dan bij genen arts beproefd hebben, en telkens weer hoopten dat hij ze genezen zou, en die toch telkens teleurgesteld uitkwamen. Dan leden ze vaak veel, en ondergingen allerlei kunstbewerking en onderwierpen zich aan allerlei levensregel, en slikten allerlei medicijn; en dat toch het einde vaak niet anders dan bij die bloedvloeiende vrouw was: veel betalen, geen baat vinden, en niet zelden nog achteruitgegaan.
Ge zult hierin niet overdrijven; want tegenover deze droeve gevallen staan duizend andere, waarin het der geneeskunde gelukte, metterdaad wondere redding aan te brengen. Vooral de heelkunde doet in onze dagen groote dingen. En ook de genezingen van krankheden, waarvan men soms hoort, doen u niet zelden verbaasd staan.
Maar het feit blijft daarom niettemin waar, dat ook de geneeskunde maar al te vaak een gebroken rietstaf blijkt; en de bittere klaeht en teleurstelling, die ge vaak over de medicijnmeesters hoort uiten, is iang niet altoos ongegrond.
36
Het is waar, dat de arme niet zelden haastiger en slordiger wordt behandeld, dan de man van geld. Het valt niet te ontkennen, dat meer dan één kraamvrouw stierf' aan een besmetting, die de arts haar aanbracht. Het is, helaas, zoo dat menig arts tekortschiet in een behoorlijk onderzoek naar den wezenlijkeu aard der ziekte, en daardoor een onjuiste medicatie aanwendt, o. De lijst der klachten tegen de medicijnmeesters ware zoo breed uit te meteu.
Maar wie goed in zijn gelooi' staat, mort daarom niet tegen de geneeskunde, noch mort tegen zijn God, die ons de geneeskunde zoo gebrekkig laat toedienen
Al wat de geneeskunde ons aan verademing en redding brengt, en dat is zoo ongelooflijk veel, is loutere genade, die u uit Gods ontferming toekomt.
Gij hebt uzelven niets dan ziekte en dood door uw zonde besteld. En al wat die macht van ziekte en dood nog voor een tijdlang of voor een deel althans breken komt, is een gave van uw God om niet, een balsem dien Hij u druppelt in de wonde, die ge uzelven sloegt.
ij moeten door menschen geregeerd worden, en wat is de klf.chte niet luid over allerlei misgreep van de overheid. Door menschen moet ons het Evangelie bediend worden, en wat leed Christus' kerk niet alle eeuwen door van de ketterijen en hoogheden en slordigheden der predikers. En zoo ook moet ons door mensehen de geneeskunde bediend worden, door zondige menschen evenals onze overheden en predikers, en is het dan zoo wonder, dat ook zij, die ons de geneeskunde bedienen, op allerlei wijs tekortschieten en u gedurig teleurstellen?
Of heeft dan God het niet alzoo verordend, dat er op elke honderd menschen in ieder vak slechts zeer enkelen uitnemend, zeer velen middelmatig, en ook niet weinigen beneden het middelmatige zijn? Is dat niet zoo voor alle vakken en posten? En waarom zouden uw dokters dan op dien regel een uitzondering maken?
En wat allerlei zondige schuld bij uw medicijnmeesters aangaat, zeker die is er. Maar is bij uw burgemeesters, uw advocaten, uw predikers, uw huismoeders, uw dienstboden, die velerlei zonde van overschatting van eigen kracht, van slordige behandeling, van baatzuchtige bedoeling en zooveel meer dan soms niet aanwezig?
En zoo ja, waarom zouden dan uw artsen een uitzondering op dien algemeenen menschelijken regel maken?
We geven u toe, ze zijn niet beter, maar ze zijn stellig ook niet minder dan andere standen. Uitstekend kundig zijn slechts enkelen onder hen, en met allerlei zonde zijn ze evenals gij behept.
En het feit blijft nu eenmaal onloochenbaar: God geeft u wel de
27
geneeskunde als een gave zijner ontferming, maar Hij laat ze n toe-bedienen door gebrekkige en altoos zondige menschen.
De klip voor het geloof ligt dan ook alleen hierin, dat we den Heere onzen God en zijn gave gedurig scheiden, en soms wel tegenover elkander stellen.
Bij bekende ongesteldheden van minder ernstigen aard, dan alleen op den arts vertrouwen, en niet tot God roepen. En wordt het dan ernstiger, dat er gevaar komt, en de kunst van den arts tekortschiet; dan zelf in het gebed gaan en om anderer voorbede smeeken.
En die tegenstelling nu mag Gods kind niet vasthouden.
Dat was de zonde van koning Asa, van wien het zoo scherp staat aangeteekend: „Daartoe ook zocht hij den Heere niet in zijn krankheid, maar de medicijnmeesters.quot;
En dat nu mag niet. Dit is ongodvruchtig. Zoodoende gaat ge uw Vader, die in de hemelen is, voorbij.
Neen, zijns is elke artsenij, die Hij schiep, eu die Hij den mensch vinden liet, en zijns is evenzeer de kunst en de wetenschap, het beleid en het inzicht, waarmeê Hij den arts verrijkt heeft.
De geneeskunde is niet eeu menschelijke, en veelmiu een booze, demonische kunst, maar een middel, dat God in zijn ontferming aan den mensch schonk om tegen ziekte en dood te strijden.
Het is daarom een geestelijke vergissing, als iemand denkt: „Ik roep geen dokter en slik geen medicijn, maar ik zal bidden, en dan kan God mij zonder middel genezen.quot; Want om u in het leven te houden, heeft God de Heere ook geen spijs noodig. Zoo kondtgedus-evengoed zeggen: „Ik koop geen spijs, en onthoud mij van voedsel. God kan mij toch wel ia het leven behouden.quot; Dat toch kon Hij ook, maar Hij doet het niet, omdat Hijzelf het anders verordend heeft, en u gezegd heeft: „In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten.quot;
En evenzoo nu als God het brood laat groeien, zoo schiep Hij ook die menigte van kruiden en stoffen, die allerlei ziekte in uw lichaam stuiten, en is Hij het, die ook op dat terrein zijn Aholiabs bedeelt met kennis.
Alleen maar, wee u, zoo ge de geneeskunde buiten God om gebruikt, en niet bidt dat Hij ze u zegene en niet dankt, zoo Hij ze u gezegend heeft.
En wee ook den medicijnmeester, die in stede van deze gave Gods. als een priester der barmhartigheid te bedienen, buiten God rekent, eu trotschelijk roemt, dat zijn raacht en de kunst van zijn hand dit gewrocht heeft.
28
Laat daarom het volk, dat God vreest, niet te bard toornen over het soms brutale ongeloof van veel artsen. Gods kinderen zeiven toch zijn op dit stuk maar al te dikwijls de artsen in ongeloof voorgegaan.
Vergeet uiet, voor onze artsen is de verzoeking, om van God af te vallen, zeer groot. Hun studie is bijna enkel stott'elijk. De school, waarin ze opgroeien, weet van God niet af. En ook, een zeer groote macht is in hun hand gelegd.
En wat heeft nu de Kerk van Christus, wat heeft het geloovige volk gedaan, om onze artsen klein voor God te doen zijn?
Immers zoo bijna niets. Erger nog, door het kleingeloof en ongeloof van zoo menig kind van God op zijn ziekbed, heeft zoo menig arts allen eerbied voor het geloof ingeboet.
Dit nu kan en zal anders worden.
Ook over de geneeskunde zal eerlang weer de adem des Christe-lijken levens gaan. Christus en de medicijnmeester zullen niet altoos gescheiden blijven.
Maar ook al komt het daartoe, denk niet, dat daarom de zonde in onze artsen zal zijn teniet gedaan, noch dat daarom hun onvolkomen-heidleen einde zal nemen.
ÜÊk dan zal menig arts zich vergissen. Ook dan zal er nalatigheid en verzuim voorkomen. Ook dan zal menig patiënt door den j.rts ■niet kunnen gered worden. En ook dan zal er menig kranke sterven, die, menschelijk gesproken, bij beter behandeling had kunnen aeted zijn.
Maar al dwingt dit u, bij de keuze van uw arts niet lichtvaardig te- werk te gaan, toch schokke het uw geloof niet, noch make u bitter.
Immers, ge weet nu eenmaal, dat de gave Gods, die ge geneeskunde noemt, u uiet door engelen kan worden toebediend, en dat, nu ze u door mensehen moet bediend worden, ge uw eigen mensche-lijke onvolkomenheid en zonde ook in uw artsen terugvindt.
Maar bovendien, ge valt, met een arts te roepen, niet uit het bereik van Gods voorzienigheid.
Wat de arts ook doe, toch is het zijn verborgen wil, die uitkomt, en zijn raad die bestaan zal.
Geen arts, wie hij ook zij, kan aan de lengte van iemands leven ■een elle toedoen of afdoen.
En daarom verbitter door zoo bange gedachte uw hart en vergiftig uw ziel niet.
De Heere regeert toch, en Hij alleen is het, die onzen levensdraad ■en den levensdraad onzer lieven afsnijdt.
39
Y1II.
ONVERWACHTE DOOD.
Mijn levenstijd is weggetogen en van mij weggevoerd, gelijk eens herders hut; ik heb mijn leven afgesneden, gelijk een wever zijn webbe; Hij zal mij afsnijden, als van den drom; van den dag tot den nacht zult Gij mij ten einde gebracht hebben.
Jesaia 38 : 12.
Onverhoeds door ernstige krankheid overvallen te worden, en plotseling voor den dood te staan, is een kwaad, waartegen het gebed zelfs van Gods vroomste kinderen uitgaat.
Veel vromer koningen dan Hiskia hebben niet op Davids troon gezeten, en toch, toen Hiskia opeens doodelijk krank werd en hij zoo plotseling voor de vallei van de schaduwe des doods stond, toen heeft ook hij geklaagd en gekermd tot zijn God, en is de Heere van hem verbeden, dat de plage week en de dood hem losliet.
Zelf sprak hij later in zijn dankgebed: „Gelijk een kraan of zwaluw, alzoo piepte ik; ik kirde gelijk eene duive; mijne oogen verhieven zich omhoog tot den Heere.quot;
Het was hem zoo vreeslijk, dat hij zijn leven van zich los zag' maken, en dat het hem was alsof God hem afsneed, gelijk een wever zijn web.
Yan wat aard de plage dan ook ware, die hem benauwde, Hiskia wist dat het toch de Heere was, die in die krankheid hem aangreep, hem neerwierp, en nu van oogenblik tot oogenblik bezig was, om zijn leven uit hem weg te nemen, en zijn aardsch bestaan te vernietigen. Daarom riep hij tot twee malen toe; „Van den dag tot den nacht zult Gij mij ten einde gebracht hebbenquot;, als voelde hij, dat, wierd de plage niet gestuit, hij den avond niet meer halen zou.
Hiskia viel dus in Gods hand.
Want wel zag hijzelf de booze zweer, die zijn bloed dreigde te vergiftigen; en wel heeft hij het middel gebruikt, dat Jesaia hem aangaf, om een klomp vijgen op het booze gezwel te leggen; maar onder dit alles besefte Hiskia toch klaarlijk, dat hij met zijn God te doen had; dat God in die plage was; en dat de arm des Heeren almachtiglijk op hem drukte, om hem te benauwen tot stervens toe.
30
Dit nu staat ook om uwentwille beschreven.
Niet alsof ge bopen kondt op een wonder, als met Hiskia geschied is. Er is geen profeet meer op aarde, die, als Jesaia, u openbaringen over uw levenslot en over uw stervensure van Godswege brengt.
Een toezegging van nog vijftien jaren levens als aan Hiskia geschiedde, kan nu niet voorkomen. Eu een toeken als Hiskia ontving, dat de schaduw op den zonnewijzer tien graden ruggelings gaat, is, nadat de Openbaring eenmaal voleind en dus afgesloten was, aan niemand ooit tebeurt gevallen
Houd daarbij in zoo ontzettende oogenblikken uw ziel dus niet op. Dat ware misbruik van Gods Woord maken; u in dweperij verwarren; en zou op niets uitloopen dan op bittere, schreiende teleurstelling, tot ge ten leste toch, maar dan in wanhoop, den dood ingingt.
Maar leer wel dit van Hiskia, dat ge bij al zulke plage terstond helder inziet, dat ge met den Heere uwen God te doen hebt; en wend u met al uw doodsnood, werp u met al uw zielsangsten, zonder een oogenblik te vertragen, op uw Verbonds-God.
Niet eerst allerlei anders, en dan, als al dat andere niet helpt, dan ten slotte uw God aanloopen. Neen, maar bij het eerste gevoe.. van angst, bij het eerste sidderen voor den dood, zult ge onverwijld uw toevlucht tot den Heilige nemen, en in uw doodelijke ziekte zelve zult ge de vreeselijke hand voelen van Gods heilige majesteit.
Waak toch vooral in oogenblikken van zoo diep aangrijpenden ernst tegen alle gedeeldheid en tweeslachtigheid in uw ziel. Hiskia voelde Gods almachtige hand in het bange kloppen van de booze zweer. Hij voelde hoe God reeds bezig was, het weefsel tusschen zijn lichaam en zijn ziel, als een wever zijn web, door te snijden. Hij voelde straks, hoe Gods kracht in dien klomp vijgen werkte, om dit gif van de zweer uit te trekken. En juist omdat hij God rondom zich ontwaarde, Gods kracht in die plage en in dat medicijn zag, daarom liet hij zijn God geen oogenblik los, maar riep en kermde, en verkwikte zijn benauwde ziel in de gemeenschap met zijn Herder en zijn God.
Op vromen zin komt het dus in zulke oogenblikken van plotseling u overvallenden doodsangst aan; en dien vromen zin kunt ge niet op dat oogenblik plotseling in uw ziel tooveren, maar kunt ge in zoo hachelijke ure alleen dan in u werken laten, als er een vroom leven achter u ligt. Vroom nu in dien diepsten zin genomen, dat ge in uw ziels-besef gestadiglijk gemeenschap oefent met het Eeuwige Wezen.
Die gemeenschap te missen, en het buiten die gemeenschap met het Eeuwige Wezen te kunnen uithouden, is in Gods kinderen de diepste zonde.
31
Dan leeft men uren lang', een halven dag, soms een lieden dag, zonder dat zelfs de gedachte aan den Naam des Heeren door het zielsbesef gaat. In alles bezig, vergeet men zijn God, en leeft buiten Hem. En ja, dan wordt er wel gebeden, en wel lof gezongen; maar ook zelfs in het gebed dolen de gedachten af, en onder het loflied galmt men woorden uit, zonder dat de ziel er in meeleeft.
En natuurlijk, als dan temidden van zulk een toestand plotseling de dood door uw venster binnenklimt, en ge reeds met het doodzweet op het voorhoofd op uw bed neerligt, dan geraakt de ziel verward, en kan niet opeens inleven in een vroomheid, die haar vreemd was.
Het lichaam vergt dan reeds zoo ontzettend veel van de ziel. Duizend vragen stormen door het bange hart. Alles om u heen verschrikt ii. En ge siddert van angst op de zoo plotseling in n geworpen wetenschap, dat ge sterven gaat.
En dan scheidt zich dat alles voor u. Aan den eenen kant die doodelijke plage, en die arts, en die medicijnen, en al wat menschen doen, om u te hulp te komen; en verre van dat alles, hoog boven u, die God dien ge vergeten hadt, en tot wien ge nu roept, maar met een dotten klank, die moedeloos op uw eigen ziel terugvalt.
En dat is het nu juist, waarvoor Hiskia bewaard bleef. Ook hij weende als een kind, ook hij piepte als een zwaluw, en al zijn roepen was, of God hem nog sparen mocht; maar zijn God was hem niet vreemd. Het was alles één voor zijn zielsbesef: de macht van zijn God in die plage; de hand van zijn God bezig om zijn leven af te snijden; de werking van zijn God in dien klomp vijgen; en het luisterend oor van zijn God, in vaderlijke ontferming gereed, om zijn zielsklacht op te vangen.
Het bangste nu is zulk een plotseling staan voor den dood, als het u alleen overkomt, gelijk dit telkens plaats grijpt bij een beroerte, bij een ongeluk dat u overvalt; het schriklijkst bovenal, zoo er, gelijk dat in groote steden met haar hooge huizen zoo vaak gebeurt, brand uitslaat en de uitgang versperd is, en een mensch opeens voor de vlam staat, die op hem aandringt, zonder dat er een uitweg is.
Veel minder reeds is het, waar een pestilentie uitbreekt. Niet alsof ook dit niet ontzettend zou zijn; maar omdat zulk een epidemische plage haar boden vooruitzendt.
Dagen, weken lang hoort ge dan reeds uit verre landen, dat de plage naderende is, en dat God de Heere weer den engel zijns toorns uitzond, om de volkeren tot ernst te roepen en wakker te schudden uit hun doodsslaap.
En hierin nu ligt een genade van uw God, die ge niet verachten zult.
32
Hij overvalt u dan niet als een leeuw, die zijn prooi bespringt, maar waarschuwt u van verre, zegt u aan dat Hij komende is, en roept: „Heden, indien gij mijne stemme hoort.quot;
Hierin nu ligt deze barmhartigheid, dat uw God u daardoor de gelegenheid biedt, om u op het ergste voor te bereiden. Om als ge u aan uw God ontwend hadt, u weer tot Hem te wenden. Om als ge van uw God vervreemd waart, u te bekeeren van uw afdoling, en zijn heilige gemeenschap weer te zoeken.
Een genade, die dan wel niets geeft voor de wereld die zich verhardt, maar die zoo dikwijls den heerlijken stoot gaf om wankelende zielen, die nog altoos aarzelen, tot hartgrondige en besliste bekeering te brengen. En een genade, die bovenal steeds zoo krachtig bleek, om Gods kinderen, die in doodschheid verzonken waren, weer terug te roepen naar een toestand van levende, gevoelige vroomheid.
En o, dan draagt die terugkeer tot stille, gevoelige vroomheid bij Gods heiligen zoo schoone vrucht.
Niet alleen hierin, dat ze weer op Gods geboden merken, en dus ook naar het zesde gebod, alles mijden en voorkomen zullen, waardoor ze moedwillig hun eigen leven of het leven van hun naaste in gevaar zouden brengen; maar bovenal, dat ze hun God weer in alles gaan zien, in de plage die nadert; in den welstand, dien ze nog genieten; in het leven van vrouw en kinderen; meer nog in de innerlijke bewegingen hunner ziel.
Dan wordt er weer aan God gedacht; dan klimt er weer, ook als de lippen zwijgen, een lofzang op voor zijn oneindige ontfermingen in den Zoon zijner liefde; en dan wordt de ziel aldoor biddende gemaakt, of Gods verborgenheid over onze tente mocht wezen, en onze eigene ziel en de ziel der onzen mocht worden voorbereid, om, zoo Hij het gehengde, onzen God ook in zijn bangen toorn te ontmoeten.
En is het dan zoo, dat het God behaagt, ook ons met zijn plage te overvallen, of ook uit ons huis, als een schaap uit de kudde weg te rooven, dan behoeft de overgang in onze ziel niet meer gemaakt. Dan is de dood die komt geen dief meer die inklimt en ons verrast, maar een bode van onzen God, op wien we gerekend hadden. Dan is er gemeenschap met het Eeuwige Wezen, ook als de nood op het hoogste klimt, ook als de baren en de golven des Almachtigen over ons henengaan. Ja, dan weet onze ziel het, dat zelfs de dood ons van die gemeenschap niet scheiden kan, maar ze integendeel ons nog veel innia:er. en dan voor eeuwis brentrt.
33
IX.
Gaande gelijk hij gekomen was.
IS UW TAAK VOLEIND?
Gelijk als hij voortgekomen is uit zijner moeders buik, alzoo zal hij naakt wederkee-ren, gaande gelijk hij gekomen was; en hij zal niets medenemen van zijnen arbeid, dat hij met zijne hand zou wegdragen.
Pred. 5 : 14.
Niets stemt in dagen van ernst zoo somber, als de drukkende gedachte, dat ons leven, ons aanzijn, heel onze existentie op aarde haar doel heeft gemist.
Het snijdende woord van Jezus tot Martha; „Gij bekommert u over vele dingen, één ding is noodigquot;, verontrust dan onze consciëntie, en ge kunt de pijnlijke vragen niet smoren: Waarvoor heb ik geleefd'? Wat vrucht droeg heel mijn aanzijn'' Wat is de eenige winste van mijn bestaan als mensch?
Nu vat meer dan één dit consciëntieverwijt vaak geheel verkeerd op.
Men heeft vernomen van wat een Mozes wrocht, van wat een Pau-lus tot stand bracht, en wat ook nu nog zoo menig man van kracht en talent voor aller oog en oor uitwerkt, en begaat dan zoo licht de fout, om met hel werk van zulke mannen zijn eigen werk te vergelijken. En natuurlijk, daar op enkele hooge uitzonderingen na, de overgroote meerderheid niet geroepen is, om alzoo aan den weg te timmeren, maar tot taak kreeg, om in de stille huishouding, op een ambacht of kantoor, iu een school of winkel nederigen dienst te verrichten, komt men er zoo licht toe, om uit dien hoofde te klagen, dat zijn leven doelloos voorbijging.
En dit is, gelijk ge terstond inziet, geheel mis.
Als God zelf ons menschelijk leven zóó heeft aangelegd en zóó heeft ingericht, dat negen en negentig op de honderd tot geen anderen dan dezen gewonen dagelijkschen arbeid geroepen worden; en ook dat voor het verrichten van dien omvangrijken arbeid negen en negentig op de honderd menschen noodig zijn, dan heeft een iegelijk, die, tot dezen arbeid geroepen, dien arbeid ook volbracht, niet doelloos geleefd, maar integendeel aan zijn levensdoel beantwoord.
Zoo schoon en juist noemden daarom onze vaderen ieders werkkring, al was die nog zoo stil en vergeten en nederig vaa aard, zijn goddelijk beroep, en het past noch voegt u, ooit minachtend of laat-
3
34
dunkend op dit uw goddelijk beroep neer te zien. Integendeel zult ge er u voor inspannen; er u op toeleggen; er met heel uw persoon bij zijn. Wat ge doet, moet goed gedaan zijn. En een iegelijk is verplicht en gehouden, in zijn goddelijk beroep met het hem van God geschonken talent te woekeren.
Neen, om te weten, of de droeve klacht van den Prediker: „Gaande gelijk hij gekomen was, en dus om niet geleefdquot;, ook op u van toepassing is, zult ge u drieërlei vraag stellen. Niet alleen wat gij deedt; maar ook wat gij werdt; en niet minder wat geworden is van wat God u toevertrouwde.
Eerst in die drie samen gaat ons levensdoel op.
Beginnen we met het laatste, omdat de Prediker met zijn zeggen: „Gaande gelijk hij gekomen isquot;, juist op ons goed, ons bezit, onze have doelt. Hij laat toch voorafgaan; „Gelijk hij voortgekomen is uit zijner moeders buik, alzoo zal hij naakt wederkeerenquot;, en hij doet er op volgen: „Hij zal niets medenemen van zijnen arbeid, dat hij met zijne hand zou wegdragen.quot;
Ook in dat goed au ligt voor een deel het doel van ons leven. Al dat goed saam vormt den schat der gansehe wereld, en dien gaf God aan zijn menschenkinderen, opdat ze dien beheerschen en er meê woekeren zouden tot zijn eer. Ook is die schat, over een geheel leven genomen, lang zoo klein niet. Een gewoon werkman, die van zijn 30ste tot zijn 60ste jaar flO per week verdient, zag zich uit dien hoofde alleen reeds twintig duizend gulden toevertrouwd
En nu is het zooals de Prediker zegt: nu kan men al dat goed al die jaren zóó bezitten, dat er bij het sterven niets van meegaat.
Maar wie een discipel van zijn Heiland is geweest, staat er anders aan toe. Die heeft van jongsaf de roepstem verstaan: „Vergader u een schat in de hemelen, waar geen mot noch roest verteertquot;, en leerde de heilige kunst om zóó te geven, en zóó aalmoezen uit te reiken, en zóó met zijn geld voor den dienst van zijn Heere te woekeren, dat er bij zijn sterven een geheel kapitaal opgelegd is, niet op aarde, maar daarboven.
Of nu wie dat kapitaal oplegde, een rijk man was, die meer dan een tonne gouds weggaf, of een arme weduwe, die haar penningske otlerde, maakt geen verschil. Jezus zei zelf, dat die arme weduwe meer had ingeworpen dan al die anderen. Immers, dat hemelsche kapitaal rekent niet naar het cijfer van het geld, maar naar de gloeihitte der geloofskracht, die in uw geven werkte.
Maar in elk geval, wie zóó zijn goed besteedde, gaat niet gelijk uij gekomen was, en wel terdege neemt hij een vrucht van dezen zijn zielsarbeid meê.
Hij heeft niet alles verbruikt, hij heeft over, en heel die rijke schat, dien hij overwon, ligt veilig en geborgen bij zijn Vader die in de hemelen is.
35
-1-3_IJ -
Nu placht wie dit bij zijn leven verzuimde, zijn schade nosf wel voor ot' in zijn sterven in te halen, door te. vermaken wat hij bezat. En zeker, dat is roeping voor wie achterlijk bleef, en beter dan niets. Maar toch, de ware geloofskracht, waaruit de schat daarboven wordt opgelegd, is het rijk besteden van uw goud of van uw penningske temidden van uw leven, als ge, om te kunnen geven, uzelven iets ontzegt.
Dat is dus de eerste vraag, die ge te beantwoorden hebt; maar nog ernstiger is de tweede, de diepaangrijpende vraag: Wat gij werdt?
Helaas, er zijn er heel wat, die als het aan sterven toekomt, niet rijker, maar armer de eeuwigheid ingaan; die niet toenamen en wiesen, maar afnamen en geestelijk slonken.
Dat komt uit, als men zoo weemoedig gestemd wordt bij het terugdenken aan zijn jeugd, toen het hart zooveel minder slecht was en de neiging ten goede zooveel machtiger; als men later o zooveel en velerlei deed, waar men in vroeger jaren voor zou zijn teruggedeinsd; en als een bang gevoel ons achtervolgt van zwakker in wilskracht, machtiger in zelfzucht, onedeler in eigen overleggingen te zijn geworden.
Dan toch moet op de bange vraag; 11«^ werdt ge? het bittere antwoord volgen: At minder, en spreekt uw sterven van een schromelijk verlies aan menschelijk kapitaal, niet voor de wereld, die dan van ii verlost is, maar voor uw eigen wezen, voor uw eigen karakter, voor uw ziel en uw persoon.
Dan gaat ge niet gelijk ge gekomen zijt, maar minder dan toen ge geboren werdt. Dan gaf uw leven geen winste, maar hebt ge tot uw eigen schade geleefd.
Doch ook al verwijt uw consciëntie u zulk een verlies niet, en al bleeft ge zoo ongeveer die ge altoos waart, ook dan nog miste uw leven zijn doel. Ge hebt uw persoons-kapitaal, den schat van uw aanzijn levenslang onder het stof der alledaagschheid begraven, en nu bij uw sterven wordt ge als een doovekool weer uit die asch opgerakeld.
Dit nu zou ook zoo zijn, als ge terstond bij uw geboorte gestorven waart, en dus niet op aarde hadt geleefd, zoodat ook zoo uw leven verspeeld, om niet doorgegleden en doorgekropen is.
Niets gewonnen; niets aan zelfbeheersching, niets aan karakter, niets aan liefde, niets aan wilskracht, niets aan inschikkelijkheid en geschiktheid voor het leven.
Wel knapper geworden misschien, slimmer, meer wereldwijs eu praktisch bruikbaar; maar dit hoort alles tot de dingen, die we hier laten, die niet meegaan, die ons in de eeuwigheid niet volgen. Dat alles gaat voorbij.
36
En daarom, dan eerst kunt ge in dank en met vreugde op uw leven terugzien, als ge, bij vroeger vergeleken, merkt, dat met de vijf talenten vijf andere gewonnen zijn; dat ge toenaamt; dat ge aanwont j en dat thans rijker en machtiger in u is de kracht om de zonde te weerstaan; om uw zelfzucht in liefde te bedwingen; om uzelven en niet uw God te verloochenen.
Wie zóó geleefd heeft, en zóó gewerkt heeft, van dien zegt de Geest; „en hunne werken volgen hen.quot;
Toch wordt ook in dit opzicht soms in de korte weken, die aan het sterven voorafgaan, nog wonder veel ingehaald.
Die nooit geloofde, is soms in het aanschijn van den naderenden dood gaan gelooven. Wie meest zichzelf zocht, is met het uitzicht op zijn einde, aan anderen gaan denken. Wie dusver prikkelbaar was en in drift opvloog, dien heeft men door genade soms nog op zijn sterfbed of in de ziekenkamer tot zelfbeheersching zien komen.
Niet dat het hier alles goud is dat blinkt.
Nergens meer dan in de ziekenkamer wordt valsche munt geslagen, en een ieder zijn de voorbeelden wel bekend van personen, die, duchtende dat ze sterven zouden, o zoo tam en zoo lief werden, en die toch, toen God ze genas en weer oprichtte, aldra bleken de oude zondaars gebleven te zijn.
Maar zoo grif we dit toestemmen, en zoo ernstig we deswege tegen zelfbedrog waarschuwen, toch moet even beslist het feit erkend, dat er ook ziekenkamers en sterfbedden zijn, die van wonderen van genade weten te spreken. Er zijn er rijk en zalig uit de ziekenkamer heengegaan, die o zoo goddeloos en ongeloovig waren, toen ze liggen gingen. En ook zijn er herstelde zieken in de wereld teruggekeerd, genezen niet enkel naar het lichaam, maar ook vernieuwd in de ziel.
Die weken of dagen dat ge machteloos nederligt, behoeven dus niet verloren te zijn. Integendeel, ze kunnen rijke vrucht dragen. Een vrucht die blijft.
En zoo hebt ge vanzelf ook den sleutel in handen voor de derde vraag; Wat (je deceit.
Want zie, ons doen op aarde is zoo betrekkelijk, 's Werelds loop besturen doet God de Heere, en de dingen om ons heen komen meer vanzelf dan door ons tot stand. Ons aandeel daarin is zoo klein en nietig. Zelfs van een Nebucadnezar zegt de Schrift, dat hij niets was dan een zaag, die God trok.
Maar wel is er een ander doen, dat in veel hooger zin van u uitgaat, en dat is de zedelijke kracht, die ge betoond hebt; de invloed ten goede, die van u uitging; de zaden van godsvrucht en vroom-
37
heid, die ge in anderer hart hebt gezaaid; de bezieling van uw woord ; de vertroosting van uw liefde; de hulpe die ge aan anderen boodt in de worsteling hunner ziel.
Dat zijn de werken die blijven, en die u volgen als ge ten grave daalt, en dat juist zijn de werken, die een ieder doen kan, man of vrouw, jong of oud, 'tzij dan dat men rijk, 'tzij dat men arm is.
Aan dat edeler werk kunt ge ook nog in de ziekenkamer arbeiden, als ge nederligt, en er nog aan voortspinnen tot op uw jongsten snik, door uit uw hart in anderer ziel over te storten, wat in u uitgestort is door den Heiligen Geest.
Tot aan de poorten des doods gekomen.
DE PLAGE GODS.
Hunne ziel gruwde van alle spijze, en zij waren tot aan de poorten des doods gekomen.
Ps, 107 : 18.
lgt;e sterfte was de laatste weken groot. In sommige streken meer dan het dubbele van het gewone. Zoo zelfs dat de doodgraver hulp beeft moeten vragen en de lijkbezorgers hun sombere taak niet afkonden.
En nog veel grooter is, vergelijkenderwijs, het aantal onzer kran-ken. Er is een dorp, waar er de vorige week twee duizend ziek te bed lagen, terwijl er maar een goede duizend overbleven, wien niets scheelde.
Dat zal dus indruk maken, zoudt ge zeggen. Yreeze zal over heel onze bevolking zijn gekomen. De vreugdevuren van het zingenot zullen gedoofd zijn. En er zal een geroep van allen kant opgaan om een dag van vasten en gebeden!
En toeh, aan deze verwachting beantwoordt de werkelijke stemming der gemoedereu niet. Wel zijn de nieuwsbladen vol over de plage die rondsluipt. Ook spreekt men er in alle kringen van; en er wordt ditmaal niet zooals voor twee jaren met deze krankheid gespot en gelachen. Maar aangegrepen als door een hoogere macht is de bevolking volstrekt niet.
Althans wie ooit in de plaats zijner woning een sterke cholera- of
38
pokkenepidemie mee doormaakte en zich nog levendig weet voor te stellen, wnt schrik en vreeze toen aller hart had bevangen, die zal gulweg bekennen moeten, dat er zeer zeker mi en dan een toon van meerderen ernst wordt aangeslagen, maar dat er van een ontroering der menigte geen sprake is.
En vraagt ge, hoe dit dan te verklaren, dan ligt dit juist aan het ongelooflijk groote aantal zieken, waarbij naar evenredigheid het cijfer der stervenden zoo klein lijkt.
Toen de cholera rondwaarde, stierf soms meer dan de helft; nu hoogstens één op de vijftig.
Het gevaar spreekt dus minder. Bij verreweg de meesten, die worden aangegrepen, loopt het nog goed af.
En wat ook oorzaak van de zooveel geringer ontroering is, deze plage heeft niet dat bange, dat geweldige, dat afzichtelijke in haar wijze van aanval. Zoo ze niet de longen aantast, is ze meestal zelfs zeer licht.
Zielkundig is het dus volkomen verklaarbaar, dat bij de menigte de ontroering van het gemoed niet aanwezig is.
Iets waarover alleen hij wee en ach roept, die bij aangrijpende epidemieën de waarde van zulke ontroering overschatte.
Want als dan plotseling alle vreugdegeroep verstomde, en het zingenot uit had, en de kerken de opgepakte massa's niet konden bevatten, dan zag, wie oppervlakkig oordeelde, hierin een bekeering, en waande te kunnen profeteeren van betere toekomst voor het Godsrijk.
Maar nauwlijks luwde de plage, of deze profetie bleek leugen te zijn; en zóó was niet het gevaar geweken, of het leek wel, dat de verbaasde menigte bedacht was haar schade in te halen, zoo wild spatte dan alras de brooddronkenheid weer uit.
En toch, wat was deze reactie op de onnatuurlijke ingetogenheid anders dan natuurlijk?
Neen, „droefheid naar Godquot; is nog heel iets anders dan bangheid voor de slaande hand des Heeren.
De schrik van morgen den dag te kunnen sterven werkt geen waarachtige bekeering.
Al wat van buiten dreigt, blijft buiten de kern van ons zielsleven omgaan. En zooals de zeeman temidden der schipbreuk naar (-Jod roept, maar straks, als hij gered is, zich weer bedrinkt en een vloek over de lippen stoot, zoo is ook de menigte die God niet kent, en toch een oogenblik voor zijn Majesteit gebeefd heeft.
Maar anders staat het met personen, jong en oud, die wel reeds lang wedergeboren zijn, maar er nog nooit toe hadden kunnen komen.
39
om zich tot den levenden God, eens voor altijd, met heel hun hart en heel hun ziel te hekeeren.
Op dezulken heeft ftod eertijds door zulk een plage zeer sterk ingewerkt, en lang niet zoo klein is het aantal van deze geestelijk geborenen, maar nog altoos geestelijk slapenden, die in zulke dagen van ernst opeens het vuur in hun beenderen voelden branden, en niet langer konden weerstaan, als er geroepen werd: „ Ontwaakt, gij die slaapt, en laat Christus over u lichten!quot;
Dat deed dan wel die ziekte niet, want noch cholera, noch typhus, noch influenza kan ooit iemand tot bekeering brengen. Bekeering gaat altoos door het Woord, dat als een hamer eindelijk het steenen hart in ons verbrijzelt.
Maar wat zulk een plage wel kan, is den slag van dien hamer versterken, en maken, dat het Woord ons sterker aangrijpt, er dieper bij ons ingaat, en een wezenlijker indruk bij ons achterlaat.
En zoo nu gaat ook thans weer in de heerschende plage een roepstem tot alle wedergeborenen maar nog onhekeerden in ons midden uit, dat ze hun zielsoog dan eindelijk toch eens voor de hoogheid van hun Bonds-God ontsluiten zullen; dat ze een einde zullen maken aan dat willoos hinken op twee gedachten; dat ze dan nu eindelijk toch tnsschen den dienst der wereld en den dienst van .lezus kiezen zullen; en dat ge, heden terwijl gij zijn stemme noa' hoort, zult opstaan en tot uw Vader gaan, en zeggen: „Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en tegen U!quot;
[n dat eindelijk tot bekeering komen van wie reeds zoolang hun bekeering uitstelden, moet ook nu de plage van Gods hand vrucht voor de eere zijns Naams dragen.
En wee, wee Gods kerke, zoo die rijpe vrucht uitbleef.
Doch er is meer.
Ook tot hen, die hun eerste bekeering reeds achter zich hebben, komt in deze plage een zeer ernstig vermaan.
Het is toch onwaar, dat op een eerste bekeering altoos een gestadig toenemen in stille godsvrucht volgt. Dat kan men wel zoo bcredeneeren en zoo voorstellen, maar het is niet zoo. Veeleer is zoo gestadige vrucht van de eerste bekeering uiterst zeldzaam.
Immers bijna de gewone regel is, dat er, zoodra er eenige tijd na de eerste bekeering verloopen is, een onzalige verkoeling intreedt; en dat men in het besef, dat de zake zijner zaligheid nu afgedaan is, weer half indommelt en zich gewennen gaat aan een halfslachtig leven, zoo half in het vrome maar ook half in het zondige. Als ging het tusschen God en onze ziele op een onheilig aecoord.
En juist op zulke zondige toestanden onder Gods volk kan zulk
40
een stemme Gods, als ook nu weer in deze plage uitgaat, een zoo weldadigen invloed oefenen.
Dan komt Gods kind tot inkeer. Hij wil zijn onheiligen droom, zijn zondig zelfbedrog niet langer.
Neen, neen, dat is niet den Heere zijn God dienen met heel zijn hart en heel zijn ziele.
Dat druischt in tegen wat hij in zijn bekeering koos.
Dat is een spelen met het heilige, dat niet langer mag.
En dan ziet ge den vromen zondaar opstaan en zijn boeien afschudden, en breken met zijn lauwheid en zijn verborgen zonden, en er is gejuich over zoo heerlijke zielsontwaking bij de engelen Gods.
En dan teelt deze kostelijke winste vanzelf nog een andere vrucht.
Er gaat iets ritselen door het woud. Een adem des levens waait door Gods hof. En in heel den kring der Godgetromven komt het tot een vernieuwing, een verfrissehing, een verhooging van het geestelijk leven.
Het is of de prediking meer gloed krijgt en in een toon van hoogeren ernst speelt. De dienst der gebeden wordt inniger. De gaven der barmhartigheid vloeien milder.
Er is meer losmaking van banden en een sterker trekken van de koorden, die ons aan den hemel binden.
Het volk heeft meer lief, en dat meer liefhebben van het Eeuwige Wezen kweekt vanzelf warmer onderlinge liefde.
In de gezinnen wordt de dartelheid gedempt. De stille godsvrucht spreidt haar glansen weder. En het is of het onweder, dat losbarstte, heel onzen geestelijken dampkring heeft gezuiverd.
En eindelijk ook de gedachte, dat ge uw ziel bereiden suit, leeft dan klaarder bij u op.
^ ant het is wel waar, dat vreeze des doods geen bekeering werki, en dat een godsvrucht, die alleen uit schrik voor het graf geboren wordt, het stempel der godzaligheid mist; maar dit neemt niet weg, dat wie bekeerd is en zijn God vreest, als hij zoo dicht bij de poorte des doods komt, toch vanzelf tot een bereiden van zijn ziel gedrongen en geperst wordt.
Want wel is het nog beter, zoo ge altijd bereid zijt, en al kcmt uw Heere als een dief in den nacht, toch niet overvallen wordt. Maar bij de meesten is dit nu eenmaal niet zoo.
Voor de meesten is er uit het leven naar den dood nog altoos een ontzettende overgang.
En al wierdt ge dan gespaard, dat ge van voor de poorten des doods
41
nog' in het levon terug mocht gaan, dan kan toch de vrucht van dat bereiden uwer ziel zoo kostelijk zijn.
Dan hebt ge uw leven nog eens overpeinsd. Ge hebt u nog eens afgevraagd, of ge wel gewoekerd hebt met het talent u toebetrouwd. Ge hebt uw verplichting jegens uw kerk, uw land en uw gezin nog eens doorgedacht en ««gedacht.
En ontsluit zich dan nogmaals een nieuwe weg des levens voor u, dan wandelt ge toch anders; met vaster tred; meer uwen God tot eere!
XI.
2)e tijd mijner ontbinding is aanstaande.
XIETS VERZWIJGEN.
Want ik word nu tot een drankoffer geofferd, en de tijd mijner ontbinding is aanstaande. 2 Tim. 4 : (J.
Mag, moet ik aan iemand, van wien ik weet, dat zijn krankheid ten doode gaat, terstond zijn wezenlijken toestand bekend maken?
Zij die vraag niet alleen met het oog op onze teringzieken gesteld, maar in het algemeen, met het oog op alle ongeneeslijke, snel ver-loopende ziekte. En dan weet ge, hoe onze meeste artsen, en hoe met onze artsen de meeste familiën er over denken.
Verzwijgen is hun wachtwoord.
Nu veroordeele men dit stelsel niet te hard. Er werkt toch én bij onze artsen én bij deze familiën, op hun standpunt, een hooger motief in.
Onze artsen weten bij ervaring, dat er zoo weinig met hun patiënten valt uit te, richten, zoodra de moed er uit is. Hoop doet leven, en zoolang het heerlijk vooruitzicht van nog weer beter te zullen worden, den levensmoed prikkelt, telt de patiënt zijn lijden minder en worstelt hij zijn bange nachten en lange dagen met meer zedelijke wilskracht door.
En wat de familiën aangaat, die achten veelal dat liefde verbiedt, aan den kranke en langzaam wegstervende terstond de volle, harde waarheid zoo rauwelings aan te zeggen.
Hun lieve kranke zou er zoo van schrikken; misschien in bittere
43
tranen uitbarsten; en voorts al die dagen aan bange wanhoop ter prooi zijn.
Nu kost het hun wel veel, zich zoolang goed te houden, en met den rouw in het hart, toch altoos met een vriendelijk lachje aan het ziekbed te komen. Maar liefde vergt van hen dat offer, dat ze dan ook willig brengen.
En nu genieten ze er in, als ze merken, hoe, dank hun voorzichtig zwijgen, de arme patiënt zich nog aldoor luchtkasteelen bouwt.
Eerst in de wintermaanden uitzien, of zwaluwen nog niet den zomer komen brengen, en straks in de gure herfstdagen iveer uitzien naar het gezellige vuurtje aan den haard.
Altoos hope, aldoor ideale droombeelden! Tot dan eindelijk de dood hen verrast. Maar dan is, dank zij de zwijgende liefde, hun toch de schrik en de vreeze voor het sterven gespaard.
Hier komt nog iets bij.
Vooral van teringzieken is zoo dikwijls opgemerkt, hoe weinig ze zeiven aan hun naderend sterven gelooven. Een teringlijder is gemeenlijk, althans zoo het nog niet te ver ging, opgewekt van natuur. En al zegt ge hem, dat zijn einde nadert, dan gelooft hij het dikwijls toch niet.
Althans een teringzieke van boven de twintig jaren merkt het anders toch wel, wat er aan hem schort. Hij heeft de vaste kentee-kenen van de tering zoo vaak hooren bespreken of bij anderen waargenomen. Niets zou dus eenvoudiger zijn, dan dat hij, alsnu diezelfde verschijnselen bij zichzelven bespeurend, terstond zelf de conclusie trok en inzag waar het met hem heenging.
En doet een teringzieke dit, dan weet hij ook wel, dat het hoogst ernstig met hem staat. Wat Dr. Koch gemeend had tegen de tering te vinden, is, helaas, gebleken nog altoos het echte, van God beschikte tegengif tegen de tering niet te zijn. En tenzij men tijdig naar het Zuiden kan, en in het Zuiden kan blijven wonen, weet zulk een kranke ook wel, dat de tering, aan zeker stadium toegekomen, meest een snel verloop neemt.
En toch, hoe wonderlijk het ook schijne, de meeste teringzieken maken die toepassing op zichzelven niet; en al is het ook, dat ze het ergste duchten gaan, toch houdt hen nog altoos de hoop staande, dat bij hen misschien de genezing nog slagen zal.
En hier nu op lettende, vraagt soms zelfs de vrome arts, en vraagt wie de ziekte verzwijgen wil, of God zelf dan in den aard dezer krankheid ons niet een vingerwijzing geeft, om aan onze al verzwakkende patiënten den dood niet aan te zeggen.
Nu pleegt mea in CTcrefonneerde gezinnen een tegenovergestelde gedragslijn te volgen. Als we menschelijkern-ijze met eenige zekerheid vooruitzien, dat onze zieken sterven, gaan, zeggen wij het hun wd.
We doen dat bij ouden van dagen, maar ook bij jongemannen en jongedochters, die God de Heere vroeg afroept; ja zelfs bij onze kleine kinderen, zoo het Hem belieft die van ons weg te nemen.
Zelfs duidden Gods kinderen het hun arts zeer euvel, zoo ze meenden, dat hij ze misleiden wilde; en het meest zal onder 's Heeren volk altoos wel hij als arts gezocht zijn, die zelf een afkeer van den val-schen schijn heeft, en stil en eenvoudig „de waarheid met zijn naaste spreekt,quot; en dus ook met zijn patiënten.
En waaraan anders ligt dit verschil nu dan daaraan, dat een kind van God zelf niet zou willen dat men hem bedroog, en het voor hem verzweeg, als hijzelf sterven moest.
Zoowel in onze kringen als in de kringen dier anderen handelt men dus naar den regel van het hoog gebod: „Zoo wat gij wilt dat de menschen u doen zouden, doe hun ook alzoo.quot;
Alleen maar, voor zichzelf heeft men een ander begeeren.
In die andere kringen zou men zelf wenschen, er niet van te hoo-ren, eer het aan sterven toekwam; en daarom zegt men er ook zijn patiënten niets van. In de kringen van Gods volk daarentegen, zou men het vreeselijk vinden, als men het ons nitt dadelijk aanzei; en daarom zou men het ook voor zijn patiënten niet durven en niet willen verzwijgen.
Kunt ge nu daarom zeggen, dat die tragische patiënten, wier naderend sterven gewis schijnt te zijn, in onze kringen er zooveel ongelukkiger aan toe zijn'r
Stel u de feiten maar voor, zooals ze zijn.
Als alles voor hen verzwegen moet worden, speelt men weken-, maandenlang een soort treurspel om hun ziekbed af. Niets is meer natuurlijk. Noch de plooi in het gelaat, dat zich immers in een gedwongen lach zet; noch de toon van de stem, die gemaakt vroolijk blijft; noch de inhoud der woorden, waar de leugen in ligt. Het wordt dus alles een onware, een valsche toestand. Er heerscht een valsche verhouding, waarin alle huisgenooten meê moeten gaan, en waarin ook wie van buiten komt, wordt ingeleid. Men spreekt dan af, wat men zeggen, hoe men den toestand voorstellen zal, en de arts leidt deze tragedie meest, en acteert er zelf in meê.
Maar al doorziet nu de patiënt dat spel niet geheel, toch begrijpt ge wel, dat een patiënt die maar iets doorzichtiger is, wel iets vreemds ontwaart; uit dat gestadige spel een zonderlingen indruk opvangt; en daarom nog volstrekt niet gerust is.
Vandaar dat ze zooveel vragen, en soms den arts en wie er om
44
hen staan zoo met onderzoekende oosten aanstaren; als wilden ze zeggen; „Dokter, ge bedriegt me tuch immers niet?''''
En komt er dan een bezoeker van buiten, dan gaat er wel meest ■altijd een van de familie mee, om op te passen, dat hij het spel niet verraadt; maar is de arme patiënt soms een enkel oogenblik alleen met zulk een bezoeker, dan hoort men zoo dikwijls opeens de vraag; „Ik ga toch niet sterven ?quot;
Maar hoor, daar gaat de deur open; een van de familie komt juist weer boven; en op de nog even opgevangen vraag luidt het antwoord, nu niet van den bezoeker, maar van moeder of zuster: „Neen, foei, mijn schat; waar denk je aan! De dokter was o zoo tevreden.quot;
En die leugen heeft wie dit schrijft, soms zelfs dan nog hooren herhalen, als tien uren later wie het vroeg reeds in de eeuwigheid was.
Is dat nu niet ontzettend, als er weken-, maandenlang, in het bangst wat ons overkomen kan, uit liefde, zij het zoo, en met de beste intentie een vertooning met ons wordt afgespeeld, waar het toch zoo hoog noodig was, om onze ziel te bereiden, en mocht het zijn, nog een zegen om ons heen te spreiden?
Kan dat nu goed voor God zijn, heel ons gezin, en ieder die binnenkomt in zoo stelselmatige onwaarheid in te wikkelen? Kan het o-oed voor ons hart zijn, zoo lange dagen ons lachend te vertoonen, als we weenen in ons hart? En bovenal, kan, mag het, dat we op zulk een wijs onze arme patiënten door den dood laten verrassen, en zonder overgang, zonder troostend licht, de eeuwigheid laten ingaan ?
Maar bovenal, is dat mi het schepsel Gods in uw patiënten eeren, als ge acht, dat ze de weet van den dood niet zouden kunnen dragen, en het niet zouden kunnen uithouden, zoo ze wisten, dat hun ontbinding aanstaande was?
Mag een vader zoo met zijn gedoopt kind, mug een moeder zoo met haar lieveling doen, dien ze van God ontving? De dood kom; immers toch. Yan deze wereld is voor uw kranken, zoo ze toch sterven moeten, niets meer te hopen. En van de eeuwigheid, waarin hun eenige verwachting kon zijn, zegt ge hun niets, en ge bereidt hun geen zaligen ingang.
En daarom, al oordeelen we niet hard, en al miskennen we nie-mands intentie, toch stuit ge bij zulk een leugen aan het ziekbed op iets lafs, op iets onwaars, op iets onmannelijks, dat u zeggen doet: „Dat kan voor God niet goed zijn.quot;
Wie spoedig sterven gaat, moet het zelf in de eerste plaats weten.
45
Eu kom nu in onze kringen, en zie hoe het daar toegaat.
Neen, te roemen is ons niet oirbaar, en ook in onze kringen sterven er soms teringlijders langzaam weg, wier ziekbed verre van ver-heftend was, en bij wie geen sprank van heiligen geloofsmoed glinsterde.
Helaas, ook in onze kringen is het geloof niet aller. Er zijn ook verharden van hart.
Maar dit mag tot roem van Gods genade dan toch getuigd, dat het in den regel anders is; en dat onze arme patiënten, die we niet misleiden, en die dus weten dat ze sterven gaan, na den eersten stoot,, dien zulk een wetenschap altoos met zich brengt, eer blij zijn dat zij het weten.
En o, dan komt er zulk een verandering in de stemming van het gemoed. Nu van de aarde toch niets meer te wachten is, richt de blik zich zooveel vaster naar den hemel. Van de wereld wordt men vreemd, en met God en zijn lieven Zoon en zijn heilige engelen al meer gemeenzaam. Niet zoo zelden zelfs gebeurt het, dat onze patiënten reeds zeer spoedig den bangen strijd doorstreden hebben, en nu kalm en gelaten afwachten wat God over ze gehengt; om inmiddels, in hun Heiland gerust, teug na teug uit te drinken uit den beker zijner zalige vertroostingen.
Ook op heel het gezin gaat dan een weldadige invloed van zulk een ziekbed uit. Met zekere heilige aandoening nadert men hot ziekbed en voelt zichzelf ernstiger gestemd. Zoo komt er een hooger, heiliger vrede over aller hart.
En nadert dan eindelijk het oogenblik van scheiden, dan is én wie sterft én wie aan zijn leger staat, er op voorbereid, en gaf God het zoo vaak aan wie overbleef te jubelen: „De krone is hem weggelegd.quot;
XII.
HET KRANKE KIXD.
En het zeide tot zijnen vader: Mijn hoofd, mijn hoofd! Hij dan zeide tot eenen jongen: Draag hem tot zijne moeder. En hij droeg hem, en bracht hem tot zijne moeder. En hij zat op hare knieën tot aan den middag toe, toen stierf hij. 2 Kon. 4 : 19, 20.
Een ziek kind is zoo heel anders dan een volwassene, die krank ternederligt.
46
Ook in de Heilige Schrift komt dit bij de zieke kinderen, waarvan ons verhaald wordt, bij het zieke jongske van David en bij het kranke dochterke van Jaïrus, uit; en uit ook, ja meer nog, bij het jongske van de Sunamietisehe in de dagen van Elisa.
Dat jongske zal zes, zeven jaren geweest zijn, want hij was reeds zoover, dat hij alleen van huis naar het land, waar vader werkte, geloopen was; en toch kan hij niet wel veel ouder zijn geweest, want zijn moeder zat urenlang met hem op haar knieën.
Nu was dat jongske 's morgens naar den akker toegeloopen. waar vader met de knechten aan het maaien was. Die loop had hem blijkbaar overspannen. Dat had zware, bedenkelijke congestie teweeggebracht. Zijn hoofdje begon hem geweldig zeer te doen; en toen hij bij zijn vader aankwam, was zijn eerste roepen: „opader, mijn hoofd, imjn hoofd!quot;
Toch zag zijn vader het volstrekt niet ernstig in. Althans hij bleef stil aan het maaien, en liet den jongen door een knecht naar huis, naar zijn moeder dragen.
Een ziek kind, dat voelde hij zoo juist, hoort bij moeder. Doch reeds onderweg nam het kwaad toe. Dat schudden van het dragen, gevoegd bij de klimmende hitte, schijnt de zware congestie verergerd te hebben. En toen hij eindelijk bij zijn moeder kwam, nam de Sunamietisehe hem op haar schoot en lei zijn hoofdje, dat hem zoo zeer deed, tegen haar borst aan. Eu zoo bleef zij, zonder hulp of raad, stil met hem zitten, tot het middag werd; en toen tegen den middag kreeg de jongen waarschijnlijk een stuip, en in die stuip bleef hij.
En toen eerst nam ze het nog warme lijkje van haar knieën af, stond op, en lei haar kindeke in Elisa's profetenkamer op bed.
Nu trekt in zulk een kind reeds dat stille, dat willige, dat bijna zwijgend lijdende zoo tragisch aan.
Dat roepen: „Mijn hoofd, mijn hoofd 1quot; is al wat de kranke jongen uit, en voorts laat hij zich stil wegdragen; voelt al minder pijn, nu hij maar op moeders schoot mag rusten, en sterft weg, zonder dat ge iets meer hoort.
Wij, oudere menschen, zijn als er krankheid komt gemeenlijk te wijs; we weten te veel van alles; zijn te veel met onszelven bezig; en maken daardoor onszelven onrustig.
Maar een klein, ziek kind ligt sprakeloos neder en lijdt, met soms een pijnlijke uitdrukking op het gelaat, het is zoo, maar toch meest met op den achtergrond van die pijnlijke uitdrukking een aanminnig kinderlijken trek.
Kinderdokter te zijn is daarom zoo heel iets anders dan een dokter van groote menschen. Want volwassen personen verhalen u allerlei.
47
wat ze gevoeld eu ervaren hebben. Ze kunnen u antwoorden op allerlei vragen, die ge doet. En u naderhand allerlei meêdeelen, waarop ge gezegd hadt, dat ze letten moesten. Maar bij een kind is dat zoo niet.
Een kinderarts kan het lijdende kind aanzien, zijn pols voelen, eenige verschijnselen waarnemen en iets zoeken te gissen of te raden uit de nog weinig sprekende trekken, maar dat is ook al. Al het overige moet op intuïtie gaan.
Want, en dat is juist het aandoenlijke, een kind, ook al is het ernstig krank, weet nauwelijks van zijn ziekte. Hij denkt er niet over na. Hij laat die ziekte meer lijdelijk over zich komen. Hij merkt wel, dat er iets wonderbaars met hem gebeurt, maar weet niet wat. En daarom is ai wat ge van een ziek kind hoort, meest een klagende uitroep van pijn, juist zooals het ons van het kind der Sunamietische getee-kend staat.
Maar daarom juist hoort dan ook bij een ziek kind zijn moeder; en het pleit tegen het moederhart, als in zulke bange oogenblikken iemand anders beter dan de moeder de heilige kunst verstaat, om dat lieve, lijdende kind zijn lijden te verzachten en de bangheid weg te nemen.
De moeder is bij het kranke kind de van God bestelde verzorgster. Niet alsof niet menig ander, vaak een oudere zuster, de zorge voor het kranke kind met groote toewijding zou kunnen overnemen; maar omdat tusschen een jong kind en de moeder, vooral in dagen van pijn en krankheid, een mysterie werkt.
Ook nadat de moeder haar kindeke ter wereld bracht, blijft er tusschen haar en de vrucht van haar schoot zekere heimelijke betrekking werken. Een betrekking, die eerst sterk gevoeld wordt, doordat ze het kindeke voedt met haar eigen melk. Maar die toch ook bij het gespeende kind nog voortduurt, en gewoonlijk eerst met het naar school gaan begint af te nemen.
En die magnetische band, als we zoo zeggen mogen, dien de moeder aan haar jong kind en het jonge kind aan zijn moeder voelt, werkt nu opeens o zooveel sterker op, als dat jonge kindeke begint te lijden en zoo krank wordt, dat het sterven gaat.
Dan troost die moeder dat zieke kind, ook al doet ze niets dan stil bij hem zitten. Dan geeft die intuïtief opgevangen moederliefde aan het lijdende kind rust. Het stilt zijn pijn. En als het sterven moet, maakt het hem den doodsstrijd lichter.
En nu, juist door de werking van die geheimzinnige macht is het
48
ziekbed van een kind in den regel zooveel schooner dan het ziekbed van een volwassene.
Natuurlijk zijn er uitzonderinsren. Soms vindt ge een kribbe met een heel kribbig kind, dat lastig en ondeugend is, en daartegenover een legerstede, waarop een vroom kind Gods van meer dan vijftig jaren in heiligen vrede wacht op zijn Heiland en Heere.
Maar dat zijn uitzonderingen, en als regel genomen, is het ziekbed onzer kleinen o zooveel rijker, als ge maar de kunst verstaat, om in dat stille en zwijgende lijden te lezen wat er zich in uitspreekt.
Er is bij een jong kind zoo geen tegenworstelen tegen wat God over hem brengt. Juist omdat een jong kind nog zooveel minder weet, geeft het zich zooveel gemakkelijker over.
Ook leeft een kindeke nog meest in dat naïeve geloof, dat wel zonder meer niet zaligmakend is, maar toch zooveel nader aan de vroomheid van de Bergrede komt, dan veel wijsheid, die wij ouderen hebben te vertellen.
Als Jezus zoo spreekt van niet bezorgd te zijn voor den dag van morgen, maar te leven zooals de vogelkens en de bloemen, die uit Gods hand leven en zoo heerlijk door God verzorgd worden, gelijkt dan zulk een krank kind niet, veel meer dan zieken van meer jaren, op die leliën des velds en die vogelen des hemels, waarvan Jezus zoo roerend en aangrijpend gepredikt heeft?
Ja, als ge Jezus een kindeke ziet nemen en midden onder die stoere, groote mannen plaatsen, die zijn discipelen waren, en ge hoort Hem dan zeggen, dat ze als zulk een kindeke worden moeten, zou het dan ook voor ons ouderen niet van het ziekbed gelden, dat ons ziekbed dan alleen God verheerlijkend is, als we ook op ons ziekbed als het kranke kind op moeders schoot geworden zijn?
Een kind dat ziek is, gaat niet in zijn ziekte op.
Trekke het uw aandacht maar eens, hoe een ziek kind, als het even een oogenblik van verademing heeft, dadelijk weer geneigd is om te spelen, of te luisteren naar een boeiend verhaal, en weer het oude lieve gezichtje zet.
Een kind kent nog geen melancholie. Het trekt nog niet al zijn peinzen en denken op zijn ziekte saam. Het mort en klaagt zoo niet en is niet zoo gemelijk als zieken op jaren vaak zijn.
En natuurlijk, dat is voor een kind ook gemakkelijk, want zijn wereld is nog zoo klein, het heeft nog voor niets te zorgen, het ziet nog zoo vragend en radend het leven in, en over het mysterie van de smart heeft het nog nooit nagedacht.
Maar juist daardoor leeft er op den bodera van het kinderhart toch ook een stiller en rijker vertrouwen op zijn Vader die in de hemelen
49
is. Het is nog niet geplaagd met veel redeneering, en leeft daarom meer in concrete voorstellingen, juist zooals de Bijbel ook ons ouderen die gedurig poogt in te prenten. Voorstellingen van een Vaderhuis daarboven, en een God die daar leeft, en op hem neerziet, en om hem denkt, en onzichtbaar zijn engelen de wacht laat houden, en als hij sterven mocht, hem daarboven wacht.
En hoe kinderlijk-naïef dat alles nu ook moge leven in de verbeelding van dat lieve, lijdende kind, zou daarom toch dat jeugdige zieltje niet vaak dichter bij de waarheid en de werkelijkheid zijn, dan het gemijmer en gemor van die ouden van dagen, die o zoo wijs over hun ziekte en over hun sterven redeneeren?
Bij zoo'n jong kind is het altoos, alsof ge de tegenwoordigheid van God en zijn engelen op den achtergrond waarneemt, en bij ouden van dagen vindt ge juist van dat heilige schoon zoo vaak niets.
Nu hebben velen daar geen oog voor, en leeren van zulk een kinderziekbed dan ook niets; zoomin als ze ooit iets verstaan van de stille prediking, die uit heel de kinderwereld tot hen komt.
Maar zoo mag een Christen toch niet doen.
Daartoe heeft onze Heiland ons veel te dikwijls juist op dat kinderleven en op die kinderwereld gewezen; niet enkel opdat wij de opvoeding dier kleinen op het hart zouden dragen, maar ook opdat we ons door die kleinen zouden laten opvoeden.
Wie van kinderen niet houdt, heeft hierin een getuigenis tegen zijn hart, en we voegen er bij tegen zijn geloof. Ja, we zouden haast twijfelen of iemand wel goed als kind voor zijn God kan staan, zoo hij niet eerst het kind zijn van de kinderkens geleerd heeft.
Maar al is het nu, dat onze kinderen, wat we geenszins ontkennen,quot; door veel lastigheid en allerlei ondeugendheid vaak afstooten, als ze nog woelen en stoeien in het volle leven, op het ziekbed wordt dat zoo heel anders.
Dan valt dat zondige in onze kinderen zoo veelszins weg. Dan trekt er iets zoo heiligs om hen.
Ea daarom is het kindeke op het ziekbed vooral ons een zoo heerlijk getuigenis van wat, in nood en dood, ook ons deel kan zijn door een hinderlijk geloof.
4
50
XIII.
Zij had het hard in haar baren.
HARD IN HAAR BAREN
En zij reisden van Betli El; en er was nog eene kleine streek lands om tot Etratha te komen; en Rachel baarde, en zij had het hard in haar baren. Gen. 35 ; 16.
Moeder te worden is de rijkste weelde, die door God aan het vrouwenhart gegund wordt, maar ook aan deze» rozentak zijn doornen. Wat God in het paradijs over Eva geheugde, dat ze haar kind niet dan met sraarte baren zou, is na haar aan alle vrouw uit eene vrouwe geboren, zoo ze moeder werd, bevestigd. Baren gaat niet dan met smarte.
Wel is het volkomen waar, dat het lijden onder en de naweeën na deze smarte niet met ziekte op één lijn zijn te stellen. Er is geen giftig bederf bij in het spel. Er wordt geen medicijn tegen aangewend. Ook al kan het een dierbaar leven in gevaar brengen, toch leidt het uit zichzelf niet tot den dood, maar tot het leven. Ziekte gaat, zoo er geen tegengift komt, door lijden in den dood. Het baren, mits er niets bij kome, gaat uit het lijden tot opstanding en levensvernieuwing.
Maar al is er in het mysterie van het kraambed op zichzelf geen ziekte, toch moogt ge ook niet zeggen, dat het natuurlijk is. Oima-tuurlijk, fe^ewnatuurlijk veeleer, zegt de Schrift u, is dit opkomen van het nieuwe leven uit soms zoo schriklijk bange benauwdheid en soms de oevers van den dood naderende smart.
Neen, zegt Gods Woord u, zoo was het niet door uw God verordineerd. In zijn schepping, ware ze niet door onze zonde gestoord, zou het nieuwe, jonge leven uit louter vreugd, in blijde gewaarwording, zonder iets dat zweemde naar smart, tot aanzijn zijn gekomen.
Dat het thans is, gelijk het is, verklaart God zelf in het paradijs te zijn een straf. Een bittere straf niet aan den man, maar aan ds vrouw opgelegd, in verband met wat de Schrift noemt: „dat de vrouw den man verleid heeft, en dat alzoo de man in overtreding is geweest quot;
En nu is het wel zoo, dat niet elke vrouw in deze smart een gelijk aandeel heeft. Zeer ongelijk zelfs is hier de toebedeeling. Voor de ééne bijna zonder lijden al die maanden vooraf, even een pijnlijke aandoening voor een korte wijle, en dan, na spoedig weer opkomen, een toonbeeld van gezondheid en kracht. En daartegenover zoo menige
51
andere vrouw, die reeds bijna uitgeput is van allerlei verdrietelijkheid, eer ze aan haar ure toekomt, om in die ure zelve soms als op een pijnbank gefolterd te worden; en na die vreeselijke ure nog te lijden weken-, maandenlang, zoo ze er van opkomt; en ook al komt ze er van op, levenslang de nawerking van die ontzettende ure in voor altoos gebroken kracht te b^weenen.
ïusschen die uitersten in, waarvan de ééne, zoo men zegt, er haar hand niet voor verdraait, en de andere het met banger dan den dood bekoopt, liggen dan die houderden en die duizenden, wier lot met kleiner en grooter verschil afwisselt.
Maar hoe sterk ook het onderscheid zij, toch blijft de vrouw als vrouw dit bittere lijden dragen. Aan het vrouwelijk geslacht is het opgelegd. En hoe dit lijden onder de dochteren van haar geslacht zal verdeeld worden, staat niet aan mcnschen te beslissen. Dat beschikt, dat verdeelt en wijst toe Hij, die zich nouit kan vergissen, de Heere onze God.
Preutschheid bant in onze dagen al wat met de kraamkamer samen-Langt uit het gesprek.
Het reine, zuivere, vrije gesprek over dit belangrijk stuk van ons menschelijk leven wordt gesmoord, om er, helaas, maar al te vaak het onreine en onheilige fluisteren van den zondigen hartstocht voor in plaats te stellen.
Onze Heiland hecht zijn zegel aan die preutsohheid niet Openlijk, ten aanhoore van de schare, voor het oor zijner jongeren, herinnert hij aan deze stille, diepe mysteriën van het menschelijk leven.
„Eene vrouw, wanneer zij baart, heeft droefheid,quot; zoo sprak Hij in Joh. 16 : 31, „dewijl hare ure gekomen is; maar wanneer zij het kindeken gebaard heeft, zoo gedenkt zij de benauwdheid niet meer, om de blijdschap, dat een menseh ter wereld geboren is.quot;
En zoo is het. God zij lof, ook in verreweg de meeste gevallen. Wel lustbenemende gewaarwordingen maanden vooraf, en ook wel bange smart in de weeën, maar, als die doorgestaan zijn, dan ook hemelsche vreugd in het zalig moederoog, als het voor het eerst op het kindeke, dat aan haar borst de melk indrinkt, mag staren.
Moederweelde na moedersmart.
En toch, vast is ook die regel niet.
Soms bezweek in de bange ure de moeder of haar kindeke. Een enkele maal moeder én kindeke tegelijk.
Dan is er de verwoesting van een hope, maandenlang zoo zoet gekoesterd, in een oogwenk des tijds. Dan sterft het onder mensehen, waar nieuw leven aan mensehen stond gegeven te worden. Alles somber, het hart toesluitend, en voor het kinderstemmetje, dat hemel-muziek zou zijn, niets dan het gesnik en het geween.
53
Een jonlt;re moeder, die na al wat uitgestaan en doonvorsteld is, niets vindt dan een koud, kil kinderlijkje, dat men meest nog uit liefde voor haar verbergt.
Of ook wel, het kindeke gered, maar de moeder bezweken, en het. pasgeboren wicht als zonder moeder ter wereld gekomen.
En soms het allerbangste.
Een man die liefhad, een jonge man die zich reeds maandenlang vader gedroomd had, en nu ... . niets meer. Geen kind dat hij had afgebeden, en geen vrouw meer die hem dat kindeke zou geschonken hebben.
Nacht, niets dan donkere nacht, tot de God aller vertroostingen over zijn ziel komt en hem toeroept: „In uwen bloede, in het bloed uwer ziele, leef.quot;
Toch, ook al neemt het niet zoo tragisch verloop, altoos blijft het kraambed een zoo uiterst gewichtige episode in het huiselijk leven,, waarover men meestal in de grootste oppervlakkigheid hcenschrijdt.
Want ja, ook het wiegje mag u wel boeien, en het schoone kindeke, als' schepseltje van uw God, u tot den Schepper van zijn men-schenkinderen opleiden. Zelfs is het menschelijk, en daarom goed, dat ook al het lieve, omdat het klein en aanminnig is, u aantrekker en dat de baker en wat zich eigenaardigs aan haar naam verbindt, u toespreke.
Maar toch, zal het goed zijn, dan moet ook hier dieper geleefd.
Dieper geleefd door den man, die, al draagt de vrouw de smarte, ja, juist omdat de vrouw de smarte draagt, in het heilig medelijden der liefde, zal meelijden met haar die hij mint. Zoo ooit het mannenhart uit zijn zelfzucht getrokken wordt, om zichzelf te vergeten en zich voor een ander te geven, dan moet het in die bange dagen zijn.
Maar ook zal de jonge moeder de gedachten in zich vermenigvuldigen, en dagen van zoo hoogen ernst, met ernst ook voor de toekomst doorleven.
Eerst door moeder te worden, breekt de jonge vrouw voor altoos met een leven, dat haar veelszins spel was.
Dat alles heeft nu uit, is nu teniet gedaan. Nu wenkt roeping; van nu af wacht haar een heerlijke taak, om een kindeke dat God haar gaf, eerst voor het gezin, dan voor de wereld, en, onder alles door, voor den hemel op te voeden.
Ook de moederborst, ongetwijfeld, want ook dat is een wonder Gods in uw eigen bloed; maar meer toch nog uw moederhart vraagt uw kindeke, of liever nog. God vraagt het voor den lieveling, dien Hij u schonk.
53
Een tweede, een derde kraambed brengt niet dien angst en heeft ■dus ook niet die hooge bekoring; en toch, ten einde toe, blijft de ■gang door geen mysterie des levens zoo diep ernstig.
Ge zoudt zeggen, er is maar één weg door deze verborgenheid; en zie, bij de uitkomst blijkt elke nieuwe kraam weer anders te zijn. Nooit gelijk, altoos wisselend, 'tzij door de indrukken van ons hart, 'tzij door wat God er bij over ons gehengd had.
Maar wat bovenal een tweede en derde kraambed een zoo heel ander aanzijn geeft, is het kindeke, dat ge reeds hadt.
Voor het eerst dat zusje en broertje in uw eigen woning. Iets wat •ge thuis, toen ge zelf een broertje of zusje waart, wel gekend, maar toch nooit zoo in zijn sohoone poëzie genoten, hadt.
Die kleine lieveling bij het wiegje van den jonggeborene. Er zoo niets van begrijpend, en toch zoo kinderlijk ernstig met het starend oog dat lieve wicht beglurend, o, Zoo schoon, en toch ook weer zoo bitter; want bijna nooit zijn er twee kinderkens in één huis gezien, of er ontsprong vroeg of laat een fontein van datzelfde water, dat eens Kaïns hart geheel vergiftigde en hem zoo vreeselijke ontspanning deed zoeken in Abels dood.
Ach, uit die kraamkamer zijn de uitgangen van ons menschelijk •leven, en wie er maar een oog voor heeft, merkt soms reeds in die kraamkamer heel een wereld in het klein.
Het bangst blijft daarom; een kraambed zonder God doorleefd.
Dat toch is het toppunt van zelfverdwazing. Of hoe zou er ooit ■een kraambed zijn, als er geen God was; als God niet schiep; en niet ook aan die vrouw den moederzegen om te baren geschonken had'?
Een moeder en kind maken nog geen kraambed. Altoos moet God in de kraamkamer voor u present zijn. Dat eerst geeft haar een heilig mysterie, en zoo alleen kan ook het lijden, het soms harde lijden van •de kraamkamer, in stil geloof doorworsteld worden.
Dan wordt er, eer het zoover komt, yebeden. Gebeden, eer er hope kwam, dat de hope mocht komen, en als ze kwam, of ze vervuld mocht worden. In en ouder de vervulling om goddelijken bijstand en hulpe. En dan den eersten avond na de geboorte het eerst voor het leven van het jonge wicht.
Zoo wordt er gebeden én gedankt. Want God is goed en groot, ■en een God vol ontfermens ook voor dat jonge kindeke.
Of wenkt niet zijn Doop reeds?
En die doop, die heilige Doop van God Drieëenig, wat zegt hij u .anders, dan dat uw kindeke, ja, wel van u is, maar toch eigenlijk ireeds van zijn geboorte aan zijn Vader in de hemelen toebehoort?
54
XIY.
Kwaad dat krankheid aanbrengt.
ZIEKTE EN ZONDE.
Want wie weet, wat goed is voor den mensch in dit leven, gedurende het getal der dagen van het leven zijner ijdelheid, welke hij doorbrengt als eene schaduwe? Want wie kan den mensch aanzeggen, wat na hem wezen zal onder de zon ?
Pred. 6 : 12.
In het Paradijs, dat stemt ge als bij instinct toe, zou ziekte en krankheid even ondenkbaar zijn geweest, als lichaamssmart of pijn. Uw Jezus, gedurende den tijd, dat Hij op aarde onder ons vertoefde, ziek te bed liggende, is een gedachte, die ge met zijn naam niet verbinden kunt. En dat er op de nieuwe aarde, als de heerlijkheid des Heeren het alles doordringen zal, nog artsen zouden zijn, om ons hun medicijn toe te dienen, is u een contradictio in terminis, dat is een denkbeeld dat zichzelf weerspreekt.
Bij dieper inzicht moet ge daarom zelf wel tot de slotsom komen, die de Heilige Schrift u voorlegt, en erkennen, dat alle krankheid en alle pijn samenhangt met het droeve feit, dat er zonde in ons hart schuilt, en dat we saam een zondig geslacht zijn.
Zonder zonde geen dood; maar als ge zondigt, al is het ook maar eens, dan komt de dood zeker en gewis, dan moet ge den dood sterven.
Zonder zonde, dan drupt op deze aarde niets dan Goddelijke zegen neer; maar na de eerste zonde heet het aanstonds: Het aardrijk is vervloekt om uwentwil, en de smart zal u tot in het kinderbaren najagen.
Alle ziekte, allo pijn is een teeken van diezelfde vernielende macht, die eens in uw sterven voleind wordt.
En daarom is het niet genoeg te erkennen, dat uw sterven met de zonde in verband staat.
In gelijk verband met de zonde staat eveneens én ziekte én pijn.
Niet natuurlijk, alsof van eiken aanval van pijn of ziekte ware uit te maken, dat u zulks om die bepaalde zonde of ter oorzake van deze ongerechtigheid overkwam.
Wat gequot; te belijden hebt, is alleen, dat door de zonde vloek en dood in de wereld en over ons geslacht kwam, en dat dienvolgens
55
ook pij nooit pijn kunt hebben of ziek kunt zijn, of ge ondergaat een deel van het lijden dat over ons geslacht kwam, ter wille van diezelfde zonde, waarvoor gij mede verantwoordelijk staat; waarmeê gij zelf hebt geheuld; ja, waarvan ge de zaden nog omdraagt in uw eigen hart.
Soms treedt dit rechtstreeks aan het licht, als iemand zich een ziekte op den hals haalde door onmatigheid, of door onvoorzichtig zijn gezondheid te wagen, om nu van die vreeselijke ziekten, die achter drankzonde en ontucht komen aansluipen, niet te gewagen.
Maar dit zijn uitzonderingen.
Gemeenlijk ligt het verband tusschen ziekte en zonde niet zoo duidelijk bloot. Dan is het er wel, maar het is verborgen.
Maar dat het er dan toch is, merkt ge wel bij zware pestilentiën, als de consciëntiën in het gemeen met verschrikking worden aangegrepen, en duizenden bij duizenden, die aan hun God ternauwernood meer dachten, opeens bekommerd worden vanwege hun zonde.
Ge merkt het bij krankheden als Mirjams melaatschheid, waarvan uitdrukkelijk gezegd werd, dat ze als een plage en straffe haar overkwam.
En ge merkt het ook, zoo dikwijls Jezus bij de genezing der kranken absolutie schonk, en er bijvoegde: „üw zonden zijn u vergeven.quot;
En wilt ge ook de proef uit het heden, let er dan maar op, hoe juist zij, die de teederste kennis van hun eisren hart hebben, ook bij gewone krankheden zich in de consciëntie geraakt gevoelen en naar verzoening dorsten, terwijl alleen de ongeestelijke en oppervlakkige personen op hun ziekbed zonder geestelijke bemoeienis voortdommelen.
Toch is het zaak, dat ge op dien samenhang tusschen krankheid en zonde nog nauwer let.
Xiet om te zeggen, dat een gezond mensch braaf is, en dat een, die veel tobt cn sukkelt, een zondaar of zondaresse in het verborgen moet zijn.
Laat die valsche toepassing toch aan Jobs dolende vrienden over, en denk toch aan het zeggen van Jezus over den blindgeborene, dat die blindheid geen straf was voor wat die jongen of zijn vader zondigde, maar een lijden, waaruit verheerlijking van Gods naam moest rijpen.
Die personeele toepassing voegt u niet, tenzij God die personeele toepassing maakt in uw eigen consciëntie.
Maar evenmin moogt ge daarom zeggen, dat er nooit oorzakelijk
56
verband bestaat tusschen de overtreding van Gods gebod en een ziekelijke aandoening in uw gestel.
Immers de apostel schreef zoo stellig aan de kerk van Corinthe, dat ze Gods verbond in het heilig Avondmaal ontheiligde, en „dat er daarom onder hen zoovele kranken en zwakken waren en sommigen aireede gestorven.quot;
En ditzelfde verband nu, dat de apostel aldus legt tusschen geestelijke overtreding en uitwendig lijden, was ook reeds aan Salomo bekend.
Ook hij toch schreef, dat het gevoel van afgunst, innerlijken wrevel ■sn nijd, waarmee allerlei ervaring op geldelijk gebied soms ons hart vervult, „een kwaad is dat krankheid aanbrengt.quot;
Ook uw artsen zeggen het u wel, dat er allerlei slepende ongesteldheden zijn, die haar oorsprong ia mijmeringen en ongezonde stemmingen van uw innerlijk wezen vinden.
T)oor inwerking op de ziel het lichaam te genezen, is soms de toeleg, waarop ze afgaan.
Bij krankzinnigen willen ze dan door het lichaam op de ziel werken, maar bij deze ontstemde personen door de ziel op het lichaam.
En in beide ligt de erkentenis, dat uit den band, die ziel en lichaam saambindt, ook zeker verband tusschen zonde en ziekte ontstaat.
De onderzoekingen op dit jterrein zijn nog van weinig beteekenis en haar uitkomst bijster schraaal; maar erkend wordt dan toch. dat hier nog een verborgen schat van kennis ligt, die van hooge beteekenis voor fle genezing van onze kranken kan worden.
Thans trekt de microbe en baceil schier alle aandacht tot zich. Maar gesteld al, dat men metterdaad in dezen vorm de gemeene gestalte van alle krankheid op het spoor was, dan is men er toch nog niet. Dan komt toch daarna nog de tweede vraag: Vanwaar die microben? Vanwaar heeft de eene deze, de andere die kracht'? Hoe komen ze zoo plotseling op, om dan weer te verdwijnen? Waaraan, danken ze haar aanzijn? En bovenal hoe staan ze in verband met 'smenschen persoon?
Is alle ziekte en dood om de zonde, dan kunt ge niet rusten, eer de gemeenschappelijke wortel van alle ziekte tot in de zonde is nagespeurd. Een naspeuring, die ons misschien nooit gelukken zal, maar die toch niet mag verwaarloosd worden,
Dat iemand door zijn drift bot te vieren, zich een beroerte op den hals kan halen, die hem zijn leven kost, is maar al te dikwijls gezien.
Dat onkent dan ook niemand.
57
Maar de vraag is, of er nog niet dieper liggend verband bestaat, ook waar de meesten er niet op letten.
Om op dien opvliegenden, driftigen raenssh terug te komen, heeft zulk een driftkop niet door jarenlang aan zijn drift toe te geven, insteé van die drift in te toomen, het kwaad dat in zijn bloed hem prikkelt, verergerd'?
Bij een driftig menseh is iets in zijn bloed, dat de trage van geest mist. Nn kan dat kwade iets in zijn bloed gevoed of gestuit. Gestuit door zelfbedwang, of gevoed door aan drift toe te geven. En als iemand er nu jarenlang aan toegeeft, en zoo het kwaad in zijn bloed voedt, is het dan niet begrijpelijk, dat het bloed hem ten slotte te machtig wordt, en het op een beroerte uitloopt, en hem zijn leven kost?
Heeft nijd en wrok, dien we opkroppen, niet even nadeelige uitwerking op ons gestel'?
De Heere verbiedt u eenig menseh te haten. Ge zult uw broeder zevenmaal zeventigmaal vergeven, en uw vijand liefhebben, en zegenen die u vloeken.
Doe dat nu, doe het oprecht, doe het van ganscher harte, en een blijde, vroolijke stemming van overwinning komt over u, en het bloed stroomt u frisch door de aderen. Maar ook, sla dit stellig gebod van uw Heiland in den wind, zoodat de zon over uw toorn ondergaat, en ge boozen nijd of wrok of haat tegen allerlei personen in uw hart blijft, omdragen, ja, dat ge in veete soms met broederen leeft, dan natuurlijk vergiftigt die afgunst en die nijd en die booze haat uw bloed; uw hart krimpt ineen, uw innerlijke gelijkmatigheid wordt verstoord, en straks komt in allerlei ongesteldheid en krankheid het heilloos gevolg uit van uw liefdeloos bestaan.
Zoo menschen, die altoos op geld zitten te turen. Die zijn altoos met dat geld bezig. In huis, bij den arbeid, op den weg, zelfs op hun legerstede Het is altoos een saamtrekken van hun hart en hun persoon op dit ééne punt. Daar lijdt natuurlijk heel het persoonlijk bestaan onder. En dat doet dan weer het gestel aan.
Hoe een onregelmatig leven de gezonde kracht verwoest, behoeft geen aanwijzing. Deze lieden zijn als een klok, waarvan men de wijzers telkens eenige uren achteruit en dan weer vooruit omdraait, tot eindelijk heel het uurwerk door dien onregelmatigen loop stukgaat.
Hoe melancholie, d. i. booze somberheid en zwartgalligheid schatten van levensmoed en levensvreugd vernield heeft, zien we nog telkens om ons heen: en natuurlijk ook die melancholie is zonde. Een zonde, waar men dan eerst aan toegeeft, tot men er ten leste niet meer tegen worstelen kan, en er het slachtoffer van wordt.
58
o, De ziel werkt zoo op allerlei wijs op ons broos en teeder lichaam in.
En dit nu zult ge indenken, niet natuurlijk om voorts te zeggen: „Dan zal ik tegen die zonde strijden, om mijn lichaam te beveiligen,quot; alsof anders die zonde er meê door kon, maar nu dan ter wille van uw gezondheid moest gemeden.
Neen, maar opdat een iegelijk bij slepende en bij aangrijpende krankheid in zijn binnenste leere intreden, om zich voor Gods aangezicht de vraag te stellen: Bestaat er ook rechtstreeksch verband ?
XV.
VERKWIJNEN.
Kastijdt Gij iemand met straffingen om de ongerechtigheid, zoo doet Gij zijne bevalligheid smelten als eene mot; immers is een ioder mensch ijdellieid. Psalm 39 : 12.
„Kastijdt (tij iemand met straftingen,quot; zoo roept David uit, „dan doet gij zijne bevalligheid smelten als een mot. Immers is elk mensch ijdelheid!quot;
David kon zoo spreken, omdat David blijkbaar veel ziek is geweest. Nergens meer dan in de Psalmen vindt ge gedurig toespelingen op allerlei krankheid. Soms zelfs is het bijna mogelijk den aard van Davids krankheid uit dezen of genen Psalm op te maken. Zoo b. v. uit Psalm 38, waaruit blijkt hoe na David aan den dood is geweest.
En nu is men wel gewoon tal van zulke zielsbetuigingen geestelijk te duiden; iets wat om den samenhang tusschen ziel en lichaam ook mag; maar toch blijft het plicht eerst te vragen wat David rechtstreeks bedoeld heeft.
Door dat te doen, zou ook het ziekbed meer zijn plaats in de pre-dicatie des Woords vinden, en bij het krankenbezoek zou de Dienaar des Woords merken, hoe zijn taal, zijn spraak en zijn voorraad van heilige bestiering en vertroosting was verrijkt.
De krankheid is zulk een gewichtig element in het huislijk leven, en ook in het geloofsleven van Gods kinderen, zoo men dit breede terrein, waarop zooveel smarten en zooveel angst wordt uitgestaan, buiten het heilige sluit.
59
Ja, men mag zeggen, dat een aanmerkelijk deel van liet doel, waarmee God de Heere ons allerlei krankheid toezendt, geheel teloor gaat, zoo de rijke onderwijzing van het Woord over het ziekbed, uit slordigheid of door overgeestelijkheid niet tot haar recht komt.
Sta daarom ook een oogenblik stil bij wat de Psalmist zegt van de snelle uitputting van kracht, die den lijder door zoo menige krankheid overkomt.
Dan smelt, zoo roept David uit, onze hevalligheid als een mot. Of liever nog, want ook hiervan is de Heere God de bewerker, dan doet Hij onze bevalligheid als een mot wegsmelten.
Vooral bij wie nog in de kracht zijns levens is, merkt ge dat. Dan was er eerst bloeiende, soms blozende gezondheid. Spieren, die het uit konden houden. Krachtige polsslag in het bloed. Een frisch en bezield uiterlijk. Een oog, dat door zijn glinstering u toesprak.
Maar nauwlijks begon de kiem der ziekte zich te ontwikkelen en zette het kwaad door, of die kracht brak, die spieren werden slap, dat oog doffer, zwakker de stem, en al wat nog voor kort bezielde en u toesprak, is plotseling verdwenen.
Als ge bij het ziekbed komt, en ge hebt den overgang niet van dag tot dag meêgemaakt, dan herkent ge den lijder ternauwernood.
Zoo is alles veranderd.
Men zegt wel eens; versmolten als sneeuw voor de zon; maar de Psalmist gebruikt een nog aangrijpender beeld.
Zooals ge een mot vangt, en in de vingers stukwrijft, zoodat ge ternauwernood merkt waar de mot blijft, zoo ook versmelt die bevalligheid en die manlijke kracht, die vóór de krankheid u zoo boeide.
Dan leert wie lijdt en wie om zijn ziekbed staan, hoe toch alle mensch ijdelheid is.
In gewone dagen kennen we tweeërlei soort van mensclien, Sterken en zwakken. En met die zwakken lijden we meê, omdat we zoo gevoelen, hoe zwaar hun elke nieuwe stap op den levensweg valt. Maar bij die sterken ontvangen we veeleer een indruk van kracht, alsof de gewone menschelijke ijdelheid kun deel niet ware. Men lacht ze uit, als ze over iets klagen. En door dat gevoel van kracht en dien spotlach verwend, gaan ze zichzelven maar al te licht inbeelden, dat er voor hen minder oorzaak is, om eiken morgen en eiken avond hun welstand telkens opnieuw te begeeren van den God huns levens..
Maar in de ziekenkamer heeft dit verschil uit.
Dan is ook de sterke doodzwak geworden, en zelfs is het, of de
60
ontzettende overgang van sterkte naar uitgeputheid, de zwakheid van •den sterkere nog meer doet uitkomen.
Dan ziet men eerst hoe bijna niets er noodig was, om dien kraeh-tigen mcnsch als een hulpeloos kind neder te werpen.
Immers, zoo roept David uit, is alle mensch ijdelheid.
Zelf was David ongetwijfeld een sterk, krachtig man, en toch hij had het zelf ervaren, hoe God als in een oogenblik hem tot een bevende ziel had gemaakt, hem, die eens als een eik in het woud anderer jaloerschheid had gaande gemaakt.
Dan kastijdt de Heere met bestraffingen om de ongerechtigheid, getuigt David.
Niet natuurlijk alsof wie gezond bleef, niet gezondigd had, en alsof ■wie krank werd, in bijzondere ongerechtigheid was vervallen.
Dit weet wie zijn zieke oppast, wel beter, en althans de goede verpleger of verpleegster is altoos meer om eigen zonde bekommerd, dan om de zonde van wie zoo doodelijk krank neerligt.
Ernstige krankheid spreekt altijd tot de consciëntie van wie aan het ziekbed staat.
Maar nooit mag daarom vergeten, dat er zonder zonde geen krankheid en geen doodsangst zijn zou.
Alle krankheid is een voorspel op den dood, en is er dus alleen •om der zonde wil.
Maar die kastijding van de krankheid rekent niet individueel, gaat niet per hoofd, en wordt niet man voor man naar de mate van een iegelijks zonde toegemeten.
Deze kastijding gaat over allen; ze wordt uitgestort over de massa, en God deelt krankheid uit naar zijn goddelijk bestel, juist opdat niet alleen eigene, maar ook anderer krankheid ons treffen en verootmoedigen zou.
Krankheid is een gemeenschappelijk lijden, dat hoogst ongelijk verdeeld is, waardoor God ons onderwijst, dat we niet alleen onze persoonlijke zonde, maar ook onze gemeenschappelijke zonde hebben, en dat zijn heiligheid niet het minst hiertegen toornt, o, Als er geen krankheid ware, hoeveel overmoediger zou de mensch staan.
En ook hoeveel liefde en hoeveel toewijding, die nu uitkomt, zou dan nimmer ontloken zijn.
Toch blijft de hoofdprediking van zulk een versmelten van de kracht Tan den lijder onze ijdelheid.
Niet het minst in zulke bange dagen moet de les onzer diepe afhankelijkheid geleerd.
Van diepe afhankelijkheid ondir en luiten de medicijnen.
61
Want wie God pas aanroept, als er geen kruid voor gewassen is,, die verstaat de hoogheid des Heeren niet, en miskent de vertroosting, die Hij, en Hij alleen, ons in de medicijnen gaf.
o, Het is zoo ongerijmd, bij elk stuk brood dat ge neemt, om Gods zegen te vragen, en aan dien zegen geen behoefte te hebben,, als ons leven aan een zijden draad hangt, en het medicijn al is wat we gebruiken.
Maar die les van onze diepe afhankelijkheid moet niet tot de ziekenkamer beperkt blijven.
Doel van uw krankheid is niet, dat ge eens voor eenige maanden van God zoudt afhangen, en. straks, als ge weer een veer van den mond kunt blazen, uw God weer vergeten zoudt.
Het is een les voor het leven, die op de ziekenkamer moet geleerd worden.
Een herstelde kranke moest nooit weer zijn diepe afhankelijkheid van zijn God vergeten kunnen. En wie om hem stonden moesten het aan hem geleerd hebben, hoe volstrekt niets ook zij buiten hun God zijn.
Op ziekte moet het geloof van Gods kind een eigen werking doen.
Zeker, om niet te morren en niet te veel te klagen; maar ook en niet minder, om beter dan anders die moeilijke les te leeren verstaan, dat het alles ijdelheid is, en dat alleen wie in Gods hand rust,, vrede vanbinnen heeft.
XVI.
testament is vast in de dooden.
UW TESTAMENT.
Want een testament is vast in de dooden
Hebr. 9 : 17.
In elk testament als zoodanig ligt de belijdenis van een eeuwig leven; de erkentenis dat wie wegsterft er nog is; en dat zijn wil ook na zijn dood bindt wie achterbleef.
Had ons menschelijk geslacht niet eeuwenlang geleefd in het vaste bewustzijn, dat ook na den dood ons aanzijn voortgaat, nooit zou het denkbeeld om een testament te maken of een testament te eerbiedigen bij wie ook zijn opgekomen.
Dan heeft een testament geen zin.
62
Dan zou het voor de geldigheid van elk testament zoo onmisbaar ontzag voor de wilsbeschikking van den overledene geheel ontbreken.
Men zou doen, als bestond de doode niet meer; aan wat hij wilde of niet wilde zich niet meer storen; en in het goed dat bij achterliet niet meer een erfenis zien, maar een heerloos geworden goed, dat kon worden geëigend.
Nu daarentegen, als men na iemands overlijden zijn testament opent, en als leden van het geslacht om dat testament zich vereenigt, spreekt hieruit het besef, dat wie stierf, als ware het na den dood, toch nog in het midden is, en nu door middel van dit testament zijn wil te kennen geeft.
Kon dit feitelijk zoo zijn, dat de ontslapene nog even terugkeerde in het midden der zijnen, dan zou zijn woord met ontzag en eer-biedenis worden aangehoord; zijn wilsbeschikking voor allen als wet gelden; en er zou van verzet geen sprake zijn.
Doch waar dit nu niet kan, vervult bet testament diezelfde heilige taak; en daarom is het, dat de voorlezing van een testament voor allen wien het aangaat een zoo plechtig oogenblik is; en dat door de overheid aan het testament zulk een ver reikende macht van beschikking is toegekend.
Hieruit volgt vanzelf, dat ook het maken van zijn testament het geloof aan de eeuwigheid onderstelt.
Zoo maar gedachteloos weg naar den notaris gaan en zijn testament maken, druischt tegen den aard dezer handeling in.
Wie zijn testament zal maken, moet ernstig gestemd zijn. Iets wat niet zeggen wil, dat hij een uitgerekt en strak gezicht moet zetten; want alle gemaaktheid is den Heere een gruwel. „Ernstig gestemdquot; beduidt, dat ge niet zonder nadenken, niet zonder alles wel gewikt en gewogen te hebben, tot zulk een daad komt en ten volle de verantwoordelijkheid gevoelt, die door die daad op u komt te rusten.
Om goed zijn testament te maken, moet men zich dus eigenlijk verplaatsen in den toestand, dat men dood is, en nu na zijn dood nogmaals in het midden der zijnen verschijnt, om zijn uitersten wil bekend te maken. En zooals men dan zou spreken, zoo moet men het neerschrijven in zijn testament.
Onze vaderen hadden daarom de vaste gewoonte, elk testament te beginnen met de aanroeping van God Drieëenig. Men beschouwde het testamentmaken als een daad, die men voor Gods oog verrichtte. De laatste daad van het rentmeesterschap. Of althans een bevel, waaruit die laatste daad vanzelf zou geboren worden.
Taak zelfs had men de gewoonte, eer het testament wierd opge-
63
quot;n 9^
maakt, in het gebed te gaan en God Almachtig aan te roepen, dat Hij door zijn indachtig makenden Geest leiding wilde geven, opdat alles wel beschikt en niets vergeten mocht worden.
Zoo droeg oudtijds bijna elk testament een vroom of althans ei'n-stig karakter.
Men schreef het zelf. Men sprak er zich in uit. De een zus, de ander zoo. En daardoor bezat zulk een testament ook persoonlijke waarde.
Men kent ook ouder ons het testament van Calvijn wel. En zoo deed niet enkel Calvijn het, maar duizenden met hem.
Sinds echter is ook dit alles anders geworden.
Onze hedendaagsche testamenten kennen den Heere van leven en dood niet meer. Het zijn bijna uitsluitend materieele testamenten. Ze loopen over geld en nogmaals geld. En als iemand geen geld nalaat, wie vraagt dan naar zijn testament?
Yandaar dat voorzichtigheid bij het testament thans hoofdzaak is, en men het deswege meestal door den notaris laat schrijven niet alleen, maar ook opstellen, zoodat men zelf niet doet, dan er zijn naam onder zetten.
o. Uit niets beter dan uit stijl en vorm der testamenten wordt het karakter eener eeuw gekend.
Raadpleeg tien, twintig testamenten uit de 16e en 17e eeuw, en terstond zegt alles u, dat ge te doen hebt met een geslacht dat God vreest. Maar zie nu tien, twintig testamenten in, en aan alles merkt ge, dat god Mammon in onze 19de eeuw tamelijk wel den geest der menschen heeft doen verdorren.
Het zijn alle testamenten naar een vast model, en omtrent den persoon, wiens testament het is, verneemt ge niets.
Hij spreekt niet, hij uit zich niet.
Ge merkt niets van zijn karakter.
Gelukkig dat we dan ten minste nog de olographische testamenten overhielden.
Daar spreekt dan ten minste nog iets in, en die deponeert men verzegeld bij zijn notaris, zonder dat die notaris ook maar behoeft te weten wat er in staat.
Slechts op één punt is de vrome, vroede geest onzer vaderen nog niet geheel geweken, namelijk in het vermaken van een deel van zijn goed aan wat onder de dingen van Gods koninkrijk, onder familieleden, of onder armen een toevoeging van geldelijke hulpe noodig heeft.
64
Ook dit minderde wel, ea met name is het onbegrijpelijk, hoe vooral de rijke Christenmillionairs hierin zoo karig bleken, maar toch het komt nog veelvuldig voor. Pe bladen melden er telkens nog van, Soms zelfs van zeer groote sommen. Laatst overleed nog een geloovig Dienaar des Woords, die zijn geheele vermogen, vijf tonnen gouds groot, op zoo godvruchtige wijze beschikte.
En hierin spreekt dan ten minste nog her hart.
Dat teekent in zulk een testament den persoon nog.
Daaruit merkt men althans, wat richting zijn geest uitging en wat de instellingen waren zijner liefde.
En toch roeme men ook daarop in onze eeuw niet te hoog.
Immers er is in deze eeuw geld verdiend als water, en algemeen schat men dat sedert het jaar 1830 het vermogen in de meeste staten van Europa meer dan verdubbeld is.
En naar dien maatstaf is de som der legaten op verre na niet wat ze zijn moest. Zóó weinig, dat de vermeerdering van het kapitaal der instellingen zelfs van verre geen gelijken tred hield met de vermeerdering der bevolking.
Want niet alleen het vermogen, ook het cijfer der bevolking is meer dan verdubbeld, en hieraan is niet gedacht, en zoo gerekend komen we gansche sommen tekort.
Vooral de rijk geworden burgerij bleef veelszins achterlijk, en terwijl tegenover haar aanwinst in vermogen een schriklijk toenemer van armoede en gebrek overstond, kan men volstrekt niet zeggen, dat men althans gepoogd heeft, na zijn dood ook voor deze meer alge-meene belangen te zorgen.
Zelfs onder de Christenen stierf er menigeen weg, die schatten achterliet, niet voor kinderen had te zorgen, en die toch in zijn zorge voor dezen algemeenen nood ganschelijk tekortschoot.
Daarmee is niet gezegd dat alle vroegere beschikkingen van zuiver allooi waren.
Milde legaten aan kerk of armen spraken ook oudtijds vaak va1! veel zonden.
Rome had dit in de hand gewerkt.
En zoo was er menigeen, die na een leven in zonde en brooddronkenheid, voor zijn ziel een veilig plekje in den hemel waande te koopen, door veel van zijn geld voor heilige doeleinden te beschikken.
Vooral kwam het voor, dat wie op ongerechtige wijze aan zijn geld w;as gekomen, een accoord met zijn consciëntie sloot, om er eerst levenslang volop van te genieten, om dan zijn onrecht en roof goed te maken, door het aan de kerk te geven als hij stierf.
En natuurlijk, dat is geen God gevallig standpunt.
65
Maar dit geeft ónze eeuw nog het recht niet, hierop uit de hoogte neer te zien.
Ook nu zijn de kapitalen, die door slimheid, misbruik van macht, speculatie en spel bijeengebracht zijn, legio, en als dan zelfs die eenige opwaking der consciëntie ontbreekt, die althans in het sterven van het onrecht weer af wil, wordt ge dan door de middeleeuwen niet nog beschaamd'?
Wat ook hierin alleen betering kan brengen is de doorwerking van het geloof.
Ook uw testament moet uit het geloof zijn; en anders is het zonde.
Uit het geloof, dat uw goed Gods eigendom was, en dat gij daarover niets dan rentmeester waart, en dus als rentmeester uwen Heere rekenschap schuldig zijt.
Zoo komt het testament in verband met het laatste oordeel; want zoo van iets, dan zult ge van uw testament Gode rekenschap geven.
En nu wordt wel toegestemd, dat men om zulk een deugdelijk testament te maken tot zekere jaren moet gekomen zijn. Tot die jaren, waarin men naar den gewonen loop des levens zijn einde naderen ziet. Maar de regel, dat onze jaren zijn zestig en zeventig jaren, mag toch nimmer overschreden.
Ook in ons burgerlijk recht moet steeds meer op een wijze van testament maken aangedrongen, die met het heilig karakter van het testament in overeenstemming is.
En wat bovenal voor ons Christenvolk te wenschen ware, het is, dat ons in stad en lande weer allerwegen notarissen werden geschonken, die ook dit deel van hun beroep als voor Gods heilig aangezicht uitoefenden.
Een meer vrij notariaat zou een zegen voor ons Christenvolk zijn.
XVII.
Zoekt den Heere., terwijl Hij te vinden is.
BEKEERIXG OP HET KRANKBED.
Zoekt den Heere, terwijl Hij te vinden is; roept Hem aan, terwijl Hij nabij is.
Jesaia 55 : 6.
Ge kunt niet zeggen, dat de Heere uw God u altoos even nabij is. Er is soms zooveel bemoeienis in het dagelijksch leven, in huis, in
5
66
ambacht en beroep, dat er ouder al die drukte hoogstens een enkele vluchtige gedachte aan uw God door uw ziel kan gaan, eu weinig meer dan wat Luther een „schietgebedquot; noemde uit uw ziel naar boven kan opklimmen.
Gelegenheid en beroep is hierin zoo verschillend. Een vrouw, die met een enkel kindeke stil in een klein gezin leeft, heeft zooveel vrijer toegang dan een moeder, die, buiten staat hulpe te nemen, alleen met vijf, zes jonge kinderen moet omtobben. Ook heeft een landbouwer, die stil en eenzaam op den akker arbeidt, zooveel meer rust in het leven om met zijn God bezig te zijn dan b. v. een tramconducteur, die van 's morgens vroeg tot 's avonds laat in de drukte is.
ISfu weet God de Heere dat; want zijns is het bestel over ons leven, en in zijn oordeel over onze personen rekent dat alles mee.
Maar wat nooit in u te verontschuldigen zal zijn, is zoo ge bijzondere tijden en gelegenheden, die uw God u geeft om Hem te zoeken, uit roekeloosheid of onverschilligheid ongebruikt laat voorbijgaan. En onder die gelegenheden behoort stellig uw ziek-zijn.
Niet als ge bedwelmd ligt te ijlen of door snijdende pijn overmeesterd wordt, maar als ziekte of ongeval u tijdelijk tot uw arbeid onbekwaam maakt, en ge, aan aLe bezigheid gespeend, op uw zieker.-kamer u schuilhoudt, of neerligt op uw ziekbed.
Dat zijn voor u de dagen van afzondering, dat de Heere u in zijn verborgen tente roept. Dat alles om u zwijgt, en daarom Hij, de-Heere, tot u spreken kan. Dat de gedachten zich in u vermenigvuldigen, en de gedachten zich zoo ongestoord op het Eeuwige V\ ezen kunnen rich#en.
Dan is het vindenstijd, en geldt ook voor u het woord van Jesaia: „Zoekt dan Heere terwijl Hij te vinden is, roept Hem aan terwijl Hij nabij is.quot;
Niet alsof de ziekenkamer uitsluitend „vindenstijdquot; schonk. Uw God is zoo rijk en heeft duizend andere gelegenheden, om zich van u te laten vinden. Soms temidden van een loeienden storm, bij een schipbreuk die uw leven bedreigt, veel sterker dan temidden van de stilte, die uw ziekenkamer biedt.
Evenals op Sinaï kan uw God in den storm en in het vuur zijn. Alleen maar, Hij kan ook, als bij Elia, komen in het suizen eener zachte koelte.
En het doel van ons woord bij uw eigen consciëntie is bereikt, zoo ge maar erkent, dat óók de ziekenkamer of het ziekbed een roepstem van Godswege tot u brengt, eu in u die roepstem u zegt, dat uw God voor u te vinden is, en dat gij Hem daarom zult zoeken.
67
Er is dan zooveel, dat ons daarbij helpt.
Niets dat u afleidt, en zooveel dat u opleidt.
Ge zijt dan niet meer die sterke en gezonde, die u zelf genoegzaam waart, maar voelt u gebroken in uw kracht, herinnerd aan uw zwakheid, en in uw afhankelijkheid voor den Heere geplaatst.
Ook al draagt uw ziekte geen ernstig karakter, zoodat er van gevaar voor uw leven geen sprake is, toch ontneemt elke krankheid u den valschen waan alsof ge uw kracht in uzelven bezat.
Eu dit nu bevordert zoo de stemming, die noodig is, om u tot uwen God te wenden. Tot Hem in wiens hand uw leven is, die alleen macht heeft om het u toegediende medicijn te zegenen, en die, wijkt de krankheid weer, de alleen Machtige is, om u uw levenskracht en het frisch gevoel van welstand te hergeven.
Een ziekbed, zonder God doorleefd, is daarom het verspelen van een u aangebodene genade.
Het laten teloorgaan van een gelegenheid om uwen God te ontmoeten, die misschien nooit wederkeert.
Uw God was toen te vinden, en zie,' gij hebt Hem )net gezocht. Hij was nabij, en gij hebt Hem niet aangeroepen.
Maar toch, zoo is het, God zij lof, niet altoos.
Er zijn er ook, en ze zijn niet weinigen, die roemen mogen, dat in de dagen hunner krankheid de verborgenheid des Heeren over hun tente was. Dat God nabij was en ze tot Hem riepen; dat Hij te vinden was en zij Hem zochten, en een biddende gemeenschap met het Eeuwige Wezen als rijpe zielsvrucht van hun ziekbed mocht worden weggedragen. Ja, dat ze, na hersteld te zijn, zeer zeker óók dankten voor hun wederoprichting, maar toch vuriger en inniger nog loofden en jubelden over wat God aan hun ziele gedaan had.
Dan was het een krankheid niet ten doode en ook niet alleen tot herstel, maar tot verheerlijking van Gods Naam en tot verrijking van hun innerlijken heilschat.
Iets wat nu niet enkel gezegd wordt van die enkelen, voor wie het ziekbed in Gods hand het middel mocht zijn tot een eerste bekeering en een eersten geloofsjubel; maar ook, ea veelmeer nog van hen, die reeds iets uit de Fontein des levens gedronken hadden, maar bij wie de ware, de verslindende dorst naar het water des levens nog nimmer was opgewekt.
Ja, zelfs kan men nog meer zeggen. Het ziekbed is vaak ten zegen geweest volstrekt niet alleen voor den kranke zelve, maar vaal even dikwijls voor wie met den kranke in één huis was, voor wi -hem verzorgde, of aan zijn sponde waakte, hetzij dat de angst het
68
hart ontroerde, of dat de schrik in huis tot ernstiger gedachte drong.
o, Ge weet niet wat geestelijke zegeningen door al die gasthuizen en ziekenhuizen teloorgaan, tenzij het gestichten zijn, waar de Middelaar beleden wordt, en de toon van het huis en de geest van heel het samenleven opleidt tot dien Eénige, die ons behoeden kan.
Zoekt Hem, zoo roept de profeet, terwijl Hij te vinden is; en dat zoeken van den levenden God heeft zoo diepen zin.
Zekere belangstelling in de eeuwige dingen is niet genoeg; ook een meêleven met uw kerk volstaat niet; en evenmin een bezig zijn met het Woord.
Dat alles is nog denkbaar en bestaanbaar, en komt zelfs veelvuldig voor, zonder dat er sprake is van een eigenlijk zoeken van den levenden God.
Dan weet men wel veel van zijn God, en men las wel veel van den Heilige Israëls, en men ijverde wel voor zijn Naam, en men was wel bekommerd over zijn ziel, en strekte de hand wel uit naar de eeuwige erfenisse, maar het innig zielsverlangen ging nog niet naaiden God des levens uit.
Het was nog niet wat David uitroept: „Gelijk het hert schreeuwt naar de waterstroomen, zoo schreeuwt mijn ziele naar U, o God!quot;
En toch op dat zoeken van God zelf komt het aan, want waar is anders die liefde, die het zoet der ziel moet zijn, waar toch de apostel zoo stellig betuigt, dat het nog niets is dan een klinkend metaal en een luidende schel, of ge al nog zoo rijk in alle genadegaven zijt, zoolang ge nog staat buiten het mysterie der volzalige liefde.
„Ik heb lief, want de Heere hoort mij,quot; is de uitroep van een ziel, die naar den levenden God dorstte, die buiten Hem niet langer kon, en nu eindelijk antwoord kreeg op haar roepen, en bij het gewaarworden van die verborgene gemeenschap, de heiligste liefde, de liefde van haar God, zoo onweerstaanbaar voelt tintelen.
En nu is het wel zoo, dat de dagen van beterschap na het ziekbed dan weer teleurstellen.
Als straks de kracht weer in het bloed komt, en de pols weer een krachtiger klop geeft, en we terugkeeren tot het drukke, bezige leven met al zijn afleiding, al zijn verleiding en al zijn verstrooiing, dan is de ontnuchtering vaak zeer bang en schijnt het soms, of al die zalige bevinding op het ziekbed slechts zelfbedrog is geweest, zoo ver als we dan soms weer van onzen God afdolen.
69
Ja, wie niet op zijn hoede is, kan na zijn herstel soms bijna alles verliezen, wat hij gewon. Want zijn God op het ziekbed, in de eenzaamheid, temidden der stilte te zoeken, is zooveel gemakkelijker dan zijn God nabij te blijven, en zijn God nabij te houden, temidden van een uitputtenden arbeid.
Maar toch, als het geestelijk bestuur niet ontbreekt, en vrienden en huisgenooten, en bovenal de ouderlingen der gemeente hun plicht verstaan, wordt de ziel voor dit gevaar wel gewaarschuwd.
En al is het dan begrijpelijk, dat er een tijdlang weer wolken tusschen onzen God en onze ziel schuiven, ook die eerste dorheid en donkerheid gaat dan wel weer voorbij.
God kent de zijnen, van wie Hij gevonden is, en zoekt ze zelf weer op en komt Avondmaal met hen houden.
En is dan ook die strijd doorgestaan, en ook in dien strijd overwonnen, dan komen de uog gelukkiger en nóg rijker dagen, dat onze ziel de gemeenschap met het Eeuwige Wezen geniet, niet enkel als de wereld voor ons is afgesloten, maar ook temidden van het bruisen harer golven, als Hij stilte gebiedt temidden van den storm des levens.
Mijn weeklage veranderd in een rei.
WEER OPGERICHT.
Gij hebt mijne weeklage veranderd in eenen rei; Gij hebt mijnen zak ontbonden, en mij met blijdschap omgord
Ps. 30 : 12.
Niet elke krankheid is tot den dood. Vaak zelfs komt het in zeer ernstige krankheid voor, dat de vreeze des doods ons omving en de draad van ons leven bijna was afgesneden, en dat toch het roepen en stneeken nog verhoord en het leven ons hersehonken wierd.
Maar, helaas, juist dan blijft zoo vaak de geestelijke vrucht uit, die van zulk een ziekbed voor den kranke zeiven en voor zijn huis gehoopt was.
Ge zoudt zeggen: Dat zal juist omgekeerd zijn. Als God de Heere een onzer liefste panden van ons wegneemt, dan zal er in het hart gemor oprijzen, en zal er althans een tijdlang een vervreemding komen
70
in de liefde, waarmee we onzen God hadden gemind. Maar valt de slag niet, en komt uw God u in het „doodelijkst tijdsgewrichtquot; te hulpe, zoodat uw bijna wegstervende kranke weer opleeft, o, dan zal het alles één lof en jubel zijn. Liefde en lof ten otter gemengd op het altaar des Heeren.
En toch, de ervaring leert het zoo heel anders.
Als het in den dood gaat, ja, dan wordt bet hart diep ontroerd; dan is het of de wereld een oogenblik haar bekoring voor ons verliest; en alsof we dieper dan ooit beseften, waar ons eigenlijk vaderland ligt. Niet hier, maar daarboven.
Schier nooit meer dan in dagen van verschen rouw is er gedach-tenisse van den Heere onzen God in ons hart, op ons leger, in onze gesprekken; en zelden verkrijgt ons gebed inniger toon, dan juist in zulk een toestand van beklemdheid der ziele.
Bij het graf kan men nog zeggen, dat de hooge God iets van zijne eere ontvangt.
Maar als die God nu niet sloeg, maar weer oprichtte en het met onzen kranke niet in den dood ging, maar de Heere hem van zijn ziekbed deed opkomen, hoe staat het dan?
En op die vraag, helaas, kan het antwoord niet anders dan pijnlijk zijn.
Nog altoos in den toon van wat Jezu-s tot den geredden melaatsche zei; „Zijn niet de tien gereinigd geworden? En waar zijn de negen? En zijn er geene gevonden, die wederkeeren, om Gode de eere te geven dan deze vreemdeling?quot;
Of het dan in vroeger jaren beter stond?
Ongetwijfeld.
Een heilige ontboezeming als in Psalm 30 op Davids harp vertolkt werd; een lied der aanbidding vol lof en dankzegging als Hiskia voor zijn God zong; en zoo menige andere xiiting, ons in dc Schrift bewaard, toont dit wel.
En ook in de eeuwen, toen hier te lande Gods kerk geestelijk bloeien mocht, voerde vrome usantie den gezetten regel in, dat men ook in Gods huis niet alleen voorbidding vroeg voor den kranke, maar ook dankzegging voor wie God had opgericht.
Ook waren de dankoffers toen bijna vaste regel, en zulks zonder dat er over neiging tot werkheiligheid hierbij ernstig te klagen viel.
En al geven we nu toe, dat deze uitwendige teekenen voor een goed deel juist op die usantie schenen te drijven, toch blijkt thans genoegzaam, hoe zulk een usantie veeleer inzinkt, zoodra ze ophoudt door een geest van waarachtigheid gedragen te worden.
Als geen herstelde kraamvrouw uitgaat, of haar eerste uitgang moet naar de kerk zijn, om openlijk haar God te loven, dan doorleeft ze
71
toch bij dien kerkgnn», en onder die dankzegging, een gewaarwording van dank en een drang tot lof in de ziele, die Gode eere geeft.
En juist dat dit alles zoo veelszins verviel en wegviel, is zoo veeg teeken.
o, We weten wel, dat er nog iets, hier en daar zelfs nog veel van over is. Op het platteland meer dan in de steden. Onder de „kleine luydenquot; meer dan onder de heeren en dames. Na het kraambed meer dan na oprichting uit krankheid. Ook staan er gedurig nog dankoffers van herstelden op de lijsten, die van veler barmhartigheid getuigen.
Maar toch dit alles dooft onze klacht niet.
Er is achteruitgang in deze publieke betooning van dankbaarheid. En die achteruitgang in het openbaar betoon van onze erkentelijkheid verraadt maar al te zeer, dat er ook in het hart verflauwing is; verflauwing ook in den huislijken kring.
Nu is er eene omstandigheid, die ten deze zoo al niet tot verontschuldiging, dan toch tot verzachting van ons oordeel kan strekken; we bedoelen de soms zoo langdurige reconvalescentie ').
Bij het sterven is dit zoo heel anders. Pan is er plotseling een feit dat geweldig aangrijpt. Onmiddellijk daarop volgt het rouwbeklag, de zorg voor het lijk, straks de zoo droeve begrafenis. Zoo wordt de gewone gang van het leven gebroken. Alles werkt meê om uw aandacht op één punt te richten. Bijna kunt ge om niets anders denken. En zoo kost het geen inspanning, om met uw hart en met uw lippen in het eeuwige te zijn. Uw doode zelf wenkt u.
Maar bij de reconvalescentie is dit zoo heel anders.
Ja, bij enkele ziekten is er dan wat de artsen een crisis noemen, zoodat die dag van crisis spreekt, en ge aan den avond van dien dag voelt, dat nu de evenaar doorsloeg, en dat er redding van God geschonken was.
Maar zoo is het lang niet bij alle reconvalescenten.
Bij niet weinigen is het een slingeren op en neer. W at beter den eenen dag, en dan weer wat minder op den dag die volgt. Vooral zoo de zenuwen veel in het spel zijn, is er vaak geen pijl op te trekken. En dan gaat het eindelijk wel zachtkens aan vooruit. Maar zoo langzaam en zoo ongemerkt, dat er van Sabbat op Sabbat, en van den avond op den morgen, eigenlijk nergens een mijlpaal op den weg is, waarvan ge zeggen kunt: „Tot hiertoe dreigde de dood, en van dit punt herwon ik het leven.quot;
Niet zelden is toch de beterschap zelve, die dan ten slotte komt, dan nog zóó kruipend langzaam, dat het dagen, weken, maanden
^ Het langzame herstel na krankheid.
72
duurt, eer men tot het vorige, gewone leven terugkeert. Want komt men dan eindelijk weer van zijn leger op, dan is men o zoo slap en zoo moede. De eens zoo sterke beenen dragen u nauwelijks. En ook het hoofd is nog zoo gevoelig. Bijna niets kunt ge velen, ot' het doet u zeer. Gc voelt u alsof ge een kruidje-roer-me-niet waart geworden.
En zoo ongemerkt als het gras groeit, zoo ongemerkt wint dan ook gij allengs in kracht weer aan, tot ge ten leste het weer eens beproeft om uw arbeid op te nemen. En zoo schuift ge dan van lieverlede weer in het oude leven in.
En natuurlijk, dan is er op den langen weg nergens een aangrijpend feit, niet één gebeurtenis die indruk maakt; niets dat u uitrukt uit uw gewone doen; en juist dat is dan zoo vaak oorzaak, dat de dank in het hart niet opwelt, geen uiting zoekt, en noch in lof noch in dankoffer uitgaat.
Er is dan ook diepe geloofswerking noodig, om Gode de eere zijns Kaams te laten toekomen van een ziekbed, dat op herstelling, meer nog dan van een ziekbed, dat op den dood uitloopt.
Ge zoudt het wel omgekeerd meenen; maar toch is het zoo.
Als uw God genadig is, en uw smeeken van uw ziekbed verhoort, en u weer opricht, is er minder kans dat de eere zijns Naams Hem gegeven wordt, dan zoo Hij doof blijft voor uw roepen en u in den kuil laat nederdalen.
Maar juist daarom moet onder Gods kinderen de geheiligde aandacht veel sterker dan dusver op dit punt gericht.
Zij, die in vroeger jaren aan den rand van den dood waren gekomen, en tot God riepen, en genezen werden, en toen o zoo heilige gelofte deden, maar om sinds die gelofte ganschelijk te vergeten, zullen inkeeren in hun binnenste en zichzelven aanklagen over de logen in hun hart. Ze zullen opnieuw, als ware het in gedachten, hun angst en hun smeekiugen doorleven, en zoo tot vernieuwing van gelofte en herhaling van gelofte komen, om de gunste die ze van hun God genoten.
Dat voor het verleden; maar ook voor het heden en voor de toekomst, moest de ernste dor dankzegging weer opwaken.
A\eet ge eenmaal, dat langzaam herstel uit krankheid er zoo sterk toe neigt om u Gods weldadigheid te doen vergeten, en Hem uw lof- en uw dankoffer te onthouden, dan zult ge, als krankheid over u komt, ook hiertegen waken, bidden, strijden. Er u tegen inzetten. En door opzettelijke zielsherinnering deze zonde van den ondank van u afweren.
Ook zal de een den ander hierin bijstaan. Wie vader of moeder is, zal zijn kind, dat herstellen mocht, hiertoe prikkelen. De broeder zal
73
zijn. vriend opwekken. En. wie met hem om reddins: bad, zal na die redding met hem den God zijns levens danken.
Het moet immers alles op de eere van Gods Naam uitloopen, ook onze krankheid en ook onze redding,-. De Heere heeft alle ding geschapen en doet nog steeds alle ding, om zichzelfs wil.
En daarom zinkt ge in, en ontzinkt ge aan uzelven, als ook uil uw leven die eere van zijn Naam aan uw God niet toekomt.
En zegt ge nu, dat het zoo bijna niet te bepalen is, wanneer gij nu kunt zeggen: Ik ben weer beter-, welnu herstel dan de oude usantie, en leer inzien hoe wijslijk uw kerk die goede usantie had ingevoerd, en stel een dag, waarop ge met al de uwen in Gods huis opgaat, om Hem in het midden der gemeeute lof te zingen en het offer uwer dankzegging te offeren.
Juist omdat anders de reconvalescentie zoo ongemerkt verloopt, is liet stellen van zulk een dag zoo goed.
Dan is er een vast punt. Dan is er een dag, waarop al uw gedachten terug kunnen gaan in wat geleden wierd, in wat liefde deed om u te steunen, in wat geroepen en gesmeekt werd om u bij het leven te behouden, en hoe toen eindelijk de inzinking gestuit werd, en het opleven weer kwam.
Zoo verrijkt ge uw eigen leven. Al de uwen vinden het dan natuurlijk, dat ge er vol van zijt En ook zij raken er vol van niet u. En zoo wordt vanzelf die goede stemming des harten geboren, die de dankzegging op de lippen waarachtig maakt. De indrukken verdiepen zich. En er is een keerpunt in uw leven gekomen. En ook, als straks die dag van dankzegging reeds lang weer voorbij is, blijft die dag u nog naroepen, blijft die dag nog in u nawerken, en u een zegen brengen voor uw eigen hart.
74
XIX.
RUSTEN IN GODS BESTEL.
De Heere is aan allen goed, en zijne barmhartigheden zijn over alle zijne werken.
Ps. 145 : 9.
Ons hart is gedurig geneigd tegen den Heere onzen God in opstand te komen. Zoo werkelijk in opstand, dat we Hem, o zoo gaarne, al ware het slechts voor één enkelen dag, de teugels van zijn albestier uit handen zouden willen nemen, ons inbeeldende, dat wij tal van dingen veel beter zouden inriehten en veel doeltrettender besturen, dan God het doet.
Dat kunnen we dan wel niet, want zijns is de macht, en ons kleeft de machteloosheid aan. Maar dat neemt niet weg, dat de zin er toe toch in ons zou zijn. Als we maar konden. Meer nog, dat vaak ergernis door onze ziel trekt, als we waarnemen wat God doet, en er geen antwoord zelfs volgt op de duizenderlei vragen, die gedurig in ons ontevreden en geërgerd hart oprijzen.
Sterk komt dat gevoel reeds in ons op, als de Heere ons in ons eigen levenslot te na komt. Pan hebben we onze plannen en uitzichten voor de toekomst. Soms zelfs van zeer heiligen en ernstigen aard. Al toch wat zondig en zelfzuchtig is, laten we nu liefst rusten, omdat bij al zulke overleggingen en voornemens de consciëntie tusschenbeide treedt, ons terugwerpt in onszelven, en daardoor God rechtvaardigt. Neen, waarlijk, de teleurstellingen op een zondigen weg zijn voor uw geloof niet zoo raadselachtig. Eer voelt ge uw geloof, als God daarin blaast, gesterkt. Maar als ge nu keer op keer merkt en ondervindt, hoe juist zulke zondige overleggingen ongestoord kunnen doorwerken en vrij spel hebben, maar hoe omgekeerd, edeler voornemens en godzalige plannen, die ge hadt opgevat, verijdeld worden, dan komt de ergernis; dan wordt de ziel voor een raadsel geplaatst, dat ze niet kan oplossen; en dan komt zoo licht de vraag op de lippen: Waarom laat de Heere gedijen wat slecht was, en waarom verstoort Hij wat toch zoo heilig bedoeld was voor de eere zijns Naams?
Die indruk van het Godsbestuur is vaak zoo smartelijk. Hier, in ons land, is het aan geuzen en martelaren, ja, gelukt zich vrij te
75
vechten; maar ziju de Hugenoten in Frankrijk, wier martelaarsbloed toch ook gevloeid had, niet zoo goed als uitgemoord en ondergegaan?quot; Het vernietigend ongeloof laat God de Heere gedijen in staat en wetenschap. Dat tiert en bloeit, en kent nauwlijks tegenstand; en hoe tobt het geloof niet, om met sobere middelen staande te blijven en even het hoofd boven te houden! Daar is in uw buurt een kroeg, die bloeit en geld als water verdient, en vlak daarbij een Christelijke school, die haast bezwijkt onder haar tekorten. Twee mannen zullen nering drijven, de één een kind Gods, op wien niets is aan te merken, de ander een kind der wereld van wien allerlei kwaad gerucht uitgaat, en toch die kleine, vrome man staat op het punt van bankroet te gaan, en die concurrent legt elk jaar op. Bij hem komt alles koopen. En toch is het God immers, die ook de klanten naar eiken winkel stuurt; en ook in handel en nering geschiedt er niets bij geval.
Ge zult twee kinderen hebben, het ééne een zoon der smarte, die de hoop van uw ouderhart teleurstelde, waar niets uit wordt, en die u verdriet doet, en naast hem had God u een anderen zoon geseven, die de lust uwer ziele was, omdat hij God vreesde en vooruitkwam met heilige energie. En zie. God zal u dien afgewenden jongen laten, en dien andere, waar uw ziele aan hing, zal God van u nemen, en hem afsnijden in het opbloeien zijner jaren. Leidde dit nu nog tot de bekeering van dien afgedoolde, gij zoudt het verstaan. Maar ook daar merkt gij niets van. Uw verdriet blijft, en de lust uws levens is-van u genomen.
En dat doet God.
Het is niet een ziekte, die hem u tegen Gods wil ontrukt. Geen ding toch geschiedt er ooit gewisser, dan het hoog bevel van 's Heeren Woord. En bovendien, uit Job's geschiedenis merkt ge het wel, hoe God zelf het was, die het toeliet en het wilde, dat al deze bange dingen over zijn knecht Job komen zouden.
En denk nu niet, dat ge door op anderen te zien, getroost zoudt worden.
Integendeel, hoe meer uw hart naar buiten treedt, en meê gaat leven met anderen, en uit zijn zelfzucht uitkomt, hoe sterker van allen kant dat stuitend raadsel van Gods albestier op u aandringt.
Liefde vermeerdert smart, en hoe meer ge als kind van God deelnemend ingaat in het leven van anderen, en den gang van het leven om u heen bespiedt, hoe pijnlijker ge wordt aangedaan.
o. Het is zoo spoedig gezegd, dat er in Gods voorzienigheid voorziening voor aller nood is.
Maar wie verdeelt dan het goed der aarde? Doet de Heere het niet? En is het dan niet pijnlijk voor uw menschelijk besef, te-
76
■weten, hoe er zoo menige arme weduwe is, die er bleek en mager uitziet, omdat ze met al haar tobben nog niet genoeg voor haar leeftocht kan vinden, terwijl er toch zoo menig rijkaard is, die schatten ■gelds, waar hij niets voor deed, en die hij eenvoudig erfde, verkwist in overdaad?
Als er een pestilentie door het land waart, en ge ziet een eenigen zoon, die de steun van zijn arme moeder was, wegrapen, terwijl op de gracht achter haar huis een nieteling, die God noch mensch ontziet, gespaard blijft, beeft er dan niet iets in uw hart?
Immers ge zoudt zeggen, het lag zoo voor de hand, dat God zulk een pestilentie gebruikte om tal van onnutte, slechte menschen op te ruimen van den aardbodem. En zie, die laat Hij staan, en wie bijna onmisbaar was, neemt Hij weg.
En wat nog sterker spreekt, omdat het zoo uitsluitend in Gods macht staat. Hij zal aan het ongeloof allerlei mannen van machtig talent en aangeboren genie schenken, en daarentegen zullen de Christenen ia alle landen moeten tobben met middelmatigheden, waar geen kracht in schuilt.
Zelfs in de dierenwereld stuit ge op dezelfde raadselen.
Een hert is een edel dier, en het zal weiden met zijn jongen, dat er, zie, een tijger uit het bosch schiet en het bespringt, en het moordt onder het angstgegil zijner jongen.
Zeg dus nooit, dat Gods doen zich vanzelf voor u rechtvaardigt, als al wijs en algoed.
Dat kan zeggen wie niet nadenkt, die niet let op wat er om hem geschiedt, en die aan de contrasten van het leven reeds zoo gewoon is, dat ze hem niet meer aangrijpen.
Maar als ge nog frisch en jong in uw hart zijt gebleven, en de liefde dringt u, en wat ge om n ziet gebeuren grijpt u aan, laat u geen rust en dwingt u tot nadenken, neen, zeg dan nooit, dat de algemeene gang des levens u Gods wijsheid en Gods liefde leert.
Veeleer is het, of er een dwarsdrij vende macht door heel ons leven trekt, en alsof God het opzettelijk anders doet, dan wij, naar ons eerlijkst gevoelen, zouden meenen dat het had moeten gebeuren, opdat we tegen wat we zien in, enkel door het geloof ons aan Goi zouden vastklemmen, en, tegen alle ervaring van ons leven, belijden zouden, dat God aan allen goed is.
En zoo nu mag het zeker niet uitgedrukt. Yan het waarom weten we letterlijk niets. Maar wel staat vast, dat wie meeleeft en om ziah ziet, alleen en enkel door zijn geloof aan de wijsheid en goedheid •Gods kan vasthouden.
Zooals de Psalmist het uitspreekt: „De Heere is aan allen goed ■en zijne barmhartigheden zijn over alle zijne werkenquot;; neen, dat
77
zien we niet, en dat getuigt het leven niet. Dat kan u alleen getuigd worden door den Heiligen Geest in uw binnenste.
Maar zoo neemt ge dan ook eerst het eenig ware standpunt in, en bezit ge een getuigenis omtrent uw God, dat door nood noch dood uit uw hart kan worden uitgescheurd.
Dan is uw geloof aan Gods goedheid een verovering, die ge met geestelijke kracht gewonnen hebt op de verpletterende tegenspraak van de werkelijkheid om u heen.
Dan is het liedeke, dat God wijs en goed is, u niet meer een kinderlesje, dat ge anderen hebt nagezongen, maar wordt het u een levenspsalm, opgeweld uit de inspraak uwer ziel. En al gaat ge dan door vuur, en al dreigen dan de stroomen der bitterste werkelijkheid u te verzwelgen, dan triomfeert ge toch, en zingt van de goedheid Gods in het aangezicht van smart en zielsverdriet, van nood en lijden, van dood en graf.
En dan poogt ge dat niet uit te leggen, wat u toch niet gelukt, en dan redeneert ge daar niet over, als om uw belijdenis van Gods goedheid aan de spinrag van uw redeneering op te hangen, maar dan hebt ge den hoogen moed, om het bittere van den nood koelbloedig onder de oogen te zien, en den beker van uw lijden tot op de hett'e uit te drinken; en dan verzwijgt ge het niet, dat ge God niet begrijpt, dat ge van zijn liefde het tegendeel, van zijn wijsheid eer het omye-keerde ziet; maar toch houdt ge onwrikbaar vast aan wat uw geloof in u getuigt, en ge blijft met den psalmist jubelen: „De Heere is-aan allen goed, yoed ook aan mij.quot;
XX.
Sij hieldt mijn oogen wakende.
SLAPELOOZE NACHTEN.
Gij hieldt mijne oogen wakende; ik was verslagen, en sprak niet. Ps. 77 : 5.
Niets is ongelijker verdeeld dan de mate van zorge, die door Gods-bestel op den eenen en den anderen mensch is gelegd.
Duizenden bij duizenden kennen eenvoudig geen zorgen. Ze leven
78
tot aan huu dood toe als kinderen voort. Met hun vaste dagtaak ligt hun morgenbrood bij het ontwaken gereed. Pat werk werken ze; dat brood eten ze; en als weer de nacht zijn vale schaduwen spreidt, leggen ze zich neer, en slapen in.
Maar zoo is het op verre na niet met allen.
Er zijn er ook in hooger en in lager kringen, wier hart dag in dag uit door veelomvattende verantwoordelijkheid, door bange onzekerheden van allerlei aard, door overmaat van arbeid, of ook door kommer gedrukt wordt.
Wat menigeen hierbij zichzelven oplegt, rekenen we nu niet meê. Ingebeelde nood en angst komt ons niet van God toe, maar is vrucht van ons klein geloof. En wie eiken morgen en eiken avond den geloofsmoed grijpt om te luisteren naar Jezus' woord, dat we niet bezorgd zullen zijn voor den dag van morgen, zal door gestadige geloofs-oefening spoedig genoeg van deze onnoodige zorge verlost zijn. Die ingebeelde zorge hoort bij de Heidenen, niet bij Gods kinderen thuis. En wie een discipel van Jezus durft zijn, wordt ook van die ingebeelde zorge door den Zoon waarlijk vrijgemaakt.
De zelfmoord, die zoo dikwijls de helsche diepte bleek, waarin dia ingebeelde zorge haar slachtoifer ten leste doet neerstorten, is dan ook voor den man des geloofs volkomen afgesneden.
De zorge, die God ons oplegt, verlokt nooit tot deze vreeselijke. zonde. Zelfmoord is altoos vrucht van eigen. God onteerend ongeloof.
Al die zorge, die de mensch zichzelven geheel noodeloos op de schouders legt, laten we dus hier geheel rusten. We spreken alleen van de zorge, die God een mensch oplegt; en al bezit het geloof nu altoos veerkracht genoeg en te over, om in onze worsteling met die zorgen staande te blijven, toch zijn ook die zorgen soms ontzettend bang en zwaar.
Vooral 's nachts komt dat uit.
Dan slaapt een ieder; maar de man, wiens hart door bange zorge gekrenkt wordt, niet.
Hij kan niet slapen. Zijn hoofd is te vol van allerlei elkaar kruisende, elkaar verdringende en elkaar najagende gedachten. Zijn ziel is onrustig in hem. Zijn bloed is en blijft in te sterke gisting. Zijn hart klopt, dat hij het geluid er van met zijn eigen oor opvangt. En zoo blijft hij in spanning, om, waar hij ook even insluimerde, toch aanstonds weer wakker te worden, na in die korte sluimering nog door vlijmende droombeelden te zijn verschrikt.
Er is voor hem geen verkwikking; eer verergering van onrust. Want de nacht benauwt het zenuwleven, en de tergende worsteling der slapeloosheid sloopt de kracht, inplaats van die te herstellen.
En nu kan dat verschillend zijn. Bij den één kan het een enkele
79
slapelooze nacht zijn, uit onrust over een bange beslissing;, op den dag van morgen komende, of een spannende taak, die op dien dag moet volbracht worden. Dan slaapt men ganschelijk niet. Of ook het kan zijn, dat gestadige zorge en overprikkeling van hoofd en hart die plage der slapeloosheid tot een bestendige kwaal heeft gemaakt, dat men ten slotte dan wel inslaapt, maar toch eiken nacht bij het naar bed gaan weer dezelfde bange uren doorworstelt. Ze kan, wat men noemt acuut, maar ze kan ook chronisch wezen. Toch altoos in haar oorsprong cn haar wezen één. Wrange vrucht van een overspannen, boven de mate onzer krachten uitgaand leven.
In dagen van ziekte draagt de slapeloosheid een geheel ander karakter. Dan kan ze ook bij een kind voorkomen, dat anders, onbezorgd als het leeft, reeds slaapt eer het nog het kussen voelde.
Dan komt deze plage niet uit de ziel, maar uit het lichaam. De werking is wel dezelfde, maar omgekeerd in richting. Zelfs kan de kranke zoover heen zijn, dat hij om niets meer denkt, voor alles onverschillig wordt, voor niets meer zorge heeft, en dat hij toch niet tot slapen kan komen.
Als hij maar insliep, was hij gered.
Maar die reddende slaap toeft; en het slaapmiddel moge verdooven, maar geeft den wezenlijken, gezonden, natuurlijken slaap niet.
Dat komt, omdat heel het lichaam ontsteld is; omdat het bloed brandt van koortshitte; omdat de zenuwen valsch geprikkeld worden; en omdat de hersenen aldoor, soms tot ijlens toe, bezig zijn.
Maar hoe verschillend ook de oorzaak zij, de uitwerking blijft één. Beiden, èn hij, wien het uit de ziel, èn hij, wien het uit het lichaam komt, missen dat wondere krachtsherstel, dat door God Almachtig voor zijn menschenkinderen in het mysterie van den slaap besteld is.
De slaap is een uitvinding Gods. Hij is zijn maaksel. Hij heeft hem uitgedacht en gewrocht. En al gelukte het nog nooit, en zal het ook nooit gelukken, om in het wezen van den slaap in te dringen, toeh dankt elk kind van God, als hij verfriseht ontwaken mag, zijn Vader die in de hemelen is; want uit die hemelen, en door dien Vader, werd de slaap in hem gewrocht.
Maar, als God dan den slaap geeft, vanwaar dan die bange slapeloosheden ?
En op die vraag vindt ge alleen weer in de Schrift het antwoord, als Asaph u uit diepe zielsovertuiging toeroept: God hield mijne oogen wakende. Of liever, want dat is nog niet genoeg gezegd, Asaph roept
80
het u niet toe, maar roept het tot God zeiven, en betuigt het den Heere zijnen Bonds-God; „Gij hieldt mijne oogen wakende.quot;
Wat ligt er nu in zoo één enkele betuiging niet een schat van godsvrucht.
Yan God de slaap; maar ook van God de slapeloosheid. jSleen, sterker nog, toen Asaph slapeloos op zijn legerstede neerlag, wist hij, dat het God was, die van oogenblik tot oogenblik zijn oogen wakende hield.
Het was niet, dat God hem den slaap wel gunde, doch dat een andere oorzaak den slaap van zijn oogleden weerde.
Neen, neen. God zelf deed het.
Het was Gods eigen wil, dat hij niet sliep.
En het was zijn God, die als met ongeziene vingeren, zijn oogleden openhield, als hij ze wilde dichtdoen om in te sluimeren.
Zie, dat is nu godsvrucht, dat is nu geloof.
Als ge daar hulpeloos neerligt en u rusteloos omwentelt op uw leger, niet maar nu en dan een kreet te slaken: „o. God, geef mij den slaap toch;quot; maar te weten, te gelooven en aan God zelf te betuigen, dat ge ook in die bange slapeloosheid van oogenblik tot oogenblik door uw God bewerkt wordt, en dat u niets overkomt, dan wat Hij u aandoet.
En gevoelt ge nu niet, hoe zulk geloof medicijn tevens is?
Of zou er dan van zoo ongeschokt zelfvertrouwen op de tegenwoordigheid des Heeren Heeren, ook in het donker van den nacht, ook als niemand van uw lijden weet, geen kalmte aanbrengende werking ook op uw zenuwgestel, ook op uw zielsleven uitgaan?
Om eindelijk dan toch in te slapen, gaf men wel eens den raad, om zijn gedachten door stijve wilskracht op één punt te richten. Welnu, laat dat ééne punt dan uw God zijn.
Zoolang ge met uw zorgen en uw onrust alleen blijft, rijzen die zorgen zoo bergen hoog orn u op, en omringen en ommuren u van alle zijden. Maar als uw God bij u is, en gij nabij uw God moogt zijn, dan wordt Hij alleen groot, en dalen, bij zijn majesteit bezien, uw zorgen tot zooveel kleiner afmetingen.
Spant u een harde dagtaak, die u wacht, welnu, diezelfde God, die nu uw oogen wakende houdt, zal ook, als die dagtaak komt, oij u zijn, en in den nacht zal Hij u geleerd hebben, om ook bij die dagtaak alleen op Hem te vertrouwen.
Het gaat ook in de bange nachten niet buiten uw God om. Al sliept ge, toch zou het niet die slaap, maar uw God zijn, die u verkwikt, evengoed als niet uw brood, maar uw God u in het leven behoudt.
Al zoudt gij dus zeggen; „Gaf God nu aan mijn zieke kind maar
81
één nacht slaap, dan was hij geredquot;, toch weet uw hemelsche Vader wat Hij doet, als Hij de oogen van uw kind wakende houdt.
Mag het, dan door slaap, maar moet het, dan zonder slaap, zal God uw kind in zijn almachtige hand vasthouden.
XXI.
2)e geest eens mans zal zijne krankheid ondersteunen.
GEESTKRACHT.
De geest eens mans zal zijne krankheid ondersteunen; maar eenen verslagenen geest, wie zal dien opheffen?
Spreuken 18 : 14.
Van Prins von Bismarck wordt verhaald, dat hij genoegzaam taaie wilskracht bezat, om een opkomende vlaag van woedende kiespijn volstrekt te bedwingen. Hij kou dit niet altijd; maar wel bezat hij dat vermogen in gewichtige levensoogenblikken, als de kiespijn hem zou belet hebben, zijn gewichtige taak met ernst en bezonnenheid te vervullen. Zoo drong dus de ernst van zijn plichtsbesef zijn geest, en zijn geest werkte derwijs krachtig op zijn zenuwen in, dat hij hierdoor dezelfde uitwerking teweegbracht als anders chloroform of cocaïne doet. De kiem van de pijn zat er wel, maar hij drong de uitstraling van die pijn door wilskracht in zijn zenuwen terug.
Dit nu is het wat de Spreukendichter in algemeenen zin aldus uitspreekt: De geest eens mans zal zijne krankheid ondersteunen.
Ook als ge op het ziekbed nederligt, zijt en blijft ge, tot aan uw dood toe, een tweeledig wezen. Van den één en kant bestaat ge in uw ziel, en van den anderen kant bestaat ge in uw lichaam.
En nu gaat de worsteling maar om te weten wie het wiuneu zal de macht van uw ziel of de macht van uw lichaam. ,
En overhaast u nu niet, spreek uzelven niet voorbij, en zeg niet te spoedig, dat natuurlijk de ziel het moet winnen, want dit is lang niet altoos waar. De nooden en behoeften van het lichaam kunnen zoo dwingend zijn, dat de ziel wel moet wijken. De uitputting kan zóó ver gaan, dat de geest alle macht over het lichaam verliest. Eu komt het aan het sterven toe, dan mag de ziel zelfs de macht over het lichaam niet willen behouden. Dan moet het er aan.
Met eenzijdig spiritualisme, met gespannen overgeestelijkheid vordert
6
82
ge hier dus niets. Gods ordinantiën moeten op elk terreiii van het leven, en zoo ook bij de verhouding tusschen ziel en lichaam, geëerbiedigd.
De worsteling van uw geest in u mag dus nooit ten doel hebben, om uw lichaam opzettelijk te krenken en het de zorge te onthouden, die naar Gods ordinantie aan uw lichaam toekomt, maar moet eeniglijk hierop gericht zijn, om te beletten, dat niet de invloeden van uw lichaam, ook en met name in krankheid, uw geest in u uit zijn stand rukken.
Denk nu over die worsteling niet te licht.
Pijn kan een overweldigende macht worden, een uitterende zwakheid, vooral zoo ze het zenuwleven sterk aangrijpt, en ondermijnt de geestkracht.
Vooral in onze eeuw zijn onze zenuwen van al treuriger conditie geworden. Ze hebben zoo nooit rust. Ze worden door het drukke, woelige leven zoo eindeloos in spanning gehouden, dat ze telkens overspannen worden en dan slap inzinken. Soms zóó slap, dat ze door geen prikkel meer te spannen zijn.
Onze artsen noemen dat depressie van zenuwen. Een bang woord, waar soms een nameloos lijden achter schuilt.
En dit verslappen van het zenuwleven is nu daarom zoo bedenkelijk, omdat de geest in u alleen door die zenuwen op uw lichaam kan werken. Immers uw zenuwen zijn, om het zoo uit te drukken, het handvatsel waarmee uw ziel uw lichaam aangrijpt. Alleen door uiv zenuwen kan uw ziel bij uw lichaam bij.
Het zijn diezelfde zenuwen, waardoor uw lichaam uw ziel poogt ten onder te houden, en waardoor uw ziel op uw lichaam moet indringen.
Sparing van uw zenuwleven is dus metterdaad een eisch van godsvrucht, omdat ge alleen daardoor aan uw geest de mogelijkheid schenkt, om over uw lichaam te heerschen.
En toch, denk niet dat in die zenuwen de eigenlijke veer van uw kracht schuilt.
We zien ze niet voorbij; we rekenen er wel terdege mede; immers God zelf heeft ze als de geleiddraden tusschen uw ziel en uw lichaam gespannen; maar toch de kracht moet uit uw geest komen.
Als ge uw paard met twee versche zeelen voor den zwaargeladen wagen hebt gespannen, doen die zeelen uitnemenden dienst; maar toch die zeelen helpen niets, als het paard niet trekt, of niet sterk genoeg is, om, wat de karrelieden noemen, „aan te zetten.quot; Onder dat „aanzettenquot; verstaan ze dan die eerste bovenmatige inspanning om de wielen aan het rollen te krijgen. Is dat maar eerst gelukt, dan gaat het verder gemakkelijker. Maar dat eerste „aanzettenquot; kost soms
83
ongelooflijke kniehtsinspimning. En daar herkent ge nu de deugdelijkheid van het paard aan. Is het een paard waar bloed in zit, dan hoeft ge niets te doen; dan wringt het en rekt en spant het zich vanzelf, tot er schot in den wagen komt. Maar is het paard een kavalje, dan blijft het stom staan, en moet ge met zweepslag en geschreeuw en geduw er gang in pogen te brengen.
En zoo is het nu met uzelven ook.
Uw zenuwen zijn de zeelen aan den wagen; maar die zeelen zijn tot niets nut, zoo de geest in u, die op die zenuwen werken moet, slap en ingezonken is.
Is er in uw geest kracht, kracht van zelfbesef, kracht van wil, kracht van actie, dan zal uw sterke geest zelfs met verslapte zenuwen wonderen doen. Maar is uw geest mat, dof en zonder veerkracht, dan ligt ge eigenlijk als een smadelijk wezen op uw ziekbed neer, wat men soms wel uitdrukt door te zeggen: „Hij lag er als een meelzak.quot;
En metterdaad ge merkt dat aan den kranke terstond; ten minste als ge eenige kennis van het ziekbed opdeedt, doordien ge veel kranken zaagt nederliggen.
Natuurlijk spreken we hier nu niet van kleine erupties, of plotselijke aandoeningen, die weinig pijn veroorzaken en het gestel niet aangrijpen. Dat is eigenlijk geen ziekbed.
Neen, onder ziekbed verstaan we hier dien bangen toestand, als er werkelijk geleden wordt, als de kranke uitgeput raakt; als er gevaar om uw sponde sluipt; en het er nu juist op aankomt, om met den geest die in u is tegen uw krankheid in te worstelen.
Als er een paniek ontstaat, ziet men altoos drieërlei soort men-sclien. Menschen, die verbluft en versteend staan, en zich willoos laten verongelukken. Andere menschen, die met tegenwoordigheid van geest op zulk een oogenblik wonderen doen. En tusschen die beiden in, die gewone menschen, die geen wonderen doen, maar zich althans redden laten, en voor een deel er toe medewerken.
En juist dezelfde drie soorten van menschen vindt ge op het ziekbed, zoodra het geval ernstig wordt.
Aan den éénen kant lijders en lijderessen, die terstond de vlerken laten hangen en den kop in de veeren steken, en met wie dan letterlijk niets is aan te vangen. Daartegenover enkele nobele lijders, die met wondere zelfbeheersching zichzelven meester blijven, en den moed niet uit hun oog laten wijken. En daar tusschen in de gewone zieken, die niet veel meê- en niet veel tegenwerken.
En het is nu ziende op deze toestanden, dat de Spreukendichter zegt: „De geest eens mans ondersteunt zijne krankheidquot;, en er zoo
84
weemoedig' bijvoegt, „maar een verslagene van geest, wie zal dien opheffen?quot;
D. w. z. als ge op bet ziekbed een ingezonken geest in den lijder vindt, valt er zoo niets met hem te beginnen.
Dit nu is, gelijk vanzelf spreekt, geheel in het natuurlijke gesproken. Gesproken zooals het voorkomt bij onbekeerde, en zooals het voorkomt bij bekeerde mensehen.
Toch is bij beiden de zondige en de edele aandrift zeer verschillend.
Een kind van God, dat goed staat, weet dat het zesde gebod hem verbiedt zijn leven in gevaar te brengen, en hem dus gebiedt al te doen wat zijn leven ondersteunen kan. Ook weet hij, dat, hoe machteloos en niets zijn geest ook in zichzelven zij, de genade een mysterieus© macht is, waardoor het geloof alle dingen vermag; alsook dat de kracht des Heeren juist in zulke zwakheden volbracht wordt.
Hij kent dus het gebod. Hij kent zijn eigen machteloosheid. Maar hij kent ook de Bron, waaruit de kracht vloeit. En nu komen de geloofswerkingen, en door die geloofsuerkingen triomfeert hij.
Altoos meer dan overwinnaar door Hem die ons heeft liefgehad.
Maar ook een bekeerd mensch kan ingezonken zijn. Dat het geloof niet werkt. Dat de Bron van kracht hem niet voor het zielsoog schittert. En dan is hij er zeer erg aan toe, want dan heeft hij niets aan het zesde gebod, en hindert hem de kennisse van zijn eigen zwakheid.
Vandaar dan ook dat zoo dikwijls bekeerde mensehen als ellendigen op hun ziekbed liggen, en door de kranken der wereld vaak beschaamd worden.
In gast- of ziekenhuizen is dit niet zoo sterk.
Als een kind van God in zoo vreemde omgeving is, en begrijpt dat men op hem let, en nu weet, dat er de eere van zijn Heiland aan hangt, dan is die hoogere prikkel meestal sterk genoeg, om hem uit zijn slapheid op te heffen.
Maar als men alleen ligt, alleen met zijn huisgenooten is, en dus voor niemand zich heeft te schamen, o, dan kan deze gelooffooze inzinking soms zoo stuitend en ergerend zijn, dat alle verheerlijking van Gods Naam van zulk een ziekbed weg is.
En toch ligt het ook hier meestal uitsluitend aan wat bij het paard voor de volgeladen kar het „aanzettenquot; heet.
Die eerste penjiny om uit zijn slapheid en inzinking zich op te heffen, is dan metterdaad uiterst moeilijk en vereischt een ongelooflijke
85
krachtsinspanning, en als de geest in ons niet van edeler natuur is, krijgt men dien eersten zet niet gedaan.
Maar is u die eerste zet gelukt, en hebt ge door het geloof dat eerste aanzetten in uw geest teweeggebracht, zoodat ge van onder uw ziekte opkomt, en nu weer met uw geest over uw ziekte heerscht, o, dan gaat het reeds den avond van dien dag en den morgen die daarna komt zooveel lichter.
En dan is de vrucht zoo heerlijk.
Want immers dan gevoelt ge uzelven tienmaal vrijer en gelukkiger. Ge vermeerdert de kans op beterschap. Ge lijdt minder. Uw innerlijk leven herneemt zijn werkzaamheid. Ge doet goed aan heel uw omgeving. En bovenal ge ligt niet meer in uw schuld neder, maar verheerlijkt op uwe wijze den Heere uw God.
MOEILIJKE VERTROOSTERS.
Ik heb vele dergelijke dingen gehoord; gij allen zijt moeilijke vertroosters. Job 16 : 2.
Elifaz, Eildad en Zofar waren hoogwijze mannen voor hun tijd, en ze konden prachtig over het geloot' redeneeren; maar God de Heere heeft ze, toen ze uitgesproken hadden, met één woord van zijn lippen vernietigd, en hun voor straf opgelegd, dat ze aan dienzelfden Job, voor wien ze zoo onbarmhartig vroom geredeneerd hadden, moesten gaan vragen, of hij eens voor hen wilde bidden.
o, Hoe moet het, als met het lemmet van een scherp mes door hun hooghartige ziel hebben gesneden, toen de Heere het hun aanzei: „Laat Juh voor u bidden, dan zal Ik zijn aangezicht aannemen, opdat ik ulieden niet due naar uw dwaasheid.quot;
Dat was het. Die hoogwijze Elifaz, met zijn vriend Bildad en zijn vriend Zofar, kon redeneeren, dat men er koud van wierd, maar de man kon niet hidden.
En dat kon Job.
Niet alsof ook Job niet in zijn doodsangst zondige klanken over zijn lippen had laten glijden. Maar het was Job bij zijn stamelen toch om zijn God te doen geweest. Job wist dat hij geen schelmstuk be-
86
gaan had. Hij verstond nog het mysterie van het lijden van den rechtvaardige niet. Zoo scheen God hem dan onrechtvaardig gestraft te hebben. En dat hm Job niet zetten. Zijn God was rechtvaardig, dat stond bij hem vast. Maar waarom lei God hem dit raadsel dan niet uit? Daar was al zijn worstelen om. Job stond in opstand met heel zijn ziel, maar het was Job ten minste om den levenden God te doen.
En dat was nu juist het verschil met zijn redeneerende vrienden. Die kenden hun lesje prompt van buiten. Lijden was straf. Job was in hitter lijden; dus onderging Job een harde straf. Straf was evenredig aan iemands zonde. Zoo moest dus Job, die exemplair gestraft wierd, ook exemplair gezondigd hebben. En dat rekenden ze Job, die van weedom des harten verging, nu op hun vingers voor.
o, Die koude, dorre redeneerders!
En dat noemde zich dan nog vrienden !
En dat moest dan heeten, dat ze gekomen waren om hem te vertroosten !
Ze legden Job op de pijnbank.
Was nu Job een benepen, laffe ziel geweest, dan zou hij zich dit hebben laten aanleunen.
Maar zoo was Job niet.
Job vond in zijn hart den onverwinlijken moed, om tegen dat dorre, holle geredekavel met al den ernst van zijn God zoekend hart in te gaan. Hij weerstond ze. Krimpende van pijn zette hij ze op hun plaats. Het rag van huu redeneering scheurde hij met het oplichten van zijn vinger. En als dat vertroosten moest heeten, nu, dan zei hij het hun aan, „dat ze moeilijke vertroosters waren.quot;
Meer nog, hij zei er bij, dat als zij op den aschhoop zaten en hij. Job, ware gekomen om hen te vertroosten, dat hij het dan heel anders zou hebben aangelegd. „Ik,quot; zoo zegt hij, „zou geen woorden tegen u samenhoopen; neen, ik zou met mijn hoofd niet over u schudden; maar ik zou u versterken met mijn woord.quot;
En legt nu Job, met dat zeggen, den vinger niet juist op de wonde van deze wreede manier van vertroosten?
Woorden ophoopen, ja, dat konden deze troosters zonder hart. Zich aan Jobs smart vergapen. Hun woordenrijkheid aan Job luchten. Hem laten hooren, hoe vroom ze spreken konden, en wat prachtige phrases ze aan elkander konden lijmen, en onder dat alles zich in hooghei:! des harten boven den arme verheffen!
En die Bildads en Zofars leven nog.
Als uw hart verscheurd ligt en uw ziel bloedt, dan komen ze bij n binnen met een deftig gelaat, en houden u een ellenlange toespraak, die uit gemeenplaatsen en teksten en vrome phrasen aan elkander is
87
(jcregeTi. En die moet gij dan aanhooren, tot uw keel zich toenijpt, en ge hunkert naar het oogenblik, dat ze toch maar ophouden met hnn gepraat. En het eind is, dat ze inplaats van u getroost te hebben, u nog een pijnlijk oogenblik te meer in uw smart en rouw deden doorleven.
Och, die zóó troosten zijn nooit bij den goddelijken Vertrooster in de leer geweest.
Zij kennen den Christus Consolator niet. Ze verstaan niet dat aangrijpende weenen van Jezus over Jeruzalem. Ze lezen er overheen, als er staat, hoe Jezus met „innerlijke ontferming bewogen werdquot;, en „zeer ontroerd wierd in den geestquot;. En bovenal ze kennen het innerlijk werk van den Heiligen Geest niet, dien Trooster van het ontrust gemoed. Wat „goddelijk mededoogenquot; is bleef hun een mysterie.
Ze spreken te veel over het kruis, en hebben te weinig aan den voet van het kruis in stille aanbidding neergezeten. Dat Gods Zoon, die zelf God is, om ons te troosten, vleesch wierd, om met ons te lijden en voor ons te lijden, is nooit door hen verstaan.
En als er dan bij een arme ziel, die in rouwe en smart gedompeld ligt, twee vertroosters binnenkomen, waarvan de één een traan in het oog heeft, en stil de hand drukt, maar niets zegt; en de ander houdt een prachtige toespraak; dan denken de lieden der uitwendigheid bij zichzelven; Och, die eerste, dat was me ook een vertrooster, hij zei geen woord; maar die laatste, die deed het prachtig!
Maar die arme ziel in haar weedom des harten heeft het anders ervaren. IHe traan in het oog is haar zoet geweest. Met dien stillen handdruk trilde er iets van zalige vertroosting door haar hart. En toen die redeneerende mensch begon, gleed er ijs om haar hart, en ze was verlicht, toen hij uitscheidde.
Neen, de vertroosting ligt niet in woorden.
Woorden kunnen ook troosten. Maar dan moet er heel anders te werk gegaan. Dan moet eerst het oog hebben gesproken, en de uitdrukking van het gelaat en de warme handdruk. En als zoo de ziel zich ontsloot en weer adem haalde, dan eerst een zacht, fluisterend woord; en als zoo de bedroefde ziel zelve zich uiten gaat, dan ja, kan er voort en verder gesproken; niet met een vanbuiten geleerd lesje; niet met een redeneering die pasklaar is voor alle bedroefden; maar met taal van het hart.
Al het verschil is maar, of ge liefhcbt, ot wel dat ge een plichtpleging komt verrichten. Laat de rouw en smart van zulk een bedroefde ziel u koud, dan ku)it ge niet troosten; dan zijt ge er on-
maclitig toe. Want troosten is smart verlichten. En g;e kunt geen smart verlichten, als ge niet zelf een deel van die smart overneemt.
Troosten is niet sussen met een praatje, maar zelf lijden met den lijdende; bedroefd zijn met den bedroefde; pijn aan uw eigen hart voelen met den benauwde van ziel.
Er is geen vertroosting, waar geen gemeenschap van hart tot hart is. Dan kalkt en pleistert en schildert ge met vrome klanken, maar ze gaan er niet in. Het hart moet open, om er vertroosting in te dragen, en gij sluit het door uw bevrozen woorden toe.
Liefde is de ziel van alle waarachtige vertroosting. Uzelven vergeten. Alleen aan dien bedroefde denken. Ingaan in het leven der smarte. Er meê meêleven. Als we zoo zeggen mogen, geleiddraden aanbinden, waarlangs de smart en de droefenisse uit die benauwde ziel in u overglijdt, en waarlangs omgekeerd uit uw hart de vertroosting overglijdt in zoo bittere bedroefdheid.
Niet alsof de kracht in veel huilen school. Och, evenals er tweeërlei woorden zijn, zoo zijn er ook tweeërlei soort tranen. Er zijn tranen, die uit innige deernis geschreid worden, en die zijn karig, maar er zijn ook tranen, die van de zenuwen komen, en die zijn hartstochtelijk. Nu maken de laatste de zenuwen ook bij den bedroefde aan c'en gang; maar die eerste, diep opgewelde tranen spiegelen in hun glans iets hemelsch af voor zijn hart.
l)ua niet veel drukte. Niet veel misbaar. Smart wil in stilte geleden zijn. Ze heeft iets heiligs.
Of om het nog anders te zeggen. Wie komt om te troosten, moet eerst de genade hebben afgebeden om te kunnen troosten. Wie alleen komt, kan het niet. Alleen wie met zijn God in de tente der smarte binnentreedt, verstaat van deze wonderbare vertroosting het mysterie. Innerlijke ontferming is nooit uit ons. Ze moet altoos door God den Heerc in onze ziel zijn opgewekt.
Maar dan ook, als die innerlijke deernis, als iets van dit goddelijk mededoogen in u wakker wierd, vraag dan nooit vooraf, wat ge zeggen zult.
Ga er dan heen in deze uwe kracht, en de Heilige Geest zal u in die ure geven wat ge spreken zult.
En kan het, en zijt ge met een bitter bedroefde alleen, en is er in bet eind volle ontsluiting van hart tot hart gekomen, kniel dan met den bedroefde van hart voor uwen en zijnen God neder.
Eerst onder het saam bidden tot den God van alle vertroosting, druppelt de volle, rijke vertroosting als balsem in de wonde, die bloedt.
89 XXIII.
Een scherpe doorn in het vleesch.
SATAN IN ONS LIJDEN.
En opdat ik mij door de uitnemendheid der openbaringen niet zou verheffen, zoo is mij gegeven een scherpe doorn in het vleesch, namelijk een engel des Satans, dat hij mij met vuisten slaan zou, opdat ik mij niet zou verheffen. 2 Cor. 12 : 7.
Ondci' welk lijden Paulus gebukt ging, is ons niet overgeleverd, en alle gissing daarnaar is slechts een vruchteloos pogen, om den prikkel der nieuwsgierigheid te bevredigen.
Ge doet daarom wel, zoo ge aan dien prikkel niet toegeeft.
Dat brengt u toch niet verder, en het belet u, de vrucht te plukken, die de Schrift u in dit kort bericht uit Paulus' leven biedt.
Genoeg zij het u, dat Paulus leed.
Terwijl honderden en duizenden vroolijke gasten, aan wier leven, naar wij zeggen zouden, niets verloren was, zoo te Corinthe als te Athene, huppelden in frissche, onverwelkte kracht, ging de groote apostel des Heeren, die geroepen was om het vermoeiendste leven te leiden, en de halve toen bekende wereld te omreizen, gebukt onder een bang en bitter lijden.
Niet een lijden van der jeugd aan, maar een krenking van zijn lichaamskracht, die hem overkwam, juist toen de Heere hem tot het hoogtepunt zijner apostolische bediening had opgevoerd en de geestelijke verrukking het krachtigst over hem geworden was.
Toen juist werd hij geknakt in zijn kracht; en wierd hij aangegrepen door een boos en bitter lijden, zoo tergend en vinnig van aard, dat hij het niet beter wist weer te geven, dan door te zeggen, dat het hem temoede was, alsof een booze demon hem aanviel en hem met vuisten sloeg.
En toen had Paulus dat lijden wel afgebeden; maar de Heere had het niet weggenomen.
Wel zou hij overvloedige genade ontvangen, om het godvruchtig te dragen; maar die genade moest hem dan ook genoeg zijn.
Juist om de kracht dier genade te openbaren, moest Paulus met dat lijden gekweld worden.
Voor hemzelven, opdat hij te dieper met zijn ziel in liet zoet der genade zou indringen.
90
Voor de kerken vun toen, opdat ze te hooger den goddelijken oorsprong van een zoo krachtig apostolaat in een lichamelijk zoo geknakt apostel bewonderen zouden.
En niet minder voor de geloovigen aller eeuwen, opdat ook zij, als God ze in het lichaam aangreep, het doel van dat lijden verstaan zouden, en bij de verhooring hunner gebeden niet zouden ontzinken aan hun geloof.
Want Taulus staat in dat pijnlijke en beknellende lichaamslijden niet alleen.
Zulk lijden heeft eeuw na eeuw tal van geloovigen gekweld. En ook nu nog vindt ge er in elke stad en in elk dorp, die, dit angstig woord van Paxilus lezende, terstond aan een doorn in hun eigen vleesch denken, en aan wier lippen de klacht ontglipt; „Zoo overkwam het ook mij.quot;
Zulk lijden neemt allerlei vormen aan.
Het is nu eens doofheid in het oor of zwakheid in het gezicht. Dan een zwakte op de borst of belemmering in de ademhaling. Dan weer een pijnlijke krankheid, voortdurende hoofdpijn, aangezichtsp jn, of stramheid in de leden. Of ook zijn het de gevolgen van een val, van een pijnlijke operatie, of de nawerking van een ziekte. Altemaal wisselende vormen, waarin dit eéne machtige kwaad optreedt, waardoor we geknakt zijn in onze frissehe kracht; belemmerd in oir^e veerkrachtige levensuiting; en waardoor telkens de moed in onzen geest wordt gebluscht.
En voornI waar zulk een lijden een slepend karakter draagt, valt het zoo hard te dragen, omdat dan meestal het medelijden van wie om ons zijn verflauwt, en ten leste soms geheel uitsterft.
o. Als ge plotseling door een snelwerkende ziekte wordt aangegrepen, of er overkomt u een ongeluk, dan vloeit de deernis van het menschelijk mededoogen u van alle zijden toe; dan beijvert zich een ieder om u te helpen; en is de vertroosting der liefde zoo groot en zoo zoet.
Maar als dit dagen en weken zoo toeging, en het lijden houdt aan, dan went onze omgeving zich aan onzen deerniswaardigen toestand. Men wordt aan het gezicht van ons lijden gewoon. Wat zal men er nog veel over spreken? Zoo is het nu eenmaal. Zoo is ons lot geworden. Eu op het laatst weet men niet beter, of zoo en niet anders is onze blijvende toestand.
Maar de lijder zelf went er niet aan. Voor hem is allen morgen de kwelling nieuw, en eiken avond stort hij zijn klachte weer voor zijn God uit.
Onuitroeibaar blijft het besef, dat we niet voor lijden geschapen
91
zijn, inworstelen tegen de pijn, die hem rusteloos verzelt op zijtt levensweg.
En als hij dan dagelijks zooveel anderen om zich heen ziet, die friseh en vroolijk en in het volle genot hunner kracht het rijke leven meeleven, wie weert dan de droeve klacht van zijn lippen; „o. Mijn God, waarom ben ik niet als zij?quot;
Zoo mengt zich Satan dan in al zulk ondraaglijk lijden.
Hij, de booze demon, die er altoos op uit is, om onzen innerlijken vrede te verstoren, port ons aan, om tegen dien doom in het vleesch te gaan morren.
Eerst fluistert hij ons dan in, dat we God zullen bidden, om er van verlost te worden. „Indien ge dan een kind Gods zijt, waar is-dan nu uw Vader in de hemelen, die u helpen zou?quot;
Kn dan gaat men bidden.
Men bidt steeds vuriger; „o, God, Gij kunt mij toch verlossen. Gij hebt er zoovelen verlost. Verlos ook mij.quot;
Maar de verhooring komt niet.
Het lijden houdt aan.
Soms neemt het nog toe, insteê dat het minderen zou.
En dan fluistert Satan u een nieuwe aanvechting in de ziel, en vraagt u; „Waar is dan nu uw God?quot;
Een bespotting van uw geloot'. Een belaehen van uw gebed. Een hoonen van uw God, dien ge liefhadt.
En komt daar dan bij, dat de pijn te sterker opwoelt en den gedst in ons onrustiger maakt, zoodat onze ziel geheel haar evenwicht verliest, dan kan zulk een aanvechting, zonder dat iemand het merkt,, zoo demonisch, zoo satanisch worden, dat er lijders en lijderesseu zijn geweest, die voor maanden en jaren feitelijk van hun geloof afvielen; God zegenden; en zich morrend en wrevelig opsloten in de bitterheid van hun eigen hart.
Maar het kan ook anders zijn; en o zoo vaak is het anders.
Dau namelijk, als de ziel er in mag komen, dat God de Heere zulk lijden van zijn kind ook verordenen kan, om in hem de majesteit van zijn genade te rijker en te voller te openbaren.
Dan is er eerst ook wel gebeden om afwending, en zelden verstomt dat gebed geheel.
Maar toch, de ziel geraakt dan toch eindelijk tot de overtuiging, dat God in zulk lijden iets anders met ons voorheeft.
Dat zulk lijden ons niet bij geval, maar van Hem toekwam, en; dat Hij ons uitverkoor om dit lijden te dragen, opdat juist in dit
92
ons lijden openbaar zou worden, wat heilig zielsmedieijn de genade is, zelfs bij het langdurigst en smartelijkst lijden.
En ging daar het oog maar voor open, o, dan brengt elke dag ervaring van nieuwe genade; tot eindelijk de willig gemaakte geest in ons met de genade meè gaat werken, om over dit lijden te triomfeeren en het den Satan cn der wereld te toonen, dat de vreugde die Gods kind geniet, te rijk en te overvloedig is, om zelfs door het bangste lijden overstemd te worden.
lïn zoo zijn er dan soms lijders en lijderessen gezien, die zoo heerlijk dour genade en in genade bij hun bitter lijden geoefend werden, dat het op het laatst scheen, alsof ze voor het leed ongevoelig waren geworden, ja, er lust in hadden, om met eeu hemelsehen lach op het aangezicht hun lijden te tarten.
Toch krenkt het de Christelijke liefde, als wie in de omgeving van zulk een lijder leeft, van dien hoogen genadestaat misbruik maakt, en, om zijn jubelen temidden zijner smart, den plicht des mededoo-gens verzaakt.
Wie liefheeft lijdt vanzelf mede, en wie lijden kan aanzien, zonder die deernis in zijn hart te gevoelen, heeft de liefde in zich gebluscht.
En dat mag in geen gezin, waar de Naam van Jezus wordt aangeroepen, omdat het tegen het kruis ingaat.
Hij heeft onze krankheden gedragen, en het kruis van Golgorha blijft het heilig symbool, dat ons gedurig oproept om te weenen met de weenenden, en door een overnemen van een deel van hun letd, het kruis dat ze torsen, te verlichten.
Dat moet om hm, omdat we als priesters en priesteressen Gods hun iets van de liefde Gods hebben te bedienen.
Dit moet om oiiszelroi, omdat alleen de verstokte egoïst ziju eigen geluk opeet, en niet wil dat andcrer leed het zal bederven.
En bovenal het moet om Gods wille.
Want Hij deelt leed en vreugd vrijmachtig uit op uiterst ongdijke wijze, juist opdat door die ongelijkheid, wie lijdt, eeu hand der liefde zou vinden om aan te grijpen; en hij in wiens beker nog enkel vreugd gedruppeld werd, de hand der zoekende, der dienende, en der vertroostende liefde aan den lijder zou toesteken.
93
XXIV.
Ziende op den oversten Leidsman.
HET LIJDEN EN DE MAN VAN SMARTE.
Ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs Jezus, dewelke voor de vreugde die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen, en schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand des troons van God. Hebr. 12 : 2.
Onze vaderen hebben het crucifix ook uit de ziekenkamer en van het sterfbed gebannen; en dat niettegenstaande het reeds zoo lange eeuwen onder alle Christenen in gebruik was geweest.
Ze gingen hiertoe over, niet alsof er op zichzelf iets verkeerds of zondigs zou steken in het bezit van een klein kruis; noch ook alsof ze de mogelijkheid ontkenden, dat het zien van zulk een kruis de anders verstrooide gedachten weer op „Christus en dien gekruistquot; kon richten; maar overmits op de proef bleek, dat zulke crucifixen tot ongeestelijk misbruik leidden.
Ze lazen noch in de Evangeliën, noch in de overige schriften des Nieuwen Testaments ook maar iets, dat op het gebruik van zulk een crucifix leek, geboden; en omgekeerd telkens aller ziel gericht „naar boven, waar Christus isquot;, „dien we nu niet meer kennen naar het vleesch.quot;
En toen men nu merkte, hoe dit crucifix overal werd opgehangen; niet het minst in kroegen en golagplaatsen, waar gevloekt, gescholden en gebrast werd, ontwaarde men maar al tc zeer, hoe dit crucifix een soort magisch hulpmiddel was geworden, dat los was gemaakt van zijn geestelijken achtergrond.
Zin en neiging om het geestelijk karakter onzer Christelijke religie hoog te honden, heeft toen deswege onder ons tot algeheele afschaffing van het crucifix geleid.
Ook onze kranken en stervenden moesten niet met het zinlijk oog op een kruis van ebbenhout, maar met het geestelijk oog op den Christus in het hemelsch Heiligdom staren; en het middel om telkens weer tot dien Christus in de hemelen op te leiden, was niet het crucifix, maar het Woord.
94
Slechts zij men nu maar tegen één zeer ernstig gevaar op zijn hoede, dat men niet laatdunkend op den lloomsche om zijn crucifix neerzie, en inmiddels zelf het, ja, zonder crucifix, maar ook zonder Heiland doe.
En toch daartoe is het, helaas, in tal van zich noemende Protestant-sche gezinnen gekomen, dat men hinder van een crucifix zou hebben, maar cr geen hinder hoegenaamd van heeft, als een lang ziekbed verloopt cn soms in een sterfbed afloopt, zonder dat de Christus zelf in zijn Middelaarsliefde gekend is.
Dan is eerst het crucifix verwijderd, en daarna de ziel van den Christus vervreemd, en verstaat men het niet meer, dat menig minnaar van een crucifix, u, die den Heiland zelfs op uw krank-bed kondt verloochenen, voor zal gaan in het Koninkrijk der hemelen.
Nooit hebben onze vaderen zich tegen de Eoomsche gebruiken gekant, enkel om die gebruiken uit de wereld te helpen. Hun doel was altijd om voor het lagere en bedenkelijke gebruik dat was ingeslopen, iets hooger geestelijks in de plaats te stellen. En gij ook, gij zijt onwaardig u zonen der martelaarskerk te noemen, zoo ge wel sterk zijt in het smalen op Uoomsch misbruik, maar nalaat die openbaring van hooger, rijker, voller geestelijk leven, waarin de eere van den Christus uitschittert.
Geen crucifix, maar dan ook den Christus zeiven bij uw kranken-sponde. En als ge sterven gaat, geen kruis van ebbenhout met uw handen omklemd, maar dan ook den Christus omklemd met al de liefde uwer ziel.
Van alle lijden, en dus ook van het lijden op ziekbed en stervenssponde, roept de heilige apostel u op zoo roerenden toon toe: „Laat ons met lijdzaamheid hope)/ de loopbaan, die ons is voorgesteld., ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus Chkisïus 1quot;
Of had niet reeds die Christus zelf door Jesaia betuigd, dat Hij onze krankheden op zich zou nemen, en dat Hij ome smarten zcu dragen?
En ontspint zich dan niet uit de verbinding van die godspraken een heilig mysterie der vertroosting, waarin wie krank is of op zijn uiterste ligt, zich zoo zaliglijk kan verkwikken?
Of wat is uw bangste krankheid nog anders dan één enkele druppel uit dien beker van Gods toorn, dien uw Heiland tot op de heffe geledigd heeft, geledigd ook voor u?
De woorden van eeuwige straf en helsche verdoemenis zijn zoo licht uitgesproken, maar hebt ge wel eens ingedacht, wat onuitgespro-
keu gewicht van lijden en van zielsbenauwing over u komen zou, als ook maar één oog-enblik Gods heilige toorn in zijn volle kracht tegen het zondige in uw hart en tegen de schuld van uw verleden instormde ?
En toch, dat diepe lijden en die zieldoorvlijmende smart heeft uw Jezus voor u gedragen, en wat in uw krankheid en in uw sterven nawerkt, zijn niets dan de kruimkens van smart, die ge achter Hem opraapt.
En troost het dan niet reeds en werpt het op uw lijden niet een gansch ander licht, als ge dieu oversten Leidsman ook in uw lijden voor u ziet vooruitgaan, om de eigenlijke smart, die u verteren zou, voor u en in uw plaats te dragen, en u niet anders over te laten dan het achter Hem aankomen, niet met het zware kruis dat u verpletteren zou, maar met het, o, vergelijkenderwijs zoo kleine kruis, dat ge vroolijlc volgende Hem nadraagt?
Ook toen Jezus zijn wonderen deed en de zieken bij Kapernaüni genas, zegt de Evangelist ons, dat weer op andere wijze diezelfde profetie van Jesaia van het dragen onzer krankheden vervuld werd.
En ook dit spreekt nu nog, ook al is Jezus niet meer op aarde om onze kranken te genezen, onzen kranken, mits de liefde voor Jezus in hen opbloeit, zoo weldadig toe.
Dat Hij toen de kranken genas, was toch niet de koele daad van een toovenaar, die zijn mysterieuse kunst vertoont. Bij uw Jezus sprak in dat genezen der toenmalige kranken goddelijk en toch weer zoo menschelijk mededoogen.
Jezus zag die ingezonkenheid, zag die uitputting, zag die pijnen en die smarten van de kranken, die men toen tot Hem droeg, met een deernis aan, waarvan in ons hart de weerga nooit geklopt heeft.
Zijn meelevende en daarom meelijdende liefde ging zoo diep. Veel dieper zelfs dan die kranken op hun draagbaar, gevoelde Jezus voor hen en met hen al den jammer en de ellende, waarin ze verzonken lagen.
Zoo nam Hij door de wondere kracht zijner zielsontferming hun lijden over, en het was alzoo, drayende hun krankheid, dat Hij hun krankheid genas.
En nu is diezelfde Heiland nog bovendien verhoogd, en leeft Hij in het heiligdom daarboven, en kan Hij met zijn majesteit, genade en Geest, in elk ziekenvertrek, bij elke stervenssponde tegenwoordig zijn.
En ligt er dan geen mystiek der vertroosting in, als Gods kind beseften, gevoelen, ervaren mag: Geen die beter mijn lijden verstaat
96
(hiu Jezus het peilt; die Jezus die nog leeft, die leeft om ook voor mij te bidden, en die, bij eiken nieuwen storm van smart en benauwing die op mij losbreekt, mij toezendt die verborgene genade, die ook uit dien storm mij behoudt?
En toch ligt er in dat zien op den oversten Leidsman, voor wie krank ternederligt en lijdt en door den dood bedreigd wordt, nog iets meerders, nog iets anders waarop het geloof zich richt.
Immers die overste Leidsman is zelf op den weg van smart en lijden ons voorgegaan.
Hij, de Gezegende des Vaders, kwam in deze wereld onder engelen-gejubel binnen; maar hoe spoedig is niet dat gejuich der hemelsehe heirscharen verstomd, om vervangen te worden door de kreten van haat en wrake, straks beantwoord door de tranen en de sterke roepingen, waarmeê uw Heiland, hoewel Hij de Zoon was, voor zijn God heeft geschreid.
In deze wereld buiten God kon het voor Gods Zoon niet anders dan één leven van lijden worden.
Lijden naar de ziel, en lijden naar het lichaam, gelijk onze Catechismus zegt, „den ganschen tijd zijns levensquot;; en daarom „Man van smarte:' is een zoo nameloos veelzeggende naam.
En als ge nu op dien lijdenden Messias staren moogt, en op dat kruis van Christus uw oog richt, en ge vergelijkt uw eigen lijden daarmede, krimpt dan uw eigen lijden niet in zijn afmetingen in?
Als ge Hem dat lijden dragen, dat kruis torsen, en aan dat kruis sterven ziet, hoewel Hij de Heilige was, alleen om zondaren te redden; en ge keert dan in in uw eigen zondig hart, ge gaat terug in uw eigen schuldig verleden, en ge vergelijkt dan wat u is opgelegd met wat Hij droeg, schaamt ge er u dan niet bijna over, dat u zoo weinig overkwam ?
En waar ge als kind van God, als verloste van uw Heiland, diezelfde wereld door moet, en diezelfde wereld uit moet, waarin uw Jezus zoo bangen last gedragen heeft, komt het u dan niet natuurlijk voor, dat ook tot u het lijden genaderd is, ja, is het dan niet of dat lijden u uw Jezus naderbij brengt, meer lotgemeen met Hem maakt, en u een merkteeken wordt van heilige gemeenschap met den Man van smarte?
o, Er is niets dieper dan het mysterie van Gethsémané en net mysterie van Golgotha, en geen zang kan ooit uitzingen en geen menschentaal ooit uitspreken, wat in uren van bange beproeving en harden doodsstrijd Gods lieve kinderen door het geloof aan kracht en troost en zielsverkwikking uit dat kruis gesmaakt en genoten hebben.
97
En nu, datzelfde kruis doet nóg zijn wonderen, als in ons maar die zinnende liefde, die mystiek des geloofs mag werken, die het „niet meer ik leef, maar Jezus leeft in mijquot; ook op ons ziekbed en in ons sterven bewaarlieidt.
XXV.
Omdat Hij zijne ziel uitgestort heeft in den dood.
GOLGOTHA.
Daarom zal Ik Hem een deel geven van velen, en Hij zal de machtigen als een roof dealen, omdat Hij zijne ziel uitgestort heeft in den dood, en met de overtreders is geteld geweest, en Hij veler zonden gedragen heeft, en voor de overtreders gebeden heeft.
Jesaia 53 : 12.
Zoo ge tot aan, en meer nog iu uw sterven de vertroosting uwer ziele van Golgotha's kruis verwacht, moogt ge dat wondere kruis wel met bei uw handen omklemmen.
De macht, waarmeê de wereld u van dat kruis poogt af te trekken, is zoo ongelooflijk sterk geworden; en wat in ons vroeger leven, althans de vroom gestemde ziel, nog naar Golgotha uitdreef, verloor thans al meer bijna allen invloed.
Nog zoover niet liggen de tijden achter ons, dat de enkele naam van Golgotha in aller schatting woog, als met Gethsémané de aan-doenlijkste plek op aarde, die zich in menschentaal noemen liet. Eeeds het enkele noemen van dien naam bracht het innerlijk besef van ons hart in heilige beweging. En waar ook de spotter zijn moedwil aan koelde, van Golgotha bleef hij af. Dat was te indrukwekkend. Had hij Golgotha aangerand, kwalijk zou het hem bekomen zijn.
En trad men een eenisrszins ernstiger gestemden kring binnen, dan bleef het bij dien vagen indruk niet, maar wierdt ge telkens, zonder het te merken, onder den invloed van dien heiligen naam gebracht. Het kruis was in al zulke kringen het „teeken des levensquot;, het symbool onzer belijdenis, het middelpunt, waaruit alle hooger gewaarwording ons toekwam, en waar alle edeler uitademing onzer ziel wey henentrok. Dat kruis stond hoog opgericht in predicatie en lectuur, in gebed en lied, in beeld en schrift. Ja, van dat kruis hoorde men
7
9S
niet alleen, maar bij dat kruis vertoefde de ziel. En met bijna niemand kondt ge in vertrouwelijke zielsontmoeting treden, of al ras merktet ge, hoe ook hij het soms niet laten kon, om alles te vergeten, en alleen om Golgotha te denken.
Zoo heerschte toen het kruis van Golgotha in de gedachte, in de zielsovertuiging, in het leven.
En al ontbrak het ook toen niet aan duizend zondige invloeden, die u van den Man van smarte aftrokken, toch was er o zooveel ook in uw dagelij ksehe omgeving, dat u aan Golgotha boeide, en telkens weer op dat kruis wees.
En thans . . . hoe anders is dit alles geworden!
Door het peilloos diepe mysterie der Verzoening uit Golgotha weg te nemen, en te spreken van' den Martelaar, die zijn overtuiging met zijn dood bezegelde, heeft de ontrouwe Bedienaar van het Evangelie verraad aan het heiligste gepleegd, en zelfs den stralenkrans uitge-bluscht, waarin zoo eeuwenlang het met doornen gekroonde hoofd van uw Heiland voor aller oog had geblonken.
Dat heette dan, dat men uw Jezus menschelijker zoit maken; nader aan uw bevatting zou brengen; dat Hij winnen zou in de bewondering van aller hart.
Maar de uitkomst heeft het wel anders geleerd.
Martelaars voor hun overtuiging heeft elk volk, heeft elke religi.e, heeft elke afgoderij opgeleverd; en zoo helsch of duivelsch is er geen stelsel uitgedacht, totquot; in het Anarchisme en Nihilisme toe, of het wist mannen en vrouwen te bezielen tot den marteldood.
In het mysterie der Verzoening stond uw Jezus eenig. Hij alleen, en niemand met Hem. Maar toen een verraderlijke prediking Hem in zijn eigen kerk tot een martelaar verlaagd had, was Hij één uit de velen, en waren er die nóg vreeselijker dood ondergaan hadden dan Hij.
En natuurlijk, toen in zijn eigen kerk dit verraad aan den Man van smarte was gepleegd, volgde de wereld met onheiligen aandrang.
„Jezus de martelaarquot; wierd de tooverspreuk, om haar van den di uk van het kruis te verlossen.
En toen werd het als het smelten der sneeuw voor de zon, die opgaat, en straks .... een afloop als van zeer snelle wateren.
Al spoedig dorst men het aan, den gezegenden naam van uw Heiland naast dien van Mahomed, Confucius en Buddha te noemen. Allen immers machtige figuren. Weldoeners der menschheid.
Dat was het; Jezus had ons óók welgedaan, en met Hem helden der gedachten als een Kant en een Hegel.
Zoo daalde de heilige gestalte van het Lam Gods tot de gewone evenredigheden van onze gevierde mannen.
Schriklijk.
En toch daar moest het toe komen. Immers, men wist van geen
99
schuld, men geloofde iian geen verdoemenis meer. En wat zin zou het dan gehad hebben, nog langer te spreken van het bloed van Golgotha als het rantsoen voor ome zanden 'i
Zoo is het dan ten slotte toch waar gebleken, dat het geloof, waar-meê de ziel, die naar verlossing dorst, het kruis van Golgotha aangrijpt, geen gemeengoed, uiet uit onze natuur, maar een genadegifte Gods is.
Want, ja, ook nu nog zijn er duizenden bij duizenden, die door dit verraad aan Jezus ongeschokt en door dien algemeenen afval onbewogen, stil en kinderlijk in dat kruis van Jezus blijven roemen, als in het mysterie, waarin Gods engelen begeeren in te zien; maar in dezer aller hart dankte dit geloof zijn oorsprong aan een bijzondere genade en wierd dusver alleen door die bijzondere genade in stand gehouden.
Verheffing op dut geloof misstaat daarom in zoo hooge mate.
Ge hebt het uit uzelf niet. Voor wat aan uzüven lag, zoudt ge het zoo goed als die anderen van u hebben gestooten. Gij zijt niet beter dan die. Een nieuwe zonde, een zonde die als een worm aan uw geloof ging knagen, zou het u zijn, zoo ge insteê van Gode louter dank te offeren, in uw geloof uzelven gingt behagen, alsof door uw trouw, door uw moed, door uw geestdrift de heugenis van en de verkleefdheid aan Golgotha standhield.
Integendeel, waar ge in éénzelfde schipbreuk met die anderen dreig-det onder te gaan, voegt u te dieper zelf beschaming, te vuriger en inniger erkentenis van verbeurde genade, cn zoo het u gebeuren mag, dat ook uw vrouw en uw kinderen nog met u aan dat kruis zich vastklemmen, neen, dan weet ge niet, hoe schatrijk ge aan genoten ontferming zijt.
Niet dat ge daarom door veel redeneerens het mysterie van Golgotha moet pogen te ontsluieren.
Een mysterie kan niet ontleed worden, en poogt ge dit toch te doen, dan sterft het weg onder uw hand.
Niet met uw koel redeneerend denken, maar met de warmte van uw hart moet ge ook naar dat mysterie der Verzoening u in aanbidding toebewegen, of de genade, die er in schuilt, onthoudt u haar zegen.
Zelfs baat het u niet, of ge u verloren gevoelt, en nu, om gered te worden, bij Golgotha neerknielt, want gered te willen worden is nog altoos zelfzucht, zoolang dat gered willen worden geen hooyer doel kent.
Voor wie gered willen worden? Waarvoor? Waarom?
iOÜ
Alleen om niet eeuwiglijk in nimmer eindigende smart te vergaan? Alleen maar om, kon het, eeuwiglijk een aanzijn vol hooge genieting te smaken? Maar wat is dit anders, dan alles, zelfs het kruis van Golgotha, urn uzelfs wil?
Neen, dat, zonder meer, is nog geen religie, is nog geen godsvrucht .
Zie, als de held op het slagveld op zijn strijdros de victorie tegen-rent, en plotseling krijgt dat paard een schot, en wordt dat paard gewond, dan zou dit moedig dier, zoo het spreken kon, gered willen zijn van zijn wonde, niet om zelf weer in de weide te kunnen grazen, tnuctr 01 n zijn ruiter weer te kunnen dragen eu voov zijn berijder de victorie mogelijk te maken.
En zoo nu ook dorst het naar redding in den waarlijk vrome van hart.
Om God, en niet om zichzelf, moet die redding komen Aan God, niet aan zichzelf, heeft hij zich door zijn zonde ontstolen. En daarom aan God, en niet aan zichzelven, moet hij teruggegeven.
Zoo werkt niet de zelfzucht, maar de liefde.
En het is alleen die verterende liefde, die iu heiligen hartstocht gespannen, naar Golgotha uitdrijft, bij Golgotha aanbidden, voor Golgotha danken doet, en den vollen goddelijken zegen der Verzoening van Golgotha wegdraagt.
En blijven er dan voor wie deukt en meeleeft, duizend bange problemen, die het hart bestormen, van raadselen onoplosbaar, van vragen, waarop geen antwoord komt, van tegenstrijdigheden die uw geest verwarren, — hier in het mysterie van Golgotha vindt uu moegestreden ziel rust.
Niet omdat het u instaat stelt, thans op al die vragen „een wijs antwoordquot; te geven, maar omdat het al die vragen saamvat in dat ééne feit, in die eene ondoorgrondelijk wondere gebeurtenis, dat taj, die van God kwam en zelf God was, zijn ziel heeft uitgestort in den dood.
Dieper gedachte is er niet. Ge kunt in geen eenvoudiger taal de machtigste tegenstellingen van hemel en aarde saamvattcn.
Alle andere vraag die u ophield, verbleekt iu beteekenis bij dien Zone Gods en zelf God, die in den dood zijn ziel heeft uitgestort.
En nu, dit feit te gelooven, deze gebeurtenis zonder wedergade te belijden, er met heel uw ziel iu te gaan, en dan zaliglijk te ervaren, dat het u niet stuit, dat veelmeer uw ziel er invloeit, dat er u ruste uit tegenademt, dat er u heilige vrede uit toestroomt, cn dat ge bij dat kruis het hoogtepunt hebt bereikt, vanwaar ge met vrijen blik de eeuwigheid instaart, — dat, dat is het Amen, dat in uw mens^hol ij k
101
hart op het mysterie van Golgotha wordt gesproken, en waartegen geen spot of geen twijfel iets vermag.
Maar zóó geestelijk moet de aanbidding van dit mysterie dan ook in u toegaan.
Een van verre, op zekeren afstand, dat kruis bewonderen, kan u geen zalig gevoel door het hart doen stroomeu.
De zegen van dat kruis vloeit voor hem alleen, die zichzelven in dat kruis verloor.
XXVI.
3)ie psalmen geeft in den nacht.
HET WAKEN.
Jlaar niemand zegt; Waar is God, mijn Maker, die de psalmen geeft in den nacht?
Job 35 : 10.
Kent gij de spanning, maar ook het zoet, om in het nachtelijk unite waken aan het ziekbed van uw kranke? ïe waken, niet voor geld, maar uit liefde. Zooals eene moeder bij het wiegje waakt, als de adem van haar lieveling versneld is, en de arts zei, dat er wel zorge was, en het moederhart het ergste vreest.
Zulk waken is altoos een offer, vooral in dagen als bange kommer het hart vervult. Dan toch hebben de zenuwen zooveel te dragen. Het stormt alles altoos weer op die gespannen en overspannen zenuwen aan, die geen tijd hebben om zich te berstellen. En dan is voor dit overprikkelde zenuwleven slaap eigenlijk het eenig medicijn; die wondere slaap, als uw God u in zijn binnenkamer en in zijn donkerheid neemt, en de matheid van u wegvaagt en u met frissche levenskracht vervult.
En dan in zulke dagen, dat eenig medicijn, dat u uw gevoel van ruste kon hergeven, te weigeren, en te zeggen: „Laat de anderen maar ruste nemen, ik waakquot;, in ernste hier hoort een energie van liefde en wilskracht en stille toewijding toe, die niet minder dan de aalmoes en het godvruchtig gebed een loon bij God heeft.
Zulk waken is nog zoo heel anders dan van de vreemde verzorgster, die overdag sliep, en 's nachts komt, en dan bij het ziekbed haar lectuur voortzet.
103
Niet alsof ook daarin geen edele zin sprak, en alsof ook die liefde niet te waardeeren viel; maar toch het waken in zijn diepsten toon opgevat, is als men geen vreemde, maar eigen, is; als men overdag al de spanning van het ziekbed meêmaakte; en nu, met dat de nacht komt, en terwijl de anderen slapen gaan, al de zorge niet alleen, maar al de bezorgdheid van den zieke op zijn harte draagt.
quot;Daarom is er in zulk waken iets van een priesterlijke daad. Zelf waken opdat de kranke slapen kunne.
Dat priesterlijke waken dat ook Christus in Gethsémané bij zijn drie trouwste jongeren zocht, maar zonder het te vinden, toen Hij uitriep: „Kunt gij ook niet één ure met mij waken?quot;
Nu scheelt dat waken veel, naar de aard van de krankheid is.
Er kan gewaakt moeten worden bij een typhuslijder, die geheel buiten kennis is, en die niets merkt van het otter der liefde dat voor hem gebracht wordt. Een waken daarom zoo in dubbelen zin afmattend, omdat zulk een lijder gemeenlijk heel den nacht de stilheid van het slaapvertrek verbreekt met wilde, ijlende uitroepen; de zorge voor den lijder rusteloos doorgaat; en alle vrees van zelf besmet te worden door de macht der liefde moet zijn overwonnen.
Weer anders is het waken, als er op het ziekbed veel geleden wordt in duldelooze pijn of telkens terugkeerende benauwdheden. Dat men alles zou willen doen om de pijn te stillen, maar onmachtig staat om de benauwdheden te breken.
o, Er is in het lijden zoo oneindige schakeering. Van het ééne ziekbed verschilt het andere zooveel. Ook geestelijk, of gc waakt bij een kranke die de Fontein des levens kent, en ook op het ziekbed iets smaakt van het verborgene Manna, of wel dat uw zieke nog alleen met zijn eigen smarte bezig is, en in het diepst van zijn hart nog tegen zijn God en zijn Heiland mort.
Er zijn zoo lieve kranken, bij wie het waken gedeeltelijk zelfs een genot is, zoo dankbaar voor al wat ge doet, zoo tevreden al naar het uitvalt, zoo bijna verlegen met uw liefdebetoon. Maar er zijn ook kranken die uw geduld bijna uitputten; die al uw liefde aanzien voor iets dat vanzelf spreekt; u geen oogenblik ruste gunnen, en dan dit, dan dat van u willen, tot ge op het laatst niet meer kunt.
En daarom kunt ge alle waken niet over één kam scheren, en zijn de graden van liefde en toewijding zoo verschillend, die het waken bij den één of bij den ander van u afvraagt.
Maar onder al die vormen blijft toch in alle waken de ééne hemel-sche gedachte u dragen; „Voor mijn kranke is het noodig, voor mijn kranke is het goed.quot;
103
Nu is zulk waken het schoonst, als het stil mag toegaan, en als een heerlijk slaapmiddel op den kranke werkt, dat hij wel niet heel den nacht door, maar toch af en toe één, twee uur sluimeren mag.
Veelal geeft de krankheid een gevoel van onrust, en als de avondschaduwen vallen, worden de zenuwen van den lijder gemeenlijk nog onrustiger. Dan doet het alleen zijn hem pijnlijk aan, en schuift hij telkens het gordijn eens open, om te zien of er wel iemand bij hem is.
En o, dan ligt er zulk een zoet loon in, dat God u door uw kranke geeft, als ge merkt dat uw tegenwoordigheid hem ruste schenkt, en zoo de stille wetenschap, dat ge daar bij hem zit, eindelijk de onrust in zijn hart en in zijn zenuwen bedaren doet, en ge ten leste aan zijn ademhaling merkt, dat hij sluimert.
Dat kan dan zóó heerlijk worden, dat ge ten leste de moeite van het waken vergeet, en er meer in geniet dat uw kranke slaapt, dan de eigen slaap u genieting zou aanbrengen.
En als wie waakt dan een tijdlang niets meer hoorde, en om eens te zien hoe het gaat, op de teenen zachtkens naar het ziekbed gaat, het gordijn half openschuift, en nu zien mag, hoe de arme lijder, met een trek van ontspanning op het gelaat, in stillen slaap ligt weggezonken, o, dan trilt er blijdschap door het hart, en dan dankte niet zelden wie waakte voor den ander die sliep.
Soms heeft zelfs zulk waken, reeds in den eigen nacht dat men waakt, een meerder loon.
Elihu sprak tot Job van een God die psalmen geeft in den nacht, en wie in dat waken met zijn God mocht verkeeren, heeft dat woord van Elihu wel verstaan.
Dat stille waken, als in huis alles ter ruste ging, en de lijder ten leste zelf insliep, doet, bij de schemering van het getemperd licht, vaak zulk een heilige aandoening over de ziel komen.
Men is dan zoo garisch alleen, en toch niet eenzaam, want meest in zulke stille nachten komt Een, dien niemand ziet, dan met ons waken, en waken over onze ziel.
De ernst des levens is dan van rondsom. Dat ziekbed doet telkens allerlei bange vragen in het hart opkomen. Zal het ten doode zijn, of zal het nog een terugkeer zijn in het leven ? Al de herinneringen van het jagen van den dag gaan door onze gedachten. Wat het morgen weer zijn zal? God alleen weet hot. Uit angst komt ge, en als de morgen aanbreekt, gaat ge nieuwen angst en nieuwe zorge tegemoet.
Zoo vergeet ge de wereld; ge denkt nauwlijks aan uzelven meer; de vragen van dood en eeuwigheid bestormen u; en nu, in de stilte van den nacht, in dat halfdonker, is het dan Gods kind temoede, of
104
zijn God hem nader komt, of zijn trouwe Herder hem komt opzoeken, en of zijn Vader in de hemelen vol goddelijke ontferming hem steunen komt, en de kracht vernieuwen, en troosten bij al wat zijn hart zoo benepen maakt.
En in dien zin is er onder dat waken soms, o, zoo zoet genoten.
Niet als men een roman ging zitten lezen, om wakker te blijven. Want al zulk lezen trekt u van uw zieke af, verplaatst u in een andere wereld, en leidt uw gedachten naar vreemde tictiën heen.
Neen, het echte waken is als men in zijn ziel en in zijn gedachten met zijn zieke bezig blijft; bezig blijft met zijn smart; en alsnu, in de worsteling der ziele, in 't hart biddende wordt gemaakt, en de Heilige Geest voor en met u gaat bidden in onuitsprekelijke verzuchtingen.
Dat ontspant dan uw ziel, niet door haar af te leiden, maar door uw leven in uw God te verdiepen, uw overleggingen op Hem te richten, en u, o, zoo vollen vrede te doen vinden in zijn raadselachtig doen, in zijn wonderlijk handelen met uw armen kranke.
En dan komt de psalm vanzelf. Niet om dan overluid te gaan zingen, alsof uw kranke er aan moest opgeofferd.
Neen, maar de stille psalm, waarbij het orgel van uw hart speelt, en uw ziel in u jubelt, ook al komt er geen klank over de lippen.
Innerlijke bewegingen in de diepte van het gemoed, zich uitende in de ongesproken taal, die zelfs uw kranke niet hoort, maar die uw Trooster daarbinnen beluistert.
Psalmen daarom in u opwellend, omdat uw God in de stilte van den nacht met zijn heiligen adem over u is gekomen en de harmonie, het evenwicht in uw geslingerd hart heeft hersteld.
Een psalm, omdat de vrede daarbinnen is teruggekeerd. Een psalm, omdat ge uw kranke zoo in volkomen vertrouwen aan uw God overgeeft. Ecu psalm, omdat ge aan uw eigen ziel reeds voelt, hoe ook deze ziekte uitloopt op verheerlijking van Gods naam.
Overdag kan dit dan zoo niet. Dan is het te druk. Dan is er voor te veel te zorgen. Dan leidt alles u af.
Maar 's nachts wordt dit anders. Dan wacht ge den arts niet. Dan klopt er niemand aan de deur. Dan hebt ge niet gereed te staan voor wie uw kranke komt bezoeken
En daarom juist is er, bij ernstige krankheid, in die lange doorgewaakte nachten zoo heerlijke zielsstorking. Zielssterking in psalmen uitgaande, die uw God u geeft.
105
XXVII.
Krank, en gij hebt Mij bezocht.
ONZE KRANKEN VERPLEGEN.
Ik was naakt, en gij hebt mij gekleed; ik ben krank geweest, en gij hebt mij bezocht; ik was in de gevangenis, en gij zijt tot mij gekomen. Matth. 25 : 30.
Een wezenlijk kranke te mogen verzorgen is altoos een heilige plicht.
Heilig, omdat uw God het zoo beschikt, dat niet gij, maar uw kranke op het ziekbed ligt; en omgekeerd uw kranke hulpeloos neerligt en zich niet redden kan buiten uw hulpe. Zoo werpt de Heere den één op het ziekbed en laat den ander gezond, opdat beiden saam een toonbeeld zouden zijn van zijn goddelijk bestel.
Maar ook is dat verzorgen van onze zieken heilig om Christus' wil.
Onze raenschelijke nutuur is niet meer aan zichzelve overgelaten. Christus heeft haar aangenomen. Al wat menschelijk is, staat daardoor in gemeenschap niet zijn Middeiaarshart. En gelijk Hij eenmaal op het kruis onze krankheden op zich heeft genomen, zoo blijft Hij ook nu nog in eiken kranke een schaduwbeeld van zijn eigen lijden zien. En zoo stelde Hij dezen zetregel in; „Zooveel ge dit aan een mijner minste kranke broederen gedaan hebt, zoo hebt gij dit Mij gedaan. In hen was Ik krank, en toen gij hen met uw liefde omgeven hebt, gold die liefde Mij.quot;
Wat gloed van liefde Jezus door dat enkele woord heeft doen opvlammen, is niet uit te spreken. Dat ééne woord heeft wonderen gedaan. En indien er al die achttien eeuwen door, onder allerlei volk en natie, steeds duizenden bij duizenden geweest zijn, die krank en hulpeloos nederlagen, en in hun machteloosheid teedere verpleging gevonden hebben, verpleging waar het hart in sprak, dan hadden ze dit aan dit woord van Jezus te danken.
Hat ééne zeggen: „Zooveel ge dit aan een mijner minste broederen gedaan hebt, zoo hebt ge dat Mij gedaanquot;, heeft gewerkt als een electrische vonk, die van hart op hart is overgesprongen.
Het oog, meer nog het ontfermend hart is opengegaan voor wat menschelijke liefde ter verzachting van het lijden kon aanbrengen. Door teedere verpleging een deel van het lijden van den kranke over
106
te nemen, is een heilige kunst geworden, waarin de één met den ander heeft gewedijverd.
Vooral het vrouwenhart heeft hierbij zijn vindingrijkheid en zijn onuitputtelijke veerkracht geopenbaard.
En geheel deze beweging nu, die in het gasthuiswezen, in de liefdezusters, in het roode kruis, in het witte kruis, en waarin al niet nasehittert, aan wat anders heeft ze haar motief ontleend, en waarin anders heeft ze den nooit verstompenden prikkel gevonden, dan in dat ééne, diep mystieke woord van Jezus; „Ik ben krank geweest, en Mij hebt gij bezocht.quot;
En toch, al is de breede stroom van deernis met onze kranken, die sinds dat koninklijk woord over de wereld is uitgegaan, één in oorsprong, toch is er in die verpleging onzer kranken tweeërlei richting, die ge wel hebt te onderscheiden.
De ééne is huislijk; de andere moet meer aan den weg timmeren.
Zoo zullen er twee jongedochters zijn, waarvan de ééne bij dagen en bij nachten, van de wereld ongekend, en zelve de diepte van haar toewijding niet peilend, een oude, kranke grootmoeder of een ongeneeslijk krank broertje zal oppassen; terwijl de andere jongedoehter in een kostuum over straat gaat, vergaderingen bijwoont, van huis naar huis trekt, en voor het publiek als ziekenzuster of ziekenverpleegster bekend staat.
De eerste richting ligt meer in de Calvinistische lijn; de andere is, zoodra ze overheerschend wil worden, meer neigend naar het Eoomsche type.
Iets wat niet gezegd wordt, om de zusters die ook onder ons buitenshuis verplegen af te manen van haar roeping, want zeer zeker zijn óók de publieke verpleegsters hoog noodig. Noch ook als waanden we, dat er in de Roomsche gezinnen niet soms zeer teeder voor den kranken huisgenoot wordt gezorgd; want zelfs den Jood zouden we deze eere niet rooven willen.
Bedoeld is alleen, dat ons Calvinistisch leven er meer toe leidt, om ook deze heerlijke zijde van de Christelijke religie meer in het gewone huislijk leven te doen schitteren, terwijl men bij Home er meer toe neigt, om ook voor deze levensuiting een apart terrein t3 bestemmen.
In de geheel Roomsche landen zijn de ziekenhuizen en hospitalen dan ook veel uitgebreider dan ten onzent. De onderscheidene orden van de Zusters van barmhartigheid, onder allerlei naam en titel, zijn geheel van lloomschen oorsprong. En het valt moeilijk te ontkennen, dat de verdienstelijkheid van de ziekenverpleging onder hen steeds een sterke prikkel was.
107
Zoo nu was het onder ons, ten minste in den bloeitijd van Les Calvinisme, niet, en niet dan bij uitzondering gevoelde men aan ziekenverpleging buitenshuis behoefte.
De liefde van de huisgenooten onderling stond toen op zooveel hooger peil, en vooral de moeder nam zoo hooge plaats in.
Want hoe eenvoudig de stille huismoeder ook in haar doen en haar laten scheen, en hoe weinig ontwikkeld ze ook in literarisch opzicht was, ze stond hoog in de kennisse van al wat tot het „binnenshui-schequot; leven behoorde. Een bed zacht te schudden; de kussens zoo te leggen, dat de pijnlijke leden rust vonden; voor warm en toch niet te zwaar dek te zorgen; het licht in de ziekenkamer te temperen; te zorgen voor frissche, versche lucht; op teedere wijze een gepasten drank gereed te maken, of een licht voedsel toe te bereiden; en dan bij dat alles innemend van toon, zacht deerniswaardig in haar optreden te wezen; o, dat alles gold als een soort familietraditie voor het ziekbed, die van geslacht op geslacht onder onze huismoeders over-
Men ging zoo weinig uit; men woonde meer in de binnenkameiv dan dat men voor het raam zat; en zoo keerde zich het oog en de zin en de vraag van het hart naar binnen; naar den binnenkant van het huislijk leven; en bracht het op dat terrein tot zoo hooge volkomenheid ; een volkomenheid daarom te heerlijker, omdat de verleiding van er zichzelf in te zoeken niet bestond.
Zulk een stille huismoeder dacht er nauwelijks aan, dat Jezus gezegd had: „Zooveel gij dit aan den minste mijner broederen gedaan hebt, zoo hebt gij dit Mij gedaan.quot;
Ze deed het zonder er veel bij te denken.
quot;Uit innerlijken drang van deernis en plichtsbesef.
En daardoor kon zij tot die velen behooren, die Jezus zeggen laat: „Wanneer hebben wij U krank gezien en U bezocht?quot;
Want immers zij juist zijn de edelsten van ons geslacht, die een schoon leven der liefde leiden, zonder zelf te weten, hoe hoog ze staan, en die juist door dit niet te weten voor veel geestelijke zonde zijn bewaard.
En toch zij men niet onbillijk.
Immers wie buitenshuis verpleegt, heeft toch weer iets, waarin zij geestelijk hooger kan staan.
Immers moeder thuis verpleegt nooit anders dan haar eigen man, of het kind dat ze onder haar hart gedragen heeft, of een vader die bij haar inwoont. Hier ontkiemt dus de liefde, die haar wonderen aan het ziekbed moet toonen, uit de bloedsbetrekking, uit de liefde, die reeds in het hart aanwezig was. De natuurlijke liefde en de liefde-om Christus' wil vloeien hier ineen.
108
Maar zoo is het bij wie buitenshuis verpleegt niet.
Dan staat men tegenover een kranke die ons vreemd is; die noch als bloedverwant noch als vriend een eisch op ons hart kan doen gelden; en dien we nu in zijn krankheid verzorgen zullen, omdat we ons aan dezen liefdedienst gewijd hebben, ons bij een huis van barmhartigheid aansloten, en door hen die dit huis besturen, naar dien zieke verwezen worden, hetzij in het hospitaal, hetzij in de particuliere woning.
Dat men zelf zulk een verlaten zieke opzoekt, en hem uit eigen beweging verplegen gaat, komt ook wel voor, maar toch hoogst zelden. Bijna altoos wordt men naar dezen of genen zieke gezonden.
Om het geld gaat dit niet; want ook bijaldien er betaald wordt, vloeit dat geld in de kas van het huis.
De verpleegster zelve heeft niets dan een sober deel en slijt voorts haar leven in waken, in bijstaan en verzorgen.
En nu spreekt het toch vanzelf, dat er uog een heel andere prikkel in het hart moet werken, om bij zulk een geheel vreemde, vaak met weerzinwekkende ziekte behept, soms in een stuipje, waarin alle gemak ontbreekt, temidden van een armoe, die niet te verhelpen is, met bijna geen middelen een armen lijder, of een hulpelooze lijderes de pijn te stillen en het leed te verzachten, dat benauwt.
In zoover is hier dus een veel sterker spanning van de liefde noodig dan bij de huismoeder in haar eigen gezin.
Slechts hebbe men er een oog voor, dat juist die hoogere spanning ook een eigen geestelijk gevaar meebrengt.
Een ieder weet het zoo van ons; we weten het zoo goed van onszelf; er is in heel dit liefdewerk zooveel dat zich naar buiten vertoont; en juist daaruit komt voor ons arglistig hart zoo vaak een valsche prikkel.
Nu geldt natuurlijk de heerlijke belofte van Jezus alleen voor die ziekenverpleging, die in haar aandrift en haar prikkel zuiver hleef.
Om op die heerlijke belofte te kunnen pleiten, moet ge uw zieken verplegen uit liefde; uit niets dan liefde; uit die liefde die met den kranke medelijdt; en nu uit deernis dat lijden poogt over te nemen en te verzachten.
Elke bijbedoeling doet hier afbreuk aan het heilig karakter dezer ontferming onder menschen.
Er mag geen zucht naar bedrijvigheid, er mag geen zoeken van eigen eere, er mag geen inbeelding van eigen voortreffelijkheid zich inmengen, of het blijft alles de luidende schel van één Corinthe dertien. .
En daarom laat men toch voorzichtig zijn.
Bij vreemden gaan verplegen is in veel gevallen noodzakelijk, en
109
God moge dezulken sterken, die zioh aan dezen dienst der barmhartigheid wijden.
Maar laat men toeh naar geen ziekenhuis halen, wie binnenshuis kan verpleegd worden.
En dan, laat elke jongedoehter zieh toch wel beproeven, of ze even gretig, even geduldig en even regelmatig een zieke in het eigen huis. zou verplegen als ze het thans doen wil onder vreemden.
XXVIII.
ïn zijne krankheid verandert Sij zijn gansche leger.
IN ZIJN KRANKHEID VERANDERT GIJ ZIJN LEGER.
De Heere zal hem ondersteunen op het ziekbed : in zijne krankheid verandert Gij zijn gansche leger. Psalm 41 : 4.
Onze kranken! o, Wie spelt ons de overloopende maat van stil geleden smart en verborgen lijden, die achter dat „onze krankenquot; schuilt 1 Men merkt er weinig van, maar het gaat achter die gordijnen dikwijls zoo bang toe. Wat worden er op de ziekenkamer niet een illusies afgesneden, niet vriendelijke lichtjes uitgebluscht, niet bloempjes geknakt aan den stengel. En dan soms die wezenlijke pijnen er nog bij. Pijn is zoo diep smartelijk. En dan die lanye pijnen. Dat er geen eind aan komt. En dat het zoo diep invlijmt en als knaagt aan ons gebeente, o. Er hangt een sluier over. De groote massa merkt er niet veel van. Maar anders „onze krankenquot;, o, het is een afzonderlijke wereld, en voeg er veilig bij, een schrikkelijke wereld, althans zoolang men er in lijden moet zonder zijn God.
Denkt ge om die „krankenquot; wel veel? Leven ze in uw gebed? Blijven ze, niet vormelijk, maar met deernis en ontferming invloeien in het gebed van de gemeente, als ze op den Sabbat saamkomt ?
Ze zijn „onze krankenquot;, en ge gevoelt, wat daarin ligt. „Onzequot; kranken, die bij ons hooren, die uit onze kringen, uit onze gemeente, uit ome woonkamers, naar de ziekenkamer gingen; van ons vleesch en ons bloed.
„Ome kranken, die daar liggen, om 0)is wat te zeggen, om ons
110
ïe stuiten in onze dartelheid, om ons toe te roepen: „Straks komt het aan uquot;. Onze kranken, die ziek werden, opdat wij onze liefde aan hen zouden oefenen, opdat ons geloof aan hen openbaar zou worden, opdat ons de troost op de lippen zou komen. Ome kranken, die als priesters en priesteressen daar in het witte kleed nederliggen, om ons zacht toe te fluisteren: „Alleen door en om de zonde; dus ook om en voor u!quot; .Ta, waarom zou het in de pen blijven, „onze krankenquot;, ze zijn een zout dat bederf weert in ons bedorven en bedervend leven. Als die krankheden eens niet waren gekomen, hoeveel minder zielen zouden heur God hebben gevonden, hoeveel toewijding en zelfverloochening ware nimmer ontloken, hoeveel teugel-loozer zou de luchthartigheid der wereld niet voorthollen op haar golvend pad? De krankheden, ze zijn een tegenhoudende genade voor heel onzen levenskring. En dat is de heerlijkheid voor onze kranken die nederliggen. Ze denken dat ze niets doen, en zie ze zegenen ons. Ze wanen dat al hun lijden om niet is, en toch hun smarten, zijn een cement voor Gods huis.
Wonderlijk, niet waar? Omdat het anders alle palen tebuiten zou gaan aan brooddronkenheid en dartelheid, zendt God de Heere een engel die slaat, en uit de fiool van dien engel valt hier een spat des toorns op een lief blozend kind, dat verbleekt en wegteert, en valt ginds een droppel op een vroom kind Gods, dat ijverde voor den Heere der heirseharen en nu plotseling in zijn loop wordt gestuit.
Waarom, zoudt ge in uw waan zoo zeggen, waarom, als er zieken zijn moeten, waarom treft Gods ban dan niet den goddelooze of den grijsaard, die toch vergaat?
En natuurlijk, zoolang „ziek zijnquot; voor u een doelloos tijd verspillen is, dan is dat ook niet te vatten. Maar als ge er een oog voor krijgt dat „ziek zijnquot; een oefenen van kracht in het Koninkrijk is, dat God door dat „ziek zijnquot; den duivel in de maatschappij bindt en de teederste toewijding ontluiken doet, o, dan wordt dat heel anders. Dan begrijpt ge hoe een ziek menseh soms veel nuttiger is en meer voor den Heere teweegbrengt dan een man, die loopt in zijn kracht. En dan, dan zult ge er ook in kunnen komen, waarom God er telkens zoovelen van zijn liefste kinderen krank maakt. Want immers dat zijn de personen, door wier ziekte Hij het meest werken kan. Gods lieve kinderen hebben altijd andere kinderen Gods, die hen teederlijk minnen. Zoo komt de toewijding het heerlijkst uit. Gods lieve kinderen zijn Satans liefste mikpunt. Zoo hebben ze dan zwaarder lood aan de klok der ziel noodig dan andere mensehen. En ook, op hun sterfbed kan er van Gods lieve kinderen meer uitgaan dan van kinderen der wereld.
Eivet en Witsius waren allebei overgeleerde hoogleeraren. En toch is het de vraag of ze door de weinige dagen van hun ziekbed niet
Ill
nog meer innevlijk het Godsrijk hebben orebouwd dan door hun geleerde geschriften. Wij kunnen dat zoo niet narekenen, maar de geestelijke kracht van een God verheerlijkend ziekbed reikt zoo eindeloos ver. Het is een vonk die aansteekt en aan welks aansteeksel weer wordt aangestoken; van, geslachte op geslachte. Zoo zinkt de zaadkorrel in den bodem weg, maar altijd nieuwe korrelen rijpen aan den top der halmen !
En of dan God geen onrecht doet ?
Geen onrecht, door het leed juist te leggen op zijn liefste kinderen ?
Denk aan Golgotha! „Ons aller ongerechtigheden op Hem doen aanloopen! Door zijn striemen ons genezing.quot; En reeds woudt ge uw vraag terugnemen, niet waar ?
Maar neen, doe dat niet. Heb iets van .lobs moed en zeg met hem tot uw Trooster: „Gods zaak behoeft niet vcrgoêlijkt te worden! Ik zal spreken voor den Almachtige en tot Hem zal mijn rede zijn!quot;
Want waarlijk er is wel een oplossing.
En hiermee kom ik op het Psalmwoord, dat boven deze overdenking staat.
Neen, God de Heere doet geen onrecht, als Hij het leed op zijn liefste kinderen legt, „want,quot; zegt de Geest door David: „Gij verandert in krankheid hun gansche leger!quot;
o, Een God, die zulk een verborgen vermogen bezit, die mag er vrij zijn liefste kinderen aan wagen.
Want „zijn gansche leger veranderen,quot; w7at is dit mysterie?
Is het niet Mara ?
Israël dat, aêmechtig van de pclgrimsreize, in de woestijn aan een wel komt, maar de wateren niet kan drinken; want zie, die wateren waren bitter. En toen riep Israels herder tot den Heere, en de Heere wees hem iets. Dat wierp hij er in. En zie, toen werd het bittere water zoet. En toen ging het voort op de pelgrimsreize, en ze vonden twaalf waterfonteinen en zeventig palmboomen, en zij legerden zich aan die wateren.
Want dat, dat ja, is het heilig mysterie van Gods liefste kinderen, als ze de woestijn der krankheden doortrekken: God verandert het hun alles.
Soms niet. Dan gaat Hij weg, en laat ze alleen. Hetzij dan omdat ze Hem niet hadden liefgehad, hetzij dan omdat hun liefde beproefd moest! En dan is het ontzettend. Dan brult het uit de kolken der ziel in hun binnenste op. Dan mort het met donkere wolk, en nu en dan slechts een bliksemglans van geloof, die er doorheen schiet.
Maar dat blijft niet zoo. De Heere komt na kort of lang terug, en dan gebeurt er een wonder. Want dan blijft alles zooals het was; misschien zelfs dat de ziekte nog erger, de benauwdheden nog banger
113
worden; en toch heeft het niets meer van wat het vroeger was. „God heeft in krankheid zijn leger veranderd!quot;
Bitter bleef het, en toch is het zoet geworden.
Omdat de Heere kwam en de ziel vatte en een kracht vanbinnen inblies en troostte met zijn teederste vertroostingen.
En dan begint er een geloofsweg! Het neemt alles een nieuwe gedaante aan! Daar wuiven ze hun takken reeds van verre, die heerlijke palmen om de verkwikkelijke waterfonteinen. En daar legeren dan de kinderen Gods zich bij. En dan denken de omstanders; „Hoe schrikkelijk toch! hoe bitter smartelijk!quot; — maar zij merken het niet, zij proeven als zoet, wat hitter over de lippen kwam.
o, Met God of zonder dien God, dat maakt in krankheid het leger zoo heel anders.
2)at ik mij verkwikke, eer dat ik heenga.
EEN LAATSTE HELDER OOGENBLIK.
Wend U van mij af, dat ik mij verkwikke, eer dat ik heenga, en ik niet meer zij.
Psalm 39 : 14.
De heimelijke hoop, die bijna elk kind van God koestert, om op zijn laatste ziekbed veel van zijn geestelijke schade in te halen, en dicht nabij zijn God te sterven, loopt in den regel op bittere teleurstelling uit.
Geheel valt die hoop weg voor allen, die plotseling uit dit leven worden weggenomen; iets wat lang niet zoo zelden gebeurt. Hetzij dat een ongeluk ons leven afsnijdt, 'tzij dat een beroerte ons overvalt, of een onverhoeds intredende verlamming opeens den klop van het hart of de ademhaling stil doet staan.
Doch ook al gunt God de Heere zijn kind een zachter overgang, en ook al sluipt er een ziekte in ouze leden, die ons vooraf weken-, maandenlang aan het ziekbed kluistert, toch vindt ge ook bij die langgerekte krankheid de geestelijke frisehheid en sappigheid, o, zoo weinig; en zoo ge hooptet van een langzaam heengaan een rijke stichting voor uw eigen ziel weg te dragen, komt ge meestal bedrogen uit.
113
Zeker, er zijn zulke zielverheffende, God verheerlijkende kranken-legers; en het is meer dan eens voorgekomen, dat iemand op zijn laatste ziekbed verwaardigd werd, om als een getuige en profeet des Heeren in den kring der zijnen een geestelijk werk te voleinden. Een sterfbed als van Jacob is ook onder de Christenen gezien.
Maar wie waant dat dit regel is, vergist zich.
Veeleer is dit hooge uitzondering.
En als ge in den kring der uwen nagaat, wie vroeger geestelijk met u verkeerden, en sinds heengingen, dan zult ge meestal bevinden, dat ze zijn weggenomen, zonder dat er veel geestelijk licht van hun sterfbed blonk.
Nu eens, omdat ze niet verwacht hadden, dat deze krankheid tot den dood zou zijn. Dan weer, omdat de plage, die op hen was, hun geest verdoofde; soms alle helderheid van bewustzijn wegnam. En ook wel, omdat, hoe raadselachtig het ook schijne, over veel van Gods kinderen kort voor hun heengaan, bittere verduistering en aanvechting komt.
Of we ons dit in zulke oogenblikken te verwijten hebben, is een vraag, die elk kind van God voor zijn eigen consciëntie heeft te beslissen.
Het kan ook geheel buiten onze schuld omgaan.
T)e Heere kan ons overvallen met een zoo geweldige, zoo heel ons wezen ontzettende en ons bewustzijn in angst en smart ver-doovende plage, dat het geheel buiten onze ziel omgaat. En ook de verduistering en aanvechting kan, gelijk Jobs voorbeeld toont, een van God gewilde beproeving van ons geloof zijn.
Slechts slape niemand hierop in; want de gevallen zijn lang niet zeldzaam, dat de krachteloosheid van ons geloof in zulke oogenblikken de wrange vrucht is van gemis aan geloofswerking, zoo maar niet van inwilliging van zonde tegen onzen God, toen we gezond waren.
Als dan de drukte van de gewone bezigheden wegvalt, en de afleiding ophoudt, en onze ziel op zichzelve wordt teruggeworpen, komt al het zondige uit ons verleden zoo overweldigend machtig bij ons op; en wee hem, die dan geen onwrikbaar en muurvast geloof in de verzoenende kracht van het bloed zijns Heilands heeft.
Wie dan niet stellig weet en ziet, dat God al zijn zonde in de diepte der zee heeft geworpen, maar er zelf mee zitten blijft, lijdt dan zulk een onuitstaanbare wroeging en zulk een doodelijken angst.
Want gewisselijk het oordcel komt, en voor wie sterven gaat, staat het zoo vlak voor de deur.
Dan buigt de ziel zich neder, en het is alleen goddelijke ontferming, die in zulke bange oogenblikken de ziel uit deze banden des doods en der helle kan losmaken.
8
114
Maar hoe hierin een iegelijk ook persoonlijk met zijn schuld voor God sta, stellig is het verkeerd, als op ons ziekbed, dat ons sterfbed dreigt te worden, de behoefte om nog vóór ons sterven onzen God te verheerlijken, niet tot een begeerte des gebeds wordt.
Zie het maar aan David.
Doodelijk krank lag hij terneder; de plage eener bange, aangrijpende ziekte was over hem gekomen; en geestelijk gevoelde hij zich mat en dor.
Hij kon er niet tegen op.
De macht dei- ziekte was hem te overweldigend, en als een mach-telooze klomp lag hij op zijn ziekbed neer.
Maar hoe verdoofd en beneveld hij zich ook gevoelde, toch had hij dit ééne nog, dat die ellendige, geestelijke dorheid hem hinderde, en dat hij er naar smachten bleef, om vóór zijn sterven althans nog eenige korte oogenblikken te hebben, waarin de macht van de plage hem losliet, het geestelijk zelfbesef terugkeerde, en hij zich verkwikken kon, om alzoo zijn ziele in Gods hand te bevelen.
Zoo kwam hij in het gebed; en onder het bidden liepen de tranen hem langs het aangezicht, en toen riep hij uit: „Hoor, Heere, mijn gebed, en neem mijn geroep ter ooren, en zwijg niet tot mijne tranen. o. Mijn God, wend U van mij af, dat ik mij verkwikke, eer dat ik heenga, en niet meer zij.quot;
Natuurlijk moogt ge dit gebed van David niet misverstaan.
Het was in het minst geen uitroep van ongeloof, om, op de manier van Jobs vrouw. God te zegenen eer hij stierf. Dat toont heel de 89ste psalm wel anders. Alles in dezen psalm is het hunkeren van een matte en verdorde ziel naar den levenden God.
Maar David voelde, dat God in die plage was; dat die aangrijpende krankheid hem niet bij geval, maar van God toekwam; dat God zelf hem in die plage benauwde; en het was daarom, daarom dat hij smeekte: Wend u als de bezoekende God uitwendig van mij af, en kom als de geestelijke Vertrooster inwendig tot mij.
En evenmin moogt ge het vermoeden opperen, of David wel aan een leven na dit leven geloofd heeft, omdat hij uitroept: „eer dat ik heenga en niet meer zijquot;; want zie maar, vlak vooraf gaat de betuiging, dat hij evenals zijn vaderen een vreemdeling en hijwoner is geweest, wat vanzelf de belijdenis van het hemelsche vaderland in zich sluit.
Neen, wat deze knecht Gods afsmeekte was, om niet als een hond te sterven; maar nog eer het einde kwam, een oogenblik van verademing te mogen hebben, zich vóór zijn sterven te mogen verkwikken, en alzoo met helder, klaar geloofsbewustzijn de eeuwigheid tegen te gaan.
113
Zoo spreekt in deze bede geloofsenergie, en juist dit is het wat ook wij in onze ernstige krankheden van David te leeren hebben.
Een kind van God moet het nooit opgeven; maar, hoe bang de plage ook wordt, altoos met de veerkracht van zijn geestelijk leven tegen de plage inworsteleu.
Niet alsof hij in zichzelf zekeren voorraad kracht zou bezitten, om het vol te houden. Geloof weet nooit anders dan van zwakheden, opdat in die zwakheden de kracht en het werk van den Heiligen Geest openbaar worde.
Maar het scheelt alles, of ge in zulke oogenblikken den Heiligen Geest loslaat, of u inwendig aan Hem vastklemt.
En dat verschil nu ziet ge zoo telkens.
Ge vindt er, die op hun ziekbed neerliggen als een zoutzak, en, zóó ze nog klagen, enkel klagen over wat hun lichaam deert. Maar overigens hebben ze het opgegeven. Ze willen nog wel, dat men voor hen bidt, maar zelf bidden ze niet meer. Ze ondergaan eenvoudig wat God over hen gehengt. Geen poging is er meer in hun geloof, om de geloofszenuw te spannen. Van de heerlijkheid van het Midde-laarswerk zien ze niets meer. Het is alles dor en dood om hen geworden. En zoo gaan de dagen en nachten voorbij, tot het eindelijk met hen in den dood gaat.
En dat nu is zondigen op zijn sterfbed.
Daar steekt iets van verloochening van den Christus in.
En dat dit niet hoeft, ja, tenzij er bewusteloosheid intreedt, nooit hoeft, dat is niet alleen door David getoond, maar evengoed gebleken aan zoo menig bitter bezochte en fel geplaagde, die tegen alles in, en onder alles door, toch zijn Pniël niet varen liet, en met den heldenmoed des geloofs aanhield tot het uiterste toe.
Meestal zag men dan, dat dit heroïsme van het geloof ook op het lichaam inwerkte en het klagen over pijn verstommen deed, om in stil geduld te lijden, wat geleden moest; en toch, ook al gingen al de golven en al de baren over hem henen, toch het hoofd weer uit die bange golven op te heften, tot het genoeg was, en de Heere er een einde aan maakte, en Gods engelen juichten en die hem liefhadden en aan zijn sterfbed stonden wel weenden om hun rouwe, maar toch ook God dankten, dat zij deze kracht des geloofs weer hadden gezien.
116 XXX.
Welke de mate mijner dagen zij.
OOK GIJ MOET STEEVEN.
Heere! maak mij bekend mijn einde, en welke de mate mijner dagen zij; datikwete, hoe vergankelijk ik zij.
Ps. 39 : 5.
Vergankelijkheid is een licht uitgesproken woord, en de gedachte, die er in ligt, wordt door niemand weersproken, maar hoelang duurt het niet, eer ge die vergankeliikheid op uzelven hebt toegepast, en metterdaad als een vergankelijk creatuur voor uzelven en voor uw God begint te bestaan.
Alle mensch is sterfelijk, dat leerde men u op school reeds in uw schoonschrift schrijven, maar wat jongen, die, als het er staat, er ook maar een oogenblik aan denkt, dat hij er bij is. En dat niet omdat, er geen kinderen sterven. Veeleer is de sterfte onder de kleinen grooter dan onder de volwassenen. Maar een kind vat dat niet. Hij staart er op. Hij ziet dat lieve lijkje liggen, en zal er oprechte tranen bij weenen, maar, zóó van het lijkje af, dan speelt uw jongen weer en dartelt, en leeft voorts alsof hij geen dood had gezien.
En wie nu denkt, dat deze onbezonnenheid alleen bij onze kleinen voorkomt, toont hiermee noch zijn omgeving te kennen, noch zijn eigen hart te kennen.
Het feit is toch niet tegen te spreken, dat, hoe ontzettend de dood ook zij, niets zoo vluchtig en snel voorbijgaande is, als juist de indruk, dien het sterven van een der onzen en het zien van een lijk maakt.
Een oogenblik wordt men ontroerd; men komt bijeen en treurt; men draagt zijn doode uit naar het graf; en dan rouwt men; ma;r reeds lang voor de rouwtijd uit is, heeft het leven zijn gewonen gang hernomen, en gebeurt het maar al te vaak, dat er schier geen woord meer over den doode gesproken wordt.
Soms is dit anders. Er zijn sterfgevallen, waarmee zoo ontzettend veel ten grave ging, en die zoo grooten omkeer in heel het leven van de achterbil]venden tengevolge hadden, dat nog langen tijd heel de levensexistentie aan het verscheiden van wie heenging herinneren blijft.
Maar toch, ook dan is het nog altoos meer de liefde of de nood
Ii7
die nawerkt, en ook dit heeft met het toepassen van de vergankelijkheid op onszelwn niets gemeen.
David .had hier ook hiüder van.
Door wat wisselvalligheden en doodsgevaren was deze zoon van Isaï niet al hcnengegaan. Hoevelen waren er niet gevallen door zijn zwaard en neergestort aan zijn zijde! Hoe had hij niet telkens in doodsgevaar verkeerd! Hoe was niet keer op keer de donkere slagschaduw van den dood reeds over hem getrokken!
En toch kon David zich maar niet genoeg als een „vergankelijk creatuurquot; gevoelen.
Hij wist wel, dat niemand den dood ontkomt. Hij ontkende volstrekt niet, dat ook zijn weg op het graf moest uitloopen. En zelfs dat hij op een zeer lang leven hoopte, komt nergens uit.
Maar wat hij miste, wat hij niet sterk genoeg in zijn eigen ziels-besef ontwaarde, was het besef, de innerlijke en bestendige overtuiging, om zelf als een vergankelijk creatuur voor zijn God te bestaan.
Zelfs als hij op het ziekbed in ernstige krankheid neerlag, of als doodsgevaren hem omringden, was het nog altoos alsof er dat besct' van vergankelijkheid niet bij hem in wilde.
En dit nu hinderde hem. Hij gevoelde, dat zijn positie hierin valsch was. En daarom bad hij het als een genade van zijn God af, dat Hij hem leeren mocht hoe vergankelijk hij was.
En om dat te leeren, bad hij in Psalm 39: „Maak mij bekend mijn einde, en welke de mate mijner dagen zij.quot;
Aan die leer nu moest elk kind van God zich gewennen.
Niet om een openbaring te begeeren, waardoor wij ons sterfjaar zouden kunnen voorspellen, en er dus op rekenen, gelijk Hiskia, dat we nog zóó en zóóvele jaren voor ons hadden.
Dat toch zou juist tot het omgekeerde besef leiden.
Neen, wat we ons eigen hebben te maken is, hoe kort van duur ons menschelijk leven is; hoeveel bloemkens er verwelken zonder nog ontloken te zijn; wat tal van jongelingen en jongedochters er werden afgesneden, juist toen ze gereed stonden om het volle leven in te treden; hoe menig man geveld wordt als een eik, die nog in al de pracht van zijn loover pronkte; en hoe er boven de vijf en zestig jaren slechts vijf percent komt van al wat uit menschen geboren is.
Op elke twintig menschen maar één.
Juist zooals het in Psalm 90 heet, dat zeventig jaar gemeenlijk de uiterste grens is, en dat alleen een enkele, die zeer sterk is, het tot de tachtig brengt.
118
En nu schijnt dit, als men jong is, lang, maar hoe kort is het in waarheid niet?
Van die zestig a zeventig jaar verslaapt ge er twintig, gaan er tien aan allerlei bagatellen en onder allerlei nietszeggend gekeuvel heen, zit ge andere tien aan tafel, en blijft er voor het eigenlijke leven hoogstens een twintigtal jaren, zelfs bij den langstlevende over.
En wat zegt dat bij de eeuwen gerekend? Bij de straks twintig eeuwen die sinds Bethlehem, en de zestig eeuwen die sinds Adam verliepen ?
Twintig jaren om te werken, ook als men zestig a zeventig word), wat zegt het bij de eeuwigheid?
En dan moet men nog acht uren per dag werken, degelijk doorwerken, en wie is er die dat doet?
Dat deedt ge althans niet in uw tiende jaar, ook niet in ziekte of op reis; ook gaan er uw Sabbatten nog af.
Nauwkeurig berekend, gaat er dus ook van die twintig jaren nog heel wat af, en zal het al veel zijn, zoo ge van een leven van zestig a zeventig jaren er vijftien kunt tellen, waarin gearbeid en iets verricht is.
En nu baat geen klachte hierover.
Ons leven is nu eenmaal niet langer. Voor slaap moet er een derde af. Spijs nemen kost tijd, en tijd die velerlei kleine bezigheid, die met de verzorging van ons lichaam saamhangt. Ook tegen ziekte bezitten we geen waarborg.
Maar feitelijk komt de som van het wezenlijke leven dan toch op een zeer klein cijfer neer.
Slechts één op de twintig, die vijftien jaren wezenlijk iets uitricht, en de anderen nog veel minder.
Maar er zoo aan toe te zijn, en dan nog altoos voort te leven in een besef, alsof het altoos duren zou, is toch een zelfmisleiding die te ver gaat, een onvergeeflijk tekort aan helderheid in onzen eigen geest.
Nu is dat bij een kind der wereld nog te begrijpen. Een kind der wereld raakt als hij sterft alles kwijt. Hij is voor den dood wel niet altijd bang, sommigen zelfs ganschelijk niet. Maar met den dood is het genieten van het leven dan toch uit. En daarom is het zoo begrijpelijk, dat een kind der wereld liever maar voortdroomt, in de verwachting van na het heden nog een dag van morgen te vinden, en voorts liever de toekomst niet in wil denken.
Maar bij een kind van God moet dit toch anders wezen. Voor hem is het met den dood niet uit, maar begint het na den dood eerst recht.
119
Hij durft aan zijn einde denken, omdat hij weet dat dit einde vrede zal zijn.
Voor hem is er dus geen enkele reden, waarom hij den levensdroom maar altoos zoetelijk zou voortdroomen. Hij kan en moet wakker worden.
Ook als hij volkomen nuchter zijn toestand inziet, is hij nóg gelukkig.
En dan is er metterdaad geen gedachte, die vruchtbaarder op zijn leven inwerkt, dan het heldere besef, om zichzelven voor God te leeren kennen als een vergankelijk creatuur.
Niets toch zoozeer als dit besef prikkelt tot rusteloozen arbeid.
„Laat ons werken zoolang het dag is, de nacht komt waarin niemand werken kan.quot;
Ge zijt toch voor een doel op aarde. Ge hebt een taak. Die taak moet afgewerkt. En dan eerst lost God u af.
Niets zoozeer maakt mild en los van het aardsche goed.
Niets van wat uw hand verwierf, volgt u in het graf. Naakt zijt ge uit uw moeders buik gekomen, en naakt keert ge in het graf weer. Ge neemt niet met al mede.
Niets dringt u zoo sterk om u aan uw God vast te klemmen, daar Hij toch alleen machtig is om u als vergankelijk creatuur in stand te houden, en als het hier uit is, u met eeuwige armen der ontferming te dragen in het eeuwig aanzijn.
Dit vergankelijke leven, en dat eeuwige, dat daarna volgt, is zulk een krachtige prikkel, om wat voor oogen is niet te hoog te schatten, en te grijpen naar de kroon, die fonkelt van onzichtbaar diamant.
„Vergankelijkquot;, en als ge dan toch leven wilt, en weet dat het onvergankelijke alleen bij uw God is, dan dringt dat eigen besef u zoo machtig, zoo rusteloos naar den Eeuwige toe, en voelt ge zooveel dieper dan anders, wat het zegt, dat Hij de Eeuwige, de alleen )net vergankelijke is. Hij die alleen onsterfelijkheid bezit.
En daarom, wel u, zoo de Heilige Geest u in deze gedachte inleidt, u er bij bepaalt, ze diep in uw ziel inprent, en er u zóó van doordringt, dat de ademtocht uws levens niet meer een vruchteloos hopen, maar in overeenstemming met de harde en toch zoo heerlijke werkelijkheid zij.
130
XXXI.
Ziet, de Rechter staat voor de deur.
ZIET, DE RECHTER STAAT VOOR DE DEUR
Zucht niet tegen elkander, broeders, opdat gij niet veroordeeld wordt. Ziet, de Rechter staat voor de deur. Jac. 5 : 9.
Keeds het enkele feit, dat er een Rechter is, schift voor de consciëntie schuld van onschuld.
Zie, er zijn er twee, waarvan de één zijn naaste verdrukt heeft en de ander door zijn naaste verdrukt wierd, en nu is de verdrukker prat op wat hij won, en de verdrukte zucht en klaagt en voelt zich gegriefd door wat men hem aandeed.
En nu komt er sprake van den Hechter. Het gerucht van het gepleegde onrecht ging uit. Het drong door tot de plaatse des gerichts. Het kwam den Rechter ter oore.
Zoo mengt hij er zich dan in; en beide personen, zoo de verdrukker als de verdrukte, worden voor zijn rechterstoel geroepen. Maar merk nu eens op, met wat tegenovergestelde gewaarwording, onder wat geheel verscheiden indruk ze derwaarts opgaan.
Dat er dan toch nog een rechter is, dat die rechter een teeken van leven geeft, dat die rechter recht zal spreken, dat is voor den verdrukte een oorzaak van vreuyde, alsof zijn last hem reeds van de schouders gleed en het onrecht, hem aangedaan, ternauwernood meer gevoeld wierd. Maar op den verdrukker werkt het heel anders. Hij voelt er zich benauwd door. Voor hem maakt het een einde aan zijn zondigen hoogmoed. Voor hem is die rechter een booze gestalte, die hem jaagt, en die hij, o, zoo gaarne verre wenschte.
Was er geen rechter, dan ware de verdrukker jubileerend en de verdrukte een klager in zijn ellendigheid gebleven. Maar nu er wel terdege een rechter bestaat, en die rechter recht gaat doen, nu is aan den plager de beurt, om in angst en benauwing te verkeeren, en krijgt de geplaagde en verongelijkte vreugdeolie voor asch.
Ja meer nog, reeds het vooruitzicht, dat de rechter er ziet in mengen zou, heeft den boozen verdrukker vooruit beangst; en omgekeerd heeft het heerlijk vooruitzicht, dat de rechter het onrecht herstellen zou, den verdrukte getroost temidden van zijn benauwing en zijn hand teruggehouden van wraak.
Een rechter, dat is een zedelijke macht voor de consciëntie en in
121
het leven, die reeds door het enkele feit, dat ze bestaat ca straks werken zal, o, zooveel boosheid in de geboorte tegenhoudt, tempert bij haar uitvoering en berooft van haar boosaardig zelf behagen; terwijl ze omgekeerd de smart der verdrukking lenigt, het pijnlijke van de verongelijking minder doet zijn, troost biedt aan hem, die werd neergeworpen, en voor verbittering der ziele en het zoeken van weerwraak behoedt.
Laat daarom toch vooral de gedachte aan den Rechter aller rechteren onverzwakt in de consciëntie onzer Christennatie leven blijven, en zie toch toe, dat ge de heugenis van dien Rechter bovenal niet uit het bewustzijn van ons geslacht wegneemt.
o, Gewisselijk, zoo ge Gods kind zijt, is Hij uw Vader, en Liefde is zijn wezen, „genadig en barmhartig en groot van goedertierenheidquot; zijn Naam.
Maar toch, toen de Heere Heere zijn heiligen, heerlijken Naam zoo majestueus voor het oor van Mozes, zijnen knecht, uitriep, voegde Hij er onmiddellijk aan toe, als wel waarlijk evenzeer tot zijnen Naam behoorende: „die den schuldige geenszins onschuldig houdtquot;, gelijk ook het Onze Vader ondenkbaar ware geweest zonder de bede tot den Kechter; „Vergeef ons onze schulden.quot;
Predikt dus vrij de liefde en den rijkdom der barmhartigheden des Heeren zoo ruim, zoo mild, zoo overvloeiende als ge slechts vermoogt, maar predikt ze niet valsch, snijdt er de levenszenuw niet van door, licht er de bezieling en de energie niet uit.
Vroeger wist ieders eonsciëntie nog, dat juist die Vader in de hemelen, evenals ieder vader op aarde, in zijn vaderschap, en krachtens zijn vaderschap, tevens Rechter is.
Zonder dien achtergrond van den Rechter kon men zich den Vader in de hemelen niet denken.
Vader in de hemelen was toen nog geen gevoelsterm, geen sentimenteel begrip, geen klank der slappe gemoedelijkheid geworden, maar het drong nog wezenlijk en waarlijk in het oor met den vollen, rijken, diepen zin, die van nature in dien heiligen naam van Vader ligt.
Maar sinds heeft men daaraan, getornd. Men heeft dat „Rechterquot; weggelaten, doodgezwegen, straks bestreden. Rechter, neen, dat was de Vader in de hemelen niet meer 1
!n de hemelen en op den troon der heerlijkheid was geen heilige, doortastende, scheidende en schiftende energie, maar slechts weeke-lijke, alles dooreeumengende, voor alles de oogen sluitende goedhartigheid.
Zoo wilde de booze consciëntie het wel. En toen zei de philosophic ook, dat het zoo wel kon. En door haar zoet getluit misleid, is toen
123
een valsche theologie ook op den kansel die valsche voorstelling gaan voeden.
Zoodoende hoort men in tal van kerken van den Kechter thans bijna nooit meer.
Er ademt u niets meer tegen dan altoos weer diezelfde krachte-looze, pitlooze, niets scheppende goedhartigheid of liever nog goedaardigheid.
De rijke, heerlijke Vaderliefde Gods, de volheid van zijn ondoorgrondelijke ontferming en peillooze barmhartigheid is in een oppervlakkige, ondiepe, ziellooze meewarigheid verarmd.
Gevolg waarvan is, dat de massa thans bijna nooit meer aan dien Rechter denkt, noch zich aan Hem stoort, noch om Hem iets laat.
Waarvan dan weer het nog droever gevolg is, dat het schuldbesef al afneemt en de hooghartigheid gaandeweg al ongeneeslijker proportiën aanneemt.
En wat zou men dan den Verlosser nog zoeken?
Och, wie niet gebogen gaat onder zonden en schuld, en nooit vermoeid of belast was, die dorst ook naar het zoet der verzoening niet.
Een ruwen dronkaard, een ergen vloeker kan men naar Jezus dan nog heen krijgen, maar den gewonen burger niet meer.
Dat schriklijk kwaad der slappe prediking dient gestuit.
De Rechter moet weer in ons leven mee gaan rekenen. De gedachte aan den Hechter moet weer in ons bewustzijn gelden. We moeten weer zelf luisteren gaan en onze kinderen doen luisteren naar die ontzettende apostolische vermaning: Ziet, de Rechter staat voor de deur!
Het oogenblik, dat ge dit werkelijk gelooft, zondigt ge niet; gelijk geen dief zou stelen, zoo hij den rechter zelf voor de deur zag staan.
Want onder de menschen verzwakt dan soms nog de bittere ervaring, dat een rechter geen recht doet; of slechts half recht doet; soms zelfs tegen het recht ingaat.
Maar bij den Rechter verzwakt die ncventrek niet. Die Rechter sluit voor niet één eenige zaak het alziend oog. Mets ontgaat aan zijn kennisneming. Hij behoeft geen aanbrenger en geen getuige. Alle booze stuk ligt naakt en geopend voor Hem, met wlen we te doen hebben.
Bovendien weet ieders consciëntie zeer wel, dat deze Rechter altoos volkomen recht doet en nooit, nooit tegen het Recht ingaat.
Bij dezen Rechter valt dus al wat verzwakken kon weg. Hij schit-
133
tert in de volle majesteit van de Gerechtigheid, die alle zonde veroordeelt en dken verdrukte redt.
Plaats daarom uw eigen ziel, plaats uw eigen omgeving, plaats-de kerke Gods, plaats land en volk weer voor dien Eeehter, en een geheel andere geest zal door ons hart en onzen levenskring waaien.
De verslapte consciëntie zal weer gespierd worden.
Gods kinderen vooral zullen weer schrik van de bijgehoudene zonden krijgen.
Er zal weer sidderinsr in de zielen varen voor den levenden. God.
En omgekeerd, er zal weer vertroosting gaan vloeien voor wie verdrukt wordt; er zal in het vooruitzicht van het komend recht weer moed en kracht opleven, om een tijdlang ongelijk en onrecht te dragen; en tegen alle ongerechtigheid en tyrannic in zal men weer, evenals onze vaderen, blijde en verrukt leeren uitzien naar dien dag des gerichts en der wrake, waarin de Heere, de rechtvaardige Hechter, „zijne en mijne vijandenquot; zal verdoen.
Dat durft men thans niet meer. Dat acht men liefdeloos. En men vergeet, dat niets liefdeloozer is, dan ons geslacht van den Hechter en daardoor van het R'-cht te vervreemden; aldus het schuldhesef te dempen; en juist door die demping van het schuldbesef de zielen af te houden van den Verlosser hunner ziel.
En daarom, de Hechter sta weer voor de deur. Niet alleen feitelijk. Want dat doet Hij toch. Maar ook klaarlijk voor ons bewustzijn.
o. De vrucht er van zal zoo heerlijk wezen!
Zoo verfrisschend voor de lauwheid van den geestelijken dampkring om ons heen.
XXXII.
Voleind, aan zijn zonen bevelen te geven.
OM ONS STERFBED.
Als Jacob voleind had, aan zijn zonen bevelen te geven. Gen. 49 : 33.
Een sterfbed in den rijken, vollen zin des woords gaat al meer tot de zeldzaamheden behooren.
Vroeger roemde men daarin. En als het zoo gebeuren mocht, dat
124
vader of moeder op hoogen ouderdom de eeuwigheid ingingen, na nog op hun sterfbed voor hun kinderen gezorgd, en ze vermaand en toegesproken te hebben, en, nog eer ze den jongsten snik gaven, te hebben geroemd in de genade Gods en den vrede van hun Heiland, dan liet zulk een sterfbed een onuitwisehbaren indruk achter. Zulk een sterfbed stichtte meer dan tien predicatiën. Zoo had men vader zien heengaan, zoo heerlijk was moeder afgestorven, en sinds waakte de begeerte in de ziel op, om ook zelf eens zóó in zaligen vrede de eeuwigheid in te gaan.
En nu zeggen we wel niet, dat zoo vroom en leerrijk sterfbed gansch niet meer voorkomt, maar toch, men hoort er al minder van.
Dit ligt deels aan den aard der krankheid, want wie door een beroerte wordt aangegrepen of gesloopt werd door een bedwelmende ziekte, sterft meest ongemerkt weg.
Deels ook ligt het daaraan, dat men onze kranken te lang in onzekerheid laat, of het wel waarlijk op sterven gaat.
En, helaas, ook dan ligt er nog zooveel schuld bij de min vrome wijze van huislijken omgang; bij den zwakkeren drang om te getuigen; en het niet bezield genoeg zijn voor de eeuwigheid.
Ons hedendaagsche leven is zoo overstelpend rijk aan indrukken, dat reeds daardoor ons leven aan diepte verloor.
Een sterke ontwikkeling in weelderigen groei van het blad; maar in den wortel achterlijk.
Zoo leeft men wel sterk, maar niet diep.
Men went zich te veel aan het glijden door het leven, en zoo ylijdt men dan ten slotte ook uit dit leven de ontzettende eeuwigheid in.
^ an Jakobs sterfbed, dat toonbeeld blijft voor het afsterven van Gods vromen door aller eeuwen, staat drieërlei opgeteekend.
ïen eerste, dat bij zijn zonen bevelen gaf. Ten andere, dat hijzelf zijn voeten samen op het bed lei. En ten derde, dat hij den geest gaf en verzameld werd tot zijne vaderen.
Sta nu voor ditmaal een oogenblik alleen bij dat eerste stil: Jakob, de oude patriarch, gaf, eer hij van zijn kinderen scheidde, aan zijn zonen hevelen.
Wat goddelijke ruste en heilige vrede moet er in den ouden grijsaard geweest zijn, dat hij in die laatste ure zoo bijna niet met zichzelf bezig was, maar bijna uitsluitend met zijn kinderen.
Hoe diep zag hij in het onderscheiden karakter van elk van zijn kinderen in, en wat rijke profetie kon hij, onder hooger ingeving, zelfs over de toekomst van hun geslacht profeteeren.
En toch is er, eer we daaraan toekomen, nog iets anders, en doet ge wel met eerst uitsluitend te letten op dat: Hij gaf hevelen.
135
Juist zooals Jezus in de gelijkénis zei; Bereid uw huis, want dezen nacht zal uw ziel van u worden afgeëischt.
En zelfs dat doen zoo velen niet meer.
Zelfs van ouden van dagen die wegstierven, hoort ge telkens, dat ze niets bepaald hebben; dat men over alles in het onzekere is, hoe ze het zouden gewild hebben; en dat de achtergelaten huisgenooten moeten raden en gissen.
Veelal een nietszeggend testament gemaakt, toen ze huwden. En sinds heeft men er op toegeleefd, alsof het goede, vriendelijke leven rusteloos van jaar tot jaar zou bestendigd worden.
Er is dan wel niet gedachteloos geleefd; maar men leefde dan toch jaar uit jaar in, zonder ooit ernsr.ig aan zijn verscheiden te denken.
En zoo staan dan vrouw en kinderen vaak zoo onverwacht bij de lijkbaar, niet wetende wat ze beginnen zullen; zeiven meest van zaken geen verstand hebbende; en zoo gaat de eigenlijke beschikking dan, o, zoo vaak over in handen van een aanspreker, die alles beveelt, of een notaris, die alles bedisselt.
En dit nu mag niet.
Tot op uw jongsten snik toe blijft ge een verantwoordelijk persoon, en indien ge nu hoofd van uw gezin zijt, en vader van kinderen en rentmeester van eenig goed, en de uwen bij uw leven gewoon zijn geweest op u te steunen en te leunen, moogt ge hun bij uw sterven niet zoo opeens dien staf uit de hand slaan.
Oudtijds hoorde men dan ook van allerlei testamenten..
Van een testament ook natuurlijk over het goed dat men naliet, maar toch ook over veel meer.
In zulk een testament legde men nog eens getuigenis af van zijn geloof en van de hope der heerlijkheid, waarin men wegstierf. In zulk een testament gaf een vader nog raad en vermaan aan de kinderen, die hij achterliet. En was hij in zaken van Staat of Kerk of Volk gemengd geweest, dan vond men in zulk een testament niet zelden nog aanwijzing of beschikking hoe te handelen ware. Men beleed in zulk een testament nogmaals zijn zonde en vergaf zijn vijanden, of vroeg om vergiffenis.
En zelfs over zijn begrafenis en de plek, waar men rusten wilde tot den jongsten dag, gaf zulk een testament niet zelden vingerwijzing.
En natuurlijk, wie in zulk een stemming zijn testament schreef, vergat dan ook de weldadigheid niet; en als hij ruime middelen bezat, en het voor vrouw en kinderen kon, bedacht hij arme familieleden, de armen van Gods kerk, of allerlei instellingen, die Gods eere bedoelden.
136
De gemoedsstemming, die hier achter school, was geen mysterie.
Er bleek toch uit zulk een stil en kalm bereiden van zijn huis, dat men op zijn sterven gerekend had, en het woord van Jezus niet in den wind had geslagen, „dat Hij komen zou als een dief in den nacht.quot;
Wie zoo heengaat, had zich nog bij zijn leven met dat heengaan vertrouwd gemaakt. Had bij anderer sterven aan eigen sterven gedacht. En het niet in strijd met een gezonden levensregel gevonden, om nog in de volle kracht zijns levens toch zijn dood voor oogen te houden.
Men verstond het nog wat in onze Psalmberijming staat: De dood wenkt ieder uur.
Niet dat men daarom levenszat of levensmoede was. Veel minder •dan thans wierd toentertijd van zelfmoord vernomen. En de geestesgesteldheid van de ouden van dagen was veel frisscher en krachtiger dan thans.
Zelfs jonge menschen en kinderen hielden toen van de ouden van dagen; vonden hen interessant; en waren gaarne bij hen.
Alleen maar het was meer het natuurlijke leven van een menschen-kind, die weet dat hij een pelgrim op aarde is, en dat zijn eigenlijke bestaansdoel huiten deze aarde ligt.
Een pelgrimsbesef, dat toch ook weer niet onverschillig voor de dingen van deze aarde maakte, want juist toen bereidde men, eer men sterven ging, ook zijn huis.
Maar toch, sterker nog dan dit bereiden van zijn huis, boeit u in Jakob dat bevelen geven aan zijn zonen.
Jakob is in zijn sterven met zijn kinderen bezig.
Die kinderen zijn de voortzetting van zijn leven, als hij er op aarde niet meer zijn zal.
En al stemt ge nu toe, dat Jakob door profetische inspiratie van zijn kinderen getuigen kon op een wijze, zooals dat u, die deze inspiratie niet hebt, ondoenlijk is, toch ging die profetische inspiratie niet om buiten de natuurlijke kennis, die hij van elk van zijn kinderen had.
Jakob had zijn kinderen blijkbaar bestudeerd. Hij had hun gangen en wegen gadegeslagen. Was zoo ingedrongen in hun karakters, en kon uit die karakters hun wezen bespieden.
En nu op zijn sterfbed roept hij ze allen om zich heen. „Komt samenquot;, zoo roept hij, „gij zonen van Jakob, en hoort naar Israël, uwen vader.quot;
Hij was hun vader.
Hij had ze gegenereerd naar meer dan het vleesch. En als hun
127
vader wilde hij ook in zijn sterven nog zijn plicht aan zijn kindereu volbrengen.
En nu spaart hij ze niet.
De booze karakters brandmerkt hij in aller tegenwoordigheid; want ook het sterven moet heilig zijn, en mag in geen weekheid van hart de zonde vergoelijken.
[4 Maar toeh spreekt in wat hij tot elk van zijn zonen zegt de vaderlijke ernst. Het is of hij, eer hij henengaat, een lichtstraal op het pad van elk hunner wil laten schijnen, opdat ze hoofd voor hoofd hun pad met meer zelfbewustheid bewandelen zullen.
o, Er ligt in die toespraak van den stervenden Jakob zulk een schat van vaderlijke teederheid.
Die oude patriarch is meer met zijn kinderen dan met zijn geld en goed bezig geweest.
En ook nu in zijn sterven is het niet klachte over pijn of eigen ongemak, maar is het de toekomst van zijn kinderen, die den stervenden grijsaard bezighoudt.
Hoe heel anders dan ge het nu vaak ziet.
Onze eeuw, waarin het geld zoo hoog gevierd wordt, heeft zooveel teeders verstikt.
En toch het geloof mag daar niet meê afdrijven.
Gods volk mag daaraan niet toegeven.
En gelijk de nood ons al meer dringt, om ons in eigen kring af te zonderen, en ook voor onze kinderen een eigen levenskring te zoeken, zoo moet ook het sterven onder ons weer minder wereldge-lijkvormig worden.
Want dac is het eigenlijk.
De wereld sterft anders dan Gods heiligen sterven.
En wil nu de wereld ons tot zelfs op ons sterfbed naar haar kant lokken, dan is het de roeping van Gods volk, om althans op het sterfbed de wrereld buiten te sluiten.
In uw sterven ten minste zult ge een kind van uw God zijn.
138 XXXIII.
DE PRIKKEL DES DOODS.
Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uwe overwinning? 1 Cor. 15 : 55.
In gezonde, jonge dagen, als niets ons deert, en de lach ternauwernood van onze lippen wijkt, kan men soms zoo luchthartig over den dood spreken.
Nu juist niet om met den dood te spotten; want dat komt in onze kringen zoo niet voor; maar toch om over den dood te handelen, als dacht ge bij uzelven: „Nu ja, dat heeft voor mij nog tijd. Zoo boos en bang zal die dood ook niet wezen. En bovendien met mij heeft die dood nog niets van doen. Aan mij is de beurt nog in lang niet!quot;
Maar als een ernstige ziekte u aangrijpt; en ge benauwd en hijgend naar uw adem, onder het aanzwellen van de krankheid temederligt; en die om u zijn verraden zekere bezorgdheid in houding en gebaren; en de arts verheelt het u niet, „dat ge niet geheel buiten gevaar zijtquot;; o, dan maakt die gedachte aan den dood op u plotseling een zoo geheel anderen indruk.
Wat dusver weinig meer voor u was dan een klank cn een naam, wat u hoogstens als een sombere toon in het oor dreunde, of het vluchtig denkbeeld bij u wekte van iets schrils en huiverachtigs, en dat ge daarom altoos onverwijld weer uit uw ziel en zinnen bandet, treedt dan opeens voor u als een ontzettende realiteit; als een macht die op u toesluipt; ja, als een dreigend onraad, waaraan ge u met geen tegenworstelen noch tegenspartelen zult kunnen onttrekken.
Misschien zult ge er nog van opkomen. Ge hidt zelf nog, en de uwen bidden nog voor en met u. Ook doet de geneeskunst wat :;e vermag.
Maar toch het blijft hachelijk staan. De slag van den pols veel te snel. De hitte van het bloed veel te hoog. Het kwaad vanbinnen niet. gestuit maar voortwoekerend.
o. Ge kunt er nog uit opkomen. Nog niet aan alle hoop is de bodem ingeslagen. Maar ook best mogelijk dat het anders loopt, en dat zóó uw levensdraad zal worden afgesneden.
En dan gaat het soms zoo pijnlijk snel. Nog eer de week uit
139
is, niet enkel gestorven, maur soms reeds weggeborgen in het graf.
In zulke dagen nu, dan krijgt ge den dood onder de oogen te zien. Onwillekeurig denkt ge er telkens vanzelf aan. Niet dat ge hem bijgeloovig uzelven voorstelt als een geraamte met doodskop en zeis; maar ge begrijpt dan toch, dat die geheimzinnige dood iets ontzettends heeft; diezelfde dood, die van den rechtvaardigen Abel af alle menschenkind den bitteren tol liet betalen, die ook uit den kring van uw magen en vrienden reeds zooveel liefs meêsleurde, en die nu op n aandringt, en u nabij komt, en de hand op uw schouder legt, als om u te zeggen, dat ge u reppen zult, want dat uw einde nabij is.
En als ge dat voor het eerst met vollen ernst ontwaart, dan vaart er zekere siddering door uw ziel, en trekt er een huivering door uw leden. Zoo koud voelt ge de schaduw des doods reeds over u gaan, en zoo donker omzweeft u zijn toenadering.
Want het is wel zoo, op het slagveld zoekt soms de held den dood, en op den brandstapel heeft martelaar na martelaar den dood helachen; maar slagveld en brandstapel zijn zoo heel anders dan een ziekenkamer met al de bangheid van gebroken lichaamskracht.
De held en de martelaar zijn nog volkomen gezond. Ze hebben den dood nog niet onder de leden. De dood staat nog tegenover hen. En nu is het om de banier van hun hemelsche-n Koning, dat ze met moed en doodsverachting liever sterven dan die banier over te geven.
Maar als het in zwakte en benauwdheid met u ten einde gaat, dan is er in u geen kracht meer. Er is niets dat u ophoudt of uw geestdrift prikkelt. Nog weinige dagen misschien, en zoo stil, zoo verlaten, zoo onmerkbaar gaat ge heen.
En dan staat ge voor een raadsel, voor de bange vraag, wat het zijn zal.
Ge gaat sterven, maar wat is sterven?
Wat zult ge dan gevoelen, wat ontwaren, wat gewaarworden? Dat uiteentrekken van ziel en lichaam, zal het benauwd, zal het vlijmend in verborgen pijn wezen?
Ge vraagt het, en, helaas, niemand heeft een antwoord; want niemand die stierf heeft ons ooit gezegd, hoe het hem in zijn sterven was.
Heel die overgang uit dit leven naar de overzij der eeuwigheid is een wereld vol raadselen.
Want wel zag men er sommigen sterven in bange, ontzettende benauwdheden, dat de doodsstrijd bijna geen einde nam, en waren er anderen die insliepen zoo zacht en kalm, dat ge moeite hadt om te gelooven, dat dat nu sterven was.
9
130
Maar wat baat u die waarneming? Of wie zegt u, wat er, toen de levensuiting hem ontging, in het verborgen wezen van dien stervenden menseh tussehen ziel en lichaam, en in zijn ziel omging?
Zeker, de dood kan in een beroerte of bij hartsverlamming zoo plotseling en zoo onpijnlijk intreden, dat ons oog noch oor eenig lijden ontdekt. Maar is daarmee alles gezegd ? Is wat wij zien wel het wezenlijke, eigenlijke sterven?
En zoo blijven we vragen, maar het antwoord komt niet, en de gedachte, dat het nu aan u komt, blijft u benauwen. Want als het komt, hoe zal het u dan zijn?
De Schrift spreekt bij den dood van een prikkel, als er door den apostel geroepen wordt: „Dood, waar is uw prikkel; hel, waar is uw overwinning?quot;
Het beeld dus van een giftig monster, dat u niet slechts aangrijpt, maar steekt met zijn angel, en door dien angelsteek vergiftigt. Zoo ongeveer als men zich de draken voorstelde, en zooals er nog slangen zijn.
En door dat giftige nu, door dien steek, door dien prikkel of angel wordt ons dat raadselachtige, dut geheimzinnige, dat huiveringwekkende van den dood afgebeeld.
Niet slechts dat hij uw leven van u neemt, maar dan nog die giftige steek met den prikkel, om als ge in zijn macht, om als ge dood zijt, uw bestaan, uw aanzijn aan de overzij van het graf te vergiftigen.
En daar mag niet over heengegleden, want in die beeldspraak ligt waarheid. De dood is onrein; de dood is giftig; en wie onder de macht van den dood blijft, is ter prooi aan. vreugdelooze verschrikking en nooit eindigende zielsbeklemming.
Het sterven zelf is nog het bangste niet. Het bangste komt eerst daarna, als ge gestorven zijt, en ze u in uw doodsgewaad afleggen, en ze u uitdragen naar den godsakker.
Het sterven zelf is nog slechts het doorgaan door de poorte van den dood; maar dan komt ge in de vallei der schaduwen des doods, en dan in zijn burcht; en daar zal huivering en ontzetting u bevangen; met geen ander vooruitzicht dan om te wachten eeuw uit eeuw in, tot Christus op de wolken wederkomt, en dan ook zelf in het oordeel te gaan, en dan met al wat demonisch is uitgedreven te worden in nog banger verschrikking. In die verschrikking, waarvan Jezus zei: „Daar zal weening zijn en knersing der tanden.quot;
Alles komt er dus voor u op aan, of ge, eer de dood u aangrijpt, dien dood zijn angel, zijn prikkel kunt breken.
131
Want gelukt u dat, dan sterft ge als een Christen, als een kind van God, als een verloste. Dan sterft ge zooals eens Paulus, die bijtijds, eer het te laat was, den dood dien angel gebroken had, en nu reeds lang vooruit, jubelend en den dood belaehend, hem toeriep; „Dood, waar is uw prikkel? Gij hebt hem niet meer. En daarom zijt ge mij geen koning meer der verschrikking!quot;
Dit gevoelt ge tooh, is eenmaal die angel, die giftige prikkel van den dood gebroken, dan is die dood heel iets anders geworden. Zoolang een wesp haar angel heeft, vlueht ge; maar is haar angel uitgetrokken, dan speelt ge met de wesp als met een vlieg.
De dood zonder prikkel, zonder giftigeu angel is een dienstbode Gods, die u af komt halen; die u in den Naam des Heeren van uw lichaam ontdoet; en u als vrijgemaakte ziel door de poorte der eeuwigheid binnenlaat, om dichter bij uw God en uw Heiland te zijn dan ge hier ooit kondt, en om, zonder smart en zonder zonde, in die geestelijke afzondering te toeven, tot het licht van den eeuwigen morgen daagt, en Christus op de wolken komt, en u overkleedt met een heerlijker lichaam, en u overstroomt mefeeuwige heerlijkheid.
De dood niet zijn prikkel is vreeselijk. Dan zijt ge weg. Dan zijn er in dien dood banden der helle en eeuwige afgrijzing.
Maar is die dood zijn prikkel kwijt, dan is ook op eenmaal alle verschrikking geweken.
Dan zijn er die naar den dood verlangd hebben, omdat alleen die dood ze voor eeuwig brengen kou bij hun God.
Alleen vergis u nu niet.
Er zijn een soort Catechismus-Christenen, die kortweg aldus redeneereu; „Christus stond uit de dooden op. Door die opstanding heeft Christus den prikkel aan den dood uitgebroken. Dus heeft nu de dood geen prikkel meer. En alzoo kan ik gerust inslapen !quot;
Alsof ooit „eenige vreugdequot; vloeien kon uit een redeneering I
Neen, de dood heeft nog wel waarlijk, ook na Jezus' opstanding, zijn giftigen angel behouden. Denk maar aan die duizenden bij duizenden, die buiten geloof aan Jezus, ook na Jezus' verrijzenis, den dood ter prooi werden.
Ook nu nog sterven er telkens, aan wie hij in hun sterven met zijn angel dien giftigen steek toebrengt.
En wel zegt ge naar waarheid, dat er toch ook duizenden bij duizenden zijn heengegaan, voor wie alle prikkel uit den dood weg was, maar voor die allen was het een persoonlijke daad.
Als de dood aan hen toekwam, dan, ja, wierd opeens de angel werkeloos, die anderen nog zoo giftig stak.
En zoo ook hebt gij aan een redeneering uit uw Catechismus niets.
132
Ook voor u is de vraag maar, of ge, als do dood op li aankomt, dat geloof in Christus werkende hebt, waardoor die angel van den dood ontwapend wordt.
Zoo ja, vrees dan niet.
Dan, dan alleen, maar dan ook zeker, zal uw sterven vrede zijn.
XXXIV.
In welke ure gij het niet meent.
PLOTSELINGE DOOD.
Gij dan, zijt ook bereid: want in welke ure gij het niet meent, zal de Zoon des mensehen komen. Luk. 12 : 40.
Diep zielkundig gedacht is wat de Psalmist in 1'salm -19 : 13 van de kinderen der wereld zegt; „Hunne binnenste gedachte is, dat hunne huizen in eeuwigheid zullen zijn, hunne woningen van geslachte tot geslachte.quot; En we haasten ons er bij te voegen, dat ook Gods kind van nature dien trek met het kind der wereld gemeen heeft.
Een goed, stevig huis, op een fundament opgetrokken, kan eeuwen tegenhouden. En als we dan hooren van vader en grootvader, die ook reeds in datzelfde huis gewoond hebben; en er nu zelf even rustig in wonen, zonder dat er een scheur in den muur komt of een bint in de zoldering kraakt, ja waarlijk, dan leven ook wij reeds in die toekomst in, als onze kinderen ons in dat huis vervangen zullen, en straks zij weer worden opgevolgd door het kroost, dat God bun zal geven.
Vooral een landman voelt dit sterk, zoo het hem vergund werd, van geslacht tot geslacht, met zijn familie op eigen erve te zitten. Want, al wierd er aan dat huis dan ook verbouwd, dat land, die akker, die breede bodem, waar zijn huis op staat, en zijn tarwe op groeit, en zijn runderen op grazen, die blijven althans altoos dezelfde, en hij zou het zich niet kunnen indenken, dat die grond, die akker, dat weiland er eens niet meer zijn zal.
Nog sterker voelt ge dat van de stad of het dorp, waarin ge woont. Of toch al de huizen worden gesloopt en nieuwe gebouwd, en of soms al een akker onteigend wordt voor een kanaal of spoordijk, de stad zelf, het dorp, waarin we wonen, gaat toch nocpit weg.
133
Hoeveel eeuwen was Amsterdam er nu al niet. Nog toont het niet het minste teeken van verval. Hoe ter wereld zou zulk een stad dan ooit wegkomen?
Maar toch het allersterkst hebben we dat gevoel van heel onze aarde. Al lezen we toch in de Schrift van groote steden als Babyion en Mneve, die met den grond zijn gelijk gemaakt; en al lezen we van het Heilige land, dat eens van melk en honig overvloeide, en nu zoo dor en kaal is; toch ligt de plek, waar Babel eens stond, nog altoos onbewogen, en trekken naar het verdorde Palestina nog altoos stroomen van pelgrims toe.
Al weten we dus zeer goed, dat huizen eindelijk gesloopt worden, en steden verdwijnen kunnen, en zelfs stukken grond door aardbeving weg kunnen zinken, de wereld zelve blijft toch altoos, zoo denken we, en wat ook verdwijne of wegga, de aarde zelve blijft die ze is.
ïegen dit algemeen menschelijk besef gaat nu echter de Heilige Schrift lijnrecht in, en zij zegt u, dat deze aarde niet blijft; dat heel deze wereld eens veranderd wordt; dat eens zelfs de tijd uit zal hebben; en dat dan de voleinding der eeuwen komt.
En dat hooren we dan aan. We laten het ons gezeggen. En wie gelooft, weerspreekt het wel niet. Maar toch het grijpt ons niet aan. En steeds blijven we voortleven in het besef, alsof alle dingen blijven zullen gelijk ze nu zijn.
Vroeger was dat niet zoo. Zelfs zijn er tijden geweest, dat men vrij algemeen in het besef leefde, dat het einde der wereld nabij was. Op een jaar na rekende men dan uit, wanneer de wereld vergaan zou. En dit eenmaal voor vast aannemende, verkochten niet weinigen hun land en goed; en maakten het geld op; denkende dat ze er een volgend jaar, als de wereld verging, toch niets meer aan hadden.
Maar juist doordien men dat „vergaan van de wereldquot; zoo telkens voorspeld had, en dat die voorspelling nooit uitkwam, hield men allengs op aan zulke voorzeggingen geloof te slaan. Al spoedig dreef men er den spot mee. Eu zoo kwam van lieverlee de voorstelling in zwang, alsof het eindeloos, aldoor, op aarde blijven zou zooals het nu is.
Slechts in enkele kringen van Gods volk bleef men nog rekenen met de stellige profetie van de wederkomst des Heeren; maar zonder dat het in den regel veel invloed op aller besef en aller gedraging had.
En dit heeft geduurd, tot men de korst van deze aarde ging onderzoeken, en tot de wetenschap zich rekenschap ging geven van wat er in het hart der aarde voorviel.
Toen toch zag men voor zijn oogen, dat deze wereld lang niet altijd geweest is wat ze nu is; dat schrikkelijke omwentelingen en
134.
onderstbovenkeeringen in de korst van onze aarde hadden plaatsgegrepen ; en zag b. v. aan de steenkool, dat breede bossehen, die eertijds op de oppervlakte van deze aarde stonden, nu, diep onder den grond, in de mijnen weggezakt en verkoold zijn.
Zoo ontdekte men, dat onze aarde innerlijk leeft en woelt en gist. De vuurspuwende bergen en de aardbevingen vonden zoo haar natuurlijke verklaring. Maar juist daardoor kwam men dan ook tot het inzieht, dat onze aarde ook in de toekomst niet kan blijven die ze is, maar vroeg of laat in koude verstijven of in een wereldbrand onder moet gaan.
Dat prikkelde toen de kenners der Schrift weder. Men begon in de kringen van Gods volk op die wereld en haar toekomst weer een anderen blik te krijgen. En nu is het reeds zoover, dat alleen de oppervlakkige en meer suffende dan meelevende lieden nog altoos van een eindeloos voortbestaan der wereld droomen.
Wie op de hoogte van zijn tijd is, weet thans, zoo onder de kinderen Gods als onder de kinderen der wereld, dat eens heel deze wereld zal vergaan.
En toch, al weten nu én de mannen des geloofs én de mannen der wetenschap, dat, vroeg of laat, „de gedaante dezer wereld voorbijgaat,quot; toch is de indruk van deze overtuiging bij beiden zoo verschillend.
Een verschil hierin bestaande, dat de man der wereld dezen df.g verre stelt; en de man des geloofs roept: „De dag des Heeren is nabij.quot; Dat de lieden der wetenschap zeggen: „Het zal onzen tijd wel uithouden,quot; en dat de Heere in zijn Woord ons getuigt: „Ik kom als een dief in den nacht.quot; Of wilt ge, dat de verwerpers der Schrift den duur der wereld bij perioden van eeuwen uitmeten, en dat de Christus ons waarschuwt; „In welke ure gij het niet meent, zal de Zoon des menschen komen.quot;
Toor de practijk nu zijn de gevolgen van dit verschillend standpunt onberekenbaar. Immers voor den één wordt het nu tot levensregel: „Doe alsof er nooit een einde aan komtquot;; en voor den ander: „Doe alsof morgen den dag het einde voor de deur stond.quot;
Juist hetzelfde verschil, dat ge met het uitzicht op den dood vindt.
Ook te dien opzichte toch weet én het kind Gods én het kind der wereld, dat ons leven eens uit heeft; dat de dood ons reeds, van verre of van nabij, opwacht; en dat eens het graf ons aller rustplaats zijn zal.
Maar het kind der wereld roept, al weet hij dit: „Spreekt er niet vanquot;. En dan mag er zelfs niet van den dood gesproken worden, als de dokter weet en ziet en zegt, dat het morgen afloopt. Terwijl om-
135
gekeerd het kind Gods eigenlijk geen dag doorleeft, dat hij niet aan zijn einde denkt; steeds zijn ziele op het sterven voorbereidt; en, vooral bij ernstige ziekte, alle gordijn wegschuift, om met heldere, open oogen in de eeuwigheid te staren.
Tot op zekere hoogte kunt ge zelfs zeggen, dat het komen van Jezus op de wolken, er. het komen van den dood, om ons weg te halen, voor Gods kind étn is; want als we sterven, is voor ons het einde van de wereld eigenlijk reeds gekomen. Voor een wijle onttrekt zich die wereld dan aan ons oog; en het eerste oogenblik, waarop we haar, na onze opstanding, weer zullen zien, zal juist dat laatste oogenblik zijn, waarop Christus zijn vierschaar spant.
Al is het dus nog zoo waar, dat we vroom moeten zijn, niet om den dood, maar om Gods wille, toch staat het even vast, dat juist dat denken aan het sterven het groote, van God geboden middel is, om den overweldigenden indruk van de macht der wereld te breken, en den indruk van Gods majesteit te krachtiger op ons te laten inwerken.
Het is geen toeval, dat de ure van onzen dood zoo onzeker is, en dat het sterven bijna een ieder overkomt in de ure waarin hij het niet meende.
Dat richtte God de Heere opzettelijk zoo in, om juist daardoor . i onze ziele in een gestadige, heilzame spanning te houden, en onze
gebondenheid aan de wereld te verzwakken.
En waar zelfs die onzekerheid van het leven nog niet sterk genoeg bleek, om die verkleefdheid, die gehechtheid, die gebondenheid en verslaafdheid aan de wereld losser te maken, slaat Hij dan telkens nog dien breeden golfslag van den dood over ons uit, dien wij een epidemie noemen.
Dat er zooveel meer dan anders sterven.
Dat er velen zoo opeens uit zijn.
Dat het leven van prinsen op elk gebied als druiven wordt afgesneden.
Alleen maar om dit ééne in onze ziel te prenten, dat het blijvende niet in deze wereld, maar in den Heere onzen God is.
En wie wijs is merkt daarop, opdat de dood hem niet verrasse.
.1
136
XXXV.
ZEND UW SIKKEL EN MAAI.
En een andere engel kwam uit den tempel, roepende met een groote stem tot dengene, die op de wolk zat: Zend uw sikkel en maai; want de ure om te maaien is voor u gekomen, dewijl de oogst der aarde is rijp geworden Openl). 14 : 15.
Alles heeft zijn bestemden tijd. Voor elk dina;, dat komen zal, is een ure. Voor elke beslissinu;, die komen moet, toeft het juiste oogenblik.
Dat doet ons vreemd aan. Niet dan met moeite kan onze trage geest in dat denkbeeld van een beslissend oogenblik inkomen. En toch toont heel de schepping het ons.
Eerst snijdt de ploegschaar door den akker. Dan gaat de zaaier uit die zaaien zal, en strooit het zaaa in de opgeploegde voren.
En als God dan van zijn hemel zonneschijn en regen neerzendt, geraakt die bodem in gisting, dat zaad ontkiemt en schiet uit, en lange weken, lange maanden verlustigt ons oog zich in dat groeien en gelen der halmen. Van den morgen op den avond eu van den avond op den morgen gedijt het koren er in. En het schijnt wel, alsof dat koren geen andere bestemming had, dan om dien akker met golvend goud te overdekken en weelde te tooveren in de natuur.
En toch, dat was slechts schijn.
Zie maar, eindelijk speurt het kennersoog van den landman, dat het graan nu in de airen yehed gerijpt is. En hij neemt den wind en het getijde waar, of er op droogte in den dampkring te rekenen valt. En is dat gunstig oogenblik gekomen, dan gaat het bevel uit zijn mond aan zijn knechten uit. En morgen, als nauw de zon is opgegaan, is dat halmenveld ten doode gedoemd. Dat goudgeel graan heeft voor het laatst in den zonneglans geblonken. Zie, daar daalt de sikkel neer, door vlugge, rappe hand tegen de buigende halmen ingeslagen, en niet lang meer, of al het prachtige halmenveld ligt bij handvollen op den bodem neergeworpen; wordt straks tot schooven opgezet; en als weer de landman zijn dienstknechten cn dienstmaagden beveelt, rijdt kar en wagen den akker op, en al het gemaaide koren wordt van den akker naar den dorschvloer weggedragen; tot de
137
wees en de arme komt om zijn nalezing te houden. En dan blijft er straks niets meer over dan die leege, zwarte, kale akker, tot in zijn stoppelen omgeploegd.
Zoo veelzeggend, zoo veelbeduidend.
Eerst weken-, maandenlang dat stille, kalme, bijna onmerkbare rijzen en rijpen. En dan opeens die dag des oogstes. Die sikkel die in de halmen slaat. En weg is alles wat er stond.
In dat zaaien en i'ijzen, dat rijpen en maaien nu spreekt een stemme Gods.
Zijn heilige Schriftuur wijst er telkens op. Ook wel in het beeld van de rijpende en blauwende trossen aan den wingerd, tot de wijngaardenier de sappige druiven afsnijdt. Maar onder welk beeld ook, altoos keert diezelfde gedachte weer, eerst dat langzame, stille worden en gedijen, en dan plotseling die breuke, die voleinding, dat maaien of dat afsnijden. Alles aanloopend op een einddoel, tot dat einddoel bereikt is, en dan opeens dat ingrijpen van de hand des maaiers; die volheid des tijds; die ure dat het uit is met rvat achter lag en dat iets nieuws zijn aanvang neemt en straks begint.
Want als nu de sikkel in de halmen is geslagen, cn alle schoof op den dorschvloer is saam gebracht, dan is het wel uit met dat eerste proces, maar begint even beslist terstond een tweede proces. Dan wordt die halm gedorscht en uitgeklopt; het graan op de wanne gezuiverd; de gezuiverde korrel stuk gestooten of tot meel vermalen; en zoo rijpt door een nieuw proces het hrood dat den mensch ter voeding zal zijn; om in 's menschen lichaam door een nieuw proces nogmaals een ander doel na te jngen, en niet te rusten, eer het door menschenhand uitgestrooide zaad tot den menseh is weergekeerd en in zijn eigen bloed is omgezet.
En dat alles beschikte en bestelde en verordineerde God Almachtig. Hij die den tijd voor het zaaien en den tijd des oogstes heeft afgemeten. Die aan het koren en het zuurdeesem de verwantschap schonk om deeg en brood te vormen. En die thans dat kostelijk brood met zijn zegen achtervolgt, om het in ons om te zetten in bestanddeelen van ons eigen bloed.
En dan is er in elk proces dat daarbij plaatsgrijpt altoos ilat dubbele. Eerst dat langzame rijpen en gedijen, en dan eindelijk het plotseling oogenblik, waarin dat rijpen en gedijen zijn voleinding vindt en Hij afbreekt wat er was, om, uit wat Hij doet ondergaan, het nieuwe te doen uitspruiten.
Altoos zijn Woord, dat niet ledig tot Hem wederkeert, maar doet hetgeen waartoe Hij het uitzendt. Als sneeuw en regen daalt het vocht uit zijn schatkamer neder. Dan drinkt de aarde het in en bemorst het. Tot het in den bodem dier aarde de zwangere graan-
138
korrel ontmoet. Die doet ze dan zwellen en bersten en een kiem uitschieten. Het laat zich in den halm opzuigen. Tot in de air dringt het vocht op. En als straks het gedijde en gezegend brood insluipt in ons bloed, om onze levenskracht te sterken, is er altoos nog een druppel van dat vocht in, dat God in sneeuw en regen uitzond, om brood aan den eter te geven en zaad aan den zaaier.
Eén ding vooral wil Gods heilig Woord, dat ge daarbij steeds voor oogen zult houden. Het wil, dat ge bedenken zult, hoe het zoo toegaat met alle ding dat om u is, maar dat het zoo ook toegaat met uzeïven.
Zooals die halmen op het veld opschoten en groeiden, en straks van dat veld worden weggemaaid, zoo bloeien en rijpen ook de kinderen der menschcn op den akker van ons menschelijk leven; maar komt ook voor hen de ure der voleinding, dat de sikkel in de halmen daalt, en hun plek die ze op het veld hielden niet meer gekend wordt.
En ook hier weer dezelfde tegenstelling. Eerst weken-, maanden-, jarenlang dat stille, gestadige, schijnbaar altoosdurende voortrijpen en voortgelen op den akker; en dan plotseling die keer in den toestand, dat inslaan van den sikkel in de halmen. En dan is het uit en buigt ook hun hoofd zich neder, tot straks hun plaatse ledig is.
Een tegenstelling, een plotselinge overgang, die, hoe dikwijls ook gezien, ons toch altoos zoo verrassen blijft, dat bijna niemand er op verdacht is, als de sikkel ook tot hem komt. Plet scheen zoo zoetelijk voort te varen. Zoo ongemerkt scheen zich een nieuw eind weegs aan elk afgelegd eind van den weg vast te knoopen. De voortgang was zoo geleidelijk, zoo gestadig, zoo duurzaam. Na eiken avond altoos weer een morgen; na eiken winter altoos weer een lente met haar bloemen die ontloken en haar vogelen, die in de takken hun lied voor God zongen. Ach, waarom zou er dan een einde aan komen? Waarom zou er geen eindelooze voortgang zijn?
En toch, dat einde komt, omdat God leeft en over u gebiedt en over u beschikt, en omdat Hij u dit stille groeien en gedijen schonk, niet om dat groeien noch om dat gedijeu, maar opdat er een oogst voor Hou zou zijn.
Want zooals de landman het oogenblik beidt, waarop dat groeien uit zal hebben, en zijn woord tot zijn dienstknechten: „Zend den sikkel uit en maaiquot; uit kan gaan, zoo toeft en beidt ook God de Heere bij elk van zijn menschenkinderen, steeds uitziende naar dat bestemde oogenblik, naar die beschikte ure, waarop hei rijpen uit zal hebben, en de vrucht van al zijn zorge, die Hij aan u besteedde, kan ingedragen in zijn Koninkrijk.
139
Uw wereld is voor Hem. Ze is zijn akker, waarop al wat er bloeit en rijpt, rijpt en bloeit voor Hem, opdat Hij, de Heere des ocgstes, ook van dezen akker zijn ooajst erlan^e.
En al de dagen uws levens merkt Hij op u, uitziende naar dat oogenblik der voleinding, tot Hem de vrucht zijns vverks toekomt.
o, Wel hem, wien het in die ure des oogstes gebeuren mag, dat hij, straks op de wanne gezuiverd, een kostelijke vrucht van den akker der wereld voor den Heere zijn God mag zijn.
Dan maait de sikkel niet om te verderven, maar zamelt in voor Gods eeuwig Koninkrijk. Dan is er een groeien en bloeien geweest, dan was er een rijpen en gedijen. En clan wordt het einddoel bereikt r de voleinde en voltooide vrucht, die dan een nieuwe toekomst tegengaat, om naar nieuwe ordinantie God den Heere te dienen in zijn heilig bestel.
Alle man zie toe.
De sikkel, die de volle korenhalmen maait, maait ook het opgeschoten onkruid weg, en maait ook weg de lecge of vervuurde halmen, waaruit geen koren op den dorschvloer springen zal.
Dan ging het niet naar Gods Woord, maar trgen Gods Woord.
Dan was er geen groeien maar verbasteren, geen rijpen en gedijen maar vermageren en verschrompelen.
En als dan de dag des oogstes komt, dan is het oordeel zoo onafwendbaar.
De wanne, door Gods heilige hand geschud, schrift zoo onherroepelijk het horen van het kaf.
XXXVI.
Hij leide zijne voeten samen op het bed.
HET STERFBED.
Zoo leide hij zijne voeten samen op het bed, en hij gaf den geest, en hij werd verzameld tot zijne volken.
Gen. 49 : 33b en c.
Ook in uw sterven, en in uw krankheid die aan het sterven voorafgaat, moogt ge uw menschelijke waardigheid niet wegwerpen.
140
Mc.nscJt. schiep de Heere u; en een mensch moet anders lijden dan een beest, en anders sterven dan een dier sterft. Want wel betuigt de prediker, dat het sterven zelf aan u met uw hond gemeen is, maar reeds in Jakob, den patriarch, toont de Schrift u, wat zelfs iu dien stervensjammer het geloof van Gods kind vermag.
Jakob was oud en krank, en voelde dat zijn einde nabij was. Hij lag voor de poorte des doods. En omdat hij zag, dat die poorte reeds openging, riep hij zijn zonen bij zijn sterfbed.
Maar toen ze nu kwamen, bleef hij niet machteloos en amechtig, plat als een blok, op zijn sponde nederliggen. Neen, er staat: „Toen versterkte zich Israël, en zat op zijn bed overeind.quot; Wat zeggen wil, dat hij zijn beenen van het bed liet afglijden en op den kant van het bed overeind zat.
En toch stierf Jakob niet vroeg.
Hij was een oud man van honderd zeven en veertig jaar.
Blijkbaar neigde hij er dan ook toe, om liever te blijven liggen. Hij was uitgeput en aan het einde van zijn kracht. Het overeind zitten kostte hem geweldige inspanning. Want er staaf, dat hij er zich voor sterken moest, d. i. zich aangrijpen en zijn uiterste best doen.
Maar hij deed het.
Hij moest niet als een prooi door den dood worden weggesleurd, maar als een held des geloofs sterven.
En toen nu de tamelijk lange toespraak aan zijn zoons uit had, trok hij zelf, zoo lezen we, zijn voeten weer op het bed, lei ze op het bed tezamen, en zoo gaf hij den geest.
Nu komt zulk heldenbetoon ook huiten het geloof en tegen het geloof in 's menschen sterven voor.
Een heidensch keizer van Kome ging, toen zijn einde naderde en de dood reeds tegen zijn leden opkroop, tegen den muur staan, en weigerde zich te bed te begeven, want een keizer, zoo sprak hij, moest staande sterven.
Dit was huiten geloof dus. Uit trots.
Maar ook Uyen het geloof gaat soms zulk heldhaftig sterven in.
Althans schrijver dezes heeft het beleefd, hoe een woestaard tot op eenige minuten voor zijn dood in zijn bed overeind stond, om te tieren en te vloeken tegen den hoogen God en zijn laatste levenskracht uit te putten in razernij tegen den Almachtige.
En dit verbaze u niet.
Satan werkt met geen andere krachten dan waar God mee werkt, maar keert ze in haar tegendeel om. Haat is in zijn soort even sterk als liefde.
Het verschil is alleen maar, dat wie zich vóór zijn sterven sterkt
Ill
in zijn geloof, zelf zwak is, en in zijn zwakheid de kracht van Christus laat volbrengen.
Daarom worstelt een geloofsheld niet tegen den dood in. Hij verzet zich niet. Als de dood komt, is die dood hem een gezant van Christus' wege. En is zijn ure daar, dan wandelt hij door de vallei der scha-duwe des doods, en de stok en staf des Heeren vertroosten hem.
Die Romeinsche keizer liet zich staande sloopen. Die woestaard vocht tegen den dood, tot hij er bij neerviel. Maar een kind van God volgt vrijwillig, wetende dat ook die dood een creatuur is, dat zich zonder Gods wil niet roeren of bewegen kan.
Toch zij men ook hier niet wreed iu zijn oordeel.
Soms zijn er kranken, die sterven gaan, en die zich niet aldus sterken kunnen. /00 is het bij ziekten die verdooven en bedwelmen, of door bange koorts het bloed naar het hoofd jagen cn dit hoofd ijlen doen. Èn zoo is het ook in schrikkelijk uitputtende ziekten, waarbij men alle macht over het lichaam verliest, en ten leste half onbewust indommelt, en weg is, eer ecu der omstanders het merken kan. Ook de plotselinge dood door beroerte of hartverlamming sluit elke mogelijkheid van een helder, veerkrachtig, kloek en bezield sterven uit.
Ware Jakob aan zulk een ziekte heengegaan, dan zou ook hij niet zoo manlijk gestorven zijn.
Men onderscheide dus wel. Er is sterven en sterven. En nooit moogt ge aan allen gelijken maatstaf aanleggen.
M aar dit vermindert in niets den eisch, dat wie kloek en in de kracht des geloofs sterven kan, het ook doen moet.
Doen moet voor zichzelf, voor de zijnen en voor zijn God.
Ook in het sterven zult ge niet bloot passief, maar in heiligen zin actief zijn.
Ge hebt ook in uw sterven een taak, een roeping, een heiligen plicht te vervullen. Uw laatste stuk arbeids op aarde. Maar een taak, die voor uw rekening ligt; waar ge u levenslang op hebt kunnen voorbereiden; en waarvan ge rekenschap zult geven aan den Oordeelaar van uw hart en uw gedachten.
Die taak nu raakt ook de uwen.
Uw dood moet voor hen een vrucht achterlaten. Straks kan uw liefde hun geen nut meer doen, maar in uw sterven nog wel. Immers de indruk van een kloek en geloovig sterfbed laat altoos een heerlijke prediking achter. Een indruk die niet licht wordt uitgewischt.
En zoo ook hebt ge om Gods wil in eere te sterven.
Want Gods eere, tegenover Satan en zijn trawanten, hangt er aan; hangt er aan, dat ook in het sterven van zijn kind de macht des geloofs uitkome.
143
En of ge hieraan nu iets doen kunt ?
Ja, gewisselijk kunt ge dat.
Leer het maar van Jakob. Kerst sterkte hij zich, liet zelf zijn voeten van het rustbed glijden, zat toen overeind, leunende op zijn staf, en sprak bezield tot zijn kinderen. En toen die taak voleind was, riep hij niet om hulp, en lei men hem niet op zijn bed, maar zelf trok hij zijn voeten op en lei ze tezamen op zijn sponde, waarvan hij uit zou worden gedragen naar Kanaan.
En hoe Jakob dat nu kon'? Hij, de stervende man 1
Blijkbaar doordien hij zijn geloof niet als in de seheede aan den wand hing, maar hot tot den einde toe gebruikte als een wapen, om heldenmoed te betoonen.
Toch kon Jakob dat niet zoo opeens.
Als Jakob zich de lange jaren vóór zijn dood gewend had, om zich bij ongeval en krankheid laf en zielloos aan te stellen, zou dit kwaad zich ook in zijn sterven gewroken hebben.
Geloofskracht is niet een inbeelding, maar een zielsbeweging, die zich door wilskracht en veerkracht uit; en alleen als vrucht van gestadige geloofsoefening, een oefening die deu wil staalde, werd zulk een vorstelijk sterfbed aan den ouden patriarch gegund.
Het sterven hangt saam met uw levegt;i.
En als ge nu in uw leven u gewend hebt, om voor het lichaam uit den weg te gaan; het lichaam over u te laten heerschen; en laf voor elke aandoening in het lichaam te zwichten; hoe ter wereld wilt ge dan in uw sterven moedig standhouden, als ten slotte heel dat lichaam er aan moet?
Daarom staat het sterfbed met het krankbed in onmiddellijk verband.
De één is onder zijn krankheid, en de ander staat er hoven. Dit komt daar vandaan, dat de één met geest- cn geloofskracht tegen de verdooving en uitputting van de krankte ingaat, terwijl de ander zich slap en laf houdt, en zich aanstonds geheel door den invloed van zijn ziekte laat overheerschen.
Dat verschil merkt ge reeds aan uw kinderen, als ze pijn lijden. Dan bezwijkt de één en krimpt er voor terug en zet 't op een huilen, terwijl het andere kind zich goed houdt en moed toont.
Nu kan dit bij het kind, evenals bij den man, overmoed en daaruit voortspruitende ongevoeligheid zijn. Ook zijn de zenuwen van den één veel taaier dan van den ander. En dan voorzeker moet dit op betere paden geleid; want diezelfde Jakob die zóó stierf, was het tegendeel van ongevoelig, en huilde als een kind toen hij van Jozefs dood hoorde, en weende toen hij Jozef terugzag.
Maar het omgekeerde eischt in uw kind evenzeer leiding. Klein-
zeeritjheid is zonde, eu moet bestreden. Zij is den mensch onwaardig. En zoo dikwijls pijn of benauwdheid of lijden van krankheid ons overkomt, moet de mensch in den mensch uitkomen; mag hij zichzelf niet wegwerpen; en is die mensch een kind van God, dan moet hij, ook al slaat Satan hem met vuisten, alle ding vermogen door Christus die hem kracht geeft.
Zoo wreekt zich nog op het sterfbed elke fout in uw opvoeding. Immers aan de ontwikkeling van moed bij het lijden, hangt de eere van uw geloof.
Maar ook het voorbeeld van de omgeving werkt er zoo machtig op in.
Juist doordien men zoo weinig patriarchale sterfbedden meer bijwoont, gaat elk begrip teloor van de roeping, die ons nog in ons sterven wacht.
Ge ziet de lieden om u heen zoo altoos bezig met den dienst van het lichaam, om het te voeden, om het te kleeden, om het te sieren, om het op te tuigen als het averij beliep; en van de zorge voor de voeding, kleeding en versiering van den yeest, van de ziel in u merkt ge zoo weinig.
Dit nu verzwakt. Het bluscht de fierheid des geloofs, het dempt het geloof in de kracht des geloofs. En zoo wordt de indruk van het stoilelijke zoo reusachtig groot, en de indruk van het geestelijke zoo dwergachtig klein.
Dan durft men het met zijn geloof tegen die reusachtige macht niet meer opnemen.
En zoo bezwijken er dan al meerderen, tot het God belieft weer enkele helden ook in het sterven te verwekken.
En waar dezen voorgingen, volgen anderen.
En zoo komt het Christelijk sterfbed weer terug.
144 XXXVII.
Hun sterkte ter tijd van benauwdheid.
OVERWINNING DOOR HET GELOOF.
Doch het heil der rechtvaardigen is van den Heere; hunne sterkte ter tijd van benauwdheid. Psalm 37 : 39.
De onverwinlijke kracht dei' religie toont zich daarin, dat ze boven nood en dood uitgaat.
Zóó hoog kunnen de wateren van den tegenspoed niet aanzwellen, of het echte geloof van Gods kind slaat er toch fier de armen in uit en weet het hoofd boven te houden.
Satan heeft het met Job beproefd en van God zelf vrijheid gevraagd, om aan Job eeu exempel te stellen, of het niet mogelijk zou zijn de vonk des geloofs toch ten leste geheel te verstikken en uit te trappen. Maar hoe hij Job ook geplaagd en getergd, van alles beroofd en op den asehhoop tot een ellendeling heeft gemaakt, het geloof is ia Job wel onzuiver in zijn opvlammen geworden, maar uitgegaan is het niet.
Of Jeremia al in den kuil werd geworpen en ten leste schier alleen tegenover allen stond, zoodat zijn eigen vleeseh tegen zijn ziel rebelleerde, en hij zelfs riep, dat hij den dienst des Heeren verlaten wilde, toch is hij geëindigd met zijn geloof terug te vinden. „Heere, Gij zijt mij te sterk geweest. Gij hebt overmoeht.quot;
En zooals dit bij de mannen der Schrift was, zoo was het alle eeuwen door, en zoo is het nog. Alle gekalkte en gepleisterde religie laat van den wand los, zoodra de hitte dien wand blakert of de stroom tegen dien wand opklimt; maar alle echt geloof bleek steeds aan het hardst graniet gelijk te zijn, waar ternauwernood met bijl of met houweel een enkele schilfer was. af te slaan.
o. Het is een bange historie van wat het kind des geloofs niet alleen onopzettelijk aan zielsbenauwing doorworsteld heeft, maar wat, erger nog, menschelijke moedwil of menschelijke dwaling opzettelijk den vrome heeft aangedaan, om hem tot verloochening van zijn innigste zielsovertuiging te dwingen; maar toch is er in die sombere historie ook iets schoons.
Immers in die met bloed bedropen historie ziet ge menschelijke wreedheid en duivelsche boosheid al haar kracht uitputten, om de
145
gruwelijkste martelingen uit te denken en de ijslijkste folteringen toe te passen, en took in liet eind aflaten, omdat het niet helpt.
Dat de pijnbank ten leste is afgeschaft en de folterkamer een museum van oudheden wierd, is een der schoonste triomfen die de religie behaalde. Niet omdat ze de zeden verzacht heeft en de rechtspleging minder wreed heeft gemaakt, maar omdat de religie uit die vreeselijke worsteling zegevierend is tevoorschijn getreden, en de kwelzucht ten leste afliet, wijl ze zag, dat ze toch niets tegen het geloof vermocht.
Nu is, helaas, deze ectte religie, die machtig is om ten slotte over eiken tegenstand te triomfeeren, niet het gemeen goed van ons men-sehelijk geslacht.
Als het er op aankwam, heeft veeleer bijna altijd de meerderheid zich aan de zijde der verdrukkers geschaard,, en die standhielden waren bijna altijd en overal een zeer kleine minderheid.
Het is zoo, er zijn schoone dagen geweest in de worsteling dei-eerste (Christelijke kerk, gelijk in de dagen der Maechabeën, wondere perioden van geloof in de valleien der Waldenzen en in onze worsteling tegen Spanjes overmacht; dagen waarin ten leste de macht des geloofs bovendreef en het scheen alsof een geheele bevolking door heiliger geestdrift was aangegrepen.
Maar zulke toestanden zijn een uitzondering; en althans in onze gelooflooze lijden is er nergens, is er in niet één land iets anders overgebleven dan een kleine kern van Godgetrouweu, die nóg, als het moest, om getuigenis voor 's Heeren naam af te leggen, den brandstapel beklimmen zouden.
Want wel zijn er nog kringen waarin men belijdt, kringen waarin zekere mate van godsvrucht heerscht, kringen waarin gebeden wordt en geroepen naar den hooge. Maar zelfs in deze betere kringen klatert zooveel goud dat geen goud is, heeft de plant des geloofs nog zoo bitter weinig wortel geschoten, en zou een enkele ruk van den stormwind voldoende zijn om heel dit jonge plantsoen te ontwortelen.
Dan is er wel veel liefs. Een loven en lieven van Jezus, om de verzoening zijner zondeschuld te erlangen. Ook wel een drang om anderen tot Jezus te lokken. Niet zelden zelfs een sterke drang om in allerlei werk der liefde en van deugdsbetraehting uit te schitteren. Maar van een geloof dat naar God uitgaat, dat buiten het Eeuwige Wezen niet kan, en rusteloos doorworstelt om in God zijn toevlucht en zijn onverwinlijke sterkte te hebben, merkt ge bij dit halfgeloof zoo weinis;.
En natuurlijk, zulk een geloof kan in de ure van benauwdheid geen stand houden.
10
146
Eeligie is en blijft altoos een zoeken, een minnen, een innig in de ziol vereeren van het Eeuwige Wezen.
God de Heere, en Hij alleen, blijft voor alle echt en waaraehtig geloof het middelpunt van ons zielsverlangen.
Om Hem is het te doen. Aan Hem ontleent het echt geloof zijn wezenlijke kracht. Niets op aarde, niets in den hemel bij Hem waardig te schatten, en geen vuriger lust te kennen, dan om in allen angst en alle pijn nabij den God onzes levens te wezen; — dat, en dat alleen, is de heerlijke zielsuiting van alle waarachtig uit God geboren geloof.
Uit Hem is zulk geloof geboren, en daarom trekt het rusteloos naar Hem toe.
Daarom schreeuwt het en dorst het naar den levenden God, gelijk een hert schreeuwt naar de waterstroomen.
Voor zulk een is God zijn deel, zijn heil, zijn eeuwig goed.
En er is geen ruste voor het onrustig en fel bewogen hart, eer het rusten kan in Gods eeuwige liefde.
Natuurlijk zoekt dan zulk geloof den Middelaar en bij dien Middelaar de vergeving in zijn bloed; doch nooit anders dan als middel om tot God te genaken. Niet om bij den Middelaar te blijven staan, maar om door Hem tot God te gaan, door wien we de toeleiding hebben verkregen.
Vandaar dat de echte minnaars des Heeren altoos weer naar de Psalmen grijpen; maar dat de lieve vrienden, wien het meer om een Medicijnmeester voor hun zielskrankheden te doen is, zich meer at.n voelen getrokken door de liedekens van Sankey.
Want in die Psalmen, daar vindt ge óók van verlossing gehandeld, daar jubelt de ziel óók over den Middelaar; maar toch is en blijft het in die Psalmen, onder drang van nood en dood, altoos weer een roepen naar den levenden God, een onstuimig ijveren om door te dringen tot zijn heilige gemeenschap.
Neen, de psalmist is niet iemand, wien het in de eerste plaats om een zalig plekje in den hemel, om eigen lijfs- en zielsbehoud te doen is, en die waant door een reeks van goede werken zijn rekening met den hemel te kunnen vereffenen.
De psalmist ademt boven de wereld uit. Hij tuurt door het gordijn der zichtbare dingen door. Hij kent en zoekt daarom den Eenige, den Eeuwige, die zich achter het geschapene verbergt en bovea al het geschapene verheft.
Diep in de ziel is hij ontzet en aangegrepen door de majesteit des Heeren Heeren.
Bij Hem vergeleken, is al wat de wereld biedt minder dan niets geacht; en jquot;.i?t daarom weet hij, dat geen creatuurlijke macht, die
147
op hem iiandringt, hem kan vernietigen, omdat zijn God al die crea-Umrlijke macht in zijn hand houdt, en tegen Hem geen schepsel iets kan vermogen. Met zijn God springt hij over een muur; met zijn God dringt hij door een bende.
Wie daar nu nog niet aan toe is, en nog in de bekommering over de zaligheid zijner ziel ligt, en er op bedacht blijft om zijn eigen leven met allerlei deugd en goed werk te versieren, die verstaat die diepere geestesworstelingen niet en kan daarom in die Psalmen geen smaak vinden.
Maar wie op den pelgrimstocht zijns geloofs die eerste mijlpalen achter zich heeft, cn over die eerste heuvelen en door die vooraan liggende dalen is heengetogen, en nu het hoogland van Gods heilige bergen in het verschiet krijgt, voor dien begint de religie een zoeken van God zelf te worden; en hem spreken die Psalmen dan ook toe met zoo onweerstaanbare kracht, dat alle ander lied er mat en dof bij lijkt.
Maar voor zulk een gaat dan ook het licht der eigen zielservaring over dien heerlijken jubeltoon op: „dat God de Heere voor zijn volk een sterkte is in tijden van henautvdheidquot;.
Niet meer, gelijk eertijds, een God tot wien ze, als er lijden of ongeval naakt, roepen, of Hij het van hen mocht afwenden, er hen uit redden, of hen genezen van hun krankheid.
Immers dat doet tot op zekere hoogte de ongeloovige ook.
Wie anders nooit bad, bad nog vaak, als er een teeder beminde echtgenoot of een lief kind op sterven lag.
Maar daarom juist ligt er in zulk roepen, zonder meer, nog geen religie. Zoo roepen we naar menschen ook. Soortgelijke hulp wachten we ook van onze artsen.
Neen, „sterkte in de ure der benauwdheidquot; wil zeggen als de benauwde ure komt, en we zien, dat God ze over ons brengt, en dat ze niet meer te ontwijken is, dan zóó temidden van dien nood en dood verkeeren, dat er blijkt in ons een sterkte te werken, die in macht deze benauwdheid teboven gaat.
Het is, in de ure der bezoeking te staan, gelijk de soldaat op het slagveld. Niet roepende: Laat ons niet strijden 1 maar, nu de strijd eenmaal is aangegaan, dapper strijdende, omdat hij op zijn veldheer vertrouwt, omdat de heilige zaak waarvoor de strijd is aangebonden, hem wenkt, en omdat hij in de heilige geestdrift dc eere van zijn banier en den naam van zijn veldheer liefheeft.
Onder Napoleon overwon, wie zonder de sterkte, die van dien naam uitging, geslagen zou zijn.
En zoo nu, en in veel hooger zin, voegt het u, als Gods kind, in den Naam des Heeren uw sterkte te hebben, zoodra de worsteling aanvangt, en gij persoonlijk in die worsteling betrokken zijt, en het aan u moet blijken, of de macht van uw God om u te sterken.
148
machtiger is dan de invloed van Satau en eigen vleeseh om u te doen onderliggen.
Daarin lag het mysterie van het martelaarschap.
In die innerlijke zielsbevinding lag het geheim van allen triomf, die ooit door Gods kinderen behaald is.
Die verborgen sterkte is openbaar geworden, als hoon en smaad de keel toenepen, als tegenspoed en zielsverdriet de wateren bijna over het hoofd deden gaan, en ook niet het minst als de eigen persoon werd aangevochten, om tot zonde te komen in de ure der verleiding, of tot afval te komen in de ure des doods.
Want in den dood, natuurlijk, dan begeeft alle creatuur u. Dan ontzinkt u alle steunsel dat de wereld u bood. Dan zijt ge zelfs niet meer instaat om uw eigen lichaam en uw eigen bewustzijn vast te houden.
Eu dan juist hangt er alles maar aan, of ge u willig in den stroom des doods weet te werpen, vertrouwende alleen op den Heere uw God.
HET GEVEN VAN DEN GEEST.
Als Jakob voleind had aan zijne zonen bevelen te geven, zoo leide hij zijne voeten samen op het bed, en hij gaf den geest, 911 hij werd verzameld tot zijne volken.
Gen. 4!) : 33.
De wereld van ons verborgen zielsleven is zoo raadselachtig en geheimzinnig dat ge, hoe ouder ge wordt, al meer merkt, wat wereld van wonderen ge in uw eigen inwendig leven omdraagt.
Tal van vragen rijzen hier op, waarop de schranderste geleerden u zelfs geen begin van een antwoord kunnen geven. Zij, die buiten Gods Woord hun studiën drijven, leggen u dan ook over de zielkunde wel ingewikkelde opstellen voor, maar het einde is altoos, dat ze onmachtig zijn u te zeggen, wat de ziel is, waar ze huist, in wat verband ze met uw lichaam staat, aan wat wet ze gehoorzaamt, en hoe ze werkt.
In zijn Woord heeft God de Heere zooveel licht over ons zielsleven gespreid, als ons van noode was, om godzaliglijk te leven en in zijnen vrede te sterven; maar antwoord op allerlei vragen der nieuwsgierigheid geeft ook de Heilige Schriftuur ons niet.
] 49
Het helderder en rijker iuziclit in die verborgen zielswereld blijft ii hier onthouden, en komt eerst later. Toen God de Heere Adam voltooid in het paradijs had ingezet, zal Adam door zijn zuiverder besef er wel meer van gevoeld hebben dan gij ; maar toch mysterieus moet de achtergrond van het zielsleven ook voor hem zijn gebleven. Het hoort niet tot de „zienlijkequot;, maar zeer beslist tot de „onzienlijkequot; dingen, en over de onzienlijke dingen hangt altoos een sluier.
Het helpt 11 daarom niets, of ge al met brandende en hartstochtelijke nieuwsgierigheid in deze wereld vol geheimenissen poogt door te dringen. Wie dat te sterk drijft, loopt zelfs gevaar van waanzinnig te worden. En de veiligste stand voor Gods kind is, dat ge, wat God u openbaarde, in stil geloof aanneemt, u door die geopenbaarde kennis laat leiden, en hierin rust met uw peinzen.
En de uitkomst heeft dan ook getoond, dat het zielsleven alleen dan harmonisch en in schoonen eenvoud zich ontwikkelde, als we niet poogden in te zien in wat aan onzen blik onttrokken was, maar stil als het gespeende kind in de geopenbaarde kennisse ons neer-vleiden.
Vooral één punt staat dan voor u vast, dit namelijk, dat uw ziel en lichaam twee, en, in die tweeheid, toch één zijn. Andersoortig; want uw ziel is heel iets anders dan uw lichaam, en uw lichaam is heel iets anders dan uw ziel; maar toch ook weer bijeenhoor end, want uw lichaam wordt zonder uw ziel een lijk, en uw ziel is zonder uw lichaam in dien afgescheiden en beroofden staat, dien Paulus, de heilige apostel, afbidt als een toestand van „ontkleedquot; en „naaktquot; zijn.
Zoo sterk spreekt hij zelfs, dat hij in 2 Cor. 5 : 4 niet schroomt te zeggen: „Wij, die nog in het lichaam zijn, zuchten, bezwaard zijnde, nademaal wij niet willen ontkleed, maar overkleed worden.quot;
Natuurlijk beduidt dit niet, dat Paulus tegen het sterven morde en niet sterven wilde. Of had hij niet evenzeer „verlangen om ontbonden te worden en met Christus te zijn?quot; Er ligt alleen in uitgesproken, dat een tijdelijk bestaan alleen als ziel, zonder lichaam, voor ons menschen tegennatuurlijk is; dat we deswege tegen het sterven altoos als tegen iets, dat onze natuur geweld aandoet, opzien; en „bezwaard en zuchtende in onszelvcn zijnquot;, om na onze „ontklecdingquot; hoe eer hoe beter weer overkleed te worden, d. w. z. weer ons lichaam terug te ontvangen.
Geen Christenmenseh mag dus zeggen, dat, zoo hij zijn ziel maar redt, dat lichaam hem verder onverschillig is.
Wie dat zegt, eert Gods heilige ordinantie niet.
Want immers toen God een mensch sehiep, schiep Hij niet een ziel, maar sehiep Hij zelfs eerst het lichaam, en blies in dat lichaam den adem des levens, en zoo werd de mensch tot een levende ziel.
Een ziel is dus geen menseh. Mensch is alleen wie ziel en lichaam
150
bnde heeft. Zoo doet de dood dus aan uw mensoh-zijn geweld aan. Eu dan eerst zal de macht van den dood over u gebroken zijn, als ge in den dag der opstanding uw lichaam verheerlijkt terugerlangt, om eeuwig voor Gods aangezicht in dat lichaam te wonen.
Maar juist daarom moet uw sterven dan ook zulk een sterven zijn, dat ge weet wat ge doet; en dit nu teekent de Schrift u in de telkens weerkeerende uitdrukking, dat wie sterft den geest geeft.
Zoo ziet ge op Jakobs sterfbed drie geloofswerkingen schitteren.
Eerst bereidt hij zijn huis en zorgt voor de zijnen. Dan legt hij zichzelf op het bed neder, om te gaan sterven. En ten laatste sierft hij.
De dood is voor dezen patriarch een vale stroom der vergetelheid, waarin hij zich niet duwen laat, waarin hij niet geworpen wordt, maar waarin hij zichzelven willens nederlaat.
De geest wordt hem niet ontnomen, maar hij geeft den geest.
En dat dit bij den ouden patriarch geen overmoed noch inbeelding was, dat toont Golgotha u.
Immers daar sterft der vaderen Verwachting, en ook uw Heiland geeft niet alleen den geest, maar handelt hierbij met zoo helder bewustzijn, dat Hij nog even vóór zijn sterven luide uitriep: „Vader, in uwe handen beveel Ik mijnen geest.quot;
Zelfs in onze eigen moedertaal is dat zelfbewuste en zelf handelende van wie in den dood gaat, zoo schoon uitgesproken.
Wie heengaat, wordt niet gedood, maar hijzelf doet het; zelf sterft hij.
Hij wierd geboren, want dit ging buiten hemzelven om; maar in zijn heengaan is hij niet meer lijdelijk.
In zijn sterven sterft hij zelf.
Wat ge dan in uw sterven te doen hebt?
Zie dat aan uw Jezus, die immers eerst zijn geest in 's Vaders hand heval, en toen den geest gaf.
Is nu hier onder den „geestquot;, dien ge geven moet, uw ziel te verstaan ?
Eigenlijk niet.
Wat ge toch overgeeft in uw sterven is juist niet uw ziel, maar uw lichaam. Ook na uw sterven hebt ge uw ziel nog; maar wat ge na uw sterven, althans voor een tijd, verloren hebt, is uw lichaam.
Uw ziel verlaat u geen oogenblik. Uw ziel gaat met u, waar ge ook heengaat. Van uw ziel kunt ge zelfs niet scheiden. Want zelfs in oogenblikken, dat ge uw bewustzijn verliest, en van uw ziel niet afweet, is toch uw ziel altoos bij u en zijt gij bij uw ziel.
151
Wat ge nu hondt, geeft ge niet, en kunt ge niet in de hnnd van een ander bevelen; en zoo ge tussehen ziel en lichaam kiezen moest, zou het nog altoos beter zin hebben, om te zeggen, dat wie sterft zijn lichaam overgeeft, dan dat hij zijn ziel overgaf.
En toch, dat ge mv lichaam overgeeft, is nog iets anders dan dat ge den geest geeft.
En dit moet ook iets anders zijn.
Want wel is het te verstaan, dat wie plotseling temidden zijner blozende jeugd en bloeiende gezondheid door den dood overvallen wordt, het iets vreeslijks vindt dat gave, krachtige, bloeiende lichaam over te geven; maar als ge oud zijt geworden, en allerlei kwaal en krankheid u beliep, en het liehaam kraakt en knarst in zijn samenstel, dan is het scheiden van dat liehaam waarlijk zoo hard niet meer, en slaakt menigeen de stille bede: „o, God, verlos mij van dit lichaam, dat mij benauwt en kwelt.quot;
Neen, wat ge in uw sterven te doen hebt, is: den geest te geven, en geest beduidt hier niets anders dan „de adem des levens.quot;
Adem en geest worden, én in de taal van het Oude én in de taal van het Nieuwe Testament, vaak met hetzelfde woord uitgedrukt De ééne maal heet het daarom; „Gij neemt hun adem weg en zij stel venquot;, en een ander maal dat „de geest wederkeert tot God die hem gegeven heeft quot; En dit komt voor, niet alleen van den menseh, maar ook van het dier. Want, „wat den kinderen der mensehen wedervaart, dat wedervaart ook den beesten, en eenerlei wedervaart hun beiden; ffeliik die sterft alzoo sterft deze, en zii allen hebben eenerlei ademquot; (Pred. 3 ; 19).
Alleen maar als de „adem des levensquot; uit een dier gaat, keert die nooit terug; en als gij dien „adem des levensquot; uitblaast en in Gods hand overgeeft, zal God Almachtig, in den dag der opstanding, dien „adem des levensquot; weer in u terugbrengen.
Uw geest, uw levensadem, dien ge in uw sterven aan God overgeeft, bewaart Hij in zijn veilige en heilige hand, en in uw verrijzenis keert die geest tot u weder.
Daarom leeft in dien tusschentijd uw ziel wel, en geniet, naar den aard der ziel, in de zaligheid van uw Heiland; maar ge mist dien adem des levens, dien ge hier hadt, eenvoudig omdat die „adem des levensquot; het wondere geheimenis is, waardoor God de Heere uw lichaam van een dooden klomp tot een bezield en levend lichaam maakte.
Zoo is dan ook bij Jezus die geest, dien Hij in 's Yaders hand beval, tot aan den derden morgen in 's Vaders hand gebleven, tot Hij weer opstond, nadat God Hem door het teruggeven van dien „adem des levensquot; uit den dood had opgewekt.
Wat ook gij in uw sterven te doen hebt is dus, dat ge met klare.
heldere bewustheid hebt te bekennen, dat uw ziel alleen door dien adem of dien geest des levens met uw lichaam in verband staat; dat uw ziel thans van dat lichaam scheiden moet; dat dit alleen kan doordien die adem of die geest des levens door u aan uw God wordt teruggegeven, door u aan zijn Vaderhand wordt toebetrouwd; en dat ge nu sterft in de zekere hope en wetenschap, dat God Almachtig eens weer dien „adem des levensquot; in u terug zal brengen, opdat ge weer naar ziel en lichaam, en dan eeuwiglijk, moogt leven voor zijn aangezicht.
XXXIX.
HET STERVEN GEWIN.
Want het leven is mij Christus, en het sterven is mij gewin. Fil. 1 : 21.
De kunst der godsvrucht, waarin Paulus uitblonk, bestond volstrekt niet hierin, dat hij nooit om zichzelven en altoos aan anderen dacht.
Eer integendeel is Paulus telkens cn gedurig ook met zichzelven bezig, en in bijna eiken brief merkt ge van hem iets persoonlijks.
Neen, maar hierin schitterde bij Paulus de kunst der heilige religie, dat al zijn bezig zijn met zijn eigen persoon altoos weer neerkwam op de vraag, hoe hij in en met zijn eigen persoon den naam zijns Heeren groot zou maken.
Geen valsche mystiek dus, die opgaat in het streven, om zichzelf weg te werpen; maar veeleer besef van plieht cn roeping, om ook zijn eigen persoon, met al de talenten, die God er in gelegd had, instrument voor Gods eer te doen zijn.
Dit nu komt het sterkst uit, als de heilige apostel aan zijn uiteinde denkt.
Want als het daarop aankomt, is de onwillekeurige gewaarwording die bij de meesten opkomt; „Mocht dat uiteinde voor mij nog maar verre, ja, zeer verre, zoo ver mogelijk verschoven worden.quot;
En overvalt ons een zóó aangrijpende krankheid, of neemt de levenskracht zóó merkbaar af, dat ge daarop nauwelijks meer hopen durft, dan komt de tweede wensch in ons op, of God de Heere ons dat sterven toch vooral zacht en kalm moge maken.
153
En neemt de ziekte zulk een wending, dat we nog genoegzaam helder denken kunnen, om bezig te zijn met wat na den dood komt, dan slaakt men in zulk een toestand meest de derde bede, dat men na zijn sterven met zijn ziel veilig bij zijn Heiland moge zijn.
Hoort ge nu daarentegen Paulus, dan moet ge tocli zelf erkennen, dat deze man Gods het verder had gebracht.
Van dat hangen aan het leven was bij hem geen sprake meer. Veeleer had hij begeerte om ontbonden te zijn en bij Christus te wezen.
Aan een zacht en kalm sterven dacht hij niet. Hij wist wel, dat hij op het schavot zou sterven, en daarom riep hij: „Ik word als een drankoffer geofferd.quot;
En voor zijn zaligheid was hij in 't minste niet benauwd, want hij wist met de volle verzekerdheid des geloofs, „dat hem weggelegd was de krone der rechtvaardigheid.quot;
Neen, al zijn bekommering liep maar hierover, „of Christus groot sou gemaakt worden, ook door zijn dood.quot; (Eil. i : 30).
Nu stemt ge zelf toe, dat dit eerst het ware is; en dat in zulk een edel woord de kunst der godsvrucht een zeldzamen triomf viert.
En vraagt ge nu, waarin het geheim van deze kunst lag, dan ontdekt hij u dit zelf, als hij er terstond op volgen laat; „ Want mij is het sterven gewin.quot;
Wat hemzelven aangaat, zou hij geen oogenblik aarzelen. Wat hem betrof, liever vandaag sterven dan morgen. En dat hij toch bereid is de pelgrimsreize nog verder voort te zetten, vloeit alleen hieruit voort, dat hij nog niet klaarlijk weet en inziet, waardoor hij den naam van Christus grooter zal maken, door zijn strijd op aarde nog voort te zetten, of door nu maar te sterven.
Al zijn kracht school dus hierin, dat hij in de volle geloofsver-zekerdheid leefde.
Geen tobben en geen geslingerd worden. Geen hangen noch verlangen. Geen half wel en toeh weer niet.
Daar steekt nooit kracht in. Dat mat af en moordt de ziel. Dat Is het geloof ten onder houden, in plaats van het gezond te laten opbloeien.
Een Dienst des Woords, die zich verlaagt om deze eindelooze bekommerdheden en geloofsonzekerheden te voeden en te streelen, staat daarom schuldig voor God; want zoo wordt alle geestelijke veerkracht in Gods kind en in de kerke Gods gebroken.
Wat de Dienst des 'Woords doen moet is juist de wankelende knieën vastzetten en de slappe handen oprichten, en uit den wortel zelf van het geloof de volle, rijke, blijde geloofsverzekerdheid als de geurige bloem laten opschieten.
154
Wie niet weet en belijdt: „Ik ben van mijn God gegrepen, wijl verkoren; en, wanneer ik ook sterf, nu of over tien jaar, de gonden harp en de palmtak wacht mij!quot; telt eigenlijk onder de trawanten des Heeren en zijn heilige keurbende nog niet mee.
Satan, die is er altoos op uit, om u als een riet heen en weêr te bewegen; maar Christus' kerk moet u vastigheid aanbrengen.
Zoo verstond een Paulus, zoo verstonden onze vaderen het, en daarom waren ze zoo volleerd in de heilige kunst der religie, die niet anders is dan de kunst van het geloof.
Het sterven mij gewin.
Niet misschien-, mogelijkerwijze; zoo de Heere mij alsnog genade verleent.
Neen maar stellig; als iets dat muurvast staat en vanzelf spreekt.
Niet alleen verliest hij niet met te sterven, maar hij wint er door. Zijn lot en toestand zal er door verbeteren. En dat hij desniettemin bereid is te blijven leven, is alleen omdat het nooit de vraag mag zijn, of hij wint, maar hoe er de meeste winste zal zijn voor Christus' naam.
Het sterven mij gewin. Wil dat zeggen, dat Paulus zich het stervsn als zoo gemakkelijk voorstelde, en geen kennisse had aan de bitterheid van den dood?
Maar we herinnerden er u immers reeds aan, hoe hij geen ander sterven dan op het schavot, door het geweld van menschenhanden, tegemoet zag; en wat den dood betreft, wie anders dan Paulus noemde hem; den laatsten vijand?
Neen, de man die jubelde; „Het sterven is mij gewinquot;, was volstrekt geen sentimenteel persoon, die er prijs op stelde, dat men ook van hem na zijn dood aan de vrienden berichten zou, dat Paulus, o, zoo zacht en kalm ontslapen was.
Beter dan iemand wist deze wondere man van Tarsen, dat zelfs na het sterven nog de toestand van beroofdheid volgt; dat we dan, gelijk hij het uitdrukt, „ontkleedquot; zullen, zijn; ons lichaam en onze levenswereld zullen missen; en dat dit duren moet tot tijd en wijle de voleinding der eeuwen ingaat, en Christus weerkomt, en Hij cns weer op doet staan in ons verheerlijkt lichaam, om eerst daarna in het rijk der heerlijkheid met Hem als koningen te heerschen eeuwiglijk.
Illusie kende deze geloofsheld niet.
Klaar en nuehteren zag hij in, wat er hij het sterven, in het sterven en na het sterven met hem gebeuren zou.
En toch bleef hij roemen; „Mij is het sterven gewinquot;, omdat zijn leven op aarde zoo vol strijd en bangheid was; omdat het verdriet en de ergernis zoo telkens zijn hart overstelpte; en bovenal omdat
155
hij dan verlost zou zijn van dit lichaam des doods, om eeuwig bij zijn Jezus te wezen.
Ook voor u, als uw ziekenkamer uw kerker wordt en uw einde nabij komt, is het dus zaak, dat ge u klaar en nuehteren voorstelt, wat er, als het laatste ocgenblik komt, met u te gebeuren staat; wat er met u gebeuren zal in het sterven zelf; en waar en hoe ge u bevinden zult, als uw ziel van uw lichaam zal zijn losgescheurd.
In dat sterven blijft ons altoos een bittere drinkbeker te drinken, want het gaat tegen onze natuur in. En het voegt u als kind van God niet, hierover heen te praten, het van u te zetten, of er bloempjes over te strooien. Met dien heiligen moed, die gelijkelijk in het hart van man en vrouw kan uitblinken, moet ge den Dood in bet aangezicht zien, maar den Dood als een overuinneling van uw Heere en Heiland.
En ruste, vrede voor uw innerlijk besef kunt ge in dat aangezicht van den Dood dan eerst hebben, als ge zeker zijt, dat er ook op dezen winter een lente volgt; en voor uzelven en van uzelven weet, dat die Dood voor u geen betaling meer voor uw zonde zal zijn, maar de doorgang tot een eeuwig leven.
Nog te blijven leven kan en mag de bede van uw hart zijn; mits niet voor uzelven; want dat onderstelt altoos, dat ge uw leven nog als verlies beschouwt, en in het blijven leven nog winste ziet. Een teeken, dat ge den strijd en den smaad om Jezus' wil niet kent, en het „eeuwig bij uw Heiland zijnquot; wel hoog voor u staat, maar het toch nog altoos stelt heneden het geluk dat ge nu geniet.
En nu zeg ik niet, dat elk kind van God daarom altoos hier goed in staat. De natuur spreekt sterk. En soms is de sterrenpracht van omhoog voor ons schuilgegaan achter dikke nevelen. Maar in oogen-blikken van klaar en helder geloof moet de ziel toch overgebogen zijn, en het sterven nooit als verlies u bedreigen, maar altoos als winste voor u schitteren.
Slechts tweeërlei kan het sterven doen afbidden. Ten eerste om wat Paulus zegt: „In het vleesch te blijven is noodiger om uwentwilquot;; en ten tweede om wat hij verzekert: nog niet te weten of hij Jezus' naam meer groot kan maken door nog te blijven leven, of door nu reeds te sterven.
Een hoog, zeer hoog standpunt, het is zoo, en toch niet te. hoog, maar het gewone en normale standpunt van het kind van God.
Doch juist dit toont dan ook op ontzettende wijze, hoe diep Gods volk al meer aan het hooge standpunt des geloofs ontzonk; want in der waarheid, in welke ziekenkamer, of op welk sterfbed hoort ge thans nog van zulke overleggingen? Meer nog, hoevele zijn de sterf-
136
bedden, waarvan ge zeggen kunt, dat de naam des Heeren er door wordt grootgemaakt ?
Waarlijk dit wordt niet geklaagd, om laatdunkend op anderen neer te zien, want waar is de man, die deze vraag kan stellen, zonder er zichzelf bij in te sluiten?
l)at komt er van, dat men, zwichtende voor den geest der eeuw, den Dood heett doodgezwegen, en de groote vraag van het sterven ook in de predikatie naar den achtergrond heeft geschoven.
En voorzoover dit altoos spreken van den Dood vroeger veelal geschiedde om de vrouwen in de kerk aan het huilen te brengen, of ook in den egoïstischen zin, om na het sterven maar geborgen te zijn, lag hierin een soberheid die lof verdient.
Maar omdat het kwalijk prediken over het sterven moet afgekeurd, daarom mag het goede prediken over den Dood niet nagelaten.
Telkens, telkens weer moet de Dienst des Woords ons voor de poorten des Doods brengen; niet om eigen baat noch om zelfverheerlijking, maar altoos weer met de bede op de lippen, dat al Gods volk, niet alleen de grijsaards, maar ook de jongelingen en jonge-dochteren, ja, tot onze kinderen toe, ook in hun steroen den naam va)i Christus mogen grootmaken.
XL.
Ket einde van dien man zal vrede zijn.
HEÏ EINDE VAX DIEN MAN WAS VREDE.
Let op don vrome en zie naar den oprechte, want het einde van dien man zal vrede zijn.
Ps. 37 : 37.
Vrede is iets goddelijk heerlijks; want „vredequot; wil niet maar zeggen, dat ge huiten moeite en strijd zijt, maar heel anders, dat er een vijand tegenover u staat of stond, dat die vijand leeft, en dat gevaar n van alle zijden bedreigde, en dat het stond, dat ge onder zoudt gaan, cn dat er nu, zie een hoogere macht tusschenbeide is getreden, en dat uw vijand bf machteloos gemaakt of u tot een vriend is geworden; en dat nu de angst u van de ziel gleed cn de strijd uit heeft, en het gevaar week, en dat er nu voor doodsangst cn voor strijd en zielsbenauwing in de plaats trad een, o, zoo zielverheffend en zielverkwikkend gevoel van ruste cn van vreê.
Wie zeggen kan: ik heb vrede! dat is niet de lafaard die den strijd
L57
uitliep of zich buiten, de worsteling hield. Neen, vrede ia het loon van den overwinnaar, de prijs der dapperheid en der volharding waarmee gestreden is. Vrede, dat wil voor hem, die bijna wegzonk en onderging, bovenal dit eene zeggen: dat God de Heere de zaak voor hem beslist heeft, en hem vrede schonk.
„Vrede op aarde!quot;, dat zongen de engelen Gods dan ook niet in het paradijs, toen de strijd nog niet was uitgebroken, maar „Vrede op aarde!quot;, dat zongen Gods hemelsehe heirseharen bij den bornput van Bethlehem, toen Hij geboren stond te worden, wiens komst tot deze aarde niet was om vrede te brengen, maar het zwaard.
En toen de Zone Gods van zijn jongeren seheidde en hun toeriep; „Vrede laat Ik u, mijnen vrede geef Ik u!quot;, toen was het waarlijk niet, om hun een toekomst te openen, waarin ze op een pad met rozen zouden wandelen, noch ook om zelf reeds de heerlijkheid in te gaan; maar toen ging Hijzelf naar Gethsémané en ging elk zijner apostelen den martelaarsdood tegen; en daarom zei de Heere het er zoo uitdrukkelijk bij: „Niet gelijkenvijs de wereld hem geeft, geef Ik hem u!quot;
En daarom „vredequot;, zoo we naar Gods heilig Woord willen luisteren, heeft niets, volstrekt niets gemeen met het zoetsappig zich buiten den strijd houden, dat zelfs geen „levenquot;, laat staan „vredequot; heeten mag. „Vredequot; is de goddelijke zielsverheffing van hem, die overwonnen heeft. „Vredequot; is op te leven uit den bloesem van wat in den doodelijken strijd aan kracht ontwikkeld is. „Vredequot; is niet meer te strijden, den strijd teboven zijn, en nu te voelen indalen, te voelen instralen in het hart, het zoet, het schoon en het begeerlijke van volzalige harmonie.
Sta naar zulk een vrede onder mensehen!
Tweeërlei kan onder menschen uw vrede, den vrede uwer ziel verstoren; want er kan strijd komen, omdat iemand met wien ge te doen hebt, voor u niet uit den weg wil gaan, maar er kan ook strijd komen, omdat hij niet uit den weg wil voor de waarheid Gods.
Nu, bij die eerste soort van strijd is de keus wat u te doen staat niet moeilijk Dan toch is, zelf uit den weg te gaan, altoos uw plicht. Ook wel de plicht van dien ander, zoodat het heerlijkste is, als ge saam door genade tot die erkenning komende, op een gegeven oogen-blik beiden om het zeerst toegeeft, en de strijd nu niet meer loopt over wie het winnen, maar wie het verliezen mag; maar ook al luistert die ander naar dat vermaan niet, voor u doet dat niets ter zake. Gij moogt nooit uw ziel zoeken te behouden, want eiken keer dat gij dit doet, verliest ge haar. Altoos de minste zijn. Zeventigmaal zeven malen vergeven. He Herder onzer zielen kent geen uitzondering.
Maar heel anders staat het, als de strijd niet gaat om u, maar om
158
Gods waarheid, want dan moogt ge niet toegeven. Niet doen, zooals die laffen doen, die, om vrede te houden, maar over niets spreken, en zich dan, ja waarlijk, nog in hun lafheid inbeelden, dat de zaligspreking der vreedzamen nu wel op hen toepasselijk zal zijn. Neen, voor Gods zake en recht en Woord en waarheid moet altoos gestreden. Niet alleen, niet meest zelfs door afgetrokken bepleiting er van, maar dan bovenal en dan meest, als er in het onderling verkeer, in de opvoeding, in het behandelen van zaken van beroep een korrel van het goud van Gods recht en waarheid zou verdonkerd worden, en wij dat merken, o, dan mogen we niet zwijgen, maar moet er gestreden, en dan is, helaas ja, de vrede, de vrede vooral onder hen die elkaar het naast verwant of het nauwst verbonden zijn, weg.
o. Strijd dan den strijd Gods zuiverlijk; strijd hem oprechtelijk; noem nooit iets een strijd om 's Heeren wille, als het in den verborgen hoek van uw hart toch en eigenlijk weer om uw ik gaat.
Bovenal strijd in den gebede, en al duurt de strijd dan ook lang, wil, begeer, aanvaard nooit een anderen vrede dan zulk eenen, waardoor uw broeder gewonnen wordt en de zake Gods triomfeert.
Sta naar dien vrede met uzelven.
Elk hart, dat leeft, moet beginnen met in twist met zichzelven te staan.
Want wel is er verschil van karakter, en gaat de golfslag van het ontrust gemoed bij den een hooger dan bij den ander, maar toch, een stilstaand moeras is het mensehenhart alleen bij hem, die verloren gaat, en bij elk kind van God slaat er altoos de wind van boven, de adem des Geestes in, om de wateren zijner ziel op te stuwen, en die adem des Geestes gunt hem geen rust.
.long voelt men dat het best, zij het ook nog niet het scherpst. Wie nog jong is, vindt het natuurlijk, dat hij den vrede nog niet vond. Maar, en zie hier meest de feil van het jeugdig gemoed, men stelt zich dan voor, dat na een strijd van zeg eens zeven lange jaren die worsteling dan ook uit zal hebben en het ideaal van den vollen vrede zal zijn bereikt.
En dat stuit dan op teleurstelling. Want wie scherp toeziet op zijn ziele bevindt, dat hij eer achteruitgaat dan vooruit. Niet werkelijk, maar doordien zijn leven zich uitzet en de verleiding toeneemt. Ea dan werpen de meesten het op een vergelijk. Strijdensmoê zoeken ze tot een schikking met zichzelven te geraken. Ze laten hun eens zoo heerlijk ideaal wat zakken; ze vinden nu toch ook, dat men iets aan de wereld moet toegeven; en zoo blusschen ze dan hun vuren uit, en gaan stil voor anker liggen.
En dat heet dan vrede met zichzelven.
o, Wel hem, die nooit, die ook niet maar een oogenblik, door zoo valschen vrede voor zijn eigen ziele wierd bekoord.
159
Het psalmlied kent daarom ook een. anderen toon.
Bijna altoos de strijdzang: „Werk zoolang liet dag is, want de nacht komt waarin niemand werken kanquot;, en aan den eindpaal eerst komt de zielverzadigende verversching van het; „God kroont met vree het einde zijner knechtenquot;.
Niet dat er niet reeds in het midden des levens een deel des vredes in de ziel van Gods kind zou dalen.
Natuurlijk, de eerste, woeste, wilde strijd, of hij voor Satan of voor God zal zijn, neen, dat gaat niet door tot aan ons sterven. Die wordt lang vooruit beslecht. En na bange zielsbenauwing komt er dsin in zooverre wel terdege vrede, vrede nu reeds, vrede hier reeds op aarde, dat onze ziel vast en verzekerd staat, en het ook weet, dat Satan zelf haar nooit eu in der eeuwigheid niet meer uit de hand des Vaders kan rukken.
Meer nog, deelen van dien vrede geeft de Heere ook buitendien soms aan zijn gekochten te smaken, als er kanten aan hun karakter, en zondige neigingen in hun ziel zijn, en strijden om hen heen woeden, waarbij en waarin ze een tijdlang maar steeds onderlagen, en hoe ze ook zwoegden in den nood en den dood hunner ziele, maar niet konden komen, waar ze toch wel wisten dat ze moesten zijn. Want, ja, ook in zulke worstelingen geeft de Heere hier op aarde reeds de victorie, en na de overwinning vrede, dat de ziel juichen mag; „Ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop voleindigd, voorts is mij weggelegd de kroon!quot;
Maar de vrede, de volstrekte, de volzalige vrede, neen, die komt pas aan het eind. Niet als men oud wordt, cn zelfs nog niet als men sterven gaat, maar eerst als men sterft, en als dan het einde vrede mag zijn.
Want dit staat vast: Zoolang we in dit lichaam des doods zijn en in deze wereld der zonde verkeeren, is het nog de volkomene verlossing en is het nog de hemelsche teederheid niet. Dan mag het booze ik sluimeren, zonder sterk te woelen, maar het leeft toch nog altoos, en de vrede, o, als die u overkomen zal, dan mag er niets, niets meer aan den eeuwigen vrede ontbreken, o, dan moet het zoo heilig vlak en zuiver als het waterpas liggen tusschen u en dien heerlijken, heiligen, driemaal heiligen God.
Daarom is die hoogste, die rijkste, die volle vrede, die aan het einde komt, dan ook geen loon, maar een kroon.
Genade schenkt ze ons.
Schenkt ze soms aan een jong kind, om ze een ouden man te onthouden.
Maar toch, hoe vrijmachtig Gods genade ook zij, met dien vrede kroont Hij toch „de zondarenquot; in het einde niet.
Die zullen vergaan, maar de gezalfden des Heeren zullen staande blijven.
160
En dan heeft de strijd uit, en. uit de moeite, en de inzinking, en het schaamrood worden.
En dan komt de vrede.
De vrede des Eeuwigen om eeuwiglijk te regeeren.
o. Zij hij in die bange ure, broeders, ons aller zalig deel.
\ LI.
Heden met Mij in het faradijs.
IS HIJ BEHOUDEN?
En Jezus zeide tot hem : Voorwaar zeg Ik u, lieden zult gij met Mij in het Paradijs zijn.
Luk. 23 : 43.
Vooral wanneer do dood in de vensteren onzer woning poogt in te klimmen, en de vreeze ontroert, of het met onzen kranke niet op sterven gaat, voelden we soms zoo somber-ernstig de vraag op onze ziel werpen: Zal hij behouden zijn?
Er zijn er. God zij lof, die we uit onzen kring zien wegsterven, zonder dat die bange vraag ons ook maar een oogenblik verontrust. Broeders en zusters, van wier persoon, uit wier woord en door wier geheele versehijning we zoo machtigen indruk ontvingen van een Ahha Vader, hetwelk hun niet vreemd kon zijn, dat hun uitgang wel een ingang in de zaligheid moest wezen.
Want wel is ons menschelijk oordeel altoos feilbaar, en kan ons geestelijk inzicht zich bij den beste bedriegen; maar, mits ons oordeel niet op zwakke indrukken, doch op ernstig onderzoek rust, hebben we ons daarbij niet op te houden. Niet wij zitten in de vierschaar. God is rechter; en voor ons is het reeds heerlijk, zoo we, staande bij de stervenssponde onzer lieve kranken, geen zielsangst voor hun eeuwige behoudenis; zoo we, weenende op hun graf, geen bekommering over hun zielezaligheid door het felbewogen hart voelen vlijmen.
Wees daarom niet angstvallig noch zwartgallig, en zoo ge uit uw omgang van vroeger en door uw verkeer in gezonder dagen een blijden indruk ontvingt, dat de trekken van het kindschap doorschitterden; bezwaar dan uw ziel niet met somberheden, die geen grond hebben, maar dank veeleer uw God, dat Hij uw kranke insloot in het bundelken der levenden.
Niet de geestelijke toestand onder neerdrukkende pijnen beslistbet hangt alleen van den geestelijken staat af.
161
En al komt er in benauwdheid en doodsstrijd dan ook nog zooveel bestrijding, ja al schijnt alles weg te zijn, nooit mag daarnaar het lot voor eeuwig afgemeten.
Want, zeker, het is iets, o, zoo heerlijks, als er een rijk, een getuigend, een jubelend, een bijna profetisch sterfbed zijn mag.
Maar ook zulk een triomfantelijk en vertroostend sterfbed is louter genade, en ook in het verleenen van deze genade blijft de God van alle ontferming vrij.
Het inhalen op het sterfbed van wat in dagen van kracht en welstand zoo roekeloos verzuimd is, gelukt dan ook bijna nooit.
Schijn bedriegt hier.
Want wel zijn er lang niet zoo weinigen, die onder de schaduwen des doods tot doorbreking, tot ruimte en tot geestelijke versmelting komen; maar bij verreweg de meesten raakte dit alleen de geloofs-verzekerdheid.
Ze hadden reeds lang het spel voor ernst uitgeruild. Dorst naar de gerechtigheid brandde hun, o, zoo lang reeds op de lippen. Buiten den Heiland wilden ze niet. Alleen maar, ze bleven over de toeëige-ning onzeker, en hun ontbrak de vreugde des persoonlijken geloofs. Niet het geloof, maar de vreugde er van. Ze zochten de zekerheid langs een weg, die er niet toe leidt, en ze zagen voorbij, dat de zekerheid tot de nutuur zelve van het geloof behoort, en daarom alleen uit het geloof zelf opkiemt in het verbrijzeld hart.
En is men eenmaal in deze stroomen van twijfelingen en bekommernissen meegesleept, en leeft men in een omgeving, die deze slingeriagen aanmoedigt, en hoort men een prediking, die er geen bestier voor geeft, ja, dan blijft het bij deze kinderen Gods soms tot in hun laatste dagen een angstig vragen, en breekt lang niet zoo zelden eerst kort voor het sterven het volle licht door in hun ziel.
Niet alsof eerst op dat late oogenblik de eerste genade aan hen besteed werd. Die genade werkte reeds lange jaren.
Maar nu eerst vallen de schellen van de oogen, en zien zij het licht.
Voor het overige daarentegen heerscht er bij maar al te veel sterfbedden een doffe, geestelooze toon, en staat er op, o, zoo menig graf een zielaangrijpend vraagteeken.
Wat was dit sterven? Een ingang in het eeuwige leven, of een voor eeuwig verzinken in de banden der helle en des doods?
Dit maakt het dan ook zoo verklaarbaar, dat men, vooral als de geneesmeester zegt dat er geen hope meer is, nog zoo vaak een laatste poging aanwendt, om den stervende tot zijn Heiland te roepen.
II
162
En dit moet ook. En mits het uit drang van heilige liefde en niet uit harde hooghartigheid geschiedt, is dit altoos prijslijk.
Soms droeg het ook vrucht.
Alleen maar, zulk vermaan aan de stervenden droeg zoo dikwijls het karakter van inhaling van verzuim.
Een moeder, die in gezonde dagen haar man, haar kind geestelijk maar in hel wild had laten groeien; die zelfs in de eerste dagen der ziekte, toen er nog geen gevaar was, alleen over koetjes en kalfjes had gesproken; en nu, in het uiterste oogenblik, door den naderenden doodsstrijd opgeschrikt, zich plotseling herinnert, dat ook haar man, haar kind een ziel voor eeuwig te verliezen heeft, en nu waant de schade van vroeger door een dringend woord te kunnen inhalen.
En dit nu baat meestal niets.
Omdat ze er de kunst niet van verstaat; omdat de arme lijder reeds te ver weg en te beneveld is; en ook omdat God aan zulk doen geen zegen heeft toegezegd.
Maar wel gaat van zulk pogen der wanhoop een kreet der consciëntie aan alle levenden uit: Nu nog, in den welaangenamen tijd, in het heden der genade, bedenk voor uzelven, en bedenk voor uw lievelingen, wat tot uwen eeuwigen vrede dient.
En vraagt ge, of we dan, als een onzer lieven wegstierf, zonder ons vóór zijn sterven een teeken van geestelijk leven te geven, het oordeel hebben te vellen, dat wie heenging verloren is — dan luidt het antwoord: Gij hebt niet te oordeelen. Die de levenden en de dooden oordeelt, is de Heere.
Ge moogt dus niet zeggen: „Hij zal toch wel zalig wezen.quot; Waar geen grond bleek, hebt ge geen grond. En althans in deze heilige zaak van zoo ontzettenden ernst zult ge niet liegen.
Is niets van het kindschap in den gestorvene door u ontdekt, dan mist ge ook elk recht, om te zeggen, dat God hem toch wel genadig zal zijn.
En ook moogt ge voor den gestorvene niet meer bidden, of God hem alsnog genadig wil zijn; want al heeft het woord van den Prediker „zooals de boom valt, blijft hij liggenquot; een eenigszins anderen zin, toch is de gedachte, die het vrome volk hierin uitspreekt, volle waarheid.
Aan deze zijde van het graf moet het leven in de ziel en het licht in het zielsoog er zijn, of het komt er niet.
Aan de overzijde van het graf is er geen plaats meer voor bekeering.
Denk slechts aan den rijken man in de gelijkenis.
„Tussehen u en ons is een diepe klove, zoodat wie over wilde komen, niet zou kunnen.quot;
163
Maar, en hier dient nadruk op gelegd, ge moogt evenmin zeggen; „Hij is verloren,quot; want ook dat weet ge niet.
Toon Calvijn hoorde van den fauatieken moordenaar, die den hertog de Guise had overhoop gestoken, zei hij: „Niemand weet of God nog niet in zijn doodsgil den hertog genadig is geweest.quot;
Gods vrijmacht zult ge niet verkorten.
Genade ten leven instorten is een werk van een ondeelbaar oogen-blik, en gij kunt nooit zeggen, wat het God belieft nog in zulk een laatste oogenblik, nog in den jongsten snik aan den stervende te doen.
Ge moogt niet zeggen, dat het zoo is. Ge mist zelfs allen grond der hope, om er op te rusten. Maar de mogelijkheid blijft, en dit reeds stuit de wanhoop.
Bij alle kinderen Gods is het sterven een afsterven van de zonde-, en wie merkt er iets van, dat God in het sterven dit afsnijden van alle zonde en dit voltooien der heiligmaking tot stand brengt?
Van Gods verborgen werking in de ziele merken we later, als de vrucht er van uitkomt; maar als de Heilige Geest het inwendig verborgen werk volvoert, is het voor ons een geheimenis.
Ge hebt dus geen oordeel te vellen. Niet te roemen in een zaligheid, waar ge niet van weet. TJ niet te sussen met een algemeen praatje zonder ernst. Noch ook van een hope te gewagen, waar ge geen grond voor hebt.
Ge hebt het aan God over te geven, en dankbaar de ynoyclijkheid te erkennen, dat er nog genade kan gewekt zijn.
Het „Heden zult gij met mij in het Paradijs zijnquot; kwam ook immers onverwacht.
Jezus' discipelen zijn op de vlucht geslagen. Judas heeft Hem verraden. Petrus Hem verloochend. Enkel Johannes is bij het kruis gezien. Alleen een paar vrouwen volhardden in haar liefde. En terwijl alle deze kinderen Gods sidderen en beven en zondigen, is het die moordenaar aan het kruis, voor wien Jezus de deur van het Paradijs ontsluit.
Zoo heeft Jezus nog in het sterven op het vloekhout aan onze stervenden gedacht, en door dat aangrijpende woord.tot den kruiseling in zijn doodsangsten, aan zoo duizend en nogmaals duizend zielen, die in hun sterven wanhoopten, nog in dat sterven zelf den moed en de hope der behoudenisae hergeven.
o, In het sterven valt zelfs de beste vroomheid weg, en komt onze ziele zoo naakt en in haar schaamte voor haar God te staan. De afstand tusschen den moordenaar en een lief kind Gods als Johannes krimpt in de ure van het sterven zoo in.
164
Het wordt dan zoo enkel genade. Zoo niets dan een „Heere Jezus, ontvang mijn ziel!quot;
En daarom zie ia dagen van zoo somberen ernst niet op uw stervende, zie niet op uw doode, blijf niet op zijn grafsteen staren, maar staar eeniglijk op de genade uws Heeren, zoo vrijmachtig, zoo goddelijk ontfermend en zoo rijk.
EEN BLOEM DES VELDS.
De dagen des menschen zijn als he'; gras; gelijk eene bloem des velds, alzoo bloeit hij.
Ps. 103 : 15.
Onze warme sympathie voor de wereld der bloemen is geen uitvinding van ons eigen hart. God zelf schiep die bloemen voor ons, en ons zóó, dat we die bloemen genieten, op die bloemen betrekking gevoelen, en ook de taal dier bloemen verstaan konden.
Want ja, die bloemen spreken ons toe met een sprake, die God in haar gelegd heeft, en in schoone vormen, onder weelderige geuren, in tinten die het oog verrukken, vertolken ze ons, kinderen der menschen, den gang van ons eigen levenslot.
De Schrift wordt daarom nooit moede, om altoos weer op die wereld der bloemen te wijzen. Ge weet wat ze u van de lelie onder de doornen, en van de roos van Saron verhaalt. Uit de bergrede kent ge Jezus' aandoenlijke heenwijzing naar de leliën des velds, schooner door God bekleed, dan Salomo ooit bekleed was in al zijn heerlijkheid. En ook weet ge niet minder, hoe de Schrift u telkens en telkens weer op het gras en op de „bloemen des veldsquot; wijst, om u te herinneren aan de vergankelijkheid van uw menschelijk aanzijn.
Vooral in het Oosten, waar het God beliefde de Schrift te laten ontstaan, is die veldbloem zoo ongelooflijk ijl en vluchtig. Als dooreen wondergroei schiet ze bij het warme klimaat snel uit den vruchtbaren bodem temidden der grasscheutkens uit. Opeens ziet ge een veld, dat gisteren nog groen van enkel gras was, vroolijk gesierd met duizend bloemkens, die heur gele en blauwe en roode kelken ont-
165
plooiden. Maar even snel kan al die pracht weer weg zijn. Als ook maar een halven dag de verzengende woestijnwind er over is gegaan, ligt al het gras verdord, en temidden van dat verdorde gras zijn dan die duizend verwelkte veldbloemkens ternauwernood meer vindbaar.
En met het oog daarop nu zegt de psalmist zoo schoon, dat ook uw leven aan het leven van die veldbloem in het gras niet ongelijk is.
„De dagen des menschen zijn als het gras, gelijk een veldbloem, alzoo bloeit hij; maar als even de wind daarover is gegaan, zoo is zij niet meer, en hare plaatse kent haar niet meer.quot;
Vooral bij het zoo gedurig heensterven van zooveel kleine lievelingen spreekt die veldbloem u zoo aangrijpend toe, en nooit beter dan bij het graf dier kleinen verstaat ge dat stil verdwijnen, als het spoorloos wegraken van de veldbloem in het gras.
quot;Volwassen personen maken in hun sterven op ons een anderen indruk. Ze hadden meer wortel geschoten. Lange jaren hadden ze bij en met ons overwinterd en overzomerd. Hun persoon en karakter had vaster vormen aangenomen. Ze besloegen een breeder plaats. En als ze dan eindelijk ons verlieten, ontvingen we meer den indruk van een stam die geveld werd, dan van een veldbloem, die knakte aan haar steel en opeens weg was.
Maar als God de Heere de kinderkens oproept, om tot Hem te komen, is dan niet die veldbloem, die even bloeide en toen zoo stil verdween, de roerend juiste uitdrukking voor wat ge waarnaamt?
In dat kleine, jonge leven was nog zoo weinig stam, was nog alles zoo bloem. Nog geen bloem op hoogen stengel, maar een veldbloem in het gras. verscholen en even zijn kleurig kopje boven dat gras uitstekend. En nu kwam de wind uit de woestijn, de wind, die den adem des doods in zich droeg. En onder die aanraking bezweek het. Het kopje boog; de kleuren verbleekten, de onvaste vormen versmolten. En zoo verdween het; om niet dan een zwevend beeld, en om dat zwevend beeld spelende herinneringen achter te laten. Herinneringen slechts in kleiner kring heilig, maar waar de wereld niet van weet, omdat een zoo jong kind in die wereld zich nog geen plaats veroveren kon.
Zoo was het een komen, om te gaan; een verschijnen, om te verdwijnen. En zoo sterven ze bij honderden en bij duizenden henen, die kleine lievelingen, bij God gekend, maar bij menschen ongemerkt voorbijgegaan.
Veldbloemkens, die God gezaaid had, en die Gods engelen weer wegplukten.
Voor hier waren ze niet.
God had ze bestemd als sieraad voor zijn heiligen hemel.
166
Dat sterven dier kleinen is daarom zoo zinrijk; en ge mist zooveel, zoo ge over hun geheimzinnig verdwijnen heenglijdt.
Als een groot menseh heengaat, is er altoos zooveel over dien tnenxch te zeggen, dat er op Gods doen bijna niet gelet wordt; maar bij het sterfbed en bij het graf van een kindeke is Gods doen zoo het één en al.
Dat kindeke had nog nauwelijks reden van bestaan, anders dan in wat God met hem voorhad; en van dat plan Gods met zulk een kind wist ge nauwelijks iets, en weet ge nog, o, zoo weinig. Het was u als een boek waarvan ge de eerste tien bladzijden leesdet; en toen wierd het xi uit de handen genomen. En al het overige blijft u voor altoos een diepe verborgenheid.
Ook hebt ge bij zulk een kindeke geen kenteekenen, waarnaar ge zijn vroomheid afmeet, om uit die vroomheid tot zijn deel aan Gods genade te besluiten, en zoo uw hope te stellen op wat voor oogen was. Want ook in het zieleleven was hier alles even raadselaehtig. Dat kindeke kon nog zoo weinig doen. Alles wat er gedaan wretd in en aan dat schuilend zieleleven, dat deed God.
Dat kindeke was om zijn jaren nog zoo volkomen lijdelijk, en een genadewerk kon er nog alleen van Gods zijde wezen.
Een enkel straaltje van hooger licht mocht soms doorbreken. Een teeder kinderlijk woord moge u zoet in de herinnering naklinken. Maar toch, dat alles had te wyeinig vastheid, om er op te bouwen. Waar ge bij zulk een kindeke op bouwt, is alleen wat God van deze kleinen sprak; wat u zeegnend en vertroostend toespreekt, is zijn heilige en heerlijke belofte; wat u als gebeurtenis uit het verleden rust in de ziel stort, is zijn heilige Doop.
Want immers in dien Doop zei Hij u, dat geen kind zoo jong kan wegsterven, dat het te jong zou geweest zijn, om door Hem met genade bewerkt te worden.
Of gij, die ouder in jaren zijt, wat meer gelezen en gehoord en geweten hebt, doet er niets toe.
Gods genadewerk is niet van uw verstandelijke ontwikkeling afhankelijk; en het veldbloemke, dat nauwelijks ontlook om weer te verwelken, was evengoed door den dauw des hemels nat gemaakt als de ceder en de palmboom, die nog de stormen weerstaan.
Een kind van God vertoeft daarom zoo willig met zijn peinzen bij het sterven van die kleine lievelingen, omdat vooral bij hun wegsterven en bij hun grafstee God de Heere zoo groot is.
Er is in zijn doen met die kleinen zulk een sprakelooze majesteit.
Wij meenden ze te kennen, maar begrepen bijna nog niets van hen, terwijl God heel het wezen van die kleinen doorzag en kende, ken-
167
nende al de kiemen, die voor een eeuwigen grroei door Hemzelven in hun ziel waren ingeschapen.
Denk u dat een Abraham of een Jesaia, een Paulus of een Johannes als kleine knaapkens waren weggestorven, dan zou de wereld nooit van verre vermoed hebben, wat er in hen wegstierf. Maar God zou het hebben gezien, en gewaakt hebben, dat ook bij hun heengaan niets teloor ging wat eeuwige waardij bezat.
En daarom is het zoo hinderlijk dwaas van ons, te wanen, dat alleen zij, die belangrijke personen op aarde zijn geworden, ook in den hemel groot zullen zijn, en alsof die millioenen kleinen, die jong wegsterven, nauwelijks meê zullen rekenen.
Waarom zou God ook onder die kleinen niet zijn keurgeesten, niet zijn uitverkoren instrumenten kunnen hebben?
Met ons waren ze in zonde ontvangen en geboren; natuurlijk. Ze waren dood als wij, en kunnen geen leven hebben dan door wedergeboorte, geen zoen dan ia Christusquot; bloed.
Maar wat hebben ze niet voor, dat de afsterving der zonde bij hen reeds zoo vroeg kwam, en dat die harde, wreede ontwikkeling van eigen boezemzonde, waar Gods kinderen vaak zoo onder gebukt gaan, hun bijna geheel gespaard bleef!
Wat gaat onze ontwikkeling in de kennisse Gods niet langzaam, terwijl voor hen plotseling en opeens in den dood het volle licht opging.
Waarom God de eéne helft van zijn menschenkinderen zoo vroeg wegroept, we weten het niet. Wat de oorzaak is, dat Hij de eene helft van zijn uitverkorenen zoo heel anders tot de zaligheid leidt dan de wederhelft, die op aarde achterblijft, het is een vraag, die zich telkens weer aan ons opdringt, maar waarop God niet antwoordt.
Hij, de Heere, blijft de vrijmachtige, de souvereinc God, die niet alleen met ons, maar ook met onze kinderen doet naar zijn welbehagen.
Maar hoe verscheiden ook ons lot en het hunne zij, toch bestaat er tusschen hun zielsbestaan en het leven onzer eigen ziel verband.
Niet bij ieder kind dat jong sterft is sprake van zaligheid. Zonder den diepen wortel der uitverkiezing kan er geen zaligheid bloeien, zoomin bij ons als bij onze gedoopte kinderen. En zoo zijn het dan alleen de geloovige ouders, van wie gezegd is, dat ze niet twijfelen zullen aan de zaligheid hunner kinderen, die God vroeg uit dit leven wegroept.
Geen sentiment, geen aandoenlijke gevoelsbeweging, het geloof alleen blijft dus ook hier het uitgangspunt.
Wie gelooft, d. w. z. wie door een drijfkracht, die uit den wortel van zijn zielsleven opkomt, persoonlijk met het eeuwige Wezen, door den Middelaar, gemeenschap oefent, die kan in dit geloof ook zijn jong gestorven kind niet loslaten, maar vindt in zijn God krachten,
168
en bij zijn God wegen, en in zijn Woord licht, en bij zijn Geest zalige vertroosting, om ook op het graf van wat zijn eigen vleesch en been was, tegen den dood in te roemen, en, met zijn zaad in Jezus geborgen, te rusten in de majesteit zijns Gods.
XL1II.
Kij verbindt ze in hunne smarten.
DE HEERE VERBINDT UW SMARTE.
Hij geneest de gebrokenen van hart, en Hij verbindt ze in hunne smarten.
Ps. 147 : 3.
„Zingt den Heere bij beurte met dankzegging; psalmzingt onzen God op de harp,quot; want, zoo getuigt de Heilige Geest door den psalmist, „want onze Heere is groot.quot;
En wat zijn nu de vier dingen, waarin die grootheid onzes Gods het sterkst blinkt?
Ten eerste daarin, dat Hij Jeruzalem bouwt. Dat is en blijft altoos het hoogste kunstwerk. Dan komt zijn majesteit er zoo machtig in uit, dat Hij het getal der sterren telt en ze alle kent bij name. Ten derde spreekt zijn grootheid in zijn strijd tegen de goddeloozen en in den steun dien Hij het vrome volk biedt. Maar dan ook ten vierde is onze God daarin zoo aanbiddelijk groot, „dat Hij de gebrokenen van harte geneest en ze verbindt in hunne smarten.quot;
Onze God wil altoos gedankt en geprezen zijn.
Niet alleen in oogenblikken van rijke blijdschap; maar ook gedankt en geprezen door die lippen, die Hijzelf vastklemt in rouwe, en uit dat hart, dat Hijzelf zoo diep wondt.
Ook dan blijft de lof betamelijk, omdat diezelfde God, die wondt, ook dan liefderijk is.
Eerst perst dan de bittere droefheid het toegenepen hart wel tot droef gejammer en geklag; maar in dat klagen ligt altoos iets zondigs.
Tegen God mag nooit geklaagd; Hij moet altoos grootgemaakt en geprezen worden.
Geprezen en gedankt zóó, dat ge ook in uw diepste smart voelt uw
169
God lief te hebben, omdat ge ervaart hoe Hij ook in die bangheid van hart u eerst liefheeft.
Geen redeneeren dus; geen uzelf aanpreeken met woorden; maar merken hoe teederlijk lief God u in uw smarte heeft, en daarom de hand kussen, niet die slaat — dat kunt ge niet — maar die sloeg, en nu zoo goddelijk ontfermend u verbindt in uw smarte.
Niet alsof een ander sloeg, en dat God u nu komt verbinden. Dat zou u eindelooze onrust baren, en daar gaat de Schrift dan ook vlak tegen in. Het staat er zoo duidelijk: „De Heere doet smarte aan en Hij verbindt De Heere doorwondt, en zijne handen heelen.quot; Zoo sterk drijft de Heilige Geest dit, dat ons onderwezen wordt, hoe als er een wegsterft uit den kring onzer huislijke weelde het de Heere is, die doodt.
Wie dat niet aandurft, en dat niet klaar inziet, kan het zoet niet smaken, om innerlijk in zijn zielsweeën door zijn God verbonden te worden.
Iets hiervan kan, bij manier van vergelijking, het kind van een heelmeester op aarde ervaren, zoo dat kind door zijn eigen vader, omdat het moest, o, zoo pijnlijk geopereerd werd. Maar nu is de operatie dan ook ten einde. Het mes, waaraan zijn bloed kleeft, wordt terzijde gelegd. En nu komt diezelfde vader, niet meer met het mes maar met pluksel en met balsem in de handen, en hijzelf verbindt met een traan in het oog en met een teedere zorge, die zichzelve overtreft, de diepe wonde, die hij zooeven met die eigen hand, omdat het moest, in het vleesch van zijn kind zoo diep insneed.
Zeker, het beeld is zwak. Bij wien toch zoudt ge God vergelijken? Maar, hoe zwak ook, het zegt u toch iets van wat uw God doet.
Hij tastte door; Hij sneed diep in; omdat het moest. Hij wondde niet alleen, maar Hij doorwondde. Iets minder diep, zou de wonde doellooze, nuttelooze smart zijn geweest. Op een haar af wist uw Vader in de hemelen, hoe diep de insnijding in uw ziel gaan moest.
Maar zie, niet zóó is die pijnlijke operatie afgeloopen, of het heiüg pluksel en de goddelijke balsem liggen reeds gereed; en diezelfde goddelijke hand, die u zoo diep doorwondde, keert zich nu tot u in goddelijk mededoogen, en Hijzelf verbindt u in uw smarte.
Hijeelf.
Niet alsof ook menschelijke deernis niet verzachtend op de wonde van uw hart zou werken. Eeeds elk medegevoel van wie maar mensch
170
is verkwikt. En als Gofl u dan een broeder beschikt, die u verstaat; die even diep leeft als ge zelf leeft; of ook een, die leed gelijk gij leedt, en met de ervaring van zijn eigen hart tot uw hart komt, o, dan kan reeds die menschelijke vertroosting zoo zacht en zoo weldadig aandoen.
Mits, en dat hoort er bij, dat ge inziet en merkt, hoe het God is, die dat broederhart voor u ontsloot, het de teederheid voor u ingaf, en het bezielde met een woord, dat Hij voor u bestemd had.
Ja, eigenlijk moet gezegd, dat zulk een menschelijke vertroosting er dan pas bij n ingaat, als wie n troost het niet zelf wil doen, maar zich door God, en tot zijn eere, gebruiken laat, om u te troosten
Zoo bezien, is het dus reeds in die menschelijke vertroosting uw God, die u ter Imlpe komt, en n dat toebeschikte.
Maar hierbij laat Hij het niet.
Hij is geen God van verre, die dat stille werk der vertroosting aan anderen overlaat, maar Hij komt zelf.
o. Wanneer ooit meer dan in zulke oogenblikken was uw God u nabij; vlak bij u; in uw verborgen woning; ingaande tot binnen in uw hart; en wanneer ooit sterker dan in zulk een worsteling hebt ge dien Heiligen Geest daarbinnen voelen ritselen, biddende mei u en biddende voor u met onuitsprekelijke verzuchtingen ?
Hij verbindt ze in hunne smarten.
Zoo getuigt het Woord het, en zoo is het eeuw in eeuw uit ervaren door Gods heiligen.
Want Gods heiligen hebben in zoo bange dagen zooveel voor.
Niet alsof die barmhartige Vader, die zijn zon doet opgaan over boozen en goeden, niet ook die andere kinderen der menschen met genade tehulpe zou komen; maar zij merkten het zoo niet. Zij smaken het zoet en het zalig er niet van. Ze zijn ook in de dagen van hun smart en van hun rouw zoo arm.
Maar Gods kind is zoo rijk.
Dan ligt, wie gelooft, daar neder, en zijn wonde, de wonde van zijn hart, bloedt zoo bang. Het doet zoo pijn vanbinnen. Het geloof maakt fijngevoelig; en in zooverre wordt door het geloof het lijden verzwaard. Ook merkt Gods kind dan zijn machteloosheid wel. Alles stormt op hem aan. He consciëntie drijft dan zoo sterk vanbinnen. Heel zijn wezen wordt ontzet. Maar, en dat is het heerlijke, temidden van dien sehreienden weedom des harten merkt Hij ook, hoe zijn God bemoeienis met hem heeft.
En als zijn God dan tot hem komt, en hij leest in het Taderoog van zijn God die diepe, goddelijke uitdrukking van onuitsprekelijke ontferming, dan trekt er iets door zijn ziel, dat heel zijn wezen in
171
genade opheft, en hij ziet, hij merkt het, hoe lief zijn God hem heeft; en dat te merken, is vertroostino'; dat stilt de pijn.
Eu toch, daarbij hu t de Heere het niet.
Hij ziet u in zulke oogenblikken niet alleen met den blik van zijn goddelijk mededoogen zoo vertroostend aan, maar Hij komt ook met zijn almachtige hand om u te verbinden in uw smarten.
Hij, die de wonde niet alleen vanbuiten beziet, maar ze doorziet tot op den wortel van uw zieleleven; ja, die ze nog dieper peilt dan gijzelf ze peilt; en, om het zoo uit te drukken, nog dieper dan gij zelf weet, wat er ook voor de toekomst in die wonde van uw hart aan gemis, aan rouwe en aan zielesmarle schuilt.
En dan gaat Hij die wonde verbiuden.
Dan spant Hij de zenuwen in u los, en gunt u de genade, dat ge weenen, en toch ook weer in uw tranen u beheerschen kunt.
Dan ondervangt Hij in het verborgene van uw wezen uw hart, en stelpt dat bloeden, en stuit die uitstraling van vlijmende pijn.
Dan legt Hij zijn heiligen balsem aan, dat het niet meer zoo schrijne, en overdekt uw wonde, opdat de gevoeligheid niet boven uw kracht ga.
Ja, dan omwoelt en omwindt Hij u in de ziel met zachte genadewerkingen, tot eindelijk de wonde in haar pijnlijke werking getemperd zij.
En als dan het goddelijke verband ongemerkt is aangelegd, dan gaat Hij niet weg, maar blijft bij u, en reikt u den beker van het vocht des levens, en prikkelt weer de heerlijke werking van uw geloof.
Zijn Jezus brengt Hij u dan rijk en heerlijk voor de ziel. Niet om u af te leiden, maar om u te leeren, hoe in het werk van uw Heiland ook op zulke toestanden gerekend is.
Dat diepe, goddelijke kruis van Golgotha, waar heel de wereld van uw hart in wegzinkt, en waaruit het altoos weer verzoend en verrijkt opkomt.
o, Uw God is zoo God; de Heere is zoo liefelijk. Ja, wel waarlijk is de lof ook in zulke dagen betamelijk.
En als dan de wonde van uw hart door uw God verbonden is en ge ligt daar neder onder de schaduw van zijn teedere Vaderzorg, neen, dan kost het niet meer, en dan hebt ge u geen geweld meer aan te doen; maar dan gaat het zoo innig dankbaar en zoo van harte, om uw God voor zijn teedere ontferming te danken; en als er dan zijn, die met u lijden, ja waarlijk, dan wordt het een zingen bij beurte met dankzegging; want dan heeft uw God u in en door uw smarte verrijkt.
172
XLTV.
ONZE TRANEN.
En Jezus uitgaande, zag eene groote schare, en werd innerlijk met ontferming over hen bewogen, en genas hunne kranken.
Matth. 14 : 14.
Ook onze Heiland heeft telkens oogenblikken gekend, waarin sterke aandoeningen dreigden Hem te overmeesteren.
We lezen gedurig, dat Hij bij den aanblik van onze menschelijke ellende innerlijk bewogen en ontroerd werd. Soms zelfs voegen de Evangelisten er bij, dat Hij zeer bewogen en sterk ontroerd werd; bewogen met ontferming; bewogen met barmhartigheid; zeer bewogen in den geest, gelijk bij Lazarus' graf, of ook ontroerd in den geest, gelijk bij de aankondiging van het verraad; totdat dan eindelijk ook Hem de aandoening te machtig werd, om ze innerlijk te smoren, en ook Jezus ze een uitweg gaf in den traan, die aan zijn oog ontgleed.
Ook Jezus heeft geweend. Geweend bij Lazarus' graf; geweend over Jeruzalems onwil om zich tot haar God te bekeeren. En niet het minst in dat weenen kwam het uit, hoe fel ook Hij innerlijk geschokt en ontroerd kon zijn.
Ja, het diepst van allen is Jezus innerlijk aangegrepen, geheel verschrikt en ontzet geweest, toen Hij in Gethsemané satanische aanvechting onderging en Hij zich nederbukte onder den last onzer schuld en onzer zonden, tot het angstzweet Hem uitbrak en Gods engel Hem ondersteunen moest.
Ook dat toch was een geweldige, innerlijke aandoening van geheel zijn wezen, waarvan Hijzelf in den angst der verschrikking aan zijn jongeren klaagde: „Mijn ziele is geheel bedroefd tot den dood toe.quot;
Het voorbeeld van Jezus toont dus, hoe zulke aandoeningen van ons hart haar recht van menschelijk bestaan hebben; dat onaandoenlijkheid geen deugd; dat verstomping van ons gevoel geen gelcofs-vrucht is; en dat koel te blijven in de aangrijpendste oogenblikken van ons leven, een gemoedsgesteldheid verraadt, die bij de stoïcijnsche wijsgecren, maar niet bij Gods kinderen thuishoort.
Het bekend verhaal, alsof een engel Gods den mensch na zijn. val den traan uit den hemel als een goddelijke vertroosting zou gebracht
173
hebben, is natuurlijk niets dan een dichterlijke verzinning; maar een verzinning, waar dan toch waarheid aan ten grondslag ligt.
Aandoeningen van smart en droefenisse te kunnen hebben, is een goddelijke genade voor wie zondaar werd; en als het moet te kunnen weenen, is een uitvloeisel van goddelijke barmhartigheid.
Toch, en dit mag nimmer vergeten, wierd zulk een aandoening bij Jezus nooit hartstochtelijk. Hij gaf er niet aan toe. Hij zocht er geen wellust in, om ze op te wekken en al sterker te uiten. Hij gaf er zich niet willens aan over. Ook dan, als Jezus weent, is zijn droefenisse een weenen, waarin ernst, en daarom zelf beheersching spreekt. Niet het huilen van een kind, maar het stille, en daarom zoo veelzeggende, weenen van den Zoon des mensehen.
Zelfs in Gethsemané toont juist dat angstzweet, hoe Jezus zich niet overgaf, maar worstelen bleef tegen de felle aandoening in, en zijn klacht aan zijn jongeren is een zoeken van menschelijke hulpe, om niet in de overstelpende macht der aandoeningen te verzinken.
Geen koele onaandoenlijkheid dus, hoe hoog ze ook vaak als worde aangeprezen; maar ook geen omslaan van de aandoening in wilde hartstochtelijkheid.
Niet de zenuwen, het hart moet in onze aandoeningen geraakt worden, en het dringen en persen onzer zenuwen moet weerstaan, zoodra ze iets anders on iets meer willen doen, dan het fel bewogen hart ontlasten.
Jezus werd innerlijk bewogen, en juist dat „innerlijkequot; sluit het valsche spel der zenuwen uit.
De zenuwen liggen vanbuiten; het innerlijke schuilt in de ziel.
Wie op de zenuwen werken wil, kan een ieder aan liet huilen of aan het lachen brengen, zonder dat er in diens hart ook maar het minste is, dat hem tot droefheid of vreugde beweegt.
Dat spel der zenuwen speelden de kinderen op Jeruzalems straten ook, en lukte het dan niet, dan klaagden ze: „Wij hebben op de fluit gespeeld en gij hebt niet gedanst, wij hebben klaagliederen gezongen en gij hebt niet geweend.quot;
Juist zooals er ook in de predicatie een tijd was, dat men op de zenuwen inplaats van op de ziel zocht te werken.
Maar hiermeê heeft de aandoening, waardoor Jezus bewogen en ontroerd werd, dan ook niets gemeen.
Hem wondde de droefenisse in het hart. Zoo werd Hij innerlijk bewogen. En het was die ontroering der ziel, die zich dan aan zijn vleeseh mededeelde en ten slotte in het weenen van zijn oog sprak.
174
rijngevoeligheid van hart was derhalve het uitgangspunt bij Jezus. Hij voelde zoo diep en zoo teeder.
Daarom heeft uw Heiland alle de dagen zijns levens geleden, want alle zien van mensehelijke zonde en mensehelijke ellende deed Hem quot;inwendig pijn.
En kwam nu, gelijk in het verraad, die zonde bijzonder sterk uit, of vertoonde die ellende zich als bij Lazarus' graf in bijzonder schrille kleuren, dan schokte dit Jezus, en dan werd Hij innerlijk geheel ontroerd, zoodat de ontroering aan heel zijn wezen zieh meedeelde.
Eu zoo nu gaat het ook den geloovige. Niet zoo zuiver; niet met dat evenwicht. Bij den één meer, bij den ander minder. Maar toch ook de ziel, die gelooven mag, voelt soins pijn. Pijn over de zonde en pijn bij den aanblik van ellende, droefenisse en dood.
Dan vlijmt er iets vanbinnen; niet met een gemaakte, maar met een vanzelf opkomende bitterheid. Ge voelt, dat er een wonde is, en dat het u aan die wonde bij elke aandoening schrijnt.
Dat gaat de ééne maal over eigen zonde; dan weer over de verwoesting door de zonde in uw huis, of in uw levenskring, of in Gods Sion aangericht; of ook het is een mensehelijke ellende, die u óf zelf treft, óf treft omdat anderen lijden.
Nood en dood waren nog zoo ontzettend rond. Br wordt zoo naamloos veel geleden, dat het vreugdegejoel der wereld nooit de klacht over onze ellende verdooven zal.
Op den diepsten bodem van veler ziel ligt zulk een namelooze weedom des harten gezonken.
En nu moge de pessimist zich aan dien weedom vergasten, en de genotzuchtige er overheen lachen, wie een kind van God is, en dies iets verstaat van het goddelijk mededoogen, kent het ontroerd zijn met innerlijke ontferming, en eert iets heiligs, iets dat niet onderdrukt mag worden, in eigen en in anderer smart.
En juist aan dat heilige hangt het.
In het werk der zenuwen ontbreekt dit heilige, en daarom mocgt ge de zenuwen niet ontzien, maar moet ge er medisch en bestraffend tegen ingaan.
Maar zoo is het bij wie innerlijk bewogen wordt niet.
Dan schrijnt er een bang heimwee vanbinnen, opkomend uit een heilige herinnering, of een heiligen band, die verbroken werd, en nu nog trekt.
Onder veel arbeid en afleiding gaat dat dan tijdelijk over. Maar de wonde blijft. En zóó keert de ruste niet weder en waakt de her-
175
innering niet op, of die pija vlt;anbiniieii klopt weer, en de aandoe-nino; keert terug.
En al moge in ons drukke leven straks allerlei ons aftrekken, of bij nieuw leed versche aandoening de oude verdringen, toch wordt het hart van Gods kind aan zijn vroegere smart niet ontrouw. Alleen maar ze zinkt iets dieper in zijn hart weg, en wordt in een dier geheimzinnige diepten van zijn mensehelijk hart begraven; tot óf reeds hier beneden de herinnering ze weer opwekt, óf straks in ons eeuwig aanzijn de vrueht van al dezen „weedom des hartenquot; opbloeit.
„Met het geloof gemengdquot; blijft daarom ook voor de wereld onzer aandoeningen het vaste beding.
Immers wie gelooft, kan er zoo overgelukkig in zijn en er God voor danken, dat hij de teederheid van zijn eigen hart eens weer ontwaard heeft.
Dan scheen het soms lange dagen, alsof vanbinnen alles bevroren was. Zoo koud en onaandoenlijk gleedt ge van dag in dag. Soms kon dat u zelfs een gevoel geven, alsof ge een verstorven hart in den boezem omdroegt.
En zie, nu ontdekt ge opeens, dat dit. God zij lof, toch niet zoo is. Nu merkt ge dan toeh, dat als het in uw leven gaat stormen, en de wind de asch van de schijnbaar uitgedoofde kool afblaast, die kool wel waarlijk haar ouden gloed nog bezit. Ge leeft dan opeens zooveel dieper, zooveel rijker, zooveel inniger. Het smelt alles weer. Het hout aan den stam van uw leven is weer sappig geworden. Ge hebt zooveel meer lief, en het is of de inwonende zonde zich niet meer voor de vensteren van uw hart durft vertoonen.
En waar op die wijs het geloof uit zulke aandoeningen een wel-dadigen indruk ontvangt, die tot verheerlijking van Gods naam leidt, legt datzelfde geloof aan die aandoening den teugel aan.
Ook in de diepste smart mag onze Vader die in de hemelen is niet verloochend; mag het aan onze ziel niet voorkomen, alsof ons geen Verzoener en Heiland, alsof geen Trooster voor ons hart besteld ware.
Zijn liefde hield den balsem gereed, eer Hij de wonde sloeg.
En zoo moet ook door die liefde een aandoening in ons hart gewekt worden.
Een ontroerd zijn door de teederheden onzes Gods.
176
XLV.
WEDUWE GEWORDEN.
Hij is een Vader der weezen, en een Rechter der weduwen; God, in de woonstede zijner heiligheid. Ps. 68 : 6.
Er ligt in tien weduwlijken staat een gedachte van diepen weemoed en schreiend heimwee.
Althans zoo het voorafgaand saamleven in het huwelijk, dat dooiden dood nu ontbonden werd, ook zonder ideaal te zijn, toch een idealen tint droeg.
Dit wordt niet gezegd, alsof er niet een breede stroom van huislijk geluk en weelde voor de ziel van het huwelijk uitging; maar omdat men meer dan iets anders juist dc huwelijksliefde poëtisch hesft ingekleed, en daardoor iu menig jeugdig hart idealen en illusiën heeft opgewekt, die later de realiteit van het leven drukken.
Want, ja, een heel enkel maal vindt men een man en vrou v, beiden van even hooggestemden geest, wier huwelijksleven het ideaal, en zelfs het poëtisch ideaal, nabij schijnt te komen; maar dit blijft altoos een exceptie, en verreweg bet grooter deel der gesloten huwelijken reikt zóóver niet.
Feitelijk ligt dus de tegenstelling tusschen de gelukkige en ongelukkige huwelijken iets lager; en mag men het huis reeds gelukkig prijzen, waar het huwelijk groeit en bloeit in persoonlijke verkleefdheid, in hartelijke sympathie, in éénheid van geloof en zin en geestesrichting, en waar over en weer de toeleg bestaat om elkander gelukkig te maken.
Reeds dan draagt het huwelijkssaamleven een idealen tint.
En wordt nu naar zulk een gezin de dood uitgezonden, om den man weg te nemen, zoodat de vrouw alleen, met of zonder kinderen, achterblijft, dan is die weduwe het toonbeeld van verslagenheid en beroofdheid, en overvalt haar een gevoel van verlatenheid en schrijnende leegte, die wel niet altoos verplettert, soms zelfs de ziel naar God opheft, maar die toch altoos om steun vraagt, en om vertroosting roepr.
Door het schreiend verlies is op zoo snijdende wijs het evenwicht in haar ziel verbroken; en zoo roept al wat in haar is, om iets waardoor dat evenwicht kan worden hersteld.
177
quot;D.iiirora nu komt God in zijn Woord tot zulk een weduwe, en spreekt tot haar, dat Hij der weduwen Rechter wil zijn.
Er staat niet, wat heel wat valsche lezers er van gemaakt heLben, dat God de Heere der weduwen Man zou zijn.
Voor die gedachte zelfs is in de Schrift geen plaats. De Heere is de Bruidegom van rijn kerk, voor Israël een Man, maar voor de verlaten en beroofde, de bedroefde en eenzame weduwe is Hij een Rechter, gelijk Hij voor haar weezen, die achterblijven, een Vader wil zijn.
Die heerlijke belofte treedt dus niet toe, om nu naar God de liefde van het vrouwelijk hart uit te lokken, die eerst uitging naar den man. Zelfs kan er van zulk een overbrengen der liefde van den man op God geen sprake zijn. Ook voor, ook in het huwelijk stond immers hoog en ver, ook boven de liefde waarmede deze weduwe aan haaiman kleefde, de liefde voor God en haar Heiland; en waar het anders was, was het niet goed.
Ook voor die weduwe gold zoolang haar man nog leefde, en niet nu pas nu hij wegstierf, het hoog gebod dat ze God lief zou hebben boven alles, en haar man als ziehzelve. En immers ook van haar gold het woord van den Christus: „Wie man of vrouw liefheeft boven Mij, is mijns niet waardig.quot; Is er dus een jonge vrouw, die in haar eerste overstelpende liefde God om haar man had vergeten, en de eerste, de rijkste, de hoogste liefde van haar hart op haar man iuplaats van op haar God had gericht, dan viel ze hiermee in zonde, dan heeft ze hiervoor verzoening in het bloed des Lams te zoeken, en mag nooit gezegd, dat haar liefde voor haar man ideaal was, maar moet veeleer met boete en zielsverbrijzeling beleden, dat heur hart ze heeft misleid.
Bij een weduwe maakt het daarom zulk een diepgaand verschil, niet enkel of ze met de innige liefde van haar hart haar man, maar vooral ook, of ze met de hoogste liefde van haar hart altoos haar God, zelfs boven haar m;.n, heeft liefgehad.
Is dit zoo niet, dan natuurlijk is haar nood ontzettend; want dan is ze met haar man, althans voor haar eigen zielsbesef, alles kwijt; en dan is het eerste waarmeê ze bij het graf van haar man beginnen moet, zich tot haar God te bekeeren, en Hem de zoo lang ontstolen liefde van haar hart te offeren op zijn altaar.
Bij zulke weduwen stuit ge dan ook meest de eerste dagen op zekere wanhoop, op een hartstochtelijke droefheid, waar bitterheid tegen haar lot en een morrende klacht tegen haar God in spreekt.
Het stormt dan zoo bitter in zulk een verslagen hart. Een God, die in zijn majesteit op haar aandringt om haar te vertroosten, en die toch niet tot haar kan naderen, dan met een zielverwondend verwijt.
12
178
En die twee worstelen dan in haar benepen hart tegen elkaar in. Nu eens wil ze voor haar God in de schuld vallen, dan weer neigt het hart om tot een morren tegen God over te slaan. En juist de zonde vaa vroeger maakt dat de harmonie, dat de vrede, dat de eeuwige Sabbat in haar wilde smart niet kan indalen.
Maar heel anders is het, als een weduwe, ook eer ze weduwe werd, haar God hoog, haar God boven alles gesteld, en Hem, haar Vader in de hemelen, de eerste, de beste, en heiligste liefde van haar vrouwelijk hart heeft gewijd.
Dan was het altoos in haar schatting: God de eerste, en daarna mijn man, als mij door God geschonken. Dan bleef het eiken avond en eiken morgen Gode dank weten, wat ze aan rijk bezit voor haar hart in haar man ontvangen had. En ook, dan was het, jaar in jaar uit, altoos weer saam met dien man neerknielen, om hun God, in wien beider ziel haar heiligste vereenigingspunt vond, het met lof en liefde gemengde offer op te dragen.
En natuurlijk, overkomt haar dan de bangste nood haara levens, dat God, die haar dien man gaf, dien man weer van haar zijde wegneemt, dan is dat gemis wel om niet uit te spreken, en die overgang wel ontzettend, en die leegte om haar hart wel bitter schreiend; maar toch dan kan haar hart geen oogenblik verstijven en bevriezen, want dan behield het nog aldoor den gloed van haar eerste en zijn heiligste liefde d. i. van de liefde voor haar God en haar Heere.
Een kind, dat in een bang oogenblik zijns levens zijn vader nog bij zich heeft, staat er toch heel anders aan toe, dan een kind, dat dienzelfden nood geheel verlaten doorworstelen moet.
En juist zoo nu is ook hier de tegenstelling.
Een weduwe, die al de jaren van haar huwelijksgeluk aan God de eerste plaats in haar hart bleef geven, is, als de slag valt, wel een kind, dat in bangen nood wordt geworpen, maar een kind dat in dien nood zijn Vader nog bij zich heeft, op zijn God zioh werpen kan, en in den gloed dier hoogste liefde vanzelf vertroosting vindt bij de smart, die door de afsnijding van haar tweede liefde over het verslagen hart kwam.
Ge merkt dat dan ook wel, als ge zulk een weduwe in de eerste dagen en weken van haar rouwe gadeslaat.
Terwijl toch die andere, die aan haar man had gegeven wat Gode alleen toekwam, verwilderd en hartstochtelijk roept en klaagt, merkt ge het aan zulk een weduwe, die God vreesde en haar God liefhad, zoo onmiddellijk: Neen, die vrouw is niet verlaten, ze is niet alleen;
179
en de liefde, die uit haar hart opwelt, bezit nog altoos het hoogste Voorwerp, naar wien het uitging.
Vandaar die kalmte in de droefheid, die vrede onder de verschrikking van haar hart, die volheid van de ziel bij al wat haar ontno men werd. Die inbinding en zelf beheersehing voor wat bij die andere hartstocht en onstuimige droefheid wierd. Ginds iets van de wildheid, waarmee de leeuwin om haar gestorven welpen brult, hier de stille overgegevenheid van een Christinne, die zoo diep genoot van wat de Heere haar gaf en liet, maar nu ook verstaat, dat niets, dus ook niet die teeder geliefde man, haar eigendom was; dat alles van haar God is; en dat ze haar God immers niet r.en volle lief zou hebben, zoo ze dien man boven Hem stelde of dien man, tegen 's Heeren raadslag in, voor zichzelve zou willen behouden.
Maar wel ligt het in de belofte, dat God haar een Rechter wil zijn, en juist daaraan heeft een weduwe van zoo teederen zin behoefte.
Want wel gaf ze aan haar God steeds haar eerste liefde, maar toch steunde en leunde ze in alle aardsohe dingen op haar man. Ze was hem onderworpen. Hij deed alles. Van hem ging de leiding uit. Zij volgde. Ze kon niet anders. Ze moest wel zoo doen, want anders zou zij geen vrouw zijn geweest, en in haar man geen wezenlijken man hebben bezeten.
Zoo had God het verordend. Zoo was bij haar de geloofspractijk ook in haar huwelijk. Maar nu kan het dan ook niet anders, of door het sterven van den man, dien zij zoo innig liefhad, en op wien ze zoo onvoorwaardelijk steunde, is juist die steun haar ontvallen.
Ze is nu als het klimop, dat om den stam van den eikeboom groeide. Maar zie, nu is die eikeboom bij den tronk afgehouwen, en het klimop ligt op de aarde neder.
En nu wil haar God zich in een nieuwen rijkdom aan haar openbaren. Haar innerlijk opheffen en zelf de stam zijn, waaraan dit klimop zich weer kan oprichten.
En dat staat nu uitgedrukt in het forsche woord, dat God haar Rechter wil wezen. Want natuurlijk, het bangste is het voor een weduwe, als de buitenwereld, nu ze van haar man beroofd is, misbruik van haar zwakheid wil maken, en haar in haar staat en stand en goed te na komt.
Dan zou ze hulpeloos staan.
Maar neen, dan staat ze toch niet hulpeloos, want haar God geeft haar dan uit den hemel de belofte: Ik zal uw Rechter zijn.
180
XLTVI.
GEZAAID IN VERDERFELIJKHEID.
Alzoo zal ook de opstanding der dooden zijn. Het lichaam wordt gezaaid in verderfelijkheid, het wordt opgewekt in onverderfelijkheid. i Cor. 15 : 42.
Eeu kundig geleerde, die uit het Synodaal genootscluij) naar de kerk van Rome was overgegaan, klaagde er onlangs over, dat onder ons. Gereformeerden, het lijk van onze afgestorvenen zoo achteloos pleegt behandeld te worden.
Hij onderstelde, dat de scheiding van ziel en lichaam in het sterven nog niet voltooid was, en dat de afgescheiden ziel dus nog zekeren tijd behoefde, om zich geheel van het lijk los te maken, of uit het vertrek en de woning, waar het lijk stond, weg te komen; en dat het deswege voor onze afgestorvenen zoo pijnlijk moest zijn, indien men hun lijk in het donker liet liggen, en er niet bij bleef, om te bidden en te waken.
Daarom trok Eomes usantie hem zoo aan. Immers in Eocmsche gezinnen laat men meestal kaarsen bij het lijk branden, en hetzij de familiebetrekkingen, hetzij liefdezusters blijven er gemeenlijk tot aan de begrafenis, dag en nacht, bij, om op het lijk toezicht te houden en bij het lijk te bidden.
Nu zij al aanstonds hiertegen opgemerkt, dat deze lijkbewaking meer een zaak van weelde is. Als er Protestantsche vorsten of vorstinnen sterven, blijft er evenzoo licht bij het lijk branden, en wordt op gelijke manier het vorstelijk lijk dag en nacht bewaakt; terwijl omgekeerd bij de armere gezinnen ook onder de Eoomsehen van dit bewaken van het lijk vaak zeer weinig komt.
Tot op zekere hoogte hangt deze schitterende lijkbewaking meer met den dusgenaamden splendor ecclesiae saam, d. i. met de neiging in Romes kerk, om op elk terrein met zekere praal op te treden.
Toch schuilt er meer in.
Er uit zich ook de lloomsche voorstelling in, dat de overgang uit dit leven in de zaligheid niet op eenmaal door den dood voltooid is; maar dat er zekere tusschentoestand na den dood komt, dien men het vagevuur noemt; en dat het de bemoeinis van de kerk op aarde is, waardoor de afgestorvene zielen uit het vagevuur moeten verlost worden.
181
Daarom bidt Eome voor haar afgestorvenen. Daarom houdt het missen voor de dooden. En daarom doen de nabestaanden van den afgestorvene nog allerlei offeranden en goede werken, in sti! vertrouwen dat die den afgestorvene ten goede komen, en zijn lijden verzachten.
Doch hoe aandoenlijk dit ook schijne, en welke nawerking der liefde er ook uit spreke, er ligt dan toch in, dat Eome zich haar dooden na den dood als in een toestand van lijden denkt, waaruit ze eerst van lieverlee kunnen verlost worden, terwijl wij, met onze ouden, belijden, dat wie zalig in zijn Heiland afsterft, eeuwiye vreugde smaakt van den jongsten snik aan.
En vraagt ge nu, wat het menschelijk hart meer toespreekt, om na zijn sterven veel aandoenlijke liefde bij zijn lijk te ontwaren, maar zelf dan ook in een vagevuur te zijn, of wel om terstond na zijn ontbinding met den Heere te wezen, dan draagt ook hier onze Gereformeerde belijdenis zeer stellig de kroon weg.
Zalig zijn de dooden, die in den Heere sterven, van nu aan!
Hiermee is echter lang niet alle Gereformeerde praktijk goedgekeurd.
Niet zelden toch heeft men zich aan een behandeling van het lijk gewend, die tegen de eischen der liefde en der piëteit geheel indruischt.
Dan laat men, zoodra de dood is ingetreden, al wat verder te doen is aan vreemden over. Oudtijds waren dit dan nog de buren; maar thans meest gehuurde en betaalde personen. Bij deze mannen spreekt dan het hart niet; en zelfs het menschelijk gevoel is niet zelden, door het altoos afleggen en altoos kisten, afgestompt. Wat sterke drank is in sommige plaatsen bij dezen droeven arbeid dan ook regel. En dan, helaas, zijn de gevallen niet zoo zeldzaam, dat er met een lijk gespot, en het lijk op oneerbiedige wijs behandeld wordt.
En dit nu mag niet. Dit is schending van den eerbied, dien men ook aan een lijk, omdat het een menschenlijk is, schuldig blijft. Hierin spreekt gemis aan ontzag voor den dood. Een ruwheid, die kwetst en ergert.
Zelfs de gewoonte, om een lijk in een schuur of stal weg te zetten, en er niet meer naar om te zien, totdat liet wordt uitgedragen, verraadt een gemis aan menschelijk medegevoel, dat we allerminst verontschuldigen.
Niets willen Gods kinderen weten van zekere lijkvereering. Een tentoonstelling van een lijk op een praalbed stuit hun tegen de borst. Bloemen en kransen hooren bij de wieg en bij het bruidskleed, maar nooit bij de doodsbaar. Dat gedurig aanraken en kussen van het lijk is een uiting van harlstoeht, die bedwongen moet worden.
183
Heilige kalmte en stille ernst is de gemoedsstemming, die bij de lijkbaar onzer dooden voegt.
Maar juist die stille, ernstige stemming des gemoeds wil niet gekwetst zijn door wat het gevoel deert of hindert.
En daarom weg bij het lijk met alle vertoon, maar ook bij het lijk voegzame eerbied voor den doode.
God zelf teekent het oogenblik, waarop ge van het lijk u zult af-keeren.
Terstond na het sterven heeft het lijk iets dat aantrekt. En vooral eenige uren na het sterven, als onze doode is afgelegd, kan een lijk, o, zoo schoon zijn, vooral in tegenstelling met den pijnlijken trek, die aan het sterven voorafging. Alleen bij de aanraking gevoelt ge, dat de levenswarmte week, dat de kilte van den dood is ingetreden, en dat hetgeen daar voor u ligt, dood is en niet meer leeft. Maar overigens zoekt ge er den levenden persoon nog in. Het is of het gelaat u nog toespreekt. En het zou u niet vreemd zijn, zoo dat oog nog even wierd opgeslagen en die mond u nog een laatst vaarwel toesprak.
Zoolang nu die aandoenlijk sehoone toestand nog aanhoudt, noodigt God zelf in en door het lijk u uit, om bij het lijk van uw doode te verwijlen. Het stoot u nog niet af; het boeit u nog; het kan u nog bekoren. Er in heilige stilte op te staren, doet u weldadig aan.
Er is dan nog geen bederf. En daarom denkt ge nog aan geen begraven; ook al was het maar om zeker te zijn, dat ge met geen sehijndoode te doen hebt.
Dat sehoone lijk is u nog lief.
Maar lang duurt dat niet. Bij ziekten die het bloed aangrepen, zelfs maar zeer kort. En dan komt al spoedig op het vale marmer * van het lijk de blauwe, straks de zwart-roode plek. He ontbinding gaat voort en voort. Wat straks nog schoon was, wordt nu stuitend en afzichtelijk. En ook de doodslucht, die van het lijk u tegenademt, zegt u, dat dat lijk u niet meer toebehoort, dat het weg moet naar bet graf.
Maar.... en dat is bij het zoo aandoenlijk scheiden van het lijk onze roem en onze heerlijkheid, we weten, dat, hoe diep dat lijk ook door bederf en ontbinding in verderfelijkheid ondergaat, het toch gezaaid wordt.
Het is niet een onooglijke massa, die wordt weggeworpen, om er van af te zijn. Begraven is zaaien op den doodenakker. Het toevertrouwen aan de aarde van een zich ontbindend lijk, dat vergaat, maar in dat lijk een kiem, die gezaaid wordt, om, als Christus op de wol-
183
ken wederkomt, bij de wederopstanding des vleesches, ook die kiem te doen ontluiken.
De ziel van wie heenging lijdt onder het intreden van dat bederf en dat indalen in het graf natuurlijk geen oogenblik.
Onze ziel heeft een eigen bestaan, dat wel in de schepping aan het lichaam gebonden is, en eens weer met een lichamelijk bestaan zal gepaard gaan; maar toch kan de ziel door God van het lichaam worden losgemaakt, gelijk Hij ze er eens aan verbond; en zoodra de dood intrad en voleind wierd, deert wat met dat lijk geschiedt, de ziel niet meer. Of ze de lijken onzer martelaren al tot asch verbrand hebben, en of de lijken onzer schepelingen al door haaien verslonden worden, daar weet de ziel niets van. En God de Heere is machtig over de kiem van dat lijk te waken, geheel onverschillig of de zee het verslindt of dat het door vuur verteerd wordt. Ook in die dn pte der zee, en ook in de knettering van de houtmijt wordt er altoos gezaaid.
Gezaaid in verderfelijkheid, gelijk elke tarwekorrel vergaan moet en ontbonden moet worden, om er den halm uit te doen oprijzen; maar toch in die verderfelijkheid gezaaid, zoodat er uit dat tarwe-zaad een nieuwe plant, en uit dat vergane lichaam van uw doode eens een nieuw lichaam voortkomt.
De ziel van wie heengaat, voleindt haar lot in het sterven zelf.
Voor die ziel hangt alles aan den Middelaar, het een en al voor eeuwig aan den Zone Gods.
Bond, eer ze uit het lichaam scheidde, een levens- en geloofsband haar aan den Man van smarte, den Koning der heerlijkheid, dan snijdt de dood zelf voor haar alle gemeenschap met de zonde af, en kan geen vallei der schaduwe des doods, en geen Satan die ons verderven wil, ons van de liefde Christi scheiden. Dan is het ontbonden, om eeuwig met den Heiland te zijn.
Over het andere geval zwijgen we liefst. Het is zoo ontzettend. Een ziel die los van Jezus sterft. Haar bindt in eeuwigheid niets meer aan den volzaligen Middelaar. En geen gebeden of smeekingen van wie achterbleven kunnen die ziel meer redden van het eeuwig verderf.
Hier, vóór het sterven, moet het voor eeuwig beslist zijn.
Maar stierf, wie heenging, in Jezus, 't zij het kind door nog onbewuste genade, 't zij de volwassene door bewust geloof, dat uit die genade ontkiemd was, dan waakt diezelfde Heiland, die uw ziel houdt, ook over uw stof, dat aan de aarde wordt toevertrouwd, en moogt ge het stoffelijk overschot van uw doode aan uw Heiland aanbevelen.
Immers wat in verderfelijkheid moet ondergaan, om gezaaid te kunnen worden, het wordt eens opgewekt in onverderfelijkheid.
184
En dat gaat niet toe als een proces, dat vanzelf loopt. Ook de tarwekorrel schiet niet vanzelf uit, maar God brengt dat tarwezaad uit zijn graf te voorschijn.
En zoo zal het ook hier wezen.
Vleesch en bloed zullen het Koninkrijk van God niet beërven, en zoo mag ook vrij al wat vergankelijk is aan het lijk van uw doode vergaan, en, in zijn deelen ontleed, door de aarde worden opgezogen.
Stof zijt ge, en tot stof zult ge wederkeeren.
Maar wat in dat lijk de kiem des lichaams is, en alzoo in dat graf gezaaid wordt, dat wekt Christus eens op.
Aldus toch luidt het heerlijk woord der belofte, dat Hij door zijn apostel aan al Gods kinderen liet toeroepen:
„Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat het gelijkvormig worde aan zijn heerlijk lichaam, naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen zichzelven onderwerpen kanquot; (Fil. 3 ; 21).
XLVII.
EEN EIGEN GRAF.
Hoor ons, mijn Üeere! gij zijt een vorst Gods in het midden van ons; begraaf uwe doode in de keure onzer graven; niemand van ons zal zijn graf voor u weren, dat gij uwe doode niet zoudt begraven.
Gen. 23 : 6.
Na het sterven komt de begrafenis.
Nu kunt ge waarlijk niet. zeggen, dat de Heilige Schrift de begia-fenis lieht telt. Veeleer merkt ge heel de Schrift door, hoe sterk men aan een eervolle, zorgzame, plechtige begrafenis gehecht was. En als eindelijk het graf zich voor het afgestorven lichaam van uw Heiland ontsluit, doet het u goed aan het hart, dat geen, ruw soldaat Hem onder de aarde wegstopt, maar dat mannen van aanzien en vrouwen van invloed het lichaam van Jezus teederlijk verzorgen, en omwinden, en wegdragen, en in een nieuw graf bijzetten, en reeds de welriekende kruiden gereedhouden, en den balsem gekocht hebben, om, zoodra de Sabbat voorbij zal zijn, de begrafenis van uw Heiland te voleinden.
185
Zoo ooit dan moet bij de begrafenis het mensehelijk hart, moet bij het uitdragen onzer dooden naar het graf het instinct onzer mon-schelijke natuur spreken. De band, die door den dood werd afgesneden, moet natrekken. En juist in de toewijding en liefde, waarvan we voor onze dooden blijk geven, moet zich krachtig het geloof uitspreken, dat wie stierf niet weg is, maar leeft-, dan vooral, zoo we staan in de hope, dat het een leven bij God mag zijn.
Daarom school er vanouds iets zoo aantrekkelijks in, om dat alles zelf te doen, en niets voor geld te laten doen.
Voor geld kan men zich van alles afmaken. Ge laat dan, zoodra uw doode den adem uitblies, een man van het vak komen; hem geeft ge het lijk over; en dan zijt gij van alles af; tot de lijkstoet voor de deur komt, en ge instapt, om de uitvaart te begeleiden
Maar zoo doet de liefde niet, en bijna allerwegen in het Christelijk Europa was het eertijds regel geworden; dat de zorge voor het lijk geheel in handen van de familie, van de vrienden of de buren bleef.
Zelf het lijk te behandelen zou voor de vrouw, of voor den man die achterbleef soms te aandoenlijk voor het gevoel zijn geweest; maar dan verving de liefde, of de nabuurschap de bezwijkende hand. En voorts deed een ieder in huis wat hij kon, om voor het lijk te zorgen, telkens naar het lijk te gaan zien, en het stoffelijk overschot niet te verlaten, eer de ure van scheiden aanbrak.
Met de ziekelijke sentimentaliteit, die er op uit is, om op allerlei wijs met een lijk te sollen, heeft deze Schriftuurlijke, deze Christelijke teederheid in de zorge voor onze dooden niets gemeen.
De sentimentaliteit is er op uit, om het gevoel te prikkelen; de zenuwen in spanning te brengen; en in die droeve spanning, die zich in tranen uit, zeker genot te zoeken, of ook te willen toonen, hoe warm en vurig onze liefde was.
Dit nu heeft op zichzelf niet de minste waarde. De uitgangen onzes levens liggen niet in onze traanklieren, en evenmin in onze zenuwen, maar in ons hart. En alleen hij xdie zeggen kan, dat, ook als er een doode bij hem in huis is, het geloof en de liefde werkzaam is, om zich voor God de vraag te stellen, hoe de Heere wil dat hij zich jegens dezen doode gedragen zal, leeft in die-dagen van rouw en droefenisse naar Gods Woord.
En juist op het zioh houden aan Gods ordinantiën moet hief nadruk gelegd.
Het gevaar is toch niet gering, dat men in zulke dagen van droefenis, als de vensters aan de straat gesloten zijn, van zijn lieve dooden een soort halven afgod maakt, en God den Heere vergeet.
186
Dat merkt ge dan aan de gesprekken; dat ziet ge aan de hulde die men op allerlei wijze aan het lijk brengt, vooral bij personen van hoog aanzien; en dat hoort ge soms op zoo stuitende wijze bij de toespraken op den doodenakker, als de mensch, wiens adem in zijn neusgaten was, cn die nu stierf, in een stralenkrans van glorie wordt gezet, en alle gedachtenis van den naam des Heeren ontbreekt.
In die dagen met „een lijk boven aardequot; komt men meestal onverhoeds in. Want zelfs als het sterven lang voorzien is, heeft men. zieh toch maar zelden verplaatst in den toestand, als het einde daar zou zijn.
Dan is men de eerste oogenblikken overstelpt van droefenis. Er moet gehandeld, en men weet zich geen rekenschap te geven, hoe men handelen moet. Er heerscht in huis, in de gesprekken, in de handelingen een algemeene verwarring. Men is geneigd om de dingen xiit handen te geven en over te laten, en als er dan maar iemand onder de familie is, die zegt het te willen doen, dan doet hij het, en het valt zooals het valt.
Zoo werkt er dan geen geloof, er heerscht geen beginsel, en in den laatsten tijd is het niet zelden de agent van een begrafenisfonds, die het hooge woord heeft, en in alles voor u uitmaakt, hoe uw dooden zullen begraven worden.
En dit nu hangt weer saam met wat het droeve kenmerk onzer eeuw is, t. w. dat bijna niemand meer van tevoren aan zijn dood denkt; dat alle gemeenzaamheid met het denkbeeld van den dood weg is; en dat men den dood over zich komen laat, als een zandwind over de reizende karavaan.
En nu bedoelen we natuurlijk niet, dat ieder persoonlijk er zijn eere in moet gaan stellen, om, als er een doode in zijn huis komt, nu eens tot in de kleinste bijzonderheden te toonen, hoe uitmuntend hij de kunst van begraven verstaat. Dat ware de hoogmoed der preutschheid; een ziellooze gemaaktheid die terug zou stuiten.
Tegen dat kwaad waakte men vroeger zelfs, door al wat op de begrafenis betrekking had, door de usantie en als bij onderlinge afspraak te regelen.
Bij het graf mocht niemand den zonderling spelen.
En zoo had elke streek, en elke stad, en soms zelfs een dorp zijn eigen manieren.
Maar in die manieren sprak ernst, sprak goede smaak, sprak een Christelijke beschouwing van Dood en Graf; en het was uit het zinnen en peinzen over Dood en Graf onder de belijders des Heeren, dat deze uitvaartusantiën geboren waren.
Nu daarentegen hield dat zinnen en peinzen op. Men laat alles over. Dit heeft ten gevolge, dat de aloude usantiën al meer worden
187
omgezet, om nu al meer beheerseht te worden door den geest van ongeloof en mensehvergoding, die in de toongevende kringen aan het woord zijn.
Het heeft wel iets lieflijks, na den dood met al zijn medeburgers op eenzelfden doodenakker begraven te worden; maar Abraham dacht er toch anders over. Ephron bood hem het gemeenschappelijk graf voor het lijk van Sara can; maar Abraham wilde een eigen yraf voox zijn doode bezitten.
En juist hierin ligt een vingerwijzing voor al wie Christus, en in Christus den Overwinnaar over Dood en Graf belijdt.
Een eigen graf voor de verlosten des Heeren zal al meer blijken een onafwijsbare behoefte voor ons Christelijk leven te zijn.
Anders eindigt de Christenheid met ook zelve heidensch te begraven.
Hoofdzaak is dus maar, dat we nit onze gedachteloosheid weer tot nadenken komen.
Daarom nu staat boven deze overdenking: „de tew'e onzer gravenquot;. Wie keur heeft, koos, en wie koos, heeft nagedacht, en handelt met zelfbewustzijn, wetende wat hij doet.
En juist daaraan schort het ons thans.
Thans denkt, als het op begraven aankomt, niemand na. Men laat alles loopen, of bootst de usantiën der wereld na.
o. Zoo heel anders dan bij de eerste Christenen.
Die schaften dadelijk het rouwen af, die begroeven hun dooden in feestgewaad, en trokken, als de dag gedaald was, met toortslicht, onder jubelend psalmgezang, naar den doodenakker, om voor God en mensch te betuigen, hoe deze hun broeder of zuster uit de strijdende in de triumfeerende kerk was overgegaan.
Hun blik op Dood en Graf was een heel andere dan van de heidenwereld, en daarom moesten ook hun usantiën bij het begraven een geheel ander karakter dragen.
De dood was hun een afsterven van de zonde en een doorgang tot een eeuwig leven.
Daarom treurden ze weinig en jubelden ze bij hun dooden veel.
Iets wat nu niet gezegd wordt, opdat ook gij zóó uw dooden zult uitdragen.
Ge moet niets nabootsen.
Maar wat ge wél moet doen, is, zooals zij deden, nu ook zelf over Dood en Graf nadenken, over Dood en Graf spreken, in Dood en Graf inleven, en als dit heel .Tezus' gemeente gaat doen, dan komt de goede Christelijke manier van begraven vanzelf.
188
Die enkele intdrukkinu- van „de Tenure onzer gravenquot; prikkelt tot nadenken, en slaat u in de consciëntie, zoo dikwijls ge de begrafenis uwer dooden maar hebt overgelaten, en de usantien der wereld gevolgd zijt.
Niet pralen en niet prijken moet ge bij uw begrafenissen, om anderen de oogen uit te steken. Voor vertoon van eigen grootheid is er geen slechter gelegenheid dan wanneer er één van uwen eigenen bloede machteloos in de groeve wordt weggeborgen.
Niet de zelfzucht, maar de liefde moet dringen en leiden.
De liefde voor wie van u ging; altoos naar den regel: Zooals gij zoudt willen, dat men mot u deed, als ge gestorven waart, doe gij zoo ook zelf aan uw dooden.
En die liefde moet dan bij Gods kind natuurlijk door het geloof, niet door het sentiment geleid worden.
Waar ge ook uw God vergeten kondt, ge moogt Hem nooit bij het doodsbed of bij het graf uwer dooden vergeten.
Sterker dan ooit moet bij alle doodssponde en elke geopende groeve de regel gelden: „Te dezen dage zal de TI tere alleen groot zijnquot; (Jes. 2 : 17).
XLVIII.
HET WEERZIEN.
Want in de opstanding nemen zij niet ten huwelijk, noeh worden ten huwelijk uitgegeven ; maar zij zijn als engelen Gods in den hemel. Matth. 22 : 30.
Nooit komt de wensch, om zelf óók maar te sterven, vuriger in den mensch op, dan bij het versch gedolven graf van het liefste pand, dat hij op aarde bezat, en dat God de Heere van hem nam.
Was uw liefde over veel verdeeld, dan spreekt die zucht ■ veel minder sterk; want om uw doode in den dood te volgen, zoudt ge dan scheiden moeten van wat u nog bleef. Maar als ge bijna alleen in de wereld stondt, en ge waart toch in die eenzaamheid zoo rijk, omdat God u een teedere vrouw of u als vrouw een man voor uw hart had geschonken ; of ook omdat Hij u als weduwe nog een eenig kind achterliet; en hot gebeurt dan dat dat cenig voorwrp uwer liefde
189
naar het graf wordt uitgedragen, ja, dan maakt het leven zoo doode-lijk moede, en oefent de dood zoo wondere bekoring, dat óók te sterven en uw doode na te volgen, wellust schijnt voor de ziel.
Niets dan de dood tussehen u en den schat uwer liefde, die in het graf wegzonk.
o, Verstaat ge niet, dat het een verdoolde van zinnen soms tot diep schuldigen zelfmoord heeft uitgedreven?
Door de diepte der wateren weer naar hem, dien ze liefhad en niet kon missen.
En al is die trek bij minder hartstochtelijke liefde minder sterk, of ook al vindt die trek in een rijk bezit, dat u nog bleef, heilzaam tegenwicht, toch is het stille verlangen om weer te zien, die van u gingen, zoo algemeen, zoo natuurlijk, zoo echt menschelijk, dat het terstond na het sterven, indien er althans eenige liefde was, zich bijna altoos gelden laat.
Toch hechte men er niet te veel aan.
Ook u toch heeft de ervaring wel geleerd, hoe dit verlangen naar het weerzien vaak meer schijnt dan hot is.
Kort na het sterven; toen heel uw zenuwleven gespannen was; en de dood zelf den band van het bloed en den band van het hart op het sterkst spreken deed; toen ja, was dat verlangen naar weerzien er werkelijk.
Maar kom nu eens drie, vier jaar later, en let eens op wat verandering er dan reeds heeft plaatsgegrepen. Voor het kiudeke, dat God van u nam, gaf Hij u andere lievelingen in plaats. Voor het leven in den huiselijken kring, waaruit toen een broeder of zuster wegstierf, is door huwelijk een geheel ander leven in plaats gekomen. Hoe menige weduwe, die na drie, vier jaren reeds weer gehuwd is, en aan een anderen man, straks aan een pasgeboren wicht haar liefde wijdt. En wek dan in zulk een kring de herinnering aan den doode nog eens op, en zie eens, hoe heel anders dat verlangen naar weerzien zich dan reeds voordoet.
Niet dat daarom onze doode behoeft vergeten te zijn, of ook dat er gebrek aan eerbied tegenover zijn nagedachtenis behoeft te zijn ingeslopen; en ook niet, dat men hem niet zou willen weerzien. Maar toch bet verlangen er naar is dan reeds zooveel zwakker geworden. En dat reeds na drie, vier jaren!
Laat ons dus nuchteren zijn, en altoos indachtig blijven, dat in de eerste dagen van „afstervenquot; en „begravenquot; ons leven niet normaal is, en heel ons leven op onnatuurlijke wijze op één punt geconcentreerd wordt.
Er zijn daarom wel gevallen, dat het anders toegaat.
Als de liefde voor wie God van ons nam zeer diep geworteld was;
190
als God de Heere ons in dat ééne graf schier alles deed wegzinken; en als straks geen wisseling in ons levenslot de bange verlatenheid breken komt; — o, gewisselijk, dan kwam het wel voor, dat het verlangen naar weerzien eer nog klom dan afnam, en dat na tien en twintig jaren nog altoos de stille zielsverzuchting uitging naar dat ééne voorwerp onzer liefde, dat van ons ging en ons zoo onherstelbaar alleen liet.
Maar ook dan toch moet zulk verlangen onder de tucht van Gods Woord staan .... en Gods Woord zegt er u zoo bijna niets van.
Ware het de wil des Heeren geweest, dat we, na onzen eigen dood, het oude gemeenschapsleven met onze vroeg gestorven magen of vrienden weer zouden voortzetten, dan zou de Schrift u dit gedurig als lokaas voorhouden, om heimwee te koesteren naar het eeuwig vaderland.
Maar zie, dat doet Gods Woord niet.
Wel prikkelt de Schrift in u het heimwee naar het eeuwig vaderland, maar nooit door het verlangen naar het weerzien op te wekken, doch eeniglijk door u naar uw God en zijn saliye gemeenschap te doen verlangen; door u een zielsverlangen naar uw Heiland in te boezemen; door u te doen dorsten naar de gemeente der uitverkorenen; door de erfenisse der heiligen in het licht voor u te doen schitteren; en door u te wijzen op dien dag van glorie, die komt met het Maranatha.
Het herkennen is daarmee wel niet uitgesloten. De rijke man in de gelijkenis herkent Lazarus cn Lazarus hem; maar als er sprake van is, om de aardsche betrekking tussehen man en vrouw ook daarboven voort te zetten, wijst Jezus al zulke overdenkingen af, door te zeggen; „In den hemel bestaat het huwelijk niet, maar zijn al Gods heiligen als engelen Gods.quot; En ge weet het, de liefde van Gods engelen gaat uit naar den Heere der heirscharen en naar dat eeuwige Wezen alleen.
En hier nu ligt het teedere punt.
Ge zult ook bij het graf van uw liefsten doode steeds het hoog gebod indachtig blijven, dat uw eerste, uw diepste, uw rijkste, ja, al uw liefde trekken moet niet naar eenig schepsel, maar naar Hem, die u gemaakt heeft.
Ook bij de graven uwer dooden blijft uw God met heilige jaloeisch-heid roepen: „Geef Mij uw hart.quot;
En noch de lijkbaar, noch het graf, noch uw overstelpende rouw kan iets afdingen op de heilige ordinantie, dat go den Heere uwen God zult liefhebben met h,eel uw hart, met heel uw ziele, met heel uw verstand, en met al uwe krachten.
191
En nu, het is tegen deze heilige ordinantie, dat vooral in dagen van rouw soms zoo schromelijk, zoo onnadenkend, zoo zonder eenige weet van zonde, gezondigd wordt.
En toch, die heilige jaloerschheid van uw God sluit daarom het menschelijke in het trekken van uw hart niet uit, maar eischt alleen dat uw rouwe niet aan uw liefde voor uw God in den weg trede.
Wat hieruit volgt, voelt ge zelf.
Deze regel namelijk, dat alle band, die in God geheiligd was, blijft, maar ook dat alle band, die buiten God omging, door den dood voor eeuwig wordt losgemaakt.
Is uw kind, dat God van u nam, niets voor u geweest dan een speelpop, uw lust en uw verrukking; lag er niets anders en niets diepers achter uw liefde; was er geen band in den Doop, geen band in het Verbond, geen band in den gebede, geen band die u met uw kind voor uw God verbond, zeg zelf, wat zou dan in liet eeuwige leven u met uw lieveling gemeen zijn?
En zooals het met uw kind is, zoo is het met al uw dooden. Ge kunt u door, o, zooveel geboeid hebben gevoeld, door veel liefs in het uiterlijk, door veel gezelligs in het leven, door veel vriendelijks en innemends; ge kunt onder de koestering van al dit minnende als ineengesmolten zijn, zoodat uw leven met het leven van uw doode dooreengestrengeld lag; en toch, zoo er geen hoogere gemeenschap in de aanbidding voor uw God en in de liefde voor uw Heiland werkte, wat wil dan uit zoo aardsehc genegenheid rijpen voor of nabloeien onder Gods engelen?
Zeker er is een opstanding des vleesches, en hoe heerlijk ook het lichtgewaad zal zijn, waarin Gods heiligen op de nieuwe aarde onder den nieuwen hemel verkeeren zullen, er zal overeenkomst zijn, en het herkennen van wie we op aarde gekend hebben is niet iiitgeslo-ten. Maar ge weet ook, zoo gij komt waar Lazarus ontwaakte, kunt ge alleen gemeenschup hebben met wie ontwaken waar gij zijt. Van alle anderen scheidt u een klove, die niemand overbrugt.
Alleen Gods kinderen komen dus met Gods kinderen saam; en ze komen saam zonder zonde, in een staat van geestelijke volmaaktheid, waarin aller liefde voor het Eeuwige Wezen volkomen zal zijn.
Hoe zou er dan in zulk een hemelschen toestand een liefde, die niet in de liefde voor God wortelde en buiten den band aan God omging, mogelijk, of ook maar denkbaar wezen?
En nu voelt ge de kracht, die van dit hooge gezichtspunt uitgaat. Immers, nu volgt er uit, dat ge hier reeds op aarde hebt toe te
192
zien, dat elke band met man of vrouw, van vader of moeder, van kind of vriend niet buiten uw liefde voor God blijve liggen.
Een hart, dat nog gedeeld ligt, is krachteloos.
En zoolang ge nog eenerzijds uw liefde voor uw God, en daarnaast een heel andere liefde voor uw magen en vrienden hebt, ontbreekt u die innerlijke harmonie, waarin het schoon der ziel ligt.
Dat wreekt zich dan bij het sterven, en niet zelden zult ge dan bij het graf een bangen strijd voeren tusschen uw liefde voor uw God en de liefde voor uw dooden, en zoo vaak dringt de hartstocht in uw rouwe dan uw liefde voor uw God naar den achtergrond.
Maar werd dat anders, en werd uw gemeenschap met uw vrouw en met uw kind al meer en meer een gemeenschap in Christus, een gemeenschap in de liefde voor uw God gegrond, dan komt die breuke niet, en wordt het Solt Deo yloria ook op het dierbaarst graf, waar het meeste van uw hart in wegzonk, niet verloochend.
Dan toch blijft ook bij uw graven de liefde voor uw God boven alles gaan, en denkt ge, als ge aan de eeuwigheid en aan uw eigen sterven denkt, niet het eerst aan het weerzien van uw dooden, maar vóór alle ding aan het zien van uw Heiland en aan het aanschouwen van uw God; en uit ziju liefde is het dan, dat ge alleen die gemeenschap met uw dooden terugwacht, die Hem verheerlijken kan en door zijn genade u wordt gegund.
XLIX.
OVERKLEED WORDEN.
Want ook in dezen zuchten wij, verlangende met onze woonstede, die uit den hemel is, overkleed te worden. 2 Cor. 5 : 2.
Als we bij de lijkbaar onzer dooden staan, legt de kerk van Christus ons de raadselachtige belijdenis op de lippen: „Ik ge.oove de wederopstanding des vleesches.quot; En het is van dit punt, dat elke voorstelling moet uitgaan, die we ons van het lot en den toestand onzer afgestorvenen vormen.
Immers het baat u niet, of ge uzelven al aanpreekt, dat ge het lot uwer afgestorvenen aan den Heere uwen God hebt over te laten.
193
Dat gaat goed bij een doode, die u onverschillig laat. Maar het gaat niet, als ge door het sterven van een uwer lieven gewond werdt diep in uw hart, en als zijn beeld nog telkens voor u verrijst, om u te boeien en bezig te houden en u te overvallen met dat tal van vragcu, dat met het mysterie van don dood op u aandringt.
Dit is zoo waar, dat ook die volken, die om hunner zonde wil door God zijn overgegeven in een verkeerden zin, toch niet rusten konden, eer ze, op hoe gebrekkige wijze dan ook, eenig antwoord op die vragen verzonnen hadden. En het zijn alleen de ongeloovigen onzer negentiende eeuw, die bij het graf hunner dooden aan alle denken het zwijgen opleggen; de lijkkist onder bloemkransen bedelven ; en nauwlijks nog gewagen durven van een hope der onsterfelijkheid. Ten slotte is eigenlijk het verbranden van het lijk nog het meest in overeenstemming met hun nihilistische somberheid.
Maar zoo staat Gods kind niet op den doodenakker.
Hem is een licht iu deze donkerheid van het graf opgegaan. En bij dat licht laat Christus' kerk hem niet verlegen, maar geeft zooveel vastheid aan zijn voorstelling, dat zijn hart, bij het denken aan zijn doode, niet de speelbal blijft van angst en onzekerheid, maar ten slotte tot ruste komt.
„Wij wetenquot;, zoo sprak de heilige apostel, „dat, zoo ons aardsehe huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen.quot;
Nu weet ge wat „Tabernakelquot; en „Huisquot; in hun onderlinge tegenstelling beduiden.
Eerst heeft Mozes een „Tabernakelquot; gebouwd, die er op ingericht was, om te dienen bij de pelgrimsreize door de woestijn. En later heeft Salomo den Heere een „Huisquot; gebouwd, op dat Sion, dat Hij verkozen had tot een plaatse zijner ruste.
Schoon en treilend is alzoo de apostolische vergelijking.
Ons lichaam, waarin wc thans onze pelgrimsreize tot aan het graf vervolgen, is nog slechts onze tabernakel, die bestemd is om eenmaal afgebroken te worden en te verdwijnen gelijk de tabernakel, dien Mozes optrok. Maar als die tabernakel van dit aardsehe lichaam verbroken wordt, komt later voor dien tabernakel een vast „gebouwquot;, een „huisquot;, een eigenlijke „woonstedequot; in plaats, die den tabernakel zeer verre in luister en heerlijkheid zal overtreffen.
Nu zag wie Salomo's tempel opmerkzaam gadesloeg, in dien tempel den tabernakel. Dezelfde gedachte lag er in uitgesproken; naar dezelfde grondindeeling was hij opgetrokken; dezelfde grondlijnen vielen er in te bespeuren. En toch was die tempel zoo heel anders. Alles vast
13
194
wat in den tabernakel los was. De afwerkingen veel rijker. De vorm veel sierlijker. De luister veel schitterender.
Ge kondt zeggen: In den tabernakel lag de kiem van den tempel; en omgekeerd in den tempel was de tabernakel heerlijk opgestnan.
En dit nu past. de Heilige Geest, bij monde van den apostel, op het stoffelijk omhulsel van uw dooden toe.
Ook dat voorloopige lichaam, waarin gij ze gekend hebt, trok, evenals de tabernakel, n door velerlei bekoorlijks aan; maar het was zwak in zijn geledingen, het bleef broos en vergankelijk. Eens moest het gebroken worden, en gelijk ge naderhand van den tabernakel onder Israël niets meer verneemt, zoo moest ook dat aardsche lichaam van uw kind, van uw vrouw, van uw man, van uw broeder, van uw zuster stil vergaan.
Maar omdat de tabernakel verdwijnt, daarom gaat alle gedaante van het heiligdom van Israël niet onder.
Integendeel, in het afbreken van den tabernakel ligt de profetie van den tempel die komende is. En zoo ook ligt voor u, in dat sterven, in dat verbroken worden van het lichaam uwer dooden, de heerlijke profetie van een veel heerlijker gestalte, waarin ze eens verrijzen zullen.
Immers, ook als hun lichaam dezes aardschen tabernakels gebroken wordt, zegt Gods Woord u: Deze uw doode, zoo hij henenging in de levensgemeenschap met Christus Jezus, zal een gebouw van God hebben, een huis, niet met handen gemaakt, en eens overkleed worden met zijn „woonstedequot; uit de hemelen.
Salomo bouwde zijn tempel niet uit de brokstukken van den tabernake1, en zoo zal ook dat vleesch en bloed, dat in het graf tot ontbinding overgaat, het Koninkrijk der hemelen niet beërven. En toch zijn tabernakel en tempel één, juist zooals de halm één is met de tarwekorrel, waaruit hij opschoot. Het is dezelfde grondtrek. Uit den tabernakel is de tempel voortgekomen. Maar aan den tabernakel was bros hout wat gehouwen steen aan den tempel is, en aan den tempel was een met goud overtogen zoldering voor wat vellen waren over den tabernakel. Niet iets anders, het is hetzelfde, maar toch anders, omdat het zooveel heerlijker is.
Denk maar hoe Johannes op Patmos den Heiland zag. Nog altoos dezelfde die in dc kribbe van Bethlehem geboren was, maar nu blinkende in majesteit, zijn oogen gelijk een vlamme vuurs, zijn hoofdhaar gelijk witte wolle, zijn voeten gloeiende als blinkend koper, en zijn stem als een stemme veler wateren. Hetzelfde en toch een heel ander lichaam. Nu in glorie en luister. En het is aan dit zijn verheerlijkt lichaam, dat Hij eens het lichaam uwer dooden zal gelijk maken; immers indien ze van de zijnen zijn, opgenomen in de kudde van den eenigen Herder.
Zoo hebt ge dus vasten grond onder de voeten.
195
Yoor alles de hoofdvraag, of wie van u ging, ingelijfd was in bet mystieke lichaam van Christus. Maar indien dit zoo was, dun ook de volle zekerheid, dat thans de „tabernakel dezes aardschen lichaamsquot; wel is gebroken, maar dat uw lieve doode eens van God een veel heerlijker gestalte terugkrijgt. Voor dien brozen tabernakel een heerlijken tempel. Een nieuw en heerlijk lichaam, dat een tempel Gods in den Gaest zal zijn. Een woonstede eeuwig in de hemelen. Een hemelsche en zuivere gestalte, altoos naar de grondtrekken en de grondindeeling van het lichaam dat hier onderging, maar dan aan geen verderf meer onderworpen. Zooals de apostel zegt: em huis van God.
Alleen, want dit weet ge ook, zou is het hu nog niet.
Dat alles toeft en beidt tot het Teeken van den Zoon des menschen op de wolken zal gezien worden. Immers, dan eerst staan uwe dooden, en gij met hen, op.
Tot op dien doorluchten dag zijn dan uw dooden wat de heilige apostel in 3 Cor. 5 : 3 en 4 noemt „ontkleedquot; of „naaktquot;; d. w. z. dat ze alleen in hun ziel, als geesten bestaan, en, voor een tijd van alle uitwendige gedaante beroofd, het bezit des lichaams derven.
Ze hebben hun tabernakel niet meer, en hun tempel hebben ze nog niit.
Juist zooals ook de arke des Verbonds een tijdlang op Sion heeft gestaan, dat de tabernakel er niet meer was, en de tempel nog niet was gebouwd.
Iets wat zeer zeker vreemd klinkt voor de wijzen dezer eeuw, die u verteld hebben, dat ziel en lichaam onmogelijk twee zelfstandigheden kunnen zijn, maar een feit, dat in het minst niets raadselachtigs heeft voor wie weet, dat God in het Paradijs eerst Adams lichaam formeerde, en toen de ziel in dat lichaam insehiep.
Het is dan ook opmerkelijk, dat de latere wijsgeeren nu reeds weer tot soortgelijke voorstellen neigen. Herbart, de philosoof die thans zoo grooten invloed oefent, predikt reeds iets, dat aan wat God ons openbaarde veel nader komt.
Doch wat ook de wijzen dezer eeuw peinzen en zinnen, wij weten, dat er een God lééft, die beide, lichaam en ziel, kan verderven in de hel, maar ook een God, die beide, lichaam en ziel, kan opnemen in zijn heerlijkheid.
Gelijk nu Gods engelen altoos zonder lichaam bestaan, zoo kunnen ook uw dooden, omdat ze een ziel hebben, voor een tijd als geesten, zonder lichaam, verkeeren. Alleen met dit verschil, dat een engel zonder lichaam niet „naaktquot; en niet „ontkleedquot; is, omdat bij hem geen lichaam hoort. Maar dat uw lieve dooden daarentegen in dien afgescheiden geestelijken zielsstaat, wel „naaktquot; en „ontkleedquot; zijn.
196
omdiit ze hua vergankelijk lichaum derven, eu luiu eeuwig lichaam nog niet van God ontvingen.
Ze zijn dus zalig.
Want aan alle zonde zijn ze afgestorven. Al hun tranen zijn gedroogd. Niets scheidt ze meer van de zalige gemeenschap van hun Heiland. En ze genieten de vreugde huns Gods.
Alleen maar, ze zijn nog niet verheerlijkt.
Vandaar dat het in de Openbaring heet, dat er gezaligden zijn die roepen; „Hoelang nog, o heilige en rechtvaardige Heerscher!quot;, en dat hun gezegd werd, dat ze nog een weinig tijds wachten zouden.
Daarom ging niet alleen de liefde, maar ook de hope met hen over dood en graf de eeuwigheid in. Immers ook hun uitzicht en hun zalige verwachting blijft op den doorluchten dag gericht, als God Drieëenig eens voor eeuwig over Satan eu alle macht der duisternis triomfeeren zal, en niets meer de glorie van Christus, hun Koning, zal weerstaan.
Dan zullen ook zij „overkleedquot; worden. Zij tegelijk met u, indien het ook u gegeven wordt, zalig in uw Heiland af te sterven. Zij zullen u en gij zult hen niet voorkomen, Maar het zal zijn iu één oogenblik des tijds, met één klank van de bazuin, dat alle ziel, die in Jezus verzoend is, haar heerlijk lichaam zal ontvangen, om dan naar ziel én lichaam eeuwig Gode te leven.
L.
J^iet bedroefd als de anderen.
ROUWDRAGEN.
Doch, broeders, ik wil niet, dat gij onwetende zijt van degenen, die ontslapen zijn. opdat gij niet bedroefd zijt, gelijk als dc anderen, die geene hoop hebben.
1 Thess. 4 : 13.
Van oudsher pleegt het menschelijk hart, bij alle volk en onder alle hemelstreek, bij het graf zijner dooden te treuren en te rouwen.
197
en ook uitwendig; dien rouw en die droefenisae van het hart in symbolen, die een ieder verstaan kan, uit te drukken.
Dit is niet afgesproken, maar vanzelf uit de innerlijke ontroering van het hart onder alle volk zoo opgekomen.
Daarom dragen alle deze symbolische uitingen van rouw ook één gemeenschappelijk karakter, ze strekkeu om het uitwendig leven te dempen, terug te laten treden, te laten verstommen, en het aan de ziel mogelijk te maken, om zich geheel terug te trekken in de droeve, sombere wereld van haar smart.
Zoo sluiten wij nu nog de luiken onzer vensters, als om uit te drukken, dat we zeiven uiet verlangen met de wereld te doen te hebben, en liefst hebben dat de wereld voor ons het oog sluit.
Zoo pleegde de Oosterling, bij de lijkbaar zijner dooden, zijn klee-ren te scheuren, asch op zijn hoofd te werpen, zich niet te wasschen noch spijze te nemen, als om te kennen te geven, dat zijn lichaam op dat oogenblik voor hem niet bestond, zooals al de kracht van zijn wil en zijn denken in de verborgenheid zijner ziel was teruggetrokken.
En in gelijken zin kwam onder allerlei volken de gewoonte op, en hield ook onder ons nog stand, om als er een geliefde doode uit het huis was uitgedragen, de gewone bovenkleederen af te leggen, en voor een jaar of langer uiet anders te dragen dan zwart, met het wit er bij, om de donkerheid en somberheid van het zwart nog sterker te laten uitkomen.
Dat in den rouw zijn brengt dan tevens meê, dat men zich niet vertoont temidden van de vreugde der wereld, zich speent aan alle feestmaal of banket, en niet eer de rouw is afgelegd, weer op den ouden voet aan de gezellige vroolijkheid deelneemt.
Dat kan dan wel niet altoos zoo blijven. Vroeg of laat moet het gewone leven zijn loop hernemen. Maar in het rouwkleed zoekt men bescherming, om althans een tijd van overgang te vinden, en er onze vrienden van de wereld telkens aan te herinneren, dat ons een zoo diepe wonde geslagen werd in het hart.
En toch, hoe algemeen dat vertoonen en dragen van teekenen van rouw ook verspreid was en nog is, er zijn toch tijden geweest, dat de hooggestemde ziel tegen deze teekenen van rouw geprotesteerd heeft.
In de eerste jaren na Jezus' hemelvaart, in wat men pleegt de oudste Christelijke kerk te noemen, was al dit rouwen zoo goed als afgeschaft. Gelijk men zijn dooden begroef, niet huilende en weenende, maar zingend en jubelend, omdat hun strijd volstreden en hun zaligheid was ingegaan, zoo ook rouwde men uiet over hun verscheiden, maar verheugde zich, met een heiligen lach om de lippen en met een zalig heimwee in het hart, over het heil dat voor hen thans werkelijkheid was geworden.
198
1'
Ook over de martelaren is nimmer gerouwd.
Men kon dat niet, omdat men te machtig onder den indruk verkeerde van de glorie, die in hun heldhaftig sterven blonk.
Niet de dood had hen, maar zij hadden den dood overwonnen.
Steeds klonk bij hun sterven de apostolische kreet na; „Dood, waar is uw prikkel; graf, waar is uw zegepraal?quot;
En immers, de apostel had het zelf aan de kerke Gods toegeroepen, dat een kind van God niet bedroefd mocht wezen, als de anderen die geen hope hadden.
Dit was de zegepraal van het Kruis.
Een zegepraal, die ook in de opgewekte dagen der groote Eefor-matie van de 16e eeuw nogmaals in Gods kerk schitterde.
Want ook toen stond het geestelijk leven hoog; leefde men op aarde reeds in zijn eeuwig vaderland; en had daarom geen lust aan het rouwkleed, dat symbool van het sombere was.
Die achterbleef had wel verloren, maar die henonging had zoo oneindig gewonnen.
En drong, gebood dan de liefde niet, om meer met hem te juichen, dan over onszelven in zak en assche neder te zitten?
Er stierven weer martelaren, en die martelaren maakten aan het rouwen een einde.
Zelfs werd oorspronkelijk in tal van kringen tegen elk rouwen, als heidensch en den Christen niet betamend, geprotesteerd.
Er is nog een andere reden, waarom ook nu nog, zij het ook uit heel anderen hoofde, tegen het rouwen soortgelijk protest uitgaat.
De rouw is zoo dikwijls tot een leuyen geworden.
Een leugen doordien er gerouwd werd in het kleed, als er eigenlijk geen rouwe in het harte was. Gerouwd conventioneel, niet omdat men er zelf behoefte aan had, maar wijl men het niet laten dorst voor anderen. Gerouwd ook zoo kort mogelijk en gerouwd in graden, zooals men het telkens van de hoven der vorsten leest, dat de rouw is aangenomen wegens het overlijden van een prins of prinses die da rouwdragenden vaak nimmer zagen, waar ze niets van wisten, voor wier sterven ze niets voelden, maar waar ze toch over rouwen moes- gt;.
ten. En dan zooveel weken lichte, of zooveel weken zware rouw : alles '',
tot in de kleinste kleinigheden bepaald, wat paarse of dofte zilverlint men dragen mag. j
Een tweede leugen in den rouw is, dat men zoo dikwijls rouwt over een rijken bloedverwant die stierf, en veel naliet. Dan is er geld,
dan kan de dure rouw gemakkelijk betaald worden, en nu men zooveel erft, mag dat er wel af. Doch morgen sterft een bloedverwant \ in denzelfden graad, edoch arm, en dan rouwt men natuurlijk niet.
199
En nog erger wordt de leugen in den rouw, als de ijdelheid en de behaagzucht er zich in mengt.
Eouw beduidt, dat de ziel zich terugtrekt van de buitenwereld, en eigenlijk de verzorging van het lichaam te veel acht. En in strijd hiermee nu ziet ge, o, zoo dikwijls vooral vrouwelijke behaagzucht zich in den rouw inmengen. Vooral voor slanke, blonde vrouwen, van wat bleeke tint, staat rouw, o, zoo interessant. En dan wordt alles verzonnen, en aües uitgedacht, om in snit van gewaad en golving van sieraad uit het rouwkleed een soort prachtkostuum te maken, waarmee men voor den spiegel gaat staan, en waarin men zichzelven behaagt.
Van twee zijden wordt dus ook nu nog Gods volk tegen den rouw ingenomen.
15ij hooge geestelijke stemming heeft het aan het rouwkleed geen behoefte, en de leugen, die zich door de zonde ook in de plooien van het rouwkleed verbergt, is stuitend.
En toch zou het daarom niet goed zijn, aan allen rouw een einde te maken. Dit zou voor velen te sterk wezen. Vooral daar bij zeer velen, helaas, het geestelijk leven niet hoog genoeg gestemd is, om den rouw in het kleed te kunnen missen.
Maar één ding sta daarbij op den voorgrond. Gods kinderen zijn vrijgemaakt, en moeten zich nooit onder een juk van dienstbaarheid laten brengen. Nooit dus rouwen, omdat anderen het ons opleggen, of zeggen dat we het niet laten kunnen. De wet des Geestes luidt ook hier; Eouw dan alleen, als het waarheid in uw binnenste is, en eigen drang, eigen behoefte, eigen zin er toe uitdrijft. Zoo alleen biedt ge aan de leugen ook in het rouwkleed weerstand, en zoo alleen verkrijgt de rouw weer uitdrukking en beteekenis.
En volgt men dien weg, dan zal het zich niet zelden voordoen, dat er niet gerouwd wordt bij zeer zware verliezen, en juist wel gerouwd wordt, als vreeze rees, dat het niet diep genoeg zou gevoeld worden.
Immers wie door God, o, zoo diep in zijn teederste liefde geslagen en in de diepste vezelen van zijn hart gewond is, die rouwt ook zonder rouwkleed diep en lang, en kan zich lange dagen in het gewoel der wereld niet mengen, en boezemt aan zijn omgeving wel dien eerbied in, dat men niet onkiesch zijn rouwe komt storen.
De diepste rouw van het hart heeft geen steun van het rouwkleed noodig, maar verraadt ook zonder rouwkleed wel, wat er in de worsteling der ziel omgaat.
Maar greep het verlies minder aan; minder vooral dan moest ; zoodat de ziel zich verwijt, dat de liefde te flauw, en daarom de rouw te ondiep was, dan ja, kan het rouwkleed als een steun voor eigen herinnering gezocht worden.
Of ook zoo men zelf wel diep gevvoad ia, maar minder zijn huis-genooten, en men deswege vreest, dat zij te spoedig het gedolven graf vergeten zullen, en allicht te spoedig weer naar de wereld zouden neigen, dan kan aller rouw een middel zijn om indruk te maken, en althans voor een tijd zekeren teugel aanleggen. Vooral bij kinderen tusschcn de tien en twintig jaren, in wie het leven het sterkst bruist, werkte die teugel soms heilzaam.
Maar vergeet nooit, dat het aandoen van rouw straks gevolgd wordt door het afleyyen van den rouw; en juist dat is het harde.
Want als ge nu uw rouw aflegt, is dan uw doode vergeten, is hij dan losgemaakt van uw hart, spreekt ge dan uit dat het nu voor hem niet meer hoeft?
o. Ge gevoelt het zelf wel, wat bitter tragische zelfverlaging er in dat afleggen van den rouw voor onze menschelijke liefde uitkomt.
Tijd sUjt, maar juist dat is het vreeselijke, dat zelfs een liefde, die ons eenmaal bij dit, graf zoo diep ontroerd heeft, ook slijten kon, tot ze ten leste sprakeloos werd.
En dan soms dat weken vooruit reeds hunkeren naar het oogen-blik, als het veelkleurig gewaad weer voor den dag kan gehaald, en men weer in de wereld kan uitgaan.
Neen, dat alles is het leven van Gods kinderen niet, en beter niet gerouwd, dan zoo den rouw afgelegd.
Weest niet bedroefd, gelijk de anderen, die geen hope hebben; maar ook laat iets van uw liefde voor uw dooden eens met u gaan in uw eigen graf.
BIBÜOTNEEC