TWEE VROOLIJKE GESCHIEDENISSEN.
(SEOSUKT B'J J- J. GROEN TE LEIDEN,
TWEE VROOLIJKE/. GESCHIEDENISSEN.
HOE IK AAN EENE VROUW KWAM. UIT DEN FRANSCHEN TIJD.
--âgt;;gt;gt;) © f lt;Slt;=-
Naar den zesden druk uit de Mekklenburgsche Volkstaal vrij vertaald door A. G.
MET EENE PLAAT.
Vierde druk.
LEIDEN, P. ENGELS. 1 890.
HOE IK AAN EENE VROUW KWAM.
Na de bruiloft is liet uit:
Vóór de bruiloft wen je bruid.
Ik was zachtkens aan een oude knaap geworden. Ik was in de wereld rondgejaagd, hier heen en daar heen, ik had mijn hoofd menigmaal op eene zachte peluw neder-gelegd, maar ook menigmaal op een bos stroo. Nu ik echter ouder werd, beviel mij dat stroo lang zoo goed niet meer als toen ik op twintigjarigen leeftijd was; want die in zijn kinderjaren gaarne gele wortels eet, versmaadt daarom, als hij ouder is geworden, juist geen gebraden gans. De menschen zeiden: âtrouwen;quot; en ik zei: ,bedenken,quot; en beschouwde den heiligen huwehjksstaat als de vos de ganzenkooi, en dacht: âGe zoudt er wel gaarne eene hebben! Ge komt er ook heel zacht in! Maar als gij er eerst eene uitgezocht hebt, komt ge er dan ook weder uit?quot; â quot;Wanneer ik dan later weder aan het eeuwige varkens- en lamsvleesch van den hospes dacht, en hoe het er in mijne kamer uitzag, als op Gods lieve aarde vóór den eersten scheppingsdag, en hoe de oude sakkermentsche Reuter Vrool. Gesch. 4e dr. 1
â 2 â
knoopen steeds van mijn kleêren scheurden. dan zei ik : âtrouwen;quot; en dan zeiden de malle menschen weder: âbedenken.quot; Zoo zat ik dan steeds tusschen hangen en worgen, en de jaren begonnen al een grijzen tint over mijn hoofd te verspreiden. Toen stond ik eens bij de kachel en had mijne pijp aangestoken en keek naar het weder.
De sneeuw dwarrelde zachtkens van den hemel neêr; 't was buiten zeer stil, geen rijtuig liet zich hooren; slechts in de verte hoorde men het gerinkel van sledebellen en het werd mij al te eenzaam: 't was bovendien heilige kerstavond. Terwijl ik nog zoo stond en onwillekeurig door de ruiten keek, kwam mijn schoenmaker Linsener met eene handslede vol hout voor zijne deur aan, wat hij in het stadsbosch bijeen verzameld had, en boven op de slede lag een groene dennetak. âZie nu dien rakker eens aan!quot; zeg ik. âHij zou mij een paar andere laarzen maken , en hij is met hout aan 't karren! Hij heeft mij al likdoorns aangelapt; ik laat bij dien kerel voortaan niets meer maken!quot; â Zoo sta ik toen nog een tijd lang, en ik gevoel eene huivering door al de leden en 't is alsof er ijs langs mijn' ruggegraat glijdt, en ik zeg tot mij zeiven: âNatuurlijk!quot; zeg ik. âEene verkoudheid, eene zware verkoudheid! En geen wonder ? De laarzen zijn stuk ? en met de wol, die ik aan vrouw Bütow gegeven heb, stopt zij hare eigene kousen, en de mijne hebben geene zolen meer. Alles in de wereld heeft zijn natuurlijke oorzaken.quot; â Zoo stond ik, totdat het donker werd, en toen ik licht wilde aansteken, kon ik de lucifers nier: vinden , en toen ik die gevonden had, wilde de lamp niet branden: vrouw Bütow had de kous niet afgeknipt; en toen die eindelijk na veel moeite begon te branden, ging ze weder vlak, voor mijn neus uit; vrouw Bütow had er geen olie ingedaan. Onder zulke omstandigheden is het
â 3 â
niet onaardig, wanneer er dadelijk iemand bij do hand is, dien men eens ferm de huid kan vol schelden; ik had echter niemand bij de hand, en wat zou ik dus aanvangen ? Ik keek maar weder uit het venster.
Bij het gezin van den schoenmaker was het licht opgestoken en in de kamer begon het vroolijk en luidruchtig te worden, maar zien kon ik niets, want de gordijnen waren toegeschoven. âZie nu eens bij den schoenmaker!quot; zeide ik, âknappe gordijnen!quot; â Ik had geene gordijnen; vrouw Bütow stelde geen belang in gordijnen. In den eersten tijd had zij mij wat lappen aan elkaar genaaid; die zagen er uit als âvan onder niets en yan boven niets,quot; en ik had ze afgetrokken, toen mij de menschen vroegen of ik aan mijne vensters kinderhemden te droogen hing. Natuurlijk ergerde ik mij dan nu over den schoenmaker: de vent maakte mij mijne laarzen niet, en wilde leven als een graaf, en ik zat in 't donker zonder gordijnen en met eene verkoudheid door al mijne leden. Welnu, ik ga de straat op en denk: âWacht! ik zal dien kerel eens duchtig de les lezen!quot;
Toen ik de kamer inkwam, stond een denneboom op de tafel en er brandden lichten aan, en de kleine jongens van den schoenmaker, zijn Kareltje en Christiaantje, hadden een fluit en een trompet, en maakten muziek, en zijn klein Marieken juichte daarbij en gilde het uit, en greep met de handjes naar de lichten, en trappelde met de voetjes in haar moeders schoot, want zij kon nog niet loopen. De schoenmakersvrouw had het spinnewiel ter zijde gezet, zij had een schoenen boezelaar voorgedaan en haren zon-dagschen doek omgeslagen en zette een zondags-gezicht daarbij, lachte de kinderen toe en wischte klein Marieken den mond af, wanneer die zich met de pepernoten wat al te smerig gemaakt had. De schoenmaker had een stuk linnen van eene huifkar over de werkplaats gelegd; hij
â 4 â
had zijne pantoffels aangetrokken en zat nu met een lange pijp bij de kachel, en met een' kan bier voor zich.
Nu, hier kon toch niemand kwaad gemutst binnen komen. Ik zeide alzoo niet anders dan: âGoeden avond! ik wilde maar eens komen zien, waarom gij allen zoo vroo-lijk zijt.quot; â En nu werd mij dan alles gewezen; de pepernoten en de appelen, de bonte-boonen-kransen en de rozenbottelskransen, de zeven krentenbroodspoppen en de eene suikerpop, die heel boven in den denneboom hing. âHet zijn altemaal begeerde zaken,quot; zeide de schoenmaker, âdrie jaren hebben wij ze nu gelukkig kunnen bewaren, tot op den staart na van dit huzarenpaard; dien heeft Christiaantje eens afgebeten, toen moeder er een oogenblik niet goed acht op gaf. â Ja, jou meen ik;' liet hij er op volgen, en dreigde zijn jongen met den vinger. â âIk wil hem mijn werk toch maar niet ontnemen,quot; zeide ik tot mij zeiven, en ik gevoelde mij innig vergenoegd, niettegenstaande ik vreeselijke hoofdpijn had. Maar toen schoenmaker Linsener mij het hoofd- en middelstuk had aangewezen en uitgelegd, â 't was Adam en Eva vóór den val, heel mooi in krenteubroodsdeeg gekneed, en met eieren en saffraan geel bestreken, â en toen de beide kleine Linseners zich rechts en links van onze eerwaardige stamouders posteerden en met toeteren en trompetten begonnen, toen werd het mij toch juist te moede alsof de oude wagenmaker Langklas mij met zijn stompe fretboor altijd pianoforte â pianoforte â in het hoofd boorde, dat het piepte en knarste, en mij daarbij vroeg of het niet heel mooi ging? â De schoenmaker scheen het mij aan te zien, dat ik mij niet recht wel gevoelde , want toen zijne beide kleine cherubs mij behoorlijk uit zijn paradijs getoeterd hadden, ging hij met mij naar den overkant en wilde mijn licht aansteken en vroeg waar de lucifers stonden. â âIk heb ze wel,quot; zeide ik,
âmaar de hemel en vrouw Bütow alleen weten waar ze te vinden zijn.quot;' â De schoenmaker hielp mij nu uit mijne laarzen en zeide: âNatte voeten! En ik heb u de andere laarzen niet in orde gemaakt!quot; Hij hielp mij naar bed en zeide: Heb maar een weinig geduld, mijne vrouw zal ik bij u zenden en zij zal thee voor u zetten.'' â Dat gebeurde dan ook; maar wat in de eerste veertien dagen met mij is voorgevallen, daarvan weet ik niet veel te vertellen. â
Ik lag in een zwaren droom. Het kwam mij voor alsof mijne gansche kamer door brandende denneboomen verlicht was, en aan eiken boom hing een fraaie krentenbroodspop met Adam en Eva en heel het paradijs, en als ik daarop afging en de hand er naar uitstrekte, dan had ik een kapotte laars in de hand en eene kous zonder zolen, en Christiaantje en Kareltje stonden tusschen mij en de gaven van den kerstavond, en floten en toeterden , dat het mij door liet hoofd dreunde en knarste, en de duizend lichten dansten voor mijne oogen, en als ik dan riep: âLaat mij toch met rust ! Laat mij toch met rust! Ik wil immers bij je vader weer laten werken!quot; en dan de hand weder uitstak naar de mooie krentenbroodspop, dan drongen zij mij weder terug en toeterden mij in de ooren :
âSchoenen lappen, schoenen lappen !
Hebt gij ook wat om te lappen?
Voor zoo'n ouden jongen heer
Is 't geen kerstmisvreugde meer!quot;
Toen begon de oude roodverglaasde pot, die aan mijn hoofdeinde stond, over zijn geheel breed en blank gezicht te lachen, en door de kamer liepen kapotte laarzen, die staken allen de tong uit, en schoenmaker Linsener pakte
ze beet, de eene ua de andere, en reeg ze allen te za-men en hing ze aan mijn venster in plaats van gordijnen. â Aan mijn voeteneinde, daar zaagden twee, steeds afwisselend, liout: de een zaagde altijd kleine dunne stukjes voor een koffie-vuurtje, en de ander verwerkte knoesterig eikenhout; en als het hout voor het koffie-vuurtje gezaagd werd, dan danste de nachtmuts van vrouw Bütow voor mijne oogen op en neer, altijd op en neer; en als in het knoesterig eikenhout gewerkt werd, dan schemerde het mij voor de oogen, alsof een groote schoone aardbezie in een groen boschje stond, en als ik scherper toekeek ? dan was het de roode neus van mijn oom Matthijs, die boven mijn groene deken uit kwam kijken. â
Eens op een nacht, toen er weder zwaar in het knoesterig eikenhout gewerkt werd, werd het mij op eens, alsof ik uit de duisternis in het licht kwam. Ik greep om mij heen. Waar was ik? Ik lag in bed, de nachtlamp brandde flauw, en in don grooten opgevulden leuningstoel lag mijn oom Matthijs inderdaad, tot aan zijn neus in mijn groene deken en snorkte allervreeselijkst. âOom Matthijs!quot; riep ik. â In het eerst hoorde hij niet, maar eindelijk werd hij wakker en wreef zich de oogen uit. âOom Matthijs,quot; vroeg ik, âwaar is de schoenmaker Lin-sener?quot; â âJongen,quot; zeide mijn oom, â want hij noemt mij nog altijd Jongen,quot; ongeveer met evenveel recht als de oude buurman Haman altijd nog zijn twee-en-twintigjarig bij-de-hand's vóórpaard âhet veulenquot; noemt; â âJongen, begint ge al weder? Wat hebt ge toch met den schoenmaker Linsener te maken ? De man doet u immers niets.quot; â -âOom,quot; zeide ik, toen hij zich weder ter deeg-legde, om weder aan 't zagen te gaan, âis het waar; of heb ik het gedroomd? Hebben wij oude vrijers geen deel aan de kerstvreugde?quot; â âGekkepraat!quot; zeide oom Matthijs. âLeg stil!quot; â âIk ben zeker erg ziek geweest?quot;
vroeg ik. â âDat is God bekend,quot; zeide mijn oom en kroop van onder de deken uit en nam de lamp en lichtte mij in de oogen. âMaar waarlijk, waarlijk! Ik geloof, dat ge het gevaar te boven zijt, want ge ziet er; mijn jongetje,quot; â en daarbij streelde hij mij, â âgeheel anders uit. Kunt ge nu werkelijk zien, dat ik uw oom ben, en dat dit mijn neus is, en geen aardbezie? En wilt ge dat aardbeziën plukken nu zachtjes aan wel eens laten ? Want ge hebt mij gisteren nacht tweemaal leelijk in het gezicht gepakt, toen ik een beetje ingedommeld was.quot; Ik beloofde dat ik mij nu beter zou gedragen, want ik kwam nu weder tot mijn verstand.
In waarheid, de ziekte was geweken, maar nu kwam de ellende eerst aan. Ik was zoo ontzettend zwak, dat ik mij niet verroeren kon, en als ik de oogen eens opsloeg, dan stond vrouw Bütow voor mij en had den rooden verglaasden pot in de ééne hand en een lepel in de andere, en voerde en propte mij vol met een ziekensoep, die zoo stijf was als boekbindersstijfsel en ook zóó smaakte, en ze zeide dan: âEet toch, eet toch maar! â Als ge niet eet, wordt ge niet boter.quot; En bij al deze kwelling zette dat oude goedhartige meubel bij haren stijfselpot nog zulk een meewarig gezicht, dat ik wel moest toehappen, of ik wilde of niet. â
Ieder ding heeft een end, en eene worst heeft er twee. Ik kon het bed weer verlaten en zat toen uren lang met mijn oom Matthijs te zamen, en keuvelde wat met hem. â âOom;quot; zei ik eens, want de droom van den kerstboom en de oude vrijers lag mij door het hoofd te malen, âoom, we hadden eigenlijk beiden moeten trouwen.quot; â âGekkepraat!quot; zei mijn oom, âmeent ge dat ik als Oos-tenrijksche wachtmeester van anno dertien in de keizerlijk-koninklijke staten eene kleine Hongaarsche huzaren-fokkerij had moeten aanleggen?quot; â âDat niet,quot; zeg ik,
âik spreek ook eigenlijk slechts van mij zeiven. Zie, ik denk wel eens, als ik eene vrouw had, â namelijk eene flinke vrouw, eene goede vrouw, eene â een aardig, lief vrouwtje, en gij kwaamt dan bij ons inwonen... .quot; âOm op de kinderen te passen ? Ik dank je hartelijk!quot; zei mijn oom Matthijs. â âZoo meen ik dat niet,quot; zeg ik. âMaar trouwen doe ik, want de oppassing van vrouw Billow in mijn laatste ziekte. ...quot; â âMij dunkt,quot; viel hij mij in de rede, âdat gij goed genoeg opgepast zijt. â Ik zelf.....quot; â âWel, praat zóó niet,quot; zei ik, âgij hebt
al het mogelijke gedaan; maar vrouw.....quot; â âNu,
hebt gij dan al eene bepaalde op het oog?quot; vroeg mijn oom. â âIk weet er eene,quot; zeg ik. â âEi, zoo, en is zij je ook al genegen?quot; vroeg hij. â âDat weet ik niet,quot; zeg ik. â â'tIs zeker zoo'n ijdele modepop?quot; vroeg hij en pinkte met het ééne oog. â¢â âDat niet,quot; zeg ik. â âDan is zij zeker al lang de militaire dienstjaren te boven?quot; vroeg hij weder en knipoogde andermaal. â ââ âOok dat niet,quot; zeg ik. âMaar gij kunt er eens een kijkje van nemen ; â ik kan helaas niet mede; â zij gaat eiken namiddag buiten de poort naar den molen heen wandelen, zoo tussehen drie en vier uren, en gij kunt er u niet in vergissen, want zij is de mooiste van allen, die daar loo-pen.quot; â âNatuurlijk!quot; zegt mijn oom. â âEn ze heeft een' kwast aan don mantel en een kleinen jongen aan de hand,quot; liet ik er op volgen. â âTrouwt ge dat kind op den koop mede?quot; vraagt mijn oom. â⢠âHoe komt gij daar bij?quot; voer ik driftig uit. âDat is haar zusters kind.' â âHeere, bewaar ons!quot; zegt mijn oom. â âMaak u maar niet zoo boos! Wat weet ik daarvan? Voor mijn part kon zij immers eene weduwe zijn. Maar, ik wil toch eens een kijkje gaan nemen!quot; â En daarmede ging hij heen.
Des middags, zoo omstreeks vijf uren, kwam hij weder,
stak een pijp op, ging zitten en zeide hoegenaamd niets. Dit hinderde mij natuurlijk, en ik sprak dus ook niet. We rookten nu heiden als kalkovens; maar ik was toch al te nieuwsgierig; ik stond op en plaatste mij zóó, dat hij mij met zijn oud knipoogerig gezicht niet in de oogen kon kijken, en vroeg: âZijt gij van daag buiten de poort geweest?quot; â âDat ben ik,quot; zegt hij. â âquot;Wel?'' vraag ik. â âJa,quot; zegt hij, â âHebt gij haar gezien?'' vraag ik. âIk heb haar gezien,quot; zegt hij, âen heb ook met haar gesproken.quot; âBen je bezeten?'' zeg ik en ik draai me om. âWat hebt gij met haar te praten? Ik zelf heb nog niet eens met haar gesproken.quot; â âDaarom juist!quot; zegt hij; âwant één van ons beiden moet toch een begin maken en ik zal toch wel met do beminde van mijn zusters zoon mogen spreken?quot; âZoo ver zijn wij nog lang niet,quot; zeg ik. â âWat niet is kan immers nog worden,quot; zegt hij; en hij ging wat dieper in den ouden leuningstoel zitten en strekte de beenen vooruit, als wilde hij zeggen: âziet ge me wel?' â âIk wil het u vertellen,quot; zeide hij. âToen ik den weg was opgegaan , kwam zij achter mij aan en ik bleef staan on zag naar haar, want zij had een kleinen jongen aan de hand; den kwast kon ik niet zien, omdat die op haar rug hing.quot; â âIk kan 't mij zoo verbeelden zei ik, âgij hebt haar zeker wonderlijk aangekeken ?quot; â âAls ik wat zien wil, dan maak ik mijne oogen open,quot; zeide mijn oom, âon dat deed ik, en zij sloeg hare oogen zoo naar beneden â eensklaps, en met zulk eene snelle beweging, alsof zij 's avonds de gordijnen van haar ledekant toetrekken wilde, en toeu zij voorbij was, zag ik ook den kwast.quot; â âGij zult haar mooi aangekeken hebben,quot; zeg ik. â⢠âDat heb ik, maar het mooiste komt nog.quot; â âNu, maar is zij u goed bevallen?quot; vroeg ik. â â âWel zeker! zij bezit onderscheidene deugden, die mij wel aanstaan : in de eerste plaats heeft zij niet veel klungels om
haar hoofd hangeu, en ten tweede veegt zij met hare kleêren de straat niet schoon, en dat zijn een paar deugden, mijn zoon, die meer te beteekenen hebben dan men doorgaans denkt; want die zoo veel aan het hoofd hebben hangen, hebben er meestal niet veel in, en die zulke lange kleêren dragen, hebben allen kromme beenen, of wat nog erger is, haar schoeisel bevindt zich in geen goeden staat. Mijn zoon, bij vrouwen en paarden moet gij altijd het eerst naar de beenen kijken; ziet dat onderspul er knap uit, zetten zij de beenen goed neer, en is het voetwerk netjes, dan kunt gij op vlijt, orde en zindelijkheid rekenen.'quot; âGij meent alzoo â?quot; vroeg ik. â âIk meen in het geheel niets,quot; viel hij mij in de rede. âLaat mij eerst vertellen, hoe 't mij verder gegaan is. â Toen zij nu zoo vóór mij uit naar den molen ging, en ik achter haar, toen moest ik wel tot mij zeiven zeggen: waarlijk! ge neemt eene deftige houding aan! Ge draait een beetje met het hoofd; maar dat kan geen kwaad! Want waarom zou zij niet met haar hoofd draaien? daarvoor is zij immers een vrouwspersoon; maar â derk ik zoo bij mij zeiven â de spraak! Dat is de hoofdzaak! gij moot met haar een onschuldig gesprek aanknoo-pen! â Toen zij nu weder terug kwam, plaatste ik mij met den rug tegen den boom en deed alsof ik mijn pijp wilde aansteken, en toen zij ongeveer een pas of vijf van mij af was, haalde ik mijn vuurslag uit den zak en bij die gelegenheid trok ik tevens voor een daalder klein geld er mede uit. â Jongen! vat je 't? Alles voorbedacht! â De twee-groschen-stukken rammelden zoo maar over den hard bevroren straatweg. Nu buk ik en hijg er geweldig bij, alsof het oprapen mij uiterst moeilijk viel, en toen zij dit gewaar werd, zeide zij werkelijk tot den kleinen jongen dat hij mij zou helpen, en zij hielp ook mede, â en dat wilde ik juist. Ik bedankte haar nu, en
â \vij kwamen in een gesprek en gingen te zameu tot aan de poort.quot; â âEn waarover hebt gij dan gesproken?quot; vroeg ik. â âO! het had niets te beduiden. â Ik zeide dat ik uw oom was, en vroeg of zij u niet kende, daar gij hier ook steeds op en neer liept; toen zeide zij dat zij niet het genoegen had, â âgenoegenquot; zeide zijâ; toen vroeg ik of zij hier niet een jong mensch had zien gaan met een geelachtig grijzen hoed en een geelachtig grijze overjas, een geelachtig grijze broek en geelachtig grijs haar? â â âNeen.quot; zeide zij; âeen oudachtig heer in zulk eene kleeding had zij wel gezien.quot; â Toen zeide ik dat de oudachtige heer de jonge mensch was, waarvan ik gesproken had: dat waart gij. â Toen sprong dat aardige kleine jonkske tegen haar op en zeide: âTante, dat is die menheer, waarvan gij altijd zegt, dat hij er uitziet als een regelbroodje, dat in koffie met veel melk gesopt is.quot; â Toen werd zij vuurrood en ik moest luidkeels lachen en zeide, jawel, dat gij dat waart.quot;
Ku werd ik ook vuurrood, want de grap maakte mij zeer knorrig, en ik zei tot mijn oom: âAls gij niets anders gewild hebt dan uw eigen zuster's kind belachelijk bij de menschen te maken, dan hadt gij maar liever moeten t'huis blijven.quot; â âDat had ik ook,quot; zeide hij; âmaar ik wilde nog wat anders; ik wilde gaarne weten, of zij u zou willen hebben?quot; âMaar, mijn hemel!quot; zeg ik, âdat hebt gij haar toch niet gevraagd?quot; â âJongen,quot; zeide mijn oom, en dampte daar vreeselijk bij, âwanneer ik eene zaak op mij neem, dan volbreng ik haar behoorlijk, â maar f ij n! â Ik vroeg haar dus, of zij wel wist, wat gij waart?quot; â âNeen,quot; zeide zij, âgij waart wellicht een dokter?quot; â âHeer! bewaar me!quot; zeg ik, âhoe zou zij daaraan komen?quot; â âEen advokaat?quot; â âOok dat niet.quot; âNu dan dit, of dan dat ?quot; En zoo raadde zij nu eens opwaarts tot een raadsheer, dan weer afdalend tot een barbier; ik schudde
â 12 â
maar altijd met het hoofd en zeide eindelijk: gij raadt het toch niet! â Hij is op zijn hoogst volstrekt niets.quot; â Dit kwam haar dan nu al heel min voor, en zij meende dus, dat gij dan zeker van uw geld zoudt leven. âIk zeide toen, ja! daaraan had zij in zooverre gelijk dat gij in die zaak van jongs af den meesten lust hadt betoond; maar, dat gij daardoor een post gekregen hadt, kon ik juist niet zeggen. Gij zaagt nu naar eene andere betrekking uit. â âNaar welk eene?quot; vroeg zij. â âNaar den huwelijken staat,quot; zeide ik en vroeg daarbij, hoe zij daarover dacht. Vooraf had ik reeds tot mij zeiven gezegd: wordt zij bij deze vraag bleek, dan mag ze hem niet lijden; wordt zij rood, dan neemt ze hem. â â En zie! zij werd over en over rood en boog zich en frommelde wat aan den hoed van den kleinen jongen en toen zij zich weder oprichtte, keek zij mij zoo van boven naar beneden aan, maakte eene kleine beweging, eene soort van dienaresse, en weg was zij! En de vraag, die ik haar, mijn persoon aangaande, nog wilde doen, kwam in 't geheel niet bij mij op het tapijt. â âDat zal ook een mooie vraag geweest zijn !quot; zeg ik, en beet van ergernis een stuk van het pijperoer. â âO neen!quot; zeide mijn oom, âik wilde haar alleen vragen, of zij goed visch kan koken; dan wilde ik bij je komen inwonen.quot; En daarop zag de oude knaap er uit, zoo belangwekkend en ernstig, alsof mijne lunvelijksaangelegonlieden hem meer ter harte gingen, dan mij zeiven. Dit zou echter nog veel koddi-ger worden.
Toen ik spoedig daarna al eens even uit mocht gaan, ging ik nu met opzet niet naar den molen, want het hinderde mij, haar onder de oogen te komen. âLaat ik een beetje naar het meer op het ijs gaan,quot; denk ik âen naar het schaatsenrijden en het slederijden gaan zien.quot; â Dat deed ik dan ook, en toen ik in de nabijheid van de tent kwam.
â 13 â
waar bier en brandewijn en punseh en grog verkocht werd, ging ik er wat dichter bij, en zag toen juist, hoe mijn oom Matthijs een achtgrosschen stuk op de tafel legde en voor vier groschen koek en voor vier groschen pnnsch nam. Dat kwam mij nu al zeer vreemd voor, want hij dronk liever een glas grog dan punseh, en koek nam hij nooit in den mond. âWat zou dit toch te beduiden hebben?quot; denk ik, âhij wil zeker kinderen trakteeren.quot; â Maar neen! Zonder dat hij mij gewaar werd, ging hij met zijn stapel koeken en zijn glas punseh op eene slede af, waarin eene dame met een' groenen sluier zat, en boog zich met zijn lijf voor en achterwaarts, alsof hij zijne lendenen wilde verrekken en kraste met de voeten zoo potsierlijk op het ijs, dat ik dacht: de oude man zal zijn evenwicht verliezen. Maar juist toen ik naar hem toe wilde springen, om hem onder de armen te grijpen, sloeg de dame den sluier terug, en wat zie ik ? â Mijn lieve schat en mijn zoete oogentroost! En het werd mij, alsof iemand mij rechts en links een paar oorvijgen had gegeven. â âDat mag de koekoek weten! zeg ik, âde oude bederft mij de heele vrijage!quot; En, ik ga naar huis, zeer verdrietig , zoo verdrietig, als eenig mensch ooit kan worden.
Daar zat ik nu in 't donker en ergerde mij inwendig. Toen ging de deur open, en mijn oom kwam binnen. âGroeden avond!quot; zeide hij. âHoe zit gij hier zoo in de duisternis ? â Steek licht aan!quot; â Dit is de eenige keer in mijn leven geweest, dat ik mijn moeders broeder niet gegroet heb; ik stond echter op en stak licht aan, en zag er zoo zuur uit, als een zoute haring, die veertien dagen in azijn gelegen heeft. â âWat scheelt u?quot; vroeg hij. â âNiets!quot; zeg ik kortaf, ik dacht echter: 't is mijn moeders broeder! en liet er op volgen: âIk ben niet in mijn schik!quot; â âIk zeer,quot; zeide hij, en daarbij zag hij er zoo vroolijk uit, als een oude ezel, die veertien dagen
bij gladde haver op stal gestaan heeft. â â'k Heb weer met haar gesproken,quot; â zeide hij. â âWat gaat het mij aan,quot; zeg ik. â âHoe moet ik dat verstaan?quot; vroeg hij en zette een zeer ernstig gezicht. â âDie mooie droom is bij mij uit,quot; zeg ik. â âGij wilt niet?quot; vroeg hij en legde zijne beide armen op de leuningen van den leuningstoel en keek met den neus daarover heen, mij strak in 't gezicht: âIk heb de zaak zoo fijn bewerkt, zoo fijn! dat een hond er om zou jammeren, wanneer daar niets van kwam, en nu wilt gij niet?quot; â âNeen,quot; zeg ik. âOom, ik wil niet! Meent gij, dat ik u den room zal laten afscheppen en ik mij met de zure melk zal tevreden stellen? Want daarover zijn ze 't allen eens, â zie maar hier! Anialia Schoppe, geboren Weise, en Elize von Hohenhausen, geboren von Ochs, en al de anderen, die over dit onderwerp geschreven hebben â âhet schoonste bij het trouwen is het verkeer van verloofden vóór de bruiloft,quot; en dat pleizier eigent gij u toe, en ik zal toezien hoe ge mijne liefste op punsch en koeken tracteert?quot; â Mijn oom neemt de geboren âWeisequot; en de geboren âvon Ochsquot; en smijt ze in den hoek van de canapé en gaat voor mij staan en zegt: âIk vraag je voor het laatst, of gij het meisje trouwen wilt of niet ?quot; â âNeen,quot; zeg ik. â âNu,quot; zegt hij en keek mij lang aan met zulk een ernstig gezicht, alsof hij zoo even zijn testament gemaakt had en nu nog zijn' naam wilde teekenen, ânu het meisje zal door mij geene schade te lijden hebben, want ik zal ze trouwen.quot; En daarmede ging hij met een fleren tred de deur uit.
Dat was me nu een geschiedenis! â In 't eerst stond ik geheel verbluft, vervolgens viel ik in den hoek van de canapé op de geboren âWeise,quot; neder en lachte overluid. Mijn oom, die ruim twintig jaar ouder was dan ik, durfde eene zaak ondernemen, waartoe mij op mijne ja-
â 15 â
ren de courage byna begon te ontzinken! â Ik wilde nu weder in lachen uitbarsten, maar 't wilde niet meer vlotten, want mijn hart was niet zonder zorg: en hoezeer ik mijn gezicht breed genoeg vertrok, het kwam tot geen lachen, toen ik mij nu met het domste gelaat van de wereld in den spiegel te zien kreeg, sprong ik overeind en ging met groote schreden de kamer op en neer, en maakte mij niet weinig boos en sloeg op de tafel en sprak: âHij doet het, hij is er toe in staat.quot;
Toen vrouw Bütow kwam, werd zij natuurlijk om onderscheidene redenen beknord, en toen ik haar behoorlijk had terecht gewezen, ging ik naar de club, en speelde omber en zeide steeds tot mij zeiven: âDat kunt ge zoo toch maar niet laten gaan,quot; en speelde solo's, die hoegenaamd niet op de wereld bestonden, en verloor ze, en zeide dan weder: âGij zult u dien harten toch niet laten ontnemen!quot; eu nam de schoppen en werd codille. Ik ging verdrietig naar huis, begaf mij te bed en wilde slapen maar ik kon niet. Ik kwelde mij den ganschen nacht, want ik kon my dat lieve kind niet meer uit de gedachten zetten, â zij had mij betooverd, â en de kerstavond viel mij in, en de vrees, dat ik in mijn leven geen kerstboom zou versieren. Wanneer ik dan tot mij zeiven zeide: âzet het maar door!quot; dan vlogen mij al mijne bedenkingen als een bijenzwerm door liet hoofd, en voor mijne oogen stond altijd een groot vraagteeken, en wanneer ik mij dat wilde verklaren, dan beteekende het steeds; âJa, maar wil zij ook?quot;
Dit kon niemand beter beantwoorden, dan zij zelve, â zooveel zag ik in, â en toen nu de grauwe wintermorgen in mijne koude kamer begon aan te breken , en ik van koude rilde, terwijl ik koffie zette, zeide ik: âNu weet ik, wat ik te doen heb! Wat zijn moet, moet zijn!quot; En ik zeg aan vrouw Bütow; âvrouw Bütow,quot; zeg ik, âga eens naar den koopman Bohnsacken en koop voor mij een
â 16 -
paar fijne gele handschoenen, zoo als de jonge heeren advokaten steeds dragen, als zij eens heel veel willen be-teekenen. â Maar mooie gele!quot;
Tegen elf uren had ik nu mijn zwarten rok, zwarte broek en glimmende laarzen en de nieuwe gele handschoenen aan, en eer ik mijn hoed opzette ging ik voor den spiegel staan en zeide met recht: âHoe is'tmogelijk! Dat had ik zelf niet meer kunnen denken!quot; Ik wierp nog een blik in mijne kamer rond en zeide: âZóu zal 't dan nu hier niet blijven!quot; Ik keek eens in mijne oude pantoffels, die voor het bed stonden, en zeide: âJelui zult ook raar staan kijken, als het gelukt, en binnen kort een paar kleine, nette pantoffeltjes bij je komen logeeren.quot;
Ik ga nu de straat af en kom het huis van mijn oom Matthjjs voorbij en denk: âEerst met de gansche wereld vrede gemaakt, alvorens iemand zulk een' gang doet!'' Want het was mij om 't hart, alsof ik mijn laatsten gang ging volbrengen. Ik klop alzoo aan zijn' deur en treed binnen.
Nu, ik heb al veel in de wereld gezien; ik heb eens gezien, dat een kerel vuur vrat; ik heb eens gezien, dat iemand vlas vrat en mooi zijden lint uit zijn keel haspelde; maar zoo iets wonderlijks is nog nooit onder de oogen gekomen, als in het oogenblik, toen ik op dien morgen mijn oom Matthijs te zien kreeg.
Daar stond hij in zijne kamer, oven mooi opgeschikt als ik, behalve dat zijn zwarte rok een groen jachtbuis was, en dat zijne gele handschoenen van hertsleder waren, en de mijne van schapeleder, en dat zijne witte knevels links en recht, als een paar heldere ijskegels, langs zijn mond afhingen, en de mijne naar boven opgedraaid waren en zich in alle mogelijke nuances vertoonden.
âOom!quot; riep ik, toen ik binnen kwam, en mijn hoed
â 17 ~
rolde voor mij uit de kamer in, zoo was ik ontsteld. â âJongen,quot; riep hij, âwat wilt gij?quot; â âWat wilt gij?'' riep ik. â âIk wil dat, wat gij niet wilt!quot; zegt hij. â âNeen, ik wil weer!quot; riep ik. âEn ik hen maar eens evenvoegde ik er hij, âhier in dezen opschik naar u toegekomen , om u te zeggen, dat ik nu mijn hesluit genomen heb, en om u te vragen, of gij weder mijn lieve oude oom wilt blijven.quot; â âWilt gij dat?quot; zeide hij, en zette zich in zijn leuningstoel neder, en zag mij met een veelbeteekenenden blik aan. âNu, dan wil ik u maar zeggen, dat ik ook in dezen opschik bij u wilde komen, om u een weinig schrik aan te jagen. Ik weet dat uit den tijd toen ik soldaat was: zoo een weinigje, schrik, dat schudt den mensch goed wakker en doet hem zijne krachten inspannen; want dan komt het eergevoel mede in 't spel. â âEn, jongen,quot; zeide hij en stond op en legde mij de hand op den arm, âik wil je niet in den weg staan en ik wü den helderen hemel van je geluk niet verduisteren, want dat lieve kind is voor jou geboren, en dat meisje is goed!quot; â En daarbij kneep hij mij in den arm met zijne oude breede vuist, dat ik dacht: âAls zij zóó is, dan is zij meer dan goed.quot;
Mijn oom ging nu heen en haalde een glas van zijn ouden portwijn en zeide: âKom hier mijn jongen, eerst iets ter versterking! â En, hoe zult gij de zaak nu aanleggen?quot; â nJa?quot; zeg ik, âals ik dat wist!quot; â âZet eens je voet hier op den stoel,quot; zegt hij. âWat moet dat?quot; vroeg ik. âNiets, niemendal,quot; zegt hij, en knipt de souspieds van mijn broek af: âmet een voetval moet gij tocli beginnen, en die dingen konden u daarin hinderen.quot; âNu,quot; zeg ik, âgij maakt een mooi begin.quot; â âZoo als 't behoort, behoort het ook,quot; zegt hij. âIk heb het van mijn leven niet zelf ondervonden, maar ik heb het altijd zoo op afbeeldingen gezien. Wat zegt gij er van? â Reuter. V;ool, GeE.:h. 4e dr 2
â 18 â
Wacht! Ik wil je helpen!quot; en daarbij maakte hij haastigzijne oudenvetsche commode open, en frommelde in de lade rond, waarin hij zijn heiligste schatten had. En â al zijn leven! daar kwam hij met zijn album te voorschijn. â Dat kreeg men zelden te zien, en wanneer hij het in handen nam, gebeurde dit alleen 's avonds, als alles heel stil was Dan trok hij eerst schoon' linnen en zijn beste klèêren aan en zette rechts en links een paar lichten op de tafel, sloeg, diep in gedachten verzonken, blad voor blad om, las de verzen en hield met zwarte kruisjes het dooden-register in orde. Den anderen morgen was hij dan zeer weemoedig gestemd. Onlangs kwam hij naar mij toe, en zeide: âZoo veel ik weet, is er nog maar één in leven, dat is Christiaan Bunger, de zoon van den ouden snijder Bunger, die vlak naast mijne ouders woonde. Gij zegt, niet waar? dat hij kommies te Parchen moet zijn, en als God mij het leven laat, dan wil ik hem dozen zomer eens bezoeken.quot;
âHier!quot; zeide hij, toen hij het album voor den dag gehaald en op de tafel gelegd had , âga hier zitten en zoek een vers uit en leer dat van buiten. Daar staan er in, die voor gebeden zouden kunnen dienen; dus zal er ook wel één voor het beste meisje op aarde in te vinden zijn.quot; â âOom,quot; zeide ik en nam het album in de hand en bladerde er in, âik weet, wat ik doe: ik spreek zóó, als mijn hart het mij zal ingeven, en liet is mij dezen morgen zoo bijzonder wél om het hart.quot; â âOok goed, mijn jongen,quot; zeide mijn oom, âen wellicht nog beter. Doch maak dan nu voort! Maar wacht eens even!quot; liet hij er op volgen, toen ik mij omdraaide om te gaan, âhet witte bandje van je voorhemdje hangt je een halve el langs den rug!quot; En hij stopte dat eind band onder mijn' das en gaf mij zijnen zegen: âZie zoo! Ga met God!quot;
Ik ging dus, maar toen ik de huisdeur uitkwam, werd
-lO-
er boven mij gehoest, en toen ik naar boven keek, lag mijn oom Matthijs uit het venster, en knikte en wenkte mij toe, en telkens, als ik in de lange straat omkeek, clan knikte hij en wuifde met zijn roodbonten zakdoek uit het venster, zoodat angst en vrees mij bekroop, dat de mensehen merken zouden, wat er tusschen ons beiden aan de hand was.
Nu zou ik hier eene treffende geschiedenis kunnen vertellen ; maar ik zal mij wel in acht nemen. â Zoo gemakkelijk, als dit in romans beschreven wordt, gelukt zulk eene zaak in de werkelijkheid niet. Onder honderd begaan negen en negentig, op dezen gang, de kluehtigste dwaasheden, en wanneer er ook al honderd als de gelukkigste minnaars terugkeeren, zullen toch negen en negentig tot zich zeiven zeggen: âGeve de lieve hemel, dat wij niet weder in het geval komen; als wij echter voor do tweede maal die zaak moesten ondernemen, dan zouden wij liet verstandiger aanleggen.quot;
Na anderhalf uur kwam ik dan weder terug, tot over de ooren toe gelukkig, en ik zal er ook wel naar uitgezien hebben; en daar ik mij in mijn eenzaam leven als jonggezel de dwaze gewoonte had aangewend, in mij zeiven te praten, zoo kon ik bij bedaard nadenken het de mensehen niet kwalijk nemen, dat zij voor mij, toen ik de straat kwam afgaan, een weinig uit den weg gingen en mij strak nakeken, of mijne beenen wellicht ook zóó ges-tikuleerden als mijne handen. â Toen ik nu niet ver meer van het huis van mijn oom was, ijlde hij mij al te gemoet en viel mij om den hals, want hij had gedurende die anderhalf uur achter de huisdeur op de loer gestaan, en riep: âZwijg maar stil! Vertel mij maar niets! Ik weet alles! En wanneer is de bruiloft?quot; â Ik zocht hem te bedaren en zeide: âZwijg toch! Ten minste op straat!quot; nam hem onder den arm en trok hem mede naar mijn huis.
â 20 â
Maar toen wij daar binnen kwamen en vrouw Bütow juist de tafel dekte, toen kon hij zich niet langer goed houden, toen speelde zijn gansche hart solo in de kleur, en toen de vrouw hem aankeek, straalden uit zijne oogen niets dan troeven, en hij wees met den duim over de schouders naar mij heen en zeide: âZiet ge hem daar, vrouw Bütow? Daar staat hij, â mijn zusters zoon! Die is nu ook al aan 't vrijen, zoo goed als de hesten!quot; en toen vrouw Bütow kwam en mij feliciteerde en weten wilde, wie de gelukkige was, had ik al weder genoeg te doen om haar tot zwijgen te brengen; en toen zij weg was, zeide hij, terwijl hij zeer van ter zijde mij aankeek, dat ik een huichelaar, een verstokte was en een slecht hart moest hebben, dat ik zulk een geluk zoo lang verzwijgen kon.
Ik moest nu gaan zitten en hem vertellen hoe het gegaan was. Hjj werd dan nu ook vriendelijker en knikte met het hoofd en zeide: âmooi!quot; â en dan weder schudde hij met het hoofd en zeide, dat dit niet geheel naar zijn zin was, en toen ik uitverteld had, stond hij op, en zette een gezicht, gelijk de hemel in den hooitijd, als hij niet recht weet, of hij de zon zal laten schijnen of het zal laten regenen; hij schudde en knikte, en knikte en schudde, en eindelijk zeide hij: âwat hem betrof, hij zou het toch vrij wat beter gemaakt hebbenen vroeg toen, bij welk vers van dit hoofdstuk ik den voetval had gedaan. Ik moest nu bekennen, dat die in het geheel niet tevoorschijn was gekomen. Toen nam mijn oom Matthijs zijn'hoed en zeide; âNu, dan wensch ik je smakelijk eten! En houd u aan 't geen gij hebt; wat daarna komt, daar valt niet veel op te rekenen. â Gij hebt veel te vroeg koning gekraaid; de zaak is nog lang niet in orde; een voetval behoort bij iedere verloving en de zaak gelukt niet, wanneer ze niet met de beide knieën bezegeld is. Het zal mij ten minste in het geheel niet verwonderen, als de koop eerstdaags
â 21 â
komt te vervallen. â Volg een ander maal beter mijn raad!quot; â En zoo vertrok hij.
Niettemin begon nu voor mij een heerlijk mooie tijd, een heerlijk mooie tijd! Ik zou ook hiervan weder veel kunnen vertellen, maar zal er liever niet aan beginnen. De hoogste vreugde en het diepste leed moet men niet iedereen aan den neus hangen; en hoewel ik nu gaarne geloof, dat allen, die dit lezen, fatsoenlijke en bezadigde menschen zijn, de een of andere hansworst kon er toch onder gevonden worden, die te mijnen koste er den gek mede stak; en dat zou mij dan toch zeer hinderen.
ilaar bij iederen degel ij ken honigkoek behoort een weinig peper, en daaraan zou het mij nu en dan ook niet ontbreken. Eerst strooide mijn oom Matthijs af en aan eenige korreltjes er bij; doch toen hij zag, dat de zaak stand hield, en toen hij zelf bij de familie mjjner aanstaande bruid op visite geweest was, en zich bij die gelegenheid tot zijne tevredenheid van hot vischkoken overtuigd had, spaarde hij zijne specerijen en greep diep in zijn' honigpot â te diep! zeg ik â want nu schilderde hij aan alle menschen, die hem wilden aanhooren, mijn geluk zoo zoet af, dat in mijn honigkorf weldra eene menigte vliegen gonsden, zoo dat ik mij niet wist te bergen, en er spoedig zoo vele kluchten van mij verteldquot; werden, als ware ik alleen ten genoegen van iedereen niet slechts een B r ü-jam, maar ook een Br ü dj am geworden'). Ik werd geplaagd, waar ik mij liet zien. Op vijf pas grijnsde mij iedere kwast op straat na, en als ik dan yoeg, wat dat grijnzen te beduiden had, dan zeiden zij allen, alsof zij liet afgesproken hadden: âO, niets, niemendal!quot;âWanneer ik nu en dan 's avonds in mijne oude damclub
') Hier is moeilijk het eigenaardige van het origineel terug te geven. Brüjam beteekent bruidegom en Brüdj am een geplaagde.
â 22 â
kwam, â want dit had ik mij dadelijk voorgenomen, dat ik onder geenerlei omstandigheden dit gezelschap er aan geven wilde, vooreerst, omdat het zeer met mijne neiging overeenstemde; en ten tweede, omdat ik het voor mijne vorming zeer voordeelig achtte; â nu, wanneer ik er dus eens heenging, was het me daar een gefluister en gesis, en dan stieten ze elkander aan; de een maakte heel bedekt fijne, en de ander heel onbewimpeld grove zinspelingen, en zij vertelden elkander allerlei geschiedenissen, wat deze vóór de bruiloft gezegd, en wat gene na de bruiloft gezegd had, en wat de herder tot zijn hond gezegd had; en als ik er mij dan boos over maakte, en vroeg, wat zij daarmede bedoelden, en of dat hekelen op mij zag, dan zeiden zij allen: âDe hemel beware ons! We meenen dat maar zoo.quot; â En wanneer ik nu 's avonds deswege niet naar de damclub ging, dan begon vrouw Biitow, die wauwelaarster, en strooide mij steeds heel kleine, fijne snuifjes in den neus en in de oogen: of dat zóó moest ? of dat het zóó moest ? Zij wist immers niet, hoe ik dat nu hebben wilde. En zij was eene oude vrouw en had in haar leven al bij veel heeren gediend, maar nog bij geen, die op het punt van trouwen stond; ik moest daarom geduld met haar hebben, want de zaak werd nu immers toch spoedig anders. Eu wat het schoonmaken aanging, daarin gaf zij mij volkomen gelijk, dat was voor mijne aanstaande bruid niet goed genoeg, want zoo als zij gehoord had, was die als eene prinses opgevoed en had in haar leven geen vinger in koud water gestoken; maar haar oogen waren al te oud voor ieder vlokje stof. En als de juffrouw mij eerstdaags bezoeken wilde, kon zij dat immers doen; zij voor haar persoon had daar hoegenaamd niets tegen, en over het spinrag aan de zolderingen het stof op de commode zou zij immers niet vallen, en over den kleinen afzonderlijken hoop vuil, dien zij ge-
â 23 â
makshalve in den eenen hoek van mijne kamer had verzameld , zou zij zich juist ook de beeuen niet breken. En als ik 's avonds vuur wilde hebben, dan moest ik dat maar zeggen, â zij kon dat toch immers niet weten, â ik was immers altijd naar de damkroeg gegaan, waarom dan nu ook niet? En daarop ging zij vóór de opening van de kachel zitten blazen, en de kolen gloeiden tegen hare dikke bolle wangen, zoo dat ik haar niet kon aanzien, of ik moest steeds denken; âquot;t Is zonde! ik weet zeer goed, dat dit m ij n e vrouw Bütow is, eene christelijke weversweduwe; waarom moet ik dan bij haar altijd aan de hooge personages denken, die diep, zeer diep beneden ons wonen op een plek, waar het zeer heet moet zijn? En waarom valt mij bij haar blazen altijd in, dat mogelijker wijze op die plek ook iemand zit, die kolen aanblaast, om mijn schoon huwelijksgeluk een weinig je op te stoken!quot;' Hieruit kan iedereen nu opmaken, dat bij mij nog niet alle bezwaren uit den weg geruimd waren, en ze zouden nog erger worden.
Toen ik namelijk op zekeren namiddag van mijne verloofde kwam, hoorde ik op straat al in de verte een groot rumoer; de menschen zagen uit de vensters, en voor eene huisdeur stonden er al eene heele hoop bijeen, die naar de stoep keken. Toeu ik nu juist de deur wilde voorbijgaan, vloog de bontwerker Obst over zijn onderdeur heen, zoo als een biljartbal soms over den band komt gesprongen, en komt op handen en voeten in de goot terecht. â âMijn hemel! broertje,quot; zegt zijn buurman Graun, âhoe komt gij daar beland?quot; â âJa, dat moogt ge wel zeggen!quot; zegt de bontwerker, âmijne vrouwlui hebben er mij uitgegooid.quot; â âWaarom dat?quot; vraagt de ander. â âJa, broer,quot; zegt de bontwerker, terwijl hij overeind â¢krabbelt, âdat zal ik je zeggen: mijne vrouw wil, wat ik wil, en dat wil ik niet.quot;
Daar mij nu dit geval niets aanging, ging ik maar verder en dacht zoo bij mij zeiven: het is toch een koddig gezegde! quot;Wat zou de kerel daarmee toch bedoeld hebben ? âMijne vrouw wil, wat ik wil, en dat wil ik niet.quot; 'k Zal er oom ilatthijs eeus naar vragen.
Ik ga dus naar hem toe en vertel hem de zaak en deel hem het gezegde mede en vraag: âOom, wat meent de kerel daarmee?quot; â âHm!quot; zegt hij en stapt nadenkend de kamer op en neer, âen de kerel was van zijn vrouwvolk er uit gegooid, zegt gij?quot; âJa,quot; zeg ik, âhij zeide liet althans zelf.quot; â âEu hij zat in de goot?' vroeg hij verder. â nJa,quot; zeg ik, âdaar zat hij in.quot; â nNu,quot; sprak mijn oom, nadat hij zich eeue wijle bedacht had, âdan zal dat ook wel do waarheid zijn, en zijne vrouw heeft hom er dan stellig wel uitgesmeten, en dan is liet gezegde aldus te verstaan: Mijne vrouw wil baas in huis zijn, en ik wil ook baas in huis zijn, en aan den wil van mijn vrouw wil ik niet toegeven. â Maarliet hij er op volgen, âwanneer zij in huis is blijven staan en h ij heeft vóór het huis in de goot gelegen, dan zal z ij wel baas in huis zijn.quot;
Ik weet het niet, maar het werd mij na dit gesprek zeer verdrietig en angstig te moede. Uit dit oogpunt had ik mijn voornemen nog niet bekeken. âOom, zeide ik, âgij kent mij toch en kent haar immers ook; wat meent gij dan wel, wie van ons beiden baas in huis zijn zal?quot; â âJa,quot; zegt hij, âzij ziet er mij in het geheel niet naar uit, alsof zij gaarne vóór de huisdeur in de goot zou zitten ; ik geloof, dat zij liever binnen blijft,quot; â âWel verduiveld!quot; zeg ik. â âXu, zoo erg,quot; zegt oom Matthijs, âzal zij het nu wel niet maken, maar zoo'n beminnelijk, vrouwelijk bewind, â gelijk de menschen dat noemen ,â zal zij wel over u uitoefenen, gij zult wel een beetje aan haar leiband moeten loopen, en hoe klein de hakken van
â 25 â
haar pantoffeltjes zijn, zal men later op uw rug wel kunnen lezen.quot;
Bang maken beduidt niets!quot; zeg ik, âik zal haar na de bruiloft bij het eerste schepel rogge wel wennen.quot; â âVerlaat u daar niet op!quot; zegt mijn oom. âKent gij het spreekwoord niet:
Vóór de bruiloft wen je bruid:
Xa de bruiloft is het uit.
âNeen,quot; zeg ik, 'âdat is mij geheel onbekend!quot; En ik zette een gezicht daarbij, alsof mijn oom mij verteld had dat zij mij tot Paus gemaakt hadden. â âXu, ga dan zitten,quot; zegt hij, âik zal je een historie vertellen.quot; â âVertel op!quot; zeg ik. âDoch laat de toepassing jnaar weg! Daar ben ik al te oud toe.quot; â âWees maar niet bang!quot; zegt hij. âDe toepassing zal je lieve vrouw wel op zich nemen, als gij mijn raad niet zult volgen.quot;
Ik zette mij dus naast mijn oom ijeder, en hij begon te vertellen:
âTe Rümpelmanshagon, waar ik mijne eerste leerjaren als kluitentrapper') heb doorgebracht, woonden toenmaals twee jonge Hinke kerels, de een heette quot;Wolf en was smid in het dorp, en de ander heette Kieviet en was molenaar. De smid was een slimme vos en verstond zijn ambacht; de molenaar was minder bij de hand, maar hij had geld. â Xu ging met der tijd in het dorp het praatje: âJongens, hebt ge 't al gehoord ? De smid en do molenaar gaan beiden om Fieken en Marieken uit, de dochters van den schout, en ze praten al van de bruiloft tegen St. Maarten.quot; â En dat kwam ook zoo uit, zij trouwden beiden op St. Maarten, en de oude schout richtte eene bruiloft
') Een scheldnaam voor landlieden.
Vert.
â 26 â
aan van stavast; en wij, jonge lieden van het landgoed waren ook daarop verzocht, en ik weet het nog als den dag van heden, hoe vroolijk het er toeging, want onze boekhouder Lodewijk Broekman, goot mij 's morgens eene houten kan vol hier over mijn hoofd uit en zeide, toen ik boos werd: â'tls maar een grap!-1
Na de bruiloft ging het dan nu ook alles in liefde en vrede; maar dat duurde slechts korten tijd. Toen werd er in het dorp gemompeld: âJongens, hebt ge 't al gehoord? De molenaarsvrouw slaat haren man.quot; â En dat was ook zoo. â Eens op een zondag-namiddag, kwam de molenaar bij den smid, die in de herberg zat en solo speelde en de molenaar zei: âNu, wat je van avond zal overkomen, dat weet ik al.quot; â âHoe zoo?quot; vraagt de smid en staat op en gaat met zijn zwager naar buiten. â âOch kom,quot; zegt de molenaar, âhou je maar niet zoo onnoozel! We zijn er beiden mooi ingeloopen.quot; â âAls gij mijne vrouw bedoelt,quot; zegt de smid, âdan moet ik je zeggen, ik heb een goeden huurder.quot; â âJa,quot;1 zegt de molenaar, âals ze niet te huis is.quot; â âGa met mij mede!quot; zegt de smid. âIk heb gisteren een varken geslacht en gij weet, dat mijn vrouw veel van âswart-surquot; ') houdt. â Ik zal het bewijs leveren.quot; Zij gaan daarop naar de woning van den smid, en toen zij daarvóór staan, roept de smid: âFieken!quot; â Zijne vrouw kijkt uit het venster en vraagt: âWat wilt ge van mij ?quot; â âFieken!quot; zegt de smid, âneem eens den grooten schotel met âswartsurquot; en smijt dien het raam uit, hier op straat.quot; â âWat?quot; vroeg zijne vrouw. âSmijt den schotel met âswartsurquot; op de straat néér.quot; â âDadelijk!quot; zegt Fieken, en in een ommezien vliegt de schotel de deur uit, juist zóó
') , Swartsur.quot; Een in Pommeren en Mekklenburg geliefkoosd gerecht van varkensvleesch, varkensbloed, gestoofde peren of pruimen, en zoogenaamd Klösse, eene meelspijs. Vert.
als dezen morgen de bontwerker. âGoed zoo!quot; zegt de smid Wolf. âEn nu, Fieken, smijt nu ook den pot met het andere âswartsurquot; er uit. â Dat gebeurde nu ook, en de smid zegt: âMooi, Fieken! en laat je den tijd niet lang vallen, als ik van avond wat laat te huis kom.quot;
Hiermede gaat hij met den molenaar naar de herberg terug en vraagt hem: âWel nu? Heb je het gezien?quot; â-âJa,quot; zegt de molenaar, âdie is naar den aard. â Hoe heb je dat aangevangen?quot; â âOp eene zeer eenvoudige manier,quot; zegt de smid. â âHeb je ze opgesloten?quot; â âKeen!quot; â âHeb je ze geranseld?quot; â âNeen, ook niet!quot;â âNu. wat heb je dan gedaan?quot; â âDat zal ik je zeggen,quot; antwoordt de smid. âAl iu onze vrijage zocht ik er achter te komen, van welk stuk goed zij het meeste hield, en toen werd ik gewaar, dat het eene kleine mooie roode zijden doek was, en eens bij gelegenheid, dat wij ontbeten hadden, en de tafel een beetje heel erg met ganzenvet besmeerd was, veegde ik met haren mooieu doek de tafel af. Nu, kan je wel deuken, hoe zij tegen mij uitvoer! Ik sloeg echter mijn arm om haar midden, kuste haar en zeide: âFieken, ge hebt mij immers! Wat is aan zoo'n doek gelegen? Zoo'n doek krijgt ge wel weder; maar iemand, die zoo veel van u houdt, als ik, dien vindt ge van uw leven niet meer.quot; â Nu, zij berustte er dan ook iu, en toen wij naar het Tetterowsch schuttersfeest gingen , won zij eene vaas, eene mooie vaas; en toen zij zich daarover zeer verheugde, nam ik de vaas en ging er wat onachtzaam mede om, â paf! â liet ik die op de steenen vallen. Nu begon zij een weinig te schreien; maar ik kuste haar en zeide: âHoud daarmede op, Fieken, 't is beter, dat de vaas in stukken is gevallen, dan dat ik een arm of een been had gebroken, want ik moet ons leven lang voor ons het brood verdienen.quot; En eindelijk brak ik haar nog drie tanden uit haren kam; toen begon zij al te lachen
â 28 â
en zeide: âIk bon benieuwd, of ge mij met de Tetterow-sche najaarsmarkt weder een nieuwen zult schonken. ATu dat gebeurde dan ook, en zoo is het dan ook gebleven; zij is met alles tevreden. â Maar ik moet naar binnen en mijn solo spelen.quot;
De smid ging alzoo in de herberg en speelde solo; maar na verloop van een half uur kwam de kastelein binnen en zeide: âSmid, kom eens naar buiten! De molenaar Kieviet staat voor de deur en ziet er erg toegetakeld uit.quot; â De smid Wolf gaat alzoo naar buiten! en ziet dan ook zijn zwager met een opengereten gezicht en een dik oog, en is niet weinig verbaasd en vraagt: âZwager Kieviet, wat scheelt er nu aan?quot;' â âJa dat mag je wel zeggen!quot; zegt de molenaar, âdat komt van de vervloekte histories die jij me verteld hebt.quot; â âHoe zoo?quot; vroeg de smid. â âWel, vraag je dat nog!quot; zegt de molenaar. âIk had je malle geschiedenis goed genoeg onthouden, en denk zoo bij mij zeiven: wat bij de eéne zuster geholpen heeft, kan immers ook bij de andere helpen; het is altijd eens te probeeren. Ik ga dus naar huis, en mijne vrouw staat voor dèn spiegel hare haren op te maken om naar de pachtersvrouw op koffievisite te gaan, en op de tafel ligt hare beste muts, en ik dacht bij mij zeiven: âdat tref ik gelukkig!quot; en neem de muts en denk: als ik die nu in
O O
het vuile zeepwater in de waskom doop, dan kan zij goed worden. Xu, ik doe dat, en zij ziet zeker in den spiegel wat ik voornemens ben, en eer ik er nog het minste erg in heb, krabbelt ze mij in het gezicht, en toen ik zeg: âMarieken, ge hebt mij immers, en eene muts krijgt ge gemakkelijk weder!quot; toen roept zij: âJa, ik heb jou! En de muts zal ik je behoorlijk inpeperen !quot; â- âEn zie eens!quot; zegt de molenaar en trekt zijn hand van voor het blauwe oog weg, zóó heeft ze me toegetakeld, en dat door jou vervloekte vertelsel.quot; â âJou domoor!quot; zegt de smid
â 29 â
âlieb ik je niet gezegd, dat ik dat stukje vóór de bruiloft heb uitgevoerd? Wat vóór de bruiloft lielpt, helpt niet na de bruiloft.quot;
âEn dat is nu de geschiedenis,quot;1 mijn zoon, zeide mijn oom Matthijs, en stond op: â âals ge verstandig zijt, dan kunt ge er een voorbeeld aan nemen.quot;
Ik stond ook op en ging naar het venster, en liet mij de' geschiedenis door het hoofd gaan, en keerde mij eindelijk om en zeide: âEene dwaze geschiedenis, oom! Gij hebt anders wel betere geschiedenissen verteld.quot; â âJa,quot; zeide de oude lachende, âomdat ik je anders de toepassing-er dadelijk bij gaf, en hier moet je die zoeken.quot; â âGij zult toch niet gelooven,quot; zeg ik, âdat ik de muts van mijn meisje in een waschkom zal doopen en met haren zijden doek de tafel zal afvegen?quot; â âGij kunt het toch eens probeeren,quot; zeide de oude snaak lachende. â âNu,quot;quot; zeg ik, âdat ontbreekt er nog aan, dan zou ik er eerst mooi inzitten.quot; â De oude glimlacht nu steeds bij zich zeiven, en terwijl ik zoo denk: oude lieden zijn wonderlijk; als 't regent dan gaan ze op het hooien uit, zegt hij: âJongen, hoe oud zijt ge dan nu wel?quot; â Van mijn ouderdom hoorde ik, nu ik aan 't vrijen was, niet gaarne praten, en ik deuk bij mij zelven: âHa ha! Begint gij al weder met de peper? en ik vroeg: âquot;Waarom vraagt gij dat?quot; âO,quot; zegt hij, âik meen maar zoo.quot; â âDan wil ik je zeggen,quot; zeg ik een weinig kort af, âdat ik den zevenden November laatstleden een en veertig jaar geweekt ben.quot; â âAlzoo,quot; zegt hij, âhebt gij de vier kruisjes achter den rug?quot; â âJa,quot; zeg ik. âis u dit niet naar den zin?quot; â âWat mij betreft!quot; zegt hij. â âMij valt daarbij het spreekwoord in: âwie in de twintig jaren niet mooi is, in de dertig niet sterk, in de veertig niet wijs, en in de vijftig niet rijk, die kan het maar laten blijven; van zoo iemand komt niets te recht. En gij schijnt
â 30 â
mij in de veertig nog niet wijs te zijn.quot; â âOom Mat-thijs,quot; zeide ik, en richtte mij trotsch overeind, âdie mij voor dom aanziet, die bedriegt zich,quot; en daarbij moet ik wel een zeer dom gezicht gezet hebben, want mijn oom lachte en zeide: âEn ge kunt niet te min voor u zeiven geene toepassing uit de geschiedenis maken! â Jongen, dat is ook maar eene gelijkenis! â Wat de smid met den doek en de vaas en den kam hoeft uitgericht, dat past niet voor u, dat weet ik wel. Gij moet het natuurlijk anders aanleggen. Bij voorbeeld: gevoelt ge u wel in staat, op uwe jaren nog vóór de bruiloft een stuk of drie mooie gekke stroken uit te voeren?quot; â âGekke streken?quot; vroeg ik. â âGekko streken!quot; zegt mijnoom. En ik ga de kamer op en neer en overleg de zaak en draai mij eindelijk om en zeg; âJa; ik geloof, oom, dat ik er in aller ijl nog een paar kan klaar krijgen.quot; â âVoer ze dan uit,quot; zegt mijn oom. â âEn gij meent dat ik daardoor baas in huis zal blijven?quot; â âIkgeloof het, mijn jongen. â Gekke streken â geen slechte! â Zie, als zij dan knorrig begint te worden, dan valt gij haar om den hals en kust haar recht hartelijk en zegt; âHoud maar op! Zie die grap maar over het hoofd, zie liever op mijn hart, dat behoort u en slaat voor u van nu af tot in alle eeuwigheid. â â En dan, jongen,quot; liet hij er op volgen, âdan kunt gij ook nog den voetval te pas brengen, want, â je moogt zeggen, wat ge wilt, â die behoort er nu eenmaal bij.quot;
âIk overlegde nu de zaak van alle kanten en zeide eindelijk tot mij zeiven: âHij is uw moeders broeder, en ge moet daarin zijn zin eens doen en er eens een paar proefjes van nemen!quot; En ik deed het ook werkelijk.
Ik zou nu hier de grappen kunnen vertellen, die ik uitgericht heb, maar ik zal 't liever laten. Het kon ongelukkiger wijze gebeuren, dat de vertelling mijne .vrouw
â Bi
ter oore kwam , en zij kon er dan wellicht achter komen , dat al deze grappen met overleg geschied waren, en dat zij in hare goedheid was beet genomen, en zij kon zeggen: âHalt! dit spel gold niet; gij hebt niet eerlijk gespeeld. Ik zal de kaarten eens schudden. â Zie zoo! ik heb de vóórhand, en nu speel ik uit! Beken deze en beken die! en nu willen we eens zien, of gij aan het hoogste bod zijt?quot;
Maar menigmaal, wanneer zij nu als mijne vrouw zoo stil en vlijtig om mij heen bezig is en voor mij allerlei zorgen heeft, en mij met vriendelijke toegevendheid behandelt, dan denk ik toch zoo bij mij zeiven: âSchaam u, dat gij bedriegelijk zijt te werk gegaan! ' En ik zeide onlangs tot mijn oom: âWeet ge wat? Ik vertel haar, hoe het met die gekke streken vóór de bruiloft gegaan is.quot; â âPlaagt je de drommel?quot; vroeg .mijn oom. âIeder rechtschapen man moet af en toe een goeden gekken streek en een goeden kwinkslag maken; maar hij mag ze zelf niet weder vertellen, want dan verliezen ze alle beiden hunne kracht. â Ge leeft immers te zamen gelukkig; wees daarmee tevreden.quot; â »Ja,quot; zeg ik, âdat zegt o'ij wel; maar liet is mij menigmaal te moede, alsof wij nog gelukkiger konden zijn, indien zij in alles de baas was.quot; â âMijn zoon,quot; zeide mijn oude oom Matt hijs en legde zijne hand op mijn schouder: âAl het geluk, wat ó|» deze aarde bestaanbaar is, valt nimmer aan één enkel mensch te beurt; vergenoeg u met dat, wat gij hebt. En wat den echtelijken staat betreft, hebt gij den ouden Jochem Smit nog gekend? â Den ouden Jochem Smit meen ik, die met zijne oude vrouw tachtig jaar oud werd , en kort daarna met haar te zamen op e e n e n schoonen zomer-zondagmorgen werd begraven. â Nu, die zeide eens tot mij, â want ik versta niets van die zaken: â âheer wachtmeester,quot; zeide iiij, âde echtelijke staat is als
een appelboom; daar zit iemand in en plukt en plukt; maar de mooiste en roodste appelen zitten in den top, zoodat haast niemand er bij kan. Wanneer nu iemand onverstandig is, en met geweld de appelen krijgen wil, dan neemt hij een stok en slaat de mooie appelen er af, maar soms ook slaat hij te gelijk de takken af, waaraan de beste knoppen zitten, die de meeste vruchten voor de toekomst beloven; de verstandige man laat ze rustig zitten en wacht tot den laten herfst, dan vallen ze hem van zelf in den schoot en dan smaken ze veel zoeter. â Eu daarom, jongen,quot; voegde mijn oom er bij, en zijn oud ernstig gezicht zag er daarbij bijzonder trouwhartig uit, âstoot dien rooden appel niet vóór den tijd van den boom en wacht tot den herfst, â dat duurt toch zoo lang niet meer, â en wanneer gij uwe vrouw cien laat-steu mooien appel brengt, vertel haar dan ook de historie van uwe gekke streken vóór de bruiloft; gij zult zien, dat zij er zich dan vroolijk over maakt.quot;
UIT DEN FRANSCHEN TIJD.
EERSTE HOOFDSTUK.
Waarom de molenaar Toss yeen bankroet kan maken, en hoe hij mijnheer den baljuw in grooten nood bijstaat.
Gedoopt ben ik, en ik heb ook peetooms gehad, vier stuks. En als mijne vier peetooms nog leefden en met mij over de straat gingen, dan zouden de mensehen stil blijven staan en zeggen: Kijk, wat zijn dat stevige kerels! Naar zoo'n soort kan men tegenwoordig lang zoeken; dat zijn nog degelijke peetooms!quot; En één was er onder hen, die was een hoofd langer dan de anderen en stak boven hen uit, zooals Saul boven zijne broeders; dat was de oude baljuw quot;Weber. Hij had een netten blauwen rok aan, en eene geelachtige broek en hooge glimmend gepoetste laarzen. En al was zijn aangeziclit Reuter. Vrool. Gescli. 4e dr. .3
ook van de pokken geschonden, zoodat hij er uitzag, alsof hij met zijn gezicht op een' manden stoel had gezeten, â op zijn hoog voorhoofd stond geschreven, en ook uit zijne blauwe oogen kon men 'tlezen: âGeen menschenvrees, maar wel vrees voor God!quot; En hij was een kerel van stavast.
's Morgens tegen elf uren zat hij midden in de kamer op een stoel, en zijne lieve vrouw bond hem dan een' witten, ouden mantel om den hals, wat ze toen een purgeermantel noemden, en bepoederde hem en bond zijn haar van achteren bij elkander en draaide er een net staartje van.
Dat was nu juist niets bijzonders, en onze vrouwen draaien ons achter onzen rug ook nog dikwijls een aardig staartje; â maar zóó een, als de vrouw van den baljuw draaide, dat krijgt het tegenwoordige geslacht niet meer gedaan. AVant, als de oude heer 'smiddags, onder de kastanjeboomen, in de schaduw ging wandelen, dan keek het aardige kleine ondeugende staartje zoo fideel en kittig boven den kraag van den blauwen rok uit en 't zeide tot elk, die het liooren wilde: âJa, kijk maar goed! Wat denkt ge wel? Ik ben maar t uiterste puntje van zijn hoofd en ik wip al zoo vroolijk de wereld in, nu kunt ge u voorstellen, hoe vroolijk 'ter van binnen uitziet.quot;
quot;Wanneer ik soms eene boodschap van mijn' vader te bezorgen had, en het er goed had uitgekregen, dan tikte hij mij op het hoofd en zeide: âFiks, jongen! als een geweerslot! Dat moet niet lang haken en knarsenen kraken; als je 't afdrukt, moeten er de vonken ook uitspringen. -â Ga nu naar mamsel W estphalen en laat die je een appel geven.quot; Tot mijn vader zeide hij dan: âKindlief! gij zijt zeker ook blij , dat ge een jongen
hebt. Jongens zijn beter dan meisjes; meisjes zijn mij te teemachtig. Goddank, ik heb ook een' jongen; ik meen mijn' Jochem.quot;
Mijn vader zeidc tot mijne moeder: âWeet ge, wat de oude baljuw zegt? Jongens zijn beter dan meisjes.quot; Ik stond in de kamer en hoorde dat, en zeide natuurlijk: âJa wel,quot; zeide ik, âmijn peetoom heeft altijd gelijk; jongens zijn beter dan meisjes, en alles moet gaan naar verdienste en waardigheid.quot; En ik nam het grootste stuk ketelkoek en gaf mijne zuster het kleinste, en ik had niet weinig verbeelding van mij zeiven, want ik wist nu immers, dat ik een groot stuk van een' kleinen appel was. â Maar dat zou niet zoo blijven; de zaak nam eene andere wending.
Op zekeren dag, â 'twas in den tijd, toen dat ge-meene gespuis, die Franschen, uit Rusland terug gekomen waren, en toen er bij ons al wat beweging begon te komen, â klopte iemand aan de kamer van mijnheer den Baljuw. âBinnen!quot; riep de oude heer en binnen kwam de oude molenaar Voss uit Gielow, met den verkeerden kant het eerst, en hij maakte eene buiging, die drommelsch scheef uitviel, alsof hij den baljuw, vóór alle dingen, eerst moest laten zien, van welke soort van goed het kruis van zijne broek gemaakt was. âGoeden dag, mijnheer de baljuw!quot; zeide hij. âGoeden morgen, molenaar!quot; zeide de oude heer. â Nu, al gebruikten zij ook verschillende tijden van den dag, bij hun groeten, ze hadden toch beiden, ieder op zijne manier, gelijk: want de molenaar stond 's morgens klokke vier op, en bij hem was 't na den middag, en bij den baljuw was 't vroeg in den morgen, want hij stond te elf uren op. âWat wil je, molenaar?quot; â Want de molenaars werden toen nog jij en jou genoemd. â âWel, mijnheer de baljuw, ik kom tot u wegens eene zaak van belang. â Ik
â 36 â
wou u maar kennis geven, dat ik nu ook bankroet wou gaan.quot; â âWat wou je, vriendlief?quot; â âBankroet gaan, heer baljuw.quot; â âHm, hm!quot; bromde de oude heer, dat is immers eene desperate zaak.quot; En hij krabt zijn hoofd en gaat in de kamer op en neder. âHoe lang woon je al in 't Stemhager 1) rechtsgebied?quot; â âDat wordt met toekomenden Sint-Jan drie en dertig jaar.quot; â âHm, hm,quot; bromt de baljuw verder, âen hoe oud ben je, molenaar?quot; â âMet den erwtenoogst word ik vijf en zestig jaar; 't kan ook mogelijk wezen, dat het zes en zestig is; want onze oude domeneer Hammersmid, die was niet zeer voor de kerkboeken en de domeneersjuf-frouw, die 't schrijfwerk overnam, liet dat altijd een jaar of drie oploopen, omdat dan de schrijverij eerst de moeite waard was, en dan ging zij eens op een namiddag door het dorp en schreef de kinderen op: â maar dat ging dan altijd meer naaide lengte en naar de dikte, dan naar den ouderdom, en mijne moeder zei altijd, dat zij mij een jaar te kort gedaan had, omdat ik een achterlijk kind was. Maar, van vijf en zestig behoef ik mij niets te laten afnemen, daar ben ik wis en zeker van.quot; â De oude baljuw heeft ondertusschen op en neer loopende met een half oor geluisterd en staat nu voor den molenaar stil, kijkt hem scherp in de oogen en zegt barsch : âMolenaar Voss, dan ben je veel te oud voor je plan.quot; â âHoezoo dat?quot; vraagt de molenaar geheel ontsteld.quot; â âBankroet maken is eene moeielijke zaak; dat krijg jij op jou jaren niet meer gedaan.quot; â âDenkt gij dat, heer baljuw?quot; â âJa, dat denk ik. Wij zijn daarvoor beiden te oud, dat moeten we aan jonge lieden overlaten. â Denk eens na, wat zouden de menschen zeggen, als ik bankroet wou maken? Ze zouden zeggen; de oude baljuw op het slot is gek eworden,quot; en hij legde hem
') Stavenhager.
â 37 â
vertrouwelijk de hand op zijn schouder, âen zij zouden gelijk hebben, vrind Voss! Nu, wat dan?quot; â â De molenaar kijkt naar de punten zijner laarzen en krabt achter zijne ooren: âDe waarheid is 't, mijnheer!quot; â âWel,quot; vraagt de oude heer, en hij schudt den molenaar zoo'n beetje aan de schouders; âquot;Waar drukt de schoen je dan? Wat kwelt je dan voornamelijk ?quot; â âKwellen ? zegt gij, mijnheer de baljuw!quot; riep de molenaar uit, en 't was, als had hem eene bij achter 't oor gestoken, zóó krabde hij; âVillen, mijnheer, moet gij zeggen, villen! â De jood! de vervloekte jood! En dan de prinses, mijnheer de baljuw! de vervloekte prinses!quot; â âZie je wel, molenaar? dat is ook een hansworstestreek van je, dat je, op jou jaren, je met een proces ophoudt.quot; â âOch, mijnheer, toen ik dat begon, was ik nog in de goede jaren, en ik dacht ook, dat ik 't nog bij mijn leven zou klaar krijgen; maar ik merk wel, dat zoo'n prinses een' langeren adem heeft, dan eene eerlijke molenaarslong kan uithouden.quot; â â't Loopt nu toch, als ik het wel heb, haast ten einde.quot; â âJa, mijnheer de baljuw! maar dan loopt het mij dood, want mijne zaak zal wel slecht staan, en de avekaten hebben ze verbroddeld, en de zoon van mijn vaders broeder, den ouden Jochem Voss, de jongen, die nu alles erven zal, dat moet een listige knaap zijn, en de menschen zeggen immers, dat hij er op gezworen heeft, mij van het goed van Borchert te Mal chin af te zullen smijten. â En, mijnheer de baljuw! ik heb toch eene rechtvaardige zaak voor, en hoe ik aan een prinses gekomen ben, dat weet ik op 't oogenblik nog niet, want de oude vrouw Borchert, toen zij nog leefde, was de tante van de dochter van de zuster van mijne moeder, en Jochem Voss, die mijn neef was ...quot; â âIk weet het geval,quot; sprak mijnheer de baljuw, âen, als ik je een raad mag geven, tracht dan tot eene schikking te komen quot; â âDat
â â¢'38 â
kan ik niet, mijnheer! Onder de helft doet Joehem's lummel het niet, en als ik die betalen moet,' dan ben ik een bedelaar. â Neen, mijnheer de baljuw, 't mag gaan zoo 't wil, toegeven doe ik niet, dan zoek ik het tot bij den hertog. â Zoo'n lummel, zoo'u kwast, die met zijn vaders geld in den zak kan gaan en trekken, waarheen hij wil, en den toestand niet begrijpt van een mensch, die een huisgezin moet onderhouden in deze slechte tijden ; hij, wien de verdoemde schurken, de Fransozen, zijn vee niet hebben afgenomen en zijne paarden niet uit den stal gehaald en zijn huis niet geplunderd hebben, die wil zich op mij wreken? â Mijnheer de baljuw, gij vergunt mij wel, dat ik niet buig voor zoo'n bengel, en neem 't mij niet kwalijk, als ik onbescheiden ben.quot; â âMolenaar Voss,quot; zegt de oude heer, âwees bedaard, molenaar Toss! Het proces komt immers ook eens ten einde! want bet is in vollen gang.quot; â âIn gang, mijnheer de baljuw? Neen, 'tis in den zwaai, zoo als de duivel zei, toen hij den bijbel aan de zweep gebonden had en om zijn kop rondslingerde.quot; â « tls waar, vrind Voss, 't is waar! Maar, dit kan u in-tusschen op 't oogenblik toch niet zoo drukken.quot; â âDrukken? â Zeg liever klemmen, mijnheer! â klemmen, dat een mensch het bloed onder de nagels uitkomt. â Die jood, mijnheer de baljuw, die driemaal overgehaalde jood!quot; â âWelke jood is dat?quot; vraagt de baljuw. En de molenaar draait zijn' hoed in zijne hand rond, en hij ziet zoo halverwege om, of hem ook iemand hoort en gaat zóó met slependen tred dichter naar den ouden heer toe, legt de hand aan zijn' mond en fluistert half overluid: â't Is Itzig, mijnheer de baljuw.quot; âFoei!quot; zegt de oudeheer, âhoe komt gij aan dien kerel?quot; â âMijnheer de baljuw, hoe komt de ezel aan zijne lange ooren? Sommigen gaan om aardbeien te plukken en bezeeren zich aan
een' brandnetel, en de koster van Gagelow meende, dat hij zijn kruiwagen vol lieilige engelen had, en toen hij boven op den berg kwam, en dacht, dat ze nu zouden gaan vliegen, toen zat er het grootje van den duivel in, en grijnsde hem aan, en zei: âVader, wij spreken elkaar wel nader!quot; â In mijn grootsten nood, toen de vijand mij alles afgenomen had, heb ik twee honderd daalders van hem geleend, en nu heb ik sinds twee jaar van termijn tot termijn altijd moeten onderteekenen, en de schuld is opgeloopen tot vijfhonderd daalders, en overmorgen moet ik ze betalen.quot;.â âMolenaar, heb je dat onderteekend?quot; â âJa, mijnheer de baljuw.quot; â âDan moet je 't ook betalen. Wat geschreven is, is geschreven.quot; â Wel, mijnheer de baljuw, ik dacht ...quot; â â't Helpt je niets: wat geschreven is, is geschreven.quot; â âMaar, de jood . . . .quot; â âMolenaar, wat geschreven is, is geschreven.quot; â Ja maar. mijnheer de baljuw, wat moetik dan daaraan doen â De oude heer ging in de kamer rond en wreef zich het hoofd en zag den molenaar dan weder zoo recht ernstig aan, en de molenaar keek hem weder evenzoo aan, en eindelijk zeide hij: âMolenaar, jongelieden kunnen zich uit zulke ongelegenheden beter helpen dan oude; stuur één van je jongens eens bij mij.quot; â De oude molenaar keek weder naar de punten van zijne laarzen en keerde zich zoo wat half om. Toen zeide hij met een stem, die den ouden baljuw door merg en been ging: âOch, mijnheer, wien zal ik sturen? Mijn Jochem heeft zich dood gemalen, en Karei hebben de Franschen verleden jaar meegenomen naar Rusland, en hij is niet teruggekomen quot; â âMolenaar,quot; zegt de oude baljuw, en hij strijkt den ouden molenaar hierbij langs zijn rug: âHeb je dan in 't geheel geen kinderen?quot; â âJa , mijnheer de baljuw,quot; zegt hij, terwijl hij zijne oogen afwischt, ânog zoo'u klein deerntje.quot; â âJa, antwoordt de oudeheer, âvrind
â 40 â
Voss, ik heb het niet erg op de meisjes; meisjes zijn mij te teemachtig.quot; â âDat zijn ze, mijnheer! ze zijn teemachtig!quot; âEn in zulke omstandigheden kunnen zij je niets helpen, molenaar!quot; â âWat zal er dan van mijne zaak worden?quot; â âExecutie, oude vriend; de jood zal alles wat je hebt laten wegdragen.quot; â âNu, mijnheer de baljuw, dat heeft de Fransoos al tweemaal gedaan, dan kan de jood 't nou ook eens probeeren. De molensteenen zal hij wel laten liggen. En om bankroet te maken, denkt gij, dat ik te oud ben?quot; â âJa, mijn goede vrind.quot; â âNu adjuus dan, mijnheer de baljuw.quot; Daarop ging hij heen.
De oude heer blijft nog eene poos staan en ziet den molenaar na, terwijl hij het slotplein overgaat, en hij zegt bij zich zei ven: â't Is eene harde zaak voor den éénen ouden man, om den anderen zoo van lieverlede dooide slechte tijden en door de nog slechtere menschen te gronde te zien gaan. Maar wie kan hem helpen ? Het eenige is, hem tijd te laten winnen. â Vijfhonderd daalders! â Wie heeft tegenwoordig vijfhonderd daalders? Ik geloof, als ik den ouden Roggeboom, te Scharp-zow, niet medereken, dat ik dan het gansche Stemhager rechtsgebied wel 't onderste boven zou kunnen keeren en de stad er bij, en dan kwamen er nog geen vijfhonderd daalders uit; en Roggeboom doet het niet. Met paschen zou 't mogelijk gaan, maar zoo lang zal de jood niet wachten. Ja, ja! Voor oude lieden is 'teen slechte tijd!quot;
Terwijl hij nog zoo uit het venster ziet, wordt het buiten, op het plein, zeer levendig, en Fransche jagers rijden de poort in, en de een stijgt van zijn paard en bindt het aan de klink van mamsel Westphalen's kippenhok en gaat terstond daarop naar binnen, naar de kamer van den ouden heer, en begint hem daar wat voor te sakker bleu en en met de armen te zwaaien, terwijl de.
â 41 â
oude heer heel bedaard blijft staan en hem aankijkt. â Toen dit echter erger werd en de Pranschman de blanke sabel uithaalde, ging de baljuw naar de schel en riep om Frits Sahlmann, die zyn calefactor was en de loopende zaken moest bezorgen, en zeide: âPrits, loop eens naar den burgemeester en vraag, of hij niet eens gauw bij mij zou willen komen, want dat ik weer uitgepraat ben. '
Prits Sahlmann komt nu bij mijn' vader en zegt: Mijnheer de burgemeester, kom toch eens gauw meè naar 't slot; 't loopt anders van mijn leven niet goed af!quot; â âWat is er dan te doen?quot; vraagt mijn oude. â âOp het slotplein houden zes entfaamte Fransche gauwdieven stil, en die de overste van hen is, die is binnen bij den ouden heer en heeft alle respect vergeten en de blanke sabel getrokken en zwaait hem daarmee voor de oogen en de oude heer staat vóór hem, recht overeind en hij verroert of beweegt zich niet, want hij verstaat net zooveel van 't Fransch, als een koe van den zondag.quot; â
âWel duivels!quot; zegt mijn vader en hij springt op, want hij was een stevig, flink man; en vrees had hij niet zoo veel, als het zwarte onder den nagel, â en hij liep naar het slot.
Toen mijn vader binnen kwam bij mijnheer den baljuw maakte de Pranschman daar een spektakel, als een wild gedierte, en uit.zijn mondwerk bruiste het alsof de tap uit een vat gehaald was. De oude heer staat echter heel bedaard en heeft zijn âdictionnairc de pochequot; in de hand; en als hij een woord van den Pranschman half en half verstaat, dan slaat hij eens na, wat de dictionnaire er van zegt. En toen nu mijn vader nader kwam, vroeg hij hem; âZeg, kindlief, wat wil die kerel? â Vraag dien kerel toch eens, wat hij wil.quot; â Mijn vader begint dus met den Fransoos te spreken, maar die stelt zich zoo onbeschoft aan, en scheldt en tiert zoo geweldig, dat de
â 42 â
oude baljuw wederom vraagt: âKindlief! waarom gaat die kerel toch zóó te werk?quot; âNu, eiudehjk krijgt mijn oude den Pransclunan toch zoo ver, dat hij met zijne zaak voor den dag komt. En toen hij nu den ouden heer mededeelde, dat de Franschmau vijftien vette ossen, een last tarwe en zeven honderd el groen laken, en honderd louis d'or verlangde, en verder voor zich en zijne manschappen nog veel âdu vin,quot; â toen zeide de oude baljuw: âKindlief zeg eens aan dien kerel, dat wij hem
braaf......quot; â âHoud op!quot; roept mijn vader uit. â
âMijnheer de baljuw! Spreek dat woord niet uit; dat zal hij in den laatsten tijd al op menige plek gehoord hebben, en hij zou 't mogelijk kunnen verstaan. Neen, ik zou u raden, hem âdu vinquot;, te geven; dan zal hij 't andere denkelijk wel vergeten.'' â En de baljuw geeft hem gelijk en roept Frits Sahlmann, dat hij aan mamsel Westphalen glazen en wijn zou gaan vragen, maar niet van den besten wijn.
De wijn komt nu, en mijn vader schenkt den Franschmau in, en de Franschmau schenkt mijn vader in, en 't gaat steeds beurt om beurt, en mijn oude heer zegt: âMijnheer de baljuw, gij moet er ook aan gelooven en mij helpen, want dit schijnt een vent, die geen bodem in 't lijf heeft.quot; â âKindlief,quot; hervat de oude heer, âik ben een oud man, en ik ben de eerste hertogelijke ambtenaar in 't Stemhager rechtsgebied; 't past dus niet voor mij, om met dien kerel te gaan drinken.quot; â âNu ja,quot; zegt mijn vader, âmaar, nood breekt wetten; en dit is voor 't vaderland.quot; â De oude baljuw komt er dus bij zitten, en werkt naar zijne krachten mede. Doch na eene poos zegt mijn vader; âMijnheer de baljuw, de kerel wordt ons de baas, 't zou een zegen van den hemel wezen, als wij op 't oogenblik iemand hadden met eene goede maag en een sterk hoofd.quot; â En terwijl hij dit zegt, wordt
â 43 â
er aan de deur geklopt. âBinnen!quot; â âGoeden dag samen!quot; zegt de oude molenaar Voss uit Gielow en komt de kamer in. âGoeden dag, mijnheer de baljuw!quot; â âGoeden dag, vriend Voss!quot;â âWel, mijnheer, ik kom nog eens over mijne zaak praten.quot; â âDaar hebben we van daag geen tijd toe, zegt de oude heer, âwant je ziet wel, in welke omstandigheden wij ons bevinden.quot; En mijn vader roept: âMijn lieve Voss, kom gij eens hier en doe een christelijk werk; ga eens dwars voor dien Fransehman zitten en neem hem eens in 'tverhoor, maar scherp.quot; â En de molenaar Voss ziet mijn vader aan en hij ziet den baljuw aan, en hij denkt er het zijne van, zooals de kal-koensche haau zei, en bij zich zeiven zegt hij: op zoo'n gerechtsdag ben ik nog nooit geweest; â maar hij schikt zich gemakkelijk in de zaak.
Mijn vader gaat nu dichter naar mijnheer den baljuw toe en zegt; âMijnheer de baljuw, dit is onze man; die zal hem wel klaar krijgen; ik ken hem.quot; â âKostelijk,quot; zegt de oude heer: âmaar, kindlief, hoe komen wij met die zes kerels, hier buiten op het slotplein, nog klaar ?quot; â âDat is maar zoo'n maraudeurs- en strooperstroep,quot; zegt mijn oude, âlaat mij maar begaan, ik zal hen wel bang maken.quot; En hij roept Frits Sahlmann en zegt tot hem: âFrits, mijn jongen, ga eens achter uit door den slottuin, dat niemand je ziet, en loop naar den horlogemaker Droz, en zeg dat hij oogenblikkelijk zijn uniform moet aantrekken, met de hooge zwarte slobkousen en de beeremuts, en geweer en sabel; en dan moet hij door de kleine groene poort den tuin binnensluipen, tot onder het hoekvenster, en dan moet hij hoesten.quot;
Wat nu den horlogemaker Droz betreft, hij was van geboorte een jSTeufchateller; hij had vele potentaten gediend, ook de Franschen, en later was hij in mijne vaderstad blijven hangen, daar hij er met eene weduwe getrouwd is.
â 44 â
Zijn Fransche uniform had hij bewaard, en als hij 's avonds, in de schemering niet meer zien kon, om horloges te repa-reeren, dan trok hij zijne monteering aan, en liep steeds in zijne kleine kamer op en neder; maar blootshoofds, want met de beeremuts, dat ging niet, die schaafde tegen den zolder aan. En dan redeneerde hij van ,1a grande nation,quot; en âle grand empereur,quot; en kommandeerde het gansche bataljon en liet rechts zwenken, en links op den vijand inhouwen, zoodat vrouw en kinderen achter 't bed wegkropen. Hij was echter een goed man en deed geen schepsel kwaad, en overdag lag âla grande nationquot; in een koffer, en hij repareerde horloges, en poetste en smeerde die, en hij at Mekk'lenburgsche aardappelen met de schil en doopte ze in Mekk'lenburgsch spekvet.
Terwijl dus nu de horlogemaker zijne slobkousen dichtknoopte, en zijne beeremuts opzette, zat de molenaar Voss met den Franschman te zamen, en werkte wat hij kon in den rooden wijn van den baljuw, en de Franschman klonk met den molenaar, zeggende: âA vous!quot; en dan nam de molenaar zijn glas op en zeide: âPraat maar toe!quot; â en dan klonk de molenaar weer met den Franschman, en de Franschman bedankte en zeide: âServiteur!quot; en dan dronk de molenaar ook en zeide: âZet hem voor de deur!quot; En zóó praatten zij samen Fransch en zij dronken.
Zoo werden zij dan steeds vriendschappelijker met elkander ; de Franschman stak de blanke sabel in de schede, en het duurde niet lang, of zijn zwarte snorbaard krieuwelde den ouden molenaar onder zijn stompen neus, en de molenaar gaf er hem een paar in 't aangezicht, van stavast, want de molenaar had een mondwerk, alsof hij met eene wanschop opgekweekt was, en elke kus van hem kon ongeveer voor drie gelden.
Juist toen dit gebeurde, werd er onder het hoekvenster gehoest, en mijn vader sloop de kamer uit en deelde den
â 45 â
horlogemaker mede, wat hij doen moest. Mijnheer de baljuw liep ondertusschen steeds op en neder en dacht wat de hertogelijke kamer er wel van zeggen zou, zoo zij dit alles aan kou zien, en hij zeide tot den molenaar: âVriend Voss, verlies den moed maar niet; ik zal er je dankbaar voor zijn.quot; âEn de molenaar verloor den moed ook niet, maar dronk dapper voort.
De horlogemaker ging intusschen heimelijk weder door den slottuin terug; doch toen hij op den gewonen wegkwam , die naar het slot leidde, zette hij een hooge borst en stapte dat het een aard had, want hij was nu weder âla grande nation,quot; en hij kwam rechtop en deftig de slotpoort binnen; dat deed hij heel mooi; hy was dan ook van aangezicht en postuur een knappe kerel. De zes jagers, die bij hunne paarden stonden, keken op en fluisterden met elkander, en één van hen ging naar hem toe en vroeg: waarheen? en van waar? Droz zag hem echter heel minachtend over den schouder aan en antwoordde hem kort af en barsch in 't Fransch, dat hij de kwartiermeester was van 't drie en zeventigste rege-ment, en dat zou in een half uur uit Malchin hier komen , en hij moest eerst met âMonsieur le bailliquot; spreken. Toen begon de jager bang te worden, en toen Droz een weinig handtastelijk op maraudeurs begon te zinspelen en vertelde, dat zijn overste er gisteren een paar had laten dood schieten, toen droop eerst de één, en daarna de ander af, en ofschoon een paar van hen nog te zamen snaterden en op liet slot wezen, van wege hun' kom-mandant, zoo had toch niemand hunner rechten tijd tot wachten , en in een ondeelbaar oogenblik was het slotplein ledig, en in de Brandenburger poort stonden wij jongens, en keken de zes Fransche jagers na, hoe zij door den diepen kleiweg wegdraafden, want het was juist in den mooisten tijd van de toenmalige Mekkenburgsche landwegen , zoo in 't voorjaar, als 't alles pas ontdooid is.
TWEEDE HOOFDSTUK.
JVat manisel Westphalen en de horlogemaker te samen spreken, en waarom Frederik den. Franschmau de knoopen van zijn broek wil snijden en hem naderhand in het Stavenhager bosch te bed brengt, en waarom Fieken den Koopman van Malchin niet genomen heeft.
Toen het slotplein ledig was, stapte de horlogemaker met geweer en sabel in de provisiekamer van mam-sel Westphalen, en mamsel Westphalen droogde hare oogen af, en sprak: âMijnheer Droi, gij zijt een reddende engel!quot; âZij noemt hem namelijk altijd Droi in plaats van Droz, daar zij meent, dat Droi zuiverder Fransch is en dat de menschen het juiste accent niet aan den naam geven. â De reddende engel zet nu zijn geweer tegen de zeeptobbe, hangt zijn sabel aan den vleeschhaak, legt zijne beeremuts als deksel op het botervat en gaat zelf op de aanrechtbank zitten. Hij haalt een geruiten zakdoek uit den zak, vouwt dien netjes op zijn knie glad en veegt daarmede tweemaal heel zachtmoedig onder zijn' krommen neus; daarop brengt hij zijne groote ronde snuifdoos te voorschijn en reikt ze mamsel Westphalen toe, terwijl hij vraagt: âPlait-il?quot; â âJa wel,quot; zeide mamsel Westphalen, âzeer gaarne, want, mijnheer Droi, ik heb zeer slechte oogen, en zij zijn sedert verleden najaar nog zwakker geworden; ik had toen de zenuwkoorts, en de dokters geven er een hoogdravenden naam aan, maar mijnheer Droi, ik zeg dat het de gewone, miserable najaarskoorts was, en daar blijf ik bij.quot; Zoo
â 47 â
sprak zij en zette den heer Droi een mooie, gebraden eend en eene flesch wijn voor, maar van de beste soort van mijnheer den baljuw, en zij maakte eene dienaresse, als van iemand die in 't water onderduikt, en zeide ook: âPlait-il?quot; Nu, den horlogemaker âplait-il-dequot; dit zeer en hij werd te moede, alsof hij een werkelijke engel was en de provisiekamer van mamsel Westphalen, in vergelijking tegen zijne aardappeltjes met spek er bij, een paradijs; en toon hij aan de tweede flesch wijn was, redeneerde hij veel van âvin dit en vin datquot; en van âde skoone Suisse.quot; â Middelerwijl was het donker geworden en Frits Sahlmann komt de provisiekamer in, en zegt: âSu, 'tis eene mooie historie; mijnheer de baljuw loopt blootshoofds in 't stikdonker door den tuin, en redeneert in zich zeiven; de burgemeester heeft zich stilletjes uit de voeten gemaakt; Frederik, van den molenaar Voss, staat nu al een uur lang voor de poort en scheldt op de vervloekte patriotten en op den gauwdief Dumouriez, en de molenaar duwt don Fransoos zijne vuist tegen deu mond, en vraagt waar zijne vier paarden en zijne zes ossen gebleven zijn, die de Fransozen hem afgenomen hebben, en de Fransoos zit daar en verroert of beweegt zich niet en zijn oogen rollen door zijn hoofd.quot; â âFrits Sahlman,quot; vraagt mamsel Westphalen âverroert hij zich niet?quot; â âNeen, mammesel.quot; â âFrits Sahlmann, ik weet, dat je somwijlen een wauwelaar bent; en je menigmaal met onwaarheden ophoudt; ik vraag het je, op je geweten af: verroert hij zich volstrekt nietPquot; âNeen, mammesel, volstrekt uiet, in 't geheel niet.quot;ââ âNu, mijnheer Droi, ga dan mede, dan willen wij naar boven gaan en zien wat daar aan de hand is; maar, neem wat van uw gereedschap om te hakken en te steken mee, en als gij ziet dat hij mij wil aanvallen, sta mij dan bij. En jij, Frits Sahlmann, loop naar Frederik van den mole-
â 48 â
naar, en zeg hem, dat hij de paarden moet afspannen en binnenkomen, want beter is beter, en wat één mensch wel tot stand kan brengen, is voor twee nog minder moeilijk.quot;
Frederik komt dan ook binnen en krijgt een stevigen borrel en schudt zich eens, zooals dat, na een goeden slok, mode is, en de stoet gaat nu voorwaarts naar de kamer van mijnheer den baljuw; Frederik vcforop, dan mamsel Westphalen, die den horlogemaker onder den arm genomen heeft, en het laatste, Frits Sahlmann, in de achterhoede.
Als zij de kamer binnenkomen, zit de molenaar aan de tafel en heeft twee volle glazen vóór zich staan, en hij klinkt met het ééne tegen 't andere, en met het andere tegen 't ééne, en drinkt beurtelings voor twee, en een glimlach ligt over geheel zijn breed aangezicht verspreid. Zijne jas heeft hij uitgetrokken, daar hij bij het werk warm geworden is, en op het hoofd heeft hij den helm van den Franschman met den langen paardestaart, en over zijn' dikken buik had hij, zoo goed als 't gaan wilde, de sabel van den Franschman vastgegespt. De laatstgenoemde ligt, zoo lang hij is, in een hoek der canapé en heeft de witte, katoenen slaapmuts van mijnheer den baljuw op en diens chambrecloak, met de roode bloemen, aan, en de ondeugende molenaar heeft hem in plaats van de sabel eene groote penneveer in de hand gegeven, waarmede bij stilzwijgend in 't rond zwaait, want spreken kan hij geen woord.
Toen mamsel quot;Westphalen de deur inkwam en den toestand overzag, zette zij hare beide armen in de zijden, gelijk elke rechtschapene, oude juffrouw in zulke omstandigheden doet, en vroeg: âMolenaar Voss, wat moet dit? Wat beduidt dit? En wat beteekent dit?quot; De molenaar wil antwoorden, maar hij krijgt het op zijne lachspieren en brengt slechts met moeite er uit:
âKomedie!quot; â âWat?quot; vraagt mamsel AVestphalen, â âis dat een antwoord van een' man, met vrouw en kinderen? Is dat liet respect voor uw opperhoofd, om zoo'n uilenspiegelstreek in zijne studeerkamer uit te voeren? Mijnheer Droi, kom mede!quot; Dit zeggende, gaat zij op den Franschman af, rukt hem de slaapmuts van het hoofd en slaat er hem tweemaal mee om de ooren, waarbij zij tweemaal de twee woorden uitspreekt: âJou varken!quot; Vervolgens keert zij zich om en roept: âEn gij, Frederik! kom eens hier, en help my om dien kerel de kamerjapon van den ouden heer uit te trekken! Eu gij, mijnheer Droi! want gij zult daar wel verstand van hebben, neem dien dwazen molenaar die soepterrine van zijn hoofd, en gesp die sabel los.quot; â Nadat dit alles geschied was, zeide zij: âEn jij, Frits Sahlmann, jou oude babbelaar, jou deugniet! â Jij zult het hart niet hebben, om aan mijnheer den baljuw te vertellen wat er met zijne commoditeiten hier gepasseerd is, want hij laat ze anders verbranden; en wat kan zijne kamerjapon of zijne slaapmuts het helpen, dat de men-schen zich als kwajongens aanstellen.quot; â Daarbij ziet zij den ouden, grijnzend en molenaar scherp aan, doet de kurk op de wijnflesch, zet hare armen weder in de zijden en vraagt: âWat nu?quot; â
âIk weet hot,quot; zegt Frederik; hij haalt zijn zakmes voor den dag, doet het open, gaat naar den Franschman toe, rukt zijne uniform los en begint daar op eene zeer zonderlinge manier in rond te scharrelen.
âHeer in den hemel, Frederik!quot; roept mamsel West-phalen uit, en springt er tusschen in; âzijt gij bezeten ? Ge zult hier toch geen moord begaan?'' â âDiable,quot; zegt mijnheer Droi, en trekt den arm van Frederik terug, en Frits Sahlmann, de onverstandige bengel, rukt het venster open en schreeuwt: âMijnheer de baljuw, mijnheer Reuter. Vrool. Gesch. 4e dr. 4
^ 50 â
de baljuw! Nu gaat het er op los!quot; â Klets! krijgt hij een klap op zijn mond, die hem heel hekend voorkwam, daar hij dagelijks van die soort van mamsel Westphalen wel een stuk of drie ontving; dat wil zeggen, zoo hij benadering berekend, want geteld werden ze niet.
Frederik bleef echter heel bedaard staan en vroeg : âHoe zóó dan ? Wat meent gij ? Ik wil hem eenvoudig de knoopen van zijne broek afsnijden; dat hebben wij altijd zoo gedaan, als wij er een stuk of wat gevangen hadden, toen ik nog tegen de vervloekte patriotten in Holland diende; en tegen den gauwdief âüumouriezquot;, onder den hertog van Brunswjjk, na anno 90.quot; En hij richt het woord tot mamsel Westphalen, zeggende: nWant,mam-selletje, dan kunnen ze niet wegloopen, dan zakt hun de broek op hun knieën.quot;
âSchaam je wat, Frederik. om mij zoo iets te zeggen! Wat heb ik met de broek en de knieën van den Fransch-man te maken ? En van zoo'n aanblik wil ik hier niets weten, en geen mensch zal zeggen, dat hier in de studeerkamer van Mijnheer den baljuw zoo iets fatsoenlijks te zien is geweest. Xeen, we willen liever overleggen, waar wij met den kerel zullen blijven.quot;
Toen dringt de molenaar Voss naar voren en wil zich op de borst slaan, maar hij slaat meer naar beneden op de maag en zegt: âBlijven? Wat blijven? Waar ik blijf, blijft hij ook: wij hebben samen broederschap gedronken, en hij is een echte Franschman, en ik ben een echte Mekklenburger, en wie daarvan wat weten wil, die kome maar hier!quot; En hij kijkt hen allen beurtelings aan, en toen niemand iets daarop antwoordde, klopte hij den Franschman op den schouder, zeggende: âBroeder, ik neem je mee.quot; â âDat is ook het bestezegt mamsel Westphalen, âdan zijn wij hem kwijt. Mijnheer Droi, vat eens aan!quot; â En de één van de âgrande nationquot; pakte
den ander van de âgrande nationquot; aan de beenen, en Frederik vatte hem boven aan het hoofd; â Frits Sahl-mann droeg het licht, mamsel Westphalen kommandeerde het geheel, en de molenaar kwam, een' kleinen boog beschrijvende, achteraan.
âZie zoo,quot;' zegt Frederik, ânn maar achterin, in den wagen! â Zoo, lig daar nn maar stil! â Frits Sahlmann span jij de paarden eens in! En gij, mijnheer Droi, help mij, om er den molenaar op te krijgen; maar pas goed op, dat hij de balans niet verliest, want ik ken hem, dan tuimelt hij omver,quot;
Zoodra nu de molenaar zit, vraagt Frederik: âWel, is alles aan boord?'quot; â âAlles aan boord!quot; zegt mamsel Westphalen. â ,,Xu , dan maar ju!quot; zegt Frederik. Doch, nauwelijks is hij een paar schreden voortgereden, of de horlogemaker roept: âA11! a 11, Frederik! â- Gij hebt vergis-teren dat kameraad zijn choval; dat staan inde logis voor de kleine poules!quot; â .,Ja,quot; zegt Frits Sahlmann, âquot;t staat in 't kippenhok.quot; âNu, haal het dan,quot; antwoordt Frederik, âen bind het van achteren maar aan den wagen.quot;
Dit gebeurt dan ook, en terwijl zij nog daarmede bezig zijn, komt de oude baljuw van zijne wandeling in den tuin terug en vraagt, wat hier te doen is. âNiemendal,quot; zegt mamsel Yvrestphalen. âDe molenaar Voss heeft den Franseh-man maar uitgenoodigd, om mee te rijden en van nacht op den molen te Gielow te blijven.quot; â âDat is eene andere zaakquot; zegt de oude heer. â âAdjuus, vrind Voss! Ik zal 't niet vergeten.quot; De molenaar bromt zoo wat in zijn baard van heel mooi, vruchtbaar weder, en mamsel Westphalen fluistert Frits Sahlmann toe, dat hij vooruit moest loopen, en de sabel en den paardestaart van den Fransch-man nit de kamer van zijn meester gaan halen, dat lnj die niet in 't oog kreeg: âBreng alles maar naar mijne kamer.quot; zeide zij, âen leg 't achter mijn bed.quot;
â 52 â
Frederik klapt nu met de zweep over de paarden en draaft den berg van het slot af, de Malcliiner straat in, en hij zegt bij zich zei ven: âDit is het proefstuk; als de molenaar bij dezen weg en met zulk hard rijden op den zak blijft zitten , dan komt hij van avond ook alleen van den wagen af.quot; Maar toen hij een eindje verder was en omkeek, lag de molenaar tusschen den voorsten en don achtersten zak in, en Frederik zeide: âZonder hulp komt die niet weer beneden.quot; En hij haalde een paar zakken voor den dag en dekte hem die over 't lijf, opdat hij geen kou zou vatten.
Su reed hij voort, en de paarden gleden stapvoets door den diepen weg, en in den duisteren avond, en allerlei gedachten kwamen bij Frederik op. Vooreerst viel hem in, wat de molenaarsvrouw vroeger eens gezegd had, toen de molenaar alleen zóó was aangekomen, en wat ze nu wel zeggen zou, als hij met neg een er bij, zoo thuis kwam; en wat molenaar's Fieken er wel van zeggen zou; en hij schudde met het hoofd en zeide: âGoed loopt het zeker niet af.quot; â Enten tweede viel hem in, dat het ook om dezen tijd van het jaar geweest was en in zoo'n duisternis, toen hij voor zeven en een half jaar van de Pruisen uit Prenzlau gedeserteerd was, en dat hij ook toenmaals, totdat hij in't Stavenhager rechtsgebied was doorgedrongen, onder den blooten hemel had gelegen en zich met doornstruiken had toegedekt. â En, ten derde, viel hem in, â en toen dat hem inviel, knarste hij op de tanden, â hoe hij met deu hertog van Brunswijk in Frankrijk geweest was; niets aan het lijf, niets in het lijf, als den rooden loop, en hoe de Franschen hem gejaagd en gesard hadden, en hoe zoo velen zijner kameraden op den landweg waren blijven liggen. en ook zijn besten vriend, Christiaan Krauger, en dat het volk geen medelijden had. âEn de beide mooie bruinen, sprak hij bij zich zei ven, âhebben ze mij ook afgenomen, en ik
â 53 â
moet nu rijden met twee oude half kreupele knollen; en die moeten zich hier nog in dien diepen weg, met zoo'n karnalje vogel van een maraudeur aftobben, die niet eens een fatsoenlijk militair is? â Vervloekte patriotten! â Gauwdief! â Dumouriez!quot; â Dat waren zijne eenige vloeken als hij boos was. â â11°! ho!quot; riep hij en sprong van den wagen af, en ging achterom en maakte den klink-haak los van 't achterdeel van den wagon; â daarop pakte hij den Franschman bij de beenen; trok hem halverwege uit den wagen, bukte er met zijn schouder onder en droeg hem over een sloot naar het Stavenhagor bosch, waar hij hem onder een beuk nederlegde. â âJaquot;, zegt hij, toen de Franschman zich daar een weinig begon te bewegen, âdat is je zeker een beetje vochtig, maar je bent van binnen vochtig, waarom dan ook niet van buiten?''En hij zag naar boven, naar de lucht, en sprak: âVoor in't laatst van Februari is 't een mooie, warme nacht, en als ook de koekoek juist niet zingt, zoo heb ik hem toch verleden zomer in dezen beuk hooren zingen, en, â zoo God wil, zingt hij hier van 't jaar weder.quot; â En toen de Franschman min of meer rilde, alsof hij liet koud had, sprak hij: âNiet waar, broertje! 't is een beetje koel en 'k zou je hier nu mooi kunnen toedekken met een geducht pak slagen en daar zou geen haan naar kraaien; maar ik wil je toonen, dat ik een christelijk hart heb.quot; â Dit zeggende, gaat hij naar den wagen, haalt een paar armen vol stroo en werpt dat over hem heen, met de woorden: âNu, adjuus! Meenemen doe 'k je niet; waarom zouden de molenaarsvrouw en Pieken zich over je ergeren ?quot; Hij klimt nu weer op den wagen en rijdt zachtkens naar huis.
Niet ver van den molen maakt hij den molenaar wakker, spreekt hem moed in en zegt: âMolenaar! ga rechtop op den zak zitten ik help er u straks af.quot; De molenaar richt zich op en zegt: âIk bedank u wel, mijnheer de baljuw!quot;'
- 54 â
En hij keek verwilderd roud, waar hij was, en vroeg, wat dat voor een paard was, dat achter den wagen hing, en toen hij een weinig tot bezinning gekomen was, voelde hij naar beneden, achter in den wagen en vroeg: âFrederik, waar is de Fransoos?quot; â âJa, waar is die!quot; zeide Frederik en hij hield voor de huisdeur stil en sprong van den wagen en hielp er den molenaar af, eer de vrouwen met licht kwamen. Zijn meester kwam met moeite de deel op en de molenaarsvrouw liep hem te gemoet en vroeg: âWel, vader, hoe is 't afgeloopen?quot; âDe molenaar sukkelt over den drempel van de deur de kamer binnen, legt zijn hoed en handschoenen op de tafel en gaat een paar keeren in de kamer op en neer; waarbij hij de reet zeer strak in 't oog houdt, en zegt: âDat is een zware gang!'' â âDat zie ik,quot; zegt de molenaarsvrouw. â Fiekenzataan de tafel en naaide linnengoed. â En de molenaar ging weder trotsch heen en weer en vroeg: âZiet gij niets aan mij?quot; â âGenoeg,quot; antwoordde zijne vrouw. âGe hebt weer bij den bakker Witt gezeten en hebt je zorgelijke omstandigheden vergeten en je vrouw en kinderen, en zijt aan 't drinken geweest.quot; â âZoo? Denkt ge dat? Laat mij je dan zeggen, dat de verstandigste mensch zich kan vergissen. Neen! ik heb met mijnheer den baljuw en den burgemeester en een Franschen generaal, of zoo iets, broederschap gedronken, en de baljuw heeft mij gezegd, dat hij er met dank aan zou denken, want dit was voor 'tvaderland. En, Fieken, jou zeg ik, gooi je niet weg! Dat heb je niet noodig! â Do koopman van Malchin had je voor mijn part kunnen trouwen; maar dat wou je immers niet!quot;
Fieken keek zoo wat half van haar werk op en zeide: âVader, laat dat toch rusten, ten minste van avond!quot; â âBest, lief dochtertje! Je hebt gelijk, kindlief! Zie, ge zijt immers mijn eenig kind, want, waar is Karei en waar is
â 55 â
Joclicra? Ach, goede God! â Maar, dat zeg ik je: gooi je uiet weg! en verder zeg ik niets. â Eu onze geldzaak, moeder? â quot;Wat zegt de oude baljuw? â Vrind Yoss, zegt hij, ik zal er in dank aan gedenken. â En dan de Fransoos! Moeder, de Fransoos! â Waar, duivel, is de Fransoos! Hij lag toch achter in den wagen; dat moet Frederik toch weten.quot; Hij rukt het venster open en roept: âFrederik! Frederik! hoort ge dan niet?quot;
Frederik hoorde hem heel goed, maar hij pinkte eens met het oog en zeide: âJa, schreeuw maar! Wat zal ik daar veel van zeggen? de molenaarsvrouw kan er zelve genoeg van zien; ik zal mijne handen niet branden.quot; Daarop bond hij het paard van den Franschman aan de ruif en nam er den zadel af, en toen hij er den mantelzak afnam, zeide hij: âVerduiveld wat is die zwaar!quot; en legde hein in zijne haverkist, schudde het laatste voeder voor zijne paarden uit, en ging naar het bed en sliep, alsof er niets bijzonders was voorgevallen.
Toen do molenaar nu wilde beginnen te schelden, omdat Frederik niet kwam, zeide zijne lieve vrouw: âVader, laat hem maar blijven; ge zijt moe, ge hebt den heelen dag op den wagen rondgesukkeld, en zwaar gewerkt; â ga naar bed; Fieken zal je een beetje bier warm maken, dat de nachtlucht je geen kwaad doet.quot; â âMoedertje,'1 antwoordde hij, âge hebt altijd gelijk, ik heb mij vreese-lijk afgetobd, want geldzaken grijpen een mensch steeds zeer aan. Xu, do mijnen zijn in orde, zoo goed als in orde, want mijnheer de baljuw zeide: Vrind Voss, ik zal er in dank aan denken. Eu morgen bij tijds moet ik weer naar Stemhagen.'' Daarop ging hij in hot slaapvertrek, legde zich neder, en dadelijk sliep hij in.
De moeder en Fieken zaten nog een tijd. lang op; Fieken was in gedachten verdiept en naaide onophoudelijk door. â .Jaquot;, zegt de moeder eindelijk: âFieken, gij zijt
â 56 â
vlijtig, en ik leg mijne handen ook niet in den schoot, en je vader heeft zijn leven lang gewerkt en gedaan, wat hij kon; maar wat helpt dat alles ? De slechte tijden brengen er ons onder, en wat de Franschen ons hebben laten honden, dat nemen de avekaten en de joden ons af; overmorgen moeten we vijfhonderd daalders aan Itzig betalen, en wij hebben geen schelling.quot; ,Vader doet toch net alsof alles in orde is.quot; â âStoor je van avond aan hem niet; avondpraat en morgenpraat kunnen verschillen; maar in ééne zaak heeft hij van avond gelijk gehad; hadt je den koopman vanMalchin toch maar genomen.'' â ,Moedertje,' zegt Fieken, terwijl zij hare hand zachtkens op die harer moeder legde, en haar kalm in de oogen zag: âMoedertje, dat was de rechte niet.quot; â âMijn dochtertje, zoo geheel naar hare volle keus trouwen tegenwoordig weinigen op de wereld; daar mankeert al licht zoo wat aan. Kijk! de koopman krijgt eene goede broodwinning, en als je vader en ik wisten, dat jij goed geborgen waart, dat zou ons een pak van 't hart wezen.quot;
âMoeder, moeder, spreek zóó niet! Ik zou u verlaten , als gij en vader in nood waart ? En dat dan nog wel op eene oneerlijke wijze?quot; â .Oneerlijk, Fieken?quot;ââ ,Ja, oneerlijk, moederlief!quot; zeide Fieken en 't was haar aan te zien, dat het haar hinderde, want toen de koopman om mijne hand vroeg, dacht hij, dat er bij ons veel te halen was, en daarom wou hij mij hebben; maar ik wou hem niet bedriegen; want al hebt gij en vader het mij, uit goedheid, niet gezegd, hoe 't met ons gesteld is, en dat wij arme menschen zijn geworden, zoo heb ik dat toch al lang gemerkt. Xu weten de menschen 't al zoo tamelijk, en als er nu een komt; die mij hebben wil, dan wil hij m ij hebben en niet het geld, en dan is 't immers mogelijk, dat hij de rechte is.quot; Dit zeggende stond zij op, pakte haar naaiwerk bij elkaar en kuste hare
â 57 â
moeder. âGoeden nacht, moederlief!quot; sprak zij, en zij ging naar hare slaapkamer. â De molenaarsvrouw zat nog een poos in gedachten verzonken en zuchtte: âGelijkheeft ze, en de goede God moge alles nog ten goede besturen!quot;
Zij ging ook te bed, en alles lag in diepe rust; slechts de molen draaide zonder rust of duur voort en klapperde en joeg, en de wieken grepen links en rechts in wilde haast, gelijk een mensch die in grooten nood verkeert en die zich inspant en zwoegt, om bevrijd te worden uit het stof van het dagelijksche bedrijf; en van het molenrad druppelde het water af, alsof het bittere zweetdroppel en waren, â en diep onder in den grond, daar ruischte de beek met dezelfde taal en met denzelfden zang: âhet helpt u niet, het helpt u niet: ik ben uw hart; zoo lang ik vliet, met golf op golf, met wensch op wensch, zoo lang hebt gij geen rust; maar, als de oogsttijd komt, en het koren rijpt, dan zal mijn stroom zachter vlieten, dan maakt de molenaar de valdeur toe, dan staat alles stil, en dan is 't zondag.quot;
DERDE HOOFDSTUK.
Waarom Frits Salihnann een1 oorveeg hr jyt,endeliorlo(jemakrr den ganschen nacht met mamsel WestpJialeWs ledekant in de kamer rondscharrelt, en waarom de Fransche overste in een roode deken hij den horlogemaker te visite komt.
Toen de molenaar den wea- naar het slot was afo-ere-
D O
den, ging mijnheer de baljuw naar zijne kamer, maar hij
â 58 â
keerde weder om, ging naar den heer Droz toe en vroeg: âWat ben ik u schuldig, mijn lieve Droz?quot; â Kn, die zeide, zoo goed liet hem mogelijk was, dat hij het met genoegen gedaan had, want-de âAllemange was nu zijne pa trie, en hij was tout pour la pa trie.quot; â âDat meen ik niet,quot; zeide de oude heer, ik meen voor mijn horloge, dat gij in orde gemaakt hebt?quot; â De heer Droz antwoordde, dat dit alles betaald was: âde kleine gar§on. Frits Sahlmann, had alles bezorgd. â âJa, dat weet ik wel,quot; sprak de oude heer, âmaar, mijn lieve Droz, een horlogemaker moet men niet enkel daarvoor betalen, dat hij aan een horloge wat gemaakt heeft, maar ook daarvoor, dat hij er niets aan gemaakt heeft, en omdat dit hier hot geval is, daarom, mijn lieve Droz, neem dit van mij aan.quot; En hij drukte hem twee daalders in de hand en ging het huis in.
âquot;Welnu,quot; zeide mamsol Westphalen, âlaat hem begaan! Hij is een wonderlijke oude man, maar hij meent het goed. Maar, Mijnheer Droi, kom nu binnen, en ontdooi een beetje in mijne kamer, want bij dit nare, griezelige weer kan een mensch het hart in zijn lijf bevriezen.' Mijnheer Droi ging dan ook mede, en toon zij nauwelijks gezeten waren, kwam Frits Sahlmann binnen. Hij had den paardestaart van den Franschman op zijn hoofd en de blanke sabel in de hand en had zich in aller ijl een snorbaard van kaarsesnuitsel gemaakt. Klets! daar kreeg hij er een, van die soort, die mamsel quot;Westphalen gewoon was uit te deelen, om de ooren. âJou uilenspiegel !quot; riep zij en zij rukte hem den helm van liet hoofd en de sabel uit de hand en zette die achter haar bed. âUilenspiegel! Op zoo'n avond, als wij allen in angst en nood zitten, wil jij jou hansworstestreken uitvoeren? â Ga liever eens naar de lieve vrouw van mijnheer Droi, en doe 't komplement van mij, dat zij niet ongerust moet
â 59 â
wezen; eu dat mijuheer Droi bij mij in mijne kamer is, en dat hier in 't geheel geen gevaar is.'quot;
Frits Sahlmann gaat, en nu zitten zij daar en vertellen elkaar van den ouden en van'den nieuwen tijd. Intusschen, wat mijnheer Droi vertelt, dat verstaat mamsel Westplia-len maar heel slecht, en wat mamsel Westphalen vertelt, daar verstaat mijnheer Droi bijzonder weinig van. âHij zijn bon!quot; zegt Droi en rammelt met de beide daalders in zijne hand. âJa wel,quot; zegt mamsel Westphalen, âzeker zijn ze goed. Meent gij, dat mijnheer de baljuw u valsch geld zou geven?quot; â âAh! 't niks valsch geld! Ik meen en hem lui-mêrae, zegt mijnheer Droi en wijst met zijn vinger naar boven. â âO, zoo! gij meent mijn heer den baljuw! Ja, wel is hij bon, maar, hoe ouder hij wordt, des te wonderlijker wordt hij, want hij maakt den nacht tot den dag, mijnheer Droi. Zie! daar moet ik nu zitten en ik moet bakken en braden tot in den nacht; want hij eet zijn avondeten eerst 's nachts, klokke elf. en 't wordt soms wel twaalf ook, en als 't lieve eten uitgedroogd of te hard gebraden is, dan gaat hij aan 't knorren , en onze mevrouw is zeer weekhartig en dan begint zij te schreien. Dan zeg ik: âOch, mevrouw! waarom huilt gij? Kunnen wij 't helpen, dat hij leeft nis een onchristen ? Laat dat huilen: wij hebben een goed geweten!quot; Maar, mijnheer Droi, 'tis een zwaar stuk voor mij, om hier te zitten als eene eenzame persoon en aan te hooren, hoe de stormwind om het slot heen-loeit, de regen tegen de vensters aanslaat, de uilen schreeuwen en de tochtwind door den gang huilt, alsof de geesten losgelaten waren. Hoor nu maar eens, wat is 't weer boos weder! â Mijnheer Droi, gij zijt zeker in 't geheel niet bang?quot; âEh, non!quot; zegt mijnheer Droi, maar hij zit stil en luistert naar het weder en zegt eindelijk : , A11 e n d e z, d u t o n n e r r e!quot; â âWat meent gij ?quot;
â 60 â
vraagt mamsel Westphalen. â âIk meenen,quot; antwoordde hij, â en hij zwaait met zijn vinger rechts en links door de lucht, â âik meenen de lichte z i g-z a g met rompel, pompei, retteteta.quot; â âDan hebt gij gelijk, mijnheer Droi,quot; zegt mamsel Westphalen, âwant daar buiten gaat het werkelijk zoo: rompel, pompei, ratteteta!quot; â âAh!quot; zegt mijnheer Droi, âdat zijn de tamboers, dat zijn mijne kameraden de grenadiers.quot; â Hij sprong op en marcheerde op en neder, met de beeremnts op het hoofd, want hier was het daartoe hoog genoeg en dan stond hij we or stil en riep: âLuister! Zij marcheer op de marché, op de markt!quot; en: âLuister!quot; Dat zijn de âgrand canons, de zware geschut!quot; En mamsel Westphalen zit daar met de handen in haren schoot en zij kijkt hem aan en schudt het hoofd, zeggende: âWaar dat toch eenmaal inzit! Hij is anders een fatsoenlijk mensch; waarom stelt hij zich dan nu zoo wild aan ? 't Is als met de oude voerlui; als ze niet meer kunnen rijden, klappen ze toch nog altijd graag met de zweep!quot;
En niet lang daarna kwam de vrouw van den wever Stahl de deur in. Dat was de dagehjksche aanbrengster voor mamsel Westphalen; zij kwam haar het nieuws uit de stad vertellen, en voor iederen mondvol nieuwstijdingen, die zij het slot inbracht, droeg zij een pot vol eten er uit. â Zij had haren rok over 't hoofd geslagen en droop als een dakgoot, schudde zich eerst een paar maal af en zeide toen; âBrr. ... wat is't een weer!quot; âDat is 'twel, juffrouw Stahl,quot; zeide de mamsel, â zij noemt haar altijd juffrouw Stahl,quot; âniet om harentwil,quot; zeide zij, âneen, om mijnentwil, want, wat zouden de menschen er wel van zeggen, als ik mij met eene vrouw uit het volk inliet? â neen! ik heb ook mijn trots!quot; âMamselletje,quot; zeide de weversvrouw, âik kwam hier heen; op de markt wemelt het van Franschen, en ze heb-
ben een grooten lioop kanonnen meêgebracht, en de bur gemeester heeft om mijn man gestuurd; die moet in dit weer en in den stikdonker op de dorpen rondloopen en de boeren en de hofjoagens met wagens bestellen tegen morgen middag, en, pas maar eens op , gij krijgt ook inkwartiering.quot; â âDat weet de goede hemel!quot; zegt mamsel Westphalen, en zij gaat naar de deur en roept Caroline en Pieken, dat zij vuur zouden aanleggen in de blauwe kamer, naast de hare, en twee bedden gereed maken, want de duivel zou spoedig zoo'n pochhans van eenFran-schen overste en zoo'n misselijken krates van een adjudant den berg naar het slot opkarren.quot; â Daarna keert zij zich om naar het gezelschap, en zegt: âDaar kunnen zij liggen, en als het spook in de blauwe kamer een christelijk spook is, dan zullen zij juist niet veel rust vinden in dezen nacht, en dat gun ik hun, want, mijnheer Droi,quot; gaat zij voort, âhiernaastin de kamer spookt het; gelooft gij ook aan spoken?quot; â Mijnheer Droi zegt: âNeen!quot; en inmiddels komt er buiten beweging, en toen mamsel Westphalen eens uitkeek, kwam werkelijk een Fransch overste met zijn adjudant de huisdeur uit, en een paar ordonnansen volgden hen. Zij werden in de blauwe kamer gebracht, waar zij drooge kleeren aantrokken, en gingen vervolgens naar boven, naar mijnheer den baljuw om aldaar te soupeeren.
De heer Droi zit ondertusschen diep in gedachten en zegt om den anderen: âDiable!quot; en âDiantre!quot; En toen hem naar de reden gevraagd werd, kwam hij er eindelijk voor uit, dat hij in groote verlegenheid was, en 't kon zijn ongeluk wezen, want, als hij in zijne monteering en met de beeremuts, en met geweer en sabel de kamer uit en door de straten ging, kon de ordonnans hem zien. of een van de Fransche wachtposten, of zoo'n strooper van een Fransoos, en ze konden hem vragen: ..Van waar ? en
â 62 â
waarom? Eu als hij dan niet wist wat hij zeggen moest, dan kon de drommel er meê spelen eu de geschiedenis van dezen middag kon uitkomen, en wat dan?quot; â Mijnheer Droi,quot; zegt mamsel Westphalen, âdat is een erg geval ! De kleêren van dieu lummel, van Frits Sahlmann, kunt gij niet aantrekken, want al moogt ge er ook uw lief middelstuk in persen, waar bleeft gij met de einden ? â Dan de kleêren van mijnheer den baljuw? Neen, mijnheer Droi, verlang zulk eene slechte daad niet van mij, want, dat was immers juist, alsof ik met eigene hand het slot in brand steken wou. En andere manspersonen hebben we, Goddank, hier niet. â 'Maar, mijnheer Droi, gij hebt ons van middag uit grooten nood gered, en daarom wil ik u weder redden. Uwe vrouw weet dat gij hier ouder christeumenschen zijt; gij zult van nacht in mijn ledekant slapen, ik zal er schoone lakens opleggen, en dan slaap ik bij het kamermeisje. Juffrouw Stahl, kom! â Dit zeggende gaat zij de kamer uit, en niet lang daarna komt zij weder binnen en legt schooije lakens op het bed eu vraagt weder: âMijnheer Droi, zijt gij ook bang?quot; â Mijnheer Droi zegt weder: âneen!quot; en zij zegt: âDat is best! want het gaat hier naast menigmaal wonderlijk toe en dan hoort men: âtrap! trap! trap! maar 't komt hier niet binnen ; ik heb een hoefijzer op mijne deur laten spijkeren. â Hoor nu toch eens! Hoor nu toch eens! Nu gaan de Fransozen hier naast ook naar bed. Hoor nu toch dat gesnater eens aan! Mijnheer Droi,quot; vraagt zij zachtjes, âkunt gij dat alles verstaan?quot; â âOui,quot; zegt mijnheer Droi. â âIk geloof het,quot; zegt zij, âwant de muur is heel dun. Dit was eerst ééne groote kamer, maar nu zijn er twee van gemaakt. Xu. mijnheer Droi, goeden nacht! Kom, jufvrouw Stahl!quot; â Mijnheer Droi wenschte ook goeden nacht, in 't Fransch, maar hij zag er uit, alsof hij nog
iets op het hart had, dat hij niet zeggen kou, of niet durfde zeggen, en mamsel Westphalen zeide zachtjes tot do weversvrouw: âJuffrouw Stahl, gij zijt eene getrouwde vrouw: voor mij past dat niet, help gij den man terecht.â ' En zij gaat heen. Nu gaat de horlogemaker met de weversvrouw ook de kamer uit.
Zoodra zij er allen uit zijn, sluipt iemand over den gang. waar de nachtlamp brandt, de kamer van mamsel Westphalen binnen; 't is de goddelooze jongen, Frits Sahlmann, en hij heeft een klomp ijs onder den arm, zoo groot als de bol van een hoed. Als eene kat springt hij op de planken van het groote ledekant met gordijnen van mamsel quot;Westphalen en legt den ijsklomp boven op het bedverhemelte, terwijl hij bij zich zeiven zegt: âWacht jou oude plaaggeest! Dit is voor de oorvegen, die ik gekregen heb; nu zal de opstijgende hitte wel bekoelen.quot; En daarop sluipt hij de deur weder uit.
Mijnheer Droi komt nu weder binnen; kleedt zich uit, legt âla grande nationquot; vóór het bed, op den stoel, snuit het licht uit en legt zich neder; hij rekt zich in dat schoone zachte bed lang uit, en zegt: âAh! c'est bon!quot; â Xu luistert hij naar den storm daar buiten en naar den regen, hoe die nederstroomt, eu naar 't redeneeren van de beide Franschen in de kamer naast hem, doch eindelijk houdt het gesnater op, en Mijnheer Droi is juist zoo tusscheu slapen en waken, toen begint het: trap â trap â trap. âHa, ha!quot; denkt mijnheer Droi in 'tFransch, âdat is het spook, hier naast!quot; En hij luistert nu wat zijne landslieden daar wel van zeggen zullen. Die liggen heel stil; maar trap â trap â trap gaat het bedaard voort, en nu komt liet mijnheer Droi voor, dat het in zijne kamer is. Ja, in zijne kamer is 't en als 't in zijne kamer is, dan is liet door de deur er ingekomen; hoe zou 't anders binnengekomen zijn? Hij grijpt dus eene van zijne schoenen op
â 64 â
en gooit dien uaar de deur toe; bons! vliegt de schoen tegen de deur aan, en 't is een geraas op den gang, alsof het onweder was ingeslagen. De Franschen in de andere kamer beginnen zich te bewegen en praten met elkaar. Doch weldra is het daar weder stil; maar trap â trap â trap gaat het weer, dicht bij het bed van mijnheer Droi. Mijnheer Droi gaat overeind zitten en buigt zich voorover, om beter te kunnen hooren. â klets! daar valt hem een droppel op zijn kaal hoofd â en, klets! â nog een op zijn krommen neus, en terwijl hij vóór zich uit tast, voelt hij, dat zijn dekbed zoo zachtjes aan begint te doorweken. âDiable!quot; zegt hij, âhet dak is niet dicht en dat lekt door den zolder. Wat nu?quot; Hij komt natuurlijk nu op den verstandigsten inval, dien een mensch in zulke omstandigheden hebben kan; â hij wil met zijn bed verhuizen; hij staat alzoo op en begint met het oude, zware lodekant, aan bet hoofdeneinde voort te schuiven; maar hij denkt niet aan den helm en den sabel van den Franschman, die in den hoek staan, en, â al zijn leven! â dat glijdt langs don muur naar beneden, en rammelt en klettert op den grond neder. Mijnheer Droi is niet weinig ontsteld; hij blijft staan en luistert: ja, waarlijk! â de beide Franschen zijn door het spektakel wakker geworden en schelden en razen. Hij denkt echter: wie weet, of dat niet geholpen heeft, en kruipt in het bed. Maar nu was de ijsklomp al aardig ontdooid. en het droop natuurlijk bet bed in; hij wordt zoo koud, liet water dringt overal door, en hij denkt â natuurlijk in 't Fransch: â âNu slapen ze zeker wel. Als ik nu bet voeteneinde loskrijgen kon , dan zou 'k misschien van het lek bevrijd wezen.quot; â Hij staat op, en rukt het voeteneinde los â paf! â daar valt zijn geweer langs den muur op den vloer, en zoo dat eerst niet geknald heeft, zoo knalt het nu.
â 65 â
Daar stond nu de arme horlogemaker; hij beet zich op â de lippen en hield met geweld zijn' adem in, alsof door dat inhouden van zijne ademhaling de Franschen weer zouden gaan slapen, die naast hem al luidkeels raasden en scholden en âsilencequot;! riepen, en tegen den muur sloegen. âQue faire?quot; zegt hij tot zichzelven. âDe eerste nood moet afgewend worden, zooals de oude vrouw zei; en ze sloeg den baktrog stuk en stookte daarvan vuur onder 't water.quot; Toen kroop hij weer in 't bedenzeide: âGoddank! nu ben ik van het lekken bevrijd.quot; âHij wasechter uit den regen in den drop gekomen, want, als een straal liep het van den zolder naar beneden, als een straal liep het in 't bed. Hij werd door en door koud en zoo nat als een kikvorsch in 't voorjaar. â 't Hielp alles niet, hij moest er weder uit en weder verhuizen; maar hij zou 't zachtjes doen, dat hij niets omver stootte. Hij trok het bed in den éénen hoek: daar was het toch te voren droog geweest ; hij trok het in den anderen hoek: daar was het toch ook droog geweest, en zoo scharrelde hij den ganschen langen nacht met het ledekant door de kamer rond, zachtjes, heel zachtjes; maar, waar hij heenkwam, daar lekte het ook.
Zoo stond hij dan in zijn hemd midden in de kamer en peinsde en peinsde, hoe dit toch was, en hoe dat toch was, en sloeg zich eindelijk met de hand voor 't hoofd, en zeide: âIk domkop!quot; Want er Mas hem een licht opgegaan. Dat wil zeggen in zijn hoofd, want in de kamer was het duister; en licht moest hij toch hebben. Hij sloop dus zachtjes naar buiten op den gang en, â ja, waarlijk! â daar brandde ook de lamp nog. Hij stak zijne kaars aan, ging terug, hield het licht in de hoogte, en zag iets boven op het ledekant liggen, en riep: âAh, canaille!quot; Hij klom tegen het ledekant op, maar kon er toch niet bijkomen. Hij rekte zich zooveel mogelijk uit en grabbelde naar den ijsklomp rond, maar die was te glibbe-Reuter. Vi'ool. Gesch. 4e druk. . 5
â 66 â
rig en liet zich niet vatten. Parbleu! Een halve duim langer! Hij spant met geweld al zijne krachten in, â krak!
â zegt de hemel, â en hemel, en ijsklomp, en Droi, 't valt alles tegen den muur van do Franschen aan; en daar ligt mijnheer Droi onder de onschuldige witte gordijnen en zwaait met zijne bloote beenen in de lucht rond alsof die vertellen moesten, wat hun heer was weervaren.
Eensklaps wordt de deur geopend; en binnen komt â de Fransche overste. Hij heeft, om geen koude te vatten, een roode wollen deken over 't beddelaken omgeslagen, en houdt een pistool met dubbelen loop voor zich uit; en achter hem staat met den blooten degen, en met bloote beenen. zijn adjudant. â Mijnheer Droi haspelt onder de gordijnen van het ledekant uit, zet de beeremuts op het hoofd, gaat rechtop staan, slaat zijne hand aan de muts en zegt: âBonsoir, mon colonel!quot; De overste kijkt hem aan; de adjudant kijkt den overste aan; zij hooren, dat zij met een Franschman te doen hebben; zij zien de zwarte slobkousen en de geheele âgrande nationquot; vóór het bed liggen, zij zien geweer en sabel; en
â wat erger is dan erg, â zij zien de sabel en den paardestaart van den chasseur. quot;Wat beteekent dat en wat moet dat? â Mijnheer Droi stamelt op zijne manier wat bij elkaar; mijnheer Droi begint te liegen, en mijnheer Droi liegt verwonderlijk mooi; jammer maar, dat zij hem niet willen gelooven.
In de kamer en op den gang begint nu een vreeselijk spektakel. De overste scheldt mijnheer Droi voor deserteur en maraudeur; de adjudant roept de ordonnansen; de ordonnansen komen van de ééne zijde van den gang haastig en half gekleed aanloopen, alsof iemand in 't water gevallen was, en zij hem wilden naspringen zonder hun pantalon nat te maken; â van den anderen kant rukt mamsel Westphalen met het kamermeisje en de keukenmeid aan;
zij hoeft eene groote stallantaarn in de hand, maar is zeer karig van kleeren voorzien. Zij houdt de hand voor hare oogen, alsof ze door de stallantaarn geheel verblind wordt, en over haar schouder heen kijkt het kamermeisje en zegt tot de keukenmeid: âWel, heere jeminé! kijk eens Kar-lien! . . . âSchaam je toch!quot; zegt mamsel Westpha-len, âwat heeft zij te kijken? Wat hebt gij te kijken? En wat is hier te kijken? Wij zijn hier wegens het onchristelijke leven, dat hier gehouden wordt terwijl liet tijd is van slapen, en omdat de angstkreten van mijnheer Droi tot ons zijn doorgedrongen. En draait je nu om!quot; De beide dienstmeisjes en mamsel Westphalen keeren zich nu om, en laten de Franschen haren rug zien, en de mamsel zegt: âMijnheer de Fransche overste, wat moet dat, wat is dat, en wat beduidt dat? Waarom laat gij mijnheer Droi niet rustig in mijne kamer slapen? 't Is hier een christelijk huis en een stil huis, en zoo'n beweging zijn we hier niet gewend.quot; En zij voegt er half overluid, in zich zelve, bij: âEén van dat kanaljepak zal mij toch wel verstaan.quot; â De Fransche overste beziet zich zeiven, zooals hij daar staat, in zijn roode deken, en mijnheer Droi met de beeremuts op het hoofd, en zijn' spillebeenigen adjudant, die in zijn ijver al maar rondtrippelt, en mamsel Westphalen, met hare breede achterzijde; en het geheel komt hem zoo kluchtig voor, dat hij luidkeels begint te lachen, en hij zegt in goed hoogduitsch, dat zij maar verder zou spreken: hij kon haar goed verstaan, want hij was een Duitscher, hij was een Westphaler. â âZoo heet ik ook!'' zegt mamsel Westphalen. â De overste lacht en zegt dat hij niet Westphalen heet, maar uit Westphalen is; hij heette âVon Toll.quot; â Mamsel Westphalen maakt eene diepe neiging van achteren en vraagt: âNeem 't mij niet kwalijk, zijt gij dan soms familie van mijnheer den postmeester en kastelein ïoll, hier in de stad?quot; âDat
â 68 â
niet!quot; antwoordde de overste, doch hij begon koud te worden ; hij zeide dus, dat de ordonnansen bij mijnheer Droi moesten blijven; hij zou zeker een deserteur zijn, en zij moesten ook onderzoeken waar de Fransche jager gebleven was, wien de sabel en de helm toebehoorde. Mijnheer Droi begon nu weder te liegen en mamsel West-phalen schaamde zich in hare ziel over hem. Zij keerde zich in drift om en zeide: âFoei, mijnheer Droi; die zich op zijn1 ouden dag met slechtigheden inlaat, om gemakkelijk te rusten, die krijgt een hard kussen onder 't geweten. En, schaam u, mijnheer Droi! quot;Welk fatsoenlijk manspersoon zet eerst zijne muts op en bekleedi dan pas zijne beenen!quot; â Zij keert zich om, en toen zij gewaar werd, dat het dienstmeisje zich ook had omgekeerd, gaf zij haar een kleinen stomp in de korte ribben en sprak: âdomme deern!quot; â Daarop maakt zij nogmaals eene diepe neiging, van achteren, en zegt: âUwe dienaresse, mijnheer de overste von Toll!quot; En zij gaat heen, met de beide dienstmeisjes. â De anderen gingen ook weg, en weldra werd toen alles stil, en mijnheer de baljuw vermoedde volstrekt niet, wat er in zijn huis was voorgevallen, want hij sliep den slaap des rechtvaardigen.
VIERDE HOOFDSTUK.
Hoe het den volyenden morgen met den molenaar was; en waarom F reder ik aan de molenaarsvrouw als de slang van het Paradijs voorkwam en waarom Fieken van meening is, dat de zoon van Jochem Voss door den hemel wordt gezonden.
Den volgenden morgen was 't den molenaar Voss alsof hij een half dozijn mnsschen in zijn hoofd had, die daar naar bromvliegen hapten. En zoo was het hem niet alleen tengevolge van het vele drinken van den vorigen avond, noen! hoofdzakelijk van wege don Fransehman. âMoeder,quot; zei hij, en hij wiegde zijn hoofd zoo heen en weer en keek strak in zijne laars: âroode wijn is 's avonds een kostelijk ding, maar 's morgens komt hij mij ook al niet beter voor, dan brandewijn of bruin bier. Ondertussehen, kom ik over den hond, dan kom ik over den staart; 't gekste is maar, met den Fransoos! â achter in den wagen heeft hij gelegen, en Frederik moest weten waar hij gebleven is.quot; â âWelnu, vader,quot; zegt zijne vrouw, âFrederik moet aanstonds komen, want het is tijd voor 't ontbijt.quot; De molenaar gaat naar binnen in zijne kamer, zet zich achter de tafel, waaide schotel met meelpap op staat, en hij tast met zijn lepel het eerst in de pap; daarop tast de moeder toe en Fieken, en 't laatst de beide dienstmeiden, want zóó was het toen gebruik, en koffie drinken was nog bij geen molenaar bekend.
De molenaar eet en legt vervolgens zijn lepel neder en zegt: âWaar blijft Frederik toch?quot;Hij eet weder,en gaat naar't ven-
- 70 â
ster en roept den hof over: âFredorik!quot; âFrederik komt niet. â De schotel is eindelijk ledig; de dienstmeisjes ruimen alles weg, en de molenaar zegt: âAls 'keen knecht gehuurd heb, wil 'kgeen heer in mijn huis hebben!quot; En hij wil juist de kamer uitgaan, om den knecht eens terecht te zetten, toen Frederik de deur inkomt en iets onder den arm draagt. âWaar blijft ge, schelm?quot; vraagt de molenaar. â âBaas,quot; zegt Frederik, terwijl hij zijn knipmes uit den zak haalt en dat onder de deurklink inklemt, âwen u zulke uitdrukkingen af, dat past niet voor u, en niet voor mij. â Als er wilde ganzen in de lucht zijn, is 't slecht erwten zaaien, en als er babbelachtige deerns in de kamer zijn, is 't slecht geschiedenissen vertellen. Daarom heb ik zoo lang gewacht, totdat de deerns er uit waren. En hier,quot; zegt hij, en hij gooit wat op de tafel, zoodat het van binnen rammelt en klinkt, âen hier, molenaar Voss, is wel is waar niet de vos zelf en ook niet zijne huid, maar zijn valies!quot; âWat moet dat?quot; vraagt de molenaar, en hij valt in allerijl op den mantelzak aan en gespt de riemen los. â âWat dat moet?quot; zegt Frederik, âdat moogt gij zeggen, dat is mijne zaak niet. M ij n deel heb ik er uitgenomen.quot;
De molenaar schudt den mantelzak over de tafel leeg, en er vallen zilveren lepels uit, en groot zilvergeld, en mooi, rond, geel geld; en er kwam eene kleine doos te voorschijn, en toen de molenaarsvrouw die opendeed, lag daar ring bij ring in, en de gouden kettingen kronkelden daartusschen, als slangen onder bonte blcemen. , 1 leere! bewaar ons!quot; scheeuwde zij uit, en liet de doos vallen.
Fieken had er bijgestaan en alles mede aangezien, en zij vouwde hare handen over hare borst, en hare oogen werden al grooter en grooter, en zoo bleek als de dood wierp zij zich over de tafel en over de gouden en zilveren
â 71 â
schatten, en dekte er hare armen over heen, uitroepende âDat behoort den Pranschman toe! Dat behoort den Franschman toe! Dat is het onze niet!quot; â Zij hief het hoofd op en zag haren vader aan; zij zag er uit, alsof iemand haar een mes in de borst had gestooten, en de doodsangst lag op haar aangezicht en zij riep: âVader, vader!'quot; â En de oude molenaar zat daar en schoof zijne slaapmuts op het hoofd heen en weer, en zag zijn kind aan in haren angst en dan weder het blanke geld, en op ééns sprong hij overeind, zoodat hij bijna de tafel had omgestooten en riep uit: âHeer in den hemel! ik weet nergens van, ik weet niet waar hij gebleven is; hij lag achter in mijn wagen, dat weet ik!quot; En heel flauw liet hij er op volgen: âFrederik moet het overige weten.quot; â Fieken liet het geld liggen, en vloog naar Frederik heen, en schreeuwde hem toe: âWaar is de Franschman gebleven ?quot; â Frederik bleef bedaard staan en zag haar met zijn oud, strak aangezicht aan en zeide: âHeere, bewaar ons; dat wordt hier zoo waar eeu echte gerechtsdag! â Fieken! Fieken! W at ? Zie ik er dan uit als een roover en moordenaar? â Den Fransoos heb ik met mijn eigen handen in 't Stemhager bosch, ouder een' beuk, gelegd, en als de nacht hem niet te koel geworden is, dan ligt hij daar nog als een rot, want hij was sekuur dronken.quot; âDat was hij,quot; zegt de molenaar, en Fieken kijkt Frederik aan en haar ouden vader, die ook naar Frede-rik's woorden geluisterd heeft, en zegt: âFrederik! Frederik! Wat kan ik het helpen? Je hebt altijd al zoo geredeneerd van ombrengen, en Fransozen doodslaan.quot; En zij hield haar boezelaar voor de oogen, viel op de bank achter de kachel neêr en begon bitter te schreien. â âDumouriez!quot; zegt Frederik, âdat heb ik! En als ik dat vervloekte patriotten-gespuis met mijne hand den nek kon omdraaien, dan deed ik het, â maar, een mensch, die
zich niet verweren kan, en dan nog wel om geld en goed!quot; Hij bromde nog zoo wat in zijn' baard, en ging naar damp; deur, trok zijn knipmes onder de klink uit, en sprak: âBaas, de lucht is nu zuiver, want de beide deerns gaan aan 't mest-strooien. Ik heb u nu den boel gegeven; overleg de zaak goed. quot;VVilt gij 't behouden, â goed! Wat mij betreft, ik heb er niets tegen; want, naar mijn dom verstand hebt gij er het recht toe. De Fransozen hebben u veel meer afgenomen, dan dit is, en wilt ge niet, dat daarover gepraat wordt, ik, voor mijn part, kan zwijgen. Maar, wilt ge 't eerst aan den baljuw afleve-reu, en moet ge 't bezweren, dat er niets van verloren geraakt is, zeg dan maar, dat ik er mijn deel afgenomen heb.quot; â âFrederik, Frederik,quot; zegt de molenaarsvrouw, âbreng je zeiven toch niet in ongelegenheid en ons ook niet; want je komt me op dit oogenblik voor, als de slang uit het paradijs.quot; âVrouw,quot; zegt Frederik, âiedereen moet weten, wat hij te doen heeft. Voor twee jaar reed ik voor den raadsheer Krüger te Malchin met zout langs de Klaukowsche kroeg, en toen ik daar mijne vertering wou betalen, en een achtgroschen-stuk op de tafel legde, sprong zoo'n infame gauwdief, zoo'n chasseur, er op toe en pakte 't weg; en toen ik mij daartegen verzette, kwamen zij zelfs met hun drieën op mij af, en sloegen mij de huid zoo murw, dat ik meende aan ' behoud van mijn leven te moeten wanhopen. Die acht grosehen heb ik teruggenomen: maar de slagen hebben ze nog te goed. En, al heeft deze kerel dat ook niet gedaan dan heeft mogelijk zijn broeder het gedaan, of zijn kameraad , en 't blijft dan toch in de familie. De acht gro-schen behoud ik.quot; En daarop ging hij de deur uit.
De oude molenaar was intusschen in de kamer op en neer gegaan, en had zijn hoofd gewreven en zijne haren gekruld. Nu en dan bleef hij weer eens stilstaan, om het geld
â 73 â
aan te zien, en toen Prederik weggegaan was, ging hij naai' -zijne kast, haalde daar den almanak van de erven Adlers, in Rostock, uit en keek, waar hij al honderd maal naar gekeken had, terwijl hij zuchtende, bij zich zeiven zeide: âJa, morgen is het de dag.quot; â Zijne vrouw stond met den rug tegen de huisklok aan, sloeg gedurig hare handen in elkander en verwonderde zich in stilte. â «Ja,quot; zegt de molenaar, âals we 't houden, dan zij wij gered.quot; âAch God, vader!quot; zegt de vrouw,, en zij ziet zoo angstig tot hem op. â âEn gestolen heeft de kerel,quot; zegt hij verder; âop de zilveren lepels staat een groot wapen, en al zou 't ook wel uit te vinden zijn, aan wien die behoord hebben, het geld is van verschillende soort, en ieder stuk zal wel bezwaarlijk in den rechten zak terugkomen.quot; â âVader!quot; zegt zijne vrouw, âgij waagt er uw hals aan, als de kerel het aanklaagt, dat gij 't hem afgenomen hebt.quot; â âDie zal zijn mond wel houden, want als hij vertellen moet, hoe hij aan dat geld gekomen is, dan zullen ze hem juist ook niet levenslang met rozijnen en amandelen vetmesten. â En hebben wij 't hem dan ook afgenomen ? â Het paard hebben ze ons, op het slot, achter aan den wagen gebonden: het paard heeft gisteren den mantelzak bij Prederik in den stal gebracht; wie kan dan nu zeggen, dat ik hot genomen heb.quot; En dit zeggende begon hij de geldstukken uit te zoeken, en hij telde ze in rijen af. â âJa, maar 't hoort ons toch niet toe,quot; zegt zijne vrouw. â âWien hoort het dan ?'' vraagt de molenaar. âDen Pransoos hoort het ook niet, eu als wij 't hem weder geven willen, waar is hij?quot; â⢠âPrederik zegt immers, iu 't bosch.quot; âZoo?quot; vraagt de oude man, âDenkt ge, dat die bij dit weêr, van 's avonds klokke acht, tot 's morgens klokke negen, daar zal blijven liggen ? Die zal al lang zijns weegs gegaan zijn; en wie kan mij bevelen, dat ik hem achterna zal karren om hem zijn geld
â 74 â
torugtebrengen?quot; Daarop telt hij verder, en de vrouw gaat zitten en legt de handen in den schoot, terwijl zij voor zich ziet en zuchtende zegt: âGij moet het weten.quot; â En Fielten zit nog op de bank te schreien.
De molenaar telt al het geld af en kijkt nu en dan zoo twijfelachtig naar Fieken, en dan is 't altijd alsof hij zich vertellen moest. Eindelijk is hij er meê gereed en leunt met beide handen op de tafel; hij overziet het geld nogmaals en zegt: âAls ik de halve florijnen en het goud naar pruisisch courant reken, dan bedraagt het meer dan zeven honderd daalders. Nu zijn we geheel uit den nood.quot; â Toen staat Fieken op; zij droogt hare tranen af, en haar aangezicht is bleek en kalm, en zij zegt zachtkens: âNeen! nu begint onze nood eerst.quot; âFieken, spreek zóó nietzegt haar vader. âVan nu af,quot; zegt ze, âeten wij ongezegend brood en slapen een ongezegenden slaap, en gij kunt liet geld begraven, maar begraaft dan tegelijk uwen eerlijken naam.quot; â âVau begraven is geen sprake,quot; zegt de molenaar. âNeen, ik betaal daarmee eerlijk mijne schulden.quot; â âEerlijk, vader? En al was 't ook alles zoo, als 't niet is, zal de oude baljuw niet vragen, met welk geld gij den jood betaald hebt, en zullen de Fransozen niet vragen, hoe gij aan dat paard komt, en wie staat er voor in, dat Frederik zwijgen zal?quot; De oude man zette een gezicht, half verbaasd en half verdrietig, en wilde losbulderen, zoo als de mensch doet, wanneer een ander hem op eene domheid of eene oneerlijkheid betrapt. Hij wil dan de inwendige stem van zijn geweten wegredeneeren, gelijk de kinderen in de duisternis zingen en fluiten om zich het spook van 't lijf te houden.
Maar Fieken liet het niet zoo ver komen; zij wierp zich haastig aan de borst van haren vader, sloeg hare armen om hem heen, zag hem vast in de oogen en riep:
âVader, vader! breng dat geld op het slot, geef het aan den ouden baljuw; hij heeft gezegd, dat hij in dank aan u zou gedenken; hij zal hieraan ook gedenken. â Hoe dikwijls hebt gij mij verteld van uw' ouden vader, hoe dikwijls hebt gij mij gesproken van uwe moeder, hoe zij er zich met spinnen eerlijk doorgeholpen heeft tot aan haren dood; hoe dikwijls hebt gij mij verteld, hoe gij, toen ge op uw handwerksreis waart, dien anderen handwerksgezel zijne geldbeurs hebt teruggegeven, die gij gevonden hadt; hoe die man zich verblijd heeft, en hoe wel het u daarbij te moede was.quot; â âJa, maar dat was heel wat anders,quot; zegt de molenaar, ,'k wist immers, wien dat geld behoorde, en hier weet ik 't niet, en 'k heb het ook niet gestolen, 'k Heb een goed geweten.quot;
Eensklaps springt de molenaarsvrouw van haren stoel op en roept uit: âDe hemel beware ons ! daar gaat een vreemde man het venster voorbij en komt naar de deur toe!quot; â âHoudt de deur dicht!quot; roept de molenaar en loopt ijlings naar het geld, maar stoot aan de tafel, zoodat eenige stapels omvallen, en het geld door do kamer rolt. â âIs dat uw goed geweten?quot; vraagt Fieken en zij ziet haren vader en hare moeder aan en zegt: âMoeder, laat de deur open! Dien mensch zendt ons onze lieve Heer; die brengt ons zegen in huis.quot; â De molenaarsvrouw laat de deur open en ziet zwijgend voor zich; doch de molenaar wordt door en door rood en keert zich schielijk om en kijkt uit het venster.
Er wordt aangeklopt. âBinnen!quot; roept Fieken. En binnen komt een jonge, slanke kerel, van zoo'u jaar of twintig en nog een paar: hij kijkt een beetje nieuwsgierig rond, zoo als iemand pleegt te doen, die al lang gaarne eens had willen weten, hoe het er wel bij deze en gene lieden uitzag, en hij maakt eene fatsoenlijke buigingen zegt: âGoeden morgen!quot; â âIk dank je wel!quot; zegt
â 76 â
Fieken: â de moleimar verroert zich uiet, en de vrouw bukt en raapt de daalders op, die door de^kamer gerold zijn. Toen de beide oude lieden zijn groet niet beantwoordden, en hij het geld op de tafel gewaar werd, zei de jonge man: âNeem 't mij niet kwalijk! Ik kom u, geloof ik hier niet heel gelegen.quot; â âO, ja wel,quot; zegt Pieken, een' stoel bij de kachel zettende; âga zitten; vader is dadelijk met zijn zaken klaar.quot; âJa, dadelijk!quot; zegt nu de molenaar, en hij rukt het venster open en roept: âPrederik span de paarden voor den kleinen wagen en bind het paard van den Pransehman achteraan; wij rijden naar liet slot.quot; Hij maakt het venster dicht, keert zich om, cn zegt tot moeder en Pieken: âZoo! met die zaak is 't in orde. Pakt nu die voddenkraam bij elkaar in den mantelzak, en dan kan Prederik hem op den wagen gooien.quot; Hij gaat nu naar den vreemdeling toe, reikt hem de hand en zegt: â'k Heet u welkom!quot; â âMolenaar Voss,quot; zegt de jonge man, terwijl hij hem de hand geeft en opstaat: âlaat ik u niet hinderen in uwe bezigheden; mijne zaak heeft tijd, en hoewel ik ook om eene bijzondere aangelegenheid gekomen ben, zoo heeft die toch geen haast, en de hoofdzaak is, dat ik mijne familie eens wou ko-meji opzoeken.quot; â âPamilie?quot; vraagt de molenaar, en ziet hem twijfelend aan. â âJa.quot; zegt de ander, âwant ik ben de zoon van Jochem Voss, en uw achterneef.'' En daar nu de oude man niets antwoordt en zijne hand terug trekt, voegt hij er nog bij, âen voor veertien dagen hebben ze mij meerderjarig verklaard, en toen dachc ik zoo bij mij zelven: zusters of broeders heb ik niet, en ook geene familie hier in den omtrek; 'k wil eens naar 't Stemhager gebied rijden en daar eens kijken, of ze er nog wel wat van den zoon van Jochem Voss willen weten quot; En met die woorden gaat hij naar de molenaarsvrouw toe en geeft haar de hand en Pieken ook, en daar de molenaar
â 77 â
nog steeds zoo weifelend blijft staan en er uitziet alsof de muizen hem de boter van 't brood hadden gestolen, zegt de bezoeker: âNeef, gij denkt aan ons proces; laat dat maar rusten; wij kunnen daarom toch goede vrienden wezen.quot; âZoo ?quot; zegt de molenaar, âen ge hebt toch voor de men-schen gepocht, dat ge mij van 't Borchertsche goed af zoudt gooien?quot; â âWat voor menschen?' vraagt Hendrik Voss. âDe menschen praten. Wat kan ik 't helpen? Mijn vader heeft den strijd begonnen en meende ook dat hij gelijk had, en mijn voogd heeft verder gevochten en ik heb toegekeken. Maar, dat wil ik eerlijk bekennen, een mooi stuk geld heeft het mij al gekost en als wij tot eene schikking kunnen komen, zal 't aan mij niet liggen.quot; â âGij wilt het hazenpad kiezen; dat heeft zeker uw avekaat u geraden.quot; â âIk raad mij zeiven, neef,quot; antwoordt de jonge man, zijn hoed opnemende, âwant, als ik nog lang naar don raad der avekaten hooren wilde, zou 't water kunnen opraken, en mijn molen zou moeten stilstaan. Bij u is dat echter wat anders. Wie zijn ransel zoo vet kan maken, die kan nog lang braden, eer hij aanbrandt.quot; En hij wees op den mantelzak , dien moeder en Fieken juist ingepakt hadden. â âDaar heb je niet over te schimpen!' roept de molenaar driftig uit, en hij keert zich schielijk om, geheel bruin in 't aangezicht. âDat geld .... dat geld. dat hoort mij niet toe!quot; Pieken nadert nu tot haren vader en liefkoost hem en zegt: âVader, het was immers niet boos gemeend.quot; âNeen,quot; zegt Hendrik, âik ben uit vriendschap gekomen, en 'k wil ook in vriendschap weggaan. Mijn wagen staat buiten vóór de hofstee vastgebonden, en 'k heb maar een paar stappen te doen, om daar te komen.quot; âHoud op!quot; zegt Fieken, âneef Hendrik, niet zoo driftig! Vader heeft van morgen zijn hoofd vol van eene zaak, die in orde gemaakt moet worden, 't Zou hem erg spijten, als gij in onmin van hem woudt
â 78 â
weggaan.quot; â âFieken,quot; zegt de molenaar, en hij keert zich om en kust zijne dochter op 'tvoorhoofd, âje hebt van morgen al twee maal gelijk gehad, en ik twee maal ongelijk; ge zijt mijn lief kind.quot; En hij reikt den jongen man de hand toe. âEn, Hendrik! niemand zal van mij zeggen, dat ik den zoon van Jochem Voss met harde woorden uit mijn huis heb verdreven â Zoudt ge hier willen heengaan, zonder nat of droog? Neen, mijn zoon; gij blijft hier bij mij tot ik terugkom, want ik moet naar mijnheer den baljuw, om eene dringende zaak. â Kijk, Fre-derik staat daar al. Nu, adjuus, mijn zoon, en als ge't met eene schikking eerlijk meent, dan kan daar wel wat van komen. â Adjuus moeder, adjuus Fieken!quot; Daarop gaat hij de deur uit en klimt op den wagen.
VIJFDE HOOFDSTUK.
Waarin Fr ede rik voorden molenaar dejjruisische zinspreuk vsi(ii ui c ti i J it equot; vertaalt, en achter den âchasseurquot; op de (janzen-jacht gaat; en waarin Hden molenaar duidelijk wordt, dat hij zich midden in een bijenzwerm heeft neergezet.
âBaas!quot; zei Frederik, toen zij de hofstee af waren, en op den lagen weg kwamen, âhebt gij wel eens eene oude vrouw gezien, als zij een' pot aan stuk heeft gegooid, en dan de stukken aan malkaar past en zegt: Zóó heeft hot gezeten?quot; â âWaarom vraagt ge dat?quot; zegt do oude Voss. â âOch, dat zeg ik zoo maar,quot; antwoordt Ere-
â 79 â
derik; en hij speelt zoo zachtjes met de zweep over do paarden, alsof 't in den vliegentijd was. De molenaar zit in gedachten. â Na eene poos vraagt Frederik weder: âBaas, hebt gij wel eens een jongen gezien, wien een mnsch uit de hand is gevlogen, en die dan in zijn' leêge hand kijkt en zegt: âO!quot;ââWat meent ge daarmee?quot; vraagt de molenaar, en Frederik zegt: âOch, dat zeg ik zoo maar!quot; De molenaar zit weder stil. Er ging hem van alles door de gedachten; hij zette juist eene mooie som met den regel van drieën in zijn hoofd op: âwat hem tegen paschen het schepel rogge zou kosten, als hij morgen den jood het geld niet gaf,quot; en daarbij kwam hij erg in de breuken â Zij reden steeds voort. Eindelijk keert Frederik zich zoo half op den zak om en vraagt: âBaas! kent gij het spreekwoord wel: âGaat geen vuil water uit, eer gij weer schoon water hebt?quot; â Dat begon nu den molenaar te hinderen , en toen hij zich eenigen tijd bedacht had; wat de vragen van Frederik eigenlijk wel beduiden moesten, trok hij de onderlip omhoog en zeide: âHoe is 't? Moeten dit steken onder water zijn?quot; â âSteken onder water?quot; vroeg Frederik, âbewaar ons! â Dat zeg ik zoo maar. â Maar, ik weet nog een ander spreekwoord , dat luidt: wat een meusch heeft, dat heeft hij; en wij Pruisen hebben eenen arend in ons wapen, en daar staat een latijnsch vers onder, dat klinkt haast zóó, alsof iemand een varken in zijn' staart knijpt; en, die onze sergeant bij de kompagnie was, was een weggeloopen student, en die verstond het vers en vertaalde het zóó: âhoudt vast, wat je hebt, en neem, wat je krijgen kunt.quot; Die spreuk is op alle plaatsen te gebruiken, vooral in oorlogstijden. â Zie, molenaar Voss, vervloekt moge iedere schelling zijn, dien ik in mijn leven van mijne kameraads genomen of gestolen heb, en vervloekt moge het koren, de haver of de rogge wezen, die ik ooit mijn meester heb
â 80 â
ontvreemd; maar, iu den oorlog is dat anders; de Turk en de Fransoos is de rijksvijand, en een rijksvijaud is geen haar beter dan de aartsvijand, en onze lieve Heer lacht er om, als iemand den duivel eens behoorlijk op zijne likdoorns trapt. Hoe zei de oude kapitein Van Restorp? Den vijand moet op alle mogelijke wijzen afbreuk gedaan worden. â Baas Voss,quot; â en hij wees hem op den mantelzak, â âdit zou nu wel zoo'n afbreuk wezen.quot; â âLaat dat!quot; zegt de molenaar kortaf, â âdie zaak is afgedaan ; ik wil niets met die historie te maken hebben: ik breng het geld op het slot en ik wou, dat ik er den Fransoos mee heenbrengen kon; Fieken meent ook, dat het een erg ding kon worden.quot; â'kHeb er niets tegen,quot; zegt Frederik. âJu!quot; en hij klapt met de zweep; â âsommigen luisteren naar manlui, en sommigen naar vrouwlui; ik ben niet erg voor den raad van vrouwluiquot; â âIk anders ook niet,quot; zegt de molenaar.
Zij reden nu zachtjes verder en Frederik vroeg na eenigen tijd: âBaas! wat was dat voor een knappe kerel, die van morgen den molen inging ?quot; Dat was de zoon van Jochem Voss, met wien ik 't prinses heb. â Bevalt hij je?quot; â âIk heb hem maar van achteren gezien. Maar hij is goed voor grenadier.quot; â âHij zegt, dat hij eene schikking met mij wil maken.quot; â âDan bevalt hij me al een portie beter. *Een mager vergelijk is beter dan een vet proces.quot; â âHij wil op mij wachten, tot ik terugkom.quot; â âZóó?quot; vraagt Frederik en keert zich weêr zoo half om en zegt: âBaas, weet gij wat? hij moest liever eene schikking met onze Fieken maken; dat zou 't beste wezen.quot; â âHoe meent ge dat?quot; vraagt de molenaar. âDat zeg ik zoo maar,quot; zegt Frederik. Eu toen hij zich weder omgekeerd had, boog hij zich voorover en zag scherp den weg langs ; hij geeft den molenaar de teugels in de hand, springt van den wagen, maakt het paard
â 81 -
van den Pranschcn jager van achteren van den wagen los; cn eer de molenaar nog recht weet, wat hij losgemaakt heeft, is hij met het paard in de groote Kölpiner grens-sloot, slaat den hoek om en bindt dat kreatuur aan een' doornstruik, die op den slootrand staat, vast, zoodat de molenaar niets van hem zien kon. â âWat heb je?quot; vraagt de molenaar, toen hij wederkomt. â âWat ik heb? â Ik heb niets goeds gezien. Daar ginder op de Stemhager stadsweide komen er twee aanrijden; en ze glinsteren zoo; dat zijn zeker Fransozen; en als die hier het paard van een Franschen jager met zadel cn toom hadden aangetroffen, zouden ze niet vriendelijk met ons gepraat hebben.quot; â âGij hebt gelijk,quot; zegt de molenaar.
Zoo naderden zij het Stavenhager bosch, en Frederik wees met de zweep naar een' beuk, waar nog stroo onder lag, en sprak: âDaar heb 'k hem neergelegd.quot; â âOch of hij er nog maar lag,quot; zegt de molenaar Voss. â â'tls niet te verwachten, baas! Want het heeft van nacht baksteenen geregend en in dit jaargetijde houdt zoo'n beuk niet veel tegen.quot; â En terwijl zij nog daarover aan 't. redeneeren zijn, komen er twee Franschen aanrijden en vragen op hun manier naar den Gielowschen molen, want hier was een kruisweg. En nog eer de molenaar antwoorden kon, wees Frederik hen rechts af, naar 't Cummrosische bosch toe, en toen zij vroegen: âHoe ver nog?quot; zcide hij: âEene kleine lieu,quot; en de Franschen reden verder.
âHoe? Plaagt je de booze?quot; vraagt de molenaar, het hoofd schuddende; als die zóó verder rijden, dan kunnen zjj hun leven lang den Gielowschen molen met den staart aankijken. â Maar, waartoe dat?quot; â âBaas,quot; zegt Frederik, âdie soort brengt een' mensch niets in'thuis, en ik heb geen lust om alle morgens bij 't eerste ontbijt ge-lïeuter. Vrool. Gesch. 4e dr. 'g
â 82 â
hakte, opgewarmde kool te eten.quot; â âHoe meen je dat?quot; âOch, dat zeg ik zoo maar. â Zie, baas Voss! wie weet, of die twee, als ze naar den molen waren gekomen, niet verliefd waren geworden op onze Stina. En 't kon dan immers ook mogelijk zijn, dat zij haar in den koestal na-geloopen waren, en dat het hun in don stal een beetje te vol was voorgekomen en zij onze beide laatste melkkoeien er uit geleid hadden; en, als zij die dan buiten hadden gehad, zouden zij ze misschien in gedachten voor zich uitgedreven hebben, en dan was 't met de melkpap 's morgens gedaan geweest, en de groene kool had weer eene beurt gekregen, en ik lust geen' kool.quot; â âMogelijk zou't wezenzeide de molenaar. â ,,'t Is ook mogelijk, dat het niet om de koeien te doen is, zegt Frederik. âDit zijn een paar van hun arméegendarmes; die zoeken zeker wat anders, en ik geloof, dat het een geluk van onzen lieven Heer is, dat wij den molen uit zijn, want, molenaar , molenaar! pas op â⢠zij zoeken den Fransoos of misschien wel u. AVie weet wat er in Stemhagen voorgevallen is! Daar kan wat ruchtbaar geworden zijn, en wie weet, of Fieken geen gelijk heeft gehad. Xu wou 'k zelf dat wij den Fransoos hadden.quot; â, âDat zeg ik!quot; roept de molenaar. âDat zeg ik!quot; â âHm,quot; zegt Frederik; âgelegen heeft hij hier, en opgestaan is hij, en hier is hij naar beneden gegaan; dit zijn zijne sporen in de diepe klei; en kijk eens! hij heeft het stroo nog een eind ver meegesleept, en naar Gulzow is hij heengegaan. JTu wil ik u het paard halen, en gij rijdt naar het slot en levert paard en mantelzak af, en ik ga den Fransoos achterna, of ik hem nog kan krijgen.quot;
Zóó gezegd, zóó gedaan. Het paard werd vastgebonden , en Frederik ging door het bosch den weg op naar Gulzow en zei bij zich zeiven: âDumouriez! Ik heb den ouden molenaar wat moois op den hals gehaald, en
â 83 â
ooze Fieken is toch een verduiveld slimme deern; maar als de Franschman nog tusschen hier en Greifswald te vinden is, voor den dag komen zal hij!quot;
De molenaar zai op den wagen en reed op Stavenhagen aan, en hij krabde zijn hoofd en prakkezeerde, en er waren allerlei dingen, die 't hem benauwd maakten. âHeer in den hemel,quot;' zeide hij, âals mijn kleine Fieken er niet geweest was, zat ik misschien al in ketenen en banden, en er uit ben ik nog lang niet, want de drommel speelt er nu eerst recht meê, en 't regent nu ook al, en dat geen klein beetje.quot;
Zóó komt hij tusschen de Stavenhager schuren, en de eerste, die hem ontmoet, is de bakker Witt; die staat met een stroowagen voor zijne schuur en zegt: âGoeden morgen, vrind. Wat donder! Hoe komt ge aan een Franso-zenpaard?quot; â âJa, dat moogt ge wel zeggen, antwoordt de molenaar Voss en vertelt hem de zaak kort-weg. â âDat is een erg geval,quot; zegt de bakker Witt; ,want de heele stad ligt vol Fransozen, en dat paard kunt ge niet binnenbrengen, zonder dat ze 't merken; ik raad u, zet het hier in dat leêge zijvak van mijne schuur.quot;
^u, dit geschiedt en de oude bakker Witt trekt zijn' krommen, koperen haarkam van voren naar achteren door het grijze haar, schudt het hoofd en zegt: âVadertje, ge hebt u daar met eene zaak ingelaten, waar ge veel last van hebben kunt; en op het slot schijnt mij alles ook niet zoo recht pluis te wezen, want mijnheer de baljuw heeft van morgen zijn fijn brood voor 't ontbijt al klokke acht laten halen, in plaats van, zoo als anders, klokke elf, en Frits Sahlmann zegt, dat mamsel West-phalen op den loop gegaan is, en dat geen mensch weet, waar zij gestoven of gevlogen is; en dat de horlogemaker in de burgergevangenis gebracht is: heb ik zelf gezien, en
â 84 â
de menschen praten al van standrecht en van doodschieten.quot;
âGod zal me bewaren!quot; roept de oude molenaar uit. â'tls een bijenzwerm, waarin ik mij neergezet heb! Maar dat helpt niet, den mantelzak moet ik den ouden heer op 't slot brengen. En, vader! ik zal om de stad heenrijden, tot dicht bij de groene poort van den slottuin, en daar zal ik mijne paarden vastbinden; kom mij achterna en breng den wagen in veiligheid; en mochten ze mij in de prison brengen, rijd dan naar buiten, naar den molen, en deel dat mijne vrouw en Pieken voorzichtig mee, en zeg aan den jongen man, dien ge daar zult aantreffen, dat hij zijn neef het genoegen moest doen van op den molen cd op het goed te passen en de vrouwen niet te verlaten.quot; â Bakker Witt belooft hem dat, en hij rijdt om den slottuin henen, bindt den wagen vast en wil den mantelzak naar het slot dragen. ïoen jaagt de koetsier van den ouden pachter Roggenboom, Johan Brummer, door de poort, en klapt achter de vier lichte bruinen, dat ze achteruit schoppen en hem het slijk in do oogen smijten, en hij roept: âBeter mij wat in 't gezicht, dan jelui striemen op het vel!' â Daar achter komt de oude Zanner uit Gulzow met zijne beide geeltjes en zegt; âNu dat mankeerde er nog aan! â Rooversgespuis!quot; En hij jaagt in galop over het slotplein. âJa,quot; zegt de oude landbouwer Adler uit Stavenhagen; â hij heeft een' zak over zijne schouders gehangen, want dat waren de toenmalige regenjassen, â en hij stoot zijn oud zwart rijpaard in de ribben, â âKanon-nenrijden? Niet waar, oudje, dat zou een werkje voor ons wezen ? â Neen, 'k breng je in 't Stemhager bosch, en bind je in den zandkuil vast. 'tls alles egaal; te vreten heb je t'huis ook niks, maar regenen doet het vervloekt erg.quot; â En toen de molenaar in den tuin komt, trekken en hokken ze daar allen met de paarden achter
de struiken rond en achter den muur, en ieder wil de zijnen in veiligheid brengen. â âMolenaar Voss,quot; zegt de zoon van den schout Besserdich uit Grulzow. âbreng uwe paarden uit den weg! Wie maar eenigzins bij de hand is, maakt zich den mooien regen ten nutte, want de Fransozen hebben gezorgd, dat ze onder dak kwamen.quot;
De oude molenaar gaat echter bedaard verder en brengt den mantelzak op het slot.
ZESDE HOOFDSTUK,
Wélk eau aanblik can haar bed mamsel Westphaloi kreeg,«« waarom zij zich door Caroline een paar klappen in den nek liet geven. Waarom Frits Sahlmann de pijpen van den baljuw breekt, en de Fransche. overste bijna den degen had (jetrokken.
Als iemand eene geschiedenis behoorlijk wil vertellen, moet hjj 't juist zóó aanleggen als de eggers en de ploegers , wanneer zij een akker beploegen; hij moet altijd rechtuit ploegen, alles raken en niets overslaan. Maar , al volgt hij dezen regel, zoo blijft er toch hier en daar wel eens een eind liggen, waarheen hij weer terug moet kee-ren, om er de voren nog eens over te halen. Zoo gaat het mij nu ook: ik moet eene poos teruggaan en don afloop der zaak van mijnheer Droi en van mamsel West-phalen vermelden, om weêr in ééns door te kunnen ploegen.
Denzelfden morgen, toen de molenaar met zijne zware hoofdpijn in zijne laars keek, kleedde mamsel AVestphalon zich geheel naar behooren aan, want zij was zeer ordelijk,
â SG-
eii toeu zij hare muts wilde opzetten scheen die haar niet meer in 't rechte fatsoen te zijn, want zij was zeer zindelijk; zij ging dus naar hare kamer om eene schoone muts te halon, maar zij klopte eerst aan , en vroeg: ,Mijnheer Droi, zijt gij reeds in uw volstandig kostuum?quot; â ,Oui!quot; zeide de horlogemaker. -â Zij maakt de kamerdeur open. Groote hemel! â wat zag het er daar uit! zóó iets had zij van haar leven nog niet gezien; want 's nachts was zij maar tot op den gang gekomen en had geen oog-in hare kamer geslagen. Het geheele bedverhemelte was afgebroken, en dwars vóór de kamerdeur lag een der Franschen in de witte, wolkachtige gordijnen, en rookte uit eene steenen pijp, met de mooie rood en wit gestreepte peluw onder zijn hoofd; de andere zat in haar leuningstoel en had zijne beeuen met haar nieuw gingang morgenjasje toegedekt. Mijnheer Droi zat op het voeteneinde van het bed, en onder zijne beeremuts keek een gezicht uit, waarop niets anders te lezen stond dan jammer en ellende. â Wat zag hot er in haar lief kamertje uit! â 't Was altijd haar trots geweest; haar porseleinkastje; â hier had zij steeds op hare eigene hand geregeerd; hier had zij steeds in keurige orde en zindelijkheid zich verlustigd, alles had zij eigenhandig afgeveegd en afgestoft. Niemand mocht hier iets van haar aanvatten of 't onderste boven keeren, zelfs de weversvrouw niet. â âNeen,quot; zeide zij; âde weversvrouw is heel goed; maar, sedert zij mij eens mijne barnsteen-kralen op den grond heeft laten vallen, sedert dien tijd vertrouw ik haar niet.quot; â En :au! â Alles was omvergehaald en van zijne plaats, de kamer was blauw van tabakswalm; hare kleederen waren van den kapstok afgerukt en lagen bij het geweer van mijnheer Droi en den paardestaart van den Franschman, en haar bed, haar mooi bed, stond midden in de kamer. â Dat bed was haar eigendom. Haar peetoom, de schrijn.
â 87 â
worker Reuss, â de oude Reuss, niet de jonge, â had haar ledekant uit hetzelfde stuk hout gemaakt, waaruit hij hare doodkist voor haar had moeten maken; zij had het garen voor het bekleedsel zelve hesponnen ; meester Stohl had het geweven, â tamelijk goed,quot; zei ze, âmaar elke baan twee vingerbreed te smal, en dat is eene domheid , want ik ben een min of meer volkomen vrouwspersoon, en dat moest hij weten.quot; De veeren had de vrouw van den baljuw haar ten geschenke willen geven, doch zij had die niet aangenomen en had ze haar betaald, âwant zeido ze, âjuffrouw Stabl, mijn tijdelijke en mijne eeuwige rust wil ik zelve v e r d i e n d hebben, want daar ben
O '
ik trotsch op.quot; En toen nu het ledekant zoo ver gereed was, kocht zij twee stellen sneeuwwitte gordijnen van den dooven Hirsch en maakte ze aan het verhemelte vast; daarop ging zij in de kamer drie schreden er van af staan en zeide : âJuffrouw Stahl, het einde kroont het werk!quot;â Nu lagen de stukken van het bed in wanorde in 't rond en de kroon lag op den vloer.
In 't eerste oogenblik staat zij als aan den grond genageld en zij kijkt door den tabakswalm heen , als de volle maan door den avonddauw; daarop gaat zij een paar schreden dichter naar den heer Droi toe, haar aangezicht wordt zoo rood als de bodem van den grooten koperen wasch-ketel in hare keuken; hare nachtmuts beeft haar op 't hoofd van ergernis; maar zij zegt niets verder dan: âquot;Wat is dit?'quot; â Mijnheer Droi stamelt zoo wat bij elkaar van dit en van dat, maar zij ziet hem scherp in 't aangezicht en legt: âLeugens, mijnheer Droi! Gij hebt van nacht gelogen , gij liegt dezen morgen ook. Ik heb u uit barmhartigheid mijne slaapstee, mijn eigen bed ingeruimd, en dit is mijn dank!quot; â Dit zeggende gaat zij naar hare commode, haalt eene schoone ochtendmuts uit de lade en wil nu de kamer uitgaan, zonder mijnheer Droi aan te
â 88 â
zien; nu ziet zij echter haar kostbaar onderbed uit het ledekant hangen, half op den grond: dat gaat haar nu toch al te zeer aan 't harte, en zij wil het opbeuren; doch vat het ongelukkig juist aan op de natte plek, waar het water ingeloopen was; zij werpt het mijnheer Droi naar 't hoofd, zeggende: âFoei! Ook dat nog!quot; En zij zeilde de de deur uit en zag er van achteren zoo eerwaardig en standvastig uit als de onschuld, als ze naar de gerechtsplaats geleid wordt.
De beide Franschen lachen en snateren, maar zij stoort zich daar niet aan, en toon zij den gang afgaat, treedt de Fransche overste met zijn adjudant in volle uniform uit de blauwe kamer en maakt eene beleefde buiging voor haar. Zij is, wel is waar, volstrekt niet voor beleefdheden gestemd; doch, zoo als iemand vraagt, moet hij toch ook antwoord hebben; en zoo als de man is, moet de worst toch ook voor hem gebraden worden; zij duikt dus weder met eene nijging naar beneden en zegt: âGoeden morgen, mijnheer de overste Von Toll,quot; en wil voorbij gaan. â-De overste houdt haar echter tegen en zegt: âMag ik u vragen, waar ik mijnheer den baljuw zou kunnen vinden; ik moet hem spreken?quot; â Mamsel Westphalen denkt, dat zij van eene beroerte getroffen zal worden. ,Wat wilt gij ?quot; vraagt zij, geheel onthutst. â De Franschman geeft zijn verlangen nogmaals te kennen. â âHoe zou dat mogelijk zijn!quot; zegt mamsel Westphalen. âOnzen mijnheer den baljuw wilt gij 's morgens om half acht spreken?quot; En daar de Franschman er bij blijft, zegt zij: âMijnheer de overste Von Toll; in mijne kamer is van nacht alles 't onderste boven gekeerd, â ik moet mij dat helaas ! laten welgevallen, â maar niemand zal van mij zeggen, dat ik de hand geleend heb, om de orde van het heelal te helpen omkeeren. En al is 't ook geen christelijk slapen met den ouden heer, zoo is hij toch heer en
â 89 â
kan slapen als een heer en doen wat hem behaagt. Geen koning en geen keizer, en al kwam onze hertog Frederik Frans zelf, zullen er mij toe bewegen, mij met eene rebellie tegen het huiselijk gebruik in te laten.quot; â De overste antwoordde, dat hij het dan zelf doen zou; hij schoof mamsel Westphalen beleefd op zijde, en ging den trap op naar boven. âDe hemel zal mij bewaren!quot; zeide de goede dame, en liet hare handen langs het lichaam zakken ; âik geloof waarlijk dat die kerel het doet!quot; En toen zij den Franschman de kamer van den ouden heer hoorde binnengaan, riep zij uit: âHij doet het!quot; En toen de adjudant naar hare kamer, bij mijnheer Droi, ging, sprak zij: âScheefbeenige, misselijke kerel, gij mankeert er nog aan.quot; Nu gaat zij naar de keuken en zegt tot de beide dienstmeisjes: âFieken en Carolien, de dag begint van daag slecht, en als dat zóó bljjft voortgaan, dan mag do hemel weten, waarmee het zal eindigen. â Morgen moeten we aan 't wasschen; daar heb i k mijne redenen voor; vandaag gaat ieder van ons aan zijn werk, en doet alsof er niets gebeurd was.quot; En met die woorden nam zij den koffiemolen en draaide, en draaide, en de koffiemolen ratelde en ratelde, en toen zij het laadje van onderen wilde uitschudden, was er niets in, want zij had er geene koffieboonen boven in gedaan.
Boven bij den ouden heer begon 't nu zeer levendig te worden en er werd zeer luid gesproken, en Frits Sahlmann, die onverstandige bengel, die juist bezig was de steenen pijpen voor den baljuw te stoppen, wilde nu toch vertellen, hoe 't boven toeging, en stoof, met het gansche pijpen-huishouden in de hand naar de keukendeur * waar Fieken juist heel aandachtig haar oor tegen aangelegd had, om er ook een beetje van te profiteeren, en â bons! â vliegt hij tegen Fieken aan, en â klets! â liggen al de pijpen op den grond, en 'tram-
â 90 â
melt door de keuken roud. Marasel Westphalen raakt hem echter niet aan; hare handen liggen in haren schoot en zij zegt heel zachtmoedig: â't Is geheel in de orde! â Als alles moet ondergaan en breken, breekt zoo'n pijp wel het eerste, en, als de hemel invalt, vallen alle mus-schen dood. â 't Zou mij volstrekt niet verwonderen, wanneer er nu iemand inkwam, die al ons porselein door de vensterruiten gooide.quot;
De strijd boven werd luider; de woordenwisseling klonk over het portaal heen, en mijnheer de baljuw kwam met den overste de trappen af naar den gang. De oude heer zeide met barsche, korte woorden, dat de ander maar doen moest, wat hij niet laten kon, want hij had toch de macht. De overste zeide, dat hij dit wist. Eer hij echter van die macht gebruik maakte, wilde hij vooraf onderzoeken, hoe 't met de zaak gesteld was, want het kon niet anders zijn: hier hadden dingen plaats gehad, die naar 't scheen, verduisterd zouden worden. â Hij had niets te verduisteren, zeide de baljuw. Indien hier iets te verduisteren was, dan hadden de Franschen wat te verduisteren; of, zou wellicht zoo'n schurk, als de âchasseurquot; geweest was bij hen in eer en achting staan? Wat hem betrof, hij wist verder niets, dan dat die kerel als een roover bij hem gekomen was, en zich als een zwijn had gedragen, en dat zijne lieden en de horlogemaker Droi hem gezegd hadden, dat de Gielowsche molenaar hem op zijn wagen meêgenomen had; want gezien had hij hem niet. â De overste vroeg uu, hoe toch de horlogemaker Droi in Fransche uniform kwam. â Daar bekommerde hij zich niet over, zeide de oude heer, en hij behoefde daarvoor niet aansprakelijk te zijn; hij had slechts gehoord, dat die man menigmaal voor zjju genoegen die uniform aantrok.â «Dat zijn uitvluchten,quot; zeide de overste. Maar toen vloog de oude heer driftig op en hij richtte zich in
â 91 â
zijne gansche lengte overeind en zag don Franschman met een voornamen blik aan en zeide: âUitvluchten zijn na verwant met leugens. Grij vergeet mijne jaren en mijnen stand!'' â De overste wordt nog driftiger en zegt: âKort en goed, die zaak komt mij onwaarschijnlijk voor.1' âZóó?quot; vraagt de oude heer, en onder zijne grijze wenkbrauwen fonkelt een blik vol haat en wrok, gelijk als wanneer uit eene grauwe donderwolk een bliksemstraal over een bekoorlijk landschap heenschiet. âKomt dat u onwaarschijnlijk voor?quot;' En hij keert zich half om en ziet den overste zoo over den schouder aan. âWaarom mag een Franschman niet voor zijn genoegen eene Fransche uniform aantrekken, wanneer daarin zooveel Duitschers voor hun genoegen rond loopen?quot;
De overste werd bloedrood in het aangezicht, â één oogenblik slechts, â en, zoo bleek als de dood trad hij toen een paar schreden achteruit, greep naar zijn degen, en 't was, alsof eene vreeselijke daad van geweld als een spook achter hem stond en zijne hand wilde besturen, â ook maar één oogenblik; â haastig keert hij zich om en gaat met groote schreden den gang af; en Fieken, die in de keuken, door eene reet in de deur alles had aangezien, zeide naderhand altijd, dat ze zóó iets van haar leven niet gezien had; âhij was immers een knap man en had een vriendelijk gezicht,quot; voegde zij er bij; âmaar, toen hij zoo den gang afkwam, toen weet ik niet, hoe't mij op eens zoo inviel, dat ik eens, toen ik nog ganzen hoedde, midden in den zomer, bij helderen zonneschijn een dwarrelwind heb beleefd, die, eer 'k mijne hand omdraaien kon, van den mooien eikeboom achter den pastorietuin al de takken afbrak, zoodat alles door malkaar vloog; en zóó vloog 'took over zijn gezicht.quot;
De overste keerde zich weder om, ging naar mijnheer don baljuw toe, en zeide op koelen en bedaarden toon,
â 92 â
dat zij elkander over dat punt wel eens nader zouden spreken; zijn plicht eischte van hem, de zaak grondig te onderzoeken. â âWaarom heeft de horlogemaker van nacht op het slot geslapen ?quot; vroeg hij verder. â âHij heeft hier niet geslapen!quot; hernam de oude heer. âJa wel,quot; zeide de overste, âhij heeft hier geslapen, in die kamer heeft hij geslapen,quot; â en hij wijst op de kamer van raam-sel Westphalen. â âOnmogelijk!quot; riep de oude heer, zijne stem verheffende, als wilde hij voor de geheele wereld als verdediger der onschuld optreden; â âdat is mamsel Westphalen's kamer. Dat goede meisje is meer dan twintig jaar in mijn huis en zij zou 's nachts manspersonen bij zich herbergen?quot; -â âCarolien,quot; zeide man-sel Westphalen in de keuken, âsla me eens driemaal flink in den nek, want ik krijg eene flauwte, en alles draait met me in 't rond!quot;
Intusschen rukt de overste de deur open, en daar ziet dan mijnheer de baljuw den horlogemaker vóór zich staan wien de adjudant juist gedurende dien tijd onder handen had genomen, en die al het mogelijke verteld had, â slechts niet de waarheid , dat mijn vader hem als vogelverschrikker tegen de Franschen had gebruikt, ââ en die ook bij kris en kras had gezworen dat de Grielowsche molenaar den jager meegenomen had. â De oude baljuw verschrikt niet weinig, als hij den horlogemaker daar ziet. âDat is mij onverklaarbaar!quot; roept hij uit. De overste lacht schamper in zich zeiven en zegt dat het, naar hij hoopt, niet lang onverklaarbaar zal blijven; hij spreekt daarop een paar woorden heimelijk met den adjudant en verlangt den sleutel van de slot-gevangenis, â âDien geef ik niet af voor den gevangene,quot; zegt mijnheer de baljuw, â âwant voor dien man is de slot-gevangenis niet, hij is een burger en hij behoort in de burger-gevangenis v â De overste zeide, dat zulks best was,
â 93 â
en zóó had hij 't zelfs nog liever, want hij wist dan, dat er niet zoo gemakkelijk knoeierijen konden plaats hebben.
Mijnheer Droi werd dus tusschen een paar soldaten in genomen, â want het wemelde en krioelde middelerwijl al van allerlei Fransch volk op het slotplein, â en werd naar het raadhuis getransporteerd. De overste ging ook weg; doch toen hij aan de deur was, keerde hij zich om en zeide, zoo hij streng naar zijn plicht te werk ging moest hij den baljuw ook laten arresteeren; maar, omdat hij een oud man was, en vooral, omdat hij hem in persoon hier zulk een gruwelijk bitter woord had gezegd, wilde hij hem in vrede laten, want hij wilde in deze zaak niet den allerminsten schijn op zich laden, alsof hij zich over dat woord wilde wreken. Dat moest hij hem evenwel zeggen, indien zijne tegenwoordigheid, of die van mamsel Westphalen, bij het onderzoek noodig werd, dan kon hij hem daarvan niet ontslaan, en mijnheer de baljuw moest voor zich zeiven en mamsel Westphalen instaan. Dit beloofde de oude heer op bedaarden en koelen toon, en de overste vertrok, maar kommandeerde terstond een paar gendarmes om naar den Gielowschen molen te gaan, waarbij hij den ouden heer scherp aanzag.
De oude heer ging eerst op de keuken aan, en Fieken ging al uit den weg van de reet in de deur, daar zij dacht dat mijnheer zou binnenkomen; doch hij bleef eensklaps stilstaan en keerde zich om, bij zich zeiven zeggende: âWat zeide die kerel van knoeierij en van den schijn op zich te laden ? â Wat zoo'n Fransche overste slechts zeggen kan, dat kan mijnheer de baljuw Weber doen; ik wil ook den schijn niet op mij laden, alsof ik voornemens was, mij met knoeierijen op te houden.quot; En hij ging naar zijne kamer.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
IFat mijn oom Her se zeide, en wat mijn oom Her se was; en waarom Frits SaJilmaini fluiten moest.
Toen de horlogemaker van het slot getransporteerd werd, was Frits Sahlmann natuurlijk medegegaan, alléén maar om te zien, hoe den arrestant de zaak wel zou aanstaan, en of hij ook soms op den loop ging; doch dat laatste geschiedde niet. De stoet ging langzaam naar beneden, naar 't raadhuis, want men had moeite zich door allerlei paarden en voertuigen te dringen, die tot hot vervoeren van bagage en maraudeurs en tot voorspan van kanonnen uit de dorpen en steden gekommandeerd waren; en die thans op het slotplein en op den weg naar het slot bij-ééngedreven en door Franschen ingesloten waren, opdat zij niet weder zouden ontvluchten; want daarvan hadden de boeren nu al drommelsch goed slag gekregen. â De horlogemaker ging, zoo geduldig als een lam, met zijne beide bewakers door de menigte heen; hij was in 't eerst wel erg verschrikt geweest, en de geheele zaak kwam hem dien nacht ook geducht onaangenaam en bedenkelijk voor, doch gedurende het verhoor, dat de adjudant hem had doen ondergaan, was hij in eene stemming geraakt, die het best aldus kan uitgedrukt worden; âPraat jij maar! âJe kunt veel praten, eer mij één woord daarvan behaagt!quot; En zijne antwoorden waren bijzonder sober geweest. En hoewel hij juist niet zoo'n onbesuisde courage bezat, die dadelijk overal op los gaat, zoo was hij toch al lang in de wereld geweest en had al zoo dikwijls in den knoei go-
â 95 â
zeten, dat hij niet licht den moed verloor. Hij liet de zaak haren gang gaan. âHoe zou dat hier wel afloopen zeide hij tot zich zeiven, toen hij de deur van het raadhuis ingeduwd werd.
âFrits Sahlmann,'' zegt de raadsheer Herse; â toen de jongen den weg naar het slot weder wilde opgaan; âwat beteekent dat?quot; â Frits vertelt nu met de grootste deftigheid de geschiedenis van gisteren, en hoe mijnheer Droi in de kamer van mamsel Westphalen geslapen en alles kort en klein geslagen had; en hoe hij zelf' de pijpen van mijnheer den baljuw stuk had gesmeten. â maar, dat kon hij niet helpen, daar had Fieken schuld aan , â en hoe de overste mijnheer den baljuw had willen doodsteken, en hoe mamsel Westphalen in do keuken zat, als een toonbeeld van ellende en smart; â doch van den ijsklomp zeide hij niets.
Nu was echter mijn oom, de raadsheer Herse, een ontzaglijke patriot, ofschoon in 't geheim. En dat was niet zonder reden. Want, gelijk hij mij jaren daarna, toen Bonaparte al dood was, eens toefluisterde, hij behoorde in dien tijd tot het deugd ver bond. En 'k geloof dat wel, want als hij in gezelschap was, speelde hij altijd met een langen horlogeketting van zeer licht haar, â- en tante Herse's haar was zwart, â en hij liet dikwijls een vervaarlijk grooten ijzeren vingerring zien, waarmede hij eens den vagebond, den smidsknecht Höpner, bijna had doodgeslagen , toen die zich in de gerechtszaal zeer onbehoorlijk gedragen had. â âFritszeide hij later tot mij , âdat lichte haar is van eene heldhaftige jonkvrouw, die zich, anno dertien, het hoofd heeft laten kaal scheren voor 't vaderland, en de ijzeren ring heeft mij mijn gouden ring gekost. Maar, praat er niet van, ik heb dat liever niet.' Hij was dus met recht, ten tijde toen deze geschiedenis speelde, zeer voor heimelijkheden. En het is ook me-
gelijk, dat zijne wijze van doen, om alles in het geheel, van een uitgebreid gezichtspunt te beschouwen, met zijne heimelijke verbroedering in verband stond. Terwijl toch mijn vader zich met de nietigste plagerijen en knevelarijen dag en nacht kwellen moest, opdat de schrale stads-zaken nog tamelijk goed bij elkaar bleven en niet alles in de war kwam, liet de raadsheer Herse Kutusof rechts marcheeron en Czernitschef links, en hij prees York en schold op Bülow; â die verstond zijne zaak niet; want hij had zich niet naar Berlijn, hij had zich rechts, tot naar Stavenhagen toe, moeten terugtrekken, en had Bonaparte in de flank moeten aanvallen. Kortom, hij Mas er zoo juist de man naar, om van eene vloo een' olifant te maken, in eiken onschuldigen Franschen korporaal zag hij- den korsikaarschen dwingeland, en toen eens de politiedienaar Luth bij eene kloppartij een paar slagen had meegekregen, stelde hij zich aan, alsof de hertog van Mekklenburg in persoon op oorvegen' getrakteerd was.
âHou je snater, jongen!quot; fluisterde de raadsheer Herse zeer ernstig, âwilt ge hier je doodvonnis op de openbare markt uitschreeuwen? â Voor 't leven van den horlogemaker geef ik geen groschen, want dit is zeker , dat de molenaar en zijn Frederik den chasseur doodgeslagen hebben â âDe molenaar niet,'' valt Frits hem in de rede, de molenaar bestond gisteren louter uit brandewijn en barmhartigheid.quot;
âNu, dan zijn Frederik, dat is een Pruis. Weet je, wat een Pruis is? Weet je wat een Pruis te beieekenen heeft? Weet je...? Domme jongen, wat kijk je me aan? â Denk je, dat ik je mijne aan gelegenheden aan den neus zal hangen? â Maar, wat ik zeggen wou, â den ouden baljuw zullen ze naar Bayonne, in Frankrijk, zenden, daar ze den schimmelhengst Herodotus van den graaf van Ivenack ook heengestuurd hebben; en mamsel
Westphalen, â zooveel ik van de Fransche krijgswetten weet, â zal wel eenvoudig opgehangen worden; en jij, mijn jongen, voor de boodschap, die je gedaan hebt, zult ge wel een geducht pak slaag krijgen.quot; â Frits Sahl-mann zag dus eeue droevige toekomst te gemoet en zette er ook een gezicht naar. â âMijnheer Herse, toch niet openlijk op de markt? vroeg hij. â âWaar je maar gaat en staat, daarom heet het immers standrecht Maar, als de zaak nog behoorlijk wordt aangevat, knn alles nog best terecht komen. â Kunt ge zwijgen?quot; â Frits Sahl-mann zei, dat hij onbeschaamd goed zwijgen kon. â âNu, kom dan eens hier, steek je beide handen in je broekzakken en fluit eens. â Zoo! dat gaat al goedl â En zet nu eens zoo'n onnoozel gezicht, alsof je alles niets aanging, â zooals je 's zomers wel eens doet als je in den slottuin appels van de boomen gooit; eu niamsel Westphalen daarop af komt â Mooi zóó! â En let nu goed op ieder woord, wat ik je zeg: nu ga je, met dit gezicht, en met dien mooien schijn van kinderlijke onschuld, tusschen de Fransozen en do boeren door, naar het slot, in de keuken, en roept daar mamsel Westphalen alléén in den hoek en je zegt dan maar deze beide woorden: âRedding nadert!quot; Mocht zij daarmede niet tevreden wezen, dan kunt ge haar, in alle bedaardheid vertellen, wat ik van 't ophangen gezegd heb, en zoo ze soms daarbij eerst een beetje verschrikt, zeg haar dan, dat ze nog lang den moed niet moet verliezen; want dat ik, de raadsheer Herse, de zaak in handen heb genomen. Maar zij moet in de allereerste plaats, deâ keukendeur afsluiten en de achterdeur aan den tuinkant : en zij en de beide meiden en jij moeten elk het een of ander ding in de hand nemen en geen Franschman binnen laten en jelui moet je weren, tot op den laatsten man, totdat ik kom. Ik zal echter dadelijk door den slottuin naar de achter-Beuter. Vrool. Gesch. 4e dr. 7
- 98 -
deur gaan, â 'k wil maai'eerst even een mantel hebben, want het regent infaam, â en mijn parool zal wezen: âWel, wel!quot; en mijn veldgeschreeuw: âYork!quot; Neen, dat gaat niet, dat begrijpt ze niet. â Nu, wat dan ? 't Is alles egaal, â 't is alles egaal. â Nu, mijn veldgeschreeuw is... is... âZuur varkensvleesch!quot; Dat begrijpt zij. â Als er nu iemand komt. die dit woord roept, dan moet zij de achterdeur opendoen. â Hebt ge alles onthouden?quot; âJa, mijnheer Herse.quot; â âNu, ga dan maar heen. En geen mensch, ook mijnheer de baljuw zelfs niet, â mag er een woord van vernemen!quot; Frits ging heen, en mijnheer de raadsheer ook.
Mijn oom Herse had zich natuurlijk terstond, nadat hij raadsheer was geworden, de blauwe raadsheers-uniform met den rooden, met goud belegden kraag laten maken , en daar hij een groot, gezet en deftig man was, trok hij die zeer gaarne aan, zoodra er maar eenige aanleiding toe bestond; bij voorbeeld, als de brandspuiten geprobeerd werden, of als op een meidag de koeien in de stadsweide gebracht worden, ofals er inkwartiering kwam. Wanneer dan mijn vader in zijn grijs jasje achter de gerechtstafel zat, en schreef, dat hem de vingers kraakten, ging de raadsheer Herse vóór de gerechtstafel op en neer en zorgde voor de staatsie en de deftigheid, waarbij het hem dan bijzonder streelde, wanneer zoo'n Franschman hem als âmonsieur le mairequot; aansprak. Mijn vader had daar ook niet tegen, want meestal viel er, bij deze zaak, ook wat in te brokken, en dat liet hij dan met de deftigheid, ook aan den raadsheer over, en hij uam de werkzaamheden op zich. Zóu hadden zij het gelijkelijk verdeeld, en wanneer de raadsheer Susemihl zijne zwaarwichtige taak, als wethouder op een gerechtsdag, behoorlijk vervulde, en de politiedienaar Luth het loopende werk op de straat verrichtte, en de stads-omroeper Dohmstrich niet dikker werd, dan hij wer-
â 99 â
kelijk was, zoodat hij nog af en aan door veld en bosch ging, en op een zachten slootrand zijn middagslaapje waarnam, en de wijkdienaren van tijd tot tijd de brandspuiten probeerden en de aangelegenheid van den stadsstier bezorgden, en de veldwachter Hirsch de jongens uit de erwtenvelden joeg, â dan zou 'k wel eens willen zien, waar eene stad en een rechtsgebied te vinden was, waar 't zoo in orde en geregeld toeging, als in mijne vaderstad Stavenhagen. En dat kwam alles daar vandaan, dat de raadsheer Herse gaarne zijne uniform droeg.
Toen dus mijn oom Herse naar huis ging, â want het regende steeds, dat het goot, â zocht hij in zijne kleerkast naar zijn grijzen mantel, en daarbij kreeg hij zijne uniform in de hand en hij dacht: âZie! vandaag is 't er eene goede gelegenheid toe. en wie weet, of ze mij in mijn voornemen niet van dienst kan zijn.quot; ââ Hij trekt ze dus aan, en zet ook zijn mooien driekanten hoed op, dien wij jongens naderhand steeds als schuit in den vijver van den ouden Nahmaker hebben laten drijven. Nu, destijds was hij nog in den besten staat, en toen de raadsheer Herse zijne huisdeur uitging, sloeg hij er den kraag van zijn mantel over heen, opdat de hoed niet nat werd, en mijn oom Herse zag er op klaar lichten dag uit, zoo als een Fransch generaal bij nacht, wanneer hij de vijandelijke posten observeert. âZoo!quot; sprak hij, ânu kent mij ook geen mensch!quot; Hij ging de markt over en maakte een' kleinen omweg over eene hoeve, waar de pachter Nahmaker uit het hoekvenster zijne paarden nakeek, die de Franschcn uit zijn stal hadden gehaald. âGoeden morgen, mijnheer Herse!quot; zeide de pachter; âlieve Hemel, wat is 'teen nare tijd I ' â âStil!quot; zeide oom Herse, en hij ging verder. Achter de schuur op de hoeve ontmoet hem de draaier. Zwaardveger. âGoeden morgen^ mijnheer de raadsheer!' â âHoud uw mond!quot; zegt mijn
â 100 â
oom knorrig on hij gaat achter don slottuin om. â âGoeden morgen, mijnheer Herse!quot; zegt de jongen van den ouden muzikant Hartlaff. â Klets! daar krijgt hij er een, met de platte hand, om zijn ooren. âDomme jongen! zie je niet, dat ik niet bekend wil wezen?quot; â Met die woorden gaat hij den slottuin in, en hij is knorrig en zegt; âDe drommel mag het weten! Eene openbare betrekking drukt waarachtig als een vloek op een' mensch!'
ACHTSTE HOOFDSTUK.
Waarom mijn oom Herse met parool en veldgeschreeutc ko)nt, waarom mamsel Westphalen niet in den veengrond zitten wil; en waarom mijnheer de raadsheer op den wagen van den molenaar en ook weder er afkomt.
Ondertusschen was Frits Sahlmann met het voorgeschreven gelaat, met de handen in de zakken, en al fluitende, naar het slot gegaan; doch, toen hij de keuken in kwam, vergat hij alle voorschriften en zette een gezicht, dat in de lengte en in de breedte er uitzag als Bi-leam's gezicht, toen zijn ezel begon te spreken, en hij fluistert mamsel Westphalen toe: âRedding nadert!quot; âJongen! Frits Sahlmann!quot; zegt mamsel Westphalen, âwat is dat, wat moet dat, en wat beduidt dat?quot; Frits zeide dus nu, wat zij doen moesten, dat zij zich in de keuken tot op den laatsten man verweren
â 101 -
moesten en geen Franschman binnen laten, en dat de raadsheer Herse met parool en veldgesehreeuw zou komen en het kommando op zich nemen zou. âGoede hemel!quot; zegt mamsel Westphalen, âwat moet ik doen? Den baljuw kan ik onder zulke omstandigheden niet onder de oogen komen, want de schande is te erg voor mij. Ik wil mij dus getroost in de armen van den raadsheer Herse werpen en zijn raad volgen, en die zal wel de rechte zijn: waarvoor zou hij anders raadsheer wezen ? â Pieken en Carolien, jelui neemt samen de achterdeur; Frits Sahlmann en ik nemen de keukendeur; en past nu goed op, dat jelui het veldgesehreeuw niet vergeet.quot; â De deuren werden gesloten, Fieken nam een' bezem, Carolien een kolenschop, Frits Sahlmann een' potlepel en mamsel Westphalen grijpt al naar een' stamper, maarzij laat hem liggen, terwijl zij zegt: âDe hemel beware mij, dat ik door moord en doodslag mijne sehuld vergrooten zou! Xeen, ik weet een beter middel,quot; en zij haalt een aschpot en zet dien voor zich op de keukentafel, van waaruit zij de achterdeur en keukendeur kon overzien, en zeide: âZóó! Laat ze nu maar komen! âMaar, wie van mijne soort van zalf wat in 't gezicht krijgt, die mag zijne oogen wel eens goed uitwasschen!quot;
Het duurde ook niet zeer lang, of er riep iemand voorde achterdeur: âWel, wel!quot; En na eene korte poos riep dezelfde stem half overluid door het sleutelgat: âZuur varkensvleesch! â âDat is de rechte,quot; zegt mamsel Westphalen , â âCarolien, maak de deur op mansbreedte open , en als hij binnen is, sla ze dan dadelijk weer dicht.quot; Carolien doet dus nu de deur een eindje open, en mijnheer de raadsheer wil er zich doordringen; toen schuift de kraag van zijn mantel terug, en zijn driekante hoed en de roode uniformkraag komt te voorschijn. âHu!quot; gilt Carolien uit, en klemt den raadsheer half in de deur
â 102 â
vast; âeen Pransozenkeiel, een Pransozenkerel!quot; â âZuur varkensvleesch!quot; roept de raadsheer Herse, âhoort gij niet? âZuur varkensvleesch!quot; Maar 't kwam te laat; Fieken had hem al met haren stompen hezem zijn hoed van het hoofd en zijn' vel van 't gezicht gestooten, en mamsel West-phalen had hem al twee handen vol asch in de oogen gestrooid.
Daar stond mijn oom Herse en blies en proestte en snoof en grabbelde met de handen voor zich uit, alsof hij blindemannetje speelde: 't was nacht voor zijne oogen en woede in zijn hart. Zijn geheele voornemen was mislukt; want wat wil toch eene heimelijkheid zeggen, waaruit een keukenspektakel wordt? quot;Wat kan een deftig gelaat uitrichten, als 't met een harden bezem bewerkt is en waar blijft alle glans, wanneer de turfasch er over licht, gelijk de honigdauw op eene bloem?
De eerste, die weder bij hare zinnen kwam en gewaarwerd, wien dit alles eigenlijk was overkomen, was Fieken ; met één sprong was zij de achterdeur uit, in den regen. Carolien volgde haar na, uitroepende: âBeter een nat jaar van onzen lieven Heer, dan van onze mamsel!-' Frits Sahlmann riep: ,Heerc jeminé! dat is de raadsheer Herse.quot; Mamsel Westphalen stond daar als Loth's huisvrouw , en zij zag den raadsheer aan, als ware hij Sodom en Gomorrha, en zij riep met eene zwakke stem uit: âBarmhartige hemel, wij wandelen allen in duisternis rond!quot; â âGrij kunt nog kijken, maar ik kan mijne oogen niet open krijgen. â Water, hier!quot; â Nu ging het er op los met wasschen en afvegen en beklagen en verbazen en sc helden en bedaren; maar oom Herse was te boos geworden, en hij zeide wat hem betrof, konden alle huishoudsters opgehangen worden, hij zou er wel oppassen, zich met vrouwlui in eene heimelijke samenzwering in te laten. â Mamsel Westphalen hield haar boezelaar
â 103 â
voor hare oogen en begon te schreien en zeide: âMijnheer de raadsheer, geef gij mij raad; vader of moeder heb ik niet meer; mijnheer den baljuw kan ik in zulke omstandigheden niet onder de oogen komen; gij zijt mijn eenige troost.quot;
Mijn oom Herse had een goed hart; mijn oom Herse had een teergevoelig gemoed; en toen de asch hem niet meer in de oogen zat, en mamsel Westphalen de schrammen in zijn aangezicht met zoeten room had ingesmeerd, zoodat zijn lief rood gelaat er uitzag als een paddestoel, waar-meê de vliegen doodgemaakt worden, zeide hij vriendelijk: âHoud nu met dat schreien maar op: ik help u terecht; gij moet vluchten.quot; â âVluchten! ' riep zij en keek heel verbaasd hare figuur van boven tot onderen aan. âMijnheer Herse; ik vluchten!'' En zij dacht daarbij aan de duiven, die zij boven op de duiventil had, en indien hare omstandigheden niet zoo droevig geweest waren, zou zij bijna gelachen hebben. â âJazegt mijn oom, âkunt gij bij dezen weg en in dit weder, wel zoo'n mijl of drie vier, in ééns door marcheeren? Want rijtuig is niet te krijgen, en 't is ook niet heimelijk genoeg.quot; âMijnheer Herse,quot; zegt Mamsel Westphalen, en het lachen verging haar geheel en al; âzie mijne persoonlijkheid aan; ik ben wat zwaar gebouwd, en het trappenklimmen wordt mij soms al heel moeilijk.quot; â âKunt gij dan rijden?quot; â âWat zegt gij?'' â âIk meen, of gij kunt paardrijden?quot; Mamsel Westphalen stond nu op en zette de handen in de zijden, zeggende: âMet schande wil ik niet leven. Welk vrouwspersoon rijdt te paard? Ik heb er maar één gekend in mijn leven, en dat was eene freule, maar die was er ook naar.quot; â Nu stond de raadsheer Herse op, en liep een paar maal in gedachten, in de keuken, op en neder; eindelijk vroeg hij: âAcht gij u zelve in staat, om u bij dit weder, vier en twintig uren in onzen stads- veengrond
â 104 â
in het riet te verstoppon?quot; â âMijiiheer Hersc,quot; zegt mamsel Westphalon en zij grijpt weêr naar haar boezelaar en droogt hare oogen af: âzie, 'k ben nu al in de vijftig en 'k heb verleden najaar die zware ziekte gehad. . . . quot; âDan gaat dat ook niet,'' valt de raadsheer Herse haar in de rede, âdan zijn er nog maar twee wegen; een naar boven en een naar beneden. Vluchten moet gij, 't zij op den zolder, of in den kelder.quot; â âMijnheer de raadsheer!'' roept Frits Sahlmann uit, en hij kruipt vanachter den keukenhaard te voorschijn, âik weet het.'1 â âJongen,quot; zegt mijn oom, âzijt gij hier?quot; â âJa;quot; zegt Frits, heel benauwd. â âDan is 't met de heele heimelijkheid niets waard: want wat drie weten, weet de heele wereld.quot; â âMijnheer Herse,quot; zegt Frits, âik zeg waarachtig niks er van! En, mamselletje, ik weet een plekje voor u. Op den rookzolder is de ééne plank los; die kan er afgedaan worden, en als gij u dan een beetje dun maakt, dan kunt gij u daar tusschen dringen, en daarachter ia, bij de vliering, een klein hoekje, daar vindt u geen duivel.quot; âEntfaamte lummel!quot; zegt mamsel Westphalen, en zij vergeet al haren angst en nood; âdan ben jij 't geweest, die altijd de metworst vau den rookzolder gestolen hebt en, mijnheer Herse, ik heb altijd de onschuldige ratten verdacht.quot; Mijn oom houdt nu Frits fahlmann vrij vaneen duchtig pak slaag en zegt, dat liet nu hoog tijd was, en dat zij vluchten moest, en dat de juiste plek was.
Zij spoedden zich nu alle drie naar boven, naar het rookzoldertje, en nadat Frits Sahlmann de losse plank en de gelegenheid daar achter had aangewezen, sprak mijn oom Herse: âZóó, mamselletje! ga hier nu op den rookzolder zitten, want zitten moet gij nu; ik zal achter u toesluiten, en wanneer gij hoort, dat hier iemand aan de deur komt, dan kruipt gij zachtjes door de plank in het kleine hoekje, maar pas vooral op, dat gij niet hoest of
â 105 â
niest.quot; âDat is gemakkelijk zeggen, mijnheer de raadsheer ; maar in zoo'n rook!quot; antwoordt zij. â âDat zullen wij verhelpen!quot; zegt bij en stoot het luik open. Zij willen nu weggaan, maar zij roept: âFrits Sahlmann, mijn zoon, verlaat mij niet, en breng mij bericht, hoe 't met de zaak staat.'' â âHij mag, wat er ook gebeurt, niet naar den zolder gaan,quot; zegt de raadsheer Herse, âdat zou de een of ander kunnen zien, en dan is alles verraden.quot; âWees maar gerust, mamselletje,quot; zegt Frits, âik zal 't wel gedaan krijgen,quot; en hij knipoogt haar listig toe. â Zij gaan heen, en mamsel Westphalen zit vol treurigheid onder hare zijden spek en hammen en worsten en zegt: âWat helpt al die schoone zegen van God als iemand van mijne jaren moet vluchten.quot;
Zoodra oom Herse wist dat mamsel Westphalen in veiligheid was, ging hij weder naar de keuken en prentte Frits Sahlmann nog eens ter deeg, met een' kleinen handgreep aan de ooren, het zwijgen in. In de keuken trok hij den kraag van zijn' grijzen mantel weder over den geborduurden uniformkraag en den driekanten hoed, en sloop heimelijk, gelijk de kat van den duiventil, de achterdeur uit.
Doch nauwelijks had hij zijn bovenlijf uit de deur gestoken , of er werd geschreeuwd en gegild, en Fieken en Carolien, die gemeend hadden, dat nu alles weer in orde was, en dus de keuken in wilden, stoven uit elkaar als een paar bonte duiven, wanneer de havik tusschen haar invliegt. â âHoudt uw' mond!quot; riep oom Herse, âik zal u geen kwaad doen!quot; â Doch, wat hielp dat ? Do boeren, die nog met hunne paarden in den tuin gebleven waren, keken bij dat geschreeuw om, en toen zij achter zich den gewaanden Franschen officier zagen, maar die eigenlijk mijn oom Herse was, â toen gingen zij op den loop, allen op de groene poort af; en het duurde niet lang, of er was geen hoef en geen juk van kanonnen-
â 106 â
voorspan te zieu. De raadsheer sloeg nu zijdelings af, tusschen het struikgewas, eu toen hij zoo'n klein, half verborgen pad langs ging, wie kwam daar aan ? â De oude molenaar Voss met zijn' mantelzak onder den arm. âGoeden morgen, raadsheer!quot; â ,Daar speelt de drommel mee!'' zegt de raadsheer Herse. â âMolenaar Voss, ziet gij 't niet? Ik wil immers niet bekend wezen.quot; â «Wel, dat begeer ik ook niet,quot; zegt de molenaar. âMaar, mijnheer Herse, gij kunt mij een genoegen doen: aan de groene poort heb ik mijn wagen vastgebonden: breng die voor mij in veiligheid! Ik doe u gaarne weder eens een genoegen; zoodra de baars in den molenvijver aanbijt, laat ik het u weten.quot; â â'k Zal er voor zorgen,quot; zegt de raadsheer, en hij gaat naar de groene poort en toen hij daar het voertuig van den molenaar vond, maakte hij het los, klom op den wagen, en wilde juist afrijden, toen hem een troep Fransozen in den weg kwam; vooraan de overste zelf, op wiens bevel al dat voorspan was geordonneerd, en die nu zag, dat de meerderheid zich uit de voeten gemaakt had.
Mijn oom Herse werd dan ook dadelijk gearresteerd en van den wagen gerukt, en toen de overste zijne uniform zag en hij voortdurend riep, dat hij conseiller d' état was, â want hij wist in dat oogenblik geen beteren naam voor een Stavenhager raadsheer te vinden, toen dachten de Franschen, dat zij eene mooie vangst gedaan hadden en zij hielden hem voor den opperste van de geheele zaak De overste vloekte en zwoer op de onchristelij leste Fransche manier, dat hij aan hem een exempel zou statueeren; vier man moesten hem in het midden nemen. En zóó werd mijn oom Herse, die met de uiterste geheimzinnigheid gekomen was, om een goed werk ten uitvoer te brengen, tot een openlijk schouwspel in de stad terug geleid, en moest de laagste behandeling ondervinden.
â 107 â
Terwijl dit geschiedde, stond de oude bakker quot;Witt daar dicht bij, achter een' grooten kastanjeboom; want hij was ook gekomen om den wagen van den molenaar in veiligheid te brengen. âKwaad kan 't den raadsheer niet,quot; zeide hij bij zich zeiven; âhij koopt zijn wittebrood bij Gruhl, waarom niet bij mij ? Nu. hij moet zelf maar raad weten en dat kan hij ook, want hij is heel wijs; maar dat on-noozele, onverstandige vee kan 't niet, daarvoor moeten wij zorgen.quot; En dit zeggende klom hij op den wagen en reed zachtjes achter de Franschen, naar zijne schuur, en trok de paarden er in.
NEGENDE HOOFDSTUK.
Waarom mijnheer de baljuw in Marcus Aurelius lezen moeste}/zijn aangezicht niet mocht wasschen, en waarom Fieken van den molenaar Voss hem niet meer te teemachtig voorkwam.
De oude baljuw liep in zijne kamer op en neer en was knorrig, want al was hij ook niet zeer driftig van aard, zoo was hij toch een oud man, die gewoon was te bevelen en die zijne eigene manier had, en nu moest hij zich laten kommandeeren, eu had 's morgens klokke acht moeten opstaan, â wat tegen zijne natuur was, â en koffie had hij ook niet gekregen, en toen hij tot zijne opvroolijking een pijp wilde aansteken, waren er geene pijpen te zien. Hij schelde éénmaal: Prits Sahlmann kwam niet; hij schelde tweemaal: Fieken kwam ook niet. Hij haalt zijne snuifdoos uit den zak eü neemt een snuifje, met zulk een veelbeteekenend neusophalen, als iemand
â 108 â
doet, die zich op alle mogelijke onaangenaamheden wil voorbereiden, krijgt zijn lorgnet te voorschijn en kijkt naar 't weder. Het regende buiten dat het goot, en in de hooge, kale toppen der olmboomen zaten de kraaien zoo stil en ineengedoken, alsof hunne vleugels waren vastgekleefd, en zij dropen, als de oude boer Kugler, toen hij eens op een avond tot aan den rand van zijn hoed in de dorpssloot had gezeten. âDie hebben ook al geen plezier!quot; zeide de oude heer. âMaar, waar is tegenwoordig pleizier in de Duitsche landen? 'tls toch eene wonderlijke zaak met het wereldbestuur ! Onze lieve Heer laat maar toe, dat één zoo'n hondsvot de gansche wereld ongelukkig maakt. Dat is voor een christenmensch moeilijk te begrijpen. De grootachtbare hertogelijke kamer maakt ook menigmaal bepalingen, die geen christenmensch en geen ambtenaar' begrijpen kan; maar het hoogachtbare domeinbsstuur is toch ook maar zoo'n arme zondaar, wien al van het begin af bij alle hooge eigenschappen, de domheid in de ëéne slip mee ingeknoopt is, en dat weten wij, en wij schikken er ons in, dat wil zeggen, niet zonder eenige ergernis en verdriet. Maar hier, bij het christelijk geloof aan een wijs wereldbestuur, het nut van den schavuit Bonaparte in te zien, dat is â⢠dat is!quot; â en hij nam zijne slaapmuts af en hield die een duim of drie boven zijn hoofd, âGfod moge mij de zonde vergeven! Ik heb tegen geen mensch ooit haat gekoesterd, tegen geen mensch vijandschap, ook niet tegen de grootachtbare kamer met haar sakkermentsche monitoriën, maar n u heb ik een' haat!quot; en hij smeet zijne slaapmuts op den vloer en zette er zijne voeten op; ânu heb ik er een! en ik wil hem ook behouden!quot;
Dit laatste had hij misschien wat luid geroepen, want zijne lieve vrouw kwam geheel ontsteld de deur in. â âWeber, quot;VVeber! quot;Wat scheelt u? Heeft Frits Sahlmann
â 109 â
of Fieken.. â âNeen, Netje,quot; viel hij haar in de rede en raapte de slaapmuts op, âdie niet. Bonaparte maar.quot; âGoede hemel,quot; riep zij uit, âal weder! Waarom wilt ge u toch op hem boos maken?quot; En zij ging naaide boekenkast van mijnheer den baljuw en kreeg er een boek uit, zeggende; âDaar, Weber, lees in je boek!quot; Dat was nu het boek van Marcus Aurelius. Daaruit las de baljuw een kapittel, als hij zich boos gemaakt had, en zoo 't heel erg geweest was, twee. Hij nam dus nu ook het boek en las, en zijne lieve vrouw deed hem den witten purgeermantel om en maakte het mooie, grijze haar glad cn draaide het kleine deftige staartje en strooide hem zacht en voorzichtig het stuivende poeder over 't hoofd; Marcus Aurelius deed ook het zijne, en al de knorrige rimpels waren weg van zijn ernstig voorhoofd, toen de vrouw van mijnheer den baljuw met het kleine zilveren mesje het poeder van 't aangezicht afschrapte. â⢠âquot;Want dat moet zij er altijd afschrappen,quot; zeide Fieken, wanneer zij hierover begon te praten, âen wasschen kan hij zich dan niet, anders zou het tarwemeel hem de oogen dichtplakken.quot;
âNetje,quot; sprak de baljuw, toen hij, wat zijn hoofd betrof, in orde gemaakt was, âkijk toch, als ge kunt, eens beneden in 't huishouden rond. 't Is toch eene zonderlinge zaak! Fieken komt niet. Frits Sahlmann niet: die verd... 'k wou zeggen â dat goddelooze Fransozen-tuig heeft alles hier in huis in de war gemaakt. â quot;Wat moet dat?quot;
De vrouw van mijnheer den baljuw was een kleine goedaardige vrouw, een weinig zwak van persoon, doch daarbij niet gemelijk en steeds bereid, om in vriendelijkheid de wonderlijke invallen van den ouden heer te verdragen. Zij hadden één zoon, hun Jochem, die sinds lang buiten 's lands was, en zoo waren de beide ouden in dat groote slot alleen met elkander, en zij droegen in trouw
â 110 â
en eerbaarheid lief en leed te zamen: en wanneer de verveling bij hen wilde binnensluipen, dan trof het gelukkig altijd, dat mijnheer de baljuw juist ter goeder ure een nieuwen, wonderlijken inval kreeg, en uit het geeuwen kwam dan een recht gezond niezen, dat de liefde weer op-frischte, want het gaat met de liefde als met een' boom: hoe meer de wind in de kruin en in de bladeren speelt, des te vaster worden zijne wortels.
Nu, wat mijnheer de baljuw heden morgen van zijne lieve vrouw verlangde, dat zij uamelij k eens in 't huishouden zou omzien, was nu juist geen zonderlinge inval en daarom niesde zijne vrouw ook niet, ofschoon zulks, in onzen tegenwoordigen tijd, menige wel opgevoede vrouw wel gedaan zou hebben. âZij was juist heengegaan, toen de oude molenaar Voss met het valies de deur inkwam. âGoeden morgen, mijnheer de baljuw!quot; zeide de molenaar en maakte een buiging, âmet uw verlof!quot; En hij legde het valies op de tafel, âhier is 't!quot; âWat is 't?quot; vroeg' de oude heer. â âMijnheer, wat weet ik't? Ik weet wat, ik weet veel, ik weet in 't geheel niks, maar, zco veel weet ik, een gauwdievenkraam is 't.quot;â âMolenaar Voss hoe komt gij aan een gauwdievenkraam ?quot; â âHoe komt de hond in den halsband, mijnheer de baljuw? Hoe kwam het meisje aan 't kind ? â Ik weet maar, dat dit de mantelzak van den Fransoos is, en dat de duivel mij den Fransoos gisteren avond op mijn wagen heeft gegooid, en mijn Frederik hem er mee afgesmeten heeft.quot; En nu vertelde de molenaar het geheele geval.
De oude heer liep ondertusschen in de kamer heen en weder en bromde zoo wat in zijn baard, van âleelijke zaak!quot; en dan weder stond hij voor den molenaar stil en zag hem strak in de oogen, en toen het verhaal van den molenaar uit was, zeide hij: âWel, vriend Voss, 't is immers toch wel zeker, dat de Franschman nog leeft ?quot; â
â Ill â
âMijnheer de baljuw, wat weet ik 't? â Zie eens; ik maak mijne berekening zóó: koud was 't van nacht voor den tijd van 't jaar juist niet; maar geregend heeft het den heelen nacht; en, als wij beiden, mijnheer de baljuw, gij of ik, van nacht daar gelegen hadden, dan waren we mogelijk verkleumd. Maar, ik reken ook zóó: zulk volk is 't liggen in de lucht beter gewend, dan wij, en heeft het hem in Rusland geen kwaad gedaan, dan zal 't hem hier ook wel niet benadeeld hebben. En weggegaan is hij, en Frederik is hem achterna, en als hem dan naderhand nog wat overkomen is, kunnen wij dat niet helpen-quot; â âVrind Voss, vrind Voss,'1 sprak de oude heer, het hoofd schuddende, âdat is een erg ding! Als jou Frederik den Franschman niet weer krijgt, kan 't je den hals kosten.quot; â âGod beware mij!quot; riep de molenaar, âmet welke dwaasheden heb ik me, op mijn ouden dag, ingelaten! Mijnheer de baljuw, 'k ben immers onschuldig, en 'k heb immers het valies ook niet gehouden, en het paard staat in de schuur van den bakker Witt.quot; âDat is ook je geluk, molenaar, dat is ook een groot geluk voor je, want dat kan ik getuigen. En louter goud en zilver, zegt gij, is in dat valies?quot; âJa, louter goud en zilver,quot; antwoordde de molenaar. En dit zeggende gespte hij het valies los en liet mijnheer den baljuw den inhoud zien.
Mijnheer de baljuw zette groote oogen op. âIleere! bewaar ons!quot; riep hij uit, âdit is waarlijk een schat.quot; â âJa, dat zegt gij wèl, mijnheer de baljuw! Mijne vrouw zegt anders niet veel, maar toen ze dit zag. sloeg zij hare handen samen, en sprak geen woord.quot; â âGestolen is't alles, Voss. Hier, op het zilverwerk is het Urtzensche wapen; dat ken ik. De lepels heeft die gauwdief zeker bier in de buurt gestolen. Maar daardoor wordt jou zaak niet beter.quot;
â 112 â
Dc oude molenaar stond daar als geheel verpletterd. Mijnheer de baljuw liep de kamer door en wreef zijn hoofd; eindelijk ging hij naar den molenaar toe, legde hem de hand op den schouder en zeide; âMolenaar Voss, 'k heb je altijd voor een eerlijk man gehouden; maar zoo'n eerlijkheid, in zulke omstandigheden! Je kunt niet van den éénen dag tot den anderen leven, en je geeft uit eigene beweging zoo'n portie geld terug, waarvan eigenlijk niemand weet, waar het t'huis hoort!quot; -â De oude molenaar werd zoo rood als vuur en keek naar de punten van zijne laarzen, âJa, Voss,quot; sprak de oude baljuw verder,quot; 'tis eene zeldzame handelwijze van je, wantje hebt niets kunnen weten, van wat er hier is voorgevallen , maar dank er God voor, want het is mogelijk dat dit gedrag je het leven redt.quot;
Het gevaar, waarin hij meenen moest te verkeeren, de onverdiende lof, die hem juist zoo aangenaam voorkwam, als wanneer iemand op een leuningstoel gaat zitten, waar zijne lieve vrouw een speldekussen op nedergelegd heeft, het vooruitzicht, dat hij met Gods hulp uit deze gevaarlijke zaak nog door eene kleine opening zou kunnen kruipen, en dat hij dat alles niet verdiend had, deden den ouden molenaar vreeselijk aan. Hij stond met neergeslagen oo-gen en wrong zicli heen en weder, en draaide zijn hoed hoe langer zoo erger; eindelijk sloeg hij hem met beide handen inéén, zoodat hij geheel uit zijn fatsoen geraakte, en riep: âDe drommel hale de heele Fransozen-historie en mij daarbij, mijnheer de baljuw! Als de hemel jegens mij genade voor recht wil laten gelden en mij uit dezen nood redt, dan wil ik ook niet met ongerechtigheden omgaan. Neen, wat waarheid is, is waarheid! En als mijne kleine Fieken er niet geweest was, dan lag dat entfaamte Fransozengeld in mijne kast en ik hing van avond aan de galg.quot; En nu vertelde hij de zaak.
- 113 â
âVrind Voss,quot; zeide de baljuw, toeu allo omstandigheden verteld waren, âik ben niet voor meisjes; jongens zijn beter; meisjes zijn me te teemachtig; maar met jou Pieken is het dan toch eene andere zaak. â Vrind Voss, het strekt jou en je vrouw tot eer, dat je zoo'n kind hebt. â Hoor eens, als je weer bij mij komt, breng dan je Fieken eens meê; ik.... â dat is te zeggen mijne vrouw, zal er zich over verheugen. En neem nu het valies en breng het naar 't raadhuis en meld je daar aan; want de Franschen zullen daar wel zoo'n soort van gerechtsdag houden, â 't zal er ook naar wezen! â en vraag eerst naar den burgemeester; dat is een welwillend man, en hij spreekt ook Fransch, en spoedig zal ik daar ook zijn, en wat maar eenigzins mogelijk is, zal ik voor je doenquot; â âBest, mijnheer de baljuw! Ik ben al veel lichter om 't hart. â En met de andere zaak; met het bankroet meent gij.. ?quot; â âDat je een dwaas zou wezen, om je op je ouden dag nog met zulke dingen in te laten!quot;'â âBest, mijnheer de baljuw! Nu, adjuus dan!quot; Daarop ging de molenaar heen.
8
Router. Vrool. Gesch. 4e dr.
TIENDE HOOFDSTUK.
Waarom Frits Sahhnann in den winter zonder parapluie in ten appelboom zit; waarom hij een klein pak akten onder zijn vest knoopt en waarom mamsel Westphalen verklaart dat zij eene erge zondares is.
Na eenigen tijd kwam de vrouw van den baljuw de kamer weder in en zeide: âWeber, wat beteekent dit?' Frits Sahlmann is er niet, mamsel Westphalen is er niet; in hare kamer ziet het er uit alsof heidenen en Turken daar huisgehouden hebben, en de meiden zeggen, dat zij van niets weten, behalve dat de raadsheer Herse door de achterdeur is binnengeslopen, en Fieken heeft hem, bij abuis, met een stompon bezem over 't gezicht gestreken en mamsel Westphalen heeft hem een paar handen vol turfasch in de oogen gegooid, ook enkel bij abuis, en naderhand is Frits Sahlmann met mamsel Westphalen weggegaan, en ze weten niet waar ze zijn.quot; â âDat is toch eene wonderlijke zaak,quot; zegt de oude heer. â âWat doet de raadsheer Herse in mijne keuken ? 'k Mag anders den man wel lijden, Netje; hij is een pleizierig man, maar hij steekt zijn' neus in iedere beuzeling, en iets verstandigs is daardoor van zijn leven niet voor den dag gekomen. â Zeg eens. Netje, wie van de meiden houdt ge wel voor de verstandigste?quot; âWeber, wat praat je toch? Van verstand kan bij die soort wel weinig sprake wezen.'quot; â âNu, dan de slimste, die 't meest by de hand is.quot; â âO, dan is 'tFieken Besserdichs, want hare oogen gaan
â 115 â
fika overal rond, en haar mondwerk nog veel beter.quot; â âRoep haar dan eens binnen.quot;
Dat geschiedde, en Fieken kwam. Zij was eene kleine, flinke deern, zoo vroolijk en bij de hand, als eene Gulzowsche schoutsdochter maar zijn kan; â want toenmaals dienden de schoutsdochters nog. â Nu stond zij echter voor mijnheer den baljuw, en sloeg hare oogen neder en plukte aan haar boezelaarsband, want zij had een voorgevoel, dat dit een soort van verhoor zou worden. â âAIzoo,quot; begon de oude heer, âtot de waarheid vermaand, en zoo voorts, â Piek Besserdichs, wat weet je van mamsel Westphalen? Begin van gister avond af!'quot; â Fieken vertelde nu, wat zij wist, en wat wij weten. â âDus,quot; sprak de oude heer, âheeft ze bij jelui geslapen en niet in ééne kamer met mijnheer Droi?quot; â âWeber, wat praat je toch?quot; viel zijne vrouw hem in de rede. â âNetje lief, elke omstandigheid is gewichtig, als de onschuld aan den dag moet komen. â En geloof je niet,quot; zoo vroeg hij aan Fieken, âdat zij met den raadsheer Herse weggeloopen is?quot; â âNeen, mijnheer; op de vlucht is zij, geloof ik; maar niet met den raadsheer Herse, want hem heb ik naderhand alleen bij de achterdeur ontmoet, toen ik van mijn broer terug kwam, want die was hier in den tuin van mijnheer den baljuw met onze paarden, tot voorspan, maarââ quot; en hier sloeg zij hare oogen op, en het frissche aangezicht zag er zoo recht ondeugend uit, âmaar mijnheer de baljuw, hij heeft voor de Fran-schen de plaat gepoetst.quot; âZoo,quot; vroeg de oude heer, âheeft hij de plaat gepoetst?quot; âJa, mijnheer,quot; zeide Fieken en lachte zoo schalkachtig, âen hij heeft al de anderen ook opgestookt, dat ze zouden gaan loopen en heeft hun de groene poort aangewezen.quot; âDat is een domme streek van hem, en als de Franschen hem krijgen, zullen ze 't hem inpeperen. Jelui zijt een wijsneuzig geslacht, jelui, Besser-
â 116 â
dichs. â Netje, help me eens aan dien bengel, dien Frits Bessordichs, denken. â En waar is Frits Sahlmann ?quot; â Nu was Fieken weer zeer benauwd geworden, en wat er nu uitkwam, dat ging maar heel langzaam aan. âWel, mijnheer de baljuw, van morgen gooide hij al uwe pijpen stuk, en naderhand zei hij, dat ik 't gedaan had. En, mijnheer de baljuw, ik kon 't niet helpen, want ik wou maar eventjes om den hoek kijken, toen de Fransche overste zóó te werk ging; toen liep hij met de pijpen tegen mij aan, en nu liggen de scherven in de keuken.quot; â âEn heb je hem van morgen verder niet gezien?quot; â âJa, mijnheer, toen de horlogemaker getranspireerd werd; toen liep hij meê, en toen hij daarna weerom kwam, praatte hij met de mammesel hoogduitsch, en naderhand fluisterden zij te zamen.quot; âHoogduitsch? Frits Sahlmann hoogduitsch? Wat heeft die lummel in 't hoogduitsch te praten? Wat zei hij dan?quot; â âHij zei: âRedding nadert.quot; â âZoo! en kwam naderhand de raadsheer?quot; âJa, mijnheer de baljuw, en ik streek hem met den bezem in 'tgezicht; maar dat kon ik ook niet helpen.quot; â â't Is toch eene wonderlijke zaak!quot; riep de oude heer uit en hij liep op en neer, wreef zich onder de kin en keek naar den grond, en keek naar den zolder. Eindelijk stond hij stil en zeide; âNetje, de zaak wordt mij duidelijk; die goede stumperd, mamsel Westphalen, heeft angst gekregen, en de raadsheer heeft zich daarmee gemoeid en heeft het een of ander verkeerds uitgericht. Je zult zien, dat zij zich verstopt heeft.quot; â âLaat haar dan begaan, Weber.quot;' âDat gaat niet. Netje; zij moet voor den dag komen, want zij moet getuigenis afleggen voor den horlogemaker en voor den molenaar; 't kan die beiden anders den hals kosten. â Als ik maar wist, waar die bengel, die Frits Sahlmann, was, die weet van de heele zaak af. â En jij weet niet.
â 117 â
waar hij is, Fiek?quot; â âÃTeen, mijnheer.quot; â âNu, dan kunt ge heengaan.quot;
Terwijl Fieken zich omkeerde, viel haar oog op hot hoekvenster, doch, daar haar gezicht zeer goed en helder was, ging haar blik ook door het venster, en zij zag, wat ver daar achter voorviel. Zij keerde zich haastig weder om en zeide: âMijnheer de baljuw, nu weet ik, waar hij is.quot; â âWel, waar dan?quot; â «Kijk, daar zit hij.quot; âquot;Waar?quot; vroeg de oude heer, en hij plaatste zijn lorgnet voor de oogen, en keek overal heen, slechts niet daarheen, waar Frits Sahlmaun zat. â âDaar, mijnheer de baljuw, â daar! in onzen ouden .... appelboom, die aan den hoek van de keuken staat.quot; â âWaarachtig ! ja! â Dat is toch eene wonderlijke zaak! â Netje, in den winter! â Als 't in den herfst was, als er appelen aan den boom zijn; â maar Netje, in den winter!quot; â âOch, Weber,quot; zeide zijne lieve vrouw, âhij oefent zich zeker daar maar op.quot; ~ âFiek Besserdichs, gij hebt heldere oogen, wat doet hij daar?quot; vroeg de oude heer, terwijl hij door zijn lorgnet zat te turen. â- âWel, mijnheer, hij heeft daar een langen staak; maar wat hij er mee voornemens is, dat is voor mijne oogen verborgen. Hij maakt er allerlei bewegingen ipee tegen 't luik van den rookzolder quot; â âNetje , tegen onzen zolder! Wat zou hij daar uitvoeren, Netje?quot; â'k Weet het niet, Weber; maar 't zal mij niet verwonderen, als er morgen weer worsten weg zijn.quot; â âKijk eens, kijk eens, â Ei, dat zou aardig wezen! Dat is waarlijk een prachtige boom voor mijn Frits Sahlmaun. 's Zomers appelen, en 's winters worst!quot; â Dit zeggende maakte hij het venster open en riep: ,Frits Sahlmaun! Frits! kom daar uit, mijn jongen. Gre zoudt daar in den regen verkouden kunnen worden.quot;
Men zegt, dat het bekende dier, 't welk luiaard genoemd wordt, zeven dagen noodig heeft, om in een' boom
â 118 â
te klimmen en zeven dagen, om er weder uit te komen. Nu, zóó veel tijd gebruikte Frits Sahlmann juist wel niet, toen hij uit den appelboom klom, maar het duurde toch lang genoeg, en van wege zijn' broek klauterde hij zeker niet zoo bedachtzaam; en toen hij beneden was, toen was het blijkbaar, dat hij ernstig aan 't overleggen was, of hij zou komen, of op den loop zou gaan. Doch Frits Sahlmann was een brave knaap; hij hield zich menigmaal slechts een beetje op. â âFiek, wat doet hij daar achter het kruisbessenboschje?quot; vroeg de oudeheer.â âWel, mijnheer, hij heeft daar zeker wat achter gegooid.quot; â âZoo? â Dat is dan iets anders. â Nu, Frits, kom door de keukendeur binnen! En jij, Fiek, ga eens heen, en pas goed op, dat hij niet door de voordeur weer ontsnapt.quot; â Fieken ging heen, en Frits kwam, zoo langzaam als de dure tijd; maar hij kwam. â âFrits Sahlmann , mijn jongen, zóóveel verstand moest je al hebben, om in te zien dat het niet goed voor de gezondheid is, om als 't regent, buiten te zitten; neem. als 't weer gebeurt , een parapluie mee, als je buiten zitten wilt; en zóóveel moest je ook wel inzien, dat het niet goed voor je broek is, bij een' regenbui in een boom te klimmen; zoek in 't vervolg een drogen tijd van 't jaar daartoe uit. Maar zeg mij nu eens; wat deedt ge in dien boom?' â âOch, mijnheer de baljuw, dat was zoo maar eens.quot;â âHm,'' hernam de oude heer, âdie reden is duidelijk. Maar wat ik eigenlijk vragen wou: heb je niets van mamsel quot;Westphalen gezien?''
Frits Sahlmann, die eene geheel andere vraag vermoed had, leefde zichtbaar weder op en zeide heel opgeruimd: âNeen, mijnheer de baljuw.quot; â âHa, mijn jongen, waarom zoudt gij ook van eene zaak wat weten, waarvan niemand wat weet ? Maar, doe me nu 't pleizier eens, en kijk me nu eens flink in de oogen.quot; â Frits Sahlmann deed
â 119 â
hem dit pleizier; maar zijn blik was een valsch stuk geld, en de oude heer scheen het ook niet voor echte munt aan te nemen, want hij zeide: .Frits Sahlmann, hier is een mes, ga eens naar den tuin, en snijd eens uit de hazelaars, je weet immers, waar ze staan, â zoo'n klein stokje, zoo als een â als een â nu, als je middelTinger dik. en jongenlief! dan heb je achter het kruisbessenboschje in den tuin wat verloren; roep Fiek Besserdichs, die znl je helpen zoeken, om toch je eigendom weer te krijgen. â Maar, hoor je, Fiek Besserdichs moet meegaan.''
Frits Sahlmann zag aldus onder zeer benauwde omstandigheden in eene treurige toekomst; hij steunde echter op twee zaken, waarop de menschen meestal in hunne verlegenheid vertrouwen, namelijk, in de eerste plaats, op den hemel, dat die nog ter goeder ure den ouden heer bij zijn voornemen een' steen in den weg zou leggen, en ten tweede, op zijne vroegere ervaring in zulke verlegenheden; hij had daarenboven nog eene hulp in den nood, van welke de gewone menschen niets weten, namelijk zoo'n klein pak akten, dat hij in bedenkelijke gevallen gewoon was onder zijn vest te knoopen; dit vergat hij dan ook heden niet. Hij ging dus thans tamelijk gerust gesteld naar den tuin, in de stille hoop dat Fieken, die met hem ging, zich in den juisten kruisbessenboom zou vergissen; maar terwijl hij bezig was, de geschikste soort van hazelaartakken uit te zoeken, zag hij met inwendigen schrik, dat de deern juist naar het rechte boompje toegingen daar wat opraapte, wat hem in de verte veel overeenkomst niet eene worst scheen te hebben. Hij moest zich dus op eene andere manier zien te helpen; vooreerst sneed hij een paar onmerkbare kerven in den hazelaarstok, wat juist niet zeer tot de stevigheid er van bijdroeg, en vervolgens beproefde hij Fieken het gevondene weêr af te bedelen. Dit gelukte hem evenwel niet, daar Fieken
â 120 â
geen lust had, een tweede verhoor voor mijnheer den baljuw te ondergaan, en de gedachte kwam ook bij haar op, dat het misschien Frits Sahlmann wel geweest was, die haar, voor een dag of acht, eene hand vol kleingesneden varkenshaar in 't bed had gestrooid. Zoo kwam dus Frits Sahlmann met den stok, en Fiek met eene kleine, aardige metworst weder voor den baljuw.
âFiekeuzeide mijnheer de baljuw, haar de worst afnemende, âgij kunt nu heengaan, mijn kind! â Netje!quot; zeide hij tot zijne lieve vrouw, en hield de worst voor hare oogen, âdat noemen wij een corpus delicti.quot; â â't Is mogelijk, Weber, dat ze in 't Latijn zóó heet; wij zeggen er metworst tegen.quot; â âBest, Netje! zeg eens, kunt ge stellig verzekeren, dat het eene van onze metworsten is?quot;' â âJa, Weber, ik ken ze aan den band.quot; â âFrits Sahlmann, hoe ben je aan die worst gekomen ?quot;
Dit was nu voor Frits eene infame vraag van den baljuw. De hemel kwam blijkbaar niet tusschen beiden: zijne ondervinding liet hem in den steek; mijnheer de baljuw stond voor hem; in de ééne hand hield hij de worst, in de andere den stok, en de stok was nauwelijks twee voet van zijn1 rug af; al zijne hoop was dus op het kleine pakje akten gericht, en dat was ook maar zóó â zóó; de baljuw had het al eens aan 't klappen gemerkt. Hij achtte zich dus verloren, begon te schreien en zeide: âZe is mij gegeven.quot; â â âDat jokt ge!quot; was het driftig antwoord van de vrouw van den baljuw; âje hebt ze met een stok van den rookzolder gehaald.quot; â âNetjelief, bedaard! geene suggestieve vragen! â Frits, wie heeft je die worst gegeven ?quot; â âMamsel Westphalen.quot; â âFrits, waar?1' âToen ik in den boom zat.quot; â âZat zij daar dan bij jou?quot; âNeen, zij zat op den rookzolder, en toen heeft zij de worst voor mij aan den stok gestoken; daar had ik een spijker ingeslagen.'1 â âMaar je hebt
â 121 â
me straks nog gezegd, dat je niet wist, waar mamsel Westphalen was; Frits Sahlmann, je hebt dus gelogen.quot; âMijnheer de baljuw, och, sla mij niet! Dat is mijne schuld niet. Ik en mijnheer Herse hebben samengespannen, en ik heb hem heilig moeten beloven, aan geen mensch, ook niet aan u, te zeggen, waar mamsel Westphalen was.quot; â âKrijg je bij den raadsheer kost en loon, of bij mij? Je hebt gelogen. Frits, en als je liegt, krijg je slagen, zóó staat het in ons kontrakt.quot; En met die woorden pakte de baljuw Frits by den kraag en lichtte den stok op, en indien de hemel nog tusschenbeide wilde komen, was 't nu hoog tijd daartoe, en â de hemel deed het.
Er werd buiten aan de deur geklopt en de politiedienaar Luth kwam binnen met: â'tKompliraent van mijnheer den burgemeester, en de zaak stond heel slecht voor den horlogemaker en den molenaar, en of mijnheer de baljuw wel zoo vriendelijk wou zijn, om zoodra mogelijk ginder te komen ; maar vooral mamsel Westphalen mee te brengen, want haar getuigenis was hoofdzakelijk van groot gewicht.quot; â âIk kom dadelijk, mijn lieve Luth, â Netje, de zaak is pressant. Frits Sahlmann, haal mij mijn jas, en Netjelief, ga gij naar dat arme schepsel op den rookzolder, en breng haar beneden.quot; â Hoe vlug bracht Frits Sahlmann den jas! Hoe ijverig was hij om den baljuw uit de oogen te komen! âMevrouw,quot; zeide hij, âik moet méégaan; alleen voor u maakt zij niet open, en eigenlijk zit ze niet eens op den rookzolder, ze zit daar achter op een plekje, wat ik alleen weet.quot; Zoo liep hij dus vooruit en de vrouw van den baljuw volgde hem, maar zachtjes.
Frits klopte aan de deur: âMamselletje, doe open, ik ben 't!quot; â Geen antwoord. â âMamselletje, wel, wel! Zuur v ar ken s v leesch !quot; âGeen antwoord. â âMam-
- 122 â
selletje, de Fransozen zijn weg'.quot; â Toen liet zich wat hooren, en eene bedroefde stem werd vernomen: âFrits Sahlmann, ge zijt een befaamde leugenaar. â Leid mij niet in verzoeking!' â Middelerwijl riep nu ook de vrouw van den baljuw: âWestphalen, doe open! Ik ben het. uwe meesteres.quot;â âIk kan mij niet voor u vertoonen,quot; riep de stem, â'k ben eene zondares, eene erge zondares !quot; _ âDoe maar open; dat komt alles weder terecht.quot;
Na lang vragen en redeneeren deed mamsel Westphalen toch eindelijk open, en daar stond zij nu: haar aangezicht was rood en de tranen liepen haar langs de wangen. Maar tot op den huidigen dag weet nog niemand met zekerheid, of het van aandoening was of van den rook Hoe het zij, hare tranen vloeiden, en indien die uitdrukking van eene corpulente, oudachtige jonkvrouw gebruikt kan worden, zou ik haast zeggen, daar stond zij als âeen geknakt riet.1' â âMevrouw Weber.quot; zeide zij, âik kan u niet onder de oogen komen; ik ben diep gezonken; meer dan twintig jaren ben ik in uw gezegend huis, en van mijn leven heb ik u niet het allerminste ontvreemd; een noodlottig uur heeft dat anders gemaakt; ik heb my aan uw eigendom vergrepen. â âOch, Westphalen , laat dat rusten ; en ga nu maar mee naar beneden!' â âGeen stap doe ik, mevrouw! Eerst eene omstandige bekentenis 1 â Zie! gij weet het, ik ben op de vlucht; de raadsheer Herse heeft mij helpen vluchten en deze bengel , deze Frits Sahlmann! en nu zit ik hier in angst en kommer en denk aan het lot van mijnheer Droi en aan al het andere, en denk dat deze bengel, deze Frits Sahlmann , mij bericht zal brengen, hoe 't met de zaak gesteld is; toen hoor ik buiten vóór het luik hoesten, en toen wordt myn naam geroepen, en terwijl ik naar het luik heensluip en naar buiten zie, denk ik dat ik eene beroerte zal krijgen; want, verbeeld u, mevrouw! dat ongeluks-
â 123 â
kind is in den .... appelboom geklommen en is langs de lange takken heengegleden en zweeft als eene kraai over den afgrond. âJongenzeg ik, âFrits Sahlmann, wilt ge wel uit den boom komen!quot; â Toen grijnst die jongen mij aan. âJongen,'' roep ik, âik kan dat niet voor je vader verantwoorden, je in zoo'n gevaar te zien.quot; Zie, mevrouw, toen lacht de jongen zoo hard hij kan en zegt: âIk wou u maar bericht brengen: de horlogemaker wordt opgehangen; den raadsheer Herse hebben de Fransozen gekregen, die ligt in boeien, en een heel bataljon is uitgezonden, om u te zoeken.'' Mevrouw Weber! dat was geen troostrijk bericht, en mijn angst was groot; maar ik kan 't naar waarheid getuigen, mijn angst om dien jongen was nog grooter. âJongen,quot; riep ik, âklim den boom uit!quot; Zie, toen grijnst hij mij aan, als een aap op een kameel, en zegt: âJa, als gij mij eene worst geeft.quot;' En daarop begon hij allerhande malle grappen te maken, en sprong op de takken rond, als een konijn tusschen de kool, zoodat het mij groen en geel voor de oogen werd. Toen, mevrouw, toen dacht ik: wat is de waarde vaneen metworst, en wat is de waarde van een mensehenleven ? en in mijn angst heb ik mij aan uw eigendom vergrepen. Hij hield den stok hierheen, en ik stak er de worst voor hem op. Toen werd hij door den baljuw, geroepen en terwijl hij uit den boom klom, riep hij mij zachtkens toe, dat hij mij wat wijsgemaakt had, dat van alles niets waar was. Daarom zeg ik, dat hij een leugenaar is, mevrouw, en daar blijf ik bij.quot; â âLaat dat maar rusten, Westphalen; hij heeft bij mijn' man ook nog wat in 't zout, hij zal zijn' rechter niet ontkomen.quot;
Met moeite kreeg de vrouw van den baljuw de goede dame van den zolder af, en toen zij beneden kwamen, ging de baljuw, met zijn deftigen stap, in vol kostuum open neder en wachtte reeds, 't Kostte nu veel moeite, mamsel
- 122 â
selletje, de Fransozen zijn weg'.quot; â Toen liet zich wat liooren, en eene bedroefde stem werd vernomen: Frits Sahlnmnn, ge zijt een befaamde leugenaar. â Leid mij niet in verzoeking!' â Middelerwijl riep nu ook de vrouw van den baljuw: âWestphalen, doe open! Ik ben het. uwe meesteres.quot; â âIk kan mij niet voor u vertoonen riep de stem, â'k ben eene zondares, eene erge zondares!quot; â «Doe maar open; dat komt alles weder terecht.'
Na lang vragen en redeneeren deed mamsel Westphalen toch eindelijk open, en daar stond zij nu: haar aangezicht was rood en de tranen liepen haar langs de wangen. Maar tot op den huidigen dag weet nog niemand met zekerheid, of het van aandoening was of van den rook Hoe het zij, hare tranen vloeiden, en indien die uitdrukking van eene corpulente, oudachtige jonkvrouw gebruikt kan worden, zou ik haast zeggen, daar stond zij als âeen geknakt riet.quot; â âMevrouw Weber,quot; zeide zij , âik kan u niet onder de oogen komen; ik ben diep gezonken; meer dan twintig jaren ben ik in uw gezegend huis, en van mijn leven heb ik u niet het allerminste ontvreemd ; een noodlottig uur heeft dat anders gemaakt; ik heb mij aan uw eigendom vergrepen.â âOch, Westphalen , laat dat rusten ; en ga nu maar mee naar beneden! ' â âGeen stap doe ik, mevrouw! Eerst eene omstandige bekentenis ! â Zie! gij weet het, ik ben op de vlucht; de raadsheer Herse heeft mij helpen vluchten en deze bengel , deze Frits Sahlmann! en nu zit ik hier in angst en kommer en denk aan het lot van mijnheer Droi en aan al het andere, en denk dat deze bengel, deze Frits Sahlmann , mij bericht zal brengen, hoe 't met de zaak gesteld is; toen hoor ik buiten vóór het luik hoesten, en toen wordt mijn naam geroepen, en terwijl ik naar het luik heensluip en naar buiten zie, denk ik dat ik eene beroerte zal krijgen; want, verbeeld u, mevrouw! dat ongeluks-
â 123 â
kind is in den .... appelboom geklommen en is langs de lange takken heengegleden en zweeft als eene kraai over den afgrond. âJongen,quot; zeg ik, âFrits Sahlmann, wilt ge wel uit den boom komen!quot; â Toen grijnst die jongen mij aan. âJongen,quot; roep ik, âik kan dat niet voor je vader verantwoorden, je in zoo'n gevaar te zien.quot; Zie, mevrouw, toen lacht de jongen zoo hard hij kan en zegt: âIk wou u maar bericht brengen; de horlogemaker wordt opgehangen; den raadsheer Herse hebben de Fransozen gekregen, die ligt in boeien, en een heel bataljon is uitgezonden, om u te zoeken.quot; Mevrouw Weber! dat was geen troostrijk bericht, en mijn angst was groot; maar ik kan 't naar waarheid getuigen, mijn angst om dien jongen was nog grooter. âJongen,quot; riep ik, âklim den boom uit!quot; Zie, toen grijnst hij mij aan, als een aap op een kameel, en zegt: âJa, als gij mij eene worst geeft.quot;' En daarop begon hij allerhande malle grappen te maken, en sprong op de takken rond, als een konijn tussehen de kool, zoodat het mij groen en geel voor de oogen werd. Toen, mevrouw, toen dacht ik: wat is de waarde van een metworst, en wat is de waarde van een menschenleven ? en in mijn angst heb ik mij aan uw eigendom vergrepen. Hij hield den stok hierheen, en ik stak er de worst voor hem op. Toen werd hij door den baljuw, geroepen en terwijl hij uit den boom klom, riep hij mij zachtkens toe, dat hij mij wat wijsgemaakt had, dat van alles niets waar was. Daarom zeg ik, dat hij een leugenaar is, mevrouw, en daar blijf ik bij.quot; â âLaat dat maar rusten, Westphalen; hij heeft bij mijn' man ook nog wat in 't zout, hij zal zijn' rechter niet ontkomen.quot;
Met moeite kreeg de vrouw van den baljuw de goede dame van den zolder af, en toen zij beneden kwamen, ging de baljuw, met zijn deftigen stap, in vol kostuum open neder en wachtte reeds, 't Kostte nu veel moeite, mamsel
â 124 â
Westphalen te bewegen, om met den ouden heer naar het raadhuis te gaan â âin den geopenden leeuwenmuil zeide zij. Zij wilde lijden, wat zij door haar onverstand verdiend had, ofschoon het uit goedheid, en in eere was geschied; â maar, om voor al dat vreemde manvolk te staan en zich van wege mijnheer Droi te defendeeren, dat ging boven hare krachten, als fatsoenlijk vrouwspersoon, en indien mijnheer de baljuw toch daarop aandrong, dan moesten Pieken en Carolien ook mee, want die moesten weêr van haar getuigen, dat zij dien nacht bij haar in de kamer geslapen had.
Op dit punt moest de baljuw dus toegeven, en toen mamsel Westphalen naar hare kamer was gegaan, om voor zich in allerijl een' doek en eene warme wollen muts te halen, liep de oude heer met groote schreden, in gedachten verdiept, op en neder en zwaaide met zijn'Je-na'schen âZiegenhainerquot; quot;) in de lucht rond, want zonder dezen ging hij van zijn leven niet uit. Eindelijk zeide hij: âNetje, zij heeft gelijk; dat de meiden meegaan, kan geen kwaad. Maar Netje,quot; en hij snoof zoo'n beetje in de lucht rond; â't ruikt hier zóó naar gerookte paling; is de oude Neils uit Gulzow met zijn'paling hier geweest?quot; â âWat praat je toch, Weber? dat is van haar, zij heeft immers over het uur op den rookzolder gezeten.quot; â âDan is 't iets anders!quot; zeide de oude heer; en zijne vrouw moest de beide dienstmeisjes roepen. Zoodra mamsel Westphalen gekomen was, ging de stoet weg, nadat de mamsel van mevrouw Weber een afscheid als op leven en dood had genomen. Niemand sprak een woord; slechts toen zij aan de slotpoort kwamen, boog mamsel Westphalen zich achterwaarts en zeide; âPieken, als wij op de markt komen, loop dan eens even naar dokter Lu-
') Eene bepaalde soort van studenten stok.
â 125 â
kow, en verzoek hem, dat hij aanwezig zij bij mijn ongeluk; er kon mij soms wat overkomen, want ik kon in flauwte vollen.quot;
ELFDE HOOFDSTUK.
Waarom de hakker Witt, door zijn'' meerschuimen pijpekop, mee. in H komplot komt, waarom Westphalen den baljuw als eene witte duif, en Fiek Besserdichs als een engel heschomct, en welk eene meening zij ran den Franschen auditeur heefr.
Ging het op het slot al vrij bont too, zoo zag het er in de stad nog veel bonter uit. 't Is waar, wanneer zoo'n troep inkwartiering eene kleine stad komt overvallen, wanneer de boeren van het land en de burgers uit de stad, tot diensten met hand en paard, bij elkaar getrommeld worden, wanneer hier jammer en ellende weent en klaagt, en daar de overmoed snoeft. â dan kan 't niet stil toegaan, gelijk in de kerk. Maar toen in 1806 Murat en Bernadotte en Davoust den ouden Blücher achterna joegen, en hij hun bij het stadje Wahren de tanden liet zien, toen van Berlijn het fraaie stopwoord was uitgegaan: ârust is de eerste burgerplicht,quot; toen ging het toch rustiger toe, dan om dezen tijd; toen was er slechts van bevelen en gehoorzamen sprake. Toen werd wel door de Fransche heeren naar hartelust geplunderd en op brandschat-
â 126 â
ting gesteld, maar het volk bukte, en de één schoof zich achter den ander, en allerwegen openbaarde zich de echte laaghartigheid, want ieder dacht aan zich zeiven en zijne bezittingen, en meester Kahler in Malchow sprak tot zijne vrouw en kinderen: âIk moet mij redden; aan jelui is niets gelegen; jelui blijft hier, als de Fransozen komen;quot; â en hij liep naar 't elzenmoeras en kroop in 't riet. â Bedorven en in kwaden reuk staande was alles, van boven tot beneden.
De tijden veranderen. Nood leert bidden, maar hij leert ook zich verweren. Sc hill rukte uit en de hertog van Brunswijk. In geheel Xederduitschland begon het te spoken; niemand wist, van waar 'tkwam; niemand wist, waartoe het leiden zou. S c h i 11 trok dwars door Mekklenburg naar Straalsund. Op bevel van Bonaparte moesten de Mekklenburgers hem den pas bij Barmgar-ten en Tribsees afsnijden; zij werden geslagen, want zij vochten schandelijk slecht Een huzaar van S c h i 11 nam een geheel rot lange Mekklenburgsche grenadiers gevangen. âKinderen,quot; riep hij hun toe, âzijt gij allen gevangen?quot; â âNeen,quot; zeide de brave korporaal, âniemand heeft ons wat gezegdquot; â âNu, gaat dan maar meê!quot; En zij gingen meê Was dat lafhartigheid? Was dat vrees? â Wie onze landslieden in 1813 en 1814 gezien heeft, en wie iets van het Strelitzer huzaren-regiment heeft gehoord, oordeelt anders. Zoo één stam in Duitschland geschikt is, om op het slagveld te staan, dan is het de Mek-klenburger. ââ Neen! dat was geene lafhartigheid, dat was onwil, om te strijden tegen datgeen, wat zij zeiven in het diepste van hun hart droegen en wenschten. Het spookte in Mekklenburg; en, toen het in Pruisen losbarstte, was Mekklenburg het eerste land in Duitschland, dat volgde. Zóó is 't geweest, en zóó moet het ook blijven.
â 127 â
En de tijden waren anders geworden. De Pleer, onze God, had den Franschman, in den russischen winter, de goudschijnende slangenhuid afgestroopt. Hij, die vroeger overal als meester gepocht had, kwam als bedelaar en schooier terug en deed een beroep op het duitsche raededoogen, en deze edele gezindheid kreeg de overhand boven den woedenden haat. Memand wilde de liand opheffen tegen den man, die van God geslagen was; het medelijden deed vergeten, wat hij misdaan had. Doch nauwelijks had de verkleumde slang zich weder hersteld in het warme duitsche bed, of zij liet ook de horens weder zien, en de rooverij zou weder beginnen, maar het spook in Nederduitschland was tot eene schim geworden , en die schim kreeg vleesch en been en kreeg een naam, en die naam werd luidkeels op de straat uitgeroepen: âOpstand tegen den menschenmoorder!'' â Dat was het veldgeschreeuw. Maar het veldgeschreeuw was niet het geschreeuw van een dag. Niet een troep onervarene jonge lieden : niet het janhagel op de straat begon daarmede ; neen! de besten en verstandigsten vereenigden zich, niet tot eene samenzwering inet wapenen en vergif, neen! tot eene verbroedering met weer en woord tegen aangedaan geweld; de ouden spraken het woord, en de jongere lieden zorgden voor de weer. Niet openlijk op de straat steeg de eerste vlam omhoog; â wij Nederduit-schers houden niet van vuur op de straat; â neen! een ieder stak het stil in zijn huis aan, en de buurman kwam bij den buurman en verwarmde zich aan den gloed. Niet gelijk een vuur van dennenhout en stroo, wat ten laatste slechts een hoop asch overlaat, steeg de laaie vlam ten hemel; neen! wij Nederduitschers zijn een hard hout, dat langzaam vuur vat, maar dan ook hette geeft. En in den toenmaligen tijd was geheel Nederduitschland een groote kolenoven, die heimelijk en stil smeulde en gloeide, tot-
â 128 â
dat de kolen doorgebrand waren; en toen zij vrij waren van rook en flikkervuur, toen wierpen wij ons ijzer in den kolengloed en smeedden er onze wapenen in, en de haat tegen den Franschman was de slijpsteen; die maakte ze scherp; en wat toen gebeurde, weet ieder kind op de straat, en mocht het zulks niet weten, dan is het Duitsche mannenplicht voor zijn vader, het hem zóó in te prenten, dat hij 't in zijn leven niet vergeet.
Ook in onze streken smeulde en rookte de kolenoven, en de Franschen roken 't in de lucht; zij voelden bij ie-deren voetstap, dat de grond, waarop zij marcheerden, onder hen beefde, als een met riet bezet moeras; zij moesten ondervinden, dat de anders zoo onderdanige amb tenaren en overheidspersonen begonnen zich te verzetten; zij zagen, dat burgers en boeren onwillig werden, en zij legden hunne hand nog zwaarder op het land. Dat was nu het middel niet, om den tegenstrevenden geest zachter te stemmen; het volk werd steeds weerbarstiger, de bevelen van en voor de Franschen werden met opzet verkeerd verstaan; wat anders glad gegaan was, werd nu eene verwarring. Taai als leder, verzette het volk zich door listen van allerlei aard, en de Franschen, die wel merken konden, dat hun bestuur hier weldra een einde zou hebben, namen wat zij maar grijpen konden, want de soldaat wist, dat zijne officieren het niet beter maakten.
Zoo spoedig als dit werkelijk geschiedde, konden zij trouwens geen openlijken opstand vermoeden Hadden zij t echter verstaan in de aangezichten te lezen, bij voorbeeld slechts in dat van den ouden bakker Witt, toen hij van des molenaars wagen uit de schuur teruggekomen was en nu over zijne onderdeur lag en zijne pijp rookte, en daarbij spuwde en de Franschen zoo kwaadaardig nakeek, zoo zouden zij zich in acht genomen hebben den boog al te
â 129 â
strak te spannen. Ten minste de Franschman, die daar juist voorbij ging en hem den meerschuimen pijpekop met zilveren beslag uit de handen rukte, en toen in zijn overmoed daaruit bedaard voort rookte, zou zich haastiger uit de voeten gemaakt hebben. Nauwelijks toch had de oude man den ruk in de tanden gevoeld, of hij stoof de deur uit; raapte zoo'n kleinen steen, van eene vuist dikte, op en legde dien den Franschman min of meer onzacht in den nek, zoodat zijn kop en zijn pijpekop in de goot rolden. En juist toen mijnheer de baljuw met, zijn stoet vrouwen op de markt aankwam, sloegen bakkersknechts en Fran-schen, en Franschen en boeren, met scherpe en stompe dingen op elkander, totdat er een officier bij kwam en hen uit elkander bracht. De oude bakker Witt werd met een bebloed hoofd naar 't raadhuis gesleept, want hij had zich aan de grande nation vergrepen, en of hij al zeggen mocht, dat de grande nation zich aan zijn pijpekop vergrepen had, 't hielp geen zier, bij moest mee.
Op het raadhuis zat de auditeur. Hij had den ouden molenaar Voss in 't verhoor van wege den weggeraakten Franschman; de mantelzak met het geld lag op de tafel; de overste Von Toll, en mijn vader, als burgemeester, waren daarbij tegenwoordig. Mijn vader had het voorval, zoo ver het hem bekend was, geheel naar waarheid verhaald. Slechts dat de horlogemaker, op zijn bevel, de Franschen had moeten bang maken , had hij verzwegen, want hij dacht: waartoe dat? â De horlogemaker zal het zelf wel zeggen, of indien hij 't niet zegt, moet hij toch, door mamsel Westphalen's getuigenis, vrij komen. Met den molenaar zag het er daarentegen slechter uit; hij was, van allen, die in de zaak betrokken waren, de laatste geweest, die den Franschman gezien had; hij had hem willen mede-nemen naar zijn molen, en de kerel was niet te vinden. quot;Wat in zijn .voordeel sprak, was dat hij zeer beschonken Reut'n-. Vrool. Gesch. 4e dr. 9
â 130 â
geweest was, en dal hij geheel uit eigen' beweging het geld had geleverd, en ook het paard van den âchasseurquot; door hem, zonder omwegen, werd aangewezen, als zich in de schuur van den bakker Witt bevindende. Toen hij dit een en ander mededeelde en uit mijns vaders vragen had kunnen opmaken, dat zijne dronkenschap hem van nut kon wezen, maakte hij daarvan eene vreeselijk uitvoerige beschrijving en bleef op alle vragen antwoorden, dat hij van niets wist, want dat hij echt dronken was geweest; maar als ze het Frederik vragen wilden, die moest alles weten.
Zóó stond de zaak, toen buiten op de markt de kloppartij met den bakker AVitt begon. Mijn vader liep de deur uit, om te zien, wat er aan de hand was, toen de oude quot;VVitt ook al nader gebracht werd, waarbij hij nu en dan een paar knepen met zijn geleide wisselde en voor zijn âgauwdieven en roovers,quot; een paar âbou-gresquot; en âsacresquot; terug kreeg. Daardoor, dat hij de rechtszaal ingeduwd werd, werd het daar binnen juist niet rustiger; hij schold en schimpte geweldig en mijn vader had alle moeite om hem maar half stil te krijgen. â pijpe-
kop, burgemeester! Een erfstuk van mijn vader! Wat? En nu dien zóó maar mij voor mijn oogen uit den mond te rukken! Wat? Ben ik een Stemhager burger, of niet?quot; De Franschen tierden en raasden daartusschen in; de overste Von Toll was naar buiten gegaan, en de auditeur gaf bevel, den bakker te binden, op den wragen te gooien en mee te nemen; het verdere zou zich wel vinden ; hij had den Franschman aangevallen, en dat was genoeg. Toen kwam mijn vader daar tegen op en zette hem uitéén, dat de bakker een eerlijk man was, dat hij lasten en krijgsschattingen gedragen had en zich niet tegen het Fransche bestuur, maar enkel tegen een gemee-nen gauwdief had geweerd; of begonnen nu de Franschen
â 131 â
ook al pijpekoppen, met zilver beslagen, als knjgscontri-butiën aan te zien? â Hierdoor had hij den Pransch-man erg op do teenen getrapt; hij snauwde mijn vader toe en deed hem gevoelen, dat ook hijzelf alles behalve heel veilig was. Mijn vader was een prikkelbare kerel, en wanneer hij éénmaal iets voor recht hield, was hij zoo hardnekkig als een echte Mekklenburger slechts zijn kan. Hij zeide dat hij wist, dat tegenwoordig geen eerlijk man in zijn eigen land, zeker was; docli, wat hem betrof, hield hij het voor zijn plicht, zijne burgers bij te staan in eene rechtvaardige zaak; en dat zou hij doen, al waren er ook zoo vele Pranschen in het land, dat men er de varkens wel meê voeren kon. â De Franschman schuimbekte van woede en gaf bevel, mijn vader terstond te arresteeren en de kamer uit te brengen. Toen dit nu gebeuren zou, sprong de oude bakker AVitt voor mijn vader op en liet oen paar maal âschooiers en schurkenquot; hooren, en ook de oude molenaar Voss was al bij de hand om zijne vuisten en zijn mondregister gereed te maken, toen de overste Von Toll weer binnenkwam, en vernemende, wat die beweging te beduiden had, zeide hij, dat de bakker in de pijpekops-historie gelijk had; hij had dit onderzocht, en dat gansche voorval was eene bijzaak; maar, de bakker was dezelfde man, die hete basse ur's-paard in zijne schuur had staan, en hem kwam het voor, alsof hier een moord in een groot complot begaan was, en bij deze woorden zag hij mijn vader zeer scherp aan, â en dat moest uitkomen, hij zette daar zijn leven voor te pand; en, zoo 't er hier niet uit te krijgen was, dan wist hij eene plek, waar het er wel uitkomen zou, en die plek heette Stettin.
Mijn vader, de molenaar Voss en de bakker Witt werden nu gelast, de kamer te verlaten en in eene andere kamer in verzekerde bewaring gehouden, en mijnheer do
â 132 â
baljuw werd binnen geroepen. De oude heer kwam in zijne geheele lengte opgericht en deftig, gelijk zulks voor een eersten ambtenaar met een goed geweten past, met zijn âZiegenhainerquot; in de hand, de deur binnen. Een der Franschen wilde de deur achter hem dicht maken, maar dat ging zóó niet; mamsel Westphalen wrong zich stevig door de deur en achter haar schoven Fieken en Car oliën in haar breed vaarwater mede naar binnen, want zij wilden ook niet, zoo als zij zeiden, tot spektakel voor de menschen tusschen al die leelijke Fransozen-ke-rels op den open gang staan; en mamsel Westphalen zeide, toen zij er doordrong: âMosjeu Fransoos, pardoen! Waar mijnheer de baljuw blijft, blijf ik ook, want hij is mijn steun.quot;
Toen de oude heer binnen kwam, keerde de overste zich om en zag het venster uit. De auditeur vroeg nu aan mijnheer den baljuw, door den tolk, wie hij was en hoe hij heette. â âIk ben eerste ambtenaar hier in het Stavenhager rechtsgebied en mijn naam is Jocliem Weber.quot; En dit zeggende, legde hij hoed en stok op den stoel. Bij den naam âJochem Weberquot; was het, alsof de Fransche overste scherp begon toe te luisteren; hij keerde zich half om en zag den ouden heer aan, en 't scheen, dat hij hem naar iets wilde vragen; doch hij liet het blijven en keek weder het venster uit.
Men beduidde nu mijnheer den baljuw, dat hij zou gaan zitten. âIk dank u,quot; zeide hij, âtot mijn gemak ben ik hier niet gekomen; en, verhoord te worden, is eene te ongewone zaak voor mij, om ze zittende te kunnen afdoen.quot; â Hij verhaalde thans, op de gedane ondervraging, alles wat hem van den chasseui bekend was. âEn,quot; zeide hij aan 't slot zijner rede, âindien iemand het den molenaar tot eene misdaad zou willen aanrekenen, dat hij dien kerel heeft helpen dronken
â 133 â
maken, dan ben ik zelf daarvoor verantwoordelijk, want op mijn bevel heeft de molenaar zich met die zaak bemoeid en ik heb over hem te zeggen.quot; â Hier begon de auditeur recht schamper te lachen en zeide dat het grappig was, dat eerst mijnheer de burgemeester voor zijn bakker en nu mijnheer de baljuw voor zijn molenaar verantwoordelijk wilde zijn. â âEn daar lacht gij om?quot; vroeg de oude heer, zoo bedaard, alsof hij met Frits Sahlmann te doen had. âIs dat in Frankrijk niet zóó? Zijn in uw land de ambtenaren alleen daartoe aangesteld, om de menschen het vel over de ooren te halen? kloeten zij hen niet in eene rechtvaardige zaak bijstaan? En is dat geene rechtvaardige zaak, als men zich een roover en gauwdief, die de overmacht heeft, met een paar flesschcn wijn van den hals schuift?quot; â Nu had de Franschman weêr eene gevoelige neep gekregen! Eoover en gauwdief en een Fransche chasseur, dat waren dingen, die niet te zamen konden rijmen, of, beter gezegd, niet wilden. De overste had zich van het venster afgewend en ging met groote schreden achter den ouden heer op en neder; de auditeur grauwde hem harde woorden toe; mijnheer de baljuw bleef bedaard, ging naaide tafel en haalde uit den mantelzak van den Franschman een zilveren lopel voor den dag, stak den auditeur dien toe en zeide: âZie eens hier, dit wapen! Ik ken het, en ik ken ook de lieden, die het voeren. D i e soort van menschen verkoopen hunne zilveren lepels niet, en naar mijne meening heeft een eerlijk soldaat wel wat anders te doen, dan handel te drijven met zilveren lepels.quot; â Hiertegen viel nu niet veel te zeggen ; de auditeur maakte dus een' geschikten zijsprong en kwam nu op den horlogemaker; hij vroeg den ouden heer, hoe die aan de Fransche uniform was gekomen en wat hij dien nacht op het slot te doen had gehad? â
- 134 -
âDaar vraagt gij mij te veel,quot; zeide mijnheer de baljuw; âik heb het hem uiet bevolen; ik heb hem enkel's avonds, toen de molenaar met den chasseur wegreed, vluchtig gezien, en dat hij 's nachts op het slot gebleven is, is buiten mijn willen of weten geschied.quot; De auditeur scheen wel te bemerken, dat er met den ouden heer niet veel te beginnen was, hij brak de zaak af en gaf mijnheer den baljuw te kennen, dat hij kon heengaan, doch dat hij zich niet uit het raadhuis zou verwijderen. âBest!quot; zeide de oude heer, en keerde zich om. âDus, totdat de zaak beslist is.quot;
Toen hij zich omkeerde en hoed en stok nemen wilde, had de Fransche overste zijn stok in de hand en keek op dien stok zóó strak en tevens zóó weifelend, als iemand die in de courant ziet, dat op zijn nummer het hoogste lot is gevallen. Op dien stok was ook werkelijk wat te lezen: hij was namelijk uit den Jena'schen studententijd van den ouden heer en onderscheidene namen waren er ingesneden. Mijnheer de baljuw zag den overste een oogenblik aan; daarop maakte hij zoo'n halve buiging, eenigszins uit de hoogte, voor hem en zeide: âMet uw verlof, mijnheer de overste, mijn stok.quot; â De overste zag een weinig verlegen op: gaf hem den stok, en toen de oude heer de kamer uitging, ging hij hem na. Mamsel Westphalen wilde hem volgen en Pieken en Carolieu maakten zich ook daartoe gereed, maar âAlt, alt!quot; schreeuwde de auditeur, en wie de deur niet uitkwamen, waren de drie vrouwen.
Mamsel Westphalen heeft naderhand dikwijls en op velerlei tijden van dit verhoor, en hare gewaarwordingen daarbij, verteld; maar altijd begon zij met te zeggen, dat zij temoede was geweest, alsof zij op den Staven-hager klokketoren gestaan had, en al de klokken, groot en klein, haar in de ooren hadden geklonken; en toen
â 135 â
mijnheel' de baljuw van haar weggegaan was, was het geweest, alsof eene witte duif uit een galmgat van den toren was gevlogen, die zij wel had willen naspringen op leven of dood; maar de kerel, dien ze voor een auditeur uitscholden, had haar aan haren rokrand vast gehouden. âEn,quot; liet zij er op volgen, âJuffrouw Stahl, ik heb wel een dozijn auditeurs gekend, die mijnheer de baljuw al te zamen geleerd heeft, en 't waren allen luchtige vogels; maar zoó'n bonten vogel en zoo'n gaIgevogel, als deze Fransche auditeur, was er niet bij, want, ziet gij, juffrouw Stahl; de kerel had een bonten livrei-rok aan, en de galg stond hem op 't gezicht.quot;
't Ging mamsel quot;Westphalen, zooals vele eerlijke zielen; zij hebben grooten angst voor een gevaar, dat in de verte dreigt, doch zijn er eenmaal raidden in, dan spelen zij er mede; ze zijn als de muggen; den rook kunnen zij niet verdragen, maar hot vuur trekt hen aan. Toen zij zag, dat de bruggen achter haar afgebroken waren, en dat de zaak ernst werd, zette zij hare handen in de zijden, ging naar voren en stelde zich juist op dezelfde plek, waar mijnheer de baljuw gestaan had. âWant,quot; zeide zij later, âik had gezien, hoe trotsch hij daar gestaan had, en zijn geest kwam over mij.quot;
De auditeur vroeg nu: wat zij van den horlogemaker wist? â âIk weet van hem niets, behalve dat hij een bederver van de taal is, dat hij voor brood âdu painquot;, en voor wijn âdu vinquot;, zegt; en dat is alles.quot; â Hoe hij in de Fransche uniform was gekomen? â â'k quot;Weet niet, hoe hij daarin komt, en 'k weet ook niet, hoe hij daaruit komt: dat zal hij wel zoo doen, als alle andere manspersonen.quot; â Waarom hij dien avond op het slot was geweest? â âOp het slot komen vele menschen, en louter eerlijke menschen, uitgezonderd die, die de gendarmes brengen; en als ik er mij om bekommeren moet,
â 136 â
wat die allen voornemens zijn te doen, dan kon de hertog mij wel tot baljuw aanstellen, en mijnheer de baljuw zou dan de keuken kunnen waarnemen.quot; â Waarom de horlogemaker dien avond niet naar huis was gegaan ? âOmdat het een weer was, waarin men geen hond de deur zou uitgejaagd hebben; veel minder een christen-mensch: en ik houd dien man voorloopig voor een christen , hoewel niet voor een echten; want, zoo als ik wel eens gehoord heb, gaat hij 's nachts op de hazenjacht, â i waarom niet bij dag, zoo als andere menschen? â en dan bedient hij zich van een zitbankje met één poot, dat hij zich van achteren vast gespt, en ieder ander christenmensch zit op een bankje met drie pooten; â en hij heeft onze Ca-rolien willen bewegen tot deze zotte mode op de melkplaats na te volgen, maar daar heeft ze hem op gediend; als dat mode was, in zijn land, dan kon hij met zoo'n paal achteruit rondloopen, zij wou bij 't melken niet voor uilenspiegel spelen.quot; â Maar, waarom zij toch den horlogemaker heimelijk in hare kamer had ontvangen? ââ Hier zweeg mamsel Westphalen stil; het bloed vloog haar in 't aangezicht over de onbeschaamdheid van dien Fran-schen kerel; dat was de vraag, die haar op de vlucht gejaagd en naar den rookzolder gedreven had. Toen zij echter, in den angst haars harten naar een antwoord zocht, kreeg zij hulp. Fiek Besserdichs en Carolien drongen tot haar door en schoten er nu op los. ,Dat zijn leugens! dat zijn stinkende leugens!quot; En zij wilden er op zweren, dat hare mamsel bij haar geslapen had, en zij zouden 't aan mijnheer den baljuw zeggen. En als het zóó beginnen moest, dan kon het, wat haar betrof, maar beginnen.quot; â 'tWerd een vreeselijk spektakel, en wanneer de auditeur nauwelijks stilte had verzocht, dan begonnen zij weder van voren af aan met scherpe aanmerkingen, totdat eindelijk het geheele gezelschap de kamer uitgebracht werd.
â 137 â
^Juffrouw Stahl, ' sprak mamsel Westphalen naderhand tot de vrouw van den wever: âgij weet dat ik mij altijd heb geërgerd over den lossen mond van Fiek; maar geen engel zou mij in dit oogenblik getrouwer hebben kunnen bijstaan, dan zij met haar kijven. Lieve juffrouw, de mensch moet nooit iets verachten, wat hem van tijd tot tijd lastig is: men weet niet, hoe het soms te pas komen kan; en daartoe behoort een goed mondwerk; dat zeg ik en daar bhjf ik bij. En ik zal er altijd aan denken, dat die deern mij zoo goed geholpen heeft.quot;
TWAALFDE HOOFDSTUK.
Waarom mijnheer de baljuw en de Fransdie overste elkander bijna yekust hadden; waarom mijne moeder den baljuw aan zijn jas trok, en de korsikaansche lintworm mijnquot;' vader e.n mijn oom Herse iceysleepte.
Toen mijnheer de baljuw uit de gerechtszaal ging, begaf hij zich regelrecht naar de andere zijde van den gang, naar eene plek, waar hij vóór en na dien tijd dikwijls gekomen was, naar de kamer mijner moeder; â want wij woonden in het raadhuis.
ilijne lieve moeder zat te naaien, en wij, kinderen, speelden om haar heen; want waar hebben kinderen tocli erg in? Zij was echter angstig en droevig gestemd; zij zat stil en hoorde wellicht het leven niet eens, dat wij rondom haar maakten, zij wist misschien nog niets van de onaangename zaak, waarin mijn vader gewikkeld was; want het was zijne gewoonte niet, zijn zorgen spoedig mee te deelen. Maar met eene goede vrouw is het eigenaardig gesteld: weet een degelijk man onmiddellijk van
â 138 â
waar de wind waait, â zoo weet eene goede vrouw nl lang te voren, dat er iets aan de lucht broeit.
De oude baljuw kwam dus bij haar in de kamer en zeide: âGoeden morgen, mijn lief kind! Hoe gaat het u? Veel beweging met al dat Pransche volk!quot; Mijne moeder reikte hem hare hand toe; zij hield veel van den ouden, eerbiedwaardigen man, die zoo menig uur bij haar zat, eu, met veel wijsheid, de ondervinding van zijne grijze haren voor haar uitstortte, en die tevens levendig en vroolijk genoeg was, zoodat er hier en daar een weinig poeder tusschen door stoof; als hij van zijn' studententijd in Jena vertelde, wat hij en zijn broeder, Adolf Diederik â âde professor juris utriusque in Rostock, kindlief!quot; â in een studentenclub zoo al uitgevoerd hadden. Mijne moeder stak hem hare hand toe, want opstaan kon zij niet; zij was in een zware ziekte verlamd geworden; en ik heb haar niet anders gekend, dan dat zij, in hare beste dagen op een stoel zat en naaide, zoo vlijtig, zoo vlijtig, alsof hare arme, zwakke handen gezond waren, en dat zij, in hare kwade dagen, te bed lag, en, te midden van haar pijn en smarten, in de boeken las. quot;Wat dat voor boeken waren, weet ik niet meer: maar romans waren 't niet, en dit alleen weet ik, dat de Marcus Aurelius van den ouden baljuw er bij behoorde; want dien moest ik heen en weer brengen.
Nu was de oude heer niet gewoon, vrouwen bang te maken, en, in plaats van over het spektakel in de gerechtszaal te spreken, begon hij liever met het slechte weder, en hij gaf juist eene beknopte beschrijving van de modderpoelen op de Stavenhager markt, â want die was toen nog niet bestraat, â toen de deur geopend werd en de Fransche overste binnenkwam. Hij maakte eene buiging voor mijne moeder en ging naar mijnheer den baljuw toe. â Wij, kinderen, hielden met spelen op en
â 139 â
kropen in den hoek bij de kachel op een' hoop bij elkaar, zooals de hoenders, als er een havik in de lucht is, en wij dachten zeker ook wel: âWat moet dat worden ?quot; Hetzelfde dacht mijne moeder waarschijnlijk ook; zij zag den ouden heer zoo angstig aan, omdat zich over zijn aangezicht eene uitdrukking van ernst en deftigheid verspreidde, die zij zóó niet van hem gewoon was. De Franschman scheen echter volstrekt niet barsch te zijn en er lag eene vriendelijke beleefdheid in zijn' toon van spreken, toen hij den ouden heer vroeg: âNeem mij niet kwalijk, ik hoorde straks in de gerechtszaal den naam âWeber;quot; heet gij Weber?quot; â âJochem Hendrik Weber,quot; zeide de oude heer en stond zoo rechtop als een paal. â âHebt gij niet een broeder, die Adolf Diederik heet â âAdolf Diederik, professor in Rostock,quot; antwoordde de oude heer, en verroerde geen lid. â âMijnheer de baljuw,'' zeide de Franschman, en hij strekte zijne beide handen naar hem uit; laat ons vergeten, wat er dezen morgen tusschen ons is voorgevallen; ik heb meer betrekking op u, dan gij wel meent. Ik heb op uwen stok een' naam gelezen die mij diep in 't harte geschreven is. Zie eens, hier: âRenatus Von Toll.quot; â âNu, kent gij dien man ?quot; vroeg de oude heer, en 't was alsof in zijn gelaat een schoon morgenrood opdaagde. âZou ik hem niet kennen!quot; riep de overste uit; â âhij is mijn vader.quot; â âMan!quot; zeide de oude heer: âman! â wat zegt gij ?quot; En hij schoof den overste een eind van zich af en keek hem in de oogen; âzijt gij de zoon van Renatus Von Toll?'' â âJa! en hij heeft mij dikwijls en veel van zijne beste vrienden verteld; van de beide Weber's, van de beide lange Mekklenburgers.quot; â âKindlief,quot; riep de oude heer, zich tot mijne moeder wendende, âvan wien heb i k u verteld ? â het meeste verteld ? â Niet waar ? Van den braven quot;Westphaler, van Renatus?quot; Mijne moe-
â 140 â
der knikte met het hoofd. Er was zoo iets in de blijdschap van den ouden heer, wat haar de tranen in de oogen deed komen; en wij, domme kinderen, kropen ook van achter de kachel uit, en werden vrijmoediger, en 'twas ons, alsof iemand van de naaste familieleden t'huis gekomen was, â â Jongske, jongske!quot; riep de baljuw, ,'k had u moeten kennen, als maar die vervloekte Fransche uniform... Neen, wees bedaard! Dat wou ik niet zeggen,quot; voegde hij er schielijk bij, daar hij bemerkte, dat den overste het bloed naar 'taangezicht vloog, âzeg eens, heeft uw vader nog die lichte, bruine oogen? En heeft hij nog dat bruine krulhaar ? â Een kostelijk mensch, kindlief!quot; sprak hij tot mijne moeder, âeen mensch, wien onze goede God den naam man op 't voorhoofd geschreven heeft!'' â De overste zeide nu, dat zijn vader nog wel dezelfde bruine oogen had, maar dat het bruine haar al verbleekt was. â âJa wel,quot; sprak de baljuw, âdat moet wel zóó wezen; Adolf Diederik's haar is ook al grijs. âMaar nu, manlief, ga nu met my naar het slot en blijf een poosje bij mij. God weet het, 't is de eerste maal, dat ik een Fransch officier uitnoodig, bij mij te blijven. Maar gij zijt toch eigenlijk geen Fransch officier; gij zijt immers een Duitscher. De zoon van RenatusVon Toll kan niet anders dan een braaf Duitscher zijn.quot; Mijne moeder, die zag, hoe de overste, by de woorden van den ouden heer, nu rood en dan bleek werd, wenkte hem met de oogen toe, maar, te vergeefs; en toen hij iets dichter bij haar kwam, trok zij hem zachtkens aan zijn jas; dat hij zwijgen zou. â Nu draaide de goede man zich even om, en vroeg haar: âKindlief, waarom trekt ge me aan mijn jas?quot; Thans was de beurt om rood te worden, aan mijne moeder. De overste had zich echter in dien tusschentijd hersteld; hij boog zoo half voor mijne moeder en zeide op ernstigen en bedaarden toon
â 141 â
tot den ouden heer: âMijnheer de baljuw, uwe uitnoo-diging moet ik afslaan, want ik moet over een half uur marcheeren; en, wat deze uniform betreft, die u niet bevalt, ook niet bevallen kan, â dat wil ik toegeven, â ik wil haar toch niet onteeren, door haar uit te trekken in de ure des gevaars. Gjj zegt, dat ik een Duitscher ben, dat mijns vaders zoon een Duitscher wezen moet,â gij hebt gelijk; â doch, zoo gij het mij als eene misdaad wilt aanrekenen, dat ik op de tegenovergestelde zijde sta, zoo moet gij hiermede geen beroep op m ij n geweten doen, maar op dat van mijn' landsheer. Toen ik soldaat werd, stond de keurvorst van Keulen in bondgenootschap met den keizer, en toen ik, voor vier jaren, naar Spanje moest gaan, huldigde hem geheel Duitschland, met al zijne vorsten. Sedert drie weken ben ik terug uit Spanje en ik vind Duitschland anders dan het geweest is; â wat mij door 't hoofd en door 't hart gegaan is, is mijne zaak, en indien ik daarover met eenig mensch spreken moest dan kon het slechts met mijn' vader geschieden: voor den besten vriend uit mijns vaders jeugd moet dat voldoende zijn: 'tis meer, dan ik nog ooit in mijn leven tot eenig ander mensch over deze aangelegenheid gesproken heb.quot;
Terwijl hij deze woorden sprak, stond de oude heer voor hem, en hij zag hem scherp in de oogen, en schudde nu en dan het hoofd; doch toen hij bespeurde, dat over het gelaat van den overste zulk een ware, trouwhartige ernst verspreid lag, zochten zijne oogen een ander punt, en bij het slot der woorden van den overste, zeide hij: âDat is dan eene andere zaak!quot; Daarop keerde hij zich om, naar mijne moeder en sprak: âKindlief, de man heeft gelijk. De zoon van Reimtus Von Toll heeft gelijk, 't Is maar jammer, dat hij gelijk heeft!quot; Daarop nam hij de hand van den overste en vroeg: âMijn lieve jonge vriend, kunt gij waarlijk hier niet blijven?quot; En toen de officier
â 142 â
hem verzekerde, dat dit onmogelijk was, riep Inj mij. âFritszeide hij, âjongen, je kunt al eene boodschap doen; loop eens naar Netje, naar de vrouw van don baljuw, en zeg haar, dat zij hier moet komen, dat hier een verblijdend voorval heeft plaats gevonden; hoor je wel! een verblijdend voorval. Anders maakt zij zich ongerust, kindlief,quot; zeide hij tot mijne moeder.
Nu, ik liep dus, wat ik loopen kon, naar het slot; en het duurde ook niet lang, of de vrouw van den baljuw ging naast mij; bedaard en zacht, zoo als 'thare gewoonte was; en ik huppelde, als een kwikstaartje, om haar heen, zoodat zij maar werk had, mij voor de paarden en wagens te hoeden.
Toen wij de markt over gingen, waren de Franschen druk bezig, zich voor den afmarsch gereed te maken; de kanonnen stonden met paarden er voor, in orde, en het bataljon stond in 't gelid, en men kon zien, dat het er op losgaan zou. De vrouw van den baljuw ging in liet raadhuis, doch zij zou niet ver komen, want op den gang-werd zij door mamsel Westphalen en de beide dienstmeiden aangehouden; en eer zij het zelve wist, stond zij midden in het kluwen van de moordenaars en doodslagers , bij den bakker Witt, en Droi, en den molenaar Voss; en ieder vertelde haar zijne zaak, en om dit kluwen wonden zich nu nog de vrouw en de kinderen van mijnheer Droi, met beden en tranen, en juffrouw Stahl hield mamsel Westphalen van achteren aan haar japon vast, en stelde zich aan, alsof die goede ziel in 't water wou springen, en zij haar voor zelfmoord moest bewaren. De bakker Witt schoot zoo af en aan nog eens een âgauwdiefquot; los, maar 't halve vuur was toch maar in hem, en toen hij het gejammer van de vrouw van den horlogemaker gewaar werd, viel hem zijn eigen' huishouding-in en hij riep mij. âFritsjezei hij, âloop eens gauw
â 143 â
naar mijn huis, mijn jongen; ge zult er een suikerkransje voor hebben; en roep mijn Johan en mijne dochter, de vrouw van Struwing, eens, en zeg hun, dat zij eens komen over-loopen, want dat die gauwdieven, die Fransozen, mij nu ook wel zouden kunnen meenemen naar hun godvergeten land, gelijk zij 't vroeger al met mijn vijfjarig bruintje gedaan hebben.quot;
Ik deed de boodschap, en toen ik met Johan en vrouw Struwing en het suikerkransje terugkwam, stond Hendrik Voss, de neef van den molenaar, met de oude molenaarsvrouw en Fieken Vossgt; al voor het raadhuis met zijn' wagen stil, want de armee-gendarmes hadden ten laatste toch den rechten weg naar den Gielowschen molen gevonden, en daar het geheele nest uitgehaald.
Nu begon dus het gejammer en geschrei van voren af aan. De eenige, die bedaard bleef, was Fieken. Zij vroeg zachtkens aan haren vader: âHebt gij het geld afgegeven?quot;' â De oude molenaar wees naar de gerechtszaal en zeide: âDaar ligt het.quot; â âVader, wees dan maar getroost; onze goede God zal u niet verlaten.quot;
Mijn vader was al dien tijd stil en in zich zeiven gekeerd op en neer gegaan; 't moest inwendig niet rustig bij hem wezen, want telkens stond hij stil en greep zich in het haar, als hij liet schreien van de vrouwen hoorde; eenmaal ging hij naar mijnheer Droi en zeide, dat hij niet bang moest zijn, want dat het er voor hem niet zoo erg uitzag.
Mijnheer Droi knikte met het hoofd en zeide: âbon!quot; Hij werd een' heelcn duim grooter, strekte het ééne been naar voren en zette welgemoed zijn arm in de zijde.
Nu moest alles wel zoo ver in orde zijn, want de adjudant riep den overste uit de kamer mijner moeder, en toen die er uitkwam, was zijn voorkomen veel vriendelijker en hij ging met mijnheer den baljuw naar do
â 144 â
gevangenen. Hij gaf nu bevel, dat mamsel Westplialen en de beide dienstmeisjes in vrijheid gesteld zouden worden en mamsel quot;Westphalen dook driemaal met eene nijging onder en zeide: âIk bedank u wel, overste Von Toll.quot; â Mijnheer de baljuw kreeg zijne lieve vrouw in den hoop te zien, en maakte haar ook vrij, en terwijl hij haar den overste voorstelde en haar mededeelde wat er gebeurd was, kommandeerde de adjudant: âMarsch! ' En de molenaar Voss, de bakker Witt en mijnheer Droi zouden naar buiten gebracht worden. Fieken van den molenaar had den arm van haren vader gevat en wilde hom niet loslaten, en toen zij met geweld van hem afgerukt werd, bleef zij volkomen bedaard en zeide; âVader, waarheen ze u ook brengen mogen, ik blijf toch bij uquot; â Met den ouden bakker ging het gemakkelijker: hij spuwde driemaal voor zich uit, schoot nog een paar âgauwdieven,quot; luk of raak, in de lucht af; gaf nogkor-telijk aan Jolian eenige inlichting omtrent de zaken, en ging de deur uit. Maar erger was het met den horlogemaker; zijne vrouw en zijne kleine kinderen klemden zich aan hem vast en jammerden iu het Duitsch en in 't Fransch, dat een steenen hart er van moest breken. Nu kon mijn vader het niet langer uithouden: hij trad voorwaarts en vroeg, waarom de horlogemaker gevankelijk weggevoerd moest worden? De man was een gezeten burger, wien men nog nooit iets ten laste had kunnen leggen; dat hij op het slot dien nacht geslapen had, kon niemand hem als eene misdaad aanrekenen, want de overste en zijn adjudant hadden er immers ook geslapen; en. dat hij eene Fransche uniform had, was natuurlijk. dewijl hij onder de Franschen had gediend; en dat hij ze nu en dan aantrok, dat konden de Franschen hem toch niet kwalijk nemen, want de man bewees hierdoor, dat hij nog met lust en liefde aan den tijd dacht
â 145 â
tgen hij ze in hunne rijen gedragen had. â Hij had de uniform misbruikt, schreeuwde de adjudant daartegen in. â Mijn vader riep, dat zulks niet waar was; â liet was geen misbruik, zoo iemand zich door eene onschuldige list roovers en schurken van 't lijf hield, en het bewijs dat zij met die soort te doen gehad hadden, was in den mantelzak van den Franschman te vinden.
De adjudant zag mijn' vader woedend en kwaadaardig aan, alsof hij hem gaarne zijn' degen wilde doen voelen, de overste trad nader met een gelaat, waarin een geheel onweder opkwam, en hij wenkte met de hand, dat men den horlogemaker weg zou brengen; doch mijn vader, die zijn toorn nu niet langer bedwingen kon, sprong naar voren en riep: âHalt, die man is onschuldig: en zoo hier iemand schuld heeft, dan beu ik het, want op mijn verlangen en bevel heeft hij dat alles gedaan: indien hier iemand gearresteerd moet worden, dan beu ik het.quot; â âDat kan geschieden!quot; sprak de overste kortaf. âLaat dien man los en neemt dezen hier!'' -â âKindlief, riep mijnheer de baljuw hem toe, âwat doet gij?quot; â âMijn plicht, mijnheer de baljuw,quot; zeide de overste, hem de hand gevende. âVaarwel, mijnheer do baljuw; mijn tijd is verstreken.quot; Met die woorden ging hij het huis uit.
De geheele zaak ging zoo schielijk in 't werk, dat de meesten volstrekt niet wisten, wat er van was; ik wel liet allerminste, want ik was nog maar een kleine dreumes; ik begreep echter al zóó veel, dat mijn vader een misslag had begaan en er nu leelijk in zat. Natuurlijk begon ik dus te schreien en toen de kleine Droi's hunne tranen droogden, liepen de mijnen mij langs de wangen. Ik drong mij achter mijn vader door, toen hij naar de straat werd voortgeduwd; ook de baljuw volgde. âMijnheer de baljuw,quot; zeide mijn vader, âtroost gij mijne arme vrouw! en, Frits,quot; riep hij mij Reuter. Vrool. Gesch. 4e dr. 10
toe, âhaal je mijn hoed eens.quot; â Ik liep naar binn«n om zijn1 hoed te halen, en toen ik hem dien bracht, beurde hij mij op, gaf mij een kus, en fluisterde mij toe. âZeg aan moeder, dat ik gauw weer hier kom.quot;
Nu ging de stoet op weg: twee man vóórgt; twee man achter, en in het midden de molenaar Voss, de bakker Witt en mijn vader. Toen zij voorbij het brandspuithuisje kwamen, werd de deur geopend, en wie kwam er uit? Mijn oom Herse, ook met twee man, want hem had de artillerie-overste voorloopig daarin laten opsluiten , van wege het wegloopen van de boeren.
âGoede God!quot; zeide mijn vader, âraadsheer Herse, wat beteekent dat met u?quot; âVoor 'tvaderland, burgemeester!quot; riep mijn oom Herse; â âik heb mij met mamsel quot;Westphalen in eene samenzwering ingelaten en nu heeft de korsikaansche lintworm mij in zijne klauwen; maar eigenlijk is 't wegens het rijtuig van den molenaar en die ellendige domme boeren.quot; â Zij deelden nu elkander in 't kort hun wedervaren mede, en mijn oom Herse ging met zijn1 driekanten hoed en zijn geborduurden kraag zoo deftig de straat af, alsof hij het geheel komman-deerde. Mijn oom Herse was geen lafaard; hij was niet bang; hij beschouwde dit als zijn grootsten eeredag, en alsof hij 's nachts, na den regen, nog twee duim was opgeschoten, ging hij met opgerichten hoofde de Bran-denburgsche straat langs, en groette rechts en links, joden en christenen. Hij wenkte den brandspuitmeester Tröpner met de oogen toe, om toch niet te verraden, wat hij wist, en hij legde den vinger op zijn' mond, toen hij den jood Salomo voorbijging, tot een teeken dat hij moest zwijgen; en ter nauwernood was hij de poort uit, of de oude wever Stahl vertelde overal, dat de Fransozen den raadsheer hadden medegenomen, omdat zij een
â 147 â
generaal van hem wilden maken; maar de anderen zouden wel opgehangen worden.
DERTIENDE HOOFDSTUK.
Waarom Frits Sahlmann in de modder valt, de schoenmaker Bank een stomp met een geweerkolf krijgt, en de raadsheer Heuse al de molens in H geheels land in brand wil steken, en waarom de Koning van Pruisen voor den raadsheer altijd een couvert gereed houdt.
Toen onze gevangenen uit do Brandenburgsche poort kwamen, marcheerden zij, met hunne twee man achter en twee man vóór, den ouden Brandenburgschen weg op, â straatwegen waren er toen in Mekklenburg nog niet; â en toen zij in den hollen weg kwamen, die naar den molenberg leidde, en dien de Stavenhager burgers den âpaardendoodquot; of ook wel, âhalsbrekerseindequot; noemden , kommandeerden de manschappen van de wacht: âhalt!quot; want verder konden zij volstrekt niet komen. De gansche kanonnen-trein lag in den hollen weg en was daar blijven steken, en indien alle paarden uit de stad en uit het geheele rechtsgebied, die nu niet daar waren, als voorspan bij de hand waren geweest, zij zouden dezen ongeluksklomp niet uit de klei gekregen hebben. Daar zaten nu de Franschen en foeterden en sakkereerden. De daglooners uit de stad werden met houweelen en spaden er bij gehaald en versche paarden werden uit de ridderschap, uit Jurusdorf en Klaukow, daarheen gekomman-deerd, en steeds regende het, dat niemand een' drogen draad aan het lijf hield. âVader Voss,quot; zegt de bakker Witt,
â 148 â
âwat is dat een regen!quot; â âMooi weer voor de late gerst;quot; zegt de oude Voss, âals iemand ze al gezaaid heeft.quot; â âIk kan mijn hemd wel uitwringen,'' zegt de bakker â âEn mijne laarzen loopen zachtjesaan al vol,quot; zegt de molenaar. â âMijnheer de burgemeester, ga wat achter mijn1 mantel staan, om te schuilen,quot; zegt mijn oom Herse, en hij maakte zich nog een beetje breeder, dan hij van nature was: â âik verheug mij maar, dat deze tiran-nenknechten ook door en door nat worden.quot;' â Mijn vader ging achter den mantel staan, maar hij zeide niets, want hij had iets in 't oog gekregen.
Boven, op den-rand van den hollen weg, stonden allerlei lieden, daglooners, knechts en burgers uit Stavenhagen, die in weerwil van regen en slecht weder, uit nieuwsgierigheid en deelneming achter den stoet medege-gaan waren, en tusschon dien troep kroop Frits Sahlmann heen en weer en vertelde aan dezen en genen, die quot;t nog niet wist, de geheele toedracht der zaak. Toen mijn vader hem gewaar werd, stond hij juist by den ouden in-spektor Brasig uit Jurusdorf, die te paard gekomen was en met de Pranschen moest rijden, opdat zij zijne paarden niet voor goed zouden medenemen. â De oude in-spektor Brasig was een zeer goed vriend van mijn' vader, en toen Frits Sahlmann een poosje verteld had, kon mijn vader duidelijk zien, dat de oude Brasig hem toeknikte en den jongen iets influisterde. Frits Sahlmann stak nu zijne handen in de zakken, en begon een beetje te fluiten; hij floot totdat hij boven aan den rand van den hollen weg was, en floot tot hij weer beneden was; en toen hij bijna beneden was, bleef hij met groote behendigheid achter een' wortel van een' ouden wilgeboom hangen en struikelde heel natuurlijk naar de gevangenen toe, en toen hij dicht bij mijn vader was, viel hij, alsof 't volstrekt niet anders wezen kon, in de modder. Mijn vader
â 149 -
bukte en hielp hem overeind. âLet goed op dat paard 1quot; zeide de jongen, maar hij werd dadelijk door de Fran-schen uit den kring weggejaagd en klauterde weder tegen den kant op.
Was mijn vader te voren al half oplettend op den in-spektor en den jongen geweest, zoo werd hij dat nu nog meer. Hij zag, dat de oude Brasig van het paard steeg, met zijne rijzweep klapte en die Frits Sahlmann in de hand gaf; hij zag, hoe de jongen nu het paard begon te leiden, steeds op en neêr, maar steeds dichter bij den rand, totdat hij eindelijk achter een' hollen wilgeboom stilhield, alsof hij daar tegen den regen een schuilplaats wilde zoeken. Van hier uit, gaf hij mijn' vader een teeken en mijn oude heer, die achter den breeden rug van mijnheer Herse schuilde, deed, alsof hij het water van zijn hoed wilde afschudden, en wuifde hem driemaal daarmee toe.
Eene korte poos duurde het, toen kwam van den hoek waar de Ivenacker weg in den Brandenburgschen landweg uitloopt, eene groote koets aanrijden; er zat een generaal in, die den vorigen nacht bij den Ivenacker graaf in kwartier had gelegen; de koets reed nu ook den hollen weg op, en toen ze aan de plek kwam, waar het transport was blijven steken, kwam daar verwarring onder de soldaten; zij moesten voor de koets uit den weg gaan, en nauwelijks werd mijn vader dit gewaar, of hij vloog, als ware hij uit een pistool geschoten, achter des raads-heers mantel uit, naar de andere zijde van de koets, tegen den kant op, achter den ouden wilgeboom, trok Frits Sahlmann zweep en teugel uit de hand, sprong op het paard en, â heb ik van mijn leven zoo iets gezien! â holde den berg af.
âFeu, Feu!quot;. schreeuwden de Franschen; âknak! knak!quot; zeiden de hanen; en âmisgeschoten!quot; antwoordde
â 150 â
liet oude geweerslot, want het kruit was zoo nat, als het koffiedik van juffrouw Stahl, de oude weversvrouw.
Een oogenblik was het, toen de Stavenhager burgers hunnen burgemeester zoo over het veld en de slooten zagen voortjagen, alsof zij hem een vroolijk hoera wilden naroepen, en de schoenmaker Bank begon al: âLeve onze burgem.toen hem een Fransche geweerkolf tusschen de schouders werd geduwd, zoodat hij slechts dien wenk behoefde op te volgen, om in allerijl onder aan den berg aan te komen; de anderen gingen hem na, en in een oogenblik was de rand ledig, met uitzondering van den inspektor Brasig, die tegen een wilgeboom leunde en daar heel bedaard zijn pijp rookte. Het zij nu dat niemand had bemerkt, dat hij te paard was gekomen , of dat de Franschen duidelijk gezien hadden, dat hij niets met de zaak te maken had gehad, daar hij ver van zijn paard af stond, althans hem werd niets gezegd. De drie overige gevangenen kregen echter dubbele wachten en werden uit den hollen weg naar het vrije veld opgebracht en van daar, omdat dit toch een weinig droger was, onder den ouden windmolen ') naar welken de berg zijn naam heeft.
Hier zaten zij nu rug tegen rug op een molensteen en redeneerden. âVoor den burgemeester is 'tgoed,quot; sprak de oude quot;Witt, en hij kamde zijne natte haren met den koperen kam naar achteren; âdat hij op die manier vrij is gekomen, maar voor ons is 'terg, want nu zijn wij, als de bijen, zonder koningin. Hij zou ons bij slot van rekening toch nog wel vrij gekregen hebben/' â âJa, vader Witt, dat moogt ge wel zeggen,quot; zeide de oude molenaar Voss, en hij knikte den inspektor Brasig toe,
') B u c k m a h 1 is het oorsproukelijke woord. â 't Is een â windmolen op schragen,â waaronder men dus schuilen kan. Vekt.
â 151 â
die zich ook onder den molen had geplaatst. â âHm! ' bracht oom Herse daartegen in. â âVriend Witt! in stedelijke aangelegenheden is hij recht t'huis, dat zal ik niet tegenspreken; maar, in oorlogszaken, wat het militaire betreft, daar heeft hij zich nooit meê bemoeid, daar weet hij even zooveel van als .... als. ..â âAls gij en ik, mijnheer Herse,quot; zeide de oude molenaar Voss, zonder daar verder iets bij te denken. â âMolenaar Voss,quot; hernam de raadsheer, zich deftig oprichtende; âieder spreekt voor zich zeiven en niet voor de anderen. Wat gij daarvan verstaat, weet gij sedert gisteren middag; want gij en de oude baljuw en de burgemeester, hebben ons in de zaak gewikkeld; en als ik er mij niet meê bemoeid had, dan zat die goede mamsel Westphalen hier ook op den steen te klappertanden. Wat ik daarvan weet zal ik u spoedig toonen. Kent gij Jahn?quot;' âMeent gij den ouden Jahn van de Peenhuizen, die voor mijne vrouw potten en pannen kramt?quot; â âOch, loop! den Turner-Jahn meen ik; die op dit oogenblik in Berlijn is; den zwager van Kolloff in Luwkow.quot; â âNeen, die man is mij onbekend.quot; âNu, luister dan. Deze Jahn gaat eens met een' student in Berlijn de straat over en komt aan de Brandenburger poort, â want ze hebben in Berlijn even zoo goed een Brandenburger poort, als wij in Stemhagen, âen hij wijst naar boven, waaide godin der overwinning vroeger gestaan heeft, die de Franschen meegenomen hebben, en nu vraagt hij dien student, wat hij daarbij wel denkt. â âNiets,quot; antwoordt deze. Klets! krijgt hij een draai om de ooren.quot; â âDat was brutaal,quot; zegt de oude molenaar. â âJa, mijnheer Herse,quot; zegt de bakker, âik heb ook eene verduivelde losse hand, maar... quot; â âLaat mij toch uitvertellen!quot; zegt mijn oom Herse; âSinjeur pronker, sprak Jahn tot den student, daar die over de oorvijg zeer verbaasd
â 152 â
stond, âdit is een aandenken yoor 't niets denken. Gij hadt daarbij behooren te denken, dat wij de godin dei-overwinning uit Parijs moeten terug gaan halen.quot;â âJa, maar .. .zegt Witt. â âMaar, dat is dan toch ... zegt de molenaar. De raadsheer liet hen echter niet aan 't woord komen, en wendde zich dus tot den molenaar: âNu vraag ik u, molenaar Yoss, als gij dezen molen zoo aanziet, wat deukt gij daarbij â âMijnheer Herse,quot; zegt Voss, terwijl hij opstaat en een beetje op een'afstand blijft, âMijnheer Herse, gij zult mij toch niet zóó trak-teeren?quot; â âIk vraag u alleen maar, vrind Voss, wat gij daarbij denkt?quot; â âWel,quot; zegt de molenaar en kijkt den molen van boven tot beneden aan: â âwat moet ik daarbij denken? ik denk dat het een oude kavalje is, en dat er in 't voorjaar nieuwe wieken aan moeten, en dat, als de steenen boven niet beter zijn, dan die, welke hier beneden ligt, de Stemhagers dan drommelsch veel zand met hun meel zullen moeten verteren.quot; -â âEn daarin hebt ge gelijk, oude!quot; zegt de bakker. â ,En daarin heeft hij ongelijk!quot; roept mijn oom Herse; âals hij juist geantwoord had, dan had hij moeten zeggen: de molen moet in brand gestoken worden. En hij zal in brand gestoken worden; al de molens in 't heele land moeten in brand gestoken worden.quot; Dit zeggende, stond hij op en ging met groote stappen om den molensteen rond. â âDe hemel moge ons bewaren!quot; zegt de molenaar Voss, âwie zal die schanddaad uitoefenen?quot;
âIk!quot; zeide oom Herse en sloeg zich voor de borst en ging dichter bij de beide anderen, die volstrekt niet wisten, wat zij er van denken moesten, en fluisterde hun toe: âWanneer de landstorm uitrukt, dan steken wij al de molens als vuurbakens aan; men noemt dat een fanaal, en 't beste bewijs, dat jelui niets van den oorlog begrijpt, is, dat jelui niet eens weet, wat een fanaal is.quot; â âMijn-
- 153 â
heer de raadsheer,quot; zegt Voss, â'tis mij alles egaal, of het een fanaal, of een kanaal, of eene andere aal is; maar, wie mijn' watermolen in brand steekt, die zal er niet gemakkelijk afkomen.quot; â âAVindmolens, windmolens, meen ik, molenaar Voss: wie praat toch van watermolens? quot;Watermolens liggen in den grond en branden niet. En nu vraag ik jelui, heeft de burgemeester wel kennis en courage, om in oorlogstijden zoo- te handelen, als ik?quot; â âDat hij molens in brand wil steken, heeft hij niet gezegd,quot; zeide de bakker en hij keek den raadsheer eenigszins twijfelachtig aan, alsof hij niet wist, of dat ernst of scherts moest beteekenen. â âMijn lieve Witt, gij kijkt mij aan, zooals de koe de nieuwe poort aankeek; gij verwondert u over mij en denkt: wat wil zoo'n Stemhager raadsheer? Wat weet die van krijgskunst? Mijn lieve Witt, gij kneedt uw deeg met de vuist in een' baktrog, ik kneed het mijne met overleg in mijn hoofd. Indien ik geplaatst was, waar ik t'huis behoorde, dan stond ik voor den koning van Pruisen en 'k sprak met dien man. âMajesteit,quot; zou 'k zeggen, âgij zijt, geloof ik, een beetje in verlegenheid.quot; â âHoe kan het anders, raadsheer.quot; zegt hij â âik ben op dit oogenblik heel slecht bij kas.quot; â âIs 'tanders niet? zeg ik. âDat is eene kleinigheid! Geef mij slechts eene volmacht, dat ik doen kan, wat ik wil, â licentia poëtica heet dat in 'tlatijn, molenaar Voss, â en een regiment grenadiers van de garde.quot; âDie zult gij hebben; mijn lieve raadsheer,quot; zegt de koning, en ik laat het heele jodendom uit al zijne staten op het slotplein in Berlijn bij elkaar komen, zet het slot af met mijne grenadiers en plaats mij aan quot;t hoofd van eene kompagnie, waarmee ik het slotplein op marcheer. âZijt gij nu allen hier?quot; vraag ik aan de joden. â âJa,quot; zeggen zij â âWTilt gij nu vrijwillig, vraag ik hun, âde helft van uw ver-
â 154 â
mogen op het altaar des vaderlands ten offer brengen ?quot; â âDat kunnen wij niet,quot; zegt de een, âdan zijn we ge-ruweneerd.quot; â âWilt gij, of wilt gij niet?'' vraag ik. âGeef acht!'' kommahdeer ik. â âMijnheer de raadsheer,quot; zegt een ander, âneem een vierdepart.quot; â âGeen' groschen minder dan de helft.quot; zeg ik. âMaakt u gereed!quot; â âWy willen immers!' schreeuwden de joden â âMooi zoo!quot; zeg ik. âGaat dan nu één voor één naar boven, naar de witte zaal; daar zit Zijne Majesteit de koning op den troon; en legt daar één voor één uw geld voor de trappen van den troon neder.quot; â Als zij allen boven geweest zijn, ga ik ook naar boven. âWel!'' zeg ik, âUwe Majesteit, hoe is 't nu?' â âOpperbest, mijn lieve raadsheer!quot; zegt hij. âAls't andere ook maar zóó was!quot;' â âDat zullen wij krijgen!quot; zeg ik. âGeef mij maar een stuk of twintig regementen infanterie, tien rege-menten kavallerie en zooveel kanonnen, als gij op dit oogenblik kunt missen.quot; â âDie zult gij hebben,quot; zegt de koning. â âKostelijk!quot; zeg ik, en 'kmarcheer niet mijne soldaten af, altijd door weiden en draslanden en jonge dennebosschen, de flanken steeds gedekt. Ik ruk op Hamburg aan; den prins Eckmühl overval ik; hij wordt vóór mij gebracht. âRicht eens eene zeer hooge galg op!quot; zeg ik. â âGenade!quot; zegt hij. â âNiets komt er in van genade!quot; zeg ik. âDat is daarvoor, omdat jij hertog van Mekklenburg hebt willen worden!quot; â â âIk smeek u, om Gods wil, mijnheer Herse,quot; zegt Voss, âpraat toch niet zoo, dat het u en ons den hals zou kosten ; denk maar eens, als die kerels daar wat van verstaan konden.quot; âDat zou verduiveld gek wezen!quot; hernam mijn oom Herse, en keek de Franschen langs de rij aan, doch toen hij zag, dat zij geen acht op hem sloegen, zeide hij; âgij zijt een oude bloodaard, baas Voss, die kerels verstaan geen platduitsch. â Alzoo: ik hang hem
â 155 â
op, en ruk links op, naar 't Hannoversclie en val hem zelf, den Korsikaan .. .. nu! jelui weet het, men''k meen,... . in den rug. Al het andere is maar gekheid; in den rug aanvallen, dat is de hoofdzaak. â Een groote slag! Vijftien duizend gevangenen! Hij zendt een trompetter naar mij toe: âWapenstilstand!quot; â âDaar kan niets van komen,quot; zeg ik; âvoor de aardigheid zijn wij niet hier.' â âVrede!quot; laat hij mij zeggen. â âBest!quot; zeg ik âRhijnland en quot;VVestphalen, de geheele Elzas en Lotharingen.quot; â âDat kan ik niet!quot; zegt hij âmijn broeder moet daarvan leven '' â Dus weder voorwaarts! Ik trek rechts op en herstel de rust in België en Holland; op ééns zwenk ik links af. âDat mag de drommel weten!quot; zegt hij; âdaar brengt het ongeluk dien sakkerrnentschen raadsheer weder in mijne achterhoede!quot; â â't Eerste regiment grenadiers, velt quot;t geweer!quot; kommandeer ik, de I batterij wordt genomen, âquot;t Tweede regiment huzaren, voorwaarts!quot; â Hij waagt zich met zijn generalen staf te ver, en, wip! hebben de huzaren hem bij de lurven. âHier is mijn degen!quot; zegt hij. âKostelijk!quot; zeg ik. âGa gij nu maar mee. En gij, kinderen. kuut nu rustig naar huis gaan; de zaak is afgedaan.quot; â Ku breng ik hem geboeid aan den voet van den troon; âUwe Majesteit van Pruisen, hier is hij!quot; â âMijnheer de raadsheer;quot; zegt de koning, âverzoek een gunstbewijs voor u.quot; â âUwe Majesteit,quot; zeg ik, âkinderen heb ik niet, maar zoo gij iets voor mij doen wilt, geef dan een klein pensioen aan mijne vrouw, als ik kom te sterven. Voor 't overige wensch ik tot den nederigen stand van Stavenhager raadsheer terug te keeren.quot; â âZooals gij wilt,quot; zegt de koning. âMaar onthoud dit, wanneer gij eens in Berlijn mocht komen, er is altijd een couvert voor u gereed.quot; Ik maak eene buiging, zeg: Adjuus! en ga weêr naar Stavenhagen.quot; â âüat 's braaf van u!quot; zegt
â 156 â
bakker Witt. âMaar, wat helpt ons die heele, mooie krijgskunde ? De zaak is ditmaal 't achterstevoor in de wereld gekomen; gij hebt hem niet; hij heeft n, en ons daarbij, en als er eenigen geboeid aan den voet van den troon gebracht worden, dan zijn wij 't. Ik geloof dat de burgemeester toch wel de wijsste van ons geweest is, want die is geborgen en zit op het droge, en ons klapperen de tanden in den mond, alsof er een zak met hazelnoten geschud wordt.quot; â «Och, loop!' zeide oom Herse; âdat 's geen kunst, zóó voor aller oogen, openlijk weg te vliegen; â neen, mijn raad is, dat wij 't fijner aanleggen, met eene krijgslist; dus moet ieder van ons een paar krijgslisten bedenken: dan kunnen wij daarvan naderhand de beste uitzoeken.'
De oude molenaar Voss had ondertusschen geen woord gesproken; hij zag, zoo goed het in den regen ging, den berg af, naar de landstraat heen. âWat?' riep hij eindelijk uit, âdat is immers wel haast onmogelijk! Dat is immers alsof mijn Fieken en Hendrik van Jochem Voss daar komen aanrijden?quot;
En .... zoo was het.
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
Waarom mijnheer de baljuw voor mijne moeder stond met eene ledige waschkom. Wat Fieken en Hendrik wilden; en waarom Frits Sahlmann van zijn verhaal niet goed afkwam.
De treurigste dag in mijne kindsheid, dien ik mij weet te herinneren, was deze. Goede hemel, wat zag het er iu de kamer mijner moeder uit!
Mijne moeder had wel reeds lang gemerkt, dat er iets voorviel, wat niet was, zoo als het behoorde, en ofschoon zij ook een' opgewekten geest had, eu eene levendige verbeelding, die haar nlles dadelijk deed begrijpen en doorzien, zoo hadden ziekte en lijden haar toch reeds gewend, bedaard te blijven, eu wat komen moest met onderwerping te dragen ⢠maar onzekerheid valt altijd zeer hard, en nog harder is het, in de onmogelijkheid te verkeereu, om zich zekerheid te verschaffen. Toen zij het luide spreken van mijn vader op den gang hoorde en de driftige woorden van den Pranschman, en het haastige bevel van den overste, vermoedde zij, wat'daar gebeurde, zonder dat zij de woorden verstond. De angst overmeesterde haar, en er was geen mensch om haar heen, geen mensch hoorde naar haar schellen. Haar hulpelooze toestand, en het bittere gevoel, dat zij niet helpen kon, dat zij niet daar stond, waar zij staan moest, aan de zijde van mij-uen vader, schokten haar diep; en toen de oude baljuw de kamer inkwam, was zij bewusteloos geworden en lag als dood in haren ziekestoel.
De oude heer was met het mooiste troostwoord uit Marcus Aurelius op de lippen, binnengetreden; doch
â 158 â
toen hij haren toestand gewaar werd, dacht hij er in 't geheel niet meer aan en riep herhaalde malen: âKindlief, wat scheelt u, wat scheelt u?quot; De oude baljuw, die anders niet van zijn stuk te brengen was, was met zijne gedachten geheel in de war geraakt, en hij had slechts een duister gevoel behouden, dat hier het een of ander geschieden moest; en toen ik, met groote tranen in de oogen kwam binnenstuiven, stond hij met eene waschkom, waarin geen water was, voor mijne moeder en riep: âDit is toch eene zeer zonderlinge zaak!quot; â Eindelijk kwamen op mijn geschreeuw de vrouw van den baljuw en mamsel Wostphalen te hulp. Ik had mij bij mijne moeder neêrgeworpen en riep herhaaldelijk: âMoeder, lieve moeder, hij komt terug; ik moet u zeggen, dat hij spoedig weder hier zal wezen !quot; â Eindelijk, eindelijk kwam zij weder tot bezinning, en, was het eerst angstig geweest, nu werd het een bitter leed.
Troosten is de gemakkelijkste zaak voor iemand, die met oppervlakkige redeneeringen, waaraan het hart geen deel heeft, een' treurende het bewijs zijner beleefdheid wil geven ; â maar 't is de moeilijkste taak, wanneer zijn hart, van liefde overvloeiend , in een ander hart, dat troost behoeft, zich zou wenschen uit te storten, en daarbij gevoelt, dat al de liefde, die men kan aanbieden, niet toereikend is, om in dat arme hart nieuwe hoop te verlevendigen; en deze zware taak wordt eene onmogelijkheid , zoodra de mensch aan zijne eigene troostwoorden niet gelooft. God zij geloofd en gedankt! Dat was hier het geval niet. De trouwste harten stonden ons bij, en het gelukte den ouden heer en zijne lieve vrouw, van lieverlede, mijne moeder in haar bitter leed kalmte te verschaffen; en toen zij maar eerst voor troostgronden vatbaar was, zou het daaraan niet ontbreken, want, had één mensch op de wereld troostgronden, dan was
â 159 â
het de oude baljuw, en hij was er heden niet karig mede.
Bij mij hadden de troostgronden minder uitwerking, en toch was ik nog veel eerder getroost dan mijne lieve moeder. Mij had mamsel Westphalen op haren schoot genomen, en terwijl haar de tranen uit de oogen vloeiden, opende zij voor mij de heerlijkste uitzichten op de mooiste appelen, en dat deed het bij mij; een kinderhart is spoedig getroost; en, waar een boom een duchtigeu regen verlangt, daar wordt een grashalm al verfrischt door een dauwdi'op.
Toen de eerste schok voorbij was, kwam de politiedienaar Luth binnen en deelde den baljuw mede, dat Fie-ken van den molenaar Voss buiten stond en een paar woorden met hem wenschte te spreken. âKindlief,quot; zeide do oude heer, âdat is eon braaf meisje, dit weet ik zeker; en zij zal ook bekommerd zijn over haren vader; mij dunkt, wij kunnen hier hooren, wat die arme stumperd verlangt. Hoe zegt Horatius? âEst sol amen miser is socios habuisse ma lorum.'' 'kZal dat later wel eens voor u vertalen. â Luth, mijn goede vriend, laat het meisje binnenkomen.quot;
Fieken kwam binnen. Zij was klein en fijn gevormd, maar de gezondheid lag op hare frissche wangen, en al zagen hare oogen op dit oogenblik ook treurig voor zich heen, zoo kon men toch wel zien, dat die, op andere tijden, recht vroolijk in de wereld konden rondkijken. Haar geheele voorkomen toonde, dat zij een wakker meisje was, dat zich niet van haar voornemen liet afbrengen , en in haar open gelaat was het te lezen, dat zij geen voornemen opvatte, wat zij niet als recht en billijk beschouwde Zij had over hare driehoekige muts, voor den regen, een rooden doek gebonden, en stond zóó net in haar rood en groen gestreepten halfwollen rok
â 160 â
voor den ouden heer, dat hij zich naar zijne vrouw toekeerde en. half overluid zeide: âWel, hoe vindt gij 't, ISTetje?quot; â Toen Fieken voor hem genegen had, ging zij naar de vrouw van den baljuw en mijne moeder en mam-sel Westphalen toe, â maakte ook voor haar eene dienaresse en gaf haar de hand; zóó was dat in dien ouden, eenvoudigen tijd het gebruik.
âMijnheer de baljuw,quot; zeide Fieken, âmijn vader en onze boeren hebben altijd veel goeds van u verteld, en daarom ben ik zoo vrijpostig, van in mijn leed eens bij u te ko-llien.quot; _ âWat hebt gij dan wel op uw hart, mijn dochtertje!quot; vroeg de oude heer vriendelijk, haar zijne hand op het hoofd leggende. â âMijnheer, mijn vader is onschuldig,quot; ging zij voort, en zag den ouden man zoo recht vertrouwelijk in de oogen.â âDat hij dat is, weet ik, mijn kindzeide de oude heer en knikte met het hoofd. âEn daarom heb ik ook geen angst, dat hij niet spoedig vrijkomt.quot; sprak Fieken. â âITm? Ja! Dat is te zeggen, 't zou niet meer dan billijk zijn. Maar, in den tegenwoordigen tijd gaat geweld voor recht; en, is het met den besten wil, in rustige tijden reeds moeilijk voor den mensch, om den onschuldige van den schuldige te onderscheiden, zoo is zulks in oorlogstijden nog veel moeilijker; en 'tis nog erger, als de goede wil ontbreekt,quot; â âDaarvoor ben ik niet bang, viel Fieken hier schielijk op in; âvrijkomen moet hij, en dat spoedig. Maar, mijn vader is een oud man; er kan hem iets overkomen, en dan heeft hij niemand bij zich; daarom wilde ik hem nareizen.quot; â âLief kind,quot; hernam de oude heer en schudde het hoofd; âgij zijt jong, en soldaten zijn ruwe gasten ; 't zou geen troost voor uwen vader zijn, zoo hij wist, dat gij u in hun gezelschap ophieldt.quot; â âMij11-heerl 'k wou ook niet alléén méégaan; mijn neef Hendrik, die de zoon is van Jochem Voss, wou met mij
â 161 -
gaan, en wij dachten, als gij ons een schrijven, zooveel als een brief van vrijgeleide, meê zoudt willen geven dan kon ons niets kwaads overkomen.quot; â âEen brief van vrijgeleide ?quot; vroeg de oude heer, en schudde nog erger met het hoofd. âMijn lieve kind, dat volk zal zich niet veel aan zoo'n brief van een Stemhager baljuw storen. En toch, kindlief?quot; en hij wendde zich om, naar mijne moeder, âals ik haar eens zoo'n brief meêgaf, aan den overste Von Toll; wat dunkt u. Netje? Hij zou niet de zoon van Renatus Von Toll moeten zijn, wanneer hij dit jonge meisje zonder bescherming liet. â En gij zegt,quot; zoo sprak hij weder tot Fieken, âdat uw neef Hendrik met u wil gaan?quot; â âJa, mijnheer, hij staat hier op den gang.quot; â âRoep hem eens binnen!quot;
Hendrik kwam binnen. Hij was een flinke, knappe ke- ⢠rel, breed in de schouders en slank in de heupen, met blauwe oogen en blond haar, van die soort, die men bij ons in den oogsttijd van 's morgens, klokke zes, tot 's avonds, klokke negen, de zeis ziet hanteeren, alsof 't eene schrijfpen was. âEn gij, mijn zoon,quot; vroeg de oude heer, âwilt gij met Pieken gaan?'' âJa, mijnheer.quot; âEn wilt gij haar beschermen, en bij haar blijven ?quot; âJa, mijnheer! en ik heb mijn paard en mijn wagen hier, en ik dacht zoo, als dat Eransozenvee er niets tegen had, dan konden de gevangenen met Eieken rijden, en ik zou er dan naast gaan.quot; â âMijnheer de baljuw!quot; riep mijne moeder, âhelp hem bij zijn voornemen; dit is misschien de eenige gelegenheid, dat ik mijn man hot noodzakelijkste kan nazenden. Hij is immers, zooals hij ging en stond, op de straat gerukt, en dan in dat weder!quot; â 't Is waar, kindlief, 't is waar! Ja, ik wil een' brief voor u schrijven, Eieken. En, Netje, de oude molenaar is ook zonder Ideêren weggegaan: zorg daarvoor. â Mijn mantel, mamsel Westphalen, en ook eene slaapmuts; wantik Reutev. Vrool. Gesch. 4e dv. 11
â 162 â
weet, dat hij die gebruikt. En, kindlief,quot; zeide hij tot mijne moeder, âwie zich eenmaal daaraan gewend heeft, voor dien is 't lastig, ze te moeten missen.quot; â âFrits,quot; zeide de vrouw van den baljuw tot mij, âloop eens naar den overkant, naar den bakker Witt, en vraag of vrouw Strüwing ook wat voor haren vader wil meêgeven.quot;
Nu ging men' aan 'tpakken; het was spoedig in oide, en toen alles op den wagen lag, kwam vrouw Strüwing nog met een groote mand vol boter broodjes en metworst aandragen. Fieken zat al op den wagen; de baljuw had den brief gereed, en toen hij dien aan Fieken gegeven had, riep hij Hendrik ter zijde en zeide: âGij zijt dus de zoon van Jochem Voss, die zoo lang met den molenaar in proces geweest is?quot; âJa, mijnheer de baljuw, neem het niet kwalijk; maar, mijn vader was ook wat stijfhoofdig, en was daar niet van terug te brengen; maar ik ben daarom hier gekomen en k heb ook al met den molenaar gesproken en naderhand ook met Fieken, en als 't naar mijn zin gaat, dan komt die zaak in orde. â^I'jn zoon,quot; zeide de oude heer en gaf hem de hand en drukte de zijne; âvooreerst wil ik je wat zeggen: gij bevalt mij; maar, ten tweede wil ik je ook wat zeggen: gij hebt Fieken van den molenaar uwe bescherming aangeboden: als dat meisje een haar gekrenkt wordt, kom mij dan niet weer onder de oogen!quot; â Dit zeggende, keerde hij zich om, ging naar de kamer mijner moeder en zeide: ,,'tls een prachtig meisje, kindlief!quot; â
âWat heeft de baljuw je gezegd?quot; vroeg Fieken, toen Hendrik aan hare zijde zat, en de wagen afreed. âOch, hij zei maar zoo wat,quot; sprak Hendrik. âMaar, je zult kou vatten!quot; voegde hij er bij en wikkelde haar in den mantel van den ouden heer en reed schielijk de straat af.
Toen zij nauwelijks de poort uit waren, kwamen de Stavenhager lieden hen te gemoet, die nog een poos met
â 163 â
de Franschen en de gevangenen medegegaan waren; vooraan natuurlijk Frits Sahlmann Wat zag die jongen er uit! Alsof hij den geheelen dag in eene tegelbakkerij in de klei had gewerkt. âDe burgemeester heeft de plaat gepoetst!quot; riep hij langs de straat. âDe burgemeester is op den bruine van den ouden Brasig aan den haal gegaan. Ik heb hem een' wenk gegeven, en, roef! was hij weg.quot; â ,Jongen, wat praat je?quot; zeide de vrouw van den schoenmaker Bank, die. over de onderdeur, naar haren man uitkeek. â âJa, buurvrouw,quot; zeide de brandspuitmeester Tröpner, die nu nader kwam; âde burgemeester is aan den haal gegaan; maar je man hebben ze een aandenken gegeven: kook hem maar een beetje saffraan en roggemeel en leg hem dat tusschen de schouders, op het plekje, waar de Fransoos hem met zijn' geweerkolf gekitteld heeft.quot; v
Als een loopend vuur verspreidde zich het gerucht door de stad: âde burgemeester is op den bruine van Brasig de Franschen ontvlucht!quot; en de politiedienaar Lutli stoof de kamer mijner moeder binnen met een gezicht alsof pinksteren en paschen op één dag waren gevallen, en hij er toe bestemd was, om al het genoegen, dat op die dagen de gansche Stavenhager burgerij te beurt viel, alleen te genieten. âMevrouw Reuter!quot; riep hij. âSchrik niet! â Mijnheer de baljuw! 't Is wat goeds! â 't Is wat goeds, mevrouw Web er! â Mam-sel Westphalen, hoe is 't mogelijk! â Onze burgemeester is de Fransozen ontloopen!quot; â Och, goede hemel, wat gaf dat eene beweging! Mijne moeder beefde aan handen en voeten; mijnheer de baljuw vergat zijn ouderdom en zijne betrekking; hij pakte den politiedienaar bij den kraag en schudde hem uit alle macht: âLuth riep hij, âman. bedenk u toch! AVij zijn hier niet gestemd voor grappen.quot; â De vrouw van den baljuw ging
- 164 â
vol bezorgdheid nader bij mijne moeder staan, en mamsel quot;Westplialen zat stijf en strak en zeide: âMet uwe permissie, mijnheer de baljuw, hij is een hansworst!quot; â âMijnheer de baljuw,quot; riep Luth en liet zich schudden, âgeloof mij toch, dat het zóó is. Frits Sahlmann heeft het zelf gezien, en heeft het mij gezegd.quot;
âFrits Sahlmann? Mijn Frits Sahlmann?quot; vroeg de oude heer, den politiedienaar loslatende. â âMijnheer de baljuw,quot; zeide mamsel Westphalen heel bedaard: âzooals do een heet, ziet de ander er uit. Frits Sahlmann en de waarheid zijn even dicht bij elkaar, als zijn neus en de maan.' âWaar is de jongen?quot; vroeg de baljuw. â Hij staat hier buiten, op den gang,quot; antwoordde Luth.
Met groote schreden ging de oude heer naar de deur en riep naar buiten: âFrits! Frits Sahlmann, kom hier eens binnen!quot; â Frits Sahlmann kwam; in zijne borst waren twee strijdende partijen: de lust om zijne heldendaden te vertellen, en de vrees voor een' onweersbui, omdat hij er zoo smerig uitzag; de ééne dreef hem voor-Avaarts en de andere hield hem terug, en 't scheen wel, alsof de ééne links, en de andere rechts werkte; althans, hij kwam de deur schuins in; met den goeden kant het eerst, maar hij had toch eene verkeerde rekening gemaakt. en er nietquot; op gelet, dat op deze wijze zijn natuurlijk zwaartepunt, waarmede hij in den hollen weg was neergekomen, dus dadelijk aan de vrouw van den baljuw en mamsel Westphalen in 't oog vallen moest. â â Frits Sahlmann,quot; vroeg de oude heer, âwat is dat alles?quot; â Frits Sahlmann, die in 't geheel genomen, met eene soort van trots was binnengerukt, liet het hoofd hangen, en keek naar zijn onderdeel. âO, 'tis niks, mijnheer de baljuw! Niks als een beetje drooge klei.quot; â âDe hemel beware ons!quot; riep de vrouw van den baljuw, âwat ziet die jongen er uit. Wie zal hem weêr schoon krijgen?quot; â
â 165 â
âDaar moeten Fiek en Carolien, ieder met een' stompen bezem over heen,quot; zeide mamsel Westphalen heel bedaard. â âJongen,quot; sprak de baljuw; âzeg mij nu eens terstond de zuivere waarheid; is de burgemeester gevlucht of niet?quot;' â âJa. mijnheer de baljuw,quot; zeide Frits en keek weder op, âhij is hun ontsnapt!quot; â âLeugens!quot; riep mamsel Westphalen er tegen in. âHoe kan uit zulk een onrein vat de zuivere waarheid komen?quot; â âVertel het. Frits!quot; zeide de oude man En Frits vertelt.
't Komt vaak in de wereld voor, dat iemand al te veel eer wil inoogsten en dat hij daardoor ook die verloren ziet gaan, die hem met recht toekomt. Zoo ging het Frits ook. Toen hij bij zijn aandeel aan de geschiedenis gekomen was, vertelde hij 't zoo omstandig; hij beschreef zijn natuurlijken val zoo nauwkeurig en gebruikte zoovele woorden, om zijne daad in een helder daglicht te plaatsen, dat hij nog lang niet met zijn verhaal ten einde was, toen Luth met den brandspuitmeester Tröpner binnenkwam, en de baljuw zich tot dezen wendde, met de vraag; âquot;Waarde vriend Tröpner, wat is u van de zaak bekend ?quot; Baas Tröpner gevoelde uit deze deftige vraag, dat hij door den ouden heer als een beschaafd man behandeld werd, en hij besloot zich ook als een beschaafd man te gedragen; hij zeide dus, in deftige uitdrukkingen: âIk kan zeggen, dat ik van den aanvang af, tot aan hot einde, alles heb aangezien.quot; Nu vertelde hij dan de zaak weêr van voren af aan, liet het aandeel, dat Frits Sahlmann er bij had, geheel en al weg, en besloot zijne vertelling met deze woorden; âEn aldus sprong de burgemeester achter den mantel van den raadsheer uit; liep om de ekklipage rond, krabbelde fiks tegen de hoogte op, sprong achter den hollen wilgeboom, rukte Frits met geweld den teugel uit de handen, sprong in den zadel, en toen hij maar eerst het gevoel van den bruine onder
â 166 â
zich had, joeg hij, pardoes, den berg af, altijd maar naar de Pribbenowsche dennen toe, zoo hard hij kon.quot; â âEn de Franschen?quot; vroeg de oude heer. â âO, mijnheer de baljuw, die waren half verkleumd, en toen zij schieten wilden, ging er niks, niemendal af vanwege de nattigheid; zij smeten zich dus in hunue toornigheid op ons, onschuldige wormen van bloote toeschouwers. en hebben den schoenmakersbaas Bank uit de Bramborgerstraat met de kolf tusschen de schouderbladen getramponeerd, waarop wij allen ons exkuseerden, doordien wij den berg afliepen.quot; âKindlief,quot; riep de oude baljuw, âdie kleine burgemeester is een kerel als een oorworm! Dat is een kerel, flink als een geweerslot, kindlief!quot; â Maar zij, voor wie deze woorden bestemd waren, hoorde hem niet. Mijne moeder lag in haren stoel en schreide bitter. Toen er van het schieten gesproken werd. drukte zij den arm van de goede mevrouw quot;Weber heel vast tegen zich aan, want eene duizeling overviel haar; maar, toen eindelijk met zekerheid bleek, dat mijn vader ongedeerd weggekomen was, vloeiden de tranen uit hare oogen; zij bedekte haar aangezicht met haren zakdoek en weende in stilte.
Waren dat vreugdetranen? quot;Wie weet het? Wie kan zeggen, waar vreugde en leed zich scheiden? Zij strengelen zich wonderlijk in het menschenhart dooreen; zij zijn als schering en inslag, en wel hem, bij wien uit beiden een duurzaam weefsel ontstaat! De traan, uit het leed geboren, heeft zoo goed zijn inslag van hoop, als de vreugdetraan zijn inslag van vrees. De doorgestane angst om mijn' vader en de vrees voor zijne toekomst, waren ingeweven in het blijde dankgevoel mijner moeder, en de traan, die op de aarde viel, was niet louter vreugdetraan. Valt er in 't geheel op deze aarde ooit eene loutere vreugdetraan ?
â 167 â
't Was geheel stil geworden; een engel scheen dooide kamer te zweven, een korten tijd slechts; de engelen vertoeven niet lang bij ons; â ik weet alles nog, want ik stond met mijn hoofd tegen onze groote bruine klok aan, en luisterde naar den slinger, â een korten tijd! Ik zag op: de oude baljuw keek uit het bovenvenster naar den grauwen hemel; mijne moeder en de vrouw van den baljuw weenden; mamsel Westphalen ook; zij had Frits Sahlmann bij de hand gevat, en bij 'tlaatste ruischen der engelenvleugels, zeide zij: âFrits, mijn jongen, ga naar het slot en trek droog goed aan; Fieken zal je wel je zondagsche kleêren geven.quot; â âEn ik, mijnheer de baljuw,quot; sprak Luth, âwil naar Grulzow gaan, en Tröpner kan naar Pribbenow gaan, dat wij den burgemeester niet misloopen.quot; â De oude heer knikte met het hoofd; hij ging naar mijne moeder, tegen wier knie ik leunde, en zeide: âGij, en hier, uw jongen, hebt heden alle reden, om den goeden God te danken.quot;
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
Waarom de overste zich hij Fieken's woorden moest afwenden, en waarom Fieken zich hij Hendrik's woorden afwenden moest. Waarom de raadsheer op de kleine menschen schold,en de molenaar wenschte, dat hij een kraai was.
Zoodra Fieken met Hendrik bij den molenberg kwam, vlogen hare oogen naar alle zijden rond, en het duurde ook niet lang, of zij had haren vader en zijn gezelschap herkend, zooals zij daar onder den molen zaten. â âDaar is mijn vader,quot; zeide zij tot Hendrik. âWel,quot; zeide Hendrik, âdan willen we hier rechts van den hollen weg, naar den geploegden akker, den kant naar den molen inslaan, 't Zal wel slecht gaan; maar door den hollen weg is niet door te komen, en ge kunt dan toch ook met uw' vader spreken.quot; â âHalt,quot; riep Fieken, âniet rechts, naar den molen toe; neen, links, van den molen af; ik wil niet met hem spreken. â Goede hemel, nu heeft hij ons al gezien en hij wenkt ons.quot; â âFieken,quot; zeide Hendrik, toen hij volgens hare aanwijzing reed, âwat beteekent dit? Waarom zoekt gij uwen vader te ontwijken?quot; âOmdat ik niets voor hem doen kan, eer ik den brief bezorgd heb. Wie weet, hoe de Franschen 't zouden opnemen, als ik met hem sprak ? Daar kon beweging en twist uit ontstaan; en als wij op die manier voor den overste gebracht werden, zou hij ons juist niet vriendelijk aanzien. En dan, waartoe zal ik mijn' ouden vader met uitzichten vleien, die nog onzeker zijn? Voor 'toogenblik is het hem genoeg te weten, dat wij dicht hij hem zijn.quot;
Middelerwijl waren nu ook de kanonnen uit den hollen weg opgetild en uitgegraven, en de stoet zette zioh weder in beweging. De gevangenen werden langs de ééne zijde van den hollen weg gekommandeerd en Hendrik reed aan den anderen kant, zoo schielijk hij door het bouwland van den ouden Nahmaker kon voortkomen Fieken keek naar den overste uit. âWanneer ik hem maar zie, zal ik hem wel herkennen,quot; zei ze tot Hendrik. âHij heeft een goed gezicht, al zag het er ook streng uit, toen hij den burgemeester liet wegbrengen.quot; â Zoo kwamen zij voorbij de kanonnen en langs menigen troep Franschen, die in den diepen weg zachtjes voortsukkelden. Eindelijk, dicht bij de kroeg âIn de bromvlieg,quot; zageu zij den overste, terwijl hij met eenigen zijner officieren stapvoets voortreed. â âHendrik,quot; zeide Fieken, âdraaf hier zoo hard ge kunt en houd op de hoogte stil; dan wil ik er afklimmen.quot;
Dit geschiedde. Toen de overste nader kwam, stond Fieken op het voetpad in den weg, zij ging hem een paar schreden te gemoet, reikte hem den brief toe en zeide: âMijnheer, ik heb een brief voor u.quot; âDe overste hield stil, nam den brief, zag Fieken een weinig verwonderd aan en vroeg: âVan wien, mijn kind?quot; â âVan onzen baljuw, mijnheer Weber.quot; â De overste brak den brief open en las; zijn aangezicht begon er deelnemend uit te zien, en toen hij ten einde toe gelezen had, schudde hij zacht met het hoofd. Fieken had hem met den grootsten angst aangezien; zij las het antwoord op den brief iu de trekken van den overste, en toen hij zoo droevig het hoofd schudde, liepen haar de tranen uit de oogen. âMijnheer, 't is mijn oude vader, en ik ben zijn eenig kind!quot; riep zij uit.
Zij had alles in de wereld kunnen zeggen, de schoonste aanspraak en de krachtigste bijbelspreuk, â niets zou
- 170 â
zulk een indruk op dien sterken man gemaakt hebben. als deze weinige woorden, in de platduitsche spraak. â Hij had ook een' ouden vader en was diens eenig kind; zijn vader zat op een aanzienlijk kasteel in het Westphaalsche land, maar in eenzaamheid, ontevreden met zijn volk en zijn vaderland; de tijdsomstandigheden hadden vele steenen t usschen hem en den eenigen zoon opgestapeld, totdat het een breede muur was geworden, over welken zij zich slechts moeielijk konden doen verstaan. Misverstand en oneenigheid waren daaruit ontsproten, en waar die zijn, daar doet zich ook, in stille uren , het geweten gelden Hoe vaak had zijn hart tot hem gesproken: âquot;t Is uw oude vader, en gij zijt zijn eenig kind!'' Blijdschap en lijden, kanongebulder en veldslag hadden die stem wel van tijd tot tijd doen zwijgen; maar altijd kwam de gewonde plek van zijn hart weder te voorschijn, gelijk een bloedige plek op den vloer. Voor de eerste maal hoorde hij dit woord uitspreken van vreemde lippen, voor de eerste maal in de spraak zijner kindsheid; 't was hem, alsof er geen verwijt meer in dat woord lag, zóó zacht werd het uitgesproken, 't klonk hem zacht in de ooren,, als een woord van vergeving; en toen hij het arme kind voor zich ;zag staan, met haar angstig, bekommerd gelaat, toen werd het hem te benauwd; hij moest zich afwenden, en het duurde eenigen tijd, eer hij weder met haar spreken kon. Eindelijk had hij zich hersteld en zeide tot haar, met al de hartelijkheid, die uit zulk een oogenblik geboren wordt: «Mijn lief kind, vrij laten kan ik uw vader nu niet; maar dat zal wel komen; gij, en uwe liefde voor uwen vader, zult niet te vergeefs bij mij aangeklopt hebben, gij zult in zijne nabijheid blijven, en hij zal op uwen wagen met u rijden. â En als wij in Brandenburg komen, meld u dan bij mij aan.quot; Hij gaf daarop de noodige bevelen en reed met zijne officieren verder
â 171 â
Hendrik kwam nu met zijn wagen naderbij, sprong er af en vroeg: âFieken, hoe is 't ? â Maar, wat vraag ik nog lang? Je ziet er immers uit, alsof het hart je op de tong ligt; niet waar, hij heeft je vader vrij gegeven?quot; En hij sloeg zijn arm om haar heen; âkom Fieken, klim op den wagen: daar komt weer zoo'n hoop volk, we willen op zij gaan.quot;' âDie doen ons niets,quot; sprak Fieken, en zij klom hooger naar den slootrand op en zag den weg langs. âVrijgelaten heeft hij hem niet; maar hij heeft het mij beloofd. Ik mag bij hem blijven , en zij mogen met mij rijden, en, Hendrik, nu zoudt gij wel naar huis kunnen gaan en op den molen acht geven en moeder bijstaan.quot;
Hendrik bond den teugel om een' wilgeboom vast en bukte, gespte aan het tuig en streek toen zijn paard met de hand langs den gladden, natten rug. âGe hebt gelijk, Hendrik,quot; zeide Fieken, âge zijt bezorgd, om paard en wagen te verlaten, maar dat kan immers de oude in-spektor Brasig uit Bramborg mee terug nemen, die doet ons gaarne dezen dienst. â¢â âFieken, hernam Hendrik, âaan 't voertuig heb ik niet gedacht ; ik dacht aan jou en aan 't geen de oude baljuw tot mij gezegd heeft.quot; âWat was dat?quot; vroeg zij. â âAls ik er niet voor zorgde, dat je geen haar werd gekrenkt, mocht ik hem niet meer onder de oogen komen. En, Fieken, ik heb hem beloofd; je ten allen tijde bij te staan, en toen ik hem dat beloofde ,quot; â en nu ging hij naar haar toe, nam hare hand en zag haar zoo recht eerlijk in de oogen, â toen waren er nog twee bij tegenwoordig, die dat mee aangehoord hebben , en daar wist niemand wat van, dan ik alleen; dat was de goede God, Fieken, en mijn eigen hart.quot; â Fieken werd zoo rood als eene roos, en toen hij zijn arm om haar heensloeg, wond zij zich los en riep: âDaarover hier verder niets, Hendrik! Van daag niet, Hendrik!
â 172 â
Heer in den hemel ! Daar komt mijn goede vader aan!quot; En dit zeggende, ging zij van hem weg, haren vader te gemoet, en Hendrik stond stil gelijk een boom in den wintertijd, als de groene bladeren afgevallen zijn en de vogels niet meer van liefde en vroolijkheid in de takken zingen. Doch toen zij zich omkeerde, en weder tot hem terugkwam, zeggende: âHendrik! Hendrik!quot; en de tranen uit hare oogen stroomden, en zij daarna weder schielijk naar haren vader toeging, â toen schoot blad op blad uit dien stillen bo.om, en liederen van lust en liefde klonken in zijne takken, en de lente ontlook in hem, de eenige lente, die door 't gansche leven , in zomerhette, in herfststormen, en in winterkoude moet voortduren, als het de rechte lente en het rechte leven is.
âFieken!quot; riep de oude molenaar Voss, âwaar komt gij vandaan?quot; En toen Fieken hem om den hals viel, en hem met tranen in de oogen , de omstandigheden had medegedeeld , knorde de oude man en zeide, dat Headrik alleen had kunnen komen â en dat dit aangelegenheden waren, waar vrouwen zich niet mede inlaten moeten. De raadsheer Herse verklaarde echter, dat de molenaar van zulke zaken volstrekt geen verstand had, en Fieken's inval met den wagen was zoo mooi, dat hij zelf het niet beter had kunnen bedenken; want, wat zijne postpapieren laarzen betrof, die waren door den schoenmaker Bank , opzettelijk voor de raadsvergaderingen vervaardigd, en niet, om in dit jaargetijde, vier mijlen op den Mekklen-burgschen landweg mee te loopen. En de bakker Witt, van do mand met metworst en boterbroodjes hoorendo, klopte zich op de maag en zeide , dat Fieken zjjn beste peetekindje was, en al behoorde hy ook tot dezulken, die hun voederkist altijd bij zich hebben, zoo veranderden de omstandigheden de zaak, en bij zulk weder moest zelfs de beste bakkersoven van tijd tot tijd nog wat opgestookt worden.
â 173 â
De Fransche sergeant had nu aan de mannen van de wacht het bevel van den overste medegedeeld, en het gezelschap klom op den wagen, en maakte het zich zoo gemakkelijk en warm als eenigszins kon. Mijn oom Herse eigende zich de kleedingstukken toe, die voor mijn vader bestemd waren, daar hij er als collega de naaste toe was, en hij schold op de kleine, magere menschen in 't algemeen, en op mijn' vader in 't bijzonder. Van de lengte, zei hij, wilde hij niet spreken, want die kon niemand zich zeiven geven of ontnemen; maar, voor de behoorlijke breedte kon ieder verstandig mensch met den tijd zorgen. âKijk eens hier, baas Witt, dit moet een jas voor een volwassen en doorvoed mensch verbeelden!'' Dit zeggende, hield hij mijns vaders jasje tot spektakel omhoog. âMijnheer Herse,quot; zeide de bakker; âsteek van voren uwe beide armen in de mouwen, zoodat het rugge-stuk van den burgemeester op uw borststuk komt te zitten, hier is nog eene jas, die hang ik u van achteren om, zoo maken wij uit twee kleine ééne groote; een mensch moet zich weten te helpen.quot; â Nu, dit gebeurde, en mijn oom Herse zag er uit als eene mooie vette oester, die al eenigen tijd op reis geweest is; achter en vóór had hij eene stevige schulp, maar op zijde gaapte hij van tijd tot tijd uit elkander. Bakker Witt had een zijden wintermantel van zijne overledene vrouw gevonden, en hij had dien om, met de konijnevellen naar buiten; want, zeide hij, 'twas in zulk slecht weer jammer van de zijden stof; maar de vellen konden er wel tegen, want zooveel hij wist, liepen de konijnen ook met de haren naar buiten rond.
Met deze twee ging het inpakken, over het geheel, tamelijk vlug, doch met den molenaar kwam het zeer in de â war, want, toen hij hoorde, dat de mantel met de zeven kragen, die voor hem bestemd was, van rechtswege
â 174 â
den baljuw toebehoorde, werd hij eerst door het verschuldigde respekt overvallen en maakte de eene buiging na de andere alsof de oude heer voor hem stond en hem 't eerst de deur wilde doen ingaan; en daarna kwam de aandoenlijkheid, omdat de baljuw aan hem gedacht had. en hij zeide, dat hij dit niet waardig was; en toen Fieken hem de eene mouw had aangetrokken, begon hij het bezwaar te maken, dat de menschen hem voor een voornaam man zouden houden. â âEn , vader,quot; zoo sprak hij tot Witt, âals ik nu begin te praten, en als dan de ezelsooren uit de zeven kragen komen uitkijken, wat dan?quot; â âJa, oude,quot; zegt de bakker, âdaarin hebt ge gelijk; uit een varkensoor kan men nooit van zijn leven een zijden geldbeurs maken; maar je kunt immers den mond houden, of praat anders hoogduitsch; dat kunt ge toch.quot; âIk kan 't wel, maar 't is er ook naar,quot;' zegt de molenaar en hij araat op den voorsten zak zitten.
Zij zaten nu allen, slechts Hendrik niet. âHendrik,quot; zeide de molenaar, âhoe is 't? Je zult toch wel op je eigen wagen komen zitten. Fieken, schuif wat op, en maak plaats voor je neef.quot; â Maar Hendrik liet dat niet toe, hij sloeg Fieken de paardedeken om de voeten en zeide, dat hij zou loopen. Hij liep dus en terwijl hij nu zoo liep, en hier over een' sloot sprong, en dan weer terug, altijd vóórop, dat hij Fieken in de oogen kon kijken, zeide de molenaar Voss: âMijnheer Herso, dat is mijn neef, de zoon van Jochem Vosa; is 'tniet een flinke kérel?quot; âEn de raadsheer Herse antwoordde: âDat is hij, vriend Voss; een knappe kerel is hij.quot; â En de bakker quot;Witt zeide: âHij is een stevige kerel.quot; â Fieken zeide niets; maar zij dacht: âHij is een goede kerel en een trouwe kerel.quot; En zij zou mogelijk nog meer van hem gedacht hebben, maar Hendrik stond op eens bij haar en zag haar zoo vriendelijk aan en vroeg, of zij 'took koud
â 175 â
had; toen was het met het denken gedaan, en zij gaf hem de hand, zeggende: âNeen! voel maar, ik ben heel warm.quot;
Bakker Witt tastte nu in de mand met worst en broodjes en gaf ieder zijn deel, en toen de raadsheer de broodjes zeer roemde, zeide de oude bakker bij zich zeiven: âKijk zoo'n rakker; anders koopt hij bij Guhl; maar als men niets beters heeft, dan is een uil ook een vogel.quot; â De raadsheer Herse buigt zich naar den bakker toe en fluistert hem half overluid in: âBaas Witt, daar voor ons ligt de kroeg âIn de bromvlieg,quot; en als de dienaars van den korsikaanschen tiran nog een zweem van menschelijk gevoel in zich hebben, dan zullen zij er niets tegen inbrengen, zoo wij ons daar, door den ouden Haker bij onze broodjes een borrel laten geven.quot; â Hij had onder 't spreken echter geen acht geslagen op zijn brood en had het met de worst een beetje over den rand van den wagen heen gehouden. Op eens voelt hij, dat hem daar iets tusschen zijne vingers grabbelt, en toen hij omzag, bespeurde hij, dat een der korsikaansche wachters juist in zijne worst en zijn brood beet, en toen hij nu met harde woorden tegen zulk openlijk maraudeeren wilde uitvaren, reikte een andere sakkermentsche kerel van achteren over den wagen en trok de geheele mand naar zich toe. â âHeere, bewaar ons!quot; riep mijn oom Herse uit; âzóó slecht heb ik mij de toestanden van ons vaderland toch niet voorgesteld!quot; ââEntfaamte gauwdieven!quot; â bulderde de oude Witt weder los, en de molenaar, die reed, had in den warmen mantel van den baljuw, zijn' toestand zoo geheel en al vergeten, dat hij de zweep al oplichtte, om er de Franschen een meê toe te dienen, toen Fieken zijn arm tegenhield: âOm Grods wil, vader,quot; zeide zij; âwat doet gij?quot; â âHm! â Ja!quot; â zeide de molenaar, en bedacht zich; âFieken, je hebt al weer gelijk.quot; En zich
â 176 â
tot de Franschen keerende, zeide hij: âNeemt mij niet kwalijk, ik deed dat zoo maar!quot;
Nu, die namen 't blijkbaar ook niet kwalijk en aten recht vergenoegd van de worst en de broodjes, zoodat den raadsheer van kwaadheid en afgunst de gal in de ledige maag kwam, en hun allen hun treurige toestand weder duidelijk werd, dien zij bij het gemakkelijk en warm zitten in den wagen, voor een poos hadden vergeten. Zij reden dus in den donkeren avond op Brandenburg aan, en waar eerst de broodmand gestaan had, in het achterdeel van den wagen, waren nu de bezwaren en zorgen en de treurigheid ingekomen, en die fluisterden hun allerlei angstwekkende verhalen in de ooren, en toen er een zwerm kraaien over hen heenvloog, zeide mijn oom Herse; âJa, wat weet jelui van nood? jelui kunt lachen!quot; En de bakker zei; âDat volkje betaalt huur, noch belasting!quot; En de oude molenaar zuchtte en zei: âquot;kWoü, dat ik
een kraai was!quot;
Maar in twee harten vond de zorg geene plaats; daar had de liefde haren intrek genomen, met haren ganschen hofstoet van geheime weuschen, en van hoop en vertrouwen ; en die geheime wenschen liepen als flinke bruidsjuffers door 'tgansche huis en al zijn' kamers, ruimden op, wat in den weg stond, en wischten het stof van de tafel en van de banken af, en maakten de vensterruiten schoon, zoodat men ver uitzien kon in quot;t schoonste landschap 5 en zij dekten de tafel in de helder verlichte zaal en spreidden het bed in de stille kame?: en hingen frissche kransen van loof en bloemen over deuren en vensters en om de lijsten van de keurigste schilderijen. En de hoop stak hare duizend lichten aan en ging toen, heimelijk , stil in een' hoek zitten, alsof zij 't volstrekt niet geweest was; alsof hare zuster het gedaan had, de merkelijkheid; â en het vertrouwen stond aan de deur en
â 177 â
liet niemand binnen, die geen bruiloftskleed aanhad, en zeide tot do zorg, toen die naar Fieken vroeg: âGa uwen weg; de oude molenaar danst nog op,onze bruiloft.quot; En ze zeide tot het bezwaar, toen dat naar Hendrik vroeg: âGa uwen weg; 't is alles in orde.quot;
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
Waarom ik Frederik van den molenaar en yeemprinses door het Gulzotvsche bosch zend; waarom Frederik tot den schout Besser-dich âschoonvader' zec/t; waarom hij den hond uit den oven lokt en waarom de â¢politiedienaar Lath omzijn'' eigen hurge-meester lacht.
Indien eene dor jonge dames, die dit boek lezen, zich wellicht ergert, omdat dit hoofdstuk met een' molenaarsknecht begint en niet met eene prinses, zoo gelieve zij te bedenken, dat er in 't geheel geene prinsesson voor-.handen konden zijn, zoo er geen molenaarsknechts waren, en dat op sommige plaatsen een molenaarsknecht meer waard is dan eene prinses, bij voorbeeld op dit oogenblik voor mij. Want, als ik den Pranschen âchasseur weer wil vangen, kan ik hem toch geene prinses met eene crinoline en satijnen schoentjes bij dezen weg en door dit weder door het Gulzowsche bosch nazenden; â daartoe is een molenaarsknecht beter geschikt, en bovenal Frederik van den ouden Voss.
âDumouriez! zeide Frederik, terwijl hij het voetspoor van den Franschman volgde; âals de Fransoos tusscheu Reuter. Vrool. Gesch. 4e druk. 12
â 178 â
hier on Greifswald zich ophoudt, voor den dag komen zal hij!quot;
Frederik gaat dus den Franschen jager door het Sta-venhager bosch en door het Gulzowsclie bosch na en komt zóó op den Gulzowschen weg; maar daar was t uit; t was misgeschoten: er was daar geen spoor meer te vinden. Wal de kerel links of rechts gegaan ? Een tijd lang stond hij daar, alsof hij zijn zondagsoortje versnoept had, doch weldra werden zijne denkbeelden weder helder, en hij zeide bij zichzelven: âZoo die kerel naar Stemhagen gegaan was, moest ik hem dat toch voor puur onverstand toerekenen. Neen, do rakker is naar Gulzow gegaan.
En hij ging hom na.
In Gulzow stond de boer Freier bij zijne heg en wierp steenon, zoo groot als de bol van een hoed, in een gat op den weg. â iets. wat ze op enkele plaatsen in Mokklenburg noemen: den weg verbeteren. âGoeden morgen, Freier! Hebt ge hier van morgen ook een Fransoos zien loopen ? vraagt Frederik. â âEen Fransoos.'' vraagt Freier.^ âJa,quot; zegt Frederik, âeen Franschen chasseurquot; â âEen chasseur?quot; vraagt Freier. â âJa, in eene groene mon-teering,quot; zegt Frederik. - âTe paard?quot; vraagt Freierâ âNeen, te voet;quot; zegt Frederik. â âWat moet die?' vraagt Freier. âWat hij moet?quot; vraagt Frederik. âNiks moet hij ; ik wil maar eens met hom praten.quot; â âWat heb jij met een Fransoos te praten?quot; â âDumouriez!quot; zegt Frederik. âWat heb jij, domkop, daarnaar te vragen? Ik vraag immers maar of je den kerel gezien hebt ? âIn eene groene monteering?quot; vraagt Freier. âJa, zegt Frederik. â âMet een schako?quot; vraagt Freier. âNeon, blootshoofds.quot; - Blootshoofds? En dan van morgen, in zoo'n regen?quot; â âJa, dat hoor je immers! roept iie-derik knorrig uit. âAntwoord dan toch, of je dien kerel gezien hebt?quot; - âWacht eens! Hebben we van daag
â 179 â
geen donderdag?quot; â âJa,quot; zegt Frederik. â âNeon, van daag niet, maar maandag,quot; zegt Freier, âtoen zijn cr hier een stuk of wat geweest, maar met blauwe monteering, en dan te paard; en van daag is mijn Samuel met voorspan naar Stemhagen.quot; âFroier,quot; zegt Frederik, âdat voorspan had je niet naar Stemhagen moeten sturen, dat kan je zelf beter gebruiken, vooral als je de men-schen antwoord moet geven.quot; â âHoe zóó?quot; vraagt Freier. â âEn dan, Freier,quot; zegt Frederik, âdan weet ik nog een mooi baantje voor je; je zoudt kreeften naar Berlijn kunnen drijven; zoo'n kerel als jij, die komt daarmee vooruit.quot; âHoe meen je dat?quot; vraagt Freier verwonderd. â âOch, dat zeg ik zóó maar,quot; zegt Frederik. â âNu, goeden morgen, Freier. â En als de Fransoos komt, dien ik zoek, zeg hem dan dat i k gezegd heb, dat jij gezegd hebt, dat jou grootmoeder je verteld had: als hij zei, wat hij zei, moest gij hem zeggen, had ik gezegd, dat hij tegen jou niet moest zeggen schaapskop. â En nu adjuus, Freier.quot; â âWat?quot; zegt Freier en kijkt hem na, terwijl hij het dorp doorgaat, en hij draait een steen van een pond of dertig in zijn' handen rond: âWat? hij had gezegd, ik had gezegd? â Wat? â jij badt gezegd, moest ik zeggen, hij moest tegen mij geen schaapskop zeggen? Wat?quot; En bij neemt den steen en gooit hem met alle geweld tusschen de anderen. âEntfaamte pruisisehe gauwdief! Zoo doet hij altijd.quot;
Frederik gaat verder. De oude schout Besserdich kijkt over de onderdeur. âSchout, hebt gij hier van morgen geen Fransoos zien loopen?quot; â âEen Fransoos?quot; vraagt de schout. âWel, dat volk is hier tegenwoordig juist zoo vreemd niet; maar, van morgen, zegje?quot; -â Nu, begint gij nu ook al te vragen?quot; zegt Frederik. â'k Wil u liever de historie vertellen, dat zal beter wezen.quot; â Hij vertelde nu zóó â en zóó. âEn,quot; â zoo besloot hij
â 180 â
zijn verhaal, âvoor den dag komen moet hij!quot; â âDat moet hij, Frederik,quot; zegt do schout. âEn ik wil met je gaan, want ik ben er immers toch eenmaal voor aangesteld , en onze baljuw zei laatst nog tegen mij: âSchout, zei hij, âop u rust het alles in Gulzow;quot; en toen gaf hij me een vel pampier en zei: âdeze zaak is pressant. Nu, ik liet mij dat door den veldwachter voorlezen, en toen hij dat klaar gekregen had, zei hij; âSchout, bij die zaak is haast.quot; â âNeen, zeg ik, dat weet ik beter, mijnheer de baljuw heeft mij gezegd, die zaak is pressant, en als hij dat te voren gezegd heeft, dan heb ik nog altijd goed vier weken gedacht en 'k ben altijd nog bij tijds gekomen.quot; En zoo kwam 'took ditmaal uit. Maar, Frederik! jou zaak is niet pressant, maar die heeft haast; k zal nog maar eventjes mijn hoed halen, en dan kunnen we er op losgaan.quot;
Dit gebeurde, en zij gingen. Toen zij het dorp uitkwamen, sprak de schout: âFrederik, mijn Hannes, je kent dien jongen toch wel; hij is nu in zijn zestiende, en ik dacht zoo, dat ik hem nog zoo'n jaar zonder vast werk wou laten rondloopen; hij hoedt hier de schapen op 't roggeveld; want, zie je! ik dacht ook zóó, t \ oer is toch krap, en in dit jaargetij vertrappen ze wol een1 maaltijd op 't veld en dus joeg ik ze er uit, - zie je? die jongen kan mogelijk den kerel wel gezien hebben. Zij vragen 't nu aan Hannes, en de jongen heeft den kerel werkelijk gezien; hij is den weg naar Pinnow opgegaan. In Pinnow gaan zij bij den schoolmeester aan en vragen hem of hij geen Franschman gezien heeft.
De schoolmeester heet Mosch, maar ze noemen hem altijd Yink; sommigen zeiden, omdat hij zoo mooi kon zingen, anderen, omdat hij altijd zoo vlug en wakker was en met iedereen allerlei grappen maakte. De oude schout liet zich ook nu inderdaad door den vink bij den
â 181 â
neus nemen; maar Frederik zag spoedig, hoe de vork in den steel zat; en, toen hij bemerkte, dat de vink zijne vrouw een knipoogje gaf, dat zij met hem uit één vaatje tappen zou, dacht hij: âWacht, nu zal ik je wel beet hebben!quot; â Hij stond op en zeide, dat hij in de keuken een kooltje voor zijn pijp wou gaan halen.
De vink praatte nu den ouden schout allerlei dwaze verhalen voor en toen de schout aan 't woord kwam en vroeg of hij den Franschman niet gezien had, zeide de vink; ni^een!quot; en zijne vrouw zeide ook âneen!quot; â Terwijl zij nu den ouden schout zoo fopten, kwam Frederik weer binnen en sprak: âJuffrouw! er is in uw' keuken zeker wat voorgevallen, want de ééne lat met worsten ligt op den grond.quot; ââ De schoolmeestersvrouw loopt nu de kamer uit en komt met de lat weer binnen, uitroepende: âZie zóó! Dat hebben we daarvan; die vervloekte kerel heeft ons een worst gestolen.quot; â âWat voor een kerel?quot; vraagt Frederik â âDe Fransoos, daar jelui naar gevraagd hebt.quot; â âZoo! dus hij is toch hier geweest.,quot; zegt Frederik. â âWel zeker is hij dat! En Mosch heeft hem nog een borrel en een boterham gegeven, en heeft hem den weg gewezen naar Demzin.quot; âNu, adjuus dan!quot; zegt Frederik. âKom schout! Verder willen we immers niks weten.quot;
âSchout,quot; zegt Frederik, toen zij een eind weegs van Pinnow en van den vink af zijn; âgij zijt toch eon soort van een gerechtspersoon en moet het weten; welke straf staat eigenlijk op 't stelen van eone worst?quot; â âWel, Frederik, zegt de schout, âmet worst ben ik in dat opzicht niet bekend; wat er op eene zijde spek staat, dat weet ik wel; .want toen de oude manke schoenmaker er mij laatst een uit het rookhok had gehaald, liet de baljuw hem veertien dagen zitten, en dan kreeg hij er nog een stuk of twaalf op zijn baaitje.quot; â âDan zou 't
â 182 â
juist niet zoo gevaarlijk wezen,quot; zegt Frederik, âwant als ik het daar naar bereken, hoeveel 'er op eene worst komt, dan is 't weêrgaasch weinig.quot; â-âHoe zoo?quot; â âWel, schout, zeg eens, als gij zeven varkens slacht, hoeveel zijden spek krijgt ge dan?quot; â âVeertien,quot; zegt de schout. â âDat 's niet waar,quot; zegt Frederik. âGij krijgt er maar dertien; ééne komt in de worst.quot; â Daar heb je gelijk aan!quot; zegt de schout. â âEn hoeveel worsten maakt uwe vrouw dan wel van zeven varkens ? Toch zeker wel een stuk of dertig-; dus komen er dertig worsten op ééne zijde spek, en op ééne worst zou dus, als men 't mooi uitrekent, op zijn hoogst een halve dag en oen halve slag komen, en dat estemeer ik voor oen rechtvaardig en genadig recht; â nu kunt gij mij hier dadelijk op heeterdaad den halven slag in mijn nek geven, en den halven dag wil ik toekomenden zondagmiddag, in uw huis, achter de kachel komen zitten, â want, kijk eens hier! Ik heb de worst van den vink weggenomenquot; â âWat! Plaagt jou de duivel?quot; vraagt do schout. â «Die niet, maar de honger,quot; zegt Frederik; on hij haalt de worst uit zijn' zak en snijdt er een stuk af. âHier, schout! Die worst is goed, die kan men zonder brood eten.quot; â âNeen,quot; zegt de schout, âmet gestolen goed wil ik niets te doen hebben.quot; â âHoe zoo, gestolen?quot; vraagt Frederik. âDit is eene fourage erin g, zooals wij bij den hertog van Brunswijk zeiden, of een mond roof, zooals jelui 't noemt. En, schout, ge zijt toch zeker ook dikwijls in den appelboom van den domeneer geklommen?quot; â âDe drommel weet, wat jou van daag bezielt; â ja, dat ben ik, toen ik een kwajongen was, maar nu heb ik groote kinderen, die ik met een goed voorbeeld moet voorgaan.quot; â't Is waar,quot; zegt Frederik, âen wat voor den een past, dat past niet voor den ander. â âSchout,quot; zegt hij , na eene
poos, âhoe oud is jo Fieken?quot; â âWel,quot; zegt de schout, en zijne oogen begonnen te schitteren, âFrederik, die deern, ik zeg je, die deern, â oud is ze niet, zij wordt pas achttien; maar, ik zog je, wakker is ze als een honigbij.quot; âDat weet ik,quot;, zegt Frederik, âik heb gisteravond nog op 't Stemhager slot bij haar gezeten, en ik kan wel zeggen, ze is me zoo goed bevallen, dat ik in staat zou wezen, om ten haren gevalle te gaan trouwen.quot; â âNou! hoor eeus aan, die is niet kwaad!quot; zegt de schout, en kijkt Frederik van boven tot onder aan. â âJa,quot; zegt Frederik, âen ik dacht, voor uw Frits is er wol wat anders te vinden , en gij wordt al oud, en als gij dan uwe rust woudt gaan nemen, dan zoudt go ons do hofstee kunnen geven, dan hadden Fieken en ik een mooi bestaan, en gij zoudt veel pleizier aan ons kunnen beleven.quot; â âDe hemel zal me bewaren!quot; roept de schout uit. âDat meen je toch niet in ernst?quot; â âWaarom niet?quot; zegt Frederik, en richt zich in zijne geheele lengte op. âZie ik er uit of' ik gekheid maak ?quot; â âWat!quot; roept de oude schout, en gaat op hem af, âzoo'n oude bedelaar als gij zijt, die wou naar eene schoutsdochter vrijen ? M ij n e dochter, een jonge deern van achttien jaar?quot; â âSchout!quot; zegt Frederik, âpas op uwe woorden! ââ Oud, zegt gij? Kijk mij eens aan; ik bon in mijn beste jaren, tusschen de twintig en vijftig. â Bedelaar, zegt gij ? Ik heb u nog om geen pijp tabak gevraagd. Maar, 't is waar, uw Fieken is heel wat jonger dan ik, doch daar geef ik niets om; ik neem haar toch, want zij is verstandig en weet dat zoo'n kerel als ik, die de wereld gezien heeft, meer waard is dan zoo'n boeren jongen met een' dikken, rooden kop en vlashaar, die een dienaar maakt als een knipmes, en bij de men-schen in de kamer spuwt.quot; â âHebt ge mijne
â 184 â
dochter al gekheden iu 't hoofd gepraat ?quot; schreeuwt de oude schout hem toe en ligt zijn stok tegen hem op. â âHalt, schout!quot; zegt Frederik. âDien stok weg! Wat zouden de menschen zeggen als er verteld werd dat ik met mijn schoonvader al vóór de bruiloft, op den landweg gevochten had.'' â De schout liet den stok vallen. â âSchout,quot; sprak Frederik, â'khen wel in staat, om van zoo'n Vink eene worst weg- te kapen, maar, nooit van mijn leven daartoe, om zoo'n jong, lief schepsel tot haar ongeluk te bedriegen ; ik heb uw Fieken geen gekheden in 't hoofd gezet.quot; â De oude schout zag hem z;oo van ter zijde aan, alsof hij zeggen wilde: de drommel mag jou vertrouwen! â maar hij zeide niets. Zij gingen nu verder, maar zij waren 't niet meer recht ééns.
Toen zij dicht bij Demzin kwamen , stond daar een jonge klerk van den rentmeester en Frederik ging naar hem toe en vroeg: âNeem mij niet kwalijk, hebt gij hier geen Franschman gezien? en zóó â en zóó. De jonge man zegt: âja; een klein uur geleden, is hier zoc'n kerel voorbijgekomen.quot; Zij gaan het dorp door, en aan het andere einde heeft ook eene oude vrouw don âchasseurquot; gezien. âNu hebben we hem gauw,quot; zegt Frederik. Doch, toen zij een weinig verder op het veld een ouden man aantroffen, die bozig was, om op den weg de toppen der wilgeboomen af te slaan, wilde die niets van een Franscli-man weten en zei dat die kerel hier sedert klokke zes 's morgens niet voorbijgekomen was.
Wat nu? In die richting voortgaan? Dat zou eene ware ganzenjacht geworden zijn. Uit het dorp was de kerel toch gegaan; waar was hij gebleven ? De schout krabde zijn hoofd; Frederik keek overal rond, bezag de gelegenheid en zeide eindelijk: âSchout, verder kunnen wij niet gaan, hier houdt het spoor op; wij willen dus de
â 185 â
zaak overleggen; maar 't blaast hier drommelsch koud over 't open veld; laten we daarachter den bakoven ') gaan zitten.quot; â Nu, zij doen dat. âWat ben ik toch een dwaas,quot; zegt de schout, âom hier in zoo'n weer en over zoo'n weg een Fransoos achterna te loopen!quot; â âSchoonvader, laat den Fransoos maar rustenquot;, zegt Frederik, âhem krijgen we toch nog.quot; â âBegint ge alweer met je âschoonvaderquot;, jij, pruisische gauwdief?quot; â âSchout, wat ge niet zijt, kunt ge nog worden. Ik heb menschen genoeg gekend, die hebben voor dien naam hunne dochters en daarbij nog veel geld gegeven.quot; â âDau hebben ze daarvoor ook andere schoonzoons gekregen, dan gij zijt.quot; â âKijk me eens goed aan, schout,quot; zegt Frederik , en hij gaat voor den schout recht overeind staan: âeen avekaat ben ik niet en een dokter ook niet; maar ik heb gezonde kneukels, en kijk mijne handen eens, die kunnen van werken meepraten. En zoo gij uwe eigene oogen niet vertrouwt, dan kunt ge 't immers aan mijn baas, den molenaar, vragen.quot; â âEi, weet je, wat die zegt? Die zegt, dat je wel een flinke kerel bent en dat je wel wat durft aan te pakken; maar dat je uitdrukkingen over je hebt, dwaze uitdrukkingen, waar geen hond om achter den oven vandaan zou komen quot; â'kZal u straks bewijzen, dat dit onjuist gezien is. Maar nu, zeg eens schout, wilt ge mij uw Fieken geven?quot; â quot;Wat drommel!quot; zegt de schout, âik dacht eerst dat het esne grap moest verbeelden, en nu geloof ik, jou rakker, dat je hier ernst van wilt maken.quot; â âSchout,quot; zegt Frederik, âmet de hofstee en dat gij uwegt; rust moest nemen, dat was gekheid; want uw Frits moet de hofstee hebben, en gij zijt ook zoo oud nog niet; maar, met uw Fieken, dat
quot;) In die streken staat niet zelden een bakoven van het dorp op het open veld, Vert.
- 18G â
is ernst, en eene hofstee zal 'k gemakkelijk krijgen.'' â âJou snoever!quot; zegt de schout. âKijk, dat is weer zoo'n spreekmanier, zooals ik gezegd heb, waarmee je geen hond achter den oven vandaan krijgt. âDat wil ik u toonen!' roept Fredcrik. â âPocher!quot; zegt de schout, terwijl hij opstaat. âIk ga naar huis, en ga jij aan 'thonden lokken . of vang jij den Fransoos.quot; âDien heb ik,quot; zegt Frede-vik. â âPraalhans!quot; roept de schout. â âSchout,quot; zegt Frederik, âwanneer in drie minuten de Fransoos voor u staat, en ik met mijn spreekwijzen een houd uit den oven lok, wilt gij mij dan uw Fieken geven?quot; En hij hield hem zijne hand tegen, âsla dan toe!quot; â âJou, leugenaar!quot; roept de schout, âalleen, om 'tje met een' langen neus te bewijzen, dat je een praalhans bent. â Ja!quot; en hij slaat toe.
Frederik lacht zoo'n beetje in zich zelven; hij bukt naar de opening van den oven en roept: âMonsieur, allons, ici! â Allons, ici!quot; â En wat kroop er te voorschijn ? De franschechasseur. âHemelschegoedheid!...quot; roept de schout. â âPardon, monsieur!quot; roept de Franschman. â âSchout, wie heeft de weddingschap gewonnen? ' vraagt Frederik. âHier is de Fransoos en hier is ook de hond! Wie krijgt nu uw Fieken?quot; â âPruisische schurk!quot; roept de schout, en licht den stok weder op. âJe wilt mij hier voor den gek houden, niet waar? Jij, mijn Fieken! Dan wil ik toch liever . .. .quot; â âSchout,quot; zegt Frederik, âlaat uw stok rusten; do Fransoos wordt1 bang; kom liever hier, en help mij bij 't arresteeren; over de weddingschap spreken wij nader. âPardon!quot; roept de Franschman er tusschen in. â âWat, hier en ginder! Pardon!quot; roept Frederik. âWaarom loop je onder den beuk vandaan, waar ik je had neergelegd? Dezen keer zal ik je op mijn' manier trakteeren; mamsel Wcstphalen is hier niet bij,quot; en dit zeggende sneed hij
â 187 â
hem de knoopen van zijne kleêren af; âen nu, aliens, en avant!quot; En zoo gaat het dan nu voorwaarts door Demzin naar Pinnow heen.
De oude schout loopt er, in den zwaren regen, stil naast, en is knorrig, 't meeste op zich zeiven; en als hij de schuld op Frederik schuiven wil, dan moet hij telkens weer zeggen: âEen schelm is hij, maar een drommelsche wakkere kerel is hij toch! Hoe hij dat toch wist, dat de Fransoos in den oven zat? En dan dat knoopen afsnijden! Nu, dat zal 'k dan toch onthouden!quot;
Toen zij Gulzow naderden, zei Frederik: âSchout, wie drommel komt daar, dwars over uw bouwland, aandraven? Wat heeft die daar te jagen? Den regen kan hij toch niet ontkomen.quot; â âWel, sakkerloot!quot; zegt de schout, âdat is immers de bruine van den inspektor Brasig, en die er op zit is, zoo waar, de Stemhager burgemeester.quot;
En zoo was 't.
Mijn vader kwam nader, en toen hij den Franschman zag en Frederik, zeide hij, dat de zaak nu wel zou schikken. âMaar,quot; voegde hij er bij, âschout, nu naar uw huis, want ik ril tot in mijn binnenste van de kou en ben door en door nat.quot; ââ âDat zeg ik ook, mijnheer, wij zijn ook al mooi doorgeweekt.quot;
Toen zij bij den schout in huis gekomen waren, haalde zijne vrouw allerlei afgelegde kleêren voor den dag, doch het was ter nauwernood genoeg, want de slechte tijden hadden ook de kleerkast van den schout erg uitgeplunderd , en ieder van hen dankte den hemel zoo hij maar iets vond, wat hem half en half paste! De oude schout kon geene andere huisvesting vinden dan in zijne eigene broek, Frederik zat heel deftig in den kerkjas van Frits, en mijn vader, die de kleinste was, moest zich met hot korte buis van Hannes vergenoegen, 't geen de schout
â 188 â
natuurlijk eerst niet toestond, en waar hg*Veel komplimenten over maakte. Maar, wanneer iemand uit een benarden toestand in veiligheid, en uit den regen op het droge gekomen is, dan laat de vroolijkheid zich lichtelijk vinden, en miju vader lachte over zijne kleedij, dat de tranen hem over 't aangezicht liepen. â âGoede hemel!quot; zeide hij op eens en werd heel ernstig, âwij lachen hier, en onder ons zit een menschenkind, dat rilt niet alleen van kou, dat rilt ook van angst; wij zullen hem ten minste zooveel goed doen, als wij kunnen. Vrouw Besserdich, gij moet ook den Fransoos aan het een of ander helpen.quot; â Dat ging nu slecht, en toen alles aangewend was, wat slechts eenigszins er voor paste, moest toch de dikke wollen rok van de oude schoutsvrouw nog het meeste te hulp komen.
âBroertje, eet maar ferm!quot; zeide Prederik, toen zij bij het ruim voorziene avondeten zaten, en schoof den Pranschman zoo'n stuk pekelvleesch toe van een pond of drie. âEet, broer! Zoolang de menseh eet, zoo lang leeft hij nog,quot; â En mijn vader kreeg modelijden met den kerel, hij sprak een paar woorden in 't Pransch tot hom: op deelnomenden toon, om hem te troosten, en de arme zondaar antwoordde zoo onderworpen, zoo weemoedig en bedrukt, dat het den ouden schout, ofschoon hij er niets van verstond, toch ter harte ging. Hij boog zich naar mijn vader toe en vroeg : âMijnheer de burgemeester, willen we den kerel maar weer laten loopen?quot; â âXeen,quot; was het antwoord van mijn vader; âzoo gaat dat niet. De molenaar en de bakker zitten in bitter leed en zij hebben eeno rechtvaardige zaak; en do Pranschman zit ook in nood, maar hij heeft eene onrechtvaardige zaak, en het recht moet zijn loop hebben.quot;
Later komt Prits, de zoon van den schout, met de paarden den hof oprijden. Hij treedt binnen en zegt: ,Groe'n avond, vader! Ik ben van de Pransozen wegge-
â 189 â
loopen.quot; â Hij geeft zijn' vader de hand, gaat naar mijn' vader toe, die met den rug naar hem toegekeerd zit, en geeft hem een recht aardigen stomp in den nek, zeggende: âGroê'n avond, Hannes! Kan je ook je broer niet eerst goê'n avond zeggen?quot; â Mijn vader springt overeind en keert zich om, en Frits staat daar als Loth's huisvrouw. â âHeere, bewaar me,quot; roept de schout. âDat komt hier binnen en slaat me den Stemhager burgemeester in mijn eigen huis! En zoo'n lummel wil eenmaal schout worden!quot; â âLaat hem met rust!quot; zegt mijn vader. âDoch, daarvoor zal hij van avond nog geene rust hebben; hij zal ons voor zijn straf van avond nog allen naar Stemhagen rijden.quot; â âDoor de heelo wereld, burgemeester!quot; zegt Frits. â âMaar, hoe komt ge zoo laat t'huis?quot; vraagt de schout. â âWel, vader, ik dacht zóó: als ze je krijgen, zal 'ter slecht uitzien, en daarom trok ik de paarden in het boscli en ging op de loer staan, en wou wachten tot het avond werd, en toen ik zoo stond, kwam de politiedienaar Luth aanloopen; hij zei dat de Fransozen al lang weg waren, en dat de burgemeester ook aan den haal gegaan was, en hij hem nu zocht.quot; â Waar is hij dan gebleven?quot; vraagt mijn vader. âHij zal dadelijk komen,quot; zegt Frits, âhij ging nog maar eens bij den schoolmeester aan.quot;
Luth kwam dan ook weldra, en toen hij naar mijn' vader vroeg en hij dien in 't korte buis van Hannes in 't oog kreeg, was 't uit met zijne boodschap; hij vergat alles, wat hij moest en wilde zoggen, en begon te schateren van lachen; mijn vader werd boos, want hij dacht niet meer aan zijne kleeding, maar aan mijne moeder en aan t'huis; hij pakt den politiedienaar bij den kraag en roept: âLuth, zijt gij gek geworden? Hoe maakt het mijne vrouw en mijne kinderen?quot; â âKostelijk in orde, burgemeester! Ha, ha, ha! â En mijnheer de baljuw leest
â 190 â
uwe vrouw wat uit de boeken voor, en mamsel quot;Westpha-, len stopt Frits op met appelen en lekkers, maar, â ha, ha, ha! â neem 'tmij niet kwalijk,.ik moet lachen.quot; â En Frederik begon ook te lachen, en de oude schout ook, on Frits, en de vrouw van den schout zeiden dat mijnheer de burgemeester er toch ook heel kluchtig uitzag. â Mijn vader was nu lichter om 't hart geworden en lachte dapper mede. âLuth, lach maar goed uit,quot; zeide hij, âmaar lach wat vlug ook! want 'k heb wat voor je te doen, daar haast bij is â De Fransozen hebben immers den mantelzak met het geld en het zilverwerk meegenomen, niet waar?quot; â âJa, mijnheer, 'k heb gezien, dat zij 't wegdroegen.' â âHaast je dan wat. In den stal staat de bruine van den inspektor Brasig, neem dien en draaf, wat ge kunt, naar Kittendorp, naar mijnheer den landraad von Urtzen, â want, van daar zijn gisteren de Fransche jagers gekomen, en daar zullen de lepels ook wel van afkomstig zijn; â en vertel gij dan aan den landraad, hoe 't ons in Stemhagen gegaan is, en verzoek hem u een vertrouwd persoon mode te geven, die omtrent de lepels een eed doen kan. Op die wijze kon hij mogelijk zijn eigendom nog terugkrijgen. â En maak nu dat ge weg komt. En, Frits, span gij nu dadelijk in!quot;
Het duurde ook heel kort, of zij zaten allen op den wagen; slechts den schout wilde moederlief niet laten meegaan. â âJe hebt daar niks te maken, je kunt t'lmis blijven,quot; zeide zij. â âMoeder,quot; zeide de schout, en hij zette zijn' éénen voet in liet rad en den andoren op de as, en keek van boven af om; âdit is tegen onze afspraak. J ij bent baas in huis en i k ben baas in mijne schoutszaken, en een' gevangene te transpireer en is eene schoutszaak.quot; En, met die woorden klemt hij zich met Frederik en den Franschman op éénen zak. âZoo, Frits, nu maar voort, ju, ju!quot;
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
Waarom Frederik eigenlijk geen gauwdief was; waarom keizer Napoleon niets met den raadsheer te doen wil hebben-, en waarom de overste met den raadsheer geheimen heeft.
Voor hot raadhuis to Stavonhagon hield de wagen stil, oh met één sprong was mijn vader van zijn' zak af, en zeide tot de anderen, dat zij nog ecne poos stil zouden blijven zitten, totdat hij hen roepen zou. â Toen bij op den gang kwam, ontmoette hem Marieken Wienk, met een licht, want het was inmiddels donker geworden. Marieken, ons dienstmeisje, had bijna het licht laten vallen en wilde juist gaan schreeuwen, toen zij mijn' vader in de kleêren van ïlannes herkende; hij trok haar echter schielijk in zijne kamer en zeide: âHou je stil, Marieken, ge zijt immers een verstandig meisje!quot; â Marieken was vrij droomerig, maar niets liolpt de domheid beter voort dan dat zij wijsheid wordt genoemd; 't werd in Marieken's hoofd ook heel wat helderder. â âIs mijnheer de baljuw nog hier?quot; vroeg mijn vader. â âJa, mijnheer.quot; â âZet dan dat licht neer en ga naar binnen, in de kamer, en laat mijne vrouw niets merken, maar zeg aan don baljuw dat er iemand is, die hem verlangt te spreken, en breng hom dan bij mij.quot;
ISTu, dat gebeurde, en de oude heer kwam binnen en zeide: âGoeden avond, mijn jongen; wat wilt gij, en wat doet ge hier in de kamer van den burgemeester?quot; â âMijnheer de baljuw , hoe maken het mijne vrouw en mijne kinderen?quot; â âWel jongske, wat weet ik van jou vrouw en kinderen? Hoe kom jij aan vrouw en kinderen?quot; â
â 192 â
âWel, heere, bewaar me!quot; roept mijn vader uit, âkent gij mij dau niet? Ik beu immers de burgemeester!quot; â 0, zoo, dau is 't eeue andere zaak!quot; roept de oude heer. âDat is toch eene geheel buitengewone zaak! De consul Staven hagenicnsis in een kort buisje! â Maar, wat zegt Horatius? Nil mirari, zegt hij. Vooral in deze tijden, kindlief.quot; â⢠âMijnheer de baljuw, mijne vrouw!quot; â âZij weet dat gij ontkomen zijt, kindlief, en zal zich zeer verheugen.quot; â âMaar ....?quot; â âNeen, 't zal haar geen kwaad doen, ook niet als ze u in dat korte buis ziet. Kom maar mede!quot;
Alle verrassingen deugen geen zier, zelfs niet de goede. Wanneer de blijdschap ons plotseling in de ooren dreunt, alsof twee dozijn muziekanten tegelijk, dicht bij ons. achter do struiken, zoo luid mogelijk beginnen te spelen, dan schokt het ons door hart en hoofd, en het schoonste lied wekt niets dan smart. Neen, ik houd meer van de blijdschap, die tot mij komt als een zangvogel in een boschje, altijd nader en nader, van tak tot tak, totdat hij ten laatste van den dichtst bij zijnden boom zijn liedje mij heel duidelijk in de ooren zingt.
Do blijdschap kwam bij mijne moeder in 't eerst wel een weinig haastig, maar dat was doorgestaan; nu kwam zij van tak tot tak, en toen mijn vader de kamer inkwam, zong zij haar lied haar heel duidelijk in de ooren; en toen de vogel eindelijk zelf in een kort buisje kwam, toen was 't haar alsof hij haar allerlei zwaaien en sprongen in 't boschje voordeed, zoodat zij er hartelijk om lachen moest. â De herinnering aan dezen dag is in ons huis levendig gebleven tot in veel lateren tijd; wau-neer mijn vader, onder werk en zorgen, eens recht vroo-lijk t'huis kwam, dan zeiden wij onder ons: âYader heeft van daag 't korte buisje aan!quot;
Toen de blijdschap ten halve bedaard was, begon de
â 193 -
oude heer: âEu deu Pranschman hebt gij dus ook medegebracht, jongeulief!quot; â âIk niet,quot; zeide mijn vader: âFrederik van den molenaar heeft wel het meest daaraan gedaan, en de Gulowsche schout heeft hem geholpen.quot; â âZoo ? Die Frederik moet een drommelsche wakkere vent wezen, een uitgeslapen kerel; wij zullen hem eens binnen laten komen.quot;
Frederik kwam en de schout ook. âZeg eens, mijn zoon, zijt gij het, die den Franschman van den wagen gesmeten hebt?quot; Frederik dacht bij zich zeiven: Wat? Dit schijnt wel weer een gerechtsdag te worden, en daar hij die vraag met âjaquot; beantwoorden moest, zette hij zich dadelijk in postuur en wachtte af wat er van komen zou. âJa, mijnheer,quot; zeide hij. â âWeet ge dan ook wel, dat gij den molenaar in groote verlegenheid gebracht hebt?quot; â âVerlegenheid? Hij is aan verlegenheden gewend, en ééne verlegenheid meer zal hem geen kwaad doen.quot; â âZijt gij liet, die den mantelzak van het paard van den Franschman hebt genomen?quot; â âJa; mijnheer.quot; â âHebt ge u daarbij niet, door het nemen van een achtgroschen, aan het eigendom van deu Franschman vergrepen?quot; â âIk heb mijn' eigen achtgroschen maar weerom genomenzeide Frederik en vertelde het geval. â âGij hebt die tegen wet eu recht genomen; en hoe wordt zoo iemand genoemd, die dat doet? ' â Frederik zag den ouden heer vrijmoedig aan, maar sprak geen woord. âSchout Besserdich, hoe wordt zoo'n inensch genoemd?quot; â âMet uw permissie, miju-heer de baljuw, een gauwdief,quot; zei do oude schout. âEn dat is hij, mijnheer; hij heeft vandaag nog van deu ouden Vink eene worst uit hot rookhok gestolen, eu zoon kerel wil met mijn Fieken trouwen?quot; â âWat wil hij?' â Mijn Fieken, mijnheer, die bij u dient, mijnheer, daar wil hij mee trouwen, mijnheer.quot; â âZóó Reuter. Viool. Gesch. 4e dr. 13
â 194 â
zóó?quot; zeide de baljuw en keek Frederik van boven tot beneden aan, âdat is dan eene andere zaak! â Mijn zoon, dan kunt gij heengaan, maar ik zal er aan deuken , wat gij gisteren en lieden gedaan hebt.quot;
Frederik ging en was in zijn hart boos op den schout en op den baljuw. âWaar wil hij aan denken ?quot; vroeg hij zich zeiven af, toen hij op den gang stond. Had hij echter geweten wat die woorden bij den ouden heer be-tcekenden, dan zou hij er wel uiet zóó naar gevraagd hebben, want ten kwade dacht de baljuw nooit ergens meer aan; het kwade ging bij hem spoedig voorbij, dat liet geen indruk bij hem na, eu hij schrapte het door; maar ontmoette hij het goede op zijn weg, dan was hij bang, dat het hem soms door 't hoofd mocht gaan, dan zeide hij: âiSTetje, Frits Sahlmann, Westphalen, kinderen! helpt er mij toch aan denken.quot;
Toen Frederik de deur uit was, keerde de oude heer zich om en lachte van ganscher harte. âSetje,'' zeide hij, âde worst van Frits Sahlmann, van dezen morgen, krijg je niet weerom, die moet de Vink in Pinnow hebben, want als deze bengel, die Frederik, met Fieken van den schout wil trouwen, dan moeten we toch eerst weer een eerlijk man van hem maken.quot; - âJa,quot; riep mijn vader, ter wijl hij een achtgroschenstuk op de tafel legde, âen hier is het geld, dat hij den Franschman ontnomen heeft.quot; â âWel nu, schout, zog, wanneer wordt nu de bruiloft gehouden ?quot; vroeg lachende de oude heer. â- De oude schout stond daar en trok een gezicht, alsof iemand hem van achteren een bril van voetzolen had opgezet; hij wist niet wat om hem heen gebeurde. âMijnheer de baljuw, zeide hij ten laatste, âdie kerel is toch maar een bedelaar.quot; âSchout,quot; hernam do oude heer; âdie zaak kan veranderen. Er zijn in deze tijden in ons rechtsgebied boerenhofsteden open gekomen, en wie weet, hoe de hooge
- 195 â
hertogelijke kamer daarover denkt.'quot; â âJa, maar liij is toch ook een gauwdief, mijnheer.quot; â âSchout, dat wou 'k toch nog wel eens van je hooren. Toen de kerel van morgen die achtgroschen uit het valies genomen heeft, had hij toen hot geheele ding niet kunnen houden? Wie zou daar iets van geweten hebben? En, als lnj het op zijn nek had genomen, en daarmede over de pruisische grenzen gegaan was, zou daar dan een haan naar gekraaid hebben? Derhalve.quot; â âJa, mijnheer, maar toch die achtgroschen en die worst? â âHet eene heeft hij in zjjn onverstand voor zijn recht aangezien, en het andere voor een grap.quot; âJa, mijnheer,quot; zegt de schout, zijn hoofd krabbende, âal is dat alles ook zoo, mijn Piek is toch te jong voor dien ouden knaap.quot; â âMet uw verlof, mijnheer de baljuw,quot; viel mamsel Westphalen hierop in, âdat ik in gerechtszaken en boerenaangelegen-heden meespreek. â Schout Besserdich! dat 's een flauwe bedenking van je; want als je Plek nog eene jonge, onervarene deern is, dan is 't goed, dat zij een ervaren man krijgt, want dat is altijd goed uitgekomen. En, mijnheer de baljuw, neem hot mij niet kwalijk, hij is een geresolveerde kerel en goed in dezen tijd te gebruiken; en gisteravond , â ik wil niks niemendal tegen mijnheer Droi zeggen , want hij moet weten wanneer het tijd is met geweer en sabel op een mensch af te gaan, â maar gisteren ging Prederik geheel alleen op den Pransoos aan, en al waren ook zijne redenceringen voor uwe kamer en voor mijne ooren niet fatsoenlijk genoeg, zoo zet ik toch in mij zelve: dat is een kerel, die durft. En, schout Besserdich, die twee passen voor malkaar, want, wat hij met daden hoeft, heeft zij met woorden; en, mijnheer do baljuw , zij kan zich een kerel van 't lijf houden, want zij heeft een gezegend mondwerk, dat zeg ik.quot;
Do oude schout keek mansel Wostphalen aan en dan
â 194 â
zóó ?quot; zeide de baljuw en keek Frederik van boven tot beneden aan, âdat is dan eene andere zaak! â Mijn zoon , dan kunt gij heengaan, maar ik zal er aan denken , wat gij gisteren en heden gedaan hebt.quot;
Frederik ging en was in zijn hart boos op den schout en op den baljuw. âWaar wil hij aan denken ?quot; vroeg hij zich zeiven af, toen hij op den gang stond. Had hij echter geweten wat die woorden bij den ouden heer be-teekenden, dan zou hij er wel niet zóó naar gevraagd hebben, want ten kwade dacht de baljuw nooit ergens meer aan; hot kwade ging bij hem spoedig voorbij, dat liet geen indruk bij hem na, en hij schrapte hot door; maar ontmoette hij het goede op zijn weg, dan was hij bang, dat het hem soms door 't hoofd mocht gaan, dan zeide hij; âNetje, Frits Sahlmann, Westphalen, kinderen! helpt er mij toch aan denken.quot;
Toen Frederik de deur uit was, keerde de oude heer zich om en lachte van ganscher harte. âSetje,quot; zeide hij, âde worst van Frits Sahlmann, van dezen morgen, krijg je niet weerom, die moet de Vink in Pin now hebben, want als deze bengel, die Frederik, met Fieken van den schout wil trouwen, dan moeten we toch eerst weêr een eerlijk man van hem maken.quot; â âJa,quot; riep mijn vader, ter Avijl hij een achtgroschenstuk op de tafel legde, âen hier is het geld, dat hij den Franschman ontnomen heeft.quot; â âWel nu, schout, zeg, wanneer wordt nu de bruiloft gehouden?quot; vroeg lachende de oude heer. â De oude schout stond daar en trok een gezicht, alsof iemand hem van achteren een bril van voetzolen had opgezet; hij wist niet wat om hem heen gebeurde. âMijnheer da baljuw,quot; zeide hij ten laatste, âdie kerel is toch maar een bedelaar.quot; âSchout,quot; hernam do oude heer; âdie zaak kan veranderen. Er zijn in deze tijden in ons rechtsgebied boerenhofsteden open gekomen, en wie weet, hoe de hoogc
â 195 â
hertogelijke kamer daarover denkt.quot; â âJa, maar hij is toch ook een gauwdief, mijnheer.quot; â âSchout, dat woii 'k toch nog wel eens van je hooren. Toen de kerel van morgen die achtgroschen uit het valies genomen heeft, had hij toen het goheele ding niet kunnen houden? Wie zou daar iets van geweten hebben ? En, als hij het op zijn nek had genomen, en daarmede over de pruisische grenzen gegaan was, zou daar dan een haan naar gekraaid hebben? Derhalve.quot; â âJa, mijnheer, maar tocli die achtgroschen en die worst? â âHet eene heeft hij in zijn onverstand voor zijn recht aangezien, en het andere voor een grap.quot; âJa, mijnheer,quot; zegt de schout, zijn hoofd krabbende, âal is dat alles ook zoo, mijn Piek is toch te jong voor dien ouden knaap.quot; â âMet uw verlof, mijnheer do baljuw,quot; viel mamsel Westphalen hierop in, âdat ik in gerechtszaken en boerenaangelegen-heden meespreek. â Schout Besserdich! dat 's een flauwe bedenking van je; want als je Fiek nog eene jonge, onervarene deern is, dan is 't goed, dat zij een ervaren man krijgt, want dat is altijd goed uitgekomen. En, mijnheer de baljuw, neem liet mij niet kwalijk, hij is een geresolveerde kerel en goed in dezen tijd te gebruiken; en gisteravond , â ik wil niks niemendal tegen mijnheer Droi zeggen , want hij moet weten wanneer het tijd is met geweer en sabel op een menseh af te gaan, â maar gisteren ging Frederik geheel alleen op den Fransoos aan, en al waren ook zijne redeneeringen voor uwe kamer en voor mijne ooren niet fatsoenlijk genoeg, zoo zet ik toch in mij zelve: dat is een kerel, die durft. Eu, schout Besserdich, die twee passen voor malkaar, want, wat hij met daden heeft, heeft zij met woorden; en, mijnheer de baljuw, zij kan zicli een kerel van 't lijf houden, want zij heeft een gezegend mondwerk, dat zeg ik.quot;
De oude schout keek mansel Westphalen aan en dan
â 196 â
weer mijnheer den baljuw; hij was geheel ontsteld; al de tegenwerpingen, die hij gemaakt had , waren wederlegd; hij zocht naar nieuwe en vond die niet, totdat hem ten laatste datgene inviel, wat hem op 't laatst altijd inviel- hij krabde zich dus achter de ooren en zeide: âJa, mijnheer de baljuw, ik moest eerst hooren wat moeder ervan zegt.quot; â âBest, mijn lieve schout! Maar m de allereerste 0piaats moest sa hooren wat uw Fieke11 ervau zegt Wat mij betreft, 'k heb u maar willen aantooueu,
dat deze Frederik geen gauwdief is.'1 ^
Hiermede was dan deze zaak voorloopig tot op bmt Nimmermeer uitgesteld. De vrouw van den baljuw was met mamsel Westphalen reeds weder naar het slot gegaan, en bij het overige gezelschap liet zich de vermoeidheid gevoelen, toen de politiedienaar Luth van zijn nt naar Kit-tendorp terugkwam en mededeelde dat mijnheer de lanc -raad vele groeten liet doen en zijn eigen kamerdienaar had meegegeven, ter zake van het zilverwerk.
Daardoor was alles dan nu mooi in orde gekomen; de baljuw schreef nu nog een brief aan den Fransehen overste; mijn vader gaf Luth nauwkeurige inlichting, wat hij te doen en te zeggen had; Frederik en Luth namen den âchasseurquot; tusschen zich in, op den wagen; de kamerdienaar en Frits Besserdich gingen voorop zitten, en zoo ging het voort, in den donkeren nacht en door den zwaren
weg naar Brandenburg.
^Ja,quot; zeide de oude schout, toen hij alleen, in de duisternis naar Gulzow terugging, âjelui hebt goed praten! Zoo'n baljuw en zoo'n burgemeester, en mamsel Westphalen op'het slot, dat zijn voorname lui, die hebben niemand boven zich; maar zoo'n schout wordt van iedereen gekommandeerd. Ja, als moeder er met was. En als die kerel geen gauwdief was, en hij was een ja,ar of tien jonger, en hij had eene boerenplaats, en mijn
â 197 â
Fiekon wou liGni hebbGn, ja, dan â dan â kreeg liij haar tocli niet, want moeder zou 't niet toestaan.quot;
Geen mensch kan het mij nu ten kwade duiden, dat ik bij het vertellen van eene vroolijke historie, geen lust heb vreeselijke verhalen er tussehen te voegen, en daarom spreek ik niet meer dan noodig is van den Franschen âchasseurquot;; ik zeg er niets van, hoe hij te moede was, toen hij in Brandenburg kwam. en toen hij voor den-krijgsraad stond; niets daarvan, hoe de angst, de doodsangst steeds nader kwam, toen hij het loon voor zijne booze daad zou ontvangen. En indien ik het ook wilde , zoo zou ik het niet kunnen doen, want ik schrijf maar van zaken die ik ken, en deze zaak ken ik niet; ik heb 't van mijn loven niet over mijn hart kunnen krijgen, om een armen zondaar nieuwsgierig te gaan bekijken opzijn' laatsteu gang en toe te zien, hoe de eene zondaar den ander door oen men schol ijk oordeel, voorbarig voor den rechterstoel van den Heer onzen God brengt. â Maar, dat was nu eenmaal zoo, en dat geschiedde ook zoo; en toen zijn bloedig lichaam op het zand lag, heeft wel niemand er aan gedacht, dat de kogels, ver weg in Frankrijk, veel dieper in een ander hart gedrongen waren, dan in het zijne, ik meen , in het hart zijnor oude moeder.
Ik wil dan alleen vertellen, dat door de uitlevering van den levenden Franschman de molenaar en de bakker van de verdenking dat zij een moord zouden gepleegd hebben , vrij kwamen ; en dat door zijne bekentenis on door de getuigenis van den inspektor Brasig en den kamerdienaar, de landraad Von Urtzen zijn eigendom wederkreeg, en dat de overste Von Toll, toen de auditeur het geld wilde terughouden, als onbeheerd goed, op strengen toon zeide dat zijn regiment niet met roof en diefstal zou bezoedeld worden. Hij stond op, nam het valies, en sprak tot Luth: âilijn goede vriend, gij
â 198 â
scliijnt mij too, een verstandig man to wezen; noem dezen verzegelden mantelzak on geef dien aan don baljuw, don hoor AVober, opdat hij daarmede liandele, zoo als 't hier to lande als recht geacht wordt.quot; Luth ontving een go-schrift daarbij, en aldus was die zaak afgedaan.
Maar nu onstond or eeno zwarigheid, waaraan niemand gedacht had: wat moot er van mijn oom Herse worden ? Toen do molenaar en de bakker en al de andoren de gerechtszaal uit, on van hem weggegaan waren, stond daar mijn oom Ilorso nog, als een statige, eonzame eikeboom in eene houtveiling, dien do houtvester alleen om zijne statigheid verschoond had. â De overste zag hem verwonderd aan en vroeg hem: âWaarom staat gij hier nog?quot; â Oom Horse bewoog zijne takken en aan zijn donkerrood gelaat was het te zien, dat in zijn' top do stormwind begon te ruischen. âDat wilde ik u vragen,quot; was zijn antwoord. Zoo in dit oogenblik een vreemdeling de deur was binnengekomen, zou hij 't wel gelaten hebben , te beslissen wie de overste on wie de raadsheer was. Zij hadden beiden een deftige uniform aan; en beiden hadden een voornaam, trotsch voorkomen, doordien zij beiden gewoon waren te bevelen; â was do overste een paar duim langer, zoo was mijn oom een halven voet dikker; kon men bij den overste den krijgsman ondei; zijn neus zien, zoo had mijn oom dien over 't gau-sche gezicht, want hij had zich in een paar dagen niet kunnen doen scheren; de oude dokter Metz had eergisteren overgeslagen, en wat den dag te voren en gisteren en vandaag gegroeid was woog rijkelijk op tegen den knevel van den Franschmau.
âWie zijt gij?quot; vroeg de Franschman. â âIk ben een raadsheer, een Sta ven hag er raadsheer,quot; zeidc mijn oom. Dat scheen den Franschman nu toch eenigs-
zins te treffen; hij liep op en neder en bleef eindelijk
â 199 -
voor mijn oom staan, zeggende: âIk zie er geen voordeel voor keizer Napoleon in, om nog langer met u in liet land rond te trekken. Gij kunt henengaan.'' â Zoo iets was mijn oom nu toch niet gewoon. âMijnheer,quot; riep hij uit, âdeze behandeling. . -â âHet doet mij oprecht leed,quot; viel de overste hem in de rede, âdat men u in 't geheel geïncommodeerd heeft. Gij moet wezenlijk bij vergissing medegenomen zijn.quot; â Dat was dan nu toch voor mijn oom al te erg! Hij had zicli den geheelen weg langs, in den barren winternacht, daarmede getroost, dat hij een uitverkoren slachtoffer was van don korsikaanschen draak, en nu zou dat alles eene eenvoudige vergissing wezen ? Hij had in zijne onschuld ten minste op eene openlijke verklaring tot herstel zijner eer, voor het front van een geheel Pransch regiment, gerekend, en thans schopte hem, â met permissie gesproken, â de Fransche overste met den voet voor het allerdierbaarste en zeide, dat hij kon vertrekken. -â âEen man, gelijk ik ben,quot; riep hij uit, âuit vergissing medegenomen!quot; âGij moogt nog van geluk spreken,quot; zeide de overste en klopte hem, vriendelijk lachende, op den schouder; âin den oorlog komt menigmaal wat ergers voor; daar wordt menigeen uit vergissing doodgeschoten. Zie de zaak als eene beproeving van den hemel aan.quot;â âAls dit eene beproeving wezen moet,quot; zegt mijn oom, âdan is 't wel een zeer domme.quot; â De overste lacht en neemt mijn oom onder den arm. â âKom, mijnheer de raadsheer,quot; zegt hij, âik ben recht vergenoegd gestemd, dat die zaak zóó afgeloopeu is en dat ik den baljuw heb kunnen tevreden stellen. En ik zou gaarne nog een paar woorden in 't geheim en onder vier oogen met u willen spreken.quot; In 't geheim en onder vier oogen, dat waren woorden, waaraan mijn oom Herse geen weerstand kon bieden; hij volgde dus den overste.
âMijnheer Herse,quot; sprak de overste, toen zij buiten.
â 200 â
op de markt, voor het logement âIn den gouden knoop,quot; stonden, waar het hoofdkwartier was; â âmijnheer Herse, wees zoo goed den ouden, braven baljuw te zeggen, dat ik hom nog hartelijk laat groeten, en nu ik gelukkig aan z ij n verzoek heb kunnen voldoen. moge h ij ook trachten hot m ij n e te vervullen; m ij n verzoek is dat hij, indien zulks met recht kan geschieden, het onbeheerde geld aan het lieve meisje doe toekomen, dat mij gisteren onderweg den brief van hem hoeft gebracht. En, mijnheer Herse, gij zult wel inzien dat dit geheim gehouden moet worden, want anders kou de baljuw daardoor in verdenking komen.quot; â Nu was mijn oom Herse weder recht in zijn element. ,Gij meent immers Pieken ?quot; vroeg hij schielijk. âFieken, de dochter van don molenaar Voss, die daar staat?quot; En hij wees op Fieken, die, een weinig ter zijde, bij haren vader stond en haren arm om zijn hals geslagen had en van blijdschap schreide. â âJa, die meen ik,quot; antwoordde de overste, naar het paar toegaande.
Fieken liet haren arm van haars vaders hals los, maar hare tranen kon zij niet terughouden, en toen de overste naderbij kwam, was 't haar, alsof ze nog meer moest schreien, en toon hij haar de hand gaf, maakte zij stilzwijgend eene dienaresse; zij kon geen woord uitbrengen. Zoo lang de nood, gelijk een sombere nacht, haar had bezwaard , zoolang was zij kalm en stil, zonder rechts of links om te zien, haren weg gegaan, en het vertrouwen op God alleen had haar, als eene heldere ster, licht geschonken; thans, nu de zon was opgegaan, stond zij stil, haar hart bloeide als een schoone roos opwaarts naar het licht, de frissche morgenwind speelde in hare bladeren, zoodat zij kon uitzien naar alle zijden, en de morgendauw viel op de aarde neder.
Do oude molenaar stond ook zwijgend voor den over-
ste; toen die hem echter vroeg of hij de vader van dat meisje was kon hij geene woorden genoeg vinden. âJa, mijnheer,quot; zeide hij: âen hoewel het waar is misschien, wat mijnheer onze baljuw zegt, dat jongens beter, en meisjes te week zijn, want, dat zijn ze, mijnheer, zooals gij aan Fieken zien kunt,quot; â en daarbij wischte hij zelf de tranen uit zijne oogen. â âzoo weet ik u toch voor uwe goedheid niets beters te wenschen, dan dat onze goede God u eenmaal zoo'n lief deerntje moge schenken, als mijn kleine Fieken is.quot; â Do overste dacht er misschien ook wel zoo over, doch hij zeide het niet; hij keerde zich schielijk naar Fieken toe en vroeg haar: âZeg eens, lief meisje, kunt ge schrijven ?quot; â âJa , mijnheer, zeide Fieken, nijgende. â âZij kan alles,quot; zeide de molenaar; âzij kan geschreven schrift lozen en zij kau schrijven als een schoolmeester; want zij moet ook voor al mijn schrijfwerk zorgen.quot; âWelnu, lief kind,quot; sprak de overste, âschrijfmij dan hier je naam eens in, en de plaats, waar ge t'huis behoort; maar in 't platduitsch.quot;
En Fieken schreef in het zakboekje van den overste: âFieken Voss, op den Gielowschen molen, onder Stemhagen.quot; â De overste las het, maakte zijn zakboekje dicht, gaf haar en haren vader de hand en ging weg, met de woorden: «Vaartwel; wij zullen elkaar misschien nog wel eens ontmoeten!quot;
ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
Waarom de maat van hakker Witt overloopt, waarom de stad Stacenhagen de demieboompjes heeft doen planten; waarom vader Kickert de brandklok luidt; en waarom ik altijd, als ik van Julius Cesar hoor, aan mijn oom Her se denken moet.
Een klein half uur later reden uit de Treptowsche poort te Brandenburg twee wagens naar Stavenhagen. Op den eersten wagen zaten de oude heeren; de raadsheer, de bakker en de molenaar eu, als tot sieraad, ook mijnheer de kamerdienaar ; op den tweeden zat Frits Besserdich met Luth op den voorsten zak, en op den andoren zak Hendrik en Fielten, terwijl Frederik achterin lag, in het afgeschoten gedeelte van den wagen.
Toen zij een eind weegs gereden hadden, begon oom Herse te spreken. âZie zoo!quot; zeide hij: âuit die val zijn wij gelukkig ontkomen.quot; âJa wel, raadsheer, antwoordde de oude bakker Witt, âeu dat hebben we toch aan onzen baljuw eu aan onzen burgemeester, maar vooral wel aan Frederik van den molenaar te danken âAl naar dat men het aanziet, baas Witt,quot; hernam oom. âIk, voor mijn persoon, heb niets tegen die drie, en dat de âchasseurquot; terecht gekomen is, heeft ons veel goed gedaan, maar vrijgemaakt heeft het ons niet. Hebt gij niet gezien, dat de Fransche overste met mij onder vier oogen voor de deur heeft gesproken âJa, mijnheer.quot; âNu, laat mij u dan zeggen, indien de Franschman mij niet tot eene geheime zending had noodig gehad, dar. zou men ons uit Bramborg wel door eene andere poort dan deze weggebracht hebben. ' âDat mag de drommel we-
â 203 â
teu! ' riep de oude bakker, en keek den raadsheer zoo'n beetje van ter zijde aan. â Mijn oom zeide niets; hij knipoogde slechts zeer ernstig en zag toen op zijde uit naar de kale velden, alsof hij zijne woorden eerst bij den bakker behoorlijk wilde laten werken. â- Dit mislukte echter; hot hoofd van den goeden bakker Witt was als de maat, waarmede hij de sterke dranken gewoon was te meten, die hij verkocht; was die eens tot aan den rand toe vol, dan nam ze niets meer op, en wat nog achterna kwam, druppelde op den vloer; en op dit oogenblik was zijn hoofd tot aan den rand toe vol, door al de zaken, die hij doorleefd had, zoodat des raadheers woorden er eenvoudig maar langs druppeldon; hij zeide niets. â âBaas Witt,quot; hernam de raadsheer, na een poosje, â'k wou dat ik in Stemhagen was.quot; â Dit droppeltje ging nog in de pint van den bakker; hij zeide dus: âDat wou ik ook, want dat zal nog drommelsch lang aanhouden.quot; âZoo meen ik liet niet,' sprak mijnheer de raadsheer, âik meen wegens onze ontvangst.quot; Nu liep de pint, bij den bakker weer ever, âHoe zoo?quot; vroeg hij. âIk meen wegens onze ontvangst met eene eerepoort.quot; Nu druipt het uit de maat tappelings op den grond. âOntvangst? â Eerepoort? â Hoe zoo? â Komt onze hertog dan?quot; â âBaas Witt, die komt niet; maar wij komen.quot; â Doch nu was t bij den ouden Witt juist alsof iemand hem, terwijl hij aan het inmeten was, aan den arm stiet; en alsof de helft uit de pint op den grond vloog, en het andere wat er in bleef alles door elkaar draaide. Dit wfts oen geluk, want nu kon do uitlegging van don raadsheer eeue plaats krijgen. âBaas Witt, ik zeg: wij komen. Zullen de burgers uit eene stad, gelijk onze stad is, niet even zoo goed voor hunne medeburgers en magistraatspersonen, die voor het vaderland geleden hebben, eene eerepoort oprichten, als voor een hertog? Maar,
â 204 â
wie zal het doen? De oude baljuw? De burgemeester? Die denken er niet aan! â Of zoudt ge meenen, de oude rektor, omdat hij eens zoo111 ding van een transparant gemaakt heeft? Nu, dat was er ook naar! Of deoudeMetz? Die heeft zijn kracht alleen maar in woorden, baas quot;Witt, zooals het eekhorentje in den staart. Of de oude Zoch? Van den toren blazen kan hij; vorder niets. â Ja, als i k er was!quot; â âMaar, mijnheer Hersezeide de bakker, bij wien de draaikolk allengskens bedaard werd, âin dit jaargetijde ! Waar moeten ze bloemen en groen vandaan halen?quot; â Bloemen? Waartoe handelt de oude Hijmann en de oude Lijp en de andere joden in rood en geel lint? Groen? Waartoe heeft de stad Stemhagen dan de denneboom-pjes in hot stadsbosch doen zetten?quot; â âquot;tls waar,quot; sprak de oude Witt, want de maat was nu geheel en al vol. âWat zegt gij, molenaar Voss?quot; vroeg de raadsheer. â ,Ik zeg volstrekt niets, mijnheer de raadsheer,quot; zeide de molenaar, terwijl hij zijn hoofd omdraaide, met een gezicht zoo vol rimpels, alsof er een toegetrokken tabakszak over zijn' schouder keek; âik zeg volstrekt niets; ik denk maar, toen ik gisteren naar Bram-borg heenreed, was ik niet best te moede; en vandaag, nu ik weer van Bramborg terugrijd, heb ik weer maagpijn in mijn hoofd.quot; â âHoe dat zoo?quot; vroeg mijn oom. En de oude molenaar vertelde zijne verlegenheid met It-zig. â âHm,quot; zeide mijn oom en hij streek zachtjes met zijne hand van boven af, zijn aangezicht langs, tot aan de kin: verder kwam de hand niet, daar bleef zij haken ten gevolge van den harden baard; de kin zakte naar beneden, do mond opende zich en zoo keek hij eene poos stijf in de lucht rond. Hij probeerde dit kunststuk een paar malen, maar 't was steeds hetzelfde: over den baard kwam hij niet hoen.
Nu had mijn oom Herse wel een harden baard, maar
â 205 â
hij had een zacht gemoed; en ging zijn mond wijd open, zoo ging zijn hart ook wijd open; en toen hij nog eens weder met zijne vriendelijke oogen den grauwen hemel aanzag, trof hij juist een blauw plekje, en een stukske van den blauwen hemel viel door zijne oogen in zijn geopend hart; hij moest een goed werk tot stand brengen. âBaas
itt, sprak hij, âga gij op den voorsten zak zitten en laat den molenaar bij mij hier komen; ik heb wat met hom te praten.quot;
Dit gebeurde, en bakker Witt sprak op den voorsten zak zeer luid met den kamerdienaar en de raadsheer sprak op den achtersten zak zeer zacht met den molenaar. âMolenaar Voss,quot; zeide mijn oom, âik help u uit de verlegenheid. Morgen laat ik Itzig komen; en let maar eens op, hoe gedwee hij wezen zal; want, ik weet iets van hem, een geheim, waar niemand verder mee te maken heeft; maar, wat moois is 't niet. De kerel moet u tot paschen tijd laten en ik wil borg voor u blijven, en morgen kom ik buiten bij u , en zie al uwe papieren ua en neem de zaak in handen, want, ziet gijquot; â en, dit zeggende haalde hij hot cachet van zijn horlogeketting-te voorschijn , â âik ben er toe gemachtigd en aangesteld. Hier staat het. Kunt gij wel latijnsche letters verkeerd lezen?quot; â De oude molenaar antwoordde, dat hij ze noch recht, noch verkeerd lezen kon. â âNu, het komt er ook niet op aan. Hier staat: Not. Pub. Im. Caes. dat beteekent, ik ben Nota rins public us, en lm. Caes. beduidt zooveel dat ik in ieder proces om raad kan gevraagd worden. Alzoo, molenaar, ik help u! Maar ik heb eene voorwaarde; gij zegt aan niemand, dat ik borg wil blijven, en aan niemand vertelt gij iets van onze afspraak; vooral niet aan den ouden baljuw. De zaak blijft geheim.quot; â Dat beloofde de molenaar dan ook.
Op den tweeden wagen ging het, in zeker opzicht.
â 206 â
juist zooals op deu eérsten; op den voorsten zak werd zeer luid gesproken en op den achtersten, waar Pieken en Hendrik op zaten, zeer zacht: en ik behoef niet te vertellen, wat zij met elkaar spraken; want, Frederik lag immers achter in 't afgescheiden gedeelte van den wagen en hoorde ⢠woord voor woord; en die zal er wel ter goeder ure mee voor den dag komen.
Een uur of drie nadat dit alles gesproken was, liep Frits Sahlmann, die bengel, door de straten der goede stad Stavenhagen en riep: âZij komen, zij komen!quot; Hij had op den molenberg al twee uren quot;op post gestaan, en mijnheer de baljuw had in dien tijd wel zeven maal hem gescheld en was op 't laatst van knorrigheid naar mijne moeder gegaan.
âZij komen!quot; riep de bengel. â âIs 't waar, jongen?quot; vroeg de oude Rick er t, die klokluider was. â âJa, vader Rickert, ze zijn al op de weide.quot; â En de oude Rickert zeide bij zich zeiven: âDan is 't niet anders, dan moet ik er het mijne aan doen!quot; â Hij ging naar den toren en, daar hij het gansche gelui toch niet alleen meester worden kon, trok hij aan de brandklok. jVu kwam alles op de been, en de deuren uitloopen. âZij komen! â Zij komen!quot; â âWie komt?quot; â âDe raadsheer Herse, en de bakker Witt en de molenaar Voss en al de anderen!quot; -âHoera!quot; riep Bank, do schoenmaker en zwaaide zijn' arm in de lucht, maar hij had vergeten, dat hij er eene laars overgetrokken had. â âHoera!quot; riep Trapner, de smid en stoof met zijn schootsvel de straat op âMaar, kinderen, alles in orde en fatsoenlijkheid!quot; en hij stiet do vrouw van den wever Stahl den pot met eten uit de hand, dien zij juist bij mamsel Westphalen gehaald had. â âOera!quot; riep mijnheer Droi, die met de beremuts op de straat kwam, maar anders âin négligé,quot; en achter hem stonden zijne kleine Fransche kindertjes en schreeuw-
â 207 â
den; âVive l'empereur!quot; toen juist de raadsheer, op den eersten wagen, door den volkshoop kwam aanrijden.
Hij zat echter deftig op zijn' zak, en hield de geheele straat langs, de hand aan zijn hoed en draaide zijn eerwaardig gelaat naar de rechter- en naar de linkerzijde; in zijne deftigheid mengde zich de aandoenlijkheid, en hij fluisterde den molenaar toe: âVoss, dit doet mij de eerepoort vergeten.quot; â En de oude molenaar keek den raadsheer aan, om te zien, hoe die het deed, en toen deed hij 't ook zoo, en hij antwoordde mijn' oom; âJa, mijnheer, en ik denk ook niet meer aan Itzig.quot; â De kamerdienaar groette steeds, naar den kant van den wagen, waar hij zat, en mishandelde zijn hoed op eene onmen-schelijke wijze; en aan den anderen kant riep de oude Witt recht gemeenzaam van den wagen af; âGroeden dag, oude! â Goeden dag. Bank; hoe maakt het je bochel? Goeden dag, Johan ! â Goeden dag, Strüwing! â Wel ? Alles wel ? â Hoe is 't met de varkens ?quot;
Doch, toen zij op de markt kwamen, wuifde tante Herse met de kleine witte gordijnen uit het venster, en deed hierdoor in 't hart van oom Herse een stormwind opkomen, zoodat zijn gevoel in groote golven overstroomde en het water hem tot iu de oogen spatte. âTante,quot; zeide hij, half overluid; â âtante!quot; ââ want hij noemt zijne eigene vrouw altijd âtante,quot; en zij noemt hem daarom âoom,quot; â âtante, ik kan uwen wenk niet opvolgen, want deze beide dagen hebben mot mij als openbaar persoon en niet als huiselijk, hebben met mij als raadsheer en niet als oom te doen gehad, en zóó moeten ze ook ten einde gebracht worden. â âBakker Witt,quot; riep hij, en daarbij drukte hij zijn' driekanten hoed dieper in de oogen, ânaar 't raadhuis!quot; De raadsheer had over den huisvader en oom de zege behaald.
Och, wat was dat een schoone avond op het raadhuis 1
â 208 â
Alles, wat in keukeu en kelder voor de Frauschen verborgen was geworden, werd voor den dag gehaald, en wat nog ontbrak, kwam van het slot. Mariekeu quot;Wieuk dekte eeno lange, lange tafel, en aan die tafel werden steeds stukken, om ze te vergrooten, ingeschoven; en toen de groote tafels niet voldoende waren, kwamen de kleine, en toen ook die uog niet genoegzaam hielpen, werd voor ons, kinderen, op stoelen gedekt. â Mamsel Westpha-len stond aan de hoekkast eu perste citroenen uit, op suiker; daar werd uit allerlei flesschen van alles opgegoten, cn de theeketel ging steeds van de keuken naaide kamer, en uit de kamer naar de keuken, on mijnheer de baljuw stond daarbij en was altijd aan 't proeven, en schudde het hoofd en goot er dan ook wel eons wat bij en ten laatste knikte hij en zeide: âMamsel Westphalen, zóó is 'tgoed!quot; Eu hij keert zich om en zegt tot mijne moeder: âKindlief, in ééne zaak moet gij mij nu mijn ziu eens laten: de punch geef ik.quot; Mijn vader was met den kurketrekker aan 't werk, cn Luth zorgde voor 't schenken, en de kamerdienaar stond bij de kachel en schudde bij al dio toebereidselen altijd met het hoofd en wilde Luth wijzen, hoe hij presenteeren moest; en toen Luth het zóó doen wilde, goot hij mamsel Westphalen een glas punch in haren schoot. â Ja, 't was een schoone avond. Frederik stond aan de deur, paalrecht en stokstijf, als een grenadier; hij verroerde en bewoog zich niet, behalve als hij dronk; en Frits Besserdich stond bij hem en verroerde cn bewoog zich ook niet, behalve als hij ook dronk, of als hij even naar buiten ging en op den gang zijn' neus snoot. En Ficken Voss zat bij mijne moeder, en mijne moeder drukte haar de handen en streelde haar over haar zacht gelaat; en toen ik nader bij haar kwam, streelde zij mij ook en vroeg; ,.Zult ge ook zooveel van mij houden?quot; â Mijnheer de
â 209 â
baljuw riep Hendrik Voss in den hoek, en sprak met hem in 't geheim. â Wat had mijnheer de baljuw met Hendrik Yoss in 't geheim te spreken, en waarom klopte hij hem telkens op den schouder ? â De oude molenaar Voss vroeg dat in stilte zich zeiven ook af, en toen hij begreep, dat het over 't proces was, zeide hij tot Witt: âZoo! met het princes heb ik het nu iu orde; nu blijft de jood mij nog maar over; en dien zal 'k van avond in de punch soppen.quot; âDaar brengt ge mij op een denkbeeld. Yoss,quot; zegt de bakker. Hij ging de deur uit en kwam na eene poos terug. In de ééne hand had hij een hengelmand en aan de andere zijne dochter. âMet uwe permissie, mijnheer de burgemeester, 'k wou graag mijn deel aau het traktement dragen, en hier breng ik dus wat suikerkransjes, en hier, mevrouw, is mijne dochter; neem 't mij niet kwalijk, zij had zoo'n grooten lust, om bij dit gezelschap te wezen.quot;
Maar, ^at beteekende dit alles bij den roem en de eer, die mijn' oom Herse te beurt viel! Hij had zijn mantel afgedaan en stond daar nu in volle uniform, en alleu stonden om hem heen, en bedankten hem. Mijn vader bedankte hem, omdat hij hem door zijn' mantel beveiligd had; mijne moeder, omdat hij daardoor mijn' vader had helpen ontvluchten; mamsel Westphalen dook driemaal onder en zeide r dat zij 't nooit zou vergeten, wat hij voor haar gedaan had; en de molenaar Voss zeide, dat zij eigenlijk alleen slechts door mijnheer Herse vrijgekomen waren; en toen de oude Witt dat ook bevestigde, beloofde vrouw Strüwing hem in haar hart, hem een grooten koek te zullen bakken. Zijn frisch, rood aangezicht blonk en schitterde van genoegen en welbehagen; hij boog zich naar mijne moeder, en zeide: âIk weet waarlijk niet, waar mijne goede tante blijft.quot; â Bij de woorden van den molenaar kwam hem Router. Vrool. Gescli. 4e dr. 14
â 210 â
in de gedachte wat de Franschman hem had opgedragen en hij wendt zich tot den baljuw en zegt: âMijnheer de baljuw, ik heb met u een paar woorden onder vier oogen ta spreken in eene bijzonder geheime aangelegenheid.quot; En daarop trok hij den baljuw in een' hoek. â Wij, mijne. lezers, weten waarvan er gesproken zou worden; maar, als die hoek praten kon , en ons vertelde, wat de raadsheer daar vertelde, dan moesten wij zeggen, dat wij van niets wisten. Eindelijk moest mijn vader den baljuw maar verlossen; hij nam mijn oom en zette hem boven aan de tafel, op de eereplaats, en nooit is eenig menschenkind zoo recht bij tijds op zijne rechte plaats gezet, als toen mijn oom; want nauwelijks zat hij, of de deur werd geopend en mijne tante Herse kwam binnen in een zwart zijden kleed, en achter dit zijden kleed stonden de dokter Metz, die de vader was van den tegenwoordigen ouden Metz, en de tegenwoordige rijke Jozef Kasper, die toen een kleine jodenjongen was. En tante Herse had een' krans van groene laurierbladen in de hand; die had de oude Metz van zijn boom geplukt, waarvan hij anders alleen eenige bladeren afplukte, als zijne lieve vrouw brasem kookte; en de krans was met een lang, rood zijden lint toegebonden; dat had Jozef Kasper bezorgd, en daarom nam tante hem mee. Tante ging naar oom toe, en gaf hem een' kus en plaatste hem den krans op het hoofd, zoodat de roode linten langs zijn' rug hingen, en zij sprak eenige zeer mooie woorden, die niemand verstaan kon, want bakker AVitt viel te vroeg met zijn: âhoera!quot; in, en de molenaar met zijn: âvivat, de raadsheer leve!quot; En allen stemden daarmede in en klonken met de glazen.
Ja, 't was een schoone avond! En langen tijd daarna, wanneer ik eene beeltenis van Julius Cesar zag, kwam mijn oom Herse mij in de gedachte, want juist zóó
â 211 â
stond hem de lauwerkrans, behalve dat mijn oom heel wat vriendelijker en voller in 't aangezicht was, dan die stuursche, uitgedroogde romein. En ook nog langen tijd daarna, als ik den mooisten koek voor mij had, dacht ik aan de suikerkransjes van bakker quot;Witt, en ik prijs ze ook nu nog: men kon er zeer veel van eten en kreeg er nooit maagpijn van
NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
WaaroDi de molenaar weder in zijne laars kijkt. Hoe uit eene maat een schepel wordt. Waarom Hendrik afscheid neemt en, waarom Frederik van meening is, dat de vrouwlui goedkoop worden.
Den volgenden morgen, toen de molenaar Voss op zijn Gielowschen molen uit het bed was gekropen. zat hij weder met het hoofd in de hand, en keek mijmerend in zijne laars. âMoeder,quot; vroeg hy eindelijk, âheb ik gisteren met Hendrik ongenoegen gehad, of heb ik dat gedroomd?quot; âOch, kom, vader!quot; antwoordde zijne vrouw: âge hebt hem immers gedurig omhelsd en hem âje lieve zoonquot; genoemd, en Frederik hebt ge veel geld beloofd, zoodra je eerst een rijk man zoudt wezen, en dat zou niet heel lang meer duren.quot; âMoeder, dan heb ik al heel gekke praat gepraat.quot; â âDat heb ik je gisteren avond al gezegd; maar toen wou je dat niet bekennen.quot; âDe hemel zal me bewaren!quot; riep de molenaar, âik kom, geloof ik, uooit van mijne dwaasheden af!quot;
Frederik kwam binnen. âGoeden morgen, baas; goeden
â 212 â
morgen, vrouw! Ik kwam maar eens binnen, baas, om u te zeggen, dat ik over de zaak nagedacht heb; ik wil liet geld, dat gij mij gisteren avond hebt beloofd, nog een tijdlang bij u op renten laten staan, totdat ik het noodig zal hebben.quot; â- âHm!quot; roept de oude molenaar, op zijn' stoel heen en weer schuivende. âJa,quot; zeide Frederik; âmaar ik had nog een ander verzoek: zoudt gij mij wel met paschen willen laten vertrekken, ofschoon het bui-tenstijds is?quot; âWaarom? Wat ben je van plan?quot; âIk wou gaan trouwen!quot; âWat, jij, trouwen?quot; âJa, baas; ik wou gaan trouwen met Fieken, de dochter van schout Besserdich, die nu op het slot dient; en als Hendrik Yoss met onze Fieken gaat trouwen, en als onze beide schoonouders er niets tegen hebben, dan heb ik zoo al eens gedacht, konden wij wel op ééneu dag bruiloft houden.quot; â Dit was den ouden molenaar dan toch al te kras. âJou, bedelaar....quot; riep hij opspringende en greep naaide eene laars. âBedaar, baas!quot; zeide Frederik, zich hoog oprichtende; âdie uitdrukking past niet op mij, en past niet voor u. Hoe 't met mij gesteld is, weet ik sedert drie dagen; en hoe 't met Hendrik en ons Fieken gesteld is, weet ik sedert gisteren middag; ik lag achter hen in den wagen en 'k heb alles aangehoord.quot; â âYader,quot; riep de molenaarsvrouw, dat zou nog zoo kwaad niet wezen!quot; âDaar heb jij geen verstand van!quot; riep de oude man en liep vreeselijk driftig door de kamer. âNu, baas,quot; zeide Frederik, de deur uitgaande, âoverleg de zaak maar eens; m ij n schoonvader loopt ook sedert eergisteravond rond, om te overleggen.quot; âJe kunt je getuigschrift krijgen,quot; riep de molenaar hem achterna, âmaar eerst tegen St. Jan.quot;
Waarom was de oude molenaar zóó boos? Hij mocht toch Hendrik gaarne lijden, hij zelf had er in de laatste dagen dikwijls aan gedacht, dat Hendrik en zijn
â 213 â
Fiekeu voor elkander wel geschikt waren; hij zelf had hom gisteren âzijn lieven zoonquot; genoemd, -â maar. dat was't juist! Gisteravond had de punch hem tot een' rijk man gemaakt, en van daag keek hij, als een bedelaar, in zijne laars, en al liet Itzig zich ook bepraten, om tot paschen te wachten, zoo was dit eenvoudig uitstel van executie. âVader,quot; sprak de molenaarsvrouw, â'tis het beste, waarlijk! wat onze Fieken en ons kan overkomen.quot; âMoedor,quot; hernam de oude man, en 'twas een geluk, dat hij nog geene laarzen aanhad; hij zou anders van kwaadheid gestampvoet hebben; âik zeg je, dat jij daar geen verstand van hebt! â Wat ? â 'k Zon den zoon van Jochem Voss, die met mij in princes ligt, en die met een' groeten zak geld in 't land rondreist, mijn kind geven, â mijn beste, liefste kind! â en 'k zou tot hem zeggen: daar hebt ge haar, maar, meegeven kan ik haar niets, want ik ben een bedelaar! â ïfeen, moeder, neen! 'k Zou de vodden moeten borgen, waarin mijn eenig kind, mijn kleine, lieve Fieken, voor 't altaar zou staan! â ^Neen, neen! Eerst moet ik weêr in goeden doen wezen!quot;
Zoo gaat het dikwijls in de wereld, een groot geluk hangt vlak voor iemand, zoodat hij 't maar te grijpen heeft; maar als de mensch dan zijne hand wil uitstrekken en het grijpen wil, dan is die hand met ketenen gebonden, en die ketenen zijn in lang verloopeu tijden gesmeed, zonder dat iemand het gewaar geworden is, en zij zijn ver achter hem vastgemaakt, zoodat hij ze niet kan bereiken. De keten van den molenaar was zijn proces, en ook wel zijn slecht beheer in vroegere tijden; en, toen hij nu naar het geluk wilde grijpen, toen hield die keten hem terug en hij verzette en vertoornde zich te vergeefs. Hij had ze nu wel in eens af kunnen doorhakken; maar dan moest hij zijn leven lang het eind der ketenen door de wereld meeslepen, gelijk een weggeloopen tuchthuisboef, en dat duldde zijn eergevoel niet.
â 214 â
't Was om medelijden te hebben met den ouden man; hij ontweek iedereen, en was geheel alleen aan 't werk, in den molen en in den stal, als wilde hij op dezen dag alles inhalen, wat hij sedert vele jaren verzuimd had. Eindelijk werd hij verlost; mijn oom Herse kwam aan, doch heden in burgerkleeding. âGoeden dag, Voss!quot; riep hij hem toe. âNu, onze zaak is in orde!quot; â Maar de oude molenaar was heden niet lichtgeloovig gestemd en hij zeide kortaf: âJa, als 't maar waar was, mijnheer Herse.quot; â âAls ik het zeg, vriend Voss,quot; hernam de raadsheer en haalde een pak papieren uit zijn rijtuig en ging toen met den molenaar in de kamer, âdan moet gij 'tgelooven, want ik ben van daag hier als n o t a r i u s p u b 1 i c u s.quot; â âMoeder,quot; zeide de molenaar, laat ons alleen, en jij Fieken, steek jij eens eene kaars aan.quot; Dat was nu juist niet noodig, want het was klaar lichte dag; maar de oude man had gezien, dat mijnheer de baljuw bij een gerechtsdag altijd een waskaarsje had branden, en hij wilde 't ook zóó hebben. Daarop ging hij naar zijne kast, kreeg zijn bril en zette dien op; wat ook niet noodig was, daar hij geen geschreven schrift kon lezen; maar 't kwam hem toch zóó voor, dat hij, met zijn bril op, beier inzicht in de dingen had; en vervolgens zette hij eene tafel midden in de kamer en twee stoelen er bij.
Zoodra zij nu alléén aan de tafel en bij het licht zaten, las de raadsheer met zeer duidelijke stem een geschrift voor, waarin de jood verklaarde, dat hij, onder borgtocht van den raadsheer Herse, tot paschen wachten wilde; en toen hij dit gelezen had, legde hij het papier naast zich en zag den molenaar aan, met eene uitdrukking op het gelaat, alsof hij zeggen wilde: âWat zegt ge nu, kameraad ?quot; â De molenaar begint nu zoo wat te pruttelen van âhmquot; en ânu ja!quot; en âmaaiquot; en krabt zijn hoofd, â âVrind Voss,quot; zeide mijn oom, die knor-
â 215 â
rig werd, âwat beduidt dat pruttelen? Hier staat mijn zegel onder, â kijk maar, hier! â een gierststengel, omdat ik âHersequot; heet; 'k had er ook een valpoort op kunnen laten graveeren, omdat dit in 't Fransch âhersequot; heteekent; maar 'k ben niet voor de Fransozen, â en hier, er om heen, staat mijne authorisatie: not: pub: im: caes: en hier staat de onderteekening van den jood: Itzig; en wat geschreven is, is geschreven.quot; âDat zegt mijnheer de baljuw ook,quot; zeide de molenaar en hij begon er heel wat vroolijker uit te zien: âwat geschreven is, is geschreven.quot; âWat die zegt, is mij egaal; ik, molenaar Voss, ik beu er toe aangesteld, door mijn ambt, om geschreven geschriften met mijn zegel te bekrachtigen. En door dit geschrift zijt gij tot paschen uit alle verlegenheid.quot; âJa, mijnheer, en ik bedank u ook wel, maar wat dan?quot; â Nu was de beurt om te pruttelen aan mijn oom. âHm! Wat dan? â Ja! â Ku! â Nu, vriend Voss,quot; â en zijn goedhartig aangezicht zette zjjno geheele ambtsdeftigheid van notarius publicus ter zijde en plaatste de menschlievendheid als bril op zijn neus en zag den ouden molenaar en de gan-sche wereld vriendelijk aan, â ,,uu, vriend Yoss, heb ik tot paschen raad geschaft, dan kan ik immers ook verder raad schaffen; ik ben hier gekomen, en wil de zaak geheel in orde brengen. Maar, daartoe is 't noodig, dat gij mij al uwe omstandigheden vertelt en al uwe papieren toont.quot; Dat zag de molenaar dan ook in en hij vertelde en vertelde. zoodat een ander hoofd, dan dat van mijn oom Herse, geheel en al duizelig zou geworden zijn; en hij haalde zoovele papieren voor den dag, dat een ander er angstig van had moeten worden; mijn oom Herse was echter zeer uitpluizerig in zijne zaken; hij mocht gaarne raadsels oplossen, en touw uit de war maken; hij hoorde en las alles met geduld, maar niet met voordeel
â 216 â
voor zijne plannen. ,Vriend Voss!quot; vroeg Inj eindelijk, âis dat alles?'' âJa, mijnheer,quot; sprak de molenaar, en hij liet zijne ooren hangen, gelijk een aardappelenland, als de nachtvorst er over heengegaan is , âen dit is nog mijn kontrakt met het Stemhager rechtsgebied.quot; â Hijii oom nam het kontrakt, las het zoo tér loops door, en zag er ook uit, alsof de zaak hem tegenviel; maar, eensklaps quot; sprong hij op, uitroepende; âWat is dat? Daar zijn we mee geholpen, Voss! In den tijd van een paar jaar zijt gij een millionnair! 't Gransche Stemhager gebied moet de rechten op 'tgemaal betalen, en de stad Stemhagen er bij; hier staat het, in paragraaf vier, en wat zegt paragraaf vijf: âvoor elk schepel, dat de molenaar maalt, kan hij wettelijk een schepel als maalloon eischen.quot; â âEen maat, mijnheer Herse!quot; riep de oude molenaar, terwijl hij overeind sprong , âvan elk schepel eene maat!quot; â âNeen! Een schepel! â Hier staat: voor ieder schepel een schepel als maalloon ; en wat geschreven is, is geschreven. En hier heeft mijnheer de baljuw het gemeentezegel onder gezet.quot; âMijnheer Herse, mijnheer Herse, mijn hoofd draait: dat is toch maar eene vergissing.quot; âVergist is ook verspeeld, en wat geschreven is, is geschreven; dat heeft de oude baljuw n immers zelf gezegd. âDat heeft hij, mijnheer,quot; zeide de molenaar, âja, dat heeft hij; daar kan ik op zweren.quot;
Thans opende zich voor don molenaar een uitzicht op verlossing uit de handen der joden, en een uitzicht oj) vele, vele schepels koren, en op vele, vele blanke daalders, want het geheele rechtsgebied moest de rechten op 't gemaal betalen en dat moest hem dus toekomen. âMijnheer, riep hij, dat zal helpen! â Maar... maar...' âVoss,quot; zeide mijn oom knorrig, âwat hebt ge un weer voor bezwaren! Die zaak is klaar en duidelijk.quot; â
â 217 â
âJa, mijnheer, maar ik meen maar, hoe moet dat dan met de zakken gaan ?quot; Met de zakken ? Met wat voor zakken ? âMet de zakken, waarin mij het koren gebracht wordt. Al dat koren krijg ik, maar wie krijgt de zakken?quot; âHm,quot; zeide mijn oom, âdat is eene moeilijke rechtsvraag, Voss; daaraan heb ik nog niet gedacht, en in 't kontrakt staat niets daarvan; als ik u echter raden moet, behoud ze dan voorloopig maar, want, wat zegt de rechtsregel: beati possidentes; dat beteekent: hebben is hebben! â Vriend Voss, nu heb ik u uit alles geholpen, maar ik heb ééne voorwaarde: mond gehouden! Er wordt over die zaak met niemand hoegenaamd gesproken, â verstaat gij! â met niemand hoegenaamd! â Ik zal met Itzig spreken; die moet koren in plaats van geld, aannemen, en met paschen zal dan alles in orde zijn en dan, Voss ... . ' â âEn dan, mijnheer Herse?quot; â âDan komt het surplus. Maar, Voss, de zaak blijft geheim!quot;
De molenaar beloofde zulks, en mijnheer de raadsheer vertrok, en Hendrik en Fieken zagen nog, hoe hij uit liet rijtuig den ouden man toeknikte en de vinger op den mond legde.
âFieken,quot; zeide Hendrik, âmij is 't niet gegeven, om geheimen te hebben; ik moet ronduit spreken, ik ga naar uwen vader en zeg hom hoe 't alles is,quot; âDoe datquot;, zeide Fieken. Had zij echter geweten, hoé 't met haren vader gesteld was, zoo zou zij hem misschien gezegd hebben , dat hij nog wat moest wachten.
Met den ouden molenaar was 't al heel wonderlijk gesteld. Heden morgen was hij een bedelaar, en wilde zijn eenig kind niet zonder bruidschat weggeven; heden avond was hij een rijk man en zijn eenig kind behoefde niet iedereen zoo maar te nomen; zij kon eene dame worden, zoo goed als iemand anders. Voor zyn hoofd was
â 218 â
de overgang te scliielijk gekomen; hij wist niet recht, wat met hem gebeurd was; daarbij kwam nu nog een heimelijke angst, dat het niet alles zóó was, als het behoorde , en eene groote ongerustheid, dat hetgeen geschieden zou, niet recht en billijk was. âMaarquot; zeide hij dan weder bij zich zeiven: âde baljuw heeft zelf gezegd, wat geschreven is, is geschreven; en wat recht is, dat moet de raadsheer toch beter weten, dan ik.quot;
Was hij in rustige , gewone tijden reeds moeilijk tot een besluit te krijgen, zoo was 't in dit oogenblik in 't geheel niet mogelijk. Toen Hendrik zijn aanzoek had voorgedragen , begon hij van het proces te spreken en zeide: Hendrik moest volstrekt niet meenen, dat hij een geruïneerd man was: velen hadden hem reeds onder handen gehad, die hem hadden willen doen zinken; maar nog dreef hij boven. Hendrik antwoordde nu, dat hij 't goed genoeg meende: hij had zóó gedacht, dat de beide schoonouders in rust en vrede, tot aan hun zalig einde, bij hem wonen zouden, en dat de molenaar hem zijn Fieken moest geven, en hem zijn pachtkontrakt verkoopen. Maar toen stoof de molenaar woedend op: dat wou hij wel geloo-ven! Daar had Hendrik wel lust aan! Maar niemand moest âhei!quot; roepen, eer hij over de brug was; hij liet zich ook niet door iederen wijsneus beet nemen, en allerminst , door zoo'n jongen knaap, als Hejidrik was. Zijn kontrakt! Zijn kontrakt wou hij behouden, al zou ook een koning met zijn Fieken willen gaan trouwen! â Zulk eene taal was Hendrik verre van te vermoeden na al hetgeen voorafgegaan was; ook hem steeg nu het bloed naar het hoofd en hij zeide op driftigen toon, dat de molenaar âja!quot; of âneen!quot; zeggen moest, of hij hem zijne dochter wilde geven of niet. De molenaar keerde zich eensklaps om, keek uit het venster en zeide: âneen!quot; Hendrik keerde zich ook om en ging de kamer uit, en
â 219 â
een half uur later hield Frederik met het rijtuig van Hendrik op de plaats voor den molen stil, en toen hij Hendrik riep, kwam die met Pieken juist in den tuin. Fieken zag er heel bleek, maar ook heel kalm uit, en zeide: âHendrik, hot woord, dat ik je gegeven heb, dat houd ik, en gij houdt het uwe ook!quot; Hij knikte met het hoofd en drukte haar de hand, ging naar de molenaarsvrouw , die aan de deur stond, sprak een paar woorden tot afscheid, klom op den wagen en reed zachtjes weg.
Toen hij nog niet ver van den molen af was, hoorde hij iemand roepen, en omziende, kwam Frederik dwars over een roggeveld naar hem toe, en vroeg: âHendrik, waar rijdt gij heen?quot; âNaar Stemhagen.quot; âBlijft gij daar van nacht?quot; âJa, ik denk, dat ik van nacht bij den bakker Witt zal blijven, want ik wou eerst nog met mijnheer den baljuw spreken.quot; âDat moet ik een verstandigen inval noemen, Hendrik, ik heb van avond ook nog wat in Stemhagen op het slot te doen, en mogelijk heb ik met u ook nog te spreken, en daarom, Hendrik, rijd niet af, vóór dat ik gekomen ben; maar ik kom eerst laat, als alles in orde is.quot; Hendrik beloofde, op hem te zullen wachten, en reed op Stemhagen aan.
Onderweg ontmoette hij bakker Witt, die met een' vracht koren naar don molen reed en zeide: âWel Hendrik, rijd maar bij mij aan; met den avond ben ik weer t'huis, dan praten we een beetje samen.quot;
Wel ja! wel ja! 't W as al lang avond, en de bakker was al lang t'huis; maar Hendrik was nog altijd bij den ouden heer op het slot. Frederik was ook al gekomen en op het slot gegaan, en de oude Witt zeide tot zijne dochter; âJe zult zien, er is op den molen wat voorgevallen. Dat de oude vrouw zit te schreien, dat heeft juist niet veel te beteekenen, want die heeft de tranen gauw
__ 220 â
bij de hand; maar, dat Fieken, bij al het schelden en bij al de dwaasheden yan haren vader, stil haren gang gaat en niks niemendal zegt, kijk! dat bevalt me niet; en de oude man heeft vandaag weer zijn malle grillen, daar kan geen mensch uit wijs worden! Toen ik hem vroeg: âWel Voss, wanne.er kan ik het meel komen halen,quot; zeide hij: âDaar moet ik eerst mijn kontrakt op nazien.quot; En toen ik zei, dat ik. het meel toekomende week hoog noodig had, zei hij, dat was hem egaal; hij ging naar zijn kontrakt te werk. En toen ik wegreed, riep hij mij na: als mij, met het meel, een wonderlijk ding mocht overkomen, dan moest ik maar naar den raadsheer Herse gaan, die zou mij de zaak wel uitleggen, als hij quot;t goedvond. âWel, dat 's toch gek,quot;' zeide vrouw Strüwing.
Toen kwam Hendrik Voss binnen; hij zag er zeer stil en afgetrokken uit. En toen de bakker van den molen begon te praten, en dat hij daar zoo zonderling bejegend was, viel Hendrik hem eensklaps in de rede en vroeg: âBaas quot;Witt, zoudt gij mij een genoegen willen doen?quot; âWaarom niet?quot; hernam de bakker. âBij u komen veel menschen, en gij hebt ook plaats in uw' stal; ik wou mijn paard en mijn' wagen verkoopen; zoudt gij mij daarin behulpzaam willen wezen?quot; âWaarom niet?quot; vroeg Witt. âMaar Hendrik,quot; liet hij er na een poos op volgen, en 'twas hem bijna van buiten aan te zien, hoe hij van binnen zijne gedachten verzamelde en tot een draad aan elkaar knoopte, waaraan hij het gesprek wilde voortzetten, âmaar, Hendrik, dat heeft immers tijd.â De paarden â de paarden â zijn nu zoo goedkoop; waarom? â Wel, wat weet ik 't! Denkelijk wel, omdat geen mensch er zeker van is, dat de Fransoos ze hem 's nachts niet uit den stal haalt: maar, de paarden, â ge zult zien, â zij worden duur, â want â ge zult zien : âin den tijd van een paar weken marcheert alles tegen
â 221 -
den Fransoos.quot; âDat heb ik ook van een man gehoord, die dat beter weten kan, dan wij beiden, baas Witt, â¢maar daarom wil ik ze juist kwijt zijn. âJa,quot; viel Frederik hierop in, die bij de woorden van den bakker de kamer ingekomen was; âja, de paarden worden duur en de vrouwlui goedkoop. Naar de paarden zal veel gevraag zijn, als 't aan den gang gaat, en naar de vrouwlui weinig en als 't voorbij is en de helft der jonge lieden doodgeschoten zijn, dan nog minder. En er op los gaat het! Gisteren in Bramborg nam iemand mij ter zijde, die er uitzag, alsof hij al kruit had geroken; die zeide tot mij; naar mijn voorkomen had ik ook de wapens al gedragen, en zoo ik lust had, wist hij een plaats voor mij. â Ik zei, dat ik mij bedenken wou, maar gisteren is niet van daag; van daag behoef ik mij niet te bedenken. Ik beu van de Pruisen gedeserteerd: maar, dat was alleen, omdat ik de kinderen van mijn kapitein moest wiegen; en gisteren bedacht ik mij maar, omdat ik meende, dat ik eenmaal mijne eigene kinderen wiegen zou, en van daag bedenk ik mij niet meer, en ik ruk op tegen den Fransoos. En, baas quot;Witt, ik heb niemand op de wereld, die naar het mijne omziet; als gij lioort, dat ik van den molen weg ben, zie dan eens naar mijne kist met mijn goed. En nu, adjuus! 'k moet van avond weer op den molen zijn.quot;
Daarop vertrok hij. â Hendrik ging hem na. âFrederik, wat beteekent dit?quot; vroeg hij. âWat dit betee-kent?quot; hernam Frederik. âDat zal ik u zeggen: zooals de één heet, ziet de ander er uit. Ons beiden is hetzelfde gebeurd, behalve dat uw Fieken schreit, en mijnFieken lacht. Ik ben haar niet jong genoeg. Nu, 't komt er ook niet op aan! Dien man in Bramborg was ik niet te oud, en wat voor den één een uil is, is voor den ander een nachtegaalquot; âFrederik,quot; gaf Hendrik hem zacht
222
ten antwoord, âspreek zoo hard niet. Gij wilt soldaat worden, en ik ook.quot; âWat, gij?quot; âStil! â Ja, ik ook. Ik heb geene familie en ik sta alleen in' de wereld; nu, ik heb met den ouden baljuw gesproken en hij heeft mij beloofd, op mijn eigendom een oog te houden; mijn molen in de buurt van Parchen kan ik ieder oogenblik verpachten en mijn paard en wagen verkoop ik.quot; ,Hoera!quot; riep Frederik. âGeef mij de hand, kameraad! Dumouriez! Ik zag je 't al dadelijk den eersten morgen aan, dat er een soldaat in je stak.quot; â âJa,quot; zei Hendrik, âdat is alles heel goed. Den wil heb ik, maar, waar blijft het volbrengen?quot; âBroeder! als iemand wat slechts in den zin heeft, dan is de duivel dadelijk bij de hand, om hem den weg te wijzen; de Heer onze God zal toch voor den duivel niet onderdoen, hij zal ons do rechte paden wel aanwijzen, want het gaat voor 't vaderland. Zie, ik kan niet; tot paschen moet ik blijven; maar rijdt gij morgen dadelijk naar Bramborg en vraag in de herberg, waar wij geweest zijn, naar een deftigen man met een grijzen snorbaard en een likteeken op de rechterwang, â ge zult hem wel vinden â en meld u en mij bij hem aan: âFrederik Schuit,quot; en 'k had al gediend, maar ge behoeft niet te zeggen, dat ik eens van 't kinderwiegen gedeserteerd ben. En als ge 't in orde hebt, geef mij dan bericht, dan kom ik.quot; âDat zal gebeuren!quot; riep Hendrik. âEn, Frederik, groet jelui Fieken nog van mij en zeg haar, dat zij den moed maar niet moet verliezen; wat ik haar gezegd heb, daarin zal ik woord houden.quot; âDat zal ik waarnemen, en nu goeden nacht!quot; âGoeden nacht!quot; â En toen Hendrik nog zoo bleef staan en naar Frederiks voetstappen luisterde, toen hoorde hij van den hoek, bij do apotheek, nog; âDumouriez! Vervloekte patriotten!quot;
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Dat het in ch wereld, in Stavenhagen en in 't molenaarshuis hont toegaat. Waarom de molenaar en Frederïk naar Stavenhagen rijden en waarom Fieken heil volgt.
De Fransclien kwamen niet weder in onze streken ; doch daarom werd het er niet rustiger. De landstorm rukte uit. Mijnheer de baljuw had het opperbevel, en onder hem kapitein Grischow. Maar hunne manschappen hadden slechts pieken, â alleen de rektor Schafer had door den smid Tröpner een hellebaard laten maken, â mijn oom Herse richtte een korps scherpschutters op, van één-en-twintig jachtgeweren, en de jonge landlieden zaten te paard met groote sabels op zijde. Dat is om te lachen, zeggen de hoogwijze heeren; ik zeg, het is om te schreien, dat zoo'n tijd zoo zelden in de Duitsche landen terugkomt, dat zóó'n tijd geene andere gevolgen gehad heeft, dan de laatste veertig jaren hebben aan te wijzen. Een enkel regiment Fransclien zou dien geheelen troep uit elkaar gejaagd hebben, zeggen de hoogwijzen: 't is mogelijk, zeg ik; maar den geest zouden ze niet verjaagd hebben; over enkele kleinigheden kon men lachen, maar om het geheel lachte toen ter tijd niemand , zelfs Bonaparte niet.
Op één en denzelfden dag klonk door geheel Neder-duitschland, van don quot;VV e i c h s e 1 tot aan de Elbe, van de Oostzee tot Berlijn, de kreet: âde Fransclien komen !quot; â Men zegt thans, dat-zulks opzettelijk werd gedaan, om te zien, wat Xederduitschland doen zou. Indien het waarheid is, dan hebben zij 't te zien gekregen: Nederduitsch-
â 224 â
laud stond de proef door. Allerwegen, wijd en zijd, luidden de stormklokken, geen dorp bleef terug; allerwegen trok men op, herwaarts en derwaarts; en dat ééne Fransehe regiment had lange beenen moeten hebben, zoo 't overal te gelijk den storm had willen stillen.
De Stavenhagers marcheerden naar Ankershagen: in Kieuw-Strelitz zouden de Pransehen zijn; de Malchiners marcheerden naar Stavenhagen; in Stavenhagen zouden de Franschen zijn. Ja, 't was een verward huishouden. Op de markt werden de piekeniers in gelederen en kom-pagniën ingedeeld; mijnheer Droi en Frederik van den molenaar zouden de zaak besturen, daar zij alleen iets daarvan verstonden; maar de burgers wilden hun niet gehoorzamen, omdat de één een Franschman was en de ander een knecht. In het tweede gelid wilde niemand staan: de schoenmaker Deichert niet, omdat de schoenmaker Bank in 't eerste stond; de ontvanger Groth niet, omdat de wever Stahl, vóór hem, bij 't vellen van de bajonet hem altijd met het achtereinde van 't geweer in de korte ribben duwde, en dat kon lnj niet verdragen. Mijn oom Ilerse was steeds in de paardenkoppels aan 't exer-ceeren in 't volle vuur, met de één-en-twintig jachtgeweren, altijd allen te gelijk. Zijn hoofdkommando was: âroef! roef!quot; â⢠dan moesten zij allen op ééns afvuren: eerst met los kruit, naderhand met scherpe patronen; toen echter bij den eersten keer de witbonte koe van dokter Lu-kow werd doodgeschoten, moest het ophouden. Zij zeiden later allen, dat Zachow, do snijder, het gedaan had, maar 't is niet bewezen geworden. Eindelijk waren zij allen in gelederen geschikt, en toen de kapitein Grischow kómmandeerde: âlinks zwenken!quot; kwamen zij ook werkelijk allen de Brandenburger straat in, en marcheerden er in een mooien hoop uit; en toen zij buiten waren zocht ieder een droog voetpad, en zij marcheerden één
â 225 â
voor één achter elkaar, zooals de gauzeu iu de gerst.
Bij den Uilenberg werd halt geliouden; zij wachtten op hunnen kommandant, op mijnheer den baljuw. De baljuw was te oud om te loopen, en paardrijden kou hij niet; hij toog dus ten strijde in een wagen. Hij zat daar zeer statig in, en zijn degen lag bij hem op de bank. Toen hij aankwam, werd hij met âVivat!quot; door zijne troepen ontvangen; hij hield daarop eene aanspraak en zeide; âKinderen! Soldaten zijn wij niet en dwaasheden zullen wij uitrichten, maai-, dat komt er niet op aan; wie daarom lachen wil, kan het doen. quot;Wij willen slechts onzen plicht volbrengen, dat is: wij willen den Franschman laten zien, dat wij op onzen post zijn. Doch 't is erg, dat ik niets van de krijgskunde versta, en daarom wil ik in tijds naar een man omzien, die daarin ervaren is. â Mijnheer Droz, klim bij mij op den wagen, en wanneer de vijand komt, help mij dan terecht en zeg mij wat er gedaan moet worden. â Verlaten, kinderen, doe ik u niet; en nu, voorwaarts, voor 't vaderland!quot; âHoera!quot; riep zijn volk, en voorwaarts ging het, den vijand te gemoet.
De pribbenowsche boeren en de daglooners uit Jurns-dorp en Kittendorp kwamen met hooivorken en allerlei ander gereedschap en sloten zich aan. â Johan Heinz,quot; zeide mijn oom Herse tot zijn' adjudant, âdit zijn onze ongeregelde troepen. Op sommige tijden is die soort goed te gebruiken, zooals wij 't bij de kozakken gezien hebben, maar zij brengen licht verwarring in de geregelde troepen; houdt jelui je daarom goed op een hoop, en, als 't er op losgaat, dan maar altijd âroef!quot;
De kavallerie werd op verkenning uitgezonden en reed vóórop, en de oude inspektor Brasig en de klerk van den rentmeester op Ivenack hadden pistolen; zij schoten nu eu dan, waarschijnlijk om de Franschen bang te maken. Reuter. Vrool. Gesch. 4e dr. 15
â 226 â
on zoo kwamen zij tot bij Ankershagen, doch zij troffen geen Pranschen aan. Toen zij dit den baljuw berichtten, zeide hij: âKinderen! mij dunkt, 'tis voor vandaag genoeg, on als wij nu omkoeron, komen wij nog met den dag thuis.quot; â De inval was goed; kapitein Grischow kom-mandeerde in dien geest en alles ging naar huis, uitgezonderd eene halve kornpagnie pieken en twee jachtgeweren, die in de kroeg bij Kittendorp aanlegden en daar wonderen deden.
Toen zij terugmarcheerden, kwam de wever Stahl bij den baljuw, en vroeg; âMet uwe permissie, mijnheer de baljuw, mag ik mijne piek wel een beetje in uw' wagen leggen?quot; âZoer gaarne, mijn vriend.quot; En nu kwamen de schoenmaker Deichort en de kleermaker Zutow, en nog velen kwamen, allen met hetzelfde verzoek, en toen mijnheer do baljuw de poort te Stavenhagen inreed, zag zijn oude, eerwaardige mandenwagen er uit als eene oorlogsmachine of een sikkel wagen uit don tijd der Perzen.
De raadsheer Horse liet nog driemaal âroef, roefP op de markt schioton, on iedereen ging tevreden huiswaarts. Mijn oom alleen was verdrietig. âJohan Heinz!quot; sprak hij tot zijn adjudant: âdaar kon niets van komen; waarom liet de oude baljuw mij niet eerst den windmolen in brand steken ?quot;
Ging het in do wereld bout door elkander toe, zoo ging 't op don Gielowschen molen niet anders. De lieden brachten koren en kregen geen meel; de molen stond stil en het koren werd op den zolder neergelegd. Itzig, de jood, kwam en haalde zak op zak, en telkens als hij van den molen wegreed, zoide de molenaar; âGode zij dank, al weder dertig of veertig daalders afbetaald!quot; al naar dat het was. Maar, vergenoegd was hij er niet bij; hij werd veeleer moedeloos, en slechts, wanneer de raadsheer bij
â 227 â
hem was geweest en hem frisschen moed had ingesproken, dan nam hij een hoogen toon aan en had allemans-praats. Wanneer zijne vrouw stil zat te schreien, en Fieken met haar bedrukt gelaat langs hem heenliep, dan werd hij weder zeer onrustig gestemd, en hij moest dan door luid spreken de vrees verdrijven, en wanneer Fieken, hetgeen dikwerf geschiedde, hem bij de hand nam, of hem om den hals viel, en zoo recht nadrukkelijk, met tranen in de oogen, hem vroeg: âVader, wat scheelt u eigenlijk? Wat heeft uwe handelwijze toch te beteekenen?quot; dan was 't verschillend, wat hij antwoordde, al naar dat hij gestemd was. Had hij zijn waan van rijk te zijn, dan kuste hij zijn kind en zeide, dat zij maar moest wachten, want dat alles voor haar heel mooi uitkomen zou; had hij zijne grillen van angst, dan schoof hij haar van zich af en zei hard en norsch, dat zijne zaken geene vrouwenzaken waren , en dat hij moest weten, wat hij te doen had.
't Was eene heimelijke kwelling en een heimelijke angst van alle kanten; doch eindelijk moest het openlijk aan den dag komen, toen de bakker Witt zijn tarwemeel hebben wilde. Hij had er om gezonden, hij had er om geschreven, nu kwam hij zelf en er ontstond veel getwist, en toen de bakker wegreed, sprak hij van gauwdieven en dreigde met aanklacht. Elke dag bracht nieuwe onaangenaamheden. Het paaschfeest naderde. Van de pachthoeven en uit de boerendorpen kwam veel koren, om meel te hebben op de feestdagen, de molenaar had voordee-lige dagen, maar er was veel, veel onkruid onder de tarwe. De veldwachter kwam op don hof rijden om de zaak te onderzoeken; de molenaar vertelde allerlei dwaasheden van zijn kontrakt en van zijn recht. Daags vóór paschen kwam Itzig eu haalde het laatste voer koren en de molenaar zeide bij 't middageten tot zijne vrouw en Fieken: âZie zoo! van hem zijn wij af; hij heeft zijn
- 228 â
geld.quot; â Zijne vrouw en Fieken zwegen stil, en de molenaar vierde geen recht paasclifeest in zijn hart, want een blijmoedig geloof aan eene zekere toekomst wilde niet in hem verrijzen. En des daags na paschen kwam de veldwachter weder en ontbood den molenaar tegen den volgenden dag bij den baljuw en hij vroeg ook naar Fre-derik, en toen die kwam, zeide hij tot hom, dat hij ook bij den baljuw moest komen. ,Als 'k wil,quot; antwoordde Fre-derik en keerde zich eensklaps om, want het gezegde van den baljuw kwam hem in de gedachte: âdat zal ik niet vergeten, wat ge gedaan hebt.quot; â âAls gij niet komt,quot; zeide de veldwachter, âdan is dat voor uwe eigene verantwoording.quot; âDie heeren denken altijd,quot; hernam Frederik, lachende, âdat als hunne pruimen rijp zijn, wij ze moeten plukken. Maar, ik wil in elk geval morgen naar Stavenhagen gaan, want mijn tijd bij den molenaar is om.quot; âJe zult je wel bedenken! bromde de molenaar; âtot Sint-Jan heb ik je gehuurd.quot;
Des anderen daags reed de molenaar met Frederik naar Stemhagen. Green van beiden sprak een woord. Toen zij op do markt kwamen, wilde Frederik naar bakker Witt heendraaien. â âHalt,quot; riep de molenaar, âdaar wil ik niet heen; ik rijd bij Gulil aan.quot; âWel, baas,quot; zeide Frederik, terwijl hij van den wagen sprong en hem de teugels toewierp, ârijd er dan zelf naar toe, want ik ga hij Witt.quot; En dit zeggende, ging hij weg. In zijne goede dagen zou de molenaar dit zeker niet geduldig hebben opgenomen; hij zou zijn knecht mooi terecht gezet hebben, zelfs, hoewel 't Frederik was; heden zeide hij niets: hij was de oude molenaar niet meer, hij zuchtte diep, reed bij Guhl voor de deur, stapte af zonder binnen te tronen en ging naar het huis van den raadsheer aan den overkant.
Nauwelijks was de wagen van den molenaar den hof
â 229 â
af, toen Fieken, in hare beste kleêren, bij hare moeder binnenkwam, die achter de kachel zat te schreien. âMoeder,quot; sprak zij , âik kan 't niet helpen, ik kan de gedachte niet verzetten, dat er vandaag veel gebeuren zal, ja! dat vandaag beslist zal worden, of wij op den molen blijven of niet. Vader heeft wat uitgericht, en, wat dat ook is....quot; â âHij heeft het in zijn onverstand gedaan!quot;' riep de molenaarsvrouw haar toe. âEn daarom wil ik hem achterna gaan; ik wil mijnheer den baljuw bidden, of zijne vrouw, of iemand anders, â ik weet het ook nog niet, â de goede God zal mij immers wel den wegwijzen en de woorden ingeven.quot; âGa, mijn Fieken,quot; sprak hare moeder.
Pieken ging. Zij kon den wagen nog vóór zich uit zien rijden; zij kwam in Stemhagen en ging, als altijd, naar het huis van quot;Witt; zij vroeg naar den bakker; die was al naar den baljuw; toen liep zij de kamer in; daar zat Fre-derik en sprak met een soldaat, die een rood buis aanhad en met den rug naar haar toe zat. Ffederik sprong op: âDumouriez! Fieken, waar komt gij van daan?quot; â De soldaat sprong ook op. Lieve hemel! quot;Wat was dat? Dat was immers, zoo waar, haar Hendrik ? â Ja, hij was 't, hij legde zijn arm om haar heen en zeide: âFieken, mijne lieve, kleine Fieken! Kent ge mij niet meer?quot; â O, zeker kende zij hem nog; luidkeels riep zij uit: âHendrik, Hendrik; jij onder de soldaten?quot; âXu,quot; riep Frederik haar toe; âFieken, gij houdt u goed! quot;Waar hoort een flinke kerel tegenwoordig anders, dan onder de soldaten ?quot; Fieken luisterde niet naar 't geen hij sprak, zij had te veel met hare gedachten te doen, en als in mijmering sprak zij de woorden; âAch, God! en ook daaraan is mijn oude vader schuld! \Yat is er toch met hem aan de hand? Wat beteekent dat alles toch?'quot;
âFieken,quot; zeide Hendrik, âom mijnent wille behoeft hij
â 230 â
zich geene verwijtingen te doen, en indien ik in 't eerst ook maar weg wilde, â 't was mij 't zelfde waarheen of waartoe: â nu is dat anders, nu weet ik eerst, waarvoor ik soldaat geworden ben, en waarvoor ik te velde trek; nu weet ik eerst, wat het zeggen wil, dat een kameraad zijn kameraad bijstaat, en dat een heel regiment, op leven en dood, voor 't vaderland te velde trekt. Zie! je weet, hoe ik over je denk, maar, als je me vandaag je hand zoudt willen reiken, dan kon ik ze niet nemen; ik moet mee; maar je hart neem ik met mij.quot; âZoo spreekt een kerel!quot; riep Frederik uit. âGoed, Hendrik!quot; zeide Fieken, âje hebt gelijk, en ga dus; maar als je terugkomt, mag je ons hier niet meer zoeken; het ongeluk hangt ons boven 't hoofd, en wie weet, hoe kort de molen ons nog huisvesting geven zal.quot; âOch, kom, Fieken!quot; zeide Frederik; âje vader hoeft zich zelf onaangenaamheden berokkend; hij is, tot aan den hals toe, in 't water gegaan, maar daarom is 't nog niet noodig, dat de golven hem over 't hoofd klotsen; hij heeft nog goede vrienden, die hem de hand kunnen reiken.quot; âWie kan hem helpen zeide Fieken. Zij ging zitten, en liet de handen in haren schoot zinken. âNiemand weet wat hij zich in liet hoofd gezet hoeft.quot; âO,quot; hernam Frederik, âHendrik weet er wat van, hij heeft er van morgen zoo wat van hoeren praten; en laat hij u dat maar eens vertellen, want ik moet nu ook naar den baljuw.quot;
EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Waarom de molenaar er bij hij ft, dat geschreven is, wat geschreven is. Waarom mijnheer de baljuw Frits Sahlmann aan zijn oor-lapje trekt, en mijn oom Herse steeds van zijn stuk geraaid. Eu hoe de geschiedenis heel mooi ten einde komt.
Hij ging, en Hendrik en Fieken bleven alleen. â Op het slot zat de oude baljuw met den poedermantel op den poederstoel; bij was verdrietig. âNetje,quot; zeide hij, âde mantel zit mij te stijf om de keel.quot; âWel Weber, hoe kan die te stijf zitten?quot; âNetje, hij trekt me, en ik ben geen turksche pacha, die vooraf probeert, of 'tpijn doet, als iemand zich met een' zijden koord verworgt.quot; â âNu, is 'tzoo goed? â âHm, ja; maar dat is een verdrietige zaak.quot; âWat dan toch, Weber?quot; âMet den Grielowschen molenaar; de oude man is zeker gek geworden , wil ik maar zeggen, ofschoon zijne zaak zeer veel van misdrijf heeft.quot; âWat heeft hij gedaan?quot; âWel, wat hij gedaan hoeft? Al het koren heeft hij gehouden , wat de menschen hem gebracht hebhen, om te malen, en naderhand moet hij 't aan Itzig verkocht hebben. Waar kijk je naar. Netje?quot; âOch, ik zie hom daar juist met den raadsheer Herse aankomen.quot; âMet den raadsheer Herse?quot; riep de oude heer; hij stond op, en keek ook uit het venster. âWat wil de raadsheer Herse. Netje?quot; âHij praat immers met den molenaar.quot; âEn heel druk praat hij met hem. Netje!quot; sprak de oude heer, en zijn gelaat heiderde geheel op, en een vroolijke glimlach speelde om zijn mond; âGoddank! nu znl ik den
â 232 â
molenaar van slechtheid kunnen vrijspreken; het zal op eene dwaasheid neerkomen, want de raadsheer is meê in 't spel.quot; âDe raadsheer is toch zoo'n goede, eerlijke man.quot; âDat is hij, Netje, maar, hij doet ook soms dwaze dingen ; dwaze dingen doet hij soms!quot; Dit zeggende ging mijnheer de baljuw naar de gerechtszaal.
Vóór de gerechtszaal stonden de pachter Roggeboom, de bakker Witt, de schout Besserdich, en nog wel een dozijn anderen, die allen den molenaar aangeklaagd hadden. Toen deze nu, met den raadsheer, tusschen hen door ging en zijne beste vrienden tegen zich zag optreden , zakte hem het hart in de schoenen; en toen zij hem allen ontweken en hij zijne beschimping in hunne oogen kon lezen, werd hij angstig te moede; hij moest zich aan den arm van den raadsheer vasthouden en zeide zacht: âMijn lieve mijnheer Herse, mijn lieve mijnheer Herse, ik ben zoo akelig.quot; Zoo iets is aanstekelijk; mijn oom Herse werd ook akelig. Voor de eerste maal, gedurende al den tijd, dat die zaak aan den gang was, begon er een duister voorgevoel in hem op te rijzen, dat hij zich waarschijnlijk in ongelegenheid brengen zou. Alles, wat hij, ten voordeele van den molenaar spreken wilde, draaide verward door zijn hoofd, en toen de oude Voss in de gerechtszaal werd binnengeroepen en hij medeging, was hij geheel en al den tekst kwijt, en zelfs zijn deftig voorkomen begon hem bijna te begeven, toen de oude baljuw zeer ernstig de vraag tot hem richtte: âquot;Wat verschaft mij de eer u hier te zien, mijnheer de raadsheer ?quot;
Mijn oom Herse was bijzonder ver in juiste antwoorden ; doch, men moest hem tijd laten; hij moest altijd eerst een grooten omweg maken, eer hij tot de zaak zelve kwam; deze vraag was hem al te veel op den man af, en de oude heer zag er hem te strak uit; hij mompelde dus zoo wat tusschen de tanden van notarius pub li-
â 233 â
cus en gerechtelijken bijstand voor den molenaar. âBijstand?quot; vroeg de oude heer, en eene kluchtige uitdrukking kwam op zijn gelaat, â't Is goed, mijnheer Herse, ga zitten, als ik u verzoeken mag, on hoor toe.quot; â Mijn oom Herse ging dus zitten, en dat was een geluk voor hem, want hij kon, onder 't zitten, beter nadenken en ook beter tot zich zeiven komen. En zoo dacht hij dan na, eu kwam tot zich zelven. âMolenaar Voss,quot; vroeg de oude heer, âhebt ge van dien â en dien â en dien â koren om te malen gekregen?quot; âJa, mijnheer de baljuw.quot; âWaar is dat koren gebleven?quot; âDat heb ik aan Itzig verkocht; maar de zakken liggen bij mij in huis, die zal ik aan 't gerecht afleveren.quot; âZoo? Wel, dat is alleraardigst. Maar, weet ge wel, dat ge u met groote ongerechtigheden hebt afgegeven, en dat het zeer veel van bedriegerij heeft?quot; âMijnheer de baljuw,quot; antwoordde de molenaar; âik ben in mijn recht,quot; en hij wischte zich met de vlakke hand het klamme zweet van 't voorhoofd. âJa,quot; zeide mijn oom Herse, opstaande, âwij zijn.....â âMijnheer Herse,quot; zeide de
baljuw, âik heb in mijne gerechtszaal mijne eigene manieren; ik verzoek u te gaan zitten en toe te hooren.quot; Waarom was mijn oom Herse ook opgestaan? Nu was hij weer van zijn stuk geraakt en moest weer gaan zitten, om opnieuw tot zich zelven te komen. âMolenaar Voss, wat praat ge van uw recht?quot; âWel, mijnheer, gij hebt mij zelf gezegd: wrat geschreven is, dat is geschreven ; en in mijn nieuw kontrakt van verleden jaar staat het geschreven dat ik van elk schepel een schepel maalloon zal hebben.quot; âWaar is je kontrakt?quot; âHier,quot; antwoordde de molenaar en gaf het hem. â De oude heer las het kontrakt, schudde met het hoofd en zeide: âHm, hm! Dat is toch eene wonderlijke zaak!'' Hij nam de schel en schelde: âFrits Sahlmann moet eens binnenko-
- 234 â
men!quot; Frits kwam. âFrits, kom eens hier, wat dichter bij!quot; Frits kwam dichter bij; mijnheer de baljuw trok hem aan zijn oorlapje en bracht hem bij de tafel, waar het kontrakt op opengeslagen lag. âFrits, wat heb ik je altijd gezegd? je zult nog eens in je onbedachtzaamheid allerlei onheil aanrichten, en nu is 't waarlijk zóó uitgekomen, je hebt nu een paar oude lieden tot dwaasheden verleid, die hun duur te staan konden komen, wanneer ik niet wist, dat het enkel dwaasheden waren. Neem de pen en schrap hier: âschepelquot; uit;'en schrijf: âmaatquot; er boven.quot; Frits deed zulks; mijnheer de baljuw nam het kontrakt en gaf het aan den molenaar, zeggende: âZie zóó, molenaar Voss, nu is alles in orde!' â âMaar, mijnheer de baljuw.. . .quot; riep de molenaar uit. â âVoss.quot; viel de oude heer hem in de rede, âik zal met de beschuldigers spreken, dat zij je acht dagen uitstel geven, maar dan moet je hun het koren of het geld er voor verschaffen, anders loopt het niet goed af.quot; â âMaar,
mijnheer de baljuw.....quot; riep oom Herse, en hij stond
op. De baljuw zag hem aan: oom Herse was blijkbaar van zijn stuk. âMijnheer Herse, ik verzoek u te gaan zitten en toe te hooren,quot; sprak de oude heer op hoogst ernstigen toon. âMijnheer Herse, gij hebt kind noch kraai, en gij hebt zooveel, dat gij toch goed kunt leven; laat dan den nota rins publicus varen, en kunt gij daar niet toe besluiten, blijf er dan mede uit ons rechtsgebied. Iets goeds komt er voor ons nooit uit voort.quot; Daarop keert hij den raadsheer zijn rug toe, schelt en zegt: âFrede-rik Schuit, de knecht van den molenaar, moet binnenkomen.quot;
De oude molenaar was geheel verslagen en terneder-gedrukt naar de deur gegaan; mijn oom was hem gevolgd; maar men kon 't hem aanzien, dat het in zijn hoofd bruiste en kookte. In de deur bleef hjj staan; hij strekte
â 235 â
beide armen vóór zich uit; nog sprak hij geen woord: maar nu â nu kwam Frederik binnen en schoof hem een goed eind op zijde en de deur uit; â⢠hij wierp een knorrigen blik op Frederik, â de oude gerechtsdienaar Ferge deed de deur dicht, eu dat was de laatste blik, dien hij in rechtszaken gedaan heeft, want sedert dien tijd liet hij den notaris geheel en al varen.
âMijn zoon,quot; zeide mijnheer de baljuw tot Frederik, âkom een beetje dichter bij! Gij zijt het immers, die met mijne Fielten Besserdich wilt gaan trouwen ?quot; âXeen mijnheer,quot; sprak Frederik. âEi,quot; zeide de oude heer, en keek hem nauwkeuriger aan, âdient ge dan niet bij den molenaar?quot; âXeen,quot; zeide Frederik weder en verroerde zich niet. âWat?quot; vroeg de oude heer, âzijt ge dan niet de molenaarsknecht, Frederik Schuit, tot wien ik eens gezegd heb, dat ik aan hem denken zou?quot; âDie Frederik Schuit beu ik. mijnheer, maar ik dien niet meer bij den molenaar; daar ben i k vandaan gegaan; en de deern wil ik niet meer bobben, want zij liet mij loopen, en de molenaarsknecht ben ik ook niet meer, want sinds een half uur ben ik onder de soldaten gegaan.quot; âWel, ga daar maar ouder! Ik geloof, datje daar op de rechte plaats zult wezen. Maar, mijn zoon, er ligt bij mij nog wat voor je in 't zout. Zijt gij 't niet geweest, die 't eerst den mantelzak van het paard des âchasseursquot; afgenomen hebt?quot; âJa.quot; âEn ge hebt den mantelzak open gemaakt, eu er geld uitgenomen en dus geweten, dat er geld in was?quot; âDat heb ik,quot; antwoordde Frederik, en hij zag er onverschrokken uit, âen ik spreek het ook niet tegen.quot; âWelnu, luister dan eens heel goed naar 't geen ik je zeggen zal. Dat geld is onbeheerd goed, want de Franschen hebben liet laten varen; gij hebt het gevonden eu hebt het je ook al toegeëigend, want ge hebt er van genomen; nu is er
â 236 â
evenwel nog een kerel, dien noemen ze âfiscus;quot; dat is een brutale kerel, die alles inslokt, wat hij krijgen kan, en bovenal is hij verzot op onbeheerd goed, en dit heeft hij, om zóó te spreken, ook al in zijne kaken. Maar somtijds krijgt hij ook aanvallen van zachtmoedigheid, wanneer hij eene oprechte, ware eerlijkheid aantreft, en iemand hem die recht duidelijk voor de oogen stelt. Dat laatste heb ik nu naar mijn vermogen beproefd en mijnheer de âfiscusquot; heeft ten uwen gevalle afstand van het geld gedaan. En, zie hier, mijn zoon, dit is 't, wat er bij mij voor je in 't zout ligt!quot; Dit zeggende, nam hij een doek weg, en de mantelzak van den Pranschman kwam te voorschijn. âFrederik Schuit, do mantelzak en het g;eld behooren u toe!quot;
Daar stond Frederik en zag mijnheer den baljuw en den mantelzak aan, en dan weer den mantelzak en mijnheer den baljuw, en begon zich eindelijk heel hard achter de ooren te krabben. âWel,quot; vroeg de oude heer en legde hem de hand op den schouder. âNu, wat dan, Frederik?quot; â âHmquot; zeide Frederik, âja, mijnheer de baljuw, en ik bedank u ook zeer, maar 't komt me niet recht gelegen.'' âKomt het geld je niet gelegen?quot; âNu ja, het geld komt me wel gelegen, maar 'k heb er op dit oogenblik maar niet veel aan. De deern wil me niet hebben, en ik ben onder de soldaten, en daar kan ik het toch niet meenemen.quot; âHm,quot; zeide de oude heer, terwijl hij met groote stappen in de kamer op en neder ging; âdat is toch eene wonderlijke zaak.quot; Eindelijk bleef hij voor Frederik staan en zag hem met een beteeke-nisvollen blik in de oogen, zeggende: âFrederik Schuit, kontant geld is tegenwoordig schaarsch, en ik weet plaatsen , waar de huisvader zich daarom de handen aan stuk wringt, en vrouw en kind in tranen nederzitten.quot; â De molenaarsknecht Frederik Schuit keek op: hij zag in de
â 237 â
oogon van den ouden baljuw, en 't was hem, alsof hem vandaar een straal tegenblonk, die zijn hart verwarmde. âDumouriez!quot; riep hij uit, greep naar den mantelzak, nam dien onder den arm, en zeide: âIk weet waar ik wezen moet, mijnheer de baljuw. Adjuus, mijnheer!quot; â Hij wilde weggaan; de oude heer ging hem na tot aan de deur. âFrederik Schuit,quot; zeide hij en nam zijne hand, âmijn zoon, als ge uit den oorlog terugkomt, moet ge eens bij mij aankomen, en mij vertollen hoe 't je gegaan is.quot;
De gerechtszaal was ledig; mijnheer de baljuw zat bij zijne vrouw in hare kamer en zeide: âNetje, die mole naarsknecht, die Frederik, als die eens bij mij terugkomt, dan zal ik mij, geloof ik, meer verblijden, dan wanneer eene prinses mij kwam bezoeken.quot;
Toen de molenaar en mijn oom Herse den slotberg afgingen , spraken zij geen woord, maar uit geheel verschillende oorzaken; de molenaar zweeg, omdat hij geheel in zich zeiven gekeerd was, â mijn oom, omdat hij geheel buiten zich zeiven was; hij kon de woorden niet vinden. Ten laatste barstte hij uit: âDat moet een gerechtsdag verbeelden? Dat moet een vonnis verbeelden! Die oude baljuw, die oude lompe kerel, laat die een mensch aan het woord komen? Molenaar Voss, wij gaan verder, wij gaan ter tweeder instantie.quot; âMijnheer Herse,quot; zeide de oude molenaar, geheel verslagen; âik ga niet verder, ik ben ver genoeg, ik beu al tot den grond gegaan.quot; âVader,quot; sprak de oude bakker Witt, die achter hen aan was gekomen, en de woorden van den molenaar gehoord had, âtrek u dat niet te zeer aan, 't kan alles beter worden. En ga nu mee naar mijn huis; uw Fieken is er ook.quot; âMijn Fieken?quot; Maar de bakker liet hem niet verder aan 't woord komen, en de oude molenaar volgde hem in 't huis als een lam. 't Was niet
â 238 â
de armoede, maar de schande, die hem nederdrukte.
Mijn oom Herse ging niet mede het huis in; hij liep vóór de deur op en neder, en allerlei gedachten kwamen bij hem op. Mijn oom had altijd veel gedachten, en gewoonlijk gingen die in zijne hersenkast rond, als kleine, aardige, nette kinderen met heldere, blauwe oogen; en al verjoegen ze elkaar ook menigmaal, of al duikelden ze over elkander, of al speelden ze dikwijls blindemannetje en al richtten ze allerlei dwaasheden uit, zoo waren ze tocli altyd in zondagskleêren, en in zijn oog, netjes en sierlijk om aan te zien; â doch, de gedachten, die voor de deur van AVitt bij hem opkwamen, waren als eene bende ha-velooze bedelkinderen, die zich niet lieten afwijzen maar de handen uitstrekten en uit éénen mond riepen: âRaadsheer, raadsheer Herse, help gij den molenaar! Gij hebt hem in de knoei gebracht, help er hem nu ook weer uit!quot; â¢â âGoede hemel,quot; zeide mijn oom, âlaat mij toch met rust! Ik wil immers; ik wil eene hypotheek op mijn huis nemen, maar waar zal 't gold vandaan komen?quot; Eu de kleine bedeljongens brachten hem zóó in 't nauw, dat hij bij bakker Witt, in de oprijpoort moest gaan staan om van hen bevrijd te worden.
Hier stond Hendrik, bozig om zjjne beide bruintjes, die nog niet verkocht waren, te zadelen en op te toornen; en toon mijn oom hem in het roode buis. en met den krijgsman onder den neus, ter nauwernood herkende, kwam Frederik juist de poort in en gooide zijn' mantelzak in de kribbe, zoodat het rammelde en klonk. âHendrik,quot; riep hij hem toe, in den beginne is alles moeilijk, zei de duivel en hij droeg molensteenen , maar ... quot; â hier werd hij den raadsheer gewaar en bleef in zijne rede steken; â âgoeden morgen, mijnheer Herse, en neem 't mij niet kwalijk, maar, gij kunt mij een groot genoegen doen. Zie, de molenaar heeft mij nog tot Sint-Jan gehuurd, en
â 239 â
blijven moest ik eigenlijk zoo lang; maar, 'k heb toch zoo'n grooten lust om te trekken; en zeg gij hem nu, als hij mij laat gaan, dan wou 'k hem het Frausozengeld leeuen, totdat ik terugkom, want dat hebben ze mij vandaag op het slot toegewezen, en 't ligt hier in de kribbe.quot;
Weg waren uit de verstandskast van mijn' oom de kleine bedeljongens, en â de aardige, zondagsch-aangekleede kinderen sprongen er in rond en duikelden, en hij zelf begon quot;bijna te duikelen, over een' halsterketting, toen hij naar Frederik toesprong en uitriep: âFrederik, Frederik! Je bent een â je bent een â een engel!quot; â âJa, een oude, mooie engel!quot; zeide Frederik. â âFrederik, riep mijn oom, âdat Avillen we dadelijk op schrift brengen.quot; â âXeen, mijnheer Herse,quot; zeide Frederik, âdat willen we niet doen; daar zou weer een schrijffout kunnen insluipen, en dan kon daar weer ellende door ontstaan. Wat van mond tot mond gesproken is, dat zal gelden. -â âHendrik,quot; zoo wendde hij zich nu tot dezen; âhebt ge alles, ook met Fieken, in orde?quot; Hendrik stond achter zijn paard, hij had beide zijne armen op den zadel gelegd, zag daarover heen en knikte met het hoofd, want spreken kon hij niet. â ,,Xu dan!quot; riep Frederik en reikte naar den teugel van het spattige rijpaard; maar Hendrik trok hem den teugel uit do hand, sprong in den zadel, en, hem den toom van den fraaien, bruinen ruin toewerpende, riep hij uit; âBroeder! het beste is voor jou nog te slecht!quot; â âMaar,quot; riep mijn oom, âwilt gij dan den molenaar en Fieken niet. . . .?quot; â â't Is alles al in orde!quot; riep Frederik. âAdjuus, mijnheer de raadsheer!quot; En weg draafden zij, de Brandenburgsche poort uit.
Wij, kinderen, stonden bij de poort en keken hen na. âDat zijn geen' Fransozen!quot; zei Johan Bank. â âDat
- 240 â
zijn een paar van de onzen!quot; zei Frits Riscli. En't was alsof een eigenaardige trots over ons gekomen was.
âGod geve, dat zij wederkomen!quot; sprak de oude vader Rickert.
En zij kwamen weder. Na jaar en dag en nogmaals na jaar en dag was een voorjaar voor Duitschland aangebroken. Veldslagen hadden plaats gehad, bloed had gestroomd op de bergen en in de dalen, maar de regen had het weggespoeld en de zon had het opgedroogd, en de aarde liet gras daarover groeien en de wonden van 't menschen-hart waren door de hoop verbonden met een' balsem, dien zij vrijheid heetten. Yele zijn naderhand weder opengegaan , want het scheen wel, dat het niet de echte, van den hemel afkomstige, balsem was.
Doch daaraan dacht in dit schoone voorjaar niemand, en in mijne kleine vaderstad groeide en bloeide het in tuinen en velden, en de bezwaarde menschenborst haalde ruim adem; want vrede met God en menschen lag over de wereld verspreid. Het scherpschutterskorps van oom Herse had zijne een en twintig jachtgeweren in de kast gezet; en mijn oom had er een muziekkorps uit bijeengebracht, wat hij eene kapel noemde; 't kwam hem daarbij zeer te stade, dat hij hun in den oorlogstijd geleerd had, om allen tegelijk af te vuren, want nu vielen zij van zelf met violen en fluiten en klarinetten gelijktijdig in. Des avonds brachten zij serenades, en ik kan nog heden de melodie zingen, daar zij altijd hetzelfde stuk speelden; mijn oom heeft mij later gezegd, dat het variaties waren op het mooie thema: âGisteren was neef Michel hier.quot; â Toen de slag bij Leipzig gewonnen was, brandden er vreugdevuren op den Uilenberg en op den Molenberg en de stad was geïllumineerd; geschoten werd
- 241 â
er wel is waar, niet, want wij hadden gcene k a n o n-nen; maar kanongebulder hadden wij toch; de adjudant van den raadsheer, Johan Heinz, en de oude doktor Metz waren namelijk op den gelukkigen inval gekomen, om ecnigo zeer zware steenen op eene mestkar te loggen, en gooiden die met alle geweld togen de groote poort van den ouden podagreuscn Kasper aan, zoodat er eon echt kanongebulder ontstond en de poort in stukken viel.
En wat was 't een gejuich, en wat was 't eene heerlijkheid, wanneer de eene moeder aan de andere vertelde: âZeg eens, nicht! mijn Joehem is er ook bij geweest, en hij heeft gesehreven, dat hij er gelukkig afgekomen is.quot; En Hendrik had ook geschreven, en Frederik had zijne groeten laten doen. Eu toen dat in Stavenhagen bekend werd, ging liet van mond tot mond: âWel, die goede Frederik! Laat hem maar loopen! Dat is een oud gediende!quot; Eu iedereen sprak van den ouden Frederik en zóó heeft zich, van lieverlede, in mijne vaderstad Stavenhagen , de overlevering verbreid, dat de oudo onderofficier Frederik' Schuit eigenlijk den slag bij Leipzig gewonnen had; hij had aan zijn' overste. Warburg, gezegd, hoe 't gedaan moest worden, en die had het aan den adjudant van den ouden Blücher gezegd, en de oude Blücher had gezegd: âFrederik Schuit heeft gelijk!quot; â ââ Dat had hij gezegd!
Maar ook deze tijd vol gejubel en vol twijfel, vol vrees en vol hoop, was voorbij, en het schoon e voorjaar was gekomen , van 't welk ik hierboven gesproken heb. En op zekeren dag was eene mooio koets den weg naar het slot opgereden en de menschen zeiden, dat hot op het slot feestelijk toeging. Frits Sahlmann kwam den eenen dag in do stad en vertelde, dat het met mamsel Westphalen wol spoedig gedaan zou wezen; want, als dat acht dagen
Reuter Wool. Gesch. 4e dr. ' 10
â 242 â
zoo voortging, dan zou zij zokor nog maar in de graten hangen, en de gasten zouden, naar hij zoide, acht dagen blijven. Den anderen dag kwam hij weder en vertelde, dat mijnheer do baljuw al klokke negen was opgestaan en het venster had opengemaakt en gezongen had, met zijne natuurlijke stem gezongen! â en de vrouw van den baljuw had achter hem gestaan en had hare handen ineengeslagen; en hij, â Frits Sahlmann, â moest vele komplimenten doen aan mijn' vader en mijne moeder, en, zoo het mogelijk was, moesten zij van middag komen eten. Op don dorden dag werd ik netjes aangekleed en naar het slot gezonden: vele komplimenten aan mijnheer den baljuw en aan mevrouw, en aan de logeergasten en zij werden verzocht op thee en een avondbroodje, en mamsel Westphalen ook, en mijne moeder stampte het mij behoorlijk in, dat ik tot de jonge dame altijd âgenadige vrouwquot; moest zeggen.
Toon ik binnenkwam en mijne boodschap overbracht, zat mijnheer de baljuw op de kanapé en naast hem zat een oud heer, die er zeer ernstig uitzag, en do baljuw zeide tot hem: âDat is mijn peetekind, dat is burgemeesters Frits.quot; En de vreemde heer werd vriendelijker en ik moest hem de hand geven en hij vroeg mij naar 't een en ander. Terwijl ik nog bij hem stond, werd de deur geopend en binnenkwam â de Fransche overste Von Toll, en hij had zijn arm om eene jonge, beeld-schoono vrouw geslagen; dat was zijne âgenadige vrouw.quot; Ik koek den overste aan en 't was mij, alsof ik hem al meer gezien had, en daar de mensch', als hij in 't onzekere is, juist niet hot verstandigste gezicht vertoont, is mij dit toon zeker ook wel zoo gegaan, want zij lachten beiden en toon ik de komplimenten van vader en moeder had uitgestameld , zeiden zij , dat zij komen zouden; do vreemde dame streek met hare hand over mijn hoofd en zeide, dat
â 243 â
ik stug haar had, eu misschien ook wel een stuggen aard, en de baljuw zeide: âDaar kimt gij wel gelijk in hebben, kindlief, maar wat Lij met zijn onbuigzaam hoofd misdoet, daar zal hij dan maar met eon' weeken rug voor moeten boeten.quot;'
Dien avond ging het weer heel feestelijk toe bij ons, maar 't was niet zoo vroolijk, als toen mijn oom Herse Julius Caesar voorstelde; en punch werd er ook niet geschonken, maar Marieken Wienk moest langkurk brengen; dat was toen de beste wijn, want geen mensch wist toen wat van grand vin chateau of champagne. De mannen spraken over den oorlog, en de vrouwen van de bruiloft, die morgen op den Gielowschcn molen zou plaats hebben, en toen de gasten weggingen, keerde de overste zich naar mijn' vader toe en sprak: âMaar, mijnheer de burgemeester, niemand mag ontbreken van al degenen, die toen in dit stuk hebben medegespeeld!'' Mijn vader beloofde liem dat niemand ontbreken zou.
Den anderen middag gebeurde het weder eens, dat de oorlogs- en bagagewagen van den baljuw gesmeerd werd, en hij en zijn vriend Hen at us Yon Toll zaten er naderhand in en reden de Malchinsche poort uit. âJuffrouw Stahl, zeide mamsel Westphalen later: daar zaten zij beiden te zamen in liet rijtuig en keken zoo vriendelijk en onschuldig in de wereld rond als een paar pasgeboren tweelingen. En, juffrouw Stahl, in de mooie koets der logeergasten had do genadige vrouw Von Toll, en de vrouw van den baljuw en de vrouw van den burgemeester en ik de eer te'rijden; en de vrouw van den burgemeester had haar jongen, haar Frits, medegenomen en die bengel hing mij den heelen weg over, op 't lijf, zoodat mijne voeten begonnen te slapen, en als de huzaar-onderofficier Fredorik Schuit er niet geweest was, dan zou ik, bij 't uitklimmen, van de tree gevallen zijn. Dat
â 244 -
komt vau die kinderen, dat zog ik.quot; â Eu op ecu' groeten korenwagen zaten do bakker Witt en zijne doeliter, en Luth en Piek Besscrdich en Frits Salilmann, en unju-lieer Droi, en van achteren in den wagen lag een hoop armen en bcenen: dat waren do kleine Fransche kindertjes van mijnheer Droi. Mijn vader en do overste reden tc paard. âMaar, waar blijft de raadsheer?quot; vroeg de overste. âHij komt,quot; antwoordde mijn vader, âmaar wanneer en waar, dat mag de hemel weten, want toen hij 'tmij verzekerde dat hij komen zon, knipte hij met één oog en trok een gezicht, wat ik van hem ken, en dat ik zijn âheimelijk gezichtquot; noem.quot;
Toen mijnheer dc baljuw aankwam, stond de molenaar Voss met cene zwarte manchestersche muts op het hoofd voor do deur, en zijne vrouw stond bij hem in een zwart kalaminken rok, en hij boog, en zij neeg, cn dc baljuw vroeg: âWel, vriend Voss, hoe gaat het?quot; âOpperbest,quot; zeide de oude molenaar, terwijl hij dc trcê neersloeg.quot; â Mijnheer de baljuw boog zich naar zijn vriend Renatus toe, cn zeide: âKindlief, dc oude molenaar is tegenwoordig weder in goeden doen; hij is wijs geworden, en heeft er van afgezien, om zelf het bestuur tc hebben en laat nu zijne Fieken huishouden.quot;
Thans kwam dc statickocts. Dc dames klommen er uit; en Fredcrik droeg mijne moeder de kamer in; lnj heeft haar naderhand nog dikwijls gedragen. Dc korenwagen hield stil; alles sprong er af, alles ging in huis, ik mcê, slcchts dc kleine Droi's liepen eerst naar den tuin cn vielen op dc onrijpe kruisbessen aan.
In de kamer stond dc dominé; hij had al gewacht, cn bij hem stond Hendrik met zijne Fieken. Wat was Fieken schoon! Wat is eone bruid toch schoon! â De domino hield zijne trouwrede, zijne beste; hij kende er drie, en de cene was steeds mooier dan de andere, en
â 245 â
daarnaar was ook do prijs ingericht. Die van âdu kroonquot; was do mooiste en do duurste; ze kostte âoen daalder en zestien groschenâ dan kwam die van âhet hert,quot; tegen âoen daalder,quot; en eindelijk kwam die van âjammerlijk, ellendig ding,quot; â die kostte maar âacht groschenquot; en was voor don gemoenen man. Heden trok hij het groote register van âdo kroon,quot; uit; dat wilde do molenaar zoo hebben. âDomoneer,quot; had de molenaar gezegd, âmijn Fieken wil absoluut dat het oeno stille bruiloft wezen zal, en haar zin mag ze ook hebben, maar alles wat toch bij oeno bruiloft behoort, dat moet van 't beste soort zijn.quot;
En zóó geschiedde het ook. Toen do toespraak geëindigd was, ging do schoone genadige vrouw naar Fieken toe en gaf haar een kus, on dood haar een gouden ketting om den hals, waaraan een net plaatje hing en daarop stond de datum van don dag, waarop Fieken aan den overste verlof gevraagd had, bjj haren vader te mogen gaan. De overste was bij Hendrik gaan staan, en toon hij hom do hand drukte, toen waren do oogon van den ouden vreemden heer zoo vriendelijk op hem gericht, dat de baljuw zijne hand vatte en tot hem sprak: âKindlief, nu, wat dan?quot; â Hij wist misschien wel moer van do zaak dan iemand anders onder ons.
Nu ging men aan tafel. De bakkersdochter zorgde voor 't opscheppen der soep, en Luth diende liet gebraad voor, terwijl Fiek Besserdich mot de beide molenaarsdoorntjes bedienden. Nauwelijks had de molenaar liet eerste bord vol kippesoep gebruikt, of hij stond op, en hield eene indrukwekkende aanspraak tot zijne gaston, doch hij kook daarbij altijd slechts don baljuw aan. Hij had, zeide hij, het geheelo gezekchap maar op oeno bruiloft zonder muziek, zoo maar, dood eenvoudig, zonder komplimonton, uitgenoodigd; zijn Fieken had hot zoo go-
â 24G â
wild, en do heercn en dames inooston 't niet kwalijk
neiiieii, maar, al hadden zij ook geen muziek.....â
hier was 't gedaan met zijne aanspraak, want buiten barstte het eensklaps los; âGisteren was neef Miehei hier; neef Michel, die was gisteren hier,quot; en toen de deur opengerukt werd, stond daar mijn oom llerse met zijne gansche kapel; hij had den dikken stok van den molenaar in de hand en sloeg de maat op oen meelzak, zoodat de fluiters en trompetters hunne tonen als door eone mooie, witte zomerwolk heenbliezcn.
Dat was een pret, dat was een loven! De overste sprong op, begroette mijn' oom vriendelijk en trok hem aan zijne zijde aan tafel, en mijnheer do baljuw fluisterde zijn' vriend Renatus toe, zoodat hot gehecle gczelschap liet hooren kon: âDat is do raadsheer, lief kind, van wien ik van morgen die zotte historie vertelde, van het kon-trakt; â 't is anders een goede pleizierige man.quot; En de oude molenaar trok do geheole kapel do kamer binnen, en de heilige Cecilia werd in den hoek gozet, en de kip-pesoep loste haar af, en vervolgens kwam âneef Michelquot; weer, en die word door 't gebraad afgelost, en zóó ging het steeds beurt om beurt, En toen het avond werd, was oom Herse weder mot geheimen aan den gang; hij en zijn adjudant, Johan Heinz, waren in den donker, achter in don tuin aan 't werk; eindelijk echter worden wij allen verzocht naar buiten te komon on er werd een vuurwerk afgestoken en 't had heel mooi kunnen worden; maar â 't was jammer, och, zoo jammer! â 't was wat te zwak, er moest bij geblazen worden, en dat was wat te sterk; 't vloog in de lucht, en 't was nog een zegen van den hemel, dat Frederik juist bij den mesthoop stond, toen die begon te branden, want anders had het slecht kunnen afloopon. Mijn oom llerse wilde echter zijne kunststukken doorzetten en had al weder een
â 247 â
nieuw rolletje kruit genomen, doch de baljuw ging naar hem toe en zeide, dat het nu genoeg was; 't was heel mooi geweest, en hij bedankte hem zeer. Maar don volgenden dag zond hij den veldwachter door 't geheelo Stavenhager rechtsgebied, en liet bekend maken, dat een iegelijk, die het zou durven wagen een vuurwerk in 't hertogelijke gebied af te steken, het zwaar te verantwoorden zou hebben.
Zoo eindigde do dag, en zoo eindigt ook mijn verhaal. De dag was vroolijk en iedereen was daarmede tevreden, â ik wenschte dat mijn verhaal ook vroolijk was en dat iedereen ook daarmede tevreden mocht wezen.
Maar, waar zijn zij gebleven, al de vroolijke en trouwe lieden, die in dit verhaal voorkomen ? Allen dood. Allen dood! Allen slapen zij don langen slaap. Bakker Witt was de eerste, en de politiedienaar Lutb is de laatste geweest;, en wie is overgebleven? Wel, wij beide jongens, Frits Sahlmann en ik; en Pieken Bes-serdich. â Fieken Bess«dich is werkelijk .met den vlaskoppigen jongen van den ouden boer Freier getrouwd , en zit nu in goeden doen in Gulzow, op de eerste boerenhofstede aan de linkerhand. Frits Salil-mann is een flinke kerel geworden, en wij zijn altijd goede vrienden gebleven en indien hij 't mij kwalijk mocht nemen, dat ik guitenstreken van hem verteld bob, dan zal ik hem de hand toereiken en zeggen: ,Kindlief, wat geschreven is, is geschreven; dat is niet meer te veranderen; maar, daarom moet ge toch niet boos blijven, hoor!quot;
EINDE.