ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

MEKKLENBUROt'S montecchi ex capuletti

OF

de reis naar konstantinopel.

ocr page 6

GEDRUKT BIJ J. J. GROEN , TE LEIDEN.

ocr page 7

Vak

MEKKLEN BURG'S MONTECCHI EN OAPULETTI

DE REIS NAAR KON STAN TI NO PEL.

Uit de Mekklenburgsehe Volkstaal vrij vertaald door A. G.

Tweede druk.

LEIDEN, P. ENGELS, 18 9 0.

ocr page 8
ocr page 9

AAN MIJN LIEVEN VRIEND

GIJSBERT, VRIJHEER VON VINCKE.

De een zei er van: het was do jicht; — Een ander: spit in 't ruggewricht; — Een derde sprak: de man is ziek A Heen vanwege 't rheumatiek.

Ik dacht; of ik den naam al weet, Wat baat mij dat bij 't folt'rend leed? Die naam verwijdert toch geen pijn, En evenmin de medicijn:

Neen! heel iets anders moet het zijn.

Ligt iemand op zijn legerstee, En schreeuwt hij 't bijna uit van wee, En komt er dan een vriend'lijk man, Die wijs en troost'lijk spreken kan, Dan drijft allengs het goede woord Zijne akelige pijnen voort.

ocr page 10

VI

Zoo werkten, nu twee jaar geleên,

Op mij uw vriendelijke reên,

Toen pijnen door den rug mij schoten. Gij spraakt gezellig, onverdroten Van dit en dat en weder wat; —

En al de smarten, die ik had,

Verflauwden meer en meer en weken Voor 't zacht vermogen van uw spreken.

En daarom dacht ik, lieve vrind!

Ik moest mijn allerjongste kind,

Nu pas verschenen in het leven.

Den naam van ü op 't voorhoofd geven, 't Is maar een stumperd; doch wie weet Wat eere en voordeel zulk een peet Op 't zwakke wicht zal overdragen!

Keur daarom goed dien wensch van mij; En laat ons op de dooppartij De heeren recensenten vragen.

fritz reuter.

Ivenack, 18 Augustus 1868.

ocr page 11

INLEIDING.

Ja, Rostock! — lederen Mekklenburger gaat het hart open en menigmaal ook zijne geldbeurs, als er van Rostock gesproken wordt. quot;Wat in oude tijden Tyrus en Si-don voor de wereld waren vanwege den handel; wat voorheen Athene voor de wereld was vanwege kunsten en wetenschappen; dat is heden ten dage Rostock voor den Mekklenburger; en Warnemunde is zijn Pireüs, en 't Spill zou eigenlijk Sunium moeten gedoopt worden, en daar, waar men naar Papendorp heengaat, moest de Akropolis staan, en onder de verwelfde bogen van het raadhuis moest Aristoteles met zijne leerlingen altijd op en neer, — altijd op en neêr gaan, zonder dat een kreeft') hem iets te bevelen had.

De landman zegt: „'k Wil eens naar Rostock rijden,quot; de advocaat zegt: „'k Wil eens naar Rostock rijden,quot; en wanneer wij op deze beide standen in Mekklenburg het oog geslagen hebben, dan behoeven wij ons om 't geen de anderen zeggen, niet veel te bekommeren. De zeestad Rostock is het hoogste goed voor eiken waren Mekklenburger. Ook mijn hoogste goed is ze eenmaal geweest, toen ik van 't gymnasium een sport hooger klom, naar

') In het origineel: Krewt, — kreeft, waarschijnlijk een spotnaam, dien de studenten aan de politie-agenten gaven om hunne roode kleeding.

ocr page 12

2

de Academie; doch dat is al lang geleden, en' wij kunnen 't ons niet recht meer herinneren, vooral niet de staatswetenschappen van Professor Elwers. Maar, zooveel weet ik toch nog, dat wij, studenten, een dol vroolijk leven leidden; dat wij, als het tijd van slapen was, de kreeften met ons lieten rondloopen, die oude, dappere, stedelijke krijgsknechten, die toen niet meer rood, neen! al blauw gekleed waren; en dat wij ook glazen ingooiden. Wij losten de belangrijke maatschappelijke vragen op en stichtten onder ons eene „algemeenheid,quot; die de sakkerment-sche Constantisten en Vandalen, op schandelijke wijze, de ' ,gemeenheidquot; noemen. Nog andere, zeer gewichtige vragen werden door ons opgelost, als wij in onze „kransjesquot; bij elkaar zaten , bij voorbeeld op mijne kamer de belangrijke vraag: „Wat is de eer?quot; Wij werden 't echter daarover niet zoo spoedig ééns, als Sir John; maar voor mij liep het dien avond alles behalve voordeelig af, want toen mijne algemeene vrienden van mij weggingen, had ik als groen „de eerquot;, de vertering te betalen. Wij gingen met fakkels van Korlshoff de stad binnen, onder het zingen van het stichtelijk lied: „Hoort de geschiedenis van den zondvloedquot;, en toen wij op de oude markt kwamen, dicht bij den ouden, scheeven Petrus-toren, waren de verzen uit, en ik maakte er in der haast nog één couplet bij:

Vader Noach liet een duifje van zijn hand de lucht in gaan; 't Kwam terug en 't bracht zijn meester o! zoo'n mooi

[olijfblad aan.

En, dominé Knitzkij te Groot-Varchow, zaliger, die de eerste onder ons was, kwam naar mij toe, klopte mij op den schouder en zeide, dat ik zóó maar moest voortgaan, dan zou er wel wat van mij worden, en als ik meer zulke verzen kon maken, zou dat een licht verspreiden op de „algemeenheidquot;, daar het haar tot blijdschap en tot eer verstrekte; ik maakte dan ook fluks nog een stuk of vijf

ocr page 13

3

coupletten -meer, die ik evenwel — Gode zij dank! — vergeten heb; en ik geloofde hem ook in alles eerlijk, want ik was maar groen, en hij was al in zijn achtste semester. En toen trokken wij op naar de nieuwe markt^ wierpen onze fakkels op een hoop en zongen: „Freiheit, die ich meinequot;, en de kreeften stonden rondom ons, maar zeiden niets, en toen hun naderhand gevraagd werd, waarom zij niets tegen het straatrumoer gedaan hadden, hadden zij slechts geantwoord, dat het al te plechtig was geweest; zij hadden 't w i 11 e n doen, doch , toen zij 't hadden willen doen, toen waren zij door het lied zoo getroffen geweest, en ze hadden er letterlijk kippevel van gekregen. — Zóó was het toen; maar 't is al lang geleden, en velen, die toen op het bal waren, dat wij aan de brave Rostocker burgers bij Schleuder gaven, en waarop de oude, goede professor Fritsche nog vroolijk danste naar de melodie: „Ich und mein Flaschchen sind immer beisammenquot;, dansen nu niet meer, en andere tijden zijn nu in de wereld gekomen.

Ook voor Rostock zijn andere tijden gekomen, ik wil hopen, betere; want in Rostock zijn sedert die dagen een soort van wezens binnengetrokken, die veel te zeggen hebben, wat juist niet noodig was, — maar, zij hebben ook veel in den zak; en dat is altijd noodig. — Ik bedoel hiermede het binnentrekken der vette schapen, wat ons even zooveel te raden geeft, als de intocht der Hyksos in Egypte, der Heracliden in den Peloponesus, der heidens en joden in Europa. — Toen ik mij, kort na 1830, nog te Rostock ophield, kwamen zij al voor, maar slechts nu en dan, zóó op bepaalde rechtsdagen en met de Pink-ster-kermis. Hun voornaamste intocht moet, naar mijn dom verstand en berekening, zoo wat tusschen 1840 en 1850 plaats gehad hebben en heeft sedert dien tijd steeds toegenomen. — Nu willen andere menscheu zeker ook wel gaarne weten, wat dit voor eene bijzondere soort is, en daar men het er nu, in 't algemeen, bepaald voor houdt,

ocr page 14

4

dat de platduitsclie taal niet voor geleerde zaken geschikt is, wil ik de beschrijving van het echte vette schaap uit eene hoogduitsche natuurlijke geschiedenis afschrijven en hier laten volgen:

„Het gewone vette schaap (caper ovinus pinguis, genus: homo. Linné) wijkt uiterlijk slechts een weinig-af van zijne met hem verwante soorten, zoodat vele natuuronderzoekers geen bijzonder ras in hem willen erkennen , met welk gevoelen wij ons echter niet kunnen ver-eenigen, daar hij zich door levenswijze en gewoonten genoeg onderscheidt. Wanneer hij gaat, gaat hij op twee beenen; zijne bewegingen zijn langzaam en voorzichtig; de handen legt hij in den schoot; indien hij met rust gelaten wordt, is hij ten eenenmale onschadelijk, in getergden toestand kan hij kwaadaardig worden. Do nekspieren zijn bij hem zeer sterk ontwikkeld, weshalve hij dan ook genoodzaakt is, hoofd eu neus zeer in de hoogte te steken. Hij is over 't geheel vervelend en gemelijk van aard; slechts bij het uur der voeding wordt hij opgewekt. Hij leeft in kudden in de „societeitquot; en op de markt in de zon, half op, half ouder de aarde in een tunnel. Kunstzin kan men hem niet geheel en al ontzeggen; hij laat zich in zijne woonplaatsen 's avonds in de schemering walsen en galoppades voorspelen; ook houdt hij veel van platen, wanueer zij bont zijn en het formaat van speelkaarten hebben. Van de wetenschappen houdt hij niets, behalve van de rekenkunde; het metaal mist nooit, zijn bekoorlijken invloed op hem uit te oefenen; ook knipt hij coupons.quot; — Dit zegt de natuurkundige; de hoofdzaak echter vergeet hij, hij spreekt volstrekt niet van den zwaren last, dien deze arme menschen te dragen hebben; niets van den veelomvattenden arbeid en de vele bezigheden , die op hen rusten. — Zoodra het vette schaap 's morgens zijne „bloeiende legerstedequot; verlaat, (gelijk de oude Homerus zegt) begint zijn leed. Eerst moet hij koffie drinken, en zijne lieve vrouw begint op hem te knorren.

ocr page 15

5

dat hij zich met koffieboonen heeft laten beet nemen; dan moet hij 's winters en 's zomers naar buiten en moet de hoenders voeren; zijn buurman voert dan zijne kalkoenen, de derde buurman zijne eenden en ganzen, en de vierde zjjne duiven: een beetje vee moeten zij, in elk geval, om zich heen hebben. Als dit in orde is, gaat hij uit; hij gaat naar de nieuwe markt en vraagt, wat de boter kost, wat de aardappelen kosten, wat een bosje peterselie kost. Dit doet hij niet om zijnentwil, dit doet hij ten beste van de geheele wereld, opdat de handel en wandel niet in verval gerake; hij koopt 's morgens nog niet aanstonds, omdat het tegen twaalf uren, als de oude vrouwen moe van 't zitten zijn, goedkooper moet worden. Hij gaat de bloedstraat af naar de hopmarkt en vraagt naar de graanprijzen , dat wil zeggen, kwansuis; hij zal toch zoo dwaas niet wezen, om koren te koopen; hij krijgt immers genoeg koren van mijnheer zijn zoon Christiaan, die nu het bestuur over het landgoed heeft. Hij gaat nu terug en valt in den tunnel, en moet daar volstrekt iets verteren; hij doet zulks ongaarne, maar nogtans, dat is hij aan zijn stand verschuldigd; hij is f r u g e s consume re n a t u s, dus neemt hij een ontbijt. Jochem Bohm zegt tot hem: „Ga ineê naar koopman Berkholz, daar zijn Ohm en Johm en ürohm ook; daar willen we een beetje keuvelenquot;, en hij gaat mede; en daar zitten zij dan tot twaalf uren, houden den man van zijn werk af en vragen naar den geldkoers en de graanprijzen. — Wanneer hij dan over de nieuwe markt naar huis gaat en de boter goedkoop koopen wil, dan is die weg, — die drommelsche op-koopers! Daar kon de politie toch ook wel wat tegen doeu: „Waarom laten ze die kerels geen' stokslagen geven? — Hij gaat, bezorgd wat hij wel aan zijne lieve vrouw zal zeggen, naar huis. Ja, hij heeft het zwaar in de wereld! — Zijne vrouw zegt heden niets, want zij is zeer in angst, dat hij met boter zou komen aanzetten, en dat zou haar niet gelegen komen, haar

ocr page 16

6

lieve zoon Christiaan heeft haar boter van het goed gezonden. Het voedingsuurtje gaat dan ook recht fideel voorbij. Na den eten moet hij een weinig rusten op het vele werken, hij wil het boek lezen, dat hij, eene week of vier geleden, voor zich uit de leesbibliotheek gehaald heeft, en dat getiteld is: „Over de slechtheid der menschen en der menschelijke inrichtingenquot;, maar hij slaapt er bij in, want die kerel zegt hem niets nieuws; wat die zegt, weet hij reeds lang, bij eigene ondervinding. — Ja, de menschen zijn slecht, — slecht, — zeer slecht, en hij slaapt den slaap der rechtvaardigen. Wanneer hij dan met moeite ontwaakt, valt het hem in, dat het zijn plicht is, zich voor zijne familie te sparen, en dat de dokter gezegd heeft, dat hij, daar hij kort van hals is, veel wandelen moet. JSTu, na zooveel bezigheden, mag hij zich ook wel eene kleine uitspanning gunnen, hij gaat op den wal wandelen, en als 't erg loopt, wordt hij een strand-looper. Ohm en Bohm en Sohm en Drohm komen hem tegen, en als hij dit vriendschappelijke publiek om zich heen heeft, begint hij te redeneeren, en hij redeneert als een boek; hij verdiept zich ten beste van de menschheid en in het belang der zeestad Rostock, zonder zich te bedenken , in de stedelijke aangelegenheden; hij maakt op den wal de prachtigste nieuwe wandelwegen, velt hier boomen neder en plant elders anderen; hij bouwt voor de goede Rostockers de fraaiste stedelijke gebouwen; hij bestuurt de geheele Mekklenburgsche Rekenkamer en loopt in de Rostocker heide als opzichter over de bosschen rond, en ten laatste stelt hij mijnheer den Senator Blanken tot eersten burgemeester aan; alles voor niet, zonder dat hij een groschen traktement verlangt. quot;Wanneer hij dit zoover gereed heeft, begint hij met het geheele land van Mekklenburg en zegt tot den Groothertog: „Koninklijke Hoogheid, neem mij niet kwalijk, maar ik zal u een beetje helpen bij 't regeeren.quot; „En ik weet niet, als ik de Groothertog was, of ik dien man niet tot mijn minister

ocr page 17

7

van fmantiën zou benoemen: zoo'n vet schaap als minister van finantiën moest het Mekklenburgsche Staats-crediet er weder geheel bovenop brengen. Zóó werkt hij nu al voort en draagt bij zijn eigen last ook nog de lasten van andereu ; — maar zoo iets doet een mensch toch aan; hij moet zich een weinig ontspannen, hij gaat dus naar de Socie-teit en komt daar wat tot zich zeiven. Hij laat zich een glas heet, sterk drinken geven, wat hij „krokquot; noemt, en plaatst zich met Ohm en Bohm en Sohm aan de speeltafel, waar hij nu weder met moed aan 't werk gaat. Ditmaal is het niet tot welzijn van het algemeen, — 't is thans in het belang zijner familie, dat is hij haar verplicht. — Is hij nog jong en een geboren vet schaap, dat beteekent: zóó een, die het geld vanwege zijne lieve ouders heeft, en die zich zeiven tot nog toe niet mot geld verdienen bemoeide, dan neemt hij tegen tien uren afscheid van het gezelschap, slaat den kraag van zijn mantel over zijn hoofd, vanwege de politie, en sluipt en glijdt de straten door, totdat hij het huis bereikt, waar juist dien avond groote zaken met rechts en links gedaan worden, en hij laat zich daar ten voordeele der menschheid plukken.

Zóó weet een echt en braaf vet schaap zijn kostelijken tijd mooi te verdeelen, in zwaren arbeid en groote weldaden voor de menschheid. Hiermede wil ik echter niet zeggen , dat het daarmede bij elk hunner afgedaan is; o neen! sommigen halen zich nog zware lasten, als bijwerk, op den hals; zoo heb ik er ééu gekend, die van de Rostoc-ker regeering de jacht op de nieuwe markt gepacht had, en nu schoot hij daar den ganschen dag door, altijd beurtelings uit het rechter- en uit het linkerneusgat, naar mos-schen in 't rond; en als hij dan 's avonds doodmoede in zijn bed lag, dankte hij den hemel voor de gunst, dat hij zulk een mooi geweer met dubbelen loop, midden in 't aangezicht had gekregen. — Ja, de één neemt dit, de ander dat, als bijzaak waar.

Maar, wat beteekent toch, wat gij van die vette schapen

ocr page 18

8

vertelt ? — Lieve vrienden ! als iemand eene geheele poos van een paar vette schapen wil verhalen, dan moet hij eerst zeggen, wat die soort in 't algemeen beteekenen wil; uitzonderingen zijn daardoor niet uitgesloten, en wanneer gij dit blad wilt omslaan, zult gij zulke uitzonderingen op den regel ook vinden, en ik denk, dat gij met die uitzonderingen wel tevreden zult zijn, ten minste met het ééne gedeelte; en zij zelve zullen ook geen haat tegen mij voeden, omdat ik een paar vroobjke geschiedenissen van hen verteld heb. — „En zou nog iemand, —ik ge-leef echter, dat niemand het doen zalquot;, — gelijk de schut-terskoning te Triptis, hier in Thüringen, in zijne aanspraak zeide; want hij moet bedenken, wat zal er op 't laatst van mijne schrijverij worden, zoo niemand zich meer uit pure menschenliefde er toe leenen wil, dat ik eens van hem praten mag. — Vertel ik eene geschiedenis van een edelman en een riddergoedbezitter, dan keeren ze mij den rug toe en zeggen: „Mijnheer, gij zijt een democraat; gij ontziet noch menschelijke, noch goddelijke instellingen.quot; — Vertel ik eene historie van een1 geestelijke, dan zegt die soort: „Mijnheer, gij zijt geen christen, gij zijt een heiden!'' en de aardigheid is er af. — Zeg ik iets van de burgemeesters , dan zegt de een of ander van hen: „ Schaam u wat! 't Is een slechte vogel, die zijn eigen nest bemorst. Gij zijt immers zelf een burgemeesterszoon.quot; — Seem ik eens een schoolmeester en een seminarist onder handen, dan is 't: „Dat is geene kunst, zulk een onderdrukten en geplaagden stand nog dieper te vernederen!quot; en de seminarist voegt er op scherpen toon nog wel bij; „Gij denkt ook wel, dat gij wat meer zijt dan wij; maar gij zijt toch ook schoolmeester geweest.quot; En ik antwoord dan: „Daar hebt gij gelijk in. — Maar, — neem mij niet kwalijk, — gij komt ook in dit verhaal voor, doch niet boosaardig, slechts pleizierig.quot; — Vertel ik iets van een burger, zoo zegt die: „Mijnheer, laat ons met rust; wij moeten onze belastingen en imposten betalen, en nu zul-

ocr page 19

9

len wij zelfs nog meer moeten opbrengen.quot; — Zoo blijven mij dus nog slechts de boeren en de daglooners over, en de goede boeren willen hun breeden rug ook niet meer aanbieden, dat men daar vroolijk op dansen kan, en zij zeggen tot zoo'n schrijver: „BedeJaarsvolk! Wij zijn den langsten tijd domme boeren geweest; wij worden nu erfcijnspachters. en dat wel verstandige.quot; — En de daglooners zeggen: „Zoo is 'tniet kwaad! Waar de heg het laagste is, springen de honden er over. Ga maar naar de anderen; van ons is geen vet te halen.quot; — En de lieden hebben gelijk: waarom zal ik tusschen de dagloonershutten van de misera c o n t r i b u e n s plebs rondzwerven, als ik eene plek weet, waar mij het vette der aarde tegenblinkt ? — Uit dien hoofde heb ik mij dan met de oude heeren bezig gehouden, die gij vette schapen noemt.

En nu komt de geschiedenis.

ocr page 20

EERSTE HOOFDSTUK.

Welk soort van vrouw mevrouw Jeannette Groterjahn is, en hoe zij eigenlijk heet. — Dat zij haren geniaal wil bestraffen, en het hare schuld is, dat hij met zijne parapluie in de glazenkast te land komt.—- Wie hij daar ginder is, en waarom h ij hij h em daar Hinder altijd over de schouders heen wordt aangeduid. — Lat mijnheer de Baron van Unkenstein aankomt, maar zich als een oud zeepzieder doet kennen, en icaarom deze oude oom eerst in de goot valt en naderhand drie glazen sterken grog uitdrinkt, icdt anders gewoonlijk in eene omgekeerde volgorde geschiedt. „ Wat wil jelui in Konstantinopel doen?quot;

Te Rostock, in de Alexandrinestraat, zat hedenavond in eene nette, warme kamer mevrouw Jeannette Groterjahn. — Zij heet eigenlijk „Hannaquot;, en zóó was ze ook van jongs af aan genoemd, maar, zij had zich zelve herdoopt en liet zich nu Jeannette noemen. En bij haar zat hare eenige dochter, Helena, die zij ook herdoopt had, want zij heette haar nu eens „Hellaquot;, dan weer „Ellenquot;, wat door de afwisseling, over 't geheel genomen, zeer goed klonk. Van achter de kachel keek nog een kleine stompneus uit, die aan den dertienjarigen zoon van mevrouw Groterjahn, — Paul genaamd , — toebehoorde; hem noemde zijne moeder uit den eon of ander verstandigen grond „Pollquot;; mijnheer Groterjahn zoide „Paulusquot;, omdat daardoor op hem een zekere

ocr page 21

11

glans van zoogenaamde klassieke beschaving werd geworpen.

Buiten viel de regen in stroomen neder; de wind sloeg tegen de vensterluiken, alsof hij iedereen wilde vermanen, zich voor hem in acht te nemen, en Helene huiverde en sloeg haren warmen doek vast om de schouders. — Dit kon nu evenwel ook eene andere oorzaak hebben, want hare lieve moeder had haar juist een lang, koud kapittel voorgehouden over de vraag: op welke wijze een jong meisje zich in gezelschap met heeren behoorde te gedragen, als zij verzocht werd, piano te spelen, en zij besloot hare redeneering met de woorden: „Vroeger, mijn kind, toen gij nog een kind waart, moest ge verscheidene boeken op den stoel leggen, om bij de piano te komen; thans is dat niet meer noodig; je gaat op een gewonen stoel zitten en laat het blad van je muziek door de heeren omslaan. — Maar, Heer in den hemel! —Ween.—Zulk eene onoplettendheid van je vader, dat hij ons hier in dit weer alleen laat zitten!quot;

Helena zag van haar borduurwerk op, als wilde zij iets zeggen, doch zij zweeg stil, en Paul kraaide van achter de kachel uit; „Och, moedertje, we zitten immers heel warm.quot; — «Pollquot;, sprak de moeder, „hoe dikwijls heb ik je al gezegd, dat ik je verzoek geen platduitsch te praten. Zoo lang je in Groot-Barkow waart, heb ik het verdragen , omdat onze buren onbeschaafd waren. Maar, hier

in Rostock..... De mensch moet beschaafd trachten te

worden.quot; — Had Paul een baard gehad, zoo zou hij zeker daarin gebromd hebben, nu echter kwam het er heel onbewimpeld uit: „Och moeder, beschaafd! Wat helpt de beschaving? De jongens zeggen toch altijd domme Hans van het land, tegen mij.quot;

„Dan moet je die lompe knapen je rug toedraaien en hen met verdiende verachting straffen.quot; — „Keen,quot; zeide Paul — „'kgeef hun liever een slag in 't gezicht.quot; — „Pollquot;, begon mevrouw Groterjahn weder, maar Helene sprong op, uitroepende: „Daar komt vader, ik hoor zijn' Reuter. Mont, en Cap. 2e dr. 2

ocr page 22

12

stap.quot; — „Kind lief, je blijft stil zitteu; we moeten het je vader duidelijk laten merken, dat wij heel gevoelig zijn

over zijne onoplettendheid.quot; — „Och, moeder.....quot; —

„Je gaat weer zitten.quot; — En Helene ging zitten.

In de huisdeur kwam nu iets inblazen, erger dan do storm, en eene krachtige stem riep: „Wat donder! laat toch eens iemand met licht hier komen, ik kan immers geene hand voor oogen zien.quot; Helene zag hare moeder aan. de dame verroerde hand noch voet. — „Klets!quot; hoorde men buiten de kamer.

„Zóó,quot; riep Paul, terwijl hij zijne lieve moeder de lamp voor den neus wegnam, „nu is vader al in de glazenkast beland!quot;

Hij rukte de kamerdeur open, en mijnheer Groterjahn kwam binnen en zeide knorrig: „Waarom komt ge toch niet met licht ? Nu heb ik al een ruit met mijne parapluie ingestooten.quot; — Helene was opgesprongen en had. in weerwil van zijne natte kleêren, haren arm om haren vader geslagen en gaf hem een kus, terwijl Paul verdrietig sprak: „Wel, we mochten niet. Moeder wou u een beetje straffen.quot; — „Voor je lompheid, Anton, om ons hier, bij dit weêr, geheel alleen te laten zitten,quot; sprak mevrouw Jeannette Groterjahn en rekte zich nog wat stijver overeind. „Dat kan ik niet helpen,quot; antwoordde de heer Groterjahn, terwijl hij verdrietig zijn overjas uitdeed, waarbij. Helene hem liielp, — „ze hebben mij in de commissie benoemd, en dus is het mijn plicht, de societeit op rle been te helpen. Denk je, dat het zoo pleizierig is? — Noen, 't is mij een groote last. — 'k Heb me daar van avond zoo kwaad gemaakt, dat ik razend had kunnen worden.quot; — Mevrouw Groterjahn knikte met het hoofd, wat zeker beteekenen moest, dat hot zoo opperbest was on hem volstrekt geen kwaad kon. Helene vroeg: „Waarover dan toch, vader?quot; — „Wel, over hem, over hem, daar ginder,quot; zeide de vader, en hij wees met zijn duim over den schouder. — „Haha!quot; sprak Paul, „over den

ocr page 23

13

ouden Jahn.quot; — „Pollquot;, viel zijne moeder hem op bitsen toon in de rede, ,hoe dikwijls heb ik je al gezegd, dat die naam, hier in ons huis, volstrekt niet genoemd mag worden. —- Wat heeft hij dan nu weer voor kwaad uitgevoerd?quot; vroeg zij haren echtvriend. — „Verbeeldjequot;, zeide hij, „hij liet zich eene halve Hesch rooden wijn geven en ging daarmee vlak over mij zitten. —Ik was juist in een beschaafd gesprek met dokter Falter over de schaapspokken en de klauwenziekte, en de dokter zeide, dat de

klauwenziekte ook op menschen kon overerven.....quot; —

„Vader, vaderquot;, riep Paul, die weer achter de kachel zat, „daarin heeft de dokter gelijk; weet gij nog wel, toen wij nog te Groot-Barkow waren, toen kreeg Hanna Kngler van 't melken ook de klauwenziekte.quot;

„Pollquot;, riep mevrouw Groterjahn, „je bent een onuitstaanbare bengel; laat je vader toch verder vertellen! — Wel, hoe. . . .?quot; — „Wel,quot; zei Anton, „ik had mij mijn gewoon glas grog laten geven en hij zijn rooden wijn, en nu zat hij tegenover mij en keek mij steeds aan. Hij zeide niets, en ik zeide ook niets; maar over dat vervloekte aankijken moest ik wel kwaad worden.quot;

„Anton,quot; zeide zijne lieve vrouw, met bijzonderen nadruk, „daar ziet ge al weer, hoezeer ik gelijk heb, als ik zeg, dat de omgang met hemquot; — hier wees zij ook over den schouder — „niet voor ons past.quot; — Hier zuchtte Helene diep. — „Mijn kind, Hella,quot; sprak hare moeder, „waarom zucht je; wat heb jij te zuchten, als je lieve vader zich met recht boos gemaakt hoeft?quot; — „Juist daarover, moeder, zucht ik,quot; zeide Helene en hield met borduren op en zag hare moeder met een paar groote, schoone, donkerblauwe oogen zoo ernstig en oprecht in 'taangezicht, en daarbij verspreidde zich over haar ge-heele wezen zulk een heldere gloed, alsof zij in den avond-zonneschijn op een hoog gelegen slot stond en uit de verte naar een gelukkig land uitzag; „ach, wat was het heerlijk, toen wij nog in Groot-Barkow woonden, en de oude

ocr page 24

14

Jahn met zijue lieve yi'ouw van Klein-Barkow naar ons toe kwam, en wij hen weder gingen bezoeken; toen wij kinderen met elkaar zoo vroolijk speelden, en — en. . . Hier wierp mevrouw Groterjahn haren Anton een veelbe-teekenenden blik toe, en Anton hoestte zoo eens even, wat beduiden moest: ik weet wat het is. — „Ja,quot; sprak Paul toen weder, „en wat hadden ze in Klein-Barkow mooie pruimen!quot; — „Pollquot;, riep zijne moeder, „zoodra je nog eens platduitsch praat en zulke aanmerkingen maakt, ga je dadelijk naar bed. En jij, kind lief, Hella, laat ik je zeggen, —je moeder oordeelt altijd billijk, — de omstandigheden veranderen; wat vroeger paste, past nu niet meer. H ij daaï ginderquot;, en wederom wees zij over den schouder, — „is een oude pachter gebleven; jou vader is grondeigenaar, hij heeft eene stem op den landdag. en dat verandert de zaak.quot; —De heer Groterjahn was, gedurende de zedepreek zijner vrouw, opgestaan, hij nam den arm zijner lieve dochter, kuste haar op het voorhoofd en zeide: „Helene, moeder heeft gelijk; je lieve moeder heeft altijd gelijk, de oude....quot; „Vader,quot; schreeuwde Paul daartusschen in, „weet gij, wat Jochem Klahn zegt? — Jochem Klahn zegt, dat zijn meester, de oude Jahn, volstrekt niet boos op ons is.quot; — „Poll, je gaat dadelijk naar je bed!quot; — „Stil eens!quot; riep mijnheer Groterjahn, „zwijgt toch eens stil! Er houdt een rijtuig voor de deur op.quot; — „Een rijtuig? Een rijtuig?quot; vroeg mevrouw Groterjahn en keek hare beide kinderen aan, want haar gemaal kon zij niet aankijken, daar hij reeds de kamer uit en op de straat was, „Kinderen, je zult zien, dat is de Baron van Un-kenstein, dien wij op den spoorweg ontmoet hebben. Dat is de Baron van Unkenstein; hij heeft het zoo stellig beloofd, dat hij ons zou komen bezoeken, — 'tis zeker de Baron van Unkenstein.quot; — „Dat is de Baron van Unkenstein!quot; riep Paul, en kwam van achter de kachel voor den dag, „dat is do Baron van Unkenstein, die jou zoo graag mocht lijden, Leentje.quot; — „Poll, goddelooze ondeugende jongen, je raoogt

ocr page 25

15

niet zeggen „Leentje,quot; je zuster heet „Hella,quot; zeide mevrouw zijne moeder, en zij nam de lamp van de tafel en liep daarmede den gang in, om mijnheer den Baron te lichten. Buiten vóór de deur hoorde zij een druk gepraat. — Toen de heer Groterjahn naar buiten gekomen was, krabbelde uit de goot een klein, dik kluwen overeind, en de koetsier stond daarbij, vol verbazing uitroepende: „Groote Heer in den Hemel! Daar richt me die man hier zoo'n ongeluk aan, en valt uit de koets in de goot!quot; — En de gude, kleine, dikke prop van een kereltje ging vóór het rijtuig staan en riep: „Nu, dat zou 'kdan toch wel eens willen weten, hoe de Raadsheer Schroder dezen wagen in en uit komt!quot; „Mijn hemel, is dat oom Jozef' niet?quot; vroeg mijnheer Groterjahn. — „Oom Jozef Bors, waarde neef! Denk eens, daar ben ik door het kleine, nauwe portier, in don donker, hot rijtuig ingekropen, 't ging op zijn best, en nu wou ik er weer uit: nu, achteruit wou 't niet gaan, dus kroop ik met het hoofd vooraan, en daardoor heb ik de balans verloren en moet hier zoo schandelijk neêrvallen. Maar, dat zeg ik, hoe de Raadsheer Schröder hier in en uit komt, — die is toch nog dikker dan ik, en rijdt altijd in dit rijtuig, — dat begrijp ik niet!quot; — „Wel, mijnheer Bors,quot; zegt de koetsier, — „die maakt altijd het raampje, boven 't portier, nog open en klimt dan heel bedaard er in en er uit.quot; — „Dat raampje? — gaat dat ook open? — Nu, dat mag de drommel weten! — Neen, met die gekke nieuwmodische wagens wil ik toch niets te doen hebben.quot; „Kom nu maar in huis, oom!quot; sprak de heer Groterjahn en trok met het kleine manneken naar binnen.

Nu, ik geloof, dat mevrouw Groterjahn van schrik de lamp liet vallen, toen zij den broeder barer lieve moeder zag, en Paul danste op één been achter haar in 't rond, zeggende: „En dat is mijnheer de Baron van Unkenstein, en nu is 'toom Bors!quot;

„Goeden avond, Hanna!quot; sprak de oude, eerwaardige

ocr page 26

16

zeepzieder tot zijne nicht, „ik kan je nog geen kus geven, ik zie er nog te smerig uit. — Groeden avond, Leentje! — Kom, dat is goed, help mij mijn mantel maar eerst afdoen. — Zoo! —- Nu zullen we hem hier over die beide stoelen hangen en ze dicht bij de kachel zetten, dat de mantel goed droogt, want als men hem nat afveegt, gaat de modder er zoo vast in zitten, dat het er van zijn leven niet wéér uit te krijgen is.quot; — Mevrouw Groterjahn wrong hare handen; mijnheer Groterjahn zag maar steeds zijne vrouw aan, en oom Bors ging nu op de dochter zijner zuster, mevrouw Jeannette Groterjahn, af enzeide: .Zie zoo, Hanna, geef me nu een kus! — Je hebt ook veel complimenten van oom Krapp.quot; ■— Hoe gaat het hem?quot; vroeg mevrouw Groterjahn, om toch wat te zeggen. — „Wel, hij heeft den naam, zoowel als de daad; krap gaat het hem maar; het pottenbakkerswerk wordt tegenwoordig juist niet zwaar betaald, hij moet zien, dat hij er door-scharrelt.quot; — „En hoe gaat het u, oom?quot; vroeg de heer Groterjahn. „'k Dank u vriendelijk, neef, mijne zaken gaan zeer goed; hoe meer beschaving er in de wereld komt, des te meer zeep wordt er gebruikt. Daar is een man, 'k geloof, dat hij tegenwoordig in Munchen is, — die man heet Liebig; — mijn dokter heeft mij gezegd, dat die man uitgevonden heeft, dat zeep en beschaving bij elkaar behooren, en sinds dien tijd wascht zich nu alles met zeep, wat zich te voren in 't geheel niet gewasschen heeft.quot; — Paul was inmiddels tusscheu de knieën van zijn oudoom gaan staan en streek hem langs zijn harden baard: „Oom, vertel ons van avond eens wat van uwe reizen!quot; — En Helene kwam met een glas grog aan en zeide recht vriendelijk: „Probeer eens, oom, hij zal wel naar uw smaak wezen.quot;

„Kostelijk,quot; zeide de oude man, „kostelijk, Leentje! Er kan nog maar een klein scheutje rum meer in.quot; Dat werd nu bezorgd, en Paul begon weder: „Och oom, vertel ons een beetje, vertel ons een beetje van Konstantinopel. Wij

ocr page 27

17

gaan er ook heen.quot; — „Wat?quot; vroeg oom Bors en zag het gezelschap, één voor één, aan. — „Ja,quot; zeide Paul, „wij reizen er allen heen, ik ga ook meê.quot; — „Ja,quot; sprak mijnheer Groterjahn en rekte zijn hals wat meer uit, „het is eene gezelschapsreis, die door den redacteur van een dagblad in Weenen, die te gelijkertijd een Hon-gaarsch Magnaat wezen moet, ondernomen en bestuurd wordt.quot; — „Ja,quot; voegde zijne lieve vrouw er bij. „hij is uit eene zeer achtbare familie, anders zouden wij hem bij zijne onderneming onze medewerking niet verleenen.quot; — „Hanna, ik smeek je, om 's hemelswil! — Waarde neef! Wat wil jelui in Konstantinopel doen? Handelszaken kunt ge daar toch niet hebben?quot; vroeg oom Bors en dronk zijn glas grog uit. — „Wat wij in Konstantinopel willen doen?quot; vroeg de heer Groterjahn een weinig driftig, „zaken? zaken heb ik hier genoeg.quot;

„Zwijg toch, Anton!quot; viel zijne eehtgenoote hem in de rede. „Zooveel ik weet. is de zaak besloten en afgedaan. Wij reizen voor ons genoegen , wij reizen, omdat het voor beschaafde menschen past.'' En nu werd zij vinnig: „Wanneer uwe zeep met de beschaving hand aan hand gaat, dan behoort onze rijkdom ook tot de beschaving, en wij willen .... willen, zeg ik . . . .quot; — „Hanna,quot; viel haar oom haar in de rode, „waartoe wilt ge u zoo driftig maken? Reis in Gods naam, reis voor mijn part naar den Bloksberg, 't is mij alles parti égal .... Dank je, Leentje! Ja, zóó is hij goed, nog maar een klein scheutje rum meer.quot; — Helene had het goed willen maken en had hem drie vierden rum in zijn glas grog gegoten. — „Maar, kindertjes, Konstantinopel?quot; „Ja, oom, daar willen we den Sultan gaan zien en de Turken: wat dat voor volk is; en dan de Turkinnen, die moeten immers zoo mooi zijn,quot; zeide Paul. — „Onfatsoenlijke bengelriep mevrouw zijne moeder hem toe, „wat weet jij van Turkinnen?quot; -„Moeder, dat lees ik uit do boeken, die gij mij gegeven hebt.quot; „Ja, de Turkinnen!quot; zeide mijnheer Groter-

ocr page 28

18

jahn, en er speelde zoo'n trek van welbehagen op zijne lippen, „die moeten zeer schoon zijn.quot;1 — Waarde neef,quot; sprak de oom, terwijl hij een stevigen slok uit zijn glas nam, „bij gedeelten mogen zij heel mooi zijn, maar wat i k er van gezien heb, daar zou men hier bij ons in 't geheel niet naar kijken. Wanneer ik uwe vrouw, mijne lieve nicht ITanna, zoo aanzie, en ik zie daarentegen eene Turkin aan, dan kunnen de Turkinnen haar portret wel laten maken.quot; — „Dus beteekent dat ook niet veel ?quot; zeide mijnheer Groter-jahn. — „ Antonzeide zijne lieve gade en zag hem scherp aan, „deze aanmerkingquot;......maar zij bedacht zich en zeide met een schijn van vriendelijkheid tot haren oom: „Dus gelooft gij, oom, dat ik mij in Kon-stantinopel wel kan laten zien , zonder bij de schoone Turkinnen af te steken ?quot; Te gelijk knipoogde zij Helene toe: ja! zij moest oom nog een versch glas grog inschenken ; hij was toch een recht beleefde oude oom. Maar Paul sprong al eerder toe, om oom het glas grog gereed te maken; het geheele glas van enkel rum, en hij vroeg: „Wel, oom, hoe smaakt dit!quot; — ,Kostelijk, Paul, zeer lekker; maar nog een klein scheutje rum. — Maar, Hanna, zeg me nu om Gods wil eens: wat wilt ge toch in Konstantinopel gaan doen!quot; — „Gij zijt er immers ook geweest, oom!quot; antwoordde Hanna op spijtigen toon. — „Dat was iets anders. Ik ben er, met mijn ransel op don rug, heengetrokken, omdat ik daar mijn' kost wou zien te verdienen. Wij werkten er grootendeels in Turksche talk; er kwam ook wel eens Russische voor, en 't was een gruwelijke smeerboel; maar ik verdiende aardig geld, en 't zal jelui op veel kosten jagen , want het is daar infaam duur.quot; — „Wij hebben 't immers,quot; zeide mijnheer Gro-terjahn. — „Ja, neef,quot; hernam oom, „maar, gij zijt anders toch heel taai in geldzaken en gooit uw geld niet op straat. Gij wilt iets voor uw geld hebben, en jaar en dag zult gij er toch niet willen blijven, en als gij dat niet doet, krijgt gij niets te zien.quot; — „Wij nemen een beschaafden, hoogst

ocr page 29

19

kundigen jongen man mede, die ons alles zal uitleggen zeide mevrouw Groterjahn. — „Zóó? Ook dat nog! En wat is er dat dan voor een?quot; „Hij heet mijnheer jSemlichquot;, antwoordde zijne nicht. „Wat? Is dat een zoon van den ouden koster te Zippelmannshagen, die tegenwoordig bij den ouden Semmlow als seminarist dient ?quot; — ,Hij is, wel is waar, slechts een seminarist, maar hij overtreft in de wetenschappen zijn eigen dominé aanmerkelijk.quot; „Moederquot;, viel Paul hier in, „weet gij wat Jochem Klahn zegt? Jochem Klahn zegt, dat hij met hem op de kostersschool gegaan heeft, en dat hij een groote schaapskop is. Jochem Klahn heeft altijd hooger gezeten dan hij; maar hij verbeeldt zich verduiveld veel.quot; „Poll!quot; riep de Mama. „Maar, moeder!quot; sprak nu Helene, „Paul heeft in dit geval gelijk, hij moet waarlijk een zeer ingebeeld mensch wezen, zooals wij gehoord hebben.quot; „Mijn kind!quot; riep de moeder uit, „Ellen, mijn kind! Ik heb je opgevoed, toen je pas zóó groot waart,quot; —hier wees zij de grootte aan den poot van haar stoel — „ja, toen heb ik je al opgevoed, en zoo heb ik je altijd verder opgevoed, en ik voed je nog heden op; want het wezen van den mensch bestaat in zijn innerlijk zijn, in de opvoeding en in de beschaving , waarbij het volkomen onverschillig mag heeten, of iemand beschaafd of ingebeeld is: voor beiden is beschaving noodzakelijk.quot; „Hanna,quot; sprak de broeder harer moeder, „dat wou 'k wel gaarne goed onthouden, zeg dat nog eens . . . .quot; — „Moeder,quot; riep Paul, „Jochem Klahn zegt. . . —„Paul, jij onver-dragelijke jongen I Je moogt niet zeggen, wat Jochem Klahn zegt, je moogt met dien kerel volstrekt niet omgaan. Het is de bediende van hem, daarginder,quot; voegde zij er tot opheldering voor oom bij, en wees over haren schouder, „van onzen buurman.quot; „Van Jahnzeide mijnheer Groterjahn. „ Anton,quot; sprak zijne lieve vrouw, hem scherp aanziende, „wanneer uwe vrouw zich zoozeer in acht neemt en om de waardigheid en do eer

ocr page 30

20

van uw huis dien naam niet noemt, dan moest gij toch.....quot;

„Och, vrouwtje lief, ik dacht zoo maar,quot; viel mijnheer Grotcrjahn haar in de rede. En Paul deed hetzelfde eu riep: „Vader, vader! Gisteren, toen ik uit school kwam, ontmoette ik den ouden heer Jahn, en hij liefkoosde mij en vroeg, hoe Helene het maakte.quot; — „Poll!quot; — „Pau-lus!quot; — „Paulus!quot; — „Poll!quot; — Zóó riepen vader en moeder tegen elkander in, totdat mama's beschaafde stem ten laatste toch de overhand kreeg, en zij uitriep: „God-delooze bengel! Nu ga je op 't oogenblik naar bed!quot; — En Helene stond op, ging naar haar broertje toe en zeide; „Kom, Paul, kom! Het is tijd; wij willen naar bed gaan.quot; En de kleine deugniet sloeg zijn arm om het slanke, schoone meisje en gaf haar een kus, zeggende: „Ja, Helene, jij bent toch altijd de allerbeste.quot; — En 't was een liefelijk beeld, toen het bevallige meisje met den kleinen, driftigen bengel „goeden nachtquot; zeide en de kamer uitging. En den ouden oom, den zeepzieder, ging het juist, gelijk het mij gaat, wanneer goede, vroolijkevrienden van mij weggaan; dan is 't, alsof alle lichten in de kamer uitgeblazen zijn, en er nog alleen maar eene slecht brandende lamp in de kamer overblijft. En de grog van oom was nu ook uitgedronken; hij stond op, zeggende: „Ku, goeden nacht, Hanna! Goeden nacht, waarde neef! Doe geen moeite, Hanna, ik weet den weg; ik slaap toch zeker weer in de blauwe kamer?quot; En toen hij de kamerdeur uitging, hoorden mijnheer en mevrouw Groterjahn nog maar zoo'n half onderdrukt lachen en de woorden: „Faar Konstantinopel! Naar Konstantinopel!quot;

En nu zouden de beide echtgenooten ook naar bed hebben kunnen gaan; maar het gebeurde nog niet, en naderhand had Jochem Klahn verteld, dat hij voorbij de vensterluiken gegaan was, en toen had zij, mevrouw Groterjahn, nog eene korte, aardige strafpredikatie gehouden, omdat Anton zich tegenover den ouden oom niet voornaam genoeg gedragen had, en omdat hij in 't geheel den ouden man in

ocr page 31

21

het huis had gebracht. En Anton had gezegd, dat hij toch de eigen broeder harer moeder was, en daarop had zij nog verder gepreekt.

Den volgenden morgen, heel vroeg, was oom al weder vertrokken.

TWEEDE HOOFDSTUK.

Wie /tij daarginder was, cn in tvelke betrekking een zekere Jochein KUlhii tot hem stond. — Joch em is een schaapskop, maar hij zal 'talles wel leer en. — Hoe vader en zoon elkander zien, en heiden zich vertroosten met de hoop: „V komt alles te recht!quot; — Hoe de vriendschapshand tusschen Groot-Barkow en Klein-Barkow door tvindhonden en pauwen verbroken werd. — Ook naar Konstantinopel! — Jochein maakt voor den nacht eene machine ge) eed telt 's morgens de schoorsteenen in de Alexandri-nestraat te Rostock. — Paul doet zijn ouders de bitterste verwijtingen wegens hunne vijandige gezindheden en gaat ten laatste met lumgen en wurgen naar school. — Waarom mevrouw Groterjahn eene extra-predikatie houdt, en Anton een gevóel van oppositie verkrijgt. — Helene wordt hij deze gelegenheid het opvoedingsvoor werp harer moeder, en Paul dat van zijn vader. — Anton krijgt het voetkussen , en zijne vrouw is weer opgewekt naar den geest.

Vijf minuten later, dan toen mijnheer Groterjahn in den stortregen t' huis kwam, trad een man de deur van het naburige huis.binnen; de wind had hem den grijzen kraag van zijn mantel over 't hoofd gewaaid, en dat was goed ook, daar hij geene parapluie had. Toen hij de donkere kamer inkwam, grabbelde hij hier en daar rond, naar lucifers, maar vond niets. „Weder niet!quot; riep hij verdrietig, „Weder niet! Waar die bengel nu weer is?quot; en hij tastte langs den muur naar liet schellekoord en trok daar mot geweld aan; maar niemand verscheen op zijn schellen. Toen herinnerde hij zich, dat hij nog lucifers in

ocr page 32

22

zijn zak had, en hij stak licht aan. Hij wierp zijn mantel over een stoel en ging met het licht in de volgende kamer, waar een eenvoudig bed stond, en zocht onder het ledekant naar iets, lichtte daar onder, doch vond niets. „Ook dat niet eens!quot; riep hij, „ik heb hem nu ééns voor al gezegd, dat hij mijne pantoffels hier onder 't bed zou zetten, zoodat ik ze in 't donker vinden kan; maar is dat nu wel gedaan te krijgen ?quot; Hij nam het licht en ging knorrig naar de woonkamer, waar hij op en neder liep, om op die wijze zijne voeten te verwarmen. „En dat moet nu tot mijn gemak heeten, zoo'n dommen jongen om mij heen te hebben! Ik heb geene oppassing noodig, ik heb nooit bediening noodig gehad, en nu zoo'n lummel van het land, die van boe, noch ba weet!quot; — Hij ging op en neder; hij was een lang, mager man, sterk gespierd j hij was ouder dan de heer Groterjahn; zijn haar was al grijs, en de grijze wenkbrauwen hingen hem over de oogen; zijne schouders waren min of meer voorover gebogen, en diepe rimpels waren op zijn gelaat zichtbaar; maar, wat ook zijne schouders had doen buigen, en wat ook de rimpels op zijn aangezicht had doen ontstaan , den geheelen man had het niet kunnen aantasten, want zijn gang was vast en zeker. Allerlei gedachten kwamen bij hem op, en men had het hem kunnen aanzien , dat die gedachten hem pijnlijk waren. — „Niets als plagerij,quot; zeide hij in zich zeiven. „Hij weet, dat ik altijd op dezelfde plaats zit, waarom gaat hij clan daar, vlak over mij zitten, zoo hij niets met mij te doen wil hebben? — Wat? Denkt hij , dat ik om zijnentwil eene andere plaats zal opzoeken? Neen, zóó is 't niet gelegen ; ik behoef niet voor hem uit den weg te gaan. — Wat keek hij mij van avond altijd aan! Wat behoeft hij zóó te kijken? De oude tijden keeren niet weder. — Ja, als hij een kerel was, die een wil had! Maar hij is een kind, een ledepop, en hij wordt door het wijf aan den leiband geregeerd, 'k Wou, dat ik tien uren van

ocr page 33

23

hem af wooude en niet in zijne buurt; maar, zou ik mij laten overbieden ? Zou ik den koop van het huis, dien ik behoorlijk had gesloten, laten vervallen, omdat het haar zoo behaagde, omdat zij zich in 't hoofd gezet had, juist d i t huis te willen hebben ? Ja, als zij er mij om verzocht hadden, maar zóó ? Neen! Met processen laat ik mij niets afdwingen. — En die nabuurschap is nu mijne vreugde en mijn genoegen!quot; zeide hij met een schamperen lach. „O, ik wenschte, dat ik geen voet in dit ongelukkige nest gezet had! Vervelingen ergernis, en ergernis en verveling van 's morgens tot 's avonds, en de dokters zeggen, dat dit voor mij eene ontspanning wezen zal, „eene verstrooiingquot; zeggen zij, ik moet met menschen verkeeren. — Met menschen! Mij hebben de menschen nog nooit in mijn leven veel goeds in huis gebracht. Ach, ja, voorheen — voorheen, toen . . . .quot; Thans werd er aan de huisdeur gescheld. — „Nu komt die bengel,quot; zeide hij, en hij bleef bij de kamerdeur stil staan, en geheel buiten adem kwam een jonge kerel de kamer binnenstuiven, van omtrent twintig jaar, met vuurroode wangen en vlashaar en groote, blauwe oogen. Hij had half en half eene soort van livrei aan, die voor hem uit de kleedereu van zijn heer, waarschijnlijk op den groei gemaakt was, want ze hing hem in groote plooien om de stijve leden, en in de hand droeg hij een kleinen kindervoetboog. -— „Wat?quot; riep de oude man, „Wat heb je nu weer? Wat breng je me hier in huis?quot; en hij trok hem het ding uit de hand. „Wat moet dat kinderspeelgoed hier bij mij beduiden?quot; „Wel, mijnheer Jahn, neem quot;t me niet kwalijk, maar de kleine Paul zeide . . . .quot; — „Wat! de kleine Paul! Wat raakt mij de kleine Paul ? Beu je bij den kleinen Paul voor kost en loon in dienst, of bij mij?quot; „Bij u, mijnheer; maar de kleine Paul zei tegen me . . ..quot; •— „Ik wil niet weten, wat de kleine Paul zei; maar, heb ik je niet gezegd, dat je, ééns voor al, de lucifers op de tafel

ocr page 34

24

moest zetten?quot; „Ja, mijnheel'.quot; „Staan ze hier?quot; „Neen, mijnheer. Ik heb ze van middag mee naar achter genomen, toen ik koffiewater gekookt heb.quot; „Heb ik je niet gezegd, dat je mijn pantoffels onder 't bed moest zetten? Staan ze daar?'' ,iVeen, mijnheer.quot; „Waar zijn ze?quot; „Mijnheer,quot; zei Joclicm Klahn, en hij zette een zeer schalksch gezicht, alsof hij zeggen wilde: dezen keer zult ge wel tevreden met mij zijn, „mijnheer, die heb ik van morgen naar onzen schoenmaker gebracht; ze waren immers kapot.quot; „Waarom heb je ze niet weer gehaald?quot; .Wel, mijnheer, 'k wou er naar toe gaan, en toen zag ik hier in de kamer licht, en toen dacht ik: 'k Zal maar gauw naar binnen loopen, hij zal je wel noodig hebben.quot; „Waartoe zou ik jou, schaapskop! in 't geheel wel noodig hebben! Waar ben jc den go-heelen avond geweest?quot; „Och, mijnheer, de kleine Paul zei van morgen tegen me, dat zijn boog kapot was, of ik daar niet een nieuwen hoepel voor hem in kon maken; en toen ben ik dan naar Johan Smidt geloopen, naar onzen Johan Smidt uit ons dorp; die is hier bij den kuiper Drewsen, en daar heb ik voor hem een nieuwen hoepel er in gemaakt. Ik dacht ook niet, dat gij zoo gauw t'huis zoudt komen, en nu moet ik mij toch verwonderen, dat gij al hier zijt.quot; „Je bent een schaapskop, en je blijft een schaapskop.quot; „Ja, mijnheer, in die steedsche bediendenzaken ben ik nog wel een beetje dom; maar go zult eens zien, ik leer 't alles,quot; zeide Jochem, en daarbij zag hij zijn meester, met zijne blauwe oogen zoo ernstig aan, dat de oude man bijna tot lachen gestemd werd. „Nu,quot;' sprak de oude heer, veel zachtmoediger, „neem me dat speelgoed uit de kamer weg, en loop naar den schoenmaker om mijne pantoffels te halen.' „Ja, mijnheer 1quot; zei Jochem vroolijk en wilde de kamer uitgaan, maar hij keerde aan de deur weer terug en zette zoo'n echt guitachtig gezicht, zeggende: „Mijnheer, van middag ging Pauls Helene hier voorbij, en ik stond aan

ocr page 35

25

de deur, en toen groette ze mij en vroeg, hoe gij het maakt, en naderhand, toen vroeg ze, of onze jonge heer van avond niet kwam, want dat had ik aan Paul verteld.quot; „Bemoei jij je met jou eigen zaken en loop nu naar den schoenmaker.quot; En Jochem stoof de deur uit en rende in den stortregen en in vollen draf naar den schoenmaker en kwam, zoo nat als een kat, die in den put gelegen heeft, en zoo vroolijk als een vogel in een boom, terug en bracht de pantoffels. „Hier zijn ze, mijnheer. Wacht even, nu zal ik u uwe laarzen uittrekken.quot; „Dat verlang ik niet van je,quot; zeide de oude man, hem met de hand afwerende„dat kan ik wel alleen. Ga den laarzenknecht maar halen.quot; Dat deed Jochem en stond er nu bij, en zag toe, wat de oude lieer uitrichtte, zóó bezorgd, alsof die een kleine jongen was, die voor de eerste maal zou schaatsenrijden, en hij door diens ouders meegezonden was, om toe te zien, dat de knaap zijne schaatsen behoorlijk aan de voeten kreeg, opdat hij niet vallen mocht. „Ho, hei!quot; riep hij, en greep zijn meester onder den arm, toen die bij deze bezigheid een weinig waggelde. ,Och, laat dat toch!quot; zeide de oude man. „Mijnheer,quot; zeide Jochem, „weet gij, wat de kleine Paul zegt? Zij, daarginder,quot; — en hij wees, dit zeggende, met den duim over zijn schouder naar het huis der buren — „willen in 't voorjaar eene groote reis gaan doen; den naam heb ik vergeten, maar 't popelt zoo wat.quot; „Ik wil je nu nog eens zeggen, wat ik je straks al gezegd heb; ik wil van alles, wat do mensehen hier naast, uitrichten, hoegenaamd niets weten, en jij moogt volstrekt geen omgang met dat kind hebben, want daar komt niets van als gebabbel, en dat wil ik niet. Heb je 't nu verstaan?quot; „Ja, mijnheer,quot; zeide Jochem bedroefd en ging de kamer uit.

De oude man ging in den leuningstoel bij de warme kachel zitten en zeide bij zich zeiven: „'t Is zóó het beste; anders voert hij in zijne domme goedhartigheid nog allerlei streken uit. En waartoe zal het dienen? Anders

ocr page 36

26

wordt het toch niet. De menscheu veranderen. De ouden zou 'k wel kunnen missen, maar de kinderen! Zij zijn met de mijnen te zamen opgegroeid, ik heb ze als mijne eigene aangezien. Hij is goedhartig, maar zwak, heel zwak; hij is meer en meer onder de hand van zijne vrouw gekomen, en zij is gek. •— Gek?quot; en hij lachte schamper en drukte de hand tegen zijn hoofd aan „gek? En wat zeggen de menschen van mij ?quot; — En allerlei gedachten kwamen bij hem op; hij staarde strak op ééne plek, en uit de oude, grijze planken van den vloer verrezen allerlei beelden; in 't eerst verwonderlijk schoone beelden, allen in gulden lijsten van geluk en tevredenheid, allen in het heldere licht van vroolijke verwachting op eene zekere toekomst, op een gezegenden ouderdom. Hij zag groene velden en goudgeel graan; hij had eene schoone, jonge vrouw aan den arm, en een paar gezonde kinderen speelden om hem heen; hij ging met zijne jonge vrouw langs de korenvelden en wees haar aan, wat hij ter eere Gods en zijne eigene eer als man, daaraan bijgedragen had, en de maaiers kwamen en streken de zeisen voor zijne vrouw, en de binders kwamen en bonden hem met den korenband, en zeiden hunne spreuk op en wenschten Gods zegen voor hem en voor zijne vrouw en voor geheel zijn huis, en toen gaf hij hun wat, om zich dienzelfden dag te goed te doen en zich te verheugen. Des Zondags ging hij dan naar zijn vriend Groterjahn, dien hij eenmaal als jong mensch raad gegeven had en hem met zijne eigene, karige geldmiddelen behulpzaam was geweest om zich als pachter te vestigen, en zijn buurman was dankbaar jegens hem, en diens vrouw was vriendelijk jegens hem en zijne lieve gade. — En jaar op jaar rees uit de oude vloerplanken omhoog: de gouden lijsten van de beelden werden dof, gelijk dan , wanneer donkere wolken den zonneschijn verduisteren, hij was ziek geworden en bleef zulks jaren lang, de dokters hadden van hypochondrie gesproken. Toen bedekten de donkere wolken de zon geheel en al; zijne

ocr page 37

27

vrouw was gestorven, het laatste, wat hij zag, waseene doodkist en een graf; toen was het nacht geworden om hem heen, hij kon in die duisternis zijne kinderen niet meer zien. Men had hem in een gesticht moeten brengen ; daar had hij, nu eens geraasd en getierd, want de menschen wilden hem liet leven benemen, dan weder had hij, in zich zeiven gekeerd, stil gezeten. Dat had jaren lang geduurd; eindelijk en eindelijk was hij ontwaakt uitdien benauwden droom, en hij was naar zijne pachthoeve teruggekeerd. Maar, toen hij te huis kwam, toen was het geheel anders dan te voren. Zijn huis was hem zoo groot, in zijne kamers stonden zooveel stoelen, en niemand zat daarop. Hij ging in den lentetijd in zijn tuin; hij luisterde bij de lelie, hij luisterde bij den rozestruik, ze hadden hem anders zoo veel liefelijks verteld, — zij zeiden hem niets, zij zeiden hem volstrekt niets. Hij ging op zijn land; daar werkten zijne daglooners, — hij had goede lieden — zij werkten vlijtig; maar toen hij kwam, bleven zij, op hunne schoppen leunende, staan, en elk hunner zag hem aan met een droevig gezicht. Hij ging voorbij en groette hen. „Dank u mijnheer! Dag mijnheer!quot; Zóó spraken zij allen, uit éénen mond; doch toen hij om den hoek van de heg ging, hoorde hij, dat de één tot den ander zeide: „Ja, oude! 'tis wat te zeggen, — vroeger zoo en nu zoo!quot; Hij ging het huis in; zijne beide zonen waren aangekomen, 't waren een paar krachtige jonge lieden, de oudste was al bij den landbouw; zij vielen hem om den hals, hij schoof hen achteruit, hij mocht zijne eigene kinderen niet lijden. „Vader,quot; zei de oudste, „ik heb een paar windhonden voor u meegebracht; de dokter zegt, dat gij veel beweging moet hebben....quot; — „Zwijg stil van de dokters! 'k Heb genoeg met de dokters te doen gehad.quot; — — 's Namiddags kwam Groterjahn met zijne vrouw en zijne kinderen in eene groote staatsiekoets; zij waren te voren langs het voetpad in hunne gewone huiskleeding gekomen. De beide echtgenooten kwamen hem vreemd voor, en zij Beiiter. Mont, en Cap. 2e dr. 3

ocr page 38

28

waren ook veranderd: Groterjahn was een rijk man geworden — op 't onverwachtst, — hij had eene groote erfenis bekomen, en het landgoed, dat hij zelf hem mot groote opofferingen, als pachthoeve had bezorgd, behoorde thans aan mijnheer Groterjahn tot aan de uiterste grenzen, als eigendom, toe; en die vertelde hem zulks met eenigen trots en groot zelfbehagen. Zij vertelde van hare kennismaking met de voorname heeren van zóó en zóó, en had het heel druk over beschaving, ook eensklaps, — en zij maakte allerlei aanmerkingen op het gedrag harer kinderen en praatte over do boeken, doch hij begreep er niets van.

Het eenige, wat hij van het gansche gezelschap begreep, was, toen Helene zachtkens naar hem toe kwam, hem op zijn voorhoofd kuste, en hij een warmen traan op zijn aangezicht voelde. Hij zag om, zij ging aan een venster zitten en zag naar buiten, in de verte.

Groterjahn en zijne familie reden naar huis, bij was met zijne beide kinderen alleen.— De menschen zeggen: lachen is aanstekelijk, en 't is ook waar; doch, ondervindt maar eerst eens, dat u een warme traan op 't aangezicht valt, dan zult gij weten, wat meer aansteekt. — Hij was zoo zacht on warm gestemd ; hij sloeg zijne armen om zijne beide jongens en trok hon op zijn schoot, ieder op eene knie. „Ach, als je moeder toch hier ware!quot; Anders zeide hij niets, doch zijne kinderen gevoelden, dat alles zoo was, als 't wezen moest.

Eene week later was zijn dokter uit Schwerin gekomen, die hem uit den benauwden droom had wakker geschud; hij schreef hem voor, zelf het bestuur over zijne pachthoeve weder op zich te nemen om daardoor op andere gedachten te komen. — „Gij moet u beweging verschaffen,quot; had de dokter gezegd, , totdat gij geheel vermoeid zij t, en als het gaan u verveelt, kunt gij paardrijden. Ik heb hier op het goed een paar jachthonden gezien; waarom jaagt gij niet? — „Och, dokter, ik jagen!quot; — „Gij moet

ocr page 39

29

het ook niet als een genoegen voor u doen, maar voor uwe gezondheid.quot;

Een paar dagen daarna liet hij den inspektor vertrekken, die zoo lang alles voor hem bestuurd had, en begon daarmede weder zelf. „^Net zóó, als te vorenzeiden de daglooners. Dienzelfden middag ging hij op de lange jacht, alsof zijn leven afhing van den armen haas, die vóór hem uitliep. „Heere bewaar ons,quot; zeiden de daglooners, „wat krijgt hij nu in zijn hoofd?quot; Maar het was van goed gevolg; hij kwam op andere gedachten; slechts met menschen wilde hij niets te doen hebben. jSTu en dan bezocht hij zijn buurman Groterjahn nog wel eens; maar het was niet meer zoo als 't geweest was, en na een paar jaren hield de omgang met do vroegere vrienden eensklaps op.

Zóó zou hij nu wel eenzaam hebben kunnen voortleven en verder zijn goed besturen, maar, toen gebeurde er iets, waardoor hij den lust tot het besturen geheel en al verloor. Zijne daglooners kwamen op een Zondag-morgen allen gezamenlijk bij hem en zeiden hem den dienst op tegen St.-Jan aanstaande; zij wilden allen naar Amerika gaan. Hij had zijne arbeiders goed behandeld ; hij had hun steeds toegevendheid en geduld betoond; hij was in omstandigheden, wanneer het noodig was, alseen vader voor hen geweest, en nu dit! Hij verviel in dezelfde dwaling, waarin zoovele goede meesters, bij ons, vervallen, — van de slechte spreek ik niet, — die voor ondankbaarheid aanzien, wat toch niets tijnders is dan de ingeschapen dringende begeerte, die bij eiken mensch gevonden wordt, om zijn eigen meester te willen worden. Nu moest hij vreemde gezichten om zich zien; nu zou hij met menschen te doen hebben, die hij niet kende; hij wilde niet langer het bestuur over zijn landgoed hebben. De dokter had daarover het hoofd geschud, maar ten laatste zelf toch ingezien., dat het niet goed gaan zou, en hem toen den raad gegeven, naar eene grootere stad te gaan wonen, waar hij afwisseling

ocr page 40

30

en tijdkorting hebben kon, en zoo was Ijij te Rostock gekomen. Jochem Klahn had hij uit oude gehechtheid medegenomen, want Jochem en zijne oude moeder waren de eenigen geweest, die niet tot de landverhuizers behoord hadden.

Terwijl hij zoo diep in gedachten zat. werd er gescheld, en een groot, slank, jong man kwam de kamer binnen, in een regenjas; hij had licht haar en frissche wangen, en de regendroppels glinsterden in zijn blonden bakkebaard. „Goeden avond, vader!quot; sprak hij. „Goeden avond, mijn zoon!quot; zeide de oude man, en hij stond op en gaf hem de hand. «Hoe is 't? Ge komt heden al heel laat.quot; — „Ja, de wegen zijn zoo slecht; het duurde van morgen zoo lang, eer wij aan de chaussée kwamen,„ zeide de zoon en trok zijn regenjas uit. „Dat wil ik gelooven; ge zult wel heel nat geworden zijn ? Ku, kom hier, ga hier, in den leuningstoel, bij de warme kachel zitten.quot; „Neen, daar wordt het mij al te heet. Ga gij zelf er weer zitten.quot; „Hoe maakt Gustaaf het?quot; ,0! die is een flinke kerel bij 't werken. Nu is hij bij 't mergelen.quot; „Zoo? Zoo? Kom, dat is goed. Zou hij dan een goed landbouwer worden, denk je?quot; „Wel, vader, ik kan hem het bestuur over alles toevertrouwen; daar behoef ik in 't geheel niet naar om te zien.quot; „Dat is best. Dat doet mij genoegen. Maar, hoe ziet het er op het land uit? Niet waar? Die drommel-sche muizen!quot; ,Ja, dat ellendige goed heeft ons de rogge mooi afgevreten, doch als wij een goed voorjaar krijgen, denk ik, dat het nog wel zal bijkomen; maar de klaver is geheel weg.quot; „Ja, Karei, zoo gaat het in ons bedrijf; als wij meenen, dat wij ons best gedaan hebben, eu alles iets goeds laat verwachten, dan komt er vaak nog een streep door de rekening. Dit jaar zal het met het stalvoeder zoo goed niet uitkomen als het vorige.quot; „Och, dat zal toch nog wel schikken; ik houd nog eene mooie portie oud hooi over, en voor 't overige moet gezorgd worden. Maar hoe maakt gij het toch, vader

ocr page 41

31

lief?quot; „Och, Karei, vraag daar maar niet naar; met mij is 't nog altijd hetzelfde: heb ik geen verveling, dan heb ik iets, waarover ik mij knorrig maak, en behoef ik mij niet knorrig te maken, dan verveel ik mij. Ik ga 's morgens uit wandelen, ik ga 's middags uit wandelen; — o! ik ga soms naar de societeit; maar wat heb ik daaraan! Niets dan ergernis. Zoo neemt van avond Groter-jahn plaats aan de tafel, waar hij weet, dat ik altijd zit. Waarom doet hij dat? Louter uit hatelijkheid doet hij dat. Meent hij, dat ik voor hem zal opstaan ? Dat behoef ik niet te doen; ik ben mij zeiven geen onrecht omtrent hem bewust. Nu kom ik t' huis; nu heeft die jongen geen lucifers voor mij nedergezet; hij is nergens te vinden; nu zie ik mijne pantoffels niet, waar ze behooren te staan; die heeft hij naar den schoenmaker gebracht. Zoo gaat het den ganschen dag.quot; „Wel, dan moeten we dien drommelschen jongen eens duchtig de les lezen,quot; sprak de jonge man en trok driftig aan de schel, „waartoe is hij dan hier ? Wat heeft hij anders te doen, dan u te bedienen ?quot; En Jochem kwam de kamer binnenstuiven; zijn aangezicht blonk van vreugde: „Goeden avond, jonge heer! Heere jé! wat ben ik blij! Zeg eens, hoe vaart mijn oude moeder?quot; „Die is best in orde; maar wat voer jij hier voor dwaasheden uit? Je moet mijn vader bedienen en loopt de deur uit?quot; — „Heere jeminé, jonge heer!quot; riep Jochem uit, alsof iemand hem een groot nieuws had verteld, „ik pas hem zoo goed op; ik zorg zoo goed voor hem; ik behandel hem immers als eene pop van 't Kerstfeest, zóó behandel ik hem, maar dat komt.. .quot;— „Och wat! Gekkepraat! Als je niet . . .quot; — „Neen, Ka-rel, neen!quot; viel de oude man thans zijn zoon in de rede en trok hem aan zijn arm, ,nu is 't genoeg. Ik heb hem al beknord. Ga nu maar heen,quot; zeide hij tot Jochem, die dan ook, heel bedroefd, de kamer uitging.

„Wat voert hij toch eindelijk uit, vader?quot; „Och, wat hij uitvoert? Kinderachtigheden voert hij uit.

ocr page 42

32

Nu is hij met den kleinen Paul van hier in de buurt aan den gang. Ik mag zelf dat aardig kereltje gaarne lijden, en als ik hem zie, geef ik hem de hand, en als ik zijne zuster zie, zou ik haar wel een kus willen geven, want zij is een allerliefst meisje.quot; „Dat is zij!quot; riep Karei uit, en hij liep met groote schreden de kamer door en ging hij het donkere venster staan, en zag naar de dichtgesloten luiken , alsof hij met zijne oogen de planken kon doorboren en er door heen zien; en de oogen van zijn ouden vader namen zulk eene tedere, medelijdende uitdrukking aan; hij stond op, legde zijne hand op den schouder van zijn oudsten zoon en sprak: „Karei, 't komt alles te recht!quot; En de zoon keerde zicli om en zag zijn vader vol vertrouwen aan, en zeideop recht blijmoedigen, helderen toon: „Ja. vader, 't komt ook alles te recht! Maar,quot; — liet hij er met een diepen zucht op volgen, — „waarom is het eigenlijk toch gekomen? Ik was toen niet te huis, ik weet in 't geheel niet, waardoor gij het eerst zoo onéénig zijt geworden; zij weet het zeker ook niet, anders had zij 't mij wel geschreven in den éénen brief, dien ik eens van haar gekregen heb.quot; „Ach, mijn zoon, hoe komt het? Hoe komen menschen uit elkander, en hoe komen menschen tot elkander? Zie, gij hebt eene schoone, groene weide, en nu komt de booze vijand en werpt vóór de heldere beek, die er langs vliet, een dam op, en nu verzamelt zich droppel op droppel, en eer gij er nog op bedacht zijt, is uwe groene weide een moeras, een stinkende poel geworden, en gij vraagt u te vergeefs af: Itoe is dat toch gekomen ? Het begin is altijd het eerste bij eene zaak, en 't is ook doorgaans het onbeduidenste, en weet ge, wie hier begonnen heeft? Uwe windhonden hebben begonnen.quot; „O! Vader . . . .quot; — „Ja, mijn zoon, zóó is het. Zie, toen Groterjahn destijds grondeigenaar geworden was, toen wilde zijquot; —en nu nam zijn gelaat, dat tot dusverre zulk eene kalme, half treurige uitdrukking gehad had, een recht hard voorkomen aan,—

ocr page 43

33

„toen wilde z ij immers vreeselijk in de hoogte, en zij schafte zich pauwen aan; want pauwen zijn voorname gedierten, mijn zoon! en voornaam moest het nu alles wezen. En die heesten verpleegde zij nu zelve en dribbelde nu zelve in den herfsttijd daarmee rond, op de stoppels, omdat zij er ook haar pleizier aan wou hebben; en nu moest het mij gebeuren, dat ik juist ter jacht gereden was, en — dat is nu mijne schuld, — de arme honden liepen over onze grens en beten de pauwen van mevrouw Groterjahn dood. Nu, jachthonden laten zich wel aanhitsen, maar niet lokken; ik kon er niets aan doen, ik kwam aanrijden en sprak en verzocht en beloofde, dat ik baar andere pauwen in de plaats zou bezorgen; maar neen! Zij ging als eene furie tegen mij te werk; zij wilde zich niet laten gezeggen, en nu kwam hij er nog bij, —• die domoor! — en zij stookte hem op, zoodat hij een hoogen toon tegen mij aannam en mij tevens vroeg, wat ik op zijn grondgebied behoefde te jagen? En of ik niet wist, dat ik zijne „rechtmatige grensquot; had overschreden? — zoo drukte hij zich uit. En die hansworst heeft meer dan tien jaren op mijn grond gejaagd, toen ik mij om de heele voddenkraam nog niet bekommerde! — Dat was het begin, en sinds dien tijd hebben wij niet meer met elkaar omgegaan. ïoen kwam de tijd, dat ik naar hier, naar Rostock , wilde heentrekken, en dat ik over dit huis in onderhandeling kwam, en zij wilden ook hier in Rostock komen wonen en hadden op ditzelfde huis geboden, want dat oude leelijke prul stond immers in de courant; en mijnheer de verkooper, de bakker Dutzkop, had nu zooveel mogelijk uit dit oude, tochtige nest willen halen en half en half met mij den koop gesloten, en half met dien schurk van een advocaat, dien hij daartoe uitgezocht had. Nu, dat weet je immers, dat ik eerst een langdurig proces met hem heb moeten voeren, eer ik tot het „privilegiequot; — hier lachte hij recht bitter — „mocht geraken, hier 's winters te bevriezen.quot; — „Vader, alle menschen zeggen, dat

ocr page 44

34

gij bij dat proces gelijk hadt.quot; — „'t Is mogelijk, mijn jongen, en ik wou ook gelijk hebben. Maar, wat deden zij ? Zij konden een ander huis krijgen — neen! zij kochten het huis hier vlak naast. Waarom? Om mij te plagen! Om mij het leven te verbitteren!quot; — „O vader, zoo is't zeker toch niet gemeend geweest.quot; — „Gemeend? Ik heb slechts nu en dan in mijn leven een mcnsch gevonden , die het goed met mij gemeend heeft.quot; — „Vader, bezondig u niet; ge hebt zoovele vrienden! Zoo vele bekenden als gij hebt, zoo vele vrienden hebt gij tevens. Verleden week was ik in Schwerin voor de militaire aangelegenheden van Ghistaaf, toen ontmoette ik onzen dokter; hij hield niet op, of ik moest met hem medegaan en hem van u vertellen. Wat heeft die goede man al niet gevraagd, wat stelt hij veel belang in u!quot; — „Wel, wat heeft hij dan gevraagd ?quot; vroeg de oude man en zag zijn zoon zoo van ter zijde aan. — „Wel, wat zou hij anders gevraagd hebben, als hoe 't met u ging, of gij in Rostock tevreden waart, en waarmede gij uw tijd doorbracht?quot; — „Zoo!quot; hernam de vader, en zijn gelaat bego.T er nog opmerkzamer uit te zien , „en wat heb je dan gezegd?quot; — ,Wel, ik zeide . . . en thans bemerkte Karei tot zijn schrik, dat hij mooi op glad ijs was geraakt, „och! ik zeide ... quot; — „Nu ja! dat wou 'k juist weten. Wat heb je gezegd ?quot;' — „Vader, ik heb u nooit wat voorgelogen, ook niet om bestwil; ik heb den dokter de zuivere waarheid gezegd en zeg die u thans ook. Ik zeide. dat ge u den ganschen dag knorrig maakt en dat gij let-lerlijk in alles eene reden zoekt, om knorrig te worden.quot; — • „Zoo! En wat zei hij toen?quot; — „Ja, vader, hij lachte en zeide: zoo is 't goed! Uw vader moet zich maar geducht over alles ergeren; als de blijdschap den mensch niet op andere gedachten brengt, dan moet de ergernis het doen.quot; — „Ach, is 't zoo gesteld! Dan hebt ge zeker daarom Jochem Klahn hier bij mij laten komen , opdat ik nooit gedaan zou hebben met knorren en

ocr page 45

35

mij boos maken?quot; — „Hoe kunt gij nu zoo iets denken! Neen, zoo was 't niet! De dokter kwam nu nog met een plan voor den dag en heeft mij dringend aanbevolen, dat ik u zou overhalen, er aan te voldoen. —Er zal eene gezelschapsreis ondernomen worden, over Weenen en Triest naar Konstantinopel, en de dokter houdt het er voor, dat dit zoo iets voor u zou wezen; gjj zoudt daardoor menschen ontmoeten en wat te zien krijgen, en uit alles, wat u hier in Eostock tot ergernis was, kon in Konstantinopel groote blijdschap ontstaan.quot; — „Wat?quot; riep de oude man en sprong in eens overeind: „Ik — Als ik? — en Konstantinopel? Wil jelui mij voor den gek houden? Op mijn ouden dag mij voor den gek houden ?quot; — ,Vader, ga toch zitten,quot; zeide Karei en sloeg zijn arm om hem heen, „de zaak is waarlijk zoo kwaad niet. Zie, hier ontmoet gij ook vreemde menschen, bij

voorbeeld Bohm.....quot; — „Ja,quot; viel de oude man hem

driftig in de rede, „Bohm en Ohm en Sohm en Drohm.quot; — ,Zie.quot;' sprak Karei verder, „gij hebt het geld immers; dat hebt gij zuur genoeg verdiend; dat kan dus geen bezwaar voor u zijn; en gij krijgt de heerlijkste landstreek te zien; en dat gij alles tot uw gemak znlt hebben, daarvoor zullen wij wel zorgen: J o c h e m K1 a h n zal méégaan.quot;— „Jochem Klahn en ik, samen naar Konstantinopel! Ja, voor mijne ergernis heb jelui goed gezorgd.quot; Hij liep nu naar de schel en luidde, en Jochem kwam binnen. „Jochem, wil 'k je eens wat nieuws vertellen? Ik zal eene groote reis gaan doen, en jij gaat meè, jij gaat meê, over het water,quot; en hij lachte zoo bitter, „ja, jij gaat meê.quot; — „Mijnheer,quot; zeide Jochem, terwijl hij hem heel vriendelijk aanzag: „over 't water? Wees maar niet bang; ik ben een ervaren matroos , ik beu te Boltenhagen eiken morgen met Frits Swart en Ketelhaun uit visschen geweest. Neen, op het water ben ik t'huis.quot;— „Ga maar heen, Jochem!quot; zeide Karei, en toen Jochem weggegaan was, sprak hij : „Vader, 't is immers

ocr page 46

36

niet uoodig, dat gij zoo op stel en sprong een besluit neemt; overleg de zaak eerst; gij hebt toch daartoe nog tijd genoeg, eer het Paschen is.quot; — „Och, loop! Laat ons maar van wat anders praten. Wanneer moet je weer van mij weg?quot;' — „Morgen, vóór dag en dauw.; ik heb den slachter morgenochtend besteld, omdat ik de vette koeien aan hem verkoopen wil.quot; — „Mooi zoo! maar dan moet je nu ook aanstonds naar bed gaan. Je hebt vandaag vermoeienissen genoeg gehad, en je bent op den leeftijd, waarin de mensch zijne rust moet hebben. Goede hemel, als ik in die jaren niet zoo geplaagd was geworden, dan zou ik, geloof ik, nooit ziek zijn geweest, maar toen waren het andere tijden. En nu, mijn zoon! wanneer ik je morgenochtend niet meer zien mocht, want ik slaap langer, omdat ik 'savonds niet kan inslapen, dan zeg ik je nu hartelijk vaarwel, enquot; — hier wees bij met den duim over zijn schouder naar het huis van den buurman — „haal je, wat dat betreft, maar niets in 'thoofd en trek het je niet te erg aan; daarvoor zal onze goede

God wel zorgen, en wat ik er aan doen kan......quot; —

„Vader, dat weet ik, en ik ben heel gerust in dat opzicht, en dat is zij ook; want te recht komen moet het, en wij kunnen immers wachten.quot; — „Nu dan, goeden nacht, mijn jongen, eu vaarwel!quot; — „Vaarwel, vader!quot;

Toen de zoon de kamer uitgegaan was, schelde de oude man, en Jochem Klahn kwam binnen. „ Jochem! Mijn zoon Karei moet morgenochtend heel vroeg weg. Zorg er voor, dat hij op zijn tijd zijn ontbijt heeft. Maar je zoudt je misschien wel kunnen verslapen?quot; — „Ja, mijnheer, dat doe 'k wel eens; maar dan blijf ik liever van nacht op.quot; — „Neen, dat mag je niet; dan kan ik je morgen den gan-schen dag nergens toe gebruiken. Dan zal ik wel waken.quot; — „Neen, mijnheer! dat moogt gij niet doen, dan zet ik mijne machine liever op.quot; — „Wat is dat nu weer?quot; — „'k Heb het heel alléén verzonnen. Zie eens, boven het hoofdeneinde van mijn bed, heb ik een spijker in den

ocr page 47

37

zolder geslagen; daar bind ik een band aan, en daar bind ik één van mijne laarzen aan, dat die dicht voor mijn neus slingert, en als ik me dan omdraai, dan stoot ik met mijn neus tegen mijn laars aan, en dan word ik wakker.quot; — „Nu, doe dat dan maar.quot;

Jochem ging heen, deed, zooals hij gezegd had, stootte met zijn neus tegen de laars aan, zette de koffie, en Karei vertrok. En toen Jochem, zoo tegen acht uren, ook liet ontbijt voor zijn ouden heer gereed gezet had, ging hij aan de huisdeur staan en keek een beetje de straat langs. Paul Groterjalm kwam aauloopen om naar school te gaan, en zeide: „Goeden morgen!quot; — „Goeden morgen!quot; sprak Jochem, zóó koud, alsof hot dien nacht had gevroren, en hij zelf mee bevroren was, en hij keek, ver voorbij Paul heen, in de verte, alsof hij de schoorsteenen in de Alexan-drinestraat tellen wilde. — „Wat scheelt je, Jochem?quot; vroeg Paul en deed moeite om zijne hand te vatten. — „Niks scheelt me,quot; antwoordde Jochem, trok zijne hand terug en telde verder. — „Goede hemel, Jochem, wat heb je toch?quot; „Wat ik heb?quot; en Jochem keek hem aan en voer driftig tegen hem uit. „Knorren heb ik gekregen, den heelen avond knorren. Jij schuift me altijd van alles op mijn hals, en ik ben gek genoeg en doe het ook; en nu heeft mijnheer Jahn 't mij verboden: ik mag niks meer met jou te doen hebben, en van jou Helene wil hij ook niks meer weten, en daar!quot; — hij greep achter de deur — „daar heb jij je boog, en maak nou, dat je weg komt!quot; — „Jochem, Jochem!quot; zeide Paul, en de tranen kwamen hem in de oogen. — „Neen, ga weg! Ik wil niks van je weten.quot; — „Jochem,quot; zeide Paul, en de tranen liepen hem langs de wangen, „jij bent... jij bent een echte schaapskop!quot; en toen barstte hij in luid geween uit, en hij vergat de school en liep naar huis, en toen hij de kamer inkwam, waar de familie nog aan 't ontbijt zat, smeet hij zijne boeken op de tafel 'en zijn boog in een hoek en brulde luidkeels. — Dat is uwe eerste vriendschap, Paul, die de

ocr page 48

38

wereld verbroken heeft; er zullen nog wel meer verbintenissen in uw leven verbroken worden, maar de eerste maal doet het bitter zeer, al geldt 't ook maar JocheniKlahn.

„Poll,quot; riep mevrouw Groterjahn, wat beduidt dat? Waarom ben je niet naar school gegaan?quot; — „Ja,quot; zeide mijnheer Groterjahn, en zag zijn zoon zoo recht streng, als vader, aan, „wat beduidt dat? En waarom ben je niet naar school gegaan?quot; — „En 'tkomt daarvan, en dat komt van die oude, domme vijandschap,quot; sprak Paul, steeds schreiende. „Sou wil Jochem Klahn 'niks meer met mij en met Helene te doen hebben, en de oude Jahn heeft hot hem verboden.quot; — Helene was opgestaan en zocht Paul te troosten; „Wees maar bedaard, Paul! Jochem Klahn zal wel weer met je praten en de oude Jahn ook.quot; —• „Indien ik kinderen had,quot; riep mevrouw Groterjahn uit, „die eergevoel bezaten of ook maaide geringste kinderlijke gehoorzaamheid, dan zouden zij zich aan zulk eene vernedering van een boerenkinkel niet blootgesteld hebben.quot; -- „Ja,quot; zeido mijnheer Groterjahn, en hij zag er nog steeds streng, als vader, uit, „moeder heeft gelijk, Paulus! Waarom stelt ge u aan eene vernedering bloot? En ook gij, Helene?quot; Hier werd zijn gestreng voorkomen al een weinigje weekhartiger. „Vader,quot; antwoordde Helene, en zij hield zich nog steeds met Paul bezig, „ik heb den jongen bediende teruggegroet en heb hem dikwijls gevraagd, hoe zijn meester het maakte; ik maak er ook volstrekt geen geheim van; dat ik menigmaal met den ouden Jahn zeiven heb gesproken, ik koester geen haat tegen hem, en de vriendelijkheid, die hij mij vroeger heeft bewezen, staat mij nog te levendig voor oogen, om ze met ondank te vergelden,quot; — „Wat hoor ik ?quot; riep mevrouw Groterjahn, hare handen in elkander slaande. „Mijne kinderen , mijn zooji Poll, mijn kind Hella concipieeren.... con... con... conspireer en tegen mij met den aartsvijand van ons huis, en gij Groterjahn, gij zit daarbij en zegt daar niets tegen?quot;

ocr page 49

39

Daarin had zij gelijk; mijnheer Groterjahn had niets gezegd en had er ook bij gezeten; hij had slechts, nu eens zijne vrouw en dan eens zijne kinderen aangezien, cn 't was blijkbaar,, dat hij al het gewicht der zaak nog volstrekt niet recht had ingezien; thans echter werd het hem eensklaps duidelijk; hij stond op en zeide op barsehen toon tot zijne kinderen: „Ja! gij conspireert! En nu, Paulus, ga jij aanstonds naar school.quot; — „Gra jij aanstonds naar school!quot; sprak ook mevrouw, zijne moeder, „anders wordt de voortgang van je beschaving gestoord.quot; — „Ja, mijn lieve Paul, ga naar school!quot; zeide Helene ook. Paul zag zijne zuster aan, droogde zijne tranen af, zuchtte een paar malen heel diep, nam zijne boeken en ging naar school. Maar hij ging dadelijk de straat dwars over, om niet voorbij Jochems huis te komen; hij wilde nu met Jochem Klahn ook volstrekt niets te doen hebben.

Toen Paul weg was, gaf mevrouw Groterjahn haren echtgenoot een veel beteekenenden oogwenk en wees met den duim over haren schouder naar het huis van hunnen buurman. „Ja,quot; mompelde de heer Groterjahn. „Ellen, kind lief!quot; zeide hij toen, „je moeder is niet recht wel; hare zenuwen zijn door deze scène in beweging geraakt; ga gij van morgen eens in do keuken toezien,quot; — alsof Helene dat niet eiken morgen doen moest.— „Ja vader,quot; was haar antwoord; zij ging, maar wierp nog een langen blik op haren vader, die hem zeer in verlegenheid bracht.

„Anton,quot; begon zijne lieve vrouw, toen Helene de kamer uitgegaan was, en hare zenuwen zetten zich bijzonder in postuur, „ik heb met je te spreken.quot; — „Hm!quot; hernam mijnheer Groterjahn, wat zooveel moest beteekenen, als; dit is iets extra's; haar wettige tijd was eigenlijk alleen 's avonds, bij het naar bed gaan, maar op dit uur behoefde hij 't zich niet te laten welgevallen; daarbij kwam nu nog Helene's blik, die hem als een sprakeloos verzoek was voorgekomen, en hij kreeg dus bijna een gevoel van oppositie. „Anton,quot; zeide mevrouw Groterjahn, „ge weet, dat ik

ocr page 50

40

mij uooit met uwe aangelegenheden bemoei; gij hebt do opvoeding van Paul op u genomen, en gij zult ze ook behouden; voor mij is Paul geen object der opvoeding. — hoe zeide de professor toch ook? — geen substraat; hem ontbreekt het hoogere; hij brengt aan het gemeene hulde toe, aan Jochem Klahn en anderen; daarom kunt gij hem opvoeden, zooveel gij wilt; maar, Helene is m ij n kind, ik zorg voor hare opvoeding; ik bestuur den gang harer beschaving, gelijk ik dien altijd reeds bestuurd heb. Of, heb ik het niet gedaan — „Ja, maar. . . ze was toch, naar hij hoopte, ook zijn kind, wilde hij verder zeggen; maar zij gedoogde niet, dat zijne obstinatie tegenwerpingen werden uitgesproken. „Zwijg stil, Anton! Helone is thans in het stadium gekomen, waarin over de toekomst der vrouw de teerling geworpen wordt, en zij — of aan de zijde eens beschaafden mans de kroon van alle menschelijke opvoeding verkrijgt, óf aan de zijde van een onbeschaafd wezen in het stof en het slijk van het alle-daagsche leven wordt teruggeworpen. Ik weet, hoe hard dat valt!quot;— „Hm!quot; zeide papa Groterjahn, wat zooveel moest beteekenen, als: je gaat me toch wat al te ver — onbeschaafden man ? — Ik heb je niet teruggeworpen. — „Thans is er bij Helene „periculum in moresquot;, sprak zij verder, „wat zooveel zeggen wil, als: het is meer dan hoog tijd, dat de omgang en elke betrekking met den zoon van hem,daarginder, —dit zeggende, wees zij over haren schouder,— „afgebroken wordt; dat mijn kind met andere fijn beschaafde jonge mannen in aanraking komt, — ach, de Baron van Unkenstein! —maar, gij zijt niet voorkomend genoeg geweest jegens dien beminnelijken jongen man.quot;—„Maar,quot; barstte nu de oppositie los, „wat zal ik

daaraan doen ? Ik weet voor den duivel......quot; —

„Spreek toch in fatsoenlijke taal, Anton! Mij dunkt, dat die zaak van zoo groot belang is, dat ze wel in fatsoenlijke woorden behandeld zou mogen worden.quot; — „Ik mag het lijden,quot; zeide mijnheer Groterjahn, en zijne oppositie sloeg nu don

ocr page 51

41

middenweg in en liet zich in half en half gemengde taal hooren. — „Daarom ben ik zoozeer voor deze reis naar Konstantinopel, omdat Helene dan met beschaafde menschen in kennis zal komen. Het noodige onderwijs, dat aan zulk eene reis behoort vooraf te gaan, heeft Helene ontvangen; zij verstaat Engelsch en Pransch en is muziekaal; het eenige, wat mij spijt, is, dat ik haar geene privaatlessen in de bouwkunde heb laten geven, opdat zij het ware, innige begrip van de schoonheid der verhevene tempels en moskeeën der oudheid mocht verkrijgen; maar ook de beste moederlijke opvoeding kan niet op alles bedacht wezen, en mijn kind is, helaas! te indolent, om zelve aan zoo iets te denken. Maar zij moet van hier weg, ten minste een tijd lang; want ik zie alles, ik doorgrond alles geheel en al; h ij da a r,quot; zij wees weer over den schouder, „heeft zich tot koppelaar bij deze kinderachtige, zoogenaamde liefde aangeboden.quot; — „jSeen,quot; zeide Anton, — hij sprak weer platduitsch en sprong overeind, 't geen een duidelijk teeken was, dat hij zich op zijn achterste pooten zetten wilde, — „dat doet hij niet, daartoe is hij veel te trotsch. „Zoo hij dat niet was, zou hij zich onder jou voorname beschaafdheid wel gebogen hebben , en dan zou 't alles nog wel zijn, zooals 't geweest is. Seen, daartoe is hij te trotsch en zijn Karei ook.quot; — „Anton!quot; riep mevrouw Groterjalm, en zij sprong van de canapé overeind, en hare zenuwen geraakten zóó in werking, dat ze van woede geheel bont en blauw werd, en Anton verschrikte door de uitdrukking, die haar aangezicht aannam. Ons goedhartig vet schaap moest wel aan eene beroerte of een dergelijk ongeluk denken; en wat zou die arme stumperd dan moeten beginnen, te meer zoo hij wist, dat hij alles op zijn geweten had? Hij stak dus schielijk zijn pijp in den zak en begon zijne vrouw door zachtheid tot bedaren te brengen en zeide, dat hij het niet kwaad gemeend had, maar dat het immers alles goed was, wat zij met haar kind wilde beginnen; hij zou

ocr page 52

42

toch ook niet te klagen hebben, dat hij er bij te kort kwam, daar hij met zijn kind, met Paul, de handen vol genoog had.

En toen werden hare zenuwen kalmer, eu zij zette zich op de gemakkelijke canapé neder; en hij viel naast haar op de knieën, maar niet uit hoofde van afgoderij en verliefde sanbidding. Die tijden had hij gehad en zij ook, en zij verlangde dat ook niet meer, want zij was middelerwijl van eene zeer schoone, eene zeer verstandige vrouw geworden; en hij stak zijn hoofd onder de canapé, niet uit lafhartigheid, zooals de struisvogel doet, omdat hij zich voor zijne vrouw onzichtbaar wilde maken, neen! het was alles om het voetkussen. En nu haalde hij het voetkussen van onder de canapé uit en plaatste de lieve voetjes van zijne lieve vrouw daarop, — heel zachtjes, want hij wist, hoe 't wezen moest, daar al hunne kleine schermutselingen hiermede eindigden, dat hij het voetkussen moest krijgen. En toen dit in orde was, bedaarden ook hare zenuwen, van de voeten af, opwaarts, en zij was zeer bleek geworden en lag afgemat in den hoek der canapé, en thans was hij geheel blauw van 't bukken en blies als een adder, en zij zeide recht zachtmoedig; „ Anton, gij zijt de vader mijner kinderen, wees gerust; maar verlaat mij nu, ik ben zoo vermoeid, ik moet mijn geest eerst weder zien op te wekken.quot; En hij antwoordde al blazende, niet uit kwaadaardigheid, maar alleen ten gevolge van het bukken: „Ja, dat wil ik doen, en ik wil een brief gaan schrijven aan den dominé te Groot-Barkow wegens het mestvoeder, en dan zal ik daarbij tevens een brief insluiten aan mijnheer Nemlich wegens de reis naar Konstan-tinopel en vragen, of hij op zich wil nemen ons alles uit te leggen en te gelijk ook het onderricht van Paul. — Want'' ging hij voort — „gelijk je het van morgen zoo mooi gezegd hebt, de voortgang van zijne beschaving mag niet gestoord worden.quot;

En dit streelde haar, dat Anton ditmaal hare woorden

ocr page 53

43

zoo juist had onthouden, 'tgeen anders meestal zijne gewoonte niet was; zij wenkte hem genadig toe bij het verlaten der kamer en sprak: „Doe dat! Poll behoort u, Hella mij, als opvoedings-substraat.quot; — En hij ging heen, en terwijl hij den trap naar zijne kamer opging, zeide hij op elke trede: „Substraat! Substraat!quot;' — Hij wilde dat woord goed onthouden, om er haar pleizier mede te kunnen doen. En zij lag op de canapé en wekte haren geest weder op.

DERDE HOOFDSTUK.

ltrü- de lieer Nemlich is, en waarom de jongen zijne laarzen scheef heeft geloopen. — Wat de menschen zeggen. — Waarom de heer Nemlich de dochter van den ouden koster Peeréboom, Bosa-mnnde, in een verbeterden toestand van beschaving ivil brengen. — Of uilen ook zingen? — Waarom de beroemde schrijver, mijnheer Eugène Sue, den titel van s c h ooimees ter als spotnaam gebruikt, en wat het „instinct der vernietiging'''' voor een soort van gedierte is. — Hoe de duivel den ouden koster in zijne klauwen krijgt, en het blauw- en witgeruite dekbed van zijne vrouw in Hhuis rondspookt. De heer Nemlich krijgt een beroep naar Konstantinopel; naar Zwiebelsdorp zou „Mundequot; liever geweest zijn. — Die arme dominé! — Acljuus! Muncle for ever!

Thans moet ik aan mijne waarde lezers een min of meer onbeschaamd verzoek doen; zij moeten in dit weder, — 't regent heden den ganschen dag, eerst 's avonds wordt het helder, — en langs dien weg. — de karren hebben dien vrij slecht gemaakt, — met mij eene reis naar Groot-Bar kow maken, 't Is veel gevergd; maar er helpt toch niets aan, wij hebben daar nood zakelijke bezigheden bij den ouden koster Peereboom, en 'tis vandaag Zondag;

Reuter. Mont, en Cap. 2e dr. 4

ocr page 54

44

vandaag heeft de man het best tijd; op werkdagen moet hij de kinderen slaan.

Den vorigen middag is de heer Nemlich, huisonderwijzer bij den ouden Semmlow te Quistorp, al bij den koster aangekomen. De menschen zeggen, dat hij een goed oog heeft op Munde, de oudste dochter van den koster; hij schrijft haar ten minste brieven, dat weet ik, want de jongen uit den koestal van den ouden Semmlow heeft gezegd, dat hij zijne nieuwe laarzen op den mor-sigen weg tusschen Quistorp en Groot-Barkow geheel scheef geloopen heeft, en nu wil hij er niet meer heen, en vraagt, wie er hem wat voor geeft? Mijnheer Nemlich geeft hem namelijk drommelsch weinig voor het overbrengen zijner brieven, hij kan hem ook maar drommelsch weinig geven, want hij heeft zijn geld zelf hoog noodig tot het opsieren van zijn eigen persoon; en de liefdesgeschenken aan Munde maken zijne geldbeurs nog platter. De menschen zeggen ook, dat de koster van eene regelrechte verloving nog niet wil weten en met zijn vaderlijken zegen nog zoo voorzichtig te werk gaat, als een schaapherder met de schapen langs een korenveld; maar, wat beteekent dat? zeggen de menschen, zij, de kostersvrouw is vóór de^ zaak, en bovenal Munde zelve. Maar, zeggen de menschen, er kan toch niets van komen; want Munde steekt te zeer bij hem af; zij is wel een gezond en ook een knap meisje, maar zij mist het „fijnequot;', wat „de beschaving der wereldquot; bij hem uitgebroeid heeft, 't Is niet onmogelijk, dat mijnheer Nemlich dien afstand zelf gevoelt, en hij doet nu met handen en voeten ziju best, om Munde in een verbeterden toestand van beschaving te brengen; hij heeft tot dat einde gisterenmiddag „de verborgenheden van Parijsquot; van Eugene Sue meegebracht, om haar daardoor in de aangelegenheden der beschaving wat voort te helpen. Hij heeft bovendien tot 's nachts bij halftwaalf in éénen adem daaruit voorgelezen, en toen vader koster eindelijk zeide, dat het nu genoeg was, en er morgen weêr een dag kwam,

ocr page 55

45

wilde niemand van 't geheele gezelschap naar bed gaan; zoo vol van angst waren zij allen. ïen laatste werd c!e bepaling gemaakt, dat de kostersvrouw met Munde en het half volwassen dienstmeisje Stine-Doortje, en des kosters overige zes kleine lievelingen al hun beddegoed in de schoolkamer zouden brengen, en daar hebben ze dien nacht bij elkander troost gezocht; slechts mijnheer Nemlich en de koster hebben afzonderlijk gelegen. De koster kon het echter niet langer uithouden dan tot ongeveer halféén; toen kreeg hij 't ook te kwaad en verhuisde met zijn beddegoed op 't hoofd ook naar de schoolkamer. En toen hij daar aanklopte en verzocht binnen gelaten te worden, werden zij allen zoo angstig, dat niemand antwoord durfde geven; en toon hij nu daarop nog harder bonsde en zijn naam noemde, kreeg de kostersvrouw eindelijk moed en maakte de deur open; doch, toen zij, in plaats van haren man, haar eigen blauw- en wit geruit dekbed zag rondspoken, ontstelde zij zoo, dat zij in elkaar zakte. De zes kleine Peereboompjes maakten toen zulk een spektakel , dat mijnheer Nemlich in zijne nachtkleeding van den zolder kwam, in de meening, dat er brand was; want bang worden, dat doet mijnheer Nemlich niet, daartoe is hij niet alleen te fijn beschaafd, neen! ook te verlicht. En hij werd voor zijn heldenmoed zeer zoet beloond, want hij zag voor de eerste maal zijne geliefde te bed liggen; dat wil zeggen, hij zag niets van haar, niet eens hare nachtmuts, want zij was onder de dekens gekropen; maar hij zag toch haar bed.

Zoo hebben de menschen verteld, en ik weet niet, of het waarheid is of niet. Maar, wat nu volgt, is waarheid, — dat heeft de oude koster zelf mij verteld.

Den volgenden morgen, 's Zondags, nam mijnheer Nemlich al bij het ontbijt het boek weer op, om de beschaving voort te zetten, maar de koster nam het hem uit de hand, sloot het in zijne kast weg en zeide, dat hij het

ocr page 56

46

in zijnen stand voor ongepast hield, om voor kerktijd zoo iets waar te nemen; eerst moest hij ook voor zijne geestelijke bezigheden zorgen, het luiden van de klok en het gezang in de kerk, en hij wilde toch ook het lezen hooren. Daar was dus niets aan te doen, het gezelschap moest er zich in schikken; en ze zaten nu slaperig bij elkaar ten gevolge van den slechten nacht, dien zij hadden doorgebracht. Munde kon zich volstrekt geen begrip maken van de lotgevallen van „Fleur-de-Mariequot; en de edelmoedigheid van den vorst van Geroldstein, en Stine-Doortje, het halfbakken dienstmeisje, ging met hare groote, ronde oogen en ongekamde haren door 't huis rond en zeide telkens bij zich zelve: „Die Uil; dat leelijke oude wijf! Juffrouw, dat is zeker toch wel een heks geweest!quot; en zij had volstrekt geen vermoeden, dat zij zelve er als een levend uilskuiken uitzag.

Nu, eindelijk en ten laatste was toch de preek en de kerk uit, en ik geloof niet, dat er in eenig zondig en verwaarloosd huisgezin in de geheele gemeente, zóó naar het einde van de preek verlangd werd, als in het huisgezin van den koster, wat toch een geestelijk huis verbeelden moest. De oude koster zelf heeft mij later, onder groot leedwezen en zelfverwijt, bekend, dat de Booze hem, vooi-zijn persoon, geheel in zijne klauwen gehad had; hij had ouder zijn geestelijk gezang aan niets anders gedacht dan aan de gauwdievenherberg in Parijs; en toen de dominé zijne preek wat heel erg had uitgerekt, 'tgeen hij bij enkele gelegenheden, waarbij hij het een beetje mooier dan gewoonlijk wilde maken, zoo wel eens meer over zich had, toen was hij te moede geworden, alsof hij den dominé wel aan zijn toga achterover van den preekstoel had willen trekken, — zóó had de duivel in hem gespookt.

Toen de koster te huis kwam, stonden zijne vrouw en Munde en mijnheer Kemlich en het halfbakken dienstmeisje en de zes kleine lievelingen voor de deur van zijne kast.

ocr page 57

47

gelijk wij in onze jongensjaren, na schooltijd, voor de deur der provisiekamer, en zij verlangden evenzeer naar het boek, als wij naar boterhammen; en de koster trad met groote stappen midden door de rijen, juist geljjk onze tante Christine placht te doen, opende de kast, kreeg het boek, gaf het aan mijnheer Nemlich, juist gelijk onze tante Christine, alsof het boek eene boterham ware. Mijnheer Nemlich nam nu plaats in den leuningstoel boven aan de tafel, de koster met zijne vrouw op de canapé, en de anderen op stoelen rondom de tafel; het halfvolwassen dienstmeisje zat onderaan, vlak over mijnheer Nemlich, en keek hem met hare ronde oogen aan. Niemand werkte het een of ander, geen breinaald of iets dergelijks verroerde zich, en uit éénen mond zeiden zij allen: „Komaan, ga nu je gang maar!quot;

Mijnheer Nemlich sloeg het boek open en begon: „Wij zijn gisteren gebleven bij de verschrikkelijke, ontroerende plaats, waar de schoolmeester, wien de edele Rudolf de oogen heeft laten uitsteken, met den kleinen kreupelen knaap en de U i 1 te zamen komt.quot; — „Dat leelijke wijf!quot; zeide liet halfbakken dienstmeisje bij zich zelve, „dat trekt den kinderen de tanden uit!quot; — „Stil!quot; sprakMunde.— „Mijnheer Nemlich,quot; zeide de koster, „neem t mij niet kwalijk, maar ik beschouw dit boek als een leerzaam onderwijs, en nu wil het mij niet recht in het hoofd; — denk er eens over na; het is toch een sterk stuk, dat de céne mensch den anderen de oogen uitsteekt, en toch een edel mensch is. 't Geen gij niet wilt, dat u geschiedt, doe dat ook aan een ander niet.quot; — „Och, vader, laat dat nu maar blijven!quot; zeide de kostersvrouw, „wij willen hooren, hoe het verder gaat.quot; — „Neen,quot; merkte de heer Nemlich hierop aan, „het is mij steeds lief, op zoodanige wijze gestoord te worden. Gij moet slechts bedenken, waarde mijnheer Peereboom, dat deze edele Rudolf een vorst is, en dat hij zich voor de geheele menschheid opoffert, terwijl hij zulk een afschuwelijk

ocr page 58

48

monster in den nacht der blindheid doet verzinken.quot; — „Ja,quot; antwoordde de kOster, „dat is alles goed en wel, maar onze Groothertog is ook een regeerend vorst, en hij laat toch den menschen de oogen niet uitsteken. Ku, verder maar!quot; zeide hij, want zijne vrouw had hem een stoot in de ribben gegeven. .

En mijnheer Kemlich las:

„De schoolmeester maakte eene pauze.

De Uil liet zulk een afschuwelijk geschreeuw hooren, dat de kleine kreupele knaap verschrikt van den steenen trap opsprong.

Het verschrikkelijk geschreeuw van de Uil — „als hij ze maar doodmaakte!quot; zeide het dienstmeisje bij zich zelve, — scheen de waanzinnige woede van den schoolmeester in den hoogsten graad te doen toenemen.

Zing maar, — zeide hij zacht, — zing maar. Uil — zing. . . je lijkzang. — Jij bent gelukkig —jij ziet de drie spookgestalten — van onze vermoorden niet meer — den kleinen ouden man in de Eue du Ro — ule — de verdronken vrouw — den veehandelaar. — Maar ik — ik zie ze — zij komen nader — zij grijpen mij aan!

O! — Wat zijn zij koud!quot;

„Juffrouw,quot; vroeg het halfvolwassen dienstmeisje, „kunnen de uilen ook zingen?quot; — „Als jij er nog eenmaal tusschen in praat, moet je aanstonds de kamer uit.quot; -— „Maar wat is dit natuurlijk!quot; riep Munde uit, alsof zij dat alles zelve al eens had by gewoond. „Ja,quot; zeide vr.der Peereboom, „natuurlijk is het zeer,quot; alsof ook hij wel eens een half dozijn menschen om 't leven gebracht had, en dus wist, hoe het toeging, wanneer bij die met blinde oogen vóór zich zag rondspoken. „Nu, verder maar!' ging hij voort, daar hij vermoedde een nieuwen stoot van zijne vrouw te zullen krijgen.

ocr page 59

49

„Het laatste vonkje van verstand bij den booswicht stierf weg in dien kreet van angst.

Van nu af sprak de schoolmeester niet meer; hij liep in het rond, hij brulde als een wild dier en gehoorzaamde nog slechts het instinkt der vernietiging.quot;

„Halt!1quot; zeide vader Peereboom, „instinkt der vernietiging ! wat meent hij daarmee?quot; -— „Och, vader,quot; zeide zijne lieve vrouw, „daar kan immers iedereen voor zich zeiven bij denken, wat hij wil. Kijk, dat jij van het instinkt dei-vernietiging een ander denkbeeld hebt dan onze kleine Frans, dat spreekt van zelf; maar wij komen zoo doende niet verder.quot;— „Een woord nog maar, Katharina!quot; hernam Peereboom. zich tot deu voorlezer wendende: „Ik wil den uitstekenden schrijver gaarne in alles eere geven; maar het stuit mij zeer tegen de borst, dat hij den afschuwe-hjksten booswicht met den naam van „schoolmeesterquot; bestempelt; dat is een blaam voor onzen stand.quot;— „Het ging mij in het begin juist zóó,quot; zeide mijnheer Nemlich, „maar, wanneer gij bedeukt, dat de moordenaar thans reeds berouw begint te krijgen, en dat hij zich verbeteren kan, en eindelijk nog een zeer edel mensch kan worden, en dat hij dien naam alleenlijk daarom draagt, omdat hij, zooals in 't begin van het boek gezegd is. eene zeer fraaie hand schrijft, dan kunnen wij daaromtrent wel gerust zijn, dewijl het toch niets meer dan een schimp of spotnaam is.quot; — „Ja, dat is het juist, dat de titel van schoolmeester als een spotnaam misbruikt wordt!quot; — „Neen. vader,quot; zeide zijne vrouw, „je gaat te ver; je gaat waarlijk te ver, en wij komen niet voort.quot; -— „Ja, vader,quot; voegde Munde er bij, „wij moeten nu maken, dat wij verder komen.quot; Eu de zes kleine lievelingen zeiden, als zij bang moesten worden, dan wilden ze ook bang worden zonder vaders aanmerkingen, en het halfbakken dienstmeisje zeide: zij mocht niets van de Uil zeggen, en nu wou mijnheer nog wat van den schoolmeester zeggen.

De oude koster moest dus nu wel toegeven, hij beloofde

ocr page 60

50

dan ook, zijn mond niet meer te zullen openen, en het voorlezen begon weder; het werd twaalf uren, het werd één ure, het werd twee uren, — doch toen kon de koster het niet langer uithouden; hij vroeg, hoe het wel met het middageten gesteld was. Maar, daar kwam hij mooi te pas. Zijne vrouw vroeg hem, of hij zoo weinig belang stelde in de geschiedenis, dat hij daarvoor eten en drinken niet vergeten kon. En Munde zeide, dat zij daaraan ook niet had kunnen denken, en het dienstmeisje zeide ronduit, dat zij de kamer niet uit wou gaan , want zij wou ook weten, hoe de geschiedenis verder zou afioopen. Ten laatste werd nu bepaald, dat het dienstmeisje naar de keuken zou gaan en koffie gereed maken; dan konden zij allen bij het lezen koffie drinken, en de koster kon er wat insoppen, ten einde iets stevigs in de maag te krijgen. Maar de vos was hun te slim. „Wel ja!quot; zeide Stine-Doortje, „dan kon jelui verder lezen, als ik weg ben. Neen, zoo gaat dat niet! Munde moet ook meegaan!quot; Want de ondeugende deern had heel juist begrepen, dat mijnheer Nemlich niet lezen zou, zonder dat Munde er bij was.

Zoo moest Munde dus, als zekerheidspand voor het dienstmeisje, mede naar de keuken en bij den koffiepot staan, totdat de koffie gereed was. En nu sopte de koster, en mijnheer Semlich las, zonder eenige stoornis, tot schemeravond voort. Op eens sprong Munde overeind met den uitroep: „Daar komt de do-miné aan!quot; Mijnheer Nemlich «loeg het boek dicht; de koster en het geheele gezelschap vloog op, en de do-miné kwam de deur in, zeggende: „Goeden avond! Ik hoor zoo even, dat mijnheer Nemlich hier is. O! daar is hij. Goeden avond! Ik heb een brief voor u ontvangen van onzen grondeigenaar, den heer Groterjahn. Hier! Hij heeft mij met den inhoud daarvan bekend gemaakt. De brief zal u ongetwijfeld veel genoegen doen, maar hij legt u ook verschillende verplichtingen op, over welke ik mij, in uwe plaats, eenigszins bedenken zou.quot; —

ocr page 61

51

„Doniiné, wilt gij niet een poosje plaats nemen vroeg de koster en schoof den leuningstoel dichter bij. „Bezorg ons toch eens licht,quot; zeide hij tot Munde. — „O neen, laat dat maar!quot; zei de dominé tot Mundes blijdschap; want zij was doodsbang, om in donker alléén uit de kamer te gaan. „Wat hebt gij daar?quot; vroeg hij verder, zijne hand naar het boek uitstekende. — «Och, het is een boek van een zekeren schrijver, Eugène Sue genaamd, dat de verborgenheden van Parijs heet; mijnheer Isem-lich leest het ons voor,quot; antwoordde Peereboom, „het is zeer mooi.quot; „Het is zeer mooi!quot; herhaalde de kostersvrouw. — „Verrukkend,quot; liet Munde er op volgen. Dit drommelsche woord had zij ook al van mijnheer Nemlich geleerd; 't kan ook wezen, dat zij eens in Treptow of Nieuw-Brandenburg op visite geweest was, want daar is alles verrukkend, ook eene begrafenis, als die maar met veel kransen en met eene plechtige lijkrede: „In de stille verblijven van het kerkhof gekomen zijnde... .quot; gehouden wordt. „Ik ken dat boek niet,quot; sprak de dominé en logde het op de tafel. — „O! dominé,quot; viel mijnheer Nemlich met groote deftigheid in, „dat moet gij lezen; de schrijver overtreft den grooten, Franschman, Dumas, nog; de ééne spanning-wisselt steeds do andere af; de mensch komt in 't geheel niet meer tot bezinning. en toen ik het voor de eerste maal uit had, heb ik drie dagen lang in angst rondgeloopen wegens de afgrijselijke slechtigheid der menschelijke natuur, want dit is het thema.quot; — „Dan lees ik het zeker niet!quot; zeide de dominé, een weinig koel. „De verdorvenheid der menschelijke natuur behoeven wij waarlijk niet in boeken te gaan opzoeken.quot; — „Ja, dominé,quot; sprak vader Peereboom, die meende, dat hij mijnheer Nemlich een weinigje voorthelpen moest, „het strekt toch zeer tot leeringquot; — „Mijn goede, oude vriend Peereboom,quot; zeide nu de dominé, terwijl hij den ouden man vriendelijk op den schoudor klopte, „op uwe jaren doen die soort van boeken niet meer zoo heel veel kwaad,

ocr page 62

52

maar voor jonge lieden zijn zij gevaarlijk; ik zou dat boek aan mijne kinderen niet gaarne in handen geven, wanneer het zulk eene uitwerking heeft, als mijnheer Nemlich zegt. Nu, goeden avond! Ik wil mijne gewone wandeling nog doen; het weder is thans beter geworden. Goeden avond!quot; Dit zeggende, vertrok hij.

„Dat wil ik wel gelooven!quot; zeide mijnheer Nemlich, toen de dorainé de deur uitgegaan was, „dat zijne jongens niets daarvan verstaan zullen, is mij zeer duidelijk; want bij de methode, die hij aanwendt, leeren zij niets dan Latijn en Grieksch en mathesis en zoo al wat; van algemeene menschelijke beschaving is volstrekt geen sprake. Onlangs vroeg ik aan Frits, wat hij voor zijne uitspanning las; toen antwoordde de jongen: den Robinson. Een jongen van veertien jaar leest Robinson! — Maar ik vergeet mijn brief. Lieve juffrouw, dierbare Rosamunde, een beetje licht; maar gij zijt angstig; ik zal u vergezellen.quot; De oude koster protesteerde daar half en half tegen, maar die twee waren de kamer reeds uit; en nu werd er in de keuken een klein afzonderlijk hoofdstuk over de beschaving , achter den haard, behandeld, waardoor Mundes wangen een weinig hooger gekleurd waren, toen zij eindelijk met licht binnen kwam.

Nu las mijnheer Nemlich zijnen brief; zijne oogen werden al grooter en grooter, hij sprong op en riep uit: „Neen, dit is . . hij ging weer zitten: „Neen, dit is ...quot; — „Wat? quot;Wat?quot; vroegen allen door elkander. Mijnheer Nemlich antwoordde niet; hij las den brief onder allerlei betuigingen van verwondering ten einde; toen sprong hij op en declameerde in de kamer rond: „Dat zeg ik maar! Dat zeg ik maar! Mijn talent, mijne bekwaamheden, mijne beschaving worden toch eindelijk op prijs gesteld. O! de dominé — ja, die heeft mij niet in mijne waarde erkend; wat zeide hij ? Hij zou zich, in mijne plaats. bedenken. Ik bedenk mij in 't geheel niet; ik neem het aan, ik neem het aan!quot;

ocr page 63

53

„Ach,quot; zei de vrouw van den koster, „gij hebt zeker de betrekking als derde hulponderwijzer te Zwiebelsdorp bekomenen daarbij keek zij Munde aan, en Munde was doodsbleek geworden; het arme kind vouwde de handen in haren schoot, en zij was te moede, alsof alle gunstbewijzen van onzen lieven Heer onverdiend over haar uitgestort werden; want Munde was, in weerwil van Eugène Sue en beschaving, een allerliefst braaf meisje gebleven.

„Neen, meer; veel meer!quot; riep mijnheer Nemlich, en hij ging midden in de kamer staan, „ik heb eene beroeping-naar Konstantinopel gekregen!quot; — „De hemel zal me bewaren!quot; riep de kostersvrouw, „dat is immers zoo waar bij de Turken.quot; En Munde deed hare handen uit elkander en zag hem twijfelachtig aan; voor haar zou Zwiebelsdorp liever geweest zijn. „Kom, zeg nu toch eens, wat het is,quot; zeide Peereboom. — „Ik zal met mijnheer den grondeigenaar Groterjahn en zijne familie naar Konstantinopel reizen en de omliggende streken; ik zal hun daar alles uitleggen en verklaren en den jongsten zoon, Paul, op reis onderwijs geven, opdat de voortgang zijner beschaving niet gestoord moge worden.quot;

„Dat is werkelijk een groot geluk,quot; zeide de koster, stond op en schudde mijnheer Nemlich de hand, om hem te feliciteeren; en indien mijnheer Nemlich in dit verheven oogenblik om de hand van Munde aanzoek gedaan had, zou de oude koster „ja!quot; gezegd hebben. „Wat krijgt gij daarvoor?quot; vroeg de kostersvrouw, die meer voor het praktische was. — „Ik krijg de reis vrij; vrije vertering en dagelijks tien groschen voor mijne kleine extrauitgaven; zoo als: de wasch, sigaren, enz.quot; — „En wat hebt gij van uwen kant te verrichten?quot; vroeg de koster. — „In de eerste plaats inlichting te geven omtrent de steden en de omstreken; verder het onderwijs aan den jongen heer; dan het toezicht te houden over de bagage; de biljetten op de spoorwegen te nemen; voorlezen bij de genadige vrouw, mevrouw Groterjahn, wanneer

ocr page 64

52

maar voor jonge lieden zijn zij gevaarlijk; ik zou dat boek aan mijne kinderen niet gaarne in handen geven, wanneer liet zulk eene uitwerking heeft, als mijnheer Nemlich zegt. Nu, goeden avond! Ik wil mijne gewone wandeling nog doen; het weder is thans beter geworden. Goeden avond!quot; Dit zeggende, vertrok hij.

„Dat wil ik wel gelooven!quot; zeide mijnheer Nemlich, toen de dominé de deur uitgegaan was, „dat zijne jongens niets daarvan verstaan zullen, is mij zeer duidelijk; want bij de methode, die hij aanwendt, leeren zij uiets dan Latijn en Grieksch en mathesis en zoo al wat; van algemeene menschelijke beschaving is volstrekt geen sprake. Onlangs vroeg ik aan Frits, wat hij voor zijne uitspanning las; toen antwoordde de jongen: den Robinson. Een jongen van veertien jaar leest Robinson! — Maar ik vergeet mijn brief. Lieve juffrouw, dierbare Rosamunde, een beetje licht; maar gij zijt angstig; ik zal u vergezellen.quot; De oude koster protesteerde daar half en half tegen, maar die twee waren de kamer reeds uit; en nu werd er in de keuken een klein afzonderlijk hoofdstuk over de beschaving, achter den haard, behandeld, waardoor Mundes wangen een weinig hooger gekleurd waren, toen zij eindelijk met licht binnen kwam.

Nu las mijnheer Nemlich zijnen brief; zijne oogen werden al grooter en grooter, hij sprong op en riep uit: „Neen, dit is . . hij ging weer zitten: „Neen, dit is ...quot; — „Wat? Wat?quot; vroegen allen door elkander. Mijnheer Nemlich antwoordde niet; hij las den brief onder allerlei betuigingen van verwondering ten einde; toen sprong hij op en declameerde in de kamer rond: „Dat zeg ik maar! Dat zeg ik maar! Mijn talent, mijne bekwaamheden, mijne beschaving worden toch eindelijk op prijs gesteld. O! de dominé — ja, die heeft mij niet in mijne waarde erkend; wat zeide hij ? Hij zou zich, in mijne plaats. bedenken. Ik bedenk mij in 't geheel niet; ik neem het aan, ik neem het aan!quot;

ocr page 65

53

„Ach,quot; zei de vrouw van den koster, „gij liebt zeker de betrekking als derde hulponderwijzer te Zwiehelsdorp bekomen,quot; en daarbij keek zij Munde aan, en Munde was doodsbleek geworden; het arme kind vouwde de handen in haren schoot, en zij was te moede, alsof alle gunst-be wij zen van onzen lieven Heer onverdiend over haar uitgestort werden; want Munde was, in weerwil van Eugène Sue en beschaving, een allerliefst braaf meisje gebleven.

„Neen, meer; veel meer!quot; riep mijnheer Semlich, en hij ging midden in de kamer staan, „ik heb eene beroeping-naar Konstautinopel gekregen!quot; — „De hemel zal me bewaren!quot; riep de kostersvrouw, „dat is immers zoo waar bij de Turken.quot; En Munde deed hare handen uit elkander en zag hem twijfelachtig aan; voor haar zou Zwiehelsdorp liever geweest zijn. „Kom, zeg nu toch eens, wat het is,quot; zeide Peereboom. — „Ik zal met mijnheer den grondeigenaar Groterjahn en zijne familie naar Konstantinopel reizen en de omliggende streken; ik zal hun daar alles uitleggen en verklaren en den jongsten zoon, Paul, op reis onderwijs geven, opdat de voortgang zijner beschaving niet gestoord moge worden.quot;

„Dat is werkelijk een groot geluk,quot; zeide de koster, stond op en schudde mijnheer Nemlich do hand, om hem te feliciteeren; en indien mijnheer Nemlich in dit verheven oogenblik om de hand van Munde aanzoek gedaan had, zou de oude koster „ja!quot; gezegd hebben. „Wat krijgt gij daarvoor?quot; vroeg de kostersvrouw, die meer voor het praktische was. — „Ik krijg de reis vrij; vrije vertering en dagelijks tien groschen voor mijne kleine extrauitgaven; zoo als: de wasch, sigaren, enz.quot; — „En wat hebt gij van uwen kant te verrichten?quot; vroeg de koster. — „In de eerste plaats inlichting te geven omtrent de steden en de omstreken; verder het onderwijs aan den jongen heer; dan liet toezicht te houden over de bagage; de biljetten op de spoorwegen te nemen; voorlezen bij de genadige vrouw, mevrouw Groterjahn, wanneer

ocr page 66

54

het regent of hare zenuwen vermoeid zijn; zorgen voor liet vuur om pijpen en sigaren aan te steken, en voorts nog kleine diensten bewijzen.quot; — „Nu, hoor eens,quot; zeide de koster, „dan hebt gij ook volkomen genoeg te doen. Al het andere zou nog gaan; maar het voorlezen bij mevrouw, dat is eene moeilijke taak. Ik ken haar, zij heeft veel wonderlijke ideeën. Maar, al ging dat alles ook goed, zoo moet gij immers ook wel bedenken, dat uwe reis u, bij uw aanzoek om de betrekking te Zwiebelsdorp. nadee-lig zou kunnen zijn. Onze geestelijke regeering zal u niet naar Konstantinopel naloopen.quot; Munde keek hem recht treurig aan, alsof al hare uitzichten op haar stil, bescheiden geluk in éénen nacht vernield waren. — Maar, goede hemel! een jong mensch is met zóó iets geheel en al vervuld en opgetogen, en het hoofd van onzen mijnheer Nemlich was al geheel vol van de reis, met de gan-sche uitrusting, met een overjas en wollen halsdoeken, en warme reisdekens; en hij had zich daar in de . tweede klasse, voor rookersquot; recht vergenoegd in een gemakkelijk hoekje neergezet, — en nu zou hij opstaan en naar Zwiebelsdorp trekken, eu daar kinderen onderwijzen? Dat was niet te vergen, al zag Munde er ook nog zoo treurig uit. Hij redeneerde derhalve nog veel over de aanzienlijke betrekkingen, waarin hij door de beschaafde familie Grroterjahn komen zou, en het Ministerie zou wel te weten komen, dat hij wegens zijne uitstekende kundigheden tot zulk eenen voornamen post aangesteld was, en dat hij er ernstig over dacht de nietige betrekking van hulponderwijzer over te springen, en voorloopig werk te maken van een zeer goeden voorzangerspost. En toen Munde hem bij zijn afscheid aan de huisdeur lichtte, gaf hij haar zoo'n fikschen halfgestolen kus en fluisterde haar toe; „Hoe zou jij denken?quot; — want, als de koster er niet bij was, en in zijne brieven, noemde hij haar altijd „jijquot; — „hoe zou jij denken over den post van den ouden Mosjeu? Hij wordt al oud, en als ik die betrekking krijg, dan. . . . voor de

ocr page 67

55

inrichting, overeenkomstig mijn stand, is ook al gezorgd; mijnheer Groterjahn geeft mij, na afloop der reis, oen aanzienlijk douceur. Dat bewaar ik voor jou; daar wil ik later je vader mee verrassen.quot;

Munde ging met een bezwaard hart de kamer weder in, en hij wandelde'in de duisternis naar Quistorp, en sprak overluid in zich zelven, met de noodige verwaandheid en op hoogen toon, totdat hij eindelijk in eene sloot viel, 't geen hem in zóóverre afkoelde, dat hij te huis aan zijn principaal zijne eigene uitzichten duidelijk kon voorstellen.

De oude Semmlow was een goedaardig man, en toen mijnheer Nemlich hem beloofde, een goed vriend van hem in zijne plaats te stellen, maakte hij verder geen bezwaar, zelfs niet, toon mijnheer Nemlich bij hem aandrong , om dien vriend terstond in huis te nemen en hem zelven daarenboven den kost te geven, want hij moest voor zijne belangrijke taak nog drommelsch veel studeeren, zooals hij zeide.

Nog denzelfden avond schreef hij aan den heer Groterjahn, verklaarde, dat hij het doen wilde, dat hij met alles tevreden was, en maakte alleen nog de voorwaarde, dat hij op eene beschaafde wijze behandeld zou worden. Den volgenden morgen moest de jongen met de scheeve laarzen den brief op de post brengen. Mijnheer Nemlich begon met zijne „studiën,quot; en in plaats dat hij de kinderen onderwees, onderwees hij zich zelven; Eugène Sue zag hem in de gedaante van den „joodschen wandelaar,quot; dien hij nog niet kende, wel zeer vriendelijk aan, doch voor dezen keer moest de man geduld hebben. Hij dacht nu natuurlijk het eerst aan de landkaart. „Hier is Mekklenburg, Quistorp,quot; zeide hij, want als hij met zich zelven sprak, gebruikte hij het platduitsch, uit pure economie; hij behoefde van zijne hoogduitsche krachten niet al te veel voor zich zelven te vergen; hij wist immers, dat hij er wel toe in staat was. — „Hier Berlijn, — Bennewitz is al in Berlijn

ocr page 68

56

geweest; och, Bennewitz, ik beklaag je! Hier Dresden, koninkrijk Saksen; Praag, — wat is er toch ook in Praag? Praag? Ach, zoo, studenten. — Weenen, och Weenen, — 's giebt nur a Kaiscrstadt, 'sgiebt nur a Wien! ') — Triest, — hier gaat het er op los — de Adriatische zee, Korfu, waar is Korfu ? — Tot Korfu zijn wij op 't seminarie in 't geheel niet gekomen — ha! hier; en nu gaat het hier rond,quot; — daarbij snorde hij om de kaap Matapan heen dat de haren op zijn hoofd rondvlogen, — „eu hier,quot; vervolgde hij, „ligt Konstan-tinopel!quot; Eu hij zette zijn vinger op die plek met zooveel kracht, alsof hij zijn voet op den nek zette van den aartsvijand der gansche christenheid, op den grooten Sultan zeiven. Toen hij zich hier eeu tijd lang aan zijne gedachten had overgegeven, was hij zoo verstandig om aan de terugreis te denken, die hij over Smyrna en Athene en Venetië deed. In Atheue aangekomen, riep hij uit: „Sakkerloot! hier, iu Athene, moet in oude tijden eens iets gebeurd zijn! Maar wat is 't ook weër ?quot; Hij liep heen en haalde zijn boek over de geschiedenis: „Beknopte algemeene geschiedenis voor meisjesscholen, door Priedrich Nösselt; Breslau, 1834, zesde druk'quot;; hij sloeg het overal open, doch kon zoo op een oogenblik ook niet vinden, wat hij zocht. „Nu,quot; sprak hij, „dat zal dan het voorwerp mijner studiën zijn.quot; Hier moet men wel opmerken, dat hij deftig met zich zeiven sprak; hij deed zulks uit groerte hoogachting voor het woord „studiën.quot;

Toen hij met de landkaart gereed was, kreeg hij zijn geographie-boek, van Cannabich, van zijn etenskasje af, waarin juffrouw Semmlow steeds, van tijd tot tijd, een half pond boter en een half brood voor hem nederlegde, om tot zijn ontbijt en avondeten te dienen; hij zocht Konstantinopel op en begon nu ernstig van buiten te

') Bekend volksdeuntje.

ocr page 69

57

leeren: „Konstantinopel, door de Turken Stambul, ook Istambul genaamd, is de hoofdstad van het Turkschc rijk; zij heeft 6 a 700,000 inwoners, nauwkeurig weet men dat niet, — 6 a 700,000 inwoners, nauwkeurig weet men dat niet, — nauwkeurig weet men dat niet.quot;

Zoo studeerde hij nu, den godganschen dag door, totdat 's avonds Karei Bennewitz kwam, die zijne plaats bij den heer Semmlow zou innemen. Nu werd er dan veel verteld; van zijne groote reis, van zijne liefde voor Munde, die Karei Bennewitz reeds even zoo goed van buiten kende als hij, van Konstantinopel en van de studiën, die hij nog maken moest. Toen het gesprek, zoo in 't voorbijgaan , op Athene en Griekenland kwam, zeide Karei Bennewitz, dat hij zijne boeken medegebracht had, en daaronder was ook de 01 y m p, of de Mythologie der Egyptenaars, Grieken en Romeinen, tot zelfoefening voor jonge lieden en eerstbeginnende kunstenaars, door Petis-kus, Professor; zoo hij hem daarmede van dienst kon zijn, deed hij het volgaarne; daar waren ook platen in. Dit werd nu met dank aangenomen, en mijnheer Nem-lich studeerde nu beurtelings uit den kleinen Cannabich, uit den kleinen hosselt en uit den kleinen Petiskns, en 't ging heel geregeld voort; slechts, als de kleine Petiskus aan de beurt was, en bij de afbeeldingen bekeek, kregen de ernstige „studiënquot; een kleinen knak, en zijne gedachten zweefden over den morsigen weg, waarop de jongen al zijne laarzen had scheef geloopen, naar Groot-Barkow tot in het kostershuis; want bij de afbeelding van Minerva in den kleinen Petiskus moest hij altijd aan Munde van den koster denken wegens de groote overeenkomst van die beiden. Dat wil zeggen, — men moet mij wel verstaan! — slechts de aangezichten geleken op elkander, niet de kleeding en wat er verder bij behoorde; want Munde was niet gewoon met helm en speer en schild door 't huis rond te loopen, en zij droeg ook een fatsoenlijk kleedje, dat zij zelve gemaakt had, want zij had het wollenaaien geleerd;

ocr page 70

58

dit kwam ook met de Godin overeen, daar in den kleinen Petiskus uitdrukkelijk te lezen stond, „dat zij de kunst van weven, naaien en breien leerdequot;; en ook zelfs de Uil aan hare zijde ontbrak niet, want mijnheer Nemlich behoefde zich slechts het halfvolwassen dienstmeisje met het ruige hoofd en de groote, ronde oogen voor te stellen, en de uil was gereed.

Zoo naderde dan nu de tijd van zijne afreis steeds meer en meer; den geheelen dag was hij bezig met van buiten leeren, en 's avonds disputeerde hij met Karei Bennewitz over zijne „studiënquot;, want hij had ook maar, zoo als Schiller zegt, een korten darm; wat hij over dag gebruikt had, moest hij 's avonds weder teruggeven. Hij was telkens eens naar den ouden koster Peereboom geloopen, om Munde te bezoeken, maar altijd slechts in uilenvlucht ; heden echter, op Zondag, maakte hij eene langere visite en nam afscheid. Munde was zeer bedroefd over zijn vertrek, en ook vanwege de uitzichten opZwie-belsdorp; doch zij liet het niet blijken, opdat zij zijn genoegen niet zou vergallen. De oude koster .echter, en vooral de kostersvrouw, die heel nauwkeurig wist, hoe de vork in den steel zat, drongen er bij het afscheid op aan, dat hij den dominé vaarwel zou zeggen en zich in zijn aandenken aanbevelen, ten einde hij niet in het vergeetboek mocht geraken, indien soms alles, wat bij mijnheer Gro-terjahn en zijne aanzienlijke bekenden in 't werk werd gesteld, mislukken mocht.

De heer Nemlich omhelsde nu den koster en zijne vrouw, en de zes kleine lievelingen en ten laatste ook Munde; de koster maakte daarop ditmaal geene aanmerking, denkelijk uit medelijden met zijn kind, want Munde schreide bitter en bracht slechts met moeite de woorden uit: „Schrijf mij ook eens.quot; Zij had in hare droefheid volstrekt geen acht geslagen op haren vader en noemde hem „jij.quot; Mijnheer Nemlich beloofde het en gedroeg zich over 't geheel zeer bedaard.

ocr page 71

59

Hij ging uu naar den domiué en zeido, dat hij hem thans vaarwel wilde zeggen, want overmorgen zou de reis beginnen, en morgen moest hij nog pakken. Hij wilde den dominé tevens verzoeken, zijn voorspraak te zijn, ingeval er zich eene geschikte betrekking voor hem mocht opdoen; van de hulponderwijzersbetrekking te Zwiebelsdorp sprak hij niet.

„Gij wilt dus inderdaad die reis ondernemen?quot; vroeg de dominé. „Hebt gij 't u zeiven nu genoegzaam voorgehouden , wat men van u verlangt, en zult gij in staat zijn, aan alle eischen te voldoen?quot;

Dat was nu toch al eene zeer domme vraag van den dominé; — mijnheer Nemlich had drie weken, onafgebroken door, van buiten geleerd, en nu zou hij nog niet eens kunnen voldoen! Mijnheer Kemlich voelde zich dan ook zeer in zijne eer gekrenkt en antwoordde op zeer bepaalden toon; , Dominé, gij leunt mij vragen, waarvan gij wilt: van Venetië, van Athene, van Ithaca, van.Ulysses, van Pericles, van Themistocles en Alcibiades; bij voorbeeld van Konstantinopel, waarmede ik begonnen ben, en dat reeds meer dan drie weken geleden is. Konstantinopel, dooide Turken Stamhui, ook Istambul genoemd, is de hoofdstad van liet Turksche Rijk; zij heeft 6 a 700,000 inwoners ; nauwkeurig weet men dat niet, nauwkeurig weet men dat niet.quot; — „Houd op, houd op!quot; zei de dominé, min of meer glimlachend. „Dat heeft waarlijk veel van de vraag: hoe hoog is de berg Sinaï?' — Ja, dat is alles heel goed; maar er zullen u zekerlijk vele vragen gedaan worden. waarop uwe boeken geen antwoord geven.quot;

„Dominé,quot; zeide mijnheer Nemlich, „zoo gij een boek hebt, waar dat alles in staat, verzoek ik u, het mij te willen leenen; ik wil er zeer veel zorg voor dragen. Ik zal dat alles wel leeren.quot; En hij kwam zoodoende geheel op het standpunt van zijn schoolkameraad, Jochem Klahn; want, gelijk wij gezien hebben, die wilde ook alles leeren. Op Jochem Klahn is in dit opzicht, vrees ik, niet best Reuter. Mont, eu Cap. 2e dr. 5

ocr page 72

60

te rekenen; maar in mijnheer Xemlich stel ik een vast vertrouwen, want ik heb het altijd opgemerkt: zóó'n jonge, levendige seminarist, als die maar een boek heeft, waarin hij het noodige kan vinden, dan duurt het niet lang, of hij kent de geheele wetenschap van buiten. Zulk een boek had de dominé nu niet; doch hij zeide, dat hij ten aanzien van Zwiebelsdorp aan hem denken wilde, en mijnheer Nemlich praatte nu nog van alles over verhevene zaken; eindelijk nam hij afscheid en ging naar Quistorp.

Onderweg liet hij zich in een gesprek met zich zelven aldus uit: „Zoo is 't nu! Daar zit hij nu den geheelen dag te studeeren, maar van 't geen werkelijk interessant is, heeft hij geen flauw begrip; hij kent Eugene Sue niet eens; nu ja, goedhartig is hij, maar zeer voorbarig in zijn oordeel. Maar dat heeft geen belangstelling voor iets hoogers; wanneer dat aan de domme boeren 's Zondags wat voorgepreekt heeft, dan denkt dat: nu is de wereld geholpen!quot;

Arme dominé! ir.oet gij u zulk een oordeel van een mensch, gelijk mijnheer Xcmlicli, laten welgevallen; waarom zijt gij, met hem vergeleken, zóó onnoozel!

Twee dagen daarna zat mijnheer Nemlich in den postwagen en reed naar Rostock. Munde had hem vooraf nog, door het uilskuiken van een dienstmeisje, een vriendelijken brief laten bezorgen, maar hij had met pakken en bezorgen al te veel te doen, om zich veel daarmede bezig te houden. Nu, op don postwagen, haalde hij den brief weder voor den dag en zeide bij zich zelven, dat Munde toch een lief meisje was, terwijl hij, in een soort van geestvervoering, overluid uitriep: .,31 unde for ever!quot;

„Do you speak English?quot; vroeg een lang, mager heer, met oen aangezicht als een gladgeschoren varkenskop , die tegenover hem zat. — ,]Seen — ik — ik zei dat zoo maar'.quot;'

ocr page 73

61

VIERDE HOOFDSTUK

Op welke wijze Jochem KUihn het bericht van de yroote reis opneemt, en hoe zijn slimme kop bij deze (jelegenheid aan alles denkt. — Karei komt om afscheid te nemen, en vermoedt er niets van, dat er een feestmaal voor hem bereid is achter (!■■ neteldoeksche gordijnen mu mevrouw Groierjahn — Mijnheer Nemlich verschijnt als beschaafd man in de fijn beschaafde familie. Hij wordt op het station van den spoorweg gearresteerd.— J)e heer Jahn met den eersten, de heer Groterjahn met den tweeden trein. — Berlijn. — Allerlei vragen: Hoff of Daiibitz? — Of apen ook kunnen praten? — Heere bewaar me! Paal, hoe hom jij in Berlijn? — Hoe kan Schiller met zulke do mm ■ praat voor den dag komen?

„Jochem,quot; zeide in dien zelfden tijd de lieer Jahn op zekeren morgen tot zijn bediende, terwijl deze vóór do opening van de kachel zat en in de kolen blies, — want sedert den tijd van Asschepoetstertje zijn er, geloof ik, geen zestig blaasbalgen in 't land van Mekklenburg voorgekomen, dewijl daar doorgaans nog die blaasbalg gebruikt wordt, dien onze goede God den mensch in zijne borst heeft gegeven, en de Mekklenburger heeft nog adem in de borst,quot; — „Jochem,quot; vroeg mijnheer Jahn, toen hij uit zijne slaapkamer kwam, „wat is 't buiten voor weer?quot; — „Wel mijnheer, 't knijpt een beetje, en voor tien dagen vóór Pasehen, dunkt mij, is dat wat erg. De barbier liep van morgen vroeg hier voorbij, — wat draafde hij in zijn kort ongelukkig rokje! — en hij riep mij toe, dat we van nacht zeven graden kou gehad hebben.quot;

„Nuzei de oude man, half pruttelende, „die reis begint goed, maar als wre wat verder zijn, zal 't mogelijk wel warmer worden. Breng de koffie binnen!quot; Toen Jochem uit de kamer wTas, ging hij aan 't venster staan en zag naar buiten op de straat: „'t Is een dwaas ding, wat ik ga beginnen; maar er is niets aan te doen! Alle menschen, die van mij houden, die werkelijk van

ocr page 74

58

dit kwam ook met de Godin overeen, daar iu den kleinen Petiskus uitdrukkelijk te lezen stond, „dat zij de kunst van weven, naaien en breien leerdequot;; en ook zelfs de Uil aan hare zijde ontbrak niet, want mijnheer Nemlich behoefde zich slechts het halfvolwassen dienstmeisje met het ruige hoofd en de groote, ronde oogen voor te stellen, en de uil was gereed.

Zoo naderde dan nu de tijd van zijne afreis steeds meer en meer; den geheelen dog was hij bezig met van buiten leeren, en 's avonds disputeerde hij met Karei Bennewitz over zijne „studiënquot;, want hij had ook maar, zoo als Schiller zegt, een korten darm; wat hij over dag gebruikt had, moest hij 's avonds weder teruggeven. Hij was telkens eens naar den ouden koster Peereboom geloopen, om Munde te bezoeken, maar altijd slechts in uilenvlucht ; heden echter, op Zondag, maakte hij eene langere visite en nam afscheid. Munde was zeer bedroefd over zijn vertrek, en ook vanwege de uitzichten opZwie-belsdorp; doch zij liet het niet blijken, opdat zij zijn genoegen niet zou vergallen. De oude koster .echter, en vooral de kostersvrouw, die heel nauwkeurig wist, hoe do vork in den steel zat, drongen er bij het afscheid op aan, dat hij den dominé vaarwel zou zeggen en zich in zijn aandenken aanbevelen, ten einde hij niet in het vergeetboek mocht geraken, indien soms alles, wat bij mijnheer Gro-terjalm en zijne aanzienlijke bekenden in 't werk werd gesteld, mislukken mocht.

De heer Nemlich omhelsde nu den koster en zijne vrouw, en de zes kleine lievelingen en ten laatste ook Munde; de koster maakte daarop ditmaal geene aanmerking, denkelijk uit medelijden met zijn kind, want Munde schreide bitter en bracht slechts met moeite de woorden uit: „Schrijf mij ook eens.quot; Zij bad in hare droefheid volstrekt geen acht geslagen op haren vader en noemde hem „jij.quot; Mijnheer Nemlich beloofde het en gedroeg zich over 't geheel zeer bedaard.

ocr page 75

59

Hij ging uu uaar den domino en zcide, dat hij hem thans vaarwel wilde zeggen, want overmorgen zou de reis beginnen, en morgen moest hij nog pakken. Hij wilde den dominé tevens verzoeken, zijn voorspraak te zijn, ingeval er zich eene geschikte betrekking voor hem mocht opdoen ; van de hulponderwijzersbetrekking te Zwiebelsdorp sprak hij niet.

„Gij wilt dus inderdaad die reis ondernemen?quot; vroeg de dominé. „Hebt gij 't u zei ven nu genoegzaam voorgehouden , wat men van u verlangt, en zult gij in staat zijn. aan allo eischen te voldoen?quot;

Dat was nu toch al eene zeer domme vraag van den dominé: — mijnheer Nemlich had drie weken, onafgebroken door, van buiten geleerd, en nu zou hij nog niet eens kunnen voldoen! Mijnheer Kemlicli voelde zich dan ook zeer in zijne eer gekrenkt en antwoordde op zeer bepaalden toon : , Dominé, gij kunt mij vragen, waarvan gij wilt: van Venetië, van Athene, van Ithaca, van.Ulysses, van Pericles, van Themistocles en Alcibiades; bij voorbeeld van Konstantinopel, waarmede ik begonnen ben, en dat reeds meer dan drie weken geleden is. Konstantinopel, dooide Turken Stambul, ook Istambul genoemd, is de hoofdstad van het Turksche Rijk; zij heeft G a 700,000 inwoners ; nauwkeurig weet men dat niet, nauwkeurig weet men dat niet.quot; — rHoud op, houd op!quot; zei de dominé, min of meer glimlachend. „Dat heeft waarlijk veel van de vraag: hoe hoog is de berg Sinaï? — Ja, dat is alles heel goed; maar er zullen u zekerlijk vele vragen gedaan worden. waarop uwe boeken geen antwoord geven.quot;

„Dominé,quot; zeide mijnheer Nemlich, „zoo gij een boek hebt, waar dat alles in staat, verzoek ik u, hot mij te willen leenen; ik wil er zeer veel zorg voor dragen. Ik zal dat alles wel leeren.quot; En hij kwam zoodoende geheel lt;ip het standpunt van zijn schoolkameraad, Jochem Klahn; want, gelijk wij gezien hebben, die wilde ook alles leeren. Op Jochem Klahn is in dit opzicht, vrees ik, niet best

Reuter. Mont, en Gap. 2e clr. 5

ocr page 76

60

te rekenen; maar in mijnheer Xemlich stel ik een vast vertrouwen, want ik heb het altijd opgemerkt: zoo'n jonge, levendige seminarist, als die maar een boek heeft, waarin hij het noodige kan vinden, dan duurt het niet lang, of hij kent de geheele wetenschap van buiten. Zulk een bock had de dominé nu niet; doch hij zeide, dat hij ten aanzien van Zwiebelsdorp aan hem deuken wilde, en mijnheer Nemlich praatte nu nog van alles over verhevene zaken; eindelijk nam hij afscheid en ging naar Quistorp.

Onderweg liet hij zich in een gesprek met zich zeiven aldus uit: „Zoo is 't nu! Daar zit hij nu den geheelen dag te studeeren, maar van 't geen werkelijk interessant is, heeft hij geen flauw begrip; hij kent Eugène Sue niet eens; nu ja, goedhartig is liij, maar zeer voorbarig in zijn oordeel. Haar dat heeft geen belangstelling voor iets hoogers; wanneer dat aan de domme boeren 's Zondags wat voorgepreekt heeft, dan denkt dat: nu is de wereld geholpen!quot;

Arme dominé! moet gij u zulk een oordeel van een mensch, gelijk mijnheer JSemlich, laten welgevallen; waarom zijt gij, met hom vergeleken, zóó onnoozel!

Twee dagen daarna zat mijnheer Nemlich in den postwagen en reed naar Rostock. Munde had hem vooraf nog, door het uilskuiken van een dienstmeisje, een vriendelijken brief laten bezorgen, maar hij had met pakken en bezorgen al te veel te doen, om zich veel daarmede bezig te houden. Nu, op den postwagen, haalde hij den brief weder voor den dag en zeide bij zich zeiven, dat Munde toch een lief meisje was, terwijl hij, in een soort van geestvervoering, overluid uitriep: „Munde for ever!quot;'

„Do you speak English?quot; vroeg een lang, mager heer, met een aangezicht als een gladgeschoren varkenskop , die tegenover hem zat. — „Neen — ik — ik zei dat zoo maar!quot;

ocr page 77

61

VIERDE HOOFDSTUK

Op welke wijze Jocheiii KUihn het bericht van de (jruotc reis opneemt, en hoe zijn slimme kop hij deze ijdeyeiilieid aan alles denkt. — Karei komt om afscheid te nemen, en vermoedt er niets van, dat er een feestmaal voor liem bereid is achter d. neteldoeksche gordijnen can mevrouw Groierjahu — Mijnheer Nemlich verschijnt als beschaafd man in de fijn beschaafde familie. H j wordt op het station can den spoorwe-j gearresteerd.— De heer Jahn met den eersten, de heer Groterjuhn met den tweeden trein. — Berlijn. — Allerlei vragen: Hoff of Daiihitz? — Of apen ook kunnen praten? — Heerquot;, bewaar me! Paul, hoe kom jij in Berlijn? — Hoe kan Schiller met zulke domni ■ praat voor den dag komen?

„Jocliem,quot; zeide in dien zelfden tijd de lieer Jahn op zekeren morgen tot zijn bediende, terwijl deze vóór do opening van de kachel zat en in de kolen blies, — want sedert den tijd van Asschepoetstertje zijn er, geloof ik, geen zestig blaasbalgen in 't land van Mekklenburg voorgekomen, dewijl daar doorgaans nog die blaasbalg gebruikt wordt, dien onze goede God den mensch in zijne borst heeft gegeven, en de Mekklenbnrger heeft nog adem in de borst,quot; —- „Jochem,quot; vroeg mijnheer Jahn, toen hij uit zijne slaapkamer kwam, „wat is 't buiten voor weer?quot; — sWel mijnheer, 't knijpt een beetje, en voor tien dagen vóór Paschen, dunkt mij, is dat wat erg. Do barbier liep van morgen vroeg hier voorbij, — wat draafde hij in zijn kort ongelukkig rokje! — en hij riep mij toe, dat we van nacht zeven graden kou gehad hebben.quot;

,Xu.'' zei de oude man, half pruttelende, „die reis begint goed, maar als we wat verder zijn, zal 't mogelijk wel warmer worden. Breng de koffie binnen!quot; Toen Jochem uit de kamer was, ging hij aan 't venster staan en zag naar buiten op de straat: „'t Is een dwaas ding, wat ik ga beginnen; maar er is niets aan te doen! Alle menschen, die van mij houden, die werkelijk van

ocr page 78

62

mij houden, dringen er op aan, dat ik de reis zal doen; en 't is, over 't geheel genomen, volkomen hetzelfde: ik ken de menschen hier even weinig als hen, die Ik daar zal aantreffen. En dat moet ik zeggen: de boeken, die de dokter mij gezonden heeft over Turkije en Griekenland, en de geschiedenissen van Venetië, hebben juist geen on-aangenamen indruk op mij gemaakt, en ik zou ook de fraaie gebouwen en de schoone landstreken wel willen zien; maar 'k zou toch nog liever willen weten, hoe het alles daar gesteld en ingericht is, hoe de menschen er leven, en wat er op de velden groeit.quot; Thans zag hij aan den overkant der straat den kleinen Paul naar school gaan, 'tgeen hij al meer had opgemerkt. „Jochem,quot; vroeg hij, toen die met de koffie binnenkwam, Bwaarom gaat de kleine Paul tegenwoordig altijd aan den overkant van de straat? Hij placht anders, als hij naar school ging, langs ons huis te gaan.quot; — ,Wel, mijnheer, hij is nijdig. Sinds den tijd, dat ik hem toen zeggen moest, dat ik niets meer met hem te doen mocht hebben. — dat hadt gij gezegd, — gaat hij altijd aan den overkant, en als hij mij aan de deur ziet staan, draait hij zijn hoofd om en kijkt zoo strak in den winkel van de modemaakster , alsof hij erg verlegen was om eene nieuwe muts.quot; — „Maar, wat voer jij dan ook uit? Zóó heb ik dat immers niet gemeend; 'k wou maar niet hebben, dat jij je met allerlei gekke praatjes met Paul zoudt inlaten, en datjij voor z ij n voddenkraam je bezigheden voor mij zoudt vergeten.quot;— „Neen, mijnheer, dat gaat niet. iïeelemaal kwade vrienden met hem, of in 't geheel niet. Want, weet u? hij is zoo'n rare klant ; hij haspelt met zijne domme vragen mij alles de keel uit, wat hij weten wil, en wanneer hij wat van mij wil hebben, dan weet quot;hij het zóó langs zijn neus weg te vragen, en of ik dan al langs mijn baard strijk . . -— „Je hebt nog geen baard!quot; — „Keen, mijnheer, zoo als 't wézen moet, nog niet; maar hij begint al. — En dat weet hij recht goed, — die deugniet! —

ocr page 79

63

dat wij met ons beidon, ik en gij, veel van hem en zijne Helone houden. Mijnheer, zal ik me eens een knevel laten staan?quot; En daarbij keek Jochem zijn meester zoo kluchtig aan, alsof iemand hem, op het onverwachtst zijn eigen snorrebaard present had gegeven. ,Jochem,quot; zeide de heer Jahn en lachte min of meer, „hoe zoudt ge dat wel willen beginnen? Maar, nu moeten we ernstig praten. Morgen gaan wij op reis; wij vertrekken met den eersten trein, en nu moetje vandaag je hoofd een beetje gebruiken, dat wij alles behoorlijk gepakt krijgen en niets vergeten.quot; — ,Voor de groote reis?quot; — ,Ju, dit wordt de groote reis.quot; — „Mijnheer, dan moet ik zeker wel een schoon hemd meenemen?quot; — „Wel natuurlijk; hoeveel hemden heb je?quot; — „Och, mijnheer, mijne moeder heeft toen zes heele nieuwe hemden voor me gemaakt, toen ik naar hier kwam.quot; — „Neem dan mijn klein reiskoffertje, — het kleine! — en pak ze daar allo zes in.quot; — ,0, mijnheer ! gij maakt gekheid. Alle zes ? Daar verwonder ik me toch zwaar over, mijnheer! Wat zouden de men-schen wel zeggen?quot; — „Wel, die zullen zich veel om jou hemden bekommeren! En pak dan je beste kleóren in, en kousen en laarzen. zoodat je alles dubbel bij je hebt.quot; — „Mijnheer, waar gaan we dan op af?quot; -— „Dat zal je wel te weten komen, 't Eerst sporen we naar Berlijn!quot; — „Fuu-uuh!quot; floot Jochem, „naar Berlijn! Mijnheer, dat is immers pruisisch! Daar is onze Johan Smidt, die hier bij den kuiper Drewsen werkt, ook al geweest, en weet gij, wat die zegt? De Berlijnschen, zegt hij, zijn ons te slim; maar je moet ze maar ferm zeggen, hoe je 't meent; dan draaien ze bij. Mijnheer, zal ik dan mijn nieuwe muts maar opzetten, met den groenfluweelen rand?quot; — „Ja, doe dat maar; ga nu heen en pak jou boel; straks zullen wij mijn koffer pakken.quot; Jochem ging: maar het duurde niet lang, of hij kwam weder binnen; „Mijnheer, zal ik ons schoensmeer met de schoenborstels meenemen?quot; — „Ja.quot; En wederom kwam hij.

ocr page 80

64

„Den kleerborstel ook?quot;' — „Ja— „Het uitklopstokje ook?quot; — ,Och wat! dat kan hier blijven.quot; Eu toen kwam bij weder en vroeg: „Mijnbeer, boe zal 't gaan met onze koffiemacbine?quot; — „Ocb, loop! Jij zoudt op 't laatst nog wel schotels en potten meênemen.quot; — „Wel. mijnbeer, als we nog acbter Berlijn gaan.quot; — „Nu, maak maar wat voort, en pak je zaken in.quot; — „Mijnbeer, daar komt onze jonge beer aan!quot; riep Jocbem. en Karei kwam de kamer in. „AVel, vader,quot; zei de zoon, „Gustaaf is eergisteren bier geweest en beeft u vaarwel gezegd; ik moest vandaag wel komen. Al kan er bij dit weer ook niet veel gedaan worden, is bet tocb altijd beter, dat één van ons beiden op bet goed is; daarom zijn wij niet te gelijk gekomen.quot; — „Dat is ook best, mijn jongen.quot; — „Wel, vader, blijft bet nu bepaald, dat gij morgen zult vertrekken?quot; — „Ja, Karei, daar is un niets anders aan te doen; ik moet jelui daarin je zin wel geven. Maar dat weet God! — ik doe liet om uwentwil; ik verlang geen zier naar de reis. Ja, ja! Ik zou dat alles ook wel eens willen zien, en in den laatsten tijd ben ik recbt gezond geweest , en bierdoor is de lust wel eenigszins opgewekt; en daar nu de dokter zegt, dat ik, of de reis maken. of dezen zomer naar zóo'n bad moet, dan wil ik duizendmaal liever op reis gaan, dan daar in zoó'n Engel-scben tuin en op mooi aangelegde wandelwegen ledig rond te loopen. 't Eenige, wat mij nog niet recbt naar den zin is, is, dat Jocbem Kliibn mede moet.quot; — „Neen, vader, dat moet gij tocb maar zoo laten blijven! Voor ons is 't eene geruststelling, dat gij een trouw en eerlijk menscb om u been bebt, als u soms eens iets mocbt overkomen. Trouw en eerlijk is bij, en bij is ook eigenlijk in 't gebeel zoo dom niet.quot; — „Wel, hij is ook zoo dom niet; op guitestreken is bij slim genoeg; bij is mij nog maar te kinderachtig en te groen.quot; — «Och, dat zal wel beter worden, zoodra bij maar eerst een beetje in de wereld geweest is. Gij moet hem maar wat fermer

ocr page 81

65

aanpakken en te reclit zetten; gij zijt te toegevend jegens hem.quot; — .Ja, dat zeg je wel, Karei, maar als die goede jongen je zoo eerlijk met zijne groote blauwe oogen aankijkt of zoo recht vertrouwelijk begint te vertellen, dan mag de drommel wat tegen hem zeggen; en nu moet ik hem toch in elk geval meênemen, want ik heb het hem ui gezegd; als ik hem nu hier liet, geloof ik, dat hij zich om quot;t leven brengen zou. Maar kom, Karei! 't is heden zulk een heldere, koude dag, de zon schijnt zoo schoon; laat ons in den achtertuin wat op en ueêr gaan.

Dat geschiedde; en toen Kareis tijd om was, en hij weg moest gaan, haalde hij een mes uit den zak en begon zeer ijverig een jongen vruchtboom te toppen, terwijl hij zicli van zijn vader afwendde en zeide: „Dat moet nu ook gebeuren, en ik zal daar goed voor zorgen, en maken dat hier niets verzuimd wordt. En, vader, hebt ge mij dan niets te zeggen? niets?' — en hij bukte zich dieper, opdat zijn vader hem niet in 't aangezicht zou kunnen zien; — „niets van Helene?quot; — .Neen. mijn zoon, ik heb haar in lang niet gezien, en gesproken in 't geheel niet; maar zij is gezond, dat weet ik, en in het overige moet gij u schikken. Wanneer ge dat meisje wildet hebben wegens geld en goed, of rang en stand, dan zou de goede God je, in Zijne genade, wel menigen steen op den weg kunnen werpen, dien jij uiet uit den weg zoudt kunnen ruimen; maar zóó, als het met jou gesteld is, behoef je den moed niet te verliezen.quot; — iDat doe ik ook niet, zeide Karei en keerde zich naar zijn vader om, „maar 't is hard, zoo in 't onzekere te moeten wachten en de handen in den schoot te leggen, omdat men er niets aan doen kan.quot; — ,,Xu, wie weet, er kan eens eene gelegenheid komen, dat ik er iets aan doen kan, en dan zal 't geschieden, da n zal 't geschieden, Karei! 'sprak zijn vader recht hartelijk, terwijl hij zijn zoon omarmde. „En nu, vaarwel! we willen elkaar het hart niet week ma-

ocr page 82

66

ken,quot; en hij keerde zich om en liep het tuinpad langs. „Vaarwel, vader!quot; zeide Karei, en hij ging treurig de deur uit, recht treurig.

Och, dat wij 't maar altijd wisten, wanneer wij treurig gestemd zijn, dat op hetzelfde oogenblik voor ons ergens anders een feestmaal bereid en de tafel met bloemen bekranst wordt; hoeveel zwarigheden zouden er dan uit den weg geruimd worden, en hoeveel kalmer, zou ons leven heenvlieten! Maar, zon dat een geluk wezen ? Ik zeg „neenquot;. De menschen zeggen, dat er op onze aarde landstreken zijn, waar eene eeuwige lente bloeit, waar men geene hitte of koude kent; maar, zoo vraag ik, hebben de mensehen daar het groote genot, dat wij hebben, als, na de winterstormen, de lentelucht waait, als weiden en boomen door ijs en sneeuw groen te voorschijn komen? De afwisseling van vreugde en leed, van vreezen en hopen stemt overeen met de zwakke menschelijke natuur, en in die overeenstemming van de afwisseling met haar ligt het geluk.

Had Karei naar do ééne achterkamer in het huis van Groterjahn naar boven gekeken en door de ueteldoeksehe gordijnen kunnen heenzien, dan zou hij zeker niet zoo droevig weggegaan zijn, want daar was hem een feest-disch bereid; achter de gordijnen stond Helene en zag met hare schoone, vriendelijke oogen op hem neder, en haar hart klopte hooger, toen zij hem zag; en toen zij hem treurig zag heengaan, werd ook zij treurig gestemd, en zette zich neder en hield de hand over hare oogen; en uit de duisternis en de treurigheid begon allengskens de hoop op wederzien, op nimmermeer verlaten, als eene liefelijke lente, te ontluiken, en haar hart werd getroost en blijmoedig in die afwisseling, en die afwisseling is het geluk. Zij behoorde niet tot die menschen, die meenen Gode welgevallig te zijn, wanneer zij naar smart verlangen en het lijden inzwelgen: zij was een vroolijk kind, en haar hart was sterk en gezond; daarin konden op-

ocr page 83

67

rechte trouw en vertrouwen op God wel gedijen. En die beide kweekte zij aan en zorgde er voor met vlijt en volharding, — niet gelijk mijne buurvrouw met haren bloempot doet, die hem, 't gansche huis door, ronddraagt, alsof 'teen pasgeboren kind ware, opdat hij hier een beetje zon krijge, en daar een beetje zon, en dnn weer acht dagen er niet aan denkt, — neen! zij had, ééns voor al, eene goede plaats aan hare planten gegeven, en daar kweekte zij ze aan, en nu wachtte zij geduldig de bloemen af en de vruchten.

Bij die wijze van denken en handelen kon zij zich ook recht van ganscher harte op de groote reis verheugen ; zij behoefde wegens de kortstondige scheiding niet te versmachten en te versmelten; zij stond op en pakte haar koffer, — want morgen zouden zij met den tweeden trein vertrekken. — toen hare moeder bij haar de kamer inkwam en zeide; „Helene, mijn kind, zoo even is mijnheer Jfemlich aangekomen; hij zal van nacht bij ons logeeren; je vader was weer zoo haastig er bij, om hem uit te noo-digen.quot; — „Nu. hoe bevalt hij u, moeder?quot; - „Ellen,je weet, dat het bij je moeder een vaste en bepaalde regel is, nooit een voorbarig oordeel uit te spreken; zij ziet en merkt op. Ik doe dat nooit; maar hij heeft iets fijns in zijn uiterlijk, hij is ontegenzeggelijk een beschaafd mensch en heeft ook zeker een goed hart, want hij heeft dadelijk met Paul gesproken, die zich natuurlijk weer zoo ongepast mogelijk gedraagt. Kom nu beneden, mijn kind, en neem zoo weinig kleedoren mede, als gij kunt. Ik heb onlangs gelezen: „die mensch is het gelukkigste, die de minste behoeften heeft.quot; Helene had reeds lang zeer juist ingezien, dat zij er wel niet toe komen zou, op de reis door fraaie kleederen veroveringen te maken. of daarmede te Konstantinopel den machtigen Sultan de oogen te verblinden; zij had alles zeer eenvoudig in orde gemaakt, was nu geheel gereed en ging mot hare moeder naar beneden.

ocr page 84

68

't Is zeer natuurlijk, dat de mensch zich van een ander, met wien hij een tijd lang te zamen zal leven, eene voorstelling maakt: en hoewel Helene met mijnheer Xemlich ook niet veel te maken had, zoo wist zij evenwel, dat haar broeder Paul, van wien zij zooveel hield, aan zijn opzicht zou worden toevertrouwd, en toen zij nu mijnheer Xemlich te zien kreeg, stemde hij met hare voorstelling niet overeen, en met hetgeen hare moeder haar had medegedeeld ook bitter weinig. Niet, omdat mijn-lieer Xemlich haar uitermate leelijk voorkwam, dat niet! Dat zou ook voor ons beiden, voor Munde en mij zeiven, daar wij beiden gewoon zijn hem met bijzondere liefde te beschouwen, zeer grievend geweest zijn; maar hij had iets over zich, wat, naar hare meening, met zijn jas en zijne halsboordjes niet overeenkwam; want die beiden waren onberispelijk. Mijnheer Xemlich was maar klein van gestalte; de natuur had echter hare vergissing ingezien , had zich bedacht en hem, inplaats daarvan, do beide uiteinden, het hoofd en de voeten, des te grooter gemaakt, Hij had zwart, lang haar, dat hij, half geestelijk en half wereldsch, achter de ooren liet neerhangen; ook had hij eene geleerde, gele gelaatskleur, en in den laatsten tijd had hij een bakkebaard laten staan. Zoo noemde hij het ten minste, maar 'twas slechts een soort van half opgeschoten plantsoen. gelijk ik dat vroeger eens in Xie-derlausitz gezien heb; daar schoot hier een klein groepje dennen op, en ginds een klein groepje dennen, waar men het gele zand overal door zag heenschijnen.

Intusschen moest Helene bekennen, dat mijnheer Xemlich zich, voor 't begin, heel fatsoenlijk wist te gedragen; want hij bleef op drie schreden afstands van haar. Jegens den heer Groterjahn was hij, bij allen eerbied, vol ver • trouwelijkheid en gedienstigheid, want hij hield den fidibus voor hem op de pijp, wat hij volgens het contract nog volstrekt niet behoefde te doen , daar hij nog niet met hem op reis was; mevrouw Jeannette Groterjahn betoonde hij

ocr page 85

09

ongeveinsde hoogachting, en deze nam toe, toen de dame hem hare zeventien stuks bagage aanwees, om daarop van nu af aan acht te geven, terwijl zij steeds haren stelregel van gelukkig zijn en van weinig behoeften uitsprak. Wat moest z ij voor behoeften hebben, indien zij eens in 't hoofd kreeg om ongelukkig te wezen! Omtrent Paul gedroeg hij zich recht liefderijk; hij streek hem over 't haar en vroeg hem, hoe de accusativus pluralis van mensa heette, wat volgens het contract ook niet noodig was, daar hij voor 't Latijn niet was aangenomen en er ook niets van wist, omdat liet op het seminarie niet onderwezen werd. Paul wist den accusativus heel goed, maar hij zeide het niet; en mijnheer Nemlich streek hem wederom over 't haar, zeggende, dat het er niet op aan kwam, en dat hij dat alles nog wel leeren zou.

Nu was het ook hier alles in orde, en morgen, met den tweeden trein, zou de reis beginnen.

Den volgenden morgen zat de oude heer Jahn recht warm, met een pels aan, in de tweede klasse van den trein en spoorde naar Berlijn. Jochem Klahn had de beide koffers bezorgd; hij zat in de derde klasse en vertelde aan iedereen, die 'tnog niet wist, dat hij naar Berlijn ging. „Maar, dat beteekent nog niets,quot; zeide hij, „ik ga nog verder.quot; En wanneer de menschen hem vroegen: „Waarheen dan?'' zoo zette hij een zeer geheimzinnig gezicht , 't geen hij recht natuurlijk gedaan kreeg, daar hot voor hem ook nog een geheim was. Toen zij te Berlijn aangekomen waren en een logement opgezocht hadden, zei de heer Jahn: „Jochem, ik ben moe en wil vandaag t'huis bljjven; maar jij kunt wel wat de straten rondgaan en Berlijn eens opnemen.quot; •— „Neen, mijnheer,quot; was het antwoord, „dat doe ik niet. Waar gij blijft, blijf ik ook. Dat is niet om uwentwil, dat is om mijnentwil; want ik weet het al vooruit, dat ik verdwalen zou.quot; „Ja, dan moet je tot morgen wachten; morgen blijven wij nog hier.quot;

ocr page 86

Denzelfden dag, waarop de lieer Jahn vertrokken was, wilde mijnheer Groterjahn de reis ook beginnen, doch met den tweeden trein. Hij kwam, volkomen toegerust, met zijn pels en bonte muts de kamer in, waar Helene en Paul reeds reisvaardig wachtten; en mevrouw ontbrak nu nog slechts, want mijnheer Nemlich stond al in het voorhuis en telde zijne kisten en koffers en doozen nog eens na. Nu eindelijk, toen de beide wagens reeds voor de deur stonden, waarvan één voor de bagage bestemd was, kwam mevrouw Groterjahn ook binnen, maar stoof dadelijk op haren gemaal af en riep: „Anton . wat moet dat? Jij met een pelsjas? Zie mij aan, heb ik er eeu aangetrokken?quot; — „Ja,quot; hernam Anton geheel verschrikt, „maar 'tis zoo koud.quot; — „ Anton, wat praat je toch, wij reizen immers naar het heete zuiden.quot; ,Ja,'' zeide Anton, „maar daar zijn we toch nog niet.quot; — Maar zijne gade liet het niet toe, zeggende, dat zij zich toch niet tot spot van de geheele wereld konden maken, en Anton trok zijn pols uit en klom met een gewone overjas in het rijtuig. Toen zij er allen in zaten, wilde mijnheer Nemlich op den bok plaats nemen, maar mevrouw Groterjahn wilde dit niet toestaan; hij moest op den bagagewagen gaan zitten, want zij was in grooten angst, dat de koetsier eene doos zou kunnen verliezen. Bij het opladen aan het station ging alles best, behalve dat mijnheer Nemlich gearresteerd werd ; niet door de politie, neen! door eene oudachtige dame, van wie hij een klein koffertje wilde wegnemen, alsof het een van zijne hem toevertrouwde kisten of koffers was. In het eerst wilde mijnheer Nemlich het koffertje niet teruggeven ; doch de oude dame was zeer geresolveerd; zij legde de hand op haar eigendom en sprak mijnheer Nemlich met .jongmenschquot; aan. Op deze beleediging wilde hij nu eerst met eene dergelijke lompheid antwoorden; maar toen hij zag, dat de oude dame, zonder zich een zier te geneeren, zich in denzelfden wagen van de tweede klasse neervlijde, waarin do familie

ocr page 87

71

Groterjahn zat, achtte hij het raadzamer te zwijgen; hij klom in de derde klasse, en men spoorde naar Berlijn.

Den anderen dag, omstreeks tien uren in den morgen, — want mevrouw Groterjahn kon 's morgens, vanwege hare zenuwen, het bed niet vroeger verlaten, — maakte de familie voorloopig een plan, hoe zij dien dag in Berlijn zouden doorbrengen. In de eerste plaats moesten zij van alles koopen. Mevrouw Groterjahn was door haren dokter te huis op allerlei middelen, tegen hare zenuwen eu andere ongemakken , opmerkzaam gemaakt; zij wilde zich ook van poeder tegen de vlooien, — dit zeide zij echter niet hardop, — en verder van een middel tegen de zeeziekte voorzien, dat door een dokter was uitgevonden, die nog geen ander water had aanschouwd, behalve dat in de Spree en in zijne lampetkom te zien was. Voor hare zenuwen moest zij nog een kist met „Hoff'sch Malz-Extractquot; medenemen, waartoe zij Anton ook wilde overhalen: hij was evenwel niet voor Hoff; hij hield het met Daubitz en wilde zich met diens likeur op de been houden, en zette ditmaal zijn wil ook werkelijk door. Helene wilde eene kleine lederen tasch voor zich koopen, die zij om kon hangen, en allerlei uocdige kleinigheden er in kon doen, zooals: naaige-reedschap, sleutels, klein gold, enz. die zij dan altijd dadelijk bij de hand had: en Paul zeide, dat zijn vader hom zijn aandeel in contant geld maar moest geven; dan zou hij ook nog wel iets heel noodzakelijks bedenken. Vader Groterjahn deed het ook. Vervolgens wilden zij het Museum bezichtigen en 'savonds naar de komedie gaan, waar Don Carlos gegeven werd. Paul werd door zijne lieve moeder van het Museum uitgesloten . daar zijne beschaving nog niet genoegzaam voor de Apollo's en de Venussen gerijpt was; hij kreeg vergunning om met mijnheer Semlich naar de apen en beren in den zoölogischen tuin te gaan.

De oude Jahn was dien morgen al bijtijds uitgegaan; Jochem Klahn met hem; hij was in de diergaarde geraakt, en daar had hij rondgeloopen om warme voeten te krij-

ocr page 88

72

gen, en zoo was hij ook in den zoölogischen tuin gekomen. Jocliem Klahn kon hier niet genoeg uitroepen van verwondering vinden. ,Mijnheer!quot; riep hij telkens, „wat zijn dat voor creaturen ? Kijk dit beest eensriep hij uit, toen hij eene hyena te zien kreeg, ,wat heeft die voor manieren! Hoor maar eens, die lacht letterlijk Neen, dat is om bang van te worden! Ja, jij bent de rechte! Kijk nu die vogels eens aan, neen! hoe bont, hoe bont! Hebt gij 't gehoord ? 't Is of ze praten.quot; En toen hij nu bij de hokken der apen kwam. stond hij geheel verbaasd en fluisterde ten laatste zijn meester heel zachtjes toe: „Mijnheer, verstaan zij dat, als wij samen spreken?quot; — ,Xeen, Joehem.quot; — „Mijnheer, lee-ren de apen ook praten?quot;— ,Neenzeide mijnheer Jahn en lachte, en had pleizier in zijn Jochem; en al kwam quot;t hem zeiven ook grappig voor. de grootste aardigheid vond hij er toch in, te bemerken, hoe wonderlijk het alles door Jochems hoofd vloog, en hoe het daarin draaide en warrelde. En toen zij eindelijk den terugtocht aannamen , keerde Jochem zich om en slaakte een diepen zucht, alsof de zoölogische tuin het paradijs zelf was, en hij, evenals Adam, daaruit werd verdreven, en hij sprak: .„Mijnheer, dit is alleen het geld al waard, om naar Berlijn te reizen.quot;

Middelerwijl was Paul met zijn praeceptor, mijnheer Nemlich, denzelfden weg naar den zoölogischen tuin opgegaan , dien de anderen teruggingen, en daar hij nu op den weg eene koopvrouw met appelen zag zitten, viel het hem in, dat hij immers geld had, en dat appelen iets noodzakelijks waren om te koopen; hij kocht er dus eenige Hij had een goeden koop gesloten, want daar waren er zooveel, dat hij ze met de beide wijd geopende handen tegen het lijf moest vasthouden; en die ongemakkelijke houding maakte zich nu een driftige, echt Bevlijnsche schoenmakersjongen ten nutte, nam beleefd zijne pet af en zeide: „Goeden morgen, klein jonske! Ik zal je eens helpen!quot; en daarop pakte hij schielijk een appel weg en stiet Paul de overige uit do handen.

ocr page 89

73

„Wacht eens!quot; riep Paul, „'kzal je leeren. mij klein jonske te heeten!quot; Hij vloog op den schoenmakersjongen aan en liet zijne appelen in den steek. Dit werd nu eene kostelijke natuurlijke kloppartij, en mijnheer Ncm-lich liep, als praeceptor, daarom heen: „Paul! Paul! Ik smeek u, om Gods wil! Hier in Berlijn, de zetel der fijnste beschaving, eene kloppartij! Wat zal mevrouw uwe moeder daarvan zeggen Paul bleef nogtans dapper aan 't vechten; de schoenmakersjongen was hem, wel is waar, de baas, want deze was ouder en grooter, had hem den kraag van zijne jas over 't hoofd getrokken en sloeg er nu van achteren op, doch zoodra Paul een oogenblik lucht kreeg, begon hij den schoenmakersjongen op nieuw uit te schelden en riep: ,Jij, gemeene gauwdief, die je bent!quot;

Juist in ditzelfde oogenblik moest het nu gebeuren, dat aan den anderen kant van den straatweg Jochem Klahn, twintig stappen achter zijn meester liep in gedachten verdiept over de apen en beren; toen wekten hom deze „klanken uit het geboorteland'': „Jij gemeene gauwdief, die je bent!' uit zijn liefelijken apen-en beren-droom, en toen hij nu don kleinen Paul aan den overkant zag, vergat hij apen en beren en de laatste oneenigheden met Paul, viel op den schoenmakersjongen aan, sloeg dien bengel met een paar stevige oorvijgen geregeld op de vlucht, streek den kleinen Paul over het hoofd en vroeg: ,Heere, bewaar ons! Paul, dat verwondert mij dan geducht; hoe kom jij te Berlijn? En hoe kom jij aan een kloppartij ?quot; — „Hij heeft mij ook mijne appelen afgenomen,quot;' zeide Paul nog geheel in vuur. — „En dat zie jij mee aan, Frans Kemlich, en je helpt den kleinen Paul niet? Jij bent toch een echte schaapskop!quot; sprak Jochem tot den praeceptor. Deze wilde nu veel zeggen, maar Paul vroeg daartusschen in: „Maar. Jochem, hoe kom jij hier?quot; — „Houd je mond, ik mag niet met je praten! Kijk, daar staat mijnheer; hij wacht al. Maar,quot; riep hij,

ocr page 90

74

terwijl luj reeds wegliep, ga toch naar de apen- eu be-renvertooning; dat is het mooiste, dat is het mooiste, wat......quot; Het overige werd door den wind meegenomen.

„Wat heb je nu weder?quot; vroeg de oude Jalin, toen Jo-chem buiten adem naar hem toekwam. „Je hebt je, geloof ik, met eene vechtpartij bemoeid. Dat moetje maarliever laten.quot; — „Mijnheer, 't was de kleine Paul.quot; — „Wie ?quot; — „Wel, onze kleine Paul quot; — „Paul Groterjahn?quot;— „Ja. mijnheer, dezelfde, en een groote jongen ranselde hem, en dat kon ik niet uitstaan.quot; — „Maar, hoe komt die in 's hemels naam hier?quot; — „Ja, dat moogt gij wel zeggen, mijnheer. Ik had hem wel willen vragen, maar ik mag immers niet met hem spreken.quot; — ,Och, je bent niet recht wijs; je moet je maar niet met gebabbel van liet ééne huis in 't andere ophouden.quot; — „Mijnheer, wil ik weerom loepen om 't hem te vragen?quot; „Keen. komaan!quot; en zoo gingen zij dan de stad weder in.

Ook de familie Groterjahn kreeg het te weten, dat de oude Jahn in Berlijn was; want, toen zij zich gereed maakten om naar Don Carlos te gaan, en Helene met naald en draad aan Pauls overhemdje bezig was, zeide Paul; „Moeder, weet ge het al? Jochem Klalm is ook hier.quot; — „Poll,quot; zeide mevrouw Groterjahn, ik begrijp niet, hoe 't mij, hier in Berlijn, zou kunnen interesseeren , dat Jochem Klahn hier is. Maar wat is dat daar?quot; vroeg zij, toen zij Paul's gescheurd overhemd zag. „O! niets.quot; zeide Paul. — „'t Is alles al weer in orde , „voegde Helene er bij, Paul op zijde schuivende, opdat hij uit mama's oogen komen zou. Deze wendde zich nu tot mijnheer Nemlich met dezelfde vraag, en nu vertelde mijnheer Nemlich de toedracht van het gevecht en plaatste zjjne zorg voor Paul in het behoorlijke licht. — „Leelijke klikspaan!quot; zeide Paul ongemerkt, zóó dat Helene alléén het hooren kon, „als 't naar zijn zin gegaan was, dan zou ik mooi slaag gekregen hebben,quot; en hij voegde er

ocr page 91

75

overluid tot zijne moeder bij; PJa, maar ik had toch gelijk, en als mijnheer Jahn Jochera Klahn niet geroepen liiid, dan zou de jongen nog wel meer gehad hebben.quot; 't Was een geluk voor Paul, dat hij den ouden heer Jahn mede invlocht; anders zou hij ongetwijfeld hedenavond niet in de komedie gekomen zijn, om Don Carlos te zien, en tot straf 't huis hebben moeten blijven. Doch nu bracht liet nieuws, dat de oude Jahn ook in Berlijn was, de zenuwen van mevrouw Groterjahn zoodanig in opwinding, dat zij Paul geheel vergat; en na lang en breed redeneeren met haren gemaal kwam zij tot liet besluit, dat dit weder eene nieuwe onbeschaamdheid was van den ouden Jahn, om het te durven wagen denzelfden dag in Berlijn te zijn, waarop ook z ij zich aldaar bevonden.

Toen zij des avonds uit de komedie naar het logement gingen, zei de lieer Groterjahn tot mijnheer Nemlich, dien zij ook medegenomen hadden: „Leg gij mij nu toch het geheel eens uit. Hoe kan een mensch als Schiller zulk eene onzedelijke betrekking beschrijven, dat een zoon met zijne eigene moeder, en al is 't ook maar eene stiefmoeder, in geheime verstandhouding leeft?quot; — „Ja, dat is waar, onzedelijk is het; maar bij een treurspel, dat men ook tragisch noemt, is iets onzedelijks geoorloofd, dewijl de dichters anders in 't geheel geen treurspel schrijven kunnen; in een blijspel daarentegen moet alles zedelijk zijn, en de nieuwste blijspelen zijn alle zeer zedelijk en vol echte geestigheden. Dat heb ik vroeger in de komedie te Kröplin iederen avond gezien, waar ik destijds in betrekking was.quot; — „Dat moet ik ook maar zeggen!quot;quot; hernam mijnheer Groterjahn. „Ik, voor mijn part, ga ook veel liever naar een blijspel, maar mijne vrouw is meer voor het treurspel en de groote opera's. wegens de beschaving van llelene. Het stuk van dezen avond heeft mij maar half behaagd.quot; — „Ja,quot; zeide mijnheer Nemlich, „ik begrijp Schiller ook niet, hoe hij met zulke oude, afgezaagde redeneeringen voor den dag kan komen.

Reuter. Mont, en Cap.2e dv. 6

ocr page 92

76

als, bij voorbeeld: do schoono dagen van Aranjuez zijn nu voorbij, of, die knaap, Karei, begint vreeselijk voor mij te worden.quot; — „Dat is 't geen ik zeg!quot; riep de beer Groterjahn uit, „en dat moet nu een groot dichter verbeelden ! Hoe dikwijls heb ik tot mijn Paulus gezegd, als de vaeantie gedaan was: „de schoone dagen van Aranjuez zijn nu voorbijen dan voegde ik er nog den anderen regel bij: „en haat en wraak komen thans aan de beurt. „En hoe vaak heeft mijne vrouw niet gezegd, als Paulus zicli in een groot gezelschap onbetamelijk gedroeg: „die knaap y Poll, begint vreeselijk voor mij te worden.quot; „Nu,quot; zeide hij, mijnheer Nemlich op den schouder kloppende, „ik zie het al, wij begrijpen elkaar.quot;

VIJFDE HOOFDSTUK.

Wecnen eu hut witte Paard in de Leopold stad. — Hoe de heer Groterjahn een ouden vriend met eene mosterdsaus opeet. — Of de Propyleen te Athene „Popoleümquot; of „Propoleümquot; heeten , en of dat eene (jeschikte plaats is voor (jerookte ganzen. — Alles loopt wexj, behalve mevrouw Groterjahn, en twee oude vrienden ontmoeten elkander. — De bliksem van mevrouw Groterjahn treft een (/rijzen bliksemafleider. — Jochem Klahn is hier en de oude Jahn ook, en de oude grijze dame reist naar Komtantinopel. ■— Werthers lijden en de visscher met de trompet. — Of Sommering of Siemerling het juiste woord is. — De eene inenseh mag den anderen niet in den slaap storen.

Den volgenden dag reisden de beide partijen verder, de heer Jahn met den eersten trein, de Groterjahns met den tweeden; de heer Jahn recht warm in een pols gehuld, mijnheer Groter]alm klappertandend in een overjas, en beiden zeer ontevreden: mijnheer Groterjahn, omdat het warme zuiden niet komen wilde; de heer Jahn, omdat liij

ocr page 93

77

niets bijzonders op het land te zien kreeg, want Saksen on Boheme zagen er onder tmeenw en ijs ook evenzoo uit, als Mekklenburg in dien tijd van het jaar.

In Weenen reed de oude Jahn naar „het Witte Paard'1 in de Leopoldstad, daar zijn logementhouder in Berlijn hem dat hotel had aanbevolen; in Weenen reed mijnheer Groterjahn ook naar de Leopoldstad, ook in 't „Witte Paardquot;, omdat Baedeker daar een kruisje bij gemaakt had, en mijnheer i^emlich bovendien had gelezen, dat de Xoord-Duitschers er steeds hunnen intrek namen, en men er schoonen visch bekomen kon, onder anderen ook ,s chili ', dien mijnheer Groterjahn niet kende, maar waarmee hij gaarne kennis wilde maken, omdat hij over 't geheel veel van visch hield. Toen zij nu aangekomen waren en de dames zich een weinigje na de reis verfrischt en opgeknapt hadden, rukte Groterjahn aan liet hoofd van zijn gezelschap de eetzaal binnen, en vroeg zijne lieve vrouw, hoe zij over viscli dacht. „Anton,quot; antwoordde mevrouw Jeannette, „ik heb reeds, vóór wij op reis gingen, de meening uitgesproken, dat het de plicht van eiken reiziger moet zijn, zich, uit beginsel, aan te sluiten aan de verschillende eigenaardigheden der individuëllialiteiten, — dit is een onaangenaam lang en moeilijk woord, —- van de onderscheidene volkeren, ook in spijs en drank. Uit dien hoofde heb ik in Berlijn pannekoeken gegeten en wit bier daarbij gedronken, wat mij juist niet best bekomen is; hier, in Weenen, ben ik voornemens, gebakken haantjes te eten,'quot; — „Dat willen wij immers ook doen, lievertje!quot; zeide Anton. „Maar, wat denk je? een stukje visch vooraf? „schili?quot; — Bij ons hebben we dien niet.quot; — „Nu, ik mag het lijden!quot; sprak mevrouw Jeannette. „Je weet, dat ik je altijd je zin geef. Maar 't is mij een gruwel, die oude dame, die in llostock bij ons in denzelfden waggon kwam, in elk individueel land haren broodkorf met ham en worst te voorschijn te zien halen, en te bespeuren, welke begeerige blikken jij daarop gevestigd hebt. Ik

ocr page 94

78

geloof, dat jij en die oude vervelende dame in staat zoudt wezen, om je in de meest beschaafde stad van geheel Griekenland, in Athene, op de Po—po. . .. „Popoleümquot; neer te zetten en gerookte gans te eten. ' — „Grij meent zeker de Propoleümquot;, zelde mijnheer Nemlich een beetje voorbarig. — ,quot;t ls mogelijk, dat het zóó heet; maar „Popoleümquot; schijnt nnj juister toe en ook voornamer, want wij zeggen niet pro pulace, maar populace. Voor 't overige kunt gij steeds mijnen man en mijnen kinderen uwe ophelderingen doen hooren, voor mij is dit juist niet noodzakelijk; ik zal er u, in geval van nood, wel om verzoeken.quot; — Zoo, Frans Nemlich! Daar heb je nu voor de eerste maal je verdiende loon; waarom heb je ook zoo mooi van buiten geleerd!

Plet gezelschap zat aan tafel, en de visch werd gebracht; zij hadden ieder een klein brokje op hun bord, en mijnheer Groterjahn bekeek zijn aandeel en riep eindelijk: „Kellner? We hebben eene heele portie besteld, maarniet eene halve.quot; De knecht zeide, dat het ook eene heele portie was.quot; .Dat moet een zeer zeldzame en dure visch wezen,quot; zeide mijnheer Groterjahn en begon met aandacht zijne portie te proeven, „want elke portie kost een gulden en twaalf kreutzers.quot; — „Vadertje, weet je wat?quot; riep Paul, die aan zijne portie begonnen was, luidkeels over de tafel heen, „dat is „Sannat!quot; ).— „Poll!quot; riep mevrouw zijne moeder hem toe wegens zijnen dommen uitroep en wegens zijn dom platduitsch. Mijnheer Groterjahn had zijn stuk al eenigszins twijfelachtig bekeken, en toen hij nu met mes en vork aan den slag ging en het vleesch van den visch zoo glad uit elkander schilferde, werd hij zoo weekhartig gestemd, alsof hij een van zijne beste en oudste vrienden moest opeten. „Helene,quot; vroeg hij, „wat zegt ge er van ?quot;— „Ja,

') Sannat, in 'thoogduitseh Zander genaamd, is een soort van rivier visch, een in Mekklenburg bijzonder geliefkoosd gerecht.

Vert.

ocr page 95

79

vader, Paul heeft gelijk,'' hernam Helene lachende, „'tis onze oude Mekklenburgsche S a n n a t. Mijnheer Gro-terjahn keek zijne vrouw met een deerniswaardigen blik aan en zeide: „Lievertje, neem 't niet kwalijk! Ik kan't ook niet helpen. Sarmat! en dat noemen ze hier S c h i 11 ?quot; — „Antonzeide zijne lieve vrouw met een recht lief' laclije van zelfvoldoening, „ik iieb mij in je wil geschikt, zooals ik gewoonlijk doe, ofschoon ik meer lust zou gehad hebben aan Fogasch, waarvan Baedeker spreekt, en die mij voor de Keizerlijk-Koninklijke Oosten-rijksche staten individuëeler schijnt te wezen. „Schiliquot; is toch een bekende naam voor ons.quot; — „Toch niet als visch,quot; zeide Anton, „en dan die hooge prijs, per portie een gulden. twaalf' kreutzers!quot; Eu die hooge prijs gaf aan eiken hap, dien hij nu gebruikte, een smaak, alsof er een soort van mosterdsaus bij was.

Toen mijnheer Groterjahn den visch betaald had, wat hij altijd dadelijk deed, en eer de gebakken haantjes kwamen, was Paul de kamer eens uitgegaan. Zijn haantje lag al lang op zijn bord; vader Groterjahn had het zijne reeds verteerd en zag al naar een tweede uit, misschien ook al naar een derde; maar Paul kwam niet weder. Dit moest allen zeer verbazen, want Paul was een echte Mekklen-burger, ofschoon nog maar een kleine; hij was aan 't brood gewend, en als de schotel op de tafel stond, dan waren hij en de vliegen altijd de eersten, die er op aanvielen; en hij placht ook. tot het laatste toe, vol te houden. „Hij is nog te jong.quot; zei de heer Groterjahn, „en naar mijn smaak, is hij ook te veel in het weeke deeg gewenteld,quot; — hiermede bedoelde hij liet gebakken haantje, en niet Paul. „Maar, waar is Paulus?quot; vroeg hij. — „Ik zal hem eens gaan zoeken,quot; zeide Helene, en zij was de kamer reeds uit, toen hare moeder ook vroeg, waar Poll was, en den heer Nemlich daarbij aanzag, omdat Paul hem was aanbevolen, en hij voor hem zorgen moest. Mijnheer Nemlich stond nu ook op en ging uit de kamer,

ocr page 96

80

en toen ua eene poos niemand terugkeerde, ging de lieer Groterjahn de kamer ook uit, om de anderen te zoeken; en de genadige vrouw zat nu moederziel alleeu met haar gebakken haantje en met hare knorrigheid, omdat zij zoo afschuwelijk door haren man en hare kinderen verwaarloosd werd.

Toen Helene, den gang door, naar hare kamer ging en iu het heldere schijnsel eener gasvlam kwam, stond eene lange gedaante vóór haar, en terwijl zij met vluggen tred daar voorbij quot;wilde ijlen, werden twee handen naar haar uitgestrekt, en eene geliefde, bekende stem riep: Heleentje !'' — Zij zag op, „Oom Jahn! Mijnheer Jahn?quot;' riep zij uit. — „Waarom zegt gij mijnheer? Ben ik dan je oom niet meer?quot; zeide de oude man, sloeg zijn arm om haar heen, bukte en kuste haar, zeggende: „mijne lieve, kleine Leentje!quot; — „Oom Jahn! Oom Jahn! Hoe komt gij hier in quot;Weenen?quot; — „Ja! verbeeld je dat eens! Zoo even, op dit oogenblik, hebikvanPaulveruomen.dat gij allen naar Konstantinopel reist, en ik ga er ook heen met dezelfde stoomboot, en dat weet nog niemand, behalve gij all een.'quot; — „Och hemel, wat moet daarvan worden? Mijne ouders en gij • • • •quot; — „Goed zal 't worden, goed!quot; riep de oude man en schoof het jonge meisje eene schrede van zich af en zag haar van het hoofd tot de voeten met eene uitdrukking van vast vertrouwen aan. Daar kwam mijnheer Nemlich aan: „Mejuffrouw

Helene, hebt gij Paul..... Heere jeminó, dat is zoo

waar mijnheer Jahn! Mijnheer Jahn, hoe......!quot; —

„Kijk, kijk, viel de oude heer hem in de rede, „en is dat niet de zoon van den koster uit Zippelmannshagen ? Hoe drommel zijt gij hier in Weenen gekomen ?quot; — „Ik — ik ben aangekomen als uitlegger van mijnheer Groterjahn.quot; — „Zo —• o — o!quot; haalde de oude heer heel lang uit, „moet gij dan voor mijnheer Groterjahn de andere menschen uitleggen en verklaren, of voor andere lieden den heer Groterjahn?quot; vroeg de oude man eenigszins scherp; —

ocr page 97

81

cm daar hij bedacht, dat die vraag voor Helene pijnlijk zou kunnen wezen, en meende, dat mjjnheer Nemlicli zoniet recht begreep, zeide hij: „Nu, ga gij maar naar nummer zeven; daar zult gij Paul wel vinden, als gij hem zoekt; hij is daar aan het keuvelen met mijn Jochem Klahn. — Ja,'' sprak luj, nadat mijnheer Nemlicli naar nummer zeven gegaan was, en hij reikte Helene de handen toe, „'t zal alles weder goed worden, mijn kind! Maar spreek er voorloopig nog niets van, dat ik met u te zamen reizen zal.quot;— „Ja, oom, maar Paul . . . —„Wel, die weet er niets van, want Jochem Klahn weet ook nog niets.quot; Hij wilde nog meer zeggen, doch toen kwam mijnheer Groterjahn, geheel buiten adem door het trappen klimmen , aanblazen en riep : „Helene, waar is ... ? waar . .. ? waar . . .? waar is? Groote God, nog ééns! Dat is immers Jahn?quot; — „Ja, Groterjahn,quot; hervatte de oude heer bedaard, „dat is je oude, vroegere vriend Jahn.quot; — „Hm! hm!quot; zei mijnheer Groterjahn in zijne groote verlegenheid, „ja — ja ja — Helene, waar is onze Paulus?quot; — „Kom, vader,quot; zei Helene, „Paul is op nummer zeven. en mijnheer Nemlicli ook.quot; En toen zij daar bij de deur kwamen, kwam mijnheer Nemlich hen al met Paul te gemoet, en Jochem Klahn stond aan de kamerdeur en zeide: „Paul, kom jij maar gauw weer; ik en mijnheer mogen je gaarne lijden; maar Frans Nemlich hoef je niet meê te brengen; dat is een groote schaapskop! Hij noemt mij altijd u en mijnheer en mijnheer Klahn, en wij hebben altijd samen gevochten!''

Toen mevrouw Groterjahn zoo alleen zat met hare boosheid, — want het gebraden haantje was er ook niet meer; dat had zij al opgegoten, — en nu zoo van lieverlede de gal en de zenuwen over de onoplettendheid van hare betrekkingen in haar begonnen op te stijgen, en zij uit hare moederlijke oogen reeds de hevigste bliksemstralen op de onschuldige kamerdeur slingerde, waardoor de beleedi-gers van de eer en de waardigheid harer familie moes-

ocr page 98

ten binnenkomen, had het toeval in zijne onbegrijpelijke-wijsheid al voor een bliksemafleider gezorgd. De oude dame, die reeds in Rostoek den heer Nemlich met den koffer gearresteerd had, en daarna bijna altijd met de Gro-terjahns in denzelf'den wagen de reis medegemaakt had , plaatste zich stijf en strak, als een soort van bliksemafleider, ten voordeele der misdadigers aan de zijde van mevrouw Groterjahn, zeggende; „Goeden avond, lieve mevrouw! Ik zie, dat gij hier zoo alleen zit. en daar wij nu toch reeds zoo lang reisgenooten zijn .. .quot; Zij wilde nu nog iets vriendelijks zeggen; maar de bliksemstralen van mevrouw Groterjahn schoten opwaarts in hare grijze haren, en sloegen langs haar mager lichaam en haar grijzen omslagdoek en het grijze kleed tot op de grijze rijglaarsjes neder, zoodat de oude dame er in inderdaad van ontstelde, hare vriendelijkheid vergat, en haar, in plaats daarvan, met de onbeschaamde vraag, vlak in 't gezicht, overviel: „Zijt gij boos. mijne lieve dochter?quot; Nu! ieder mensch, die ooit boos geweest is, weet nu toch, dat men eerst reclit boos wordt, als men naar het boos zijn gevraagd wordt, en nu kwam er nog bij, dat de onbeschaafde oude dame haar zoo weinig achting betoonde, en haar in 't platduitsch aansprak en ook als „dochterquot;. — Dit zou nu juist nog zoo heel erg niet geweest zijn, want elke vrouw op zekeren leeftijd zal zich liever „dochterquot; dan „moederquot; laten noemen; maar zeker toch niet door iedereen. Zij, de grondeigenares, mevrouw Groterjahn, zou zich door zoo n oude, stijve bliksemafleider, door zulk een vrouwspersoon dochter laten noemen ? Dat kon toch op hare beschaafde betrekkingen een wonderlijk licht werpen. Zij zeide dus, — en haar bliksemstraal ging nu eens, voor de verandering-van beneden naar boven, langs de oude dame op, — dat zij volstrekt niet wist .... — „Ik weet alles, mijne lieve dochter, wat gij zeggen wilt,quot; viel de oude dame haar in de rede. „Gij weet volstrekt niet, waaraan gij de eer te danken hebt, dat ik mij om u bekommer: maar ik

ocr page 99

83

zal ii zeggen waarom: gij hebt zulke allerliefste kinderen . . De oude dame kwam er ook niet toe, hare rede ten einde te brengen; want in dit oogenblik stoof' Paul de deur binnen, ging voor zijne moeder staan mot den vroolijksten lach op 't aangezicht en riep uit: Moeder, weet gij 't al? Jochem Klahn is hier! Jochem Klahn van den ouden Jahn is hier, en de oude Jahn is ook hier!quot;

'tls, ronduit gezegd, toch schandelijk in de wereld! Moeder of dochter Groterjahn, zij wist in haar drift ook niet meer, wat ze eigenlijk was, had de schoonste troeven in de hand, die zij tegen de oude, onbeschaamde dame wilde uitspelen, en nu kwam Paul, die domme jongen, en achter hem Helene en mijnheer Nemlich, en ten laatste nog haar eigen, wettige man, Groterjahn zelf, en zij zeidon allen, dat de oude Jahn er was, en mijnheer Xeinlich — waarschijnlijk om zich door nauwkeuriger mededeeling bemind te maken, wat hem echter niet gelukte, — zeide. dat de oude Jahn op nummer zeven logeerde, en dat zijn bed juist tegen den muur stond, waar dat van mevrouw Groterjahn op nummer acht ook tegenaan was geplaatst, zoodat zij elkander gemakkelijk konden toekloppen.

Mevrouw Groterjahn was bij deze aangename mededee-liugen geheel en al verbaasd: langzamerhand herstelde zij weder en koos uit het geheele gezelschap het waardigste voorwerp voor hare ergernis en haren toorn, waarbij zij natuurlijk, uit oude gewoonte, op haren echtgenoot verviel, die zoo vrijpostig en onbeschaamd voor haar stond, alsof hij zoo onschuldig was als een pasgeboren kind.

„Groterjahn,quot; riep zij en schoof het bord met de overblijfsels van het gebraden haantje vol verontwaardiging van zich af, „gij mishandelt uwe vrouw!quot; Anton stamelde nu zoo wat bij elkaar, dat hij 't immers ook niet helpen kon, dat de oude Jahn hier was; en Paul schreeuwde daartusschen in: „Moeder, weet je wat ik wou? Ik wou, dat Jochem Klahn en de oude Jahn ook meereisden naar

ocr page 100

84

Konstantinopel!quot; — „Hij zou er brutaal genoog toe wezen!quot; riep mevrouw Jeannette, en zij keek het gelieele gezelschap volgens de rij aan, wie het zou durven wagen, hier iets tegen in te brengen, totdat haar blik onafgewend en strak op de oude, magere dame gevestigd bleef, terwijl zij bij zich zelve overlegde: „Wel! zoo 't nu werkelijk eens waarheid was, wat die domme jongen, die Paul, in zijn onverstand er uitgeflapt heeft!quot;' — „Gij ziet mij aan, lieve dochter,'' sprak de oude dame, „aan mij is niet veel te zien, en aan 't geen u wrevelig maakt ben ik geheel onschuldig. Doch zooveel ik bemerk, is uw buurman daaraan schuld, en daarin zoo heel gemakkelijk eene verandering kunnen gemaakt worden; wij kunnen immers van kamers verwisselen, in de mijne staan ook twee ledekanten en ik maak er in 't minst geen bezwaar in, met den ouden — hoe heet hij dan ook weer?quot; — „Jahn!quot; zei Paul. — „Poll!quot;' riep zijne moeder uit. — „ Alzoo, om met den ouden Jahn muur aan muur te logeeren.quot; — „Dat is recht vriendelijk van u,quot; zei Helene; zij ging naar do oude dame toe en legde haaide hand op den schouder: „Moeder zal uw vriendelijk aanbod met grooten dank aannemen.'quot; Groot was de dank nu juist niet, dien moeder uitsprak; 't was slechts eene genadige buiging naar voren, die hare scharnieren in 't zitgewricht maakten. „Waarom niet? Waarom niet? meisje lief!quot; zei de oude dame tot Helene en streelde hare kleine, zachte hand met hare oude, beenderige kneukels. „De eene mensch moet jegens den anderen gedienstig zijn, en gij zult het mij nog wel kunnen vergelden, daar wij nog lang reisgenooten blijven, want, gelijk ik hoor, wilt gij ook naar Konstantinopel.quot; Nu, zoo iets gaat toch alle menschelijk begrip te boven! Deze oude, grijze dame wilde dus ook naar Konstantinopel! Mevrouw Jeannette zag haar dan nu ook aan, alsof zij op deonbe-schaamdste wijze inbreuk op hare rechten gemaakt had; zij, mevrouw Groterjahn, reisde, omdat zij zich zoo krachtig

ocr page 101

85

gedrongen gevoelde door de zucht naar meerdere beschaving; maar deze oude persoon, die nog geen voet in 'trijk der beschaving had gezet. om welke reden wilde dit schepsel naar Konstautinopel ? Zelfs Helene was verbaasd over zulk een voornemen en riep uit: „Mijn hemel, op uwe jaren!quot; — „Ja, kind lief, wat men op jeugdigen leeftijd verzuimd heeft, moet men, als men oud wordt, inhalen. Ik heb, van mijne vroegste jeugd af, den vurigen wensch gekoesterd, God in de natuur te leeren kennen en Hem in Zijne werken te bewonderen en te aanbidden; maar ik moest mij bij eene kleine uitgestrektheid bepalen, bij de Wismar, mijn kind, want het ontbrak mij aan geld. Thans ben ik echter door een ongelukkig sterfgeval in mijne familie — 'tis mijne eenige zuster, mijne lieve! — in staat gesteld, mijne wensch en te vervullen.quot; — „Hebt gij dnn vroeger nooit eene reis gemaakt?quot; vroeg Helene. — „Neen, ik kon uit de Wismar niet meer wegkomen. Wat ik van de wereld weet, weet ik uit boeken. Ja, in mijne jeugd, toen ik zoo oud was, als gij nu zijt, toen heb ik eens van Wismar naar Sternberg gereisd, om een bal bij te wonen, kind lief,quot; — hier speelde zoo'n schalksche glimlach om hare bleeke lippen, — „ja, 't was bij een schuttersfeest op het kroningsbal. Het was een schoone Juni avond, toen wij uit Wismar wegreden; gij moet weten, lief meisje, spoorwegen en straatwegen waren er toen nog niet; de postwagen ging ook maar tweemaal in de week; ik reed dus mee met een koopman in visch, en wij reden 's avonds weg, opdat de visch In die heete dagen niet zou bederven. Langzaam ging het, want de wielen aan zijn wagen waren niet vast in de maat, zooals hij zeide; ook had hij eene kleine zeis meegenomen, en als wij bij een klaverveld kwamen, dan klom hij van den wagen af, maaide klaver en voerde de paarden, 't Was niet eerlijk van dien man, liefkind! want de klaver behoorde hem niet toe. En toon wij bij een water kwamen, reed hij er met don wagen tot aan de as in ,

ocr page 102

84

Konstantinopel!quot; — „Hij zou er brutaal genoog toe wezen!quot; riep mevrouw Jeannette, en zij keek liet geheele gezelschap volgens de rij aan, wie het zou durven wagen, hier iets tegen in te brengen, totdat haar blik onafgewend en strak op de oude, magere dame gevestigd bleef, terwijl zij bij zich zelve overlegde: ,Wel! zoo 't nu werkelijk eens waarheid was, wat die domme jongen, die Paul, in zijn onverstand er uitgeflapt heeft!quot; — „Gij ziet mij aan, lieve dochter,quot;' sprak de oude dame, „aan mij is niet veel te zien, en aan 't geen u wrevelig maakt ben ik geheel onschuldig. Doch zooveel ik bemerk, is uw buurman daaraan schuld , en daarin zoo heel gemakkelijk eene verandering kunnen gemaakt worden; wij kunnen immers van kamers verwisselen, in de mijne staan ook twee ledekanten en ik maak er in 't minst geen bezwaar in, met den ouden — hoe heet hij dan ook weer?quot; — „Jahn!quot; zei Paul. — „Poll!quot; riep zijne moeder uit. — „Alzoo, om met den ouden Jahn muur aan muur te logeeren.quot; — „Dat is recht vriendelijk van u.quot; zei Helene; zij ging naar de oude dame toe en legde haaide hand op den schouder: „Moeder zal uw vriendelijk aanbod met grooten dank aannemen.'' Groot was de dank nu juist niet, dien moeder uitsprak; 't was slechts eene genadige buiging naar voren, die hare scharnieren in 't zitgewricht maakten. „Waarom niet? Waarom niet? meisje lief!quot; zei de oude dame tot Helene en streelde hare kleine, zachte hand met hare oude, beenderige kneukels. „De eene mensch moet jegens den anderen gedienstig zijn, en gij zult het mij nog wel kunnen vergelden, daar wij nog lang reisgenooten blijven, Avant, gelijk ik hoor, wilt gij ook naar Konstantinopel.quot; Nu. zoo iets gaat toch alle menschelijk begrip te boven! Deze oude, grijze dame wilde dus ook naar Konstantinopel! Mevrouw Jeannette zag haar dan nu ook aan, alsof zij op deonbe-schaamdste wijze inbreuk op hare rechten gemaakt had; zij, mevrouw Groterjahn, reisde, omdat zij zich zoo krachtig

ocr page 103

85

gedrongen gevoelde door do zucht naar meerdere beschaving; maar deze oude persoon, die nog geen voet in 'trijk der beschaving had gezet, om welke reden wilde dit schepsel naar Konstantiiiopel ? Zelfs Helene was verbaasd over zulk een voornemen en riep uit: „Mijn hemel, op uwe jaren!quot; — „Ja, kind lief, wat men op jeugdigen leeftijd verzuimd heeft, moet men, als men oud wordt, inhalen. Ik heb, van mijne vroegste jeugd af, den vurigen wensch gekoesterd, God in de natuur te loeren kennen en Hem in Zijne werken te bewonderen en te aanbidden; maar ik moest mij bij eene kleine uitgestrektheid bepalen, bij de Wismar, mijn kind, want het ontbrak mij aan geld. Thans ben ik echter door een ongelukkig sterfgeval in mijne familie — 'tis mijne eenige zuster, mijne lieve! — in staat gesteld, mijne wenschen te vervullen.quot; — „Hebt gij dan vroeger nooit eene reis gemaakt?quot; vroeg Helene. — „Neen, ik kon uit de Wismar niet meer wegkomen. Wat ik van de wereld weet, weet ik uit boeken. Ja, in mijne jeugd, toen ik zoo oud was. als gij nu zijt, toen heb ik eens van Wismar naar Sternberg gereisd, om een bal bij te wonen, kind lief,quot; — hier speelde zoo'n schalksche glimlach om hare bleeke lippen, — „ja, 't was bij een schuttersfeest op het kroningsbal. Het was een schoone Juni avond, toen wij uit Wismar wegreden; gij moet weten, lief meisje, spoorwegen en straatwegen waren er toen nog niet; de postwagen ging ook maar tweemaal in de week; ik reed dus mee met een koopman in visch, en vnj reden 's avonds weg, opdat de visch in die heete dagen niet zou bederven. Langzaam ging het, want de wielen aan zijn wagen waren niet vast in de maat, zooals hij zeide; ook had hij eene kleine zeis meêgenomen, en als wij bij een klaverveld kwamen, dan klom hij van den wagen af, maaide klaver en voerde de paarden, 't Was niet eerlijk van dien man, liefkind! want de klaver behoorde hem niet toe. En toen wij bij een water kwamen, reed hij er met den wagen tot aan de as in,

ocr page 104

86

opdat de wielen liet water zouden mzuigen, en liij klom er uit met zijne hooge, vetleeren visseherslaarzen, en ging onder een wilgeboom liggen, waar hij eene heele poos sliep, en ik zat daar in mijn wit balkleed en mijne rozeroode sjerp bij de visch en in het water. Maar ik was daarom niet boos op hem, want het was een heerlijke nacht, en de sterren fonkelden aan den hemel, én ik aanbad Gods almacht. En toen de morgen aanbrak, reden wij verder, — niet den rechten weg, kind lief', neen! steeds langs al do dorpen in den omtrek, daar hij toch zijn visch verkoopen wilde. Het was een aangename rit, want het was een schoone Zondagmorgen, en de kerkklokken klonken over veld en bosch. Zoo kwamen wi j dan in een groot dorp; daar klom ik den wagen af en zette mij neder op het kerkhof, op een lang vergeten graf en las in „Werthers lijdenquot;, en de visscher haalde zijne trompet uit den wagen en begon visch uit te venten, en ik schreide recht bitter. Tegen den avond kwamen wij werkelijk in Sternberg bij mijne familie aan; ik ging naar het bal en heb heel veel gedanst. Dat kunt gij mij nu niet meer aanzien, meisje lief. Ja! 'tis ook al lang geleden; maar in dien tijd maakte men mij toch vele complimenten over mijn dansen quot;

Toen nu, vóór 't naar bed gaan, de verwisseling der kamers in orde gebracht was, en de oude dame, in haren heldenmoed, volkomen gerust en kalm naar hare kamer was gegaan, om in de onmiddellijke nabijheid van den gevaarlijken ouden Jahn te slapen, en de Groterjahns „goeden nachtquot; gewenscht had, zeide Helene tot hare moeder: „Moeder, wat is dat eene interessante oude dame, zoo vriendelijk en gedienstig en op hare hooge jaren nog zoo kinderlijk. Ik verheug mij zeer haar op reis tot gezelschap te hebben ; ik zal mij zeer aan haar aansluiten. — „Ellen, mijn kind, ge weet, dat je moeder nooit een voorbarig oordeel over personen uitspreekt, maar over deze oude persoon was ik reeds in Rostock riet meer

ocr page 105

87

in twijfel, toen ik Ziig inet welk eene lompheid zij van mijnheer Nemlich haar koffer terug verlangde. Alsof iemand uit ons gezelschap haar zou willen bestelen!quot; „Maar, moeder, zij had toch het recht, om naar haar koffer te zien.'' — „Dan had zij het met de betamelijke beleefdheid jegens ons kunnen doen. Neen, zij is eene oude, ongemanierde, indringende persoon. Hoe kan zij liier, zóó maar, zonder voorgesteld te zijn, bij mij komen zitten? Hoe kan zij mij altijd als „mijne dochter.quot; „mijne lieve dochter,quot; aanspreken? Eu die wil naar Konstan-tinopel! Dan kan immers iedere winkeliersvrouw uit eene kleine stad zulke reizen doen.quot; — „Moeder, onze

grootmoeder.....quot; — ,, Hclla, mijn kind, ge weet, dat ik

gaarne een gesprek met je voeren wil, om je gelegenheid te geven, in ieder opzicht je geest te beschaven; maar ik verzoek, dat dit onderwerp niet aangeroerd worde.quot; Hiermede was dus nu het gesprek geëindigd; moeder ging knorrig naar bed, Helene stil. Moeder Grroterjahh dacht er over na, boe zij den roem van „haar geslachtquot; zou staande houden, en Helene liet hare gedachten van het zuiden naar het noorden zweven, als vlugge zwaluwen , die een groet brengen uit warme streken en op hare lichte vleugels den zonneschijn naar 't koude land overbrengen.

In de naastgelegene kamer ging de heer Groterjahn met mijnheer Nemlich en Paul ook ter rust. „Vader,quot; zei Paul, „weet gij wat? die oude dame, die raag ik gaarne lijden, wat kan die grappig vertellen.quot; — „Paulus,quot; zeide de vader, „je hebt zeker wel gemerkt, dat je lieve moeder met die nieuwe kennismaking niet zeer ingenomen is. De mensch moet zich niet wegwerpen, mijn zoon.quot; — „Ja vader, 't is wel mogelijk, maar 'k mag haar toch gaarne lijden.quot; — „Mijnheer Nemlichquot;, zeide vader Groterjahn, „wij willen nog afrekenen.quot; Én toon dit nu in orde was, en mijnheer Nemlich zijne tien groschen voor den volgenden dag gekregen had, zei

ocr page 106

88

do heer Groterjahn; ,,Diis, van hier reizen wij over den groeten Siomerling.quot; - „Neem mij niet kwalijk; het heet: Sommering.quot; Daar kwam hij nu mooi te pas: mijnheer Groterjahn had het best onthouden, hoe zijne vrouw den heer Nemlich met liet woord P o p o 1 e ü m getroefd had; en wat z ij kon, dat k o n hij ook en m o e s t hij ook ; hij zeide dus: „Sömmer ing is, zooveel ik weet, in 't geheel geen naam, maar Si em er ling is een naam; ik heb veel zaken gedaan met dokter Siemerling in Meuw-Brandenburg, en gij zult mij dus wel vergunnen, dat ik Siemerling zeg.quot;

Zoo was dus ook hier onéénigheid ontstaan; maar het duurde niet lang, of allen sliepen gerust in; slechts Paul werd midden in den nacht wakker en riep: „Vader! Vader! quot;Weet gij wat? Su willen we altijd lekkeren visch en gebraden haantjes eten.quot; — „Paulus,quot; antwoordde zijn vader, „hoe dikwijls heb ik je al gezegd: de eene mensch'mag den anderen niet in zijn slaap storen ,quot; en hij snorkte verder.

ZESDE HOOFDSTUK.

Do, rein wordt voortgezet. — De oude dunte wordt yezien, «/'-(jekeurd en huitenfjesloteu. — Twee landslieden, maken kennis.— Adclsberg. — Waarom Jochem hier ecu salamander koop u wil en naderhand veen ineeniny is, dat de oude dame liegt. ■— Welk soort van creatuur een hora is — Waarom moeder steeds rondloopt als eene leghen, en Helene op den schoot van den ouden Jnhn gaat zitten. — De toorn is hlind, hij treft den verkeerde. — De Adriatische zee, en dat Jochem Klahn zich voor de eerste maal op degeheele reis niet verwondert.—Boven de, aarde is H geen kunst, maar, ouder de aarde. — Triest.

Twee dagen later maakte de familie Groterjahn zich nu weder tot de verdere reis gereed; men zou thans over den

ocr page 107

89

grooton „Sieinerlingquot; naar Triest gaan. Toen zij a:m liet station van don spoorweg kwamen, stond do oude dame, met haren grijzen mantel om, ook reeds daar, zonder hen te bemerken, want zij stond mot den rug naar hen toe; en Helene zeide: „Zie eens. moeder, daar is onze oude, goede buurdame ook al,quot; en 't scheen, dat zij grooton lust had, haar goeden dag te zeggen. Daar kwam nu niets van, want mevrouw Jeannette schoof spoedig den eersten wagen den besten met haar in, en Paul. die ook grooten lust had . vriendschappelijk naar de oude dame toe te vliegen, werd door zijn lieven vader hals over hoofd liet portier ingeduwd, want de heer Groterjahn had oen ontzettend fijnen tact voor datgeen, wat zijne vrouw beviel en niet beviel, en nu las hij op haar gelaat, dat hij, indien de oude dame in denzelfden wagen kwam, den gan-schen dag onweèrsbuien te verduren zou hebben.

Het voorwerp van mevrouw Groterjahns afschuw ging-nu nog een tijd lang, met vasten tred en zonder zich in 't minst te geneeren, tusschen de telegraafpalen op en neder, alsof die oude palen hare zusters en broeders waren, en klom, toen er geluid was, in den eerst bijzijnden wagen, waar zij tegenover een oudachtig lieer plaats nam. Zij had niets verder bij zich dan een klein Mek-klenburgsch mandje, waar zij zeer veel zwak op scheen te hebben, want zij hield het den ganschen dag op haren schoot.

De lieden waren aan het werk op de velden en in de wijnbergen, in den omtrek, en men kon wel zien, dat liet hier schoon moest wezen, als het voorjaar kwam; thans echter was het nog grauw en doodsch, en in plaats van het groene kleed, dat de aarde van rechtswege reeds had moeten aantrekken, schitterden de zuidelijk gelegen bergen in hun sneeuwgewaad, en de oude heer trok zijn pols dichter om zich heen, keek uit het venster en zeide, half als in zich zeiven: „De klaver is hier ook nog ver ton achteren; maar muizen hebben ze hier, God dank.

ocr page 108

90

niet! — „Dat moet een landbouwer zijn,' sprak de oude dame tot zicli zelve, „en zijne spraak klinkt zóó. alsof bij niet ver van mijn land geboren is. Isu, 'k wil toch eens een beetje opletten.quot;

De spoorweg begon thans te stijgen, en steeds hooger, nu op- en dan af, klom de trein tegen den berg op, en steeds uitgestrekter, steeds prachtiger werd het uitzicht. De oude heer liet het venster zakken. „Ik dank u! ik dank u!quot; riep de oude dame uit. „Hoe verwonderlijk schoon! Hoe heerlijk!quot;— „Ja wel1quot; hernam de oudeheer, „daarvan heb ik tot dusverre in 't minst geen begrip gehad. Goede God! Wie had gedacht, dat liet op de bergen zoo schoon zou kunnen zijn!'' — „Ik niet, waarde heer, ik niet! Beschrijvingen zijn louter woorden, maar dit met eigene oogen te zien. , . . Zie eens daar! daar!quot; riep de oude dame. toen de trein om den hoek van een berg heenboog, en een nieuw uitzicht zich voor haar opende.

Zoo spraken die beide goede zielen hunne bewondering om het zeerst uit, en wie liet aangehoord had, zou gemeend hebben, dat de oude dame zich slechts gemas-queerd had en eigenlijk eerst zeventien jaar oud was, en dat de oude man zich te voren maar zóó had gehouden, alsof hem iets neerdrukte, maar dat toch eigenlijk een recht vroolijk hart in zijne borst klopte.

Toen de trein op liet hoogste punt stil hield, sprongen kleine, aardige kinderen naar den wagen toe en reikten bloemruikertjes in het portier, en de beide oude lieden kochten ze en betaalden in de blijdschap, die hun hart vervulde, rijkelijk, terwijl de oude dame zeide: „Dit zijn andere bloemen, dan wij ze kennen; dit zijn Alpen oloemen. En kijk nu eens, welke aardige, kleine, nette kinderen!quot; „Wel sakkerloot!quot; riep de oude heer, „spreekt gij plat-duitsch ? Dan zijt gij ook zeker niet van hier of uit deze omstreken?quot; — „Neen, mijnheer, ik ben uit Mekklenburg, uit de Wismar; en gij zijt een landsman van mij, zooals ik al gemerkt heb, en een landbouwer.' — „Dat hebt gij

ocr page 109

91

juist geraden.quot; — „Eu hoe heet gij, uls ik vragen mag?' — „Mijn naam is Jahn.' — „Wel, zie nu eens aan! Dus zijt gij de oude Jahn?quot; — „Wat? Kent gij mij ?quot; „Verder niet, lieve mijnheer Jahn, dan dat ik dezen nacht in de kamer, naast de uwe, gelogeerd heb; doch gisteren werd bij mevrouw Groterjahn van u gesproken. Gij moet met die dame groote onaangenaamheden gehad hebbeu.quot; — „Dat weet de goede God! Maar, dat is mijne schuld waarlijk niet, ik . . .— „Vertel het mij niet, mijnheer Jahn. Ik heb mij voor deze reis stellig voorgenomen, alle oude onaangenaamheden te huis te laten, en mij onderweg geene nieuwe op den hals te halen, en ik geef u den raad: doe gij dat ook.quot; — „Ja, als men dat zoo maar doen kon!quot; sprak de oude man en zag met strakke blikken uit den wagen. „En wellicht zijt gij ook voornemens naar Kon-stantinopel te reizen?quot; vroeg hij na eene poos. — „Ja, lieve mijnheer Jahn.quot; — „Nu,quot; hernam hij, alsof hem een steen van liet hart gevallen was, dan doe ik toch niet zoo'n ergen, dommen streek, als ik mij verbeeldde; want, als gij . . ..quot; „Gij wik zeggen,quot; viel de oude dame hem in de rede, „als zóo'n oude vrouw, gelijk ik beu, die reis doen kan, dan kunt gij hot ook wel wagen. En daarin hebt gij gelijk! Voor het genot van fijne schotels, lekkernijen en champagne wordt de mensch met den tijd te oud, waarde mijnheer Jahn; voor de blijdschap over groot-sche menschelijke werken en over Gods heerlijkheid wordt hij nooit te oud.quot; — „Hoor eens!quot; riep de oude man en greep hare hand, „nu moet gij mij ook uwen naam zeggen.quot; — „Lieve hemel,quot; zei de oude dame, en zij lachte recht hartelijk, „aan mijn naam is niet veel bijzonders; die hebben vele menschen op de wereld; ik heet namelijk Muller, Caroline Muller, en zóó worden ook de brieven aan mij geadresseerd; doorgaans echter word ik tante Lina genoemd , en aan dezen naam heb ik ook volkomen genoeg, want er zijn slechts weinige menschen, die zich om mij bekommeren.quot; — „Nu,quot; zei de oude Jahn. „dan zal ik Reuter. Mont, en Cap. 2e dr, 7

ocr page 110

92

ook tante Lina tot u zoggen, want ik zal mij veel om u bekommeren. Zeg mij eens. reist gij heden ook tot Triest?quot; — „Neen, ik heb mij slechts tot Adelsberg laten inschrijven.quot; — „Zoo? Gij wilt zeker 's nachts niet doorreizen?quot; — „Neen, dat niet; ik heb, Gode zij dank, het geluk, dat ik ook in den spoorwagen slapen kan. Neen! ik wil do beroemde Adelsberger grotten bezichtigen.quot; — „Wat voor dingen ? Daarvan heb ik nog volstrekt niets gehoord.quot; — „O, dan moet gij er ook blijven! Die grotten moet gij zien!quot; — „Hoor eens; ik geloof, dat ik het doe;; ik heb een onbepaald vertrouwen in u opgevat: ik zal u nog dikwijls om raad vragen.quot; -- „Dan zult gij wel dikwijls onverrichter zake moeten weggaan. Maar, daar valt mij iets anders in,quot; riep tante Lina en tilde haar klein,, maar goed gevuld schootkindje omhoog. „Ik weet niet, hoe het komt, maar ik ben zoo flauw in mijne maag, ik moet wat eten. Ik heb namelijk eenige fourage meêge-nomen; niet uit gierigheid, mijnlieer Jahn, neen! uit gemak. Nu behoef ik tocli voor het eten niet uit den wagen te gaan; en zou men hier wel in 't geheel wat kunnen krijgen ? En wat is het hier overal onzindelijk.quot; — „Ja,quot; zeide haar reisgenoot, „'tis hier een vreeselijke morsigheid. 't Is een schoon land, een heerlijk land, maar daarom willen wij liet onze niet verachten. Ook daar valt genoeg te berispen, en met recht; maar, wanneer iemand in oen vreemd huis komt, dan vindt hij altijd iets, dat hij anders zou willen inrichten. Doch over onzindelijkheid op de spoorwegen kan bij ons niemand zich beklagen, ik wil slechts van het station te Kleinen spreken: wat is dat oen pleizier, om den restaurateur, — Bomann heet hij, — met zijne jonge, knappe vrouw, achter de zindel jke tafel tusschen de verschillende gerechten, bezig te zien. Een mensch krijgt trek om iets te eten, ook als men in 't. geheel geen honger heeft quot; — „Welnu, tast hier dan gerust toe! Deze worst is door zindelijke handen, dooide dochter mijner zuster toebereid. Tast toe, als ik u

ocr page 111

93

verzoeken mag! Ik heb nog meer, ik heb er ook nog van in mijn koffer, en denk, dat ze in Konstantinopel ook nog wel smaken zal.quot; Zoo aten de beide oude lieden nu tegen elkander op, en roemden tegen elkander hun vaderland. En ik weet niet, of het altijd zoo is, als een paar landslieden elkander in den vreemde ontmoeten: maar van de Mekklenburgers Aveet ik het; slechts over politiek en over geestelijke aangelegenheden mag niet gesproken worden; dan wil 't maar nu en dan overeenstemmen.

Zoo waren zij dan te Adelsberg gekomen en stegen daar uit. l)e oude Jahn deed zich als een ridderlijk reisgenoot kennen: hij zorgde voor de bagage der oude dame, Joohem Klahn moest haar koffer mede in het logement • bezorgen, en de oude man bood haar zijn arm aan, met zooveel zwier, alsof'uit den almanak van haar en zijn leven een jaar of veertig was uitgewischt. Voor verlichting in de grotten zou gezorgd worden , en omdat er nog meer vreemdelingen waren, die ook derwaarts wilden gaan, zou die zeer mooi uitvallen. In de laatste uren was het gaan regenen. en toen zij dicht bij de grotten kwamen , bruiste daar een stroom langs met zwart water, tot aan den rand. — „Dit is de „Poigk,quot; zeide tante Lina. — „Mijnheer!quot;' sprak Jochem Klahn, dien de lieer Jahn ook medegenomen had, „dit is gek, hier moet ik me toch over verwonderen. Ik heb toch ook bij ons den War now al gezien en ook den e b e 1: maar die stroomen verstandig en zachtjes voort, maar dit water raakt hier immers op ééns op. quot;Wat! dat siort zich hier zeker in de onderwereld neer?quot; — „Daar hebt ge gelijk in, vriendje,quot;' antwoordde de oude dame, terwijl zij zich naar Jahn toekeerde, „de Po igk stort zich hier in den afgrond en stroomt door de holen.quot; Mijnheer Jahn was overigens evenzeer verwonderd als zijn Jochem; van zóó iets had hij zijn geheele leven nog nooit gehoord, en wat hem nog bovendien verwonderde, was, dat tante Lina, naar het scheen, van alles kennis had.

ocr page 112

94

Zij gingen do grotten binnen; lieden met fakkels gingen vooruit en staken het licht aan, en Jochem Klahn riep: „Heere jeminé! Buiten regent het, en hier is 'tgeheel droogquot; — „Het eerst komen wij nu aan de dansplaats, waar werkelijk somtijds danspartijen plaats gehad hebben. Mij dunkt, dat de menschen wel wat meer eerbied voor zoo iets betoonen mochten.quot; — „Waarvan zou zij dit alles toch weten?quot; dacht de heer Jahn bij zich zeiven.

Zij kwamen nu in oen grooten zuilengang en gingen eene brug over, en onder de brug door bruiste de stroom met donderend geluid; zwart, met fonkelende lichtstralen; altijd naar beneden, altijd verder naar beneden, alsof' hij zich in den diepsten afgrond storten moest; en naar boven verwarde zich het oog in de dichtste duisternis, en lichte zuilen en pilaren schoten uit die duisternis neder tot op den grond, alsof de bouwmeester ze gemaakt had om het geheel te dragen. Jochem Klahn sprak geen woord, hij hield zich dicht bij zijn meester; tante Lina zweeg ook, haar aangezicht had eene plechtige uitdrukking; en Jahn nam zijn hoed af en vouwde zijne handen: 'twas hem, alsof hij in de kerk was. en alsof het orgel dadelijk van boven af zou weergalmen. En hij was ook in de kerk; in eene kerk, die onze goede God zelfgebouwd heeft, en het orgel, dat weergalmde, dat was de stroom, die met donderend geweld in den afgrond neerstortte.

De gids bracht hen verder, van de eene grot naar de andere, en steeds reiner en steeds lichter ^verden de zuilen en pilaren, de wanden en de rotsteenen; t was gelijk, wanneer de mensch zich verdiept in de duistere, ondoorgrondelijke vragen over het wezen van het leven en van den godsdienst; hij gaat met moed en kracht steeds verder voort, het wordt ook lichter rondom hem, de pijlers van zijn geloof staan reiner en dichter bijeen, maar het einde vindt hij niet. „Hosanna! Hosanna!quot; riep tante Lina uit, toen zij in do grot kwamen, die de Dom genoemd wordt, en zij breidde hare magere armen uit, alsof zij ai

ocr page 113

95

deze heerlijkheid en Hem, die ze geschapen had, aan haar hart moest drukken. Den ouden Jahn hingen de tranen aan de grijze oogharen. Zij gingen verder; 't was, alsof zij door een tempel gingen, die voor een feest versierd was; lichte kleeden en vaandels met bonte randen hingen van de pilaren naar beneden; alles was stil; slechts do droppelen vielen gelijkmatig na elkander van het gewelf neder, alsof het de slag van een slingeruurwerk uit de eeuwigheid was, en uit de verte bruiste de stroom, als ware hij de onuitputtelijke bron, naar welke alle verloopene tijden stroomden, en waaruit alle toekomende ontstaan. Zij kwamen in eene groote ruimte. waar zich in het midden eene kleine hoogte verhief; daar stonden zij op en zagen in het rond, en zoover het oog door het donker kon heendringen , zagen zij lijksteenen en half gebroken zuilen en voetstukken, alsof 't een groot kerkhof was, en de oude dame zeide zachtkens: .,Dit is Golgotha.quot; Het oog kon liet einde van de graven niet bereiken, en 'tscheen, dat de graven zich hoe langs zoo verder uitstrekten, alsof de geheele wereld een kerkhof was geworden, en als luisterde de beangste ziel naar het bazuingeschal, waarop de graven zich zouden openen, en al de menschen zouden opstaan, die eenmaal begraven waren. „Heden is't Goede Vrijdag,quot; sprak de oude dame. — „Ik weet het,quot;' zeide oude man.

Zwijgend gingen zij terug, en toen zij weder buiten kwamen in het daglicht, haalden zij ruimer adem, en toch was het daar beneden niet benauwd geweest want de lucht was frisch en vrij; doch het zonlicht ontbrak, en dat is het, wat den mensch bij zijne geboorte het eerst begroet, en waarnaar hij op zijn sterfbed het laatst verlangt. Na den regen was nu zonneschijn gekomen, en onder de zonnestralen ontdooiden de harten allengskens uit den ernst tot de vroolijkheid, en Jochem Klahn ging hierin de anderen voor; want toen een der gidsen een grooten rooden salamander te koop aanbood, die slechts

ocr page 114

90

beneden in de holen gevonden wordt, en, naar men zegt, geene oogen heeft, zei Jochem: „Mijnheer, dien moesten we koopen.quot; —• „AYat zouden we daar toch mee doen, Jochem?' — „Wel, mijnheer! — de menschen bang maken.quot;

Ik heb eens een kleinen hond gehad, een ruig smous-hondje; ik was toen nog jong en deed veel domme streken, en verkeerde in de meening, gelijk de oude kolonel Von Bulow zeide: „De natuur moet gecorrigeerd worden,quot; — toen sneed hij een heelen troep kleine dashonden de ooren en de staarten af; — ik schoor dus mijn kleinen „Schutenquot;. waarschijnlijk, omdat hij er mooier zou uitzien; en toen nu dat werk gedaan was, stoof het kleine dier, vanwege de ongewoonte, onder mijn chamber-cloak en wilde zich niet laten verjagen; ■— juist zóó had Jochem Klahn zich, vanwege de ongewoonte, onder de aarde dicht bij zijn meester gehouden, alsof hij in diens zak wou kruipen, en juist zóó . als mijn hondje , wanneer ik naderhand met hem ging wandelen. heen en weer stoof, draafde Jochem titans, nu herwaarts, dan derwaarts in den zonneschijn, alsof hij zeggen wilde: „Zoo. God dank! dat hebben we nu gehad, en ik ben heel blij, dat ik van dien last bevrijd ben.quot;

Des avonds zat het oude paar in het logement bij de warme kachel vertrouwelijk bij elkaar, en zij vertelden elkander wat; en Jochem Klahn, die eerst achter de kamerdeur eene vergeefsche poging had aangewend, om in uitmuntend hoogduitsch, zoo goed als hij quot;t op school bij den koster geleerd had. voor het Wendische dienstmeisje oen paar boersche complimenten over haren ronden arm bij elkaar te fabriceeren, ging, toen hij gewaar werd, dat zijne geleerdheid hier te kort schoot, op eenigen afstand van de beide oude lieden zitten en luisterde nauwkeurig toe. „Nu,quot; zeide hij bij zich zeiven, „als dat alles waar is, wat de oude juffrouw daar vertelt, dan zou 'tgoed kunnen worden. Zij doet zoo waar, alsof ze hier

ocr page 115

97

van alles weet, alsof ze hier gewonnen en geboren was; en ook van dien ouden, rooden salamander, dien die kerel in eene flescli liad, wist zij. Nu, maar ik geloof, dat ze liegt.1' — „En morgen, waarde mijnheer Jahu, sporen wij nu over den Karst. Dit is een der meest woeste streken in geheel Duitschland; de Luneburger heide moet, daarbij vergeleken, een ware lusthof zijn, en hoewel de noordwestenwind ook daar leelijk blazen kan, zoo moet dat, tegen de Bora, die hier regeert, maar een zacht Meikoeltje wezen.quot;

Den anderen morgen spoorden zij dan uu over den K a r s t; ■de spoorweg kronkelde zich tegen den bergrug op, en hoe hooger zij kwamen, des te wilder en woester werd de landstreek. Groote blokken van grijzen kalksteen lagen in het rond, alsof de duivel die uit kwaadaardigheid tegen de menschen had uitgestrooid en gezaaid; en waar de men-schenhand tusschen dat liefelijke zaad een weinig had opgeruimd en hier een klein plekje en daar een klein plekje tot akkerland had ontgonnen, had zij ook aanstonds met steenen muren er voor moeten zorgen, dat de stormwind het zaad en den akker zelf niet geheel en al wegblazen kon. En de storm loeide hier reeds over het land, en Jochem Kliihn zat in de derde klasse te klappertanden en zeide: „Neen, de oude dame heeft niet gelogen;quot; en de oude Jahn legde tante Lina een slip van zijn pels over haren schoot, opdat zij warmer zou zitten, eu zeide: „Gij hebt gelijk; zoo'n woest en onvruchtbaar stuk grond heb ik van mijn leven nog niet gezien: dan ziet de Luneburger heide er toch nog veel beter uit, — die ken ik: ik heb er iemand van mijne familie wonen, — daar groeien tocli nog heidestruiken; maar hier groeit volstrekt niets.quot;'

Toen zij in Nebresina aankwamen, waar de spoorweg naar Triest zich links van den Italiaanschen spoorweg afscheidt, zag de oude dame de geheele familie Groterjalm langs de wagens loopen, naar voren en weer terug; de moeder voorop als een hoen, die niet weet, in welk nest

ocr page 116

98

het zijn ei leggen zal; zij keek in alle wagens, het gezelschap stond haar nergens aan; maar de tijd was kort, en toen de oude dame al roepen wilde, dat zij toch naar hen toe zouden komen, rukte de conducteur ook werkelijk het portier reeds open en duwde Anton er in, waarschijnlijk omdat die hem het geschiktste voorkwam om het ijs te breken. Daarop volgden mevrouw Jeannette en de beide kinderen, en eindelijk duwde hij er mijnheer Nemlich in; doch hem uit vergissing, daar hij eigenlijk voor de derde klasse bestemd was. Pof! daar werd het portier dichtgeslagen, en mevrouw Groterjahn zat met den ouden Jahn in éénen wagen. Dat wil zeggen, zij zat nog niet, en 't was de vraag, of zij wel tot zitten zou komen, want er waren nog slechts drie zitplaatsen ledig, en zij waren vijf in getal, wanneer mijnheer Xemlicli als liet vijfde rad aan den wagen werd mede-geteld. — Men heeft in Oostenrijk, op den Zuider-spoor-weg. verbazend winstgevende beginselen; zij stoppen daar in de spoorwagens alles bij elkander, wat past en wat niet past, wat plaats heeft en wat geen plaats heeft; en toen de trein nu afreed, en mevrouw Jeannette en de heer Groterjahn, en, dom genoeg, ook mijnheer Nemlich plaats genomen hadden, stonden Paul en Helene daar, alsof zij een paar jonge officieren waren, die bij een regiment waren ingelijfd, terwijl zij niet recht wisten, welke plaats zij eigenlijk moesten innemen. Paul nam een kort besluit; hij ging vrijpostig op de knie van zijn vader zitten; maar hoe zou 't nu met Helene gaan ? Op den schoot van mijnheer Nemlich? dat ging niet; vader had al een opzitter; moeder nam er geen; de oude dame kon zij niet lastig vallen, en de drie jodenjongens, die nog extra in den wagen zaten, zouden toch ook maar zeer smerige zitplaatsen geweest zijn; maar toen strekte de oude Jahn zijn arm naar haar uit en zeide: „Kom, Helene, zet jij je maar op mijn schoot; je hebt daar vroeger al dikwijls op gezeten.quot; En zij ging zitten.

ocr page 117

99

Van moeders gewaarwordingen in deze oogenblikken wil ik nu verder niet spreken ; maar iedereen zal mij begrijpen, mIs ik vertel, wat die arme vrouw in de laatste twaalf uren had uitgestaan. — Gisterenavond, toen zij te N eb re-si na waren aangekomen, had Anton zich vreeselijk weder-spanning betoond; hij had verklaard, niet verder te willen reizen, en gevraagd, waarom zij hem zijn pels niet had laten inedenemen , — hij was geheel verkleumd en moest een paar glazen grog drinken, en toen in 't warme bed. Haar eigen kind Hella had zulks voor Anton ook noodig geacht. Den volgenden morgen had zij met den kei In er strijd gehad over de koffie, zij in 't hoogduitsch, en hij in 't italiaansch, en nu had zij een gevoel, dat die kerel lomp tegen haar geweest was, maar eigenlijk wist zij niet, wat hij toch tot haar had gezegd; zoo iets is een hoogst onaangenaam gevoel; dat is juist, alsof iemand een prijs in de loterij gewonnen heeft, maar zijn nummerbriefje heeft verloren, zoodat hij dien prijs nu niet op staanden voet kan incasseeren. Anton had dien morgen altijd maar verzekerd, dat hij zoo kostelijk geslapen had en een heel ander mensch was dan gisterenavond; Paul had in het huis rondgesprongen, en geen z^veem van medelijden met zijne moeder betoond. En nu zat zij, mot den gezworen vijand van „haar huis,quot; in één en denzelfden wagen, en Helene zat op zijn schoot; Anton besefte blijkbaar het ongepaste van deze schikking volstrekt niet; de oude dame knikte haar telkens toe; de drie jodenjongens keken haar brutaal in 't aangezicht. en mijnheer Nemlich, die in de derde klasse behoorde. zat zonder complimenten aan hare zijde. alsof hij een werkelijk en stemgerechtigd lid barer familie was.

Moederlief schoot nu met de uiteezochtste drietandige

o o

bliksemstralen in den wagen rond. en hare oogen fonkelden on gloeiden, alsof ze tot boven aan de opening niet zwavel en salpeter geladen waren en slechts het geschiktste slachtoffer uitzochten, om dan af te vuren. Wie was dat?

ocr page 118

100

Natuurlijk dacht zij het eerst aan Anton en Paul; die twee zaten daar echter zoo kalm, dat zij zooveel gal, als zij had uit te braken, niet aan hen verkwisten kon. Helene was nu een waardig voorwerp, zij nam in dit oogenblik eene hoogst onbetamelijke plaats in; doch zij had hare moeder den rug toegekeerd en zag, op raad van de oude dame, uit het venster naar het zuiden, met groote oogen en hooggekleurde wangen, want daar moest nu weldra de Adriatische zee te zien zijn. Nu is het evenwel bij het losbarsten van eeue echte boosheid volstrekt noodzakelijk, dat de één den ander in de oogen ziet, anders ketst liet kruid van de pan. Den ouden Jalm kou zij niet aanvallen: hij was te zeer haar doodvijand, en er waren geheel andere voorbereidingen en maatregelen noodig, om met hem te beginnen. De drie jodenjongens hadden 't wel verdiend om de onbeschaamdheid, waarmede zij haar aankeken, en de oude dame nog wel het meest van allen, maar de haak ontbrak haar, waaraan zij dat uitgezochte slachtoffer ophangen kou. En toch werd onze goede tante Lina er de schuld van, dat deze edele gramschap voor de wereld niet geheel en al verloren zou gaan; zij vroeg namelijk zoo recht vertrouwelijk aan mevrouw Groterjahn: „Mijne lieve dochter, waarom zijtgij toch van nacht hier, in dit oude nest, gebleven ? Waarom niet in Adelsberg, om daar de verwonderlijk schoone grotten te bezichtigen Pquot;' — Grotten ? Adelsberg 't Dat was hare zaak niet; daar moest mijnheer Nemlich voor zorgen; hij had gisteravond zijne tien groschen behoorlijk gekregen , alzoo ook voor de A d e 1 s b e r g e r grotten, en daarvoor kon men dan ook wat verlangen. — Zij zag dus liet nu uitgevonden slachtoffer en hot voorwerp van haren rechtmatigen toorn over den schouder aan, un wierp hem een paar blikken toe, die den armen mijnheer Nemlich al een paar keeren als steenen op den weg van zijne schoone reis gesmeten waren. „Waarom zijn wij van nacht niet in Adelsberg gebleven P Waarom hebben andere

ocr page 119

101

mcnschen do grotten beziclitigd, die wij uiet gezien liob-ben?quot; Nu, dat was dan toch juist zóó, of zij gevraagd ]iad, waarom zij den vorigen nacht niet op de Noordkaap gezeten, en daar een paar kleine ijsbeertjes gevangen hadden. Mijnheer Nemlich wist namelijk zeker veel meer van de Noordkaap dan van de Adelsberger grotten; hij stamelde dus zoo wat, dat hij met groote zorgvuldigheid den kleinen Nösselt. en den kleinen Cannabic h, en den kleinen P e t i s k u s had bestudeerd, doch daarin werd van die grotten in 't geheel niet gesproken. Baedeker had hij op de reis ook bestudeerd, maar daarin was hij nog niet tot Adelsberg gekomen. „quot;Waarom hebben wij u dan medegenomen?quot; vroeg moeder op vinni-gen toon. „Waarom hebt gij dan van morgen mijn zoon Poll niet wetenschappelijk beziggehouden, in plaats var hem met bedienden en knechts in huis te laten rondloo-pen En daarbij keek zij Anton aan, als wilde ze zeggen:

spreek jij nu ook eens een woordje, — anders.....En

Anton had zich door de ernstige vermaningen van zijne lieve vrouw reeds zoovele goede manieren aangewend, dat hij begon; „.Ta, voor het vele geld . , . Daar barstte eensklaps Helene in een luid gejuich uit, toen de trein een hoek omreed; „O! O! Daar is de zee, daar is de onstuimige zee! Daar is Triest! En hier beneden, ach! ziet toch eens!quot; — „Mijn lieve kind,quot; zeide de oude dame, en zij stak haar hoofd, naast dat van Helene uit het portier, en hare oogen schitterden, alsof zo,nog evenzoo jong was als hare reis-genoote: „Dat is Miramar.quot; De oude Jahn zag een weinig over die twee heen; hij zeide niets, doch het was, alsof oen lentegroet zijn aangezicht gekust had. Alles wat hem had neergedrukt, was vergeten; daar lag de schoone wereld vóór hem, en in zijn arm lag het schoone meisje, dat hem eenmaal zijne oude dagen tot jonge maken zou. En achter deze schoone gordijn, die de drie hoogst gelukkige aangezichten uitmaakten, zat mevrouw Groterjahn in hare verhevene gramschap, en do arme mijnheer Ncmlich

ocr page 120

102

in hot vernederende gevoel van het vijfde rad aan den wagen te zijn, en de heer Groter]ahn in het gelukkige bewustzijn, dat hij ditmaal mevrouw zijne gemalin weder goed verstaan had. Maar zij zaten allen in 't donker en kregen niets te zien. Alleen Paul was van zijns vaders knie opgesprongen, en had zich tusschen de crinoline zijner zuster en den pels van den ouden Jahn weten door te dringen, zoodat hij juist met zijn kleinen stompen neus over het portier kon heenkijken, en hij riep nu uit; „Helene! He-lene! Dit is toch anders, als in Warnemunde.quot; En toen de oude Jahn hem nu verder vooruitschoof, opdat hij 't beter zou kuunen zien, riep hij: „Mijnheer Jahn, oom Jahn! Wat zal Jochem Klahn daar wel van zeggen?quot;

Maar Jochem Klahn zeide op dit oogenblik volstrekt niets r hij zat bij het venster, in de derde klasse, en toen de Adriatische zee te voorschijn kwam, sloeg hij, zoo in 't voorbijgaan, een blik er op en sprak bij zich zeiven: „Dat weet ik. Dat ken ik alles! Ik ben immers een bevaren matroos; en als er wat nieuws komt, leer ik het alles.quot; En toen zij 's avonds in Triest „in den zwarten Adelaarquot; allen gezamenlijk hun intrek namen, en hij Paul op dat oogenblik bemerkte, zeide hij: „Paul, boven de aarde, dat is geen kunst; manr onder de aarde, probeer dat eens!

ocr page 121

103

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Mevrouw Jeannette en Lodewijk Napoleon. — Mevrouw Jeannett'' bestudeert eene vraag en broeit eene verrassing uit. — Heleue gaat uit en vindt op de straat een stompneuzigen beschermer. — D Baron Von Unkenstein treedt op, maar voorloopig slechts van achteren. — Helene en Paul vallen in V water en zijn een tijd lang verdronken. — John en Jochem visschen hen op, en Jochem gedraagt zich brutaal tegen zijn vriend. — Waarom mijnheer Nemlieh in de bergen, en Groterjahn, met een half geschoren baard, door de straten, rondloopt, en waarom, Anton voorde eerste maal in openbaar verzet tegen zijne vrouw komt. — Hij wil zich den hals afsnijden. — Moeder komt met hare verrassing voor den dag, maar bereikt er slechts ten halve haar doel mede. — Mijnheer Nemlieh- in nood. — Twee slaan op den zak en, mecnen den ezel.

Mevrouw Jeannette Groterjahn was door de natuur tot iets groots bestemd: zij was, gelijk men 't noemt, met den helm geboren. Keeds in hare eerste kinderjaren hadden alle menschen, oom Bors aan het hoofd, gepropheteerd, dat zij niet lang leven zou, want zij was te wijs; en ofschoon die prophetic ook niet vervuld was, de reden, waarom zij niet lang zou leven, was nogtans gegrond, daar zij werkelijk heel wijs was; zij had van der jeugd af aan een sterke zucht tot regeeren en begon daarmede het eerst met haren lieven vader en hare lieve moeder, wat tot hare oefening moest dienen, ten einde in latere tijden eene krachtige regeering te kunnen voeren.

Zij had eene groote overeenkomst met Lodewijk Napoleon ; zij had eene drommelsch sterke verbeeldingskracht; maar uit den blauwen damp, die somwijlen bij haar opsteeg, kristalliseerde zicli ten laatste eene behoorlijke vraag, en dan bestudeerde zij deze vragen met allen ijver; zij had, evenzoo goed als de Fransche keizer, hare Oostersche en Mexikaansche vraag, ook hare Duitsche en Luxemburgsche; en zij zat ook, evenals hij, daarmede nu en dan in de knoei; maar dat kwam er niet op aan: zij was nu eenmaal, ge-

ocr page 122

104

lijk hij, een vriend van verrassingen, en hot „prestigequot; wilde zij absoluut staande houden. Haar lieve Anton was, om zóó te spreken, hare Tweede Kamer, die altijd slechts dat gedeelte van hare bestudeerde vragen te weten kreeg, wat haar goed voorkwam. Te voren had die Tweede Kamer het recht gehad, bescheidene adressen aan haar te richten; doch dit recht was met recht, om tijd te sparen, afgeschaft, evenals toenmaals de roode kousen; de Tweede Kamer had enkel liet recht behouden, zich met beperkte interpellaties te helpen; dat wil zeggen, zij had Anton, alsof hij een oude haan was, die niets dan dwaasheden uitrichtte, de ééne vlerk afgesneden, en als hij zich nu op den kippentrap van „authentieke daadzakenquot; wilde verheffen, dan begon hij in de lucht te tuimelen en viel onzacht weer op zijn mesthoop neder. Zij had ook, evenals Lodewijk Napoleon, hare wereldtentoonstelling voor kunst en industrie en handwerken, die zij in de zeventien kisten en koffers en doozen met zich voerde,-en waarmede zij zich aan de menschen in „bijzondere af-deelingenquot;' vertoonde.

Op dezen avond had mevrouw Jeannette nu een afdee-ling van hare wereldtentoonstelling, deels op den stoel vóór haar bed, deels aan een kapstok gehangen, zij had het gebouw der tentoonstelling ter rust gelegd, de lichten daarin uitgedaan, het geheel zorgvuldig met het dekbed gesloten, en nu scheen liet zoo, alsof het heilige graf goed bewaard was; maar. dit was slechts in schijn, want zalige rust was er niet: allerlei spookgestalten en booze geesten hielden in den blauwen damp van hare verbeeldingskracht huis; zij bedacht nieuwe vragen en verrassingen voor hare onderhoorigen. In 't begin waren het slechts dwaze, poëtische droombeelden, die in haar opstegen, en zij broeide uit den blauwen damp vooreerst .het opmerkelijke nieuwe denkbeeld uit, dat eene reis eigenlijk met het menschelijke leven kon vergeleken worden; het begin was de kindsheid, het einde de ouderdom, en het menschelijke leven liet,

ocr page 123

105

zicli evenzoo goed in post- en spoorwegstations verdee-len, als eene reis. Van lieverlede begon nu uit dezen poëtisehen, oorspronkehjken nevel zich de vraag te kristal-liseereu: of het niet goed wezen zon, dat de mensch, op elk grooter levens-spoorwegstation, eens ademhaalde, eens omzag en van zijne levensondervindingen de uitkomst eens berekende. Deze vraag beantwoordde zij met een eenvoudig, hoorbaar; „ja!quot;' En de tweede vraag, die uit deze natuurlijk moest geboren worden; of liet ook op eene reis niet goed zou wezen, van tijd tot tijd uit de oudervindingen op reis, de uitkomst op te maken, werd insgelijks met: „ja!quot; beantwoord, en hierdoor kwam zij nu tot eene onverwachte verrassing voor hare onderdanen. Anton , Helene, Paul en mijnheer Xemlich moesten hier, op het station Triëst, afsluiten met de jongensjaren der reis en met Duitschland, en de uitkomst in de gedaante van brieven naar Mekkleuburg opzenden; Paul zou daarenboven nog bouwstoffen voor do toekomst opzamelen en een dagboek houden. Nu, voor Paul, die, in zekeren zin, hier het democratische element vertegenwoordigde, zou de ver-rnssing groot genoeg wezen , en verder had ze daar ook geen bijzonder oogmerk mede.

Wanneer ik deze vergelijking tusschen Lodewijk en Jean-nette slechts gebrekkig heb volgehouden, zoo moet de billijke lezer mij zulks ten goede houden; want de plat-duitsche taal is voor de hoogere politiek niet toereikend, en wij, Mekklenburgers, staan, met uitzondering van de riddergoedbezitters en sommige burgemeesters, maar op zeer , zeer zwakke politieke beenen, zooals God en geheel Duitschland weet.

Mevrouw Jeannette sliep nu, met deze voorbereide vei-rassingen in. en sliep zóó lang, dat Helene haar daarin niet gelijk kon blijven; deze stond dus heel zachtkens op, en zag liet venster uit. Een heerlijke, schoone morgen straalde haar tegen. Zij kleedde zich aan en ging stil de

ocr page 124

10(3

deur uit; zij werd door den zonneschijn gelokt naar het frissche zeestrand.

Zij deelde haar voornemen mede aan het kamermeisje, voor 't geval dat hare moeder naar haar mocht vragen; maar toen zij de huisdeur van het hotel wilde uitgaan, stond zij stil; het begon haar hart te bezwaren, of zij niet onbedachtzaam handelde, zich zóó alleen in de wildvreemde stad te wagen; maar de zon scheen zoo helder, de jeugd heeft geluk. en de onschuld vindt allerwegen bescherming: zij ging de deur uit. En toen zij de deur uittrad, zie, daar stond haar beschermer al gereed! 't Was maar een kleine beschermer; hij had een stompen neus en vlashaar, droeg een kort buisje en keek heel nieuwsgierig eu waanwijs toe, hoe een paar werklieden bezig waren groeven in de groote kalksteenen te hakken, waarmede de straat belegd was. „Paull' riep ze, want Paul was haarkleine, onverwachte beschermer, en hij sprong nu naar haar toe en riep uit: „Leentje, waar kom jij al vandaan ? Kijk eens hier! Dit is de verkeerde wereld; als t bij ons glad is, dan maken wij de paarden scherp, en hier maken ze de straat scherp, omdat de paarden niet zouden uitglijden. — „Maar Paul, hoe kom jij toch al zoo vroeg op straat ? Is vader nl op?quot; — „Neen, Leentje, die snorkt nog en Nemlich ook.quot; — „Kom, Paul, wij willen samen gaan wandelen en zien, dat wij aan het strand komen.quot; — „Ja, kom!quot; — „Maar, lieve Paul,quot; zeide Helene, terwijl zij verder gingen en zij nam zijne hand, „je moet waarlijk van nu af beginnen, altijd hoogduitsch te spreken. Moeder wenscht het zoo zeer, en hier verstaat niemand platduitsch. —,, Ju, dat kan ik dan ook wel doen; t is maar, dat Jochem Klahn altijd met platduitsch begint. — Helene, van morgen heb ik eens eene grap gehad. Kijk! Nemlich stak van morgen zijn neus zoo buiten het bed, en toen heb ik mij een haar uitgetrokken en heb hem dat in 't ééne neusgat gestoken en daar gedurig een beetje mee gekriebeld, en toen liadt je eens moeten zien. wat hij voor

ocr page 125

107

gezichten trok.quot; —„Maar, jongen, wat zijn dat voor ondeugende streken!quot; riep Helene en trok hem eenigszins onzacht aan zijn arm. „Als moeder dat wist! quot;Wie heeft je dat toch opgestookt?quot; — „Dat heeft Jochem Klahn mij geleerd. Weet je wat Jochem zegt? Hij weet nog een middel, dat zou ik ook eens kunnen probeeren, maar ik zal het wel laten. Zie! dan hangt men 's nachts een wit laken over 't hoofd en houdt een licht voor 't gezicht en gaat dan naar het bed van een ander en wenkt, altijd stilzwijgend, en dan staat de ander in den slaap op en volgt altijd degene na, die hem wenkt. Dat heeft Jochem Klahn eens met Adolf Groot gedaan, maar hij heeft daarvoor ongemakkelijk slaag gekregen. Dus, ik zal wel oppassen.quot; — „Je moest je veel meer voor Jochem Klahn in acht nemen; hij stookt je tot allerlei ondeugendheden op.quot; — „Ja, Leentje, maar weet je wat Jochem zegt? Plij zegt, dat ik hem tot niets dan ondeugende streken aanzet. — Maar, daar is het water, het heerlijke water! Zie eens, die schepen! „Ja, daar lag de schoone golf van Triest voor hunne oogen, groen gelijk een roggeveld, als 'tin bloei staat, en de zachte zomerwind er over heen waait, als ware de Adriatische zee, zoo onschuldig als een kind in de wieg, dat na den storm van gisteren zachtkens in slaap gezongen was; en de deining ging zacht op en neder, alsof het de ademhaling was van het slapende kind. Eu rondom de wieg had de moeder frissche, groene, bloeiende struiken geplaatst, tot genoegen voor het kind en tot liefelijke koelte; rondom den oever groeiden en bloeiden de struiken en boomen, en het schitterde zoo wit van de blauwe bergen naar beneden; 'twas echter geen sneeuw, het waren amandelenen kersen. En dat alles zweefde in een gouden gloed, en de fribsche adem van de wereld speelde met den morgennevel over de groene baren en sprak van beweging en leven; en het was Paasch-Zondagmorgen.

Helene zag in de wereld rond, alsof zij al die wonde-Reuter. Mont, en Cap. 2e dr. 8

ocr page 126

108

ren voor de eerste maal zag; hare oogen schitterden, en hare wangen kleurden zich hooger; quot;t was, alsof in haar binnenste ook de lente aanbrak en al de gezegende aandoeningen, die de wereld opwekken tot een vernieuwd leven, in hare ziel doordrongen, ook tot een nieuw leven. Zij had toch al dikwerf het voorjaar zien aanbreken, en dat Godsgeschenk aan haar jeugdig harte gedrukt, doch dit was anders dan voorheen; in zulk eeue pracht was haar dit geschenk nog nooit aangeboden , en haar hart was nog niet zoo geopend geweest, om al die zaligheid als een goddelijk zaad in zich op te nemen, maar nu had de liefde den akker bereid, en het graan prijkte zoo vroolijk in het daglicht. Ja! 'twas Paaschmorgen , en al de klokken in de groote stad luidden, en die klank trilde over het water en vermengde zich met den nevel, die daarop lag. „Och, Leentje!quot; riep Paul, en zij drukte haren jongen broeder vaster aan haar hart, alsof zij God dankte, dat zij iemand had. in wien zij den overvloed harer liefde kon uitstorten.

Zij gingen nu verder; Paul had zich losgemaakt en sprong, gelijk een veulen op den eersten Meidag in de weide, in 'trond en kwam weder naar haar toe. „Leentje,quot; riep hij, „ga eens eventjes meê; daar is wat te zien! Ginder, waar die oude vrouwen zitten, daar zijn geheel roode visschen en groene en blauwe, en zulke wonderlijke schelpen en andere beesten. Ga toch eens meê en bekijk het alles eens!quot; — „Neen, laat mij met rust. Paul! Ga jij maar en bekijk alles; ik wil hier het havenhoofd eens opgaan en de zee en den omtrek beschouwen. Maar vergeet niet, mij hier af te halen, en let er goed op; ginds, aan het einde, zult ge mij vinden.quot; En Paul sprong voort en liep naar do vischmarkt.

Toen Helene een tijd lang aan het einde van het hoofd gestaan had, en haar gelukkig hart en de gelukkige wereld met elkaar schenen te spreken en geen einde vinden konden in dit liefelijk gesprek, werd er eene hand op haren

ocr page 127

109

schouder gelegd, en de oude dame, die zich zelve tante Lina noemde, stond naast haar met heldere, glinsterende oogen, alsof door eene grauwe regenlucht een verwarmende zonnestraal doorbreekt, en riep uit: „Mijn lieve kind, wat zegt gij, wat zegt gij van de heerlijk schoone wereld ?quot; — t „Goeden morgen!'' sprak Helene, de hand der oude dame drukkende. „Ach, ik weet niet, wat in mijn hart om-| gaat; zoo gelukkig ben ik toch nog nooit geweest.quot; — „Dus ook gij. Ja, ja! Gij zijt jong, lief meisje. Bij ; mij vermengt zich reeds treurigheid met mijne verrukking; geene bittere smart, neen, slechts een diep leedwezen, dat ik dit alles niet in mijne jeugd heb kunnen zien. Ik geloof, dat ik dan beter zou geworden zijn, dat ik een beter mensch zou geworden zijn, indien ik dit voorheen gezien en genoten had; want ik behoor tot die menschen, die meenen, dat eene reine vreugde ons den goeden Grod evenzoo nabij brengt, als eene diepe smart. Van de laatste heb ik tamelijk veel ondervonden, van de vreugde minder. Maar, versta mij wel; ik wil niet ondankbaar zijn; 't is altijd nog meer, dan ik verdiend heb, en de goede God weet het beste, wat goed voor een mensch is. Wie weet, of ik, zoo mij allerlei genoegens waren te beurt gevallen, wellicht niet eene lichtzinnige vrouw zou geworden zijn; luchthartig ben ik nog. Maar ik stoor u in uwe overdenkingen en in uw genot, en bovendien heb ik hier nog eene zeer ernstige zaak bij den Pruisischen Consul af te maken, en dus wil ikquot; .... Bom! daar knalde een kanonschot over de zee. Bom! er volgde een tweede en een derde; de kruitdamp rolde dik en zwaar over den waterspiegel, gelijk de nachtmerrie in den zoeten slaap op iemand kan drukken en loste zich eindelijk op in lichte wolken, gelijk de benauwende angst ten laatste in aangename droomen wordt opgelost. En op de twaalf kanonschoten van het schip antwoordden twaalf schoten uit de vesting. en de oude dame sprak: „Ziet gij, kind lief, dat is een Franschman, die daar geschoten heeft; het is een oor-

■.I

ocr page 128

110

logschip, ziet gij, met de Frausclie vlag; dat moet iets te beteekenen hebbeu; ik moet het toch eens vragen.'' Zij ging nu naar een matroos, die ook, in gedachten verzonken, over het bolwerk keek. Toen zij wederkwam, zeide zij: „Alles heb ik niet verstaan, wat hij zeide; die man is een Italiaan; maar zooveel weet ik, dat schip is een Fransch fregat en heeft den nieuwen keizer van Mexico, Maximiliaan, van Marseille hier gebracht. Hebt gij wel eens een oorlogschip gezien? Mot? Wat dunkt u, willen wij eene boot nemen, en eens naar het Fransche schip heenvaren?quot; — „Ach neen, ik zal wel naar huis moeten gaan, en Paul is nog niet hier; en dan moet ik bekennen, dat het kanongebulder mij in het plechtige klokkengelui en in mijne feestvreugde recht onaangenaam gestoord heeft.quot; — „Daarin hebt gij gelijk; kanongebulder is niet aangenaam, vooral niet, als 't ernstig gemeend is; doch, hierin hebt gij ongelijk, dat gij het schip niet wilt gaan zien. Op reis moet men alles waarnemen, want zelfs ook het storende en onaangename wordt in de herinnering-later eene bron van genoegen. Maar, zie! daar komt uw broeder, die aardige, vroolijke jongen.quot;

Paul kwam nader. „Leentje, hebt ge 'twel gehoord? Ze hebben met kanonnon geschoten.quot; — „Ja, Paul,quot; antwoordde Helene lachende, en zij streek hem zijne verwarde haren uit het aangezicht, „dat moest iedereen toch wel hooren.quot; — „En, Leentje, raad eens, wie hier is, hier op het hoofd.quot; — „Wel, denkelijk Jochem Klahn.quot; — „Neen, voornamer!quot; — „De oude Jahn.quot; — „Nog voornamer!quot; — „Dan weet ik het niet.quot; — „De ba—ron von Un—ken—stein! Kijk, daar staat hij. Die daar! Die met de bruine paletot en de dunne, grijze beenen, die ons den rug toekeert.quot; Ach hemel, hoe werd Helene te moede; maar zij herstelde zich spoedig en vroeg: „Heb je hem gesproken?quot; — „Neen, gesproken niet, maar ik heb heel dicht bij hem gestaan en hem in 't gezicht gekeken.quot; Dat was toch nog een troost; de baron wist dus nog

ocr page 129

Ill

niet, dat zij hier was; maar wanneer zij terugkeerde en hem voorbij ging, kon hij zich omkeeren en haar bemerken; zij richtte daarom schielijk het woord tot tante Lina en zeide, dat zij bereid was, met haar naar het oorlogschip te varen; Paul stemde natuurlijk van ganscher harte daarmede in, en het duurde niet lang, of zij zaten in eene boot en werden naar het schip geroeid.

Eene vaart in een boot op eene effene zee bij schoon, warm weder is voorzeker iets, dat den mensch het beste de kalmte teruggeeft, maar in Helenes gemoed keerde de rust niet weder, haar hart klopte angstig, alsof het eene duif was, door een havik vervolgd; zij was door hare lieve moeder te zeer met den baron bang gemaakt, en nu kwamen de meest verontrustende vragen bij haar op; Hoe kwam die man hier? Wat beteekende dat? Zou zij hem kunnen ontwijken?

Op het Fransche fregat werden zij vriendelijk ontvangen en rondgeleid; tante Lina bezichtigde alles zoo nauwkeurig , alsof zij voornemens was later eens een examen in de zeevaartkunde af te leggen, en Paul was aardig aan den gang, om op den boegspriet te gaan rijden en in 't water te vallen, zoo men hem niet nog gelukkig gegrepen had; doch Helene zag over boord naar de plaats, waar de man gestaan had, dien Paul haar had aangewezen; en toen zij terugvoeren, drong zij er ten sterkste op aan, dat zij ver van daar zouden aanleggen. Dat geschiedde dan ook; en nadat de oude dame heengegaan was, om hare aangelegenheden te bezorgen , en Helene alleen met Paul naar huis ging, zeide zij; „Lieve Paul, zeg vandaag — vandaag nog maar niets er van, dat je den baron gezien hebt.quot; „Goed, Leentje, maar waarom niet? Je ziet er zoo angstig uit.quot; — „Paul lief, kom! Wij zijn veel te lang weggebleven. Mijn hemel, wat zal moeder zeggen?quot;

Moeder had nu echter al zooveel gezegd, waarvan Helene volstrekt niets vermoedde; zij had heel goed geslapen, maar zij verbeeldde zich, dat zij zeer slecht geslapen had.

ocr page 130

110

logschip, ziet gij, met de Fransche vlag; dat moet iets te beteekenen hebben; ik moet het toch eens vragen.'' Zij ging nu naar een matroos, die ook, in gedachten verzonken, over het bolwerk keek. Toen zij wederkwam, zeide zij; „Alles heb ik niet verstaan, wat hij zeide; die man is een Italiaan; maar zooveel weet ik, dat schip is een Fransch fregat en heeft den nieuwen keizer van Mexico, Maximiliaan, van Marseille hier gebracht. Hebt gij wel eens een oorlogschip gezien? Met? Wat dunkt u, willen wij eene boot nemen, en eens naar het Fransche schip heenvaren?quot; — „Ach neen, ik zal wel naar huis moeten gaan, en Paul is nog niet hier; en dan moet ik bekennen, dat het kanongebulder mij in het plechtige klokkengelui en in mijne feestvreugde recht onaangenaam gestoord heeft.quot; — „Daarin hebt gij gelijk; kanongebulder is niet aangenaam, vooral niet, als 't ernstig gemeend is; doch, hierin hebt gij ongelijk, dat gij het schip niet wilt gaan zien. Op reis moet men alles waarnemen, want zelfs ook het storende en onaangename wordt in de herinnering later eene bron van genoegen. Maar, zie! daar komt uw broeder, die aardige, vroolijke jongen.quot;

Paul kwam nader. „Leentje, hebt ge 't wel gehoord? Ze hebben met kanonnon geschoten.quot; — „Ja, Paul,quot; antwoordde Helene lachende, en zij streek hem zijne verwarde haren uit het aangezicht, „dat moest iedereen toch wel hooren.quot; — „En, Leentje, raad eens, wie hier is, hier op het hoofd.quot; — „Wel, denkelijk Jochem Klahn.quot; — „Neen, voornamer!quot; — „De oude Jahn.quot; — „Nog voornamer!quot; — „Dan weet ik het niet.quot; — „De ba—ron von Un—ken—stein! Kijk, daar staat hij. Die daar! Die met de bruine paletot en de dunne, grijze beenen, die ons den rug toekeert.quot; Ach hemel, hoe werd Helene te moede; maar zij herstelde zich spoedig en vroeg: „Heb je hem gesproken?quot; — „Neen, gesproken niet, maar ik heb heel dicht bij hem gestaan en hem in 't gezicht gekeken.quot; Dat was toch nog een troost; de baron wist dus nog

ocr page 131

Ill

niet, dat zij hier was; maar wanneer zij terugkeerde en hem voorbij ging, kon hij zich omkeeren en haar bemerken; zij richtte daarom schielijk het woord tot tante Lina en zeide, dat zij bereid was, met haar naar het oorlogschip te varen; Paul stemde natuurlijk van ganscher harte daarmede in, en het duurde niet lang, of zij zaten in eene boot en werden naar het schip geroeid.

Eene vaart in een boot op eene effeue zee bij schoon, warm weder is voorzeker iets, dat den mensch het beste de kalmte teruggeeft, maar in Heienes gemoed keerde de rust niet weder, haar hart klopte angstig, alsof het eene duif was, door een havik vervolgd; zij was door hare lieve moeder te zeer met den baron bang gemaakt, en nu kwamen de meest verontrustende vragen bij haar op: Hoe kwam die man hier? Wat beteekende dat? Zou zij hem kunnen ontwijken?

Op het Fransche fregat werden zij vriendelijk ontvangen en rondgeleid; tante Lina bezichtigde alles zoo nauwkeurig , alsof zij voornemens was later eens een examen in de zeevaartkunde af te leggen, en Paul was aardig aan den gang, om op den boegspriet te gaan rijden en in't water te vallen, zoo men hem niet nog gelukkig gegrepen had; doch Helene zag over boord naar de plaats, waar de man gestaan had, dien Paul haar had aangewezen; en toen zij terugvoeren, drong zij er ten sterkste op aan, dat zij ver van daar zouden aanleggen. Dat geschiedde dan ook; en nadat de oude dame heengegaan was, om hare aangelegenheden te bezorgen , en Helene alleen met Paul naar huis ging, zeide zij: „Lieve Paul, zeg vandaag — vandaag nog maar niets er van, dat je den baron gezien hebt.quot; „Goed, Leentje, maar waarom niet? Je ziet er zoo angstig uit.quot; — „Paul lief, kom! Wij zijn veel te lang weggebleven. Mijn hemel, wat zal moeder zeggen?quot;

Moeder had nu echter al zooveel gezegd, waarvan Helene volstrekt niets vermoedde; zij had heel goed geslapen, maar zij verbeeldde zich, dat zij zeer slecht geslapen had.

ocr page 132

112

eu nu wel reden had, om knorrig te zijn. Toen zij bovendien Helene niet in de kamer zag, had zij reden om zeer knorrig te zijn; zij trok dus met alle geweld aan de schel, eu toen het kamermeisje kwam en op hare vragen antwoordde, dat de jonge juffrouw al vroeg naar het strand gegaan was, hield zij dit voor eene onbetamelijke, lichtzinnige handelwijze en voor eene grenzenlooze onoplettendheid. Het geheele hotel werd in opschudding gebracht, en toen een bediende had medegedeeld, dat de jonge lieer met zijne zuster te zamen was weggegaan, kwam de arme vrouw op de zeer natuurlijke gedachte, dat Paul in zijne gewone wildheid en door zijn onverstand in 't water was gevallen, en dat Helene hem er uit had willen halen en mede er in gestort was, en nu lag zeker haar opvoedings-substraat, evenals dat van Anton, in de diepte, op den bodem der zee; en zij zag heel duidelijk de menschen met haken en stangen toeloopen om de drenkelingen aan land te brengen. Nu was 't ook weder heel natuurlijk, dat zij luidkeels over haar kind, haar kind, begon te schreien en • te jammeren, dat Anton met een half geschoren baard en half gekleed bij haar kwam binnenstuiven, eu dat bij mijnheer Nemlich , zoodra hij zijn oor tegen de deur, die zich tusschen de beide kamers bevond, had aangelegd en het geschreeuw om de kinderen aanhoorde, de angst oprees, dat, zoo Paul verdronken was, dit zijne betrekking wellicht zou kunnen benadeelen, waarom hij dus de deur uitvloog, om, ware het mogelijk, zijn élève nog te liulp te ijlen. Op den trap ontmoette hij Jochem Klahn, wiens ondergeschikte betrekking hij in zijn angst vergat, en riep hem toe, dat Paul en Helene beiden verdronken waren, en met die woorden liep hij de deur van het hotel uit, de straat op, en altijd verder voort in zijn doodsangst, altijd de hoogte op, alsof de Adriatische zee een geographisch natuurwonder was, dat zich boven op de rotsen eu de bergen ten toon spreidde.

Jochem Klahn liep natuurlijk aanstonds naar zijn meester

ocr page 133

113

cu kon in 't eerst van schrik niet spreken; doch zoodra hij zijne gewone spreekwijze: „Mijnheer, weet gij wat?quot; er maar uit had, kwam het andere ijlings achterna: „Paul en Helene zijn beiden verdronken.quot; — „Wat?quot; riep de oude man, eensklaps van de koffietafel opspringende. — „Frans Semlich heeft het mij toegeroepen, en die is nu zeker uitgegaan om ze te zoeken,quot; zeide Jochem, doodsbleek, en hij stond, alsof hij geheel versuft was, voor zijn meester. — „Kom!quot; riep deze uit en trok zijn jas aan, „kom! naar 't strand!quot; En zóó liep hij de kamer uit en Jochem hem achterna. „Hoor eens , hoe zij te werk gaat!quot; zeide hij , toon zij voorbij de kamer van mevrouw Groterjahn gingen. — „Mijnheer, ik geloof het niet; Paul is een te verstandige jongen; die zal zich hier, in vreemde landen, niet gaan verdrinken.quot; De oude Jahn stapte, stilzwijgend, metgroote schreden over de straat. „Mijnheer, hij kan er hals over kop ingeschoten zijn, zonder dat een ander of hij zelf het gemerkt heeft,quot; sprak Jochem, en na eene poos: „Mijnheer, maak u niet ongerust! Hij is immers zoo dom niet; hij zal zich wel ergens aan vastgehouden hebben.quot; De oude man antwoordde niet en hoorde ook niet; hij liep ijlings verder. „Hij kan in eene schuit zijn gaan zitten, en daarin heen en weêr gewipt hebben; dat heeft hij vroeger ook dikwijls gedaan, en ik heb hem altijd gezegd: Paul, zei ik, als dat je maar niet eens opbreekt!quot; sprak Jochem, toen zij bij den stroom kwamen, en hij de booten heen en weêr zag varen.

De oude Jahn stond stil en zag in het rond; nergens was een oploop van menschen te zien; allen stonden bedaard of gingen hun weg; hij wist niet, naar welken kant hij zich wonden moest. Eensklaps riep Jochem: „Mijnheer, kijk eens, daarginder, daar komt die klant aan en zijne Helene er bij. Ja, die zou verdrinken! Neen, daar is hij veel te slim toe; wel, heb ik het niet altijd gezegd, dat gij u niet ongerust moest maken? Ik zeg maar, Frans

ocr page 134

114

Nemlich heeft mij voorgelogen. Nu, wacht maar, dat krijg je alles nog op je rekening!quot;

De oude man was dadelijk naar de twee kinderen toe-geloopen, en toen hij nader kwam, riep hij: „Leentjer Leentje! wat hebt ge ons een angst doen uitstaan! „God zij gedankt, dat die onnoodig geweest is!quot; — „Wat is het dan vroeg Helene en zag bezorgd in het

ontroerde gelaat van den ouden man. — „Ze meenden allen, dat gij beiden een ongeluk op 't water gekregen hadt.quot;— „Goede God! ik heb toch uitdrukkelijk gezegd, dat ik naar 't strand wilde gaan; ik ben immers met Paul. ...quot; — hier barstte zij in tranen uit; — „ach hemel! 't is immers mijne schuld niet!quot; — „Kom! kom!quot; zeide de oude man en sloeg zijn arm om haar heen, „'tis goed, dat het zoo afgeloopen is. Maar kom! je moeder maakt zich zoo ongerust over je beiden, en zie! daarginder komt je vader al aan.quot;

Jochem was inmiddels naar Paul toegegaan; zijne oogen glinsterden van hartelijke blijdschap, doch toen hij dicht bij zijn jongen vriend kwam, zette hij een vreeselijk boos gezicht en zeide; „Zóó ben je op een goeden weg, Paul! Ga zóó maar voort! Je bezorgt ons zoo'n spektakel, dat mijn mijnheer zijne koffie moet laten staan!quot; — „Wat scheelt je toch?quot; vroeg Paul heel brutaal. — „Wat mij scheelt ? Niks scheelt me; maar ik heb het je al zoo dikwijls gezegd, dat je het sakkermentsche wippen met de schuit laten moet,quot; — „Ik heb ook in 't geheel niet gewipt.quot; — „'tls jammer, dat je het niet gedaan hebt; anders zou je goed kopje onder geraakt zijn, en dan zou je wel oppassen voor de tweede maal. Maak nou maar, dat je naar huis komt; je moeder schreeuwt, al wat zij kan, om jelui, en pas op, als je hier geen nat pak hebt gekregen; t'huis kom je er niet zoo goed af.quot; -• „Jij bent een echte schaapskop!quot; riep Paul en zag schuins over zijn schouder. „Wij hebben immers niets gedaan.quot; — „Zoo? Wel, kijk eens, daar komt je vader al aanbla-

ocr page 135

115

zen. Wat is die goede man in angst! Maar jij geeft, geloof ik, nergens om!quot;

En mijnheer Groterjalin kwam nu, geheel buiten adem, aanloopen, uitroepende: „Om Gods wil, wat voert gij uit? Wat voert gij uit? Je moeder is wanhopend!quot; — „Acli, vader, wij kunnen 'tniet helpen; wij wilden het heerlijke van den morgen slechts geniéten,quot; riep Helene en viel haren vader om den hals. — „Och, vader, wat maakt gij toch eene beweging,quot; schreeuwde Paul er tusschen in. „We zijn maar eens naar het schip heengevaren, waar de kanonnen afgeschoten werden, en oom Jahn en Joehem hebben ons immers al gevonden.quot; Mijnheer Groterjahn zag om; daar stond zijn oude vriend Jahn, en dat die, wegens zijne kinderen, hier op het hoofd was, kon hij wel begrijpen; zijn haat, die in 't geheel niet veel beteekende, en die, gelijk een lek vat, altijd opnieuw weder aangevuld moest worden, trad, als een klein, bescheiden kind, eene schrede achterwaarts, en de oude goedhartigheid drong als een stevige kerel met beide ellebogen naar voren; hij ging naar Jahn toe en zeide: „Ik dank je zeer, Jahn, dat je.. . stamelde hij achteraan, „datje mijne kinderen gevonden hebt.' maar zijne hand strekte hij niet naar hem uit. — „O! dank daarvoor niet, Groterjahn; dat was een toeval. Vaarwel Helene! — Kom, Jochem!quot; sprak de oude man op konden toon, die wel een ander slot van Groterjahns woorden vermoed had, en hij ging met Jochem weg.

7t Is eene jammerlijke zaak met den mensch: wanneer zijn goede aard hem den juisten weg heeft aangewezen, op welken hij voor zich zeiven en voor andere menschen tot een gelukkig einde kan geraken, dan staan „omstandigheden en betrekkingenquot; hem als grachten en slagboomen in den weg, en hij wijkt van het rechte spoor weder af. Dit zijn nu trouwens, —in 't voorbijgaan gezegd, — de twee gemeenste en liederlijkste woorden, die in eenige taal zijn uitgevonden: zelfs de platduitsche begint ze ook al aardig te gebruiken. Iedere schurk, die het wat verder brengen

ocr page 136

116

wil, moet „omstandighedenquot; in aanmerking nemen, en iedere ellendeling heeft „betrekkingenquot;, waaraan hij zich niet kan onttrekken. — „Bij den heer Groterjahn keken in hetzelfde oogenblik, waarin hij warm werd en zijn ouden vriend danken wilde, de „omstandighedenquot;, vanwege zijne gemalin, hem over de schouders, en de handen, die hij wilde uitstrekken, waren door de „familiebetrekkingenquot; gebonden. Hij was zeer ontevreden met zieh zeiven, dat zijn hart niet warm gebleven was, en dat hij zich, als een slechte kop kamillen thee, had laten bekoelen, zoodat geen drommel die door de keel kon krijgen. Hij was ernstig boos op zijne echtgenoote, omdat zij hem met haar gejammer en geklaag noodeloos in eene „valsche positiequot; gebracht had, — ook een mooi woord! — en indien hij ook menschelijk en vaderlijk gevoel genoeg had om zich geheel van harte te kunnen verblijden, dat zijne kinderen leefden, zoo was hij toch te zeer buiten adem geraakt en in zijne rust gestoord, dan dat hij niet tot het vaste besluit zou gekomen zijn, ditmaal zijne vrouw haar onverstand ernstig te zullen verwijten. „De mensch moet zich niet beangst maken! ' zeide hij. „Ja, ik zal dat uwe moeder ernstig zeggen: de mensch moet zich niet beangst maken!quot; ïen laatste echter werd hij door het smeeken en klagen van Helene geheel weekhartig gestemd, en de zotte vertelsels van Paul vroolijkten hom op; hij kuste zijne beide kinderen telkens, en daar Paul, na dat omhelzen, vóór hem ging staan en zeide: „Vadertje, wat ziet gij er uit! Grij hebt u zoowaar maar half geschoren?quot; lachte hij ook al mede; maar hij bedacht zich spoedig en sprak recht vaderlijk: „Ja, daarvan zijt gij de schuld, Paulus. Onthoud dit: de ééne mensch mag den anderen nooit in angst brengen.quot; Toen zij in het hotel terugkwamen, was hij enkel liefde en vroolijkheid over zijn geluk, en hij trok zijne beide kinderen, in zijne blijdschap, de eetzaal binnen; het vaderlijk gevoel vloeide bij hem over, en hij vroeg: „Helene, wilt ge eene flcsch champagne drinken ?

ocr page 137

117

Paulus, wat wilt ge eten, zeg Paulus ?quot; — „ Weer lekkeren viscli, vader, en , zóo'n kleinen gebraden haan.quot; Maar Helena dreef hen voort en riep: „Ach, gaat mede naar moeder! Komt!quot; Dit kwam er echter zoo benauwd uit, dat Paul zijn trek in de lekkere spijzen moest opgeven, en dat vader de geheele vreeselijke toestand en zijn vermetel besluit weder begonnen te bezwaren.

Toen zij in de kamer kwamen, lag moeder op de canapé; hare zenuwen hadden haar, zonder complimenten, aangepakt en haar daar, zoo lang als ze was, neergeworpen. Zij was in angst over hare kinderen; maar eigenlijk geloofde zij niet recht aan haar eigen angst, en daarover was zij verdrietig; liet verdrietigste was zij evenwel, omdat er niemand bij de hand was, die van rechtswege medelijden met haren angst hebben moest, zooals, bij voorbeeld, haar weggeloopen Anton of de beide verdronken kinderen zelve. Het dienstmeisje uit het logement, dat voor haar stond, was alleen gehuurd om op te ruimen en bedden op te maken, maar niet om medelijden te hebben, en toch deed zij nog meer dan dat en zelfs iets verstandigs, toen zij mevrouw Gro-terjahn met eene Hesch „Hoff's Malz-Extractquot; verkwikte; want dat middel helpt togen alles, ook tegen een paar verdronken kinderen. — Helene vloog de deur in en viel bij het leger der smarte van hare moeder op de knieën neder ; zij beschuldigde zich zelve ten strengste wegens de ongerustheid, die zjj in onbedachtzaamheid hare ouders veroorzaakt had. Paul stond daarachter en zette een gezicht, dat zoo half en half lachend en half bevreesd voor verdiende straf was, en hij zeide: «Moeder, wees maar niet boos! quot;We zijn immers nu weer hier, en ik wil nu voortaan altijd hoogduitsch spreken.quot; — „Poll,quot; riep zijne moeder, „onverstandige, ongevoelige knaap! Je verscheurt het hart van je moeder. Is dat onverschillig en niets be-teekenend?quot; — „Dat niet,quot; zeide Anton, want het viel hem in, dat hij het vaste voornemen had opgevat, zijne vrouw eens behoorlijk te recht te wijzen; „maar de heele

ocr page 138

118

historie was onnoodig,quot; bromde hij zoo wat achterna.— „Wat! Onnoodig?quot; riep mevrouw Jeannette, en zij sprong, met een ruk, van de canapé overeind, zoodat hare zenuwen rechts en links van haar afvielen, alsof het spinne-, webben waren. „Is de moederliefde onnoodig? Demoeder-liefde is eene tijgerin, die in het gevaar hare jongen beschermt.quot; En daarop bootste zij de tijgerin tamelijk natuurlijk na; er ontbrak slechts aan, dat zij Anton nog niet naar de keel vloog. — . Maar de mensch moet. ...quot; riep Anton, altijd nog volhardende in zijn voornemen. — „Wat moet hij, Anton? Zwijgen moet hij, wanneer bij de moeder de zorg voor hare kinderen spreekt.quot; — „Maaide mensch moet zicli niet. . . .quot; riep Anton, terwijl hij zijne tanden op elkaar klemde, alsof hij zijn bepaald genomen besluit daartusschen hield en het zoo vastklemmen moest, opdat het niet mocht wegraken. — „Wat? Wat?quot; riep Jeannette, geheel in verwarring gebracht, want Antons manieren waren zoo ongewoon en verschrikkelijk, dat zij doodsbleek was geworden en hare oogen moest afwenden. Deze vielen nu op Helene, die zich te vergeefs alle mogelijke moeite gaf, om haar te doen bedaren, en met den uitroep: „Mijn kind! Mijn kind!quot;' sprongen de tranen haar uit de oogen. — Zoo! die was nu bedaard, maar in Anton scheen de Booze wel met al zijne ap- en dependenties gevaren te zijn; zonder de minste aandoening of het minste gevoel stond hij daar te stampvoeten, en riep, toen hij de deur uitging: „Ik, ik, . . . ik zal nu naar mijne kamer gaan en mij eindelijk eens scheren.quot;

Maar nu werd moeder vreeselijk ongerust, dat Anton zich met liet scheermes den hals zou kunnen afsnijden; zij troostte zich, wel is waar, met de gedachte, dat hij zóó iets te voren nog nooit had gedaan, doch hij had zich te voren ook nog niet zóó omtrent haar gedragen; ééns moest het de eerste keer zijn. Zij zeide dit trouwens niet tot hare kinderen, maar zond toch veiligheidshalve Paul hein achterna ; misschien dat de aanblik van zijn lieveling Anton

ocr page 139

119

van zulk eene vreeselijke daad zou terughouden; want zij was eene vrouw van veel overleg.

Toen nu uit de naastbijzijnde kamer, waar Anton met liet scheermes aan 't werk was, geen geschreeuw of gejammer gehoord werd, begon mevrouw Groterjahn bedaarder te worden. Helene deed met alle liefde het hare, om hare onschuldige schuld te doen vergeten, zoodat hare moeder zich van lieverlede de verrassing kon herinneren, die zij den vorigen avond op haar bed bedacht had. Zij kwam nu, toen Anton en Paul voor 't ontbijt waren binnengekomen, met hare reis- en levens-stations en mot liet opmaken der uitkomst en het briefschrijven voor den dag.quot; „Ja, moeder, ja, ik wil dadelijk schrijven,quot; riep Helene uit. „Ik schrijf aan Emma Regen en zal haar uitvoerig mededeelen, hoe het ons tot dusverre gegaan is.quot; — „Goed, mijn kind,quot; zeide de moeder, „maar ik wensch. dat gij de hoofdbedoeling uwer moeder in het oog houdt: dat ge niet enkel van de reis-stations, maar ook van de levens-stations bericht zult geven, en dat ge daarvan de uitkomst opmaakt. ' Helene zeide, dat zij ook dat doen wilde, zoo goed zij kon. Maar zij was ook de eenige, die zich daartoe bereid toonde; in haren vader spookte de Booze nog steeds heimelijk voort; zijne oogen waren bij de verrassing , hem door zijne vrouw toegedacht, in 't eerst al grooter geworden, en daarop had hij ze meer en meer dichtgedrukt, en eindelijk sprak hij op wreveligen toon: „Wat duivel, ik weet niets van levens-stations, en ik weet ook niemand, aan wien ik zou moeten schrijven. Wat mij wedervaren is, dat zal ik naderhand wel eens aan Ohm en Sohm on Drohm in de societeit vertellen.quot; — „Ja,quot; zeide Paul, en hij zuchtte diep, alsof hem door de obstinate verklaring van zijn lieven vader een zware last van het hart genomen was, „ja, ik weet ook niemand, en aan de jongens zal ik het ook naderhand wel vertellen.quot; En dit zeide hij zoo vrijpostig, alsof hij volkomen overtuigd was, een recht gehoorzame zoon te wezen, die zich zijn

ocr page 140

120

braven vader als een schitterend voorbeeld had voorgesteld, en nn ook bestendig in diens voetstappen wilde treden. Maar hij kwam mooi te pas. „Jij?quot; sprak de lieve moeder, „jij moet ook geen brieven schrijven; jij moet, van nu af aan, een dagboek houden, en mijnheer Nem-lich zal er op toezien, dat het geschiede. Waar is mijnheer Nemlich ?quot; — „Ja, waar is mijnheer Nemlich? Dat wist geen mensch; mijnheer Nemlich zelf niet; dat wist slechts de hemel, en die ook maar alleen bij een toevalligen blik in de allergemeenste achterbuurten van Triëst, want het was een afschuwelijke hoek. Hier stond mijnheer de praeceptor met het aangezicht tegen een muur, in zoo'n soort van afzichtelijken hoek, en kon niet achter-, noch vóóruit; niet vóóruit door den muur, en niet achteruit door een troep bedelkinderen, die hem te recht voor een vreemdeling hadden aangezien en nu nog eene belasting op zijne geldbeurs wilden leggen, nadat zij hem eerst in dien leelijken hoek hadden gedrongen. Mi'n-lieer JSTemlich was eerst in groote verlegenheid, doch*dat duurde niet lang; hij wendde toen het beste middel aan, dat er in zulk een toestand is; hij ging niet zijn rug tegen den muur staan, hield een paar kreutzers omhoog en riep: „Aquila nero! Aquila ner o!quot; totdat eindelijk een half opgeschoten jongen, die er als een ourang-outang in burgerkleeding uitzag en ook de meest daarmede overeenkomende gezichten trok, zijn Italiaansch en zijn geld begreep, tot hem doordrong en hem nu met mond en handen — „goeden dag, aap!quot; — beduidde, dat hij hem naar den „Zwarten Adelaarquot; zou terugbrengen.

Nu, dit geschiedde. Mijnheer Nemlich rukte met zijn eerewacht tot voor den „Zwarten Adelaarquot; aan, en kwam juist op het oogenblik, waarin mevrouw Groterjahn haar verlangen naar hem had te kennen gegeven.

Hier werd hem thans door die dame uitééngezet, dat hij heden brieven moest schrijven; aan wien was volkomen hetzelfde, maar schrijven moest hij; zij schreven heden

ocr page 141

121

allen. Dat was nu niet waar; want zij zelve schreef niet wegens hare zenuwen, en Anton en Paul niet uit pure luiheid; zij waren desperaat en obstinaat heengegaan.

Zoo schreven dan slechts Helene en mijnheer Jfemlich, en — 't was opmerkelijk! — beiden sloegen met hunne brieven op den zak en meenden den ezel: Helene schreef aan hare vriendin, Emma Regen, die dicht bij Groot-Bar kow gouvernante was, en zij meende Karei Jahn, die haar dikwijls ontmoette; en mijnheer Nemlich schreef aan don ouden koster Peereboom en meende ITunde.

En zoo zou nu alles in zooverre goed en wel zijn, indien ik slechts niet die ongepaste vergelijking met den ezel gemaakt had. Nu, ik denk, dat Mande en Karei Jahn wel toegevendheid jegens mij zullen gebruiken en mij dit niet al te kwalijk zullen nemen.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Wij (jaatt te water. — Wat sotniniye stijfkoppen in mijn vaderland Dieenen. — Waarom mijnheer de student Beijer er geheel en al yeel e)i (jroen uitzag en noor een eersfbeginnenden brandspuitmeester l-on doorgaan. — Mijnheer de baron von Unkenstein, maar nu geheel van noren. — ^Goeden dag, Hanna— Waarom moeder altijd haren neus stootte. — „Verexcuseer, verexcuseer me weV — Welk een gemeenheid kapitein Micheli met den schellekwast uitgevoerd heeft. — Mijnheer Klilhn. — Jochem en Paid smeden eene samei,-zweiing op den boegspriet.

Zie zoo, nu was alles bezorgd, en de lieve familie was gereed om naar de stoomboot te gaan, behalve mijnheer Nemlieh. De heer Nemlich reed namelijk en zat boven op de zeventien koffers en kisten, en zag er uit als een soort van afbeelding, als een gouden bal, dien een bouwmeester

ocr page 142

122

boven op zijn gebouw geplaatst heeft, niettegenstaande de ondergrond een weinig waggelde. Mevrouw Jeannette ging in triumf vooruit met een zonnescherm met allerlei kwasten; Groterjahu ging een halven pas achter haar, opdat hij de schaduw van de parasol zou krijgen, niet om haar overal den voorrang te willen toestaan, want hij was middelerwijl in den vreemde zoo zelfstandig geworden, dat hij dezen morgen, toen hij zijne laarzen buiten de deur zag staan en ze in de kamer wilde halen, en de rijg--laarsjes zijner vrouw daarnaast stonden, met de hakken zijner laarzen, — schandelijk genoeg, — zonder dat zij het wist, juist daar op een der rijglaarsjes drukte, waar de likdoorn zijner vrouw zat Helene ging achter hare ouders. Hoe wierp zij hare blikken in het rond! Alles was nieuw, alles was schoon! Zij zag den ouden, grijzen bedelaar, die aan den hoek stond, en dat oude, gele zigeunergezicht, dat bij hare mand met sinaasappelen zat. even vriendelijk aan, als andere jonge dames slechts hare werkelijke aanbidders doen, die ook werkelijk wat aan de hand hebben.

De geheele familie, zooals die daar langs het strand ging, vertoonde zoo iets wonderschoons Mekklenburgsch, alsof zij in haar lieve vaderland een weinig van Groot-Barkow naar Klein-Barkow door het veld ging; zelfs de hond ontbrak er niet aan; daarvoor zorgde Paul, die dan eens vooruit, dan weder terugliep, hier een strooptocht naar de vischmarkt deed en daar in een mand met sinaasappelen keek. — „Mijnheer,quot; zei Jochem Klahn, die niet zijn heer het gezelschap achterna kwam, „gelooft u, dat hij dit uit pure liefhebberij doet? Neen, dat doet hij uit milddadigheid, want als hij zoo wat heeft, dan deelt hij er mij altijd wat van mede.quot;

Nu wil ik eens iets waarnemen, wat ik anders niet gaarne doe; ik wil eens, zooals de hoogduitschers het noemen, „eene opmerkingquot; maken, die trouwens zeer zwak zal uitvallen, daar ik maar een weinig den teugel zal vie-

ocr page 143

123

ron: enkele stijfkoppen in mijn lief vaderland zijn nog al-tjjd van meening, dat ik de menschen, mijne eigene landslieden, belachelijk maak. wanneer ik vroolijke geschiedenissen van hen vertel; maar waarom ? Wanneer ik Gro-terjahn, zijne eehtgenoote, zijne dochter en Paul voor den lezer laat defileeren, zóó, dat iedereen ziet: dat is een heeld van Mekklenburgsch ras, uit ijzersterk metaal gegoten, dat hier en daar zijne bijzondere luimen en hoekigheid heeft, maar verguld is door een prachtigen glans van eigenaardigheid; heet dat belachelijk maken ? — Laat ii dit gulden verschijnsel van eigenaardigheid maar niet door de beschaafde wereld ontnemen; het is een zeker teeken, dat een volk zich zelfstandig en krachtig gevoelt, en dat het in staat is, zich onder de andere volken met de ellebogen plaats te maken, wanneer ook nu en dan wat voorvalt, dat anderen koddig toeschijnt.

Toen zij bij het schip kwamen, kregen zij iets vroo-lijks te zien, want op het dek zaten een paar knappe jonge lieden, ieder met eene glimmende bonte muts op liet hoofd, zoodat het niet noodig was, zich zeiven het eerst voor studenten uit te geven, want zij werden door hunne veêren kenbaar. Ze waren zeèr ijverig bozig met een ongewone zaak: ze zaten plat op den grond, met do boenen kruiselings over elkander als de Turken, en oefenden zich iu het roeken, en deden al in voorraad, alsof ze in het Oosten waren, Rooken konden zij al lang; maar uit eene Turksche pijp rooken, dat is geen kinderwerk. Toen de familie Groterjahn hen voorbijging, bleef Helene een oogenblik stil staan en zag een van hen aan, als wilde zij zeggen: „Mijn hemel, wat zie je er uit? En waar kom je vandaan?quot; Zij ging echter verder, recht verheugd in haar hart, want het was eene vroolijke verrassing. De jonge man had haar niet gezien, want hij was, zooals ieder menscli behoort te zijn, ijverig bij zijn zaak. Toen echter de oude Jahn met Jochem aankwam, zag de student toe-vallig omhoog en sprong nu op, dat wil zeggen, hij wilde Renter. Mont, en Cap. 2e dv. 9

ocr page 144

12-4

opspringen, maar 't ging niet; hij tuimelde overeind; want wie duivel had hem geheeten, voor een Turk te spelen: waardoor zijne voeten verdoofden? Daarbij had hij nu het lange roer van den waterzak in de hand en zag er uit, als een jonge, eerstbeginnende brandspuitmeester, die een spuit probeert, met dit onderscheid, dat die water in de spuit heeft, en hij had geen water in zijn waterzak, want hij had zich nog maar geoefend door droog te rooken. „Wel sakkerloot! Mijnheer Jahn, waar komt gij vandaan? Kent gij mij nog?quot; — „Wat drommel! Zijt gij

niet.....? — Waarachtig, hij is het! Mijnheer Beijer,

hoe komt gij hier, en wat ziet ge er uit?quot; — „Ik ben tegenwoordig bij de Frankonen in Jena, en wij dragen groen en rood en goud.quot; — „Ja, dat zie ik, ge zijt immers groen en geel over't heele lijf; maar ge zijt toch landman en geen student?quot; ■— „Ik studeer tegenwoordig economie in Jena.quot; — „Zoo ? Su, hebt gij dan al de ontdekking gedaan, met welke soort van kunstmest men het best de geldbeurs kan in orde brengen ?quot; zeide de oude heer lachende, en schudde daarbij recht hartelijk de hand van den jongen man. — „Neen, dat juist niet! Maar zeg gij mij eens, hoe maakt het Karei?quot;

Jammer! We hebben geen tijd dit gesprek langer af te luisteren, want wij moeten van een ander wederzien verhalen. Helene had den braven, trouwhartigen vriend van haren Karei dadelijk herkend, niettegenstaande uit de donkere landmans-rups een bonte studenten-kapel was te voorschijn gekomen. Zij was daarover vroohjk gestemd, want het is als een groet, dien het toeval ons overbrengt, wanneer wij in een vreemd land iemand ontmoeten, op wien wij geen andere betrekking gevoelen, dan dat hij bekend is met het liefste wat wij op de wereld hebben.

Ik zelf heb immers bijna eens een openbaren vagebond willen omarmen, omdat hij uit het dorp afkomstig was, waar mijne lieve vrouw is geboren en opgevoed; want ik was destijds evenzoo in de liefde verdiept, als hij mogelijk inde

ocr page 145

125

gauwdievenstreken. En als de kerel mij nu bij die gelegenheid mijn geldbeurs had ontvreemd, dan zou uit vreugde leed ontstaan zijn, wel evenzoo spoedig als bij Helene; want toen zij zich van Kareis vriend omkeerde, wie stond toen voor haar? Mijnheer de baron von Unkenstein I

Helene had hoegenaamd geen reden om te schrikken, en dat zij het deed, zou elke moeder van dat kind haar als louter onverstand aanrekenen. — Mijnheer de baron was een zeer schoon man; hij had mooie zwarte oogen , die even als bij de kreeften een weinig uitpuilden; zijn mond was zoo klein, dat hij op zijn best voor een knoopsgat kon doorgaan, dat hem een snijder van Gods genade midden in het gezicht gezet had, want de eene helft was een weinig te lang uitgevallen; en om dit mooie knoopsgat had hem dezelfde snijder franjes gemaakt, die hij echter, in zijn onverstand, mot allerlei smeerseltjes opgestreken had; kortom, hij zag er uit, alsof mijn waarde vriend, de apotheker, doctor Grischow in Stavenhagen , — toen leefde die nog. — den domste van alle luitenants der garde had genomen, hem netjes in kleine snippers gesneden, in den distilleerketel geworpen, driemaal overgehaald, vervolgens op fiesschen getapt, twee kleermakerknechts er bij gegoten had, en hem nu als een braakmiddel verkocht.

Dat is scherpe tabakzal menigeen zeggen, en ik zeg het ook; maar moeder Groterjahn was van eene andere meening, want nauwelijks werd zij mijnheer den baron gewaar, of zij vloog naar hem toe, en — hier moet ik nu zeggen, dat de beschaving toch iets schoons is, — ware de bescliaving niet zoo diep bij haar ingeworteld, zij zou hem om den hals zijn gevallen en hem gekust hebben, niet om harentwil, neen! om Heienes wil. „Lieve hemel,

mijnheer de baron, mijnheer de baron......!quot; —

„Ha!quot; — „Mijnheer de baron, waaraan hebben wij dit

geluk.....?quot; — „Ja, geluk,quot; zeide Anton. — „Fameus,

ha!'' — „Hoe is het mogelijk, dat gij.... — Mjjnheer

ocr page 146

126

de baron, hier — mijne dochter Ellen.....quot; Daarmede

wilde zij nu hare dochter voorstellen, maar zij was door deze ontmoeting zoo in opgewondenheid geraakt, dat zij in de handen mistastte, en, in plaats van Heienes hand, de kneukels van Paul te vatten kreeg, en eer zij het bemerkte, stond de bengel voor den baron, en zag hem van onder tot boven toe aan en riep: „Dat is mijnheer de baron von Unkenstein. O! ik heb u reeds gisteren gezien; gij stond met den rug naar mij toe met een bruinen paletot. Ik heb het Leentje dadelijk gezegd, maar Leentje wou er niets van weten.quot; — O, jou ondeugende bengel! Je bederft de schoonste ontmoeting! Je vergalt de vreugde van je moeder! De bengel heeft het geweten, ITelene heeft het geweten, en zij wist van niets af! Maar eene vrouw, die werkelijke zenuwen heeft en een weinig gal en een klein stuk lever en een groote portie beschaving, die weet zich weldra boven zulke verdrietelijkheden te verheffen. Anton hielp daartoe flink mede; hij fluisterde haar dezelfde woorden in het oor, die hij alle avonden bij het naar bed gaan tot haar zeide: „Wees maar kort van stof! Wees maar kort van stof, mijne dierbare Jeannette!quot; Eu zij kwam weder tot zich zelve en begon: „Mijnheer de baron,

deze verrassing.....quot; — „Ja, dat mag je wel zeggen,quot; zeide

een zware stem achter haar, „dat hadt ge toch wel niet gedacht, Hanna, dat je oude oom de reis ook zou medemaken,quot; en oom Bors drentelde den kring binnen. — „En dat is oom Bors! En dat is oom Bors!quot; riep Paul en danste als een kwikstaart om den kring heen. — „Ja, Hanna,quot; zeide de oude zeepzieder, „zie, ik dacht bij mij zeiven: je zaken heb je overgedaan; die nemen de drie jongens waar; want Samuel slacht de ossen en levert de talk, en Adolf, die nu in mijne zaak is, giet kaarsen en maakt er zeep van, en Bernard, mijn oudste jongen, is koopman en brengt de zaak in circulatie. En daarom dacht ik zoo bij mij zeiven: gun je ook eens een genoegen en ga die plek nog eens wederzien, waar ge eerst goed wat ver-

ocr page 147

127

diend hebt, en wat zal je zusters dochter zich verheugen, als zij je te zien krijgt.quot; Daar was nu volstrekt niets van te bespeuren. Hanna had van schrik de armen langs het lijf' laten zakken, en dit was natuurlijk. Wanneer iemand een brandende sigaar verkeerd in den mond steekt, dat is walgelijk; wanneer iemand aan een flesehje EaudeLa-vande ruiken wil, en hij vergrijpt zich en houdt zich een flesehje met salammoniakgeest onder den neus, dat is ook walgelijk; maar veel walgelijker is het, wanneer iemand zooeven aan zoo'n baron hoeft geroken, en er wordt hem dan zoo'n oude zeepzieder onder den neus gestopt.

Mevrouw Jeannette was dan ook te moede, alsof zij uit vernedering en schaamte voor den lieer baron in den grond zou zinken; uitwendig liet zij het niet al te zeer merken, maar inwendig wrong zij de handen en wierp op Anton een blik, dien Anton heel juist begreep als: „Sta mij nu bij, jou domkop!quot; En Anton begon: „Maar mijn waarde ... wel .... waarde . . . wel . . . ' — „Ja,quot; zeide oom Bors, „en aan u, neef, heb ik ook gedacht; ik dacht, als Groterjahn te Konstantinopel komt, dan holt hij met zijn dikken kop ergens tegen aan, als een os, die met de hoornen door een muur wil; ge moot maar meegaan. En, waarde neef, verlaat u maar geheel op mij, ik zal u overal doorhelpen. — Goede hemel! Is dat niet Jahn van Klein-Barkow en daarop drentelde dat oude, kleine ongelukskind naar Jahn heen, die juist met zijn jongen vriend, de geelgroene kapel, het gezelschap voorbijging. — „Wel, verduiveld!quot; riep Jahn, „is het hier dan Kreplinnerjaarmarkt op quot;t schip, dat de oude zeepzieder, wien ik altijd zijne vetkaarsen heb afgekocht, hier om ons spooktVquot;— „Ja, dat mag je wel zeggen! Maar oude lieden zijn wonderlijk: als het regent, dan gaan zij op 't hooien uit. En kijk maar ereis hier!quot; en daarmede ging hij op den bontkleurigen student los. „Mijn jonge heer Beijer! Hemel-sche goedheid, wat heb ik menigmaal met uw vader zaliger te doen gehad ; die kocht altijd tien lijspond kaarsen

ocr page 148

128

te gelijk en was zoo goed als de bank; en nu moet ik zijn zoon hier in een vreemd land aantreffen in zulk een kostuum!quot; En hij schudde uit meewarigheid het hoofd. „ N u, het kan geen kwaad! Maar 'tis precies, alsof heel Mekklenhurg hier wil te zamen komen; nu ontbreekt er nog maar aan, dat hier geen advocaat is.quot; — „Hier staat er een,quot; zeide iemand met een bedaarde stem achter hem. De kleine kerel keert zich om als een bromtol en schiet op den kleinen man af: „Grij zijt dus een Mekklenburgsche advocaat?quot;— „O, verexcuseer, verexcuseer me wel! Met onze macht is niet veel geholpen. Ja, ja, ik bezit niet de macht; de heeren advocaten hebben de macht.quot; — „Maar gij zijt toch geen Mekklenbur-ger?' — „Verexcuseer, verexcuseer me wel! Een koopman uit Thüringen; mijn naam is Schwofel.quot; — „Neen, hier, oude heer!quot; en een jong man kwam het gezelschap nader. Mij dunkt, dat de oude man op zijn rug moest vallen van pure verwondering. — „Nu, daar mag de duivel mee spelen! Mijn eigen advocaat, mijnheer Speit! De heer advocaat Speit uit Schwerin, mijn eigen advocaat! Nu, God beware me! Ik denk, dat hij tot aan zijn hals in mijne acten zit, en hij spartelt ook naar Konstantino-pel. Hoor eens, gij kunt hier een goed werk verrichten; hoe heet dat ook, wanneer twee partijen het met elkander moeten eens worden?quot;— „Grij bedoelt waarschijnlijk eene poging tot verzoening?quot; — „Juist, gij moet eene poging-tot verzoening doen tusschen den heer Jahn en mijne zusters dochter, Hanna. Waar is Hanna ?quot;

Maar Hanna was niet meer te zien; Helene had. toen zij de groote opgewondenheid harer moeder bespeurde, haar arm om haar heengeslagen en haar langs den trap der kajuit geleid: „Kom moeder, kom lieve moeder, we willen ons nachtverblijf gaan opzoeken quot; Dit was nu spoedig in de eene dameskajuit gevonden; maar in plaats van rust, die zij zochten, vonden zij er de oude., grijze dame, die op haar kleinen reiskoffer, dien zij overeind gezet had,

ocr page 149

129

alles reeds recht huiselijk had ingericht. — „Het doet mij genoegen, mijne waarde dochter, dat wij te zamen logeeren; maar ik heh hier al zoo een en ander bij mij zelve overlegd. Zie mij eens aan, ik hen zoo plat als een schol, en van crinolines zult gij geen spoor hij mij ontdekken , en toch toh ik er over, hoe hier tien man — dat wil zeggen vrouwspersonen, — plaats zullen vinden.quot; Moeder Groterjahu had wat anders in het hoofd dan zich met het gewauwel van de oude dame op te houden; hare zenuwen verlangden naar een hoek van do canapé, en op reis hadden zij die ook in ieder logement gevonden; maar hier? Och, hemel! Hier zag het er immers uit als in den winkel van eene modemaakster, waar altijd de eene doos boven de andere staat; dat waren de kooien, die rondom aan het beschot waren vastgemaakt.— „Met mijne rust is het gedaan, mijn hart is bezwaard; ik vind die nimmer en nimmer meer.quot; — Neen, zij vond die niet; met hare zenuwen kon zij toch niet in de bovenste doos voltigeeren, en toen zij zich op den scherpen kant van de onderste doos gezet had, stootten hare zenuwen altijd met het hoofd tegen do bovenste doos. — „Hella, mijn kind,

de baron en nu de zeep.......quot; bof — stoot zij tegen

de doos. — „Hoe is het, waarde dochter? Is u wat overkomen? Is u wat onaangenaams gebeurd? Wat zegt gij van den baron en van zeep? Heeft die kerel zich nietge-wasschen?quot; — „Neen, tante Lina. kom hier en help mij; wij willen moeder op het bed hier beneden leggen, moeder is ziek.quot; — „Graarne, lief kind, neem gij het hoofd, ik zal de boenen nemen. Zie zoo, nu willen wij haar maar zachtjes beneden in schuiven. En gij, mijne waarde dochter, moet nu heel stil blijven liggen, anders zoudt gij hierboven uw neus stooten. Ja, zooals ik reeds zeide, het zal hier mooi vol worden.quot;

Nu vernam Helene op eens de stom van haren vader, nu was het vuur op een andere plaats uitgebroken.

„Mijnheer, dat sta ik niet toe!quot; riep haar vader. — „Maar mijnheer Jahn.....quot; antwoordde een kellner. —

ocr page 150

130

„Wat duivel, uw mijnheer heet eenvoudig weg „Jahn;quot; mijn naam is Groter jahn, en met den heer Jahn wil ik niet in dezelfde hut slapen; mijnheer Jfemlieh moet bij mij en mijn zoon slapen.quot; —gt; „Mijnheer Groterjahn, dat gaat niet; de heer, dien gij daar zoo even genoemd hebt, is in de voorkajuit gelogeerd, waar alle jonge heeren slapen.quot; — „Waar komt mijn heer te slapen ?quot; vroeg eene stem, die Helene voor die van Jochem Klahn hield. — „Hier,quot; zei de kellner. — „Dat sta ik niet toe!quot; riep de heer Groterjahn daartusschen in, en Helene liep naar boven, om ongelukken vóór te komen: „Vader, laat dat maar, dat komt alles terecht; en gij, Jochem, zet je zaken voor-loopig maar hier neder, ik wil eerst nietje heer spreken.quot; — „Ja, juffrouwtje, wat mij betreft; maar ik beu expres van onzen jongen heer Karei er mede belast, dat ik mijn heer goed bedienen zal.quot; — „Waar is je heer?quot; — „Ja, waar zal hij zijn ? Hij staat boven en kijkt met den bonten vogel in het water.quot; — En Helene liep schielijk den trap der kajuit op naar boven: „Oom Jahn, lieve oom Jahn, het toeval wil, dat gij met mijn vader in dezelfde hut meet slapen, en dat gaat toch niet.quot; — ^Neen, mijn kind, dat gaat niet.quot; — „Wilt gij niet met een anderen heer ruilen?quot; — „Gaarne, mijn kind, als ik maar iemand wist quot; — ,Ik zou gaarne willen,quot; zei de heer Beijer zeer aardig tot Helene, „maar ik slaap in de voorkajuit.quot; — „Wacht eens,quot; zei de oude heer en ging naar den kleinen, vriendelijken koopman uit Thüringen toe: „Waarde heer, gij ziet er zoo vriendelijk uit....quot; — „O, verexcuseer, verexcuseer me wel.quot; — „Dat ik u wilde voorstellen, om uwe hut met de mijne te ruilen. Gij komt daardoor met den vader dezer jonge dame te zamen.quot; — „O, verexcuseer, de dames hebben altijd de macht, ja, ja, altijd de macht. En hoe heet die heer, als ik vragen mag?quot; — „Het is de grondeigenaar Groterjahn, uit Mekklenburg.quot; — „Wel lieve Heer van Saksen! Grondeigenaar uit Mekklenburg, ja, ja, die hebben de macht.quot; —■ Mogen wij het er dus voor houden, dat

ocr page 151

131

gij den voorgestelden ruil aanneemt ?quot; — „Verexcuseer, verexcuseer me wel! Wel, lieve Hemel! waarom zou ik niet?quot;

Daarop ging het gezelschap naar beneden in de kajuit; de oude heer Jalm ging voorbij zijn vroegeren vriend, riep Jochem en zeide: „Breng mijne bagage naar hier.quot; — „Ja, 'tis mij egaal, mijnheer, 'tis mij alles egaal, maaide jonge heer Karei zeide..........quot; — „Zoo. Zet nu

den nachtzak hier maar neder en neem dien van den kleinen heer en breng hem, waar Groterjahn slaapt.quot; — „Ja, dat kan ik dan ook doen, mijnheer, 'tis mij alles egaal; maar de kleine Paul zegt. .. quot; — „Maak nu, dat je het bezorgt: en dan kunt ge je eigen boeltje op zijn plaats brengen; ik heb je nu niet meer noodig.quot;

Dit was nu duidelijk genoog, en Jochem was een jongen, die genoeg bij de hand was en nu ook dadelijk begreep, dat langer praten thans niet meer paste, hij droeg de bagage naar de andere hut en kwam juist op het oogenblik, toen Groterjahn begon poolshoogte van den kleinen Thüringschen koopman te nemen. Groterjahn bevond zich in eene opgewekte stemming, hij had eene groote overwinning behaald: Jahn had een ander nachtverblijf', en hij had zijn zin gekregen. Dit gebeurde hem niet dikwijls, en 'twas, alsof de geest zijner vrouw over hem gekomen was; hij bejegende den kleinen koopman op de meest beschaafde en voorname wijze, en daar hij het zich niet anders kon voorstellen, dan dat ieder koopman, die een reis naar Konstantinopel deed, op zijn minst commercieraad wezen moest, zeide hij: „Het verheugt mij zeer, mijnheer de commercieraad.quot; •— „O, verexcuseer, verexcuseer me wel, ik ben maar een gewoon man, — enkel Schwofel. — Commercieraad? Groote hemel! Daar ziet ge het nu al! Gij hebt er dus ook al van gehoord in Mekklenburg, mijnheer Grobian?quot; — „Groterjahn,quot; zeide Groterjahn. — „O, verexcuseer! Nu, zie nu eens, die rakker, de kapitein Micheli, maakt mij tot commercieraad ; maar, groote hemel! onze macht is niets;

ocr page 152

132

hij Leeft immers niet de macht; de macht heeft de Groothertog. Ja, ja, de kapitein Micheli! lieve Heer van Saksen! Zoo heeft hij mij onlangs weer een poets gespeeld! We hebben een kransje in den Leeuw, een li egelkransje Ik wil naar huis gaan en zeg daarom aan mijn vriend, den burgemeester: „Mijnheer de burgemeester,quot; zeg ik, „mag ik u verzoeken zoo vriendelijk te willen zijn, mij mijnen hoed te willen aanreiken?quot; Het is, zooals gij ziet, een witte; er zijn eigenlijk in heel Eisenach maar drie witte hoeden: Zijne Koninklijke Hoogheid draagt er één, dat wil zeggen, als hij er is; de heer Okellij draagt den tweeden, en ik den derden. Er zijn er trouwens nog meer, maar dit zijn de voornaamste. — De burgemeester geeft mij dus mijn hoed, ik zet hem op en ga' nu naar huis, en zie nu eens! Toen ik te huis kwam, zat de schellekwast aan mijn hoed; daar had de kapitein Micheli don schellekwast aan mijn hoed gestoken. Nu kunt ge eens zien, wat ze uitvoeren, ja, ja, wat ze uitvoeren. O, gij mannen, gij mannen!quot;

Terwijl dit gesprek plaats had, stonden Jochem Klahn en Paul bij den boegspriet en spraken ook een paar verstandige woorden met elkander. —• „Paul,quot; zei Jochem, „zie zoo; nu ligt gij met je vader en een kleinen buiten-landschen koopman te zamen, en ik lig met Frans Nem-lich in eeue en dezelfde kooi, ik boven en hij onder.quot; — „Wel, zoo is hot immers ook in orde, je hebt ook al in de kosterschool boven hem gezeten.quot; — „Ja, Paul,jij bent een mooie klant met je flauwe grappen! Weetje, wat hij nu doet? Nu noemt hij mij steeds „mijnheer Klahn.quot; Mijnheer Klahn, zeide hij, wij moeten van dit oogenblik af oprechte vriendschap met elkander sluiten. — Wat mij aangaat, zeide ik, je moet daar beneden maar op je hoofd passen, als ik zeeziek word. — Nu, Paul, jij doet het goed!quot; riep hij op eens daar tusschenin, want Paul was op den boegspriet gewipt en schoof zich daar heel gezellig op voort. „Paul,quot; riep Jochem, „ik zegje, dat zal jetegen-

ocr page 153

133

valleneu daarbij klauterde hij ook op den boegspriet en schoof Paul na. „Jongen, ik zeg je, je zult nog in het water vallen; dan zal mijnheer zeggen, dat ik op je had moeten passen, en dan zou ik het ongeluk niet kunnen aanzien; hij joeg mij zeker van hier naar het land van Mekklenburg.' — „Zoo,quot; zei Paul, toen zij bijna aan het uiterste uiteinde van den boegspriet geschoven waren, „ Jochem, nu zitten wij mooi alleen, nu kunnen wij elkaar allerlei geheimen vertellen.quot;— „Ja, dat kunnen wij, als het hier maar niet zoo waggelend was.''— „Jochem, heb jij dien kerel al gezien met de bruine paletot?quot; vroeg Paul fluisterend. — „Ja.' zei Jochem eveneens, r waar je moeder zoo naar toestoof.quot; — „Ja. dat is hij. Zie, dat is de baron Von Unkenstein, die Leeutje zoo gaarne mag lijden.quot; -— „Wat? Je zuster Helene? Nu, dat is zoo kwaad niet van hem! Dat geloof ik gaarne! Er zijn er meer, die haar mogen lijden; ik ook; maar dan zult ge zien, dat hij ook wel met haar vrijen wil. Vraag jij het haar maar eens.quot;— „Neen, zij zegt mij anders alles; maar dit zegt zij mij niet.quot; — „Paul,quot; zei Jochem en fluisterde nog zachter, dan wil ik je nog wat zeggen; onze Karei wil ook met baar gaan vrijen.quot; — „Wat? Karei Jahn?quot; — „Ja, onze Karei,' zei Jochem en lachte zoo schalksch. „Ze denken altijd, dat ik zoo dom ben. „Ja,quot; zei hij en lachte nog geheimzinniger en knikte zoo vergenoegd, .die

mij voor dom houdt, die......en dit kan immers een

blind paard wel zien Neen, Paul, dan is onze Karei toch een heel andere kerel als dit nuchter kalf.quot; — , Ja, dat is hij, en ik mag Karei Jahn gaarne lijden.quot; — „Nu, dan zijn wij het immers ook geheel eens, dat wij ze te zamen verbinden willen, en dan willen wij hier maar dadelijk met elkander samenzweren, dat wij den baron altijd van Helene zullen afhouden, en hem altijd zooveel plagen zullen, als wij kunnen.quot; •— „Ja, dat willen wij!quot; riep Paul heel hard uit. — „Paul, je bent toch een goddelooze bengel,quot; fluisterde Jochem, rdat kan immers de een of

ocr page 154

134

ander hooren. Zie, ik heb hem al reeds mooi geplaagd, toon ik hem voorbijging quot; — „Wel, wat hebt ge dan gedaan? Heb je hem gestooten ?quot; — „Neen,quot; — , Heb je hem geknepen?quot; ■— „Neen.quot; — ,Heb je hem met een speld geprikt?quot; — „Neen, ik heb hem op zijn laarzen gespogen.quot; — „Weg van de boegspriet!quot; riep eene vreemde stem, en een van het scheepsvolk stond daar en zette een schrikkelijk bar-baarsch gezicht. — „Kom, Paul, de kerel meent liet in ernst,quot; zei Jochem en schoof ruggelings achteruit, en Paul hem na.

NEGENDE HOOFDSTUK.

Van een hind in de wieg en van een reus; van ecu koningszoon ni eene schaapherdersdochter. —- Dat de oude Jahu den medeminnaar van zijn zoon Karei te zien krijgt, en Jochem achter den trap zit te schreien. — Waarom de dominé zich daarmede heeft U bemoeien, en dat Jochems oude moeder, met eene, witte lederen hrock aan, vóór de gravin uit, te paard rijden moet. —Storm; bij Jochem breekt de jongste dag aan. — En dat tnoet eenepleizierreis eerbeelden! — Faul houdt een bal met spuwhakjes. — De oude dame wordt vochtig. — Waar is oom Jalm?

Do stoomboot lag op zacht kabbelende golven en liet zich wiegen, als ware zij een kind; maar inwendig suisde en bruiste het, alsof een reus op zijne legerstede lag, die in de wereld moord op moord had begaan, en nu in den slaap steunde, alsof hij door de nachtmerrie werd gekweld. Eindelijk begon de vaart en vóór aan den boeg begon het als gefluister en gepraat; en uit dat praten werd een gezang, en de golven krulden en verdeelden zich en hielden het vaartuig omvat, alsof zij vroolijke kinderen waren met kransen van witte bloemen in het haar, die „kringelkrans-rozenkransquot; dansten; en achter op het dek stonden de

ocr page 155

135

reizigers en zagen om naar het schoone Triëst met zijne witte huizen en groene boomen, met zijne witte bergen en zijn groen water; en doeken wuifden door de lucht tot afscheid, van herwaarts en derwaarts, en de ziel der men-schen werd met weemoed vervuld, alsof het een afscheid nemen was, om elkaar nimmer weêr te zien, alsof het schoonste gedeelte van hun leven achter hen lag, en alsof alles, dat nu komen zou, vol angst en zorgen zou zijn. Ach, voor hoe menigeen, die van dit strand de wereld inzeilde, zijn misschieu die angst en zorgen verwezenlijkt geworden ; mogelijk nog wel iets ergers; van twee menschen, echter, weet de wereld het: van Maximiliaan en Charlotte; achter het roer lag het schoone, kalme Miramare, en over den voorsteven wenkte uit het verre, uit het nevelachtige verschiet eene keizerskroon ; en daartusschen lag de ondoorgrondelijke zee, even ondoorgrondelijk als toeval en noodlot.

Ook Helene zat op het achterdek, en Paul had zijn arm om haar heen geslagen; zij staarde, in ernstig nadenken , naar het strand, dat steeds schooner werd, hoe verder zij in zee kwamen; het menschenwerk verdween, en Gods werk werd zichtbaar. Hare gedachten waren ernstig, maar zij waren toch niet somber of treurig en zweefden over berg en dal door een gulden dag, als de herfstdraden , en weefden Triëst en Klein-Barkow te zamen, en zij verbond die in hare verbeelding met elkander, alsof zij een koningszoon aan eene schaapherdersdochter uithuwelijkte; en indien hare liefde zóó iets gedaan kreeg, waarom zou zij dan niet op haar eigen geluk en dat van haren Karei blijven vertrouwen? En de oude Jahn kwam naar haar toe en zeide; „Lieve Leentje, ik heb van morgen een brief uit Klein-Barkow gekregen en moet u hartelijk groeten; en, Paul! hier is een brief aan mijn Jochem; ik weet niet, waar die bengel nu weêr zit, dat zult gij wel weten; dien brief heeft onze dominé voor de oude vrouw Klahn geschreven; geef hem dien eens.quot; Paul sprong weg, en de oude man zeide verder: „Ja, Karei laat u hartelijk

ocr page 156

136

groeten.quot; — 00ra Jahn, ik heb wel veel moed en

veel vertrouwen, maar zullen mijne ouders het wel ooit toestaan ?quot; — ,Lieve kind, wat God te zamen voegt, zal de mensch niet scheiden; en mij komt het juist zóó voor, alsof onze goede Grod Zijne hand op u beiden gelegd heeft; niet, alsof Hij zoo iets bijzonders omtrent ulieden uitgeoefend en u bij de haren tot elkander getrokken heeft, neen ! Zijn wenken is stil en eenvoudig geweest, en dat is voor mij een teeken, dat liet van Hem komt. En gij moogt u Avel verwonderen, dat ik, achter den rug van je ouders, je tegen hunnen wil gaarne tot mijne schoondochter hebben wil, en indien ge in stand en vermogen niet met mijn zoon gelijk stondt, zou ik mij wel in acht nemen, mij daarmede te bemoeien; doch nu beschouw ik alles, wat daartegen in te brengen is, als louter domheid, als een steen, dien de broeder van den dwazen pottenbakker ons in den weg heeft geworpen, en dien zullen we er wel weer uitgooien.quot; Helene wilde daarop iets antAvoorden, doch zij kwam er niet toe, want mijnheer de baron Von Unken-stein stoof, met een in 'toog geknepen glas, naar haar toe, en zij riep: „Och hemel, de baron!quot; — „Wie is dat toch?quot; vroeg de oude heer Jahn, maar hij kreeg geen antwoord , want de baron was al te dicht bij hen; en toeu hij nogmaalsmeer bepaald wilde vragen, gelukte hem diteven-min, daar tante Lina regelrecht op hem afkwam, zeggende: „Goeden dag, lieve mijnheer Jahn.quot;— ,'t Verheugt mij zeer, genadige freule,quot; begon de baron met mooie complimenten, nader komende, en hij liet het kijkglas uit zijn oog vallen, „ik heb u en mevrouw uwe beminnelijke moeder gezocht, als .... op mijne eer, als . . . als . . .quot; „Als een paar spelden,quot; zeide tante Lina. — „Waarachtig, ja, ja, zeer juist! Mag ik u verzoeken, genadige freule, mij voor te stellen.quot; — Helene moest dit nu wel doen en zeide dus: „Mijnheer de baron Von ITnken-stein; de heer Jahn; mejuffrouw . . . .quot; — „Tante Lina,quot; viel tante Lina haar in de rede. — „Ik moet u

ocr page 157

137

reeds vroeger eens gezien hebben, mijnheer de baron; maar 't is toch haast niet mogelijk:; voorname bekenden heb ik van mijn leven niet gehad, en gij zondt dan eens in Wis-mar geweest moeten zijn.quot; — ,Volstrekt niet,quot; antwoordde de baron; hij keerde zich plotseling om en overstroomde Helene letterlijk met fraaie gezegden, — De oude Jahn had te voren gezien, hoe moeder Groterjahn op mijnheer den baron was aangevlogen; hij had Heienes verlegenheid gezien, en hij wist heel nauwkeurig, dat moeder met hare dochter hooger op wilde, dat zij het niet minder dan met een baron doen zou en de gedachte kwam langzamerhand bij hem op, dat dit mogelijk de man wel kon wezen, met wien zijn goede, beste Karei nog eens een appeltje te schillen zou krijgen. En tante Lina maakte eene halve buiging om den ouden heer Jahn heen, zoodat zij den baron weder in 't aangezicht zien kon, en zeide toen, zoo half overluid en als tot zich zelve: „Ja, gezien heb ik hem toch al eens!quot; -- Ivu kwam Paul aanloopen: „Oom Jahn, weet gij, wat Jochem Klahn zei, toen hij den brief gelezen had? Hij zeide, dat het hem zoo aandoenlijk maakte, en nu zit hij, vóór in het schip, achter den trap te schreien.quot; — ,Wel, wat heeft hij dan nu weer? Er zal toch zijne oude moeder niets overkomen zijn, dat zou mij toch spijten,quot; en met die woorden ging hij naar het voorste gedeelte der stoomboot. Helene nam die gelegenheid waar, om van den baron af te komen, en tante Lina stapte achteraan en zeide bij zich zelve: „'tls mij juist zoo, alsof ik 's avonds te bed lig, en ik mij den een of anderen naam niet herinneren kan.quot;

„Wel, wat scheelt er toch aan?quot; vroeg de oude Jahn aan zijn Jochem, toen hij hem achter den trap der kajuit gevonden had. — nOch, mijnheer, mij scheelt veel, mij scheelt al te veel,quot; zeide Jochem . en de tranen liepen hem nog meer uit de oogen. — „Je moeder is immers gezond? ^Tiet waar?quot; — „Ja, mijne moeder scheelt niets; die zit er, geloof ik , maar op te prakkezeeren , hoe ze mij in on-

ocr page 158

138

gelegenheid zal brengen, en dan, dat de domeneer zich tot zulke zaken laat gebruiken!quot; — „Nu, wat is er dan aan de hand ?quot; vroeg de oude Jahu en schudde hem eens aan de schouders. — , Wel, mijnheer, ik moet rijknecht worden bij den graaf te Bartelshagen, willen ze hebben.quot; — „En zit je daarom te schreien?quot; hernam de oude man, lachende. — „Ja, mijnheer; gij hebt goed lachen. Wat vraagt gij er naar, of ik rijknecht ben of niet; maar mij kan het niet egaal wezen, dat ik u hier, zoo in het vreemde land en in den nood moet laten zitten. Wat zou onze Karei wel zeggen, als ik u hier zóó ging verlaten.quot; — „Maar, ben je dan niet recht wijs?quot; zei de oude man en streek met de hand over Jochems vlashaar. „Denk je dan, dat je hier zoo maar in ééns van de boot af kunt gaan, en rijknecht worden? ]Nreen, nu moetje 't hier uithouden, totdat de reis gedaan is.quot; — „Ja, daar heb ik dan ook volstrekt niets tegen, en onze Karei heeft het mij ook op hals en keel aanbevolen, dat ik voor u zorgen moet; en 't komt alles maar door dien Dirk Dutz, die heeft het mijne oude moeder in het hoofd gezet. Ze heeft er altijd al over gepraat, dat ze't zoo graag wou beleven, dat ik, met een witte lederen broek aan, voorrijder van de gravin zou worden; maar dat de domeneer zich daartoe laat gebruiken, om mij zooveel verdriet aan te doen....!quot; — „Wat is hier toch voor verdriet? Je blijft bij mij, zoolang je wilt, ik jaag je niet weg.quot; — _Nu, dan is 'took alles goed, mijnheer; dan kan mijne moeder voor mijn part zelf rijknecht worden; ik blijf bij u en bij Paul!quot; riep Jochem uit, en hij sprong op. keerde zich naar Paul heen en zeide: „ En jij bent ook een mooie klant. Paul. dat je dadelijk wegloopt om dat te vertellen.quot; — En Paul vatte hem bij den arm en zeide: „Och, loop! Jochem, nu is 't immers alles goed,quot; en hij trok hem naar de verschansing en daar zagen zij uit naar de kust van Istrië; en zij zagen met al de anderen de ééne stad na de andere komen en verdwijnen, totdat de laatste

ocr page 159

139

spits uit hun oog verdween en zij koers zett'en in de openbare zee. 't quot;Was avond geworden, en alles ging ter ruste.

De volgende dag was niet gelijk de eerste. Was de vorige dag geweest als een zoete liefdekus met een lach op de sohoone lippen, deze was als een gestreng heer en meester, die, met gefronst voorhoofd, aan zijne knechts barsehe en koude bevelen geeft en niets van tegenwerpingen weten wil. Barsch en koud blies Boreas over de zee, en de wind slingerde nu van oord tot oord, totdat hij ten laatste met volle woede juist tegen het schip aanblies. Het scheepsvolk keek veel naar de lucht; zonder spreken, alsof ze reeds wisten wat volgen zou; de kapitein stond boven, op de galerij van de raderkasten en had geene noodelooze woorden op al de dringende vragen van het reisgezelschap; de bedienden liepen rond en maakten vast, wat los was, en de reizigers kregen bleeke, lange gezichten en zochren naar een .stil, afgezonderd plekje, waar zij hun leed ongestoord konden dragen. — De avond kwam nader; iedereen kroop in zijne kooi als de slak in haar huisje; de golven sloegen over het voorschip heen; liet dek stond wel een voet hoog onder water, en daaronder lag Frans Nemlich en steunde al wat hij kon: hij was dan ook doodsbenauwd. Boven hem lag Joehem Klahn; hij had zijn hoofd naar de laagte gebogen, en zeide: „quot;Wees maar bedaard, Frans; dat komt alles wel terecht; dit is een overgang, zei de vos. toen ze hem het vel over de ooren trokken; maar evenwel nogtans, ik ben een bevaren matroos, met Frits Swart en Ketelhaun; maar zóó iets is mij van mijn leven nog niet overkomen. Maar wat lig ik hier te luieren ? Ik moest liever naar mijnheer gaan kijken!quot; En toen hij zich zoo half had opgericht, kwam er een stoot en hij vloog de kooi uit, alsof hij er met kruit uitgeschoten werd; hij viel op eene tafel, en van de tafel op den grond en riep: „Frans Nemlich, pas op, ik leg hier, onder je!quot; en Reuter. Mont, en Cap. 2e dr. 1')

ocr page 160

140

nu tuimelde hij daar rond, trok zijn beddegoed uit de kooi, ging ouder tafel liggen en zeide: „quot;Wat drommel! ik blijf hieronder liggen!quot;' Juist in dit oogenblik kwam eene zware golf den kajuitstrap afstroomen en wierp een paar losstaande stoelen en eenige andere zaken tegen de tafel aan en hem op het lijf, en hij riep weder; „Zoo! nu breekt de jongste dag zeker aan! Maar dan moet ik toch bij mijnheer Jahn wezen!quot; En hij krabbelde tegen den trap op.

En velen waren er op het vaartuig, die meenden, dat de jongste dag aanbrak; zij lagen stil eu verdroegen alles geduldig. Groterjahn lag ook met het hoofd buiten zijn bed, en het ééne schot na het and ere ging bij hem af, en telkens zuchtte en steunde hij en zeide op zeer weemoedigen toon: „En dat moet eene pleizierreis verbeelden!quot; De kleine, vriendelijke koopman uit Thürin-gen hield hem daarin trouw gezelschap, en 'twas alles behalve smakelijk om aan te zien. Het schip kraakte en dreunde, alsof het uitéén zou barsten, en de golven brulden, en de storm loeide, en de kleine koopman steunde daartusschen: „Heere, heb ik van mijn leven! Ja, Die heeft de macht! Onze macht doet niets.quot; —En Groterjahn , die, in de richting van de kiel, in de lengte lag en nu erbarmelijk van den eenen kant naar den andereu werd geslingerd, riep klagend uit: „Mijnheer de com-mercieraad ...quot; — „Verexcuseer me wel, -- hoep! hoep! — 'k ben maar een burgerman, maar een zeer ongelukkig man.quot; — „Gij moogt nog van geluk spreken, gij wordt toch niet zoo verschrikkelijk heen en weer gesmeten. — „Verexcuseer me wel, mijnheer Grobian; ik kan niet inzien , waarom ik juist van geluk te spreken heb; nu eens zijn mijne voeten tot op den grond en dan eens mijn hoofd — hoep! — hoep! — O! dat heeft de macht I' — „Eene pleizierreis moet dat verbeelden!quot; viel Groterjahn hierop weder in, en onder die beide arme stumperds dansten de spuwbakjes en allerlei ander gereedschap rond, als-

ocr page 161

141

of ze groot bal hielden; en daarnaast, in de kajuit, sloegen de lantaarnen in duizend stukken, alsof ze er de muziek bij moesten maken; en de Italiaansche k e 11 n e r s liepen onvermoeid rond; zij hielpen hier en ondersteunden daar, en niemand op de gansche boot was zoo fideel als Paul, die j uist door een zwaren stoot wakker geworden was, en nu uitriep: „Weet ge wat, vader? Ik ben best in orde; weet gij, wal ik nu ga doen? Xu kleed ik mij aan en ga eens kijken , hoe Leentje en moeder het maken: ik weet, waar zij slapen; daar hangt een gordijn vóór, daar kan ik met haar doorpraten.quot; — „Best, Paul! Je wil is goed, Paul; maar, neem je niets voor; clan wordt ge niet teleurgesteld; zie zóó! nu lig je daar al en danst met de spuwbakjes in 't rond, alsof je ze had gevraagd om met je te walsen,quot; en de kleine koopman roept: „lleere! heb ik van mijn leven! En mijnheer Groterjahn stamelt: ,Pleizierreisje!quot; En Paul roept: „Vader j weet gij wat? Mijn broek heb ik al aan; maar nu de laarzen.quot; — Pof! daar viel iets. Ja, 'twas Paul, die naar binnen, in de kajuit, gevallen was en nu aan liet rollen en draaien ging, en uit den versten hoek kraaide: „Vader, weet ge wat? Mijne éóne laars heb ik nu ook al aan.quot; Paul kreeg ook de tweede laars aan; en toen hij eerst maar stevig in zijne laarzen stond, schoof hij zich langs de tafel voort, naar de ééne dameskajuit, die aan gene zijde van den trap der groote kajuit was, en riep door het gordijn: „Helene! Helene! Hoe maak jij 't en hoe gaat het met moeder?quot; En na eenige oogenblikken schoof een arm het gordijn terug, en Helene zag naar buiten enzeide: „Ach, Paul, moeder is erg ziek; zij wil volstrekt op het dek gebracht worden, en ik geloof zelve, dat de frissche lucht haar good zal doen. Waar is vader? Kan die ons niet helpen?quot; ■— „Neen, daar behoef je niet aan te denken; vader en de kleine koopman zijn alle bei half dood.quot; — „Och, goede hemel! en moeder heeft het ook zoo benauwd.

ocr page 162

142

Waar is oom Jahu? Als hij toch maar hier was!quot; Daarop ging Heleüe weder terug in de kajuit, omdat zij hare moeder wilde verzorgen en oppassen.

Ja, moeder was zeeziek, erg zeeziek, en de geheele kajuit was in een recht droevigen toestand; van minuut tot minuut en van uur tot uur was dit toegenomen, en de vrouw van den „Starost11 uit Moldavië, die niet te best met de taal kon terecht komen, kermde; „O! ik arm, lafhartig mensch, wat moot ik varen op water! O! dat storm, dat storm 1 ' En Hermine, de Italiaansche kamenier , die zich insgelijks maar weinig met de Duitsche taal wist te helpen, en uit genade en barmhartigheid door de dames bij zich genomen was, antwoordde; „O! dat niet storm! dat zijn maar groote wind!quot; Klap! daar vloog het kleine, ronde kajuitvenster open, en de zee bruiste met een ontzettend dikken straal naar binnen. — ^Dat wordt onbeschaamd!'1 riep tante Lina, want zij had, met de kamenier, dien natten zegen gedeeld, en sprong op, zoo goed als het met hare oude, stijve beenen gaan wilde, en hielp Hermine het venster dicht maken. — „Daar ben ik ben toch recht nat geworden,quot; zeide de oude dame, en zij kroop in hare kooi, die ook mooi vochtig was. «GK) wel niet bang?quot; vroeg de voorname dame. — „Neen, mijne lieve dochter, bang niet, maar nat ben ik geworden! — Neen,quot; ging zij voort, toen 'thaar inviel, dat iemand, die ternauwernood hoogduitsch verstond, misschien van 'tplatduitsch niets zou begrijpen, „ik ben niet bang; ik heb in Triëst mijn testament bij den Pruisischen consul gedeponeerd, want mijn klein vermogen is in 't Pruisische, en sedert dien tijd ben ik inwendig volkomen gerust.quot; En wederom vloog het venster open en wederom stroomde het water naar binnen; en 't was, alsof dit alles tot eene tijdkorting voor de dames in 't werk gesteld werd, dat zij niet droog zouden worden. Middelerwijl begon de dag ook reeds aan te breken, en toen kwam Paul en riep Helene, en terwijl zij nog met elkander spraken, viel iets den kajuitstrap

ocr page 163

143

af, eu toen hot benoden was aangekomen, steunde het van belang en krabbelde eindelijk overeind, uitroepende: „Heere, bewaar me! Ze spelen hier waarachtig vangballetje met een mensch!quot; — Paul vroeg nu: , Jochem, ben jij liet ?quot; — Dat zal waar wezen,quot; zeide Jochem. „Maar, Paul, wat doet gij hier? Kun je niet in je kooi blijven ? Ge zijt immers haast net als mijnheer Jahn? Die zit ook boven, hij steekt zijn neus in den wind en zit in de golven te kijken. Mijnheer, zeg ik, ga toch naar beneden, en ga te bed liggen. Denk je, dat hij liet doen wou? Gij vat hier koude, zeg ik. Gekkepraat! zegt hij. — Ja, zeg ik, gij hebt goed praten, mijnheer; maar ik krijg naderhand brommen van onzen Karei. Toen joeg hij mij weg, en ik heb den heelen nacht achter den schoorsteen gezeten om hem in 't oog te houden. Eenmaal begon ik het ook zoo'n beetje benauwd te krijgen, maar ik hield mij kras. Maar toch, Paul! Toen de beide zeilen over boord sloegen, en de halve verschansing vóóraan, weggerukt werd, en de kooi, die op de raderkast stond, en toen de golven allen in de stookplaats neêrsloegen, — zeg, 'kweet niet, of je me begrijpt! Kijk, toon werd hot mij toch ook groen en geel voor de oogen, ofschoon ik een bevaren matroos ben met Frits Swart en Kctelhaun. Maar dat ik don ouden buitenlandschen kapitein nog altijd boven mij op de galerij zag rondgaan, zie! dat gaf mij moed, en ik werd dan ook gewaar, dat zij omkeerden, en nu varen we aardig naar Triest, of hoe dat ding heeten mag, weer terug; want, dat moet ik weten, daar ik een bevaren matroos ben. Nu de dag begint aan te breken , is de wind gaan liggen, maar de golven gaan nog, dat heb je nooit zóó gezien! Jij houdt immers zóóveel van schommelen en op de wipplank zitten; ga maar naar boven, van dat soort van plei-zier kunt ge bovenop genoeg krijgen.quot;

Paul was een aardige, dappere jongen, maar toen Jochem hem dit, met zoo bijzonderen nadruk, vertelde, begon hij tocli ook min of meer te huiveren; hij vergat echter niet,

ocr page 164

144

wat Helene hem wegens hare moeder had opgedragen, en vroeg: „Is oom Jahn nog boven?quot; -— „Hoe kan je't nog vragen, Paul! Ja, die! die kent geen vrees, die zit daar zoo stijf als een paal, die verroert of beweegt zich niet, en doet, alsof hij 'talles commandeeren moet.quot; — „Nu, ga dan maar meê!quot; en dit zeggende, klauterde het kleine ventje den trap der kajuit op. — „Wat,jij begint goed, Paul!quot; zeide Jochem. „Hoe is 't? Wil jij ook al naar boven?quot; En hij klauterde hem achterna.

Boven geraakten zij met moeite langs de leuning van eene vastgespijkerde bank tot aan het andere eind, waar de oude Jahn, in zijn pels gehuld, in gedachten verzonken, zat en in de zwarte golven staarde, die in hare onstuimige vaart met hare witte koppen over elkander heenstroomden, alsof zij de gejaagde polsslagen waren van een hart, dat in rustelooze drift en onbegrepen hartstocht er naar tracht zicli zelf schande aan te doen, en alles. wat zich er tegen verzet, in dezelfde diepte medesleept. — „Oom Jahn,quot; begon Paul te zeggen. De oude man antwoordde niet; hij was in den geest ver van daar; zijne donkere ure was over hem gekomen ; de woedende baren hadden die in hem opgewekt en op iedere onstuimige golf waren hem sombere denkbeelden tegengestroomd. — „Oom Jahnzeide Paul weder en legde hem zijne hand op den schouder, „lieve

oom Jahn, Helene zegt..... — „Wat? Wat? vroeg

do oude man, en zag hem aan met een paar oogen, alsof alles, dat anders achter en in deze oogen lag, in ketenen en banden geslagen en, ver weg, naar troos-

telooze landen verbannen was. — „Helene zegt..... —

„Wat? Wat wil Helene?quot; en langzaam werden de ketenen en boeien verbroken, als ware er een tooverwoord uitgesproken, en zijne gedachten keerden uit de woeste streken terug, en in zijn oog was het te lezen, dat hij hot leven rondom hem weder geheel en al begreep. „Wat wil Helene?quot; — „Moeder is zoo ziek en wil in de frissche lucht gebracht worden, en vader heeft het zelf

ocr page 165

145

, i

T

zoo benauwd, en nu vraagt Helene naar u.quot; De oude man was thans weder geheel tot zich zelven gekomen; hij stond op en sprak: „Kom, beste jongen, kom! En, Jo-chem, ga jij ook mee.quot; Zij gingen nu den trap naar de kajuit af. Helene werd geroepen; zij gaf den ouden man de hand en vroeg: ,.,Lieve oom Jahn, zoudt gij willen helpen, om moeder op het dek te dragen?quot; — „Ja, mijn lief kind, recht gaarne; als zij mijne hulp maar wil aannemen.quot; — „Och! zij is zoo ziek, zij zal u niet eens kennen.quot; — „Nu, Jochem. kom dan maar hier!quot; zeide Jahn; hij nam mevrouw Jeannette nu onder de armen, en Jochem nam de beenen, en zoo brachten zij haar naar boven. Hier werd zij op de bank gelegd, en Helene en Paul pasten op, dat zij niet van de bank kon afglijden. Tante Lina was ook mede naar boven gegaan.

li

ii

: i

TIENDE HOOFDSTUK.

U-

■ *1

di ij

1 ||

ff

E

I) - oude dame uh eenc muis in een kluwen vlas. — Café Bom-b a y! — Gravosa. — Al de kleine kuikentjes verdronken! — God dank! Moeder begint toch al weder te knorren,sij neemt de teugels weder in handen. — Pauls dagboek; Jochem helpt hem daaraan. — Moeder laat zich als eene brug gebruiken. — Mekklenburg moet eene republiek worden. — De vrije republikeinen en de Oostenrijksche slaven. — Waarom de oude dame niet tot de vrije republikeinen wilde behoor en. — Er gaat een licht op voor mijnheer Nemlich, en Mnnde sief over het varkenshok van haren vader vaar Zwiebelsdorp heen.

Jochem Klalm had zich inderdaad niet vergist: hef schip ging regelrecht terug en slingerde tusschen de golven, zoo-dnt Jochem half overluid tot Paul zeide: „Paul. weetje wat ik voor een gevoel heb ? Het is mij. alsof ik in Klein-Barkow in het ooievaarsnest op de korenschuur zat, en dat

ocr page 166

146

ik nu eens van den eenen kant en dan eens van den anderen, van het dak der schuur, naar beneden keek.quot; En tante Lina zeide: „En gij, waarde mijnheer Jahn, zijtden ganschen nacht boven geweest?quot; quot;Waarom hebt gij mij dat niet gezegd ? En waarom ben ik zoo dom geweest, mij. daarbeneden te laten opsluiten?quot; — „Ja,quot; zei de oude heer, „beter is beter. Hierboven zoudtgij toch aardig nat geworden zijn.quot; — „Dat zijn wij daarbeneden ook: wij hebben ook ons deel ontvangen.quot; —-„Goede hemel,quot; zei de oude man, die nu bemerkte, dat zijne oude reisgenoote er danig van meegekregen had. „gij zijt kletsnat, gij zoudt eene doodelijke verkoudheid kunnen krijgen. Kom hier!quot; En daarbij trok hij zijn pels uit, en wat tante Lina hier ook tegen inbracht, zij moest er in, in het warme hulsel. En nu zat die goede ziel daar als een haring in een reismantel, en zag boven uit den bonten kraag als een muis in een kluwen vlas, en daarbij keek zij zeer ernstig en plechtig in het onstuimige water rondom haar. En toen de zon blauwachtig rood achter de donkere bergen omhoog rees, vouwde zij de handen en zeide bij zichzelve: „Hoamp; verheven! Hoe verheven!quot; En de menschcn werden stil, en de golven brulden en begonnen zicli te breken, maar de schuimende kammen waren rozerood gekleurd, alsof de eeuwige liefde rozebladeren over de woeste baren had uitgestrooid , om ze tot rust te brengen. En ook het bleeke gelaat van Helene was rozerood gekleurd, en ook zij vouwde de handen , en haar verruimd hart stamelde een dankgebed: ja, nu was het gevaar voorbij, Gods zon stond aan den hemel en groette het bange menschenhart en predikte van den oorsprong aller genade.

En nu kwam dan middelerwijl alles, wat zich maar even op de beenen houden kon, op het dek naar boven gekropen, en zij rilden en klaagden onder elkander, want na een doorwaakten nacht is het bij zonsopgang, alsof het in het menschelijk lichaam ook met allerlei huivering begint te schemeren, en nu kwam ook ter rechter tijd

ocr page 167

147

Signor Vincenzio in beweging, die Oberkellner op de Bombay was, en kwam met eene groote kan vol pepersterke koffie aandragen en riep: „Café nero! Café Bombay!quot; En allen staken de handen uit naar dezen ver-kwikkelijken drank; alleen Paul wilde niet; dat smaakte hem te bitter, zeide hij. Maar Jochem Klahn gebruikte er behoorlijk van: „Zie, ge moest je wat schamen, Paul! Ik moet je toch waarlijk voor een zoetekauw houden; we drinken immers allen van de koffie, en kijk maar eens de oude, verstandige dame aan, hoe smakelijk zij er van drinkt, en die is toch zoo veel ouder dan gij. Ik wou, dat je eens een vier weken bij mijne moeder in den kost waart; die zou het je wel leeren. Ik wou eens geen groote erwten eten: „lekkerbek!quot; zei ze, „lust je ook groene zeep?''en toen pakte zij mij beet, en propte me de groote erwten in de keel, en ik moest slikken, of ik wou of niet.quot;

Nu werd liet dan ook aan de meesten, toen zij de averij op het schip zagen en toen zij de eilanden en klippen rondom het schip gewaar werden, recht klaar en duidelijk, in welk een groot gevaar zij gedurende den nacht hadden verkeerd; want bet was eene vreeselijk gevaarlijke kust, en het was aan den ouden , voorzichtigen Italiaanschen kapitein te danken , dat de zon nogmaals over zoovele menschenlevens opging. Steeds dichter opéén werden de klippen; maar ook meer en meer werd het water stil, en toen zij in de haven van Ragusa, Gravosa, binnenliepen, kwam het hun voor, alsof zij op een meer waren.

Hier kwam nu alles naar boven op het dek, en ook de zieken werden naar boven gebracht. Mijnheer Groterjahn werd juist tegenover zijne lieve vrouw gelegd, zoodat zij elkanders bedrukte aangezichten te zien kregen, en zij vierden een zeer weemoedig en stilzwijgend wederzien Mijnheer Xemlich werd door Jochem Klahn er heen gesleept en zakte als een kloen in elkaar, toen liij een bank beet kreeg. De heer baron Von Unkenstein zat op een vouwstoel en keek strak voor zich uit, alsof hij Helene en

ocr page 168

148

alle aardsche vreugde had vergeten en in diepe bepeinzingen over de mensehelijke ellende verzonken was. De kleine Thüringsche koopman gleed op het natte dek onder uit en viel verduiveld onzacht neder, en toen hij weder overeind gekrabbeld was t zag hij de plek aan en zeide op zijne buitengewoon beleefde wijze: ,Verexcuseer, verexcuseer me wel!quot; En nu zat hij op het voorschip vóór het hoenderhok met een gezicht als een aanspreker en jammerde: „Groote hemel! al de kleine kuikentjes verdronken. O, gij mannen! gij mannen! — Ja, ja! Onze macht doet niets.quot; En dicht bij hem was oom Bors ook op het glibberige dek uitgegleden en zat nu met den rug tegen het hoenderhok, en het scheen, dat hij hoegenaamd niet bespeurde, hoe hij steeds van tijd tot tijd van onder opnieuw nat werd; en bij hem lag, zoo lang als hij was, in hetzelfde sop een oude Polak en steunde: „Jach ik leg, jach doet mij goed, jach ik sta, ja oh ik ziek ben.quot; En vlak bij diens hoofd zat mijnheer Gumbert, die aan tafel tegenover Anton geplaatst was, en die zeide slechts: „Afschuwelijk! Af-schu-we-lijk!quot; — Ja, 'twas een zeer gelukkig reisgezelschap, dat te Gravosa op dezen gezegenden dag ontscheept werd!

Aan wal ging het met de zieken spoedig beter, en herstelden zij zich in zoover, dat zij naar Ragusa konden gaan en rijden. — Mevrouw Jeannette kwam ook van lieverlede overeind en tot bewustzijn, zoodat zij haren Anton mooi de les kon lezen, waarom hij haar in haren nood niet had bijgestaan. Mijnheer Nemlich werd beknord, omdat hij gedurende den nacht niet bij Paul geweest was, en Paul werd beknord, omdat hij niet bij den heer Nemlich geweest was; en toen zij te Ragusa voor het logement in een leuningstoel zat, en mijnheer Jahn toevallig daar voorbijging, kwam er bij haar eene verwarde herinnering op, alsof zij in den verloopen nacht den ouden Jahn gezien had. en hij zich op de eene of andere wijze met haar had bemoeid. •— „Hella, mijn kind,quot; vroeg zij aan Helene, — bof! voor

ocr page 169

149

het hoofd, „wie heeft mij van nacht op het dek gedragen?'' — „Ach God! Moeder, tob daar niet over! De frissche lucht heeft u werkelijk goed gedaan, en als gij met mij daar naar de rots wildet gaan, waar de breking der golven zoo ontzettend mooi is om aan te zien, dan zoudt gij wel spoedig weder geheel beter worden,quot; Maar moeder Groterjalm werd niet moede; de teugels van het regiment waren haar in de laatste vier-en-twintig uren uit de handen gevallen, nu nam zij ze weder op en trok ze strak aan. „Ellen, mijn kind, ik wil weten, wie mij gedragen heeft.quot; — „Nu, dan moet ik het u zeggen room Jahn heeft u naar boven gedragen; ik heb hem door Paul daarom laten verzoeken.quot; — Wanneer de moeder nu eenig gevoel voor het klassische gehad had, dan had zij haar gelaat moeten bedekken, maar nu schoten weder bliksemstralen uit hare oogen, en zij riep: „Mijne kinderen, mijne eigene kinderen conspireeren tegen mij met den vijand van ons huis.quot; — „Ja, Helene,quot; zei Anton, die nu van rechtswege ook wat zeggen moest, „de mensch moet met zijn

vijand......quot; — „Zwijg stil, Anton! Grij hebt er schuld

aan! Hoe kunt gij dulden, dat hij daarginderquot; — en zij wees op den ouden Jahn, die in de branding zag en haar heel onschuldig zijn breeden rug toekeerde , — „hoe kunt gij dulden, dat hij daarginder uwe echtgenoote aanraakt?quot; — Anton wilde zeggen, dat hij haar toch geen leed had aangedaan, en Helene zeide: „Moeder, gij moest den ouden man dankbaar zijn, dat hij u bijgestaan heeft, en bereidwillig heeft bijgestaan.quot; Maar moeder wilde van geeu dank weten, en toen zij met haren toorn en haar gal nog altijd even druk wilde te werk gaan, kreeg zij ongelukkig Paul in het oog, en het viel haar in, dat ook hij een misdadiger was, en dat zij ook bij hem de teugels vaster moest aanhalen. „Pol!quot; riep zij, „hebt ge gisteren je dagboek bijgehouden?quot; Paul verschrikte niet weinig; hij vloog juist naar zijn vriend Jochem toe, die dicht bij hem met den rug tegen een boom stond, en wilde

ocr page 170

150

hem wat opstoken of liet zich van hem laten doen; hij antwoordde dus met eene wedervraag: „Maar, moeder, hoe kan ik een dagboek houden, als ik ieder oogenblik denk te verzuipen ?quot; Helene had hare moeder bij deze vraag zeer scherp aangekeken. Anton had een geluid doen hoo-ren, zoo als hij wel eens meer deed, wanneer hij tegenwerpingen wilde maken, en moeder zag. dat zij bij dezen visch op allerlei graten zou stuiten, en liet daarom de teugels een weinig losser hangen en vroeg; „Zijt ge in 't geheel nog wel met het dagboek begonnen ?quot; Paul bromde bij zich zeiven, waar hij dan schrijven moest; op het schip kon hij toch niet schrijven, en een inktkoker had hij ook niet. Helene deed een goed woord voor Paul, dat moeder hem van het dagboek houden ontslaan zou, en vader Groterjahn zeide, dat hij van zijn leven nog geen ander dagboek had gehouden dan de wekelijksche lijst van den korenzolder; en het voordeel van een dagboek zag hij ook volstrekt niet in, Moedor antwoordde hem daarop zeer scherp; zij wilde van haren zoon geen onbeschaafd mensch maken, en Paul moest zich in het logement inkt. papier en pen laten geven en met liet dagboek aanstonds beginnen. Mijnheer Nemlich stemde toe. dat het houden van een dagboek een middel tot beschaving is. Paul wierp hem daarom een knorrigen blik toe, trok af als de dure tijd en sloop zachtkens de deur van het logement binnen. Hij zou echter wel niet zoo goedwillig gegaan zijn, als Jochem Klahn hem achter moeders rug niet geknipoogd en gewenkt had , dat hij voor zijn dool wat in zijn schild voerde.

Jochem volgde hem nu dan ook en zeide: „Paul, je bent toch een haas. Zet daarover toch niet zoo'n zuur gezicht, dat is immers maar eene kleinigheid; ik zal je wel helpen.quot; En toen nu het schrijfgereedschap en een rustig plekje waren opgezocht, zei Jochem weder: „Paul, schrijven moet ge zelf; ik schrijf een zeer mooie hand, en dat zou zij dus nierken; maar ik wil het je dicteeren, zooals onze koster

ocr page 171

151

deed.quot; — Eu Jochem begon: „Kort......., heb je dat? —

Mijn hemel! Paul, wat zet je daar voor eene K? Zóó moet je eene groote K zettenquot;, en hij schreef er hem eene voor. „Nu, maar verder! — Dagboek — met eene groote D — van Paul. Heb je dat?quot; — „Ja, Jochem, maar waarom: Kort?quot; — „Paul, je bent toch een rechte schaapskop Moeten wij dan een lang dagboek schrijven? Dat zou mooi vervelend wezen; ik heb ten minste geen lust. den heelen dag hier te zitten en mij het hoofd te breken quot; Dit zag Paul nu ook in, en de beide schrijvers namen hunnen arbeid dadelijk weder ter hand, en Jochem stond er op, dat Paul wijd uiteen zou schrijven, opdat liet grooter van inhoud zou schijnen; maar hij kon niet beletten, dat Paul aan de bovenlinkerzijde begon en bijna onderaan den rechterkant ophield, daar er geen liniaal bij de hand was: en toen alles gereed was, las Jochem voor , als volgt:

KORT DAGBOEK VAN PAUL.

Triest, dex eersten paaschdag. Deze stad is vol van veel volk, ook vol bedelaars, die uit kleine kinderen en oude vrouwen bestaan. Die hebben den student Bayer voor ecu voornamen vorst aangezien, omdat hij een bonte muts droeg en een bonten rok aanhad; zoo heeft hij het mij namelijk verteld, 's Middags heeft vader weder visch gegeten, maar die heeft zoo gesmaakt, alsof de meid de olielamp in de saus had gegoten. Wij overigen aten gebraden rund-vleesch. We hebben ook een oorlogschip bezichtigd; de oude dame heeft het ons aangeraden, en Helene hoeft veel knorren van-moeder gekregen; maar ik ook. Vader en Jochem eu de oude Jahn hebben zich echter zeer verheugd; va dei-wilde op een flesch champagne trakteeren.

Triest, den tweeden paaschdag. Mijnheer Nemlich heeft veel knorren gekregen, omdat hij nog niet gepakt had. Ik heb ook weder knorren gekregen, omdat ik naar

ocr page 172

152

de vischmarkt geloopen was, waar ik de leelijke wilde zeedieren wou bekijken, 's Middags hebben wij niets gegeten , daar wij reeds vóór den middag naar het schip moesten; het heet „Bombiquot;. Vader is echter heimelijk weggegaan en heeft ons laten staan, en heeft stilletjes in eene herberg ontbeten met warme gebakken aardappelen, en moeder heeft hom daarvoor behoorlijk den mantel uitgeveegd. Op het schip troffen wij aan 1) Jochem Klahn, 2) oom Bors, 3) oom Jalm, 4) den student Bayer, 5) een advocaat, 6) den heer baron Von ünkenstein, dien moeder alleen maar mag lijden, en 7) een kleinen commercieraad uit Thüringen, die vader altijd den ouden en mij den jongen Grobian noemt, omdat hij „Groterjahnquot; in zijne taal niet zeggen kon. 's ÜSiachts heeft het vreeselijk gestormd, en de golven zijn maar steeds over het schip geslagen. Vader en de kleine commercieraad hebben jammerlijk gesteund, want dat is de zeeziekte, en ik heb ternauwernood mijn laarzen aan kunnen doen.

Oom .Tahn en Jochem hebben moeder naar boven gedragen, en vader heeft vandaag knorren gekregen, omdat hij dit geduld heeft. De oude dame zag er potsierlijk uit in den pels van oom Jahn.

Ragusa , den dag na paschen. Xu zijn wij hier.

„Ja,quot;' zei Jochem, toen hij het had overgelezen, ,'t is in orde; nu zijn wij hier.quot; — „Ja, Jochem,quot; zei Paul, „hier moest eigenlijk nog een weinig achter aan komen.quot;' — ,Diit zie ik niet in, Paul; mij dunkt. dat je moeder er wel mede kan tevreden zijn. ,AVe zijn nu hier,quot; dat kunnen we schrijven; maar wat ons nu hier nog verder gebeuren zal, dat kunnen wij niet weten. We kunnen, wel is waar, altijd nog wel een beetje bij voorbaat schrijven: „Ik heb heden weder knorren gekregen,'' want dat gij zulks krijgt, dat is zeker; maar gij kunt mogelijk ook slaag krijgen, en dan komt het niet uit. Neen, breng dat papier maar naar je moeder; ik zal in de huisdeur gaan staan en eens opletten, hoe het haar zal bevallen quot;

ocr page 173

Paul bracht clan nu ook het geschrift aan zijne moeder en had al bij voorraad het gevoel, dat het niet goed met hem zou afloopen, maar hij kwam er genadig af: moeder nam, diep in gedachten verzonken, hem het papier uit de hand, zag het in het geheel niet in en «ette haar onderhoud met den baron Von Unkenstein en Hel ene voort, want zij was met eene belangrijke zaak vervuld; zij wilde, zooals zij tot zich zelve zeide, „eene innige betrekkingquot; tusschen die beiden tot stand brengen, en daarom wilde zij zich met haar zwak, ziekelijk lichaam tot eene brug laten gebruiken, waarop die beiden elkander ontmoeten en eene overeenkomst sluiten konden. Mijnheer de baron danste dan nu ook heel vroolijk met de uitgezochtste complimenten de brug op, maar Helene wilde niet. quot;Was het nu, dat zij de brug niet vertrouwde, of was het, dat zij den ouden Jahn, die haar uit de verte steeds zeer bedenkelijk aankeek, niet voor het hoofd wilde stooten, genoeg, zij keerde zich eensklaps om, en wendde zich tot den heer Nemlich, en vroeg, of hij niet zoo vriendelijk wilde zijn, haar een weinig door de stad te vergezellen, en naar het oude slot op die hoogte; zij wilde toch gaarne de omstreken en ook het volk eens zien. Natuurlijk! Met het grootste pleizier! Mijnheer Nemlich sprong met beide beenen in de hoogte; maar hij keek toch uitermate onzeker naar mevrouw zijne gebiedster: „of zij hem ook wat te bevelen had?quot; Moeder was te zwak om te kunnen medegaan, en mijnheer de baron was er te verstandig toe, want hij wist: die de dochter wil krijgen, moet met de moeder op een goeden voet staan. Hij bleef daarom en praatte moeder naar den mond.

Helene en mijnheer Nemlich gingen heen. Mijnheer Nemlich was buiten zich zeiven van verrukking, niet wegens de stad en hare omstreken, neen, wegens het geleide en de onderscheiding. Toevallig wist hij uit den kleinen Cannabich, dat Ragusa oudtijds een republiek was geweest, en dat Montenegro, dat hier heel dicht bij lag,

ocr page 174

154

zoo to zeggen, or ook eene was, en zoo hield hij voor Helena eene lange redevoering, wat eene republiek eigenlijk voor een ding was, en hij kwam tot het besluit, dat Mekklen-burg ook eene republiek moest worden, en 't was er ook in het geheel .niet zoo ver meer van af; het was op den goeden weg er toe, want zij hadden nu al den landdag , en hij en Karei Bennewitz en Christiaan Schuit eu Ferdinand Schroder hadden het al voor zeven jaar gezegd, toen zij nog niet eens op het seminarie waren, llelene had niet veel van deze wijsheid geprofiteerd; zij had sprakeloos in de branding gestaard, die zich, golf op golf. als ware elke daarvan eene wigge, tusschen de rotsen doordrong en zich vervolgens met haar wit schuim in volle woede tegen den ouden toren van het vestingwerk opstuwde, alsof zij bestemd was deze oude teekenen van vergane macht uit te wisschen en tot een nieuw bewijs te dienen, dat geen menschenwerk, op welke vaste grondslagen het moge opgericht zijn, tegen het geweld der natuur bestand is. Zulk een aanblik verwekt weemoed en treurigheid in de menschelijke borst, en toen het jonge meisje haren blik naar rustiger, stiller uitzichten wendde, waar geene verbolgenheid en strijd woedde, maar waarover liet vroolijk licht en de stralen der zon verspreid waren, sprak zij vriendelijk en hartelijk tot den heer Nemlich, die nu met de Mekklenburgsche republiek aan het einde was gekomen, en zij vroeg hem naar zijne ouders en hunne levenswijze; en het kwam er alles met zooveel deelneming uit, dat de heer Nemlich steeds meer en meer in opgetogenheid geraakte, — Zij gingen op het oude slot en zagen naar de overzijde heen, waar kale bergen in den brandenden zonneschijn zich steil in de hoogte verhieven, en tante Lina, die al den geheelen morgen de omstreken had afgeloopen, stond ook reeds hier eu zag dienzelfden weg uit. Zij kwam nader en zeide: Lief kind, ziet ge, daar, achter die bergen, daar ligt het kleine land Montenegro, en ziet ge, daar trekt een detachement

ocr page 175

155

Oostenrijksche soldaten langzaam den berg op. — die me de witte uniform meen ik, — en de landlieden, die daar in bonten opschik den berg afkomen, dat zullen denkelijk wel Montenegrijnen zijn.quot; — „O.quot; riep mijnheer Xemlich, „dat zijn de vrije republikeinen! Ziet u, mejuffrouw, hoe stoutmoedig zij daarheen gaan, en ziet u, hoe die slaven der heerschappij, deze Oostenrijksche soldaten daar, gedrukt en moeitevol rondkruipen!quot; — „Ja, goede mijnheer.quot; zei tante Lina heel bedaard, „de eene partij loopt den bergaf, en de anderen klauteren er op. En ziet gij daarboven dat kleine huisje wel? Dat is de Oostenrijksche wachtpost, daar moeten deze vrije republikeinen aan de Oostenrijksche „slaven der heerschappijquot; al hun schietgeweer afgeven, opdat zij hierbeneden in de stad geen ongeluk zouden kunnen aanrichten. Maar wij willen deze vrije republikeinen toch eens van nabij bezien.quot; Hierop gingen zij naar benedeu in de straten der stad.

In ééne zaak had mijnheer Nemlich nu gelijk: het waren prachtige kerels, breed geschouderd, mager en rank vau gestalte, niets dan beenderen en peezen en „stoutmoedigquot; genoeg gingen zij daarheen; wellicht een weinig te „stoutmoedigquot;, want uit de bruine aangezichten en zwarte oogen van mijnheer Nemlichs republikeinsche broeders gaf zicii iets bijzonders te kennen, 't welk mijnheer Xemlich zoo slecht beviel, dat hij er steeds op bedacht was, tusschen hem en zulk een Montenegrijnschen broeder de oude dame te laten gaan. Die ging er heel onverschrokken tusschen door eu zeide tot Helene, terwijl zij op een troep morsige, vreeselijk leelijke vrouwen wees, waarvan ieder een zwaren last op den rug droeg: „Lief kind, hoe bevalt u dat? Ik geloof, dat wij blijven willen, wat wrij zijn; wij willen ons niet onder die republikeinschen laten opnemen.quot; Eu zij wendde zich tot mijnheer Nemlich en zeide: „Dat is hier het zoogenaamde schoone geslacht.quot; En toen zij nu verder gingen, hadden zij ook weldra een deftig geleide van bedelaars en schooiers om zich heen, gezonde, sterke Reuter, Mont, en Cap., 2e dr. 11

ocr page 176

156

kerels, die maar eeu in het oog loopend gebrek hadden, namelijk een grooten afkeer van werken. Zij kwamen eene kerk voorbij, en tante Lina zeide: „Ik ben vandaag reeds in de kerk geweest; ik wilde God voor onze redding-danken; maar daar ben ik mooi te pas gekomen; mijne stichting werd mij door het orgel geheel ontnomen. Nu, ik heb wel gelezen, van koning Davids harp- en snarenspel en dat hij omgord was met een linnen lijfrok en met alle macht voor het aangezicht des Heeren huppelde; maar eeue galoppade zal hij toch wel niet gespeeld en gedanst hebben, en wat ik hier hoorde, kind lief, was werkelijk eene galoppade, die het orgel speelde. Ik moest de kerk uit, ik kon liet er niet houden.quot;

Eindelijk kwamen zij weder op de plaats, vanwaar zij uitgegaan waren, in het logement terug, dat voor de poort van Ragusa lag; zij zagen ook het plekje, waar moeder te voren met den baron gezeten had; maar moeder was daar niet meer, en de baron ook niet. Moeder had ondertusschen haren Anton beet gekregen, en was met hem tengevolge eener verdrietige, maar zeker verstandige oorzaak naar Gravosa en van daar naar het schip teruggevaren. Paul had ook mede moeten gaan, maar was, gelukkig voor hem, niet te vinden, en dit was zeer natuurlijk , want hij zocht zijne moeder wegens zijn dagboek mis te loopen en zat op dit oogenblik in zoo'n buitenlandschen plataanboom, — dit was namelijk geheel iets nieuws voor hem hij had op die manier nog nooit gezeten; hij had zijne zakken vol met kleine steentjes en schelpen gestoken en smeet nu daarmede steeds naar Jochem Klahn, die met den rug naar den boom stond en zich ontzaglijk verwonderde, hoe de wind van dezen buitenlandschen boom schelpen kon afschudden. Vader Jahn was ook naar Gravosa teruggegaan en had onderweg kennis gemaakt met een ouden scheepskapitein, die goed Duitsch sprak en die in een heerlijk mooien tuin te Gravosa zijne rust had genomen ; en toen Helene met tante Lina en mijnheer Xern-

ocr page 177

157

lich dozen tuin voorbijgingen, kwam oom Jahn er uit met een paar prachtige boucjuetten rozen: ,Daar, tante Lina. gij krijgt de witte, en gij, lieve Helene, de roode!quot; Mijnheer Xemlich kreeg niets, hij had ook al veel te veel moois gekregen, en toen hij later weder vóór op het dek zat, ging hem een wonderbaar licht daarover op. Ja, het was hem nu klaar en duidelijk: Helene was op hem verliefd.

Waarom.....en hij vroeg dit elke golf, die tegen

het schip aanspoelde, en hij vroeg dit het geheele landschap rondom zich en eiken boom, die daarin stond: waarom had zij anders mijnheer den baron verlaten en hem tot hare begeleiding uitgekozen? Waarom had zij daar zoo diep in gedachten verzonken gestaan, toen hij zijne beschouwingen over de Mekklenburgsche republiek uitploos? Waarom had zij zoo vriendelijk en hartelijk tot hem gesproken? Wat had zij naar zijn vader en zijne moeder te vragen, wanneer zij niet had willen weten, in welk eene familie zij door dit engagement komen zou ? Waarom had zij steeds, als de oude dame een weinig scherp tegen hem werd, hem vriendelijk toegesproken ? Waarom? Waarom? Waarom? En deze „waaromsquot; gingen hem zoo vast in de maag zitten, alsof liet uien en kool waren, die hij dien middag gegeten had. Hij zag ver over het schoone landschap heen, en daarachter kwam een schoon paleis te voorschijn, en hij stond daarin met Helene op een hoog balkon en dacht: , Dit alles is mij onderdanig.quot;

Ach, de arme Munde! Zij zat in dit oogenblik in de kosterskeuken te Groot-Barkow en schrapte wortels voor het avondeten en zag over het varkenshok van haren lieven vader heen, en als zij daarachter wat moois in de hoogte zag stijgen, dan was het de betrekking van hulponderwijzer te Zwiebelsdorp.

ocr page 178

158

ELFDE HOOFDSTUK.

Dat mijnheer de haron op éénmaal een grooten angst voor het water krijgt. — Anton koopt Helene van hem vrij. — Oom Bors maakt eene mooie zaak in vette ossen. — Mijnheer de haron hegint op klaarlichten dag te spoken. — Hoe mevrouw Groterjahn wraak op haren Anton neemt en zich daarbij eene verkoudheid op den hals haalt. — Waarom Anton hij het hankspel van den haron, het met zich zeiven oneens wordt, en oom Bors hem daarin navolgt. — De oude JaJin hegint lont te ruiken en zijn Jochem houdt oom Bors aan Paul als voorheeld voor oogen. — Waarom de heer Wilhelm August Schwofel den titel van „commercieraad'' wel verdiend heeft.

Den derden dag zou de reis dus uu voortgezet worden, doch velen van de lieve reizigers hadden een heiinelijken afschrik van wind en water gekregen en waren blijkbaar met deze inrichting van onzen Lieven Heer niet best tevreden. Bovenal wilde mijnheer de baron Von Unken-stein er niets meer van weten; hij wilde niet meer meevaren en zeide zulks aan Anton; hij voegde er bij. dat, zooals hij vroeger eens van een luitenant in Oostenrijkschen dienst, Graaf van Zittmannsdorp, gehoord had, dien hij uit vroegere betrekking zeer goed kende, toen hij zich destijds eenige jaren in Weenen had opgehouden, en met wien hij als een broeder had verkeerd, er geen spoortrein of postwagen van Eagusa naar Triest ging; hij zou dus wel te water moeten terugkeeren, maar geen tien paarden zouden hem weder op dit ongelukkige schip krijgen; hij wilde in Ragusa blijven tot het betere jaargetijde en dan zijn leven wagen. Men kon onzen goeden, eerlijken Anton tegenover zijne vrouw recht onnoozel noemen; tegenover andere menschen, was hij echter verbazend sluw; hij zag nu ook aanstonds in, dat dit eene mooie gelegenheid was, om ter wille van Helene van den baron af te komen en achter moeders rug zijn wil door te zetten en

ocr page 179

159

haar een poets te spelen, want, ofschoon hij niet wilde, dat Karei Jahn zijne dochter hebben zou, de baron zou haar toch ook niet krijgen. Hij zou er niets tegen hebben, dat zijne dochter een edelman kreeg, maar dezen niet, want deze was het te veel met moederlief ééns en liet hem links liggen, en behandelde hem niet als zijn aanstaanden vader, zoodat Anton voorzag, dat hij ook bij hem als het vijfde rad aan den wagen zou zijn. Hij antwoordde dus den baron, dat hij gelijk had, en hij zelf, Anton, zou ook hier willen blijven, zoo hij maar kon; doch, zooals de zaken nu waren, moest hij zijn leven in de waagschaal stellen en zich voor zijne familie opofferen, want zijne vrouw zou niet terug willen blijven, zij had een te verheven geest. Ja, zei de baron, dat was alles, in zooverre, heel mooi, maar hij was er niet op ingericht; hij had het geld voor de vaart immers betaald, en dat was nu verloren; hij had nog wel extra geld, maar dat zou niet toereikend zijn voor zóó'n langdurig verblijf; hij was dus in eene oogenblikkelijke verlegenheid; of Anton hem niet een vijftig Louis d'ors zou willen leenen ? Nu, Anton zou voorwaar wel oliedom geweest zijn, zoo hij deze zaak niet licht te begrijpen had gevonden, en niet geweten had, dat een baron, wanneer hij jong is, zich vaak in eene oogenblikkelijke verlegenheid kan bevinden, dat wil zeggen, altijd slechts in eene oogenblikkelijke en dat zulks een natuurlijke toestand was, alsmede, dat die soort van menschen nooit anders dan met Louis d'ors kunnen rekenen. Daarbij kwam nu nog, dat hij werkelijk zijne lieve Helene voor den baron wilde behoeden; hij had straks al A gezegd, hij zeide dus nu ook B, ging heen en haalde de vijftig Louis d'ors; de baron schreef eene schuldbekentenis voor hem op zijn eerewoord , en zóó was de zaak in orde.

Mijnheer de baron ging nu op de boot en wilde er nog slechts zijne bagage halen. Toen hij, bij deze zaak, langs het kippenhok ging, zat oom Bors daar juist en voerde

ocr page 180

160

do kippen, want liij had deze nuttige bezigheid op zich genomen; liij had ook te Ragusa zijn tijd goed besteed, om nieuwen voorraad van dit pluimgedierte te helpen in-koopen, en nu verzorgde hij zijne lievelingen.

Oom Bors zat in gedachten verdiept; eensklaps voelde hij eene hand op zijn schouder; hij zag op; mijnheer de baron, met wien hij in het gezelschap van Anton meermalen reeds had gesproken, stond, alsof hij uit de lucht was gevallen, vóór hem. — Wanneer den mensch zoo plotseling iets voor de oogen komt, dan ziet hij de zaak het duidelijkste en nauwkeurigste in; later kan men nog zooveel bekijken, van de eene zijde zoowel als van de andere, de zaak wordt dan steeds schemerachtiger voor onze oogen, hoe langer wij ze bezien; de eerste blik gaf er ons de duidelijkste voorstolling van. — Zóó ging hot ook oom Bors in dit oogenblik; hij sprong eensklaps overeind en riep: „De duivel halo je!. . . Ik moet u al vroeger eens gezien hebben. Zijt gij wel eens op de jaarmarkt te Kropliu geweest?quot;— „Neen.quot;—- „Ofte Kieuw-Bukow?quot; — „Neen.quot; — „Of te Dobberan?quot; -— „Dat zou mogelijk kunnen zijn; ik ben ton minste dikwijls in Dobberan geweest, voornamelijk ten tijde der wedrennen. Weet gij,quot; — dit woord had hij zich al, in navolging van den Oostenrijkschen graaf, die ook op de boot was, aangewend, — „ik had toenmaals de beide landgoederen Groot- en Klein-Zopelow. Fameuse goederen — zeer goed; maar niet gelegen, geeno jacht; verkocht — vierhonderd-vijftig duizend daalders. Bij Schwo-rin wil ik weder aankoopen; ik beu reeds in onderhandeling en verwacht elk oogenblik liet bericht, dat de koop gesloten is.quot; — „Waarachtig! Zie, wel kijk eens aan!quot; riep oom Borst uit. „Ik ben ook uit Schwerin; ik heb daar drie zoons wonen, een slachter, een zeepzieder en eeu koopman,quot; en nu schoot hem eene speculatie door het hoofd, want, ofschoon hij slechts klein van persoon was, zijne gedachten waren lang en zagen ver vooruit in de toekomst. „Mijnheer de baron,quot; zeide hij, eene brieven-

ocr page 181

161

tasch to voorschijn halende, die van buiten heel aardig vet was van talk en zeep, en van binnen heel aardig gespekt met papieren geld ; en hij haalde er een paar kaartjes uit en zeide: „Zie maar eens hier! Dit is mijn Adolf, mijn jongste zoon, aan wien ik nu mijne zaken heb overgedaan; bij hem kunt gij uwe zeep en uwe kaarsen krijgen; en dit is mijn Bern-hard, mijn koopman, die heeft alles, alles van't echte soort: suiker en koffie, en stroop en haring, — alles echt! — en dit is mijn zoon de slachter, mijn Samuel; hij kan u de vette ossen afkoopen en de varkens; hij koopt ook schapen , als ze goed zijn.quot; — „Ja, weet gij,quot; hernam mijnheer de baron, want hij had den Mekklenburger geheel afgelegd en den Oostenrijker aangetrokken; hij zou toch anders, evenals oom Tiors, zijne redeneering met „ziet gijquot;, hebben moeten beginnen. „Weet gij, mijn leven niet exponeeren; de kortstondige kennismaking, tot mijn leedwezen , afbreken ; hier blijven; in dit nest, Kagusa, het goede jaargetijde afwachten. Fatale historie! quot;Wissels op Konstan-tinopel; oogenblikkelijke, leehjke verlegenheid.quot; En terwijl hij zoo sprak, wreef hij in zijne haren vóór op het hoofd, alsof hij aan de arme stumperds, die daar nog spaarzaam groeiden, niet eens die plaats gunde.

„Ja, ziet gij, mijnheer de baron! 'tis een gek ding, als een mensch gebrek aan klein geld begint te krijgen; 't is mij ook dikwijls zoo gegaan,quot; zeide oom Bors, en hij stak zijn brieventasch in den zak. — „Weet gij,'' begon de baron weder, en hij sprak nu heel verstandig, gelijk een ander mensch, — geldzaken brengen den mensch steeds op het spoor van het dagelijksche leven terug. — „misschien konden wij reeds nu onze handelsbetrekkingen beginnen; misschien zoudt gij mij een klein voorschot van een paar honderd daalders kunnen doen; wij zouden immers later, wanneer uw zoon de ossen koopt, weêr kunnen afrekenen.quot; — „Ja, ziet gij, mijnheer de baron,quot; antwoordde oom Bors, en hij knoopte zijn jas van voren dicht, want hij was een voorzichtig koopman, „dat zou wel kunnen

ocr page 182

162

gaan; maar, evenwel, nogtans — wel verduiveld! ik moet u toch vroeger al eens gezien hebben.quot; — „'t Is mogelijk,quot; zei de baron, stak zijne hand in den zak en liet de vijftig Louis d'ors van Anton zoo steelswijze door de vingers glijden, „gij schijnt geen lust aan den handel te hebben; weet gij, ik kom denkelijk ook hier nog wel mede rond. Ik heb de eer u te groeten.quot; — „Halt! stop!quot; riep oom Bors, want hij was wel een voorzichtig, maar, zooals ik reeds heb aangemerkt, ook een ver vooruitziend koopman; en toen hij nu zag, dat de baron toch geld had en geen bedelaar was, en bedacht, dat hij liem eigenlijk als een ouden bekende kon aanzien, alsook dat mijnheer zijn zoon Samuel eenmaal eene belangrijke affaire in ossen met hem zou kunnen maken, — toen beschouwde hij het als eene domheid van zich zeiven en als eene zonde jegens zijn zoon Samuel, indien hij mynheer den baron niet met een paar honderd daalders aan zich en zijne familie zocht te boeien. „Hier zijn ze,quot; zeide hij en haalde de vette brieventasch weêr voor den dagmaar eene kleine schuldbekentenis als ik u verzoeken mag. ' Nu, die was spoedig geschreven, en de baron nam een recht aandoenlijk afscheid van hem; oom Bors ging weêr vóór het kippenhok zitten en keek er straks in; en voor zijne ver vooruitziende oogen werden die arme, kleine, spillebeenige. magere dieren, die daarin zaten, steeds grooter en vetter, totdat zij ten laatste allen in vette ossen veranderden; en mynheer zyn zoon Samuel dreef ze voort naar Schwerin, en hing, den een voor en den ander na, aan den haak en sloeg de gele talk van binnen naar buiten uit, opdat de menschen toch zien zouden, wat er aan de hand was; en mijnheer zijn zoon Adolf was aan 't zieden en braden van al die talk, als eene vette gans op St.-Maarten; en mijnheer zijn zoon Bernhard zond altijd maar door, altijd maar door, suiker en koffie en vaatjes haring naar het landgoed van mijnheer den baron; ook spiritus, zoo dit verlangd werd; en hij zelf reisde

ocr page 183

163

dan naar den baron, naar buiten, en haalde altijd door, altijd door, veel geld; want de geldzaken van de drie affaires had hij zich voor zijn deel voorbehouden. — Er gaat toch niets boven een ware voorpret.

De Bombay stoomde de haven van Gravosa uit; mevrouw Jeannette stond met Helene achterop bij het roer en Helene zag uit naar de woeste kust en naar de donkere, zwarte bergen, die zich daarachter in de verte verhieven, en zij dacht aan de wilde trotsche knapen, die daar hun verblijf hadden, en hare oogen werden vochtig, zij wist zelve niet waarom; maar een hart, dat vol liefde is, is licht aangedaan, en al moest zij ook niemand missen, die haar daar lief geworden was, zoo had zij toch de landstreek lief gekregen, en dat kan voor een warm hart al genoeg wezen. — Met ver van daar stond de oude Jahn met tante Lina; hij zag ook naar de kust, in ernstig nadenken verzonken; hij dacht ook aan den ouden kluizenaar, aan den scheepskapitein, die zoo kalm en vergenoegd in zijn fraaien tuin zat, en hij maakte eene vergelijking tussehen hem en zich zeiven en zuchtte diep uit de borst. Ja! zóó had hij zich, in goede oogenblikken, zijne toekomst en zijn ouderdom voorgesteld; het huis en den tuin had hij immers ook; maar .... Ach! als hij zoo kon afsluiten met datgeen, wat eenmaal geweest was, maar ... — Tante Lina zag, dat hij in sombere gedachten verdiept was; zij maakte hem opmerkzaam op hetgeen vóór hen lag en zeide: „Nu varen wij naar Korfu.quot; Zij vertelde nu van het schoone eiland en dat de jeugdige Keizerin van Oostenrijk in het vorige jaar er haar verblijf gehouden en hare gezondheid teruggekregen had; en zij verhaalde van de oude Griekse he en Venetiaansche tijden en bracht hem op andere gedachten. Anton kwam nu met mijnheer Nemlich en Paul haar voorbij, en Paul liep naaiden ouden Jahn toe, en zeide hem goeden dag, en mijnheer Nemlich keek Anton aan, of die ook zou groeten . dan wilde hij 'took doen; Anton was in verlegenheid, of

ocr page 184

164

hij het al dan niet doen zou; hij sloeg dus een middelweg in: hij raakte zijn hoed aan, maar nam dien niet af; hij zag Jahn a*ii en zeide tot tante Lina: „Nu varen wij verder, mejuffrouw.quot; — «Ja,quot; was haar antwoord, „dat merken wij van lieverlede, mijnheer Groterjahn.quot; — En Anton zeide: „Poll,'kom! Je moeder wacht op ons.quot; Dit zeide hij zeer luid, ten einde de lieve moeder het ook zou hooren. Moeder hoorde liet nu wel; maar zij had ook den halven groet van Antou gezien, en zij vroeg hem zeer vinnig, toen hij bij haar kwam, sedert wanneer hij toch met den ouden Jahn op het standpunt van groeten was. Anton had zich hier nu mooi kunnen verdedigen eu zeggen, dat groeten eenvoudig eene beleefdheid was, die verder niets beteekende, en dat zijn groet alleen de oude dame had gegolden, en wat hij verder nog voor verstandige tegenwerpingen had kunnen maken; maar hij versmaadde iedere uitvlucht, hij had een veel te mooie troef in de hand, en die speelde hij tegen zijne lieve Jeannette vlak in 't aangezicht uit: „Mijnheer de baron Von Unkenstein heeft mij zijne complimenten aan jelui opgedragen; hij is in Ragusa gebleven.quot; — „Wat?quot; of beter gezegd: „Hoe? Waar? Wie! Wat?quot; Deze vragen, die mijn oude vriend, de timmerman Penkun, aan iedereen bij iedere gelegenheid doet, schoten mevrouw Groterjahn door 't hoofd; hare handen zakten langs haar lichaam neder, en zij zelve viel op een vouwstoel neer, alsof zij een mislukte pannekoek was, dien de keukenmeid in de asch had laten vallen. Al hare verwachtingen waren verijdeld; alles wat zij gedurende deze dageft bij zich zelve had overlegd, was in Ragusa blijven steken, en slechts de droevige troost bleef haar over, dat zij met hare vroegere meeningen, over de valschheid en de slechtheid der mannen, gelijk had gehad. Op Helene maakte deze tijding een geheel anderen indruk, en, — 't is jammer, dat wij het moeten zeggen, — zij legde voor een beschaafd, jong meisje zeer weinig gevoel aan den dag; want in plaats van met hare lieve moeder

ocr page 185

165

om 't hardst te treuren, begou zij, in uitgelaten vroolijk-lieid, niet mijnheer Nemlich grappen te maken, zoodat mijnheer Nemlich in 't geheel niet wist, wat hem overkwam; maar hij had toch liet zalige gevoel, dat de gelukkigste oogenblikken in zijn leven die waren, waarin er grappen met hem werden gemaakt. Anton stond er bij als een braaf vader, maar als een slecht echtgenoot en slecht christen; want hij verheugde zich niet enkel over de blijdschap zijner dochter, hij verheugde zich ook over het leed van zijne gemalin.

Nu heeft onze Lieve Heer doorgaans de roede al in de hand, wanneer Hij zulk eene in 'toog loopende laaghartigheid ziet. als Anton hier deed blijken, en 't zou dan ook mijnheer den grondeigenaar niet kwijtgescholden worden. Toen zijne blijdschap zoo recht ten top gestegen was en er zoo'n vergenoegde glimlach op zijne lippen en in zijne dichtgeknepen oogen te lezen was, scheen het plotseling , alsof iemand hem dien ondeugenden lach met eene spons van den mond had afgeveegd, en zijne kleine oogen werden al grooter en grooter. totdat er ten laatste zóóveel wit in de oogen was, alsof zij uit eierschalen gemaakt waren, en eene ijskoude rilling voer hem door de leden. En hij had wel reden daartoe; er kwam iets den trap der kajuit opklimmen; trede voor trede schoot liet langer op en duidelijker werd het voor zijne blikken en het kwam liet dek op, totdat de geheele baron Yon Unkenstein, zoo lang als hij was, met zijn natuurlijk lichaam en zijn natuurlijken knijper in het oog daar stond ; en deze begon nu, op klaarlichten dag, tusschen zoovele menschen eu op de openbare zee rond te spoken en regelrecht op Anton en zijn gezelschap af te komen Nauwelijks werd moeder liet spook gewaar, of zij sprong en liep naar hem toe. met den uitroep: „Goede hemel, mijnheer de baron! Hoe komt gij hier?quot; — „Volstrekt niet weg geweest.quot; — „Ik meende,quot; en nu wierp zij Anton een verschrikkelijken blik toe, „dat gij in Ragusa wildet blijven.quot; — „Slechts een idee; — laten

ocr page 186

166

varen; — beminnelijk gezelschap niet verlaten, — hier kregen moeder en Helene eene buiging, Anton en mijnheer Xemlich niet. Anton was nu op den vouwstoel neergevallen, als mislukte pannekoek N0 2; de baron ging naar hem toe, gaf hem de hand en drukte de zijne recht stevig. Anton dacht; recht brutaal, — alsof hij hem moest overtuigen, dat hij van vleesch en been was. Helene had zich spoedig hersteld; zij groette den jongen heer zeer op een afstand, ging naar den heer Xemlich en verzocht hem met haar op het voorschip te gaan, en — de hemel weet het! — mijnheer Xemlich deed het en deed het zeer gaarne.

Moeder had nu zooveel te zeggen en te vragen, haar verlangen om meer van de zaak te hooren was zoo groot, dat zij vooreerst nog niet denken kon aan de ernstige bestraffing, welke Anton, vanwege den schrik, dien hij haar op den hals had gehaald , verdiend had. Onze goede grondeigenaar zou dus nu een recht rustig uurtje hebben kunnen doorbrengen, zoo drie vragen hem niet bestendig, als bromvliegen, door 't hoofd waren gegaan: quot;Wat wordt er nu van mijn Leentje ? Zou die vervloekte kerel mijne vijftig Louis d'ors nog in zijn zak hebben ? En zou die vervloekte kerel mij nu het geld weêr teruggeven ?

Vóór op de boot, bij het kippenhok, zat ook iemand, die het spook heel oplettend beschouwde; hij boog zicli eerst naar de rechterzijde en zag zoo naar hem heen, en toen boog hij zich links en zag zoo naar dien kant op , en toen Helene hem voorbijging, vroeg hij: „Leentje, is daï werkelijk de baron, die daar met Hanna praat?quot; — „Ja, oom.'' Toen keerde oom Bors zich schielijk om en bekeek de arme, spillebeenige hoenders in het kippenhok weder, en zeide bij zich zeiven: „Mooie, vette ossen zijn dat! Als mijn jongens dit geval te weten komen, nemen zij mij zeker het bestuur over de geldzaken af. Maar, vooral niets zeggen, anders lachen de kippen mij nog uit, en al de smeerlappen op 't heele schip zullen komen, om

ocr page 187

167

bij mij te pompen. Maar, zóó dom ben ik toch niet, dat ik hier geen lont zou ruiken. Wat? Hij wil in Ragusn blijven en heeft daar geld toe noodig, en nu is hij hier ? — Nu, wacht maar!quot;

Korfu kwam in 't gezicht. Daar lag het eiland, zoo schoon als een Italiaansch dichtstuk van Goethe, maar op vloeipapier gedrukt, want grauwe nevelwolken lagen er over verspreid; en toen het reisgezelschap aan land stapte, was het kleverig van onder en van boven en zoo'n echte motregen viel onophoudelijk op hen neder. Anton wilde om-keeren of ten minste hier of daar halt maken en zeide, als hij zich wou laten natregenen, had hij wel naar Groot-Barkow kunnen gaan, en had hij wel bij de mestkar kunnen gaan staan, want daar zouden ze op dit oogenblik wel aan 't mest rijden zijn. Maar alsof zijne lieve vrouw werkelijk hierop gewacht had, barstte nu het onweder over hem los, het slechte weder, de omstandigheid, dat mijnheer de baron niet mede aan land had willen gaan, en dat Poll weder eens, zonder hare toestemming, zijn eigen gang ging, dit alles had haar in de rechte stemming gebracht, om Anton te doen gevoelen, dat zij hem nog altijd onder den duim had. Hij kreeg nu te hooren, hoe onvoegzaam hij zich gedragen had, door haar het weggaan van den baron bekend te maken; zij zeide hem vlak in 't gezicht, hoe zij het er voor hield, dat hij haar dit slechts daarom zoo onverbloemd en plotseling gezegd had, om haar een doodelijken schrik op 't lijf te jagen; en nu moest Anton dus mee, berg op en berg af, door dik en dun. — Hier zou nu de een of ander kunnen meenen, dat zulke vermoeienissen tegen moeders natuur geweest zouden zijn, daar zij zoo zwak van gestel was; ja! dat was zij anders ook; doch, wanneer het op 't regeeren aankwam, dan was zij eene „maagd van Orleansquot; en eene „Brunhildequot; en eene „Chrimhildequot;, alles in écu persoon: dan ontzag zij haar arm, gebrekkig lichaam niet, evenmin als hare kousen en schoenen en onderrokken. Voorwaarts!

ocr page 188

168

ging zij; Helenc aan hare zijde; Anton, met liet touw om de horens, volgde, en achter dezen kwam mijnheer Xemlioh aansloffen; hij had den kraag van zijn jas opgezet, want hij had geen parapluie, en hij overhoorde zich zeiven uit den kleinen Cannabich : „Koffu, een eiland, vroeger Corcyra, oudtijds ook Drepane genoemd; tegenover de kust van Epirus; velen houden het ook voor het land der Phaaken. van welke Homerus zegt — van welke Homerus zegt — Homerus zegt.quot; Verder kwam hij niet, want de heer Gumbert kwam hen te gemoet,en Anton vroeg hem op knorrigen toon: „Wel, hoe ziet het er daarboven op het oude slot uit ?quot; — „ Afgrijselijk!quot; antwoordde de heer Gumbert en ging verder. Zij ontmoetten nog andere leden van het gezelschap, die naar de boot terugkeerden en hun mededeelden, dat liet daarboven volstrekt niet om door te komen was; maar niets kon moeder tot andere gedachten brengen. — — Voorwaarts! Paul, natuurlijk met JochemKlahn,kwamaanloopenmeteen grooten ruiker vol natte bloemen, en drukte dien zijne lieve zuster in de hand; waarschijnlijk opdat zij toch eene reden zou hebben, een paar nieuwe handschoenen te koopen, en zeide: „Daar, Leeutje !quot; Hij werd door moeder aangehouden, en Jochem Klahn mocht nog zooveel wenken en knipoogen, 't hielp niet, 't ging niet. Do oude Jahn en tante Lina kwamen ook terug, en tante Lina waadde door den modder naar mevrouw Groterjahn toe en riep; „Mijne lieve dochter, keer toch om. 't Is niet om door te komen.quot; — „Ja. moeder,quot; sprak Helene, „laat ons omkeeren, gij zoudi eene zware verkoudheid kunnen krijgen.quot; — „Hella, mijn kind, je gaat mede!quot; — „Ik keer om,quot; zeide Anton platweg en kwaadaardig, „wat duivel! ik wil me geene verkoudheid en hoest op den hals halen; 'k zal toch al een paar glazen grog moeten drinken, zoodra ik aan boord ben.quot; En hij keerde zich om en riep: „Kom, Paulus!quot; Daar ging hij heen met Paul; mijnheer jSemlich liep achter Helene. Moeder beefde van koude en van kwaadaardigheid; maar,

O 7 7

ocr page 189

169

evenwel — voorwaarts! totdat zij tot aan de enkels in de klei stond en het moest opgeven. — „Onze macLt doet niets!quot;' zou de kleine koopman uit Thüringen zeker g-ezeo'd hebben.

o O

Toen zij er zich in moest schikken, om den terugtocht aan te nemen, had zij nog het genoegen, Anton in de beste verstandhouding met den ouden Jahn en de oude dame vooruit te zien gaan. O, Anton! Anton! gij zijt een afvallige; gij laat uw beter deel in den steek; wat niet verdeeld mag worden, hebt gij verdeeld; 't is uwe schuld, dat uwe lieve vrouw van nu af aan, — om zoo te spreken, — op één been door de wereld hinken moet!

Toen moeder op de boot kwam, moest zij zicli weder in hare doos, de zoogenaamde kooi, laten inpakken; hare zenuwen brachten haar teeder lichaam niet weinig in beweging, en eene zware verkoudheid trok langzaam en zeker, gelijk een algemeene landregen, aan haren gezond-heidshemel op. Helone paste haar met de grootste zorg op; maar Anton bekommerde zich geen zier om zijne vrouw. — Xu, wij willen Anton niet te zeer veroor-deelen, want toen hij aan boord terugkwam, was hem iets overkomen, dat voorzeker wel iedereen alle andere gedachten uit het hoofd zou gezet hebben.

Toen hij beneden, in de kajuit, kwam, zat daar een aardig gezelschap, dat zich vanwege het regenachtige weder en de verveling, met een klein, eenvoudig spelletje van rechts en links, den tijd zocht te verdrijven. De baron had voorgesteld, dat meu „bankquot; zou spelen; hij hield de bank, en voor hem lag allerlei klein geld, terwijl een kleine stapel Louis d'ors er heel voornaam tusschenin stond. — „Dat zijn mijne vijftig Louis d'orszeide Anton in zich zeiven; hij zuchtte diep, en een stevigen slok nemende: keek hij onder in zijn glas grog. — „Wie zet?quot; — „Ik zet de helft.quot; — „Ik zet het geheel.quot; — „Aas wint, zeven verliest.quot; Zoo ging dat nu om de tafel rond, steeds volgens de rij. Nu kwam de beurt aan Anton. „Mijnheer

ocr page 190

170

Grotcrjalm, zet gij ?quot; vroeg de baron heel onbeschaamd. — „Ik speel nietantwoordde Anton op hoogen toon. Hij had dien dag al zoovele schanddaden jegens zijne vrouw uitgeoefend en wilde zich nu niet bovendien nog tegen zijne kinderen en hun toekomstig vermogen bezondigen. Dat was hij hun verschuldigd, hij wilde liever toekijken. Maar ook dit onschuldige genoegen zou pijnlijk voor hem worden. Elk behoorlijk toekijker bij een spel neemt, zonder daarbij iets bijzonders te denken, de partij voor of tegen één der spelers. Anton had allo reden, om tegen dien onbeschaamden baron gestemd te zijn, doch de Louis d'ors, die op het spel stonden, waren nu weder de zijnen ; wat zou hij in zulk eene verlegenheid thans doen ? Zoodra hij zich voor zijn eigen geld interesseerde, vernederde hij zich tot eene heimelijke ondersteuning van den laaghar-tigen kerel; en stemde hij in zijn hart tegen hem, dan smeet hij, — bij wijze van spreken, —zijne eigene mooie goudstukken op straat. Nu, dat pijnlijke gevoel zou juist niet heel lang duren; de zaak liep al heel spoedig af; de Louis d'ors van onzen goeden Anton vonden evenveel aftrek als de warme broodjes bij den bakker; de laatste stapeltjes stak een graaf uit Boheme in zijn zak! en Antons wraak was gestild, maar een weinigje duur met vijftig Louis d'ors betaald. — Maar, kijk nu toch eens aan ! Die drommelsche kerel, de baron, haalt twee bankbiljetten van honderd daalders uit zijne brieventasch. Zie! dacht Anton, de kerel heeft toch nog ander geld; hij kan mij misschien nog wel betalen.

Achter den stoel des barons stond oom Bors, en hij speelde ook voor toekijker. Zoolang het om de Louis d'ors ging, was hij heel tevreden; ja, hij verheugde zich waarlijk , want de nobele, onverschillige wijze, waarmede mijnheer de baron zijn geld verloor, beschouwde hij als het beste bewijs, dat hij met een rijken man te doen had. Toen nu echter zijne beide bankbiljetten van honderd daalders voor den dag kwamen, kwam hij in hetzelfde geval.

ocr page 191

171

waarin Anton straks verkeerd had; en de baron, juist alsof hij er zich op voorbereid had, de beide goede mannen op hun eigen gerecht te noodigen, vroeg ook hem heel brutaal: „Mijnheer — och! — och!quot; — zoo'n voorname baron kan nooit goed namen onthouden, — „wilt gij ook zetten?quot; Dat die man, die nog zoo kort geleden, zoo vertrouwelijk jegens hem geweest was, dat hij geld bij hem geborgd en de belangrijke affaire in vette ossen met hem gemaakt had, nu zijn naam niet meer wist en hem „och — ochquot; noemde, en nu zijne beide mooie zuur verdiende bankbiljetten van honderd daalders zoo lichtzinnig wegwierp, dat moest hem wel boos maken, en hij zeide: „Ik dank u zeer! Van alle gerechten moet men niet eten. Ik zal toch niet op mijn eigen geld zetten!quot; Dit laatste mompelde hij zoo half in zich zeiven, en daarop keerde hij zich om en ging heen.

Niemand had acht gegeven op de woorden van den ouden oom; 't is mogelijk, dat niemand ze ook gehoord had; slechts één had te dicht bij hem gestaan, om het brommen van den ouden man niet te hooren; dat was de oude Jahn, eu toen oom heenging, liep hij hem na en vroeg hem: „Zeg eens, mijnheer Bors, wat woudt gij met dat „op mijn eigen geld zettenquot; zeggen?quot; — «Och,quot; sprak oom, op verdrietigeu toon, alsof iemand hem op de teenen getrapt had; maar op ééns werd hij driftig, alsof men hem ook juist op zijne likdoorns geraakt had, eu riep: „Is dat dan niet schandelijk, mijnheer Jahn? Gij weet ook, wat zuur verdiend geld beteekent; en het mijne is zuur verdiend; en zoo'n bengel, zoo'n baron, die gooit er mee in 't rond, alsof ik het op de straat gevonden had?quot; — „Wel, hebt gij het hem dan geleend?quot; — „Ja. wis en zeker! ü kan ik dat wel zeggen; gij hebt ook jongens; gij zult het aan mijn drie zoons niet vertellen, want gij weet, dat wij ons respect moeten bewaren.quot;

„Wel, kent gij den baron dan?quot; — „Kennen? Zou ik hem niet kennen! Ik heb hem juist niet ten doop Reuter. Mont, en Cap. 2e dr. 12

ocr page 192

172

gehouden, maar hij kleeft immers zoo aan mijne nicht Hanna, als de vliezen aan 't nierenvet, en zij zal zich niet met een onbekend mensch inlaten, want toen ze nog in de wieg lag, was zij al zoo wijs, dat onze Lieve Heer zelf er zich over verwonderen moet, dat zij in 't geheel in 't leven gebleven is. En dan heeft hij immers die groote landgoederen in den omtrek van Dobberan verkocht en wil nu in Schwerin andere koopen, en aan mijn zoon Samuel, den slachter, wil hij al zijne vette ossen verkoopen, en op die affaire heb ik de tweehonderd daalders voorgeschoten.quot; Hier zuchtte oom Bors, maar na deze uitboezeming zeide hij, met een boosaardigen glimlach: „En die verspeelt]iij nu!quot; — „Hoor eens, waarde vriend,quot; zeide Jahn, „wat de goederen in den omtrek van Dobberan aangaat, dat is alles wind, want ik ben immers zelf uit die streken en ik weet niets van een baron Von Unkenstein; en met die in Schwerin zal 't ook wel zoo wezen; dat moesten wij, landlieden in Rostock, anders toch wel weten, want over den handel van een goed loopt bij ons het dagelijksche gesprek, en dus zullen uwe vette ossen nog wel in de maan loopen grazen. Neen, oude vriend, ik vrees, dat gij met een bedrieger te doen gehad hebt.quot; — „De hemel beware me!quot; riep oom Bors, „dan ga ik dadelijk naar den kerel toe en maak hem voor 'theele gezelschap te schande!quot; — „Laat dat toch maar blijven; gij zoudt bij de schade ook nog den spot moeten verduren.quot; — „Dan ga ik naar mijn advocaat, die hier op de boot is.quot; — „Doe dat, wat mij betreft.quot; En de oude oom ging.

quot;Welken troost die hem nu gaf, weet ik niet; ik weet slechts, dat, na eene poos, oom weder voor het kippenhok zat en zoo strak en ernstig daarheen zag, dat Jochem Klahn tot Paul zeide: „Kijk, Paul! daar zit je oom Bors weer, zoo stil en aandachtig als een vroom kind, en zorgt voor het kleine vee, en hij doet niemand eenig leed ; daar mocht jij wel een voorbeeld aan nemen. Maar, in plaats daarvan vlieg jij overal rond; kijk maar eens, hoe

ocr page 193

173

je broek er weer uitziet! Als je moeder dat gewaar wordt, dan zal er wat voor je opzitten.quot;

In de kajuit zag het er ook maar zoo redelijk uit, niet veel beter dan met de broek van Paul, ten minste bij sommigen van de spelers; en indien hunne moeder dat gezien had, zou 't ook wel onaangenaamheden hebben kunnen geven. Mijnheer de baron had de beide bankbiljetten van honderd daalders werkelijk aan den man gebracht: hij was opgestaan en zeide, dat hij wat op het dek wilde gaan, om warme voeten te krijgen, — met de koude voeten meende hij zijne boosheid over het verlies van het geld; de anderen volgden hem, en boven komende, zagen zij hem daar ook, doch niet op en neêr gaan, neen! staan. Hij stond met den kleinen koopman uit Thüringen achter aan 't roer te praten, en redeneerde blijkbaar zóó christelijk en dringend tot hem, als ware hij de biechtvader van den kleinen koopman, en alsof' hij diens geweten wilde treffen vanwege al de kleine voordeelen, die hij, zjjn leven lang. bij 't inmeten en afwegen had verworven. Zijn biechtkind was echter ongelukkig heel taai; het wilde zich niet bekeeren, want als de wandelaars op het dek in de nabijheid van die twee kwamen, hoorden zij den kleinen koopman altijd slechts zeggen: „Verexcuseer me, verexcuseer me wel, mijnheer de baron! Verexcuseer me!quot; En dat was alles, wat hij antwoordde. De heer Wilhelm August Scliwo-fel was een uitermate beleefd en gedienstig man; hij waadde in de beleefdheid en gedienstigheid, ongezien, tot aan de knieën rond, maar verder niet; hij paste verbazend goed op, dat het water hem de zakken niet inliep, waarin hij zijne geldbeurs had.

Mij dunkt, zóó'n man, als hij, had den titel van com-mercieraad wel verdiend; van Anton en oom Bors kan natuurlijk in dit opzicht volstrekt geen sprake zijn.

ocr page 194

174

TWAALFDE HOOFDSTUK.

Ithaca. — Sommigen zien veel en sommigen zien niets. — l)e oude dame vertelt eene geschiedenis. —Jochem arresteert Paid, en mijnheer Nemlich doet een verhaal, dut niemand gelooven wil. — Of het MehUenhurgsche eiland Poel het land der Phaaken is. — Anton schaamt zich niet zijne vrome onder de oogen te komen, hij hijt op het hit en wordt wild. — Mijnheer de baron wordt vrijpostiger en spreekt zelfs van zijn erbarmelijk hart. — Jochem KUihn stookt Paid tot iets slechts op, weshalve Paid dan ook naar bed gebracht wordt.— Tante Lina en de oude Jalm, en dat wel ernstig. — Kctop Motopon.

Den anderen dag voeren zij een eiland voorbij, dat er uitzag als een groote, reusachtige reiskoffer, die onvoorziens in de zee was gevallen, met een hoog deksel, waarvan al het haar afgesleten was; en onze beide Mekklen-burgsche landgenooten, Groterjahn en Jahn, kwamen stilzwijgend in gedachten met hunne meeningen overeen: hoe het mogelijk was, dat zulk een land op de wereld kon gevonden worden, waarop niet eens een bok en zelfs geen slak het noodige vinden kon; maar onder het reisgezelschap hoorde men van alle kanten: „Ithaca, dat is Ithaca, Ithaca.quot; Iedereen was nieuwsgierig, alles drong zich naar bakboord en allen zagen naar het oude, kale eiland uit, alsof daar groene bosschen en groene weiden te zien waren, en tuinen en velden en frissche bronnen en beken, die van de hoogte, als zilveren draden, naar beneden bruisten tot in de blauwe zee. Sommigen zagen niets; sommigen zagen dit alles en nog meer; zij zagen daai schoone, edele menschen wandelen in koningspracht en heldendracht; oude mannen, vol eerwaardige wijsheid en krachtige jongelingen vol vlugheid en sterkte; beminnelijke vrouwen in een zedig gewaad en liefelijke jonkvrouwen met rozenkransen. — Zij kenden die allen; een oud dichter had eenmaal van hen verhaald en een levendigen indruk op het

ocr page 195

175

jeugdig hart gemaakt; toen zagen zij, in plaats van de oude, dompige schoolkamer, die evenzoo kaal en ledig voor hunne oogen lag, als nu het betooverde eiland, ook een beeld van een heerlijk eiland en van voortreffelijke menschen; en dit beeld, dat zij in hunne jeugdige jaren uit ver verwijderde oorden hun zagen toeschijnen, dat straalde hun thans tegen van de plaats zelve, zoo warm en zoo duidelijk, alsof het de werkelijkheid zelve was.

De oude, grijze dame behoorde tot hen, die dit alles zagen, en hare oogen stonden vol tranen, en Helene stond bij haar en sloeg den arm om haar heen, en toen de oude dame het hartelijke medegevoel van het jonge meisje bemerkte, viel zij haar om den hals en weende bitterlijk. Aan de andere zijde stond de baron; hij had zijn lorgnet in 't oog geklemd en zag haar aan met een spotachtig lachje, zooals domme menschen doen, wanneer hun iets, dat zij niet begrijpen, voor oogen komt. — „Kom mede!quot; sprak Helene, toen zij dit grijnzen zag; zij trok de oude dame van die plek weg en geleidde haar naar eene bank, waar de oude Jahn in gedachten zat; hij behoorde niet tot degenen, die daarginds iets anders zagen dan naakte rotsen en onvruchtbare bergen; hij had er zich over verwonderd, wat de lieden daaraan toch zagen, en was bij zich zeiven tot het besluit gekomen, dat op dit eiland in oude tijden mogelijk eens iets voorgevallen kon zijn, dat het gezelschap zoo opgewonden maakte, maar wat? — dat was voor hem verborgen. Toen hij nu zijne oude vriendin zoo zeer ontsteld zag, schoof hij dichter naar haar toe en vroeg recht hartelijk: „Wat is dat, tante Lina? Wat is er gebeurd, Helene?quot; — „Ik weet het niet, oom.quot; „Neen,quot; sprak de oude dame, en zij herstelde zich van lieverlede, „gij weet het niet, lief meisje! gij kunt het ook niet weten; ik geloof, dat op dit oogenblik niemand meer leeft, die het weet, behalve ik alléén, 't Is al lang geleden. De aanblik van het eiland heeft mij niet zoo zeer ontroerd, neen! slechts datgene, wat mij daarbij

ocr page 196

176

voor den geest kwam. — Ach! ik ben eene oude, onverstandige vrouw, dat zóó iets mij nog, op mijne jaren, moet ontroeren! Maar, lieve mijnheer Jahn, wij weenen immers bij het graf van onze vrienden en van onze geliefden; waarom zou ons hart niet treuren, wanneer het al zijne verwachtingen en wenschen voor altijd ter ruste gebracht heeft? Neen!quot; riep zij uit, „niet voor altijd! Wij gelooven aan een wederzien onzer dierbare betrekkingen in reiner gedaante; waarom zou ons hart niet op het herleven onzer verwachtingen en wenschen mogen hopen, ook in reiner vorm!quot;

Helene omarmde haar en drukte de goede tante Lina zachtkens aan haar hart, doch zij zag tevens met eenigen angst naar den ouden heer Jahn, en zij had wel reden angstig te zijn, want bij de woorden van tante Lina was de oude man door zijne donkere ure overvallen. Somber zat hij daar en staarde steeds op één punt. — „Oom Jahn,quot; zeide Helene tot hem en reikte hem de hand, die vrij was, toe, „dat is een troostrijk geloof.quot;1 De oude man knikte met het hoofd en bleef voor zich zien. „'t Verblijdt mij, lief meisje, dat gij zoo denkt, dat gij in uw jeugdig hart al zoo denkt. Ach! bij mij heeft dat langer geduurd, en het is eene lange geschiedenis; namelijk voor mij is ze lang; voor andere menschen is ze misschien kort genoeg, en iets bijzonders is 'tin 'tgeheel niet. — Ja! In mijne jonge jaren leefde ik ook, gelijk vele anderen, zonder zorg, van den éénen dag tot den anderen; ja, kind lief, ik ben ook eenmaal jong geweest, en de menschen zeiden, dat ik een recht knap meisje was. Nu had ik een verren bloedverwant, die zeide zulks niet van mij, maar hij begon medelijden met mij te krijgen, dat ik zoo in 't wilde zou voortleven. Hij was een philoloog en bereidde zich in mijne vaderstad voor tot het afleggen van een moeilijk examen; hij had geen omgang met mijne stad-genooten en kwam slechts bij mijne ouders aan huis, en dan verhaalde hij 's avonds nu eens van het ééne, dan

ocr page 197

177

wéér van het andere uit de geschiedenis, waarvan ik nooit iets gehoord had; want, mijne lieve! wat leerde toenmaals een jong meisje! Ik werd nieuwsgierig; ik verheugde mij op den avond, als hij kwam; ik ging niet meer naar de vroolijke meisjesgezelschappen. — Op zekeren avond nu vertelde hij van den Trojaanschen oorlog en de omzwervingen van Odysseus en van de trouw van Penelopé; hij geraakte steeds meer in vuur, zijne oogen schitterden; bovendien was hij een schoon man. Ik werd zoo wonderlijk te moede en barstte in tranen uit; toen stond hij op en streek mij over 't haar, en den volgenden morgen zond hij mij eene vertaling van Homerus door Johann Heinrich Voss. En ik las en herlas — och, ik heb het wel tienmaal gelezen! Ach, wat daarin stond, was zoo schoon, en dan, het kwam van hem! — Ja, mijn lief meisje,quot; — bij deze woorden drukte zij Helene vaster tegen zich aan, — „ik verviel in de oude dwaling, om goedheid en medelijden voor liefde te houden. Van lieverlede moest hij wel wat aan mij gemerkt hebben: hij kwam niet weder; hij schreef een korten afscheidsbrief aan mijne ouders en vertrok; en eenigen tijd daarna hoorden wij dan ook, dat hij zich met een ander meisje verloofd had. Dat was voor mij een tijd van wanhoop, en zwaar heb ik mij toen jegens den goeden God bezondigd; ik kon het niet begrijpen; ik kou het niet bevatten , dat een hart vol oprechte liefde zoo alleen door de wereld moest gaan.quot; — „Ik ook niet,quot; zei de oude Jahn op somberen toon, alsof hij tot zich zeiven sprak.

„Ik was op het punt van krankzinnig te worden,quot; ging tante Lina voort; „al mijne gedachten waren op één punt gericht, mijne ziel werd overstelpt. Toen gaf God in Zijne goedgunstigheid, dat de oude dominé, bij wien ik mijne belijdenis gedaan had, mij opmerkte; hij kwam; hij sprak vertroostende, christelijke woorden tot mij; hij drukte mij den bijbel in de hand en zeide, dat mij daarin de weg werd aangewezen, dien ik bewandelen moest. Ik geloofde het; ik las; op elke bladzijde stond: „zelfver-

ocr page 198

178

loochening!quot; en steeds weder: „zelfverloochening!quot; — Ach ! en toch kon ik het niet! In mijn binnenste was kamp en strijd, en om mij heen was ook kamp en strijd: de vrijheidsoorlogen waren uitgebarsten; h ij was ook mede opgetrokken tegen den vijand des vaderlands, en ik stond grooten angst over hem uit, maar ik moest tot mij zelve zeggen: hij verloochent zich zelf immers ook; ook hij houdt toch nog iets anders voor gewichtiger dan de liefde en het huiselijk geluk. — Mijn gemoed werd kalmer; en toen hij, nadat de oorlog geëindigd was, trouwde en met zijne jonge vrouw ons kwam bezoeken, en zij zoo schoon en vriendelijk mij te gemoet kwam, toen, mijne lieve! moest ik tot mij zelve zeggen: zij is veel beter, dan ik ben, — en ik ging naar mijne kamer, viel op mijne knieën, en kwam tot inkeer en zeide: Lina, Lina! Indien ge hem toch zóó innig liefhebt, hoe kunt ge dan wenschen, dat hij u gekozen zou hebben ? — En, kind lief, toen had ik overwonnen!quot;

De tranen waren Helene in de oogen gekomen bij dit verhaal van hare oude vriendin; zij had haar zoo gaarne de hartelijkste woorden willen toespreken; maar voor dit oogenblik werd alles verdrongen door hare zorg voor den ouden Jahn; zij stond op en trok hem van zijne zitplaats overeind, zeggende: „Kom, oom! Ga ook mede!quot; De oude man zag strak in haar vriendelijke oogen, maar hij liet zich toch oprichten en volgde haar. „Wij willen vóór op het schip gaan,quot; sprak zij, „men kan daar zoo heerlijk ver vooruitzien; 't is alsof men in eene gelukkige toekomst staart, en al gaan ook heden de golven nog zoo hoog, morgen wordt het beter.quot; En zoo sprekende, streek zij, met hare zachte hand, beurtelings over de wangen dei-beide oude lieden, alsof zij kinderleed met moederhand \ er-troosten wilde.

„Toen zij vóór op het schip kwamen, ontmoetten zij Jo-chem Klahn, die Paul bij zijn kraag gepakt had en met zich voorttrok, „'t Helpt je niemendal! Je vader heeft

ocr page 199

179

nu eenmaal gezegd, dat ik je halen moest; en, kijk! daar komt je Helene ook al aan.quot; — „Wat moet hij doen, Joehem?quot; vroeg Helene. — „Wel, zie eens! Frans Nemlieh moet voor mijnheer Groterjahn dat alles hier, van dit oude, betooverde eiland uitleggen, en dat moet hij mee aanhooren, dat hij er naderhand ook van meepraten kan, en nu wil hij niet.quot; — „Neen!quot; riep Paul uit, het woord tot Helene richtende. „Wat mijnheer Nemlieh daarvan zeggen kan, dat weet ik al; dat hebben wij alles al bij den conrector gehad, van Odysseus en Telemachus en al die anderen, en dus behoef ik niet meê te gaan.quot; — „Nu,quot; zei Joehem en knikte Helene toe, „ziet gij wel! Nu hoort gij 't! Hij is een goddelooze bengel. Zijn vader ....quot; — „Ja, Paul,quot; viel Helene hier ernstig op in, „vader heeft het nu toch gezegd, en dus moet je oogen-blikkelijk gaan.' — „Ocb, Leentje lief....quot; — „Neen, oogenblikkelijk!quot; — Dit zeggende, ging zij verder. „Breng je zelf toch niet in ongelegenheid sprak Joehem en pakte hem weder in zijn kraag, „gehoorzamen moetje, 'k Wou maar, dat jij eens acht dagen bij mijne moeder was; die zou 't je wel beduiden. Al liep ik ook nog zoo prettig in het dorp rond en al had ik er nog zooveel schik in, en ik moest dan naar huis komen, denk je, dat ze me dan riep ? Neen! dan floot ze maar. Dan stond ze aan de voordeur en floot op den ouden, hollen sleutel van haar koffer, en de hemel beware me! als ik dan niet kwam. Ga nu maar meê!quot; En Paul volgde. „Kijk!quot; zei Joehem, „dat jij veel wijzer bent dan Frans Nemlieh, daar zeg ik

niets tegen , maar.....hoe heb je ook gezegd? Hoe heette

die kerel, die hier op het eiland geweest is?quot; -— „Dat was een koning, die heette Odysseus.quot; — „Een koning? Nu, als hij niet meer gehad heeft dan dit eiland, dan had hij ook drommelseh weinig in de melk te brokken. Neen, Berlijn! dat is voor een koning toch een andere grap! En dan zoo'n gekke naam! Ik geloof niet, dat Frans Nemlieh zoo'n wonderlijken naam kan bedenken; maar ik zal

ocr page 200

180

jou eens wat zeggen. Kijk, jij kunt je dagboek best alleen schrijven; ik help je niet meer, want jij bent me al te wijs. Hier,quot; riep hij uit, toen zij dicht bij Pauls vader kwamen, „hier, mijnheer Groterjahn, is de vogel! Hij had

er niet veel zin in, en als zijne Helene niet.....quot; —

„Ja, vader,quot; viel Paul hem in de rede, „maar ik weet dat ook alles al.quot; — „Paulus,quot; zei mijnheer Groterjahn op ernstigen toon, „wanneer ik — ik zelf op mijn ouden dag mij laat onderrichten, dan zult gij het toch ook wel kunnen aanhooren. De mensch moet voortdurend leeren.quot; Jochem knikte Paul toe, als wilde hij zeggen: zie je, dat kan je geen k^aad. — „Welnu ?quot; zei de heer Groterjahn, zich tot mijnheer Nemlich wendende.

Mijnheer Nemlich had ondertusschen, geheel in de stilte, zijn uurwerk opgewonden; nu stootte hij aan den slinger en 'tging er oplos: „Ithaca, door de Turken „Te akiquot; geheeten, een klein rotsachtig eiland, tusschen „Cepha-1 o n i a en de kust; met het voorgebergte N e ï o n en de haven

Rheitron; voormaals het rijk van Ulysses.....quot; —

„Neen,quot; riep Paul daartusschen in, „hij heet Odysseus.quot;— Jochem lachte en gaf hem door knipoogen te verstaan, dat het zoo opperbest was. De heer Groterjahn zag eerst Paulus en daarna mijnheer Nemlich aan; en vroeg: „Hoe weet jij dat, Paulus?quot; — „Dat heeft de conrector ons zoo geleerd.quot; — ,In Cannabich staat: „Ulysses,quot;— zei mijnheer Nemlich. — „Nu,quot; sprak de heer Groterjahn, „dat zal er nu wel niet veel op aankomen; deze kan mogelijk een zoon van den anderen koning zijn; in Pruisen heeten ze immers ook nu eens „Frederikquot;, en dan „Fre-derik Wilhelm,quot; en dan maar doodeenvoudig „Wilhelm.quot; Verder maar!quot; — Mijnheer Nemlich ging thans van de geographic tot de geschiedenis over, en begon: „Wanneer wij nu dezen Ulysses beschouwen, dan vertoont zich, in de eerste plaats, de Trojaansche oorlog aan ons oog, van welken mijnheer de professor Petiskus in zijne werken melding maakt. Ulysses was een zoon van

ocr page 201

181

Laërtes en Anticilia; hij was koning van Ithaca en de omliggende landstreken. De geschiedenis van dezen held is met veel fabelachtigs doorweven.quot; — „Ja zei de heer Groterjahn, „er zullen wel veel leugens bij zijn.quot; — ,0! ja, mijnheer,quot; viel Jochem hem zeer vrijpostig in de rede, ,en wat andere menschen niet gelogen hebben, dat liegt Frans Nemlich er bij.quot; Daarop werd nu niet gelet; mijnheer Nemlich vertelde nu van den Trojaanschen oorlog, en 'tging op zijne manier alles glad van de hand; slechts Paul kwam af en aan met zijne voorbarige tegenwerpingen er tusschenin, waarbij Jochem dan steeds hartelijk lachte, met het hoofd knikte, en nu en dan ook wel eens zeide: „Daar heb je gelijk in!'quot; terwijl Pauls lieve vader zich over zijn knappen zoon verheugde. Bij het verhaal van het houten paard schudde onze grondeigenaar verbazend met het hoofd. maar hij sprak: „Nu, 'tkan geen kwaad; quot;t zijn toch maar sprookjes.quot; En toen nu de redenaar over de omzwervingen van Ulysses begon te spreken, en zeide, dat die twintig jaren geduurd hadden, toen geloofde hij er nog veel minder van; ja, toen mijnheer Nemlich van Penelopé vertelde, hoe zij twintig jaren op hem gewacht had en geen ander huwelijk had willen aangaan, zeide hij : „Wel, zij is dan ook al op leeftijd geweest, daar zij al een volwassen kroon-prins heeft gehad.quot; Maar toen mijnheer Nemlich ein-delijlv verhaalde, hoe Ulysses zijn rijk herkreeg, en dat hij met den „goddelijken zwijnenhoederquot; compagnieschap had aangegaan, toen wilde hij er niets meer van hooren. „Mijnheer!quot; riep Groterjahn, „nu moet gij eindigen! Ja, ik heb mijn heele leven gaarne zulke sprookjes gehoord ; bij voorbeeld, hoe een kleermakersknecht koning geworden is; en als dat niet gebeurd is, dan is het mogelijk, dat het nog gebeuren kan. Maar, dat een koning zich zóó gemeen zou aanstellen en, om zoo te spreken 1 met een zwijnenhoeder als een broeder zou omgaan, dat mag do duivel gelooven. Mijnheer! ik ben geen koning,

ocr page 202

182

'k ben niet eens groothertog; ik ben slechts een Mekklen-burgsch riddergoedbezitter op Groot-Barkow; maar mijn varkenshoeder moet buiten mijne deur blijven ; en wanneer hij goed oppast en mij bericht komt brengen, dat eene zeng een dozijn biggetjes gekregen heeft, dan laat ik hem een borrel geven en een boterham, en daarmede Boston! — Een varkenshoeder is ook een mensch, dat weet ik; maar een onderscheid onder de standen moet er wezen, en wie daar iets tegen inbrengt, is een vervloekte democraat; en verder wil ik nu niets weten; houd nu maar op.quot; — „'tls nu ook uit,quot; antwoordde Nemlich, zeer ter neder geslagen. „Ik wilde mij, met uw verlof, alleenlijk nog de opmerking-veroorloven, dat een zeer geleerd doctor beweerd heeft, dat Ulysses op zijne omzwervingen ook naar Mekklenburg is gekomen, en dat het land der Phaaken, waar zij zoo goed geleefd hebben, eigenlijk ons eiland Poel beduidt.quot; — „Hm!quot; zei Groterjahn, .Poe 1 ? Mogelijk zou dat welwezen: de oude boeren op het eiland Poel leven zoo sleclit niet. Ik weet nog van mijn vaders tijd, dat zij een spelletje commerce om vijf schepels tarwe gespeeld hebben, en dat in een tijd, toen het schepel vier daalders en twee-en-twintig schilling kostte. Ja, dat zou waarlijk wel mogelijk kunnen wezen.quot;— „Mijnheer!quot; riep Jochem uit, en 'twas, alsof hij zich dood zou lachen, „hy liegt u wat voor. Wat ? Ik heb immers een oom op Poel wonen, en die is dikwijls bij mijne moeder geweest en heeft ons veel van daar verteld; maar, dat er zoo'n strooper van een koning ooit aangekomen zou zijn , dat heeft hij van zijn leven niet gezegd. Neen, Frans Nemlich liegt, en zijn geleerde doctor liegt ook.quot;

Jochem had geen spier gevoel voor datgeen, wat gepast is; en vanwaar zou hij dat ook hebben ? Boeken, om complimenten te leeren maken, waren hem nooit in handen gekomen, en wanneer hij met zijne voorbarige woorden bij den heer Jahn voor den dag kwam , had die het hoofd wel geschud, maar hij had hem laten begaan. —

ocr page 203

183

Mijnheer Nemlich had veel gevoel voor 't geen fatsoenlijk is; hij wees dus Jochem behoorlijk binnen de palen der be-tameljjkheid terug; Jochem antwoordde op onbescheiden toon, en hieruit ontstond tusschen die twee vroegere schoolmakkers zulk een hevige strijd, dat Anton. die ook zeer op zijn fatsoen gesteld was, het niet langer gepast oordeelde het aan te hooren, om zijn ontzag niet te verliezen ; hij ging dus weg en naar beneden bij zijne lieve vrouw. Paul plaatste zich thans, uit natuurlijken afkeer van zijn leermeester en uit oude vriendschap voor Jochem , geheel op de zijde van den laatstgenoemde, en stookte het vuur steeds aan, zoodat ten laatste bij Jochem de „schaapskoppen quot; en „domme bengelsquot; als vonken rondvlogen, en mijnheer Nemlich daardoor moest wijken, maar ze beantwoordde met te zeggen: „Elke band, die tusschen ons bestond, is verbroken.''

Anton was heengegaan, om een vreemden strijd te ontwijken, doch beneden bij zijne lieve Jeannette zou hij zelf strijd vinden.

Mevrouw Groterjahn was van hare natte wandeling met drie zeer lastige zaken teruggekomen: met eene verkoudheid in al hare leden, met ergernis in het hart, en het stellige voornemen in de ziel, om bij Anton de teugels zoo strak aan te halen, dat hij nooit weder op het denkbeeld zou komen, haar gezelschap met dat van den ouden Jahn en van de oude dame te verwisselen. Anton had trouwens wel het onaangename gevoel, dat hij zich slechts gebrekkig over zijn misdrijf zou kunnen verdedigen; maar van het voornemen zijner vrouw en van do middelen en wegen , die zij daartoe wilde inslaan, vermoedde hij niet het allerminste. — Toen Helene nu hare moeder te bed had geholpen, schoof hjj, door innig medelijden en menschelijk gevoel gedrongen, de gordijnen der dameskajuit van elkander; hij moest echter, vanwege zijn fijn gevoel voor betamelijkheid, weder teruggaan, want in de kajuit waren juist eeu paar jonge dames aan hare dagelijksche werkzaam-

ocr page 204

184

heid bezig, van namelijk zich een paar keeren anders aan te kleeden. Hij ging, wachtte een half uur en kwam weder; 't was nog hetzelfde; hij zag het reeds bij den eersten blik, dat zij nog lang niet gereed waren. Hij kwam weder en telkens weder, — zijne vrouw rekende hem dit, uit natuurlijke redenen, in zijn nadeel, toe, — en nadat hij aldus, twee uren lang stormgeloopen had op het dunne gordijn, drong hij eindelijk tot het heiligdom door en stond aan het bed van zijne echtgenoote.

Deze had intusschen nu tijd genoeg gehad, om haar plan te maken; het was hoogst eenvoudig, maar alles behalve onnoozel; zoodra Anton binnenkwam, maakte zij in het bed eene beweging naar de rechterzijde, draaide hem haren rug toe en keek stijf naar den muur. Anton vroeg, hoe 't met haar ging. Zij antwoordde niet. — Anton zeide, dat zóó'n zware verkoudheid niet kwaad was, en eene andere zware ziekte tegenhield. Zij antwoordde niet. — Anton zeide, dat hij in hare plaats een paar glazen grog zou drinken. Zij antwoordde niet. — Eindelijk ging hij weg, niet zonder groote ongerustheid; niet vanwege hare ongesteldheid , neen i — maar vanwege het losbarsten van haren toorn, waarop hij rekende; hij wist toch, dat het bij haar, wanneer haar toorn onderdrukt was, juist zóó ging, als bij een onweder, dat niet recht over kan komen; liet blijft dan hangen en moet zich eindelijk eerst met donder en bliksemstralen ontlasten, totdat dan ook de regen in stroomen neervalt; dan wordt het in de natuur weder kalm

Toen Anton nu bij zijne lieve Jeannette in de kajuit was gekomen, — hij was er reeds verscheidene malen geweest, doch niet bij haar toegelaten, — maakte zijne beminnelijke gade weder een halve wending in haar bed, ditmaal naar de linkerzijde, en zag den zondaar vlak in 't aangezicht; iedereen kon zien, dat zij het verdedigingsplan had opgegeven en thans met pauken en trompetten den aanval zou beginnen. — Bedenk nu eens wel, lieve lezer! hoeveel courage die vrouw hebben moest, als zij uit haar

ocr page 205

185

bod den grooten, dikken Anton wilde aanvallen! Maar toch, zij deed het: „Schaamt ge u niet, mij zóó onder de oogen te komen?quot; Dat was haar eerste kanonschot; het suisde Anton voorbij en trof hem niet, want Anton bekeek zich zeiven van boven tot beneden, wat hij dan aan zich had, of wat hij niet aan zich had, waarvoor hij zich zou moeten schamen; en toen hij nu zag, dat zijne kleeding behoorlijk in orde was, zeide hij zeer koeltjes: „Neen.' — Maar nu barstte het bij haar los; zij vuurde uit al hare batterijen, en het onweder kwam over zijn hoofd. Hij had geene andere middelen om haar af te weren dan de woorden: „Maak het kort, mijne lieve Jeannette, maak het kort!quot; Want hij had het onaangename gevoel, dat wellicht achter het gordijn der kajuit een geheel gezelschap zou kunnen staan, die dit bedsermoen konden aanhooren; de zaak zelve was hem verbazend onverschillig. Nu ging zij echter in hare bed-doos overeind zitten, om meer indruk te weeg te brengen, en achter eiken bliksemstraal, dien zij liet opschieten, volgde telkens de donderslag, in deze woorden: „Hebt ge niet met den ouden Jahn gesproken ?quot;

Alles kan overdreven worden; niet alleen het spreken over eene zaak, maar ook het vooutdurende vragen naar ééne en dezelfde zaak. Anton was dit vragen naar den ouden Jahn reeds lang moede; hij was volstrekt niet meer zulk een bedaard, geheorzaam echtgenoot, als zijne lieve vrouw zich verbeeldde; hij was reeds lang, zonder dat zij 'tbespeurd had, begonnen achteruit te slaan, en toen moederlief hem nu met de zweepslagen van hare vragen steeds op dezelfde plek trof, nam hij het gebit tusschen de tanden, begon te steigeren, rukte het tuig van elkander en de teugels uit hare handen en — voort! — ging hij, in ééns den trap der kajuit op, stoof met wijd geopende neusgaten driemaal over het dek rond, alsof dat eene groene weide was, waarin hij zich recht hartelijk over zijne vrijheid verheugen wilde. Eindelijk hield hij

ocr page 206

186

stil bij den ouden Jahn en vroeg: „Hoe maakt ge het JahnPquot; wat zooveel beteekenen moest als: „Nu geef ik nergens meer om!quot;

Het duurde echter niet lang, of moeder kwam op het dek; na het zware onweder was een zachte tranenregen bij haar gevolgd, en toen zij nu boven stond, hield zij haar vochtigen zakdoek in de hand, alsof die eeu toom was, waarmee zij haren Anton weder vangen wilde; doch de toom ontviel aan hare handen, nu zij hem met den ouden Jahn, te zameu op de groene weide, zag grazen; zij wanhoopte aan haar voornemen, want tusschen haaien hem waren al te veel kloven en kuilen, en die waren allen nog kortelings gegraven en gedolven.

In dezen droevigen toestand vond Helene hare moeder, en nauwelijks kon zij vragen, wat haar deerde, toen mijnheer de baron zich bij haar voegde, en de gewone vervelende praatjes begon uit te kramen, maar die hij heden met zeer buitengewone warmte en nadruk bij Helene trachtte ingang te doen vinden. Had mevrouw Groterjahn niet in zulk een beklagenswaardigeu toestand verkeerd, zij zou dan hierop wel acht geslagen hebben en had hem zeker, hier en daar, wel een weinigje geholpen; doch, zooals 't nu was, kan niemand het haar euvel duiden, dat zij voor 't oogenblik meer aan de „verbrokene betrekkingquot; dan aan de „nieuw aangeknoopte betrekkingquot; dacht. — Mijnheer de baron had alzoo, daar mijnheer Nemlich niet aanwezig was, het veld geheel vrij. Hij had tot dusverre wel een weinig langs Helene geslingerd en zich, van lieverlede, wat vrijpostiger in hare nabijheid gewaagd, maar 't was altijd geweest, alsof hij het eene heimelijke vrees koesterde, zich duidelijker te verklaren, hij had Helene slechts de schoonste uren met zijn dom gebabbel ontstolen, en het bracht hem niet verder tot het bereiken van zijn oogmerk. Heden echter begon hij met het begin, en sprak op zoo klagenden toon van zijn hart, dat Helene dacht, dat het wel een recht ellendig

ocr page 207

187

ding moest wezen, 't welk hij onder zijn linkervestzak -verborgen had; zij zou zich voorzeker, in hare frissche, vroolijke stemming allerlei grappen over den verdroogden paddenstoel, die onder dat plekje weggeknoopt was, veroorloofd hebben, indien de bedenking niet bij haar was opgekomen, dat hare lieve moeder uit haren oogenblikke-lijken, neêrgedrukten toestand zou kunnen ontwaken, en zich weder met de regeeringszaken bemoeien. Om echter met hare moeder, in zulke zaken, onaangenaamheden te krijgen, daarvoor had zij eene kinderlijke vrees; zij werd dus eenigszins onrustig, en 't was, alsof zij naar hulp uitzag, en die zou haar dan ook verleend worden.

In ons Mekklenburgsch reisgezelschap was 't nu weder aan alle zijden aan 't branden; ook bij Jochem Klahn begon het al te smeulen; een dikke walm steeg in zijne hersens op, maar het vuur wilde nog niet recht doorbranden, en hij wist ook niet, hoe hij hot alles zou moeten rijmen. Aan den éénen kant stond Grroterjalm met „zijn mijnheerquot; bij elkander, en zij spraken heel christelijk te zamen; dit was een onnatuurlijke toestand; aan de andere zijde stond zij, mevrouw Groterjahn namelijk: zij keek stijf en strak naar die twee mannen, en verroerde hand noch voet; deze toestand was nog onnatuurlijker. Hij zag nu eens naar de óéne en dan weder naar de andere zijde uit en draaide zijn hoofd nu links dan rechts, en bij dat draaien, waardoor hij eindelijk duizelig zou geworden zijn, kreeg hij Paul in het oog. — „Paul,quot; zeide hij, „kijk eens hier! Daar staat Jou vader met mijn mijnheer bij elkaar, en zij praten zoo onschuldig samen, als een paar pasgeboren kinderen. quot;Wat zeg jij daarvan?quot; — Bij Paul begon 't ook te smeulen; zijn vader deed nu zelf, wat hij hem zoo streng verboden had. — „Paul!quot; zei Jochem, „verwonder je nog niet! 't Komt nog krasser; kijk maar eens! Daar staat je moeder; zij kijkt er ook naar, en zij verroert hand noch voet. Wat zeg je nu?quot; — Paul zeide niets; hij draaide ook met zijn hoofd links en Reuter. Mont, en Cap. 2e dr. 13

ocr page 208

188

rechts, on 't begon erger bij hem te smeulen; op 't laatst zeide hij : „Kijk eens goed, Jochem! Mijne Helene ziet naaidozen kant, naar ons toe, en wat ziet ze er angstig uit!quot;' — ,'k Heb dat ook al opgemerkt, want ik zit hier al een goed kwartier, je zult zien, dat is vanwege dien naren, uitgedroogden baron; en wat heb jij me bezworen, toen je op den boegspriet zat te rijden? Heb je niet gezegd, dat jij er je altijd ter rechter tijd mee bemoeien zoudt? Ga er dan nu heen en spuw hem ook eens op zijn laarzen.quot;

Paul ging dan ook met het loffelijke voornemen , Jochems raad op te volgen en den baron zooveel te plagen, als hij maar eenigszins kon, en dat was nog al veel. Toen hij nader kwam, reikte Helene hom de hand toe en trok hem naast zich neder; hij gedroeg zich ook heel aardig, legde zijn hoofd tegen haar hart aan en zag zoo onschuldig onder haren arm uit als een kuikentje, dat onder de vleugels van zijne moeder zit. Het de mooie redeneeringen van den baron was 't nu gedaan; zijn erbarmelijk hart kon niet meer met ronde woorden tot Heienes hart spreken; hij moest zich met telegrafeeren behelpen en wilde, op die manier, Paul als draad tot het hart zijner zuster gebruiken; want dat zij veel van haar broeder hield, had hij reeds kunnen bemerken. — „Waarachtig! Op mijne eer! 't Is een mooi jongske!quot; zeide hij.— Dat „jongskequot; was nn in 't minst niet naar Pauls zin; naar zijne meening was een „jongskequot; zoo'n kleine wurm, die nog met een kinderjurkje rondloopt en nog soms wat met de roede krijgt; hij zeide dus op trotschen toon; „Gij zijt zelf een jongske!quot; — „Paul!quot; riep Helene , „je wordt toch niet onfatsoenlijk?quot; Maar mijnheer de baron was zoo genadig, het in 't minst niet kwalijk te nemen; hii zeide: „Wij zullen nog goede vrienden worden. Niet waar?quot; en hij legde zijne hand op Pauls hoofd; die sloeg er echter naar en weerde ze af. — „Paul!'' riep Helene, „wil je wel eens dadelijk anders zijn ?quot; — „Neen, Leentje riep de ondeugende bengel uit, „ik laat me niet van

ocr page 209

189

iedereen in 't haar pakken!'' En hij zag bij die woorden naar Jochem Klahn. wat die er wel van zou denken. Jochem was zeer over hom tevreden en knikte hem steeds toe, dat het zóó best was, en hij zóó maar moest blijven voortgaan. En dat deed Paul ook en werd al meer en meer onbescheiden.

Zoo'n jongenshaat heeft doorgaans iets zeer luidruchtigs, ten minste, hij maakt meer beweging dan „de jeugdige liefdequot;, en indien moeder Groterjalm het gefluister van deze ook niet gehoord had, de uitbarsting van den haat moest zij wel hooren. Zij kwam dus nader. „Poll!quot; riep zij uit; doch van de andere zijde kwam Anton ook aan en riep: ,Paulus!quot; —„Aanstonds ga je naar beneden en naar je bed!quot; — „Ja,quot; zei Anton ook, „aanstonds ga je naar beneden en naar je bed!quot; Want Anton had een gevoel, dat hij veel misdreven had, en wilde met zijne vrouw vrede sluiten, al was 't ook ten koste van zijn eigen kind. — Paul moest mee; moeder ging voorop, en vader achteraan, gelijk het behoort; en vader sprak: „Paul, de mensch moet leeren gehoorzamen. Moeder heeft het nu eenmaal gezegd, en 't wordt nu ook al donker.quot;

Nu had mijnheer de baron weder ruim veld bij Heleue, maar 't wilde niet recht lukken, want telkens, als zijn ellendig hart zich wilde overgeven, sperden zich, in de nabijheid, een paar lange ooren wijd open, die eigenlijk aan Jochem Klahn's oude moeder in Mekklenburg toebehoorden; want haar lieve zoon was het, die hier zijne ondeugende streken uitvoerde. Hij behoorde eigenlijk niet op het achterdek; maar het begon al duister te worden. en dan had hij ook deelgenomen aan de samenzwering op den boegspriet en hiermede verdedigde hij zich voor zich zeiven. Doch nu kwam de oude dame, en door haar mond werden zijne ooren afgelost. — „Ziet gij 't wel, mijn lief meisje,quot; riep zij reeds uit de verte, „deze kloven en dalen en rotsen en bergen, dat is Messenië! — O! daar heeft men ook eenmaal gestreden, vreeselijk gestreden; en

ocr page 210

190

wanneer ik in vroegeren leeftijd, teu tijde van den vrijheidsoorlog, de couranten las, dan kwamen mij altijd de Messenisclie oorlogen in de gedachten. Ja, kind lief! de Franschen hadden het toen juist zóó op ons gemunt, als de Spartanen op de Messeniërs; maar, Gode zij dank! wij zijn geen Heloten geworden, want wij hadden meer dan éénen A r i s t o m e n e s, en de Franschen waren juist ook geene Spartanen. — Ach, goede God! Dat heeft li ij mij toen alles verteld. GLa mede naar de andere zijde; daar wil ik het u verhalen.quot; Helene maakte eene stijve buiging voor den baron, nam den arm der oude dame en ging met haar weg.

Toen zij nu alleen stonden en uitzagen naar de donkere bergen met hunne woeste rotskloven, en naar beneden op de zwarte Ionische zee, wier hier en daar witbeschuimde golven omhoog krulden, als oude herinneringen, door een lijkkleed toegedekt, en die zich tegen dat doodkleed opdrongen , opdat zij van oude tijden mochten spreken, — toen kwamen langzame treden nader, en eene zachte stem vroeg: «Mag ik ook toeluisteren, tante Lina?quot; — „Ja wel, lieve mijnheer Jahn.quot; En thans verhaalde zij van de Messenische oorlogen en van Sparta, zoo duidelijk en levendig, alsof zij zelve in dit treurspel had mede-gespeeld; en het jonge meisje en de oude man luisterden naar haar, als waren zij een paar kinderen, die ver van daar, in 't Noorden, in de kinderkamer zaten voor een gloeiende kachel, terwijl de storm buiten in de duisternis loeide, en de oude kindermeid sprookjes vertelde.

„Och hemel!quot; riep Helene eindelijk verschrikt uit. „ik moet naar beneden, naar mijne moeder; zij zal wel boos wezen, dat ik zoolang getoefd heb. Dank! Dank! Goeden nacht! Goeden nacht!quot;

Thans stonden de beide oude lieden alleen, en Jahn zeide: „'t quot;Was schoon, tante Lina, en de mensch, die dit alles weet, zal er ook veel nut uit kunnen trekken, maar ik ben daartoe al te oud. Mijne jonge jaren zijn voorbij-

ocr page 211

191

gegaan met zorgen voor het oogenblik, en toen ik dien tijd te boven gekomen was, toen trof mij dat treurige lot. — Neen,quot; ging hij, na eenige oogenblikken, voort, „uwe geschiedenis, die gij ons van middag verteld hebt, heeft mijne ziel meer getroffen dan de voorvallen, welke hier, vele jaren geleden, gebeurd zijn ; — die was juist, alsof ze mij zeiven aanging. — En ze gaat mij ook aan!quot; zeide hij haastig, „want hoor eens!quot; En wat hij nog nooit in zijn leven gedaan had, deed hij nu: hij verhaalde haar zijn ongeluk en stelde haar den toestand, waarin zijne ziel geraakt was, zooveel hij kon, duidelijk voor oogen. „En.quot; zeide hij ten slotte, „gij hebt het overwonnen, en dat kan ik niet.quot;

Hoe hartelijk en deelnemend sprak nu de oude dame tot hem; zij gebruikte geene geleerde uitdrukkingen, zij toonde hem uit haar eigen leven aan, dat een oprecht en vast vertrouwen op God eindelijk beloond wordt; zij-bracht hem met zachtmoedigheid voor den geest en drukte het hem op het hart, hoeveel onze hemelsche Vader hem had laten behouden. „En,quot; zeide zij, „lieve mijnheer Jahn, zijn Gods gunstbewijzen daarmede uitgeput? Welk een uitzicht op geluk hebt gij, indien gij eerst dat lieve meisje, dat ons straks verliet, uwe schoondochter moogt noemen!quot; — „Ja, ja, dat hoop ik ook; ik hoop, dat die oude, kinderachtige strijd tot een einde zal komen; maar mijn gemoed is te onrustig, om mij den geheelen zegen altijd voor oogen te kunnen stellen.quot; — „Dan moet gij in den bijbel lezen, mijnheer Jahn.quot; — „In den bijbel? Gij hebt toch zelve gezegd, dat daarin op elke bladzijde slechts: zelfverloochening! zelfverloochening! stond.quot; —■ „Ja, zoo kwam 't mij voor, toen ik in dien opgewonden toestand verkeerde, toen de hartstocht mij had overmeesterd: maar naderhand heb ik ondervonden, dat ons voor die zelfverloochening een groote troost wordt aangeboden. Gods wegen zijn wonderbaar ; wij kunnen die niet doorgronden; maar zij leiden den mensch , die 't oprecht meent, ten laatste toch tot een

K

1 f

n

ocr page 212

192

I

zalig einde.quot; — „Kaap Matapan!quot; riep een matroos, die langs haar heenging, haar toe. —- „Ziet gij!quot; sprak de oude dame, en indien het lichter geweest ware, zou Jahn op haar gelaat een vroolijken, vriendelijken trek gezien hebben, „Gods wegen zijn wonderbaar. Hoe zou ik voor een jaar nog hebben kunnen droomen, dat ik het uiterste eind van Europa te zien zou krijgen! En nu gebeurt het toch! Nu, goeden nacht, mijnheer Jahn.quot; — Er is iets verwonderlijks in de woorden eener bejaarde vrouw, die nog een jong hart heeft behouden; zij spreekt tot ons en tot onze onrustige gedachten, zoo zacht, als een wiegelied. Denkt maar aan uwe eigene oude moeder!

De oude man was in eene wonderbare, weemoedige stemming geraakt. Onder hem bruiste de duistere zee nog wel in zware golven, en zwarte massa's verhieven zich; maar, boven aan den kalmen hemel breidde de maan, in het eerste kwartier, haar gouden boog uit, en een warme zuidenwind woei van den hemel en speelde in zijne grijze haren. — Hij moest bitterlijk weenen.

lt;

ocr page 213

193

DERTIENDE HOOFDSTUK.

Of de Darclanellen een paar Turkscheprinsen zijn. — Gelijk van yelijk blijft gelijk. — Jochem voegt aan Pauls dagboek een bijvoegsel toe, waar geen drommel iets van hegrijpen kan. — Paid en ik stemmen als schrijvers volkomen overeen. — Oom Bors in vollen glans. — Mevrouw Groterjahn en Paul, als Venus en A mor. Helene moet absoluut vanwege hare beschaving naar den harem van Omer Pacha; zij wil niet, maar moeder wil; Anton komt tusschenbeideri, maar geraakt daarbij geheel uit zijn gewonen toestand, zoodat hij louter verkeerde antwoorden geeft. — Of in Turkije ook eene vereeniging tegen het dieren plagen bestaat. — De oude dame springt met beide beenen in den modder. — De BugurIu-Dagh en de Aziatische wilde kamillen. — Moeder legt de wapens neder; zij is klein geworden en Anton groot.

Mi lil IK

I

: W

Do reis ging heden regelrecht, tusschen de Grieksche eilanden door, juist op do Dardanellen aan, die,— in 't voorbijgaan gezegd, — niet, gelijk sommige lieden gelooven, die het druk hebben met couranten lezeu, een paar Turksche prinsen zijn. Neen! 't zijn een paar kleine, maar verbazend boosaardige vestingen, die tegenover elkander liggen en al veel onheil hebben aangericht.

Mijnheer Kemlich kon niet in genoemde vergissing geraken; want hij zat beneden in zijne kooi en overhoorde zich zeiven zijne les uit den kleinen Cannabich over do Dardanellen en Konstantinopel en al de aanhangsels, die daarbij behooreu. Toen hij hiermede gereed was, deed hij zijn goede warme das af, sneed die geheel in kleine, smalle reepjes en zeide bij zich zeiven: „Daar kan ik u ook mede dienen!quot; want hij had bemerkt, dat de baron een band om zijn hals droeg, wat men tegenwoordig een „slipsquot; noemt, en uu wilde hij ook daarin niet voor hem onderdoen. En hij ging nu zitten en naaide en zoomde, want deze kunst had hij van zijn vader, den koster, geleerd, die eigenlijk van geboorte een kleêr-

I!

ocr page 214

194

maker was; hij had het overgeërfd; maar hij oefende die edele kunst, uit bescheidenheid, slechts in 't verborgene uit.— Nu, bij die soort van menschen, die hun brood door een zittend ambacht verdienen, zooals kleermakers en schoenmakers en schrijvers, komen onder 't werk allerlei gedachten op. Zoo ging het ook bij hem; maar, indien iemand mocht meenen, dat hij zich den last zou opleggen ze over zee en land tot naar Mekklenburg aan de arme Munde toe te zenden, dan vergist hij zich zeer. Neen, hij deed het gemakkelijker: hij zond ze slechts naar Heleno, en daar hadden ze meer dan overvloedig te doen. — Ja! Waarom had zij hem altijd met onderscheiding behandeld ? Waarom had zij altijd het woord tot hem en niet tot zijn mededinger gericht? Waarom had zij hem altijd uitgenoo-digd, met haar te gaan, en den baron nooit? —■ Dat moest toch iets te beteekenen hebben. En waarom zou het dat ook niet? Had hij niet menigmaal in de couranten gelezen, dat eene adellijke freule zich met een candidaat in de theologie verloofd had? En stond een burgerlijk grondeigenaar dan niet in dezelfde verhouding tot een edelman, als een seminarist tot een candidaat? En wanneer hij nu den burgerlijken grondeigenaar van den edelman aftrok en den seminarist van den candidaat, kwam dan de rekening niet uit? — „Ja wel,quot; zeide hij, „want gelijk van gelijk blijft gelijk, en als 't niet geheel en al uitkomt, dan houd ik altijd nog iets over.quot; — Om echter volkomen zeker van zijne zaak te zijn, telde hij 't nog eens aan de knoopen van zijn jas na, en daarbij bleek het nu, dat zijn oude, getrouwe jas, waarop hij 'tal verscheidene jaren had moeten laten aankomen, .altijd „jaquot; zeide, het zij hij van onder of van boven begon. Hij deed zijn dun dasje met een sierlijken strik om den hals, ging op het dek en rilde van koude; ook zijn brandend verlangen, om Helene te zien, bevroor langzamerhand; zij kwam niet boven, want het was vreeselijk slecht weder. De meeste leden van het gezelschap bleven beneden in de warme kooien,

ocr page 215

195

en die zich op het dek begeven hadden, waren knorrig, en van eene „pleizierreisquot; was bitter weinig te merken. De heer Gumbert kwam boven, stak zijn neus in den wind: „Afgrijselijk!quot; en hij ging weer naar beneden. De kleine Thüringsche koopman wreef zich de handen: „Wij moeten er ons in schikken; onze macht helpt niet veel en hij deed hetzelfde. Oom Bors kwam boven, met een roode deken over de schouders, die hem achterna sleepte, alsof 't het gewaad van een Eomeinsch triumfeerend generaal was, dat bij een dommen snijder was gegeven om te krimpen en nu ook gekrompen was; maar welks natuurlijke lengte tot een onnatuurlijke dikte was inééngeschrompeld Hij liep op eene soort van sukkeldrafje naar het kippenhok , zorgde in haast voor zijn gedierte en sprak daarbij: „De wereld is omgekeerd, de wereld is omgekeerd. quot;Wat heb ik hier vroeger wel moeten zweeten, en 'k was toen toch nog niet zoo corpulent als nu.quot; — „Oomriep Paul, toen hij hem voorbij liep en den trap weder afging, „blijf toch hier!quot; — „Ik bedank je hartelijk,quot; was het antwoord. — „Paul,quot; sprak Jochem Klahn , „kijk! jij bent toch anders zoo bij de hand, en je hebt me verteld van de warme landstreek, daar we zouden komen; zoo! warm je nu maar aan de warme landstreek; ik ga ondertusscheu hier bij den warmen schoorsteen zitten.quot; — „Dat kan ik ook,quot; zei Paul en ging naast hem zitten. „En dat het hier anders warmer moet wezen dan vandaag, dat kunt gij al aan de groote dieren zien, die hier om het schip rond-spartelen; dat zijn dolfijnen en die staan ook in mijn boek van de natuurlijke historie, dat ik met Kerstmis van vader gekregen heb.quot; —• „'k Heb het ook al bemerkt,quot; zeide Jochem,quot; „en ik heb mij al verwonderd, hoe do menschen hier te lande die beesten wel vangen. Wat? Die moeten toch iedere soort van netten en alle hengelgereedschap stuk scheuren Maar ik heb al gedacht, dat jij je moeder toch een groot plezier zou doen, als je die beesten zoo eens in je dagboek zette.quot; — „Zwijg van dat dagboek

ocr page 216

194

maker was; hij had het overgeërfd; maar hij oefende die edele kunst, uit bescheidenheid, slechts in 't verborgene uit.— Nu, bij die soort van menschen, die hun brood door een zittend ambacht verdienen, zooals kleermakers en schoenmakers en schrijvers, komen onder 't werk allerlei gedachten op. Zoo ging het ook bij hem; maar, indien iemand mocht meenen, dat hij zich den last zou opleggen ze over zee en land tot naar Mekklenburg aan de arme Munde toe te zenden, dan vergist hij zich zeer. Neen, hij deed het gemakkelijker: hij zond ze slechts naar Helene, en daar hadden ze meer dan overvloedig te doen. — Ja! Waarom had zij hem altijd met onderscheiding behandeld ? Waarom had zij altijd het woord tot hem en niet tot zijn mededinger gericht? Waarom had zij hem altijd uitgenoo-digd, met haar te gaan, en den baron nooit? — Dat moest toch iets te beteekenen hebben. En waarom zou het dat ook niet? Plad hij niet menigmaal in de couranten gelezen, dat eene adellijke freule zich met een candidaat in de theologie verloofd had? En stond een burgerlijk grondeigenaar dan niet in dezelfde verhouding tot een edelman, als een seminarist tot een candidaat? En wanneer hij nu den burgerlijken grondeigenaar van den edelman aftrok en den seminarist van den candidaat, kwam dan de rekening niet uit? — „Ja wel,quot; zeide hij, „want gelijk van gelijk blijft gelijk, en als 't niet geheel en al uitkomt, dan houd ik altijd nog iets over.quot; — Om echter volkomen zeker van zijne zaak te zijn, telde hij 't nog eens aan de knoopen van zijn jas na, en daarbij bleek het uu, dat zijn oude, getrouwe jas, waarop hij 'tal verscheidene jaren had moeten laten aankomen, .altijd „jaquot; zeide, liet zij hij van onder of van boven begon. Hij deed zijn dun dasje met een sierlijken strik om den hals, ging op het dek en rilde van koude; ook zijn brandend verlangen, om Helene te zien, bevroor langzamerhand; zij kwam niet boven, want het was vreeselijk slecht weder. De meeste leden van het gezelschap bleven beneden in de warme kooien,

ocr page 217

195

en die zich op het dek begeven hadden, waren knorrig, en van eene „pleizierreisquot; was bitter weinig te merken. De heer Gumbert kwam boven, stak zijn neus in den wind: ,Afgrijselijk!quot; en hij ging weêr naar beneden. De kleine Thilringsche koopman wreef zich de handen: „Wij moeten er ons in schikken; onze macht helpt niet veel,quot;' en hij deed hetzelfde. Oom Bors kwam boven, met een roode deken over de schouders, die hem achterna sleepte, alsof 't het gewaad van een Eomeinsch triumfeerend generaal was, dat bij een dommen snijder was gegeven om te krimpen en nu ook gekrompen was; maar welks natuurlijke lengte tot een onnatuurlijke dikte was inééngeschrompeld Hij liep op eene soort van sukkeldrafje naar het kippenhok , zorgde in haast voor zijn gedierte en sprak daarbij : „De wereld is omgekeerd, de wereld is omgekeerd. Wat heb ik hier vroeger wel moeten zweeten, en 'k was toen toch nog niet zoo corpulent als nu.quot; — „Oom,quot; riep Paul, toen hij hem voorbij liep en den trap weder afging, „blijf toch hier!quot; — „Ik bedank je hartelijk,quot; was het antwoord. — „Paul,quot; sprak Jochem KlÊihn, „kijk! jij bent toch anders zoo bij de hand, en je hebt me verteld van de warme landstreek, daar we zouden komen; zoo! warm je nu maar aan de warme landstreek; ik ga ondertusschen hier bij den warmen schoorsteen zitten.quot; — „Dat kan ik ook,quot; zei Paul en ging naast hem zitten. „En dat het hier anders warmer moet wezen dan vandaag, dat kunt gij al aan de groote dieren zien, die hier om het schip rond-spartolen; dat zijn dolfijnen en die staan ook in mijn boek van de natuurlijke historie, dat ik met Kerstmis van vader gekregen heb.quot; — „'k Heb het ook al bemerkt,quot; zeide Jochem,quot; „en ik heb mij al verwonderd, hoe de menschen hier te lande die beesten wel vangen. Wat? Die moeten toch iedere soort van netten en alle hengelgereedschap stuk scheuren Maar ik heb al gedacht, dat jij je moeder toch een groot plezier zou doen, als je die beesten zoo eens in je dagboek zette.quot; — „Zwijg van dat dagboek

ocr page 218

196

maar doodstil; ik heb er van morgen al genoeg onaan-genaamheden door gehad.quot; — „Heb je slaag gehad?quot; — „Neen. dat juist niet; een paar oorvijgen heb ik gekregen.quot; — „Van je moeder?quot; — „Neen, van vader. Hij is van morgen drommelsch kwaad.quot; — „Hm,quot; zeide Jochem en zat in gedachten, „daar moet ik mij toch weer over verwonderen, zooals ik je gisteren zei, dat ik er mij over verwonderen moest, dat die twee zóó eendrachtig bij elkaar stonden; toen dacht ik, dat het tusschen die beiden op een verdrag zou uitloopen en dat zij daar schik in hebben zouden. En bij mijn ouden mijnheer is 't ook zoo; die heeft toch ook van morgen zooveel gekheid met mij gemaakt, dat ik er mij zoowaar over heb moeten verwonderen; en nu moet ik mij toch verwonderen, dat het bij je vader niet evenzóó is.quot; — «Och, 't is alles om dat malle, vervelende dagboek.quot; — «Paul, volg jij oude men-schen na; vandaag is hier toch niets te zien; kom beneden in mijne kooi; daar willen we het dagboek verder schrijven, dan heb je naderhand in Konstantinopel meer tijd vrij.quot; — „Ja, maar wat zal ik schrijven?quot; — „Kom! dat zullen we wel vinden. Gra maar mee naar mijn kooi.quot; — „Daar komt mijnheer Nemlich aan.quot; — „Hem zullen we wel weg krijgen. Hij is immers nog boven.quot;

Hier ging dan nu het geschrijf van Paul met Jochems hulp vlug van de hand, en het dagboek behelsde weer ongeveer het volgende:

VERVOLG.

In Ragusa bleven wij drie dagen, daar wij alles bezichtigden. Hier staan veel ohjfboomen en ook Oostenrijksche officieren; ook heb ik bier Montenegrijnen gezien, dewijl deze van de bergen naar beneden in de stad ten verkoop komen; zij zijn nog wild. — Van Ragusa voeren wij naar Korfu, dat een eiland is en ook in de geographic staat. Het moet gewoonlijk zeer schoon zijn, wat wij

ocr page 219

197

echter niet te zien kregen, daar het regende, en wij in de zware klei bleven steken, waarop vader zeide, dat het van nature tarweland was en moeder naderhand verkouden werd. Van hier voeren wij naar Ithaca, dat ook een eiland is, waarvan mijnheer de conrector in liostock ons al veel verteld had ; ook van Odyaseus en de anderen, dien mijnheer Nemlich altijd Ulysses noemde, daar hij het voor vader zou uitleggen, maar dat ik al wist. Vader heeft dat alles echter niet geloofd en Jochem Klahn ook niet. vooral dat van het eiland Poel niet, weshalve hij daarover met mijnheer Nemlich bijna aan 't vechten geraakt is.

„Paul,quot; zei Jochem, „schrap dat toch liever weer uit; dat kon iemand te lezen krijgen en gelooven, dat ik niets dan twist had aangericht.quot; — „Neenantwoordde Paul, die bij zijne geleerde bezigheid ook meer voor 't schrijven dan voor het doorschrappen was, „dat moet zóó blijven. Maar ik zal er wat bijzetten, dat jij niet in verlegenheid komt.quot; En hij schreef verder:

Maar, Jochem had gelijk. — „Wel, ben je nu tevreden?quot; — „Ja, dan heb ik er nu ook niets tegen.quot; —Paul vervolode:

O

Tu den nacht voeren wij om kaap Matapan heen, die ik evenwel niet gezien heb, omdat vader en moeder mij naar bed gejaagd hadden, en 't welk het buitenste eind van geheel Europa is, dat hier namelijk ophoudt, en op de landkaart aan den anderen kant, bovenaan, eerst weer begint.

„Paul,quot; sprak Jochem, „je weet, dat ik een bevaren matroos ben, en dus moet ik dat weten; je zegt: „wij voeren om kaap Matapan heen,quot; je moest zeggen: „kregen wij in 't gezicht. Zóó hoort het.quot; — „Wel, ik heb er toch niets van gezien; ik moest immers beneden in het donker liggen.quot; — „Dat kan niet schelen! Maar alle dingen willen hun eisch hebben.quot; — Paul veranderde dus, wat hij hierover geschreven had en vervolgde aldus: Vandaag is ons verder niets gepasseerd, behalve eeDige

ocr page 220

198

dolfijnen, die om liet schip heen duikelden, waarom zo ook duikelaars heeten; de matrozen noemen ze ook zeevarkens. Maar dit zijn geheel andere, dan die Karei Besclin als konijntjes in een hokje heeft; ze hebben geen vier pooten, maar vinnen.

„Zie zoo!quot; zeide Paul, de pen nederleggende, „nu weet ik niets meer.quot; — „Wel,quot; zeide Jochem, „'t is immers zoo ook genoeg. Maar zou je er toch niet nog eene kleine aardigheid van den baron en jou Helene laten invloeien ?'' — -^'k Zal er wel op passen!quot; riep Paul uit. „Daarover zou mijne moeder alles behalve vriendelijk kijken.quot; —• „Paulquot;, hernam Jochem, „je bent toch anders altijd zoo bij de hand! Ik moet me toch verwonderen, dat je meent, dat ik jou in ongelegenheid brengen zal, en dat jij met ronde woorden onze samenzwering en wat wij nog meer weten, zoudt moeten opschrijven. Neen, het moet zoo fijn gesteld worden, dat geen mensch merken kan, wat wij eigenlijk gemeend hebben. Schrijf jij maar,-ik zal je dicteeren:

„Op deheelereis — heb je dat?quot; — „Ja.quot;— „Heeft zich een zeker iemand — met eene zekere bemoeid — heb je dat?quot; — „Ja, maar . — „Stil toch! 't wordt nog veel geheimzinniger. — Bemoeid — bemoeid ; maar zij heeft hem veracht en heeft zich altijd tot een anderen zeker iemand gewend — heb je dat?quot; — „Ja, maar wie moet dat wezen?quot; — „En dat weet jij niet? en jij loopt hier op het dek rond en merkt niet, dat het Frans Nemlich is ?quot; — „Ja, maar . . — „Schrijf verder, Paul! — Deze zeker iemand wordt altijd vuurrood en zijne oogen zien er altijd zoo schitterend uit, als de zekere met hem spreekt. — Heb je dat?'' — „Ja, maar heb jij dat gemerkt?quot; — „Schrijf maar verder: Zij heeft er niets van gemerkt; maar twee zekeren hebben het gemerkt en hebben samengezworen , dat een zeker iemand in Mekklenburg haar tot vrouw hebben zal. Zoo! nu punctum! En 't zou me erg verwonderen, als jou moeder of eenig ander mensch hier gek of wijs uit zal worden.quot;

ocr page 221

199

Paul was met dit aanhangsel van spijn dagboek niet recht tevreden; zijn geweten zeide hem, — juist gelijk tot mij, — dat hij zijne aanstaande lezers eigenlijk bedroog; zijn dagboek moest eigenlijk, — zóó was de afspraak met zijne moeder, — niets anders wezen dan eene reisbeschrijving, en nu vermengde hij daar allerlei andere dingen mee; en donkere gestalten rezen voor hem, — juist zooals voor mij, — omhoog, hielden hem de vuist onder den neus en zeiden: „Wacht eens, ondeugende rakker! Wat gaan jou die menschen en hunne liefdeshistories aan? Behoort dat in eene reisbeschrijving ? Gij behoeft ons slechts te vertellen van land en water, van kerken en steden en van de inwoners en waarmede die hun brood verdienen; en als 't heel mooi wordt, van het lieve vee, dat daar gevonden wordt, en van 't geen er op de velden groeit. Ge kunt ook schrijven, hoeveel leerlooiers en zeepzieders er in eene stad zijn, en wat voor nuttige zaken daar verder nog gevonden worden.quot; — En Paul zal zeggen, — evenals ik: „Kinderen, slaat mij naderhand; laat mij u eerst mogen zeggen: daartoe ben ik te dom, dat krijg ik niet gedaan. En wanneer hij al instituten op hoog esc holen had aangehoord, zou hij er bijgevoegd hebben: „ultra posse nemo obligatur,quot; dat in 't Hollandsch betee-kent: van een os kan men niet anders dan rundvleesch verlangen; en daarom moet gij dan ook bij Paul en bij mij toegevendheid gebruiken. Ziet ons dus niet boos aan, wanneer wij van Konstantinopel slechts datgene vertellen, wat ons past: dat het gezelschap gedurende den nacht aankwam; dat de reizigers den volgenden morgen „den gouden horenquot; vóór zich zagen liggen, en dat de aanblik van deze haven en de gansche stad zóó was, dat voorzeker niemand dien zijn geheele leven vergeten zal. Ja! in zijn geheele leven niet vergeten zal!

Toen het geheele reisgezelschap bij elkander was, trok men in plechtigen optocht, maar zonder eenige staatsie, — want liet was koud, en de meesten hadden over hunne

ocr page 222

200

fraaie kleeding een grijzen omslagdoek omgedaan, — naar het huis van den Oostenrijkschen consul. Elk der reizigers had iets bijzonders, waarop hij acht sloeg, en ieder had zijne eigene gedachten, en indien al die gedachten op muziek gebracht en luid geworden waren, zou Konstantino-pel de fraaiste katten- en Janitsaren-mnziek te hooren hebben gekregen, die ooit do ooreu der menschen verdoofd heeft.

Op het consulaat was voor het gezelschap een Griek-sche tolk als gids medegegeven, die hen naar de voor hen bestemde kwartieren brengen zou. Dat was in zóóverre recht goed; maar nu drong zich alles om dien kerel heen, en hij dacht nu zeker, dat hij, de hemel weet, wat voor een gewichtig persoon was; hij hield dus eene lange predikatie, alsof hij de Apostel Paulus was, die te Athene voor het volk over den onbekenden God sprak. — „Dat is alles zottepraat, en bang maken beduidt niets!quot; riep eene zware stem achter hem. „De honden doea geen mensch kwaad, als men ze maar niet op den staart of op de pooten trapt; maar dan bijten de onzen t'lmis ook.quot; — Allen keerden zich om en zagen oom Bors aan, die dit gesproken had. — „Bullebülderie,quot; en zoo voorts, en zoo voorts, riep oom Bors den tolk in het Turksch toe, wat zooveel beteekende, als: „Wij verzoeken van leugens verschoond te blijven, en ik zal er goed op letten.quot; De Griek nam nu, uit hoogachting, zijne muts voor oom af, en het geheele gezelschap deed zulks in gedachten ook. — „Wat?quot; vroeg men elkander, „deze oude, eenvoudige man, die zich op de geheele reis slechts met het kippen voeren heeft beziggehouden, verstaat die Turksch ?quot; En toen het nu zelfs aan 't licht kwam, dat hij in Konstantinopel, om zóó te spreken, tehuis was, lieten ze allen den Griek staan en draaiden zich om het kleine, dikke middelpunt van den persoon van oom Bors.

Zoo gaat het in de wereld; wanneer iemand slechts, — al stond hij ook op de onderste sport der groote men-schenladder, — zooveel geduld heeft, dat hij het rechte

ocr page 223

201

tijdstip afwacht, om met zij no wijsheid voor den dag te durven komen, dan wordt hij in zijne waarde erkend. Oom verstond deze kunst en werd erkend, zelfs door zijne nicht Hanna, want zij liet den arm van Anton los, drong zich door de menigte heen, vatte den arm van haren oom en zeide: „Kom oom !quot; — Want, nu zijne kennis der Turksche taal zoo roemrijk gebleken was, geneerde zij zich volstrekt niet, hem voor alle menschen als haar oom te erkennen. — „En gij, mijn kind!quot; riep zij Helene toe, „neem den anderen arm van oom, en let goed op alles, wat hij zegt. Let vooral goed op de bouwkunst hier te lande. Het is jammer,quot; zeide zij tot haren oom, toen zij met hem aan het hoofd van het reisgezelschap optrok, „dat ik Hella geene privaatlessen in de bouwkunst heb laten geven.quot;

Oom ging nu de trappen naar Pera op, vooruit, en vertelde van alle zaken, die zij onder weg aantroffen. De kleine Thüringsche koopman stak telkens zijn neus. alsof hij daarmee kon hooren, tusschen Helene en oom, en zeide dan: „Ja, ja, mijnheer Bors is hier bekend, hij heeft de macht.quot; Aan den anderen kant, tusschen zijne vrouw en oom, stak Anton af en aan zijn hoofd in, om ook wat te profiteeren; en toen hun eene vreeselijke zwarte gedaante, met een in witte lappen gehuld aangezicht, tegenkwam, die er uitzag, om kinderen naar bed te jagen, vroeg hij: „Wat is dat?quot; — „Dat is eene van do schoone Turkinnen, waarde neef!quot; — „Die had ik mij ook anders voorgesteld,quot; sprak Anton tofc den kleinen koopman. — „Ik ook,quot; was het antwoord. „O! gij mannen! gij mannen!quot; — „Afgrijselijk!quot; zeide mijnheer Gumbert; hij meende echter niet de Turksche vrouwen, hij meende de straatsteenen, want hij had eksteroogen. Mijnheer Nemlich drong tot Helene door, en Jochem Klahn zeide tot Paul, die met hem vooruit was geloopen: „Paul, 't zou me toch verwonderen, als je nog niks merkt. Kijk Frans Nemlich ,eens aan! Nu!quot; riep hij en bleef stilstaan, „en

ocr page 224

202

kijk toch die beide Turken eens aan! Die twee kerels dragen hier een molensteen de trappen op. Ik heb van Frans Blok gezien, dat hij zes schepels erwten naar boven, naar den zolder, gedragen heeft; maar molen-steenen — „Dat zijn Armenische lastdragers,quot; riep

oom hem toe. Gereden kan hier niet worden, hier wordt alles gedragen.quot; — „Dat merk ik!quot; riep Jochem, en hij schoot voorover, want een geheele winkeltoestel, die door vier mannen in de nauwe straat werd gedragen, was tegen zijn nek aangekomen.

De oude Jahn had zijne bejaarde vriendin , tante Lina. aan den arm, en hij was zoo opgeruimd en vroolijk en maakte zooveel onschuldige grappen met haar, en zij weder met hem , dat zijn Jochem, toen hij van zijn schrik over den stoot bekomen was, tot Paul zcide: #Paul, kijk toch mijn ouden mijnheer eens aan! De menschen hebben vroeger gezegd, dat het niet pluis met hem was, maar ik zeg, dat het nu niet recht pluis met hem is; 't zou me niet verwonderen, als hij op zijn ouden dag nog met die oude dame ging trouwen.quot;

Het reisgezelschap werd nu verdeeld, en sommige leden in het ééne, de overigen in een ander hotel, onder dak gebracht. Onze bekenden werden allen, met uitzondering-van mijnheer den baron, in hetzelfde logement ingekwartierd ; slechts mevrouw Gfroterjahn en Helene kregen bij eene Oostenrijksche modiste, vlak er tegenover, nette en gemakkelijke kamers, die vóór aan de straat uitzagen, — Ach, wat was Helene gelukkig! Zij was voor eenigen tijd van den baron verlost, en kon nu op de hoofdstraat van Pera nederzien, waar alle volkeren, in alle kleederdrachten van Europa en Azië, elkander verdrongen; waar voorname Turksche dames uit den harem in koetsen, met zilver beslagen, bijna zonder sluier zaten; waar oude, eerwaardig uitziende pacha's op kleine, sterke Arabische paarden bedaard de straat langs reden; waar Pransche vrouwen in lichte zijden kleederen tusschen de zwarte spookgestalten

ocr page 225

203

der Turksehe vrouweu vlug doorzweefden, als bloemkransen om de traliën eener gevangenis, 't quot;Was haar, alsof hier tot haar genoegen een groot gemaskerd bal werd gegeven.

Ja, hier was veel ce zien; van het verhevenste tot het laagste; hier kon iemand in de kerk der H. Sophia gaan staan, en de uit éénen steen gehouwen zuilen bezichtigen, die keizer Konstantijn uit den tempel van Diana teEfeze en uit den tempel van Apollo te Delphi bij elkander heeft doen sleepen; en wanneer men eene levendige verbeelding had, kon men een belangrijk gedeelte der Grieksche geschiedenis voor zich uitgebreid zien. Of men kon ook den eersten Turkschen daglooner of kameeldrager den besten nemen en diens kaftan bekijken; en zoo men ook daarbij eene min of meer levendige verbeelding had, zou men uit de verschillende bonte lappen eene geheele geschiedenis van zijn rug kunnen aflezen. Hier kon nu ook iedereen uitkiezen, wat hij 't liefst zien wilde; cTe een liep in den bazar; de ander reed de stadswallen om; een derde bezichtigde het oude serail en een vierde Tophane; en waar het gezelschap zicli weder vereenigen moest) zooals bij het bezien der St.-Sophiakerk en van den nieuwen schouwburg des Sultans, of bjj den optocht des Sultans in de Moskee en de vaart op den Bosporus, had ieder maar op zich zeiven te letten, zoodat hij zich verbazend weinig om een ander bekommerde; en al is er van dat alles ook heel veel moois te vertellen, het brengt ons in ons verhaal toch geen stap verder, want de liefdesgeschiedenissen stonden hier in Konstantinopel volkomen stil, gelijk eene klok , waarvan men de gewichten heeft afgenomen. Ook het weder was niet zeer geschikt, om aan liefde te denken, want het was vreeselijk waterkoud; en als de mensch tot aan de enkels in de straatvuilnis moet waden en op zijn beenen passen en naar het roepen der lastdragers hooren moet, die hem zeggen, dat hij uit den weg moet gaan, Reuter. Mont, en Ciip 2e dr. 14

ocr page 226

204

dan hoort hij in zulk een spektakel verbazend weinig van datgeen, wat zijn hart tot hem spreekt.

Zóó stonden, bij voorbeeld, bij den optocht des Sultans in de Moskee, onze beide verliefde jonge heeren, de baron en mijnheer Nemlich, ver van Helene af, en rilden van koude in de sneeuw, die als een fijne motregen naar beneden viel; mijnheer Nemlich voornamelijk aan zijn hals vanwege het dunne dasje; de baron aan zijne voeten vanwege de verlakte laarzen. Anton stond ook op verren afstand van zijne vrouw en zag het meest naar de kleine, Arabische schimmels, die door de lijfgarde bereden werden. De kleine koopman uit Thüringen taxeerde met veel vlugheid de gouden leidsels der paarden van de pacha's en de groote diamanten ster, die de Sultan op zijne borst droeg, en riep telkens uit: „O! gij mannen! gij mannen! Ja, de sultan heeft de macht!quot; — Mijnheer Gum-bert zeide: „Afgrijselijk!quot; doch meende daarmede niet den Sultan, maar het weder, en Jochem Klahn zeide niets en verwonderde zich. Oom Bors stond, tot groote ergernis van mevrouw Groterjahn, op verren afstand van het gezelschap en had, daar deze optocht niets nieuws voor hem was, de slippen van zijn jas vol wittebroodjes gekocht, en nu voerde hij, in plaats van de hoenders, de wilde honden; juist, alsof hij een oude, verkleede, vrome Muzelman was, want die ontfermen zich op zoodanige wijze over dat hongerige vee. De oude dame had reeds vooraf bij den Griek-schen tolk nagevraagd, hoe de volgorde in den optocht was, en nu kon zij den ouden Jahn en Helene, Omer Pacha en Fuad Etfendi en de andere voorname rijks-grooten aanwijzen. Mevrouw Groterjahn, die na vele dagen zich weder eens van Paul.bemachtigd had, plaatste zich, om beter te zien, of mogelijk om beter gezien te kunnen worden, met haren zoon op een voetstuk bij een tuinmuur, en die twee hadden nu, indien zij de nieuwer-wetsche crinoline en de parapluie niet, en Paul zijn pijl en boog wel gehad had, voor een standbeeld van

ocr page 227

205

Venus en Amor kunnen doorgaan. Do Sultan scheen haar ook wel zoo hoog te schatten; want toen hij voorbij reed, zag hij haar strak aan, legde daarop zijne vingers op de borst en maakte haar als Muzelman zijn compliment; zijn zakdoek wierp hij haar echter niet toe. Dit is dan ook nog, tot op den huldigen dag, voor haar eene reine, schoone bron van liefelijke herinneringen, en als Anton soms niet wil, wat zij wil, dan zucht zij eerst, en dan moet hij het weder hooren.

Zóó gingen vijf of zes dagen te Konstantinopel voorbij. Mevrouw Groterjahn hield zich al dien tijd, hoofdzakelijk op aanraden van Helene, bij haren goeden oom, opdat die haar steeds zou rondleiden en alles aanwijzen. De heer Groterjahn zelf had geheel en al van de uitleggingen van mijnheer Nemlich afstand gedaan en zich meestal tot de oude dame gewend, indien hem het een of ander niet recht duidelijk was, en dat was bijna altijd het geval. De oude dame had dan ook medelijden met hem, dat hij daar zoo in den blinde rondliep, en zoo kwam het dan, dat hij ook steeds in gezelschap van den ouden Jahn was; en daar het toezicht en het bestuur van mevrouw Groterjahn ontbrak, werden beide vijandige broeders ten laatste zoo gemeenzaam met elkander, als ware er vroeger niets voorgevallen. Groterjahn was nog een weinigje verlegen en niet geheel op zijn gemak, maar Jahn geneerde zich volstrekt niet en deed, alsof zij beiden nog te Groot- en Klein-Bar-kow woonden, en alsof zijne windhonden van zijn leven de pauwen niet doodgebeten hadden.

Op den laatsten dag deed de oude dame, die, in hare rustelooze bedrijvigheid, kennis gemaakt had met een Duitschen boekhandelaar, het voorstel, of zij niet onder het geleide van dien vriendelijken man met haar naar de Aziatische zijde, naar Scutari, wilden overvaren, om daar den Bugurlu-Dagh te beklimmen. De oude Jahn was ei-dadelijk bereid toe, en ook Anton was er mede tevreden; intusschen meende hij toch aan zijne verplichting als

ocr page 228

206

echtgouoot yerscliuldigd te zijn, zijne vrouw van dit extrauitstapje kennis te geven en haar insgelijks daartoe uit te noodigen. Hij ging dus naar den overkant, naar haar kwartier.

Reeds op den trap hoorde Anton de stem zijner lieve vrouw; zij was weer aan 'tpreêkeu; en daar Anton deze weldaad al zoo dikwijls had genoten, en zijn geweten in dit oogenblik niet geheel rein was, — want hij had eigenlijk plan, zijne vrouw die reis naar den berg als zeer koud en morsig voor te stellen, opdat zij er geen lust toe gevoelen zou, — wilde hij zich reeds uit de voeten maken, toen zijne Jeannette de kamer uitkwam en nog op den drempel riep: „En, mijn kind, het blijft er bij; ik zal mij terstond tot den ondernemer en tot den kapitein wenden.quot; De vlucht was Anton nu afgesneden, hij moest in 'tvuur; en dat het niet gemakkelijk zou afloopen, kon hij aan zijne vrouw wel bemerken. — „Wat is er aan de hand?quot; vroeg hij, toen hij de kamer inkwam en Helene heel bedroefd en bedrukt zag zitten. — „Het zijn vrouwenzaken, Anton, en 'tis het beste, dat gij u daar niet mee bemoeit.quot; — Maar, nu was mevrouw Groterjahn anders nooit driftig tegen Helene; dit moest hem dus toch vreemd voorkomen,

en hij begon te zeggen; „Ja, maar----quot; — „Och! moeder

verlangt...quot; viel Helene hem in de rede. — „Mijn kind,quot; begon de lieve moeder thans weder, „als je moeder het gepast rekent, je vader in ons gesprek in] te wijden, dan zult ge haar liet woord wel willen laten. De zaak is deze: onze huisvrouw is modemaakster en levert aan vele der pacha's-dames, zóó ook voor den harem van Omer Pacha- Nu is zij daar tegen morgenmiddag besteld en heeft recht vriendelijk aangeboden, mij en Hella derwaarts mede te nemen. Ik heb het dankbaar aangenomen, en nu maakt mijn kind allerlei bezwaren.quot; — „Ja, maar,quot; begon

Anton weder, „het schip____quot; — „Ik weet, wat gezeggen

wilt, Anton; het schip moet reeds van avond vertrekken; maar ik zal met den ondernemer en met den kapitein

ocr page 229

207

spreken, eu zij zullen niet zoo onoplettend jegens mij zijn, als gij doorgaans jegens nnj zijt, Anton. En zoo zij liet wezen mochten, dan blijven wij hier; velen van ons reisgezelschap blijven hier en komen met eene andere stoomboot na. Deze gelegenheid tot beschaving mijner dochter zal ik niet laten voorbijgaan, en wat kan meer tot de vorming en beschaving eener toekomstige gade geschikt zijn dan de aanblik dezer, door de ruwheid der mannen onteerde schepselen, in de harems? Mijn kind zal er een voorbeeld aan nemen; zij zal het beter hebben dan ik, zij zal niet zoo vernederd worden als hare ongelukkige moeder.quot; — Nu was zij, gelijk Anton bemerkte, in 't rechte vaarwater, eu hij zou zich nu wel uit de voeten gemaakt hebben, indien hij niet te zeer met Helene begaan was geweest; hij begon dus opnieuw; ,Mijne lieve Jean-nette, de mensch moet ...quot; — „Blijf me toch met je malle praatjes maar van 't lijf!quot; viel zijne vrouw hem in de rede. „Die mogen voor Paul geschikt zijn ^voor mij deugen ze niet.quot; — „Moeder,quot; riep Helene uit, .lieve moeder!quot; en zij stond op en omarmde hare moeder, „ik weet, dat gij liet goed met mij meent; gij meent het beter, dan ik liet verdien; maar, bedenk toch, hoeveel onaangenaamheden ons in deze vreemde omgeving kunnen overkomen, en wij zijn zonder de minste bescherming.quot; — „Bescherming?quot; vroeg hare moeder, zich trotsch oprichtende, „zijt geniet onder de bescherming uwer moeder? En onaangenaamheden? Indien de groote Sultan zelf je moeder met achting groet, zoo zullen zijne onderhoorigen, Omer Pacha en diens vrouwen, zich wel in acht nemen, dat zij haar niet anders dan met onderscheiding ontvangen.quot; — Daar was nu niets tegen te zeggen, ook Anton zag er van af, maar niet woede over de onmogelijkheid; hij vatte de kruk van de deur, ging de kamer uit, en de kwaadaardigheid behield de overhand bij hem; hij stak zijn hoofd weder door eene reet van de deur en riep op barsehen toon en in 't platdnitsch: „Het schip vaart van avond, en wij varen niet dat schip!quot;

ocr page 230

208

Zoo! Nu had hij zijn troef uitgespeeld; maar deze inspanning had hem in zulk een staat van opgewondenheid gebracht, dat hij nog niet recht tot zich zeiven kon komen en allerlei verkeerde antwoorden gaf; want, toen de oude dame hem vroeg: „Wel, mijnheer Groterjahn, gij gaat immers mede?quot; antwoordde hij: „De boot vaart van avond.quot;— „Neen, waarde mijnheer Groterjahn; de kleine stoomboot, die ons van de Galata-brug naar Scutari zal brengen, vaart over een half uur.quot; — „En naar den harem van Omer Pacha zullen zij niet!quot; — „Wie wil toch naar den harem? Wij willen immers [naar den Bugurlu-Dagh gaan,quot; antwoordde tante Lina lachende. — „En Helene zal er niet naar toe gaan.quot; — „Lievehemel, wat beteekent dit ? Wanneer uwe goede, lieve Leentje meegaan wil, waarom mag zij dan niet? Maar, ga nu mede; 't is hoog tijd.quot; — Nu, eindelijk en ten laatste werd de arme Groterjahn toch in zooverre kalm, dat hij kortelijk vertellen kon, wat hem overkomen was. — „Uwe dochter is een lief, verstandig meisje,quot; sprak tante Lina. — „En mijne vrouw?quot; vroeg Anton min of meer wantrouwend; want het ging hem, gelijk menig ander gehuwd man; als hij bij zijne vrouw was, twistte hij met haar, en als hij bij andere lieden was, trok hij voor haar partij.

De oude Jahn met Jochem Klahn en Paul, die zich, op zijn eigen houtje, bij Jochem had aangesloten, waren reeds vooruit, en de beide anderen volgden thans. De stoomboot voer ook spoedig af, en ik zeg niets van het eigenaardige gevoel, wanneer do mensch voor de eerste maal zijn voet in een ander werelddeel zet! Ik wil slechts verhalen , dat de Duitsche boekhandelaar hen overal bijzonder oplettend op maakte en tevens hun tolk was.

Het gezelschap reed nu door Scutari, waar, betrekkelijk, veel meer Turken wonen dan in Konstantinopel, en waar die zich veel strenger aan hunne oude gebruiken houden dan daar. In het ééne kleine rijtuig, met één paard bespannen, zat de oude Jahn, Jochem en Paul; iu

ocr page 231

209

liet andere tante Lina, Groterjahn en de boekhandelaar. Toen zij buiten de stad en van den gebaanden weg af waren, zonken de wielen diep in den kleiweg, en de oude Turksche voerman sprong van den bok en stapte tot aan de enkels door de klei, om het zijn klein, tenger paard wat gemakkelijker te maken. — „Dat doet mij waarlijk genoegen,quot; zeide Groterjahn, „dat zoo'n Turk christelijk medelijden met zijn vee betoont.quot; — De boekver-kooper lachte. — „Waarom lacht gij?quot; vroeg Anton. — „Mijnheer Groterjahn, zoo de Turken niet meer medelijden met hunne dieren hadden dan de Christenen, zou onze voerman zeker reeds lang de zweep ter hand genomen hebben; maar, gelijk gij ziet, heeft hij er in 'tgeheel geene bij zich.quot; — „Wel sakkerloot!quot; hernam Anton, „waarmee zet hij dan het paard aan, als het niet loopen wil?quot; — „Hoort gij niet, hoe hij er mede spreekt?quot; — „Wel, wat zegt hij dan?quot; — „Mooi zoo, mijn appeltje! Mooi, mijne kleine roos! Je komt er wel door! — Courage maar, mijn appeltje! Straks krijg je gouden haver.quot; — „Hoor eens, dat komt mij inderdaad zeer opmerkelijk voor; dan hebt gij hier zeker ook eene vereeniging tegen het plagen van dieren, zooals in Mekklenburg. Onlangs heeft nog de hoofdbestuurder daarvan, Polonius uit Schwerin, mij geschreven, of ik er ook niet eene in Rostock zou willen oprichten, maar ik heb nog zooveel andere zaken te doen.quot; — „Zulk eene vereeniging kent men hier niet; de goede behandeling der dieren is bij de Turken eene godsdienstige verplichting.quot;

„Hm,quot; zeide Anton, „dat had ik mij zoo «iet voorgesteld; ik heb den Turkschen godsdienst altijd voor zeer bloeddorstig gehouden.quot; — „In vele opzichten zouden wij, als Christenen, er ook niet mede kunnen ruilen; doch aan de vriendelijkheid jegens de dieren kunnen wij waarlijk wel een voorbeeld nemen, en , gelijk gij ziet, onze Turk komt met vriendelijke woorden verder dan een Mekklenburgsche voerman met de zweep.quot; „Ja, zoo waar!quot; sprak Anton, „oen Mekklenburgsch

ocr page 232

210

paard zou op dozen zwaren weg niet zoo goed getrokken hebben.quot; — „En dan laten wij, als Christenen, ons hier van dat arme dier er doorsleepen?quot; vroeg de oude dame, „en wij schamen ons niet voor den Turk, die er naast door den modder waadt? — Halt!quot; riep zij, en daar de Turk dit niet verstond , riep zij: „Purrr !quot; en maakte voor den ouden knaap zulke wonderlijke teekenen en grimassen, dat die reeds, uit pure verwondering daarover, den teugel aantrok. „Zie zoo!quot; zeide zij; zij sprong het rijtuig uit en stond ook dadelijk tot aan de enkels in de klei; de overigen volgden , ook die uit den anderen wagen ; en nu begon liet waden door den diepen weg en het klauteren over steengroeven en over rotsen heen , zoodat het water onder in de laarzen drong, en het zweet hun van het hoofd druppelde. Tante Lina deed alles even dapper mede.

En nu stonden zij boven op den berg; de boekver-kooper had gedurig verzocht, dat zij niet zouden omzien; maar nu draaide hij tante Lina om, en daar lagen thans voor hunne oogen al de heerlijkheden dezer wereld, niet zooals de duivel ze den Heiland aanwees, om Hem te verzoeken , neen! zooals God zelf ze den mensch vertoont, opdat die Zijne werken en Zijne almacht zou leeren kennen. Ja, daar, waar de twee voor de menschheid 't meest belangrijke werelddcelen zich van elkander scheiden, daar heeft de Heer Zijne hand vol pracht en heerlijkheid opengedaan en heeft ze uitgestort over land en zee; daar heeft Hij eene brug gelegd vol licht en kleuren, als de regenboog, waarover van de eene zijde de godsdiensten heengetrokken zijn, om de woestheid te beteugelen, en van den anderen kant moed en kracht, opdat de traagheid tot een nieuw, frisch leven gewekt zou worden. — Ja, daar lag Konstantinopel, als een groot halfrond, welks éene zijde door het blauwe water bespeeld wordt en welks hoogste gedeelte door sombere, zwarte bergen is ingesloten, met al zijne breede koepelkerken en minarets; en elke steen sprak van datgene, wat hier oudtijds geschied was! —

ocr page 233

211

Keert u rechts om! Daar ligt de Bosporus! — Ja, wij Duitschers kunnen trotscli zijn op onzen Rijn, dat wij hem hebben; en nog trotscher daarop, dat wij hem ons niet laten ontnemen! Maar wat is de Rijn, met zijne burgten en sagen, tegenover d i t water, aan welks oevers eenmaal Grieken en Perzen, Romeinen en Venetiërs en Turken en alle volken van onze wereld gestreden en geleden hebben? — waar Godfried van Bouillon met zijne kruisvaarders zijn leger opsloeg, en Sultan Mahomed zijn paard op het altaar in de heilige Sophiakerk zijn voeder gaf? — Ziet verder! ziet verder! Daar liggen de beide Turksche vestingen Rumeli- en Anadoli-Hissar, zoo breed uitgebreid, tegenover elkander, alsof het Turksche volk zich daarmede voor altijd op deze plek had willen vestigen; maar, ziet verder! Daarachter ligt de Zwarte zee, die haar naam te recht draagt; en daarachter — staan de Russen. — En nu, kijkt nu niet verder, want daarachter zwaait een vaandel door de lucht, waarop Christus, onze Heer, is afgebeeld; doch Hij zelf heeft er niets mede te doen; want Hij legt voorzeker zijne handen liever op het volk, dat aan Mahomed gelooft, dan op dat, 't welk eenmaal aan een Iwan het leven gaf. — Keert u om! Links om! Daar ligt de zee van Marmora; — de Propontis; — anders in licht en rozengloed; heden echter in sombere schaduwen; en donker, als waren het doodkisten, zwemmen de Prinseneilanden daarin, — en zijn ze het ook niet? Daar begroeven de vervallen, door de hedendaag-sche wereld veroordeelde, Grieksche keizers hunne dochters! Schoone dochters! En zij begroeven die juist zóó, als onze Mekklenburgsche edellieden hunne dochters in de kloosters Dobbertin en Malchgw, 1) en dachten er ook niet aan, dat een warm, levendig hart slecht overeenstemt met de berekening, die ,voor de eer des huizesquot;

') Hier worden geen Roomsche nonnenkloosters bedoeld, maar zoogenaamde Stiftkloster of fundatiën voor adellijke jonkvrouwen. Vert.

ocr page 234

212

gemaakt wordt. — Doch, ziet verder! Daar straalt u in

c '

witten sneeuwglans de Olymp van Klein-Azië tegen! Hoog omhoog! Dat hij u eens herinnere aan den anderen, in Griekenland, waar oudtijds de Goden woonden. Ja, ziet hem eens goed aan! Ziet hem lang aan! En laat u dan door den hoekverkooper eens omdraaien, zoodat gij achter u ziet. — Wat? Daar ligt de woestijn! de woestijn in rozerooden gloed! — God heeft die woestijn door Zijne gunst verheerlijkt; Abraham heeft daarin gewandeld, en Mozes heeft daarin de tafelen der Wet aan het volk getoond, en Christus heeft daarin den duivel overwonnen-Ach, al het schoone ter rechter- en ter linkerzijde, waaide volkeren om gestreden hebben, waar mensehen en wederom menschen geslacht werden, dat alles treft onze ziel niet zóó, als het zien van de plek, waarin een eenzaam mensch gewandeld heeft in gedachten, die zich rot God verhieven.

Tante Lina stond daar, en keek en keek, totdat de tranen haar in de oogen kwamen en zachtkens neerdrup-pelden , gelijk een Meiregen, waardoor alles zoo weldadig bloeit en tiert, tot lof en eere van onzen goeden God. Dat waren vrome tranen, en onder hunnen zegen ontkiemden goede daden; want haar warm hart was zoo krachtig en rein, dat het niet voldaan kon zijn met vrome bespiegelingen ; bij haar werd het gevoel terstond tot eene weldaad , die zij aan de menschen moest betoonen. — .Ach!quot; riep zij uit, „dat is treffend; hier moet ieder menschenhart bewogen worden! En wie hier staat en dit ziet, en dan nog haat tegen zijn broeder voedt, die is niet waardig, dat hem zulke gunstbewijzen van God te beurt vallen.quot; — „Gij hebt gelijk,quot; sprak de oude Jahn, die naast haar stond, en hij ging in ernstige, goede gedachten van haar weg, naar Groterjahn, die een weinig ter zijde stond, ook met goede gedachten vervuld.

„Groterjahn,quot; zeide hij, „Anton! Toen gij nog een onervaren, jong mensch waart, en hulp noodig hadt en

ocr page 235

213

hulp verlaugdet, heb ik toen niet trouw eu eerlijk voor uwe heg gestaan en verhoed, dat het ongeluk op uwe akkers kwam?quot; — ,Dat hebt gij gedaan,quot; riep Anton, wiens hart overvloeide, en hij legde zijne hand in die van Jahn. „Dat hebt gij gedaan, als een trouw, eerlijk vriend.quot; — „En is het geen zoude,quot; vroeg de oude Jahn, „dat wij ons, louter door kinderachtigheden, — want sedert een paar dagen beschouw ik die zaak aldus, — met elkander in onmin hebben doen brengen? Ik was er de schuld van; maar gij moet toegevendheid jegens mij gebruiken ; mijn geest was geheel beneveld.quot; — „Neen, 't was mijne schuld,quot; zeide Anton, „maar ik was ook niet vrij; gjj weet, met mijne vrouw .... en nu heeft zij iets bespeurd van uwen Karei en onze Helene, en heeft zich de zaak met dien baron in 't hoofd gezet, en.. .quot; — „Laat dat maar rusten, Anton! Dat zal de toekomst leeren. Bijoogmerken heb ik niet met dezen stap, dien ik u te gemoet gekomen ben ; 't is mij slechts daarom te doen , dat gij geen wrok meer tegen mij in uw hart koestert.quot; — „Neen, dat doe ik niet; maar, zie nu eens met mijne vrouw ...quot; — „Ik weet alles, wat gij zeggen wilt, Anton; ik wil u ook niet in ongelegenheid met uwe vrouw brengen; ga gij, wat mij betreft, mij, zooals tot nu toe, stil voorbij; ik weet immers nu, hoe gij in uw hart gestemd zijt, ,sprak de oude man en verliet hem.

Anton wist ook, hoe hij in zijn hart gestemd was; hij was te moede, als ware hem door Jahn's laatste woorden een zware last van de ziel genomen; want bij al de blijdschap, die hem door hunne verzoening vervulde, voegde zich ook steeds de angst voor zijne vrouw; 't was hem, alsof zij achter hem stond en altijd zeide: „Schaam jij je niet? Schaam jij je niet?quot; — 't Is recht jammer, recht betreurenswaardig, dat de menschen, wanneer God hunne harten eens treft, zoodat zij zich vrij voor elkander kunnen uitstorten, den goeden God hun ellendig „wanneerquot; en

ocr page 236

214

„maarquot; tegemoet voeren en het sehooue Godsgeschenk dadelijk in het slijk der aarde nederwerpen!

Uit den hemel, waarin ons gezelschap gestaard had, zou men nu ook weder op de aarde teruggetrokken worden, en hiervoor zorgde Paul. — Kinderen, voornamelijk jongens, hebben van eene schoone landstreek, in het algemeen genomen, en van den indruk, dien zij op het gemoed maakt, nog geen begrip; al wat op zich zelf'staat in de natuur: een onweder, een hooge rots, een waterval, een fraai paard, een groote boom, treft hen evenzoo goed, als oudere lieden; maar 't is, alsof zulk eene ontembare jongensziel eerst door de jaren, waarin de liefde in het hart ontkiemt, beteugeld moet worden, opdat zij gewillig de heerschappij der natuur, rondom haar, boven zich erkenne en deze kalm in zich late afspiegelen.

Paul had de landstreek ook beschouwd, zoo goed als iemand; maar het duurde niet lang, of hij was ijverig bezig, naar allerlei vreemde bloemen te zoeken, en hij Avas een aardige, goede jongen, want hij wilde daarmede zijne zuster Leentje een genoegen doen, en nu zag hij ia eens een struik wilde kamillen. quot;Wis en waarlijk! 't waren wilde, zoogenaamde hondenkamillen! — „Jochem, kjjk eens, hier staan wilde kamillen,quot; — „Ja, Paul, daar moet ik ze ook voor houden.quot; — „Ja, maar hoe komen toch onze wilde kamillen hier in Azië!quot; •— „Wel, Paul, dat gemeene tuig zal zich veel aan Azië storen! Waar dat eens gedijen wil, geneert het zich geen zier. Weet je 't nog wel, vóór drie jaar, op jelui frisch klaverveld te Groot-Barkow? Mijne moeder zegt, dat tuig kan je gerust op den kop trappen, des te grooter worden ze; ui zjjn nog erger dan 't ergste onkruid.quot; — „Vader, vader.' riep Paul, naar zijn vader toeloopende, „hier staan echte, natuurlijke wilde kamillen!quot; — „Paulus, de eene mensch moet den anderen, in eene schoone landstreek, niet in zijn natuurgenot storen.quot; — „Ja, vader, maar we moeten nu toch naar huis; 't is hoog tijd; wij moeten immers om

ocr page 237

215

vier uur op het schip wezen.quot; — „Ja, waarlijk, je hebt gelijk,quot; zei zijn vader , op zijn horloge ziende. „Wij moeten naar huis,quot; riep hij het overige gezelschap toe.

En met treurige en innig ontroerde harten namen zij afscheid van die plek, en 'twas, alsof een liefelijk gezang door hunne ziel weergalmde, vol herinnering en weemoed; steeds verder, en nog verder van hen verwijderd, totdat het eindelijk in de lucht wegstierf en de ziel met smart vervulde over hetgeen voorbij was. O! waarom zoo spoedig, waarom zoo spoedig!

Paul was juist niet in zulk eene weemoedige stemming; hij miste Jochem Klahn en riep: „Jochem, kom toch!quot; — „Aanstonds,quot; riep Jochem, en hij wroette op den berg in de aarde rond. Maar weldra kwam hij aanspringen met een struik van de wilde kamillen, die hij met wortels en al uitgegraven had, en zeide: „Daar, Paul! neem dit mee.quot; — „Wat moet ik daarmee doen?quot; — „Wat je er meó doen moet ? Die moet je in Groot-Barkow op 't veld planten.quot; — „Och loop! daar hebben we genoeg van dat tuig.quot; — „Paul, wat ben jij dom! Kijk eens, wat zou je daar niet trotsch op kunnen wezen, als je, op je ouden dog, zoo'n heel stuk land vol wilde kamillen hadt; eii als dan je buren kwamen en je uitlachten, dan kon je immers zeggen: „Lacht maar! Dat zijn geene gewone; deze zijn van de Aziatische soort.quot;

Paul nam ook inderdaad den struik mede, maar hij zeide niets, want daartoe was geen tijd meer. Of hij later den struik in Groot-Barkow geplant heeft, zoodat een zorgvuldig landman zich daar van versch kamillenzaad kan voorzien, weet ik niet; ik weet slechts, dat het nu, te voeten met den wagen, hals over hoofd, naar den Bosporus naar beneden ging, en dat onze reizigers zich hier, twee aan twee, in zoo'n smalle, spitse, Turksche schuit, die men „Kaïkquot; noemt, plaatsten, en daarin naarKonstantinopel heengleden; want die dingen schieten zoo vlug en zoo licht over het water heen, als de zwaluwen door de lucht.

ocr page 238

210

Toen Anton met Paul bij zijne vrouw kwam, trippelde mijnheer Nemlich buiten de kamerdeur al op en neder, en binnen in hield mevrouw Groterjahn weder eene lange redeneering, waartusschen de stem van oom Bors nu en dan inblafte: ,Dat gaat niet, Hanna,quot; en. „wij moeten naar het schip,quot; en, „maak toch niet zooveel beweging!quot; — „Wat is er aan de hand?quot; vroeg Groterjahn aan mijnheer Nemlich. — „De genadige vrouw wil niet naar het schip, zij wil naar den harem gaan.quot; —

„Wel! dat zal dan toch......quot; riep Anton en ging de

kamer binnen, en dat met niet veel complimenten; hij was buiten adem komen aanloopen, en alles, wat hij zeide, bulderde hij er nu uit, alsof hij in de vreeselijkste woede verkeerde. Moeder verschrikte geducht door de wijze. waarop Anton sprak; oom stond hem dapper ton- zijde en riep, in het Turksch, uit het venster om een lastdrager, en Helene, die uit voorzorg alles gepakt had, begon recht dringend te verzoeken. Nog bood moeder wakker tegenstand tegen alle drie; maar toen nu de oude Turk ook nog boven kwam, en oom hem met: „Bullebülderiequot; en zoo voorts, zijne bevelen gaf' en hij de kisten en koffers den traf' afsleepte , toen legde zij de wapenen neder, haalde haren zakdoek uit den zak, begon te schreien en kreeg het op de zenuwen. Helene legde haren arm om haalbeen en wilde haar troosten; zij weende echter den ge-heelen weg over, tot aan het schip. Zij was te zwaar getroffen ; 't was niet, omdat zij het bezoek in den harem had moeten opgeven; neen! zij gevoelde, dat op dit slagveld hare macht vernietigd was. O! wat had die akelige reis van haar gemaakt en van Anton! Wat haar van onder de voeten was weggetrokken, was aan Anton, aan het hoofdeinde , toegevoegd; zij was klein geworden en hij groot; het vaandel, dat zij had laten zakken, zwaaide hij door de lucht, „en met ruwheid,quot; zoo sprak zij in zich zelve, „zet hij zijn voet op den nek der overwonnelingen,quot; — zij had niet eens meer den moed, dit overluid te zeggen.

ocr page 239

217

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

ÏVo/c, Trojv! — Wat is er van dit Troje? — Helene en Helehc-na. — IVa/ van oudsher ijeëmancipeerd teas, en wat teyenwoordü/ geëmancipeerd is. — Het raadsel van den wolf, den kool en het lam. — Mejuffrouw Helene, ikhemimi! — Dat de groote slang mijnheer Nemlich achterna kruipt. — Dat Jochem eerst Duitsrh met mijnheer Nemlich, en daarna Italiaansch met de matrozen en met den Miner spreekt. — Paul op een. kameel. — Waar Jochems sigarenstompje hleef, en dat hij naderhand uit een Turksche pijp rookt.

Het duurde lang, eer het schip in gang kwam. en allen waren verdrietig, dat de kapitein hun den tijd niet aan land gegund had, die thans hier met over boord kijken moest verbeuzeld worden. De één zou nog zoo gaarne eens om de Sophia-moskee, de ander om de Achmet-moskee, de derde op den Atmaidan rondgegaan zijn; een vierde had ^iog iets in den bazaar vergeten te koopen, en een vijfde beklaagde zich , dat hij hier, op het dek, slechts met zulke lieden bij elkaar stond, die hij eiken dag in Berlijn of in Weenen zien kon, terwijl hij op de Galata-brng allerlei ferme kerels had kunnen zien voorbijgaan: Tscher-kessen en Aruanten, Grieken en Perzen, Kretenzen en Arabieren; zwarten en blanken, en gelen en bruinen en groenen. — Nu, tegen het invallen van den nacht ging men verder, en met de morgenschemering had men de Dar-danellen gepasseerd, en nu ging het langs de kust van Klein-Azië. De dag was schoon voor zulk eene reis; de hemel stemde in zijne afwisseling van zonneschijn en regenbuien volkomen overeen met de bonte, gespletene kust en de eilanden, die in 't rond lagen; en de wolken, die nu en dan de landstreek overschaduwden, deden den zonneschijn op de toppen der sneeuwbergen helderder uitkomen en ver over de schaduw heenblinken, als ware die een zanger uit den ouden tijd, die, door God aangevuurd, de

ocr page 240

218

herinnering van oude, verhevene daden aan een droevig, vervallen nageslacht in de ooren liet klinken.

En juist zóó, als vroeger bij Ithaca, ging het hier van mond tot mond: „Troje, Troje, Troje!quot;

„Wat is er van dit Troje?quot; vroeg Anton aan mijnheer Nemlich, die bij hem stond en reeds lang er öp wachtte, dat hij gevraagd zou worden. — „Ja, dat is;quot; zoo begon mijnheer Nemlich zijne les weder op te dreunen, en vertelde, wat hij uit den kleinen Petiskus geleerd had. Doch, toen hij bij het houten paard was gekomen, keerde Anton zich knorrig om en bromde hem over den schouder toe: „Die oude sprookjes hebt gij mij bij dat andere eiland al eens verteld; meent gij, dat ik dom genoeg ben. zulken gekkenpraat te gelooven ? — Daarmede ging hij van hem weg.

Helene had er bij gestaan, toen de arme stumperd zóó voor 't hoofd werd gestooten; zij had er medelijden mede en sprak tot hem; „Wilt gij mij dat vertellen, mijnheer Nemlich.quot;

Mijnheer Nemlich gevoelde zich zeer gekreukt; hij was evenzoo gevoelig als ieder ander jong mensch. die veel weet en zijne wijsheid niet aan den man kan brengen; maar deze vriendelijke woorden, uit dezen vriendelijken mond, verplaatsten hem eensklaps uit het aardsche tranendal in het hemelrijk, gelijk zulks ook wel met andere jonge lieden gebeurd zal zijn.

Hij begon dus weder van voren af aan, maar nu op geheel andere wijze. Wat nam zijne vertelling eene hooge vlucht! Hoe verheven sprak hij! Hoezeer wist hij de schoonste uitdrukkingen te kiezen! De liefde, die, in stilte, in zijn hart was ontkiemd, maakte hem tot een kleinen Homerus, — 't was maar een heel kleintje, maar 't was er toch een. En als hij van de schoone Helena vertelde, die hij telkens „Helehenaquot; noemde, — 't kon wel zijn, dat hij vrijpostig genoeg was, dit met opzet te zeggen, — 't kon ook zijn, dat hij het slechts in zijne

ocr page 241

219

domheid deed, — dau schitterden zijne oogen en staarden Helene vlak in 't aangezicht. En toen hij nu zijn verhaal geëindigd had, maakte hij ten slotte nog eene mooie toepassing, zeggende: „Gij ziet, mejuffrouw, dat deze Griek-sche Helene door hare schoonheid veel ellende heeft aangericht, gelijk ook de geleerde professor Petiskus zegt; wat hij echter niet zegt, maar wat ik zeg, is, dat onze Mekklenburgsche Heiehenen even zooveel onheil aanrichten kunnen.quot; Daarbij werd hij vuurrood, maakte eene buiging, stak zijne rechterhand tusschen zijn vest en zijn overhemd, alsof hem daar eene speld geprikt had, en ging, als een kleine Paris, met een groot hoofd en groote voeten, naar den anderen kant van het schip. Helene zag hem verbaasd na; mijnheer Kemlich was zoo heel wonderlijk geweest; zijne toepassing was zoo scherp, dat zij er al spijt van begon te gevoelen, hem tot zijne vertelling uit-genoodigd te hebben; maar zij kon er niet verder toe komen, want tante Lina kwam bij haar en wees met schitterende oogen naar de kust en riep; „Zie! zie! mijne lieve! Dat is de T u m u 1 u s van Achilles; zijn grafteeken, kind lief! — maar, of het waarheid is, weet ik niet.quot; — En nu sprak zij, op hare wijze, verder van alles, wat zij voor zich zagen, van Simois en Scamander, die zij niet zagen, en van Tenedos, dat aan de rechterzijde lag; en zóó werd de indruk van hetgeen Helene straks had ondervonden, uit haar geheugen gewischt, en mijnheer Nemlich had, zoo doende, geheel tevergeefs Paris en Helene voorgesteld.

Helene moest nu naar beneden gaan, om hare moeder op het dek te brengen; want mevrouw Groterjahn was nog in zulk eene slechte luim, dat zij wel in toorn ontstoken zou zijn tegen haar liefste kind, indien zij niet alles gedaan had, wat maar eenigszins in haar vermogen was.

De arme vrouw was zeer te beklagen; zij kon zich in de wending, die de zaak genomen had, niet schikken; en daarbij had zij tot haar ongeluk verstand genoeg, om vol-Reuter. Mont, en Cap, 2e dr. 15

ocr page 242

220

komen goed in te zien, dat zij ten eenenmale van hare macht was beroofd, dat zij nimmermeer haar schoon gebied tot aan de uiterste grenzen terug zou krijgen, en dat haar niets anders overbleef, dan haren Anton hier en daar, zoo van tijd tot tijd, eens een kleinen steen voor te werpen op den weg, dien zijne zegekar nam. Dit wilde zij dan ook bepaald doen, want dat was zij aan haren vroegeren roem verschuldigd; zij zeide echter niets van haar voornemen, en toen Helene beneden kwam, zat zij door met saamgeknepen lippen, als waren die de porte-monnaie van een gierigaard, die niet wilde, dat haar kostbare inhoud voor iedereen op straat gegooid zou worden. Slechts toen zij met haar kind den trap naar het dek opging, gingen voor een oogenblik hare lippen open, en op doffen en somberen toon kwam het uit de diepte naar boven; „Ik schik mij in alles. Mijn lot ken ik, maar mijn kind wil ik voor een dergelijk lot bewaren.quot; — En daarna kwam nog iets van „leeuwinquot; en „jongenquot; achteraan, wat, wel is waar, niet duidelijk verstaanbaar was, maar toch zeer ernstig gemeend moest wezen; want toen zij op het dek kwam, en de kleine, beleefde koopma i uit Thüringen haar vriendelijk groette, groette zij hem niet terug en zag hem met zulke vurige oogen aan, dat hij achteruit stoof en, geheel ontsteld, zeide: „Verexcuseer, verexcuseer me wel!quot; en haar nazag, en zijn hoofd schudde, terwijl hij er bijvoegde: „Ja! ja! — O! gij mannen, gij mannen! Ja, mevrouw Grobian heeft de macht!quot;— Boven stelde zij zich geheel alleen , vast besloten, in slagorde, en zelfs Helene, die den éénen vleugel bij haar dekken wilde, werd gedetacheerd, want zij was te dapper om hulptroepen noodig te hebben.

„Ziet gij wel, lieve kind,quot; sprak de oude dame, toen Helene weder aan hare zijde stond en een der schoonste punten van de geheele reis voor hare oogen lag, „dit is Lesbos en hier, die rots, welke hier in zee vooruitsteekt, dat is de Leucadische rots, van welke zich eens een zeker

ocr page 243

221

persoon, Sapho genaamd, die eene dichteres moet geweest zijn, in 't water heeft gestort, juist gelijk Louise Brach-man van den Gibiehenstein, bij Halle, gedaan heeft. Do rnenschen zeggen, dat het uit liefde geschied zou zijn. Geloof dat niet, lief meisje; dat moet een kluchtige soort van liefde geweest zijn. De ware, reine liefde blijft; zij behoudt, zij plaut en kweekt, en wacht vroom en geduldig den tijd af, waarin hetgeen zij plantte, vruchten draagt. En stel u nu een vrouwspersoon voor, die met eene lier in den arm, van boven neer in 't water springt. — Nu, wij mogen er tegenwoordig ook niet veel meê gekscheren, want sommige vrouwlui springen immers nu al met eene brandende sigaar in 't water. Zij noemen die soort geëmancipeerd, — Ik mag het lijden! Ik ben ook geëmancipeerd ; het noodlot heeft mij gedwongen mijn eigen hoofd te volgen; maar om die reden rook ik toch geene sigaren, en ga ik ook niet te water. Zulk eene emancipatie, kind lief, is eene slechte zaak; ik kan ze u niet aanraden.quot;

Hoe verder het schip vooruitkwam, des te schooner werd het eiland; een rijke krans van citroen-, oranje- en olijfboomen slingerde zich om den voet van hooge bergen tot aan de blauwe zee, en tusschen het donkergroene loof glinsterden witte steden en dorpen, terwijl zich hoog boven de vruchtbare kust, wild en gespleten, steile bergen verhieven, wier witbesneeuwde kruinen puntig boven alles uitstaken. De hoogste daarvan wordt ook Olymp genoemd, want het was oudtijds ia Griekenland het gebruik, dat iedere landstreek haar eigen, afzonderlijken Olymp hebben moest; 't ging daarmede bijna even zoo ver, als in deze dagen bij ons, nu ook bijna elke schrijver zijn afzonderlijken Parnacsus heeft, op welks top hij nu en dan plaats neemt, om van daar medelijdend op het gewemel der andere aardwormen neder te zien.

Dien avond werd het anker in de haven van Smyrna geworpen, en daar het te laat was, om te landen, moest

ocr page 244

222

het reisgezelschap tot den volgenden morgen geduld hebben. Doch toen was het daarom ook eene vreeselijke beweging , en allen drongen met geweld en overhaasting om in de boot te komen. Ook mevrouw Jeannette was hedenmorgen intijds bij de hand, en Paul riep zijn getrouwen vriend Jochem, van de boot uit, toe: „Haast je toch, Jochem, en kom! Hier is nog eene plaats voor je.' — „Ditmaal niet, Paul!quot; riep Jochem, van het schip naar beneden. „Ik moet me waarlijk verwonderen, dat jij 't niet gemerkt hebt, dat mijn mijnheer eergisteren, op dien sakkermentschen berg, de zool van zijn eene laars heeft losgescheurd en gisteren den geheelen dag daarop rondge-sukkeld heeft. Dat is me nu toch al te hinderlijk; ik wil dat oude ding, zoo goed als 'tgaat, weer vastmaken.'

Ja, het gedrang was groot en de overhaasting ook; zelfs bij mevrouw Groterjahn, want toen zij aan land kwam, had zij haar handboek van MoritzBusch, over het Oosten, vergeten; en als Helene haar nu daarover zocht te troosten en zeide, dat zij maar moest medegaan, want dat de anderen haar wel terecht zouden helpen, terwijl er daarenboven nog een gids was, vroeg zij hare dochter, op zeer scherpen toon, hoe z ij, haar kind, er toch pleizier in kon hebben, dat zij, de moeder van dat kind, met een blinddoek voor de oogen, in eene vreemde, Aziatische stad zou moeten rondloopen. — „Moeder!quot; riep Helene uit, „dat is immers gemakkelijk te verhelpen; ik vaarterug en ga het boek halen.quot; — „Ja, waarlijk!quot; hoorde men daarop eene piepende stem zeggen, „en ik zal — och — ach . . . .quot; — „Ik dank u! Ik dank u!quot; zei Helene tot den baron, die zich die moeite gaf en zulk een last op zich nemen wilde. „Mijnheer Nemlich! gij zult wel zoo vriendelijk zijn, mij te vergezellen, niet waar?quot;

O! Helene, Helene! wat zijt ge dom! — Hebt gij dan nooit van het raadsel gehoord, hoe een lam en een kool en een wolf over het water gebracht moeten worden? Waarom vaart gij niet met dien koolkop van een baron ?

ocr page 245

223

Waarom vertrouwt gij den wolf Nemlich ? Hij heeft u in zijne macht! Zie maar, hoe hij u aankijkt, nu gij, onnoozel lam, met hem naar 't schip heenvaart, hoe doordringend, hoe zeker van zijne zaak! En mijnheer Nemlich was nu ook zeker van zijne zaak; Helene had de toepassing van gisteren begrepen en had zich heden reeds in zijne armen geworpen, en een glans van geluk lag over het aangezicht van den wolf verspreid, en hij glimlachte zoo vergenoegd en liet zijne witte tanden zien; — Paris schaakte Helene! En aan den oever stond de baron en ileuelaüs en de koolkop, alles in één persoon, en troostte zich met de gedachte: ik ben 't met de moeder ééns!

't Lam, Helene, liep den trap van het dek af naar beneden om het boek te halen ; de wolf Nemlich, volgde haar, en in de kajuit, waar op dat oogenblik geen mensche-lijke hulp te bekomen was, hield hij haar staande; en in plaats van haar. naar de gewoonte der onbeschaafde wolven , bij de keel te grijpen en te verworgen, viel hij, als beschaafde wolf, voor haar op de knieën en riep uit: „Jufvrouw Helene, ik bemin u! ik bemin u! God alleen ziet, . Weg was zij , den trap opgevlogen , de boot in, en het lam was geborgen.

Maar er was een goede Geest, die het tooneel had aangezien ; achter het gordijn had hij zijn goden-aangezicht verscholen, en kwam nu, met eene laars in de hand, te voorschijn. „Ei, ei, je houdt je goed, Frans Nemlich!quot;' zei hij. „Ga zóó nog maar een poosje je gang! — Ik zal wel eens vóór je gaan staan en doen, alsof ik Helene was, en dan kun jij je les verder opzeggen; die heb je toch zeker net als de andere van buiten geleerd.quot; — Mijnheer jSTemlich was opgesprongen, liep nu in de kajuit rond, met de handen voor zyn aangezicht; zijne wangen gloeiden, maar zijn hart nog veelmeer. „Gemeene kerel!quot; riep hij. — „Dat zeg jij, Frans Nemlich! — Kijk!quot; was het antwoord van Jochem, die heel bedaard en half medelijdend nader kwam. „ik heb je altijd voor dom gehou-

ocr page 246

224

den; maar ik moet me over mij zeiven verwonderen, dat ik je nog ver onder de waarde getaxeerd heb: je bent oliedom.quot;

Mijnheer Nemlich stoof den trap naar het dek op; Jocliem ging hem zachtjes achterna. Frans Nemlich kon hem niet ontgaan, — Jochem was, als ééne van de groote slangen, die hare prooi langzaam, maar zeker, altijd duim voor duim, doorslikken. Mijnheer Nemlich was naar het voorschip geloopen; — doch het duurde niet lang, of de slang-kroop naar hem toe, en zeide: „Ja, kijk maar goed, Frans Nemlich! Kijk, daar vaart onze Helene heen, en wij beiden zitten hier, als een paar meikevers, die in 't water gevallen zijn en God danken, dat ze nog een stroohalm hebben kunnen grijpen.quot; — Mijnheer Nemlich keerde hem den rug toe; hij kwam zich zeiven volstrekt niet als een meikever voor; hij beschouwde zich in dit oogenblik als een galeislaaf, die met een afschuwelijken booswicht, met een uitvaagsel van de menschheid, aan ééne bank geketend was. en ver over het water heen al zijn verloren geluk zag liggen. Hij liep naar 't achterdek. — Jochem kroop hem langzaam en zeker achterna. — „Frans Nemlich! ik heb je gezegd, je bent oliedom. Ben je dat nietr Hoe kan jij je hand naar onze Helene uitsteken? — Zie eens! jij hebt mij al dikwijls onder den neus gewreven, dat ik maar een bediende was, en jij houdt je zeiven zeker voor zoo'n echten professor uit Rostock, die zoo maar aan de toppen van zijn vingers heeft te wrijven, om er de wijsheid uit te tappen. Maar dat komt er niet op aan, Frans! Oliedom ben je nu eenmaal geweest, dat is zeker; maar wij hebben vroeger toch op school op dezelfde bank gezeten, en wij hebben immers ook, zoo nu en dan, met alle pleizier en vriendschap samen gevochten, en kijk, dat geeft toch zoo'n zeker zacht meêlij-dend gevoel, zoodat ik niet laten kan, om te zeggen; Frans Nemlich, ik beklaag je!quot; — „Dat behoef j ij volstrekt niet tegen mij te zeggen.quot; — „Zoor1 dus begin je op die ma-

ocr page 247

225

uier? Wel, dan moet ik een beetje brutaler en scherper spreken.quot; — Dit zeggende, richtte Jochem zich zoo hoog op, dat hij er bijna als een van de professors in Rostock uitzag. „Schaam jij je niet, Frans Nemlich? Eerst loop je den ouden, eerlijken koster Peereboom het huis plat vanwege Munde, en praat dat meisje van alles in 't hoofd, over Zwiebelsdorp; en je bent nog op zijn best over de Mekklenburgsche grenzen, of je komt tot andere gedachten! — O! ik ben ook veel veranderd; ik heb in Berlijn eene heel andere meening van apen en beren gekregen , en hier van de Turken; maar, dat ik op den inval zou gekomen zijn , om door eene vrijage een grondeigenaar te worden en op den Landdag te komen, dat is niet in mijne ziel opgerezen. Nu, de heeren van den Landdag zullen ook heel blij wezen, als ze jou te zien krijgen.quot;

Mijnheer Nemlich liep naar 'tvoorschip; Jochem natuurlijk hem achterna: „Frans Nemlich, bedenk de zaak eerst behoorlijk, of jij lid van den Landdag wilt worden, 't Is tegenwoordig ook niet meer zooveel bijzonders; en denk dan eens aan die goede, lieve Munde, en wat dat eene ellende zal worden in het huis van onzen ouden koster Peereboom. — Ja, kijk maar goed! Daar komt onze Helene juist aan wal. O! jij schaapskop!quot; — „Mijnheer Nemlich zag stijf en strak naar het punt, waar het laatste stipje van Helene verdwenen was. — „Ja,quot; sprak Jochem, „eene mooie landstreek is het hier, maar dat heb ik nu ook al geleerd, — ik leer alles! De mooiste landstreek helpt ons geen zier, als 't met ons geweten niet pluis is.quot; Eu de goede jongen begon er recht ernstig uit te zien. „Kijk, Frans! ik ben maar een domme bengel, ik ben maar een knecht; maar, zooals ik je al gezegd heb, ik beklaag je. Waarom? Omdat jij naar de duif grijpt en de kleine musch uit je hand laat glippen. Je moest de duif haar erwten laten houden, en bouwen voor jou en de kleine musch een nest in Zwiebelsdorp.quot; — „Ik moet naar wal!quot; riep mijnheer Nemlich uit, „ik moet naar wal!quot; —

ocr page 248

226

„Als je moet, Frans Nemlich, dan is er niets tegen te-doen, en ik zal eens met een van de matrozen praten.quot; Hij ging naar een der Italiaansche matrozen toe, sloeg hem op den schouder, strekte zijn duim over het water heen, wees op de scheepsboot en haalde zoo wat voor een halven daalder piasters uit zijn zak. Dat verstond de brave man; Jochem kwam bij Frans Nemlich terug en zeide: „'tis alles in orde! Ik heb Italiaansch met hem gespro-keu. Kijk, daar ligt de boot al! Ga nu maar gauwmeê!quot;

Zij voeren naar wal; doch toen zij aangelegd hadden, was daar geen spoor meer van 't gezelschap te hooren ot te zien. — Wel, wat nu? Mijnheer Nemlich was te zeer uit het veld geslagen, om zich veel om hunne verlegenheid te bekommeren; zijne gedachten vloeiden in een donkeren, onbepaalden nevel inéén en slechts ééne siip was daarin zichtbaar, en die was dan ook in een recht helder, duidelijk licht geplaatst: je hebt daar eenmooien, dommen streek begaan! — „Ik moet volstrekt juffrouw Groterjahn spreken!quot; riep hij. — „Om nog wat meer gekheden uit te voeren!quot;' zeide Jochem. „Maar, Frans Xen -lich, ik beklaag je; en als je me belooft, dat je weêr naar Munde van den ouden koster zult heenzwenken, dan wil ik eens zien, of wij het troepje niet kunnen oploopen. Als ik maar eerst Paul kan machtig worden. — Maar wacht eens! De kellner hier in de herberg is een Italiaan; hij praatte daar met den matroos, en Italiaansch ken ik nu al een beetje. Ga maar eens mee!quot; Hij ging nu naar den kellner, duwde dien met zijn vuist heel zachtjes in den nek, alleen maar om hem oplettend te maken; tastte in den zak en drukte hem een paar piasters in de hand; zag om zich heen in 'trond, alsof hij iets zocht, maakte vervolgens eene beweging met zijne beide handen in de rondte en haalde de schouders op, wat beteekenen moest, dat hij zeer in verlegenheid was, omdat hij hier geen mensch zag; wees toen met de hand rechts en links, deed zijn mond wijd open en keek den kerel vlak in 't gezicht, quot;t geen

ocr page 249

227

de vraag moest beduiden: „Waar zijn ze gebleven?quot; — maar zeide, om hem de zaak nog duidelijker te maken, overluid; „Domme hond, heb je me nu begrepen?quot; En de brave Italiaan had hem begrepen; „canaglia!quot; sprak hij, maar hij stak het geld in den zak en wees nu met zijne hand rechtuit, en daarna rechts en toen links, en dan weêr, bij afwisseling, andersom. En Jochem knikte het toe en begon nu ook vragenderwijze gebaren te maken; toen knikte de Italiaan weder, en zóó spraken zij met elkander, totdat Jochem eindelijk zeide: „Zie zoo! Frans Nemlich, ga nu maar mee! In dit oude nest weet ik nu den weg ook al te vinden!quot;

En Jochem ging nu dapper voorop; rechtuit, de straat door, en toen die ten einde was, stond hij stil en zeide: „Ja, Frans Nemlich, als ik hem goed verstaan heb, dan moesten wij ook eens naar den linkerkant zwenken.quot; — En dicht bij hem zeide eene stem: „Lieve zuster, het zijn Duitschers, 't zijn allen Duitschers, en deze spreken plat-duitsch quot; — „Wat duivel!quot; riep Jochem. — „Goede God!quot; riep Mijnheer Jfemlich , en beiden zagen om, en daar stonden twee, reeds wat oudachtige meisjes aan de huisdeur, zoo net en zoo zindelijk in zwarte wollen kleeding , met een sneeuwwitten doek over het hoofd, en zij zagen de reizigers zóó vriendelijk en zóó recht verblijd aan, alsof zij oude kennissen waren. En Jochem zeide: „Wel, jufvrouw, Duitschers zijn er ook bij, maar wij zijn Mekklen-burgers.quot; — En de dames zeiden, dat dit, zooveel zij wisten, immers ook Duitschers waren, en zij noodigden hen vriendelijk uit, bij haar te komen. Mijnheer JNemlich geraakte in een beschaafd gesprek met haar, en daardoor vernamen zij nu dat deze drie zusters, uit Kaiserswerth aan den Rijn, hier, louter uit menschlievendheid, voor Christenen en Heidenen, Joden en Turken, eene school op hare eigene hand en uit geringe middelen hadden opgericht, en dat Gods zegen niet was achtergebleven. Toen zij nu verder nog bespeurden, dat die twee goede, domme jongens in

ocr page 250

228

groote verlegenheid waren, hoe zij hun reisgezelschap zouden wedervinden, bezorgden zij hun een gids, een vroegere kroeghouder uit Weenen; en toen Jochem met hem het een en ander wilde overleggen, verstond hij geen woord van dien man en zeide: „Frans Kemlich, wij Mek-klenburgers zijn ook Duitschers, zeggen ze immers, en dit wil zich nu toch zeker ook voor een Duitscher uitgeven, maar ik versta er geen woord van; hier moet j ij je maar mee bezighouden; met de Italianen kan ik goed terecht.quot;

Zij gingen nu met den ouden, braven Weener naar de brug, waar de kameelen beladen werden, en Jochem zeide: „Als wij Paul ontmoeten willen, dan vinden we hem zeker hier; want hij is een groot vriend van vee.quot; • En inderdaad! Daar was Paul tusschen een troep van rondzwervende Arabieren en hij zat boven op een kameel, zoo reisvaardig, alsof zij zoo aanstonds naar Mekka en Medina zouden vertrekken. — „TIeere, bewaar ons, Paul!quot; riep Jochem hem toe, „jij geneert je toch in 't geheel niet. Hoe kom je tegen dat beest op?quot; — „Ik ben er opgeklauterd.quot; — „quot;Wat zei je dan tegen die kerels?quot; — „Ik zei niks, ik gaf hun eene fooi.quot; — „Zoo,quot; sprak Jochem tot Frans Nemlich, „nu kan hij al Turksch praten. — Maar, Paul, waar zijn de anderen toch?quot; — „'k Weet niet, Jochem.quot; — „Wel, kom daar dan af, en ga met ons meê; anders verdwaal jij nog.quot; — En zij gingen nu buiten de stad de bergen op, daar de gids onderzoek had gedaan naar den weg, dien het gezelschap genomen had. Toen zij nu zoo do bergen beklommen in den heerlijksten zonneschijn, en de stad en de blauwe zee met hare eilanden, en rechts en links nog hoogere bergen zich aan hun oog vertoonden, in zulk een helderen gloed, alsof die doorschijnend was, en mijnheer Nemlich met een diepen zucht stilstond, om daardoor zijn arm, bloedend hart te bedaren, — toen bleef Jochem ook staan en zeide: „Paul, moet jij je daar niet over verwonderen, dat hier, in de maand April, de aardappelen al bloeien ?

ocr page 251

229

En kijk eens, de gerst is al in halmen opgeschoten! Als ik dat aan mijne moeder vertel, gelooft zij mij niet; maar jij hebt het nu ook gezien.11 — ,Jochem,quot; werd er uit de verte 'geroepen. „Jochem Klahn!quot; — ,Wat moet hjj? Hier hangt hij!quot; riep Jochem terug. „Moet ik mij nu toch niet verwonderen, Paul, dat ze mij hier in deze streken ook al kennen?11 — „Jochem, hier!quot; werd er wederom geroepen. — „Heere, bewaar ons, dat is mijn mijnheer! En daarboven zit hij met de oude, grijze dame! Kom nu maar!quot; — Dit zeggende, gooide Jochem zijne sigaar weg, want dit kunststuk had hij ook al geleerd, — hij leerde alles, — opdat hij zijn meester fatsoenlijk onder de oogen mocht komen; en nu wilde hij juist hooger tegen den berg opklimmen, toen Paul riep: „Och Jochem, kijk nu eens! ' En daar was werkelijk wat te kijken: Twee van die half-bruine Kretenser- en Arabierenjongens, en een wat steviger Moorenjongeling hadden elkaar daar in hunne kroeskoppen beet en trokken elkaar de haren uit, en vochten om Jochems sigarenstompje, totdat de „zwarte Moor1' het meester werd en Jochems sigarenstompje voor diens oogen opat. „Goede hemel!quot; riep Jochem, „Frans Nemlich, als wij te voren iets bezweren wilden, dat het heel waar en zeker was, dan zeiden wij: „Ik mag een duivel en vuurvreter wezen!quot; Daar heb je er een. Zwart ziet hij als de duivel, en vuur vreet hij; hij vreet een sigaar op, alsofH een stuk suikerriet was.'1

Toen het gezelschap in de richting naar den ouden Jahn , tegen den berg opklauterde, zeide Jochem telkens in zich zel-ven : „Wat zal die zich verwonderen! Als ik het hem vertel, gelooft hij mij zeker niet; maar, Goddank. Paul is mijn getuige.quot; En toen hij nu boven bij zijn meestelen bij de oude dame kwam, zeide hij: „Mijnheer, meêge-bracht heb ik ze niet.quot; — „Wie niet, Jochem?11 — „Uwe laars, mijnheer. Maar quot;k lieb alles behoorlijk in orde gemaakt: ik heb eerst uw witte kous aangetrokken, en de laars daarover, en waar de witte kous doorscheen, daar

ocr page 252

230

heb ik schoensmeer gesmeerd, zóó dik, dat iemand wel extra goed moet toekijken, als hij zien wil, wat laars en wat kous is. — Maar 'k heb wat anders voor ons meegebracht, hier!quot; En nu trok hij den ouden kroeghouder uit Weenen dichter naar den heer Jahn toe. „Die man moet hier nu goed den weg weten; maar, mijnheer, geloof hem niet, hij moet altijd eerst alles bij andere men-schen navragen, en wie drommel kan dien domkop verstaan? Mijnheer, ik vraag dien kerel, hoe dit nest heet; toen zegt hij: „Smyrnaquot; — Smyrna? Is dat een naam voor eene stad ? Neen, Tessin en Penzlin en Malchin, daar heb ik niets tegen, maar Smyrna ? En Jochem ging ter zijde en redeneerde nog by zich zeiven, juist als zoo'n oude, trouwe jachthond, die heeft hooren blaffen en zich nu nog niet geheel bedaard kan houden, omdat een ander zijn werk overgenomen heeft.

En dit was gebeurd. Tante Lina had hem afgelost en had den ouden Weener broeder, — of eigenlijk was hij een Kroaat, — in duidelijke woorden aan 't verstand zoeken te brengen, wat men van hem verlangde; en de man had zooveel begrepen, dat hij het gezelschap van den berg weder naar beneden in de Turkenstad, en dan in de Griekenstad. tot naar de haven terugbrengen moest, waar de Franken wonen. — Nu, dit geschiedde dan ook. maar 't was hier toch een beetje anders dan in Konstantinopel; wanneer hen daar eene Turkin tegenkwam, keek die hen vrijpostig aan, en zij haar ook; en de schoone Turkin-nen hadden ook wel menigmaal een bekoorlijk, scheef mondje tegen hen getrokken en haar tong uitgestoken, en hun den vriendschappelijken groet: „Giaurie!quot; toegeroepen ; — maar 't was hier anders; hier keerden zij hun hare achterzijde toe en gingen met het aangezicht in een hoek staan, en Jochem zeide op goedhartigen toon tot zijn ouden schoolkameraad: „Frans Nemlich, stoor je daar niet aan; zij geneeren zich maar; denk jij maar aan Munde.quot;

ocr page 253

231

Zoo kwamen zij nu voorbij een Turksch koffiehuis en tante Lina riep: „Wij moeten alles zien. Hier gaan wij eens binnen!' En tegelijk stapte die oude, dappere dame een vreeselijk morsig voorhuis door en riep; „Graat maar mede!quot; En toen het gezelschap daar doorheen geworsteld was, bevond men zich op eene verwonderlijk nette binnenplaats, met marmer bevloerd waar eene koele fontein sprong en waar de schoonste boomen in vollen bloei stonden. Ach, 't was een groet van onze schoone Duitsche lente! — Een paar oude, eerwaardige Turken lagen daar vroolijk neder en rookten tabak; misschien was er ook een weinig opium bij, — wie weet het! — en twee Grieken zaten daar hunne partij Tarok te spelen en pakten elkaar daarbij nu en dan in 't haar en waren aan 't vechten: maar de grootste verrassing-voor 't gezelschap was toch, dat daar de bonte kapel uit Jena, mijnheer Beijer, zat; als ook de heer Grumbert, bezig om uit eene Turksche pijp te rooken.

„Hoe gaat het u, mijn jonge vriend?quot; vroeg de oude Jahn, terwijl hij den jongen man de hand gaf. — „Kostelijk!quot;1 antwoordde de heer Beijer, want hij behoorde tot die gelukkig „gesituatiseerdequot; menschen, — zooals de commercieraad Schwofel zich uitdrukt, — wien nooit iets ontbreekt, als zij goed van eten en drinken voorzien zijn. — „En, mijnheer Gumbert, hoe gaat het u?quot;' vroeg tante Lina. — „Afgrijselijk!quot; was het antwoord, en zijn bleek gelaat was de bevestiging van dat antwoord. „Mijnheer Beijer heeft mij overgehaald, om uit eene Turksche pijp te rooken, en daarbij moet ik den rook steeds in mijne long ophalen. Sigaren rook ik toch dagelijks;

maar dit.....quot; — „Mijnheer,quot; zeide Jochem, zich een

weinig vooruitdringende, „sigaren, dat heb ik nu al geleerd.quot; En hij keek over zijn rechterschouder naar Paul en voegde er bij: „Paul, houd jij je doodstil! — En als gij 't mij toestaat, mijnheer, dan wil ik dat ding voor hem aan den gang maken; hij trekt niet goed en

ocr page 254

232

heeft geen gezuig.quot; — En nu ging Jochem zitten en rookte uit de Turksche pijp, en toen mijnheer Gumbert die niet terug wilde nemen, rookte hij dapper verder en zeide tot Paul, van ter zijde: „Als mijne moeder dat zoo eens zien kon, wat zou zij zich verwonderen, dat ik nu ook al op zijn Turksch kan rooken.''

Het gezelschap werd nu op deze nette binnenplaats recht vergenoegd en vroolijk; de oude Jahn werd zoo fideel, als 't maar eenigszins wezen kon; hij schertste met mijnheer Beijer, en de bonte kapel liet met zich schertsen. Paul stond tusschen zijne knieën en keek hem telkens lachend aan. En tante Lina! De oude dame was uitgelaten van blijdschap en vroolijkheid; haar hart klopte tegen hare oude, magere ribben aan, alsof het daar, na lange jaren, eens wilde doorspringen, en zich, als een kind, eens te midden van bloesems en bloemen wilde verlustigen. — Maar 't was ook niet zonder reden; want Jochem Klahn zat over haar en keek steeds naar die beide oude Turken, die zeer opgewonden waren, en wendde alle mogelijke pogingen aan , hen alles nauwkeurig na te doen, alsof hij nu op 't laatst zijn eerlijk, oprecht christelijk geloof wilde afzweren en: „All II lal ah Muhamed re soul Allah!quot; wilde roepen. — quot;Wat er al niet van een Mekklenburgschen boerenjongen worden kan! — Maar, niets is volmaakt in de wereld; geene vreugde is onvermengd; achter het vroolijke gezelschap zat mijnheer Gumbert met zijn bleek, Turksche-tabaksgezicht: afgrijselijk! en achter hem stond de Kroaat, met een gezicht zoo zuur, als het Weener-bier, dat hij te voren hier getapt had, — want, hij had nog geene fooi gekregen, — en nu moest de allervroolijkste klant van 't gansche gezelschap, Paul, nog een steen in de heldere beek der vroolijkheid werpen; hij riep: „Och, als Leentje toch hier was!quot; — „Ja,quot; zei de oude Jahn, „als die hier was.quot; — „Ja,quot; sprak de oude dame, en zij stond op, „als die hier was! — Maar wij moeten weg; wij moeten gaan! Het schip ver-

ocr page 255

233

trekt.quot; — „Ja, ja!quot; riepen mi allen. Zij gingen naar de koperen schaal, die bij de fontein hing, en allen dronken er uit en wierpen nog een dankbaren blik op de plek, waar zij eens van ganseher harte vroolijk geweest waren. Slechts Jochem Klahn zeide heimelijk tot Paul: „Paul. 't bevalt me niet recht. De oude dame had wel gelijk; wij moeten naar het schip, en zij is verstandiger, dan ik haar in 't eerst getaxeerd heb; maar, ik was zoo mooi aan het trekken, en probeer jij 't maar eens, om zóó'n ding eerst aan den gang te brengen.quot;

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

Athene, en wat mooier is, dePirens of Warnemunde? — Waarom de oude dame een dolk bij zich steekt, en mijnheer Beijer en oom Bors niet aan land willen. — De oude dame hoopt op eene kleine revolutie, en Jochem Klahn scheldt op de kleermakers in Athene.— Hoe Sparta er, van H schip af, uitziet. — Methane. — Wat was het toch, van dien Pythayoras? — Anton maakt zich vreeselijk hoos op mijnheer Nemlich over de zielsverhuizing. — Mijnheer Nemlich moet 's avonds de harmonie der sferen maar op zijn ho-' terham smeren en een stevig en borrel toe drinken. — Korfu, ten tweedenmale'. — Jochem wenscht, dat zijne oude moeder hij hem in H gras lag. — Venetië. — Het Mekklenhurgsche reisgezelschap wil hier wat uitrusteh en ook de heer Gumbert blijft hier.

Dus wederom op het schip, door de Egeïsche zee naar Athene!

Ja, ware ik thans zoo'n uitstekend, klassiek dichter, dan plaatste ik den een of ander onzer oude bekenden, bij voorbeeld, mijnheer Gumbert, of, wat mij betreft, oom Bors, of, al was 't ook Jochem Klahn maar, achter bij het roer van 't schip, en gaf hem eene lier in de hand, om daar pleizier mee te hebben, zooals: „Arion

ocr page 256

230

heb ik schoensmeer gesmeerd, zóó dik, dat iemand wel extra goed moet toekijken, als hij zien wil, wat laars en wat kous is. — Maar 'k heb wat anders voor ons meegebracht, hier!quot; En nu trok hij den ouden kroeghouder uit Weenen dichter naar den heer Jahn toe. „Die man moet hier nu goed den weg weten; maar, mijnheer, geloof hem niet, hij moet altijd eerst alles bij andere men-schen navragen, en wie drommel kan dien domkop verstaan? Mijnheer, ik vraag dien kerel, hoe dit nest heet; toen zegt hij; „Smyrnaquot; — Smyrna? Is dat een naam voor eene stad? Neen, Tessin en Penzlin en Malchin, daar heb ik niets tegen, maar Smyrna? En Jochem ging ter zijde en redeneerde nog bij zich zeiven, juist als zoo'n oude, trouwe jachthond, die heeft hooren blaffen en zich uu nog niet geheel bedaard kan houden, omdat een ander zijn werk overgenomen heeft.

En dit was gebeurd. Tante Lina had hom afgelost en had den ouden quot;Weener broeder, — of eigenlijk was hij een Kroaat, — in duidelijke woorden aan 't verstand zoeken te brengen, wat men van hem verlangde; en de man had zooveel begrepen, dat hij het gezelschap van den berg weder naar beneden in de Turkenstad, en dan in de Griekenstad. tot naar de haven terugbrengen moest, waar de Franken wonen. — Nu, dit geschiedde dan ook. maar 't was hier toch een beetje anders dan in Konstantinopel; wanneer hen daar eene Turkin tegenkwam, keek die hen vrijpostig aan, en zij haar ook; en de schoone Turkin-nen hadden ook wel menigmaal een bekoorlijk, scheef mondje tegen hen getrokken en haar tong uitgestoken, en hun den vriendschappelijken groet: „Giaurie!quot; toegeroepen ; — maar 't was hier anders; hier keerden zij hun hare achterzijde toe en gingen met het aangezicht in een hoek staan, en Jochem zeide op goedhartigen toon tot zijn ouden schoolkameraad: „Frans Nemlich, stoor je daar niet aan; zij geneeren zich maar; denk jij maar aan Munde.quot;

ocr page 257

231

Zoo kwamen zij nu voorbij een Turksch koffiehuis en tante Lina riep: „Wij moeten alles zien. Hier gaan wij eens binnen!' En tegelijk stapte die oude, dappere dame een vreesehjk morsig voorhuis door en riep; „Graat maar mede!quot; En toen het gezelschap daar doorheen geworsteld was, bevond men zich op eene verwonderlijk nette binnenplaats, met marmer bevloerd waar eene koele fontein sprong en waar de schoonste boomen in vollen bloei stonden. Ach, 't was een groet van onze schoone Duitsche lente! — Een paar oude, eerwaardige Turken lagen daar vroolijk neder en rookten tabak; misschien was er ook een weinig opium bij, — wie weet het! --en twee Grieken zaten daar hunne partij Tarok te spelen en pakten elkaar daarbij nu en dan in 't haaien waren aan 't vechten; maar de grootste verrassing voor 't gezelschap was toch, dat daar de bonte kapel uit Jena, mijnheer Beijer, zat; als ook de heer Grumbert, bezig om uit eene Turksche pijp te rooken.

rHoe gaat het u, mijn jonge vriend?quot; vroeg de oude Jahn, terwijl hij den jongen man de hand gaf. — „Kostelijk!'' antwoordde de heer Beijer, want hij behoorde tot die gelukkig „gesituatiseerdequot; menschen, — zooals de commercieraad Schwofel zich uitdrukt, — wien nooit iets ontbreekt, als zij goed van eten en drinken voorzien zijn. — „En, mijnheer Grumbert, hoe gaat het u?quot;' vroeg tante Lina. — „Afgrijselijk!quot; was het antwoord, en zijn bleek gelaat was de bevestiging van dat antwoord. „Mijnheer Beijer heeft mij overgehaald, om uit eene Turksche pijp te rooken, en daarbij moet ik den rook steeds in mijne long ophalen. Sigaren rook ik toch dagelijks;

maar dit.....quot; — „Mijnheer,quot; zeide Jochem, zich een

weinig vooruitdringende, „sigaren, dat heb ik nu al geleerd.quot; En hij keek over zijn rechterschouder naar Paul en voegde er bij: „Paul, houd jij je doodstil! — En als gij 't my toestaat, mijnheer, dan wil ik dat ding voor hem aan den gang maken; hij trekt niet goed en

ocr page 258

232

heeft geen gezuig.quot; — En nu ging Jochem zitten en rookte uit de Turksche pijp, en toen mijnheer Gumbert die niet terug wilde nemen, rookte hij dapper verder en zeide tot Paul, van ter zijde: „Als mijne moeder dat zoo eens zien kon, wat zou zij zich verwonderen, dat ik nu ook al op zijn Turksch kan rooken.''

Het gezelschap werd nu op deze nette binnenplaats recht vergenoegd en vroolijk; de oude Jahn werd zoo fideel, als 't maar eenigszins wezen kon; hij schertste met mijnheer Beijer, en de bonte kapel liet met zich schertsen. Paul stond tusschen zijne knieën en keek hem telkens lachend aan. En tante Lina! De oude dame was uitgelaten van blijdschap en vroolijkheid; haar hart klopte tegen hare oude, magere ribben aan, alsof het daar, na lange jaren, eens wilde doorspringen, en zich, als een kind, eens te midden van bloesems en bloemen wilde verlustigen. — Maar 't was ook niet zonder reden; want Jochem Klahn zat over haar en keek steeds naar die beide oude Turken, die zeer opgewonden waren, en wendde alle mogelijke pogingen aan , hen alles nauwkeurig na te doen, alsof hij nu op 't laatst zijn eerlijk, oprecht christelijk geloof wilde afzweren en; „All I Hal ah Muhamed re soul Allah!quot; wilde roepen. — Wat er al niet van een Mekklenburgschen boerenjongen worden kan! — Maar, niets is volmaakt in de wereld ; geene vreugde is onvermengd; achter het vroolijke gezelschap zat mijnheer Gumbert met zijn bleek, Turksche-tabaksgezicht: afgrijselijk! en achter hem stond de Kroaat, met een gezicht zoo zuur, als het Weener-bier, dat hij te voren hier getapt had, — want, hij had nog geene fooi gekregen, — en nu moest de allervroolijkste klant van 't gansche gezelschap, Paul, nog een steen in de heldere beek der vroolijkheid werpen; hij riep: „Och, als Leentje toch hier was!quot; ■— „Ja,quot; zei de oude Jahn, „als die hier was.quot; — „Ja.)quot; sprak de oude dame, en zij stond op, „als die hier was! — Maar wij moeten weg; wij moeten gaan! Het schip ver-

ocr page 259

233

trekt.quot; — „Ja, ja!quot; riepen uu allen. Zij gingen naar de koperen schaal, die bij de fontein hing, en allen dronken er uit en wierpen nog een dankbaren blik op de plek, waar zij eens van ganscher harte vroolijk geweest waren. Slechts Jochem Klahn zeide heimelijk tot Paul: „Paul. 't bevalt me niet recht. De oude dame had wel gelijk; wij moeten naar het schip, en zij is verstandiger, dan ik haar in 't eerst getaxeerd heb; maar, ik was zoo mooi aan het trekken, en probeer jij 't maar eens, om zóó'n ding eerst aan den gang te brengen.quot;

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

Athene, en wat nmoür is, dePirens of Warnenmude i — Waarom de oude dame eot dolk hij zich steekt, en mijnheer Beijer en oom Bors niet aan land willen. — De oude dame hoopt op eene kleine revolutie, en Jochem Klahn scheldt op de kleêrmakersin Athene.— Hoe Sparta er, van 't schip af, uitziet. — Methone. — Wat was het toch, van dien Pijthajora.t? — Anton maakt zich vreeselijk hoos op mijnheer Nemlich over de zielsverhuizing. — Mijnheer Nemlich moet 's avonds de harmonie der sferen maar op zijn ho-' terham smeren en een steviyen borrel toe drinken. — Korfu, ten tweeden male'. — Jochem wenscht, dat zijne oude moeder hij hem in 't gras lag. — Venetië. — Het Mekklenhurgsche reisgezelschap wil hier wat uitrustefi en ook de heer Gumbert blijft hier.

Dus wederom op het schip, door de Egeïsche zee naar Athene!

Ja, ware ik thans zoo'n uitstekend, klassiek dichter, dan plaatste ik den een of ander onzer oude bekenden, bij voorbeeld, mijnheer Gumbert, of, wat mij betreft, oom Bors, of, al was 't ook Jochem Klahn maar, achter bij het roer van 't schip, en gaf hem eene lier in de hand, om daar pleizier meê te hebben, zooals: „Arion

ocr page 260

234

was de meester der tonen,quot; enz. — „Dolfijnen waren achterna gezwommen,quot; enz. — Maar mijne gansche klassieke kennis is bij mij door het zure kommiesbrood op de Pruisische vestingen zoodanig verzuurd, dat uit zoeten reuzel ranzig vet is ontstaan; zóó was 't zeker om de eene of andere verschillende reden bij het geheele gezelschap, want al waren er ook rondom het vaartuig eene groote menigte dolfijnen te zien, — die door de matrozen in klassiek Duitsch ,zeevarkensquot; genoemd worden, — zoo had toch niemand op het geheele schip, — zelfs Paul niet, — in ernst eenig verlangen, zich op den natten, kouden rug van zoo'u waterig zangersros te zetten en op de lier te spelen. — Andere tijden, audere zeden. Maar niet alleen andere zeden, neen, ook andere verschijnselen. Dit kon het gezelschap recht goed zien, toen zij langs Euboea voeren. Wat had de tijd en de men-schen, die in dien tijd teruggegaan waren, uit deze voor-raadsschuur van Athene gemaakt! Ik heb reeds eenmaal de vergelijking gemaakt met de Luneburger heide, bij gelegenheid van den Karst; maar zoo min, als do vergelijking daar paste, past ze hier. Daar, in de bekoorlijke velden van Gifhorn en Celle, bloeit, wel is waar, ook niet veel meer dan heidekruiden; maar de mensch kan zich toch aan de roode bloemen verlustigen; en wie' een beetje levendig van verbeelding is, kan zich daarin met zijne Minona nederleggen en van Fingal en vader Ossian droo-men; — doch hier zal hij 't wel laten, want de doornige acaciastruiken zouden al een heel slecht leger geven om te droomen van liefde. — En nu verder. daar Ugt Suniuin; dat wil zeggen, daar staan zes eenzame zuilen, die droevig naar beneden zien in de eeuwige zee, alsof zij lijkgesteenteu waren, onder welke eene geheele geschiedenis begraven ligt. — Maar, verder! Daar is Aegina, daar is de Pi-reüs! — „Paul,quot; zeide Jochem Klalm, „zooals de oude dame zegt, moet dit nog wel heel wat bijzonders wezen; ik kan 't juist niet vinden; Warnemunde bevalt mij be-

ocr page 261

235

ter. En kijk nu dat volk eens aan, hoe dat zich met hun booten om het schip dringt? Wat? 't Is immers, alsof wij hier, stuk voor stuk, naar de verkooping ge ■ bracht moesten worden.quot; — En nu maar schielijk in de boot. en dan maar in den wagen!

„Tante Lina, wat steekt gij daar bij u ?quot; vroeg Helene. „Niets, als een kleinen dolk, meisje lief.quot; — „Waarom dat?quot; — „Om mij te verweren, kind lief. Zooals ik in Konstantinopel gelezen heb, hebben de brave nakomelingen van Aristides, hier, tusschen den Pireüs en Athene, acht dagen geleden een Franschen kapitein en twee man gevangen genomen en naar het gebergte gesleept, en ik wil mij niet gevangen laten nemen, althans niet zonder mij te verdedigen.quot; — „Mijnheer Beijer,quot; riep de oude Jahn. „wilt gij niet medegaan?'quot; — „Neen. Die ellendige kerel, de ondernemer, heeft ons al zoo dikwijls misleid, en nu heeft hij 'tal weêr zoo ingericht, dat hij het diné er wil uithalen; dat schonk ik hom niet.'' — „Ik ook niet.quot; sprak oom Bors. Mijnheer de baron scheen van dezelfde meenig te wezen, en een stuk of dertig anderen ook; zij wilden eerst morgen aan wal gaan.

Eu nu Athene! En nu' de Akropolis! Hier zou mevrouw Jeannette Groterjahn zich nu op het popoleüm, in hare crinoline, hebben kunnen nederzetten, en, als nieu-wenvetsche Xiobé haar hoofd kunnen bedekken, en zij zou er wèl aan gedaan hebben; daar waren de voetstappen te zien der beroemde Grieken, van Pericles tot op Demosthenes , en daar stond het Parthenon als eene bleeke jonkvrouw, die door eene schendende hand van hare kleederen en hare sieraden beroofd is. 't Was niet de tijd, die er zijne onbeschaamde handen aangelegd had; 't was de onbeschaamde hand der menschen; en van hen weder niet zoozeer de handen der woeste Gothen en Turken, neen! die van de meest beschaafde voortbrengsels van onzen tegenwoordigen tijd: van de kunstverzamelaars, van den Schotscheu Lord Elgin en zijne overige roover-Reuter. Mont, en Cap. 2e dr. 16

ocr page 262

236

benden. En liier kan men begrijpen, wat Lord Byron zegt: „quod non fecerunt Gothi, lioc fecerunt Sc oti!quot;

En nu het volk! Goede menschen en ook dezulken, die hot weten kunnen, daar zij er lang onder gewoond hebben , hebben mij gezegd, dat de gemeene man er evenzoo goed als ergens elders, eerljjk en trouw is; maar, wat zich hier als voornaam uitgeeft, dat is een ras, waaraan men zijne handen en voeten warmen kan, eu dat de duivel uit afgunst en hebzucht tot een klomp heett gebakken en naderhand mot eene saus van laaghartigheid begoten heeft. — Met zoo'n ministerie in Athene is 't bijna evenzoo gesteld als vroeger bij ons, jongens, op de t u r nplaats ; een klimt op den schommel; dan komt een tweede en slaat er hem af; dan komt de derde, die slaat den vorigen naar beneden, en zóó gaat het spel altijd verder; recht vlug en met een krachtigen gang. Slechts met dit onderscheid, dat wij, jongens, ons vooraf niets in den zak konden steken, eer wij van den schommel afgeslagen werden. — Nu , met de koningen schijnt het ook al zoo te beginnen.

„Lieve mijnheer Jahu,quot; zeide tante Lina tot den ouden man , toen zij 's avonds onder een donkerblauwen hemel en groote sterren. die veel schooner fonkelen dan bij ons, in 't Noorden, door de Eölus-straat gingen, „ik beu moede: wat hier. in dien ééneu dag te zien was, dat heb ik gezien ; wat dunkt n ? Willen wij niet weer naar ons logement gaan ? Gij steekt dan eene sigaar op, en wij gaan een poosje met Helene op het balkon zitten, en als de hemel ons genegen is, gunt gij ons eene kleine revolutie. Het weder is er geschikt voor, en volgens de couranten heeft dit Ministerie al ruim acht dagen over den tijd geregeerd; voor elk wordt veertien dagen door elkander gerekend ''

„Mijnheer,quot; zeide Jochem, die opmerkzaam en trouw achter den ouden Jahn aan stapte, „quot;t is hier een kluch-

ocr page 263

237

tig volk. Ik laat mij hier in de éene herberg een glas wijn geven vanwege het stof, dat mij op de borst was geslagen; weet gij, hoe dat smaakt ? Als brandewijn met terpentijnolie, waar wij te Klein-Barkow de ossen mee insmeerden tegen de klauwziekte.quot; — „Wel, Jo-chem, ze hebben zich misschien in de flesch vergist.quot; -,Daar wil ik niet tegen strijden, mijnheer, maar met de kleermakers hier!quot; — ,Wat heb je dan met hen uit te staan?quot; — „Ik voor mijn part niks niemendal, mijnheer; maar die arme, kleine stumperds van reernten, die daar in hunne lichtblauwe monteering moesten exerceeren. Heere, bewaar ons! wat zag dat ellendige volk er uit: een maat te wijd aan 't * achterdeel, en een schepel aan de broek. Mijnheer, als ik daarentegen ons volk aanzie, die barsten immers haast allen door de naden uit. zooals een kastanje in 't voorjaar. Neen , als ik hier zoo eens koning was. — die vervloekte snijders!quot; — ,Wel, tante Lina.quot; zei do oude Jalin lachende, „gij weet zoo tamelijk alles, maar dit weet gij toch niet: dit weet ik.quot; — „O! ik weet het ook,quot; hernam de oude dame, en lachte insgelijks, „dat zijn de uniformen van de groote, dikke Beiersche soldaten ; die hebben ze nu de kleine nakomelingen der helden van Marathon en Sa.lamis aangetrokken.quot; — „Heere, bewaar ons! Zjj weet alles,quot; sprak de oude heer Jahn. — „Ja, die!quot; zeide Jochem.

En toen de reizigers des avonds, op den volgenden dag, weder op het schip stonden, en de vaart, onder de fonkelende sterren en den donkerblauwen hemel, om Aegina heen, langs de kust van Argolis werd voortgezet, toen was 't, alsof zelfs op den eenvoudigste onder hen de herinnering een flauwe tint van weemoedigheid uitgestort had allen zagen terug, niemand naar voren; iedereen wilde nog eenmaal het land zien , dat in zijne nauwe, beperkte grensscheidingen éénmaal zoo groot en schoon geweest was. — En wellicht was de onbeduidenste van allen, wat kunsten en wetenschappen betrof, oom Bors; maar hij had even-

ocr page 264

238

zoo goed, als de anderen, eene herinnering van Athene, en hij zeide tot zijne nicht: „Hanna! ik denk nog steeds aan den dag, toen ik hier voor de eerste maal van den Pireüs naar de stad wandelde, als handwerksgezel, met den ransel op mijn rug. Lieve hemel! Ik was toen ook nog maar zoo'n kleine deugniet en niet grooter, dan ik tegenwoordig ben; doch ik had toch den ijver en de zucht in mij, om vooruit te komen; maar, ja wel! verdien maar eens wat, als het volk zich niet wascht en geen zeep gebruikt, en niets brandt dan olie. Neen, ik ging naar do Turken, naar Konstantinopel, en daar is 't mij goed gegaan.quot; — Arme oom! Is iet, omdat gij eens eene verkeerde troef hebt uitgespeeld, neen! omdat gij uwe laatste troef hebt uitgespeeld, uw weinigje Turksch, dat hier geene waarde meer heeft Do dochter uwer zuster heeft u, als een uitgepersten citroen, weggeworpen, want zij heeft den baron in den arm genomen , of hij haar; en zij zien beiden u aan, alsof gij zoo'n kleine, dikke champignon of paddenstoel waart, die den vorigen nacht is opgeschoten, maar waarin 's avonds de wormen al gekomen zijn. Neen, ga gij maar weg, en denk aan uwe smerige affaire in Schwerin, en als ge u zeiven een pleizier wilt aandoen, dan kunt ge ook aan al do vette ossen van mijnheer den baron denken. — Neen, wij met ons drieën, moeder, de baron en ik, wij hebben het oog op iets anders; wij zijn met verstand aan het beraadslagen over het langverwachte aanzoek van mijnheer den baron: of hij niet... en waarom hij niet.... en dat hij dezer dagen .... misschien in Venetië .... op de vervulling zijner wenschen .... dat wil zeggen, zonder dwang uit te oefenen .... hopen mocht. — En moeder zegt: wat zij daaraan doen kou .... maar, haar kind was te indolent, en Anton te obstinaat,. .. en,. . . maar, wat zij daaraan doen kon .... maar Venetië? . . . Zij had den grond onder hare voeten voelen wankelen; zij moest eerst, gelijk de beroemde reus Antonius, — zóó

ocr page 265

239

noemde zij Antaeus, — „den vaderlandsehen, Mekklenburg-schen grond onder zich voelen, alvorens zij haren eigen Anto-nins, die zich in den laatsten tijd als een soort van Hercules had opgeworpen, overwinnen kon. — En ik, als de derde in die beraadslaging, ik zeg: 't Is alles vergeefs! Ziet toch maar eens om: Daar staat Helene en heeft haar hoofd tegen de borst der oude dame gelegd en klaagt die haar leed, dat zij nu het laatste plechtanker, in mijnheer Neralich , verloren heeft; en de oude dame zegt, dat zij zich maar aan haar moest vasthouden; het oude hout was taai en kon wat verdragen. En dicht daarbij staat Groterjahn met Jahn, en Groterjahn zegt tot Jahn: „Hoe gaat het je, Jahn?'' — En Jahn antwoordt: „'t Komt mij voor.. Groterjahn, dat deze reis een geheel ander mensch van mij gemaakt heeft.quot; — En Groterjahn hervat: „Zoo gaat het mij ook, Jahn.'1

Zoo, Mevrouw Jeaunette! Tracht daar maar tusschen-beiden te komen!

Achter op de bank zaten er nog twee; dat waren de beide samenzweerders van den boegspriet, en Jochem Klahn zei tot Paul; „Paul, daar in Berlijn, in de apenhokken in den tuin, daar heb ik opgemerkt, dat de eene aap den anderen altijd aan den staart vasthield en hem in 't geheel niet losliet, zoodat zij altijd bij elkaar waren, en zóó komt het mij ook altijd met je moeder en den baron voorquot; — „Jou schaapskop, die je bent! Hoe kun je mijne moeder met een aap vergelijken!quot; — „Paul, ik moet mij toch verwonderen, dat je zoo dom^bent! Je bent toch anders zoo verstandig! Meen ik dan je moeder, als ik van een aap spreek ? Dan meen ik immers den baron maar!quot;

En tegen deze allen zoudt gij u willen verzetten. Jean-nette Groterjahn? — Arm, zwak vat! — Zij zullen u den bodem inslaan, zoodat gij lek wordt en uwe macht eu heerlijkheid droppelsgewijs in het zand loopt, totdat gij in den zonneschijn van het geluk van andere menschen geheel

ocr page 266

240

uitgedroogd daar staat, en totdat gij roept: „Kinderen! om 's hemels wil, vul mij toch weer wat aan, ik zou ook gaarne een beetje pleizier hebben.quot;

Thans ging de maan op, en haar licht verspreidde zich zoo vol eu zoo zacht over de zee, over de eilanden en over de kust en het woud van Argolis, waarin eenmaal in oude tijden Agamemnon, „het hoofd der coalitiequot; te Mycene, — het toenmalige Parijs, — de Trojaansche vraag bestudeerde. — Maar

Door het hartzeer zonk een nevel

Op des heerschers aanschijn neêr,

Want slechts weinigen van 't leger ,

Dat eens heentoog, bracht hij weer.

met welke woorden Schiller, naar mijn dom verstand, zeker Mexico bedoeld heeft. Ja, de maan scheen zoo zacht en zoo vol, dat onze brave Mekklenburgers elkander aanzagen , en, het hoofd schuddende, elkaar vroegen, of dit wel huu eigen Sternberger maantje was, onder welks schijnsel zij eenmaal verliefd geworden waren en zich verloofd hadden. £n met dien twijfel gingen zij naar bed.

Den volgenden morgen, toen de dag aanbrak, stond de oude, dappere, grijze dame alweer op het dek; zij zag naaide linkerzijde uit naar het eiland van Venus, — Cy there, — en zeide bij zich zelve; „Met u heb ik niets te maken; ik wil eens rechts naar Sparta heenkijken, of ik daar iets bespeuren kan, dat mij aan den ouden tijd herinnert.quot; En langzame, zware schreden kwamen den kajuitstrap op, en daarop volgden vlugge, lichte stappen, en de oude Jahn eu Ilelene kwamen nader bij de oude dame, terwijl Jahn sprak: „Heb ik het niet gezegd? Daar is zij alweer!quot; -„Waarom zou ik niet? Toen wij onlangs hier voorbijvoeren , was het geheel donker, en ik kon niets zien: nu, er zal ook ditmaal niet veel van komen, zeker nog minder dan te Athene. — Hier, mijnheer Jahn,quot; — dit

ocr page 267

241

zeggende, gaf zij den ouden man haren verrekijker; „zie daar eens door. Wat ziet gij?quot; — „Wat ik zie?quot; vroeg de oude man, lachend het hoofd schuddende. „Een ouden toren zie ik, dien ze bij ons een „gevangentorenquot; noemen, een paar oude houten loodsen, en daar omheen een klein hoopje schapen, en als ik daarover, van hier uit, mijne meening moet zeggen, dan kan ik ze waarlijk niet hooger taxeeren dan die op de Luneburger heide.quot; — „Peuple sauvage nommé Haidsnuck!quot; zeide tante Lina. „Goede hemel, wat is er van dit land geworden! Zou iemand wel denken. dat de menschen uit een land, over 't welk God hier, in het schoone Zuiden, Zijn zegen met volle handen uitgestort heeft, er zulk een gemaakt hebben, als wij 't slechts ver in liet Noorden, in de Schot-sche hooglanden, wedervinden?quot; — „Wel, daar zijt gij toch niet geweest?quot; vroeg de oude Jalm. — „Neen, waarde mijnheer Jahn, maar ik heb een lievelingsdichter, dat is Walter Scott; die heeft mij veel van hot hoogland verteld, en nu ben ik daar heel goed mee bekend geworden.quot; — „En is hij uw lievelingsschrijver? De mijne ook,quot; riep Helene uit, en hare oogen fonkelden. „En als gij de beide landen met elkander vergelijkt, kunt gij het de volken insgelijks doen; roovers zijn hier en roovers' waren daar, en — zooals ik gelezen heb, — vindt men hier ook Clans even als in het hoogland.quot; — Toen Helene dit gezegd had, werd zij vuurrood, alsof zij, op onbescheidene wijze, hare wijsheid had willen uitkramen; zij wendde zich af en ging naar den anderen kant van hot vaartuig en zag naar Cythere uit. — „Zij heeft gelijk, quot;zeide tante Lina. De oude Jahn stond een oogenblik in gedachten en keerde zich toen eensklaps om, zeggende: „Tante Lina, gij weet, hoeveel ik van dit jonge meisje houd, en waarom ik zooveel van haar houd; maar ik wilde; zoo gaarne, dat zij een eenvoudig kind bleef, dat zij niet al te veel wist, en dat zij niet in de voetstappen harer moeder mocht treden, want die is mij waarlijk al te knap.quot; —

ocr page 268

242

„Hm,quot; antwoordde de oude dame zuchtende, „ja! de moeder weet van veel dingen te praten, maar zij weet alles half, en als die jonge man, —Nemlich heet hij immers? — vrouwenkleêren wil aantrekken, en zij een pantalon, dan zult gij lang moeten raden, wien gij voor u hebt. Neen, lieve mijnheer Jahn, uwe Helene weet veel meer, dan zij zegt, en daar komt het op aan. Bij een man kan 'tal recht onaangenaam worden, wanneer hij over alles in 't wilde redeneert; maar bij eene vrouw is het werkelijk afschuwelijk, als zij de half verteerde spijze teruggeeft. Neen, mijnheer Jahn , bij onze lieve Leentje is dat het geval niet; zij werd opgewekt door de herinnering aan haren lievelingsschrijver en kwam met eene juiste opmerking voor den dag, en nu zij 't gedaan heeft, hindert het haar, en heeft zij zich van ons afgekeerd. Twintig jaar of zeventig-jaar is een groot onderscheid; wij, oude vrijsters, kunnen over alles meepraten, zonder dat het noodig is, dat wij ons de moeite geven een kleur te krijgen. ' — De oude heer Jahn ging van haar weg naar zijne Helene en sprak in zachte, vriendelijke woorden haar toe

„Café nero! Café Bombay!quot; werd er geroepen, en hiermede werd het gewone dagelijksche leven van Berlijn en Weenen op de stoomboot verplaatst.'— „Methone!quot; nep de tweede kapitein, toen zij eene kleine vesting voorbijvoeren, die ver in zee vooruitstak. „Wat?quot; vroeg Anton, zich schielijk omdraaiende, en wilde het woord tot den kapitein richten, maar hij was reeds door anderen in beslag genomen; want de arme gezagvoerders en matrozen , die Duitsch verstonden, waren geen oogenblik zeker van hun leven; zij werden door de passagiers als meikevers behandeld en worden stuk voor stuk, en been voor been, langzamerhand doodgemarteld. Want, datgeen, waarvoor wij, als jongens, een stevig pak slaag van onze ouders kregen, namelijk het dierenplagen, als wij vliegen en meikevers de pooten uittrokken, — dat wordt tegenwoordig „zucht naar onderzoekquot; en „weetgierigheidquot; ge-

ocr page 269

243

noemd, eu de oude lieden verblijden zich daarover en zien in zoo'n vijfjarigen bengel al een kleinen Humboldt.

Xu viel het Anton in, dat hij volstrekt niet noodig had iets aan vreemde mensehen te vragen; hij had immers zijn privaatuitlegger, mijnheer Nemlich, die er voor betaald werd. — Maar, waar was mijnheer Nemlich? Mijnheer Nemlich had zich in de laatste dagen bij zijne principaliteit volstrekt niet laten zien: Anton had niet naar hem verlangd. Paul ook niet; voor de wijsheid van mevrouw Groterjahn had hij een heimelijken afschrik, en zij, die tot dusverre nog altijd zijne partij had genomen, Helene, ging hem blijkbaar ontwijken. Anton trof hem ten laatste op het voorschip aan, waar hij zich tusschen touwwerk en zeilen stilletjes had neergezet, alsof hij nu met zijn vorig, lichtzinnig kapellenleven voldaan was en een nieuw leven beginnen wilde. — „Zeg gij mij eens,quot; vroeg zijn principaal, „wat is dat daarginder voor een ding?quot; — Mijnheer Nemlich stond op en antwoordde; „Methone. eene kleine, onaanzienlijke vesting, die geen water heeft; beroemd als geboorteplaats van Pythagoras.quot; — „Py . . . ? Py . . ? Hoe heet die vent? En wat was 't voor een kerel?quot; — „Pythagoras was een beroemd schoolmeester der oudheid, die eene eigene school heeft gesticht.quot; „Zoo! dus eene privaatschool,quot; zeide Anton. — .Ja, en hij verbood zijnen leerlingen groote boonen te

eten.quot; ..... „Dus, wat wij Koomsche boonen noemen.

Wel, hoort eens. 't Is toch wonderlijk en heel opmerkelijk, dat de schoolmeesters uit den ouden tijd juist zulke gekke invallen gehad hebben als de onze. Nu, de appel valt niet ver van den stam.quot;— „Jaquot; , ging mijnheer Nemlich. min of meer verlegen, voort, „en dan heeft hij ook een zekeren stelregel bedacht, en toen lnj dien uitgevonden had, offerde hij honderd ossen,quot;' — „Wat? Een privaatschoolmeester honderd ossen ? Mijnheer, gelooft gij, dat ik mal ben ? Gij begint al weêr mooi: daarginder met het paard en hier met de ossen !quot; — „Mijnheer Groter-

ocr page 270

244

jahn, ik zeg maar, wat ik geleerd heb, eu van dien stelregel, dat is werkelijk zoo gebeurd.quot; — „Nu, daar wil ik dan ook niets tegen inbrengen, want domme zetten doen die drommelsche schoolmeesters nog op den huidi-gen dag. Hoeveel last doen die vervloekte kerels de grondeigenaars niet aan! Zij willen zelfs nog verstandiger zijn dan hunne Heeren.quot; — Mijnheer Nemlich sprak dit niet tegen, hij haalde slechts de schouders op eu zeide: „ En dan heeft deze beroemde Pythagoras nog twee zaken uitgevonden: vooreerst de zielsverhuizing, en ten tweede de harmonie der sferen.quot; — „Neen, houd nu maar op!quot; riep Anton uit; hij keek naar de blauwe lucht en sperde zijn mond wijd open, gelijk een karper, die zijn geheele leven onder op den grond van het water in den modder heeft rondgewoeld en nu voor de eerste maal uit het water de frissche lucht inademt. „Zielsverhuizing? Wat meent gij met die zielsverhuizing?quot; — „Ja sprak mijnheer Nemlich, en hij werd uit natuurlijke bescheidenheid hoe langer zoo kleiner, „'t is een zeer moeilijk thema; maar let beteekent ongeveer het volgende: wanneer bij voorbeeld een dier sterft, zoo vaart de ziel van dat dier in een pasgeboren kind.quot; — „Dus, daar moet het heen! Wel, dan wil ik u zeggen, dat dit weder niets is dan de 1'aag-hartigste democratie.. Als ik dus tot zoo'n os van een daglooner zeg, zoo een, die alles verkeerd doet: Kerel, je bent een os! dan gaat hij voor mij staan, neemt niet eens zijn hoed af en zegt: Dat kan ik niet helpen, er is eens eene osseziel in mij gevaren, eu als zoo'n kerel heel gemeen wil zijn , dan zegt hij: En de ziel van mijn kameraad aan den rechterkant, die is in u gevaren. — En nu moet iemand zoo'n kerel maar eens ranselen! dan neemt zóó'n kerel een advocaat aan, en die kerel, die advocaat, bewijst ten slotte, dat de beide ossezielen in ons gevaren zijn. — Mijnheer, u... u vraag ik niets meer. Uwe harmonie — hoe heet het ook weer? — sferen. — smeer die van avond maar op uw boterham en drink dan een fer-

ocr page 271

245

men borrel toe. Met u wil ik nu niet meer te maken hebben.quot;

Tegen den avond kwam Zante in 't gezicht, en den volgenden morgen stapte het gezelschap voor de tweede maal te Korfu aan land, en nu gingen allen door de stad naar boven, naar de bergen. Daar lag de blauwe zee, en puntige schiereilanden en spitsen en rotswanden en oude Venetiaansche muren en torens staken daarin uit, alsof al dit oude weder jong geworden was en nu eens even nis een jong meisje in den spiegel moest kijken, hoe 't wel stond; daar lag ook de fraaie tuin, waarin eenmaal de jonge, lieftallige Keizerin van Oostenrijk kalmte en gezondheid had herkregen; en 't geen wij, in het Noorden, met veel moeite en last in heete, benauwde broeikassen en toch slechts gebrekkig opkweeken, dat groeide hier frisch en vrij uit Gods hand naar den blauwen hemel op, en verleende tot dank de welriekendste geuren aan de zoele, warme luchtstreek. „Tante Lina !quot; riep Helene, „dit is een stukje hemel op aarde.quot; — „Ja , kind lief, 't is van boven losgeraakt en hier in 't water gevallen.quot; — „Paul,quot; riep Jochem Klahn- en rekte zich tusschen hyacinthen en narcissen uit, „hol toch niet steeds zoo voor mijne oogen rond; je bederft me het heele uitzicht; kom hier naast me liggen en bezie het eens goed. Dit is een andere grap dan laatst,( toen wij hier door den dikken modder rondstapten , als de vliegen in den honig. Ik geloof, dat ze zóó iets niet eens in Berlijn hebben. Kijk, anders heb je de sinaasappelen altijd in eene mand gezien en daar slingerde een oud wijf aan, en hier zitten ze natuurlijk aan de boomen. Paul, schrijf dit in je dagboek en maak daar drie kruisen bij. — Heere, bewaar me! Wat zou inijne moeder wol zeggen, als ze hier bij mij op haar rug lag: de oude ziel zou denken, dat de dooden waren opgestaan!quot;

Maar het schip ging. weder voort, en de bedriegelijke Adria stoorde zich niet aan den verlangenden blik, dien

ocr page 272

246

menigeen terugwierp op het stukje hemel; zij bracht weder storm en kwelling aan, en toen het reisgezelschap ten laatste half geradbraakt en geheel zeeziek in Venetië aankwam, zeide Anton; „Jahn, hoe denk je er over? Wij moeten toch de omstandigheden in aanmerking nemen. Mijne vrouw wil hier met Helene een tijd langde Academie bezoeken en de bouwkunst in oogenschouw nemen, en ik wil een weinig uitrusten; en oom Bors wil hetzelfde doen, want, zooals hij zegt, is hij van onder op geradbraakt.quot; — „Wel, Groterjahn, ik heb ook geen lust, om met het schip weer naar Triëst terug te varen en denzelfden toer te maken ; ik blijf ook eenigen tijd hier, en mijne oude vriendin blijft ook.quot; — „Dat schijnt eene oude, pleizierige dame te wezen?quot; — „Ja, Groterjahn, pleizierig is zij; maar voor mij is zij meer; ik heb in mijn geheele leven nog nooit een mensch leeren kennen, die zulk een invloed op mij heeft uitgeoefend, als deze oude, eenvoudige vrouw.quot; — „Dan is zij zeker ééne van dezulken, die romans maken, zooals de dochter van burgemeester Muller uit Nieuw-Brandenburg, die zich immers, gelijk mijne vrouw zegt, geheel en al aan dit vak gewijd heeft.quot; — ,Dat geloof ik niet, Groterjahn, daartoe is zij veel te bescheiden. Ik geloof zelfs, dat zij niet eens romans leest.quot; --- „Ja; maar dan moet ik je zeggen, Jahn, dan is zij ook niet fijn beschaafd. Mijne vrouw zegt: die niet met den tijd vooruitgaat en de nieuwste voortbrengselen leest, verdient eigenlijk den naam van „menschquot; niet eens; waarmee zij mij meent; maar, lieve hemel! bij mijne drukke bezigheden kan ik er niet toe komen — Maar, a propos, waar logeert ge?quot; — „Ik logeer, even als de oude dame, bij een Duitscher. „Schwarznagelquot; genaamd.quot; — „Hm,quot; zeide Anton. „Schwarznagel, ja, dat schijnt wel een Duitsche naam te zijn; wij zijn bij een Italiaan; hij heet „Linaquot; of „Lunaquot;, zóó iets is het; maar ik moet het nog eens goed navragen.quot; — „Logeert de baron daar ook ?quot; vroeg de oude Jahn. — „Hm,quot; antwoordde Anton, hoestende.

ocr page 273

247

en hij zag den ouden man eenigszins twijfelend aan, „waarom vraagt ge dat zoo ? Heeft hij ook geld van je willen leenen?quot; — ,Dat niet, Groterjahn, ik vroeg het alleen uit liefde voor je lieve Leentje.quot; — „Dat bevalt me van je, Jahn, en, zie je! alleen maar, om hem kwijt te worden, heb ik hem geld geleend, want hij is 't met mijne vrouw ééns, en ik heb zóó'n gevoel, dat er een groot ongeluk zou kunnen gebeuren, als die te zamen iets uitbroeien. Maar 't heeft mij niet geholpen, want de kerel kleeft altijd even vast. Oom Bors heeft hij ook allerlei mooie uitzichten op vette ossen voorgespiegeld en heeft hem ook beetgehad.quot; — „'k Weet het,quot; zei de oude man. — „Waar logeert mijnheer Bors?quot; — „Ook bij een Duitscher, Bauer geheeten, en daar logeert onze buurman aan tafel ook, de heer Gumbert. die altijd „afschuwelijk!quot; zegt.quot; — „Nu, goeden avond, Groterjahn.quot; — „Goeden avond, Jahn. Nu, wij zullen elkaar nog wel spreken.quot; — En ieder ging naar zijn kwartier.

ocr page 274

248

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

Waarom op de Nieuwe markt te Rostoch zilveren tlteelepels gestolen worden, muur op het 't Marcusplein te Venetië niet. — Waarom de heer Gunibert niet meer „afschuwelijk'''' zegt. — Mijnheer Gunibert, sluit gij 's nachts uwe deur wel toe? — He.t paleis Pesaro. — De liialto en de jood Shylock. — Het pond edel-mansvleesch , dat het dichtste hij 't hart is, en de arme mijnheer Nemlich. — Waarom bemoeit mijnheer de baron zich met Ven -tiaansch damast ? —- Tante Lina heeft wat vergeten, maar zij bezint zich- — De heer Gunibert gevoelt zich ongelukkig, omdat zijn vriend, een gat in den zak heeft. — John schrijft aan zijn Karei, en zijn Karei schrijft aan hem.

In Venetië ging nu iedere partij van het gezelschap haar eigen weg: men moest elkander echter dikwijls ontmoeten, want op het St.-Mareusplein was het „Café Quadriquot;, waar de Oostennjksche officieren bijeenkwamen, eu waar grootendeels hoogduitsch werd gesproken, een soort van vereenigingspunt, waar het verspreide reisgezelschap telkens terugkeerde. — Hier, vóór de deur, zat dan nu, ruim acht dagen later, op zekeren avond de oude Jahn met tante Lina en zijn Jochem aan eene tafel, en zij aten een glas ijs, dat Jochem steeds vooraf blies, alsof het hem te heet was. Jochem was van lieverlede door de reis in een zonderlingen toestand geraakt: hij was, als bediende, uit Rostock vertrokken; hij had echter den tijd en de omstandigheden goed weten te gébruiken, en het zag er naar uit, alsof hij er ernstig over dacht, als een jong heer derwaarts terug te keeren. De oude Jahn had hem, in zijne goedhartigheid, zeer veel vrijheid gegeven, en al deed ook de bediende even als te voren getrouw zijn plicht en al volgde hij zijn meester overal, zoo ging het hem toch bijna juist gelijk zekeren ouden Mekklenburgschen pachter, die eens tot den drost en den ambtman zeide: „Wel, mijne heeren, hoelang is 't geleden ? Toen stond ik aan tafel

ocr page 275

249

achter uw stoel en moest ik u bedienen, en nu ben ik rentenier en zit met de heeren aan dezelfde tafel.quot;

„Jochem,quot; zei de oude Jahn, „ga eens naar den Duit-schen kellner en zeg hem, dat wij hier een weinigje op het plein willen rondwandelen; laat hem eens hier komen (^n de zilveren lepeltjes wegnemen; die zouden gestolen kunnen worden.quot; — „Mijnheer,quot; sprak Jochem, toen hij de boodschap overgebracht had, „weet gij, wat hij zegt? Laat ze maar gerust liggen, zeide hij, gestolen wordt hier in 't geheel niet. — Nu , daarover moet ik mij toch verwonderen; als iemand te Rostock op de Nieuwe markt eens zilveren theelepels liet liggen, waar zouden die wel blijven?quot; — „Ja'' zeide de oude man/quot; tante Lina, dit is ook waarlijk zonderling; bij ons, als men van Italianen spreekt. noemt men ze altijd gauwdieven en roovers, en nu hier. , .

„Ja, 't is de waarheid,quot; zeide tante Lina, „maar sinds gisteravond weet ik de reden. Ik praat namelijk gaarne eens met onze hospita, die eene zeer verstandige vrouw-is , want uit den mond van het volk kan men veel leeren, en zoo heeft zij mij gisteren verteld, dat hier in Venetië eene wet bestaat, dat wie eenmaal op het St.-Marcusplein gestolen heeft, die plaats nooit weder betreden mag, en daar dit nu zoo wat de eenige plaats is, waar een mensch zicli nog eens vertreden kan, neemt iedereen zich zorgvuldig in acht.quot;

„Goeden avond!quot; zeide eene vroolijke stem achter hen, en toen zij zich omkeerden, stond mijnheer Gumbert voor hen. Goede hemel, wat was er van mijnheer Gumbert go-worden! Weg was het bleeke gelaat, weg was de gemelijkheid, die gedurende do geheele reis hem als een grijs spin-neweb omsponnen had, en hij zag er zoo fideel en prettig uit, als een oude vrijer van veertig jaar. die eene bruid van achttien heeft opgedaan. — „Welzeide tante Lina, „gij zijt waarlijk niet te herkennen. Niet waar. lieve mijnheer Gumbert, hier is 't niet „afschuwelijk?quot; en zij

ocr page 276

250

zag met zulk een dankbaren blik op het St.-Marcusplein, dat door duizend lichten verlicht was, als ware het eene wonderbare balzaal, waar de dans aanstonds zou beginnen: — de muziek was er reeds, en reeds zweefde en bewoog zich menig paar op en neder. alsof dit het begin was van eene Polonaise, die alle volkeren van Europa hier wilden uitvoeren. — „Neen,quot; hernam mijnheer Gum bert niQt eene recht vroolijke uitdrukking, „ik ben hier zeer tevreden, ik heb sedert gisteren een vriend gevonden, een waar vriend.quot; — „Zóó?quot; zei de oude dame, en 't was haar aan te zien, dat zij zich over het geluk van den heer Gum-bert van harte verheugde.— „Wien het grootst geluk beschoren werd, is hij, die een vriend mag bezitten, en zóó voorts, „maar, wie is het dan, als ik vragen mag? ' — „Och. gij kent hem zeker ook; het is de baron, de baron Von Un-kenstein, die op het schip zooveel met de andere Mekklen-burgsche familie omging; men zegt immers, en hij ontkent het ook niet, en daarom kan ik er ook wel van spreken , dat de vriendschappelijke betrekkingen door een huwelijk.....quot; — „Ach, moet het dat wezenviel tante Linn

hem in de rede, „nu ja. wij weten 't al Dus die is het!quot; — „Ja, hij logeert in de kamer naast de mijne, en wij hebben gisteravond nog tot één ure vertrouwelijk bij elkaar gezeten, en toen heeft hij zijn hart geheel voor mij uitgestort. Een edel mensch!quot; — „Wel,quot; riep de oude Jahn uit, die in 't eerst weinig acht had gegeven op het gesprek, doch thans bij den naam van den baron heel scherp had toegeluisterd, „die logeert immers in :1e Luna.quot; — „Dat heeft hij gedaan,quot; antwoordde de heer Gumbert, „maar hij heeft met den kastelein in de Luna ongenoegen gehad en is nu in het hotel Bauer gekomen.quot; — „Zoo?quot; vroeg tante Lina op tamelijk koelen toon, „heeft hij ongenoegen gehad? Ja, zoo iets komt dikwijls voor, en de logementhouders zijn in sommige gevallen niet pluis; die in de Luna heeft misschien wel juist zoo'n goeden naam, als vroeger de postmeester in Kroseen.quot; — „Ja,

ocr page 277

251

hij moet zeer lomp zijn. — Gij kent den baron niet, wilt gij mij vergunnen, u hem voor te stellen?quot; — „Neen, mijnheer Gumbert, van alle gerechten moet men niet eten, ik dank u vriendelijk. quot;Wij hebben hier zoo veel nieuws te zien, dat wij geen trek kunnen hebben om nieuwe kennissen te maken,'quot; zei de oude dame, en eensklaps draaide zij zich naar hem toe, zoodat z'ij hem vlak in 't aangezicht kon zien eu vroeg: „Gij sluit toch 's nachts, eer gij naar bed gaat, van binnen uwe kamerdeur wel behoorlijk toe?quot; — „Ja, maar wat...?quot;— „O! niets, lieve mijnheer Gumbert. Ik heb slechts op het schip kennis gemaakt met dokter Wille uit Zwitserland, die een braaf man is, die een zeer braaf man is, en die heeft mij gezegd, dat hij uwe ouders kende, en dat dit rijke lieden zijn; en daarbij dacht ik nu, dat die hun zoon wel niet anders op reis zouden laten gaan, dan nadat zij hem vooraf behoorlijk van geld voorzien hadden; —en waar het aas is, verzamelen zich de arenden, en in zoo'n logement houden zich menigmaal zonderlinge vogels, ook arenden op. Gij kent immers dokter Wille wel, hij is 't, die zooveel houwen en sneden in 't aangezicht heeft, dien zij op het schip den bijnaam ,1e balafréquot; gegeven hebben, en van wien de dichter Heine verhaalt, dat zijne vrienden hunne namen niet enkel in zijn album, neen! ook in zijn aangezicht geschreven hadden.quot; — „Ja, maar ik weet niet...quot; — r'tls ook niet noodig,quot; zei de oude dame, en zij nam den arm van den ouden Jahn en ging verder met hem; „de hoofdzaak is, sluit gij maar altijd uwe deur toe.quot; — Zij gingen nu nog eenigen tijd met den heer Gumbert gezamenlijk op en neer eu wenschten toen elkander goeden nacht.

't Kon nu ongeveer drie, vier dagen later zijn, toen do logementhouder van Jahn, Schwarznagel, bij hem kwam en hem vroeg, of hij en de oude dame lust hadden, een oud Venetiaansch paleis van binnen te bezichtigen; hij was door eene familie uit de Lima besteld, om hun het paleis Reuter. Mont, en Gap. 2e ch'. 17

ocr page 278

252

Pesaro te laten zieu, — want de man was bij zijn ander beroep tevens gids voor vreemdelingen, — en liet paleis met de meubelen en huissieraden was op dit oogenblik te koop; daardoor kou iedereen het bezichtigen, en de zaak kostte weinig moeite, Nu, de twee oude lieden namen het voorstel gretig aan, alsof het paleis Pesaro een warm wittebroodje was, en toen zij nu met Jochem Klahn voor de Lima op en neer gingen en op het andere gezelschap wachtten en niets kwaads vermoedden, kwam mevrouw Jeannette Groterjahn, schitterende in fluweel en zijde, de huisdeur uit, en Anton slofte achteraan.

Zoodra mevrouw Jeannette den ouden Jahu en de oude dame zag, keerde zij zich plotseling om en zeide tot den gids, dat zij hem, naar zij meende, voor zich en hare familie besteld had, en vroeg, hoe nu dit vreemde gezelschap daarbij kwam. Mijnheer Schwarznagel geraakte eerst eenigs-zins in verlegenheid, maar, zoo'n man, die vele vreemdelingen den weg wijst, weet zich altijd te helpen; luj zeide, naar hij gehoord had, was de genadige vrouw eene Mekklenburgsche, en daar zijne logeergasten ook Mekklen-burgers waren, had hij gedacht, dat dit te zamen goed paste. — „Het past mij echter niet!quot; riep moederlief uit; maar nu schoof onze goede, dikke Anton zich tusschen hen en zeide zeer bedaard: „Maar mij past het, en als die beiden medegaan, zal ik er veel meer pleizier in hebben, dan onder ons alléén.quot; — En de lieve, zachte Helene kwam en streelde hare moeder over de wangen, en Paul stoof haar voorbij en naar Jochem Klahn toe, en Anton sprak; „Zoo! nu maar voorwaarts!quot; — „Naar 't hotel Bauer!'' riep moeder. — „Hoe zoo?quot; vroeg Anton, — En moeder zette een gezicht, als ware zij eene regeerende vorstin,, en vroeg zoo vinnig, alsof zij eene schoenmakersvrouw was, die haren man op verkeerde wegen had aangetroffen; „Als jij je vrienden bij je hebt, waarom mag ik de mijnen ook niet om mij zien? quot;Wij halen daar mijnheer den baron af.quot; — „Zoo?quot; vroeg Anton, „dus hem al weer?quot; Helene

ocr page 279

253

huiverde letterlijk en nam den arm van haren vader, die op recht weemoedigen toon tot haar zeide: „Het doet Je ook zeker geen pleizier ? Maar, je weet het, moeder regeert weer over alles; sedert zij van het schip af is, begint zij heel aardig weer van voren af aan.quot;'

Nu, mijnheer de baron werd afgehaald; mijnheer Gum-bert ging mede, en het gezelschap begaf zich naar het paleis Pesaro. Hier was nu iedere schilderij, iedere kast, iedere stoel van een nummer voorzien en de prijs daarbij vermeld, en elke democratische ellendeling kon nu de aristocratische heerlijkheden voor zijn Noord-Duitsche geld koopen. — „Welk een jammerlijk einde!quot; zeide tante Lina. „Zie dit kanaal eens langs. Deze drie paleizen behooren aan Ta-glioni; die heeft zij zich met hare beenen verworven.quot; ■— „Zoo!quot; sprak Anton, terwijl hij zijne zakken dicht toe-knoopte en een doordringenden blik op zijne vrouw sloeg, „je slaat je oogen zoo wonderlijk op al die kisten en kasten , die hier uit den ouden tijd staan. Ik koop niets! Dat kunnen we veel goedkooper bij den pijpenkoopman Smidt in Xieuw-Brandenburg krijgen.quot; — Anton was geheel oppositie! — „Mijne heeren,quot; zeide de gids, „nu gaan wij over den Rial to.quot; — „Zoo?quot; vroeg Antonlt; „is die dat.quot; alsof de R i a 11 o iemand van zijne familie was, op wiens kennismaking hij zich al lang had verheugd. — „Jahernam de gids, en hier op de brug ziet gij kraam aan kraam uitgestald, en hier moet ook de beruchte jood S h y 1 o c k vroeger achter de toonbank gestaan hebben.quot; — „Shylock?quot; vroeg Anton. „Een kluchtige naam voor een jood; bij ons heeten ze allen Mozes, of Levi, of Jacob, of zóó iets.quot; — „Dit is de beroemde jood,quot; zei mijnheer Nemlich, om toch zijn brood als uitlegger niet zonder er iets voor te doen te verteren, „die volgens de wetten het recht had, van een voornaam edelman een pond vleesch dat het dichtst bij het hart gelegen was, bij levenden lijve uit te snijden. Ik heb het zelf gelezen.quot;

ocr page 280

254

„Mijnheer!quot; riep Anton, bloedrood van kwaadaardigheid, „wilt gij mij voor den gek houden? AVilt gij, dat ik uwe vervloekte leugens gelooven zal?quot;

Die arme mijmheer Nemlich ! — Helene kou hem nu niet meer zelve vertroostend te hulp komen; zij legde hare hand op den arm van den ouden Jahn, en met een vriendelijken blik op mijnheer Nemlich verzocht zij: „Oom Jahn! . . . — De oude man begreep dit ook terstond: hij ging naar Groterjahn toe en zeide; „Groterjahn, och, Groter jahn, laat dat toch blijven; de man heeft het immers goed gemeend, en als die geschiedenis niet waar is, dan is hij er toch het eerst mee bedrogen.quot; — Ivu, Anton was geen onmensch, zijne drift was bekoeld, en hij zeide tot Nemlich: „Ku, wees maar gerust. Al geloof ik er ook niets van, zoo ben ik er toch niet boos over.quot;

Terwijl dit op de ééne plaats gebeurde, zoude er op eeno andere plek van den Eialto nog iets wonderlykers voorvallen. Jeannette Groterjahn, mijnheer de baron, mijnheer Gum-bert, Helene en de oude dame waren met den gids verder gegaan, en toen zij langs een kraam gingen, zeide mijnheer Gumbert: „Dames! ziet eens. welke rijke zijden stoffen hier uitgestald zijn.quot; — Jeannette zag met zeer begeerlijke blikken naar dio heerlijkheden en wees op een stuk kostbaar damast, zeggende: „O! Zie eens, mijnheer de baron!quot; — „Ja, genadige vrouw! maar, dat is ook van de allerzwaarste Venetiaansche zijde; daarvan kost de el zeker drie daalders. Ik heb slechts eenmaal. . . hier hield hij eensklaps op en werd tot achter de ooren vuurrood. — „Groote God!quot; riep tante Lina uit, en sloeg zich met de hand voor het hoofd, en toen het gezelschap naar haar omzag, kregen zij nog slechts den rug der oude dame te zien, daar deze ijlings naar den ouden Jahn toe-stoof. — „Zij heeft waarschijnlijk iets vergeten, „zeide Helene. „Ik vind het toch zeer onbeleefd, ons zoo te verlaten,quot;

ocr page 281

2oü

zeide hare moeder. Zij nam den arm van den baron en ging met hem vooruit.

,Tante Lina, wat scheelt u?quot; vroeg de oude Jahn. „Hoe geraakt gij zoo in vuur? Heeft iemand u iets gedaan?quot; — „Neen, neen,quot; was het antwoord. — „Goede God! gij ziet doodsbleek; spreek dan tochquot; — „Hier niet, hier niet! Ik geloof', dat het een groot geluk is. — Lieve mijnheer Jahn, laat ons van het gezelschap weggaan; laat ons een gondel nemen, dan zal ik het u vertellen.quot;quot; — ,0! ik heb tijd om te wachten,quot; zei de oude man, en hij wenkte een gondel om nader te komen, en toen zij er in zaten, vroeg hij; „Welnu?quot; — „Dat is geen baron, dat is een winkelbediende.quot; — „Wat?quot; vroeg de oude man op haastigen toon, ,meent gij den baron Vou Unkenstein?quot;' — „Denzelfdenquot; — „Tante Lina, gij zijt eene verstandige dame, maar t beste paard struikelt wel eens, zoudt gij u hierin toch niet vergissen ?quot; — Nu vertelde tante Lina hem zonder de minste drift of opgewondenheid het gebeurde voor de kraam met de zijden stoffen en besloot haar verhaal aldus:

„Gij weet, mijnheer Jahn, dat ik gedurende de geheele reis telkens gezegd heb, dat ik dien baron reeds vroeger ergens moest gezien hebben; ik kon hem maar niet t'huis brengen. Maar zoodra hij van die zijden stoffen begon, en hoeveel de el wel zou kosten, toen wist ik de plek, waar hij t'huis behoort: hij is, vier of vijfjaar geleden , bij den handelaar in zijden stoffen, Kölzow in Wis-mar , bediende geweest, waar ik toenmaals vlak tegenover woonde, en ik zal u ook zeggen, hoe hij heet: hij heet Bössow. Mijnheer Jahn. wie komt op de gedachte, dat men in Triest in een baron een winkelbediende uit Wismar zal terugvinden? En nu heeft die deugniet zich ook nog zoo'n voornamen baard laten groeien en heeft zich een oogknijper aangeschaft en zich eene manier van spreken aangewend, alsof een smoushondje knort. Neen, waarde mijnheer Jahn, ik vergis mij niet; ik heb hem zoo dik-

ocr page 282

25G

wij Is aan de deur zien staan en mij dikwijls boos op hem gemaakt, omdat hij menig jong meisje, wier hoofdje al half op hol was, door zijne complimenten nog verder op hol bracht.quot; — „Als dat zoo is,quot; sprak de oude man, „dan moet hier iets gebeuren; er zou anders een ongeluk uit kunnen ontstaan. Weet gij niet juist, hoelang de Groterjahn's nog hier blijven, en welken toer zij nog op de terugreis willen maken?quot; — „Niet anders dan wat Helene mij verteld heeft; zij zeide, dat zij nog tien of twaalf dagen hier wilden blijven en dan over Verona en Tyrol naar huis wilde reizen.quot; -— „Nu, als die het zegt, zal 't ook wel zoo wezen. De moeder kan het plan trouwens nog in de war brengen, want zij heeft dwaze kuren , en zij springt van den hak op den tak; maar als 't op haar genoegen aankomt, dan houdt zij stevig vast.quot; — „Nu, wat wilt gij dan doen?quot; — „Tante Lina,quot; zei de oude man, min of meer glimlachende, „gij zijt zoo'n verstandige oude dame, nu wil ik toch eens zien. of gij dit raadsel wel raden kunt.quot; — „Nu, we zullen zien,quot; sprak tante Lina.

's Namiddags liet de heer Jahn schrijfgereedschap op zijne kamer brengen en sloot zich op; hij moest dus zeker iets, dat geheim moest blijven, willen doen. Niemand kreeg het te weten; maar wij, die schrijvers en redacteurs van couranten en verslaggevers zijn, wij weten in elk geheim door te dringen, en toen de oude Jahn zich neerzette om te schrijven, keek ik, zonder dat hij het vermoedde, over zijn schouder en las zijn brief. Hij schreef;

Lieve Karei!

Steek maar aanstonds vijfhonderd daalders aan Pruisisch papierengeld in den zak, want dat staat hier tegenwoordig zeer goed, en maak je reisvaardig, en rijd dan met de beide voorpaarden van ons koetsgespan, — want die zijn 't vlugst ter been, — naar Wismar. Ik weet wel, dat ge

ocr page 283

257

iu het drukste van den voorjaarszaaitijd zijt; maar dat kan niet anders, Gustaaf moet dat maar bezorgen. In Wismar gaat ge naar den zijdehandelaar Kölzow; die man kent mij wel van vroeger en is een vriendelijk en gedienstig man. Groet hem van mij en vraag hem, of hij niet, voor ongeveer vier of vijf jaren, een bediende, met name Büssow, in zijn winkel gehad heeft, en waar die persoon wel gebleven is. Wanneer hij hieromtrent de noodige inlichting gegeven heeft, ga dan naar den photograaf, den heer Kalke, en vraag hem, of hij u ook eene photographie van dien Bössow zou kunnen bezorgen; ik wil ze hem goed betalen, en als gij die hebt, schrijf mij dit alles dan heel nauwkeurig en zend mij uw brief pos te restante naar hier, naar Venetië; dan haal ik dien zelf van 't postkantoor af. Vervolgens gaat ge in den spoorwagen zitten en reist dag en nacht door, naar Verona, in Italië, en gij gaat logeeren in de C o 1 o m b a d'Oro, waar ge blijft en vanwaar gij mij bericht geeft, dat ge aangekomen zijt. In dit logement zuilen wij elkaar ontmoeten , en alles zal goed uitkomen, mijn lieve zoon. — De geschiedenis is wonderlijk, maar ik heb onderweg eene oude vriendin gekregen, en die is te verstandig, dan dat ons iets zou kunnen mislukken. Verder verneemt gij alles in persoon van

Uwen getrouwen vader Joachim Jahn.

Venetië, den zóó- en zóóveelsten.

Den datum weet ik niet, want wij leven hier maar gedachteloos voort,

als echte losbollen.

Toen hij dezen brief gereed had, bracht hij hem zelf naar de post, en toen hij daarna tante Lina opzocht, zag zij aan zijn geheele voorkomen, dat hij bijzonder met zicli zeiven tevreden was. Zij verblijdde zich daarover, maar

ocr page 284

258

vroeg hem niets, want, hoewel zij alles gaarne weten wilde, zoo was zij toch juist uiet nieuwsgierig.

In de eerste vier, vijf dagen was de oude heer Jalm heel kalm en vroolijk; hij ging, zonder er iets tegen in te brengen, te voet of per gondel door de stad of de omstreken rond, al naar dat het tante Lina inviel. Maar waar zij ook heengingen, de Groterjahns troffen zij nergens aan. En daarvoor bestond eene goede reden : Mevrouw Jeannette had zoo'n ouden, half verloopen en geheel overgehaalden domoor van een knaap opgeduikeld, die zich professor liet noemen, en had hem voor Heienes opleiding in dienst genomen. Die stumperd had dan nu, tegen zóó- en zóóveel contant geld beloofd, een behoorlijken cursus in de kunst met Helene te doorloopen, en daar dit woord aan moeder Groterjahn voornamelijk goed beviel, had men hem aangenomen. — Nauwelijks brak de morgen aan, of de moeder riep: „Mijn kind, wij moeten ons schielijk aankleeden , wij moeten den cursus beginnen.quot; Eu nu ging het er op los; nu ging men met rassche schreden naar de zoogenaamde Academie, waar de professor reeds op haar wachtte; Anton draafde heel verdrietig achteraan , maai slechts tot aan de groote zaal, waar de schoonste schilderijen van Titiaan hangen; juist niet, omdat hij daardoor zoo betooverd was, neen! daar stond een groote, gemakkelijke divan; daar ging hij op zitten, schold inwendig eerst op al de professors en op hunne gekke praatjes, daarna vooral op zijne vrouw en hare beschaving, werd dan langzamerhand bedaarder en sliep eindelijk zacht en zalig in.

Daarentegen ontmoetten onze beide oude reisgenooten dikwijls den heer Grumbert en den baron; ook oom Bors, wanneer zij de Piazetta langs gingen, want daar stond oom Bors gewoonlijk een halven dag met zijn rug tegen eene zuil aan. En als dan de beide oude lieden dien weg langs gingen, konden zij reeds van verre, zien, hoe de goede man zich verheügde een menschelijk

ocr page 285

259

gelaat en overal een Mekklenburgsch gelaat te zien, en als tante Lina dan tot hem zeide: „Goeden dag, mijnheer Bors! Mijn hemel, zijt gij nog hier?quot; dan was het antwoord: „Wat zal ik doen? quot;Wat zal ik beginnen? Zal ik hier afdruipen, als de kat van de duiventil, en mijn mond afvegen en zeggen: Wel bekome 't u, mijnheer de baron? Wie weet het, de kerel kan mogelijk toch nog betalen. Tweemaal heb ik hem al gemaand, maar dan komt hij mij altijd aan met die vervloekte vette ossen, cd den laatsten keer zeide hij, dat zijn vriend, mijnheer Griimbert, het zeker wel voor hem in orde zou brengen. Die heeft geld, dat weet ik; want onze kastelein, mijnheer Bauer, heeft mij onder de hand verteld, dat hij duizend daalders van hem in bewaring had. Maar wat helpt m ij dat! Die man is mij niets schuldig, hoe kan ik hem er over aanspreken ? — Mijnheer Jahn, doe gij mij toch het genoegen, — ik ben een oud vriend van u, — en spiegel u aan mij en leen dien kerel geen geld; hij zou u mogelijk ook met vette ossen willen misleiden.quot; — „Nu,quot; zei de oude man, „ik geloof. dat ik wel zal oppassen. Maar gij zoudt immers met uwen advocaat spreken; wat heeft die dan gezegd?quot; — „Ja, wat heeft hij gezegd? Hij vroeg, of ik meende, dat de advocaten op de wereld geplaatst waren, om de dwaasheden van alle menschen weer in orde te brengen ? — Daar meende hij m ij mee. — Maar, ziet nu eens aan! Daar komen zij beiden weêr aan, mijnheer Gumbert eu mijnheer de baron. — O! jou vervloekte kanalje; ik heb al genoeg, als ik je maar zie!quot;

Xiet altijd echter was de heer Gumbert met den baron te zamen. Op zekeren dag, toen de oude Jahn al weêr naar het postkantoor gegaan was, om er een brief van zijn Karei af te halen, — 't geen hij in den laatsten tijd dagelijks een paar keeren deed, — trof hij, van daar terugkomende, den heer Gumbert alléén aan. Op het aangezicht van den heer Gumbert was blijkbaar weder „afschuwelijkquot; te lezen. De oude'man was goedhartig; hij verzocht

ocr page 286

260

dus dou jongen man met hem te gaan; tante Lina zat voor 't Café Quadri, en daar zouden zij dan met elkander een kop koffie drinken. Mijnheer Gumbert deed het, doch toen zij bij tante Lina kwamen, stond de oude dame op en zeide vriendelijk tot hem: „Lieve hemel, mijnheer Gumbert, wat scheelt u ? Gij waart in den laatsten tijd zoo vroolijk, en nu ziet gij er weer uit, alsof gij uw Zondagsoortje versnoept hadt. Waar is uw vriend toch?quot; — „Vriend? quot;Wat verstaat gij door vriend? Ik bedank voor zulke vrienden!quot; — „Wat? Hebt gij ongenoegen met hem gehad?quot; — „Dat juist niet; maar, ziet gij, 't is eene wonderlijke historie: als ik met hem uitga en ik laat mij een kop koffie geven, dan bestelt hij er ook een voor zich en zegt, dat ik het maar voor hem moet verschieten.quot; — „Welnu,quot; zei de oude Jahn zoo los weg, „dat is toch geene gevaarlijke zaak.quot; — „quot;Neen, dat niet, maar, ziet gij! dan komt hij bij mij en vraagt, of ik hem er nog zóóveel bij wil geven, dat het een gulden bedraagt, anders zou hij het vergeten.' — „Wel,quot; sprak tante Lina, „zooveel nauwgezetheid had ik van den baron volstrekt niet verwacht.quot; — „Ja, weet gij, als ik hem den gulden gegeven heb, dan komt hij kon; daarna weder en verlangt nogmaals een gulden te hebben; den eersten had hij verloren, hij had een gat in zijn zak.quot; — „Een gat in zijn zak!quot; riep tante Lina uit. „Laat dat toch voor hem toonaaien.quot; — „Hoor eens, mijnheer Gumbert,quot; zei de oude heer Jahn, „sedert eenigen tijd heb ik de beste meening van de menschen, maar dezen man zou ik toch maar van mijn lijf houden.quot; — „Dat zegt mijnheer Bauer ook. Mijnheer Bauer zegt, dat mijn vriend door den kastelein van de Luna de deur uitgegooid is, omdat hij niet heeft kunnen betalen, 't Is een erg spektakel geweest, totdat ten laatste mevrouw Groterjahn voor hem betaald heeft.quot; — „Laat haar doen, wat zij wil; die vrouw is oud genoeg; die moet nu wel haast weten, wat zij te doen en wat zij te laten heeft; maar gij zijt een jong

ocr page 287

261

mensch; die de wereld niet kent, eu zóó iemand, moeten wij, oudere lieden, ten beste raden. Ik zeg u, maak, dat gij van dien kerel afkomt.quot; —- „Dat kan ik niet.quot; — „Waarom niet?quot; — „Neen, liij is al te vriendelijk voor mij; hij heeft van morgen aangeboden om met mij dezelfde kamer te betrekken.quot; — „Heere, bewaar ons!quot; riep tante Lina, „wilt gij dan volstrekt, dat de eenen of anderen morgen uw horloge en uwe geldbeurs en uwe kleêren op den loop zullen zijn?'- — „Dat zegt mijnheer Bauer ook. Mijnheer Bauer zegt, dat zoo iets, hier in Venetië, niets buitengewoons is.'' — «Wel, hoor dan toch naar dien man! En nu zal ik u eens iets zeggen: ga nu naar dien kerel toe en zeg hem, dat deze dame en ik u den raad gegeven hebben, — hij zal ons wel kennen, — dat gij u niet meer met hem moet ophouden, en dat gij dien raad ook wilt opvolgen; en indien h ij verder iets weten wil, kan hij zich tot ons wenden, daar wij in staat zijn, zijne oogen eu ooren een weinig te openen.quot; — „Dat kan ik niet doen.quot; — „Waarom toch niet?quot; — „Hij is al te vriendelijk jegens mij; hij heeft mij gisteren nog aangeboden de geheele reis door Italië met mij gezamenlijk te maken.quot; — „Welnu, reis dan met God,quot; sprak de oude man. „Iemand, die niet te raden is, dien kan men niet helpen,quot; en dit zeggende, keerde hij zich eensklaps om, bood tante Lina zijn arm aan en ging met haar het St.-Marcusplein af. „Tante Lina,quot; zeide hij, „nu weet ik zeker, dat gij gelijk hebt: dat is geen baron, dat is een bedrieger.quot; — „Ja, maar die arme, jonge man!quot; — „Voorloopig is hier niets aan te doen; maar wij moeten die twee in het oog houden.quot;

Zoo verliepen nu weder verscheidene dagen; de oude man ging gedurig naar het postkantoor; eindelijk kwam hij eens recht vergenoegd naar huis, hij had een brief in zijn borstzak en ging er mede naar zijne kamer, sloot de deur en las:

ocr page 288

262

Geliefde vader!

Wees hartelijk gegroet, lieve, beste vader! O! zoo gij wist, hoe dikwijls en met welk een innig verlangen ik aan u en aan het vaartuig gedacht heb, dat u naar Konstan-tinopel gebracht heeft! Alles, wat gij mij hebt opgedragen, heb ik, zooveel 'tin mijn vermogen was, bezorgd. Ik heb den heer Kölzow opgezocht, die mij op de vriendelijkste wijze antwoord op uwe vragen gegeven heeft. Ja, hij heeft, ongeveer vier jaren geleden, een winkelbediende, Böss ow genaamd, in zijne zaak gehad. Die man is, — naar hij zegt, — in het eerst volkomen bruikbaar geweest, zoodat hij zich gerust op hem verlaten kon; toen heeft hij echter eens vergunning gevraagd om zijne ouders te bezoeken, maar is niet daarheen, doch naar Dobberan gereisd, en heeft daar, — zooals mijnheer Kölzow later vernomen heeft, — aan de bank gespeeld en eene voor hem zeer aanzienlijke som gewonnen. Van dien tijd af heeft hij de zaken verwaarloosd, hier en daar gespeeld, en hij heeft hier, in dit oude, stijve AVismar, zelf eene bank gehouden, en dit alles zoo ver gedreven, dat mijnheer Kölzow hem zijne betrekking moest opzeggen. quot;Wat verder van hem geworden is. weet men niet met zekerheid; de heer Kölzow meent echter gehoord te hebben, dat hij zich later in Hamburg en Altona als speler opgehouden heeft. — Bij den photograaf, den heer Kalke, was de informatie eenigszins moeilijker. Hij wist, wel is waar, zeer goed, dat hij de photographie van dien jongen man vervaardigd had, maar de plaat was verloren geraakt, en 't was dus nu de vraag, aan wien mijnheer Bössow zijne photographie hier in Wismar wellicht present had kunnen doen. De heer Kalke herinnerde zich, dat voor eenige jaren het gerucht verspreid was, dat Bössow met de zeer schoone modiste Tz. ... in betrekking stond; zoo iemand, dan moest die eene photographie van hem bezitten. Ik ging dus naar dit jonge meisje.— Vader, gij weet het, dat ik nooit met modemaaksters be-

ocr page 289

263

kend ben geweest, en daarom was ik ook zeer verlegen, — te meer. daar dit meisje eene buitengewoon liefelijke verschijning was, schoon, zeer schoon, maar tevens eenvoudig in haar voorkomen en in haar spreken. Toen ik haar mijn verzoek te kennen gaf, stond zij van haar stoel op, ging naar eene commode en haalde daarvan onder krip en gaas en verwelkte rozen en afgevallen kransen een album voor den dag, sloeg het open, staarde lang op een blad, kreeg er toen eene photographic uit en zeide: „Neen, mijnheer: hij is mijn verloofde bruidegom ; hij heeft mij, ja, misleid en bedrogen en heeft mij toen schandelijk verlaten ; maar nochtans, — en ofschoon gij een eerlijk gezicht hebt en ik niet gelooven kan, dat gij van het portret misbruik maken zoudt, — kan ik er toch niet van scheiden. Maar bij den banketbakker G is een meisje in den winkel; die heeft ook eene photographie van hem, en zij zal u die gemakkelijker afstaan.quot; — Daarop ging zij weêr zitten en ruimde zoo wat van allerlei lappen en kunstbloemen op, terwijl zij op mij een langen, treu-rigen blik wierp; dien blik vergeet ik niet, zoolang ik leef. Vader, vader, wat gij ook voornemens zijt te doen, richt de zaak zoo in, dat dit arme meisje niet nog ongelukkiger wordt.

Met de andere dame ging het beter. Lachende reikte zij mij de nevensgaande photographie toe en vroeg, wat ik met dien smeerlap doen wilde; daarna schonk zij mij. voor mijn geld, een glas bisschop in, en ik ging met mijn geschenk heen. — Hedenavond met den laatsten trein vertrek ik, eu als gij dezen brief ontvangt, zal ik wel reeds in Verona, in het door u opgegeven hotel zijn. In elk geval schrijf ik u dadelijk, bij mijne aankomst, van daar. En nu, mochten wij elkander weldra blijmoedig wederzien! Mijne groeten behoef ik u zeker niet op te dragen!

Vaarwel tot zoolang!

Uw oprecht u liefhebbende zoon Karei Jahn.

ocr page 290

264

„Ja,quot; sprak de oude man, de photographic aanziende, .,dat is hij. Goede God! hoeveel ellende had hierdoor kunnen ontstaan! En dat alles enkel, omdat eene moeder met hare dochter hooger op wil, dan verstandig en betamelijk is.quot;

Een paar dagen later kwam dan ook een brief van zijn Karei, met de tijding, dat hij werkelijk in Verona was aangekomen. — „Tante Lina,quot; vroeg de oude Jahn, „hebt gij ook gehoord, wanneer de Groterjahns vertrekken ?quot; — „Overmorgen, lieve mijnheer Jahn. Helene heeft het mij gisteren gezegd. Ach, zij was zoo ongelukkig; de baron reist ook mede.quot;

„'t Is een mooie baronsprak Jahn. „Kijk eens hier!quot; En hij liet haar de photographie zien; „dit heeft men mij uit quot;VVismar gezonden; 'tis het portret van den door u bedoelden winkelbediende Bössow.quot; — De oude dame bekeek het portret nauwkeurig en vroeg toen; „Wel, heb ik nu gelijk?quot;— „Gij hebt gelijk, en als gij er niets tegen hebt, vertrekken wij overmorgen ook.quot; — „'tls mij wel,quot; antwoordde de oude dame.

ZEVENTIENDE IIOOEDSTUK.

B E SLUIT.

Op den bepaalden dag was bij de beide oude lieden alles tot de reis gereed, toen de o ude man eensklaps zeide: „Tante Lina, met den eersten trein kunnen wij niet vertrekken; wij zullen met den tweeden gaan; ik heb nog wat vergeten, en gij moet mij helpen, dat zulks in orde

ocr page 291

265

koine,quot; — „Natuurlijk,quot; antwoordde tante Lina.. „en wat is dat dan?quot; — „Vrouwenzaken; ik wil zoo wat voor het toilet van dames koopen.quot; — „Toch geene mutsen of kanten en kragen?quot; — „Neen, 't moet een halsketting en een armband zijn.'' — „Ja, maar dan wendt gij u toch aan 't verkeerde kantoor. Zie, ik kan wel zeggen, wat mij bevalt, maar wat tegenwoordig de laatste mode is, daarvan weet ik niets.quot; — „Gij behoeft ook alleen te zeggen, wat u bevalt. Mij dunkt, wij kunnen wel gaan. — En Jochem, ga jij eens zien, of je onzen ouden gondelier kunt vinden, en breng dan onze bagage in zijn gondel, zoodnt wij dadelijk kunnen afvaren en niet te laat komen voor den tweeden trein. Gij kent dien knaap immers?quot; — „O ja! mijnheer,quot; zei Jochem lachende.quot; „Ik kan immers al Italiaansch praten, en ik weet best. wien gij meent; van zijn voornaam heet hij «No van toquot;, en van zijn van „Quattro. ' — „Nu, zorg daar dan voor.quot;

Toen zij het verlangde bij een juwelier op het St.-Mar-cusplein gekocht hadden, begaven de oude lieden zich naar de Piazetta en namen in hun gondel plaats, waar Jochem hen reeds wachtte. — „Novanto Quattroquot; bracht hen langs het groote kanaal naar het station van den spoorweg. Zij waren nauwelijks op de helft, in den omtrek van den Eialto, toen een andere gondel hen voorbij-snorde, met twee roeiers, en wie zat daar in? — Mijnheer Gumbert. — „Die moet haast hebben,quot; zei de oude Jahn, „hij wil zeker ook met den trein weg en is met de klok in de war.quot;

Bij het station aangekomen zijnde, liep mijnheer Gum-bert daar op en neder. - „Goeden dag, mijnheer Gum-bert,quot; zei tante Lina, „als gij ook met dezen trein wilt gaan, zijt gij veel te vroeg gekomen.quot; — „Waar wilt gij dan heen?quot; vroeg de oude Jahn. — „Ik? .... Ik wil naar Verona.quot; — „Zoo! Wel, dan reizen we te zamen.quot; — ,W aar is uw vriend gebleven?quot; vroeg tante Lina hem. — „Mijn vriend?quot; herhaalde mijnheer Gumbert, en hij lachte

ocr page 292

266

tevens zoo schamper, „mijn vriend is ook in Verona: de kellner uit de Luna heeft mij gezegd, dat hij van morgen met de familie Groter]alm derwaarts vertrokken is,' — „Groede hemel!quot; riep tante Lina uit, „dat is immers een waar geluk voor u; laat hem dan toch daar blijven; waarom jaagt gij uw eigen ongeluk achterna?quot;— „Neen, dat kan ik niet; ik heb nog een paar woorden met hem te spreken.quot; — De oude dame zeide niets, maar zij zette een zeer knorrig gezicht, en knoopte en plooide aan de strikken en knoopen vau haren ouden werkzak, alsof die voor de toekomst het onvermijdelijke en onoplosbare noodlot moest voorstellen. Toen kwam Jochem bij hen om te zeggen, dat hunne bagage bezorgd was en dat hier de biljetten waren. „Mijnheer.quot; zeide hij, ,verbeeld u eens, de éene kerel wilde onze zaken en die van de dame al gaan uitpakken, en ik wou juist beginnen, om met hem te praten, en 'k had ook al een Italiaansch achtgroschenstuk in mijne hand, toen begint die kerel op ééns Duitsch te spreken. Wel! uit blijdschap, dat ik hier een landman aantrof, gaf ik hem toen dat achtgroschenstuk, en weet gij, wat hij zeide? Reis met God! zeide hij; gij hebt geene belastbare zaken. — en verbeeld u eens, de man heeft ons goed volstrekt niet gevisenteerd.quot;

De trein vertrok; mijnheer Gumbert zat bij de beide oude lieden; hij was zeer stil, en op zijn aangezicht stond weder te lezen: ,afschuwelijk!quot;

Tegen schemeravond kwamen zij in Verona aan. Toen zij voor de „Colomba d'Oroquot; stilhielden, zeide Jahn: „Jochem, zorg, dat onze bagage bij elkaar van den wagen komt; en gij, tante Lina. ga gij zoolang in de eetzaal: ik zal voor u een kop koffie bestellen en intusschen naar kamers voor ons zien.quot; — De oude dame wilde eerst hier wat tegen inbrengen, zeggende, dat zij hiervoor zorgen zou; maar Jahn liet het niet toe, en toen hij den grooten huisgang doorging, ontmoette hij daar een kellnei, die Duitsch verstond, en op zijne vraag, of hier niet sedert

ocr page 293

267

vier of vijf dagen eeu jong man uit Noord-Duitschland logeerde, begon die reeds te zeggen: „Ja, dat zal die op N. . . toen er iemand den trap af kwam vliegen, en Karei zijn vader omarmde en uitriep: „Vader, vader! wat ben ik verblijd, nu ik u wederzie! Vader, lieve vader, hoe is u de reis bekomen?quot; — „Goed, mijn zoon, zeer goed! Maar laat ons nu naar boven, naar je kamer gaan; ik heb je wat alléén te zeggen.quot;

Toen zij boven waren, kou Karei zich niet langer bedwingen ; de tranen sprongen hem uit de oogen, en met bevende stem vroeg hij: „Vader, hoe ziet het er met mijne zaak uit?quot; — „Mijn jongen, dat weet onze goede God het beste; maar zooveel wij, meuschen, weten, staat je zaak goed.'quot; — „Vader, ik heb haar gezien.quot; — „Wie, Karei ?quot;'— „Helene. — Ik was straks al naar 't station gegaan, daar ik dacht, dat gij met den eersten trein komen zoudt;gij waart er niet, maar zij was er met hare ouders en Frans Kemlich, en dan was die persoon er bij, van wien ik u de photographie moest bezorgen. Wat beteekent dit alles?quot; — „Dat zult ge alles wel hooren, Karei, Hebben zij je ook gezien?quot; — „Keen; ik stond zeer ver van hen af en kreeg hen ook eerst in 't oog, toen zij in den omnibus van het hotel stapten, en juist, toen ik er naar toe ging, reed de wagen weg.quot; — „Logeereu zij hier?quot; — „Keen; op den omnibus stond: „Torre di Londra.quot; —

„Dat is goed. Maar nu zal ik je eens wat zeggen: zie je nu bedaard te houden en wees niet ongerust. Je weet, dat ik je van mijn leven uiet zou bedriegen, en ik zeg je, dat je geen reden hebt om angstig te wezen. — Ik wil hier van avond eens een grap hebben, en daarbij moet jij me helpen.quot; — „Vader,quot; zei Karei, en hij zag den ouden man min of meer twijfelend aan, „gij grappen maken?quot; — „Ja. mijn jongen, zoo ben ik tegenwoordig gestemd.quot; — „God zegene u!quot; riep de brave, oprechte jongeling uit en viel zijn vader om den hals, „dan is 'tgoed; dan weet ik. dat alles goed is! Wat Reuter, Mont, en Cap, 2e dr. 18

ocr page 294

268

moet ik doen ?quot; — ,Niets anders, Karei, dan dat je naar beneden, in de eetzaal gaat; daar zult ge eene oude dame vinden; maak met haar een praatje, maar zeg niet, dat ge mijn zoon zijt, en indien ik er ook bij mocht komen, dan doe je, alsof je mij niet kent. Hebt ge 't begrepen?quot; — „Ja, vader, maar, wat....?'' — „Ik zeg je immers, dat ik een grap wou hebben.quot; — „Nu, dan maar voorwaarts!quot; riep Karei en omhelsde zijn vader. „ Als gij in zulk eene stemming zijt, dan denk ik, dat ik do vragen van mijn ongeduld ook wel een poos zal kunnen bedwingen.quot; En daarop ging hij naar beneden, naar de eetzaal.

Beneden in de zaal zat tante Lina voor eene koffiekan ; men kon het haar aanzien, dat zij zich recht pleizierig gevoelde, en, zoo haar iets mocht ontbreken, was het de oude Jahn; zij wist niet, waar hij gebleven was, maar zij troostte zich met de gedachte, dat hij al te oud was, om zich door den een of anderen domkop te laten beetnemen, en dus, dat hij wel komen zou; in deze verwachting sopte zij haren krakeling in de koffie ; — elke behoorlijke oude vrijster sopt. — Daar werd de deur geopend, zij keerde zich om, — neen, dat was de oude Jahn niet; 't was een heel jong mensch, wien do gezondheid en vroolijkheid op het gelaat en uit de oogen blonken, maar hij was eenigs-zins vrijpostig: hij ging vlak tegenover haar zitten, maakte een buiging voor haar en begon een gesprek. Dit gesprek was niet geestig, 't was niet geleerd; 't was ook niet, wat men in onze dagen interessant noemt; doch in het hart van dien frisschen, gezonden jongeling, daar stond alles in bloei; hij was gelijk een jonge appelboom, die de rozeroode bladeren van zijne bloesems links en rechts om zich heen strooit, zoodat tante Lina bij zich zelve zeide: 'tis een knappe jongen, maar hij heeft zeker een goed glas wijn gedronken. — Langzamerhand lette zij echter nauwkeuriger op zijne woorden. „Mijn hemel!' riep zij „gij zijt uit Noord-Duitschland; zijt gij wellicht

ocr page 295

269

een koopman uit Hamburg ?quot; — , jVeen. ik ben een ilekklen-burger.quot;— „Zoo? Een Mekklenburger koopman „ jVeen, een landbouwer.quot;-- „Neen, dat is hoe langer, hoe mooier! Vooreerst is hier de oude Groterjahn, dan de oude Jahn, dan de jonge heer Beijer, en nu komt gij ook nog; quot;t is waarlijk, alsof al de Mekklenburgsche landlieden hier komen moeten.quot; — ( De heer Beijer was namelijk ook met denzelfden trein aangekomen.)

Toen werd de deur opengedaan; en de oude Jahn kwam binnen. „Mijnheer Jahn!quot; riep tante Lina hem toe, Jiier is een landsman van ons en een collega van u.quot; — »Zoo?quot; vroeg de oude man, en hij ging, alsof hij knorrig was, een eind van die beiden af zitten. — „Hm,quot; dacht tante Lina, .wat zou hem nu weer schelen! — Ik zal hem maar met rust laten; 't zal wel weer overgaan.quot; — En zij keuvelde vroolijk voort met den jongen man: de oude man zat min of meer in de schaduw, maar hij gaf met oor en oog op alles acht. Na eene poos stond hij op en zeide: ,Tante Lina, een woordje!quot; En hij geleidde de oude dame naar een hoek der zaal en vroeg: „Wat hebt gij daar toch weer opgedaan ? Dat is immers een echte Mekklenburgsche windbuil.quot; — „Heere jeminé! Mijnheer Jahn, hoe heb ik het met u? Dat is toch zoo'n jonge, knappe, flinke jongen , en er is geen zweem van lichtzinnigheid aan hem te bespeuren.quot; — „Nu, ga dan weer bij hem zitten. ' — .,Ja, dat doe ik ook; ik wil van dien jongen man niets kwaads hooren.quot; — Het gesprek ging weder vroolijk voort, de oude man zat op den loer, en wie weet, hoelang dat nog geduurd zou hebben, toen zond de goede God, — of, wie weet het? — was 't ook de duivel, die Jochem Klahn de deur induwde, terwijl hij uitriep: .Mijnheer, dit paar laarzen. . . .quot; — pof! liet hij de laarzen op den vloer vallen, sperde zijn mond wijd open, en bleef geheel beteuterd staan: „Mijnheer...! Mijnheer....! Dat is immers onze Karei! Ja, dat is onze Karei!quot; En nu ging hij naar Karei toe en riep: „Jonge heer! Hoe

ocr page 296

270

komt gij hier in dit vervloekte nest!quot; En daarbij moest hij zijne oogen afwisschen en riep telkens weder: „Wat? Daar moet ik mij dan geducht over verwonderen! — Wat ? Is 't hier Paschen en Pinksteren op eenendag?'' —Tante Lina zag den ouden man recht schalkachtig aan en zeide: „ Ja, mijnheer Jahn, ditmaal hebt gij mij eens mooi gefopt, en dit raadsel heb ik niet geraden.quot; — „Ja, tante Lina,quot; antwoordde de oude man op vroolijken toon, „ik moet bekennen, dat ik eens een grap met u wou hebben, maarquot; — hier begon hij er heel ernstig uit te zien, — „keer nu het blad om, dan zult gij er aan den anderen kant grooten ernst op lezen. Ik ken, op de geheele wereld niemand, van wien ik méér overtuigd ben, dat hij in 't hart eens menschen kan inzien, dan u, en daarom wilde ik gaarne weten, of mijn Karei dat lieve meisje ook waardig is. Welnu, gij hebt gesproken, tot zijn en mijn geluk gesproken, en nu zal ik mijn geweten niet te bezwaren hebben, indien ik mij thans verder met deze zaak bemoei.quot; — Karei omarmde zijn vader, en tante Lina legde hare hand op zijn schouder en wilde iets zeggen, toen Jo-chem Klahn, op wien de oude man volstrekt niet meer gelet had, eensklaps uitbarstte; „Mijnheer, ik heb het niet gezegd? Onze Karei is toch een heel andere kerel, als die nare, uitgedroogde baron! Ik en Paul hebben met ons beiden ook voor onzen jongen heer samengespannen.quot; — „Wat doe jij hier?quot; vroeg de oude Jahn hem knorrig. — „Mijnheer,quot; hernam Jochem zoo recht vertrouwelijk, „in zulke zaken is voor mijne oogen niets verborgen. Dat weet ik alles. En zie! ik heb mij op reis wat dikwijls kwaad

gemaakt, als ik dien kerel.....quot; Hier zweeg hij plotseling

stil, want achter hem werd de deur geopend en mijnheer Gumbert kwam binnen, en Jochem had een gevoel, dat die niet tot de familie behoorde en er in diens bijzijn niet over zóó iets mocht gesproken worden.

Het gesprek nam thans eene andere wending; de oude Jahn verlangde het een en ander van Mekklenburg te ver-

ocr page 297

271

*

nemen, en van den stand van het winterkoren, en Karei vroeg naar de reis; en toen zij juist naar hunne kamers ter rust wilden gaan, kwam er iets de deur inblazen en oom Bors draafde binnen, en achter hem stak een lange kerel, een Ttaliaansehe wegwijzer, uit, die oom, om zoo te spreken, aan de panden van zijn jas vasthield. — „lieere, bewaar ons!' riep de kleine, ronde zeepzieder hun toe, „helpt my toch, dat die ellendige kerel mij met rust laat; sinds vier uren laat die drommelsche vent, met zijne lange beenen, mij geheel buiten adem loopen.quot; — nu,

mijnheer Bors, kom nu eerst wrat tot bedaren, „zeide Jahn ; „wat is u toch overkomen?quot; — „Ik zoek u en die dame nu al sinds vier uren, alsof ik spelden zocht. De mensch wil toch onder menschen zijn.quot; — „Wel, waar zijt gij dan geweest?quot; vroeg tante Lina. — „Ja, waar ben ik geweest? In Londra ben ik geweest, bij mijne nicht, bij Hanna,quot; hier begon oom Bors overluid te lachen, „en daar heeft Helene mij gezegd, dat gij hier vandaag ook komen zoudt.quot; — „Maar, waarom zijt gij daar dan niet gebleven ?quot; vroeg tante Lina verder. — „Daar gebleven? Neen, de mensch verlangt naar menschen, en mijne nicht is geen mensch, zij is een on mensch. Wat? Ik meen het goed met haar en geef haar zoo'u kleinen wenk in bedekte woorden, dat de baron een bedrieger is, en dat hij mij met zijne verwenschte praatjes van vette ossen tweehonderd daalders uit den zak heeft geklopt, en toen wordt zij lomp en wijst mij de deur! En dan op zoo'n manier, dat het dien goeden jongen, haar kleinen Paul, zoo aan 't hart ging, dat hij zijn arm om mij heen sloeg en de tranen hem in de oogen stonden! En zoo, dat Anton zelf begon te stampvoeten ? Neen. Hanna, ik ben een oude zeepzieder, en je vader zaliger was een pottenbakker, en hij was een eerlijke vent; en als jij je dochter aan zoo'n mijnheer, zoo'n baron wilt geven, nu! ga je gang dan maar! Ik heb je genoeg ten beste geraden.quot; — „Nu, zoo haastig zal dat toch niet gebeuren,quot;

ocr page 298

272

sprak de oude Jahn, en hij leunde achterover in zijn stoel, als wilde hij 't bedaard afwachten. — „Wees daar niet zoo gerust op, mijnheer Jahn! Hanna zegt, dat zij een idee heeft; wat dat voor een ding is, weet ik niet; maar 't zal wel op 't zelfde neerkomen, als wat wij luimen en grillen en malle kuren noemen. En nu heeft zij vroeger eens een boek gelezen; daar stond in, dat hier in oude tijden eens wat met een jong meisje voorgevallen is; — ik weet het niet, — die gekke namen! — maar als ik het wel heb, geloof ik, dat ze zoo wat van: „Juultjequot; zei; en daarvan moet hier nu nog de lijkkist te zien wezen; — zij heeft er den heelen weg over, van gepraat, en daar zal nu morgenochtend, klokke elf uren, de plechtige verloving plaats hebben. — Zij zegt, dat het voor haar kind en haren aanstaanden schoonzoon een onuitwischbaren indruk maken moet. Anton zegt, hij wil niet; maar wat Anton vandaag zegt, is morgen niet waar. En gij zult het zien, dat onmensch van eene nicht krijgt het gedaan en stoort zich niet aan dat goede, lieve Leentje en niet aan het bedrog met mijne vette ossen.quot; — „Nu,quot; zeide mijnheer Grumbert, en hij zag er vreeselijk kwaadaardig uit, wat anders volstrekt zijn aard niet was, „laat haar begaan! Laat haar begaan ! Laat haar begaan. Ik zal er morgen om elf uren ook bij wezen; ik heb ook nog een paar woorden met mijnheer den baron te spreken.quot; - „Och, wat zal dat helpen?quot; sprak oom Bors, „als mijne nicht Hanna zich eens iets in 't hoofd gezet heeft, dan . . .— Karei zag zijn vader min of meer angstig aan; de oude man bleef bedaard zitten en wenkte hem met de oogen heel tevreden en geruststellend toe.

Thans kwam Jochem Klahn de kamer in, die straks met den Italiaanschen gids naar buiten was gegaan, en zeide; „Neem mij niet kwalijk, mijnheer Bors, maar de kerel wil nu geld hebben.quot; — „Maak, dat die vent wegkomt! Hij heeft mij bijna dood gemaakt.quot; — „Dat is eene klei-

ocr page 299

273

nigheid,quot; zeide Jochem; „tast maar eens in uw zak en haal er een paar geldstukken uit, dan zal ik wel met hem praten.quot; — Nu, oom moest er aan gelooveu: van afdingen kon hier geen spraak zijn, en het gezelschap ging nu uiteen, daar allen vermoeid waren. Vader en zoon sliepen in dezelfde kamer, en er werd nog veel over en weder gesproken in dezen nacht, vol zorgen en overlegging.

Ja, en niet enkel in de „Col om ba d'Oroquot; waren zorgen en bezwaren; zij spookten ook den ganschen nacht in den „Torre di Londraquot;, en om het bed van de arme Helene ging het onrustig toe. Mevrouw Groter-jahn had met hare dochter niet ronduit gesproken, wat zij bij Anton wel uoodig had geacht; zij had echter zoo vele kleine zinspelingen gemaakt, dat Helene goed genoeg begrijpen kon, wat zij met de zaak bedoelde. En die zinspelingen dansten den ganschen nacht om Heienes bed rond, alsof het hansworsten met touwtjes waren, die nu eens klein waren en dan weer groot werden, zoodat geen slaap in hare oogen kwam. En toen nu de gulden morgen aan don Italiaanschcn blauwen hemel aanbrak, en het gedruisch van het dagelijksche leven der straat zich liet vernemen, toen waren wel de spookgestalten van haar leger verjaagd, doch toen stond de werkelijkheid haar angstverwekkend voor den geest; zij sprong op, trok schielijk haar morgenkleed aan en kwam de kamer van haren vader binnenloopen. Anton was reeds op en stond voor den spiegel, bezig met zich te scheren. •— „Vader!quot; riep het lieve meisje in de verschrikkelijkste ongerustheid, „lieve vader! Wat wil moeder eigenlijk? Ach, ik ben haar toch van kind af gehoorzaam geweest, en ik heb altijd gedaan, wat zij van mij verlangd heeft; maar dat kan ik niet en dat zal ik nooit doen!quot; — Anton legde het scheermes neder, wischte zijn ingezeepten baard af, sloeg zijn arm om zijne lieve dochter en drukte het beangste kind aan zijn door en door eerlijk hart, zeggende:

ocr page 300

274

„Wees maar gerust! Wees maar gerust, liefkind! Zie, ik heb ook altijd gedaan, wat je moeder van mij verlangd heeft, maar dit doe ik ook niet! Zóo'n kerel, als de baron, zal mij van mijn leven niet voor schoonvader uitschelden.quot;— Toen hoorde men iets zich in bed bewegen; Paul was bij het woord „baronquot; ontwaakt, wreef zijne oogen uit en riep van uit de kussens: „Vader, weet ge, wat Jochem Klahn zegt? Die zegt, dat de baron een groote domkop is.quot; — Nu kwam er een einde aan het gesprek tusschen vader en dochter; Helene viel op een stoel neder, maar haar vader boog zich over haar heen en fluisterde haar toe: „Wanneer heden uwe moeder spreekt, dan zult ge ondervinden, dat ge een vader hebt, die ook spreken kan.quot;' Tegen tien uren zat de familie Groterjahn met den baron in de „Arenaquot;, en waar in vroegere tijden onschuldige Christenen eenmaal om de trouw aan hun geloof met wilde dieren moesten kampen, daar moest op dezen morgen ook een onschuldig hart tegen de wildste gedachten strijd voeren. — Maar, wie zijn daar? Wie zijn daar, vlak tegenover haar? Dat is de oude dame, dat is do oude Jahn! — Maar, wie is daar bij hem? Wie is dat met het blonde krulhaar ? — Ach, goede God! en de tranen sprongen uit de oogen van het onschuldige kind; neen! uu kon haar niets kwaads meer overkomen; dit was Gods vinger, die haar toewenkte en haar geluk en blijde rust beloofde. — De menschen zeggen, dat zich, eenmaal, in zulk eene „Arenaquot; de wilde dieren in onderwerping gebogen hebben voor eene onschuldige jonkvrouw, en 't moet wel waar zijn, want de wilde gedachten, die erger zijn dan wilde dieren, onderwierpen zich aan de jonge, lieftallige Helene, en vroolijk als een kind, en fier gelijk eene koningin, ging zij van daar.

Moeder Groterjahn had den domsten wegwijzer aange-uomeil, die men bedenken kon; maar hy verstond een weinig Oostenrijksch Duitsch, en nu kwelde zij dien armen stumperd met Romeo en Julia — „Jaquot;, zei de oude

ocr page 301

275

knaap, ^ met Romeo en de ilontecehi's is 't hier alles uit, daar weet geen mensch meer wat van; maar, Julia eu do

Capuletti's.....ga, als 't u belieft, maar mee.quot; — liij

bracht hen nu naar een soort vau uitspanning, waar paarden, ossen en ezels gezellig bij elkaar stonden, en zeide: „Ziet gij, dit is het paleis der Capuletti's; daar ziet gij de muts, in zandsteen uitgehouwen, dat is het familiewapen.quot; Moeder stond er voor; zij keek het ding aan, gelijk de koe de nieuwe poort, en Anton zeide: „Paleis? — Nu, hoor eens, als elke herberg een paleis is, dan kunnen we in Mekklenburg ook heel wat paleizen laten zien.quot; — Anton zeide dit zoo vinnig, dat het duidelijk te bespeuren was, hoezeer hij zich weder de volstrektste oppositie voorstelde.— „Mijn kind!quot; riep moeder uit. den arm van den baron nemende, „neem den anderen arm van mijnheer den baron; wij gaan thans naar Julia's doodkist.quot; — „Neen, moeder, wij varsperren dan de weg voor andere menschen; ik ga hier met Paul en .... . mijnheer Xemlich.quot; — Dit kwam er een weinig slepende uit, maar zij sloeg tevens zulk een vriendelijken, vergevenden blik op den armen seminarist, als slechts een beminnelijk nieisjeshart in volkomene onschuld op een jong mensch slaan kan, die eens eene groote domheid begaan heeft.

De oude gids bracht nu zijn onderdanig gezelschap van de ossen- en ezelsverblijfpaats naar een paar andere smerige hoven, en toen zij daar gelukkig op eene plank doorgekomen waren, geleidde hij hen iu een tuin. Een pleiziertuin was 't nu juist niet; neen, 'twas, wat wij een moestuin noemen, waar kool en rapen, uien en bieslook groeiden, en waarin voornamelijk het knoflook welig opschoot, kortom, 't was een zeer bruikbaar stuk grond. Moeder was eenigszins uit het veld geslagen. Ja. Jean-nette Groterjahn. ik kan je niet helpen; 't is de eerste keer niet, dat ze je muizendrek voor peper geven ; maar ik vrees, dat het nog erger wordt. — „quot;Wij gaan hier maar door,quot; sprak zij tot het gezelschap, „en dan zal de gids ons

ocr page 302

27G

het lijkgestoente vaii Julia aauwijzen.quot; — De oude man zeide uu, dat dit eene moeilijke zaak wezen zou; van een hjkgesteente was in 't geheel niets te zien; wat hier aangewezen werd, was enkel de doodkist; en dit hier, zeide Inj, „dit is het.quot; Hij wees nu op een ouden watertrog, die zóó vele reten en scheuren en gaten vertoonde. dat hij zijn levenstaak in 't geheel niet volbracht; want, wanneer de brave tuinman, aan wien de trog en het stuk grond toebehoorden, van zijn inhoud, om te begieten, een beetje wilde aftappen, had die lichtzinnige klant zijne gunst en gave aan de aarde er omheen reeds verkwist, die zich, uit dankbaarheid daarvoor, in modder veranderde. — „Nu,quot; zeide Anton, „dit is de moeite dan toch niet waard,quot; en hij keerde zich om, om heen te gaan. — „Treed nader, Anton,quot; sprak zijne gade, „kunt ge dan niet zien ? Dit is eene „oude antiquiteitquot; van marmer,quot; en toen zij nu met eeu goed voorbeeld wilde voorgaan, stond zij op ééns tot aan de enkels in den dankbaren grond. Dit had mevrouw Jeannette zich toch ook miu of meer anders voorgesteld; zij trok den voet terug, maar herstelde zich weldra, want, ofschoon zij ook op 't water zwakke oogenblikken had, zoo bezat zij toch eene geweldige geestkracht, zoodra zij weer op het droge stond. Zij zeide, dat dit intusschen bijomstandigheden waren: daarom was zij niet hier; hier zou eene innige familiebetrekking aangegaan worden, en dit was de rechte tijd, want Julia, Julia, — dit zeide zij tweemaal, — de arme, ongelukkige Julia, — dat was nu de derde maal, — had hierin gelegen, als een door de wereld mishandeld schepsel, en daarom had zij deze plek gekozen, opdat haar kind, hare dochter, hieraan eeu voorbeeld zou nemen en zich bij al wat haar dierbaar was, niet zoo ongelukkig mocht maken als de arme Julia, — öit was nu de vierde keer. — „Driemaal is scheepsrecht, de vierde maal een vildersknecht.quot;

Zoo ging het nu ook hier; Anton begon zich te verzetten.

ocr page 303

„Als hier een familiezaak moet behaudeld worden, dau ben ik, als vader, er ook nog,quot; riep hij uit. — „Anten, jij zwijgt,quot; zeide de moeder bedaard en op bepaalden toon, „je weet, dat Hella mijn „opvoedings-substraatquot; is; Paul kunt gij, wat mij betreft, verioveu, ten allen tijde en met wie je wilt. — En, wat weet jij dan in 't geheel van Julia?quot; — Dat was toch weder zoo'n domme vraag, die zij , zoo vlak in 't aangezicht, aan Anton deed; hij wist niets ter wereld van Julia. Maar hij had evenwel nog iets boven zijne vrouw vooruit; want, als die ook iets van Julia wist, zoo was dat alles toch slechts zeer verward en verkeerd. Zij had namelijk een paar keeren de opera „Romeo en Juliaquot; gezien en zich verheugd, hoe aardig die beide jonge lieden op elkanders schoot gezeten en elkaar den ganschen avond gekust hadden, — dood onschuldig! want Romeo was een verkleed vrouwspersoon. Van het overschoone dichtstuk, dat eenmaal de eene mensch den anderen als bruidsgeschenk gegeven heeft, daarvan wist Anton niets, daarvan wist Jeannette niets, en de eenige, in wier hart dat gedicht eenmaal had geschitterd en gegloeid, stond daar en had hare hand in die van haren jeugdigen broeder Paul gelegd , — zij greep naar een stroohalm. — Daar stond zij, nu rood, dan bleek, en zag haren vader aan met een blik, gelijk de landman dien in den zomertijd, wanneer weilanden en akkers verzengd zijn, naar den bewolkten hemel slaat: „Och, barst los, barst los, gezegend on weder! Mogen bliksemstralen en donderslagen ons treffen, maar bevrijd ons van die benauwde, zwoele lucht en geef regen, regen opdat de natuur weder liefelijk en frisch worden moge!'

Moeder Groterjalm stond daar gelijk eene afgodspriesteres uit oude tijden; zij had haar éénen voet ver vooruitgestoken, en dat zag er, hoewel haar schoeisel in geen zin-dehjken toestand was, juist uit, alsof het gewicht der zaak daardoor in 't rechte licht moest gesteld worden, — „Treed nader, mijnheer de baron,quot; zeide zij. — Mijnheer de baron deed haar dit genoegen. — .Kom hier, mijn kind!quot;— Helene

ocr page 304

278

werd bleek; hare hand trilde in die van Paul, en die aardige jongen hield haar tegen en riep: „Je zult niet, Helena! Je zult het niet doen!quot; — Helene wierp een troos-teloozen blik op haren vader, die beteekende: „Barst los, gezegend onweder!quot; En 't barstte los; met bliksemstralen en donderslagen en stormwind en hagel ratelde het moeders vensters in. — ,Zij zal niet!quot; riep Anton uit. .,Zij is evenzoo goed m ij n kind, als het n w e. Tegen haren wil zal haar geen man opgedrongen worden, al is hij ook tienmaal een baron.quot; — Moeder was in dit zwaarwichtig oogenblik de reine mevrouw Groterjahn; een beetje meer wierp zij het hoofd achterover; het rijglaarsje stond in-tusschen vast op dezelfde plaats, en ,vastberaden en grootzooals Göthe op het voetstuk van Blttchers standbeeld te Rostock geschreven heeft, zeide zij ; „Treed nader, Hella.quot; — „Daar zal toch voor den don. . .quot; begon Anton weder; maar toen sprak eene stem, die achter eenig laag struikgewas vernomen werd: „Bedaard, Anton! Van deze verloving zal nimmer iets komen!quot; En van achter de struiken kwam de oude Jahn te voorschijn Juist gelijk voorheen de oude Ziethen, en aan zijne zijde tante Lina, en achter haar mijnheer Gumbert en oom Bors, — en achter deze Karei Jahn eu mijnheer Beijer, en eindelijk Jochem Klahn met een gezicht, waarop even veel zelfbewustheid en grootheid was uitgedrukt, als op dat van mevrouw Groterjahn zelve, en alsof hij zeggen wilde: wat dit beduidt, weet ik al lang!

Zoo! nu was er een einde gemaakt aan 't Groter-iahnsche familie-congres, volkomen zóó, als in der tijd aan het Weener congres, toen de oude Napoleon van Elba uitgebroken was. Hier nam oom Bors die functie waar; hij drong tusschen den ouden Jahn en tante Lina door, en stoof naar den baron toe: „Gij, vervloekte, smerige, ransige kerel! Gij wilt een baron wezen! Waar zijn mijne tweehonderd daalders? Waar zijn mijne vette ossen ?quot; — En achter hem barstte mijnheer Gumbert uit,

ocr page 305

279

gelijk toenmaals Joachim Murat achter Napoleon, slechts met dit onderscheid, dat hij niet als Mammeluk verkleed was, en riep: „Gij geeft u voor een vriend van mij uit, en steelt mijn gouden horloge? O! ik heb wel gezien, hoe gij in uw vestzak rondgescharreld hebt en hier is het nu!quot; En met die woorden trok hij hem het horloge uit den zak van zijn jas: „Hier is het! Afschuwelijk! — Mijnheer Bauer zegt. ...quot; — „Stilte nu!quot; zeide de oude Jahn en drong zich tusschen die beiden in. „Mijnheer Grumbert, gij hebt voorloopig uw horloge terug; wij moeten hier echter rekenschap afleggen, dat hier geen sprake is van een baron, maar van een gemeenen bedrieger. — Mevrouw Groterjalm,quot; hier ging hij nader bij zijne oude, onverzoenlijke vijandin en hield haar eene beeltenis voor de oogen, „is dit niet het echte portret van dien man, dien gij tot uw schoonzoon uitgezocht hebt, en die zich voor baron uitgeeft ? Dit is het portret van den handelsbediende Bössow uit Wismar, en 't is vervaardigd door den photograaf Kalke, en de man kan er voor instaan. Waarde buurvrouw, gij hebt veel schuld, maar ik ook. Gij kunt hier zien, wat het gevolg van haat wezen kan. Kom!quot; hier reikte hij haar de hand toe, „geef mij uwe hand, dan willen wij eens zien, wat de liefde kan bewerken.quot; Maar Jeannette gaf hem hare hand niet; zij had hare beide handen noodig, om haar aangezicht te bedekken; zij was te moede als Wellington in den slag van Waterloo, — „ik wenschte, dat het nacht ware, of dat de Pruisen kwamen,quot; — en, onder de Pruisen verstond zij, dat er een stukje hemel naar beneden mocht vallen, om de geheele _ zaak te bedelven. En Helene had zich aan de borst van haren vader geworpen en weende de bitterste en toch de meest vertroostende tranen. Tante Lina was naar mevrouw Groterjalm toegegaan en liefkoosde haar recht vriendelijk, zeggende: „Mijne lieve dochter, gij moet u in dit oogenblik niet zoo ongelukkig gevoelen; gij moet God danken, dat een dreigend ongeluk u niet getroffen heeft.quot;—

ocr page 306

280

't Was zeer stil geworden na dezen storm, en Jochein Klahn fluisterde Paul reclit bedrukt toe: „Paul; wat heb ik je altijd gezegd ? dit komt anders uit, dan iemand gedacht had. Ja, als wij toen niet samengespannen hadden op den boegspriet, wat zou er dan veel ellende uit ontstaan zijn!quot;

En te midden van die drukkende stilte stond daar het rampzalige mensehenkind, dat in zijne dwaasheid en gewetenloosheid zijne hand naar den sehoonsten prijs had uitgestrekt, en nu van schaamte en schande wel in de aarde had willen zinken. Ja, wie kan u hier te hulp komen? Hij zag niemand in 't gezicht; zijne armen had hij over elkander geslagen, alsof hij zijn lot wilde afwachten, en doodsbleek zag hij voor zich uit op den grond, alsof hij onder den grond meer te zoeken had dan onder den blauwen hemel van onzen goeden God. De oude Jahn ging naar hem toe. „Mijnheer Bössow,quot; zeide hij, „geloof niet, dat hetgeen ik gedaan heb, uit wraakzucht geschied is; 'tis waarlijk geen genoegen voor mij geweest, u hier als een bedrieger en schurk ten toon te stellen; maar om het geluk van dit lieve, jonge meisje was het mijn plicht, dat ik in deze zaak mijne hand leende. Ik wil echter mijne hand nog in eene andere zaak gebruiken, die mij aangenamer is. — Karei, mijn zoon! geef mij mijne portefeuille eens hier! — Zie, mijnheer Bössow! als wij n hier nu zóó lieten loepen, dan moest gij voortgaan met bedriegen en stelen, enkel om uw ellendig leven te behouden, totdat gij ten laatste volkomen rijp voor de galg zoudt wezen. Maar, dat zult gij niet! al was 'took slechts daarom, omdat gij eenmaal in het onschuldige oog van dit lieve kind gezien en die trouwe hand gedrukt hebt.— Hier zijn tweehonderd daalders; neem die en reis daarmede naar Mekklenburg of Pommeren, maar niet in eene groote stad, niet naar Rostock, daar houden wij, „vette schapenquot;, ons op en spelen daar sterk van rechts en links; zoekt gij eene betrekking te krijgen en begin weder op de-

ocr page 307

281

zelfde plek, waar gij destijds hebt opgehouden, toen gij voor de eerste keer naar Dobberan, naar de speelbank gereisd zijt.quot;

De ongelukkige nam het geld aan; hij zag den ouden man niet vlak in 't aangezicht, hij zag hem zoo van ter zijde aan; hij zeide niets, hij bedankte niet en wilde juist heengaan; toen dribbelde oom Bors een weinig naar voren en vroeg; „Maar, waar blijven mijne tweehonderd daalders?quot; — „Mijnheer Bors,quot; sprak de oude Jahn, „ik denk daar, waar uwe vette ossen gebleven zijn. Maar laat dezen man tijd; ook de eerlijkste man moet menigmaal om tijd verzoeken; ten einde zijne verplichtingen te kunnen vervullen. En deze man is eerlijk; van dit oogen-blik af aan is hij een eerlijk man, en wie van ons ooit iets slechts van hom vertelt. die is een schavuit. Gij allen zult er wel over zwijgen. — Paul en Jochem, hoort gij 't ook ? — Maar gij, mijnheer Bors, gij zoudt misschien wegens de tweehonderd daalders eens spreken; ik bid u, doe het niet; anders zend ik u de drie jongens op den hals, en dan zullen zij spoedig zorgen, dat gij de geldzaken niet meer waarneemt.quot;

De arme zondaar zag thans den ouden Jahn vlak in 't aangezicht en drukte hem de hand, doch hij zeide niets en wierp een blik in 't rond op Helene en op mevrouw hare moeder. Helene had hem den rug toegekeerd, — zonder opzet, — maar moeder schonk hem, op zijn afscheidsgroet, een blik terug, en dien blik konden alle barons te zamen deelen, die een burgermeisje alleen om haar geld willen trouwen, en dan had ieder hunner nog zijne behoorlijke portie gehad. — „Paul,quot; zeide Jochem, toen de ellendige kerel wegging, „ik heb altijd gewenscht, dat ik dien ma-geren spiering eens alleen mocht hebben, om hem zóó eens een stuk of drie stompen in zijn nek te geven; maar, denk jij, dat ik er in dit oogenblik kompabei toe wezen zou? — Neen, mijne oude moeder zei altijd: Jochem _ jij bent al te weekhartig.quot; — En nu was die

ocr page 308

282

menscli heengegaan; — misschien als een nieuw m e n s c h!

Toen mevrouw Groterjahn haren scherpen blik. vol haat en wrok, op den ongelukkigen winkelbediende had geworpen , werd zij door een gevoel van schaamte overvallen, dat zij zich door zoo iemand had laten misleiden, eu hare stemming werd zeer kleinmoedig, omdat zij, voortaan de zorg voor Heleues geluk wel aan andere handen zou moeten toevertrouwen; zij bedekte weder hare oogen, Helene omarmde haar en schreide aan haren hals; de oude dame had de hand op haren schouder gelegd, en de bedrogene moeder stamelde: „Mijn kind, mijn kind,'t is mijne schuld niet, ik bedoelde slechts uw geluk. O! wat had ik mij dit alles schoon voorgesteld! Tk wilde u uit het stof des dagelij kschen levens iu de familie der Von Unken-steins verheffen; de poëzie zou aan uwe verbintenis de rechte wijding geven, — hier, bij het graf van Julia

zou het verbond gesloten worden en nu.....quot; — Helene

zeide niets, maar de oude dame nam het woord eu sprak: „Mijne lieve dochter, als gij 't u zoo schoon hadt voorgesteld, dat juist op deze plek het geluk onzer lieve Helene tot stand zou gebracht worden, dan kan dat immers nog geschieden. Zie hiermet die woorden naderde zij Karei Jahn en geleidde hem aan de zijde van Helene, „zie hier! dit is geen baron, die naderhand blijkt een bedrieger te zijn; dit is een jong, eerlijk man, echt van kleur; dat weet gij 't beste, want gij kent hem al van jongs af. Waarom wilt gij het geluk uwer dochter niet aan deze trouwe hand en aan dit gezond en oprecht hart verbinden?quot; — „Mevrouw Groterjahn,quot; zei de oude Jahn; hij trad nader en reikte haar wederom zijne hand toe, die zij evenwel niet zag; „wij zijn onverstandig geweest, en hebben in ons onverstand het goede, dat God ons geschonken had, oprechte vriendschap en goede verstandhouding, als buren, met voeten getreden en die verwisseld met haat en vijandschap. — een slechte ruil! Laat den wrok

ocr page 309

283

varen, en de oude, goede tijden zullen met hot geluk onzer kinderen ook voor ons weder aanbreken. Kom hier, sla toe!quot; — Mevrouw Groterjahn verroerde zich niet,; Helene had hare moeder losgelaten en weende aan Kareis hart. Karei zelf stond daar onbeweeglijk en met opgerichtcn hoofde; maar do tranen liepen ook hem langs de wangen; hij begon: „Mevrouw Groterjahn....quot; Verder kwam hij niet, want nu was Anton naderbij gekomen; doch ternauwernood begon hij: „Lieve Jeannette . . . toen zakten ook reeds de handen van de oogen zijner vrouw; zij zag hem onbeweeglijk aau, en oen weerkaatsing van vroegere hoogheid en majesteit vertoonde zich op haar gelaat; zij wierp haar hoofd achterover, als ware zij een strijdros, dat, doodelijk getroffen, ter neder ligt, maar bij den klank der trompet nog eenmaal voor 't laatst den trotschen kop opbeurt, en haar blik sprak: ,Gij, worm! Ook gij nog, gij, worm?quot; —Maar Anton liet zicli niet overbluffen, en Jochem Klahn fluisterde Paul toe: «Paul, nu krijgt de zaak haar beslag.quot; — Anton ging nu opnieuw voort: „Lieve Jeannette, zie toch dat liefelijk beeld aan; vindt gij 't niet aandoenlijk? Zie! van hunne kindsheid af hebben zjj elkaar reeds liefgehad; Klein-Barkow en Groot-Barkow liggen dicht bij elkander; door hunne vereeniging en door elkaar hunne hand te schenken, zouden die twee goederen ook in ééne hand komen, want onze Paul heeft grooten aanleg tot do studio. — wat mij betreft, mag hij advocaat of doktor worden. Ik beschouw dit als een wenk van den hemel, en, lieve Jeannette, de mensch moet zulke wenken . . . .quot; — „Laat mij met rust, Anton,quot; zeide zij, en zij ging statig, gelijk eene koningin, naar het jeugdige paar toe, want zij begon te gevoelen, dat de zaak zonder haar tot stand zou kunnen komen, en dan had zij naderhand slechts „ja!quot; te zeggen; zóó wilde zij echter niet aftreden; zij legde hare hand op Helenes hoofd en sprak: „Mijn kind, gij hebt gekozen, uwe moeder geeft u haren zegen.quot; — „Paul,quot; zeide Jochem Klahn, „ik kan er niets aan doen, maar ik moet Reuter. Mont, en Cap. 2e Jr. 19

ocr page 310

284

schreien. Ik licb je moeder onder hare waarde getaxeerd; kijk tocli zulke deftige manieren eens aan!quot; — Maar Paul hoorde er niets van; liij was naar zijne zuster toegesprongen, had haar omhelsd, en riep: „Leentje, lieve Loontje!quot; Dat was zijn zegen. — Nu wilde Anton, als vader, er ook wat toe bijdragen, maar Jahn nam hem onder don arm, zeggende: „Laat dat maar blijven, Anton, steek uw zwaard in do scheede; laat nu uwe vrouw begaan. Gij hebt straks tijd en gelegenheid genoeg, om uwe dochter geluk te wenschen. Laat uwe vrouw nu met rust; zij is op don goeden weg, doch als gij or u mede wilt bemoeien, kon haar hoogmoed zich weder vertoo-nen, en dat zou erg wezen.quot;

Hot gezelschap ging nu terug naar het hotel dor familie Groterjahn; het jonge paar ging vooruit, vol zaligheid in hot hart, en Ilelene zag nog eeus met dankbaarheid naar de plok, waar haar lot zulk eeno gelukkige wending had genomen, en naar don ouden steenen trog. alsof die eeno loterijvaas was geweest, waaruit zij onder vrees en hoop het hoogste lot had getrokken. De oude Jahn ging naar mevrouw Groterjahn en bood haar zijn arm aan; zij zag hem schuw van tor zijde aan en trok een gezicht, gelijk een patiënt, die eeno bittere arsenij moot innemen; maar, wat moet, dat moet; zij had „Aquot; gezegd, nu moest zij ook „IV zeggen; zij nam zijn arm, maar zag hom verder niet aan en sprak ook niet. — Dos te meer sprak het volgende paar; zijn zegen had Groterjahn op raad van Jahn binnengehouden, maar zijn geluk? Neen, dat kon hij niet zwijgen, dat moest hij luide uitroepen, en daarbij stootte hij tante Lina telkens met zijn elleboog in de ribben en hield zijne vrije hand voor den mond en lachte heimelijk en wees naar Jahn en naar zijne lieve vrouw. Daarop volgde mijnheer Nomlich mot mijnheer Beijer; zij pasten echter niet bij elkander: mijnheer Beijer was uitgelaten vroolijk en riep van tijd tot tijd boven het gansche gezelschap uit: „Karei Jahn!quot; en zoodra die dan omzag,

ocr page 311

285

knikte li ij licm toe, tot een teckeu, dat iiij zich goed gehouden had. Doch mijnheer Nemlicli had in geheel zijn voorkomen iets zeer weemoedigs; menige stille zucht klom in zijn hart op; en hij zag er uit gelijk een zachte herfstavond, als de zon op het punt is om afscheid te nemen en een zacht koeltje door de afgevallene bladeren ruischt. Na hen kwamen oom Bors en mijnheer Gumbert, en Jo-chem Kliihn en Paul sloten den stoet. Paul vroeg: „Wel, Jochem, wat zeg je nu?''— „Paul, dat mag je wel vragen! Verheugen doe ik me over onzen Karei en jou Helene, want dat is een natuurlijke toestand; maar, verwonderen doe ik me ook over mijn mijnheer en jou moeder, want dat is een onnatuurlijke toestand.quot;

Anderhalf uur later zat het geheele gezelschap in den spoorwagen, en de reis ging naar 't Noorden, naar het „beloofde landquot;' Mekklenburg; slechts de heer Peijer reisde eerst nog naar Milaan, en mijnheer Gumbert koerde terug naar zijn mijnheer Bauer in Venetië; ook aan oom Bors hadden onze vrienden niet veel; Inj reisde met de derde klasse en logeerde 's nachts altijd in allerlei verdachte herbergen, en toen Groterjahn hem hierover aanmerkingen maakte, zeide hij: „Gij hebt goed lachen, waarde neef; gij hebt geen drie jongens, die u op de vingers zien. Neen, ik moet er mijne tweehonderd daalders, zooveel als mogelijk is, op reis zien uit te halen.quot;

In den wagen zaten Jalin en Groterjahn nu bij elkander; /jij hadden hunne zakboekjes voor den dag gehaald, en het overige gezelschap hoorde zoo nu en dan eens enkele woorden, zooals: obligaties en hypotheken, en van het kapitaal, dat bij den één stond, en van het kapitaal, dat daar was ingeschreven; eu toen zij in Munchen aangekomen waren, zeide Groterjahn tot zijne vrouw: „Jahn is toch een buitengewoon nobele kerel. Kijk! nu heeft hij aangeboden..— „Dat wil ik volstrekt niet weten, Anton; maar, dat zeg ik je, kom mij nooit weer onder de oogen, als je niet nog nobeler zijt dan hij; dat eischt onze eer.quot; — En nu be-

ocr page 312

286

gon tusschcii die twee oude knapen een ware wedstrijd om grootmoedig en nobel te zijn, zoodat de jonge lieden wel tevreden konden wezen met al de bepalingen, en toen zij in llostock aankwamen, was alles kant en klaar. Karei en Ilelene zouden Groot-Barkow bekomen en aldaar wonen, en Karei zou ook over Klein-Barkow bet bestuur hebben, totdat Gustaaf zoo ver was, om dit te kunnen overnemen. — „Maar nu is Paul er nog,quot; zei do oude Jahn. — „O! laat dat maar blijven!quot; hernam Groterjahn. „Ge zult zien, dat Pan lus voor advocaat zal studeeren quot; — «Nu, dat geloof ik nog niet,quot; sprak de oude man, „hij zal ook wel landman worden; maar, als liet zóó ver is, zal zich dat ook wol schikken!quot;

„Wel, tante Linazeido de oude Jahn, toen zij in llostock don spoorwagen verlieten, „vandaag en morgen moet gij 't nn bij mij voor lief nemen, want in een logement zult gij toch hier wel niet gaan, daar zoudt gij mij leed mede doen. — Jochem, bezorg de bagage van de dame bij ons aan hui»; wij gaan vooruit.quot; Men nam nu een vriendelijk afscheid van de Grotorjahn's, en toen zij in huis, hij den ouden man waren aangekomen, maakte hij vensters en deuren open en riep: „Hier is 'tal te benauwd; wij willen naar den tuin gaan, maar die zal er w'el mooi uitzien!quot; — Daarin had hij zich echter vergist, want Gustaaf had er een tuinman in gehad, en het liefelijke voorjaar lachte hen uit den tuin net en zindelijk tegen, — „Zie eens, mijnheer Jahn,quot; zei de oude dame, „hier bloeien de kersebooinen ook al; sedert wij in Venetië geweest zijn , heeft de kersenbloesem ons niet verlaten. ' — „Wacht eens,' zei de oude man; „ga hier een weinig in 'tprieel zii-ten; ik kom aanstonds weder,quot; En toen hij wederkwam, kwam hij niet alleen; hij kwam met eene andere oudo dame onder den arm ; zij was oud en bestoven, en had eene verschoten roode muts op en eene donkergroene crinoline aan; geboortig was ze uit Hongarije en zij stamde uit het edele en uitgebreide geslacht der ,Von Flesschensteins,'' — Hij

ocr page 313

287

deed haiir de roode muts af en verzocht haar ue nijging-voor tante Lina te maken en mede te doelen, wat zij op quot;t harte had. En hij nam een glas en stootte er mede tegen het andere, en zeide: „Tante Lina , ik heet u welkom! Gij zeidet straks, dat de kersenbloesem ons, op onze laatste reis, niet verlaten had; de bloesems van ons leven hebben ons echter al lang verlaten; wat zoudt gij er van denken, zoo wij elkander in onze oude dagen nu niet meer verlieten ? Gij hebt geeno nadere betrekkingen; plaats genoeg hebben wij hier in huis, en 't zal alles gemakkelijk voor u ingericht worden. Kom hier, en sla toe!quot;

Tante Lina zag hem eerst eenigszins vragenderwijze aan ; doch zij behoorde niet tot die preutsche, oude vrijsters, die nog eerst vele complimenten maken, eer zij „ja1' zeggen: zij sloeg vrij en vroolijk toe en zeide: „Ik blijf bij u.quot; — En de zaak was afgedaan, een nieuwe band was gesloten, en de schoone lentedag en de oude Hongaarsche dame spraken een woordje mede, en twee oude hrrten waren jong geworden.

Toen zij den volgenden dag bij elkaar zaten en Jochem de koffie binnenbracht, zeide mijnheer Jahn tot hem: ,Jochem, wij passen nu niet best meer samen; ge zijt op de reis zelf zoo'n soort van mijnheer geworden, en dat deugt niet voor mij; 't zal wel het beste zijn. dat wij scheiden.quot; — 't Was een groot geluk, dat Jochem het koffieservies al op tafel gezet had, anders zou hij 't op den grond hebben laten vallen; hij stond geheel onthutst en verbaasd, en stamelde : „Mijnheer, mijnheer! Wat kwaad heb ik u gedaan ?quot; en de tranen stroomden hem uit de oogen. — De oude man stond op, legde zijne hand op Jochems hoofd, zeggende: „Xiets kwaads hebt ge mij gedaan, mijn jongen, en zóó is 't ook niet gemeend. Zie! ik moet nu, in plaats van een knecht, een dienstmeisje houden, en een boezelaar en eene muts met drie panden zouden je toch niet passen. Maar er is al voor je gezorgd; ik heb met Karei gesproken ; je zult naar Klein-Barkow gaan en daar den land-

ocr page 314

288

bouw en liet bestuur van het goed behoorlijk leeren. Ik weet wel, dat het anders uiet voegt, en dat het ontzag er onder lijdt, als eon dagloonerskind over andere dag-looners moet commandeeren; maar hier is het eene andere zaak; de lieden, die gij gekend hebt en die jou gekend hebben, zijn naar Amerika; en die je voortaan onder je zult hebben, kennen je en al je vroegere gekke streken niet; en dus denk ik wel, dat het gaan zal; maar je moet je best doen, en met schrijven en rekenen moet je opnieuw aan 't werk gaan.quot; — „Mijnheer, schrijven kan ik en rekenen ook, en al het andere zal ik wel leeren.quot; en zijne oogen schitterden. Doch op ééns werd hij treurig; „Maar, mijnheer, moet ik van u weg, mijnheer?'' — „quot;Wees daar maar getroost onder; je zult mij dikwijls genoeg te zien krijgen.quot; — „Nu, dan is 't mij ook alles egaal! Heere. bewaar ons! Wat zal mijne moeder wel zeggen? Ze wou een rijknecht van mij maken, en nu word ik immers mettertijd nog wel inspector!quot;

In het naburige huis werd dien morgen ook afrekening gehouden; mijnheer Nemlicli kreeg zijn beloofde douceur, en toen moeder Groterjahn hem die rijkelijk uitbetaald had, drukte Anton hem, in de vreugde zijns harten, nog een bankbiljet van vijf-en-twintig daalders in de hand; dat moest een pleister zijn op de vele wonden, die hij hem onderweg door zijne lompheid had veroorzaakt Mijnheer Nemlich kwam dien avond behouden bij den ouden koster Peereboom aan, en ik zeg niets van Mundes blijdschap en van den trots, waarmede de oude, brave, aanstaande schoonvader hem ontving; ik wil slechts verhalen, dat hij door voorspraak van den predikant werkelijk de betrekking van hulponderwijzer te Zwiebelsdorp gekregen heeft. Daar zit hij dan nu nog, maar geheel alleen, want om op te trouwen, is die betrekking niet; evenwel, naar 't geen ik in de Rostocker courant gelezen heb, heeft hij bepaald vooruitzicht op een goeden onderwijzerspost, en dan zal do

ocr page 315

289

bruiloft plaats hebben. Van zijne reis naar Konstautinopel vertelt hij gaarne en mooi; maar hij heeft toch zóó veel geheel en al vergeten, dat hij 't zich volstrekt niet meei zou kunnen herinneren, zooals. bij voorbeeld, zijn voetval te Smyrna, waarvan hij zelfs aan Munde niet eens iets verteld heeft. Hij heeft nochtans op reis veel geleerd; hij heeft sedert dien voetval over velerlei zaken ernstig nagedacht en ingezien, dat het lezen van „Eugène Suequot; het hoofd eerder verward, dan helder maakt, en hij heeft ondervonden , dat de mensch, uit de boeken alléén, weinig leert, al kent hij ook den kleinen Petiskus, en den kleinen Cannabich en den kleinen Kösselt van buiten. Hij heeft zich geheel op zijn schoolonderwijs toegelegd, en wanneer hij zich daarmede moê gewerkt heeft, dan houdt hij zich bezig met bijenteelt en boomkweekerij. Ja, als hij zóó blijft voortgaan, en daarvoor zal Munde wel zorgen, dan zal de achtenswaardige stand, tot welken hij behoort, hem met blijdschap en trots onder zijne leden tellen, en men zal het hem en mij niet kwalijk nemen, dat hij eenige domme streken heeft uitgevoerd, en dat ik die verteld heb.

De bruiloft van Karei en Helene heeft reeds lang plaats gehad; zij wonen te Groot-Barkow, gelukkig door hunne zorg voor elkander, gezond door werkzaamheid en bemind door hunne menschlievendheid. Jalm en Groterjahn en tante Lina reizen er dikwijls henen en verheugen zich over het geluk, dat daar gesmaakt wordt; Paul gaat dan mede.

Moederlief rijdt er ook wel eens heen, maar slechts zelden ; zij laat zich liever door haar kind bezoeken; zij is wel tevreden met het geheel, maar het stuit haar evenwel zeer tegen do borst, dat z ij de zaak niet bewerkt heeft, — dat zij den pijl niet gescherpt heeft, dien zij ten slotte toch met zooveel glans heeft afgeschoten. Een troost heeft zij echter, — zij heeft door de zorgen voor het uitzet, waarbij Anton natuurlijk altijd „jaquot; zeide, al

ocr page 316

290

iiet betwistbare laud weder veroverd, dat zij op de reis bad verloren; zij is weder geheel en al Lodewijk Napoleon, wel te verstaan, wanneer bij eerst de Rijngrenzen weder heeft

Menigmaal, als zij al te streng regeert, loopt Groter-jahn blootshoofds naar Jahn en klaagt hem zijn leed. — „Wel,quot; zegt do oude Jahn dan, ,Anton, je moest den hemel danken, dat zij je 't werk afneemt.quot; — „'t Werk afnemen? Mijne werkzaamheden neemt zij mij toch niet af. Ik heb zoo veel te doen! Daar hebben ze mij nu weêr in het bestuur van de societeit gekozen, maar ik kan 't niet aannemen, ik heb er den tijd niet toe.quot; Wordt bet echter somtijds niet het regeeren al te erg, dan gaat tante Lina naar mevrouw Jeannette en maakt de zaak in orde, want voor die dame heeft mevrouw Groterjahn verbazend veel respect, en dat is evenzoo van lieverlede gekomen, als het ontzag van Anton voor haar.

Een paar jaren na de reis werden in eeue kleine stad in Pommeren twee brieven op het postkantoor bezorgd; de ééne was geadresseerd: „Aan den Heer Jahn, particulier te Rostock,quot; de andere: „Aan den Heer Bors, zeepzieder te Schwerin; hierbij vijf-en-zeventig daalders.' Toon de oude Jahn zijn brief geopend en gelezen had, reikte hij dien aan tante Lina toe; zijne oogen waren vochtig geworden ; tante Lina las hem, zij nam den ouden man bij den arm en ging met hem in den tuin, en die beide menschen vierden een gelukkigen dag. Toen oom Bors den brief opende, was zijn zoon, de koopman, er bj. en bekeek het couvert. „Mijn hemel, vader, hoe komt liet, dat u uit die stad geld gezonden wordt?quot; vroeg hij. — „Gaat dat jou aan? Ik denk, dat ik mijne geldzaken wel zal kunnen afdoen,quot; antwoordde de vader; hij ging naaide andere kamer en las den brief ten einde en zeide toen bij zich zeiven: „Waarachtig, de kerel is eerlijk, en als de fortuin liem gunstig is, zal ik eindelijk toch mijne tweehonderd daalders misschien nog krijgen.quot;

ocr page 317

291

Dezen zomer was Pauls conrector bij mij; ik vroeg hem, of Paul ook zou gaan studeeren; li ij lachte en scluulde het hoofd. „Paul Grotcrjahn,quot; zeide lijj', „is een goede, hoste jongen, maar tot studeeren zal hij nooit komen; die wordt landbouwer.quot; — En dit is nu van 't gansche lied het

EINDE.

ocr page 318
ocr page 319
ocr page 320
ocr page 321
ocr page 322