â ' ;
â
|
1 | |
|
â | |
|
: | |
|
. |
i
_
â
___
H. FRANCISCUS VAN ASSISIE.
T
%
C y/r
LEVEN
(fo
VAN DEN
. Franciscus van Assisië,
VOLGENS
LEOPOLD DE CHERANCÃ, CAPUCIJN,
DOOR
EEN PATER VAN DEZELFDE ORDE.
T I L B U R G,
Stoomdrukkerij van het R. K. Jongens-Weeshuis. 1896.
Alg-ïmcsne Provincie Kataloog
Minderbroeder ski ooster
Alverna Gld
I M P RI M xV ï U R.
M. V. DE BEER, Sup.-Gcn,
ad hoc delegatus.
Tilburgi, 5 Martii 1896.
I M P RI M A T ü R.
Fr ARCH ANGELUS M. Provinc. Tilburgi, 1 Martii 1896.
VOORREDE.
Eenige jaren geleden schreef onze H. Vader Leo XIII in zijne Encycliek âover den H. Franciscusquot; en de âverbreiding der Derde Orde '; Het is sedert tang onze vurige wensch, dat ieder zich naar best vermogen op de navolging van den H. Franciscus van Assisiè toelegge.quot;
Hoe heter wij nu den minnaar der armoede, den trooster der noodlijdenden, den Seraf der liefde kennen, des te meer zullen wij ons aangespoord gevoelen zijn deugden na te volgen.
M'ij meenen daarom een nuttigen arbeid te verrichten door eene eenigszins uitgebreide levensbeschrijving van den II. Franciscus in onze moedertaal te beu-erken.
Daartoe hebben wij den gunstig bekenden schrijver âLeopold de Cherancéquot; tot grondslag genomen.
Diens âH. Franciscus van Assisië'' werd reeds in zeven talen overgezet en mocht binnen weinige jaren zes uitgaven zien.
Aangaande alle in dit werk medegedeelde icon deren, titels, enz. verklaart de bewerker zich te voegen naar de Constitutiën van Paus Urbanus VIII (13 Maart 16.23 en 15 Juli 1635.
De Enegeliek âPugpieato'
OVER DEN
HEILIGEN FRflNCISCÃS VflN ÃÃSSISIÃ,
PAUS LEO XIII,
AAN AL ONZE EE.IWAAKDIOE BROEDERS. DE PATRIARCHEN, PRIMATEN, AARTSBISSCHOPPEN' EN BISSCHOPPEN DER KATHOLIEKE WERELD, DIE IN GENADE EN GEMEENSCHAP ZIJN MET DEN APOSTOLISCHEN STOEL.
Heil en upostolisolicn zegen !
Eertvaardige Broeders,
Door een gelukkig- voorrecht mag liet Cliristeuvolk binnen een korte tijils-ruimte ile gedachtenis van twee mannen herdenken, die tot de eeuwige beloo-ningen der heiligheid ten hemel opgeroepen, een uitstekende schaar van volgelingen, als telkens weder opgroeiende spruiten hunner deugden, op aarde hebben nagelaten.
Na het eeuwfeest ter gedachtenis van Benedictus, den vader en wetgever der monniken in het Westen, biedt zich welhaast een niet ongelijke gelegenheid aan, om ook Frauciscus van Assisië bij het zevende eeuwfeest zijner geboorte een openbare hulde te brengen. Eu Wij meenen niet zonder grond in den samenloop dier beide feesten de goedertierene leiding der goddelijke voorzienigheid te huldigen. Want door ons den geboortedag van zulke heilige vaders ter viering voor te stellen, schijnt God de menschen te willen vermanen, zich de zeer groote verdiensten dier heiligen te binnen te brengen, en tevens in te zien, dat de kloosterorden, door hen gesticht, geenszins zoo onwaardig hadden aangerand moeten worden, vooral niet in die Staten, wier beschaving en roem zij door hun arbeid, hun geestesgaven en ijverigen toeleg verhoogd hebben.
Wij vertrouwen, dat deze plechtige feestviering niet onvruchtbaar zal zijn voor het Christenvolk, hetwelk niet ten onrechte de kloosterlingen altijd voor zijne vrienden placht te houden; en derhalve, zooals het den naam van Benedictus met groote toewijding en dankbaar gemoed vereerd heeft, zoo zal het nu om strijd de gedachtenis van Franciscus met feestelijke hulde en veelvuldige liefdebetuiging vernieuwen. En die lofwaardige wedstrijd van toewijding eu vereering beperkt zich niet tot de streek, waar de heilige man het levenslicht aanschouwde, noch tot de naburige landen, die hij door zijne tegenwoordigheid eerwaardig maakte, maar heeft zich verre uitgebreid tut alle gewesten der aarde, waar de naam van Franciscus is doorgedrongen of zijne instellingen bloeien.
Dezen ijver voor eene zoo uitstekend goede zaak keurt, voorwaar, niemand
10
meer goed dan Wij: vooral dewijl Wij Ous. van onze jeugd af, gewoon gemaakt hebben Franeiscus van Assisië met bewondering en bijzondere godsvrucht te vereeren; Wij gaan er groot op in de Orde van Franeiscus te zijn opgenomen! Meer dan eens hebben Wij uit godsvrucht en met opgewekte blijdschap het heilige Alvernische gebergte beklommen, waar het beeld van dezen zoo uitstekenden man, op welke plaats we ook den voet zetten, ons voor den geest oprees, en de eenzaamheid, zoo vol herinneringen, onze ziel in stille overpeinzing bevangen hield.
Doch hoe lofwaardig deze ijver ook zij, daarin is geenszins alles begrepen. Want Wij moeten wel in het oog houden, dat die eerbewijzingen den H. Franeiscus het meest welgevallig zullen zijn, welke vruchten afwerpen voor hen, die ze brengen. Mu bestaat de degelijke en onvergankelijke vrucht der hei-ligenvereering hierin, dat de menschen zich eenige gelijkenis verwerven met hem, wiens uitstekende deugd zij bewonderen, en pogen door navolging beter te worden. En wanneer zij zich hierop met Gods hulp ijverig toeleggen, dan is er een zeer geschikt en afdoend geneesmiddel tegen de kwalen onzer dagen gevonden.
Derhalve willen wij U, Eerwaardige Broeders, door dezen Brief toespreken, niet slechts om openlijk getuigenis te geven van onze godsvrucht jegens Frauciscus, maar ook om uwe liefde op te wekken, opdat Gij evenals Wij en met Ons ü toelegt, aan het welzijn der menschen Cwe zorgen te wijden met behulp van het geneesmiddel, dat Wij noemden.
De Verlosser van het menschelijk geslacht, Jesus Christus, is de altijddurende en steeds vloeiende bron van alle genaden, die ons van Gods oneindige lietde toestroomen, en wel zoozeer dat Hij die eenmaal de wereld verloste, ook haar Redder zal blijven in alle eeuwen: âWant er is geen andere naam onder den hemel den menschen gegeven, waarin wij zalig moeten worden.quot; 1) Wanneer het dus somtijds door de zwakheid onzer menschelijke natuur of door eigen schuld geschiedt, dat het menschelijk geslacht ter verkeerde zijde afwijkt, en een buitengewone hulp schijnt te behoeven om weder in het rechte spoor te komen, dan is het dringend noodzakelijk zich tot Jesus Christus te keeren, en in Hem de beste en zekerste toevlucht te zien. Immers zijn goddelijke kracht is zoo groot en vermag zooveel, dat zij in staat is alle gevaren af te weren en alle kwalen te genezen. De genezing nu zal zeker zijn, indien het menschelijke geslacht slechts tot de betrachting der christelijke wijsheid en tot de levens regelen des Evangelies wordt teruggebracht.
Wanneer de rampen, die Wij noemden, ous overvallen, en de door Hem voorziene tijd van vertroosting tot rijpheid is gekomen, dan wekt God een man op, niet een gelijk vele anderen, maar een groot en buitengewoon man, aan wien Hij het herstel van het algemeen welzijn opdraagt. Welnu dit gebeurde juist tegen het einde der twaalfde eeuw en iets later. De uitvoerder van dit groote werk was Franciscus.
Dat tijdperk evenzeer als de bijzondere aard zijner deugden en ondeugden is genoegzaam bekend. Diep en krachtig was het Katholieke geloot in de zielen geworteld; en schoon was het, dat zeer velen, in vurige godsvrucht ontbrand, zich naar Palestina begaven, vast besloten te overwinnen of te
1
Hand. IV, 12.
11
sterven. Niettemin had de losbandigheid de volkszeden reeds zeer bedorven, en niets was deu raenschen zoo noodzakelijk als de hernieuwing van den christelijken geest.
Doch het wezen der christelijke deugd is de edele gesteltenis der ziel, die in staat is om lijden en moeilijkheden te verdragen; haar zinnebeeld is het kruis, omdat zij die Christus willen volgen, het kruis op hun schouders moeten laden en dragen. Met die richting van den geest is het geringschatten vei-bonden van aardsche dingen en de zelfoverwinning, het gewillig en geduldig verdragen van wederwaardigheden. Eindelijk is de liefde tot God en de naasten de meesteres en koningin der deugden; en hare kracht is zoo groot, dat zij de moeielijkheden welke met den plicht verbonden zijn, doet verdwijnen, en de zwaarste lasten niet alleen dragelijk, maar zelfs aangenaam maakt.
In de twaalfde eeuw waren deze deugden blijkbaar zeer schaarsch, daar al te velen dvvazelijk geheel aan tijdelijke belangen verslaafd waren, eer en rijkdom met dolle drift najoegen, of hun leven in weelde en genietingen doorbrachten. De rijkdom was in de handen van weinigen, en diende bijna tot niets anders dan tot verdrukking der rampzalige en verachte menigte; en zelfs zij die om hun levensstaat de overigen ten toonbeeld moesten zijn, waren van rie smetten der algemeene ondeugden niet vrij gebleven. Bij de vrij algemeene verflauwing der liefde hadden zich verschillende en dagelijks voorkomende rampen gevoegd : de nijd, de ijverzucht en de haat; de gemoederen waren zoo verdeeld en tot vijandschap geneigd, dat naburige steden elkander om de minste reden beoorloogden en de eene burger met den andere op onmensche-lijke wijze door het zwaard hunne twisten beslechtten.
In die eeuw viel de levenstijd van Franciscus. Evenwel heeft hij het met bewonderenswaardige standvastigheid, en even grooten eenvoud ondernomen om in woord en daad der verouderende wereld het echte beeld der christelijke volmaaktheid voor oogeu te stellen. Gelijk de groote vader Dominicus Gusman in die dagen ^de onschendbaarheid der hemelsche leeringeu verdedigde en de booze dwalingen der ketters door het licht der christelijke wijsheid verdreef; zoo verkreeg Franciscus, door God tot groote daden geleid, dat hij de Christenen, lang en verre afgedwaald, tot de deugd en navolging van Christus terugbracht.
Het was voorzeker geen toeval, dat deze uitspraken des Evangelies den jongeling ter oore kwamen; Wi/i noch goud bezitten, noch zilver, noch geld in uwe gordels; geen reistasch op den tv eg, noch ticee kleederen, noch schoeisel, noch staf. ') En, Zoo gij volmaakt wilt zijn, ga, verkoo2) wat gij hebt en geef
het den armen----en kom en volg mij 5), Dit uitleggende alsof het tot hem
met name gezegd ware, doet hij terstond afstand van alles : hij verandert van kleeding; neemt de armoede tot bruid en gezellin voor zijn verder leven, en wil, dat de hoogste voorschriften der deugden, door hem met verheven moed omhelsd, ook als de grondslagen zijner Orde zouden zijn.
Sedert dien tijd gaat hij, te midden van de groote weekelijkheid en de verfijnde kieschheid zijner eeuw, in een ruw boetekleed: vraagt zijn voedsel van deur tot deur; en verdraagt niet alleen, maar zoekt met bewonderenswaardige gretigheid de bitterste spotternijen van het verdwaasde volk. Hij had immers de dwaasheid van Christus' Kruis omhelsd en als de volstrekte wijsheid leeren kennen : en later tot hooger begrip dezer verheven geheimen door-
1) Matth. X, 9-10, 2) Mattli. XIX, 21.
12
gedrongen, zag en besefte Franciseus, dat hij zijn roem nergens beter vestigen kon dan in Jesns' kruis.
Tegelijk met de liefde tut het Kruis werd Franciscus' gemoed vervuld van eene brandende liefde, die hem aandreef, tot de uitbreiding van den christe-lijkeu naam, desgevorderd door zich zelfs aan blijkbaar doodsgevaar ) rijs te geven. In deze liefde omvatte hij alle menschen; maar het dierbaarst waren hem de behoeftigen en de meest verachten ; zoozeer dat hij bij voorkeur hen zocht, die ieder ander gewoonlijk vlucht of met trotsche afkeerig-heid bejegent. Aldus maakte hij zich verdienstelijk door dien broederband nauwer toe te halen, waardoor Christus Jesus weleer van het gebeele mensch-dom als één huisgezin maakte onder het oppergezag van God, aller gemeen-schappelijkeu Vader.
Door zoovele deugden en vooral door eene zeldzame gestrengheid van leven, poogde die geheel levensreine man het beeld van Jesus Christus, voor zoo veel hij vermocht, in zich zelf terug te geven. Doch het bestier der godde-delijke voorzienigheid ziet men ook hierin uitschitteren, dat het hem gegeven was ook in het âuitwendige' bijzondere trekken van gelijkenis met den goddelijke» Verlosser te hebben. Zoo werd Franciscus, naar het voorbeeld van Jesus, in een stal geboren, en als sprakeloos wicht had hij een legerstede als het goddelijk kind te Bethlehem, namelijk de aarde met stroo bedekt. En toen, zoo verhaalt men, werd de gelijkenis voltooid door Engelenkoren, die blijde rondzwevende met hun liefelijk maatgezang de lucht vervulden. Gelijk Christus het met de Apostelen deed, zoo koos hij zich eenige uitgelezene leerlingen, om hen als boodschappers van den christelijkeu vrede en van de eeuwige zaligheid naar de verschillende landstreken der aarde uit te zenden. Allerarmst, beleedigd, bespot, door de zijnen verworpen, heeft hij ook daarin het beeld van Christus teruggegeven, dat hij zelfs niet liet geringste als eigendom wilde bezitten om er zijn hoofd op néér te leggen. Het laatste kenmerk van gelijkenis met Jesus werd hem toegevoegd, toen hij op de kruin van den berg van Alvernia, als op zijn Calvarië, door een wonder tot dien tijd ongehoord, als het ware gekruisigd werd en door goddelijke macht de heilige wonden in zijn lichaam ontving.
Wij herinneren hier aan een gebeurtenis, niet minder verheven om haar wonderdadig karakter dan beroemd door de lofprijzingen der eeuwen. Want toen hij eens in een vurige overdenking van Christus' smarten verzonken was en verlangde dezer allergrootste bitterheid in zich te gevoelen en zich als een dorstige daaraan te laven, daalde plotseling een Engel van den hemel af; tengevolge eener geheime kracht, die plotseling van dezen uitstraalde, voelde Franciscus zijne handen en voeten als met nagelen doorboren en evenzeer zijne zijde als met eene scherpe lans wouden. Van toen af ontbrandde zijne ziel in nieuwen liefdegloed; en zijn lichaam droeg voor het vervolg de levende en duidelijke indrukken der wonden van Jesus Christus.
Deze wondervolle gebeurtenissen, veeleer waardig in de taal der engelen dan in die der menschen verheerlijkt te worden, toonen genoegzaam, hoe groo:, en waardig de man was, door God bestemd om zijne tijdgenooten tot de christelijke zeden terug te roepen. Immers, de stem welke in de kerk van den H. Damianus tot Franciscus zeide: âGa, steun mijn wankelend huisquot;, was meer dan eene menschelijke stem. Niet minder wonderbaar is de verschijning, die God aan Innocentius III gaf, toen deze meende Franciscus met zijne schouders
13
de wankelende mnren iler Lateraansche Basiliek te zien schragen. De kracht en beteekenis dezer wonderen is duidelijk gebleken; gaven ze niet te kennen, dat Franciscns in dat tijdperk geen geringe hulp en steun voor de christelijke maatschappij wezen zou ?
Inderdaad, hij talmde niet zich ten strijde aan te gorden. De twaalf, die zich liet eerst ouder zijne leiding geplaatst hadden, waren gelijk aan een klein zaadje, dat men spoedig onder den zegen van God en onder de bescherming van den Opperpriester tot een zeer overvloedigen oogst zag opgroeien. Nadat deze op heilige wijze gevormd waren naar het voorbeeld van Christus, verdeelt hij onder hen de verschillende streken van Italië en Europa om er het Evangelie te prediken, terwijl enkelen zelfs last ontvangen tot Afrika door te dringen. Zij dralen niet! Hoewel arm, eenvoudig en ongeletterd, wagen zij voor het volk op te treden: op pleinen en in straten beginnen zij zonder f spreeKgestoelte en zonder praal van woorden de menschen aan te manen tot geringschatting der vergankelijke dingen, en tot waardeering der hemelsche. Verwonderlijk rijke vruchten beloonden den arbeid dezer schijnbaar zoo ongeschikte werklieden Want begeerig om hen te hooren stroomde een menigte van volk tot hen samen; alsdan beweenden velen met berouw hunne zonden, vergaven 't aangedane onrecht, en keerden door het bijleggen hunner geschillen tot gevoelens van vrede terug, 't Is ongelooflijk, met welk een geestdrift en vervoering bijua, de menigte tot Franciscns getrokken werd. Men volgde hem in dichte scharen, werwaarts hij ging, en niet zelden smeekten hem uit volkrijke plaatsen en steden alle burgers zonder onderscheid, hen onder zijn regel op te nemen. Aan dit verlangen dankt de âDerde Ordequot; van Franciscns haar ontstaan; eene orde waarin de Heilige man eiken stand, eiken leeftijd, elk geslacht opnam zonder de banden van 't huisgezin te verbreken of de huiselijke bezigheden te bemoeilijken. Want met wijze voorzichtigheid schreef hij aan die orde geen nieuwe wetten voor, maar de verordeningen zeiven van de wetten des Evangelies, die yeen Christen te zwaar kunnen voorkomen. Immers wat legt de Derde Orde op, tenzij de verplichting om aan do geboden van God en van de Kerk te gehoorzamen, partijschappen en twisten te verbannen ; het eigendom eens anderen te eerbiedigen, de wapenen niet oj) te vatten, tenzij voor godsdienst en vaderland; in leefwijze en kleeding de gulden middelmaat te houden; de woelde te vluchten ; de gevaarlijke aan-lokselen van dans en schouwspel te vermijden.
Het is gemakkelijk te begrijpen, dat er zeer groote voordeelen moesten ontspruiten uit eene instelling, niet alleen heilzaam in zich zelve, maar vooral uitnemend geschikt voor dien wpeligen tijd. â Deze geschiktheid wordt zoowel gestaafd door de genootschappen van denzelfden aard, later uit de Domini-kaner en andere orden ontstaan, als door de uitkomst zelve. Inderdaad, alom van de laagste tot de hoogste klassen, ontstond er een streven, een ijver, ja, een geestdriftige wedstrijd om in de orde van Franciscns te treden. Onder de eersten die deze onderscheiding begeerden, waren Lodewijk IX, Koning van Frankrijk, en Elisabeth, Koningsdochter van Hongarije: hen volgden in den loop der tijden vele Pausen, Kardinalen, Bisschoppen, Koningen en Vorsten, die allen de ordeteekenen van Franciscns niet onvereenigbaar achtten met limine waardigheid.
De leden van de Derde Orde toonden evenveel vroomheid als moed in het erdedigen van den Katholieken godsdienst, en al hebben zij om die deugden
14
veel van den haat en de afgunst der boozen te lijden gehad, nooit heeft het hun ontbroken aan de goedkeuring van wijze en brave mannen, wier lof ten hoogste eervol en alleen begeerenswaardig is. .Ta, onze Voorganger Gregorius IX zelf heeft hen openlijk met hun geloof en moed geluk gewenscht en niet geaarzeld hen door zijn gezag te verdedigen en hun den eerenaam van strijders voor Christus, van andere Machaheeën toe te kennen.
En die lof was niet in strijd met de waarheid ! Want er lag in die Orde een krachtig hulpmiddel voor het heil der maatschappij, hare leden streefden er naar, op het voorbeeld en het voorschrift van hun stichter naar vermogen de christelijke deugd met nieuwen luister in de maatschappij te doen herleven. Ongetwijfeld zijn dikwerf door hun tusschenkoinst en voorbeelden de oneenig-heden en partijschappen uitgedoofd of tot. bedaren gebracht, de wapenen aan de hand van woestaards ontrukt, de oorzaken van gedingen en twisten weggenomen ; door bun toedoen ook beeft de armoede en de verlatenheid leniging gevonden, is de losbandigheid beteugeld, die de ondergang is der welvaart en het werktuig des verderfs. Daarom ontspruiten aan de Derde Orde van Franciscus, als aan hun stam huiselijke vrede en openbare rust, reinheid van zeden en zachtmoedigheid, behoorlijk gebruik en beveiliging van den eigendom. En hierin zien wij de hechtste steunpilaren van beschaving en welvaart. Het behoud van deze voorrechten is Europa voor een groot gedeelte aan Franciscus verschuldigd.
Meer echter dan een der overige volkeren heeft Italië aan Franciscus te danken, dat het voornaamste looneel zijner deugden is geweest en 't meest zijne weldaden genoten heeft.
En wel in een tijd, waarin velen het onrecht met kracht voorstonden, bood hij steeds de broederhand aan den bedrukte en gevallene; rijk te midden der uiterste armoede, hield hij nimmer op de ellende van anderen te lenigen zonder aan de zijne te denken.
Zoet liet de jeugdige taal zijns vaderlands haar eerste klanken uit zijn mond hooren; de vervoering zijner liefde en zijner poëzij tevens stortte hij nit in lofzangen, die, bestemd voor het volk nochtans door de letterkundigen vau het nageslacht de bewondering niet onwaardig gekeurd zijn. Bij de gedachte aan Franciscus heeft zekere geestdrift en meer dan menschelijke bezieling onze landgenooten ontvonkt, en in het vereeuwigen zijner daden wedijverden penseel, beitel en graveerstift onzer grootste meesters. In Franciscus vond Alighieri een dichtstof, die hij in even verheven als zoetvloeiende verzen kon bezingen; aan zijn leven ontleenden Cimabue en Giotto tafereelen, die zij in de kleurtinten van Parrhasius onsterfelijk maakten ; aan hem dankten beroemde bouwkunstenaars de ideeën, die zij in grootsche bouwwerken uitdrukten, zoowel bij het graf van dezen allerarmsten heilige, als bij de kerk van âMaria der Engelen,quot; de getuige van zoo vele en groote mirakelen. Naar deze heiligdommen stroomen talrijke scharen van alle kanten samen, ten einde den vader der armen te vereeren, wien de gaven der goddelijke goedheid ruim en overvloedig toestroomden naarmate hij zelf volslagen aan alle tijdelijke bezittingen verzaakt had.
Duidelijk is het derhalve, dat de christelijke en burgerlijke maatschappij onnoemlijk veel aan dezen éénen man te danken heett. Doch omdat zijne gezindheid, bij uitstek christelijk, op wonderbare wijze voor alle plaatsen en tijden heilzaam is, kan niemand het betwijfelen, dat de instellingen van
Francisous ook in onze eeuw zegenrijk zullen werken. Te meer wijl in meerdere punten overeenkomst bestaat tussclien onzen tijdgeest en dien van Pranciscus.
Gelijk in de twaalfde eeuw, is ook nu de liefde niet weinig verkoeld, is er deels door onwetendheid, deels door verwaarloozing niet weinig stoornis in de vervulling der christelijke plichten. Overal een zelfde drift, een zelfde inspanning om zich de gemakken des levens te verschaften, en de'genoegens na te jagen. Overgegeven aan wellust en weelde, verkwist men zijn eigendom, begeert men dat van anderen ; in naam verheffen zij de onderlinge broederschap der menscheu; maar hun woord spreekt meer van broederlijke liefde dan hunne daden. Eigenliefde, ziedaar de drijfveer; de echte liefde jegens de minderen en de armen vermindert bij den dag.
In den tijd van Pranciscus had de veelvoudige dwaling der Albigensen, door het oproer tegen de macht der Kerk aan te stoken, tegelijk den Staat in verwarring gebracht, en den weg tot een zeker Socialisinus gebaand. Thans zijn de begunstigers en verspreiders van het Naiuralismus toegenomen, die hardnekkig aan de Ketk alle gezag ontkennen, en geleidelijk en trapsgewijze verder voortgaande, zelfs de burgerlijke macht niet ontzien, het geweld en de volksoproeren goedkeuren, het eigendomsrecht aanranden, de hartstochten der volksheffe vleien, en zoo de grondslagen van het huisgezin en van den staat ondermijnen.
Bij deze zoo talrijke en zoo groote rampspoeden kunnen wij derhalve, zooals Gij, Eerwaardige Broeders, duidelijk inziet, redelijkerwijze veel steun verwachten van de instellingen van Pranciscus, wanneer zij maar in haar vorigen staat hersteld worden.
Want bloeiden zij, dan zou ook gereedelijk het geloof en de liefde en al wat voor den Christen lofwaardig is, een hooge trap van bloei bereiken ; dan zou de overmatige begeerte naar vergankelijk goed geknakt worden, en men zou niet terugschrikken, wat voor velen als de zwaarste en hatelijkste last geldt, zijne hartstochten uit kracht van deugd te bedwingen. Door de banden eener waarlijk broederlijke eendracht verbonden, zouden de menschen elkander onderling liefhebben, en aan de behoeftigen en ongelukkigen, als dragers van Christus' beeld, den eerbied bewijzen, waarop zij recht hebben. Verder zouden allen van den christelijken geest innig doordrongen, overtuigd zijn, dat men aan het wettig gezag uit bewustzijn van plicht gehoorzamen moet, en nie-mands rechten in iets mag schenden ; en zulk eene zielsgesteltenis is het krachtdadigste middel om al wat onder het aangegeven opzicht verkeerd is met wortel en tak uit te roeien zooals het geweld, de onrechtvaardigheden, de begeerte naar omwentelingen, de afgunst tusschen de verschillende standen der maatschappij : alle oorzaken en wapenen tevens van het Socia/ismus.
Eindelijk zal ook het vraagstuk, waaraan de staathuishoudkundigen zooveel arbeid ten koste leggen; de verhouding tusschen rijken en armen, het best opgelost worden, wanneer het vaststaat en met overtuiging is aangenomen: dat de armoede geen schande is; dat de rijke barmhartig en milddadig, de arme met zijn lot en handwerk tevreden moet zijn, en dat, daar geen van beiden voor de vergankelijke goederen der aarde geschapen is, de arme door geduld, de rijke door vrijgevigheid den hemel moet verdienen.
Om deze redenen is het sedert lang Onze vurige wensch, dat ieder zich naar best vermogen op de navolging van Pranciscus van Assisië toelegge. â Zooals Wij derhalve reeds te voren aan de Derde Orde van den H. Pranciscus een
16
bijzondere belangstelling hebben gewijd, zoo maken Wij ook nu, door Gods allerhoogste goedheid tot het Opperherderschap geroepen, van de geschikte gelegenheid gebruik, eu vermanen Wij de Christenen, zich bij deze heilige krijgsschaar van Jesus Christus te doen opnemen. Op verscheidene plaatsen worden er zeer velen van beider geslacht aangetroffen, die reeds met blijden moed de voetstappen van den Seraphijnschen Vader drukken. Hun voorbeel-digen ijver prijzen Wij en keuren Wij ten hoogste goed, doch Wij weuschen, dat vooral door uwe pogingen. Eerwaardige Broeders, die ijver verhoogd en onder meerderen verbreid worde.
De hoofdzaak onzer aanbeveling komt echter vooral hierop neer, dat zij die de onderscheidingsteekeneuder Bietoaardigheid hebban aangenomen, op het beeld van hun zeer heiligen insteller den blik vestigen en streven om hem gelijkvormig te worden: ontbreekt dit, dan zou bet eerste vau geene waarde zijn. Draagt dus zorg, dat men de Derde Orde algemeen kenne eu naar waarde schatte: maakt, dat zij die de zielzorg uitoefenen, het volk ijverig leeren, welke de aard der Derde Orde is, hoe gemakkelijk ieder in haar kan worden opgenomen, welk een overvloed van voorrechten zij tot heil der ziel waarborgt, hoeveel goeds zij én voor het bijzondere én voor het openbare leven uitwerkt. Hiervoor moet gij des te meer moeite besteden, naarmate de leden der Eerste en der Tweede Orde van den H. Franciscus thans onder zwaarder vervolging gebukt gaan. O mochten zij toch, verdedigd door de bescherming van hunnen vader, spoedig uit zoovele tegenspoeden gered, in kracht en bloei vooruitgaan! Mochten ookquot;de Christenvolken in menigte aan den regel dei-Derde Orde deelnemen, met zooveel vuur en in zulk een getal, als zij voorheen van alle kanten om strijd naar Franciscus zeiven toestroomden!
Maar dit vragen Wij met meerderen aandrang en verwachten Wij met hooger recht van het volk van Italië, wien de nauwe band van hetzelfde vaderland en de grootere overvloed van ontvangen weldaden duurder verplichtingen en hoogere dankbaarheid jegens Franciscus opleggen.
Zoo toch zou, na zeven eeuwen, Italië's volk en de geheele Christenwereld van de verwarring tot de eenheid komen, van het verderf tot de redding, en zulks danken aau den man van Assisië! Laat ons dit met gezamenlijk gebed, vooral in deze dagen, van Franciscus zelf afsmeeken ; zoeken wij dit evenzeer te verkrijgen vau de Maagd en Moeder (iuds Maria, die de liefde en trouw van haren dienaar steeds met hemelsche bescherming en buitengewone gaven beloonde.
Iiitusschen schenken Wij U, Eerwaardige Broeders, en aan geheel de Geestelijkheid en aan het volk, dat ieder Uwer is toevertrouwd, als onderpand der hemelsche zegeningen en als blijk onzer bijzondere welwillendheid, van ganscher harte den Apostolischeu zegen.
Gegeven te Rome, bij St. Pieter, den 17 September van het jaar 188i, in het vijfde jaar van ons Pausschap.
LEO XIII, Paus.
itMMMMU*ÃÃiétiit»iiiiiiÃiiiiiÃiiiiiiiÃiiiiiii»i»llilgt;iÃMhiilgt;Hliigt;iittiiiUÃi
EERSTE HOOFDSTUK.
Geboorte en jongelingsjaren van den H. Franciscus.
(1182â1205.)
-
ssisië, eea overoude stad, volgens sommigen reeds lang voor Rome gesticht, ontleent zijn naam aan den berg Asis, ^lr «IT thans de Soubase geheeten, aan welks glooiing het opgehangen schijnt. Het stadje ligt in Umbrië, eene provincie van de vroegere kerkelijke Staten, in een der meest bekoorlijke landstreken van Italië. Van de stad naar liet Zuiden gekeerd, waart het oog over het vruchtbare dal van Spoleto en verder, tot waar de blauwe bergketen der Apennijnen statig ten hemel oprijst. Wendt men zich naar het Westen, dan heeft men Montefalco voor zich op een hoogen berg, terwijl van uit 't Noorden het vriendelijke Perugia u van zjjn heuvelen toelacht. Het geheele landschap wordt op den achtergrond beheerscht door Assisië, de parel van Umbrië. Daar, zooals de Florentijnsche Dichter zingt;
â..... werd der wereld eene zon geboren,
Dus wie den naam noemt, aan die plaats beschoren.
Zeg niet Assisië; 't zou bekrompen wezen:
Maar âOosteri'' wil hij hem volmaakt doen hooren.quot; (1)
âOostenquot;, dat is te zeggen, het licht, de dageraad der volkeren. Het beeld is stout, maar toch niet onjuist gekozen/sinds Assisië in de geschiedenis het uitgangspunt werd eener wedergeboorte der Christenheid; sinds het binnen zijne muren het eerste levens licht schonk aan den Serafijnschen Vader Franciscus, wiens leven wij hier gaan beschrijven.
In het jaar O. H. 1182 onder het pausschap van Lucius III (den 2G September, zooals de plaatselijke overleveringen melden),
(1) Dante. Paradijs. Zang XI. Vertaling van Mr. Joan Bohl.
4
18
werd het kind geboren, dat eens zijn vaderstad zooveel Daam en luister zou bijzetten, de H. Franciscus, de Seraf der Goddelijke Liefde !
Zijn vader Petrus Bemardus Moriconi, meer algemeen bekend onder den naam van Petrus Bernardone, was een schatrijk koopman, van Lucca afkomstig. Eerst onlangs te Assisië gevestigd, dreef hij een grooten handel op Frankrijk, waar hij laken, zijden, fluweelen en allerhande stoffen verkocht, welke de steden van Sienna en Florence destijds zoo lijn en kunstig afwerkten, dat zij daarin haars gelijke niet hadden.
Pica, zijne moeder, was gesproten uit het adellijk geslacht der Bourlemonts van Provence in Frankrijk. Om haar eenvoudige godsvrucht verdiende zij de u oeder te worden van een heilige. Zij had slechts twee kinderen : Franciscus en Angelus. De laatste trad te Assisië in het huwelijk, waar, volgens Wadding, het overoud geslacht der Moriconi omstreeks het begin der 16e eeuw nog in vollen bloei was.
De Hemel, die met Franciscus andere plannen voorhad, omringde de wieg van dit uitverkoren kind met buitengewone won-derteekenen en voorspellingen.
Nog in onze dagen toont men te Assisië, enkele passen van de oude woning der Moriconi, eene kleine bidplaats, toegewijd aan onzen Heilige. De kapel draagt den naam van: â San Francesco tl Piccolo^ Sint Franciscus de kleine. â Eertijds was het een gewone stal, gelijk uit het latijnsch opschrift boven den ingang blijkt.
âHoe oratorium fuit bovis et asini stabulum Inquo natus est Franciscus, mundi speculum.quot;
Deze kapel was weleer de stal van een os en eon ezel Hier werd Franciscus, de spiegel der wereld, geboren.quot;
De overlevering verhaalt ons daaromtrent, dat het zegenrijk kind, bij zijn intrede in de wereld met den dood bedreigd, volgens de aanwijzing eens Engels, in dezen stal werd geboren. Het was Gods beschikking! Immers moest hij, die eerlang het trouw afbeeldsel van zijn Goddelijken Meester zou zijn, ook niet bij zijne geboorte met het kindje Jesus rusten in een kribbe tusschen os en ezel, op een handvol stroo ? Assisië scheen in een ander Bethlehem herschapen, want Gods Engelen deden
19
gedurende dien nacht de heerlijkste lofzangen hooren boven de kapel van Maria-der-Engelen, en schenen der aarde in de zoetste akkoorden aan te kondigen, dat haar andermaal de vrede werd gebracht.
Was Franciscus in de plannen der goddelijke Voorzienigheid voorbeschikt om bij uitstek Christus gelijkvormig te worden, dan zal het ons niet verwonderen, dat de zending van den zoon van Bernardone reeds tien jaren te voren was aangekondigd. De Gelukzalige Joachim, Abt van Fiora in Calabrië, had hem reeds aangewezen in zijne uitlegging van Isaias toen hij schreef: âUit Umbrië en Spanje zullen twee nieuwe kloosterorden verrijzen, die de fakkel van het Evangelie over geheel de aarde zullen doen lichten.quot;
Als een andere Christus had Franciscus ook zijn Voorlooper in een zijner stadgenooten, die bij Franciscus' geboorte langen tijd de straten van Assisië doorkruiste en vol geestdrift den burgers toeriep : vpax et honum, heil en vrede zij u 1quot;
Spoedig na zijne geboorte werd het teeder wicht in de domkerk van den H. Rufinus door de wateren des Doopsels tot kind Gods aangenomen. Bij deze plechtigheid daalde een Engel van den hemel om het uitverkoren kind ten doop te houden. Daarna wierp hij zich voor het tabernakel neder. Toen hij plotseling uit aller oogen verdween, bleef de afdruk zijner knieën op de marmoren treden van het altaar achter. Heden nog toont men den pelgrim het wonderbaar marmer, dat tot godvruchtige gedachtenis dezer verschijning in de doopkapel bewaard wordt.
Bij het Doopsel ontving de pasgeborene den naam van Joannes, zooals Pica om hare bijzondere godsvrucht tot den H. Boetgezant des Heeren had verlangd. Nauwelijks was men echter uit de hoofdkerk teruggekeerd, of zie, een wonderbare voorspelling wierp reeds op zijne wieg de eerste stralen zijner toekomstige zending. Een onbekend pelgrim, een godsgezant, klopte aan de deur der Moriconi's. Hij verzocht met aandrang als eene bijzondere gunst het lieftallige wicht ta mogen zien. Zijne bede werd ingewilligd; opgetogen van blijdschap nam hij als een andere Simeon het kind op zijne armen, begroette het als een uitverkorene Gods, een toekomstig medeburger en deelgenoot zijner glorie, overlaadde het met liefkoozingen en vormde het kruisteeken op zijn rechter-
20
schouder, als wilde hij aanduiden, hoe het eens ridder zou zijn van Jesus' kruis, om in het kruis alleen te roemen. Daarna drukte hij den vredekus op het voorhoofd, en gaf het aan de moeder weder met deze woorden : âHedea werden in de stad Assisië twee kinderen geboren; dit, hetwelk ik in mijn armen droeg, zal een groot Heilige worden, het andere, helaas! een groot zondaar.quot; Na deze woorden verdween de vreemdeling, dien men tevergeefs door geheel de stad liet zoeken; nergens kon men hem weder-vinden.
Tijdens de geboorte van zijn zoon reisde Petrus Bernardone voor handelszaken in Frankrijk. Groot was zijne vreugde, toen hij bij zijne aankomst in de vaderstad mocht vernemen, dat hem een zoon geboren was. De Legende der drie Gezellen verhaalt ons, dat de vader van dien stond af zijn kind den bijnaam gaf van âFranciscoquot; of Franciscus, welken naam de geschiedenis later heeft geheiligd en overgenomen. Sommigen beweren, dat hij het deed uit voorliefde voor het schoone Frankrijk, dat hem de gezellin zijns levens, had geschonken, of althans tot dankbare herinnering aan zijn gelukkige tehuiskomst; anderen echter meenen, en niet zonder grond, dat hij eerst later zijn zoon dien naam gaf om het groot gemak, waarmede deze de Fransche taal aanleerde, en om de bevalligheid, waarmee hij ze sprak. Wat echter ook de aanleiding hiervan moge geweest zijn, de gelukkige vader heeft zeker niet vermoed, dat deze naam eens zou worden aangeroepen door de Heilige Kerk, gedragen door koningen en vorsten.
Stil en onopgemerkt gingen de eerste levensjaren van Franciscas (want zoo zullen wij hem voortaan noemen) voorbij. Hadden die jaren hun aantrekkelijke zijde? Wjj weten het niet; want gelijk de meeste moeders, bewaarde ook Pica in het binnenste haars harten den eersten glimlach van zyn rein gelaat, het eerste stamelen van zijne lippen. De oude geschiedschrijvers, zoo nauwkeurig om ons den Ordestichter, den Wonderdoener en Heilige in levendige kleuren af te schilderen, hebben slechts spaarzaam en als bij toeval iets opgeteekend over de kinderjaren van Franciscus en de gewichtige plaats, welke de echtgenoote van Bernardone daarbij bekleedde. Niettemin kan men uit de weinige, doch veelal zinrijke uitdrukkingen opmaken, hoe Pica
21
in alles een voorbeeld was van christelijke deugd. De âdrie Gezellenquot; en de dichter-tijdgenoot, (Henricus van Pisa), die Franciscus' lof bezong, prijzen eenparig en zonder voorbehoud de teedere en oprechte godsvrucht van Pica. Alleen Thomas van Celano, een van Franciscus' eerste leerlingen, hekelt in zijn eerste levensbeschrijving met de scherpste bewoordingen de weeke en zinnelijke opvoeding van zijn tijd, zonder die van Franciscus uit te zonderen. Was hij hieromtrentdoor Franciscus'ootmoed niet misleid? Hij toch, de eerste, die op bevel van Gregorius IX Franciscus' leven en daden beschreef, zegt in zijne inleiding niets te zullen vermelden, dan hetgeen hij opving uit den mond van zijn Vader. Deze nu, gelijk wij weldra zullen zien, betreurde zijne jeugdige jaren als jaren van zonde en ongerechtigheid. Bovendien in zijn tweede verhaal, stemt hij in met de overige levensbeschrijvers, die Pica's glansrijke deugden roemen. Daar wordt vermeld, hoe zij de wieg van haar eerstgeborene omringde met de liefde en teederheid eener jeugdige moeder, maar eener moeder, die bij elk barer handelingen doortrokken was van die hoogere liefde, welke Engelen aankweekt voor het Hemelrijk. Zij prijzen haar als âeen edelvrouw van volmaakte en hechte deugd.quot; Is hiermede niet stilzwijgend uitgedrukt, dat Pica het moederschap opnam als een ander priesterschap, (zij het ook binnen den huiselijken kring besloten), waarvan ze te gelijk met de eer ook de lasten en zorgen aanvaardde ? Is het niet eêne openlijke verklaring, dat zij met nauwgezetheid de zware plichten nakwam, door de natuur zelve iedere moeder opgelegd; plichten, waarvan niet één ongestraft met voeten wordt getreden ? Zelve haar kind opvoeden, zijne lippen plooien tot het gebed; â zelve al haar zorgen wijden aan de eerste ontwikkeling van het kinderhart; â zelve zijn onschuld op het glibberig levenspad beveiligen tegen den verpestenden adem der ondeugd, kortom voortdurend waken over het pand, haar door den hemel toevertrouwd : al deze plichten (hoe zouden wij er aan kunnen twijfelen!) waren het voorwerp van haar rustelooze zorgen. Gelukkige opvoeding, die in Franciscus nog begunstigd werd door een natuur vol leven, oen helder en doordringend verstand, een vurig hart! Het hart van het kind ontsloot zich voor de zoete lessen der moeder, gelijk de bloem haren kelk ontplooit voor de eerste stralen der zon.
22
Ziedaar, wat wij onzen lezers kunnen meedeelen aangaande Pica's zorgen voor de opvoeding van haar kind. Maar dit weinige is voldoende voor haar glorie; want vóór alles blijven de deugden van het kind het werk der moeder. Zij is in de hand der goddelijke Voorzienigheid het natuurlijk werktuig om den zede-lijken aanleg des menschen te ontwikkelen. Daarom, wanneer Franciscus later voor ons optreedt als een hartstochtelijk minnaar der armen, wanneer de zachtaardigheid de hoofdtrek vormt van zijn inborst, wanneer hij later met al de kracht zijner ziel aan den Paus van Rome verkleefd is, eindelijk, waaneer de Zoon Gods een maagdelijk lichaam vindt, waarin Hij zijn Heilige Wondteekenen kan afdrukken : dan aarzelen wij geen oogen-blik luide te verkondigen, dat die eer en glorie gedeeltelijk aan Pica toekomt. De kroon der heiligheid om het hoofd van den zoon weerkaatst hare stralen op de moeder!
Gelukkig die huisgezinnen, waar de christelijke beginselen geëerbiedigd, de geest van geloof, de goede geur der deugden gewaardeerd worden boven rijkdom en wereldsche grootheid! Gelukkig de moeder, die innig beseft, dat het kinderhart zoo gevoelig is voor iederen indruk! Gelukkig de moeder, die zich bijgevolg beijvert om het hart harer kinderen vroegtijdig ten goede te vormen. In het hart wordt de geest van opoffering geboren, maar ook dat zelfde hart, eenmaal bedorven, doet den mensch afdalen tot de schandelijkste verlaging! Daarom gelukkiger nog het kind, wien de Voorzienigheid eene moeder schenkt als Pica! En als nu dat kind Franciscus heet, moet men overtuigd zijn, dat hij de toewijding van Pica wist te waardeeren; dat hij die dankbetuiging van den H. Augustinus dikwijls herhaalde : âO groote God, wees gezegend in eeuwigheid, dat Gij âmij zulk eene moeder hebt geschonken! Van haar heb ik reeds âals kind geleerd U lief te hebben. Van haar leerde ik de âzoetheid proeven van den aanbiddelijken Naam Jesus, uw Zoon âen mijn Zaligmaker, en van dien stond af is die naam zoo âdiep in mijne ziel gegrift, dat ieder boek, waar die Naam ont-âbreekt, mijn hart geen bekoorlijkheid meer biedt.quot;
Intusschen was het uur geslagen om den geest van Franciscus met nuttige kundigheden te verrijken. Zijn ouders begeerden, dat hij een onderwijs zoude genieten overeenkomstig hun stand
23
en de eischen des tijds; zij vertrouwden deze taak aan de vrome geestelijken, die de school van den H. Georgius bestuurden. quot;Vian nature meer geneigd tot een bedrijvig leven, vond de leerling weinig smaak in het aantrekkelijke, dat de meesterstukken der klassieke oudheid aanbieden. Evenwel verwierf hij zich genoegzame kennis van het Latijn en Fransch, dank aan zijn sterk geheugen en gelukkigen aanleg. Wanneer wij Franciscus na zijne bekeering hooren gewagen van zjjn onwetendheid, moeten wij voor oogeu houden, dat het zijn ootmoed is, die spreekt. Hij maakt, het is waar, weinig ophef van kunst en wetenschap, maar het is, omdat hij onafgebroken een ander boek voor oogen heeft, het boek, dat alleen alle wetenschap in zich besluit; âJesus, den Gekruisigde.quot;
Toen Franciscus den leeftijd van 14 jaren bereikt had, begon hij deel te nemen in de handelsbedrijven zijns vaders. Beiden legden zich met onverdroten ijver op hunne handelszaken toe, doch in den meest uiteenloopenden geest. De vader was een hardvochtig man, begeerig naar winst en enkel op grooter voordeel bedacht; de zoon daarentegen had edeler gevoelens. Hij was minzaam, vol medelijden, milddadig tot verkwisting toe, meer zinnend om grooten naam te maken dan om rijkdommen op te stapelen. Hij voelde zich vooral sterk getrokken tot de ridderfeesten, die destijds in Italië met dwaze hartstochtelijkheid werden nagejaagd. Inderdaad men zag op het einde der twaalfde eeuw onbeduidende leenmannen als van Fste, Verona of Montferrat wedijveren met de rijke hoven van Florence en Milaan in het opvoeren van gioote schouwtooneelen, het uitschrijven van ridder-tournooien en het aanrichten van koninklijke feestzalen, waar de beroemdste dichters van Provence in meeslepende zangen den lof verkondigden nu eens van de liefde, den heldenmoed of de zeden der hoven, dan weer van de fabelachtige lotgevallen van de helden der Ronde Tafel of van de ridderschap van Karei den Grooten. Deze ridderspelen van den adel, de romantieke en vaak zeer spitsvondige verhalen der kluchtdichters, de krjjgszangen, kortom al die vermakelijkheden verwekten bij de onstuimige jongelingschap der middeleeuwen een geestdrift zoo groot, dat wij er ons nauwelijks een denkbeeld van kunnen vormen.
24
Is het wonder, dat ook Franciscus met zijn buigzaam gemoed, zijn karakter vol levenslust, spoedig een groot aandeel nam in die feesten en uitspanningen. Misschien richtte hij wel in zijn vaderstad een zekere vereeniging op âCatóquot; of âliefdestrijdquot; ge-heeten, welke enkel aan ontspanning, schoone kunsten en poëzie gewijd was, althans zeker gaf hij er een hoogere vlucht aan. Een groot getal jongelingen van Assisië en omstreken deelde zijne zienswijze. Met dit vrij en vrooiijk leven ten hoogste ingenomen, verscheen Franciscus voortaan bijna niet meer tenzij aan het. hoofd zijner jeugdige makkers. Zoodra dezen hem uit-noodigden, liet hij alles varen om hen te volgen, menigmaal op gevaar af, zijne ouders door dit ontijdig vertrek te bedroeven. Des avonds vereenigde hij hen bij feestmaaltijden; dan rezen zij niet zelden van tafel op om met Franciscus aan hun hoofd in de straten der stad de tooneelvertooningen, spotdichten of fabelachtige verhalen der troubadours op te voeren. Destijds zag Franciscus nog niet het minste kwaad in al die vermaken, welke de oude schrijvers zoo scherp laken en hij zelf later zoo streng zal veroordeelen.
Dit leven van pleizier, geheel aan feest en uitgang gewijd, verslond natuurlijk veel geld en een groot deel van zijn kostbaren tijd. Maar het had nog andere gevolgen. Het sleepte hem mede tot een tweede kwaal zijner eeuw, niet minder algemeen, maar ook niet minder gevaarvol, de zucht naar opschik. Spoedig waren hem geen stoffen fijn, geen kleederen sierlijk genoeg, zoodat Bernardone's zoon de meest zonderlinge kleederen begon te dragen, niet zoozeer om zich te voegen naar de eischen en grillen zjjner makkers, alswel om zijne begeerte naar pracht en weelde te bevredigen.
Bernardone sloeg de buitensporige verkwistingen van zijn zoon met wrevel gade; hij kon zijn ontevredenheid niet langer weerhouden. âWaarlijk,quot; zoo sprak hij, âmen zou u eerder voor een prins aanzien dan voor een koopmanszoon quot; Doch daarbij bleef het, de vader durfde niet verder gaan uit vrees zijn zoon te bedroeven. Zijne moeder liet hem nog grooter vrijheid. Somtijds zelfs, wanneer deze of gene vriend in den familiekring zinspeelde op het verkwistend leven van Franciscus, haastte zij zich om zijne verdediging op te nemen en sprak met
25
moederlijken trots: âWacht maar een weinig! Ik voor mij, ik stel mij groote dingen van hem voor, want ik bespeur in hem tot zelfs te midden zijner uitspanningen een edelheid van ziel, waarvan ik de schitterendste verwachtingen koester voor de toekomst.quot;
Wie nu legde haar die stoute taal op de lippen? Misschien wel de teederheid van haar moederhart, dat niettegenstaande de groote verteeringen, vertrouwde op de inborst van haar kind. Of was het eerder de herinnering aan de woorden des Engels? Had hij niet voorspeld, dat het kind een groot heilige zou worden ?
Wel beschouwd beminden beiden Franciscus teeder en ofschoon zij diens dwaze uitgaven betreurden, waren zij toch zeer ingenomen met den bijval en de eenparige loftuigingen, die hij alom inoogstte.
Thans zijn wij genaderd tot dien hoogst gevaarlijken tijd des levens, waarop de onbezonnen jongeling zelfstandig deel gaat nemen aan het openbaar leven. Doch laten wij, alvorens Franciscus' overwinningen en beproevingen te beschouwen, een oogenblik bij deze engelachtige gestalte stilstaan.
Ziehier het portret door Thomas van Celano, Franciscus' leerling en boezemvriend, nagelaten. Men erkent aanstonds de fijne en geteekende type van Ãmbrië's bevolking. âZijn gestalte was iets beneden het middelmatige en juist gevormd. Hij was mager en tenger van gestel Zijn gelaat was ovaal met breed voorhoofd, zwarte haren en een weinig bruin getint. Zijn gelaatstrekken waren regelmatig, zijn wezen vol uitdrukking en bezieling, terwijl om zijne lippen een aanvallige glimlach speelde. Zijn donkere oogen waren vol gloed, doch tevens zacht en bescheiden. De kalmte, de onschuld en schoonheid zijner ziel vertoonden zich op zijn gelaat Aan dat bevoorrecht uiterlijk paarde hij die inwendige eigensciiappen, welke een jongeling beminnelijk maken ; een vroolijk karakter, levendige verbeelding, en een hart vol medelijden en edelmoedigheid. Meer streng voor zich zelf, was hij toegevend voor anderen; zachtzinnig en vriendelijk, doch te zelfder tijd bedrijvig, ondernemend en genegen tot groote plannen. Zijn natuur was buigzaam, vol bescheidenheid, geadeld door echt hoffelijke en ridderlijke manieren; daarbij bezat hij
26
een oprechtheid van hart, die zich nooit verloochendequot;.
Bij al deze voortreffelijke begaafdheden der natuur, kwamen nog de groote voordeelen van schranderheid en fortuin. Vandaar dat Franciscus op zeer jeugdigen leeftijd reeds een soort van heerschappij uitoefende op de deelgenooten zijner vermaken. Niemand hunner betwistte hem die. Zij zeiven stelden hem aan hun hoofd; hij was de ziel hunner bijeenkomsten, de held hunner feesten, en het volk begroette hem op al zijn wegen als âden Koning der jongelingschap.quot;
Wonderbare zaak! Gedurende dit tijdperk van bijna tien jaren tusschen zijne jeugd en zijne bekeering (1199â1206) mengt de zoon van Bernardone zich in al de woelingen van het volk; aanbeden door allen, ademt hij den wierook der lofprijzingen, zet zijn lippen aan den gouden beker der wereldsche genoegens. En nochtans, waar honderden aan zijn zijde den dood drinken, daar staat hij nog ongeschonden in de frischheid zijner jeugd en gelijkt hij den reiziger, die tot aller verbazing laags het steile bergpad voortspoedt zonder in den gapenden afgrond neer te storten? Hij doorstaat gevaren en verleiding zonder zijne ziel door de doodzonde te besmeuren. Luide hoort men hem zijn afschuw openbaren voor bedorven zeden; nooit veroorlooft hij zich een enkel ongepast woord, en wijst met heilige verontwaardiging ieder schandelijk voorstel zijner makkers af. Zoo bewaarde hij te midden van een eeuw, befaamd om haar zedeloosheid, den onwaardeorbaren schat der kuischlieid. Ziedaar het eenstemmig getuigenis, dat Franciscus' gezellen en levensbeschrijvers, als Thomas van Celano, Broeder Leo en de H. Bonaventura, van zijn jeugd afleggen. Zulk eene standvastigheid in eene deugd, zoo teer en kwetsbaar als de zuiverheid, en dat vooral bij een zucht naar genot, gelijk Franciscus gevoelde, grenst aan het ongelooflijke. Noch adel van ziel, noch eenige andere menschelijke beweeggrond kunnen dit feit ten volle verklaren Neen, met den Serafijnschen Leeraar moeten wij opklimmen tot God, de bron aller genade; met hem moeten wij een danklied aanheffen, Gode ter eere, omdat hij het hart van zulk een wereldschgezind jongeling heeft gesierd met een waarlijk engelachtig voorrecht, zijn hoofd getooid met de schoonste aller kronen, de kroon, het voorrecht der maagdelijke reinheid.
27
Franciscus bezat nog eene edele gave Gods, die hem als een schild dekte tegen de verleiding der wereld en de aanlokselen des vleesches : zijne heldhaftige liefde voor de armen. Daarvan had hij de zoetheid reeis gesmaakt sinds zijn teedere kinderjaren. Deze deugd zien wij dan ook met de jaren aangroeien en later zoovele wonderen uitwerken Hij had den armen even-mensch lief als zijn broeder, en wanneer hij hem rijke aalmoezen kon geven, vooral als zij hem baden bij de liefde Gods, was hij van blijdschap opgetogen.
Eens had hij, geheel in zijn handelszaken verslonden, een bedelaar afgewezen, die nochtans zijn medelijden inriep bij de liefde Gods. Maar op hetzelfde oogenblik doordrong een bitter verwijt zijne ziel : âFranciscus, als die arme bedelaar zich bij u had aangediend van wege een graaf of prins, dan hadt gij hem met eerbewijzingen ontvangen; en nu hij zich bij u aanbiedt in naam van den Koning der koningen, verstoot gij hem op zulke wijze!quot; En zie, met berouwvol hart, de tranen in de oogen snelt hij den bedelaar na, stopt hem eenige goudstukken in de hand, en vormt het besluit nooit meer een aalmoes te weigeren, wanneer men die âter liefde Godsquot; zou vragen. Aan dit besluit bleef hij, zooals de H. Bonaventura zegt, getrouw tot zijn laatsten ademtocht. Het deed de rijkste genaden en zegeningen des hemels over hem neerdalen. Ziedaar, hoe Franciscus, ofschoon nog een jongeling, reeds den verborgen zin, de christelijke waardigheid der armoede verstond en hoe heldhaftig hij een oogenblik van onoplettendheid wist to herstellen.
Naar Franciscus' ridderlijke manieren te oordeelen, zou men geloofd hebben, dat hij bestemd was om de hoofdpersoon van een of ander heldendicht te worden, misschien om als kruisvaarder zijn bloed te storten op de slagvelden van Palestina of wel om aan de zijde van een Boudewijn van Vlaanderen te zegevieren op de kusten van den Bosphorus. Maar wie zou ooit vermoed hebben, dat hij een redder moest wezen zijner eeuw, dat hij met zulk gevolg zou werken aan die grootsche beweging van christelijke herleving in de dertiende eeuw ? En toch, dit waren de ondoorgrondelijke raadsbesluiten Gods! Daaruit kan men gereedelijk afleiden, waarom de Allerhoogste onophoudelijk zichtbaar ten gunste van zijn dienaar Franciscus optreedt. Im-
28
mers moest God hem niet omringen met een reeks van wonderen, zoo duidelijk, dat niemand zich kon bedriegen omtrent den oorsprong zijner zending, â zóó aantrekkelijk, dat een ieder onweerstaanbaar werd gedwongen om naar zijne stem en prediking te luisteren ? Welnu, op iedere bladzijde van Eranciscus' leven erkennen wij zichtbaar den vinger Gods. Bij zijn wieg begint reeds de bijzondere werking der Voorzienigheid; zij breidt zich uit met den loop der gebeurtenissen en leidt hem ten laatste in een geheel bovennatuurlijke omgeving. Bewonderden wij de tusschenkomst des Heeren in zijn eerste levensjaren, hier ontmoeten wij haar weder in een ander feit, welks echtheid ons gewaarborgd wordt door het gezag van den H. Bonaventura.
Een eenvoudig burger van Assisië, ongetwijfeld door een hooger licht bestraald, bewees den jongeling eene eer, wellicht zonder weerga in de geschiedenis. Telkens als hij den zoon van Bernardone in Assisië's straten ontmoette, spreidde hij zijn mantel voor diens voeten uit, wierp zich voor hem op de knieën neder en riep den verbaasden voorbijgangers toe: âDezen jongeling kunt gij niet te veel eer bewijzen, want hij zal schitteren boven al zijn stadgenooten en verheerlijkt worden door alle ge-loovigen der wereld.quot; Franciscus hoorde wel is waar deze profetische loftuiging, maar begreep noch de strekking, noch den goddelijken zin dier woorden.
De eer en voorspoed dezer wereld zijn een gevaarlijk vergift, dat niet zelden het sterkste hart ontzenuwt, den heldersten geest bedwelmt. Wellicht ware dit ook Franciscus' lot geweest, hadde God niet gewaakt en hem ten bekwamen tijde een anderen drank gemengd; â den bitteren, maar heilzamen drank der beproeving.
Sedert een halve eeuw was het schiereiland in twee groote partijen verdeeld : de Welfen en Gibellijnen. Hevig betwistten deze elkander den voorrang. De Welfen waren voorstanders van Italië's onafhankelijkheid en het oppergezag der Pausen; zij hadden vooral hun steun in de geestelijkheid en de burgerij. Overal waar zij de overhand kregen, vormden zich de steden naar het voorbeeld der vrijstad Rome tot even zoovele staatjes en republieken met eigene wetgeving. De Gibellijnen waren partijgenooten der Hohenstauffen en voorstanders van het leen-
29
stelsel. Wel had het verdrag van Milaan, de overwinning van Legnano (1176) en de vrede van Constanz den Welfen het overwicht verzekerd, maar nochtans zonder den twist te eindigen. Enkele punten van overeenstemming uitgezonderd bleven beide partijen hun vroegere afgekeerdheid behouden, hun onverzade-lijke wraakzucht voeden.
Alle steden van Toscane en Umbrië, onder de opperheerschappij van den Roomschen Paus reeds tot even zoovele republieken opgeklommen, hadden partij gekozen. Assisië was op de zijde der Welfen. Sind 1160 door Frederik Barbarossa aan den heiligen Stoel ontweldigd, droeg het slechts met weerzin het juk van den dwingeland In het jaar 1177 koos Assisië, stout genoeg, ten aanschouwen van Koenraad Lützen, machtig leenman van Duitschland, hertog van Spoleto en graaf van Assisië, eenige raadsleden, om zijne belangen te bepleiten. Toen Innocentius III in het jaar 1198 den stoel van Petrus beklom, ging het nog een stap verder, en greep naar de wapenen. Zijne wakkere soldaten rukten tegen den stadsburcht op, namen dien met geweld in en sloopten aanstonds de geduchte citadel, die sinds haar grondvesting enkel had gediend om de dwingelandij van vreemde veroveraars in de hand te werken.
Door dien gelukkigen uitslag aangewakkerd, herstelde de burgerij in allerjjl de bolwerken der stad. Alle groote vasallen van den omtrek werden uitgenoodigd zich vredelievend bij haar aan te sluiten; zelfs onder bedreiging, zoo zij mochten weigeren, aanstonds hunne kasteelen te zien omverhalen. De uitvoering nu dezer bedreiging deed den oorlog ontbranden.
Een tiental baronnen wezen het voorstel van Assisië van de hand en dreven zelfs den spot met zijne overmoedige uitdaging. Doch Assisië's soldaten rukten uit, verwoestten het land der onwilligen te vuur en te zwaard en legden hun kasteelen in puinen. Van hun grondgebied verjaagd en den onvermijdelijken ondergang voor oogen bleef hun niets overig dan elders hulp te zoeken. Zij wierpen zich in de armen van Perugia, sinds eeuwen de mededingster van Assisië. Als één man verhief geheel Assisië zijn stem tegen het lafhartig verraad. Men eischte, dat een geduchte wraak zou genomen worden.
Had Franciscus nu alleen eer en roem gezocht, dan had hij
Sö
ongetwijfeld de partij der groote leenmannen gekozen ; immers met de hulp van Perugia scheen aan die zijde de kans der overwinning onfeilbaar. Doch hij zag slechts naar het miskende recht en schaarde zich onder het vaandel der vaderstad.
In 1201 trokken de soldaten van Assisië, meer dapper dan voorzichtig, de stadspoort uit en stelden zich recht tegenover den vijand in slagorde. De strijd was hardnekkig, maar ten slotte keerde de krijgskans zich tegen de verdedigers van Assisië. Velen van deze laatsten sneuvelden op het slagveld, en niet minder werden er als krijgsgevangenen naar Perugia weggevoerd. Onder dezen was ook de zoon van Bernardone. Men sloot hem met de ridders in een zelfden kerker op, omdat hij, zooals zijne levensbeschrijvers opmerken, âde zeden en manieren van den adel had.quot; Hunne gevangenschap duurde een vol jaar.
Voorzeker niets pijnlijker, dan de berooving zijner vrijheid ;
niets zoo koud als de naakte muren eener gevangenis Reeds de eerste weken vervielen de jonge edellieden tot eene diepe neerslachtigheid. Alleen Franciscus bleef zich zelf gelijk en bewaarde een gulle opgeruimdheid. Nu en dan beproefde hij door een hartelijk woord den moed zijner mistroostige lotgenooten te verlevendigen, maar tevergeefs! Zijn poging had niet den minsten invloed op die harten, reeds verbitterd door een nederlaag, en nu nog meer ontmoedigd door eene gevangenschap, waarvan zij het einde niet konden voorzien. Zelfs waren zij vertoornd over zijne bljjmoedige stemming, die zoo scherp afstak bij hun neerslachtigheid. Hun misnoegen uitte zich dan ook meermalen in bittere verwijtingen. âMijne vrienden, â zoo antwoordde Franciscus dan, â ik beklaag u zeer; ik ben er verre af, uw moedeloosheid te deelen. Heden ziet gij mjj met ketenen beladen,
maar er zal een dag komen, waarop gij mij geëerd zult zien door geheel de wereld quot; Als Franciscus zoo sprak, was het geen dwaze hoogmoed of ijdei zelfbehagen; neen, dan bracht hij ai-leen de voorspelling in herinnering van den grijsaard uit Assisië, van wien wij boven spraken. Het laat zich evenwel verklaren, dat onze jeugdige edellieden al zeer weinig smaak vonden in dien zonderlingen troost. Niettemin ging Franciscus voort om # bij voorkomende gelegenheden blijken te geven van den min-zamen geest, die hem bezielde, zooals uit het volgende voorval duidelijk blijkt.
St
Ãéns had een der gevangenen, gramstorig van aard, en door het verdriet nog meer verbitterd, zijne makkers beleedigd. Dezen keerden hem daarop den rug toe, doch niet zoo onze zachtmoedige jongeling. Eerst spoorde hij allen tot vergeving aan. Toen hij echter zag, dat zijne pogingen van dien kant schipbreuk leden, keerde hij zich tot den schuldige zeiven. Hij hield hem gezelschap, en slaagde er in hem tot vrede en vriendelijkheid in den omgang te stemmen, met dit gevolg, dat de andere medegevangenen, over zooveel menschlievendheid getroffen, Fran-ciscus voortaan dubbele hoogachting en liefde toedroegen, (i)
Eindelijk werd in 12()2 de vrede gesloten tusschen de beide naijverige steden en mochten onze gevangenen naar hun vaderstad terugkeeren.
Hiermede eindigt het bewogen en wereldsch leven van Fran-ciscus, dat hij later als een tijd âvan zonde en ongerechtigheidquot; zal veroordeelen. Deze jaren van lichtzinnigheid en verkwisting zal hij bitter beweenen, God dankende, dat Hij hem zoo wonderdadig aan de gevaren der wereld heeft onttrokken.
Eenige schrijvers uit de en 17de eeuw, namen deze bekende spreekwijze van den Heilige ; âmijn zondig leven'' al te letterlijk op, als zou Franciscus den H. Augustinus hebben geleken in zijn uitspattingen, alvorens hem te volgen in zijne boetvaardigheid. Maar deze meening is genoegzaam weerlegd door de oudere levensbeschrijvers, die Franciscus persoonlijk en van nabij hebben gekend. Zij allen getuigen als uit één mond dat Franciscus door geen enkele groote zonde de onschuld des Doopsels verloren heeft. Broeder Leo, zijn biechtvader, verzekert ons, het bij openbaring van God vernomen te hebben. âIk zag, zoo verhaalt hij, in een droomgezicht onzen heiligen Vader op den top van een berg staan, midden in een prachtig bloemperk, met een lelietak in de hand. Toen ik vroeg naar de beteekenis van dat visioen, antwoordde eene stem van den Hemel, dat die lelietak het zinnebeeld was van Franciscus' engelachtige zuiverheid.quot;
Engelachtige zuiverheid! Onschuld des Doopsels! Wat moeten wij onder deze uitdrukkingen verstaan ? Wil men daarmee zeggen, dat Franciscus geen enkele onvolmaaktheid beging, nooit in
(') De oude schrijvers noemden hem om deze gulhartigheid: âLe débon-naire jouveucel.quot;
32
iets te kort bleef? Het ware dwaasheid bij zulk eene jeugd zoo iets te beweren. Neen! Slechts een Rechtvaardige kon niet zondigen om wille van zjjn natuur: Hij, voor wien alle knie moet buigen, de Langverwachte der volken, de Vredevorst, de Zoon zelf des Allerhoogsten! Eéne Heilige slechts kon niet zondigen krachtens een geheel bijzonder voorrecht, zoodat nooit het minste stofje haar onbevlekten bruidstooi heeft ontsierd; Zij wordt door de eeuwen begroet als het Pronkjuweel der schepping, de Moeder des Heeren, de Koningin der maagden, de Voorspreekster van het zondige menschdom. Alle overige Heiligen hebben als wij gedeeld in de gevolgen der erfzonde; allen hebben, voordat zij den palm der zegepraal wegdroegen, in hun hart eene neiging ten kwade gevoeld en fouten begaan, de zoon van Bernardone zoowel als de anderen. Derhalve kon ook hij voor een oogenblik met de geestdrift der jeugd haken naar eer en wereldsche grootheid; kon ook hij, onbekend met de gevaren, voor een tijdlang zijn zucht naar g'not involgen; hij kon -zelfs struikelen ! Nochtans het bleef bij fouten, die wel het beneveld verstand ontglipten, maar het hart nooit doodelijk verwondden. Eene zaak is zeker; reeds in zijn prille jeugd wist hij te wederstaan aan de onreine verleidingen der wereld, op rijperen leeftjjd aan den prikkel des vleesches. Eenparig klinkt het getuigenis van al zijn leerlingen en levensbeschrijvers, dat de hemelreine lelie zijner maagdelijkheid nooit onder den minsten ademtocht der onkuischheid verflenste, maar dat zij met de jaren in luister toenam, totdat zij door naijverige Engelen geplukt werd om in 's Heeren lusthof voor eeuwig te bloeien. Ziedaar zijne verdiensten! Ziedaar wat van het onbewolkte voorhoofd zulk een zachten glans afwerpt! Dat juweel is voor altijd gehecht aan zijne onverwelkbare kroon en teekent ons zijne plaats onder de rijen van Sion's Heiligen.
De duizenden uitverkorenen met de Engelen jubelend om Gods troon, vormen wel beschouwd slechts twee rijen Heiligen, als een Joannes en Martha ter eene, als een Petrus en Magdalena ter andere zijde ; zuivere zielen, die geheel haar leven de onschuld des Doopsels bewaarden en boetvaardige, die door gebed en versterving, de verloren onschuld herwonnen. Franciscus behoort tot de eersten, hij volgt in blank gewaad met den olijftak het
33
Vlekkeloos Lam en zingt het lied der maagden! In zijn testament en elders beschuHigt hij zich de bloem zijner jeugd in's werelds ijdele dwaasheden verspild te hebben, maar dan spreekt hij de taal der Heiligen, die niet alleen hun fouten beweenen, maar ook de droeve dagen doorgebracht in lauwheid en traagheid.
Wat een vreugde voor den bangen reiziger, als hij na een nachtelijken storm bij de eerste morgenschemering de zon ziet oprijzen ? Nog aangenamer is onze stemming, als wij in een tijdvak, zoo gelijk aan het onze wat betreft de smarten der kerk en de misdaden des volks, die groote lichten zien verrijzen, welke God over zijne kerk doet opgaan ,de Heiligen.quot; De patriarch van Assisiö is een dier lichten, en wel een der meest aantrekkelijke, der meest schitterende uit de middeleeuwen. Wat toch is bevalliger dan de dageraad zijns levens ? Welk een zachte glans ligt er over de wonderteekenen om zijn wieg, door Serafsvleugelen beschut! Welk een onschuld tot zelfs in zijne uitspanningen, vermengd met zooveel liefde tot God en de armen! Ja, wij hebben een voorgevoel, dat deze ster straks met rauzen-schreden de baan zal doorloopen, welke de hand Gods haar wijzen zal
3
TWEEDE HOOFDSTUK.
Bekcering van Franciscus.
(1205â1207.)
±
z00n van Bernardone leidde reeds verscheiden jaren een leven van pleizier, dat aan Assisië's jongelingschap liet toppunt van geluk toescheen. Geen wonder derhalve, dat hij zich niet op eens, maar slechts trapsgewijze zou terugtrekken van 's werelds ijdele genoegens. Wel had de gevangenschap i te Perugia hem tot ernstig nadenken gestemd, maar nauwelijks was hij met zijn luchthartige makkers in de vaderstad teruggekeerd, of die indruk was vervlogen; hun luidruchtige bijeenkomsten en feesten namen opnieuw een aanvang. Doch God wilde Franciscus uit die lichtzinnige omgeving wegnemen om zijn edel hart tot een beter en verhevener levensdoel te richten. Hij zond hem daarom in den loop des jaars 1205 een nieuwe beproeving of beter gezegd een nieuwe genade om hem buigzaam en gedwee te maken voor de inwerking des H. Geestes: Hij zond hem het lijden ! Eene langdurige en pijnlijke ziekte kluisterde hem aan het bed van smarten, scheidde hem tegen wil en dank van de vermaken en het gezelschap zijner vrienden. Daar in de stille eenzaamheid namen met het lijden zijne gedachten andermaal een nieuwen gang en betere richting.
Hoe groot die ommekeer in zijne ziel was, toont ons zijne eerste wandeling in het open veld Zoodra hij krachten genoeg bezat, ging hij leunende op een stok de stadspoort uit. Gelijk jeder herstellende zieke verlangde hij weer te genieten van het leven der vrije natuur en den omgang der menschen. Zijn nu de bewoners van Umbrië uiteraard reeds zeer gevoelig voor de afwisselende tafereelen der natuur, Franciscus, gelijk de schnj-
35
vers ons getuigen, was een hartstochtelijk minnaar harer schoonheden. Zag hij daarin voor 't oogenblik nog niets dan het lachende, het aanvallige, later zou de schepping hem verhalen van Gods glorie; dan zou zij hem een ladder zijn om zich te verheffen tot de eeuwige schoonheid van den Schepper zei ven.
Hij hoopte dus, dat de aanblik der natuur zijn neerslachtigen geest een weinig zoude opbeuren. De buitenlucht, de lentegeuren, de liefelijke vergezichten op de bloeiende vlakten zouden, naar hij meende, vreugde weergeven aan zijn ziel, kracht aan zijn lichaam. Maar hoe bitter was zijne teleurstelling, toen al die aantrekkelijkheid verdwenen was. De statige keten der bergen, eertijds zoo menigmaal bewonderd, het murmelend beekje, dat aan zijn voeten zacht langs de rotsen neerglijdt; de weelderige wijnrank en citroen op de heuvelen, de ondergaande zon, zoo verrukkelijk schoon als haar laatste stralen de kruin der Apennijnen in gloed zetten, de avondkoelte, zoo aangenaam voor herstellenden, â dat alles scheen hem kleurloos, somber en koud
De sluier was gevallen ! het droombeeld zijner jeugd vluchtte weg ! Daar stond hij nu alleen tegenover het schepsel.... Met huivering peilde hij er op eens al het ledige, al het nietige van. Een gevoel van lusteloosheid en weerzin, hem tot nog toe onbekend, maakte zich van zijne ziel meester en verliet hem niet meer op die wandeling. Hij begon te overwegen, welk eene dwaasheid het is zich aan zulke ijdele dingen te hechten; hij zag in, dat het hart om gelukkig te zijn een ander goed vraagt: een goed, dat duurzaam is, een schoonheid, die nimmer verwelkt, en dat die schoonheid, dat goed geen ander kunnen zijn dan God alleen !
Zoo levendig was die indruk, dat hij zelf verbaasd stond over de verandering zijner gedachten. Als hij in het verleden terugblikte, kon hij zich niet verklaren, dat hij en zijne makkers zich zoo hadden laten verblinden door den bedrieglijken schijn der schepselen, door nietswaardige beuzelingen.
Deze ommekeer verdween niet geheel on al, gelijk dikwerf geschiedt, met den terugkeer zijner gezondheid. Van dien stond af bespeuren wij in hem eene meer ernstige opvatting van 't leven. Zijne zucht naar ijdel zingenot en feesten verminderde om plaats te maken voor een verlangen naar groote daden, want
36
voor grootsche plannen waande hij zich geroepen. Hij bad vuriger en gevoelde zich met nog meer teederheid getrokken tot de ellende der armen, zijne bevoorrechte vrienden.
De samenloop eeniger gebeurtenissen scheen Franciscus nieuwe zienswijze in de hand te werken. Volkomen van zijne ziekte hersteld, vernam hij, dat een der edelste en rijkste heeren der stad zijn degen ging aanbieden aan den graaf van Brienne.
Het was in het jaar 1205. In het zuiden van Italië was de oude twist tusschen de Welfen en Gibelijnen met nieuwe woede ontbrand.
Walter III, hertog van Brienne, door zijn tijdgenooten âde edele graafquot; geheeten, deed namens zijne echtgenoote recht en aanspraak gelden op het vorstendom Tarente. Ook eischte hij in naam van Innocentius III met de voogdij over den jongen Frederik II het koninkrijk Sicilië terug, dat door twee Duitsche gelukzoekers was overweldigd.
Toen Walter optrad, stond de krijgskans zeer ongunstig voor het pauselijk leger, doch weldra deed de onversaagde ridder de overwinning keeren. Zonder slag of stoot nam hij Capua en sloeg de Duitschers herhaaldelijk bij Lecca en Barletta. Weldra liep de faam, dat niemand tegen zijn wapenen bestand was. Geheel Italië, zoowel de noordelijke als zuidelijke provinciën, aanvankelijk vol vrees en kommer voor de eer des vaderlands en de nationale vrijheid, wenschten Walter geluk met den zegen zijner wapenen, en roemden om strijd de godsdienstigheid en den heldenmoed van den Frarischen edelman. Nu zag men do voornaamste ridders van Italië wedijveren om de eer hun degen aan den graaf van Brienne te verpanden en onder zijn vaandel te strijden.
Reeds vroeger zagen wij, hoe Franciscus van zijne jeugd af de zaak des pausen was toegedaan. Doch was hier bovendien de partij van Walter niet die van recht en vrijheid? En kon zich ooit schooner gelegenheid voor den levenslustigen jongeling opdoen om grooten naam te maken? Welk eene eer te mogen strijden aan de zijde van een der dapperste edellieden zijner eeuw! Mocht hij niet hopen ridder geslagen te worden? Herinner u ten overvloede, welk een geestdrift hem van zijn prille jeugd had bezield voor de ridderbednjven en steekspelen en gij kunt u gemakkelijk verbeelden, wat er omging in dat rusteloos
i
â M â *
37
hart, nu zich de gelegenheid aanbood om zijne nieuwe plannen te verwezenlijken.
Met de gedachte stond bij Franciscus ook het besluit onwrikbaar vast. Zonder verder beraad begaf hij zich tot den edelman, die op punt stond Assisië te verlaten. Hij verzocht om de eer hem te mogen volgen als schildknaap. Zijn verzoek werd met blijdschap ingewilligd. Uiterst tevreden snelt hij nu heen om zich een prachtig paard en schitterende wapenrusting aan te schaffen. â Enkele dagen later draafde hij als een der rykste ridders uitgedost door de straten van Assisië. Zjjn krijgsgewaad was inderdaad koninklijk, en zooals de schrijvers aanmerken, overtrof het verre dat van zijn heer.
Op weg nu ontmoette hij een adelljjk krijgsman, die tot armoede vervallen slechts in ellendige lompen gehuld ging. Franciscus ziet hem met medelijden. Getroffen, wijl hij in hem de armoede van Christus ziet en bemint, stijgt hjj van zijn paard. Met een edelmoedigheid, welke hem zoo juist teekent, ontdoet hij zich van zijn krijgsmantel om er den armen edelman mede te bekleeden. âZiedaar,quot; zoo roept hier de H. Bonaventura uit, âziedaar eene liefdadigheid, dubbel verdienstvol, èn om de gift èn om het tijdstip, waarop hij dit alles ten offer brengt.quot;
Had Franciscus de liefde van den H. Martinus niet nagevolgd, die eertijds zijn krijgsmantel in stukken scheurde om met de helft de naakte schouders van den arme van Amiens te dekken? Werd de H. Martinus daarvoor in eene hemelsche verschijning door Christus zelf vertroost, ook Franciscus zou voor deze heldhaftige daad van naastenliefde beloond worden in een profetisch droomgezicht.
Den volgenden nacht zag hij zich geplaatst in een prachtig paleis, geheel met wapenen gevuld; ontelbare schilden, alle met een kruis geteekend, hingen aan de wanden. Midden in de zaal stond eene vrouw in bruidstooi. âDit alles is voor u en uwe soldaten,'' sprak een hemelsche stem Hierop ontwaakte hij. Aanstonds springt hij op van zijn rustbed, geheel verwonderd over hetgeen hij gezien had. De hemel, zoo dacht hij, heeft mijn nieuw levensplan willen bevestigen; de Voorzienigheid zelve zal mij bij de hand geleiden. Nog niet ingewijd in de geheimzinnige wegen der genade Gods droomde hij slechts van koene heldendaden en
38
krijgsverrichtingen. Des morgens vroeg straalde zijn gelaat van blijdschap; zijn vrienden en gezellen vroegen hem; âVanwaar toch die buitengewone opgewektheid?quot; âWel,quot; sprak hij op zegevierenden toon, âik ben er nu zeker van nog een groot man te zullen worden.quot; In deze stemming ondernam hij zijne reis Sprekend voorbeeld van jeugdige geestdrift! Maar tevens blijkt hieruit, dat hij bij zijn vertrek nog niet vernomen had, dat de graaf van Brienne bij het beleg van Sarno gesneuveld was (Juni 1205).
Franciscus' tocht duurde niet lang. Te Spoleto, ongeveer 10 mijlen van Assisië, overviel hem de koorts, zoodat hij eenige dagen het bed moest houden. Die tegenspoed bedroefde hem zeer. Vastelijk overtuigd, dat God zijn schreden richtte, vermoedde hij niet in 't minst, dat Gods Voorzienigheid hem terugriep van een weg, dien hij niet moest bewandelen. Een nieuw droomgezicht zou hem daaromtrent onderrichten.
Half slapende hoorde hij dezelfde stem, die te Assisië sprak, hem toefluisteren: âFranciscus, wie kan meer voor u doen, de Heer of de dienaar, de rijke of de behoeftige?quot; â âDe Heer en de rijke!quot; luidde Franciscus'antwoord. âWelnu,quot; hernam de stem, âwaarom verlaat gij God, den oneindig rijken Heer, om een mensch te volgen, die slechts een zwak en behoeftig schepsel is?quot; âHeer,quot; zoo riep Franciscus uit, âwat wilt Gij, dat ik doe.quot; â âGa, zoo vervolgde de stem, keer terug naar uw vaderstad; dan zult gij vernemen, wat gij moet doen. Het visioen, dat gij zaagt, voorspelde u bovennatuurlijke dingen. Van God dus en niet van de menschen moet gij de vervulling verwachten.quot;
Diep, gelijk men kan begrijpen, was de indruk, welken deze woorden op het hart van den jongeling maakten. Allerlei gissingen kwamen voor zijn geest.
quot;Was het God wel, die tot hem sprak?
Zou hij dan werkelijk zijn zoetste hoop, zijn schitterende vooruitzichten prijsgeven ? Maar welke loopbaan zou hem dan bereid zijn ? quot;Wat zal men zeggen, als hij in de vaderstad terugkeert? â Ten slotte evenwel besloot hij, dat die woorden van God kwamen en hij derhalve moest gehoorzamen. J
Gelijk Paulus weleer op den weg naar Damascus, zoo boog ook Franciscus hier zijn hoofd onder het zwaard der liefde.
39
Zijn antwoord was gelijkluidend met dat van den grooten apostel, zijne belooning zou ook dezelfde zijn.
Met het krieken van den morgen zag Franciscus af van zijne reis naar Apulië, verliet vol vertrouwen op God Spoleto en spoedde zich naar Assisië zonder zich te bekommeren over de verwondering zijner makkers of de oordeelvellingen der menschen. Met de hem eigene vastberadenheid dacht hij slechts aan ééne zaak: de volbrenging van de bevelen des Allerhoogsten.
Zijne onverwachte teragkomst gaf zonder twijfel aanleiding tot velerlei gissingen, maar hij had tezeer aller harten en liefde aan zich verbonden dan dat iemand het waagde zijne handelwijze af te keuren, of de beweegredenen daarvan uit te vorschen. De vroolijke drom zijner vrienden kwam hem ettelijke dagen na zijn thuiskomst weer ten feestdisch nooden. Op geen verandering in de gevoelens zijns harten bedacht, vroegen zijne luchthartige makkers hem, gelijk voorheen de leiding hunner ⢠feesten op zich te nemen. Ofschoon hij zich na de gebeurtenissen der laatste dagen liever uitsluitend aan geestelijke zaken had gewijd, ontving hij hen met zijne gewone minzaamheid, en ver-eenigde hen bij snaar-en citherspel aan een vorstelijk feestmaal. Daar hij evenwel voor de laatste maal in den bonten vriendenkring zou aanzitten, had hij zelf alle kosten voor zijne rekening genomen en spreidde een luister en weelde ten toon, een prins waardig. Doch de blijde glimlach kwam ternauwernood op zijn lippen; zijn hart zweefde hooger !
Na den maaltijd trokken zij uitgelaten als vroeger de straten der stad rond. Franciscus, de koning van het feest, sloot den lichtzinnigen stoet met den bevelstaf, van bloemen omkranst, in de hand. Allen zongen, maar Franciscus' ziel was in diepe mijmering verzonken. Plotseling scheurden de wolken en de geest Gods daalde over hem neer. Een helder licht toonde hem in de levendigste kleuren, k'aar als de zon, het ijdele van het zingenot en van de aardsche rijkdommen. Te zelfder tijd overstroomde eene hemelsche zoetheid zijn hart in dier voege, dat hij sprakeloos en zonder beweging bleef staan. Naar hij later verhaalde, was zijne ziel bij die verschijning zoo innig in God verdiept, dat hij het niet zou hebben gevoeld, al hadde men zijn lichaam in stukken gekerfd.
40
Zoodra de feestgenooten hun aanvoerder misten, keerden zij op hun schreden terug. Zij waren niet weinig ontsteld, toen zij Franciscus aldus aantroffen. Pas echter had hij het gebruik zijner zinnen herkregen, of zij zetten hunne lichtzinnige scherts voort: âWaar dwaaldet gij toch met uw geest,quot; zeiden zij. Een der stoutsten, misschien in de meening zijn geheim ontdekt te hebben, riep hem lachend toe: âHa! dacht gij er wellicht aan eene bruid te nemen ?quot; âJa, antwoordde Franciscus met ernst, gij hebt het geraden; ik wil eene bruid nemen, en wel de rijkste, de edelste en schoonste, die er ooit bestond!quot; Hij zinspeelde op de heilige armoede van het Evangelie, die weduwe was gebleven sinds haar Goddelijke Bruidegom op het schandhout van Calvarië was gestorven. â Ziedaar de bruid, wier onvergelijkelijke schoonheid de H. Geest hem in deze geestverrukking had geopenbaard. Aan haar, al te lang reeds door de wereld verstoeten, zou Franciscus zich door heilige en onverbreekbare banden hechten als aan zijne eenige gezellin, zijne meesteres, zijne koningin!
Na deze verschijning ontstond in Franciscus een vurig verlangen om aich met God in het gebed te vereenigen. Verwijderd van zijn lustige vrienden, ontdaan ook van zijne droombeelden omtrent aardsche grootheid, hield hij zich nog wel bezig met handelszaken, maar men kon gemakkelijk zien, dat het slechts schijn was. Hij ontwaarde in zijn binnenste eene onweerstaanbare neiging om zich aan de beslommeringen zijner tijdelijke aangelegenheden te onttrekken. Immers bij de groote slagen der genade zoowel als bij diepen rouw en droefheid, gevoelt een ieder behoefte den omgang der menschen te ontvluchten om beter in zich zelf te kunnen keeren. Gelijk een dorstig hert naar de frissche waterbron, zoo verlangde zijne ziel naar de eenzaamheid, zoo bij uitstek bevorderlijk om de stem des Welbeminden te hooren
Een woeste spelonk van den berg Soubase in de nabijheid van Assisië bood hem, waarnaar hij haakte. Een maand lang ongeveer begaf hij zich telken dage daarheen, en bleef er soms eenige dagen achtereen verborgen Alleen met zijn God bad hij om vergiffenis voor de koelheid, waarmee hij de lente zijns levens had verspild; daar smeekte hij Hem, voortaan zijne schreden te richten op de paden der volmaaktheid. Als hij uit deze grot huiswaarts keerde, was hij bleek en vermoeid, als had hij
41
zich uitgeput door een arbeid, verre boven zijne krachten. Maar in ruil daarvoor was zijne ziel vervuld met de zoetste blijdschap, welke hij somtijds in bedekte woorden overstortte in den boezem van een vriend, de eenige, die hem getrouw was gebleven. âIk heb een schat gevonden, â zeide hij â een zeer kostbaren schat.quot; âEa waar is die geborgen?quot; hervatte aanstonds zijn vriend vol verlangen en nieuwsgierigheid. En dan geleidde Franciscus hem tot voor de grot en sprak lachende : âZie, daar rust hij, maar niemand kan tot hem doordringen dan ik.quot;
Die schat nu, niet verder door hem blootgelegd, was de kostbare parel, waarvoor men volgens het H. Evangelie alles moet veil hebben, die schat was het rijk der hemelen. Die geestelijke parel was van zoo schitterende schoonheid, dat haar glans Franciscus' hart boeide, van zoo groote waarde, dat hij haar wilde koopen tot eiken prijs. Dit eene, hoe deze parel het zekerst in bezit te krijgen, wist hij nog niet; en hij had.
Het is een vaste regel in het geestelijk leven, dat God, wanneer Hij eenige bevoorrechte zielen opvoert tot de zoetheid van het goddelijk verkeer, ook toelaat, dat de Engelen der duisternis zulke personen belagen en beproeven. Een harde maar wijze wet, aangezien zij gelegenheid biedt om als verwinnaar met den eerepalm uit het strijdperk te treden; wijl zij het veld der menscheljjke vrijheid verbreedt, het hart zuivert en het evenwicht herstelt, dat door de zonde verstoord was.
Franciscus maakte op dezen regel geene uitzondering. De meening, als zou deze jongeling zonder harden en langen strijd hebben gebroken met de wereld, zou eene dwaling zijn. Neen, te zelfder tijd, dat God hem vereerde met het bezoek der Engelen, was hij ook blootgesteld aan de heftige aanvallen van Satan. Deze om zoo te spreken ging met hem een strijd aan, man tegen man. Niets liet hij onbeproefd om hem weer terug te brengen onder het slavenjuk der wereld, zoo edelmoedig door hem afgeschud Nu eens riep de helsche macht alles voor zijn geest op, wat hem zou kunnen bekoren: de eer en het aanzien, die hij bij allen genoot; de uren van genot; de feesten, waar hij als de koning der jongelingschap voorzat, â en men weet, welk een geweldigen indruk zulke herinneringen maken op de verbeelding eens jongelings van 20 jaren! Dan weer dreigde
42
de duivel hem misvormd en afzichtelijk te maken. O, de mensch heeft zooveel plooien en schuilhoeken in zijn hart en de sluwe vijand onzer zaligheid verstaat het om ons ten bekwamen tijde juist in de zwakste zijde aan te tasten. Men vindt er hier een eigenaardig voorbeeld van.
Er leefde destijds te Assisië eene oude vrouw, eene afschuwelijke wangestalte, waarvoor Franciscus altoos een hevigen afschrik had. De duivel nu plaatste dat schrikbeeld voor zijn geest en blies hem ;.n, dat hij â ging hij voort met zijn verstorven leven, â haar gelijk zou worden De aanval was goed berekend, want in waarheid, Franciscus stond bij die gedachten doodsangsten uit. Overal doemde die vrouw als een spookgedaante voor zijn oogen op. Doch hij werd niet geslagen, omdat hij had! Hij beval ziel en lichaam aan God en verklaarde zich bereid in alles den Wil Gods met gelatenheid te omhelzen, ware het zelfs, dat God hem tot een voorwerp van afschuw en verachting zoude maken onder de menschen. Bij deze deemoedige onderwerping keerde de vrede in zijne ziel terug. Zoo konden noch Satans schandelijke inblazingen, noch zijn bedreigingen hem van zijn edelmoedige plannen afbrengen.
De liefde vcor de armen, die wij met Franciscus zagen op groeien, neemt vooral met dit tijdperk zijner bekeering een meer teeder en werkzaam karakter aan. Den behoeftigen geld en levensmiddelen uitdeelen, zjjne eigene kleederen afleggen om de naakten te dekken, deelnemen in de ellenden en smarten van een ieder, in zooverre dat hij nooit iemand ongetroost wegzond: ziedaar wat voortaan zijn geliefkoosde bezigheden, zijn uitgelezen vermaken waren. Waarlijk, hij was volgens de schoone uitdrukking van den H. Bonaventura, de vader, de aartsvader der armen.
Bij afwezigheid zijns vaders droeg hij tegen het uur van den maaltijd de tafel overvol met brood en allerhande spijzen. Zijn godvreezende moeder vraagde hem eens: âMijn kind, voor wie is toch zooveel voorraad?'' âMosder, antwoordde hij dan met den lach der engelen op het blijde gelaat, âhet is voor de armen Gods, want ik draag ze allen in mijn hart.quot; En Pica, uiterst gelukkig en geheel verteederd, omhelsde haar kind en sloeg zijne bezorgdheid met het hoogste welgevallen gade.
Poch Franciscusquot; milddadigheid zou zich nog verder uitstrekken.
43
Geroepen om eenmaal te ijveren voor het heil der zielen, stortte God hem allengs verhevener gevoelens in omtrent de waardigheid van den priester en zijn hoogheilig ambt In zijn persoon zag hij Jesus Christus zijn goddelijk verlossingswerk voorzetten. Daarom meende hij hen te moeten eerbiedigen en naar vermogen steunen en helpen. Met de uiterste kieschheid zond hij den armen priesters milde aalmoezen en alles wat voor den godde-lijken dienst noodig is. Hij was van meening, dat deze giften op zich reeds de eerste en heiligste aalmoezen waren, terwijl zij hem nog deel gaven in al de aanbidding en den lof, die de armen zijn Heer en God brachten.
Intusschen konden al deze goede werken, hoe uitmuntend ook, geenszins het verheven denkbeeld verwezenlijken, dat Franciscus zich van de christelijke volmaaktheid had gevormd; zijn dorst naar opoffering en toewijding was daarmee niet gestild. Neen, hij wilde verder gaan; hij wilde vrijwillig met de armen in hunne volslagen armoede, in hun lijden en ellende deelen Doch trok dat offer ter liefde Gods zijn edelmoedig hart, niet minder kwamen zijne wereldsche geneigdheden daartegen in verzet. Hij gevoelde, dat een hevige strijd hem wachtte, eer hij zich zonder voorbehoud met de armoede kon vereenigen. Zou hij kracht genoeg bezitten om dien harden strjjd ten einde toe te doorstaan ?
Vast besloten zich zelven te overwinnen, gelijk de schrijvers ons verhalen, nam hij zich voor in een of andere stad, waar de naam zijner familie onbekend was, de proef te nemen van dat leven vol ontbering en versmading, hetwelk hem voortdurend voor den geest zweefde. Doch waar en hoe ?.... Hij dacht na, en Rome scheen zijnen plannen het meest gunstig! Hier ziet men dus, hoe beslist en vastberaden Gods Heiligen op hun doel afgaan, doch hoe tevens geen roekeloosheid of onbezonnenheid, maar wijze voorzichtigheid op al hun wegen voorgaat.
Franciscus vroeg dan zijne ouders, die daarover volstrekt niet verwonderd waren, toestemming om eene bedevaart te doen naaide graven der H. Apostelen te Rome. In de Eeuwige Stad aangekomen, ging hij zich aanstonds neerwerpen op het graf van den H. Petrus en bracht er langen tijd in gebed over. Opgestaan bemerkte hij met leedwezen, hoe karig de giften der ontelbare pelgrims waren om dezen grootschen tempel te voltooien âWel
44
hoe, zoo riep hij spijtig uit, is dan de ijver voor den godsdienst zoo verkoeld? Waarom bieden de pelgrims in plaats van geld, zich zelt' niet ten offer aan in dit heiligdom, waar de assche rust van den Prins der Apostelen ? Hoe komt het toch, dat men niet met elkaar wedijvert om met buitengewone pracht den steen te versieren, waarop Jesus Christus zelf zijne kerk heeft gegrondvest !quot; Bij deze woorden greep hij met volle handen goudstukken uit zijne beurs en wierp ze voor de oogen der pelgrims op het marmeren praalgraf. Drie eeuwen later mocht een zijner kinderen, Paus Sixtus V, zijn wenschen vervullen, de koningin aller kerken met eene haar waardige kroon verheerlijken.
Gesterkt door het gebed, haastte Franciscus zich nu om het hoofdplan van zijn pelgrimstocht ten uitvoer te brengen. Bij den ingang der basiliek verdrong zich eene groote menigte bedelaars om de liefdadigheid der geloovigen in te roepen. Franciscus voegde zich bij hen, wenkte een der meest behoeftigen afzonderlijk, wisselde zijne kostbare kleederen tegen diens arme lompen en bleef daarop den ganschen dag op het voorplein der kerk om met de andere armen aalmoezen te vragen. Tegen den avond zette hij zich tusschen zijne nieuwe broeders neer en nuttigde met hen de sobere, om niet te zeggen de walgelijke spijzen, dien dag gebedeld. Ziedaar, hoe de liefde den moed in Gods Heiligen tot het uiterste drijft! Deze heldhaftige daad ontrukt de groote ziel van Bossuet dezen kreet van bewondering: âO Franciscus, wat begint gij voortreffelijk met de beoefening van de dwaasheid des kruises en der Evangelische armoede !quot;
Den volgenden morgen hervatte onze godvreezende pelgrim welgemoed den terugtocht naar Umbrië en kwam spoedig behouden te Assisië aan. Daar wachtte de Zaligmaker om hem door nieuwe beproevingen nog meer te zuiveren van alle aardsche verkleefdheid, alsvorens hem zijne roeping duidelijk kon aangekondigd worden. Volgens eene beschikking, zelfs in de levens der Heiligen hoogst zeldzaam, verwaardigde God zich onmiddellijk op te treden als Franciscus' Meester en Leidsman langs de wondervolle wegen der volmaaktheid. De gelukkige leerling raadpleegde van zijnen kant dan ook voortdurend den uitstekendsten aller Leeraren. Wetende, dat het niet raadzaam is het geheim des konings te ontsluieren, openbaarde hij hetgeen tusschen God
45
en hem omging aan niemand ter wereld, behalve aan den bisschop van Assisië, zijn geestelijken Vader en zielbestierder. Voor het overige ging Franciscus alleen te rade bij Jesus aan den voet van hot altaar. God had hem zonder tusschenpersoon tot dit nieuw leven geleid, bij geen ander zou hij voortgang en volharding vragen op dat uitverkoren levenspad.
Na zijn terugkeer uit Rome smeekte hij nog vuriger dan te voren, dat God hem thans zou toonen, hoe de krachten te gebruiken, die hij zoo grootmoedig had beproefd. Doch de raadsbesluiten Gods zijn zelden die der menschen. Hij hardt en staalt zijne dienaren des te meer, naarmate hij hen voor een moeilijker zending bestemt. Op zijn gebeden ontving Franciscus slechts dit antwoord van den hemel: âFranciscus. indien gij mijn welbehagen wilt kennen, dan moet gij eerst alles versmaden^ wat gij tot nog toe achttet in de wereld. Hoe meer gij in die verachting vordert, des te meer zal u alles bitter worden, wat u tot heden zoet was; maar ook integendeel zult gij dan de grootste vertroosting smaken juist in datgene, wat u voorheen walgelijk en ondragelijk toescheen.quot;
Weldra vond hij eene heerlijke gelegenheid om deze lessen van zijn Goddelijken Meester op de schitterendste wijze na te komen, bij de ontmoeting namelijk van een melaatsche.
Aangezien de melaatschheid zich in onze dagen opnieuw vertoont en reeds met felheid hare slachtofters eischt op verschillende punten van den aardbol, (denk slechts aan Lahore, Cuenfa en de eilanden Molokai) kan het nuttig zijn een oogenblik na te gaan, hoe de middeleeuwen dezen geesel Gods beschouwden en wat zij deden om zijne bitterheid te verzachten.
Deze afzichtelijke ziekte, die geheel het lichaam der aangetasten met witte en vaak bloedige zweren overdekt, had destijds een dubbel karakter. Zij was te gelijk besmettelijk en geheiligd ; besmettelijk, ten gevolge van een geheimnisvol besluit der goddelijke rechtvaardigheid ; geheiligd wegens de zinnebeeldige be-teekenis, welke zij in het Oud en Nieuw Verbond veelal bezit. Had de profeet Isaias den beloofden Messias niet aangekondigd als een melaatsche, door de hand Gods geslagen en vernederd ? Toonde de Zaligmaker zelf tjjdens zijn sterfelijk leven dezen ongelukkigen niet de meest voorkomende teederheid ? Natuurlijke
46
Vrees en eerbiedige vereering, ziedaar dus de gevoelens, welke die eeuwen van geloof voor deze afgrijselijke kwaal koesterden. Het gevoel van afkeer en walging, een noodzakeljjk gevolg van den aanblik hunner opene wonden, maakte plaats voor een soort van vereering, geput uit het licht van den christelijken godsdienst. Men noemde hen de âzieken van den goeden God,quot; âde armen van den lieven Zaligmaker.quot;
Werden de melaatschen eertijds in het blinde heidendom als een gevloekt deel des volks buiten de samenleving gestooten, in het beschaafd en christelijk Europa waren zij geëerd als eene gezegende, za zelfs bevoorrechte klasse. Zij vormden een afzonderlijk lichaam, onmiddellijk aan het gezag des bisschops onderworpen. Te gelijk met ring en kromstaf nam deze met een edelmoedig hart de verplichting op zich om in al hunne behoeften te voorzien. De geloovigen zagen onder dat gelaat, met bloed en vuil besmeurd, het aanbiddelijk aanschijn van den Lijdenden Zaligmaker. Nooit gingen zij hunne hospitalen voorbij, zonder eerst eene kleine aalmoes in de offerbus te werpen en zich in hunne gebeden aan te bevelen. Machtige heeren en adellijke vrouwen vermaakten rijke schenkingen aan de liefdehuizen, waar deze ongelukkigen leniging vonden ; ja zelfs, wat meer te bewonderen is, de kerk bracht geheele scharen ridders en maagden voort tot verpleging dezer melaatschen: de ridders van den H. Lazarus, die zelfs een melaatsche tot hun grootmeester kozen, en de gasthuis-zusters van St. Jan van Jerusalem.
Deze godsdienstige eerbied voor âde armen van den goeden Godquot; plaatste zich met de melaatschheid zelve van het Oosten naar het Noorden over. Hoe algemeen deze liefde voor de melaatschen tijdens de kruistochten bij het volk ook was geworden, de zoon van Bernardone had voor zijne bekeering een onweer-staanbaren afschrik voor die rampzalige slachtoffers. Bij het gezicht alleen van hun wit en afgrijselijk uiterlijk, op het geklep van hun ratel liep een koude rilling door zijne ledematen en van schrik terugdeinzend ontvluchtte hij hen langs eene andere richting. â Wonderbaar is het echter te zien, hoe God zelf hem hieromtrent onderrichten zal om ten slotte het rijk der genade te grondves^n op de puinhoopen van zijne nog te zinnelijke natuur.
Korten tijd nadat de Zaligmaker hem had opgewekt tot zelf-
47
verloochening reed hij te paard door de vlakte aan de voeten van Assisië, toen hij geheel onverwachts recht tegenover zich een melaatsche zag aankomen. Bij die onvoorziene ontmoeting ontstond een hevige strijd in zijn binnenste. Zijn eerste gedachte was; het paard te wenden en naar de stad terug! Maar te zelfder tijd hoorde hij inwendig eene stem. Deze vestigde zijne aandacht op de groote plannen van volmaaktheid, die sedert lang zijn geest en hart bezig hielden. Gedachtig aan de vermaning en belofte van zijn Goddelijken Meester, gedachtig, dat geen overwinning roemvoller, geene meer beslissend kon zijn dan juist zich zeiven hier te verloochenen, onderdrukt hij manmoedig allen weerzin, stijgt af van zijn paard, nadert den melaatsche, reikt hem een geldstuk en kust meteen de deerlijk geteisterde hand ! ! Ijlings springt hij weer in het zadel. Tot kalmte gekomen zoekt hij met zijn blik âden arme van den goeden Godquot; om hem hartelijk te groeten, doch vruchteloos! Hij staat alleen midden op de uitgestrekte vlakte. Had de Zoon des men-schen zich niet meermalen vertoond onder de gedaante van een melaatsche ? Met de zoetste vreugde in het hart vervolgde hij zijn weg. Hij smaakte reeds de waarheid van 's Heeren belofte, dat hem honingzoet zou worden, waarvoor hij eerst gruwde. Tehuis gekomen werpt hij zich neer voor Jesus' kruis en onder een vloed van tranen draagt hij zich op als een brandoffer aan de goddelijke majesteit.
Bij deze eerste ontmoeting evenwel had Franciscus een oogen-blik geaarzeld. Derhalve meende hij, dat de overwinning niet volledig en beslist geweest was. Onwrikbaar besloten zich zelf te verloochenen tot het uiterste, zou hij enkele dagen later de proef opnieuw nemen. Ditmaal echter zou hij zelf den aanval wagen.
Hij begaf zich naar het hospitaal der melaatschen in de nabijheid van Assisië, riep allen te samen en reikte ieder hunner eene aalmoes uit onder het kussen hunner handen. De hand kussen van een melaatsche ! Zijn lippen drukken op de walgelijke wonden! En dan die daad tot tienmaal, ja tot twintig keeren herhaald met dezelfde blijdschap en hartelijkheid, o dit zegt ons onnoemelijk veel van den heldenmoed van Franciscus ! De drie Gezellen verhalen ons dan ook, dat Franciscus zich op dat oogenblik ont-
48
roerd gevoelde tot in het diepste zijner ziel en in een nieuw mensch herschapen.
Als hij op het einde zijns levens een laatste maal zijn blikken laat gaan over de wonderbare wegen, waarlangs God hem had gevoerd, maakt hij zelf met een bizonder welgevallen juist van dezen dag melding. âDe Heer, zoo zegt hij in het begin van zijn Testament, de Heer heeft mij, broeder Franciscus, de genade verleend, op de volgende wijze een boetvaardig leven te beginnen. Toen ik in zonde was, scheen het mij ondraaglijk melaatschen te zien ; maar de Heer zelf leidde mij tot hen en ik bewees hun groote liefde. Toen ik daarop van hen wegging, was datgene, wat mij eerst bitter toescheen, voor mij veranderd in zoetheid naar ziel en lichaam.'' De levensbeschrijvers van Franciscus stemmen overeen, dat met deze heldendaad zijne bekeering voor goed beslist is; van dezen stond af, zeggen zij^ was hij een ander mensch, neemt het leven van den Heilige een aanvang.
Had Franciscus alles aan God ten offer gebracht, thans zou hij ook vertroost worden door Dengene, die zich nimmer in edelmoedigheid laat overtreffen. God deed hem zijne tegenwoor-heid gevoelen. In het binnenste zijns harten hoorde hij Jesus duidelijk tot hem spreken: âIk ben uw eenig heil.quot; O met wat vreugde heeft Franciscus die zoete woorden overwogen en herhaald ! Meer dan ooit ontsloot hij zijn hart voor de zoete ver-eeniging met zijn God.
Bovenal voelde hij zich getrokken om Jesus Christus te beschouwen in zijn lijden voor den zondigen mensch. Het beeld van den gekruisten Godmensch trof en verwondde Franciscus' hart. Hoe innig besefte hij toen, wat dat woord zeggen wil: âJesus, mijn Zaligmaker!quot; met hoeveel gloed herhaalde hij toen onophoudelijk : âJesus, mijn God en mijn al !quot;
Schitterend werd de jeugdige boeteling door Jesus zelf beloond. Eens dat hij in zijn geliefkoosde grot zeer vurig bad, verscheen hem de Zaligmaker, aan het kruishout geklonken. Zijn hoofd was met doornen gekroond, en uit ontelbare wonden druppelde het bloed op de aarde neder. Op dat gezicht werd Franciscus' hart van liefde en droefheid verteederd. De herinnering aan 's Heeren lijden drukte zich zoo levendig in zijne ziel,
49
dat hij van dien dag af bij de gedachte alleen aan den gekruisten Jesus zijn tranen en snikken niet kon weerhouden.
Deze derde verschijning zet de kroon op het werk zijner bekeering, dat begonnen was met het visioen van het wapenpaleis en voortgezet door dat der armoede. B|j de stralen van het goddelijk licht ziet Franciscus onder de trekken van den lijdenden Jesus het toonbeeld aller grootheid. Hij begrijpt, dat de christelijke volmaaktheid daarin bestaat, dat men onder den zwaren last des kruises met vasten tred den Zaligmaker volgt naar den top van Caivarië ! En edelmoedig betreedt hij dien weg: âNeen, neen, zoo sprak hij, ik wil geen ridder worden in den vreemde, maar bier in mijn vaderland, op mijn geboortegrond zal ik veel edele dingen ten uitvoer brengen.quot;'
4
TTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTT'
DERDE HOOFDSTUK. Roeping van Franciscus.
(1207-1209.)
¥anneelanneel, men aan de oostzijde van Assisië den Soubase afdaalt, ontmoet men ongeveer honderd passen van de stadsmuren een oud en onaanzienlijk kerkje, toegewijd aan den H. Damianus, Martelaar. Dit bedehuis was in Franciscus' dagen uiterst bouwvallig en dreigde zelfs in te storten.
Op zekeren dag langs de oostzijde de stadspoort uitgegaan, gevoelde Franciscus zich inwendig door den ïï. Geest gedreven liet armoedig heiligdom van Sint Damiaan binnen te treden. Hij wierp zich aanstonds neer voor eene schilderij van den Ge-kruisten Godmensch. Daar alleen voor Jesus' kruis neergeknield, sprak hij dit gebed, later zoo dikwerf door hem herhaald : âGroote God, vol van glorie, en Gij mjjn Heer en Zaligmaker Jesus Christus, ik bid U mij te verlichten ; verdrijf de duisternissen van mijn verstand en verleen mjj een levendig geloof, eene onwankelbare hoop, eene volmaakte liefde Doe mij U zoo goed kennen, o God, dat ik in alles handele volgens uwe goddelijke ingevingen en uw aanbiddelijken Wil.quot; â Zijne blik rustte vol medelijden op de beeltenis des Zaligmakers. Op eens werd het Christusbeeld bezield en sprak tot driemaal deze geheimnisvolle woorden: âGa, Franciscus, herstel mijn huis, dat, gelijk gij ziet, dreigt in te storten.quot;
De jongeling was alleen; er kon dus geen twijfel zijn, of het was de stem des Heeren. En toch, zoo groot was zijne ontsteltenis, dat hij eenigen tijd bleef zitten, onthutst en doodsbleek van angst Zoozeer is het den gevallen mensch eigen vrees te gevoelen voor de stem Gods
51
Tot zich zelf gekomen wilde Franciscus het bevel van den Verlosser volgens de letterlijke beteekenis der woorden ten uitvoer brengen. Hij verlaat daarom in allerijl de kerk. Aan den uitgang ontmoet bij toevallig Don Pietro, den priester met de bediening dezer kerk belast. âEerwaarde Heer, zoo sprak hij, terwijl hij hem zijne beurs overreikte, neem dit geld om olie te koopen en onderhoud eene godslamp voor de schilderij van den gekruisten Jesus. Hierop gaat hij onverwijld naar huis, neemt een groot pak kostbare stoffen, stijgt te paard en rent voort naar Foligno. Daar maakt hij èn paard èn koopwaar te gelde en brengt den geheelen prijs van dien ,gelukkigen koophandelquot; aan de voeten van den kapelaan van Sint Damianus.
Niet weinig verwonderd over den onverwachten ijver van Ber-nardone's zoon, liet Don Pietro dezen volgaarne enkele dagen in zijne woning vertoeven. Uit vrees evenwel voor den toorn van Franciscus' vader wees hij het geld beslist van de hand. Maar de heilige jongeling schatte het geld niet hooger dan het slijk op den weg en wierp het met verachting op een dec venster, ramen van de kerk.
De ziel, die vast besloten is zich onverdeeld aan God toe te wijden, moet er zich op berekend houden, dat de machten dezer wereld en der hel tegen haar zullen opstaan. Verdrukking en smaad volgen onmiddellijk hare schreden, schijnen in de wereld eenmaal haar natuurlijk erfdeel te zijn. Maar wordt die vervolging en verguizing te zelfder tijde niet een van hare schoonste eeretitels ? Of is het erfdeel van Calvarië geen goddelijke schat ? Deze nieuwe eerekroon zal den zoon van Bernardone niet ontbreken, ja zij zal hem zelfs geschonken worden van den kant zijner dierbaarste familiebetrekkingen.
Petrus Bernardcne was sedert verscheidene maanden voor zijne handelszaken afwezig. Bij zijn tehuiskomst vernam hij, hoe zijn zoon zich thans gedroeg, welke ruime aalmoezen hij uitdeelde en voor alles, hoe hij geheel en al van levenswijze veranderd was. Groot was de verontwaardiging des vaders. Oogenblikkehjk snelde hij met eenigen zijner vrienden naar Sint Damiaan. Bij het hooren hunner bedreigingen, verschrok Franciscus en verborg zich heimelijk in een afgelegen schuilhoek van Don Pietro's woning, en ontsnapte zoo den toorn zijns vaders.
liiblioQuca
Somentus-Yffife
52
Wadding verhaalt zelfs, dat bij op het oogenblik, waarop zijn vader de kamer binnentrad, waar hij zich ophield, miraculeus in den muur drong en zoo voor de woede zijner vervolgers bewaard bleef.
Na hun vertrek achtte Franciscus zich niet langer bij zijn gastheer veilig en verschool zich in de grot, welke hem door de verschijning van Jesus aan het kruis heilig en dierbaar was gebleven. Daar smeekte de nieuweling in den strijd zijn Meester om moed en kracht. Zijn schuilplaats was niemand bekend, tenzij een trouwen dienaar van zijns vaders huis, die hem in het geheim de noodzakelijke levensbehoeften bracht. Op wiens order? â De schrijvers zwijgen er van. Doch kan men zich hierin vergissen ? Begroet men achter het gelaat van dien dienaar niet het zoet en beminnelijk beeld van haar, die hem afzond ? Wiens blik ontdekt hier niet het waakzaam oog eener moeder, het teeder en medelijdend hart van Pica? Wanneer wij dit heimelijk bezoek uitzonderen, hangt een volslagen stilzwijgen over al de dagen, welke de jeugdige vluchteling in de eenzaamheid doorbracht. Doch hoeveel zouden Gods engelen niet kunnen verhalen van Franciscus' gebeden en verstervingen binnen die enge rotskloof!
De eenzaamheid is een geestelijke goudmijn; zij vereenigt den mensch innig met God, verrijkt hem met verdiensten, zuivert het hart, ja verwekt helden ! Ook de zoon van Bernardone trad als een nieuw mensch uit deze spelonk te voorschijn. Luide verwijt hij zich âzijne kleinmoedigheid en lafheid,quot; gelijk hij de vlucht voor zijn vader heette. Thans onwikbaar besloten, zal hij, koste wat het wil, de zending vervullen, waarmee hij in geweten oordeelde belast te zijn. Gelijkt hij den krijger niet, die na herstel zijner krachten de wapenen weer opgrijpt om met vernieuwden moed den aanval te wagen ?
Hij gaat op naar Assisië ! Bleek is zijn gelaat, uitgemergeld zijne wangen; maar tezelfdertijd klopt zijn hart onbevreesd, hij treedt op met een grootmoedigheid, den onverschrokken ridder van Christus eigen. Bij den eersten aanblik stond de menigte verstomd van verbazing, maar dan, beweeglijk als de spiegel dei-zee, barstten zij los in spot en honend gelach. Ja, zij grepen steenen op en slingerden ze hem naar het hoofd, dien zij voor
53
weinige dagen nog op de handen droegen, als de ziel hunner gezelschappen aanbaden. Van alle kanten riep men: âHij is dwaas, hij is krankzinnig geworden !'' O onstandvastigheid der volksgunst! Onder de spotters wordt de eerste plaats ingenomen juist door de oude deelgenooten zijner vermaken en feesten ! Kalm en rustig vervolgde Franciscus zijnen weg onder al die beschimping en verguizing; stilzwijgen, vergiffenis en liefde was zijn eenig antwoord op hun getier, hun beleedigingen en haat! Ja, dwaas was hij, doch niet gelijk zij meenden, maar volgens de verhevene dwaasheid des kruises, die de wereld heeft gered.
Intusschen kwam het gebeurde Bernardone al zeer spoedig ter oore. Die tijding was hem een dolksteek in het hart. Immers is een vader niet uiterst gevoelig voor alles, wat de eer zijner kinderen raakt? Hoe zou hij dan kunnen verdragen, dat zijn zoon door het slijk gesleurd wordt en bespot dooi- het volk? Bernardone snelde derhalve naar zijn zoon, maar nog altijd door zijn oude vooroordeelen verblind. Hij kwam niet om zijn kind te beschermen en aan de verguizing der volksmenigte te ontrukken, maar om paal en perk te stellen aan hetgeen hij eene ergernis heette. Met fonkelende oogen en lippen, trillende van spijt, met opgeheven vuist werpt hij zich op Franciscus, overlaadt hem met bittere verwijtingen en gebiedt uit de volheid van zijn vaderlijk gezag op staanden voet een einde te maken aan zijne buitensporigheden. De jongeling bleef echter bij zijn gevoelen. Nu stuwt Bernardone hem naar zijne woning voort, sluit hem op in eene duistere gevangenis en zweert hem daar te laten, totdat hij van leven zou veranderen.
De eerste gezellen des Heiligen kunnen bij het verhaal dezer gewelddadige handelwijze hun verontwaardiging niet verbergen. Doch zoo diep als zij het halstarrig verzet van den ontaarden vader tegen de goddelijke roeping zijns zoons verfoeien, zoo luide roemen zij Franciscus' standvastigheid. Al de geweldenarijen des vaders hadden geen ander gevolg dan de deugd van den jongen gevangene te versterken en in schitterend daglicht te stellen. Onder al deze tegenkantingen bewaarde hij eene onverstoorbare zachtaardigheid ; in den blik zijner oogen kon men de rust en vrede zijns harten lezen. Tot zijne verdediging herhaalde hij met klem, hetgeen de prins der apostelen weleer voor den jood-
52
Wadding verhaalt zelfs, dat hij op het oogenblik, waarop zijn vader de kamer binnentrad, waar hij zich ophield, miraculeus in den muur drong en zoo voor de woede zijner vervolgers bewaard bleef.
Na hun vertrek achtte Franciscus zich niet langer bij zijn gastheer veilig en verschool zich in de grot, welke hem door de verschijning van Jesus aan het kruis heilig cn dierbaar was gebleven. Daar smeekte de nieuweling in den strijd zijn Meester om moed en kracht. Zijn schuilplaats was niemand bekend, tenzij een trouwen dienaar van zijns vaders huis, die hem in het geheim de noodzakelijke levensbehoeften bracht. Op wiens order? â De schrijvers zwijgen er van. Doch kan men zich hierin vergissen ? Begroet men achter het gelaat van dien dienaar niet het zoet en beminnelijk beeld van haar, die hem afzond ? Wiens blik ontdekt hier niet het waakzaam oog eener moeder, het teeder en medelijdend hart van Pica? Wanneer wij dit heimelijk bezoek uitzonderen, hangt een volslagen stilzwijgen over al de dagen, welke de jeugdige vluchteling in de eenzaamheid doorbracht. Doch hoeveel zouden Gods engelen niet kunnen verhalen van Franciscus' gebeden en verstervingen binnen die enge rotskloof!
De eenzaamheid is een geestelijke goudmijn; zij vereenigt den mensch innig met God, verrijkt hem met verdiensten, zuivert het hart, ja verwekt helden ! Ook de zoon van Bernardone trad als een nieuw mensch uit deze spelonk te voorschijn. Luide verwijt hij zich âzijne kleinmoedigheid en lafheid,quot; gelijk hij de vlucht voor zijn vader heette. Thans onwikbaar besloten, zal hij, koste wat het wil, de zending vervullen, waarmee hij in geweten oordeelde belast te zijn. Gelijkt hij den krijger niet, die na herstel zijner krachten de wapenen weer opgrijpt om met vernieuwden moed den aanval te wagen ?
ïïjj gaat op naar Assisië ! Bleek is zijn gelaat, uitgemergeld zijne wangen ; maar te zelfder tjjd klopt zijn hart onbevreesd, hij treedt op met een grootmoedigheid, den onverschrokken ridder van Christus eigen. Bij den eersten aanblik stond de menigte verstomd van verbazing, maar dan, beweeglijk als de spiegel dei-zee, barstten zij los in spot en honend gelach. Ja, zij grepen steenen op en slingerden ze hem naar het hoofd, dien zij voor
53
weinige dagen nog op de handen droegen, als de ziel hunner gezelschappen aanbaden. Van alle kanten riep men; âHij is dwaas, hij is krankzinnig geworden !'' O onstandvastigheid der volksgunst! Onder de spotters wordt de eerste plaatsingenomen juist door de oude deelgenooten zijner vermaken en feesten ! Kalm en rustig vervolgde Franciscus zijnen weg onder al die beschimping en verguizing; stilzwijgen, vergiffenis en liefde was zijn eenig antwoord op hun getier, hun beleedigingen en haat! Ja, dwaas was hij, doch niet gelijk zij meenden, maar volgens de verhevene dwaasheid des kruises, die de wereld heeft gered.
Intusschen kwam het gebeurde Bernardone al zeer spoedig ter oore. Die tijding was hem een dolksteek in het hart. Immers is een vader niet uiterst gevoelig voor alles, wat de eer zijner kinderen raakt? Hoe zou hij dan kunnen verdragen, dat zijn zoon door het slijk gesleurd wordt en bespot door het volk? Bernardone snelde derhalve naar zijn zoon, maar nog altijd door zijn oude vooroordeelen verblind. Hij kwam niet om zijn kind te beschermen en aan de verguizing der volksmenigte te ontrukken, maar om paal en perk te stellen aan hetgeen hij eene ergernis heette. Met fonkelende oogen en lippen, trillende van spijt, met opgeheven vuist werpt hij zich op Franciscus, overlaadt hem met bittere verwijtingen en gebiedt uit de volheid van zijn vaderlijk gezag op staanden voet een einde te maken aan zijne buitensporigheden. De jongeling bleef echter bij zijn gevoelen. Nu stuwt Bernardone hem naar zijne woning voort, sluit hem op in eene duistere gevangenis en zweert hem daar te laten, totdat hij van leven zou veranderen.
De eerste gezellen des Heiligen kunnen bij het verhaal dezer gewelddadige handelwijze hun verontwaardiging niet verbergen. Doch zoo diep als zij het halstarrig verzet van den ontaarden vader tegen de goddelijke roeping zijns zoons verfoeien, zoo luide roemen zij Franciscus' standvastigheid. Al de geweldenarijen dos vaders hadden geen ander gevolg dan de deugd van den jongen gevangene te versterken en in schitterend daglicht te stellen. Onder al deze tegenkantingen bewaarde hij eene onverstoorbare zachtaardigheid ; in den blik zijner oogen kon men de rust en vrede zijns harten lezen. Tot zijne verdediging herhaalde hij met klem, hetgeen de prins der apostelen weleer voor den jood-
54
Ml
schen Hoogeraad had geantwoord : âMen moet Gode meer gehoorzamen dan de menschen.''
Hoelang Franciscus opgesloten bleef, is niet met zekerheid bekend, â (waarschijnlijk niet langer dan ruim ééne, uiterlijk twee maanden.) â maar wij weten, hoe de Voorzienigheid haar Dienaar van zijne boeien heeft bevrijd. Stil en terneergeslagen leed Pica evenzeer als haar kind onder het ruw geweld, dat men hem aandeed. Daarom zal zij als middelares optreden. Is de moeder in het huisgezin niet van natuurswege hiertoe aangewezen ? Zij zal dus beproeven om eene verzoening te bewerken tusschen twee personen, beiden haar even dierbaar. Haar onderneming was moeilijk ! Bernardone, tot wien zij zich het eerst richtte, wilde volstrekt van niets hooren. Van dien kant verstoeten, gaf zij den moed niet op, maar wendde zich tot den armen gevangene. Op zekeren dag maakt zij van Bernardone's afwezigheid gebruik om Franciscus in zijnen kerker te bezoeken. Zij zet zich aan zijne zijde neer en tracht door de meest dringende beweegredenen haar kind over te balen om tot zijne vroegere levenswijze in den familiekring terug te keeren. Zij neemt al de hulpmiddelen te baat, welke moederlijke teederheid in zulke oogenblikken kan ingeven; alles beproeft zij, â maar noch traliën, noch liefkoozingen, noch smeekbeden konden hem overreden. De jeugdige gevangene herinnert haar zegevierend aan den wil des Allerhoogsten, hem door de woorden van het wonderdadig kruisbeeld aangewezen. Ten slotte begrijpt Pica met de haar eigene scherpzinnigheid, dat zij hier staat tegenover een roeping, blijkbaar van goddelijken oorsprong. En zou het niet goddeloos zijn de plannen des Heeren tegen te werken ? Zij neemt derhalve een besluit, even wijs als stoutmoedig : zij opent de deur der gevangenis, een laatste maal drukt zij haar kind aan het hart en laat hem in volle vrijheid de buitengewone paden inslaan, waarlangs God hem riep.
Pica handelde als moeder, wat meer is, als eene echt Christenmoeder !
Franciscus dankte naast God Pica voor zijne verlossing en keerde aanstonds naar de kerk van Sint Damiaan terug.
Bij zijne tehuiskomst deed Bernardone heftige verwijten aan zijne echtgenoote. âWaarom moet gij uw zoon steunen! riep hij
55
uit. Hij richt ons huis ten gronde door zijne buitensporige verkwistingen en onteert het door zijne dwaasheden. Ikzelf zal hem terughalen en weer opsluiten of wel buiten het land zetten.quot; Hij, die vroeger de oogen gesloten had voor de verkwistingen van zijn wereldschgezinden zoon, duldt thans niet, dat die zelfde zoon rijkelijk aalmoezen uitdeelt; hij, die zijn kind volgaarne had toegestaan om schitterend uitgerust verre van den ouderlijken haard oorlog te voeren onder de bevelen van den graaf van Brienne, kan thans niet verkroppen, dat die zelfde zoon zich geheel en onverdeeld toewijdt aan den dienst van God.
Dezen keer echter ontweek de heilige jongeling zijn vergram den vader niet. Hij luisterde naar zijne klachten en antwoordde dan met eerbiedvolle vastberadenheid: âVader, laat vrij al uw redeneeringen en bedreigingen varen. Ik ben bereid duizendmaal meer te lijden voor den naam van Jesus Christus!quot; Bernardone zag, dat hij onbeweeglijk bij zijne voornemens volhardde, gelijk aan de rotsen, welke door golven en stormen voortdurend gebeukt, nochtans pal staan. Machteloos tegenover zijn zoon, vorderde de vader den prijs terug, door Franciscus onlangs te Fo-ligno voor paard en koopwaar gekregen. Men wees hem het geld aan op het vensterraam der kerk. Hij greep het met be-geerige hand en keerde huiswaarts met wrevel en spijt in het hart, verbitterd over de weerspannigheid van zijn zoon.
Onderweg blies de duivel der hebzucht hem de gedachte in, zijn stjjflioofdig kind tot een volledigen afstand van zijn rechtmatig erfdeel te dwingen. Bernardone ging dan zijn zoon aanklagen bij den bisschop van Assisië. Don Guido II, die van 1200â1228 do kerk van Assisië bestuurde, daagde den ge-waanden schuldige voor zijne rechtbank. Franciscus eerbiedigde het gezag tezeer om zich een enkel oogenblik tegen zulk eene dagvaarding te verzetten. âJa, zoo sprak hij tot de dienaren, die het bevel van den bisschop overbrachten, ik zal voor den bisschop verschijnen, want hij is de vader en herder der zielen.quot;
De waardige kerkvoogd, die als zielbestierder van den aangeklaagde zijne deugd sinds lang had leeren kennen, ontving hem meer met de goedheid eens vaders dan met de gestrengheid eens rechters. âMijn kind, zoo sprak hij, uw vader is ten uiterste
56
over uw gedrag verstoord. Indien g|j verlangt God te dienen en de volmaaktheid te betrachten, geef hem dan al het geld, dat hem toebehoort. Stel uw vertrouwen op God en vrees niet! God zal uw helper zijn ; Hij zal voortaan in al uwe behoeften voorzien tot eer en verheffing zijner kerk.'' Door die woorden gesterkt, staat Franciscus op en in heilige geestvervoering antwoordt hij : âDoorluchtige Heer, ik zal mijn vader alles weergeven, wat hem toekomt, tot zelfs de kleedingstukken, welke ik draag.quot; Zonder weifelen ontdoet hij zich nu van zijn kleederen, werpt zich, nog slechts gedekt met een haren boetkleed, aan de voeten des bisschops en roept uit op een toon, dat het allen aanwezigen door merg en been dringt: âHoort en begrijpt het wel: tot op dezen dag noemde ik Petrus Bernardone mijn vader; voortaan zal ik met het volste vertrouwen zeggen: Onze Vader, die in de hemelen zijt, in wiens schoot ik geheel mijn schat heb neergelegd, op wien al mijn hoop en verwachting is gebouwd.quot;
Al de getuigen van dit onbeschrijfelijk tooneel weenden van verteedering en aandoening. De bisschop zelf was zichtbaar ontroerd en van zijn zetel dalend, hangt hij zijn mantel om de schouders van den heiligen jongeling. Tegenover een offer zoo heldhaftig, tegenover een hart zoo edelmoedig begreep ook hjj evenals Pica, dat God dezen jongeling langs wondervolle wegen zou geleiden. Hij zegde hem zijne hooge bescherming en oprechte liefde toe en liet hem daarop gaan.
Intusschen haalde men de armoedige en grove kleederen van een arbeider, die bij den bisschop in dienst was. Franciscus nam ze in dank aan, teekende er zelf een kruis op en bekleedde er zich mede. Beroofd van alles is hij nu de armste, maar tevens ook de gelukkigste der menschen Wie ter wereld is meer opgeruimd en tevreden dan Franciscus ? Hij was gelukkig, omdat hij geen ander goed bezat dan God, niets kon verhopen dan van God., niets kon ontvangen dan ter liefde Gods! Hij was gelukkig, omdat hij arm als Jesus aan het kruis, veilig en onbesmet het bederf deser wereld zal ontkomen! O wat is het bankroet, dat deze koopman slaat, schoon! O Franciscus, gij verdient in het boek der evangelische armen te worden opgeteekend en voortaan op kosten der Voorzienigheid te leven.
57
Het was in de maand April 1207. Franciscus telde 25 jaren, dat is te zeggen de leeftijd, waarop de mensch in het vol genot zijner vrijheid en zelfstandigheid optreedt; de leeftijd, waarop de moedigste besluiten gevormd, de heldhaftigste offers gebracht worden!
Vrij van alle aardsche beslommeringen, vroolijk als eene lijster? zoo even het net des vogelaars ontsnapt, zocht Franciscus opnieuw de eenzaamheid in de bosschen en gebergten ten Noorden van Assisië. Vol bewondering voor de heerlijkheid der lente-natuur, maar meer nog ontgloeid door den brand der goddelijke liefde, stort hij zijn gemoed uit in heerlijke lofzangen, den Schepper ter eer. O hoe treffend was het, hem zijne lofliederen te hooren afwisselen met dit dankgebed, Davids hart ontweid: âHeb dank, o God, dat Gij mijne boeien hebt verbroken. Ik zal U ter vergelding een offer van lof aanbieden en uw heiligen Naam zegenen.quot;
Een bende roovers ontmoette hem en vroeg: âWie zijt Gij?quot; â âIk ben de wapenbode van den grooten Koning,'' zoo luidde het geheimzinnig antwoord. âKomaan, het is maar een armzalige dwaas,quot; mompelden de bandieten onder elkaar, en meteen grijpen zij hem, slaan hem wreedaardig en werpen hem ten slotte in een nabijzijnden kuil. ;,Rust maar een weinig, dwaze heraut Gods,quot; zoo riepen zij spottend. â Toen de baanstroopers weg waren, sprong Franciscus, stralende van blijdschap uit den kuil. Nog luider dan te voren weergalmden zijne zangen en gebeden door de stilte der bosschen.
Tegen den avond kwam hjj voor de poort van een klooster, klopte aan om eene aalmoes en bracht er zelfs eenige dagen over in den dienst der kloosterlingen. Zijne ziel vond hier echter niet, wat zij begeerde. Hij begaf zich dan vandaar naar Gubbio, waar een vriend zijner jeugd (een zekere Fredericus Spadalunga,) uit medelijden met zijne armoedige kleeding hem het gewaad der kluizenaars van dien tijd schonk : een korte toog, een lederen gordel om de lendenen, schoenen en een pelgrimsstaf. Onder dit boetekleed wijdde hij zich geruimen tijd aan den dienst der armen, maar vooral der melaatschen in het hospitaal nabij genoemde stad.
Franciscus stelde zich niet tevreden de ziekenhuizen te be-
58
zoeken, maar schepte er zelfs, volgens de opmerking van den Serafijnschen Leeraar, bjjzonder vermaak in, te midden dier tooneelen van lijden en smart te mogen wonen; de lichamen verzorgde hij door de walgelijke wonden te zuiveren, maar vooral de zielen, die hij opbeurde in hun hopelooze en langdurige ziekte. Wie kan zich een denkbeeld vormen van zijne liefde en voorkomendheid jegens die arme lijders ? Nooit zou hij van hunne legerstede weggaan zonder hun eerst een van die hartelijke troostwoorden te hebben toegesproken, die zoeter zijn dan elk hulpbetoon, zachter dan een verkwikkende balsem Hier oefende hij zich om later als geneesheer der zielen op te treden.
De goede God beloonde deze onbaatzuchtige liefde door de gave van mirakelen. Ziehier een der wonderen ; wij ontleenen het aan den H. Bonaventura, die verhaalt het onder honderden van dit soort te hebben gekozen.
Een edelman uit het hertogdom Spoleto was door een afzichtelijken kanker aangetast, die mond en wangen langzamerhand wegteerde. Tevergeefs had hij reeds de bekwaamheid der ge-neesheeren ingeroepen, tevergeefs zich te Rome op de graven der heilige apostelen neergeworpen: de wonde kankerde van dag tot dag dieper in. Toen hij hoorde van de wonderen, welke God door Franciscus uitwerkte, spoedde hij zich tot den dienaar des Heeren. Hij wilde zich ootmoedig aan de voeten van Franciscus neerwerpen, doch deze voorkwam hem, drukt hem in zijne armen en kust zijn deerlijk misvormd aangezicht. En o wonder! De vreeselijke kwaal verdwijnt onder de lippen van den heilige. De lijder is volmaakt genezen. âJa waarlijk, roept hier de H. Bonaventura uit, ik weet niet wit het meest te bewonderen ; zulk een kus of zoodanige genezii. â¢quot;
Liefde tot de melaatschen, en wel eene eve., heldhaftige als teedere liefde, schittert als een lichtende ster in oe geschiedenis van Franciscus. Deze liefde bleef hij geheel den duur zijns levens voeden en zij ging later op zijne orde over. Ja, laten w;j het niet zwijgen : zijn voorbeeld zal geenszins binnen het kloosterslot verborgen blijven. Neen, als een kostbaar reukwerk zal het zich buiten de grenzen van Umbrië heinde en verre verbreiden, en zelfs in het midden eener baatzuchtige wereld den geest van opoffering doen herleven. Eene breede schare van
59
edelmoedige zielen zal in zijn voetspoor treden. Men zal mannen zien opstaan als een Lodewijk IX van Frankrijk, een Hendrik III van Engeland, vrouwen als eene Elisabeth van Hongarije of eene Angela van Foligno, die evenals Franciscus het zich tot eene eer rekenen, âde armen van den goeden God-' te verplegen.
Algemeen houdt men, dat Franciscus niet langer dan écne maand te Gubbio in het hospitaal der melaatschen overbracht. Nog gedurende de maand Mei 1207 begaf hij zich andermaal naar Assisië. De stem van het wonderdadig kruisbeeld klonk hem dag en nacht in de ooren. Zijns ondanks voelde de jongeling zich ⢠onweerstaanbaar voortgestuwd om de opdracht te vervullen, hem omtrent het herstel der kerk van St. Damiaan opgelegd.
Wie zal ons zijne ontroering schetsen, toen hij weer van verre de muren zijner vaderstad aanschouwde, die hij voor korten tijd nog had verblind door den glans zijner rijkdommen, maar waar hij ook de onstandvastigheid en den ondank der wereld had leeren kennen ? Zonder evenwel te luisteren naar al de herinneringen van vroeger, met terzijdestelling van al de raadgevingen der bloot menschelijke wijsheid, trad hij Assisië binnen, gelijk weleer de profeten van het Oude Verbond het ondankbare Jerusalem. Hij ging de straten der stad rond en de openbare pleinen om de grootheden Gods en der verdrukte moederkerk te prediken. Daarop bedelde hij ter liefde van Jesus Christus de steenen voor den opbouw van Sint Damiaan bijeen. Zonder gemaaktheid of schaamte, maar met bewonderenswaardVen eenvoud sprak hij: âDie mij één steen geeft, zal ééne belooning hebben, die er twee geeft zal twee, en die er drie geeft, zal ook drie belooningen erlangen.quot;
Groot was wederom de opspraak binnen de stad; allen luisterden naar hem, maar de gevoelens der burgers liepen ver uiteen. Eenigen overlaadden hem met hoon en spot; anderen schudden het hoofd en gingen stilzwijgend voorbij, wederom anderen waren van meening, dat men zulk eene «verandering van leven alleen aan God kon toeschrijven en hielpen hem derhalve met eigen hand of met hunne ruime aalmoezen het heiligdom van Sint Damiaan herstellen. Franciscus ontving smaad
60
en liefdegiften met gelijken dank : den smaad tot welzijn zijner ziel, de liefdegiften tot opbouw van het oude kerkje. Toen kon men dien jongeling van goeden huize, aan al de gerieven en genoegens der weelde gewoon, als een opperman de noodzakelijke bouwstoffen zien aandragen en steenen kappen. Hij werkte zonder verademing, zoodat zijne toch reeds tengere ledematen, door vasten en strenge boetpleging nog meer verzwakt, kromden onder den last des arbeids.
Don Pietro, nog altijd aan den dienst dezer kerk verbonden, had medelijden met hem. Niettegenstaande zijne onbeduidende inkomsten bereidde hij den jongen werkman tegen het einde van den dag een goeden maaltijd. In den beginne nam Fran-ciscus dit aanbod met blijdschap aan, maar na enkele dagen maakte hij tegenbedenkingen. Franciscus, zoo dacht hij, zult gij overal en altijd een priester vinden, die u zoo hartelijk onthaalt ? En, is dit wel overeenkomstig de armoede, welke gij u tol gezellin hebt verkozen ? Neen! Ga voortaan van deur tot deur met een bedelkorf aan de hand, gelijk de andere armen overgeschoten brokkelingen inzamelen. Want aldus betaamt het. u te leven ter liefde van Jesus; Hij toch is om u arm geboren, beeft in armoede geleefd, is ten laatste om u naakt aan het kruishout gehecht en als een arme met geleende doeken begraven in eens anders graf.quot; â Des anderen daags ging hij in de stad zijn voedsel bedelen, waarna hij zich in de straten neerzette om zijn maaltijd te nemen. Op het gezicht van zulk eeu walgelijk mengelmoes kwam de natuur in verzet en onwilkeurig wendde hij zijn blik af. Met kracht onderdrukt hij echter dien weerzin en begint dan zelfs met blijdschap en lust te eten. Later verklaarde hij meermalen, dat hij nooit smakelijker feestmaal had genoten. Toen hij 's avonds bij Don Pietro terugkwam, zeide hij vroolijk: âHeb voortaan geen zorg meer voor mijn onderhoud ; ik heb eene uitstekende huishoudster gevonden, een bekwame kok, die beter dan iemand ter wereld de spijzen weet toe te bereiden.quot;
Voor de laatste maal in den loop dezer g^gchiedenis komt Petrus Bernardone hier ter sprake en helaas! niet tot zijne eer. Hij wilde niets begrijpen van de geheimvolle werking der genade, noch van de heilige dwaasheid des kruises; hij verbitterde
! I
I
â ml
61
zich allengs meer en meer, daar hij zijn zoon niet zelden als bedelaar in Assisië's straten moest ontmoeten of zien, dat deze liet mikpunt was geworden van den spotlust der vaak kwaadwillige volksmenigte. Hem ontmoetend keerde hij met verontwaardiging het gelaat af, soms ging de vader zelfs zoover, dat hij zijn eigen kind vervloekte. Ons hart krimpt ineen bij deze gedachte ! Voorzeker, de hemel bekrachtigde de verwenschingen des vaders niet, maar zij sloegen niet te min een diepe wonde in het hart van het kind, ja misschien wel de wreedste, die het ooit is toegebracht. Om die bloedende wonde een weinig te heelen, richtte Franciscus zich tot een eenvoudigen en braven bedelaar met deze woorden: âKomaan, ik zal uw zoon zijn, telkens als mijn natuurlijke vader mij zal vervloeken, zult gij, mijn aangenomen vader, uwen zegen over mij uitspreken.'' De grijsaard willigde dit verzoek met blijdschap in en strekte zegenend zijn handen over Franciscus uit.
Angelus, de eenige broeder des Heiligen, scheen met de fortuin zjjns vaders ook deszelfs hardvochtigheid geërfd te hebben. Op een guren winterdag in de kerk biddend beefde Franciscus van koude onder zijn schamel en versleten kluizenaarskleed. Als Angelus hem nu in 't voorbijgaan opmerkte, zeide hij schertsend tot zijne vrienden : âGaat hem eens vragen, of hij ons eenige druppels van zijn zweet wil verkoopen.quot; âNeen, dus antwoordde Franciscus, ik verkoop mijn zweet niet aan de menschen, want ik heb het veel duurder verkocht aan God.''
Onder dergelijke beproevingen werkte onze Heilige met vlijt en volharding aan de voltooiing van Sint Damiaan. âKomt, zoo riep hij den voorbijgangers tce, helpt ons dezen arbeid voltrekken. Hier zult gij nog een klooster zien bloeien van arme zusters, wier onbesmette levenswandel den hemelschen Vader zal verheerlijken en de gansche kerk grooten luister bijzetten.'' Vijf jaren later trad deze voorspelling in vervulling, toen Clara zicli met hare dochters op deze plaats vestigde.
De geschiedenis teekent ons hier wederom een dier trekken, waaruit duidelijk blijkt, dat onze Heilige slechts door strijd en zelfverloochening zoover kwam. Franciscus wilde, dat in Sint Damiaan dag en nacht meerdere lampen zouden branden voor liet wonderdadig kruisbeeld. Hij ging daarom in Assisië olie
62
bedelen. Toen hij nu ergens zou aankloppen, waar tal zijner oude vrienden bij een feestmaal aanzaten, schrok hij voor zijn armoedig en onoogelijk voorkomen; schaamte weerhoudt hem. Doch aanstonds keert hij terug, knielt voor de genoodigden en belijdt zijn schuld, er bijvoegende, dat deze laffe schaamte wellicht niet vrij was geweest van zonde, omdat hij handelde in 's Heeren naam en olie bedelde voor Diens heiligdom.
Aldus eindigde Franciscus het jaar 1207 in harden arbeid naast gebed, versterving en volslagen armoede.
Toen de kerk van den H Damianus voltooid was, herstelde hij nog twee andere heiligdommen, evenals het eerste op kleinen afstand van de poorten van Assisië gelegen. Het eene was toegewijd aan den heiligen Petrus, prins der apostelen. Met eene teedere godsvrucht voor de steenrots der kerk bezield, wenschte hij niets vuriger dan het nieuwe jaar 1208 te openen met den opbouw dezer kerk. Hiermede was hij in betrekkelijk zeer korten tijd gereed, dank aan de overvloedige aalmoezen zijner medeburgers.
Het andere heiligdom was een uiterst arm kerkje, nochtans zeer merkwaardig om zijn overoud en schitterend verleden. Omstreeks het jaar 352 opgetrokken door eenige vrome kluizenaars, uit Palestina naar Italië overgekomen, werd het sinds 516 achtereenvolgens bediend door de monniken van den berg Casino, van Cluny en Citeaux. Men had het beurtelings verschillende benamingen gegeven; zoo o. a. heette het âHeilige Maria van Jo-saphat,quot; omdat er eene zeer kostbare reliquie van het graf der heilige Moedermaagd bewaard word; later noemde men het ook âPortiunculaquot; wijl het juist gelegen was op een afzonderlijk stukje grond, toebehoorend aan de Benediktijner-monniken van den berg Soubase; eindelijk nog âOnze Lieve Vrouw ter Engelen,quot; uithoofde van de hemelsche verschijningen, welke daar meermalen door het volk gezien waren. Was het vroeger zelfs eene vermaarde bedevaartplaats geweest, thans lag het geheel en al verlaten; alleen zochten de herders binnen de bouwvallige muren eene schuilplaats voor hunne kudden. Onze Heilige spande alle krachten in en verdubbelde zoo mogelijk zijn ijver om dit eerbiedwaardig bedehuis tegen de vernieling des tijds te bewaren. Tegen het einde van het jaar 1208 had hij het weer in zijn eersten luister hersteld en tot zijne eeuwenoude godsdienstige bestemming teruggebracht.
63
Met dit alles was intussclien het levensdoel van Franciscus in ruwe grondlijnen afgeteekend, want zooals de geschiedschrijvers opmerken, waren de drie herstelde kerken het zinnebeeld van de drie Orden, waarvan hij volgens de raadsbesluiten Gods de stichter zou worden. Thomas van Celano ziet er zelfs eene bijzondere beschikking Gods in, dat Franciscus voortbouwde op de oude grondslagen, omdat hij later zijne drie Orden zoude grond-vesten op het hechte fundament, dat reeds gelegd was, Jesus Christus en zijn heilig Evangelie, volgens het woord van den apostel der volkeren : âNiemand vermag een ander fundament te leggen, tenzij hetgeen reeds gelegd is, d. i. Christus Jesus
Van de drie genoemde heiligdommen gaf Franciscus de voorkeur aan Portiuncula, hetzij om het heerlijk verleden, hetzij op voorgevoel van de toekomst. Onze Lieve Vrouw der Engelen had eene eigenaardige aantrekkelijkheid voor hem. Daar was zijn geliefkoosde bidplaats en gewoon verblijf; daar overwoog hij met meer vrijheid en vurigheid het lijden zijns Goddelijken Meesters, daar proefde hij er meer ongehinderd de volle bitterheden van. Wanneer hij zich alleen bevond, trad hij met zjju God in eene onuitsprekelijke vereenigmg, liet de smart en droefheid den vrijen loop, en brak niet zelden los in verzuchtingen en weeklachten.
Een zijner oude vrienden wandelde op zekeren avond langs de
kapel van Portiuncula. Toen hij luide smartkreten hoorde, trad
hij, door nieuwsgierigheid gedreven, stil de kapel binnen. Welk
was djne verwondering, als hij Franciscus bitter zag weenen '
âWat is toch de oorzaak van zooveel leed en droefenis ?quot; vroef i â¢â¢ ® hij. âAch, sprak Franciscus, ik beween het lijden van onzen
Heer Jesus Christus, en ik zal mij niet schamen het zelfs openlijk te doen ten aanschouwen der geheele wereld.quot; Treffende uitspraak, een zoo teeder en minnend hart als dat van Franciscus over waardig! In den mond van Franciscus was het tevens eene voorspelling.
\ eel, zeer veel verwachtte Franciscus van Maria, zijne Hemel-sche Moeder, wier nederig verblijf hij had hersteld. Hij nam haar, de koningin der Engelen, tot zijne bijzondere Patrones, voor hare beeltenis neergeknield verklaarde hij, koste wat het wil, den berg der evangelische volmaaktheid te willen beklimmen. Maar welke wegen moest hij volgen? Hij wist het niet! Im-
64
mers, ofschoon hij sedert twee jaren aan al de ingevingen der genade getrouw was, bleef zijn grootsche levensstaat nog voor hem verborgen Hij ontwaarde alleen een onbestemd voorgevoel. Daarom smeekte hij Maria, de Ster re der Zee, dag en nacht, dat zij over het broze scheepje zijner ziel, door storm en baren bedreigd, zoude waken, en het roer met vaste hand richten. Steunend op Maria's bescherming ging hij vol vertrouwen de toekomst tegen, gelijk aan die stoute zeevaarders, die zonder schrik of schroom voortzeilen, omdat zij van verre reeds de veilige haven begroeten, waar zij straks dubbel blijde het anker zullen uitwerpen. Eindelijk toonde God zelf op Maria's voorbede hem deze veilige haven.
Den 24 Februari 1209 â feestdag van den H. Apostel Mathias â lag Franciscus in zijne geliefkoosde kapel van Portiuncula neergeknield om het heilig sacrificie der Mis bij te wonen, daar op zijn verzoek opgedragen. Toen de priester bij het evangelie van dien dag deze woorden las: âGaat en verkondigt, dat het rijk Gods nabij is; bezit noch göud, noch zilver, noch eenig geld in uwe beurzen, noch reiszak of dubbele kleeding, noch schoeisel of stafquot;, (1) ging er een lichtstraal op voor den jeugdigen boeteling. Na de heilige Mis vroeg hij den priester den uitleg dier woorden. Als hij nu vernam, dat de Zaligmaker zijnen leerlingen deze onderrichtingen gegeven had om hen voor het predikambt te vormen, sprong hij op van vreugde; zijne oogen schitterden en zijn gelaat straalde van hemelsche blijdschap. âZiedaar, riep hij uit, wat ik zocht, ziedaar wat ik in mijne vurigste verlangens begeerde.quot;
Franciscus is in de veilige haven aangeland; zijne roeping was hem nu afgeteekend : de prediking van het evangelie onder de banier der heilige armoede ! Hij bezit zich zelf niet meer van vreugde. Aanstonds werpt hij met verachting zijne geldbeurs, zjjn reiszak, schoeisel en staf weg, kleedt zich in eene ruwe pij en gaat met ongedekt hoofd, blootsvoets, de lendenen met een grove koord omgord naar Assisië, ten einde er boetvaardigheid te prediken en zielen te winnen voor Christus.
Bij zijne predikatiën vond hij een zelfden bijval als op zijn eerste bedeltochten. Hij zamelde zeer veel smaad in voor zich zei ven
(1) Matth. X.
65
en slechts enkele zielen voor den Hemel, maar het waren, gelijk wij in het volgend hoofdstuk zien zullen, uitgelezene zielen! Twee maanden volhardde hij in deze levenswijze, zijn tijd ver-deelende tusschen het gebed en de prediking van Gods woord, terwijl hij nog voortdurend nachtverbljjf nam bij den kapelaan van St. Damianus.
Wonderbare macht van Gods woord ! In de derde eeuw hoorde een jong edelman van Egypte, de Heilige Antonius, deze plaats lezen uit het Evangelie: ,Indien gij volmaakt wilt zijn, ga, verkoop alles wat gij hebt, geef het den armen en gij zult een schat bezitten in den hemel; kom en volg Mij.quot; Hij kwam dezen raad van het Evangelie na en werd de vader en grondlegger van het kluizenaarsleven in het Oosten. Tien eeuwen later hoort Franciscus, de zoon van een schatrijk koopman te Assisië, een ander soortgelijk woord van het heilig Evangelie ; op zijne beurt verlicht door Gods genade, wordt hij de vader van eene nieuwe kloosterorde in het Westen. Op dezen dag toch, â 24 Februari 1209 â werd het geheimzinnig huwelijk gesloten van den Sera-fijnschen Vader Franciscus met zijne bruid, de heilige armoede; op dezen dag werd de grondslag gelegd van de Orde dei-Minderbroeders !
VIERDE IIOOFDSTUK.
.1 I
Fran fiscus' twaalf eerste Volgelingen. â Begin van de Orde.
(1209.)
inds eenigen tijd hadden de wonderbare handelingen van Bernardone's zoon de aandacht getrokken van een vermogend man uit Assisië, Bernardus van Quintavalle. Hij wilde Franciscus' deugd meer van nabij gadeslaan of haar misschien wel op de proef stellen. Weldra werden de eerste vriendschapsbetrekkingen aangeknoopt. Op zekeren avond noo-digde Bernardus den Heilige uit om met hem het avondmaal te gebruiken en onder zijn dak te vernachten. Na dfn maaltijd liet Bernardus hem een rustbed spreiden in zijn eigen slaapvertrek. Na een gen tijd begaven beiden zich ter ruste. Bernardus nam den schijn aan, alsof hij in diepen slaap gedompeld was, terwijl hij in werkelijkheid bij de flauwe schemering van een nachtlicht elke beweging van zijn gastvriend nauwkeurig gadesloeg. Franciscus, op zulke vrome list niet het minst bedacht, stond van zijn legerstede op, en wierp zich met het aangezicht plat ter aarde in g«bed neder. In zijne vurigheid vergat hij weldra de plaats, waar bij zich bevond, strekte zijne handen ten hemel, of vouwde ze kruiselings op de borst, en met betraande oogen verzuchtte hij onophoudelijk: âDeus meus et omnia. Mijn God en mijn al!quot; Zoo bracht hij een groot deel van den nacht over. Dit roerend schouwspel trof Bernardus tot in het diepste zijner ziel. âJa waarlijk, zoo sprak hij, dit is een man Gods!quot; Doch daarbij liet hij het niet.
Bij het aanbreken van den morgen riep hij Franciscus, en zonder iets van zijn edel voornemen te laten doorschemeren, stelde hij hem deze vraag; âWanneer een dienaar een grooten schat
67
âvan zijn meester in leen had ontvangen voor vele jaren, en hij âvoordat nog de bepaalde termijn verstreken was, dit geld niet âlanger zou behoeven, wat meent gij, zou deze dienaar moeten âdoen ?quot;
âHet zijn Heer wedergeven,quot; sprak Franciseus.
âWelnu, die dienaar ben ik,quot; hernam Bernardus. âGod heeft âmij zeer aanzienlijke rijkdommen toevertrouwd verre boven âmijne verdiensten; heden wil ik Hem alles teruggeven om u âte volgen,quot; â Franciseus was verrukt van blijdscbap bjj de gedachte, welk een waardig en voortreffelijk man God hem toezond om de grondslagen eener nieuwe stichting te legden. âMijn âBroeder,quot; sprak hij, âuw voornemen is eene zaak van het hoogste âbelang. Daarom moeten wij bij God raad vragen. Laat ons âderhalve beiden ter kerke gaan om de heilige Mis te hooren. âDan zal de Heilige Geest zelf ons aanwijzen, wat Gods aanbiddelijk welbehagen van ons verlangt.quot;
Des anderen daags begaven zij zich naar de kerk van den Heiligen Nicolaas. Onderweg sloot een kanunnik der kathedrale kerk zich als tweede leerling bij hen aan. Petrus Cattani, een man van groote geleerdheid en heiligheid. Na de H. Mis gingen zij tot den priester, die den goddelijken Dienst had verricht met 't verzoek, dat hij volgens het godsdienstig gebruik dier tijden het evangelieboek zou openslaan om den Vader des lichts, den Gever aller gaven, te raadplegen. Den eersten keer lazen zij : âIndien gij volmaakt wilt zijn, ga en verkoop alles wat gij bezit, en geef het geld den armen â den tweeden keer : âDraag niets met u op reis, goud noch zilver....;quot; â en als zij voor den derden maal in naam der allerheiligste Drieëenheid het evangelie opensloegen: âWie na Mij wil komen, verloochene zich zeiven, neme zijn kruis op en volge Mij.quot;â âMijne Broeders,'' sprak Franciscus tot zijne gezellen, âziedaar ons leven, ziedaar den regel van ons en allen, die zich bij ons aansluiten. Gaat en volbrengt daarom eerst hetgeen gij gehoord hebt.quot; Het was den 16 April 1209. Beiden begaven zich huiswaarts, verkochten hunne goederen en deelden de opbrengst onder de armen uit. Daarop vervoegden zij zich bij hun heiligen stichter om nimmer meer van zijne zijde te wijken. Franciscus kleedde hen in een ruw boetekleed, zooveel mogelijk aan het zijne gelijk en bouwde
68
in allerijl eenige arme cellen in de nabijheid van Portiuncula, om met zijn eerste kinderen te wonen, onder de bescherming van Maria ter Engelen.
De handelwijze van Bcrnardus en Petrus bleef natuurlijk in Assisië niet onbesproken. Terwijl sommigen haar afkeurden, droeg zij bij anderen oprecht gemeende bewondering weg. Nog geen week was er verloopen, of een ander ingezetene van Assisië, met name Aegidius, een man van hooge geboorte en groote rechtschapenheid, sloot zich bij hen aan. Toen Petrus en Bernardus in Franciscus' voetspoor traden, was Aegidius toevallig afwezig; zoodat hij eerst nu met diepe ontroering vernam, hoe zijn beide vrienden de wereld hadden vaarwel gezegd teneinde de kostbare parel der armoede te koopen. Door Gods genade bestraald, besloot hij oogenblikkehjk hun voorbeeld te volgen. Doch waar hielden zij hun verblijf? Hij wist het niet. In den vroegen morgen van 23 April, feestdag van den H. Georgius, hoorde hij de heilige Mis in de kerk, aan dezen Heilige gewijd, begaf zich daarna op weg en liet met kinderlijk vertrouwen de goede uitkomst zijner reis aan de Voorzienigheid over. God beschaamde zijn vertrouwen niet, maar geleidde zijne schreden recht naar de arme hut van Portiuncula. Franciscus was juist in het bosch naast den grooten weg, en trad hem te gemoet. Aegidius wierp zich aan zijne voeten neder, deemoedig smeekend in zijn gezelschap te worden opgenomen. âMijn Broeder,' sprak de Heilige, âgij vraagt dat de Heer u aanneme tot zijn dienaar en ridder: dit is voorwaar geen kleine gunst! Indien de keizer langs Assisië kwam om zich onder de burgers een vertrouweling uit te kiezen, zou een ieder ongetwijfeld den wensch koesteren: gave de hemel, dat die onderscheiding .mij te beurt viel! Maar hoeveel redenen hebt gij niet den oppersten Koning des Hemels te danken, wijl Hij zich verwaardigde zijn genadige blikken op u te vestigen!'' Met deze woorden richtte hij hem op, en stelde hem aan Bernardus en Petrus voor, zeggende: âZiehier een goeden Broeder, dien God ons toezendt.quot; Als zij nu gezamenlijk een soberen maaltijd hadden genomen, begaf Franciscus zich met zijn nieuwen leerling naar Assisië om voor hem een habijt te bedelen. Op weg ontmoetten zij eene arme vrouw, die hunne weldadigheid inriep. Franciscus keerde zich
G9
tot Aegidius en sprak: âBroeder, geef uwen mantel, ter liefde Gods aan deze arme vrouw.quot; Zonder aarzelen gaf Aegidius hem over en het scheen hem, als werd de liefdegave op de banden der Engelen voor den troon Gods gedragen. Vol vreugde gingen zij verder, bedelden in de stad de vereischte stof en keerden dan naar Onze Lieve Vrouw ter Engelen weer. Aegidius ontving bet ordekleed uit de banden des Stichters en liet van toen af de leiding van zijne ziel aan Franciscus over.
Ziedaar de eerste drie leerlingen, die onder de zoete lessen van den Aartsvader Franciscus in zekeren zin hervormd werden tot een levenden spiegel huns Meesters. Het zijn drie heerlijke bloemen voor den Serafijnscben lusthof. â Toeven wij daarom een oogenblik om bare schoonheid een weinig meer van nabij te beschouwen. De drie eerste gezellen verdienen eene bijzondere vermelding: zij zijn de oudste zonen der orde en de Heilige Vader had voor hen eene bizondere genegenheid.
De zalige âBernardus van Quintavallequot; muntte vooral uit door eene groote teederheid van geweten en zachtheid van aard. Hierdoor won bij de bijzondere liefde van God en van Franciscus, zijn vader, die hem bij voorkeur âzijn eerstgeborenequot; placht te noemen. Zijn geest was voortdurend met God vereenigd zelfs te midden van de drukste bezigheden, zoodat broeder Aegidius van hem zeide: âOnze Bernardus gelijkt wel aan de zwaluwen ; evenals deze zich voeden in hare vlucht, zoo versterkt hij zich altijd en overal door overweging en hemelsche vertroostingen.quot;1 God beloonde hem met de meest kostbare genadegaven; dikwijls werd hij midden in de bosschen der Apennijnen in verrukking opgevoerd, ja zelfs werd hij in Spanje op de handen der Engelen over eene breede rivier (de Ebro) gedragen.
Zijn de liefde tot God en de liefde des naasten onafscheidelijk verbonden, dan laat zich reeds vermoeden, hoe innig dat teeder hart den evenmensch beminde. Het was Bernardus on-mogeljjk zelfs maar den zweem van kwaad in een ander te vermoeden. Zag bij bijvoorbeeld een bedelaar in lompen gehuld, âziedaar,quot; sprak hij dan, âeen man die de armoede meer getrouw is dan ik zag hij daarna een rijk en weelderig uitgedost edelman, âmisschien,quot; zoo zeide h|j dan weer, âverbergt hij wel een haren boetekleed onder die uiterlijke pracht.quot; Te recht mocht
70
de Heilige Bonaventura woordelijk van hem getuigen, dat de ^eerbiedwaardigequot; Bernardus, als eerstgeroepene in den Francis-kaansche.n wijngaard ook opgeklommen is tot den eersten trap van heiligheid ; vooral als toonbeeld van liefde, geduld on ootmoedigheid.
De Heilige Franciscus voorspelde hem, dat hij als het goud zoude gelouterd worden in den smeltkroes der beproevingen, dat hij ten prooi zoude zijn aan de bekoringen van den boozen geest en eerst in zijn stervensuur de volkomen kalmte zijner ziel zoude terugbekomen. Zoo geschiedde ook werkelijk. Op zijn sterfbed sprak hij tot zijne diepbedroefde broeders: âTroost u; want voor âgeen duizend werelden zou ik willen, een anderen Meester âgediend te hebben dan onzen Heer Jesus Christus! Thans nu het uur van scheiden geslagen is, vraag ik u vooral twee zaken: weest mijne arme ziel gedachtig bij God, en hebt elkaar meer en meer lief overeenkomstig het voorbeeld, dat ik u daarvan heb gegeven.quot; Daarna zag men op zijn gelaat een hemelsch licht stralen; nog een laatste maal groette hij met een zoeten glimlach zijn broeders en zijne reine ziel verwisselde de smarten en ellenden dezer ballingschap met de geneugten van het hemelsch vaderland. â (16 Juli 124:1.)
De tweede van Franciscus leerlingen, de zalige âPetrus Cattaniquot;, was zeer bedreven in de godgeleerdheid en het kerkelijk recht; daarom was hij, ofschoon slechts gewoon leek, reeds vroegtijdig onder de kanunniken \an de kathedraal zijner geboortestad opgenomen. Later zullen wij zien, hoe hij het volle vertrouwen van den Heiligen Ordestichter had gewonnen en de eer mocht hebben tot eersten algemeenen Vicarius der Orde te worden verkozen. Bier zij het genoeg te vermelden, dat de gehoorzaamheid zijne lievelingsdeugd was, zóó zelfs, dat zij hem volgde tot aan gene zijde des grafs Aanstonds na zijn afsterven, (10 Maart 1224) geschiedden dagelijks de schitterendste mirakelen. Een groote toevloed van vereerders en nieuwsgierigen stroomde samen bij zijn graf. Toen nu de stille afzondering der religieuzen hierdoor verstoord werd, boog de Heilige Stichter zich over het graf van den Gelukzalige en sprak hem toe, gelijk men het woord richt tot een levende: âBroeder Petrus, gij hebt mij altijd gehoorzaamd in uw leven,
71
âwelnu ik wensch, dat gij mij op dit oogenblik nog evenzeer âgehoorzaamt. De menschen, die zich hier om uw graf verdringen, hinderen ons ten hoogste; zij zijn oorzaak, dat de âarmoede gekwetst en het stilzwijgen verbroken wordt. Derhalve âgebied ik u-in naam der heilige gehoorzaamheid voortaan geen âwonderen meer uit te werken.quot; â En waarlijk! Gods Zoon berustte in het verlangen van zijn trouwen dienstknecht en van dien dag af is er geen enkel wonder meer geschied op het graf van den Gelukzaligen Petrus Cattani.
Dat verheven stilzwijgen, na zoo ontelbare wonderteekenen, bevatte eene gewichtige les, door de leerlingen des Heiligen zonder uitzondering ter harte genomen. Zij zagen zonneklaar, welk een hoogen prijs God zelf hecht aan de vaardige en stipte gehoorzaamheid van den kloosterling; meer dan ooit te voren wedijverden de broeders onderling in de nauwkeurige onderhouding dezer edele deugd.
De Zalige Aegidius, Franciscus' derde gezel, is een van de meest aantrekkelijke verschijningen in de orde der Minderbroeders. De Serafijnsche Vader, verwonderd over zijn geest van zelfverloochening, zijn onwankelbaar geloof, zijn vurig verlangen naar de volmaaktheid, zijne zeldzame liefde tot God, kortom die in zijn pas verworven leerling een volmaakt minnaar van Jesus' kruis erkende, zeide van hem met eene zinspeling op de romans der ridderschap: âHij is de paladijn mijner ronde tafel!quot; En in waarheid, dank de groote vrijheid, welke Franciscus hem liet, was hij in werkelijkheid een dolend ridder; als pelgrim ondernam hij achtereenvolgens een bedevaart naar St. Jacobus de Compostella, naar Bari, naar den berg Garganus en Jerusalem; dan bezocht hij tweemaal Afrika, dorstend naar den marteldood; zelfs leest men nergens, dat hem ooit een bepaald klooster tot vast verblijf werd aangewezen.
Op deze tochten nam hij gretig iedere gelegenheid te baat om het woord Gods te verkondigen. Met apostolische vrijmoedigheid richtte hij zich tot groot en klein, tot leek en priester, ja tot den paus zei ven.
Eens was Gregorius IX tot broeder Aegidius gekomen ten einde hem in geestverrukking te zien. Bij het afscheid drukte de paus zijn vurig verlangen uit openhartig van hem te vernemen
72
niet zoozeer, wat hij was, als wel hoedanig hij wezen moest. âHeilige Vader,quot; sprak Aegidius toen, âbewaar de oogen uwer ziel onbesmet: het rechter om de heerlijkheid des hemels te bewonderen, het linker om de zaken, aan uw bestuur toevertrouwd, gezond te beoordeelen.quot;
Trok Aegidius als pelgrim de aandacht zijner tijdgenooten, meer nog heeft hij aller bewondering verdiend om zijne getrouwheid aan het gebed, zijn vereeniging met God en zijne bijna onafgebroken geestvervoeringen. Overheerlijk luidt desaan-gaande het getuigenis van den H. Bonaventura: âIk heb hem,quot; zoo schrijft hij, âmeermalen met eigen oogen in geestverrukking aanschouwd, en ik dank God, dewijl Hij mij het voorrecht schonk mét zulk een heilig medebroeder te mogen samenwonen Ik geloof niet te overdrijven, wanneer ik beweer, dat hij meer het leven eens Engels leidde dan dat van een mensch.quot;
Op zekeren dag begaf Aegidius zich tot den H. Bonaventura, destijds Generaal der Orde, om hem deze vraag voor testellen: âMijn vader. God heeft u overladen met zijne genadegaven; maar ach, hoe ellendig zijn wij eenvoudige en ongeletterde men-schen! quot;Wat zullen wij doen om zalig te worden?quot;ââBroeder,quot; sprak de Serafijnsche Leeraar, âals God u niets geschonken had dan zijne liefde, dan ware zulks genoeg om zalig te worden.quot; â âMaar Vader,quot; dus ging Aegidius voort met eene ongekunsteldheid, die ons verrukt, âkan dan een onwetende God evenveel liefhebben als een geleerde ?quot; â âVoorzeker,quot; hervatte de Leeraar, âeene arme vrouw kan God evenzeer beminnen als een leeraar in de godgeleerdheid.quot; Nu kon broeder Aegidius zich niet langer bedwingen. Hij vliegt naar den kloostertuin en met het gelaat naaide stad gekeerd, roept hij uit volle borst: âArme vrouwen, eenvoudige en onwetende menschen, verblijdt u, want als gij den Heer uwen God liefhebt, kunt gij nog veel grooter worden dan onze Vader Bonaventura.quot;
En wie kent niet het heerlijk wonder der drie leliën ? Een godgeleerde uit de orde van den H. Dominicus werd sinds ge-ruimen tijd door allerlei twijfelingen gekweld omtrent het leer stuk der eeuwige en ongeschonden maagdelijkheid van Maria, de Moeder Gods. Om aan die verwarring een einde te maken, besloot hij hulp en licht te gaan zoeken bij den nederigen Min-
73
derbroeder. Intussclien was Aegidius reeds door God zelf inge-liclit aangaande het voornemen van den Predikheer, en ging hem tegemoet. Zonder hem den tijd te gunnen zich te verklaren, riep Aegidius hem toe, mot zijnen stok op den grond slaande : âBroeder Predikheer, Maria was Maagd vóór de geboorte van Christus,quot; en eene blanke lelie schoot uit de aarde op. Opnieuw klopte Aegidius op den grond en als hij zeide : âBroeder Predikheer, Maria is ook Maagd in de geboorte van Christus,quot; verscheen wederom eene schoone lelie Nu sloeg hij ten derde male op den grond en riep zegevierend: âBroeder Predikheer, Maria bleef ook Maagd na de geboorte van Christus,quot; en eene derde lelie, sneeuwwit als de beide eerste, prijkte voor hunne oogen. Getroffen door het gezag van Aegidius' woord en het drievoudig mirakel der leliën, spoedde de Dominicaan naar zijn kloostercel terug met den kostbaren vrede der ziel, zooiang reeds tevergeefs gezocht.
Voegen wij hier ten slotte nog eene godvruchtige overlevering bij, welke on? den Heilige doet kennen. De H. Lodewijk, koning van Frankrijk, had veel van Aegidius' heiligheid en deugd gehoord. Op zijne bedevaart naar het graf van den heiligen Vader Franciscus wilde hij in eigen persoon Broeder Aegidius, die toen te Perugia verbleef, gaan groeten. Hij klopte als een onbekend pelgrim aan de kloosterpoort en vroeg met aandrang aan den portier om Broeder Aegidius te spreken. Aegidius werd verwittigd. Op hetzelfde oogenblik openbaait God zijnen lieveling, wie zijn edele bezoeker was. Hij snelt haastig naaide kloosterpoorten. . .. Beiden knielen neer, broeder en koning omhelzen elkaar en blijven zoo geruimen tijd in eikaars armen zonder een enkel woord te spreken. Daarna scheidden zij met hetzelfde stilzwijgen, de H. Lodewijk om zijnen tocht voort te zetten, Aegidius om naar zijne cel terug te keeren. Toen de andere Broeders middelerwijl van 'skonings gevolg hoorden, wie hun hooge gast was, waren zij niet weinig verlegen, dat Broeder Aegidius geen enkel woord met den koning had gewisseld. Doch hoort, v/at Aegidius antwoordde: âGeliefde Broedere, het bevreemde u niet, dat ik geen woord tot hem, noch hij tot mij gesproken heeft. Nauwelijks toch hadden wij elkaar omhelsd, ot een goddelijk licht ontsloot zijn hart voor mij en het mijne voor hem;
74
door eene hoogere werking lazen wij in eikaars harten, wat wij te zeggen hadden, veel beter dan wij in woorden konden verklaren. 's Menschen tong openbaart de verborgenheden Gods zóó onvolmaakt, dat de woorden eerder eene hindernis voor ons zouden geweest zijn, dan eene vertroosting. Daarom verblijdt u, want de koning verliet mij voldaan en vervuld met den zoetsten troost.quot; Aegidius stierf den kostbaren dood der heiligen te Perugia 23 April 1262.
De glorie en heiligheid dezer kinderen werpt hare stralen op den Heiligen Franciscus, die door woord en voorbeeld tot hunne deugd heeft meegearbeid. â quot;Wie toch zal zeggen, hoeveel zorg hij besteedde aan de vorming zijner eerste leerlingen vooral op het punt der armoede?
Franciscus beschouwde de armoede, de onthechting aan aardsche goederen als dsn steunpilaar, die het gebouw zijner Orde moest schragen. Was het dus niet noodzakelijk zijne kinderen van den beginne af voor eene valsche schaamte te vrijwaren? Hij zond hen daarom van deur tot deur om te bedelen; zij ontvingen echter meer smaad dan aalmoezen, en niet het minst van den kant hunner bloedverwanten; dezen toch waren de eersten om hen te beschimpen en te bespotten; want het scheen hun dwaasheid toe, eerst het zijne den armen uit te deelen en daarna eens anders liefdadigheid in te roepen.
Intusschen ging Franciscus zelf tot den bisschop â (nog altijd den reeds meer genoemden Don Guido, die van 1206 â 1228 de kerk van Assisië bestuurde), â om rekenschap dezer eerste proefneming af te leggen. De bisschop was niet weinig verwonderd over de strenge en ongehoorde levenswijze, die Franciscus als grondslag zijner Orde beoogde; en vroeg om hem te beproeven: âMaar, mijn zoon, oordeelt gij het niet te hard aan âalliquot; bezit te verzaken?quot;
âWat mij betreft,quot; hernam de dienaar Gods, âik vind het âonbegrijpelijk veel lastiger iets ter wereld te bezitten; want âmen kan zijne goederen niet bewaren zonder zich tegen wil en âdank aan tallooze geschillen en rechtsgedingen bloot testellen. âSomtijds moet men zelfs naar de wapenen grijpen om zijn âeigendom te handhaven, en dat alles dooft de liefde uit... tot
75
âGod en den evenmeusch.quot; ') â Dit verheven antwoord behaagde den waardigen kerkvoogd zoozeer, dat hij den arme van Christus opnieuw de verzekering zijner vaderlijke bescherming en genegenheid toezegde.
Franciscus keerde opgetogen van blijdschap naar Portiuncula weder, meer dan ooit te voren bevestigd ia zijn plan eene orde te stichten met volslagen armoede tot grondslag. Doch, wat mannenmoed, wat geest van opoffering en zelfverloochening werd er gevorderd tot dit doel, oogenschijnlijk zoo ver boven het bereik aller menschelijke berekening en voorzichtigheid verheven? Nochtans de leerlingen legden niet minder vurigheid en geestdrift aan den dag dan de meester zelf. â Franciscus, die hun grootsche zielen als helder kristal doorschouwde, begreep, dat zij voor elk offer berekend waren en besloot derhalve hun eersten ijver tot geestelijk voordeel der zielen te benuttigen. In de eerste dagen van de maand Mei leidde Franciscus zijn uitverkoren drietal naar het bosch, bij de kapel van Portiuncula. Eensklaps in geestvervoering geraakt, sprak hij: âKinderen, laten wij acht âgeven op onze roeping, want niet tot eigen volmaaktheid alleen, âmaar tot zaligheid van velen heeft Gods barmhartigheid ons be-âstemd. Wij moeten boetvaardigheid prediken, meer echter door âons voorbeeld en de liefde tot het kruis, dan door menschelijke wjjsheid!quot; Het drietal verklaarde zich bereid hem te volgen. Hij zond Bernardus en Petrus naar Emilia, terwijl hij zelf met Broeder Aegidius zijne schreden richtte naar het markgraafschap Ancona. Deze apostolische tocht stelde het heldhaftige hunner deugd in het heerlijkste daglicht. Aan vele ontberingen blootgesteld werden zij als dwazen uitgekreten, door het slijk gesleurd en buiten stad en dorp verjaagd; maar zij dankten God en achtten zich gelukkig iets te mogen lijden voor den naam van «Jesus Christus. Deze prediking zou evenwel alleen tot proef dienen. Volgens verlangen van den Vader Franciscus keerden zij na verloop van tien dagen in de eenzaamheid terug om zich door gebed en overweging tot een nieuwen strijd uit te rusten. Middelerwijl ontbrak het niet aan nieuwe roeping. De geur van
1) Om dat antwoord ten volle te begrijpen denke men aan het leenstelsel met zijne oorlogen en twisten, tusschen heeren en volk onderling. â St. Mmi-nieur Tom. L, pag. 120â123.
70
heiligheid, welke van Onze Lieve Vrouw ter Engelen uitging, was al te zuiver om niet eene menigte zielen aan te trekken, die evenals Franciscus vervuld waren van liefde tot God en bezield met den geest van opoffering. Nog voor het einde der loopende maand schaarden zich drie nieuwe leerlingen onder de banier der heilige armoede Zij waren alle drie van Assisië geboortig: Sahhatino, Morico en Joannes de Capella. Deze laatste heeft helaas, onder Franciscus' kinderen eene droevige vermaardheid gekregen.
Belast met de zorg om de ingekomen aalmoezen onder de broeders uit te deelen, toonde hij eene overdrevene bezorgdheid voor geldelijke zaken. Hij kreeg van lieverlede weer smaak voor de wereld, en verloor weldra den pas verkregen geest van gebed en armoede. Tevergeefs wees de Serahjnsche vader hem op het dreigend gevaar waaraan hij zijne ziel roekeloos blootstelde; te vergeefs trachtte Franciscus nu eens door vaderlijke vermaningen dan weer door strenge berisping hem terug te brengen tot onthechting aan het aardsche ; te vergeefs zelfs dreigde hij hem met de straffen des hemels. Joannes bleef versteend en luisterde slechts naar zijn blinden hartstocht. Maar toen brak ook volgens de voorspelling van den dienaar Gods de goddelijke wraak over hem los. Eene afzichtelijke melaatschheid overdekte geheel het lichaam van den trouwelooze en veroorzaakte hem dag en nacht de ijselijkste pijnen. En ach! had hij nu ten minste de genade niet weerstaan en geluisterd naar de smeekbeden zijner medebroeders! Loch neen, verbittering vervulde zijn hart; hij had den moed niet deze beproeving met gelatenheid te doorstaan. Hij legt het boetekleed af, keert in de wereld terug, laat zich ten laatste tot wanhoop vervoeren, en als een andere Judas \qv-hangt hij zich met een strop.
Het was in het jaar 1202. Eén van de twaalf grondsteenen van het Serafijnsch gebouw was in den afgrond neergeploft. Toen deze verpletterende tijding bekend werd, bevond Franciscus zich te Eome. Zijn hart scheurde van droefheid ; en gelijk den aartsvader Jacob wilde hij geene vertroosting ontvangen. Zijne kinderen durfden hem bijna niet mftr aanspreken Er kwam echter een nieuwe postulant, een zoon uit het verafgelegen Engeland aan de kloosterpoort aankloppen. Zijne opname in de Orde viel
77
al te juist aamen met den droeven val van Joannes van Capella, om er geen liefderijke beschikking der goddelijke Voorzienigheid in te erkennen Terstond werd eenparig besloten, dat Broeder Wilhelmus (dus werd hij geheeten), onder de twaalf eerste gezellen de plaats van den zesden en ontrouwt n leerling zou innemen gelijk weleer de apostel Matthias in de plaats van den verrader Judas was getreden. â Zoo was er wederom een nieuwe trek van gelijkenis tusschen de stichting der nieuwe orde en de grondlegging van het apostolisch gezelschap.
Tegen het einde van de lente des jaars 1209 daalde de heilige stichter af naar het dal van Riëti en vestigde zich op eene uitspringende rots recht tegenover de stad Poggio-Buscone. Daar vond hij eenige onbewoonde kluizenaarshutten, die uiterst geschikt waren voor het gebed en de overweging der eeuwige waarheden. Telken avond begaf hij zich met zijne broeders daarheen; des daags gingen zij in Poggio en omstreken het woord Gods prediken en aalmoezen bedelen.
Eens was Franciscus alleen op deze rustplaats achtergebleven om zich vrijelijk met God in liet gebed te onderhouden. Terwijl hij nu in de bitterheid zijns harten overwoog, hoe hij de bloem zijns levens in verstrooiing had verspild, geraakte hij in geestverrukking, waarbij de heilige Geest hem twee troostrijke zaken openbaarde: de algeheele en volledige kwijtschelding van al de zonden zijns levens en de wonderbare verbreiding zijner Orde. Toen de vrome boetgezanten des avonds bij hun vader weerkeerden, ging hij hun opgetogen van blijdschap tegemoet en zeide: âSchept moed, en verheugt u in den Heer ! Laat uw klein aantal âu niet ontmoedigen en weest niet ontsteld over mijn eenvoud âof over uwe zwakheid, want God heeft mij veropenbaard, hoe âHij onze woontenten zal uitbreiden tot de grenzen der aarde. âGaarne bad ik gezwegen, wat ik gezien heb, maar de liefde âjegens u dwingt mij u deelgenooten mijner vreugde te maken. âIk heb een groote menigte zien samenstroomen om ons nederig âkleed te vragen en met ons eenzelfde leven te leiden. Ik zag âde wegen overvol met menschen, die tot ons spoedden. De âFranschen snelden toe, de Spanjaarden kwamen aangeloopen, âde Engelschen en Duitschers volgden hen nabij; kortom, al de âvolkeren der aarde waren in beweging en verdrongen elkaar
78
ârondom ons. Hoort! Het gedruisch van ae voetstappen der-â genen, die komen en gaan om de bevelen der heilige gehoor-âzaamheid ten uitvoer te brengen, suist nog in mijne ooren!quot;
Desgelijks zong we'eer do profeet Isaias als hij zeven eeuwen tevoren de stichting en den wonderbaren wasdom van Christus' Kerk aankondigde. De overeenkomst is treffend en al de geschiedschrijvers hebben haar onderteekend.
Gedurende de weinige dagen, welke Franciscus en zijn gezellen in de kluis bij Poggio-Buscone vertoefden, stroomde een groote menigte naar her. toe, aangelokt door den glans hunner deugden.
Ãén onder hen, door Gods genade geraakt, vroeg om zich bij hen te mogen aansluiten. Het was Philippus, ter oorzake zijner gestalte in de geschiedenis gewoonlijk de âLangequot; bijgenaamd. De heilige Stichter nam hem tot zijn zevenden gezel aan. Celan heeft in weinige woorden een sprekend portret van hem gegeven. âGod,quot; zoo zegt hij, âgewaardigde zich een Engel des hemels tot hem te zenden gelijk weleer tot Isaias om zijn hart en lippen met een gloeiende kool te zuiveren. Ofschoon eerst onwetend, doorgrondde hij sinds dien tjid de diepste geheimen der heilige Schrift en predikte met wonderbare zalving en onweerstaanbare overredingskracht.
Na deze aanwinst geleidde Franciscus zijne jeugdige kinderen weer naar Onze Lieve Vrouw ter Engelen om hen de verborgen schatten van het geestelijk leven te doen kennen. Hij trachtte hen met den geest van gebed van zelfverloochening en met een Apostolisch liefdevuur te bezielen. Zielen redden was zijn leven! Gold het de zaligheid der zielen, dan kende de ijver des apostels geen grenzen. Dan wakkerde hij hen aan om het volk te prediken meer nog door de kracht hunner voorbeelden dan door de welsprekendheid hunner woorden. Dan stond bij te midden der zijnen als een veldheer op het oogenblik, dat hij hetteeken tot den aanval geeft; dan leerde hij hun, welke gedragslijn zij als kampvechters der waarheid moesten volgen. âKinderen,quot; zoo sprak hij, âweet wel, dat de verkondiging van het Evangelie den Vader der Barmhartigheid aangenamer is dan elke offerande, vooral als zuivere liefde haar bezielt en de prediker meer door gebed en tranen dan door opgesmukte rede het hart der hoorders tracht te vermurwen. Gaat dus, niets ter wereld beangstige
79
u! Nog een weinig tijds, en edelen en geleerden zullen zich bij u aansluiten om te prediken voor het volk en zelfs voor het aanschijn van de vorsten dezer aarde! â Eert de priesters en grijsaards, en hebt bovenal de armen lief Wacht u wel de rijken (e veroordeelen, zoo zij in weelde en wellust leven, want God is ook hun Heer en Vader, en kan hen roepen en rechtvaardigen. Ja, wij moeten hen zelfs eerbiedigen als onze broeders en heeren: als onze broeders, omdat wij allen het leven van eenzelfden Schepper ontvangen, als onze heeren, omdat zij in al onze tijdelijke noodwendigheden voorzien. â Weest voorzichtig als de slang, want het oude serpent zal trachten u in 't verderf te storten; eenvoudig als de duif, opdat allen, die u hooren of zien, den Vader eeren, die in de Hemelen woont. Zijt op alle plaatsen en tijden, gelijk Christus zegde tot zijne apostelen : het zout der aarde, het licht der wereld. Daarom schijne uw licht voortdurend als een heldere fakkel in de duisternis De vrede zij immer op uwe lippen, meer nog op den bodem uws harten. Strekt niemand tot een steen des aanstoots; geeft niemand aanleiding tot gramschap. Integendeel gedenkt, dat het uwe roeping is aller harten tot ééndracht te stemmen en de afgedwaalde schapen binnen den schaapstal terug te brengen. Die vandaag vijanden des Evangelies schijnen, zullen het morgen tot richtsnoer huns levens verkiezen.quot;
Ziedaar de strijdleus, die zijn lippen ontrolde ! Terzelfder tijd geeft hij, door een hooger licht bestraald, het teeken tot vertrek. Allen knielen neer, kussen hem als een plaat-ibekleeder van God de voeten en wachten zijne bevelen af. In den vorm van een kruis verdeelt hij nu de geheele wereld en zendt hen twee aan twee in drie verschillende richtingen uit. Tot afscheid roept hij hun toe: âWerpt al uw vertrouwen op den Heer! en Hij zal voor u zorg dragen; Hij zal u spijzen en laven, en u, zoo noodig, een anderen Habacuc zenden gelijk weleer Daniël in den leeuwenkuil.quot; â Hij zelf ging daarop met zijn metgezel de vierde richting in.
Volgen wij een oogenblik die engelen van vrede en zegening. Tot allen, die zij ontmoetten, richtten zij dezen hemelschen groet, welken zij van hun heiligen vader geleerd hadden: âDe Heer schenke u vrede !quot; Zoodra zij van verre eene kerk zagen, ver-
78
ârondom ons. Hoort! Het gedruisch van de voetstappen der-â genen, die komen en gaan om de bevelen der heilige gehoor-âzaamheid ten uitvoer te brengen, suist nog in mijne ooren !quot;
Desgelijks zong weleer do profeet Isaias als hij zeven eeuwen tevoren de stichting en den wonderbaren wasdom van Christus' Kerk aankondigde. De overeenkomst is treffend en al de geschiedschrijvers hebben haar onderteekend.
Gedurende de weinige dagen, welke Franciscus en zijn gezellen in de kluis bij Poggio-Buscone vertoefden, stroomde een groote menigte naar hen toe, aangelokt door den glans hunner deugden.
Ãén onder hen, door Gods genade geraakt, vroeg om zich bij hen te mogen aansluiten. Het was Philippus, ter oorzake zijner gestalte in de geschiedenis gewoonlijk de âLangequot; bijgenaamd. De heilige Stichter nam hem tot zijn zevenden gezel aan. Celan heeft in weinige woorden een sprekend portret van hem gegeven. âGod,quot; zoo zegt hij, âgewaardigde zich een Engel des hemels tot hem te zenden gelijk weleer tot Isaias om zijn hart en lippen met een gloeiende kool te zuiveren. Ofschoon eerst onwetend, doorgrondde hij sinds dien tijd de diepste geheimen der heilige Schrift en predikte met wonderbare zalving en onweerstaanbare overredingskracht.
Na deze aanwinst geleidde Franciscus zijne jeugdige kinderen weer naar Onze Lieve Vrouw ter Engelen om hen de verborgen schatten van bet geestelijk leven te doen kennen. Hij trachtte hen met den geest van gebed van zelfverloochening en met een Apostolisch liefdevuur te bezielen. Zielen redden was zijn leven! Gold het de zaligheid der zielen, dan kende de ijver des apostels geen grenzen. Dan wakkerde hij hen aan om het volk te prediken meer nog door de kracht hunner voorbeelden dan door de welsprekendheid hunner woorden. Dan stond hij te midden der zijnen als een veldheer op het oogenblik, dat hij hetteeken tot den aanval geeft; dan leerde hij hun, welke gedragslijn zij als kampvechters der waarheid moesten volgen. âKinderen,quot; zoo sprak hij, âweet wel, dat de verkondiging van het Evangelie den Vader der Barmhartigheid aangenamer is dan elke offerande, vooral als zuivere liefde haar bezielt en de prediker meer door gebed en tranen dan door opgesmukte rede het hart der hoorders tracht te vermurwen. Gaat dus, niets ter wereld beangstige
79
u ! Nog een weinig tijds, en edelen en geleerden zullen zich bij u aansluiten om te prediken voor het volk en zelfs voor het aanschijn van de vorsten dezer aarde! â Eert de priesters en grijsaards, en hebt bovenal de armen lief. Wacht u wel de rijken ie veroordeelen, zoo zij in weelde en wellust leven, want God is ook hun Heer en Vader, en kan hen roepen en rechtvaardigen. Ja, wij moeten hen zelfs eerbiedigen als onze broeders en heeren: als onze broeders, omdat wij allen het leven van eenzelfden Schepper ontvangen, als onze heeren, omdat zij in al onze tijdelijke noodwendigheden voorzien. â Weest voorzichtig als de slang, want het oude serpent zal trachten u in 't verderf te storten; eenvoudig als de duif, opdat allen, die u hooren of zien, den Vader eeren, die in de Hemelen woont. Zijt op alle plaatsen en tijden, gelijk Christus zegde tot zijne apostelen : het zout der aarde, het licht der wereld. Daarom schjjne uw licht voortdurend als een heldere fakkel in de duisternis De vrede zij immer op uwe lippen, meer nog op den bodem uws harten. Strekt niemand tot een steen des aanstoots; geeft niemand aanleiding tot gramschap. Integendeel gedenkt, dat het uwe roeping is aller harten tot ééndracht te stemmen en de afgedwaalde schapen binnen den schaapstal terug te brengen. Die vandaag vijanden des Evangelies schijnen, zullen het morgen tot richtsnoer huns levens verkiezen.quot;
Ziedaar de strijdleus, die zijn lippen ontrolde ! Terzelfder tijd geeft hij, door een hooger licht bestraald, het teeken tot vertrek. Allen knielen neer, kussen hem als een plaat-»bekleeder van God de voeten en wachten zijne bevelen af. In den vorm van een kruis verdeelt hij nu de geheele wereld en zendt hen twee aan twee in drie verschillende richtingen uit. Tot afscheid roept hij hun toe: âWerpt al uw vertrouwen op den Heer! en Hij zal voor u zorg dragen; Hij zal u spijzen en laven, en u, zoo noodig, een anderen Habacuc zenden gelijk weleer Daniël in den leeuwenkuil.quot; â Hij zelf ging daarop met zijn metgezel de vierde richting in.
Volgen wij een oogenblik die engelen van vrede en zegening. Tot allen, die zij ontmoetten, richtten zij dezen hemelschen groet, welken zij van hun heiligen vader geleerd hadden: âDe Heer schenke u vrede!quot; Zoodra zij van verre eene kerk zagen, ver-
80
haastten zij hunne schreden om des te eerder aan den voet van Jesua' tabernakel neergeknield, dit gebed te storten, dat zij eveneens van hun vader hadden geleerd, en dat de Kerk latei-onder hare gebeden heeft opgenomen: âWij aanbidden U, o Heer Jesus Christus, hier en in alle kerken, die over de geheele wereld verspreid zijn, en wij loven U, omdat Gij door uw heilig kruis de wereld verlost hebt.quot; Vroeg men naar hun vaderland, of bediening, dan antwoordden z|j nederig: âWij zijn boetelingen uit Assisië.quot; Meer durfden zij zich niet noemen, want den naam van religieus achtten zij zich onwaardig. Hun prediking was eenvoudig. Zonder gezochtheid wezen zij met kortheid van woorden den weg des hemels aan. Het brood of voedsel, dat men hun aanbood, aanvaardden zij in dank. Zij baden voor die hen haatten of vervolgden. Moesten zij, wat niet zelden gebeurde, onder den blooten hemel vernachten, dan wenschten de broeders elkander geluk, wijl zij daardoor meer gelijkvormig werden aan Hem, die zelfs geen steen had, waarop Hij het hoofd ter ruste kon neerleggen.
Deze missie was, gelijk de voorgaande, slechts van korten duur. Franciscus kwam het eerst naar zijn dierbaar toevluchtsoord, Portiuncula, weder. Hij was evenwel niet zonder bezorgdheid over het lot zjjner kinderen. Waren zij niet tusschen de menschen uitgezonden zonder anderen steun dan hun onwankelbaar vertrouwen op God ? Vol verlangen zijne kleine kudde weder te zien bad de Heilige Vader den Zaligmaker hen rondom zich te vergaderen. En Hij, die zelfs de eenzame musch op het dak niet vergeet, verhoorde het gebed van zijn trouwen dienaar. Na weinige dagen keerden al de broeders tot hunne groote verwondering te gelijk naar Portiuncula weer. O met wat liefde ontving de Vader zijne kinderen! Hoe gretig hoorde hij hen verhalen van den zegenrijken uitslag hunner prediking; maalais hij vernam, hoe zij te midden van allerhande ontbering en lijden, geduld en liefde hadden geoefend, was hij opgetogen van blijdschap.
De zoetheid dezer vreugde werd nog verhoogd door de aanneming van vier nieuwe broeders. Van de daden der drie eersten, â Joannes van Saint Constance, Barharus en Bernardus de Vlridante, allen uit Assisië, â is weinig bekend. De vierde
8i
bekleedt een meer voorname plaats in het vervolg dezer geschiedenis. Het is Angelus van Tancredo. Franciscus had hem reeds vroeger, toen hij in de omstreken van Riëti verbleef, voor zijne Orde gewonnen; nochtans beweren sommigen, niet zonder grond, dat hij hem eerst later op zijne reis naar Rome te Riëti tot zijn leerling heeft aangenomen.
Franciscus ontmoette op zekeren dag in de straten van Riëti een ridder in schitterende wapenrusting uitgedost. Ofschoon hij hem tevoren nooit had gezien, trad hij op hem toe en sprak: âBroeder Angelus, lang genoeg hebt gij bandenlier, degen en sporen gedragen: gij moet uw bandelier âtegen een grove koord, uw degen met het kruis en uw blin-âkende sporen met het stof en sljjk der aarde verwisselen. Volg âmij, ik zal u ridder maken van Christus!quot; De wakkere krijgsman schaarde zich zonder verdere tegenbedenking in degelederen dier arme vrijwilligers, waar hij thans als de elfde gezel van Franciscus het ordekleed ontving.
Angelus onderscheidde zich, zooals de schrijvers zeer eigenaardig zeggen, door âeen glorierijken eenvoud.'' Bij den diepen ootmoed, dien hij in heldhaftigen graad beoefende, behield hij altijd iets ridderlijks. Franciscus, minnaar van waren adeldom en grootheid van ziel, koos hem tot zijn vertrouweling, voor wien hij zijn hart gaarne uitstortte. Later schreef Angelus een verhaal van Franciscus' jeugd, waardoor menige heerlijke trek uit Franciscus' leven voor het nageslacht bewaard is gebleven. (!)
Omstreeks dezen tijd werd onder buitengewone omstandigheden de roeping beslist van broeder Sijloester, (1) den eersten priester der orde. Hij had aan Franciscus steenen verkocht voor den opbouw der kerk van Sint Damianus. Ofschoon hij den koopprijs had ontvangen, meende hij niettemin in zijne rechten gekrenkt te zijn. Daarom maakte h|j van het gunstig oogenblik gebruik, en viel onzen Heilige bij de uitdeeling der goederen van Bernardus van Quintavalle daarover lastig. (April 1209.)
6
1
Tot herinnering aau den ouderlingen lietdebaud werden iu de eerste tijde» der Orde ook âde priestersquot; eeuvoudig âbroederquot; geheeten. âSint fra-tres et uomiuentur.quot; Thomas v. Celano.
-I
li
83
âHet ware beter, dus sprak hij Franciscus aan, dat gij volgens rechtvaardigheid te werk gingt en mij betaaldet dan het geld uwer leerlingen zonder overleg of doorzicht weg te geven.quot; Vijand van twist en tweedracht, greep Franciscus aanstonds in de geldbeurs van Bernardus en reikte den priester met volle handen goudstukken toe zeggende : âZiedaar, Eerwaarde Heer, de geëischte betaling ?quot; Hierop ging Sylvester heen.
Als hij nu des avonds over zijn min edeie handelwijze ten opzichte van Franciscus nadacht, drukten hem die goudstukken zwaar op het hart. Sinds dien lieten wroeging en bitter zelfverwijt hem dag noch nacht met rust, totdat hij eindelijk zijn misslag verfoeide en God beloofde zijn hebzucht uit te boeten. âWel, sprak hij, ik, een priester, ik ben op mijn leeftijd nog âaan dat verachtelijk geld gehecht, terwijl die jongeling het ter âliefde Gods met voeten treedt!quot;
Een geheimzinnig visioen deed de vooroordeelen, waarom hij tegen de armen van Jesus Christus gekant was, geheel verdwijnen. Op zekeren nacht zag hij een monstei-achtigen draak om de stad Assisië rondwaren; het onreine gedrocht sperde zijn muil open en dreigde stad en inwoners te verzwelgen. Doch op dat zelfde oogenblik verrees voor zijne oogen de beminnelijke gestalte van Franciscus! Uit zijn mond schoot een gouden kruis op, welks top tot den Hemel reikte en welks armen de uiteinden der aarde raakten. De glans van dit kruis verblindde den draak en joeg hem ijlings op de vlucht Drie achtereenvolgende nachten zag hij dezelfde verschijning. Ten laatste begreep hij, dat het eene dringende vermaning des hemels was. Hü snelde tot Franciscus, wierp zich snikkende aan diens voeten, verhaalde de wonderbare verschijning en bezwoer hem niet alleen zijne fout te willen vergeven, maar ook hem in zijne Orde op te nemen. Franciscus, zichtbaar aangedaan, antwoordde hem: âMijn vriend, volgaarne sta ik u beide gunsten toe.quot;
Nochtans om onbekende oorzaken, (waarschijnlijk uithoofde zijner herderlijke bediening, welke hij niet dadelijk mocht of kon verlaten), ontving hij het boetkleed eerst in de maand September, na de mondelinge goedkeuring des Eegels door paus Innocentius Hl. Thomas van Celano en de Heilige Bonaven-tura, aan wie wij dit verhaal ontleenen, voegen er bjj, dat sedert
84
dit uur het verdere leven van Sylvester, geheel gewijd aan gebed, boete en onthechting, getuigenis aflegde voor de waarheid van voormeld visioen.
Sylvester is de twaalfde volgeling van den gelukzaligen Aartsvader. Zijne aanneming brengt den laatsten trek van overeenkomst aan tusschen Franciscus' nieuwe stichting en het apostolisch gezelschap.
Treffend voorzeker is het eenvoudig verhaal van den oorsprong der Serafijnsche Orde! Zou men niet gelooven, eene bladzijde te lezen van het Evangelie of de Handelingen der Apostelen? De gelijkenis is schoon : op een teeken van Franciscus stroomen de leerlingen rondom hun meester samen gelijk weleer rondom den Zaligmaker; in dit nieuwe apostelental vindt men hetzelfde aantal, dezelfde deugden, dezelfde mirakelen als in het' eerste Niets ontbreekt hier, zelfs niet het schandelijk verraad van eenen Judas! âOnder alle godsdienstige instellingen, in den loop der tijden opgekomen, is er geene, zoo schrijft zelfs Renan, van meer sprekende overeenkomst met de groote beweging, eens van Galilea uitgegaan, dan die, welke in de dertiende eeuw van Umbrië uit hare werking deed gevoelen in geheel de maatschappij.quot;
Wie erkent in dat alles niet duidelijk den vinger Gods? Wie bewondert niet het zacht, maar tevens krachtig bestier dei-Voorzienigheid?
Immers, terwijl Franciscus, â het zijn de woorden van den roemrijk regeerenden Paus Leo XIII, (!) die verheven op den Stoel van Petrus zich ten aanhooren der gansche wereld beroemt kind te zijn van dien Vader, â terwijl Franciscus, de engelreine man, poogde het beeld van Jesus Christus door gestrengheid van leven en heldhaftige deugden in zijn hart af te drukken, schenkt God hem een uitwendige gelijkvormigheid met zijn Zoon die zijne verschijning met een goddelijk karakter stempelt. Gelijk Jesus in een stal geboren, lag hij als sprakeloos wicht met het pasgeboren kind van Bethlehem op een zelfde legerstede : de naakte aarde en een handvol stroo. En toen, zoo verhaalt men, werd de gelijkenis voltooid door engelenkoren, die blijde rondzwevende met hun liefelijk maatgezang de lucht vervulden.
{â¢; Leo XIII, Eiicycl. âAuspicatoquot; (17 Sept. 1882.)
85
Allerarmst, beleedigd, bespot, door de zijnen verworpen heeft hij ook daarin het beeld van Christus teruggegeven, dat hij zelfs niet het geringste als eigendom wilde bezitten om er zijn hoofd op neer te leggen En thans omringt God hem met twaalf uitverkoren apostelen. Dezen zal hij straks uitzenden naar de vier hoeken der aarde om den vrede van Christus te verkondigen aan allen, die van goeden wille zijn ! Zulke wondervolle gebeurtenissen zijn eerder waardig in de taal der Engelen dan in die der men-schen verheerlijkt te worden. Hare beteekenis is duidelijk; zij toonen ons genoegzaam, welk een groot man Franciscus was, dien God bestemde om kerk en christelijke maatschappij hulp en steun te bieden. Die wonderen zijn ons tot een onderpand, dat het twaalftal, door Franciscus aangekweekt, onder den zegen van God en de bescherming van den opperpriester zal opschieten tot een krachtigen boom, welks vertakkingen thans nog over den ganschen aardbodem vruchten van gebed, boetvaardigheid en apostolische prediking voortbrengen.
iBlBaSHBlBlBBaHSFglnpgjqalBl
MMMM
VIJFDE HOOFDSTUK.
Eerste goedkeuring der Orde.
(1209â1210.)
ranciscus had door geloof en rijpe ondervinding de onstandvastigheid des menschen leeren peilen. quot;Was het wonder, dat hij, beducht voor afdwalingen als die der Waldensen, zelfs zijne beste inzichten en begeerten wantrouwde? dat hij behoefte gevoelde aan steun bij zijn grootsche onderneming ? Doch waar dien steun zoeken, waar den vruchtbaren bodem vinden, die zijne jeugdige plant het noodige levenssap kan toevoeren ? Aan wiens zorg ze toevertrouwen ? -- Hij aarzelt niet lang. O neen! Greep hij in jeugdige jaren reeds met geestdrift tot tweemaal toe naar de wapenen om Rome zijn trouw en liefde te betuigen, ook nu zal hij opgaan naar de Eeuwige stad, de stad der Pausen, waar Petrus spreekt met onfeilbaar gezag.
Gelijk de straal, zoo dacht Franciscus, zijn licht en vruchtbaarheid aan de zon ontleent, zoo moest zijne opkomende Orde haar hechtheid en leven putten in die bronader, waarin God alle leven op aarde heeft vergaderd : het zichtbaar opperhoofd der kerk. Had eenmaal het woord der goedkeuring uit Petrus' mond weerklonken, dan niet langer vrees voor ijdele begoocheling; dan zou eene krachtige strooming de volkeren bewegen en in breede scharen zouden zij zich vergaderen om den door hem geplanten standaard. â Hij riep derhalve zijne broeders te zamen en sprak tot hen : âZeer geliefde Broeders, gij ziet, hoe âonze vereeniging dagelijks aangroeit en zich onder den zegen âdes Hemels vermenigvuldigt. Het is tijd, dat wij ons eene âbepaalde levenswijze uitkiezen en vaststellen. Vóór alles echter âbetaamt het, dat wij ze aan het oordeel van den heiligen Stoel âonderwerpen, want het is mijne heilige overtuiging, dat de
87
âmensch in zaken van geloof en geestelijke orde niets duurzaams âkan tot stand brengen zonder goedkeuring en krachtigen bij âstand des Pausen. Laat ons daarom gaan tot onze Moeder, âde heilige Roomsche kerk en leggen wij aan de voeten des âPausen rekenschap af van hetgeen de Heer door onze tusschen-âkomst heeft uitgewerkt, opdat wij volgens den wil en de bevelen âvan Christus' plaatsbekleeder op aarde Let begonnen werk âvoortzetten.quot;
Ziedaar in korte woorden samengevat met wat kinderlijke verkleefdheid de Aartsvader van Assisië aan den Stoel van Petrus gehecht was; hoe duidelijk spreekt hier dat zuiver en echt christelijk geloof, opziend naar het pausdom als naar den onfeilbaren tolk van het Evangelie, den verdediger en bewaker aller belangen ! En men bemerke wel, dat destijds geene enkele kerkelijke wet de bevestiging der religieuse orden door den Paus voorschreef. Deze verordening werd eerst zes jaren later op het vierde concilie van Lateranen vastgesteld.
Wel mocht hij zich verheugen in de hooge bescherming van Q-uido, den bisschop van Assisië, doch de H. Stichter wist maar al te goed, dat een steunpilaar der Kerk vermolmd kan instorten, terwijl aan Petrus alleen toegezegd is; âGij zijt Petrus en op deze steenrots zal ik mijne kerk bouwen, en de poorten der hel zullen tegen haar niets vermogen.quot;
Franciscus' opvatting was te gelijk zoo eenvoudig als verheven: hij verplichtte zijne kinderen onherroepelijk om aan de bronnen van Petrus de zuivere leer des Evangelies te putten en hierdoor zouden zij eenigermate genieten van de onschatbare voordeelen, die onmiddellijk voortvloeien uit het verheven en eenig voorrecht der pauselijke onfeilbaarheid en van de onsterfelijke duurzaamheid der kerk.
De Broeders, één van hart en ziel met huii Vader, juichten zijn voorstel luide toe. Aanstonds begaf de Heilige zich aan den arbeid en stelde uit enkele schrittuurplaatsen zijn eersten regel samen. Deze is later verloren geraakt, zoodat men omtrent deszelfs inhoud niets met zekerheid kan beslissen dan dat hij boven de drie gewone geloften van armoede, gehoorzaamheid en zuiverheid eene volstrekte en algeheele verzaking voorschreef van alle bezit en eigendom, gemeenschappelijk zoowel als persoonlijk.
88
Zoodra de Regel was vastgesteld en voorgelezen, begaven zij zich op weg naar Rome, (volgens Christofani ongeveer in het midden der maand Mei des jaars 1209), onder de leiding, niet van den Heiligen Franciscus, die uit ootmoed weigerde om zich op den voorgrond te stellen, maar van broeder Bernardus van Quintavalle» O hoe treffend is het deze pelgrims te volgen, die hun Vader omringen, gelijk weleer de apostelen zich op Judea's wegen verdrongen om hun Goddelijken Meester! Ziet eens, hoe zjj daar voorttreden, blootsvoets, zonder geld of staf, onder de brandende stralen der zon! Doch zij voelen noch de ontbering van hun tocht, noch de vermoeienis hunner lange dagreizen, wijl zij deels opgaan in lofzangen en vurige gebeden, deels gevoed en versterkt worden door de hemelsche lessen en samenspraken huns Vaders.
Intusschen was er in Franciscus' hart en vooral in dat zijner leerlingen eenige twijfel binnengeslopen. Immers Franciscus was nog jong, onervaren in de kerkelijke rechten en gebruiken, en kon op geen enkelen titel wijzen, die hem de bescherming van den H. Stoel verzekerde, noch zijnen broeders een bron van vertrouwen aantoonen. En hoe zouden zij dan tot den Paus worden toegelaten? Waren zij niet veel te gering en onbeduidend om aan het pauselijk hof te verschijnen? Was het vooral geen roekeloosheid of overmoed, goedkeuring te verhopen van datgene, wat velen als onuitvoerbaar verwierpen? Deze en dergelijke gedachten wekten hunne bezorgheid, toen God Franciscus een visioen overzond, vol troost en opbeuring voor hem en zijne kleine kudde. Op zekeren nacht zag hij zich in een droomgezicht op een langen weg verplaatst; naarmate hij het einde van dien weg meer nabij kwam, meende hij het pausdom onder de figuur van een buitengewoon grooten palmboom hooger en hooger te zien opschieten. Hij trad op dien fieren boom toe, vol bewondering over zijne schoonheid, toen op eens door eene geheimzinnige kracht de takken bevallig tot voor zijne voeten op de aarde neerbogen. De beteekenis van dit gezicht was hem niet duister; eene gelukkige ontvangst bij het pauseljjk hof was hem voorspeld. Hij zelf was opgetogen van blijdschap terwijl het verhaal der verschijning niet weinig den moed vernieuwde van zijne leerlingen.
Bij zijn aankomst te Rome mocht Franciscus al aanstonds een geheel onverwachten troost smaken: hij had het geluk er den
89
bisschop, Guido van Assisië, te ontmoeten. Deze ontving hem op de meest hartelijke wijze en wat meer zegt, hij bekwam hem de bijzondere bescherming van een der meest invloedrijke kardinalen, Joannes van Sint Paulus, bisschop van Sabina. Nochtans om zijne deugd te beproeven en zijne verdiensten te vermeerderen had dezelfde Voorzienigheid, die hem de voorspraak van een zoo aanzienlijk persoon had toegevoegd, ook eene kleine teleurstelling voor hem weggelegd. Het eerste verhoor, waartoe hij op het paleis van Lateranen ontvangen werd, was hem verre van gunstig. Toen Innocentius III den zonderling gekleeden bedelaar zag, wendde hij zich van hem af en weigerde zelfs hem aan te hooren, hetzjj hij hem voor een lastig gelukzoeker hield, hetzij hij misschien dacht aan Arnauld van Brescia en zijn volgelingen, de geveinsde armen van Lyon, wier schanddaden toenmaals het midden van Frankrijk met bloed en puinen overdekten, en wier onbeschaamdheid daarbij zoover gegaan was, dat zij het waagden zich te beroepen op de goedkeuring van den Apostolischen Stoel.
God evenwel, die alles met kracht en zachtheid bestiert, zond in een volgenden nacht den paus een wonderbaren droom over. Innocentius zag, hoe aan zijne voeten langzamerhand een palm opschoot, die weldra tot een majestueusen boom uitgroeide. Met verbazing vroeg hij zich af, wat dit droomgezicht toch wel beteekenen kon, toen God hem deed verstaan, dat deze palmboom eene afbeelding was van den arme, welken hij den vorigen dag had afgewezen. â Des morgens bij zijn ontwaken gaf Innocentius onverwijld last om dien vreemdeling in de stad te gaan opsporen.
Weldra had men den armen pelgrim gevonden in eene der zalen van het hospitaal van den H. Antonius en men geleidde hem naar het paleis van Lateranen om voor den Paus te verschijnen.
Paus Innocentius III, in wien deugd en wijsheid tegen elkander opwogen, ontving hem bij deze tweede audiëntie omgeven door een breede schare zijner kardinalen. Met eene opvallende welwillendheid luisterde hij naar elk van Franciscus' woorden. Vol bewondering voor de openhartigheid, den moed en ijver des heiligen, helde hij reeds over om zijne aanvrage in te willigen, toen verscheidene leden van het heilig Collegie er zijne Heiligheid met
90
ernst op wezen, dat de goedkeuring dezer boetelingen uit Assisiö eene nieuwigheid in de kerk zoude binnenvoeren. Bovendien was niet het geheele levensplan, door dezen man voorgesteld, boven het bereik der menschelijke krachten ? â Nu echter nam de kardinaal Joannes van Sint Paulus het pleit voor Franciscu8 op en gaf tegenover al hun bezwaren met evenveel juistheid als kernachtigheid deze bondige wederlegging: âMijne Heeren, indien wij het verzoek van dezen a.ime verwerpen onder voorwending, dat zijn levensregel streng is of al te moeilijk, laat ons dan wel op onze hoede zijn ons niet te vergrijpen aan het heilig Evangelie zelve, aangezien deze Regel, aan de goedkeuring van den Heiligen Vader voorgelegd, volkomen overeenstemt met de leer van het heilig Evangelie; te willen voorstaan of volhouden, dat de evangelische volmaaktheid of de gelofte om haar na te streven iets onredelijks of onmogelijks in zich besluit, zulks ware eene godslastering tegen Jesus Christus, den oorsprong en verkondiger van het Evangeliequot; Door de juistheid dezer redenen getroffen sprak de paus tot Franciscus: âMijn zoon, ga en bid God, dat Hij ons zijn Wil'en welbehagen openbare, opdat wij uwe vurige begeerten kunnen inwilligen.quot; De dienaar Gods gehoorzaamde met de eenvoudigheid van het kind; hij ging, stortte zijn hart in een dringend gebed voor God uit, verscheen op het vastgestelde uur weer voor den paus en droeg toen zijne heiligheid de volgende parabel voor: âHeilige Vader, er woonde in eene woestijn eene allerschoonste, doch arme dochter. Een groot koning bemerkte haar. Hare schoonheid trof zelfs zoodanig zijn oog en hart, dat hij haar tot zijne bruid verkoos. Eenige jaren verbleef de koning met haar en uit die verbintenis werden talrijke kinderen geboren, die aan de volmaakte gelijkenis des vaders al de bekoorlijke eigenschappen der moeder paarden. Toen keerde de groote koning terug naar zijn paleis. De moeder kweekte intusscheu hare kinderen met alle zorg op. En als zij opgegroeid waren, sprak zij : âMijne kinderen, gij zijt de zonen van een groot koning ; gaat naar zijn paleis en hij zal u ontvangen met al de onderscheiding, aan uwe geboorte verschuldigd.'' De kinderen verlieten dan de woestijn en verschenen aan het hof des konings Als de koning zag, hoe schoon en edel hunne gelaatstrekken waren, vroeg hij : âWiens zonen
91
zijt gij ?quot; En zij antwoordden : âWij zjjn de zonon dier arme vrouw, die verlaten in de woestijn woont.' âEn terstond omhelsde hen de koning met teederheid, zeggende; âVreest niet, want indien mjjne dienaren eten van de spijzen mijner tafel, hoeveel te meer zal ik zorg dragen voor u, die mijne kinderen zijt.quot;
âDe koning, Heilige Vader, is onze Heer Jesus Christus. De beminnelijke en schoone maagd, is de armoede, welke, door allen versmaad, in deze wereld verstoeten en verlaten bleef als in eene woestijn. Toen de Koning der koningen uit het hoogste dei-hemelen op deze wereld neerdaalde, werd hij zoozeer door liefde tot haar ontvlamd, dat Hij haar tot bruid en echtgenoote nam in de kribbe. In den loop der eeuwen schonk zij Hem in de woestijn dezer aarde tallooze kinderen : de apostelen, de kluizenaars, de monniken en eindelijk in de ongelukkige tijden, welke wij thans beleven, uw nederigen dienaar met zijne leerlingen. En de Heer zelf heeft mij de verzekering gegeven, dat Hij in onze behoeften zal voorzien, gelijk Hij het gedaan heeft voor onze oudere broeders; Hij heeft mij gezegd : âIndien Ik huurlingen en dienstknechten spijzig, ja zelfs aan de vijanden van mijn Naam hun voedsel niet weiger, hoeveel te meer zal ik dan zorg dragen voor mijne zonen en erfgenamen? Zoo ik mijne zon doe opgaan en laat schijnen zelfs over de zondaren en hen ruimschoots met de goederen dezer aarde bedeel, hoeveel te meer zal ik dan het dageljjksch brood uitreiken aan hen, die er zich beloften van maken de raden van het Evangelie na te komen.quot; De paus, diep getroffen, rees op van zijn zetel en riep uit: âWaarlijk, ziedaar den man, die Gods kerk door zijne leer en werken zal schragen !quot; Zijne Heiligheid zinspeelde met deze woorden op een visioen, hetwelk hij eenige dagen tevoren had gezien en dat hij thans met zichtbaar genoegen in tegenwoor-heid zijner kardinalen verhaalde. âHet scheen mij onlangs toe, zoo sprak hij, dat de hoofdkerk van Sint Jan van Lateranen op hare grondslagen wankelde. Tevergeefs wendde ik allerhande pogingen aan om haren onvermijdelijken val af te weren, toen eensklaps een arm en onbeduidend vreemdeling verscheen, op de kerk toetrad en haar met zijne schouders ondersteunde. Voorwaar deze is de man, in wien ik dengene herken, die
90
ernst op wezen, dat de goedkeuring dezer boetelingen uit Assisië eene nieuwigheid in de kerk zoude binnenvoeren. Bovendien was niet het geheele levensplan, door dezen man voorgesteld, boven het bereik der menschelijke krachten ? â Nu echter nam de kardinaal Joannes van Sint Paulus het pleit voor PranciscuS op en gaf tegenover al hun bezwaren met evenveel juistheid als kernachtigheid deze bondige wederlegging: âMijne Heeren, indien wij het verzoek van dezen a.ime verwerpen onder voorwending, dat zijn levensregel streng is of al te moeilijk, laat ons dan wel op onze hoede zijn ons niet te vergrijpen aan het heilig Evangelie zelve, aangezien deze Regel, aan de goedkeuring van den Heiligen Vader voorgelegd, volkomen overeenstemt met de leer van het heilig Evangelie; te willen voorstaan of volhouden, dat de evangelische volmaaktheid of de gelofte om haar na te streven iets onredelijks of onmogelijks in zich besluit, zulks ware eene godslastering tegen Jesus Christus, den oorsprong en verkondiger van het Evangeliequot; Door de juistheid dezer redenen getroffen sprak de paus tot Pranciscus: âMijn zoon, ga en bid God, dat Hij ons zijn Wil'en welbehagen openbare, opdat wij uwe vurige begeerten kunnen inwilligen.quot; Do dienaar Gods gehoorzaamde met de eenvoudigheid van het kind; hij ging, stortte zijn hart in een dringend gebed voor God uit, verscheen op het vastgestelde uur weer voor den paus en droeg toen zijne heiligheid de volgende parabel voor : âHeilige Vader, er woonde in eene woestijn eene allerschoonste, doch arme dochter. Een groot koning bemerkte haar. Hare sclioonbeid trof zelfs zoodanig zijn oog en hart, dat hij haar tot zijne bruid verkoos. Eenige jaren verbleef de koning met haar en uit die verbintenis werden talrijke kinderen geboren, die aan de volmaakte gelijkenis des vaders al de bekoorlijke eigenschappen der moeder paarden. Toen keerde de groote koning terug naar zijn paleis. De moeder kweekte intusschen hare kinderen met alle zorg op. En als zij opgegroeid waren, sprak zij ; âMijne kinderen, gij zijt de zonen van een groot koning; gaat naar zijn paleis et hij zal u ontvangen met al de onderscheiding, aan uwe geboorte verschuldigd.quot;' De kinderen verlieten dan de woestijn en verschenen aan het hof des konings Als de koning zag, hoe schoon en edel hunne gelaatstrekken waren, vroeg hij : âWiens zonen
91
zijt gij ?quot; En zij antwoordden : âWij zijn de zonon dier arme vrouw, die verlaten in de woestijn woont.'' âEn terstond omhelsde hen de koning met teederheid, zeggende: âVreest niet, want indien mjjne dienaren eten van de spijzen mijner tafel, hoeveel te meer zal ik zorg dragen voor u, die mijne kinderen zijt.quot;
âDe koning, Heilige Vader, is onze Heer Jesus Christus. De beminnelijke en schoone maagd, is de armoede, welke, door allen versmaad, in deze wereld verstoeten en verlaten bleef als in eene woestijn. Toen de Koning der koningen uir het hoogste dei-hemelen op deze wereld neerdaalde, werd hij zoozeer door liefde tot haar ontvlamd, dat Hij haar tot bruid en echtgenoote nam in do kribbe. In den loop der eeuwen schonk zij Hem in de woestijn dezer aarde tallooze kinderen : de apostelen, de kluizenaars, de monniken en eindelijk in de ongelukkige tijden, welke wij thans beleven, uw nederigen dienaar met zijne leerlingen. En de Heer zelf heeft mij de verzekering gegeven, dat Hij in onze behoeften zal voorzien, gelijk Hij het gedaan heeft voor onze oudere broeders; Hij heeft mij gezegd : âIndien Ik huurlingen en dienstknechten spijzig, ja zelfs aan de vijanden van mijn Naam hun voedsel niet weiger, hoeveel te meer zal ik dan zorg dragen voor mijne zonen en erfgenamen? Zoo ik mijne zon doe opgaan en laat schijnen zelfs over de zondaren en hen ruimschoots met de goederen dezer aarde bedeel, hoeveel te meer zal ik dan het dagelijksch brood uitreiken aan hen, die er zich beloften van maken de raden van het Evangelie na te komen.quot; De paus, diep getroffen, rees op van zijn zetel en riep uit: âWaarlijk, ziedaar den man, die Gods kerk door zijne leer en werken zal schragen !quot; Zijne Heiligheid zinspeelde met deze woorden op een visioen, hetwelk hij eenige dagen tevoren had gezien en dat hij thans met zichtbaar genoegen in tegenwoor-heid zijner kardinalen verhaalde. âHet scheen mij onlangs toe, zoo sprak bij, dat de hoofdkerk van Sint Jan van Lateranen op hare grondslagen wankelde. Tevergeefs wendde ik allerhande pogingen aan om haren onvevmijdelijken val af te weren, toen eensklaps een arm en onbeduidend vreemdeling verscheen, op de kerk toetrad en haar met zijne schouders ondersteunde. Voorwaar deze is de man, in wien ik dengene herken, die
92
toen voor mijne oogen stond(J) â meteen omhelsde hjj Fran-ciseus met teederheid, en zonder verder beraad keurde hij bij monde den hem voorgestelden Regel goed naar geheel zijn inhoud. Hij ging zelfs nog verder. Krachtens zijne apostolische macht, stelde hij den jongen stichter aan tot algemeen overste der nieuwe Orde en gaf den kardinaal van Sint Paulus last om Franciscus en zijn gezellen de tonsuur of kruinschering toe te dienen, opdat zij in al de voorrechten, aan den geestelijken staat verbonden, zouden deelen. Het is boven allen twijfel verheven, dat Franciscus diaken geweest is ; en met recht kan men staande houden, dat hij bij deze gelegenheid de heilige wijdingen heeft ontvangen, misschien wel van den bisschop van Assisië, die nog altijd binnen Rome vertoefde, maar meer waarschijnlijk van den kardinaal Joannes van Sint Paulus zeiven.
Ten slotte legden zij de religieuze geloften af in de handen des Pausen. Deze stierde hun tot afscheid de bemoedigende woorden toe: âGaat, mijne zonen; predikt overal vrijmoedig boetvaardigheid, gelijk de Heer zelve het u zal ingeven; en zoodra uwe kleine vereeniging zal aangegroeid zijn, moet gij tot ons terugkeeren, opdat wij u uit de volheid onzes harten nog veel grootere gunsten kunnen toestaan,quot; Daarna liet hij hen vertrekken, gesterkt door zijn apostolischen zegen. Onze god-vreezende pelgrims waren ten hoogste verblijd. Immers de paus zelve had nu hunne volslagen armoede goedgekeurd; en was zijne bekrachtiging niet de uitspraak van het hoogste gezag op aarde ? Moesten zij den apostolischen zegen niet beschouwen als eenen liemelschen dauw, die over hun werk afdaalde om het overvloediger leven en vruchtbaarheid in te storten ? Hun eerste zorg was dan ook zich neer te werpen op de graven der heilige apostelen Petrus en Paulus om Gode hun dank te brengen; andermaal zwoeren zij daar den plaatsbekleeder van Jesus Christus trouw en onderdanigheid zonder eenig voorbehoud en voor altijd. Daarop verlieten zij de Eeuwige stad, opgetogen van blijdschap, vol hoop voor de toekomst. De heilige Bonaventura verhaalt ons een treffend voorval, dat hunne terugreis naar Assisië verheerlijkte en zichtbaar
1) Het visioen van Innocentius III had zijne gevolgen in de liturgie. Bij de kroning des pauseu bidt men de oratie van Franciscus na die van den H. Geest eu de H. Maagd, âut sicut olim reparavit ecclesiam, eandem sus-tentet.quot; Ferraris V. Papa.
ÃS
bewees, dat Grod met hen was. Op zekeren avond zetten zich de broeders na eene lange dagreize, uitgeput van vermoeienis, ter zijde van den weg neer. Felle honger kwelde hen, doch alle levensbehoeften ontbraken hun en zoover zij zien konden, was er geen enkele woning te ontdekken. Gods Voorzienigheid echter bleef niet in gebreke. Eensklaps stond een schoon jongeling in hun midden, legde een overheerlijk brood aan hunne voeten neer en verdween daarop even geheimzinnig als hij gekomen was. De broeders aten van dat hemelsch brood en herstelden de kwijnende krachten huns lichaams, terwijl de gedachte aan de liefdevolle zorg, waarmede de Voorzienigheid haar vrijwillige armen verpleegde, hun ziel overstroomde met eene onuitsprekelijke blijdschap.
Den volgenden dag hielden zij stand recht tegenover Orti, ter plaatse waar de Tiber en de Ne ra samenvloeien, beschut dooiden berg Cimino. Daar de ketterij der Patanjnen deze land streek van Orti tot Orviëto verpestte, trokken onze missionarissen aanstonds op om het zuivere woord Gods vrijmoedig te verkondigen, zoodat zij het genoegen mochten smaken een groot aantal-dier afgedwaalde schapen in don schaapstal der H. Kerk terug te voeren. Naar aanleiding dier werkzaamheden opperden eenigen zijner gezellen een netelig vraagpunt, dat zich reeds van den beginne af aan hun geest had opgedrongen: namelijk of zij eerder als kluizenaar dan wel als apostelen moesten leven ? Na een vurig gebed sprak Franciscus zich uit voor het tweede, âomdat het, zoo zeide hij, onze roeping is de ziel des zondaars voor God te winnen.quot; Zij trokken na 14 dagen weer van deze standplaats weg, omdat zij beducht waren, dat het klimaat, hetwelk in deze streek bijzonder zacht en weelderig is, hun lichaam ontzenuwen en den pas verworven geest van boetvaardigheid uitdooven zoude; zij zetten hunnen tocht opwaarts langs den Tiberstroom voort, totdat zij zich ten laatste op kleinen afstand van Assisië's muren vestigden in eene verlaten woning, gelegen aan den grooten weg tusschen Perugia en Foligno, ongeveer op den oever van een klein riviertje, dat kronkelend van den Soubasc neerschiet en daarom Rivo-Torto of Bochtige Beek geheeten wordt.
Hun nieuwe woning was eigenlijk niets dan eene armoedige
94
hut, zeer eng en bekrompen. Zij leefden van vrijwillg aangeboden aalmoezen. Somtijds waren zij zelfs gedwongen zich met boomwortels en kruiden tevreden te stellen. Doch wat deerde hun dit? Te midden dier ontberingen, waardoor de heden-daagsche weekheid zou gruwen, bewaarden zij een vroolijk gelaat en opgeruimd gemoed; zij vonden in de tranen der boetvaardigheid meer troost en zoetheid dan de wereldling ooit gesmaakt heeft in de aardsche genoegens en wellusten, die wel hot hart bedwelmen, maar ^niet verzadigen en slechts bitteren nasmaak overlaten. De weelde en overvloed werkt helaas maar al te dikwerf noodlottig op 's menschen hart, doch armoede en gebrek voert de ziel zoo gemakkelijk opwaarts en ontsluit haar den hemel. âGelooft mij, zoo sprak Franciscus, men stijgt uit een arme hut veel sneller ten hemel dan uit een rijk paleis!quot; Brevieren om het Goddeljjk officie te kunnen lezen hadden zij nog niet, waarom zij zich rondom een houten kruis schaarden, dat voor hen den dienst van het getijdenboek deed; daarin lazen zij het smartvol lijden van den Godmensch, of wel zij luisterden, op een steenen bank neergezeten, naar het bezielend woord van hun heiligen Stichter, die de leerlingen aanwakkerde om in navolging van den Goddelijken Meester hun leven edelmoedig ten offer te brengen op het kruis, het altaar der Liefde !
Uit den heldentijd, welken zij in Rivo Torto overbrachten, kunnen wij drie voorname feiten verhalen.
Het eerste is een schitterend mirakel, waarin men kan bewonderen, hoe God juist ten bekwamen tijde onder de menschen weet op te treden, terwijl de hooge beteekenis en gewichtige gevolgen dezer gebeurtenis den lezer niet ontgaan zullen. Hoe gewillig en gedwee de leerlingen ook zijn mochten ouder de leiding van Bernardone's zoon, toch kon er gemakkelijk, ja moest er zelfs natuurlijkerwijze nu of dan een glimp van twijfel in hun geest binnensluipen omtrent den zonderlingen en engen weg, waarlangs Franciscus hen ter volmaaktheid opvoerde. God echter wilde hen voorkomen en door een wonder elk mistrouwen voor goed uit hun harten verbannen.
De bisschop van Assisië had Franciscus opgedragen eiken Zondag morgen in de kathedrale kerk het woord Gods aan zijne stadgenooten te verkondigen. Gewoonlijk ging Franciscus reeds
05
's avonds te voren naar liet bisschoppelijk paleis en wanneer allen zich ter ruste begeven hadden, trok hij zich heimelijk in den tuin der kanunniken onder eene overdekte gaanderij terug om den nacht beter ongestoord in gebed te kunnen overbrengen; op het voorbeeld toch van zijn Goddelijken Meester had hij zich de loffelijke gewoonte eigen gemaakt om des nachts met God in gebed te verkeeren. Ook zijne broeders in Rivo-ïorto waakten. Eens nu omstreeks middernacht drong plotseling een vurige wagen de woning der broeders binnen en reed tot driemaal toe hun nederig verblijf rond. Op den wagen zeiven stond een gloeiende lichtbol, schitterend als de zon.
Men kan zich de verbaasdheid der broeders voorstellen. Maar hunne bewondering steeg ten top, toen zij allengs niet alleen uitwendig maar ook inwendig zoodanig verlicht worden, dat ieder hunner even duidelijk in het geweten van zijn medebroeder kon lezen als in een opengeslagen boek. Vergissing was hier niet mogelijk; die vurige wagen, die lichtbol, die Elias van het Nieuw Verbond kon geen andere zijn dan de leidsman hunner ziel, hun heilige Vader Eranciscus! Overigens al ware hun ook, eenige twijfel bijgebleven aangaande de wezenlijke beteekenis dezer verschijning, zoo zou deze toch spoedig verdreven zijn door de houding en taal van hun geestelijken bestierder. Zoodra Eranciscus bij zijne kinderen in de kluis was teruggekeerd, ontvouwde hij, als wilde hij het visioen volmaken, de geheimste plooien en schuilhoeken van hun hart en legde hun tevens de glorierijke toekomst der orde bloot. Zoo leerden dan de kinderen door eigen ondervinding, dat de Geest Gods op hun nederigen aanvoerder rustte. Meer was niet noodig om hen met het volste recht te doen besluiten, dat zij voortaan zonder schroom in Eranciscus' voetspoor konden treden, en blindelings zijn leer en voorbeeld volgen.
De tweede gebeurtenis, omstreeks het einde van September 1209 voorgevallen, is niet minder merkwaardig. Otho IV was, ten gevolge van den sluipmoord op zijn mededinger, Philippus van Zwaben, alleen meester van het Duitsche rijk geworden. Met schitterend gevolg trok hij door Umbrië naar Homo om uit de handen van paus Innocentius III keizerskroon en zalving te ontvangen. Eranciscus verliet zijn arme hut niet, ja verwaar-
96
digde zich niet eens zijne oogen op te slaan om de praal en pracht van den Duitschen Cesar met zijn weidschen hofstoet te zien, maar vaardigde enkel een zijner broeders af om den vorst deze tijding aan te kondigen: âBedenk, prins, dat uw roem niet lang zal duren!quot; De voorspelling mishaagde den koning ten hoogste, doch zij zou daarom niet minder in vervulling treden. In het volgend jaar reeds werd hij door denzelfden paus Inno-centius III in den kerkelijken ban geslagen; de keizerskroon ontviel hem en ging over in handen van den jongen Frederik II. Otho's leger werd den 27 Juli 1214 door Philippus Augustus bij Bouvines verslagen en grooterideels in de pan gehakt. Ten laatste door de weinigen, die hem tot hiertoe getrouw gebleven waren, verstoeten, stierf hij vier jaar later een ellendigen dood.
Het derde voorval, is de aankomst en inkleeding van broeder Sylvester, wiens wondervolle roeping en bekeering wij in het voorgaande hoofdstuk verhaald hebben. Uithoofde zijner priesterlijke waardigheid ontving Franciscus hem met buitengewone onderscheiding en eerbied. De leerling stelde de verwachtingen zijns Meesters niet te leur, want Sylvester bracht zijn leven in de strengste armoede en boete over, ja klom zelfs tot een zoo hoogen graad van beschouwing en heiligheid op, dat Franciscus, in een gewichtige omstandigheid, waarbij, gelijk wij later zullen verhalen, de toekomst der Orde in het spel was, beroep deed op de bijzondere verlichtingen, welke Sylvester van den hemel ontving.
Zoo dan omringde de almachtige God de nederige stulp van Rivo-Torto met de drievoudige gloriekroon der heiligheid der wondermacht en der voorzegging.
Ongeveer één maand hadden zij in Rivo-Torto gewoond, toen Franciscus zijn gezellen samenriep en hun toesprak : âBroeders, âde Heer heeft zich verwaardigd mij te veropenbaren, dat onze âkleine vergadering zich zal vermenigvuldigen als het zand aan âden oever der zee. Derhalve moeten wij eene ruimere woon-âplaats aanvragen met eene kerk om het goddelijk officie te âzingen, benevens een kerkhof om onze dooden te begraven. âLaten wij ons daarom aan de voeten van den bisschop neer âwerpen en hem smeeken om elders een vast en ruimer toe-âvluchtsoord voor onze Orde te openen.quot; Tot zijn spijt kon de
97
bisschop evenwel aan het verlangen des Heiligen niet voldoen. Ten einde raad besloot Franciscus om bij de kapel van Portiun-cula weer de arme hutten te betrekken, die zij voor hunne afreize naar Rome bewoond hadden. Doch wie bewondert hier niet Gods vaderlijke beschikking? Nauwelijks toch was hit den Benediktijnen van den Soubase ter oore gekomen, dat Franciscus zich andermaal op hun grondgebied wilde vestigen, of zij boden hem met de meest mogelijke liefde de kapel van O. L. Vrouw met aangrenzende woning en eenige omliggende stukjes grond ten geschenke aan, op deze voorwaarde nochtans, dat dit klooster steeds beschouwd zou worden als de bakermat van de Orde der Minderbroeders. Franciscus, zijn vroom verlangen ten volle voldaan ziende, nam dit gulle aanbod met de gestelde voorwaarde in dank aan. Om zijne erkentelijkheid jegens zijne weldoeners te toonen, schonk hij jaarlijks aan de religieuzen van Monte-Soubase eene mand visch, welke in het riviertje, dat daar langs stroomde, moest gevangen worden. De dankbaarheid des Vaders heeft de eeuwen overleefd, want nog heden nemen de kinderen er genoegen in, om als voor 6(10 jaar met Franciscus te getuigen, dat zij aan de zonen van den Heiligen Benedictus hun eerste klooster, hun zoo roemrijk bedehuis te danken hebben.
Franciscus trok onverwijld met zijne broeders naar Portiuncula om hun leven van gebed en boetvaardigheid voort te zetten. O hoe zoet waren de gevoelens en aandoeningen huns harten, toen zij in naam van de koningin des Hemels wederom dat klein, maar driewerf gezegend plekje grond mochten betreden. Wat vurige uitingen van dank stegen toen uit Portiuncula op tot voor den troon der Moeder-Maagd, onbevlekt ontvangen! Hunne oogen verhieven zich hemelwaarts; zij paarden hunne stem aan het lied der Engelen, dat zoo menigwerf boven dit heiligdom weerklonk en stortten de blijdschap huns harten uit in vurige jubeltonen. â Kon het anders? Moest de keuze dei-plaats alleen in den geest van den dienaar des Heeren niet tal-looze herinneringen verlevendigen, de rjjkste verwachtingen opwekken ? In Portiuncula had Pica, zijne moeder, hem reeds vóór zijne geboorte aan Maria toegewijd! Daar had hij de eerste wapenen gesmeed voor den harden strijd der boetvaardigheid; daar was zijne Orde geboren uit den zoeten glimlach der Moeder-
7
98
Maagd ; van daar was hij naar Rome opgetrokken om aan de voeten van Jesus' zichtbaren plaatsbekleeder de bekrachtiging zijner plannen af te srneeken ! Verkondigden zooveel weldaden niet overluide, dat het Maria's wil en verlangen was de beschermster der nieuwe Orde te blijven, gelijk zij er de moeder van was ? Moest de Serafijnsche Orde niet groeien en bloeien in de sehaduwe van dat lieiligdorn, gesteld onder de bijzondere bescherming van Maria? â Dergeljjke gedachten speelden door zijn geest, welden op in zijne dankbare ziel! Om zich echter nog meer de hooge gunst te verzekeren van Haar, die de voorspreekster is en middelares van het menschelijk geslacht, wilde hij van stonden aan Haar op eene bijzondere wijze zijn dank betuigen voor het verleden, zijn bekommernis en zorgen blootleggen voor de toekomst. Te dien einde plantte hij een van de heiligste gebruiken der ridderschap in het kloosterlijk leven over : dat is, hij hield de eerewacht bi] Maria en bracht, als moest hij tot kruisridder van Jesus en Maria geslagen worden, den nacht te Portiuncula aan de voeten zijner Meesteres in gebed over. En inderdaad, Franciscus zelf en ook zijne Orde zouden onversaagde kampioenen zijn van de glorierijke voorrechten en eeretitels hunner hemelsche moeder en koningin !
Reeds den eersten nacht verscheen hem de roemrijke Maagd, met Jesus haar goddelijken Zoon omringd door eene groote schare van hemelsche geesten. Beiden wierpen een weiwillenden blik op Franciscus en lachten hem minzaam toe. âAch, allerheiligste Heer Jesus, riep Franciscus uit, toen hij van zijn eerste ontroering hersteld was, wat is er toch, dat U en uwe lieve Moeder aantrekt om uit de hoogte der hemelen in dit armoedig verblijf neder te dalen?quot; â âWij zjjn gekomen,quot; zoo sprak de Zaligmaker, âom ons met u en de uwen te verloven in deze plaats van uitverkiezing, die ons op geheel bijzondere wijze dierbaar is.quot; Toen liet God hem in een treffend visioen de glorierijke toekomst zien van dat heiligdom, vanwaar de hervorming der 13de eeuw moest uitgaan.
Doordrongen van liefde en zalige aandoening, riep Franciscus naar het voorbeeld van den aartsvader Jacob uit: âJa waarljjk, deze plaats is heilig en moest eerder bewoond worden dopr de Engelen dan door zondige menschen! Neen, voor zoover het in
09
mijne macht is, zal ik nooit van hier gaan; deze plaats zal voor mij en de mijnen een eeuwigdurend gedenkteeken der goddelijk goedheid zijn.quot;
Zoodra zij in Portiuncula woonden, snelden er zeer velen tot Franeiscus om het kleed van boetvaardigheid te ontvangen en zich te scharen naast âden eersten der ongeschoeide armen, die (zooals Dante zong) het koord dragende de vrienden Gods werden.quot;
Vier zijn er onder lien vooral bekend gebleven, omdat hun leven meer dan dat der overigen met het leven van hun H. Stichter samenvloeit: Leo, Rufinus, Masseus, en Juniperus. â Juniperus won aller harten door zijne eenvoudigheid. Franeiscus wijst ons al de volmaaktheden van dat kinderhart aan, als hij met eene zinspeling op zijn naam â Juniperus beteekent jeneverboom â placht te zeggen: âGave de Hemel, dat wij een geheel bosch van zulke jeneverboompjes hadden.quot; Masseus Ma-rignani wist in zijn gesprekken over God op wonderbare wijze gespierde en sierlijke taal aan nooit geëvenaarde zalving te paren ; doch bij zijne hooge begaafdheden schitterde des te meer eene blinde gehoorzaamheid. Met voorliefde nam hij de nederigste diensten van het klooster op zich. Rufinus was uit eene adellijke familie van Assisië gesproten en bloedverwant van de Heilige Clara. Het is eene Serafijnsche bloem, welker zoete geur de Kerk Gods verkwikt, een uitverkoren vat, waarvan de Serafijnsche Vader reeds zeide: âDe Heer heeft mij veropenbaard, dat het een van de trouwste en zuiverste zielen der wereld is, en ik aarzel geen oogenblik, hem tijdens dit leven reeds den titel eens Heiligen te geven, wijl hij hierboven reeds onder de Zaligen staat opgeteekend.quot; Eindelijk komt Leo van Viterbo, de engelachtige broeder Leo, dien Franciscus om zijne openhartigheid het schaapje Gods heette ; âPecorella di Dioquot; ; eene ziel zoo vreedzaam en kristalhelder als die onbekende meren tusschen het Alpen-gebergte, waarin zich in den stillen nacht al de heerlijkheid van het uitspansel afspiegelt. Het was een ongekunsteld en engelrein hart, en bijgevolg overgelukkig, want staat er niet geschreven: âZalig de zuiveren van harte, want zij zullen God zien ?quot;
Franciscus koos dan ook later broeder Leo tot zijn biechtvader, en dien ten gevolge komt Leo eene afzonderlijke plaats toe in de
100
geschiedenis der Minderbroeders. Als de vertrouweling, aan wien de Seiafijnsche Vader de schatten zijner ziel ontsloot, was hij Joannes, de welbeminde Leerling van dit Serafijnsch apostelental ! Wijl hij zoo innig met Franciscus verbonden was op zijn pelgrimstocht door dit leven, scheen het te betamen, dat Vader en zoon ook in den dood niet gescheiden werden, weshalve men zijn stoffelijk overschot heeft bijgezet aan de zijde van den Serafijnschen Vader.
Meester en leerling voerden dikwerf hemelsche gesprekken, waaronder eenige de frissche en gloedrijke verbeelding der middeleeuwen meer behaagden en zoo der vergetelheid zijn ontrukt. Oorspronkelijk werden deze samenspraken van mond tot mond overgeleverdi totdat zij eindelijk door den onbekenden schrijver der âFioretti' of âSerafijnsche bloempjesquot; zijn opgeteekend. Twee er van laten wij hier volgen.
Op een kouden winterdag gingen Franciscus en Broeder Leo samen van Perugia naar O. L. Vrouw der Engelen. In overweging verdiept was Leo ongemerkt een weinig vooruit geloopen. Franciscus riep hem en zei: âBroeder, geve God, dat alle Minderbroeders immer een toonbeeld van heiligheid mogen zijn voor het aanschijn der gansche wereld Nochtans, schaapje Gods, weet wel, dat daarin de volmaakte vreugde niet gelegen is.quot;
Daarop gingen zij zwijgend enkele schreden verder en Franciscus riep andermaal: âBroeder Leo, als de Minderbroeders aan blinden het gezicht en aan stommen de spraak weergaven, de duivelen uitdreven, ja zelfs dooden, die als Lazarus vier dagen in het graf rustten, deden opstaan, nog zou daarin de volmaakte vreugde niet gelegen zijn.quot;
Eenige oogenblikken later hernam Franciscus weer: âBroeder Leo, als de Minderbroeders alle talen en wetenschappen kenden, ja, al hadden zij de gave van voorzegging en al konden zjj de geheimste plooien van 's menschen hart doorgronden, dan nog hadden zij de volmaakte vreugde niet bereikt.quot; Na een oogenblik stilzwijgen ging hij verder en zeide : ;)Dierbaar schaap Gods, als de Minderbroeders de caal der Engelen spraken ; als zij den loop der sterren, de weefsels der planten, de verborgene schatten der aardkorst, de natuur der vogelen, visschen, dieren en men-sclien, de eigenschappen van steenen en vloeistoffen, als zij dit
101
alles kenden, dan nog waren wij verre van de volmaakte vreugde !quot; Spoedig daarop ging hij weer voort : âBroeder Leo, als de Minderbroeders er in slaagden door prediking al de volkeren der aarde tot het christen geloof te bekecren, nog zou daarin de ware vreugde niet gelegen zijn.quot; De Tl. Vader had bijna twee mijlen in dezer voege gesproken, toen zijn reisgezel hem vol bewondering onderbrak en zeide : âMaar mijn vader, ik bid u, beproef mij niet langer en zeg mij in Gods naam, waarin dan de volmaakte vreugde bestaat.quot; Toen sprak de H. Franciscus: âAls wij straks doornat van den regen, verkleumd van koude en uitgehongerd bij O. L. Vr. ter Engelen gekomen, aan de kloosterpoort kloppen, stel u dan voor, dat de portier ons toeroept: âGaat weg van hier, bedriegers, gij misleidt geheel de wereld, gij zijt dieven, die stad en land afloopt om aalmoezen â en als hij ons dan den geheelen nacht in koude en sneeuw aan de poort liet wachten, en als wij dan alles met geduld, zonder wrevel of gemor verduurden, in de vaste overtuiging, dat de portier ons naar verdiensten behandelt en ons alles van Godswege overkomt, o geloof mij, Broeder Leo, dan hadden wij eerst de volmaakte blijdschap gevonden ! â Doch verbeeld u, dat wij door koude en honger gedwongen opnieuw zouden aankloppen, den broeder met gevouwen handen bij de liefde Gods zouden bidden en bezweren ons in het klooster op te nemen, en hij daarentegen vol gramschap naar buiten zou stormen, ons in de sneeuw neerstortte en met bloedige wonden overdekte, en wij dan al dien smaad met kalmte verdroegen, wetende dat wij deelen 'moeten in de smarten van onzen gezegenden Heer J. Chr., geloof mij, dat zou eerst het toppunt der volmaakte vreugde zijn ! Want onder al de genadegaven, door den H. Geest in de harten uitgestort, is er geen verhevener dan die gave van zelfverloochening, waardoor wij ter liefde Gods blijmoedig het Ijjden aannemen en dragen.quot;
Weinigen tijd daarna reisde Franciscus wederom met Broeder Leo. Zij hadden geen brevier bij zich om de kerkelijke getijden te lezen. Daarom zeide Franciscus tot zijn reisgenoot: âSchaapje Gods, 't is tijd voor de nachtgetijden en wij hebben geen brevier; toch moeten wij met de Engelen Gods lof zingen. Doch ziehier wat wij doen zullen: ik zal voorgaan en zeggen;
102
âBroeder Franciscus, toen gij in de wereld leefdet, hebt gjj zooveel zonden bedreven, dat gij verdient in den afgrond der hel neergestort te worden.quot; En dan moet gij, Broeder Leo, antwoorden: âJa, het is waar, gij verdient in de hel begraven te worden.quot; En met den eenvoud dor duif beloofde Broeder Leo: âVolgaarne, vader, ik zal antwoorden, zooals u belieft.quot; Franciscus nu begon, maar in plaats van te antwoorden, gelijk Franciscus begeerde, zeide Leo juist het tegendeel; âGod,quot; zoo sprak hij, âzal door u zooveel goed uitwerken, dat gij in het hoogste der Hemelen zult zetelen.quot; De Heilige Vader berispte hem en zeide nu: âBroeder Leo, zoo moogt gjj niet meer spreken; als ik zeg: âFranciscus, gij hebt zoovtel zonden tegen God opgestapeld, dat gij zijn vervloeking waardig zijt, dan zult gij antwoorden : âJa zeker, gij moest onder het getal der duivelen wonen.quot; Maar Broeder Leo antwoordde: âFranciscus, God zal u met zijne genade overstroomen en gij zult gezegend worden onder alle uitverko-lenen!quot; Maar nu hervatte de Heilige met zachte verontwaardiging: âWel, Leo, hoe durft gij de stoutheid hebben, het gebod der gehoorzaamheid te overtreden en telken male tegen mjjne verordening in te antwoorden?quot;â âDierbare Vader,quot; sprak Leo, âGod is mij tot getuige, dat ik de woorden wilde herhalen zooals gij mij oplegdet, maar Hij zelf doet mjj spreken gelijk Hem behaagt tegen mijn wil in.quot; â âIk vergeef het u,quot; sprak Franciscus, âmaar ik bid ten minste dezen keer te antwoorden, gelijk ik u zal voorhouden. Ik zal zeggen : Franciscus, ellendig schepsel, meent gij na zooveel gruwelen Gods barmhartigheid nog waardig te zjjn?quot; en dan zult gij antwoorden: âNeen, Franciscus, gij hebt volstrekt geen rocht op vergiffenis.quot; Deze laatste woorden werden door diepe zuchten onderbroken ; hij sloeg op zijn borst en met tranen in de oogen wachtte hij af, dat zijn reisgenoot de voor-geschrevene woorden zou herhalen. Maar Broeder Leo antwoordde: âGod zal u met voortreffelijke genaden verrijken, gij zult verheven worden en geroemd door alle geslachten, want hjj, die zich vernedert, zal verheven worden. Ach Vader,quot; zoo ging hij voort, âanders spreken kan ik niet, want God spreekt door mijnen mond.quot;
Deze strijd tusschen den ootmoed des eenen en de profetische beloften des anderen duurde voort van middernacht tot aan den morgenstond.
ZESDE HOOFDSTUK.
Proeve van het Apostolaat.
(1210â1212.)
et verbeven plan, dat op den morgen van 21 Februari 1209 aan Franciscus werd voorgesteld en in bet visioen aan Poggio-Buscone verder verklaard werd, zweefde bem voortdurend voor oogen. Dat plan is geen ander dan een geestelijke ridderschap te stichten met het doel de ketterij, ondeugden en misbruiken uit te roeien, gelijk de wereldlijke ridders dier tijden vooral beoogden, aangedaan onrecht te herstellen, twist en tweedracht te beslechten. Franciscus' ridderschap moest in de gelederen der Kerk strijden voor de bekeering der zielen: het kruis zou baar wapen zijn. De hartstochten bestrijden, die den vrede der buis-gezinnen roofden, en den val der staten voorbereidden; het kruis vastklemmen en herstellen op zijne eereplaats in het maatschappelijk leven, omdat het kruis de eenige bron is der ware beschaving, ziedaar, gelijk Franciscus zelf bekende, zijn verheven doel.
Van den H. Basilius tot den H. Bruno hadden de Ordestichters hunne mannen uit de wereld naar de woestijn gevoerd; Franciscus daarentegen zendt de zijnen uit de eenzaamheid de wereld in, opdat zij door het kruis en het woord zielen zouden winnen voor God. Men stelle zich dus den H. Franciscus met zijn volgelingen niet enkel voor als kluizenaars. Zeker, hij was de beminnaar dei-afzondering, doch wetende, dat men âGod om God moest verlatenquot;, ging hij tot de armen, misdeelden en verdrukten, en arm en lijdend met hen werd hij een groot volksprediker.
In het jaar 1210*oegon Franciscus zijne apostolische prediking. De roeping van Bernardus van Quintavalle, de nog zonderlinger bekeering van Sylvester, naast de wonderbare gebeurtenissen van
102
âBroeder Franciscus, toen gij in de wereld leefdet, hebt gij zooveel zonden bedreven, dat gij verdient in den afgrond der hel neergestort te worden.quot; En dan moet gij, Broeder Leo, antwoorden: âJa, het is waar, gij verdient in de hel begraven te worden.quot; En met den eenvoud der duif beloofde Broeder Leo: âVolgaarne, vader, ik zal antwoorden, zooals u belieft.quot; Franciscus nu begon, maar in plaats van te antwoorden, gelijk Franciscus begeerde, zeide Leo juist het tegendeel; âGod,quot; zoo sprak hij, âzal door u zooveel goed uitwerken, dat gij in het hoogste der Hemelen zult zetelen.quot; De Heilige Vader berispte hem en zeide nu: âBroeder Leo, zoo moogt gij niet meer spreken; als ik zog: âFranciscus, gij hebt zoovtel zonden tegen God opgestapeld, dat gij zijn vervloeking waardig zijt, dan zult gij antwoorden : âJa zeker, gij moest onder het getal der duivelen wonen.quot; Maar Broeder Leo antwoordde: âFranciscus, God zal u met zijne genade overstroomen en gij zult gezegend worden onder alle uitverko-lenen!quot; Maar nu hervatte de Heilige met zachte verontwaardiging: âWel, Leo, hoe durft gij de stoutheid hebben, het gebod der gehoorzaamheid te overtreden en telken male tegen mijne verordening in te antwoorden?quot;â âDierbare Vader,quot; sprak Leo, âGod is mij tot getuige, dat ik de woorden wilde herhalen zooals gij mij oplegdet, maar Hij zelf doet mij spreken gelijk Hem behaagt tegen mijn wil in.quot; â âIk vergeef het u,quot; sprak Franciscus, âmaar ik bid ten minste dezen keer te antwoorden, gelijk ik u zal voorhouden. Ik zal zeggen : Franciscus, ellendig schepsel, meent gij na zooveel gruwelen Gods barmhartigheid nog waardig te zijn?quot; en dan zult gij antwoorden: âNeen, Franciscus, gij hebt volstrekt geen rocht op vergiffenis.quot; Deze laatste woorden werden door diepe zuchten onderbroken ; hij sloeg op zijn borst en met tranen in de oogen wachtte hij af, dat zijn reisgenoot de voor-geschrevene woorden zou herhalen. Maar Broeder Leo antwoordde: âGod zal u met voortreffelijke genaden verrijken, gij zult verheven worden en geroemd door alle geslachten, want hij, die zich vernedert, zal verheven worden. Ach Vader,quot; zoo ging hij voort, âanders spreken kan ik niet, want God spreekt door mijnen mond.quot;
Deze strijd tusscl*n den ootmoed des eenen en de profetische beloften des anderen duurde voort van middernacht tot aan den morgenstond.
A^^^^VWVVVVW^A^^^^^^^VVV^^^A^^^^^^^^A^^AlV^^^^^v^^VV^V^^VWW^^^V^^/^VV^^^V^^'VyV^A^'V^VVV^VS
ZESDE HOOFDSTUK. I'rocvc van het Apostolaat.
(1210â1212.)
et verheven plan, dat op den morgen van 24 Februari 1209 aan Franciscus werd voorgesteld en in het visioen aan Poggio-Buscone verder verklaard werd, zweefde hem voortdurend voor oogen. Dat plan is geen ander dan een geestelijke ridderschap te stichten mot het doel de ketterij, ondeugden en misbruiken uit te roeien, gelijk de wereldlijke ridders dier tijden vooral beoogden, aangedaan onrecht te herstellen, twist en tweedracht te beslechten. Franciscus' ridderschap moest in de gelederen der Kerk strijden voor de bekeering der zielen: het kruis zou haar wapen zijn. De hartstochten bestrijden, die den vrede der huisgezinnen roofden, en den val der staten voorbereidden; het kruis vastklemmen en herstellen op zijne eereplaats in het maatschappelijk leven, omdat het kruis de eenige bron is der ware beschaving, ziedaar, gelijk Franciscus zelf bekende, zijn verheven doel.
Van den H. Basilius tot den H. Bruno hadden de Ordestichters hunne mannen uit de wereld naar de woestijn gevoerd; Franciscus daarentegen zendt de zijnen uit de eenzaamheid de wereld in, opdat zij door het kruis en het woord zielen zouden winnen voor God. Men stelle zich dus den H. Franciscus met zijn volgelingen niet enkel voor als kluizenaars. Zeker, hij was de beminnaar dei-afzondering, doch wetende, dat men âGod om God moest verlatenquot;, ging hij tot de armen, misdeelden en verdrukten, en arm en lijdend met hen werd hij een groot volksprediker.
In het jaar 1210 begon Franciscus zijne apostolische prediking. De roeping van Bernardus van Quintavalle, de nog zonderlinger bekeering van Sylvester, naast de wonderbare gebeurtenissen van
104
Rivo-Torto en Portiuncula; al deze wonderen, die de aandacht des volks boeiden, hadden ook de gunst des volks vcor den zoon van Bernardone gewonnen. Een oproer, dat van de lagere klassen was uitgegaan, toont ons, welk een invloed hij uitoefende op zijne stadgenooten. Door de knevelarijen hunner heeren tot wanhoop gebracht, wierpen de lijfeigenen het ijzeren juk der slavernij van hunne schouders, trokken bij groote menigten naar het stadhuis en eischten afschaffing van vermeende rechten, die sommige leenheeren zich allengs hadden aangematigd. Aan de tusschen komst der geestelijkheid en het kloek optreden van Franciscus met zijne Broeders had men te danken, dat er geen bloed vergoten werd. De baronnen teekenden eene akte, waarbij de slaafsche onderdrukking werd afgeschaft.
Dit vredesverdrag vlecht een eersten lauwerkrans om het hoofd van den Heilige; het mag een voorspel heeten van het grootsche werk, waartoe hij door Gods Voorzienigheid geroepen was.
De christelijke maatschappij kwijnde in zorgwekkenden toestand.
De twaalfde eeuw was met de wenteling der tijden vervlogen. Die eeuw had haar roem en luister, maar bij haar ondergang liet zij het volgend geslacht tal van misbruiken, dwalingen en gruwelen zelfs als een treurig erfdeel achter.
De losbandigheden en dwingelandij van Hendrik II van Engeland, de moord van den H. Thomas Becket, de gevangenschap van Richard Leeuwenhart, de geweldenarijen van Philippus Augustus tegen zijne wettige huisvrouw Ingelburgis, de afschuwelijke wreedheden van keizer Hendrik VI op Sicilië, dit alles had nieuwe wapenen gesmeed voor het ruw geweld. De 13e eeuw moest de bittere vruchten dier wanordelijkheden plukken, en reeds haar eerste jaren schenen een tijdperk van rouw en puinen.
In Azië was Jerusalem weer in handen der Muzelmatnen. Tweespalt tusschen de Tempeliers en de Hospitaal-ridders bracht het overig deel van Palestina in gevaar; en Gengis-Khan kwam uit het verre Oosten aanzetten.
Doch laat ons zwijgen van de trouwelooze scheuring der Grieken, de hernieuwde invallen der Saracenen in het Oosten, want in het quot;Westen was de staat van zaken onder menig opzicht even bejammerenswaardig.
In eigen boezem brandden hevige broedertwisten, waarin èn
105
Arthur van Bretagne èn Philips van Zwahen door laaghartigen sluipmoord omkwamen. Van buiten dreigden nieuwe invallen der barbaren; de Mooren rukten Spanje reeds binnen; de Tartaren legerden op de grenzen van Pruisen. Intusschen hield het zedenbederf gelijken tred met de staatkundige verwarring. De ïï. Bernardus was er niet meer om den stroom te keeren van ergernis en onzedelijkheid.
Tot overmaat van ramp dreigde do beruchte ketterij der A.lbi-gensen te vernielen wat tot heden was behouden. De dweepers dier secte hadden zuidelijk Frankrijk reeds door moord en roof geteisterd ; hunne loer drong door tot diep in het hart van Italië, zij reikten de broederhand aan ketters van allsrlei soort: Patarijnen, Katharen en Waldenzen, vooral als het gold hun gezworen haat te koelen tegen maatschappelijke instellingen, bizonderlijk tegen de Kerk en hare bedienaren, tegen derzelver bezittingen en geestelijke zoowel als tijdelijke macht.
Men kent hun leer: een walgelijk mengelmoes, uit de verdichtsels van Manos en de dwalingen van den Arabier Averroës en den Jood Maimonides samengesmolten. Als hoofdbegrip stelden zij voorop, dat er van den beginne twee goden waren: de goede God, Schepper van den Hemel en het geestelijke, dus ook van de ziel des menschen; en de booze God, die de aarde, al het stoffelijke en dus ook het menschelijk lichaam had gevormd. Ziel en lichaam waren derhalve vreemd aan elkaar, zoodat, al bedreef het lichaam zonde, dat aan de ziel niet kon worden toegerekend. Zoo verder redeneerende kwamen zij tot de onzinnige leer van noodlot en toeval. Hierdoor werd in den mensch het geweten met de verantwoordelijkheid zijner handelingen omvergestooten en de weg gebaand tot net grofste zedenbederf.
Deze ketters vormden echter meer dan eene leerschool; het was te gelijker tijd een geheim genootschap met duizend vertakkingen in Piömont en Lombardije, van Toulouse tot achter de bergen van Bulgarije. Het was een goed afgericht, in stilte uitgerust leger, gereed om ten bekwamen tijde de christenheid van Europa een strijd aan te doen op leven en dood. Beschermd door een eed van geheimhouding, bovendien gesteund door Raymond VI, den machtigen graaf van Toulouse, waanden zij zich weldra zeker van de overwinning en wierpen het masker
106
af. Met ongehoorden overmoed bazuinden zij hunne veracliting uit voor alle gezag. Gelijk ten tijde van Luther werden de grofste zotheden opgedischt, werden ook de afschuwelijkste godslasteringen uitgebraakt tegen den goddeljjken Heiland en zijne Moeder, de onbevlekte Maagd. De H. Roomsche kerk werd uitgekreten als het Babyion uit het Boek der Openbaring. Doch ongerijmde beginselen brengen hunne gevolgtrekkingen mede ; van bedreigingen sloegen zij weldra over tot daden; zij doorkruisten de provinciën van Guyenne en Languedoc, alles te vuur en te zwaard verwoestend. Overal op hun voetspoor getuigden het bloed van priesters en weerlooze maagden, de rookende puinhoopen van kerk en klooster, dat de moord op Petrus de Castelnau, Petrus Parenzo cn graaf Boudewijn hun bloeddorst en vernielzucht niet had gestild. Zij waren de vrijmetselaars en socialisten van dien tijd.
Stilstand, verslapping, ontbinding drongen meer en meer in het godsdienstig leven door. Vanwaar moest het heil opdagen? Heeft niet het menschgeworden Woord, verwinnaar van dood en hel, beloofd, dat Hij blijft met zijne Bruid tot de voleinding der eeuwen ? dat de poorten der hel tegen de steenrots niets vermogen ? Of leert de geschiedenis niet, dat telkens als de nood ten top gestegen is, als menschelijker wijze niets overblijft dan wanhoop en ondergang, juist dan God zijne macht doet stralen door te behouden, wat verloren scheen ? Voor die ommekeer in het maatschappelijk leven is niets noodig dan hetgeen dagelijks plaats grijpt in de diepten van den Oceaan ! Daar gebiedt Hij den storm, de zee verheft zich ten hoogen hemel en het schuim der golven spat rond over het verre strand. Zien we hetzelfde niet in de zedelijke orde ? Op het uur, door Hem gekozen, zweeft Gods ademtocht over de aarde, do volkeren worden wakker geschud, gedreven naar Christus en het aanschijn der aarde is hernieuwd. Die goddelijke adem daalde toen over westelijk Europa neer en plotseling zag men verrijzen als even zoovele reddende Engelen, een Innocentius III op den stoel van Petrus, een Lodewijk IX op den troon van Frankrijk; de zachte Elisabeth van Hongarije in Duitschland, een Simon de Montfort, toonbeeld van ridderlijke rechtschapenheid, in Languedoc. Doch God wilde zijne tusschenkomst zonneklaar doen uitkomen. Hij
107
deed het door zwakke middelen aan te wenden; voor de verhevene doeleinden zijner Voorzienigheid wekte Hij twee mannen op, den eenen in Italië, den anderen in Spanje, Franciscus en Domini-cus: beiden omhelsden vrijwillig de armoede; beiden, zonder elkaar te kennen, streefden een zelfde doel na. Zij wilden de wereld hervormen door den geest van opoffering; door tegenover de lage driften, deugden te stellen, die de menschheid verheffen: tegenover de trotschheid den ootmoed; tegenover de ongeregelde zucht naar rijkdom en weelde de Evangelische armoede en versterving; tegenover de zelfzucht de meest onbaatzuchtige naastenliefde! Was het plan der goddelijke Voorzienigheid grootsch, in de uitvoering zal des te meer uitschitteren, hoe de wijsheid des Allerhoogsten de bekwaamheid en heiligheid zijner werkliedsn met de grootheid zjjner ondernemingen in evenredigheid weet te brengen.
Ruim was het arbeidsveld, dat voor Franciscus openlag. Er viel niet te talmen. Doch hoe zal hij hier doel treffen, hoe de zielen uit het zedenbederf opheffen, tenzij door de prediking van het Evangelie door woorden en voorbeelden ? Maar waar zal hij mannen vinden, bezield met den geest der profeten en den heldenmoed der apostelen? Franciscus sidderde; hij deinsde terug voor eene onderneming, die de stoutste krachten des menschen overschrijdt. Nochtans, zijn vertrouwen op God deed de vrees zwichten voor het meer vurig verlangen om tegen het voortwoekerend kwaad een geneesmiddel aan te wenden.
Gedachtig aan de macht, die Innocentius III hem verleend had, steunende vooral op Hem, die den mond der kinderen opent, de tong der stommen ontbindt en het woord der onwetenden welsprekend maakt, riep Franciscus omstreeks het begin van het jaar 1211 zijne gezellen te zamen. Voordat hij zijne geestelijke krijgslieden het strijdperk inzon-l, wilde hij eerst ieders krachten beproeven. Daarom gebood hij aan Bernardus van Quintavalle het goddelijk woord aan zijne broeders te verkondigen. Zonder door die onverwachte opdracht i.i verwarring te geraken, staat de nederige kloosterling aanstonds op, en stort den gloed der liefde, waarvan zijn hart blaakte, uit in stroomen van welsprekendheid, zoodat al de broeders niet weinig verwonderd waren. Na hem liet Petrus Cattane zich hooren; daarna een derde en
108
zoo verder. Het scheen, dat de geest Gods door aller mond sprak. Franciscus vloeide over van blijdschap. Waarom zou hij zijn arbeiders niet uitzenden in 's Ileeren wijngaard ? Doch de liefdevolle Verlosser wilde zijn volgelingen door een schitterend visioen nog grooter vertrouwen inboezemen. Jesus zelf, de Leeraar der Apostelen, verscheen in hun midden en strekte zijn handen zegenend over allen uit. Deze verschijning vervulde hen met heilige geestdrift, eenparig verklaarden zij zich bereid voor Jesus' naam ouders en vaderland te verlaten, leven en bloed te geven ! Franciscus was evenwel voorzichtig en deze eerste missie als eenc proeve beschouwend, beperkte hij haar tot Italië. Hij wees ieder de landstreek aan, waar zij met oorlof der bisschoppen het Evangelie zouden verkondigen, daarna zond hij hen twee aan twee uit, behoudens eenigen, die het klooster van Maria der Engelen moesten bewaken. Hij zelf vertrok met den priester Sylvester naar Toscane.
Allereerst hield hij zich eenige dagen op te Perugia, waar God zijn ijver beloonde met de bekeering van een groot aantal zielen en de wonderbare roeping van een adellijk jongeling. Deze wandelde eens buiten de stad, geheel verslonden in de vurige begeerte om aan de roepstem van Gods genade te beantwoorden door zich aan den dienst des Heeren te wijden. Plotseling stond de goddelijke Zaligmaker voor hem en zeide: âMan van begeerte, als gij den vrede wilt smaken, waarnaar gij haakt, uwe zaligheid wilt bewerken, treed dan in het klooster en volg mij.quot; âMaar Heer, welke Orde wilt Gij dat ik omhelze âDe opkomende Orde van Franciscus van Assisië.quot; De edelman bedacht zich geen oogenblik, wierp zich aan de voeten van Franciscus en ontving van hem het kleed der Orde met den naam van Broeder Humilis (d. w. z. de Nederige) uithoofde van den diepen ootmoed, welken Franciscus op den bodem zijns harten had gelezen.
Van Perugia richtten de beide missionarissen hunne schreden naar Cortona, eene roemrijke stad, evenals Perugia en Assisië, op de westelijke helling der Apennijnen gelegen. De Heilige Stichter won hier vele nieuwelingen voor zijne orde ; o. a. Elias van Assisië, een man van zeldzame bekwaamheden, vervolgens den gelukzaligen Guido Vagnotelli van Cortona. Deze aanzien-
109
lijke persoon rekende liet zich eene hooge eer den boeteling van Assisië gastvrijheid te verleenen. Franciscus voorzegde zijne roeping aan Sylvester: âMijn Broeder, zoo sprak hij, deze jongeling zal zich vandaag nog hij ons aansluiten; hij zal een Heilige worden in zijn vaderstad.quot; En zoo geschiedde.
Op een mijl afstand buiten de stad, in de vallei van den berg St. Egidius, aan den oever van een kristalheldere beek bouwde Franciscus voor de pas aangenomen broeders het schilderachtig gelegen klooster âder Geile.quot;
Toen de heilige vastentijd aankwam, droeg Franciscus de leiding van het nieuwgestichte klooster aan Broeder Sylvester over en vertrok in den vroegen morgen van Aschwoensdag met geen anderen levensvoorraad dan twee broeden. In het lager gelegene Passignano aangekomen liet hij zich overzetten naar een eilandje in het meer van Perugia. Hij drukte den veerman op het hart, toch niemand de plaats zijner afzondering te openbaren en hem eerst Woensdag in de gosde Week te komen halen. Franciscus was in dat onbewoond oord alleen met zijn God ; hij drong nog een weinig dieper door in een kreu-pelbosch, en maakte zich uit de neerhangende takken der boomen eene cel, terwijl de Voorzienigheid Gods reeds gezorgd had, dat er om zjjn dorst te laven eene bron opwelde nabij zijne verblijfplaats. In latere jaren genas het water der bron eene menigte zieken en de Minderbroeders haastten zich een klooster op te trekken ter zijde van het kreupelbosch, dat getuige was geweest van de strenge boefpleging huns Vaders.
De Zoon van Bernardone bracht den geheelen Vastentijd van 1211 op dat eiland over, en hield een zoo strenge vasten, dat hij in al dien tijd slechts een half brood nuttigde. Volgens afspraak en belofte kwam de schipper in de goede Week om hem terug te halen. Op den overtocht verhief zich een felle storm, maar Franciscus bedaarde het geweld van den loeienden wind met het teeken des kruises, gelijk Jesus weleer gebood aan de onstuimige golven van het meer Genesareth. De H, Vader keerde naar het klooster der Geile weder, vol verlangen om de groote geheimen dor goede Week met zijne broeders te vieren en de H. Communie te ontvangen, waarvan hij 42 dagen verstoken was geweest. Op Witten Donderdag naderde hij met den
lió
liefdegloed der Serafijnen om het Brood der Engelen te nuttigen ; na hem kwamen al zijne leerlingen.
Woont zielenijver eens in een hart, dan wordt het rusteloos voortgedreven.
Nauwelijks was het Paaschfeest voorbij, of Franciscus begaf zich naar Arezzo, wederom in gezelschap van broeder Sylvester. Toen zij de stad binnentraden, was zij door burgertwist verdeeld in twee partijen, die ieder oogenblik handgemeen konden worden. Franciscus zag, hoe een legioen van duivelen de gelederen der gewapende burgers rondsnelden om hen tot wraak en bloeddorst op te hitsen. Aanstonds keerde hij zich tot Sylvester, met het bevel de stadswallen te beklimmen en de duivelen te verjagen. Sylvester gehoorzaamde. Vol van dat geloof, hetwelk bergen verzet, riep hij uit al zijn krachten : ,Onreine duivelen, vlucht verre van hier! Ik gebied u in den naam van God en zijn dienaar Franciscus.quot; Op hetzelfde oogenblik vluchtten de Engelen der duisternis weg; haat en verbittering verdwenen uit aller hart en beide partijen schaarden zich rondom Franciscus. De apostel des vredes sprak hun nu van liefde en eendracht. Zijne welsprekendheid deed de wapenen uit de handen der strijders vallen. Door de kracht van Gods woord bracht hij hier hartstochten tot bedaren, die door hunne hevigheid, helaas, maar al te dikwijls onverzoenlijk schijnen.
Van Arezzo toog de man Gods naar Florence. Deze groote stad, toen reeds zoo befaamd om haar handel, zou een eeuw later onder de Medici haar gouden tijdperk beleven. Ook zij toonde zich niet minder ijverig dan hare naburen om de prediking van den heilige te volgen. Ofs3hoon het verblijf des Heiligen slechts van korten duur was, werden er toch verscheidene merkwaardige gebeurtenissen van opgeteekend. Vooreerst boden de inwoners den Heilige het klein klooster aan van St. Gallus, even buiten de stadspoort. Ook scheen de Voorzienigheid er behagen in te scheppen om tal van jongelingen tot het kloosterleven te roepen; onder dezen is ongetwijfeld de naam van Joannes Parent het meest beroemd gebleven.
Joannes Parent was een diepzinnig rechtsgeleerde, een man van zeldzame talenten. Vroeger had hij de stad Citta-Castellana bestuurd en had men hem als onderscheiding den titel van
Ill
Romeinsch burger vereerd. Op zekeren avond nu wandelde hij buiten die stad, toen zijn oog viel op een herder, die met geweld een troep zwijnen in een stal dreef. Maar wat moeite de varkenshoeder ook aanwendde, de stomme dieren gingen hun weg. Ten laatste schiet hij in gramschap, en met ziju stok slaande roept hij uit: âVooruit, zwijnen, naar den stal gelijk advocaten naar de hel!quot; Deze onbedachte uitval van den herder, wellicht gebezigd ter oorzake van vroegere, minder aangename kennismaking met liet gerecht, bleek hier in de hand der Voorzienigheid het middel om dien rechtgeleerde tot nadenken te stemmen. Sinds dat oogenblik kwamen onwillekeurig voor zijn geest, nu een» de groote verantwoordelijkheid, aan staatsposten verbonden, dan weer de onvermijdelijke gevaren, die het verkeer met de groote wereld meebrengt. Dien ten gevolge legde hij zijn ambt neer en vestigde zich te Florence. Daar knoopte hij eens een vertrouwelijk onderhoud aan met den apostel van Umbrië, voor wien hij zijn hart uitstortte. Te zelfder tijd werkte de genade des ïïeeren op den staatsman, wel zonder zichtbaar wonder, maar toch met zulk een onweerstaanbare kracht, dat hij het edelmoedig besluit nam om Franciscus' boetvaardig leven te omhelzen. Zijn eenige zoon volgde weldra het voorbeeld zijns vaders. Beiden deelden hun goederen den armen uit of besteedden ze aan godsdienstige instellingen, en omgordden zich met het ruwe koord der boetvaardigheid. Zoo trad dan reeds in vervulling, wat de Heilige zijn gezellen vroeger voorspelde: âNa. weinig tijds zullen edellieden en rechtsgeleerden zich bij ons aansluiten om te prediken voor volk en koning.quot;
Terwijl Franciscus nog in het klooster van St. Gallus verbleef, kwamen eens drie burgers uit de stad hem bezoeken ; alle drie brachten zij hun zoontje mede, opdat de Heilige hen zoude zegenen. Zonder iets te zeggen begaf zich Franciscus naar den tuin, plukte vijf vijgen en schonk aan elk der beide eerste kinderen ééne vijg; aan het derde echter gaf hij drie vruchten, liefkoosde den knaap en sprak : âO mijn kind, eenmaal zult gij nog mijn zoon worden.quot;
Het kind groeide op tot jongeling, trad in de Orde onder den naam van broeder Angelus (d. w. z. Engel) en wettigde dien naam door een hemelschen, onbesmetten levenswandel.
h
112
Intusschen was met die verschillende tochten door Toscane het grootste gedeelte van het jaar 1211 voorbijgegaan. De Heilige was dezen keer langer dan naar gewoonte afwezig geweest. Met het oog op de eerste levensdagen der Orde kon het niet anders, of de gevolgen lieten zich gevoelen in Portiuncula, waar een groot getal leerlingen verblijf hield, terwijl de vaste hand, de bekwame leiding van den meester ontbrak. Franciscus begreep dit genoeg. Daarom spoedde hij terug naar het bevoorrecht heiligdom van O. L. Vrouw ter Engelen. Ook verlangde hij vurig zijne eerste gezellen weder te zien naast een geheele schare nieuwelingen, op wie zijne verwachtingen voor de toekomst steunden.
Eenige dagen na zijn terugkeer in Portiuncula voegde zich onder bijzondere omstandigheden nog een nieuwe volgeling bij hem. Deze aanwinst wordt gewoonlijk vermeld als eene vrucht van zijn apostolischen tocht door Toscane. De H. Bonaventura heeft deze gebeurtenis tot in de fijnste bijzonderheden opgetee-kend. En niet zonder reden, want hierin ligt een overtuigend bewijs, dat reeds toen Franciscus' naam deed denken aan heiligheid en medelijdende liefde.
In een der hospitalen even buiten Assisië kwijnde een religieus van de Orde der kruisdragers onder eene slepende ziekte. Volgens oordeel der geneesheeren was de dood onvermijdelijk. In het uiterste gevaar kreeg hij den inval om zich in de gebeden van Franciscus aan te bevelen. Zijn vertrouwen werd niet beschaamd. De Heilige bad voor hem, nam vervolgens een stuk brood, doopte het in de olie der godslamp, en zeide aan zijne broeders: âHaast u dit geneesmiddel te brengen aan broeder Morico. Door de macht van Christus zal het hem niet alleen genezen, maar zelfs vormen tot een wakker soldaat onzer ridderschap quot; Beide voorzeggingen werden vervuld. Morico schaarde zich onder het vaandel van zijn weldoener, en was jaren lang onder zijne nieuwe broeders een toonbeeld van heldhaftige boetvaardigheid, terwijl tevens zijne gezondheid zoo sterk bleef, dat hij zelfs voor de gewone gebreken van den hoogen ouderdom scheen gevrijwaard.
Do Heilige stichter bleef nu geruimen tijd in Portiuncula om zijne novicen tot de Serafijnsche volmaaktheid te geleiden. In de wereld heeft men geen of althans een slecht begrip van hetgeen er omgaat binnen de stille kloostermuren, vooral gedurende het proefjaar; daarom zullen wij eenige oogenblikken met Franciscus te midden zijner novicen vertoeven.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Een Mik in het klooster van O. Ij. Vr. ter Engelen.
het woord âklooster en proefjaarquot; slaat menigeen de schrik om het hart. En toch, als het velen uit de wereld, die nooit het kloosterleven van nabij gadesloegen, vergund ware in dat verblijf des vredes een blik te werpen en de novicen te beschouwen in het verkeer met God en hunne medebroeders, dan zouden zij met blijde verrassing uitroepen: âWat zjjn zij gelukkig en tevreden! Wat is zij aantrekkelijk, die eenzame kloostergemeente!quot;
Het is waar, de uitwendige schijn brengt iets mee, wat afschrikt en terugstoot; maar daarom waarschuwt Thomas van Celano reeds, hoe het klooster van O. L. Vrouw ter Engelen de scherpste maar ook de schoonste tegenstellingen aanbiedt. Van buiten, zegt hij, ziet men slechts ontbering en zelfverloochening, maar binnen heerscht de vrijheid der kinderen Gods en ongestoorde blijmoedigheid ; van buiten aanschouwt het oog de verzorging der melaat-schen en bedieningen, die de natuur zwaar vallen; maar binnen vloeien de harten over van inwendige vertroosting eu zalige vreugde. Buiten doet de aanblik eens kloosters u denken aan Calvarië maar binnen worden wij herinnerd aan Petrus, die op Thabor in geestverrukking uitriep; âHeer, het is ons goed hier te zijn.quot;
Het klooster van O. L. Vrouw ter Engelen was nog het eenige noviciaat der opkomende orde. De Heilige stichter was ten volle overtuigd, dat het begin van een werk grootendeels beslist over de verdere toekomst; hij was er van doordrongen, dat eene kloosterorde haar geest en leven put in de eerste opleiding Daarom behield hij zich zelf de macht voor om nieuwelingen aan te nemen, en behartigde het als zijn hoofdplicht hen te vormen voor het religieuze leven.
8
114
Hij trachtte eiken novice op te leiden tot een kloek ridder van Christus, tot een offervaardig dienaar zijner medebroeders, tot een oprecht minnaar der deugden, vooral der Evangelische armoede. Franciscus verstond de kunst om tot het hart der zijnen te spreken. Zijne leerlingen waren overtuigd, dat hun geestelijke geleider ten nauwste met God was vereenigd; zij aanhoorden zijn woord met zulken eerbied en vertrouwen, als sprak God zelf tot hen. Doch Franciscus was meer dan een meester; hij had de teederheid eener moeder. âMet welk recht, zoo sprak hij dikwerf, zou ik mij beroemen, als ik een der kinderen, die ik won voor het kloosterleven, verloor voor het leven des Hemels?'' Daarom kende hij geen rust, voordat het leven van Jesus uitstraalde in aller handel en wandel. Als van zelf achtte hij zich in navolging van Jesus streng verplicht eerst te doen en dan te leeren, eerst zich zelf te heiligen, om dan anderen tot heiligen te vormen. quot;Waagde iemand hem bemerking te maken over de harde levenswijze, welke hij zich oplegde, dan antwoordde hij: âSchrik mij âtoch niet terug, want ik ben gesteld tot voorbeeld der gansche âOrde, ik moet als de arend al mijne kinderen leeren hunne âvleugelen vrij uit te slaan en zich tot hoogere Serafijnsche liefde âte verheffen.quot;
Niettegenstaande die moederlijke teederheid wist Franciscus ook, dat een onverschrokken strijder den eerekrans juist in de hitte van den strijd behoort te winnen, waarom hij met zorg de harten der zijnen peilde en hun roeping op de proef stelde. Hiertoe nam hij dikwerf de meest eenvoudige werkzaamheden te baat. Dienaangaande verhalen de schrijvers zeer uiteenlooponde trekken, die om hunne eigenaardigheid misschien een glimlach uitlokken, maar niettemin hunne heilzame en diepzinnige onderrichting behouden. Op zekeren dag meldden zich twee nieuwelingen te gelijk aan. De Heilige Franciscus ontving beiden en beval hun, samen naar den tuin te gaan om kooien te planten, en wel met de wortels omhoog. De eene, een eenvoudige en argelooze ziel, gehoorzaamde op staanden voet; de andere echter maakte tegenbedenking en sprak met zekere aanmatiging: âVader, in ons land handelt men zoo niet!quot; De heilige aartsvader behield den eersten en zond den anderen naar huis terug.
e3n der grootste beproevingen van hechte roeping gold de
115
verpleging der melaatachen. Dit atelde Franciscus boven alle andere lichamelijke liefdewerken en nooit bleef hij in gebreke de nieuwelingen bij hunne intrede in de Orde te verwittigen, dat zij zich daaraan moesten wijden. Konden zij hiertoe niet besluiten, dan zond hij hen terug, maar ook omgekeerd, onderwierpen zij zich daaraan met bereidvaardigheid, dan sprak hij hun toe met een gullea glimlach op de lippen: âJa zeker, mijne broeders, laten wij veel zorg en liefde besteden aan de melaatschen â¢, zij zijn onze broeders bij uitnemendheid.quot;
Een zijner leerlingen. Broeder Jacobus, de Eenvoudige, muntte boven allen bijzonder uit door zijn ijver bij dit liefdewerk; men noemde hem den vriend en geneesheer der melaatschen. Franciscus had hem bij gelegenheid eens met bijzondere voorliefde oen melaatsche aanbevolen, wiens geheele lichaam slechts één afgrijselijke wonde geleek. Broeder Jacobus besteedde evenwel zooveel zorg aan hem, dat zijne krachten van lieverlede herleefden. Nu meende hij, dat de open lucht veel tot verder herstel van den armen lijder zou bijdragen en zonder verder nadenken wandelde hij op zekeren keer te goeder trouw met den melaatsche naar het klooster van Portiuncula. Maar die handelwijze scheen den heiligen Vader wat al te stout en onvoorzichtig en daarom berispte hij Jacobua met ernst. âHet betaamt volstrekt niet, zoo sprak hij, dat gij met onze Christen-broeders buiten rondwandelt. Ik prijs ten hoogste den ijver, waarmede gij hen binnen het hospitaal verpleegt, maar ik vertrouw, dat gij hen voortaan niet laat uitgaan; er zijn te veel menschen, die hun aanblik niet kunnen verdragen.quot; Toen de zieke zijn weldoener zoo hoorde berispen, was hij er over bedroefd. Maar nauwelijks heeft Franciscus dat bemerkt, of hij wierp zich aan de voeten van den melaatsche neder, en smeekte hem om vergiffenis. Als boete voor die fout wilde hij buiten aan de kloosterpoort met dezen melaatsche uit één zelfden schotel eten ; daarop omhelsde hij hem met teederheid en zond hem verheugd huiswaarts.
Bij eene andere gelegenheid kwamen eenige broeders berichten, hoe een van die slachtoffers uit het nabijgelegen godshuis zijn oppassers met slagen en beschimpingen overlaadde, ja het zelfs waagde godslasteringen uit te stooten tegen Jesus en zijne Heilige Moeder. Zijne verwijtingen en vuistslagen hadden
116
zij met liefde verdragen, maar dat hij Gods naam lasterde, konden zij niet langer dulden. Als Pranciscus hun klacht gehoord had, ging Inj den melaatsche bezoeken; vriendelijk trad hij op hem toe en begroette hem, zeggende : âGod sehenke u vrede, mijn zoon!' âVrede, morde de zieke, hoe kan ik vrede genieten, sinds God zelf mij den vrede des harten ontrooft en mijn geheele lichaam slechts een bloedige wonde gelijkt?quot; âHeb geduld, antwoordde de Heilige, God zendt ons de smarten naar het lichaam alleen over tot heil onzer ziel; als wij ze met geduld en onderwerping aan zijn quot;Wil verduren, veranderen ze in even zoovele parelen, die eens in den Hemel aan onze kroon zullen schitteren.'' âMaar hoe kan ik zulke pijnen met geduld verdragen, zoo viel de melaatsche hem onbeschaamd in de rede, de smart laat mij geen rust, en uwe broeders verdubbelen mijn kwaal nog.quot; Door goddelijke ingeving begreep Franciscus, dat de ongelukkige door den boozen geest gekweld werd ; hij trok zich een oogenblik terug, bad hartelijk voor hem, en zette zich andermaal bij zijn ziekbed neer. âMijn vriend, zoo sprak hij nu, gij beklaagt u over de verpleging mijner broeders, maar zou ik zelf u niet mogen verzorgen ?quot; âVolkomen goed, zoo sprak de zieke, maar wat vermoogt gij meer dan zij?quot; âAlles wat gij maar verlangt, hernam Franciscus. âWelnu, dus sprak de melaatsche, zoudt gij dan mijn geheele lichaam niet willen reinigen, want mijne wonden verspreiden een ondragelijke lucht.quot; Zonder een oogenblik te dralen laat de heilige water verwarmen, mengt er welriekende kruiden in, ontkleedt den lijder en begint zijne wonden te wasschen. Doch zie, overal waar zijne gezegende hand raakte, vielen aanstonds de bloedige wondroven af, en werd de huid weer gezond en frisch. Maar was het geen onvergelijkelijk veel grooter wonder, dat hier de melaatschheid der ziel genas met die van het lichaam ? Een vloed van tranen, getuige van zijn diep geschokt gemoed,'ontwelde aan zijne oogen; woorden van berouw stegen op uit zijn hart en zijne liefdeverzuchtingen drongen door tot den troon van Gcd. âWee mij, ellendeling, zoo riep hij snikkende uit, ik heb de hel verdiend, omdat ik God heb gelasterd en zijne dienaren gehoond!quot; Zijne bekeering was oprecht; hij liet een priester ontbieden en ontving kwijtschelding van den Hemel. Zoodra Franciscus den Vader aller
117
barmhartigheid zijn dank betuigd had, verliet hij heimelijk liet gasthuis. In zijne diepe nederigheid duchtte hij niets zoozeer, dan dat men hem om zulk eene gebeurtenis loftuitingen zou toezwaaien, en ze Hem onttrekken, wien alleen alle eer en glorie toekomt. God !!
Veertien dagen na deze wonderdadige genezing riep de Meester van leven en dood onzen melaatsche op uit het dal van tranen. Voorzien van de troostmiddelen der kerk, ontsliep hij zacht in den Heer. Uit den kerker des lichaams verlost, verscheen hij aan den Heiligen wonderdoener, toen deze in een bosch naast het klooster in gebed verzonken lag. âVader, zoo sprak hij, herkent gij mij niet?'' âWie zijt gij dan,quot; vroeg Franciscus.
âWel ik ben de melaatsche. dien de barmhartige Jesus genezen heeft ter oorzake van uwe verdiensten. Vandaag ga ik het eeuwige leven binnen en breng daarvoor dank aan God en aan u. Wees gezegend in uwe ziel en in uw lichaam, in al uwe woorden en handelingen, want ontelbare zielen zullen hare zaligheid aan u danken. Weet dat er geen dag voorbijgaat, of de Engelen en Heiligen des Hemels loven God voor de vele vruchten van zaligheid, die gij door uwe Crde uitwerkt. Verblijd u dus, verhef de goedheid des Heeren en zijn zegen blijve met u Na deze woorden vloog hij op naar den berg Gods, het Hemelsch Sion, het hart van Franciscus overstroomd latende met zoete vertroosting.
Ziedaar nu, hoe de heilige zijne leerlingen voorging en aanmoedigde zich zonder voorbehoud aan God en het heil van den naaste te wijden; en hoe God op zijne beurt er behagen in schepte den ijver van zijn dienaar met schitterende mirakelen te beloonen.
Had Franciscus de roeping zijner novicen eenmaal genoegzaam op de proef gesteld, dan was zijn tweede zorg in hun harten de deugden aan te kweeken. Zeer belangrijk en boeiend zijn de geestelijke lessen, die hij hierover aan zijne Broeders gaf. Wij willen er enkele van aanstippen.
Ue HeHige was er vooral op bedacht zijn kinderen met liefde en hoogachting te vervullen voor hun heilig roeping. Dan legde hij de grondslagen van het godsdienstig leven en wel vooreerst, den geest van geloof, dat aan 's menschen gewone en
118
dagelijksche handelingen een bovennatuurlijke richting moet geven, en dat alles, wat niet voor God gedaan wordt, aanziet als rook en ijdelheid. Vervolgens trachtte hij hen te bezielen met den [geest van gebed, het voedsel van het bovennatuurlijk leven. Daarom herhaalde hij zoo dikwijls: âZonder gebed is het onmogelijk vorderingen te maken in de deugd, onmogelijk langen tijd te volharden in de plichten van zjjn staat. Een Minder broeder moet derhalve boven alles een man zijn van gebed quot;
Met niet minder klem drong hij aan op de beoefening dei-nederigheid, waarvan hij zoo gaarne de verhevenheid en de noodzakelijkheid aantoonde ; aan de ootmoedigheid, zoo vermaande hij dikwerf, erkent Jesus in de kribbe zijne ware kinderen. Maar iemand is eerst dan nederig, als hij voor zich niet het minste ijdel gevoelen trekt uit het goede, dat God door hem uitwerkt.
âBeoefent de nederigheid! Wilt u meester noch leeraar doen noemen, want de naam van Meester komt slechts toe aan Christus, den Gezegende, in wien alleen alle schatten van wijsheid zjjn verborgen. Ootmoed zonder wetenschap is beter dan uitgebreide kennis zonder deugd. Gelukkig de kloosterling, zoo de toejuiching der menigte hem even koud laat, als de bitterste versmading. Want alles wel beschouwd, is de mensch slechts zooveel waard, als hij geldt in Gods oog^ niets meer!..... Gelukkig de broeder, die met waardigheid bekleed wordt zonder ze ooit te hebben nagejaagd ; die eenmaal in overheid gesteld, niets vuriger begeert dan af te treden. Maar ook wee hem, indien hij ingenomen met voorname bedieningen, zich daarin tracht te bevestigen.quot; Toen hij op zekeren dug deze woorden van den Regel hoorde lezen: Tet sint minor es'^ (d. w. z. zij zijn de minderen,) rees hij op en riep uit: âZoo zij het! Voortaan zal onze broederschap heeten âOrde der Minderbroeders !quot;
Intusschen bleef de Evangelische armoede zijne gelkf-koosde deugd. Door haar wilde hij den oorlog verklaren aan de overdreven weelde en genotzucht der wereld. Voor haar ook wekte hij- bij zijne kinderen de vurigste liefde op. Moest hij over de heilige armoede spreken, dan behoefde hij om welsprekend te zijn de gevoelens zjner ziel slechts mee te deelen.
119
Luister eens, welk een heerlijke toespraak de liefde voor deze deugd hem op de lippen legde; âWelbeminde broeders, schaamt u toch nooit als een arme de hand uit te steken om eene aalmoes. Zoo immers treedt gij in het voetspoor van den Zoon Gods, voor ons in deze wereld arm geworden. Dat is de allerverhevenste armoede, die ons tot erfgenamen van het hemelrijk heeft gemaakt. O gaat toch met den zegen des Heeren om de gift der liefdadigheid! Gaat met meer vertrouwen en vreugde, dan wanneer gij honderd tegen één terugbetaaldet, omdat gij de liefde Gods aanbiedt, als gij al bedelende zegt : geef mij ter liefde Gods. En wat zijn in vergelijking met de liefde Gods hemel en aarde anders dan een niet? God heeft in deze laatste tijden de Minderbroeders in de wereld gezonden, opdat de uitverkorenen gelegenheid zouden hebben werken van naastenliefde te beoefenen. Deze toch zullen eens de maatstaf zijn hunner verheerlijking, als de rechter in het oordeel zeggen zal: Ik had honger en dorst, maar gij hebt Mij gespijsd en gelaafd, want hetgeen gij aan de minsten mijner broeders deedt, hebt gij Mij gedaan.quot;
Bij eene andere gelegenheid was zijn woord nog vuriger; zijne taal verhief zich tot den gloed van een hemelschen lofzang. âHeer Jesus, zoo ving hij aan, leer mij de wegen der armoede, U zoo overdierbaar ! Heb medelijden met mij en mijne bruid, de armoede, want haar bemin ik zoo vurig, dat ik geen rust meer geniet, tenzij aan hare zijde. Gij, o God, kent mijne liefde, want Gij zelf hebt dien liefdebrand voor de armoede in mijn binnenste ontstoken. De armoede treurt helaas, langs den weg neergebogen in het stof, en hare vrienden zelf gaan voorbij met een blik van verachting, o Zie neer op deze miskende koningin, gij vooral Heer Jesus, die van den hemel op de aarde zijt afgedaald om haar als uwe bruid te omhelzen, opdat zij U kinderen der volmaaktheid zoude schenken ! Zij bleef met U in de kribbe, en als eene getrouwe gezellin volgde zij U in den heeten strijd, dien Gij om onze verlossing hadt aangegaan. Zij was de eenige, die U bijbleef in het uur van sterven. Maria uwe Moeder bleef staan aan den voet van het kruis, de armoede heeft met U het kruis beklommen. Zij smeedde met tee Jere zorg de plompe nagelen, die uwe handen en voeten doorboorden Toen
120
Gij vau dorst versmachttet, werd ü door de oplettendheid dier bruid de bittere gal aangeboden. In hare armen hebt Gij den laatsten adem uitgeblazen ; en zelfs na uw dood kon zjj van U niet scheiden. Neen, zij gedoogde niet, dat uw lichaam rust vond, tenzij in geleend lijnwaad en in eens anders graf. Zij heeft U gekoesterd in het kille graf en is met U glorievol verrezen-Daarom hebt Gij haar gekroond in den hemel, en haar het zegel van het hemelrijk in handen gesteld, opdat zij de uitverkorenen Gods zoude teekenen! O wie zou dus de armoede niet liefhebben boven andere deugden ? Jesus, minnaar der armoede, ik bid en smeek U, verleen mij toch als een bizonder voorrecht den schat der ware armoede. Geef, dat de armoede immer en altijd het groote onderscheidingsteeken blijve van mijne Orde; geef dat ik en mijne Orde er roem op dragen voor de eer van uw allerheiligsten naam niets, volstrekt niets onder den hemel in eigendom te bezitten quot;
Maar die uiterste armoede staat lijnrecht tegenover een der hevigste neigingen onzer bedorven natuur, de hebzucht en zinlijkheid. De strijd duurt zoolang als het leven; de overwinning ^is moeilijk en moedeloosheid is altijd te vreezen Daarom voegde de heilige Stichter er met nadruk bij: âWeest op uwe hoede voor verslapping en lauwheid; waakt, opdat gij door uwe kwade driften niet wordt overrompeld en verrader. Het vleesch is onze doodvijand. Bij de herinnering aan doorgestane verstervingen beklaagt het zich; bij de bloote gedachte aan toekomstige boet-plegingen deinst het terug. Doet daarom uw zinnelijke neigingen den oorlog aan zonder haar ooit rust te gunnen. Het vleesch bekreunt er zich geenszins over u voor het genot van één oogen-blik het hemelsch Paradijs te ontrooven en u neer te ploffen in den helschen afgrond.quot;
Ofschoon Franciscus een diep stilzwijgen bewaarde omtrent de vele bovennatuurlijke gunsten, hem van den Hemel geschonken, schroomde hij niet om zoo dikwerf als hij zulks nuttig oordeelde, de geheimen, quot;'ke de Hemel hem om zijn ootmoed had verleend, aan zijne broeders mee te deelen. Daartoe bood zich dikwijls een geschikte gelegenheid aan. Zoo verhaalt ons o.a. Thomas de Celano het volgende. Op zekeren nacht werd Franciscus, te Siena in zijn klooster vertoevend, vervuld van den geest Gods.
Zonder aarzelen wekte hij de kloostergemeente uit den slaap en sprak: âVeel geliefde kinderen, welk een voorrecht voor ons uifgelezen te zijn tot dienaren van den Koning der koningen! Kan de mensch zich grooter glorie voorstellen ? Doch wie zal zeggen, waaraan men kan erkennen, of wij trouwe dienaren zijn van God? Welnu, ik zal openhartig spreken: ik heb den barm-hartigen God onder een vloed van tranen gesmeekt mij hierin voor te lichten en God heeft mijn gebed verhoord. Hij verscheen mij en antwoordde met eene stem, zoeter dan alle aardsche klanken : Zoon van Bernardone, uwe verlangens zijn ingewilligd. Wees heilig in uwe gedachten, woorden, handelwijze; en gij zijt waarlijk mijn dieiiaar en boezemvriend ! Mijne broeders, ik wilde u deze uitspraak des Hemels onverwijld bekend maken; gij zult er winst mede doen voor uw geestelijken voortgang. Doch wilt niet aarzelen mij te berispen, wanneer ik in één der vermelde punten mocht te kort schieten.''
Het klooster was voor hem een heilig huisgezin: alle bedilzucht, afgunst en nijd werden met gestrengheid daaruit verbannen-terwijl eenheid van geest en hart er welig tierde. Franciscus was onder zijne broeders als een vader te midden zijner kinderen : hij had de teederheid eens vaders, zij het vertrouwen van het kind. De heilige roemde gaarne eens anders verdiensten en goede hoedanigheden, en dat met hoogere bedoeling, zonder vleierij of geheim voorbehoud. Zoo zeide hij bij voorbeeld tot zijne novicen : âOm een volmaakt Minderbroeder te zijn zou men met het levendig geloof van Bernardus van Quintavalle en de engelachtige reinheid van Leo, de ongedwongen hoffelijkheid van broeder Angelus moeten vereenigen.quot;
Naar aanleiding hiervan liet hij deze heilzame vermaning volgen : âDe christelijke wellevendheid is goed en aanbevelenswaardig ; zij wint den mensch en spoort hem tot het goede aan.quot; Op dat oogenblik kwam Broeder Egidius in den kring en vroeg : âVader, zou er in de wereld wel iets zoo schrikwekkend zijn, dat men het gedurende één Onze Vader niet kan verdragen?quot;' âZeker, antwoordde de Heilige ; er is zelfs een monster zoo afzichtelijk, dat niemand ter wereld het zonder Gods bijzonderen bijstand een enkele minuut kan aanschouwen. En dat monster is de duivel!quot;
122
Onder de duivelen had Franciscus vooral schrik voor dien der zwaarmoedigheid ; want zwaarmoedigheid gaat hand aan hand met de moedeloosheid en deze is de moeder der wanhoop. Van daar prees hij zijnen leerlingen een schuldeloos vermaak en ontspanning aan. Zag hij, dat een broeder van nature tot droefgeestigheid overhelde, dan wees hij hem met ernst op de noodlottige gevolgen dier kwaal. âVoorzichtig, mijn zoon, zoo sprak hij, want de booze geest stelt zich nu tevreden als hij uw hoofd in verwarring kan brengen of den vrede uws harten storen. Dat is juist zijn sluwheid ; want hebt gij hem eens den toegang tot uw hart opengesteld, dan zal hij vroeg of laat de grootste verwoesting aanrichten. Maar zijt gij voor dien kunstgreep des duivels op uwe hoede, dan zal hij u nooit deren. Laat derhalve uw gelaat getuigen van de blijdschap uws harten! Dat de duivelen en hun trawanten aan droefheid en jammer ten prooi zijn, laat zich verklaren, maar' wij, kinderen Gods, moeten ons altijd verheugen in den Heer!quot; Van deze waarheid was hij zoo doordrongen, dat hij eens zeide tot een novice, wiens somber voorkomen hem opviel; âMijn kind, vanwaar komt dat neerslachtig gelaat ? Als gij gezondigd hebt, (want dat is het eenige kwaad, dat u mag bedroeven), ga dan bidden voor Jesus' tabernakel om met de vergiffenis uwer fouten de verloren opgewektheid des harten terug te vinden. Maar in tegenwoordigheid van uwe medebroeders en van mij moet gij altijd met een opgeruimd gelaat verschijnen. Het betaamt volstrekt niet in den dienst des Heeren een stuursch of droefgeestig gelaat te toonen.quot;
In al deze onderrichtingen van den Meester bespeuren wij eene groote wijsheid en diepe kennis van het menschelijk hart. Maar geven zij te gelijkertijd niet te raden,welk een hemelsch en opgewekt leven men in O. L Vrouw ter Engelen leidde? Moesten mannen, vatbaar voor zulke verhevene lessen van ootmoed en zelfverloochening, niet met rassche schreden voortsnellen op den weg der christelijke volmaaktheid?
Nochtans niet allen volhardden. Franciscus had van God in ruime mate de gave van voorzegging en kennis des harten ontvangen en las wat er verscholen lag in de plooien van ieders hart. Hij maakte er gebruik van om de zwakken te versterken, de bedroefden te troosten, maar ook om de schijndeugden der
123
huichelaars te doen zien. De novicen betuigden hem eens hunne verbazing en spijt over het vertrek van een broeder,, dien zij voor den deugdzaamsten hielden van allen. âZijn vertrek, sprak Fran-ciscus, moet u niet verwonderen, de ongelukkige heeft zijn eigen afval voorbereid, omdat zijne deugd niet in de nederigheid gevestigd was Gelooft mij, elk gebouw, dat deze deugd niet toj. grondslag heeft, rust op los zand en stort weldra in puinen neer.''
Toen hij eens in de schuldbekentenis eenige openlijk begane fouten berispte, voorzegde hij aan twee religieuzen, welk droevig einde hen wachtte. Aan den eenen, die voor heilig wilde doorgaan en daarom uit verkeerd begrepen liefde voor de stilzwijgendheid zelfs niet wilde biechten tenzij door teekenen en gebaren, voorspelde hij eenvoudig, dat hij de Orde zou verlaten. Maarden anderen, die het kleed der Orde reeds eenmaal had afgelegd, stuurde hij de vreeselijke bedreiging toe, dat hij aan den strop zijn leven zou eindigen, zoo hij in zijn oude fouten herviel. De dubbele voorzegging trad in vervulling en Franciscus jammerde luide over beider ongeluk, hetwelk hij niet had kunnen afwenden.
Zoo scherpzinnig a's hij tijdens het proefjaar toezag om val-sche deugd van degelijke te onderscheiden, zoo naarstig was hij om na het noviciaat met vrijheid en voorzichtigheid ieder eene bediening aan te wijzen volgens zijne bekwaamheid. Den een bestemde hij tot het predikambt, den ander tot beoefening van liefdewerken of tot handenarbeid. En Franciscus zelf was voor allen een voorbeeld. Nooit zag men zijne handelingen in strijd met de heerlijke lessen welke hij anderen ter volmaaktheid voorhield.
Intusschen stortte de Allerhoogste zijn milde zegening uit over het nederig klooster van Portiuncula. Binnen die stille muren, verwijderd van het gewoel der wereld, leefden de Broeders als in een voorportaal des hemels.
Daar werden in de rijkste verscheidenheid allerlei deugden-bloemen gekweekt, die straks hare blozende knoppen zullen openen om zoeten geur te verspreiden en heerlijke vruchten af te werpen. Ziedaar nu den kloostertuin van Portiuncula. 'tls ons als werden wij teruggevoerd naar de eerste christen eeuwen ; en toch al die pracht en vruchtbaarheid is naast God ontleend aan den brandenden ijver des Serafs van Assisië.
AAAAAAAAA A A AA AAA AAi A AA Agt; A A A A4AAAAA AA A AAAAAAAAA
H±=IC±EÃ5±3Cl5amp;3Cl^3E=£±31=^=3 Cl±311^=1 C±5H
TYTTTTTTTTTTTTTMrrTTTMTTTVTTTTT^T7TTCTTMTTrrTTf7T7TTM7MTTMTrrTTTTTTVtTTTTTTTTTTTMTW
ACHTSTE HOOFDSTUK. Clara cn de arme Zusters.
(1212.)
zijne vaderlijke voorzienigheid schonk God aan Franciscus,
fden man zijner rechterhand, die op zich zelf reeds zoo invloedrijk was, een steun zijner waardig, de beroemde maagd Clara. Zij zou de Moeder zijn der Arme Zusters, gelijk hij reeds de Vader was der Minderbroeders.den man zijner rechterhand, die op zich zelf reeds zoo invloedrijk was, een steun zijner waardig, de beroemde maagd Clara. Zij zou de Moeder zijn der Arme Zusters, gelijk hij reeds de Vader was der Minderbroeders.
De plaats als bakermat âder tweede Ordequot; van Boven voorbeschikt, is andermaal, opvallend genoeg, St. Maria-der-Engelen.
Clara werd te Assisië geboren. Hare ouders Favorinus en Hortulana waren gesproten uit de twee oudste stamhuizen der stad, dat der Scefi en Fiumi, en telden onder hunne maagschap twee gelukzaligen, Sylvester en Ilufinus. Favorinus bewoonde het kasteel Sassa-Rosso op de zuidelijke helling van den Soubase, vanwaar men een schoon uitzicht had over de stad en omliggende vallei.
Zijne godvreezende gade Hortulana ondernam verscheidene pelgrimstochten naar het H Land, den berg Gargano en bet graf der apostelen te Rome om Gods zegen over haren echt af te smeeken. God bezocht haar in zijne goedertierenheid; gelijk Anna, de moeder van Samuel, verkreeg Hortulana door gebed en vasten een kind van zegening, dat het geslacht der Scefi zou vereeuwigen. Toen zij eens, voor Jesus' kruis geknield, haar hart lucht gaf, sprak God : âVerheug u, want gij zult een ster doen opgaan, die met helderen glans voor het aanschijn dei-wereld zal schitteren/'
De 1(3 Juli 1194 was gedenkwaardig door de geboorte van dat uitverkoren kind; hemel en aarde deelden in de vreugde
125
der grafelijke familie. Met groote pleclitiglieid werd de pasgeborene in de kathedraal tot kind Gods herboren en wel over dezelfde doopvont, waar 12 jaar tevoren Franciscus dat geluk had genoten. Volgens het verlangen der moeder ontving het kind van genade den naam Clara d. i. schitterend ; zinnebeeld dus en aankondiging harer grootsche toekomst.
Bet dochtertje der Soefi bleek al spoedig een Engel van onschuld en godsvrucht. Van haar prille jeugd af beoefende zij de versterving en droeg zelfs onder hare rjjke kleederen een boetgordel. Naast heerlijke gaven van geest en hart bezat zij uitwendige schoonheid en bevalligheid, zoodat het oog der dwaze wereld reeds vroeg tot haar werd getrokken. Hare ouders vormden allerlei droombeelden omtrent hare toekomst en beraamden plannen om haar te doen schitteren voor de wereld. Doch de liefde tot de maagdeljjkheid deed Clara de meest vereerende aanzoeken afslaan; zjj koesterde verhevener begeerten! Op ISjarigen leeftijd had zjj reeds onwrikbaar besloten zich door de belofte van zuiverheid toe te wijden aan den koning der koningen.
God kwam haar hartewensch tegemoet en wees haar tot den H. Franciscus. Deze predikte tijdens de vasten van het jaar 1212 te Assisië in de kerk van den H. Georgius. Ofschoon er geschreven staat, dat geen profeet geëerd is in zijn vaderland, hield hij nochtans zijne stadgenooten geboeid door de kracht zijner gloedvolle prediking. Verlangend om den apostel te zien, van wien men zooveel wonderen verhaalde, ging Clara op zekeren dag in gezelschap van hare moeder en hare zuster Agnes een der onderrichtingen bijwonen. Zij ziet, hoort en bewondert hem, en van dat oogenbllk af heeft Clara hem tot geestelijken leidsman verkozen. Zij verborg haar plannen niet langer, maar deelde ze mede aan Bona Guelfucci, hare tante, eene weduwe, haar vertrouwen overwaardig. Met haar begaf Clara zich nu en dan onder geheimhouding naar O. L. Vrouw ter Engelen. Franciscus wist door openbaring, wolk een kostbare schat, te edel voor de wereld, hem gezonden werd; hij schetste Clara in levendige kleuren de groote waarde der maagdelijkheid, de bovennatuurlijke schoonheid van den Bruidegom der zielen, het onuitsprekelijk genot eener vereeniging door tijd noch dood te verbreken.
126
Tegen het einde van de vasten kwam zij opnieuw den Patriarch bezoeken. Zij reikhalsde naar het geluk onverdeeld aan God te behooren. Nog slechts enkele dagen scheidden haar van den uitgelezen Bruidegom, maar die dagen schenen eeuwen. Franciscus van zijnen kant bedacht, dat die smettelooze bloem verflensen zou onder den giftigen adem der wereld en oordeelde den tijd aangebroken haar over te planten in den gesloten lusthof van het klooster. Men kwam overeen, dat zulks geschieden zou op Palmzondag (19 Maart 1212.)
Prachtig uitgedost als eene verloofde op den dag barer bruiloft begeeft zich de jeugdige maagd naar de kathedrale kerk. Zjj gaat echter niet, zooals de gewoonte was, met de menigte den gewijden palm halen, doch blijft zedig met neergeslagen oogen op hare plaats in gebed verzonken. De bisschop was als vertrouweling van Franciscus ingelicht omtrent hetgeen gebeuren moest; hij daalt daarom de trappen van het priesterkoor af, en reikt haar den palmtak over als zinnebeeld van de overwinning, die zij op de wereld ging behalen.
Als allen den volgenden nacht in diepe rust gedompeld lagen, verliet Clara het grafelijk slot Alleen vergezeld van Bona Guelfucci neemt de onschuldige duif hare vlucht naar St. Maria-der-Engelen, om zich op het altaar der goddelijke liefde den Heer als een brandoffer op te dragen. Het reeds verheven schouwspel dezer geestelijke verloving, werd nog meer indrukwekkend door de eenzaamheid der plaats, de doodsche stilte van den nacht, het flauw schijnsel der kaarsen op het altaar der Moedermaagd.
Terwijl de religieuzen de geheimnisvolle bruiloft van het Lam met gezang opluisteren, bad de adellijke dochter der Scefi geknield voor het tabernakel. Daarop legde zij hare rijke sieraden af om ze den armen uit te deelen. Ten teeken dat zij verzaakte aan 's werelds ijdelheden, snijdt Franciscus haar de golvende haarlokken af, bekleedt haar met een aschgrauw boetgewaad, omgordt, hare lendenen met een grove koord, en verbergt haar hoofd onder een dichten sluier. Alle droombeelden barer jeugd bracht Clara ten offer, niet uit dwaze dweepzucht, gelijk onze eeuw van ongeloof beweert, maar uit een heldenmoed, door de kracht der liefde alléén zegevierend over de neigingen
127
der natuur. Zij koos Christus, den met doornen gekroonde, tot haar Bruidegom, zwoer Hem trouw, en deed gelofte Hem te volgen op de hobbelige paden der boetvaardigheid. Welk een schouwspel! Zij is slechts 18 jaren; in den lentetijd haars levens, waarin, helaas, zoovelen knielen voor de wereld, en hare onreine liefde, treedt zij reeds als overwinnares de wereld met voeten. Voorwaar, zulk eene zegepraal adelt den mensch en versiert hem met de schoonheid der Engelen. Agnes en Cecilia hadden niet meer bekoorlijkheid, toen zij in de duisternis dei-Catacomben de lelie harer maagdelijkheid den Heer ten oifer brachten.
Na afloop der plechtigheid voerde de Dienaar Gods Clara naar het klooster van den H. Paulus. Volgens Cristofani lag dit in de vlakte voor Assisië op den oever der Chiagio. Ook dezen keer opende de H. Benedictus voor de tweede Orde, gelijk weleer voor de eerste, een veilige schuilplaats.
Strijd en beproeving bleven niet uit. Vader en moeder snelden beiden naar het klooster van St. Paulus en eischten onder bedreiging en smeekbeden hun dochter op, om haar voor de wereld te herwinnen. Doch Clara wees op haar geschoren hoofd, klemde zich aan het altaar vast en zegepraalde ten slotte over alle aanvallen. Wijl Franciscus haar echter tegen een tweeden storm wilde beschutten, plaatste hij haar over naar een ander klooster der Benedictinessen, H. Angelus del Panso, binnen de vestingmuren van Assisië.
Clara was de eerste bloem in den lusthof der arme Zusters» Agnes, hare zuster zou de tweede zijn. Zij was nog maar een jongedochter van 14 jaren, rein als de lelie, zacht als het lam. Doch kon zij niet verstrikt geraken in de netten der wereld ? Clara smeekte daarom onder tranen haren hemelschen Bruidegom, den minnaar der zuivere zielen, een blik van ontferming op hare zuster te werpen en ook haar uit te noodigen tot het bruiloftsmaal der maagden Haar gebed vond verhooring. Weinige dagen later sloot Agues zich aan bij hare zuster. âIk verlang, zoo sprak zij, God te dienen met u.quot;
Terwijl zij beiden bij dit hartroerend schouwspel binnen de muren van St. Angelus jubelden, hoorde men in het ouderlijk huis iets geheel anders. Daar klonken kreten van droefheid naast
128
liet getier ^er gramschap. Pavorinus wond zich op tot woede. In allerijl vergadert hij zjjn vrienden en deelt hun zijne verbittering mede. Twaalf hunner grijpen naar de wapenen en zweren, zijne dochter dien dag nog op het kasteel te zullen terugvoeren, hetzij dood of levend !
De heiligheid der plaats niet ontziende, dringen zij het klooster binnen, grijpen A-gnes bij de haren en sleuren haar met ruw geweld over de rotsen voort tot den voet van den Soubase Maar hier werd het lichaam der maagd, als dat van eene andere Lucia, onbeweegljjk als een steenrots. Tegen wil en dank moeten de schakers hun onmacht erkennen. Doch zouden ridders zich laten beschamen door eene weerlooze maagd en haar ongedeerd achterlaten? Een harer ooms, Monaldus, verhief reeds de heiligschen-nende hand om haar de speer door het hart te jagen ; maar hij kon zijn gruwelstuk niet volvoeren. Zijn arm verdorde, bleef stijf en onbeweeglijk. Middelerwijl kwam Clara aangesneld en bezwoer de bloedverwanten haar nu ten minste het bloedende lichaam van Agnes te laten. Met wroeging en zelfverwijt dropen de roovers af; de beide zusters wenschten elkander geluk, wijl zij waardig bevonden waren voor den naam van Jesus te lijden; en dankten God voor hare bevrijding.
Goddank, het schuldig verzet der familie maakte weldra plaats voor bewondering. Monaldus genas wonderdadig en overtuigd, dat hij zijn herstel dankte aan het gebed dier kloostermaagden, werd hij haar vurigste voorstander Favorinus boog het hoofd voor 's Heeren wil en ontsliep kort daarop in vrede.
Het klooster van St. Angelus was slechts een tijdelijk toevluchtsoord. Zoodra Agnes den sluier ontvangen had, vestigde Franciscus de beide bruiden in het huis, dat grensde aan de kapel van St Damianus; het eerste van de drie heiligdommen, door hem uit de bouwvallen opgericht. En zoo werd dan zijne vroegere voorspelling bewaarheid, dat in St. Damiaan eens een klooster zou bloeien van arme vrouwen. Vrijwillig sloot Clara zich in dien kerker op, welken zij niet ruilen zou tenzij tegen den luister des hemels. St. Damianus werd een halve eeuw lang voor de geestelijke dochters van Franciscus, wat Portiuncula was voor zijne zonen : een gesloten tuin, een geheimzinnige lusthof, waar engelachtige reinheid bloeide naast heldhaftige versterving.
129
O wie zal tellen, hoeveel wijze maagden daar met de olie der goddelijke liefde in hare lamp den Bruidegom te geiaoet togen, hoeveel engelen vandaar opvlogen naar de eeuwige bergen ....? Het zij ons genoeg aan te stippen, dat de Heilige Abdis weldra eene keurbende van Serafijnsche zielen om haren staf geschaard zag. Onder dezen verdienen vooral vermelding Hortulata hare moeder, Beatrix hare tweede zuster en Bona Guelfuc^i, wier wijze raadgevingen Clara's jeugd hadden geleid en gesterkt.
De tweede orde, de orde der arme zusters, of Clarissen, gelijk zij in het vervolg genoemd werden, was gesticht. Pranciscus schreef voor zijne geestelijke dochters eenen regel, in vele punten overeenkomend met dien zijner zonen, stelde de maagd Clara aan tot Abdis en benoemde tot visitator Broeder Philippas.
Boven alles verlangde Pranciscus, dat de tweede orde evenals de eerste zou gegrondvest zijn op de volstrekte armoede. Dienaangaande richtte hij verscheidene vermaningen tot zijne geestelijke dochters, doch hiervan is slechts een brief bewaard gebleven, even bondig als nadrukkelijk: âIk, uw geringste dienaar Pranciscus, zoo schreef hij, wil het leven en de armoede volgen van O. H, âJesus Christus en zijne heilige Moeder, en daarin volharden tot âden dood. Ik bid u allen, mijne bruiden, ja bezweer u met âaandrang, dat ook gij u spiegelt aan die allerstrengste armoede. âWacht u ooit van hare paden af te wijken en te luisteren naar âtegenovergestelde inblazing of grondstelling.quot;
De Serafijnsche maagd toonde zich deze edele taal waardig; âKomt, zoo sprak zij na het lezen van den brief hare zusters âminzaam toe, komt, laten wij ons als de duif in de rotsspleet, âverschuilen in het nestje der heilige armoede.quot; Zij toonde zich niet minder dan de patriarch der armen naijverig om eene gelofte vast te houden, zoo beschamend voor alle menschelijke wijsheid en berekening, om namelijk voor eeuwig èn als afzonderlijk persoon èn als orde te verzaken aan alle bezit en eigendom. Men weet met welke standvastigheid zij hier omtrent eene vergunning afwees door den Paus zeiven voorgesteld. GregoriusIX stelde haar eens goedgunstig voor althans eenige bezittingen voor hare orde aan te nemen met het oog op de droeve tijdsomstandigheden. âAls uwe gelofte u weerhoudt voegde de paus erbij, zullen wij u daarvan ontslaan.quot; âH. Vader, antwoordde
'J
130
zij, ik acht mij gelukkig van mijne zonden ontslagen te zijn, maar ik verlang geene vrijspraak, van het volgen der evangelische raden.quot; Op haar onvermoeid aanhouden werd haar ten laatste door eene bulle van Innocentius IV het voorrecht der volstrekte armoede verzekerd. Dit voorrecht heeft God in den tijd als 't ware door een blijvend mirakel geheiligd. Zes eeuwen reeds geven de dochters van Clara zich geheel aan Gods vaderlijke Voorzienigheid over; zes eeuwen waakt de hemel over die arme gevangenen. Hij, die de vogelen voedt, schoon zij zaaien noch maaien, zendt haar het dagelijksch brood. Ontbreekt ook dit, dan verkondigt de kloosterklok den nood van Christus' bruiden, die inmiddels blijmoedig haren maaltijd vervangen door een lied van dankzegging.
De orde der Clarissen met die dor Minderbroeders gelijkelijk opgegroeid, deelde ook in dezelfde lotgevallen. In de lö'le eeuw werd zij hervormd of juister gesproken tot haar eersten ijveren vurigheid teruggebracht door eene maagd uit Frankrijk, de 11. Coleta, die in 1117 te Gent in Vlaanderen gestorven is Heden ten dage verrijzen hare kloosters in alle streken, waar het II. Evangelie is doorgedrongen, overal bieden zij een schuilplaats aan zielen, die hongeren naar opoffering en versterving; overal leeren zij, dat de feesten en genoegens der dwaze wereld onderdoen voor het eenig waar geluk dezes levens. God te beminnen en zich aan Hem ten offer te brengen; overal schitteren zij als toonbeelden van geloof, waarvan het materialistisch geslacht onzer dagen geen begrip of gevoel heeft.
âWelk nut, zjo vraagt hier misschien de aardschgezinde mensch, kan er gelegen zijn in zulk eene zonderlinge instelling? Wat doen die menschen achter de eenvoudige kloostermuren. Waarom zich bij leven daar opgesloten als in een graf ?
Wat die religieuzen daar doen? Het afdoend antwoord ligt voor de hand. Zij vervullen de taak van Maria Magdalena aan de voeten van Jesus. En zegt het heilig Evangelie zelve niet, dat zij het beste deel verkoren hebben, dat de bediening van Maria het wint boven die van Martha ? Ieder Christen ontdekt met een weinig ernst en nadenken aanstonds in God zelf de redelijkheid van het bestaan der beschouwende kloosterorden. Heeft de Schepper het recht niet zich zeiven, geljjk de grooten
131
dezer aarde, een lusthof voor te behouden, waarin Hij alleen Meester is en uitgelezen bloemen plaatst, bestemd om hem schadeloos te stellen voor de vergetelheid en den smaad der meerderheid ?
Als gij vermetel genoeg God rekenschap vraagt van zijne weiken, vraagt Hem dan eerst, waarom Hij in de voor ons oog ongenaakbare ruimten van het firmament sterren heeft gestrooid, schitterender dan de zon ; vraagt Hem, waarom Hij de schoonste bloemen in de wildernis heeft geplant, waar zij de lucht balsemen met haar geuren, en een kleurenpracht ten toon spreiden, zonder dat een menschenoog haar bewondert; vraagt Hem, waarom de Serafijnen onbeweeglijk staan voor zijn troon en hunne vleugelen voor het aangezicht plooien, terwijl de Engelen en Aartsengelen, boodschappers van lageren rang, tot ons afdalen als zijne gezanten ! Welnu, gelijk die sterren, die bloemen, dat heerleger der Serafijnen, zoo ook pronken deze maagden voor Gods aanschijn en loven de majesteit Gods bij dag en bij nacht. En is dit alleen niet voldoende om haar bestaan te wettigen, en haar van onze hoogachting en liefdadigheid te verzekeren ? Wie zijt gij, arme mensch, nietig stof en asch, dat gij het wagen durft uw belang en glorie te vergelijken met de glorie en de belangen van den Allerhoogste.
Doch meenl niet dat deze kloosterzusters nutteloos zijn voor de samenleving! Door haar verstorven en engelachtig leven bewijzen zij der maatschappij een dienst, waarvan de immer toenemende ongerechtigheden telken dage de waarde en de noodzakelijkheid doen gevoelen ; den dienst namelijk van hun gebed en hunne uitboeting. Zij koopen de gruwelen der volkeren af; zij ontwapenen den arm Gods ter wrake opgeheven, en vragen niettegenstaande 's werelds onwaardigheid voortdurend nieuwe weldaden aan den Almachtige. Dit is geen ijdele bewering, maar een waarheid,quot;waarvan wij in de levens der heiligen de schitterendste bewijzen ontmoeten. Wij behoeven de geschiedenis der Heilige Clara slechts open te slaan
In het jaar 1239 werd Frederik II, keizer van Duitschland en koning van Sicilië, die een onafgebroken strijd tegen den H. Stoel had aangebonden, door het pauselijk leger onder de muren van Rome verslagen Woedend over de smadelijke ne-
132
derlaag nam hij een laaghartige wraak. Hij zond Vitalis d'Aversa, een zijner veldoversten met 20.000 Saraceenen naar de vallei van Spoleto om dat land tot straf zijner verknochtheid aan den heiligen Stoel uit te pluaderen. De woestelingen opgehitst door feilen haat tegen den christennaam, door plunderzucht en bloeddorst bedreven alle denkbare wreedheden.
Het weerlooze klooster van St. Damianus dreef hun begeerlijkheid ten top. Te middernacht beklommen zij de muren en hieven een ijzingwekkend krijgsgeschreeuw aan. Bevend van schrik vluchtten de arme zusters tot de heilige Abdis samen, even gelijk de kiekens bij het naderen van den roofvogel heil zoeken onder de vleugelen der moeder Clara lag op het ziekbed uitgestrekt, aan hevige smarten ten prooi; Maar in den uitersten nood vergeet zij haar eigene pijnen om slechts te denken aan het gevaar harer kinderen. Geleid door een dier heldhaftige gedachten, welke het geloof alleen bij 't dreigen der gevaren ingeeft, verlaat zij haar legerstede, laat de ciborie met het allerheiligste Sacrament bij zich brengen, werpt zich met het aangezicht plat ter aarde en doet dit hartverscheurend beroep op den verborgen God onzer altaren : âMaar mijn Jesus, is het âmogelijk? Zult gij gedoogen, dat uwe trouwe dienstmaagden, âdie steeds het voorwerp uwer bijzondere liefde ware, de speelbal âworden van heidensche krijgsknechten? O, ik bezweer U, neem âGij haar onder uwe hoede, want wat vermag ik, arm en nietig âschepsel tot hare verdediging! Strek uw gezegende hand over âons uit en wil U ontfermen over allen, die uwe hulp met ver-âtrouwen inroepen.quot; Zij bad nog, toen zij eene stem hooide, de zilveren klanken van het goddelijk Kind : âmijne bruid, Ik zal uw beschermer zijn ten allen tijdeâ Maar Clara bad verder : âHeer, niet ons alleen, maar bewaar ook de stad, welke ons voedt ter liefde van U.quot; En andermaal klonk de hemelsche stem : âde stad zal veel lijden, maar Ik zal haar beschermen en sparen ter wille van u.quot; Door deze belofte versterkt, richt Clara zich op, keert haar betraande oogen tot haar angstige dochters en spreekt: âvreest niet, mijne kinderen, geen kwaad zal u deren. Niets zal uw vrede storen. Ik beloof het u in den naam van Jesus den Vredevorst! Hebt slechts een onwankelbaar vertrouwen.quot; â Op hetzelfde oogenblik maakte zich een hevige
133
schrik meester van de bestormers; met groot verlies van manschappen, en in volslagen wanorde nemen zij de vlucht. Zoo bleef Assisië bewaard voor hun plunderzucht.
Zeven jaren later steeg dezelfde Vitalis d'Aversa andermaal het beleg voor Assisië en zwoer bij de inname aan alle inwoners den dood. Andermaal wierp Clara zich met hare dochters voor Jesus' tabernakel neer ; zij bestrooiden hare hoofden met asch, hieven hand en hart ten Hemel en baden God om de bevrijding der vaderstad. Het gebed der maagden vond op nieuw verhooring. In den vroegen morgen van den volgenden dag (22 Juni waagden de inwoners een verwoeden uitval; de vijand werd met schrik en ontzetting geslagen en brak in haast het beleg op.
Ten tweeden male was de Serafijnsche stad gered. Tot haar lof zij vermeld, di:t zij zich nimmer bedroog omtrent de oorzaak harer onverwachte verlossing, lie zegepraal werd niet gedankt aan het beleid harer bewindvoerders, of den moed harer wakkere krijgers, maar aan de verdiensten en voorbede van Favorinus' dochter. Om den christenen de blijvende herinnering te verzekeren aan den machtigen invloed dezer bruiden op Jesus'Hart, beeldt de kerkelijke schilderkunst de Heilige Clara steeds af mot de Ciborie in de hand, en nog telken jare viert Assisië den 22 Juni een feest van dankbaarheid.
Ongetwijfeld is het verre van ons te beweren, dat de beoefening des gebeds en der vrijwillige versterving uitsluitend het deel is der beschouwende kloosterorden. Ook weten wij, dat gebed en boetedoening hunne bijzondere kracht ontleenen aan de goddelijke beloften des Zaligmakers, aan het groote zoenoffer van Calvarië, waarvan zij een uitvloeisel, een navolging zijn. Maar niettemin blijft het ook waarheid, dat een geheel bizonderc invloed als een voorrecht is toegezegd aan de zuivere zielen, volgens hot woord van den apostel Jacobus : âhet aanhoudend gebed van den rechtvaardige is machtig op het hart van God.quot; Derhalve moet de wereld de dochters van Clara danken en zegenen, als zij zich in strenge afzondering opsluiten om zich des te beter van haar middelaarschap te kwijten! Of zou het in den omgang met een bedorven en bedervende wereld niet te vreezen
O O
zijn, dat weldra eenige smetten ook haar zouden aankleven en den prijs van haar vasten, bidden en nachtwaken verminderen!'
134
Immers, wie gevoelt niet, hoe juist hare afzondering binnen het kloosterslot bijdraagt om hare reinheid zonder smet te bewaren tot voordeel der maatschappij ?
Het volk, veelal meer verlicht dan de waanwijzen onzer eeuw, verheft gemakkelijk zijn blik in den geest van geloof boven den gezichteinder van het bloot stoffelijke, het heeft uit natuurlijk gevoel dit vraagstuk van zijne zijde begrepen. Het gelooft in de gemeenschap der heiligen, waardoor de verdiensten des on-schuldigen voor de schuldigen ten beste spreken. Als de geesel Gods hen treft, ziekten en rampen de maatschappij teisteren, dan weten zij, waar bijstand te zoeken. Dan kloppen zij aan de kloosterpoort, dan bezweren zij Christus' bruiden haar reine handen en harten hemelwaarts te heffen, en door hare gebeden Gods toorn af te weren, â en vol hoop gaan zij henen ! Hieruit blijkt ook duidelijk, van hoeveel waarde het beschouwend kloosterleven is voor de maatschappij; maar ook hoe onrechtvaardig men handelt, als men zich van deze kloosterzusters verwijdert, haar lastert, verdrijft of vervolgt.
Een grondige kennis der geschiedenis zou menigeen doen besluiten, dat het kloosterleven niets anders is dan een middel om het heil des naasten beter te bevorderen en God meer lief te hebben! Met den heiligen Hieronymus zou men boven de kloosterpoort in gouden letters mogen schrijven; âhet zijn de heiligen, die de booze wereld staande houden.quot;
Na dezen vluchtigen blik op den oorsprong, den voortgang en het nut der âtweede Orde van hoetvaardigheid?' willen wij nog ev^n Clara's deugden en verdiensten beschouwen. Deze, gelijk zij zelve getuigt, waren het werk van den heiligen patriarch van Assisië.
Van hem erfde zij vooreerst hare teedere godsvrucht voor den verborgen God onzer altaren, en volgens zijne gewoonte bracht ook zij geheele uren over aan den voet van het tabernakel. quot;Was zij ongesteld, dan spon zij op het ziekbed nog lijnwaad van d3 fijnste soort en vervaardigde corporalen voor de arme kerken om ent anlle tijde te getuigen van den diepen eerbied, die haa bezielde voor het Heilig Sacrament des Altaars. Vervolgens was zij zoo ootmoedig, dat zij eerst na drie jaren beraad besluiten kon den titel te voeren van Abdis; â zoo liefdevol, dat /ij de
135
dienares was van alle dienstmaagden des Heeren; â zoo verstorven, dat zij haar vasten tot het uiterste dreef en nimmer onderbrak. Men gevoelt het op iedere bladzijde van haar leven, zij streefde om van nabij de voetstappen van haar leidsman te drukken, en deze was voor haar, wat zij zelve was voor haar geestelijke kinderen, een toonbeeld van religieuze volmaaktheid. Bij beiden treft men dezelfde levenswijze, dezelfde hartstochtelijke liefde voor de armoede, dezelfde liefdevervoeringen jegens God;
Van zijn kant bewonderde Franciscus den heldenmoed dei-dochter van Scefl en harer gezellinnen; met meer zorg kweekte hij hare zielen, dan de tuinman een kostbare en teedere plant. Volgaarne deelde hij haar lossen mede en verzekerde haar do diensten zijner volgelingen. Nochtans om zijn gedrag en dat zijner leerlingen boven alle verdenking te verheffen, waren zijne bezoeken, zegt Thomas a Celano, zeldzaam en enkel op geestelijk voordeel of noodzakelijkheid gegrond.quot; Kortom hij nam tegenover haar eene groote omzichtigheid in acht, zonder evenwel de teeder-heid eens vaders uit te sluiten.
De engelreine vriendschap, welke tusschen die twee Heiligen bestond, zien wij afgebeeld in een treffend verhaal, door den schrijver der Fioretti ons nagelaten. Wij zouden het mogen betitelen als âden maaltijd der Heiligen;quot;' sprekend is de overeenkomst met het afscheidsmaal van den heiligen Benedictus en zijne zuster de H. Scolastica.
âMeermalen had de Abdis van St. Damiaan een wensch geuit^ welke ons hoogst natuurlijk moet voorkomen. Zij wilde nog eenmaal Portiuncula weer zien, aldaar een dag in Franciscus' tegenwoordigheid verblijven en met hem den soberen maaltijd nemen. Nochtans bleef haar verlangen onbeantwoord. Toen de kloosterbroeders van St. Maria-ter-Engelen vernamen, wat zij verzocht, beijverden allen zich hare bede te bepleiten en zeiden daarom tot hun gelukzaligen vader: âgelooft gjj werkelijk, dat gestrengheid, in deze zaak overeenstemt met den geest van liefde, ons in het Evangelie boven alles op het hart gedrukt? Zuster Clara is eene maagd, die Gode zeer behaagt. Welnu, wat zij verlangt kan immers gemakkelijk toegestaan worden en daar zij er zooveel waarde aanhecht, waarom haar dan teleurgesteld ? Welaan, dus besloot Franciscus, ik zal uw raad volgen. En opdat
130
de blijdschap onzer zuster volmaakt zij, mag zij in O. L. Vrouw ter Engelen met ons den maaltijd gebruiken. Het zal haar een ware vertroosting zijn het klooster weer te zien, waar zij den sluier van Jesus' bruiden heeft aangenomen; te zamen zullen wij aanzitten in den naam des Heeren.quot;
Op den vastgestelden dag ondernam de H. Abdis haar vromen bedegang vergezeld van een barer dochters en eenige minderbroeders, die haar kwamen afhalen in St. Damiaan. Men bedenke, dat in die dagen het slot nog niet streng verplichtend was, zoodat de religieusen met verlof barer oversten zich buiten het klooster mochten begeven. De H. Vader toog haar met de broedeis tegemoet. Eerst begroette Clara Maria in haar heiligdom, nog gebalsemd door de zoete herinneringen harer geloften; daarop trad zij het klooster binnen. Nauwelijks hadden allen zich tot den maaltijd neergezet, of Franciscus begon van God te spreken met zooveel vuur, dat zijne gasten in goestverrukking geraakten en in overweging van het hemelsche al het lichamelijke voedsel vergaten.
Op dat oogenblik zagen de inwoners van Assisië, Bastia en Bettona Portiuncula in vuurgloed opgaan; het scheen hun als werden de kerk, het klooster en het aangrenzende bosch door de vlammen verteerd. Aanstonds op hulp en redding bedacht snelden zij toe om den brand te blusschen, en drongen in het klooster door. quot;Wie beschrijft echter hunne verbazing, toen zij plotseling tegenover het hartroerend tafereel stonden, hetwelk binnen plaats greep? âWat wij dus zagen, zoo dachten zij, was een wonderdad g vuur, een afbeeldsel van de goddelijke liefde, die deze harten verteert.quot; Zij waagden het niet een enkel woord te spreken. Zou hun ongewijde taal geen stoornis gebracht hebben in dat Serafijnsch onderhoud? Diep bewogen en in stilte trokken zij terug Maar aan hun haardsteden verhaalden zij hun kinderen de wonderen, welke zij aanschouwd hadden.
Tejen het vallen van den avond keerde de Abdis naar haar klooster terug om hare kinderen deelgenoot te maken in de gesmaakte vreugden. Hare dochters hadden den ganschen dag in rouw overgebracht. âWellicht, zoo spraken zij, heeft de H. Stichter haar uitgezonden om elders een klooster te bestieren,
137
gelijk reeds gescliied is met Agnes, hare Zuster,'' Dubbel was dan ook de blijdschap, toen zij hare moeder weder zagen ! Met wat opgetogenheid, hoorden zij verhalen van de wonderen, die in Portiuncula geschied waren, en van de geestelijke samenspraken met den H. Vader Franciscus.quot;
Tweemalen nog, gelijk wij later zullen zien, zal de H. Patriarch van Assisië den naam der maagd Clara noemen en telkens met een godsdienstige vereering en een vertrouwen, voor beiden even eervol. Eindigen wij hier met het heerlijk getuigenis, door de H. Abdis op haar sterfbed gewijd aan de leiding van onzen Vader, en tegelijk daarmee hebben wij gelegenheid te bewonderen, welk een kostbaar einde haar vruchtbaar loven bekroonde, hetwelk door gebed, versterving en liefde als door een gouden draad is saamgeweven.
Toen Clara haar einde voelde naderen, maakte zij haar testament, waarbij zij aan hare dochters de Serafijnsche armoede als eenig erfdeel achterliet. Wanneer nu broeder Rainaldus haar aanmaande tot geduld en overgeving aan Gods aanbiddelijken Wil, sprak zij : âo mijn broeder, van de stonde af, waarop God mij door onzen onvergetelijken Vader Franciscus de verhevenheid zijner genaden heeft leeren kennen, heeft niets ter wereld mij moeite gekost. Bij de beschouwing van Jesus' kruis heeft geen enkele versterving mij ooit te bitter geschenen, geen enkele ziekte te lastig.quot; Daarop verzocht zij broeder Leo en Angelus haar 's Heeren lijden voor te lezen, volgens den H. Joannes. Teen zij de H. Teerspijze ontvangen had, glansde haar gelaat van heldere lichtstralen en zij riep uit: âKomaan mijne ziel! thans bezit ?ij een goeden reisgezel, een veiligen gids ! Vrees niet, want uw schepper heeft u geheiligd en hield nimmer op over u te waken met de teedere zorg eener moeder over haar eeniggeborene. En gij, o God, wees geprezen in eeuwigheid, omdat Gij mij geschapen hebt.quot;
âZiet gij, zoo vervolgde zij na eene kleine pauze, zich kee-rende tot Z uster Amata, ziet gij, mijne dochter, den koning der glorie, dien ik mag aanschouwen?quot; God opende de oogen van de zalige Benvenuta; zij zag de Koningin des Hemels omstuwd door een breede hofstoet van maagden in lelieblank gewaad en met gouden kronen op het hoofd, zich neerbui-
138
gen over de zieke en haar minzaam uitnoodigen tot de bruiloft van het Lam. Gelijk een rijpe vrucht loslaat van den boom, zoo ontvlood Clara's reine ziel het stoffelijk omhulsel om met Maria's maagdenstoet het Lam te volgen, waar het gaat.
Zoo stierf de maagd Clara, althans wanneer dat sterven mag heeten ! Het was de 1 llt;le Augustus 1253, â 27 jaren na den dood van den Serafijnschen vader; zij had -11 jaren de orde der arme zusters door woord en voorbeeld gesticht. Reeds in het jaar 1255 nam Alexander IV, neef van kardinaal Hugolinus, haar op onder het getal der heiligen, en vereerde haar met de glorierijke titels van: âprinses der nederig en, vorstin der armen.quot; De H. Bonaventura heeft haren lof in enkele woorden geschilderd; âzij was eene Gode welgevallige maagd, die de geuren verspreidde eener lentebloem, en schitterde als de morgenster.quot;
Ja meer dan de morgenster! want zij is geen alleen staande ster, maar een lichtend middelpunt, tusschen een groep van fonkelende hemellichten, waarvan de wereld ternauwernood den naam kan achterhalen. Maar daarom zijn zij niet minder schitterend ! Het zij genoeg uit die breede maagdenrei te vermelden, de gelukzalige Helena Enselmini, die te Padua uit Fran-ciscus' hand den sluier aannam; Isabella van Frankrijk, zuster van den H. Lodewijk, Agnes van Boheme, die de hand van Frederik II afwees; Jolanda en Cunegondis, nichten van de H. Elisabeth van Hongarije. Philippa Mareri, stichtster van een Clarissen-klooster in hare geboortestad Rieti; Margeretha Colonna, eerste abdis van Palestrina; de zestig clarissen van Cracovie, in 1259 door de Tartaren vermoord; de martelaressen van Pto-lemaïs, die in 1291 vielen onder het zwaard der Saracenen; de H. Agnes van Assisië, Catharina van Bologna, Coleta van Corbic en tallooze anderen ! quot;Wie waagt het nu nog, die tijden bar-baarsch te noemen, waarin zulke heldinnen optraden ?
Doch God zij gedankt, het heerleger dier opofferende zielen is niet uitgestorven, neen hare legioenen zijn zelfs talrijk. âlederen dag verlaten aangebeden dochteren het burchtslot, zoowel als de stulp, het paleis zoowel als de werkplaats om God het offer te brengen van haar hart en ziel, van al de bekoorlijkheden eener bloeiende jeugd. lederen dag kunnen wij in ons midden ooggetuigen zijn, hoe dochters van hoogen huize naast anderen wier
139
hart grooter is dan dü fortuin, zich in de lente haars levens wegschenken aan den Bruidegom der onsterfelijkheid. Voorwaar een treffend schouwspel!
Deze godgewijde legerscharen vervullen een zending, die ook in onze dagen duidelijk zichtbaar is. Haar levenskracht tegen alle vervolging bestand; haar aantal, een beschaming voor het kwijnend geloof; haar maagdelijk leven, zoo scherp afstekend bij het grof zedenbederf onzer dagen, wijzen zij niet als met den vinger op de waarachtige Bruid van Christus, óp den waren godsdienst, waarvan zij een der schoonste sieraden vormen ?
Eerbied derhalve voor deze keurbende van gebed en zelfverloochening !
NEGENDE HOOFDSTUK.
Apostolische reis in Italië en Spanje.
(1212â1215).
ielen redden is een allervoortreffelijkst werk, wijl de zoon van den Eeuwigen Vader daarom zijn leven en bloed
J ten offer bracht op het vloekhout des kruises. Dikwerf bediende de heilige Pranciscus zich van deze gedachte om den moed zijner kinderen levendig te houden te midden van de harde ontberingen, welke het apostolaat onvermijdelijk meebrengt. Zielen redden dat was ook de edele bestemming zijner orde ; daaraan twijfelde Franciscus geen oogenblik ; maar was het âzijne roeping wel ? Omtrent dit vraagpunt begon hij meer en meer ernstige bedenkingen te opperen daar hij zich âpersoonlijkquot; veel meer getrokken gevoelde tot het beschouwende dan tot het gemengde of werkende leven.
Toen hij tot geen besluit kon komen, riep hij zijne broeders te zamen en zeide hun : âMijne kinderen, ik wenschte uw gevoelen en raad in te winnen omtrent de volgende twijfeling : Wat zou beter zijn, dat ik mij binnen het klooster onverdeeld aan het gebed wijde, óf wel dat ik ook uitga om te prediken ? Mij dunkt, dat het gebed meer met mijn aanleg overeenkomt, immers ik ben een eenvoudig man, verstoken van de vele kennissen en begaafdheden welke den gewijden redenaar noodig en dienstig zijn; bovendien heb ik van God in ruimere mate de gave des -gebeds dan die des woords ontvangen. Het gebed loutert de genegenheden van ons hart; vereenigt ons ten nauwste met het opperste Goed en bevestigt onzen wil in de deugd. Door het gebed verkeeren wij met God en Zijne heilige Engelen, en leiden wij een leven, dat meer gelijkenis heeft met dat der Hemeliugen dan wel der menschen. Ofschoon nu het predikambt
t Tquot;
141
een van de heiligste priesterplichten is leidt het allicht tot eenige verstrooiing des geestes. Evenwel staat hier eene andere beschouwing van hoogeren aard tegenover, welke mij weer tot het Apostolaat doet overhellen, namelijk het voorbeeld van den Verlosser der wereld zeiven, die het gebed met de verkondiging van Gods Woord heeft vereenigd. Hij nu is het toonbeeld, hetwelk wij ons ter navolging gekozen hebben ; weshalve het meer overeenkomstig hot goddelijk welbehagen schijnt, dat ik mijne voorliefde, smaak en rust ten offer breng om ook buiten het klooster te werken tot heil en zaligheid der zielen.
Om echter in zijne pijnlijke onzekerheid meer licht en vastheid te ontvangen vaardigde hij twee zijner broeders af naar de H. Clara en den priester, broeder Sylvester, die zich op den Soubase in heilige afzondering bevond, met de bede, dat zij den goeden God aangaande de twijfelingen huns vaders zouden raadplegen. Toen de beide religieuzen, Philippus en Masseus, na eenigen tijd terugkeerden, ontving Pranciscus hen als de afgezanten van God zelf, hij wiesch hunne voeten, omhelsde ze met eerbied, en diende hun aan tafel eigenhandig de spijzen op. Na den middag geleidde hij hen naar het naburig bosch, wierp zich daar op zijne knieën voor hen neer, blootshoofd met de armen over de borst gekruist, en sprak toen : âMijne broeders, openbaart mij thans wat de Heer Jesus Christus verlangt.quot; âVader, zeide Masseus, ziehier het antwoord van Sylvester en Clara : het is de uitspraak des hemels! Ga en predik, zegt de Heer, want daartoe heb ik u uitgekozen. âOp dat woord daalde de geest Gods over zijn dienaar Pranciscus, hij sprong op, en riep uit: âLaat ons gaan in den naam des Heeren,quot; en vol heilige geestdrift vertrok hij op staaaden voet met twee zijner leerlingen Masseus en Angelus van Rieti, om God te prediken aan alle schepselen.
Een treffend wonder luisterde reeds den eersten dag zijne missiereis op. Toen de heilige godsgezant het stadje Bevagna naderde en zijne oogen ten Hemel verhief, bemerkte hij een groote menigte vogels, die langs den weg in de boomen nestelden en rondvlogen. Door dat gezicht met bewondering vervuld, zeide hij tot zijne beide reisgezellen : wacht hier een oogenblik, want ik moet eerst preeken voor onze broeders, de vogels.quot; Op zijne uitnoodiging vereenigden al die vogels zich aanstonds rond-
143
om hem, daarop sprak hij hen in deze bewoordingen toe : âLieve vogels, mijne kleine broeders : de Schepper heeft u met weldaden overladen .en daarom moogt gij hem wel dankbaar zijn ten allen tijde en op alle plaatsen. Hij toch beeft ü getooid in prachtigen vederdos, en u vleugelen gegeven om u naar welgevallen vrij te bewegen door het luchtruim. Tlij heeft uw geslacht in de ark van Noe voor ondergang behoed en u de frissche hemelstreken tot verblijf aangewezen. Hij voedt u, ofschoon gij zaait noch maait; Hij laat het kristalheldere water der beken en fonteinen opwellen om uw dorst te lesschen; Hij geeft u de bergen, rotskloven en valleien tot schuilplaats, de boomen en het struikgewas om daarin uw nest te bouwen, en zijn oog waakt over uw klein huisgezin. O, als de Schepper u zoozeer liefheeft, wacht u dan, mijne kleine broeders, voor ondankbaarheid, beijvert u liever, om zonder ophouden in koor een danklied te zingen Hem ter eere.quot; Terwijl Franciscus deze toespraak tot hen richtte, strekten zij hun hals tot hem uit, klapten met hunne vleugelen, neigden den kop langs den grond, als wilden zij toonen hoe gaarne zij naar zijne woorden luisterden. Na zijne toespraak wandelde de dienaar Grods eenige oogenblikken vertrouwelijk tusschen die vogelen-schaar rond, en bewonderde hun aantal en verscheidenheid, terwijl hij hen zelfs liefkoosde met den zoom van zijn kleed. Tot afscheid gaf hij hen den zegen, en eerst als hij daartoe met zijne hand het teeken gaf, verhieven zij zich allen in de lucht, vlogen dan uiteen naar alle richtingen, en deden de lucht weerklinken van hun liefeljjk gezang. Zoodra Franciscus in het gezelschap zijner beide broeders teruggekeerd was, beschuldigde hij zich met dien schoonen eenvoud, welke een natuurlijk erfdeel schijnt te zijn van engelreine zielen, over nalatigheid en plichtverzuim, omdat hij tot dusverre veronachtzaamd had te prediken voor zijne broeders de vogelen, die met zooveel eerbied luisterden naar het woord Gods.
Te Bevagna hield de Boetprediker een gloedrijke toespraak over de liefde Gods en genas daarbij eene jonge dochter, die met blindheid geslagen was. Naar het voorbeeld van Jesus nam hij een weinig speeksel, raakte daarmee onder aanroeping van de allerheiligste Drieëenheid de oogleden aan, en de blinde was
U4
volkomen genezen Vele zondaren verlieten de paden der ongerechtigheid, en verscheidenen sloten zich zelfs bij den boeteling van Assisië aan om later op hunne beurt boetvaardigheid te prediken.
Omstreeks dezen tijd ontwaakte bij den Heilige het verlangen zijne schreden naar het verre Oosten te richten, teneinde daar in die ongeloovige landen de fakkel des geloofs te ontsteken ; maar boven alles klopte zijn hart warm bij de gedachte, dat hij mogelijk onder die woeste volken den palm van het martelaarschap zou winnen. Diensvolgens begaf hij zich naar Rome om de toestemming van den Paus te vragen. Op zijne reis verkondigde hij alom de leer des Evangelies in steden, dorpen en gehuchten en gelijk zijn Goddelijke Meester ging hij weldoende rond, zijn woord bevestigend met mirakelen.
Te Rome kreeg hij een afzonderlijk verhoor bij den Opperherder. Innocentius III, die met blijdschap de uitbreiding zijner orde, den vruchtbaren werkkring en de heldhaftige deugden zijner broeders vernam, verleende hem volgaarne de noodige volmacht om onder de Mahomedanen het zaad van Gods woord uit te strooien. Tweemalen mocht de eeuwige stad de stem van den Boetgezant hooren; tweemalen ook luisterde zij naar zijne prediking. Veel nieuwelingen ontvingen uit zijne handen het arme kloosterkleed. Onder dezen was ook broeder Wilhelmus, wiens roeping wij vroeger reeds verhaald hebben.
Tijdens zijn verblijf te Rome kwam een romeinsche vrouw, uit een der adellijkste familiën van den Palentijnschen berg, zich onder de geestelijke leiding stellen van den H Aartsvader. Haar naam was Jacoba Settesoli. Evenals de maagd Clara maakte zij zich door haar godvruchtigen levenswandel deze onderscheiding waardig.
Naar het voorbeeld van de heilige Vrouwen uit het Evangelie verleende Jacoba gulhartige gastvrijheid aan de armen van Jesus, zoo dikwerf zij Rome bezochten, zjj rekende het zich zelfs een eer en voorrecht in al hun behoeften te voorzien. Door hare tusschenkomst en voorspraak stonden de Benedictijnen van St. Cosmas aan gene zijde van den Tiber het St. Blasius' godshuis aan de Minderbroeders af; 't is het tegenwoordige klooster St. Franciscua a Ripa, waar men den pelgrim het vertrek nog
145
aanwijst waar de Heilige een verblijf hield, te zamen met den steen, welke hem 's nachts tot oorkussen diende.
Na een kort oponthoud, verliet Franciscus de eeuwige stad en keerde haastig naar Portiuncula terug. Daar legde hij zijnen broeders het voornomen bloot om naar het Oosten te gaan, stelde Petrus Cattani tot Overste aan tijdens zijn afwezigheid en scheepte zich 1.11 voor Palestina. Doch het uur der Voorzienigheid was nog niet geslagen Nauwelijks in zee, slingerde hem een geweldige storm op de kusten van Slavonië, zoodat hij voor dezen keer van zijne verre missiereis moest afzien.
Een treffend wonder greep plaats gedurende zijn overtocht naar Slavonië. Franciscus, die bij gebrek aan geld den overtocht niet kon betalen, was nochtans met zijn gezel zonder voorkennis van den scheepsvoogd op het schip gegaan, voor Ancona bestemd. De overtocht werd door allerhande omstandigheden zoo bemoeilijkt en vertraagd, dat de levensmiddelen aan boord, weldra verbruikt waren. Maar nu trad Franciscus als een reddende engel uit zijn schuilplaats te voorschijn en vermenigvuldigde op wonderbare wijze den voorraad, welke een afgezant des Hemels eiken dag aan de beide armen van Jesus bracht. De kapitein en de matrozen stonden verstomd, vol eerbied wierpen zij zich aan Franciscus' voeten neer om hem te bedanken, dat hij hen zoo edelmoedig het leven had gered.
Pas waren zij aan wal gestapt, of de onvermoeide apostel hervatte zijn tocht door Italië, te midden van geheele scharen volks. Hier verzoende hij familiën, die door bitteren haat verscheurd werden, daar opende hij verblinden Chanutiën de oogen. Elders weer genas hij zieken naar ziel en lichaam overal ontstak hij in aller hart het goddelijk liefdevuur.
Franciscus' eigenaardige wijze van prediken biedt ons eenige verklaring van de algemeene geestdrift, waarmee men naar Gods huis of de openbare pleinen stroomde om den Heilige te hooren. In zijn persoon, zijn stijl of manieren vertoont zich geen zweem van praal of gezochtheid. Doch het aschgrauwe boetekleed, het ruwe koord, dat zijne lendenen omgordt, de bloote voeten, dat alles predikte reeds, voordat hij zelfs zijn mond had geopend. Zijn prediktrant mag een model heeten van volks welsprekendheid.
10
146
Opgesmukten stijl en kunstgrepen van bloot menschelijke wijsheid versmaadde hij als den afgezant van God onwaardig, ja met kracht verhief hij zelfs zijn stem tegen den bedorven smaak zijner eeuw, en achtte het met den H. Paulus zijn roem in de prediking niets te kennen dan Jesus en Dien gekruist. Deze eenvoudigheid heeft hij zijnen volgelingen in zijn Regel aldus voorgeschreven: âdat uwe woorden doordacht zijnen bevattelijk, tot nut en stichting des volks door ondeugden en deugden, straf en glorie aan te kondigen, met beknoptheid van woorden, omdat de Heer zelf op aarde een kort woord voerde.''
Dit belet evenwel niet, dat Pranciscus te bekwamer ure gebruik wist te maken van de talenten, waarmee de natuur hem verrijkt had. Zijne stem was helder en krachtig, buigzaam en welluidend, vol gloed en bezieling. Ofschoon zijne taal uiterst bevattelijk en eenvoudig was, boeide zij nochtans, ja sleepte zijn gehoor mede door de overtuiging en de warmte van zijn hart. De droevige aanblik van zooveel ongelukkige afgedwaalden, had in zijn boezem een vuur ontstoken, dat slechts zou uitdooven met den laatsten ademtocht zijns levens, het vuur van den zielenijver! Hij had bovendien dikwerf hemelsche ingevingen, geestverrukkingen, die zijnen hoorders nu eens kreten van bewondering ontlokten, dan weer hen in tranen van leedwezen deden wegsmelten. Kortom in hem vindt men die ware welsprekendheid, welke voortkomt uit het hart, overmeestert en opvoert tot een hoogte, welke de kunst nooit kan bereiken, omdat zijne welsprekendheid versterkt werd van Boven; opwelde uit twee bovenaardsche bronnen, de heiligheid en de gave der mirakelen. Als een godsgezant deze twee hoedanigheden in zich vereenigt, is hij onoverwinnelijk, en oefent een onweerstaanbaar geweld uit op aller hart.
Geen wonder derhalve, dat duizenden op zijne roepstem het juk der zonde afwierpen, velen hunner tot een nieuw leven verrezen en sommigen den Boeteling volgden om hem nimmer te verlaten. Zoo zien wij, om slechts een enkel voorbeeld aan te stippen, hoe te Ascoli op één dag zich 30 nieuwbekeerden bij Franciscus aansloten. Op zulk een uitgestrekt en rijk oogst-veld zullen wij hier en daar een enkele aar lezen, doch het zijn gouden aren.
147
Tot de velen, die door Franciscus' prediking in heiligen ontstoken, later als licliten der Orde uitblonken, behoort een vermaard dichter dier dagen, Wilhelmus van Lisciano, door Frederik II bekroond en zelfs vereerd met den titel van Dichter-koning. Volgens het verhaal zijner tjjdgenooten was hij om zijne bloedverwanten te bezoeken naar het markgraafschap van Ancona gereisd. Volgens eene beschikking van God, verbleef de groote Wonderdoener van Umbrië ook aldaar. Hij preekte op het stadsplein voor een aanzienlijke menigte over den luister van Jesus' kruis; ook de Dichter-koning mengde zich onder hen. Zijn oogen onafgebroken op den redenaar gericht, luisterde hij met gespannen aandacht. Plotseling trof hem de geest Gods; hij zag twee vurige zwaarden, die elkaar kruisten, voor de borst van den Heilige. Meteen verlichtte een genadestraal zijne ziel, en hij vormde in zijn hart reeds het voornemen om zich te be-keeren, zoodra een gunstiger gelegenheid zich zou voordoen. Maar Franciscus trok hem haderbij, en zonder acht te slaan op de overige toehoorders, richt hij het goddelijk woord tot hem alleen. Eerst vermaande hij hem met zachtheid over de vluchtigheid van 's werelds genietingen, en dan slingert hij hem als een brandende schicht de gedachte aan Gods gestrenge oordeelen naar het hoofd. âVader, riep de dichter uit met vermorzeld hart, spreek niet langer over dat punt. Het is reeds genoeg; laat ons tot daden overgaan. Scheur mij los van de wereld en geef mij terug aan mijn Schepper.quot; Keeds den volgenden morgen verscheen hij in het kleed van Franciscus' Orde, en wijl hij zoo plotseling van de woelingen der wereld overging tot den vrede van Christus, noemde Franciscus hem broeder Pacificus, (d.w.z. vredestichter).
De bekeering van den Dicliter-koning maakte diepen indruk op de geleerden en letterkundigen; ook bleek zij even oprecht als duurzaam. Hij legde niet alleen den ouden mensch af, maar verhief zich onder Franciscus' bestier spoedig tot groote volmaaktheid Onder de vele veropenbaringen, waarmee hij door den Hemel begunstigd werd, zjn er vooral twee des te meer merkwaardig, omdat zij rechtstreeks Franciscus betreffen.
In een eerste visioen zag Pacificus het voorhoofd van den Heilige geteekend met hot letterteeken T, hetwelk in de schrif-
148
tuur het zinnebeeld is des kruises. In een tweede visioen toonde God hem te midden van den luister des Hemels een troon, fonkelend door rijkdom van goud en edelgesteenten : âDien troon, sprak God, heett een der eerste Engelen verloren door zijn hoogmoedigen opstand, maar nu is hij bestemd voor den nede-rigen Franciscus van Assisië.quot; Zoodra Pacificus in gezelschap was van zijn heiligen Vader vroeg hij iiem in vertrouwen: âVader zeg mij eens openhartig, wat gij van u zeiven denkt?quot; Ik ben overtuigd, antwoordde Franciscus, dat ik de ellendigste en ver-achtelijkste ben aller zondaren.quot; âMaar vader, zoo hervatte Pacificus, hoe durft gij zoo iets zeggen of zelfs denken !quot; âAch, riep de Heilige toen uit op een toon, die geen twijfel liet omtrent de oprechtheid zijner antwoorden, als een verworpen boosdoener zooveel genaden ontvangen had als ik, voorzeker zou hij er veel meer voordeel mede doen.quot; Nu zweeg broeder Pacificus, en als hij in de stilte van zijn hart overwoog, hoe dat antwoord in volmaakte overeenstemming was met hetgeen de hemel hem getoond had, hoorde hij nog eene stem in zijn binnenste: âhoogmoed stiet den Engel van zijn troon, ootmoed zal den mensch er op verheffen.quot; Met het oog op het algemeen belang der Orde deelde Pacificus deze geheimen mede aan zijne broeders. Bij het verhaal van zulke uitstekende gunsten, waren allen zeer verheugd en volgens de inzichten van God werden meester en leerlingen door steeds nauwere banden van liefde vereenigd.
Den nieuwbekeerde van San-Severino zullen wij later nog als eersten provinciaal van Frankrijk begroeten. Thans keeren wij terug tot den held onzer geschiedenis, den H. Franciscus.
Tegen het einde van October des jaars 121*2 verliet Franciscus de landstreken aan de Adriatische zee, trok bij de bergengte van Fiorito de Apennijnen over en daalde af naar de valleien van Spoleto. Zijne levensbeschrijvers maken hier eene opmerking, welke wij niet mogen verzwijgen. Sinds zijne missiereis door het markgraafschap Ancona, zoo getuigen zij eenparig, breidde zijn roem zich voortdurend verder uit.
Gevierd als redenaar, heilige en wonderdoener ging de faam hem allerwegen voor en ontsloot hem den toegang tot aller hart. Als hij een of andere stad binnentrok, kwamen de geestelijkheid en het volk, mannen en vrouwen onder het blijde gelui der
149
klokken, en het gezang van lofliederen met den palmtak in du hand, hem tegemoet. Het volk verdrong zich rond hem; men wilde hem zien, hem hoeren, den zoom van zijn kleed aanraken. Alléén de verstokte ketter hield zich schuil, omdat hij vreesde openlijk geen weerstand te kunnen bieden aan de kracht van Franciscus' woorden, noch aan den glans zijner wonderwerken. Ziet men hier geen treffende afbeelding van den intocht des Zaligmakers binnen Jerusalem?
De geestdrift van het volk was eenmaal ontwaakt en breidde zich heinde en verre uit. En zou Aesisië den roemiijksten harer Zonen geen schitterende ontvangst bereiden ? Omstreeks dezen tijd of iets later werd Franciscus in triumftocht zijn vaderstad binnengehaald; het blijde Hosanna klonk uit volle borst. Of moest Assisië niet temeer geestdrift aan den dag leggen, om den smaad te herstellen, waarmede de zoon van Bernardone bejegend werd, toen hij voor zes jaren binnen hare vesten met de wereld brak ?
Hoe gedroeg zich Gods dienaar nu tegenover den bijval des volks? Hij bleef altijd dezelfde, bedaard, koel, Ja gevoelloos en deed zelfs geen pogingen om de eerbetooningen te ontvluchten. Eens was zyn gezel zoo verwonderd over deze handelwijze dat hij zich niet kon bedwingen daarover eene bemerking te maken. âMijn Broeder antwoordde de Heilige, ontsticht u niet over mijne handelwijze. quot;Want al die huldeblijken breng ik tot God terug, zonder het kleinste deeltje voor mij te behouden, juist gelijk een beeld of portret alle eer, welke men het bewijst, terugwerpt op den persoon, dien het voorstelt. Bovendien wint het volk erbij, omdat het God verheerlijkt in het geringste zijner schepselen.quot; Ziedaar, welk eene heilige onverschilligheid Franciscus bezielde. Zijn roem stijgt ten top, maar het gejuich dezer aarde streelt hem niet; zijn blik blijft op God en den hemel gericht.
Een andermaal bewees hij nog klaarder, hoe hoog hij in zijn ootmoed de verachting van zich zeiven opvoerde. Hij telde thans een en dertig jaar. Hij had in den bloei en de kracht zijns levens moetin zijn, maar door aïwihoudend vasten was zijn gestel ongemerkt ondermijnd, en nu werd het door hevige koortsen, tot uiterste verzwakking gebracht. Men vreesde voor zijn kost-
150
baar leven. Don Guido gebood dat men hem in weerwil zijner tegenkantingen naar het bisschoppelijk paleis zou brengen, opdat hij die verpleging zoude ontvangen, welke zijn hachelijke toestand vorderde. De zieke zou er echter niet lang blijven; zoodra zijne krachten maar een weinig hersteld waren, maakte hij er zich een bitter verwijt van, (zooals hij het noemde,) omgezien te hebben naar de zinnelijke voldoeningen der wereld. Neen, sprak hij, het betaamt niet, dat het volk mij aanziet voor een boetvaardige, terwijl ik heimelijk verzorgd word als een prins.quot; Hij staat op en begeeft zich naar de Kathedraal, waar weldra een groote menigte volks is toegestroomd. Dan gebiedt hij den Vicarius van het klooster hem als een misdadiger een koord om den hals te werpen, en als een veroordeelde voort te leiden naar de gerechtsplaats. Sidderend en bevend onder koorts en koude sprak hij daar tot de verzamelde menigte: ,Broeders, ik verzeker u dat ik volstrekt niet geëerd moet worden als een geestelijk man, maar veeleer verfoeid als een vleeschelijk, zinnelijk en gulzig mensch.quot;
O verhevene dwaasheid, roept hier de H. Bonaventura uit, waardoor Franciscus de gaven Gods zocht te verbergen uit vreeze, dat zij hem of anderen een steen des aanstoots zouden worden! Zijne stadgenooten vermoedden genoeg, wat zijne bedoeling was, en brachten hem in stilte naar O. L. Vrouw ter Engelen terug. Zij hadden medelijden met hem, doch velen konden hunne bewondering over zooveel ootmoed, niet geheel en al verzwijgen. âHet is een Heilige,quot; zoo mompelden zij! âZwijgt toch; hernam de man Gods, gij moet niemand heilig verklaren, zoolang hij zich zelf kan verderven.quot; Zulke gelukkige, antwoorden waren hem eigen. Toen hij in Portiuncula was teruggekeerd, achtte hij het raadzaam de gevoelens zijns harten rondweg en duidelijk aan zijne kinderen te verklaren: âGeliefde kinderen, dus sprak hij, laten wij ons toch nimmer bedwelmen door den wierook der menschelgke loftuitingen, want is het geen waanzinnigheid zich te verlustigen bij een geheel onverdiende lofprijzing ? Er is één punt, waarvoor de mensch stilstaat, waarop al zijn macht schipbreuk lijdt! Arme zondaars, die wij zijn; wij kunnen bidden zuchten en ons vleesch tuchtigen zooveel wij willen, maar
151
ons met zekerheid beleren, dat wij volharden zullen op het pad der deugd, dat kunnen wij niet! Daarom zij de gedachte verre van ons te roemen, tenzij in het kruis van Jesus, en de getrouwheid in den dienst des Heeren.'
Met deze heldhaftige deugden en grondige zedelessen liep het jaar 1212 ten einde.
In de maand Januari van het volgend jaar tastte de koorts hem met nieuwe hevigheid aan. Zij putte de hem overgebleven krachten nog verder uit, zoodat zijne gezondheid, welke door de boetpleging en de apostolische werkzaamheden toch reeds diep geschokt was, nu zoo geknakt werd, dat hem voortaan slechts een kwijnend bestaan overbleef. Het is niet te beschrijven, met welk eene kalmte van ziel hij deze zware beproeving uit Gods hand aannam; hij zegende zijne zuster de smart, gelijk hij haar noemde, en troostte zich, ja, was zelfs verheugd bij de gedachte, dat de hitte der koorts duizend malen te verkiezen is boven het vuur der begeerlijkheid, dat in onze leden brandt-Zijn eenig lijden kwam eigenlijk daaruit voort, dat hij niet krachtdadig voor het heil der zielen kon optreden. Maar de liefde van Gods dienaren, weet altijd nieuwe vormen aan te nomen. Preeken kon hij niet, maar wat belette hem aan de volkeren en de geestelijkheid te schrijven ? Van het bed van smarten zond hij nu aan al de kinderen der kerk twee rondgaande brieven, met de dringende vermaning God getrouw te dienen. Aan het slot dezer brieven schildert hij o. a. in een levendig tafereel den dood eens zondaars, die voorspoed en weelde genoot in de wereld. âWee hun, die geene boetvaardigheid plegen en de begeerten van het bedorven vleesch involgen! Zij snellen wetens en willens hun eeuwig verderf tegemoet. Ach, zondaars, opent toch uwe oogen ! Gij die ze sluit voor het licht des Evangelies, waarom u nog langer verblind? Begrijpt, dat gij de speelbal zijt des duivels, den gezworen vijand van God en deu mensch. Gij beeldt u in, dat gij nog langen tijd de vergankelijke goederen dezer wereld zult genieten, en toch is de ure nabij, waarop gij er van beroofd zult worden ; het noodlottig uur, dat gij niet kent en waaraan gij helaas ook niet denkt! Beschouwt den rijkaard dezer wereld, uitgestrekt op zijn sterfbed.
152
Vrouw en kinderen smelten bij zjjn lijdenssponde in tranen weg. Hij zelf vermaakt vol verwarring en schrik zijn fortuin, en deelt de laatste gedachtenissen uit. En nu eerst ontbiedt men een priester maar deze eischt gebiedend teruggave van alle onrechtvaardig verkregen schatten. Teruggave ? Onmogelijk, jammert de stervende; dat zou de ondergang zijn van mijn huisgezin ! Ondertusschen kwijnen zijne laatste krachten weg, hij verliest de spraak en sterft in de vijandschap van zijn God. Aanstonds grijpen de duivelen zijne arme ziel om haar te roosteren in het vuur der hel; de wormen en het bederf verteeren zijn vertroeteld vleesch in het graf, zijn naastbestaanden betwisten elkaar zijn schatten, en vloeken tot loon zijn aandenken ! Zoo gaat er menig rampzalige naar ziel en lichaam voor eeuwig verloren, omdat hij zich laat verblinden door de ijdele aanlokselen dezer wereld.quot;
Deze twee brieven, die verre tot over de Alpen verspreid, met graagte gelezen werden, verlevendigden niet weinig geloof en godsdienstijver onder de menschen.
Toen de onverschrokken apostel zich met don lentetijd weer versterkt gevoelde,maakte hij onverwijld toebereidselen om totMarocco, het rjjk der Mahomedanen, door te dringen. Andermaal droeg hij het bestuur der Orde aan Petrus Cattani over en reisde met Bernardus van Quintavalle en eenige broeders af. Deze reis is waarlijk eene aaneenschakeling van wonderen, groote bekeeringen en kloosterstichtingen met duizend andere voorvallen, waarvan wij er hier enkele laten volgen.
Toen de bisschop van Terni in de pauselijke Staten Franciscus gehoord had, beklom hij zelf den kansel en zeide tot het volk : De lieer heeft zijne kerk reeds dikwerf opgeluisterd door leeraars en geleerden; maar vandaag zendt Hij u Franciscus van Assisië, een onbeduidend man, zonder letterkundige ontwikkeling of voorkomen, om u te stichten door zijn woord en voorbeeld. Maar hoe minder geleerdheid hij heeft, des te meer schittert in hem de macht des Heeren, die het dwaze en zwakke volgens de wereld uitkiest om de menschelijke wijsheid en kracht te beschamen.'quot; Eene dergelijke aanbeveling zou ongetwijfeld ieder ander bevreemd hebben, maar Franciscus was in de wolken; hij
153
wierp zich aan de voeten van den kerkvoogd, kuste hem de handen en zeide : âik betuig u mijn hartelijken dank, wijl gij met zooveel wijsheid het kostbare weet te onderscheiden van het nietige, het waardige van het onwaardige, het heilige van den zondaar; wijl gij, gelijk billijk is, alle eer en glorie hebt teruggebracht tot God en mij hebt vernederd, die slechts een armzalig en verachtelijk schepsel ben.quot; De bisschop was nu nog meer getroffen over zijn ootmoed dan over zijne prediking.
In genoemde stad ïerni wrocht de Heilige tal van wonderen, waarvan dit het meest schitterende was: Men riep hem bij een jongeling, die onder de instortende puinen van een zwaren muur verpletterd was. Franciscus stelde zich in gebed, boog zich daarna over het lijk, zooals weleer de profeet Eliseus over het ontzielde lichaam van den zoon der Sunamitische vrouw, wekte hem van de dooden op en geleidde hem in tegenwoordigheid van de verbaasde menigte tot zijne moeder.
ïe Imola ondervond de ijver van den godsgezant eene beproeving, waaruit zijn beminnelijk en geestig karakter hem echter spoedig redde. Volgens zijne eerbiedige gewoonte vroeg hij eerst den bisschop verlof om in zijn bisdom te prediken. âIk predik, antwoordde de prelaat koel, en dat is voldoende !quot; De nederige missionaris boog liet hoofd en verwijderde zich zonder een enkel woord daartegen in te brengen. Maar hij was niet geheel uit het veld geslagen. Een uur later meldde hij zich andermaal aan bij den bisschop. Deze niet weinig over die stoutheid verstoord, vroeg wat hij verlangde. Eranciscus antwoordde : âMonseigneur, als een vader zijn zoon langs de eene deur uitjaagt, moet de zoon dan niet langs de andere deur te-rugkeeren ?quot; Tegenover zooveel vertrouwen en deemoed gaf de prelaat zich gewonnen en zeide : âVoortaan zult gij en uw broeders altijd in mijn bisdom prediken.quot;
Of deze herauten der blijde Boodschap het overige van hun reis naar Spanje te voet hebben afgelegd, of wel de zee zijn overgestoken, hieromtrent bestaat twijfel. Doch, zeker is het, dat zij na aankomst in Spanje zich terstond aanmeldden bij het hof van Alphonsus IX, vader van koningin Blanca van Castille. Deze Alphons IX is de groote held, de tweede Karei Martel,
154
die in den vermaarden veldslag bij Las Navas de Tolosa (16 Juli 1212) Europa heeft behoed voor een inval van 400.000 Muselmannen. Wijl deze vorst zeer goed begreep, dat in Spanje het werk der nationale vrijheid en onafhankelijkheid innig samenhing, ja zelfs onafscheidelijk was van de eenheid van godsdienst, ontving hij den Heilige en zijne gezellen met onderscheiding en gaf met de grootste welwillendheid volle vrijheid om in Castille'huizen hunner Orde te openen.
Voordat Franciscus zijne reis naar de Mooren voortzette, ging hij eerst in het wereldberoemde heiligdom van Compostella neerknielen op den grafsteen van den apostel Jacobus. Volgens de kronijk der 24 Generaals zou hij daar een visioen gehad hebben, dat verandering bracht in zijne plannen. De Zaligmaker gebood hem naar Italië terug te keeren om zijne ontluikende Orde uit te breiden, te versterken en te verdedigen. De gehoorzame Apostel aarzelde geen oogenblik. Aanstonds liet hij de verkondiging van het Evangelie onder de Mooren varen en ondernam den terugtocht naar het vaderland met groote vastberadenheid, heldhaftige zelfverloochening en opgeruimde over-geving aan Gods Voorzienigheid.
In Portugal deed hij alleen het klein stadje Guimaraëns aan, waar hij het dochtertje van zijn gastheer tot het leven terugriep en klom langs de steden Avila, Madrid, Tudela en Barcelone weer naar de Pyreneën op. liet is ons een troost hier te mogen gewagen, hoe een menigte gedenkteekenen op genoemde plaatsen nog in onze dagen getuigenis afleggen van Franciscus' verblijf in het katholieke Spanje, dat wellicht beter dan eenig ander land de gedachtenis van zijne deugden en apostolischen werking levendig houdt.
Franciscus toefde ook nog eenigen tijd te Perpignan; en zoo voorspelde hij te Montpellier, dat ter plaatse waar hij gastvrijheid genoten had, later een klooster zijner Orde zou verrijzen; en reeds zes jaren daarna trad de voorzegging in vervulling. Toen hij Zuidelijk Languedoc doortrok, hoorde hij spreken van den roemrijken veldslag, waar Simon van Montfoort in 1213 de vereenigde strijdkrachten der ketters had geslagen en uiteen gedreven. Van verre begroette hij Toulouse, waar de Heilige Dominicus met den rozenkrans in de hand het monster der
155
Albigenser-ketterij zooveel goed gerichte slagen toebracht. Hij hield zich echter in die streken niet op, wellicht omdat Grod dat ruime veld bestemd had voor het vruchtbare zweet van den heiligen Dominicus.
Na tal van aanwinsten en vele vermoeienissen betreedt de Heilige weder den drempel van het hem zoo dierbaar heiligdom Onze Lieve Vrousv ter Engelen.
Men schreef reeds Sprokkelmaand van het jaar O. H. 1215.
IEll5B5B5lBla5aE15F^npe^qa[n
ffffffTfffffTfffffWffffffffffffffffffffffTfWffffTfTfTfTffffffffffffffTfffffffWfffffffffW
TIENDE HOOFDSTUK.
Franciseus en Doininicus op liet Concilie van l^ateranen.
1
(1215-1216.)
iff root waa de vreugde bij het verblijdend wederzien! De leerlingen wenschten elkander geluk met de terugkomst it huns meesters, en velen verbeidden sinds lang het gelukkig uur waarop zij uit de handen van den Stichter de livrei der Evangelische armoede zouden ontvangen, Warmer nog klopte het hart des Vaders, als hij zag, hoe met het aantal zijner kinderen de kloosterdeugden in wasdom toenamen en de godsdienst in het hart der geloovigen, door het voorbeeld dier boetelingen van Portiuncula verlevendigd, dieper wortelen schoot. Is er wel zoeter troost en beter dank voor een vader denkbaar, dan te zien, dat zijne kinderen de gegeven lessen en voorbeelden stipt nakomen, met heiligen naijver woekeren om van het ontvangen talent vijfvoudige vruchten aan te bieden?
Nochtans betrok voor een oogenblik de overigens onbewolkte hemel. Tijdens Franciscus' afwezigheid had Petrus Cattani naast het klooster van O. L. Vrouw ter Engelen een nog al aanzienlijk gebouw laten optrekken. Zoodra de heilige vader dit bemerkte, was hij bedroefd en liet zijn ontevredenheid over dien inbreuk op de heilige armoede duidelijk blijken. Tevergeefs trachtte men hem gerust te stellen met de verklaring, dat het gebouw uitsluitend bestemd was tot herberging der vreemdelingen, die uit alle oorden naar Portiuncula stroomden. âMijn broeder, zoo zeide hij tot Petrus Cattani op gestrengen toon, het klooster van Portiuncula is voor geheel de Orde een regel en maatstaf. Ik wil, dat de vreemdelingen zoowel als de broeders de ongemakken der armoede voelen, opdat zij in hun
a.
157
vaderland kunnen getuigen, hoe arm en verstorven men leeft in O. L. Vrouw ter Engelen.quot; En hij gaf bevel het gebouw omver te halen, zoo innig was hij overtuigd, dat de armoede do kostbaarste parel is van het religieusl even, een parel, welker waarde do wereld niet kent, maar bij wier glans al haar rijkdom verduistert. Toen evenwel de overheden der stad hem in overdenking gaven, dat dit huis af te breken gelijk zou staan met een aanslag op de meest gebiedende plichten der gastvrijheid, trok hij uit eerbied en inschikkelijkheid het gegeven bevel in en berustte bij hetgeen geschied was.
Naast deze kleinere moeilijkheden in den boezem der orde, traden andere grootere beslommeringen, die hun oorsprong namen in de gebeurtenissen buiten het klooster. De nieuwe stichting van Franciscus doorstond thans dien hachelijken strijd, waarin zooveel goede instellingen bij haar ontluiken den dood sterven. Naarmate de orde in bloei toenam en den bijval der volken inoogstte, beliep zij vooral in Duitschland den haat en de afgunst van naijverige dweepers De koude wind van vervolging en laster streek over de Orde heen. Tegenover die aanvallen ontbrak nog de hechte steun, de schriftelijke goedkeuring van den Stedehouder Gods. Meer dan ooit voelde Franciscus, dat die bezegeling noodzakelijk werd om de orde haar bestaan en levenskracht te verzekeren tegen de verwoede slagen, welke haar van buiten dreigden. Al deze redenen drongen Franciscus om wederom op te gaan naar de stad der pausen
Een samenloop van omstandigheden maakte zijne reis dezen keer van bijzonder groot gewicht. Paus Innocentius III had juist een omzendbrief uitgevaardigd, waarbij hij naar het voorbeeld dei-vaderen een algemeen Concilie in de hoofdkerk der christenheid samenriep. De ontrouw der Grieken en de woelingen der Sara-cenen in het Oosten, naast de bedroevende verwoestingen der kettersche secten in het Westen hadden de vaderlijke zorg des opperherders gaande gemaakt; en wat kon meer bijdragen tot uitroeiing der ketterij, hervorming der zeden en bevrijding van het H. Land dan eene vergadering der gansche Christenheid op de graven der apostelen? Maar kon de H. Vader Franciscus ooit eene betere gelegenheid kiezen om voor het aanschijn der kerk de bekrachtiging van Gods arbeid af te smeeken en tegelijk
158
de orde bekendheid te geven? Hij begaf zich derhalve vol vertrouwen op Gods Voorzienigheid met broeder Masseus op weg naar de kerkvergadering.
Halverwegen zetten de beide pelgrims zich aan de poort éeuer stad neer om een weinig van de vermoeienis uit te rusten en hun soberen maaltijd te nemen. Zij gingen zitten onder een breedgetakten boom, in de onmiddellijke nabijheid eener fontein, en legden de brokkelingen broods, welke zij in de stad gebedeld hadden op een ruwen steen. Bij dat schouwspel kon Franciscus de overmaat zijner vreugde niet langer verbergen âO broeder Masseus, riep hij, laten wij God danken voor dezen schat.quot; Dien uitroep herhaalde hij meerdere malen, telkens met hooger blijd schap en luider stem. âMaar van welken schat spreekt gij, vroeg broeder Masseus met verwondering, want zij leden aan alles gebrek. âWel, sprak toen Franciscus, is het geen onwaardeerbare schat, dat de Voorzienigheid ons in deze uiterste armoede zoo liefderijk te hulp komt ? Zij bezorgt ons brood, frisch water, een heerlijke schaduw, graszoden tot rustbank, en zelfs een steen, tot tafel.quot; Daarop aten zij met opgewektheid het brood der Engelen en schepten met de holle hand het zuivere water uit de fontein.
Hierna vervolgden zij welgemoed hunne reis, slechts een weinig rust nemend in de kerken die zij op hunnen weg voorbijgingen. Eens nu bad de heilige Patriarch met aandrang om een groote liefde voor de armoede; de gloed zijns harten was zoo hevig, dat zijn aangezicht vlammen uitschoot. In den staat van geestverrukking snelde hij met open armen op broeder Masseus toe. Als deze op zijne beurt toeschoot om zich in zijns vaders armen te werpen, werd hij door den ademtocht van Franciscus eenige meters boven den grond opgeheven. Na deze verrukking verhaalde de dienaar Gods veel van de voortreffelijkheid der heilige armoede, en als wilde hij zich nog van ontrouw jegens zijne bruid beschuldigen zeide hij: âDe vossen hebben hunne holen, de vogelen des Hemels hun nest, maar de Zoon des menschen had niets, waarop Hij zijn hoofd ter ruste kon leggen.quot;
Te Rome leidden hun eerste schreden naar de basiliek van den H. Petrus, ten einde op zijne grafstede neergeknield, de ont-
159
luikende orde onder de hoede te stellen van den Prins dei-Apostelen. Terwijl Franciseus met overstelpt gemoed, de oogen in tranen badende, de apostelen Petrus en Paulus smeekte, dat zij hem onderrichten zouden op de wegen van het apostolaat en der volmaakte armoede, verschenen beiden in den vollen glans der heerlijkheid. âBroeder Franciscus, zeiden zij met een glimlach op de lippen, de Heer Jesus zendt ons om u te verwittigen, dat uwe gebeden verhoord zijn, en Hij met welgevallen beschouwt, hoe gij (ranen stort ter wille der heilige armoede welke Hij zelf met zijn nooit volprezen Moeder, en wij zijne apostelen op zijr. voetspoor beoefend hebben. Volhard met uwe kinderen, want zij die de armoede met zorg beoefenen, zullen tot vergelding het hemelrijk erven ? Franciscus sprong op vol blijdschap, verhaalde het visioen aan broeder Masseus, en beiden wierpen zich andermaal op het graf der apostelen om Gode dank te brengen. Vol blijde verwachting verlieten zij thans de kerk om zich bij den paus en de vaderen van het concilie aan te melden.
Den 11 November 1215 zag de basiliek van St. Jan van La-teranen binnen hare muren de eerbiedwaardigste vergadering, der aarde. Het was de twaalfde kerkvergadering in de rij der Concilies, de vierde, die binnen de moederkerk samenkwam. Men zag daar 70 primaten en metropolitanen, 412 bisschoppen, meer dan 800 gemijterde abten en kloosteroversten, benevens de gezanten van keizers en Christenkoningen, de vertegenwoordigers van den graaf van Montfoort, den graaf van Toulouse met zijn zoon en velen meer. In hun midden, aan aller hoofd schitterde met indrukwekkende majesteit, Innocentius III, de erfgenaam van het verheven genie en den ijver van Gregorius VII. In deze vergadering werden de groote godgeleerde vraagstukken dier dagen toegelicht, de twijfelingen werden opgelost en de waarheid in duidelijker vorm afgekondigd. Men peilde de diepe wonden der maatschappij en bracht olie en balsem bij ter genezing. Het concilie beraadslaagde over de verwikkelingen in het Oosten, beraamde plannen om den Islam in zijn voortgang te stuiten. Men schreef nieuwe verordeningen uit omtrent de kloostertucht en verbood o. a. uitdrukkelijk nieuwe kloosterorden te stichten uit vreeze, dat een te groot verschil van levensregel en kloosterkleed verwarring zou teweegbrengen in den schoot der
158
de orde bekendheid te geven? Hij begaf zich derhalve vol vertrouwen op Gods quot;Voorzienigheid met broeder Masseus op weg naar de kerkvergadering.
Halverwegen zetten de beide pelgrims zich aan de poort éener stad neer om een weinig van de vermoeienis uit te rusten en hun soberen maaltijd te nemen. Zij gingen zitten onder een breedgetakten boom, in de onmiddellijke nabijheid eener fontein, cn legden de brokkelingen broods, welke zij in de stad gebedeld hadden op een ruwen steen. Bij dat schouwspel kon Franciscus de overmaat zijner vreugde niet langer verbergen âO broeder Masseus, riep hij, laten wij God danken voor dezen schat.quot; Dien uitroep herhaalde hij meerdere malen, telkens met hooger blijd schap en luider stem. âMaar van welken schat spreekt gij, vroeg broeder Masseus met verwondering, want zij leden aan alles gebrek. âWel, sprak toen Franciscus, is het geen onwaardeerbare schat, dat de Voorzienigheid ons in deze uiterste armoede zoo liefderijk te hulp komt? Zij bezorgt ons brood, frisch water, een heerlijke schaduw, graszoden tot rustbank, en zelfs een steen, tot tafel.quot; Daarop aten zij met opgewektheid het brood der Engelen en schepten met de holle hand het zuivere water uit de fontein.
Hierna vervolgden zij welgemoed hunne reis, slechts een weinig rust nemend in de kerken die zij op hunnen weg voorbijgingen. Eens nu bad de heilige Patriarch met aandrang om een groote liefde voor de armoede; de gloed zijns harten was zoo hevig, dat zijn aangezicht vlammen uitschoot. In den staat van geestverrukking snelde hij met open armen op broeder Masseus toe. Als deze op zijne beurt toeschoot om zich in zijns vaders armen te werpen, werd hij door den ademtocht van Franciscus eenige meters boven den grond opgeheven. Na deze verrukking verhaalde de dienaar Gods veel van de voortreffelijkheid der heilige armoede, en als wilde hij zich nog van ontrouw jegens zijne bruid beschuldigen zeide hij: âDe vossen hebben hunne holen, de vogelen des Hemels hun nest, maar de Zoon des menschen had niets, waarop Hij zijn hoofd ter ruste kon leggen.quot;
Te Rome leidden hun eerste schreden naar de basiliek van den H. Petrus, ten einde op zijne grafstede neergeknield, de ont-
159
luikende orde onder de hoede te stellen van den Prins dei-Apostelen. Terwijl Franciscus met overstelpt gemoed, de oogen jn tranen badende, de apostelen Petrus en Paulus smeekte, dat zij hem onderrichten zouden op de wegen van het apostolaat en der volmaakte armoede, verschenen beiden in den vollen glans der heerlijkheid. âBroeder Franciscus, zeiden zij met een glimlach op de lippen, de Heer Jesus zendt ons om u te verwittigen, dat uwe gebeden verhoord zijn, en Hij met welgevallen beschouwt, hoe gij tranen stort ter wille der heilige armoede welke Hij zelf met zijn nooit volprezen Moeder, en wij zijne apostelen op zijn voetspoor beoefend hebben. Volhard met uwe kinderen, want zij die de armoede met zorg beoefenen, zullen tot vergelding het hemelrijk erven ? Franciscus sprong op vol blijdschap, verhaalde het visioen aan broeder Masseus, en beiden wierpen zich andermaal op het graf der apostelen om Gode dank te brengen. Vol blijde verwachting verlieten zij thans de kerk om zich bij den paus en de vaderen van het concilie aan te melden.
Den 11 November 1215 zag de basiliek van St. Jan van La-teranen binnen hare muren de eerbiedwaardigste vergadering, der aarde. Het was de twaalfde kerkvergadering in de rij der Concilies, de vierde, die binnen de moederkerk samenkwam. Men zag daar 70 primaten en metropoli tanen, 412 bisschoppen, meer dan 800 gemijterde abten en kloosteroversten, benevens de gezanten van keizers en Christenkoningen, de vertegenwoordigers van den graaf van Montfoort, den graaf van Toulouse met zijn zoon en velen meer. In hun midden, aan aller hoofd schitterde met indrukwekkende majesteit, Innocentius III, de erfgenaam van het verheven genie en den ijver van Gregorius VII. In deze vergadering werden de groote godgeleerde vraagstukken dier dagen toegelicht, de twijfelingen werden opgelost en de waarheid in duidelijker vorm afgekondigd. Men peilde de diepe wonden der maatschappij en bracht olie en balsem bij ter genezing. Het concilie beraadslaagde over de verwikkelingen in het Oosten, beraamde plannen om den Islam in zijn voortgang te stuiten. Men schreef nieuwe verordeningen uit omtrent de kloostertucht en verbood o. a. uitdrukkelijk nieuwe kloosterorden te stichten uit vreeze, dat een te groot verschil van levensregel en kloosterkleed verwarring zou teweegbrengen in den schoot der
160
kerk. En op dit oogenblik kwam de arme Franciseus de bevestiging zijner Orde vragen ! Doch de Voorzienigheid waakte en wilde slechts doen uitschijnen, hoezeer God met zijn dienaar was. Nadat de secten der Waldenzen en Albigensen met hun handlangers plechtig door den kerkelijken ban gedoemd waren, rees Innocentius op en stelde den vaderen van het concilie de twee keurbenden voor, welke Gods Voorzienigheid als een tij-digen steun aan zijn geteisterde kerk had geschonken, en verklaarde, dat hij thans opnieuw zijne bekrachtiging schonk aan de nieuwe Orde en den Regel der Minderbroeders, sinds 1209 reeds mondelings goedgekeurd. Gelijkerwijze hechtte hij ook, zijne goedkeurig aan de Orde der Predikheeren van den H. Dominicus.
Dit tijdstip in de geschiedenis is het uur door God gekozen om de twee groote apostelen der 13e eeuw te vereenigen, Dominicus en Franciscus. Wie bewondert niet de treffende overeenkomst, welke de goddelijke Voorzienigheid, zonder dat zij de minste kennis van elkaar droegen, tusschen deze twee kruisridders had bewerkt ? Bijna gelijktijdig hebben beiden de grondslagen hunner Orde gelegd; de eene aan den voet der Py-reneën in Languedoc's koesterenden zonneschijn, de andere aan den voet der Apennijnen onder Italle's azuren Hemel. Beiden hadden tot wieg en bakermat der Orde een oud heiligdom, Maria de Hemelkoningin gewijd ; Dominicus het heiligdom van O. L Vrouw van Prouille, Franciscus het nederig kerkje van Maria ter Engelen. Beide kampioenen achtten zich gelukkig Maria's bevoorrechte kinderen te zijn ; uit hunne borst ontsnapte in den feilen kamp voor Christus' recht als vanzelf de zegekreet, welke de kerk haren kinderen op de lippen legt: âGaude virgo Maria quot; Verheug u Maria, Moedermaagd, Gij alleen hebt alle ketterijen over het aardrijk in het stof vertreden !quot;
Wilt gij nog verdere trekken van overeenkomst tusschen de beide Ordestichters ? Beiden traden op als de ridders der Evangelische armoede, beurden deze neergebogen koningin uit het stof op en vertoonden haar met fierheid aan de wereld. Beiden rustten zij eene strijdmacht uit, het zwaard aangordend tegen de leugenprofeten dier dagen, de eene tegen de secte der Albigensen ; de andere meer rechtstreeks tegen het heidendom
161
van Germanie, c'e ketterij der Manicheëu en den overmoed der Halve Maan. Beiden omvatten zij in hun ijver aHe tijden en volkeren, alle leeftijden en standen, en scharen rondom één standaard drie onderscheidene keurbenden hunner drie Orden, als drie stammen uit éénen wortel. Eenzelfde kardinaal Hugo-linus trad op als beschermer der beide Orden; eenzelfde paus Honorius III bekrachtigde beider Orde door apostolische breven en een andere paus Gregorius X zou om beider slapen den krans der heiligheid vlechten. Eindelijk zouden de twee grootste leeraren der eeuwen gelijktijdig bloeien op hun graf; do Engel der school, de H. Thomas Aquino boven de assche van Domi-nicus; Bonaventura, de Serafijnsche leeraar boven het heilig gebeente van Franciscus. En in deze twee, hunner zoo roemvolle zonen zou de oude vriendschap der vaderen opnieuw uitschijnen.
Toch wonder genoeg! niettegenstaande de éénheid hunner roeping kenden de beide mannen elkaar niet. Doch thans was het oogenblik daar, waarop beiden door den band eener hemelsche vriendschap zouden verbonden worden.
Toen de Heilige Dominicus eens gedurende den nacht in de kerk was blijven waken en bidden, werd hij in geestverrukking opgevoerd. Aan de rechterhand des Vaders zag hij Jesus, van goddelijken toorn vlammend, gereed om met drie lansen de hoogmoedigen, hebzuchtigen en wellustelingen te treffen en van het aardrijk te verdelgen. Terwijl liet gansche hemelkoor zweeg en sidderde voor het dreigend gelaat van den verbolgen God-menach, valt Maria aan de voeten van haar zoon en smeekt om genade voor de arme zondaars. âMaar ziet Gij niet, antwoordde Jesus, hoe zij mijn Bloed met voeten treden? Mag mijne rechtvaardigheid zooveel gruwelen ongestraft laten ?quot; Doch de Moeder der barmhartigheid bad : âMijn Zoon heb geduld, opdat ik hen tot u terugvoere ; ik heb twee trouwe dienaren, zend hen en het aanschijn der aarde zal hernieuwd worden.quot; Daarop zag Dominicus, hoe Maria twee mannen voor den troon Gods geleidde. Duidelijk erkende hij zich zeiven in een dier twee; maar hoe nauwlettend hij den anderen ook beschouwde, hij kende dien bevoorrechten Dienaar niet. Nog vol van hetgeen hij gezien en gehoord had, trad Dominicus den volgenden morgen eene
11
162
kerk binnen en daar bemerkt hij in eene ruwe monnikspij met een grove koord om de lendenen, denzelfden man, door Maria dien nacht aan haren goddelijken Zoon voorgesteld. Hij snelt tot hem, maar tegelijkertijd breidt ook de andere de armen uit; beiden zinken op de knieën. Pranciscus en Dominicus omhelzen elkander. Zij noemden eikaars naam. Terwijl zij elkander omklemd hieldea, stortten zij hun zielen uit. Ten laatste brak Dominicus het stilzwijgen, verhaalde het nachtelijk visioen en beider harten smolten voor immer samen in een onverbreekbaren liefdeband. âGij zijt mijn gezel, zoo sprak Dominicus, gij zult met mij gaan ; laten wij samen blijven en niemand zal tegen ons iets vermogen.quot;
De vredekus van Domininicus en Pranciscus is nog niet vergeten maar leeft voort van geslacht tot geslacht op de lippen hunner nakomelingschap ; de nauwe liefdeband, die de beide vaderen omsloot, vereenigt nog altijd de harten hunner kinderen. De zonen van Dominicus en Pranciscus hebben zich verspreid op den aardbodem, hun tenten opgeslagen tot in de verste gewesten, maar altijd houdt broederliefde hen onderling vereenigd. Te zamen hebben zij gebeden, te zamen den wijngaard des Ileeren ontgonnen; meer dan eens vloeide het bloed hunner martelaren in eenzelfde plengoffer, getuige van gehechtheid aan het geloof, liefde voor Jesus' kruis. Om strijd hebben zij de kerk Gods verdedigd en heiligen gekweekt.
Zoo aantrekkelijk als de ontmoeting der beide Patriarchen was, zoo treffend ook was hun afscheid op de heuvelen van Rome. Waar voor twaalf eeuwen Petrus en Paulus den Aventijnschen berg betraden, staan thans twee vrijwillig armen! Zij verdeelen den aardbodem om hem te heroveren voor den Godmensch, hun Koning! Hun heerschzucht kent geen grenzen, maar ook de zegepraal gaat alle menschelijke verwachting te boven. Zij hebben tal van zielen teruggevoerd onder het zoete juk des evangelies, en dat door de twee groote krachten, wetenschap en liefde! Dominicus en zijne kinderen, die in de strijdende kerk den rang houden, welken de Cherubijnen in de zegepralende bekleeden, doen de goddelijke wetenschap stralen over de wereld ; Pranciscus en zijne zonen gedreven door den liefdegloed der Sera-tijnon storten stroomen van licht en liefde over de aarde en
163
voeren ontelbaren terug naar het kruis, den Levensboom der wereld. âDe Voorzienigheid, zoo zong Franciscus' zoon, de zanger der goddelijke Comedia, Dante :
âHeeft eens, opdat getrouw en zonder storen De Bruid van Hem, die, onder luide kreten.
Met zijn gezegend Bloed haar had verkoren.
Voor Haar Beminde strijden zou, doen weten,
Dat ze in Haar dienst twee vorsten deed verschijnen, Die links en rechts haar gidsen zouden heeten.
De een gloeide in 't liefdevuur der Serafijnen,
En de andere was, door wijsheid, op onze aarde Gelijk een glans van 't licht der Cherubijnen.quot;
Gesterkt door de zegeningen des Hemels, bemoedigd door de hooge goedkeuring van Jesus plaatsbekleeder op aarde, verliet Franciscus omstreeks 1215, misschien eerst eenige maanden later de Eeuwige Stad, en snelde, het hart vervuld met hoop en troost, met jubel en dank door de uitgestrekte woestenij van de Ro-meinsche Campagne naar de lachende dalen van Umbrië terug! Hij haastte zich, want met het Hoogfeest van Pinksteren wilde hij in O. L. Vr. ter Engelen persoonlijk het kapittel openenen zijne broeders bekend maken met de hooge goedkeuring des Pausen. Op zijne terugreis predikte hij daarom slechts in het voorbijgaan in eenige voorname steden aan de Adriatische Zeekust : Ascoli, Camerino, Macerata, Monte-Casale, Ancona en Pabriano.
Met recht mocht Assisië fier het hoofd verheffen, nu een barer zonen op het algemeen Concilie van Lateranen door de vereenigde Christenheid der gansche wereld geroemd was om zijne verdiensten, zijne deugd en zijne orde, en om strijd gezocht werd door de volken en steden van het schiereiland. Zij bracht hem daarom een openlijke hulde, die voor het nageslacht bewaard is gebleven in een steenen ops^irift uit dien tijd. Franciscus terugkeer viel juist samen met de voltooiing der hoofdkerk, Maria de meerdere, en men beitelde den naam van Bernardone's zoon naast dien van den bisschop. Men deed zulks, hetzij omdat hij Franciscus
164
tot dien~arbeid, zijne Moeder Maria ter eere, had aangespoord, of wel omdat men oordeelde, dat zijn naam het zekerste de wenteling der eeuwen zou overleven, (f)
Bij dezelfde gelegenheid schonken de zonen van Benedictus, wien hij zijn eerste klooster van O. L. Vrouw ter Engelen reeds dankte, hem een tweede, sinds dien tijd bekend onder den naam van Carceri (d. w. z. kerker). Deze schilderachtig gelegen kluis, als een adelaarsnest in een rotskloof van den Soubase weggedoken, die kluis met haar reusachtige eiken, hare watervallen en breede bergspelonken, tot het hart der rotsen doordringend, behaagde te zoer aan den minnaar der natuur om zulk een heerlijk aanbod niet in dank te aanvaarden. In het vervolg begaf hij zich dikwerf daarheen en wel bij voorkeur na de vermoeienissen van het apostolaat, om alleen onder het oog van zijn Schepper in zich zeiven te keeren. Zalige eenzaamheid, gelukkige berg, die de Thabor waart van Franciscus' geestvervoeringen!
Deze ruwe spelonken zijn voortdurend het voorwerp eener godvruchtige vereering gebleven. Sinds zes eeuwen klimmen de pelgrims onafgebroken opwaarts om hun eerbied te toonen voor Franciscus bedeplaats, voor zijne cel, den rotssteen, die hem tot rustbed diende; den put, welks water op zijn gebed opborrelde ; den eeuwenouden eik, op welks takken de vogelen des hemels zich wiegelden, als Franciscus voor hen predikte; den afgrond, door Satan gegraven, toen hij op het wachtwoord des Heiligen beschaamd terugdeinsde in het verblijf van eeuwigen jammer.
In het jaar 1216 verbleef Franciscus niet lang in de spelonken der Apennijnen, maar daalde af naar Portiuncula, waarheen hij zijns ondanks door eene onzichtbare hand werd voortgedreven, vol verlangen om geestelijke gunsten voor de zondaren in te zamelen. Zijn vertrouwen was grenzenloos. De koningin der Engelen zelve had hem veropenbaard, dat zij er behagen in schepte hare genadegaven uit te storten over haar geliefkoosd heiligdom Portiuncula. Niettemin was Franciscus er verre af, zelfs een
(f) Dit opschrift luidde: âAssisie in het jaar O. H. 1210 IV Indiptie. Het X jaar van bisschop Guide en Broeder Franciscus.quot;
165
schaduw te vermoeden van de hemelsche rijkdommen, hem daar voorbeschikt. Wij gaan thans die schatten beschouwen aan de hand van twee vertrouwbare leidslieden, wier wetenschap en waarheidsliefde boven alle verdenking verheven is: Theobaldus en Conradus, beiden bisschoppen van Assisiën.
Doch staan wij een oogeablik stil alvorens het brandend braambosch van Portiuncula te naderen. Laten wjj als Mozes de riemen onzer voetzolen ontbinden, want de grond is heilig; en het schouwspel, dat ons oog verrukken zal, is de bewondering van Gods Engelen waardig.
[npc^aggsaSBlGlSaBHSaSHSlBl
ELFDE HOOFDSTUK.
llc Aflaat van Portiunrula.
(1216â1217.)
- jl{§lpet was een overheerlijke zomernacht van liet jaar 1216. ^TjpTjft De H. Franciscus lag in zijne cel voor het kruisbeeld 4 4, neergeknield en bad vurig. Terwijl nu deze Serafijn der aarde zijne van liefde blakende aanbidding vereenigde met die der Engelen, en de goedertierenheid van den Allcrlioogste inriep voor de arme zondaars, hoorde hij de stem eens Engels, die hem toeriep: âFranciscus naar de kapel! Naar de kapel!' Aanstonds springt hij op en snelt naar de kapel van Maria-der-Engelen. Daar treft een verrukkelijk schouwspel zijn oogen.
Op het altaar boven het tabernakel verscheen midden in een bovenaardschen lichtkrans het Menschgeworden AVoord, niet meer als de Man van smarten met doornen gekroond, niet meer. gelijk in eene vroegere verschijning als het bloedend slachtoffer van Calvarië, maar als de Verwinnaar der wereld, met den schepter, het zinnebeeld zijner volstrekte opperheerschappij, in de hand. Van zijn aangezicht straalde een schoonheid af, die alle be-beschnjving verre overtreft. Immers hoe zouden wij ons in deze diep gezonken wereld, een beeld, slechts een flauw schaduwbeeld kunnen vormen van Hem, die de eeuwige glans is van den Vader des lichts? Het zij genoeg te weten, dat zijn blik als een vlammende schicht tot het hart van den gelukzalige doordrong, maar tevens sprak van onbegrijpelijke zachtmoedigheid.
Aan zijn rechterhand stond Maria de nooit volprezen Moedermaagd, terwijl een stoet van hemelgeesten hem omringde. De lichtgloed, die het heiligdom vervulde, verblindde het oog niet gelijk de schitterende glans der middagzon: integendeel dat schijnsel was weldadig en zacht als de eerste stralen van den
168
dageraad en Franciscus' oog baadde met welgevallen in die licht-stroomen, terwijl zijne ziel vol ontroering als wegsmolt in bewondering en liefde jegens God.
Vervuld van eerbied en ontzag wierp Franciscus zich plat ter aarde met een diep besef der goddelijke Majesteit, en aanbad met de Engelen den Allerhoogste. âFranciscus, dus sprak nu de Zoon des menschen, ik weet met hoeveel ijver gij en uwe zonen het heil der zielen bevordert. Tot belooning moogt gij ter eere van Mijn naam en tot zaligheid der zielen, een gunst vragen, welke u goeddunkt, en ik zal ze u verleenen, want ik heb u in de wereld gezonden om het licht der volkeren te zijn en de steun mijner kerk.quot; Door zooveel goedheid bemoedigd, stortte de heilige aartsvader vertrouwvol deze bede: âO driewerf heilige God, als ik genade gevonden heb in uw oogen, ik stof enasch, de onwaardigste aller zondaren, dan bezweer ik u met al den eerbied, waartoe ik in staat ben, dat Gij u verwaardigt deze uitstekende gunst te verleenen: schenk allen, die na een oprechte biecht met vermorzeld hart deze kerk bezoeken, volkomene kwijtschelding en vergiffenis van al hunne zonden.quot; Na keerde hij zich tot Maria en bad voort: âik smeek de allergelukza-ligste Maagd, uwe Moeder en de voorspreekster van het menschelijk geslacht mijne bede te steunen.quot; Heerlijk schouwspel! Maria spreekt ten beste als middelares, en Jesus die zijne Moeder niets kan weigeren, werpt op haar een blik van liefde. Dan zich vol mededoogen tot zijn dienaar wendend herneemt Hij: âFranciscus wat gij vraagt is groot; doch grootere gunsten zult gij ontvangen. Ik verleen u den aflaat, doch wil, dat hij bekrachtigd en goedgekeurd worde door mijn Plaatsbekleeder op aarde, aan wien alleen Ik alle macht hebt gegeven om te binden en te ontbinden.quot; Na deze woorden verdween het visioen en Jesus, gevolgd door zijne allerroemwaardigste Moeder en het koor der Engelen, keerde terug in het ongenaakbaar heiligdom, waar de aanbiddelijke Drieëenheid ten troon is gezeten.
Reeds bij het krieken van den morgen vertrok Franciscus met Masseus naar Perugia, waar Honorius III tijdelijk verblijf hield; deze had eerst onlangs den pauselijken Stoel beklommen, door Innocentius III 18 jaren glorievol bekleed. (18 Juli 1216). âAllerheiligste Heer, zoo sprak Franciscus in bevalligen eenvoud
169
den paus toe, ik heb voor eenige jaren op uw grondgebied een bouwvallig kerkje, toegewijd aan de Moeder Gods, hersteld, en nu kom ik uwe Heiligheid verzoeken om het te verrijken met eenen kostbaren aflaat zonder verplichting tot eenige aalmoes. âEn voor hoeveel jai-en vraagt gij dien aflaat, sprak de Opperherder? âHeilige vader dat het uwe Heiligheid behage mij geen jaren maar zielen te schenken.quot; â âGij vraagt zielen? Hoe bedoelt gij dat?quot; â Wanneer uwe Heiligheid er in berust, wenschte ik vurig, dat zij allen, die na eene rouwmoedige biecht de kerk van O. L. Vrouw ter Engelen bezoeken, eene volledige kwijtschelding bekomen van al hunne zonden voor het tegenwoordige en toekomende leven,quot; â âFranciscus wat gij begeert is groot; het is iets geheel ongewoons bij het hof te Rome, een zoodanige gunst te schenken.'^ (1) Zeker, Heilige Vader, maar ik vraag het u geenszins in mijn naam, maar in naam van Hem, die mij gezonden heeft.quot; Nu stond Honorius op van zijn zetel en driemaal herhaalde hij plechtig deze woorden: âIn den naam des Heeren behaagt het ons, u dezen aflaat te verleenen. Toen nu eenige kardinalen de bemerking maakten, dat zulk eene gunst de pelgrimstochten naar Rome en Jerusalem afbreuk zou doen, herhaalde Honorius: âHet betaamt niet, dat quot;Wij herroepen, wat Wij eerst vrijelijk hadden toegestaan. Wij kunnen alleen den tijd van den aflaat een weinig beperken. Daarop keerde hij zich tot Franciscus en sprak : wij keuren goed, dat deze aflaat ten eeuwigen dage van kracht zij; doch slechts voor één vollen dag in 'tjaar, te weten van de eerste vespers tot den avond van den volgenden dag.quot;
Franciscus dankte den paus, boog en verwijderde zich met de hoogste bescheidenheid. Zoodra paus Honorius echter bemerkte.
(1) Om de verhevenheid van den aflaat wel te begrijpen, bedenke men, dat vóór den Portiuncula-aflaat, slechts voor de kruistochten en de bedevaart naar Rome en Jeruzalem een volle aflaat werd verleend. Deze werken waren om de moeilijkheden en gevaren, daaraan verbonden, voorzeker heldhaftige daden, zoodat men hier eerder zou denken aan eene wijziging van boetpleging dan eene eigenlijke kwijtschelding, (v.g. Litt. Encycl. Benedict. XIV. 1751). Schreef men een aflaat uit, dan werd steeds onder andere boete-werken, het geven van een aalmoes als vereischte voorwaarde gesteld om den aflaat te kunnen verdienen. Gewoonlijk kondigde men geen bijzonderen aflaat aan, tenzij bij gelegenheid van kerkwijding.
170
dat hij voorgoed wilde vertrekken, riep hij hem terug en sprak glimlachend: âEenvoudige man, waar gaat gij nu heen? quot;Welk bewijs kunt gij nu toonen van den verkregen aflaat?quot; âHeilige Vader, uw woord is mij genoeg. Jesus Christus zij voor het overige de notaris, zijne Moeder Maria het bewijsstuk en de Engelen des Hemels de getuigen. Voor 't overige laat ik God de zorg, te bewijzen, dat het zijn werk is.quot;
Na deze woorden vol verheven eenvoud, keerde Franciscus met den zegen des pausen van Perugia naar O. L. Vrouw-der-Eugelen weer. Opweg nam hij zijn intrek in een hospitaal voor melaatschen om er een weinig van de vermoeienis der reis uit te rusten. In zijn slaap had hij eene versolujning. Bij zijn ontwaken sprak hij tot broeder Masseus: âVerblijden wjj ons, injjn broeder, want ik verklaar u van Godswege, dat de aflaat, dien de opperherder mij verleend heeft, in den hemel bekrachtigd is.quot;
De dag, waarop de verleende aflaat kon verdiend worden, was nog niet vastgesteld. De dienaar Gods wachtte vol vertrouwen eene nieuwe openbaring van den Goddelijken wil af. Zijne hoop werd niet beschaamd. 'Ongeveer zes maanden na de eerste verschijning bad Franciscus op een kouden winternacht (Jan. 1217) in zijne cel, eenige schreden van de kapel van O. L. Vrouw ter Engelen gelegen, en geeselde zijn schuldeloos vleesch ten bloede toe. Do helsche vijand, naderde hem in de gedaante van een Engel des lichts en fluisterde hem toe ; âWaarom moot gij uwe jeugd met die buitensporige gestrengheden ondermijnen? quot;Weet gij niet, dat de slaap volstrekt noodzakelijk is om de krachten van het lichaam te herstellen ? Geloof mij, neem uwe gezondheid ter harte, dan kunt gij God des te langer dieiien.quot; Franciscus bemerkte den strik van den bekoorder. Hij begeeft zich naar den tuin, werpt zijn kleed af, stort zich in de sneeuw,, wentelt zich rond in een haag van doornstruiken, totdat zijn teeder lichaam geheel verscheurd en bebloed is. Dan roept hij luide; âHet is mij beter met Jesus smarten te lijden dan gehoor te geven aan de trouwelooze vleierij van het helsch serpent.quot; Nauwelijks is deze heldhaftige daad volvoerd, of geheel de natuur rondom hem verandert van gedaante. Een schitterend licht omstraalt hem; op de doornen, in zijn bloed geverfd, ontsprui-
171
ten heerlijke rozen, roode en witte, het zinnebeeld zijner reinheid en liefde. De engelen des hemels dalen af en werpen om zijn verscheurde schouders een kleed blanker dan sneeuw. Daarop heffen zij een jubelzang aan zoo zoet, dat de welluidendste muziek dezer aarde daarbij als wegsterft: âFranciscus, zoo klonk hot vervolgens, spoed u naar de kerk ; Jesus wacht u met zijne moeder.'' Franciscus plukte eerst '24 dier wonderbare rozen, 12 witte en 12 roode, en begaf zich dan naar de kapel over een weg, die met zijden tapijten bekleed scheen.
Jesus wachtte reeds! Gelijk bij de eerste verschijning was Hij op een troon van licht gezeten. De Toevlucht der zondaren stond aan zijne rechterhand, omringd door het heer der engelen. Franciscus knielde aanbiddend neer, legde zijne rozen op het altaar en bood ze onzen Heer aan door de handen der Onbevlekte Maagd. âFranciscus, sprak de Zoon Gods, waarom brengt gij mijne Moeder de schatting uwer hulde niet, gelijk gij haar beloofd hebt ?quot; Franciscus begreep aanstonds, dat Jesus doelde op de zielen, welke de aflaat van I'ortiuncula moest heiligen, en daarom sprak, hij op een toon vol kinderlijk vertrouwen ; âO driewerf Heilige God, Opperheer van het heelal en Zaligmaker van het menschelijk geslacht, gewaardig U in uwe gren-zenlooze barmhartigheid en ter liefde uwer Moeder den dag aan te wijzen, waarop do volle atiaat, waarmee Gij zelf deze plaats verrijkt hebt, kan verdiend worden.quot; â âIk wil, zoo sprak Jesus, dat die dag intrede met de vespers op den eersten Augustus en gesloten worde op den avond van den volgenden dag. Ga andermaal tot mijn plaatsbekleeder op aarde, opdat hij dozen aflaat voor het volk afkondige. Neem eenige uwer gezellen, dio mijne stem gehoord hebben mede tot getuigen, benevens eenige wonderbare rozen, en ga; mijne genade zal het overige uitwerken.''
In dezé verheven samenspraak tusschen den Schepper en het schepsel werd de aarde met eene overgroote weldaad verrijkt. De koren der Engelen hieven tot dank het blijde âTe Deumquot; aan en de verschijning verdween.
Reeds in den vroegen morgen begaf Franciscus zich op weg
(1) Te dezer plaatse staat âde kapel der rozen.quot; Naast de kapel wijst men deu pelgrim de rozenstruiken, waarin Gods almacht de vroegere doornen veranderde.
172
naar Rome in gezelschap van drie broeders, die oorgetuigen geweest waren van het wonder; Petrus Cattani, Bernardus van Quintavalle en Angelus van Eieti Op het paleis van Lateranen bij den paus en de vergaderde kardinalen in verhoor ontvangen, verhaalde Franciscus met de hem eigene ongedwongenheid het wonderbaar visioen, en bood als bewijs zjjner geloofwaardigheid, drie witte en drie roode rozen aan. Honorius stond verwonderd, hoe die bloemen zoo prachtig, frisch en welriekend konden zijn in het midden van den winter, maar veel meer bewonderde hij Franciscus' heiligheid, en willigde zijn verzoek met de meeste bereidvaardigheid in. Hij stelde den grooten aflaat vast op 2 Augustus, bevelende aan de bisschoppen van Assisië, Perugia, Fodi, Foligno, ïfocera, Spoleto en Gubbio dien plechtig af te kondigen op het feest van Petrus-Banden. Franciscus ging in eigen persoon de brieven des pausen aan voornoemde kerkvoogden aanbieden,
Op den vastgestelden dag beklommen de zeven prelaten met den verblijden Patriarch aan hun zijde een spreekgestoelte, dat voor de kapel van Portiuncula was opgeslagen. Een onafzienbare volksmenigte verdrong zich in gespannen verwachting op het uitgestrekte plein. Op verzoek der bisschoppen nam Franciscus het woord. Eerst sprak hij het volk van den oorsprong en de voortreffelijkheid der verkregen gunst. Vervolgens ontrolde hij een perkament en las met klem deze woorden ; âIk wil u allen het paradijs binnenvoeren. Daarom kondig ik u een vollen aflaat aan, mij door den hemel geschonken en door den paus bekrachtigd. Gij allen, die uwe zonden biecht, de absolutie ontvangt en met betrouwvol hart deze kerk bezoekt, zult een volledige kwijtschelding ontvangen van alle straffen, welke gij door uwe zonden verdiend hebt. Dit zal van kracht blijven telken jare âten eeuwigen dage.quot; Toen de bisschoppen dat woord: âten eeuwigen dagequot; hoorden, ontstelden zij; zij kwamen daarom onder elkander overeen den genoemden aflaat voorloopig op tien jaren terug te brengen. Don Gruido nam het eerst het woord, maar in stede van Franciscus woord te herroepen, kondigde hij zijns ondanks als Franciscus af: âten eeuwigen dage.quot; Hetzelfde overkwam den overigen bisschoppen, die hierin eenparig de barmhartige beschikking van God erkenden.
173
Vele geloofwaardige getuigen, gelijk Petrus Cattani, broeder Leo en de patriciër Petrus Salfan van Assisië, legden getuigenis af van de echtheid dezer gebeurtenissen. De broeders Odo van Aquasparta en Marianus verklaarden eveneens, dat zij zeiven het omstandig verhaal dezer wonderen uit den mond van broeder Masseus vernomen hebben.
Den volgenden dag 2 Augustus, consacreerden de zeven bisschoppen met groeten luister het nederig kapelletje, van O. L. Vrouw der Engelen, en blijde weerklonken de zangen, als weleer bij de inwijding van Jeruzalem's tempel: âLooft den Heer, want Hij is goed en zijne barmhartigheid reikt van geslacht tot geslacht.quot;
Van nu af stroomden de volkeren vol geloof en vertrouwen naar het nederig bedehuis van Portiuncula, dat met het heilig huisje van Loretto een van Italië's pronkjuweelen is geworden, een der meest bezochte heiligdommen der wereld. Daarheen snelden telken jare op den lsten en 2'le11 Augustus duizenden pelgrims uit alle oorden te zamen om te bidden, waar de Seraf van Assisië bad; om deelachtig te worden aan de gunst, welke bij hun verwierf. (1)
Conradus, bisschop van Assisië getuigt in zijn brief van het jaar 1S35 : ;,De Heer verheft, verheerlijkt en verbreidt dezen aflaat zeer dikwijls door wonderwerken.quot; Onder de vele zij het volgende, door Franciscus Bartholi verhaald, ten bewijze.
Toen op den 2(len Augustus 1303 eene menigte pelgims de kapel omringde, hoorde men eensklaps een geluid als van den ratelenden donder, en men zag eene sneeuwitte duif vijfmaal rondom het heiligdom vliegen. Tegelijkertijd verscheen boven het dak de allerheiligste Maagd Maria met het kind Jesus in hare armen, Jesus hief zijn hand op en zegende het volk. Dit feit wordt o. a. bevestigd door den Zaligen Conradus van Offida, die ooggetuige van het wonder was.
Tengevolge van deze en dergelijke wonderbare gebeurtenissen stroomden de pelgims voortdurend in groote menigte toe. De
(1) Wijl de toevloed der pelgrims te groot werd, hebben de Pausen deze gunst allengs uitgestrekt, tot al de kerken der drie Orden, en toepasselijk verklaard op de geloovige zielen. Bij wijze eener eervolle uitzondering lieb-ben zij dezen aHaat steeds laten voortbestaan, zelfs tijdens jubiléjaren.
172
naar Rome in gezelschap van drie broeders, die oorgetuigen geweest waren van het wonder: Petrus Cattani, Bernardus van Quintavalle en Angelus van Rieti Op het paleis van Lateranen bij den paus en de vergaderde kardinalen in verhoor ontvangen, verhaalde Pranci'scus met de hem eigene ongedwongenheid het wonderbaar visioen, en bood als bewijs zijner geloofwaardigheid, drie witte en drie roode rozen aan. Honorius stond verwonderd, hoe die bloemen zoo prachtig, frisch en welriekend konden zijn in het midden van den winter, maar veel meer bewonderde hij Franciscus' heiligheid, en willigde zijn verzoek met de meeste bereidvaardigheid in. Hij stelde den grooten aflaat vast op 2 Augustus, bevelende aan de bisschoppen van Assisië, Perugia, Fodi, Foligno, Nocera, Spoleto en Gubbio dien plechtig af te kondigen op het feest van Petrus-Banden. Franciscus ging in eigen persoon de brieven des pausen aan voornoemde kerkvoogden aanbieden.
Op den vastgestelden dag beklommen de zeven prelaten met den verblijden Patriarch aan hun zijde een spreekgestoelte, dat voor de kapel van Portiuncula was opgeslagen. Een onafzienbare volksmenigte verdrong zich in gespannen verwachting op het uitgestrekte plein. Op verzoek der bisschoppen nam Franciscus het woord. Eerst sprak hij het volk van den oorsprong en de voortreffelijkheid der verkregen gunst. Vervolgens ontrolde hij een perkament en las met klem deze woorden : âIk wil u allen het paradijs binnenvoeren. Daarom kondig ik u een vollen aflaat aan, mij door den hemel geschonken en door den paus bekrachtigd. Gij allen, die uwe zonden biecht, de absolutie ontvangt en met betrouwvol hart deze kerk bezoekt, zult een volledige kwijtschelding ontvangen van alle straffen, welke gij door uwe zonden verdiend hebt. Dit zal van kracht blijven telken jare âten eeuwigen dage.quot; Toen de bisschoppen dat woord: âten eeuwigen dagequot; hoorden, ontstelden zij; zij kwamen daarom onder elkander overeen den genoemden aflaat voorloopig op tien jaren terug te brengen. Don Guido nam het eerst het woord, maar in stede van Franciscus woord te herroepen, kondigde hij zijns ondanks als Franciscus af: âten eeuwigen dage.quot; Hetzelfde overkwam den overigen bisschoppen, die hierin eenparig de barmhartige beschikking van God erkenden..
173
Vele geloofwaardige getuigen, gelijk Petrus Cattani, broeder Leo en de patriciër Petrus Salfan van Assisië, legden getuigenis af van de echtheid dezer gebeurtenissen. De broeders Odo van Aquasparta en Marianus verklaarden eveneens, dat zij zeiven het omstandig verhaal dezer wonderen uit den mond van broeder Masseus vernomen hebben.
Den volgenden dag 2 Augustus, consacreerden de zeven bisschoppen met grooten luister het nederig kapelletje, van O. L. Vrouw der Engelen, en blijde weerklonken de zangen, als weleer bij de inwijding van Jeruzalem's tempel; âLooft den Heer, want Hij is goed en zijne barmhartigheid reikt van geslacht tot geslacht.quot;
Van nu af stroomden de volkeren vol geloof en vertrouwen naar het nederig bedehuis van Portiuncula, dat met het heilig huisje van Loretto een van Italië's pronkjuweelen is geworden, een der meest bezochte heiligdommen der wereld. Daarheen snelden telken jare op den lslen en 2l3en Augustus duizenden pelgrims uit alle oorden te zamen om te bidden, waar de Seraf van Assisië bad ; om deelachtig te worden aan de gunst, welke hij hun verwierf. (1)
Conradus, bisschop van Assisië getuigt in zijn brief van het jaar 1H35 : ;,De Heer verheft, verheerlijkt en verbreidt dezen aflaat zeer dikwijls door wonderwerken.quot; Onder de vele zij het volgende, door Franciscus Bartholi verhaald, ten bewijze.
Toen op den 2den Augustus 1303 eene menigte pelgims de kapel omringde, hoorde men eensklaps een geluid als van den ratelenden donder, en men zag eene sneeuwitte duif vijfmaal rondom hot heiligdom vliegen. Tegelijkertijd verscheen boven het dak de allerheiligste Maagd Maria met het kind Jesus in hare armen. Jesus hief zijn hand op en zegende het volk. Dit feit wordt o. a. bevestigd door den Zaligen Conradus van Offida, die ooggetuige van het wonder was.
Tengevolge van deze en dergelijke wonderbare gebeurtenissen stroomden de pelgims voortdurend in groote menigte toe. De
(1) Wijl de toevloed der pelgrims te groot werd, hebben de Pausen deze gunst allengs uitgestrekt tot al de kerken der drie Orden, en toepasselijk verklaard op de geloovige zielen. Bij wijze eener eervolle uitzondering hebben zij dezen aflaat steeds laten voortbestaan, zelfs tijdens jubiléjareu.
174
Zalige Joannes van Alverna verhaalt, dat zij in zijn tijd reeds schier ontelbaar waren. In 1309 hoorde hij de biecht van een meer dan honderdjarigen grijsaard, die nog te voet uit de omstreken van Perugia gekomen was. Verwonderd over diens ijver en godsvrucht, vroeg hem de Zalige, hoe hij op zijn ouden dag nog zulk een vermoeiende reis had durven ondernemen. âEerwaarde Vader, antwoordde de stokoude man, al kon ik niet meer te voet komen, ik zoude mij hierheen laten dragen om de genade van een zoo grooten dag niet te missen. Ik verbleef nog in het ouderlijk huis, toen de H. Pranciscus naar zijne gewoonte bij ons zijn intrek nam. Hij zeide dat hij naar Perugia ging om aan den paus de bekrachtiging te vragen van den aflaat, hem door Jesus Christus verleend. Sinds dien tijd heb ik niet één jaar nagelaten op den aflaatsdag naar Portiuncula te komen. Zoo lang ik leef, zal ik er nimmer ontbreken,quot;
De ijver van dien goeden grijsaard was in die tijden algemeen. quot;Wie ooit op den grooten âVergiffenis-dagquot; te Assisiö kwam, keerde het volgende jaar met nieuwe gezellen terug.
Tot op onze dagen blijft Portiuncula het geliefd pelgrimsoord. Tegen het einde der maand Juli ziet men langs de straten scharen van mannen, vrouwen en grijsaards naar Portiuncula trekken, biddende, zingende of onderling sprekende over de wonderen van dit zegenrijk oord. Als eindelijk op den lste11 Augustus het heilig oogenblik gekomen was, werden de deuren van de kapel geopend en stormden de pelgrims onder den herhaalden uitroep: âEvviva Maria!'''' âLeve Mariaquot; het eerbiedwaardig heiligdom binnen. Door de eene deur ingetreden, knielen zij voor het altaar, bidden een oogenblik en gaan weder door de andere deur uit. Deze processie, vast aaneengesloten, duurt voort tot aan den avond van den volgenden dag. In waarheid, wie erkent niet dat deze plaats gekroond is met eere en heerlijkheid ? Moeten wij niet uitroepen met den koninklijken profeet: âVan den Heer is dit geschied, en wonderbaar is het in onze oogen ?quot;
Eene andere omstandigheid, welke niet minder onze bewondering wekt, is de zorg, waarmede de Voorzienigheid waakt over dit heiligdom. Tweemalen reeds, (1832-1833) teisterden hevige aardschokken de prachtige basiliek, welker majestueuze koepel het nederig kapelletje als met een koninklijken mantel
175
overdekt; meer dan eens hebben oorlogen en burgertwisten de omliggende vallei te vuur en te zwaard verwoest, maar Porti-uncula bleef ongedeerd !
De tallooze genaden in dit bevoorrecht Godshuis verkregen waren voor Franciscus even zoovele titels van vereering en liefde. Met hoeveel gevoel van zaligheid sprak hij over de heiligheid dier plaats ! Wanneer hij de gaven des Hemels daar op hem neergedaald herdacht, dan riep hy zijnen kinderen toe : âO mijne kinderen, verlaat dit heiligdom nooit! Drijft men u langs de eene deur uit, dringt aanstonds langs eene andere binnen ; want deze plaats is heilig en het huis Gods bij uitstek. Hier zijn wij opgegroeid onder den genadeblik des Allerhoogsten. Hier heeft Hij ona verstand bestraald met het licht der goddelijke wijsheid; hier heeft Hij in onze harten den vuurgloed zijner goddelijke liefde ontstoken. Wie hier met godsvrucht neerknielt zal verhooring vinden. Daarom houdt dit heiligdom in eere en wordt nooit moede hier den lof des Heeren te zingen!quot;
TWAALFDE HOOFDSTUK.
De eerste Generale Kapittels.
(1212-1219.)
e zaden door Franciscus den schoot der aarde toevertrouwd, brachten reeds honderdvoudige vruchten voort. Het getal der kloosters en broeders groeiden met ongeloofelijke snelheid aan. Om nu den goeden kloostergeest bij zijne volgelingen steeds levendig te houden, besloot de H. Stichter hen van tijd tot tijd tot een algemeene vergadering of kapittel op te roepen. Onder deze algemeene kapittels door Franciscus gehouden trekt dat van 1217 bijzonder de aandacht der geschiedschrijvers. Daarin toch nam Franciscus twee gewichtige maatregelen. Op 't schiereiland waren zijne kloosters als bij too-verslag uit den grond opgerezen. Om nu al deze klooster onderling nauwer te verbinden verdeelde Franciscus Italië in zeven provinciën, stelde een provinciaal met volledige jurisdictie aan het hoofd en verklaarde dezen slechts afhankelijk van der. Generaal.
Vervolgens koos hij Evangelische werklieden, die de grenzen van Italië zouden overschrijden en bestemde Bernardus van Quintavalle voor Spanje, Joannes de Penna met 60 anderen voor Duitschland, Joannes Bonelli met Monaldus voor Provence ; voor zich zelf behield hij Parijs, Noordelijk Frankrijk en de Nederlanden en wel uit eene bijzondere voorliefde. âAan deze streken zoo zeide hij tot zijne broeders, schenk ik de voorkeur omdat zij boven andere uitmunten door diepen eerbied voor het allerheiligste Sacrament.quot;
Alvorens zij Portiuncula verlieten, zegende de heilige Patriarch zijne kinderen, en de boodschappers van het goddelijk woord verspreidden zich in alle richtingen. Do wonde der scheiding
177
werd geheeld, door de overtuiging dat zij gingen, waar de gehoorzaamheid hen riep; door de zoete hoop, dat zij de waarheid zouden brengen aan zielen, begeerig naar licht en liefde. Hij zelf vertrok met broeder Masseus naar Frankrijk. Van Assisië uit begroette hij reeds met geestdrift het land zijner voorliefde. Wie zal zeggen, wat grootsche plannen zich toen ontvouwden; plannen, welke als van zelf geboren worden in het vurig hart eens apostels! Maar hij vermoedde niet, dat een ander dan bij bestemd was om ze uit te voeren.
Op weg vernam hij, dat kardinaal Hugolinus in hoedanigheid van pauselijk legaat te Florence verbleef. Getrouw aan zijn gewoonte om de bisschoppen en prinsen der Kerk te begroeten, ging hij den edelen kerkvoogd zijn hulde aanbieden. Het was een gelukkige ingeving! Zij kenden elkaar, zooals Thomas de Celano zegt, nog slechts bij naam. Maar van deze eerste ontmoeting af rezen er tusschen beiden de edelste gevoelens van bewondering en wederzijdsche hoogachting. De kardinaal ontried Franciscus zijn verre missiereis, wijl zijn Orde, zooals hij bemerkte, wel een boom was met frissche spruiten, maar nog te teeder om de tegenwoordigheid en de zorgen van den kweeker te derven. De man Gods, altijd nederig en leerzaam, zelfs al moest hij zijn vurigste begeerten er om ten offer brengen, onderwierp zich aan het gevoelen van zijn verlichten vriend en beschermer, en zond, hoezeer hij hun geluk benijdde, de broeders Pacificus, Angelus en Albertus in zijne plaats naar Noordelijk Frankrijk.
De vallei van Riëti zou getuigen van Franciscus zielenijver. Hij arbeidde er van 1217â1219 nu en dan zijn apostolische tochten onderbrekend om in het gebed nieuwe kracht te putten, zijn broeders te onderwijzen, of nieuwe stichtingen te bezoeken.
Een gebeurtenis van gewicht sluit dit tjjdperk van zjjn leven. Wij willen namelijk spreken van een ander generaal kapittel, waarvan hij de plechtige opening tegen het Pinksterfeest van het jaar 1219 liet aankondigen. Franciscus had een voorgevoel, dat deze algemeene vergadering van groot gewicht zoude zijn.
Vooral zouden de belangen der missie ter sprake komen, te meer wijl de broeders op hunne laatste zending in Frankrijk en Spanje veel smaad en verguizing hadden geleden, ja in
12
178
Duitschland zelfs hevig vervolgd waren, zoodat verscheidenen genoodzaakt werden huiswaarts te keeren, zonder veel voor het heil der zielen te hebben gearbeid. Franciscus was bedroefd en schreef onverwijld aan zijn vertrouweling en raadsman, den Kardinaal Hugolinus, om hem bij den tegenspoed zijner missionarissen hulp en steun te vragen. De kardinaal ontbood Franciscus naar Rome om te overleggen, welke maatregelen met het oog op de missiën en andere aangelegenheden men in de aangekondigde algemeene vergadering moest nemen.
Eens woonde de H. Dominicus een dezer beraadslagingen bij. âZoudt gij niet goed vinden, zoo vroeg o. a. de kardinaal aan de twee Heiligen, dat eenige uwer zonen tot de kerkelijke waardigheden verheven werden?quot; Beide patriarchen gaven een ontkennend antwoord: âWat mij betreft, sprak Dominicus, ik ken geen grooter eer voor mijne kinderen, tenzij dragers te zijn van het goddelijk woord, en verdedigers des geloofs. Laat de Predikbroeders derhalve in hun roeping.quot; â âHeer, dus gaf Franciscus ten antwoord, mijne kinderen worden il/mrferbroeders genoemd, omdat zij in de Kerk den laatsten rang innemen. Maar dat is juist hun eerepost; wil hen daaraan niet onttrekken onder voorwendsel van hen hooger te laten klimmen.quot; Ofschoon de kardinaal hun gevoelen niet deelde, was hij toch door deze woorden, waarin de geest van zelfverloochening zoo helder doorstraalde, ten hoogste gesticht.
Volgens verhaal van broeder Leo, die zijn gelukzaligen Vader op de reis vergezelde, was er bij deze samenkomst ook spraak om de beide Orden tot ééne samen te smelten. Maar de Sera-fijnsche vader verzette er zich tegen. âHet is de wil des Hee-ren, zoo sprak hij, dat zij gescheiden blijven, opdat ieder volgens zijne neiging en inborst een der beide Regels kunne omhelzen.quot; Toen zij na dit onderhoud zouden scheiden, vroeg Dominicus aan Franciscus hem als zinnebeeld der broederliefde, die beide Stichters en hun geestelijke familiën vereenigde, de armoedige koord te schenken, waarmee zijne lendenen omgord waren. âIk zal ze altijd, sprak Dominicus, met eerbied onder mijn gewaad dragen.quot; Langen tijd wees Franciscus dit eervol verzoek uit nederigheid af, maar als zijn arme vriend bleef aandringen, gaf hij zich ten laatste gewonnen. Daarna namen zij een har-
179
telijk afscheid en bevalen zich wederkeerig in elkanders gebeden. Bij het heengaan zeide de Aartsvader der Predikheeren tot zijn gezellen: âWaarlijk, Pranciscus' heiligheid is zoo uitstekend, dat alle kloosterlingen zijn voetstappen moesten drukken.quot;
Het voorbeeld, hier door Dominicus gegeven, was de aanleiding en oorsprong eener godsvrucht, welke zich weldra in de geheele H. Kerk uitbreidde en drie eeuwen later door Sixtus V, religieus van de Orde der Minderbroeders, tot aartsbroederschap verheven werd onder den naam van: âde aartsbroederschap van het koordje van den H. Franciscus.quot;
Nadat de zaken der Orde in overleg met den kardinaal geregeld waren, nam de Heilige afscheid en keerde naar Maria-der-Engcl n terug.
Eindelijk brak de dag van het generaal kapittel aan. Het was de 5^6 Mei 1219, een dag voor altijd gedenkwaardig om de zegenrijke gevolgen, die daarvan in de geschiedenis dei-Orde staan aangeteekend. Alles stemde dien dag tot blijdschap! De H Kerk zelve in feestgewaad, vierde het hoogtij van Pinksteren; de natuur prijkte met den weelderigen rijkdom barer lentebloemen; de lucht was frisch en verkwikkend, terwijl de zon met majesteit oprees boven de kruin der Apennijnen en stroomen van licht uitgoot over het dal van Spoleto.
Het moederklooster kon de duizenden, uit alle oorden samengestroomd, niet herbergen. Honderden tenten waren derhalve in de vlakte voor Assisië opgeslagen en meer dan 5000 kloosterlingen legerden rondom het bescheiden heiligdom van Portiun-cula. Ook de H. Dominicus was daar. Vol bewondering voor Franciscus' deugd, was hij met eenige zijner broeders kardinaal Hugolinus gevolgd. Zevenmaal daags kwamen allen samen en als uit één mond steeg hun psalmgezang hemelwaarts; te middernacht, als de menschen der wereld nog in diepe rust gedompeld lagen, rezen zij op van hun harde legerstede om de getijden te zingen.
Op Pinkstermorgen beklom kardinaal Hugolinus de trappen van het altaar en droeg met bisschoppelijke plechtigheid de H. Offerande op; Pranciscus woonde met zijn broeders de heilige Handeling bij.
Na de H. Mis opende de kardinaal in eigen persoon met groote plechtigheid het kapittel en behield zich het voorzitter.
180
schap voor. Des avonds wilde hij als een veldoverste wapenschouw houden over de talrijke legerscharen van Christus' strijders, die in de vlakten verblijf hielden onder hutten of tenten van bladeren en twijgen, gedekt met matten, (vandaar de naam van Jiet kapittel der matten'). Hij vond hen bjj groepen van COâ 100 vereenigd om met elkander over het zielenheil en de belangen der Orde te beraadslagen.
Bij dien grootschen aanblik riep de eerbiedwaardige grijsaard vol verwondering met den aartsvader Jacob uit: âO in waarheid, hier is de legerplaats van God.quot; Het was waarlijk de uitgelezen keurbende des grooten Konings: een leger, vreedzaam en strijdlustig te gelijk, zonder wapenen en toch alvermogend, bewonderenswaardig om zijn tucht en heldenmoed, een leger, waarop men het woord der H. Schrift mocht toepassen : âHoe schoon zijn uwe tenten, o Jacob, hoe heerlijk uwe woonsteden, o Israël!quot; Franciscus hief zijn oog ten hemel, God dankend, die zijne Orde zoo had gezegend. Zjjn vurig woord ontstak de harten zijner broeders meer en meer in liefde voor God en hunne roeping, in ijver voor het zielenheil en bevestigde hen in hunne verknochtheid aan de heilige Roomsche Kerk. Het was waarschijnlijk bij deze gelegenheid, dat hij zjjne toespraak sloot met deze merkwaardige woorden: âMijne broeders, groote zaken hebben wij beloofd, maar grootere zjjn ons weggelegd. Onderhouden wij de eerste, en streven wij naar de laatste. Het zingenot is kort; de straf eeuwig. Het lijden is gering, doch de glorie oneindig. Velen zijn geroepen, weinigen uitverkoren, maar allen ontvangen vergelding.quot;
Menigeen zou zich hier vreesachtig hebben afgevraagd : waar levensmiddelen gezocht om zooveel personen te voeden ? Maaide H. Vader en zijne kinderen kenden niets van dat mistrouwen of die onrust. Ofschoon van alles ontbloot, waren zij vol vertrouwen en verwachtten geljjk de vogelen des hemels van hun Schepper het voedsel voor iederen dag. De Voorzienigheid stelde hen geenszins teleur. Men zag van de kanten van Assisië, Perugia, Foligno en zelfs nog van Spoleto mannen aansnellen, van allerlei stand en rang, leeken en priesters, burgers en ridders, die, niet tevreden den armen van Jesus Christus den noodzakeljjken voorraad aan te brengen, de liefde zoo ver dreven,
181
dat zij hen dienen wilden met eigen hand. En deze offervaardigheid duurde zoo lang als het kapittel.
Intusschen stroomde ook een groote menigte samen uit loutere nieuwsgierigheid. God bediende er zich van om veler harten te raken. Eenigen waren vooral getroffen over het streng boeteleven der Minderbroeders, en zeiden onderling: âZietdaar, hoe zij ons metterdaad toonen, dat de weg ten eeuwigen leven smal is, dat het den rijken moeilijk zijn zal het rijk der hemelen binnen te gaan! Wij meenen onze zaligheid te bewerken zonder in het minste onze lusten in te toomen of onze zucht naar genot te matigen, terwijl deze broeders, na zich van alles beroofd te hebben, nog niet zonder vreeze zijn! Wel zouden wij wenschen te sterven, als zij, maar wij leven niet gelijk zij, en nochtans, zoo men leeft, zoo sterft men.quot; Anderen hadden het oog meer gericht op den zoeten vrede, die straalde van hun gelaat, op hun voorkomendheid om elkander wederkeerig diensten te bewijzen. âWat zijn zij tevreden, wat zijn zij gelukkig!quot; zoo riepen zij vol bewondering. âMaar wat belet ons hun geluk te deelen ?quot; En een groot getal, (volgens Wadding ruim 500), zeiden der wereld vaarwel, knielden aan Franciscus' voeten en werden gekleed in de roemvolle livrei der armoede. De goede geur van de deugden der broeders vervulde geheel de vallei van Spoleto en trok velen aan tot beoefening der boetvaardigheid.
Hier is het de geschikte plaats eens aan te stippen, hoe de H. Franciscus evenzeer onverzoenlijk vijand was van overdrijving, als vriend van eenvoudigheid. Zoodra hij vernam, dat eenigen zijner leerlingen zich aan bovenmatige verstervingen overgaven, beval hij, alle boetwerktuigen bij hem te brengen en verbood voortaan in vasten, waken en lichaamskastijding alles, wat de werkzaamheden van het apostolaat merkelijk kon schaden.
De vernieuwing van den religieuzen geest, de groei van den eersten ijver, de aanwinst van nieuwe leerlingen waren niet de eenige gevolgen van het kapittel der matten. Men stelde naast eene nieuwe zending van missionarissen vooral drie belangrijke punten vast.
1°. Voortaan zal men in de gebeden: âProteg? nes Dominequot; en âExaudi nos Deusquot; uitdrukkelijk melding maken van de H. Apostelen Petrus en Paulus. Hierdoor wilde Franciscus niet
182
alleen de banden nauwer toehalen, die de Orde sinds hare geboorte aan de Roomsche Kerk, de moeder en meesteres aller kerken, verbond, maar hij verlevendigde ook bij zijne zonen de liefde voor den paus, het zichtbaar Opperhoofd der Kerk.
2°. Men zal noch huis, noch kerk aanvaarden, zoo zij niet overeenkomen met de heilige armoede, gelijk wij haar in den Regel beloofd hebben. Voorwaar een wijze beslissing; want hierdoor werden de kloosters van Franciscus' zonen gesloten voor de zucht naar weelde en rijkdom, de gewone oorzaak van verslapping, somtijds zelfs van geheelen ondergang der kloostertucht.
3°. Alle Zaterdagen zal men in onze kloosters een H. Mis doen ter eere van de gelukzalige Maagd Maria, âOnbevlekt Ontvangen.quot; Door dit voorschrift, op voordracht van den Sera-fijnschen Patriarch aangenomen, en door den H. Bonaventura op het kapittel te Pisa (1263) hernieuwd, koos de Orde der Minderbroeders de Onbevlekt Ontvangene tot beschermster en patrones en schaarde zich zoodoende bij de verdedigers van het groote leerstuk der Onbevlekte Ontvangenis.
Franciscus verkondigde de leer der Onbevlekte Ontvangenis aan de volkeren door ze op te nemen in den eeredienst en de overleveringen zijner kloosterfamilie. Zelf geeft hjj de reden aan van dit geheim, als hij zijnen kinderen de hoogachting voor Maria aanprijst met de woorden : âVrees nooit aan Maria dat alles toe te sclirijven, wat aan hare waardigheid als Moeder van God betaamtquot; Mogen wij niet veronderstellen, dat de eenvoudige diaken van Assisië omtrent dit verheven voorrecht zijner Onbevlekte Moeder door den Hemel zei ven werd onderwezen. En eenmaal onderricht door den Leeraar der leeraren, welke plaats Maria bekleedt, kon hij beter doen, dan deze wetenschap zijnen kinderen vermaken als een kostbaar erfdeel? Zijne verwachting werd niet bedrogen! Zijne kinderen hebben het leerstuk der Onbevlekte Ontvangenis immer verdedigd en verbreid met eene getrouwheid, welke zich nergens verloochent, ja maakten zich dit punt dermate eigen, dat men het later placht te noemen : âde stelling der Franciscanen.quot;
De Koningin des Hemels scheen er van haren kant behagen in te scheppen tal van leeraren en apostelen in de Orde op te wekken, die berekend waren om den triomf harer zaak voor te
183
bereiden. Zoo zag men onder haar maagdelijke hoede en ingeving beurtelings mannen als de H. Antoniua van Padua, de H. Bonaven-tura, Duns Scot, Franciscus Mayronis, Bernardinus van Siëna, Leo-nardus a Portu Mauritio, en andere volgelingen van Franciscus de rechten der Onbevlekte verdedigen en met fierheid als ridders van Maria het strijdperk intreden. Uit dien strijd van zes eeuwen mogen wij hier vooral twee feiten niet verzwijgen, omdat zij eene heerlijke bevestiging zijn van het gevoelen, door Franciscus tijdens het kapittel der matten geopenbaard : de overwinning van Duns Scot en de plechtige afkondiging der Onbevlekte Ontvangenis als geloofspunt.
In de dertiende eeuw leeraarde de Universiteit van Parijs op het voetspoor van Petrus Lombardus, den schrijver van het boek der Kernspreuken (Sententiarum), dat Maria begrepen was in 't vonnis der veroordeeling, tegen geheel het menschdom uitgesproken. Deze leer waren niet weinig godgeleerden uit de Wes-tersche Kerk toegedaan, terwijl in het Oosten het tegenovergestelde gevoelen werd aangenomen, en zelfs het Feest der Onbevlekte Ontvangenis nagenoeg algemeen gevierd. Men bedenke, dat de H. Kerk omtrent dit punt nog geen beslissend oordeel had uitgesproken, zoodat de meeningen vrij bleven en geenszins in strijd kwamen met hetgeen men verplicht was te gelooven. Duns Scot, een verheven genie, die zich gaarne verdiepte in de moeilijkste vraagstukken der wijsbegeerte, brak met de meening van Petrus Lombardus. Hierom werd hij gedagvaard zich voor zijne medeleeraren te rechtvaardigen. Deze redetwist had plaats omstreeks 1308.
Alvorens den strijd te beginnen, knielde Duns Scot neer aan den voet van 't marmeren Mariabeeld in 't hoofdportaal der Sainte-Chapelle, en bad: âGedoog, dat ik u love Heilige Maagd: geef mij kracht tegen uwe vijanden.quot; Het beeld, zoo verhaalt men, boog het hoofd als teeken van instemming en bewaarde van dien stond af deze houding.
De tegenstanders van den jeugdigen Franciscaan verschenen met de sententiae in de Sorbonne en wierpen tal van moeilijkheden op; Duns Scot luisterde met bedaardheid en aandacht. Als hun pleit ten einde was, besteeg hij den katheder en meer verwinnaar dan aangeklaagde stelde hij tegenover al hun aan-
184
halingen, dit onwederlegbaar beginsel: âdebuit, patuit, et-go fecit,, d. w. z. het betaamde, dat God Maria van de erfsmet vrijwaarde; Hij kon het doen; derhalve deed Hij het.quot; Hij verdedigde zijn stelling zoo bondig en overtuigend, dat hij niet veroordeeld werd, noch verplicht ze in te trekken. Integendeel zijn betoog verwierf hem een onsterfelijken naam.
De Universiteit van Parijs schonk hem den eeretitel van âDoctor Subtilis,quot; d. i. scherpzinnige Leeraar. Dertig jaren later vierde die zelfde Universiteit reeds het feest der Onbevlekte Ontvangenis; en nog één eeuw later stelde zij als regel vast, dat niemand voortaan de titel van Doctor mocht toegekend worden, alvorens de candidaat den eed had afgelegd om altijd het hoogverheven voorrecht der Onbevlekte Ontvangenis te verdedigen.
De stelling van Franciscus zegevierde reeds! Niettemin had de H. Stoel nog geen beslissende uitspraak gedaan. Deze bleef voor onze dagen bewaard. Wie onder de ouden van dagen herinnert zich niet de feesten van 8 December 1854 ? Op dien onvergetelijken dag heeft een lid der Serafijnsche Derde Orde, de onsterfelijke paus Pius IX, een der schitterendste parelen gehecht aan Maria's kroon. Voor het aanschijn der gansche wereld verklaarde hij, dat Maria om de verdiensten van haar Zoon bewaard is gebleven voor de erfsmet, zonder vlek is ontvangen. Maar hierbij treedt een omstandigheid op, welke betrekking heeft op de Serafijnsche Orde. Toen de paus voor de dichte rijen der opgetogen menigte in St. Pieter op zijn pauselijken zetel plaats nam, naderden hem de Hoogeerwaarde Generaals der Minderbroeders en boden hem een gouden roos en zilveren lelietak. Daarop werd voor de voeten van het Franciscusbeeld een marmeren gedenkstuk opgericht; waarin de tekst der geloofsuitspraak gebeiteld was. Het was eene waardeering van den ijver, waarmee Franciscus en zijne zonen Maria's voorrechten steeds hadden verdedigd; het was eene belooning der moeite, ter verspreiding van dit leerstuk door Franciscus' kinderen aangewend, waarvan wij reeds getuigen waren op het Kapittel der Matten. Dit laatste willen wij thans nog even gaan beschouwen.
Het Kapittel der Matten is de ware Pinksterdag der Serafijnsche Orde, het uur van hare grootste verbreiding. Franciscus
185
regelde er niet alleen het injrendig bestuur, maar zijn blik was ook naar buiten gericht, naar de zedelijke hervorming van Europa en de bekeering der heidenen. Hij verklaarde dan, dat hij Egypte voor zich behield en bestemde broeder Elias voor Syrië, Bernardus voor Marocco, Joannes Parent voor Spanje, Lucas voor Rumenië, enz.. ,
Hun geloofsbrieven waren in dezelfde termen vervat, waarin Franciscus ongeveer 5 jaren later schreef aan Angelus van Pisa; dit is de eenige obedientie, die niet verloren is gegaan : âIk, âbroeder Franciscus van Assisië, Generaal Minister, gebied in ânaam der gehoorzaamheid aan U, broeder Angelus van Pisa, ânaar Engeland te gaan en er de bediening van provinciaal âwaar te nemen.quot; Weinig maar genoeg! Want het was God, die allen zond!
De onderneming was stout; maar vol moed trokken zij uit, gedachtig aan het doel hunner zending, de prediking des geloofs. Op raadgeving van kardinaal Hugolinus hechtte Honorius III zijne goedkeuring aan dit apostolaat, bekrachtigde het door zijn gezag en stelde iederen Broeder een aanbevelingsbrief ter hand om hen in den vreemde voor smaad en miskenning te vrijwaren. Bovendien droegen de oversten der missie nog twee omzendbrieven van den Serafijnschcn Vader met zich : de eerste was aan alle priesters gericht en bevatte treffende onderwijzingen omtrent den eeredienst aan Gods naam en het allerheiligste Sacrament verschuldigd; de tweede brief noodigde allen, met openbare macht bekleed, als consuls, rechters en magistraten uit, om hun onderdanen te besturen volgens de wetgeving van God, de bron van hun gezag.
Gesterkt door dit drievoudig schrijven, vervuld met den geest Gods en brandend van zielenijver, togen thans de missionarissen, gelijk de apostelen weleer op Pinksterdag de opperzaal verlieten, Maria-der-Engelen uit, om de blijde tijding des Evangelies te verkondigen.
DERTIENDE HOOFDSTUK. Dc Apostel in het Oosten.
zou eene dwaling zijn voor te wenden, dat de Heiligen immer vreemd blijven aan de politieke gebeurtenissen hun-^ ner eeuw. Zij volgen ze niet zelden, zelfs met scherpzinnigen blik, doch van een geheel ander standpunt, met een geheel ander oogmerk. Op den bodem van al de woelingen, die het mensch-dom beroeren, onderscheiden zij één hoofdbelang, dat alles op deze wereld beheerscht, en hen daarom ook in geestdrift ontsteekt; het belang namelijk der Heilige Kerk, waarin zij geheel en al opgaan. Hieruit alléén kan men reeds afleiden met welke inspanning Franciscus het krijgsgeluk der kruisvaarders en hunne rampspoeden volgde, hoe hij uitzag naar een gunstige oplossing van het Oostersche vraagstuk, op het concilie van Clermont 1094 reeds begonnen, want met de kruistochten hing de bloei der Kerk en niet minder de vrijheid, orde en beschaving der christen landen innig samen.
Sinds Jerusalem door Godfried van Bouillon was ingenomen, was geheel Europa een gewapend strijdperk. Meer dan een eeuw lang is geheel de oorlogsgeschiedenis der christenen niets anders dan het verhaal van een eindeloozen strijd, eene onafgebrokene worsteling tusschen de kruisvaarders en de ontembare horden van Mahomed. In plaats van oppervlakkig over de gebeurtenissen heen te gaati, droug de dienaar Gods door tot de kiem dor zaak. In dien kamp, waarin de koene onversaagdheid der quot;Westersche legerscharen zoo heerlijk schitterde, ontdekte hij een hoogeren strijd, den strijd van het Kruis tegen de Halve Maan; van den waren God tegen den leugenprofeet Mahomed; van de christelijke beschaving tegen de geweldenarijen der Saracenen. Het heilig geloof vervulde hem met de vurigste verlangens naar het wel-
187
slagen dier ontzaglijke onderneming, welke voor de H. Kerk en voor geheel Europa zeer merkwaardige gevolgen heeft gehad, al is het eigenlijke doel van die toohten tegen de Aziatische Mahomedanen ook niet bereikt geworden,quot;
Viermaal was het quot;Westen reeds in aaneengesloten legerscharen opgetrokken om de heilige plaatsen te heroveren, maar trots de dapperheid en de heldhaftige krachtsinspanningen van de opvolgers van Godfried van Bouillon, was de heilige stad slechts tijdelijk en bij tusschenpoozen aan den schepter der christenen onderworpen. Op het tijdstip, waarin onze geschiedenis zich thans beweegt, ging Jerusalem weer onder het gehate slavenjuk der Abbassiden gebukt. Die toestand gold in Europa als een algemeene ramp voor de chistenheid. Op de roepstem van paus Honorius III greep men ten vijfden male naar de wapenen en in korten tijd stonden ruim 400.000 krijgers geschaard onder de banieren van Adreas II, koning van Hongarije en Jan van Brienne, die den titel voerde van koning van Jerusalem. In plaats van rechtstreeks naar Palestina uit te rukken, tastten zij het rijk der Muzelmannen in het hart aan. Zij zetten koers naar Egypte en sloegen het beleg voor Damiate, den sleutel van het Nijlland. Hierin volgden zij het krijgsplan, door InnocentiusIII beraamd. Het ontwerp was stout en moeilijk tevens. Geen wonder dat alle volkeren van Europa angstig den blik naar Egypte's strand richtten in gespannen verwachting omtrent den uitslag van die verre krijgsonderneming.
Een straal van hoop verlichtte het hart van den Patriarch van Assisië, wien de troostelooze toestand van de volkeren, in Mahomeds leer verstrikt, immer aan het hart lag. Nog meer dan vroeger klonk het van het verre Oosten hem als een anderen Paulus in de ooren: âKomt tot ons.quot; De omstandigheden schenen gunstig. Waar duizenden in het ijzer geharnast den vijand aanvielen, zou ook hij het staal aangorden, maar een geheel ander zwaard dan de machtigen dezer wereld : hij greep naar het kruis der Apostelen. Het kruis planten, zoo dacht hij, op die uitgestrekte velden, eertijds de rijkste lusthof van het christendom, of wel ze met mijn bloed doorveeken! Moest hij die eenmaal de wondteekenen van Christus in zijn gezegend lichaam zou dragen, moest hij dat land niet bezoeken.
188
waar Jesus zelf had geleefd en geleden ? Moest hij niet aan de spits staan zijner zonen, die eens met heldenmoed hun leven en bloed zullen offeren, opdat de gedachtenis van Jesus' lijden niet verdrongen worde door de volgelingen van den Koran?
In 1212 zagen wij hem reeds uitzeilen naar Syrië, thans (1209) lachte de martelkroon hem opnieuw tegen. Hij zal uitgaan naar het meest bedreigde punt der christenheid en den Sara-cenen het geloof prediken.
Hij begaf zich naar Ancona, regelde de zaken zijner Orde, nam afscheid van zijne kinderen, en scheepte zich in voor het Oosten met elf andere religieuzen. De geschiedenis noemt alleen Barbaras, Leonardus van Assisië en Illuminatus van Riëti. Zij wierpen het anker voor St. Jan d'Acre. Hier liet de heilige vader verschillende zijner reisgezellen achter om het geloof en den moed levendig te houden bij de katholieken, aldaar verzuchtend onder de verdrukking der Saracenen. Daarop zeilde hij naar Egypte en landde voor Damiate. Aanstonds begaf hij zich naar het legerkamp der kruisvaarders, dat helaas door twist en naijver in verwarring was gebracht. Reeds meer dan een jaar lagen ridders en voetvolk onder de muren der stad, zonder dat zij kans zagen haar te bemachtigen. Zij beschuldigden elkaar van lafheid en verraad. Allengs werden de hoofden verhit, gelijk bij een volksoproer; de verschillende partijen wilden zich doen gelden, en eischten ten slotte met luid geschreeuw den slag. Om bloedvergieten te verhoeden, gaf Jan van Brienne zich gewonnen, week voor hun dwaas aanhouden en de aanval werd tegen den volgenden morgen vastgesteld. (29 Aug. 1219.)
Door eene veropenbaring Gods wist Franciscus, dat de kruisvaarders tot straf van hunnen hoogmoed en onderlinge verdeeldheden een bloedige nederlaag zouden lijden. De dienaar Gods beproefde daarom eerst nog dat onheil af te weren. âMijn broeder, zoo sprak hij tot zijn reisgezel. God heeft mij doen weten, dat de christenen verstrooid zullen worden, als zij den strijd met den vijand wagen. Houd ik hun onbewimpeld de waarheid voor oogen, dan zullen zij mij als een dwaas beschimpen; waarschuw ik hen niet, dan zal die geheimhouding een wroeging zijn voor mijn geweten. Hoe oordeelt gij derhalve, dat ik handelen moet?quot;'
189
âVader, sprak Illuminatus, bekommer u niet over het oordeel der menschen. Het zou de eerste maal niet wezen, zoo men u als een uitzinnige verstiet. Houd uw geweten vrij en vrees God meer dan de menschen.quot; Door die wakkere raadgeving versterkt, treedt de heraut van Christus de Teldtent van den aanvoerder binnen. Hij bidt en bezweert de bevelhebbers, de noodlottige inblazingen der jaloezie te laten varen, ja kondigt hun een verpletterende nederlaag aan, ingeval zjj volharden bij het genomen besluie. Noch smeekbeden , noch bedreigingen mochten baten. Hartstocht verblindt. Men hield de voorzegging des Heiligen voor ijdele inbeelding en aanvaardde den strijd onder eene verzengende hitte. De uitslag is bekend. De Saracenen gingen voor een ooge^blik op de vlucht. Dan zich plotseling om-keerend stormen zij met de woede der wanhoop tegen de christenen in; dezen, op geen krijgslist berekend, geraken in verwarring en worden verstrooid. âOp dien noodlottigen dag, zegt de H. Bonaventura. lieten de christenen 6000 dooden en gewonden op het slagveld achter. Het gezicht dier bloedige slachting deed hun gevoelen, maar te laat, hoe vermetel zij handelden met de waarschuwing van den boeteling van Assisië te versmaden; want het oog van den rechtvaardige ontdekt dikwerf de waarheid beter dan zeven soldaten, die schildwacht houden op de kruin der bergen.quot;
De onverschrokken missionaris liet zich door de geleden nederlaag niet uit het veld slaan, maar besloot langs een anderen weg op zijn doel af te gaan. Hij wilde zich naar het kamp der vijanden begeven, om voor den sultan zelf Christus te prediken. Tevergeefs hield men hem voor oogen, dat hij zijn leven in de waagschaal stelde, daar de sultan een goudstuk had gesteld op het hoofd van eiken christen. Niets kon hem weerhouden. Met den apostel der heidenen noemde hij den dood een gewin. En was de martelpalm niet de schoonste lauwer, welken men in deze wereld kan behalen ? Hij trok daarom met zijn gezel naar het legerkamp der Saracenen, terwijl hij met den koninklijken profeet vol blijdschap herhaalde; âDe Heer geleidt mij ; al wandel ik ook in de schaduwen des doods, ik zal geen kwaad duchten, wijl Gij, o God aan mijne zijde waakt.quot; Op weg kwamen hen twee lammeren tegemoet. Dat gezicht
190
bracht Pranciscus bijna in verrukking. âBroeder, zoo sprak hij, vertrouw op den Heer, want reeds wordt in ons bewaarheid dit woord van het Evangelie : ziet, Ik zend u als schapen te midden der wolven.quot; Inderdaad, weinige schreden verder wierp zich een bende ruwe Saraceensche soldaten als grijpende wolven op den dienaar Gods Zij overlaadden hem met slagen en beschimpingen en sloegen hem in boeien. âIk ben een christen, riep Franciscus op vastberaden toon, breng mij voor uwen koning.quot; De soldaten sleurden nu beide gevangenen voor den sultan Melek-el-Kamel of Meledin. Zoodra deze de dienaren Gods zag, riep hij hun onbeschaamd toe: âWie zendt u hier; vanwaar komt gij; wat wilt gij ?quot;' Zonder in het minst te ontstellen sprak de heilige : âGeen mensch, maar de Allerhoogste zelf zendt mij, om u met uw volk de blijde boodschap des Evangelies te brengen; u de belangen uwer eeuwige zaligheid aan te kondigen.quot; Onbeschroomd hield Franciscus hem nu de dwaasheden van Mahomeds leer voor oogen. Daarna ontvouwde hij de waarheden van het Katholiek geloof met zooveel kracht en nadruk, dat in hem de belofte van den goddelijken Meester bewaarheid werd: âIk zal u eene welsprekendheid geven en eene wijsheid, welke uwe vijanden niet kunnen wederstaan noch weerspreken.quot;
De hovelingen staarden den sultan aan ten einde op den eersten wenk den overmoedigen prediker neer te sabelen, maar de tiran hing aan de lippen des heiligen. Hij gevoelde zich inwendig weerhouden door eene kracht, waarvan hij zich geen rekenschap kon geven. De mannenmoed, de bovenmenschelijke verachting van den dood in die twee heiligen verbaasden zijn oog. Te gelijker tijd werd zijn hart tot goedertierenheid gestemd. Tot groote verbazing van de grooten des rijks ondervroeg hij Franciscus verscheidene dagen met levendige belangstelling. Ten slotte noodigde hij hem zelfs aldaar te blijven. âA.ls gij en uw volk, antwoordde de Apostel, u oprecht tot Christus bekeert, blijf ik gaarne in uw midden. Weifelt gij echter tusschen de leer van Christus en de wetgeving van Mahomed, laat dan een groot vuur ontsteken; ik zal mij daarin begeven met uwe priesters, en dan zult gij naar den uitslag beoordeelen, aan welke zijde het ware geloof is.quot; âIk geloof niet, dus sprak Meledin, dat een van onze priesters er in bewilligen zal, om tot verdediging van zijn geloof
191
vlammen en folteringen te trotseeren.quot; Dit zeide hij, omdat hij had opgemerkt, hoe een van de aanzienlijkste priesters reeds bij het voorstel van Franciscus voorzichtigheidshalve was weggeslopen.
Maar nu ging de Heilige nog een stap verder. âAls gij en uw onderdanen, zoo sprak hij tot den sultan, belooft het katholiek geloof te omhelzen, zal ik alleen den brandstapel bestijgen. Indien de vlammen mij verteren, zult gij het aan mijne zonden wijten; laten zij mij ongedeerd, dan zult gij Jesus Christus erkennen als den eenig waren God en den Zaligmaker der wereld.quot; De sultan, lafhartig gelijk alle dwingelanden, beefde nu voor hen, die anders sidderend aan zijn voeten kruipen; hij durfde de vuurproef niet aannemen uit vrees voor een oproer onder zijn volk.
Om Franciscus nog voor zich te winnen bood hij hem rijke geschenken aan; maar hoe hij ook aandrong, de heilige, die enkel en alleen het heil der zielen beoogde en genoeg ontwaarde, dat in het hart van den ongeloovigen tyran geen ernstig verlangen ontwaakte om rechtzinnig naar de waarheid te onderzoeken, wees met verontwaardiging zijn goud en kostbaarheden af. Meledin toonde zich over zulk een weigering niet verstoord. Integendeel vol bewondering over die volmaakte onthechting, voelde hij de achting voor den dienaar Gods veeleer toenemen. Nadat hij hem nog heimelijk had toegefluisterd; âBid voor mij, opdat de Allerhoogste mij den waren godsdienst doe kennen,quot; liet hij hem met eere naar het kamp der christenen terugleiden.
Franciscus zag, dat al zijne verwachtingen schipbreuk leden, en wist niet meer, welke gedragslijn te volgen. Volgens gewoonte nam hij zijn toevlucht tot het gebed. De Serafijnsche Leeraar, dien wij bij dit verhaal in alle bijzonderheden gevolgd hebben, voegt er bij, dat het niet tevergeefs was. Een hemelsch visioen bracht hem troost, vrede en licht. De Zoon Gods drukte hem op het hart naar Italië weer te koeren, want noch in Egypte, noch onder de scherpte van het zwaard zou hij den martelpalm winnen, waarnaar hij zoo innig haakte. De gelukzalige deelde deze veropenbaring aan zijn gezel mede. Bij deze gelegenheid legt Bossuet hem deze woorden op de lippen, als eene uiting van het goddelijk liefdevuur, dat zijn hart verteerde: âLaat ons van hier spoeden, mijn Broeder; laat ons vluchten, âverre vluchten van deze barbaarsche volkeren, al te mensch-
192
âlievend voor ons, daar wij hen niet kunnen bewegen noch om âonzen Meester te aanbidden, noch om ons, zijne dienaren, te ver-volgen. O God, wanneer of waar zullen wij den triomf \an âhet martelaarschap vieren, als wij te midden van ongeloovige âvolken niets vinden dan eer en hulde? Wijl God ons de martel-âkroon niet waardig acht, noch ons de eer schenkt in zijn roem-âvolle versmaadheid te deelen, laten wij van hier snellen, mijn âBroeder! Niets blijft ons, tenzij ons leven te eindigen in het âmartelaarschap der boetvaardigheid of ten minste ergens ter âwereld eenige plaats op te sporen, waar wij de schande des âkruises met volle teugen kunnen drinken.quot; En de heilige Bonaventura roept uit: âO waarlijk gelukkige sterveling! Mocht ook het zwaard van den tyran u het leven niet ontnemen, toch hebt gij de martelaarskroon niet gemist.quot; De martelaarskroon namelijk van begeerte!
Hoelang bracht Franciscus hierna nog over onder de tenten der kruisvaarders? Welken invloed oefende hij uit om onder de zonen van het Westen den geest van eendracht en krijgstucht te herstellen ? Ziedaar twee vragen, waarop wij slechts met gissingen kunnen antwoorden. Wij laten daarom slechts volgen, wat wij vinden bij een tijdgenoot, even onpartijdig als degelijk ingelicht. Jacobus de Vitriaco, den toenmaligen bisschop van St. Jan d'Acre en afgezant van den pauselijken stoel bij het christen leger: âWij hebben, zoo schrijft hij daags na de inname van Damiate aan een zijner vrienden in Lotharingen, wij hebben den stichter dei-Minderbroeders gezien, Franciscus, een man van zeldzame beminnelijkheid, gevierd bij allen, tot zelfs bij de ongeloovigen. Verscheidene onzer vrienden, o. a. de heer Reynerius, prior van het klooster St. Michael, en Matthous, wien wij het bestuur van ons bisdom hadden toevertrouwd, zijn vast besloten in zijne pasgestichte Orde te treden. Naar men verhaalt, heeft die Orde zich reeds over de gansche wereld uitgebreid, juist omdat zij eene volmaakte navolging is van het leven der apostelen en eerste christenen.quot;
Albertus de Stada, Mattheus van Parijs en de H. Antoninus verhalen ons, dat hel onderhoud van den heilige met den sultan de meest heilrijke gevolgen had voor de kruisvaarders. Toen Meledin twee jaren later Damiate op de christenen heroverde.
193
toonde hij een geheel ongewone goedertierenheid. Eertijds een wreedaard, een bloeddorstige tijger, toonde hij zich nu zacht gelijk een lam. Hij verleende den krijgsgevangenen der christenen volle vrijheid naar hun vaderland terug te keeren, trok zich het lot der arme en gewonde kruisvaarders aan, en gaf zelfs het ware kruis terug, dat Saladijn eertijds ontvoerd had. De legende gaat nog verder. Zij verhaalt, dat deze sultan in 1238 bezocht werd door twee religieuzen van Pranciscus' Orde, die daartoe in eene verschijning huns Vaders bevel kregen. Het was de vrucht van Pranciscus' voorbede. De sultan zou den Islam hebben verzaakt en het Doopsel ontvangen, om als waar christen te sterven.
Op de terugreize bezocht Franciscus Ptolemaïs, Antiochië en Jerusalem. Hoezeer zal het vuur der goddelijke liefde den Patriarch der armen ontvlamd hebben, toen hij in Bethlehems grot onder heete tranen de plaats mocht kussen, waar Jesus werd geboren en in eene kribbe gelegd ! Knielde hij niet met den eerbied van een engel in den Olijfhof, waar Jesus den doodstrijd streed om de zonden der wereld ? Doch wie beschrijft, wat er op Calvarië omging in hem, die geen roem kende dan Jesus en Dien Gekruist! Bij Mariaiius van Florence lezen wij, dat de monniken van het klooster der Benedictijnen op den Zwarten Berg nabij Antiochië zooveel eerbied voor zijn persoon hebben opgevat, dat zij den regel der Serafijnsche Orde aannamen.
Tegen het einde van het jaar 1219 keerde hij naar Europa terug. De belangen der Orde eischten dringend zijn tegenwoordigheid. Zoo nam dan de vredelievende kruistocht van Pranciscus in het Oosten een einde. De H. Aartsvader wenschte vurig, dat zijne kinderen den weg zouden volgen, door hem aangewezen. Aan dat verlangen werd voldaan. Robert van Anjou, koning van Sicilië en zijne echtgenoote Sancia kochten Palestina's voornaamste heiligdommen van den sultan van Egypte op. Zij schonken dezelve aan Paus Clemens VI, die bij bulle van 21 November 1342 hare bewaking opdroeg aan Franciscus' zonen.
Sinds de regeering van Jan van Brienne zijn de Minderbroeders daar op hun post. Zij vervullen er eene bediening even verheven als moeilijk. Bij de verrijzenis des Zaligmakers daalde een Engel van den Hemel om het H. Graf te bewaken; sedert de
13
194
dertiende eeuw zijn het de zonen van den Seraf, die Palestina's heiligdommen voor onteering trachten te behoeden. Tweemalen werden zij tot den laatsten man vermoord (1244 en 1363); tweemaal hebben nieuwe helden de ledige plaats aangevuld. Als onvermoeide wachters zijn zij voortdurend bereid hun bloed te storten, liever dan een vingerbreed te wijken van den eerepost, dien de liefde van Pranciscus voor den gekruisten Jesus hun schijnt ver-eindd te hebben.
De Minderbroeders bezitten in Palestina een twintigtal huizen, dienende tot vreemdelingen verblijf, scholen en gasthuizen. Aan het hoofd daarvan staat een pater, wien de pausen van Kome met luisterrijke titels vereeren : hij heet prefect der missies van Syrië, Cyprus en Egypte; gardiaan van den Olijfberg en het Heilig Graf; Custos der Heilige Stad. Voorheen had hij ook den titel en de bediening van Apostolisch Vicarius, totdat Pius IX roemrijker gedachtenis, den patriarchalen zetel van Jerusalem heeft hersteld, en in den persoon van Mgr. Valerga, na eene onderbreking van 600 jaren, de keten heeft aangeschakeld dei-opvolgers van den H. Jacobus en den H. Simeon. In Klein-Azie zetten alzoo de Minderbroeders nog altijd de verheven zending voort, die in de middeleeuwen werd ingeleid door den H. Vader Pranciscus.
VEERTIENDE HOOFDSTUK. Dc eerste Martelaars der Orde.
l5®Ar^erwijl de heilige Aartsvader den volkeren van het Oosten het Evangelie predikte, zonder dat hij evenwel den vurig verlangden martelpalm mocht plakken, boden vijf zijner zonen, gelukkiger dan hij, der wereld een schouwspel van heldhaftige standvastigheid in het lijden en vielen voor het H. Geloof onder de slachtbijl der Muzelmannen in Afrika.
Na het kapittel der âmatten'' had Franciscus zjjne broeders naar alle streken der wereld gezonden om het Evangelie te prediken en desgevorderd met hun bloed te bezegelen. Op goddelijke ingeving zond hij zes wakkere strijders naar Portugal om vandaar naar Afrika over te steken en Marocco voor Christus te winnen.
Het waren de priesters Vitalis, Berardus, Petrus en Otto met de leekebroeders, Adjutus en Accursius. Broeder Vitalis, wien oorspronkelijk de leiding der zending was opgedragen, werd door ziekte gedwongen in Arragonië achter te blijven. De anderen reisden verder met broeder Berardus aan hun hoofd. Het vijftal begaf zich rechtstreeks naar Coïmbra, waar het hof van Portugal destijds verbleef, en de Minderbroeders sinds twee jaren een eigen klooster hadden.
Koningin Eulalia (Uracca), gemalin van Alphonsus II, ontving de missionarissen als afgezanten des hemels en bewerkte door haar tusschenkomst, dat de geloofshelden niet in hun klooster buiten de stad, maar binnen de vesten in de abdij der Augustijnen hun intrek namen. Zoo had de vrome vorstin beter gelegenheid zich met die heilige mannen te onderhouden. Overtuigd, dat de Geest Gods met hen was, smeekte zij met aandrang haar te veropenbaren, wanneer zij sterven zou Aanvankelijk verontschuldigden zich de missionarissen. Toen zjj echter zagen, dat
196
de bede der koningin louter uit hoogere inzichten voortkwam, vroegen zij God dienaangaande om verlichting. De Heer nu, die over zijn getrouwen waakte, maakte hun niet alleen het sterfuur der koningin bekend, maar tevens, dat zij zeiven in Marocco den marteldood zouden sterven en hunne lichamen met groote plechtigheid in Coïmbra zouden bijgezet worden. Koningin Eulalia zou dien stoet nog te gemoet komen, maar daarna spoedig de eeuwige rust intreden.
Van Coïmbra trokken zij naar Alenquer, waar zij met groote hartelijkheid onthaald werden bij de infante Sancia, dochter van Portugals koning; eene maagd, die trots alle aanzoeken roemen mocht geen bruidegom te kennen dan Christus. Hare kapel werd bediend door de Minderbroeders, voor wie hare koninklijke milddadigheid het klooster van de H. Catharina gesticht had. Zij steunde de missionarissen op alle wijzen, en liet hen naar Lissabon geleiden, waar zij zich inscheepten voor Sevilla, toenmaals de hechte voorpost der Moorsche macht in Spanje. Zij ontmoetten daar nochtans eenige christenen, bij wie zij gastvrij onderkomen vonden. Hier brachten zij ettelijke dagen in gebed en afzondering over om zich te sterken tot den goeden strijd.
Vervuld met den H. Geest trokken zij nu onverschrokken uit als krijgers van Jesus Christus en waagden een stoute poging. Zij begaven zich naar een Moorsche moskee, toen het volk vergaderd was om te bidden tot den grooten profeet Mahomed. Daar beginnen zij luide Jesus Christus te prediken. Toen de Muzelmannen hen hoorden en vooral hun kleeding zagen, meenden zij, dat zij met waanzinnigen te doen hadden Zij wierpen hen met ruw geweld buiten den tempel. De kloeke krijgers traden onmiddellijk een tweede moskee binnen, doch werden niet beter onthaald. âWel, zeiden zij nu, wat vermogen wij met zoo weinigen tegen de gan-sche menigte!quot; Doch zij gaven geen moed vorloren, integendeel zij wakkerden elkaar tot nog grootere kloekmoedigheid aan. âLaat ons opgaan naar hun koning; als deze zich gewonnen geeft, is de overgave der onderdanen verzekerd.quot; Zij meldden zich derhalve bij het hof aan als gezanten van den Koning der koningen, die hun een gewichtige zending had opgedragen.
Pas stonden zij in 's konings tegenwoordigheid, of zij verheffen
197
hunne stem tegen de zinnelijkheid van Mahomeds Koran en vermanen den vorst zich te bekeeren tot het christengeloof. De miramolijn of prins der machtigen stond verbaasd. Nooit was de profeet zoo onbeschaamd aangerand! En dat in het koninklijk paleis! âVermetelen, zoo riep hij uit, verklaart u voor Mahomed en zijne wet, of ik laat u oogenblikkelijk het hoofd klieven. Doch zweert gij bij den grooten profeet, dan zult gij deelen in mijne waardigheden en rijkdommen.quot; De missionarissen wezen het aanbod des konings met verachting van de hand. âVorst, zoo spraken zij, uw genoegens duren korten tijd, en dan wacht u eeuwige foltering; maar wij erven voor de uitgezochtste martelingen eeuwige vreugden; voor den dood, het eeuwig leven.quot; De miramolijn in woede ontstoken liet hen wegvoeren met bevel tot onthoofding. Met u tbundige blijdschap begroetten de martelaren het doodvonnis.. âBroeders, zoo juichten zij, verheugt u, nog een weinig tijds en wij landen in veilige haven, gekroond met eere en heerlijkheid.quot;
Blijde schreden zij ter strafplaats. Het scheen hun als zweefden de Engelen reeds met de martelkroon boven hun hoofden. Doch helaas, een tegenbevel belet de uitvoering van het doodvonnis. De zoon des konings was bij de veroordeeling tegenwoordig. Door natuurlijk medelijden bewogen, raadde hij zijn vader, niet in drift en opgewondenheid te handelen, maar met zachtheid en beleid. Was het geen eer zulke helden voor de Halve Maan te winnen? Deze wenk behaagde den miramolijn. Een renbode gaf den scherprechter last hen op te sluiten in een toren
Droeve tijding voor de geloofshelden! Scheen het niet, dat zij onwaardig waren hun bloed voor Jesus te offeren? Daarom zullen zij nu des te kloeker optreden. Zij prediken Jesus aan de wachters, beklimmen den toren en verkondigen den voorbijgangers, dat Christus alleen God is en Zaligmaker; Mahomed een leugenprofeet, wiens volgelingen de helsche straf wacht.quot; Toen dit den miramolijn ter oore kwam, steeg zijne woede ten top. Hij liet de predikers vijf dagen in een onderaardschen kerker uithorgeren en daagde hen daarop voor zich.
Andermaal gaf de koning hun keuze tusschen het zingenot en de pijnbank. Doch zij riepen eenparig; âKoning, gave God, dat gij zooveel zorg hadt voor uwe ziel, als kommernis voor ons
198
aardsch geluk. Verlaat uw gevloekte secte, opdat gij gelukkig zijt met geheel uw volk. Met ons kunt gij handelen naar believen ; de dood is voor ons het begin des levens.quot; â Koning en Ministers stonden verslagen. Zij waagden het niet hun handen met het bloed dezer helden te bezoedelen, en besloten tot verbanning.
De koning liet hen aan boord brengen van een schip, juist zeilree voor Marocco. Bij hun aankomst in Marocco troffen zij een broeder van koning Alphonsus II, Don Pedro, die om een geschil verbannen en derwaarts gevlucht was. Zijn faam en dapperheid hadden hem de gunst der Mooren gewonnen. Ofschoon christen, stond hij aan het hoofd der Muzelmansche legerscharen. Niettemin bleef hij zijn geloof trouw en schroomde niet de missionarissen met onderscheiding in zijn paleis op te nemen. Vol bewondering voor die boetpredikers beloofde Don Pedro zijn steun; alleen maande hij tot omzichtigheid aan. Doch toen zij eenmaal buiten het paleis waren, ontvlamde het goddelijk liefdevuur zoozeer, dat zij den dood verachtten en de vermaning vergaten.
Eens had broeder Berardus, die het Arabisch beter machtig was, op een wagen plaats genomen om aan de menigte 's ïïeeren woord te verkondigen. Hij vroeg ook, waar de koning woonde. Men antwoordde, dat hij aanstonds zou voorbij trekken om buiten de stad de graven der voorvaderen te bezoeken. Maar in plaats van eerbiedig stil te zwijgen, toen de miramolijn voorbij reed, begon Berardus nog luider te prediken. De vorst hield stil en beval die waanzinnigen buiten de stad te drijven. Don Pedro zond vol bezorgdheid zijne dienaren om hen naar Ceuta te geleiden, vanwaar zij zouden vertrekken naar het vaderland. Doch zij ontsnapten aan de waakzaamheid der krijgsknechten en begonnen enkele dagen later met nieuwen moed op de stadspleinen te prediken.
Toen de koning dit hoorde, liet hij hen in boeien slaan, hen veroordeelend tot den hongerdood. Doch God waakte! Hij versterkte op wonderdadige wijze zijne apostelen. Loodzwaar drukte zijn straffende hand op het volk. Een verzengende hitte verdroogde en verschroeide alles, terwijl een verschrikkelijke pest het land teisterde. De Mooren erkenden de wraak des hemels
199
en bezwoeren den vorst âde barrevoetsche gevangenenquot; los te laten. De koning riep nu de christenen voor zijn troon, maar hoe verbaasd was hij, wanneer zij gezond en frisch verschenen. In plaats van tot nadenken te komen, gaf de verblinde trotschaard hun nogmaals bevel te vertrekken en nimmermeer als predikers in de stad te verschijnen.
Maar is het wel mogelijk het smachtend hert tegen te houden als het voortrent naar de vallei om zijn dorst te lesschen aan de frissche waterbron ? Wie kan in den apostel het vuur van den zielenijver dooven ? of is de liefde niet sterker dan de dood ? Eeeds den volgenden morgen klonk hun roepstem wederom door Marocco's straten: âJesus is God en Mahomed een bedrieger.quot;
Ijlings zond Don Pedro eenige Portugeezen uit, die de missionarissen in zijn paleis opsloten,
Intusschen waagden de Arabieren een inval in het Moorsche rijk en Don Pedro moest aan het hoofd der legerscharen tegen de opstandelingen uitrukken Hij vroeg den miramolijn oorlof om de vijf christen helden als aalmoezeniers mede te voeren. De vorst stemde toe. De miramolijn behield, na een verwoeden strijd, het veld en trok reeds zegevierend naar de hoofdstad terug. God liet echter toe, dat zij van den rechten weg afdwaalden. De watervoorraad was weldra verbruikt. Nog drie dagen trokken zij over onafzienbare zandsteppen voort, paarden en lastdieren bezweken, en de soldaten, door brandenden dorst uitgeteerd, zonken machteloos op het geblakerde woestijnzand neer.
Bij het zien dier ellende knielde Berardus met zijne broeders neer. Gelijk Mozes stond hij te midden van het volk, sloeg met zijn staf op de aardkorst en aanstonds borrelde het water in groote hoeveelheid op. Het leger met vee en lastdieren kon zijn dorst lesschen. Nieuwe voorraad werd opgedaan. Groot was aller bewondering en de Mooren kusten zelfs de voeten van den wonderdoener.
Alleen de koning bleef verstokt. Na zijn intocht in de hofstad verbood hij zijn redders ten strengste nog te prediken. Maar deze predikten niet slechts voor het volk, doch drongen tot den koning door en hielden hem onverschrokken Gods straffen voor oogen.
200
Nu was het geduld des konings ten einde. Hij gaf Albozaida, een Saraceensch veldoverste, bevel, de missionarissen te onthoofden. Deze officier, een getuige van het wonder in de woestijn, beproefde eerst uit dankbaarheid hen tot andere gevoelens te brengen. Bedreiging noch smeeking mocht baten. âWij moeten prediken,quot; verklaarden zij. En opnieuw brandmerkten zij Mahomeds Koran.
Zij werden dan op de pijnbank uitgestrekt en aan 30 beulen overgeleverd. Ontkleed, met handen en voeten gebonden, sleurt men hen met eene koord aan den hals door de straten. Daarop werd bij de geeseling hun vleesch met stukken losgereten, totdat hun gebeente en ingewanden zichtbaar werden. Daarmede niet tevreden, rolde men hen over glas en scherven, goot kokende olie en azijn in de gapende wonden en sloot hen ten slotte in den kerker. Niet één wankelde! Neen, gelijk de drie jongelingen weleer in den vuuroven te Babyion, loofden zij om strijd God den Heer! 's Nachts straalde plotseling een hemelsch licht in de gevangenis. De soldaten, in den waan, dat zij ontvluchten willen, snellen toe, doch vinden tot hun verbazing, dat de martelaren in het gebed met ongeduld de eindoverwinning verbeiden.
In den vroegen morgen liet de tiran hen opnieuw voorkomen. Op weg spoorde een officier hen aan om Mahomed boven den Christus te huldigen. Doch pater Otto keerde hem den rug toe en spuwde ten teeken van verachting op den grond. De woedende Muzelman sloeg den held in het aangezicht. Kalm bood Otto hem de andere wang en zeide; âGod vergeve u, ik ben blijde, mijn Jesus gelijkvormig te zijn.quot;
Bij den Emir in verhoor ontvangen, sprak deze met kortheid âGij zijt alzoo die goddeloozen, die het waar geloof versmaadt en Mahomed, Allah's grootsten profeet, lastert ?quot; âVerre zij het van ons, riepen de belijders, het waar geloof te versmaden; wij zijn zelfs bereid daarvoor ons bloed te storten. Maar uw valsch geloof verfoeien wij, met deszelfs profeet, dien gij een Godsgezant noemt.quot;
De koning was in verlegenheid. Schijnbaar kalm beproefde hij de laatste poging, het middel, dat bij den verwijfden Maho-medaan als het krachtigste geldt, den wellust. Hij wees hun op
201
rijk getooide vrouwen en sprak : âIndien gij de leer van Mahomed omhelst, deelt gij in mijn rijkdom en geluk ; zoo niet, dan zult gij sterven.quot; âPrins, zoo riepen zij fier, terwijl zij zijne slavinnen den rug keerden, houd gij uw vrouwen en rijkdom; wij voor ons behouden Jesus Christus. Alles is ons nietig, als wij opzien naar den hemel.quot;
Terwijl zij deze taal spraken, gevoelde hun ziel zich reeds zalig in de verwachting der onsterfelijkheid. Maar die zelfde taal bracht den tiran tot waanzinnige woede. Hij springt op van zijn zetel, grijpt zijn slagzwaard en huilend roept hij : âNeen, ik zelf zal Allah's eer wreken.quot; Eigenhandig klieft de gekroonde beul den martelaren het hoofd ! Het was de 16 Januari 1220.
Op hetzelfde oogenblik, dat de hoofden der geloofshelden vielen, zag Sancia, de infante van Portugal, hen met den palmtak zegevierend ten hemel opvaren.
Inmiddels wilden de woeste Saracenen hun haat nog botvieren aan de lijken. De hoofden werden door het slijk gesleurd; de lichamen schandelijk verminkt. Het gepeupel legde ze op den brandstapel, doch het vuur doofde uit. Nu zou men ze in stukken scheuren, doch een onweder breekt los en slaat allen op de vlucht. Dit gaf den christenen tijd om de lichamen te ontvoeren en naar het paleis van Don Pedro over te brengen.
Reeds lang walgde dezen prins de wreedheid der barbaren. Van nu af wilde hij niets meer met hun bloeddorst gemeen hebben. Hij sloot de reliquieën in twee kostbare kisten en met dien schat vluchtte hij naar Portugal. Tallooze moeilijkheden ondervond hij op zijn tocht. Eerst werd hij uit christenhaat door den miramohjn achtervolgd, daarop verdwaalde hij in de woestijn; de wilde dieren deden het bloed in zijne aderen stollen; de onstuimige zee slingerde hem op een zandbank; doch de Heiligen waren zijn redding in allen nood.
Zoodra in Coïmbra ruchtbaar werd, met welk een kostbaren schat Don Pedro aankwam, geraakte de bevolking in geestdrift. De koning met zijne gemalin, de geestelijkheid met het volk trokken de reliquieën tegemoet, om ze in triomf naar de domkerk te voeren. Door eene bijzondere beschikkirg Gods werden zij echter bijgezet in de abdijkerk der kanunniken van den H. Augustinus, waar zij schitterden door vele wonderen.
202
Koningin Eulalia had dus dezen triomftocht bijgewoond, en gelijk de martelaren voorspeld hadden, ging zij spoedig daarop den eeuwigen vrede in. In den nacht van haar verscheiden zag haar biechtvader zes Minderbroeders het priesterkoor binnentreden. Hij vroeg, wie zij waren. Een hunner antwoordde: âDeze is Franciscus, en wij zijn de vijf martelaren. quot;Wij komen de uitvaart vieren van koningin Eulalia, onze zuster, die zooeven in den Heer ontslapen is.quot; Des morgens vroeg ontving de biechtvader bericht van haar zalig afsterven.
Broeder Vitalis, die wegens ziekte, te Saragossa was achtergebleven, geraakte bij het vernemen van den marteldood zijner broeders in geestverrukking; in een laatste liefdezucht verbrak hij de banden, welke hem nog aan de aarde kluisterden, en ging zich met zijne broeders vereenigen voor den troon van het onbevlekte Lam.
Overgroot was echter de opgetogenheid van den H. Franciscus, toen hij den glorierijken marteldood van zijne kinderen vernam. In vervoering van vaderlijke fierheid over die bloedige zegepraal, riep hij uit: âVoorwaar, nu kan ik met zekerheid getuigen, dat ik vijf ware Minderbroeders heb.quot; Daarop zich naar Spanjo keerend, begroette Lij van verre in deze bewoordingen het klooster te Alenquer, vanwaar zij den marteldood tegemoet gesneld waren: âO heilig huis, gezegende grond ! Gij, hebt den Heer der hemelen vijf gepurperde bloemen aangeboden van overzoeten geur. Wees daarom gezegend en immer bewoond door heilige kloosterlingen!quot;' Zoo jubelde de heilige Stichter, toen hij de Orde met het bloed zijner kinderen in purper getooid zag.
En nog vermoedde hij niet, dat dit bloed een vruchtbaar zaad was, waaruit een zijner edelste zonen zou geboren worden; een apostel en quot;Wonderdoener, een Vriend des volks, Antonius van Padua.
UÃÃÃÃiMHhiÃiHMÃÃi^MMÃiHiiéÃÃii^iiiÃiHiitVÃMiiliiilMiiÃlilÃiiiiiMMUiiiÃiii
IBISEBEBlBlBBBBSPgiripgacapn mmmrmmmmrmmmmmmmfmmmmmmmmmmmmmfmm
VIJFTIENDE HOOFDSTUK. Antonius van Padua.
oen de heilige overblijfselen van de eerste martelaren der Serafijnsche Orde met grootsclie plechtigheid in de abdij van het heilig kruis te Coïmbra werden bijgezet, leefde daar een religieus, wiens hart door het edelmoedig voorbeeld dier geloofshelden zoo diep getroffen, zoozeer in verlangen naar den marteldood ontstoken werd, dat hij de blanke livrei van den H. Augustinus verwisselde met het bruine kleed van den armen Assisiër; Franciscus' Orde toch beschouwde hij als een school van martelaren.
Die jeugdige kloosterling heette Fernando van Bouillon. Hij was de eerstgeborene uit den echt van Martinus van Bouillon en Theresia Tavera (15 Aug. 1195), beiden beroemd om den adel des bleeds, meer echter om den heldenmoed hunner voorvaderen en het onwrikbaar geloof der kruisridders. Martinus stamde af van Godfried van Bouillon den grooten held van den eersten kruistocht, den stichter van het koninkrijk Jerusalem. Hij was kleinzoon van Vincentius van Bouillon, die Alfonsus I in zijn krijgsbedrijven tegen de Mooren steunde en ter belooning zijner schitterende wapenfeiten tot gouverneur van Lissabon benoemd werd.
Kind van zegening vond Fernando om zijn wieg ouders vol teederheid en degelijke godsvrucht, die over zijne ziel waakten en in het jeugdig hart den geest van het Evangelie als een zachten dauw deden neerdalen. Onder dien invloed ontkiemden de deugden in dier voege, dat hij vijf jaren oud reeds vol liefde tot God, voor de beeltenis der onbevlekte Moeder-Maagd neergeknield, belofte deed van eeuwige zuiverheid. Heerlijk morgenoffer, dat opsteeg voor Gods troon als een welriekende wierook!
Op tienjarigen leeftijd vertrouwden zijne ouders den knaap
204
aan de priesters der kathedraal om hem op te leiden voor het heiligdom des Heeren. Fernando volgde als koorknaap vijf jaren de verschillende klassen. Begaafd met een helder verstand, levendige verbeelding en stalen geheugen maakte hij groote vorderingen in de wetenschappen ; doch vooral op het pad der deugd. Met het klimmen der jaren begreep Fernando steeds meer en beter de ijdelheid van het aardsche, de vluchtigheid des levens. Het maakte diepen indruk op hem te moeten zien, hoe de argelooze deugd in de weelderige stad Lissabon door tal van gevaren bedreigd werd. Vol vrees, dat het stof der bedorven wereld zijn ziel zou aankleven, viel hij op vijftienjarigen leeftijd zijn ouders te voet en smeekte met aandrang het kloosterkleed te mogen aannemen. Groot was het offer; doch zij stemden toe, schoon met bloedend hart.
Fernando zeide vaarwel aan het grafelijk burchtslot, zijn innig geliefde ouders, beminde zusters en aan alle wereldsche genoegens. Hjj klopte aan bij de kanunniken van het heilig kruis binnen zijne vaderstad om in armoede en stilte Jesus op zijn kruisweg te volgen. Doch de wereld gunde hem zelfs in de kloostercel geen rust. Zjjne vrienden en bloedverwanten kwamen hem veelvuldig bezoeken en beproefden herhaaldelijk hem in de wereld terug te voeren. Waarom zich binnen de kloostermuren verborgen ? Kon hij niet beter tot heil van het geloof naar het voorbeeld zijner vaderen schitteren op het slagveld aan de spits der legerscharen ? Fernando sidderde voor die vleitaal. Met oorlof der oversten verliet hij niet den krijgsdienst, waarbij hij ingelijfd was, maar het tooneel van den strijd, niet om een gril maar gedreven door heiligen ijver, en hij vertrok naar het klooster van het heilig kruis te Coïmbra. Hier gaf hij zich geheel aan God over. In het kleppen der klok hoorde hij de stem Gods ; het koorgezang was zijne wellust, de versterving zijn wapenrusting, de gehoorzaamheid zijn levensregel, het gebed zijn zoetste troost.
In de abdij ging de studie der letteren hand aan hand met de godsdienstige vorming. Fernando drong vooral diep in de gewijde Boeken door. Daar putte hij licht en geestelijk voedsel, daar smeedde hij de vlammende schichten, welke hij den vijand later naar het hoofd zou slingeren. Zoo kwam hij in gebed, en
205
t . .
studie aan den schoonsten en vurigst verbeiden dag zijns levens, den dag der H. Priesterwijding.
Hij was nu ongeveer 25 jaren oud. Kort daarop werd hij aangesteld tot gastenmeester des kloosters. Deze bediening bracht hem in aanraking met de zonen van Priinciscus, die sinds enkele jaren een half uur buiten de stad een klooster bewoonden, naaide bevallige ligging in een olijfbosch, Antonius-in-de-Olijven geheeten. Daar de broeders van aalmoezen leefden, klopten zij van deur tot deur aan. Zoo verschenen zij ook in de abdij van het heilig kruis en boden Fernando gelegenheid zich met hen over het doel hunner instelling en hunne levenswijze te onderhouden.
Reeds ontwaakte in zijn boezem een heilig verlangen hun uiterste armoede en vernedering te deelen. Gedurende het verblijf der vijf missionarissen van Marocco in Santa Crux, werd de liefde voor de stichting van Franciscus bij den minzamen gastenmeester niet weinig verhoogd. Toen hij eenige maanden later hunne overblijfselen in triomf zag bijzetten in de Adbij-kerk, gloeide zijn binnenste van begeerte naar den martelpalm. Over hun reliquieën neergebogen bad hij : âO mocht het den Allerhoogste behagen mij onder het glorierijk gezelschap zijner martelaren op te nemen! Fernando, zal die dag voor u ooit aanbreken ? Zult gij ooit dat geluk smaken ?quot; Terwijl hij aldus smeekte, werd zijn gebed door de heilige martelaren ondersteund. De genade voltooide hare werking. Hij stond op, vast besloten de Orde van Franciscus in te treden.
Zoodra de Franciscanen weer aan de kloosterpoort klopten, vroeg hij het habijt hunner Orde. Hij legde zijn oversten den wil des Heeren bloot en omhelsde met hunne toestemming reeds den volgenden morgen de Serafijnsche armoede, zijn naam Fernando tegen dien van Antonius verwisselend. Hij nam afscheid van zijn oude broeders en snelde naar Antonius-in-de-Olijven, gelukkig, dat hij thans met Francisus zijn vader in volle waarheid mocht uitroepen: âMijn God en mijn al.quot;
Na het eindigen van den proeftijd legde hij zijne geloften af. Slechts korten tijd daarna vroeg hij, gedreven door de begeerte naar den marteldood, zijnen oversten verlof als missionaris naar de ongeloovige landen te mogen uittrekken.
206
Bij voorkeur wees hij op Afrika, waar de martelkroon hem tegenlachte. Eindelijk sloeg de gelukkige stonde. De toestemming der overheid kwam, en Antonius toog naar Afrika's kusten om het kruis te planten en zijn bloed te gaan storten voor Jesus' naam.
Grootsche onderneming! Doch hoe verschillen de plannen dei-Voorzienigheid van die der menschen. Nauwelijks had de jeugdige kruisgezant voet aan wal gezet, of door koortsen aangetast werd hij aan het ziekbed gekluisterd. Hij trok niet als boetprediker door Marocco's straten en stegen, overschreed den drempel der moskeeën niet, koning noch volk hoorde zijne roepstem. Hij kon niet arbeiden; ziedaar zijn martelaarschap!
Hij begreep, dat de hemel andere plannen met hem had. Nochtans was zijne reis naar Afrika, hoe onvruchtbaar ook voor het oog der wereld, niet tevergeefsch. God immers loont den arbeid niet naar den uitslag, maar volgens de goede meening En zouden Afrika's dorre kusten geen vruchten oogsten van zijn gebed en tranen? Toen Antonius moest wijken, landden reeds andere helden uit Toscane te Ceuta in het rijk der Mooren om Antonius' eerepost te bekleeden. Het waren pater Daniël, provinciaal van Calabrië, met zes medearbeiders: Angelus, Samuël, Donulus, Leo, Nicolaas en Hugolinus. Zij verspreidden zich in de stad, luid roepende: âJesus Christus is de eenig ware God; er is geen zaligheid tenzij in Hem.quot; Geheel de stad kwam in opschudding De Mooren wierpen zich op de geloofspredikers, mishandelden ze en sleurden hen voor den stadhouder; deze liet hun de keuze tusschen geloofsverzaking of den dood. âOns geloof verzaken, riepen allen uit één mond, dat nooit!quot; Zij werden aanstonds ter dood verwezen; juist hun vurigst verlangen. Op den ochtend der terechtstelling vielen zij hun overste te voet en smeekten om zijn vaderzegen; plechtig verhief Daniël de hand en sprak: âVerblijden wij ons in den Heer; vieren wij dezen dag als een vreugdefeest; de Engelen zweven reeds aan onze zijde; de Hemel is geopend, Jesus verbeidt ons met den martelpalm.quot; Daarop namen zij afscheid en snelden naar de folterplaats met den glimlach op de lippen. Men zou gemeend hebben, dat zij gingen deelnemen aan een bruiloftsfeest! Hun hoofd viel en andermaal dronk Afrika's zand het bloed van Franciscus' zonen. (10 Oct. 1227.)
207
In de lente van 1221 scheepte Antonius zich in voor Portugal, hopende dat de gezonde lucht des vaderlands zijn geschokte gezondheid zou herstellen. Doch andermaal verijdelde een hevige storm zijn plannen. Het schipt geraakte buiten koers en landde op de kusten van Sicilië. Vandaar begaf zich Antonius naar het generaal kapittel te Assisië, dat hem bestemde voor de provincie van Bologne.
Verstoken van de martelkroon, stelde Antonius zich schadeloos op de wijze der heiligen, dat is te zeggen, hij zocht de eenzaamheid. Onze heilige vroeg en bekwam verlof in het klooster van Monte Paolo te mogen leven. Daar werd den talentvollen gravenzoon, verborgen voor het oog der wereld, als taak aangewezen het vaatwerk in de keuken te reinigen en den kloostergang te vegen. Den overigen tjjd trok hij zich terug in een nabijgelegen grot, waar hij zich geheel wijdde aan de versterving der zinnen en de overweging der H. Schrift. Ziedaar, hoe de Heer zijn groote Apostelen, die eens stroomen van leven, waarheid en liefde over de wereld zullen uitstorten, vormt in de eenzaamheid, loutert in den smeltoven der versterving. Het schijnt regel te zijn in de geschiedenis van Gods groote dienaren, dat zij met Jesus in het stille huisje te ïfazareth verborgen blijven, totdat de Heer zelf hen te voorschijn roept.
Een geheel onvoorziene omstandigheid deed de verborgen talenten van den nederigen grotbewoner kennen.
Tn het jaar 1222, waarschijnlijk in de quatertemperdagen der vasten, kwamen te Porli verscheidene kloosterlingen bijeen om de H.H. Wijdingen te ontvangen. Ook Gratianus, de provinciaal van Bologne, verscheen er, vergezeld van broeder Antonius. Gratianus werd door den bisschop uitgenoodigd de gebruikelijke feestrede te houden op de verhevenheid der priesterlijke waardigheid. Uit bescheidenheid bood hij deze eer den zonen van Domi-nicus aan. Op hunne weigering om bij dergelijke plechtigheid onvoorbereid het woord te voeren, krijgt hij eensklaps een ingeving, wendt zich tot zijn reisgezel en gebiedt hem tot den wijdelingen eene godvruchtige toespraak te richten. Antonius, ofschoon onthutst, gehoorzaamt vol vertrouwen op den bijstand des H. Geestes. De woorden van den Apostel: âChristus is gehoorzaam geworden tot den dood, ja tot den dood des kruisesquot;
208
tot tekst nemende, stelt hij den levieten Jesus Christus als volmaakt toonbeeld van zelfverloochening voor oogen. Zijn taal, aanvankelijk beschroomd, wordt weldra levendig, wegsleepend, bezield. Zijn lichaam, door versterving uitgeput, door ziekte neergebogen, richt zich op ; zijn gelaat verheldert. Buiten zich zeiven van verbazing meenen zijne toehoordera de stem van een profeet te hooren.
Gratianus was bovenmate gelukkig. Onverwijld zond hij bericht aan Franciscus over het zeldzaam redenaarstalent van den jeugdigen Portugees.
Opgetogen van blijdschap schreef de Patriarch een brief, waarin hij Antonius machtiging verleende om overal te prediken. Spoedig daarop werd hij zelfs aangesteld om ook de hoogste aller wetenschappen, dvi H. Godgeleerdheid, te onderwijzen. Ziehier Franciscus' brief:
âBroeder Franciscus aan zijn veelgeliefden broeder Antonius, heil in Jesus Christus.
âHet heeft mij goedgedacht, dat gij onze broeders onderricht âin de heilige godgeleerdheid ; zorg vooral, dat gij in u en de âanderen den geest van godsvrucht en gebed onderhoudt gelijk âhet in den Regel is voorgeschreven. Vaarwel.quot; Krachtens deze opdracht onderwees Antonius achtereenvolgens de godgeleerdheid te Bologne, Montpellier, Padua en Toulouse.
Te zelfder tijd zette de jonge Portugees ook zijn apostolische loopbaan voort, welke zoo zegenrijke gevolgen naliet. Als wonderdoener riep hij met Je?us dooden op; genas hij met zijn schaduw de zieken; gebood hij aan de elementen der natuur; deed hij het stomme dier in aanbidding voor Jesus' sacrament knielen; voerde hij het volk tot geestdrift op. Hij doorkruiste Languedoc, Provence, Berry en Toscane, sloeg de Manicheën met schaamte of bracht hen terug in den schoot der moederkerk. Overal en altijd gloeide hij van zielenijver, dien de hemel zelf onophoudelijk met beteekenisvolle wonderen bekrachtigde.
Op het provinciaal kapittel te Aries in 1226 werd de Heilige aangewezen om het woord te voeren. Naar aanleiding van den feestdag der kruisverheffing (14 Sept.) had hij het opschrift des kruises tot tekst genomen. Terwijl hij nu met Serafijnschen gloed
'209
de glorie van Jezus' kruis verhief, had broeder Monaldus een verschijning: hij zag den eerbiedwaardigen stichter, den H. Fran-ciscus, met stralend gelaat en uitgebreide armen milden zegen uitstorten over den redenaar en zijne toehoorders. Op hetzelfde oogenblik gevoelden allen zich inwendig versterkt in den geest hunner roeping, die geheel vervat is in de liefde tot den gekruisigden Jesus. Franciscus, die zich toen in het bisschoppelijk paleis van Assisië bevond, getuigde aan zijne vertrouwelingen de waarheid dezer verschijning; het was een zinnebeeld, zeide hij, van den innigen band tusschen meester en leerlingen.
Eenigen tijd later beefden Lombardije én de Romagna voor den naam van E^elinus, in de geschiedenis berucht als de Nero dor middeleeuwen. Hij liet zijne gevangenen, in kerkers opgehoopt, van honger omkomen. Vicenza, Brescia, Verona, stormenderhand ingenomen, waren, overgeleverd aan de woede eener wreede, schaamtelooze krijgsbende. Padua dreigde een zelfde lot. Bij die mare snelt Antonius naar Verona. Met een onverschrokkenheid, die herinnert aan den profeet Elias, dringt hij door in het paleis van den nieuwen Achab. Daar slingert hij hem het verwijt toe: âWreede tiran, hoelang nog zult gij voortgaan met âhet vergieten van onschuldig bloed ? Het zwaard des Heeren âzweeft u boven het hoofd en zijn oordeel zal vreeselijk zijn.quot; De lijfwacht van den dwingeland wachtte slechts op een teeken om den overmoedigen monnik af te maken. Het teeken werd echter niet gegeven Integendeel, Ezelinus, de bloeddorstige tijger werd zacht als een lam Hij werpt zich met eene koord aan den hals voor den Heilige neer en belooft beterschap. âHet scheen, zeide hij later tot zijne trawanten, alsof de oogen van dien monnik bliksemstralen schoten en ik op het punt stond in de hel neergeslingerd te worden,quot;
Attila deinsde eens terug voor de majesteit van paus Leo den Grooten; Ezelinus, een andere geesel Gods, bezweek voor den H. Antonius; en Padua was gered i
Padua toonde zich dankbaar jegens den redder des vaderlands. Al de steden van Lombardije roemden den onverschrokken moed van den Engel des vredes; Antonius' invloed nam zoozeer toe. dat Ezelinus in verbittering uitriep: âIk vrees dien monnik meer dan al de legerscharen der Welfen.quot;
14
210
Ondertusschen wilde bij in zijn wantrouwen Antonius' ridder-Ijjkheid op de proef stellen, hem een strik spannen. Hij zond een gezantschap met rijke geschenken en gaf het volgende bevel: âBrengt deze geschenken naar Antoni'.is. Indien hij ze aanvaardt, dan zult gij hem op staanden voet worgen; wijst hij ze met verontwaardiging van de hand, keert dan haastig terug zonder hem eenig leed te berokkenen.quot; De handlangers van den tiran hielden zich nauwgezet aan het bevel. Maar Antonius riep hun verontwaardigd toe : âIk verlang uwe schatten niet, die de vruch^ zijn van roof en plundering! Die schatten zullen vergaan en gij met hen! Vertrekt spoedig en bezoedelt een godgewijd huis niet langer door uw tegenwoordigheid.quot; Beschaamd dropen zij af en gaven hun meester verslag van het gebeurde. â tls wel, sprak Ezelinua koel, Antonius is een man Gods. Hij vervult zijn plicht, als hij onze gruwelen ontmaskert en veroordeelt; laten wij hom daarom volgens onzen plicht met rust en vrijheid.quot;
Die vrijheid benuttigde Antonius om Gods woord te prediken overal waar de ketterij het hoofd op stak. Was zijn welslagen in Languedoc groot geweest, in Italië slaagde hij boven alle verwachting. Rome, Ferrara, Bologne kwamen door de kracht van zijn woord tot inkeer; Rimini zwoer de ketterij af toen het den Heilige tot beschaming zijner halsstarrigheid zag prediken voor de visschen der zee en deze naar de stem des Apostels zag luisteren; Florence en omliggende steden beweenden hare uitspattingen, toen zij volgens voorspelling des Heiligen na de begrafenis van een gierigaard zijn hart nog warm vonden tus-schen zijn goudstukken. Kortom zoo schitterend was zijn verdienste, dat de Pausen hem begroetten als de Ark des Verbonds, den uitstekenden Leeraar, den Wonderdoener der geheele kerk, den Hamer der ketterij.quot;
Reeds vroegtijdig werd de gevierde Apostel ter eeuwige bruiloft genoodigd. Met een lofzang aan Maria op de lippen ontsliep hij te Padua in den ouderdom van 36 jaren (13 Juni 1231.) Reeds het volgend jaar op het Pinksterfeest kwam paus Gregorius IX naar Padua om hem onder het getal der Heiligen op te nemen. Sinds dien dag geschieden op Anfonius' voorbede tallooze wonderen.
In 1263 groef men het gebeente van den Wonderdoener op
211
om het over te brengen naar de majestueuze domkerk, te zijner eere gebouwd. De H. Bonaventura, generaal der Orde, opende zelf het graf; het lichaam was tot stof vergaan; de tong alleen was ongeschonden, frisch en rood, als van een gezond mensch. Bij dat mirakel kon de Serafijnsche Leeraar zijn aandoening niet weerhouden. Hij nam die heilige tong in zijne handen, kuste haar det eerbied en riep uil: âO gezegende tong, die nimmer opgehouden hebt God te loven, en aan anderen te leeren Hem te prijzen, thans ziet men duidelijk, hoe kostbaar gij waart in 's Heeren oogen!quot;
De Heilige Antonius van Padua is met den heiligen Franeis-cus een der grootste figuren uit de léJde eeuw. Als heilige straalt hij in de Kerk gelijk een vonkelende ster, maar als godgeleerde, als wonderdoener, doch vooral als apostel mag hij vergeleken worden bij de schittering der zon. Men moet de geschiedverhalen der tijdgenooten naslaan om zich een denkbeeld te vormen van de geestdrift, door hem verwekt in Frankrijk zoowel als in Italië.
Had Franciscus een voorgevoel van de roemrijke toekomst, toen hij Berardus naar Marocco, Antonius naar Bologne uitzond ? Waarschijnlijk wel! Zeker is het, dat deze beide heiligen een overheerlijk sieraad zijn in den eerekrans der Orde. Doch zijn de kinderen niet het beeld des Vaders? Ontvingen zij hun zending en gezag niet van den Seraf? Aan den grooten kruisgezant danken zij wellicht hun triomf, en daarom straalt de glorie der kinderen ook met onsterfelijken glans om het hoofd van Franciscus, beider Vader! !
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
Van V«kiiolt;ië tot zijne aftredintf op het derde Kapittel.
(1220.)
y^erwijl Berardus met zijne gezellen onder het kromzwaard der ilooren viel, stak Franciscus, die noch de volkeren ai» van het Oosten voor de waarheid, noch voor zich zelf den palm van het martelaarschap mocht winnen, de zeeën overquot; om zjjn apostolaat in Italië voort te zetten. Hij ontscheepte te Venetië. Deze groote stad, die als eene rijke en bekoorlijke koningin uit den waterspiegel der Adriatische zee oprijst, was op dat tijdstip tot het toppunt harer macht geklommen. De schepen aller natiën liepen haar havens binnen en voerden haar de schatten toe van Oost en West. Hare dogen waren koningen; hare kooplieden wedijverden met de vorsten in weelde en wellust. De arme van Assisië achtte het gunstig oogenbik nog niet gekomen om openlijk zijne stem te verheffen in eene stad, waar genoegens en drukke handelszaken elkander onafgebroken verdrongen. Hij verwijderde zich daarom uit het woelige middelpunt der handelstad en ging eenige dagen overbrengen op een dier kleine eilandjes, die als een schitterende krans van paarlemoerschelpen op de azuren watervlakte der Venetiaansche meren wiegelen.
Toen hij voet zette op het eiland, bemerkte hij een talrijk vogelenheir, dat lustig kweelde. âOnze broeders de vogelen, zoo sprak hij tot zijn gezel, loven reeds den goeden God! Komaan, laten wij in hun midden net goddelijk officie zingen.quot; Nochtans, het gekweel der vogelen stoorde Franciscus te veel in zijn gebed, en daarom zeide hij : âMijne broeders, staakt een wijle uw gezang, totdat wij Gode den tol onzer aanbidding betaald hebben.quot; Aanstonds zwegen alle en hernamen hun dartel gezang niet, voordat do Heilige hun verlof gaf.
213
Het gerucht van dit wonder trok de aandacht der Venetianen op den Godsgezant. Hun geloof herleefde en zij wisten den schat te waardeeren, dien God in hun midden met wonderen verheerlijkte. Tot blijvend aandenken aan deze wonderbare gebeurtenis, haastte zich een der edellieden, zekere Jacobus Michiëli, den Heilige op dat eiland een klooster aan te bieden, hetwelk later âFranciscus-in-de-woestijnquot; geheeten werd.
Van Venetië sloeg hij den weg in naar Bologna om het klooster te bezoeken, waarvan acht jaren te voren door zijn eersten leerling, Bernardus van Quintavalle, in boete en tranen de grondslagen gelegd waren. Op weg predikte hij in de groote steden van Lombardie, zooals Treviso, Padua, Bergamo, Brescia, Mantua en andere, en overal roeide de Engel des vredes volgens zijne gewoonte oude veeten uit, wreekte het gekrenkte recht, stortte berouw en liefde in afgedwaalde zielen.
Op een dezer tochten (tusschen Treviso en Vicenza) werd Franciscus door de duisternis van den nacht overvallen, en hij geraakte, gelijk de H. Bonaventura zegt, in levensgevaar, aangezien hij onbekend was met de landstreek en de vele moerassen, die de oevers der Po omzoomen. Zijn gezel schaarde zich beangstigd onwillekeurig vast aan Franciscus' zijde en riep: âVader, bid toch, dat God ons uit het gevaar redde.quot; âGod is goed en almachtig, zoo antwoordde Franciscus met onverstoorbare kalmte, en als het Hem behaagt, zal het geen moeite kosten ons voor den ondergang te behoeden.quot; Nauwelijks iiad hij dit woord gesproken, of een hemelsch licht omstraalt hen, zoodat zij daghelder de moerassen en kuilen konden onderscheiden Zij dankten God en door deze miraculeuze toorts voorgelicht, wandelden zij den ganschen nacht ongehinderd voort.
Intusschen hadden het zengend klimaat van Egypte en de lange zeereis Franciscus' lichaamskrachten gesloopt; een hevige maagkwaal openbaarde zich, zoodat het hem onmogelijk werd verder te voet te reizen. Eene liefdadige hand kwam zijne zwakheid te gemoet en deed hem op een ezel rijden. Broeder Leonardus van Assisië, een man van hoogadellijke afkomst, moest den weg aan Franciscus' zijde te voet afleggen. De tocht viel hem lang; verveling werd geboren, en deze blies hem, gelijk placht te geschieden, liefdelooze gedachten in. âWel, zeide hij in zijn hart.
214
mijne ouders zouden zich geschaamd hebben met, zijne familie te spreken; en nu zit hij op een rijdier en ik mag het bij den teugel leiden.'' Hij werd geheel door die sombere mijmering beneveld, toen Franciscus van het muildier sprong en uitriep: âWel neen. Broeder, het betaamt niet, dat ik rijde, terwijl gij te voet voortschrijdt; immers gij waart vroeger veel edeler dan ik!quot; Broeder Leonardus werd schaamrood, wierp zich aan Franciscus' voeten en beleed, dat hij had misdaan door hoogmoed
Te Cremona ontmoette Franciscus nogmaals den H. Dominicus. Het was een zoete vertroosting, welke 's Hemels Voorzienigheid hem schonk Zij spraken samen over Gods goedheid, over den bloei en wasdom hunner stichtingen, over de strooming, die de volkeren heentrok naar den God van Calvarië. Een schitterend mirakel bekroonde hun onderhoud.
Terwijl zij nog in Gods heerlijke natuur bijeenzaten, naderden eenige kinderen van den Aartsvader der armen. âHeilige Vaders, zoo spraken zij, het ontbreekt ons aan zuiver drinkwater. Bidt den Heer, dat Hij onzen put, waarvan het water troebel is, zegenen moge.quot; De dienaren Gods staarden elkaar zwijgend aan, als noodigden zij elkander uit, de bede der religieuzen in te willigen. Eindelijk gelastte Dominicus: âSchept water uit den put en brengt het hier.quot; Zij haalden van het water en nu ging Dominicus voort: âVader, zegen dit water in den naam des Heeren.quot; âNeen, vader, luidde Franciscus' bescheid, gij zijt de meerdere, gij 7ijt priester, gij moet het zegenen.quot; Die heilige twist duurde nog een wijle voort, totdat Dominicus toegaf en het kruis maakte over het water met bevel het weder in den put te werpen, welks water van dien stond af altijd volkomen rein en drinkbaar bleef.
Van Cremona richtte Franciscus zijn schreden naar Bologna, bijgenaamd het Wijze. De H. Vader had een hoogen eerbied opgevat voor de Boloneezen, sinds Bernardus hem geschreven had: âMijn vader, te Bologna gaat alles voorspoedig. Zend echter in mijn plaats andere kloosterlingen hierheen, want ik geloof geen vruchten meer te kunnen inoogsten; ik heb zelfs reden te duchten, dat ik hier mijn zielevrede zal storen, mijne deugd schaden, zoo overlaadt het volk mij met eerbewijzingen.'' Desniettemin was Franciscus er verre af zich te verwachten aan den triomftocht, die hem daar bereid was*
215
Bjj de blijde mare zijner aankomst, trok gelicel de stad hem te gemoet. Studenten en professoren, priester en leek, ridder en poorter, allen wilden den Heilige zien, hem hooren, z|jn zegen ontvangen. Zij wuifden den geliefden apostel met palmtakken tegen, zongen lofliederen en omstuwden hem met eene eerewacht der liefde, zooals zelden een koning of prins aanschouwde. Slechts met groote moeite bereikte hij onder de jubelende menigte het groote marktplein. Franoiscus beklom een in der haast opgeslagen spreekgestoelte, maar dezen keer predikte hij over de Engelen, menschen en duivelen zoo verheven, met zulk een rijkdom van beelden en kracht van woorden, met zooveel gloed en zalving, dat hij aller geesten boeide, aller harten won en men eerder een Serafijn des hemels dan een mensch dezer aarde meende te hooren.
Velen dezer Boloneezen vroegen hot boetkleed, o. a Nicolaas Pepolin, hoogleeraar der Universiteit en stichter van het klooster dezer stad; Bonizio en tal van veelbelovende studenten. Fran-ciscus wrocht tal van wonderen in hun midden; zoo schonk hij een kind door het teeken des kruises het licht der oogen, en nog een ander genas hij van een kwaadaardige ziekte. Beide kinderen sloten zich later aan bij Franciscus' zonen.
Na zijne toespraak op het marktplein ging Franciscus zijne hulde aanbieden bij kardinaal Hugolinus, die als pauselijk gezant in Lombardije verblijf hield Hierop begaf hij zich naar het klooster van het Heilig Kruis, waar zijne zonen hem wachtten.
Doch helaas! wie beschrijft Franciscus' teleurstelling, toen hij stond tegenover een ruim en schoon gebouw! Vol verontwaardiging over die inbreuk der kloostertucht, gispte hij de toegevendheid van den provinciaal en sprak : âIs dat eene woning voor Evangelische armen ? Waagt een Minderbroeder het in een paleis te verblijven! Neen! nooit erken ik dit huis als het onze; nooit zal ik de bewoners als mijne kinderen begroeten. En derhalve gebied ik uit kracht der gehoorzaamheid het overwijld te verlaten.'' De kloosterlingen gehoorzaamden op staanden voet zonder een enkele verontschuldiging in te brengen ; zelfs de zieken, waaronder Thomas de Celano, die dit feit heeft opgeteekend, werden naar elders overgebracht.
Middelerwijl had men kardinaal Hugolinus verwittigd, die
216
aanstonds toesnelde om de verontwaardiging des Heiligen te stillen. âMijn zoon, dus sprak hij, maak geen bezwaar tegen dit gebouw; want liet ie niet uit weelde of gemakzucht rijker dan uw andere kloosters opgetrokken, maar alleen om wille der zieken, die ruimte en frissche lucht behoeven. Bovendien blijft het eigendom berusten bij den gever en den 11. Stoel.quot; Deze raadgeving was goed getroffen, Franciscus herriep ter wille van den kardinaal zijn verbod en het klooster werd wederom betrokken. Evenwel weigerde Franciscus den nacht in het klooster over te brengen, en hij zocht een onderkomen bij de Dominicanen, opdat aldus zijne lossen te boter vruchten zouden afwerpen. âEene toegevendheid, zoo sprak hij, die oogluikend verslapping in de kloosterwet toestaat, houdt op toegevendheid te zijn en wordt medeplichtigheid. God verhoede, dat ik ooit door mijne tegenwoordigheid een misbruik, op het punt der armoede binnengesmokkeld, zou billijken.quot;
Den volgenden morgen zeide hij Dominicus' zonen vaarwel en daalde af naar Umbrië's vallei om het generaal kapittel voor te zitten.
Na tien jaren onafgebroken strijd en overwinning keert thans de onversaagde kampioen onder de zijnen terug. Hier eindigt, wel beschouwd, de strijd van den kruisheld, de prediking van den apostel! Door zwakte en kwalen, die zijn lichaam wegteren, genoopt, zal hij het klooster niet meer verlaten, tenzij terloops en voor korten tijd. De jaren, die hem nog resten in het ballingsoord dezer aarde, zijn verdeeld tusschen het gebed, de belangen zijner Orde en een smartvol lijden.
Wij hebben den apostel gevolgd door Italië, naar Spanje en Egypte, van 1209â1220; wij waren getuigen van de edelste overwinning, die een sterveling kan behalen; bijna overal waar hij den kruisstandaard plantte, daar zegevierden waarheid en deugd. Het ligt niet in ons plan op dien zegetocht terug te komen, maar toch aan het einde van Franciscus' apostolische loopbaan, zoeken wij onwilkeurig naar de oorzaak van den invloed zijner prediking. En het afdoend antwoord luidt: Franciscus was âeen heiligequot; en dat zegt alles. Wordt ons dat niet terloops als de bronader zijner kracht aangeduid in een schenkingsbrief van het stadje Poggi-Bonzi, waar onder het jaartal 1220 geboekstaafd werd: âwij verleenen eenen
217
man, met name Franciscus, wien dc ycheeic wereld cert als een Heilige, machtiging een huis te betrekken met de kloosterlingen zijner Orde?quot; Is deze plechtige verklaring wel iets anders dan de weerklank der openbare meening ? Franciscus werd door het volk toegejuicht als een bij uitstek door God bemind man; als de Thaumaturg, die door zijn wonderwerken de volkeren boog onder 's Heeren juk; als de Trooster, die door zijne medelijdende liefde het bloedend hart heelde; als de Engel des vredes, die den invloed, door zijne deugd verworven, te baar nam om de geschillen bij te leggen en de verbasterde zeden der middeleeuwen te hervormen.
Aan deze gedachtenreeks knoopt zich eene vrome legende, welke men altijd met genoegen leest en herleest; wij bedoelen de geschiedenis van âden xvolf van Guhbio.quot;
Gubbio, een stadje van Umbrië, is gelegen ten Noorden van Assisië op de steile helling der Apennijnen. Zijne inwoners werden menigmaal lastig gevallen door een wolf, welks grootte en wreedheid monsterachtig mochten heeten. Hij vergreep zich niet slechts aan de dieren, maar wierp zich op kinderen en menschen. De burgers waren met schrik geslagen, en de stoutste waagde zich niet zonder wapenen in het open veld. Door medelijden bewogen besloot de Heilige den wolf op te sporen. Hij beklom den berg zonder schrik, want zijn vertrouwen was op God. Van verre door het angstig volk nagestaard, stuitte hij plotseling op het legerhol van den wolf. In zijn rust gestoord schiet het woedende dier met een sprong en gapenden muil op den Heilige toe. Maar Franciscus maakte bedaard het kruis-teeken en gebood op doordringenden toon: âKom hier, broeder Wolf; in den naam des Heeren gebied ik u niemand leed te berokkenen, noch mij, noch een ander!'' De wolf sloot aanstonds den muil en zacht als een lam vleide hij zich neer aan de voeten des Heiligen. âBroeder ^\olf, dus ging Franciscus nu voort, gij hebt groote wandaden bedreven. Gij hebt niet alleen vee verscheurd, maar u zelfs in uwen bloeddorst vergrepen aan den mensch, het beeld van God. Gij verdient den dood! Iedereen beklaagt zich over u ; gij zijt de schrik der geheele landstreek ! Maar ik wil u met hen verzoenen. Honger was de eenige drijfveer van al uwe wreedheden. Beloof mij derhalve
218
voortaan een vreedzaam leven te leiden, dan zullen de menaclien u het verledene vergeven, en voor het vervolg in uw nood/a-keljjk onderhoud voorzien. Hebt gij daar vrede mede ?quot; De wolf boog den kop en toonde door zyao bewegingen, dat hij de gestelde voorwaarden aannam.
Nu daalde Franciscus den berg af gevolgd door den wolt' gelijk een meester door zijn hond. Toen geheel de stad op het marktplein was samengestroomd om dit ongehoord schouwspel te zien, beklom Franciscus eene hoogte en sprak het volk aldus aan : âMijne broeders, het was tot straf uwer zonden, dat God dezen geesel over u had losgelaten. Maar als de muil van een uitgehongerd dier, dat niet kan dooden dan uw lichaam, genoeg was om stad en land met schrik te vervullen, dan vraag ik u ; moest het angstzweet u niet van het voorhoofd druipen bij de gedachte aan dien gapenden afgrond der hel, die zijn slachtoffers voor eeuwig verslindt naar ziel en naar lichaam ? Ach, bekeert u en doet boetvaardigheid, en God zal u bevrijden niet slechts van dezen wolf, maar ook na uwen dood van de eeuwige foltering der hel!quot;
Na deze toespraak vroeg de Heilige openlijk aan de overheden en burgers der stad of zij de voorwaarden van het vredesverdrag met den wolf goedkeurden, of zij hem namelijk van voedsel wilden voorzien, op voorwaarde dat hij niemand meer aanviel. Allen stemden eenparig toe; en de wolf, die op zijne beurt zijn woord en trouw wilde verpanden, legde zijn poot in de hand van Franciscus. Op dat gezicht kende de verbazing der geestdriftige menigte geen grenzen meer, en daverende juichkreten ontwelden aller borst.
Het volk loofde God, die hen door Franciscus en om zijne verdiensten bevrijd had van de wreedheid des wolfs. Nog twee jaren ging de wolf te Gubbio van deur tot deur en trad zelfs de huizen binnen zonder ooit eenig leed te veroorzaken. Allen beijverden- zich om hem het noodzakelijke te verschaffen. Twee jaren na zijne bekeering stierf broeder Wolf van ouderdom, en de inwoners waren bedroefd. Als zij dat beest de straten hunner stad zagen rondtrekken met de zachtheid van het lam, dan herinnerden zij zich met blijdschap de mirakelen en heiligheid van den vermaarden Wonderdoener van Umbrië, en voelden zich niet weinig tot deugd en vredelievendheid aangespoord.
219
Na ecne afwezigheid van ruim één jaar keerde Franciscus in Maria-ter-Engelen weer. Het was in het begin van de maand September des jaars 1220. Zijn terugkeer werd vurig verlangd. Immers in eene pas gesticlite Orde rijzen vanzelf vele .-noeilijk-heden. Nu eens zijn het menschelijke zwakheden, die, worden zij niet tijdig gestuit, in misbruiken ontaarden; dan moeten er soms besluiten genomen worden, die zonder het doorslaand gezag van den stichter krachteloos blijven. Geen wonder dus, dat Franciscus' twaalf eerste discipelen reikhalzend naar zijn aankomst uitzagen.
Benige dagen voor het feest van den Aartsengel Michael had de Aartsvader een wonderbaar visioen, dat hem levendig trof. Hij zag een reusachtig standbeeld aan zijne voeten verrijzen met gouden hoofd, zilveren armen, bronzen beenen en leemen voeten; en hem werd veropenb'aard, dat de verschillende metalen do verschillende tijdvakken zijner Orde beteekenden; lotswisselingen, die zij nieitegenstaande haar wonderbare ontwikkeling en levensvruchtbaarbeid gelijk alle menschelijke instellingen zou ondergaan.
Door den indruk van dit droomgezicht niet weinig aangevuurd om althans zoolang mogelijk den oorspronkelijken glans zijner Orde te handhaven, opende Franciscus den 29 September 1220 in Portiuncula het derde generaal kapittel. Aanstonds uitten de gevoelens zijns harten zich in twee maatregelen, die de omstandigheden hem opdrongen. Eerstens stelde hij een degelijk onderzoek in, of de oversten vasthielden aan de heilige armoede. Dan om een voorbeeld te stellen, hoe nauwgezet hij van allen gehoorzaamheid vorderde, strafte hij Joannes de Stracchia, die in onberaden ijver zonder zijne voorkennis te Bologne een leerstoel der godgeleerdheid had opgericht, en verklaarde hem daarom vervallen van de bediening van provinciaal.
Ofschoon Franciscus van nature zacht en minzaam was, toonde hij zich als Overste in de meest netelige verwikkelingen een man van vastberaden wil; â of was het zijn recht, ja beter gezegd, zijn dure plicht niet misbruiken te keeren, en uit te roeien, schadelijke ranken van den wijnstok af te snijden ? Maar had de overste zijn plicht volbracht, dan hield de vader zijne kinderen de teederste waarschuwing en troostwoorden voor, uit den over-
220
vloed zijns harten geput. Met diep gevoelde welsprekendheid uitte hij deze klacht en vermaning tevens; âMijne broeders, gij zijt de plaatsbekleeders van den groeten koning; het is uwe taak het volk zijne geboden te verkondigen. Wijdt u derhalve met hart en ziel aan de bediening, die u is toevertrouwd, en laat u daarvan niet terughouden door aardsche beslommeringen. Overweegt te voren voor God, wat gij het volk zult prediken, en vraagt in het gebed dien gloed, die uwe prediking moet doortintelen. Hoog verheven is de verkondiging van het woord Gods. De predikant is het licht der wereld, een kanaal des levens, de schrik der hel. Uit dien hoofde hebt gij recht op de vereering en den eerbied des volks, mits gij zeiven zorg draagt uwe bediening op te luisteren door de waardigheid uws levens, door de oprechtheid uwer inzichten. Ach, wat zijn zij bitter te beklagen, die hun talenten veil hebben voor ijdele glorie, zich laten bedwelmen door den wierook der lofprijzing. quot;Wee hen, die zoeken te streelen en te behagen, en meer redenaar willen zijn dan apostel! Wee hen, die allen tijd verkwisten om hun prediking te polijsten met verwaarloozing van het gebed, het voedsel der ziel! Hoevelen, die meenen velen voor Jesus gewonnen te hebben, zullen in den dag des oordeels beschaamd worden als holklinkend metaal, terwijl de vruchten van hun arbeid verzameld worden door een eenvoudigen leekebroeder, die in tranen en boetdoening God voor den armen zondaar heeft gebeden. Daarom, mijne broeders, vergeet nooit, dat ik mannen begeer van gebed^ meer dan hooggeleerden. Laat het gebed nooit achter om de studie, en studeert nooit uit nieuwsgierigheid, maar alleen om beter te leven en door uw voorbeeld anderen te trekken tot de deugd. Bouwt niet op de verhevenheid van uwen staat, maar hoedt u liever voor Satans listen. Wie toch telt de slachtoffers zijner sluwheid ? In den hemel ontrolde hij het vaandel des oproers, en Engelen zelfs sleurde hij mee in zijn val; in het paradijs misleidde hij Adam en Eva, en aan Jesus' zijde heeft hij de Apostelen gezift als het koren : één verried zijn Meester een ander verloochende hem en allen' sloegen op de vlucht 1 Waakt dus en bidt; werkt onverdroten aan het zieleheil des naasten, maar zonder ooit uw eigen voortgang in de volmaaktheid te veronachtzamen.quot;
221
Bij deze waarschuwing blonk zijn aangezicht en zijne stem trilde! Doch toen hij bij het teedere punt van het predikambt de verhouding zijner zonen tegenover de wereldlijke priesters aanraakte, werd zijn stem zoetluidend. âWeest onderdanig aan het geestelijk gezag, zoo smeekte hij ; predikt nooit voor de kudde tegen het verlangen van den herder, want krachtens onze roeping zijn wij slechts hunne medehelpers. Langs dien weg zult gij de genegenheid van priester en volk afdwingen. En zo:i het den oppersten Herder wel behagen, als gij de goedkeuring der geloovigen wegdraagt, maar hun herders koel afstoot ?quot;
De H. Patriarch had zijn hart op vaderlijken maar ook na-drukkelijken toon lucht gegeven; hij deed het met meer aandrang dan gewoonlijk, want de heilige vader had het plan gevormd oa\ zijne bediening als overste neer te leggen. Eenige dagen voor het kapittel had hij tot zijn reisgezel gezegd: âIk zou mij niet als waar Minderbroeder gedragen, wanneer ik niet beoefende, wat ik u zeggen zal. Ik ga thans opwaarts om het kapittel voor te zitten, te preeken en de noodige verordeningen vast te stellen. Veronderstel echter, dat men op het einde des kapittels zeide : gij zijt een onnoozel man, zonder ontwikkeling of welsprekendheid, gij kunt ons niet langer besturen ; ja veronderstel
zelfs, dat men mij met smaadwoorden buiten de deur werpt; _
ik verklaar u, als ik dien smaad niet verdroeg zonder dat er wrevel op mijn aangezicht doorstraalde, zonder dat de vrede mijns harten verstoord werd, dan ben ik geen waar Minderbroeder !quot;
ïusschen deze bespiegelingen zijner ootmoedigheid ziet men zijn besluit doorschemeren, om als overste af te treden; hij wilde zulks deels omdat zijne ziekelijkheid dagelijks verergerde, deels om zijn dorst naar verootmoediging en blinde gehoorzaamheid te lesschen. Nochtans openbaarde hij het geheim zijns harten niet voor de laatste zitting van het kapittel, waarin hij eensklaps opstond en tot de vergaderde broeders zeide: âVoortaan ben ik gestorven voor u. Ziethier uwen overste : Petrus Cattaifl ; hem zullen wij allen, gij en ik, gehoorzamen.quot; Daarop neerknielend aan de voeten van Petrus Cattani beloofde hij hem eerbied en gehoorzaamheid als Minister Generaal der Orde.
222
Groot was de verbazing zijner kinderen. Zij jammerden als weezen. Eerst toen Franciscus zijn beslist verlangen met nadruk had verklaard, eerbiedigden zij de wenschen huns Vaders en namen zijn ontslag aan, doch onder eene eervolle beperking. Men kwam overeen, dat hij, ofschoon onderworpen aaü' zijn gardiaan, immer met de rechten den titel zou voeren van Minister Generaal, en dat tijdens zijn leven zijne opvolgers alleen den naam zouden dragen van Vicarius Generaal, (d. i, algemeen plaatsbekleeder).
Nu verhief de H. Franciscus zijn oogen, in tranen badend, ten hemel en richtte met een onuitsprekelijk gevoel van liefde dit gebed tot God : âHeer Jesus, ik beveel U deze familie, die U toebehoort. Gij weet, dat mijne ziekten mij beletten haar nog langer te bestieren. Ik geef haar over in handen der Generale Oversten. Maar zou het ooit gebeuren, dat door nalatigheid, door hunne ei'gernis of buitensporige gestrengheid één der Minderbroeders verloren ging, dat zij er U, Heer Jesus, rekenschap van geven in den dag des oordeels.
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
Dp Derde Orde.
(1221)
e dorde Orde van Franciscus, gelijk de beide andere, ontlook in het verborgene, zonder gedruisch. De Heilige kwam eens te Poggi Bonzi, eene Toskaansche plaats, gelegen aan den weg, die van Florence naar Lucca voert. Aldaar ontmoette hij een vriend zijner jeugd, Luchesius of Lucius genaamd, voorheen een gierig en hardvochtig koopman, doch die sedert eenige maanden zijn leven verbeterd had. Gelijk hij vroeger een ieder ergerde door zijn eigenbaat, stichtte hij thans door zijn milddadigheid. Hij verleende den behoeftige hulp, verpleegde de zieken in de hospitalen, opende den pelgrim gastvrij zijn huis en nam de verdediging van 's Pausen rechten op, In zijn ijver om de deugd te verbreiden beproefde hij, doch helaas, tevergeefs om de gevoelens zijner liefdadigheid over te planten in het hart van zijn echtgenoote Bona Donna. Ofschoon der godsvrucht toegedaan was deze een dier vrouwen, welke slechts luisteren naar de voorzichtigheid des vleesches, die altijd vreezen te kort te komen; weshalve zij dan ook de handelingen van haar gemaal met bitterheid als verkwisting laakte. Een schitterend wonder bracht haar tot inkeer.
Op zekeren dag had Luchesius al het brood, dat in huis was, onder de armen verdeeld, en toen nu nog eenige armen aanklopten, verzocht hij zijne echtgenoote ook dezen een aalmoes te geven. âMaar waanzinnige mensch, zoo roept zij in furie, gij hebt door het vasten uw verstand gekrenkt! zult gij nu de belangen van uw eigen gezin geheel over boord werpen?quot; Luchesius bleef bij die verwijtingen opgeruimd en verzocht haar vriendelijk de kast, waar zij de dagelijksche mondbehoeften borg, te openen, terwijl hij in zijn hart vol vertrouwen Dengene aanriep, die in de woestijn voor duizenden het brood had verme-
'224
nigvuldigd. Bona Donna gehoorzaamde en vond tot hare verbazing een ruime hoeveelheid versch brood opgestapeld. Sinds dien dag stond ook haar hart open voor de inspraken des Hemels en beiden wedijverden in de beoefening der werken van barmhartigheid.
Het huis dezer boetelingen was in Gods raadsbesluiten voorbeschikt om de bakermat der Derde Orde te zijn. Toen Franciscus hun drempel betrad, zeide hij: âVele menschen in de wereld hebben mij verzocht hun ter volmaaktheid een levensregel voor te schrijven, die met hun levensstaat overeenkomt. Tot bevrediging hunner verlangens heb ik besloten eene Derde Orde in te stellen, waarin men God op volmaakte wijze kan dienen zonder de banden des huwelijks te breken; en ik oordeel het ge-wenscht, dat gij als de eerstelingen wordt opgenomen.quot; Met blijdschap omhelsden beiden een voorstel, dat zoo bizonder met hun vurigste verlangens overeenstemde. Franciscus gaf hun een levensregel, waarin hij oefeningen van versterving, van godsvrucht en gebeden voorschrijft en middelen aan de hand geeft ter bevordering der christelijke naastenliefde. Vooral twee voorschriften van dien regel trekken onze aandacht omdat de opvolging derzeive ook voor onze tijden zoo heilzaam zou zijn ; het eerste der twee voorschriften luidt aldus: âDe leden van de Derde Orde moeten in geheel hunne levenswijze en kleeding met terzijdestelling van alle weelde en pracht, dien regel der middelmaat in acht nemen, welke ieder volgens zijn staat past.quot; liet tweede, even wjjs als voorzichtig, zegt: âZij zullen zich met de meeste omzichtigheid verwijderd houden van te vrijzinnige tooneelvoorstellingen of dansvergaderingen en slemppartijen.quot;
Zeer wijze maatregelen voorzeker voor Franciscus' eeuw, die een eeuw was van weelde en pracht, van aardsch pleizier en zingenot, en daarom een eeuw, zooveel gelijkend op de eeuw, waarin wij thans leven !
Luchesius en Bona Donna hadden weldra ontelbare navolgers, want de regel der Derde Orde werd niet slechts met vreugde begroet, maar zelfs met ongeloofelijke geestdrift omhelsd. (1)
(1) Door Houorius Itf eerst mondeling goeilgekeurd eu ilaarna bij breve âSiguificatuin estquot; (12211; donr Gregorin* IX (25 Jan. 1227), door Nicolaas IV, Encycl. âSupra muiitemquot; (IS Alio-. 1229); aang-eprezeu achtereenvolgens door 30 breven van verschillende pausen, door de concilies van Vienne'1311) en van Lateranen V (1512â1517) en laatstelijk door Leo XIII Encycl. âAnspi-catoquot; (17 Sept. 1882), die den regel voor onze tijden en zeden wijzigde. Encycl. âMisericors Dei Filinsquot; (30 Mei 1S83).
225
De wereld, zegt Lacordaire, werd bevolkt met maagden, weduwen en echtelieden, menschen van eiken stand, die openlijk de onderscheidingsteekenen der Derde Orde droegen, en de oefeningen van het kloosterleven tot de hunne maakten.
Men nam de livrei aan van den H. Pranciscus of van den II. Dominicus ; men bezocht hunne kerken, nam deel aan hunne gebeden, stond hen bij door vriendschap en aalmoezen, en volgde zoo nabij mogelijk hun voetspoor in het beoefenen der deugden, vooral van versterving en boetvaardigheid. Men begreep, dat men de wereld niet behoeft te ontvlieden om zich tot de navolging der heiligen te verheffen.
Pas was de Serafijnsche Derde Orde gesticht of de stem des volks, als een weerklank van die des stedehouders van Christus, verkondigde luide, dat de Derde Orde het werk was van den Allerhoogste, een zoete vrucht van Pranciscus' zielenijver. Zij verbreidde zich met de snelheid, waarmee de vlam in een rietbosch om zich heengrijpt, zij overschreed de bergen en zeeën, reikte tot de grenzen van het Chineesche rijk en werkte krachtdadig mede tot hervorming der 13 eeuw, want zij was het brandpunt van een nieuw christelijk leven, een sterke dam tegen de onchristelijke strooming naar weelde en zingenot en de doodsteek van het leenstelsel met zijn burgertwisten en ingekankerde veeten ! Met Columbus, Pranciscus' edelen zoon, sloeg zij hare tenten op in de nieuwe wereld. Van haar opkomst tot den huidigen dag heeft zij onafgebroken met woestijn en klooster gewedijverd om een wonderbaren lusthof van Heiligen aan te kweeken, en deze vruchtbaarheid was een der redenen, welke de opperherders dei-kerk bewogen om over haar den verkwikkenden en milden dauw van geestelijke gunsten en voorrechten uit te storten.
In de talrijke keurbende van helden, die de Ordesteekenen van den armen Assisiër heiligden, is de zalige Luchesius, wiens bekeering wij verhaalden en wien God de gave van mirakelen en van gebed zelfs tot geestverrukking schonk, de eerste volgens de tijdsorde ; maar de doorluchtigste is ongetwijfeld de H. Lo-dewijk IX, die overal eerbied en bewondering afdwingt; onder de eiken van Vincennes, waar hij de gerechtigheid handhaaft; te Damiate, waar hij de koningskroon, door de Turken aangeboden, afwijst; te Tunis, waar hij sterft op de aasche uitgestrekt.
15
226
De ïï. Kerk heeft hem tot eersten patroon der Derde Orde van Franciscus verheven.
Verschillende pausen, o. a. Leo X, Pius VI, Pius IX en de roemrijk regeerende Paus Leo XIII schaamden zich niet om bij den luister der tiare de livrei van Franciscus aan te nomen. Gekroonde hoofden als Rudolf van Ilabsburg, de II. Ferdinand, koning van Castille, Karei V, Philips II en III, koningen van Spanje, Garcia Moreno, het roemwaardige slachtoffer der vrijmetselarij ; machtige heeren als een H. Elzearius van Sahran, een H. iiochus van Montpellier; heldengestalten als een Thomas Morus, die tusschen het martelaarschap en geloofsverzaking geplaatst zijne verachting van de heiligschennende grillen dei-staatsmacht in zijn bloed boette; priesters als een H. Ivo, Franciscus de Paula, Vincentius a Paulo en op onze dagen een pastoor van Ars, Don Bosco roemen er onder honderd duizenden op zonen te zijn van Franciscus; Bisschoppen en Kardinalen als een H. Carolus Borromeus, een Mgr. de Segur, Mgr. Freppel, kardinaal Alimonda verkondigen, dat Franciscus' koord en boetkleed het Romeinsch purper hoogen luister bijzetten. Kardinaal Alimonda was hun aller tolk, toen hij bij gelegenheid van het 700jarig geboortefeest van Franciscus in een taal, waar bevalligheid en welsprekendheid om den palm dongen, zijne vereering uitsprak voor hem, dien hij zijn vader en toonbeeld noemde. âXooit, zoo sprak hij, word ik moede den dag te zegenen, waarop ik mij omgordde met de koord van den Patriarch van Assisië. AVanneer mijne moeder mij als kind van Franciscus verhaalde, voelde ik mij reeds tot dien grooten Dienaar Gods getrokken. Ik beminde hem, omdat hij mij geschetst werd vol liefde, voor hetgeen een kinderhart aantrekt: de lente, de bloemen, de vogelen, wien hij een nestje bouwde, de klagende tortel, die uit zijne hand at en schuilde in de plooien van zijn kleed. Met de jaren groeide mijne bewondering, en toen ik mij bereidde voor het heiligdom des Heeren, begroette ik in Franciscus den vriend der kinderen en weerloozen, den verdediger der verdrukten, den trooster der bedroefden, den heraut des Evangelies, den onverschrokken apostel, die met zijne schouderen de wankelende muren der moederkerk stutte, en ik koos hem tot toonbeeld! Thans, nu het gebas en de schampere spot der
227
yrijdenkers mij in de ooren klinkt, verloochen ik mijn eerste overtuiging niet! Neen, nooit zal ik mii schamen lid te zijn der Derde Orde! Integendeel zij is mijne glorie, want hare leden noodigen mij uit om onder den hechten bijstand der goddelijke bescherming mijn vlucht te nemen tot alles, wat groot, wat schoon en zegenrijk is voor mijne tijdgenooten. Met Volta en Galileus kan ik spreken over de wetenschap der ervaring en natuur; met Columbus snel ik ter ontdekking en zaliging van onbekende landen; met Raijmundus Lullus zweef ik in de hooge sferen der wijsgeerige bespiegeling; met Cimabae en Giotto, met Michael Angelo en Raphael grijp ik naar beitel en penseel; met Dante, den koning der dichters, maal ik in onsterfelijke verzen het beeld van âdien wonderbaren held, wiens leven zich het best laat zingen onder de gloriën des Hemels.quot; (I)
Kardinaal Alimonda raakt hier een der schoonste gezichtspunten van Franciscus' instelling, den ijver, waarmee wetenschap en schoone kunsten in den loop der eeuwen het fiere hoofd bogen voor den Seraf der Goddelijke Liefde. Raphael, Murillc, Petrarca, Galvani, Columbus, Lopez de Vega, Cervantes, Dante, Donoso Cortes, Ferdinand Gaillard, om slechts enkele namen te noemen, al die edele genieën waren niet slechts oprecht geloo-vigen, maar de Seraf van Assisië breidt over hen als zijne ware kinderen beschermend de vleugelen uit. Het boetkleed dei-Derde Orde, waaronder zij gestreden hadden, was ook de sierlijke doodwade, waarin zij begraven wilden worden.
Wij kunnen hier nog wijzen op eenige andere geurige bloemen, welke door God in den Serafijnschen lusthof geplant daarvan een schoon sieraad en sterke aanbeveling zijn. Aan den ingang schittert de H. Elisabeth van Hongarije, echtgenoote van den godvreezenden Lodewijk, Landgraaf van Thuringen.
Haar jeugdig hart, waarop Gods genade werkte als de lentezon op ontluikende bloemen, was een vruchtbare bodem voor het goede zaad, dat Franciscus' hand in de christen wereld uitstrooide. Als de Minderbroeders in genoemd jaar ten tweeden male in Duitschland optraden, vonden zij bij haar steun en belangstelling; zelfs stichtte zij in de hoofdstad Eisenach een klooster, en koos pater Rodinger, die onder Duitschlands eerstelingen den sera-
(1) Paradijs. Zang XI.
fijnschen regel beloofd had, tot haar biechtvader. Nauwelijks had zij haar nieuwe gastvrienden hooren gewagen van de Derde Orde, of getroffen over de heerlijke voordeelen, welke deze instelling den ijverigen christen aanbiedt, vormde zij het voornemen zich aan die Orde te verbinden. Welk een treffend voorbeeld voor een verwijfde wereld; Een geëerde koningsdochter, wier hoofd de schoonste diadeem, wier hand de machtigste schepter van Duitschland draagt, knielt neer om zich met het boetkleed en den ruwen gordel van Assisië's Arme te tooien!
Toen de H. Patriarch bericht ontving van de kostbare aanwinst, welke zijne missionarissen in den persoon der Landgravin van Thuringen en Hessen gemaakt hadden, was hij opgetogen van blijdschap. De voorbeeldige ootmoedigheid van Elisabeth, haar degelijke godsvrucht, haar bezorgdheid voor de melaatschen en haar onbegrensde milddadigheid jegens de armen waren dikwerf het onderwerp zijner gesprekken met kardinaal Ilugolinus. Op zekeren dag drong de kardinaal er op aan, dat hij haar een onderpand zijner toegenegenheid zou schenken. Alsof hij vreesde, dat de bescheiden Pranciscus zich zou verontschuldigen, nam hij den ouden mantel, die om diens schouders hing en beval dezen aanstonds aan de vorstin te zenden. âIk wil, zoo sprak hij, dat gij haar een zelfde erfdeel laat, als Elias aan zijn [dierbaren leerling Elizeus geschonken heeft.quot; De Heilige gehoorzaamde. Hij zond zijne pleegdochter dit armoedig geschenk te gelijk met een vaderlijken brief, waarin hij ophaalt van de vele genaden, waarmee de Hemel haar van de wieg af voorkomen heeft, en haar geluk wenscht met het dankbaar gebruik dat zij er van maakte.
Elisabeth ontving met dankbaarheid den mantel van den nieuwen Elias. De waarde, welke zij al de dagen haars levens aan dit kleinood bleef hechten, blijkt uit het volgende : In haar stervensuur liet zij zich Franciscus' mantel brengen en reikte hem aan een der trouwen, die haar stervenssponde omringden, zeggende : âZiehier, mijne dochter, het kostbaarste mijner edelgesteenten. Zoo dikwerf ik mij daarmee getooid heb, heeft Jesus, mijn Welbeminde, mijne ziel met geneugten overstroomd.quot;
Intusschen wilde God, dat zij de verhevenheid van het lijden paren zou aan die des koningschaps. Hij wierp haar in den
229
smeltkroes der beproeving. Op 20jarigen leeftijii werd zij weduwe, haar moeder viel onder het staal van een sluipmoordenaar. Nog bloedde die wonde, toen zij met hare drie kinderen gewelddadig uit haar kasteel, den Wartburg, verdreven werd. Daar staat nu de koningsdochter, beroofd van haar staten, verstoeien van allen. Waarheen zal zij vluchten ? Zij klopt aan, doch niemand neemt haar op. Bij de snijdende winterkoude verwijst men haar naar een stal! Maar zij, de gravin van Thuringen, de prinses van Hongarije, toonde zich te midden dier vlijmende smarten de waardige dochter van Franciscus. De lijdenskelk was boordevol; nochtans ^een verwijt kwam over haar lippen, geen zucht ontsnapte haar beklemde borst! Staat er niet geschreven, dat naarmate men hier beneden in 's Heeren lijden deelt, men des te meer in de glorie zal stralen ? Of bracht die stal haar niet de kribbe van Bethlehem te binnen ?
Hoort gij dat klokje te middernacht ? Het zijn Franciscus' zonen, die opstaan om den Heer te loven. De edele vrouw staat ook op en gaat met haar verkleumde kinderen derwaarts. Zal zij een bede richten tot de goede paters, voor wie zij zelve dat klooster heeft gesticht? Ja, eene bede dreef Elisabeth naaide kloosterkerk, maar welke bede ? Zij verzocht de paters het dankgebed der kerk, den lofzang âTe Deumquot; aan te heffen om Gode lof te brengen voor het lijden, dat Hij haar overzond. O wie begroet deze vorstin niet bij uitstek als de Minnares des kruises ?
Op 2éjarigen leeftijd was deze gekroonde boetelinge rijp voor den Hemel, en haar serafijnsche ziel vloog op ter eeuwige bruiloft. Vier jaren later (den 26 Mei 12r!5) nam Gregorius IX haar reeds op onder de Heiligen, en zij werd tot patrones der Derde Orde verheven, waarvan zij in Duitschland de eerste dochter was en immer de schoonste parel blijft. Haar edelmoedig hart vloeide over van liefde en medelijden jegens den arme en ongelukkige. En dat medelijden en die liefde, welke zij van haar prilste jeugd af in hare schoone ziel gevoed en gekoesterd had, groeiden van dag tot dag zoozeer aan, dat Elisabeth den glorievollen naam van Moeder der armen, waarmede de geheele christenheid haar begroet en vereert, ten volle waardig is.
Niet de invloed harer koninklijke geboorte, niet de ij dele zucht
230
naar lof en eer, noch het verlangen naar menschelijke dankbaar heid hadden haar deze medelijdende liefde jegens den arme en ongelukkige ingestort; neen, hooger, eindeloos hooger moet men die bron opsporen. De grenzenlooze liefde tot den arm geworden Jesus, de kinderlijke eenvoudigheid harer engelachtige ziel, haar onwankelbaar en vurig geloof, gevoegd bij de inwendige stem der genade, welke van uit den hemel in haar hart weerklonk, ziedaar wat haar aanspoorde, om als het ware met eene hartstochtelijke liefde, naar het voorbeeld van Franciscus, de armoede en ellende te beminnen.
Elisabeth wordt door een breeden hofstoet van heilige vrouwen omstuwd, die als zij haar glorie en kracht vonden in de Derde Orde. Noemen wij slechts in Frankrijk; Blanca van Cas-ille met geheel haar koninklijke familie; de gelukzalige Delphina, die met haren echtgenoot, den heiligen graaf Elzearius, onder den sluier des Huwelijks den schat der maagdelijkheid bewaarde; in Spanje : koningin Isabella, de beschermster van Columbus; in de Nederlanden, de landvoogdes Isabella, in Zweden de H. Brigitta, zoo beroemd om haar veropenbaringen; in Portugal, de H. koningin Elisabeth door haar eigen onderdanen gevierd als de Vrede-Bode, de moeder des vaderlands; in Italië, Pica, de god-vreezende Moeder van Franciscus, de gelukzalige Humiliana, die in de plaats zelve, waar zij het boetkleed had aangenomen, in de kerk van liet heilig Kruis, begraven werd; en dan de H. Rosa van Viterbo ! Dat engelachtig kind nam 10 jaren oud zijnde op Maria's voorschrift het kleed der Derde Orde aan, en preekte de boetvaardigheid met de kracht der profeten. Door Gods geest gedreven verhief die jonge maagd haar stem tegen den trouwe-loozen Frederik II, verweet hem zijn afval, en het kind achtte zich gelukkig verbannen te worden door een geduchten vorst! Nog voorspelde zij den val des keizers en de zegepraal der kerk, en 18 jaren oud werd deze bloem geplukt om in Sions lusthoven te prijken. En mogen wij hier zwijgen van de groote zondares in Toscane, Margaretha van Cortona ?
Vroegtijdig van de raadgevingen eener wijze moeder beroofd,zonder leiding of fortuin, maar met edele schoonheid begaafd, verleidde de jeugdige Margaretha tal van jongelingen en leefde negen jaren in schande met den ridder van Monte-Pulciano. Doch
231
God erbarmde zich harer. Op zekeren dag was de edelman uitgegaan, gevolgd door zijn trouwen hond. Na twee dagen keerde de hond alleen weer, huilde jammerlijk, en scheen zijne meesteresse toe te roepen: âGa met mij.v Margaretha volgt, en de hond geleidt haar in het bosch, totdat zij stonden voor een hoop takken, nog versch afgekapt. Zij neemt de takken weg, en daar ligt de deelgenoot harer zonden uet den moordpriem in het hart, reeds het aas der wormen! ,0 God, zoo roept zij, en waar is zijne arme ziel Zij zinkt op de knieën en barst in tranen los. Had zij tot dusverre de openbare zondares van het Evangelie gevolgd in hare uitspattingen, zij volgde deze ook in de boetvaardigheid en werd âde Maf/dalenaquot; der Franciscus-Orde!
Tusschen die grootsche zielen, zoo verscheiden in familie, stand en landaard, springt een trek in het oog, die zij allen met Franciscus gemeen hebben : de geest van het apostolaat. Pas zijn zij met het Ordekleed getooid, of zij hebben behoefte om zielen voor God te winnen ! Wat is edeler dan de boetelinge van Cortona te zien knielen om de afzichtelijke wonden der zieken te reinigen ? Wat wonderbaarder dan dat zij door haar voorbeeld jongelingen aan de misdaad, jongedochters aan de schande ontrukt en het heil wordt van haar vaderland ? Waar de Derde Orde wortel schiet, bloeien de goede zeden aan hare zijde. Zij bracht onder de vrouwen deugden in eere, maar al te lang in het slijk vertrapt: de zedigheid, de huwelijkstrouw de zelfverloochening en zelfs weerde zij, wat geen wetten vermochten uit te roeien, de pest der weelde, een der oorzaken van zedenbederf en ongebondenheid.
De Derde Orde had nog een ander heilrijk gevolg, wel is waar van voorbijgaanden aard en geëigend voor Italië, maar dat nochtans de bewondering der eeuwen wegdraagt. Schouder aan schouder met den âKrijgsdienst van Christusquot; door Dominicus ingesteld, verdedigde zij de rechten des pausen tegen de goddelooze aanslagen van den keizer van Duitschland. Iloe krachtig de Derde Orde in die woelige tijden optrad, blijkt o. a. uit een brief ten jare 1227 aan den kanselier van Frederik II gericht. Petrus de Vineis, een vinnigen vijand der kerk, âDe Minderbroeders en de P redikheeren, zoo leest men daar, zijn
232
vijandig tegen ons opgetreden; zij hebben openlijk ons leven en onze gezindheid gelaakt; zij hebben onze rechten te niet gedaan en ons ten onder gebracht... Om ónze macht nog meer te fnuiken, om ons de genegenheid der volkeren nog verder te ontrooven, hebben zij twee nieuwe broederschappen ingesteld, welke mannen en vrouwen zonder onderscheid opnemen; alles loopt daarheen en nauwelijks vindt men nog iemand, wiens naam daarin niet opgeteekend is.quot; Dit document is kostbaar; het spreidt een helder licht over een duister punt der geschiedenis en verklaart, hoe de Welfen de besliste zegepraal wegdroegen door de zucht tot vereeniging ten dienste te maken van geloof en vaderland. De Tertiarissen vonden in de Derde Orde het afdoende middel om in het Noorden de invallen der barbaren af te stooten en langzamerhand het recht te doen zegevieren boven het brutaal geweld.
Het geweld was toenmaals vertegenwoordigd in den persoon van Frederik II. Door wulpschheid en macht verblind bond hij zich aan tot een onrechtvaardigen strijd met het pausdom. De verwaande despoot droomde, het priesterschap van het aardrijk te verdelgen en het uitgestrekte grondgebied van Rome's Cesars te herstellen. âWie is er, zoo riep hij, die zich met mij durft meten ?quot; De Derde-Ordelingen van Franciscus, getrouw aan hun regel ! Uit de reine ziel van Franciscus geboren, bezield met een zelfden goddelijken adem, wekten zij den echten geest van het christendom op : geestdrift voor het recht. Daarvoor schaarden zij zich onder den standaard des pausen, hadden leven en bloed veil, gingen de heiligschennende aanslagen des keizers te weer met een onversaagdheid, dat Gregorius IX hen de strijders voor Christus, âde Mac]tab eer s noemde van het Nieuw Verhondquot;
Met Hugolinus tot gids, bracht Franciscus ook het leerstelsel den doodslag toe. Het leenstelsel had het volk geknakt, en de onophoudelijke burgertwisten moede, haakte het naar vrede en rust Toen nu Franciscus in zijn regel den Tertiarissen voorschreef De broeders zullen de wapenen niet opnemen ten ware tot verdediging van kerk, geloof en vaderland; â buiten noodzakelijkheid zullen zij zich door geen eed verbinden en toen de paus deze voorschriften bovendien bekrachtigde door zijn hooge bescherming, haastte zich een ieder
'233
lid te worden der Derde Orde. quot;Wanneer nu de leenmannen hen ten strijde opriepen of aan zich door eed wilden verplichten, antwoordden de broeders: âWij dragen geen wapenen, verbinden ons door geen eed om uw fortuin te verdedigen.quot; Maar vormden deze broeders niet de burgerij, het volk? Waren zij niet de levende kracht des lands ? Met recht schreef daarom Frederic Morin in zijne studie over Franciscus en zijne Orden : âhet moderne Europa beseft nog lang niet, wat het Franciscus verschuldigd is.quot;
Zes eeuwen zijn thans weggestorven, maar Franciscus' instelling leeft voort.
âDe herinnering van het verleden en de ondervinding van âhet tegenwoordige, zegt Z. H. Leo XIII in zijn Encycliek over âde Derde Orde, bewijzen, hoe krachtig zij is om de zeden rein, âzuiver en godvruchtig te maken.
âDe Derde Orde toch, zoo zegt op een andere plaats Onze âH. Vader Leo XIII, werd door Franciscus wijselijk voorzien âmet regels, die hij niet zoozeer aan zich zeiven, als wel aan âde wetten des Evangelies ontleende, en die geen christen te âzwaar kunnen voorkomen. Immers zij behelzen niet anders âdan de verplichtingen om aan de voorschriften van God en der âKerk te gehoorzamen; partijschappen en twisten te vermijden ; âeens anders goed te eerbiedigen ; slechts voor de verdediging âvan godsdienst en vaderland de wapenen op te vatten ; zedig âte zijn in leefwijze en kleeding, de weelde te ontvluchten; âde gevaarlijke aanlokselen van dans en spel te vermijden. â...,.Die Orde was een machtige steun der maatschappij ; hare âleden streefden er naar, op het voorbeeld en het voorschrift âvan hun stichter, volgens hun vermogen de christelijke deugden âmet nieuwen luister in de maatschappij te doen herleven. Ongetwijfeld door hun toedoen, door hun voorbeeld zijn dikwijls de twisten âder partijschappen uitgedoofd of in hevigheid verminderd; is âmenigmaal het zwaard aan de opgezweepte menigte ontrukt; âmenige leniging voor ellende en verlatenheid bereid; is de weifust gebreideld, die de fortuinen verslindt en het werktuig is âvan het bederf. De huiselijke vrede, de openbare orde, de reinheid en verzachting der zeden, het recht gebruik van en de âeerbied voor den eigendom, de beste waarborgen van beschaving en
234
âgeluk, als uit hun stam ontsproten zij aan dien Derden Regel âder Franciscanen; en Europa is het behoud dier goederen voor âeen aanzienlijk deel aan Franciscus verschuldigd.quot;
Welk een heerlijke lofprijzing op de Derde Orde, welker waarde hooger. klimt om de groote wijsheid van hem, die dezelve heeft uitgevaardigd, ik bedoel Z. H. Leo XIII, onzen roemrijk regeerenden Paus.
âDaarom, Eerwaardige Broeders,quot; zoo spreekt nog Z. Heiligheid in zijn Encycliek over de Derde Orde, tot alle bisschoppen en priesters, âwendt al uwe krachten aan om een instelling voort âte planten en te versterken, die in den geest des stichters ten âdoel heeft de menschen te bewegen tot navolging van Chris-âtus, tot liefde voor de Kerk, tot beoefening der christelijke âdeugden. Zij zal u van grooten dienst zijn. O, mocht de Derde âOrde dagelijks nieuwen voortgang maken !
mmaimÃimimmmmmÃmmmm^mÃmmimilmmmmÃmÃmaJilimmimmm^imÃtmm^mm^immÃmill^^Ã^mmilJimmammiimmÃmilta^mmÃkmamimmmmmlmmm
5^c±l3c±^^5c^!3^55!a^5cl^iEi^cï!acl
tyMTTtmtm»XMtT»MTmtTtT»TTtT»TTTTTtTTmmT*TtMTtTTM»»TfMfmVmtf»mrtm^
ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
Derde generale kapittel en apostolische reis door Zuid-Ttalië.
(1221â1223.)
plotselinge dood van Petrus Cattani, Vicarius generaal der Orde, (10 Maart 1221) noodzaakte Franciscus voor-^ loopig de leiding der Orde weer op te nemen.
Bij het eerstvolgende kapittel van Pinksteren (23 Mei 1221), waarin 3000 broeders, een bisschop en kardinaal Reinerius Ca-poccio tegenwoordig waren, droeg hij de bediening van Vicarius op aan broeder Elias van Assisië, die door zijne zeldzame bekwaamheden de bijzondere achting van Franciscus had verworven. Jammer genoeg was Elias geen heilige ! Integendeel in den grond van zijn hart was hij te gevoelig voor uitwendigen luister ; niet het armoedige klooster van Portiuncula, maar de uitgestrekte abdijgoederen van Benedictus' zonen waren zijn ideaal. Deze hoogmoed voerde hem later ten val.
De laatste zitting van het kapittel, waarin volgens gewoonte de obedienties werden uitgedeeld, is ons in levendige kleuren afgeteekend. Elias zat voor en Franciscus zette zich aan des-zelfs voeten neer. Zijne stem was zoo verzwakt, dat men hem ternauwernood kon verstaan. Elias zou daarom Franciscus' woorden aan de vergadering overbrengen. Hij begon dan vol-genderwijze : âZiet hier, wat broeder Franciscus zegt; er is een landstreek, waar onze eerste missionarissen zeer mishandeld zijn, en weinig of geen vruchten hebben voortgebracht; daarom wil de vader niemand zijner kinderen verplichten daarheen uit te trekken. Doch zouden er onder u zijn, die vol ijver voor Gods glorie en het zielenheil, moed ge Voelen voor die onderneming, dan verzekert hij hun dezelfde verdiensten als den mis-
236
sionaris, die de zeeën oversteekt. Dat zij derhalve opstaan!quot; Aanstonds rezen 90 broeders van hun zitplaats op, hakend naar het martelaarschap. Franciscus koos er 27 uit, 15 leekebroe-ders en twaalf priesters, waaronder Thomas van Celano, Conra-dus van Duitschland, de diaken Jordanus van Giano en Cesarius van Spiers, die tot provinciaal van Duitschland benoemd werd.
Deze Cesarius, een man van uitgebreide kennis en degelijke godvrucht, had de geheime plannen van broeder Elias, aan wiens vurige prediking hij nochtans zijne bekeering te danken had, reeds doorgrond en was niet weinig beducht voor zijn nieuws-gezinde denkbeelden. Daarom wendde hij zich tot den Heiligen Patriarch. âMijn vader, zeide hij, ik heb het onwrikbare besluit gevormd om met Gods genade het H. Evangelie en onzen Regel tot mijn laataten snik nauwgezet te onderhouden. Dien ten gevolge heb ik u eene gunst te verzoeken; ik zal mijn hart in allen eenvoud blootleggen. Als het ooit gebeuren zou, dat enkele kloosterlingen den Regel verkrachtten, verleen mij dan bij voorbaat uwen zegen, opdat ik mij van de lauwen afscheide en aansluite bij de ijveraars.quot;
Bij deze woorden sprong Franciscus op van blijdschap; hij omhelsde en zegende hem, legde zijne hand op zijn hoofd en sprak: âWeet, mijn zoon, dat uwe bede verhoord is. Gij zijt priester in eeuwigheid volgens de orde van Melchisedech, dat wil zeggen, ik zegen u, want gij zijt een priester volgens het hart Tan God.quot;
Vijf jaren later zien wij dezen Cesarius van Spiers met Ay-mundus van Taversham en Bernardus van Quintavalle optreden tegen broeder Elias, in zijn zucht tot verzachting der Serafijnsche armoede.
Door zielenijver gedreven ondernam ook onze Heilige, wiens lichaamskrachten voor een oogenblik herleefden, in den loop van het volgend jaar (1223) een langen tocht door Zuidelijk Italië. Hij daalde langs Rome en Gaeta af naar Napels, drong zelfs door tot het uiterste der beide landtongen, bezocht de grot van den berg Garganus, beroemd om de verschijning van den Aartsengel Michael en klom vervolgens langs het kustland der Adria-tische zee weer opwaarts naar ümbrië. Wijl het te wijdloopig is al de bijzonderheden dezer apostolische reize omstandig te
287
verhalen, zullen wij ten believe onzer lezers slechts de schitterendste voorvallen aanstippen.
Te Toscanella vond de Heilige onderkomen bij een edelman, wiens eenige zoon geheel lam was. Tot beiooning zijner gast-vrjjheid genas Franciscus bij het afscheid den armen lijder met het teeken des kruises.
Te Rome knoopte hij kennis aan met zekeren prins Matthéus de Rossi of de Rubeis van het oud-adellijk geslacht der Or-sini's. Mattheus was een dier uitverkorenen, die te midden van den verblindenden luister en de verleiding der groote wereld nochtans hun hart vrijwaren voor alle verkleefdheid aan het aardsche. Aan de beoefening der godsvrucht paarde hij de werken van barmhartigheid, want zijne deur stond immer voor de armen open. Bene gebeurtenis, welke wij in al haren eenvoud zullen meedeelen, geeft ons een denkbeeld van den diepen eerbied, welken de prins den Boeteling van Umbrië toedroeg.
Hij noodigde den Heilige eens aan zijne tafel en bepaalde te dien einde het juiste uur van den maaltijd. De prins werd echter zelf door onvoorziene omstandigheden opgehouden en toen hij overtijd ter tafel verscheen, was Franciscus verdwenen. Hij liet hem allerwegen zoeken en verklaarde, dat hij niet zou aanzitten, voordat de dienaar Grods aanwezig was. Hij maakte zich reeds ongerust, toen hij den Heilige voor zijn paleis opmerkte onder de bedelaars, die hij dagelijks aan zijne tafel voedde. Getroffen door zooveel ootmoed, snelde de prins zijne woning uit, plaatste zich aan Franciscus' zijde en sprak : âMijn Broeder, ik kom aanzitten aan uwe tafel, omdat gij geweigerd hebt aan de mijne plaats te nemen.'' De prins en de Heilige zaten nu op den blooten grond neer en namen nederig hun maaltijd in gezelschap der armen.
De vriendschap der Heiligen baart geluk! Met Franciscus dauwde 's Hemels zegen op het huis van zijn gastheer. Franciscus bekrachtigde dien zegen door eene voorspelling. De prins had een jeugdig zoontje. Hij bad den Heilige, in wien hij alle vertrouwen stelde, den knaap te zegenen. Franciscus nu zegende den kleinen Joannes, zooals het kind van genade heette. Daarop nam hij het in zijne armen, liefkoosde het en staarde in deszelfs onschuldige oogen, zeggende: ;,Dit kind zal geen kloosterling
238
mijner Orde worden, maar hij zal als haar beschermer optreden. Men zal hem niet rangschikken onder de geloovigen, maar uitroepen tot aller Opperherder, en mijne broeders zullen jubelen van blijdschap, als zij in de schaduw zijner macht zullen bloeien.quot; Veertig jaren later werd Joannes Orsini tot kardinaal-beschermer der Orde benoemd, en in 1277 beklom hij den pauselijken zetel onder den naam van Nicolaas III. Voorwaar eene schitterende vervulling van Franciscus' voorzegging !
Voordat de Serafijnsche Vader van den prins afscheid nam, verzocht de Patriciër ingelijfd te worden bij Franciscus' geestelijke familie. Hij achtte zich gelukkig uit zulke handen het kleed van boetvaardigheid te ontvangen. Zijne toetrede tot de Derde Orde wekte groot opzien in Rome, zoodat zijn kloek voorbeeld vele personen van hooge waardigheid of geboorte voor Franciscus' nieuwen krijgsdienst won.
Van Rome begaf hij zich naar Subiaco om er de grot te bezoeken, waarin de H. Benedictus, de vader van het kloosterleven in het Westen, zich eertijds had gevormd. Men toonde hem nog het doornbosch, waarin de ïï. Kluizenaar zes eeuwen te voren bij eene bekoring, het vuur der begeerlijkheid had uitgedoofd. Hij beschouwde die doornstruiken als een praalbed, waarop eens de heldenmoed van dien wakkeren kampvechter had uitgeschitterd ; hij drukte ze met eerbied aan zijne lippen, entte er twee rozelaars op, maakte daarover een kruisteeken en beide prijkten met witte rozen. Nog in onze dagen wijst men den pelgrim op deze rozelaars, als eeuwenoude getuigen van de heiligheid der beide aartsvaders, als een levend zinnebeeld van de nederlaag des duivels. Oude fresco-schilderingen boven het altaar, door de mildheid van paus Gregorius IX ter plaatse aangebracht, houden den doortocht van Umbrië's Wonderdoener in blijvende herinnering.
Van hier trok hij naar Gaeta, een oude zeehaven, waar de Hemel zijn apostolaat bekrachtigde door een wonder, waarvan geheel de stad ooggetuige was. Eens preekte hij op het stadsplein nabij de haven. Toen de geestdriftige menigte op hem aandrong om den zoom van zijn kleed aan te raken, stapte hij om deze eerbetuiging te ontvlieden in een bootje. Tot verbazing van allen dreef de boot aanstonds zonder riemslag van
289
wal, als gehoorzaamde zjj den arm van een onzichtbaar stuurman. Op bepaalde hoogte bleef zij op de golven dobberen, totdat de Heilige zijne predikatie had geëindigd. Na de toespraak gleed zij wederom van zelf over den waterspiegel landwaarts. De menigte was verwonderd. Zij ging in nadenkend stilzwijgen uiteen. âWie toch, zoo roept de H. Bonaventura uit, is zoo versteend van hart, zoo halsstarrig in de dwaling, dat hij zich verstout de leer te verachten eens apostels, wien de ziellooze natuur met een vaardigheid gehoorzaamt, als ware zij zich bewust van zijn gezag ?quot;
De bewoners der stad baden den Heilige eenigen tijd in hun midden te toeven en begonnen aanstonds met den aanbouw van een klooster. Op zekeren dag werd een der arbeiders bij het opslaan der bouwsteigers onder een zwaren balk verpletterd. Toen men het lijk huiswaarts droeg, ontmoette de H. Vader den treurigen stoet en door medelijden bewogen beval hij naar Jesus' voorbeeld de baar neer te zetten, nam den jongeling bij de hand en riep: âJongeling, ik zeg u, in Jesus' naam sta op!quot; En de doodde richtte zich op, keerde naar de bouwwerf terug en als weleer aan Nairn's poorten riepen allen : âEen profeet is onder ons opgestaan en God heeft zijn volk bezocht.quot;
Te Gaeta gebeurde ook het bekende âmirakel der appelen.'' Zeker heer gaf zijn huisgenooten verlof de preeken des Heiligen bij te wonen; slechts eene dienstmaagd zou thuis blijven ter bewaking van zijn kind. Eens echter ging ook deze on-bezonn3n den Boetprediker hooren, maar bevond helaas, bjj haar thuiskomst, dat de kleine knaap jammerlijk was omgekomen. Wie schetst het hartzeer der ouders, toen zij den dood van hun eenig kind vernamen ? Nu had Franciscus hun aangezegd, dat hij -juist dien middag bij hen den maaltijd zou nemen. Ofschoon van droefheid overstelpt, trachtten zij uit eerbied voor den Heilige hun vlijmende smart te verbergen. Franciscus, die door Gods voorlichting wist, wat gebeuren zou, deed alsof hij niets bemerkt had. Tegen het einde van den maaltijd gaf hij zijn gastheer het verlangen naar eeuig fruit te kennen. Deze verontschuldigde zich, wijl hij dit niet in huis had. âGa in de kamer, sprak Franciscus, waar uw kind sluimert en gij zult fruit vinden. Bij dit woord barstte de ontroostbare moeder in snikken los, doch srins
7 O O
2B8
mijner Orde worden, maar hij zal als haar beschermer optreden. Men zal hem niet rangschikken onder de geloovigen, maar uitroepen tot aller Opperherder, en mijne broeders zullen jubelen van blijdschap, als zij in de schaduw zijner macht zullen bloeien.quot; Veertig jaren later werd Joannes Orsini tot kardinaal-beschermer dor Orde benoemd, en in 1277 beklom hij den pauselijken zetel onder den naam van Nicolaas III. Voorwaar eene schitterende vervulling van Franciscus' voorzegging !
Voordat de Serafij nsche Vader van den prins afscheid nam, verzocht de Patriciër ingelijfd te worden bij Franciscus' geestelijke familie. Hij achtte zich gelukkig uit zulke handen het kleed van boetvaardigheid te ontvangen. Zijne toetrede tot de Derde Orde wekte groot opzien in Rome, zoodat zijn kloek voorbeeld vele personen van hooge waardigheid of geboorte voor Franciscus' nieuwen krijgsdienst won.
Van Home begaf hij zich naar Subiaco om er de grot te bezoeken, waarin de H. Benedictus, de vader van het kloosterleven in het Westen, zich eertijds had gevormd. Men toonde hem nog het doornbosch, waarin de ïï. Kluizenaar zes eeuwen te voren bij eene bekoring, het vuur der begeerlijkheid had uitgedoofd. Hij beschouwde die doornstruiken als een praalbed, waarop eens de heldenmoed van dien wakkeren kampvechter had uitgeschitterd ; hij drukte ze met eerbied aan zijne lippen, entte er twee rozelaars op, maakte daarover een kruisteeken en beide prijkten met witte rozen. Nog in onze dagen wijst men den pelgrim op deze rozelaars, als eeuwenoude getuigen van de heiligheid der beide aartsvaders, als een levend zinnebeeld van de nederlaag des duivels. Oude fresco-schilderingen boven het altaar, door de mildheid van paus Gregorius IX ter plaatse aangebracht, houden den doortocht van Umbrië's Wonderdoener in blijvende herinnering.
Van hier trok hij naar Gaeta, een oude zeehaven, waar de Hemel zijn apostolaat bekrachtigde door een wonder, waarvan geheel de stad ooggetuige was. Eens preekte hij op het stadsplein nabij de haven. Toen de geestdriftige meiNgte op hem aandrong om den zoom van zijn kleed aan te raken, stapte hy om deze eerbetuiging te ontvlieden in een bootje. Tot verbazing van allen dreef de boot aanstonds zonder riemslag van
239
wal, als gehoorzaamde zjj den arm van een onzichtbaar stuurman. Op bepaalde hoogte bleef zij op de golven dobberen, totdat de Heilige zijne predikatie had geëindigd. Na de toespraak gleed zij wederom van zelf over den waterspiegel landwaarts. De menigte was verwonderd. Zij ging in nadenkend stilzwijgen uiteen. âWie toch, zoo roept de H. Bonaventura uit, is zoo versteend van hart, zoo halsstarrig in de dwaling, dat hij zich verstout de leer te verachten eens apostels, wien de ziellooze natuur met een vaardigheid gehoorzaamt, als ware zij zich bewust van zijn gezag ?quot;
De bewoners der stad baden den Heilige eenigen tijd in hun midden te toeven en begonnen aanstonds met den aanbouw van een klooster. Op zekeren dag werd een der arbeiders bij het opslaan der bouwsteigers onder een zwaren balk verpletterd. Toen men het lijk huiswaarts droeg, ontmoette de H. Vader den treurigen stoet en door medelijden bewogen beval hij naar Jesus' voorbeeld de baar neer te zetten, nam den jongeling bij de hand en riep: âJongeling, ik zeg u, in Jesus' naam sta op!quot; En de doodde richtte zich op, keerde naar de bouwwerf terug en als weleer aan Nairn's poorten riepen allen : âEen profeet is onder ons opgestaan en God heeft zijn volk bezocht.quot;
Te Gaeta gebeurde ook het bekende âmirakel der appelen.'' Zeker heer gaf zijn huisgenooten verlof de preeken des Heiligen bij te wonen; slechts eene dienstmaagd zou thuis blijven ter bewaking van zijn kind. Eens echter ging ook deze on-bezonn3n den Boetprediker hooren, maar bevond helaas, bij haar thuiskomst, dat de kleine knaap jammerlijk was omgekomen. Wie schetst het hartzeer der ouders, toen zij den dood van hun eenig kind vernamen ? Nu had Pranciscus hun aangezegd, dat hij -juist dien middag bij hen den maaltijd zou nemen. Ofschoon van droefheid overstelpt, trachtten zij uit eerbied voor den Heilige hun vlijmende smart te verbergen. Pranciscus, die door Gods voorlichting wist, wat gebeuren zou, deed alsof hij niets bemerkt had. Tegen het einde van den maaltijd gaf hij zijn gastheer het verlangen naar eeuig fruit te kennen. Deze verontschuldigde zich, wijl hij dit niet in huis had. âGa in de kamer, sprak Pranciscus, waar uw kind sluimert en gij zult fruit vinden. Bij dit woord barstte do ontroostbare moeder in snikken los, doch ging
240
gehoorzaam naar de kamer. Ongehoorde verrassing! Zij vindt haar zoontje stralend van gezondheid, terwijl het in elk handje een heerlijken appel houdt, dien hij met een zoeten glimlach zijne moeder aanbiedt.
Van Gaeta verplaatst de geschiedens ons naar Abruzzo in het stadje Celano, waar de naam van den Wonderdoener niet onbekend was, aangezien deze stad de Orde reeds voor een tiental jaren Thomas van Celano geschonken had, den eersten levensbeschrijver van onzen Heilige.
Toen Franciscus met zijn gezel, een priester, de poorten der stad binnentrok, kwam een vrome ridder hen aanstonds uit vrije beweging uitnoodigen om aan te zitten bij een feestmaaltijd, welken hij voor zijne familie en vrienden had aangericht Hij deed zulks met zooveel aandrang, dat eene weigering ongepast scheen. Toen de Heilige nu voor den feestdisch het gebed verrichtte, onderbrak hij het eensklaps en fluisterde zijn gastheer in het oor: âMijn broeder, ik heb uw verzoek gevolgd en toef thans in uwe woning. Luistert gij nu op uwe beurt naar mijne raadgeving en volbreng ze zonder uitstel. Biecht aanstonds uwe zonden met berouwvol hart, want de Heer bereidt u vandaag nog dezelfde eer, welke gij zijne armen hebt bewezen.quot; De ridder geloofde het woord des Heiligen, ontving van Franciscus' gezel de kwijtschelding zijner fouten, stelde orde op zijn tijdelijke zaken, kortom bereidde zich in ernst om voor Gods rechterstoel te verschijnen. Als hij zich ten slotte tusschen de genoodigden aan tafel wilde neerzetten, werd hij door een plot-selingen dood weggerukt, maar niet onvoorbereid ! Zijne liefde had hem deze genade, de kostbaarste van alle, verdiend en de belofte van het Evangelie werd in hem naar de letter vervuld: âHij, die een profeet opneemt, zal het loon ontvangen, dat den Godsgezant is weggelegd.quot;
Franciscus voorspellingen en wonderwerken hadden in het koninkrijk Napels gelijk elders een dubbele uitwerking: het volk hechtte zich aan den persoon van den Wonderdoener en begeerde dienvolgens eenige zijner zonen in hun midden te houden. Zoo zien wij, dat achtereenvolgens Gaeta, Capua, Amalfi, Montella, Barri en nog 20 andere steden, door het vlammend woord des Heiligen wakker geschud, huizen openen voor Fran-
241
ciscus' kloosterbroeders. Nooit sloeg Inj dergelijk verzoek af, overtuigd dat de uitbreiding van zijn Geestelijk Huisgezin de beste wijze was om de hervorming der zeden en den bloei des vaderlands krachtdadig te bevorderen.
Zijn tocht door zuidelijk Italië duurde ongeveer zeven maanden. ïe zelfder tijd hadden de Evangelische werklieden, over geheel Europa uitgezonden, moedig de hand aan hot werk geslagen en rusteloos besproeidden zij met hun zweet liet veld, dat hun in 's Heeren wijngaard was aangewezen : Joannes Parent arbeidde in Spanje, Zacharias in Portugal, Cesarius in Duitsch-land, Pacificus met Bonelli en Christophorus van Romagna in Frankrijk en België ; en den 10 September 1224 landde Angelus van Pisa met acht brooders bij Dover en stichtte de provincie van Engeland.
IC
NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
Schriftelijke goedkeuring van den Regel; deszei Is geest. .
e H. Franciscus verzuimde geene gelegenheid om zijne Orde J'iTw bevestigen en haar te vrijwaren in eigen boezem voor X verslapping en van buiten voor het boos opzet harer vijanden. Op het kapittel te Portiuncula in 1223 verklaarde hij aan de vergaderde broeders zijn voornemen om den Regel, welken zij tot nog toe gevolgd hadden, opnieuw grondig te herzien en hem daarna aan de schriftelijke goedkeuring van den H. Stoel te onderwerpen.
Een dubbele beweegreden spoorde hem daartoe aan. Eenerzjjds betuigde paus Honorius III den broeders eene ongemeene welwillendheid en de stichter oordeelde het derhalve voorzichtig de gunstige gezindheid van het opperhoofd der Kerk te baat te nemen in eene zaak, van zoo groot belang voor de Orde. Doch van den anderen kant zette de inwendige toestand der Orde hem niet minder aan. De oorspronkelijke Regel, door Innocentius goedgekeurd en tot nog toe gevolgd, was slechts eene ruwe schets, alleen voldoende, omdat de broeders zoo ijverig waren en zoo vol liefde voor de armoede. Bovendien, waar de Regel te kort schoot, werd alles aangevuld door Franciscus' voorbeeld en lessen. Doch hoelang zouden die gouden dagen duren ? Franciscus had omstreeks dezen tijd een visioen, waarin God hem eenen boom toonde met drieërlei vruchten: sommige waren overheerlijk, andere wrang en smakeloos, zelfs hingen er tusschen, die aangestoken waren. De II. Vader werd daarop onderricht, dat er in de Orde eveneens broeders zouden zijn van verschillend gevoelen omtrent de armoede. Zeker, het meerendeel was en bleef ijverig; doch heeft men ooit licht zonder schaduw? menschen zonder zwakheden en uiteenloopende zienswijze 1 â Franciscus
24B
merkte in zijn tijd reeds, dat er onder de broeders waren die verslapten vooral op het punt der armoede. Zou dat beter worden als hij henenging; als zijne lessen en voorbeelden ontbraken?
Franciscus zocht dus een middel, en legde te dien einde in het kapittel zijn plannen bloot omtrent eene verbetering van den Regel en liet belang eener schriftelijke goedkeuring. Men begrijpt evenwel, hoe dit voorstel werd ontvangen. Do meesten juichten het toe; enkelen niettemin wierpen bezwaren op. Deze tegenkanting hield den H. Vader in besluiteloosheid, totdat eene verschijning van den Zaligmaker hem voorgoed tot de uitvoering zijner plannen bewoog.
Toen de H. stichter op zekeren nacht de belangen zijner Orde met vurigheid den Verborgen God onzer altaren aanbeval, werd hij door een bovenaardsch licht onstraald. Het scheen, dat de grond rondom hem met broodkruimelen bedekt was, dat hij ze eerbiedig verzamelde en aan zijne hongerige broeders uitdeelde ; maar de kruimeltjes waren zoo klein, dat zij zijn bevende vingers ontgleden. Een hemelsche stem bemoedigde hem evenwel en zeide: âFranciscus, vereenig al die kruimelen tot één geheel brood en geef dan aan allen, die er van verlangen te eten.quot; Zoo deed hij. Tot zijn verwondering bemerkte hij bij de uitdeeling, dat allen, die hun aandeel met minachting of zonder godsvrucht ontvingen, met melaatschheid besmet waren. Des morgens verhaalde hij het visioen aan zijne broeders, maar tot zijn spijt kon hij de verborgen beteekenis niet achterhalen. Toen hij echter dien dag den Hemel om verklaring bad, klonk andermaal een hemelsche stem en sprak : âFranciscus, de broodkruimelen stellen de woorden van het H. Evangelie voor; het brood is eene afbeelding van den Regel, terwijl de melaatschheid de zonde aanduidt.quot; â Uit die woorden besloot Franciscus, dat het droomgezicht der broodkruimelen eene bekrachtiging was zijner plannen.
Onmiddellijk na afloop van het kapittel nam hij twee zijner broeders, Leo en Bonizio, met zich naar Fonte-Colombo nabjj Riëti, waar hij zich in eene rotsgroeve terugtrok om door vasten en gebed Gods verlichting af te smeeken bij de beslissende omwerking van zijnen Regel. Hij liet dezen door een zijner medegezellen opteekenen. Na veertig dagen nu was zijn arbeid vol-
'244
tooid en de Regel tot twaalf hoofdstukken teruggebracht. Hij keerde met den jubel in het hart naar Portiuncula terug, om den Regel aan Elias, zijn Vicarius Generaal, voor te leggen, opdat hij hem zoude overwegen en aan de broeders ter onderhouding bekend maken. Maar Eiias, die wel eerbied had voor Prancis-cus, doch geen moed om hem na te volgen, vond den Regel te streng, legde hem ter zijde en veinsde hem door onachtzaamheid onder zijne talrijke papieren verloren te hebben. Doch wat zou dit vermogen tegen een man die als Franciscus overtuigd was, dat zijne zending uitgaat van God? Franciscus keerdenaarden berg terug en dicteerde den Regel ten tweeden male
Intusschen had Elias eenige religieuzen, die zijne verzachtingen en nieuwigheden waren toegedaan, vergaderd on\ te beraadslagen wat hun te doen stond. Zij besloten tot Franciscus te gaan en hem eerbiedig te smeeken zijnen Regel te verzachten. God had hen evenwel voorkomen. Voordat zij den berg genaderd waren, had God hunne bedoelingen aan zijn dienaar Franciscus veropenbaard. De patriarch trad zijne kinderen minzaam te gemoet. Desniettemin hadden het gedrag van Elias en vooral het vooruitzicht op de vele verwikkelingen, die de Orde in de toekomst zouden treffen, zijn hart bedroefd en beangstigd. Doch zie, nauwelijks stond hij tegenover zijne broeders, of de Zoon van God verscheen op een lichtende wolk en richtte tot Franciscus deze strenge vermaning met troost gemengd : âZoon van Bernardone, waarom verontrust gij u? Weet gij niet, dat Ik de grondlegger en vader ben der Orde, waarvan Ik u tot leidsman heb aange steld ? Ik ben het, die haar in de Kerk heb opgeroepen ! Ik ben het, die haar zal handhaven! Ik ben het, die den Regel heb geschreven en wil, dat hij nauwkeurig onderhouden worde. Ik weet, wat de menschelijke zwakheid vermag: zoo noodig zal ik uit de steenen zelve broeders opwekken. Wel zullen de stormen de Orde beroeren, maar ze nooit overweldigen!quot;
Toen de Wetgever der Minderbroeders den berg afdaalde, geleek hij een andere Mozes, want van zijn aangezicht straalde een hemelsch licht. Hij stelde in Maria-der-Engelen den nieuwen Regel aan de broeders voor en allen keurden hem thans eenstemmig en zonder tegenzin goed. Alsdan begaf hij zich naar Rome en smeekte na eene voorafgaande beraadslaging met kar-
245
dinaal Hugolinus, den paus zijnen verkorten Regel te willen bekrachtigen. Honorius III ontving den Regel uit Franciscus' handen en bevestigde denzelven plechtig door de bulle nSo/et annuerequot;, gedagteekend van Rome den 29stil, November 1223.
Verheugd over de bekomen gunst keerde de H. Vader naar Assisië terug en riep tegen Pinksteren des jaars 1224 het algemeen kapittel te Grubbio samen, waar vooral de kracht en invoering des nieuwen Regels ter sprake kwam
Franciscus verhaalde, hoe Grod zelf hem had opgewekt den nieuwen Regel te schrijven en hoe hij God daai'bij door gebed en boetvaardigheid had geraadpleegd. âIk heb er niets uit mij zeiven ingevoegdquot;, zoo zeide hij met nadruk, âmaar ik heb hem geschreven gelijk God mij veropenbaarde.'' Vervolgens gewaagde hij nog van de goedkeuring des pausen en de verplichtingen, die daaruit ontsproten.
âMijne Broeders, dus sprak hij, er is ons eene uitstekende weldaad bewezen in het geven van dezen Regel. Hij toch is een boek des levens, een hoop der zaligheid, een onderpand der glorie, het merg des evangelies, de sleutel des paradijzes. Kent allen derhalve dezen uwen Regel, draagt hem altijd en overal met u, en hebt hem altoos voor oogen. Dan toch zal hij een welsprekende herinnering uwer geloften zijn en uw grootste troost in het gewichtigste uur uwer ballingschap op aarde. Ja, mijne broeders, met den regel in de hand moet gij sterven.quot; â Te gelijker tijd waarschuwde hij voor hen, die de zuiverheid des Regels zouden verkrachten of door verslapping ontzenuwen: âDoor U, o Allerheiligste Vader en door geheel het hemelsch hof en door mij, uw armen dienaar, zijn gevloekt, die door hun ergerlijk voorbeeld omverwerpen en vernielen, hetgeen Gij hebt gesticht en niet ophoudt te stichten.quot; â Toen de Serafijnsche vader deze woorden sprak, dus getuigen de oude Kronijken, trilde zijne stem van aandoening. De broeders ook rezen op en riepeUj dat zij sterven wilden met den Regel in de hand
Geen wonder ! Of was de Regel niet de vrucht eener goddelijke ingeving ? Toen Franciscus ging sterven en zijne broeders voor 't laatst vermaande de ketenen, welke zij zich zei ven vrij. willig hadden aangelegd ter liefde Gods, blijde ten einde toe te dragen, beleed hij opnieuw den hoogen oorsprong des Regels:
246
âDe Allerhoogste zelf,quot; zoo verklaart Hij in zijn Testament, âveropenbaarde mij, dat ik volgens het H. Evangelie leven moest, en ik deed het met weinige woorden en eenvou-diglijk schrijven en Z. H. de paus bekrachtigde het mij.quot; En hoe heerlijk klinkt o. a. de getuigenis van paus Nicolaas III in zijn uitleg van den llegel: âDeze Regel is neergedaald van den Vader des lichts, door den Zoon in woord en voorbeeld aan de apostelen gepredikt, en God de H. Geest heeft hem den H. Franciscus ingegeven.quot;
Verheven derhalve is de oorsprong dese Rgels, verheven ook zijne voorschriften, die voeren tot de volmaking der Goddelijke Liefde. (1)
Volgens vele schrijvers zou de Ordestichter in den loop van het jaar 1223, enkele maanden voor het visioen der broodkruimels, bij den II. Stoel verkregen hebben, dat voortaan een âKardinaal-Beschermheer'quot; met de geestelijke belangen der Orde werd belast.
Anderen nochtans beweren, dat Franciscus reeds tusschen de jaren 1218 en 1219 den kardinaal Hugolinus als Beschermheer der Orde bij den heiligen Vader aanvroeg en verkreeg. Gelijk wij vroeger verhaalden, was de eerste zending der missionarissen geheel mislukt en de klaagtonen zijner kinderen hadden Franciscus meer getroffen dan hij uitwendig liet blijken. âNeen, zoo klonk het in zijn binnenste, al die broeders te beschermen gaat de kracht van Franciscus te boven.quot; Doch waar zou hij steun vinden ? â Franciscus bad!
Gedurende zijn slaap zag Franciscus op zekeren keer een zwarte hen, die zich vergeefs beijverde om haar talrijk kroost onder hare vleugelen te beschermen tegen een naderenden wouw; niettegenstaande alle inspanning bleek het haar onmogelijk allen te beschutten. Verschillende kiekens, die rondom de hen heen-sprongen, verkeerden in groot gevaar. Terwijl hij dat tooneel gadesloeg, plaatste zich boven de hen een andere vogel, die met zijn breede vleugelen hen en kiekens overschaduwd^ Bij zijn ontwaken bad de Heilige vol vertrouwen, dat God zelf hem de beteekenis dezer zinnebeeldige voorstelling zou verklaren. Hij
(1) In 't jaar 1224 bewerkte Franeiscus dezen Regel ook voor de dochters van de H. Clara.
247
vernam daarop, dat de hen met hare kiekens zijn persoon mot zijne broeders voorstelde ; en de vogel met zijn breede vlucht was de afbeelding van een Kardinaal-Beschermer, dien hij bij den paus moest aanvragen.
Franciscus riep zijne broeders te zamen, deelde hun zijr; visioen mede en eindigde zijne toespraak met deze merkwaardige woorden : âDe Kerk van Rome is de moeder aller kerken en de meesteres aller kloosterorden. Daarom zal ik mij tot haar wenden en haar mijne broeders aanbevelen, opdat zij als kinderen Gods de ware wijsheid genieten en beschermd zijn tegen hunne belagers. Wanneer de Orde onder hare bescherming staat, zullen de kinderen van Belial het niet wagen 's Heeren wijngaard te verwoesten. Ook zal de H. Kerk er eer instellen de glorie onzer armoede ongekrenkt te bewaren en nooit zal zij dulden, dat de deugd der nederigheid verduisterd worde door de nevelen van hoogmoed. Zij zal allen, die tweedracht zaaien, streng straffen en de banden der liefde nauwer toehalen, Onder hare oogen zal de onderhouding des Regel.s altijd bloeien en onze verachting van het aardsche zal overal een levenwekkenden balsemgeur verspreiden. Van hun kant zullen ook onze kinderen niet ondankbaar zijn voor den steun, dien zij voortdurend van de moederkerk genieten, zij zullen zich aan Rome vasthechten, gelijk kinderen hunne moeder aanhangen.quot; Hoe heerlijk en juist schetst de H. Vader in deze woorden het drievoudig voordeel, dat een Kardinaal-Beschermer der Orde zou aanbrengen ! Daardoor toch werd de Orde versterkt tegen haar uitwendige vijanden, gewaarborgd tegen inwendige verslapping en op 't innigst vereenigd met Rome, de bron des levens.
Weer nam Franciscus den reisstaf op en toog naar de Eeuwige Stad. Volgens gewoonte wendde hij zich eerst tot kardinaal Hugolinus, bisschop van Ostia, die voor korten tijd als legaat van Florence in de heilige stad was teruggekeerd, en deelde zijn vriend het voornemen mode den paus een kardinaal als Beschermer der Orde te vragen. De kardinaal juichte zijn voorstel toe, doch spoorde hem te gelijk met klem aan voor den paus en het heilig Collegie een toespraak te houden om zoo aller gunst aan zich te verbinden. Ten spijt zijner ootmoedigheid moest Franciscus ten slotte wijken voor de herhaalde aanzoeken van
248
den prelaat. Om kort te gaan, door den kardinaal geholpen stelde Franciscus eene overheerlijke redevoering op en besteedde uren om ze zorgvuldig in zijn geheugen te prenten. Maar niet gewoon aan eene ingestudeerde welsprekendheid, zegt de H. Bonaventura, was hij alles vergeten, toen hij voor het pauselijk hof optrad. Dit ongeval, hetwelk hij openhartig bekende, had evenwel zijn goede zijde, want nu zou daghelder schitteren, welk een milde bron in zijn geest en hart verborgen was. Hij vernederde zich, riep de hulp des Heeren in, en weldra ontwelde met gloed en zalving een stroom van woorden zijner lippen.
Gelukkig is ditmaal de hoofdinhoud zijner rede in een onlangs ontdekt handschrift bewaard gebleven. Vol vertrouwen op God sloeg hij het psalmboek open; zijn oog viel op deze woorden (Is. XLTII 17, 16): âTota die verecundia mea contra me est et confusio faciei meae cooperuit me.quot; (Den ganschen dag staat mijne schande tegenover mij en de schaamte van mijn aangezicht bedekt mij.) Hij verklaarde dezen tekst, legde hem vervolgens de H. Kerk in den mond en liet de weeklachten hooren dier nieuwe Eva, wier inwendige schoonheid onvergankelijk is, zonder vlek of rimpel, âmaar wier aanschijn gesluierd, ja besmeurd werd door de ergernis harer kinderen, vooral dan als zij kaakslagen moet ontvangen juist van hen, die het strengst gehouden zijn anderen door goede voorbeelden voor te lichten.quot; De H. redenaar doelde hier op het minder prijzenswaardig gedrag van sommige geestelijken, waarvan Waldenzen en Albigenzen gretig gebruik maakten om de geestelijke macht der priesters te loochenen en het tijdelijk gezag der bisschoppen te hekelen. Het onderwerp was teeder, maar Franciscus behandelde het in zulke omzichtige termen en te gelijk met zooveel gevoel, met zooveel majesteit in houding en gebaren, dat men in de stoutheid zijner taal het hart hoorde kloppen van een verknocht zoon, die den handschoen opgnjpt voor de eer zijner moeder, te lang reeds schandelijk gehoond. âZijn eerbiedwaardig gehoor,quot; zegt de H. Bonaventura, âwas tot tranen toe bewogen en erkende luide, dat niet Franciscus, maar \le H. Geest had gesproken door zijn mond.quot;
Na deze toespraak diende Franciscus zijn verzoek in. âAllerheiligste Vader,quot; dus begon hij, âik heb medelijden met uwe
249
voortdurende zorgen bij het bestuur der Kerk. Telkenmale als ik u kom spreken over uwe arme dienaren, de Minderbi-oeders, nader ik met vreeze, wijl ik weet, dat gewichtiger zaken dan de onze uw aandacht eischen. Daarom verzoek ik Uwe Heiligheid den kardinaal Hugolinus, bisschop van Ostia, als uw plaats-bekleeder te stellen, opdat wij ons in onze noodwendigheden voortaan tot hem kunnen begeven, zonder echter ooit den voorrang Uwer Heiligheid, van wien al zijn gezag uitgaat, te kort te doen.quot;
Ofschoon eene nieuwigheid, werd dit verzoek toch volgaarne door den paus ingewilligd. De H. Vader schonk den bisschop van Ostia den titel van kardinaal-beschermer der Minderbroeders en beval hem de Orde krachtdadig te steunen. Inmiddels zag Franciscus een zijner vurigste verlangens vervuld, want van deze instelling koesterde hij hooge verwachtingen, waarom hij dit punt later ook uitdrukkelijk in den Regel zijner Orde opnam i).
Kardinaal Hugolinus! Staan wij een oogenblik stil voor de majestueuze figuur van dien grijsaard. Volgens Bernardus de Besse was hij niet slechts de eerste beschermer der Orde, maar de persoonlijke vriend van den Seraf, zijn vertrouweling en raadgever en de onversaagde verdediger der broeders tegen de aanslagen hunner vijanden.
Uit het doorluchtig huis der graven van Segni gesproten, begaafd met een uitmuntend verstand en nog grootscher hart, vereenigde hij als God- en rechtsgeleerde en als redenaar al de hoedanigheden eener zeldzame persoonlijkheid. Sinds hij Franciscus leerde kennen, ontstond tusschen beiden eene vriendschap, die om hare hartelijkheid zoowel als om den afstand tusschen de personen herinnert aan de vriendschap van David en Jonathas. Deze vriendschap verhoogde beider geestelijken voortgang. De kardinaal getuigde meermalen, dat zijne bekommernissen nooit zoo ingewikkeld konden zijn of in de tegenwoordigheid des Heiligen werden zij merkelijk minder. Gaarne verbleef de grijsaard onder zijne beschermelingen als een hunner. âHoe dikwerf zagen wij hem,quot; zoo ro^pt Celano uit, âhet purper en de teeke-
') Xllde Hoofdstuk. - Het werd later een algemeene kerkelijke iustelling en thans hebbeu bijna alle Orden haar kardinaal-protector.
250
nen zijner waardigheid afleggen, zich hullen in de arme pij om blootsvoets onze oefeningen te volgen en met ons van God te spreken.quot; Doch wederkeerig beminde Pranciscus hem als een vader en legde hem onbeschroomd al zijne beslommeringen bloot. Door eene veropenbaring ingelicht, dat deze grijsaard nog eens den pauselijken stoel zou beklimmen, verdubbelde Franciscus zijn eerbied. Aan het hoofd zijner brieven begroette hij hem met den titel: âHet hoofd en de opperherder dergeheele Kerk.quot; En toen de kardinaal hem bij zekere gelegenheid kwam bezoeken, vluchtte hij in het bosch weg, âwant,quot; sprak hij, âschaamte overdekt mij, omdat ik onwaardig ben het bezoek te ontvangen van den opperherder der Kerk.quot;
Thomas van Celano verhaalt ons nog eene gebeurtenis, waarin de goedheid des eenen en de eenvoud des anderen duidelijk uitkomen. De H. Pranciscus was eens bij den kardinaal ter tafel genoodigd. Tegen het vastgestelde uur ging hij uit en bedelde in de stad eenige brokken brood, welke hij daarop aan de tafel van zijn gastheer tot aller verbazing onder de genoodig-den uitdeelde, aan prelaten, priesters en edellieden zonder aanzien van persoon. Na den maaltijd riep de kardinaal hem ter zijde en voegde hem dit teeder verwijt toe: âMijn zoon, waarom bedroeft gij mij met uwe bedeltochten? Gij weet toch, dat mijn paleis voor u en uwe broeders openstaat?quot; â âHeer,quot; sprak Franciscus met zoeten glimlach, âik heb u smaad noch beleediging aangedaan; integendeel, ik heb u groote eer bewezen, aangezien ik Hem bij u ter tafel heb genoodigd, Die, ofschoon Hij rijk was, voor ons arm werd en om ons de vrijwillige armoede tot koninklijke waardigheid verhief. Ziedaar, waarom het mij aangenamer is aan te zitten bij eenen maaltijd, waar de gaven der liefde worden opgediend, dan aan eene weelderige tafel, waar de uit-gezochtste spijzen geuren.quot; â âGa, mijn zoon,quot; zoo sprak nu de kardinaal, âen doe wat u behaagt, want de Heer is met u.quot;
Deze weinige trekken teekenen den eerbiedwaardigen grijsaard en toonen, hoezeer hij de onderscheiding verdiende, die aan zijn ambt verbonden was.
De officieele benoeming van een kardinaal-beschermer der Orde en de schriftelijke bekrachtiging van den nieuwen Regel oefenden ongetwijfeld een grooten invloed uit op den bloei en het bestendig voortleven van den goeden geest der Orde.
251 (
En welke is nu de eigenaardige geest of het eigenaardig karakter van Franciscus' Orde? quot;Welke is de eigenlijke hoeksteen van dit geestelijk gebouw? Eenparig luidt het antwoord: het is de geest van onthechting, de serafijnsche armoede
Op de armoede dringt Franoiscus aan op iedere bladzijde van den Regel. Wilde iemand lid der Orde worden, dan klonk Franoiscus' woord, als dat van zijn Goddelijken Meester: âGa, verkoop al het uwe, geef het den arme, en kom, volg mij.quot; Zoo had hij gesproken tot zijn eerstgeborene, Bernardus van Quinta-valle, zoo bleef hij spreken tot zijn laatsten snik.
De armoede was ook immer het hoofdsieraad zijner kloosters; armoede blonk uit in de kerken, in de cel, in kleeding en voedsel.
Dat de armoede immer de geest der Orde bleef, getuigt de geschiedenis. Slaat gij de geschiedenis der Orde in latere tijden open, dan staat gij verwonderd, hoe onder de broeders telkens nieuwe hervormingen verrezen. Maar wat was de oorzaak ? Geen verdeeldheid, maar een heilige wedstrijd onderling om zooveel mogelijk het erfdeel huns Vaders, de serafijnsche armoede trouw te blijven. Overheerlijk werd dit gestaafd op het H. Concilie van Trente. In de 25ste zitting werd het decreet uitgevaardigd, waarbij voortaan alle religieuze orden gewettigd werden âin gemeenschapquot; goederen te bezitten en te bestieren. Doch Bernardinus van Asti, Generaal der Minderbroeders-Capucjjnen verhief zijn stem, en toonde, hoe het juist van den aanvang af de roeping was geweest van Franciscus' zonen, der wereld een schitterend voorbeeld van onthechting te geven. quot;Waarom dan de Voorzienigheid Gods gewantrouwd? Waarom den luister, den geest der Orde prijsgegeven ? â En het H. Concilie beaamde zijn moedige woorden en verklaarde, dat de kinderen van Franciscus, die Minderbroeders Capucijnen heeten en zij die Minderbroeders-Observanten genoemd worden, gelijk voorheen, onbevoegd zouden zijn, hetzij persoonlijk, hetzij in gemeenschap iets te bezitten of voor God en geweten eenig eigendomsrecht uit te oefenen. De Serafijnsche Armoede was dus gered, en bleef sinds dien tijd immer een herkenningsteeken van Franciscus' zonen.
Onnoodig echter langer uit te weiden over een feit en waarheid, door allen erkend. Met meer reden en vrucht stellen wij
252
de vraag: waarom heeft de Patriarcli van Asaisië zijne volgelingen juist die algeheele verzaking opgelegd ? Waarom heeft hij den rijkdom veracht, die toch op zich een krachtige steun, een bron is van welslagen ? Waarom ? Voorzeker om zijn god-deljjken meester, den armen Godmensch, na te volgen die voor troon een kribbe, voor paleis een stal, voor sterfbed een kruishout had verkozen, maar ook om de verwijfde wereld die zich ten tijde van Franciscus in weelde en wellust baadde, een voorbeeld van onthechting en versterving te geven en de evangelische armoede uit de vergetelheid te trekken.
Zeker onze verlichte eeuw heeft de armoede gedoemd, maar Christus heeft haar gezegend ! Meer nog: de zoon van God nam haar tot zijne Bruid, heeft haar geadeld, vergoddelijkt, gelijk hij den arbeid en het lijden een goddelijk karakter indrukte, toen Hij in Nazareth schaaf en beitel hanteerde; toen Hij in pijnen en smarten stierf op het harde kruis. Of zult gij u verstouten het Evangelie te versmaden ? den Christus te loochenen ?
Valsch is het bovendien, dat de armoede de eischen der menschelijke waardigheid te kort doet. Integendeel, zij is eene zedelijke grootheid en adelt derhalve de menschelijke waardigheid. Zij adelt den mensch, omdat zij den hoogmoed en de begeerlijkheid verstikt en bijgevolg het kwaad met den wortel uitrukt; zij adelt den mensch, omdat zij aan de ziel hare heerschappij over de zinnen weergeeft en langs dien weg de deur ontsluit voor de heldhaftigste opofferingen, terwijl de rijkdom en het najagen der genoegens den weg banen tot verlaging, zelfzucht en snood verraad.
De vrijwillige armoede is een weldaad voor de maatschappij; een weldaad, welker omvang niet genoeg wordt erkend en die in onze dagen des te meer op prijs gesteld moest worden, omdat de lagere klassen de wereld met een schrikwekkenden ommekeer dreigen, zich aanbinden tot een strijd op leven en dood. âToen Franciscus van Assisië arm werd, zoo schrijft de vermaarde Frederik Ozanam, bracht hij de armoede wederom in eere; de armoede, dat wil zeggen, de meest verachte, maar ook de meest algemeene toestand in de maatschappij. Franciscus toonde het volk niet met holklinkende woorden maar metterdaad, dat men in de armoede vrede kan vinden, geluk en grootheid van ge-
â¢253
voelens. Hij bracht de ontevredenheid der behoeftige klassen tot zwijgen en verzoende den bedelaar met den rijken kasteelheer, omdat hij leerde niemand te benijden. Hij ontnam den eeuwenouden strijd tusschen rijk en arm zijn geduchtste wapenen, en haalde de banden, die de christelijke maatschappij moeten omsluiten, maar helaas reeds ontspannen waren, weer vaster aan, zoodanig zelfs, dat er geen staatsbeleid zoo ervaren bleek als dat van dezen dwaze des kruises.quot;
Dit voorbeeld des vaders werd in den loop der eeuwen door de zonen gevolgd. Voor het meerendeel uit de volksklasse gesproten, keeren zij tot het volk terug om het te onderwijzen en te troosten. Als het volk hen aanhoort, dan dooft de verbittering in het hart van den bedelaar, de spade knelt zoo prangend niet meer in de hand van den daglooner; de hoop flikkert weer in den werkwinkel van den ambachtsman, en de mijnwerker, van frissche lucht en zonlicht verstoken, vloekt niet langer zijn rampzalig lot. Doch niet alleen hun woord, maar zelfs alleen hun voorbeeld van armoede en versterving moest volgens Franciscus een voortdurende prediking zijn. Zoo toch zeide hij eens aan een jeugdig kloosterling: âMijn broeder, laat ons gaan prediken.quot; Aanstonds begaven zij zich naar de stad en kwamen na eenigen tijd zonder een woord gepredikt te hebben in hun klooster terug. âVader, zoo sprak Franciscus' metgezel, ik dacht dat wij waren uitgegaan om te prediken ?quot; âMijn Zoon, antwoordde Franciscus, ons voorbeeld heeft reeds gepredikt.quot;
Niet zelden trad de Voorzienigheid zichtbaar tusschenbeiden om Franciscus in zijn armoede en ontberingen te steunen. âOnder de talrijke voorbeelden van dit soort zullen wij slechts één uitkiezen, waarin wij te gelijk èn de onuitputtelijke goedheid Gods voor Franciscus, on het onbegrensd vertrouwen van den held der armoede kunnen bewonderen.
Het voorval voert ons terug naar de eerste jaren van Franciscus' apostolaat, ten tijde dat hij, na zijn mislukte poging om de Saracenen te gaan prediken (1212), in Picenum het woord Gods verkondigde. Van vermoeienis uitgeput ging hij uitrusten in een kluis, St. Urbanus geheeten. Een hevige koorts greep hem aan; een brandende dorst schroeide zijn binnenste. Geheel uitgeput verzocht hij zijn metgezel een teug wijn. Hoe zou men echter in die woestenij wijn kunnen bekomen ?
254
âGa, sprak Franciscus, en put water uit de naastbijzijnde bron.'' Zijn gezel deed, gelijk hij beval, en bood hem het kristalheldere water aan. Toen hief hij zegenend zijn handen op en onder den zegen des Heiligen veranderde het water in een krachtigen wijn; door dien wonderdadigen drank versterkt, stond hij op en hernam zonder uitstel zijne apostolische prediktochten.
Niet minder treffend schittert Gods vaderlijke zorg in de vele voorvallen, waarin, zooals de annalen der ontluikende Orde verhalen, God op wonderbare wijze wankelmoedige religieuzen in den eens omhelsden levensstaat bevestigde. Zoo was er eens een jeugdig ridder van hoogen huize in de Orde getreden. In de wereld had hij een leven geleid van weelde en overvloed. Geen wonder, dat hem de eenvoudige kloosterkost smakeloos en ondragelijk voorkwam. Hij besloot in de wereld terug te keeren. Op zekeren morgen verlaat hij zonder gerucht zijn cel, gaat naar het koor en stort een laatste gebed aan den voet van het kruisbeeld. Daar verschijnt hem eensklaps de Heer Jesus in gezelschap zijner glorierijke Moeder Maria. âMijn zoon, zegt de minnelijke Verlosser, verzaakt gij aan uwe roeping?quot; âHeer, antwoordde de novice, dit leven is al te streng voor mij.quot; Zonder iets te zeggen nam de Heer een stuk zwart brood, doopte het in de wonde zijner zijde en zegde : âEet dit brood.quot; De novice deed zulks en het brood smaakte hem overheerlijk. Het visioen verdween en de jongeling trad welgemoed zijne cel weer binnen. Telkens als hij nu in het vervolg door den duivel bekoord werd, beschouwde hij in den geest de liefderijke wonde van Jesus' H Hart; aanstonds veranderden zijne bekoringen in vertroosting, en de vrede zijns harten was hersteld.
Een andere novice, zoo verhalen de Fioretti, zou ook om soortgelijke redenen de Orde verlaten. De zware kap, het ruwe boetkleed met de grove koord schrikten hem af. Eer hij evenwel zijn besluit ten uitvoer legde, ging hij vol geloof knielen voor Jesus' tabernakel. De goddelijke gastvriend zond hem nu een visioen over. Hij zag een lange rij van heiligen voor zich henen trekken. Zij gingen twee aan twee en jnengden hun zoete stemmen met de akkoorden der engelen. Hun kleed was blank als sneeuw en hun gelaat schitterde als de middagzon. De twee laatsten deden den luister der overigen nog verbleeken.
255
De jongeling staarde den stoet nog verbaasd na, toen een der heiligen op hem toetrad en zeide: âMijn broeder, de Heiligen die gij zaagt voorbijtrekken, waren allen Minderbroeders; de H. Franciscus en Antonius sloten den stoet. God heeft hun die verblindende schoonheid geschonken in ruil voor het arm gewaad, dat zjj op aarde droegen.quot; Hierop verdween het visioen, en dé novice dacht er niet meer op het klooster te ontvluchten, maar voor Jesus' tabernakel zwoer hij trouw en beloofde op zijn voetstappen moedig dsn goeden strijd te strijden tot den avond zijns levens.
Dergelijke verhalen liggen als zoo vele kostbare parelen in menigte op het veld van de geschiedenis der Serafijnsche Orde uitgestrooid, talrijker in den beginne, maar altijd vol glans en bevalligheid. Zoo nam dan de goddelijke Zaligmaker den bloei van Franciscus' instelling ter harte.
Franciscus' werk was grootsch : bewonderen wij daarom den man der Voorzienigheid, die er zijn levenskrachten aan wijdde en een werk tot stand bracht, dat een hechte steun zou zijn van Jesus' Kerk op aarde.
Mijn God en mijn al.
(Sehietgebed van den H. Franciscus. Telkens 50 dagen .aflaat, Z. H. Leo XIII, 4 Mei 1888.)
IHI5H5B5IBlB5HS5g5IBIB5aBBlB
TWINTIGSTE HOOFDSTUK. De Seraf der liefde.
6 goddelijke liefde was in Franciscus zóó brandend, zóó edelmoedig, dat de Kerk en de volkeren hem den Seraf van Assisië noemen. Deze brandende liefde dreef hem om zich voor God te vernietigen en in het stof te weipen, deed hem met hartstochtelijkheid den palm van het martelaarschap najagen. Deze liefde voerde hem nu eens op tot langdurige en wonderbare geestverrukkingen, dan woer ontlokten zij aan zijn boezem vlammende klachten, gelijk deze: âO, mocht ik U toch beminnen, allerheiligste Heer Jesus, mocht ik U vurig beminnen! O God van liefde, ik heb mijn ziel en lichaam ü reeds toegewijd, maar ach, kende ik een middel om U nog meer te beminnen, hoe zou ik het aangrijpen met geheel mijn hart en ziel!quot;
Onder den aandrang dezer liefdevervoeringen was het leven van dezen Serafijn op aarde reeds een voorspel van de zaligheid des Hemels, waar de eeuwige bezigheid zijn zal âGod te beminnen.quot; Franciscus' leven steeg onverdeeld en onafgebroken tot God op, als een reukofferande van aangenamen geur; hij offerde zijn lichaam door de gestrengheden der boetvaardigheid en zijne ziel door den brand zijner begeerten. Dikwijls riep hij zijnen kinderen toe: âWeest toch geheel liefde en doet alles uit louter liefde!quot; De goddelijke liefde overstroomde zijn hart en zocht zich een weg te banen in die tallooze heldendaden, in die tal-looze verhevene ontboezemingen, die iedere bladzijde zijner levensgeschiedenis opluisteren.
Krachtens zijn staat en de opdracht der Kark is de priester verplicht dagelijks Gods Majesteit te aanbidden en te loven door het bidden der kerkelijke Getijden. Stichtend is het te hooren, met welk een geloof de H. Patriarch deze hoogheilige bediening
17
258
volbracht! Tijdens het goddelijk Officie stond hij immer met ontbloot hoofd, onbewgeelijk, en was geheel aandacht; hij geleek den Cherubijnen, die geschaard staan om den troon des Aller-hoogsten. Niet alleen thuis, maar ook op reis loofde hij met den psalmist zevenmaal daags den Heer, op het bepaalde uur. â Toen hij eens van Rome terugkeerde, werd hij juist op het gewone uur der Getijden door een onstuimige regenbui overvallen; maar hij hield nochtans stil in het open veld, nam zijn brevier en trots regen en stormvlaag zocht hij geen schuilplaats, voordat eerst het gebed voleindigd was. Toen zijne gezellen opmerkten, dat zij het kerkelijk uurgebed liever hadden uitgesteld totdat zij tegen den regen beschut waren geweest, antwoordde hij vol opgeruimdheid: âIndien men op tijd het lichaam voedt, dat zelf het voedsel der wormen zal worden, met hoeveel meer reden moeten wij dan op tijd de ziel een weinig rust en verpoozing gunnen, opdat ook zij haar onstoffelijke verkwikking geniete, die God zelf is.quot; Ziedaar een nauwgezetheid, die getuigt van geloof, maar ook voor ons vol zin en beteekenis!
Bij eene andere gelegenheid werd hij door zijne stadgenooten met verwondering ondervraagd, hoe hij met één enkel habijt, dun en afgesleten als het zijne, de snijdende winterkoude kon uitstaan. âO,quot; zoo riep hij geestdriftvol uit, âals wij den brand der goddelijke liefde in ons voelen, dan valt het niet moeilijk de lichamelijke koude te dragen.quot; â In eene geestverrukking zeide onze Heer Jesus eens tot hem : âFranciscus, uwe liefde gaat te ver; zij grenst aan het waanzinnige! Gij verwacht het onmogelijke, en nooit heeft iemand mij gunsten gevraagd gelijk gij!quot; â âO opperste Goedheid,quot; antwoordde Franciscus, âhoe kunt Gij mij van buitensporigheid beschuldigen, wijl Gij U zeiven uit loutere liefde jegens mij hebt vernietigd, een vleesch hebt aangenomen, het mijne gelijk, en mij hebt liefgehad tot de dwaasheid des kruises!quot;
Deze liefde, zoo volmaakt, dat zij alleen het begin en het richtsnoer was van al zijne handelingen, zoo standvastig, dat zij alleen het einde en eenige doelwit bleef van al zijn streven, ging in Franciscus hand aan hand^met eene teedere en ongekunstelde godsvrucht. O, met hoeveel gevoel van zaligheid sprak hij niet over Jesus' menschwording en geboorte! Met welk een
259
kinderlijke vreugde zag hij telken jare het Kerstfeest tegemoet! De broeders kwamen hem eens vragen, of het wel goed was op Kerstdag vleesch te eten, wanneer dat feest op Vrijdag viel âWel zeker,quot; sprak Franciscus; âik zou zelfs willen, dat de vorsten en grooten dezer aarde vleesch en tarwe op de wegen en akkers wierpen, opdat de dieren des velds en de vogelen des Hemels deelden in de vreugden van het âfeest der feestenquot;.quot; Franciscus heeft in Italië de feestviering der kribbe zoo niet begonnen, dan toch zeker tot een volksfeest gemaakt.
Het was in het jaar 1223. Toen hij te Rome verbleef, had hij den paüs verlof gevraagd om te Greccio het geboortefeest des Zaligmakers te gaan vieren, daarbij de broeders en het volk der omstreken samen te roepen en het feest bijzonderen luister bij te zetten. Hij ontbood zijn vriend Joannes Velita en verzocht hem op zijn landgoed alles in gereedheid te brengen, âwant ik wil,quot; zoo sprak hij, âmet mijn lichamelijke oogen zien, hoeveel koude en armoede het goddelijk Kindje te Bethlehem te verduren had, toen het op hooi en stroo rustte tusschen os en ezel.quot;
Eindelijk brak de blijde herinneringsdag aan. Duizenden waren samengestroomd. Toen Franciscus aankwam, vond hij alles in gereedheid : het altaar was midden in het bosch opgeslagen, de kribbe klaar gemaakt, het hooi aangebracht, os en ezel er heen geleid. Te middernacht trokken de broeders in lange rijen naar het bosch, gevolgd door de landlieden met brandende toortsen. Dat ongewoon schouwspel, het flauw schijnsel der flambouwen, dat zich tusschen de boomen van het woud voortbewoog, de zoete kerstliederen, door duizenden stemmen in koor aangeheven, door de bosschen en rotsen weerkaatst, ontroerden den Heilige tot schreiens toe. In de H. Mis fungeerde hij als diaken, zong plechtig het H. Evangelie en predikte daarna over het pasgeboren kindje van Bethlehem. De teederste ontboezemingen over de barmhartige liefde van Jesus ontrolden zijne lippen; en telkens als hjj den zoeten naam Jesus wilde noemen, stond hij een oogenblik onbeweeglijk stil, als proefde hij iets zoets als honingraat, als had hij eene harmonie gehoord, waarvan hij de welluidende muziektonen wilde hervatten. Ridder Joannes Velita, die weldra den adel des bloeds versmaadde om beter den armen Jesus te dienen, bevestigde onder eede,
260
dat dien nacht een wonderschoon knaapje in de kribbe scheen te sluimeren, dat Franciscus zich neerboog, het liefkoosde en in vervoering aan zijn hart drukte. Het stroo, waarop dat won-derkindje had gerust, werkte later veel merkwaardige genezingen uit.
Volgens verlangen der H. Kerk trachtte onze Heilige Vader zich te doordringen van de verschillende geheimen van Jesus leven en lijden, zooals zij in den loop van het jaar worden herdacht. In den H. Vastentijd vertoefde hij op den top van Cal-varië en dikwerf ontwelde die zinrijke liefdekreet van den apostel der volkeren zijn boezem; âDilexit me et tradidit seme-tipsum 2)r0 me-V «Hij heeft mij bemind en zich voor mij ten beste gegeven.quot; Hij smaakte deze uitdrukking der gewijde Boeken dermate, dat er geen twijfel rest of deze gedachte vooral heeft er veel toe bijgedragen om hem tot een Heilige, zelfs tot een groot Heilige te vormen.
In de Goede quot;Week verdubbelde zijne vurigheid. Dan dacht hij aan niets, tenzij aan Jesus en Dien gekruist! Dan sprak hij niet, tenzij van Jesus' wonden, van Zijn vernederingen en Zijn bitteren dood aan het kruishout. Zijne ziel was zoo vol van de gedachte aan Jesus' lijden, dat zij overstelpt van droefheid, zich lucht gaf in klachten en jammerkreten. Toen hij op zekeren keer weer zulke bittere klaagtonen aanhief, trad een edelman vol medelijden op hem toe en vroeg; âWaarom schreit en jammert gij zoo bitter? Wat kan ik doen om u te troosten?quot; âMijne liefde is gekruisigd, riep Franciscus nog luider snikkende! En wilt gij mij troosten, o laat ons dan te samen wee-nsn over Jesus' smartvol lijden!quot;
Toen de broeders hem eens in de twee laatste jaren zijns levens verzochten hun een boek aan te wijzen, welks lezing eenige zalving en opbeuring bij zijne ondragelijke smarten kon aanbrengen, gaf hij dit overheerlijk antwoord ; âEr is geen boek, dat mij meer verkwikt dan het lijden van Jesus Christus; dat is het eenig voorwerp mijner overwegingen, en al leefde ik tot den jongsteh dag, nooit zou ik een andere lezing verlangen! God verhoede, dat ik ooit roeme, tenzij in het kruis van onzen Heer Jesus Christus! Deze liefdeontboezeming van den apostel Paulus kwam bij de hevigste pijnen onophoudelijk over zijne
261
lippen en daarom hebben de Minderbroeders die woorden tot zinspreuk van het wapen der Orde gekozen.
De liefde tot het slachtoffer des kruises scheidde Franciscus nimmer van de liefde tot Jesus, als het Levend Slachtoffer onzer altaren. Dagelijks hoorde hij de H. Mis en naderde veelvuldig tot df, H. Communie. Hij vermaande met nadruk al zijne kinderen, ook die der Derde Orde, hem in dit punt na te volgen O, hoe schoon was hij, als hij tot de H. Tafel naderde met neergeslagen oogen, gevouwen handen en blootsvoets uit eerbied voor zoo'n aanbiddelijk liefdegeheim. Met de H. Communie was zijn hart in een hemel herschapen; dan zonderde hij zich af in de eenzaamheid, hoorde noch zag iets meer en geraakte gewoonlijk in geestverrukking.
Het Sacrament des Altaars is voor ons op aarde het kort begrip van Gods onmetelijke liefde. Die eens de zoetigheden dezer Hemelspijze geproefd heeft, voelt in zijn ziel een onweerstaanbare aantrekkelijkheid voor het tabernakel: daar is zijn schat, daar is dus ook zijn hart! Dit was waarlijk de hartstocht van onzen H. Yader, Hij kon zich niet verzadigen in de beschouwing van den gastvriend onzer tabernakelen. In de houding der diepste aanbidding neergeknield, verbrak zijn geloof den sluier der uitwendige gedaanten, en hij dompelde zich naar hartelust in dien oceaan van licht, in dat fornuis der liefde, welke het geloof hem vertoonde. Het grootste gedeelte van den nacht bracht hij door voor het altaar in zoete samenspraak met zijn God; dan vloeiden de stroomen van Jesus' liefde in het hart van dien Serafijn over, zijn aangezicht gloeide, lichtstralen omkransten zijn hoofd, en niet in staat den brand der goddelijke liefde, die hem verteerde, in zijne ziel besloten te houden, riep hji, soms uren achtereen : âamor non cmaturquot; âde liefde wordt niet bemind!quot;; dan vlogen de uren hem al te spoedig voorbij, en de dageraad bestraalde hem nog in gezelschap van zijn Welbeminde, dien hij nooit, tenzij met weerzin en uit noodzakelijkheid verliet.
Is H. Eucharistie, het Eden cj^r Kerk, het waarachtig geestelijk paradijs, waarvan het aardsch paradijs slechts een beeld was, dan is de priester de Cherubijn met het vlammend zwaard, die den ingang moet bewaken. Het altaar is de voor-
262
treffelijkste bediening des priesters, maar ook de hoofdreden van dien geheel buitengewonen eerbied, dien de H. Vader van Asaisië den bedienaren van het Heiligdom toedroeg. Hij eerde en beminde den priester met een teederheid, die zich uitsprak in allerhande dienstbewijzen en huldeblijken, waarvan hij zelfs de onwaardigen niet uitzonderde, omdat zijne vereering steunde op bovennatuurlijke gronden en voortkwam uit een levendig geloof. Hij beschouwde in den priester nooit de menschelijke zijde, welke altijd zwakheden en stofjes zullen aankleven, maar altijd de goddelijke waardigheid, wier verhevenheid alle menschelijke begrip oneindig verre overschrijdt. Hij eerde in hen niet de talenten of deugden, maar het levende beeld van den Priester bij uitnemendheid, Christus Jesus! âJa, zoo sprak hij nog met stervende lippen, al deed de priester mij vervolging aan, nog zou ik tot hem vluchten; al had ik de wijsheid van Salomon, nooit zou ik tegen den wil van een eenvoudig priester prediken. De priesters wil ik eerbiedigen en eeren als mijne heeren; nooit wil ik eene zonde in hen aanmerken, omdat zij het Allerheiligste Lichaam en Bloed des Heeren consacreeren en nuttigen en zij alleen het aan anderen toedienen.quot;
Was het geen diepe eerbied en hoogachting, die Franciscus staande hielden op den drempel van het priesterschap ? Een gezag uitoefenen, hooger dan dat der Serafijnen, zielen geleiden langs de steile paden der volmaaktheid, de bazuin zijn van Gods woord, al deze bedieningen van het heilig priesterschap vragen eene heiligheid, die hem deed terugdeinzen. Hoor, hoe hij zijn eerbiedige vrees verklaart in een brief aan de priesters zijner Orde : âMijne Broeders, zoo schreef hij, als de nooit vol-prezene Moedermaagd Maria bijzondere vereering waardig is, omdat zij den Verlosser der wereld in haar maagdelijken schoot gedragen heeft; als Joannes de Dooper slechts bevend voortschreed om het water van den Jordaan over het hoofd van den Messias uit te storten; als wij het H. Graf eeren, omdat het ontzielde lichaam van Jesus daarin drie dagen heeft gerust, o overweegt dan wel, hoe zuiver de~handen moeten zijn, waarin de God onzer altaren dagelijks opnieuw geboren wordt, de God van Majesteit, voor wien de Engelen hun aanschijn vol ontzag met vleugelen dekken. O priesters, vergeet toch nooit
de verhevenheid uwer roeping en weest heilig, omdat het slachtoffer, dat gij opdraagt, heilig is! Als ik een priester en een Engel ontmoette, dan zou ik eerst den priester groeten, omdat hem een macht is geschonken, welke aan geen enkelen der Hemelgeesten verleend is!quot;
In deze woorden ligt de verklaring, waarom de Boeteling van Assisië nooit de enkele schrede, die het diaconaat van het priesterschap scheidt, heeft durven zetten. Tegenover het diep besef, dat hij opvatte omtrent eigene onwaardigheid, koesterde hij te hooge gedachten van het priesterschap. Intusschen smeekte hij den Hemel met aandrang hem omtrent zijne roeping te verlichten. En de Hemel verhoorde zijne bede; wij weten echter niet in welk jaar zijns levens. Toen hij eens omtrent dit punt zijn hart tot God verhief, verscheen hem een Engel en toonde hem een vaas, gevuld met zuiver water, helderder dan kristal en zeide: âZie, Franciscus, de ziel des priesters moet nog zuiverder zijn.quot; Na dit visioen stond Franciscus' besluit onwrikbaar vast: gelijk de H. Stephanus, Laurentius en Ephrem bleef hij altijd diaken.
Zijn diepe eerbied voor den priester schittert vooral uit in het zinrijk en scherpzinnig antwoord, waarmee hij eens een strikvraag der Katharen beschaamde. Het was op zijn terugtocht uit Spanje (1214 of 1215). Hij trok door de valleien van Lom-bardije, die, gelijk men weet, door de heillooze dwalingen van het neo-manicheisme besmet waren. Onderweg trad hij een dorpskerk binnen om er een oogenblik te bidden. Toen hij buiten kwam, wachtte hem een menigte katholieken, waaronder niet weinig bedekte Katharen, die hem hun blijken van eerbied en liefde betoonden. Na eenige oogenblikken aarzelen waagde zich een ketter vooruit, trad op den gelukzalige toe, wees hem den pastoor der parochie met den vinger aan en sprak : âWat moeten wij houden van onzen herder, van zijn prediking en heilige bediening ? Hij leidt openlijk een ergerlijk leven!quot; Die vraag van den ketter verborg een sluwe en berekende list. Immers zijne geestgenooten leerden, dat de priester in staat van doodzonde al zijn macht en voorrechten verliest. Zijn eenige bedoeling was een antwoord uit te lokken, dat hem wettigde om onder een naam, die bij allen geëerd was, een dwaling uit te strooien, waaraan hij en zijne secte alle gewicht hechtten.
264
Maar Franciscus ontdekte aanstonds den strik, dien men hem spande. Toen hij zag, dat zijn tl. geloof werd belaagd, snelt hij op den priester toe, knielt voor hem in het stof, kust zijn handen met diepen eerbied, houdt ze in de zijne omkneld en roept ten aanhooren van allen den vermetelen ketter toe : âOf deze handen door ongerechtigheid bezoedeld zijn, gelijk gij beweert, weet God ! Maar al was deze beschuldiging gegrond, dan nog hebt gij geen reden u daarop te beroepen ; want de zonden des menschen zijn niet bij machte het hei.ig kenmerk des piies-terschaps uit te wisschen. Deze handen 'zijn en blijven niettegenstaande alle ongerechtigheid het kanaal, door den Zaligmaker gezalfd, om over u stroomen van genade en barmhartigheid uit te storten. En ziedaar, waarom ik die handen nogmaals met diepen eerbied kus en vereer!quot; Of de ketters door zooveel geloof tot inkeer kwamen, weten wij niet, maar zeker was de eer van het priesterschap op uitmuntende wijze gewroken en gehandhaafd.
Wat is er na God voortreffelijker en meer onze liefde waardig dan de vergadering der uitverkorenen in den Hemel? Zij zijn de vrienden Gods en baden zich in de stroomen van 's Heeren gelukzaligheid, maar zij zijn te gelijk ook onze vrienden en zonder ophouden spreken zij bij God ten beste voor hunne broeders, die nog omdolen in het ballingsoord Geen wonder derhalve, dat de zoon van Bernardone hun hulp, bescherming en voorspraak dikwerf inriep. Nochtans had hij voor enkele Heiligen en Engelen een meer bijzondere devotie. Zij waren allen even verheven in heiligheid als in waardigheid : de H. Michael, de aanvoerder van het hemelsch heer: de apostelen Petrus en Paulus, en boven alles Maria, ds Koningin aller Engelen en Heiligen, die hij tot zijne voorspreekster had gekozen bij God en tot patrones zijner Orde. Telken jare hield hij tot voorbereiding van hun feestdag eene veertigdaagsche vasten.
De zuivere en onuitputtelijke liefde, die Franciscus' hart bezielde, bleef in hem niet werkeloos. Gelijk eene rivier bij het zwellen en bruisen harer wateren de dijken verbreekt en alles op haren weg in dolle vaart meesleurt, zoo verbreedde ook Franciscus' liefde haar veld en stortte zich uit over alle schepselen maar eerst en vooral over de misdeelden dezer aarde, de armen en noodlijdenden.
265
Franciscus beminde de armoede om haar zelve en bijgevolg bekommerde hij zich nooit of iemand arm Was door tegenfortuin of eigen schuld ; neen* hij zag slechts naar het beeld van den armen Jesus. Nooit zou hij daarom %en arme voorbijgaan zonder hem te groeten en eenige troostwoorden toe te spreken. En men weet, wat een zalving een welgemeend troostwoord is voor een bloedend hart ! Had een zijner broeders een arme eenig verwijt gedaan of te hunnen opzichte slechts eenige achterdocht gekoesterd, dan vorderde Franciscus, dat hij den arme geknield om vergiffenis zou vragen en zijn gebed verzoeken, omdat de armen veel bij God vermogen. En hoe gaarne hielp hij hen in den nood, deelde hij mede van het weinige, dat hij zelf had gebedeld ! Hoe dikwerf, zegt Celano, kromden zijne schouders onder den last van een takkenbos, welken hij torste om den afgematten bedelaar te verlichten. Zoo dikwerf gingen zijn mantel en habijt in de handen der armen over, dat de weldoeners zich over zijne kwistigheid beklaagden.
Niettemin hield Franciscus zich niet tevreden met lenigen van lichamelijke ellende, het verplegen van zieken en melaatschen, neen, vooral voor geestelijken nood, voor de zondaars, de godde-loozen en godslasteraars zelfs klopte zijn liefdevol hart. O hoe dikwerf heeft zijn onvergelijkelijke zoetheid harten genezen, sinds jaren door haat en bitterheid verteerd ! Thomas van Celano heeft ons als voorbeeld een dezer overwinningen opgeteekend.
Eens ontmoette Franciscus op weg tusschen Perugia en Assisië een landman, wiens gelaat de sporen eener hevige gramschap verried, en die zelfs in verwenschingen van het schandelijkste allooi uitviel tegen zijn heer, dien hij beschuldigde van hem al zijn geld en goed afgeperst te hebben. De dienaar Gods sprak hem aan, doch toen hij bemerkte, dat hij hardnekkig zijne gevoelens van haat en wrok bleef voeden, gevoelde hij diep medelijden met zijn arme ziel. âMijn broeder, zoo sprak hij met engelachtige zoetheid,- ter liefde Gods bid ik u, vergeef uw meester, opdat uw ziel behouden blijve.'' Doch die vermaning maakte hem kribbig. âIk Hem vergeven, tierde hij, dat kan of mag ik niet, want hij heeft mij van have en goed beroofd.quot; âKomaan, hervatte de Heilige, ik geef u mijn mantel, alles wat ik bezit, maar vergeef dan ter liefde Gods uwen heer.quot; Meteen
266
had hij zijn mantel reeds van de schouders genomen en reikte hem den landman over. Door zooveel voorkomendheid en liefde getroffen, legde hij zijn haat af en vergaf zijn meester van harte.
Wellicht moet men in» den schat van Franciscus' onverstoorbare zachtmoedigheid, meer nog dan in de wondermacht, waarmee God hem toegerust had, het geheim zoeken van zijn invloed in Europa en bizonderhjk in Italië. Hij toch bracht aan de maatschappij, door burgertwisten verscheurd, aan de eeuw, welke na de regeering van een Frederik II en Ezelinus den Wreedaardige, nog de terechtstelling moest aanschouwen van Hu-golinus van Pisa en het bloedbad der Siciliaansche Vespers, het kostbaarste aller goederen, den vrede; â dien vrede, die ontspruit uit het heilig en innig verkeer van den mensch met zijn God en die de eerste grondslag is van den voorspoed der volkeren. Hij was de Vrede-Engel, die allen vrede boodschapte, en hem om zich verspreidde, gelijk de zon hare stralen, de roos haar balsemgeuren ; en het vredige volk hoorde met dankbaarheid en leerzaamheid naar den apostel, die hun dat goed aanbracht, waarnaar zij het vurigst haakten.
Een andere klasse, die een ruime plaats innam in Franciscus' liefde, waren de weldoeners der Orde 1 Men behoefde geen groote weldaden te bewijzen als een kardinaal Hugolinus of de Benedictijnen om zijn dank te ondervinden, neen, het minste was was genoeg! Hadden bijv. ouders een zoon aan de Orde geschonken, dan noemde hij hen bij voorkeur zijn vader en moeder. Eens nu was zulk eene moeder in behoeftige omstandigheden geraakt en klaagde Franciscus haar nood. De H. Vader richtte zich tot Petrus Cattani en zeide: âZij schonk ons een broeder, en is dus onze moeder. En moeten wij voor onze moeder niet alles ten offer brengen ?quot; Petrus Cattani beaamde de woorden zijns vaders, doch bemerkte, dat hij niets voorhanden had om te geven tenzij een Nieuw Testament. âWel, sprak Franciscus, geef haar dit ten minste, opdat zij het verkoope en zich redde.quot; Ziedaar, zegt Celano, hoe de eerste Schriftuur in de Orde het slachtoffer werd van Franciscus' dankbaarheid! Na zulk een bewijs van liefde en dank is het zeker overbodig aan te stippen, hoe hij nooit in gebreke bleef dagelijks voor zijne weldoeners te bidden en het zijnen kinderen op het hart te drukken.
267
Nergens echter schitterde de naastenliefde van Franciscus met liefelijker glans dan binnen de enge kloostermuren. Zijne kinderen, zoo dacht hij, hadden het meest recht op zijn hart. En is het leven niet eene afwisseling van blijden zonneschijn en mistige duisternis ? Welke ziel heeft niet hare sombere dagen, dagen van verslapping en moedeloosheid? Zoodra nu de liefdadige vader merkte, dat een zijner kinderen geestelijken troost of lichamelijke hulp behoefde, stond hij onverwijld aan zijne zijde.
Op zekeren nacht werd een jong religieus door honger en slapeloosheid gekweld en begon bitter te weenen. Onmiddellijk gaat Franciscus tot hem en toen hij de oorzaak zijner klaagtonen vernomen had, maakte hij in den refter de tafel gereed, wekte daarop alle religieuzen uit den slaap om met den armen broeder aan te zitten en dezen de vernedering te besparen van alleen te moeten eten. Na den maaltijd gaf hij uitleg zijner handelwijze; âEen ieder moet rekening houden met zijn krachten en het voedsel nuttigen, dat noodzakelijk is, opdat het lichaam gewillig en bliide den geest diene. Wacht u hier voor twee uitersten. Gij moet noch onmatig eten, wijl dit lichaam en ziel zou schaden, noch ongeregeld vasten, wijl God de werken van barmhartigheid verkiest boven de bloot uitwendige onderhouding der kloostervoorschriften. Wij hebben thans, beminde Broeders, God welgevallig gehandeld, omdat wij niet uit grilligheid, maar uit medelijden met een onzer broeders te samen gegeten hebben.quot;
Een zelfde voorkomendheid toonde Franciscus tegenover broeder Sylvester, een zijner twaalf eerste gezellen, die ongemerkt onder een slepende ziekte kwijnde. Toen hij eens door openbaring wist, dat Sylvester inwendig vurig verlangde druiven te eten, maar er niet van durfde spreken, leidde hij hem ongevraagd naar een nabijzijnden wijnberg, zette zich met hem bij een wijnstok neer, plukte een tros, zegende dien en deelde hem met den zieke. God had behagen in de kiesche voorkomendheid des vaders, want zoodra Sylvester zijne druiven had opgegeten, was hij volmaakt genezen.
Zekere broeder Rizzier was een geruimen tijd ten prooi aan de vreeselijkste aller bekoringen, de wanhoop. Hij waande zich door God verworpen en beeldde zich in, dat Franciscus hem
268
daarom vermeed. Ten laatste vermande hij zich en sprak: âIk wil weten, wat er van is; ik zal opstaan en mijn vader bezoeken. Ontvangt hij mij met teederheid, den mag ik hopen, dat ook de opperste Rechter mij genadig zal zijn; verstoot hij mij, dan is dit een teeken, dat God mij onherroepelijk heeft verworpen zonder hoop op zijne barmhartigheid.quot; Op staanden voet ging hjj nu naar het bisschoppelijk paleis, waar Franciscus met teedere zorg door zijn hoogwaardigen beschermer verpleegd werd. De H. Vader, die den zielenood van zijn leerling en het doel zijner komst reeds door openbaring kende, zond hem de broeders Leo en Masseus tegemoet; âGaat onzen broeder Rizzier afhalen, zoo fluisterde hij zacht en zegt, dat ik hem het teederst bemin van al mijne kinderen.quot; Leo en Masseus volbrachten als ware kinderen der gehoorzaamheid de opdracht huns vaders en broeder liizzier voelde zich zoo bemoedigd, dat hij zich zeiven niet meer kende. â Zoodra hij nu de kamer, waar zijn vader op het ziekbed lag uitgeetrekt, binnentrad, stond deze, hoe zwak ook, op van zijn legerstede, omhelsde zijn zoon en sprak: âIk bemin u uit den grond mijns harten onder alle kinderen, welke ik in de wereld bezit.quot; Vervolgens maakte hij een kruisteeken op zijn voorhoofd en voegde erbij : âGod had deze aanvechting des duivels toegelaten tot hooger welzijn uwer ziel; wijl het u echter te pijnlijk valt, zult gij voortaan door bekoring noch beproeving gekweld worden.quot; Sinds dat uur smaakte liizzier een ongestoorden vrede en was vrij van allen strijd.
Onder zijne kinderen telde Franciscus verschillende personen, die hem wijd overvleugelden in wetenschap of welsprekendheid, zooals Broeder Elias, Cesarius van Spiers en de H. Antonius van Padua. Dit wist hij zeer goed. Maar verre van naijverig te zijn op hun welslagen, gelijk bij bekrompen en trotsche menschen zoo dikwerf geschiedt, wenschte hij hun hartelijk geluk en aarzelde niet ze aan zijn hart te drukken en hun toe te roepen: âMijne broeders, de blijde tijdingen, welke gij mij boodschapt, veroorzaken mij een genot als de zoete geur, welken men inademt tusschen groenende beemden of bloeiende wijnbergen.quot;
Zijne voorkomende liefde gedoogde geen enkele uitzondering: hij beminde de lauwen zoowel als de ijverigen en verlangde^ dat de oversten zich welwillend zouden betoenen jegens de
269
laatsten, toegevend voor de eersten, zelfs dan als zij misdaan hadden, zoolang zich nog eenige teekenen van berouw en spijt bij hen vertoonden. De adel van zijn karakter bereikt zijn toppunt in een brief, dien hij ten jare 1221 aan Petrus Cattani, toenmaals Vicarius-Generaal, richtte omtrent het vergeven van het aangedane ongelijk. Deze is meer dan eenig andere een afspiegeling van zijn grootmoedig hart, een weerklank zijner onbaatzuchtige liefde, en daarom bieden wij hem onzen lezers aan als een parel uit de serafijnsche schatkist.
âDat de Heer uw beschermer zij en u in zijne liefde beware! Ik beveel u in het bestuur uwer broeders zooveel geduld te verzamelen, dat gij, zoo een van hen de stoutheid zelfs zoover dreef van u te slaan, die mishandeling aannemet als eene genade des Heeren. Bemin hen, die u beleedigen en stel u ten doel om hen door uwe liefde te verbeteren. Nochtans verbeeld u nooit hen te bekeeren, als God uw pogen niet steunt met zijne genade Het ware teeken, waaraan gij kunt onderscheiden, of gij God bemint en liefde hebt voor mij. Zijn en uw dienaar, bestaat daarin, dat geen enkel onzer broeder?, hoe schuldig ook, van u henengaat zonder de bewijzen uwer liefde ondervonden te hebben. En als hij geen vergiffenis vraagt voor zijne fouten, dan moet gij hem voorkomen en de kwijtschelding aanbieden; en al zou hij ook duizend malen terugkeeren, blijf hem altijd meer liefde toonen dan mij zelfs, ten einde hem op den goeden weg terug te brengen. En dat de broeders elkaar nooit een misslag als een verwijt naar het hoofd slingeren of hem uitbazuinen op de daken, maar dat zij liever eikaars fouten doodzwijgen en met den mantel der liefde bedekken. Immers niet de gezonden, maar de zieken hebben een geneesheer noodig. Doe gelijk ik u bevolen heb. Vaarwel!quot;'
Als men nu deze bladzijden gelezen heeft, dringt zich dan niet de vraag op, of eene moeder meer liefde, meer teergevoeligheid kan hebben voor hare kinderen? Zoo bracht dan de zoet-aardige Franciscus eerst zelf dien raad in beoefening, welken hij later in het zesde hoofdstuk des Regels zou aanprijzen: âIndien eene moeder haar kind naar het vleesch bemint en voedt, met hoeveel meer teederheid moet dan ieder kloosterling zijn broeder naar den geest beminnen en voeden!quot;
; â Willi V I! II ' ' â |||l. 1 4 -
â¡iHSHsgsHsaiaisHsasHsgsfnl
EEN ENJTWINTIGSTE HOOFDSTUK. I»lt;- Koning der Schepping.âI»e Minnaar der natuur.
^e natuur is het groote boek, door Gods eigen hand ge-schreven, waarin Hij ons antwoordt, wie hij is, die het onmetelijk heelal schiep, hoe groot zijne macht, liefde en wijsheid zijn. Elk schepsel spreekt u van Gods bestaan, de aarde verkondigt u zijn goedheid, de worm zjjn vaderlijke Voorzienigheid, de zee zijne majesteit, de sterrenhemel zijne glorie. God zelf heeft ons uitgenoodigd om door het schepsel tot Hem op te klimmen. âBeschouwt, zoo sprak Hij, de vogelen des Hemels, de leliën des velds, hoe uw Vader ze voedt en kleedt;quot; en de H. Man Job zeide reeds : âOndervraagt de dieren en zij zullen u leeren, de vogelen en zij zullen u antwoorden.quot;
Franciscus nu, wiens ziel voortdurend dieper wortelen schoot in Jesus' liefde, zocht volgens de vermaning der H Boeken zonder ophouden in de natuur zijn Welbeminde, van wien hij nochtans slechts gescheiden was door het omhulsel zijns lichaams; en gelijk hij zelf bekende, hij vond Hem overal. Als kind lachte hij de bloemen tegen en ademde met onuitsprekelijk genot hare balsemgeuren in. Als jongeling kon hij met name-looze vreugde soms uren lang staren op zaadvelden en wijnbergen, op koele bronnen en murmelende beekjes, op het wisselend kleurenspel van dageraad en avondrood. Was het wonder, dat hij man geworden en reeds in heiligheid gevorderd, vriend bleef der natuur, dat zij menig steunpunt bood voor zijne gods-vereering, ja hem vleugelen leende om zich ten hemel te verheffen?
Wanneer deze Seraf de schepselen der natuur betrachtte, steeg hij op tot den eersten oorsprong aller dingen, en zijne liefde, zegt de H. Bonaventura, stortte zich uit over de leven-looze schepselen omdat zij, ofschoon van de rede verstoken, nochtans uit Gods scheppende vaderhand voortkomen, en hij
noemde allen met weergalooze teederheid : âzijne broeders en zustersquot;. In gemeenden ernst sprak hij van âonzen broeder het vuur, onze zuster de maan, âonze broeders de vogelenquot;. De goddeloozo ziet God nergens, Franciscus ontdekte Hem in alles en overal. Geheel de natuur was voor hem een welluidend klavier, waarvan iedere toon een van Gods volmaaktheden aangeeft. Hij vereenigde zijne stem met die dei-natuur. Erfgenaam van de bezieling der profeten, noodigde hij alle schepselen uit âde rivieren en zeeën, de bergen en valleien, de beemden en kudden, de menschen en engelen om met hem den Schepper lof te zingen. Hij zelf stond in 't hart van dat reuzenkoor, als een zanger door God begeesterd, nam in zijne ziel al de tonen van het verheven loflied der schepping samen om ze met eene van liefde trillende stem op te zenden fot Hem, die de bron is van alle harmonie en schoonheid.quot;
Toen hij zich tegen het einde des jaars 1224 om zijne krankheden nabij het klooster van Sint-Damiaan in eene kluis had teruggetrokken, geraakte hij eens in eene geestverrukking, waarin God hem verzekerde van zijne eeuwige zaligheid. Na deze zielsvervoering beval hij zijn stadgenoot. Broeder Leonardua, zich neer te zetten om op te teekenen, wat hij zeggen zou. Toen hief hij het beroemde âgezang der zonquot; aan, eene verhevene ontboezeming, welke ons door Thomas van Celano onder den meer juisten titel van het âgezang der Scheppingquot;1 is overgeleverd.
- HYMNE DER SCHEPPING. â
âü, Allerhoogste Heer, behoort de lof, de glorie, de eer en alle zegening! Deze is men U alleen verschuldigd en geen sterveling is waardig uw naam te noemen.
Geloofd zij God, mijn Heer, door alle schepselen en bizonderlijk door mijne zuster de zon, die ons verrijkt met haar licht en den dag! Zij is schoon en straalt met een verblindenden glans en geeft getuigenis van U, o mijn God.
Geloofd zij mijn Heer door onze zuster de maan en alle sterren, die hij als zoovele lichtende en glanzende toortsen aan het uitspansel des hemels heeft opgehangen.
272
Geloofd zij mijn Heer door onzen broeder den wind en de lucht; door het kalme weder en het stormgeloei, en door al de jaargetijden, waardoor Gij, o mijn God, het leven uwer schepselen onderhoudt.
Geloofd zij mijn Heer door onzen broeder het water, dat zoo nuttig is en nederig; zoo kostbaar en zoo doorschijnend rein.
Geloofd zij mijn Heer door onzen broeder het vuur, dat de duisternissen van den nacht verdrijft, dat schoon is om te zien, verkwikkend, ontembaar en machtig.
Geloofd zij mijn Heer door onze moeder de aarde die ons draagt en voedt, die ons zoo'n heerlijke verscheidenheid kweekt van kruiden, bloemen en vruchten.quot;
Eenige dagen later ontstond er hooge wrijving tusschen den bisschop van Assisic en de overheden der stad. Don Guido sprak den banvloek tegen de weerspannigen uit, doch dezen beroofden op hun beurt den bisschop van het burgerrecht. Franciscus was diep bedroefd over die tweespalt, voegde nog eene strofe aan zijn lied toe en zond zijne broeders om liet voor de beide partijen in beurtzangen aan te heffen; en de eensgezindheid werd hersteld.
âGeloofd zij mijn Heer door hen, die gaarne te zijner liefde vergeven en geduldig ziekten en kwelling dragen. Zalig zij, die in vrede leven, want zij zullen gekroond worden in den hemel!quot;
Toen eindelijk onze goddelijke Zaligmaker hem nog later in het klooster te Foligno veropenbaarde, dat hij na een lijden van twee jaren verlost zoude worden uit den kerker zijns lichaams en overgeplaatst naar het verblijf der eeuwige rust, hief hij op nieuw zijn loflied tian en sloot zijn liefdezang met dezen kreet van dankbaarheid :
âGeloofd zij mijn Heer door onzen broeder den lichame-lijken dood, wien geen van de kinderen der menschen kan ontvluchten. Wee hem, die in doodzonde uit dit leven verscheidt! Driewerf zalig echter hij, o mijn God, dien de dood gedwee vindt onder uw Goddelijken Wil, want de eeuwige dood zal hem nooit genaken !
Looft en prijst mijn Heer, gij alle zijne schepselen, dankt Hem en dient Hem in allen ootmoed.''
273
Een dergelijk loflied vol poëzie hieven weleer onder goddelijke ingeving ook de jongelingen Ananias, Mizacl en Azarias aan, toen zij in de vlammen van den vuuroven te Babyion rondwandelden als in eene verfrisschende ochtendkoelte. Zoo zong de koninklijke liarpzanger en zoo jubelt nog dagelijks de priester, als hij, na het onbloedig offer, met David de schepping uitnoodigt tot den lof zijns Heeren :
âLooft den Heer op de aarde, gij zeegedrochten en alle afgronden.
Vuur, hagel, sneeuw, ijs, stormwinden, die zijn woo.vd volbrengt.
Gij bergen en alle heuvelen; gij vruchtboomen en alle ceders.
Gij wilde dieren en alle vee; gij kruipend gedierte en gevederde vogelen.
Gij koningen der aarde en alle volken, gij vorsten en alle rechters der aarde.
Jongelingen en maagden, oude en jonge lieden, dat zjj den naam des Heeren loven; want verheven ia zijn naam alleen;
Zijn lof is over hemel en aarde.quot;
Het lied nu der zon is te gelijk eene hymne en een gebed. De H. Stichter wilde, dat al zijne broeders het aanleerden en dagelijks baden. Dit gedicht is kort, maar nochtans is geheel de ziel des Heiligen, de rijkdom zijner verbeeldingskracht, de stoutheid van zijn genie daarin overgegaan; in dit gezang waait u de balsemgeur tegen van Umbrië, Italië's aardsch paradijs, waar de Hemel een onbewolkt azuur uitspant en de bodem met bloemen is doorweven.
Voor dit serafijnenhart scheen de vloek van de aarde weggenomen en de oorspronkelijke harmonie van het paradijs, door de zonde zoo droeug verstoord, wederom hersteld. Voor hem zong alles in de natuur. De bloemen en hare geuren, de sterren en haar vonkelende glans, kortom alles verhief eene stem om God, zijn Heer en Meester, te verheerlijken.
Meer nog! De geschapene wezens waren hem ook leermeesters, verhaalden hem van God, herinnerden hem aan de geheimen van Jesus' verlossingswerk, wezen hem als zoovele zinnebeelden op de deugden, welke wij moeten beoefenen. Vandaar dat hij
18
274
zooveel aandacht wijdde aan de verborgen harmonie dor natuur, dat hij met naïeve teederheid waakte, dat het kleinste diertje, het levenlooze schepsel het geluk zou bereiken, zijn natuur ge-evenredigd ! Elij was blijde als de plant zich koesterde in het zonlicht, en de vogel zijn nest bouwde. Uren lang kon hij soms doorbrengen in den lof der bijen, omdat zij met zooveel nijverheid honing garen, en hij, die aan alles gebrek leed, voedde hen tijdens den winter met wijn, opdat ze van koude niet zouden verkleumen. Hij vermeed soms zelf een aardwormpje te vertrappen. Oppervlakkig moge dit onbeduidend schijnen, doch in het licht des geloofs is niets gering. Wellicht stond hem dan het woord van den psalmist voor oogen, die van Christus voorzeide: âIk ben een worm en geen menschquot;.
Zoo gevoelde Franciscus o. a. eene bijzondere genegenheid voor de leeuweriken en prees zijnen leerlingen dikwerf hunne oplettendheid als een voorbeeld aan. Als hij die vogeltjes eerst een paar zaadjes op de aarde zag oppikken, vervolgens zich met snellen gang hoog in de lucht verheffen, placht hij zijnen broeders toe te roepen: âBeschouwt die lieve schepseltjes! zij leeren ons, hoe wij dank moeten brengen aan ons aller vader, die ons het dagelijksch brood schenkt, hoe wij niet moeten eten, tenzij tot zijne glorie, hoe wij met weinig tevreden de aarde moeten verachten, en ons ten Hemel verheffen, waar onze wandel moet zijn.quot; De leeuweriken waren zijn lievelingsvogels om hun aschgrauwe kleur, die aan den dood en de boetvaardigheid herinnert, maar vooral prees hij in hen de onthechting aan het aardsche.
Toen Franciscus zich op zekeren avond naar zijne kluis op Alverniö begaf, klonk op eens het gezang van een nachtegaal. De Heilige stond stil en luisterde. Zijn hart werd met vreugde en blijdschap vervuld. âBroeder Leo, zoo sprak hij zijn metgezel toe, onze broeder de nachtegaal noodigt u uit met hem beurtelings den Schepper lof te zingen.quot; Toen Leo zich verontschuldigde om zijn onaangename stem, begon Franciscus zelf den ge-vleugelden zanger van het bosch te beantwoorden. Sloeg de nachtegaal, dan luisterde Franciscus; zweeg gene, dan stemde deze zijn lied aan ; en die wedstrijd duurde voort tot diep in den nacht. Franciscus was het eerst vermoeid en gebood den
275
grauwen zanger tot hem te komen. Het vogeltje zette zich op zijn hand, hij streelde het, wenschte het geluk met de behaalde zegepraal en zeide tot broeder Leo: âLaten wij onzen broeder den nachtegaal te eten geven, want hij verdient het meer dan ik.quot; De nachtegaal pikte nu enkele kruimeltjes uit Franciscus hand en verdween met zijn zegen weer in het bosch.
In nood konden alle vogelen en dieren op Franciscus bescherming rekenen. Zoo ontmoette hij op weg naar Siëna eens een jongen, die tortelduiven ging verkoopen. âMijn dierbaar kind, dus sprak Franciscuis hem aan, gij moet die onnoozele duiven niet verkoopen. Weet gij niet, dat ze in de Schriftuur geroemd worden als het zinnebeeld van kuische en ootmoedige zielen ? Ik bid u, geef ze liever aan mij.quot; De jongen gaf ze liem dadelijk over Franciscus verborg ze onder zijn mantel, streelde ze en sprak : âOnnoozele duifjes, waarom hebt gij u laten vangen ? Ik zal u redden en u een plaats aanwijzen, waar gij kunt nestelen en u vermenigvuldigen.quot; â âEn gij, mijn zoon, zoo sprak hjj nu tot den jongeling, hoor, welk loon God voor uwe edelmoedigheid heeft weggelegd. Gij zult het kleed mijner Orde aannemen en met den schat der armoede een onderpand uwer zaligheid vinden.quot; Deze jongeling trad later werkelijk in de Orde en stierf in geur van heiligheid. Na afscheid van den knaap genomen te hebben, bracht Franciscus zijne tortels naar het klooster van llavacciano nabij Siëna. Hij daalde in den kloostertuin af, stak zijn stok in den grond, en den volgenden morgen was de stok tot verbazing aller broeders tot een forschen en lommerrijken eik uitgegroeid. Franciscus zette zijn duiven in den eik, beval haar daar te nestelen en vreedzaam samen te wonen. Zij gehoorzaamden, legden alle schuwheid af en kwamen uit de hand der kloosterlingen eten. De wonderbare eik van Franciscus bestond nog in het begin der XYIIIe eeuw.
Zoodra evenwel een dier of vogel het zedelijk kwaad, de zonde, voorstelde en dus afweek van de smettelooze beeltenis van God en Jesus Christus, liet Franciscus ze aan hun lot over en bestrafte ze zelfs gestreng.
Tn het klooster te Fonte Colombo hadden twee roodborstjes hun nestje gebouwd vlak onder de oogen der broeders. Uit het heen en weer vliegen had Franciscus spoedig begrepen, dat zij jongen
27 C
hadden. Hij was verrukt over hun ouderlijke zorg en strooide broodkruimeltjes voor hen uit. Alles ging even voorspoedig; de jongen groeiden snel op en zoodra zij konden vliegen, brachten de ouden geheel de familie mede. Zij hadden, zooals 't schijnt, geen ander doel dan hun kleinen aan de broeders voor te stellen, want toen dit geschied was, vlogen de ouden wegen men zag hen nimmer terug. Dat listig gedrag wekte Franciscus' bewondering. âWel, broeders, riep hij, ziet eens, wat onze broeders de roodborstjes hebben gedaan. Men zou zeggen, dat zij verstand hebben. Zij komen ons zeggen : ziethier onze kinderen; gij hebt ze gevoed met broodkruimeltjes, dus zij behoo-ren u toe; beschikt er verder naar believen over; wij gaan ons verblijf elders zoeken.quot; â Zooals men begrijpt, werden de kleinen met liefde opgekweekt en als gastvrienden verzorgd. Zij waren aan de broeders gehecht en aten uit hun hand. Doch helaas! een fout en nog wel dj fout, welke Franciscus zoo zeer verfoeide, verbrak de vriendschap, die zoo schoon begonnen was. De vogeltjes aten gewoonlijk te zamen. Keer op keer merkten de broeders, dat het sterkste van het lustig troepje zich eerst om strijd opkropte en dan de andere van het voedsel afkeerde. âO die booze gulzigaard, riep Franciscus, toen hem dat verteld werd, eerst heeft hij zijn krop overladen en dan is hij nog naijverig, dat zijn broeders eten! Neen, hij zal geen schoonen dood sterven!quot; Deze voorspelling werd spoedig bewaarheid. De vreugdeverstoorder wilde op den rand eener kuip zijn dorst lesschen, maar hij verloor het evenwicht en verdronk!
Nagenoeg hetzelfde overkwam een zwijn, dat een pasgeboren lam had verslonden âDat de booswicht gevloekt zij, sprak Franciscus; mensch noch dier ete van zijn vleesch!quot; Dien zelfden dag nog werd het beest ziek en stierf. Geen enkel dier aasde op het lijk en het verdroogde als een dorre boomstam.
Na de vogelen koesterde de Heilige vooral liefde voor schapen en lammeren, omdat zij hem herinnerden aan het Lam zonder vlek, dat tot verlossing der wereld op Calvarië geslacht werd. Als hij deze dieren ter slachtbank zag sleuren, weende hij van aandoening.
Op zekeren keer zag hij een onnoozel lam alleen onder een kudde bokken grazen, en een diepen zucht slakende, riep hij
277
zijne broeders toe: ,Ziedaar nu, hoe onze zachtzinnige Verlosser rondwandelde tusschen de Joden en Farizeërs!quot; Zijne gezellen besloten nu het schaapje te koopen, doch zij hadden niets dan hunne mantels. Een koopman, die voorbijging, had medelijden met hunne verlegenheid, kocht het lam en gaf het Franciscus ten geschenke; de Heilige Vader vertrouwde het aan de zorgen der kloosterzusters te San Severino.
Ook te Portiuncula gebeurde het eens, dat men hem oen lam aanbood. Hij ontving het met blijdschap en vermaande het om ijverig te zijn in den lof des Heeren en vooral geen der broeders te hinderen. Het lam gedroeg zich nauwgezet naar de voorschriften zijns meesters. Wanneer het de kloosterbroeders in het koor hoorde zingen, ging het uit eigen beweging naar de kerk, plaatste zich voor het Maria-altaar en trachtte door zijn geblaat de Moeder van het waarachtig Lam te begroeten. Als de priester in de H. Mis de hostie ophief, wierp het schaapje zich op de knieën en boog het kopje ter aarde, als wilde het de geloovigen, wien het aan godsdienstigen eerbied ontbrak, beschamen en de warme harten uitnoodigen het Sacrament der Liefde met godsvrucht te aanbidden.
Zelfs de levenlooze natuur had in Franciscus' oog hare taal en geheimzinnige beteekenis. Zoo beminde hij het water, omdat het in het Doopsel de vrucht van Jesus' Bloed toepast. Wanneer zijne broeders uitgingen om in het boscli hout te kappen, beval hij hun eenige stammen te laten staan ter herinnering aan het Menschgeworden Woord, dat gestorven is op den boom des kruises. Hij kon uren lang met bewondering de bloemen betrachten, wijl hij in deze den weerklank aanschouwde van Christus, die geheimnisvolle Bloem, die uit Jesse's stam ontsproot en met hare geuren geheel de wereld verkwikt; en daarom wilde hij, dat in iederen kloostertuin een perk van geurige bloemen werd aangelegd.
Erkende en huldigde Franciscus in alles den Schepper, de schepselen op hunne beurt schenen hem als een tweeden Adam in het paradijs te gehoorzamen en te eerbiedigen. Wij hebben reeds verhaald, hoe te middernacht een helder licht straalde om zijne voetstappen te geleiden, hoe op zijn verlangen, tijdens eene ziekte, water verandert in een versterkenden wijn; en wij zullen
278
weldra zien, hoe zelfs het gloeiende ijzer, dat aan zijne slapen gelegd wordt, hem gehoorzaamt en zijn gloed tempert. Doch vooral de dieren gehoorzaamden aan zijne bevelen, voorkwamen zijne verlangens en lachten zijne teederheid toe.
Wanneer Franciscus Maria-der-Engelen verliet en naar de valleiën afdaalde, kwamen de dieren den Heilige bewonderen en dienen. Hazen en konijnen verscholen zich in de plooien van zijn habjjt. Trok hij over eene weide en groette hij de schapen met den zoeten naam van âzustersquot;, dan hieven zij de oogen op, liepen op hem toe en lieten de herders verbaasd toestaren.
Op de oevers van het meer bij Riëti bood een visscher hem een levenden watervogel aan. Franciscus nam hem in dank aan, hield hem enkele oogenblikken in de hand en wilde hem weer de vrijheid geven, doch de vogel weigerde weg te vliegen. Toen verhief de Heilige in vervoering van liefde en dank jegens God de oogen ten Hemel en bleef meer dan een uur in geestverrukking. Weer tot de zinnen gekomen, zegende hij âzijn broederquot; den vogel en beval hem andermaal weg te vliegen. Oogenblik-kehjk breidde deze zijne vleugels uit, klapwiekte van blijdschap en vloog daarop lustig weg.
Bij een andere gelegenheid gaf een schipper hem een schoonen visch, dien hij zooeven gevangen had. Franciscus koesterde den visch eenige oogenblikken in zijne handen en zette hem weer in het water. Maar in plaats van naar de diepte te schieten, dartelde de visch vroolijk onder de oogen van den Heilige aan het watervlak rond. Eerst na den zegen en het verlof van den Serafijnschen Vader gekregen te hebben, daalde hij naar den bodem af.
Toen de Heilige eens in het dorpje Alviano predikte en zich bijna niet kon doen verstaan door het tjilpen der vele zwaluwen, die in de nabijheid nestelden, riep Franciscus haar toe: âMijne zusters de zwaluwen, gij hebt nu genoeg gepraat, laat mij ook eens spreken. Luistert naar Gods woord en verroert u niet, zoolang ik preek.quot; Aanstonds verstomde haar gekweel en zij bewogen zelfs de vleugelen niet.»
De H. Bonaventura, wien wij al deze naïeve bijzonderheden ontleenen, verhaalt hierbij, dat in zijn tijd te Panna een student, door het gekwinkeleer der zwaluwen in zijne studiën gestoord.
270
tot zijne raedescliolieren zeide: âZiet, dat zjjn zeker de snapsters, die Franciscus in zijne preek stoorden en wie hij het stilzwijgen oplegde.quot; En zich tot de zwaluwen wendende, zeide hij; âIn naam van Franciscus gebied ik u te zwijgen en hier te komen.quot; Hij sprak â en de zwaluwen zwegen en kwamen! Over dat wonder verstomd liet hij de zwaluwen weer vliegen, en zij stoorden hem nooit meer.
Te Portiuncula woonde op een vijgeboom, vlak bij de cel van Franciscus, een krekel, die dagelijks zijn liedje zong. Franciscus riep het diertje en het kwam aanstonds op zijn hand zitten. âMijn broeder de krekel,quot; zeide Franciscus dan, âzing en loof den Heer,quot; en de krekel begon terstond te zingen en zweeg niet, voordat Franciscus verlof gaf. Dat komen en gaan duurde reeds acht dagen, toen Franciscus tot zijn gezellen zeide; âOnze broeder de krekel heeft ons lang genoeg uitgenoodigd God te loven; laten wij hem uit vrees voor ijdel zelfbehagen vrijaf geven.quot; Het diertje verdween nu en liet zich niet meer hooren of zien.
Zoo leefde op den berj Alvernië een valk, die nabij Franciscus' kluis nestelde, op bijzonder vriendschappehjken voet met den heilige. Als te middernacht het uur der metten sloeg, kwam hij als een trouwe wekker aan de deur des Heiligen geluid maken om hem te waarschuwen voor het officie AVanneer echter de dienaar des Heeren door lichamelijke zwakheid buitengewoon gekweld werd, ontzag de valk diens ziekelijken toestand; dan wachtte de schrandere vogel tot den dageraad en wekte hem dan nog met halve stem. Zoodanig was de zorg en liefde des Zaligmakers voor zijn armen dienaar Franciscus.
Toen Franciscus in de laatste jaren zijns levens te Siëna vertoefde, gaf een edelman hem een schoonen fazant ten geschenke. Zoodra de sierlijke vogel den dienaar Gods gezien en zijne stem gehoord had was hij niet meer van hem te scheiden. De kloosterlingen brachten hem herhaalde malen in den wijngaard om hem de vrijheid te geven, maar telkens kwam hij in volle vaart bij den Serafijnschen Vader neergestreken. Later gaf Franciscus den vogel aan een weldoener, maar hij weigerde alle voedsel en kwijnde. Bij den Heilige teruggebracht, betuigde hij aanstonds
280
door duizend hoffelijkheden zijne vreugde en begon weer met graagte te eten,
Ook de verscheurende dieren hadden ontzag voor den Boeteling van Assisië en legden voor hem alle wreedheid af. Wie herinnert zich hier niet de bekeering van den wolf van Gubbio ! Hoeveel voorbeelden van dergelijken aard zijn er niet ?... Toen bijv. de Heilige zich eens van Cotanello naar Greccio begaf, beloofde hij zijn reisgids, dat de wolven, die de aangrenzende bosschen onveilig maakten, hem geen letsel zouden doen Alles ging voorspoedig ! Doch juist toen de landman op zijn terugtocht de engten van eenen bergpas binnenging, sprongen twee
wolven uit het kreupelhout op hem toe!..... Zij lekten zijne
voeten en vergezelden hem tot zijne woning, gelijk een hond zijnen meester volgt.
Toen de inwoners van Greccio de aankomst van den vermaarden Wonderdoener vernomen hadden, baden zij hem met tranen hen van een dubbelen geesel te verlossen; de wolven en den hagelslag. Door medelijden bewogen, zeide Franciscus op zijn gewonen minzamen toon: âTot eer en glorie van God Almachtig zullen deze rampen u niet meer teisteren, mits gij waardige vruchten doet van boetvaardigheid. Doch waagt gij het Gods weldaden met ondank te vergelden, dan voorspel ik u, dat de eeuwige Rechter tegen u zal toornen en u dubbel kastijden.'' De inwoners van Greccio beloofden beterschap, en de hemel bekrachtigde het andere deel der overeenkomst. Zoolang zij hunne beloften gestand bleven, dunden geen wolven hunne kudden, vernielde geen hagelslag hunnen oogst.
Ziedaar nu eenige feiten, aan de echte en vertrouwbare bronnen, als een H. Bonaventura ontleend. Het is een voldongen feit der geschiedenis, dat Franciscus als heer en meester aan de natuur gebood en deze hem gehoorzaamde als ware zij met verstand begaafd. Het is waar, dat vóór hem reeds verscheidene Heiligen den koningsschepter, Adams hand ontvallen, eenigermate hadden herwonnen: de vaders van Thebais werden door de raven gediend; de leeuwen der woestijn lekten Andro-nicus' voeten en knielden voor de martelaren Vitus, Modestus en Crescentius. De H. Gallus wandelde tusschen de beren in het Alpengebergte, en een H. Columbanus werd op zijn reis
281
door de bosschen van Luxeuil verkwikt door het gezang der vogelen en de eekhoorntjes daalden de boomen af om op zijne handen te rusten. Niettemin geven alle schrijvers toe, dat geen enkele hier den Wonderdoener van Umbriö evenaart. Francis-cus' macht voert ons terug naar het gouden tijdperk van het paradijs; hij oefende zjjn gebied niet voor een enkelen keer uit, maar blijvend !!
Hoe dit voorrecht te verklaren ? â De geschiedschrijvers antwoorden eenparig, omdat Franciscus door zijn heldhaftige liefde met de oorspronkelijke onschuld onzer stamouders ook hun heerschappij over de natuur had herwonnen. Maar mag men er niet bijvoegen, dat God in den zachtaardigen Franciscus, die alles voor allen gt worden, zelfs het redeloos dier tot gerustheid en blijdschap stemde, in beeld heeft willen schetsen, wat een vredelievende mensch gelukkig is en anderen gelukkig maakt ? Ziet men hier in den âallernederigsten Franciscusquot; niet opnieuw het woord der U. Schrift vervuld : âdie zich vernedert, zal verheven worden ?quot; Franciscus was God volmaakt onderworpen, boog zich voor Hem in het stof, en God sprak, wat hij eens tot Adam zeide: âHij gebiede aan de visschen der zee, aan de vogelen des Ilemels, aan de dieren, die zich op aarde bewegen.quot;
TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Krans van Kloostcrdeugdcn.
;r
goddelijke Liefde is eene koningin, die nimmer alleen y optreedt; waar zij verschijnt, daar treden talrijke deug-den als zoovele dochters en gezellinnen met haar. Wanneer zij ten troon is gezeten in een hart als dat van een Pran-ciscus, moet men zich verwachten, dat zij omstuwd is van een schitterenden hofstoet. Wij zouden de geschiedenis tekort doen en de verwachting onzer lezers teleurstellen, zoo wij niet spraken van de inwendige schoonheden zijns harten; aan de deugden, die hij onder den sluier des ootmoeds verborg, geen oogslag gunden, onder voorwendsel, dat zij alleen geëigend zijn voor den kloosterling. Maar zijn de kloosterdeugden geen kostbare schat, een rijke leerschool voor allen ? Plukken wij dus eenige bloemen, in den lusthof van Pranciscus'hart gekweekt, en vlechten wij ze tot een eerekrans.
Wie schetst ons vooreerst, hoezeer Pranciscus van zijne prille jeugd af de bloem der âkuischheid'quot; heeft lief gehad ? Met de jaren nam zijne reinheid in luister toe. Deze minnelijke deugd, waardoor wij broze menschen in een weerspannig vleesch het leven der engelen leiden, schitterde zoo in hem uit, dat Thomas van Celano vol bewondering uitriep : ,0 wat is hij schoon met zijn maagdelijke gelaatstrekken, zijn engelreine blik en ongerepte zeden !'' Neen, nooit is de lelietak der zuiverheid Pranciscus' hand ontvallen ! En betaamde het niet, dat het lichaam, bestemd om door de indrukking der vijf wonden een levend afbeeldsel van den gekruisten Jesus te worden, nooit door den verpestenden adem der onzuiverheid werd aangedaan? Meen echter niet, dat Pranciscus geen strijd had om die engelachtige deugd onbevlekt te bewaren.
283
Men bedenke slechts hoe hij, om onreine bekoringen te overwinnen, zich nu eens in de sneeuw dan weer in de doornen wentelde; hoe hij zijn lichaam door vasten en lijfkastijdingen in bedwang hield; hoe hij immer omzichtig «vas in den omgang met personen van het andere geslacht, en alle onreine bekoringen uitdoofde met eene vlugheid, waarmee men een vuurvonk van zijn hand zou wrijven.
Niet minder waarde hechtte Franciscus aan de beoefening der âyehoorzaamheidquot;. Hij schatte deze deugd hoog en predikte haar door woord en voorbeeld. âIn de gehoorzaamheid â zeide hij â ligt het wezen van den kloosterstaat; en zonder haar heerscht slechts wanorde en verwarring.quot; Daarom moest volgens hem iedere kloosterling gehoorzamen zonder uitstel, van harte en zonder voorbehoud Om zijnen kinderen die hoedanigheden in te scherpen gebruikte hij eene vergelijking, die vermaard gebleven is: âNeemt een lijk, zeide hij; plaatst het waar gij wilt, verandert het van houding, of laat het weerloos liggen, het zal geen enkele klacht uiten. Zet het op een koningstroon, toch blijven de oogen naar den grond staren ; werpt het een purperen mantel om de schouders, en het schijnt dubbel bleek ! Ziedaar, waaraan een gehoorzame religieus zich spiegelt. Hij verontrust zich niet, als hy van klooster veranderd wordt, hij vraagt geen rekenschap, waarom hem deze bediening gegeven of gene ontnomen wordt; tot overste verheven, is hij aller dienaar; hoe meer men hem eert, des te meer beseft hij zijne onwaardigheid.quot; â âWilt gij eene andere vergelijking, zoo ging hij voort, welnu volgt den blinde na, die zich door een trouwen hond als gids laat geleiden zonder eerst te vragen of de wegen goed of slijkerig zijn! Zoo moeten ook wij onze oversten volgen zonder eerst te wikken en te wegen of het makkelijk of moeilijk is. Hebt God voor oogen, die u gebiedt; gehoorzaamt aan God en voor God alleen, en acht het uwer onwaardig voor slaafsche menschenvrees te buigen.quot;
De minste inbreuk op deze deugd werd voorbeeldig gestraft. De Heilige Vader gebood eens een ongehoorzamen religieus zijn kap af te leggen, plaatste hem in een kuil en begon hem levend te begraven. Toen zand en bladeren tot den gordel reikten, vroeg Franciscus: âBroeder, zijt gij nu dood?quot; âAch vader,
'284
antwoordde hij, ik heb spijt over mijne fout en erken, dat ik straf verdiend heb.quot; Door zijn berouw getroffen, zeide Francis-cus: âAls gij dan waarlijk aan u zelf gestorven zijt, zal ik u weer aannemen; maar gehoorzaam voortaan als dood aan uw eigen wil, op het minste teeken uwer oversten ; want ik wil voor mijne kinderen geen levenden maar doodenquot; ; dooden aan eigen wil.
Men weet echter, dat onze Heilige op het voetspoor van zijn Goddeljjken Meester als beginsel had vastgesteld nooit iets te prediken, wat hij zelf niet eerst beoefend had. Ofschoon Ordestichter en door den paus levenslang met het generalaat bekleed, verlangde hij niets vuriger dan te gehoorzamen. Daarom placht hij op reis de leiding aan een zijner gezellen op te dragen, eu trad hij ten laatste vrijwillig als algemeen overste af om in alles te gehoorzamen. En met welk een bewonderenswaardigen eenvoud onderwierp hij zich sinds dat oogenblik aan het gezag van broeder Angelus van Riëti, âzijn gardiaan!quot; Het getuigenis, dat hij op zekeren keer voor zijne kinderen atiegde, zegt alles : âOnder alle genaden, zoo sprak hij, heb ik vooral deze van boven ontvangen, dat ik, indien mij een novice van één dag tot gardiaan gegeven werd, hem even gemakkelijk en nauwgezet zou gehoorzamen als den oudste der religieuzen.quot;
Vormt nu de gehoorzaamheid den kloosterling, Franciscus was gewoon te zeggen, dat de â(//VKoerfequot; het herkenningsteeken moest zijn van den waren Minderbroeder. Hier wederom sterkte hij zijne volgelingen door woord en voorbeeld.
De armoede was het voorwerp van Franciscus' gloeiende liefde, hij was haar ridder, en volgens de stoute uitdrukking van Bos-suet toonde hij zich immer âde meest wanhopige minnaar der armoede, die ooit in de Kerk leefde !quot; Uit liefde tot de armoede was hij, ofschoon rijk, vrijwillig arm geworden, en leidde in woning, kleeding en voedsel het leven der armen. Hij kon bitter schreien, als hij een bedelaar ontmoette, die schameler gekleed ging dan hij; hij gaf zijn eenigen mantel om den naakte te kleeden, ja bij gebrek aan andere hulpmiddelen schonk hij zelfs zijn brevier aan een arme weg. Op zekeren dag hoort hij een der broeders zeggen: âIk kom van de cel van Franciscus.quot; Hij riep hem en zeide: âwaarom noemt gij dat mijne cel ? Zij
285
behoort mij niet; en daarom zal er voortaan een ander inwonen. De goddelijke Zaligmaker bracht 40 dagen en nachten in de woestijn door, en had geen ander verblijf dan eene rotsklove. Waarom zouden wij hem niet navolgen en alleen gebruik maken van onze cel, zonder ooit eenigen titel van eigendom aan te voeren? In Franciscus was de armoede het kenmerk en de karaktertrek ! liet bevallige visioen âder drie maagden,quot; dat Celano heeft aan-geteekend, strekt hiervan ten bewijze.
Tranciscus begaf zich om zijn oogkwaal van Iliëti naar Siëna. Hij werd vergezeld door eenige broeders en een geneesheer, die de Orde zeer genegen was. De kleine karavaan ontmoette op haren weg in het dal Compiglia drie vrouwen, die zoo sprekend op elkander geleken, dat men ze voor drie gezusters moest houden : dezelfde leeftijd en gestalte, hetzelfde voorkomen, dezelfde eenvoud in kleeding! Zij traden op Franciscus toe, bogen eerbiedig het hoofd en zeiden op minzamen toon: âOnze koningin, de armoede zij welkom!' Die groet scheen zonderling, maar verheugde Franciscus, tot wien hij gericht was. In den waan, dat hij met drie armen te doen had, verzocht hij den geneesheer haar een aalmoes te geven. De brave man aarzelde geen oogen-blik en was reeds van zijn paard gestegen. Maar nauwelijks heeft hij zijn aalmoes uitgereikt, of de drie maagden waren tot aller verbazing verdwenen. De broeders wisten nu zeker, dat zij getuigen geweest waren eener hemelsche verschijning, maar zij begrepen de geheimzinnige beteekenis niet, die daarin verborgen lag. Wanneer de EL Bonaventura dit verhaal van zijn voorganger aanvult, voegt hij er den uitleg bij ; âdeze verschijning beduidde, dat de drie deugden van armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid, die het wezen en de schoonheid der religieuze volmaaktheid vormen, met gelijken glans het hoofd van den H. Franciscus omstralen, nochtans de armoede, zijne lievelings-deugd, neemt de eereplaats in.quot;
De laatste blik, dien de Heilige in het stervensuur over het afgeloopen leven liet rondgaan, was der armoede gewijd; en hij stierf tevreden, omdat hij deze overheerlijk'! verklaring kon afleggen: âIk herinner mij niet, dat ik ooit ontronw was aan mijne Bruid, de Armoede!quot;
Hij was arm maar rijk, omdat hij Gods liefde bezat; arm maar
286
altijd tevreden, omdat hij weinig begeerde. Hij was machtig in woorden en werken, maar zonder zweem van ijdel zelfbehagen, omdat zijn ziel eene welluidende harp was, waarvan de goddelijke liefde de akkoorden regelde âHij was alles voor allen geworden in dier voege, schrijft Thomas van Celano, dat hij heilig was onder de Heiligen, maar ook zoo onder de zondaren,
dat men hem voor een hunner zou gehouden hebben.quot;
Inderdaad! Welke heilige heeft de verachting van zich zelf, de onverschilligheid voor eer en onderscheiding, maar vooral de hartstochtelijkheid om vernederingen na te jagen verder gedreven dan de âootmoedige heilige Franciscus?quot; âLaat ons van hier snellen, zei hij tot zijn metgezel; wij kunnen hier niets verdienen, de menschen eeren ons om strijd. Gaan wij elders versmading oogsten, want daarin schuilt onze voortgang.quot; In plaats dat de vele buitengewone voorrechten, waarmee God zijne ziel verrijkt had, hem den walm der eigenliefde naar het hoofd joegen, was hij vol vrees en siddering, overtuigd, dat voorrechten en wonderen niets afdtden aan zijne verdiensten en slechts geschonken waren tot heil der volkeren. Hij was volmaakt aan zich zelf gestorven, geheel verschillend van zoovele zielen, die tot in hare godvruchtige oefeningen eigen voldoening zoeken, haken naar geestelijke vertroosting, treuren als zij er van verstoken blijven, morren zelfs als God haar in den smeltkroes der beproeving loutert. Neen, Franciscus koos het kruis en het lijden, het degelijke voedsel onzer deugd verre boven de vertroostingen des H Geestes en de zoetheden der extase. Hij dorstte naar verachting, omdat hij dorstte naar God! Hem overkwam, wat wij trouwens bij alle heiligen terugvinden: hij verdiept zich in het overpeinzen van eigene nietswaardigheid naarmate hij in zijne geestvervoeringen meer verlicht werd omtrent de peillooze diepte der goddelijke volmaaktheden.
Wij kunnen niet nalaten hier ten believe onzer lezers een dier trekken van diepen ootmoed bij te brengen, welke zoo echt den nederigen Franciscus stempelen. Broeder Masseus bekroop eens het verlangen om de nederigheid zijns vaders op de proef te stellen. Franciscus had in het bosch bij Portiuncula gebeden en keerde huiswaarts, door eene menigte volks begroet. Nu komt broeder Masseus hem te gemoet geloopen en roept reeds van verre:
287
âWeihoe? Waarom toch eert men u meer dan een ander?quot; Deze vrijmoedigheid bracht den dienaar Gods geenszins uit zijn gewone, onverstoorbare kalmte. Zij wandelden samen naar het klooster en Franciscus zeide bedaard: âSpreek vrijelijk, mijn zoon, wat wilt gij zeggen?quot; âIk wil zeggen, hernam Masseus, waarom heel de wereld u naloopt? Vanwaar die gejaagdheid om u te zie» en te booren en zich onder uwe bevelen te scharen? Gij bezit geen schoonheid, geen wetenschap, en zijt geen baron van adelljjktn huize! Maar waarom juicht men u dan toe?quot; Bij die woorden was Franciscus opgetogen van blijdschap en geraakte zelfs in geestvervoering. Tot bezinning gekomen, kuste hij de aarde, verhief zijn oogen ten hemel en sprak; âMijn zoon, gij wilt weten, waarom geheel de wereld mij naloopt? Welnu, God, wiens oog harten en nieren doorgrondt, heeft onder de millioenen der menschen, geen enkel zondaar ontdekt meer verachtelijk dan ik, meer onbekwaam om de wereldhervorming, die Hij beoogde, ten uitvoer te brengen; en daarom viel zijn keuze op mij. Hij heeft mij uitverkozen, opdat het dwaze de wijsheid der wereld beschamen en het zwakke het krachtige der aarde zou breken. Wat heeft Hij hierdoor anders willen leeren, tenzij dat alle deugd van Hem komt en niet van de schepselen; dat geen vleesch zich voor Hem kan verheffen en dat hij, die roemen wil, roemen moet in den Heer, wien alleen alle eer en glorie toekomt?quot; â Overheerlijk antwoord, den ootmoedigen Franciscus waardig! Broeder Masseus stond verbaasd en wist nu met zekerheid, dat zijn Vader het gebouw zijner heiligheid had opgetrokken op de onwankelbare rots der christelijke ootmoedigheid.
Als eeu tegengift en behoedmiddel voor den ons aangeboren hoogmoed benuttigde de H. Franciscus de vele âbekoringen en kwellingenquot; waarmee de onreine geesten hem bestookten. Volgens de bemerking zijner levensbeschrijvers trokken de duivelen, naarmate hij op het pad der deugd vorderde, met meer sluwheid, boosheid en woede tegen hem te velde. God liet zulks toe om zijne getrouwheid te harden, het wantrouwen op eigen kracht levendig te houden en zijne verdiensten te verhongen. De aanslagen der helsche macht verschilden volgens de tijdsomstandigheden. Nu eens waren het schandelijke beelden, welke zij hem voorstelden; dan wierpen zij weer zijne cel overhoop of hieven
288
een gehuil aan, dat hij van schrik verstijfde. Soms vertoonden zij zich in afzichtelijke gedaanten en niet zelden traden zij met hem in het krijt als 't ware man tegen man Zoo beschuldigden zij hem o a. te Sarteano van overmoed en fluisterden hem in het oor, dat God meedoogenloos is voor den zondaar, die uit dweepzucht door lijfkastijdingen zijne levensdagen verkort; te Carceri matten zij hem af door de onophoudelijke herinnering aan de feesten en pleizieren zijner jeugd; te Rome in het paleis van den kardinaal van het H. Kruis vierden zij hunne razernij bot door geduchte vuistslagen; te Portiuncula gelukte het hun zelfs een schrikbeeld voor zijn geest te tooveren, dat hem twee jaren lang op de pijnbank wierp, en hij, anders zoo bekwaam om anderen te troosten, bleef zelf ten prooi aan dorheid en vlijmende ziele-smarten; op Alvernië eindelijk sleuren de duivelen hem over de rotsen om hem tusschen de diepe bergkloven te verpletteren.
Jsiets trekt meer de aandacht van hemel en aarde dan eene ziel, die niet slechts overgeleverd is aan de aanvechtingen harer eigen bedorven driften of blootgesteld aan de blinde krachten der natuur, maar worstelt met loutere geesten, wier geheele kracht ten kwade gericht is. Niets is verdienstelijker voor de ziel zelve dan deze strijd, die haar wel is waar kwelt en aftobt, maar te gelijk het lagere leven der zinnen in haar vernietigt; haar opvoert en vereenigt met God, de bronader van haar geluk. Niettemin blijft de strijd zelve verschrikkelijk! Maar noch de langdurigheid, noch het geweld der aanvallen hebben ooit den ootmoedigen Fran-ciscus tot ontevredenheid of moedeloosheid gebracht, laat staan tot gemor of vertwijfeling. Integendeel zijn vertrouwen op God groeide met 't stijgen der gevaren; zijne d ïugd won in hechtheid bij het woeden van den strijd, gelijk een eik bij het loeien der orkanen zich vastklampt aan den bodem en dieper wortelen schiet. In welke zee nu wierp hij het anker zijner onwankelbare hoop ? Waardoor sloeg hij den Engel der duisternis af, zegepraalde hij over Satans verwoede aanslagen ? Hij hield twee ondoordringbare schilden aan de hand : versterving en het gebedquot; ! O wat heerlijke les, wat schoon voorbeeld voor ons allen, die een zelfden strijd zijn prijsgegeven ! De duivelen mogen de golven hemelhoog beroeren rondom het broze scheepje onzer ziel, de versterving en het gebed brengen kalmte en vrede!
289
De âverstervingquot; \ of bleef Franciscus niet levenslang de groote boeteling van Umbrië, en zijn wij niet gewettigd te beweren, dat hij een der heldhaftigste boetvaardigen was, eer hij als apostel anderen deze deugd predikte ? Zijn eerste schreden op het doornige pad der boetvaardigheid doen de natuur van schrik terugdeinzen. Zijn veertigdaagsche vasten op liet eiland Tra-simene herinnert ons de gestrengheden van do kluizenaars van Thebais. In Maria der-Engelen evenaart hij een H. Benedictua, als hjj zich in doornen rondwentelt, een H. Bernardus, als hij zich in een bevrozen vijver neerstort. Zelfs toen hij de laatste opwelling van zijn vleesch had onderdrukt, week hij geen vingerbreed van zijn eerste gestrengheid, maar verdubbelde haar eerder. Volgens den H. Bonaventura kastijdde hij zijn lichaam als een gezworen vijand, gunde het nauwelijks 't noodzakelijke voedsel, mengde zelfs asch onder de spijzen om ze smakeloos te maken placht glimlachend te zijner verontschuldiging aan te voeren, dat âzuster de asschequot; kuisch is. Water was zijn eenige drank en hij durfde ternauwernood zijn brandenden dorst lesschen. Toen zijne kinderen de rede dier uiterste gestrengheid uitvorschten, antwoordde hij: âHet is moeilijk de eischen der natuur te voldoen zonder toe te geven aan de zinnelijkheid.quot;
Als de rotsen aan het meer te Perugia, van Carceri of Al-verniö spreken konden, hoeveel zouden zij verhalen van zijn vasten en boetplegingen! Hoeveel verdiensten zouden zij voor onze oogen uitstallen; schatten, die de Engelen ten Hemel droegen, en op de weegschaal der goddelijke gerechtigheid legden om bij de misdaden der dertiende eeuw God tot barmhartigheid te neigen! Maar neen, de geheimen der boetvaardigheid blijven omsluierd tot den jongsten dag der veropenbaring. Eéne bekentenis evenwel van den heilige licht een tipje op van den sluier, waarachter zijne verstervingen verscholen liggen. In het stervensuur achtte hij zich verplicht, gelijk de II. Bernardus, vergiffenis te vragen aan zijn broeder Ezel, dat wil zeggen, aau zijn uitgemergeld lichaam, dat hij zoo meedoogenloos had verstorven!
Bij liet flauw schijnsel, dat wij hier van Franciscus' deugden geven, zal het niemand verwondering baren, dat de Schepper eene ziel, zoo vermurwd door versterving en gedwee onder zijne
19
290
inspraken, verrijkt heeft met de kostbaarste gaven, als de onderscheiding der harten, den geest van voorzegging, de macht over de duivelen, de natuur en den dood zeiven. Dergelijke voorrechten moeten wij eerbiedig bewonderen, maar nochtans is er een gave, die ons verkieslijker voorkomt, omdat zij de bron is van alle andere genaden en gunsten : âde geest des cieheds.quot; Franciscus bezat dezen geest in verheven graad. Het is zeldzaam, dat in den mensch het beschouwend leven van Maria en het bedrijvige van Martha gelijken tred houden; gewoonlijk heeft een van beide de overhand. Franciscus evenwel vereenigt beide, en in hem wegen zij tegen elkaar op en versterken zelfs elkander.
Thomas van Celano en de H. Bonaventura verhalen breedvoerig, hoe hij met deze gave Gods woekerde. Het gebed was de adem zijner ziel, de geestelijke ladder van Jacob, langs welke hij van de menschen opklom tot Grod en van God weer afdaalde tot de menschen. Nooit ondernam hij het geringste zonder eerst te bidden; aan het verkeer met God schreef hij geheel het welslagen zijner prediking toe, al zijn overwinningen op Satan, al zijn vorderingen in de wetenschap der heiligen. Aan het gebed wijdde hij geheel zijn hart, of beter gezegd, daaraan schonk hij al zijnen tijd. Hij bad zonder ophouden en âmet zooveel vurigheid,quot; zegt Celano, dat hij voor de omsluierde Majesteit onzer tabernakelen neergeknield een Seraf scheen, van de hemelen gedaald ; âmet zooveel vruchtquot;, voegt de H. Bonaventura er bij, dat hij zich verhief tot de hoogste graden der beschouwing. Hij voedde zijne ziel met de overweging der Heilige Boeken, waarvan hij den verborgen zin ontdekte. In de verklaringen, welke hij op de Gewijde Schriften maakte, opent hij dikwerf schitterende gezichtspunten.
Toen hij te Siëna verbleef, zoo verhaalt Celano, kwam eon predikheer, doctor in de godgeleerdheid en zeer ervaren in hot geestelijk leven, hem bezoeken. Zij voerden een lang en leerzaam onderhoud. Naar aanleiding van een of ander punt ondei-vroeg de leeraar hem omtrent dezen tekst van Ezechiël : âAls gij den booswicht niet vermaant den weg zijner ongerechtigheden te verlaten, zult gij rekenschap geven van zijne ziel. Welnu, vader, ging hij voort, ik ken vele personen, die in gewoonte van doodzonde leven en nochtans geef ik hun geen terechtwijzing
291
over hun ergerlijk gedrag; ben ik nu verantwoordelijk voor hun eeuwig verderf?quot; â âHet is uw taak te leeraren, antwoordde Pranciscus met bescheidenheid, en mij betaamt het te luisteren.quot; â âVader, hervatte de predikheer, ik heb reeds vele geleerden hierover geraadpleegd, en zou gaarne ook uwe meening vernemen.quot; Door zijn aanhouden overwonnen, zeide Franciscus ten laatste zijn gevoelen: âAangezien men deze woorden in een algemeenen zin moet opvatten, zeide hij, zou ik ze volgenderwijze verklaren : De dienaar des Heeven moet zich ten overstaan der ongerechtigheid zoo gedragen, dat zijne levenswijze voor den zondaar een licht zij, en zijn voorbeeld een aanklacht en vermaning. Volgens deze opvatting spreekt de tekst van den profeet van de veroordeeling der goddeloozen zeiven.quot; â De lee-raar was ten zeerste gesticht en zeide tot Franciscus' gezellen : âWaarlijk, broeders, de wijsheid van dezen man, gedragen op de vleugelen der zuiverheid en der beschouwing, baadt zich als de adelaar in de hemelsblauwe stroomen van het firmament, terwijl de onze met moeite langs de aarde voortkruipt.quot; Niet in de schriften der wijsgeeren, zoo besluit de II. Bonaventura bovenstaand verhaal, putte Franciscus de scherpzinnigheid zijner oordeelen en den omvang zijner wijsheid, maar hij ontstak de fakkel van zijn genie in het brandpunt aller wetenschap ; hij ging ter school âbij den Meester, die den nederige onderwijst zonder ge-druisch van woorden, zonder verwarring van gevoelens.quot;
Weinige zijn de levens, waarin de onmiddellijke werking des Scheppers zich veelvuldiger mengt met de eigene bedrijvigheid van het schepsel dan in het leven van Franciscus, maar ook weinig heiligen zoo trouw aan de zoete voorkomendlieid der genade. Hoe nauwlettend was hij op de inspraak des H. Geestes ! Was hij alleen, begraven in de bosschen van Monte-Lucco, van Amiata of Alvernia, dan leverde hij zich geheel onbeschroomd aan de bewegingen der genade over. Was hij echter op reis of in gezelschap zijner broeders, dan bleef hij ongemerkt achter om beter de stem zijns Welbeminden te hooren. Om zijne ziel gemakkelijker tot God te verheffen, nam hij wel eens zijn toevlucht tot de muziek en de âootmoedige Serafquot; bespeelde een kleine viool, welke hij zelf had vervaardigd. Hierin werd hij later gevolgd door een zijner geestelijke dochters, de beroemde ecstatica der
292
15 eeuw, de H. Catharina van Bologne. Men glimlache niet om beider eenvoud, want ia hunne bezieling niet verheven ? Zij bedienden zich van die houten instrumenten, gelijk de Engelen van hun gouden harp, om Hem te loven, wien de hemelen nimmer moede worden te aanbidden en te beminnen.
Gebed en overweging vraagt de medewerking des menschen, âvisioenen en geestverrukkingenquot; komen enkel van God ; op iedere bladzijde van Franciscus' leven ontmoet men deze, en zijne ge zeilen waren er dagelijks getuigen van. Dikwerf zagen ze hem in geestvervoering met stralend gelaat, de oogen ten hemel gericht en zoo buiten zich zelf, dat hij ongevoelig was voor alles, wat rondom hem gebeurde; soms werd hij hoog in de lucht opgeheven en een lichtkrans straalde om zijn hoofd. Wat ging er dan om tusschen hem en zijn God ? Oordeelt er over uit het volgende verhaal.
De H. Franciscus vernachtte eens in den vreemde. Een der jongste kloosterbroeders was buitengewoon nieuwsgierig om te achterhalen wat Franciscus deed, als hij 's nachts zijne harde legerstede verliet. Met listigheid wist hij de zaken zoo te wenden, dat hij in Franciscus' nabijheid moest slapen. Ten overvloede knoopte hij in kinderlijke eenvoudigheid zijn koord aan dat van den Serafijnschen vader vast. Zoo toch, dacht hij, kon Franciscus nooit opstaan, of hij moest het merken. Geheel voldaan over zijne list sluimerde hij weldra in. Toen allen in diepe rust gedompeld lagen, stond Franciscus op, ontknoopte voorzichtig zijn koord en ging bidden in het nabijzijnde bosch. Toen na eenigen tijd de jonge broeder wakker schrok, was hij niet weinig teleurgesteld; maar fluks daalde hij af en ging zijn vader zoeken. Een schitterend licht tusschen het geboomte verried reeds van verre, waar deze verbleef. Hij sluipt nader, maar nu is hij ooggetuige van een schouwspel, dat geen pen kan beschrijven. Hij zag den Zoon Gods, door duizend Engelen omstuwd, Maria, Joannes den Boetgezant, Joannes den welbeminden leerling, die vertrouwelijk met Franciscus schenen tc spreken. De jonge kloosterling ontstelde, geraakte buiten zich zelf en bleef roerloos liggen, totdat Franciscus nader kwam en hem weer tot bezinning riep. â Wadding verhaalt ons, dat twee broeders te Ancona, die hun vader op een dergelijke wijze be-
293
spieden wilden, de nooit volprezene Moedermaagd van den hemel zagen afdalen en haar goddelijk Kind in de armen van Franciscüs neerleggen, die het aan zijn hart drukte en om barmhartigheid bad voor de arme zondaren. â O gelukkige Tran-ciscua! Wie beschrijft de vervoering uwer liefde bij het aanschouwen der oneindige Heiligheid ? Wie schetst do blijdschap uws harten, toen het klopte tegen het hart van den goeden Meester; toen Maria, de Moeder der schoone liefde, u tegenlachte?
Wanneer in soortgelijke omstandigheden door bijzondere toelating van God, die zijn dienaar wilde verheerlijken, eenige broeders getuigen waren geweest van zijn visioenen, verbood de ootmoedige Franciscüs ten strengste er anderen over te spreken. De geheimen, die de Allerhoogste hem in dergelijke vervoeringen of visioenen ontsluierde, bewaarde hij zelf op den bodem zijns harten, tenzij Gods glorie of hot heil der zielen hom verplichtte te spreken. God nam behagen in de bescheidenheid, waarmee zijn Dienaar het geheim des Konings bewaarde. Immers bij zekere gelegenheid wilde een persoon buiten de Orde, en wel Don Guido, de bisschop van Assisië, zijn heiligen vriend in Maria-der-Engelen bespieden. Hij ging naar zijne cel en toen hij niets hoorde, opende hii de deur halverwege met het heimelijk verlangen, zijn vriend in geestverrukking te vinden. Maar op hetzelfde oogenblik voelde hij zich door een onzichtbare hand teruggedrongen. Hij verloor de spraak en miste het gebruik zijner zintuigen, totdat hij in tegenwoordigheid van al de kloosterlingen zijn onbescheidenheid had betreurd.
Ziedaar nu, wel is waar, geen volkomen afbeelding van onzen Heilige, maar genoeg voor onze bewondering eu navolging! â⢠Want hoevele trekken van zjjn innerlijk leven lieten wij onaangeroerd, trekken nochtans, die de schrijvers aangeven, als zij Franciscüs' eigenaardige persoonlijkheid willen teekenen. Of was, zooals Celano zegt, deze minnaar der strenge boetvaardigheid niet te gelijker tjjd een engel van zachtmoedigheid, van stichtende opgeruimdheid en vroolijkheid in woord, handel eu wandel? En werden die deugdeu niet bekroond door een gulle op3nhartigheid e^i eene gelijkmoedigheid, die zich nimmer verloochende ? Ziedaar dus een schaduwbeeld van Franciscüs' deugden, hoedanigheden en voorrechten, en toch vormt het reeds een geheel vol harmonie
294
en majesteit, zóózeer boven alle aardsche schoonheid verheven, dat onze Serafijnsche verschijning haars gelijke niet heeft in de geschiedenis der eeuwen. De grootste meesters der schoone kunsten hebben deze gestalte beschouwd als de type van den oorspronkelijken mensch! Na verloop van zes eeuwen geeft deze heldenfiguur nog leven en frischheid om het genie tot bewondering en geestdrift op te voeren. En wanneer wij de gevoelens onzer harten in woorden moeten weergeven, zijn wij genoodzaakt onze uitdrukkingen aan den koninklijken Profeet te ontleenen en met hem uit te roepen: vMirabilis Deus in sanctis suisquot; Wonderbaar is God in zijne Heiligen, â die het meesterstuk zijn der genade, het toonbeeld der menschheid, hervormd in het zoenbloed van het slachtoffer op Calvarië!
aHHHHHHHHSHSSSHSasaSHSH
.....-zzzzzzzz.....i.............................................
DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK FrancisniK op «lm berjjj Alvcrno.
(122 .)
,jfr% p de grenzen van Toscane, midden tusschen de xlpennijnen wjlf en ongeveer halverwegen de steden Arezzo en Florence, rijst een berg ten hoogen hemel, wiens steile kruin de omliggende gebergten overschaduwt en welks voet zich ten Oosten baadt in de wateren van den Tiber en ten Westen bespoeld wordt door den Arno, den Corsalone en den Archiana: het is de Alverno, de gezegende bergtop, in de plannen Gods uitverkoren als de Thabor en de Calvarië van den H. Franciscus. Uier toch zou zijn hart de meest bedwelmende zoetheden der goddelijke liefde smaken, zou zijn vleesch gewond worden door de vurige schichten des Serafs.
Omstreeks het jaar 1213 wordt de berg Alverno voor het eerst in de geschiedenis des Heiligen vermeld. Franciscus was op reis naar Spanje om van daar naar Marocco over te steken. Op die missiereis toog hij voorbij het burchtslot van Montefeltro, juist toen men een schitterend steekspel zou beginnen. Ileeds golfden de breede banen van het vaandel des kasteelheers boven de slotpoort, op het eerepark hoorde men het getrappel der paarden, en het geschal der trompetten op de gekanteelde slottorens verkondigde aan den omtrek de opening van het feest. De jonge graaf van Montefeltro had dien nacht in de oude kapel zijner voorvaderen de eerewacht gehouden en trad thans op, om in tegenwoordigheid van geheel den Florentijnschen adel tot ridder geslagen te worden. Franciscus, die eene bizondere voorliefde had voor dergelijke feesten, omdat zij te gelijk een godsdienstig en ridderlijk karakter droegen, zeide tot zijn reisgezel: âKomaan, broeder Leo, laten ook wij opgaan naar het grafelijk
Indrukkisg der vijf wonden.
297
slot; met de genade des Heeren zullen wij wellicht iemand voor het geestelijk ridderschap winnen.quot; Toen de plechtigheden in de kerk geëindigd waren en de ridderschap in het eerepark vereenigd was, plaatste Franciscus zich op eene hoogte en ontwikkelde voor zijn edel gehoor op grootsche wijze deze twee italiaansche verzen:
âTanto c il bene ch'io aspetto,
âCh'ogni pena m'e dilletto,quot;
âHet goed, dat ik begeer, is zóó groot, dat iedere smart mij een vrengde is.quot;
Hij gewaagde achtereenvolgens van het voorbeeld der Apostelen, der martelaren en geloofsbelijders, die zich volgaarne aan allerhande folteringen prijsgaven om den hemel te veroveren. De edellieden waren tot in het diepste huns harten geroerd en namen Franciscus' woorden op met een eerbied, als waren zij van de lippen eens Engels gevloeid.
Graaf Orlando van Chuisi de Casentino, een dier uitgelozene zielen, die in de wereld leven zonder nochtans van deze wereld te zijn, trok zich na afloop der predikatie uit het gezelschap terug, wenkte den Heilige tot zich, ging met hem in de eenzaamheid en zeide: âVader, sinds langen tijd heb ik reeds naar dit uur uitgezien; ik verlang ten vurigste mij zeiven met u over de zaligheid mijner ziel te onderhouden.' Franciscus, die bescheidenheid aan zielenijver paarde, antwoordde met een zoeten glimlach : âVolgaarne, maar vandaag niet; gij moet u thans in den ridderkring vervoegen, doch na het feestmaal zullen wij te zamen beraadslagen zoolang het u zal behagen.quot; Orlando volgde den raad des Heiligen. Zoodra nu het eerste ridderfeest ten einde was, begaf hij zich tot Franciscus en zij weidden ge-ruimen tijd uit over het geluk des hemels en over de middelen om dat geluk te bekomen. Na hun onderhoud, dat geheel bovenaardsch, en daarom naar den zin van den graaf te kort was geweest, zeide Orlando tot den Heilige: âïusschen mijn erfgoederen ligt één dier woeste bergen, wier ligging de ziel toe geestelijke afzondering stemt. Bezoek hem eens en als hij u bevalt, wil ik hem gaarne aan u en uwe broeders afstaan tot heil mijner ziel.'quot; Franciscus nam het voorstel aan, en beloofde, dat hij onmiddellijk twee zijner broeders zou afvaardigen
298
om in zijn naam den berg Alverno te verkennen, dewijl liij zelf zijne reis naar Spanje moest voortzetten.
Tegen den vastgestelden tijd gingen de beide religieuzen, welke Franciscus had aangewezen, opwaarts naar het kasteel van Chuisi, een ouden ridderburcht, waarvan men in onze dagen op de oevers van het riviertje Rasma, bijna een mijl van den Alverno, nog de indrukwekkende bouwvallen aanwijst Graaf Orlando ontving de broeders met hartelijkheid. Om hen tegen de wilde dieren en struikroovers te beschermen riep hij een geleide van 50 man samen en begaf zich aan het hoofd der kleine karavaan op weg.
De bestijging van den berg is vermoeiend, maar niet eentonig. De eerste heuvelklingen zijn uiterst dor en woest; hier en daar gapende kloven, granietblokken zonder orde dooreen-geslingerd; enkele verdorde eiken, die niet eens hoog genoeg opschieten om den reizigers chaduw aan te bieden. Op twee derde van de hoogte verandert het aanzien van den berg geheel en al, de helling klimt zoo steil niet meer en de bodem wordt vruchtbaarder. Ten slotte schiet op eens voor uw oogen de reus dezer bergketen loodrecht ten hemel, de Alverno, een uitgestrekte bergkruin met bijna rechtopgaande zijden als van een steilen muur, bekroond door een weelderig bosch van beuken en dennen. De woeste en wilde natuur met haar grootsche en ontzagwekkende omgeving viel ten hoogste in den smaak der beide verkenners. In naam van Franciscus aanvaardden zij de schenking van Orlando en richtten in der haast eene hut op met eene bidplaats, waar zij gezamenlijk het goddelijk officie zongen om door het gebed bet bezit van den berg te heiligen.
Volgens eenige pauselijke oorkonden schreef men toen den 89ten der Bloeimaand 1213.
Uit Spanje weergekeerd, liet Franciscus zich aanstonds rekenschap geven van hetgeen er in zijne afwezigheid gebeurd was. De broeders nu schilderden hem den Alverno in zoo aantrekkelijke kleuren, dat hij aanstonds tot de omstanders zeide: ,Dierbare kinderen, de vasten van den H. Aartsengel Michaël is aanstaande; ik geloof, dat God ons ingeeft deze dagen opdien berg over te brengen om hem door boetvaardigheid toe te wijden aan den Zaligmaker, zijne onbevlekte Moeder en de ïï. Engelen.'
299
Hij begaf zich op weg in gezelschap van vier broeders, wien hij last gaf hem voor de onbescheidenheden der bezoekers te vrijwaren. Thomas van Celano heeft deze vier genoegzaam aangeduid door hunne hoedanigheden te vermelden. Het waren de broeders Leo, Rufinus, Angelus en Masseus. âMijn zoon, zoo sprak Franciscus tot den laatste, gij zult gedurende de gansche reis onze overste zijn. Op weg zullen wij al de gebruiken van het kloosterleven in acht nemen, te zamen het officie bidden, het stilzwijgen bewaren en ons, wat nachtverblijf en voeding betreft, aan de hoede der Voorzienigheid overgeven.quot; De drie religieuzen bogen het hoofd en Masseus nam de leiding van den pelgrimstocht op zich.
Den eersten avond hadden zij nog gelegenheid om in een hunner kloosters te overnachten. Maar tegen den tweeden nacht noodzaakten vermoeienis en bar weer de reizigers een schuilplaats te zoeken in een der kerken van Capraro aan den voet van den Alverno. De vier gezellen des Heiligen lagen dra in diepen slaap gedompeld. Franciscus alleen doorwaakte den nacht in het gebed, maar moest daarbij een verwoeden aanval der duivelen onderstaan. Die booze geesten toornden, omdat hij hun rijk omverstiet, vertoonden zich in de meest afzichtelijke gestalten, gingen hem zelfs te lijf, mishandelden hem gewelddadig en lieten hem halfdood op den grond achter. Gelijk een soldaat zich onder het oog van zijn aanvoerder des te dapperder verweert, zoo hield ook Franciscus in het felste van den strijd oog en hart op den onzichtbaren koning der eeuwen gevestigd : âO heer Jezus, zoo bad hij, ik bedank TT voor al uwe weldaden en vooral voor deze gunst, want zij is een onderpand uwer liefde. Gij kastijdt mijne zonden in dit leven om mij te sparen in het andere. Mijn hart is bereid duizendmaal meer te lijden, als het uw H. Wil behaagt.quot;
Den volgenden morgen was Franciscus zoo uitgeput en verzwakt, dat hij den weg niet verder te voet kon afleggen. Zijn gezellen gingen daarom uit naar het naburig dorp en ontmoetten weldra een landman, die zich van harte bereid toonde zijn ezel te leenen; zelfs vervoegde hij zich persoonlijk bij hen. Nu trok men welgemoed verder; de H. Patriarch opende den stoet, gezeten op het vreedzame lastdier; de boer en de broeders
300
volgden op eenigen afstand. Terwijl zij nu de eerste omloopen van den berg bestegen, zeide de landman in zijn eenvoudigheid tot Franciscus: âVader, antwoord mij eens, zijt gij nu in waarheid die Franciscus van Assisië, van wien men zooveel verhaalt?quot; Ja, antwoordde Franciscus. âWelnu, hervatte de boer, geloof mij, dan moogt gij wel uw best doen om zoo deugdzaam te zijn als de menschen zeggen; anders zullen zij zich in hun vertrouwen beschaamd zien.quot; Door zooveel eenvoud getroffen, steeg Franciscus onmiddellijk van zijn rijdier, kuste den landman de voeten en bedankte hem voor zijn leerzame vermaning. Daarna reed hij op zijn ezel weer verder.
Naarmate men tusschen de bochtige engten van den Alverno voortging, werd de rijzing van den berg sterker, de helling steiler, de zon meer brandend. Door hitte en dorst uitgeput, riep de landman plotseling: âIk kan niet verder; ik sterf, als ik geen water vind om mijn dorst te lesschen.quot; Maar er was geen enkele druppel water in die woestenij te vinden. Franciscus had evenwel modelijden met den goedhartigen man, wierp zich op de knieën en bad met uitgerekte armen om uitkomst. Staat er niet geschreven, dat God een vader is, de beste en teederste aller vaderen, en dat Hij het oor neigt naar het minste verlangen van hen, die Hem liefhebben? Weldra voelde de H. Vader, dat zijne bede verhoord was, keerde zich tot den landman, en zeide, met den vinger een rotsblok aanwijzende: âZiet gij daar die rots? Begeef u daarheen en gij zult er een heldere bron vinden, welke God uit medelijdende liefde heeft c^en ontspringen om uw dorst te lesschen.quot; De man geloofde aan het woord des Heiligen, want hij beschouwde hem als een anderen Mozes, die alles vermocht op het hart van God. Hij liep naar de aangeduide plaats, en vond er inderdaad een frisch en smakelijk water. Zoodra hij zijn dorst gelescht had, droogde de wonderdadige bronwel op en verdween voor altijd.
Onze reizigers bereikten eindelijk de kruin des bergs, en de blijdschap over hun behouden aankomst deed de vermoeienissen van den tocht vergeten. Franciscus zette zich onder de dichte takken van een beuk neer, en liet zijne blikken weiden over hot grootsche panorama, dat zich voor zijne oogen ontrolde: de schilderachtige ligging en de eenzaamheid van den Alverno bevielen
301
hem, de majesteit der aangrenzende bergketen bracht hem in verrukking. Middelerwijl was een geheele vlucht vogelen rondom den Heilige neergestreken; zij zetten zich op zijn hoofd, handen en schouders en riepen hem door hun gekweel en geklapwiek het welkom toe. Ofschoon aan de liefkoozingen der vogelen gewoon, scheen hij nochtans dezen keer verwonderd over hun meer bijzondere blijdschap en zeide daarom tot zijne gezellen : âIk zio, dat ik hier blijven moet, want mijn aankomst veroorzaakt groote vreugde onder mijne broeders de vogelen.''
Zoodra graaf Oilando vernam, dat Franciscus op Alverniö verbleef, spoedde hij daarhenen, vergezeld van gewapende mannen en met de noodige levensbehoeften. Hij trof de religieuzen in gebed. De H. Patriarch ging zijn edelmoedigen vriend te gemoet on geleidde hem onder de schaduw van een statigen beuk, ongeveer een steenworp van de cellen der andere broeders. âIk betuig u, dus begon Franciscus, mijn oprechten dank voor de schenking van dezen heiligen berg! Als gij nu de kroon op uw werk wilt zetten, verzoek ik u mij uit boomtwijgen een kleine cel te bouwen, die de takken van dezen beuk tot gewelf heeft.'' De graaf gaf onmiddellijk zijn bevelen en na enkele uren was het verlangen des Heiligen vervuld. Men kan zich verbeelden, wat indruk zulk eene bidplaats op Franciscus moest maken. Stel u een bedehuis voor, hetwelk den stevigen stam van een eeuwenouden beuk tot steunpilaar heeft, de dooreengevlochten takken tot kruisbogen, het gebladerte met duizend schakeeringen in het gulden licht dei-ondergaande zon tot muurschildering, een zacht grasveld met veelkleurige bloemen doorweven tot tapijt, terwijl het een ruim vergezicht open laat op den omtrek en het azuur des hemels : moet zulk een bedehuis niet de ziel bekoren, die de beschouwinquot;
' O
liefheeft gelijk Franciscus? Toen 's avonds voor Orlando het uur van vertrek was aangebroken, bedankte onze Heilige hem in warme bewoordingen voor zijn bezoek en vriendschap en zegende hem met al zijne arbeiders. Bij het laatste vaarwel nam de graaf de religieuzen ter zijde en sprak tot hen: âIk wil niet, dat de zorg voor levensbehoeften ooit beletsel stelle om u op dezen berg naar hartelust aan de geestelijke beschouwing te wijden. Daarom druk ik het u thans eens en voor altijd op het hart, dat gij aan mijne deur alles komt vragen, waaraan gij be-
302
hoefte hebt. Als gij anders doet, zal het mij ten zeerste grieven.quot; Na deze woorden daalde hij met zjjne manschappen den Alverno af.
Na het vertrek van den graaf kwamen Leo, Rufinus, Masseus en Angelus zich bij den H. Vader op het zachte mos neervlijen om zijne geestelijke lessen te hooren. Reeds was de zon eenige uren achter de kruin der Apennijnen verdwenen; de sterren fonkelden aan het uitspansel en de maan wierp haar schemerlicht. Een koele bries verfrischte hun geschroeid aangezicht en het gedruisch der woelige wereld stierf weg aan den voet des bergs. Hun ziel gevoelde, dat zij in Gods nabijheid was. Zij bewaarden een diep stilzwijgen, als vreesden zij de echo's dei-bergen wakker te schrikken of hun vader in zijn gebed te storen.
Na eenigen tijd nam Franciscus het woord en sprak: âMijne broeders, gij moet niet te veel steunen op het edelmoedig voorstel van graaf Orlando, uit vreeze dat gij uwe belofte van armoede zoudt schenden. Weest innig overtuigd, dat de wereld u nooit zal verlaten, als gij u als ware armen gedraagt. Houdt gij u nauwgezet aan de H. armoede vast, dan zal zij u het dagelijksch brood overvloedig uitreiken; maar wijkt gij van de armoede af, dan zal ook zij u den rug keeren. Of heeft God u niet tot deze levenswijze geroepen om de bekeering der volkeren ? Is er derhalve geen stilzwijgend verdrag gesloten tusschen u en Ilem, waarin beide partijen zich gelijkelijk verbonden hebben ? Gij zijt aan de wereld het brood der waarheid» en het voorbeeld uwer deugden verschuldigd; maar op het volk rust als Gods zaakgelastigde de verplichting u daarvoor in ruil het lichamelijk brood te geven. Weest nauwgezet in de vervulling uwer plichten, klemt u vast aan de evangelische armoede, want zij leidt ter volmaaktheid, is een zekere borgtocht der eeuwige rijkdommen.quot;
Intusschen bleken de cellen der broeders, die slechts met bladeren en twijgen gedekt waren, weldra ontoereikend om hen tegen de ongestadigheid van het weer te beschutten ; maar wat vooral grooter bezwaar was, zij hadden geen passend verblijf om den God onzer altaren te huisvesten. De 11. Patriarch wenschte daarom eene nieuwe kerk met een klein klooster te bouwen. Toen Orlando bij gelegenheid den berg weer bezocht, deelde hij hem zijne plannen mede. De graaf beaamde alles en zond na
309
enkele dagen de noodige werklieden om het plan, door den Heilige ontworpen, uit te voeren.
Tijdens den aanbouw doorkruiste Franciscus het gebergte in alle richtingen en zag uit naar de plaatsen, welke het meest voor gebed en beschouwing geschikt waren. Weldra stond hjj tegenover groote granietrotsen met diepe en breede kloven, met neerhangende rotsblokken, die ieder oogenblik dreigden neer te ploffen: het was hem onmogelijk er den oorsprong var; te vermoeden. Volgens zijne gewoonte wendde hij zich tot Hem, voor wien de natuur geen geheimen heeft, en hem werd veropenbaard, dat die groeven en rotsgevaarten gevormd waren door de aardbeving, welke de aarde bij den dood des Zaligmakers op hare grondvesten deed schudden. Vol bewondering over die grootsche herinnering keerde hij bij zijne broeders weer, maar was er verre af te bevroeden, dat die zelfde rotsen weldra een zeer treffend beeld van den Calvarieberg aan de aarde zouden ver-toonen.
Te midden dezer steil afgebroken rotsen verhief er zich één, nog woester dan de andere, waarvan zij gescheiden was door een gapenden afgrond. Daar hield een berucht roover, als op een ontoegankelijk eiland, verblijf, een arend gelijk, die zijn nest 0p de steile rotsen niet verlaat, tenzij om in de vlakte op zijn prooi neer te schieten. De komst der religieuzen was hem zeer onaangenaam. Gelijk iedere misdadiger zocht hij de duisternis en liet gezicht van rechtschapen menschen verbitterde hem. Meer dan eens verzocht hij de kloosterlingen zich van zijn gewaand eigendom te verwijderen, en ten laatste dreigde hij met zijn geduchte wraak. Op zekeren dag sloeg hij over tot geweld en verscheen in Franciscus' tegenwoordigheid. Tegenover zijne doodsbedreiging stelde Franciscus de zachtmoedigheid van het lam. Over die edelmoedige minachting zijner bedreigingen verstomd, vroeg de roover eenige dagen bij den dienaar Gods te mogen doorbrengen. Het schouwspel nu van diens ongestoorden vrede, en volkomene onthechting aan het aardsche bracht den bandiet tot inkeer; hij vroeg het kleed der Orde. Men had hem weleer don wolf dezer bergen genoemd, Franciscus heette hem voortaan âhet Lamquot;, of broeder Agnellus. Nog in onze dagen wijst men do plaats aan, waar hjj zijne misdadige roovenjen uitboette en noemt deze plaats: âde gevangenis van den broeder Wolf.quot;
304
Aan graaf Orlando was Franciscus alzoo bosch en klooster op den Alverno verschuldigd. Derhalve mocht hij niet in gebreke blijven zijn dank te betuigen. Hij deed het echter op zijn manier. Bij een zijner reizen naar dit gebergte â waarschijnlijk in 1222, kort na de instelling der Dorde Orde â lijfde hij hem in bij zijne geestelijke Familie en wilde in eigen persoon hem mot de livrei der boetvaardigheid bekleeden.
De kluis van Alvernië werd evenals Portiuncula de bevoorrechte bidplaats van Franciscus. Hij keerde er tot vijfmalen toe terug. Zijne zesde en laatste reis verdient meer dan de overige eene breedvoerige beschrijving; zij is het toppunt van de smarten, en de verheerlijking van onzen held !
Het was Augustus 1224. Ofschoon reeds 42 jaren oud en door nachtwaken, boetvaardigheid en apostolische werkzaamheden geknakt, haakte Franciscus nog immer naar licht en liefde en de H. Geest zette hem wederom aan om de hoogten van den Alverno te beklimmen. Trots de bovenmatige hitte verliet hij zonder uitstel Maria-der-Engelen in gezelschap zijner gewone reisge-nooten, Leo en Rufinus. Vast besloten om zich zonder voorbehoud aan al de bewegingen der genade over te geven, zonderde hij zich af in een rotsklove, de wildste die hij had kunnen vinden, aan den zuidkant desbergs, door een donker woud van dennen aan aller blikken onttrokken. Tijdens zijn langdurig verblijf aldaar â van O. L. Vr. Hemelvaart tot kruisverheffing â werd hij meer dan te voren met bovennatuurlijke veropenbaringen begunstigd, waarvan wij er hier eenige moeten mededeelen
De eerste veropenbaring, die hij ontving, betreft een zijner gezellen : âoen man van engelachtige godsvrucht,quot; zegt de H. Bonaventura; eene omschrijving, die op zich eenigszins duister was, hadden Thomas Eccleston en de Fioretti haar niet nader toegelicht. Volgens deze toch is hier Broeder Leo bedoeld. Deze had zich ook in eene spelonk teruggetrokken, maar werd er door een helsche bekoring overvallen, welke hem verscheidene dagen pijnigde en afmatte. Nochtans durfde hij haar zijn heiligen Vader niet veropenbaren. Hij hoopte alleen een of andere zinspreuk, door Franciscus met eigen hand geschreven, in zijn bezit te krijgen, vast overtuigd, dat zulks genoeg zou zijn om hem voorgoed van de bekoring te verlossen. De H. Vader was in-
305
tusschen van Godswege reeds bekend gemaakt met de beproeving en het verlangen van Leo. Hij schreef daarom den volgenden zegen en onderteekende hem met de letter T (zinnebeeld des kruises); âDe Heer zegene en beware u; Hij toone n zijn aangezicht en erbarme zich uwer. Hij wende zijn aanschijn tot u en schenke u zijn vrede. T.
De Heer zegene U, broeder Leo.quot; - âNeem dit briefje, zeide hij en bewaar het uw leven lang.quot; Nauwelijks had Leo het ontvangen of de bekoring was voor immer geweken. De H. Bonaventura voegt er zelfs bij, dat deze uitwerking niet de eenige was, want zeer vele zieken genazen in het vervolg door het bloot aanraken van dit perkament.
Weinige dagen daarna verscheen een engel aan Franciseus, zette zich neer op den steen, waar de Heilige zijn maaltijd nam en onderhield zich met hem, gelijk een vriend spreekt met zijn vriend. Toen de verschijning verdwenen was, riep Franciscus broeder Rufinus tot zich en zeide, diep doordrongen van eerbied voor de goddelijke majesteit: âGij moet dezen steen, door de tegenwoordigheid des engels geheiligd, afwasschen en met olie zalven.quot; En aanstonds, naar het voorbeeld van den aartsvader Jacob, wijdde de H. Vader den steen aan den Heer toe, goot er olie over uit en sprak daarbij ; âWaarlijk, dit is het altaar des Heeren.quot; Deze steen wordt thans nog te dier plaatse bewaard in eene kapel, waarvan inj het eenig sieraad uitmaakt.
In het onderhoud met den engel werden onzen H. Vader talrijke en gewichtige veropenbaringen meegedeeld, waarvan hij het geheim weer met zich heeft genomen in het graf. Alleen drie beloften heeft hij bekend gemaakt, omdat zij rechtstreeks betrekking hadden op de toekomst zijner geestelijke familie. Onwaardeerbare beloften, die voor ons te veel troost bevatten om ze niet woordelijk weer te geven, gelijk zij van de lippen vloeiden van broeder Leo, wien Franciscus ze in vertrouwen had meegedeeld. De H Patriarch zeide mij: âZiehier drie beloften, welke de Heer mij heeft gezworen. Onze Orde zal bestaan tot het einde der tijden. Hare vervolgers zullen nimmer gelukkig of lang leven, maar ook niemand van hen, die de Orde oprecht liefhebben, zal ooit verloren gaan.quot; Zou men nu niet haast ge-looven van verre de echo te hooren van Jehovah's machtige
20
30G
stem, toen liij Abraham toeriep : âIk zal zegenen, die u zegenen en vloeken, die u vloeken ?quot;
Het gewicht van de eerste dezer drie beloften, die zich tot de verste geslachten uitstrekt en de Serafijnsche Orde met eeuwigdurende jeugd omstraalt, kon de aandacht van Celano, den eersten geschiedschrijver, anders zoo terughoudend en afgemeten in het vermelden van veropenbaringen, geenszins ontgaan. Ziellier do woorden, die hij in zijn âtweede levensschets'' den godde-1 ijken Zaligmaker in den mond legt; âLranciscus, uw Orde zal voortbestaan tot den jongsten der dagen, en zij zal naast eenige minder volmaakten te allen tijde in haar boezem mannen aan-kweeken van heldhaftige deugd. Gelijk de zon bij haar opgang aan de oosterkimmen de nevelen van den nacht verdrijft, zoo zal de luister, welken de laatsten afstralen, de lauwen doen vergeten.quot;
Bijna onmiddellijk na de verschijning des engels volgde een nog meer hemelsch visioen. Franciscus had broeder Leo bevolen hem telken avond een stuk brood met water aan den ingang zijner grot te bezorgen. Tegen middernacht moest hij terugkeeren en hem waarschuwen voor de metten. Daartoe zou bij op eenigen afstand der spelonk met luider stem roepen: âüomine, labia mea aperies, d. i. Heer, open mijne lippen.quot; Indien de heilige antwoordde: âen mijn mond zal uw lof verkondigen', moest Leo binnentreden om te samen de metten te bidden. Gaf hij geen antwoord, dan moest Leo terugkeeren, maar in geen geval mocht hij den Heilige bespieden. Het gebeurde echter slechts zelden, dat de Heilige antwoordde, zoo dikwerf verkeerde hij in geestvervoering, zoozeer maakte Gods liefde hem ongevoelig voor het uitwendige
Op zekeren keer, dat broeder Leo tegen middernacht weer aan Franciscus' deur klopte en geen antwoord ontving, bekroop hem de nieuwsgierigheid. Hij trad nader en loerde door de reten der planken deur, om te bespieden wat er binnen omging. En o wonder! De armoedige grot baadde in schitterend licht; Franciscus lag geknield en had de armen over de borst gekruist. Een levenwekkende lichtstraal verhelderde zijn aangezicht. Zijne oogen staarden onbeweeglijk naar een onzichtbaar wezen, waarvan zij niet konden scheiden, als hadden zij Dengene ontmoet, wiens
307
bekoorlijkheid Pranciscus zoo dikwerf in zijne gezangen verhief. De Meester en de dienstknecht wisselden eenige woorden, maar broeder Leo kon den zin van het goddelijk onderhoud niet opvangen. Het wekte nochtans niet weinig zijn aandacht, dat de Heilige voortdurend herhaalde : âWie zijt gij. Heer, en wie ben ik?quot; Ten slotte zag Leo hem opstaan, tot driemaal zijn hand aan den boezem brengen en ze telkens naar den geheim-zinnigen lichtgloed uitstrekken. Daarna zweeg de hemelsche stem, het licht verdween, en alles was weder in diepe stilte en dikke duisternis gehuld.
Broeder Leo ondervond een gevoel als van iemand, die opschrikt, wanneer bij een hevig onweder plotseling een bliksemflits de lucht klieft, gevolgd door den ratelenden donder. Hij zag angstig om zich henen. Maar alles was nog hetzelfde. De beuken wierpen hunne lange schaduwen ; de bleeke rotsen rezen als spookgestalten in het vale licht der maan; de sterren vonkelden nog als te voren; nochtans scheen alles meer doodsch en somber als te voren. Andermaal wierp hij een oogslag in Franciscus' spelonk, maar ook zij had haar gestreng uitzicht hernomen, geen spoor was overig van het hemelsch visioen. De grot was niet meer het voorportaal des Hemels!
Intusschen begon broeder Leo onrust te gevoelen over zijne onbescheidenheid en wilde zich zonder eenig gerucht verwijderen. Maar Franciscus, die hem reeds gehoord had, riep hem en richtte dit zoetaardig verwijt tot Leo : âDierbaar schaapje Gods, waarom tracht gij te onderscheppen, wat verborgen moet blijven ?'' Leo bekende openhartig zijn schuld, en voegde er vol eenvoud bij: âAch, vader, ik bid u, verklaar mij tot meerdere eer en glorie Gods den zin van het visioen, hetwelk gij gezien hebt.quot; Aangezien de engelachtige Leo Franciscus' biechtvader en vertrouweling was, stemde hij hierin uit gehoorzaamheid toe: âMijn broeder, zoo sprak hij, de Heer zelf is mij verschenen in de vlammen, die gij zaagt. Hij heeft mij eene zoo hooge kennis zijner volmaaktheden en mijner nietswaardigheid ingestort, dat ik herhaaldelijk moest uitroepen : mijn God, wie zjjt Gij en wie ben ik? Vanwaar komt het mij, dat Gij U gewaardigt uwe blikken op mij te vestigen, die slechts een aardworm ben? â Vervolgens heeft de Heer Jesus mij geheimen ontsluierd, zoo
308
verheven, dat geen menschelijk verstand ze kan begrijpen. Voordat Hij nu ten hemel opklom, zeide Hij bij het afscheid: Fran-eiscus, offer mij thans een of ander geschenk in ruil voor de vele weldaden, welke gij ontvangen hebt. â Maar Heer, Gij weet toch, dat ik in deze wereld niets bezit en U sedert lang onverdeeld toebehoor. â Steek uw hand in uw boezem en geef Mij wat ge vindt. â Ik gehoorzaamde; driemaal bracht ik mijne hand aan mijn boezem en driemaal vond ik een goudstuk, hetwelk ik Hem dankbaar aanbood. Nu vroeg ik den Verlosser vol bewondering, wat deze drie goudstukken mochten beteeke-nen. En de Heer antwoordde mij : de drie goudstukken zijn het zinnebeeld der drie beloften van gehoorzaamheid, zuiverheid en armoede, welke gij onwrikbaar zijt trouw gebleven. Hierop werd mijne ziel met zulk een vloed van genaden overstroomd, dat ik nimmer zal ophouden Hem te loven en te zegenen.quot;
Na deze woorden zond Franciscus zijn medegezel Leo weg en verbood hem ten strengste het geheim dezer verschijning mede te deelen of in het vervolg te onderzoeken, wat er tusschen God en hem omging.
Dank aan deze verschijningen was de Alverno in een ïhabor herschapen, doch slechts voor een vluchtig oogenblik. Het leven der heiligen bestaat niet enkel uit geestelijke vertroostingen, maar integendeel veel meer uit dien geest van opoffering en toewijding, waarvan Calvarië het toonbeeld en brandpunt blijft. Tot dien berg der smarten keerde ook onze H. Franciscus na zijne verschijningen en visioen terug. Golgotha was zijn rustplaats. Daar wierp hij zich neder aan den voet des kruises, in 's Ileeren lijden verdiept. Hoe meer hij in de bloedende wonden van den stervenden Godmensch binnendrong, naar die mate werd zijn hart een brandend fornuis der goddelijke liefde; naar die mate verlangde hij zijn gekruisten Jesus gelijkvormig te woeden.
Toen hij nu op zekeren keer van een engel vernomen had, dat het Evangelie hem leeren zou, wat de Zaligmaker nog van hem verlangde, ontbood hij broeder Leo, wien hij verzocht driemaal het Evangelie open te slaan. Daar het nu driemaal openging bij het droevig tafereel van Jesus' bitter lijden, begreep de H. Franciscus, dat hij na Jesus Christus gevolgd te hebben in zijn verborgen en openbaar leven, I[em ook nog moest
309
volgen in zijn onuitsprekelijk martelaarschap op liet kruis, en vol blijdschap riep hij uit: âMijn hart is bereid, Heer; mijn hart is bereid/'
Thans zijn wij genaderd tot het toonecl, hetwelk onzen heilige onder de Serafijnen opvoert. Zulke hemelsche wonderen te beschrijven voegt ons, arme zondaren, niet; daarom zullen wij zwijgen en luisteren naar de beschrijving, welke een van Pran-ciscus' roemwaardigste zonen, de serafijnsche Leeraar, de H. Bo-naventura er van geeft.
âBij het krieken van den volgenden dag, op het feest van Kruisverheffing (14 September), was de engelachtige Franciscus in het gebed op de helling van den berg. Eensklaps zag hij van de hoogten des hemels een Serafijn afdalen met zes vurige vleugelen van verblindende klaarheid. De Engel kwam in snelle vlucht tot dicht bij hem en bleef in de lucht zweven; daarop verscheen tusschen zijne vleugelen de beeltenis van den ge-kruisten Heiland. Bij dit gezicht werd Franciscus' ziel met eene onuitsprekelijke verwondering geslagen. Vreugde en droefenis vervulden ze beurtelings. Vreugde, omdat hij vóór zich aanschouwde den God zijns harten, den God van liefde onder de gedaante eens Serafs; droefenis, omdat het de lijdende Jesus was met handen en voeten aan het kruis vastgeklonken en het hart met eene lans doorstoken. Hij had een onbegrijpelijk mysterie voor oogen, en zijne verbaasdheid rees ten top; want hoe zou hij de vernedei'ingen van Calvarië overeenbrengen met de heerlijkheden van de aanschouwing der Godheid ? Door hemelsche ingeving ontdekte hij den verborgen zin dier verschijning en hij verstond, dat het niet door de marteling des lichaams was, maar door het vuur der liefde, dat hij geheel en al in zijn Welbeminde moest herschapen worden.
âDit visioen verdween, doch liet in zijn hart een wonderbaren liefdegloed, en in zijn lichaam een niet min wonderbaar merkteeken van den goddeljjken indruk. Immers terstond verschenen in zijne lidmaten de vijf wonden, welke hij in de verschijning Ijad vereerd. Zijne handen en voeten Yaren doorboord met dikke nagelen, waarvan de ronde en zwarte kop geheel zichtbaar was, en de lange, platgeslagen punt in den binnenkant zijner handen en in de zool zijner voeten uitkwam. De
310
wijde en geopende wonde der zijde was van roodachtige kleur, en dikwijls vloeide er bloed op de kleederen des Heiligen.
âHij droeg dus de teekenen der H. wonden zichtbaar in zijn lichaam geprent. Deze hemelsche gunst bracht hem echter in groote verlegenheid; moest hij dit wonder bekend maken of verborgen houden ? 'Hij wist niet, waartoe te besluiten. Hij ontbood dan eenige zijner vertrouwelingen en stelde hun zijnen twijfel in algemeene bewoordingen voor, alsof er sprake ware van een ander. Maar een onder hen, broeder Illuminatus, dezelfde, die hem vergezeld had naar het Oosten, besloot uit zijne aandoening, dat hij eene buitengewone gunst had ontvangen : âVader, zoo sprak hij, weet, dat het niet alleen voor u is, maar ook voor den naaste, dat de geheimen des Hemels u ontsluierd worden. Indien gij ze enkel voor u houdt, hebt gij reden om te vreezen, dat God u eens rekenschap zal vragen van het in de aarde verborgen talent.quot;
âDeze raad maakte indruk op den Serafijnschen Vader, en hoewel hij gewoon waa te zeggen: âSecretum meum mihi: mijn geheim bewaar ik,quot; ditmaal verhaalde hij in 't breede, doch niet zonder vrees, de verschijning, welke hij gezien had ; hij voegde er nochtans bij, dat de Serafijn hem zaken had veropenbaard, welke hij zijn leven lang niemand zou meedeelen. Waren misschien de gesprekken des engels zoo goddelijk, dat een menschelijke taal niet in staat was ze te vertolken? Als de H. Franciscus zijn vasten ter eere van den H. Michaël had geëindigd, daalde hij van den berg af, gansch herschapen door de goddelijke liefde, terwijl hij het beeld van den Gekruiste droeg, niet door de hand eens kunstenaars op hout of steen gegraveerd, maar afgedrukt in zijn eigen vleesch door den vinger van den levenden God. Hij poogde het geheim des grooten Konings te verbergen, maar God, die zijne werken met den noodigen luister omstraalt, wrocht geheel nieuwe mirakelen om de echtheid en den oorsprong der wondteekenen te getuigen en te bevestigen.
âOfschoon Franciscus zijne handen altoos bedekt hield en voortaan een schoeisel droeg, kon hij de hemelsche schatten niet geheel versctelen houden. Een groot getal broeders, verscheidene kardinalen en paus Alexander IV zelf hebben met eed bevestigd, dat zij de eerbiedwaardige wondteekenen des Heiligen met
311
eigen oogen gezien liadden, terwijl hij nog in leven was. Bjj zijnen dood hebben meer dan vijftig broeders, de roemrijke maagd Clara met hare zusters, en ontelbare wereldlijken de wond-teekenen eerbiedig gekust en met hunne handen zelfs aangeraakt. opdat niets aan de kracht hunner getuigenis zou ontbreken.
âWat de wonde der zijde betreft, deze wist Franeiscus zoo wel te verbergen, dat niemand haar tijdens zijn leven heeft kunnen zien dan ter sluiks. Een broeder, die hem gestadig verzorgde, (broeder Leo) vroeg hem eens zijn onderkleed uit te trekken, onder voorwendsel van het te reinigen ; dank aan die vrome list, zag en beschouwde hij de wonde, er voorzichtig drie vingeren opleggende, voelde hij, hoe breed zij was. De algemeene Vicarius, (broeder Elias) gebruikte hetzelfde middel om haar te zien. Wanneer een ander gezel des Heiligen (broeder Rufinus), een zeer eenvoudig man, hem eens de schouders zalfde om zijne pijnen te verzachten, raakte hij bij toeval de wonde van het hart; Franeiscus was er zoo hevig van aangedaan, dat hij van toen af een wijd onderkleed droeg om de zijde beter te beschutten. De broedei-s nu, die dit onderkleed wieschen, bevonden, dat het met bloed bevlekt was, en konden niet meer twijfelen aan het bestaan dier wonde. Bovendien mochten zij na den dood van den Serafijnschen Vader aan hunne godvruchtigheid voldoen en de opening der zijde en de andere wondteekens beschouwen.
âNu gij met de teekenen der H. Wonden versierd zijt, o Franciscus, zijt gij die Engel der openbaring, welken de II. Joannes heeft zien oprijzen in het Oosten, en die op '/ijn voorhoofd het teeken droeg van den levenden God !quot;
De zoon van Bernardone droeg dan do goddelijke indrukken van den Serafijn met imn bloedige kleuren als zoovele parelen en robijnen zichtbaar in zijn lichaam rond. Ziedaar een mirakel, in vorige eeuwen ongehoord; een mirakel, waarvan de volkeren van Umbrië twee jaren lang ooggetuigen waren. Allen wilden het levende beeld van den gekruisten Godmensch aanschouwen, allen de nagelen zijner handen kussen, hadde Franciscus overgroote ootmoed er zich niet tegen gekant. Om de wonden van nabij te zien, moest men zijn toevlucht nemen tot een of andere onschuldige list, die zijne waakzaamheid verraste.
312
Zoo kwam er eens een kloosterling van Brescia naar Siëna cm den H. Stichter te raadplegen, maar tevens vol verlangen om de wonden te zie;i, die Franciscus in zijn lichaam droeg. Maar hoe zou hem zulks gelukken? Hij raadpleegde broeder Pacificus: âZiehier, zeide deze, wat gij doen moet. Bij het afscheid zal ik den zegen vragen en verlof om zijne handen te kussen. Brengt hij ze dan vooruit, dan maakt gij er gebruik van om een oogslag op de H. wondteekenen te werpen.'' Deze raad werd gevolgd en do kloosterling mocht werkelijk het geluk smaken, waarnaar hij zoo vurig haakte. De H. Vader had evenwel eenig vermoeden opgevat omtrent hunne nieuwsgierigheid te zijnen overstaan. Daarom riep hij broeder Pacificus aanstonds terug en zeide: âGod vergeve u, broeder, want gij hebt mij zooeven veel smart veroorzaakt!quot; â âWelke smart, eerwaarde vader?quot; verzuchtte Pacificus, die zich aan Franciscus' voeten neerwierp. Doch Franciscus sprak niet verder, en de beide bezoekers gingen henen en wenschten elkander geluk over het welslagen hunner vrome list.
De ootmoed des Heiligen onderdrukte de geestdrift zijner leerlingen zoowel als de billijke nieuwsgierigheid. Na zijn dood kwam in dien toestand eene verandering, zoodat een ieder met eigen oogen de heilige wondteekenen kon aanschouwen.
Opdat er ons echter niet de minste twijfel overblijve, luisteren wij naar het woord van het opperhoofd der H. Kerk, Gregorius IX, wiens getuigenis en als Paus en als boezemvriend des Heiligen dubbele waarde heeft.
âGregorius, bisschop, dienaar der dienaren Gods, aan alle christenen, die deze zullen zien, heil en apostolischen zegen.
âWij achten het overbodig in dit schrijven nog verder te gewagen van de groote verdiensten, waardoor de glorierijke belijder Franciscus zich den weg tot het hemelsch vaderland gebaand heeft, aangezien alle geloovigen daarvan overtuigd zijn. Wij oordeelen het evenwel nuttig u meer in het bijzonder te onderrichten omtrent de wonderbare en geheel zeldzame gunst, waarmee hij vereerd werd door Onzen Heer Jesus Christus, die de glorie en de luister is aller heiligen. Door eme uitwerking van Gods scheppende macht ontving Franciscus tijdens zijn leven de wondteekenen des Heeren in zijne handen, voeten en zijde;
313
en na zijnen dood kon een ieder zich van hunne aanwezigheid overtuigen. Die zekere kennis, welke Wij en onze broeders de kardinalen hieromtrent hadden ingewonnen, zoowel als van de overige mirakelen, degelijk door yeloofivao,rdige fjeluigen bewezen, was de hoofdreden, waarom Wij, aangespoord door onze broeders de kardinalen, hem op de lijst der heiligen inschreven. Wijl Wij nu vurig wenschen, dat zulks door allen geloofd worde, bidden en bezweren Wij u, ja zelfs leggen u desgevorderd op, het oor te sluiten voor allen, die zich verstouten anders te beweren. Wij vermanen u dezen H. Belijder eene vereering en godsvrucht toe te dragen, die hem tot uw voorspreker maakt bij God) opdat de Heer u om zijne verdiensten en door zijn tusschen-komst zegen en voorspoed schenke in dit, en eens het eeuwige geluk in het andere leven.quot;
Gegeven te Viterbo, 2 April, het elfde jaar van ons pausschap.
Waarom nu werd dit voorrecht aan Franciscus verleend? Voorzeker om zijn overgroote liefde tot den Zaligmaker, en Jesus' liefde tot Franciscus. Die wederkeerige liefde streefde naar gelijkvormigheid. De liefde van Franciscus op zich kon de gelijkvormigheid niet bewerken, maar wat zij niet vermocht werkte de sterkere liefde van Jesus uit, en Jesus maakte Franciscus aan zich gelijkvormig.
Maar waarom die gelijkvormigherd gezocht in het kruis? Omdat het kruis het groote liefdegeheim is en Jesus' kruis Franciscus' hart het meest aantrok; Franciscus' geest was de geest des kruises, zijn werken de werken des kruises. Voor het kruis weende hij, daar brak hij los in jammerklachten, wilde hij zijn bloed met Jesus' bloed mengen, en hij kruisigde zijn vleesch met deszelfs begeerlijkheid. God nu wilde uitwendig toonen, wat inwendig in dat serafijnenhart verborgen was. Reeds bij den aanvang zijner bekeering zag hij in een visioen, zooals wij verhaalden, het kruis op de schilden in het geheimzinnig wapenhuis. Jesus verschijnt hem in de grot, maar hangende aan 't kruis. Het kruis in St. Damiaan werd bezield om hem zijn roeping kenbaar te maken. Sylvester zag een kruis uit zijn mond ten hemel opschieten; Pacificus zag het kruis op zijn voorhoofd blinken en bij een andere gelegenheid twee vurige zwaarden, die kruiselings over zijne borst in het hart staken;
314
Monaldus zag hem te Arles de armen kruisgewijze uitstrekken over de schouders van Antonius. Dat alles, zoo besluit de H. Bonaventura, waren even zoovele trappen, waarlangs God zijn Dienaar opvoerde tot de volmaakte gelijkvormigheid met zijn Zoon, op het kruis bloedende uit zijn vijf heilige wonden.
Doch de wondteekenen waren niet slechts eene belooning of veropenbaring van Franciscus' overgrootc liefde Hij werd opgevoerd tot den liefdegraad der Serafijnen!
â Alvernia uw toppen Gaan op bij 't hooge lied.
Dat met der aadren droppen Franciscus hart ontvliet.
Toen hem de Seraf kuste Aan hand en voet en zij En 't lied der zonne gutste In purperen poezij!quot; (!)
Was Franciscus dichter, waar zouden dan de gaven des dichters meer tot ééne ondeelbre kracht verbonden, inniger tot één gloed samengesmolten zijn dan op Alvernië, zijn Lijdensberg ? Als de stomme schepping hem reeds geestdriftige liederen ontlokte, welke lofzang moet dan dat Serafijnen hart ontweid zijn, toen zijn oogen de eeuwige schoonheid hadden aanschouwd, zijn hart wonden ontving, waarvan hij voor niets ter wereld genezen wilde worden ? Pas had hij op het kruis Dengene gevonden, dien hij in Alvernië's bosschen had gezocht, dien hij bovenal beminde, of hij bezong Hem en de liefdegloed zijns harten uitte zich in twee lierzangen, die geschreven schijnen in het vuur eener goddelijke geestverrukking.
De H. Bernardinus van Siëna, die ze heeft overgeleverd, schrijft beide aan Franciscus toe. De eerste zang, die zeker de schoonste is en tot refrein heeft: in foco Vamor mi mise: de liefde plaatste mij in het fornuis der liefde,quot; schijnt zelfs niet eens door vreemde hand omgewerkt; hoogstens heeft Franciscus' zoon, Jacopone, de beroemde dichter van het âStahat 7nater,\ er een meer klassieken rythmus aan gegeven. De grondgedachte van het gedicht verraden aanstonds den jeugdigen Assisiër, die ridder hoopt te worden van den graaf van Brienne, maar er plot-
(1) Schaepman. Nieuwe Gedichten.
315
seling aan verzaakt en vaandeldrager wordt van den Machtigste aller prinsen! Hij stelt zijne verrukking op den Alverno voor onder het beeld van een wapenaanval, waarbij hij zelf een tocht waagt op het rijksgebied van den Christus : doodelijk gewond geeft hij de wapenen over en bindt zich onder eede uit louter liefde aan zijn Verwinnaar.
De tweede zang is langer; de bondigheid, 't kenmerk van Franciscus' werken ontbreekt. Men kan dus gerust aannemen, dat de Gelukzalige Jacopone hem heeft omgewerkt en volgens den hem aangeboren rijkdom van gedachten uitgebreid, gelijk de leerlingen van een toonkunstenaar het thema huns meesters door ontbinding der tonen in duizend variaties herhalen. Wat er van zij, dit gedicht tintelt van schoonheden. Luisteren wij een wijle naar âhet eerste stamelen der Italiaansche muzequot; ; gelijk de dauwdrup een straaltje der ochtendzon weerkaatst, zoo toont zij ons een vonkje van den liefdebrand eener Serafijnsche ziel.
,0 liefde, waarom aldus mijn hart verwond? Ik ben buiten mij zeiven ; de vlam, door u in mijn boezem ontstoken, verteert mij geheel en nog grijpt zij verder om zich heen.
âIk kan niet vluchten, noch verpoozing vinden ; ik ben de gevangene der liefde.
âOm de liefde te winnen verliet ik alles, en toen ik de wereld zonder voorbehoud en onherroepelijk had verzaakt, bracht ik ook mij zeiven ten offer. Ware het heelal in mijn bezit, zonder aarzelen gaf ik het in ruil voor de liefde.
âVoortaan kan ik mijn blikken niet meer op de schepselen vestigen; ik heb geen oog meer of spraak, tenzij voor mijn schepper. Bij Christus, mijne liefde, schijnt alle schoonheid mij verachtelijk slijk; hemel en aarde verliezen hun bekoorlijkheid, de zon haar luister, de Cherubijn zijn licht, de Seraf zijn gloed.
âAlle schepselen herhalen mij zonder ophouden, dat ik beminnen moet. Ik hoor ze aan mijn oor fluisteren : bemin uit geheel uw hart; bemin Hem, die ons hoeft geschapen om u tot zich te trekken.
âO schoonheid, oud en altijd nieuw, o Jesus, gij hebt mijn hart geroofd, en Gij ontvoert mijne ziel geheel en onverdeeld, ik weet niet waarhenen. Ik heb geen hart, tenzij om u lief te hebben. O liefde, ik smacht naar u ; ach. doe mij van liefde sterven !
316
âGij zelf, Gij kondet u niet weei-houden van liefde. Uit liefde daaldet Gij neer op aarde en verborgt Gij uw oorspronkelijke grootheid, uw wijsheid en macht. De liefde sleurde u voort als een aan haar verkochten slaaf. In wat omstandigheid ik u zie, nooit toondet gij iets tenzij liefde, â liefde zonder mate, met een volslagen verloochening van u zeiven.
âDaarom lake mij niemand, als ik dronken ben van liefde; als de liefde mij het verstand schijnt te benemen. Hoe zou ik de kracht hebben hare aanlokselen te wederstaan ? Neen, dat kan ik niet! Het vjnnis is geveld ; ik moet van liefde sterven. quot;Weg met allen troost! Ik wil sterven uit liefde!quot;
In de laatste coupletten roept de dichter onafgebroken uit: âliefde, liefde !quot; Hij heeft zich voor altoos geschonken aan Hem, wiens wondteekenen hij draagt, en hij zal in zijn besluit volharden. Gelijk de gramschap het kloppen des harten versnelt, de borst doet hijgen en geen andere taal gedoogt dan vurige uitroepen, zoo ontboezemt zich de liefde ten laatste in snelle en welluidende klanken, gelijk aan die eener eolische harp, welker akkoorden stijgen, dalen en wegsterven, om weer te zwellen en des te langer naklank te geven. Gürres heeft een geheel werk geschreven over den H. Franciscus als troubadour: hij had gelijk. Inderdaad door de verzen, die wij hoorden, stroomt een machtige, ongekende dichterlijke geest, onder den indruk van één enkel gevoel. Dat gevoel, het zuiverste, het geweldigste, dat 's menschen hart kon doen trillen, en juist daarom het meest dichterlijke, is de goddelijke liefde, dezelfde liefde, die de martelaren van het Coliseum heeft voortgebracht. Franciscus geeft toe aan de vervoeringen zijner liefde; hij zingt gelijk de Seraphijnen des hemels zingen, en zijne ontboezemingen overtreifen geheel de heidensche Oudheid, die God, zoo zij Hem kende, niet beminde.
Ofschoon voorheen onbekend en verlaten, bleef de Alverno, het tooneel dezer hemelsche verschijningen, voortaan een heilige plaats, druk door de christenen bezocht. In het jaar 1255 richtte paus Alexander IV eene bulle tot de Minderbroeders, waarin hij verklaart, âdat hij den Alverno onder zijne bijzondere bescherming neemt; Alverno, dien berg, bezocht door de Serafijnen, het schouwtooneel eener geheimnisvolle slachtofferande; den
817
nieuwen Calvarieberg, waar de standaard onzer zaligheid opnieuw over het Westen schitterde, gelijk h|j eertijds zijne stralen uitschoot over de velden van het Oosten.quot; Ten slotte drukt hij het den broeders op het hart, die heilige bergkruin nooit te verlaten, maar er ten eeuwige dage het klooster te bewonen, dat hun gelukzalige Vader had gesticht.
Vijf jaren later (20 Aug. 1200) mocht de Alverno, getuige eener indrukwekkende plechtigheid, opspringen van vreugde. De H. Bonaventura, toenmalig Generaal der Orde, had meer dan duizend broeders op den berg samengeroepen, en onafzienbare scharen van pelgrims gingen op naar de hoogte. De bisschoppen namelijk van Arezzo, Florence, Fiësole, Perugia, Assisië, Urbino en van Citta-di-Castello kwamen dien dag onder den titel van O. L. Vrouw der Engelen de kerk consacreeren, welke ten jare 1215 gebouwd was door graaf Orlando, wiens overblijfselen daar thans nog rusten. Vervolgens trokken de bisschoppen den omloop van den Alverno in plechtige processie rond en heiligden hem den Heer onder den onsterfelijken titel van den âSera-fijnschen berg.quot;
Benedictus XI beval, dat ieder jaar op 17 September in alle huizen der Orde het feest der vijf wonden van Eranciscus zou gevierd worden, en Paulus V strekte dit feest uit tot de geheele katholieke wereld. Zoo hebben dan de pausen de echtheid van dit wonder door hun apostolisch gezag bekrachtigd. Sedert zes eeuwen blijft de Serafijnsche berg een geliefkoosd oord van den pelgrim. âMeer dan eens, zoo schrijft de roemrijk regeerende paus Leo XIII, hebben Wij uit godsvrucht en met opgewekte blijdschap het heilig gebergte van Alvernië beklommen. Daar vertoonde zich, waarheen Wij ook onze schreden richtten, het beeld van den grooten man en stemde de eenzaamheid ook onzen geest tot stille overdenking.quot;
âInderdaad op Alvernie voedt het hart zich met ééne gedachte: de wonden van den H. Franciscus. Alles spreekt daar van dat groote wonder: de toevloed der pelgrims, de kunststukken van Luca Delia Robbia, de godsvrucht der kloosterlingen, het zacht en mijmerend geruisch van den wind in de treurende dennen, de hartverheffende schoonheden der grootsche en door stormen geteisterde omgeving, maar vooral de heilige plek grond, waar men dit gebod leest, in marmer gegraveerd:
318
âSignasti hie servum tuum Franciscum Signis Redemptionis Nostrae.quot;
Heer, hier hebt gij uwen dienaar Franciscus geteekend met de wondteekenen onzer verlossing.
De ziel verlustigt zich daar in de overweging dier grootsche gebeurtenis en met diepgevoelde vreugde herinnert zij zich alle omstandigheden. En nochtans vreest zij hare gedachten te uiten, alsof een geheimzinnig gevoel haar waarschuwt, dat er heilige gebeurtenissen zijn, die elke beschrijving te boven gaan.
Kussen wij derhalve in den geest met eerbiedigen schroom dien dierbaren bodem, waar Franciscus bad, leed en weende! Roepen wij den Alverno tot laatste afscheid dien uitroep van den koninklijken profeet toe; âWees gegroet, o berg, vruchtbaar in genade en wonderen! De Heer heeft u boven allen uitgelezen tot zijne bevoorrechte woonstede: Hij zal er wonen in eeuwigheid.1'
Toen de zanger van den Alverno den gloed zijner ziel had uitgestort en het feest van den Aartsengel Michaël had gevierd, verliet hij het wonderdadig gebergte en daalde langzaam af naar Assisië. Hij was op een ezel gezeten, een nederig rijdier, dat hij boven alle andere verkoos, ter gedachtenis aan den zege-pralenden intocht des Zaligmaker binnen Jeruzalem. De laatste twee jaren zijn levens was hij genoodzaakt er bijna altijd gebruik van te maken.
Dezen keer bleef hij echter niet lang in het klooster van Maria der Engelen toeven. âWant,quot; zoo zegt de H. Bonaven-tura, âevenals het slachtoffer van Calvarië had ook Franciscus een onleschbaren dorst naar de zaligheid der zielen.quot; Dewijl hij echter niet meer gaan kon ter oorzake der nagelen, die onder de zool zijner voeten uitstaken,' liet hij zich kwijnend en bijna stervend als hij was, van stad tot stad op het lastdier rondvoeren om het volk aan te sporen geduldig hun kruis te dragen. Menigwerf sprak hij tot zijne leerlingen : âmijne broeders laat ons toch beginnen God ijverig te dienen, want tot heden hebben wij om zoo te zeggen nog niets voor Hem gedaan.quot;
âDe zielenijver van Franciscus,quot; zoo schrijft Thomas van Celano, âkende geen grenzen. Hij omvatte geheel de wereld, en de âHeilige zqji de fakkel van het Evangelie zoo gaarne op alle âplaatsen hebben ontstoken ; zulk een onvermoeid arbeider was
B19
âhij, dat hij zich meermalen, niettegenstaande zijn uiterste âzwakte, op een dag in vijf of zes steden bewoog om te âprediken. Hij sprak weinig, het is waar; maar de nadruk âzijner stem, zijn doorsnijdende uitroepen, en vooral het ge-âzicht der heilige wondteekenen, in zijn lichaam ingeprent, âwas voor allen de meest hartroerende prediking. Zoo trok âhij dan onder het volk rond als een treffend evenbeeld van âden gekruisten Godmensch, dien hij predikte; apostel tot zijn âstervensuur.quot;
Deze laatste missietochten, ofschoon kort van duur, waren hoogst vruchtbaar.
Een der feiten, die dit tijdsbestek zijn levens vullen, verdient uit hoofde der historische belangrijkheid; nader beschreven te worden. Het geldt de genezing van een kind, hetwelk tot een der roemwaardigste personen der Orde voorbeschikt was.
Te Bagnorea in Toscane was een knaapje van vier jaren oud, op hetwelk de geneeskundige hulpmiddelen niets meer vermochten en welks dood ieder oogenblik verwacht werd. Joannes de Fidanza en Maria Ritelli, de ouders van het kind, beiden roemwaardig zoowel om den adel van hun geslacht als om hun oprechte vroomheid, namen hun toevlucht tot Franciscus, die alsdan te Bagnorea was, met de smeekbede hun kind te genezen. De moeder van het kind deed zelfs de belofte haar zoontje, zoo het mocht genezen, aan de Orde der Minderbroeders te schenken. Franciscus bad voor het kind, en aanstonds was het knaapje genezen van zijne hopelooze ziekte.
Na die wonderbare genezing riep Franciscus, voorzeker door God zeiven onderricht over de hooge toekomstige bestemming van het kind, in blijdschap uit, alsof hij een kostbaren schat hadde gevonden: âO gelukkige toekomst! o buona ventura! Buona ventura of Bonaventura zou de naam zijn, waaronder dat kind later in de geheele wereld bekend werd als Bisschop van Albano, Kerkleeraar en Heilige.
Op 22jarigen leeftijd trad de zoon van Joannes de Fidanza in de Orde van Franciscus en ontving met het kloosterkleed den naam van Bonaventura. Na zijn beloften werd hij naar het klooster van Parijs gezonden, waar hij den beroemden Alexander de Hales tot leermeester kreeg. Deze was door het goed karak-
320
ter van den jongeling en de zuiverheid zijaer zeden zoo zeer gesticht-, dat hij gewoon was te zeggen, dat Bonaventura in Adam niet scheen gezondigd te hebben. Later beschreef Bonaventura het leven van zijn heiligen Ordestichter en zeide in zijn voorrede: âIk zou wel ondankbaar zijn, indien ik het leven en de deugden niet verhaalde van dengene, die mij als kind uit de armen des doods rukte!quot;
âDoch bewonderen wij een oogenblik hoe Franciscus te recht mocht uitroepen : âo buona ventura, o gelukkige toekomst!quot;
Franciscus toch en Bonaventura zijn twee verschillende figuren! De eerste is Stichter en Vader van drie boetvaardige Orden ; de ander is er de beschermer en als de tweede Vader van, geheel bezield met den geest van den eersten. Franciscus draagt den naam van Serafijnschen Vader om wille der goddelijke liefde, waardoor zijne ziel brandde, vooral nadat Jesus hem de vijf wonden had ingedrukt; Bonaventura noemt men den seraplujn-schen leeraar, omdat zijne leering, zijne geschriften, zoowel als zijn leven, vol zijn van het vuur der liefde! âHij is een fakkel, die brandt en verlicht.quot; Joan. 5. 35 Franciscus ondersteunde de Kerk, die volgens het visioen van Paus Innocentius III dreigde in te storten; Bonaventura is een harer meest schitterende lichten. Om van hem een juiste beschrijving te geven, zegt de geleerde Gerson, kanselier der Universiteit van Parijs, zou men moeten zeggen, dat hij de Seraphjjnsche en Cherubjjnsche leeraar is, omdat hij in zijne geschriften het hart verwarmt, tot goddelijke liefde voert en het verstand verlicht, de waarheid opheldert en alles tot God brengt door de liefde.
âO gelukkige toekomst, o buona ventura !quot; mocht Franciscus dan wel uitroepen, toen hij het kind had genezen, dat een zoo waardige zoon van hem zou worden, een glorie voor zijn Orde en een schitterend licht voor Gods Kerk op aarde !
VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Laatste levensjaren en dood.
(1225â1226.)
Xrt-
inds lang was Franciscus levensbloei door boetvaardigheid en apostolische werkzaamheden geknakt. Een felle ziekte
4^ zou het vernielingswerk voltooien. Drie ongeneeslijke kwalen, eene oogziekte, leverontsteking en maagkwaal, waarvan zich reeds vroeger de eerste verschijnselen hadden geopenbaard, tastten hem te gelijker tijd aan, sloopten zijn :aatste krachten en dwongen hem rust te nemen. Hij keerde dan naar Assisië terug om te lijden. Onder den brand der koortsen was zijn tenger lichaam weldra tot een geraamte weggeteerd.
Toen hij op zekeren keer een vurig gebed ten Hemel opzond, niet om de gezondheid, maar om geduld en overgeving aan Gods wil af te smeeken, antwoordde hem een hemelsche stem : âFranciscus, wat zou geheel de wereld zijn â al veranderde zij in het zuiverste goud, â in vergelijking met de geneugten en de rijkdommen van het hemelsch paradijs ? Als het lijden nu de borgtocht, het onderpand is van die bovenaardsche schatten, zoudt gjj het dan niet volgaarne uit's Heeien hand aanvaarden ?quot; âO, Heer, zelfs met de hoogste blijdschap,quot; zoo riep hij. â âVerheug u dan, want de smarten, welke thans uw lichaam pijnigen, zullen in den Hemel een der schoonste parelen uwei-kroon uitmaken.quot; Door deze woorden vertroost en opgebeurd, voelde de zieke zich door een nieuwe kracht gesterkt. Ten einde zijne kinderen tegen de dagen der beproeving te harden, liet hij hen aanstonds ontbieden en onderrichtte hen naar aanleiding van zijn visioen omtrent de onschatbare waarde \an alle lijden en ziekte mot christelijk geduld gedragen. Maar wie zal ons beschrijven, met welk een heilige opgewektheid hij zelf sinds dien
21
322
dag op den weg naar Calvarië voortging ? Wie schetst ons, met welk eene gelatenheid hij in de beschikkingen der Voorzienigheid berustte. Hij was de diamant, welke zich in de hand dos kunstenaars laat volmaken en polijsten.
Intnsschen maakte zijne oogkwaal onheilspellende vorderingen, te meer wijl de heilige Patriarch beslist weigerde eenig geneesmiddel te gebruiken. Om zijn besluit en zienswijze op dit punt te matigen en te veranderen moest de Vicarius generaal. Broeder Elias, zijn gezag doen gelden. Uit gehoorzaamheid berustte Fran-ciscus er ten slotte in de hulp der geneeskunde in te roepen Ook droeg hij voortaan een schoeisel door de Maagd Clara vervaardigd om hem het gaan eenigszins te vergemakkelijken. Elias deed al het mogelijke om eene gezondheid te herstellen, zoo nuttig voor het heil der volken en den bloei der Orde. Hij hoopte het kostbaar leven van Franciscus te rekken, het bittere zijner laatste lijdensdagen te verzoeten.
Toen de kwaal alle gewone hulpmiddelen braveerde, besloot men den lijder naar Riëti over te brengen om een vermaard oogarts te raadplegen. Paus Honorius III verbleef juist met geheel zijn hof in dit stadje, aanvallig achter de bergen weggedoken. De eerste hartewöïisch van den serafijnschen Vader was den opvolger van Petrus te begroeten, terwijl van hunnen kant de prinsen der Kerk, vooral kardinaal Hugolinus en de paus zelf, den armen Assisiër ontvingen, met welwillendheid, liefde en eervolle onderscheiding.
De bisschop van Riëti, hiermede niet tevreden, bood hem in zijn paleis gastvrijheid aan met een aandrang en hartelijkheid, dat Franciscus tot tranen geroerd was. Zoo groot was de roep van Franciscus' heiligheid, dat aanstonds, toen de blijde mare zijner aankomst in de stad ruchtbaar werd, de zieken in menigte naar het bisschoppelijk paleis werden gedragen om door hem genezing te erlangen. Onder meerderen bracht men ook voor de voeten des Heiligen een kanunnik, met verlamming geslagen. Gredeon (zoo was de naam des kanunniks), een lichtzinnig en wereldschgezind man, had tot dusverre een vrij ongeregeld leven geleid. Den dood nabij, stelde hij, beducht voor de gestrengheid van Gods oordeel, al zijn vertrouwen op de tusschenkoinst van den Gewonde van Alverno. De bisschop en
323
zijne omgeving ondersteunden met hun dringende beden die dea kanunniks. Zij nu zagen alleen naar de jammerlijke uitwerkingen der ziekte : maar Franciscus, door een hooger licht bestraald, ontdekte in de ziel des lijders ergere verwoestingen, aangericht door zijn kwade driften. Op een toon, die al de omstanders door do ziel sneed, sprak hij tot Gedeon : âMaar hoe durft gij genezing van God verhopen, terwijl gij niet ophoudt Hem te vergrammen ? Nochtans om wille der reine zielen, die voor u ten beste spreken, zal ik den Heer van leven en dood bidden zich uwer te ontfermen. Maar wees voortaan op uwe hoede ! Driewerf wee u, als gij tot uw ouden sleurgang terugkeert. Do ondank is een verschroeiende wind, die de bron aller genaden uitdroogt.quot; Na deze strenge berisping maakte Eranciscus het teeken des kruises over den lamme, die aanstonds opsprong en God lovende uitriep: âIk ben genezen iquot; Jammer genoeg, voegt de geschiedenis er bij, dat de ongelukkige de vermaningen van zijn weldoener niet indachtig bleef. Tot zijn vroeger wangedrag teruggekeerd, ondervond Gedeon volgens Franciscus' voorspelling de geduchte wraakneming Gods. Hij kwam noodlottig aan zijn einde, want hij werd verpletterd onder de draagbalken van zijn huis, dat plotseling boven zijn hoofd ineenstortte. O diepte der oordeelen Gods! Met den Wonderdoener van Umbrië herhalen ook wij waarschuwend : âGedenk wel, dat de ondankbaarheid een brandende wind is, die de bron aller genaden uitdroogt.quot;
Goddank heeft Riëti ons nog een tafereel bespaard vol bevalligheid en harmonie, waarop onze oogen, door het voorgaande vol tranen, zich kunnen vermeiden. Onze trouwe geschiedschrijver Thomas van Celano zal het ons in zijn naïeve en beeldrijke taal beschrijven.
Bernardone's zoon had altoos bijzouderen smaak gehad voor de muziek, de b:tooverende lier, welke altijd vol gevoel, nn eens tot vreugde, dan weer tot droefheid stemt; ja, zooals Franciscus zelf zeide, âde ziel opvoert tot God, de smarten lenigt en tot haar oorspronkelijke bestemming behoort teruggebracht te worden, niet om de driften te prikkelen, maar om den dienst des Ileeren te bevorderen.quot; Toen hij nu op zekeren dag meer dan gewoonlijk leed van zijne leverontsteking, riep
324
hij zijn metgezel, een ervaren lierspeler, en zeide hem: âNeem eene luit en speel voor mij, ten einde mijn lijdend lichaam een weinig op te beuren.quot; â âHoe zou ik zulks durven, antwoordde de broeder, ik vrees, dat onze gastheeren zich ergeren, als zij dit speeltuig in de handen eens kloosterlings zien.quot; â âZeker, hervatte de zieke, gij hebt goed gesproken. Wij zullen ons deze verpoozing ontzeggen ; het is immers beter eene vertroosting te ontberen dan den naaste te ontstichten.quot; Edelmoedig offer, zoo welgevallig in ^s Ileeren oog, dat Pranciscus, dank Gods vaderlijke zorg, van de begeerde vertroosting niet verstoken bleef. Zij kwam nu echter niet van de menschen, maar rechtstreeks van boven, 's Nachts verscheen hem een engel met de \iool in de hand. Als deze nu het muziekinstrument bespeelde, ontwelden er akkoorden aan, zóó zacht en harmonieus, zóó overweldigend, dat de ziel des Heiligen er door in verrukking kwam en geheel zijn lichaam gevoelloos werd voor pijn en smart. Is deze wonderbare vertroosting aantrekkelijk in al hare bijzonderheden, toch is de bemerking, door den Gelukzalige na zijne geestvervoering hierop gemaakt, nog bekoorlijker: âIk meende reeds in den Hemel te zijn,quot; zoo zeide hij. Doch helaas! hij was weer tot de aarde afgedaald en daarvan maar al te goed bewust door de vlijmende smarten, welke zijn uitgemergeld lichaam wederom kwelden.
Geneesheer en vrienden maakten zich dagelijks meer ongerust. Zij waren van gevoelen, dat men den ooglijder tot heeling zijner kwaal een gloeiend^jzer aan de slapen moest leggen. Het heelmiddel was wreedaardig en de operatie uiterst smartelijk; Franciscus berustte er evenwel in, dewijl hij zich gelukkig gevoelde te lijden ter liefde van Jesus den gekruiste. Bij den aanblik van het gloeiend ijzor kon de Heilige de eerste beweging der vrees niet bedwingen. Om dien natuurlijken afschrik te boven te komen, begon hij tot het vuur te spreken, gelijk men spreekt tot een vriend : âMijn broeder het vuur, dien de Heer schitterend, nuttig en schoon geschapen heeft, wees mij in dit uur genadig. Ik bid uw Schepper, den machtigen God, uwe hitte te matigen, opdat ik ze kunne verdragen.quot; Daarop maakte hij het kruisteeken over het gloeiend ijzer, bood zijn hoofd den heelmeester aan en het gloeiend werktuig drong in het knetterend vleescli van het oor tot onder
de wenkbrauw. De lijder verroerde zich niet. Na de operatie zeide hij tot zijne kindoren : âLooft den Heer, want ik raag u verzekeren, dat ik noch den gloed van het vuur, noch eenige smart heb gevoeld.quot; En daarna zeide hij den oogarts zijne operatie te herhalen, ingeval hij soms de eerste inbranding niet voldoende oordeelde. Over zooveel zielskracht verbaasd, riep deze uit: âWaarlijk, heden is het de dag der mirakelen !quot; Deze geneesheer nu, een man van wetenschap maar van nog grooter geloof, hechtte zich meer en meer aan zijn zieke. Krachtige geneesmiddelen, voortdurende en volstrekt belanglooze verzorging, kortom niets werd door hem gespaard om tot eene volkomen genezing te geraken, niettemin verergerde de kwaal van dag tot dag. quot;Wijl nu volgens zijn oordeel het groote beletsel der genezing van den kant des Heiligen kwam, namelijk van zijn onafgebroken tranenstorten, waardoor do heelende werking der zalven en der brandijzers verijdeld, ja zelfs de ontsteking nog verhoogd werd, verzocht bij hom den vlood zijner tranen eenigen tijd te weerhouden ; âanders, zoo zoide bij, zult gij het gezicht geheel en al verliezen.quot; Maar de Heilige gaf een antwoord, zijner waardig. âWel boe, mijn broeder, dus riep Inj uit, om het licht der oogon te bewaren, dat wij met de vliegen gemeen hebben, zou ik mij in gevaar stellen de vertroosting van het goddelijk licht te verliezen ? Neen, dat nooit! Niet om het lichaam maar om den geest is ons de woldaad des gozichts geschonken.quot;
Inmiddels werd de eerbiedwaardige lijder om den drukken toeloop van het volk te ontvlieden op raad van den geneesheer uit het bisschoppelijk paleis overgebracht naar de kluis van Fonto-Colombo, een weinig buiten de poorten van Riëti. Op zekeren dag nu noodigde Franciscus zijn geneesheer tot bewijs van dankbaarheid uit om met de broeders het middagmaal te gebruiken. Toen de broeders aanmerkten, dat zij niets hadden, hetgeen zij een zoo deftig man passend konden opdienen, sprak Franciscus: âO gij kleingeestigen ! Waarom vertrouwt gij niet op de gehoorzaamheid? Gaat en geleidt onzen broeder geneesheer naar de eetzaal,quot; Zoo geschiedde dan. En ziet! Zoodra zij aanzaten, werd er aan de kloosterpoort geklopt en bracht men vanwege eene bijzondere weldoenster welbereide spijzen voor
326
Franciscus binnen. Franciscus liet ze aanstonds zijn gast voorzetten en zeggen, dat God voor hem gezorgd had. De geneesheer, die daarover ten zeerste verbaasd was, zeide tot de broeders, dat noch hij, noch zij zeiven, die dagelijks met Franciscus omgingen, zijne heiligheid genoegzaam waardeerden.quot;
Het vertrouwen van den geneesheer werd hoe langer hoe grooter. Hij had een prachtig nieuw huis laten bouwen, dat spoedig begon te scheuren en dreigde in te storten. Vol geloof nam hij een weinig haar van Franciscus, legde het in de gescheurde muren en o wonder! des anderen daags was er geen teeken van bouwvalligheid meer te ontdekken. God had het huis des geneesheers wonderdadig hersteld om de diensten te loonen, aan het zwakke lichaam van den H. Vader bewezen.
De oogarts was evenwel niet de eenige, die zich over de tegenwoordigheid van dezen zieke mocht verheugen; ook de bewoners uit de omstreken van liiëti hadden redenen te over om zich geluk te wenschen. Eene veepest, de gevreesde geesel der landlieden, richtte destijds groote slachting aan onder de kudden. Een der landlieden voelde zich inwendig gedrongen eenige druppelen te nemen van het water, waarmede de Heilige zijne handen had gewasschen; hij besprenkelde daarmee zijne schapen en ossen, die inderdaad oogenblikkelijk genezen bleken. Zijn voorbeeld vond natuurlijk navolging. De pest verdween en sedert dien is de naam van den H. Patriarch over geheel den omtrek in zegening.
De Heilige vermenigvuldigde de wonderbare genezingen op al zijne schreden, maar hij zelf genas niet. Verre vandaar! Zjjn toestand verergerde met den dag. Daarom raadde de geneesheer Franciscus aan, zijn verblijf te vestigen te Siëna, waar het klimaat zachter was en misschien nog bekwamer oogartsen woonden. Hij kwam te dier stede aan, toen de lente hare koninklijke pracht begon te vertoonen (1226). Hij ademde de frissche en zuivere lucht en de welriekende geuren der wijngaardbloesems, maar helaas zonder eenige baat. De indrukken van Jesus' gezegende wondteekenen pijnigden voortdurend zijn schadeloos vleesch; de longen en de lever waren ontstoken, de maag verzwakt, en het licht deroogen bijna uitgedoofd. âZes maanden voor zijn dood, zoo zegt zijn eerste levensbeschrijver,
327
dus ongeveer tegen liet einde van April, bracht eene hevige bloedspuwing hem den dood nabij.*
Zoodra broeder Elias dit hoorde, twijfelde hij geen oogenblik meer of de gevreesde slag naderde. Hij snelde daarom naar iëna. Op verlangen van den Heilige zeiven, werd hij, ofschoon bijna zieltogend, naar Umbrië teruggevoerd. Eerst bracht men den lijder naar Cortona, waar hij ongeveer twee maanden in het klooster de Celles verbleef, doch toen zich hier de eerste verschijnselen eener waterzucht vertoonden, werd de reis naar Assisië voortgezet. Bij Franciscus' terugkeer was de stad op het toppunt van vreugde, meer dan wanneer haar eene schitterende overwinning op den vijand ware aangekondigd. De verloren schat was teruggevonden: het lichaam, door de H. Wondteekenen verheerlijkt, en door de steden Siëna, Cortona en Perugia benijd, was weder in haar bezit! Don Guido, de getrouwe vriend en beschermer van Franciscus, bedong voor zich de eer hem gastvrij in zijn paleis te ontvangen. De magistraten van Assisië stelden van hun kant dag en nacht eene sterke wacht rondom het bisschoppelijk paleis, uquot;t vrees, dat een vijandige hand heimelijk den kostbaren schat zou ontvoeren.
Wat den zieke zeiven betrof, verre van den dood, dien somberen bode, wiens naam alleen ons van schrik doet beven, te vreezen, lachte hij denzelven tegen, gelijk men een lang verwachten vriend tegenlacht. Of moest hij hem de poorten van de stad des vredes niet ontsluiten, hem geleiden voor den troon zijns Welbeminden ? Franciscus liet dan ook tusschen zijne smarten eene zekere opgewektheid doorschemeren, welke onmogelijk van deze wereld kon komen. Ofschoon zijne pijnen zoo vlijmend en aanhoudend waren, dat het hem, volgens zijn eigene getuigenis, dragelijker toescheen onder de hand van een beul te sterven, behield hij desniettemin genoeg zielskracht om alle omstaanders en bezoekers te troosten Waar nu putte hij die sterkte ? De volgende trek geeft het antwoord.
Toen de heilige Vader eens heviger smarten gevoelde dan gewoonlijk, zeide een der broeders door medelijden bewogen : âGoede Vader, bid toch, dat God uw pijnen verzachte en den lijdenskelk van u wegneme; zijn hand arukt al te zwaar op u.quot; â Die taal beviel den Heilige volstrekt niet, want hij antwoordde den medelijdenden broeder op strengen toon: âAls
328
de eenvoud uws harten u niet eenigermate verontschuldigde, zoudt gij voortaan niet meer onder mijn oogon mogen verschijnen. Hoe durft gij iets inbrengen tegen Gods beschikkingen over mijn persoon ?quot; â Meteen verzamelt hij al zijne krachten en werpt zich ter aarde neer, met gevouwen handen uitroepende : âMijn God, de vervulling van uw H. wil is mijn zoetste troost op aarde; daarom heb dank voor de smarten, welke Gij mij overzendt. Verdubbel ze nog als het U behaagt, want wat Gij wilt, o lieer, moet aan mij geschieden, niet wat ik wil.quot; De serafijnsche Minnaar teekent zich geheel in dit antwoord. God beminnen zonder paal of perk, in alles zijn wil volbrengen, en daarin alleen zijn geluk zoeken, ziedaar de sleutel van zijn overheerlijk leven, van zijn kostbaren dood.
Toen de H. Vader het einde van zijn pelgrimstocht voelde naderen, vereenigde hij al zijne kinderen in de ziekenzaal van het bisschoppelijk paleis rondom zijne stervenssponde. Naar het voorbeeld van den Aartsvader Jacob breidde hij zijne armen kruisgewijze uit om de kinderen zijner liefde te zegenen. Hij vroeg, op wiens hoofd zijn rechterhand rustte. âOp het hoofd van broeder Elias,quot; antwoordden de kloosterlingen. â â't Is wel,quot; sprak Franciscus. âMijn zoon, ik zegen u in alles en boven allen ; geljjk de Allerhoogste onder uwe handen mijne kinderen heeft vermenigvuldigd, zoo zegen ik hen allen thans in uw persoon. Dat God, de opperste Meester van het heelal, u zegone in den hemel en op de aarde! Wat mij betreft, ik zegen u zooveel, ja meer dan ik kan. Ik bezweer Hem, die alles vermag, mijn onvermogen aan te vullen. Hij zij uw arbeid en uwe werken gedachtig, verhoore uwe wenschen en make u eens deelachtig aan het loon zijner uitverkorenen.quot; In het stervensuur van Elias zou God dien zegen en de verdiensten van zijn zieltogenden dienaar Franciscus indachtig zijn.
Do eerbiedwaardige Stichter mocht zijne geestelijke dochters in St. Damiaan niet vergeten. Daarom zond hij ook aan Clara en hare gezellinnen een laatsten zegen. Aan deze blijken van voorkomende liefde in het stervensuur kan men het beminnelijk karakter kennen van Franciscus, die van al zijne geestelijke kinderen kon getuigen, wat hij als jongeling van de armen zeide: âIk draag allen in mijn hart.quot;
329
Na de zegeningen des Hemels over zijne uitgebreide familie te hebben afgebeden, verzocht Franciscus zijne broeders hem over te brengen naar O. L. Vrouw der Engelen, die plaats boven allen gezegend als de bakermat zijner Orde, de verblijfplaats zijner voorliefde. âHij wilde, zegt Thomas van Celano, den adem van het stervelijk leven uitblazen in hetzelfde heiligdom, waar hii don ademtocht der goddelijke genade had ontvangen.quot; â De Heilige werd op eene draagbaar naar zijn teergeliefd Portiuncula overgebracht. Toen men in de vlakte ongeveer hal verwegen tusschen de stad en het klooster was, vroeg hij, of men reeds tegenover het hospitaal gekomen was, waaf hij in het begin zijner bekeering zoo edelmoedig de melaatschen ging verzorgen. Op het bevestigend antwoord, beval hij, dat de dragers de baar zouden neerzetten en hem met het gelaat naaide stad keeren. Dan richtte hij zich met veel moeite op, met den linkerarm op een zijner broeders leunende, strekte zijn rechterhand naar zijn geboortestad uit en sprak met ten Hemel geslagen oogen deze plechtige woorden: âWees van den Heer gezegend, o stad Assisië! Want vele zielen zullen door u zalig worden, en vele dienaren des Allerhoogsten zullen binnen uwe muren wonen, en vele uwer kinderen zullen verkoren worden tot hot eeuwig rijk. De Vrede f zij met u.quot; Benedicta tu civitas a Domino. Quia per te multae animae salvabuntur. Et in te multi servi Altissimi habitabunt. Et de te multi eligentur ad regnum aeternum. Pax tibi.
Te midden dezer zegeningen herdacht de heilige Vader nog een naam, vol zoete herinneringen, den naam van Jacoba de Settisoli, zijne groote weldoenster en trouwe navolgster te Rome. Zoodra hij in Maria der Engelen was aangekomen, wilde hij een bode tot haar zenden, want hij verlangde haar voor zijn dood nog eenmaal te zien. Juist toen de bode zou uitgaan, hoorde men nabij de kloosterpoort het getrappel van paarden : het was Jacoba, die met groot gevolg aankwam. Zij verhaalde hem, hoe zij op bevel eens Engels was afgereisd en beiden verheugden zich over de genadevolle vertroosting, hun door Gods Voorzienigheid bereid. Toen Jacoba den toestand des lijders zag, was zij in de meening, dat nog geen oogenblikkelijk doodsgevaar dreigde, en wilde daarom eenigen barer dienaren terugzenden, maar
330
Franciscus belette het haar zeggende : âMijne dochter, houd allen bij u; Zaterdagavond keer ik terug tot God. Wanneer gij dan de laatste eer aan dit ellendig lichaam hebt bewezen, kunt gij met geheel uw gevolg de reis naar Eome hervatten.quot; Zoo werd zij dus van te voren reeds ingelicht omtrent den aanstaanden slag. In afwachting van dat gevreesde uur, mocht zij den Gekruiste van Alverno naar hartelust beschouwen^ hare zorgen aan hem ten beste geven, de bloedende wonden zijner handen en voeten met eerbied aanschouwen. Heerlijke onderscheiding! Onuitsprekelijke vertroosting, verdiend door hare onuitputbare liefde voor Christus' arme dienaren!
Wij zijn reeds den laatsten dag van September 1'226 genaderd. De laatste levensuren van den Serafijnschen Vader bevatten hoogst gedenkwaardige tafereelen. Het schijnt zelfs, dat zij, naarmate zijn einde nadert, een meer plechtig en hartroerend karakter aannemen. Zijne leerlingen omringden hem met de teederste zorgen. Wel hadden zij gaarne voor hun Vader hun droefheid verborgen; doch dit was niet mogelijk. Niettemin bleef Franciscus immer kalm en gelaten, altoos meester van zich zeiven. Zijn gelaat straalde van zoete blijdschap en gelijk Celano zegt âjubelde zijn hart en geleek hij een ge-noodigde, die zich optooit voor de bruiloft van het Lam!quot; De toebereidselen waren zooals men ze van een oprechten minnaar der armoede kon verwachten. Hij liet asch op den naakten grond zijner cel uitstrooien, en beval, dat zijne Broeders hem daarop zouden neerleggen. Arm had hij met Christus op aarde geleefd, met Jesus aan het kruis wilde hij ook lijdend en van alles beroofd uit deze wereld scheiden Hij hief zijn oogen ten Hemel en sprak: âConsummatum est. Ik heb mijne taak volbracht, volbrengt ook gij de uwe. O Jesus, thans is er niets meer, dat mij weerhoudt; thans kan ik ongehinderd tot U opklimmen.quot;
Wonderbare zaak! Franciscus' lichaam was op het uiterste, maar zijn geest werkte nog met volle levenskracht; het ziele-leven verdubbelde, naarmate het stoffelijk omhulsel ineenzonk ; het verstand, voorheen zoo vastberaden en helder, straalde nog altoos gloednjk in die fakkel, die weldra zou uitdooven. In het stervensuur ontwelden Franciscus' hart de vurigste ontboezemingen over de liefde Gods naast zeer wijze raadgevingen omtrent
331
de onderhouding des Regels. Meer nog! Hij maakte zijn testament : een meesterstuk, waarin hij met groote trekken do hoofdpunten zijns levens afschildert; een zoete uiting zijner liefde, tot eeuwigdurenden troost der kinderen van 's Vaders stervende lippen gevloeid. Broeder Angelus van Riëti schreef, terwijl Fran-ciscus dicteerde; de andere kloosterlingen luisterden met kinderlijke verteedering.
Het testament moest nog een slot hebben : de zegen van den erflater. âKomt, mijne kinderen, zoo sprak hij tot allen; treedt nader, opdat ik u zegene, alvorens ik sterfquot;. En hij strekte zijn handen over hun hoofden uit, met uitdrukkelijke verklaring, dat hij in de aanwezigen al zijne kinderen, zoo tegenwoordige als toekomende, wilde zegenen Na den zegen zijner kinderen liet Franciscus een brood brengen, dat hij zegende en brak en als een bewijs zijner toegenegenheid, als een zinnebeeld der broederlijke liefde onder zijne kinderen uiideelde. Had ook Jesus op den vooravond van zijn sterven in het cenakel niet het brood des levens gebroken en den zijnen als onderpand van liefde en óónheid uitgereikt ? Zou dan de Gekruiste van Aiverno dezen trek van geljjkvormigheid mot zijn goddelijken Meester missen ?
Niettegenstaande hun overgroote droefenis konden de broeders hun blikken geen oogenblik van het gelaat des Serafs afwenden, vol bewondering voor de helderheid zijns geestes, zjjn onwankelbaar geduld, zijn voortdurende vereeniging met God, en de treilende vermaningen, welke hij nog stamelde met half gebroken stem. Wanneer men zich herinnert, onder welke smarten hij die frischheid van geest, die opgeruimdheid van ziel bewaarde, inderdaad dan moeten wij vol bewondering met de Broeders zeggen: âGod heeft het leven van Franciscus met een kostbaar uiteinde bekroond. Hij heeft den dood bevolen Franciscus' geestvermogens tot den laatsten snik te eerbiedigen, gelijk Hij ook menigmaal het lichaam der heiligen, wier vleesch de luister der maagdelijke reinheid siert, voor het bederf des grafs vrijwaartquot;.
De verschillende tafereelen, welke wij beschreven, voeren ons reeds tot Vrijdag 2 October. Franciscus voelde, dat het uur der verlossing naderde. Den volgenden morgen, dus op Zaterdag, den dag gewijd aan de onbevlekt ontvangen Moedermaagd, wier ver-
382
knochte dienaar Franciscus zich noemde, wenschte de Heilige de Goddelijke Teerspijze te ontvangen om zich te sterken op zijne reis naar Horeb, den berg Gods. Door de laatste sacramenten der stervenden getroost, richtte de H. Aartsvader zjjne gedachten naar gene zijde des grafs. âAls ik den dood nabij ben, zeide hij, legt mij dan op de asch en laat mijn lichaam na mijn verscheiden nog een uur lang onaangeroerd rusten.quot; Dacht hij toen aan Jesus, die na zijn dood één uur aan het kruis bleef hangen, voordat Hij van het kruis werd afgenomen ? Vol verlangen, dat zijn stoffelijk overschot, zijn broeder het lichaam, zooals hij het noemde, der vergetelheid zou worden prijsgegeven, wees hij zelf als begraafplaats den Helleheuvel aan, een plaats van schande en verachting, waar men openbare booswichten tei'echtstelde en begroef; zóó hongerde en dorstte hij tot zijn laatsten snik naar verachting en versmading; zóó bleek ook weer, dat hij voorbeschikt was om, zoowel na zijn dood als bij zijn leven, het volmaakt evenbeeld te zijn van het menschgeworden Woord, begraven nabij de Schedelplaats, Cal-varië. âO bewonderenswaardige Christen, roept de H. Bonaventura hier uit, die bij leven en dood slechts ééne zaak gezocht hebt; gelijkvormig te zijn met Jesus Christus !quot;
Na deze verordeningen keerde hij in zich zelf, zag daarop nog eens nadenkend rondom zich henen en overtuigd, dat alles in volkomen gereedheid was voor de groote reis naar de eeuwigheid, bleef hij verder in diepe rust en overpeinzing.
Des avonds, tegen dat de toppen der Apennijnen hunne schaduwen over de vlakte uitbreiden, ontbood hij voor de laatste maal al zijne leerlingen aan zijn sterfbed, troostte hen in de teederste bewoordingen, moedigde hen aan trouw te blijven aan de armoede, het geduld en de liefde Gods. Dan zegende hij he;a nogmaals, zeggende ; âVaartwel, mijne kinderen ! Vaartwel! Ik laat u in de vreeze des Heeren. Volhardt daarin tot den dood. Kinderen, het uur der beproeving is nabij, blijft daarom onwrikbaar verknocht aan uwen Regel, opdat, als de storm opsteekt, onder u geen afval of ergernis zij. Gelukkig degenen, die volharden! Ik keer terug tot God; ik ga met blijdschap ; ik haast mij Hem te aanschouwen. Ik ga met groot vertrouwen, want ik heb Hem gediend met al de krachten mijner ziel. Ik
833
beveel u allen in zijne genade.quot; De broeders konden slechts antwoorden met tranen en weegeklaag.
Na deze afscheidswoorden vergat Franciscus de aarde om alleen aan den hemel te denken. Om zijne ziel nochtans boter tot God te kunnen verheffen, zongen de broeders Angelus en Leo op verzoek huns Vaders het gezang der zon en van zijn broeder, den dood, dien hij welkom heette. Daarop Het hij 's Heeren lijden volgens den H. Evangelist Joannes voorlezen. Na deze lezing geraakte hij in geestvervoering en zong met stervende stem den 14l psalm, beginnende met een kreet van droefheid om te eindigen met een uitroep van blijde verwachting.
Daarna sloot zijn mond zich voor eeuwig en zijne reine ziel vloog op naar Gods tabernakelen. Het eeuwig alleluja was begonnen! â Het was den 3 October, omtrent één uur na zonsondergang.
******
â¡|i3i^^cl5|n|cü3cl0535|D|5!3^55|D|
fffTfTTffffffTfffffffTfTfffffffffTfffWfffWffTWWfTfWffffWTfT
VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK. HegrafiMiis en Heiligverklaring.
(122Gâ1228).
ie zich vernedert, zal verheven worden !quot; In wien nu trad deze belofte des Evangelies ooit meer letterlijk in vervulling dan in Bernardone's zoon na zijn dood ? quot;Wie toonde tijdens het leven meer verachting voor de glorie der wereld, en werd er na den dood meer door omstraald ?
Op het oogenblik, dat hij de oogen sloot voor den aardschen dag, streek een geheele vlucht leeuweriken op het dak van Maria der Engelen neer. Zijne kleine gevleugelde broeders, welke hij voorheen zoo dikwerf had uitgenoodigd om met hem den lof des Scheppers te zingen, begonnen, ofschoon de duisternis reeds inviel, liefelijk te zingen, als wilden zij door hun gekweel zijn kroning in den Hemel vieren.
Broeder Augustinus van Assisië, Provinciaal in het land Caserta, een man van verdiensten en uitgelezen heiligheid, zag de ziel van den H. Aartsvader onder de gedaante eener schitterende sv.er ten Hemel opstijgen. Vol bljjdschap richtte hij zich op van hot ziekbed, waaraan hij reeds lang gekluisterd was, uitroepende : âquot;Wacht, Vader, want ik ga met u.quot; En zijne ziel ontvlood het stoffelijk omhulsel des lichaams om zich bij den triomfstoet van zijn gelukzaligen Vader aan te sluiten.
De H. Vader Franciscus verscheen ook nog aan zijn roemrijken vriend, Guido, bisschop van Assisië, die op den terugtocht zijner pelgrimsreize naar den berg Garganus te Benevento verbteef. âIk verlaat het ballingsoord, sprak Franciscus, en ga naar hei vaderland.quot;
Dit alles greep plaats in den nacht tusschen 3 en 4 October.
Lang stonden de kloosterbroeders treurend en verlaten bij
385
de droeve sponde, waar hun vader zich voor eeuwig ter ruste had neergelegd. Met diep ontzag en gcdsdienstigen eerbied maakte men toebereidselen om het lichaam de laatste hulde te bewijzen. Jacoba de Settisoli voorzag in al de kosten der rouwversieringen en der begrafenis. Het lichaam werd in een nieuw habijt gewikkeld met eene breede opening bjj het hart, om de wonde der zijde te kunnen zien en vereeren; daarna werd het door de kloosterbroeders onder vrome beden en gewijden treurzang naar de kapel overgedragen, en daar op een kostbaar tapijt, omringd met welriekende kruiden voor de vereering van het volk uitgesteld.
De mare der droeve gebeurtenis verbreidde zich bliksemsnel door de stad Assisië. âDe Heilige is dood ! De Heilige is dood!quot; zoo klonk het van alle kanten. Dien avond stroomden de bewoners nog in breede scharen naar Portiuncula om de overblijfselen te vereeren van hem, dien de luide roep der mirakelen en de mond des volks reeds bij zijn leven zalig sprak. Iedereen kon hem thans naar hartelust beschouwen en zijne godsvrucht voldoen.
âNaarmate Franciscus zich klein en nietig had gemaakt, zeg de H. Bonaventura, naar die mate nam God er behagen in hem na zijn verscheiden te verheerlijken.'' Zijne ziel, de voorhoven des Hemels ingetreden, dronk reeds met volle teugen aan de bronnen des levens; maar bij de scheiding had zij aan het lichaam in de afdrukken der H. Wonden eene afbeelding gelaten der toekomstige en glorievolle opstanding. In zijne handen en voeten staken de nagelen. Gevormd uit zijn vleesch, waren zjj hard en uit één stuk, in dier voege, dat zij bij drukking aan de eene zijde, aan de andere zijde vooruittraden en als het ware in de bloedende wonde speelden. Niets belette thans de wonde der zijde te beschouwen ; die wonde, welke, door geen menschen-hand gevormd, opvoerde tot de harte wond van Jesus. De nagelen hadden de donkergrijze kleur van het ijzer, maar de wonde der zijde met haar hoogroode kleur geleek een schoone roos. De tint van den Serafijnschen Vader was van nature bruin en dooide zon nog meer geschroeid. Doch bij zijn dood had zij eensklaps de blankheid en frischheid der eerste jeugd hernomen, en zijne ledematen de buigzaamheid der kinderjaren ; alle even
B36
zoovele getuigen van de engelachtige reinheid zijner ziel! Men meende âeen anderen Christus te zien afgenomen van het kruis om straks in het graf gelegd te worden.quot;
Nochtans was er onder de scharen, die de wondteekenen des Heiligen kwamen vereeren, een ridder van groote vermaardheid, met name ïïieronymus, maar ongeloovig gelijk weleer de apostel ïliomas. Hij onderzocht alles tot in de kleinste bijzonderheden, betastte de vijf wonden, doch werd evenals Thomas zoozeer van het mirakel overtuigd, dat hij liet later als een der warmste verdedigers zelfs onder eede bevestigde.
Gedurende den ganschen nacht zongen de kloosterlingen met de Derde-Ordelingen en de vrienden des Heiligen onafgebroken vrome liederen bij het stoffelijk omhulsel: âmen zou gemeend hebben het kroningsfeest eens konings bij te wonen eerder dan de uitvaart eens armen.'
Reeds den volgenden dag, den dag des Heeren (4 October) had de uitvaart des Heiligen of beter gezegd zijn glorierijken triomftocht plaats Men maakte zulken spoed, uit vrees, dat naburige steden, naijverig op dien kostbaren schat, het lijk zouden ontvoeren; het H. lichaam langer buiten de stadsmuren te laten vertoeven oordeelden de Assisiërs al te gevaarljjk. Laten wij een ooggetuige, Thomas van Celano de indrukwekkende plechtigheid der overbrenging verhalen.
Bij het krieken van den dageraad begaf de geestelijkheid zich met de overheidspersonen der stad naar Maria der Engelen. Al het volk was op de been; op eenigen afstand buiten de stad, reeds vulden onafzienbare scharen, dien nacht uit alle oorden van Umbrië toegesneld, de vlakte aan den voet des bergs. De stoet bewoog zich langzaam en statig. Volgens het gebruik dier tijden openden de krijgstrompetten den weg; daarachter volgden de geloovigen met palm- en olijftakken; na hen de kloosterbroeders met brandende toortsen en fakkels. Twee der magistraten en twee der religieuzen droegen den kostbaren schat op hunne schouders, terwijl de geestelijkheid aan het einde van den stoet de lucht deed weergalmen van hymnen en treurgezang.
In plaats van den kortsten weg koos men den omweg langs het klooster van St. Damianus. Bij het klooster gekomen, trok men de kapel der Arme Zusters binnen, opdat de H. Clara en hare
837
dochteren nog eens den troost zouden smaken hun beminden Vader te zien en zijne H. Wonden te vereeren. Ziek en kwijnend werd Clara op de armen harer zusters bij het lijk gedragen. O wie beschrijft ons, wat er omging in die serafijnsche ziel; toen zij onder een stortvloed van tranen de vijf wonden van Alverno's Gekruiste mocht aanraken en vereeren. Zelfs beproefde zij een der nagelen uit het vieesch te trekken om hem als reliquie te bewaren ; maar hierin niet slagende, ving zij het bloed, dat uit de wonde vloeide, in een doek op.
Toen de stoet zich weder in beweging stelde, braken Christus' bruiden in bitter weegeklaag uit; zij geleken weezen, schreiende op het graf haars vaders. âO bittere scheiding, zoo treurden zij. O vader, wat zullen wij thans doen I Wat zal er van ons geworden ?quot; Deze droefheid werd echter spoedig door een heilige blijdschap vervangen; want zij waren overtuigd, dat hij reeds met lauweren gekroond was in den hemel.
De lijkstaatsie bewoog zich door Assisië's straten, in haast met tapijten bekleed en met bloemkransen opgesierd, naar de kerk van den H. Georgius, alwaar het lichaam voorloopig in een cypreshouten kist werd bijgezet. âHier, zegt de H. Bonaventura, was onze Heilige in de studiën der christelijke wetenschappen ingewijd ; hier had hij voor de eerste maal de boetvaardigheid en de liefde Gods gepredikt; hier behoorde derhalve ook zijn eerste rustplaats te wezen.quot;
Broeder Elias, wiens macht als Yicarius Generaal verlengd werd tot het algemeen kapittel van 1227 te Assisië, schreef aanstonds een omzendbrief aan alle provinciale ministers der Orde om hun den dood des vaders aan te kondigen.
Ziellier eenige uittreksels uit den brief:
âVoordat ik begin te spreken, stort ik tranen en niet zonder reden. De droefheid overweldigt mijne ziel gelijk een stortvloed, die overstroomt.
Helaas! het onheil, dat ik duchtte, heeft ons getroffen ; hij, die ons vertroostte, is niet meer. Van God en de menschen bemind, is hij opgestegen tot het verblijf des lichts, hij, die aan Jacob de wet der wetenschap en des levens leerde en aan Israël het testament des vredes heeft nagelaten. Voor hem zouden wij ons niet genoe',â kunnen verheugen; maar over ons zeiven kunnen
338
wij niet genoeg weenen, daar wij, beroofd van zijne tegenwoordigheid, gezeten zijn in de schaduwen des doods. Het verlies is voor allen ; het gevaar voor mij alleen, wegens het hartzeer en den kommer, die mij beklemmen. Mijne droefheid heeft geen maat, daarom, mijne broeders, kom ik u smeeken er deel in te nemen, gelijk ik in de uwe deel. Wij zijn weezen en beroofd van het.licht onzer oogen. Ja, onze vader was wezenlijk een licht voor ons en voor de menschen der wereld; een licht gezonden door het ware Licht, dat de menschen vei-licht, die gezeten zijn in de duisternissen des doods, om hunne stappen te richten in de wegen des vredes. Der zon gelijkende in haren middagglans, verhitte hij de harten door bet vuur zijner liefde, terwijl hij overal het rijk Gods predikte en den Heer een nieuw geslacht voorbereidde. Zijn naam is overgegaan tot de verste eilanden, en alle landstreken hebben zijne werken bewonderd.
âWeest echter niet buitenmate bedroefd ; want God, de Vader der weezen. zal ons zijn versterkenden troost niet weigeren. Ten andere is Franciscus overgegaan tot een beter leven. En voordat hij gestorven is, heeft hij, als een nieuwe Jacob, al zijne kinderen gezegend, hun alle fouten vergevende, die zij tegen hem hadden kunnen bedrijven. En nu verkondig ik u met groote vreugde een wonder, dat tot hiertoe ongehoord is. Korten tijd vóór zijnen dood heeft onze Vader ontvangen en gedragen de wondteekenen van
den gekruisigden Jesus..... Dankt dus den God van hemel en
aarde; looft hem om zijne eeuwige barmhartigheden en gedenkt onzen eerwaardigen Vader. Bidt voor hem; 'tis zijn laatste begeerte, en aanroept hem zei ven, opdat gij moget deel hebben in zijne glorie. Hij is overleden Zaterdag avond, 3 October, één
uur voor het vallen van den nacht...... Smeekt hem, dat hij aan
uw hoofd stelle een ander, die hem gelijkt; een dapperen overste van het geslacht der Machabeërs om ons voor te gaan in den strijd.
âEn daar het eene zalige gedachte is voor de overledenen te bidden, smeek ik u zijner ziel te gedenken in uwe gebeden. Elke priester zal drie missen lezen; elke clericus het psalmboek; de leeke-broeders honderd Onze Vaders; en de clerici zullen bovendien plechtig de getijden der dooden zingen. â Broeder Elias, zondaar.quot;
339
Uit eerbied voor den uitersten wil huns Vaders hadden de Minderbroeders hoegenaamd geen opschrift of gedenksteen op zijn graf geplaatst. Doch de Allerhoogste zelf zou dit graf verheerlijken en voor het aanschijn der wereld door tal van mirakelen welsprekend maken. Pas was de groeve gesloten, of men hoorde van schitterende wonderwerken,
Nu eens is het eene jongedochter uit Assisië, wier hoofd wanstaltig op de schouders gedraaid stond; zijknielt op her graf des Heiligen en keert gezond hniswaarts; dan weer is er sprake van een grijsaard,stadgenoot en vriend des Heiligen, die sedert vijf jaren met blindheid geslagen is; hij begeeft zich naar zijn graf en is eensklaps genezen.
Te Capua speelt een kind op den oever dar Volturno, vair in den stroom en verdrinkt jammerlijk. Weldra is een dichte menigte bij het lijk samengestroomd ; allen, begaan met de r.ide-looze droefheid des vaders, knielen neer om Franciscus' hulp in te roepen. En op hetzelfde oogenblik staat het kind van de dooden op, werpt zich in de armen des vaders en snelt met hem naar het graf van den H. Patriarch, zijn redder en weldoener.
Te Pennaco ligt een moeder troosteloos over het lijk harer eenige dochter neergebogen en verzet zich standvastig tegen de begrafenis, zoo vast vertrouwt zij, dat Franciscus haar in zulke droefheid niet zal verlaten. Haar vertrouwen werd niet beschaamd : de heilige verscheen haar den volgenden nacht en bracht haar het meisje levend terug.
Is Franciscus redder der lichamen, nog meer zal hij liet heil der zielen bewerken, nog na zijn dood. Te Monte Murano, zoo verhaalt de H. Bonaventura zelf, stierf eene vrouw en reeds hadden de priesters op den vooravond der begrafenis de getijden der overledenen bij 'iet lijk gebeden, 's Nachts echter rees de gestorvene eensklaps ten aanschouwen der bewakers in het doodkleed op, wenkte een der priesters, haar bloedverwant, en zeide : âVader, ik wensch te biechten. Ware Franciscus van Assisic, wien ik altjjd een kinderlijke godsvrucht heb toegedragen, niet tusschenbeiden gekomen, dan was ik reeds voor eeuwig tot de uiterste duisternissen verwezen, omdat ik vrijwilig eene doodzonde heb verzwegen. Door zijne voorspraak schenkt God mij thans tijd om mijne biecht te spreken. Zoodra gij mij
340
gehoord en ontslagen liebt, ga ik naar liet verblijf des eeuwigen vredes.quot; Bevende sprak zij hare biecht. Nauwelijks had de priester, die nog meer ontsteld was, haar de vrijspraak gegeven, of zij ontsliep andermaal, doch dezen keer in den Heer voor eeuwig! '
Inmiddels stroomde men van heinde en verre naar Umbrië om op Franciscus' graf verhooring zijner beden te bekomen. In Frankrijk, Duitschland en Spanje vermenigvuldigden zich de mirakelen op zijne aanroeping, zóó talrijk, zoo schitterend, dat men weinige maanden na zijn afsterven reeds gewaagde van de iihlgverklaring van den machtigen Wonderdoener.
Honorius III was den 18 Mei 1227 tot een beter leven overgegaan. Reeds den volgenden morgen werd kardinaal Ilugolinus, bij acclamatie tot paus verkozen, en aanvaardde de tiaar onder den naam van Gregorius IX.
De Voorzienigheid had Gregorius IX tot troost in zijne grijsheid, tot opbeuring in zijne harde beproeving, de eer en het gelukaweggelegd de heldhaftigheid van Franciscus' deugden aan de wereld te verkondigen. Het begin van Gregorius' pausschap was onheilspellend ! Tijdens de paaschdagen van 1228 brak een opstand uit, die door de handlangers van den Duitschen keizer verwekt en door den romeinschen adel, naijverig op 'sPausen macht, gesteund werd. De eerbiedwaardige grijsaard zag zich genoopt de ballingschap te kiezen. Hij zocht een schuiloord onder het trouwe volk van Umbrië; eerst te Riëti en daarna te Spoleto. Ten laatste begaf hij zich naar Assisië om hot scheepje van Petrus, zoo hevig door de stormen bestookt, aan de voorbede van zijn heiligen boezemvriend aan te bevelen. Bij deze gelegenheid baden de Assisiërs hem eenparig, Franciscus, den âEngel van Assisië, den Apostel van Italië, den grooten Wonderdoener zijner eeuwquot; op de lijst der Heiligen in te schrijven. De paus gaf onmiddellijk last tot het vereischte onderzoek omtrent het leven en de dood, de deugden en de mirakelen des Heiligen. Door verwikkelingen met Frederik II naar Perugia geroepen, droeg hij de bisschoppen van Umbrië op in hunne bisdommen het gerechtelijk onderzoek in te stellen en benoemde eenige kardinalen, die Franciscus' zaak het minst genegen schenen, tot zijne bijzondere zaakgelastigden om de stukken van het proces nader te onderzoeken.
341
Men zag dus de gewone tijdruimte tusschen den dood en de heiligverklaring over het hoofd. Wien zal deze beslissing bevreemden ? Schier geheel de katholieke wereld was vol van den roep der mirakelen, op Franciscus' voorbede geschied ; en de ooggetuigen leefden nog! De plaatsbekleeder van Christus onderzocht ten slotte in een voltallig consistorie de geldigheid der verschillende akten en mocht na rijp beraad de plechtige heiligverklaring reeds vaststellen tegen Zondag 16 Julij 12-8. De grijsaard jubelde, toen hij de verdrukte Kerk getroost en hernieuwd zag door deugden en mirakelen, die herinneren aan de eerste tijden van het christendom.
Vergezeld van zijn hof verliet Gregorius IX den 15 Julij Perugia om zegevierend de vaderstad des Heiligen binnen te trekken. Hij werd ontvangen door bisschop Guido en Joannes Parens, die in het generaal kapittel van Pinksteren (1227) tot Minister Generaal en onmiddellijken opvolger van denSerafijnschen Vader verkozen was Thomas van Celano weidt er in het breede over uit, met welke blijdschap de grijze stad hare poorten ontsloot, hoe duizenden prelaten en edellieden van stad en land waren samengestroomd, zoodat velen buiten de stadsmuren in de vlakten moesten overnachten.
De hoofdkerk van St. Georgius, waar Franciscus' gezegend gebeente rustte, was rijk versierd. Gregorius trok haar met weidsche praal binnen. Rondom hem verdrongen zich kardinalen, bisschoppen, gemijterde Abten, priesters, zonen en dochters van den H. Patriarch Franciscus. Na een vurig gebed tot den verborgen God onzer altaren, beklom de paus den voor hem opgeslagen troon om in eigen persoon den lof te verkondigen van zijn ouden Boezemvriend en Beschermeling. ïot tekst zijner rede koos hij de woorden van den Wijzen Man: âHij schitterde in den tempel des Heeron, gelijk de zon op den vollen middag.quot; Deze woorden, zegt Celano, sprak hij nog met klem, maar toen belette zijn overstelpt gemoed hem voort te gaan; hij zweeg en weende. Daarop las kardinaal Octavianus met luider stemme het verslag voor der mirakelen, die gerechtelijk bewezen waren. Deze lezing gaf bepaald aanleiding tot een hartroerend tafereel, misschien zonder weerga in de geschiedenis. Het meerendeel der personen, (1)
(Ij 40 mirakelen, alle iu Umbrie geschied, werden in deze akte vernield.
wien deze wonderen waren geschied, /aten onder het gehoor. Hadde de heiligheid der plaats of van het oogenblik hen niet weerhouden, dan hadden zij uitgeroepen: âJa, zoo is 't; dat is mij te beurt gevallen !quot; Nochtans hun van blijdschap stralend gelaat toonde genoeg, welke gevoelens aller harten bezielden. Geheel 'de vergadering deelde in hun vreugde, telkens als een nieuwe naam genoemd werd. De kardinaal Reinerius Capoccio, eertijds innig met de beide H patriarchen Franciscus en Domi-nicus verbonden, zette ten slotte het wonderbare leven van den eersten in gloednjke woorden uiteen. De gansche menigte kon zich niet van tranen onthouden.
Nu rees de opperpriester van zijn zetel, hief handen en oogen ten hemel en sprak deze plechtige woorden :
âTot glorie van den Almachtigen God, den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest; ter eere der gelukzalige Maagd Maria en der H. Apostelen Petrus en Paulus ; tot verheffing der Heilige lloomsche Kerk, hebben Wij met goedkeuring onzers broeders de kardinalen en hier vergaderde prelaten besloten op de lijst der Heiligen in te schrijven den gelukzaligen Vader Franciscus, dien God heeft gekroond in den Hemel en wij vereeren op aarde ! Zijn feest zal gevierd worden op den 4 October.quot;
Daarop hief hij den lofzang âTe Deumquot; aan, die door de kardinalen en Minderbroeders werd voortgezet. Het volk stemde in met luide jubelkreten, terwijl de klokken der stad de afkondiging der Heiligverklaring wijd over den omtrek uitgalmden. Middelerwijl was Gregorius IX van zijn troon afgedaald^ ging bidden op het graf van den nieuwen Heilige, bracht er volgens toenmalig gebruik zijn offer en keerde weder om de H. Offerande der Mis op te dragen. Met een brandende fakkel of een olijftak in de hand stonden Franciscus zonen om het altaar geschaard en zongen in koor hun Heiligen Vader ter eer: âFranciscus pauper et liuiniiis coelutn dives ingreditur / hijmnis coelestibus honoratur. Franciscus arm en nederig trekt rijk den Hemel binnen; de hemelkoren zingen zijn triomf.quot;
Eene heiligverklaring blijft altijd een huldebetoon zonder weerga; een huldebetoon, om zoo te spreken gevierd in de voorhoven van het hemelsch Sion. Nochtans onderscheidt de heiligverklaring van den serafijnschen Vader zich onder meer-
343
dere door twee geheel bijzondere omstandigheden. Het was de eerste maal, dat de paus buiten liome dergelijke plechtigheid op het graf zei ven des Heiligen verrichtte. Doch wat meer zegl, velde de H. Stoel zijne beslissende einduitspraak hierniet binnen twee jaren na den dood des uitverkorenen?
Pica Franciscus' hoogbejaarde moeder, was, zooals de overlevering meldt, zelve bjj de?.e glorierijke plechtigheden tegenwoordig. De moeder was gekroond in haar zoon! O welk een zalige stonde 1 Zij had hem van God afgebeden, voor God opgevoed , aan God ten offer gebracht; God heeft het haar honderdvoudig vergolden!
Drie dagen na deze plechtigheid zond Gregorius IX aan alle geloovigen der wereld de bulle der heiligverklaring: âMira circa nos dirinae pietatis diynatióquot;, gedagteekend van Perugia 19 July 1228 ; eene bulle, welke met den hoogsten lof, dien Franciscus ooit uit den mond eens menschen ontving, de vei-klaring zijner heiligheid inhield, bevestigd door het zegel der onfeilbaarheid En ais ware zulks niet genoeg, verhief de paus weinige maanden later (20 Febr. 12^9) andermaal zijne stem om bij bulle âSicat phialae aurmequot; voor de katholieke wereld Franciscus' deugden te verhetten en diens vereering aan te bevelen.
VVV^VVVVVVVVVW*\AA«VVvVwWvVvV^lt;VVWvV\^/VVVVVvVVvV^-VVSAA^VWwVVVWV\A/WVWwVVV«/wVN^VVVVVW
ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Franciscus' verheerlijkt ^raf'.
(1228â1230.)
t 1'.
quot;ine et was wel de laatste akte van vernedering, die de âarme van Assisiëquot; stelde, toen hij wensclite begraven te worden op den Helle-heuvel, waar men gewoonlijk de lichamen der openbare boosdoeners de laatste rustplaats gaf. Toen broeder Elias de uiterste wilsbeschikking zijns Vaders ten uitvoer wilde brengen, kwam de geheele stad tegen hem in verzet. Was de keuze dier plaats geen schande voor haar, geen onteering van de nagedachtenis een barer roemwaardigste burgers? Men riep de beslissing des pausen in. Gregorius IX keurde evenwel de inzichten van broeder Elias goed. Alleen verklaarde hij, dat voortaan de Helle-heuvel âraradijs-heuvelquot; zou genoemd worden. Tevens droeg hij broeder Elias, den warmen vereerder van Franciscus, op, den heuvel aan te koopen en ter plaatse eene prachtige basiliek te bouwen, den kostbaren schat, welken zij weldra zou bevatten, waardig. De paus zelf trok daags na de heiligverklaring in vol ornaat naar den heuvel om den eersten steen te leggen
Eenige maanden later plaatste hij de in aanbouw zijnde basiliek onmiddellijk onder het gezag en de bescherming van den H. Stoel, noemde haar zijne kerk, zegde haar tallooze voorrechten toe en verklaarde haar tot de moederkerk en meesteresse van al de kerken der Orde (Eulle âIs qui ecclesiamquot;). Zijne vereering van Franciscus uitte zich nog duidelijker door zijne milddadigheid. Niettegenstaande het algemeen geldgebrek, door de woelingen van Frederik II veroorzaakt, droeg hij zelfs van zijne persoonlijke bezittingen met koninklijke mildheid bij om dit praalgraf te doen verrijzen. Bij zijn offer voegde zich het goud der koningen
345
en de penning der armen. Geheel Europa wcnsclite iets tot deze stichting bij te dragen.
Onder zoo hooge aanmoediging en met de hulp van het machtig genie eens bouwkundigen sis Jacob den ÃuitscÃfer, was broeder Elias in staat de werkzaamheden met kracht en spoed door te zetten. Men stond hier voor een reuzenwerk! De âParadijs-heuvelquot; aan de westzijde buiten de stadsmuren vormde slechts een vormlooze massa rotsblokken. Eerst moest men dus een breeden rotsberg ontruimen, ten einde in de crypte plaats te maken voor Franciscus' graf; en dan moest boven die granietblokken een meesterstuk van bouwkunde verrijzen.
Het werk ging boven aller verwachting voorspoedig.. Omstreeks April 1230 was de benedenkerk nagenoeg afgewerkt. Joannes Parens, generaal der Orde, bracht onmiddellijk aan Gregorius IX verslag uit over den stand der werkzaamheden Op diens last schreef hij aan alle Minderbroeders en christen vorsten, dat de overbrenging van Franciscus' heilig gebeente uit de kerk van Georgius naar de nieuwe basiliek zou plaats hebben den 25s,en Mei van het loopende jaar. Onmiddellijk daarna zou het generaal kapittel geopend worden.
De paus beloofde persoonlijk de plechtigheid te komen opluisteren. Den IG*1611 Mei 12R0 vaardigde hij zijne breve âMiri/icanaquot; uit, waarin hij de overgroote blijdschap zijns harten vertolkte en de geloovigen opriep om in grooten getale de aflaten te verdienen, bij die gelegenheid verleend. Maar tot zijn spijt werd de paus nog op het laatste oogenblik door staatkundige verwikkelingen weerhouden in eigen persoon te verschijnen. Hij liet zich daarom door apostolische gezanten vertegenwoordigen. Joannes Parens, de minister generaal en eenige andere leden der Orde werden als zoodanig benoemd.
Proeder Elias beraamde echter omtrent de overbrenging der reliquieën van den U. Vader een plan, dat het geheele feest bijna in duigen wierp. Hij ging tot de overheden der stad, in wier gunst hij zich mocht verheugen, en wist hen te overtuigen, dat zij er groot belang bij hadden den dag dor overbrenging, door den paus bepaald, niet af te wachten. âAnders,quot; zeide hij, âzal bij den grooten toeloop der vreemdelingen de plaats, waaide overblijfselen rusten, bekend en vroeg of laat de heilige schat ons door naburige steden ontroofd worden.quot;
346
Hoe zonderling ook, dit voorstel werd aangenomen. Dien ten gevolge bracht broeder Elias op den 22sten Mei, dus drie dagen vóór den officieelen dag, geholpen door de overheden der stad, de doodkist met het lichaam van den H. Franciscus naar den âParadijs-heuvelquot;, waar ze achter een dubbele zerk en stevig metselwerk verborgen werd. Dit alles, zegt Glassberger, geschiedde âin het geheimquot;, dat wil zeggen zonder de tegenwoordigheid der geestelijkheid en der officieele getuigen i).
De heilige overblijfselen bevonden zich nu wel is waar buiten bereik van een heiligschennenden diefstal, maar was eene overbrenging onder dergelijke omstandigheden niet reeds eeno ont-eering, eene beleediging des pausen, eene bittere teleurstelling aller pelgrims? Groot was dan ook de verontwaardiging, en niet het minst van de apostolische gezanten, toen zjj het gebeurde vernamen.
Inmiddels naderde de dag, door de pauselijke breve aangewezen ; de Minderbroeders stroomden in grooten getale samen en met hen duizenden pelgrims. Mocht men nu die duizenden tot eene pijnlijke teleurstelling veroordeelen? Er moest dus eene beslissing genomen worden. In de vergadering der apostolische gezanten werd besloten, dat de aangekondigde plechtigheden toch zouden doorgaan; âen,quot; zegt de Duitsche kroniek, âzjj hadden niettegenstaande de noodlottige gebeurtenis plaats met grooten luister.quot; â Isiets van de aangekondigde feestelijkheden werd geschrapt en de processie trok in triomf de straten door, als ware Eranciscus' overblijfselen in hun midden.
God verwaardigde zich den luister van dezen zegetocht goed te keuren en te verhoogen âdoor talrijke mirakelen,quot; zegt de H. Bonaventura, o. a. door de wonderbare genezing van broeder Jacobus van Iseo. Deze kloosterling was sedert zijne jeugd door eene ongeneeslijke kwaal aangetast. Bij zijne opname in de Orde had hij ze verzwegen, maar later vertoonde zij zich des te heviger. Ook hij had zich bij den triomftocht aangesloten. Zijn levendig
1) Volgens anderen hadden de gezanten des pausen de vervroeging der overbrenging goedgevonden. Toen de processie evenwel in de beste orde de kerk genaderd was, verwekten eenigen eene verwarring, anderen sprongen op de kist toe, gingen haastig de kerk binnen, sloten de deuren en verborgen den kostbaren scLat in den grafkelder, waarvan zij alleen het geheim kenden
347
Seloof zou hem hoogere blijdschap aanbrengen. Vol vertrouwen trad hij de basiliek, waar Franciscus' lichaam rustte, binnen en bad den Heilige met al de vurigheid zijner ziel. Eensklaps springt hij op met den uitroep: âIk ben genezen!quot; Men zou getuige moeten zijn van dergelijke gebeurtenissen om zich een denkbeeld te vormen van de geestdrift der scharen.
Ofschoon nu door Gods tusschenkomst de afwezigheid dei-gezegende overblijfselen de openbare blijdschap niet verhinderd noch de vurige liefde der pelgrims verkoeld had, eischte de laatdunkende handelwijze van broeder Elias en de overheden van Assisië eene geduchte straf. Deze liet zich niet wachten. Tot in het hart getroffen over de beleediging, hem in zijne gezanten aangedaan, legde Gregorius IX het interdict op de nieuwe basiliek, dreigde haar met berooving aller voorrechten) zoo den H. Stoel binnen den tijd van 14 dagen geene voldoening werd gegeven. (Bulle âSperavhnus''' 10 Juni 1^30). De grijze stad bleef niet hardnekkig bij haren misslag, en de paus vergaf dan ook volgaarne een fout, welke hoofdzakelijk aan overdreven ijver te wijten was.
De heimelijke overbrenging der reliquiecn op 22 Mei had intusschen een even jammerlijk als langdurig gevolg: gedurende zes eeuwen bleef de juiste plaats, waar het heilig lichaam rustte, verborgen. Het was de l9',e eeuw voorbehouden den sluier van dit geheim op te lichten.
Om verschillende gegevens vermoedde men sedert lang, dat het lichaam onder het altaar der benedenkerk verborgen was, doch Paulus V had ten strengste verboden eenig onderzoek in te stellen. In 1S18 smeekte de HoogEerw. pater Joseph de Bonits, Generaal der Minderbroeders-Conventueelen, Zijne Heiligheid l'aus Pius VII eenige opgravingen te mogen doen in den rotsachtigen bodem. De Paus gaf gehoor aan het dringend verzoek. Twee en vijftig nachten arbeidde men onder de strengste geheimhouding voort, totdat men eindelijk stootte op een ijzeren rasterwerk. In den nacht van den 12 December werd de doodkist gevonden. Het geraamte bleek ongeschonden en verspreidde een aangenamen geur. De armeu waren op de borst gekruist. Het lijk rustte in een ruw steenen kist van tamelijk ongelijke afmeting met het lichaam. Het hoofd des Heiligen
348
rustte nog op den steen, die hem in zjjn leven gewoonlijk; tot hoofdkussen had gediend. Kond de kist waren de schoonste kostbaarheden neergelegd, blijkbaar alle uit de 13de eeuw afkomstig. Er was geen grafschrift, maar waartoe zou zulks gediend hebben ? quot;Was de basiliek niet de graftombe van den H. Franciscus ? Las men Franciscus naam en daden niet op iederen steen ? â
Tot grootere waarborg nochtans gaf Pius VII de bisschoppen van Assisië, Nocera, Spoleto, Perugia en Foligno last een streng onderzoek in te stellen omtrent de echtheid van het lichaam. Na inzage van de akten van het onderzoek, verklaarde Zijne Heiligheid bij breve van 5 Sept. 1820 dat het gevonden lichaam wezenlijk dat des Heiligen Franciscus was, bekrachtigde de voorrechten, door zijn voorgangers aan de basiliek verleend en verkoos, wat men misschien van geen anderen Heilige leest, Franciscus tot bijzonderen beschermer van het pausdom. Vier jaren later stelde Leo XII eenen feestdag in tot gedachtenis van de vinding van Franciscus' overblijfselen. Ook liet men de onderaardsche grot verder in de rots uithouwen en in een prachtige kerk âde grafkerkquot;' herscheppen. Daar rusten nu achter hetzelfde traliewerk, in dezelfde doodkist en op dezelfde plaats als voorheen het kostbaar gebeente, zes eeuwen aan de blikken en vereering der christenen onttrokken. De wanden dezer grafzerk zijn geheel met veelkleurig marmer gedekt. Boven het graf is een altaar aangebracht. In het half cirkelrond tusschen de crypte en den tuin staan twee wit marmeren standbeelden van de roemrijke pausen Pius VII en Pius IX. Zou men niet zeggen, dat het pausdom waakt over het monument, don armen Gekruiste ter eer opgetrokken ?
Dank aan 's pausen voorzorgen en den godsdienstigen eerbied van Assisië's bewoners, bleef het lichaam van onzen H. Vader ongeschonden in de steenen lijkkist, welke na het onderzoek wederom verzegeld werd. Nochtans zijn er toch talrijke reli-quieën van den Heilige in ons bezit; In het Sagro-Convento bewaart men twee onderkleederen, een boetgordel, een blad perkament met bloed uit de zijdewond; de plank, waarop hij gewoonlijk sliep, door Guinta van Pisa met zijne beeltenis ver-ierd; twee paar schoeisels, door de H. Clara vervaardigd, de
m
origineele bulle, waarbij Honorius IJl den Regel goedkeurde; en liet eigenhandig schrift van den zegen op Alverno aan broeder Leo gegeven; â in Maria der Engelen eene koorde: â in de kerk der H. Clara, de wonderdadige bizantynsche schilderij uit Sint Damiaan, de brevier van Franciamp;cus; ook eene albe en wollen mantel, eerst in 1853 gevonden in Clara's giaf, dat eveneens zes eeuwen onbekend bleef, â te Rome in de St. Pieter eenige druppelen bloed uit de wonden, â in San Francesco a Ripa eene koorde, â te Florence het habijt door den Heilige aan den graaf van Monte Acuto ten geschenke gegeven; â op den Alverno een onderkleed, eenige haren en druppelen bloed, en ook nog de obedientie van Angelus van Pisa; âte Parijs in het klooster der Minderbrocders-Capucijnen eenen wijden mantel van grijsachtige stof... alle even zoovele gedenkteekenen der boetvaardigheid, heilige overblijfselen, in den loop der eeuwen in even zoovele bronnen van zegening veranderd, waar duizenden in dagen van beproeving kracht en overgeving aan Godii II. Wil kwamen putten. â
Franciscus' vereering verbreidde zich met zijne zonen over allo landen der wereld tot zelfs in de verst afgelegen eilanden; met Columbus, Franciscus' wakkere zoon, werd zijn gedachtenis gezegend in het nieuwe werelddeel. Frankrijk en Spanje, de beide landen door den koenen apostel met voorliefde bezocht, wedijverden mot Italië om zijn lof te verheerlijken, zijne deugden te vieren. Koningen en vorsten droegen met fierheid den naam van den âArmen Assisiër,quot; het volk richtte altaren op hem ter eere en de misdeelden dezer aarde troostten zich in zijne voorbeelden, riepen zijne machtige voorspraak in bij God, die er behagen in schepte, aller vertrouwen met tal van zegeningen en zelfs wonderen te beloonen.
Hoe groot elders de vereering jegens den Minnaar der Armoede ook ware, de vaderstad des Heiligen stelt onder dit opzicht allo in do schaduw. Assisië heeft het aanzien der Etrurische veste afgelegd; het indrukwekkend burchtslot âSasso-Kossoquot;' ligt in puinen. Haar oude luister is in vergetelheid geraakt. Vergeten zijn de wakkere krijgers, die haar tegen het wapengeweld van een Totila, Dedier, Frederik Barbarossa beschermden; Franciscus alleen heeft storm en omwenteling overleefd ; zijn naam
350
leeft nog voort in de serafijnsche stad, als ware hij eerst gisteren ter eeuwige rust gegaan.
Zonder handel of nijverheid heeft Assisiö niets van het woelige onzer handelssteden; het ware zelfs een sombere stad, zweefde Franciscus' onsterfelijke figuur niet zegevierend en beschermend over haar. Duizend heilige herinneringen bezielen hier de eenzaamheid. De zegening des H. Vaders boven de stadspoort, de enge straten, de oude fresco's op de gevels of voorportalen der gothische huizen uit de lride en 14,le eeuw, de kloosters en de kerken, die het hart en de ziel der stad vormen, alles wijst u henen naar den held, dien Lante bezong als âde zon van het quot;Westen.quot;
âSlaat nog eenmaal uwe blikken op dien berg van schande nabij Assisië !
âHeerlijk en grootsch rijst daar een meesterstuk op van bouwkunde. Een heerlijke tempel, wat zeg ik, drie kunstgewrochten,
â een onderaardsche kerk, eene beneden- en eene bovenkerk,
â staan daar als een voortdurend loflied den armen, doch thans verheerlijkten Franciscus van Assisië ter eere.
âTer zijde staat het prachtig klooster, gebouwd op den top eener steile rots, ondersteund door eene dubbele reeks van op elkaar geplaatste bogen. Een klooster, waarvan Taine schreef', âhet Sagro Convento is een der kunstjuweelen van Italië. Het heeft zijns gelijke niet. Voordat men het heeft aanschouwd, kan men zich geene gedachte vormen van de kunst en het genie der middeleeuwen.quot; Al de kunsten hebben hier op hare beurt hare stemmen geleend en 't is één lied geworden, heerlijk en schoon, krachtig en lieflijk tevens.
âJacob de Duitschei1, die toen reeds een grooten naam had gemaakt, ontwierp de plannen voor de boven- en de benedenkerk. Deze laatste onderging in lateren tijd vele veranderingen, volgens de plannen van den Minderbroeder Philippus Cam-bello. De onderaardsche kerk, waarin zich het graf bevindt van den H. Franciscus, schrijft men toe aan eenen bouwkundige van Franschen oorsprong, met name Valadier.
âDe stijl der drie heiligdommen biedt voor het oog eene treffende tegenstelling, waarvan men echter al spoedig den diepen zin begrijpt. De onderaardsche kerk, rustende op hare acht
marmeren zuilen, is donker en waarlijk eenzaam; zij is eene grootsche spelonk in de rots uitgehouwen en stelt ons aldus op treffende wijze het verborgen leven voor van den H. Vader Franciscus, zoon van Bernardone; het leven van hem, die de wereld ontvluchtte, die aan alle grootheid en menschel ijk genot verzaakte om alleen te leven in gebed, in liefde tot Grod en in de strengste versterving
âDe benedenkerk met hare sterke en zware gewelven, met haar geheimzinnig schemerlicht, versierd door die lage vensters en menigte kapellen, met haar blauw gewelf, schitterende van gouden sterren, met hare bogen en muren, waarop Heiligen en voorstellingen van geheimen zijn afgebeeld, biedt zij nier een duidelijk beeld van het openbaar leven van den H Franciscus en zijne Orde ? Geeft het ons geen aanschouwelijk beeld ^an de strijdende kerk ?
âDe bovenkerk met hare rijzige spitsbogen, met haar helder licht, dat door groote vensters in ruime mate den tempel binnenstroomt, met hare rozetten en haar met beeldwerk overladen koorgestoelte, met haar wonderbaar borduursel van keurige vormen, kunstig ineengewerkt, geeft zij niet op treffende wijze een beeld van den H Franciscus in zijne glorie, met den stralenkrans der heiligheid omgeven ?
âDe onderaardsche kerk doet onze tranen vloeien, de benedenkerk wekt ons vertrouwen op en geeft ons verlangen naar het boter vaderland; de bovenkerk brengt ons in verrukking en geeft, ons eenen voorsmaak der eeuwige gelukzaligheid.quot;
Zoo smelt hier dan alles op de zoetste wjjze samen tot één geheel, tot één dichtstuk in graniet en marmer, dat luide spreekt tot het volk, opwekt tot navolging; een gedicht, waarin op de voortreffelijkste wijze het leven, de strijd en de zegepraal van den Serafijn van Assisië worden bezongen.
Twaalf mannen- en vrouwenkloosters van de verschillende takken der Orde scharen zich als zoovele tenten rondom de plaats, waar het gebeente van onzen serafijnschen Vader de toekomstige opstanding verbeidt. Al deze kloosters met hunne kerken hebben betrekking op dit ééne graf, herinneren aan één der vele belangrjjke tijdstippen uit liet leven des Vaders. Onder deze munten vooral uit: llivo Torto, waar de Dienaar Gods na
352
zijn terugtocht uit Rome zijn twaalf Apostelen in het geestelijk leven ouderwees; in do vlakte verrijst een uitgestrekt kloostergesticht met eene prachtige domkerk, welker grootsche en zuivere vormen aan Bramante en Vignole herinneren ; hot is de patriarchale basiliek van Maria-der-Engelen, niet nederig en arm, maar rijk met een vorstinnemantel getooid. Onder den majestueuzen koepel staat het oude kerkje, het dierbare Por-tiuncula, geheel vrij en als 't ware door Franciscus' tegenwoordigheid nog geheel bezield. Dicht bij de stadsmuren staat de Sint Damianus, door Franciscus' hand hersteld en thans door den tijd weer; vergrijsd; een weinig verder Sint Clara, een prachtige kruiskerk uit de I3(le eeuw, door den Minderbroeder Philippus Cambello ontworpen; ter plaatse, waar de woning der Moriconi stond, verheft zich de Nieuwe kerk, gekroond met vijf koepels tot verheerlijking der vijf Wonden, door Philips III, koning van Spanje, gebouwd. In de kerk zelve ziet men een beeld des Heiligen in knielende houding, de handen met ketenen geboeid. Het herinnert aan de strengheid des Vaders, die zijn zoon hier gevangen hield, toen deze zich om Christus den spot zijner medeburgers op den hals haalde. Eindelijk ziet men onder de neerhangende bouwvallen van het oude burchtslot het bescheiden bedehuis der Minderbroeders-Capucijnen: het zijn alle zoovele eerebogen, door do katholieke Kerk opgericht langs den weg naar het graf van den H. Aartsvader.
Stervende vroeg de H. Vader slechts een plekje gronds en nog wel op een schandplaats. En zie ! een drievoudige basiliek, een parel van Italië en liet heiligdom der katholieke kunst dekt zijn gebeente, ja een geheele stad dient hem tot praalgraf, waar zij, die hem het meest liefhadden, thans aan zijne zijde sluimeren in vrede: de zalige Barnardus van Quintavalle, de Engelachtige broeder Leo, de zalige Aegidius, Sylvester en Jacoba de Settesoli met hare twee zonen
De middeleeuwen evenwel stelden zich niet tevreden steenen op te stapelen tot een kunstgebouw, neen, iedere steen moest spreken in een taal, bevattelijk zelfs voor de kleinen en onwetenden ! Wanneer de bouwmeester met welgevallen op zijn werk
353
kon nederzien, dan kwamen do grootste schilders van dien tijd, om ook op hunne beurt door de voortbrengselen van hun genie den Serafijn van Assisië te verheerlijken.
Na Guinta van Pisa en Giovanni Cimabue verscheen Giotti, oorspronkelijk een arme herdersknaap, die zijn meester Cimabue overtrof en die op het graf van den H. Franciscus als met nieuwen gloed bezield, de meester werd van eene nieuwe school, uitmuntende in zuivere opvatting van het echl;e ideaal. En na Giotti heeft elke eeuw de grootste meesters naar Assisië gezonden om het meesterstuk der kunst meer en meer der voltooiing nabij te brengen. Giovanni Spagna, Bellino, Murillo, Overbeck, Raphael, fra Angelico en andere kunstenaars der Um-brische school boden den Seraf beurtelings de hulde hunner penseelen in de hoop, dat een straal zijner glorie op hunne werken zou terugvallen.
Ook de beeldhouwkunst en het mozaïek werd niet vergeten. Men vindt onder andere de beeltenis van den II. Vader Franciscus geheel in mozaïek. Dit kunstwerk alleen heeft een overgroote waarde.
En zoo is Assisië een beroemde en heilige stad geworden en gebleven. Doch de gedachtenis en de steeds nawerkende deugd van den grooten dienaar Gods blijven niet opgesloten in den kring zijner geboortestad. Neen, zij leven, bloeien en brengen vruchten voort in de geheele wereld. De drie Orden van den II. Franciscus, over de wereld verspreid, verlevendigen haar reeds zeshonderd jaren, evenals weldadige bronnen, die op de eene plaats slechts verdwijnen om op eene andere te ontspringen en alzoo liet geestelijk leven met zich aan te voeren. De volkeren kunnen op ingeving des duivels zich van de weldaden dier bronnen berooven, maar vermogen niet ze te vernietigen, want de Heer heeft aan Franciscus beloofd, dat zijne drie Orden zullen duren zoolang als de wereld. En de beloften van Christus gaan niet voorbij ; de zonen en dochters van Franciscus zullen dus blijven leven gelijk de naam van luin seraphjjnschen Vader, tot meerdere eer van God en zaligheid der zielen.
i N HOU D.
m.ADZ. h
Voorrede................. J
Do Encycliek âAuspicatoquot; over den II. Eraaciscus van
Assisië................. 9
EERSTE HOOFDSTUK.
Geboorte en jongelingsjaren van den II. Eranciscua (1182â1205)............... 17
TWEEDE HOOFDSTUK.
Bekeering van Franciscus (1205 â1207)......iU
DERDE HOOFDSTUK.
Roeping van Franciscus (1207 â1209)....... 50
VIERDE HOOFDSTUK.
Franciscus' twaalf eerste volgelingen. â Begin van de Orde (1209)............... 6G
VIJFDE HOOFDSTUK.
Eerste goedkeuring der Orde (120!) - 1210).....Sfi
ZESDE HOOFDSTUK.
Proeve van het Apostolaat (1210â1212)......103
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Een blik in bet klooster van O. L. Vr. ter Engelen . . 113 ACHTSTE HOOFDSTUK.
Clara en de arme zusters (1212) .........124 A
NEGENDE HOOFDSTUK.
Apostoliscbe reis in Italië en Spanje (1212â1215). . . 140
.
â II -
BLADZ.
TIENDE HOOFDSTUK.
Franciscus en Dominicus op het Concilie van Lateranen (1215â1216)...............156
ELFDE HOOFDSTUK.
De aflaat van Portiuncula (1216â1217)......166
TWAALFDE HOOFDSTUK.
De eerste generale kapittels (1212â1219)......176
DERTIENDE HOOFDSTUK.
De Apostel in het Oosten...........186
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
De eerste martelaars der Orde..........195
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
Antonius van Padua.............203
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
Van Venetië tot zijne aftreding op het derde kapittel (1220) 212
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
De Derde Orde (1221)............ 223
ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
Derde generaal kapittel en apostolische reis door Zuid-Italiü (1221â1223)............... 235
NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
Schriftelijke goedkeuring van den Regel; deszelfs geest . 242 TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
De seraf der liefde..............257
EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
De koning der schepping. â De minnaar der natuur . . 270
TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Krnns van kloosterdeugden...........282
j ' j \ ju â m â
BLADZ.
drie en twintigste hoofdstuk.
Franciscus op den berg Alverno (12'24)......
vier en twintigste hoofdstuk.
Laatste levensjaren en dood (1225 1220)......
vijf en twintigste hoofdstuk. Begrafenis en heiligverklaring (1226â1228) ....
21)5
834
zes en twintigste hoofdstuk. Franciscus' verheerlijkt graf (1228 1230)......
U d'-- ^ ^