ocr page 1

TOELICHTING OP DEN

BE HF

VAN DEN

GEPENSIONEERDEN KOLONEL DER ARTILLERIE

H. O N N E N

AAN

gr, n ei;, phbiiii.

Hoogleeraar in de Sclieikunde aan de Universiteit te Ltiecht, betrekkelijk een daartestellen

mommmkkL hlilbhbluk,

GEWIJD AAN DE NAGEDACHTENIS

van den ia 1880 overleden Hoogleeraar

Dr. G. .T. MULDER.

•IMJ'--

AMERSFOORT M. SLOTHOUWEE

ocr page 2
ocr page 3

TOELICHTING OP DEN

BBI1F

VAN DEN

GEPENSIONEERDEN KOLONEL DER ARTILLERIE

H. O N N E N

AAN

lt;§![. 1). JillMtó,

Hoogleeraar in de Scheikunde aan de Universiteit te Utrecht, betrekkelijk een daartestelleu

monmmrAhi hulgebujk,

GEWIJD AAN DE NAGEDACHTENIS

van den in 1880 overleden Hoogleeraar

Dn. G. J. M U L D E R.

AMERSFOORT A-, jVE. SLOTHOUWER

ocr page 4
ocr page 5

Aan

den Heer

Professor H. C. DIBBTTS,

te

Utrecht.

Hoog Geleerde Heer !

Na UH.G. op den 2en Juni des vorigen jaars in ronde taal mijn gevoelen te hebben doen kennen betreffende de gedragslijn, door U gevolgd bij de pogingen om een monumentaal huldeblijk te doen verrijzen ter gedachtenis aan wijlen onzen meester Prof. Dr. G. I. Mulder, deeldet gij mij in uwen brief van den 8en Juni j.1. mede dat, wat ik U ook mocht schrijven, als vervolg op de tusschen U en mij daaromtrent gewisselde schriftelijke en mondelinge beschouwingen, gij mij niet zoudt antwoorden; U voorbehoudende om de waarheid in deze, zoo noodig in het publiek aan het licht te brengen.

Niets ware mij aangenamer geweest dan dat gij de noodzakelijkheid daarvan ingezien en alzoo gevolg gegeven hadt aan de tegen mij in eenigszins bedekte termen geuite bedreiging.

Doch of ik al reikhalzend naar een openbaar antwoord uitzag — mijn verlangen bleef onvoldaan; en vermeenende te hebben kunnen bemerken, dat bij U de geest van initiatief niet altijd meer levendig is, zoo achtte ik het niet ondoeltreffend om in het belang der door U en mij zoo gewaardeerde waarheid, het verspreiden van mijnen voorgemelden brief d.d. 2 Juni 1884 als mid-

ocr page 6

4

del te baat te nemen om U de wenschelijkheid te doen inzien van een openbaar antwoord.

Ik liet mijnen brief drukken en begon hem onder eenige Uwer en mijner kennissen te verspreiden.

Dit had reeds met eenige weinige lOtallen exemplaren plaats gehad, toen ik van eene hooggeachte zijde werd aangezocht om dit verspreiden te staken, en mij vooreerst nog te onthouden van gevolg te geven aan mijne voornemens, voorkomende in het slot der bedoelde missive.

Ik gaf hieraan voorloopig gehoor, vermeenende, dat ik reeds het doel bereikt zou hebben om U tot antwoorden in het openbaar of tot handelen in den met U afgesproken zin te doen besluiten.

Ik vergiste mij hierin echter en het was dientengevolge, dat ik besloot mijn meergenoemden brief van 2 Juni jl. nu door den handel in ruimeren kring te verspreiden, ten einde te beproeven of dit middel er U nu toe zou kunnen doen overgaan, om die door U bedoelde waarheid dan toch ten laatste openlijk bekend te maken.

U bleef haar echter als een dierbaar kleinood voor U alleen behouden, niemand dan gij alleen mocht haar kennen.

Welnu HoogGeleerde Heer! ik voor mij wil niet zelfzuchtig zijn, en trachten om, zoo ik al niet bij irachte ben om de waarheid in den wellicht door U bedoelden uitgebreiden zin bekend te maken, haar dan toch ten opzichte van eenige mij thans bekende details aan U en het mogelijk belangstellende publiek mede te deelen.

ocr page 7

5

Zooals ook U bekend is, nam tengevolge der edelaardige tusschenkomst van de hierboven bedoelde geachte zijde, uw collega professor C. H. D. Buys Ballot, met U en Dr. P. 0. Brondgeest, medearbeider aan de levenschets van G. I. Mulder, in de eerste helft van Juli 1884 op zich, om de door U eerst aanvaarde, doch op den 2en Mei 1884 neergelegde taak over te nemen, en deze betuigde schriftelijk al dadelijk zijn leed, dat ik U, een zoo bijzonder braaf man, door mijnen brief van 2 Juni verdacht had gemaakt. Gij waart onschuldig, zoo verklaarde hij. Gij kondet in deze zaak niets verrichten, wegens uwe vriendschappelijke verhouding met uwen Collega, den zoon van hem aan wiens nagedachtenis wij onze eerbiedige hulde wenschten te brengen, en wel, omdat die zoon, zooals mij door Uwen Collega Buys Ballot nader werd medegedeeld, die hulde aan zijnen vader, den warmen vaderlander, den grooten geleerde, den bezielenden meester, niet aangenaam zou zijn!

Ziedaar dan vermoedelijk, HoogGeleerde Heer! een tipje opgelicht van den sluier, der door U zoo grootmoedig bedekte waarheid.

Gij huiverdet niet om tegen mij en anderen onwellevend, onoprecht, onwaar te zijn, uit vrees voor ongenoegen met professor E. Mulder.

Gij naamt den schijn aan van niet bekend te zijn met het werk van den beeldhouwer Georges, die waarschijnelijk naar aanleiding van Uwen in 1880 in «Eigen Haardquot; uitgedrukten wensch, het model van een borstbeeld van prof. G. I. Mulder vervaardigde.

ocr page 8

6

Ik weet althans geene andere verklaring te geven aan uw zwijgen in de vergadering van 28 Februari 1882, toen door mij, die niet wist, dat door U reeds in 1880 in een tijdschrift het verrijzen van een borstbeeld van prof. G. I. Mulder zoo warm gewenscht en aanbevolen was, het voorstel daartoe werd gedaan en gij, het ook door andere uwer Collega's daarop bewaarde stilzwijgen, vrees-det te verbreken.

Die verhouding met uwen Collega E. Mulder en die vrees om hem te mishagen, zullen dan ook zeker moeten dienen om uwe, in die vergadering, tegenover mij aangenomen houding in mijnen eersten open brief (d.d. 2 Juni 1884) uiteengezet, te verklaren.

Neen! het was bij U geen huichelen, toen ge in het begin van 1884 mij Uwe hooge ingenomenheid betuigdet met mijn aanbod om het mij geschonken medaillon-portret, overeenkomstig het door U in 1880 in een openbaar geschrift uitgedrukt verlangen, voor een bronzen borstbeeld te doen dienen.

Gij waart gewis ook ter goeder trouw, toen gij den 5en Februari 1884 de stellige toezegging deed om met den meesten spoed de voorbereidende werkzaamheden tot het tot stand brengen van Mulder's borstbeeld, aan te vangen en te behartigen.

Maar bestond bij U die goede trouw wel, toen gij nadat ik U aan uwe belofte herinnerd had, mij de schuld durfdet geven van het onvolvoerd blijven der door U vrijwillig opgenomen taak.

Ik veroorloof mij dit te betwijfelen, evenals de

ocr page 9

7

verklaring, dat het U niet gelukken mocht om onder de vele oudleerlingen en vrienden van Gr. I. Mulder, die uw vurig verlangen deelden om hem een huldeblijk in het Chemisch lahoratorim te Utrecht te stichten, personen te vinden, die genegen waren om deel te nemen aan eene Commissie van uitvoering.

De verklaring van mijnen twijfel zult gij kunnen vinden in mijnen eersten gedrukten brief.

Zal dit mijn schrijven U nu wellicht de moeite kunnen uitwinnen om verder gevolg te geven aan het slot van Uwen aan mij gerichten brief d.d. 8 Juni jl., waarin gij U voorbehoudt om de waarheid in het openbaar aan den dag te brengen, dan zal het U denkelijk ook niet onverschillig zijn om iets van den verderen loop te vernemen van de door uwen Collega Buys Ballot aanvaarde taak.

Z.H.G. begon met mij den 15 Juli jl. ronduit mede te deelen, dat hij de schuld droeg van al het dralen en dit wel «doordien hij niet kunnende sprekenquot; (zoo zijn de door hem gebruikte woorden) «steeds bezwaar had gemaakt om in de Commissie te komen.quot;

Dit rechtvaardigt, doch slechts voor een klein gedeelte uwe bewering, dat het u niet had mogen gelukken om — hoeveel sympathie het door U verlangde en voorgestelde bij de door U geraadpleegde vereerders van den grooten scheikundige ook vond — uit hun midden althans eene Commissie samen te stellen.

Dat deze uwe pogingen echter niet cum amove

ocr page 10

8

geschiedden, heb ik U reeds aangetoond in mijnen brief van 2 Juni.

Zij bleven dan ook zonder gevolg, doch het was niet uwe schuld, uw Collega Buys Ballot getuigde het.

U waren de handen gebonden door den zoon van hem, uwen vriend, leermeester en weldoener, en al wildet gij voor mij en voor het publiek too-nen de meest dankbare vriend van den vader te zijn, het ontzag, misschien de vrees voor den zoon behield bij U de overhand.

Gij maaktet U liever verdacht dan Uwen Collega onaangenaam te zijn.

Laat mij nu tot uwen opvolger in uwe eervolle taak terugkeeren.

Prof. Buys Ballot gaf aanvankelijk te kennen, dat hij niet tot de Commissie kon toetreden, omdat hij niet spreken kon.

Men zou geneigd zijn om hier aan eenen anderen beweeggrond te denken.

Kon men zonder nu juist een redenaarstalent te bezitten, dan toch geen verdienstelijk lid eener Commissie zijn?

Dat dit werkelijk het geval is. toonde prof. Buys Ballot, toen hij in Juli jl. met prof. H. Snellen, Dr. Brondgeest en anderen beraadslaagde over het bijeenbrengen van het geld benoodigd voor het tot stand brengen van het huldeblijk; en dit toen ten gevolge had dat de eerstgenoemde U.H.Gr. en prof. Snellen later bij de eene of andere gelegenheid — dit waren de woorden van prof. Buys Ballot — er wel geld voor uilgeven wilden.

ocr page 11

9

Dat het wenschelijk zou zijn om bij het eventueel inwijden daarvan, de plechtigheid in te leiden en luister bij te zetten door het uitspreken eener rede, valt niet te betwijfelen; doch die taak behoefde nu juist niet aan professor Buys Ballot ten deel te vallen, ofschoon hij nederig genoeg is zijn sprekerstalent wel wat te laag te schatten.

Als Voorzitter der Koninklijke akademie van wetenschappen kon hij toch zeker wel spreken, en daarvan gal hij dan ook otdangs nog de bewijzen bij gelegenheid, dat die akademie het verlies had te betreuren van een waardig lid, den Hoogleeraar Baumhauer; toen de voorzitter in de eerstvolgende vergadering, de uitstekende eigenschappen van dezen geleerde in eene toespraak herdacht.

Maar hoe het zij, prof. Buys Ballot gaf mij de verzekering, dat men na de vacantie der Universiteit in September, de zaak op touw zou zetten.

Van den uitslag eener dergelijke poging werd mij, in het begin van October door nu wijlen professor Baumhauer mondeling eenige melding gemaakt; doch deze bracht mij eene weinig of nietsbetee-kenende boodschap van prof. Buys Ballot over, die mij door hem slechts deed verzoeken om, met betrekking tot deze zaak, de drukpers verder buiten werking te laten.

Van professor Buys Ballot vernam ik echter bij missive van 14 Oct. jl. meer.

Ik vernam namelijk, dat hij eene vergadering ten zijnent had bijeengeroepen om te beraadslagen over de wijze, waarop het best aan het door U, mij en anderen bekende verlangen zou kunnen

ocr page 12

10

worden voldaan, en waarbij toen bleek, dat alle vergaderden het eens waren, dal de plaatsing van een borstbeeld van prof. G. I. Mulder in het Chemisch laboratorium der Universiteit een niet te hereiken doel was.

Het zal wel overbodig zijn te zeggen met hoeveel leedwezen ik die beslissende meening vernam.

Waar toch zou zijn borstbeeld waardiger en doeltreffender plaats vinden dan daar waar de groote Mulder jaren lang als scheikundige werkzaam was, en de vruchten van zijn onderzoek en kennis aan tal van leerlingen ten beste gaf.

Zou het toch daar niet meer dan elders kunnen medewerken, om aan hen, wiens roeping het is of zijn zal om te trachten zijne voetstappen te volgen, de herinnering levendig te houden aan den grooten scheikundige, die door studie, volharding en strijd uitmuntte, en door verstand en kennis eene eerste plaats bekleedde onder de vaderland-sche geleerden?

Gewis zullen velen dit met mij toestemmen.

Doch volgens de mededeeling van professor Buys Ballot mag het daar niet komen, omdat hoe ongelooflijk het ook moge zijn, de Collega's van professor E. Mulder (den zoon) hem geen onaangenaam verzoek wilden doen; waaruit dan ook moet worden afgeleid, dat het al of niet plaatsen van een borstbeeld in een lokaal eener Rijksuniversiteit afhankelijk zou zijn van de goedkeuring van den Hoogleeraar, die er doceert.

Dat de Curatoren, en misschien de Regeering van wien de vergunning der plaatsing moet uit-

ocr page 13

11

gaan de deferentie zouden hebben om het advies van den betrokken hoogleeraar in te winnen, is mogelijk, doch in dit geval zou het ongunstig advies van eenen zoon, die zijnen vader niet gaarne de welverdiende hulde ziet brengen vermoedelijk wel niet zwaar wegen. ')

Maar volgens professor Buys Ballot had nog een ander motief geleid tot de reeds gemelde conclusie, en deze was, hoe zonderling het ook moge klinken, dat de vergaderde vereerders van Mulder niet zeker genoeg waren, dat het medaillon-portret, dat ik aanbood om tot grondslag te dienen van eene bronzen buste, daarvoor voldoende goed, en genoeg gelijkend was.

Ik weet niet HoogGeleerde Heer of gij die vergadering ook bijwoondet, doch zou het bijna moeten betwijfelen, daar gij dan toch zeker uw gevoelen niet verzwegen zoudt hebben, dat George's kunstwerk lof verdiende en zeer geschikt was om ons Mulder voor den geest te helpen terugroepen, te minder nog omdat het U bekend was, dat ik dit gevoelen met U deelde.

Doch neen; mijn twijfel heeft geen recht van bestaan; in die vergadering waart ook gij tegenwoordig Hoog Geleerde Heer! — ik herinner het mij nu goed — gij verklaardet toen met uwe Collega's Buys Ballot en Snellen, dat ge later '1) bij

1

nLalerquot; misschien wel, als gij weder op deze of gene wijze zelfstandig zult kunnen handelen, en alzoo het vervullen van uwen liefsten wensch niet meer ten offer behoeft te brengen aan de zienswijze van andereu.

ocr page 14

12

deze of gene gelegenheid wel geld voor eene buamp;te van Mulder beschikbaar wildet stellen.

Om nu nog een oogenblik bij het laatste argument der vergadering stil te staan, wil ik rondweg verklaren, dat het mij zeer zonderling voorkwam.

Het had er veel van, alsof men er mede te kennen wilde geven, eene buste in het laboratociimi mag niets te wenschen overlaten; daar huiten wel.

Doch nu men de onmogelijkheid inzag om plaatsing voor Mulder's borstbeeld in het Chemisch laboratorium te verkrijgen, werd in die vergadering besloten mij voor te stellen, het gipsen medaillon-portret aan de Curatoren ter plaatsing in een dei-zalen van de Bibliotheek aan te bieden, om eerst het oordeel van hen te vernemen, die Mulder gekend hebben.

En prof. Buys Ballot voegde er bij:

))Mij dunkt, dat op die wijze voor U alle vol-))doening voor uwe pogingen zou gevonden wor-))den, en dat tevens in eene Akademische publieke «plaats, die veel bezocht wordt, ook door vereer-«ders en ook door studenten, en ook wel van «andere faculteiten, eene waardige plaats voor zulk «een medaillon zou gevonden worden.quot;

Ten slotte deelde Z.H.G. mij mede:

))dat tegen andere voorstellen van hem, prof, «Snellen en Ü.H.G. door de overige aanwezigen «steeds bezwaren werden geopperd.quot;

Wie die overige aanwezigen en welke die voorstellen waren, werd niet gemeld.

De hoofdzakelijke inhoud van mijn antwoord d.d. 21 October jl. op dezen brief bestond o.a. uit het volgende:

ocr page 15

13

dat het mij moeite kostte om eenig logisch verband te ontdekken, tusschen de conclusie, waarbij de onmogelijkheid was aangenomen om het borstbeeld in het Chemisch laboratorium te plaatsen en het motief van nog bestaande onzekerheid betreffende de gelijkenis van het medaillon-portret.

Dit verband kwam mij dan ook dermate gezocht voor dat, ware het, dat ik aan de oprechtheid der geuite meening had kunnen twijfelen, ik in dit motief reeds de voorbereiding, de inleiding zou hebben kunnen zien, tot het voorstel om het portret ter keuring aan te bieden.

Met dit voorstel kon ik mij niet vereenigen. Wel kon ik er in toestemmen, dat, aangezien nu door de bij professor Buys Ballot bijeengekomen belangstellenden, de onmogelijkheid was gebleken eener plaatsing van het borstbeeld in het laboratorium, het mij geschonken medaillon of een afgietsel er van in een der zalen van de bibliotheek eene waardige plaats zou worden gegeven, doch niet, dat het vooraf aan eene keuring in een publiek lokaal zoude onderworpen worden.

De redenen, die mij vooral in dit antwoord tot leiddraad strekten, waren de volgende:

le. Dat ik hierin voor mij tegenover den vervaardiger en schenker eene onvoegzaamheid zag. 2e, Zooals ik hiervoren reeds verklaarde, professor Dibbits en ik vermeenden, dat de gelijkenis en uitvoering goed waren.

Ik deelde echter professor Buys Ballot op duidelijke wijze mede, dat indien Z.H.G. en de overige belangstellenden der bewuste vergadering nog twij-

ocr page 16

14

felden, het mij dan zeer aangenaam zou zijn, zoo men mij het genoegen wilde doen om die gelijkenis ten mijnent te komen beoordeelen en ik eindigde met deze regelen:

«Mocht de uitslag van dit onderzoek niet over-»eenstemmen met het gevoelen van professor «Dihbits en het mijne en de opname in brons in »een der zalen van de Bibliotheek op dien grond «niet raadzaam worden geacht, dan wensch ik «mijn voornemen te handhaven, omschreven op «de laatste bladzijde van mijnen aan den Hoog-«leeraar Dihbits op den 2 Juni JI. gerichten brief.

Na nu ruim zeven weken op antwoord gewacht te hebben, schreef ik aan professor Buys Ballot de navolgende missive:

Haarlem, 13 Dec. 1884.

» Hoog Geleerde Heer!

«Mijn schrijven van den 21 October JL, zal «U.H.Gr. ongetwijfeld geworden zijn, en aangezien «ik mij niet met eenig tegenschrift vereerd mocht «zien, zoo moet ik hieruit afleiden dat U.H.G. «zich met de daarin voorkomende beschouwingen «vereenigt.

«Mijn welwillend voorstel om zich van de goede «gelijkenis van het bewuste medaillon-portret ten «mijnent te komen vergewissen, schijnt echter niet «even welwillend te zijn ontvangen, daar nog nie-»mand der Heeren, die de door U.H.G. in October

ocr page 17

15

»j.l. bijeengeroepen vergadering bijwoonden, zich ))tot dat einde bij mij heeft aangemeld, of mij het «voornemen daartoe heeft te kennen gegeven.

»Het verlangen dier vereerders en vrienden van «wijlen den Hoogleeraar G. I. Mulder om mede «te werken ter bereiking van het bekende doel, ))kan hieruit moeilijk blijken.

»Een en ander geeft mij het recht om de par-«ticuliere correspondentie over dit onderwerp met «U.H.G. voor gesloten te houden.

«Mocht men de behandeling door middel van ))de pers wenschen voort te zetten, zoo zal mij «zulks zeer aangenaam zijn.

»Ik voor mij heb hoegenaamd geen reden om «openbaarheid te vermijden.

«Zij komt mij zelfs gewenscht voor, en zal ook «denkelijk zeer welkom zijn aan uwen Collega «Dr. Dibbits, die mij bij missive d.d. 8 Juni j.1. «te kennen gaf daartoe geneigd te zijn, doch die «tot dusverre het stilzwijgen bleef bewaren.

«In ieder geval veroorloof ik mij, mij de vrij-«heid voor te behouden om over de zaak van «een huldeblijk c. q. zoodanige mededeelingen te «doen, als mij geraden zullen voorkomen.

«Deze onze correspondentie alzoo sluitende kan «ik den aandrang niet weerstaan om U.H.G. nog «met één mijner zienswijzen bekend te maken, tot «welke de loop der zaken, sedert 14 October mij «aanleiding gaf.

«Het trok namelijk o. a. zeer mijne aandacht, «dat mij in uwe missive van dien datum werd te «kennen gegeven, dat door de vergunning tot het

ocr page 18

16

«plaatsen van het medaillon of de buste in een ))der zalen der Universiteitsbibliotheek mij alle «voldoening zou zijn geschonken.

»Zeker zal elk blijk van vereering van wijlen «onzen hoogeachten meester mij innig verheugen.

«U.H.G. zult dat ook wel niet betwijfelen, maar «het komt mij voor, dat U.H.G. niet heeft opge-«merkt, dat mijne laatste aanbieding niet zoo zeer »haren oorsprong had in mijn verlangen om een «borstbeeld van Mulder te zien verrijzen, dan wel «de daartoe door den Hoogleeraar Dibbits in »«Eigen Haardquot; zoo warm uitgedrukten wensch, «in verband met het mij door uwe vergadering «voorgestelde.

«Het bevreemdt mij, omdat mijn brief van «2 Juni jl. (in druk) in uw bezit is, en de Heeren, «die door U ter vergadering waren geroepen en «aan die oproeping gehoor gaven, meer dan ver-«moedelijk met den loop der zaken, zooals deze «in dien brief voorkomt, bekend zullen zijn ge-«weest, of er door U H.G. mede bekend zullen «zijn gemaakt.

«Meer dan wellicht noodig was, geef ik mij «alzoo de eer U.H.G. nogmaals op te merken, dat «de door mij gedane aanbieding niet uitsluitend, «niet in de eerste plaats, het uitvloeisel was van «mijn onverpoosd streven ter bereiking van het «gewenschte, maar ook het gevolg van mijn ver-«langen om alle warme vereerders en vrienden «van wijlen prof. G. I. Mulder te gemoet te komen «en te voldoen, en inzonderheid hen, die hem in «publieke geschriften bewierrookten oi bij zijn

ocr page 19

47

«verscheiden een college-uur besteedden om hem »in zijne hooge waarde af te schilderen.

Ik heb de eer enz.,

{yet.) ONNEN gepensioneerd Kolonel.

Onmiddelijk hierop ontving ik toch nog een antwoord van prof. Buys Ballot.

Het hoofdzakelijke er van hield in:

'le Dat het buiten zijne bedoeling had gelegen mij zoo lang op antwoord te hebben laten wachten, aangezien bijkomende omstandigheden hem daarin verhinderd hadden.

2e. Dat hij mijnen brief van den vorigen dag (43 Dec.) aan de Heeren had laten lezen.

3e. Dat ook van de hiervoren bedoelde geachte zijde (/) was te kennen gegeven, dat het voorstel tot de plaatsing van het medaillon in de Bibliotheek mij niet onaangenaam kon zijn.

4e. Dat Z.H.G. zich van alle verdere dingen — dit waren zijne woorden — moest onthouden, behalve dat hij bereid was f 50 voor het borstbeeld beschikbaar te stellen, als het gelukte hiervoor eenig plan ten uitvoer te brengen.

5e. Verder nog dat, als het medaillon door mij naar Utrecht werd gezonden, alles terecht zoude komen.

6. Z.H.G. zou dan zorgen dat mij den dank toekwam, die — zeide Z.H.G. —ik wel niet begeerde

1 Bedoeld op bladz. 12.

ocr page 20

18

want mij dreef alleen enthousiasme voor den groo-ten scheikundige, maar die mij toch rechtmatig toekwam.

Zal het nu HoogGeleerde Heer! niet een ieder duidelijk zijn hoe èn U.H.G. èn prof. Buys Ballot met nog eenige anderen zich de bedoelde taak van den hals wilden schuiven.

Allen waren vervuld met dankbaren eerbied en stille bewondering voor hunnen voortnaligen meester en vriend, doch geen hunner wenschte — vermoedelijk werden allen door een en hetzelfde motief gedreven — de handen aan den ploeg te slaan.

Het is nu bijna sedert driejaar, dat ik bij hen — van wien ik de meeste sympathie voor mijn voorstel kon verwachten -— verschillende pogingen deed om het quot;verwezenlijkt te zien.

Men hield mij echter aan den praat en zocht mij door uitstel en drogredenen van mijn voorstel af te brengen.

Nauwelijks scheen men bereid om zonder tijdverlies de zaak ijverig te behartigen of er werden weldra weder allerlei bezwaren geopperd!

Vooral werd er geschermd met de bewering dat hij, die wij in een openbaar huldeblijk wilden vereeren, zich bij zijn leven tegen zoodanige hulde verklaard had, en als er dan door mij gevraagd werd naar eenig bewijs daarvoor, dan bleek het, dat het beweerde geen grond had.

Dat kwam o. a. ook weder uit, toen mij ter ooren was gekomen, dat, volgens prof. Buys Ballot, Dr. P. O. Brondgeest in de meer bedoelde samenkomst zich verklaard zou hebben tegen elke buste, op

ocr page 21

19

grond, dat de oom zijner echtgenoote (prof. (i. 1. Mulder) bij zijn leven zich daarvan afkeerig had betoond, en toen nu van geachte zijde werd aangedrongen op eene verklaring, was het wat lang gewachte antwoord, dat zijn oom wel tegen zulk een blijk van vereering zou zijn opgekomen, daar hij dergelijke blijken ijdel vond, doch dat men het desniettemin kon doen.

Door hem (Dr. Brondgeest) was dit bezwaar, volgens zijne eigene verklaring, in alle gevallen niet geopperd, en het was niet in zijne gedachte opgekomen om dit te doen gelden als een bezwaar tegen het aanbrengen van eene buste in het laboratorium.

Ook achtte hij de bezwaren door den zoon gemaakt van geene beteekenis; en mocht het plan tot stand komen, dan was hij bereid mede te werken.

Ook volgens mijne meening zou het nederig karakter van onzen grooten geleerde geen beletsel hebben moeten zijn, om hem in het openbaar hulde toe te brengen.

Hoeveel groote mannen, wier daden en werken door tijdgenooten of nageslacht in een monument worden herdacht en gehuldigd, zouden niet bij hun leven er zich mede tegen hebben verklaard.

Ik wensch U ook nog te wijzen op de vreemde handelwijze van prof. Buys Ballot, die aanvankelijk de door U neergelegde taak op zich nam, doch haar spoedig losliet, en haar op mijnen schouders scheen te willen overbrengen.

In zijnen laatsten brief noemde hij de zaak van

ocr page 22

20

het borstbeeld eene moeielijke zaak, en al spoedig scheen hij te veronderstellen, dat ik het was, die haar nu verder zou behandelen, niettegenstaande hij het tegendeel moest of althans kon weten.

Z.H.G. toonde dit door mij te vragen naar een plan van het huldeblijk en verder door de verklaring, dat hij bereid was om zijne geldelijke bijdrage aan mij over te maken, juist alsof ik de architect en de penningmeester eener Commissie ware.

Ook vond ik het nog al zonderling, dat prof. Buys Ballot mij in zijne missive d.d. 44 October 1884, mededeelende hetgeen in de door hem samengeroepen vergadering was verhandeld, dit — zooals ik later van bevoegde zijde vernam — slechts op onvolledige wijze had gedaan, en het een en ander had verzwegen van hetgeen mij eenen meer juisten blik in de aangevoerde motieven zou hebben kunnen geven.

Uw Collega zal dit wel niet opzettelijk hebben gedaan. Ik kan het althans moeielijk gelooven, want — om eene gemeenzame uitdrukking te bezigen — zou de sop toch hier de kool wel waard geweest zijn.

Maar wat was dan toch wel de reden hiervan ?

Indien Z.H.G. soms zou willen beweren, dat hij zijn talent van schrijven even hoogschat, als dat van spreken, dan zou het mij moeite kosten die bewering aan te nemen; maar zeker is het, dat door het in de vergadering besprokene, mij in geschrifte zóó weder te geven als Z.H.G. zulks deed, dit niet tot eene juiste beoordeeling, maar wel tot verkeerde en vertraagde afdoening moest leiden.

ocr page 23

•21

Een oogenblik mocht ik mij vleien met de hoop, dat er eene wijziging in prof. Buys Ballots handelingen zou komen, daar Z.H.G. mij de eer deed mij per briefkaart te melden, dat hij op den dag der begrafenis van prof. Baumhauer (22 Jan. jl.) mij waarschijnelijk en wel op een bepaald uur een bezoek zou brengen om het medaillon-portret te bezichtigen, wie of er echter kwam prof. Buys Ballot niet. Z.H.G. liet mij te vergeefs wachten, zonder de beleefdheid te hebben, mij te melden, dat hij verhindering had gekregen.

Ik vermeen U.H.G. nu zoo het efn en ander nopens sommige toestanden, die zich bij deze treurige zaak hebben voorgedaan, voldoende te hebben toegelicht, en mocht het U lusten om hen in het openbaar toe te lichten of te bestrijden, zoo zal mij dit, ten gerieve der waarheid hoogst aangenaam zijn.

Ofschoon nu bijna aan de mogelijkheid wanhopende om uw en mijn geheld denkbeeld verwezenlijkt te zien, blijft de wensch daarvoor bij mij niet minder levendig.

Hij zal ook wel door velen gedeeld worden en vooral door hen, die aan het hoofd der uitgave van Mulder's autobiographie het motto van Von Humboldt plaatsten «l'homme naquit pour être re-connaissantquot; en die vermoedelijk met mij zullen instemmen in de ontboezeming van wijlen prof. G. W. Vreede, voorkomend in het Utrechtsch Dagblad van 19 April 1880, die ik hier gaarne in het geheugen wil terugroepen.

Zij luidt aldus:

ocr page 24

22

Bij ueï graf aan G. I. Mulder.

«Een buitengewoon man is aan Nederland ontgallen, die veel groots en edels vereenigde, een «helder en wakker hoofd tot het laatst van zijn «langdurig leven; een warm hart, kloppende voor «al het goede en schoone, voor het heil der mensch-»heid.

))Nog zeer onlangs, weinige weken geleden schonk ))de onvermoeide pijnzende grijsaard ons zijne «laatste pennenvrucht van het sterfbed te Benne-»kom in Gelderland, waar hij gisteren is ontslapen. ')

«Van hem mag men getuigen, dat hij nuttig «werkzaam is gebleven, zelfs met een afgetobd «lichaam en toen het voor hem geen dag meer «kon heeten, daar hij het gezicht verloren heb-«bende, niet heeft opgehouden zijn licht voor de «wereld te doen schijnen, bestraald door den geest «en het vernuft, welke hij van de Voorzienigheid «had ontvangen, maar vooral bezield door den «gloed van eene heilige overtuiging en van een «vaderlievend plichtbesef.

«Zijne jongste, van 1870 af uitgegeven geschrif-«ten, door den genialen blinde en zieke uitgestort «in eene wegslepende taal, die eenige schitterende «bladzijden aan onze Letterkunde hebben toege-«voegd, zijn daarvan het treffend bewijs.

«Bij het bekoelen der partijzucht en van ande-«re driften, zullen de getuigenis in zake Hooger «Onderwijs en de geneeskunstoefenaren naar de

1) Nog in Januari 1880 verscheen het boekje over de noodzakelijkheid van gymnasiale opleiding voor geneeskunstoefenaren. Rotterdam, Kramers en Zoon.

ocr page 25

23

«Nederlandsche wetten — men mag hel vertrou-»wen — door de Regeering in de Staten-Generaal «worden geraadpleegd en behartigd, met het eer-»biedig ontzag voor de nagedachtenis en de rijke «en veelzijdige wetenschap en ervaring, beide van «den beroemden schrijver.

«Zoo heeft de Oud-Hoogleeraar tot den einde «toe gearbeid met eene warmte en frischheid, die «zijnen hooggeklommen leeftijd in onze jongere lie-«den beschaamden.

«Men oordeele wie en wat Mulder in de beste «kracht der mannelijke jaren voor de Utrechtsche «Hoogeschool heeft moeten zijn.

«Hij zelf placht met dankbaarheid, men kan het «kinderlijke eenvoud noemen, de lessen van Van «Heusde en Schroder, van Moll en andere uitste-«kende voorgangers te erkennen, en te vermelden «hoe groots verplichting hij aan hun onderwijs en «hunne genegenheid had.

«Op zijne beurt, zal gewis thans uit de schare «der verrukte toehoorders, die de plechtige inwij-«ding van het Chemisch laboratorium en de Hulde «aan Berzelius met mij hebben bijgewoond, meer «dan éene erkentelijke leerling, zelf naderhand «Hoogleeraar geworden en meer bevoegd dan ik, «de onvergankelijke diensten van G. J. Mulder als «scheikundige en als welsprekend onderwijzer, ont-«vouwen en voor het nageslacht te bewaren.

«Anderen mogen de vurige toewijding van den «grooten geleerde aan de publieke zaak in hache-«lijke oogenblikken noemen; ik denk het liefst aan «Mulder in den rustigen tijdkring van 4844—4848

ocr page 26

24

«en aan den bloei van zijne wetenschap, door den «steun van verlichte Curatoren, van Van der Ca-»pellen en van Craeyvan^er, uit bescheiden mid-))delen en toch zoo krachtdadig bevorderd, dat «reeds toen vreemdelingen, van onzen grooten Mul-))der, ook hunnen leermeester, dankbaar gewaagden.quot;

Ik besluit deze regelen met mij te noemen

UWHG. Dv. dienaar, ONNEN

Gepensioneerd Kolonel.

Haarlem, den 15 Maart 1885.

ERliATA OP DEN EERSTEN BRIEF.

blz. 10 regel 12 staat ter herinnering, moet zijn: ter herinnering

aan uwe belofte „ 12 „ 9 „ onpartijdige, „ „ onpartijdigen. „ 17 „ 17 „ 28 Februari, „ „ 28 Februaril882 „ 18 „ 3 v.o. „ artellerie, „ „ artillerie.

„20 „8 „ onze stadgenoot, „ „ onzen stadgenoot')

1) De woorden onzen stadgenoot zijn onjuist.

Zij zijn in liet eerstvolgend nummer van het Utrechtsch Dagblad verbeterd. Het was de gepensioneerde kolonel 11. Onnen te Haarlem, die de gedenksteen schonk.

ocr page 27
ocr page 28

BIJ DEN UITGEVER DEZES IS VERSCHENEN:

BRIEF vim den Gepensioneerden Kolonel der Artillerie IT. Oknen aan Dr. II. C. Dibbits, Hoogleeraar in de Scheikunde iian de Universiteit te Utrecht, betrekkelijk een daartestellen monumentaal huldeblijk, gewijd aan de nagedachtenis van don in 1880 overleden Hoog-leeraar Dr. G. J. Mulder. Prijs f 0.30.

SNELPERSDRUKKERIJ VAN A. M. SLOTHOUWER TE AMERSFOORT.