ocr page 1

;

VERPLIGTE REKENSCHAP

EN

ONTBOEZEMDE WENSCHEN. AFSCHEIDSWOORD,

GESPROKEN TOT ZIJNE GEMEENTE TE UTRECHT,

DOOR

HAREN HERDER EN LEERAAR

|J, )V. J H. y/ E D D I K,

or

19 April 18 S 5.

UTRECH T, C. H. E. B RE IJ ER. 1885.

ocr page 2

V

)

-

' V •

ocr page 3

VERPLIGTE REKENSCHAP

EN

ONTBOEZEMDE WENSCHEN.

AFSCHEIDSWOORD,

GESPROKEN TOT ZIJNE GEMEENTE TE UTRECHT,

DOOR

HAREN HERDER EN LEERAAR

J. W- y H, yv E D D I K ,

op

1» April 1885.

ocr page 4

Gedrukt ter «Utrechtsche drukkerijquot; te Utrecht — Jeruzalemsteeg.

ocr page 5

Op van onderscheidene zijde mij kenbaar cjemankl verlangen, geef ik mijn Afscheidswoord, mei enkele Ier zake niets afdoende bekortingen, in het licht. De toespraken zijn echter in haar geheel gebleven.

J. W. Th. W.

ocr page 6
ocr page 7

Voorzang: Gez. 108, vs. 1 en 2.

Ons hart verheugt zich, dat bij God 't Bestuur is van geheel ons lot, Dat Hij ons vreugd of ongeval,

Naar wij behoeven, zenden zal.

Hij , die ons leidt door 't aardsche dal, Die nimmer ons verlaten zal,

Heeft Zijne liefd' en trouw verpand Voor onze komst in 't Vaderland.

Lezing: Phil. 2, vs. 5—18.

Gezang 26, vs. 1 en 3.

O goedheid Gods, nooit recht geprezen !

Heet hij een mensoh, dien gij niet treft? Hoe snood ondankbaar moet hij wezen,

Die 't hart niet vroolijk tot U heft!

Neen , alles aan God dank te weten,

Zij steeds mijn plicht, mijn werk, mijn lied De Heer heeft nimmer mij vergeten :

Vergeet, mijn ziel, den Heer ook niet!

Sla 't oog, mijn ziel! op 't hooger leven, Uw toegewezen erfenis,

ocr page 8

6

quot;Waar gij, met heerlijkheid omgeven,

God eeuwig ziet, gelijk Hij is.

Die hoop mag u met recht verblijden,

Is u ten duren prijs gekocht;

Want daarom moest de Christus lijden.

Opdat gij zalig worden mocht.

Niet aangenaam, ja anders zeer ongepast, is het voor den dienaar des Evangelies om over zich zeiven te spreken , en toch dit moet thans geschieden, nn ik na eene ruim 30-jarige Evangeliebediening, waarvan bijna 24 jaren in uw. midden en de vorige 6 jaren te Harlingen en Zutphen, Ev. Lnth. Gemeente van Utrecht! thans gereed sta den herdersstaf uit de hand te leggen. Dat is een gewigtig besluit, waarvan ik al de zwaarte levendig gevoel. Memand uwer heeft mij tot dat besluit gedrongen. Daar het woord uit de H. Schrift: Ken den Heer in al uwe wegen en Hij zal uwe paden regt maken, — groote be-teekenis voor mij heeft, ben ik tot mijn besluit gekomen na veel ernstig gebed, na rijpe ernstige overweging. Dat heb ik aan mijnen ambtsbroeder, dat aan de leden van uwen kerkeraad, dat aan u, leden der gemeente, gezegd. God weet het, niet moedwillig, niet uit lust om u te verlaten, ga ik van u heen, na bijna het vierde eener eeuw in uw midden te hebben verkeerd, wij kennen elkander te lang en te goed, dan dat ook maar één uwer mij te dien opzigte van onhartelijken zin zou verdenken. Neen! ik verklaar het hier openlijk: de nood is mij opgelegd. De wijze, waarop ik steeds heb gemeend het ambt te moeten vervullen, kan ik niet anders opvatten

ocr page 9

7

clan ik gewoon bon te doen, en mijn lichaam, al heb ik ook Goddank! nog geene eigenlijk gezegde kwaal, beschikt niet moer over de krachten, die mij weleer ten dienste stonden. Terwijl de stad onzer inwoning zich in de laatste tien jaren magtig heeft uitgebreid, en onze groote buitenwijken, bij elkander gedacht, reeds op zich zelve eene nieuwe stad uitmaken, wordt het mjj onmogelijk , om zóó getrouw als mijn geweten mij onverbiddelijk voorschrijft, het herderlijk ambt waar te nemen. Aangezien nu het geweten eene stemme Gods is in den mensch, en zooals Luther zegt, het niet veilig is iets tegen het geweten te doen, moet ik het u wel verklaren: Hier sta ik, ik kan niet anders. Het moet tot eene zigtbare scheiding tusschen ons komen, al zal ik u, gemeente! waaraan ik mijne lichaams- en zielskrachten heb toegewijd zoo lange reeks van jaren, liefhebben in mijne gebeden, in mijne wenschen voor uw waarachtig welzijn tot den einde toe. Het hartelijk vaarwel! dat ik u ga toeroepen, rust op den grondslag van een tweetal getuigenissen van denzelfden Apostel. Gij leest die Apostolische getuigenissen 2 Tim. 4; 6b, 7 en Phil. 1 : 27:

De tijd van mijn scheiden is ophanden. Ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop voleindigd, ik heb het geloof behouden.

Wandelt slechts waardig naar het Evangelie van Christus, opdat, hetzij ik kom en u zie, hetzij ik afwezig ben, ik van u hoore, dat gij staat in éénen geest en in ééne ziel, en met ons strijdt voor het geloof des Evangelies.

Waarom ik dat eerste woord van Paul us tot zijnen vriend Timotheüs voor mij zeiven gekozen heb, hoe on-

ocr page 10

8

aangenaam, ik herbaal liet, het ook anders voor den dienaar des Evangelies is, over zich zeiven te spreken; neen, het bevreemde u niet, terwijl ik u herinner dat mijn onvergetelijke vader mij den 2dl!n Juni 1861 tot uwen herder en leeraar bevestigde met het woord uit denzelfden brief: „Zoo wees nu sterk, mijn zoon! door de genade in Christus Jezus!quot;

Reeds lang, zeer lang is mijn innig geliefde vader ontslapen, maar dat hartelijk woord, door hem hier gesproken en uit Paulus harte, dat vol liefde voor zijnen geestelijken zoon Timotheüs klopte, overgenomen, ik kan het nimmer vergeten. En waarom ik dat andere woord van Paulus tot zijne zoo innig geliefde gemeente van Philippi voor u koos, dat: Wandelt waardiglijk naar het Evangelie van Christus! kan u niet bevreemden, terwij) ik u in de herinnering roep, dat ik op den avond van den dag mijner bevestiging tot uwen herder en leeraar, mij aan u toewijdde met het woord van denzelfden Apostel; „quot;Wij prediken niet ons zeiven, maar dat Jezus Christus de Heer is, en wij uwe dienaren zijn om Jezus wil.quot;

Met mijne prediking van Jezus Christus zocht ik u te dienen, het verwondere u dan niet, dat ik na mijne onder u volbragte levenstaak, eenen wandel waardig het Evangelie van Jezus Christus, dat ik u verkondigd heb, zoo gaarne van u verlang. Eindelijk, dat ik èn uit den 2aeu brief aan Timotheüs èn uit den brief aan de gemeente van Philippi mijne laatste woorden als uw herder en leeraar ontleen, 't bevreemde u niet, terwijl gij bedenkt, dat deze brieven de laatste brieven des Apostels zijn, en al is het dat ik mij overigens zelfs

ocr page 11

9

niet in do verste verte met een man als Paulus kan vergelijken, nogtans dit punt van overeenkomst tusschon mijnen heerlijken voorganger, wiens werkzaamheid zich over een tweetal werelddeelen heeft uitgebreid, en mij-zelven bestaat, dat ons beider arbeid in den dienst van het Evangelie dertig jaren geduurd heeft. Wat echter beteekent echter mijn nietig werk, wat beteekent zelfs de arbeid van een Paulus, al duurde hij ook dertig jaar, vergeleken met den driejarigen arbeid van den Leeraar van het Rijk der Hemelen, van Jezus Christus, die ééniglijk de Weg, de Waarheid en het Leven is, van Hem den Zoon Gods, tegenover wien een Paulus in het stof nederzinkt, tegenover wien ieder Evangeliedienaar na hem in het stof moet nederzinken! Laat mij dan nu, onder biddend opzien tot God, de beide tekstwoorden in onze overdenking vereenigen, terwijl ik aangaande mijzelven rekenschap ga geven, nu de tijd van mijn afscheid daar is, om daarna de wenschen en verwachtingen, die mij in betrekking tot uwe toekomst bezielen, uit te spreken.

I. Paulus getuigt: „De tijd van mijn afscheid is voor handen.quot; Hij roept het van uit den kerker te Rome zijnen veelgeliefden Timotheüs toe, hij gevoelt het dat hij na zijne 30-jarige Evangeliebediening niet lang meer hier beneden zal zijn, en weinige regelen later zegt hij het: „De Heer zal mij verlossen van allo kwaad en uithelpen tot Zijn Hemelsch Rijk!quot; Hij zegt het echter ook: „ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop voleind ik heb het geloof behouden!quot; Als ik het, bij het diep

ocr page 12

10

gevoel mijner menschelijke zwakheid nogtans waag, met Paulus dankbaar uit te roepen: „Ik heb het geloof behouden!quot; dan geef ik u

daarmede rekenschap hoe ik mijnen arbeid als dienaar des Evangelies meende le moeten opvatten.

Het heilig leeraarsambt, het dienaar van Jezus Chrhtus te zijn door de prediking van Zijn Evangelie, stond mij in mijne jeugdige jaren als hoogst begeerlijk voor den geest, mijne opleiding daartoe mogt ik even als mijn waarde ambtsbroeder ontvangen door het voortreffelijk onderwijs van onze leermeesters Nieuwenhuis en Millies, onvergetelijke, rijk begaafde mannen, predikers van het volle Evangelie van Christus, eenmaal ook uwe waardige herders en leeraars! Hoe wisten Nieuwenhuis en Millies, die mannen des geloofs, vol des Heiligen Greestes, hunne leerlingen te bezielen, en op de heerlijkheid der Evangeliebediening te wijzen! En nu, na 30-jarigen arbeid in dat ambt, blijft mijne ziel verklaren: voorwaar, hij, die eenmaal het opzienersambt over de zielen begeerde, begeerde een kostelijk ambt! Want wat is heerlijker dan in al den omvang des woords een getuige van Christus te zijn! — van dien Eénigen Meester, quot;Wien Zijne jongeren in alle eeuwen nimmer genoeg kunnen liefhebben, van dien goeden Herder, die Zijn leven heeft gelaten voor de schapen, van dien Zoon Grods, dien Yorst des Levens, die leven en onsterfelijkheid aan het licht heeft gebragt! Wat heerlijker dan dit Evangelie, déze blijde boodschap den zondaar aan de ziel te leggen: Alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijnen éénigen Zoon heeft ge-

ocr page 13

11

geven, opdat allen die in Hem zouden gelooven, niet verloren zouden gaan, maar het eeuwige leven hebben.

Zie, mijne gel.! mijn geweten zegt het mij, dat ik het ten allen tijde heb gedaan. Ik heb niet achtergehouden, dat ik u niet zou verkondigd hebben al den raad Gods, Zijn heiligen afkeer van de zonde. Zijne ontfermende liefde in Christus, Zijne innige bedoeling om in Christus u allen te zaligen. Hadde ik eenen anderen weg gekend dan die ten leven leidt in Christus Jezus, ik zou u dien hebben verkondigd, maar er bestaat geen andere weg, geen andere naam dan die van Jozus Christus, den Zone Gods, is den menschen gegeven om zalig te worden. Omdat ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken; ik heb u het volle Evangelie van Christus gepredikt naar de Schrift; dat Evangelie heb ik mij nooit geschaamd, want het is eene kracht Gods tot zaligheid voor allen die gelooven!

Met dankbaarheid aan Gods groote genade mag ik het heden getuigen: Gelijk ik geloofd heb, toen ik mij aan u verbond, zoo heb ik dat geloof in Christus behouden, — en in dat geloof, want er is geen ander dat stand houdt voor de eeuwigheid, hoop ik eenmaal, — te sterven.

Paulus getuigde: „De tijd van mijn afscheid is voorhanden,quot; en hij voegde er onmiddelijk bij: „Ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop voleind.quot; Als ik, bij het diep gevoel mijner menschelijke zwakheid het waag, die woorden thans over te nemen, dan geef ik u daarbij rekenschap van de wijze, waarop ik mijn herderlijk ambl in uw midden poogde te vervullen. Een

ocr page 14

12

lange loop van jaren heb ik met u voleind, een dikwijls lie

zwaren strijd hebben wij aan elkanders zijde gestreden. pa

Hoe heerlijk de arbeid van den dienaar des Evangelies de

ook zij , wanneer hij van den kansel sprekende, als broeder hv

tot de vergaderde broeders en zusters, zielen zoekt te or

winnen voor het Rijk der Hemelen, of in de uren van het to

godsdienstig onderwijs met ernst en liefde de zielen der le

jeugdigen in de gemeente wijst op den trouwen Hemel- m

vader, den Heiland en Vriend der kinderen, — het herder- m

en leeraarsambt maakt één ondeelbaar geheel uit. Wat II

mjj inzonderheid aantrok in mijn herderlijk ambt, 't was li

de nood der armen, de droefheid der weezen, het lijden ti der kranken. Armoede te lijden, 't is op den levensweg

van Gods kinderen een zwaar kruis; iets nu te mogen zi

doen om den nood mijner arme broeders en zusters te b

lenigen, ik heb mij daaraan niet onttrokken, omdat ik si

vermeen dat het geloof, wanneer het in de liefde niet d

werkzaam is, den geest van Christus niel draagt. Hij v

toch heeft het al den zijnen voorgeschreven: Hebt God C

lief boven alles en den naasten, als u zei ven, en wederom: \

Wat gij wilt dat u geschiedt, doe dat ook aan anderen. 1

Voor al de zijnen, die waarlijk in Hem gelooven, moet het i

ook de levensleuze zijn: Daaraan zal een iegelijk erkennen 1 dat gij Mijne jongeren zijt, indien gij liefde onder elkander

hebt! — i

Gelijk het lot der armen, trok dat der weezen lt;

mij zeer aan. Vader Zimmerman, — eere aan zijne nage- 1 dachtenis! — zeide mij kort vóór zijn sterven: Heb toch altijd mijn weeshuis lief! Ik heb die woorden van den liefdevollen man nooit vergeten, zijn weeshuis heb ik

ocr page 15

13

liefgehad. Van uit de hand van menig stervend ouderpaar mogt ik de kinderen toevertrouwen aan de leiding der waardige regenten, aan de nog levenden, en aan hunne waardige voorgangers, Osti, Joh. Casp. Schuurman om geene anderen te noemen, die weezen, opgegroeid tot jongelingen en jonge dochters, mogt ik inzegenen tot leden der gemeente met het Psalmwoord: Vader en moeder mogen u verlaten, de Heer neemt u toch aan! of met Christus vertroosting: Ik zal u geene weezen laten. Ik kom tot u! Wat ik voor den stoffelijken en geestelijken toestand der weezen kon doen, mijn geweten getuigt het: ik heb het gedaan.

Gedurende den tijd mijner veeljarige herderlijke werkzaamheid heb ik, gemeente ! gestaan aan tal van krank-bedden en stervenssponden. Ik heb gedeeld in uwe smarten en trachtte uwe droefheid te lenigen. Eens in den zomer van een lang verleden jaar hebben wij ontzettende weken met elkander doorleefd en bleven wij dank zij Gods genade voor elkander gespaard. Aan ambtservaring , vooral bij kranken en stervenden heeft God het mij nooit laten ontbreken, en aan Zijne genade dank ik het dat ik het, nu de tijd van mijn afscheiden daar is, mag zeggen: Ik heb den strijd gestreden, en den loop voleind.

En nu, — wat zal de slotsom zijn mijner rekenschap, die ik u verpligt ben te geven over het voeren van mijn herders-en leeraarsambt! Meent toch niet, broeders en zusters! dat er eenige stofte overblijft om mij zeiven te roemen. Wie ben ik nietig, zwak, zondig mensch! Al beschuldigt mijn geweten mij ook niet van ontrouw, er heeft toch zooveel, o zooveel nog ontbroken! Als God mij in zijn gerigt

ocr page 16

14

neemt, wat kom ik dan veel te kort! Als Christus mij toetst aan Zijn Evangelie, dan is de slotsom van een SOjarigen arbeid het woord des Heéren: „Indien gij ook alles hadt gedaan, wat gij schuldig zijt te doen, en dit, ik verklaar het voor God, dat deed ik op lange na niet, — zoo zegt, wij zijn onnutte dienstknechten.quot; Hoogstens blijft my over, dat ik u verklaar, hoe ik het weinige goede, dat ik mogt werken, alléén door Gods kracht, door Gods genade mogt volbrengen, en dat ik ééniglijk zeggen mag: Daardoor, door Gods en Christus genade is het geschied, dat ik het goede heb bedoeld.

Gezang 74 , vs. 1, 3 en 6.

God enkel licht,

Voor wiens gezicht Niets zuiver wordt bevonden , Ziet ons bevlekt, Met schuld bedekt, Misvormd door duizend zonden.

Heer! waar dan heen ? Tot u alleen !

Gij zult ons niet verstoeten Uw eigen Zoon,

Heeft tot Uw troon Den weg ons weer ontsloten.

Blijft Gij, o Heer, Steeds, TI ter eer, 't Geloof in ons versterken ,

ocr page 17

15

Dan zullen wij , Gereed en blij, Uit liefde 't goede werken.

II. Terwijl de afscheidsure mij in de noodzakelijkheid bragt om, hoe ongaarne ook, over mij zeiven te spreken, gedenk ik thans aan de wenschen en verwachtingen, die mij ten uwen opzigte bezielen. Ze zijn geene andere dan die Paulus ontboezemde voor zijne innig geliefde gemeente te Philippi: „Wandelt slechts waardiglijk naar het Evangelie van Christus, opdat, hetzij ik kome en u zie, hetzij ik afwezend ben, ik van u hoore, dat gij staat in één geest en ééne ziele, en met ons strijdt voor het geloof des Evangelies.quot;

Wat ik van u mag wenschen, mag verwachten, 't is een hartelijk geloof in den Hemelvader, een hartelijk geloof in Jezus Christus. Het leven van den mensch verkrijgt dan eerst beteekenis voor het Rijk dei-Hemelen, wanneer hij zich als een in Christus geliefd kind des Hemelvaders erkent. En dat kan eeniglijk geschieden op den grondslag eener innige gemeenschap des geloofs door den Zoon met den Vader. Immers in dien Zoon ziet de Vader schuldige zondaren als geliefde kinderen aan, die Hij verzoent met Zijn Vaderhart. Wie dan nu in den Zoon gelooft, niet maar met de lippen alleen, maar met het hart, en zich naar Diens Evangelie gedraagt, die wandelt dan ook waardiglijk naar dat Evangelie, die bezit reeds hier het eeuwige

ocr page 18

16

leven, terwijl het voor zijn geloof als onwankelbare waarheid vaststaat; Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den éénen waarachtigen Grod, en Dien Gij gezonden hebt, Jezus Christus.

Indien gij uwe zaligheid lief hebt, o gemeente! wijkt dan niet af van den grondslag des geloofs, waarop ook het gebouw onzer Luthersche Kerk rust; De zondaar wordt bij Grod geregtvaardigd door het geloof in Jezus Christus, uit genade.

Kinderen der Hervorming! wijkt nimmer af van dien vasten grondslag! Gedurende den tijd mijner ambtsbediening zag ik, ongezocht, eene groote schare van leerlingen aan mijne leiding toevertrouwd, meerendeels jongelingen en jongedochters, maar ook mannen en vrouwen in de kracht des levens, ook enkele ouden van dagen.

Menigeen hunner woont niet meer hier ter stede, menigeen hunner is reeds ingegaan tot de eeuwige ruste, maar niemand of hij beloofde met de regterhand op den Bijbel, dat hij trouwe zou houden aan den geloove in 's Heilands woord; Wie Mij zal belijden voor de men-schen, dien zal ook Ik eenmaal belijden voor Mijnen Hemelschen Vader. Kinderen der gemeente! die weleer mijne leerlingen waart, en gij allen, leden der gemeente! beschaamt, ik bid het u, mijne wenschen, mijne verwachtingen niet, opdat het niet blijke dat ik te vergeefs aan u gearbeid hehbe!

Laat u niet afdringen van het vaste fondament des geloofs! Geen andere grondslag kan gelegd worden dan die gelegd is in Jezus Christus. Houdt wat gij hebt, opdat niemand uwe kroon van u neme! Waakt met alle

ocr page 19

17

zorgvuldigheid over het kleinood des geloofs, wandelt bij uw waken en bidden waardiglijk naar het Evangelie van Christus, en vergeet het niet, dat het de zielewensch van uwen scheidenden leeraar en vriend is, dat voor hem vervuld moge worden, wat Johannes getuigde: Ik heb geene grootere vreugde dan dat ik hoor, dat mijne kinderen in de waarheid wandelen.

Wanneer ik U nogmaals toeroep, en daarin mijne wenschen en verwachtigen uitspreek; Wandelt slechts waardiglijk naar het Evangelie van Christus, opdat hetzij ik kome en u zie, hetzij ik afwezend van u hoore, dat gij staat in eónen geest en óéne ziele, — dan wensch ik bij uw eenparig vasthouden aan het geloof óók uw één-parig arbeiden in de liefde. Van de Apostolische gemeente te Jeruzalem leest gij het: Zij was één hart, en ééne ziele, en zóó werd in Christus kracht de groote arbeid der weldoende liefde door haar gewerkt. Waarom zou het ook met u, gemeente! in de toekomst niet zóó kunnen zyn ? Dikwijls heb ik het u van dezen kansel en in uwe huizen gezegd , wat beteokenis heeft voor het Kijk des Hemels, niet het naamdragen maar het beelddragen van Cnristus, het geloof, dat in de liefde werkzaam is. En nog eens zeg ik het u voor de laatste maal als uw herder en leeraar, die van u scheiden gaat: Al hadde ik een geloof, dat bergen verzetten kon, en ik hadde de liefde niet, zooware ik als een luidend metaal en een klinkende schel, en al gave ik al mijne goederen den armen en liete mijn lichaam verbranden, maar hadde de liefde niet, zoo ware het mij niets nut. Zoo sprak Paulus van de liefde als het kenmerk dergenen, die het

ocr page 20

18

eigendom van Christus zijn. Zóó noemde hij de liefde de hoogste aller gaven. Nu zegt hij, blijft geloof, hoop, liefde , maar de liefde is de meeste van die. Maar wat spreek ik hier van Paulus, terwijl de onmetelijke liefde van Christus voor de Zijnen u telkens werd herinnerd en wij geene Avondmaalsbediening vierden of ik wees u terstond op Zijn woord, op Zijne daad der opofferende liefde: Niemand heeft grootere liefde dan die zijn leven laat voor zijne vrienden! quot;Welnu: weest dan ook in de toekomst volgelingen van Christus door uw eenparig wandelen, uw eenparig arbeiden in de liefde! Leven is lieven en lieven is leven, zóóveel werd ieder van 't leven gegeven, zoovéél als liefde zijn adren doorstroomt. De liefde, zooals Jezus Christus die van de Zijnen verlangt, zoekt zichzelve niet, maar ziet op datgene wat des anderen is , en wil zoo gaarne overal ten zegen zijn. Gemeente! die ik op het hart gedragen heb, omdat gij mij eenmaal werd toevertrouwd: Ik smeek er u om, beschaamt mijne wenschen, mijne verwachtingen voor de toekomst niet! Gij dan: breekt uwen hongerigen het brood, laaft uwe dorstigen, kleedt uwe armen, vertroost uwe bedroefden, bemoedigt uwe kranken, versterkt uwe stervenden! Doet dat alles, gedreven door de hartenzaligende liefde van Christus! Zóó zult gij, God geve het, waardigljjk wandelen naar het Evangelie van Christus. Gij zelve zult dan in navolging van Christus een levend Evangelie, een brief van aanbeveling van Christus bij anderen zijn. Terwijl ik van u scheiden ga, dring ik u het veelbeteekenend woord van Johannes op de ziel: Het is de laatste ure. kinderkens! hebt elkander lief!

quot;Wandelt waardiglijk naar het Evangelie van Christus!

ocr page 21

19

Het leven des Christens, gegrond in het geloof, werkzaam in de liefde, is ook een leven in de hope, die uitziet naar het Rijk der Hemelen, waarheen Jezus Christus zelf is gegaan om den Zijnen plaats te bereiden. Uren, dagen, maanden, jaren. Vliegen als een schaduw heen, Ach! wij vinden waar wij staren, Niets bestendigs hier beneên. Geslachten komen , — geslachten sterven. Leeraren komen, — leeraren gaan, — laat ze gaan! Green nood! Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en in eeuwigheid. Hij is geen zwak, zondig, vergankelijk mensch, gelijk ik ben. Neen, Hij is de magtige Zoon des Vaders, de Koning van het Eijk der Hemelen, de Levensvorst, die het verzekert: Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld. Hij heeft op Hemzelven als den Rotssteen der eeuwen Zjjne gemeente gesticht, en de poorten dei-helle zullen haar niet overweldigen! Hij zelf heeft niet alleen voor Zijne eerste jongeren gebeden, maar ook voor allen, die door hun woord in Hem gelooven zouden, ook voor u , gemeente! Stelt dan by eenen waardigen wandel naar het Evangelie, ééniglijk uwe hope op de genade, die u wordt aangeboden door de openbaring van Jezus Christus. Arbeidt met het oog op den Hemel, niet om de spijs die vergaat, maar om de spijs die blijft ten eeuwigen leven! Dit aardsche leven, kort en vlugtig als het is, gaat voorbij op den stroom des tijds, maar wat daarin in geloof en liefde met de hope op de eeuwigheid werd gezaaid, dat zal vruchten dragen op den dag des eeuwigen oogstes! Zóó zij het ook met u , gemeente! beschaamt dan mijne wenschen, mijne verwachtingen voor zoodanige toekomst bij u niet!

ocr page 22

20

Gezang 257 , vs. 4.

Dat de tijd hier 't al verover',

Aan geen tijdperk hangt mijn lot; Gij , Gij blijft mij altijd over,

Gij blijft eindeloos mijn God! Welk een ramp mij hier ook nader', 'k Vind in U mijn zielsrust weer; Gij blijft in Uw Zoon mijn Vader, quot;Wat verander', wat verkeer'.

Mijn waarde Ambtsbroeder! Terwijl onze studiejaren ter voorbereiding voor het heilig ambt onzer Evangeliebediening in denzelfden tijd vielen, en gij daarna naar het diepe zuiden, ik naar het hooge noorden van ons vaderland geroepen werden, schikte God ons beider wegen naar het midden des lands, en bijna het vierde eener eeuw werkten wij met elkander op denzelfden akker. O, hoe heeft het mijne ziel steeds verblijd, dat gij steeds met mij vasthieldt aan denzelfden Rotssteen des geloofs, en in een tijd van zooveel afwijking steeds den vollen Christus van het Evangelie aan de gemeente hebt verkondigd. Daarin ging uw vrome, door mij hooggewaardeerde Vader, U heerlijk voor. Hoeveel heb ik met u beleefd! Ik deelde in uw lief en in uw leed, ik stond aan uw ziekbed, aan het graf uwer dierbaren, maar ik deelde ook in uwe blijdschap, waar gij zegenend de vaderhanden uitbreiddet over uwe dochters in de aandoenlijke ure barer geloofsbelijdenis, of waar ik met u het zilveren feest uwer ambtsbediening in deze gemeente mogt mede-

ocr page 23

21

vieren! Voortaan zullen wij niet meer aan elkanders zijde op denzelfden akker dezer gemeente arbeiden, — en wat ik thans voor u in het harte heb, 't is de innige wensch: Ga voort de gemeente op te bouwen in haar allerheiligst geloof, gelijk gij het steeds met innige liefde tot uwen Heiland gedaan hebt! Wees haar nog lang ten grooten zegen! — En dit is mijne bede voor u: God zegene u en al de uwen met Zijnen rijksten, Vaderlijken zegen! Hij schenke u de volheid Zijner liefde in Christus, nu en eeuwig!

Waarde Broeders! Leden van den Kerkeraad en Grooten Kerkeraad onzer Gemeente! Terwijl ik u aanzie is mijn hart bewogen bij het terugdenken aan de jaren van ouds. Wel hadt gij dezelfde voorgangers op dezen kansel, maar mijn ambtsbroeder en ik, wat zagen wij al veranderingen in uw midden! Zóó gedenken wij in weemoedige en dankbare herinnering aan onze ontslapene vrienden, aan een Osti en Nieuwenhuis, aan een Joh. Casp. Schuurman, en Bahnsen, aan een Witte en Nagt-glas, aan een Ebeling en Hartmann, om van menig ander niet te spreken. Aan u nog levenden! in wier midden ik onzen vroegeren waardigen Voorzittend-ouderling Turner aanschouw, mijn innigen dank voor den geest van eendragt, vrede en liefde, waarmede gij met mijnen ambtsbroeder en mij hebt gearbeid! Vergun mij', broeder Doorman! dat ik u hier in het bijzonder noem. Uwe woorden tot mij gesproken, uwe regelen aan mij geschreven als de tolk van hetgeen uw hart en dat uwer medebroeders voor mij gevoelde, toen mijn besluit om mijne ambtsbediening

ocr page 24

22

neder to leggen, u en hun bekend was geworden, neen! ik zal het nimmer vergeten, ik dank er u voor uit de volheid van mijn hart. Zegene God u en u allen, waarde broeders, met Zijnen besten zegen! Eén ding smeek ik van u af: Verblijdt het hart van hem, die zoolang met u zamenwerkte en nu van u heengaat, daarmede, dat gij, die met mijnen ambtsbroeder geroepen zjjt, om mijne plaats te doen vervangen, der gemeente eenen nieuwen herder en leeraar schenkt, die op de grondslagen des geloofs en der liefde arbeidt tot grooten zegen voor de zielen die aan zijne leiding worden toevertrouwd.

Leerlingen uit vroegeren en lateren tijd, aan wier godsdienstige opleiding ik mogt arbeiden! Gij weet, wat ik u onderwezen heb, hoe ik n wees op uwen God, op uwen Heiland, op uwe christelijke pligten. Vergeet die jaren der opleiding niet, 't waren goede, heerlijke jaren. Gij kunt mij geene grootere blijdschap schenken dan déze, dat ik steeds hoore van uw vasthouden in geloof en liefde aan dien Jezus Christus, dien gij eenmaal beleden hebt, dat gij Hem verheerlijkt door uwen vromen, christe-lijken, zedelijken wandel! Gij, mijne laatste leerlingen! vol vertrouwen draag ik u over aan de godsdienstige opleiding mijns waarden ambtsbroeders! Verblijdt zijn hart door een getrouw en ijverig volgen van zijne lessen! En thans

Gemeente! mijn laatste wooid aan u, eer ik mijn ambt nederleg. Ik dank u voor het vertrouwen, dat gij in mij hebt gesteld, toen gij weleer uwe kinderen tot

ocr page 25

23

mij hebt gebragt, opdat ik ze op Grod en Jezus Christus zou wijzen, en ieder, die voortdurend belang heeft gesteld in het woord der Evangelieprediking, dat ik van deze plaats heb gesproken. Houdt vast aan Gods heilig en dierbaar Woord, hetgeen de beste schat is uit den Hemel aan arme zondige menschen gegeven. Dat Woord, ik heb het u verkondigd, en gelijk het hier te lezen staat boven dezen vergankelijken kansel, het blijft in eeuwigheid. Leeft dan met dat Woord in het hart, sterft dan eenmaal in het geloof aan de beloften van dat Woord! Zoo bevele ik u dan Gode en den Woorde Zijner genade. Die magtig is u «p te bouwen en de erfenis te geven onder allen die geheiligd worden!

Wandelt waardiglijk naar het Evangelie van Christus in éénen geest, in ééne ziele! God zegene u, nu en eeuwig, en geve het u en mij elkander eenmaal daar in dien Hemel te ontmoeten, waar niets ons scheiden kan van de liefde Gods, welke is in Zijnen Zoon, onzen Heer Jezus Christus. Amen!

Slotzang: Gez. 145.

Halleluja! eeuwig dank en eere,

Lof, aanbidding, wijsheid, kracht, Word', op aard en in den Hemel, Heere !

Voor Uw liefd' U toegebracht!

Vader ! sla ons steeds in liefde gade!

Zoon des Vaders ! schenk ons Uw genade! Uw gemeenschap, Geest van God ! Amen, zij ons eeuwig lot!

ocr page 26

24

Na de zegenbede werd staande gezongen;

Oude Bündel. Gezang 102, vs. 8.

Al 't goede, hier door u gesticht,

Vol helpend mededoogen.

Volgt u gewis in 't jongst gericht;

Daar zal 't uw roem verhoogen. De treurgen, die gij hier vertroost,

Hoe arm, hoe klein, zijn 's Eeuwgen kroost, En dierbaar in Zijn oogen.

ocr page 27

1

'tl; kH ':V; ,'■■■•■quot;,quot;

: J'- ir ..■ '■'V. v;.-.: J ' ■■:.! , v. ■■ .-■ • :■,'v ■ -•J ■. .%

■

, ,,., ,^iV .......

■ V- ■- ■ j , ■

.'■ '

Cy ■'quot;'v.- '

tw :,.

■:.y .r\ gt;■•

. K'

••-'I ,:-;

•■• j,- ■

•■•'• - C:..''.A-

. ti :

''J' --■ y

■c- ''■■■; -.yj ..■■■• ;

ÏT-

•k'-'v

;\.

r-■ v

fê.i-r

I

s '/• V' i.

■ ■Ja

:■

• i • 1 • . ' ■ ?

i-

:v gt; '• ' ■■

■ 1

J

' ; v . ■ .. .' ' v '' . . • • .

_____

■ -__

...

___

_

1

• • '' v;;_

ocr page 28

Nieuwe Uitgave van C. H. E. BREI,TER te Utrecht.

ZESTAL LEERREDENEN,

J. gt;1. LOOIS,

Emeritus Predikant.

quot;Waaronder: Gedachtenisviering van 40jarige vervulde Evangeliedienst en afscheidsrede aan de Gemeente Woerden.

l'cjcqc vciv i'c11 voc^cijle va n bc 01): i^l'cl i j lie c^ljcof l'c

Prijs f 0.90.

GOD,

HET EEUWIGE LICHT.

P Ti EDI KATJE naak aanleiding van I JOH. 1: 5,

door

-A.. E. X,. quot;W. ïiÖAIEK,,

Pre d i kan t te Buur malsen (Gelderland.)

Trijs f 0.25.