/gt;. //-iyr i-, ss'
'ffs V/Zé ï
HET RECHT VAN BEZIT.
VOLKSVOORDRACHT,
GEHOUDEN VOOR HET
HEDEMDSCH lEHLIEDEB-TEEBOBD JATBIIOiüMquot;.')
DOOR
J. A. WORMSER.
Alleen de maker van eenig voorwerp heeft het recht op den onvervreemdbaren eigendom van dat voorwerp; en alleen hij, die volgens deze wet eigenaar is, heeft onvervreemdbaar recht op het vruchtgebruik van dat voorwerp.
Deze woorden geven, dunkt me, vrij juist een der grondstellingen weder van de zeer talrijke klasse der maatschappij, die met de tegenwoordige begrippen van eigendom ontevreden is. Reeds daarom zijn ze overwaardig dat men zijn ge-heele aandacht er aan wijdt. Niet alleen zij, die betrekkelijk of letterlijk niets bezitten, maar wellicht nog meer de bezitters zijn uit den aard der zaak gehouden, in hun eigen belang, om deze stelling onbevooroordeeld en grondig van alle zijden te bezien. Want zij gaat allen rechtstreeks aan. Zij is de hoeksteen van de tegenwoordige sociale kwestie. Want ook de overige stellingen over eigendomsrecht, en zelfs over de onrechtvaardigheid van eigendomsrecht, welke de èociaal-democratie in haar program schrijft, zijn gegrond op deze stelling.
/?u
oC. r, y
Wat haar zoo gevaarlijk maakt voor de millioenen bezitters, die van de leeringen der sociaal-democratie niets weten willen, is dat ze volkomen waar is. Volkomen waar, mits men het woord onvervreemdbaar
') Te Dordrecht 23 Februari 1885; te Rotterdam 24 Februari 1885; te Amsterdam 18 Maart 1885.
2
slechts opvatte in den gezonden zin: namelijk dat niemand het recht heeft den eigenaar of rechtmatigen vruchtgebruiker zijn voordeel te ontnemen op eenigerlei manier. Hetgeen nooit buitensluit, dat deze vrijwillig ten voordeele van anderen tijdelijk of voor goed er afstand van mag doen. Wanneer deze stelling slechts zuiver en eerlijk wordt toegepast, is bet socialisme met en door haar sterk. Mij dunkt: slechts dom vooroordeel of laaghartige eigenbaat kunnen haar betwisten, maar niet haar met degelijke argumenten omverwerpen. Of: zooals de socialisten het liever noemen; slechts loonslaven, die het hun toekomende niet durven opeischen, en onrechtmatige bezitters, die het onder hun berusting zijnde niet willen afstaan. Maar overigens â wie zou er iets tegen in te brengen hebben? Er kan over zeker voorwerp verschil ontstaan of de eigenaar de maker wel is; of het wel een maker heeft; maar niet over het wettige recht van eigendom wanneer de maker bekend is. Tenminste niet tusschen e e r 1 ij k e lieden.
Dat de zaak van het eigendom niet in 't reine is, wat zeg ik: dat ze schromelijk verward is, zal wel niemand op goede gronden tegenspreken. Daar zijn velen, die goederen en gedeelten van den grond bezitten, die hun volstrekt niet toekomen. En er zijn millioenen, die niets bezitten van hetgeen hun eigendom moest zijn. Volkomen begrijpelijk is dus de spreuk van de Tocqueville, die de socialistische scheurkalender van 1885 voor denylS611 Juni aangeeft:
«Een nieuwe en billijke verdeeling van de goederen en rechten dezer wereld moest het voornaamste doelwit zijn van hen, die de menschelijke aangelegenheden leiden.quot;
't Is wreed, en niet minder dom, om zich van de ontzaglijke kwestie der verbazende ongelijkheid in bezit, en de schreeuwende onrechtvaardigheid in vruchtgebruik maar met een ^Jantje van Leidenquot; af te maken, 'k Weet oppervlakkig beschouwd, geen woord in te brengen tegen hetgeen dezelfde scheurkalender op 25 Mei van Aubry aanhaalt: nDe billijkheid vergunt niet, dat een enkel individu een zaak of een produkt in bezit neemt, waaraan hij geen arbeid toevoegt.quot; En Aubry geeft dit argument voor zijne stelling aan: nDe grond is een uilsluitend natuurlijk produkt, een werktuig , gratis ten dienste van den mensch gesteld en bijgevolg door niets te vervangen.quot;
Daaruit volgt, naar het socialisme meent, de waarheid van de spreuk van 31 Juli (aan Kant ontleend):
nAlle menschen zijn oorspronkelijk rechtens bezitters van den bodem, dat wil zeggen: zij hebben een recht om daar
3
te zijn, waar de natuur of het toeval hen tegen hun wil heeft geplaatst. Het bezit van alle menschen op den bodem is oorspronkelijk een gemeenschappelijk bezit.quot;
Dat is met andere woorden. «Eigendom is diefstal.quot; En ja, bewijs mij eens, gij grondbezitter, dat éea meter van dien grond u uitsluitend toekomt! En dat ik, die geen voet-breeds bezit, er niet evenveel aanspraak op heb! Moeten niet de millionair en de bedelaar beiden toestemmen, dat de eens schatrijke Job een zeer juist inzicht van de waarheid kreeg, toen hij maar eerst tot armoede vervallen was, en sprak: nNaakt ben ik uit mijner moeders lijf gekomen en naakt zal ik daarheen wederkeerenquot;? De tweede helft van zijn woord: nDe Heere heeft gegeven, de Heere heeft genomen , de naam des Heeren zij geloofd!quot; laten we hier voor 't oogenblik buiten rekening. Natuurlijk dat een tot armoê gekomen rijkaard zich daarmeê troost, zich aan dien stroo-halm vasthoudt! Job is het geheel eens met Henry George; bittere ervaring heeft hem dat geleerd. Deze zegt (ge vindt zijn spreuk in den scheurkalender op 19 Mei): «Op den grond worden wij geboren, van den grond leven wij en tot den grond keeren wij terug, kinderen van den bodem evengoed als de grasspriet of de bloem van het veld. Ontneem den mensch alles, wat tot den grond behoort, en hij is slechts een geest zonder lichaam.quot;
Nog éen stap, nog éen woord tegenspraak, en mijne verontwaardiging als niet-bezitter komt boven, en ik neem het woord van 25 Augustus op de lippen: «Het komt minder aan op de wijze om rijkdom te verwerven, dan op de wijze waarop verkregen rijkdom wordt verdeeld. Welnu, deze manier deugt niet en daaruit spruit alle andere kwaad voort.quot;
En zijt gij, bezitter van misschien honderden bunders grond, nog niet overtuigd, wijt het dan aan uzelven dat ik woest word, en de spreuk van 7 October tot de nrjne maak : nHet ergste is honger. Al die mooie geboden: gij zult niet stelen, dooden, enz. staan niet te lezen in het groote boek der natuur, waarin juist het omgekeerde staat opgetee-kend, maar zij zijn door de rijken gemaakt voor de armen, door de verzadigden voor de hongerigen, opdat zij niet in opstand komen om uit hun ellende te geraken.quot;
ïoch, mijne vrienden, vóór ik zelf op dien weg voortga en socialist word, moet ik eerlijk bekennen dat ik aan deze, overigens zeer consequente, uitwerking van de stelling, die ik u voorlas, een Achilleshiel ontdekt heb. En dat wel
in het argument van Aubry: nDe grond is een uitsluitend natuurlijk produkt, een werktuig, gratis ten dienste van den mensch gesteld en bijgevolg door niets te vervangen.quot; Ik vraag nu nog niet of dat logica moet heeten: dat iets, hetwelk gratis ten dienste van den mensch gesteld is, daarom door niets te vervangen is. Maar mijn eenvoudige verstand komt er tegen op dat iemand in éen adem «alle menschen oorspronkelijk rechtens bezitters van den bodemquot; kan noemen, én zeggen dat nde grond gratis ten dienste van den mensch gesteld is.quot; «Gratis iets ten dienste stellenquot; sluit in zich bet begrip van gratie, van genade, en sluit onvoorwaardelijk uit het denkbeeld dat hij, wien de gratie verleend wordt, «rechtens bezitterquot; zou zijn. Die beide denkbeelden hebben niets met elkander gemeen. Integendeel, ze vernietigen elkaêr. Ik zoek naar een oplossing, want ik zoek naar een eigenaar. Is de grond ten dienste van den mensch gesteld, dan moet er iemand zijn, die hem, met of zonder recht daartoe, ten dienste stelde, 'k Denk wel haast dat hij er wel bet recht toe had; anders rust het geheele gebruik op onrecht, en is daardoor het socialisme reeds ver^ oordeeld. Tenzij het ook hier zijn onzedelijke stelling handhaaft, «dat het er minder op aankomt hoe rijkdom, d. i. bezit, verworven is, dan wel hoe hij verdeeld wordt.quot;
Min of meer komt de scheurkalender mij den 27sten April te hulp met het woord van Mill: «Elke poging om een zedelijken grondslag te verleenen aan het uitsluitend recht van eigendom op den grond is een verholen bedrog.quot;
Maar het volle licht over de kwestie geeft hij mij den gsien April in de spreuk van Eousseau: «Gij zijt verloren als gij vergeet dat de vruchten der aarde toebehooren aan allen en dat de aarde zelve toekomt aan niemand.quot;
Nu zijn wij er! Hoort ge: «De aarde zelve komt toe aan niemand.quot; Als dat waar is, dan is niet alleen «eigendom diefstal,quot; maar ook gemeenschappelijk bezit onzin. Hoe zullen wij met ons allen iets bezitten, wanneer dat iets aan niemand toekomt? Eousseau moet maar weten hoe hij de gevolgtrekking goed maakt dat de vruchten iedereen toebehooren, wanneer de stelling is dat de vruchtgevende zaak niemand toebehoort! 'k Meende tot nog toe, met de socialisten, dat wie niet bewijzen kon eigenaar van het voorwerp te zijn, nog veel minder aanspraak kon maken op het vruchtgebruik. Maar Eousseau doet ook geen verloren moeite om een argument te vinden. Hij zegt alleen, en het socialisme neemt het over: «Gij zij't verloren, als ge deze
5
stelling, die voor een axioma moet doorgaan, vergeet.quot; Wij kunnen er gerust bijvoegen: »Gij zijt evengoed verloren, als gij haar onthoudt!quot; Met deze stelling vermoordt en vernietigt het socialisme zichzelve. Want van tweeën éen: öf de aarde heeft een maker, en dus een eigenaar, en dan hebben wij geen van allen recht ons haar toe te eigenen zonder zijne toestemming, zonder zijn «gratis ten onzen dienste stellen van dien grondquot;; dat dan nog bewezen moet worden, en waarvan dan nog moet uitgemaakt hoe hij dien grond ten onzen dienste stelde; in massa voor allen, of bij deelen voor individuen. Of de aarde heeft geen maker, en behoort derhalve aan niemand, maar dan is ze ook souverein, en dan hebben wij, bijna nog minder, het recht haar aan te raken en in bezit te nemen, zonder hare toestemming; dan zijn we, zooals Henry George zegt, ukinderen van den bodem evengoed als de grasspriet of de bloem van het veldquot;; dan is zij onze moeder, onze meerdere, onze makeres. Dan mogen wij niet haar, maar dan mag zij ons als eigendom beschouwen, en hebben wij niet van haar, maar heeft zij van ons vrucht te trekken.
j) Alleen de maker van eenig voorwerp heeft het recht op den onvervreemdbaren eigendom van dat voorwerp, en alleen hij, als eigenaar, onvervreemdbaar recht op het vruchtgebruik.quot;
Deze stelling is een ware goudmijn, waarin vele schatten van wijsheid en rechtsbegrip verborgen liggen. Welnu, we gingen de mijn in, voorgelicht door het mijnwerkerslampje van het socialisme. Ãn we liepen ten slotte muurvast in een blinden gang. Want, door dat licht geleid, kwamen we te staan voor de uitspraak, dat het gansche heelal geen eigenaar hoegenaamd heeft. En terwijl we zochten naar een doorgang, kwam Rousseau ons achterop, door het socialisme zelf ten leidsman gekozen, â om ons een beteren weg te wijzen? 't Lijkt er niet naar! Hij kwam met een machtspreuk, die wonderveel wegheeft van een pak dynamiet, bestemd om den muur, waar we voor staan, te laten springen. «Alles behoort aan niemand; gebruikt het daarom met u allen!quot; Pas op! Wanneer die regel wordt toegepast om ons verderen doorgang in de mijn te verschaffen, is het hier onveilig ! De brokstukken van den scheidsmuur zullen hen verpletteren, die daar een doorgang zoeken!
Neemt eens aan dat het waar is: De aarde komt niemand toe. Er is geen Schepper, geen eigenaar. Wij zijn stof, en daarmee uit. Wij zijn «kinderen van de aarde.quot; Of, op
6
zijn best; wij, de dieren en de planten leven op die aarde, maar als hare gelijken. Dan zal toch niemand kunnen volhouden dat wij eenig recht hoegenaamd hebben om haar te gebruiken, of om iets te gebruiken wat op haar bestaat! Welk recht heb ik om een paard te nemen en het te spannen voor het rijtuig, dat ik vervaardigde uit het hout, dat op de aarde groeide, en uit het ijzer, dat zij in haar schoot verbergde? Bewijs mij eens dat het paard mijn mindere is! Wanneer dat paard mij de borst intrapt, handelt het als een beginselvast socialist. Het duldt, terecht, het recht van den sterkste niet, dat door mij op het edele dier wordt uitgeoefend, en dat naar socialistische begrippen onrecht is.
Dat is geen carricatuur. Wij zijn immers, heeft Henry-George ons verteld, «kinderen van den bodem, evengoed als de grasspriet of de bloem van het veld?quot; En «slechts een geest zonder lichaamquot; wil deze leeraar van het socialisme niet zijn. Om een lichaam zonder geest te wezen, daarin heeft de socialist minder bezwaar. Anders zou de scheurkalender op 11 Januari niet zeggen; «Wilt gij ingang verschaffen aan de zedelijkheid, zorgt dan dat gij eerst alle materiëele belemmeringen uit den weg hebt geruimd. De deugd toch begint pas, als aan de eischen van de maag is voldaan.quot;
En evenmin op 21 Juli: «Alle ontwikkeling gaat van de maag uit. Voedingsstof is tegelijkertijd denkenstof. Dit moet nooit vergeten worden, of waar het zulks wordt, daar vloeit er ook schade uit voort.quot;
Waarin zijn we dan meer dan de dieren des velds? Indien niet: waarom zouden we ons dan gedragen als hun meerderen? nDe natuurlijke rechten zijn onvervreemdbaar,quot; zegt de kalender op 9 October. Dat geldt toch wel voor alle â 'k had bijna gezegd voor alle schepselen, maar het woord nschepselquot; is in deze gedachtenreeks onzin; voor alles wat bestaat dus. Welnu, dan moet ook al wat bestaat deelen in het genot, dat de kalender op 30 December aldus omschrijft: «De mensch is de maat van alle dingen. Wat is dus goed en wat is kwaad? Goed is wat onschadelijk, kwaad wat schadelijk is voor den mensch. Dit wat het individu betreft. Als maatschappelijk wezen heeft de mensch te vragen of hij door zijn daad anderen benadeelt. Doet hij dat niet en schaadt hij zichzelf niet, dan bestaat er geen enkele reden, waarom men iets niet zou doen.quot;
Zijn de grasspriet en de bloem des velds mijn gelijken, hoeveel meer de hooger bewerktuigde wezens, die de aarde bewonen. Beslist de maag en niet de geest, wel dan
7
zijn er dieren, die vrij wat hooger staan dan wij, stum-perds van menschen. Een hond b. v. eet veel meer (ofschoon het eten reeds een socialistische zonde is, wanneer het koren geen eigenaar beeft) loopt veel sneller, heeft veel meer spierkracht, ruikt veel fijner', ziet veel scherper, bijt veel vaster, en is bovendien veel trouwer dan de raensch. 't Is een groot onrecht, wanneer het dier, dat mensch heet, het veel edeler dier, dat hond genoemd wordt, tot zijn knecht verlaagt. De moeder-aarde heeft schoon gelijk dat ze zich door haar ontaarde kinderen niet laat gebruiken als dienares, 't Is goed socialistisch dat ze er haar vulkanen, haar orkanen, haar aardbevingen, haar woestijnen, haar doornen en distelen op nahoudt om haar kroost ten minste eenigszins in toom te houden. Dat is h aar dynamiet.
En nu sprak ik nog niet eens van het misbruik, dat van de aarde en haar voortbrengselen gemaakt wordt! Wat gloeiende verontwaardiging moet die moeder de aarde wel gevoelen, wanneer ze haar nkinderenquot; de men schen bezig ziet om haar «andere kinderenquot; de paarden af te beulen, de koeien te slachten en op te eten; de graankorrels tot jenever te verstoken. Wat walging moet de hare zijn, wanneer zij, souvereine als ze is, die nniemand toebehoort,quot; het ijzer uit haar schachten voelt boren, en er slagzwaarden en guillotines van ziet vervaardigen, om straks bij stroomen het menschenbloed te verzwelgen, vergoten door datzelfde erts, in dien nieuwen vorm! Zeg mij, of we recht hebben om éen graankorrel, éen zandkorrel ons toe te eigenen! Welke nieuwe wet is deze, dat de eene vrucht, de mensch, de andere vrucht in vruchtgebruik verslindt? De man, die een paling opeet, en de haai, die een man verslindt, staan gelijk, en er is geen reden waarom op de haai jacht gemaakt zal worden, terwijl de man vrij uitgaat. Niets is de aarde ons schuldig, wanneer ze aan niemand toebehoort, maar alles hebben we van haar te vreezen. Niets is er van onzen kant te eischen, maar alles te vergoeden. Niets hebben we van onze «moeder de aardequot; te verwachten dan dit éene: dat ze voor elk onzer een half verstorven boom, die er zich gaarne voor leent, tot galg uitkiest, en een handvol spijkers, om er ons, als verstokte misdadigers, moedernaakt aan vast te nagelen.
En ook dit laatste is weer geen carricatuur, maar een feit. Het schriklijkst feit, dat ooit op deze aarde is voorgevallen. Voor den besten, den edelsten uit ons geslacht heeft de aarde dien boom en die vier spijkers gereed gehad en
8
geleverd. Ze heeft die geleverd ter terechtstelling van Hem, die naar waarheid van zichzelven getuigde: ïiDe vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des menschen heeft niet waar Hij het hoofd op nederlegge.quot; Van Hem dus, die minder dan iemand anders het aan haar verdiende. Want wie den kruisdood van Jezus in het licht der historie beschouwt, weet dat ook dit een der zijden van zijne beteekenis is, dat zijn bloed niet is als dat van Abel, van hetwelk God tot den moordenaar sprak: i-Daar is eene stem des bloeds van uwen broeder, dat tot Mij roept van den aardbodem. En nu zijt gij vervloekt van den aardbodem, die zijnen mond heeft opengedaan om uws broeders bloed van uwe hand te ontvangen.quot; Neen, zijn bloed «spreekt betere dingen dan dat van Abel.quot; En onder die betere dingen behoort ook wel terdege dat de verzoening van den aardbodem en zijne bewoners tot stand kwam, en de mensch in zijn rechtmatig bezit van den aardbodem werd hersteld. Om ons misbruik van Gods eigendom te wreken en te verzoenen, daarom nepen zich de doornen der aarde om zijn hoofd samen en stortten zjj het bloed uit zijn slapen; daarom scheurden zich de kleederen van zijn lichaam, om ruimbaan te maken voor den lederen geeselriem op zijn rug; daarom tilde de boomstam Hem van den grond, als spuwde de aarde Hem uit. En dat deed de natuur Hem, niet ondanks, maar naar de beschikking en den wil van den rechtmatigen Eigenaar van het heelal.
Want al weet het socialisme geen voldoend licht en geen weg door de mijn, waarin wij ons bevinden, daarom is er wel een licht, dat den waren weg wijst, nil w Woord, o God! is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad!quot; Er i s een souvereine Eigenaar van al wat bestaat. En van Hem alleen geldt volkomen de stelling: «Alleen de maker van eenig voorwerp heeft het recht op den onvervreemd-baren eigendom en het onvervreemdbaar vruchtgebruik.quot; Ze is alleen socialistisch door haar verkeerde toepassing. Zóo luidt ze in werkelijkheid: nDe aarde is des Heeren, en hare volheid, de wereld en die daarin wonen, want H ij heeft ze gegrond op de zeeën, en heeft ze gevestigd op de rivieren.quot;
Zóo luidt ze: «Mijns is de wereld en hare volheid.quot;
En voorzoover w ij, menschen, haar bezitten en gebruiken mogen, zoo: «Aangaande den hemel, de hemel is des Heeren, maar de aarde heeft Hij der menschenkinderen gegeven.quot;
Maar dat is de treurige onzinnige consequentie van de zonde (waarvan echter zeer begrijpelijk geschreven staat, dat God er om lacht) dat de mensch alles doet om aan zijn
9
voorrecht te ontkomen, wijl hij het voor zijn noodlot aanziet. Verkondig een ongeloovige, dat bij het hoogst bevoorrechte schepsel is van den almachtigen, maar heiligen God; â en hij zal u van zich stooten, omdat ge het waagt hem zoo diep te beleedigen en te vernederen. Maar ga tot dienzelfden belachelijk trotschen dwaas, en maak hem wijs dat bij niets meer of minder is dan de parasiet van een verbazend grooten viezen klomp stof; â en hij zal u met warmte de hand drukken, hoogst gevoelig voor die eervolle onderscheiding! Hij wil niet de koningskroon dragen op deze enkele voorwaarde dat de Almachtige tot hem zegt: nSlechts dezen troon zal ik grooter zijn dan gij!quot; Maar hij wil gaarne uit en op en in de aarde rondwroeten als bet ongedierte in een groote half bedorven leidsche kaas. Die keus moge tegenwoordig hoogst wetenschappelijk genoemd worden; hoogst w ij s is ze zeker niet.
nEigendom is diefstal,quot; leert het socialisme. Zeer juist, wanneer er geen eigenaar bestaat. Maar dan is vruchtgebruik ook diefstal. Dan is vruchtgebruik slavernij van het vruchtdragende voorwerp. Door het bestaan van God te ontkennen, of zelfs door met God niet te willen rekenen, brandmerkt het socialisme zich zelf als een onrecht, als een onding.
Toch moet voetstoots erkend, dat er éene richting bestaat, van welke op grond barer eigen beginselen moet gezegd worden, dat ze nog onbillijker, nog onrechtvaardiger is. Dat is de richting, die evenmin God als den souvereinen eigenaar, leenheer en wetgever erkent en eerbiedigt, en zich toch het leeuwendeel van bezittingen en vruchtgebruik toeeigent. Dat is bet liberalisme, de deftige revolutie; bet r ij k e socialisme.
Wanneer de geheele schepping onbeheerd en vogelvrij is, dan is nog bet billijkste vergelijk dat de sterksten, die baai-onder de knie krijgen, de menschen, met elkander kunnen treffen: gemeenschappelijk bezit en gemeenschappelijk vruchtgebruik. Dan is er geen woord in te brengen tegen deze spreuk uit den scheurkalender (27 (Juli): «Dat oorspronkelijk alle menschen een gelijk recht bebben op den grond, dat wordt door iedereen toegestemd en bet is ook niet mogelijk zulks te loochenen. Want er bestaat geen denkbare grond, waarom bet recht van den eenen mensch grooter of kleiner zou zijn dan dat van den ander, daar geen enkel persoon tot den grond in een andere verhouding staat dan de overigen. Daarvoor is geen rechtsgrond te vinden, die stand kan houden voor de rede en de kritiek.quot;
10
Natuurlijk, zoowel voor den vorst als voor den bedelaar geldt het woord: nStof zijt gij, en tot stof zult gij weder-keeren.quot;
Het is ontegenzeggelgk waar, wat Dr. Kuyper. in April 1872 schreef in zijn nDe grondslag van het rechtquot;:
nOm aan het eigendom te gelooven, zonder aan God te gelooven, moet men zelf eigenaar zijn. De socialist heeft gelijk tegenover den liberaal, wanneer eenmaal het revolutionair beginsel als onbetwistbaar aanvaard is.quot;
Aan de geheele ingewikkelde kwestie is dan ook door het liberalisme nog zoo goed als niets gedaan. Plotselinge werkverschaffingen tellen niet meê. Goed of kwalijk begrepen eigenbelang brengen daar even vlug toe als philantropie. Humanistische danspartijen en sentimenteele diners zijn uiterst geschikte middelen om den noodlijdenden den duivel in 't hart te jagen en hen er toe te brengen om den milden gevers de bijeengedanste aalmoezen in 't aangezicht terug te werpen. Zeer opmerkelijk is dan ook het weinig vleiend getuigenis door Mr. P. Brooshooft in Be Amsterdammer van 2 Februari 11. van een goed deel zjjner geestverwanten gegeven : nOpeen gematigd liberaal kan de kiezer, die op sociaal gebied tot de vooruitgangspartij behoort, niet stemmen, want de gematigde liberalen doen voor de talrijke lijdende helft der maatschappij letterlijk niets. Het is voor hen zelfs een stelsel, daaraan niet te tornen.quot;
Volgens dezen geleerden schrijver moet de liberale staatsman, ndie naar het hoogere streeft, tot de nclericalenquot; gaan, en hun o. a. dit zeggen, dat in werkelijkheid dien nclericalenquot; de kroon op 't hoofd zet: »Een groot gedeelte uwer, de democratische nuance der anti-revolutionnairen, wil de belangen van den arbeidersstand wettelijk verzekeren. Evenmin als gij stellen wij ons voor, »de ongelijkheid van bezit en de tegenstelling tusschen rijk en arm, tusschen hand en hoofd, tusschen spierkracht en intelligentiequot; uit de maatschappij weg te nemen. Wij achten dat, met uwen leider dr. A. Kuyper, onmogelijk en zelfs onwenschelijk.
Wij willen echter, evenals Kuyper, door wettelijke regeling van den arbeid, die even en meer noodzakelijk geworden is dan die van den handel, voorkomen, dat de vruchten van den arbeid gestadig slechts een kleine groep van hen, die er aan deel nemen, hooger brengen op den maatschappelijken ladder, om de groote menigte, hen, die het zwaarst arbeiden, beneden te laten staan.quot;
Daarmeê wordt toegestemd dat de anti-revolutionairen boven de liberalen zich het lot der arbeidersklasse aantrekken.
11
Immers reeds in 1874 werd door Dr. Kuyper, toen lid der Tweede Kamer, de regeering als eindpaal harer bemoeiing in de sociale kwestie gewezen naar een «Wetboek van den arbeid.quot;
En met welk resultaat? nAan dit denkbeeld viel destijds zóo weinig bijval tebeurt, dat de minister van Lijnden van Sandenburg er namens de regeering den draak mede stak; de Kamer er de schouders over ophaalde; en de pers het met de vraag uitfloot; of de afgevaardigde, die met dit denkbeeld te berde kwam, zelf wel in staat zou zijn, éen enkel artikel voor zulk een wetboek in concept te brengen?quot; !)
Waarom is het juist de anti-revolutionaire partij, die zich met woord en daad voor den vierden stand in de bres stelt? Juist omdat deze de eenige principieele tegenstandster van het socialisme is. Wanneer ik geen Christen ware, zou ik hopen genoeg karakter te bezitten om socialist te zijn. Maar alleen voor den Christen is het socialisme onmogelijk. En toch weer, alleen de Christen heeft den betrouwbaren maatstaf, waarnaar beoordeeld kan worden, hoeveel en welke waarheden de eischen van het socialisme in zich bevatten. Zeer zeker is er een recht van bezit, want er is een bezitter, die het is krachtens het feit dat Hij Schepper is. Van Hem gaat dus alle recht uit. Alles wat niet strookt met zijn wil is onrecht. Mijn eigendom is wat Hij mij geeft; niets meer, niets minder. Ik heb dus niets te nemen. Voor God en voor mijn geweten is ook slechts düt mijn eigendom, wat ik uit zijne hand accepteer. Maar niets is het mijne of het uwe in absoluten eigendom. Alles wat ik heb, heb ik slechts in bruikleen van Hem, die de eigenaar blijft. Eigendom in niet-christelijken zin, in libe-ralistischen of socialistischen zin, is werkelijk diefstal; maar diefstal niet op menschen, maar op God gepleegd. Den schatrijken Christen, zoowel als het doodarme kind Gods, is door Jezus Christus de bede op de lippen en in het hart gelegd: nGeef ons eiken dag ons dagelijksch brood.quot; Wat God mij in bruikleen ten eigendom geeft, schenkt Hij met de bedoeling dat ik het gebruiken zal zooals Hij al zijn eigendom gebruikt: voor anderen. Hij wil niet dat ik het verkruimel tot niets; evenmin dat ik het in een chaos oplos; ook niet dat ik het doelloos opgaar. Want in al die gevallen verliest het zijn kracht en vermogen om iets uit te richten. Gelijk bezit verlamt alle bezitters zonder uitzondering. Van dien eisch zag men dus reeds af. Gemeenschappelijk
') Ons Program, bl. 1065.
12
bezit is in 't geheel geen bezit; niemand bezit wat gemeenschappelijk bezeten wordt, vóór het onder de bezitters verdeeld wordt. De welvaart en het aardsch geluk van allen hangt daarvan af, dat elk zijn bijzondere bezitting heeft; èn daarvan dat het bezit o n g e 1 ij k verdeeld is. Zelfs het socialisme weet met deze waarheid geen weg. Hoort slechts de volgende drie spreuken uit den scheurkalender en let er op hoe zij elkander tegenspreken:
9 October. nDe menschen worden geboren en blijven gelijk in rechten en vrij. De natuurlijke rechten zijn onvervreemdbaar. Deze rechten zjjn: de vrijheid, bet eigendom, de veiligheid en de weerstand tegen onderdrukking. Het doel van elke gemeenschap is het behoud van die rechten.quot;
29 December. «Alle welgeschapen menschen worden met bijna gelijk verstand geboren, maar opvoeding, wetten en omstandigheden maken ze zeer verschillend. Het goed begrepen eigenbelang smelt samen met het algemeen belang.quot;
8 Juni. nDe menschen zijn ongelijk in aanleg en behoeften, maar gelijk in rechten. Allen hebben recht op de geheele ontwikkeling van hun aanleg. De gelijkheid is door de natuur gewild, zij is het eenig beginsel van vrijheid.quot;
't Is zoo goed of ge zegt: een okshoofd en een wijnglas hebben beiden evenveel recht en behoefte om vol te zijn, en of ge op grond daarvan het glas evenveel water wilt doen bevatten als het okshoofd. Ik ben veel grooter en breeder dan een jongen van twee jaar en heb dus behoefte aan een veel grooter hemd dan die kleuter. Maar ik heb er geen recht op tegenover u, als gij soms twee hemden bezit. Ook niet tegenover de natuur; die er geen enkel heeft. Ook niet tegenover God, dan voorzoover ik staat mag maken op de genadige voorziening door Hem in mijne behoeften naar zijne belofte.
nis het dan billijk, dat eigendom zoo schreeuwend ongelijk verdeeld is, dat de een straatarm is, en de andere wel van de vruchten van zijn eigendom een geheel stadje zou kunnen onderhouden? Is dat â wanneer er een God bestaat â dan zijne bedoeling en zijne liefde?quot;
Het antwoord moge u ouderwetsch en belachelijk klinken , toch is maar éen antwoord, en weet gij een beter, maar afdoend, geef het dan: «Dat komt door de zond e.quot; De zonde heeft alles verwoest; onzen eigendom, onze eigendomsbegrippen, onzen aanleg, onze behoeften, onze sociale belangen; alles. Alleen Christus Jezus herstelt dat alles; heeft het in beginsel hersteld. Maar niet op soci-
13
alistische wijze; slechts op goddelijke wijze, naar goddelijk recht. Niemand heeft zoo nauwgezet als Hij persoonlijken eigendom geëerbiedigd. En toch wordt Hij den grooten socialist genoemd. Men geeft hoog op van het socialisme der eerste Christenen. Er is schijn noch schaduw van te vinden, evenmin als van het socialisme van Jezus. «Niemandzoo lezen we, «zeide dat iets van hetgeen hij had, zijn eigen was.quot;. Neen, ieder was doordrongen van de waarheid dat hij Gods rentmeester was. Maar nog veel minder zeide iemand dat iets van hetgeen een ander had zijn eigendom was. Toen Ananias den Christenen wilde wijsmaken, dat hij zijn eigendom aan het algemeen belang der broederschap had geofferd, sprak Petrus: «Ananias, waarom heeft de satan uw hart vervuld, dat gij den Heiligen Geest liegen zoudt, en onttrekken van den prijs des lands?quot; Had Petrus het daarbij gelaten, hij zou socialist geweest zijn. Maar hij voegde er bij: n'Aoo het gebleven ware, bleef het niet uwe? En verkocht zijnde, was het niet in uwe macht?quot;
Zóo herstelt Jezus het eigendomsrecht. Niet door het te vernietigen; dat zou zijn God naar de kroon steken; maar door het te erkennen en te handhaven, en desnoods nog liever te zien dat iemand het zelfzuchtig handhaaft, dan dat hij het valsch opgeeft. Armen en rijken zit het egoïsme in den weg. Handhaving van absoluten eigendom en vogelvrijverklaring van eigendom zijn in oorsprong en gevolgen éen. Zoolang het egoïsme heerscht â en het zal heerschen zoolang de wereld staat â behooren deze beide uitingen van de zelfzucht ingetoomd en bedwongen te worden door wetten. Maar niet door wetten, die ontleend zijn aan een van die beide anti-goddelijke begrippen; door wetten, die wortelen in het goddelijk recht. Omdat de anti-revolutionaire partij dat recht erkent, daarom kon zij alleen, in Dr. Kuyper, aandringen op het wettelijk regelen van deze zijde van de sociale kwestie: vruchtgebruik van den arbeid. Daarom kon deze leader, toen er spottend naar gevraagd werd, tevoorschijn komen met een stel van 30 titels, die de hoofdstukken voor zulk een wetboek aangeven. En hoogst merkwaardig is de getuigenis dooreen liberaal blad, nDe Purmerenderquot;, destijds, in 1874, afgelegd van de oorzaak, waarom juist Dr. Kuyper zoo iets doen kon. Dat blad schreef het toe «aan de omstandigheid dat Dr. Kuyper zoo juist den toon wist te treffen, die weerklank vindt in de harten der minder bevoorrechten, dier arbeiders, met wier zorgen hij sympathiseerde, wier gemoedsleven hem belang inboezemde, wier welzijn hem ter harte ging; dat hij er zoo meesterlijk in slaagde,
14
het woord van troost en van bemoediging te vinden, dat hen wapenen moest in den strijd, den vaak moeilijken strijd tegen ontbering en kommer1). Daarom was het naar het oordeel van nDe Purmerenderuniet te verwachten dat de populaire kanselredenaar zijn sympathiën voor de belangen der arbeiders aan den ingang van het Binnenhof zou laten vallen.quot;
Met andere woorden: het Christendom is de oplossing van de sociale kwestie, het antwoord op de vraag naar het recht van bezit; Jezus Christus is de troost van de armen, de bemoediging in den strijd om het bestaan!
«Zoo komt het dus weer op 't oude neer,quot; hoor ik reeds sommigen uwer zeggen. En die daarover ontevreden zijn, kunnen zich maar niet voorstellen, hoe een man, die zich in het dagelijksch leven beweegt, een koopman, zich kan voornemen over een maatschappelijk vraagstuk te spreken, en eindigt met «den dominé uit te hangen.quot;
Wat zal ik daarop antwoorden? Ik heb er een afkeer van, dat een blinde wordt bespot. Maar ik kan toch een glimlach niet onderdrukken, wanneer ik hoor dat diezelfde blinde over de kleuren praat alsof hij zien kon. Ãvenzoo wensch ik niemand gering te schatten omdat zijn oppervlakkige aanleg hem belet tot het wezen en den grond der zaken door te dringen. Alleen kan billijk verwacht worden dat zoo iemand niet meêpraat. Daar is niets, letterlijk geen enkele kwestie, hoeveel minder de belangrijkste, of haar grond, haar principe is het Godsbegrip. Alle kwestiën zijn godsdienstige kwestiën, zooals ze gebrekkig genoemd worden. Gij kunt onmogelijk de sociale kwestie behandelen, zonder uit te gaan van eene of andere stelling betreffende God. Een kwestie, waaruit God weggenomen is, vindt haar beeld in het socialistische bankpapier van de vorige eeuw, de Fransche assignaten. Ze waren geheel en al echt; er ontbrak niets aan â behalve de waarde. Geef een bankbillet aan een klein kind; het zal er het prentje uitknippen, en van het overschot een schadeloos pijltje vouwen, waarmeê het naar u schiet. Zoo doet hij, die God uit een kwestie verwijdert. Die man houdt geen argumenten meer over. Hij moet er toe komen om te zeggen, wat de scheurkalender zegt: «De mensch is de maat van alle dingen.quot; En daarop volgt logisch de aanbidding van het dynamiet. Het lied
âNitro-glycerine,
Dat ge ons ijvrig diene,
Sta ons altijd bij!quot;
') Ons Program, bl. 1102.
15
wordt deftig in proza in den scheurkalender (10 Januari) aldus overgezet: »Met het gebruik van dynamiet zijn de voorwaarden voor den socialen krijg geheel en al veranderd. Immers wat vermogen geregelde troepen tegen de kracht van het dynamiet? Een kleine troep vastberaden mannen kan de macht in toom houden. Daarom is het te voorzien dat het dynamiet de almacht der bourgeoisie zal vernietigen, gelijk het buskruit zulks gedaan heeft met de macht van den adel.quot;
Het socialisme, dat geen rechtsgrond erkent behalve de subjectieve gevoelens van zijn aanhangers, doet daarmee afstand van alle rechten, behalve het zoogenaamde vuistrecht.
Indien er geen souvereine Schepper en daarom eigenaar van al het bestaande is, dan bestaat er hoegenaamd geen recht van bezit; niet individueel en evenmin gemeenschappelijk; dan is alle bezit slechts ruw geweld, gepleegd op het voorwerp, dat lijdelijk of onwillens tot eigendom gemaakt is.
Is al wat bestaat geschapen, dan beeft geen schepsel eenig recht van bezit op een ander schepsel; noch individueel, noch gemeenschappelijk, dan bij de gratie van dien Schepper en volgens de wetten door Hem voor het recht van bezit gesteld.
De rechtsgrond en de wetten voor het bezit zijn dus in geen geval in den mensch te vinden. Immers: zon dei-Schepper staat de mensch wel op zijn best onafhankelijk naast, maar in geen geval boven de hem omringende wezens. Met Schepper is hij afhankelijk van diens wil en macht.
Die rechtsgrond en die wetten, die van den Schepper en eigenaar moeten uitgaan; zijn volkomen onbekend, indien het Hem niet behaagt ze te openbaren. De menschelijke rede openbaart ze niet, zelfs niet als ze bestraald wordt door het licht van het socialisme, want dat spreekt zichzelve op dat punt volkomen tegen. De scheurkalender zegt, om maar een voorbeeld te noemen;
7 Februari. nDoor het eigendom is alle ellende in de wereld gekomen.quot;
9 October. »De natuurlijke rechten zijn onvervreemdbaar. Deze rechten zijn de vrijheid, bet eigendom, de veiligheid en de weerstand tegen onderdrukking.quot;
De eene uitspraak van het socialisme zelf vernietigt dus de andere.
Wat moet er dan van groeien als alle menschen hun rede laten spreken om de zaak in 't reine te brengen!
16
En ten slotte: de geheele geschiedenis der menschheid bewijst dat de Almachtige zijne wetten ter regeling van het recht van bezit heeft geopenbaard in zijn Woord, de Heilige Schrift; dat daaraan beantwoorden, daarmede samenvallen de verschillende gaven en krachten, door Hem aan individuen, geslachten en volken geschonken; en dat de echo op dat Woord is de conscientie der menschen.
In dat Woord staat, evenals in uw en mijn geweten, kort en goed het bevel: «Gij zult niet stelen.quot;
De uitlegging is voor armen deze:
nWij hebben niets in de wereld gebracht, het is openbaar, dat wij ook niets kunnen daaruit dragen ; maar als wij voedsel en deksel hebben, wij zullen daarmede vergenoegd zijn.quot;
En voor rijken:
nBeveel den rijken in deze tegenwoordige wereld, dat zij niet hoogmoedig zijn, noch hunne hoop stellen op de ongestadigheid des rijkdoms, maar op den levenden God, die ons alle dingen rijkelijk geeft om te genieten; dat zij weldadig zjjn, rijk worden in goede werken, gaarne mededeelende zijn, en gemeenzaam.quot;
En voor allen zonder onderscheid:
«Die rijk willen worden vallen in verzoeking en in den strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerlijkheden, welke de menschen doen verzinken in verderf en ondergang.quot;
De geheele geschiedenis leert en bewijst dat orde, veiligheid, rechtmatig bezit, geestelijke en stoffelijke welvaart groeien of verkwijnen en verdwijnen, naarmate dat Woord Gods meer of minder in eere gehouden en als eenig richtsnoer van het leven in al zijn geledingen gehoorzaamd wordt.
HÃVEKER amp; ZOON, â AMSTERDAM.
Prijs Æ 0.073; 25 Ex. /1.50; 50 Es. Æ 2.50 ; 100 Ex. Æ 3.50.