(/}r. ///f^/Kr /^quot;
^ J/ i -
■y~ 1 ;li
fi c T lie a a n Cv1 gt; \c 11
Dril' Ze ml li rit' v imi van Paus LEO Xlll,
vi-irrAAT.P I;N' iNOET.i-m
V)( M-l;
C. E. VAN KOETS VELR.
•n-
^c ii oo'n li (iv i: x ,
s. K. VAN NÓOTKN .v ZOON.
1889.
De Sociale quaestie,
UIT
Xj^ /ó-f'Y /l/, /sT
uit
Drie Zendtrieven van Paus LEO XIII,
door
. ?v£quot; S
/ j j \ ^ . -ï 'h
Schoonhoven, S. E. VAN NOOTEN amp; ZOON. 1889.
Staat in de vrijheid, met welke Christus u heeft vrij gemaakt.
Beproeft alle dingen; behoudt het goede.
Faulus.
INLEIDING.
Eenigzins vreemd is de oorsprong van dit boekske. Toen ik h.et voorregt had, mijn' tachtigsten verjaardag te vieren, ontving ik onder vele, een gelukwenschend schrijven van eenen mij geheel onbekenden Nederlandschen priester te Rome. Hij onderhield altijd nog de betrekking met het oude vaderland, en daar hij mij als schrijver kende, had hij met belangstelling van mijn feest gehoord. Bij zijne wenschen voor mij, voegde hij de uitdrukking van zijn hartelijk verlangen naar de hereeniging van alle Christenen.
Mijn antwoord, — dat wel wat laat kwam! — deelde dien wen sch, maar niet die verwachting. De Kerk van 't onbepaald gezag en die der individuëele vrijheid, achtte ik onvereenig-baar, daar geen van beiden haar beginsel verzaken kan. Genoeg dus, wanneer beiden, met eerbiediging van elkanders geloof, rustig naast elkaar konden leven, strijdende met het zwaard des geestes tegen eene wereld, die in het booze ligt, en ook onderling alleen met eerlijke wapenen.
Tot antwoord zond hij mij de laatste pauselijke Encijclica, als bewijs, hoe ook Paus Leo eene betamelijke vrijheid voorstond.
In plaats van nu eene correspondentie voort te zetten, die tot niets leiden kon, en die misschien zelfs mijn' onbekenden vriend door zijne geestelijke overheid kon ten kwade geduid worden.
6
besloot ik, mij met vroegere zendbrieven van den tegenwoordi-gen paus nader bekend te maken: natuurlijk niet, om de grondslagen van het pauselijk leerstelsel te weten; — het zou erg genoeg zijn, wanneer ik die als protestantsch leeraar niet kende! — maar om zijne verdediging en toepassing daarvan. Ook van elders vernemen wij gedurig, dat deze Paus zich de wanverhouding der maatschappij, die men de sociale quaes-t i e onzer eeuw pleeg te noemen, sterk aantrekt; en ik geloof gaarne, dat het van harte was, toen hij nog in de laatste dagen, naar het berigt der nieuwsbladen, zeide, dat hij »maar één geneesmiddel kende tegen de nooden en ellenden der maatschappij ; de godsdienst.quot; — Wij zullen hem dit gaarne toestemmen, mits hij niet ongemerkt de Kerk er in plaats schuive, wat hij van zijn standpunt onmogelijk laten kan.
Ik zocht dan en vond, onder veel wat deze Paus reeds geschreven heeft, nog twee dergelijke Zendbrieven, die met de laatste zamen één geheel uitmaken, daar zij ten volle uitdrukken, hoe hij den tegen vvoordigen toestand der maatschappij beschouwt en hoe hij dien wenschen zou.
Zulk een rondgaande Zendbrief {Litterae encyclicae) is niet, wat men van ouds eene Bul pleeg te noemen. Het is geen regterlijk vonnis. Hij behelst eenvoudig, wat de Paus over een of ander onderwerp, dat aan de orde van den dag is, te zeggen, af te keuren of te prijzen heeft. Hij rigt zich daarbij, naar den regel der hiërarchie, tot de naast onder hem staande geestelijkheid, — zoo als het vaste opschrift luidt; »Aan de Patriarchen, Primaten, Aartsbisschoppen en Bisschoppen der geheele Katholieke wereld, die met den apostolischen stoel vriendschap en gemeenschap hebben — en laat het dus aan dezen over, zijne denkbeelden onder de lagere geestelijkheid en in de gemeenten te verbreiden. Zulke Encyclicae worden, volgens de gewoonte der curie, naar de eerste latijnsche woorden genoemd.
7
De reden nu, waarom ik dit pauselijk schrijven ook aan Protestanten, — minder godgeleerden dan wel gemeenteleden, — wilde bekend maken, is deze.
Nergens minder verstaat men doorgaans elkander dan in godsdienstige en kerkelijke zaken. Elk leest de organen zijner partij, en leert de onware, zwakke of belagchelijke zijde der tegenoverstaande kennen; en bij de meeste menschen is dit zóó sterk, dat zij zich maar niet kunnen begrijpen, hoe een vroom en verstandig mensch niet even eens denkt als zij, en daardoor al ligt bedrog en huichelarij of andere onedele bedoelingen er achter zoeken. Dat zoo de Eoomschen, ja! de Paus zelf, de Protestanten niet begrijpen, is natuurlijk. Hun wordt van kinds af niets anders geleerd of te lezen toegestaan. Maar minder te verschoonen is het, dat dezen, die zoo hoog opgeven van »'t vrije onderzoek,quot; niet zien, wat hun voor de voeten ligt, en in vroeger dagen de verklaring der tegenwoordige zoeken. En is nog niet, zelfs onder meer ontwikkelde standen, een oppervlakkig, zoo niet hatelijk oordeel over de Eoomschen vrij algemeen? Ziende op zoo vele bijgeloovigheden en gedrogtelijke leerstelsels, die onmogelijk in een gezond menschenbrein schijnen te kunnen opkomen, scheidt men de Eoomschen eenvoudig in »dommen en Jezuïeten.quot; De laatsten, meent men, houden de eersten dom, om te heerschen; en om hun doel te bereiken, is elk middel hun heilig, zoodat zij door hunne heersch- en geldzucht tot alles in staat zijn. En al heeft nu een verstandige of geleerde Eoomsche, die toch zijne Kerk lief heeft, met de Jezuïeten-orde niets uitstaande, ja! al haatte hij haar zelfs en veroordeelde hare valsche streken, »hij is een Jezuïet: want anders zou hij dom zijn.quot;
Is dit oordeel niet meer dan dom? Is 't niet liefdeloos en onchristelijk ?
Maar kom, gij Protestant, die zoo sterk tegen Eome protesteert, zonder het te kennen! ik wil u eens oordeelen naar uw eigen geloof.
8
Denkelijk zult gij wel de Apostolische Geloofsbelijdenis of Twaalf Geloofsartikelen kennen, de oudste en algemeene belijdenis der Christelijke Kerk, ook door de Hervormers aangenomen: »Ik geloof in God den Vaderquot; enz. Wel verre, dat zij verouderd geacht wordt in onzen tijd, hooren wij haar weêr meer dan vroeger. In mijne gemeente wordt zij bij het avondmaal, en ook wel bij andere godsdienstoefeningen, door de gemeente staande toegestemd. »Juist!quot; zegt ge: »maar daarin lezen wij niets van Rome en den Paus.quot; 't Is zoo; maar wat lezen wij er dan in ?
»Ik geloof aan (niet in) ééne heilige Katholieke Christelijke Kerk.quot;
AVant algemeen is in het formulier, zoo als gij het opzegt, slechts eene flaauwe vertaling van Katholiek. En zoo gelooft gij dan, dat er eene wereldkerk is, en ééne maar ('t is een telwoord en geen lidwoord), die heilig is en Christelijk. quot;Welke is die? Gij zult toch niet beweren, dat die »eenige ware kerk over de geheele wereldquot; de uwe is? En welke is het dan? Kan 't u verwonderen, dat de Roomsch-Katholiek zegt: »Het is de onzeen de Paus spreekt van geheel de Katholieke wereld, waartoe hij ook rekent, die voor het oogenblik niet in vriendschap en gemeenschap leven met den apos-tolischen stoel, dus de schismatieke kerken, de Grieksche allereerst; — maar u en mij zeker niet, die hij als menschen achten, maar als gemeente niet erkennen kan. Hoogstens zal hij ons als gedoopten tot zijne Kerk rekenen, maar dan als oproerige sekten, die het zijn pligtis, tot gehoorzaamheid te brengen. ')
') Dit onderscheid tusschen Schismatieken (scheurmakers) en Ketters wordt streng in het oog gehouden. De eersten, bij voorbeeld ook de Oud-Roomschen of Jansenisten, zijn een tak van de oude Kerk, bezitten de apostolische wijding en hiërarchie, zoo wel als de Katholieke leer; de laatsten zijn, zoo als eens een Eoomsche vrouw uit het volk mij zeide, „maar een opraapsel.quot;
9
En nu hebben wel de hervormers geleerd, dat er eene zigt-bare Kerk is, onder velerlei gedaanten, en eene onzigtbare, waarvan de leden den Heer alleen bekend zijn. Christus zou dus eene onzigtbare Kerk hebben gesticht, en deze alleen zou één zijn, heüig en algemeen! Maar dat is niet, wat in de Geloofsartikelen wordt geleerd, wat tot de hervorming toe meer dan duizend jaren hebben geloofd en beleden, en waarvan wij de verklaring uit de geschiedenis der oude Kerk moeten opdelven.
Door deze te vergeten, en de Kerkvaders, waar Rome zoo veel aan hecht, te verwaarloozen, maakte men zich in mijne jeugd de zaak al zeer gemakkelijk. In het Nieuwe Testament vond men de oude en oorspronkelijke Christelijke Kerk; de Bijbel was er dus de grondslag van; deEoomscheKerk, die daarvan afweek, eene valsche en de Paus Antichrist. Jammer, dat de latere onderzoekingen omtrent den oorsprong der boeken van het Nieuwe Testament en de geschiedenis van den Kanon, (de verzameling dier boeken,) als eerst in de vierde eeuw afgesloten, dezen zoeten droom met zoo ruwe hand zijn komen verstoren!
Toen ik in 't jaar 1856 onverwacht werd uitgenoodigd, om de jaarlijksche feestrede te houden voor het Nederlandsche Zendelinggenootschap, betoogde ik naar 2 Tim. 2 :2, {Hetgeen gij van mij gehoord hebt onder vele getuigen, betrouw dat aan getrouwe menschel), welke bekwaam zullen zijn, om ook anderen te leer en;) dat niet de Schrift, maar de overlevering de grondslag is geweest der Christelijke Kerk. Mij kwam deze geschiedkundige waarheid zoo ontwijfelbaar voor, dat ik met verbazing bemerkte, hoe onder de tachtig of meer medebroeders menig een over zulk eene ketterij 't voorhoofd fronste, en vernam, dat men mijne rede niet durfde uitgeven, hoewel mij dit vooraf was verzocht. ■) Hoe is alles veranderd in de volgende
') De Waalsche predikant L. G. James te Breda schreef zelfs
10
33 jaren, en lioe velen, die boos werden, dat ik »te ver ging,quot; zijn mij nu verre vooruit gesneld!
Toch is het zoo als ik zeide, en mogen wij de geschiedenis niet weerspreken, al doen wij daarmede schijnbaar — maar ook alleen in schijn! — eene groote concessie aan Rome. Alleen moeten wij er bijvoegen, dat men eene geschrevene en ongeschreven overlevering onderscheidde, en dus ook aan apostolische schriften dien naam gaf, zonder tusschen den inhoud van beide eenig onderscheid te maken, daar integendeel het apostolisch woord en schrift wel moesten overeenstemmen. Maar een eigenlijk en volledig Nieuw Testament, zoo als wij het nu hebben, bestond er in de eerste honderd jaren na Jezus nog niet; en zelfs op de eerste algemeene kerkvergadering, in 325 te Mcea gehouden, werd nog niet bepaald, welke boeken er al of niet toe behoorden. Eerst de bijzondere kerkvergaderingen stelden, te Laodicea(364) voor het Oosten, te Hippo (393) voor het Westen, voor goed den zoogenaamden Kanon vast; — terwijl intusschen de mondelinge overlevering, als eene stem uit de verte, reeds lang niet meer te herkennen of te vertrouwen was, al werd er nog altoos op gebouwd.
tegen mijn papisme eene vrij heftige brochure. „De apostelen, evangelisten en discipelen hebben, door de ingeving en leiding van den Heiligen Geest een echt en naauwkeurig verhaal van het leven des Heeren en van de eerste beginselen zijner leer opgesteld, geboekt en aan de Christelijke gemeente als authentieke oorkonde nagelaten. Even zoo hebben de voornaamste der Apostelen de kern en den hoofdinhoud van hunne prediking, leer en voorschriften, voor zoo verre het noodige en blijvende betrof, in hunne brieven aan de gemeenten zamen gevat; derwijze dat al de boeken des N. T. vóór het einde der eerste eeuw aanwezig waren. Daarenboven werd de echtheid der kanonieke schriften door de keur en getuigenis van Johannes als gestempeld en gehomologeerd.quot; (Openb. 22:18,19? ?) — Hoe gemakkelijk, — als het waar was!
11
Maar het wordt tijd, dat wij terugkeeren tot de eerste beginselen, de wording en ontwikkeling der Katholieke Kerk.
Jezus zelf had in den eigenlijken zin geene kerk gesticht: eene kerk namelijk met eene geregelde eer- en leerdienst of geestelijk bestuur. Even min had hij iemand tot priester gewijd, of dit later gewild. Alleen spreekt hij van zijne gemeente, op Petrus den rotsman 't eerst gebouwd, en die de poorten der hel niet zouden overweldigen. Deze was het Koninkrijk Gods, 'trijk van waarheid en vrede, dat hij op aarde kwam verwezenlijken. Hij wil, dat in die gemeente de broedertwist zal gebragt en daar bijgelegd worden. Zijn de geloovigen in zijnen naam bij een, al waren 't er twee of drie, hij is in hun midden. Maar het blijft eene vrije broederschap. Niemand zal daarin moester worden genoemd. Één is hun Meester en zij zijn allen broeders. En niet aan een' uiterlijken vorm zou de wereld hen als de zijnen kennen, maar daaraan, dat zij elkander lief hadden.
In dezen geest zijn de apostelen voortgegaan, en heeft vooral Paulus de vrijheid der gemeenten verdedigd. Er is echter reeds een eerste kiem der latere Katholiciteit te vinden in den brief der apostelen en ouderlingen te Jeruzalem aan de gemeenten uit de heidenen. Hij begint; Het heeft den Heiligen Geest en ons goedgedacht, — (Hand. 15 : 28.) Hierbij wordt dus voorondersteld, dat hetgeen apostelen en ouderlingen, in vereeniging met de moeder-gemeente {de broeders, vs. 23), goed vonden, eene uitspraak was van den Heiligen Geest.
Ondertusschen waren de meestal kleine en verstrooide gemeenten, zoo als Jezus voorspeld had, als schapen te midden van grijpende wolven. Zij hadden in het onmetelijke Eomeinsche rijk nergens regt van bestaan. Van tijd tot tijd ontstonden daardoor vervolgingen, 't zij door volksoploopen of door regtsgedin-gen. Wat was dus natuurlijker, dan dat dat de schapen zich rondom den herder aansloten? quot;Want in navolging der Joodsche
12
Synagoge, hadden de apostelen in de door hen gestichte gemeenten ouderlingen (presbyters) aangesteld, die ook wel opzieners (episkopen) werden genoemd. In het Nieuwe Testament wordt althans, — en dit pleit voor de hooge oudheid dezer geschriften, — tusschen beiden geen bepaald onderscheid gemaakt. Juist in die bijbelschriften, die door de nieuwere kritiek tot de jongste worden gerekend, komt dit het sterkste uit. Alleen apostelen, ouderlingen en diakenen worden daarin onderscheiden; de laatsten niet als bestuurders, maar als dienaars der gemeente. De ouderlingen worden soms ook opzieners genoemd (Filipp. 1:1), maar nooit gesproken van «presbyters en bisschoppen.quot; Buiten het geheele presbyterium (1 Tim. 4:14), dat Timotheüs de handen oplegde, bestaan geen bisschoppen. Zegt Paulus, dat wie tot het episkopaat lust heeft, een treffelijk werk begeert (1 Tim. 3 :1), dan beschrijft hij de vereischten daartoe even als elders die der ouderlingen (Tit. 1 : 6—9), en laat er terstond de diakenen op volgen. Ook Petrus (1 P. 5 : 1—4) stelt de ouderlingen voor als de eigenlijke herders der kudde, onder den Oversten Herder, Christus, en noemt zich hun medeouderling. Namen sommigen, die er de geschiktheid voor hadden, het onderrigt en de prediking voor hunne rekening (1 Tim. 5:17), dit vormde geen onderscheid van rang.
Toch moet dit onderscheid al vroeg bestaan hebben. Ook onder de oudsten of parnassijns der Joodsche gemeenten was één Overste der Synagoge, die er dus het hoogste gezag uitoefende. (Luk. 13:14.) Misschien waren er in een groote stad wel meer. (Hand 13 : 15.) De bijeenkomsten der eerste Christenen , waarin ook Mozes en de Profeten gelezen werden, wierden al spoedig naar het model der Synagoge ') ingerigt
') Wie iets meer weten wil van de inrigting der oude Synagoge, kan het vinden bij Campegius Vitringa, De Synagoge vetera 1696. Zulke boeken schrijft men niet meer!
13
en zelfs zoo genoemd. (Jak. 2 : 2.) quot;Wat was nu natuurlijker, dan dat wel allen, als oudsten, zoo als geheel de oudheid de ouden van jaren eerde, de gemeente vertegenwoordigden, maar toch één van zelf of door vrije keus bijzonder het opzigt over de gemeente hield en de godsdienstige bijeenkomsten of beraadslagingen leidde? Zoo staat in de vergadering te Jeruzalem eerst Petrus op aan het hoofd der apostelen, en spreekt daarna Jakobus, de broeder des Heeren, als de voornaamste der ouderlingen. (Hand. 15 :7, 13.) De geschiedenis zegt dan ook, dat de laatste tot zijnen dood toe Bisschop der Jeruzalemsche gemeente is geweest, en Judas, mede een zoon van Jozef en Maria, beroept zich tot zijne aanbeveling op zijn' beroemden broeder.
Het onderscheid tusschen presbyter en episkopos, dat zoodoende van zelf tegen het einde der eerste eeuw opkwam, was echter nog geen hiërarchische rang. De Bisschop was de primus inter pares, de eerste onder zijns gelijken.
De leerlingen der apostelen inzonderheid werden door hen met de zorg voor eene gemeente belast. In dien geest zijn de brieven aan Timotheüs en Titus geschreven.
Het zullen vooral de groote gemeenten geweest zijn, die aan zulk een eenhoofdig bestuur behoefte hadden, terwijl in de apostolische dagen er soms meer gemeenten in ééne stad of zelfs kleinere huisgemeenten bestonden. Ook dit was in den geest der Joden, daar, naar hun gewone grootspraak, er te Jeruzalem zelfs 460 of 480 van elkander onafhankelijke Synagogen zouden bestaan hebben! De Christelijke liefde bragt echter die gemeenten nader bij een, en de vervolging verhoogde het gezag van den Bisschop, die zich moedig aan 't hoofd stelde, als de goede herder, die zijn leven stelt voor de schapen, en niet vluyt, waar de wolf komt. Zoo muntten boven anderen uit de waardige Polykarpus, Bisschop van Smyrna, en Ignatius, Bisschop van Antiochië, die naar Rome werd gevoerd in 't jaar
14
125, om daar door de wilde dieren verscheurd te worden. Op reis schreef hij onderscheiden brieven, waarin hij de gemeenten vermaant, zich om hunne Bisschoppen, als om Christus, te scharen; ja! in hen Christus zelf te zien, en hem te gehoorzamen. Zoo meende de martelaar door de eenheid der gemeenten de eenheid der geheele kerk, in haren strijd tegen de wereld, best te bevorderen; en zijn invloed heeft zeker niet weinig tot het zoo spoedig toenemend gezag der Bisschoppen bijgedragen.')
Maar daar kwam nog eene andere reden bij, die het aanzien en den invloed der Bisschoppen deed stijgen. De tweede eeuw was een tijd van gisting. Yooral in Klein-Azie ontmoetten drie golfstroomen elkander: de Grieksch-Romeinsche godenleer, het Joodsche Rabbinisme en de droomen eener oostersche fantazie, die zelfs te Eome een' tijd lang in de mode waren. Met de laatste vooral kwam nu het Christendom in aanraking. De zoogenaamde Gnostieken, die beweerden eene hoogere kennis (gnosis) boven het volksgeloof [pistis) te bezitten, en die weder in verschillende takken zich splitsten, begonnen reeds aan den avond der apostolische eeuw de gemeente te verwarren, toen de Do-céten aan Jezus slechts een schijnligchaam toeschreven. De meest bekende in de tweede eeuw was Marcion, die den He-melschen Vader van 't Nieuwe Testament hooger stelde dan den quot;Wereldschepper in het Oude. Hij erkende alleen het Evangelie van Lukas en de Paulinische brieven, en hem wordt door de Kerkvaders, met name Tertullianus, verweten, dat hij die voor zijn doel vervalschte. quot;Waaraan zouden nu eenvoudige Christe-
quot;) Op het voetspoor van mijn' leermeester, Prof. N. C. Kist, en in navolging van Dr. Junius houd ik de zeven brieven van Ignatius, naar de kortste redactie, voor echt, en vind er zelfs een' on-misbaren sleutel in voor de tweede eeuw, die even veel van de apostolische verschilt, als in onze vaderlandsche kerkgeschiedenis de zeventiende eeuw van die der Kerkhervorming.
15
nen, pas uit liet Heidendom bekeerd, zich houden, vooral daar, behalve die menigte vreemde sekten, over menige zaak in de gemeente verschillend werd gedacht? »Liever,quot; zegt Papias, een der oudste Kerkvaders: »dan het in de boeken na te zien, vraag ik aan de oudsten, die hen nog hebben gekend: wat leerde Petrus? wat Andreas?quot; — En zoo kregen de moedergemeenten, Rome, Antiochië en Alexandrië grooten invloed, en over 't geheel de Bisschoppen meer magt, omdat zij werden geacht in het bezit te zijn der echte apostolische overlevering, waaraan zelfs, bij verschil over het gezag van sommige boeken, de Schrift werd getoetst. Was nu iets twijfelachtig, dan kwamen ook wel de Bisschoppen van dezelfde landstreek bij een. Zoo ontstonden de conciliën en werd de eenheid gehandhaafd der Katholieke Kerk, die vast hield aan de apostolische overlevering.
Van deze Katholieke Kerk hebben wij nu nog te spreken.
Ongemerkt volgde, zoo als doorgaans en ook bij ons, in haren vorm en indeeling de Kerk den Staat. Het Romeinsche rijk, dat alle landen om de Middellandsche Zee omvatte, was ook het tooneel voor het jeugdig optredende Christendom, de parasiet, die weldra den magtigen reuzenstam geheel zou innemen en vermeesteren. De Romeinen nu, die al de beschaafde landen onder den scepter van den Keizer hadden gebragt, en daar buiten niets dan barbaren kenden, noemden hun gebied: «geheel de bewoonde aarde (holên tên oikouménên).quot; Dit denkbeeld bragt men over op de Kerk. Zij ook, de eenige en ware, in onderscheiding van sekten en ketterijen, werd bij verkorting Kath holés (over de geheele) of Katholieke (alge-me ene) genoemd, en de eerste algemeene Kerkvergadering, nadat Konstantijn de eerste Christen-Keizer was geworden, Oe-komenisch Concilie.
Zoo werd de bede van Jezus, dat al de zijnen één zouden zijn (Joh. 17:22), in een' geheel wereldschen vorm uitgewerkt, en
IG
werd, geheel tegen zijn woord, de eene Christen weêr meester over den ander, en het geloof aan banden gelegd.
Het is opmerkelijk, dat het woord Katholiek het eerst voorkomt bij denzelfden Ignatius, die het gezag der bisschoppen zoo hoog heeft opgevoerd. In zijn schrijven naar Smyrna zegt hij; »quot;Waar de bisschop is, daar is de gemeente, en waar Christus is, de Katholieke Kerk.quot; Even zoo komt het voor in het verhaal, door die van Smyrna gegeven van Polykarpus'marteldood. Altijd echter nog in den zin van de geheele Kerk, in tegenstelling der bijzondere gemeenten, en niet in de latere hiërarchische beteekenis. Toch werd aan die Kerk in haar geheel reeds de leerbepaling toegekend; en dat te meer omdat niet, zoo als later, eene verschillende opvatting van den Bijbel, maar eene geheele afwijking van de algemeen erkende apostelleer, de grondslag dei-eerste ketterijen was. En zoo werd, zegt men, het woord Katholiek in de derde eeuw door den bisschop Alexander van Alexandrië voor het eerst in de Geloofsbelijdenis, het zoogenaamde Sijmhulum (onze 12 Geloofsartikelen), ingelascht. Voortaan zou dus ieder Christen moeten gelooven en belijden, dat er slechts ééne ware, alleen heilige Christelijke Kerk is, dezelfde over de geheele wereld, leerende — gelijk men het uitdrukte, — wat altijd, overal en door alle ware geloovigen beleden was. Wat daar buiten Christelijk genoemd wordt, :t zijn niet anders dan scheuringen, sekten, ketterijen.
Zoo vatte het dan ook het Concilie van Mcea op, toen het de Arianen veroordeelde. En zonderling genoeg, dat onze gereformeerde kerkboeken ook de zoogenaamde Geloofsbelijdenis van Athanasius (omtrent de drieëenheid) bevatten, die begint: »Zoo wie wil zalig zijn, dien is voor alle ding noodig, dat hij het Katholiek geloove houde; hetwelk zoo wie niet geheel en ongeschonden bewaart, die zal zonder twijfel eeuwig verderven.quot;
Bij dit alles kwam nog iets, dat van het grootste gewigt is.
17
Jezus erkende de priesters van Jood en Samaritaan (Luk. 17 :14), maar had, gelijk ik reeds zeide, geen het minste plan om zelf een nieuw priesterdom op te rigten. Petrus verdedigt nog met kracht het algemeene priesterschap der geloovigen, en kent de presbyters (oudsten) alleen als herders der gemeente. Maar verwonderlijk spoedig volgde men het voorbeeld van Jood en heiden, en schiep zich een eigen priesterdom, door de wijding, die tot de apostelen opklom, van de leeken, — het volk — onderscheiden, en boven dezen verheven. De presbyter werd priester, ofschoon het Grieksoh daarvoor een geheel ander woord heeft. Het avondmaal was zijne offerande. Boven de presbyters stonden de Bisschoppen, boven dezen de Metropolitanen (Bisschoppen der hoofdsteden) of Aartsbisschoppen, terwijl Patriarch, aartsvader der kerk, de hoogste eeretitel was. Het werd echter nog niet terstond als eene instelling van Christus beschouwd, daar Tertullianus schrijft: »Het verschil tusschen de Orde (de geestelijkheid) en het volk heeft het gezag der Kerk ingesteld.quot; Zoo spoedig vond echter het denkbeeld dezer hiërarchie bijval, dat reeds in de derde eeuw Cyprianus schreef: »Hij kan God niet tot Vader hebben, die de Kerk niet tot moeder heeft.quot; Maar die moeder vereenigde al hare niagt in de hoogere geestelijkheid, terwijl het volk slechts te gehoorzamen had, de lagere geestelijkheid te dienen.
Van de vijf patriarchaten gingen Antiochië, Alexandrië en Jeruzalem door de Mahomedanen verloren. De Patriarch van Konstantinopel bleef, maar afhankelijk, eerst van den Griek-schen Keizer, later van den Sultan. Die van Eome daarentegen verkreeg eene zekere onafhankelijkheid in het in een stortende westersch Eomeinsche Keizerrijk, en zij werd door Pepijn en Karei den Groote hem wettig toegekend. Maar veel vroeger vinden wij de eerste beginselen van het primaat van »het eeuwige Eome,quot; de onvergankelijke wereldstad. Eeeds in de
2
18
tweede eeuw matigde Victor zich zoo veel aan, dat hij dreigde, de Aziatische Bisschoppen de kerkelijke gemeenschap op te zeggen, omdat zij het pascha nog te gelijker tijd met de Joden vierden. Tegen het einde dier eeuw of het begin der derde schreef Irenaeus: »Geheel de Kerk moet zich schikken naar de Kerk te Eome.quot; En had onder Cypriamis de Kerk van Noord-Afrika haar regt nog gehandhaafd, ruim eene eeuw later bragt Augustinus de bekende spreuk in zwang: »Eome heeft gesproken, de zaak is afgedaan.quot;
Yan nu af was dan het onbepaalde Kerkgezag, of liever dat der hiërarchie voor goed gevestigd. Het kon zich alleen in twee rigtingen verder ontwikkelen: het episkopale en het p a p a 1 e.
Maar men meene daarom niet, dat de bisschoppelijke partij verdraagzamer of ruimer van opvatting zou geweest zijn, of den leeken een eigen oordeel zou hebben gelaten. Het Concilie van Constanz (1415), dat nog het gezag der Kerkvergadering boven en over den Paus zocht te handhaven, liet Johannes Husz levend verbranden. Wat er later, onder geheel veranderde omstandigheden, van de Episkopale Kerk in Engeland en de Oud-Katholieken in Duitschland geworden is, kan hiervoor geen maatstaf zijn. Toch hadden de Jezuïeten het goed ingezien, dat alleen een volstrekt autokratisch bestuur de eenheid der Kerk kon verzekeren. En zij hebben eindelijk in het Concilie van Eome (1870) hun doel bereikt, door de onfeilbaarheid-verklaring van den Paus. Yan nu aan is geen Algemeene Kerkvergadering meer noodig. De Paus beslist ex cathedra, en de zaak is afgedaan.
Als wij nu deze geschiedkundige ontwikkeling van de eenheid en katholiciteit der Kerk goed voor oogen hebben, begrijpen wij, waarom Paus Leo spreekt, zoo als hij spreekt; en dat hij, voor wien van kinds af Godsdienst en Kerk één zijn , en die latei-door den geest van Kerkvaders en Scholastieken doordrongen is.
19
niet anders spreken kan. Of nu de ideale kerk, die hij ons schetst als het behoud der volken, de werkelijk bestaande Eoomsche Kerk is, is eene andere vraag. Op hare volmaaktheid, die hij stoutweg onderstelt, is, ook naar hare eigene beginselen , veel af te dingen, en de beste Pausen hebben dit zelve erkend. Maar al oordeelen wij anders en strijden tegen het beginsel, wij kunnen den idealist als een edel mensch achten, en wat wij in hem onchristelijk vinden, verdragen. Hier geldt het beroemde woord van Madame de Staal, waar ik anders niet onbepaald meê instem: Tout comprendre, c'est tout pardonner. Men zal zelfs moeten erkennen, dat de Paus, op zijn autokra-tisch en onfeilbaar standpunt, mild is in zijne opvatting en ruim in de toepassing zijner beginselen. En kan hij onmogelijk het Protestantisme goed beoordeelen, zijn oordeel is althans niet harder dan dat van eene orthodoxe gemeente, die haar liberalen predikant een Baaispriester noemt.
Ten slotte, mijn lezer! Schamen wij ons niet, om, terwijl wij vasthouden aan onze evangelische beginselen, zelfs van een' Paus te leeren.
Van de vertaling zal ik weinig zeggen. Andere vertalingen heb ik niet geraadpleegd. Ik wilde liever met den Paus alleen zijn. Het »gouden-eeuws latijnquot;, zoo als mijn vriend de priester schrijft, is door zijn' ingewikkelden periodenbouw, zijn' langzamen en voorzigtigen voortgang, en hier en daar scholastieken vorm, niet gemakkelijk in eene andere taal over te gieten. Eene letterlijke vertaling zou dikwijls onverstaanbaar zijn, of een' geheel anderen zin geven. Toch wilde ik Leo laten spreken, geheel naar eigen trant, zoo als ik mij verbeeld, dat hij in onze taal zou uitspreken, wat hij in 't latijn heeft gedacht. Of 't mij gelukt is, mogen anderen beoordeelen.
20
Herhalingen in de verscliillende brieven zullen, hoop ik, niet hinderen. De Paus schreef deze Encyclicae elk afzonderlijk, en zeker niet in de gedachte, om er één geheel van te maken. En buitendien, wij tachtigers vallen wel eens meer in herhalingen.
In de aangehaalde teksten zal men wel eenig verschil ontdekken met onzen Hollandschen bijbel. Dit komt doordat de aangenomen latijnsche vertaling (de Vulgata) voor de Eoomsche Kerk de officiëele tekst is, die zelfs naar het Grieksch niet mag veranderd worden. — Bij de aanhalingen uit Kerkvaders en Scholastieken heb ik de plaats niet opgegeven, ofschoon Leo haar telkens noemt. De meesten kunnen ze toch niet naslaan.
Eu nu, den lezer heil en Gode de eer!
C. E. VAN KOETSVELD.
I.
Diuturnum illud teterrimumque bellnm.
Pauselijke Zendbrief over de magt den Vorsten en Bestuurders der Staten.
Aan de Eerwaarde Broeders Patriarchen, Primaten, Aartsbisschoppen en Bisschoppen van geheel de Katholieke wereld, die vriendschap en gemeenschap onderhouden met den Apostoli-
^ schen Stoel,
l
Leo pp. XIII.
Heil en de apostolische zegen! ')
De langdurige en afschuwelijke oorlog, tegen het goddelijk gezag der Kerk ondernomen, is eindelijk uitgeloopen op datgene, wat reeds lang te voorzien was: gemeenschappelijk gevaar voor geheel de menschelijke zamenleving, en met name voor het burgerlijk Bestuur, waarop meest het algemeene welzijn berust. Dit is inzonderheid in dezen onzen tijd aan het licht gekomen. Want de volkshartstogten verzetten zich tegen elke regerings-magt, tegenwoordig meer dan ooit te voren. En zoo groot is af en toe de losbandigheid, zoo menigvuldig oproer en verwarring, dat menig maal den Bestuurders der Staten niet alleen de gehoorzaamheid wordt opgezegd, maar hun zelfs geen genoegzaam veilige beschutting hunner veiligheid schijnt te zijn overgelaten. Lang is er op gewerkt, om hen in verachting en haat te brengen bij de menigte; en nu eindelijk de vlammen der opgestookte nijd uitbarsten, is het leven der magtigste Vorsten meer dan eens of door verborgen zamenspanningen öf door openlijke aanvallen in groot gevaar gebragt. Onlangs nog gruwde geheel Europa bij den ontzettenden moord van een' magtigen Keizer; en terwijl
lJ Daar dit opschrift altijd hetzelfde is, zoo is 'tbij de twee volgende Zendbrieven weg gelaten.
24
de gemoederen nog ontsteld zijn door de grootheid van deze misdaad, ontzien verdorven menschen zich niet, bedreiging en verschrikking tegen de overige Vorsten van Europa onder de menigte uit te strooijen.
Deze in 't oog vallende gevaren voor de maatschappij vervullen Ons met groote bezorgdheid, daar wij de veiligheid der Vorsten en de rust der rijken, te gelijk met het welzijn der volken, bijna te ieder uur in gevaar zien. Daar tegenover heeft steeds de goddelijke kracht der Christelijke godsdienst de hechtste steunsels van vastheid en orde aan den Staat verschaft, zoodra zij in de zeden en wetten was doorgedrongen. Niet de minste en laatste vrucht daarvan is eene billijke en wijze beperking van regten en pligten, zoo wel der Vorsten als der volken. Want in de voorschriften en het voorbeeld van den Heere Christus ligt een verwonderlijke kracht, om zoo wel die gehoorzamen als die gebieden, binnen de grenzen te houden van hunnen pligt, en tusschen hen die zamenwerking en overeenstemming te bewaren, die meest met de natuur overeenstemt. Hieruit eerst wordt een rustige en van alle verstoring vrije gang van 't burgerlijk leven geboren. quot;Waarom, dewijl Wij door Gods goedheid gesteld zijn over de regering der Katholieke Kerk, zoo wel als het handhaven en uitleggen der Christelijke leer, zoo rekenden Wij het van onzen pligt, Eerwaarde Broeders! openlijk bekend te maken, wat in dezen de katholieke waarheid van ieder eischt; waaruit tevens blijken zal, op wat weg en wijze, in zoovreese-lijken toestand, voor het algemeene welzijn moet gezorgd worden.
Hoewel de mensch, door zekere aanmatiging en hardnekkigheid aangedreven, menigmaal beproefd heeft, de teugels van 't Bestuur af te werpen, toch heeft hij het nooit zoo ver kunnen brengen, dat hij niemand gehoorzaamde. De noodzakelijkheid zelve gebiedt, dat in alle verbindtenis en vereeniging van menschen er
25
eenigen aan het hoofd staan. Anders moet wel die vereeniging, afgeweken van haar beginsel en los gemaakt van het hoofd, waardoor zij bestuurd wordt, in verval komen, en verhinderd worden het doel te bereiken, waartoe zij ontstaan is en ingerigt. Maar al is het onmogelijk, uit het midden der Staten de burgerlijke magt geheel weg te nemen, toch heeft men er zich op toegelegd, om met alle middelen haar van kracht te berooven en hare majesteit te verminderen. Vooral is dit geschied in de zestiende eeuw, toen verderfelijke nieuwe leeringen veler verstand hebben beneveld. Na dien tijd heeft niet alleen de menigte zich meer vrijheid dan billijk was, willen zien toekennen, maar men heeft ook gemeend, den oorsprong en de inrigting van de burgerlijke maatschappij zich naar willekeur te mogen voorstellen. Zeer vele nieuweren zelfs, de voetstappen drukkende van hen, die in de vorige eeuw zich den naam van wijsgeeren aanmatigden, zeggen, dat alle magt van het volk is; zoodat zij, die haar in den Staat uitoefenen, dit niet doen als die haar zelve bezitten, maar als een mandaat, door het volk hun toevertrouwd; en dat wel naar deze wet, dat die magt door den wil van het volk, die haar hun toevertrouwde, hun ook weder kan worden opgezegd. Van dezen nu verschillen de Katholieken, die het rege-ringsregt van God afleiden, als het natuurlijke en noodzakelijke beginsel van alle magt.
Het is evenwel van belang hierbij op te merken, dat zij, die aan 't hoofd van den Staat zullen staan, in sommige gevallen door den wil en het oordeel der menigte kunnen verkozen worden, zonder dat de Katholieke leer dit verbiedt of bestrijdt. quot;Want door deze keus wordt de Eegeerder aangewezen, maar niet de regten der regering hem gegeven; en het bewind wordt daardoor niet een mandaat, maar alleen bepaald, door wien het zal gevoerd worden. Ook wordt hier niet gevraagd naar den vorm der regering; want er is geen reden, waarom bij de Kerk niet
26
zou goedgekeurd ■worden het bestuur öf van éénen öf van velen, indien het slechts regtvaardig zij en ten algemeenen nutte in-gerigt. quot;Waarom, behoudens de regtvaardigheid, den volken niet kan worden belet, dien regeringsvorm aan te nemen, die öf met hunnen aard, öf met de instellingen en zeden hunner voorouders het geschiktste overeenkomt.
quot;Wat overigens het burgerlijk Bestuur betreft, de Kerk leert te regt, dat het van God uitgaat: want daarvan vindt zij in de Heilige Schriften en de gedenkteekenen der Christelijke oudheid de klaarste getuigenis; terwijl bovendien geene leer kan worden bedacht, die meer öf met de rede overeenkomt, öf met 't heil van Vorsten en volken beter zamenstemt.
Dat in waarheid de bron van alle menschelijke magt in God ligt, bevestigen de boeken van het Oude Verbond op vele plaatsen ten duidelijkste. »Door Mij regeren de Koningen,.... door Mij heerschen de Bevelvoerders en bepalen de mag tig en g er eg tig-heid. (Spr. 8 : 15, 16.) En elders: Neigt de ooren, gij die de volken bedwingt.... omdat u door God de magt is gegeven, en het vermogen van den Allerhoogste.'''' (Boek der Wijsheid 6 : 3, 4.) ') Hetgeen elders zóó wordt uitgedrukt: „Over ieder volk heeft God eenen Heerscher gesteld.quot; — Deze dingen echter, die zij van Gods wege geleerd hadden, hebben langzamerhand de men-schen door het heidensch bijgeloof afgeleerd; hetwelk even als het den waren vorm en 't begrip der dingen in 't algemeen bedierf, zoo ook den zuiveren vorm en de schoonheid der regering. Naderhand, waar het licht van 't Christelijk evangelie doordrong, week de ijdelheid, en begon weder het edelste en goddelijke beginsel aan het licht te treden, waar alle gezag uit voortvloeit. Toen de Eomeinsche landvoogd er zich op beriep, dat hij de
1) Hier en later houde men in het oog, dat ook de zoogenaamde apokryfe boeken van het Oude Testament in de Katholieke Kerk kanoniek gezag hebben.
27
raagt had om vrij te spreken of te veroordeelen, antwoordde de Heere Christus: „Gij zoudt geene magt hebben tegen mij, zoo u die niet van boven gegeven ware. (Joh. 19; 11.) Welke plaats de heilige Augustinus zóó uitlegt: „ Wij leer en hier, wat de Heer ons ook door een' apostel leert, dat er geene magt bestaat dan van God.quot; Den zuiveren weerklank toch van Jezus Christus' leer en geboden hooren wij, als van zijn evenbeeld, in de onbedorven stem der apostelen. Zoo is de verhevene en waardige vermaning van Paulus tot de Eomeinen, onderworpen aan het gebied van heidensche Heerschers: „Er is geene magt dan van God;quot; waaruit hij dit gevolg trekt: „De Overheid is Gods dienares.quot; (Rom. 13 : 1, 4.)
De Kerkvaders hebben er zich met vlijt op toegelegd, om deze leer, waarin zij onderwezen waren, te belijden en te verspreiden. »Wij kennen,quot; zegt de heilige Augustinus: »aan niemand de magt toe, om bestuur of regering te verleenen, dan aan God.quot; In denzelfden geest spreekt de heilige Johannes Chrysostoiuus: a Dat er regeringen zijn, en dat sommigen heerschen, anderen ondencorpen zijn, zoodat alle dingen niet hij toeval en Ugtvaar-dig geschieden, getuigt van de goddelijke wijsheid.quot; Hetzelfde heeft de heilige Gregorius de Groote getuigd, zeggende: » Wij belijden, dat aan Keizers en Koningen uit den hemel de magt gegeven is.quot; Zelfs hebben de heilige leeraars dezelfde voorschriften ook door het natuurlijk licht der rede pogen op te helderen, zoodat zij ook aan hen, die alleen de rede als leidsvrouw volgen, als regt en waarheid moesten voorkomen. En inderdaad, de natuur gebiedt de menschen, in eene burgerlijke zamenleving te leven; of meer naar waarheid gezegd. God zelf gebiedt het, die de natuur heeft daargesteld. — Dit wordt reeds duidelijk aangewezen door het vermogen om te spreken, den magtigsten raadgever der maatschappij; door de aangeboren neigingen dei-ziel, en de vele noodige en belangrijke zaken, die alleenwonen-
28
den niet kunnen verkrijgen, maar zij te zamen en vereenigd zich wel -weten te verschaffen. Nu kan eene maatschappij niet bestaan noch gedacht worden, waarin niet iemand den wil der enkelen bedwingt, zoodat er als één geheel wordt uit vele leden; één, die dit verschillend streven tot het gemeene best naar regt en orde bestuurt. God wilde dus, dat er in de burgerlijke zamen-leving zijn zouden, die bewind voerden over de menigte. Ook dit is van het hoogste gewigt, dat zij, door wier gezag de Staat wordt bestuurd, de burgers zóó tot gehoorzaamheid moeten kunnen dwingen, dat het voor dezen zonde is, niet te gehoorzamen. Nu heeft geen der menschen iets in zich of uit zich zeiven, waardoor hij den vrijen wil der overigen door de banden van zulk eene regering zou mogen bedwingen. Dit is alleen de magt van aller Schepper en Wetgever, van God. Die dus dit bewind voeren, moeten het doen als een gezag, door God hun medegedeeld. vgt;Eén Wetgever en Regter is er, die verder ven kan en levrijden.quot; (Jak. 4; 12.) Hetzelfde wordt ook in alle soort van magt gezien. Dat die der priesters van God voortkomt, is zóó bekend, dat zij bij alle volken voor dienaren der Godheid gehouden en zoo genoemd worden. Evenzoo drukt de magt des huisvaders zeker evenbeeld en vorm uit van het gezag, dat in God is, »i'a« Wien alle vaderschap in de hemelen en op aarde (jenonnd wordt.quot; (Eph. 3:15.) Op die wijze hebben de verschillende soorten van magt verwonderlijke trekken van overeenkomst, daar, wat er ooit voor bestuur of gezag is geweest, daarvan de oorsprong moet worden afgeleid van denzelfden Werkmeester en Heer der wereld, van God.
quot;Wie willen, dat de burgerlijke maatschappij ontstaan is uit der menschen vrije overeenkomst, leiden den oorsprong van het gezag af uit dezelfde bron, meenende, dat ieder van zijn regt iets heeft afgestaan, en zoo allen vrijwillig zich onder de magt van hem gesteld hebben, wien het geheel hunner regten is toe-
29
vertrouwd. Maar liet is eene groote dwaling, wanneer men niet ziet, wat toch zoo duidelijk is, dat de menschen, als geen eenzaam levend geslacht, buiten hun' vrijen wil tot natuurlijke za-menleving geboren zijn. Eu bovendien is het verdrag, dat zij voorgeven, duidelijk een verdichtsel, terwijl het aan liet staatsgezag niet de kracht, de waardigheid en vastheid geven kan, die de bescherming van den Staat en het gemeenebest der burgers vereischen. Eerst dan zal de regering dit algemeene aanzien en deze vastheid hebben, wanneer men begrijpt, dat haar gezag voortvloeit uit God, als de waardigste en heiligste bron.
Geene stelling kan niet alleen meer waar, maar ook nuttiger gevonden worden dan deze. quot;Want het gezag der Staatsbestuurders, wanneer het zekere gemeenschap is aan dat van God, verkrijgt om deze zelfde reden eene waardigheid, grooter dan de menschelijke. Niet die godslasterlijke en ongerijmde, die de heidensche Keizers zochten, toen zij zich goddelijke eer aanmatigden; maar eene, die waar is en gegrond, en door goddelijke gunst verworven. Daardoor zullen de burgers moeten ondergeschikt zijn en gehoorzamen als aan God, niet zoo zeer uit vrees voor straf, als wel uit eerbied voor hunne majesteit, en niet door toestemming, maar door gevoel van pligt; waardoor het gezag naar die mate ook veel vaster staan zal. quot;Want wanneer de burgers de magt van zulk eenen pligt gevoelen, zullen zij noodzakelijk van weerspannigheid en misdrijf zich onthouden, omdat zij overtuigd moeten zijn, dat wie de Staatsmagt wederstaal!, weêrstand bieden aan den goddelijken wil; wie den quot;Vorsten eere weigert, ze weigert aan God zelf.
Tot deze beginselen heeft met name de apostel Paulus de Romeinen opgeleid; aan wie hij over den eerbied, die den oppersten Regeerders moest worden toegedragen, met zulk een gezag en gewigt geschreven heeft, dat het niet ernstiger kan worden voorgeschreven. Alle ziele zij de hoog ere mag ten onder-
30
danig; u-ant daar is geene magt dan van God; en die er zijn, zijn van God verordend. Die dus het gezag wederstaat, weerstaat de verordening Gods. En wie ze weêrstaan, halen zelve de veroordeeling over zich .... Daarom is het noodzakelijk, onderworpen te zijn, niet enkel van wege den toorn, maar ook om des gewetens wil. (Eom. 18 ; 1, 2, 5.) Daarmede stemt geheel overeen de voortreffelijke uitspraak hieromtrent van Petrus, den Prins der apostelen: Weest ondergeschikt aan alle menschélijk schepsel, om Gods wil: hel zij den Koning, als de hoogste magt hebbende, het zij den Stadhouders, als van God gezonden tot tuchtiging der boosdoeners en lof der goeden, omdat alzoo Gods tvü is. (1 Petr. 2 ; 13—15.)
Ééne reden is er slechts, om de menschen niet te gehoorzamen; wanneer door hen iets wordt geëischt, dat met het natuurlijk of goddelijk regt ten duidelijkste in strijd is. Want alles, waardoor de natuurwet of de wil van God wordt geschonden , is evenzeer zonde, zoo wel voor die het doet, als voor wie 't gebiedt. Indien het dus iemand overkomt, dat hij het een of het ander kiezen moet, namelijk öf het gebod van God óf dat der Heerschers, en hij dus één van beiden moet ongehoorzaam zijn, zoo moet hij Jezus Christus gehoorzamen, waar deze gebiedt, den Keizer te geven, icat des Keizers is, en Gode wat Godes is (Matth. 22 : 21), en hij moet naar het voorbeeld der apostelen uit volle overtuiging antwoorden: »Men moet Gode meer gehoorzamen dan den menschen.quot; (Hand. 5 : 29.) Toch is er geene reden, om hen, die zoo handelen, te beschuldigen, dat zij de gehoorzaamheid aan het wettige gezag van zich hebben afgeworpen: want wanneer de wil der Vorsten strijdt met den wil en de wetten van God, gaan zij zeiven de perken hunner magt te buiten en verkeeren het regt; zoodat hun gezag dan niet gelden kan, omdat het zonder dat regt niet bestaat.
Om nu het regt te behouden in het Staatsbestuur, komt het
31
daar vooral op aan, dat zij, die den Staat besturen, begrijpen, dat niet tot het bijzonder voordeel van dezen of genen de Staats-magt geboren is; en dat het bestuur ten nutte van hen, die den Bestuurders zijn aanbevolen, en niet in hun eigen voordeel moet worden uitgeoefend. De Vorsten moeten hun voorbeeld nemen aan God zeiven, van Wien zij hun gezag ontvangen hebben; en zijn beeld zich in het bestuur van den burgerstaat voor oogen stellende, moeten zij het volk besturen met billijkheid en trouw, en bij de gestrengheid, die noodig is, vaderlijke liefde voegen. quot;Waarom zij door de godspraak der Heilige Schriften vermaand worden, dat zij zeiven den Koning der Koningen en Heer der Heeren eens rekenschap geven zullen; en zoo zij hunnen pligt hebben verzuimd, zij op geenerlei wijs het gestrenge oordeel Gods zullen ontvlieden. „De Allerhoogste zal uwe werken onderzoeken en uwe overleggingen naspeuren, omdat toen gij dienaren waart van zijn rijk, gij niet regt hebt geoordeeld ...... Vreeselijk en snel zal het u verschijnen, omdat het
hardste oordeel hun die regeren overkomt...... Want God
ontziet den persoon van niemand, noch vreest niemands grootheid, omdat Hij klein en groot zelf gemaakt heeft en Hij gelijkelijk voor allen zorgt. Den sterkeren nu wacht een zwaarder straf.'quot; (Boek der quot;Wijsheid, C : 4—8.)
Wanneer deze beginselen den Staat beschermen, wordt èn de reden èn het voorwendsel tot oproer weg genomen; en zoo wel de waardigheid en veiligheid der Vorsten als de rust en het welzijn der volken zullen verzekerd zijn. Ook voor de waardigheid der burgers wordt op die wijze het best gezorgd: want in de gehoorzaamheid zelve wordt hun die eer toegekend, die met de voortreffelijkheid van den mensch overeenkomt. Zij toch begrijpen dan, dat naar het oordeel Gods er slaaf bestaat noch vrije; één is de Heer van allen, rijk over allen die Hem aanroepen (Rom. 10 :12); en dat zij daarom den Vorsten ondergeschikt zijn en
32
gelioorzaam, opdat dezen eenigermate het beeld van God dragen, ■wiens regering een dienen en zorgen is.
Daarop nu heeft de Kerk zich altoos toegelegd, dat deze Christelijke opvatting der Staatsmagt niet alleen door het verstand zou begrepen worden, maar door het openbare leven en de zeden der volken zou worden uitgedrukt. Zoo lang aan het roer van den Staat heidensche Keizers zaten, die door het. bijgeloof verhinderd werden zich te verheffen tot die wijze van regeren, die wij geschetst hebben, zocht de Kerk den geest der volken met die denkbeelden eigen te maken, daar zij, zoodra zij het Christendom aannamen, ook den wil moesten hebben om daarnaar hun loven in te rigten. Derhalve plegen de zielenherders, op het voetspoor van Paulus, met de grootste zorg en vlijt de volken te vermanen, dat zij den Vorsten en Magthebhenden ondergeschikt moesten zijn en hunne bevelen gehoorzamen. (Tit. 3: 1.) Verder dat zij God moesten bidden voor alle menschen, maar bepaaldelijk voor Koningen en allen, die in hoogheid gesteld' zijn; want dit is aangenaam voor God onzen Zaligmaker. (1 Tim. 2 : 1—8.) En hiervan hebben de oude Christenen alle-zins voortreffelijke bewijzen nagelaten; daar zij, door heidensche Keizers op de onregtvaardigste en wreedste wijze mishandeld, toch nooit hebben nagelaten, zich gehoorzaam en ondergeschikt te gedragen, zoo dat gene in wreedheid, zij in volgzaamheid schenen te wedijveren. Zoo groot eene bescheidenheid en gewillige gehoorzaamheid viel te zeer in het oog, dan dat zij door den laster en de kwaadwilligheid hunner vijanden konden verduisterd worden. Waarom zij, die de zaak der Christenen bij de Keizers bepleitten, daarin vooral het onregtvaardige der wetten tegen hen aanwezen, dat zij voor aller oog zoo voorbeeldig naar de wetten leefden. Marcus Aurelius Antoninus en zijn' zoon Lucius Aurelius Commodus spreekt Athenagoras vrijmoedig aldus toe: »Gij laat toe, dat wij, die niets kwaads bedrijven.
33
ja zelfs van allen het meest vroom en regtvaardig, zoo wel omtrent God als tegenover uwe regering, ons gedragen, worden vervolgd, beroofd, verjaagd.quot; Even eens zegt Tertullianus, dat het den Christenen tot eer strekt, dat zij die't belijden, voor het Keizerrijk de beste en vertrouwdste vrienden van allen waren. »De Christen is niemands vijand, ook niet van den Keizer, daar hij weet, dat deze door zijnen God is aangesteld, en het dus noodzakelijk is, dat hij hem lief heeft, vreest en eert, en hem heil toewenseht met geheel het Eomeinsche rijk.quot; En hij aarzelde niet te verklaren, dat binnen de grenzen van het rijk het getal der vijanden in dezelfde mate pleeg te verminderen, als dat der Christenen toenam. »Nu hebt gij minder vijanden door de menigte Christenen, daar bijna allen Christen burgers zijn.quot; Ook iu den Brief aan Diognetus vindt men hiervoor eene treffende getuigenis, daar hij verzekert, dat toen ter tijd de Christenen gewoon waren, niet alleen de wetten te gehoorzamen, maar bij eiken pligt vrijwillig meer en beter te doen, dan waartoe zij door de wetten gedwongen werden. »De Christenen gehoorzamen de wetten, die bekrachtigd zijn, en overtreffen die door hunne wijze van leven.quot;
Anders evenwel was het, waar hun door de Edikten der Keizers en de bedreigingen der Stadhouders geboden werd, van het Christelijk geloof, of, hoe ook, van hunnen pligt af te wijken. Dan wilden zij liever den mensehen dan Gode mishagen. Maar zelfs in die omstandigheden was het er zoo verre af, dat zij oproerig zouden worden of de Keizerlijke majesteit verachtten, dat zij zich vergenoegden met te belijden, dat zij Christenen waren, en dat zij op geenerlei wijs hun geloof wilden veranderen. Overigens dachten zij niet aan tegenstand; maar rustig en vrolijk legden zij zich op de pijnbank, zoodat voor hunne grootheid van ziel de grootheid der martelingen onderdeed. — Ook in krijgszaken werd in die tijden even eens de kracht der Chris-
3
34
telijke inzettingen gezien. Want het was den Christen krijgsman eigen, de grootste dapperheid te vereenigen met de naauwgezetste betrachting der militaire discipline, en de meerdere verhevenheid van zijnen geest te toonen door onwrikbare trouw jegens zijnen aanvoerder. Indien van hem iets werd gevergd, dat niet betaamde, zoo als Gods regt te schenden of 't zwaard te rigten op onschuldige discipelen van Christus, dan weigerde hij wel, het bevolene te doen, maar zóó, dat hij liever de dienst wilde verlaten of sterven voor de godsdienst, dan door oproer het openbaar gezag tegen te staan.
Maar toen later de Staten Christelijke Vorsten hadden, getuigde nog meer de Kerk en leerde zij, hoe groote heiligheid het gezag der Eegeerders eigen is; waardoor de volken, als zij over de regering nadachten, die als eene heilige majesteit voor oogen hadden, 't geen hen tot meer eerbied en liefde voor hunne Yorsten stemde. Daarom heeft de Kerk wijselijk bepaald, dat de Koningen door heilige plegtigheden zouden worden ingewijd, 't geen onder het Oude Verbond door goddelijk gezag was ingesteld. En toen de burgerlijke maatschappij, als uit de puinhoo-pen van 't Romeinsche rijk verrezen, in hope op Christelijke grootheid herleefde, hebben de Roomsche Opperpriesters door de instelling van het heilige Keizerrijk de Staatsmagt op bijzondere wijze gewijd. Dit was voor den adel der vorstelijke magt een groote aanwinst; en het valt niet te betwijfelen, of deze instelling zou, zoo wel der godsdienstige als der burgerlijke zamenleving altoos zijn bevorderlijk geweest, wanneer 't geen de Kerk hoopte, ook de Vorsten en volken steeds hadden in het oog gehouden. — En voorwaar, alles bleef rustig en voorspoedig genoeg, zoo lang tusschen beide magten hartelijke vriendschap heerschte. Wanneer de volken door oproerigheid zondigden, was de Kerk gereed om de rust te herstellen, daar zij elk tot zijnen pligt terug riep, en de hevige driften öf door zachtheid of door gezag bedwong.
35
Even eens, wanneer de Vorsten in het regeren zondigden, dan wendde zij zich zelve tot hen, om de regten, de behoeften, de regelmatige begeerten der volkeren in herinnering te brengen, en tot billijkheid, zachtmoedigheid en goedheid hen aan te sporen; waardoor meermalen het gevaar voor oproer en oorlog is voorgekomen.
Daarentegen hebben de leerstellingen, door de nienweren omtrent de Staatsmagt uitgevonden, reeds veel onheil den menschen aangebragt, en is het te vreezen, dat zij nog veel meer kwaad zullen stichten in de toekomst. quot;Want het regt der regering niet van Gods gezag te willen afleiden, is hetzelfde als aan het Staatsgezag zijn' schoonsten glans te willen ontnemen en 't de zenuwen af te snijden. En als zij zeggen, dat dit gezag afhangt van de willekeur der menigte, dwalen zij vooreerst in hunne meening, en bouwen vervolgens de heerschappij op een' al te ligten en bewegelijken grondslag. Want door deze meeningen als door een' scherpen prikkel opgezet, verheffen zich te onbeschaamder de hartstogten van het volk. De Staten vervallen tot hunnen ondergang, als op een hellend vlak geplaatst, en de menigte wordt weg gesleept tot blinde volksbewegingen en openlijke oproeren. In de daad zijn ook op de zoogenaamde hervorming, wier aanvoerders en helpers het heilig en burgerlijk gezag met nieuwe leerstellingen ten gronde toe bestreden, menigvuldige volksbewegingen en de stoutste oproeren, inzonderheid in Duitschland, gevolgd. En dat met zoo groote verwoesting van burgeroorlog en moord, dat bijna geene plaats van oproer en bloedstorting vrij bleef. — Uit deze ketterij ontstond in de vorige eeuw eene valschelijk zoo genaamde wijsbegeerte en met het vermeende nieuwere regt ruwe volksbewegingen, en de onbegrensde losbandigheid, die velen de eenige vrijheid achtten. Van hier is men gekomen tot daaraan verwante wanbegrippen, namelijk het Communisme, Socialisme en Nihilisme, de vreeselijkste ver-
36
schijnselen en bijna geheele ondergang der menschelijke zamen-leving. En toch zoeken maar al te velen het geweld van zulke rampen nog verder te verspreiden, en onder den schijn van de menigte te helpen, hebben zij reeds van niet geringe ellende den brand aangestookt. quot;Wat wij hier slechts herinneren, dat is even min onbekend als ver te zoeken.
Wat echter ook zwaar weegt, de Vorsten hebben onder zoo groote gevaren geen geschikte middelen, om de openbare tucht te herstellen en de gemoederen tot rust te brengen. Zij wapenen zich met het gezag der wetten, en meenen dat zij, die den Staat beroeren, door gestrengheid van straffen moeten bedwongen worden. En te regt; maar toch moet ernstig overwogen worden, dat de straffen nooit de magt hebben zullen, om op zich zelve alleen de Staten voor het verderf te behoeden. De vrees, — gelijk zoo voortreffelijk de heilige Thomas leert, — is een zwakke grondslag. Want die door vrees onderworpen worden, zoo dra zich eene gelegenheid voordoet, waarbij zij op straffeloosheid kunnen hopen, zullen tegen de magthebbenden te heftiger opstaan, naar mate zij onwillig werden bedwongen. En bovendien, uit al te groote vrees vervallen de meesten tot wanhoop; en de wanhoop stort zich met vermetelheid in elke onderneming. Hoe waar dit is, hebben wij genoeg bij ondervinding gezien. Dus is het noodig, om meer verhevene en krachtige beweegredenen tot gehoorzaamheid te gebruiken, en vast te stellen, dat de gestrengheid der wetten geen vrucht kan dragen, ten zij de menschen door pligtgevoel en heilzame vrees voor God daartoe worden aangedreven. Dit nu kan alleen de godsdienst, daar zij met hare kracht doordringt in de ziel en den wil der menschen buigt, zoodat zij diegenen, door wie zij geregeerd worden, niet enkel met gehoorzaamheid, maar ook met eene welwillendheid en liefde aanhangen, die in eiken mensche-lijken kring de beste wachter is van ongeschonden behoud.
37
Waarom de Roomsche Opperpriesters het best voor het nut van 't algemeen hebben gezorgd, toen zij bewerkten, dat de opgewonden en onrustige geest der nieuwigheidzoekers werd bedwongen, en zij menigmalen hebben gewaarschuwd, hoe zij ook voor de burgerlijke zamenleving gevaarlijk zijn. Te dezer zake is het gezegde der vermelding waardig van Clemens VII tot Ferdinand, Koning van Boheme en Hongarije: »In deze geloofszaak is de waardigheid en het heil van u en de overige Vorsten mede begrepen, daar het geloof niet kan worden ontworteld, zonder dat dit ook de verzwakking van uw gezag me-desleept; hetgeen in die plaatsen reeds duidelijk zigtbaar is.quot; In denzelfden geest blonk ook de groote wijsheid en moed uit van onze voorgangers, met name Clemens XII, BenedictusXIV, Leo XII, die, daar door verloop van tijd de pest van slechte leerstellingen verder voortsloop en de vermetelheid der sekten toenam, door hun gezag daar tegen te stellen ze den toegang-poogden af te snijden. Wij zelve hebben dikwijls er op gewezen, wat groote gevaren dreigden, en te gelijk aangetoond, wat de beste wijze was om ze af te weren. Aan de Vorsten en overige bestuurders der Staten hebben Wij de hulp der godsdienst aangeboden, en de volken vermaand, dat zij den overvloed van de hoogste goederen, die de Kerk verschaft, het meest zich ten nutte zouden maken. Ook nu is het ons oogmerk, dat de Vorsten die hulp, waar boven niets geldt, zich op nieuw zouden zien aangeboden; en wij vermanen hen ten sterkste in den Heer, dat zij de godsdienst beschermen, en, wat ook den Staat tot voordeel is, toelaten, dat de Kerk die vrijheid geniete, waarvan zij, zonder onregt en algemeen verderf, niet kan beroofd worden. Voorwaar, de Kerk van Christus kan regtens noch den Vorsten verdacht zijn, noch den volken gehaat. Want zij zelve gebiedt de Vorsten de geregtigheid te betrachten, en in geen ding af te wijken van hunnen pligt; en tevens versterkt zij op velerlei
38
wijze hun gezag. Wat tot de burgerlijke zaken behoort, dat erkent en verklaart zij in hunne magt en tot hun rijksgebied te behooren, en in die dingen, waarover het oordeel, al is 't om verschillende redenen, èn tot de kerkelijke èn tot de burgerlijke magt behoort, wil zij, dat tusschen die beideneene een-dragt heersche, die allen naijver voorkomt. En wat de volken betreft, de Kerk is tot het heil van alle menschen geboren, en heeft ze altoos als eene moeder lief gehad. Zij is het, die voorgaande in liefde den gemoederen zachtzinnigheid inboezemt, de zeden humaniteit, en billijkheid aan de wetten; en aan eene betamelijke vrijheid nooit vijandig, pleeg zij de dwingelandij steeds te verfoeijen. Deze gewoonte van weldoen, die der Kerk eigen is, heeft de heilige Augustinus zoo schoon uitgedrukt, zeggende: »Zij leert de Yorsten, te zorgen voor de volken, alle volken den Koningen zich te onderwerpen, aantoonende, hoe niet alles is voor allen, maar allen de liefde en niemand onregt toekomt.quot;
Om deze redenen zal uw arbeid. Eerwaarde Broeders! zeer nuttig en heilzaam wezen, wanneer gij vlijtig alle middelen, die in uwe magt zijn, met Ons gebruikt, om öf de gevaren öf de ongemakken der menschelijke zamenleving af te wenden. Zorgt en voorziet, dat 't geen de Katholieke Kerk leert van het gezag en van den pligt der gehoorzaamheid, de menschen duidelijk verstaan en in het leven toepassen. Door uw gezag en bestuur mogen de volken dikwijls worden vermaand, de verboden sekten te vlieden, van zamenzweringen een' afkeer te hebben en niets oproerigs te doen. Mogten ze daardoor begrijpen, dat wie om Gods wil de Vorsten gehoorzamen, hunne ondergeschiktheid redelijk, hunne gehoorzaamheid edel is. En daar het God is, die den Koningen heil geeft (Ps. 143:11) en den volken vergunt, te rusten in den luister des vredes en in de woningen der trouw en in de rust des overvloeds (Jes. 32 :18), is het noodig.
39
Hem te bidden en te smeeken, dat Hij aller verstand tot 't geen eerbaar is en waar buige, twisten bedwinge, den lang gewensch-ten vrede en de rust der wereld wedergave.
En opdat wij te vaster hoop hebben op verhooring, laat ons tot voorbidders en beschermers onzer zaligheid ons wenden tot de Maagd Maria, de groote Moeder Gods, de hulp der Christenen, de beschermster van het menschelijk geslacht; den heiligen Joseph, haar kuischen bruidegom, op wiens bescherming de geheele Kerk het meeste vertrouwt; Petrus en Paulus, de Prinsen der apostelen, wachters en wrekers van den Christe-lijken naam.
Intusschen wenschen wij met hartelijke liefde u allen. Eerwaarde Broeders! hulpe tot uw goddelijk ambt; der geestelijkheid en het volk, aan uwe zorg toevertrouwd, onzen apostoli-schen zegen in den Heer.
Gegeven te Rome bij St. Petrus, 29 Junij 1881, het vierde jaar van ons pontificaat.
Leo pp. XIII.
11.
Litterae encyclicae: I m m o r t a 1 e Dei opus.
Oven de Christelijke inrigting der Staten.
Het onsterfelijke werk van den barmliartigen God, de Kerk, — hoewel het op zich zelf en door zijnen aard het heil der zielen en te verkrijgen geluk in den hemel bedoelt, — bragt echter van zelf op 't gebied der aardsche dingen zoo veel en velerlei nuttigheid te weeg, dat zij niet meer en grooter zou kunnen zijn, wanneer het in de eerste plaats en grootendeels was ingesteld, om den voorspoed van het leven, dat op aarde wordt doorgebragt, te bevorderen. Inderdaad, waar ook de Kerk hare voetstappen heeft gezet, heeft zij terstond de gedaante der dingen veranderd, en de volkszeden zoowel door vroeger onbekende deugden, als ook door eene nieuwe beschaving gelouterd ; zoodat de volken, die deze hebben aangenomen, door zachtmoedigheid, billijkheid en den roem hunner daden uitmuntten. Toch is de laster reeds oud, die der Kerk verwijt, dat zij strijdt met het belang van den Staat, en niets hem kan aanbrengen van het voordeel en de eer, die elke goed ingerigte burgerij als haar natuurlijk regt begeert. Wij weten uit de geschiedenis, dat reeds in de eerste beginselen der Kerk de ge-loovigen door een dergelijk onbillijk oordeel werden vervolgd, en daardoor gehaat gemaakt als vijanden van het Rijk; en dat men er genoegen in vond om de schuld der onheilen, waardoor de Staat getroffen werd, den Christenen te wijten, terwijl
44
integendeel God, als de Wreker hunner wandaden, de schuldigen daarmede naar regt tuchtigde.
Het was niet zonder reden, dat het afgrijselijke van dezen laster het vernuft wapende en den stijl scherpte van Augustinus, die inzonderheid in zijn geschrift over het Godsrijk {de Civitate Dei) de waarde der Christelijke wijsheid, waar zij in betrekking komt met den Staat, zoo helder heeft in het licht gesteld, dat het is als of hij niet alleen de zaak der Christenen van zijne dagen verdedigd heeft, maar een voortdurende zegepraal heeft behaald over alle valsche beschuldigingen. En toch heeft de verderfelijke lust om over de Kerk te klagen en haar te beschuldigen niet gerust, en geviel het aan velen, om den regel van het burgerlijk leven van elders te zoeken, liever dan dien af te leiden uit de leerstellingen, die de Katholieke Kerk goedkeurt. Ja zelfs is in dezen laatsten tijd het zoogenaamde nieiiwe regt, dat men roemde als de aanwinst van eene tot volwassenheid gekomen eeuw, door den voortgang der vrijheid geboren, gaandeweg begonnen te gelden en te heerschen. Maar hoewel velen hiervan menigmaal de proef hebben genomen, staat het vast, dat nooit voortreffelijker wijze gevonden is, om den Staat in te rigten en te besturen, dan die van zelf uit de evangelische leer opkomt. Daarom hebben Wij het van het grootste gewigt geacht en geheel overeenkomstig met ons apostolisch ambt, de nieuwe denkbeelden over den Staat met de Christelijke leer te vergelijken. Wij vertrouwen, dat daardoor, bij het aan het licht komen der waarheid, dwaling en twijfel zullen ontworteld worden, zoodat ieder gemakkelijk die hoogste levensregelen kan inzien, die hij volgen moet en gehoorzamen.
Het kost niet veel moeite te bepalen, hoedanigen vorm en aard het burgerlijk leven hebben zou, wanneer de Christelijke wijsbegeerte den Staat bestuurde.
Van nature is den mensch ingeschapen, dat hij leve in eene
45
burgerlijke zamenleving; want daar lüj de noodige ontwikkeling van het leven en de volmaking van geest en gemoed in de eenzaamheid niet verkrijgen kan, is door God gezorgd, dat hij geboren werd tot vereeniging met anderen, zoo wel huiselijk als maatschappelijk, -waardoor alleen zijn leven tot volle ontwikkeling komen kan. En daar nu geene maatschappij bestendig zijn kan, zoo niet iemand aan 't hoofd van allen staat, die door krachtigen en gelijken aandrang allen drijft tot't zelfde doel, zoo volgt hieruit. dat de menschelijke zamenleving behoefte heeft aan een gezag, waardoor zij bestuurd wordt; welk gezag, even als de zamenleving zelve, van de natuur en dus van God zei ven zijnen oorsprong heeft. Waaruit weder dit volgt, dat de openbare magt uit zich zelve niet bestaat, maar alleen als van God. Want God alleen is de waarachtige en allerhoogste Heer, Wien al wat is, moet onderworpen zijn en dienen; zoodat wie ook het regt heeft om te gebieden, dat niet van elders ontvangt, maar alleen van dien hoogsten Heer over allen, God. Er is geene mayl dan van God. (Eom. 13:1.) Het regt van gebieden nu is uit zich zelf niet noodzakelijk aan eenigen staatsvorm verbonden. Den eenen of den anderen kan men met regt voor zich aannemen, mits die slechts ten algemeenen nutte is ingerigt. Maar in eiken staatsvorm moeten de bestuurders God, als den hoogsten Bestuurder der wereld, in het oog houden, en in het staatsbestuur Hem zich zeiven als voorbeeld en wet voorstellen. Want God, gelijk Hij in de dingen, die zijn en gezien worden, tweede oorzaken verwekt heeft, waarin eenigermate de goddelijke natuur en werking kan doorzien worden, en die tot het doel kunnen leiden, waar het geheel der dingen op uitziet, zoo heeft Hij gewild, dat ia de burgerlijke maatschappij eene heerschappij wezen zou, en dat zij, die haar uitoefenen, een zeker beeld zouden vertoonen van het goddelijk gezag over het menschdom en van de goddelijke Voorzienigheid. De regering moet dus
4G
regtvaardig zijn, en minder die van een' meester, als wel van een' vader, omdat Gods magt over de menschen strikt regtvaardig is en met vaderlijke goedheid vereenigd. En het moet gevoerd worden ten nutte der burgers, omdat zij, die over anderen gesteld zijn, het alleen zijn om deze reden, dat zij het welzijn der burgerij zouden beschermen. Op geenerlei wijze moet worden toegelaten, dat de burgerlijke magt strekte ten nutte van éénen of van weinigen, daar zij juist ten voordeele van allen is ingesteld. Indien nu zij, die over anderen gesteld zijn, vervallen tot een onregtvaardig bestuur, zoo zij door ongeschiktheid en hoogmoed zondigen, zoo zij slecht voor het volk zorgen, dan hebben zij te weten, dat zij eenmaal Gode rekenschap zullen moeten geven, en dat te gestrenger, naar mate hun heiliger taak was opgelegd, en zij met hooger waardigheid bekleed waren. l)e magtigen zullen mag tig er straf lijden. (Boek der quot;Wijsheid 6: 7.) Zóó alleen kan aan de majesteit van het gezag de eervolle en vrijwillige eerbied der burgers beantwoorden. Want wanneer zij eens tot de overtuiging gekomen zijn, dat wie regeren hunne magt bezitten door een van God gegeven gezag, zullen zij het als eene regtvaardige verpligting leeren beschouwen , dat zij den Regeerders gehoorzaam zijn, en hun volgzaamheid en trouw bewijzen, gelijkende op de piëteit, die kinderen bezielt omtrent hunne ouders. Alle ziele zij den Jioogeren mag-ten onderworpen. (Eom. 13:1.) Het wettig gezag te verachten, door wien ook vertegenwoordigd, is even min geoorloofd, als den goddelijken wil te wederstaan; en wie dezen weerstaan, storten zich vrijwillig in 't verderf. Wie het gezag wederstaat, weêrstaat de ordonantie Gods; en die het weêrstaan, bereiden zich zeiven het oordeel. (Eom. 13 :2.) Daarom is het afwerpen der gehoorzaamheid en verwekken van oproer door 't geweld der menigte, eene misdaad van gekwetste majesteit, der mensche-lijke niet alleen, maar ook van de majesteit Gods.
47
Wanneer de maatschappij op deze wijze is zamengesteld, is het duidelijk, dat zij door de openbare godsdienst de vele en groote verpligtingen, die haar aan God verbinden, te vervullen heeft. De natuur en de rede, die gebieden, dat elk in het bijzonder God heilig en vromelijk diene, omdat wij in zijne magt zijn en van.Hem ontstaan tot Hem moeten wederkeeren, binden door dezelfde wet de burgerlijke zamenleving. Want menschen, daardoor met elkander verbonden, zijn niets minder gezamenlijk in Gods magt dan elk in 't bijzonder; en niets minder dan iedere mensch, heeft ook de gemeenschap God te danken, door Wien zij te zamen is vereenigd, door Wiens wenk zij wordt bewaard, van Wiens goedertierenheid zij den overvloed van goede dingen ontvangt, die haar toestroomen.
Het staat niemand vrij, zijne pligten jegens God te verwaai--* loozen, en het is zijn dure pligt, de godsdienst met hart en zeden te omhelzen, en wel niet de godsdienst, waaraan ieder de voorkeur geeft, maar die God zelf heeft bevolen, en die door zekere en ontwijfelbare kenmerken vaststaat de eenig ware te zijn van alle. 3Iaar even min kunnen de Staten, zonder misdadig te worden, zich gedragen als of er in 't geheel geen God was, of de zorg voor de godsdienst, als iets, dat hun vreemd en tot niets nut is, van zich afwerpen, of van verschillende godsdiensten aannemen wat hun goed dunkt. Ook zij moeten in de vereering van het Opperwezen die wijze en vorm gebruiken, waardoor God zelf heeft getoond, dat Hij wil gediend zijn. Heilig moet dus bij de Vorsten Gods naam zijn; tot hunne voornaamste pligten moeten zij rekenen, de godsdienst te begunstigen, met welwillendheid haar te beschermen, door het gezag en de rigting der wetten haar te dekken, en niets vast te stellen of te besluiten, dat met hare ongeschondenheid in strijd is. Dit zijn zij ook schuldig aan de burgers, waarover zij regeren. Want alle menschen zijn geboren en bestemd tot het hoogste goed, buiten dit
48
vergankelijke en korte leven in den hemel geplaatst, en waartoe alle zorg zich moet uitstrekken. Daar nu hiervan de geheel volledige en volmaakte geluksstaat der menschen afhangt, daarom is al wat gedaan kan worden tot het bereiken van 't vermelde doel van het allerhoogste belang. Voor de burgerlijke za-menleving, ten algemeenen nutte geboren, moet door het beschermen der welvaart van den Staat zoo worden gezorgd, dat aan 't verkrijgen en zich toeëigenen van dit hoogste en onveranderlijke goed, niet alleen geenerlei beletsel worde in den weg gelegd, maar daartoe zoo veel mogelijk alle gelegenheid gegeven worde; waarvan de voornaamste is, dat er werk van gemaakt worde om de godsdienst, welker pligten den mensch met God verbinden, heilig en ongeschonden te bewaren.
quot;Welke nu de ware godsdienst is, zal 't niet moeijelijk vallen te zien voor hem, die met verstand en ernst oordeelt. quot;Want door vele en schitterende bewijzen, als daar zijn de waarheid der profetiën, menigte van wonderen, de snelle verspreiding van 't geloof, ook door 't midden der vijanden en de grootste hinderpalen, de getuigenissen van martelaren, en andere dergelijke, is het duidelijk, dat die godsdienst de eenige ware is, die Jezus Christus zoo wel zelf heeft ingesteld, als aan zijne Kerk ter bescherming en uitbreiding heeft toevertrouwd.
quot;Want de eeniggeboren Zoon van God heeft op aarde eene maatschappij gesticht, die de Kerk wordt genoemd, waaraan hij het verheven en goddelijk ambt voor alle volgende geslachten heeft nagelaten, dat hij zelf van den Vader ontvangen had. Zoo als de, Vader mij gezonden heeft, zoo zend ik ulieden. (Joh. 20:21.) Zie! ik hen met ulieden alle de dagen tot de voleinding der eeuw. (Matth. 28: 20.) Zoo als dus Jezus Christus op aarde kwam, opdat de menschen het leven zouden hebben en overvloed hebben (Joh. 10:10), even eens heeft de Kerk het eeuwig heil der zielen ten doel; en daardoor is hare natuur zoodanig, dat
49
zij zich uitstrekt tot geheel het menschelijk geslacht, door geene grenzen van tijd of plaats beperkt. Predikt het evangelie, aan alle schepsel. (Mark. 1G ; 15.) Aan eene zoo groote menigte van menschen heeft God zelf eene overheid aangewezen, met gezag er over bekleed; en heeft gewild, dat één aller opperhoofd, en de groote en zekerste leermeester der waarheid zijn zou. Aan dezen, den heiligen apostel Petrus, heeft Hij de sleutelen van 't Koningrijk der hemelen toevertrouwd. Ik zal u geven de sleutels van H Koningrijk der hemelen. (Matth. 16 : 19.) Weid mijne
lammeren____ Weid mijne schapen. (Joh. 21:10, 17.) Ik heb
voor u gebeden, dat uw geloof niet verloren ga. (Luk. 22 : 32.) — Deze maatschappij nu, hoewel zij uit menschen bestaat, niet anders dan de burgerlijke zamenleving, is door het doel, dat zij zich voorstelt, zoo wel als door de middelen, waardoor zij er naar streeft, van bovennatuurlijken en geestelijken aard. Daardoor onderscheidt zij zich en verschilt van de burgerlijke maatschappij ; en, wat van het hoogste belang is, zij is als genootschap door haren aard en haar regt volmaakt, daar zij de hulpmiddelen, tot hare ongeschondenheid en hare werking noodig, door den wil en de weldaad van haren Stichter, alle in zich zelve en van zelf bezit. Zoo als het doel, waarnaar de Kerk streeft, verre weg het edelste is, zoo is haaiquot; magt van alle de voortreffelijkste, en kan niet minder worden geacht dan het burgerlijk bestuur, of daaraan op eenige wijze onderworpen zijn. — Jezus Christus heeft aan zijne apostelen een vrije volmagt gegeven in de heilige dingen, verbonden zoo wel met de bevoegdheid om wezenlijke wetten te maken, als 'tgeen daaruit volgt, de dubbele magt om te oordeelen en te straften. Mij is gegeven alle magt in hemel en op aarde: gaat dan henen, onderwijst alle
volken---- leerende hen onderhouden alles, wat ik u geboden heb.
(Matth. 28 :18—20.) En elders: Zoo hij hen niet hoort, zeg hei der Kerk. (Matth. 18 : 17.) Wederom: Harder zal ik han-
4
50
dden volgens de magt, die de Heer mij gegevm heeft, om op te bouwen en niet om af te breken. (2 Kor. 10; 6.) Dus moet niet de Burgerstaat, maar de Kerk den menschen een gids zijn tot de liemelsche dingen. Haar is ook dit ambt van God aangewezen, dat zij over de zaken, die de godsdienst aangaan, zelve toezie en regels stelle; dat zij alle volken onderwijze; dat zij de grenzen der Christenheid, voor zoo veel't mogelijk is, verre uitbreide; kortom, dat zij de zaak van het Christendom vrij en vaardig naar haar oordeel besture. Dit gezag nu, in zich zelf volstrekt en geheel van eigen regt, hoewel door eene wijsbegeerte, die de Vorsten vleit, reeds lang bestreden, heeft de Kerk nooit nagelaten, zich toe te kennen en openlijk uit te oefenen; zoo als het eerst de apostelen er voor streden, toen de oversten der Synagoge hen verhinderen wilden het evangelie te verspreiden, en zij standvastig antwoordden: Men moet Gade meer gehoorzamen dan den menschen. (Hand. 5 : 29.) Datzelfde gezag hebben de heilige Kerkvaders met kracht van redenen naar gelegenheid zoeken te handhaven, en de Eoomsche Opperpriesters hebben nooit nagelaten, om met onverwrikte standvastigheid tegen allen die het bestreden, het te verdedigen. — Ja zelfs, zoo wel door hun oordeel als met de daad, hebben Vorsten en Bestuurders der Staten dit goedgekeurd, daar zij door het sluiten van vrede, door overeenkomsten omtrent verschillende zaken, door het zenden en wederkeerig ontvangen van gezanten, en de uitwisseling van andere pligten, met de Kerk plegen te handelen, als met de hoogste wettige magt. — Men moet het voorzeker niet zonder een bijzonder doel van Gods Voorzienigheid geschied achten, dat deze zelfde magt met burgerlijke heerschappij, als door de beste bescherming harer vrijheid, werd toegerust.
Aldus heeft God de zorg voor het menschelijk geslacht tus-schen twee magten verdeeld, namelijk de kerkelijke en burgerlijke: de eene over de goddelijke, de andere over de mensche-
lijke zaken gesteld. Elk van deze is in hare soort de hoogste; elk heeft zekere grenzen, waardoor zij wordt beperkt, en die grenzen zijn door eiker natuur en naaste oorzaak bepaald, waardoor als 't ware een zekere cirkel getrokken wordt, waar binnen ieders handelingen regt hebben. Maar daar beider gebied over dezelfde menschen gaat, zoo kan het gebeuren, dat eene en dezelfde zaak, hoewel op verschillende wijze, maar toch dezelfde, tot beider regt en oordeel behoort. Dus moet de Voorzienigheid Gods, waardoor beide zijn daargesteld, ook beider wegen juist en met orde hebben ingerigt. Die er nu zijn, zijn door God geordend. (Rom. 13:1.) Indien dit niet zoo ware, zou er telkens reden geboren worden tot heilloozen twist en strijd; en niet zelden zou de mensch, bekommerd van gemoed, als voor een' tweesprong geplaatst, moeten twijfelen, wat hij doen moest, daar hem beide magten tegenstrijdige bevelen geven, en hij toch, naar zijnen pligt, geen van beiden mag ongehoorzaam zijn. Maar dit te denken, strijdt met de wijsheid en goedheid Gods, die zelfs in de natuurlijke dingen, hoewel zij van veel lager orde zijn, de krachten en oorzaken zoo gematigd heeft en als door zekere wonderbare overeenkomst te zamen verzoend, dat geene de andere hindere en alle veel eer tot datgene, wat het doel der wereld is, op de geschiktste wijze te zamen stemmen. — Zoo moet dan ook tusschen beide magten, de geestelijke en wereldlijke, een geordend verband bestaan, dat niet ongeschiktelijk vergeleken wordt met den band, waardoor ziel en ligchaam verbonden zijn. Van welken aard en hoe groot die band is, kan niet anders beoordeeld worden, dan door zich voor oogen te stellen, zoo als wij gezegd hebben, beider natuur, en rekening te houden met de voortreffelijkheid en den adel van hare werkzaamheid, daar voor het naast en meest aan de eene is tot taak gesteld, het belang der sterfelijke dingen te verzorgen, aan de andere, de hemelsche en eeuwige goederen te verkrijgen. — Wat
52
dus in de menschelijke zaken op eenigerlei wijze heilig is, wat tot liet heil der zielen en de godsvereering behoort, het zij 't zoodanig is uit zijn eigen natuur, het zij het als zoodanig moet beschouwd worden naar het doel, dat 't beoogt, dit alles behoort tot de magt en de beslissing der Kerk; maar het is billijk, dat de overige dingen, die tot het burgerlijke en staatkundige be-hooren, aan het burgerlijk gezag onderworpen zijn, daar Jezus Christus geboden heeft, den Keizer te geven wat des Keizers, Gode toni Godes is. Soms echtei komen er tijden, wanneer ook eene andere wijze van overeenstemming geldt tot behoud eener rustige vrijheid: namelijk wanneer eenig Staatsbestuur met den Roomschen Opperpriester over eene bijzondere zaak te zamen dezelfde bepaling maken. In welke tijden de Kerk uitstekende bewijzen geeft van moederlijke piëteit, daar zij zoo veel gemak en toegevendheid pleeg toe te staan, als maar eenigzins mogelijk is.
Zoodanig, gelijk wij die in de hoofdzaak beschreven hebben, is de Christelijke inrigting van den Burgerstaat; en deze is niet ligtvaardig en naar willekeur daargesteld, maar uit de diepste en meest waarachtige beginselen, die door de natuur der zaak zelve worden bevestigd.
Zulk eene inrigting van den Staat heeft niets, dat of minder de grootheid der Vorsten waardig schijnen kan, of minder eervol zou wezen. Zoo verre is het er van af, dat zij de regten hunner majesteit zou bedreigen, dat zij die veel eer steviger en luisterrijker maakt. Want indien wij het dieper inzien, heeft deze inrigting zekere volmaaktheid, die andere vormen van staatsbestuur missen; en daaruit zouden de voortreffelijkste en meest verschillende vruchten voortkomen, indien slechts de afzonderlijke partijen zich hielden binnen de maat van hun gezag, en pligt en ambt, waartoe elk hunner is ingesteld, ongeschonden betrachtten. Inderdaad zijn bij de beschrevene inrigting
53
van den Staat de goddelijke en menschelijke zaken in geschikte orde verdeeld; de regten der burgers, in den grond dezelfde, worden door goddelijke, zoo wel als door natuurlijke en menschelijke wetten beschermd; de bijzondere pligten zijn zoo wel wijselijk bepaald en omschreven, als onder eene geschikte wacht gesteld. In deze onzekere en moeijelijke aardsche loopbaan weten nu de menschen, ieder voor zich, dat zij tot dien eeuwigen geluksstaat leidslieden hebben, die zij volgen kunnen, om den regten weg in te slaan, helpers om het einddoel te bereiken; en even zeer begrijpen zij, dat anderen hun gegeven zijn, om hunne veiligheid, hunne bezitting en andere belangen, waarin het gewone leven bestaat, öf te verkrijgen, öf te bewaren.
De huiselijke zamenwoning ontvangt zoodoende de vastheid, die zij behoeft, door de heiligheid van het ééne en ondeelbare huwelijk ; en de regten en pligten tusschen gehuwden worden door eene wijze regtvaardigheid en billijkheid bestuurd; de verschuldigde eer wordt der vrouw verzekerd; het gezag van den man naar het voorbeeld van Gods gezag ingerigt; het vaderlijk gezag wordt getemperd, overeenkomstig de waardigheid van vrouw en kroost; eindelijk voor de bescherming der kinderen, hun welzijn, hunne opvoeding op de beste wijze gezorgd. En wat do burgerlijke en staatszaken betreft, de wetten hebben het alge-meene welzijn ten doel, en worden niet naar de willekeur en het bedriegelijk oordeel der menigte, maar door de waarheid en het regt bestemd; het gezag der Vorsten wordt met eene meer dan menschelijke heiligheid bekleed, en belet, dat het niet af-wijke van het regt of in het heerschen de maat te buiten ga; de gehoorzaamheid der burgers gaat vergezeld door welvoege-lijkheid en waardigheid, omdat zij niet is de slavernij van een' mensch onder eenen mensch, maar gehoorzaamheid aan den wil van God, die zijn bestuur door menschen uitoefent. quot;Wanneer men dit weet en er van overtuigd is, zal men voorzeker begrij-
54
pen, dat dit alles tot de regtvaardigheid behoort: de majesteit der Vorsten te eeren, standvastig en trouw der openbare magt onderworpen te zijn, niets door oproer te willen verkrijgen, de orde van den Burgerstaat heilig te bewaren. Gelijkerwijze wordt onder de pligten gerekend onderlinge liefde, goedwilligheid, gulhartigheid; de burger en de Christen worden niet van elkander gescheiden door tegenstrijdige voorschriften; eindelijk worden alle heerlijke goederen, waarmede de Christelijke godsdienst uit zich zelve het sterfelijke leven der menschen vervult, ook voor de gemeenschap en burgermaatschappij gezocht; zoo dat met volle waarheid blijkt gezegd te zijn: »Van de godsdienst, waarmede God vereerd wordt, hangt het heil van den Staat af; en velerlei is tusschen die beiden de verwantschap en gemeenzaamheid.quot; — De magt dezer beginselen heeft, zoo als hij pleeg te doen, op verwonderlijke wijze Augustinus behandeld op verschillende plaatsen, maar vooral waar hij de Katholieke Kerk met deze woorden toespreekt: „Oefen en leer gij de kinderen kinderlijk, de jongelingen krachtig, rustig de grijsaards, naar mate de leeftijd is, niet van ieders ligchaam alleen, maar van zijnen geest. Gij zult de vrouwen aan hare mannen doen ondencorpen zijn door kuische en trouwe gehoorzaamheid, niet tot voldoening van den wellust, maar tot het opkweek en van kinderen en tot gemeenschap des huiselijken levens. Gij zult de mannen over hunne vrouwen stellen, niet om met de zwakkere sekse hun spel te drijven, maar door de wetten van opregte liefde. Gij zult den ouders hunne zonen door zekere vrijivilliye dienstbaarheid onderwerpen; de ouders zelve stelt gij door een vroom bestuur over hunne kinderen. Gij zult de burgers met de burgers, de volken met de volken, en de menschen in 't algemeen in gedachtenis aan hunne eerste voorouders, niet alleen door 't maatschappelijk zamenleven, maar ook door zekere broederschap te zamen verhinden. Gij leert de Koningen voor de volken te zor-
55
yen, vermaant de volken den Koningen ondergeschikt te zijn. Aan wie eer verschuldigd is , wie liefde, wie ontzag , wie vrees, ■wie troost, tvie aanmoediging, ivie vermaning, wie tucht, wie berisping, wie straf, zult gij vlijtig leer en; aantoonende, dat niet allen alles toekomt, maar allen de liefde en niemand onregV Dezelfde Kerkvader, als hij elders de staatkundige wijsgeeren met hunne valsche wijsheid bestraft: „Die zeggen, dat de Christelijke leer strijdt met den Staat, laten zij zulk een leger bezorgen, als de leer van Christus de krijgslieden beveelt te zijn, zulke ambtenaren, zulke echtgenooten, zulke zonen, zulke heer en , zulke slaven, zulke Koningen, zulke regters, eindelijk zoo eerlijke belastingschuldigen en ontvangers, als de Christelijke leer gebiedt te wezen, — en dan durven zeggen, dat deze strijdig is met den StaÊt! — maar laat hen liever niet twijfelen te belijden, dat zij, zoo zij werd opgevolgd, een groot heil aan den Staat zou toebrengen.quot;
Er was eens een tijd, toen de evangelische wijsbegeerte de Burgerstaten bestuurde; in welken tijd die kracht en goddelijke deugd der Christelijke wijsheid in de wetten, de instellingen, de zeden der volken, in alle standen en zaken van den Staat was doorgedrongen; toen de godsdienst, door Jezus Christus ingesteld, in eere gehouden gelijk 't haar toekomt, door de gunst der Vorsten en de wettige bescherming der overheid, alom bloeide; toen eendragt en vriendschappelijke uitwisseling van pligten priesters en regeerders gelukkig vereenigden. De op die wijze ingerigte Burgerstaat droeg boven alle verwachting vruchten, waarvan het geheugen nog leeft en leven zal, bezegeld door onnoemelijke gedenkteekenen van daden, die door geene kunst der tegenstanders kunnen verbasterd of verdonkerd worden. Dat het Christelijk Europa de barbaarsche volken heeft getemd, en hen van woestheid tot zachtmoedigheid, van het bijgeloof tot de waarheid heeft overgebragt; dat het de inval-
56
len der Mahomodaneu zegevierend heeft afgeslagen; dat de burgerlijke beschaving de overhand verkreeg en als leidsvrouw tot al wat edel is, werd verheven; dat zij de echte en velerlei vrijheid den volken deed ten deel vallen; dat zij vele dingen tot vertroosting der ellenden instelde: — voor dit alles is men ongetwijfeld veel dank schuldig aan de godsdienst, die den weg baande en hulp verleende tot zoo groote ondernemingen. — Al dat goede zou zeker in stand gebleven zijn, warneer de een-dragt van beide magten ware gebleven; en nog grootere voordeden zouden met regt hebben kunnen verwacht worden, wanneer men met meer trouw en volharding aan het gezag, aan het bestuur, aan de raadgevingen der Kerk ware gehoorzaam geweest. quot;Want dit kan als een voortdurende wet beschouwd worden, wat Ivo Carnutensis aan Paschalis II, Eomeinaphen Opperpriester, schreef: »Wanneer regering en priesters onder elkander overeenstemmen, wordt de wereld goed geregeerd, en de Kerk bloeit en draagt vruchten. Maar wanneer zij tegen elkander strijden, kunnen niet alleen de kleine zaken niet groeijen, maar vervallen zelfs op ellendige wijze de groote.quot;
Maar die verderfelijke en beklagenswaardige nieuwigheidszucht, die in de zestiende eeuw is opgewekt, nadat zij eerst de Christelijke godsdienst had verward, is straks door zekeren natuurlijken voortgang tot de wijsbegeerte, en door deze tot alle rangen der burgerlijke zamenleving doorgedrongen. Uit deze bron zijn af te leiden de beginselen van toomelooze vrijheid, bepaaldelijk tijdens de geweldige omwentelingen der vorige eeuw uitgedacht en onder het volk gebragt, als grondslagen van het nieuwe regt, vroeger onbekend, en niet alleen van het Christelijke, maar ook van het natuurregt in meer dan één opzigt verschillend. Van deze beginselen is dit het voornaamste, dat alle menschen, zoo als zij door afkomst en natuur gelijk zijn te achten, zoo ook van zelf in de bedrijvigheid van het leven onderling gelijk staan;
57
dat dus ieder alleen zijn eigen regter is, en op geenerlei wijze aan eens anders gezag onderworpen; dat hij derhalve over elke zaak mag denken, wat hij wil, en vrij doen, wat hem goed dunkt; zoodat niemand het regt heeft om over anderen te heerschen. Waar de maatschappij naar deze beginselen is ingerigt, bestaat er geene heerschappij dan de volkswil, die, gelijk zij alleen van zichzelf de magt heeft, zoo ook zich zelf alleen regeert. Hij kiest nu, aan wie hij zich toevertrouwt; maar zóó, dat niet zoo zeer het regt. als wel het ambt hem wordt opgedragen, en dit in naam des volks wordt uitgeoefend. Van Gods bestuur wordt gezwegen , niet anders dan als of er öf geen God bestond, öf Hij voor het maatschappelijk leven van 't menschelijk geslacht geen zorg droeg. Het is als hadden de menschen, ieder op zich zelf of in gemeenschap, niets aan God te danken; en als ware het niet ontwijfelbaar, dat geenerlei heerschappij kan worden gedacht, waarvan niet bij God zelf de oorzaak en de kracht en het gezag berust. Op die wijze, zoo als duidelijk zigtbaaris,is de Staat niet anders dan de menigte, die haar eigen heer en bestuurder is; en zoo als het volk gezegd wordt, de bron van alle regt en alle gezag in zich zelf te bevatten, zoo volgt daaruit, dat de burgerij door geenerlei soort van pligt zich aan de Godheid gebonden acht; dat zij geenerlei godsdienst openlijk belijdt; dat zij niet vragen moet, welke uit vele de ware is, geene boven de andere stellen, noch ééne meest begunstigen, maar aan alle soort van geloof gelijkheid van regt moet toekennen, mits slechts de orde van den Staat er geen schade bij lijde. Hiermede stemt over een, dat men ieder geheel vrij Iaat, om de godsdienst te volgen, die hij zelf verkiest, of in 't geheel geene, zoo hij er geene goedkeurt. Hieruit volgt natuurlijk, dat het oordeel van ieders geweten aan geene wet gebonden is; dat de denkbeelden over het al of niet vereeren van God geheel vrij zijn, en er eene onbepaalde vrijheid bestaat, zoo wel om daarvan het zijne
58
te denken als om hetgeen men denkt openbaar te maken.
Wanneer nu deze grondslagen van den Staat, grootelijks goedgekeurd in onzen tijd, vast staan, valt het gemakkelijk in het oog, waar henen en hoe onbillijk de Kerk wordt teruggedrongen. quot;Want waar de handelwijze overeenkomt met zulke leerstellingen, wordt aan het Katholieke geloof eene gelijke plaats in den Burgerstaat toegekend als aan Genootschappen, die daaraan vreemd zijn, of wordt het zelfs beneden dezen gesteld; met de kerkelijke wetten wordt geene rekening gehouden; der Kerk, die naar het bevel en den last van Jezus Christus alle volken onderwijzen moet, wordt gelast, zich met het openbaar onderwijs van het volk volstrekt niet te bemoeijen. Over de zaken, die van gemengd regt zijn, beslist het burgerlijk bestuur naar willekeur, en doet daarbij de heiligste wetten der Kerk smaadheid aan. Waarom het de huwelijken der Christenen onder zijn regtsgebied brengt, beslissende ook over den huwelijksband, over de eenheid en bestendigheid daarvan. Ja! men tast ook de bezittingen der geestelijkheid aan, bewerende, dat de Kerk hare eigen bezittingen niet hebben mag. Over het geheel handelt men zóó met de Kerk, dat, zonder den aard en de regten eener volmaakte maatschappij in aanmerking te nemen, men haar geheel gelijk stelt met andere gemeenschappen, die de Staat bevat. En om dezelfde reden, wanneer zij eenig wettig vermogen om te handelen bezit, wordt zij gezegd, dit alleen te bezitten door dat het haar van de Vorsten toegestaan en geschonken is. En wanneer de Kerk in den Staat, met goedkeuring der burgerlijke wetten zelve haar regt heeft, en in 't openbaar tusschen beide mag-ten zeker verdrag is aangegaan, roept men dadelijk, dat de kerkelijke zaken van die van den Staat moeten gescheiden worden; en dat met het doel, om vrij en tegen de onderlinge trouw te kunnen handelen, ongestraft en alle beletselen opgeruimd zijnde, alles naar willekeur te kunnen besturen. — En daar nu de Kerk
59
dit niet geduldig kan dragen, en van de heiligste en grootste pligten geen' afstand kan doen, en zij daarom eischt, dat de haar beloofde trouw ongeschonden haar bewezen worde, ontstaat er dikwijls een strijd tusschen de kerkelijke en burgerlijke magt, waarvan doorgaans de uitslag is, dat gene, als die door mensche-lijke kracht minder geldt, voor de andere, die sterker is, moet onderdoen.
In dezen toestand van den Staat, thans bij de meesten geliefd, ligt de wensch opgesloten, om de Kerk of geheel te verbannen, of gebonden en aan de Eegering onderworpen te houden. Wat in 't openhaar verhandeld wordt, wordt voor een groot deel met dit doel gedaan. De wetten en het bestuur der Rijken, degods-dienstlooze opvoeding der jeugd, de berooving en verwoesting der godsdienstige Orden, de vernietiging van den Pauselijken Staat: — alles doelt er op, om de zenuw der Christelijke instellingen af te snijden, door de vrijheid van de Katholieke Kerk op het naauwst te beperken en de haar nog overgeblevene regten te verminderen. Eeeds de natuurlijke rede kan ons overtuigen, dat zulke denkbeelden omtrent de regering van den Burgerstaat van de waarheid verre afwijken. Want de natuur zelve getuigt, dat al wat er ergens van gezag bestaat, van God als van de grootste en meest vereerenswaardige bron voortkomt. Het volks-bestuur daarentegen, dat men, zonder God in aanmerking te nemen, zegt van nature bij de menigte te berusten, of het al bijzonder geschikt is, om de menigte te vleijen en veler begeerten op te wekken, rust op geene bewijsbare reden, en kan niet genoeg kracht hebben, om de openbare veiligheid en vreedzame orde te waarborgen. In de daad zijn dan ook door deze leerstellingen de zaken reeds zoo ver gekomen, dat het door velen als eene wet in de leer der staatkunde is opgenomen, dat oproeren met regt kunnen verwekt worden: want de meening wint veld, dat de Vorsten niets zijn dan gemagtigden, om den volks-
60
wil op te volgen, waaruit noodzakelijk volgt, dat alles veranderlijk is naar de willekeur van het volk, en de vrees voor woelingen hun altijd boven 't hoofd hangt.
Wanneer men over de godsdienst van meening is, dat hare meest verschillende en tegenstrijdige vormen regt hebben, is daarvan het gevolg, dat men er geene goed of afkeurt, begunstigt of verwerpt. Maar dit verschilt van godloochening, zoo al iets in den naam, in de daad niets. quot;Want die overtuigd zijn, dat er een God is, indien zij zich zeiven ten minste willen gelijk blijven en niet in het ongerijmde vervallen, zullen noodzakelijk begrijpen, dat de gebruikelijke wijzen om God te dienen, waartusschen zoo groot verschil is en strijd ten opzigte der ge-wigtigste dingen, niet alle even aanbevelenswaardig, even zeer Gode aangenaam zijn kunnen.
Zoo is ook de vrijheid om alles te mogen meenen, op schrift te brengen en openbaar te maken, zonder eenige matiging, niet iets dat reeds op zich zelf goed is, en waarover dus de mensche-lijke zamenleving zich te regt verheugen mag, maar veeleer de bron en oorsprong van veel kwaad. De vrijheid, als de deugd die den mensch volmaakt, moet verkeeren in datgene wat waar, wat goed is. Het ware en goede nu kan niet veranderen naar menschelijke willekeur, maar blijft altijd hetzelfde, en is, niet minder dan de natuur zelve, onveranderlijk. Indien het verstand valsche meeningen bijvalt, indien de wil het kwade aanneemt en daarnaar zich voegt, bereiken beiden hunne volmaaktheid niet, maar ontvallen aan hunne natuurlijke waardigheid en vervallen beiden tot bederf. Al wat dus met de deugd en de waarheid in strijd is, aan het licht en onder de oogen der menschen te brengen, is niet billijk; het door de gunst en bescherming der wetten te verdedigen, nog veel minder.
Alleen het wel doorgebragte leven is de weg naar den hemel, waarheen aller begeerte zich uitstrekt. En daarom dwaalt
61
de maatschappij van den regel en het voorschrift der natuur af, indien zij de losbandigheid der meeningen en slechte handelingen zoo zeer laat uitspatten, dat het vrij staat, straffeloos het verstand van de waarheid, de gemoederen van de deugd af te leiden. De Kerk, die God zelf heeft ingesteld, op die wijze uit te sluiten van het bedrijf des levens, van de wetten, van de opvoeding der kinderen, van 't huiselijk zamenleven, is een groote en verderfelijke dwaling. De maatschappij kan niet zedelijk zijn, wanneer de godsdienst wordt weggenomen. Reeds is 't meer dan genoeg gebleken, hoedanig de wijsbegeerte omtrent het leven en de zeden, die men de burgerlijke noemt, in zich zelve is en waartoe zij leidt. De Kerk van Christus is de ware leermeesteres der deugd en de bewaakster der zeden; zij is het, die de beginselen, waaruit de pligten worden afgeleid, ongeschonden handhaaft; en daar zij de krachtigte redenen tot een eerbaar leven aan de hand geeft, zoo beveelt zij niet alleen kwade daden na te laten, maar ook de bewegingen des harten, die met de rede strijden, te regelen, ook al hebben zij nog geene uitwerking op de daden. Te willen, dat de Kerk in de uitoefening harer pligten aan de burgerlijke magt onderworpen zij, is een groot onregt, eene groote vermetelheid. Hierdoor toch wordt de orde verward, daar hetgeen natuurlijk is, gesteld wordt over het bovennatuurlijke; het velerlei goede, dat, zoo zij nergens door verhinderd wordt, de Kerk het ge-meene leven toebrengt, wordt daardoor weggenomen of ten minste grootelijks verminderd; en bovendien wordt de weg gebaand tot vijandschap en strijd, van welke maar al te dikwijls de uitkomst bewezen heeft, welk een verderf zij beiden, Kerk en Staat, toebrengen.
Dergelijke leerstellingen, die aan de menschelijke rede zich niet aanbevelen en aan de burgerlijke tucht afbreuk doen, hebben de Roomsche Opperpriesters, onze voorgangers, daar zij
62
goed begrepen, wat hun apostolisch ambt van hen vorderde, geenszins ongestraft laten voorbijgaan. Zoo heeft Gregorius XVI door zijn' rondgaanden Zendbrief, beginnende Mirari vos, 15 Augustus 1832, met hoogernstige taal de denkbeelden bestreden, die toen reeds verkondigd werden; dat men in de gods-vereering geen voorkeur toonen moet; dat ieders geweten daarin zijn regter moet wezen; verder, dat het ieder vrij staat openbaar te maken, wat hij denkt, en nieuwigheden in de maatschappij in te voeren. Over het uit elkander rukken van de godsdienstige en burgerlijke zaken zegt dezelfde Opperpriester: »Ook kunnen wij niets goeds voorspellen uit de meening dergenen, die de Kerk van het Staatsbestuur willen scheiden, en de onderlinge eendragt van de regering en het priesterdom verbreken. Want het staat vast, dat die zamenwerking door de vrienden der schandelijkste losbandigheid meest gevreesd wordt, daar zij altijd gezegend en heilzaam is geweest voor de zaak der godsdienst, zoowel als voor die der burgerlijke zamenleving.quot; Even zoo heeft Pius IX, naar de gelegenheid zich voordeed, uit de valsche meeningen, die het meest bijval begonnen te vinden, er onderscheidene aangeteekend, en naderhand bevolen die bij een te voegen, opdat in zulk een' modderpoel van dwalingen do Katholieken zouden weten, wat zij zonder aanstoot konden volgen.') Het zij genoeg, eenige dezer veroordeelde stellingen hier te noemen:
19. De Kerk is geene ware, volmaakte en geheel vrije gemeenschap; en heeft niet hare eigene onvervreemdbare regten, door haar goddelijken Stichter haar geschonken; maar het staat aan het burgerlijk gezag, te bepalen, welke de regten zijn der Kerk, en de grenzen, binnen welke zij die regten kan uitoefenen.
') De Puus bedoelt hier den zoogenaamden Syllabus.
63
39. De Burgerstaat, als de oorsprong en bron van alle regten, heeft een regt, dat door geene grenzen omschreven is.
55. De Kerk moet van den Staat en de Staat van de Kerk gescheiden worden.
79. Het is onwaar, dat de burgerlijke vrijheid van elke eeredienst, en het volle vermogen aan allen toegekend, om allerlei meeningen en denkbeelden vrij en openbaar uit te spreken, er toe leidt om de zeden en gemoederen der volken gemakkelijker te bederven en de pest van onverschilligheid te verspreiden.
Uit deze voorschriften der Opperpriesters moet dit allereerst begrepen worden, dat de oorsprong van het openbaar gezag van God zelf, niet van de menigte behoort te worden afgeleid; dat de vrijheid om oproer te maken met de rede strijdt; dat het heilloos is voor de menschen in 't bijzonder, heilloos voor de Staten, de pligten der godsdienst voor niets te tellen, of even eens omtrent de meest verschillende gezind te zijn; dat de onbepaalde vrijheid van denken en van die meening openlijk te uiten, niet behoort tot de regten der burgers, noch tot die, welke gunst en bescherming van den Staat verdienen. — Even zoo moet begrepen worden, dat de Kerk eene gemeenschap is, niet minder dan de Staat zelf, volmaakt in haren aard en haar regt; en dat zij, die het hoogste bewind voeren, niet moeten handelen als of zij dachten, dat de Kerk hen dienen moet en hun onderworpen zijn, of toelaten, dat zij minder vrij zij om hare zaken te regelen, of haar iets onttrekken van de overige regten, die haar door Jezus Christus zijn toegekend.— En in zaken van gemengd regt is het allezins volgens de natuur en de bedoelingen van God, niet dat de eene magt van de andere zich scheide, veel min dat zij tegen elkander strijden, maar dat zij met volle eensgezindheid overeenstemmen omtrent de naaste oor-
G4
zaken, die beide, Kerk en Staat, hebben in het leven geroepen.
Dit nu is 'twat over de inrigting en het bestuur der Staten door de Katholieke Kerk wordt geleerd. — Door welke uitspraken en besluiten, indien men ze regt wil beoordeelen, geene der verschillende staatsvormen op zich zelf wordt veroordeeld, daar zij, mits niets hebbende wat tegen de Katholieke leer strijdt, elk op zijne wijze den Staat goed kunnen beschermen. — Ja ook dit wordt op zich zelf niet afgekeurd, dat het volk raeer of minder aan het staatsbestuur deel neemt, daar dit in sommige tijden en naar sommige wetten niet alleen ten nutte der burgers kan zijn, maar ook tot hunnen pligt behooren. — Er bestaat zoodoende geen de minste reden voor iemand, om de Kerk te beschuldigen, als of zij in zachtheid en toegevendheid meer dan billijk was zou beperkt wezen, of vijandig aan de echte en wettige vrijheid. — Inderdaad, wanneer de Kerk oordeelt, dat het niet geoorloofd is, dat verschillende soorten van eeredienst hetzelfde regt hebben als de ware godsdienst, veroordeelt zij daarom nog niet de staatsbestuurders, die, om een groot goed te verkrijgen of een kwaad te voorkomen, naar zeden en gebruiken geduldig verdragen, dat die in den Burgerstaat bestaan. — De Katholieke Kerk pleeg er zich ook ten zeerste voor te wachten, dat niemand tegen zijnen wil gedwongen worde, het Katholieke geloof aan te nemen, daar, zoo als wijselijk Augustinus vermaant, de mensch niet kan gelooven dan met zijnen wil.
Om dezelfde reden kan de Kerk die vrijheid niet goedkeuren, die leidt tot het versmaden der heiligste wetten van God en de der wettige magt verschuldigde gehoorzaamheid van zich afwerpt. quot;Want het is veel eer losbandigheid dan vrijheid, en zeer te regt wordt zij door Augustinus de vrijheid des verderfs genoemd, en door den apostel Petrus (1 Petr. 2 :16) hedeksel der hoosheid; ja! daar zij buiten de rede gaat, is zij eene ware slavernij : want tvie de zonde doet, is een slaaf der zonde. (Joh. 8 :34.) Daaren-
65
tegen is het de echte burgerlijke vrijheid, die met het oog op het bijzonder leven, niet toelaat, dat de mensch dwalingen en begeerlijkheden, die de afschuwelijkste meesters zijn, dient, en in 'to pen ba re leven de burgers wijselijk voorgaat, het vermogen om hun geluk te vermeerderen in ruimte bestuurt, en den Staat tegen vreemde willekeur verdedigt. — Deze betamelijke en den mensch waardige vrijheid keurt de Kerk ten hoogste goed, en laat nooit na te arbeiden en te strijden, om die onder de volken vast en zuiver te beschermen. — In de daad, de gedenkteekenen van vroegere tijden getuigen, dat de Katholieke Kerk de uitvindster is of beschermster van dat alles, wat in den burgerstaat het meest tot aller welzijn vermag: wat het nuttigste is ingesteld tegen de willekeur der Yorsten, die slecht voor het volk zorgden; wat het hoogste staatsgezag belet, in de zaken van gemeente of huisgezin op ongeschikte wijze zich in te dringen; wat geldt om de waardigheid, om den persoon des menschen, om de gelijkheid van regt onder de burgers te bewaren , — zich zelve derhalve voortdurende gelijk blijvend. Zoo de Kerk aan de eene zijde de onmatige vrijheid verwerpt, die zoo wel bij bijzondere personen als bij de volken tot losbandigheid leidt of tot slavernij, neemt zij aan de andere zijde willig en gaarne het nieuwere aan, dat de dag aanbrengt, wanneer het waarlijk den voorspoed bevordert van dit leven, dat als 't ware de loopbaan is tot een ander en eeuwigdurend. — Wat men dus zegt, dat de Kerk aan de nieuwere inrigting der Staten vijandig is, en wat het vernuft dezer tijden heeft uitgedacht, alles te za-inen verwerpt, dit is een ijdele en dwaze laster. Zij verwerpt wel de ongerijmdheid der meeningen; verwerpt den misdadigen toeleg tot oproer, en met name die gesteldheid der zielen, waarin de beginselen gezien worden van eene vrijwillige verlating van God; maar omdat al wat waar is, noodzakelijk van God moet uitgaan, erkent de Kerk al het ware, dat door onderzoek aan
5
66
het licht komt, als een zeker voetspoor van't goddelijk verstand. En daar niets waars is in de natuur der zaken, dat het geloof zou kunnen weerspreken aan de van God geopenbaarde leerstellingen, veel daarentegen, wat het bevestigt, en alle ontdekking der waarheid den mensch aansporen kan, om God öf te leeren kennen öf te prijzen, daarom zal al wat geschiedt om de grenzen der wetenschappen uit te breiden, altijd met toestemming en tot vreugde der Kerk geschieden; en zal deze, gelijk zij gewoon is, even als de andere wetenschappen, zoo die inzonderheid voeden en bevorderen, die de verklaring der natuur ten doel hebben. In welke studiën de Kerk 'tniet zal tegengaan, wanneer het verstand iets nieuws ontdekt. Zij zal het even min bestrijden, wanneer er veel gezocht wordt, om tot sieraad en gemak van het leven te dienen; integendeel, aan luiheid en traagheid vijandig, zal zij 't bevorderen, dat der menschen vernuft door oefening en beschaving overvloedige vruchten drage; zij verleent aanmoedigingen tot alle soort van kunsten en werken; en terwijl zij door haren wekladigen invloed al deze studiën tot de wel-voegelijkheid en het welzijn der volken rigt, zoekt zij met alle kracht te beletten, dat wetenschap en nijverheid den mensch van God en de hemelsche goederen zouden vervreemden.
Maar dit, ofschoon vol rede en beleid, wordt in dezen tijd minder goedgekeurd, daar de burgerstaten niet alleen weigeren om zich te vormen naar het beeld der Christelijke wijsheid, maar ook dagelijks verder van haar schijnen te willen afwijken. Desniettemin, naardien de waarheid, zoo zij aan het licht wordt gesteld, van zelve zich wijd verspreidt en tot der menschen verstand gaandeweg doordringt, spreken Wij, bewogen door het bewustzijn van het hoogste en heiligste ambt, de apostolische zending tot alle volken. Ons opgedragen, vrij uit, zoo als wij ver-pligt zijn, datgene wat waar is. Niet dat wij den aard der tijden niet doorzien, of meenen, dat de betamelijke en nuttige vorderin-
G7
gen van onzen leeftijd te verwerpen zijn; maar omdat wij wegen, veiliger voor aanstoot, en vaster grondslagen voor de Staten zouden willen, en dat terwijl de echte vrijheid der volken ongeschonden blijft. Want onder menschen is de waarheid de moeder en beste bewaakster der vrijheid: de waarheid zal u vrij maken. (Joh. 8 : 32.)
Derhalve zullen, in zoo moeijelijken loop van zaken, de Katholieken , indien zij, zoo als 't hun betaamt, naar Ons luisteren, gemakkelijk zien, wat ieders pligten zijn, zoo wel in meeningen als in daden. — Wat de meeningen betreft is het noodig, alles wat de Eoomsche Opperpriesters onderwezen hebben en zullen onderwijzen, met volle instemming vast te houden, en openlijk, zoo dikwijls de omstandigheden het vorderen, te belijden. Inzonderheid omtrent datgene, wat men de Vrijheden noemt, in den nieuwsten tijd begeerd, betaamt het te staan in het oordeel van den Apostolischen Stoel; wat deze oordeelt, heeft ieder voor zich te oordeelen. Er moet dus toegezien worden, dat niemand de schoone schijn dezer begrippen bedriege; en bedacht, uit welke beginselen zij zijn ontstaan, en met welke bedoelingen zij hier en daar worden voorgestaan en gevoed. Genoeg is het reeds bij ondervinding bekend, wat zij in den Staat uitwerken: dat zij namelijk gaandeweg die vruchten voortbrengen , die brave en verstandige mannen te regt berouwen. — Indien ergens een Staat, die het Christendom schaamteloos en ty-ranniek vervolgt, in de daad zoo is of vermeend wordt te zijn, en met haar omtrent den nieuweren staatsvorm, waarvan wij spraken, in overleg kan worden getreden, kan dit verdragelijk schijnen. De beginselen evenwel, waarop zulk een Staat steunt, zijn voorzeker zoodanig, als wij te voren beschreven hebben, dat zij op zich zelve door niemand moeten worden goedgekeurd.
Wat den handel en wandel betreft, deze kan zoo wel het bijzonder huiselijke als het openbare leven betreffen. — In het bij-
68
zonder leven is een eerste pligt, ten vlijtigste leven en zeden naaide evangelische voorschriften in te rigten, en niet te weigeren, wanneer de Christelijke deugd iets eischt, dat wat moeijelijker is te lijden en te dragen. Bovendien moet elk in 't bijzonder de Kerk zoo liefhebben, als eene gemeene moeder; en zoo wel gehoorzaam hare wetten bewaren, als hare eer dienen en hare regten ongedeerd wenschen; daarbij trachten, haar door hen, over wie men eenig gezag heeft, met gelijke vroomheid te doen eeren en liefhebben. — Ook dit is voor 't openbare welzijn van belang, dat men met wijsheid zich toelegge op het bestuur der staatszaken; en daartoe vooral zijn best doe, dat voor de opleiding der jeugd tot de godsdienst en hare vorming tot goede zeden, zoo als 'tbillijk is voor Christenen, van overheidswege gezorgd worde; daar hiervan grootendeels het welzijn der bijzondere Staten afhangt. — En in 't algemeen is het nuttig en eervol, dat uit dit als 'tware engere arbeidsveld de ijver der Katholieken zich verder uitbreide en het hoogste staatsgezag zelf omvatte. In 't algemeen zeggen wij, omdat onze voorschriften alle volken raken. Overigens kan het ergens gebeuren, dat door de gewigtigste en regtvaardigste redenen het niets geen nut hebben zou, het staatsbestuur op zich te nemen en in staatsambten te verkeeren. Maar in 'talgemeen genomen, zoo als wij zeiden, is het even zeer zonde, aan het staatsbestuur volstrekt geen deel te willen nemen, als dat men geen vlijt of arbeid aan 'talgemeene welzijn wijden wilde; en dat des te meer omdat de Katholieken door de leer zelve, die zij belijden, worden aangespoord om de zaken zuiver en naar regt te behandelen. Wanneer dus daarentegen zij er zich van onthouden, zullen ligt anderen de teugels aangrijpen, wier meeningen geen groote hoop op welzijn aanbieden. En dit zou ook verbonden zijn met hot verderf van het Christendom, daar nu de meeste magt zouden hebben, die der Kerk kwalijk gezind zijn, en de minste, die haar
69
■wèl willen. Waaruit het duidelijk blijkt, dat er voor de Katholieken eene regtvaardige reden bestaat, om tot het staatsbestuur toe te treden. Want niet daarom zoeken zij dit of moeten het zoeken, otn daarmede goed te keuren wat te dezen tijde in de inrigting van het staatsbestuur verkeerd is; maar om deze in-rigting zelve, voor zoo veel het geschieden kan, tot het opregte en ware openbaar welzijn over te brengen, het van harte daarvoor houdende, dat men de wijsheid en deugd der Katholieke godsdienst als het heilzaamste merg en bloed in al de aderen van den Staat moet doen doordringen. — Niet anders is er gehandeld in de eerste tijden der Kerk. Want de zeden en neigingen der heidenen weken zeer verre af van de evangelische neigingen en zeden; het was echter te zien, dat de Christenen te midden van het bijgeloof onbedorven bleven en, altijd zich zelf gelijk, met hart en ziel zich beijverden, waar hun maar de toegang verleend werd. Voorbeeldig getrouw aan de Vorsten en gehoorzaam aan de wetten, verspreidden zij overal, zoo veel 'thun vrijstond, een' wonderbaren glans van heiligheid; zochten hunnen broeders tot voordeel te zijn, anderen tot de wijsheid van Christus te roepen; maar waren zij ook bereid, hun' post te verlaten of zelfs dapper te sterven, indien zij, behoudens de deugd, eer en ambt en regering niet konden behouden. Op welke wijze spoedig de Christelijke instellingen niet alleen in de bijzondere woningen, maar in de legerplaatsen, in het raadhuis, in het paleis zelf zijn doorgedrongen. »IVij zijn van gisteren , en wij hebben al het uwe vervuld: steden, eilanden, kas-teelen, gemeenten, markten, de legerplaatsen zelve, klassen, af-deelingen, het paleis, den senaat, het forumf (Tertulliantjs.) Zoodat het Christelijk geloof, toen eindelijk door de wet werd toegestaan het evangelie openlijk te belijden, niet als een schrei-jend kind in de wieg, maar volwassen en reeds genoeg gevestigd in een groot deel' der burgerstaten verscheen.
70
Voorzeker is het in overeenstemming met onze tijden, deze voorbeelden der vaderen weêr in de gedachte te roepen. Want voor de Katholieken, zoo velen dien naam waardig zijn, is allereerst noodig, dat zij hartelijke zonen der Kerk zijn en het ook willen toonen; dat zij alles, wat met dezen lof niet bestaanbaar is, verwerpen; dat zij de instellingen der volken, zoo veel dit met eer geschieden kan, aanwenden tot bescherming van waarheid en regtvaardigheid; hun best doen, dat de vrijheid van handelen de door de wet der natuur en die van God daar-gestelde maat niet overschrijde; zich er op toe leggen, dat geheel de Staat geleid worde tot dat Christelijke beeld en dien vorm, die wij beschreven hebben. —■ De middelen waardoor deze dingen verkregen worden, kunnen niet gevoegelijk op ééne en dezelfde wijze beschreven worden, daar zij moeten overeenkomen met de bijzondere plaatsen en tijden, die onder elkander veel verschillen. Desniettemin moet allereerst de eendragt van den wil bewaard, en gelijkheid van handelen gezocht worden. En het best zal beide verkregen worden, wanneer ieder de voorschriften van den Apostolischen Stoel de wet van het leven acht, en de Bisschoppen gehoorzaamt, die de Heilige Geest gesteld heeft om de Kerk van God te besturen. (Hand. 20:28.) De verdediging van het Christendom vordert noodzakelijk, dat één aller meening zij en de grootste eendragt heersche in de te belijden leerstukken, die door de Kerk worden overgeleverd; en daarbij moet worden gewaakt, dat niemand valsche meeningen óf eeni-gerwijze toestemt, öf die zachteren weêrstand biedt, dan do waarheid lijden kan. Over die dingen, die aan ieders oordeel zijn vrij gelaten, zal het geoorloofd zijn te redetwisten, met matiging en ijver, verre echter van beleedigende verdenkingen en onderlinge beschuldigingen. Opdat de eendragt der zielen niet door ligtzinnige beschuldiging verbroken worde, moeten allen het zoo begrijpen; dat de zuiverheid der Katholieke belijdenis
71
geenszins kan te zamen gaan met meeningen, die aansporen tot naturalisme of rationalisme, waarvan de hoofdzaak is, de Christelijke instellingen ten gronde toe weg te nemen en de heerschappij van den mensch in de maatschappij te vestigen, met achterstelling van God; — dat het even eens niet vrij staat, een' anderen vorm van pligt in zijn bijzonder leven te volgen, een' anderen in het openbare; zóó namelijk, dat het gezag der Kerk in het bijzonder leven erkend, in het openbare verworpen worde. quot;Want dit zou zijn, het eervolle met het schandelijke te vereenigen en den mensch met zich zeiven te doen strijden, daar hij integendeel zich altijd moet gelijk blijven, en in geenerlei zaak of geenerlei wijs van de Christelijke deugd afwijken. — Maar wanneer er sprake is van zuiver staatkundige zaken, over den besten staatsvorm of over de wijze om de Staten in te rigten en te besturen, zoo kan men met eere hieromtrent verschillen. De regtvaardigheid laat niet toe, dat aan diegenen, van wie overigens de vroomheid en de bereidwilligheid om de besluiten van den Apostolischen Stoel gehoorzaam aan te nemen, niet kan worden ontzegd, tot eene ondeugd worde toegerekend, dat zij omtrent de zaken, waarvan wij gesproken hebben, een afwijkend gevoelen hebben. Een veel grooter onregt is het, en wij betreuren dat het meer dan eens is geschied, wanneer men zulk een gevoelen als de misdaad van geschonden of veracht Katholiek geloof aanvoert. — En inzonderheid hebben zij deze vermaning in acht te nemen, die gewoon zijn hunne denkbeelden op schrift te brengen, allermeest de schrijvers van nieuwsbladen. In deze redewisseling over de hoogste belangen moet geen plaats gelaten worden aan ouderlingen strijd of partijzucht, maar in geest en toeleg één moeten allen toonen, dat zij slechts één doel hebben: het heil van godsdienst en Staat. Indien er dus te voren eenige twist heeft bestaan, moet die door vrijwillige vergetelheid vernietigd worden; indien iets ligt-
72
zinnig of te onregt gedaan is, wien ten laatste ook de schuld toekomt, moet dit vergoed worden door wederzijdsche liefde, en uitgemaakt door onderwerping van allen aan den Apostolischen Stoel. — Langs dezen weg zullen de Katholieken twee voortreffelijke zaken verkrijgen; het eene, dat zij zich aan de Kerk wijden als medehelpers in het bewaren en verspreiden van de Christelijke wijsheid; het andere, dat zij der burgerlijke maatschappij de grootste dienst bewijzen, welker welzijn door kwade leerstellingen en begeerlijkheden in groot gevaar wordt gebragt.
Dit hadden wij, Eerwaarde Broeders! aan alle volken der Christelijke wereld mede te deelen omtrent de Christelijke inrig-ting der Staten en de pligten der bijzondere burgers.
Overigens betaamt het, met dringende gebeden de hulp des hemels af te smeeken, en van God te vragen, dat Hij, hetgeen wij tot zijne eer en 't gemeene welzijn van het menschelijk geslacht verlangen en beproeven, zelf tot de gewenschte uitkomst leide, daar 'tin zijne hand is, der menschen verstand te verlichten en hunnen wil te bewegen. — quot;Wij voor ons, Eerwaarde Broeders! deelen u met de innigste liefde den apostolischen zegen mede, als den waarborg van de goddelijke weldaden en getuige van onze welwillendheid, U en de geestelijkheid en geheel het volk, aan uwe trouw en waakzaamheid toevertrouwd.
Gedaan te Rome bij St. Petrus, 1 November 1885, het achtste jaar van ons hoogepriesterschap. _ Leo Paus XIII.
III.
Litterae encyclicae:
Libertas praestantissimum naturae donum.
Pauselijke Zendbrief oven de menschelijke vrijheid.
De vrijheid, de voortreffelijkste gave der natuur, alleen eigen aan wie verstand en rede bezitten, geeft den mensch deze waardigheid, dat hij naar eigen inzigt handelt en dus magt heeft over zijne daden. — Evenwel is het van het hoogste belang, op welke eene wijze zulk eene waardigheid werkzaam is, daar even als het hoogste goed, zoo ook het grootste kwaad uit het gebruik of misbruik der vrijheid geboren wordt. Naar 'smenschen oorspronkelijke natuur zou het hem eigen zijn, de rede te gehoorzamen, het zedelijk goede te volgen, naar zijn hoogste levensdoel te streven. Maar hij kan ook op alle andere wegen afdwalen, en bedriegelijke droombeelden najagende, de verpligte orde verstoren en vrijwillig zich in 't verderf storten. — De Bevrijder van het menschelijk geslacht, Jezus Christus, daar hij de oorspronkelijke waardigheid der natuur herstelde en verhoogde, heeft het meeste bijgedragen, om 's menschen eigen vrijheid te verheffen en die ten goede te rigten, zoo wel dooier de hulp zijner genade aan toe te voegen, als door het uit-zigt te geven op eene eeuwige zaligheid in den hemel. Op gelijke wijze heeft de Katholieke Kerk zich omtrent deze voortreffelijke gave der natuur verdienstelijk gemaakt, en zal zij dit standvastig blijven doen, daar het hare taak is, de weldaden, ons van Jezus Christus geworden, alle eeuwen door te verbrei-
76
den. — Desniettegenstaande zijn er velen, die meenen, dat de Kerk der mensehelijke vrijheid hinderlijk is; waarvan de reden is te vinden in een verkeerd en averregtsch oordeel over de vrijheid. Want zij vervalschen deze naar hunne eigene opvatting, of breiden haar uit meer dan billijk is, zoodat zij beweren, dat die op vele zaken betrekking heeft, waarin, als wij juist willen oordeelen, de mensch niet vrij wezen kan.
Elders hebben Wij, en bepaaldelijk in de Encyclica Immortale Dei, gesproken over de zoogenaamde moderne vrijheden, hetgeen betamelijk is onderscheidende van het tegenovergestelde; en hebben Wij tevens aangetoond, dat het goede, in deze vrijheden vervat, zoo oud is als de waarheid zelve; en dat de Kerk dit steeds gaarne pleeg goed te keuren en in hare praktijk op te nemen. Wat er nieuws is bijgekomen, als men de waarheid zoekt, blijkt het te bestaan in een verdorven deel, dat de woelige tijden en ongebonden nieuwigheidszucht hebben voortge-bragt. — Maar naardien velen hardnekkig in deze denkwijze volharden, en die vrijheden, ook in hetgeen zij verkeerd bevatten, het hoogste sieraad achten van onzen leeftijd en den noodzakelijken grondslag voor de inrigting der Staten, zoodat, waar die vrijheden worden gemist, zij meenen dat er geen volmaakt staatsbestuur mogelijk is, daarom dacht het Ons, terwijl Wij het gemeene nut ons voor oogen stelden, dat dusdanig onderwerp door Ons afzonderlijk moest worden behandeld.
Onze eigenlijke bedoeling is, te spreken over de zedelijke vrijheid, het zij die met betrekking tot bijzondere personen of tot de Staten beschouwd wordt. — Het komt ons echter goed voor, om eerst in 't kort iets te zeggen over de natuurlijke vrijheid , omdat zij, hoewel van de zedelijke geheel onderscheiden, toch de bron en het beginsel is, waaruit alle soort van vrijheid van zelf geboren wordt. Naar aller oordeel en het algemeen gevoel (senstis communis), dat de zekerste stem der na-
77
tuur is, wordt die vrijheid slechts in hen erkend, die verstand eu rede deelachtig zijn, en blijkt daarin de reden te liggen, waarom hij die daardoor handelt, in waarheid mensch wordt geacht. En te regt: want daar de overige levende wezens enkel bestuurd worden door hunne zintuigen, en door aandrift der natuur zich verkrijgen wat hun voordeelig is en het tegendeel ontvlieden, zoo heeft de mensch in zijne bijzondere levensverrig-tingen de rede tot leidsvrouw. De rede nu oordeelt, dat wat goeds de aarde bevat, het alles en elk voor zich kan zijn en evenzeer kan niet zijn; en daardoor juist, achtende dat niets daarvan noodzakelijk moet genomen worden, laat hij aan den wil de magt en de keus, om uit te zoeken wat hem gelust. — Over de betrekkelijke waarde nu dier goederen, waarvan wij spraken, kan daarom de mensch oordeelen, omdat hij eene ziel heeft, die van nature eenvoudig is, geestelijk en denkvermogen deelachtig; die daarom, omdat zij van dien aard is, niet van ligchamelijke dingen haren oorsprong heeft en in haar voortbestaan daarvan niet afhangt; maar zonder tusschenkomst van eenige zaak door God ingeschapen, en de gemeenschappelijke voorwaarde der ligchamen in een lang tijdsverloop doorloopende, haar eigen wijze van leven heeft, zoo wel als van handelen; waardoor het gebeurt dat, wanneer door het oordeel de onveranderlijke en noodzakelijke redenen van het ware en goede begrepen zijn, hij inziet, dat die bijzondere goederen volstrekt niet onmisbaar zijn. Derhalve, zoo dra wordt vast gesteld, dat de zielen der menschen van alle sterfelijke vermenging vrij zijn, en het vermogen hebben om te denken, is te gelijk de natuurlijke vrijheid in zijnen grondslag ten stevigste bevestigd.
De Katholieke Kerk verkondigt en handhaaft meer dan iemand de eenvoudige, geestelijke en onsterfelijke natuur der mensche-lijke ziel, en even zoo de vrijheid. Beide heeft zij te allen tijde geleerd, en beschermt die even zoo als dogma. En dat niet al-
78
leen, maar toen de ketters en begunstigers van nieuwe meeningen haar weêrspraken, heeft de Kerk de bescherming der vrijheid op zich genomen en een zoo groot goed van den mensch voor den ondergang bewaard. De getuigenissen van vroeger eeuwen stellen aan het licht, met welk eene inspanning zij de onzinnige pogingen van Manichéen en anderen heeft afgeslagen. En wat den nieuweren tijd aangaat, niemand is er onkundig van, met welken ijver en welke kracht zij op het Concilie van Trente, en later tegen de aanhangers van Jansenius, voor den vrijen wil van den mensch heeft gestreden, nooit en nergens toelatende, dat het fatalisme zou bestaan.
De vrijheid dus, gelijk wij gezegd hebben, is hun, die rede en verstand deelachtig zijn, eigen. En indien wij hare natuur in aanmerking nemen, is zij niets anders dan het vermogen om de dingen te kiezen, die geschikt zijn tot 't gene men zich voorstelt, zoodat hij, die het vermogen heeft, iets te kiezen uit vele, meester is van zijne daden. Daar nu alles, wat men zoekt te verkrijgen, eene goede zijde heeft, in zoo verre het nuttig en aangenaam, schijnt, en het goede van nature de begeerte opwekt, daarom is de vrije keus den wil eigen, of liever zij is de wil zelf, in zoo verre die in het handelen het vermogen der keus heeft. Maar de wil wordt geenszins bewogen, ten zij de kennis van het verstand hem als zekere fakkel heeft voorgelicht. Want het goede, door den wil begeerd, is noodzakelijk goed, voor zoo verre het aan de rede als zoodanig bekend is. En dat des te meer, omdat in alle wilsbepalingen altijd voorafgaat het oordeel over de waarheid der goederen, en welk goed aan andere moet worden voorgetrokken. Niemand, die wijs is, zal dus twijfelen, of het oordeel komt aan de rede toe en niet aan den wil. Derhalve, indien de vrijheid aan den wil eigen is, die door zijne natuur een verlangen is dat aan de rede gehoorzaamt, zoo volgt daaruit, dat ook die vrijheid, even als de
79
wil, zich beweegt in het goede, dat met de rede overeenstemt. Desniettemin, omdat beide vermogens niet volmaakt zijn, kan het gebeuren en gebeurt dikwijls, dat het verstand aan den wil voorhoudt, wat in 't geheel niet in zich zelf goed is, maar eene schaduwachtige gedaante van het goede heeft, en dat daarheen de wil zich rigt. Maar zoo als de mogelijkheid van te dwalen en de dwaling zelve een gebrek is, dat het verstand als niet van alle zijden volmaakt doet kennen, even zoo, wanneer men het valsche en verdichte goed aangrijpt, zij het ook een teeken van den vrijen wil, is dit eene ziekte van het leven, en gebrek der vrijheid. Even zeer de wil, daardoor juist, dat hij van de rede afhangt, wanneer hij iets begeert, wat van de regte rede afwijkt, zoo besmet hij geheel en al de vrijheid en gebruikt die verkeerd. Om die reden kon de oneindig volmaakte God, die, daar Hij de hoogste wijsheid is en goedheid zijn wezen, ook in de hoogste mate vrij is, op geenerlei wijze het kwade willen; even min de zalige hemellingen, daar zij altijd het hoogste goed aanschouwen. Zeer juist hebben Augustinus en anderen tegen de Pelagianen opgemerkt, dat indien de mogelijkheid van afvallig te worden natuurlijk en de hoogste vrijheid was, God zelf, Jezus Christus, de engelen, de zaligen, voor wie allen die mogelijkheid niet bestaat, öf niet vrij zouden zijn, öf zeker het in mindere mate zouden wezen dan de onvolmaakte en dwalende mensch. Over welk onderwerp de Doctor Angelicus ') dikwijls en veel handelt; waaruit kan worden opgemaakt, dat het vermogen om te zondigen geene vrijheid is, maar slavernij. Het scherpzinnigst is zijne opmerking bij de woorden van den Heere Christus: vDie de zonde doet, is een slaaf der zonde.'1'' (Joh.
') Eernaam van Thomas Aquinas, maar voor ons onvertaalbaar. Ook aan andere beroemde scholastieken werden zulke namen gegeven.
80
8:34.) Ieder ding is datgene, tvat daaraan past naar zijne natuur. Wanneer het dus bewogen wordt door iets huiten zich, werkt het niet volgens zich zelf, maar door den indruk van iets anders, hetwelk slaafsch is. De mensch nu is naar zijne natuur redelijk. Wanneer hij dus bewogen wordt overeenkomstig de rede, ivordt hij door eigen beweging bestuurd en handelt volgens zich zeiven, hetwelk der vrijheid is; maar wanneer hij zondigt, handelt hij tegen de rede, en dan wordt hij als door een ander bewogen, terug gehouden binnen hem vreemde grenzen, en alzoo: die de zonde doet, is een slaaf der zonde.'''' Hetgeen duidelijk genoeg de wijsbegeerte der ouden heeft ingezien, van hen inzonderheid , wier leer het was: «Niemand is vrij, ten zij hij wijs is.quot; Want, zoo als bekend is, wijs noemden zij hem, die standvastig naar de natuur, dat is eerbaar en deugdzaam had leeren leven.
Daar derhalve in den mensch zoodanig de toestand der vrijheid is, zoo moest die met geschikte hulpmiddelen en beveiligingen versterkt worden, die al zijne wilsuitingen op het goede rigtten, van het kwade aftrokken; anders zou de vrijheid van den wil den mensch veel schade hebben gedaan. — Vooreerst was daartoe de wet noodig, dat is de regel van 't geen gedaan en nagelaten moet worden. Deze kan volstrekt niet bestaan bij die levende wezens, die door de noodzakelijkheid worden aangedreven, omdat wat zij ook doen, zij dat doen door aandrift der natuur, en zij uit zich zeiven geen andere wijze van doen kunnen volgen. Maar zij, die de vrijheid genieten, hebben het daarom in hunne magt, zóó te handelen, niet of anders te handelen , omdat zij dan kiezen, wat zij willen, als het oordeel der rede, waarvan wij spraken, is voorafgegaan. Door welk oordeel niet alleen bepaald wordt, wat van nature eerbaar, wat schandelijk is, maar ook wat goed is en van zelf gedaan moet worden, wat kwaad en van zelf te mijden. Want de rede schrijft den wil
81
voor, wat hij moet zoeken en van waar zich afwenden, opdat de mensch eenmaal het hoogste doel kunne bereiken, waarom alles moet gedaan worden. Deze ordening der rede nu wordt wet genaamd. — Waarom de noodzakelijkheid der wet als in haren wortel gezocht moet worden in 's menschen vrijen wil, en haar oogmerk is, dat onze begeerten van de regte rede niet afwijken. Niets kan derhalve zoo verkeerd en ongerijmd gezegd of gedacht worden, dan dat de mensch, omdat hij van nature vrij is, ook zonder wet moest zijn. Indien dit zoo ware, dan zou hier uit volgen, dat tot de vrijheid noodig is, dat zij niet zamenhangt met de rede; daar het integendeel de hoogste waarheid is, dat de mensch daarom der wet onderworpen moet wezen, omdat hij van nature vrij is. Op die wijze is de wet den mensch tot leidsvrouw bij zijn handelen, en door hem belooningen en straffen voor te houden, lokt zij hem tot goed doen en schrikt van de zonde hem af.
Zoodanig is de natuurlijke wet, de eerste van alle, die geschreven is en gegraveerd in de ziel van iederen mensch, omdat zij zelve is de nienschelijke rede, die gebiedt het goede te doen en de zonde verbiedt. Maar dit voorschrift der men-schelijke rede kan geen kracht van wet hebben, ten zij omdat het de stem en uitlegger is eener hoogere rede, waaraan ons verstand en onze vrijheid onderworpen moeten zijn. Want daar ■de kracht der wet deze is, dat zij pligten oplegt en regten toekent, steunt zij geheel op het gezag: dat is op het ware gezag om de pligten te bepalen en de regten te beschrijven, insgelijks om door straffen en belooningen het bevolene te bevestigen. Dit alles blijkt duidelijk in den mensch niet te kunnen wezen, indien hij, als hoogste wetgever, zelf aan zijne handelingen den regel gaf. Derhalve volgt hieruit, dat de wet der natuur zelve de eeuwige wet is, ingeplant in de redelijke schepselen en hen bewegende tot de verpligte daad en 't bestemde
6
82
doel. En zoo is deze de eeuwige rede van God, den Schepper en Regeerder der gansche wereld. — Bij dezen regel van handelen en teugel der zonde zijn door Gods weldaad eenige bijzondere hulpmiddelen gevoegd, bij uitnemendheid geschikt om de vrijheid te verzekeren en te besturen. Waaronder de allereerste is en boven alle uitmunt de kracht der goddelijke genade; die, daar zij het verstand verlicht en den wil door heilzame standvastigheid versterkt, en altijd tot 'tzedelijk goede aandrijft, het gebruik der aangeboren vrijheid vlugger en tevens veiliger maakt. En het is verre van de waarheid, dat door deze goddelijke tus-schenkomst de wilsuitingen van den mensch minder vrij zouden zijn; want de kracht der goddelijke genade werkt innerlijk in den mensch en komt met zijne natuurlijke neiging over een, omdat zij voortvloeit uit den Schepper zeiven èn van onze ziel èn van onzen wil, en door Hem alle dingen overeenkomstig Zijne natuur worden bewogen. Ja! de goddelijke genade, zoo als de Angelicus Doctor leert, is juist omdat zij van den Werkmeester van de natuur voortkomt, eene verwonderlijke kracht, geboren en geschikt om alle naturen te beschermen, en de zeden, de kracht, de werking van elk dezer te bewaren.
Wat nu over de vrijheid van bijzondere personen gezegd is, kan gemakkelijk worden overgebragt op menschen, door burgerlijke maatschappij te zamen verbonden. Want wat rede en natuurwet in enkele menschen uitwerken, dat doet in de zamenleving demenschelijkewet,tot het algemeene welzijn der burgers afgekondigd. — Van de menschelijke wetten verkeeren sommige in datgene, wat van nature goed of kwaad is, en voegen de noodige sanctie er aan toe. Zulke wetten hebben dan haren oorsprong niet van der menschen maatschappij , omdat deze, zoo als zij de menschelijke natuur zelve niet heeft voortgebragt, zoo ook het goede niet scheppen kan, dat met de natuur over een komt, noch het kwade, dat daar tegen
83
strijdt; maar beide veel eer de mensohelijke zamenleving vooraf gaan, en zijn af te leiden van de natuurlijke en daardoor van de eeuwige wet. De voorschriften van het natuurlijke regt, vervat in der menschen wetten, hebben daardoor niet alleen de kracht eener menschelijke wet, maar bevatten het zoo veel hoo-ger en heiliger gezag, dat uit de natuurlijke en daardoor eeuwige wet zelve voortvloeit. In dit soort van wetten is de taak van den burgerlijken wetgever, dat hij de burgers gehoorzaam make door het algemeen gezag te handhaven, die verdorven zijn en ten kwade geneigd te bedwingen, zoodat zij, van het kwaad afgeschrikt, wat regt is najagen, of ten minste den burgerstaat niet tot aanstoot en schande zijn. — Doch andere voorschriften der burgerlijke magt volgen niet terstond en regtstreeks uit het natuurlijke regt, maar zijn meer van verre en zijdelings daarmede verbonden, en beschrijven verscheidene zaken, waarin niet clan in 't algemeen en over 't geheel door de natuur is voorzien. Zoo beveelt de natuur, dat de burgers moeten medewerken tot de rust en den bloei van 't algemeen; maar wat zij daaraan hebben toe te brengen, op welke wijze en in welk op-zigt, wordt niet door de natuur, maar door der menschen wijsheid vast gesteld. Zoo is in deze bijzondere levensregelen, met voorzigtigheid bedacht en door wettig gezag daargesteld, de eigenlijk gezegde menschelijke wet vervat. Welke wet beveelt, dat alle burgers zamenwerken tot het doel, der gemeenschap voorgesteld, en belet, dat men daar van afwijke; en dus, in zoo verre zij de voorschriften der natuur op den voet volgt, en daarmede over een stemt, tot 't geen welvoegelijk is leidt, en van het tegenovergestelde afschrikt. Onze slotsom is dus, dat alleen in de eeuwige wet van God de regel en het rigtsnoer der vrijheid te vinden is, en dat niet alleen van ieder mensch in 't bijzonder, maar ook van de menschelijke gemeenschap en zamenwoning. — Derhalve is in de zamenleving van menschen
84
de ware vrijheid niet hierin gelegen, dat gij doet wat u gelust, waaruit de grootste beroering en verwarring ontstaan zou, uit-loopende op de onderdrukking van den burgerstaat; maar daarin, dat gij, door de burgerlijke wetten geleid en beschermd, gemakkelijker naar de voorschriften der eeuwige wet leven kunt. En van hen die aan het hoofd staan, is niet hierin de vrijheid gelegen, dat zij ligtvaardig en naar willekeur kunnen gebieden, hetgeen even verderfelijk zou wezen en tot geheel verval van den Staat leiden zou; maar de kracht der menschelijke wetten moet deze zijn, dat zij blijken uit de eeuwige wet voort te vloeijen, en niets vast stellen, wat niet in haar als in het beginsel van het algemeene regt vervat is. Zeer wijselijk zegt Augus-tinus: Te gelijk meen ik ook, dat gij zult inzien, dat in deze lijdelijke wet niets regtvaardig is en wettig, hetgeen de menschen niet uit deze eeuwige wet hehhen afgeleid. Indien derhalve iets door eenig gezag wordt vast gesteld, wat van de beginselen der regte rede afwijkt, en het den Staat verderfelijk is, zoo heeft het geenerlei kracht van wet, omdat het geen regel der geregtigheid zou zijn, en de menschen van het goede, waartoe de zamenleving geboren is, zou afleiden.
In welk opzigt wij dus de natuur der menschelijke vrijheid beschouwen, zoo wel in bijzondere personen als in vereenigin-gen, en niet minder in hen die bevelen dan in hen die gehoorzamen , altijd sluit zij in zich de noodzakelijkheid om te gehoorzamen aan zekere hoogste en eeuwige rede, die niets anders is dan het gezag van God, die gebiedt of verbiedt. En het is er zoo ver af, dat dit hoogst regtvaardig bestuur van God over den mensch de vrijheid opheffen zou of op eenige wijze verkorten, dat het die veel eer beschermt en volmaakt. Want zijn einddoel na te jagen en te bereiken, is de ware volmaaktheid van alle naturen; het hoogste einddoel nu, waarnaar de menschelijke vrijheid moet streven, is God.
85
Alleen reeds door het licht der rede zijn ons deze voorschriften van de waarachtige en oorspronkelijkste waarheid bekend. De Kerk nu, onderwezen door het goddelijk voorbeeld en de leer van haren Stichter, heeft ze steeds verbreid en voorgestaan; waardoor zij nooit heeft nagelaten haar ambt te volbrengen en de Christen volken te onderrigten. In het zedelijke overtreffen de evangelische wetten niet alleen verre alle wijsheid der heidenen, maar zij roepen en vormen den mensch tot eene heiligheid, bij de ouden onbekend; en daar zij hem nader tot God brengen, maken zij hem te gelijk eene volmaakte vrijheid deelachtig. Zoo bleek steeds de zeer groote kracht der Kerk in het bewaren en beschermen van de staatkundige vrijheid der volken. Hare verdiensten in dit opzigt op te tellen, is onnoodig. Genoeg is het te herinneren, dat de slavernij, die oude schande der heidensche volken, grootendeels door den arbeid en de gunst der Kerk is afgeschaft. Gelijkheid van regt en de ware verwantschap onder de menschen heeft eerst van allen Jezus Christus geleerd; waarvan wij den weerklank hooren in het zeggen der apostelen, dat 't niet is Jood, noch Griek, noch barbaar, noch Schyth, maar allen in Christus broeders. Zoo groot en zoo bekend is in dit opzigt de weldadige kracht der Kerk, dat in welke oorden ook zij haren voetstap zet, het uitgemaakt is, dat de onbeschaafde zeden niet lang meer kunnen voortduren; maar de woestheid door zachtmoedigheid, de nevelen der bar-baarschheid door het licht der waarheid in 't kort zullen worden vervangen. Insgelijks heeft de Kerk te geenen tijde nagelaten, om de volken, door burgerlijke beschaving ontwikkeld, groote weldaden aan te brengen, het zij door de willekeur der boozen te weêrstaan, het zij door van 't hoofd der onschuldigen en zwakken onregt te weren, of eindelijk door haar best te doen, dat die inrigting van den Staat gelden zou, die de burgers om hare billijkheid liefhadden en de buitenlanders vreesden om hare magt.
86
Bovendien is het de waarachtigste pligt, het gezag te eeren, en aan regtvaardige wetten zich gehoorzaam te onderwerpen. Zoo geschiedt het, dat door de kracht en waakzaamheid der wetten de burgers tegen het onregt der boozen worden beveiligd. De wettige magt is van God, en die het gezag weerstaat, wederstaat de ordovantie Gods; waardoor de gehoorzaamheid veel in adel stijgt, daar zij aan het regtvaardigste en hoogste gezag bewezen wordt. Maar waar het regt om te bevelen ontbreekt, of iets wordt voorgeschreven, strijdig met de rede, met de eeuwige wet, met Gods opperbestuur, dan is het regt, niet te gehoorzamen: aan de menschen namelijk, opdat Gode gehoorzaamd worde. quot;Wanneer zóó de toegang tot tyrannic is afgesloten , zal de regering niet alles aan zich trekken; de regten der bijzondere burgers zullen ongeschonden blijven; de regten van het huisgezin en van al de leden van den Staat, daar aan elk zijn aandeel gegeven wordt van de ware vrijheid, die zoo als wij hebben aangetoond, daarin bestaat, dat ieder naar de wetten en de zuivere rede kunne leven.
Bijaldien nu, wanneer er in 't algemeen over de vrijheid wordt geredetwist, de wettige en betamelijke vrijheid werd bedoeld, die straks rede en redenering hebben beschreven, zou niemand de Kerk durven berispen over hetgeen men geheel te onregte beweert, dat zij öf de bijzondere vrijheid öf den vrijen Staat vijandig is. — Maar velen volgen Lucifer na in het godlooze woord; »Niemand zal ik dienen!quot; en jagen onder den naam van vrijheid eene ongerijmde en volslagene ongebondenheid na. Van dien aard zijn de menschen, die eene zoo wijd verspreide en zoo magtige leer voorstaande, met eenen naam aan de vrijheid ontleend, liberalen willen genoemd worden.
In de daad, waar in de wijsbegeerte Naturalisten of Rationalisten heen willen, datzelfde bedoelen in 't zedelijke en burgerlijke de voorstanders van het liberalisme, die de door de Natu-
87
ralisten gestelde beginselen in de zeden en 't werkzame leven overbrengen. — Nu is de hoofdzaak van het geheele rationalisme de heerschappij der mensehelijke rede, die de verpligte gehoorzaamheid weigerende aan de goddelijke en eeuwige rede, en verklarende van haar eigen regt te zijn, aldus in zich zelve alleen het hoogste beginsel, de bron en den regter der waarheid ziet. Even zoo beweren die voorstanders van het liberalisme, die wij bedoelen, dat er in de handeling van het leven geene goddelijke magt is, waaraan men zou moeten gehoorzamen, maar dat ieder zich zelf ter wet is; waaruit die zedeleer geboren wordt, die men de onafhankelijke noemt, die onder het voorkomen van vrijheid den wil afkeerig maakt van het onderhouden der goddelijke geboden, en alzoo de menschen aan volslagen ongebondenheid prijs geeft. — Waar dit alles inzonderheid in der menschen zamenleving op uit loopt, is gemakkelijk te doorzien. Want wanneer men vast stelt, dat er niemand boven den mensch staat, zoo volgt hieruit, dat de wezenlijke oorzaak der vereeni-ging en zamenleving van menschen niet te zoeken is in eenig beginsel buiten of boven den mensch gelegen, maar in den vrijen wil der enkelen; dat de openbare magt van de menigte, als eerste bron, is af te leiden; en verder, dat zoo als de rede der menschen ieder voor zich de eenige leidsvrouw en rigtsnoer is hunner handelingen, zoo die van allen te zamen het voor allen in de openbare zaken wezen moet. Van daar, dat de meesten ook het meeste vermogen, en de meerderheid van het volk het algemeene regt en den pligt uitmaakt. — Maar dat dit met de rede strijdt, blijkt uit hetgeen gezegd is. Nademaal geen band te willen erkennen tusschen den mensch of den burgerstaat en God, als Schepper en daardoor hoogsten Wetgever van allen, allezins strijdt tegen de natuur, en niet tegen de mensehelijke natuur alleen, maar tegen die van al het geschapene; omdat alle voortgebragte dingen met de oorzaak die ze heeft
88
voortgebragt noodzakelijk door eenigen band moeten zamenhan-gen, en aan alle naturen dit past, dit tot eiker volkomenheid behoort, dat zij zich houden op die plaats en in dien rang, die de natuurlijke orde eischt; namelijk dat het lagere aan het hoogere ondergeschikt zij en gehoorzame. — Maar bovendien is zulk eene leer zoo wel den bij zonderen persoon als de Staten in de hoogste mate verderfelijk. quot;Want wanneer de beslissing over 't geen waar en goed is, op de menschelijke rede geheel en alleen wordt terug gebragt, wordt daarmede het eigenlijke onderscheid van goed en kwaad opgeheven; tusschen hetgeen schandelijk en wat eervol is, bestaat geen wezenlijk verschil meer, daar dit wordt uitgemaakt door de meening en het oordeel der bijzondere personen. AVat iemand derhalve behaagt, dat zal hem vrij staan; en door het bepalen eener zedeleer, wier kracht tot het bedwingen en bedaren der onstuimige bewegingen van de ziel bijna niets is, zal van zelf de toegang tot alle zedebederf open staan. En in de openbare zaken wordt de magt om te gebieden gescheiden van haar waar en natuurlijk beginsel, waaruit zij alle kracht put ten gemeenen nutte; de wet, die bepaalt, wat te doen, wat te ontvlieden is, wordt aan de willekeur der meerderheid overgelaten, hetgeen de weg is, die leidt tot eene tyrannieke over-heersching. Wanneer men het opperbestuur van God over den mensch en de menschelijke zamenleving verwerpt, stemt daarmede over een, dat er voor den Staat geene openbare godsdienst is, en volgt hieruit dat alle zaken, die op de godsdienstbetrekking hebben, geheel en al worden verwaarloosd. Met de meening van haar oppergezag gewapend, zal de menigte gemakkelijk tot opstand en volksoploopen vervallen; en daar de toom van pligt en geweten is vervallen, blijft niets dan de magt over, die echter niet voldoende is om alleen de volkshartstogten te bedwingen. Hetgeen genoeg getuigt de bijna dagelijksche strijd tegen de Socialisten en andere oproerige benden, die sinds
89
lang de Staten ten gronde toe zoeken om te keeren. — Mogen dus zij, die de zaken billijk beoordeelen, vast stellen en bepalen, of zulke leerstellingen leiden tot de ware en den mensch waardige vrijheid, of veel eer die omkeeren en geheel bederven.
Voorzeker, niet alle voorstanders van het liberalisme stemmen met deze denkbeelden in, die door hunne eigene monsterachtigheid vrees aanjagen, en die wij gezien hebben, dat daarbij de oorzaken zijn van het grootste kwaad. Ja zelfs, gedreven door de kracht der waarheid, vreezen velen hunner niet te belijden en komen er openlijk voor uit, dat de vrijheid dwaalt en in losbandigheid ontaardt, wanneer zij zich onbeteugeld durft gedragen, met terzijdestelling van de waarheid en het regt; waarom zij door de zuivere rede gerigt en beschermd moet worden, en wat noodzakelijk hieruit volgt, aan het natuurregt en de eeuwige goddelijke wet moet onderworpen zijn. Maar terwijl zij meenen, dat men hierbij moet blijven staan, ontkennen zij, dat de vrije mensch ondergeschikt moet zijn aan de wetten, die God hem wil opleggen langs een' anderen weg dan de natuurlijke rede. — Dit zeggende, blijven zij zich zeiven niet gelijk. quot;Want indien, wat zij zelve toestemmen en wat niemand met regt kan ontkennen, de wil van God als Wetgever moet gehoorzaamd worden, omdat de geheele mensch in de magt van God is en zijne natuur op God gerigt, zoo volgt daaruit, dat niemand aan zijne wetgevende magt paal of maat kan voorschrijven, zonder daardoor zelf te handelen tegen de verpligte gehoorzaamheid. Ja! indien het menschelijk verstand zicli zoo veel aanmatigt, dat het zelf bepalen wil, welke en hoe groot èn de regten van God èn zijne eigen pligten zijn, behoudt hij den eerbied voor de goddelijke wetten meer in schijn dan in wezen, en zal zijne willekeur meer gelden dan het gezag en de Voorzienigheid van God. — Het is dus noodig, standvastig en godvruchtig zijn' levensregel af te leiden, even als van de
90
eeuwige wet, zoo ook vaa alle en bijzondere wetten, die de oneindig wijze, oneindig magtige Godheid, op welke wijze het Haar goed dunkt, gegeven heeft, en die wij veilig kunnen lee-ren kennen aan duidelijke en op geenerlei wijze twijfelachtige teekenen. En dit des te meer, omdat zulke wetten, daar zij hetzelfde beginsel hebben als de eeuwige wet en denzelfden Auteur, allezins èn met de rede overeenstemmen, èn aan het natuurregt volmaaktheid toevoegen; en tevens het onderrigt van God zelf bevatten, die namelijk, opdat ons verstand en onze wil niet in dwaling zouden vervallen, door wenk en leiding beiden welwillend bestuurt. Wat dus niet kan noch moet gescheiden worden, zij heilig en ongeschonden vereenigd, en in alle dingen, wat de natuurlijke rede zelve voorschrijft, worde God onderworpen en gehoorzaam gediend.
Eenigzins zachter in hun oordeel zijn, maar daarom niet minder inconsequent, die zeggen, dat zeer zeker het leven en de zeden van bijzondere personen door den wenk der goddelijke wetten bestuurd moeten worden, maar niet die van den Burgerstaat; dat het in de publieke zaken geoorloofd is, van Gods bevelen af te wijken, en op geenerlei wijze bij het maken van wetten daarop het oog te houden. Waaruit de zoo verderfelijke gevolgtrekking geboren wordt, dat de zaken van Staat en kerk moeten uit elkander gaan. Maar hoe ongerijmd dit wordt gezegd , is niet moeijelijk te begrijpen: want daar de natuur zelve het luide uitspreekt, dat het den burger betaamt, de middelen en gelegenheden aan te brengen om betamelijk, dat is naar Gods wetten, het leven te leiden, omdat God het beginsel is van al wat goed is en regt, zoo strijdt daarmede ten sterkste, dat de burgerstaat op deze wetten geen acht zou behoeven te slaan, of zelfs iets zou mogen vast stellen, dat daaraan vijandig is.
Vervolgens zijn zij, die over het volk gesteld zijn, dit vooral aan den Staat verschuldigd, dat zij niet alleen zorgen voor de
91
uitwendige belangen der burgers, maar vooral ook, door de wijsheid der volken, voor het welzijn der zielen. Tot het vermeerderen nu van dit welzijn kan niets zelfs gedacht worden, geschikter dan die wetten, die God tot Auteur hebben. Die dus in het staatsbestuur de goddelijke wetten niet in aanmerking willen nemen, doen de burgerlijke magt afdwalen van hare instelling en van het voorschrift der natuur. Maar wat van nog meer belang is, en wat Wij zeiven meer dan eens elders hebben opgemerkt, hoewel het burgerlijk bestuur niet in de eerste plaats hetzelfde bedoelt als het kerkelijke, en niet dezelfde wegen gaat in het voeren van 't bewind, moet het eene het andere nn en dan noodzakelijk ontmoeten. Want beider gebied gaat over dezelfde personen, en niet zelden gebeurt het, dat elk dezer beide magten over dezelfde zaken, al is 't niet op dezelfde wijze, beslist. Zoo dikwijls nu dit gebeurt, daar een strijd tusschen beiden ongerijmd is en duidelijk met den hoogwijzen wil van God in strijd, zoo moet er noodzakelijk eeniger-lei orde zijn, waaruit met wegneming van de redenen tot twist en strijd, er eene eensgezinde wijze van de zaken te regelen ontstaat. Zulk eene overeenstemming zou men niet ongeschikt kunnen vergelijken met de vereeniging, die tusschen ziel en ligchaam bestaat, en dit wel ten nutte van beide deelen, welker scheiding met name voor het ligchaam verderfelijk is, als die zijn leven uitbluscht.
Opdat dit alles nog duidelijker blijke, behoorcn de verschillende aanwinsten dier vrijheid, die men zegt dat onze tijd eischt, afzonderlijk te worden in aanmerking genomen. Laat ons dan eerst, wat betreft de bijzondere personen, zien, wat zoo zeer tegenstrijdig is met de kracht der godsdienst: de zoogenaamde vrijheid van eeredienst; die op dezen grondslag gebouwd wordt, dat het ieder vrijstaat of welke godsdienst hem goed dunkt, öf in 't geheel geene te belijden. Daarentegen is van alle mensche-
92
lijke pligten deze zonder twijfel de grootste en heiligste, dat wij menschen geboden worden, vroom en godvruchtig God te vereeren. Dit volgt noodzakelijk daaruit, dat wij voortdurend in Gods magt zijn, door Gods wil en Voorzienigheid bestuurd worden, en zoo als wij van God zijn ontstaan, tot Hem moeten wederkeeren. — Hier komt bij, dat geene deugd, die waarlijk dezen naam verdient, zonder de godsdienst bestaan kan: want de deugd is zedelijk en hare pligten bestaan in datgene wat tot God leidt, naardien dit voor den mensch het hoogste en laatste van al zijne goederen is; en alzoo is het de godsdienst, als die datgene, bewerkt, wat reytstreeks en onmiddellijk verordend wordt tot Gods eer (St. Thomas), die ook alle deugden beheerscht en ordent. En wanneer er gevraagd wordt, daar vele en met elkander strijdige godsdiensten in zwang zijn, welke van alle men moet volgen, zoo antwoorden zeker de natuur en de rede: »de-gene die God bevolen heeft.quot; En deze kunnen de menschen gemakkelijk aan zekere uitwendige kenmerken leeren kennen, waardoor de goddelijke Voorzienigheid heeft gewild, dat zij onderscheiden werd, omdat in eene zaak van zoo veel gewigt de dwaling de grootste verwoesting zou ten gevoige hebben. Waarom, door het aanbieden van de vrijheid van eeredienst, deze magt den mensch wordt toegekend, dat hij den heiligsten pligt ongestraft opheft of verlaat, en dus, dat hij zich afwendend van het onveranderlijk goede, zich keert naar het kwade; hetgeen, zoo als wij gezegd hebben, niet vrijheid is, maar verbastering der vrijheid en slavernij der in de zonde vervallen ziel.
Dezelfde vrijheid, wanneer zij beschouwd wordt in betrekking tot den Staat, wil voorzeker dit, dat hij Gode volstrekt geene vereering toebrengt of ook openbaar wil toegebragt hebben; dat geenerlei godsdienst aan eene andere wordt voorgetrokken, maar alle gelijk regt moeten hebben, en het volk niet in aanmerking genomen, waar dit het Katholieke geloof belijdt. quot;Wan-
93
neer dit juist was, dan behoorde liet ook waar te zijn, dat de burgerlijke gemeenschap der menschen öf geen pligten had jegens God, öf zich daarvan ongestraft kon los maken, wat beide klaarblijkelijk valsch is. Want het kan niet betwijfeld worden, dat door Gods wil de zamenwoning der menschen ontstaan is, het zij er op de deelen, 't zij op haren vorm er van gezien worde, welke is het gezag; het zij men op de zeden ziet of op het overvloedige nut, dat zij den mensch verschaft. God is het, die den mensch tot de zamenleving heeft voortgebragt, opdat hij datgene, wat zijne natuur verlangt en hij zelf alleen levende niet verkrijgen kan, in de gemeenschap vinden zou; waarom het noodzakelijk is, dat de burgerlijke zamenleving God als haar Yader en Auteur erkenne, en zijne magt en heerschappij vereere en diene. Haar verbiedt dus de regtvaardigheid, haar verbiedt de rede atheïst te zijn; of, wat tot het atheïsme leiden zou, omtrent verschillende godsdiensten, zoo als men zegt, even eens gezind te zijn, en dezelfde regten aan ieder harer toe te staan. Daar nu de belijdenis van ééne godsdienst in den Staat noodzakelijk is, moet hij die belijden, die alleen de ware is; en die niet moeijelijk, vooral in Katholieke Staten, onderkend wordt, daar in haar als 't ware de ingedrukte kenmerken der waarheid in 't oog vallen. Dat dus zij, die den Staat besturen, deze bewaren, deze beschermen, indien zij verstandig en nuttig, zoo als hun pligt is, voor de gemeenschap der burgers zorgen. Want het openbaar gezag is ten nutte van hen, die geregeerd worden, daargesteld; en hoewel dit het naast daarop ziet, dat zij de burgers brengen tot den voorspoed van dit leven, dat op aarde wordt doorgebragt, zoo moet het Staatsbestuur de gelegenheid, om dat hoogste en uiterste der goederen te verkrijgen, waarin het eeuwig geluk der menschen bestaat, en waartoe hij niet komen kan, wanneer de godsdienst wordt verwaarloosd, niet verminderen maar veel eer vermeerderen.
94
Maar dit alles hebben wij elders uitvoeriger uit een gezet. Voor het oogenblik willen wij dit alleen opmerken, dat zulk eene vrijheid zeer hinderlijk is aan de ware vrijheid, zoo wel van hen die regeren, als van wie geregeerd worden. Want wonderbaar voordeelig is de godsdienst, daar zij den eersten oorsprong van het gezag van God afleidt, en ten nadrukkelijkste de Regeerders beveelt, hunne pligten indachtig te zijn, niets on-regtvaardig of met hardheid te gebieden, welwillend en bijna met vaderlijke teederheid aan het hoofd van het volk te staan. Even zoo wil zij, dat de burgers aan het wettig gezag onderworpen zijn, als aan Gods dienaar; en verbindt zij hen aan de Bestuurders van den Staat niet alleen door gehoorzaamheid, maar door eerbied en liefde, verbiedende de oproeren en alle ondernemingen, die de openbare orde en rust kunnen verwarren, en die eindelijk te weeg brengen, dat de vrijheid der burgers met sterker banden moet worden ingetoomd. Wij gaan voorbij, hoe veel de godsdienst tot de goede zeden bijdraagt, en hoe veel de goede zeden tot de vrijheid. Want de rede wijst aan en de geschiedenis bevestigt, dat waar de volken het zedelijkste zijn, zij het meest gelden door vrijheid, door vermogen, door gebied.
Nog hebben Wij iets in het midden te brengen over de vrijheid van spreken, en van al wat iemand lust door den druk gemeen te maken. Dat deze niet gematigde, maar alle maat te buiten gaande vrijheid geen regt van bestaan hebben kan, behoeft naauwelijks gezegd te worden. Want het regt is eene zedelijke faculteit, waarvan het, zoo als wij gezegd hebben en telkens moet herhaald worden, ongerijmd is te meenen, dat zij aan de waarheid en de logen, 'tgeen eerbaar en 'tgeen schandelijk is, even zeer en gelijkelijk door de natuur zou gegeven zijn. Wat waar, wat eerbaar is, het is regt, dat dit vrij en met verstand onder de burgerij verspreid worde, zoodat het tot zoo velen als mogelijk is zich verbreide; maar de dwaalbe-
95
grippen, de grootste pest voor het verstand, insgelijks de ondeugden, die ziel en zeden bederven, het is billijk, dat zij door het openbaar gezag naarstig bedwongen worden, opdat zij belet worden, voort te sluipen tot verderf van den Staat. De vergrijpen van een' losbandigen geest, die strekken om der onervaren menigte geweld aan te doen, het is billijk, dat zij door het gezag der wetten niet minder beteugeld worden, dan de beleedi-gingen door geweld den zwakkeren aangedaan. En dit des te meer, omdat verre weg het grootste deel der burgers voor de begoocheling en sophisterij, vooral die de begeerten vleit, öf in 't geheel niet öf slechts met de grootste moeite zich wachten kan. Wordt nu aan ieder eene grenzenlooze vrijheid van spreken en schrijven veroorloofd, zoo zal niets heilig en ongeschonden blijven; zelfs die grootste en waarachtigste uitspraken der natuur, die te houden zijn voor het algemeene en tevens edelste erfdeel van het menschelijk geslacht, zullen niet worden gespaard. Wanneer zóó gaande weg de waarheid door nevelen verduisterd wordt, zal, 'tgeen dikwijls gebeurt, eene verderfelijke en veelvoudige dwaling der meeningen gemakkelijk heerschen. Waaruit de losbandigheid even veel voordeel zal trekken als de vrijheid daarbij schade lijdt: want de vrijheid zal des te grooter en veiliger zijn, naar mate de teugel der losbandigheid sterker is. — Maar over de twijfelachtige dingen, door God aan der menschen onderzoek en redewisseling overgelaten, is het toegestaan te denken wat ons best gevalt, en wat men denkt vrij uit te spreken, daar de natuur hier tegen niet strijdt: want zulk eene vrijheid zal nooit de menschen brengen tot het onderdrukken, dikwijls daarentegen tot het opsporen en openbaar maken der waarheid.
Over de zoogenaamde Vrijheid van onderwijs is op geene andere wijze te oordeelen. — Daar het niet twijfelachtig zijn kan, of alleen de waarheid moet de geesten doordringen, omdat in haar het goede en het doel en de volmaking der met verstand
96
begaafde naturen gelegen is, daarom moet geene leer dan de ware worden voorgedragen, en dat zoo wel aan lien die onkundig zijn, als hun die kennis hebben: namelijk opdat men den eon de kennis der waarheid aanbrenge, in den ander die be-scherme. Om dezelfde reden is het allezins de pligt van hen, die onderwijzen, dat zij uit de harten de dwaling uitrukken, en den weg tot bedriegelijke meeningen door zekere maatregelen afsluiten. Derhalve blijkt dat de vrijheid, waarvan de rede is, in zoo verre zij de vrije keus voor zich verlangt, om alles naar willekeur te onderwijzen, ten hoogste strijdt tegen de natuur, en geboren is, om de verstanden ten gronde toe te verkeeren; zoo-dat de openbare magt, behoudens haren pligt, deze onbepaalde vrijheid der burgerij niet kan toestaan. En dit des te minder, daar het gezag der leermeesters veel bij de hoorders geldt, en de leerling zoo zeldzaam uit zich zeiven beoordeelen kan, of 't geen door den leeraar wordt medegedeeld, waar is.
Waarom het noodig is, dat ook deze vrijheid, opdat zij betamelijk zij, door zekere grenzen worde omschreven gehouden, opdat het niet kunne geschieden, dat de kunst van onderwijzen in een werktuig van verderf worde verkeerd. Van het ware nu, waarin alleen de leer der onderwijzers verkeeren moet, is het eene van natuurlijken, het andere van bovennatuurlijken aard. Uit de natuurlijke waarheden, van welke soort zijn de beginselen der natuur en 't geen daaruit het naaste wordt afgeleid, bestaat als 't ware het gemeenschappelijk erfdeel van het menschelijk geslacht. En daar nu hier op, als op den hechtsten grondslag, zoo wel de zeden en het regt en de godsdienst, als de verbindtenis zelve der menschelijke maatschappij berust, zoo zou niets zoo goddeloos zijn en zoo dwaas onmenschelijk, dan toe te laten, dat dit ongestraft werd geschonden en verscheurd. Met niet minder naauwgezetheid moet bewaard blijven de grootste en heiligste schat van die zaken, die wij door God zelf
97
kennen. Want door vele en schitterencle bewijzen, dikwijls door de Apologeten gebruikt, worden eenige voorname hoofdzaken vast gesteld, als van Gods wege ons overgeleverd, zoo als: dat de eeniggeboren Zoon van God vleesch geworden is, opdat hij der waarheid getuigenis zou geven; dat door hem zekere volmaakte Vereeniging is gesticht, namelijk de Kerk, waarvan Hij zelf het hoofd is, en waarmede Hij beloofd heeft te zullen zijn tot de voleinding der wereld. Aan deze Vereeniging heeft Hij alle waarheden, die Hij geleerd heeft, willen toevertrouwd zijn, met deze wet, dat zij die bewake, bescherme, met wettig gezag verklare; en tevens heeft Hij ook geboden, dat alle volken aan zijne Kerk, even als aan Hem zeiven, op 'twoord gehoorzaam zouden zijn. Wie anders zouden handelen, zouden in 't eeuwig verderf verloren gaan. Op deze wijze staat het volkomen vast, dat de beste en zekerste Leermeester voor den mensch God is, de bron en het beginsel van alle waarheid; insgelijks de Eeniggeborene, die in de schoot des Vaders is, de weg, de waarheid, het leven, het ware licht, dat ieder mensch verlicht, en omtrent wiens leer alle menschen leerzaam zijn moeten: En zij zullen allen Gode leerzaam zijn. (Joh. 6 :45.) — Maar in het geloof en in de inrigting der zeden heeft God zelf de Kerk deelgenoot gemaakt van het goddelijk ambt van onderwijzen, en tevens door zijne goddelijke weldaad bewerkt, dat zij niet kan dwalen; waarom zij de grootste en veiligste leermeesteres is der stervelingen, en in haar het onschendbare regt is tot de vrijheid van het onderwijzers-ambt. In de daad, door de leerstellingen van Gods wege ontvangen zich staande houdende, houdt zij niets voor gewigtiger, dan dat zij het haar door God toevertrouwde ambt heilig vervulle; en door de van alle kanten zich opdringende moeijelijkheden sterker, heeft zij te geenen tijde nagelaten, voor de vrijheid van haar onderrigt te strijden. Langs dezen weg is de wereld, die
7
98
in het ellendigste bijgeloof was vervallen, vernieuwd tot de Christelijke wijsheid. — Daar nu de rede zelve duidelijk leert, dat de waarheden door God geopenbaard en de natuurlijke waarheden niet wezenlijk met elkander strijden kunnen, zoo dat alles wat van gene afwijkt, daardoor van zelf valsch moet wezen, daarom is het er zoo ver af, dat het goddelijk onderrigt der Kerk den leerlust en de toeneming der wetenschappen zou hinderlijk zijn, of den voortgang van beschaving en humaniteit op eenige wijze vertragen, dat zij der wetenschap veel eer het meeste licht aanbrengt en veilige bescherming. Op deze wijze bevordert zij niet weinig de volmaking zelve der menschelijke vrijheid, daar van Jezus Christus den Zaligmaker deze uitspraak is, dat de mensch door de waarheid vrij wordt: Gij zult de ivaarheid keren kennen, en de waarheid zal u vrij maken. (Joh. 3 ; 32.) — Waarom er geen reden is voor de echte vrijheid, om te vreezen, dat de ware wetenschap moeijelijk de wetten zou kunnen dragen, waardoor de Kerk en de rede eenstemmig vorderen, dat het onderrigt der menschen bedwongen worde. Ja zelfs zoekt de Kerk, wat door de daad zelve gedurig getuigd is, terwijl zij eerst en vooral er voor zorgt, dat zij het Christelijk geloof beschermt, ook alle soort van menschelijke wetenschappen te begunstigen en verder te brengen. Want de bekoorlijkheid der wetenschap is op zich zelve goed en prijselijk en !t najagen waard; en bovendien geldt alle geleerdheid, die de gezonde rede heeft voort gebragt en die aan de waarheid der dingen beantwoordt, niet weinig om datgene licht bij te zetten, wat wij, door God geleerd, gelooven. In de daad is men aan de Kerk deze voorwaar groote weldaden verschuldigd, dat zij op voortreffelijke wijze de gedenkteekenen der oude wijsheid heeft bewaard; dat zij de zetels der wetenschappen telkens heeft geopend; dat zij den loop der vernuften altijd heeft opgewekt, ten naarstigste deze kunsten zelve voedende, waardoor
99
het meest de beschaving van onzen leeftijd wordt opgesierd. — Eindelijk moet niet worden voorbij gezien, dat er een onmetelijk veld open ligt, waarop de nijverheid der menschen zich vrij ontwikkelen en de geesten zich oefenen kunnen; zaken namelijk, die met de leer van het geloof en de Christelijke zeden geen noodzakelijke verwantschap hebben, of waarover de Kerk, zonder aanwending van haar gezag, het oordeel der geleerden ongeschonden en vrij gelaten heeft.
Uit dit alles begrijpt men, welke en hoedanig in dit opzigt de vrijheid is, die met denzelfden ijver alle voorstanders van het liberalisme willen en prediken. Aan de eene zijde eigenen zij zich in den Staat eene onbeperkte vrijheid toe, zoo groot, dat zij niet aarzelen om den toegang en de deur open to zetten voor alle verderfelijke meningen; aan de andere hinderen zij op velerlei wijze de Kerk, en begrenzen hare vrijheid binnen grenzen zoo eng zij kunnen, hoewel van de Kerk niet alleen het onderwijs geenerlei ongemak te vreezen heeft, maar veel eer groot nut van haar heeft te verwachten.
Ten zeerste wordt ook die vrijheid aangeprezen, die men vrijheid van geweten noemt; welke, wanneer zij zóó wordt opgevat, dat het ieder vrij staat, naar eigen willekeur God te dienen of niet te dienen, zoo wordt zij door de boven aangehaalde bewijzen genoeg wederlegd. — Maar zij kan ook in dezen zin worden opgevat, dat het in de maatschappij den mensch vrij staat, naar zijn gevoel van pligt, door niets verhinderd, Gods wil te volgen en zijne bevelen te volbrengen. Deze ware, deze Gods kinderen waardige vrijheid, die op de eervolste wijze de waardigheid van 's menschen persoon handhaaft, is sterker dan alle magt en geweld; zij is dan ook der Kerk altijd ge-wenscht en bijzonder dierbaar geweest. Op deze soort van vrijheid hebben de Apostelen standvastig aanspraak gemaakt; de Apologeten hebben haar door hunne schriften heilig verklaard;
100
martelaars hebben in grooten getale die met hun bloed bezegeld. En te regt: daarom, omdat deze Christelijke vrijheid van de grootste en regtvaardigste magt van God over de menschen, en wederkoerig van den voornaamsten en grootsten pligt der menschen omtrent God getuigenis geeft. Niets heeft zij met een' oproerigen, ongehoorzamen geest gemeen; en op geenerlei wijze kan zij geacht worden, aan de gehoorzaamheid, der openbare magt verschuldigd, zich te onttrekken: daarom, omdat te gebieden en het nakomen van het gebodene te eischen in zoo verre regt is voor de menschelijke magt, als het van Gods gezag niets afwijkt, en zich houdt aan de mate, door God bestemd. Maar wanneer daarentegen iets wordt voorgeschreven, dat met den goddelijken wil openlijk in strijd is, dan wordt van die mate verre afgeweken, en te gelijk gestreden met het goddelijk gezag: dus is het regt, niet te gehoorzamen.
De voorstanders van het liberalisme daarentegen, die het Staatsgezag heer en meester achten, en verkondigen, dat het leven moet worden opgevat zonder God in aanmerking te nemen, erkennen allerminst de vrijheid, waarvan wij spraken, met betamelijkheid en godsdienst verbonden; en indien er iets gedaan wordt om haar te behouden, roepen zij, dat dit te on-regt en tegen den Staat wordt gedaan. Maar wanneer zij dit naar waarheid zeiden, zou er geene zoo onmenschelijke over-heersching zijn, waaraan wij ons niet zouden moeten onderwerpen en haar dragen.
Het zou de vurigste wensch der Kerk zijn, dat in alle rangen van den Staat deze Christelijke beginselen, waarvan wij slechts de hoofdpunten beschreven hebben, in waarheid en bij toepassing doordrongen: want daarin ligt de hoogste kracht tot het genezen van de onheilen van dezen tijd, -voorwaar noch weinig noch ligt, en voor een groot deel geboren uit die vrijheden, die met zoo veel ophef worden geroemd, en in welke de
101
zaden van heil en roem besloten schenen. De uitkomst heeft die hoop beschaamd. Voor aangename en heilzame vruchten zijn bittere en besmette voortgekomen. Indien een geneesmiddel wordt gevraagd, dat het dan in den terugkeer van gezonde leerstellingen worde gezocht, waarvan alleen het bewaren der orde, en dus de bescherming der ware vrijheid met vertrouwen mag worden te gemoet gezien. — Des niet te min neemt de Kerk met een moederlijk oordeel het zware gewigt in aanmerking der menschelijke zwakheid; en is niet onkundig, hoe de loop is der geesten en der dingen, waardoor onze tijd gedreven wordt. Om deze redenen, schoon geenerlei regt toekennende dan aan wat waar en wat betamelijk is, bestrijdt zij 't niet, als de openbare magt des niet te min iets verdraagt, dat vreemd is aan de waarheid en het regt; en dat om of eenig grooter kwaad te mijden, öf een goed te verkrijgen of te bewaren. God zelf, de hoogste Voorzienigheid, daar Hij van oneindige goedheid is en tevens alle magt heeft, laat echter toe, dat het kwaad in de wereld bestaat, ten deele opdat grooter goed niet verhinderd worde, ten deele opdat geen grooter kwaad volge. In het bestuur der burgerstaten is het billijk, den Bestuurder der wereld na te volgen; ja zelfs, daar der mensehen gezag ieder kwaad niet voorkomen kan, moet het reel toestaan en ongestraft laten, wat evenwel door de goddelijke Voorzienigheid strafbaar verklaard wordt en te regt. (AtrGusirNtrs.)
In zoodanige omstandigheden evenwel, indien ter wille van het algemeene welzijn en daarom alleen, de menschelijke wet het kwade geduldig kan en zelfs moet verdragen, toch kan noch moet zij dit op zich zelf goedkeuren; omdat het kwade, daar het op zich zelf eene berooving van het goede is, met het gemeene welzijn strijdt, hetgeen de wetgever, voor zoo veel hij 't beste kan, willen en beschermen moet. Ook te dezer zake is het noodig, dat de menschelijke wet zich God ter navolging
102
voorstelt, clie daarin dat Hij het kwade in de wereld toelaat, zoo min wil, dat het geschiede, als Hij wil dal het niet geschiede, maar ivil toelaten, dal het kwaad geschiede, en dit is goed. (St. Thomas.) Welke uitspraak van den Doctor angelicus ') in 't kort de gelieele leer bevat der verdraagzaamlieid van het kwade. — Maar indien men juist wil oordeelen, moet men bekennen, dat hoe meer kwaad er in een burgerstaat volstrekt moet verdragen worden, zulk een staatsvorm zoo veel te verder van den besten af staat; ingelijks, dat het verdragen van verkeerde dingen, daar het behoort tot de voorschriften eener wijze staatkunde, allezins omschreven moet worden binnen die grenzen, welke de rede, dat is het algemeen welzijn eischt. Daarom , ingeval het aan het algemcene welzijn afbreuk doet, en den burgerstaat grooter nadeel dan voordeel verwekt, is het consequent, dat 't niet geoorloofd is zoo verdraagzaam te zijn, daar in deze omstandigheden de reden van het goede ontbreekt. Doch indien, van wege bijzondere tijdsomstandigheden van den Staat, het in zwang komt, dat de Kerk in sommige moderne vrijheden berust, niet omdat zij daaraan op zich zelve de voorkeur geeft, maar omdat zij het nuttig oordeelt, dat zij toegestaan worden, — en wanneer de tijdsomstandigheden ten goede keeren, zal zij hare vrijheid hernemen, en door overtuigen, vermanen, bezweren, er zich op toeleggen, zoo als zij verpligt is, om het ambt te volbrengen door God haar aangewezen, namelijk dat zij zorge voor der menschen eeuwig heil. Dit echter
') Zie Bladz. 79. Thomas van Aquino was Dominikaner monnik, stierf in 1274 en werd in 1323 heilig verklaard. Zijne geschriften worden door de Katholieke Kerk hoog geacht, en munten uit boven die van andere Scholastieken door scherpzinnigheid en helderheid. Om niet zijn' eerenaam te dikwijls te herhalen, noem ik hem elders eenvoudig St. Thomas.
103
blijft altijd waar, dat die vrijheid van allen en tot alles, niet, zoo als wij dikwijls gezegd hebben, op zich zelve begeerlijk is, omdat het met de rede strijdt, dat de leugen hetzelfde regt zou hebben als de waarheid. En wat de verdraagzaamheid betreft, het is verwonderlijk, hoe ver zij, die het liberalisme belijden, van de billijkheid en voorzigtigheid der Kerk af staan. quot;Want door aan de burgers eene onbeperkte losbandigheid in al die dingen, waarvan wij spraken, toe te staan, gaan zij allezins de maat te buiten, en komt het ten laatste daarop neer, dat zij geen meerder regt toekennen aan 't geen eerbaar is en waar, dan aan 't geen valsch en schandelijk is. Maar de Kerk, de pilaar en vastigheid der waarheid en tevens de onbedorven leermeesteres der zeden, omdat zij zulk een losbandig en verderfelijk soort van verdraagzaamheid standvastig, zoo als haar pligt is, verwerpt en haar regt ontkent, beschuldigen zij, als ware zij vreemd van geduld en zachtmoedigheid; hetwelk doende, zij geenszins gevoelen, hoe zij wat lof waardig is, haar als een gebrek toerekenen. Maar bij zoo groote vertooning van verdraagzaamheid, gebeurt het in de daad dikwijls, dat zij beperkt en terughoudend zijn omtrent de Katholieke zaken; en die aan het algemeen de vrijheid met ruimte toestaan, telkens weigeren de Kerk vrij te laten.
Om der duidelijkheid wille, willen wij eindelijk geheel onze rede, te gelijk met hare gevolgtrekkingen, nog eens te zamen vatten. En dan is de hoofdzaak de noodzakelijkheid, dat de geheele mensch in de waarachtige en voortdurende magt van God zij; en derhalve der menschen vrijheid, ten zij Gode gehoorzaam en aan zijnen wil onderworpen, allerminst kan begrepen worden. En deze oppennagt in God öf te ontkennen óf niet te willen dragen, is niet 't werk van een' vrijen mensch, maar van hem, die de vrijheid misbruikt om haar te bestrijden.
104
Juist uit zulk eene stemming der ziel vloeit het hoofdgebrek van het liberalisme voort; waarbij echter menigerlei vorm moet onderscheiden worden; want aller wil kan niet op dezelfde wijze of even zeer afwijken van de gehoorzaamheid, die öf aan God, öf hun, die het goddelijk gezag deelen, toekomt.
Het opperbewind van God geheel en al te ontkennen en alle gehoorzaamheid geheel van zich af te schudden, in publieke, of zelfs ook in bijzondere en huiselijke dingen, zoo als het de grootste ontaarding der vrijheid is, zoo is het ook de verderfelijkste soort van liberalisme; en hierop is alles van toepassing, wat wij' tot nu toe er tegen gezegd hebben.
Het naast hieraan grenst de leer van hen, die ten volle toestemmen, dat men onderworpen moet zijn aan God, den Werkmeester en Opperheer der wereld, als door Wiens goddelijke kracht geheel de natuur is ingerigt; maar die tevens de wetten van geloof en zeden, die de natuur niet bevat, ofschoon door het eigen gezag van God overgeleverd, stoutmoedig verwerpen; of ten minste zeggen, dat er geene reden is waarom daarop, vooral openlijk in den Staat, acht zou moeten geslagen worden. Hoe zij even eens in groote dwaling verkeeren en hoe weinig zij zich zeiven gelijk blijven, hebben wij boven gezien. Van deze leer, als haar hoofd en beginsel, vloeit die verderfelijke stelling voort van de scheiding van Kerk en Staat; terwijl het integendeel blijkbaar is, dat beide magten, in verschillend ambt en in gelijken graad, echter onder elkander door eenstemmigheid van handelingen en uitwisseling van pligten eensgezind moeten zijn.
Aan deze soort van liberalisme is tweeërlei meening als 'tware ondergeschikt. Want velen willen den Staat volledig en geheel van de Kerk gescheiden hebben, zoodat in alle regt der menschelijke maatschappij, in instellingen, zeden, wetten, staatsambten, opleiding der jeugd, niet meer op de Kerk is acht
105
te slaan, clan of zij er in 't geheel niet was; terwijl aan de bijzondere burgers volkomen vrijheid gelaten wordt, om, ieder voor zich, zoo 't hem goed dunkt, van de godsdienst werk te maken. Tegen wie volkomen de kracht van alle bewijzen geldt, waarmede wij het denkbeeld zelf der scheiding van Kerk en Staat weerlegd hebben; terwijl er dit nog bijkomt, dat het door en door ongerijmd is, dat de burger de Kerk zou vereeren en de burgerij haar verachten.
Anderen bestrijden niet, dat er eene Kerk is; — zij zouden het ook niet kunnen; — maar ontnemen haar toch de natuur en de eigen regten eener volmaakte Vereeniging, en meenen, dat het haar niet toekomt wetten te maken, te oordeelen en te straffen, maar slechts te vermanen, te overtuigen, te besturen, wie uit zich zelf en vrijwillig zich aan haar onderwerpen. Zoo verbasteren zij door hunne meening de natuur dezer geestelijke gemeenschap, verminderen en beperken haar gezag, haar onderwijzers-ambt, ja! geheel hare werking; te gelijker tijd de kracht en magt van 't burgerlijk bestuur tot zoo ver uitbreidend, dat zij, even als ééne uit de vrijwillige vereenigingen van burgers, zoo de Kerk van God onder de regering en heerschappij van den Staat onderwerpen. Om dezen volkomen te wederleggen, gelden de bewijzen, bij de Apologeten gebruikelijk, en niet te vergeten de onze, met name in den rondgaanden brief Immor-tale Dei, waardoor wordt aangetoond als van Gods wege vast gesteld, dat aan de Kerk alles eigen is, wat tot de natuur en de regten behoort eener wettige, hoogste en aan alle kanten volmaakte Gemeenschap.
Velen eindelijk keuren niet goed, dat de heilige zaken van de burgerlijke zaak worden gescheiden; maar meenen echter, dat de Kerk den tijd volgen moet, en zich buigen en schikken naar die dingen, die in het bestuur de tegenwoordige staatswijsheid verlangt. Wier gevoelen betamelijk is, wanneer het
IOC
begrepen wordt van zekere billijkheid, die bestaanbaar is met de waarheid en het regt; zoodat namelijk, met gegronde hoop op eenig voordeel, de Kerk zich toegevend toont en datgene aan de tijden toegeeft, wat zij behoudens de heiligheid van haar ambt toegeven kan. Maar anders is het, wanneer het betreft zaken en leerstellingen, welke verbastering der zielen en een valsch oordeel over 't geen een heilig regt is, te weeg brengen. Geen tijd kan de godsdienst, de waarheid, de regt-vaardigheid missen. En daar nu God bevolen heeft, dat deze grootste en heiligste zaken onder de bescherming der Kerk zouden staan, is niets daaraan zoo vreemd als te willen, dat zij 't geen öf valsch is öf onregtvaardig, als veinsde zij 't onderscheid niet te zien, zou dragen, of in die dingen, die der godsdienst schadelijk zijn, zou toestemmen.
Derhalve volgt uit het gezegde, dat het geenszins vrij staat, te eischen, te verdedigen, toe te staan, de vrijheid van denken, schrijven, leeren en even zeer gelijke vrijheid voor de godsdiensten, als zoo vele regten, die de natuur den mensch gegeven heeft. quot;Want indien waarlijk de natuur ze gegeven had, zou het regt wezen, aan Gods bewind zich te onttrekken, en de mensclielijke vrijheid zou door geenerlei wet kunnen getemperd worden. Even zeer volgt er uit, dat die soorten van vrijheid, indien er regtvaardige redenen voor zijn, kunnen verdragen worden, met bepaling echter van eene matiging, opdat zij niet in ongebondenheid en driestheid ontaarden. Maar waaide gewoonte van zulke vrijheden bestaat, moeten de burgers die tot het vermogen om regt te handelen gebruiken, en wat de Kerk daarover denkt, ook zelf er over denken. Want alle vrijheid moet wettig geacht worden, voor zoo ver zij grooter vermogen aanbrengt tot al wat betamelijk is, maar buitendien nooit.
Wanneer de heerschappij der magthebbenden zoo zeer drukt of
107
overheersclit, dat zij den burgerstaat door onregtvaardige magt onderdrukt houdt, of de Kerk dwingt de haar verschuldigde vrijheid te missen, dan is het billijk, zulk eene inrigting van den Staat te zoeken, waarin het toegestaan is met vrijheid te handelen; want zoo doende wordt niet die onbeperkte en zondige vrijheid gezocht, maar eenige verligting in aller voordeel, en dit alleen bedoeld, dat waar aan 't kwade vrijheid wordt gelaten, daar het vermogen om te doen wat betamelijk is niet worde verhinderd.
Ook is de voorkeur te geven aan een staat van zaken, naar den volksgeest geschikt, op zich zelf niet tegen des Christens pligt, behoudens echter de Katholieke leer omtrent den oorsprong en het bestuur der publieke magt. Van de verschillende staatsvormen, mits in zich zelf geschikt om voor het nut der burgers te zorgen, verwerpt de Kerk er geene; maar elk dezer wil zij, wat even zeer de natuur gebiedt, zoo hebben ingerigt, dat niemand onregt geschiede, en allermeest de regten der Kerk onaangetast blijven.
Het is betamelijk het staatsbestuur ter hand te nemen, ten zij ergens, om den bijzonderen toestand van zaken en tijden, op andere wijze te handelen de voorzigtigheid gebiedt. Want de Kerk keurt het goed, dat ieder zijn' arbeid toebrenge tot vrucht voor 't algemeen en zoo veel ieder door zijn toedoen vermag, hij den Staat beschermt, bewaart, uitbreidt.
Ook dat veroordeelt de Kerk niet, dat eenig volk geen vreemde dienen wil, noch een' overheerscher, indien dit slechts met behoud der regtvaardigheid geschieden kan. Eindelijk bestraft zij ook hen niet, die willen uitwerken, dat de burgerstaten naar hunne wetten leven, en de burgers in de grootst mogelijke gelegenheid gesteld worden, om hunne welvaart te vermeerderen. De Kerk pleeg de getrouwste begunstigster te zijn van de burgerlijke vrijheden, zonder ongebondenheid; wat inzonderheid de
108
Italiaansche Staten getuigen konden, namelijk door hun gemeen-teregt, hunnen voorspoed, rijkdom, een' beroemden naam, verkregen ten tijde dat de heilzame magt der Kerk in alle deelen van den Staat, zonder dat iemand er tegen streed, was doorgedrongen.
Wij vertrouwen, Eerwaarde Broeders! dat deze dingen, welke Wij, met het geloof en de rede tot leidslieden, naar ons apostolisch ambt U hebben medegedeeld, voor velen, vooral door uwe hulp, vruchtbaar zijn zullen. — Wij heffen in nederigheid van ons hart de smeekende oogen op tot God, en vragen met aandrang, dat Hij welwillend het licht van zijne wijsheid en zijnen raad den menschen wil mededeelen; namelijk dat zij, door deze deugden versterkt, in zaken van zoo groot belang de waarheid kunnen zien, en wat hier uit volgt, overeenkomstig de waarheid, in 't bijzonder en in 't openbaar, te allen tijden en met onwrikbare standvastigheid mogen leven. — Als het onderpand van deze hemelsche gaven en als getuige onzer welwillendheid deelen wij U, Eerwaarde Broeders! en de geestelijkheid en het volk, waar ieder uwer over gesteld is, den apostolischen zegen, met ware liefde in den Heer, mede.
Gedaan te Eome bij St. Petrus 20 Junij 1888, het negende van ons pontificaat. Leo PP XIH.
Biz.
II. Litterae encyclicae: Immortale Dei opus. Pauselijke Zendbrief over de Christelijke inrigting der Staten. 1885 . 41
O'.')
-■ v 'ad -*