ocr page 1

N V lil

I

amp;

ï'r

é {.quot;g.

è

éi if

-éi

V O O R D R A C H' T

gehouden in eenc Bijeenkomst van de Vereenigini; tot behoud der Nederduitsch 1 lervormde Gemeente te Rotterdam,

DE TAAK DER GEMEENTE.

DOOR

S F. C i; E T AIMS 1) 1quot;. i: V l: 11E K \' I (! 1 N »1.

Voor rekening van den Sehrijvor.

A. JANSEN

amp;

'?s ffi

iSi

è é

ROTTERDAM . D. j. P. STORM r.OTZ. 18 8 7.

c'.'i cCi r93_ cC^,. K.4- rfv rOi,_c'.b—.cOo-'1gt;

^vV ^ -C'' HV toS •' v

y— ~ /

4 m

- ' ~'jo

r%:X,

Si-

x*

ocr page 2
ocr page 3

ÖE STR1JÖII IE KERK

EN

DE TAAK DER GEMEENTE.

VOORDRACHT

gehouden in eene Bijeenkomst van de Vereeniging tot behoud der Nederduitsch Hervormde Gemeente te Rotterdam,

DOOR

A. JANSEN,

SECRETARIS DEK VEREENIGING.

(Voor rokening van den Schrijver.)

ROTTERDAM,

1). J. P. STORM LOTZ. 1 8 8 7.

ocr page 4

Stoom-Snelpetsdrukkerij — van Meurr amp; Stufkeks.

ocr page 5

Een woord vooraf.

Bijgaand geschrift wordt, met eenige noodige wijzigingen van de oorspronkelijke voordracht, in druk gegeven om leden der Nederlandsche Hervormde Kerk in en ook buiten Rotterdam op te wekken, zich tot behoud der Kerk te vereenigen.

Hoewel alleen de Schrijver verantwoordelijk is, voor wat hij ten beste gaf, vleit hij zich toch den geest der Vereeniging, waarvan hij de eer heeft Secretaris te zijn, te hebben uitgedrukt.

Om daarover te laten oordeelen en ook om de Vereeniging in ruimer kring bekend te maken, is het Reglement der Vereeniging als bijlage mede afgedrukt.

DE SCHRIJVER.

ocr page 6

'■V

. . iM ■ :S

- ■

ocr page 7

Te Rotterdam werd 6 November van het vorige jaar eene Vereeniging opgericht tot behoud der Neder-duitsch Hervormde Gemeente aldaar.

Als grondslagen werden de beide volgende beginselen gesteld, die vervolgens als art. 4 en 5 van de op 26 December d. v. als rechtspersoon erkende Vereeniging werden vastgesteld (zie Bijlage):

^Allen, die de Nederd. Herv. Kerk liefhebben, en getrouw wenschen te blijven aan de beloften, bij het doen hunner belijdenis afgelegd, kunnen als leden der Vereeniging worden opgenomenquot;

„Het doel der Vereeniging is: Het protestantsch beginsel naar den geest van het Evangelie te handhaven.quot;

De Vereeniging telde binnen eenige weken een halfduizend leden, welke snelle aanwas verklaard wordt uit de algemeene verontwaardiging tegen de aanmatiging en willekeur van de mannen, die de gemeente daar ter plaatse beheerden.

Die treurige toestand was daar, zooals in vele andere gemeenten van ons vaderland ontstaan, doordat men jarenlang de verkiezing van gemachtigden bijna uitsluitend had overgelaten aan eene partij, wier aanhangers, in dweepzieken ijver voor de letter der Dordsche Kerkleer, iedere afwijking daarvan een verraad achten der Kerke CHRISïl aangedaan, cn onbesuisd den eersten

ocr page 8

(5

aanval richtte niet zoozeer tegen de rechtstreeksche bestrijders dier Kerkleer, maar tegen predikers, die bij allen, die niet tot deze ijveraars behooren, als rechtzinnig in leer en leven stonden aangeschreven.

Zonderling genoeg is hetzelfde gebeurd bij den veel ernstiger strijd in de hoofdstad, van waar de zucht tot afscheiding als eene epidemische ziekte over andere gemeenten is uitgegaan. Waarlijk, 't is leerzaam voor hen, die verder van de Dordsche Kerkleer afstaan dan zij, op wie de eerste aanval gericht werd.

Dat vele van die blinde ijveraars zelfs niet weten, waarvoor ze nu eigenlijk strijden, hoe ze zich zeiven den weg versperren om hun invloed in de kerk te doen aanwassen en nog minder welke verwoestingen ze aanrichten, is zeker.

Vooral van gematigd orthodoxe zijde zoekt men dit der massa aan het verstand te brengen en zoo de doleer-manie te bestrijden Men doet er wel aan, een ernstig, hartelijk woord vindt nog wel ingang. Aan de deugd der geneesmiddelen ligt het dus niet, dat de ziekte nog altijd voortduurt; maar wel daaraan, dat ze de meest vatbaren voor besmetting het minst bereiken. Vele van die circulaires en manifesten zijn vrij overtuigend; maar de gemeenteleden moeten ze lezen en herlezen en in eigendom hebben, en daartoe moeten ze bij duizendtallen gratis verspreid worden, niet alleen in gemeenten, waar de ziekteverschijnselen zich ernstig voordoen ; maar ook in andere, waar men de vrome luiden nog niet heeft opgezweept om het zoogenaamde synodale juk af te werpen. Op die wijze ageert men eerlijk en in het openbaar tegen de geheime lagen van de drijvers der kerkelijke revolutie

ocr page 9

Dat is met vrij goed gevolg te Rotterdam geschied door de genoemde Vereeniging tot behoud der Kerk. Haar bestaan heeft te dier plaatse eene gezonde crisis van het ziekteverschijnsel verhaast en het tot betrekkelijk kleine afmeting beperkt.

Wij wenschen ook andere gemeenten aan te sporen tot het oprichten van dergelijke Vereenigingen, en daardoor mede te werken tot bestrijding van de Fari-zeeuwsche leerheiligheid en Sadduceeuwsche lichtzinnigheid , de beide meest gevaarlijke vijanden van de Kerk van CHRISTUS, die in den loop der eeuwen bestand bleek tegen de meest verwoede vervolgingen; maar kwijnde, waar die smetstoffen in haar boezem voortwoekerden.

Achtereenvolgens wenschen wij daartoe stil te staan bij den strijd, die thans de Kerk beroert en hare oorzaken; bij de roeping van de getrouwe gemeenteleden en bij de vraag, of de samenwerking van verschillende richtingen daartoe, al of niet mogelijk is.

Zonderling genoeg zijn het zoogenaamde antire-volutionnairen, die zich tegen de bestaande organisatie der Kerk verzetten, doch daarbij echt revolutionnair te werk gaan. Maar zullen wij de organisatie onzer Kerk verheerlijken ? Is ze werkelijk eene zoodanige, waarin de geest van Christus vrij en onbelemmerd werkt ? Is ze eene echt protestantsche, d. w. z zulk eene, waarbij de priesterschap der geloovigen tot haar recht komt?

Naar ons oordeel is onze kerk dit niet en was ze dit nimmer. We zijn dadelijk bereid dit onzen tegen-woordigen bestrijders toe te geven. Maar allerminst geven we hun toe, dat een terugkeer naar de Kerkorde van 1618 daarin verbetering zou brengen. Naar het

ocr page 10

woord van JEREMIA werpt men een houten juk af, om zich zeiven en anderen een ijzeren juk op te leggen.

De synodale Kerk van 1618 was meer eene predikanten-Kerk , dan eene volkskerk. Ze is dit althans door de ijverloosheid harer leden geworden. Door de synode was de Kerkleer vastgesteld, en ieder, die daarmeê niet instemde, had eenvoudig de Kerk te verlaten. Zij was geheel gebaseerd op het stelsel van CALVYN, waaraan zeker geen ordelijke samenhang kan ontzegd worden. Het sloot als een geheel, alles wat daarin voorkomt, paste. Men maakt het onzen tijd terecht tot een verwijt , dat de diepzinnigste vraagstukken in een vlugschrift worden afgemaakt. Dat kan van het stelsel van CALVYN niet gezegd worden. Miskenning van een in vele opzichten grootsch figuur uit de hervormingseeuw zou het zijn, wanneer men de schepping van zijn veel-omvattenden geest niet wist te waardeeren.

Op het systeem van CALVYN is onze Gereformeerde Kerk gebouwd. Maar vooreerst was dat wijsgeerig stelsel dogma's vreemd op onzen bodem, en in de practijk is het er, althans bij de meest ontwikkelden, altijd vreemd aan gebleven, ook in de tijden van de zuiverste rechtzinnigheid. Men heeft het nimmer in de strengste consequenties toegepast en dat is gelukkig. Zoo ons volk dit gedaan had, had het zich misschien nog wel in fanatieken ijver tegen zijne even fanatieke beheer-schers en overweldigers verzet; maar het echt menschelijke had zich weinig ontwikkeld, en de energie om op het gebied van kunst en wetenschap en nijverheid en handel vooruit te streven was gebluscht. We waren versteend als de Turken, die de leer van de voorbeschikking veel strenger toepassen dan wij. Enkele treurige feiten

ocr page 11

a

teekenen, waartoe de toepassing leiden zou. Om er een tot voorbeeld te geven, noemen we den strijd tegen de vaccine. De toepassing van dit voorbehoedmiddel (laten we toch erkennen, wat onwedersprekelijk is) is werkelijk niet te rijmen met het Calvinisme, evenmin als de maatschappijen voor levensverzekering en tegen brandschade, en wat men meer van dien aard zou kunnen opnoemen.

De leer van CALVYN, in de practijk losgelaten als ongeschikt voor toepassing in het leven, is echter als theorie overeind blijven staan. Wie van de predikanten daaraan waagde te tornen, wie ze zelfs maar ter zijde aantastte, werd afgezet. En dat met die angstvallige zorg voor de zuiverheid der leer eene jammerlijke ver-waarloozing van de geestelijke belangen der Kerk gepaard ging, is bekend. Wat heeft de Kerk gemaakt van de scholen, die zij zich immers had aangetrokken, waarvoor alleen lange verordeningen werden opgesteld ! En hoe het voor 200 jaren, toen de Kerkleer op genoemde wijze in al hare dogmatische zuiverheid gehandhaafd werd, in die Kerk toeging; van welk gehalte de predikanten waren; wat er in de classikale en hoogere Kerkbesturen plaats had, daarvan heeft de Heer v. D. VEEN, eene schets geleverd, die allertreurigst is. Het zou ongetwijfeld velen van hun ijver voor de Dordsche Kerkorde genezen , als ze van die lectuur eene ernstige studie maakten.

De Kerk ontaardde al meer en meer, al ging er ook geen titel of jota van hare leer verloren; maar versteende allengs in het juk van formulieren, die alleen in den tijd, waarin ze worden opgesteld, van levenskracht getuigen; maar zoodra ze een volgend geslacht worden opgelegd, den geest beknellen en dreigen te verstikken.

ocr page 12

10

Maar gelukkig laat zich de geest op den duur geen banden aanleggen. Het gaat er meê als met de kiem in het zaadhulsel. Bij hare ontwikkeling verscheurt zij hare windsels, evengoed de kiem van de steenvrucht als eene met teederder omhulsel. Maar daarvoor behoort het zaad in de bevruchtende moederaarde gekweekt te worden en zich te voeden met de sappen, die daarin zijn. Was het niet de heerlijke taak der Kerk geweest de bevruchting van de levenskiemen , die in haar waren, te bevorderen door gedurig nieuwe levenselementen in zich op te nemen. Liep dan de Kerk bij zoodanige voortgaande ontwikkeling geen gevaar? Haar vorm ongetwijfeld; maar had niet de Meester op zich zelf het beeld toegepast van het tarwe-graan, dat in de aarde valt en sterft en vrucht voortbrengt? Was zijne Kerk niet geroepen om eveneens zich te ontwikkelen in de Maatschappij, om van haar gevoed te worden en wederkeerig de kiemen des levens in haar tot wasdom te brengen? Ja, voorzeker kon zij schijnen daarin zich zelve te verliezen, maar die zijn leven verliezen wil, zal hetzelve behouden. Zou ze zich niet gedurig heerlijker ontplooid en zich telkens edeler vormen geschapen hebben ? De stelselzucht is in zijn diepsten grond ongeloof aan de levendmakende, vernieuwende kracht van de waarheid. Men wil behouden , wat men na veel inspanning verkregen heeft, en men vergeet, dat men den boom niet alleen heeft, om rustig met zijne kinderen van de vruchten te genieten; maar ook om hem uit te breiden, tot alle volken zich in zijne schaduwen verblijden. Het Farizeïsme zweert bij de geboden en inzettingen der ouden, en maakt daardoor het levende woord Gods krachteloos. Dat

ocr page 13

n

was ook de doodende kanker in onze Gereformeerde Kerk, al weerde de werkelijk vrome zin onzer vaderen nog langen tijd het bederf der Kerk, even als die het staatsgebouw bijeenhield, dat op zoo gebrekkige grondslagen rustte. De Republiek was dan ook bestemd om te gelijk te vergaan met de heerschende Kerk, die ja heerschte in naam, soms met veel aanmatiging; maar die op hare beurt ook door den Staat, althans door diens hooggeplaatste dienaren, met vrij wat willekeur beheerscht werd. Zoolang de Kerk heer-scheresse was, ging men trouw ter kerk, en niemand zou verzuimd hebben zijne kinderen door doop en belijdenis aan haar toe te brengen. Het eigenbelang hielp daarbij vooral niet weinig. Immers, men moest tot de gevestigde Kerk behooren, om voor ambten en bedieningen in aanmerking te komen. Maar de kunstenaar wijdde aan haar geenszins zijne kunst; de geleerde evenmin zijne wetenschap. Die laatste was belemmerd en in banden gekneld. Was het niet verklaarbaar, dat de priesters der wetenschap zich ver-zett'en tegen de Kerk, toen eenmaal de banden geslaakt werden ? Als hare beoefenaars in die dagen van een synodaal juk spraken, hadden ze gewis meer grond daarvoor dan onze tegenwoordige klagers, die vrijuit op den kansel en daarbuiten voor hunne overtuiging kunnen uitkomen, zonder daarin door iemand belemmerd te worden. Maar den dissenters van dien tijd was een ander lot bereid. Dat ze zelf niet binnen den band bleven is niet te verwonderen, waar velen van hen van de kerkleer niet veel meer wisten, dan ze in hunne jeugd uit het catechisatieboekje van HELLEBROEK geleerd hadden. Was het zoo vreemd, dat bij het

ocr page 14

12

veldwinnen van nieuwe begrippen de beschaafden verkoelden voor de Kerk, die de nieuwe beweging der geesten niet wist te leiden ! En toen nu kerkelijkheid niet meer voor wereldsche welvaart noodig was, en de kracht van oudvaderlijke gewoonte haar ook niet meer steunde, vervreemdde men telkens meer van de Kerk. Voor de Kerkleer kreeg men levensbeschouwingen in de plaats, die het aanzien hadden van philosophisch te zijn, en daarom de halfgeleerden en ontwikkelden het meest aantrokken. Welhaast werd het als een kenmerk van achterlijkheid en gebrekkige beschaving beschouwd nog warm te zijn voor kerkelijke belangen. De onverschilligheid voor het heilige werd met een vernis van verlichting overtogen, als men bezwaren wist aan te voeren tegen de kerkleer. De reeds voor eeuwen weerlegde bezwaren werden opgerakeld, alsof men op eens tot kersversche ontdekkingen geraakt was. Daarbij had de Kerkleer genoeg betwistbare punten. Ze was twee eeuwen lang onveranderd gebleven. Wel hadden de Dordsche vaderen bepaald, dat ze na ieder tiental jaren herzien moest worden; maar dit was jammerlijk verzuimd, ook door tegenwerking van de staatsmachten. Die het gewaagd hadden de leer aan eene critiek te onderwerpen, waren als ketters afgesneden. Dat lot trof o. a. onze BALTHAZAR BEKKER, die in zijne „Betooverde Wereldquot; tegen het geloof aan heksen, spoken en duivelverschijningen was te velde getrokken. — Maar kan dat nu een levend Christendom heeten, dat twee eeuwen zonder vooruitgang is. Had niet de Heer zelf tot zijne discipelen gesproken van dingen, die zij bij Zijne omwandeling nog niet konden dragen, maar de Heilige Geest, die

ocr page 15

13

komen zou, zou hun alle dingen leeren , uit het Zijne nemen en het hun verkondigen. En dezen waren Zijne twaalf uitverkorenen en de Meester zelf was hun leeraar. Was die Geest uitgeput, toen eenmaal de Christelijke Kerk gesticht was, of had Hij Zijn laatste woord gesproken op de Synode van Dordrecht? Voorzeker, ze doen den Geest smaadheid aan, die binnen zoo enge grenzen Zijne macht beperken, al plaatsen ze Hem ook in ééne formule met den Vader en den Zoon. Gelukkig was Hij niet geheel geweken uit eene Kerk, die Hem in zoo enge boeien zocht te kluisteren.

Merkten wij straks op, hoe zelfs bij hare dienaren het christelijk leven verloochend werd, terwijl men de zuiverheid der leer angstvallig handhaafde, ook van het omgekeerde waren heerlijke bewijzen. Van uit de harde dogmatische vormen spreekt niet zelden een innig christelijke geest. Die is o. a. uitgesproken in vele liederen van onzen heerlijken evangelischen gezangbundel, die gloed ademen, al dagteekenen ze van den tijd, dat onze letterkunde in treurig verval was.

Die Geest liet zich ook niet onbetuigd in de dagen van kerkelijke verachtering, waarvan wij gewaagden. Een heerlijk licht, eene koesterende warmte ging er uit van predikers, die de oude waarheden in nieuwe vormen wisten aan te bevelen aan een geslacht, dat door den ijzigen adem van het ongeloof verkild was, en met het geloof allengs de geestdrift en het karakter begon te verliezen. En die predikers waren de voorgangers op ieder gebied van den geest. Het zou de studie rijkelijk beloonen, als men eens naging, wat niet alleen onze Kerk, maar het geheele Nederlandsche volk aan predikanten te danken heeft.

ocr page 16

14

Die predikers kwamen echter links in botsing met het Sadduceeuwsche ongeloof, 'rechts met het Fari-zeeuwsche kerkgeloof. Maar toch was hun strijd niet onvruchtbaar. Vele kleinmoedigen werden vertroost, vele wankelenden voor CHRISTUS behouden. Ja, ook op de bestrijders van het Evangelie werd een heilzame invloed uitgeoefend. Het ongeloof verloor zijn ruwe spot en werd ernst, het kerkgeloof werd getoetst en, zoo al niet officieel door de kerkelijke overheden, dan toch door vele van hare woordvoerders gezuiverd en meer met het leven in verband gebracht. Maar zoo was de strijd buiten de Kerk tot een strijd in de Kerk zelve geworden. En als nu de predikanten der Hervormde Kerk eerlijk verklaren, of ze met iedere letter van de drie formulieren van eenigheid instemmen, hoevelen zouden er zijn, zelfs onder de doleerenden, die daarop bevestigend zouden antwoorden ? Zou de hoofdman het doen? Kan men het veronderstellen van een man van zijne geestesgaven?

Intusschen is achter de aanvoerders eene breede schaar, die Protestantsch in naam, maar Roomsch in beginsel, Christus met de Kerkleer vereenzelvigt, en nu geen middelweg kent tusschen deze twee: öf CHRISTUS met de Kerkleer te verwerpen, öf CHRISTUS met de Kerkleer aan te nemen. Vandaar twee stroomingen in tegenover gestelde richting. Ieder van die stroomingen heeft hare illusiën; want de mensch heeft nu eenmaal geen vrede met de alledaagschheid, de dorre werkelijkheid.

De stroom van CHRISTUS af komt tot vertwijfeling, tot bedwelming, tot verdierlijking. Bij het gemis van een verheven ideaal zoekt men zijn heil in zinnelijk

ocr page 17

genieten, fijner of grover, al naar aanleg en ontwikkeling. Bezit men daarvoor de middelen, dan baadt men zich in zingenot, of men zoekt hoogheid en eere. De edeler aspiratien van den geest worden verdoofd, en bij het jagen naar telkens meer en telkens nieuw genot, gaat zelfs de barmhartigheid verloren voor de slachtoffers, die de voldoening daarvan kost. Allengs worden de heiligste banden losser. Ach! verdiepen we ons niet in de onreinheid, waartoe velen zijn verzonken, van wier stand en afkomst, van wier fatsoen, van wier maatschappelijke positie men zulks nauwelijks zou gelooven.

Daarnaast grijnst U eene veel grooter schare aan, wier levenslot met dat der laatsten een droevig contrast vormt, al is haar streven in beginsel hetzelfde. Verstoken van de middelen om te genieten, en toch geen hooger dan aardsch genot kennend, zoekt men afleiding in bedwelming. Daaruit ontwaakt, en de ellende om zich schouwend, ontstaat een dof gemor over de onbillijke verdeeling van de genietingen des levens. Zoolang er nog geloof bestond in eene hoogere macht en een vergeldend oordeel na dit leven, een voor waarheid aannemen, dat zelfs door meer ontwikkelden met Christelijk Geloof wordt verward, zoolang dit caricatuur van geloof nog bestond, hadden die misdeelden door het lot hunne eigen opvatting van de gelijkenis van den rijken man en den armen LAZARUS, eene jammerlijke opvatting voorzeker, maar die hen de ellenden des levens, zoo al niet geloovig geduldig, dan toch hopend gedwee deed dragen. Maar is die verwachting weggeredeneerd, is de vrees voor een wrekend God opgeheven, dan komen de vragen aan de orde : „Waarom leven anderen

ocr page 18

16

in weelde en overdaad, en levert het bestaan voor ons niets dan ellende ? Het bekrompen verstand kan wel bezwaarlijk de redeneeringen van de predikers der sociale revolutie ontleden , en het geweten blijft zich nog een tijd lang verzetten , maar de machtspreuken zijn zoo verleidend : „eigendom is diefstalquot;, „alle menschen hebben recht op een gelijk aandeel aan de genietingen des levensquot;, en zoovele anderen, waardoor de arme verdoolde schare ook zelfs voor de bevordering van tijdelijke welvaart zich den weg verspert. —

Naast de genoemde strooming is er eene andere in juist tegenovergestelde richting, en waarvoor we tot op zekere hoogte eerbied hebben, ook waar we geroepen zijn tot een niet minder ernstigen strijd.

We merkten reeds op , dat ook zonder voldoening aan de bepaling der Synode de leer aan eene gedurige herziening te onderwerpen, die leer op verschillende punten zoo al niet gewijzigd, dan toch minder gehandhaafd werd. Omtrent de al te hoekige punten bewaarde men op den kansel het stilzwijgen, de geijkte termen, door de traditie van geslacht tot geslacht onder het vrome volk voortlevende, werden telkens minder gebruikt. Maar daar bleef het niet bij. Toen ontzetting van het predikambt om afwijking van de Kerkleer ondoenbaar bleek, omdat wellicht allen waren afgeweken, die eene akademische opleiding hadden genoten, moest men zich met eene onbekrompen instemming met de kerkleer tevreden stellen. Maar het woord „onbekrompenquot; is uiterst rekbaar. Ieder stelt zijn eigen grens, en noemt licht een achterblijver, die in de vrije opvatting niet ver genoeg gaat, en een afdwalende, die verder gaat, dan men zich zelf vergund heeft.

ocr page 19

17

Eerst werden enkele aanstootelijke leerstellingen aangevallen, d. w. z. die aanstootelijk werden geacht door de meerderheid; toen werden ook zulke bestreden, die door de meerderheid nog voor onmisbare zuilen des geloofs gehouden werden.

Ook de Bijbel werd aan eene critiek onderworpen, eerst het Oude Verbond, toen het Nieuwe, en dat alles, niet in de taal der geleerden alleen, maar op den kansel, in populaire geschriften.

Is het wonder, dat de schare, die niet in staat is de redeneeringen der theologen te volgen , nog minder te toetsen , en den eenigen troost in leven en sterven zich met de Kerkleer voelde ontzinken, zich met jaloersche kleingeestigheid aan die Kerkleer vastklemde ! Werd haar niet al te veel reden daartoe gegeven dooide steeds meer voorthollende zucht tot ontkenning! Had men zelfs in ons Vaderland den treurigen moed niet, om achter den historischen naam van den Eenige onder de menschenkinderen een vraagteeken te zetten en toch nog een Christenleeraar te heeten !

Ware de belijdenis van PETRUS (Matth. XVI : 16), die door den Heer der gemeente zelf eene openbaring van den Vader in 's menschen hart werd genoemd, de afdoende belijdenis der kerk gebleven, dan ware zoo iets ondenkbaar geweest. Het gevoel voor waarheid had getuigd, dat het toch niet aangaat, in eene Christelijke Kerk den levenden CHRISTUS te loochenen en toch daarin lecraar te blijven.

De Kerk heeft echter die Belijdenis omtuind door een staketsel van formulieren, waaraan men allengs even verbindende kracht heeft toegekend. Daardoor kwam ze niet tot haar recht, toen men de leer hand-

2

ocr page 20

IS

haafde, en toen deze bestreden werd, herleidde men het specifieke onderscheid van , JEZUS alof niet als den CHRISTUS te belijden, tot een gradueel verschil van meerdere of mindere afwijking van de niemand meer bindende Kerkleer.

In dien tijd, waarin de ernstigste geesten naar de middelen zochten om zonder gewelddadige uitzetting van andersdenkenden, helder aan het licht te brengen, dat niemand een ander fundament kan leggen, dan hetgeen gelegd is, JEZUS CHRISTUS en dien gekruist, in dien tijd kwam de Synode tot den ongelukkigen inval, den verschillenden vaderlandschen gemeenten het recht te verleenen, bij algemeene stemming gemachtigden te verkiezen voor het benoemen van predikanten , ouderlingen en diakenen.

Alzoo het vox populi vox Dei tot een beginsel van kerkbestuur verklaard, alsof niet de Koning van het gods-rijk eenmaal geheel alleen gestaan had , en men in hem niet bij samenstemming van jood en heiden de waarheid verworpen had, verlaten als hij was zelfs door zijn uitverkoren twaalftal, waarvan de een hem verried en de ander hem verloochende.

De heerschappij der massa, de gruwelijkste vorm van tyrannie, tot een beginsel verklaard in het koninkrijk van Hem, die gezegd had : „De koningen der volken heerschen over hen, en die gezag over hen voeren, worden weldadige he er en genoemd; maar alzoo zal het onder u niet zijn. Maar de meeste onder ti, die zij de minste, en die voorganger is, als een die dient (Luc. XXII: 25, 26).

Daarbij het algemeen stemrecht toegepast in zijn slechtsten vorm. Geen ander vereischte voor kiesge-

ocr page 21

19

rechtigden en gekozenen dan lidmaat te zijn, niet bedeeld en niet gecensureerd. Als men aan deze negative vereischten voldoet, dan wordt ieder, die zich aanmeldt, bevoegd verklaard om te oordeelen, ja te beslissen over de hoogste aangelegenheden en de ingewikkeldste vraagstukken in betrekking tot de Kerk, ook ,al had men niet meer godsdienstkennis, dan in een catechisatieboekje vervat is, ja niet eens zoo veel.

Wat was van zulk een maatregel anders te verwachten dan de heerschappij der commune in de Kerk! Op die wijze toch werd het bestuur der Kerk telkens meer in handen gespeeld van die massa, die geen middelweg kent tusschen algeheele aanneming of algeheele verwerping der Kerkleer; die slecht in de wetten dei-logica thuis is, maar toch gevoelt, dat er eene opvatting van het Christendom is, waarbij men den CHRISTUS onttroont, men hem dood verklaart, ja men hem als een spooksel der kranke verbeelding qualificeert.

Nog eens, is het wonder, dat men blindelings de leidslieden volgt, die de volstrekte handhaving dei-Kerkleer tot leuze stellen en de geijkte termen gebruiken , waarin de vrome vaderen hun geloof plachten uit te drukken ? Is het wonder, dat men ze volgen blijft, ook waar ze tegen plechtig afgelegde beloften handelen, en geen slinksche wegen ontzien om de kerkelijke goederen machtig te worden. Voor zoo heilig doel moet men immers toch niet al te kieskeurig op de middelen zijn! Wilt ge van die middelen een staaltje? Eilieve! verschaft u een exemplaar van het „Wagening-sche Weekbladquot; van 16 Febr. 1 1., waarin ge het krijgsplan vindt van den paus der doleerende gemeen-

2*

ocr page 22

20

ten, hetgeen u te gelijk leeren zal, hoe hoog noodig het is, dat allen, die de Nederlandsche Hervormde Kerk lief hebben, zich aaneensluiten, zoo niet tot een aanvallenden , dan toch tot een verdedigenden strijd.

Onder de artikelen: der Instructie, die den geheimen agenten voor de werving van leden voor de doleerende gemeenten wordt voorgeschreven, vindt ge o. m., als drangrede om het synodale juk af te schudden:

„ Wijs er op, dat onze vaderen evenzoo met de Roomse he hier archie hebben gedaan, en wij nu ook zoo moeten doen met de synodale hierarchies

^Maak het duidelijk, dat onze vaderen de kerkelijke goederen meekregen, omdat de overheden toen voor de gereformeerden partij kozen, maar dat we nu alles missen moeten, omdat thans de overheid met met ons is.quot;

Ja waarlijk, zoo doceert men geschiedenis voor de goedgeloovige schare in het laatste vierendeel der 19e eeuw !

Martelaren der hervorming! keert ge u niet om in uw graf bij de parallel, die er getrokken wordt tus-schen u en de kerkhervormers van onzen tijd!

Over de volgzaamheid der onnoozele schare, die hare leiders door dik en dun volgt, verwonderden we ons niet. We doen het evenmin over de triomfkreten, die de woordvoerders der Roomsche kerk aireede aanheffen over de verscheuring der Kerk, die hier te lande de pauselijke overmacht getart, en die in een langdurigen, bloedigen strijd, voor het oog van geheel het christelijk Europa, de vrijheid des gewetens in beginsel gevestigd heeft.

Maar wel mag het verwondering en zelfs diepe verslagenheid wekken, de lauwheid en ongevoeligheid,

ocr page 23

21

waarmeê de treurige toestand der Kerk door velen wordt aangezien. Die onverschilligheid is erger dan de geestdrijverij. De laatste veronderstelt nog leven van den geest, al is het ontaard en ziekelijk; maar die lauwe onverschilligheid is geesteloosheid, zij is een teeken des doods. O, ja! men vergeeft veelal de onverschilligheid meer dan de dweepzucht, want een cadaver is ongetwijfeld gemakkelijker te hanteeren dan een waanzinnige. Maar wat is verkieselijker, het leven of de dood!

Iedere ketter had van ouds zijn letter. Zoo gaat het den onverschillige ook. „De Kerk heeft haar tijd gehadquot;, zegt men, en men keert haar onverschillig den rug toe, verzaakt de onderlinge bijeenkomsten en gevoelt de behoefte aan de prediking van het Evangelie te minder, naarmate die in werkelijkheid grooter wordt, 't Was nooit teeken van welvaren, als men den honger mist. Bij tijd en wijle gevoelt men echter, dat daar binnen een pijnlijk ledig is, dat te vergeefs naar bevrediging zoekt. Het is de stem van het hart, dat dorst naar God, gelijk het hert naar de waterstroomen. Maar die stem klinkt van uit de diepte, en wordt overstemd door zooveel, dat onze aandacht vraagt. Allengs wordt die inwendige stem flauwer, en ten laatste hoort men haar alleen, als men bij tijd en wijle ervaart, dat de wereld toch zoo onbeschrijfelijk arm is en zoo weinig heeft om het hart te verzadigen.

Maar stelt, gij zijt rijk en verrijkt geworden en hebt ge ens dings gebrek, zoodat gij het zonder Kerk wel stellen kunt, dan zijt gij toch nog de menschheid niet! De Kerk zou haar tijd gehad hebben ; maar heeft ze dan reeds de heerlijke roeping volbracht om alle betrekkingen van het persoonlijk, huiselijk, maatschap-

ocr page 24

22

pelijk leven te vervullen met den reinen, heiligen levendmakenden geest van CHRISTUS ?

quot;t Is waar, daar zijn reeds kostelijke vruchten gerijpt, daar zijn er reeds tot gemeengoed geworden, waarvan het genot ook ten goede komt aan zulken, die buiten de Kerk staan.

't Is ook waar, dat de Kerk een vorm en dus van voorbij gaanden aard is. In het nieuwe Jeruzalem zag de schrijver van de Openbaringen geen tempel; want de Heer, de almachtige God, is haar tempel en het Lam. Maar om op te wassen tot die volkomenheid, moet de aardsche Kerk dienen, en daarin heeft ieder zijne taak, die hij aan niemand vermag over te laten, ook niet aan hare bedienaren, of men is ontrouw aan zijne heilige en heerlijke roeping. Want die Kerk is geen priesterkerk; maar al hare leden zijn geroepen koningen en priesteren, die alleen het hoofd buigen voor den Koning der Kerk, den grooten Hoogepriester, Wiens geest ze leidt. Wiens wil ze volgen. Waakt dan op ! gij allen, die nog liefde hebt voor de Kerk uwer vaderen en het gevoelt, dat het mannen betaamt getrouw te blijven aan de belofte, afgelegd in de heilige ure, waarin zij toetraden tot de gemeente, gebouwd in zijn vorm, als afdeeling der algemeene christelijke Kerk, op het bloed der vaderen; in zijn wezen, als godsgebouw, op het bloed van CHRISTUS.

't Is waar, die Heer heeft onze verdediging niet noodig. De poorten der hel zullen Zijne gemeente niet overweldigen, ook al blijven wij traag en achterlijk. Maar onze roeping is immers onze eere, en al heeft de Kerk zelve niets te vreezen, er is reden tot vreeze voor de velen, die zich van haar afkeeren.

ocr page 25

23

Hoort gij zc niet, de oproerkreten van de misleiden, waarvan we gewaagden , die ronddoolen als schapen, die geen herder hebben? Hunne sombere kreten werden voor eene wijle gesmoord in het jubelend feestgejuich van de week , die achter ons ligt (i); want ja! daar is nog eene gezonde kern in ons volk , dat de liefde voor wet en orde en voor zijn Oranjevorst als met de moedermelk heeft ingezogen. Maar het gif, door de volksverleiders met kwistige hand vrij en onbelemmerd toegediend, dringt voort. Zijne vreeselijke uitwerking kon wel eens vele slapenden verrassen. Of sluit ge minachtend de ooren voor de roepstemmen dier verleiders, wier holle theoriën gij onzinnig acht ? Maar verliest dan toch de achting niet voor u zeiven, hebt erbarming voor de wanhoop der ellendigen, en toont u niet geheel ontaard van den vromen, kloeken zin uwer vaderen.

Daar is zoo ontzaggelijk veel verzuimd, toen do Kerk rustig voortsluimerde op de eenmaal vastgestelde Kerkleer. Nog meer is er verwaarloosd, sedert de twisten over de leer de Kerk beroerden. Goddank ! de Christelijke geest heeft zich ook in onzen tijd niet onbetuigd gelaten. Daar zijn genootschappen tot uitbreiding van het Christendom onder de heidenen. Helaas! dat ook daarin alweêr het verschil in Kerkleer geen samenwerking vergunde. Maar toch, ieder van die genootschappen poogt te doen, wat naar 's Heeren woord de taak was van de geheele Kerk en niet van een genootschap ; het Evangelie te prediken aan alle creaturen.

Er werden Zondagsscholen opgericht om den kinderen van ons volk te vergoeden, wat de Staat, die de be-

(l) Deze voordracht werd 23 Februari gehouden.

ocr page 26

24

langen der burgers van iedere gezindheid gelijkelijk te behartigen heeft, op hare scholen niet geven kon, al behoeft daar ook geen Christelijke geest te ontbreken, al mag die er ook volgens de wet niet ontbreken.

Maar het onderwijs in bijbelsche en kerkelijke geschiedenis heeft er bezwaar, en daarvoor kunnen de Zondagsscholen uitnemende diensten bewijzen, mits de methode van onderwijs aan eene gezonde opvoedkunde getoetst worde. — Die inrichtingen omvatten over het algemeen meer de kinderen der lagere volksklassen dan die der hoogere standen. Hebben die laatste daaraan minder behoefte, of belasten daar de ouders zeiven zich met die schoone taak ? — In het daarop volgend godsdienstonderwijs mag hier en daar verbetering zijn aangebracht, het houdt lang geen gelijken tred met het onderwijs in andere leervakken. Met de godsdienstkennis van vele gemeenteleden, al zijn ze ook bevoegd verklaard bij Kerkelijke verkiezingen mede eene stem uit te brengen, is het bij velen, zelfs overigens vrij goed ontwikkelden, treurig geschapen. Dat zulke onwetenden eene lichte prooi worden van ongeloof, bijgeloof of dweepzucht ligt voor de hand; en toch hebben de gemeenteleden eeuw in eeuw uit bij den doop beloofd hunne kinderen in de voorzeide her te doen of te helpen onderwijzen.

Daar zijn vereenigingen om gevallenen op te richten; maar ik vraag u, is dat mede niet de taak van de gemeente, wier Heer zelfs door Zijne vijanden, zij het dan ook smalend, de vriend der zondaren genoemd werd! Daar zijn nog zoo velerlei vereenigingen en inrichtingen , die getuigen, dat CHRISTUS geest zich werkzaam betoont; maar ze staan buiten dat grootegeheel.

ocr page 27

25

dat zich aanmeldt als de Kerk van CHRISTUS, en waarin af en toe gehaspeld wordt over de leer, terwij 1 het werk van CHRISTUS wordt overgelaten aan het goedvinden van enkele harer leden.

Mag dat zoo blijven ? Is onze Kerk eene predikan-tenkerk of is ze eene volkskerk ? Men heeft gevraagd, wat eene volkskerk is. Wat zou ze anders zijn, dan eene Kerk, die met den aard van het volk rekening houdt; waarin alle krachten, die in het volk werken, zich ontwikkelen kunnen ; waaraan alle gaven, die het volk heeft, gewijd worden?

Om onze Kerk tot zulk eene volkskerk te maken, roepen we de samenwerking in van allen, die haar liefhébben en haar de roeping toekennen, om het volkskarakter te veredelen en te sterken.

Maar is zulk eene samenwerking van die allen mogelijk, is dat denkbeeld geen hersenschim ? Vergunt ons, eer we die vraag beantwoorden, de voorlezing van een tafereel uit het leven van onzen Heiland.

In Lucas IX ; 49 en 50 lezen we aldus: En JOHANNES zeide: ^Meester! wij hebben eenengezien, die in Uwen naam de duivelen uitwierp en wij hebben het hem verboden, omdat hij U met ons niet volgtquot; En JEZUS zeide tot hem: „Verbied het niet; want wie tegen ons niet is, die is voor onsquot;

Mijne hoorders ! Zou naar JEZUS woord dan samenwerking tusschen de verschillende belijders van Zijn naam een droombeeld zijn? Ja, dat is zoo, wanneer men eenstemmigheid van leer als voorwaarde van gemeenschap stelt. Maar ook de ij veraars voor de ongeschonden handhaving der formulieren van eenigheid zijn reeds

ocr page 28

26

in twee strijdige groepen verdeeld, waarvan de eene op grond van de autoriteit van Gods Woord de uittreding uit het synodaal verband predikt als een heilige plicht, en de andere op dienzelfden grond tegen die afscheuring waarschuwt.

Mijne hoorders! ik vraag u, is dat stellen van zoodanig shibbolet, eer men elkaar de broederhand reikt, in den geest van CHRISTUS , die nimmer eenige leer heeft vastgesteld en die den strijd allermeest en het allerernstigst voerde tegen hen , die om hunne uiterlijke nauwgezetheid bij het volk in den reuk van heiligheid stonden en zwoeren bij hetgeen van de ouden gezegd was!

„Maar de leer is toch geen onverschillige zaakquot; werpt men ons tegen. Neen, waarlijk, dat is ze niet! Het is de eigenaardige geest van het Protestantisme, dat men met de Samaritanen getuigt; „wij ge-looven met meer om uws zeggens wil, want wij zeiven hebben het uit Zijnen mond gehoord en erkennen, dat deze is de CHRISTUSquot;.

Die deze belijdenis niet kunnen afleggen, sluiten zich zeiven buiten, want, nog eens, wat zou eene christelijke Kerk zijn, als daarin JEZUS niet beleden werd als de CHRISTUS!

Maar waar de geloofsbelijdenis eigen overtuiging is, daar spreekt men niet na, daar zoekt men allerminst het criterium voor de zuiverheid van zijne belijdenis in wat voor twee eeuwen geformuleerd is. Een zelfstandig christen weet, wat hij gelooft en waarom hij gelooft; maar hoe meer hij door eigen onderzoek en vooral door eigen levenservaring tot overtuiging gekomen is, te beter begrijpt hij, dat het in weêrspraak met den geest van CHRISTUS zou zijn, door het verbindend verklaren

ocr page 29

27

van eene reeks leerstellingen anderen een nauw afge-bakenden weg voor te schrijven, om tot eene besliste overtuiging te komen. De ervaren christen is verdraagzaam in den waren zin van het woord met die echte verdraagzaamheid, die in beginsel niets gemeen heeft met die laffe, lauwe, onmannelijke onverschilligheid, die een teeken van geestelijken dood is.

„Men kan toch niet samenwerken met een beslist ongeloovigequot;, zegt een ander. Neen, dat kan niet, zooals we reeds aanwezen, en dat heeft onze Vereeni-ging dan ook in hare grondbeginselen uitgesproken. Getrouwheid aan de beloften bij het doen der belijdenis, is als voorwaarde gesteld voor het lidmaatschap der Ver-eeniging. Maar we laten de uitlegging daarvan aan ieders geweten over; want dat is eene voorwaarde voor eene Vereeniging, die het protestantsch beginsel wil handhaven.

Baart u dat vreeze? Maar hebt ge zoo weinig geloof in de macht der waarheid, dat gij in werkelijkheid beducht zijt, dat de dwalingen der menschen haar op den duur verduisteren zullen ? Of erkent gij in den broeder, die in uw oog dwaalt, den broeder niet meer, ook al getuigt zijn wandel, dat de geest van CHRISTUS nog in hem werkt? Dat deed toch PAULUS niet, de krachtige ijveraar voor de waarheid, maar ook tegen partijschap ?

Als hij den strijd over de beteekenis der Mozaïsche wetten in de eerste gemeente behandeld en zijne eigen overtuiging daarbij krachtig gehandhaafd heeft, eindigt hij met deze vermaning: „Maar gij, wat oordeelt gij uwen broeder l Of ook gij, wat veracht gij uwen broeder l Want wij zullen allen voor den rechterstoel

ocr page 30

28

van CHRISTUS gesteld worden. Oordeelt dit liever, dat gij den broeder geen aanstoot of ergernis geeftquot;

Komt de strijdvraag, die toen aan de orde was, u onbeduidend voor, dat was ze toch in die dagen niet. In beginsel gold ze mede de handhaving van de leer der vaderen. Daar waren in die dagen ook andere verschillen. De strijd over de opstanding was reeds aan de gemeente van Corinthe niet vreemd. Koe beslist spreekt PAULUS daaromtrent in den eersten brief aan de Corinthiërs zijne overtuiging uit. 't Is waar, in dien brief zegt PAULUS ook: „doet gij dezen booze uit ulieden weg.quot;quot; Het banvonnis geldt evenwel geen dwalende, maar een, om wiens wandel de gemeente gelasterd werd. Waar het dwalingen geldt, zegt de Apostel des geloofs, die dwalingen van allerlei aard bestreden heeft: „Nochtans verblijd ik mij, dat CHRISTUS, zij het ook onder een deksel, gepredikt wordt.quot;

Neen! het zal niet schaden, dat verschillende meeningen worden voorgestaan, mits het oprecht zij. De waarheid zal er te meer door openbaar worden in al hare heerlijkheid en waarde voor het leven. Zoo waarlijk, ze zal zich door alle nevelen van dwaling wel een weg banen en dat te krachtiger, naarmate zij zich vrijer kan uitspreken.

Leggen we dan af allen kleingeestigen argwaan, en sluiten we ons nauw aaneen in den geest der liefde, die het hart ruim maakt ook voor den in ons oog dwalenden broeder, die immers op zijne beurt ook u als zoodanig beschouwt en wel beschouwen moet, als hij niet napraat, maar eigen overtuiging volgt en de Kerk liefheeft, ondanks hare gebreken.

De samenwerking van allen, die de Kerk lief-

ocr page 31

29

hebben, is volstrekt noodig om haar te doen beantwoorden aan hare heilige roeping. We noemden boven reeds wat verzuimd, of verwaarloosd, of aan op zich zelf staande groepen is overgelaten, wat toch de taak der Kerk was, door CHRISTUS zelf haar opgedragen. Maar ook in die Kerk zelve is zooveel dat verbetering eischt. De vorm van onzen eeredienst is misschien u nog voldoende , die naar geen vormen vraagt, omdat ge in de evangelieprediking reeds uw lust vindt; maar spreekt ze genoegzaam tot het hart van die velen, die nog voor CHRISTUS moeten gewonnen worden! Of bestaat de gehoorzaamheid aan het woord „dwingt ze om in te komeriquot;1 in eene kleingeestige afbakening van het terrein, waarbinnen men zich te stellen heeft om een discipel van CHRISTUS genoemd te worden ?

Dat de organisatie onzer Kerk wijziging behoeft, wordt vrij algemeen erkend. In haar mag noch onrechtmatige dwang, noch willekeur heerschen. Ieders rechten en plichten dienen met juistheid bepaald te worden. Ze gelden voor den prediker als man, als leeraar, als beoefenaar der wetenschap. Als zoodanig moet hij geen zonderlinge combinatie van drie men-schen wezen; maar een man uit één stuk, die spreekt, omdat hij gelooft, en die plechtig afgelegde beloften ernstig opneemt. Het gebrek aan leeraars is tegenwoordig onrustbarend, 't Is ook geen wonder; want er behoort in de bestaande omstandigheden heel wat moed en zelfverloochening toe, om de gemeente als herder en leeraar te dienen, 't Is waar, moed en zelfverloochening blijven den dienaar van het het Evangelie altijd in bijzondere mate noodig, en ze moeten hem kenmerken als een krijgsknecht van CHRISTUS; maar die edele

ocr page 32

30

vruchten van het geloof moeten niet verspild worden in een onvruchtbaar en afmattend geharrewar tegen kleingeestigheid en bekrompenheid in den boezem der gemeente. Neen, door de gemeente gesteund en gesterkt, moet de evangeliedienaar aan de spits staan in den strijd tegen ongeloof en zonde in hart, in huis, in maatschappij en Staat.

Zijne vrijheid als prediker mag daarom niet gebonden zijn door formulieren. Maar wel rust op hem de heilige verplichting, zielen te winnen voor CHRISTUS; nietquot; voor eenige Kerkleer, noch ook voor eenig wijsgeerig stelsel. Gevoelt hij voor die schoone taak geen roeping, of mist hij de hem noodige geloofsovertuiging, hij trekke zich terug als leeraar, en hem blijven gelegenheden genoeg over om zich verdienstelijk te maken. Wetten en reglementen kunnen den herder en leeraar zeker voor zijn ambt niet vormen; maar zij kunnen hem de richting aanwijzen, waarin hij zich te bewegen heeft, en den steun verzekeren, dien hij behoeft.

Maar ook de gemeente heeft hare plichten en ook hare rechten. Het besef van verplichting van ieder gemeentelid tegenover de Kerk was in onze Hervormde Kerk steeds uiterst flauw. Het is zoo heel gemakkelijk en zoo goedkoop, te spotten met onze Roomsche medechristenen, die zooveel offeren voor hunne Kerk en grootendeels opgaan in kerkplichten, en middelerwijl zelf het echt Roomsche beginsel toe te passen, dat de priester (ten onzent de predikant) de zaakwaarnemer zou zijn voor geestelijke belangen. Dat moet anders worden, zoo onze Kerk in waarheid eene volkskerk zijn wil!

De plichten der gemeente vallen voor een groot

ocr page 33

31

deel samen met hare rechten. De gemeente heeft zich te doen gelden in het beheer van hare stoffelijke en van hare geestelijke belangen. We keurden straks het algemeen stemrecht af, dat der gemeente als eene onrijpe vrucht werd in den schoot geworpen. Maar daarmêe is niet gezegd, dat de Kerk geen vertegenwoordiging van hare leden behoeft. Integendeel, die is noodig op breede schaal. Naast de uitvoerende macht met goed omschreven mandaat behoeft zij eene vertegenwoordiging uit hare leden, om het gansche beheer der Kerk op christelijk milde grondslagen te regelen en zooveel mogelijk de rechten van allen, ook van de betrekkelijk kleine minderheden, te doen gelden, waarbij naast het gestrenge recht ook aan de billijkheid en den broederzin moet worden tegemoet gekomen.

Maar om zoodanige regeling tot stand te brengen, moet er door de leden onderling gebroken worden met kleingeestig gekibbel over namen en vormen. Daartoe moet men bij verschil van overtuiging aan elkanders oprechtheid gelooven, elkander waardeeren en de les van PAULUs betrachten : „ Wij, die sterk zijn , zijn schuldig de zzvakheden der oust er ken te dragen en niet onszelven te behagen?'

Mocht, wat God verhoede! samenwerking in het midden der gemeente werkelijk onmogelijk blijken, o ja! dan heeft de Kerk onzer vaderen zich overleefd, en Rome's Kerk heeft haar pleit zegevierend gewonnen. De herstelling der pauselijke oppermacht in de Nederlanden , waarnaar drie eeuwen lang werd uitgezien, is dan nog maar eene quaestie van tijd.

Overdrijf ik, is het een spookbeeld, dat ik voor u oproep? Zoo neen, dan vraag ik u; „Zonen en

ocr page 34

32

dochteren van het fiere geuzengeslacht! zullen we dat lijdelijk aanzien? Voor vier dagen vierden we den/O611 verjaardag van den laatsten mannelijken telg van het Oranjehuis, dat op den grondslag der hervorming ons nationaal volksbestaan gevestigd heeft, zal onze Ne-derlandsche Hervormde Kerk ineenstorten met dat edel vorstengeslacht ?quot;

Komt, leggen wij onze kleingeestigheid, onze kibbelzucht, maar vooral onze lauwheid af. Worden wij weêr kloek en vroom als onze voorvaderen. Hunne harde, ietwat ruwe vormen behoeven we niet, want we zijn in beschaving vooruitgegaan; maar we hebben behoefte aan hun kloeken, vromen geest, die hun een karakter gaf, die hen bezielde tot groote daden. Doen we allereerst in eigen kring, wat onze hand vindt om te doen, en roepen we te gelijk in andere gemeenten de geesten wakker.

Is ons dat gelukt, dan ontbinde zich onze Ver-eeniging; want hare taak was niet de hare, maar die van de Hervormde Kerk in Nederland.

Al ontwikkelende mag ook dat kerkgenootschap zich oplossen in de Kerk, die geen namen en vormen kent en allen omvat. Van die algemeene Kerk van Christus en van haar alleen, geldt:

Zijn Kerk, gevestigd in Zijn bloed,

Zal voor geen vijand bukken ;

Geen list, geen macht, hoe fel zij woedt,

Zal ze ooit aan Hem ontrukken.

ocr page 35

bijlage.

HUISHOUDELIJK REGLEMENT

voor de

Vereeniging tot behoud der Nederdaitsch Hervormde Gemeente te Rotterdam,

INGERICHT NAAR. DE STATUTEN,

goedgekeurd bij Koninklijk Besluit van 26 December 1886, No. 23.

Artikel 1.

Het doel der Vereeniging is:

Het protestantsch beginsel naar den geest van het Evangelie te handhaven.

Art. 2.

Zij zoekt dat doel te bereiken :

voorloopig door de volgende middelen:

a. het behandelen van kerkelijke vraagstukken.

b. het zorg dragen, waar dit noodig is, voor kerkelijke belangen.

c. het in breeden kring aansporen en opwekken der gemeenteleden te dezer stede, om van hunne rechten gebruik te maken en hunne verplichtingen na te komen; een en ander ook door stemming op candidaten van bestaande kiesvereenigingen.

in de toekomst door:

in aansluiting met andere gemeenten, de middelen te beramen , om den bloei der vaderlandsche Kerk te verhoogen, en haar een krachtigen invloed op het nationaal volksbestaan te verzekeren.

ocr page 36

34

Art. 3.

Het zelfstandig stellen van candidaten zal in vervolg van tijd kunnen geschieden, wanneer 2/3 der aanwezige leden op de ledenvergadering zulks noodig oordeelt. In zoodanig geval zal het Huishoudelijk Reglement met de daartoe noodige bepalingen worden aangevuld.

Art. 4.

Allen, die de Nederduitsch Hervormde Kerk liefhebben en getrouw wenschen te blijven aan de beloften, bij het doen hunner belijdenis afgelegd, kunnen als Leden der Vereeniging worden aangenomen.

Art. 5.

Tegen de toelating van iemand, die verlangt als lid der Vereeniging te worden aangenomen, kan op grond van ergelijken levenswandel, of andere handelingen, door den een of ander der Leden bezwaar worden ingebracht. Het Bestuur doet alsdan onderzoek naar de gegrondheid van het ingebracht bezwaar, en beslist overeenkomstig den uitslag daarvan.

Art, 6.

Langs denzelfden weg kan er sprake zijn van vervallenverklaring van het lidmaatschap der Vereeniging.

Art. 7.

Wanneer de aangeklaagde zich door de beslissing van het Bestuur bezwaard gevoelt, komt hem het recht toe, zich op de uitspraak van eene ledenvergadering te beroepen.

Art. 8.

Elke benoeming en beslissing door eene ledenvergadering geschiedt bij volstrekte meerderheid van stemmen, uitgezonderd de beslissing in de artt. 3 en 7 gemeld, waartoe 2/3 der uitgebrachte stemmen wordt vereischt. Bij staking der stemmen beslist het lot.

ocr page 37

35

Art. 9.

Het Bestuur bestaat uit negen Leden, waaronder: een Voorzitter, een 2« Voorzitter, een Secretaris, een 2t'Secretaris, een Penningmeester.

De werkzaamheden worden bij onderling goedvinden geregeld.

Te beginnen met het jaar 1888 treden jaarlijks in de eerste helft van November drie leden van het Bestuur af. De aftredenden zijn niet binnen het jaar herkiesbaar, tenzij bij tusschen-tijdsche vacature, waarin op de eerstvolgende ledenvergadering wordt voorzien.

Art. 10.

Het Vereenigingsjaar begint met 1 November.

Het bedrag der contributie wordt op eene ledenvergadering vastgesteld en door den Penningmeester geïnd bij den aanvang van het Vereenigingsjaar.

Art. 11.

Het Bestuur bepaalt tijd en plaats der ledenvergaderingen, en schrijft die uit, wanneer het zulks noodig acht, of wanneer minstens 20 leden daartoe een gemotiveerd schriftelijk verzoek doen.

Art. 12.

Jaarlijks, op de eerste vergadering in November, brengt het Bestuur verslag uit omtrent den toestand der Vereeniging.

Art. 13.

In dezelfde vergadering doet de Penningmeester rekening en verantwoording van het gehouden beheer.

Art. Ié.

Het eventueel te-kort in de kas, tengevolge van buitengewone of onvoorziene uitgaven, wordt door hoofdelijken omslag gedekt.

ocr page 38

36

Art. 15.

Eventueele voorstellen tot verandering van het Reglement, moeten vóór November schriftelijk bij het Bestuur wordeningediend.

Aldus vastgesteld in de Algemeene Vergadering van 7 December 1886.

Het Bestuur van voornoemde Vereeniging:

J. J. van der WILLIGEN, 1° Voorzitter. Mr. A. C. WESENHAGEN, 2= Voorzitter. A. JANSEN, 1quot; Secretaris. A. INGENOOL, 2° Secretaris. D. J. P. STORM LOTZ , Penningmeester. A. HARTEVELT H.Az.

P. H. SMALT.

H. W. DE CRITTER.

ocr page 39
ocr page 40

9

i