(fir. /t#lt;j
~r
-C^)
Wat ra ra Cot ifiti.
EEN BOEKJE VOOR JONGE MENSCHEN
UIT HET ENGELSCII.
door
J. H. iVlARONIER.
â i' j:i quot;gt; f -
TI EL. â I». MUS. â 1 HSit.
$
EEN WOORD VOORAF.
Yoor jonge menschen is dit hoekje bestemd, waarmee echter geenszins wordt bedoeld, dat ouderen het ook niet zouden mogen inzien. Ik geloof zelfs, dat de inhoud ten hoogste de aandacht van menigen volwassene verdient. Maar de schrijver, prof. R. A. Armstrong, heeft in de eerste plaats jonge menschen op het oog gehad. Hij meende, dal deze een gids behoeven om hun geloof in God op een vasten grondslag te vestigen. Nadat het gezag van den Bijbel zijn vroegere beteekenis verloren heeft, zijn er velen, die niet welen, waaraan zich te houden. Hun ziel, om met den Psalmist te spreken, dorst naar God te midden van het gedruis der wereld. Hun hart, zooals Augustinus het uitdrukt, heeft, hij de onrust des levens, geen rust, totdat het God heeft gevonden. Maar, hoe hem te vinden? Dat is voor velen een onbeantwoorde vraag. En daardoor blijft hun godsdienstig leven een armelijk bestaan lijden. Want zonder krachtig geloof in God kan het niet bloeien en zich ontwikkelen. Hierom schreef prof. Armstrong dit boekje.
Reeds in 1886 verscheen het in het licht, en het is mij gebleken ook voor onze jonge lieden goede diensten te kunnen bewijzen. Want, al zijn er in onze dagen, die zich boven het geloof in God, en daarmee hoven allen godsdienst, verheven achten, toch worden er niet weinigen gevonden, die behoefte aan godsdienst gevoelen, wier verstand en gemoed er tegen opkomt om, zooals velen doen, zonder eenig nadenken of onderzoek, over al wat met den godsdienst in betrekking staat, de schouders op te halen. Er zijn kringen van jonge
een woord vooraf.
menschen, zoowel van het vrouwelijk als van hel mannelijk geslacht, waarin de hoogste vraagstukken met belangstelling worden besproken.
Voor hen vertaalde ik dit hoekje. Zij hébben er geen antwoord in te zoeken op alle vragen, die omtrent God en zijn wereldbestuur in een menschenhart kunnen oprijzen. Maar alleen een wegwijzer om hun aanvankelijk geloof te versterken. Het moge hun blijken, dat ook op dit gebied van een weten sprake kan zijn. En zoo zij hun de weg gebaand, om nu verder zelf over deze dingen na te denken en, terwijl in hun eigen hoofd en hart het licht opgaat, ook voor anderen wat licht te ontsteken.
Rotterdam, November 1888.
J. H. MARONIER.
I.
Lichaam en ziel.
Als gij een kind gadeslaat in het eerste tijdperk zijner ontwikkeling, dan zult gij merken, dat het onophoudelijk bezig is, en wel met de groote taak, die voor niemand onzer ooit geheel is afgedaan â de taak van te leeren. Men beweert, dat een kind in de eerste twaalf maanden van zijn leven meer leert dan in al de jaren die volgen. Of dit werkelijk zoo is, weet ik niet, maar wel, dal het in dit eerste jaar den grondslag legt voor al de kennis, die het later verkrijgen zal. Want het leert de belangrijke waarheid, waarop alle verdere kennis rust, dat er een Ik is en een Niet-ik.
Inderdaad, dit is het begin van alle menschelijke kennis; zonder dat zou alle verder onderricht ijdel zijn; zonder dat zou er geen nijverheid, geen taal, geen letterkunde, geen kunst, geen wetenschap, geen beschaving, geen godsdienst bestaan. Die vlugge bewegingen met handen en voeten, dat schitteren van de oogen, dat onbestemde slaan met de kleine vuist links en rechts, dat langzamerhand met overleg naar den mond brengen van een bal of een ring of een Sinaasappel â dat alles is niet zonder beteekenis; het is zelfs niet enkel een oefening van de leden en de spieren. Het is een reeks van wetenschappelijke proeven, die alle langzamerhand tot de ontdekking leiden, dat er een Ik is en een Niet-ik.
Hiermee bedoel ik natuurlijk niet, dat een kind bij zichzelf zegt; er is een Ik en een Niet-ik; of dat het weel,
WAT WIJ VAN GOD WETEN. 1
2
welk een wonderbaren Irap van kennis hel heeft bereikt. Maar wel weel het, als een uitgemaakte zaak, en het zal later altoos op grond van die kennis handelen, dat het zekere krachten en gewaarwordingen bezit; krachten, die hel op ballen en poppen en stoelen en tafels en broeders en zusters kan loepassen; gewaarwordingen, waarop omgekeerd invloed geoefend wordt door datzelfde speelgoed en huisraad en door diezelfde menschen. Het weet, dal, als hel in zijn been geknepen wordt, er een gevoel ontstaat, dal niet plaats heeft, als de poot van de tafel wordt geknepen. Hel weet, dal hel een aangenaam gevoel heeft, wanneer hel melk in den mond krijgt, een gevoel, dat niet ontstaat, als de melk in een schoteltje op de tafel wordt gegoten. Hel weel, dal het zijn arm kan bewegen, zoodra het dat wil, maar dat het willen alleen geen stoel in beweging zal brengen. Zoo legt dit onderscheid lusschen zijn Ik en iets anders den grondslag voor al zijn redeneeren en al zijn doen in de toekomst.
Wijsgeeren noemen dit Ik in ons, met een Latijnsch woord, hel Ego, en al wal daarbuiten is â de andere menschen, de wereld, de hemel â het Non-ego. Mijn Ego verschilt van het uwe, en uw Ego verschilt weer van dal van ieder ander. Mijn Non-ego komt in hoofdzaak vrij wel overeen met dat van andere menschen, maar toch niet geheel en al. Zoo is hel ook bij u en ieder ander.
Hel ligt voor de hand, dal ieder zijn Ego, zijn eigen Ik, veel beter kent dan hel Non-ego, hel Niel-ik. Want hij kent hel Ego onmiddellijk, niet door middel van iels anders, maar rechtstreeks; terwijl hij hel Non-ego door waarneming of redeneering moet leeren kennen. Ik kan er niet aan twijfelen, dat ik ben; maar wel kan ik twijfelen, of hetgeen ik zie of hoor misschien niet een verbeelding of een zinsbegoocheling is. Niemand twijfelt aan zijn bestaan;
3
maar wel hebben sommigen beweerd te twijfelen, of de buitenwereld misschien maar een droom was.
Ais het kind ouder wordt, zal hij zich bewust worden, dat zijne verdeeling der voorwerpen in Ik en Niet-ik niet alles zegt. In hetgeen hij'zich als het Ik heeft leeren voorstellen, zal hij een belangrijke en geheimzinnige verdeeling opmerken. liet bestaat uit een inwendig en een uitwendig deel. Het uitwendige deel is vrij duidelijk. liet bestaat uit een hoofd en een romp, armen en beenen, en kan in het algemeen ))het lichaamquot; worden genoemd. Maar achter of in dit zichtbaar uitwendig Ik, is een inwendig Ik, dat geen oog kan zien en geen hand kan tasten. Het uitwendig Ik beweegt zich, en door die beweging doet het allerlei dingen. Tot het inwendig Ik behooren gedachte, gevoel, wil; en de kleinste bewegingen van het lichaam gehoorzamen alle aan die onzichtbare bewegingen van het inwendig Ik. Knappe menschen, in vele landen en tijden, hebben trachten te bewijzen, dat dit inwendig Ik eigenlijk niet verschilt van het uitwendige; dat het slechts een fijne werking is van het bloed of de hersens; maar zij hebben het nooit verder gebracht dan enkelen tot hunne meening over te halen; het innerlijk gevoel hunner hoorders of lezers is altoos legen deze redeneering opgekomen. Men heeft aan dit geheimzinnig inwendig Ego verschillende namen gegeven, als het verstand, de geest, de ziel. Wij zullen het de ziel noemen.
Een mensch bestaat dus uit lichaam en ziel, het uitwendige en inwendige, het zichtbare en onzichtbare. Een der diepzinnigste vraagstukken van de wijsbegeerte is, in welk verband deze beide tot elkander staan. Want ze zijn met elkaar verbonden, zelfs zeer nauw en innig; maar nog nooit is het gelukt, dit vraagstuk ook maar eenigszins op te lossen. Het is dus een volstrekt geheim, een onoplosbaar
4
raadsel. Het schijnt wel, dat wij daarin nooit eenig licht zullen krijgen. Wel heeft de wetenschap doen zien, hoe verwonderlijk nauw en fijn hel verhand is. Wij kunnen bewijzen, dat elke wensch, iedere gedachte, ieder gevoel van het inwendig Ik onmiddellijk een verandering te weeg brengt in de wonderbaar gevormde stof, waaruit de hersenen bestaan. Wij kunnen bewijzen, dat de lichtste aanraking der oppervlakte van het lichaam invloed oefent op de gevoelszenuw, die met de hersenen in betrekking slaat, en dat dan de geest op de een of andere wijze aangenaam of onaangenaam wordt aangedaan. Wij kunnen aantoonen, dat de wil onmiddellijk op de bewegingszenuwen werkt, die, op hare beurt, de spieren van de hand of den voel, van den hals of de tong of het oog in beweging brengen. Maar hoe die werking van de ziel op het lichaam, en van hel lichaam op de ziel overgaat, daarvan kunnen wij niets begrijpen. Dagelijks wordt de brug in beide richtingen honderdmaal overschreden; maar wat de brug is, daarvan kunnen wij ons zelfs geen voorstelling maken.
Evenwel, ondanks deze geheimzinnige kloof tusschen lichaam en ziel, verbonden door een brug, even geheimzinnig als de kloof zelf, toch is er eenige overeenkomst tusschen die beide. De belangrijkste overeenkomst is gelegen in het vermogen, dat beide bezitten, om zich te ontwikkelen. Hel lichaam van het kind groeit met de jaren; hel neemt niet alleen in grootte en kracht toe, maar ook in verscheidenheid en fijnheid van werking. De bewegingen van een goed ontwikkeld jong mensch schijnen oneindig, in vergelijking met die van een kind. Hij kan niet alleen gaan en loopen en springen en zwemmen, maar hij kan ook een volmaakt cricketspeler of balwerper of kegelaar worden; hij kan een fijnen zet op het billard doen, een ervaren kunstenaar zijn op de viool of de piano. Door
5
kunstige bewegingen der vingers kan hij fraai leeren schrijven of leekenen en schilderen. Door nog kunstiger bewegingen van de keel- en tongspieren kan hij een voortreffelijk zanger worden. In al deze dingen neemt het lichaam voortdurend in bekwaamheid toe. Maar langzamerhand groeit het lichaam niet meer, leert niets nieuws meer, ja, verliest allengs zijn vaardigheid, verzwakt en vervalt.
Evenzoo neemt het inwendige van den mensch allengs toe. De ziel van hel kind is klein en zwak. De mate zijner denkbeelden is zeer gering; de kring van zijne gewaarwordingen is beperkt; de kracht van zijn wil heeft niet veel te beduiden. Maar bij het klimmen der jaren wordt niet alleen het inwendige Ik sterker, maar het neemt ook verwonderlijk toe in verscheidenheid en fijnheid van werking. Dit blijkt vooral op het gebied van zijn denken en redeneeren ; het uitgestrekt gebied van menschelijke kennis â geschiedenis, letterkunde, wetenschap, wijsbegeerte â komt in zijn bereik. Onderscheidingen, die het kind onmogelijk begrijpen kon, zijn voor den volwassene helder als de dag. In gewikkelde redeneeringen worden voor het rijpend verstand sleeds gemakkelijker te volgen. En dat niet alleen; ook de gewaarwordingen nemen in diepte en sterkte toe. Even zacht en zuiver als de aandoeningen zijn van een klein kind, even beminnelijk als de godsdienst is der jeugd, evenzeer overtreft de diepte der liefde van een krachtigen man en de verheven geestdrift van zijn vroom gemoed het hoogste wat een kind bereiken kan. En terwijl een kind zijne makkers en ouders liefheeft, zoo hebben goede menschen een hart voor de millioenen hunner onbekende landgenooten en broeders in den vreemde. Ook de macht van den wil neemt in een welopgevoede ziel met de jaren toe, totdat de mannelijke leeftijd een kracht bezit en een
6
standvastigheid van wil, die in geen vergelijking komt met de zwakke pogingen van het kind.
Er is echter één belangrijk verschil tusschen de ontwikkeling van het lichaam en die van de ziel. Het lichaam houdt na eenige jaren op te groeien; dan wordt het zwakker. Maar zeer dikwijls gaat de ziel nog in hare ontwikkeling voort, soms tot het zeventigste of tachtigste jaar. Er schijnt geen reden te bestaan voor het ophouden dier wonderbare ontwikkeling. Alleen het lichaam schijnt haar daarin met zijn afnemend gevoel en zijn verminderde kracht te verhinderen. Hoe natuurlijk is dan de gedachte, als wij zien, dat het hart van iemand ten laatste ophoudt te kloppen en de adem stilstaat, dat nu de ziel vrij is om in een nieuw leven, voor ons oog verborgen, in hare ontwikkeling voort te gaan.
Tot nu toe heb ik steeds van een uitwendig en een inwendig Ik, van lichaam en ziel, gesproken. Maar als wij onszelven goed nagaan, dan dringt zich het gevoel aan ons op, dat wij eigenlijk één geheel zijn, en dan rijst de vraag, wat het ware, het voornaamste Ik is, het inwendige ol het uitwendige, de ziel of het lichaam. En zoodra wij over die vraag nadenken, is het antwoord gevonden; het eigenlijke Ik is hel inwendige, de onzichtbare ziel, die denkt en gevoelt en wil. Het gewone spraakgebruik toont, dat dit feit een deel uitmaakt van ieders bewustheid, dat wij van zelf gevoelen en weten, dat ons ware Ik de ziel, en niet het lichaam is. Wanneer iemands denk- of gevoelvermogen verzwakt is en hij, als het ware, een deel ervan verloren heeft, dan plegen wij te zeggen: hij is zichzelf niet meer. Maar nooit zal men zeggen, dit iemand zichzelf niet meer is, als hij een arm of een been verloren heeft. Als wij spreken over herstel van het lichaam, dan zeggen wij alleen, dat iemand beter is geworden; maar als wij spreken van
7
beterschap der ziel, dan zeggen wij, dat hij zich verbeterd heeft. Als wij van iemand spreken, die zich «vergetenquot; heeft, dan bedoelen wij niet, dal hij zijn eigen gelaat of gedaante niet meer kent, maar dat hij het natuurlijk verband tusschen zijn verstandelijk en zedelijk leven schijnt verbroken te hebben. Iemand die «absentquot; wordt genoemd, is nog niet altijd iemand die lichamelijk afwezig is, maar kan iemand zijn, die met de gedachten elders rondzwerft.
Geen mensch, hoe ook door wijsgeerige bespiegelingen verstrikt, twijfelt eraan, dat hij werkelijk datgene is, wat denkt en wil en gevoelt â datgene, wat ik het inwendig Ik heb genoemd Een der grootste wijsgeeren bouwde zijn gansche wijsbegeerte op deze woorden, die het begin van alle kennis â¢en wijsheid zijn, het allereerste proefje van redeneering, dat hij ontdekken kon: Ik denk; dus ben ik.
Welk een tal van zonderlinge en kwellende vragen komen ons op de lippen, als wij eenmaal de groote waarheid hebben aanvaard, dat een levende ziel, onzichtbaar, onhoorbaar, maar ergens binnen in ons, het wezen van ons wezen is, achter de bezige handen en den sprekenden mond en die geheimzinnige vensters der ziel, de oogen, verborgen! In welke betrekking staat dit Ik, deze ziel, tot het lichaam'.' in welke betrekking tot de buitenwereld? Waar kwam die ziel vandaan? Waar gaat zij heen? Hoe kan zij ontwikkeld worden? Is er iets grooter dan deze ziel, iets achterhaar, boven haar, iets dat haar op een geheimzinnige, ontzagwekkende wijze beheerscht ?
Dit slaat vast, dat de ziel niet alleen met het lichaam verbonden is, maar dat de mensch een ziel is en een lichaam heeft, liet lichaam is het werktuig, het kleed, het «igendom van den mensch; de ziel is de mensch zeil'.
8
II.
Het Verstand.
Er is een lijd in het leven van het kind, â een tijd, zoo ver in het verleden, dat wij er ons niets meer van herinneren, â waarin hij meent, dat alles rondom hem van leven bezield is Als hij hel hoofd tegen een lafe! sloot» dan verbeeldt hij zich, dat de tafel den sloot gaf of gevoell; onverstandige moeders bevorderen dit bijgeloof zelfs door te spreken van een «stoute lafel.quot; Maar het duurt niet lang, of het kind begint in te zien, dat niet alleen tafels en stoelen, maar ook hout en steen, rotsen en heuvels, de zee en de bergen, de zon en de sterren, levenlooze, onbezielde voorwerpen zijn. Indien nu deze dingen niet leven, zoo verlangen wij te weten, of er niet de een of andere onzichtbare, levende Macht is, die ze leidt en bestuurt.
Wij zagen, hoe vroeg hel kind zich reeds bewust wordt, dal het macht heeft over zijne eigen armen en beenen. Hel merkt ook, dat het macht heeft over de kleinere voorwerpen om hem heen. Voorloopig blijft die macht beperkt tol het schikken van eenige kleine voorwerpen in een bepaalde orde, zooals houten blokken, die hij opbouwt tot een toren of een kerk of een spoorweg. Hij heeft dus macht om het een en ander samen te stellen. En als hel kind een man wordt, dan neemt dat vermogen van samenstellen toe. De eene mensch ontwikkelt zich in deze, de ander in die richting; maar velen leeren die verschillende groole en kleine, nuttige en sierlijke voorwerpen le maken, die de vrucht van den menschelijken arbeid zijn.
Wanneer gij er goed over nadenkt, dan zult gij bemerken, dal alle nijverheid, niet die van den ingenieur alleen, maar ook van den werkman, den steenhouwer, den tuinman, zelfs
9
die van den kleermaker, geheel en al beslaat in het uitoefenen van macht over voorwerpen buiten hen. Het is een bewegen en rangschikken der dingen, anders niet. Zelfs schrijven en schilderen beslaat daarin alleen. Wat daarbij het gebruik van het lichaam betreft, in onderscheiding van den geest, zoo wordt alleen inkt en verf van de eene plaats naar de andere gebracht. Geheel ons uitwendig leven komt hierop neer, dat wij dingen buiten ons in beweging-brengen. Die dingen kunnen stukken van een rots, de klei onder onze voeten, de letters van den drukker, de suiker en kaneel van den kruidenier, de luchtdeelen, die wij door de pijpen van een orgel drijven, de ballen van een billard, de beslanddeelen van een sigaar of alleen onze eigen handen en voelen zijn. Maar alle stoffelijke werkzaamheid is de beweging van stoffelijke voorwerpen. Die eeuwige beweging bestaat uit drie factoren: het Ik, de ziel, de wil is de bevelvoerder; de deel en van het menschelijk lichaam zijn de werktuigen; de derde factor is het voorwerp, dat in beweging wordt gebracht.
Aan dezen gang van zaken, die, hoe verschillend ook in de bijzonderheden, toch altoos dezelfde is in aard, zijn wij zoo gewoon, dat onze geest onwillekeurig alle beweging afleidt van een wil, die er den stool toe geeft. Onze ervaring van de macht van den inwendigen wil om uitwendige beweging te doen ontslaan, is zoo standvastig, dat wij den wil en de beweging in ééne gedachte samenvatten. Van de waarneming eener beweging springt de geest onmiddellijk over op de onderstelling van een levende macht, aan onszei ven verwant, als de oorzaak dier beweging.
Er zal wel niemand zijn, die dit betwijfelt. Onderstel, dat gij in uwe kamer zit en er eensklaps een steen door het raam vliegt. Terstond zult gij u overtuigd houden, dat die steen door iemand is geworpen. De mogelijkheid, dat
10
de steen vanzelf is opgesprongen en uw raam gebroken heeft, komt zelfs niet bij u op. Indien iemand dit onderstelde, zoudt gij aanstonds uilroepen: »Een mooi ding, de steen leeft immers niet!quot; Neen, gij verlangt iets levends, een Ik, een wil, als de oorzaak van hetgeen gebeurd is â en gij ziet, als- het ware, de hielen van den ondeugenden jongen om den hoek van de straat verdwijnen.
Zoo ook is het voor den menschelijken geest niet mogelijk, zich eenige beweging van uitwendige dingen voor te stellen, zonder dat daarvan ten slotte een levende wil de oorzaak is. Wel blijkt het niet altijd, dat üiz wW Ae onmiddellijke oorzaak is der beweging, die wij zien; soms zijn er verscheidene andere oorzaken tusschen. Bijvoorbeeld, gij ziet een machine, die aan de eene zijde vellen papier aanvat en ze aan den anderen kant te voorschijn brengt, alge-sneden en gevouwen en in nette zakken veranderd. Als een Hottentot of een Fiji-eilander dat zag, zou hij stellig denken, dat er een levende wil in de machine zelf met hare groote, zwaaiende armen zit. Gij weet wel beter; maar gij gevoelt u toch, evenals die wilde, gedwongen om een levenden wil aan het begin van dal alles aan Ie nemen; en gij denkt aan den man, die de machine heeft gemaakt of in beweging gebracht.
Zoo ook, als de post u een brief bezorgt, als uw eten wordt opgedischt, als de tonen van een straat-orgel lot u doordringen, als een pijl door de lucht snort, als in de duisternis van den nacht het gillen van de stoomfluit u uit den slaap doel opspringen, dan verbindt uw geest deze dingen onmiddellijk met den onzichlbaren menschelijken wil, waardoor zij voortgebracht worden en zonder welke zij nooit konden ontstaan zijn.
Evenwel, de meeste bewegingen, die wij rondom ons waarnemen, kunnen aan geenerlei menschelijken wil worden
11
toegeschreven. Als ik zit te schrijven, hoor ik het trippelen van kleine voetjes op de straat, een vogeltje vliegt voorbij mijn raam, de hoornen in den tuin van mijn buurman bewegen de toppen langzaam heen en weer, de wolken varen door de lucht, en alles wordt bestraald door bet licht, dat van de schitterende zon uitgaat. Van al deze bewegingen kan ik alleen het trippelen van de voeljes aan een menscheüjken wil toeschrijven. De vogel heeft, dunkt mij, een eigen wil, een Hauwen, beperkten wil misschien, maar toch iets, dat overeenkomt met heigeen ik in mijzelven wil noem. Maar de wuivende boomen en de zeilende wolken en het wonderbaar licht, dat met een ondenkbare snelheid door de'ruimte voortscbiet â neen, door geen wil vaneen mensch of een vogel worden deze bewegingen voortgebracht.
Inderdaad, wanneer wij, in het licht der hedendaagsche wetenschap, op de groote wereld zien, waarin wij leven, dan wordt onze verbeelding overstelpt door de menigte van al de voortdurende bewegingen rondom ons. Wij spreken van onbewegelijke rotsen. Maar al de rotsen, die den oceaan omringen, met geheel den vasten bodem, waarop wij staan, gaan elke sekonde negentien mijlen voort op de vastgestelde baan rondom de zon.
De meesten merken niets van de oneindige verscheidenheid van beweging om ons heen. Stel u een stillen en zoelen dag voor. Geen koeltje is er in de lucht. Het vee ligt moede in de schaduw, de bladeren hangen slap aan de boomen, en het eenig geluid, dat gij hoort, is het zachte ruischen van een beek. De natuur, zegt gij, ligt in slaap en heelt alle veerkracht verloren. Maar indien gij oogen hadt om te zien en ooren om te hooren, dan zoudt gij ontdekken, dat er in de boomen en de steenen en in alles wat gij ziet, een voortdurende, een wonderbare beweging is, dat allerlei krachten daarin wakker zijn en aan hel werk. De bladeren
12
hangen slap aan de takken; en toch stroomt het sap in die takken onophoudelijk voort, en stort kracht en leven in elke vezel, ledigt millioenen blaasjes in ieder blad, terwijl in elke cel het vocht heen en weer loopt en danst, overal om zich heen leven verspreidend. Iedere grashalm voor uw voet trilt van de slroomen, die er door heen gaan. Hel groene veld is vol van allerlei leven, en onder den grond boren duizenden ijverige wormen hunne holen. Ja, zelfs het licht, dal uwe moede oogen verblindt, wordt bijna tweehonderdduizend mijlen in een sekonde in klotsende golven door de zon voortgestuwd, en onze onvermoeide aarde scheidt deze golven vaneen, even spoedig als zij aansnellen, neemt de een in zich op en werpt de ander terug, groen en grijs en bruin, in de dansende lucht. En die groote zon, die daar staat als een rustige bal van vloeibaar licht; uit de groote draaikolken van gloeiend metaal vloeien ontzettende vuren rondom haar reusachtigen bol, en een enkele tong van die Titanische vlammen zou onze aarde oplekken, evenals een slang een vlieg oplekt, Kondet gij de bewegingen hooren van ai de atomen om u heen, het zou als het gedruisch zijn van een leger, dat ten strijde trekt. Binnen ieder stukje steen of brok klei, dat gij in de hand houdt of met den voel wegschopt, is waarschijnlijk een onophoudelijke trilling van deeltjes, zoo klein, dat geen mikroskoop ze kan ontdekken, en zoo snel, dat de verbeelding het zich niel voorstellen kan. Hel gas in de lucht, die wij inademen, bestaal uil deeltjes, die door sommigen op billioenen in één kubieken centimeter worden geschal; en deze deeltjes bewegen zich onophoudelijk heen en weer in alle mogelijke richtingen, met een snelheid van zoowal twintig mijlen in een minuut Op den nagel van uw pink worden iedere sekonde millioenen slagen door deze vliegende deeltjes toegebracht.
13
Wanneer wij ons nu voor een oogenblik deze buitengewone werkzaamheid, op elke plaats en ten allen tijde, al is het ook nog zoo flauw, trachten voor te stellen, moeten wij dan niet aannemen, dat er een rustelooze wilsmacht achter dit alles verborgen is? Dwingt ons de aanleg van onzen geest niet, dat alles aan een levende kracht toe te schrijven, die met hare machtige bezieling het geheele samenstel der wereld doordringt?
Indien wij niet altoos den indruk gevoelen van zulk een levende macht in het heelal, het komt, dunkt mij, doordat vele der zichtbare bewegingen betrekkelijk langzaam zijn. Als gij op de klok ziet, dan beweegt zich noch de uur-noch de minuut-wijzer snel genoeg om terstond de gedachte bij u te doen rijzen van de kracht, waarmee zij worden Toortgedreven, hoewel gij zeer goed weet, dal zij zich voortdurend bewegen. Maar als gij u eens een klok voorstelt met een sekonde-wijzer, langer dan de minuut-wijzer en over de geheele wijzerplaat heenloopende, dan zult gij aanstonds den indruk krijgen van iets levends, en onmiddellijk denken aan de kracht, waardoor die wijzer bewogen wordt. Zoo kunnen wij ook een bloem zien groeien ol een boompje, dat in een geheel jaar slechts een duimbreedte in omvang toeneemt, zonder dat wij eenigen indruk krijgen van de verborgen kracht, waardoor die groei wordt teweeg gebracht. Maar indien gij den eikel eens in den grond legdet en in een uur het groene spruitje uit den grond zaagt te voorschijn komen, en opgroeien en dikker en steviger worden, en de takken hunne armen zaagt uitsteken, en de groene bladeren ontluiken en verwelken en ter aarde vallen, en datzelfde honderdmaal achtereen, en de versche eikels bij duizenden van den boom zaagt vallen en een bosch worden, dat zich wijd en zijd uitstrekt, â indien gij dat alles zaagt gebeuren in een uur, dan zoudt gij
4
14.
onmogelijk weerstand kunnen bieden aan het gevoel van een onzichtbare levende macht, die in dat alles werkt. Nu maakt het verschil tusschen een uur en duizend jaren geen wezenlijk verschil in den aard van de kracht, die daartoe noodig is; en indien er een wil zou noodig zijn als oorzaak van dat alles in het ééne geval, zou hij ook noodig zijn in het andere. ^
In oude tijden, in de kindsheid der wereld, gevoelde men overal de behoefte om de meest in het oog vallende bewegingen in de natuur te verklaren als het werk van de eene of andere macht, toegerust met een wil, die zich in dat alles openbaarde. Als een lawine donderend naar beneden stortte, dan dacht men, dat een god op de bergen aan het kegelen was en een stuk er van naar beneden gooide. Als de bliksem de lucht doorkliefde, dacht men, dat een god de donderkeilen tegen zijne vijanden slingerde. Wij zijn de kindsheid der wereld te boven en hebben de wetenschappelijke, verklaring van deze treffende natuurverschijnselen leeren kennen. Wij weten, dat de lawine naar beneden komt, doordat de warme lentezon de sneeuw doet smelten en dat dan iedere hinderpaal verdwenen is om de massa door de zwaartekracht naar omlaag te doen storten. Wij weten, dat de bliksem een gevolg is van de elektriciteit, die van de eene wolk in de andere overgaat. Maar hiermee hebben wij alleen een wet uitgesproken en niets verklaard; wij blijven nog altoos zoeken naar de macht, die deze verschijnselen teweeg brengt.
De appel valt ter aarde, zeggen wij, omdat de aarde hem aantrekt. Maar wij bedoelen daarmee niet, dal de aarde werkelijk den appel een stoot geeft. Wij zeggen, dat het getij van den eenen naar den anderen kant van den oceaan gaat, omdat de zich voortbewegende maan het water aantrekt. Maar wij bedoelen daarmee niet, dat de maan.
15
op een afstand van duizenden mijlen, werkelijk de zee voortduwt. Of, voor zoover wij dat doen, voor zoover wij de aantrekkingskracht ons voorstellen als een werkelijk trekkend vermogen, denken wij ons de aarde en de-maan als levende voorwerpen. Wanneer wij onszei ven dwingen, om het denkbeeld van een levend, bewust trekken uit onze gedachte te zetten, dan moeten wij wel komen tot het denkbeeld van een andere kracht, een levende macht, die den appel of de zee in beweging brengt, in den vorm dier aantrekking, die wij zwaartekracht noemen.
Gij slaat een magneet gade en het stukje ijzer, dat over de tafel er naar toe gaat; nu moet gij, wanneer gij uwe gedachten ontleedt, óf dat stukje ijzer u levend denken en zic/we//bewegend, óf den magneet, het stukje ijzer trekkende; óf een willende macht u voorstellen, gelijk de macht, die gij aanwendt, om een steen op te lichten, die de beweging, welke gij ziet, doet ontstaan.
En zoo komen wij altoos, door de inrichting van onzen geest, tot de gedachte van een wil als de oorzaak â de eenige denkbare oorzaak, van de oneindige bewegingen in het heelal, van de zon door de ruimte, zoowel als van de kleinste deeltjes van een waterdroppel.
Een wil is er de algemeene oorzaak van. Maar is die wil één of velerlei?
In onze ervaring van de verschijnselen, door den mensche-lijken wil teweeg gebracht, beoordeelen wij de vraag, of een bijzondere groep van verschijnselen uitgaat van een enkelen wil of van vele, door na te gaan, of er een regelmatige orde en onderlinge betrekking in die verschijnselen is waar te nemen, of dat zij zich buiten verband met elkaar schijnen voor te doen. Bijvoorbeeld, in een gevecht, als de vijand in wanorde komt aanstormen en ieder man op zijn eigen hand vecht, dan weten wij, dat er geen
16
beheerschende wil is, geen plan, dat gevolgd wordt, maar â dat er een tal van willen is, die onalhankelijk van elkander handelen. Daarentegen, als het centrum en de flanken van den naderenden vijand zich met eenparige nauwkeurigheid voortbewegen, als op een gegeven afstand ieder geweer wordt aangelegd en het schroot op een oogenblik de lucht doorklieft, dan weten wij, dat eenzelfde geest den aanval heeft beraamd en dat die duizenden zich niet volgens hun eigen verschillenden wil bewegen, maar door den wil en het oordeel van den man te paard, die daar in de verte op een heuvel staat.
Overeenstemming van beweging onderstelt altoos eenheid van wil. Een regiment op marsch beweegt zich, zegt men, »als één man.quot; En werkelijk is dat zoo; want al die beenen staan op dat oogenblik ter beschikking, niet van hunne eigenaars, maar van den kolonel, die naast degelederen rijdt.
Verbeeld u een machine, zoo ingewikkeld en toch zoo nauwkeurig als die voor kantwerk te Nottingham. Onderstel, dat al de raderen en stangen en draden en spoelen ongeregeld door elkaar werkten, dan zou er niets terecht komen van hetgeen zij moesten doen. Maar nu, terwijl de deelen zoo fijn in elkaar zitten en zoo talrijk zijn, dat men lang met de machine moet hebben omgegaan om er geheel in tehuis te zijn, toch werken zij zoo regelmatig en in zulk een volmaakte harmonie, dat gij allengs de draden, aan de eene zijde vastgemaakt, aan de andere in de schoonste orde ziet te voorschijn komen en het rijkste patroon van varens en bloemen zonder een enkele fout ziet tol stand brengen. Zou iemand die machine kunnen zien werken, zonder de vaste overtuiging, dat de samenwerking van al hare deelen hel gevolg is van één wil en één plan, die de beweging van het geheel besturen?
17
Eh als wij nu van dit menschenwerk overgaan op het groot gebied der natuur, dan vinden wij overal groepen van beweging, nog veel ingewikkelder dan die van eenige kant-machine, en toch werkende met een regelmatigheid, en een overleg, die het fraaiste werk, dat ooit uit menschen-handen is voortgekomen, ver te boven gaan. Zie op de bewegingen der hemellichamen. Zoo volmaakt regelmatig is de loop der maan rondom de aarde en der aarde rondom de zon, dat een zons- of maansverduistering eeuwen te voren met de grootste nauwkeurigheid voorspeld kan worden. Let op de sterren, hoe vast zij hare plaats in betrekking tot andere sterren aan den hemel behouden. Wel mocht de Israëlietische zanger ze bij een talrijk leger vergelijken, waarvan geen enkele soldaat op zijn post gemist wordt.
En diezelfde regelmaat, die zich in de groote dingen aan ons vertoont, ontdekken wij ook in de kleine. In de rangschikking der fijne cellen, waaruit de groei van al wat leeft bestaat, is een geregeld plan op te merken, dat eindelijk in de volwassen plant of hel volwassen dier te voorschijn treedt. Inderdaad, geheel de tegenwoordige opvatting van het heelal is gegrond op de eenheid der macht, die het heeft voortgebracht en in stand houdt. Ieder wetenschappelijk man zal dat toestemmen. Alle verschillende levensvormen blijken hoe langer zoo meer uit één oor-spronkelijken vorm te zijn voortgekomen; als wij de amoeba 1) onder het mikroskoop beschouwen, dan zien wij met onze eigen oogen, welke vorm dat was. En de leeraars der weienschap stellen zich thans niet meer tevreden, zooals vroeger, met de verwonderlijke overeenkomst aan te wijzen tusschen het geraamte van een mensch en van een kikvorsch; maar zij nemen de molekulen en de insekten en zelfs de planten in dezelfde familie als het menschdom op.
1) Het minst ontwikkeld organisch wezen.
WAT WIJ VAN GOD WETEN. 2
18
Men gaat tegenwoordig zoo ver, dat men slechts ééne zelfstandigheid in het gansche heelal aanneemt en het verschil in hoedanigheid â vastheid, gewicht, kleur, smaak, reuk â toeschrijft aan de rangschikking der atomen of aan de snelheid en de richting der bewegingen van die oneindig kleine deeltjes, waaruit iedere zelfstandigheid bestaat. Uit de wonderbare onthullingen der spectraal-analyse is gebleken, dat de zelfstandigheden, waaruit de verst verwijderde sterren bestaan, eigenlijk dezelfde zijn, als wij hier op aarde kennen, ijzer en andere metalen, waterstofgas en andere gassen.
Zelfs leert ons de wetenschap, dat de zwaartekracht en het magnetisme en de warmte en de electriciteit en al die vormen van de werking der natuur, waarvan wij plegen te spreken als van zoovele verschillende krachten, alleen zoovele wijzen zijn, waarop de ééne kracht werkt eri, naar willekeur, van de eene in de andere kan omgezet worden. De wetenschap brengt ons dus tot dezelfde uitkomst, waartoe het onderzoek der onvermijdelijke wetten van ons denken ons in het begin van dit hoofdstuk bracht; zij leert ons, dat alle krachten in één naam kunnen worden saamgevat â en die ééne naam kan geen andere zijn dan de Wil.
Kortom, door de inrichting van ons eigen denkvermogen zijn wij gedwongen te gelooven, dat de oneindige bewegingen, waaruit het onmetelijk heelal bestaat â bewegingen van reuzenzonnen in de ruimte, bewegingen van de kleinste gasdeeltjes, in ontelbare tienduizendtallen millioenen malen in een sekonde tegen mijne oogleden springende â de uitwerking zijn van een Wil, aan den onze verwant, en dat deze Wil hier en overal volkomen dezelfde is, nu en altoos. Alleen dit voegen wij er nog bij; Dezen Wil, deze levende, werkende Macht noemen wij â God.
19
En als wij nu ten slolle het heelal aanmerken als liet arbeidsveld van God, dan wordt onze verbeelding overstelpt tegenover de openbaring, die wij rondom ons aanschouwen. De sterkste teleskopen, die ooit vervaardigd zijn, laten ons van hetgeen wij den buitensten rand der schepping zouden willen noemen, flauwe lichtwolken zien, die uit zeer kleine lichtdeeltjes schijnen te bestaan. Enkele dier lichtwolken zijn door onze teleskopen nog niet als werkelijke starren openbaar geworden; maar andere zijn zeker zwermen van zonnen, die vele malen grooter zijn dan de reuzenbol, die onze aarde verlicht en verwarmt. En toch is deze zon zelf zoo ontzettend groot, dat de aarde en de maan er in zouden kunnen rondwandelen, en de maan dan op denzelfden atstand van de aarde zou kunnen blijven. De werkelijke grootte der zon is anderhalf millioenmaal de grootte der aarde. En wij weten, dat het licht, dat acht minuten behoeft om ons van de zon te bereiken, naar denzelfden maatstaf vele duizenden jaren heeft noodig gehad om van eenige dier glinsterende licht plekjes daarginder tot ons te komen. Niemand kan zeggen, dat ook deze lichtplekjes iets dichter bij de grenzen der schepping zijn dan wij. En niemand kan een getal noemen, dat waarschijnlijk niet door het getal der zonnen overtroflen wordt. De sterren, die door het menschelijk oog worden waargenomen, zijn twintig millioen in getal. En dat alles wordt door den goddelijken Wil bestuurd en geregeld van sekonde tol sekonde, van den beginne af, indien er ooit een begin is geweest, tot het einde toe, indien er ooit een eind zal zijn. En door dien Wil zijn dezelfde metalen, dezelfde gassen in al de werelden aanwezig, waarschijnlijk alleen verschillende door verschillende bewegingen van hunne kleinste deeltjes. En van deze deeltjes kunt gij misschien een 3 met 20 nullen er achter schrijven voor elke kubiek
2quot;
20
duim, wal de gassen betreft. En ieder deeltje springt in een minuut zoo wat twintig mijlen ver, heen en weer, op zijn eigen baan, die verschilt van de baan van ieder ander deellje in de schepping, alle uren en dagen en jaren en eeuwen voort. En dat alles wordt aldus door den eenen God in sland gehouden.
Als wij voor een enkel oogenblik met de verbeelding bij dien alles doordringenden en alles omvattenden Wil stilstaan, dan gevoelen wij ons door verbazing aangegrepen bij de gedachte, dat wij ook met het voorrecht van een wil zijn toegerust, evenals God. Wel is het veld van onze werkzaamheid oneindig klein; maar toch zijn ook wij levende willen met de duidelijke eigenschap van overleg en doel, in staat om bewegingen voort te brengen door onze eigen oorspronkelijke keus, en daarom nauwer aan God, den Schepper, verwant dan aan de steenen en de rotsen en de bergen en de sterren, die alleen de stof zijn, door den Hoogsten Wil bewogen.
Het zal wel altoos een vraag blijven, door verschillende soorten van denkers verschillend beantwoord, in hoeverre de viervoetige en kruipende dieren, de visschen, de vogels, de insekten, een eigen, zelfbepalenden wil bezitten, evenals de Mensch; dan wel, of zij veeleer de voorwerpen zijn, door welke een hoogere wil werkt. Maar wat wij ook zeggen mogen van het verstand, dat de dieren in hun doen openbaren, er zijn enkele handelingen, hun eigen, waarvoor een hooger verstand, en dus ook een hoogere besturende wil noodig is, dan men hun doorgaans toeschrijft. De verwonderlijke bouwkunst der bijen en wespen is het bekende voorbeeld, dat men daarvoor doorgaans aanhaalt. Niemand zal meenen, dat deze insekten die meetkunstige vraagstukken hebben uitgewerkt, die toch moeten begrepen zijn door het verstand, dat hen drijft om hunne
21
cellen in dien volmaakten zeshoekigen vorm te bouwen. En daarom schijnen wij gedwongen om aan dal Verstand ot dien Wil te denken, waardoor de sterren in evenwicht gehouden worden en de bloemen bloeien, en waardoor ook die ijverige werklieden in hun wonderbaren arbeid worden bestuurd.
Het geheele vraagstuk aangaande den aard en den oorsprong van het instinkt is van te wijden omvang om hier behandeld te kunnen worden. De nieuwere wetenschap heeft onze denkbeelden daaromtrent in vele opzichten gewijzigd. Hel was onze bedoeling in dit hoofdstuk te doen zien, dal de Wil van God niet alleen de eenige denkbare oorzaak is van de oneindige bewegingen der onbezielde schepping, maar ook te doen gevoelen, dal er even goed bezielde bewegingen zijn, die niet behoorlijk kunnen verklaard worden, door ze aan den wil en de bedoeling van het schepsel loe le schrijven. Zij moeten hare verklaring, evenals de wenteling der planeten en het trillen en springen der oneindig kleine gasdeeltjes, in den rechtstreeks werkenden Wil van den Schepper hebben.
Hl.
Het geweten.
Het denkbeeld van God, dal ons wordt opgedrongen door het nadenkend verstand, waarover wij spraken, is zonder twijfel zeer verheven. De voorstelling van die eeuwige en algemeene kracht is wel berekend om een levendig gevoel van onze geringheid in ons te doen ontwaken, een diep besef, dal deze machtige levende kracht ons kan en moet besturen volgens wetten, waartegen niets is in te
22
brengen. Ja, wij zijn in de macht van God; er is geen ontkomen aan zijn bestuur; door zijn adem hebben wij het leven ontvangen, en op zijn bevel kunnen onze lichamen heden of morgen sterven. De ontdekking van een Wet, die overal heerscht, als de uitdrukking van den HoogstenWil en de wijze van diens werkzaamheid; (ie ontdekking, dat de wonderbare vormen van kracht, die wij zwaartekracht, electriciteit, warmte en zoo verder noemen, nooit afwijken van den vaslgestelden regel; dat een Alexander, een Napoleon, een Gordon, een Wolseley, met hun gansche legermacht, even onbepaald aan die kracht onderworpen waren als een kapel of een mot â dat alles wekt in ons het gevoel van afhankelijkheid, van machteloosheid tegenover God, en is in slaat om het stoutmoedigst hart met diep ontzag te vervullen.
Dat gevoel van afhankelijkheid, van verbazing tegenover de onbegrensde macht, is een der bestanddeelen van hetgeen wij godsdienst noemen.
En toch behoort hel betoog, dat wij in het vorig hoofdstuk leverden, eigenlijk meer tot de wijsbegeerte dan tot den godsdienst. Wij beriepen ons daarbij alleen op het versland, de rede, op het denkvermogen van onzen geest Overeenkomstig de wetten van ons denken zochten wij naar de Oorzaak van de oneindige verscheidenheid der verschijnselen of bewegingen in de natuur; en overeenkomstig die wetten kwamen wij tot de overtuiging, dat de eenig mogelijke Oorzaak één levende Wil is â of, om aan dien Wil den gebruikelijken naam te geven â God.
Nu is hel mogelijk, dit alles ten volle toe te geven, en toch niet te behooren lot hen, die trachten zoo deugdzaam mogelijk te leven, of lot hen, die den innerlijken vrede met God bij ervaring kennen. De verstandelijke overtuiging omtrent God, als de oneindige en eenvoudige Oorzaak, maakt
23
op zichzelf niemand goed; zij is zelfs niet voldoende om iemand God te doen beminnen. En wal het gevoel van verbazing tegenover de onweerstaanbare macht van God betreft, dit kan op zichzelf even goed wanhopig als deugdzaam maken, het hart van den mensch even goed met vrees als met godsdienstig gevoel vervullen.
Daarenboven, hoewel het voor ons van zelf moge spreken, dat de verschijnselen der natuur tot de erkenning van een God achter de natuur dwingen, hoewel wij ons genoopt gevoelen de groote Oorzaak te denken als een levenden Wil, als God; toch kan het ons niet ontgaan, dat er tal van knappe menschen zijn, die zulk een noodzakelijkheid niet inzien en beweren, dat wij, door aan die natuurlijke neiging van onzen geest toe te geven, eigenlijk niet anders dan een bodemloos bijgeloof huldigen.
Door dit feil te erkennen, wil ik volstrekt niet toegeven, dat deze houding van sommige denkers ons vertrouwen in het minst behoeft te schokken in hetgeen wij als de noodzakelijke wellen van ons eigen denken beschouwen. Ik geloof, dat zulk een houding ten eenenmale ongerechtvaardigd is en alleen kan worden toegeschreven aan zekere persoonlijke omstandigheden van deze enkele menschen, waarover wij later zullen spreken. Zij lijden óf aan een hevige reactie van de verkeerde voorstellingen omtrent God, die wij van een minder wetenschappelijke eeuw hebben geërfd, óf zij slaan onder den invloed van een bijzondere richting in hunne studie, waardoor de natuurlijke afkeer van het verstand om zich neer te leggen bij oorzaken, die niel met een levenden wil in verband slaan, verzwakt is. Waarschijnlijk ondergaan zij den invloed van beide omstandigheden te zamen. Maar niettemin moeten wij hel teil wel erkennen, dat er knappe en ontwikkelde menschen zijn, die zulk een natuurlijke noodzakelijkheid, waarvoor wij
24
ons buigen, niet aannemen, om namelijk de verschijnsele» van hel heelal tot een levenden wil als hun eenig denkbare bron terug te brengen.
Wij zijn dus nog ver van hetgeen wij godsdienst plegen te noemen gevonden te hebben. Vooreerst is datgeen, wat wij vonden, meer wijsbegeerte dan godsdienst; ten andere, voor zooveel het godsdienst is, is hel geen godsdienst, die met noodzakelijkheid tol hel zedelijk goede ol tol vrede' des gemoeds leidt; ten derde, zijn er, die ons beweren in twijfel trekken, dal wij door hel nadenkend verstand worden gedwongen, de hoogste Oorzaak als een levenden Wil op te vallen, en die daarin geen bodem zien, waarop wij veilig kunnen bouwen.
Kunnen wij God dan nog op een andere wijze leeren kennen? Is er een andere weg om le komen lol de overtuiging, welke ons hel onderzoek der wellen van oorzaak en gevolg alleen niet geven kan?
Om die vraag te beantwoorden, vestig ik uwe aandacht op een soort van feiten van een geheel anderen aard dan die wij tot nog toe beschouwden. Wij bepaalden ons alleen tol de bewegingen in de wereld buiten ons; lellen wij nu op enkele bewegingen van de wereld, die wij omdragen in ons gemoed.
Er zal wel niemand onder mijne lezers zijn, die niet een enkele maal aan een groole en sterke verzoeking heeft toegegeven. Welnu, wal herinnert gij u van de oogenblikken, die daarop volgden? Vielen u genot, winst, voldoening ten deel? Gij hadt het verwacht; want anders zoudl gij immers niet hebben gedaan, wat gijzel f als verkeerd beschouwdel. En toch, hel was geen genot en geen winst, wat door u werd geoogst, maar een pijnlijke onvoldaanheid, die u overviel, zonder dal gij te voren daarvan iets hadt vermoed. De voldoening werd geheel en al bedorven door een vreemd, een akelig gevoel van onwaardigheid, waartegenover gij
25
u geen oogenblik werkelijk verheugen kondel. En dit gevoel overviel u, nietwaar? Onafhankelijk van eenige redene^ring mei uzelven of zonder dat gij u vrijwillig bewoogl naar het betere heen. Hel kwam niet, doordat een kalm nadenken u deed inzien, hoe slecht gij geweest waart; maar doordat gij, tegen wil en dank, door verwijt werdt overstelpt, alsof een stem van een uitnemend, een heilig persoon lot uwe ziel was doorgedrongen.
Roep u daarentegen een gelukkiger ervaring voor den geest. Hebt gij ooit, ondanks een zware verzoeking om anders te handelen, in een hachelijk oogenblik gedaan wat gij gevoeldet hel zuiverst, het edelst, het waardigst te zijn? Gode zij dank! weinigen onzer zoeken vergeels naar een dergelijke herinnering. En hoe was hel u, onmiddellijk nadat de teerling geworpen was en gij hel beste deel gekozen hadt? Misschien bracht die keuze mee, dat gij een groot genot moest opgeven, waarop gij uw hart hadt gezet. Misschien bracht zij mee, dat gij een moeilijke taak moest aanvaarden, waarvoor het zwakke vleesch terugdeinsde. Maar dan zou men denken, moet het oogenblik, dal daarop volgde, een oogenblik van pijnlijke leegle of neerslagligheid zijn geweest. Was dal werkelijk zoo? Integendeel, er kwam een liefelijke en wonderbare vrede des harlen over u, waarop gij in hel geheel niet gerekend hadt. Op dat oogenblik hadt gij het levendig besef, dal gij in harmonie waart gekomen met het beste wat er is, dat gij het ware leven hadt gevonden, hetwelk u meer waard; was dan het gemak ol de winst, die gij hadt prijsgegeven. Ik bedoel daarmee niet, dal het een gevoel van verdienste of zells van waardigheid was, maar van vrede, alsof iemand, op wiens goedkeuring gij hoogen prijs sleldel, u in hel oor fluisterde: »Mijn kind, gij hebt goed gehandeld!quot;
Evenwel, het gevoel van veroordeeld te worden, als wij
26
kwaad hebben gedaan, en het gevoel van geprezen te worden, als wij goed hebben gehandeld, zijn niet de eenige ervaringen, die wij kennen. Wij ondervinden hetzelfde ook in die oogenblikken, waarin de verzoeking ten kwade of de gelegenheid ten goede zich aan ons voordoet.
Wie kent niet de merkwaardige bladzijde in den brief van Paulus aan de Romeinen, waarop deze woorden voorkomen: »Wat ik wil, doe ik niet; en wat ik niet wil, dat doe ik;quot; en nog eens: «Het goede, dat ik wil, doe ik niet, maar hel kwade, dat ik niet wil, doe ik.quot; En deze treurige belijdenis op de lippen van den grootste en edelste aller vrienden van Jezus, die het Christendom deed doordringen in de heidenwereld, vindt zonder twijfel weerklank bij allen, die ook wenschen goed en waar te zijn, maar gisteren en heden en morgen struikelen en vallen en doen wat zij niet willen.
En deze jammerlijke ervaring, zelfs van ernstige menschen, is een gevolg der ontzettende macht van hetgeen wij verzoeking noemen. In zekere oogenblikken van ons leven doel zich het kwade aan ons voor en schijnt dan zoo verschoonbaar te zijn, zoo weinig slecht en zoo heel aangenaam, of zoo betamelijk, of een zoo gemakkelijke weg uit een moeilijkheid, ot een zoo geschikte bevrediging van een hartstocht, die in ons loert, dat de neiging om dat kwade te doen met een bijna overweldigende macht over ons komt. Maar als wij op het punt zijn om aan de verzoeking toe te geven, komt er eensklaps een aandrang bij ons op om het niet te doen, alsof een vriend zijn hand op onzen arm legde om ons terug te houden, alsof een vriendelijke wachter ons een waarschuwend woord in het oor fluisterde. Gelukkig de mensch, die naar dezen raadgever luistert, en door deze slem, die als uit de onzichtbare wereld tot hem komt, zich van zijn voornemen lagt al brengen.
27
Maar soms ook is het een gelegenheid om iels goeds te doen, die zich plotseling aan ons voordoet. Een overstrooming, een brand stelt ons in staat om iemands leven te redden. Een woord, tusschen vreemden in een spoortrein gewisseld, kan ons een aanleiding zijn om iemand te onderrichten, te helpen, te troosten. In het eene geval komt de zucht tot zelfbehoud er tegen op, dat wij de goede daad volbrengen. In het andere worden wij door schroomvalligheid teruggehouden. Wij zouden de gelegenheid laten voorbijgaan, indien niet, als het ware uit de lucht, zonder eenigen aandrang van binnen, er een bevel kwam, dat ons geen rust laat, om ons leven te wagen of de woorden te spreken, die licht of troost kunnen aanbrengen. Wij wenden ons af; maar de lastige stem is niet lot zwijgen te brengen, totdat wij het waagstuk ondernemen; of wij verdiepen ons in onze courant; maar de letters dansen ons voor de oogen, omdat er een slem is in ons binnenste, die ons dringt en nog eens dringt om de lippen te ontsluiten en te zeggen wat wij op het hart hebben.
Zoo levert de ervaring van ieder mensch dit viervoudig verschijnsel op, dat, als wij in de gelegenheid zijn om iels goeds te doen, of in de verzoeking om iets kwaads te doen, als wij hel goede hebben gedaan, en als wij hel kwade hebben gedaan â in elk dezer vier gevallen â er een stem tot ons komt, die zich een weg baant door onze eigen overleggingen heen, een slem van vermaning of waarschuwing, van goed- of afkeuring, niet onze eigen slem, maar eene, waaraan wij niets hebben toegebracht en die toch een gezag over ons oefent, dat wij niet kunnen afwijzen. Hel is »een Macht, die tegenover ons staal en ons dringt lol het goede quot;
Hoe zullen wij nu deze inwendige »stemquot;, dal bevel, deze waarschuwing, dit sprakeloos swel u!quot; of »wee u!quot;
28
als de zonneschijn of den regen uit den hemel op ons neerdalende, veridaren?
In hel jeugdig leven van Theodoor Parker ontmoeten wij een aantrekkelijk voorval, dat de meesten van hen, in wier handen dit boekje komt, wel reeds zullen kennen, maar dat niet genoeg kan worden herhaald. Wij deelen het nogmaals mede in de woorden, waarin de moedige prediker zelf het verhaalde, jaren, nadat het was gebeurd:
»Toen ik een kleine jongen van vier jaren was, nam mijn vader mij eens mee naar een afgelegen plaats van de hoeve, maar zond mij kort daarop alleen naar huis terug. Onderweg kwam ik voorbij een kleinen vijver, waarbij een rhododendrum stond te bloeien, toen een zeldzame plant in die streek. Ik zag aan den voet dier schitterende plant een kleine gevlekte schildpad zich in de zon koesteren. Ik lichtte den stok op, dien ik in de hand had, om het weerloos diertje dood te slaan, zooals ik andere jongens dikwijls had zien doen. Maar op eens werd mijn armpje teruggehouden en een stem in mijn binnenste zeide duidelijk en klaar: ))dat is slecht!quot; Ik liep zoo gauw ik kon naar huis en vertelde het aan mijn moeder, met de vraag, wat het was, dat daar tot mij gesproken had. Zij veegde met haar schort een traan uit haar oog en, mij in hare armen nemende, zeide zij: Sommigen noemen dat het geweten; maar ik noem het liever de stem van God in 's menschen ziel. Als gij er naar luistert en er aan gehoorzaam zijt, dan zal die stem al duidelijker beginnen te spreken én u altoos op den goeden weg leiden; maar als gij de ooren er voor sluit of haar niet gehoorzaam zijt, dan zal die stem allengs verdwijnen en u geheel in de duisternis laten en zonder eenigen gids. üw leven hangt af van het letten op die stem.quot;
«Sommigen noemen dat het geweten; maar ik noem het liever de stem van God in 's menschen ziel.'- Zoo sprak de eenvoudige vroomheid van Parker's goede moeder. Zou eenig wijsgeer een diepzinniger antwoord hebben kunnen geven ?
Neen, er is geen eenvoudiger, wijzer, waarachtiger oplossing mogelijk. Deze levendige, dikwijls plotselinge, machtige, afdoende indrukken dragen in zich ai de ken-
29
merken, die lot de mededeeling van gedachten of gevoelens van den eenen geest aan den andere beboeren. Zij onderscheppen den gang van 's menschen eigen denken en gevoelen. Zij dringen zicb aan bem op. De eenvoudigste verklaring daarvan is deze, dat zij werkelijk rechtstreekscbe rnededeelingen aan ons zijn van een Geest, die ons leven doorgrondt en wien wij nergens kunnen ontvlieden. Indien er geen ander getuigenis omtrent God aan de ziel van den menscb ware dan dit, het zou reeds voldoende zijn om bem van de voortdurende tegenwoordigheid van een onzicht-baren, allesdóordringenden Geest te overtuigen, die in een geheimzinnige gemeenschap met hem staat.
Maar is het werkelijk denkbaar, dat deze Geest, die alzoo op de een of andere onzichtbare wijze gemeenschap met ons oefent, inderdaad de groote en ontzaglijke God is, dat alomvattend Wezen, dat ons door het getuigenis van ons verstand als de veroorzakende wil werd geopenbaard, van wien het onmetelijk heelal uitgaat? Is het werkelijk denkbaar, dat hij, die den nacht uitspreidt als een gordijn, die den dag in zijn helderheid doel aanbreken, die aan de starrên hare banen aanwijst, dat hij spreekt tol een menscb, het kind des slofs, lot mij, met mijn broos en onbeduidend leven, lot den kleinen Theodoor, als bij het armpje opheft in kinderlijk spel? Is hij daarvoor niet te groot'? Zijn wij daartoe niet te klein?
Gij herinnert u wat Jezus zeide; «Worden niet twee muscbjes voor één penning verkocht? en niet één hunner valt Ier aarde zonder uwen Vader; ook zijn de baren van uw hoofd alle geleld. Vreest daarom niet; gij gaat vele muscbjes le boven.quot; Dezelfde gedachte ligt in de volgende redeneering opgesloten.
Zooals wij in het voorgaand hoofdstuk zagen, weten wij, dal dezelfde hoogste Wil, de ééne en eenige God, die zonnen
30
in haar wijden kring doet voortgaan en sterrenstelsels in den hemel der hemelen ophangt, niettemin het sap in den stam van het madeliefje naar boven drijft, ja, de duizenden millioenen molekulen in een luchtdeeltje heen en weer doet zweven. Groot en klein, uitgebreid en beperkt zijn zeer betrekkelijke uitdrukkingen en hangen af van onze mensche-lijke vermogens. Voor die hoogste Gedachte is er geen groot en klein, noch in den kring, die de ontelbare werelden van den Melkweg omvat, noch in de hoogten en laagten op de oppervlakte van een zandkorrel. Wij verbeelden ons zoo licht, dat hij, die aan de hemelbollen hunne plaats aanwijst, alleen in betrekking kan staan met machtige wezens, die zich van sfeer tot sfeer bewegen, engelen en aartsengelen, die der menschen bevatting te boven gaan. Maar hij, wiens wil altijd werkt op ieder stofdeeltje der zichtbare natuur, kan even goed invloed oefenen op de innerlijke bewustheid van eiken mensch in het bijzonder. Inderdaad, als wij eenmaal ons een begrip hebben gemaakt van de wilskracht van God, in ieder oogenblik werkende op ieder deüeltje der stof, dan kunnen wij ons bijna niet anders voorstellen dan dat diezelfde God ook invloed oefent op ieder bewust wezen, dat van nature vatbaar is om den invloed te ondervinden van een Geest buiten zich en van hem onderscheiden.
Het geweten, met zijn viervoudig beroep op ons innerlijk leven, is dus inderdaad niet anders dan de werking van den allesdoordringenden Geest, dien wij God noemen, op onze bewustheid.
Hier rijst echter een bedenking bij ons op. Is die werking van God op ons gemoed niet zeer willekeurig? Soms toch hebben wij zulke ervaringen, als ik beschreef; maar soms ook hebben wij niet zulk een gevoeligheid voor de goddelijke stem, die tot ons komt. Men kan zelfs zeggen, dat
31
er vele menschcn zijn, die nooit zulke ervaringen hebben, bij wie de goddelijke slem geheel is verdoofd of eigenlijk nooil is wakker geweest. Laat dat zoo zijn. Maar dan merken wij op, dat deze werking van den Allerhoogst^, gelijk elke goddelijke werking, altoos plaats heeft overeenkomstig een onveranderlijke wet. Of wij iets gevoelen van hel beroep, dal de onzichtbare Raadgever op ons doet, hangt van zekere toestanden in ons innerlijk leven af. Welke die toestanden zijn, kan, dunkt mij, niemand zeggen. Tot nog toe zijn wij niet in staat om de wetten op geestelijk gebied te beschrijven, zooals wij lol op zekere hoogte de wellen der natuur kennen; en daarom kan er voor ons een schijn van willekeur of grilligheid heslaan. Maar dit is zeker, als wij de toestanden van den menschelijken geest nauwkeurig konden waarnemen en bepalen, dan zou ons blijken, dal, als de stem van God onder deze en dergelijke omstandigheden op de ziel werkt, dat zij dan onder dezelfde omstandigheden altoos op nieuw op haar zal werken.
En de erkenning, dat het God is, die in het geweten tot den mensch spreekt, is ons tevens de openbaring van een nieuwe eigenschap in zijn wezen â een eigenschap van het hoogste belang â die wij moeilijk hadden kunnen ontdekken, indien wij hem alleen als den veroorzakenden Wil hadden gekend. Zij openbaart ons, dat God rechtvaardig is. ïn God, als veroorzakenden Wil, ontdekken wij sporen van een veelomvattend plan, dal als een gouden draad door de eeuwen heengaal. Hel grootsche tooneel, dat zich aan ons voordoet in de leer der Evolutie, vertoont ons een heelal, dal zich langzaam, zeker, standvastig voorwaarts beweegt: eerst het nevelachtig begin, toen een vormlooze damp over de ruimte zweefde, dan het samenvloeien om een middelpunt en de verdeeling in soorten en de ontwikkeling van hel ontkiemend leven en de scheiding van
32
de levende dingen in groepen en het opkomen der hoogere soorten, en eindelijk het verschijnen van den mensch en zijn toenemen in kennis en kunst, en de verdeeling ook van het menschdom in hoogere en lagere rassen, zich voortbewegende naar een doel, dat tot nog toe door geen mensch kan worden voorzien. Wie God niet anders kende dan als ver-oorzakenden wil, zou â indien hij een goed opmerker was â wel moeten begrijpen, dat die Wil een doel op het oog heelt. Maar ziehier nu een heldere lichtstraal, die op dat onbestemde, duistere doel valt; hij komt tot ons door de openbaring van God in het menschelijk geweten. Het einddoel, waarnaar God streeft, waarheen de gansche schepping zich voortbeweegt, is gerechtigheid, het goede.
Dit wordt ons des te duidelijker, hoe meer wij inzien, dat het God is, die ons dringt om het goede te doen en ons zijn goedkeuring schenkt, wanneer wij het volbrengen, die ons terughoudt van het kwade en ons van schaamte doet blozen, als wij het toch hebben gedaan. Zijn aandringen bij ons omtrent goed en kwaad is hel bewijs, dat hij er hart voor heeft. Wij gevoelen niets van dat aandringen door den onzichtbaren geest, als wij voor de keus staan tusschen dingen, die niet van zedelijken aard zijn, niet goed noch slecht. Alleen, wanneer wij twee wegen kunnen inslaan, waarvan de eene zedelijk beter dan de andere is, schijnt God tusschenbeiden te komen en onze gewone beweegredenen aan te dringen door dit zonderling gevoel van bevel of verbod.
Reeds meer dan eens noemde ik de voorschriften van het geweten gezaghebbend. Wij gevoelen de verplichting om ze op te volgen. Het ligt in den aard van het geweien, dat het, voor ons gevoel, recht heeft om ons te besturen. Wij zijn ons bewust, dat wij gehoorzaamheid schuldig zijn aan de bron, waarvan het uitgaat.
33
Dit bijzonder element in onze ervaring van de werkingen des gewetens is op zichzelf voldoende om ons te overtuigen, dat zijne bevelen van een levend wezen uitgaan. Al ware het, dat het geweten nooit storend tusschenbeiden kwam in den gewonen gang onzer gewaarwordingen; al ware het, dat de indrukken, die het bij ons te weeg brengt, niet het kenmerk droegen van tot ons te komen van builen, toch zou het gevoel van verplichting, dat het in zich draagt, ons een bewijs zijn van de betrekking, die er bestaat tusschen ons en een Wezen buiten ons. Want verplichting en gezag sluiten in zich, dat er twee personen bij betrokken zijn â een hoogere en een lagere. Als ik verplicht ben een zekeren weg in te slaan, dan moet iemand mij die verplichting hebben opgelegd; anders heelt het woord geen zin. Als ik eenig gezag erken, waaraan ik mij heb te onderwerpen, dan moet dat het gezag van iemand zijn. Geen eigenbelang zou in staat zijn, een dergelijk zedelijk gevoel te voorschijn te roepen. En als ik vraag, wie het is, aan wien ik alzoo gebonden ben, wie het is, die in mijne ziel dit gezag te weeg brengt, welk ander antwoord is er dan mogelijk dan â God ? Niemand anders zou mij een zoo levendigen indruk kunnen geven van zijn onvervreemdbaar recht om mij de wet voor te schrijven. Indien ik het gezag van een ander overtrad â zelfs van het eenparig gevoelen van al mijne medemenschen â dan zou ik toch nooit door een zoo diep gevoel van schaamte worden terneergedrukt.
Toch worden er bedenkingen ingebracht tegen het erkennen van het geweien als de uitspraak van God. En deze bedenkingen zijn van dien aard, dat wij ze moeten overwegen, eer wij verder gaan.
Men zegt: indien het geweten werkelijk de uitdrukking was van een bevel van God, dan zouden de gewetens van alle menschen hun hetzelfde voorschrijven. Dit nu is
WAT WIJ VAN GOD WETEN. 3
34
geenszins het geval. Ieder weet, dat er een groot verschil van gevoelen is over hetgeen als goed en kwaad beschouwd moet worden. Een aantal daden, die door den wilde worden goedgekeurd, worden afgekeurd door den beschaafde. Het zedelijk peil verandert van geslacht tot geslacht, door den loop der gansche geschiedenis. De Spartanen beschouwden den diefstal als een manlijk werk; de eenige schande was hierin gelegen, dat men ontdekt werd. In de iMozaische boeken en de Rich teren wordt het ten sterkste veroordeeld, wanneer de groote veldheeren van Israël hunne gevangenen in het leven sparen. De Romeinen achtten den zelfmoord uit een zedelijk oogpunt iels onverschilligs, zoo niet iets edels. De inkwisiteurs meenden, dat het een heilige plicht van den geloovigen Christen was te zorgen, dat de ketters verbrand werden. Wij lezen van volksstammen, die het een plicht van kinderlijke liefde achtten een grootmoeder te begraven, voordat zij van ouderdom bezweek, en een Europeesch reiziger, die een optocht ontmoette, op wegnaar zulk een plechtigheid, en het waagde zich daartegen te verzetten, werd door niemand zoo heftig afgeweerd als door de oude dame zelve, wie hij van hare voorvaderlijke rechten trachtte te berooven. Zelfs bij een zelfde volk zijn in denzelfden tijd de meest verschillende zedelijke oordeelvellingen in zwang. Als jongelieden in dispuut-gezelschappen de vraag behandelen, »of een noodleugen geoorloofd is,quot; dan zijn altoos de gevoelens verdeeld. Menigeen, wien het nooit in de gedachte zou komen iemand te bestelen, ziet er geen bezwaar in, als hij op reis is, een tolbeambte te bedriegen. Terwijl men het over het algemeen als schandelijk veroordeelt, wanneer een predikant iets op den kansel verkondigt, wat hij zelf niet gelooft, zijn er toch ook weer menschen, die dit wel als een kwaad, maar als een onvermijdelijk kwaad beschouwen.
35
Waar zulk een onmetelijk verschil van gevoelen beslaat op zedelijk gebied, wie zal daar nog durven beweren, dat al deze meeningen uit God zijn?
Zeker niemand. Het geweten, in den strengen zin van het woord â in ieder geval dat geweten, dat wij thans voor de stem van God verklaren â het spreekt niet uit, wal goed is en wat slecht. Het bepaalt zich tot het erkennen, dat er goed en dat er kwaad is, dat het goede goede daden voortbrengt en het kwade slechte, en dal. er tusschen die beide een diepe kloof is. Of deze of die handeling' goed of slecht is, dat moet door ons eigen oordeel worden uitgemaakt, évenals de vraag, of een stuk land, dat twintig gulden den bunder opbrengt, duur is of goedkoop. Wel kan ons oordeel hierin worden voorgelicht door zekere opvattingen, die in den loop des tijds in de maatschappij, waarin wij leven; recht verkregen hebben. Barmhartigheid, waarheidsliefde, kuischheid â deze en dergelijke hemelsche deugden worden door al wat in ons is voor goed verklaard. Maar dit is niet altoos zoo geweest. A.1 deze deugden hebben in het nevelachtig begin der geschiedenis een langen tijd geworsteld om als goed erkend te worden. En zelfs nu vertoont zich dikwijls het tegenovergestelde in zulk een vermomming aan ons oog, dat wij er het verkeerde niet aanstonds van inzien. Die openbaringen van God aan 'smenschen ziel, waardoor hij langzamerhand tot de overtuiging is gekomen, dat barmhartigheid, waarheidsliefde, kuischheid iets goeds en schoons zijn, en dat wreedheid, bedrog, hartstocht, in strijd zijn met den heiligen geest, die openbaringen zijn iets geheel anders dan de werking van hel geweten. Wij zullen ^r later over spreken, als wij handelen over de Profeten. Het feit, waarmee wij thans te doen hebben, is dit: zoodra wij duidelijk inzien, dat dit goed en dat kwaad is, dringt ons de stem, waarvan
3*
36
wij het gezag niet kunnen loochenen, tot het een en ontraadt ons het ander. En wanneer, voor een oogenblik, ons gewoon en gezond zedelijk oordeel ons begeeft onder den invloed van vrees, verlangen of eenigen hartstocht, dan hrengt die stem ons, met haar gebiedend vermogen, weer tot onszelven terug.
De zedelijke keus doet zich altoos aan ons voor als een keus tusschen een meer en een minder waardig gedrag. Be redeneering, die ons in een bijzonder geval doet beslissen, welk het meer en welk het minder waardig gedrag is, kan toch een onjuiste redeneering zijn. Maar welk gedrag ons ook het meest waardig schijne, wij weten, dat wij dit moeten opvolgen En dat kleine woord moeten, dat ons zoo gemakkelijk over de lippen komt, bepaalt onze zedelijke betrekking tot den rechtvaardigen God, wiens recht op onze gehoorzaamheid daarin opgesloten ligt.
Wanneer God ons alzoo op onzen weg tracht te leiden, denken wij dan aan dat heerlijk woord, door een dier helden uit den voortijd uitgesproken, in wiens groote ziel de stem van het geweten als een bazuin weerklonk: «Zoo-velen als er door den geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods.quot; Van een nog ouder profeet vernemen wij de plechtige belofte, die hij tot de zonen van Israël richtte: j) Ik zal mijn geest in u geven en u in mijne geboden doen wandelen, en gij zult mijne geboden houden en die doen. En gij zult mijn volk zijn en ik zal uw God zijn.quot;
Wie onzer zal niet de woorden van den dichter tot de zijne maken:
God, Uw kracht stroomt in onz' ad'ren;
Gij spraakt niet slechts tot onze vad'ren,
Uw stem weerklinkt in eeuwigheid.
Laat Uw levensstroomen vloeien,
't Onvruchtbaar, dorstig land besproeien!
Ook ons bebt Gij Uw beil bereid.
37
Uw rijke zegen daal',
Uw vriend'lijk zonlicht straal'
In ons harte!
En 'tdankbaar kind,
Dat U hervindt,
Zing' juichend, waar 't met U verwint!
Godsd. Liederen, no. 170 ; 3.
IV.
Het gemoed.
Wij zagen tot nog toe, dat God zich aan ons openbaart als de Oorzaak, schuilende achter al de bewegingen in het heelal; en als wij ons rekenschap van die bewegingen geven, dan maakt die openbaring ontegenzeggelijk een diepen indruk op ons. Verder zagen wij, dat hij zich aan ons openbaart in het geweten, zijn goedkeuring schenkende aan al wat goed is en zijn afkeuring uitsprekende over al wat slecht is; ook deze gedachte vervult ons met diep ontzag. Maar in dat alles hebben wij nog niet, wat men bedoelt, als men van godsdienst spreekt. Wij vragen dus, of er ook nog een andere weg is om tot de kennis van God te geraken. Godsdienstige menschen hebben God lief en houden zich verzekerd, dat hij hen liefheeft. Is er in ons eenige ervaring, die ons ook leert hem lief te hebben, of ons de overtuiging schenkt, dat hij ons liefheeft?
Laten wij zien.
Onderstel, dat gij een dier sombere dagen hebt beleefd, die de meesten onzer wel bij ervaring kennen â een dag, waarop alles van den morgen tot den avond u scheen tegen
38
te loopen, waarop de gansche wereld in de war scheen en niemand om u heen iets goeds scheen te zeggen of te doen, een dag vol ergernis, ongeduld, knorrigheid en wrevel. Gij zijt uit uw humeur en geneigd om aan alles, buiten uzelven, de schuld te geven, en op dat oogenblik althans schijnt u het leven niet de moeite waard. Gij zijt in uw oog niet behandeld, zooals het behoorde; men heeft niet genoeg op u gelet; met de gansche wereld en hel geheele menschdom ligt gij overhoop.
Indien gij zulke dagen hebt beleefd, is het u dan wel gebeurd, 's avonds uit de bedompte kamer in de frissche lucht te komen? Daarbuiten in de vrije natuur, terwijl een koele avondwind uwe heete slapen verkwikt, ziet gij naar omhoog en om u heen. De vriendelijke sterren zijn aan den donkeren hemel reeds te voorschijn gekomen. Het druk gewoel van den dag is in de stilte van den nacht overgegaan. Geen enkel geluid treft uwe ooren. Gij zijt alleen â alleen met hel oproer in uwen boezem. Maar zie! terwijl gij de oogen opheft naar de wonderbare majesteit van den hemel, ontwaakt er op eens een nieuw gevoel in uwe borst. Het is, of eensklaps de looden zwaarte van uw hart is afgenomen en een hemelsche vrede uwe ziel is binnengedrongen. De tweespalt is opgeheven, en het leven, dal daar straks u zoo verward en tegenstrijdig toescheen, is in volkomen harmonie veranderd. Alleen? Neen, gij weel, dal gij niet alleen zijt. Gij gevoelt u, ondanks uzelven, in de tegenwoordigheid der hoogste liefde en macht. Hel is of iemand, wiens goedheid en majesteit alles te boven gaat, lol u sprak en u in het oor fluisterde: »Zie, ik ben mei u, ik zorg voor u en zal u helpen; wees gerust.quot;
En misschien zijt gij in die ure een nieuw mensch geworden. Gij kondel niet anders dan met schaamte denken aan hetgeen gij weinige oogenblikken te voren waart. Een
39
gevoel van ootmoed maakte zich van u meester, maar tevens een gevoel van kracht en blijdschap, zooals gij nooit hadt gekend.
Welnu, die vrede, die kracht, die stem, die door het pantser uwer ontevredenheid en knorrigheid heendrong en de fijnste snaren van uw gemoed deed trillen, dal noem ik God, en ik zeg, dat God, de Heilige Geest, de quot;Vader, lot u heeft gesproken en u heeft doen gevoelen, dat Hij bij u was.
Nu moei gij echter deze manier, waarop God u bereikt en zich aan u bekend maakt, wel onderscheiden van de openbaring van Hem, waarover wij vroeger hebben gesproken, namelijk, als de oorzaak, die door onze rede voor de verschijnselen van het heelal wordt geëischl. Dat is iets gansch anders. Toen was het uw verstand, waarop een beroep werd gedaan; uw denkvermogen, hetwelk zoodanig is ingericht, dat, wanneer gij een beweging ziel, gij niet anders kunt dan haar aan een levenden, bewusten wil, gelijk den uwe, als oorzaak toeschrijven. Maar datgene, waarvan wij nu spreken, is niel anders dan een ervaring van de gemoedsaandoeningen, hel gevoelsvermogen in u, en dit is volstrekt niet hetzelfde als hel denkvermogen. Ik spreek thans in het geheel niet van eenige redeneering, die in uwen geest plaats heeft over een oorzaak, maar van hel plotseling qevoel van de liefderijke, beschermende macht, dal u doordringt en u verzekert van Gods liefde en u volkomen tol rust brengt.
Hel is dan ook niel het zien van den sterrenhemel alleen, dal deze weldadige verzekerdheid op eens over u kan doen komen. Ik heb daarvan alleen gesproken, omdat wij daarin het beeld aanschouwen van al wat er schoons en verhevens is in de schatkameren der natuur. Hetzelfde kan ook gebeuren door den glans der gouden avondzon
40
of door den nog schitterender gloed, dien dat hemellicht bij het ondergaan achterlaat. Het kan gebeuren door de zilveren maan tusschen de drijvende wolken, of door den besneeuwden top van een berg in dat geheimzinnig Alpen-gloeien, dat zulk een diepen indruk op den reiziger maakt, of door de sprekende stilte van een groot, donker bosch, door een rivier of door de zee, door een vlakke weide, waarop het vee graast, zelfs door enkele bloemen, die aan den weg bloeien. Het kan gebeuren door het kweelen der vogels, door het klokgelui over het water heen, door een aangrijpende muziek of den glimlach van een kind; â dal alles is in staat om ons de tegenwoordigheid van God op eens en zeker te doen gevoelen. De eene mensch is meer vatbaar voor deze, de ander voor dien invloed. De een wordt meer getroffen, als hij iets ziet, de ander als hij iets hoort; de een door het grootsche en majestueuze, de ander door het liefelijke en eenvoudige. Maar in den grond der zaak komt alles op hetzelfde neer. Het is hetzelfde wonder-vermogen in de uitwendige dingen, dal het middel is, de kracht, het werktuig, waardoor de onzichtbare Macht zich aan onze innerlijke bewustheid opdringt en ons van haar beslaan verzekert, ons op haar doel vertrouwen eri haar liefhebben.
Daarenboven is de een, zonder twijfel, veel gevoeliger voor zulke invloeden dan de ander. Sommigen hebben een dergelijke ervaring dikwijls, anderen zeldzaam. Bij sommigen is dal gevoel zeer levendig, bij anderen betrekkelijk flauw. In hel leven van sommigen dringt hel met het klimmen der jaren meer en meer door; in hel leven van anderen verdwijnt het allengs, om eindelijk geheel en al vergelen en ontkend te worden. Maar mij dunkt, dat geen nadenkend en ernstig mensch geheel ontbloot is van zulke of dergelijke ervaringen, als ik beschreven heb; en bij allen, aan wie
41
ze gegeven werden, behooren zij, naar mijn inzien, tot de kern en het wezen van den godsdienst. De profeten zijn alleen in die male profeten geweest, als God hunne zielen op deze wijze vervulde. Wat zij aan het volk verkondigden, was niet anders dan wat zij zeiven hadden gehoord.
Merkwaardig is het, hoe zulke ervaringen, als ik beschreven heb, dikwijls geheel en al indruisen tegen den loop van iemands gedachten en gevoelens, zonder dat er iets is, dat daartoe leidde, en terwijl de geheele beweging van zijn hart juist den anderen weg opging. Maar op eens nemen zijne gedachten en gevoelens een anderen loop, zoodat het onmogelijk is, te meenen, dal hij het zelf doel, en men wel moet aannemen, dal een andere kracht invloed op hem geoefend heeft. Is er dan een eenvoudiger en natuurlijker verklaring (e geven dan die, waarvan hijzelf zich bewust is, dal de geest van God op zijn eigen geesl is aangedrongen en hem gevangen heeft genomen?
Hel komt mij voor, dat eenige der hoofdwaarheden van den godsdienst zich met nieuwe kracht aan ons voordoen, als wij ons hel zichtbaar heelal, de hemelen en de wijde wereld, om zoo te spreken, als hel aangezicht van God denken. Dan is er een groote overeenkomst tusschen de manier, waarop wij het gelaat onzer vrienden, die wij zien, en de wijze, waarop wij hel gelaat van den groolen onzichlbaren Vriend onderscheiden. »De vrienden, die wij zienquot;, zelde ik; maar zien wij eigenlijk een vriend in de werkelijkheid wel ooit? Wal wij zien, is zijn gedaante, zijn gelaat, zijn voorkomen. Hemzelven, zijn waarlijk wezen, dal wij onzen vriend rtoemen, zien wij niet. Maar wij leeren hem, zijn vriendschap en liefde tot ons kennen, door zijn gelaal gade te slaan; want de uitdrukking van dal gelaat, de blik der oogen, de glimlach der lippen, maken ons de gewaarwordingen kenbaar van den man, die
42
daarachter verborgen is. Ja, wat de oogen spreken, wat de uitdrukking van het gelaat zegt, dat gelooven en vertrouwen wij nog spoediger dan woorden. Wij weten, dat wij hierdoor werkelijk onzen vriend kennen. Want vele anderen kunnen dezelfde of nog sterker woorden tot ons spreken, zonder dat wij ze gelooven, omdat er geene over-luiging is in hun gelaat. Een blik der oogen, een druk van de hand zegt ons meer dan ellenlange redeneeringen.
Dit nu moeten wij altoos in gedachte houden, als men beweert, dat er geen zekerheid kan zijn van Gods openbaringen van zijn wezen aan ons, zoolang wij geene hoorbare klanken vernemen. Velen verbeelden zich, dal de reden, waarom de oude profeten zoo zeker van God waren, hierin bestaat, dat hij werkelijk tot hen sprak in duidelijke woorden, welke hunne ooren vernemen konden; en dat wijzelven alleen zekere kennis van Hem hebben, omdat alles, wat hij tol hen sprak, in den Bijbel, zwart op wit, slaat geschreven. Maar leert onze ervaring iels dergelijks omtrent onze vrienden? Zijn niet de allerzekerste mede-deelingen die, welke regelrecht uit het hart lot het hart komen, wanneer wij, zooals het heet, «de ziel van onzen vriend in zijne oogen lezen?quot; Zouden wij zekerder van hem zijn, indien hij de verklaring van zijn vriendschap op het papier zette, of ook, wanneer hij haar in woorden bracht en uitsprak? Zeggen wij niet dikwijls, dat de beste dingen «te innig zijn om ze in woorden uil te drukken?quot; En indien dal zoo is lusschen vrienden, zal het dan niet evenzoo zijn lusschen ons en God ? Zal niet de hoogste Vriend, die de Liefde zelve is, op ons neerzien, ons doorzien, uit den schitterenden hemel, met een gelaat, dat onuitsprekelijke dingen in de zekerste aller talen uitdrukt?
Maar dit gevoel van Gods vriendelijke nabijheid, dat zoo dikwijls door de schoonheid van het heelal tot ons
43
komt, zal zich van sommige karakters zonder de tusschen-komst der natuur meester maken. Ais het hart door droefheid is neergedrukt en het voor een oogenblik schijnt, alsof er geen God is, valt het oog misschien op een vers van een geheld oud lied of een bekende uitspraak van een Psalm of van het Evangelie, en eensklaps wordt het hart verlicht en vloeit de zekerheid van Gods nabijheid, als een krachtige stroom, door de ziel. Zelfs kan deze zalige ervaring zonder de hulp van een woord of een lied plaats hebben. Indien men slechts, wanneer het hart vol droefheid of weemoed is, zich nederzet en de dingen, die de ziel drukken, van zich zet, dan zal men dikwijls merken, dat er een reactie komt en dat God zich voelbaar en kenbaar maakt met ontwijfelbare gewisheid. Dat is de diepe waarheid, die in het oude Psalmwoord besloten ligt: «Wees stil en weet, dat ik God ben.quot; Het is de Heilige Geest zelf, die zich van ons meester maakt en ons overtuigt en verzekert op eene wijze, die ver boven alle redeneering verheven is. Paulus sprak uit ervaring, toen hij schreef: »De Geest zelf getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn.quot;
Dit getuigenis des Geestes wordt het best omschreven als iels, dat den mensch niet doet gelooven, maar doet weten. Zij, die het ontvangen hebben, gelooven niet zoozeer in God, maar kennen hem veeleer.
Het verschil tusschen het getuigenis des gemoeds en dat des verstands blijkt hieruit, dal juist in die omstandigheden, waarin het versland beneveld is, het getuigenis des gemoeds zich dikwijls zeer duidelijk doet gelden. De ervaring van vele eeuwen leert, dat vooral in diepe droefheid en groote zorg de mensch zich het meest zeker van God gevoelt en dat menigeen, wien oppervlakkig beschouwd, een allertreurigst lot is ten deel gevallen, het rijkst is in godsdienstigen vrede. Indien onze kennis van God geheel en al van rede-
44
neering afhing, dan zou hel zeker anders zijn; want het ware een zonderlinge redeneering, die juist in tijden van droefheid en rouw de zekerheid van Gods goedheid wekte. Maar de overtuiging, dat smart zoo dikwijls vrede aanbrengt en kommer vreugd, is geene overtuiging van het verstand, maar de vrucht der ervaring, dat in smart en kommer de menschelijke natuur het vatbaarst is voor de aanraking der ziel door God, het meest ontvankelijk voor zijn Heiligen Geest.
Daarom wordt in hel vierde Evangelie de Heilige Geest een Trooster genoemd; want vooral als een trooster komt die Geest tol den mensch. Hij heel ook de Geest der Waarheid ; want nooit is des menschen geest zoozeer in staat de eeuwige waarheid in zich op te nemen, dan wanneer God zelf lot de ziel spreekt, als de Trooster in dagen van smart. Dan verstaal men God hel best.
In een der liederen, door onzen Protestantenbond verzameld, wordt hel gevoel van Gods tegenwoordigheid te midden der schepping, waarvan in hel begin van dit hoofdstuk sprake was, mei dichterlijke woorden vertolkt. Men bedenke daarbij, dal de ervaring, die daarin staat uitgedrukt, niet een vrucht der verbeelding is, maar een werkelijkheid, waarop wij ons beter dan op eenige andere ervaring kunnen verlaten.
God! in Uw trouwe hoed' en wacht Heb ik gerust den ganschen nacht.
Nu hef ik met een stralend oog Mijn blik naar 't zonlicht aan den boog.
Waarheen ik zie langs berg en dal,
't Is zegen, zegen overal.
Zoo stroom' dan ook met blij geluid Een lofgezang ten boezem uit!
45
Geef mij, o Heer! het grootste goed;
Een v rooi ijk hart, een vroom gemoed, Een wil tot deugd, een schrik voor kwaad. Een ziel, die zich op U verlaat!
Komt dan mijn uiterst' avondstond,
Dan zing ik nog met hart en mond:
»Legg' mij de dood ter ruste neer.
Ik ken uw morgenlicht, o Heer!quot;
Godsd. Liederen, no. 181.
* V.
Het gebed.
Wij hebben tot nog toe van de meest in het oog vallende wegen gesproken, waarop God zich kenbaar maakt aan het versland en hart van den mensch. Vooreerst zijn wij door die onweerstaanbare wet van ons denken, die een levende oorzaak achter elke beweging eischt, genoodzaakt ons een opperste Levende oorzaak voor te stellen achter de geheele uitgestrekte en regelmatige beweging, waaruit het heelal bestaat; en wij noemen die eerste oorzaak God. Ten andere hebben wij allen dat inwendig gebod en verbod en den vrede of de wroeging van binnen ondervonden, voortkomende uit onze gehoorzaamheid of ongehoorzaamheid; gewaarwordingen, die wij onder den naam van Geweten plegen saam te vatten; en wij noemen het Wezen, dal deze inwendige slem doet hooren, God. Ten derde heeft, zoowel in tijden van inwendige beroering als in lijden van innerlijke kalmte, nu eens door liefelijke klanken, dan eens door verheven naluurlooneelen, soms ook zonder dat, de on-
46
zichtbare Vertrooster den weg tol ons hart gevonden en hebben wij Hem gevonden; dien heiligen geest noemen wij God. Zoodat in ons verstandelijk en in ons zedelijk en in ons gemoedsleven â dus in iedere afdeeling van ons innerlijk beslaan â God met onze bewustheid in aanraking komt en wij zijn tegenwoordigheid bemerken.
In al deze gevallen nu heeft God zich aan ons medegedeeld, zonder éénige voorafgaande beweging van onze zijde naar hem heen. Thans willen wij nagaan, of er eenige gemeenschap tusschen God en ons mogelijk is, die niet van éénen kant komt; of wij tot hem kunnen spreken, zooals hij spreekt tol ons; en zoo ja, of hij ons een zoodanig antwoord geeft, dat wij het kunnen onderscheiden en daarvan den invloed op ons leven ondervinden.
Kunnen wij lot God spreken; en zoo ja, zal hij antwoorden*/
Misschien zal iemand zeggen, dat wij niet tot hem behoeven te spreken. Indien hij wijs is en goed, indien zijn almacht hel goede werkt, dan heeft hel geen doel, iets tot hem te zeggen; want hij behoeft onzen raad niet en zal zeker niet door onze tusschenkomst zijne plannen veranderen. Maar als gij werkelijk deze bedenking maakt, dan blijkt het, dal gij niet goed hebt gevat, wat ik eigenlijk bedoelde met het denkbeeld, dal God zich openbaart. Wij leerden hem als den Algoede, den Rechtvaardige bij uitnemendheid kennen, als den Vertrooster, die de gevallenen opbeurt en steunt, die het hart der bekommerden tol rust brengt, de treurenden in droefheid en smart verlichting geeft. Dat alles heeft ons hem getoond als een vriend der menschen, die hen liefheeft en voor hen zorgt.
Welnu, in onze betrekking tol onze vrienden vragen wij nooit, welk voordeel onze gemeenschap met hen ons aanbrengen zal. Wij zoeken die gemeenschap om haarzelve. Zij is op zichzelve voor ons een bron van vreugd. De
47
omgang tusschen twee vrienden is hel hoogste genot, dat men zich denken kan. Is onze vriend iemand, dien wij als wijzer en beter erkennen dan wijzelven zijn, dan zeggen wij in ons hart, ais wij met hem zijn, wat Petrus tot Jezus zeide op den berg der verheerlijking: »Het is ons goed, hier te zijn.quot;
Een der voornaamste redenen, waarom het geloof in het gebed bij het tegenwoordig geslacht ondermijnd is, hebben wij te zoeken in de beschouwing van het gebed als een verzoek van den onderdaan aan zijn koning, van den knecht aan zijn meester, en niet als een samenspraak van den vriend met zijn vriend, van het kind met zijn vader.
Roepen wij ons nog eens de werkelijke ervaringen van het leven voor den geest, en trachten wij daarvan de eenvoudigste, de gemakkelijkste, de natuurlijksle verklaring-te geven.
Gij doorleeft een oogenblik van hevige verzoeking. Een sterke hartstocht dringt aanhoudend bij u aan om er aan toe te geven. Stel u voor, dat die hartstocht â toorn, begeerlijkheid, zinnelijkheid of een andere neiging, die u wel eens beheerscht â met al zijn macht in u oprijst en u wil medeslepen. Het is u, alsof gij geen kracht hebt om aan dien aandrang weerstand te bieden. Maar gij denkt aan God en verheft den geest lot hem. Met gevouwen handen en stamelende lippen, of alleen met een beweging-der ziel, vraagt gij hem om kracht. En zie 1 aanstonds vloeit de kracht u toe; de hartstocht wijkt; een onzichtbaar iels heeft u in den strijd ter zijde gestaan. Gij hebt in de »worsteling op leven en doodquot; overwonnen.
Wal is er nu gebeurd? Hebt gij uzelven die krachtgegeven? Maar gij gevoeldet u immers zwak? Gij waart op het punt van te bezwijken. Is niet de eenvoudigste en natuurlijkste verklaring deze, dat gij in aanraking met God zijl gekomen,
48
dat hij uw gebed heeft gehoord en verhoord, dat hij u geholpen heeft? Geen enkele uitkomst der hedendaagsche wetenschap, geen enkele redeneering der wijsbegeerte is in staat om aan die gevolgtrekking iets van hare kracht te ontnemen. Zij is in de meest volkomen overeenstemming met alles wat wij van den mensch, van de wereldorde, van de natuur weten.
Denk u een andere omstandigheid. Niet de macht van den hartstocht brengt u in gevaar; maar uw leven is tot een laag peil gedaald; gij streeft minder edele bedoelingen na; uwe ziel is geheel in beslag genomen door de begeerlijkheden der wTereld. Het gedruis van de markt vervult uwe ooren; het stof van de straat verduistert uwe oogen. Gij beweegt u in een lage sfeer, te midden van kleinzielige gedachten; gij zijt afgedaald van het verheven standpunt, waarop een mensch behoort te staan. Doch er breekt een dag voor u aan, waarop gij u bewust wordt van uwe ontaarding, en gij strekt de handen uit naar God en vraagt hem om u op te heffen uil deze zwakheid en u de manlijke kracht terug te geven. En het is u, alsof gij een andere lucht inademt; een nieuwe geest daalt neer in uw hart. Gij staat uit uwe vernedering op en gevoelt u weer een kind van God. Hoe nu heeft die groote verandering plaats gehad? De beste verklaring is deze, dat God uwe verzuchting beantwoord heeft; gij waart hem nader gekomen, en zoo is hij nader gekomen tot u.
Een ander voorbeeld. Gij zijt lot zonde vervallen en wordt verteerd door wroeging. Gij zijl beschaamd en de vrede is u ontvloden. Er schijnt geen mogelijkheid te bestaan, dat er licht kome in de duisternis, en in den angst uwer ziel wendt gij u tot God en stort uw hart voor hem uil en belijdt hem uwe schuld, onverbloemd, vrijmoedig, zonder iets er van af te doen, maar met diepen ootmoed
49
in het hart. En ziet! op uwe verootmoediging volgt een hemelsche vrede; de vrede Gods daalt neer in uw hart. Nog zijt gij neergebogen; maar het pijnlijk gevoel van schaamte is uit uw hart verdwenen, en met frisschen moed en blijde hoop gaat gij de toekomst tegen om uwen ijver te vernieuwen en den eerbied voor uzelf terug te krijgen.
Hel kan ook zijn, dat er in het geheel geen zedelijke krisis plaats heeft in uw gemoed, maar dat een tijd van groote zorg voor u is aangebroken, dat uwe verwachtingen verijdeld zijn, dat een uwer geliefden u ontnomen is, zoodat geen troost van menschen iets op u vermag. Maar gij knielt bij uwe legerstede en stort uw bekommerd hart voor den hemelschen Vader uit. En al rijst er dan geen hoop in uw binnenste op herstel van uw geluk, op het terugkeeren van wat gij hebt verloren, toch daalt er troost in uw hart. Er is geen twijfel aan, of die troost komt van God; zijn geest is het, die u sterkte geeft om uw leed te dragen.
Zoo geeft het gebed ons zekerheid omtrent God. De mensch komt dichter bij Hem en wordt zich bewust, dat Hij, door hem te antwoorden, ook dichter bij hem komt. Indien wij op de feiten der menschelijke ervaring mogen afgaan â cn dat is de eenige grond des geloofs, door de wetenschap toegelaten â dan hebben wij recht om op de menschelijke ervaring het geloof te bouwen in een onzichtbaar Wezen, dat ons liefheeft en ons nabij is en antwoordt op de bewegingen onzer ziel. Dit feit is zoo eenvoudig, dat wij zouden vreezen het in nevelen te hullen, zoo wij het nog verder trachtten duidelijk te maken.
Indien dus, wat wij over God en zijne betrekking tot den mensch gezegd hebben, waar is, dan zou het eer le verwonderen zijn, zoo het niet mogelijk voor ons ware met den Allerhoogste in gemeenschap te treden. Dat hij altoos met ons is, weten wij. Dat zijne macht in ieder deel van
WAT WIJ VAN GOD WETEN. 4
50
ons lichaam werkzaam is, welen wij ook. Het is ons niet minder bekend, dat hij zijne tegenwoordigheid aan ons voelbaar maakt door middel van onze zedelijke en geestelijke vermogens. Die zijde der gemeenschap, de werking van God op den mensch, staat alzoo voor ons vast. Tot nog toe hadden wij het begin dier werking door middel van onze eigen inspanning buiten rekening gelaten, om des te beter te doen uitkomen, dat zij door het verstand en door het geweien, onafhankelijk van onzen wil, plaats heeft. Maar spreekt het nu niet van zelf, dat wij door het gebed die werking in beweging kunnen brengen? Ja, gebeurt niet hetzelfde ook op menig ander gebied?
Alle menschelijke arbeid bestaat hierin, dat wij den toestand der stoffelijke dingen zoo veranderen, dat daardoor de goddelijke macht op zulk eene wijze in beweging komt, als wij het verlangen. Dit is zoo waar, dat een Amerikaansch prediker. Savage, een dergelijken arbeid een gebed durfde noemen. De landman verlangt een rijken oogst en daarom ploegt en egt en zaait hij; zoo brengt hij de krachten in beweging, die God op het zaad doet werken, toldat het wortel schiet en opkomt en een goeden oogst te voorschijn brengt, liet zaad zou niet zijn opgekomen, als de landman het in een hoek van zijn schuur had laten liggen. Hij heeft het uit eigen beweging onder den invloed geplaatst der levengevende krachten van God, en deze krachten zijn hem vrijwillig gegeven, als het antwoord op zijn «gebed.quot;
Niet anders is het met de ziel, die zich in smart en wroeging opheft naar omhoog; aan haar wordt de belofte vervuld: »Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en er zal worden opengedaanquot;.
Toch zijn er vele knappe menschen, die beweren, dat het gebed uilgediend heeft, omdat het rust op onjuiste en bekrompen voorstellingen der wellen van hel groot heelal.
51
llel zou ons verwonderen, indien hel zoo ware; want van de vroegste tijden af is het bidden in den een of anderen vorm een gewoonte van het menschdom geweest. Het is een instinkt, dal van oudsher met onze natuur is saamge-weven. En hel instinkt bij menschen en dieren rust op waarheid en niet op dwaling. Zoo is het, bijvoorbeeld, door langdurige oefening een instinkt bij de bijen geworden, iedere cel zeshoekig te bouwen. Dit instinkt is de vrucht eener eeuwenlange ervaring van het feil, dat een vereeniging van zeshoekige cellen de meeste stevigheid, beknoptheid en ruimte geeft. Mij dunkt, dal de bij nooit het instinkt zou hebben kunnen verkrijgen om vijf- of zevenhoekige cellen te bouwen, hoewel er insekten zijn, die nog niet ver genoeg in het bouwen geoefend zijn en daarom ronde of bijna ronde cellen maken. Evenzoo is er een lange lijd noodig geweest, eer hel een instinkt werd van deze of die soort van vlinders om hare eieren op de een of andere plant of boom te leggen. Nooit zou dat gebeurd zijn, zoo niet het blad van die plant of dien boom hel besle voedsel voor den pas uilgebroeden worm was. Het instinkt rust nooit op een illusie; moeder natuur liegt nooit. En zoo onderstelt ook hel algemeen heerschend instinkt, dat tol bidden drijft, dat er een Wezen is, hetwelk hel gebed hoort en daarop antwoord geeft in des menschen binnenste.
Maar hoe is het met de bewering, dal het gebed in strijd zou zijn met de wellen van hel heelal Ons gelool aan die wetten is een der schoonste en heerlijkste vruchten van de tegenwoordige wetenschap. Het is de erkenning van hel verheven feil, dal er orde heerscht in het heelal. Als ik zeg, dal ik aan de heerschappij der wel gelool of aan de alge-meene geldigheid van de wetten der natuur, dan bedoel ik,., dat de krachten, die er zijn op aarde en in den sterrenhemel, altoos op dezelfde wijze werken en dat onder dezelfde voor-
V
52
waarden altoos dezelfde gevolgen zullen plaats hebben. Met andere woorden, dan bedoel ik, dat God niet nu eens zoo en dan weer anders werkt, maar dat zijne manier van werken zoo volmaakt is, dat zij nooit eenige verandering beboeft. Indien dit zoo is, dan zou bet zeker de grootste dwaasheid zijn Ie verwachten, dat bij die wetten in bijzondere gevallen zou veranderen, omdat wij er hem om vragen. Ware dit bet geval, boe groot zou dan de verantwoordelijkheid zijn van hem, die zulk een bede opzond! Hij zou zijn eigen wijsheid tegenover die van God stellen en trachten de orde omver te werpen, die de vrucht is van Gods wil.
De zonneschijn cn de regen en alle natuurverschijnselen hangen, onder de heerschappij der wet, van louter natuurlijke omstandioheden af. liet gebed daarentegen is een daad van den geest cn kan dus op die omstandigheden geen invloed oefenen. Daarom kunnen al de gebeden van alle menschen geen regendroppel in het gansche jaar doen vallen ol in alle eeuwen een enkelen zonnestraal door de wolken doen heenbreken. Indien dus de landman een natten zomer of een droog najaar verwacht, dan zal hij niet wijs doen met aan God te vragen om dat te verhinderen, maar wel, met de beste voorzorgen daartegen te nemen. En zoo is het met al de verschijnselen der natuur; men kan ze door het gebed niet te voorschijn roepen of veranderen; zulke gebeden zijn ijdel en komen voort uit louter onwetendheid of uit een verregaande aanmatiging. Aan een kind of aan een wilde kunnen zij vergeven worden; maar in de christelijke kerk behooren zij niet tehuis.
Doch de wereld, waarin wij leven, is niet enkel stoffelijk, maar ook geestelijk. En de geestelijke zijde der wereld staat in nauwer verband met ons leven dan de stoffelijke. Het gebed nu is een geestelijke kracht en kan op geestelijk
53
gebied groote dingen doen. In geestelijke zaken is de heerschappij der wet even ontwijfelbaar als in stoffelijke, al kunnen wij die wetten nog niet zoo duidelijk zien. Nu meen ik, dat een dier geestelijke wetten deze is, dat het gebed om geestelijke kracht door het verkrijgen dier kracht achtervolgd wordt. Het een en het ander gebied moet wel van elkaar onderscheiden worden; anders ontstaat de grootste verwarring van denkbeelden. De uitoefening van kracht op geestelijk gebied kan geen stoffelijke kracht ten gevolge hebben. Het is, bij voorbeeld, een goddelijke wet, dat een naald door een magneet wordt aangetrokken; maar ook, dat, hoe nader de ziel tot God komt in het gebed, zij des te meer zijne kracht tot zich trekt. Even dwaas zou het nu zijn te verwachten, dat de naald door het gebed werd aangetrokken, als dat de magneet Gods kracht aan de ziel zou schenken.
Dus brengt het gebed van een bekommerd gemoed Gods vertroostend antwoord te weeg; het gebed des berouws het gevoel van vergeving; het gebed in verzoeking de kracht om den booze te weerstaan. En niet één dezer verschijnselen is een verbreking van de heerschappij dér wet. Integendeel, zij brengen haar aan het licht, even zeker als de regendroppelen, die ter aarde vallen, of de eb en vloed in verband staan met de beweging der maan.
Ik ga nog verder, en beweer, dat de heerschappij der wet, wel verre van in strijd te zijn met het gebed, een sterke drangreden is om het te onderhouden. Want indien de ware opvatting van het gebed ons leert, dat het een ijdel werk is, om een goeden oogst of rijkdom te bidden, daar deze dingen alleen uit hunne eigen natuurlijke oorzaken kunnen voortkomen; zoo leert zij ons tevens, dat men vruchteloos zal uitzien naar een vroom gemoed of naar den vrede, die alle verstand te boven gaat, buiten
54
eenige andere oorzaak dan die daaraan verwant is, en dat is geen andere dan het dagelijksch gebed tol God.
Het is echter een te bekrompen opvatting van het woord Gebed, wanneer men daaronder alleen het naderen der ziel tot God verstaal, om iels te vragen. God is onze vriend; en hel zou al een heel armzalige vriendschap zijn, waarin de omgang in niels anders bestond dan in het vragen aan de eene en hel toeslaan aan de andere zijde. Hel is ons een behoefte met onzen vriend gemeenschap te oefenen, met hem te pralen, een woord met hem te wisselen. Dat is ons een genot, al leidt hel ook lol niets. Evenzoo is hel met des menschen betrekking tot God. Ook met hem oefenen wij gaarne gemeenschap. Als wij tol een nieuwen dag ontwaken ol ons des avonds te slapen leggen, dan wenden wij gaarne tol hem het hart en gevoelen zijne aanraking van ons innerlijk leven. Te midden van ons dagwerk is hel ons goed de ziel tot hem te verheffen en ons zeker te gevoelen van zijne tegenwoordigheid, die onze handen lot den arbeid sterkt.
Dankzegging, schuldbelijdenis, eenvoudige gemeenschapsoefening lusschen geest en Geest, deze maken evenzeer een deel uit van hel wonderbaar innerlijk gebedsleven, als hel dringendst verzoek. Zij zijn niet alleen een krachtige steun, maar ook hel hoogste genot der besten en vroomslen; en zoolang zij geen deel uitmaken van ons dagelijksch leven als een kracht en een genot, zijn wij nog niel gekomen lot de hoogte, waarop God ons hier op aarde brengen wil, lot de volle ontwikkeling van ons echt menschelijk leven.
Hel zal u gebleken zijn, dat in mijn oog het gebed niet enkel beslaat in hel uitspreken van woorden. Ons spreken tot God is veel meer een beweging van de ziel, van den innerlijken mensch, waarmee wij God bereiken en van hem
55
anlwoord ontvangen. Dit neemt echter niet weg, dat onze gedachten en gevoelens ook voor onszelven verduidelijkt kunnen worden door hel uitspreken van woorden. Ja, de woorden kunnen de beweging der zie! bevorderen, ook het buigen der knieën of van hel hootd, hel vouwen der handen en vooral hel sluiten der oogen, om
De zichtbre wereld voor ons te verbergen.
Dat alles kan de aanbiddende stemming van ons hart ver-hoogen. Al deze uitwendige hulpmiddelen, gelijk alle andere godsdienstige gebruiken, zijn in zoo verre goed en prijselijk, als zij de vrome stemming van hel gemoed ondersteunen, maar verder niet.
Het is vreemd, dal men ooit tegen hel bidden is opgekomen, als een krachtsverspilling. Men zou even goed het eten een krachtsverspilling kunnen noemen. Gelijk dal juist de voorwaarde is lol onderhoud van onze lichamelijke gezondheid en onze kracht, zoo is het gebed de voorwaarde onzer gezondheid en kracht van ziel. En evenals het goed is zekere uren van den dag te bepalen, die algezonderd moeten worden voor het eten, zoo is hel ook goed bepaalde lijden voor de gemeenschap met God vast te stellen. Wie meent, dat iedere tijd geschikt is voor het gebed ol dat men hel moei uitstellen, totdat het hart er behoefte aan gevoelt, is op weg om er geen tijd aan te geven en er nooit meer behoefte aan le hebben. Hel is een goede gewoonle voor iederen mensch in dit moeilijk aardsche leven, waarin wij zoo dikwijls struikelen of vallen, iederen dag mei gebed le beginnen en te eindigen. Bij het begin hebben wij al de kracht noodig, die door het gebed verkregen kan worden, voor de plichten, die vóór ons liggen; aan het eind hebben wij dank te zeggen voor al hel goede, dat ons de dag heeft gebracht, helaas! ook dikwijls belijdenis te doen van le-
56
korlkomingcn, ook ons te stemmen om in vrede ons ter ruste neer te leggen.
Ik heb een sterken nadruk gelegd op het genot, dat in het gebed is te vinden. Verontrust u niet, indien gij dat genot in al zijn diepte en volheid slechts zelden smaakt. Volhard in het gebed, al schijnt het soms, dat God geen antwoord geeft. Dikwijls is er een groote inspanning in onze vleeschelijke zwakheid en blindheid noodig om tot God te naderen. God is onze vriend; maar hij is een vriend in nevelen. Slechts nu en dan, soms bij lange tusschen-poozen, kunnen wij hem zien. Maar blijf volharden, en ten laatste zult gij een dier «reinen van hartequot; zijn, die «God zienquot; van dag tot dag.
Wanneer de mensch zoo goed, zoo verheven, zoo heilig wordt, als hij worden kan, dan is zijn leven een onafgebroken gebed, een voortdurend wenden van het gelaat naar God; en God komt den menschtegemoetengaatmethemmeeensteunt hem in elke beproeving. Zoo was het met Jezus in de laatste weken van zijn leven. Zoo zal het zijn met ons, indien niet hier en nu, dan toch, laten wij het hopen, allengs in dat onzienlijk leven, als het vleesch ons niet meer aan de aarde bindt.
Indien er ooit voor ons een lijd komt, dat wij geneigd zijn om te zeggen: »God hoort ons niet,quot; en dat wij daarom niet kunnen bidden, roepen wij dan in onze herinnering de woorden terug:
Wat vlied of bezwijk, getrouw is mijn God.
Hij blijft aan mijn zij in 'twisselend lot.
Moog 'thart soms ook siddren in 't heetst van den strijd,
Zijn liefde en ontferming vertroosten me altijd.
Door 'tvleiende woord der zonde belaagd,
Door 't kwellend berouw gepijnigd, gejaagd,
Zie 'k op tot den Vader om rust voor mijn hart,
Dan stilt hij de stormen en bant hij de smart.
57
Als God mij vertroost, is 't kruis niet te zwaar. Dan ken ik geen vrees in 't bangste gevaar.
Dan vind ik, al strijdend, vertrouwen en kracht En zing ik mijn psalmen in duisteren nacht.
Hij spreekt tot mijn ziel van 't leven in 't licht. En 'k houd dan mijn oog op 't hoogste gericht. Hij voert me op zijn vleuglen naar heiliger sfeer En 'k voel dan de boeien der zonde niet meer.
Godsd. Liederen, no. 26.
VI.
Twijfelingen.
In de voorgaande hoofdstukken hebben wij stilgestaan bij de verschillende wijzen, waarop God zich een weg baant tot des menschen geest en hem van zijn tegenwoordigheid verzekert. Door hel verstand, het geweten en het gemoed maakt God zich kenbaar aan des menschen rede, aan zijn zedelijk gevoel en aan zijn zieleleven. Al deze wegen staan open, zelfs zonder dat de mensch een poging doet om tot God te naderen. Als dan verder de mensch zelf God zoekt in hel gebed, dan komt tot hem zulk een hulp en kracht en troost in de zorg en den strijd van het leven, dat bij daardoor zeker wordt, dal God hem nabij is en op zijn roepen let. Deze dingen zijn de naluurlijke ervaring-van het vroom gemoed, door het getuigenis van duizenden bevestigd, niet alleen thans, maar in de dagen onzer vaderen en in de oude dagen van weleer.
Maar indien dit zoo is, rijst de vraag: »Hoe komt het, dat andere duizenden alle zekerheid omtrent God ontkennen?quot;
58
Hoe komt het, dat de woorden Atheist, Agnosticus, Secularist, Positivist ons zoo bekend tegenkiinken, terwijl toch eik dier woorden op zijn minst onwetendheid omtrent deze verschillende wijzen van Gods getuigenis en omtrent den God, die in ons binnenste spreekt, verraadt?
Het woord Atheist is thans misschien minder algemeen dan vóór een honderd jaren; toch zijn er knappe menschen, die openlijk voor hun atheisme uitkomen; heigeen dan, in den mond van sommigen, de volstrekte ontkenning van God beteekent, maar voor anderen alleen een ontkenning is van eenige betrekking tusschen ons en God. Doch terwijl het woord Atheist op den achtergrond is getreden, is het woord Agnosticus op den voorgrond gekomen, en het heelt thans iets fatsoenlijks, vooral wanneer het gebruikt wordt door voorgangers op lelterkundig gebied en toongevers in de beschaafde kringen. â Hel is een nadrukkelijke belijdenis van onkunde, de verklaring, dat men niets weet van de Hoogste Macht, welke ook, en niet verwacht er ooit iets van te zullen weten. Terwijl nu vele beschaafde menschen voor hun agnosticisme uitkomen, geven hunne ruwer broederen onder de werklieden de voorkeur aan den titel van Secularist. Zij willen daarmee te kennen geven, dat zij hunne aandacht bepalen tot de stoffelijke wereld en de taak van het dagelijksch leven, zonder die met God in betrekking te brengen, en vooral, zonder daarbij aan een toekomend leven te denken Hun meest invloedrijke leider beweert, dat atheisme een noodzakelijk bestanddeel is van hel ware secularisme.
Niet weinigen, eindelijk, van hen, die in verstandelijke ontwikkeling het hoogst slaan â onder wie velen ook in zedelijk opzicht uitmunten â â scharen zich onder de Positivisten Sommigen geven daarmee te kennen, dat zij leerlingen zijn van Auguste Comte, en beweren met hem,
5U
dat de menschheid â het Groote Wezen, beslaande uit alles wal er goeds en edels in de mannen en vrouwen van het verleden was, een Wezen, dat als hel ware toeneeml bij het opkomen en verdwijnen der geslachten â het geschikte voorwerp van vereering en aanbidding is, ol', zooals Frederik Harrison het liever uitdrukt, van onzen cultus. Anderen, daarentegen, beschrijven het positivisme eenvoudig als het uilsluitend aannemen van die waarheden, die met het versland uit de positieve feilen der ervaring-kunnen algeleid worden. In dezen zin is dit ons boekje zeer bepaald een «positivistischquot; werk, daar het zich louter beroept op de feilen der menschelijlie ervaring. Maar de eigenlijke Positivist zou mei kracht daartegen opkomen; wanl hij is niet overtuigd van de werkelijkheid dei' ervaring, waarop wij ons in de voorgaande hoofdstukken steeds beroepen hebben
Al deze groepen nu â en zij maken geen gering deel van de denkende wereld in onze dagen uit â verwerpen bepaald, of ontkennen stilzwijgend, of redeneeren als een illusie weg, de gansche reeks van ervaringen, waarmee wij ons lol nog toe hebben beziggehouden. Zij erkennen niet, dal hel versland ons op eenigerlei wijze dwingt of de vrijheid geeft om een levende oorzaak als achlergrond der zichtbare wereld aan le nemen. Zij geven niet loe, dat de feilen van het geweten een levend Wezen als de bron van het zedelijk smoelenquot; in zich sluiten. Zij zien niet in, dat het toevloeien van vrede of troost aan de ziel een openbaring is van de godheid. Zij nemen niet aan, dal er op hel toespreken van God in het gebed eenig antwoord van omhoog volgt. Indien nu de ervaringen, waarbij wij tot nu loe hebben stilgestaan, de natuurlijke en regelmatige ervaringen van den mensch zijn, dan zou men niet op zooveel tegenspraak hebben gerekend. Kunnen wij voor al
60
dien twijfel en dat ongeloof een oorzaak vinden? En zoo ja, is een dier oorzaken dan van zooveel invloed op onzen lijd, dat wij daaruit dien toenemenden twijfel en dat aangroeiend ongeloof kunnen verklaren?
Laten wij zien. Indien wij zulke oorzaken kunnen vinden en indien zij niet van dien aard zijn, dat zij de verzekerdheid omtrent God, welke wij aan zijn inwendig getuigenis ont-leenen, verzwakken, dan behoeft het feit, dat zij in wijden kring twijfel en ongeloof zaaien, ons niet in ons eigen geloof aan het wankelen te brengen. Nu hebben wij, dunkt me, niet ver naar die oorzaken te zoeken. Er zijn, die wij aantreffen in den loop der geschiedenis, andere daarentegen vertoonen zich vooral in onze dagen. De laatste willen wij in de eerste plaats in oogenschouw nemen.
De twijfel en hel ongeloof, waarop wij wezen, vinden een voldoende verklaring, al zij het niet hare rechtvaardiging, in den geestelijken toestand van onzen tijd. Sedert een honderdlal jaren gaat er een stroom van twijfelzucht â d. i. van onderzoek naar de gronden des geloofs â over hel Westen van Europa heen. Daardoor is menige leer in de staatkunde en den godsdienst, die lang voor ontwijfelbaar zeker was gehouden, aan het wankelen gebracht, en nog lang zal dit voortgaan. Menige dwaling is daardoor aan hel licht gekomen; de zwakke grond, waarop menige erkende waarheid rustle, is daardoor in gevaar geraakt. Het geloof in God en zijne betrekking tot ons geestelijk leven heeft zijn wezenlijken steun in de geestelijke ervaringen der menschen. Maar dal zulke ervaringen er recht op hadden om als den waren grond van den godsdienst, beschouwd te worden, was door Katholieken en Proleslanten voorbijgezien. De Katholieken hadden zich beroepen op het gezag der Kerk, de Protestanten op het gezag van den Bijbel of van de belijdenissen als den grondslag des geloofs
61
in God en in het gebed. Doch de ernstige onderzoekingen der vorige eeuw en de algemeene geest van twijfel, die daarmee gepaard ging, brachten spoedig velen lot de overtuiging, dat zulke gronden voor zoo belangrijke gevolgtrekkingen van weinig beleekenis waren; endaar men niet had geleerd den grond des geloofs in zijn eigen hart te zoeken, zag zich het geloof van allen steun beroofd en ging het te gronde. Daarenboven, de Kerken hadden denkbeelden omtrent God aangekweekt, die niet waar zijn. Zij hadden geleerd, dat hij een toornig God is, die door een buitengewoon offer bevredigd moet worden, of wel, dat hij met de krachten der natuur, door bijzondere beschikkingen, tusschenbeide moet komen, om in de behoeften van eiken mensch in het bijzonder te voorzien. Zij hadden geleerd, dat men alleen tot hem kon naderen door middel van zinnelijke plechtigheden, of wel, alleen door bet geloof in het schulddelgend bloed van Christus. Zij, die iets van den geest des twijfels, welke in vele opzichten een der beste beslanddeelen van den tijd was, in zich hadden opgenomen, konden onmogelijk langer aan zulk een leer vaslhouden; en daar niemand tot hen sprak van den anderen God, dien zij bij een ernstige beschouwing van hun eigen innerlijk leven konden vinden, kwamen zij er toe om met het verwerpen van het bijgeloof ook het geloof in God te verwerpen.
Verder hadden de priesters en de godgeleerden den noodlottigen misslag begaan van zich voornamelijk te beroepen op die buitengewone gebeurtenissen, werkelijke of verdichte, die hel voorkomen van iels wonderbaars dragen, als bewijzen voor het bestaan van een levenden Wil, met het bestuur der natuurkrachten toegerust. Zeiven onldeklen zij ternauwernood zulk een Wil in hel dagelijks op- en ondergaan der zon, in het vallen van den regen, in het.
6-2
ontluiken der bloemen en hel rijpen der vruchten. Maar de geest des twijfels wist spoedig raad met het wonder; en nu, toen dit verdwenen was, scheen het, alsof daarmee ook Gods openbaringen verdwenen waren Voorts, toen wijze en geleerde mannen zooveel over weiten der natuur begonnen te praten en ons te verzekeren, dat elke regendroppel en iedere sneeuwvlok, elke graankorrel en ieder steentje aan het strand, het voortbrengsel is van eenzelfde, vaste, eeuwige wet, dat de wet onbeperkt en altoos in al de bewegingen van het heelal heerscht â toen vertoonde zich het eigenaardig verschijnsel van den menschelijken geest, dat men op hoogen loon alle inwerking van God op dat gebied der schoone en volmaakte orde ontkende. Zoo onvermijdelijk ligt hel in den menschelijken geest, een Wil als de oorzaak der verschijnselen te erkennen, en zoo nauw werd de Wet met alle verschijnselen verbonden, dat men onbewust de wetten der natuur als personen begon voor te stellen en te berusten in het geloof, dat deze wetten zelve de oorzaken der verschijnselen zijn. Inderdaad is een wel niet anders dan het feit, dat zekere verschijnselen altoos in een zekere opeenvolging plaats hebben. Zij is even weinig de oorzaak der verschijnselen als het feit, dal een regiment stapvoets voortmarcheert, de oorzaak is, dat een brievenbesteller met snelle schreden voorwaarts gaal. De verschijnselen maken de wet; zoo er geene verschijnselen waren, zou er geen wel zijn. Toch verkeeren duizenden in de dwaling, dal de Wel zelve een oorzaak is. In veler gedachten is de wel een persoon; en het gevolg daarvan is, dat het natuurlijk gevoel van behoefte aan een God achter de verschijnselen onderdrukt of ten eenenmale uitgeroeid wordt.
Daarenboven, terwijl wij ons oprecht verheugen in den merkwaardigen vooruitgang der natuurwetenschap en hare hooge waarde voor het welzijn der menschheid erkennen.
08
kunnen wij niel nalaten op te merken, dat zij voor het oogenblik het vertrouwen op de feiten van het geeslelijk leven nog. op andere wijze ondermijnt dan waarop ik reeds heb gedoeld. Uet is een gewoon bezwaar voor den leerling onzer burgerscholen en hoogescholen, dat elk leeraar geneigd is om hel hoog belang van zijn vak op den voorgrond te stellen en met een zekere geringschatling op de andere vakken neer te zien. Met de beste bedoelingen meent de onderwijzer in de mathematische wetenschappen, dat een paar uren in de week voldoende zouden zijn voor het Latijn, en de onderwijzer in het Grieksch ziet niet in, waarom één namiddag van de zes niet volstaat voor de chemie of physiologie. Dit is slechts een enkel voorbeeld, hoe de menschelijke geest niet in staat is om meer dan een beperkte belangstelling aan verschillende dingen tegelijk te wijden. Wij zijn allen specialisten op onze manier; terwijl onze aandacht gevestigd is op ééne reeks van waarheden, worden de groote reeksen van waarheden, die er omheen en er achter liggen, nauwelijks door ons opgemerkt. Nu zijn duizenden der beste geesten van Europa in onze dagen bezig met de hartstochtelijke beoefening der natuurwetenschap. Dal is hun stokpaardje, en de reeks van feilen, die buiten dit gebied ligt, wijkt voor hen op den achtergrond of verliest voor hen alle belang. Zonder dal zij bedoelen, eenig vak van kennis aan het eerbiedig onderzoek te onttrekken, en terwijl zij zelfs met fraaiklinkende woorden hel heilig recht op onderzoek van alle kennis handhaven, verkondigen zij loch in de praktijk, dal hel gebied hunner eigen studie de eenige kennis oplevert, die ernstige belangstelling verdient. Hel algemeen gebruik van het woord «wetenschapquot; strekt daarvoor ten bewijze. Dal woord be-teekent eigenlijk alle kennis, die voor stellig bewijs vatbaar is en die tol een stelsel kan worden gebracht. Maar tegen-
64
woordig wordt het negen keercn van de tien alleen gebruikt voor de bijzondere vakken van kennis, die tot de stoffelijke inrichting van het heelal behooren. Wanneer iemand een «wetenschappelijk manquot; wordt genoemd, dan verstaat men daaronder, dat hij de teleskoop of de mikroskoop, de weegschaal of de retortbuis, den hamer van den geoloog of het ontleedmes van den chirurg hanteert. Kwam het daarentegen uit, dat hij zich wijdde aan het nasporen der wetten van hel menschelijk zieleleven, van onze zedelijke natuur of van ons verstandsvermogen, dan zou men meenen, dat hem een verkeerde titel gegeven was.
Maar nog in een ander opzicht is de beoefening der natuurwetenschap schadelijk voor het godsdienstig geloof. Deze studie houdt zich alleen bezig met de dingen, die gezien, getast, geroken, geproefd of op andere wijze door een onzer vijf zintuigen waargenomen kunnen worden. De belangrijkste waarheid, welke de natuurkundige van den beginne af te leeren heelt, is, dat het bewijs der zintuigen voor hem het hoogste bewijs is. Zijne feiten, zijne wetten moeten bewezen worden door het getuigenis der natuur, waarvan het oog of de hand kennis kan nemen. Dat zijn denken hem iets verzekert, is een soort van bewijs, die door hem met recht c-n ten eenenmale wordt buitengesloten; indien de weegschaal of de retort of de mikroskoop de onderstelling van zijn verstand niet bevestigt, dan moet hij haar verwerpen. Dat de verschijnselen der natuur door de natuur moeten beoordeeld worden, is in de natuurwetenschap een even vaste regel, als dat in den godsdienst geestelijke dingen door den geest moeten beoordeeld worden. Geen wonder nu, bij deze manier van doen, deze gewoonte, dat de scheikundige of natuurkundige, met hen die onder zijn machtigen invloed staan, van den beginne af een vooroordeel heeft tegen hen, die geestelijke feiten en ervaringen der
65
ziel in gemeenschap met haar God bij het zoeken naar waarheid in rekening brengen, zooals het behoort.
Men vergete ook niet, dat de geleerde op menig gebied der natuurwetenschap dagelijks Ie doen heeft met dingen, die vergaan. De weefsels van dieren en planten ontbinden zich in hunne elementen zoo zeker en zoo snel, dal iemand, die zich voortdurend met hun onderzoek bezighoudt, zeer gemakkelijk in den waan kan komen, dat alle dingen aan ontbinding en dood onderworpen zijn. Het valt hem daarom moeilijk, het blijvend bestaan van geestelijke feiten of geestelijke wezens in zijn voorstelling op te nemen. En indien de weefsels van het menscheiijk lichaam zijne gedachten voortdurend bezighouden, dan valt het hem dubbel moeilijk, zich den geest, die in zulk een broos omhulsel woont, als verwant of gemeenschap oefenend met een oneindig en eeuwig Wezen voor te stellen. Vooral komt de kracht van het natuurkundig vooroordeel ter ondermijning van het godsdienstig vertrouwen uit, als wij de groole sterrekundigen en de uitnemendste natuurkundigen nevens elkander plaatsen. Beiden zijn even vlug in de behandeling-van de uitkomsten der wetenschap. De sterrekundigen beroepen zich ook, ten slotte, op de zintuigen tot staving der feiten, waaruit zij redeneeren. Hun richting leidt er niet minder sterk toe, dat zij zich wachten, al te snel over te gaan tol gevolgtrekkingen of zich op de verbeelding in plaats van op de waarneming te verlaten. Maar de voorwerpen hunner waarneming zijn betrekkelijk standvastig; hunne ontbinding toch is een zaak niet van uren of dagen, maar van tijden, die onze verbeelding te boven gaan. En nu, terwijl de natuurkunde menigen bekwamen strijder aan het leger der agnostieken in den godsdienst heeft toegevoegd, slaan de groole sterrekundigen, Kepler, Galilei, Newton, Herschel, Kaiser, vooraan in de rij van hen. die in een Almachtig God gelooven.
WAT WIJ VAN COD WETEX. 5
G6
Wanneer wij beweren, dat de voorliefde van onzen tijd voor de natuurwetenschap lot op zekere hoogte ongunstig heelt gewerkt op het godsdienstig gelool, dan bedoelen wij daarmee geenszins een aanval op het wetenschappelijk onderzoek. Niet alleen bewijzen de physicus en de bioloog belangrijke diensten aan onze stoffelijke beschaving en schenken zij ons geslacht een rijken schat van nieuwe en betooverende kennis; maar ten slotte zullen hunne onderzoekingen krachtig medewerken lot de vernieuwing en bevestiging van het geloof in God. Zij ontdekken ons wonderen in den bouw en de ontwikkeling van het heelal, die des menschen eerbied voor de eeuwige Macht waarvan alles uitgaat, moeten ver-hoogen. Het eenige, waarop wij den nadruk leggen, is dit, dat er in de wijze van het onderzoek en de richting van het denken, die een zoo ruime plaats in het geestelijk leven van onzen tijd hebben ingenomen, elementen zijn, die, vooralsnog, tot verlaging der geestelijke wijsbegeerte en tot wantrouwen in de geestelijke ervaring strekken.
Wij gaan nu over tot een geheel andere soort van feiten, die het godsdienstig geloof in onze dagen ondermijnen.
De verschillende wijzen, waarop God van zichzelf in den menschelijken geest getuigenis geeft, vereischen alle, om lot haar recht le komen, een zekere rust van des menschen hart. Vooral is dit het geval met hetgeen ik het getuigenis van het versland heb genoemd en met hel getuigenis door het gebed. »Wees stil en weet, dat ik God ben,quot; is een regel, die wortelt in hel diepst van onze menschelijke natuur. Waar geen stilte is, daar kan moeilijk eenige kennis van God zijn.
Maar in onzen tijd verdwijnt hoe langer zoo meer de stilte uil het leven der menschen. Met onze spoorwegen, telegrafen en telefonen, onze groole sleden en haar wedijver in den handel, het doordringen van staalkundige en
67
zelfs filanthropische werkzaamheid lot klassen van menschen, die er vroeger weinig deel in namen, is hel gewone leven van ons geslacht iels geheel anders geworden dan hel vijftig-jaren geleden was. Zelfs kinderen leven onder hooge drukking. Voor godsdienstoefeningen hebben vele menschen geen oogenblik beschikbaar. Duizenden hebben de gewoonte van het dagelijksch gebed laten varen, niet met opzet of uil zelfbewuslen twijfel, maar omdat zij iederen morgen zooveel te doen hebben en iederen avond zoo vermoeid zijn. En de drukte geeft kwelling. Lees eens een brief, die geschreven werd in den tijd, toen het stuiverstelsel nog niet was ingevoerd. Wal zijn de volzinnen los; wal wordl elke zaak, die ter sprake komt, van alle kanten bekeken! Drie vierden van de brieven, die wij thans ontvangen, zijn haastige aanteekeningen over zaken; geen woord te veel, geen lettergreep boven hetgeen onmiddellijk tol de zaak behoorl. De hersenen van den hedendaagschen mensch arbeiden zonder ophouden aan beroepsvragen en zaken, die weinig gelegenheid overlaten aan de raadgevingen van den Heiligen Geest om lot hem door te dringen. Indien hij niet zoo wijs is, dal hij van sde zorgen dezer wereld en de verleiding des rijkdomsquot; ten minste enkele minuten per dag weet af te zonderen, om de ziel tot God te verheffen, kan het geloof aan de tegenwoordigheid en liefde van God, dal hij als een erfgoed van ouders, die in rustiger dagen leefden, ontving, hem gemakkelijk geheel ontglippen en ter prooi laten aan den geest van volslagen ongeloof.
Terwijl nu het grootste deel der menschen van het tegenwoordig geslacht, opgaat in de zorgen van hun beroep en daardoor hun geestelijk oog verduisterd ziet, is er een kleiner getal, dat de bronnen van het geestelijk leven doet verdroogen op een minder verschoonbare, hoewel misschien nog veel schadelijker wijze. Onder de gegoede
5*
68
mannen en vrouwen van onzen lijd zijn er zeer velen â le dikwijls jonge mannen in den eersten bloeitijd van het, volwassen leven, of jonge vrouwen in sierlijken tooi gekleedâ wier bestaan met overleg is gewijd aan het najagen van genot, niet als een vermaak, maar als hun levensdoel. Zulke menschen verkeeren nu eens in een koortsachtige spanning, dan eens in een beklagenswaardige verveling, en zijn in beide stemmingen weinig vatbaar voor de ervaring van Gods onmiddellijke nabijheid. In vroeger tijd was het genot iets, dat den arbeid verving, de ontspanning, die de krachten van lichaam en geest voor het werk, dat men te doen had, vernieuwde. Als het genot op die wijze gezocht en gekoesterd wordt, legt het geen hindernis in den weg aan de natuurlijke gemeenschap tusschen den mensche-lijken en den goddelijken geest. Maar breidt het zich over geheel het gebied des levens uit, dan verduistert het Gods hemel en doet een ondoordringbaren nevel rijzen tusschen de bron van het hemelsch licht en de bewustheid van den armen dienaar der ijdelheid.
En inderdaad, deze toewijding van het leven aan het genot alleen, zonder acht te geven op de ontelbare plichten, die ons door het geweten worden opgelegd, is slechts een dei-vormen van een groote schade, welke de menschen zich in alle eeuwen hebben berokkend, waardoor zij hun hart voor het genot der gemeenschap met den hemel afsluiten. Ten allen tijde is de zonde een der grootste hinderpalen geweest van het geloof.
Doch het zou een groote onbillijkheid zijn, indien wij ieder, die het geloof in God verwerpt, onder de zondaars rangschikten. Wij hebben gezien, dat er menige verklaring is van den twijfel, die door vele ernstige menschen gekoesterd wordt, zonder dat wij onze toevlucht behoeven te nemen tol een zedelijk gebrek. Nog ongepaster is het
69
beweren, dat God een afkeer heeft van hem, die dit of dat leerstuk niet aanneemt. Toch blijft het een der onloochenbare feiten in de natuurlijke geschiedenis der mensch-heid, dat een voortdurende overtreding der zedewet een der voornaamste oorzaken is van het ongeloof.
Wij hebben uitvoerig stilgestaan bij vierderlei getuigenis, waardoor men tot de zekere kennis van God komt, het verstand, het geweten, het gemoed en het gebed. Gaan wij deze getuigenissen één voor één na, dan zal het duidelijk worden, hoe de kracht van hun gemeenschappelijk getuigenis moet verzwakt worden door de gewoonte om op de zedelijke wet geen acht te slaan.
Het minst komt dit uif bij het getuigenis des verstands. Hier is het voldoende, op te merken, dat een ongeregeld leven het vermogen van nauwkeurig denken en helder betoogen noodzakelijk verzwakt, dat een eenvoudige en kloeke leefwijze een der hoofdvoorwaarden is om het redeneervermogen lang en krachtig te gebruiken.
Veel duidelijker komt de invloed van zondige gewoonten aan den dag, als wij overgaan tol het getuigenis des gewetens. Het spreekt van zelf, dat het geweten, als de stem, die het goede prijst, van de gelegenheid om zich te doen gelden beroofd zal worden, in dezelfde male als het leven zijn hooge beteekenis verliest. Maar ook de kracht, waarmee het geweien tegen het kwade waarschuwt of tol het goede vermaant, vermindert evenzeer. Want dit beroep op het inwendig oor is aan dezelfde voorwaarden onderworpen als de klanken, die het uitwendig oor treffen; een langdurige verwaarloozing om er naar te luisteren verdooft de bewustheid, dat er een beroep is gedaan. Als er een wekker afgaat om u iederen morgen te zes uren wakker te maken, en gij eenige morgens achtereen, in plaals van onmiddellijk uit het bed te springen, u nog
70
eens omkeert om weer in te slapen, zult gij waarschijnlijk binnen een week geheel en al doof voor dat geluid zijn en, terwijl gij om half acht met een schrik wakker wordt, zult gij beweren, dat de wekker in het geheel niet is afgegaan. En toch ging de wekker af, als altoos, maar uwe gehoorzenuwen waren onbekwaam geworden om het geluid tot uwe bewustheid over te brengen. Evenzoo, wie het oor sluit voor de heilige slem van het geweten, zal spoedig zich slechts flauw en misschien in het geheel niet bewust zijn, dat zij zich deed hooren. Daarmee heeft God niet opgehouden te spreken; maar de zedelijke natuur is daarvoor ongevoelig geworden. Zoo verliest ook de knaging van het geweten na een slechte daad hare kracht, als men er niet op let; en dan kan men voortgaan van de eene zonde lot de andere, zonder dat men een geruimen tijd daarover eenige wroeging gevoelt. Dat is de ergste straf der ongehoorzaamheid, het afdalen der ziel van de hoogte, waartoe een mensch is geroepen. Alleen in buitengewone omstandigheden, als een nieuwe mijlpaal der zonde is bereikt, zal het geweten zich nog eens plotseling en dreigend doen gelden en hel werkelijk bestaan van God aan de ziel voorhouden, niet als een vriendelijken en beschermenden Geest, maar als een wrekend Rechter.
Ziedaar de vreeselijke gevolgen der verlamming van het geweten ten gevolge van een zondig leven. Gode zij dank! groote misdadigers zijn er niet velen in de wereld; het meerendeel der menschen, die wij kennen, zijn oppervlakkig goed en handelen in overeenstemming met de wellen van het maatschappelijk leven. Maar dat is volstrekt nog geen bewijs, dat zij hun leven naar de voorschriften van het geweien inrichten. Menschen, die door niemand slecht worden genoemd, kunnen noglans een zeer zelfzuchtig leven leiden, zonder honger en dorst naar gerechtigheid.
71
zonder eenige toewijding aan hetgeen rein en edel is. Naarmate wij zoo leven, verliest het geweten zijn prikkel en zien wij ons beroofd van het getuigenis, dat het geeft aan de werkelijkheid en tegenwoordigheid en den invloed van God op ons dagelijksch leven.
Wat nu het 'getuigenis desgemoeds betreft, dat, behalve de volkomen gemeenschap met God in het gebed, den mensch het meest tot hem doet naderen en hem het meest vervult van de reine blijdschap des godsdienstigen geloofs, hieromtrent merken wij op, dat het uit den aard der zaak vooral voor hen bereikbaar is, die als Gods kinderen trachten te leven. Wel wordt het dikwijls ook aan hen gegeven, die voor een poos van het hooger levensslandpunt zijn afgedaald en verdwaald in de begeerlijkheden der wereld; maar zij verkrijgen het niet, als zij werkelijk onverschillig zijn voor het goede en reine en hemelsche. Dan alleen wordt het hun deel, als zij ontevreden zijn over hunne tekortkomingen, als zij hunne aardschgezindheid moede zijn. Wie de overtuiging mist, dat er een edeler leven voor hem mogelijk is dan dal van verveling en onwil en knorrigheid, is niet het voorwerp, waaraan God in de reine schoonheid zijner heiligheid wordt geopenbaard. «Zalig de reinen van hart,quot; zeide Jezus, »want zij zullen God zien.quot; quot;Voor hen, die vrede hebben met onreinheid van hart, die niet naar iets beters verlangen, blijft hij verborgen.
Wij behoeven nauwelijks te zeggen, dat het getuigenis door het gebed alleen aan hen kan gegeven worden, die bidden. Maar als de zelfzucht des menschen hart binnensluipt, hij moge uit oude gewoonte nog gebeden uitspreken, met werkelijk bidden houdt hij op; want zelfzucht en gebed kunnen in des menschen ziel niet samenwonen.
Wij hebben alzoo velerlei oorzaken gevonden voor den
72
twijfel en het ongeloof, zoo algemeen in onze dagen. Die oorzaken liggen voor de hand â ze zijn van verstandelijken en zedelijken aard, tijdelijk en voortdurend. Maar geen van alle doel eenige albreuk aan het getuigenis van God, dat in de ziel wortelt. Dit blijft ongeschonden. Inderdaad , wanneer wij alles nagaan, wat in des menschen binnenste en in zijn leven hel godsdienstig geloof ondermijnt, dan zullen wij ons veeleer verwonderen, dat het geioof in God, ondanks dal alles, nog zoo innig en zoo krachtig, zoo bezielend en zegenend is voor het leven van duizenden en duizenden van Gods kinderen. De grondslagen van ons geloof moeien wel onwrikbaar vast in de eeuwige waarheid liggen, wanneer al die slormen en golven het niet kunnen omverwerpen.
YII.
De grenzen onzer kennis.
»Zult gij de grens van Gods onderzoek bereiken? Reiken lol aan des Allerhoogsten volkomenheid?quot; Zoo spreekt Zofar tot Job in het grootsche oude drama; of, zooals wij hel oorspronkelijke misschien ook kunnen vertalen; »Kunt gij de diepten Gods uitvinden? Kunt gij komen lot hel eind van den Almachtige?quot;
Het is een ontzettende vraag. Wij hebben enkele vaste lijnen voor onze kennis van God algeleekend. Deze kunnen door niets worden uitgewischt. Maar de «diepten Godsquot;, zooals Paulus het noemt, en »het eind van den Almachtigequot;, zooals het heet in het boek Job, deze kan zeker geen mensch bereiken. Er zijn christelijke predikers geweest r die zulk een diepen indruk hadden gekregen van de onna-
73
speurlijke verborgenheden der goddelijke macht, die ons allerwege omringt, dat zij als «christelijke agnosticiquot; zijn opgetreden. Zij volgden Christus en namen zijn onderwijs aan, maar verklaarden, dat het, buiten de bijzondere openbaring, welke zij meenden, dat het Evangelie bevat, volstrekt onmogelijk voor ons is, eenige wezenlijke kennis van God te bezitten. Het is uit het voorafgaande duidelijk gebleken, dat wij een geheel ander standpunt innemen; maar het verwondert ons in het geheel niet, dat voor sommigen hetgeen wij van God weten geheel in de schaduw treedt voor wat -wij niet weten, dat de uitgebreidheid onzer onkunde het weinigje kennis, dal wij bezitten, in het niet doet verdwijnen. Toch is onze kennis een werkelijk welen, maar een welen van hel begin, niet van het eind des Allerhoogsten, een kennis van de openbaringen Gods, waarmee onze geest in aanraking komt, niet van de ver verwijderde diepten.
Inderdaad, hoe duidelijk deze lichtpunten onzer kennis ook zijn, hoe helder zij ons tegemoet stralen, hoe voldoende zij zijn om ons voor te lichten op onzen weg, hel zijn niet meer dan vonken, waarachter geen onzer vermogens in staal is tol de onmetelijke verborgenheden van de kern van Gods wezen door te dringen. Van hel werkelijk zijn dier Macht, die zich aan ons openbaart in de bewegingen van het heelal, in hel gebiedend getuigenis van hel geweien, in de aandoeningen van het gemoed, in de gemeenschap des gebeds, weten wij niets, ümirent heigeen God in zichzelf is, onafhankelijk van zijne mededeelingen aan onze bewustheid, is onze onwetendheid zonder grenzen.
Deze belijdenis schijnt aan sommigen toe gelijk te staan met een opgeven van den strijd, een ruimen van het veld aan den atheist. Maar hel tegendeel is waar. Onze kennis van God staal gelijk met onze kennis van al wat buitendien onder onze bevatting valt. Wij kennen hem alleen in die
74
opzichten, waarin hij met onze bewustheid in aanraking komt; verder niet.
Op dezelfde wijze kennen wij ook ieder ander voorwerp buiten ons. Om een enkel voorbeeld te noemen: hoe is het met onze kennis van de aarde, den bodem, waarop wij ons bewegen? Ziehier een stuk steen. Wij kunnen zeggen, dst het zwaar is, omdat hel met onze spieren in aanraking komt, als wij het oplichten, en wij kunnen zijne zwaarte meten, in vergelijking met andere stukken steen. Dat noemen wij wegen. Wij kunnen zeggen, dat het hard is, door er met de hand op te drukken. Wij kunnen zeggen, dat het zwart is, omdat het op ons gezicht den indruk van zwart maakt. Wij kunnen zeggen, dat het niet veel smaak en geen merkbaren reuk heelt, door het tegen onze tong of onder onzen neus te brengen. Maar dat alles be-teekent niets meer, dan dat wij ons bewust worden van zekere gewaarwordingen, als wij met den steen in aanraking komen; doch wij hebben daarmede niets geleerd omtrent het wezen van den steen, maar alleen omtrent de gewaarwordingen, die hij bij ons teweeg brengt. Onderstel, dat er in het gansche heelal geene oogen waren om te zien, geene tongen om te proeven, geene handen of spieren om gevoelig te zijn voor hardheid of zwaarte, wat zou de steen dan zijn? Neem de hoedanigheden weg, welke wij alleen kennen als de uitdrukking der betrekking, waarin de steen lot ons staat, wat ligt er dan achter? Wal kan de mensch er van zeggen?
Het is zoo, de geoloog kan er ons iels meer van zeggen, namelijk, hoe de steen een steen geworden is. Misschien vertelt hij ons, dat hij eens gesmolten lava was en uil den krater van een vulkaan werd geworpen en langs den berg neervloeide, voordat hij koud en hard werd. Maar dan nog, wal is de steen en wat was de lava?
75
De geoloog vraagt het den scheikundige, en deze noemt de grondstoffen op, waarin de lava en de steen kunnen opgelost worden. Maar dan vragen wij weer, wat zijn die grondstoffen? De scheikundigen verzekeren ons, dat ijzer een grondstof is en niet in verschillende bestanddeelen kan opgelost worden. Het zij zoo; maar wat is ijzer, of kool, of waterstof of arsenicum? Ik weet, dat gij er een omschrijving van kunt geven, in zooverre als hel mijne zintuigen aandoet of invloed op mij oefent, als ik het inneem. Maar gij kunt mij niet zeggen, wat het op zichzelf is. Gij kunt daaromtrent niet de minste gissing doen; en niemand is daartoe in slaat.
Ziedaar dus hetzelfde geval met een gewonen steen op den weg, als met onze kennis van God. Wij kennen den steen in zijne betrekking tot onze bewustheid; maar zijn natuur, zijn onzichtbaar wezen is een volstrekt en ondoorgrondelijk geheim voor ons. Toch beklaagt zich niemand, dat wij niets van den steen weten. Veeleer zijn wij geneigd om in het andere uiterste le vervallen en te beweren, dat )gt;wij er alles van weten.quot; Het een is even onjuist als het ander. Wij weten wel degelijk iels van den steen, evenals wij wel degelijk iets van God weten. Maar noch in den hemel, noch op aarde is eenig voorwerp, waarvan wij «alles weten.quot; Onze kennis geldt alleen de oppervlakte. De inwendige verborgenheden zijn ondoorgrondelijk. Houden wij altoos de schoone regels van Vondel in gedachte:
Wie is het, die, zoo hoog gezeten,
Zoo diep in 't grondelooze licht,
Van lijd noch eeuwigheid gemeten,
Noch ronden zonder tegenwicht,
Bij zich bestaat; geen steun van buiten
Ontleent, maar op zichzelven rust,
En in zijn wezen kan besluiten Wat om en in hem, onbewust
/b
Van wanken, draait en wordt gedreven
Om 'teen en eenig middelpunt, Der zonnen zon, de geest, het leven,
De ziel van alles wat gij kunt Bevroen of nimmermeer bevroeden,
Het hart, de bronaar, d'oceaan En oorsprong van zoo vele goeden Als uit hem vloeien en bestaan Bij zijn gonade en alvermogen
En wijsheid, die hun 't wezen schonk Uit niet, eer dit in top voltogen
Paleis, der heemlen hemel, blonk. Wie is het, noemt, beschrijft ons hem
Met eene Serafijnen veder.
Of schort het aan begrip en stem ?
Dat's God, oneindig, eeuwig Wezen
Van alle ding, dat wezen heeft. Vergeef het ons, o! nooit volprezen Van al wat leeft en niet en leeft Nooit uitgesproken , noch te .spreken;
Vergeef het ons en scheld ons kwijt, Dat geen verbeelding, tong noch teeken
U melden kan. Gij waart, gij zijt. Gij blijft dezelfde. Alle eng'lenkennis
En uitspraak, zwak en onbekwaam, Is maar ontheiliging en schennis;
Want ieder draagt zijn eigen naam, Behalve gij. Wie kan u noemen
Bij uwen naam? Wie wordt gewijd Tot uw orakel? Wie durft roemen?
Gij zijt alleen dan die gij zijt,
Uzelf bekend en niemand nader.
U zulks te kennen, als gij waart, Der eeuwigheden glans en ader;
Wien is dat licht geopenbaard ?
Wien is der glanzen glans verschenen?
Dat zien is nog een hooger heil. Dat wij van uw genade ontleenen; Dat overschrijdt het perk en peil
77
Van ons vermogen. Wij verouden In onzen duur; gij nimmermeer.
Uw wezen moet ons onderhouden.
Verheft de godheid, zingt hare eer!
Als wij van de kennis der onbezielde dingen opklimmen tot de kennis van elkaar, dan springt de overeenkomst dezer kennis, zoowel wat hare uitgebreidheid als hare grenzen betreft, met onze kennis van God in het oog. Wat weet ik eigenlijk van mijn vriend? Ik bedoel niet zijn uitwendige gestalte, maar zijn innerlijken mensch, niet zijn gelaat en zijn stem, maar zijn geest ? Ik ken alleen de wijze, waarop hij mijne bewustheid aandoet. Ik weet, dat zijn tegenwoordigheid mij verheugt, dat hij mij menigmaal in droefheid heeft getroost, in neerslachtigheid opgebeurd, in moeilijkheid geholpen, dal hij mij van het gevoel zijner deelneming in vreugd en smart heeft doordrongen. Ik weet, dat zijn omgang allerlei gedachten in mijn geest heeft doen rijzen. Geheel mijn leven is verrijkt geworden door de indrukken, die ik van hem ontvangen heb. Hij heelt mijn versland, mijn geweien, mijne aandoeningen verlevendigd; ik heb hem hartelijk lief. Maar zelfs mijn geloof, dat hij beslaat, is niets meer dan een gevolgtrekking uit zijn inwerking op mijne bewustheid. Als iemand zegt; »Uw vriend beslaat niet; uw geloof in hem is niet meer dan een zinsbegoochelingquot;, dan heb ik geen enkel bewijs van het tegendeel te leveren. Toch geloof ik onbepaald in zijn beslaan, en niemand kan mij dal geloof onlnemen.
Ja, ik kan nog veel verder gaan. Ik weel niet alleen, dal hij is, maar ook wat hij is. Omdat ik den prikkel van zijn helder verstand heb gevoeld, weet ik, dal hij wijs is. Omdat ik den adel van zijn karakter ondervonden heb, weet ik, dat hij goed is. Omdat ik het genot van zijn
78
vriendschap heb gesmaakt, weel ik, dat hij beminnelijk is. Dit zijn slechts gevolgtrekkingen, als gij wilt; gij kunt zeggen, dat zij niet tot den rang der zekerheid opklimmen, maar alleen den naam van geloof verdienen. Doch de volle verzekerdheid staat met werkelijk weten gelijk. Ik zeg u, dat ik even zeker ben van zijn trouw als van mijn eigen bestaan. En als iemand mij vertelt, dat hij valseh of wreed geweest is, dan weel ik, dat het niet zoo is.
Dit alles nu is ten volle op onze kennis van God toepasselijk. Indien wij onzen vriend werkelijk kennen, dan kennen wij ook God werkelijk. Kan daarentegen mijn verzekerdheid van Gods heiligheid een hersenschim wezen, dan is dit ook mogelijk met mijne verzekerdheid van mijn vriend en zijn goedheid. Al mijn onmiddellijke kennis van God is, wel is waar, kennis van de wijze, waarop hij mijn bewustheid aandoet, en mijn overtuiging, dat hij bestaat, kan niet meer zijn dan een gevolgtrekking uit zijn mede-deeling van zichzelf aan mij. Als gij zegt: »God bestaat niet,quot; kan ik het tegendeel niet bewijzen, dan alleen door een beroep op dergelijke ervaringen in uw eigen innerlijk leven, in uw verstand, uw geweten, uw gemoed. En mijne overtuiging van de rechtvaardigheid en goedertierenheid van God ontspringen uil mijn kennis van hem in mijn eigen leven, wel bevestigd door het getuigenis van duizend anderen en door het lezen der geschiedenis, maar toch nooit weg te cijferen, al verzekerden duizenden mij, dat zij geen goedheid in hem vinden, en al vertoonde mij de geschiedenis een onoplosbaar raadsel.
Maar 'smenschen kennis van God wordt dikwijls uit een ander oogpunt in twijfel getrokken, dan wij tot dusver bespraken. Men zegt, wanneer wij van verstand, goedheid, liefde, als eigenschappen van God, spreken, dat wij ons dan God naar het beeld van den mensch denken of.
79
om een wijsgeerigeti term te gebruiken, dat wij ons dan schuldig maken aan anthropomorfisme. Nu geloof ik, dat men werkelijk altoos tot op zekere hoogte God heeft gedacht en God moet denken naar hel beeld van den mensch. Wij zijn menschen; daarom moeten onze taal en gedachten de taal en de gedachten van menschen zijn. Wij kunnen niet buiten onszelven treden. Wij zijn ook anthropomorfisten, als wij denken en spreken over de schepselen, die beneden ons staan, en ik twijfel geen oogenblik, of daardoor ver-keeren wij in velerlei dwaling omtrent hel leven en het innerlijk zijn van katten en honden, paarden en leeuwen. Wij schrijven hun waarschijnlijk een grooter mate van bewustheid toe, dan zij werkelijk bezitten. En zoo ook kunnen wij, beperkt als wij zijn, bij het denken aan God ons niet anders dan een beperkte bewustheid in hem voorstellen, die werkelijk niet bestaal. Indien ons voor een enkel oogenblik hel innerlijk wezen van het leven Gods geopenbaard kon worden, dan zou hel zonder Iwijfel blijken, dal hel woord «bewustheidquot; daarvoor al zeer ongepast is. Dil neemt echter niet weg, dal de aan ons menschelijk leven ontleende woorden: bewustheid, versland, wil, rechtvaardigheid, liefde, mei volle rechl op God mogen worden toegepast, zoover dit mogelijk is. Zij kunnen aanduiden wat God is. Hel kan een veel juisler indruk maken, als men zegt, dat God verstand, wil, rechtvaardigheid, liefde heefl, dan dal hij dit alles niet heeft, of als men weigert iels over hem te zeggen. Deze verklaringen kunnen zich alle in de juisle richting bewegen, al moesten zij, om hel wezen van God le bereiken, ver builen ons vermogen van denken of spreken worden uitgebreid.
Terwijl wij ons nu in de eerste hoofdstukken met de uiteenzetting onzer werkelijke kennis van God hebben
80
beziggehouden, willen wij thans nagaan, welke grenzen onzer kennis wij in achl moeien nemen, wanneer wij spreken van versland of wil, goedheid of liefde, als eigenschappen van Gods wezen.
Het versland is, zooals wij weten, een vermogen, dal ^en laak heeft, langzamerhand kennis te verzamelen en door een levenslangen arbeid wijsheid op te doen. Maar de inspanning en de arbeid behooren niet tot het versland zelf. Zij zijn een noodzakelijk gevolg van de beperktheid van ons verstand. Op zichzelf zou het verstand â indien het niet beperkt was â ten allen tijde een volkomen kennis bezillen van al wat bestaat. Zoo is ook de wil, gelijk wij dien bezitten, een vermogen, dat steeds met hinderpalen te kampen heeft, en zoodra wij het woord hooren, komt de gedachte in ons op aan groote en kleine bezwaren. Maar die hinderpalen en die inspanning en die bezwaren behooren niet bij den wil, maar vloeien voort uit zijn zwakheid, zijn beperkte kracht. De wil op zichzelf behoeft zich maar tot een voldoende macht te ontplooien, om saam te vloeien met de volkomen vervulling van alles wat men wil.
Gerechtigheid, als een eigenschap van onze menschelijke natuur, beleekent het voortdurend verzet tegen verzoeking, de standvastige voorkeur van hel edel boven het onedel beginsel. Maar verzoekingen en onedele beginselen behooren niet tot de gerechtigheid, en bij iemand, die boven alle verzoeking verheven ware en onaandoenlijk voor onedele beginselen, zou de gerechtigheid overgaan in die andere wijze van zijn, welke wij ons trachten voor te stellen, als wij van heiligheid spreken. Ook de liefde is bij ons zoo nauw verwant met verlangen of teleurstelling of vreugd in de verwezenlijking van haar streven, dat wij haar in onze voorstelling moeilijk van deze aandoeningen kunnen
81
afscheiden. Maar zij behooren niet noodzakelijk bij de liefde. Deze kan van bet begin tot het einde in het bezit zijn van al wat zij bemint, en in dit geval zal zij een hemel-schen en eeuwigen vrede in zich dragen, die alle versland te boven gaat.
Wanneer wij dus de woorden, die lot deze menschel ij ke vermogens en aandoeningen behooren, met betrekking lot God gebruiken, dan moeten wij er altijd aan denken, dat zij dan alleen in den vollen zin gebruikt kunnen worden, als wij ze ontdoen van alle beperkingen, die aan ons menschelijk bestaan eigen zijn. En dan mogen wij ook niet vergeten, dat wij nog altoos ver van de waarheid verwijderd zijn, dat wij alleen in zooverre God kunnen leeren kennen, als hij zich tot ons nederbuigt.
Het is hier, dunkt mij, de plaats om een oogenblik stil te slaan bij den strijd over Gods persoonlijkheid. Is God een persoon? zoo vraagt men. Sommigen meenen, dat deze vraag ons op de grens brengt tusschen den godsdienstigen en den ongodsdienstigen mensch, tusschen den geloovige en den ongeloovige, den Theist en den Atheisl. Er zijn oprechte Christenen, die beweren, dat, als iemand op de vraag: Gelooft gij in een persoonlijk God? ontkennend antwoordt, hij buiten het gebied van den godsdienst staat. Van de andere zijde zijn er wijsgeeren, die meenen, dat, als iemand bevestigend antwoordt, hij zoo goed als builen den kring der verstandige menschen staat. Het is een der moeilijkste vraagstukken, die er op wijsgeefig of godsdienstig gebied zijn.
Toch is het verschil tusschen hen, die bevestigend en ontkennend antwoorden, dikwijls niet zoo groot als men zou denken. Soms bestaat er tusschen die beiden in het geheel geen verschil. Want het antwoord hangt doorgaans af van hetgeen men onder persoon verstaat. Wie het zeer
WAT WIJ VAN GOD WETEN. G
82
bedenkelijk acht, aan God geen persoonlijkheid loe te kennen, bedoelt iets geheel anders dan hij, die het kinderachtig vindt, dat wel te doen.
Als wij van een persoon spreken, dan meeuen wij doorgaans een wezen, waarin het versland en de wil, de gerechtigheid en de liefde zoo beperkt zijn, als wij hebben opgemerkt, een wezen daarenboven, dat in alle opzichten beperkt is, welks vermogens naar alle kanten binnen enge grenzen besloten liggen. Zelfs een Herkules kon geen berg oplichten. Zelfs een Alexander de Groote kon niet meer dan ééne wereld veroveren. Zelfs een Shakespeare kon geen schilderij of een muziekstuk vervaardigen, maar alleen zijne onsterfelijke tooneelstukken schrijven, liet is ook volkomen waar, dat het woord persoon, dat aanvankelijk een tooneelspeler aanduidde, die zijn rol door het masker, dat hij droeg, uitsprak, een wezen beteekende, dat tot een bijzonder karakter of rol beperkt was. Als gij mij dus vraagt, of ik in een persoonlijken God geloof, en gij een God bedoelt, even beperkt als Herkules of Alexander of Shakespeare, dan zal ik zeker zeggen; Neen; en daarom zult gij mij niets minder godsdienstig achten. Inderdaad, als de vraag in dien zin wordt gesteld, dan is »neenquot; het eenig antwoord, dat iemand, die werkelijk in God gelooft, kan geven.
Doch wal mij betreft, ik twijfel zeer, of de meesten, als zij het woord 'persoon gebruiken, wel aan eenige beperking denken. Zij denken veeleer aan dat geheimzinnig ik, dat in iederen mensch aanwezig is, waarvan wij in het eerste hoofdstuk spraken, de onzichtbare bewuste macht, waardoor een mensch van een boom en een steen onderscheiden is, dat inwendig ik, dat ons eigenlijk wezen uitmaakt. Wie nu van God spreekt als een «persoonquot;, bedoelt daarmee, dat niet de steen of de boom aan hem
83
verwant is, maar de mensch, in wien die zelfbewustheid op zoo merkwaardige wijze te voorschijn komt. En wat God Luitendien moge zijn, onze kennis van hem, door onze gemeenschap met hem, is de kennis van een Ik. Als wij dat onder «persoonquot; verslaan, dan is de God, dien wij kennen, persoonlijk.
Korlom, indien een godsdienstig mensch de persoonlijkheid van God ontkent, dan komt het hiervandaan, dat hij God als iets meer, niet als iets minder dan een persoon beschouwt.
Ik plaatste boven dit hoofdstuk de woorden: «De grenzen onzer kennisquot;, en ik kan het niet besluiten, zonder op te komen legen het beweren, dat wij van God datgene weten, wat wij niet welen en niet welen kunnen. Toen het men-schelijk geslacht nog in den staat der kindsheid verkeerde, was het zeer natuurlijk, dat veel voor werkelijke kennis werd aangezien, wat niet meer was dan kinderlijke verbeelding; en als de menschen toen getrouw bleven aan de beste gedachten, die zij hadden, waren zij niet te berispen. Zoo moeten wij het bijgeloof der oude volken beoor-deelen, die streefden naar de betere kennis, welke eerst hunne kindskinderen bereiken konden. Ik durf zelfs niet verzekeren, of misschien die oude profeet, die verklaarde, dat »God den mensch schiep naar zijn eigen beeldquot;, zich God niet voorstelde in de gedaante van een mensch, met een lichaam en een hoofd en ledematen, en zou zijn opgekomen tegen de zuiver geestelijke voorstelling, die wij uil zijne schoone woorden afleiden. En er zijn zonder twijfel uitspraken over God in den Bijbel, die wij niet kunnen aanvaarden; terwijl andere ons zoo waar toeschijnen, dat wij ze niet beter kunnen bedenken. Ik kom dan ook niet op tegen die natuurlijke, eenvoudige, oprechte pogingen om God te leeren kennen; maar alleen tegen die zelfge-
84
noegzame verzekeringen van ontwikkelde godgeleerden om-Irenl Gods wezen en eigenschappen. Denk bij voorbeeld aan heigeen wij in de Athanasiaansche geloofsbelijdenis lezen; »één God in de drieheid, en de drieheid in de eenheidquot;; denk aan hetgeen daaraan voorafgaat: dat al wie dat niet van harte gelooft en belijdt, voor eeuwig verloren is!
Het ergste daarvan is niet zoozeer, dat het moeilijk â of onmogelijk â is te verstaan, dat voor eenvoudige men-schen het een in lijnrechte tegenspraak is met het ander; maar dat de verklaringen, zij mogen dan waar of onwaar zijn, dingen betreffen, die geen mensch kan welen. Geen menschelijke ervaring, hoe diep, geen menschelijke gemeenschap met God, hoe rijk en heilig, kan zulke dingen te weten komen. En opgeschroefde verklaringen omtrent God, zijn wezen en zijne eigenschappen, doen afbreuk aan het verheven karakter, aan de werkelijkheid van den godsdienst. Wij kennen God alleen in zijne betrekking lot ons. Zijn innerlijk wezen is met een dichten sluier voor ons verborgen; en bet beweren, dat men het mysterie kan ophelderen of verklaren, is een onwaarheid, met den adel van den godsdienst in strijd.
Wat mij betreft, zijn de ervaringen van den mensch de werkelijke grondslag onzer kennis van God; en redeneeringen met onverstaanbare klanken brengen ons daarin niets verder; integendeel, zij verduisteren en verwarren de kennis, die wij regelrecht ontvangen. In wijsgeerige termen uitgedrukt, meen ik, dat de wetenschappelijke theologie verder komt met de positieve dan met de metafysische methode.
Ten slotte moeten wij nog, met een enkel woord, de bedenking weerleggen van hen, die beweren, dat kennis al een heel verkeerd woord is in dit verband, dat men hier alleen van geloof kan spreken. Nu is geloof inderdaad een schoon woord; het drukt een edele stemming der ziel
85
uit. Dikwijls wordt er mee aangeduid, dat men iets aanneemt op gezag van de Kerk of van den Bijbel of van een leeraar. De ware beteekenis is echter veeleer vertrouwen op die hoogere verzekeringen, die in gemeenschap met God tot ons komen. En zoo is geheel ons geloof in God, rustende op ervaring, niet meer dan vertrouwen. Toch beweer ik, dat het ook «kennisquot; is, in den strengsten zin van het woord. Kennis beteekent eene verzekerdheid, die op degelijke gronden rust. Newton's verzekerdheid omtrent de waarheid van de groote theorie der zwaartekracht was nog geen kennis, toen zij het eerst bij hem opkwam. Zij was zelfs geen kennis, toen hij die theorie had uitgewerkt en zich overtuigd had, dal zij beantwoordde aan enkele feiten in de natuur. Maar toen hij zag, dat het eene feit na hel andere er mee overeenstemde, toen herhaalde proeven hem bewezen, dal hij nooit op een feil kon sluiten, hetwelk er niet aan beantwoordde, toen werd zijn overtuiging kennis. En deze overtuiging staal thans onwankelbaar vast, als een deel der algemeen aangenomen kennis van de beschaafde wereld. Evenzoo zou hel de eerste maal, dal een kind de stem van God in zijn geweten verneemt of een jong mensch het genot der gemeenschap met God smaakt, misschien niet juist zijn, reeds van hun «kennisquot; van God te spreken. Maar als de herhaalde levenservaring dat eerste vermoeden van dag lol dag en van jaar tot jaar bevestigt, als de mensch in ieder moeilijk oogenblik de waarheid van zijn geloof ondervindt, als God een leit zijner bewustheid wordt en zijne overtuiging door elke proef bevestigd wordt, dan zet zich de verzekerdheid vast in bepaalde en zekere kennis, in volkomen dezelfde beteekenis als onze kennis van de waarheden der wetenschap van de natuur, die door duizenden opeenvolgende proeven is lol stand gekomen.
En zoo hield de oude schrijver geen onbereikbaar ideaal
86
aan den jongeling voor, maar een ideaal, dat elk onzer kan nader komen en lol het zijne maken, toen hij schreef:
Mijn zoon! zoo gij mijne reden aanneemt,
En mijne geboden bij u weglegt,
Om uwe ooren tot wijsheid te neigen,
En uw hart tot recht verstand.
Ja, zoo gij het verstand roept,
Uwe stem verheft tot verstandigheid;
Zoo gij haar zoekt als zilver
En naspeurt als verborgen schatten,
Dan zult gij de vreeze des Heeren verstaan
En de kennis Gods vinden.
VIII.
De profeet.
Indien het waar is, wat wij tot nog toe schreven, dan is des menschen kennis van God van dien aard, dal hij haar onmiddellijk van Godzelf verkrijgt. God zendt het licht der waarheid in den menschelijken geest even rechtstreeks, als het licht der zon lot het menschelijk oog doordringt. Nu schijnt de zon helderder op de oevers van het Galileesche meer dan in Londen met zijn mist en rook. In Palestina kan men uit de vallei der Jordaan in hel Oosten tot aan de zee in hel Weslen zien, of den besneeuwden top van den Hermon op vijftig mijlen afstands in het Noorden onderscheiden, terwijl in de sombere Novemberlucht van Liverpool of Londen het oog niet lot aan de overzij van de Mersey of de Theems reikt. Maar die helderheid daar ginds baat ons hier niet. Wij kunnen niet zien bij hel licht van een ander land, maar alleen bij hel onze; en zoolang
87
de mist niel opklaart en de heldere zon ons niet in al haar luister bestraalt, zal ons uitzicht beperkt en de horizon beneveld blijven.
Niet anders is het met het geestelijk licht. In enkele harten schijnt de glans van omhoog met onuitsprekelijken luister neer te dalen, en hunner is het gezegend zien van God, dat de ziel met blijdschap vervult. Anderen zien alleen »als in een spiegel, nevelachtigquot;; wat zij van God ontdekken zijn «gebroken lichtstralenquot;, en er komen voor hen tijden, waarin zijn gelaat zoo goed als verborgen is.
Volgt hieruit, dat de eene mensch den ander in de kennis van God niet helpen kan? Zijn hier geene meesters en geene leerlingen? In elke andere tak van menschelijke kennis zet de eene mensch zich aan de voeten van den ander en doet zijn voordeel met diens hoogere gaven. De meetkundige deelt aan anderen de kennis der meetkunde mee. De Franschman en de Duitscher onderrichten den Engelschman in hunne moedertaal. De groole schilder onderwijst de beginselen van zijn wonderbare kunst aan zijne leerlingen. De groole toonkunstenaar leidt de slem ol de vingers van anderen om welluidende klanken voort te brengen.
Zoo is er ook onderwijs in den godsdienst; maar, evenals het hoogste onderwijs, is bet geen mededeeling van kennis van buiten, maar opwekking der kennis, die van binnen is. De kennis van God, welke de leerling van den meester kan ontvangen, is een kennis, waarvan de beginselen reeds lang in hem aanwezig waren. Wel leert de leerling God zien door het licht, dal van God tol zijn eigen geestelijk oog komt; maar de onderwijzer kan hem helpen om hetgeen hij ziet te onderscheiden en het tot heldere kennis, in plaats van een onbeslemden indruk, te maken. Of, om nog juister te spreken, de onderwijzer helpt hem, om duidelijker te hooren, wat Gods stem in zijn binnenste lot hem spreekt.
88
Stel u voor, dal ge u in een ruime en groolsche kerk bevindt en in een ver verwijderden hoek zijl gezeten, waartoe de woorden van den prediker alleen flauw en onbestemd kunnen doordringen. Doch er zit iemand naast u, die een goed vriend van den prediker is en daardoor elk zijner stembuigingen kent, iemand ook, wiens gehoor scherper is dan het uwe. Gij bemerkt, dal er één volzin is, die de prediker telkens herhaalt. Nu en dan meent gij een lettergreep er van op te vangen; maar den geheelen volzin kunt gij niet verstaan. Gij vraagt aan uw buurman, wat de prediker toch zegt, en hij fluistert u in het oor: «De tekst, dien de prediker zoo dikwijls herhaalt, is: God is liefde.quot; Nu hoort gij het ook, en gij verwondert u, dat gij het tol nog toe niet hebt verslaan. Ja, ze komen, nu sterker, dan, zachter, telkens en telkens lot u, die woorden: God is liefde. Gij hadt een sleutel voor het raadsel noodig, en nu die u eens gegeven is, hoort gij hel ook duidelijk en weel gij, dal de prediker dit zegt.
Niet anders is het met het woord, dal van God, dien eeuwigen Prediker van gerechtigheid en waarheid, lot den geest des menschen komt. Velen onzer zijn zeer onbevattelijk van geest. Onze ooren zijn, om zoo te spreken, door de ijdelheden der wereld verdoofd; of wij zijn van nature niel vlug van bevalling. Onze kennis van God zou al heel pover zijn, als wij aan onszelven waren overgelaten. Doch er zijn wijzer en heiliger menschen dan wij om ons heen, of wijzer en heiliger menschen spreken tot ons door middel van boeken, die zij als een kostbaar erfgoed aan de wereld hebben achtergelaten. Deze menschen verkondigen de verheven waarheden, welke God hun heeft meegedeeld. Zij hebben deze dingen duidelijk gehoord en zij kleedenzein bezielde en doordringende woorden. En als dan deze woorden â een echo der slem van God â tot onze ooren
89
doordringen, dan welen wij, dal God daarin spreekt tol ons; en mei behulp der verklaring, ons alzoo door onzen menschelijken broeder gegeven, zijn wij ten slotte instaat de taal te verstaan, waarin de heraelsche Vader ook in ons binnenste lot ons spreekt.
Zulke menschen, helpers hunner medemenschen, in nauwer gemeenschap met God dan anderen, zijn er in alle landen en lijden geweest. Door hen is het godsdienstig geloof der groote menigte zuiverder en geestelijker geworden van eeuw tol eeuw. Zij hebben de openbaringen van den Heiligen Geest zoo duidelijk gehoord, dat zij in staat zijn geweest om te bemerken, dat veel van heigeen doorgaans als ware godsdienst door hun geslacht werd beschouwd, inderdaad geen deel uitmaakte van hel echte woord van God. Toen hebben zij deze hunne groole overtuigingen uitgesproken. De grofheid van het heerschend bijgeloof hebben zij in hel licht gesteld. De hooger en zuiverder waarheid, door God in hunne zielen neergelegd, hebben zij openlijk verkondigd. En al scheen hel dikwijls, dal hunne stem niet meer was dan de stem eens roependen in de woestijn, altoos zijn er enkelen geweest, in wier eigen hart en geweten hunne prediking weerklank vond en die door het inwendig getuigenis van hun eigen geest de goddelijke werkelijkheid der eeuwige waarheden, aldus verkondigd, erkenden. En zoo is de wereld, langzaam maar zeker, van waarheid tol waarheid voortgegaan, het bijgeloof afwerpende, dat haar gebonden hield, en naderende tot een steeds zuiverder opvatting van God en de gerechtigheid.
Zulke menschen, zeg ik, zijn er in alle lijden en landen geweest. Maar hier en daar in de wereld, en nu en dan in de eeuwen, hebben zulke menschen een zoo zeldzame helderheid van geestelijk inzicht bereikt, en een zoo hartstochtelijken ijver beloond om aan hunne medemenschen de
WAT WIJ VAN Cot) WETÃN. 7
90
groote waarheden, aan hun eigen geest geopenbaard, te verkondigen, dat zij ver boven gewone predikers en leeraars hebben uitgeblonken en met buitengewone gaven schenen toegerust. Zulke menschen worden Profeten genoemd, en als wij hun en hunne woorden en hun leven leeren kennen, dan zien wij de groote mijlpalen in de geschiedenis van den godsdienst der menschheid.
Onder deze profeten zijn nu weer enkelen zoo buitengewoon groot geweest; hun blik was zoo diep, hunwoord zoo bezield, hun invloed zoo krachtig, hun karakter zoo ver verheven boven dat van hunne tijd- en landgenooten, dat zij in de groote wereldgeschiedenis als stichters van godsdiensten vermeld staan. Het geloof, dat door hunne prediking in het hart van anderen ontwaakte, werd als een nieuwe godsdiènst beschouwd, die met hen was begonnen; en sinds dien tijd hebben de kerken of stammen of volken, die hunne leer hebben aangenomen, hun leven en prediking beschouwd als het keerpunt in de geschiedenis der wereld, waarop God voor het eerst heilige mysteriën, die tot op hun tijd voor alle menschen verborgen waren gebleven, ten volle had geopenbaard. En als een kerk of een volk een bijzonder profeet in dat licht beschouwt, dan schijnt het hun dikwijls een bewijs van ongeloof of een vreeselijke heiligschennis te zijn, iemand anders met hem te vergelijken of te onderstellen, dat de mensch ooit tot een helderder inzicht in eènig deel van de goddelijke waarheid zou kunnen komen dan door hem werd bereikt. Zoo hebben de Perzen, met hun diep geestelijk geloof, dat Gods heiligen geest onder het zinnebeeld van licht of vuur voorstelt, Zoroaster of Zarathustra beschouwd, dien grooten profeet der oudheid, wiens woord in onbeslemdé klanken uit het ver verleden van Midden-Azië tot ons is gekomen. Zoo vereerën de Boeddhisten van Ceylon, Nepaul, Thibet, China en andère
91
ooslersche landen de gedachtenis van Gaulama, den edelencn vromen prins van Bengali, wiens gedachtenis elk zal vereeren, die Edwin Arnolds boeiend gedicht sliet licht van Azicquot; kent. Zoo beschouwen ook de Mohammedanen van Indië, Arabië en andere deelen der wereld den vreemden, bezielden, verbijsterenden profeet Mohammed, den kameeldrijver. En evenzoo zien de Joden, over het Oosten en Westen verspreid, op de heldengestalte van Mozes, die de Tien woorden Gods van de rotsachtige toppen van den Horeb bracht, al scharen zij eerwaardige aartsvaders, die vóór hem leefden, en een aanzienlijke reeks van profeten, die na hem leefden, aan zijne zijde. En, ten slotte, heeft het Christendom achttien eeuwen lang in ditzelfde licht Jezus van Nazareth beschouwd, den Zoon des menschen, die ons de Zaligsprekingen en de Gelijkenissen gaf; ja, de christelijke wereld is bijna eenparig nog verder gegaan en heeft hem niet alleen voor een profeet gehouden, aan wien het onfeilbaar woord van God in rijke mate gegeven was, maar hem als God zelf in menschelijke gedaante vereerd.
Van elk dier groote mannen heeft men beweerd, dat hij de stichter van een nieuwen godsdienst is. Maar zij, die inzien, wat godsdienst eigenlijk beteekent, kunnen geen enkelen godsdienst ooit nieuw noemen. Godsdienst is dat gevoel van afhankelijkheid van Een, die machtiger en beter is dan wij, waardoor het beste in het menschelijk hart in beweging wordt gebracht. Van de vroegste tijden af is er maar één godsdienst geweest, â één godsdienst, die allengs zuiverder, liefelijker, krachtiger werd, terwijl de geslachten der menschen kwamen en gingen, één godsdienst onder duizend verschillende vormen van geloof en eerdienst, en toch altoos bestaande uit dezelfde elementen van ontzag, opklimmende tot vereering, en van onbestemd verlangen, in den loop der eeuwen verfijnd en versterkt tot die machtige
92
liefde, waarmee de besten en vroomsten den Onzienlijke aanhangen. En als wij zoo het werk, dat de groote profeten van hel menschdom hebben volbracht, van nabij beschouwen, dan blijkt ons, al hebben zij aan hunne leerlingen menig denkbeeld gegeven, dat werkelijk nieuw was, al hebben zij de gangbare voorstellingen van God aanmerkelijk verruimd en hunne volgelingen van menig grof bijgeloof genezen, dat niet één hunner gezegd kan worden een nieuwen godsdienst te hebben geslicht. Zij deden een beroep op heigeen reeds in de harten der menschen aanwezig was, maar bedekt en verborgen door onware leeringen of onheilige gebruiken. Zij hebben deze hindernissen als kaf voor den wind verstrooid door de schitterende macht van hun woord. Zij hebben de menschen leeren luisteren naar een vertrouwen op het eeuwig woord van God in hunne eigen harten. En zoo hebben zij aan den godsdienst nieuwe veerkracht gegeven an de volken tot een nieuwe bewustheid doen ontwaken van hunne verwantschap met den Heiligen Geest, die tot hen spreekt door het geweten, het gevoel van Gods tegenwoordigheid in hen wekt door den starrenhemel, of in tijden van zorg en smart, of met de vernieuwing hunner kracht antwoordt op den kreet of de fluistering hunner gebeden.
Hoewel geen enkel volk ooit geheel is verstoken geweest van mannen met een profetisch karakter, toch meen ik, dat geen lezer het met mij oneens zal zijn, als ik zeg, dal de zonen Israëls in dit opzicht hooger staan dan eenige andere natie. Gelijk de Grieken uitmuntten in kunst en wijsbegeerte, de Romeinen in hel recht, zoo hebben zich de Israëlieten onderscheiden door die diepte en kracht van godsdienstig leven, waaruit de profeet geboren wordt. In ieder geval kennen wij in de gansche letterkunde geen groep van profeten, zoo merkwaardig als zij, wier namen
93
in de geschiedenis van Israël schilleren sederl de achlste eeuw vóór Chrislus lol aan de Babylonische ballingschap. Amos, Ilozea, Micha, Jezaia, Jeremia en die gróole ongenoemde, wiens godspraken in hel slol van hel boek Jezaia bewaard zijn gebleven â deze en anderen verkondigden mei buitengewone krachl hel woord, belwerk de Heilige in hun eigen ziel bad neergelegd. Wel vermengden zij dal woord mei dingen van geheel anderen aard; in één machligen slroom brachten zij de verhevenste uitspraken der eeuwige waarheid te voorschijn, tegelijk mei denkbeelden over verleden gebeurtenissen, staatkundige raadgevingen en stoute voorspellingen van rampen, die hel gevolg zouden zijn van ongehoorzaamheid aan God, of van belooningen, die zeker op de ongehoorzaamheid zouden volgen. Latere lezers hebben de toespelingen op voorkomende gebeurtenissen niet verslaan en de voorspellingen beschouwd als goddelijke ingevingen, die, zoo zij nog niet vervuld waren, eens vervuld zullen worden. Dergelijke vergissingen moeten wij vermijden: want de profeten verschilden niet van andere menschen door een geheimzinnige voorkennis van de toekomst, maar alleen door de levendigheid van hun zedelijk en godsdienstig gevoel en den fleren moed, de toewijding, waarmee zij voor koning en volk optraden. Daarin is hunne waarde voor alle tijden en volken gelegen. 01 zij gelijk of ongelijk hadden in de bijzondere verwachtingen, door ben gekoesterd; of hun raad altijd staatkundig was of niet â en wat mij betreft, ik meen, dat hel, in den besten zin van bel woord, doorgaans zoo was â bel doel er weinig toe; zij hebben uitspraken achtergelaten, die hel toppunt van zedelijke en godsdienstige bezieling bereiken. Wie gevoelt zich niet dankbaar tegenover de mannen, die te midden van hel bijgeloof en de afgoderij, de gevaren en den strijd dezer jammervolle lijden, zulke
94
onvergankelijke woorden als deze konden uiten: » Wal eischt de Heer van u dan recht te doen en barmhartigheid lief te hebben en ootmoedig te wandelen voor uwen God ?quot; of: »Die den Heer verwachten, zullen de kracht vernieuwen;quot; oi: «Verscheur uw hart en niet uwe kleederen, en wend u tot den Heer, uwen God; want hij is genadig en barmhartig , traag tot toorn en groot van goedertierenheid of: »Wie zal klimmen op den berg des HeerenV Wie zal staan in zijn heilige plaats? Die rein van handen is en zuiver van hart, die zijne ziel niet opheft tot ijdelheid noch valschelijk zweert;quot; of: »Ik woon in de hooge en heilige plaats, ook bij hem, die verbroken en nederig van geest is, om den geest der nederigen te verheffen en het hart der neergebogenen;quot; of: ))0p hem wil ik zien, op hem die arm en ootmoedig is en beeft voor mijn woord?quot; Wij kunnen van deze merkwaardige reeks van predikers gerust zeggen, dat het oog huns geestes nooit verduisterd werd en hunne stem nooit verflauwde in de verkondiging van het woord huns Gods.
Maar het is van het grootste belang op te merken, dat deze en dergelijke woorden, toen zij uitgesproken werden, daarom alleen zooveel beteekenden, en ook nu nog zooveel beteekenen voor ons, omdat zij een beroep doen op hetgeen ieder in zijn eigen hart als waarheid erkent, zoodra het hem duidelijk verkondigd wordt. ))Hij heeft u doen zien, o mensch! wat goed is,quot; zegt Micha, als hij verkondigt, wat God eischt. Ja, God heeft het ons doen zien, en heeft zich nooit zonder getuigenis gelaten in de harten zelfs van gewone menscben; en op dat feit alleen is de macht van den profeet gegrond. Omdat wij gevoelen, dat hij waarheid spreekt, daarom sleept hij ons mede. Hel gezag, dat hij bezit, is niet gelegen in wonderen, door hem verricht, of vervulde voorspellingen, maar alleen en
95
geheel in zijn vermogen om tol onze innerlijke bewustheid door te dringen en ons in slaat te stellen, zelfs ons te noodzaken om te erkennen en te doen wat Godzelf ons doet zien, even zeker als hem.
Zoodra wij den profeet uit dit oogpunt beschouwen, kunnen wij gemakkelijk weten, aan welke kenmerken wij den waren van den valschen profeet zullen onderscheiden. Indien zijne woorden weerklank vinden in ons hart en geweten, dan is hij in zijne mate werkelijk een profeet, en dan zullen wij wel doen ons aan zijne voeten neer te zetten en naar zijne woorden te luisteren. Het is zijn taak ons innerlijk leven op te wekken, ons te doen in-keeren tot onszelven, opdat wij hooren en weten, wat de Heilige Geest in de stilte onzer ziel spreekt. Maar indien zijne woorden ons gemoed niet treffen, indien wij niet kunnen gevoelen, dat hij inderdaad Gods tolk is, dan kan hij, althans voor ons, geen profeet zijn, al wordt hij door duizenden als zoodanig erkend. Er is geen gezag in godsdienstige zaken boven het gezag van God in onszelven: en dan alleen kunnen wij aan menschen een geestelijk gezag toekennen, wanneer wij daardoor het spreken van God in ons eigen binnenste duidelijker en krachtiger maken. Ook is er geen andere soort van ingeving dan datzelfde spreken van God in de diepte der ziel, dat wij ook kunnen hooren in hel getuigenis des gewetens, het getuigenis van het verstand en de gemeenschap mei God in het gebed.
En van alle menschen, die deze goddelijke ingeving-hebben genoten; van alle menschen, die dit waarachtig geestelijk gezag hebben gevoerd; van alle menschen, die voor duizenden als profeten van den Allerhoogste hebben gegolden, is niemand, in mijn oog, te vergelijken met hem, die sprak: «Zalig zijn de reinen van hart; want zij zullen God zienquot;, en die zijn vriendelijke hand op het on-
96
schuldig hoofd der kleinen legde, met de woorden: «Laat de kinderen lot mij komen, want hunner is het koninkrijk der hemelenquot;.
Maar de macht van Jezus en van ieder ander profeet der oudheid, die ons gemoed in beweging brengt, rust op het feit, dat God lot hen niet anders sprak, dan hij thans spreekt lot ons.
Hoe schoon vinden wij die gedachte uitgedrukt in de welbekende regels: 1)
Het onuitsprekelijk woord staat in ons hart te lezen,
En Christus gaf er klanken aan;
Het woord, dat de echoos van alle eeuwen ons vermelden, 't Geheimvol letterschrift, dat al de wijzen spelden,
Dat Abrams kroost niet noemen mocht.
Maar dat, door Hem genoemd en tof ons voortgedragen, De blijde ontknooping is der raadselen en vragen,
Van 's werelds aanbegin gezocht.
Dat was het, wat uw stem ons lang had toegefluisterd,
Volschoone schepping Gods, die van den schepper tuigt! Dat is 'tgeheim, natuur! dat gij in 'toor ons fluistert.
Wanneer ons hoofd zich peinzend buigt.
Dat, wat de nacht den nacht, de dag den dag doet hooren! Wij waren traag van geest, wij waren hard van ooren;
Uw beeldspraak had voor ons geen zin:
»Zoek God niet boven zon en maan en morgensterre Noch vraag uw priestren uit! De Vader is niet verre;
Keer, mensch! keer tot uzelven in!
Want in u is zijn beeld.quot;
Wel hem, die Abba zegt bij 'tspreken tot den Heere,
Die aan zichzelf gelooft, niet aan een vreemde leere,
Naar stelsels noch bewijzen vraagt,
Wien , van zijn heil bewust en van zijn eeuwig leven,
Geen vreemde machtspreuk rust, geen twijfling vrees kan geven,â Die al het zijne met zich draagt!
1) A. d. Am. v. d. Hoeven: Geloof des harten.
97
IX.
Besluit.
Wie de voorafgaande bladzijden met aandacht gelezen heeft, zal hebben opgemerkt, dat ik, sprekende over hetgeen wij van God weten, alles heb behandeld wat mij de hoofdzaak in den godsdienst toeschijnt. Het gevoel van Gods tegenwoordigheid en de bewuste gemeenschap met hem in het gebed zijn voor mij de som en de inhoud van allen waren godsdienst, en bepaald van het Christendom. Dat is voor mij de godsdienst, dien Jezus verkondigde en dien hij aan alle menschen wilde geven. Daarom gevoel ik niet de minste behoefte om iemand een uitgewerkt stelsel van waarheden op te dringen, buiten deze eenvoudige kennis van God. En daarom schijnen mij die groote leerstukken, waarover de kerken eeuwen lang hebben strijd gevoerd, dan eerst in het ware licht te treden, wanneer zij met dat eene hoogste geloof in verband worden gebracht. De zaligheid, bij voorbeeld, is voor mij niet anders dan de stemming der ziel, die zich gelukkig gevoelt in de heerlijke kennis van God. De hemel is een leven, dat door hen wordt genoten, bij wie deze kennis het rijkst en het diepst is; de hel het leven van hen, die in duisternis verkeeren, zich verzetten tegen het geweten en den zegen der gemeenschap met God niet ondervinden. Vergeving is het voorbijgaan der wolken, die God voor het hart verbergen. Geloof, dat werkelijk zaligmaakt, is de trouw aan het woord, dat God spreekt in de ziel. Openbaring is de ontdekking der kennis van God aan hen, die er blind voor waren. Ingeving de bezieling van dien Geest, waardoor de mensch in staat is de waarheid te verslaan.
Ten slotte wensch ik, met een enkel woord, den invloed
98
aan te wijzen, dien deze godsdienstige denkbeelden oefenen op de beschouwing van onze medemenschen en van het leven, dat voor ons ligt.
Hel is een allertreurigst verschijnsel, dat de godsdienst, in plaats van de menschen met elkaar te vereenigen, hen meer dan iets anders van elkaar verwijdert. De Christenen zijn verdeeld in allerlei sekten, die elk hare bijzondere opvatting hebben van het een of ander leerstuk of de een of andere plechtigheid of van het bestuur der kerk. En deze verschilpunten worden doorgaans als zoo belangrijk beschouwd, dat zij de harlelijkheid ondermijnen, welke moest bestaan tusschen allen, die God liefhebben en hem willen gehoorzamen en gaarne door hel gebed met hem in gemeenschap treden. Er heerscht tusschen rechlzinnigen en vrijzinnigen, tusschen Katholieken en Protestanten, tusschen Joden en Christenen, een onverschilligheid, ja zelfs een vijandige zin, die wel niet algemeen is, maar loch nauwelijks door het tegendeel wordt opgewogen. Wij zijn er zoo aan gewend, dat wij er ons niet eens meer over verwonderen. En toch, hoe droevig is hel, en welk een zonderlinge vrucht van den godsdienst!
Wal mij betreft, ik vrees, dal wij nog lang onze afzonderlijke godsdienstige genootschappen zullen behouden. Wie, bij voorbeeld, gelooft, dal Jezus God zelf was en hem dus gaarne aanbidt, kan zich onmogelijk vereenigen met hem, die alleen den Vader als God vereert en daarom de aanbidding van Jezus als afgoderij beschouwt. Zoo kan ook hij, die een godsvereering verlangt, rijk aan allerlei zinnebeeldige plechtigheden, niet best ter kerk gaan met hem, die zulke plechtigheden als een verlooning beschouwt, ten eenenmale in strijd met de eenvoudigheid, die het kenmerk der ware gemeenschap met God is. Daarom komt hel mij voor, dal wij nog lang in afzonderlijke groepen
99
verdeeld zullen blijven, overeenkomstig onze verschillende godgeleerde of kerkelijke opvattingen. Maar hierin ligt niet de minste reden om elkander niet te eerbiedigen of met koelheid te behandelen.
Wanneer men nu toegeeft, dat de kennis van God, zooals wij haar beschreven hebben 1), ten slotte de hoofdzaak in den godsdienst is en dat alle andere zaken, hoewel niet van belang ontbloot, toch een ondergeschikte beteekenis hebben, dan zal ieder gevoel van vijandigheid, dat wij jegens andersdenkenden koesteren, verzacht worden en zullen onze gevoelens van eerbied en genegenheid toenemen. Want dan weten wij, dat deze kennis van God de grondslag is van alle oprechte godsdienstige aandoeningen, in welken vorm zij zich ook vertoonen, tot welke uitersten zij ook vervallen. Wij zien haar in de aanbidding der Moedermaagd door den Roomsch-katholiek, en in het ruw gebed van den soldaat in het Heilsleger. Wij weten, dat zij de welsprekendheid bezielt van de groote predikers der kerk, zoowel als de stille gemeenschap eener godsdienstoefening van Kwakers. Wij zijn er zeker van, dat de aandoeningen, door God in de ziel teweeg gebracht, de erkenning van hem in het geweten, de ervaring der gemeenschap met den Heiligen Geest, de kracht, door het gebed opgewekt â wij zijn er zeker van, dat deze dingen den grondslag uitmaken van elke oprechte godsdienstige aandoening, en daarom kunnen wij alles, wat ons bijgeloof en dwaling toeschijnt, vergeven en ons verheugen, dat deze onze broeders ook de aanraking van Gods liefde in hun binnenste gevoelen en het hart tot hem opheffen, om hem daarvoor te danken. De rechtzinnige Protestant meent, dat hij vrede beeft in het hart, doordat zijne ziel gereinigd is in het bloed van Christus; de Roomsch-
1) Zie bl. 43 en ii.
100
katholiek schrijft datzelfde gevoel van eenheid met God aan het eten van den heiligen ouwel of aan de werking der absolutie toe. Geen van beiden durft de eenvoudige, schoone, heerlijke, onveranderlijke waarheid aannemen, dat buiten de voldoening of het avondmaal, buiten het bloed of de mis, indien wij maar naar den Geest Gods verlangen, deze Geest zich rechtstreeks aan onzen geest openbaart, «met onzen geest getuigtquot;, tot ons komt als de Geest der waarheid, alsde Trooster, zondereenige uitwendige handeling-van onze zijde, zonder bemiddeling of stoffelijke voorwaarden, en ons vervult met de gezegende gemeenschap van zijn almachtig en eeuwig wezen. Zij durven dat niet gelooven. Wij, daartentegen, weten, dat werkelijk, hetzij in den vorm van een geloofsleer, hetzij in dien van een plechtigheid, het Godswoord in hen is, waardoor hun godsdienstig leven wordt opgewekt. En daarom, terwijl wij met verontwaardiging tegen alle huichelarij in den godsdienst opkomen, kunnen wij voor eiken vorm van oprechte vroomheid niet anders dan God danken. Wij vreezen niet, dat men op dezen weg niet zalig kan worden; want wij weten, dat men zalig is, zoodra men ernstig streeft om in harmonie le leven met het beste en heiligste, dat men kent.
Nog een enkel woord. Deze kennis van God, wanneer zij goed wordt verstaan, geeft ons de zekerheid, dat geen bijzonder geloofsstelsel noch eenig bijzonder sakrament de weg der zaligheid is. Wij zijn alle priesterheerschappij te boven. Wij rekenen niet, zooals vele Protestanten, op de verdiensten van Christus, noch, met de Katholieken, op het mysterie der verandering van het avondmaalsbrood, om de poorten des hemels voor ons te ontsluiten. Wij weten, dat onze zaligheid afhangt van hetgeen wijzelven zijn.
Dan zijn wij zalig, als wij in overeenstemming leven met al wat God ons verkondigt in ons binnenste. Maar wij
101
zijn voortdurend geneigd daaraan ontrouw te worden. Wij verkeeren telkens in verzoeking om het geweten te verloochenen. De wereld trekt ons aanhoudend af van de gemeenschap met God. Wij zijn steeds in gevaar, de gewoonte des geheds te verzuimen. God is altoos gereed om ons te helpen en te redden; maar de weg tot ongehoorzaamheid, ontrouw, eigenzinnigheid ligt altoos voor ons open. Wij zagen, hoe licht de heerlijke kennis van God ons ontvallen kan. Met Gods hulp moeten wij onze zaligheid zoeken, onafgebroken , geloovig, standvastig, biddend. De kennis van God is ons de som en hoofdzaak van het godsdienstig geloof; wij laten vele dingen varen, die door velen voor heilig gehouden worden. Niemand heeft meer dan wij ernst noodig in den zedelijken strijd, standvastigheid in het leven des gebeds. God geve ons beide!
INHOUD.
Bb.
Een woord vooraf ..........
I. Lichaam en ziel...........1
II. Het verstand............8
III. Het geweten............22
IV. Het gemoed............37
V. liet gebed............45
VI. Twijfelingen............57
VH. De grenzen onzer kennis........72
VIII. De profeet............80
IX. Besluit..............97
c /(f/r
Bij den Uilgever dezes is mede verschenen:
Ernst Müller, Het Gebed des Heeren. 2e druk /quot;0,70. Geb./1,â
» » De gelijkenis Tan den verloren zoon. - 0,60. » - 0,90
» » Jezus godsdienst de grondslag des
Christendoms...... . -0,60. » -0,90
» » Uit de hut der armen........-0,25
Van der Veen en Reunvaan, Beeldengalerij uit de Kerkgeschiedenis. ie en 2e Bundel. Prijs van eiken bundel . . -0,75
A. F. H. Blaauw, Eén is uw Meester. Korte overdenkingen
voor eiken Zondag van het jaar . . - 0,50
» » Vraagboekje met antwoorden in Bijbelteksten over de Christelijke Geloofs- en Zedeleer. - 0,10
Knoppers, Herinnering en Hoop...........-0,50
Herman de Ridder, Levensrichting .... /quot;0,75. Geb. -1,â
Heukelom, De dageraad des Christendoms.......-0,50
» Het geloof in God en onsterfelijkheid .... -0,30
H. van Veen Jr., Verhalen uit het N. Testament, ten ge-
bruike bij het godsdienstonderwijs aan eerstbeginnenden. 2e druk.....- 0,175
» » Verhalen uit het O. Testament.... - 0,25
Zaalberg, Realisme of Idealisme zonder Ideaal? .... -0,20
Van Slee, Het visioen van Broeder Maarten......-0,50
W. Zaalberg, Het oude geloof en de nieuwe wetenschap.
Omtrekken eener godsdienstige levens- en wereldbeschouwing. - 0,50
Conrad Ferdinand Meyer, De Heüige........-i,75
Dr. H. U. Meyboom, De Predikantsbetrekking.....-0,75
Dr. J. M. Vorstman, Luther op het Tooneel. Met de portretten van Luther, diens Vrouw, Vader, Moeder en van Melanchthon, benevens eene afbeelding van den Wartburg en Luther op den rijksdag te Worms.........- i,â
VOOK IEDEREN DAG,
O-ODSODIElsrSTIO- -VOXjITSBOEIC.
door
Dr. J. W. LIEFTINCK.
Prijs flfHH.
GELOOF EN LEVEN.
Bijdragen tot bevordering
van
GODSDIENSTIGE VOLKSONTWIKKELING,
onder redactie van
Jb. VAMquot; DEH. VEN en H. VKENDEÃTBEBG Cz.
Verschijnt in maandelijksche afleveringen van minstens 2 vellen druks of 32 bladzijden. Prijs per jaar f2,â, franco per post Æ2,40.
ONZE GODSDIENSTPEEDimG.
onder redactie van
Dr. J. W. LIEFTINCK en Dr. W. C. VAN MANEN.
Verschijnt in afleveringen van 16 bladzijden, die geregeld den 1 sten en loden van elke maand worden verzonden. Prijs per jaar /quot;1,80, fmnco per post f 2,10.