ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3

TC 11

i£ '

BE 11

^LASSICALE jJOMINES

noon

T. IDE VRIES,

Thf.ol. JrR. Stitd. aan de VrIIF. ItNIVER5ITF,IT,

Wpo dengenen die het kwade goed en het goede kwaad heeten. .les. 5 : 20.

Dit zegt de trouwe en waarachtige Getuige: Zoo dan, omdat gij lauw zijt en noch koud noch heet, ik zal u uit mijnen mond spuwen, üpenh. 3 : 14. 10.

T)lt;

ocr page 4
ocr page 5

/Ju. ?(amp;amp; '•, /!/; 'x

HET BOERENBEDROG

DER

E

JJ

DOOR

/

T. DE VRIES,

/ 7

Thml. jur. stud, nan de Vrije Universiteit.

« iv

V

Wee (lengeaeD die het kwade goed en het goede kwaad heeten, Jes. 5 : 20.

I

-af—-*»-

ocr page 6

Snelpersdruk — Jan Haan — Groningen.

ocr page 7

VOORWOORD.

Met hoeveel meer vreugde had ik mijne pen geroerd over een gansch ander onderwerp, dan hetgeen- mij nu bezig hield gedurende de enkele dagen, die ik voor zomerrust bestemd had. Juist las ik Goethe's Leiden des jungen Werlhers en het viel mij moeielijk om mijne pon te bedwingen, die als opsprong om in dergelijken vorm de zoo prachtige en toch zoo verschrikkelijke verdediging van Wbhtheb's uiteinde te bestrijden; en als dan de rollen van Fa.usï en Gretchen voor de twintigste keer door mijne ziel gingen, ja zooveel schoons uit de classieke wereld voor mij te genieten viel, met hoevele gansch andere aandoeningen was dan mijne ziel vervuld en met hoeveel weerzin moest ik mijne pen tot geestdrift bewegen voor eene zaak, die mij zeiven weinig voordeel beloofde en nochtans een groote opoffering van mij vroeg. Immers ik zag het klaar en duidelijk voor mijne oogen, dat een volk, als weggezonken in onkunde en onverschilligheid, ook al voelde en tastte het, dat ik eene zaak recht voor had, nochtans partij zou kiezen voor de ouderen van dagen, wie het zoolang blindelings gevolgd was. Dan kwamen de Irenische bladen met hun quasi-vroom en vredelievend gekwezel om het volk diets te maken dat de geest van m'n schrijven verkeerd was. Mij dunkt, als de Heere Jezus nog op aarde wandelde en hij sprak zijn ngij geveinsdenquot; en het )gt;wee u, gij adderen gebroedselquot; uit over de mannen, die o zoo vroom en o zoo schriftgeleerd waren, dan zouden ook de tegenwoordige quasi vredelievenden wel zeggen, dat de geest van zulk spreken niet goed was. Bovendien is het hier heelemaal ook de vraag niet of het mooi of aardig of zoetsappig genoeg is, wat ik zeg, maar dit is de vraag, of het waar is, of mijn protest gegrond is.

En het christenvolk, waaronder ik mijne thuiskomst moest vinden? Ik weet het wel, daar kwamen stemmen uit dat volk,

ocr page 8

ja zells zeer vele stemmen, die toonden te gevoelen, wat er gaande was, die begrepen, dat ook hunne omgeving er mede gemoeid was; die hunne sympathie niet terug hielden, doch velen, zeer velen waren óf te traag om geestdrift te hebben voor het christendom, dat ze zeggen te belijden, óf ze gevoelden zich ook beschuldigd door de klachten, die ik uitbracht tegen zoo groote lauwheid en halfheid, die zoo lange jaren zonder protest voortwoekerde.

Vooruit kon ik berekenen, dat, zoo ik schreef in den gewonen koelen, killen en dikwijls dooden betoogtrant van veel geschrijf in onze dagen, het evenveel zou baten als een emmer water in de zee, vooral in onze Provincie en ik wist, dat m'n geschrijf alsdan vandaag geleien, morgen vergelen zou zijn.

En dan wa^e het aangenamer voor mij geweest, dat ik drie weken in het badhótel op Schiermonnikoog had vertoefd, dan mijn heerlijke zomerdagen en nachten op te offeren aan den Moloch der volksonverschilligheid onzer Provincie.

Doch een schip op strand is een baken in zee en de vele brochures, die in deze streken tevergeefs toegang vroegen tot de huiskamer van het volk, deden mij begrijpen, dat het Woord van Goethe uit de Faust waarheid bevat als hij, in onze taal overgebracht, ongeveer dit zegt:

Vraag nooit of uw geschrijf met geestdrift werd begroet.

Tenzij ge in eigen ziel eerst overtuiging voedt.

En moge het dan gepaard gaan met fouten , die geen gewoon sterveling vermijden kan, zoo er ooit overtuiging voor eenige zaak in zijne ziel leefde, omdat wij altijd tnenschen blijven, die alle dingen doen met vele gebreken, nochtans d » hoofdstrekking waarop de nadruk werd gelegd schier bij eiken volzin, dien ik schreef, daar zal de vijand niet aanroeren en die heeft hij dan ook steeds trachten te bedekken voor het volk. Met vreugde heeft hij het sluiten der debatten vernomen in de Prov. Gron. Cour. en ik weet, dat hij met bittere ergernis zal zien, dat ik nochtans de pen zal voeren dat ik de zaak nogmaals zal open en bloot leggen voor het volk en nu niet om halverwege quot;gestuit te worden, ofschoon de tijd mij elk hoofdstuk deed inkorten, maar om behoorlijk het einde van dezen gedachtengang althans in grove trekken te zien.

Meent niet lezers en lezeressen, dat het eene aangename bezigheid is om de grove en zoozeer in 't oog loopende schande van eenige dominé's, die oud en grijs geworden zijn in het verwaarloo-zen hunner roeping, aan den dag te brengen en daartegen te ge-

ocr page 9

tuigen, want het is een hard werk om aan het volk de fouten, waaraan het zich sinds lang gewend heeft, voor te houden en het schijnt, bij de macht die vele Ethische en andere classikale domi-né's zelfs alleen door hunne positie hebben, schier hopeloos. Ook voorzag ik, dat mijne vijanden velen zouden worden en dat vele vrienden mij in den steek zouden laten, waar het aan zou komen op het dragen van smaad, ja erger nog, die, niet gedachtig aan het woord van Paulus aan Timotheus: Niemand verachte uwe jonkheid zelf medededen als er steenen geworpen werden op mijnen leeftijd.

En toch — als ik de in het volk diep ingekankerde gebreken zag; als ik de beginselloosheid dagelijks ontwaarde in de gesprekken met den eenvoudige; als de zieldoodende geest, die daaruit voort moest komen, is voortgekomen en helaas voort zal komen mij zoozeer mismoedig maakte over de zonen en dochteren van mijn volk ; als niemand daartegen genoegzaam getuigde, aan wiens stem gehoor verleend werd; dan zal ik de pen opnemen, totdat ik zal gehoord worden ook door u, o gij Etisch classicale predikanten, die voor een groot deel de schuld draagt van alle volksgebreken, want niet te vergeefs staat daar geschreven : wee den herderen, Ik ial mijne schapen van kunne hand eischen. Doch het volk eischt, dat het ook duidelijk en klaar moge zien, waarom die leeraars, waarom juist die dominé's zoo diep schuldig zijn.

En dat zal ik u op voelbare en tastbare wijze met een zeer kort woord duidelijk maken in de volgende bladzijden van mijne hand.

Een iegelijk christen, die in oprechtheid des harten uitkomt voor zijne overtuiging en niet overweldigd wordt door eene lafhartigheid en onverdedigbare vrees voor zijn eigen ik, die zal een vrij geweten hebben voor den Heere zijnen God en voor zijne medemenschen.

ocr page 10
ocr page 11

DE ERNST DES TIJDS.

Als men de stations bezoekt en in de wachtkamers de gesprekken hoort van het reizend publiek ; als men met den trein reist en deelneemt aan den waggonpraat over weer en wind; als men koffiehuizen en logementen bezoekt, in een woord als men zoo in de wereld verkeert, dan zou men haast verbaasd moeten staan over de nietigheid en oppervlakkigheid van de meeste menschen, indien men niet wist, hoe licht men ook zelf wordt meegesleept in dien ijdelen stroom der onbeduidende gesprekken en hoezeer het aan de orde van den dag is om bij voorbaat allen ernst henen te zenden als de zondebok in de woestijn en hoezeer alhaast de wellevendheid schijnt medetebrengen om zoogenaamd gezellig te zijn, d. w. z. om over niets en nietige zaken grappig en aardig te kunnen praten en stelselmatig het zout uit den maaltijd weg te laten.

De menschen zijn er aan gewoon geraakt en weten alhaast niet beter ot het hoort zoo, dat alleen in de kerken over zaken van godsdienst gesproken wordt; de gewone gesprekken, zelfs dadelijk nadat men uit de kerk komt, zijn meestal van allen ernst en degelijkheid ontbloot, en vele, zeer vele predikanten zijn de menschen hierin voorgegaan, want hunne gesprekken werden gevoed door de ijdelheden dezer wereld.

Het schijnt dan ook alleszins eenc verdediging te

ocr page 12

8

behoeven, wanneer ik nochtans in courant en geschrift meer ernst, meer nadenken vraag, dan daar te vinden is in waggon en wachtkamer, in logement en koffiehuis.

Zelfs bij vele christenen scheen zoodanige verdediging geenszins overbodig te zijn, wijl ik herhaaldelijk zag, dat ze wel is waar nog konden hooren dat in vage en alge-meene termen het woord wierd gepredikt op den kansel, maar zoodra éen ingrijpend kwaad en een ingewortelde kanker op een of ander gebied met kracht werd gebracht onder de scherpe critiek van wat daar zijn moest naar het woord der waarheid, alsdan weken die christenen terug eu ergerden zich.

üe rijke heeft zich hetquot; leven dezer wereld zoo veelzijdig zoeken te maken als hem mogelijk is, opdat hij, zoo het mogelijk ware, geen behoefte mocht hebben aan de dingen, die van deze wereld niet zijn. Hij leeft en geniet bij het vroolijk glas wijn en het dansen zijner dochters met hare vriendinnen. De arme leeft lichtzinnig, vloekt de macht, die hem arm gemaakt heeft en vindt het wild en ordeloos getier zijner kinderen in harmonie met de onrust van zijn eigen ziele.

Ziedaar het gematigd liberalisme onder de rijken en het onomwonden socialisme onder de armen, beide groeiende op een en denzelfden wortel.

Voorwaar ik zeg u gij rijken en armen, en vooral gij rijken, tenzij uw gansche gedachtenkring, uwe ge-; heele levensbeschouwing veranderd en totaal omgekeerd worde, dat het sociale vraagstuk zich nooit laat oplossen en dat eene aanstaande revolutie uwe schijnvreugde onder den vloek der armen zal besprenkelen met bloed.

Ook is uwe vreugde van zeer geringeu aard, want geen vreugde mag dien naam dragen rn is het indor-

ocr page 13

9

daad, tenzij die voortspruite of althans samenga met eenen ernstigen en consequent doorgetrokken gedachten-gang en alle vreugde, die de mensch zich gaat opdringen in een ijdel gezelschap of waar ook, werpt welhaast het masker ai en het hart des menscheu spreekt tot zich-zelven zijne onvoldaanheid uit, want de behoeften van den waren mensch bleven onbevredigd.

Daar is in den mensch eene natuurlijke godskennis, een bewustzijn van schepsel tegenover eenen Schepper, en nu met dat ingeboren bewustzijn moet de mensch noodzakelijk eerst hebben afgerekend tot in een eeuwig doorgetrokken gedachtenlijn, anders kan niet één mensch ooit of ergens ruste vinden voor zijne ziel.

Hierbij nu loopen de wegen uiteen en gaan als twee stralen uit het middelpunt van eenen cirkel om nooit in der eeuwigheid weder tot elkander te naderen.

Langs de eene lijn gaan zij, die meenen, dat zij nu ixit dat bewustzijn, uit de natuurlijke kennis, dus uit zichzelve alle verdere kennis aangaande God en alle godsdienstige begrippen moeten putten en wij hebben hier:

1°. De Ethischen e. a. die uit dat bewustzijn (Got-tesbewustzein) een geheele theorie, een godsdienstsysteem putten,

en 2°. De Modernen, die, erkennende de zwakheid en het onvoldoende en onzekere van onze fantasie om daaruit een godsdienst te putten, eindigen met te zeggen, dat ze van God niets hoegenaamd afweten en ook niet weten kunnen, en hiertoe moeten natuurlijkerwijze ook de Ethischen komen.

Langs de andere lijn gaan de Gereformeerden, die, ook erkennende het ingeboren bewustzijn van den mensch, dat hij is schepsel tegenover zijnen Schepper, tevens

ocr page 14

10

eenen geopenbaarden wil van den levenden God erkennen als het Woord, dat Hij hun schonk om Hem te kennen en hunne verhouding tegenover Hem te leeren verstaan.

Daar staat do mensch voor de keuze. Geen vrede voor wie niet gekozen heeft, geen ruste voor wie niet een van deze twee wegen met beslistheid koos. Of neen, geen vrede voor eenigen mensch, wie hij zijn moge, tenzij hij Gods Woord erkenne als de eenige kenbron der waarheid en als het licht op zijn pad om hom zijne wegen te leeren kennen. Want ook de beslist Moderne moet onbevredigd blijven, omdat hij nooit dat bewustzijn, dat er een levend God is, uit zijne ziel kan wegcijferen en ook daarmede niet bevredigd kan worden, wijl al de omleidingen van zijn verstand, zijn bewustzijn, zijn rede, zijn fantasie, zijn gevoel of wat ook, ieder oogenblik kunnen dolen en alle vaste grond telkens aan zijnen voet ontzinkt. En dat bevredigt niet en kan nooit bevredigen.

Het is er ons niet om te doen den rijke zijne vreugde, den jongeling zijne blijdschap of der jeugdige schoone hare beminnelijke verheuging te rooven, integendeel verheug u o jongeling in de dagen moer jongelingschap, maar wed, dat gj om al deze dingen zult hamen in het gericht. Daar moet een ander beginsel komen bij den rijke, bij den arme, den jongeling eu de jongedochter, een andere geest, die hen niet blinddoekt voor den toestand van rust of onrust in eigen ziel, noch ook met looze kalk zijne onrust bepleisterd, moet zijne vreugde bezielen. Daar ligt een rechtszaak tusschen God en den mensch en die moet eerst zijn uitgemaakt. Hij moet ook vreugde hebben wanneer daar gesproken wordt, over het woord der waarheid, ook vrede eu rust wanneer hij aanschouwt het lijden van den arme, wiens jammer daar schuilt ach-

ocr page 15

11

ter nederige muroii en ook' deze arme, hij moet door eenen anderen geest worden bezield, dan die daar is in vloeken en ontevreden zijn.

Het verkeer in onze wereld van spoorwegen en stoom-booten, van logementen en koffiehuizen, van muziekuitvoeringen en tooneelvoorstellingen, van Ethische domi-né's en onwetende gemeenteleden, het wil ons opdringen om over dezen ernst des levens heen te loopen, om er maar luchtig op los te leven, maar daar ginds nadert de menigte van socialisten; daar verdedigt men de gelijkheid van alle standen met straatsteenen en veel geschreeuw ; daar ginds lijdt de arme, omdat zijne kinderen geen brood hebben, daar leeft de rijke in weelde en maakt lichte zaak van den nood des armen en den toestand buiten zich. Dit alles nu roept ons tot ernst; dit dwingt ieder mensch om niet voort te gaan in onverschilligheid, in traagheid en lichtzinnigheid, maar te doen, wat in zijne macht is om daarin eerst verandering en verbetering te krijgen. En daartoe is noodig, dat de zedelijke toestand van het volk anders worde, dat de oude waarheidszin der voorvaderen met nieuw leven worde bezield, dat de Gereformeerde predikanten hunnen plicht doen en dat aan het volk worde duidelijk gemaakt, wie het voor heeft in de classicale predikanten door onze geheele Provincie, ja door het geheele land verspreid.

Laat ons christendom geen ijdele klank zijn en geen schermen met bijbelteksten, maar laat het zijn de zuur-deesem, die het gansche volk doorzure, ja, het zout der aarde en het licht der wereld opdat in dat licht moge blijken dat langs dien weg alleen vrede en rust voor het hart van den enkele en welvaart voor het gansche volk is te verwachten.

Dat niemand zich verberge achter eeuen scherm, als-

ocr page 16

12

of het toch wel niets baten zou. Dat niemand zegge: ik haal er toch geen eer af. Is het u te doen om er eigen eer af te halen ? Blijf dan stil en onderzoek eerst ernstig uzelven.

Een iegelijk doe het zijne. De rijke geve zijn aard-sshe goed. De arme late zich onderrichten. Wie kennis heeft en daarbij een hart voor zijn volk, dat hij lie-nenga en onderrichte dat volk naar de overtiuging, die daar binnen in zijne ziel leeft.

Daar ruischt en bruischt dö storm,

Daar loeit de doodsorkaan.

De wereld laat in jammer Haar kinderen vergaan.

De christen roept ten strijd,

Gods Woord is in zijn' hand.

Straks roept de stem des doods flem naar zijn vaderland.

ocr page 17

II.

DE VERANTWOORDELIJKHEID DER PREDIKANTEN,

Vele jaren geleden leefde er een predikant te Wou-brugge in Zuid-Holland, wiens naam nog in onze dagen met zeer groote ingenomenheid onder de ware christenen bekend is. Ik bedoel Alexander Comrie, die het A B O des Geloofs geschreven heeft en wiens nagedachtenis in'de plaats waar hij eenmaal predikant was, nog steeds voortleeft in de overlevering van de nazaten zijner gemeenteleden. Deze predikant nu had niet de gewoonte om met looze kalk te pleisteren (Ezech. 13) om den menschen eene opgeplakte Godsdienst aan te prijzen, maar hij verkondigde den vloek en den zegen, naar het Woord des Heeren, die hem gezonden had. Hij sprak niet van vrede, waar geen vrede was (Ezech. 34) noch ook van eene liefde, die geen liefde mag heeten, maar hij sprak het oordeel Gods uit over alle ongerechtigheid, hij legde uit, hoezeer het altijd strijd is in en buiten den mensch en hoe er alleen vrede is in de verzoening met den Heiligen God en in Zijne gemeenschap, maar niet in den lof van eenig werk voor de menschen. En als deze predikant een tijdlang in deze zijne gemeente geweest was en de eenvoudigen gevoelden, dat het hem ernst was met zijne hooge roeping, dat er oprechtheid en hartelijkheid was in zijnen omgang en in het uitspreken van zijne overtuiging, dan hingen deze menschen aan zijne lippen, zij hadden hem lief, ook als hij

ocr page 18

14

bun soms harde waarheden moest brongen. Zij wisten uit zijnen oprechten wandel, dat het hem waarheid was, wat hij beleed. Ze hadden hem lief, omdat hij zich hunne liefde waardig maakte in alleb.

Deze predikant stond te midden van het volk boven dat volk, sleepte dat volk door alles wat hij was en deed, door alles, waardoor hij het aan zich verbond, met zich mee uit de laagte en het volk moest zedelijk vooruit gaan. Dit geschiedde dan ook in niet geringe mate en de vele verhalen, die er van getuigen, hoe groot de invloed van dezen predikant was, grenzen aan het on-geloofelijke, ofschoon het zeer natuurlijk was.

Nog onlangs vertelde me iemand, dat er in die gemeente, toan Oomrik daar predikant- was, drie gulden boete was gesteld, wanneer iemand op Zondag een emmer drinkwater uit een put ophaalde.

En als het eenmaal gebeurde, dat iemand zich daartegen vergrepen had, dan was het zedelijk overwicht zijner omgeving zoo groot, dat hij de geldboete eerder kwam brengen eer ze van hem gevraagd werd.

Ziedaar, waarde lezers en lezeressen, den invloed van een predikant. Hoe schoon was zulk eene les voor mij, als ik staarde iu de toekomst; hoe schoon voor mijne vrienden, die reeds in eene gemeente werkzaam zijn; hoe schoon voor zoovele Gereformeerde predikanten, die er naar streven om hunne roeping te vervullen naar de gaven, die God hun gaf. — Afloop als van snelle wateren, hoe vreeselijk is dit voorbeeld voor eenen predikant, die zich zeiven niet wil verantwoordelijk stellen voor den lagen trap waarop zijne gemeente staat ; hoe jammerlijk voor een leeraar, die de schuld van de volksellende van zich af zoekt te dringen, hoe doodelijk ver-oordeelend voor een Etisch predikant als zijne oogen ge-

ocr page 19

15

opend worden voor de onoprechtheid, de ongerechtigheid, de schijnvroomheid, neen, de verregaande onverschilligheid, die daar in zijn eigen ziel en in de leden zijner gemeente zichtbaar is door het gansche land.

Het is veel m'n gewoonte en m'n lust wanneer ik tijd heb, oin menschen nit den armen stand op te zoeken en veel met hen te spreken en 'tis me ook een zeer groote eer, wanneer een arme van me houdt. Want kom ik bij een rijke en dring ik door tot ik een blik krijg in zijne ziel, dan vind ik bijna altijd eene opeenstapeling van nederigen hoogmoed en een rijke wil me gewoonlijk den indruk geven alsof het gansch natuurlijk is, dat hij veel hooger moet staan in mijne oogen dan de arme; dat ik hem hooger zal schatten, op zal passen dat ik zijne gevoelens niet kwets, hem meer zal eeren dan den arme. Hij tracht indruk op me te maken door z'n wereldsche grootheid, maar z'n hart verbergt hij voor mij, zoo 't hem mogelijk is. Daarom trekken mij de huizen der rijken niet aan; hunne sympathiën laten mij meestal koud, want hun wereldsch goed is hun afgod, dien ze met beide handen zouden vasthouden ook al wisten ze dat ik gebrek had. Maar een blik in hun hart, een rechte vertrouwelijkheid, waaruit ik veel leeren kan, geven zi/ mij niet, althans zelden. Daarom is de arme voor mij dikwijls meer dan de rijke, want ziet, hij schenkt me zijn vertrouwen, als hij bemerkt dat ik in oprechtheid des harten tot hem kom en me zijn vertrouwen waardig toon; hij heeft een hart, dat hij voer me uitstorten kan, een hart vol van ervaringen en aandoeningen en dat is mij duizendmaal meer waard dan het kille glas wijn op de tafel des rijken. Voorwaar het is ook lichter, dat een kemel gaat door het oog van eenen naald dan dat een rijke ingaat in het koningrijk Gods.

ocr page 20

16

Een tijd geleden vertelde mij quot;n arbeider, dat daar in gindsche woning (hij wees op 'n klein arbeidershuisje) 'n man woonde die vroeger nog al godsdienstig was, steeds naar de kerk ging en nooit vloekte, maar, ging hij voort, sedert z'n vrouw gestorven is, ging het hoe langer hoe slechter en z'n kinderen zijn ook lang niet meer die van vroeger ; ze zien er nu zoo ruw en vuil uit.

Ik merkte hem op, dat dat ruwe en vuile aan den buitenkant zat en dat die kinderen daarom nog wel lief konden zijn.

Ja maar, herhaalde hij, ze waren toch vroeger heel anders, veel aardiger.

'k Vroeg hem of die man al oud was en hoe het komen kon dat alles zoo veranderd was sinds den dood van zijne vrouw.

Wel ging hij voort, hij had 'n zeer godsdienstige vrouw, die getrouw zijne kinderen verzorgde, hem steeds meekreeg naar de kerk, in één woord: ze waren gelukkig.

Ik dacht bij mijzelven: 'k wil dien man eens opzoeken, allicht beeft hij vele ervaringen en die geven meer wetenschap dan duizend preêken, waar geen leven in zit. Ik maakte in elk geval de veronderstelling, dat er wel meer achter zitten zou dan die man mij in zijn oppervlakkigen eenvoud zeggen kon. Misschien had ik dien man ook wat te zeggen, dat hij nog niet wist.

Don volgenden avond begaf ik mij naar het aauge-wezen huisje.

Toen ik de deur naderde, hoorde ik een kind schreeuwen en terwijl ik binnentrad riep 'n stem:

„naar bed bliksem van 'n jonge, pas op of.....quot;

Hier zweeg de huisvader; lezer, de huisvader zweeg, omdat er iemand binnenkwam. — Schrik en medelijden

ocr page 21

17

vervulden mijn hart, want dikwijls had ik opgemerkt, dat achter ruwe uitdrukkingen van de ergste soort zich een hartzeer verborg van allerlei aard.

Ik groette den man en ofschoon 't hem eerst wel wat vreemd voorkwam (hij kende me wel van aangezicht, maar meer ook niet) dat ik hem kwam opzoeken, zat ik toch weldra met hem te praten en de kinderen hielden zich, behalve enkele interrupties, tamelijk kalm. — Een meisje van 'n jaar of twaalf scheen de huishouding te doen en was bezig met eeu paar kleineren naar bed te helpen.

Was ik reeds predikant geweest, ik was met de deur in 't huis gevallen en had zoo mogelijk van 't begin tot 't einde gesproken over God en Zijn dienst. Thans echter moest ik om op dat chapiter te komen het gesprek eerst leiden naar den predikant van de gemeente.

Ik vroeg hem dan ook al heel spoedig of de domi-né wel eens bij hem kwam.

„De dominé 1 ja 'n enkele keer, maar toch bijna nooit; vroeger nog wel eens, toen m'n vrouw nog leefde, doch ook toen heel weinig en dan altijd 'n klein oogen-blikje en dat kan me ook niet veel schelen of hij hier komt, want met hem praten kan ik toch niet; wel gaf hij m'n kinderen soms iets maar och, ik kan goed werken en gebrek heb ik niet vaak.'

De man scheen blij te zijn, dat ik hem gelegenheid gaf om z'n hart te luchten over den predik?nt, want hij scheen als plotseling wakker te worden uit 'n droom en uitte zijne gedachten vlugger dan voorheen, 't Speet me haast dat ik niet over den dienst des Heeren was begonnen te spreken, nu ik zag dat de man ietwat heftig werd. Maar gelijk het in de dorpen gaat: spreekt men over godsdienst, dan spreekt men ook over wat de do-miné zegt en doet.

ocr page 22

18

Ik vroeg den mau, hoe dat dan toch kwam, dat de dominé hem niet meer opzocht en waarom hij niet met dominé praten kon.

„De dominé,quot; ging hij voort, „gaat liever naar de huizen der rijken, dan dat hij bij mij komt; het is hem te gering om lang met mij te praten en de enkele keer, dat hij vroeger kwam, dan bleef hij 'n oogenblik staan praten en ging dan gauw weer weg. — Bén keer is de Afgescheiden dominé hier geweest; dat was wel 'n vertrouwelijk man die 'n paar uur met me zat te praten, maar omdat ik niet bij de Afgescheiden Kerk behoor komt hij ook niet weer.quot;

Ik merkte, hoe weemoed en bitterheid elkander verdrongen in het hart van dien man en ik gevoelde, wat het voor zoo'n arme zeggen wil, dat' het den dominé te gering was om langer met hem te praten. Hem werd geen gelegenheid gegeven om z'n arm hart uit te storten, waaraan hij zoozeer behoefte had; de predikant in zijne hoogheid dacht er aan hoe hij er 't gauwst af zou komen, gaf den kinderen een fooi en ging spoedig weer henen, maar het arme hart van dezen man bleef ongetroost, daarmede bemoeide zich deze predikant niet. De rijke maakt zich het aardsche leven zoo lustig en weelderig, dat hij zich aan ons voor kan doen als had hij geene behoefte voor zijn hart en het moet voor een predikant zeer moeielijk zijn om tot het hart van een rijke door te dringen. Bij den rijke heeft de predikant dan ook juist daarom gewoonlijk weinig invloed en is het vaak een ploegen op rotsen.

Hier bij dezen arme daarentegen stond den predikant ieder oogenblik de gelegenheid open, om toegang te vinden tot het hart, om daarop den invloed uit te oefenen, die hem zoozeer tot leering, den arme tot troost en bo-

ocr page 23

19

venal öode ter eere kon zijn. En deze gelegenheid liet hij voorbijgaan, telken dag voorbijgaan; hij liet dien man ronddolen in de wereld als een eenzame; hij liet dat harte in jammer omkomen.

Dat alles kwam me tegelijk voor den geest; ik gevoelde de diepe weeën van dat hart, dat zich daarboven trachtte te verheffen met een: „het kan me ook niet schelen of hij komtquot;; een verontwaardiging rees in me op over den weinigen ernst, dien deze predikant maakte met zijne roeping; ik maakte de gevolgtrekking uit dit eene, hoe hij moest zijn in al het andere, maar dit was niet noodig, want ook dat kon ik telkens voor mijne oogen zien. Ook dacht ik aan Oomrib.

En alhoewel ik dit alles zag en dacht, meende ik helaas, dat ik nochtans den predikant moest beschermen en zeide tot den man, dat hij misschien ook niet in de kerk kwam (alsof dit den predikant van zijne verplichting ontsloeg).

„Neen,quot; zeide de man, „ik kom nooit meer in de kerk; vroeger kwam ik er nog wel eens, maar ik begreep ook het preeken niet, nu kom ik er nooit meer en 'k wil er ook niet komen; dominé laat me links liggen en die heele verdomde kerél met al z'n vromen hoogmoed kan me ook niets schelen.....quot;

Ik viel hem in de rede en trachtte hem tot kalmte te brengen, wat me echter niet veel gaf. De man scheen te merken, dat ik den predikant gelijk wilde geven en dacht al bij zich zeiven. „o, ook al weer zoo een, hij wordt ook dominé.quot; Hij maakte zich los van mijn vrien. delijkheid, begon zijn eigen zelfstandigheid te hervatten en gaf z'n hart lucht in een stroom van verwenschingen en vloeken over het godsdienstig bedrog van de dominé'a in 't algemeen.

ocr page 24

2U

Thans was z'n hart ook voor mij niet meer toegankelijk; in ruwe termen vervolgde hij het gesprek ten einde toe en niet zelden merkte ik, dat hij ook zijdelings op mij doelde als hij de predikanten uitmaakte.

Ik gaf hem veel toe, maar begreep toch, dat mijne woorden op dit moment niet in goede aarde vielen en zeide dat ik toch spoedig eens terug zou komen. Bedroefd in mijne ziel verliet ik den man en dacht er onderweg veel over na, hoe het met deze zaak gelegen was.

Toen werd het mij duidelijk, hoe groote zonde het is om het hvade goed te noemen (Jes. 5 ; 20); hoe ik den man verbitterd had, toen hij bemerkte, dat ik aan de zijde van den predikant ging staan.

Het werd mij tot leed, dat de man in den waan gebleven was, alsof ik den predikant wilde verdedigen, alsof ik niet gevoelde, hoezeer hij zijne roeping verwaarloosde, (gelijk ook bleek uit de weinige kennis van godsdienst die de man bleek te bezitten) alsof ik niet gevoelde, hoeveel deze arma in zijne ziel moest lijden eer hij tot die bittere onverschilligheid was gekomen.

De man had geene kennis en werd niet onderricht; hij had geen troost en vond die nergens. De man was onverschillig en vloekte. Er waren zeer velen, die onverschillig waren en vloekten. Alweer dacht ik aan Comrie.

Maar ik dacht ook aan dien jammerlijken predikant, die daar woonde in een prachtig huis, wiens preêken niet begrepen werden, en op wien de vloek des armen nederdaalde.

Ook begreep ik dat er zeer velen moesten wezen, die het pad van dien arme moesten bewandelen, omdat diezelfde predikant over 'n geheele gemeente gesteld was; omdat vele dergelijke predikanten vele gemeenten aldus' verzorgden.

ocr page 25

21

Alzoo zag ik hier dan een hoofdoorzaak, een bronader liggen van de volksonverschilligheid en ik nam me vas-telijk voor om voortaan bet kwade kwaad te noemen en er tegen te getuigen.

Voorwaar de predikant heeft eene hooge roeping en die een opzienersambt begeerd heeft, heeft een voortreffelijk werk begeerd en zijn invloed op den eenvoudige is zeer groot en moet wel zeer groot zijn, maar dit brengt mede eene hooge rerantwoordelijlheid, die hij op aarde voor zijne gemeenteleden en eenmaal voor den Eechter van hemel en aarde moet verantwoorden, want Hij zal de schapen van zijne hand eisc/ien.

En wanneer we alzoo moeten erkennen, dat deze verantwoordelijkheid zoo groot is; dat de toestand van het gebeele volk zoozeer afhangt van den predikant, dan zal dat volk begrijpen het belang, dat het daarbij heelt om den predikant, dien het volgt, te verstaan en te begrijpen in leer en wandel, wijl die eenvoudige zijne ziel aan hem toevertrouwt en dan zal ook een ieder inzien, dat een enkele bladzijde inderdaad niet overbodig mag heeten, die we wijden aan eene beschouwing over zoo groote bronader van goed of kwaad, nl, de predikantenwereld' en wel speciaal vond ik zulks hoog noodig voor de classicale predikantenwereld in het Hervormd genootschap rcndom ons.

Waarom niet over de Gereformeerde predikanten? Omdat tie Gereformeerde predikanten in de eerste plaats een Woord Gods erkennen van a tot z, verklaard naar de Gereformeerde belijdenis, en in de tweede plaats, omdat zij onder de tucht staan, die door dat Woord Gods, middel ijkerwijs langs den weg der gemeente over hen wordt uitgeoefend.

Dit nu is bij de classicale dominé's niet zoo. Zij er-

ocr page 26

22

kennen in de eerste plaats geen bijbel van 't begin tot 't einde als Woord Gods of althans verklaren dien bijbel ieder naar eigen goedvinden. Ook vinden ze geen tuchtmeester in de gemeente. Ze staan geheel losbandig op eigen voeten, handelen naar het goeddunken van hun eigen hart, kunnen zoovele valsche leerstellingen verkondigen als hun goeddunkt, en zonder eenig gevaar ongeveer als rentenier leven met behoud van tractement. Misschien is het mogelijk, dat deze losbandigheid zoo nadeelig gewerkt heeft op de classieale predikanten en dat de gevolgen daarvan zoo treurig zijn, dat een woord van protest ten slotte niet overbodig mocht worden geacht.

ocr page 27

III.

VOLKSTOESTAND.

Zonder nog een meer nauwkeurigen blik geslagen te hebben in den toestand van ons volk, hebben we in het vorig hoofdstuk gezien, hoeveel de predikanten er aan toe doen; hoe groot huune verantwoordelijkheid is, wijl hun geheele levenstaak niets anders is, dan om de leden hunner gemeenten te leiden in het rechte spoor.

Thans komen we om te zien, hoe dan de toestand is van dat volk, dat daar staat ouder de leiding van zoovele predikanten.

Ik zat eens voor 't raam, als een hoop straatjongens voorbij kwam. De een gooide met 'n steen, een ander vloekte, een derde en 'n vierde hadden ruzie enz. 'k Dacht bij mijzelveu: als ik eens 'n moeder vraagde of haar zoontje ook 'n straatjongen was, zuu ze ongetwijfeld antwoorden: natuurlijk niet. En als ik de moeders van al deze jongens vroeg of hare zoontjes straatjongens waren, dan zouden ze allen wel hetzelfde zeggen, en als ik het dan geloofde, dan zou ik moeten aannemen, dat die jongens geeiie moeders hadden of dat er geen straatjongens waren. Maar aangezien nu deze moeders onder de leiding of misleiding van verkeerde predikanten staan, daarom zijn hunne zoontjes straatjongens en zijzelf leugenaarsters geworden, die hunne kinderen laten opvoeden in de „christelijke en aiaatschappolijko deugdenquot; van de staats-

ocr page 28

24

school en die zichzelf om den godsdienst al heel weinig bekommeren.

Ik liep op een heerlijken zomeravond, zoowat bij tienen, langs den weg. De maan zag vriendelijk neder op de korenvelden en er was geen wolkie te zien, wat hier in het Noorden wel een zeldzaamheid mag heeten. En al kan de natuur van onze noordelijke streken niet zooveel aantrekkelijks hebben voor wie het Zuiden gezien heeft, toch raakte ik in dezen oogenblik door de toch ook hier zoo schoone natuur, verdiept in eene gedachte uit de Schepping des Heeren. Ik had de zon zien nederdalen in het Westen, omhuld in haar heerlijk rooden gloed. Zacht en langzaam was zij weggezonken aan de Westerkimmen. De avond was gevallen; de dauw rees op over de velden en thans had de blinkende maan hare heerschappij veroverd over de zwijgende dorpen, en de afgematte bewoners van het land hadden zich ter ruste begeven. Ter ruste? — Neen ter sluimering voor den alhaast weer naderenden dag. Weldra zou de gezonde landman, onvemoeid als de bijen, bij 't eerste krieken van den dag de morgenschemering begroeten als zijne levensgezellin. Nog een wijle en de opgaande zon rijst omhoog; de dageraad kondigt als haar heraut hare komst aan, en alhaast verschijnt zij; ze rijst omhoog als eene godin om den arbeid der landlieden te zegenen.

Mijn hart begroet de bergen van Schotland, de weelderige dalen van Germanie hebben sinds lang hunne uitnoodiging tot mij gericht, het is mij als ademde ik aireede de frissche lucht van Zwitserlands bera-en en

o

mijne ziel verlangt om te zien de natuur, die door GtOKTiie met leven bezield wierd, maar het is niet, om-dat ik geheel blind was voor de poëzie der natuur in eigen vaderland.

ocr page 29

25

„Ook hier ben ik mensch en kan ik het zijn.quot; Ook hier begroet mijne ziel in eerzame stilte de heldere maan, de bode des vredes, die de muren van Troje bescheen, als de krijgeren der Grieken sluimerden aan het iEgaeis-sche strand en Penelope smachtend uitzag naar den terugkeer van haren gemaal, die nog zeer lang vertoeven zou. Als nietig sterveling staar ik henen naar die nacht-godes, die mij getuigenis geeft van zoovele eeuwen; die den trots van het machtige Babyion, de straten van Athene en de triumphpoorten van Rome omstraalde; die in vrede nederblikte op het kamp van Caesar in een vreemd land; die het eenvoudige boerenerf voor mijne oogen hult in romantische tinten en mij de groetenis brengt van wie daarginds sluimert en nochtans waakt in mijn hart als do hoogste schepping, helaas, van mijne fantasie. Ga voort, gij vorstin van de stilte des nachts, draag roem, dat ge op uwe bergen en dalen de historiën der volkeren mij gaaft te lezen, werp een lie-telijkeu glimlach over het menschenkind, dat daarginds

op de aarde wandelt.....doch eer ik nog voort mocht

gaan mijn gedachtenstroom lucht te geven en te genieten, werd ik plotseling gestuit door het schreeuwen, lachen en tieren van eenige menschen, die in de verte aankwamen. Toen ze wat nader kwamen, bemerkte ik al aanstonds dat het eenige boerenknechten en dienstmaagden waren. Ik hoorde hen vloeken, den eenen vloek op den anderen stapelen, dan weer lachen, dan een gegil en getier, Sommigen waren halfdronken, allen waren in zeer treu-rigen toestand. En ze wisten het niet, want daar was geen predikant geweest, die liefde voor deze armen had, die hen bad onderwezen in den ernst en de vreugde van het Christendom, want ik hoorde zulk rumoer vaak, als ik 's avonds zat te studeeren. Eu ook de landlieden, ouder

ocr page 30

26

wie deze jouge meuschea dienden, hadden geen inzicht in deze treurige losbandigheid, waarin deze jongelingen en jongedochters leefden, omdat ook die landlieden zulks niet leerden yan den predikant, die hen zeer zelden bezocht en hen van zich vervreemdde. — Straks worden de tallooze huwelijken gesloten om de jammerlijkste zedeloosheid. En de predikant bewoonde zijne pastorie, hij rookte zijn sigaar en bewandelde zijnen tuiu, want hij dacht deze namelooze ellende te keer te gaan door een zielloos woordje op den preêkstoel.

En zijn deze dienstknechten en maagden, die daar ■quot;s avonds laat schreeuwende, vloekende en tierende langs den weg loopen niet hetzelfde, wat in de steden de troepen van socialisten zijn? Ook die armen worden niet opgezocht in hunne ellende omdat daar te weinig leeraars zijn en te weinig ijverige ouderlingen. — Geeft uw geld gij rijken, indien gij leeft voor het Koningrijk Gods, zooals ge belijdt, opdat er meerdere dienstknechten worden uitgezonden onder de heidenen in blanke huid, die daar slenteren langs de straten onzer steden. Daar hebben de predikanten niet alle schuld; daar is inderdaad hun arbeidsveld te groot.

Maar dit is in een dorp gansch anders, wijl de predikant hier alle zijne gemeenteleden gemakkelijk bij name zal kennen, en al zou ook een ijverig leeraar, die werkelijk een hart had voor het volk, somtijds op rotsen moeten ploegen, nochtans, de namelooze ellende, de verregaande onverschilligheid zou zeer, zeer beteugeld worden, en niet één woord van verontschuldiging kan door de ons omringende classicale predikanten worden ingebracht. — Diezelfde predikanten kunnen soms nog in hoogdravende, natuurlijk onbegrijpelijke volzinnen, spreken over een revolutie die komen zal, en als zoovele

ocr page 31

27

profeten roepen zij van rla preekstoelen het treurige daarvan uit. Ik zou lust hebben om hun eens te vragen of ze wel wisten, wat revolutie is en waar die van daan komt. En als ze geen antwoord gaven zou ik hun trachten duidelijk te maken, dat de geest der revolutie heerschte in die tierende jongelingen en jongedochters, dat die geest gevoed werd door onkunde en onverschilligheid, en dat zij daarvan zelf een der grootste oorzaken waren.

Ik heb rondgekeken bij de huisgezinnen, die tot de classicale gemeenten behooren en deed in den regel zeer droeve ervaringen op. Want ik zag huisvaders, die met hun gezin geregeld naar de kerk gaan, waar 'n classicale dominé preekt, terwijl ze thuis nooit zelfs ook maar omzagen naar hunnen bijbel. Dit is een droevig teeken van groote onverschilligheid, waarvan de nawerking niet achterwege blijven kan. Ik heb vele zonen en dochters ontmoet van zulke zoogenaamd christelijke huisvaders, die nooit het kort begrip gezien hadden. Nochtans, als ik hun vroeg, of de dominê goed gepreekt had, dan wisten ze wel hunne oordeelvellingen te zeggen, en wel zoo, dat de dominé mooi gepreekt had, wanneer hij z'n preek van buiten kende al was 't ook nog zoo'n prul, en infaam slechts als hij de preek voorgelezen had. — Maar van den inhoud hadden ze nooit eenig begrip.

Ik heb rondom mij classicale of wel Hervormde kerkeraadsleden ontmoet, van wie ik beslist weet, dat ze den bijbel nooit ter hand nemen; dat ze zelfs den naam van alle bijbelboeken niet kennen, laat staan de leer des bijbels; die geheel zijn opgegroeid in de verlammende en zieldoodende „goddienerijquot; van die classicale dominé's. En onder dezulken bevinden zich dan de ouderlingen, die mode huisbezoek moesten doen, die tien

ocr page 32

28

gemeenteleden moeten vermanen en toespreken over leer en wandel over het avondmaal enz.

Alleen onder de armeren der gemeenteleden vond ik hier en daar waarachtige christenen, die, zonder dat ze tgoed begrepen, werden voortgedreven en vastgehouden door de doode en doodende omgeving en den dagelijkschen sleur, waaraan ze zoozeer waren gewoon geraakt. En voor dezulken is het in 't bijzonder, dat ik de pen heb opgenomen, want ik weet, dat de toestand der classicale gemeenten over 't algemeen genomen reddeloos is. Te vergeefs zullen {Jeze christenen wachten op andere en betere tijden, te vergeefs hunne hope vestigen op een nieuwen predikant, wanneer de tegenwoordige weg zal zijn, want voorwaar, de staatsacademies zullen hare kwee-kelingen hun toezenden en die zullen het werk der vrome verleiding en misleiding met jeugdige geestdrift voortzetten en op de bekende wijze hunne pastoriën bewonen en hunne tractementen beuren.

Ik heb gezien, dat de zonen en dochteren van gezeten landlieden, die met de hoogste standen in menig opzicht kunnen concurreeren, des Zondags zelfs geregeld naar de kerk gingen en een paar dagen later naar bal of comedie henen togen zonder er zelfs aan te denken, dat zulks niet wel samen zon te rijmen zijn. Eu dat vieren van den sabbath, dat geregeld naar de kerk gaan, dat zit er nog van ouds in, dat getuigt voor vroeger tijden en juist daarom gaat het mij aan m'n hart, dat deze mijne jonge landgenooten, die mijne vrienden zouden zijn, als de predikanten hunnen plicht gedaan hadden, thans dit mijn protest met onverschilligheid op zij leggen en voortgaan, om met wellust den zwijmeldrank der wereklsche genietingen in te drinken, waarin geen vrede te vinden ia voor hunne zielen

ocr page 33

29

HoeveeJ meer namelooze ellende in allerlei vorm en op allerlei wijze zag ik voortspruiten uit den lagen zedelijken toestand van het volk. Zoo was ik onlangs aan een badplaats en wandelde aan het strand der zee. Daar zag ik eene jeugdige schooue, die voor hare gezondheid hier moest zijn en niet gelijk ik om slechts te genieten. Ik kende het meisje van vroeger. Ik sprak haar moed in en zeide dat ze vroolijk moest zijn. Dit was mij hard want ik wist dat ze niet vroolijk kon zijn. Ik wist ook waarom ze krank geworden was. Zij had eene stiefmoeder.

Straks bedekt wellicht de groene zode het onbeschrijfelijk ziolelijden van dat meisje, en het zedeloos zieleworgen van het stiefmoederlijk gezag.

Hierover zou ik een boek kunnen schrijven gelijk in 't algemeen de bezoekers van badplaatsen mij zeer veel te denken geven.

Ik weet, dat in beschaafde kringen zelfs nooit eeu woord gerept wordt over iets dat naar godsdienst zweemt, en geloofde ik niet op grond des bijbels, dat de mensch een zekere natuurlijke godskennis heeft, dat hij zich altijd schepsel blijft gevoelen tegenover zijnen Schepper, ik zou moeten aannemen dat het begrip godsdienst er totaal uit moest gaan bij zeer velen.

Nu vormen in onze Provincie de Afgescheidene Kerk en het Hervormd genootschap in hoofdzaak de beide partijen. Y/rel zijn er nog hier en daar mannen in de Hervormde Kerk, die hart hebben voor de waarheid der Schrift doch üit zijn uitzonderingen, gelijk ook blijkt uit de weinige doleerenden, die we in onze Provincie vinden en waarvoor we natuurlijk alle sympathiën hebbeu. En dau de meeste halfchristenen laten zich zeer wel vereeni-

ocr page 34

gen met hen, die openlijk don spot drijven met al wat maar dicht aan den bijbel grenst. Wel is waar zullen er ook onder de Afgescheidenen halfchristenen gevonden worden, doch in de Afgescheiden kringen en in Afgescheiden gezinnen is het spreken over de waarheid der Schrift aan de orde van den dag. En dat is de zaak» Dat leidt althans tot den weg van ernst en degelijkheid, van waarheidszin en meer dan oppervlakkige vreugde.

Zoo zie ik dan door de gansche Provincie in bijna alle of misschien in alle Hervormde gemeenten rijk en arm wegzinken in onverschilligheid en verbasteren van den degelijkeu vroeden zin onzer voortreffelijke voorvaderen.

Ik vraag u, gij die dit leest, rijk of arm. Modern of Gereformeerd, ik vraag u, konden de predikanten, waar hun levenstaak en hun heilige roeping hen riep, niet de leden hunner gemeenten opzoeken en met hen spreken over belangrijker zaken dan de nietigheid van al hunne gesprekken in hunne weinige en korte visites? Konden zij ook het volk onderrichten en den ouden waarheidszin voorstaan, waardoor onze vaderen bekend waren? Misschien kunnen ze het laatste niet, omdat ze zelf geene kennis hebben aan de waarheid, waaraan ze kennis moesten hebben wanneer zij hunne roeping, die zij op zich namen, wilden vervullen.

En indien dat waar is, getuigt dan ook niet alleen voor u zeiven maar ook voor die u verleidende leeraars en zegt hun, dat daar een protest ligt tegen hen; dat daar een volk in jammer verzinkt door hunne schuld; dat de leden hunner gemeenten, zelfs zonder dat zij het merkten, verward liggen in de strikken van allerlei beginsel; dat zij dolen als schapen, die geenen herder hebben, en dat ze eindigen met zich over te geven in

ocr page 35

31

den maalstroom der onverschilligheid. En dat nu is in den grond der zaak de geest van het socialisme, een nuchtere dronkenmansgedachte.

ocr page 36

IV.

HET BOEK WAUWEL/U

hoofdstuk: i.

1. En het geschiedde ia het laatste der dagen, dat daar kwamen zeer zware tijden.

2. Want de eenvoudige menschen waren geworden liefhebbers van zich zeiven, die God niet dienden noch ook over godsdienst spraken, geldgierig en hoovaardig; en velen noemden zich vroom.

3. En de volken waren zeer diep gezonken, onbekend met de gezonde waarheid, die uit de Schrift is, zeer wel bekend met de ijdelheden dezer wereld en de vreugde, die geenen vrede geeft voor de ziel.

4. En er waren oorlogen en de geruchten van oorlogen waren zeer vele; ook dreigde het eene volk om op te staan tegen het andere volk en het eene koninkrijk tegen het andere koninkrijk met zeer vele krijgsknechten en machtige wapenen.

5. Ook in het midden van een iegelijk volk en van een iegelijk koninkrijk was het ganach zeer onrustig.

6. Want de verdeeldheid, die daar was ouder de menschen sedert het eerste menscheupaar, was zeer groot geworden en kwam zeer aan den dag, zoodat een iegelijk mensch riep om een plaats voor het hol van zijnen voet en om ruste voor zijne onbevredigde ziele.

7. En daar was een zeer groote strijd onder alle

ocr page 37

33

volken en alle natiën en de leuze, die onder allen vernomen werd, was deze: Voor Jezus van Nazareth en glorie aan God alleen of wel tegen Jezus den Nazarener en eer aan den memch,

8. Toch waren daar vele mensclien, die riepen van vrede, ofschoon er geen vrede was; die riepen van liefde, alhoewel de liefde zeer gering en zeer bedorven was.

9. Want zij dachten zich vroom te maken door het roepen van vrede, waar geen vrede was, en zij zagen den grooten strijd niet, omdat zij blind waren en verdorven van verstand.

10. Toch hielden' deze meuschen zich zeer vroom en hun getal was groot geworden in den lande, omdat het volk van deze blindheid niet onderricht werd.

11. In die dagen nu leefde daar een man, wiens naam was Wauwelaar, een man vredelievend van aard, vroom naar den uiiwendigen mensch en onbesproken van wandel.

12. Wiens grootste verdienste was, dat hij geene verdiensten had, wiens grootste heldenfeit was, dat hij geboren werd uit ouders, die gezegend waren naar de wereld.

13. Deze man nu had eenen zoon.

14. Het treurig feit nu van de geboorte van dezen zoon bracht mede, dat dit zoontje eenen naam moest hebben.

15. En vader Wauwelaar noemde zijn zoon Hendrik; alzoo heette dat zoontje Hendrik Wauwelaar.

16. En Hendrik had daaraan geene schuld.

17. Deze Hendrik nu werd opgevoed in den vrede en in de liefde van zijnen vromen vader en de tijd was weldra gekomen, dat Hendrik leerde lezen en schrijven; maar te spelen als andere jongens, dat leerde Hendrik niet.

18. De vader nu van Hendrik dacht er veel over na,

3

ocr page 38

34

wat Hendrik worden zou in de wereld, want Hendrik moest toch ook iets worden.

19. En als Hendrik grooter werd, zoo hesloten zijne ouders, dat Hendrik leeraar zou worden in vroomheid en liefde, waarin zij hem hadden opgevoed.

20. Want er was gebrek aan zulke leeraars in den lande en de penningen, waarmede zij betaald werden, waren zeer vele.

21. Dit nu was gansch zeer naar het hart van Hendriks vader en Hendriks moeder schiep vreugde in de toekomst van Hendrik.

22. En Hendrik had over deze dingen nog niet veel gedacht.

28. Ook dacht Hendrik niet veel, omdat het verstand van Hendrik niet groot was.

24. Maar Hendrik moest toch iets worden in de wereld, omdat de ouders van Hendrik gegoede menschen waren.

HOOFDSTUK II.

1. Alzoo geschiedde het dat Wauwelaar zijnen zoon Hendrik henenbracht naar de plaats, waar vele leermeesters waren om Hendrik te onderwijzen in vele zaken, waarvan Hendrik nog geen verstand had.

2. Want Hendrik had nog weinig verstand van weinig zaken en weinig begrip van weinig verstand.

3. Al dit weinige nu zou alhaast meerder worden, omdat Hendrik een brave jongen was.

4. En dit dachten Hendriks vader en Hendriks moeder, oolc dachten dit Hendriks leermeesters.

5. En zij waren allen zeer verheugd over Hendrik, omdat Hendrik een brave jongen was.

ocr page 39

35

6. De leermeesters nu onderwezen Hendrik in de talen van Demosthenes en Cicero, ook leerde Hendrik de taal van Schiller en Goethe, van Eacine en Rouaseau en de naam van Shakespeare bleef Hendrik niet onbekend.

7. Ook werd hem geleerd den driehoek te meten, omdat de ontwikkeling van het verstand Hendrik te pas kon komen, en de historie der volken werd Hendrik te leeren gegeven, omdat het strekte tot velerlei kennis.

8. Doch van dat alles begreep Hendrik .zm-weinig, omdat het verstand van Hendrik niet groot was.

9. Maar Hendrik leerde zijne lessen, die zijne leermeesters hem te leeren gaven en de leermeesters van Hendrik waren zeer tevreden over Hendrik, want zij hadden weinig zorg te besteden aan Headrik, omdat het verstand van Hendrik niet groot was.

10. Want daar waren zeer velen, die met Hendrik moesten leeren en er waren enkelen, die meer verstand hadden dan Hendrik en aan wie alzoo meer zorg door de leermeesters moest gewijd worden en dit eischte meer arbeid voor de leermeesters.

11. Daarom bevielen deze enkelen den leermeesters niet, omdat er meer zorg aan hen besteed moest worden, wijl hun verstand grooter was.

12. Daarom hielden de leermeesters zeer veel van Hendrik omdat het gemakkelijker was voor die leermeesters om Hendrik op te leiden dan om een grooter talent op de rechte wijze te doen ontkiemen.

13. Doch het overige van deze leermeesters en der-zelver practijken is dat niet geschreven in het boek der doctae nequitiae?

14. En Hendrik had ook zeer vele vrienden, die ook hunne lessen goed leerden.

15. Doch zij overtroffen Hendrik niet, noch in het

ocr page 40

36

leeren van zijne lessen, noch in grootheid van zijnen aanleg.

16. En onder allen, die met Hendrik hunne lessen moesten leeren waren er ook enkelen, die geene vrienden waren van Hendrik en niet braaf waren gelijk Hendrik braaf was.

17. Onder dezen nu was een jongeling, die zich zeer onderscheidde van Hendrik.

18. En dit scheen een dwaze jongeling te wezen, want hij scheen somwijlen te spotten met de lessen zijner leermeesters en kende ook niet altijd zijne lessen gelijk Hendrik. Nochtans scheen deze jongeling veel te studeeren.

19. Maar hij was niet braaf gelijk Hendrik en zijne vrienden braaf waren.

20. En Hendrik verachtte dezen jongeling zeer, omdat hij niet braaf was gelijk Hendrik.

21. Ook deden dit de leermeesters van Hendrik!

22. Dit nu deed dien jongeling en eenige zijner vrienden wel pijn, doch zij wenschten niet te zijn wat Hendrik was.

23. Maar als de tijd der onderzoeking daar was, en uitkwam wie het meeste geleerd hadden, dan waren de leermeesters Hendrik zeer genegen omdat Hendrik zeer braaf was en Hendrik's vader 'n lieve man was.

24. En dien anderen jongeling waren zij niet genegen.

25. Nochtans moesten deze leermeesters bekennen, dat deze jongeling meer gevorderd was dan Hendrik en dit was hun niet aangenaam, want zij zwegen daarover) ook begrepen zij het niet.

26. Alzoo werd deze jongeling geen vriend van deze leermeesters, omdat zij hem onrecht deden; en hij verheugde zich zeer, dat hij deze leermeesters zoo weinig uoodig had.

ocr page 41

37

27. Nochtans had zijn hart behoefte aan vriendschap met eeneri leermeester, doch de leermeesters hadden zijne vriendschap niet noodig, wijl ze zich om hem niet bekommerden en wijl de vrienden van Hendrik vele waren. Dit was dien jongeling zeer hard.

HOOrDSTTJK ra.

1. En het geschiedde in die dagen, dat er een zeer wijs man in het land kwam, die overal geroemd werd vanwege zijne wijsheid en de grootheid van zijnen geest.

2. Deze wijze man nu kwam ook tot de leermeesters van Hendrik.

3. En deze wijze man sprak tot die leermeesters en hij vroeg naar hunne leerlingen en naar de vorderingen die zij maakten.

4. De leermeesters nu roemden over de vorderingen van Hendrik en deszelfs vrienden, over hunnen ijver, maar van dien jongeling en zijne weinige vrienden spraken zij niet.

5. Maar deze wijze man had meer leermeesters aangetroffen en vele leerlingen gezien, die zeer bevriend waren met hunne leermeesters,

6. En hij sprak niet veel, ofschoon hij veel had kunnen spreken.

7. Daarna kwam deze man ook tot Hendrik en tot zijne vrienden en sprak veel met hen.

8. En zij luisterden met open monden, omdat zij iets dergelijks van hunne leermeesters niet gehoord hadden.

9. Als deze wijze man nu begrepen had de braafheid dezer jonge mannen, zeide hij tot hen:

10. Het is goed en verstandig van u, dat gij leert de lessen uwer leermeesters uit de boeken, die zij u aangewezen hebben.

ocr page 42

38

11. Bewaart de kennis, die daarin geschreven staat en gebruikt -ze als middelen voor wat gij noodig zult hebben als gij uw doel zult hebben bereikt, want alsdan hebt gij deze kennis noodig bij zeer veel levenswijsheid.

12. Toen keken die jongelingen verwonderd; en als de man zulks bemerkte, vroeg hij aan Hendrik, welk het doelwit was, 't welk te bereiken hij zich dacht als zijn ideaal.

13. En Hendrik, die nooit gedacht had over een doelwit, nog minder over een ideaal en ook niet wist hoe hij ooit een kennis voor eenig ander doel kon gebruiken dan om iets te worden in de wereld, antwoordde en zeide:

14. Mijn doelwit is om een plaats te krijgen in de wereld en ik wensch leeraar te worden „in vroomheid en liefdequot;, want die zijn er te weinig en hunne bezoldiging is groot. Mijne ouders hadden deze betrekking voor mij uitgedacht en ik geloof terecht.

15. En dit beaamden ook Hendriks vrienden.

16. Toen ontwaarde deze wijze man, welke geest deze jonge mannen bezielde en dat ze zeer laag stonden in hun leven en streven.

17. Toen begreep ook hij die leermeesters uit deze hunne leerlingen; droevenis en verontwaardiging vervulden zijne ziel, dat deze jonge mannen aldus werden opgeleid en tevens geprezen.

18. En Hendrik noemde hij Droogstoppel en zijne vrienden heette hij Slijmeringen.

19. En hij wendde zich af om te zien of er nog anderen waren en hij zag dien jongeling, die weinig vrienden had en waarvan de leermeesters niet gesproken hadden.

20. Toen kwam hij tot dien jongeling en sprak met hem.

ocr page 43

•sy

21. Eq als hij verstond, dat die jongeling meer naar wijsheid dorstte dan naar vriendschap van leermeesters en als hij vernam dat de leermeesters zich weinig om hem bekommerden.

22. Alsdan vond hij in dien jongeling eenen boezemvriend en sprak tot hem, zeggende:

23. Mijn jeugdige vriend! Terecht hebt gij verstaan, dat er noodig is kennis en wetenschap om uwe leermeesters voldoening te geven en een plaats te krijgen in de wereld en edel is uw streven om door eigen kracht den syrenenzang der vleierij te trotseeren, waardoor Droogstoppel en Slijmeringen hun karakter zouden verliezen, indien ze karakter hadden en wisten, wat karakter was.

24. Ik bemerkte, dat gij begrepen hebt, dat, wat uwe leermeesters u leereu, voor 't grootste deel geschreven staat in boeken, maar dat ge straks zooveel noodig zult hebben, wat niet in boeken geschreven staat en u door deze leermeesters niet geleerd wordt.

25. Zoo hoor dan en luister naar mijne woorden, want daartoe ben ik uw vriend om u te zeggen wat ge noodig zult hebben en hoe ge dat andere, dat hoogere zult verkrijgen.

2fi. Dat ge uwe lessen leert is noodzakelijk en dat ge kennis daaruit bijeen vergadert is noodig, maar wat ge hieruit zult weten zullen Slijmeringen en Droogstoppel met u gemeen hebben. Nochtans beijver u om hierin uwen plicht te doen, opdat uwe leermeesters zwijgen.

27. Maar bovenal, oefen uw verstand om na te denken en uwen geest om gedachten te hebben. Sla uwe oogen op ten hemel, waar uw God woont. Blijf mensch bij alles, wat u wedervaart van Slijmeringen en Droogstoppel. Aanzie hunne nietigheid, hoewel gij ze omhoog

ocr page 44

40

ziet vallen door gebrek aan zwaarte. Wees niet bezorgd maar wacht u hunne wegen te volgen.

28. Aanzie de hemelen, hoe ze's Heeren heerlijkheid verkondigen en de aarde, hoe ze van Zijne heerlijkheid vol is ofschoon de Droogstoppels vele zijn en de Slijme-ringen zonder tal.

29. Leer mensch te zijn en menschen te kennen. Wend u tot den arme opdat hij z'n hart voor u uitstorte en zijne levenswijsheid u mededeele, die niet in boeken geschreven staat.

30. Lees vele boeken over velerlei zaken, maar weet dat het leven oneindig rijker is dan boeken u zeggen, omdat alle boeken uit het leven geput zijn maar niet allen het leven weergeven, nog minder idealiseeren.

31. Uwe lessen te leeren is niet moeielijk. Doen ook niet Droogstoppels hetzelfde? Maar uwen geest te sterken, uwe gedachten voort te brengen over allerlei zaken, uw karakter niet te verliezen maar te sterken, daarop vestig uwe aandacht.

32. Verberg uwe droefenissen in uwe binnenkamer en de weeën van rw hart stort ze uit voor bet aangezicht van uwen God en voor een getrouw vriend.

38. Laat eon enkel getrouw vriend u genoeg zijn, opdat uw leven niet wegzinke in oppervlakkigheid van velerlei gesprek met Slijmeringen.

34. En veel meer sprak deze wijze man en de jongeling nam het ter harte. En dit kon hij doen, omdat hij een hart had.

HOOFDSTUK IV.

1. De wijze man nu was heengegaan en die jongeling was in zijn binnenste verheugd over hetgeen deze man hem gezegd had.

ocr page 45

41

2. Hendrik echter en zijne vrienden spraken mei verachting van den man, waarvan zij weinig begrepen hadden, omdat hun verstand niet groot en hun hart zeer klein was.

3. En de leermeesters bleven van Hendrik houden, omdat hun hart iets grooter was dan dat van Hendrik en omdat Hendrik hun dat liet merken op voelbare wijze.

4. En dit bleef zoo al dien tijd, tot in lengte van dagen.

5. Hendrik nu en allen die met hem hunne lessen leerden, gingen zoo voort; ook die jongeling en zijne weinige vrienden gingen huns weegs.

6. En als eenige jaren waren voorbijgegaan, naderde de tijd, dat de leermeesters deze hunne leerlingen bekwaam genoeg achtten om henen te gaan naar eene hoo-gere school, die Academie heette.

7. Alzoo togen Hendrik met vele Slijmeringen en ook die andere jonge lieden henen naar de Hoogeschool om daar hooger of lager onderwijs te ontvangen, al naar gelang van die leermeesters, die ze aldaar zouden vinden.

8. Doch alle onderwijs heette daar hooger onderwijs, wijl het hooger was dan dat van de vroegere leermeesters van Hendrik.

9. Hendrik echter heette nu voortaan geen Hendrik meer, maar werd mijnheer Wauwelaar genoemd door zeer velen.

10. En mijnheer Wauwelaar woonde getrouw de lessen bij van zijne niéuwe leermeesters en verzuimde die niet, want dan durfde mijnheer niet komen onder de oogen van zijne nieuwe leermeesters, die Professoren genoemd werden.

11. En de ouders van mijnheer Wauwelaar waren zeer tevreden over hunnen zoon, omdat mijnheer goede vorderingen maakte.

ocr page 46

42

12. En alhoewel het verstand van mijnheer klein was, nochtans gelukte het aan mijnheer Wauwelaar om door zijne deftigheid, die groot was, de achting te verwerven, die hij door verdienste zich niet had kunnen verwerven. Daarom was mijnheer zeer zuinig op zijne deftigheid.

13. En mijnheer vond ook geen plicht in zich, dat hij zelfs later een poging tot verdienste zou moeten wagen, omdat bij weinig plichten in zich vond en van verdiensten geen begrip had.

14. Ook had mijnheer van andere dingen weinig begrip, maar gelukkig voor mijnheer naderde de tijd dat men mijnheer om zijne deftigheid gelooven zou en omdat mijnheer Wauwelaar het gezegd had.

15. Want alzoo had mijnheer ook met zijne leermeesters gedaan en hij had zich daar goed bij bevonden, want zijne leermeesters hielden van hem.

16. En omdat mijnheer altijd bedaard was, omreden dat zijn hart zoo klein was, zoo was hij als een groot mensch en een degelijk man in de oogen van velen. En hij deed zeer veel met zijne hoog deftige bedaardheid.

17. En als een ander vreugde had, glimlachte mijnheer en was overigens bedaard.

18. Ook wanneer anderen bedroefd, verontwaardigd of wat ook waren, dan was mijnheer Wauwelaar bedaard, omdat het gevoel van mijnheer zeer zwak en zeer klein was.

19. En omdat mijnheer bedaard en dus zoo groot was, raakte mijnheer in kennis met eene jeugdige schoone.

20. Maar omdat de liefde van mijnheer zeer sober en het hart van mijnheer zeer klein was, bedankte deze schoone voor de eer! Toch vond mijnheer weldra een andere schoone, die ook zoo'n klein hart had, evenals mijnheer en die veel van mijnheer hield, omdat mijnheer

ocr page 47

43

zoo groot was en voor leeraar studeerde in vroomheid en liefde. Deze werd later mevrouw Wauwelaar.

HOOFDSTUK. V.

1. De nieuwe leermeesters van mijnheer Wauwelaar, die Professoren genoemd werden, hielden veel van mijnheer, omdat mijnheer zeer braaf was en de lessen zeer getrouwelijk volgde.

2. En als hem iets gevraagd werd over eenige zaak, dan zeide mijnheer wat Professor die of die gezegd had, anders zeide mijnheer over eenige zaak niet veel, want zelf na te denken had mijnheer niet geleerd en het werd mijnheer ook niet aangeraden, omdat mijnheer's verstand niet groot was.

3. En mijnheer Wauwelaar was een nette, deftige, ijverige, fatsoenlijke, oppassende man.

4. Zijne ouders twijfelden dan ook niet of weldra zou hun voortreffelijke zoon een voorname plaats beklee-den in de wereld, wanneer hij zijne zware studiën zou hebben ten einde gebracht.

5. Slechts één ding was er, dat heel lastig, heel moeielijk was voor mijnheer Wauwelaar.

0. De leermeesters toch van mijnheer waren zeer verschillend van gevoelen en hunne lessen liepen zeer ver uiteen.

7. En als nu de les van den eenen leermeester voortreffelijk en waar was, dan moest die van den anderen leermeester noodzakelijk slecht, verderfelijk, althans leugenachtig zijn.

8. Maar mijnheer Wauwelaar dacht daarover niet zoo diep, omdat mijnheer niet gewoon was diep te denken.

9. Bovendien hield mijnheer van vrede en vooral van vrede met zijne leermeesters.

ocr page 48

44

10. Alzoo nam mijnheer alle lessen voor lief en was bevriend met alle zijne leermeesters.

11. En zijne leermeesters waren nochtans van zijne vriendschap gediend.

12. Alzoo studeerde mijnheer dan enkele jaren en leerde velerlei lessen van vele leermeesters.

13. En mijnheer kende velerlei lessen.

14. Buiten die velerlei lessen nu kende mijnbeer niet veel, omdat mijnheer weinig geleerd had te kennen buiten zijne lessen.

15. En mijnheer werd ten slotte door zijne leermeesters bekwaam geacht om leeraar te zijn in vroomheid en liefde, en mijnheer werd leeraar.

16. Alzoo werd mijnheer Wauwelaar leeraar en heette nu voortaan niet meer mijnheer Wauwelaar, maar hij heette nu dominé Wauwelaar.

17. En dominé Wauwelaar kreeg een huis om in te wonen en vele penningen om van te leven; ook trouwde dominé Wauwelaar, met het meisje dat ook zoo'n klein hart had als hij.

18. En de ouders van dominé Wauwelaar waren gansch zeer verheugd, dat hun voortreffelijke zoon een voortreffelijke plaats had gekregen in de wereld.

19. Nu was het in die dagen de gewoonte, dat een iegelijk dominé zeide zich te houden aan het woord des bijbels, want dat behoorde zoo.

20. En ook dominé Wauwelaar zeide, zich te houden aan de waarheid, vervat in den bijbel.

21. Dit nu was zeer wonderlijk, omdat zijne leermeesters hem zulks niet geleerd hadden en hij zelf niet gewoon was veel te denken of te leeren.

22. Ja, het was zoo wonderlijk, dat de gemeente het niet begreep.

ocr page 49

45

23. Ook begreep de eenvoudige dominé Wauwelaar niet, omdat dominé Wauwelaar niet geleerd had den eenvoudige te begrijpen.

24. Ook hield de gemeente niet van zijn preêken, omdat de gemeente die niet begreep.

25. En dominé Wauwelaar hield zelf ook niet van zijne preêken.

26. Ook wekte dominé Wauwelaar geene overtuiging bij zijne toehoorders, omdat hij zelf geene overtuiging had.

27. En de gemeente hield niet van dominé Wauwelaar, omdat hij geen hart had voor zijne gemeente, want zulks hadden hem zijne leermeesters niet geleerd.

HOOFDSTUK VI.

1. En het geschiedde in de dagen als dominé Wauwelaar dominé was in zijne gemeente, dat er een bevel uitging van de grootmeesters der gemeentepenningen, dat alsnu een iegelijk dominé eene keuze moest doen.

2. Of hij moest de waarheid des bijbels laten varen, óf hij moest zijn huis, alsmede zijne penningen vaarwel zeggen en die van elders verwachten.

3. En dit gebod was zeer gestreng tegenover een iegelijken dominé, die de waarheid der H. S. liefhad.

4. Toen is het openbaar geworden, wie van de leeraars liefde hadden voor de waarheid der Heilige Schrift, want het gebod was zeer hard en gestreng.

5. En zeer velen hebben de H. S. laten varen en hunne huizen en hunne penningen liever gehad dan de waarheid der Schrift, omdat ze niet vertrouwden op Hem, die deze Schrift gegeven had.

6. En het getal dergenen, die de H. S. kozen, die

ocr page 50

46

de waarheid des bijbels liefhadden was zeer klein.

7. Alzoo was het dan ook dominé Wauwelaar gezet om eeue keuze te doen.

8. En dominé Wauwelaar, die nog niet geleerd had zelf na te denken, en die meer kennis had aan de penningen dan aan de waarheid des bijbols, sprak tot zijne huisvrouw en zeide:

9. De keuze is moeilijk en de gemeente wil, dat ik de waarheid kiezen zal, maar gij, wat zegt gij, dat ik kiezen zal?

10. En zijne huisvrouw, die de penningen zeer liefhad, zeide: Beste manlief, wil niet twijfelen, wat wij kiezen zullen; laat de waarheid varen, opdat wij onze penningen mogen behouden.

11. En dominé Wauwelaar deed gelijk, zijne huisvrouw gezegd had en hij koos de penningen boven de waarheid. Alzoo verried en verkocht dominé Wauwelaar de waarheid, die hij vroeger zeide te belijden.

12. En dominé Wauwelaar is classicaal gebleven tot op dezen dag.

13. De gemeenteleden nu waren zeer onbekwaam om te onderscheiden de waarheid en den leugen en om te zien wat hunne leidslieden met hen voorhadden.

14. Alzoo is het geschied, dat velen dominé Wauwelaar bleven volgen, omdat ze aan deze dingen zeer waren gewoon geraakt,

15. En wie de waarheid liefhad in die dagen, klaagde daarover zeer, maar zijne stem werd overschreeuwd door de taal vau dominé Wauwelaar en zijne vrienden.

16. Ook dat werd door den eenvoudige niet begrepen.

17. En het geschiedde op den löden dag van de 8ste maand van het jaar oazes Heerea MDOOCLXXXVII, dat

ocr page 51

47

het getal der apokrieve boeken met een vermeerderd werd.

18. Hot overige nu van dominé Wauwelaar en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek Iskarioth over de zilveren penningen?

ocr page 52

V.

FRiGHENT UIT HET CLA8SICA4L TOONEELSPEL,

huiskamer aan db pastorie.

Dominé Wauwelaar, zijne vrouw en zijn broeder.

Dominé. Ik moet nog 'd preêk maken voor Zondag,

dat is nog weer 'n heele drukte.

Zijn broeder. Nu, mij dunkt, 't is niet zoo erg, je kunt dat al zoo lang en bovendien, 't hoeft zoo mooi niet te wezen, je gemeente doleert niet.

Dominé. Ja, die doleerende predikanten hebben 't

maar druk, want in de eerste plaats zijn die doleerenden met zaken van godsdienst op de hoogte en dan willen ze tot de armste toe die dominé's nu en dan bij zich hebben aan huis. En dan de bijbel is hun alles en nog wat.

Zijne vrouw. Nu, wat gaan ons die doleerenden aan;

ieder zorgt voor het zijne en als wij onzen plicht doen, is 'timmers goed? fUr wordt gescheld),

Dominé. Wie zou daar nu weer zijn?

Zijn brobr. Misschien die ouderling weer van eergisteren.

Dominé. Dat is nu 't lastigste voor 'n dominé. Pas

zitten we daar rustig te praten en dan komt me weer zoo'n vervelende boer of zoo iets aan, en daar kan men dan maar bij zitten.

ocr page 53

49

Zijn broer. Ja, dat is niet pleizierig, maar de gemeente moet toch tevreden blijven.

(Een oude boer treedt binnen; de dominé staat op.)

Dominê. Wel, waarde broeder, hoe gaat het? Is

het wel met vrouw en kinderen? Ik ben erg blij, dat je ons nog eens komt opzoeken.

4

ocr page 54

VI.

EEN WOORD TOT DK ( LASSIC VLK IMMJUK VM FV,

Meent niet lezers en lezeressen, dat ik een lach van u vraag voor den vorm, waarin ik u een blik trachtte te geven in de geschiedenis en de practijken van vele predikanten. Ik weet het wel, dat die onbeduidende classicale dominé's bij al de quasi-deftigheid, die ze nog willen voordoen ook belachelijk zijn in de hoogste mate van wege hunne nietigheid en nietswaardigheid, maar dat belachelijke is hier de zaak niet. Geen protest tegen iets belachelijks wordt door mij bedoeld, maar een protest tegen eene verregaande schande, tegen een eindeloos plichtverzuim met zoo jammerlijke gevolgen voor den zedelijken toestand van een geheel volk, of erger nog, waar er geen sprake meer is van roeping of heilige plicht en alleen nog maar voor het oog een soort vroomheidsdeftigheid, waarmee men den arme blinddoekt, tegen een boerenbedrog op groote schaal. Daarvoor vraag ik uwe aandacht; daarop vestig ik uwe blikken. Dat het christenvolk aanschouwe en oordeele, zoo het nog oordeelen kan, of waarheid is, wat ik zal aantoonen, totdat het duidelijk worde. Dat volk moge dan nu weten, dat zeer velen, als ze er een oog voor hadden, wellicht hetzelfde zouden zeggen, wat ik zeg, indien ze niet bevreesd waren voor den smaad, dien ik natuurlijker wijze zal te verduren hebben.

Doch ik bewandelde de wegen, die mij recht voorkwamen en ik ontmoette eene groote menigte classicale

ocr page 55

5i

predikanten. En als ik hun zeer veel te zeggen had en daarvan niet konde zwijgen zoo sprak ik hen aan en zeide:

Veel geëerde en hoog verhevene mannen!

Ik zie, dat uwe oogen zich afwenden om naar mij niet te luisteren en nochtans weet ik, dat gij zult willen luisteren naar de woorden van mijnen mond. Daarom , hoewel gij mij klein geacht hebt, heb ik den moed om u iets te zeggen van het vele, dat ik u zou te zeggen hebben, indien ik ouder waa dan ik nu ben. Immers ook van de kleinen kan men soms iets leeren. Ja, gij weet het en de ervaring moest het u leeren, dat men ook van de kleinen iets leeren kan.

Vele jaren beu ik jonger dan gij zijt en het is mijne ervaring, dat ik uit het voorbeeld van ouderen zeer veel leeren kan. Daarom was het, dat ik mijne oogen richtte naar u, om te zien, wat ik zal moeten doen, wanneer ik ouder zal geworden zijn, want dit zie ik en het is mijne overtuiging, dat ik zeer veel zal moeten geleerd hebben om naar den eisch van waarheid en recht eene roeping te vervullen, waarvoor ook gij uw gansche leven hebt gegeven. Ja ik zag, dat er geene andere roeping-was dan deze, waaraan gij al uwe krachten gingt besteden. Daarom kan ik begrijpen, dat natuurlijker wijze de vervulling van die ééne roeping bij u, die vele jaren daarin doorbracht, tot zeer hooge ontwikkeling moet zijn gekomen en dat uw léven en streven na zoovele jaren van geestdriftvolle ervaring en ernstvolle werkzaamheden, voor mij en andere aankomelingeu alhaast een onbereikbaar ideaal moet wezen. Want ik begrijp het en het is geen onduidelijke zaak, dat de roeping, die mij hoog toeschijnt, voor u, die daarin zoolang en zoo ijverig werkzaam waart, meer duidelijk en klaar en dus hooger

ocr page 56

52

moet blijken te zLjn. Daarom was het een verlangen mijns harten en de begeerte mijner ziel om kennis te maken met u allen en uit uw velerlei handel en wandel zeer veel te leeren en zeer veel levenswijsheid te verzamelen, die ik zoozeer noodig zal hebben. Immers ook een schip op strand is een baken voor wie daar in de verte henenzeilt om de veilige haven te bereiken.

Ik heb zeer vele malen nagedacht over het gewicht der roeping, die ik gekozen had om mijn leven aan te wijden; de roeping, waaraan ook uw leven overgegeven is en dan beving mij dikwijls de gedachte: hoe zal het mogelijk zijn om zoo hooge roeping naar waarheid te vervullen, want ik ijsde van de gedachte om eene roeping op mij te nemen en alsdan te verwaarloozen, omdat er alsdan vrede noch ruste zou zijn daarbinnen in mijne ziele.

Daarom was ik zeer begeerig naar u, die meer ervaren en ouder zijt dan ik ben, om van u te leeren het gewicht dier zeer hooge roeping en vooral een veiligen weg, langs welken ik er toe mocht Komen om die hooge roeping naar haren eisch te vervullen. Ik wist wel, dat het zeer groote inspanning zou eischen, dat het de overgave van mijn gansche leven zou vorderen, doch dat alles zal ik mij gaarne getroosten, indien ik slechts van oudere en meer ervaren mannen als gij zijt, mag leeren, en het u niet te gering is om den jongere van uwe levenswijsheid mede te deelen.

Want ik zag, dat ik zeer veel noodig zou hebben, wat gij mij moest kunnen zeggen, omdat gij vele jaren in het vervullen uwer roeping hebt doorgebracht.

Ik weet, dat gij in staat moet zijn om mij te onderrichten over den toestand van het volk, waaronder ik hoop eene roeping te vervullen en hoezeer zal ik deze

ocr page 57

53

kennis noodig hebben. Hoe toch zal ik den arme troost brengen, zoo ik niet alles weet van het leven in een schamele woning? Hoe kan ik het hart van dien arme kennen, tenzij ik zeer veel en zeer vertrouwelijk met hem heb gesproken 1 En wederom, hoe zal ooit mijn woord invloed kunnen hebben, tenzij ik mij het vertrouwen van dien arme heb waardig gemaakt? Hoe kan de arme mij vertrouwen, hoe kan hij van mij houden, tenzij hij bemerke, dat daar binnen in mij een harte klopt voor hem, en dat zijne hoogste belangen mij zeer ter harte gaan? En daarom kom ik tot u, die veel ouder zijt, om van u te leeren, hoe ik mij dat vertrouwen van den arme zal waardig maken, want gij vervuldet reeds zoolang uwe roeping, en gij hadt die niet naar recht kunnen vervullen, tenzij gij u een plaats hadt veroverd in het hart van den arme.

Ook weet ik, dat gij in staat moet zijn om mij te onderwijzen, hoe ik zal overwinnen den natuurlijken aandrang om den rijke meer aan te hangen dan den arme; hoe ik er toe zal komen om in zacht vertrouwen het leed der armen te deelen en tegenover den rijke, die ons door weelde en aardsche rijkdom wil overweldigen, onze aangeborene schuchterheid af te leggen en te spreken niet naar het hart dier rijken, maar naar het Woord der waarheid.

Ja, gij zult mij weten duidelijk te maken, hoe ik mij zal hebben vast te houden aan den rechten weg van onpartijdige waarheid en hoe ik zal hebben te overwinnen alle wereldsche neigingen des harten, die mij zouden afbrengen van den ernst mijner roeping, want hoezeer moet uwe ervaring mij hier kunnen leeren, wat daar niet in boeken geschreven staat.

Eu ik ben zeer begeerig om deze dingen van u te

ocr page 58

54

hooren, omdat de tijd, waarin wij leven u zal geleerd hebben hoezeer ge met ernst uwe hooge roeping moest vervullen, en ik zag, dat het zonder deze dingen niet wel gaan zou zijn. Daarom wendde ik mij tot u, die voor mij bekwame leermeesters moet kunnen zijn.

Want ik vreesde steeds zeer dat, wanneer ik eenmaal eene roeping op mij had genomen, ik die niet zou kunnen vervullen, omdat ik geeue kennis had en hoe jammerlijk zou daarvan bet gevolg zijn. Dan toch zou de arme, die zijnen leeraar niet kende, omdat de leeraar hem niet kende, die zijnen leeraar niet vertrouwde omdat de leeraar hem niet vertrouwde, van mij vervreemd worden en in zijne ziel zou hij mischien vloeken, omdat ik hem niet geleerd had, waar de vrede te vinden is voor zijne arme ziel. Dan zou de ziel van dien arme tot mij roepen als ik nederlag en sliep en bij mijn ontwaken zou zijne ruwe vervloeking om mijn peluw zweven, wijl ik zijne ziel had laten in jammer omkomen, door eene roeping op mij te nemen, die ik niet zou vervullen.

Alzoo moet gij dan met vreugde vernemen, hoezeer ik van u wensch te hooren, op welke wijze gij uwe roeping vervult. Tot vreugde moet het u zijn, omdat de arbeiders, die uwe roeping vervullen, niet velen zijn en het arbeidsveld zeer groot is. Want gij weet dat het volk zeer gezonken is en dat krachtige hulpe noodig is van leeraars en herders, die in ernst hunne roeping vervullen.

Ik weet, dat uwe ziel met mijne ziel bedroefd is, als wij onder het volk wandelen en aanschouwen de na-melooze ellende, die daar heerscht op zedelijk gebied. En vooral gij moet dit gevoelen, omdat gij den toestand van het volk beter zult kennen dan ik en gij voor de gebreken en voor het verderf scherpziender oog moet

ocr page 59

55

hebben dan ik. Daarom weet ik, dat uwe ziel daarover gansch zeer bedroefd moet zijn en het verklaart mij den ernst en de geestdritt bij al uw streven; ook zie ik, hoe zware taak gij hebt te volbrengen om uwe roeping, die zoo hoog is, te vervullen onder een volk, dat zoo laag gezonken is.

O, hoe vele redenen dringen mij naar u henen om in u zeer ervarene en bekwame leermeesters te vinden en ik twijfel ook niet of bij al uwen ernst, bij al de werkzaamheden, die uwe roeping van u moet vorderen, zult gij ook omzien naar den aankomeling, die bij u komt vragen naar eenige levenswijsheid.

De wereld is vol verwarring, de eenvoudige loopt her- en derwaarts en ach, daar is geene beslistheid in zijne ziele en zijne onwetendheid en beginselloosheid maken zijn karakter zwak. Vaak hoorde ik het woord beginsel noemen; ik dacht er over na, maar had, helaas, u nog niet tot leermeesters gekozen, zoodat ik zelf moest uitvinden wat beginsel is.

Misschien dwaal ik in mijne opvatting en uwe terechtwijzing is mij zeer veel waard, omdat gij zeer ervarene mannen zijt, die beginsel hebt weten te brengen in het hart van het volk.

Doch ik zag, dat er nog veel te arbeiden overig was, zoodat ik mij gehaast heb tot u te komen, om te hooren, wat beginsel is en of ik niet misschien gansch zeer dwaalde, want dit zag ik, dat een dwaling in den leeraar, wordt verduizendvoudigd in de begrippen der eenvoudigen. Daarom vreesde ik zeer voor valsche stellingen en ik zet mij aan uwe voeten neder om te hooren wat bij ervarene ernstige classicale predikanten beginsel is.

Uok zag'ik, dat er voor een leeraar karakter ncodig

ocr page 60

56

is en geestdrift voor zijne roeping. Hoe moeielijk was het andermaal van den jongere om te weten, wat karakter, wat geestdrift is. En wederom leidde het mij natuurlijkerwijze tot u, die daar midden in den storm der wereld u als classicale leeraars niet laat meevoeren, maar met vastheid van karakter en met geestdrift uwe roeping vervult, wijl het uw streven was om het volk op te hefien uit zijne laagheid, om den arme op te richten in zijne ellende en niet om ijdele zelfzucht of vuil gewin van het slijk der aarde.

Ik zag, dat het zeer veel was om zich te wijden aan eene roeping, gelijk ik mij had voorgenomen, want ik zag hoezeer gij den smaad der wereld moest dragen van doleerenden en afgescheidenen. Ja, ja, ondank is 's werelds loon. Maar ik zag uwe geestdrift, uw beginsel, uw karakter, uwen ijver, uwe algeheele overgave aan uwe roeping en aan uwe overtuiging, uwe minachting van aardsche schatten waar het aankwam op een keuze, en gij stondt daar voor mij als het ideaal, dat ik wel niet zou kunnen bereiken, omdat ik nog lang niet classicaal was. Nochtans waart gij menschen; het was dus menschelijk, wat ik zag en dit verheugde mij omdat ik toch ook mensch was en ook idealen kon hebben.

Misschien heb ik ook wel 'n verkeerde voorstelling van 'n ideaal en wederom heb ik zoozeer uwe levenswijsheid van noode om te weten wat 'n ideaal is, en vooral wat 'n ideaalherder en leeraar is en hoe ik zoo'n ideaal kan verwezenlijken en in de werkelijkheid overbrengen.

Ook heb ik noodig te weten wat werlcelvjkheid is, doch zulks te verklaren kan voor ideaal-classicale leeraars gelijk gij voor mij zijt, niet aangenaam zijn. Alzoo zoude ik zeer vele dingen gaarne van u hooren, als uwe roe-

ocr page 61

57

ping als classicale herders u nog een weinig tijds mocht overig laten om den jongeling te onderwijzen naar den eisch zijns wegs, want gaarne leerde ik van wijze mannen als gij zijt, die achting veroverden niet door hunne positie of door een quasie dettigen vroomheidsmantel waar-d oor de energie, de geestdrift van hun streven en de overtuiging, (stel u voor lezer) die daar in uw classicaal harte woont. Zoo heb ik dan voorloopig de gansch zeer groote eer om u te groeten. Misschien ontmoet ik u nog eens weer, wat ik niet hoop.

ocr page 62

VII.

HET BOEREIVBËOROG.

Zoo hebben we dan nu gezien aan den eenen kant den treurigen toestand van het volk, de groote onverschilligheid en onkunde, die daar heerschende is geworden en aan den anderen kant de groote verantwoordelijkheid der predikanten en den ontzachelijken invloed, die door den dominé óf ten goede of ten kwade wordt uitgeoefend, want neutraliteit is hier niet mogelijk, Een dominé, die meent niets te doen of althans heel weinig, werkt beslist ten kwade want hij laat zijne schapen dolen op duizend bergen (Ezech, 34). Reeds alleen deze ééne tegenstelling van den volkstoestand en de verantwoordeUjlcheid der pre-dilcanten spreekt duizendmaal het schuldig uit over de hoofden van bijna alle classicale dominés en zou de Gereformeerde predikant, in zoo'n geval (gesteld het ware mogelijk zonder ongereformeerd te zijn) nog de schuld kunnen werpen op de gemeente ot de classis, die dan maar de tucht had moeten uitoefenen, de classicale dominé staat geheel voor eigen rekening; hem staat ook dit uitvlucht niet open; alles komt op zijn hoofd neer.

Ik mag niet veronderstellen, althans van de meeste classicale dominés, alhoewel ik toestem, dat hun levensloop er niet toe meewerkte om hun verstand te verhelderen, dat ze geen oog hadden voor dien treurigen toestand van het volk en voor den invloed dien een predikant kan hebben. En wanneer ik dus aanneem, dat ze hiervoor wél een oog hadden, ja, dat ze dit alles zagen, misschien

ocr page 63

59

duidelijker nog dan ik en als ik dan zie, hoe ze nochtans, bij den ernst dezes tijds, hunnen tijd doorbrengen in een nietig stilleven en hoe weinig zij zich inderdaad bekommeren om hunne gemeenten, reeds dan komt bij mij de vraag op of het noodig is om duidelijker te maken, waar dat boerenbedrog dan eigenlijk in bestaat.

Wilt ge er echter 'n duidelijke voorstelling van hebben lezers? Leg dan de volgende punten eens naast elkaar en tracht ze te vereenigen in een zelfden persoon van een classicalen dominé:

1°. Het vroom soetsappig gekwezel en gewauwel van een ouden classicalen dominé tegen den eenvoudige als hij hem nog eens 'n visite brengt, en de quasi ernst, die hij legt in zijn nietig en nietswaardig geredekavel.

2°. De traagheid en onverschilligheid, de weinig ernst en geestdrift, die zoo'n dominé eiken dag in alle opzichten toont te hebben voor zijne roeping, waardoor het natuurlijkerwijze komt dat hij den invloed niet heeft, dien hij hebben moest op den eenvoudige, omdat er geen overtuiging noch geestdrift was in zijn streven.

3°. De onnoozele redeneeringen, waarmede zoo'n dominé zijn classicaal standpunt verdedigt. „Immers,quot; zoo beweert hij, „ik mag nog Gods Woord preeken!quot; En de eenvoudige in zijne gemeente begrijpt niet, dat hij met zoo'n vroom praatje om den tuin geleid wordt.

Of zegt Gods Woord dan ook niet, dat de tafel des Heeren niet onthei]igd mag worden? Nochtans moet die classicale dominé de Synodale bevelen gehoorzamen en de goddelooze ver werpers van Gods Woord toelaten. En dit doet zoo'n vrome classicale dominé en strooit den eenvoudige zand in de oogen.

Of zegt Gods Woord ook niet b.v. in Matth. 18 dat men hen, die volharden in hun goddeloozen wandel na

ocr page 64

60

de eerste en tweede vermaning zal afsnijden? Nochtans mag hij deze menschen niet afsnijden volgens bevel van de Synode. En dit doet zoo'n vrome classicale dominé ook niet en strooit den eenvoudige zand in de oogen.

Of zegt Gods Woord ook niet: Gij zult Gode meer gehoorzaam zijn dan den menschen? Nochtans moet hij de Synodale reglementen gehoorzamen en het Woord Gods verloochenen. En dit doet zoo'n vrome classicale dominé en strooit den eenvoudige zand in de oogen.

Is het te sterk uitgedrukt, als ik zulks met den naam van boerenbedrog bestempel?

Ook bij Christus' omwandeling waren daar van die schriftgeleerde vrome menschen, die op de hoeken van de straten stonden te bidden en dan sprak Christus niet van vrede of van liefde over deze mannen waar hij zeide: Malth. 23 ; 27, 28. Wee u gij schriftgeleerden en farizeérs, gij geveinsden! want gij zjt den witgepleislerden graven gelijk! die van huiten wel schoon schijnen, maar van linnen zijn zij vol doodsbeenderen en alle onreinigheid. Alzoo schijnt gij wel der menschen van luiten rechtvaardig maar van linnen zijt gij vol geveinsdheid en ongerechtigheid.

Een classicale dominé kan zich niet oprecht voordoen en hij kan niet voor de gemeente ronduit zeggen en duidelijk maker, hoe het komt dat hij classicaal is, want dan zou de gemeente hem verlaten. Daarom ontmoet ik niet gaarne 'n classicalen dominé, omdat hij zijne onoprechtheid achter allerlei wauwelpraatjes moet zoeken schuil te houden. De eerste eisch van het christendom is echter oprecht te zijn, te komen zooals men is. Al wat onoprecht is, is onwaarheid, is leugen en de leugen woont in de rechterhand des Satans, die de vader genoemd wordt van alle leugen. — En Satan was een menschenmoorder van den beginne. Ook al dat preêken van vrede, waar

ocr page 65

61

geen vrede is, van liefde, die zich niet bekommert om het hart van den arme, dat alles is onwaarheid het is uit den booze.

Thans hebben we een enkelen blik geworpen in de practijken van de classicale predikanten zooals we die door het gansche land en vooral in onze Provincie kunnen gadeslaan. Ik zeg; een enkelen blik, want ach, verhonderdvoudigd had kunnen worden, wat ik in deze weinige bladzijden schreef. Doch het ging me nu reeds aan m'n hart, dat ik enkele schoone vacantiedagen en nachten moest besteden aan een werk, dat voor mij wel het allerverveL'adst mocht heeten, omdat zoovele andere schoonere gedachten uit de oude en nieuwe wereld zoo dikwijls mijne aandacht trekken.

Doch het verregaand plichtverzuim, het schandelijk leven, het verderfelijk en heilloos streven van zoovele predikanten dwong mij om althaas één enkel protest te laten hooren en om in deze weinige woorden zeer vele en zeer zware beschuldigingen in te brengen tegen die mannen. Van verschillende monden hebben wij aireede hunne verdediging gehoord, die slechts tot inhoud had wat smaad en minachting tegen mij persoonlijk; zelfs durfde de grijze dominé van Scheemda openlijk schrijven, dat hij m'11 karakter wilde aanranden, en het een belee-diging achtte voor de classicale dominé's en dus ook voor zich zelf om op de zaak te komen. Ook dat was alweer zoo'n classicaal dekmanteltje.

Hoe vreeselijk is het oordeel des Heiligen Gods over deze mannen, zooals Hij getuigt in Zijn Woord. Want daar staat geschreven : Wee den Herderen. Ik zal mijne schapen van hunne hand eischen. Ezech. 34.

Verschrikkelijk oordeel! — In alle opzichten hunne roeping verwaarloosd in geen enkel opzicht te veront-

ocr page 66

amp;-z

schuldigen — ontzettend ! — dij predikanten, antwoordt mij of neen, zwijgt en spreekt niet één woord; buigt u neder in het stof, belijdt uwe ontzettende zonden, want de geesten der afgestorvenen zoeken uwe zielen, omdat gij ze liet omkomen iu eeuwig jammer. Mijne woorden geloofdet gij niet en omdat ze u hard waren, hebt ge ze veracht.

Onderzoekt de Schriften en E^chiël, ja Oude eu Nieuwe Testament zullen u onderrichten met woorden, die harder zijn dan de mijne. De eenvoudige uit uwe gemeente zal u wijzen op den strijd, die daar was en is tusschen u en mij, of zoo niet, dan zal hij blozen van schaamte, wanneer hij u niet zal durven aanzeggen, wat ik u heb aangelegd. En voorwaar ik zeg u, dat die eenvox-dige daarbinnen in zijne ziel slreede heeft recht gesproken tusschen u en mij. Men zal steenen werpen op mijne jonkheid, omdat ik getuigde tegen verregaande zonde van predikanten, die ouder zijn dan ik eu waaraan men zich, helaas, sinds lang gewend had.

En ik zeg u, dat, zoo ik tijd en lust had, ik zoude ieder hoofdstuk van dit boekske hebben kunnen verhonderdvoudigen. Ben ieder die oogen heeft om te zien en vooral in deze onze Ommelanden bekend is, kan dit weten. Doch het is voorshands genoeg.

Het gras verdort, de bloem valt af, maar onwankelbaar blijft tot in alle eeuwigheid het woord onzes Q-ods, dat aan onze zijde staat. Dat Woord was in eere bij onze vaderen, die voor drie eeuwen deze landen bewoonden. Zij spraken niet van vrede, waar geen vrede was, en bleven niet halverwege staan in lauwheid en traagheid, maar brachten eiken strijd, zoowel met Spanje als met de Remonstrantsche dominé's tot een goed einde. Ook zij respecteerden andersdenkenden, want de

ocr page 67

63

Roomsche Oodsdienst mocht hier worden beleden, zoo de schande der geestelijken niet al te ver ging, maar ieder moest zich verklaren en de llemoustrant mocht niet geduld worden binnen de kerken der Gereformeerde vaderen.

Dat waren andere tijden.

Thans komt de moderne Remonstrant in Ethisch kleed gewikkeld om de kerken der Gereformeerde voorvaderen op te eischeia en het is ons hard. Nochtans, liever geld on goed gegeven voor nieuwe kerkgebouwen, dan door de wereldsche grootheid der classicalen te worden meêgeslaept naar de poorten der hel, wijl de gemeente leett, niet bij de pracht der kerkgdbouwen en de veelheid der aardsche goederen, maar bij het Woord des Heeren en do werking van Zijnen Heiligen Geest.

Alle hoop op herstel van het classicaal genootschap is thans vervlogen, de afval wordt gepredikt van de daken, ja, gelijk de engelen kwamen tot het huisgezin van Lot, die in Sodom woonde, alzoo komt het Woord des Heeren tot de eenvoudige zielen, die daar wonen in de tenten dor classicale predikanten. Eu als Lot zeer twijfelde, zoo grepen de engelen zijne hand en leidden hem buiten de stad. Daarna geschiedde het woord tot Lot: red u om uws levens wil, zie niet achter u om en sta niet op deze gansche vlakte; red u naar het gebergte henen, opdat gij niet omkomt. Alzoo komt heden tot ons het woord: zie niet om naar de goederen, naar de gebouwen en hunne pracht; red u om uws levens wil; daar ginds ligt het Soar, waar ge ruste kunt vinden voor uwe arme ziel.

Daar stemt ons lied met dat van Luther in:

jEeti vaste hurg is onze God, een toevlucht voor de Zijnen. Al dringt het leed, al dreigt het lot, Hij doet Zijn

ocr page 68

64

hulp verschijnen. Dit zien wij in de standvastigheid en den moed, die Hij schenkt aan de predikanten die der Reformatie zijn toegedaan. De vijand rukt vast aan met opgestoken vaan. Voorwaar onverbiddelijk gaat het Synodale regiment voort op zijne goddeloozen weg en draagt zijn rusting nog van gruwel en bedrog, maar zal als kaf verdwijnen, want de Geest des Heeren voer door vele doodsbeenderen en daar kwam leven in de zielen der armen.

ocr page 69

—

_

I

L

ocr page 70
ocr page 71
ocr page 72