ocr page 1

.....■'^CVj-N ■■I

1 '.YÏV-ï ..I

'i , ', - ,,,,; „;.■ ■■ 'vl;

■' ' 'l ' ' 1 : : I'' • . ' •';;•• ' - • iv' • -

quot;• 1 - v ''•■•, •• • • ■

;.'V' v. .;■■■ ■■,■';■, SV,::';- -gt; • ui. '-;

f-gt;.... ïi^v

i-'V- ■' '

.-■ ■■ « ',v v v1'

;pquot;:. r:^

r' ' i I''' ■-: K (■

11

■ u 1 - ul' n,

jf1 j1quot; '■ '■gt;-■■■•

ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

i| 5 »! .

:UÉÊ-

ISBÊmi ■

'Ai' * .

I

i ^ËSsïi.'^

i*sSSamp;0f

'i .1 quot;

Iw^t'-- 4^1 gt;quot; w

Sfeffe

- Sï f'

Ï#/ '

Ï^WÊC''

1' Iteft;

; lt;viyaB^S5l

■ ■•■ gt; '- ilSfil ^ '■ ' fe'* ' :■■■;' '. quot;' ■ ■■., ■■ i fcsSC'::-; ■quot;-:-r. ■''■/■ • - ■'■ ■ • /-. '

RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT

2187 4403

ocr page 6
ocr page 7

iu{ (fj Na. 3M.

insr

MEMORIAM

J. W. BROUWERS.

r-

L' OMIothMk

u WMEWflOEDEm \

. . . . - ____ :

ocr page 8
ocr page 9
ocr page 10

lllllllllllli;illlinill|l!l!lll1!l!ri;illll'l1!llllllllil!li'lll!l;Hilllllll!lll!l'lil!liillllllllllllllllllllllll

ocr page 11

IN

MEMOR1AM

J. W. BROUWERS,

Pastoor to Bovenkerk.

LOOK

I BibÜothecai

cB, t. IB.

Af «V 7^ I \A/noprlanoi n / ' i n;;J

•: •

pULPEN,

Driik van M. Alberts en Zonen. 1 8 99.

ocr page 12

IMPRIMATUR.

Rurcemundce, 4 Mailii 1899.

Dr. P. MANNENS,

Librorum Censor.

ocr page 13

T

Een woord vooraf.

jnze stoommachine-eeuw leeft snel en ook de verge-3 telheid treedt sneller in, dan in vroegere eeuwen. Iedere dag vraagt iets nieuws aan zijn opvolger, en dat nieuwere nieuws wordt in zenuwachtige gejaagdheid spoedig vergeten en verdrongen door iets meer prikkelends.

Daar zijn echter van die persoonlykheden , welke niet verdienen zoo spoedig vergeten te worden: op een meer bestendig en blijvend aandenken mogen zy met alle recht aanspraak maken. Een In memoriam komt hun toe.

Tot die persoonlijkheden behoort ongetwijfeld wijlen de pastoor van Bovenkerk J. W. Brouwers of l'ahbé Brouwers, gelijk hij veelal genoemd en gevierd werd in 't buitenland, waar hij zooveel warme vrienden telde en zooveel innige sympathie genoot.

f

ocr page 14

VI

De verzamelaar van dezen bundel bezweek dan ook voor het aanzoek , ja de dringende beden van een aantal vrienden en vereerders van den ontslapene , die hem eene gedachtenis, een herdenking of lii meirioriam vroegen van den rusteloos werkzamen priester , die al te vroeg van ons is heengegaan en al te spoedig dreigt vergeten te worden.

Deze »herdenkingquot;, veelal in de woorden van anderen vervat, is ons in de eerste plaats en vóór alles eene daad van piëteit jegens een onvergetelijken vriend, een vriend der prilste kinder- en jongelingsjaren.

Die »woorden van anderenquot;, zoowel Roomschen als On-rooraschen, getuigen in hooge mate van de onverdeelde sympathie, welke onze zalige vriend alomme verworven had, en leveren het onschatbaar voordeel op, dat ze voor 't nageslacht trouw bewaren wat de tijdgenooten over hem dachten en gevoelden, üit den aard der zaak blijkt genoegzaam , dat hier sommige herhalingen niet te vermijden , waren : ze getuigen luide en welsprekend van ongestoorde eenstemmigheid in hoogschattende waardeering.

Naast die woorden van anderen , hebben wij hier en daar het woord gegund aan den overledene zelf en geput in zijne nagelaten geschriften. Niet altijd tot het voortreffelijkste heeft zich onze keuze bepaald, doch veelal tot het eigenaardigste en meest kenschetsende.

Overigens was het doel van den verzamelaar niet, den pastoor van Bovenkerk enkel als schrijver te behandelen ; hij wilde geheel den mensch kenschetsen, gelijk deze onverpoosd en onvermoeid handelend optrad: een ridder van de pen en een ridder van de daad,

ocr page 15

Vil

Die rusteloos, vol vuur, den kamp heeft meegestreden,

In eiken strijd vooraan, waar Christus moest beleden, Of waar een eedlen naam zijn glorie werd ontzegd;

Of waar het vaderland in schande werd vertreden,

Bleef hij, zijn levenlang, des Heeren wapenknecht, Oud-Hollands trouwe zoon, lier paladijn van 't recht.

Een held van kloeken zin en priesterlijke zeden.

Wat eindelijk Brouwers', veelal helaas te vluchtig of te weinig afgewerkte pennevruchten betreft, onderteekenen wij gaarne het vonnis, door een bevoegd beoordeelaar hierbeneden in het tiende en laatste hoofdstuk vrijmoedig uitgesproken.

Moge dan deze offergave, aan zijne nagedachtenis gewijd, welkom wezen bij de vele vrienden, die hem op aarde bemind hebben en die hij blijft beminnen hierboven, in 't eeuwige Vaderland. ,

De verz-uineluar

10 Maart 189'.).

15. t. IS.

ocr page 16
ocr page 17

IB i b H o t h c c u

I HOOFDSTUK.

I \Wnc.r 'anc'r i

J. W. Brouwers vooral als Limburger.

anneer de reiziger op den Dam te Amsterdam van de menigte daar voortdurend aankomende, vertrekkende of stationeerende trams, plaats neemt in dien welke, de Paleisstraat doorgaande, langs het Singel, over het Leidsehe Plein en deu OvertoDui loopt en aan het einde der Dubbele Buurt bij het ijzeren hek van het Vondelspark stil houdt en hij daar het rijtuig der A. O. M. verlaat, ziet hij voor zich een fraaien, breeden klinkerweg, aan beide zijden met hoog opgaande boomen beplant, die in den zomer eene geliefkoosde wandelplaats voor de Amsterdammers is. ')

Dezen weg vervolgende langs zindelijke boerderijen en uitgebreide weiden, aan welker einden rechts de zon gouden stralen op het water van den Schinkel, links op dat van den Amstel en de Wetering werpt, komt men eerst aan het vriendelijke kerkje en de pastorie van Buitenveldert, diep achter het groen der hooge boomen verscholen en door een kleurigen en geurigen bloemenhof omgeven. Al verder loo-pende en links de Kalfjeslaan, het doel der Amsterdamsche wandelaars, latende liggen, komt men, na eerst rechts te

1) O. Z.

i

ocr page 18

zijn omgeslagen, aan het dorp Amstelveen, van welks laatste huizen men, onder groen verscholen, de'kerk van Bovenkerk vermoedt, daar de slanke torenspits zich in het heldere water van de Poel afspiegelt.

Na eenige minuten een grintweg gevolgd te zijn, komt men aan den Tol, en rechts omslaande, voert een lommerrijke laan naar Bovenkerk en staat men weldra voor de fraaie artistieke kerk, de vriendelijke, uitnoodigende pastorie, waar pastoor J. W. Brouwers twee en twintig jareu van een uiterst werkzaam leven, verdeeld tusschen weldoen, studie en wetenschap doorbracht.

Deze pastorie, die geheel getuigt van den artistieken smaak van den bewoner, waar men overal de boeken en papieren verspreid zag, waar de oude folianten naast de lichte brochuren lagen, de lijvige qnartijnen met de moderne voortbrengselen der boekdrukkunst schenen te verbroederen, waar de naïve kunstpaneelen der oude meesters, door ouderdom vaak dof en rimpelig geworden, contrasteerden met de kunstuitingen der nieuwe tijden, was gedurende twee en twintig jaren het vereenigingspunt van een groot aantal mannen van kunst en wetenschap uit alle gezindten en uit alle landen. Van daar uit ging zoo menig heerlijk werk de wereld in, daar binnen werd zoo menig woord overdacht, dat straks in trillende klanken vol geestdrift en gloed, vol overtuiging en bezieling zou weerklinken; nu eens in eene vereeniging van eenvoudige werklieden of militairen , dan weer op de congressen der geleerden, of van het spreekgestoelte in de gvoote vergaderingen van Rijssel of Parijs. Want de man die daar woonde, die daar werkte, die daar alles tot zich trok wat wetenschap, kunsten en letteren beminde, Pastoor Brouwers, hij beperkte zijn werkkring niet tot het eigen land, hij hield ook de eer van het katholieke, geleerde en wetenschappelijke Nederland in het buitenland hoog.

ocr page 19

— 3 —

Dat eenvoudige boerendorpje, welks landelijke stilte slechts restoord scheen te moeten worden door het geloei der run-

O o

deren, het gekakel van het hofgevogelte of de joelende stemmen der schooljeugd, weerklonk, omdat pastoor Brouwers daar woonde, van het geratel der equipages, van het zweepgeklap der voerlieden — hij was het leven der plaats en bracht er ook het leven aan.

Het is wel een zonderling toeval dat dien zoon van Lim-burg's bodem , geboren op een boerendorpje in Limburg, terugbracht naar dat andere boerendorpje op Noord-Holland's grens , en zeker is het niet minder opmerkenswaardig dat die bodem van Limburg, dien hij zoo vurig lief had en die zijn eersten levenskreet hoorde, ook zijn laatsten snik opving ; hoewel het lichaam, dat zoo rusteloos werkte voor zijne parochie en tot omhulsel diende voor den geest, die altijd met deze bezig was, rust in de schaduw van die, door hem gebouwde kerk.

»Gij gaat naar Maastricht toe!quot; zoo sprak hij een jaar of zeven geleden tot schrijver dezes, »heerlijk Maastricht, heerlijk Limburg! ik hoop er spoedig weer eens te komen.quot;

En nooit liet hij na, jaarlijks een kort bezoek te brengen aan Limburg en Maastricht, waar hij, evenals elders, talrijke vrienden en vereerders had.

Het rijke en afwisselende leven van een man als pastoor Brouwers z. g. laat zich niet zoo in eenige regelen schrijven: daartoe wordt eene rijpe kennis van zijne persoonlijkheid , van zijne werken, van zijn doel en streven gevorderd; maar toch bewijst de algemeene rouw en het gevoelde leed over zijn heengaan , hoezeer die man door allen bemind en gewaardeerd werd.

Voorloopig mogen eenige fragmenten aan Maastricht en Limburg toonen, hoe hoog die zoon van het oude Hertogdom in het meer noordelijk gelegen gedeelte van het Vaderland in aanzien stond.

ocr page 20

— 4 —

Misschien heeft Limburg hem niet algemeen en genoegzaam gekend en gewaardeerd; moge het nu nog zijne nagedachtenis in eere houden als die van een man, die veel, zeer veel heeft gedaan voor Kerk en Staat, voor Godsdienst en Maatschappij.

Eerst evenwel willen wij aan eene stem uit Limburg den voorrang geven en halen daarom 't volgende , hem bij zijn overlijden gewijde artikel, uit de Maas- en Roerbode aan.

Met den ZeerEerw. Heer Jan Willem Brouwers, pastoor te Bovenkerk, gemeente Nieuwer-Amstel, op den 3dcn dezer, ten huize van zijn vriend den WelEerw. HoogGel. Heer Jos. Habets, Rijksarchivaris te Maastricht, plotseling overleden, daalt een sieraad van de Vaderlandsche Katholieke Kerk ten grave.

In de opdracht van zijn Treurspel sgt;de Maegdenquot; aan Agrippine (Keulen) zijne geboorteplaats, schreef Vondel in 1639:

D'inhoorling is in zijne wieg gehouden En bakermat. Hoe kan ik die voorbij ?

Al wordt de melk der moeder niet vergouden Van 't kind; dit strekt ten allerminste dij Een klein bewijs van mijn genegenheden En groote zucht tot mijn geboorteplaats;

Daar ik, nu stijf een halleve eeuw geleden,

Eerst rijzen zag den glans des dageraads.

Een »heimelijke trekquot; naar Limburg, zijn geboortegrond, schijnt Pastoor Brouwers, de Vondelvereerder bij uitnemendheid gevoeld te hebben, toen hij ongeveer veertien dagen geleden te Maastricht den roem verkondigde van Z. H. Leo XIH, op diens gouden Bisschopsfeest. Die gehechtheid aan Limburg blijkt ook ten duidelijkste, uit zijn dichtstuk, in het

ocr page 21

- 5 -

feestnummer van de Maas- en liuerbode , van 19 Febr. 11. mogelijk zijn laatste rijmsnik.

Wat hem des priesters mond in Liraburg heeft geleerd, Is met hem opgegroeid, is met hem aangesterkt,

Is met hem opgegaan, heeft met hem doorgewerkt, Bij 't steigren van den strijd zijn kracht en gloed vermeerd; 't Heeft op zijn strijders- en belijders-levensbaan Der heilleer zijner jeugd altoos gestand gedaan.

Dies wil zijn mond den kreet van zijne jeugd herhalen , Bereid te sneuvelen voor Leo's zegepralen.

Helaas ! Wie zou alstoen gedacht hebben dat diezelfde mond, na weinige dagen voor eeuwig zou gesloten worden.

Den lsten Januari 1831 te Margraten geboren, begon ZEerw. zijn studiën aan het klein Seminarie te Ilolduc en voleindde die aan het groot Seminarie te Roermond alwaar hij priester werd gewijd, en van af 1854 tot 1863 professor was aan 't Bisschoppelijk College.

In deze eervolle betrekking kregen zijne vele geestesgaven de volle rijpheid. Hier liet hij de studeerende jeugd met kwistige handen plukken aan den boom der wetenschap, die zijne takken uitschoot op allerlei gebied, doch vooral op dat der Fransche en Nederlandsche taal en letterkunde, der algemeene geschiedenis , der aardrijkskunde en declamatie-leer. De honderden jongelingen , die hij gedurende 8 jaren, dat hij aan het College met zooveel geestdrift, toewijding en onverdroten ijver werkzaam was , in verschillende leervakken uitmuntend bekwaamd heeft, kunnen als zoovele getuigen optreden , dat de kunst hem eigen was zijne lessen vruchtbaar te maken.

Den 8 December 1858 stichtte hij in 't College de Congregatie van O. L. Vrouw, die reeds bijna 35 jaren het geestelijk welzijn van tal van jongelingen heeft weten te bevorderen.

ocr page 22

_ 6 -

't Was ook in die jaren van zijn leeraarsambt, dat hij met zyn collega en vriend, wijlen Dr. Michael Smiets, zijnen leerlingen eene onbegrensde liefde wist in te boezemen voor onze schoone Moedertaal en voor den vorst onzer dichteren, Joust van den Vondel. Reeds van toenaf zweefde hem het oprichten van een standbeeld voor Neerlands grootsten poëet, als een ideaal voor oogen.

De heerlijke redevoering, door hem op den 5 Januari 1862 gehouden in de smaakvol versierde ateliers van bouw en beeldhouwkunde der firma Cuypers en Stoltzenberg, droeg hiervan de duidelijkste sporen. Het is vooral aan de ijverige bemoeiingen van den ZeerEerw. Heer Brouwers , in veree-niging met zijn vriend, den onsterfelijken Joseph Alberdingk Thym, te danken, dat in latere jaren het prachtige standbeeld van Vondel te Amsterdam is verrezen.

»Naast Vondels roem staat de uwe hoog verheven. Met zijnen naam is de uwe saamgeweven,

En schreeft gij dien op 't boek der eeuwen in.quot;

Bij het verlaten onzer stad in 1863 om te Amsterdam als rector van het St. Bernardusgesticht en mede-redacteur van De Tijd zijn onvermoeiden arbeid voort te zetten, had de naam van Brouwers als dichter en redenaar , reeds een goeden klank verworven ook buiten de grenzen van ons vaderland.

Van 1863 tot 1870 kon hij zich te Amsterdam naar hartelust bewegen in den letterkundigen werkkring op het uitgebreide veld van studie, dat zich voor zijn rusteloozen geest uitstrekte in eene bij uitstek geletterde omgeving.

Als jong priester trad hij reeds alhier op in de Vrijdaagsche Vereeniging, eene ware Debating-Club, waarin de meest uit-eenloopende denkwijzen vertegenwoordigd waren. Het was zijn lust en zijn leven aldaar het woord te voeren , »Stel-

ocr page 23

lingenquot; in dat strijdperk te verdedigen, tegen allen, welken het zou gelieven eenen aanval er op te wagen.

In 1870 werd Brouwers door Haarlems Bisschop benoemd tot pastoor te Bovenkerk.

Tot aan zijn dood, ruim 2 5 jaren, bleef hij in deze parochie met alle krachten , die in hem waren , zijn herderlijken arbeid vervullen, en sloeg zijn priesterhart steeds warm voor zijne parochianen, die hem als een vader wisten hoog te schatten. De gaven zyns harten, de kennis zijns geestes goot hij uit in den schoot der aan hem zoo innig verknochte huisgezinnen van Bovenkerk om ze allen rijp te maken voor den Hemel.

Voor armen en hulpbehoevenden was hij een vriend en weldoener.

Het prachtige nieuwe bedehuis met zijn slanken, trot-schen toren, zijn deftige »Hemonyquot;-klok en welluidend orgel, dankt aan pastoor Brouwers zijn ontstaan en staat daar hoog verheven als een eerezuil, om den lof van zijnen stichter te verkondigen, en aan iedereen in duidelijke woorden te verklaren hoezeer zijn Eerw. dan luister van Gods huis bemind heeft.

Voegt men nog bij dit echt priesterlijk leven en den voortdurenden arbeid in zijne parochie, dat pastoor Brouwers als begaafd kenner van verschillende oude en moderne talen ; als redacteur van de Ainstelhnde en van de Wetenschappelijke Nederlander; als schrijver van letterkundige brochures op verschillend gebied; als uitstekend redenaar en dichter bij zoo menig kerkelijk-, nationaal- en volksfeest in ons Vaderland , zoo nog onlangs bij de Columbus-feestviering en bij 's Pausen gouden bisschopsfeest in de Limburgsche R. K. Volksbond te Maastricht, — zich allergrootste verdiensten voor Kerk en Maatschappij heeft verworven, dan neemt men met volle recht het treifend beeld in zich op van een welbesteed leven.

ocr page 24

_ 8 —

Dat ook de wetenschappelijke en geleerde wereld den onvermoeiden arbeid en de uitstekende talenten van Brouwers naar waarde wist te schatten, blijkt uit zijn eere-lidmaat-schap van verscheiden letter- en geschiedkundige genootschappen in en buiten ons Vaderland.

Zijne Heiligheid Paus Leo XIII schonk bij gelegenheid van zijn gouden priesterfeest aan pastoor Brouwers het kruis »Pro Ecclesia et Pontificequot;.

Op zulk een priesterborst mocht 's Pausen eerekruis, naast dat der Leopoldsorde en van Neerlands Koning met eere schitteren.

* Betreurt het Bisschoppelijk College van Roermond den dood van een bekwaam oud-leeraar en vriend; de Congregatie der studenten haar stichter en directeur vau voor 35 jaren; verliezen de parochianen van Bovenkerk een ijvervollen priester en hooggeachten zielzorger; de wetenschappelijke en geleerde wereld een uitmuntend kunstbeoefenaar; het vaderland een zijner trouwste zonen; de Hemel, naar wij hopen en vertrouwen, telt een zalige te meer. Met den Ecclesiasticus mag het heeten : »De priester die in zijn leven het huis stichtte en in zijne dagen den tempel onderschraagde, is als een uitstralend vuur en als op het vuur brandende wierook.quot; —

Terecht zegt dan ook P. M. Bots, pr., in de Maasbode:

Wat ons altoos zeer bijzonder in dezen geleerde heeft getroffen , was niet zoozeer zijn enorme arbeid, niet ook zijn allesomvattende eruditie, maar vooral het hooghouden van zijn verheven priesterkarakter.

Voorwaar, ieder priester , die de loopbaan van pastoor Brouwers krachtens opdracht of vrije keuze volgt, is wel genoodzaakt , zoowel tegenover de huisgenooten des geloofs als tegenover andersgezinde broeders van het eene dierbare vaderland nog in geheel andere verhoudingen op te treden

ocr page 25

dan in die van altaarbedienaar of van zielenherder in den striksten zin des woords.

Hem, die naar het advies en den wensch van Zijne Heiligheid Paus Leo de waarheid in publieke geschriften of voordrachten dient, hem wacht bijzonder de meer profane omgang met geestverwanten zoowel als met tegenstanders; voor hem zal menige maatschappelijke verhouding met Katholieken en andersgezinden ontstaan, welke anderen priesters nimmer voorkomt.

Welnu , deze omgang heett, gelijk alles wat buitengewoon is, zyne bijzondere eischen om nuttig te zijn. En welke die eischen zijn ? Geen andere dan de eischen der hoogste voortreffelijkheid, ja laten wij het rondborstig zeggen, geen andere dan de eischen des priesterschaps, dat wil zeggen, der heiligheid. Uiteraard dus moet dit werk — ge-lijk alle heiligheid — moeielijk zijn , moeielijker dan het misschien op het eerste gezicht schijnt, en van daar de neiging, om die moeielijkheid voorbij te willen zien en haar bestrijding te willen vervangen door zeker prijsgeven van het hooge karakter des priesterschaps.

Daar komt nog bij, dat vuur tijd en wijle zulk prijsgeven, zulke schijnbare jovialiteit zoo bijzonder aan hen behaagt, die anders wel wat hoog en vreemd zouden opzien tegen een geleerden geestelijke. Welnu , in abbé Brouwers bestond niets van deze gebrekkelijkheid; integendeel heerschte in dezen man zulk een hooge aanleg, zulk een geoefendheid van karakter, dat hij , wel verre van eenerzijds met de leeken een leek, of anderzijds bij de samenlevenden een éénling, een anachoreet te wezen, juist het schier onbereikbare juste millieu zoowel der gezelligheid als der hooge deftigheid wist te bewaren.

Al zat deze Roomsche pastoor, die in heel zijn Limburgsch bloed met Katholicisme doortogen en doorzogen was, al zat hij als letterkundige grootheid , volgens plicht en roeping

ocr page 26

— 10 —

met de roodste ongeloovigen ten congresse of ten feestdisch, niet van hem werd verwacht, dat hij den toon der broederschap ooit door Rabelais eigenschappen zoude gaande maken; neen, het avant-tout Ahbé heheerschte in een zachten se-noeglijken zin heel de omgeving van dezen waardigen priester.

Van hem zouden wellicht een Van Vloten en tutti quanti nog hebben getuigd, dat deze pastoor, ook te midden van het meest gemengde gezelschap, aan den eisch van den vromen kerkvader voldeed, die wil, dat het waarachtig zout der aarde ieder, die het genaakt, een weinig van zijn weerstandsvermogen tegen het bederf zal overdoen. Geen afdaling, die op wegwerping neerkomt, geen jovialiteit, die een volgenden morgen op wederzijdsche minachting uitloopt, neen, het liefdevolle maar toch altoos hoogverhevene karakter van den Christus, van den hoogepriester bij uitnemendheid, dat vondt ge eenigszins terug bij dezen priesterlijken geleerde.

En met dezen hoofdtrek in het karakter des overledenen tegenover de samenleving moest een nog hoogere tegenover God, eene hin-telijke devotie wel gepaard gaan. Voorzeker, deze pastoor is op allerlei letterkundig gebied werkzaam geweest, zoo werkzaam zelfs dat in de laatste jaren de vorm van zijn stijl onder den overvloed of liever onder het opdringen der veelvuldige gedachten begon te lijden. Indien hij alleen de namen der couranten en tijdschriften, waaraan hij heeft meegewerkt, achter zijn naam had geschreven, zoodat de overwinnaars der oudheid dit met de namen der door hen overwonnen volkeren gedaan hebben, voorwaar, dan zou menig regel door ons moeten gelezen worden.

Defunctus adhuc loquitur, gestorven spreekt hij nog tot ons. Men moge met Brouwers niet in alles hetzelfde hebben gevoeld, gelijk het ons zeiven wel is overkomen, men moge gewenscht hebben, dat deze of gene bijzaak in studie vorm anders ware geweest, dit alles betreft de gewone menschelijke en wederzijdsche tekortkomingen. Maar boven al die kleinigheden ver-

ocr page 27

heven, zal de overledene altoos voor ons oog gelauwerd staan als een man van arbeid en niet van praal, als een ridder sans peur et suns reproche, als een priester wiens gelijke niet gemakkelijk wordt gevonden.

P. M. Bots, pr.

Thans volgen eenige Limburgsche ontboezemingen:

Bij 't Groixclen Priesterfeest van Hoermonds Bisschop, gt;1^1-- F. H. lïOi: i^TVS.

Of gij mijn arbeidslust een oogenblik moogt storen, Vraagt mij uw stift, dat grift van menig feestrelaas Voor God en Vaderland aan d'Amstel en de Maas Gevierd,en 'tLimburgsch bloed ten feestlied aan komt sporen?

Uw aanzoek kan zoo licht een dankbaar hart bekoren Voor Roermond's Bisschopsstaf, den erf van Sint-Servaas. Eén vers kunne u voldoen, maar mij kan 't niet, helaas! Waar 's Lands historie en der Kerke glorie gloren.

Daar zag, Goddank! mijn ziel haar eerste levenszon, Daar leerde ik schoonheidszin aan Godes wetensbron: Daar werd ik God gewijd ten dienst van zijne altaren.

Op Roermond's Bisdom rust' des Hemels hoogste gunst Van trouw, van heiligheid, van wetenschap, van kunst! Wie 't overtreffen wil, trachte eerst het te evenaren.

Bovenkerk (Nieuwer-Amstel)

J. W. Brouwers.

ocr page 28

— 12 —

WITTEIM.

Eerste Klooster der Redemptoristen in Nederland.

In 't hartlijk Limburgland, waar Aker. naar Maastricht Langs Wittems heirgend oord de steenen heirbaan richt, Waar Karel's beevaart ging, waar 't kruis reeds stond te gloren In de eeuw van d'eersten Paus, is, wie dit schrijft, geboren-

Kon Sint-Mariëngraat miin wieg met lof bekoren Van Priesters, die door God tot Paters zijn verkoren , Reeds vroeg vroeg 'k naar mijn roep; zocht sterkte, troost

en licht

In Wittem's schildrend land, in 't klooster pas gesticht.

Mijn levenszon ron voort; 'k zag landen en 'k zag volken; Ik hoorde kunde en kunst haar ideaal vertolken;

Maar nooit heilrijker taal dan Wittera over had.

En wat ik sinds ook leerde, in dorp of wereldstad, Als waar en schoon en goed voor hoofd en hart waardeeren, Ons Limburg's Wittem blijft nog altijd triomfeeren.

W. Ned. 1887.

Bij 't I-iimbrirg-sche Greuidal.

Morgentafereel. !)

Ik zag hem ontglimraen Op lachende kimmen.

Den schoonsten der dagen van *t lentegetij ! Het tintelend schijnen Van starren-robijnen Der nachttent verdwijnen.

En 't harte... wat sloeg het mij vroolijk en blij!

1) Naar het verbeterde handschrift.

ocr page 29

'k Zag purpreii safieren Den hemel versieren,

En vreugde verspreiden waar levenslust woont!

't Zag juichend de glansen Der vlammende kransen,

Waarmee zich de dagreus den schedel omkroont.

'k Zag de aarde verjeugdigd,

Door 't lonken vervreugdisd

o o

Des zaalgenden lichts, waar heur harte naar haakt: Haar deed zijn ontwaken Den boezem ontblaken,

Een vreugdekreet slaken Gelijk eene bruid als haar bruidegom naakt.

Ik zag van de rozen De knoppekens blozen,

En 't schittren der paarlen, die de ochtend verspreidt; De lelie haar kleuren Met balsem van geuren Ten hemel opbeuren ,

Veel schooner dan 't troonkleed voor vorsten bereid.

Ik voelde zefieren Mijn haarlok doorzwieren En zwerven , al kittlend, door 't jeugdige bloed; De boschjes doorstreven,

De hoven doorzweven En bloemige dreven Van anjer en myrthe, zoo zacht en zoo zoet!

Ik hoorde de wateren Van 't beekjen aan 't schateren. En huppelen munnelnd den heuvelkling af;

ocr page 30

— 14 —

Ik zag ze verdwalen Door Limburgsche dalen,

Waar 't al stond te pralen Wat 't lentegetij ooit voor schoonheden gaf.

Ik hoorde het kwelen Van duizende kelen In schaduw verborgen van 't zangerig -woud;

Ik hoorde hun zangen,

Die de echoos verlangen En echoos vervangen Van bochtjen tot bochtjen door 't schallende hout.

In grasrijke bunders Zag 'k koeien en runders Hier weien, ginds hupplen en loeien door 't broek; Ik zag hoe de knapen ('t Haar wild om de slapen)

Zoo vroeg reeds hun schapen Het dorpjen uitleien een grasmaal ten zoek.

'k Zag honderde wolkjes,

Verzilverde kolkjes.

Die tuimlend zich reppen den schoorsteenen uit;

Toen klonk uit den toren Een stem in mijn ooren Van de engelenkoren En 't driemaal, timp, timp, timp zei: 't angelus luidt.

Met de ochtendakkoorden Vereend dezer boorden.

Klonk opwaarts ten hemel mijn engelsche groet. Mensch, vorst hier beneden,

Bekroonde ik de beden Van 't zangerig heden En uitte den wensch, dien een banneling doet.

ocr page 31

— 15 —

»Wen zal ik daar boven Den Schepper eens loven ,

Wiens Goedheid dees aard, de vervloekte, nog meldt! Met de englen van 't Eden,

Waar eindeloosheden Van geestzaligheden Zijn eeuwig aan 't hart van de Godheid ontweid!quot;

ocr page 32

Iï HOOFDSTUK.

Pastoor Brouwers als Mensch, Vriend, Gastheer en Zielenherder, door Melati van Java.

e schrijfster, Melati van Java, op letterkundig gebied zoo beroemd, verkeerde meermalen in de gastvrije pastorie van Bovenkerk en is alleszins bevoegd een oordeel uit te spreken over Pastoor Brouwers' leven en werken. Wij laten de uitstekende schets hier volgen , alsook het artikel der Katholieke Illustratie :

Alweer een merkwaardige figuur minder in onze letterkundige wereld, alweer een kracht, die veel uitwerkte, verdwenen, alweer een helder weldadig licht voor goed uitge-bluscht!

Pastoor Brouwers plotseling in Maastricht overleden !

Men kou het zich niet voorstellen, hij , de bewegelijke, onvermoeide man tot eeuwige rust veroordeeld, de welsprekende redenaar verstomd, de voor zooveel van geestdrift gloeiende journalist, politicus, dichter, eensklaps kil en koud geworden, 't scheen onmogelijk.

- En toch , het is zoo ! Men zal zijn welbekende figuur missen, die altijd druk, altijd in gedachten, altijd even jeugdig vlug, met kleine, driftige passen zoo dikwijls de

ocr page 33

— 17 —

straten van Amsterdam doorliep, schijnbaar doof en blind voor zijn omgeving, en slechts bezig met hetgeen op dat oogenblik geheel zija ziel vervulde; men zal hem er niet meer zien, nooit meer, en dan zal men meer en meer overtuigd raken van het thans nog ongeloofelijk feit, dat pastoor Brouwers uit onze oogen verdwenen is voor altijd.

In Limburg, vanwaar hij tot ons kwam, is hy gestorven, in de provincie , die hij als zijn geboortestreek zoo innig liefhad, hoewel hij in tegenstelling met zoovele zijner pro-vinciegenooten het voorrecht steeds hoog waardeerde, Nederlander te zijn.

Daar kwam dit nuttige, welbestede leven geheel onverwacht ten einde, nadat het slechts even twee en zestig jaren geduurd had.

Jan Willem Brouwers was de oudste zoon van ouders, die beiden met elkander nog geen veertig jaren telden. Toch was hij reeds na ruim een jaar wees: zijn jonge moeder stierf eenige dagen na zijn geboorte, de diep getroffen weduwnaar had de kracht niet, dit verlies te overleven, hij kwijnde weg en stierf kort na haar. Het kind kwam bij zijns vaders broeder aan huis en ontving er de liefderijkste verpleging; alles wat maar eenigszins ouderlijke zorg vervangen kan, vond hij daar terug. Zijn leven lang bleef pastoor Brouwers aan dit »tehuisquot; gehecht, hij beschouwde het geheel en al als zijn ouderlijke woning.

In Rolduc ontving Brouwers zijn eerste opleiding en reeds spoedig bleek het daar, met welk buitengewoon vlug verstand hij begaafd was; hij koos den geestelijken stand, na eerst geweifeld te hebben tusschen priester en soldaat. Zijn militant karakter dreef hem naar het leger. Napoleon I was van jongaf zijn grootste held; daarbij voelde hij zelf. dat hy behoefte had aan strenge discipline, aan een kracht buiten hem, die zijn vurig karakter leidde en binnen bepaalde perken hield. Wanneer de groote keizer nog geleefd

2

ocr page 34

— 18 —

had, zou zijn keuze ■waarscliijnlijk anders uitgevallen zijn; nu begreep hij, dat het leven als militair in vredestijd hem geen voldoening genoeg zou geven. Hij volgde dus den gewonen loop der kerkelijke studiën in het bisdom van Roermond ; van Rolduc ging hij naar het groot Seminarie te Roermond.

Na zijn priesterwijding werd hij, pas drie- en twintig jaar oud, tot leeraar — op zijn Limburgsch professor — benoemd aan het bisschoppelijke College te Roermond; hier maakte hij kennis met den later zoo bekenden bouwmeester Cuypers, wellicht ook toen reeds met diens zwager Alber-dingk Thijm. In elk geval deze drie mannen verstonden elkander en gloeiden alle drie voor Hollandsche letteren en kunst. Van dit driemanschap is Dr Cuypers nog maar over, doch wat zij verrichten, blijft lang na hen bestaan. Zij zijn het voornamelijk, die Vondel »ontdektquot; hebben aan zijn landgenooten ; maar niet alleen Vondel, de gelieele Muider-kring leefde weer voor hen op en Thijm en Brouwers vooral deden alles, om hun liefde en bewondering in binnen- en buitenland door velen te doen deelen.

Voor het eerst klonk in ruimer kring het welsprekend woord van Brouwers op het Congres Artistique Universel te Antwerpen in '61. Toen zag men met bewonderende nieuwsgierigheid op naar dien jongen, slanken priester met dat intelligente breede voorhoofd, die welluidende stem , welke de grootheid van Vondel boven Milton verkondigde; hij sprak toen in het Fransch, waarin hij zich met evenveel gemak en nog meer sierlijkheid uitdrukte dan in het Hollandsch. Ook in Mechelen op de algemeene vergadering der Belgische Katholieken behaalde hij de eer van den dag.

De koning wist den weisprekenden redenaar, die in den vreemde Hollandsch roem deed waardeeren, te beloonen, door hem Ridder te maken van de Eikenkroon. Het dagblad De Tijd bood hem een plaats aan als mederedacteur,

ocr page 35

— 19 —

hij nam die aan en verliet Limburg voor goed. In dezen tijd valt Brouwers' grootste werkzaamheid; hij bleef in kerkelijke bediening door het rectoraat van het Sint Bernardus-gesticht in Amsterdam te vervullen, maar in den vrijen tijd, die hem overbleef, wijdde hij hart, ziel en pen aan de onderwerpen, die hem belang inboezemden.

Vooreerst Vondel! Hij en Thijm schreven, Cuypers bouwde! Dat het Vondelkwartier tot stand kwam, dat het beeld van Vondel te midden van het thans zoo populaire Vondelspark verrees, dat het feest ter eere van de oprichting van dit standbeeld zoo schitterend slaagde, het is voornamelijk aan hen te danken. Nederlands taal, Nederlands letterkunde, Nederlands kunst, ziedaar wat Brouwers altijd en bij alle gelegenheden trachtte te verheerlijken, maar wanneer hij den roem van vaderlandsche helden onrechtvaardig verdiend achtte, dan zweeg hij ook niet. Toen Heiligerlee verheerlijkt moest worden , kon hij deze feestvreugde niet deelen en hij voerde met Fruin, Jonckbloet en Groen een polemiek, die natuurlijk geen der tegenstanders overtuigde, maar toch het voordeel bad , dat het feit van verschillende kanten beschouwd en besproken werd.

Als Brouwers vuur voor iets vatte, dan kon hij er niet over zwijgen en er bij stil zitten : hij sprak en schreef er over in dicht en in ondicht, hij reisde naar links en rechts, hij wist anderen voor zijn belangen te bezielen en rustte niet totdat — weer iets anders zijn bemoeiingen vroeg, en dan begon bij op nieuw met denzelfden gloed, denzelfden onvermoeiden ijver, nooit teleurgesteld, nooit verbitterd door tegenwerking, nooit boos dan op het papier, nooit afgeschrikt, nooit moedeloos.

Hij had een benijdenswaardig karakter, een gelukkig gestel. Terwijl hij nog rector was, bracht hem de typhus aan den rand van het graf, de geneesheeren hadden hem reeds opgegeven, maar tegen alle verwachting herstelde hij

ocr page 36

— 20 -

en werd gezonder en krachtiger dan ooit te 7oren. Hij at, wat men hem voorzette , zonder er op te letten, wat het was; aan een feestmaaltijd vergat hij al pratende het wijnglas, hij sliep na den druksten dag . na de grootste vermoeienis, na de hevigste aandoeningen, zoodra hij het hoofd op zijn kussen had neergelegd; deze eigenaardige voorrechten stelden hem in staat zulk een druk, bezig leven zoo onafgebroken voort te zetten.

In 1872 werd hij pastoor te Bovenkerk in Nieuwer-Amstel; hier leerde men een nieuwen kant van Brouwers' veelzijdige persoonlijkheid kennen en waardeeren. In de vriendelijke pastorie, welke hij naast de fraaie gothieke kerk door zijn vriend Cuypers aan de oevers van het Bovenker-kermeer — het schilderachtigste plekje in de omstreken van Amsterdam — liet houwen , vertoonde hij zich als de onovertroffen gastheer. De feesten van den pastoor van Bovenkerk kregen een algemeene bekendheid en — waarom het niet te bekennen? — beroemdheid. Hij wist ze op allerlei wijzen te variëeren: rijtoeren, watertochtjes, zang-en komediestukjes, uitgevoerd door zijn schoolkinderen en vooral het aangenaamste, uitgelezen gezelschap maakten deze bijeenkomsten onvergetelijk aan allen, die het voorrecht hadden, er deel aan te nemen. Hij vroeg naar geen godsdienst, naar geen politieke richting, naar geen afkomst of landaard; hij riep vaderlijk allen aan zijn tafel, welke hij met den grootsten tact presideerde. Zoolang zijn gasten zich in Bovenkerk bevonden , achtte hij zich aansprakelijk voor hun genoegen, hun geluk zelfs. Niets verzuimde hij , om 't hun zoo aangenaam en gezellig mogelijk te maken.

Het feest, eens op het Muiderslot begonnen, in Bovenkerk geëindigd na een watertocht op den Amstel, bleef voornamelijk nog lang in de herinnering leven, en zoo de heugenis daarvan verzwakt is, helaas! het komt alleen door het treurige feit, dat de meeste der feestelingen thans reeds ter ruste zijn gegaan. —

ocr page 37

— 21 —

Als men den gullen gastheer te midden zijner vrienden bewonderde, vergat men haast, hoe strijdlustig hij kon zijn. Strijd, strijd, strijd! dat toch was het leven vau Brouwers. In den strijd voelde hij zich vooral zichzelf; strijd om Vondel populair te maken, strijd om vergeten Hollandsche kunstenaars, onverschillig op welk gebied, in eere te doen herleven, strijd om de rechten van den Paus te laten eerbiedigen, strijd om Nieuwer-Amstel te redden uit de klauwen van het roofzuchtige Amsterdam, strijd om Columbus aan Genua te ontrukken en aan Frankrijk terug te geven , strijd om het Muiderslot te redden van den ondergang, die het bedreigde door de nabuurschap van een kruitmagazijn, strijd voor de belangen der gepensionneerde ouderofficieren, strijd voor de slaven van den Congo , strijd om Hugo de Groot bij diens eeuwfeest te herdenken , om Calderon ook in Nederland bekend te maken, Thijm een gedenkteeken te stichten! Om zijn pleit te winnen, was hem niets te veel, hij schreef mondelingsche steekspelen uit, hij hield redevoeringen , hij legde feesten en vergaderingen aan; vormde commissiën, waarin verschillende namen elkaar verbaasd moeten aangekeken hebben, dat zij zich naast elkaar bevonden; zijn tijd, zijn geld, zijn talent, zijn persoon, alles legde hij er aan ten koste.

Qui tnip embrasse, mal étreint, dit is misschien ook toepasselijk op Brouwers ; maar de schuld lag dan aan zijn eigenaardig karakter het meest. Hij zelf erkende het met beminnelijke oprechtheid; zoodra hij een zaak had opgezet, zoodra hij alle middelen onder zijn bereik had, om haar te doen slagen, zoodra hij er zich geheel in had gewerkt, verloor hij er de belangstelling voor, hij liet ze varen of door anderen voortzetten, want hij verstond bij uitnemendheid de moeielijke kunst, om zelfs koele Noord-Nederlanders te doen gloeien van den ijver, die hem zelf verteerde.

Toch zou degene,.die zich Brouwers voorstelde als een

ocr page 38

— 22 —

druk, bewegelijk man, zich zeer vergissen; het vuur, dat hem bezielde, blonk alleen in zijn oogen, die zeer bijziende waren en dus achter brilglazen schuil gingen, of sprak slechts uit zijn gemakkelijk voortrollenden woordenstroom. Gebaren maakte hij niet veel, zijn stem bleef altijd zacht en welluidend ; het Limburgsche accent gaf er een aangenamen vreemden klank aan, slechts in het vuur zijner rede verhief zich die stem en bewogen zich de armen , maar dit gebeurde alleen op het spreekgestoelte; wanneer hij praatte, was hij een prettig causeur, die zijn hoorders aan zijn lippen boeide, maar volstrekt niet een vermoeiende redenaar op een salonstoel.

Redenaar, dit was hij vóór alles; in al zijn geschriften, groote en kleine, in dagblad-artikelen en gedichten blijft hij redenaar en improvisator, vandaar dat aan zijn gedrukte werken de klassieke vorm geheel ontbreekt en zij door vorm en toon steeds aan redevoeringen herinneren. Nog vóór dat het impressionisme een mode-artikel geworden was, toonde hij zich in de hoogste mate impressionist; elke regel van zijn hand draagt duidelijk den stempel van den indruk van het oogenblik.

Het kan wezen, dat misschien weinig van zijn geschriften na hem zal big ven. Brouwers had trouwens geen tijd, om het boek te schrijven, dat zijn standaardwerk moest worden. Dikwijls genoeg sprak hij er van; nu eens zou het een complete Calderonvertaling zijn, dan een vergelijkende studie tusschen Vondel en Milton, dan weer een verhollandschte »Atlantidequot; van den catalonischen dichter Verdaguer, een biographic van Columbus, maar hij kwam er niet toe; telkens was er weer iets anders, dat zijn belangstelling vroeg en het andere werd uitgesteld— tot later. Dit later, helaas! was de dood !

Tot eigenlijk studeeren ontbrak het hem niet aan moed en geduld; hij kwam nooit anders dan flink beslagen op

ocr page 39

— 23 —

het ijs; wanneer hij over een onderwerp spreken of schrijven ■wilde, dan bezat hij het geheel en al, dan wist hij er alles tot in de kleinste bijzonderheden van. Hij bestelde de boeken, die er betrekking op hadden, onverschillig hoe duur of zeldzaam ze waren en bleef er dagen en nachten in werken , zijn aanteekeningen makend met zijn eigenaardig handschrift op alle mogelijke papiertjes, die hem ter hand kwamen. Voor de Columbus-quaestie — de laatste groote zaak , die hem bezighield — verzamelde hij werken ter waarde van meer dan duizend gulden, maar om de vrucht zijner studiën neer te leggen in een geregeld boek, daarvoor miste hij de noo-dige volharding en — rust.

Zijn eigenaardige temperatuur maakte hem tot het tegenbeeld van een bedaard kamergeleerde; had de dood zijn werkzaamheden niet onderbroken, wellicht zou hij in later jaren kalmer en geregelder gearbeid hebben, misschien ook niet.

Doch hoeveel tijd hij ook aan die verschillende strijdvragen besteedde, wat hij ook verzuimde en verwaarloosde ten koste van zijn eigen voordeel en zijn eigen roem — niet het welzijn van de aan zijn zorg toevertrouwde parochie, niet zijn plichten als zielenherder. Hoewel zijn levenswijze zooveel verschilde van die zijner ambtgenooten, hoewel hij uit den aard der zaak dikwijls afwezig moest zijn en zich in de wereld bewegen, bleef Brouwers het toonbeeld van de priesters ; bij zijn graf is dit van bevoegde zijde luide verkondigd.

Wanneer hij door ieder bemind, door ieder gezien en ge-eerbiedigd werd, het was niet ten koste zijner beginselen: dat hij vóór alles een geloovig Katholiek, een yverig priester was, hiervan maakte hij geen geheim; hij was er trotsch op. Hij eerde elke oprechte meening van anderen, maar daarom achtte hij zijn eigene niet minder hoog. Zijn verdraagzaamheid kwam niet voort uit eigen slapheid of onverschilligheid, maar uit welbegrepen christelijke liefde, die de begin-

ocr page 40

selen vast houdt en er voor strijdt, maar de personen eerbiedigt en lief heeft; vandaar dan ook dat hy zoovele en zulke goede vrienden onder andersdenkenden telde en ze tot het laatste behield. Hij wist ieders hoogachting af te dwingen door zijn vlekkeloos leven, zijn onwrikbare overtuiging , maar vooral door zijn trouwe plichtsbetrachting. Zijn gemeentenaren gingen hem vóór alles; hij had voor hen steeds, zelfs in zijn drukste oogenblikken, tijd. Dikwijls genoeg overkwam het hem, dat hij laat in den avond in Amsterdam van een reis terugkeerde of daar een redevoering had gehouden en zich toch door geen beden van zijn vrienden liet overhalen, om er den nacht over te blijven. Er was een zieke , die hem dezen nacht misschien noodig kon hebben; hy nam een rijtuig en keerde ondanks koude en duisternis noji naar Bovenkerk terug.

O O

Hoe hy ook buiten schitteren mocht, in zijn gemeente was hij de type van den eenvoudigen dorpsherder, die het lief en leed zijner kudde met haar doorleeft. Twee-en-twintig jaar heeft hij in haar midden gewerkt en wat hij daar tot stand bracht, hoe hij arbeidde voor het geestelijke en stof-felyke welzijn zijner parochianen, het zal niet zoo gauw vergeten worden. Een uurwerk op zijn toren, dit was een zijner illusiën en hij verwezenlijkte die nog eenige weken voor zijn dood; de wijzers kondigden reeds te spoedig in Amstelland het uur aan zijner uitvaart.

Wat Brouwers voor zijn vrienden was, dit behoeven wij niet nader aan te stippen; hy gaf zich aan hen, zooals hij zich aan zijn gemeente, aan het Vaderland, aan de Kerk gaf, want zijn grootste verdienste is, dat hij ondanks de veelzijdigheid van zijn werken en zyn geest één van karakter bleef. Deze eenheid brengt harmonie in hetgeen oppervlakkig vol tegenstrijdigheden schijnt, doet alles in hem samen smelten tot een persoonlijkheid vol kracht en toch vol zachtheid.

Levenslang bleef Brouwers iets kinderlijks, iets idealistisch

ocr page 41

— 25 —

bij, dat door al zijn handelingen en woorden straalde en er juist dat beminnelijke aan gaf, hetwelk hem ieders hart won, en zelfs zijn tegenstanders belette hem wrok toe te dragen.

Reeds is gezegd dat de jeugdige Jan Willem Brouwers zeer jong is wees geworden. Hoe hoog begaafd hij zich al spoedig toonde, blijkt duidelijk uit het bijna ongelooflijk feit, dat hij op den ouderdom van ruim negen jaren tot de eerste H. Commuuie werd toegelaten. Dit gebeurde op den U. Sacramentsdag van 1840. Vijftig jaar later had dien dag alles in Bovenkerk een feestelijk aanzien, de vlaggen hingen uit kerk, pastorie en de huizen der voornaamste ingezetenen. Een missie van Eerw. Paters Redemptoristen had de gemeente voorbereid tot het opdragen eener algemeene H. Communie ter intentie van hun geliefden zielenherder; bijna allen waren dien morgen tot de H. Tafel genaderd en 's mid-

O O

dags had de pastoor aan zijn disch zijn beste vrienden en zijn naaste bloedverwanten uit het verre Limburgsche dorpje verzameld en deelde hun mede dat hij heden een heerlijk jabilé vierde , het gouden herinneringsfeest namelijk zijner eerste H. Communie. In woord en in schrift drong hij er telkens op aan, het vieren van zulk een jubilé in zilver of goud tot een algemeene gewoonte te maken, want vroeg hij terecht op het Congres Eucharistique te Antwerpen :

» Wie viert al niet, meer of minder, den verjaardag zijner geboorte ?

»Wie uwer viert niet gaarne een blijde zilveren bruiloft?

gt;En wanneer er sprake kan zijn van een gouden bruiloft van een huwelijk of van een priesterwijding, wie uwer zou willen in gebreke blijven?

»En waar blijft dan de logica van onzen geest of de dankbaarheid van ons hart, wanneer wij niet herdenken, niet vieren den verjaardag, de zilveren bruiloft, de gouden bruiloft van onze eerste H. Communie?quot;

ocr page 42

— 26 —

Tot het laatste bleef pastoor Brouwers de vriendelijke woning in Margraten als zijn tehuis bescliouwen; hoe innig men daar aan hem gehecht was, blijkt o. a. uit het volgende:

Toen hij Rector was van het Sint-Bernardusgesticht werd hij zeer ernstig ziek; de typhus bracht zijn leven in gevaar. Later kon hij nog op de fijnste en nauwkeurigste wijze de gevoelens ontleden , die hem bij het naderen van den dood vervulden. Zijn levendige geest was, hoewel schijnbaar bewusteloos, toen meer dan ooit werkzaam.

Terwijl hij in Amsterdam met den dood worstelde, beleefde de familie in Margraten droevige dagen vol angst en zorg, zij konden niet anders verwachten dan dat hij, dien zij als zoon en broeder zoo innig liefhadden en zoo hoog vereerden, toen reeds in den bloei zijner jaren moest sterven.

Alleen zijn pleegmoeder verloor den moed niet.

»Hij zal niet sterven, hij zal niet sterven,quot; antwoordde zij slechts, wanneer bijna van uur tot uur telegrammen uit Amsterdam het snel achteruitgaan van den zieke mededeelden.

Met uitgestrekte armen lag de godvruchtige vrouw voor het kruisbeeld te bidden, uren lang, om van God het herstel te vragen van haar lieveling, wiens leven nog zoo kostbaar was en die nog zooveel tot eer van God en heil zijner medemenschen kon verrichten.

Haar gebed werd verhoord! Rector Brouwers genas en bleef na deze ziekte tot aan zijn plotselingen dood een onafgebroken, onverwoestbare gezondheid genieten. Zijn goede tante is reeds lang ter ruste; haar kinderen, waaronder de Z.Eerw. pastoor J. W. Brouwers van Berg-en-Terblijt, bleven steeds als broeders en zusters met hun neef verkeeren.

Was het misschien een gevolg van deze zware ziektet dat pastoor Brouwers zulk een bijzondere belangstelling — wij zouden haast zeggen—veveering voor zieken koesterde? Zijn zorg voor kranke geraeentenaren kende geen grenzen,

ocr page 43

— 27 —

hij bezocht ze zoo dikwijls mogelijk en voorzag hen van alle versnaperingen. Waren vrienden van hem ziek , dan omringde hij hen ook met de fijnste oplettendheden; niets wat Bovenkerk bevatte of opleverde was hem te goed voor hen en toch vreesde hy bijna hen te spreken, uit voorzorg dat zij te veel praten en daardoor zich vermoeien zouden, en vormde aldus een groote tegenstelling met de meeste ziekenbezoekers, die het als een soort van recht beschouwen bij een ziekbed toegelaten te worden.

Omstreeks vier maanden voor zijn dood was hij op hoogst merkwaardige wijze het middel in Gods hand om aan een zijner beste vrienden de laatste Genademiddelen der H. Kerk toe te dienen.

Reeds sedert lang had hij beloofd bij dien vriend, die een hooge betrekking in den Haag bekleedde en met wiens gezin hij sedert tal van jaren door innige vriendschap verbonden was, eenige dagen door te brengen.

Hij trof de familie vroolijk en gezond aan; alleen de huisheer was licht ongesteld; na een aangenaam doorge-brachten avond ging men ter ruste. Diep in den nacht werd hij tegen zijn gewoonte wakker en hoorde in de naaste kamer beweging. Hij ging vragen wat er gaande was. Zijn vriend was door een hevige benauwdheid overvallen en hij kwam nog juist bijtijds om diens laatste biecht te hooren, hem de H. Absolutie te geven en toen in zijn armen te zien sterven. Hoe hij in de uren van smart en wanhoop, die toen volgden, de weduwe en kinderen ter zijde stond en troostte, zal niet licht door hen vergeten worden.

»Mijn beste vrienden gaan heen!quot; hoorde men hem in het laatste jaar dikwijls zeggen, en hoewel hij met de grootste werkkracht en den krachtigsten levensmoed bezield was, hield de gedachte aan zijn naderend einde hem voortdurend bezig; hij vreesde den dood niet, integendeel hij verlangde naar het wederzien van zijn dierbaren, hij smachtte naar

ocr page 44

rust, maar liet was niet de rust aan deze zijde van het graf, bet was de rust in den schoot van God.

Aan een condoleantiehrief van April '89 ontleenen wij de volgende zinnen, in het Hollandsch begonnen en in het Fransch voortgezet:

»Hoe lediger de aarde wordt des te beter zullen wij de stemmen des hemels hooren. Zeker kost het ons veel, als de dood ons deelen van ons zelf afscheurt, maar hoe meer hij er reeds afgescheurd heeft, hoe gemakkelijker ons de weg wordt, die naar Daarboven voert, waar volle zonneschijn is, eeuwige lente, volmaakte vriendschap, goddelijke liefde, eindelooze zaligheid!

s Hoe meer ik leer den loop der menschenen der eeuwen naar het graf te beschouwen, hoe meer ik de menschheid in haar verschillende persoonlijkheden leer kennen, hoe meer ik ook de uitverkoren zielen waardeer en de edele harten, wier aantal naar het mij toeschijnt niet vermeerdert. De liefde tot den naaste die God ons beveelt, komt ons ter hulpe, opdat wij ons niet te veel zouden hechten aan dit kleine aantal waarlijk groote en edele harten , en de anderen niet te veel verachten ...

»Des te meer moeten wij daarom het verlies betreuren van deze verheven geesten en grootsche harten, die de dood heeft uitgebluscht en aan onze genegenheid ontrukt.

»Zou men dan niet geneigd zijn te zeggen : Gelukkig de harten van ijs, die niet liefhebben; want voor ons wordt het geluk zoo duur gekocht en de tranen branden zoo gloeiend... En toch is het zoo goed ; wij zouden anders te licht denken dat wij hierbeneden onze blijvende woning hadden, wij zouden ons met weinig tevreden stellen en denken: met de vriendschap alleen , de gezondheid en de welvaart zou de aarde ons voor eenige eeuwen kunnen voldoen!

»Maar hooger moet de vlucht onzer zielen gaan! O, ik yoor niy ben verheugd dat reeds zoovele jaren van mijn

ocr page 45

— 29 —

pelgrimstocht voorbij zijn. Dikwijls genoeg verblijdt mij deze gedachte, zoo vast vertrouw ik op het H. Hart van Jesus, op de zegepraal en het bruiloftsmaal van het H. Lam, op de eeuwige zaligheid en de vereeniglng in de Goddelijke Liefde.

»Onze harten zullen zich nergens zoo volmaakt wel üe-

O o

voelen als Daar. Daar is de vereenigingsplaats van al degenen, die het Slachtoffer der Liefde, die de Verrijzenis en het Leven is, aanbidden en beminnen.

»0 indien ik spoedig tot hen kon gaan en op mijn vleugels allen medenemen, die ik in Jesus' hart liefheb , dan zou de hemel weldra eenige zielen meer tellen.quot;

Deze heerlijk schoone regels zoo vol vurige godsvrucht en ■ onthechting van de aarde verdienen aan de intimiteit te worden ontrukt tot stichting van allen die ze lezen, tot eer van hem die ze neerschreef. Het is dus geen onbescheidenheid ze aan een sympathiek, gelijkgevoelend publiek mede te deelen. Zij stellen de diepe vroomheid, den omgang die er tusschen God en zijn ziel bestond, in het schoonste licht en voltooien daardoor liet beeld, dat wij van hem trachten te schetsen.

Nooit ging de pastoor van Bovenkerk uit zijne parochie zonder eerst eeu bezoek aan het H. Sacrament te hebben gebracht; den laatsten keer dat hij naar Maastricht vertrok, om er zijn zwanenzang, de redevoering ter eere van 's Pausen gouden jubilé, te houden , scheen hij zelfs het voorgevoel te hebben daar niet meer terug te keeren. Hij gaf' den Eervv. Heer Kapelaan allerlei aanwyzingen voor het geval, dat hij niet meer terugkwam en verzocht eenige parochianen voor hem te bidden gedurende zijn afwezigheid. Hij was toen gezond en vlug als altijd; niemand , die hem daar zoo druk en levendig zag wandelen, spreken, schrijven, aauteekeningen maken , zou in hem een zestiger vermoed hebben.

ocr page 46

— 30 -

Na zijn dood vond men op zijn studeerkamer de volgende briefkaart, waaraan echter het adres en de datum ontbraken.

» Amicissime,

Ik maak het wel. Na deze campagne zal ik mij niet meer met bijna soortgelijke aangelegenheden inlaten, evenals de gewone spreekbeurten voor goed geëindigd zijn. 1)

Als het eenige dagen goed weer wordt na den 12, dan ziet ge mij nog eens onverwachts voor uw deur staan, dan kom ik eenige dagen vacantie houden bij u. Nous verrons! A la garde de Dieu. Oremus pro invicem. 2)

T. a. V.

Uit deze woorden blijkt duidelijk, hoe vervuld hij was van het denkbeeld van rust nemen en hoe hij misschien in het diepste zijner ziel hoopte , dat deze rust de eeuwige , door niets onde.rbrokene zou wezen.

Pastoor Brouwers, hoewel met hart en ziel Limburger, was toch zeer aan zijn parochie gehecht.

»Pastoor van Bovenkerk,quot; dit was zijn schoonste eere-titel, hij verlangde niets anders te zijn. Als pastoor van Bovenkerk ook wilde hij leven en sterven, daar in de schaduw zijner kerk , waarop hij met recht zoo trotsch was, wilde hij rusten tot den dag der opstanding.

■ Die kerk en pastorie van Bovenkerk vormen een oase in de vlakke, banale omstreken van Amsterdam; hy zelf

1

Een brief aan ons adres, bevatte, buiten het bier aangehaalde) het volgende: «Maar nu het den Paus geldt, kan ik niet weigeren al was het mijn laatste ademtocht.

Ik heb overigens nnjn brood niet in ledigheid gegeten, en zal nu wat rentenieren op mijn manier. Evenwel met de pen donk ik werkzaam te blijven zoo lang ik leef.quot;

2

We zullen zien. God beware u! Laten wij voor elkander bidden!

ocr page 47

had het schilderachtige plokje uitgekozen aan de oevers van de ruime waterplas, die algemeen liet Bovenkerker meer genoemd wordt. De oude kerk, die meer van een schuur dan van een kerk had, lag aan den grooten straatweg naar Leiden ; de nieuwe schilderachtige , gotliische kerk met haar niet minder teekenachtige pastorie rijst tusschen dicht geboomte aan den oever van het water op en spiegelt zich daarin. Kreupelhout vat het meer in een grillige lijst van donkergroen; aan den overkant ziet men het kleine, onbeduidende torentje vam Amstelveen, verderop in het wazige verschiet de flauwe omtrekken van de Amsterdamsche torens, koepels en schoorsteenen.

In het najaar '81 wierp een hevige storm de spits van den toren omver; op bijna wonderdadige wijze bleef de pastorie gespaard. De torenspits werd over het woonhuis geworpen en bleef daar in den grond steken. De pastoor, die rustig op zijn studeerkamer zat, had er niets van gemerkt dat de gewelddadige windvlaag zulke verwoesting had aangericht. Eerst den volgenden morgen zag hij tot zijn groote verbazing het gevaarte in den tuin liggen. Eenige jaren later werd de toren hersteld en prijkte in nog grooter schoonheid dau voorheen.

Welk groot aandeel pastoor Brouwers nam in de onaf-hankelijkheids-quaestie van Nieuwer-Amstel, is overbekend, 't Is te hopen dat Nieuwer-Amstel de zorgen en kosten, die hij ziek om haar zelfstandigheid als gemeente te bewaren, getroostte , op passende wijze zal weten te waardeeren en zelfs te vereeuwigen.

In het vroolijke gezelschap van de Bovenkerksche feesttafel kwam dikwijls de an nexatie van Nieuwer-Amstel ter sprake. De Amsterdammers hadden er plezier in, den gastheer daarmede te plagen en trachtten hem in het nauwte brengen, maar met ongeëvenaarde geestigheid wist hij zich uit den moeilijksten pas te redden en hun eigen wapenen tegen zijn aanvallers te richten.

ocr page 48

Deze hoofsche steekspelen, waarbij men elkander met de hoffelijkste wapenen bestreed, behoorden tot de grootste aantrekkelijkheden der Bovenkerksche feestmaaltijden. Soms ontstond daar ook een waar vuurwerk van geestigheden, waarin de kleurige pijlen van het vernuft telkens schitterend omhoog stegen, elkander kruisten en terugkaatsten.

Helaas! hoe velen van hen, die daar zoo vroolijk en voor het oogenblik vrij van kommer en zorg neerzaten, zijn den gullen gastheer voorafgegaan naar een beter vaderland.

Maar niet alleen voor zijn gasten en zijn vrienden was Brouwers één en al gulheid en vriendelijkheid. Om de ver-eeniging van gepensioneerde onderofficieren en mindere militairen, waarvoor hij bijzonder veel hart had, een prettigen dag te bezorgen, noodigde hij hen allen ten getale van over de honderd in Bovenkerk.

Zij werden met rijtuigen afgehaald , daar in den tuin getracteerd, eindelijk aan een rijken maaltijd geplaatst.

De geestdrift van die mannen, hun dankbaarheid jegens den edelen Pastoor is niet te beschrijven; verscheidene onder hen kwamen later van verschillende kanten van het land om hem de laatste eer te bewijzen.

Toen de zoon en kostwinner eener arme vrouw uit zijn gemeente in de loting was gevallen, reisde hij naar Haarlem en den Haag en gebruikte al zijn invloed om voor dien jongman vrijstelling van militairen dienst te verkrijgen.

Gedurende eenigen tijd gaf hij huisvesting in zijn pastorie aan arme kinderen, die door hun ouders verlaten waren. Wanneer een kind buitengewoon talent verried voor het een of ander vak , dan zorgde hij dat diens opleiding op zijn kosten geschiedde.

In de laatste maanden getrooste hij zich den last en het tijdverlies van voor zijn portret te poseeren; zijn hoofddoel was daarbij den schilder gelegenheid te geven, diens naam meer bekend te maken.

ocr page 49

— 33 —

Nadat het stuk op een tentoonstelling de algemeene aandacht had getrokken, gaf de maker het den Pastoor ten geschenke. Het portret werd in de groote zaal van Bovenkerk opgehangen tijdens de laatste afwezigheid van den huisheer. Het zou als een verrassing gelden bij zijn terugkomst; helaas! toen de gasten na afloop der begrafenis in droevige stemming weer de pastorie binnentraden, was het slechts zijn afbeeldsel, dat hen daar welkom heette!

Van zijn werken is reeds door meer bevoegde hand het noodige gezegd; ons doel was het alleen hem als mensch beter te doen kennen.

Altijd was pastoor Brouwers in de weer; zelfs als hij rustig scheen te wandelen of uitterusten, waren zijn gedachten bezig. Wanneer hij voor de vuist sprak , was hij 't meest in zijn element. De hoorder kon dan op de verrassendste wendingen , de geestigste toepassingen rekenen; als hij werkelijk in vuur raakte, dan sleepte hij al zijn hoorders mede. Hij hield er van, alles met zekere gratie , zekeren gloed en geestdrift te doen. Alles wat dor en droog was in een ceremonie, feestviering of herdenking, stond hem tegen. Maar hij had met Hollanders te doen en dat waren dikwijls elementen, weerbarstiger dan de steenen, welke de zanger der oudheid in beweging heette te brengen. Vandaar dat hij dikwijls teleurgesteld werd en zijn best bedoelde pogingen zag mislukken. Met bewonderenswaardige gelijkmoedigheid wist hij zich dan over het onaangename heen te zetten, koesterde tegen niemand wrok en sprak eenvoudig nooit meer over de ondervonden teleurstelling.

Hij ging zijn weg, strijdend voor alles wat hij goed, wat hij edel en schoon achtte; nooit echter , zelfs in het heetste van den strijd, vergat hij een oogenblik zijn priesterlijke waardigheid. Hij zelf had er den hoogsten eerbied voor en dien eerbied wist hij ook aan ongeloovigen, joden, rechtzinnige protestanten in te boezemen. Men wist, dat hij

L. P. BR. 3

ocr page 50

— 34 —

goed was, men noemde hein verdraagzaam, maar was toch overtuigd dat zijn overtuiging onwrikbaar vast stond , dat hij vóór alles katholiek en priester was. Mathilde.

Aan deze keurige karakterschets voegen wij eenige Amstelodamensia toe :

Eerste woordje aan Amsterdam; in kwestie Annexatie IXieixwer-A-mstel.

0 bloei van Amsterdam, o woord vol tooverkrachten, üe liefde van ons hart, de hoop van onz' gedachten! Maar zij des geestes blik niet zoo verblind door 't hart Als wie Kaap Goede Hoop met Lapland ooit verwart, Waar te onderscheiden valt den bloei der burgcrije Van wat ten bloei van der Gemeente kas gedij e. De woordklank spreekt van bloei voor stad en maatschappij En wat voor Amsterdams ontwikk'ling noodig zij ,

Maar wil men uit den dop het diepste pit eens vatten, Men vindt geen andre kern dan voor belastingschatten. Den bloei dien men beoogt is de gemeentekas. Die hongert na de weelde en nooit verzadigd was. Wat afgrond, die steeds gaapt met immer holle kaken, Wat draaikolk die steeds zwelgt om nog naar meer te haken, Bewoont den hollen balg van dik gemeentekas ! De geldbloei, die steeds faalt aan 't annexeerend ras. Worde in bedaard beleid in uw gemeente ontsloten , Maar zuig geen goud uit 't bloed van nieuwe rampgenooten. Aan de Amstelstad zij nooit de schand ten last gelegd Dat zij, het eerste in 'tland, haar macht aanschouwde als recht Om een gemeentemoord te plegen volgens wetten, Die Neerlands oude trouw den voet op 't harte zetten. Behoore aan Amsterdam een zeekre boventoon ,

Maar de Opperheerschappij, aan Grondwet en aan Kroon.

ocr page 51

— 35 —

Amsterclamsclie Politie. )

Ik ben, o Amsterdam, bij 't feest

Geweest,

Dat ik uw Hoogeschool-scholieren

Zag vieren.

Ik zelf, natuurliik, was veel stof

Tot lof;

Wat heb 'k er menig woord

Gehoord,

En veel en beter kunnen leeren

Waardeeren.

Hoe vele malen, er mijne ooren

Wel mochten hooren In 't tijdsbestek eens oogenbliks:

»Is dat nu ...

't Politiewezen in de stad

Was wel wat mat.

Maar zelfs geen zon vermag haar vlekken

Aan 't oog te ontrekken.

Ik zag van schaamte veler oogen

Zeer diep bewogen.

Ik zag nogmaals de stads-politie

In exercitie ,

Voor Felix, in de Doelenstraat

Tot niets in staat.

Edoch ! geen nood ! Al deze feilen

Voor goed te heilen,

Ben ik, dank uwen wijzen Raad , Volmaakt in staat.

'1) Amsterdam verweet aan Nieuwer-Amstel liet onvoldoende van de Politie. Waarop de dichter een hoogeplaatst persoon laat spreken, welke tegenwoordig was bij het gebeurde, ter gelegenheid van 't woelige feest der Universiteit.

ocr page 52

Laat ik eens logisch redeneeren

Bevriende Heeren :

Want daaruit volgt voor 's Lands Historie

En onze glorie,

Dat Amsterdam zijn heerschappij,

Reeds groot voor mij,

Nu nog door mij zal gaan vermeeren

Door annexeeren.

Ik geef reeds nu aan Amsterdam Drie kwart van 't Lam Van Nieuwer-Amstel; dan volgt Sloten. *

Maar, stadgenooten,

Al ken 'k uw wenseh , nog Diemen niet

Bij uw gebied.

Dat, en nog meer is U beschoren:

Maar stil.... de muren hebben ooren En 't is genoeg voor dezen dag.

Spant gij en ik te zamen,

Dan moet op mijn gezag

De Tweede Kamer zeggen: Amen.

ocr page 53

Ill HOOFDSTUK.

Nagalm der Vondelsfeesten.1)

insdag 3 Augustus 1880 lag er, 's morgens omstreeks ! elf uur, bij Schreyerstoren te Amsterdam een stoom-jootjen aan den Ykant, dat door zijn feestelijken tooi — de nederlandsche en amsterdamsche vlaggen — en lustig trompetgeschal uit zeventiendeeuwschen klephoren, oog en oor der leêgloopende straatgemeente tot zich trok, en des te meer nog geboeid hield, als dat horengeluid door den ademtocht bezield bleek van een mede in zestiendeeuwschen dosch ge-tooiden blazer. Hoe eeuwenheugend zijn tooi en muziektuig, gelijk de melodiën zelf uit zijn horen weèrklinkend — geheel van onzen tijd was de kunstvaardige man zelf, gelijk al die zich met hem aan boord bevonden , en die voor de groote meerderheid uit een dertigtal genoodigden bestonden, door den gastvrijen pastoor van Bovenkerk, tot een »portiequot; in den namiddag ten zijnent genood, van een watertochtjen op Y en Zuiderzee, Vecht en Amstel voorafgegaan. Allen »broedersquot; in Vondel, ofschoon van de meest uiteenloopende geloofsrichting, bezegelden zij, in hun vriendschappelijk samen-

1

Herinnering aan de Vondels feesten van 5 Febr. 1870. Bijeenkomst bij J. W. Brouwers, Pastoor Ie Bovenkerk (3 Aug. 1880).

ocr page 54

— 38 —

zijn , het groote beginsel van den religievrede, vóór drie eeuwen door een Coornhert gepredikt en door Prins Willem I te vergeefs op het touw gezet, maar eerst door de staatswet onzer eeuw als staatsleus erkend en gehandhaafd. Geen wonder dat, onder deze omstandigheden, in 't dankbaar aandenken aan den geloofsvreêlievenden Geuzen-prins,1) zich een wakker Wilhelmus herhaaldelijk uit den 16e eeuwschen horen vernemen liet, door tal van lustige wijzen uit Valerius, Starter, en Breêró's liedeboeken afgewisseld. Even na elven stak de boot van wal en stevende, de Schellingwouder sluizen door, het Y uit en de Zuiderzee in, om daar, de gooische kust langs varende, weldra onder blij muziekgeschal de muider haven binnen te stoomen , en zijn broeder-vracht voorloopig aan den weg naar 't Slot af te zetten. Uitgestegen trok men dien weg op en de slotpoort binnen, door den belangstellenden bewaarder verwelkomd, die zich nu zeil bij 't gezelschap zou aansluiten. In de slotzaal ontvouwde de bouwkunstenaar Cuypers zijn plannen tot haar herstel en opsiering, en hoorde allen zijn vaderlandschlievenden wensch beamen, tegen 't volgende jaar, dat van Hoofts derde eeuwgetij , het noodige geld daartoe verzekerd te zien, om er dit des te waardiger te vieren.

Vrolijk klonk, na dit bezoek, de klephoren weder van het stoombootdek, om de opvarende broeders tot voortzetting van den tocht bijeen te roepen, toen een eerzaam Schoutendiender van Muiden met het verrassend verzoek van Muiden's toonschuwen burgervader tot hen kwam, dat anders zoo onschuldig getoet liever te staken , daar Zijn Ed. Achtbare juist in besogne was, en 't hem in zijn gewichtige beraadslaging belemmerde. Men kan zich de voldoening van den kamper burgemeester , die als een der Vondelvrienden den tocht mee maakte, voorstellen, zoo iets aan den Vecht-

1

Men herinnere zich dat schrijver dezes protestant is.

ocr page 55

— 39 — v

i:

in steê van aan den IJseloever te zien voorvallen. Onder een minder eerbiedwaardig dan welverdiend gemeesmuil, en de wel ter snee gedane vraag, of de man vreesde de muren van zijn raadhuis als die van 't kanaiinitisch Jericho te zien instorten, werd den horenblazer voor eenige oogenblikken 't zwijgen opgelegd, om, na cle afvaart van den muiderwal,

zijn blijde tonen des te krachtiger over de Vecht en dien van 't weldra bereikte Weesp te laten ruischen. Onderwijl laafden zich de opvarenden met de hun in rijke mate toegediende morgenspijs en drank , hun maal op de Vecht en Diemervaart met gezelligen kout en vriendelijke scherts kruidend.

Doch niet alleen voor stoffelijke nooddruft had de herderlijke gastheer ook aan zijn stoombootboord reeds zorg gedragen; meer dan één toepasselijk dichtjen ook zou er gt;

bij 't bereiken van den Amstel, nu weldra van zijn welbespraakte lippen vloeyen. »Ei, stuurmanquot;, sprak hij , omstreeks Diemerbrug het woord vragende , om er op »een monument der Toekomstquot;, gelijk hij 't noemde , te wijzen ;

juister had hij 't wellicht »een monument des Verledens in de Toekomstquot; kunnen betitelen :

Ei stuurman, die zoo flink do roerpen houdt in handen ,

Zoodra de Diemervaart bereikt onze Amstelstranden,

Draai dan wat rechts, en stoom in halve cirkel voort Recht op St. Wilbertskerk, aan 't overzijdsche boord.

Mijn vrienden, daar ter plaats zal na een eeuw verrijzen Een roem der Bouwkunst in 't (in prent) aanschouwd geheel:

Waar nu 't bewondrend oog nog slechts een vijfde deel Begroet van 't reuzenwerk, waarop gij daar moogt wijzen:

Zes torens houden wacht bij 't Heiligdom der Kunst,

Dat hart en geest en ziel verheft, in 's Hemels gunst,

Zich openbarend in het Ware , 't Goede, 't Schoone.

ocr page 56

— 40 —

En inderdaad de in aller handen thans rondgaande ets van den door Cuypers ontworpen weidschen St. Willebrord mocht ten volle een grootsch bouwgewrocht heeten, hoe lang het dan ook, naar zijn bezingers eigen meening, nog zal aanhouden eer het, in steen verrezen, van den Godsdienst des Verledens voor de Toekomst getuigen zal.

Zie hier toch wat hij, wat verder op den Amstel ge-gekomen , na 't begroeten van 't als »een monument van 't Verledenquot; door hem bezongen Meerhuysen, Spieghels voormalige »Muzenlorenhof'hooren liet:

Kom, treur niet om 't vergaan van Spieghels Paradijs! Schep uit dien morgenglans van 't glorierijk Verleden Geen grauwen avondmist voor 't wolkdoorhrekend heden;— Ook in dien lusthof was niet alles Hemelspijs.

't Concert der eeuwen blijft niet hangen op één wijs, De ontwikkeling des tijds leeft van verscheidenheden, De gang der menschheid keert niet weer op de oude schreden, Wie liever leefde toen dan thans zij lof noch prijs.

Geen heimwee naar 't voorheen! Vooruit is onze leus ! Vooruit in waarheidszin! Vooruit is schoonheidskeus! Oprechtheid in den strijd en ridderlijken vrede !

Vooruit! zie d'Amstel op en Ouderkerk aireede;

Bij 't oude kerkhof rijst daar juist een nieuwe kerk, quot;Waar Toonkunst zingt partij bij Beeld- en Schilderwerk.

Daar te Ouderkerk zouden de tochtgenooten voet aan wal zetten, om in een dozijn rijtuigen, elk door een welgedaan tweespan getrokken, van een welgesteld landbouwer uit 's gastheer kudde gemend, de lommerrijke amstelveensche laan naar de smaakvolle pastorie van Bovenkerk in te slaan, na vooraf intusschen aan die van Amstelveen, onder een doeltreffend Wilhelmus, den Geuzenherder en leeraar, als gast aan den namiddagdisch van zijn roomsch-katholieken amptsbroeder, te hebben opgenomen.

ocr page 57

— 41 —

Aanlokkelijk ligt die pastorie daar ter zij der weidsche alsmede door Cuypers ontworpen kerk, en in de schaduw van haar olmen , terwijl haar met zorg onderhouden bloem- en wandeltuin, de achterzij van een breeden waterplas omkab-beld, den betreder verkwikking biedt. In de eetzaal boven stond de feestdisch aangericht, en verkondde een in onverbasterd Nederlandsch gestelde spijskaart den aanzittenden, wat hun tot laving en lessching der maag was toegedacht. Bij elk der achtereenvolgende vijf gerechten gaf de dichtlustige gastheer een toepasselijk rijm ten beste, terwijl door de openstaande vensters zich af en toe 't gezang van kinderstemmen

O O

hooren deed. Vóór 't nagerecht daalde men af in den a-giorno verlichten tuin , om daar aan de aangerichte houten tafels de roomschaal te leêgen, door »jubelzangquot; van den waterkant en »klokkenklankquot; van de landzij, en' van den boogen toren uit, begroet. Aan die torenklok en haar welluidend klankgemengsel is een verhaal harer herkomst verbonden, in een teekenachtig klinkdicht op »de Torenklok van Bovenkerkquot; , door Pastoor Brouwers, voor de haar »veilendequot; akademiestad wel wat beschamend, bezongen:

Wild was het weer, heel 't meer was woest. Met ruk en schok Op schok, sprong elke golf, bestormende den steven Van 't kleine vaartuig, slechts een flinke veenboersbok, Maar met een schat bevracht, door Vondel zelf beschreven: Het hobblend vaartuig, dat van 't sloopziek Leiden trok Naar Bovenkerk, was blij, als vond het lust en leven Bij 't schuimend golfgeklots, dat van den vlaggestok Tot aan de boegsprietspits de schuit werd rondgedreven;

En Neêrlands driekleur stond te midden van die stormen, Die ons omdwarrelden op dien Octobertocht,

Te klapren bij den schat, het klankrijk kunstgewrocht. De grootste en schoonste klok, die uit Hemony's vormen Voor Leidens Hoog woerdspoort tevoorschijn treden mocht, Nu — door een stad geveild, en door een dorp gekocht.

ocr page 58

— 42 —

Op dit en al de verdere, dien dag uit 's gastheers mond gevloeide versregels doelende, mocht de mede-aanzittende Alberdingk Thijm , in zijn dichterlijken toost bij 't daarop volgende nagerecht , naar billijkheid, neggen:

Bezong eens Vollenhove ons Hollands »gouden tijd ,

Die niemant moet vergetenquot;,

Zal Holland Holland heeten, Den vreemdeling ten spijt; Hier zingt een andre dichter, een andre Vondelszoon, Van d'ouden gloed bevangen

O O

Door voorbeeld, woord, en zangen

Onz' ouden roem een kroon.

Hij liet ons spelevaren op d'adem van den stoom,

Maar wekt, langs de Amstelkaden,

Meerminnen en Najaden Uit d'oude schoone droom. De Vechtnymf slaat al lachend haar armen uit den vloed, Haar oogen schieten vonken, Haar blonde tressen pronken Met paarlen in hun gloed.

De blanke handen wenken, 't gelaat ziet blijde rond,

Een zangtoon streelt onze ooren:

Wij wanen weêr te hooren Een liedje uit Tessels mond.

En zijn medebroeder in Vondel, Oyens, die zoo vermakelijk 't dichters »Tierelierquot; had nagebootst, staafde daarbij met geen minder recht de door alle aanwezigen beaamde uitspraak ;

't Onthaal te Bovenkerk Is 't werk Des gulsten aller abten;

Zijn mildheid kent geen perk , Tierelier , Wat (hadden) we een plezier !

Te tien uren nam dat, met een hartelijken handdruk van afscheid en dank, een einde, en brachten toen dezelfde rijtuigen, die 's abten erkentelijke gasten en tochtgenooten

ocr page 59

— 43 —

's namiddags van Ouwerkerk gehaald hadden , hen , langs den Overtoomschen weg, naar Vondels woon- en 's Lands hoofstad terug.

Op den morgen na dien schoonen derden Augustusdag ontving de »uitnemende gastheerquot; te Bovenkerk, de dichterlijke hulde en dankzegging van Holdijk, die in deze de tolk is geweest van alle gasten:

»Een toovermorgen op het wisslend watervlak;

Een tooveruurtjen onder 't rustig burchtslotdak;

Een toovermiddag en een avond nooit volprezen —

Die dat tot stand brengt kan alleen een Brouwers wezen.quot;

Aan der» I leei* De Jong-e van Ellemeet, als Grastlieex* O ]gt;Iaai*t IST'O.

Wat 'k zeggen wil, is voor een eeuw of drie geschied. Toen de Ystad nog den grooten Vondel klein zag En niemand wist — zelfs Dokter Öoupier niet —

Hoeveel schats in de cel van Vondels hart en brein lag. Toen kwam aan 't Hof van Amstelland Een nieuwe vriendenkring tot stand,

En klom in levenstijd bijna met Vondels jaren.

Zijn kenspreuk zong alom, in 't »zoet vergaerenquot;

En zijn blazoen onthaalde ons op een vijgenboom, Die welig groeide En vruchtbaar bloeide Aan Y en Amstelstroom.

Wat 'k zeggen ga, is voor een eeuw of drie geleden, Gebeurd; wie weet wat nog gebeuren kan na heden, Nu Oost en West en Noord en Zuid Door minstens zes geslachten is beduid Van eeuw tot eeuw, hoe thans die kleine Vondel groot is, Al vindt men iet of wat, waar Vondel van ontbloot is.

ocr page 60

Ik klim de zestiende eeuw nu nog wat hooger op , En — klimt vrij mee — het klimmen van die dagen Kon Koenraad Sevenstar, noch Pauw noch ook een kop Als Hooft, nocli Roemer, noch Reael, noch vriend versagen; Der kamerbroeders vele in manlijk zielsbehagen,

Naar 's Muze-toren-hof meestegen in den top Des dierbren lindebooms, bij 't Amstelstroom-gewiegel Tot tempel opgesnoeid door Hendrik Laurensz Spieghel. »In liefde Bloeijendequot; klonk daar der vriendenleus — Wie onzer kent een schoonre, of wenscht een andre keus? Daar zaten naast elkaar, als wij hier naast eikanderen Geen aantal legioen, maar allen, Nederlanderen Met hart en ziel vereend in d'overdierbren band , Die Roomsch en niet-Roomsch bindt aan 't Neerlands vaderland. Zij zaten in hun kracht en bij het zoetst vergaeren:

Niet hij die nu spreekt, denkt, dat zij daar beter waren Bij Laurensz Spieghel in des lindenbooms prieëel

Dan wij aan dezen disch........

Ziet heden de Amstelstad niet bij dit »zoet vergaerenquot; Rondom den Zeeuwschen Commandeur

Een driemaal uitgelezen keur Van Neerlands Kunst en Letteren zich scharen?

J. W. Brouwers.

ocr page 61

IV HOOFDSTUK.

J. W. Brouwers als priester, door J. C. Alberdingk Thijm.

eeds is er veel, en bijna even zooveel goeds, gezegd van den alom bekenden, door velen geliefden en niet het minst in het Fransch sprekend buitenland gevierden priester, in de lentemaand van het verloopen jaar geheel onverwacht aan de Kerk van Nederland ontvallen. Men heeft daarbij vooral de uitwendige verschijning van »abbéquot; Brouwers in het licht gesteld : den geestdriftigen spreker , den gevatten debater , den aangenamen causeur in kleiner kring, den vaardigen polemist met de pen, den dichter van fraaie Fransche versregels, den man van onderneming en moed, den schitterend gallen gastheer, den toegewijden vriend, den edelmoedigen franc-tireur pro Papa et patria ; terwijl de uitnemende lijkrede en de met oprechte piëteit geschreven artikels in de Katholieke Illustratie 1) tevens een tipje oplichtten van den sluier, waarachter het eigenlijk inwendig, het priesterlijk leven van Bovenkerk's vromen herder zich verborg. In aansluiting met de laatstgenoemden wenschen wij in het Jaarboekje van Alberdingk Thijm, dat zoowel in zijne eerste ais in zijne tweede reeks Pastoor

1

Door A. J. Flament en Mathilde.

ocr page 62

— 46 —

Brouwers onder zijne medearbeiders mocht tellen , en met welks redactie hij buitendien immer op zeer vriendschappe-lijken voet stond, enkele trekken mede te deelen, die vooral the heart of hearts, den Christen, den priester in hem nog inniger mogen doen kennen en waardeeren en onzen lezers tot stichting strekken. Wij ontleenen die kleine feiten deels aan persoonlijke herinneringen, deels aan allerbereidwilligst verstrekte en dankbaar ontvangen inlichtingen van onwraakbare getuigen zijn handels en wandels. ')

Onze vroegste herinneringen aan Pastoor Brouwers voeren ons terug naar de jaren '61 of '62 en de ruime, artistiek gedecoreerde binnenkamer der woning van den bouwheer Cuypers, te Roermond , waar hij, destijds jeune el brillant professeur aan het bisschoppelijk college dier stad, met zijn collega, den geestigen Micliiel Smiets , als huisvriend verkeerde. Brouwers was toen in het volle jongelingsvuur zijner groote geestdrift voor Vondel: hij had den »Vaderquot; kort te voren in een «dichtwerkquot; verheerlijkt, dat de bijzondere verdienste had in zijn proza-gedeelte de Vondel-Milton-quaestie eens ex professo te behandelen en, na de commen-tatiën van Hoppenbrouwers op de Altaargeheimenissen, van den Eerw. Hoogleeraar Schrant op den Lucifer enz., en het door J. A. Alb. Thijm in zijne Gedichten uit verschillende tijdperken (2e deel) en doorloopende kritieken op de Vondel-uitgave door Van Lennep geleverde, tot het eerste te behooren , waarmede van Katholieke zijde de aandacht voorgoed op den grooten Keulenaar werd gevestigd. Men weet hoe aan Brouwers, inmiddels naar de Amstelstad verhuisd , ook een belangrijk aandeel toekwam in de organisatie der Vondelfeesten van 1867 en hoe hij met al de trouw van een schildknaap voor zijn grijzen ridder ten einde

•1) Te weten: do Weleerw. Heer H. N. Colla, oud-kapelaan van Bovenkerk en Mevr, A. C. T. Cuypers—Alb. Thijm.

ocr page 63

— 47

toe bereid, ja belust was met iederen aanbasser des grooten Meesters een lans te breken. Te Amsterdam, door Mor

7 O *

Jud. Smits aan de redactie van De Tijd verbonden, bewoonde hij aanvankelijk een bovenhuis in de Leidsclie straat en toog daarna als rector van het Sint-Bernardsgesticht naaide voormalige Oude Turfmarkt. Van zijn verblijf in dit huis bleven mij vooral twee kleine gebeurtenissen in 't geheugen; de eerste, dat hij er zich door den Hoogeerw. Pater Provinciaal der Predikheeren, Van der Heyden, liet opnemen in de 3e orde of regel van den H. Dominicus. De andere was deze : toen ik er hem vaarwel kwam zeggen bij mijne intrede in de Sociëteit van Jesus , vond ik hem bezig met het breviergebed. Juist voleindigde hij de Vrijdagsche vesperpsalmen en met een gevatheid, waaruit nog meer diep religieuze geest dan welwillendheid sprak, maakte hij op mij een welsprekende toepassing van het zooeven gelezen laatste vers van den 141sten Psalm: Educ de cuslodia animain iiieam ad conjitendum nomini tuo : me exspectunl justi donec relrihuas mihi.1)

Overigens van den aanvang af was hij niet alleen de toegewijde, maar in werkelijkheid de echt priesterlijke vriend onzer familie. In 1864 ging onze onvergetelijke grootmoeder, Catharina A. Th., tot een beter leven over. In haar als handschrift door J. A. A. Th. uitgegeven levenschets lezen wij: »Vooral heeft haar zieleleven, het laatste jaar,2) veel kracht en zoetheid geput uit den schier dagelijkschen omgang met den jongen, vromen en zoo uitnemend begaafden roermondschen Professor Joannes Wilhelmus Brouwers, die burger van Amsterdam was geworden. Zij zag hem bijna aan als een zoon; en zij vond een groot geluk in het denk-

1

Ontvoer mijne ziel aan haar gevangenschap, opdat zjj uw Naam verheerlijke; do rechtvaardigen verwachten mij, opdat Gij mjj vergelden zult. Ps. 141,10.

2

Br. kwam in 1803 naar Amsterdam.

ocr page 64

beeld er een te hebben, die priester was. Als een waardige, eerbiedige, innig liefhebbende zoon heeft hij tot haar laat-sten snik zich ten haren opzichte gedragen. Luister slechts even naar het bericht omtrent die allerlaatste uren : . . . . »Zij heeft van dat oogenblik af weinig meer gesproken, 's Namiddags herkende zi] onze zuster nog, maar anders heeft zij mond en oogen bijna niet meer geopend dan om te bidden en het kruisbeeld te zoeken. Hare korte aanroepingen waren bij afwisseling in 't Hollandsch en in het Fransch. Zij had sedert den vorigen avond al ieder oogenblik het slot van het ]Vees gegroet gebeden; maar als zij gezegd had : »Heilige Maria , Moeder Gods ,quot; dan moesten de omstanders het gebed voltooien. Zacht en troostrijk sprak onze vriend Brouwers haar dan toe en zeide, dat Maria haar met open armen wachtte, om haar Gods Heerlijkheid binnen te leiden. Als zij dan dikwerf verzuchtte ; »0 mon Jésus, ayez pitié de moi!quot; dan fluisterde de Priester haar toe: »Le bon Jésus ««?•« pitié de vous; il nous aime plus que per-sonne ne pourrait nous aimer.quot; Waarlijk, indien hij van haar getuigen kon: »Elle a vécu comme une chrétienne, elle est morte comme une sainte ,quot; dan was het kostbare van dien dood in het oog des Heeren voor een niet gering deel ook te danken aan »den eerwaardigen en dierbaren vriend, die in de laatste 24 uur niet van haar bed was geweken.quot;

En die edele vriendschap heeft zich nimmer verloochend, ruim dertig jaren lang. Ziehier een ex tempore , juist twee maanden vóór zyn onverwacht overlijden , voor een kleinkind ') der waardige Vrouw, door Pastoor Brouwers op het papier geworpen. »Reeds meermalen ,quot; zoo meldt men ons, was hij aangezocht iets in haar autografen-album te schrijven^ Eindelijk , toen hij na een kwartier moest vertrekken, om het spoor te halen, stond hij van de ontbijttafel op, ging

1) Mej. Annie Cuypers.

ocr page 65

aan de schrijftafel zitten en schreef zonder eenige voorbereiding het volgende gedicht.quot;

3en Januari 1893 ,

Octaafdag van St. Jan, den leerling dien Jesus beminde.

Aan Annie Cuypers.

Wilt Gij een bloemeken, dat steeds in geur en sroei

' O O

De wintermaanden als de lentemaand bekoort?

Een vogelkijn, dat in des werelds stormgeloei

Een lied des hemels zingt in 't hart dat naar hem hoort?

Wilt Gij bij dag en nacht op uwe levensbaan

Een lieve zonne, die niet weet van ondergaan?

Wilt Gij in 't eigen hart een lusthof onverstoord ,

Al werd met doornen voet en hand en hart doorboord?

Wilt Gij die schatten al te gaar U zeiven geven ?

Laat Uwe liefde dan van Jesus' liefde leven.

J. W. Brouwers, Pastoor van Bovenkerk.

Men veroorlove ons hier nog een ander dichterlijk albumblad van zijne hand aan toe te voegen : ^

Lorsque sur notre front un pavilion d'azur

Se déroule;

Quand a nos pieds coule Sur un tapis de mousse ou sur un gravier pur

Le flot de la colline ;

On voit d'un seul regard dans Tonde cristalline Le ciel et ses splendeurs Et la terre et ses fleurs.

4

1) Opgesteld voor Mej. Dor. A. Th., thans Wed. Fuchs te Antwerpen.

L. P. Bil.

ocr page 66

— 50 —

C'est ainsi, noble Dame ,

Qu'on peut d'un seul regard Deviner une ame Sans art et san? fard.

Comment pourrais-je done, quand votre album demande Le pieux souvenir que mon ame commande,

Vous refuser de griffoner ce voeu :

Qu'a la celeste sphere 11 redise la prière De ton celeste amour ! Qu'a l'heure du retour Au paternel sejour, II porte sur son aile Ton ame fidéle,

Des bords du tombeau Au banquet virginal des noces de I'Agneau !

W. Brouwers 18G0. pr.

Tot dezelfde richtte hij in 1890 het volgende vierregelig:

En souvenir du Conyrès Eucharistique.

La vie est un fleuve qui passe:

Le flot succède au flot, le jour succède au jour. Que chaque flot vous porte une nouvelle grace De Foi, d'Espérance, d'Amour!

Que l'Ange de Dieu

Protege Contre tout piège Ton bonheur. Et ta candeur

Du coeur Contre la poussière

De la terre. Et la serre

Du vautour !

18- 22 Aoüt 1890.

Het Eucharistisch congres! Daar had zich pastoor Brouwers zoo recht op zijn plaats bevonden: immers het middelpunt van het leven der Kerk was ook het middelpunt van

ocr page 67

— 51 —

dit priesterlijk leven. Hooren wij een ooggetuige zeiven ') ons verhalen van die buitengewone godsvrucht zijns pastoors voor het Hoosheilis: Sacrament,

O O

»Met welk een geestdrift en bezieling pastoor Brouwers in meer dan éene redevoering het H. Sacrament verheerlijkte, is overbekend. ') Maar wat hij sprak kwam overeen met de handelingen zijns levens, zijn woord was een weerklank zijner daden.

Zoover mij bekend, heeft hij nooit of nimmer de H. Mis gelezen zonder zich behoorlijk voor te bereiden, dat wil zeggen: zóo vroeg kon het uur der H. Mis niet wezen, of de voorbereiding was nog vroeger, en nooit maakte een menigte van biechtelingen hem het verblijf in den biechtstoel noodzakelijk, of hij achtte het nog noodzakelijker dien te verlaten om zijne praeparatio ad Missum te houden. Wanneer het te voorzien was, dat hij nog vóór de H. Mis biecht zou moeten hooren, trad hij den biechtstoel niet binnen, dan nadat hij zijne voorbereiding behoorlijk verricht had. Onze lieve Heer mocht daar niet bij te kort komen , en hij zou veel liever geruimen tijd na het gestelde uur de H. Mis beginnen dan onvoorbereid het altaar betreden.

En die voorbereiding werd , ook des winters , niet gehouden in zijne kamer , maar altijd in de kerk of in de sacristie. Daar lag hij dan neergeknield, meer dan een kwartier , bijna een halfuur lang. Gedurende dien tijd was hij voor niemand te spreken en ook durfde niemand het wagen hem zonder hooge noodzakelijkheid in zijn gebed te storen. Meermalen is het gebeurd, dat parochianen op de sacristie kwamen om hun pastoor nog voor de H. Mis het een of ander mede te deelen; doch wanneer zij hem dan zoo diep

1) De Eerw. Hoer Colla.

2) Men zie o. n. zijne redevoering op het Eucharistisch Congres van Antwerpen in den Pim-Almanak 1892 bl. 80.

ocr page 68

godvruchtig zagen bidden, werden zy daardoor niet zelden zóo getroffen, dat zij , hun boodschap vergetende, zoo stil mogelijk de sacristie weder verlieten.

Wie ooit gezien heeft, hoe innig godvruchtig pastoor Brouwers de H. Mis las, zal het niet licht vergeten. Verdwenen was dan alle drift en levendigheid, weg alle zwier, dat alles had plaats gemaakt voor den deftigsten, lioogsten, en heiligsten ernst. Ook duidde niemand het hem kwalijk, wanneer de H. Mis ook eens langer duurde, want iedereen, zelfs de flauwste Christen werd opgewekt en gesticht, wanneer hij de diepe godsvrucht zag, waarmede pastoor Brouwers het onbevlekte Offer aan God opdroeg.

Was de vrome priester teruggekeerd in de sacristie, waarlijk treffend was het dan te zien, hoe hij zijne dankzegging hield. Hij scheen geheel en al verslonden in het gebed: dan kon hij daar liggen neergeknield met uitge-gestrekte armen; dan gleden de koralen van den rozenkrans langzaam door zijne vingeren of hield hij eene overweging op de heilige geheimen die hij zoo pas had gevierd.

Het was dan ook geen wonder „ dat niemand hem die kostbare oogenblikken durfde ontnemen : zij waren zijn onvervreemdbaar eigendom, en het bezit daarvan liet hij zich door niets ter wereld, zelfs niet door zijnen besten vriend ontrooven. De parochianen wisten dit ook zeer goed; en wanneer zij naar de sacristie kwamen om hun pastoor b. v. het lezen eener H. Mis op te dragen, dan wachtten zij zoolang totdat hij opstond en aldus het teeken gaf, dat zijn gebed was geëindigd.

Maar niet alleen voor, onder eu na de H. Mis toonde zich pastoor Brouwers' devotie tot het H. Sacrament, daar waren nog zooveel andere oogenblikken , waarin die godsvrucht schitterde.

»Nooit,quot; schrijft Mathilde in de Katholieke Illustratie , »nooit ging pastoor Brouwers uit zijne parochie, zonder

ocr page 69

— 53 —

»eerst een bezoek aan het H. Sacrament te hebben gebracht.quot; Maar nooit ook, zoo mag er aan worden toegevoegd, keerde hij te Bovenkerk weder, of zijn allereerste werk was Jesus in zijn H. Sacrament te begroeten. Hij ging niet eens de trappen der pastorie op om zich eerst te ontdoen van reis-benoodigdheden of zich te verfrisschen , maar begaf' zich door de keukendeur onmiddellijk naar de kerk, en eerst nadat hij daar eenige oogenblikken voor het H. Sacrament geknield had gebeden, trad hij de pastorie binnen en ontvingen de huisgenooten zijne begroeting.

Zijn bijzondere godsvrucht tot het H. Sacrament deed hem ook lid zijn van de „Association des Pretres-aclornteurs.quot; lederen Vrijdagmiddag, gewoonlijk te 4 uren, noodigde een bescheiden klokje de om de kerk wonende parochianen uit, om met hun pastoor het wekelijksche uur van aanbidding te houden. Dan werden de deuren van het tabernakel ontsloten en de gordijntjes weggeschoven, zoodat de pyxis te aanschouwen was , en bracht hij neergeknield voor het H. Sacrament, een uur lang in gebed en overweging door.

Nooit, men mag het veilig aannemen, heeft de pastoor dat uur van aanbidding verzuimd, en al zou de koude of de warmte een ander afschrikken , pastoor Brouwers bleef zijn plicht van prêlre-udoraleur getrouw.

Met eene heilige, kinderlijke ingenomenheid bleef de goede pastoor altijd denken aan den dag zijner eerste H. Communie. Vol gloed kon hij spreken over het vieren van den jaardag der eerste H. Communie. Zoo sprak hij op het Congres Eucharistique, dat in 1890 te Antwerpen gehouden werd : »Werd u gevraagd welke de schoonste dag van uw »leven was, gij zoudt schier allen antwoorden ; de dag mijner »eerste H. Communie. Voor niet weinigen uwer heeft God »zelfs den schoonsten wensch vervuld, dien zij op den »schoonsten der dagen konden uitspreken in de woorden : »0, mocht elke dag des levens een dag van H. Communie zijn!

ocr page 70

»En nu zij aau ieder van u deze vraag gesteld:

»Wie viert al niet, meer of minder, den verjaardag zijner geboorte ?

»Wie uwer viert niet gaarne een blijde zilveren bruiloft?

»En wanneer er sprake kan zijn van een gouden bruiloft van een huwelijk of van eene priesterwijding, wie uwer zou willen in gebreke blijven?

»Maar waar blijft dan de logica van onzen geest of de dankbaarheid van ons hart, wanneer wij niet herdenken, niet vieren den verjaardag, de zilveren bruiloft, de gouden bruiloft van onze eerste H. Communie? Eene dusdanige bruiloft werd onlangs gevierd dooreen lid van de »Association des Prêtres-adorateursquot;, in de nabijheid der Heilige Stede van het Sacrament van Mirakel te Amsterdam.quot;

Dat lid van de Association des Prétres-adorateurs , die in de nabijheid van Amsterdam woonachtig, de gouden bruiloft zijner eerste H. Communie vierde, was — de lezer heeft het geraden — pastoor Brouwers zelf.

Op Sacramentsdag van het jaar 1890 had dit heuglijk »bruiloftsfeestquot; plaats. Om aan ieder zijner parochianen gelegenheid te schenken ook voor zijne eigene eerste H. Communie dank te brengen aan God, werden er een viertal dagen geestelijke oefeningen gegeven door Eerw. Paters Redemptoristen, met het gevolg, dat van de 700 communicanten der parochie er bij de G00 op dien dag tot de H. Tafel naderden, terwijl de overigen bijna allen den volgenden Zondag kwamen communiceeren.

Zóódanig was de devotie van pastoor Brouwers tot het H. Sacrament des Altaars; zoo dacht, zoo sprak, zoo deed hij; en de man, die zich zoo thuis gevoelde op groote vergaderingen, in geleerde gezelschappen, op druk bezochte congressen van kunst en wetenschap, hij gevoelde zich nog meer thuis wellicht in de eenzaamheid , maar in de eenzaamheid van het H. Sacrament.

ocr page 71

Want ook is dit feit vermelding waardig, dat pastoor Brouwers iederen dag als hij thuis was, ziju bezoek bracht aan het H. Sacrament.

Tegen den avond van iederen dag trad de pastoor het heiligdom binnen. Dat uur der avondschemering was hem vooral dierbaar. Want die avondschemering, welke de kerk vulde met een geheimzinnig duister, dat de schoonheid der architectonische lijnen aan zijn oog onttrok, zou hem helpen om zonder afleiding 's Heeren lijden en liefde te overwegen.

Langzaam ging hij dan voorbij de staties van den kruisweg, en wanneer reeds de schemering voor algeheelen duisternis had plaats gemaakt, vertoefde de brave pastoor nog altijd in de kerk, en hield er zijn dagelijksche aanbidding van het R. Sacrament.

Zoo was het leven van pastoor Brouwers eene voortdurende vereering van het H. Sacrament. Niet alleen zijn denken en mediteeren, zijn bidden en spreken, ook zijn studie en zijn werken was daaraan gewijd.

Uit liefde tot dat H. Sacrament ondernam hij de vertaling van Calderon's Autos Sacramenlales; uit liefde tot dat H. Sacrament hield hij op het Congres Eucharistique te Antwerpen die heerlijke redevoering, waarin hij dikwijls door de uitbundigste bijvalsbetuigingen werd onderbroken.

En nooit, mag men gelooven , is hem een daverend applaus meer welkom geweest dan bij die gelegenheid, omdat hij dat applaus niet beschouwde als zijn eigen triumf, maar als een hulde aan het H. Sacrament des Altaars.

Een zijner lievelingsdenkbeelden was daarom ook de ver-heerlijking der H. Stede van Amsterdam, en men weet met welke grootsche plannen hij daarvoor omging. In 1805 toch zullen zes en een halve eeuw zijn verloopen, sinds het God behaagde de Amstelstad, toen nog een visschersbuyrt'% door het »vierenswaerdigh wonderquot; een vorstinnekroon op het hoofd te plaatsen, waarvan de keizerskroon boven haar

ocr page 72

— 56 —

wapen en op haar hoogsten toren niet dan een flauwe afschaduwing mag heeten.

In dat jubeljaar moest er een prachtuitgave vanVondel's Altaargeheimenissen, maar met degelijke theologische en kerkhistorische aanteekeningen opgeluisterd, verschijnen. Een votiefkerk , een baziliek der H. Stede , moest er verrijzen, om den toekomenden geslachten te verkondigen, aan wien Amsterdam, »'t oord zooveler teederhedenquot; Gods, om met Broere te spreken, zijn »eer en opkomenquot; had te danken. En vroeg men den vromen, geestdriftvollen priester, hoe hij tot het half millioen guldens meende te geraken, voor zulk een bouw vereischt, dan stelde hij een middel voor, waarvan men het dieptreffende althans niet zal miskennen. gt;Er is geen mensch in 'tland zoo behoeftig, sprak hij, die niet iedere week een cent kan missen — hoeveel duizenden worden er niet elke week verdronken? — Welnu, ik zou alle Eerw. Pastoors van het land uitnoodigen, elk kind, bij gelegenheid der eerste H. Communie, de verbintenis te doen aangaan van elke week een cent te offeren en zoolang te blijven offeren als noodig blijkt tot delging van de schuld der kerk. Zoo zou men, de grootere giften medegerekend, binnen weinige jaren de som bijeen hebben; dat enkele penningske zou een heerlijke »Christus-aalmoes' mogen heeten en onze baziliek een monument worden, in de hoofdstad des rijks, ter Heilige Stede, tot dankbaarheid en eerherstel aan den ook ten onzent zoo diep verguisden God der altaren, door het gansche Katholieke volk van Nederland gesticht.quot; Wij herhalen: een inderdaad zeer treffend denkbeeld. Over de practische uitvoerbaarheid daarvan kan getwist worden; maar dat er in een nadere of verdere toekomst, te midden en boven de honderden nieuwe kerken, die in ons land ter tweede helft dezer eeuw gebouwd zijn, ook een waardig heiligdom der hoogheilige Stede van Amsterdam moet en ook zal verrijzen, — geen Katholiek hart kan bet betwijfelen.

ocr page 73

— 57 -

De Katholiek kan Jezus niet noemen zonder aan Maria te denken en maakt in zijne liefde wel onderscheid, maar geen scheiding tusschen hetgeen God zelf zoo innig veree-nigd heeft als het Kind en de Moeder.

Geen wonder derhalve dat Pastoor Brouwers bij zijne godsvrucht tot den Zaligmaker in het allerheiligste Sacrament ook eene teedere, kinderlijke devotie koesterde tot Maria. Als geestelijke zoon van den H. Dominicus was hem het Rozenkransgebed bijzonder lief. Nooit zou hij zich ter ruste hebben begeven, hoe ver gevorderd het avonduur ook ware, zonder eerst zijn rozenhoedje te hebben gebeden en in gewone omstandigheden bad hij dit met al zijne huisgenooten, zooals hij 't waarschijnlijk in zijne kinderjaren, naar aloude katholieke zede, had geleerd en placht dan nog twaalf »Onze Vadersquot; en »Wees-gegroetenquot; tot verschillende intenties er aan toe te voegen. Niet zelden hield hij op zijn tochten van Bovenkerk naar Amsterdam en terug zijn rozenhoedje in de hand, zooals meer dan een vriend , die hem ontmoette en de hand drukte, getuigd heeft.

De liefde tot de Moeder Gods maakte hem waarlijk welsprekend op den kansel, zoodat de Bovenkerkers op een feestdag van Maria bij voorkeur konden rekenen op een »mooie preekquot;.

Bijzonder dierbaar was hem de godsvrucht tot O. L. Vrouw van het H. Hart. Zijn hartewensch ware geweest Bovenkerk's nieuwen tempel onder dien titel aan God toe te wijden. Toen dit plan echter niet verwezenlijkt mocht worden, deed hij niet alleen een fraai gepolychromeerd beeld van O. L. Vrouw van het H. Hart op haar altaar plaatsen, maar versierde, eenige weken voor zijn dood, het heiligdom met een gebrandschilderd venster, waarop hij zelf is voorgesteld, nedergeknield aan Maria's voeten en haar Bovenkerk's bedehuis met kinderlijke toewijding aanbiedend.

Dat die geest van godsvrucht en gebed, welke hem be-

ocr page 74

— 58 —

zielde, gepaard ging van een waren geest van versterving, ook in het uitwendige, zullen misschien velen niet vermoeden, die Bovenkerk's Pastoor alleen gekend en genoten hebben als uitstekend milden en jovialen gastheer; en toch is het een feit, dat hij, alleen zijnde, zich niet slechts van het gebruik van wijn, maar ook van dat van suiker in spijs of drank , ja dikwijls van boter bij het brood aan ontbijt of avondmaal onthield. Was hij echter in gezelschap, dan moest dat alles ophouden om plaats te maken voor de beoefening der „eutrapcliaquot;, de deugd der »goede conversatiequot;, waarin hij 't metterdaad tot een benijdbare hoogte had gebracht.

Pastoor Brouwers' oprechte liefde voor zijne parochianen sprak vooral luide, waar het gold lijdenden en ongelukkigen te helpen. Reeds werd in het Illustratie-nummer een treffend voorbeeld daarvan aangehaald. Ziehier nog enkele trekken. Zijn eerste werk, na het betrekken der nieuwe pastorie was daarin drie weesjes op te nemen , die geen tehuis hadden. Den eersten nacht bracht bij zelfs, daar de huishoudster nog in het oude huis was achtergebleven, met de drie verlaten kinderen alleen in zijn nieuw verblijf door ; maar, wat meer en beter van zijn medelijdende liefde getuigt: hij behield ze zoolang en rustte niet, totdat hij een zeer goede gelegenheid had gevonden die kleinen te plaatsen.

Waren er zieken in de parochie van de laatste Sacramenten voorzien, dan werden zij zoo goed als dagelijks door den Pastoor bezocht. Om hen niet te hinderen of te vermoeien, trad hij dan dikwerf in alle stilte de woning binnen , bleef een oogenblik bij hen bidden , schonk hun nogmaals eene H. Absolutie en vertrok even ongemerkt van den zieke als hij gekomen was. Verkeerde de lijder in stervensgevaar , dan zag men den Pastoor soms meermalen op denzelfden dag aan het ziekbed verschijnen, om te sterken en te zegenen voor de laatste, gewichtige reis.

ocr page 75

— 59 —

Eens — hij zou vertrekken naar een congres of wetenschappelijke vergadering — bezocht hij onder 't heengaan eene zijner parochianen, die gevaarlijk ziek lag. De vrouw openbaarde het verlangen nogmaals bij den Pastoor te biechten. Wat te doen? De omnibus stond op het punt van vertrek. Pastoor Brouwers aarzelt geen oogenblik. Bedaard zet hij hoed en reiszakje ter zijde en al loopt hij gevaar nu niet op den bepaalden dag ter vergadering aanwezig te zijn, hij oefent bij de zieke zijne bediening uit als ware er niets te verletten geweest.

Veilig mocht men voor eiken zieke zijner parochie, onverschillig of het zijne biechtkinderen waren of niet, aan de pastorie om onderstand of versterkende middelen komen aankloppen: het beste wat er in huis en kelder voorhanden was, bleek dan niet te goed — gelijk in 't algemeene zijne vrijgevigheid maat noch grenzen kende. Onder de »intentiesquot;, bij het gemeenschappelijk avondgebed herdacht, was er ook altijd eene voor de zieken der parochie.

Ditzelfde gold van de overledenen zijner kudde, wien ook dagelijks een vaste memenlo in de H. Mis huns herders ten goede kwam. Op den dag der eerste Communie had hij de treffende gewoonte de jeugdige communicanten, na afloop der plechtigheid, naar het kerkhof te geleiden, opdat daar uit die reine , bevoorrechte kinderzielen een hartelijk gebed voor de rust der overleden geloovigen van Bovenkerk ten hemel mocht stijgen. Dat kerkhof had hij, nauw een jaar na zijne aanstelling tot Pastoor, aan zijne kerkelijke gemeente geschonken.

Onzen lezers is allicht de heerlijke schets van Veuillot bekend : Ce que e'est qu'un curd Al achten wij dat opschrift niet volkomen passend boven de voorgaande regelen, toch heeft eene dergelijke gedachte als de veder van den onsterfe-lijken Franschen publicist bestuurde, ons bij het opteekenen

ocr page 76

— 60 —

dezer enkele levensbijzonderheden geleid. Mogen zij hun, die Pastoor Brouwers van nabij gekend en gewaardeerd hebben, eene welkome herinnering zijn, bij anderen meer dan voor zijne schitterende begaafdheden, hoogachting en sympathie wekken voor zijn meer dan gewone priesterlijke godsvrucht en deugd!

J. C. Alberdingk Thijm, S. J.

Over Brouwers en van Brouwers volgen hier eenige versregels :

Bij tien dood van Pastoor Brouwers.

Zoo heeft hij eindlijk 't hoofd ter ruste neergelegd , Die rusteloos, vol vuur, den kamp heeft meegestreden. In eiken strijd vooraan, waar Christus moest beleden, Of waar een eedlen naam zijn glorie werd ontzegd,

Of waar het vaderland in schande werd vertreden,

Bleef hij , zijn leven lang , des Heeren wapenknecht, Oud-Uollands trouwe zoon, fier paladijn van 't recht. Een held van kloeken zin en priesterlijke zeden.

Nu vond hij eind'lijk rust, maar met de rust zijn kroon. Zijn helden voerden hem ten eeuw'gen Zonnetroon, Waar alle Liefdegloed en Geestdrift wordt geboren.

Nu jubelt hij verrukt de volle melodie — Geen staamlende echo meer -— der hoogste Poëzie ; 't Onsterflijk zegelied der blijde hemelkoren.

A. B.

W. 1893.

ocr page 77

— 61 —

^Van den Hemelsclien Vader.

O Vader, eindloos lioog in 't licht van uwe hemelen, In needrigheid mag toch tot U de smeekstem wemelen

O O

Van 't nietig menschenkind, gebogen in het stof, Daar zijn beminnend hart zich toewijdt aan uw lof.

0 Vader, laat dan uit uwe eeuwige eeuwigheden Het Ongeschapend Woord my sterkend nader treden : Want alles wat er is, bij 't Fiat zijner stem Geschapen werd, en Gij niets maaktet zonder Hem.

Laat komen uwen Geest, de Liefde van ü beiden Voortkomend, doch van ü noch van het Woord gescheiden ; Waar één is, de andren zijn, almachtig, wijs en goed. Verlicht, versterk mijngeest, mijn hart en mijn gemoed,

Opdat ik uit het stof in 't rijk der Geesten klimme, Opsteigrend naar de zon der Openbaringskimme.

Het kunnen komt van U; het willen koom' van mij ! Ik wil, zoo ver ik kan, uw opperheerschappij,

Mijn God, erkennen, en bewondren, en beminnen Uit alle kracht en macht van geest en hart en zinnen. Gods wijsheid en Gods liefde is oorsprong eu begin Van 't Hooge lied der ziel; ik weel en ik bemin.

ocr page 78

— 62 —

^Vnn de IVtoederma-agtl.

o Moedermaagd, werd U door 's Dichters pen beschreven In woord en melodie der ziele lofgezang,

Een vlugge hand 1) schreef met veel spoed, niet maanden lang, Maar tot aan 't eiade van een tachtigjarig leven.

En midd'ler tijd zij vlug en vlugger werd gedreven Naar 't hemelsch doel, met steeds vermeerderenden drang, Steeg ook de gloed der liefde, en voelde en hoorde eerlang In eiken slag van 't hart een vlucht van liedren beven.

Wat 's Dichters liefde, die des Heilands Moeder eert. Om 't Hooglied van haar liefde en heil te laten hooren Vraagt, is een hemel met zijn negen Englenkooren.

Kwam de eindlooze eeuwigheid van God niet zijn begeert' Te moet, de wanhoop zou zijn minnend hart verstrikken. Voor 't hemelhebbend hart zijn eeuwen, oogenblikken.

I gt;e gt;renscli.

Van hier , wie zingen wil het wordingslied der apen! Ik zing hoe de oude mensch door Gods hand staat geschapen. De lier van 't Heidensch Rome aanschouwde 't dierenrijk, En zong hoe ieder dier naar de aarde ziet in 't slijk, En hoe alleen de mensch met aangezicht en oogen

o o

Rechtstandig is gebouwd, om naar de hemelbogen Van zelf, natuurlijk op te zien, van waar zijn stam.

Meer heilig dan deze aard , zijn eersten oorsprong nam. Zoo zag de Heiden zelf in de edele gestalte

•1) Vondel.

ocr page 79

Van 's menschen lichaamsbouw een blijk van Godsgehalte: 't Zij Hij, die alles wrocht, uit de eigen Godsnatunr Hem schiep, of dat uit aard en vloed en hemelvuur Een ander hem bootseerde. Uit de aard naar 's hemels stede Wees hem zijn lichaams-stand, wees hem zijn geestesrede. De Heiden kende zich den hemel aanverwant.1)

En wat zou zijn begrip, zoo luttel, bij 't verstand Op 't grootsch natuurgebied dat voor ons hare schoonheid Aan hemel en op aard , en schooner nog, ten toon spreidt In 't godd'lijk lichaamsbeeld, den tempel van den geest, Voor wie er het verband des Scheppers plan in leest! Wie oor heeft voor gezang en klank en melodiën, Wie geest heeft en gevoel voor breede harmoniën, Hij weigere aan ons woord geen welgestemd gemoed: De Godstaai der natuur doet onze harten goed. Harmonischer een stijl hoeft niet de kunst te wenschen Dan ons de wetenschap én in den bouw des menschen En in den wonderbouw der heeralen heeft ontdekt.

Dezelfde hoofdlijn is bij beiden uitgestrekt;

Langwerpig rond in vorm doet zich het stelsel gelden, Dat 't hemel sche gewelf en 's menschen lichaam melden Als overheerschende. Zoo regelt en omschrijft Eenzelfde lijn de vlucht der hemelsfeer, en blijft Op 't aardsche rond alleen aan 's menschen lichaam eigen. Vergeefs rechtop gezet wat slechts als dier moet neigen Naar 't lang bestaan en weer vergaan van louter stof: Niet één van al, dat hier in drieklank samentrof.

Genoeg alweer gevolgd de wankelende stappen En 't wagg'lend onderzoek in 't rijk der wetenschappen : Als of de schemering van zulk een wederschijn

1

Sanctius his animal, inentisque capacius altre Deerat adhuc, et quod dominari in camera posset,

Natus homo est. Sive hunc divino semine fecit 111e opifex rerura, etc. Üviüuis, Me tam. L. I, v. 7G etc.

ocr page 80

Des Christen Godsgeloof bevestiging kon zijn.

Doch hoort! Plechtstatig rolt, in wondervolle akkoorden,

Een lied dat God en mensch verheerlijkt zonder woorden.

Voor Michel-Angelo sprak 't voorgevoel zich uit,

Dat sinds aan 't vorschend oog ten doel werd aangeduid:

Of zich ook harmonie van evenredigheden

In 's menschen beeld betoont? Of ze in zijn lichaamsleden,

Een ideaal bereikt dat geenen wanklank duldt

Als de eerst gestelde wet des Scheppers wordt vervuld ?

Men heeft de lijnen van het menschbeeld opgeteekend ');

Men heeft haar hoeken als de kromten stipt berekend.

De afmetingen gemerkt, niet in een woordentaal,

Maar trouw geboekstaafd in het schrift der tonenschaal.

Plechtstatig klinkt het lied der evenredigheden

Des tempels van de ziel in 't stoflijk hier beneden.

Des lichaams ledenbouw , nu voor het oor vertaald ,

Heeft stipt én hoofd- én grond- én middentoon bepaald,

En duldt in 't volle koor geen tusscheutoonverspillingen.

De toonverhoudingen der snare, welker trillingen

Volmaakt of onvolmaakt, maar altoos muzikaal

Geklank verwekken in de feestelijke zaal:

De kromte van den kreits, waarin de hemelbollen

In dans en in kadans door 't ruim der sferen rollen,

Zij treffen hier te saam. Natuurlijk een verband

Voor 't samentreffen hier ligt buiten ons verstand.

En toch zijn ze in den mensch zoo schoon bijeen gemengeld.

En houden ziel en stof bij hem tot één gestrengeld

Als in een hemelplant van 't aardsche paradijs,

En schrijven met hen twee den vorm voor, en de wijs

Die in den lichaamsbouw der menschen, melodiën

Der aard vereenigen tot hemelharmoniën.

1) «The Principles of fieauty,quot; by Jolm A. Symonds. M. Lond., 1857... From Mr. Hay's.

ocr page 81

- 65 -

Waar zou het henen, moest elk tempelsonderdeel1) Het glansrijk voorwerp zijn van 't dichterlijk paneel ? De kennis der natuur in elk der enkelheden 2)

Zou voor uw geest eu hart een harmonie ontleden Die glorie zingt tot God den Schepper van 't Heelal, En vrede tot den mensch in 't aardsche tranendal.

Heeft God aldus gezorgd met alles macht'ge vroedheid Voor 't lichaam; wat zal dan zijne onbegrensbre goedheid Voor onze ziel? Meer dan des menschen oogen treft;

Meer dan het oor verneemt, meer dan de geest beseft; Ja, meer nog dan het hart begrypt. En toch, 't vermogen Des harten, om 't begrip der Godheid te betoogen, Is endloos grooter dan de denkkracht van den geest Bij 't schranderste vernuft des wijsgeers is geweest.

God is de Liefde, God heeft ons het hart bevleugeld Tot endloos hooge vlucht; maar heeft den geest beteugeld Door toom en stangtrens in 't gelid der needrigheid. Wie God begrijpen wil, wordt door Gods Majesteit Verpletterd, als het graan bij 't draaien van den molen. Wie God beminnen wil, dien blijft God niet verholen, 't Beminnend hart begrijpt Gods onbegrepenheid.

Het wordt van deugd tot deugd naar meer begrip geleid, 't Durft met Joannes aan den Heiland alles vragen,

Vóór Petrus zelfs; en ziet. God vindt zijn welbehagen In 't openbaren van 't geheim aan heel den kring,

Nadat het was gevraagd door zijnen lieveling.

Werd Petrus dan de rots, de grondslag, trouw bewarend

5

1

De toonschaalloer in lt;Ie steongewroohton «Ier Bouwkunst, heb ik gebizonderd in eene Conference Utléraire a Liege, welke op haar plaats zal ter pers gaan.

2

Een afzonderlijk paneeltje, tc wjjden aan hel oog; een ander aan het gehoor; een ander aan hel hart en aan den bloedstroom, met hunne wetenschappelijke toepassingen op de stoffelijko buitenwereld en de ■werktuigkunde heb ik werwezen naar het Nieuwe I'lan, waarover straks nader.

L. P. Bil.

ocr page 82

De toevertrouwde leer, Joannes werd Gods arend,

Die steeg van sfeer tot sfeer, van Englenkoor tot koor, De Machten ver voorbij, de Krachten ook; steeg door Den schitterenden staat der hoogste Serafijnen,

Om nader bij den troon der Godheid te verschijnen.

Daar heeft zijn geest, o neen, daar heeft zijn hart gehoord 't Aanbiddelijk geheim van 't Ongeschapen Woord, o Nederland, dat nog op Christus blijft betrouwen : Wat Christus heeft gebouwd, wilt gij het beter bouwen? De geest is u verdwaald ; maar 't hart is u nog goed. 't Is de een'ge flikkering die ons nog hopen doet, Wanneer wij treurend zien die Christusloochenaren Die Ge in uw midden telt bij viuggegroeide scharen. Van 't meegenomen deel uit 't vaderlijke Huis Bleef u één waarheid nog : het heil door Christus Kruis. En bij een zuiver hart en onbesproken zeden Ging nog de goede trouw den weg op naar Gods Eden. Maar nu wordt aan ons volk 't vergift des doods bereid ! Een nieuwe Moloch's dienst wordt hier ten toon gespreid. Was de eerbied der natuur in eer en kracht gebleven. Hg wordt thans schandelijk uit hart en huis gedreven. Een zedeloosheid, bij ons volk schier niet bekend,

Wordt hem, die Christen was , balddadig ingeënt. Der gruw'len gruwel wordt in 't huis ten troon verheven: 't Vermoorden wordt geleerd bij d'aanvang van het leven, o Heiligheid van d'Echt! bij 't zaligend verbond Door God gesloten in des werelds morgenstond.

Door God herheiligd, en van de afgedwaalde paden Tot eenheid weer hersteld, in waarheid en genaden.

Gewis, een blijde stoet van Englen togen meê,

Toen God naar Cana toog; toen op Maria's beê De God-mensch de eerste daad van Almacht zou verrichten. Hij die in d'eersten glans den Echtbond kwam herstichten; Den Paradijshof kwam herscheppen andermaal,

ocr page 83

— 07 —

Trad op als scheppend Woord in Cana's Bruiloftszaal. Algoedheid, nooit genoeg gekend, bemind, geprezen, Heb dank! Heb eeuwig dank. Almachtig Opperwezen, Dat Gij aan 't bruiloftspaar uw Godsglans niet onthoudt. Och! blijf zoo allen by, in »eer en deugdquot; getrouwd! Heb dank, ook Gij, die, in uw moederlijke zorgen Het pijnlijk ongerief dat nauwlijks nog verborgen Kon blijven , het gebrek aan dischwijn , gadesloegt, Als had uw hart gewenscht dat de ure werd vervroegd Waarop de Godsheidszon de neev'len door zou breken Van 't menschzijn, en den mensch door wonderen zou spreken. Zij sprak tot haren Zoon: »Zij hebben geenen wijnquot;. »Zal dat voor mij, voor u. Vrouw, ter bemoeiing zijn?

Ook is 't gestelde uur voor mij nog niet gekomen.quot; Zoo werd het wederwoord uit Jesus mond vernomen.

En zij, de vrouwe, die haar vleesch en bloed Hem gaf. Maar niet de Godheidsmacht, maar niet den scheppingsstaf Die zellefstandig heerscht in Gods- en menschendagen, Begreep Zijn woord, en wist dat wien haar lippen baden Haar voorspraak voor den mensch nooit, nooit beschamen zou. »Wat Hij u zeggen zal, doet datquot;, zoo sprak de vrouw Tot wie aan 't bruilofsmaal den tafeldienst volbrachten. Wat kon men voor bevel van Hem, haar Zoon, verwachten? Dat er geen wijn meer was, had iedereen gezien:

Zou Hij der needrigheid van 't bruidspaar redding biên? En hoe? 't Zweelt;gt;' alles stil. Een ieder met verlangen

o n

Zag uit naar het bevel dat men nu stond te ontvangen.

O O

Geen oog, dat niet gericht was op Maria's Zoon;

Geen oor, of 't was gescherpt voor d'allerminsten toon. Zoo liet de Heiland steeds zijn wegen voorbereiden Waarhij,den mensch tot heil. zijn Macht ten toon zou spreiden: Bij 't wonder van het brood tot spijziging der schaar; Bij 't wekken uit den dood des jonglings op de baar. Of van het dochterken, waar speelliên Hem bespotten;

ocr page 84

- G8 —

Bij 't grafgesteent' dat walgt bij d'aanvang van 't verrotten. Ter prikkling van den mensch, met menschelijk vertoon Werd 't goddelijk tooneel voor de Almacht van Gods zoon Op aard verheven zoo, dat wie niet wil gelooven Zyne oogen sluiten moet en zijn verstand verdoven.

Voor Gods Zoon werd die weg bereid voor d'eersten maal Door zijne Moedermaagd in Cana's bruiloftszaal.

't Uur was gekomen nu. Na oude landsgebruiken Had men ten dienst van disch en gasten, waterkruiken In 't feestlijk huis. — gt; Vult die met waterquot;, sprak het Woord. Zij vulden ze allen zes met water tot aan 't boord. Wat toen gebeurd is, werd van eeuw tot eeuw bezongen In alle talen en door alle Christentongen:

Het water was in wijn veranderd. Waarheidszon,

Die allen geest verlicht, o Goed- en Zoetheidsbron, Die aller zielen laaft aan de onuitputbre stroomen Der Liefde, die voor ons een menschelijk Hart genomen En dat vergodlijkt hebt in de eenheid van persoon... By dezen bruiloftsdisch, o 's Vaders Eeuw'ge Zoon, Aanbidden wij uw Macht en uw barmhartigheden.

Een hart dat U bemint zingt U zijn dankgebeden. Dat wonder uwer macht was slechts een schaduwbeeld Der Liefde, waar een God den mensch zich mededeelt, 't Beminnend hart begroet de Altaargeheimenissen.

Hier waar 't verstand verzinkt, kan 't hart zich niet vergissen. Mijn God, vergeef het woord dat 'k U ten antwoord stel; Mijn God,.... op uw altaar,.... o ik begrijp u wel.

Vergeef, vergeef mijn taal; ze zij geen heiligschennis: Maar wat gij dorst bestaan en doen bij Almachtskennis, Ook ik hadd' dit gedaan, voor die mijn hart bemint,

Hadde ik uw macht gehad, die zoo mijn macht verwint Dat zijn tot niet-zijn zwicht bij Gods -Oneindigheden. Zoo groot moest Gij ook zijn, wilt Gij ons hart bevreden! Maar wat toch heeft mijn woord gezegd, door 't hart verblind:

ocr page 85

»Ik had het ook gedaan voor wie uiijn hart bemint!quot;

Vergeef dat woord, o God! mijn mond voorkwam mijn zinnen.

Geen mensch, geen Engel kan gelijk een God beminnen.

Alleen een Godmensch kent en kiest uw lijdensbaan.

Eén druppel uit uw kelk ware ons een Oceaan.

De wil van 's Dichters hart sprak pas in zelfverblinding;

En meende wat hij sprak; maar wat meldt de bevinding ?

Het zwijgen van het Niet past aard- en hemelrijk

Bij 't vragend woord: Wie is in liefde aan God gelijk V

Maar dit slechts meende uw kind, o God: om te beminnen

Bezit het hart een kracht, die meer kan dan de zinnen,

Die ons aan de aarde ontheft, die ons zóo voorbereidt

Dat onze zelfzucht stemt tot offervaardigheid;

Dat de ikheid zwijgt en zwicht, en alles zijne waarde

Aan 't minnend hart ontleent in hemel en op aarde:

Dat onze zwakheid zelve een peil van almacht vindt,

Als eens der ziele liefde in heiligheid bemint.

Dit meldt voor God en mensch geen dichters zelfverblinding:

Maar achttien eeuwen door , de kennis der bevinding.

Het wereld-keizerrijk van 't Heidensch Rome vond

Slechts éénen Cato, die aan Cesaar wederstond:

De Heiland kwam op aard 't vuur Zijner liefde ontsteken;

En kon nu Cesars macht nog legermachten breken,

Zij kon den stillen moed niet breken van het kind

Dat Christus, en Zijn kruis uit ganscher hart bemint.

Van 't hart, door't kruis ontvlamd, mag aarde en hemel spreken.

't Is een beminnend hart wat God op aard behaagt,

Het eenige wat Hij voor Zijne heeinlen vraagt.

Laat dan des menschen ziel des Scheppers liefde loven,

In alle kringen en daaronder en daarboven,

Zoo vurig en zoo lang als gij verlangen kunt,

Die Eeuwig zijt, o God, en aan den mensch vergunt

Dat hij van eeuw tot eeuw, verspreidend zijn geslachten.

Wat eerst geschapen werd , geboren mag verwachten.

ocr page 86

— 70 —

Bij zuiveren van ziel wordt Cana's bruiloftszaal Voor 't menschelijke hart een hemelsvoorportaal.

Twee zielen, op Godswil, zoo heilvol saamgestrengeld Dat 't spruitje van hun hart door Christus wordt verengeld. Voor zuiveren van ziel wordt het cenakelmaal Voor God en mensch te saêm nog hoogre zegepraal. Wie zuiver zijn van hart die zullen God aanschouwen. O Nederland, dat nog op Christus blijft vertrouwen, Hoe snood verlaagt men u door 't smadelijkst bestaan ! De heiligheid der echt randt men baldadig aan.

'k Noem hier den Heiden niet, die optreedt in 's Lands Kamer, Al waar zijn geest, zijn woord nog honderdmaal bekwamer. Zoo lang de Kamer niet ontsmet wordt van zijn schand , Zoo lang wordt 't Heidendom gesteund in Nederland. Hoe kan een mensch, voor meer bestemd, toch zóó laag modderen Dat hij zijn geest, zijn pen zoo schandelijk laat lodderen. Laat Bilderdijk's penseel, dat hem tot brandmerk word'. Ons schetsen wat Natuur 1) het dier heeft ingestort: Dan oordeel', Nederland, waar of dusdan'ge geesten Behooren thuis gebracht bij menschen of bij 2) beesten ? Hun eigen werk verstrekt 't onloochenbaar bewijs. De harem van den Turk is hun het Paradijs.

Zoo gaat het duizenden die van het kruis verdwalen , Die bij de halve maan hun turksche kenspreuk halen. Wie de eenheid eens verbreekt door Christus' eigen hand Bevestigd tusschen Hem en Zijne Kerk, den band Ontbindt , die teugel is en gids voor 's menschen reden, Zij breekt ook 't evenwicht van 's Christen huwlijkszeden. Waar de eene meê begon daar eindigt de andre meê;

1

liildcrdjjk: Hrl waarachtig Goal, Aftodillen. D. II, bl. 5.

2

Een half woord zou ik ter toepassing hier willen veranderen in de twee volgende verzen van blz. 19 !. c.

Wat volk, hoe woest, verlaagd, verwilderd, ja, verbeestlijkt.

Heeft ooit bij 't logst verstand zijn denkingskracht ontgeestlijkt?

ocr page 87

Maar beider geest verzinkt in 't eigenste euvelwee.

Moest hier een toonbeeld zijn, van verre u aangewezen , Gij zoudt het zijn, ó vorst, tot ketter opgerezen Vau uwen koningstroon in 't machtig Engeland, Gij, achtste Hendrik , die, om uwen snooden brand Te voeden, nu verstoot uw trouwe gemalinne. En schaamtloos schent en moordt in muselmansche minne. Gij zijt het waarlijk waard dat ge u van Rome keert, Dat handhaaft 't echtverbond gelijk het Christus leert. Zoolang gij Christen bleeft in 't eerlijk huwelijksleven,

Zijt ge ook aan Christus Kerk, aan Rome, trouw gebleven. Maar eenmaal vuige slaaf door geile lust bestormd.

Hebt gij u zelf te min, uw land te veel hervormd.

quot;t Zijn een soort van vrome bespiegelingen over God en Godsdienst, die de schrijver later wel gekuischt zou hebben.

ocr page 88

Y HOOFDSTUK.

J. W. Brouwers beschouwd als Letterminner, als Vondelvereerder en als Vaderlander. ^

het in mijn studententijd vermaard Amsterdarasch A.B.C. is op dit oogenblik nog slechts bouwmeester Pieter Cuypers in leven. Alb. Thijm, hoogleeraar ter Academie van Beeldende Kunsten, en Brouwers, pastoor van Bovenkerk, zijn alreê ter ziele gegaan.

Zelfs wien het onwrikbaar Roomsch-zijn van dit door vriendschap en gemeenschappelijk streven innig verbonden drietal hinderlijk ware, zal desondanks moeten bekennen dat deze mannen meer dan gewone gaven , een iegelijk in zijn sfeer, steeds tot bereiking van een edel doel beschikbaar hadden.

Ontzeg geen enkelen van deze trits noch vastheid van overtuiging, noch geestdrift in de belijdenis er van, noch ridderlijkheid in den vaak feilen kamp er voor.

Niet zelden immers was de strijd, tegen het hun heilig beginsel ontbrand , zoo hevig , dat een minder overtuigde of minder manhafte zou hebben versaagd; steeds echter bleek

O 7

toewijding op de hoogte der opgenomen taak , en men kan niet zeggen, dat het hun te eeniger stonde aan bewustzijn van edel pogen, noch van kunnen heeft ontbroken.

1) Levensberichten der afgestorvenen van do Leidsche maatschappij.

ocr page 89

— 73 —

Wanneer de Roomscb-Katholiek van Nederland niet anders dan fier en dankbaar dit drietal herdenkt, den bereids ontslapenen een bede wydt, den nog, zijn 70 jaren ten spijt, ongebogen kathedralenschepper hulde brengt, doet hij niets meer dan plicht gebiedt.

üe vurigste, ik zou haast zeggen, de strijdlustigste der drie was ontegenzeggelijk hij, wiens naam aan 't hoofd van dit opstel geplaatst is.

Te Margraten geboren was hij de eerste, wiens geboorte, sedert de gemeente bij België was ingelijfd, te boek werd gebracht.

Ter voormalige abdij Kloosterrade (Rolduc) op school gelegd, bleek hij alras, dank zij aangeboren begaafdheid en onverdroten werklust, boven al zijn medeleerlingen als facile princeps uit te munten.

Reeds vroeg was in den begaafden jongeling smaak voor weten en werken, zin voor kunst en letteren ontwaakt. Bij voorkomende gelegenheden was hij dan ook doorgaans de uitverkorene, met het opstellen en voordragen van dichtstuk of feestrede belast. Zoo dichtte hij, als student der Rhetorica, een treurzang op den dood van Koning Willem II, en hield bij, als student der wijsbegeerte, over „le progrès indéjiniquot; wat men te Rolduc destijds noemde: „le discours philosophique

Met het Fransche taaleigen scheen hij, gelijk trouwens bij de Zuid-Limburgers meermalen het geval is, als bij openbaring vertrouwd.

Uit een aanteekenboekje, onder 's mans nagelaten bundels gevonden, knip ik volgende dichtregelen, door den 18-jarigen klein-seminarist in de vacantie vervaardigd:

»J'aime a. porter mes pas Vers ce champ funeraire,

Vers ce royaume du Trépas ,

ocr page 90

Oü dorruent, Ie regard tourne vers l'Orient, Et l'auteur de mes jours ii cóté de ma mère Et tout ceux que j'aimais lorsque j'étais enfant.quot;

„Le regard tourné vers l'Orient.quot; Dit halfvers wees blijkbaar den jeugdigen dichter aan als voorbestemd om in latere dagen , even trouw in wederzijdsche vriendschap als in ge-meenschappeliike kunstmin , aan de zijde van den 10 jaar ouderen kampioen voor het recht der »heilige liniequot;, den genialen Dietsche-Warandemeester , post te vatten, en tot verdediging der middeneeuwsche » Kerkbou\vsymboliekquot; meer dan eens op avontuur uit te gaan.

In Wijnmaand 1851 toog Brouwers , belust op gewijde wetenschap en tot het priesterschap getrokken, naar 't grootseminarium te Roermond, voornemens, na afgelegde theologische studies, ter Leuvensche hoogeschool zich te bekwamen in kunst en letterkennis, waarvoor hij alleszins aanleg scheen te hebben.

Edoch , reeds vooraleer hij de H. Priesterwijding ontving, riep een kerkvoogdelijk besluit, in 1854, hem tot een leerstoel in het bisschoppelijk college te Roermond.

Alhoewel hij daardoor een zijner lievelingsdroomen, voorshands ten minste, verijdeld zag, aanvaardde hij de hem aangewezen betrekking met die offerwilligheid , welke voor 't oog zijns geestes, door hooger licht bestraald, op de doornen van het levenspad rozen doen botten.

Niettemin bleef de Leuvensche alma mater hem toelachen. In een schrijven, 6 Februari 1856,gericht aan den hem inmiddels lief geworden Jozef Thijm, gewaagt hij ervan: »Quand les circonstancespermettront de me remplacer, je pourrai aller continuer mes études a Louvainquot;.

Dit plan zou nooit verwezenlijkt worden, dewijl hij, naar 't oordeel zijner overheid, waaraan hij ten allen tijde kinderlijk onderdanig was, op den door hem ingenomen post

ocr page 91

— 75 —

onmisbaar scheen. Tn latere dagen nochtans zal Leuven, ter vergoeding van de studielauweren, uit gehoorzaamheid van de hand gewezen, hem, als redenaar, menigmaal een zegekroon bereiden.

De schatten van kennis en wetenschap, gedurende 11 vruchtbare jaren bereids vergaderd , maakte de jeugdige leeraar gemeengoed van de studenten, in gespannen aandacht om zijn leerstoel geschaard. Eu onderwijl hij, door woord en voorbeeld tevens, de jongelieden, voor indrukken zoo vatbaar , ridderde tot mannen van wilskracht en plichtsbesef, ontvlamde hij hen in geestdrift voor klassiek schoon en vader-landschen letterroem.

Aan deze moeite- doch wis ook verdienstvolle taak legde hij èn kracht èn gave ten koste, en menigmaal verhaalde hij, alhoewel vrij tenger van gestel, op de nachtrust den tijd, dien de overigens welgevulde dagorde des huizes hem, naar

O C* O '

zijn schatting, al te karig toemat.

Het kon niet uitblijven, dat hij, in de Roerstad verwijlend, zich aangetrokken gevoelde tot den bijna 4 jaar ouderen Pieter Cuypers, dien de Antwerpsche Kunstschool pas met eereloof gekroond en tot hoogen roem bestemd, aan 't vaderland had afgeleverd.

Toen de opwekker der voorvaderlijke, en grondlegger der Roermondsche kunst in zijn geboortestad en in de schaduw van het vorstlijk Maria-munster een werkplaats opende , waar dra beitel en penseel, teekenstift en borduurnaald de wonderen der oud-Christelijke school hertooverden, wist de vurige letterminnaar menig uurtje uit te zuinigen, om in 't gezelschap van den jeugdigen ulhneisk'r de overleveringen van het verleden op te diepen en hare zegepraal voor den dag, die komen zou, voor te bereiden.

Middelerwijl had , reeds sedert ettelijke jaren, aan den Amstel een ander paladijn. Jozef Thijm, het vaandel geheven en de wapenrusting aangeschoten, om voor den ver-

ocr page 92

- 76

geten vaderen grootheid op kunst- en lettergebied den strijd te aanvaarden. Met hart en ziel vielen beide Roennondenaars hem bij.

Wederzijdsche achting, eenerlei aanleg, gemeenschappelijk dwepen met al te wreed verongelijkte waarheid en schoonheid bracht het kloek A. B. C. tot elkander.

En toen, den 3den van Lentemaand 1859, de Roer-mondsche bouwkunstenaar, ter HH. Petrus- en Pauluskerk op den N. Z. Voorburgwal, Thijm's zuster, der hoogbegaafde Antonetta , hart en hand verpandde , was het als werd de vriendschapsband, die ons driemanschap alreê vereende, nog nauwer toegehaald, en als wilde het nu vermaagschapt tweetal zijnerzijds door broedermin vergoeden wat hun Dritte hu Bunde, den van meet af zwaarbeproefden Brouwers, aan ouderlijke liefde had ontbroken.

Van zijn kant liet deze niet af, zoowel mondeling als schriftelijk, den Christen-bouwmeester en den Christen letter-vorscher aan te sporen tot een moedig doorworstelen van de beproevingen, welke zij, bij hun baanbrekers-arbeid ontmoetten.

Wij, jongeren onder Neerlands Katholieken, kunnen, nu allengs de zon der godsdienstvrijheid hooger ten zwerke klom, ons slechts kwalijk een begrip vormen van de reuzenkracht en het geduld, door het geslacht, dat grootendeels reeds ter ruste is ingegaan, in den kamp tegen vooroordeel en oude veete aan den dag gelegd.

Dies past het ons, die in vreê en vreugde oogsten wat eenmaal in de hitte van den dag en den strijd werd gezaaid, die arbeiders der eerste ure met kloppend hart te gedenken.

Door den aard en de menigte zijner bezigheden tot bescheidener rol geroepen, nam Brouwers van harte deel aan 't geen hun wedervoer, en waar der kunsthelden roem wordt verkondigd gewage men ook met lof van den priester, die, tils Mozes, met opgeheven armen de overwinning afsmeekte.

ocr page 93

— 77 —

Ik kan de bekoring niet weerstaan, uit 's mans brieven, op den lezenaar vóór mij opeengestapeld, hier en daar een greep te doen. »Courage! champion catholique — roept hij 6 Februari 1856 Thijm toe — votre principe vaat mieux que cent mille hommes. Continuez vos travaux, nous, nous prierons. J'aitne a prendre pour devise: faire sans direquot;. — »J'aimerais — aldus een brief, blijkbaar doelende op het Anisterdamsch Congres in 1804 — a entendre votre voix au milieu des orages de l'impiété arfcistique, et faire retentir le cri de salut a Tart chrétien.

»Mais, cher ami, d'un autre cóté, s'il parait qu'un congres, oü Ton pose cette question; existe-t-il un art chrétien? a des yeux et ne voit pas, de même ü aura des oreilles et n'entendra pas. Mais: fais ce que dois, advienne que pourra.quot;

Nog later schrijft hij wederom: »Och! ik bid u, doe uw beste om Cuypers over te Iialen het Congres te Brugge bij te wonen, waar zijne beginselen, ook door Noord-Nederlanders, zullen worden aangerand. Wij gingen naar Antwerpen, gaan we nu naar Brugge, als ware het ons laatste Congres, om er de goede beginselen te verdedigen.quot;

Doch genoeg. Uit dit laatstaangehaald schrijven vernemen wij, dat Brouwers, nademaal hoogstwaarschijnlijk de geestdrift voor de Christelijke kunst het Zuid-Limburgsch bloed aan 't gisten had gebracht, aan zijn hierboven meegedeelde leuze: „faire saus direquot; niet getrouw was gebleven.

Inderdaad , bij het faire was hij begonnen het dire te voegen.

Dit geschiedde in de Augustusdagen 1801, op het Kunst-congres te Antwerpen,

Of zijn redevoering in haar geheel is uitgegeven, kon ik niet achterhalen; trouwens hij sprak er, gelijk hij later meermalen deed, voor de vuist.

Zijn optreden aldaar werd door het Journal des Beaux-

ocr page 94

- 78 —

Arts el de la Lillérature begroet als volgt: »Uii jeune prêtre de lluremonde, M. Brouwers , a prononcé au Congres d'Anvers un remarquable discours, que nous sommes lieureux d'inserer. Nous insistons particulièrement sur la portee du discours , qu'on va lire:

»»Quant je suis venu a ce Congres. . . je n'avais aucune idee de prendre la parole. Je vous deraande pardon d'avoir cédé a un sentiment contraire. Je tiens a réfuter ce que Ton a dit, que l'artiste ne doit pas appartenir a une école de philosophiequot; ....

Bladen van de meest uiteenloopende richtingen, Le Temps, Het Handelsblad van Antwerpen, l'Indépendance, le Journal de Bruxelles, verkondigden als om strijd den lof van den jeugdigen redenaar, die zoo juist en vurig over de verhevene roeping der kunst had gesproken.

Een geruimen tijd reeds had — naar uit zijn brieven blijkt—een gezette studie »van 's lands oudstenen grooten poëetquot; bij onzen letterzwoeger de overtuiging gevestigd, dat Milton , bij het dichten van zijn Paradise lost den zanger van Lucifer terdege had beluisterd.

Blijkbaar kon de XIX'10 eeuwsche Antonides het niet over zijn gemoed krijgen, de Scheldestad te verlaten zonder iets gezegd te hebben tot verheerlijking van den dichter-koning, »fils de la cité, vers laquelle — gelijk hij in de hierboven besproken rede verklaarde — je me suis senti transporté malgré moi.quot; Hij betoogde dan, dat Milton aan Vondel veel te danken had, en ten deze wel iets had van le geai paré des plumes du paon. Dat was iets nieuws, bepaald een vondst op letterkundig gebied.

In „Met lijd en vlijtquot; te Leuven, in „Felix Merilisquot; te Amsterdam trad hij, gekleed in priestertoog, 't geen wellicht aan den Amstel nog niet geschied of gedurfd was, ten jare 1862 met dit onderwerp op, en in hetzelfde jaar

ocr page 95

— 79 —

handhaafde hij in zijn „Joost o. d. Vondel,quot; Dichtwerk met levensbeschrijvende, karakterschetsende en letterkundige aun-teekeningenquot;, de eenmaal zoo boud opgezette stelling.

»Wij willen bewijzen — schrijft hij — met onloochenbare stukken in de hand : 1° dat Milton de navolger van onzen Vondel, 2° dat Vondel veel grooter genie is dan Milton.

»En dan, al stond er de galg op en al moest de En-gelschinan razend worden, wij zullen wagen: le procés a Milton, accuse d'avoir pris a notre Vondel 1quot; le Paradis perdu , 2quot; le Paradis reconquis , 3quot; le Samson.quot;

Stellig, 't is boud gesproken en kras gezegd. Maar torn hem niet aan zijn Vondel.

Dr. P. Thijm verzekert ons, dat Brouwers hiermee nogal bijval vond en de Engelschman George Edmundson er aanleiding in zag , over het onderwerp Vondel en Mi Hon een boekdeel te schrijven, in 1885 te Londen verschenen onder den titel .1 curiosity of Literature, door Dr. Moltzer in Noord en Zuid f 1880) uitvoerig besproken.

Ook meent genoemde hoogleeraar, dat aan dezen arbeid onze Brouwers het lidmaatschap der Academie van Schoone Kunsten en het ridderkruis der Eikenkroon had te danken.

Brouwers was een volbloed Vondeliaan.

Stichtte Jacob van Lennep in zijn uitgave van Vondels werken »den grootsten dichter, die ooit de Nederlandsche harpe sloegquot;, een gedenkteeken , daarmeê stelde zich het aankomend geslacht, dat door geestdrift trachtte te vergoeden wat een paar eeuwen aan Vondel hadden te kort gedaan, en stelde allerminst de Roermondsche leeraar zich tevreden.

Den 5den Februari 18G2 richtte hij, in de ten hoogtij gesmukte kunstwerkplaats van zijn vriend Cuypers te Koer-mond, »Neerlands eerste Vondelsfeest voor het op te richten standbeeldquot; aan.

Bij deze gelegenheid ontwikkelde hij deze drievoudige

■ia

ocr page 96

— 80 —

stelling : Vondel is tot de hoogste hoogte van onzen Zangberg

o o o o o

gestegen; Vondel is uit de laagste diepte opgegaan; Vondel heeft zich zeiven de middelen geschapen, waardoor hij van die laagte opsteeg en die hoogte bereikte.

»In onze dagen — zoo besloot hij, tintelend van geestdrift en vreugde, zijn feestrede — zal, tot Neerlands glorie, het lang verschuldigde gedenkteeken ter eere van den oudsten en grootsten van alle onze dichteren in Neerlands hoofdstad oprijzen.quot;

Niet slechts den landzaat, ook Belg en Franschman wist hij te overreden, hulde te brengen aan den vorst onzer dichteren.

Naar Brussel, Luik, Kijssel, Parijs trok hij uit als ter verovering; men moest — dit had hij zich nu eenmaal in het hoofd gezet — ook buiten de enge palen van ons la .n weten, dat Neerland een Vondel had, en hij achtte hot »impossible de connaitre Vondel, et de ne pas l'idololatrer.quot;

»In Nederland — schrijft Dr. Jan ten Brink — legde niemand vuriger liefde voor Vondels dichterlijke verdiensten aan den dag dan de man , die eenmaal in een lofrede op den dichter van den Lucifer zeide: God schiep onzen Vondel voor de muziek der woorden, gelijk hij Mozart schiep voor de muziek der tonen.quot;

Thijm getuigt:

»Hii stortte ons, oud-gedienden, eene nieuwe geestdrift in, Hij preekte 't jong geslachte 't Bevruchten der gedachte Met vadeiiandschen zin.quot;

Na afloop van zulk een „conférence littérairequot; in 1867 te Luik gegeven, uitte Aug. Ie Pas wat hij voor spreker gevoelde in een dichtstuk , waaruit ik hier eenige versregelen overschrijve :

ocr page 97

- 81 —

»Predicateur du beau, semez votre parole,

Montrez, prêtre de l'arfc, ce qu'il a de divin. Qu'importent les dédains de la tourbe frivole !

Pour les coeurs, oü fermente un celeste levain Parlez, jetez au loin la seineuce qui vole,

Faites votre labeur, il ne sera pas vain.quot;

't Gaat, natuurlijk, niet aan, in een beknopt levensbericht, uiteen te zetten wat Brouwers, die gaandeweg de leuze: „faire sans (Ure,quot; al meer cn meer te schande maakte, — en daar deed hij wel aan — ten dienste van kunst en letteren, met inspanning van alle kracht en gebruikmaking van zijn veelzijdige ontwikkeling, heeft gearbeid en gesproken. Af en toe stilstaan om hem te beluisteren, ziedaar wat wij vermogen , meer niet.

Door hem op zijn Vondeltochten naar het buitenland te volgen liepen wij op zijn levenspad een heel eind weegs vooruit. Keeren wij derhalve op onze schreden terug.

In 18(j2 verliet hij den leerstoel en het stedeke aan de Roer, om ter Amstelstad, »waar d'oude Vondel rust en nieuwe Vondels wakenquot;, op een ander veld, een strijdveld, natuurlijk, — »ware ik niet priester geworden , dan ware ik soldaatquot; ontviel hem wel eens — als medewerker aan De Tijd den stichter van dit dagblad ter zijde te staan.

Mij wil het toeschijnen, dat Brouwers, al te vurig van bloed en niet min ongedurig van geest, eigenlijk de man niet was, om dag op dag de gebeurtenissen van binnen- en buitenland met de noodige kalmte gade te slaan en toe te lichten; daarvoor lijkt hij te zeer esprit priiuc-sauUer en redenaar, bepaald onder de verdenking vallende, zijn dag-blad-artikelen meer voor hoorders dan voor lezers te hebben opgesteld.

Strijden wilde hij gaarne, naardien hij zelf zei; »al wie

L. P. BR. G

ocr page 98

82 —

waarlijk een overtuiging heeft, moet pogen die overtuiging veld te doen winnenquot;, maar hij deed dit liever, vlug en vaardig in debating-club en vlugschrift, op Congres en bijeenkomst, dan h UHe reposée in een dagblad bureel.

Wat Antonides van zijn gevierden meester getuigde, dat hij, namelijk, zelfs wanneer »er de Harpoen en ijzre Roskam aenquot; moesten, niettemin was: »edelraoedilt;ïh en steeds

' O

even welgemoetquot;, mag ook wel van Brouwers gezegd worden. »Edelmoedigh.quot; Dit teekent liem ten voeten uit.

»A vingt-cinq ans— schrijft Lacordaire, en Brouwers is nooit ouder geworden —• une ame généreuse ne cherche qu'a donner sa vie. Elle ne demande au eiel et alaterre qu'une grande cause a servir par un grand dévouement.quot;

»Comme le chasseur, debout et armé, écoute au pied d'un arbre de quel cóté vient le ventquot;. Brouwers, »la lance au. poing et le pied dans l'étrier, écontait attentivement de quel cóté venait le bruit de I'injure.quot;

Gold de »injurequot; zijn paus of zijn koning , de middel-eeuwsche kunst of Afrikaansche slavernij, zijn Vondel of zijn Columbus, het vervallend Muiderslot of het met in-slokking bedreigde Niouwer-Ainstel, de pauselijke vrijwilligers of de Nederlandsche oud-gedienden, altoos stond hij van zessen klaar, om voor het verongelijkte de speer te drillen.

Ik merkte hierboven op, dat Brouwers nooit ouder dan 25 jaren is geworden.

't Was inderdaad als gleden de jaren met hun vlagen en plagen over hem heen, hoogstens bij machte zijn voorhoofd in voren te leggen , doch heelegaar machteloos om hem voor oen enkel zijner jongelingsidealen lust of liefde te benemen.

Zijn opvatting van menschen eu zaken kenmerkte zich door een bepaald kinderlijke argeloosheid, welke hem, boven het gelijkvloersche verheven, belette, ondanks vele en grie-

ocr page 99

— 83 —

vende teleurstellingen, aan boos opzet of valschen toeleg te gelooven.

Zijn ziel geleek een van die Zwitsersche Alpenmeren: de stormvlaag zweept bulderend de golven op in de hoogte, maar bij 't eerste luwen ziet ge met verbazing hoe in het glasheldere water de blauwe hemel zich spiegelt.

Op den bodem van Brouwers' hart was er voor moer of heffe geen plaats.

Beter nog dan uit zijn werken kan men uit zijn brieven en niet voor de openbaarheid bestemde ontboezemingen opmaken hoe gentlemanlike hij in alles placht te denken en te oordeelen.

»Het honorarium, — dus getuigde hij met edele fierheid — aan spreekbeurten verbonden, neem ik in den regel niet aan. Zelfs niet een vergoeding van reiskosten heb ik getoucheerd , wanneer ik over Neerlands glorie te Brussel, te Luik, te Parijs ben gaan spreken. Eens heb ik , wel is waar, te Amsterdam het aangeboden honorarium aangenomen, maar toen was in de vergadering van felix merilis eene lijst voor vrijwillige bijdragen gedeponeerd. Uit edele kiesch-heid werd mij , den spreker van dien avond , de lijst niet aangeboden ; uit eigen beweging heb ik die lijst gevraagd en voor bijna het dubbele van het honorarium in Felix geteekend.quot;

Ten aanzien van godsdienstige en staatkundige gezindheid loopen, in een tijdperk en een land als het onze , de meeningen vrij ver uiteen.

Voor hetgeen Brouwers als waarheid erkende kwam hij ruiterlijk te berde en sprong hij, desgevorderd, manmoedig in de bres.

Evenmin als zijn vriend Thijm verzweeg hij wat hij meende te moeten zegden, of vermoffelde hij wat, zijns eraehtens, openlijk en luide diende beleden.

ocr page 100

Busken Huet's gezegde: »Fluisteren, daar doet Thijm niet aanquot; geldt ook voor Brouwers.

Doch al druisclite vaak, zeer vaak zelfs , zijn meening regelrecht tegen die van anderen in, al kampte hij vinnig en zonder zyn bestrijder rust of verademing te gunnen voor zijn beginsel, daar was iets in hem , dat den tegenstander weerhield, zijn vijand te worden.

En dit iets was de zekerheid, dat Brouwers strijd aanging of strijd aanvaardde, niet anders dan door plichtsgevoel genoopt, niet anders dan uit overtuiging des harten en met geene andere wapenen dan die in 's ridders hand passen, hoe scherp zij ook waren.

Daarbij kon 't voor niemand in den lande een geheim zijn, aan welken kant, bij gedingen over godsdienst, staatkunde , geschiedenis of kunst, Brouwers in 't wapen zal worden aangetroffen , en dat men wel zyn ridderkling en vaardigheid, maar nooit een verraderlijken dolkstoot te duchten had.

Beginsel tegenover beginsel, leus tegenover leuze stellend, gaf hij, zelfs in de hitte van de meest verwoede worsteling , niet toe aan lage drift, die kwetst en kerft, vooral of soms alleen om zeer te doen.

In zijn „Gedenkschriftquot;, gewijd aan »Vondels sterfdag, na twee eeuwen gevierdquot; in 1879, schrijft Johs. Dyserinck : »Een der zinrijkste toosten, die zeker even zuiver als welsprekend den geest van ons samenzijn uitdrukte, was het onvergetelijk woord, uit den mond en uit het hart van pastoor Brouwers, die zeide: »»Nooit is Vondel mij zoo dierbaar geweest als in deze ure, nu ik zie, dat hij als een vader hier aan dezen feestdisch zoovele zonen der Nederlanden als broederen in liefde vereent Niet, dat die liefde zou uitsluiten het doen gelden van onze overtuiging: al wie waarlijk een overtuiging heeft en heil en welvaart aan haar verbonden acht, moet pogen die overtuiging ingang te doen

ocr page 101

— 85 —

vinden bij zijne broeders en veld te doen winnen in zjjn vaderland.... Maar de liejde des harten voere het woord van de overtuiging des geestes.quot; quot;

Bij die gelegenheid dichtte de edele voorstander van het Augustijnsch „in omnibus charitasquot; een vers, waaraan de volgende regelen ontleend zijn ;

» Allen, Nederlanderen ,

Met hart en ziel vereend in d'overdierbren band, Die Roomsch en niet-Roomsch bindt aan 't Neerlandsch

Vaderland.quot;

Hoe hartlijk hij zijn vrienden liefhad , beter gezegd: juist om die reden, ontzag hij zich niet, ten bekwamen tijde en op passende wijze, in hen te gispen wat, zijns inziens , berispelijk was.

Zoo vind ik in een brief van 21 Maart 1868 een bijzonderheid, die over zijn oprechtheid bij vriendschap een helder en gunstig licht werpt.

Over Dr. P. Alb. Thijm's: „Karei de Groote en zijne eeuwquot; had hij in De Tijd eene beoordeeling geschreven , waarin hij terdege wees op 't geen in dit werk hem laakbaar toescheen.

»Ik heb — schrijft hij dienaangaande aan Joz. Thijra — er zooveel goeds van willen zeggen als ik naar overtuiging zeggen kon , en zooveel onaangeroerd gelaten als ik, uit plicht jegens de waarheid en de lezers van De Tijd onaangeroerd mocht laten. Naar plichtsbesef voltooid, in een vorm, die, mijns erachtens, aan plicht en vriendschap voldoet, is de recensie aan het publiek gebracht.quot;

Trouwens, aan de waardeering en genegenheid, waarmeê de Amsterdamsche zoowel als de Leuvensche hoogleeraar hem vereerden, heeft 's mans rondborstigheid geen afbieuk gedaan.

ocr page 102

— 86 —

Aan 't euvel van kleingeestigheid gaan mannen van dat slag niet mank.

Hierboven zeiden wij, dat Brouwers, evenals zijn meester Vondel — naar de Muyder drost van dezen laatsten getuigde — gt; geen es dings moede schijnt te worden dan de rustequot;; daarvoor had hij te veel lief, waarvan de volle waarde nog niet werd ingezien.

In 18G3 treedt hij te Mechelen voor de leden van het daar dagend Katholieken-congres op ter verdediging van de oud-Christelijke kunst, jarenlang door de zoogenaamde Renaissance verdrongen.

En overmits de verslaggever van dit Congres een paar punten had over 't hoofd gezien , gaf hij zijn vlugschrift; „Wetenschap en Schilderkunstquot; in 't licht.

Het eerste punt was: »door de wetenschap moet men beginnen de kunst dienstig te maken voor de verheerlijking van God, voor het onderwijs en de stichting van vorst en volk . .. Wat zou er meer noodig kunnen zijn dan Godsdienst, Vaderland en Kunst, om met warmte te doen spreken Vquot;

Het tweede stipt hij aan als volgt: »0ok spijt het ons, dat de toast, door een Nederlander uitgesproken op het plechtige banquet d'adieu, zijne geheele inleiding verloren heeft, met alles wat spreker over vaderlandsliefde en over Neerlands driekleur, die zijn blik niet aantrof onder de ontrolde vlaggen, gezegd heeft.quot;

In J. Bethune en August Reichersperger trof hij te Mechelen een paar mede-kunstminners en strijdgenooten aan, zijner en der gemeenschappelijke taak waardig.

In 't zelfde jaar werd bet feest gevierd van Neerlands onafhankelijkheid, »de gouden bruiloft van Nederland en Oranjequot;, gelijk hij 't heette.

» Van den beginne af i had hij) het denkbeeld toegejuicht, om in een blijvend monument „uerc perenniusquot; aan het

ocr page 103

- 87

nageslacht te getuigen liue de Nederlanders gevoelden voor hunne herwonnen onafhankelijkheid, nu vijftig jaren lang genoten. Het nationale gedenkteeken moet onzer waardig zijn, zegt ieder, en terecht.quot;

In een heele reeks vlugschriften, achtereenvolgens ter perse gelegd, betoogde hij, dat en waarom hij onder de 2(3 ingezonden ontwerpen »der keuze overwaardig achtte het grootsche, waarlijk monumentale, echt nationale Neder-landsche ontwerp: Nederland-Oranjequot;.

„ Vijf Roskum-gedichten der Hoofdcommissie aangebodenquot;, mitsgaders een „Lierzany, opgedragen aan een fabriekant van goud- en zilverwerken door een zilversmidsjongenquot; volgden alras.

In 1864 gaf hij de redevoering uit, iu Recht voor allen te Amsterdam gehouden over ..Neerlanda eerste Christenkerk en Neerlands oudste kathedraal, met hare XlX'le eeuwsche muurschilderingenquot;, waarin hij »met een waar genoegen Limburgs Hoofdstad, haar oorsprong en haar gloriequot; besprak en zijn bekende denkdeelden omtrent de roeping dei-kerkelijke kunst ontvouwde.

In 1805 trad hij op te Gent niet een lofrede , gewijd aan den grooten Nijmegenaar Petrus Canisius.

Kunst, Kerk en Land, ziedaar waarvoor hij blaakt en spreekt, waarvoor hij op 's meesters trant de harp besnaart, met zuidergloed zijn liederen zingt en, doet het nood, den ridderdegen zwaait.

Liefde voor God en Land hielden voortdurend zijn hart in trilling, en waar ter wereld , voor welk gehoor hij ook optrad, niemand mocht het ontgaan, dat de redenaar kind der Kerk en kind van Nederland was, en 't vuur, dat hem, en waarmee hij allen bezielde, ontstoken had aan 't outer, waarop het voorvaderlijk pro oris et focis in vlammend letterschrift te lezen staat.

En geen wonder: onderwijl zijn geest als »een bijquot;

ocr page 104

- 88 -

smulde aan de »honighleckernijquot; in Vondels warande, aasde zijn gemoed niet minder gretig op het liartevoedsel, door den genialen meesterzanger even edelmoedig als overvloedig voor tijdgenoot en nazaat in kwartijnen aangerecht.

Brouwers was, indien ik 't zeggen mag, allengs »ver-vondeldquot;.

Herfstmaand 1867 had — een uitgelezen schare, van allerwege uit Europa, zelfs uit Amerika, Azië en Afrika te Mechelen saamgestroomd , was er getuige van — onzen Brouwers zijn grootsten triomf bereid.

Zijn redevoering, den 6den dier maand aldaar gehouden over „La situation du Catholicismc en Hullandequot; kan men niet anders noemen dan een lierzang in dithyrambische geestvervoering aangeheven ter eere van 't lieve vaderland, dat onder een protestantsch Koningshuis begonnen was en voortging, den Katholieken tot een verbluf te strekken, in 't opzicht der godsdienstvrijheid boven menig ander land verkieslijk.

»En dehors de nos frontières — zoo sprak hij — on se plait parfois a représenter notre dynastie régnante , la maison d'Orange-Nassau, comme essentiellement partiale envers le protestantisme et foncièrement hostile au catholicisme ....

»C'est avec bonheur et non moins de vérité. Messieurs, qu'il m'est permis de rendre ici a Sa Majesté Gnillaume III un solennel tribut de justice et de gratitude. Notre Roi se fait gloire, et il le dit lui-même, d'aimer tous ses sajets et de leur porter un intérêt égal, qu'ils soient protestants ou non. Sous son sceptre les catholiques de la Néerlande sent devenus plus libres et plus heureux. Ce n'est pas du tróne que nous avons a redouter quel-que hostilité aux droits qu'il nous faut revendiquer. Aussi sou-tenons-nous le tróne de nos sentiments de fidélité, prêts a le soutenir de nos bras, de nos épaules, de nos têtes!....

»11 y a an fond de l'ame de nos concitoyens un noble inclination vers la justice et le droit....

ocr page 105

sLe gouvernement, comme c'est son devoir, traite ses sujets catholiques avec égard: sans aversion — ils n'en méritent pas; sans faveur — ils n'en ont qne faire....

»En Néerlande, les Francs-masons annoncent franchement leurs reunions, mais aussi les évêques catholiques convoquent et célèbrent avec une égale liberté leurs conciles. Le gouvernement ne se montre pas plus inquiet des diverses mesures de gouvernement ecclésiastique, prises par ces pécheurs d'hommes, qu'il ne se préoccupe des différentes espèces de poissons, que prennent, en pleine mer, nos intrépides pécheurs de Scheve-ningen ou d'Egmont.

»Nous avons nos cimetières catholiques comme les protestants et les juifs ont les leurs. Pas une seule fois il n'est arrivé qu'un Néerlandais ait attenté a la pudeur de la mort et méconnu la sainte inviolabilité de ces champs bénits. La loi d'ailleurs nous protege et notre gouvernement, nous en avons la confiance et la certitude , nous maintiendrait dans notre droit.

»Nos évêques ont fait librement un règlement sur l'ad-ministration des églises, des fabriques d'églises et du tem-porel du culte. Et bien! le gouvernement, dans les limites de ses attributions et de sa competence, a fait ce règlement sien et lui a donné force de loi! Cet acte du gouvernement obtint l'approbation d'un très-grand nombre de protestants.quot;

Herhaalde malen reeds was het geestig en pittig woord van den redenaar door luide bijvalsbetuigingen onderbroken geworden, hier echter barstten de toehoorders -— en waar-schijnlyk vooral de Belgen, die te dien tijde tevergeefs smachtten naar de vrijheid, ten onzent zoo ruimschoots genoten — los in een oorverdoovend geroep: La liberté comme en llollande!

»0 mes frères de France! — zoo besloot hij — ... soyez apótres a votre tour! Allez porter ïi la France une parole, qu'elle n'est pas habituée a entendre, une parole, pour laquelle son

ocr page 106

— 90 —

oreille n'est pas feite, dites a vos villes et a vos dioeèses : »»Vous êtes vaincusquot;quot; .... Pardonnez-moi, Messieurs, d'avoir reveille des aigles et provoqué les lionsquot;. . . .

Over deze redevoering klonk allerwegen in Europa een roep na van bewondering voor den spreker, die buiten kijf hiermee een plaats innam onder de beste redenaren van zijn tijd, en van hulde voor den Vorst en de Regeering van het land, waar zoo onbekrompen en onbevooroordeeld gelijk recht voor alle landskinderen in toepassing gebracht werd.

»Ik wijk voor niemand! — riep hij op 9 December 1888 in Maisoti Slroucken een baldadige menigte toe. — In 't vrije Nederland zal ik aan Neerlands Vorst hulde brengen, gelijk ik het verkies.quot;

Eenige dagen te voren , bij gelegenheid van 't 75-jarig bestaan onzer onafhankelijkheid, had hij ziju gehoor , tot de hoogste geestdrift opgevoerd, en ging zijn rede over in een lied :

»Voor 't erfdeel onzer vaderen

De laatste penning van ons goed.

De laatste druppel van ons bloed!quot;

Te Brussel preekte hij 12 Maart 1874 een „sermon de chariléquot;. Tot onderwerp koos hij: la Pulrie. In die kanselrede zette hij, vurig als steeds — dat was hij nu eenmaal—-uiteen wat eigenlijk vaderlandsliefde beteekent, wat vaderlandsliefde wekt, steunt, onderhoudt en tot heldenmoed en de hoogste offervaardigheid opvoert.

»La patrie terrestre est a la patrie celeste, comme le corps est a l'ame.quot;

Van dit beginsel uitgaande , bewees hij , dat die het innigst versmacht naar het vaderland daarboven de best geregelde en meest zelfverloochenende liefde heeft voor 't vaderland op aarde. Dat was zijn beginsel, de grondslag van zijn denk- maar tevens van zijn handelwijze.

ocr page 107

— 91 —

„Nederland en de (jemerden te Heiliyerleêquot; was het onderwerp behandeld in een spreukbeurt, door Brouwers te Amsterdam vervuld, naar aanleiding van den 300slen verjaardag van den slag bij Heiligerleê, waar Lodewijk van Nassau de zese bevocht, en Adolf van Nassau sneuvelde.

O '

Tot een blijvende herinnering aan die overwinning was er plan een gedenkteeken op te richten; daartegen kwam Brouwers in verzet, eerst in De lijd van (5 Maart 1808 , doch breedvoeriger in 't vlugschrift, dat bovenvermelden titel voert.

Wij kunnen niet verhelen, dat 's mans onverzettelijkheid op dit punt velen in den lande verdroot , en de door hem zoo vaak en welsprekend betuigde vaderlandsliefde bij sommigen onder verdenking moest brengen.

~ O O

Dit bleek hij-zelf ook best te begrijpen, en naardien het een punt betrof, waaromtrent hij zich een bijzondere fijnen teergevoeligheid bewust was , achtte hij het gebiedend noodzakelijk , helder en vrijmoedig het standpunt, waarop hij zich in de^e plaatste , in het licht te stellen.

»De Katholieken — zoo schrijft hij in De Tijd— hebben door hunne daden bewezen , dat zij het afgesloten tijdperk der vorige eeuwen uit hunne herinneringen en uit hun hart verwijderd hebben, om alleen aan ons tegenwoordig koningrijk en volksleven hunne krachten en hunne liefde te wijden.

»De tijden van vervolging roepen zij niet voor hunne oogen terug , dan wanneer zij daartoe als gedwongen worden, en dan nog gebeurt het steeds in dier voege, dat onze niet-katholieke landgenooten niet verantwoordelijk worden gesteld voor de grieven en ongerechtigheden van vroegere eeuwen.

»Wie niet vreemd is gebleven aan den vooruitgang der

O O O

historische studiën .... zal weten .... dat de tijd al lang voorbij is, waarin onze geschiedenis door onkunde en wrok werd geschreven en met lichtzinnigheid en fantazie gekleurd.quot;

ocr page 108

Met geschiedkundige gegevens in de hand betoogt hij in vgf snel op elkander volgende vlugschriften, dat 1° »de duitsche Graf von Nassawen, onder het masker van trouw aan 's lands wettige overheid, het vuur van den burgeroorlog aanblies, ja , zelfs vreemde krijgslieden in het land haalde, en met hen ons land plunderde. Tot steunpunt van die stelling heb ik — schrijft hij — de woorden en de werken van Ludwig. 2° Zet ik de stelling voorop, dat het Ludwig aan beleid ontbroken heeft, en bewijs, dat Ludwig een onbekwaam veldheer was , die zijne soldaten in angels en klemmen leidde. 3° Het derde bezwaar, dat hij aan het oordeel en aan het vonnis van het nederlandsche gemoed wil onderwerpen en dat (hem) niet dan met afkeer aan Heiligerleê doet denken, bestaat daarin, dat Lodewijk zich dingen heeft veroorloofd , »die nooit een Nederlander voor of na hem gedaan heeft, maar die niemand kan toejuichen dan een verrader van vorst en vaderlandquot;, namelijk: »kaperij van Nederlandsche schepen , wier kostbare lading verkocht werd ; van het bedrag kreeg Lodewijk naar beding de helft. Verder de verkoop aan Frankrijks koning, die later den St. Bartelsnacht uitschreef, van twee nederlandsche provinciën: Vlaan'deren en Artois, het aanknoopen van onderhandelingen met Engeland, waarbij aan dat rijk Zeeland en Holland worden aangeboden.quot;

Waarom hij zoo beslist tegen de Heiligerleê-hulde te velde trok?

»Om de revolutie — schreef hij in zijn „Wederwoord aan den heer B. Ier Haar,quot; die hem in „Nieuw en Oudquot; van antwoord gediend had — in de toekomst te beter te kunnen veroordeelen, moeten wij ze ook veroordeelen in het verleden. Om het vaderland met alle recht te kunnen verdedigen tegen een von Bismarck, moeten wij het wreken tegen een Lodewijk van Nassau.quot;

» Dat men den troon van Neerlands Koning, op de zuilen

ocr page 109

— 93 —

van het recht gebouwd, wil overbrengen op het vlottend zand der revolutie van Lodewijk van Nassau , — bedroeft mijn hart. Dat men den modder van Heiligerleê, doorweekt van Neerlands bloed, door vreemde Duitsehers geplengd, als parelen aan Neerlands kroon wil hechten, vervuld mijn ziel met verontwaardiging.quot;

O O

Behalve genoemden heer 13. ter Haar, traden tegen hem in het krijt de heeren Fruin in „De Gidsquot;, Jonckbloet in de Tweede Kamer, en Groen in een drietal brochures.

't Valt natuurlijk niet in mijn bestek, noch in mijn smaak, uit te spreken wie in dit geding het onderspit dolf; zelfs hadde ik er niet van gerept, ware ik niet verplicht geweest aan te toonen, dat Brouwers' vaderlands- en Koningsliefde door den Heiligerleê-pennestrijd geen den minsten deuk had gekregen , evenmin als die van Dr. Schaepman, door zijn kruimig opstel over 't zelfde onderwerp in de Dietsche Warande (VIIle 8),

Wat hem intusschen hevig zeer deed aan 't harte was dat de heer Groen, wien hij, mitsgaders den overigen genoemden, op stel en sprong te woord stond, »als verweerder de wederpartij noemde bij eene benaming, die velen bits en kwetsend is: een nltramontaan.quot; »Mij spijt — schreef hij — deze onheuschheid van den heer Groen.quot; Dat Brouwers katholiek en Lodewijk hervormd was, had op de veroordeeling der Heiligerleê-feesten geen invloed.

Brouwers was er de man niet naar, om, hoe onverzettelijk hij in zake kerkleer ook ware, 'in 't dagelijksch verkeer en den omgang met andersdenkenden in meegaandheid te kort te schieten. »Minachting voor andersdenkenden — schreef Taco de Beer in de Portefeuille — of scherpe uiting van zijn geloofsovertuiging was hem geheel vreemd.quot;

Scherp zij hier opgevat in de beteekenis van bijtend, kwetsend.

Ruim van blik en van harte placht hij gulle belangstel-

ocr page 110

— 94 —

ling aan den dag te leggen voor al wie door kunst- of lettermin zijn land tot eer verstrekte.

gt;Gaarne zou ik hebben, — schreef hij in zijn „Wederwoord,quot; hierboven aangehaald — dat het heele land wist hoe vriendschappelijk wij hier, te Amsterdam, met elkander omgaan, terwijl wij zoo vurig voor onze overtuiging strijden.''

Zijn hart omvatte in een oprechte liefde, naar 't gebod zijns Heeren, de geheele menschheid, doch vóór allen kwamen in aanmerking de kinderen van het vaderland,

»Waarvoor wij pen en woord en hoofd en hart verpanden.quot;

't Ivon dezen »ultramontaanquot; niet deren, dat hij op zoo menig Taal- en Letterkundig Congigt;o, ter vergaderzaal of ten feestdisch aanzat met dragers van de 't zijne meest vijandige beginselen, uit Noord- en Zuid-Nederland derwaarts gekomen.

Wat hij slechts vroeg vermeldt het gt;Klinkdichtquot;, door hem vervaardigd , ten antwoord op den uitnoodigingsbrief, door de lleijelinffscommissie van het XXste T. en L. C. aan

O O

hem gericht:

»Zal er een rede zijn, zoo kort als kernig, die

Het wonderschouwspel etst van Vondels poëzie ,

En paap èn jood èn geus tot broederkring vergaêrend?quot;

Naar aanleiding van 't door hem vervaardigd „poèine comique-sérieux: Lu Néér lande u Viclur-Hugoquot; (1877) had in „De Nederlandsche Spectatorquot; zekeren »Plaiiorquot; hem genoemd »een franskiljonsche(n) priesterquot;.

Dat kon hij niet velen. »Zou waarlijk — schreef hij — de Spectator meenen, dat men het zoo nauw niet hoeft te nemen, als er sprake is van een Nederlander, die R. Katholiek priester is ? Nederlander, Katholiek en priester te zijn houd

ocr page 111

— 95 —

ik voor drie titels, die ik niet, zonder tegen te spreken , laat aanranden.quot;

Van den Bovenkerker pastoor— in 1871 was Brouwers als dusdanig aangesteld, nadat hij 'sjaars te voren De Tijd had verlaten — kon men zeggen, dat hij, in ware hoofsch-heid den Muyder Pieter Corneliszoon , die Vondel »om een onnoozel Ave Mariaquot; zijn tafel verbood, de loef afstak.

Den 3'Jequot; van Oogstmaand 1880 werd door een dertigtal »broeders in Vondel, ofschoon van de meest niteenloopende geloofsrichtingquot; —■ zooals een verslaggever zich uitdrukt — ter herinnering aan de Vondelsfeesten van 5 Februari 1879, te Bovenkerk een bijeenkomst gehouden.

Daar waren vereenigd, om slechts enkelen te noemen , van Vloten en de Veer, Cuypers en VVertheim, Jan ten Brink en Thijm, Hofdijk en de Marez Oyens, die er a la Vondel »tierelierde,quot;

En paap èn jood èn geus tot broederkring vergaêrend.

» Alles werd aan dezen disch in de beste vouw ereslagenquot; ~

O O

mocht Thijm wel getuigen. »Zelden heeft men een aangenamer harmonie, levendiger toon, beter stemming zien optreden , dan die het samenzijn van dezen geheelen dag gekenmerkt heeft, waar lieden van zoo verscheiden richtinquot;1

O

bijeen waren. Daar was maar eene meening over , en uit aller monden sprak hoeveel eer daarvoor toekwam aan den gullen en smaak vollen gastheer.quot; ....

»Voor hem als voor allen moet een belangrijke aanwinst zijn geweest de zekerheid, dat de zonen van hetzelfde vaderland ,. .. ondanks den strijd op het gebied van Kerk en Staat, binnen de sferen van kunst en letterkunde de handen met weerzijdsch volkomen vertrouwen in elkander kunnen slaan, en, door eendracht^verbonden , misschien nog veel groots tot stand kunnen brengen.quot;

ocr page 112

»Met al den gloed zijner ziel — zoo besloot de N. R. C. haar verslag — moest „le bon pasteurquot;, gelijk de Veer hem noemde, nog eens getuigen van zijn beginsel van liefde en vrede, bij alle oprechtheid in den strijd der uiteenloopende beginselen.quot;

Bij dezen Augustus-dag moest ik, docht me, ten minste een oogenblikje stilstaan , ten einde den man der zoo fel gewraakte »ultramontaanscbe kritiekquot; het hem alleszins toekomend recht te doen wedervaren.

Onze „bon pasteurquot; beschouwde, — trouwens, zooals wij hem nu kennen is 't geenszins te onderstellen — zijn herdersambt allerminst als eene »sinecuurquot;; daar moest voor 't pas opgerichte kerspel gebouwd en herbouwd, ja — ik voege het hier niet slechts wegens den rijmklank bij — inderdaad gesjouwd , de verstrooide geloovigen moesten tot een kudde saamgebracht, aan de stem des zielenherders gewend, aan 't bevel des Goddelijken Opperherders willig gemaakt worden. In de vervulling van zulk een gewetensplicht zou geen Brouwers ooit falen.

Evenwel, van jongsaf wars van ruste, meer aan den „improbus laborquot; en 't woekeren met zijn tijd, dan aan 't zuinig-zijn met kracht en gave gewoon, en behoefte gevoelende aan uiting van 't geen er omging in geest en hart, zette hij in „Amstelbodequot;en „WetenschappelijkeNederlander,quot; waarin, natuurlijk, geen „Vondelianaquot; mochten ontbreken, zijn denkbeelden omtrent staatkunde, wijsbegeerte en letterkunde uiteen, onderwijl hij, geest en gemoed steeds op idealen gericht, niet naliet te zinnen op middelen om Nederland met een Vondel-orgaan te verrijken.

Met opgewektheid sprong hij in 't krijt voor de zelfstandigheid der gemeente Nieuwer-Ainstel, waartoe zijn kerspel behoorde, alsmede voor den bloei der door hem opgerichte vereeniging: „Kiesrecht is Kiesplicht.quot;

Te Maastricht sprak hi) 5gt;over der vaderen roem in de

ocr page 113

97

toonkunstquot;, te Rgssel over »le centenaire du poète Hollandais Vondelquot;; te Haarlem bracht hij hulde aan Paus Pius IX, te Delft aan Prins Hendrik.

Moest, na Brouwers' rede, te Rijssel (1887) gehouden, de aartsbisschop Hasley getuigen: »Voici un discours qui échappe a tout éloge et a tout compte-rendu. 11 n'y a qu'une chose a en dire , c'est que les brouillards de la Hollande n'ont obscurci ni l'esprit ni le cceur de 1'orateur que nous venons d'entendrequot;; na zijn optreden voor 't »Congres Eucharistiquequot; te Parijs (1888) zal het dagblad »Lc Mondequot; verklaren: »Les étrangers obtiennent toujours beaucoup de succès dans nos congres francais. Mais quand , comme Mr. Brouwers, ils manient notre langue avec une veritable eloquence et qu'ils y ajoutent la poésie des langues du Nord, le succès se transforme aisément en trioraphe.quot;

Ter »Koninklijke Vlaamsche Academiequot; trad hij op met »Vondel en de Catalaansche dichtkunstquot;, te Antwerpen (1890) hield hij een even pittige als geestige en uitbundig toegejuichte redevoering op het »Congrès Eucharistiquequot;, te Valkenburg (1892) een feestrede bij de onthulling van het gedenkteeken, ter herinnering aan Limburgs 50-jarig Nederlanderschap.

Van zijne hand verschenen talrijke opstellen , Pius IX en Leo XIII, den Spaanschen aMlt;o-dichter Calderon , den wereldontdekker Columbus, den slavenbevrijder Lavigerie betreffende ; kortom, daar was, zoowel binnen als buiten de palen des lands, niets edels te huldigen, niet roemrijks te pryzen, of Brouwers offerde met geestdrift den cijns zijner bewondering.

Op 't »Congrès Eucharistiquequot; te Antwerpen had de kanunnik Didiot tot Brouwers gezegd: »Allez votre train, je vous prouverai ma cruelle amitié; je vous avertirai quand il faut finir.quot; Op een gegeven oogenblik, terwijl Brouwers zgn hart terdege ophaalde aan, en de toehoorders vergastte

L. P. BU. 7

w

ocr page 114

op een bespreking van Vondels » Altaer-Geheimnissenquot;, waarschuwde Didiot den redenaar, dat hem niet meer dan 7 minuten overbleven.

»Nu bevind ik mij — merkte Brouwers aan — in hetzelfde geval als iemand, die de waarde en verdiensten der Vlaamsche School kent, en dien men komt zeggen: Nu hebt gij zeven minuten om voor uwe hoorderen meer dan zeventig meesterstukken der Vlaamsche schilderkunst tot hun recht te laten komen.quot;

Niet anders gaat het schrijver dezes.

't Is spijtig, maar »il faut savoir se bomer.quot;

Den 19den Februari 1893 kwam Brouwers naar Limburg, als om afcheid te nemen — had hij een voorgevoel van zijn naderend uiteinde ? — van den dierbaren geboortegrond.

Ettelijke dagen vroeger had hy , zijn komst naar Limburg aankondigend, geschreven:

»Dies wil zijn mond den kreet van zijne jeugd herhalen.

Bereid te sneuvelen voor Leo's zegepralen.quot;

In den Maastrichtschen »K. K. Volksbondquot; voerde hij het woord over Paus Leo XIII. Van deze rede was slechts een gedeelte der inleiding geschreven: »Uit de aloude myther-stad aan de Maas kwam naar den Amstel de wensch, een Limburger als spreker te zien optreden bij het Paus-Leo-feest. Aan de vervulling van dien wensch zou een spreker bereid zijn , het laatste woord zijner lippen, den laatsten adem van zijn openbaar leven toe te wijden.quot; Zoo luidt de aanhef.

gt;Dat was — meldde een verslaggever aan De Tijd — zijn laatste , maar ook zijn schoonste rede.quot;

Ten huize van zijn studievriend en ambtgenoot, den Rijksarchivaris Jozef Habets , die hem te waardschap ontving , vond men den strijder voor kunst en recht, blijkbaar vreed-

ocr page 115

— 99 —

zaam ter eeuwige ruste ingegaan, den 3den Maart 1893. Zijn laatste adem was uitgegaara over het getijdenboek, dat in zijn verstijfde hand rustte.

»Zittend in zijn stoel, — schreef Taco de Beer — biddend is hij voor altijd ingeslapen. Zóó had hij geleefd. Maar voor hen, die hem goed gekend hebben, is hij niet gestorven ; hij leeft voort in onze harten en wij hebben hem lief, ook lang nadat hij van ons is heengegaan.quot;

Reuver. Jac. Vrancken, Pastoor.

Aan Tijd. en Vlijt te I^enven.

Godsdienst, Vaderland en Kunsten Zijn uw rijk, o Tijd en Vlijt.

Deele hij met U Gods gunsten Wie zich aan dat drietal wijdt!

Heeft de toon in vroeger dagen ,

Die ons uit het harte rees,

Uwen bijval weggedragen Daar hy deugd en burger prees;

Zoudt Gij heden niet gehengen,

In het barnen van de tijd ,

Dat ook wij ons pogen mengen In den recht-herstellingsstrijd ?

Hollands zonen, fier rechtschapen , Strijden in het kunstenveld;

Leuvens jeugd vliegt nog te wapen Waar het bloed en leven geldt.

ocr page 116

— 100 -

Heden zij' den dappren Belgen Van kasteelen en van stulp,

Waarden broeders van die telgen Heengesneld tot 's vaders hulp;

In mijn nederige zangen Toegereikt met broederhand,

Vondel's toonbeeld voorgehangen Hoe men leev' voor God en land.

Wie de snaar der lier doe trillen Die tot heldendaden spoort;

Wie de werpspies kunne drillen Van het welgesproken woord;

Wie het slachtzwaard moge omklemmen. Trede ridderlijk vooruit!

Wat wij in ons harte stemmen,

Schutten wij 't met lood en luit!

Ieder onzer is ten strijder Voor zijn God en recht gevormd;

Ieder dan weze een bevrijder.

Kerk en Staten zijn bestormd!

Vrienden, die de kunst vergaarde , Volgen wij, voor wet en God Vondel's strijdbanier; hij paarde Staat en recht aan 't Kerkgebod!

Alle Neerlands puikverstanden Sluiten zich bij Vondel aan ;

Om zijn standbeeld, hand in handen. Zie hen God ten reie gaan!

ocr page 117

— 101 —

Alle Neerlands taalgenooten,

Vlaandrens, Hollands geestenschaar,

Zijn den kunstbond aangesloten ;

Vondels eerzuil strekke altaar!

God hereenige in zijn gunsten Allen die, met goed en bloed,

Godsdienst, Vaderland en Kunsten Dienen, zoo als Leuven doet!

1861.

LETTBBVRUCHTEN VAN TIJD EN VLIJT

1863.

Bladi. 229—232.

ïtaadgreving1 een er TJoze.

Door de moederlijke hoven ,

Rijk aan Lentes lieflijkheên ,

Kwam het lieve Jozefijntje

Dartiend , spelemeiend heen Zingend, springend aangehuppeld.

Want, heur hart was zonder schuld, En de wereld , noch dier knaging

Hadden ooit dat hart vervuld:

Maar bij wglen trad zij langzaam,

Peinzend, mijm'rend bij zich zelf. Of bleef stilstaan in gedachten

Onder kunstig bladgewelf.

Dan eens hoorde men haar stemmeken Helder, lief en zilvren fijn.

Reuzelen met boom of bloemperk,

Of met 't zingend vogellijn,

ocr page 118

— 102 —

Toen ze een' roz'laar, half ontploken,

Op een terp van zode en puin, Met verrukking komt te ontdekken

Naast de sluitheg van den tuin.

gt; Waarom staat gij hier te pralen , »Arm vergeten Rozelijn,

»Op den terp, bij 's bloemhofs palen?quot; Zoo sprak lieve Jozefijn.

»Zeg, wiens blikken kunt gij boeijen »In dit afgelegen oord ?

»Hart noch hand wordt door het gloeijen »Van uw lenteschoon bekoord.quot;

Het roosjen.

»Ach, bezield beeld van mijn wezen, sik ontluik tot beter doel:

»Ik verlang niet uitgelezen »Door een tintelend gevoel!quot;

Jozefina.

»Roze, koningin der hoven,

»Lentes meest gevierde spruit,

»Gij kunt aller glans verdoven ,

»Maken ieders hart ten buit.quot;

Het roosjen.

»Ach! het waar voor mij gevaarlijk, »Zoo ik ieders harte toog!

gt;Dan was 't ieders vinger, waarlijk, »Die zich plukkend tot mij boog!quot;

ocr page 119

— 103 —

Jozefina.

»Waarlijk ! 'k heb geen schooner rozen gt;In den schoonsten tuin gezien ; »Gij verdient wel uitgekozen ,

»Zoo er ééne keus verdien'.quot;

't Meisje ging heur handje steken Naar den lieven rozelaar ;

Eer ze 't roosje af kon breken,

Borg 't een zefier voor 't gevaar.

En helaas ! een traan kwam leken Uit het bruine maagdenoog;

Grievend bleef de doren steken In het handje dat zich boog.

En het roosjen, zoo bekoorlijk,

Wijkt de hand van Jozefijn ;

En de doorn, zoo als behoorlijk ,

Schut de roos voor 't maagdelijn.

Jozefina.

»Waarom mij toch zoo bedriegen, »Roosjen, die te lagchen stondt!

»Kwam het windje u daarom wiegen, »Dat uw doorn mijn hand doorwond'?

»'k Wilde u in mijn lok doen zwieren , »ln het glansrijk golvend haar; »Of mijn boezem met u sieren: »Dat was toch geen kwaad, niet waar?

»'k Had u in mijn hand zien pralen , »Honderd-, duizendmaal gekust, »ü bevrijd van zonnestralen:

»Welk is 't lot, dat meer u lust?quot;

ocr page 120

— 104 —

Het roosjen.

»Op de plaats door God geteekend,

«Blijft men best in weel'ge jeugd;

»Wordt daartegen ingerekend,

ȟan verspeelt men deugd en vreugd!

5gt; Was mijn lot naar dijne wenschen,

»Acli! het kwam mij duur te staan !

»Dijn genot waar mijn verslensen,

»Kon het vrij met mij begaan.

gt;'t Kon den gloed ja niet verdragen »Van dijn achttienjaarge hand;

»Minder nog de hinderlagen »Van een mond, die zoenend brandt.

»De eenzaamheid heeft mij beveiligd;

»Trouwe doornen zijn de wacht »Tegen alles wat ontheiligt,

»Mij door Gode toegedacht.

»Hadde ik nu, slechts half ontloken ,

»Naar uw liefde en lof getracht,

»Dan was 'k nu reeds afgebroken »En om kleur en geur gebracht.quot;

Wil men heil in praalzucht plukken ,

Zoo als Jozefijntje deê,

Ei! de poging zal mislukken,

Maar de doornen draagt men meê.

Roermond. J. W. Brouwers, prof.

ocr page 121

— 105 —

HET BELPOBT I, 1886

bl. 5-7.

Amsterdam, 10 Februari 1886.

quot;Wapengroet aan „Het Belfortquot; te Crent.

Hebt gij over wei en wallen,

Door heel Belgenland,

Geen trompetten hooren schallen Van Oost-Vlaandren's kant?

't Oude Belfort is herrezen Uit der vaadren eeuw.

Om te strijden als voor dezen.

Met den Vlaamschen Leeuw.

Zijn gebrul is vol van blijheid ,

Vrede en zegepraal;

Het verkondigt recht en vrijheid Voor de moedertaal.

Brabants Leeuw is opgesprongen In zijn Vlaamsche macht;

't Antwoord davert uit zgn longen , Vlaamsch aan groet en kracht!

Limburg's Leeuw was aan het spelen Met zijn klauw en staart.

't Vreemd geronk kon hem niet schelen, Vlaamsch bleef school en haard.

Nu toch schiet hij op, te blijder Bij dat blij geschal,

En schiet toe als medestrijder Bij dat broedrental.

ocr page 122

— 106 —

't Onrecht heeft den draak gestoken Met ons Moedertaal,

't Waterloo is aangebroken Voor 't uitheemsch gesmaal.

Dat de Waal is Waal gebleven ,

Is zijn volste recht;

Onrecht wordt door hem bedreven , Wie hem dat ontzegt.

Niets verdeele als in 't verleden 't Belgisch vaderland.

Vlaamsch en Waalsch doe het op heden Elk zijn recht gestand.

Hebt gij over wei en wallen,

Door heel Nederland,

Geen trompetten hooren schallen Van Oost-Vlaandrens kant?

't Gentsche Belfort roept ten strijde Over duin en dal;

Groot als in der kruisvaarts tijde Zij het riddrental!

Turksch kon men het kruis beleedigen Meb vrijraets'laarskunst;

Al wat godd'loos is verdedigen Met der Staten gunst.

Moest dat Satansjuk niet belgen 't Gantsche Belgenland?

Rukt dan aan, o kruisvaartstelgen, 't Kruiszwaard in de band.

ocr page 123

Laat de jongren rondtrompetteren

Als een Hemelgunst:

»'t Belfort, toegewijd aan letteren Wetenschap en kunst.quot;

Geestverwanten, Taalgenoten,

»'t Belfortquot; ga u voor; 't Ridder-strijdperk wordt ontsloten,

Volgt zijn ridderspoor!

Hem zij de eereplaats beschoren

Aan den Vlaamschen haard;

Al wat Vlaamsch is moet hem hooren Op den eersten Maart.

J. W. Brouwérs,

Red. van »De Wetenschappelijke Nederlander.quot;

Heilbede voor lt;len Koning-

aan het slot der Feestrede, gehouden in Maison Stroucken ter gelegenheid van het gevierde Vondelsfeest, November 1887.

Zie Amstb.

O God der hemelen, zie heilverspreidend neer Op deze plek der aard, ons dierbaar Vaderland, En handhaaf eind'ioos lang, in zegenvol beheer, Op Neerlands troon De Oranje-kroon ,

Der eendracht onderpand.

Wij zweeren houw en trouw aan Neerlands Konings-troon. Wij zweeren houw en trouw aan zijne Oranje-kroon, Nooit af te scheiden lotgenoot

ocr page 124

- 108 —

Van Leger noch van Vloot, In leven noch in dood,

Met hoofd en hart, en arm en hand en tand. Trouw aan het Vaderland, ons aller Nederland.

Laatste gedicht -17 Febr.

Op Leo's Jixbelfeest.

Wij zagen achttienmaal der eeuwen strijdgeklots

Zich brijzelen aan Petrus' rots;

Nog kan 't verleden ons èn legeren èn tronen In wrakken en in puin aan 's Pausen voeten toonen.

't Is daar, dat de aarde zwicht; dat helsche woede faalt;

't Is Christus die daar zegenpraalt;

Al ging ons huidig zwerk van al die stormen zwanger, Geen vrees beknelde ons hart voor Christus plaatsvervanger.

Neen, de aard ziet nooit den dag, dat Petrus' schipken strandt;

De Godheid gaf haar woord tot pand;

Maar onze levenszon ziet nog die tronen zeiven Verzwolgen in den kuil, dien zijn den Paustroon delven.

3^

ocr page 125

Vt HOOFDSTUK.

Bij het Portret van wijlen Pastoor J. W, Brouwers.

|!p den middag van den 7den Maart 1893, heerschte in den omtrek en op het station van het staatsspoor aan de Weesperpoort te Amsterdam, eene ongewone drukte. Honderden belangstellenden bewogen zich op het stationsplein en nog eens honderden verdrongen zich in de nabijheid, om getuigen te zijn van eene indrukwekkende plechtigheid. Het stoffelijk overschot van pastoor Brouwers, in en buiten Nederland bekend, geëerd en geliefd, den 3n Maart te Maastricht plotseling overleden, zou zoo aanstonds arri-veeren. In de wachtkamer eerste klasse , daartoe door den stationschef expresselijk gereserveerd, waren de vrienden van den overledene te zamen gekomen om een laatste hulde te brengen aan den betreurden afgestorvene. Behalve den ouden trouwen vriend, Dr. P. Cuypers, waren daar in eerbiedige afwachting vereenigd vele pastoors en andere priesters der hoofdstad en van Nieuwer-Amstel, de Heer A. C. Wertheim, lid van de Eerste Kamer, Ds. M. A. Perk, president der Synode, die naar hij mij mededeelde, den vroegen dood van dezen verdienstelijken man betreurde, omdat Nederland weinig zulke burgers telde; verder verscheidene consuls, letterkundigen , kunstenaars, eenige leden van den Nieuwer-Amstel-

ocr page 126

- 110 —

schen gemeenteraad, het bestuur van de R. C. kiesvereeniging »Kiesrecht is Kiesplichtquot; de leden van het parochiaal kerken armbestuur van Bovenkerk en vele vrienden van verschillende geloofsbelijdenis en politieke overtuiging, die allen een laatsten groet kwamen brengen aan den beroemden Pastoor. Op den bepaalden tijd stoomde de trein het station binnen. Een der vrienden van den be'treurden overledene genoot de droevige eer het lijk in ontvangst te mogen nemen. Er heerschte daarbij een indrukwekkende machtige stilte. De toeschouwers ontblootten allen eerbiedig het hoofd. De lijkkoets reed voor de wachtkamer. Dat was tegen de reglementen, doch de stationschef gaf daartoe vergunning, mee-nende voor een zoo algemeen bekend en bemind man als pastoor Brouwers, zijne instructies gerust te mogen overtreden.

De kist werd bedekt met een kruis van witte rozen van de R. C. kiesvereeniging, door hem gesticht; met prachtige kransen van levende bloemen van het parochiaal kerk- en armbestuur van Bovenkerk, van het zangkoor, van Dr. Cuy-pers en anderen. Het pauselijk eerekruis »Pro Ecclesia et Ponlificequot;, geflankeerd door de orde van de Eikenkroon en de Leopoldsorde, werd op de kist gehecht.

Daarna zette zich de stoet, een lange rij van zes en dertig rijtuigen , waaronder een groot aantal Utrechtsche wagentjes met parochianen, langzaam, statig in beweging, eerbiedig gegroet door eene groote menigte, langs het Vondelkwartier, waar van den kerktoren van het H. Hart, het stoffelijk overschot van den grooten Vondelvereerder met klokgelui plechtig hulde werd gebracht, naar Bovenkerk, waar de parochianen waren samengekomen en de aankomst van het stoffelijk overschot van hun geliefden herder met groote droefheid verbeidden.

De reike eikenhouten kist, gedragen door de leden van het kerk- en armbestuur, werd door den Zeer Eerw. pastoor

ocr page 127

- Ill —

van Zanlen in ontvangst genomen en voor het altaar onder een baldakijn van rouwfloers geplaatst.

Bij deze plechtigheid vooral werd het hart der parochianen met droeven weemoed vervuld.

Gewoon hem na zijne thuiskomst van zijne menigvuldige reizen, het eerst de kerk te zien binnentreden, om een groet te brengen aan liet door hem zoo vurig vereerde H. Sacrament, zagen zij nu zijn stoffelijk overschot den tempel indragen, tot voor het H. Tabernakel, waar hij zoovele malen nederknielde om God te danken , voor 't geen hij voor diens eer en glorie buiten zjjne parochie had mogen verrichten.

Geen wonder dat het dichterlijk hart van een zijner parochianen in de volgende gevoelvolle verzen uiting gaf aan de droefheid die het overstelpte:

Moest 'k U zóó wederzien: gehuld in droeve rouwe. Bedekt doorkruis en krans, door vriendschap, liefde en trouwe Ter lijkbaar neergelegd; gevolgd door eene ry ,

Gevormd uit iedren staat en stand der maatschappij, De een treurende om zijn vriend, zijn troost, zijn

leidsman; de ander Hem huldigende als held, als fleren tegenstander. Die nooit een vijand was van hem, met wien hij streed; Die nimmer duldde, dat het recht door 't onrecht leed?

Moest 'k U zóó wederzien: den tempel ingedragen. Die stichting van uw hart, die — in uw levensdagen Uw trots, uw ideaal, in moeite en zorg voltooid, Nu treurende om uw dood, zijn vlag ten rouw ontplooit? Hier heeft uw priesterdeugd zoo stil devoot geblonken , Hier heeft uw machtig woord voor ons zoo vaak weerklonken; Die tempel, eens uw roem. strekt treurende vandaag Uw stoff'lijk overschot ten reuzen-sarcophaag.

ocr page 128

Geknield voor 't Sacrament, hebt Gij voor ons gebeden , En nu Ge Uw God geniet in de eeuw'ge zaligheden , Nu blijve uw liefde ons bij: vraag, Vader, vraag uw God, Dat we U eens wederzien en deelen in uw lot!

Den volgenden dag had de plechtige uitvaart en begrafenis plaats , bijgewoond door eene talrijke schare van belangstellende vrienden, onder wie autoriteiten van allen rang en stand.

Als redenaar wist hij de heilige geestdrift, die hem bezielde, in 't hart zgner toehoorders over te storten. Hij verstond meesterlijk de kunst zijn gehoor op te wekken en in vervoering te brengen voor de zaak , die hij met gloeiend enthousiasme verdedigde. Een merkwaardig bewijs daarvoor leverde hij o. a. op een congres te Parijs, waar hij het denkbeeld opperde van 't herstel van 's Pausen wereldlijk gezag door tusschenkomst van Frankryk, en dit geestdriftig toegejuicht op de volgende origineele wijze openbaarde:

Gij Franschen zegt:

O Dieu vainqueur, Dieu de clémence Sauvez Rome et la France,

Au nom du Sacré-Coeur.

En ik zeg:

O Dieu de clémence, Dieu vainqueur.

Au nom du Sacré-Coeur,

Sauvez Rome par la France.

ocr page 129

— li:3 -

Maar vooral welsprekend was liij, wanneer hij 'fc woord voerde op Eucharistische congressen, waar hij gelegenheid vond, getuigenis al' te leggen van zijn vurige liefde voor het H. Sacrament, en innig gelukkig gevoelde hij zich, iu 't buitenland door statistieke gegevens de bewijzen te mogen leveren, dat in geen land ter wereld het H. Sacrament grooter vereering vond dan in Nederland.

Helaas! dat deze vrome priester, deze geleerde letterkundige, deze talentvolle redenaar in de kracht zijns levens aan de Kerk, de wetenschap en de maatschappij moest ontvallen !

Geen slepende ziekte maakte een einde aan dat werkzaam leven. Plotseling was zijn overlijden. Ten huize van den Rijksarchivaris, den ZeerEerw. Jos. Habets, zijn vriend reeds in 't graf gevolgd, werd hij den 3lien Maart met het geopend brevier naast hem, dood gevonden. Biddend is hij gestorven, gestorven, zooals hij geleefd had.

Toen hij den 19,lcl1 Februari naar Limburg vertrok, om te Maastricht als spreker op te treden bij gelegenheid van 't gouden Bisschopsjubilé van Z. H. Paus Leo XIII, was hij bepaald onwel. Eén zijner parochianen raadde hem zijn reis naar zijn geboorteland af. — Uw gezondheid gaat voor alles en voor allen, Pastoor!quot; zeide hij. — »In ieder ander geval zou ik uw raad opvolgen ,quot; antwoordde de pastoor, »maar nu ga ik over den Paus spreken en al zou de reis mij 't leven kosten, ik ga! Want het moet heerlijk zijn te sterven bij 't verkondigen van zijn lof!quot;

Den 15dun Februari zond hij aan de Maas-en Roerbode, eene bijdrage , waarin hij, alsof hij slechts van het leven wilde scheiden met een hernieuwde betuiging van trouw aan den hoogen Opperpriester, een Fransch gedicht van 18(50 herhaalde , hetwelk luidde :

8

L. P. lilt.

ocr page 130

— 114 —

»Rome, éternel soutien,

Inebraulable dome üe l'univers chrétieu!

Rome, a qui Ton prodigue et l'injure et l'outrage , Tu deviens chaque jour plus chère a, tes enfants!

Plus a t'humilier la calomnie s'enrage,

Plus nous t'élevons haut, intrépides croyants!

Plus la ruse et la force attaquent tes murailles.

Plus, de bouche et de coeur, nous te proclamerons En face des tyrans, en face des canons.

Rome, a qui nous vouons le sang de nos entrailles: Rome, notre devise et le cri de batailles;

Rome, notre drapeau dans les luttes du jour;

Rome, cbant de la paix, Rome, chant de victoire, Rome, chant de foyer, Rome, chant de la gloire; Rome, Notre Sion, et notre immense amour:

Nous prenons a témoin et le ciel et la terre,

A la vie, a la mort, nous sommes au Saint-Père.quot;

*

Bereid te sneuvlen voor Leo's zegepralen !

A la vie, a la mort, nous sommes au Saint-Père!

Wie, die Brouwers gekend heeft, twijfelt aan de oprechtheid van dat getuigenis ?

Wie, die het voorrecht had, dezen «strijder voor en belijder van de heilleer zijner jeugdquot; van nabij te kunnen gade slaan bij de uiting zijner diep godsdienstige gevoelens, gesticht te worden door zijn heilig priesterlijk leven, zou hem het recht hebben durven betwisten hemel en aarde tot getuige te roepen bij zijn verklaring , dat hij in leven en dood den Paus toebehoorde en Zijne Heilige zaak? Niemand.

ocr page 131

— 115 —

Want vóór alles was Pastoor Brouwers katholiek. »Hij beminde allen maar bovenal de huisgenooten des Geloofsquot; mocht terecht pastoor Van Zaaien in zijne indrukwekkende lijkrede zeggen. Bovenal was hij , zooals wij reeds zeiden, een ijverig vereerder van het H Sacrament. Wie hem niet in zijn werkkamer trof, gebogen over eenige dikke folianten, die hem tot lessenaar dienden, was er zeker van, hem in de kerk te vinden, neergeknield voor het H. Altaar, waar de God der menschen troont. Hij was een voorbeeld voor iederen priester, verklaarde de ZeerEenv. lijkredenaar, en deze verklaring vindt geen tegenspraak. Oe verschillende kapelaans, die hem in de uitoefening zijner priesterlijke bediening ter zijde gestaan hebben , zullen eenparig die uitspraak bevestigen en erkennen , dat zij aan zijn stichtend voorbeeld veel verplicht zijn.

Beweeglijk van aard, vlug en driftig bij alles, wat hij deed, de noodige kalmte missend, om een begonnen zaak ten einde toe af te werken, slordig in de behandeling van alle materiëele aangelegenheden, was hij bij de vervulling der plichten, hem door zijne bediening opgelegd, uiterst delicaat, stipt nauwkeurig, langzaam en bedaard, en zeer conscientius. »Gij hadt hem te Warmond moeten zien op de jaarlijksche retraite,quot; zeide nog onlangs een priester, »hoe hij allen voor ging in godsdienstige overweging, hoe hij allen stichtte door zijne nederige, devote houding bij conferentie en predikatie.quot;

Waar hij ook was, te Bovenkerk of te Parijs, ginds zijn priesterlijk ambt uitoefenend, hier in een enthousiastische rede het Fransche publiek begeesterend, voor alles wat Gods Kerk verheerlijken moest, overal en altijd was hij priester. Waar Brouwers ook optrad, als feestredenaar bij Oranjefeesten, in volksvergaderingen het woord voerend of in een Protestantsche kerk den lof van Hugo Grotius verkondigend, op congressen in 't buitenland onze groote mannen eerend, of in Nieuwer-Amstel strijdend voor de integriteit onzer gemeente, steeds

ocr page 132

— HG -

kon men er van overtuigd zijn, dat zelfs bij de meest geestdriftvolle uitingen geen enkel woord strijden zou tegen de Katholieke beginselen , dat bij niet dulden zou , dat deze werden aangevallen zonder critiek, en dat geen enkele daad, geen enkele gedachte zelfs een smet, hoe gering ook, zou kunnen werpen op 't priesterkleed, dat bij droeg.

Zijne katholieke beginselen, zijn groote liefde voor al wat de H. Kerk luister kon bijzetten , verhinderden hem echter niet een goed Nederlander en voortreffelijk Staatsburger te zijn.

Pastoor Brouwers was de levende tegenspraak van liet lasterlijk beweren, dat de Ultramontanen geen ander vaderland dan Home erkennen. Overal, bij iedere gelegenheid , altijd bleef hij trouw aan het devies, waaronder hij streed: »Voor God en Vaderland, voor Grondwet en Oranje.quot;

Koningsgezind was hij vooral. Bij iedere gebeurtenis, bij de bruiloft van een zijn parochianen, zoowel als bij de begrafenis van zijn vriend Alberdingk Tliijm , bij een redevoering over Calderon , evengoed als bij gelegenheid van het 75-jarig herinneringsfeest onzer onafhankelijkbeid, steeds kon men er van verzekerd zijn, dat de inleiding of het slot een gloeiende toast was op 't regeerend vorstenhuis.

Uiting te mogen geven aan zijn liefde voor vaderland en vorst, eischte hij op als zijn recht, en dat recht verdedigde hij zelfs eens op zulk een moedige, bijna overmoedige wijze, dat zijn leven bedreigd werd.

Dat was o.a. het geval op de bekende meeting in Maison Stroacken op 9 December 1888, waar hij eene rede zou uitspreken ten gunste van het wereldlijk gezag van den Paus. De toegangskaarten waren voor een gedeelte door de socialisten opgekocht. Reeds vóór het openingsuur was de zaal gevuld. Onmiddellijk na de inleiding stelde de gevierde redenaar voor, een telegram van hulde te zenden aan Z. M. den Koning. Een oorverdoovend gesclireeuw en gefluit be-

ocr page 133

— 117 —

letten den spreker voort te gaan. Kalm en waardig protesteerde hij, zich beroepende op het recht, dat de Katholieken in Nederland hebben, om bewijzen te geven van hunne gehechtheid aan en hunne liefde voor het hoofd van den staat. Hij deed een beroep op de ordelievendheid van het Nederlandsche volk, om die goede eigenschap zoo geroemd in het buitenland, en hij sprak de hoop uit, dat op die reputatie geen smet zou geworpen worden. Een geweldige vijandige demonstratie volgde. De buste van de koningin werd verbrijzeld, stukken van tafels en stoelen werden als projectielen gebruikt, en gericht op de estrade. Pastoor Brouwers bleef ondanks het onstuimig tumult even kalm

O

en waardig. En moedig niet minder. »lk wijk voor niemand !quot; donderde hij het revolutionaire volk toe. »In 't vrije Nederland zal ik aan Neêrlands Vorst hulde brengen, als ik dat verkies!quot;

Nieuwe uitbarstingen van woede, nieuwe beleedigingen van God en Zijn waardigen dienaar 1 Pastoor Brouwers hield stand. Hij had meermalen gezegd: »Ware ik geen priester geworden, dan ware ik soldaat!quot; Op dat oogenblik gevoelde men, welk een dapper militair hij in gevaar zoude geweest zijn. Het gelukte eindelijk aan de verschillende vertegenwoordigers der pers, hem mede te voeren naar een veiliger plaats, doch niet zonder protest zijnerzijds, opdat niemand een oogenblik zou kunnen denken, dat lafheid hem tot wijken had genoopt.

Op een der congressen te Parijs eindigde hij na een stormachtig toegejuichte rede, met een gebed te vragen voor het geluk van Nederland en zijn Koning. En op het feest ter herinnering van het vijf-en-zeventig jarig bestaan onzer onafhankelijkheid, den 15don November 1888 , in 't concertgebouw gevierd, was zijne rede één enkele geestdriftvolle zege-wensch voor Nederland en het Oranjehuis. En toen hij zijn gehoor , dat hem letterlijk aan de lippen hing, door zijn

ocr page 134

— 118 —

wegsleepende, begeesterende taal tot de heilige geestdrift had opgevoerd, die hem bezielde, ten slotte toezong:

Voor 't erfdeel onzer Vaderen

De laatste penning van ons goed!

De laatste druppel van ons bloed!

toen was er niemand onder de duizend en meer toehoorders, die niet in zyn ziel er van overtuigd was, dat die woorden in zijn mond ernstig gemeend waren, dat Pastoor Brouwers bereid zou zijn goed en bloed te offeren op het altaar des Vaderlands.

Leerde Pastoor Brouwers in het buitenland de grootheid van ons verleden kennen , en in het binnenland de liefde van de Katholieken voor hun geboortegrond, arbeidde hij op die wijze rusteloos aan de belangen van het algemeen, hij vergat zijne onmiddellijke omgeving niet, en maakte zich niet minder verdienstelijk in engeren kring. Man van bet woord en van de daad, nam hij het initiatief, om de Katholieken van Nieuwer-Amstel te emancipeeren.

Vóór 15 jaren stichtte hij de R. K. kiesvereeniging en de Amstelbode. Deze beide stichtingen waren oorzaak van een geheelen ommekeer van den gang van zaken in onze gemeente. Voet voor voet werd den Anti-revolutionairen hun invloed betwist, met dit gevolg dat thans in elk collegie van bestuur en gezag de katholieken naar evenredigheid hunner kracht vertegenwoordigd zijn. En wat de betreurde overledene voor 't zelfstandig voortbestaan van Nieuwer-Amstel gedaan heeft, ligt nog zoo kersversch in 't geheugen en is van zoo algemeene bekendheid, dat ik er niet over behoef uit te weiden. Alleen de verklaring, en deze zal geen tegenspraak uitlokken', dat voor 't grootste gedeelte aan pastoor Brouwers de eer toekomt van 't bekende succes van den strijd tegen het machtige, op annexatie beluste Amsterdam. Door een wijs besluit heeft de gemeente-

ocr page 135

- 119 —

raad van Nieuwer-Amstel reeds kort na zijn begrafenis er voor gezorgd , door aan een der voornaamste straten zijn naam te geven, dat hem de eer bewezen werd , die hem toekomt; dat de verplichtingen, die onze gemeente aan hem heeft, bij 't nageslacht in herinnering zullen blijven.

Men meene nu niet, dat pastoor Brouwers alleen zijn persoon en zijn talenten voor de gemeenschap ter beschikking stelde. Met eene meermalen onoordeelkundige offervaardigheid hielp hij al wie leed. Zijne weldadigheid kende geen grenzen. En zijn goed doen, zijne mildheid, zijn medelijden strekten zich niet alleen uit tot zijn parochie of de huisgenooten des geloofs, maar ook tot andersdenkenden ; hij vroeg niet in de eerste plaats wie hulp vroeg, maar of hulp noodicj was. De ons toegestane ruimte belet ons in bijzonderheden te treden en bovendien zouden wij niet in den geest van den overledene handelen, indien wij alles mededeelden , wat ons van zijne milddadigheid bekend is. Maar toch moeten wij melding maken van een feit, dat zijn karakter in een helder weldadig licht stelt.

Bij de aankomst van het lijk te Bovenkerk deelde een der aanwezigen, onder het storten van tranen, mede, dat hij zijn weldoener verloren had. Hij was protestant. Op het punt van onder te gaan in den strijd des levens, was hij, na bij zoovelen tevergeefs te hebben aangeklopt , door pastoor Brouwers met eene aanzienlijke som geholpen. Uit dankbaarheid zond hy eenigen tijd later wat wild, met de boodschap, dat den brenger niets mocht worden gegeven. De pastoor was echter voor die attentie zoo dankbaar, dat hij het ontvangen geschenk ruim betaalde. Toen de geredde protestant daarover zijn leedwezen betuigde, antwoordde de edele priester: »Wat ik voor ü deed, mijn vriend, was mijn plicht, maar wat gij deedt, was eene beleefdheid.quot;

O, er zijn er zoovelen, die hij aan zich heeft verplicht, zoovelen, die buiten de Kerk staan!

ocr page 136

— 120 —

Maar hij leerde ook hun nooden kennen , daar hij zich in alle kringen bewoog. Hij verkeerde met een ieder.

Men vond Atheïsten. Pantheïsten eu Materialisten, Katholieken pur sang en Calvinisten van zuiver Genève's water, Israëlieten en Protestanten, generaals en onderofficieren, geleerde priesters, kunstenaars, schrijvers, kamer- en statenleden en eenvoudige kiezers aan zijn gastvrije tafel, en allen bewonderden den tact, waarmede hij het ieder wist aangenaam te maken , de discussies wist te leiden en die te houden in aangenamen toon; het vuur, waarmede hij kon opkomen voor wat hij edel achtte en recht en billijk, daarbij meermalen anderer overtuiging bestrijdend, doch niemand kwetsend in zijn gevoelens.

Die eigenschap in zijn karakter, aangeboren waarschijnlijk of een gevolg van zijn gesoigneerde édneatie , maakte , dat hij geen vijanden had, wel tegenstanders, die bij alle verschil van godsdienstige en politieke overtuiging in hem den priester eerden en den ridderlijken strijder voor zijn beginselen hoogachtten en lief hadden. Dat bleek bij verschillende treleaenheden eu om maar een feit van recenten datum

o O

te noemen o. a. nog bij de Columbusfeesten , toen de heer A. C. Werthehn, lid der Eerste Kamer , in het openbaar pastoor Brouwers hulde bracht voor zijn edele hoedanigheden als mensch. »Als een echt Priester, die wonden heelt en niet slaat, vermijdt gij steeds alles wat anderen gevoelig kan maken,quot; zeide de heer Wertheim , hem de verzekering gevende van aller hoogachting en vriendschap , de hoop uitsprekende, dat hij zou voortgaan op den weg van arbeidzaamheid, zijn scherp critische pen zou blijven voeren voor zijne overtuiging, voor al wat hy goed en edel achtte.

Hoezeer pastoor Brouwers de algemeene sympathie genoot, zelfs van hen, die hij uit overtuiging bestreed, bleek o. a. bij zijne uitvaart. Een hooggeëerde anti-revolutionair* de gunstig bekende scheepsbouwmeester Groen van Waarder

ocr page 137

— 121 —

zond een fraaien krans van levende bloemen met de mede-deeling, dat op de pas van stapel geloopen »Columbusquot; en op zijn werf de rouwvlag was geheschen ; de luitenantkolonel der Amsterdamsche schutterij liet zich door zijn zoon bij de begrafenis vertegenwoordigen en een krans op de lijkkist nederleggen , terwijl van alle deelen des lands talrijke vrienden waren opgekomen, om met de plaatselijke autoriteiten een laatsten afscheidsgroet te brengen aan hun

d o

voortreffelijken, te vroeg ontslapen medeburger. De wenschen, dat hij vele jaren onvermoeid en opgewekt mocht voortar-beiden en zijn nuttig leven mocht blijven wijden aan de algemeene belangen, zijn niet in vervulling mogen gaan. De Goddelijke Voorzienigheid heeft in hare oneindig wijze raadsbesluiten anders beschikt. Plotseling is een einde gemaakt aan zijn rustelooze werkzaamheid, voor altijd is gesloten de welsprekende mond en zijn scherp critische pen , lovend en verheffend al wat edel was en rechtvaardig, geeselend alle valschheid en karakterloosheid, ligt daar neder tusschen onafgewerkte manuscripten en honderden aanteekeningen over Godsdienst en wetenschap en kunst!

Des Heeren wil zij geprezen!

Doch dit is zeker: de Kerk heeft in pastoor Brouwers een harer edelste priesters verloren , Nederland een zijner braafste en voortreffelijkste en trouwste zonen, de wetenschap een harer geleerdste dienaren , de kunst een harer mildste beschermers, de maatschappij een der beste, dei-meest rechtschapene en der meest sympathieke burgers!

P. J. Raaymakers.

ocr page 138

— 122 —

LI-lTvIfcEDE

van den ZeerEerw. Pastoor VAN ZANTEN, naar aanleiding van de tekstwoorden Gal. IV.

»Derhalve, zoo lang wij den tijd hebben, laten wij het goed doen aan allen, maar inzonderheid aan de huisgenooten des geloofsquot;, betoogde de eerw. redenaar, hoe pastoor Brouwers die gewichtige les van den Apostel in beoefening had gebracht. Werken was zijn lust, zijn leven. IJver, een heilige, een gloeiende ijver bezielde hem voor al wat hem groot en goed scheen.

Eerst openbaarde hij die werkkracht in meer bescheiden kring, aan Roermonds college ; maar weldra — wie herinnert zich den schok niet, dien zijn woord deed heengaan door zijn Vaderland van noord tot zuid , — toen hij de glorie kwam wreken van »'s Lands oudsten en grootsten poëet?quot; Van dat oogenblik af was zijn naam op aller lippen , hij stond nu midden in een arbeid , waar hij van geen rusten wist, geen vertragen. Hij beminde zijn Vaderland en werkte er voor met woord en geschrift, in offer van het zijne en van zich zeiven. Hij kon niet dulden, dat aan den roem van dat Vaderland werd te kort gedaan; hij verstond het niet, dat het Land , waar de Hemony's hun klokken hadden gegoten, zijn toevlucht nam tot het buitenland , wanneer het gewijd metaal zijn koperen stem over Nederlands beemden moest doen weergalmen.

Hij vierde 's Lands gloriën — de groote bouwmeester, die zijn vriend was, kan het getuigen met wat edele geestdrift hij te zijner verdediging is opgetreden in een tijd, waarin nog veel vooroordeelen te overwinnen, nog veel tegenwerking te bekampen viel — maar evenmin versmaadde hij het, met onbezweken volharding de ontluikende talenten van jeugdige kunstenaars te leiden, te bemoedigen, te steunen.

ocr page 139

— 123 —

Hij ontzag zich niets, ten einde het kostbaar metaal, dat de kroon van zijn Zijn Land met reiner glans kon doen schitteren , desnoods op te delven uit de diepte, waar zijn blik het wist te erkennen.

Alle lafheid was hem een gruwel; een strijder was hij in merg en been. Zijn protest ging uit waar hy de zaak van 't recht vond geschonden ; hij nam het op voor den Paus, waar deze door machtige en trouwelooze vijanden werd beroofd, maar eveneens weerklonk luid zijn juichkreet, waar hij in de jengdige telg van het aloude Oranjehuis een ster der hope zag voor zijn Vaderland. Hij vierde Columbus, den* ontdekker eener nieuwe wereld, maar met evenveel toewijding bepleitte hij de belangen der arme weduwe . die haar zoon , haar kostwinner ten offer moest brengen aan de eischen der Staatswet; met evenveel offervaardigheid trok hij zich het lot aan van arme kinderen, die, door hun ouders verlaten, bij hem , een anderen Vincentius a Paulo, in zijn priesterlijke woning onderkomen vonden en verpleging . . .

Hij deed goed aan allen; hij vroeg niet wien hij kon weldoen, maar alleen wat hij doen kon, om anderen deel te geven aan den overvloed van heiliije liefde , die hem be-

O .O 7

zielde. Wat wonder dus, dat vooral voor zijn gemeente zijn edelste krachten werden ingespannen. Hij beminde allen , maar vooral die huisgenooten des geloofs, van welke hij de herder, de vader wezen moest uit plicht van zijn priesterlijken staat. Dat wisten dan ook, meende de gewijde redenaar , de parochianen van Bovenkerk , dat getuigde elke steen van het kerkgebouw, waar men zijn uitvaart vierde, dat zouden de nazaten nog getuigen van hen die het zoo treffend juist gezegd hadden , toen er twijfel was gerezen waar pastoor Brouwers zijn laatste rustplaats vinden zou. »De pastoor behoort aan onsquot; had een eenvoudig gemeentenaar toen gezegd. »En ja, dat was de volle waarheid: uw

ocr page 140

— 124 —

pastoor behoorde aan u , — anderen gaf hij zijn talenten, zijn kracht, zijn geld en goed — aan u gaf hij zich-zelven geheel en onverdeeld, u beminde hij meer dan iets ter wereld, voor u vooral heeft hij gewerkt, gestreden, geleden, gebeden ...quot;

Met een krachtige aansporing om steeds trouw te blijven in herinnering en gebed, besloot de gewijde redenaar zijn welsprekend woord.

ocr page 141

VII HOOFDSTUK.

De pers bij Brouwers' overlijden.

et Handelsblad schrijft;

»De katholieke bevolking van Bovenkerk verliest in hem een trouwen herder, vol toewijding en ijver voor de belangen zijner parochianen, zooals o. a. blijkt uit den bouw der nieuwe kerk, welke zij aan hem te danken hebben. Het land verliest in hem een warm en vurig strijder voor hetgeen hij goed en waar achtte.

»Brouwers was een merkwaardige figuur, Limburger van geboorte, publicist van aanleg, verloochende hij nimmer zijn zuidelijke natuur. Met warmte en opgewondenheid kon hij zich voor een zaak spannen en daar hem de gave des woords niet ontbrak, haar met vuur verdedigen.quot;

En verder :

»Groot is het getal stukken in dicht en ondicht, dat hij gedurende zijn werkzaam leven heeft doen drukken en het aantal redevoeringen, die hij gehouden heeft. Nog meer zal hij echter in de herinnering blijven voortleven door zijn hulpvaardigheid en weldadigheid.quot;

Het oordeel van het Centrum luidt als volgt:

»Abbé Brouwers,quot; een titel, waaronder hij in binnen-en buitenland bekend staat, behoort onder de persoonlijk-

ocr page 142

— 126 —

heden, die niet licht vergeten zullen worden. Als priester der Kerk volijverig in den dienst des Heeren , vooral vereerder van het H. Sacrament, mededeelzaam , mild jegens hulpbehoevenden , was hij tevens een vriendelijke en aantrekkelijke figuur voor hen, wien hij ook buiten de Kerk achting of eerbied kon toedragen. De zuidelijke gloed van zijn karakter, zijn ijver, ridderlijke en edelmoedige offervaardigheid voor alles , wat hij goed achtte, en tal van andere goede eigenschappen deden hem tal van vrienden verwerven, onder welke de hooggeplaatste personen des lands ; leden van het Vorstenhuis, kunstenaars, letterkundigen, officieren, mannen uit de geleerde wereld, allen hebben ze pastoor Brouwers gekend en gewaardeerd. Vooral als litterator en kunstvriend staat de overledene bekend en als Vondelvereerder was hij de eerste, die den grooten poëet wederom in eere bracht niet alleen, maar hem opeischte voor het Roomsche volk in het bijzonder.

»Hij behoorde onder de meest bekende katholieke redenaars, dien men bij feesten met een godsdienstig of vader-landsch karakter gaarne den katheder zag bestijgen , zeker als men was, iets oorspronkelijks te zullen hooren.

»Hij heeft velen goed gedaan, leerde aan duizenden den katholieken priester ook als mensch kennen en waardeeren, gaf bij alles wat hij, ook in de wereld, met en onder anderen deed, een voorbeeld van ingetogenheid en braafheid. Moge God, wiens eer hij zoo dikwijls verkondigd heeft, hem thans die eer zelf doen aanschouwen.quot;

De Maasbode; »Wat werd door dezen on vermoeiden man niet gewrocht! Hij was overal te krijgen. Nu was hij president of lid eener commissie , dan trad hij met zijn welsprekend woord in de katholieke vergaderingen op , hetzij in ons land, hetzij in België of Frankrijk, en overal droeg hij de liefde voor de heilige zaken , waardoor hij verteerd werd, in de harten van anderen over. En als schrijver ver-

ocr page 143

— 127 —

wierf hij zich ev ineens een roem vollen naam , niet enkel als dagbladschrijver, maar ook als beoefenaar van verschillende wetenschappen, godgeleerdheid, wijsbegeerte, geschiedenis , letterkunde, de laatsten zelfs in zeer ruimen zin. Heeft geheel Nederland groote verplichting aan den vroe-geren redacteur van de Tijd, aan den schrijver van een aantal werken, brochures enz., zijne gemeente verliest in den oprichter en redacteur van de Amslelbode een man van zeer groote verdienste en van vaak meer dan localen invloed, en zijne parochie heeft een herder in hem te betreuren, die alles voor allen was. Zijn plotseling afsterven zal alom droefheid en rouw verwekken, en niet licht zal men vergeten, wat de Katholieken van Nederland in het tijdvak hunner emancipatie aan den heldenmoedigen, offervaardigen en on-vermoeiden pastoor Brouwers te danken hebben gehad.

»Een waarlijk groot man is uit ons midden heengegaan. Moge God hem reeds de belooning der deugd geschonken hebben.quot;

Het Duijhlad voor Nederland: »Met zijne vrienden Al-berdingk Thijm en Cuypers wijdde hij zijn beste krachten aan de betere kennis van Vondel en diens tijdvak. Een van zijn lievelingsideeën was te bewijzen , hoe Milton veel aan onzen Vondel te danken had.

»Bij het eeuwfeest van Vondel, was hij de ziel van de zoo goed geslaagde feestelijke herdenking van onzen groo-ten dichtervorst.

»Als pastoor van Bovenkerk wijdde hij zich met geheel zijn ziel aan deze gemeente. Hij bouwde daar een kerk, die tot de schoonste Noord-Hollandsche kerken malt;r srerekend

O O

worden; hij stichtte er scholen en een pastorie , schilderachtig gelegen aan het Bovenkerker meer , maar bovenal: hij wijdde er al zijne krachten aan de belangen zijner parochianen.

»Bekend werd ook pastoor Brouwers door zijn strijd

ocr page 144

— 128 —

met woord en pen tegen de annexatie van Nieuwer-Amstel by Amsterdam.

Ȇver tal van onderwerpen heeft wijlen Pastoor Brouwers geschreven of met gloed het woord gevoerd.

O o O

»Nu eens was het Nienwer-Amsteis onafhankelijkheid als gemeente, dan weer de Congo-quaestie, of de restauratie van het Muiderslot, de roem van Calderon , het lot der gepensionneerde onderofficieren, en dan vóór alles de rechten van den Paus en de Kerk , waarvoor hij herhaaldelijk in het strijdperk trad. Een zijner laatste bemoeiingen gold het Columbusfeest. Aan hem is het voor een deel te danken , dat de herinneringsdag van het groote feit der ontdekking-van Amerika in ons land niet onopgemerkt bleef.

»Zeer zeker zal pastoor Brouwers als geleerde en letterkundige nog lang in herinnering blijven en zijne vrienden zullen hem nog lang gedenken als een vriendelijk, gul gastheer, zijne parochianen als een vaderlijk vriend en weldoener.quot;

De Nieuwe Rotierdamsche Courant noemt den overledene: »een man, wiens werkzaam leven, wiens vurig streven naar zijn ideaal, wiens zelfopofferende liefde tot den naaste, wiens krachtigen steun en heldere voorlichting men met dankbaar-heid, vereering en sympathie herdacht.quot;

De Telegraaf schrijft:

.Hij was een eigenaardig man , die dadelijk indruk maakte met zijn helder kijken door de brilleglazen, onder den achterovergezetten, breedgeranden, platten hoed uit; en wie hem, als hij eens in de stad was geweest, zoo kranig over het Leidscheplein zag komen aanstevenen , begreep dadelijk, dat dat maar geen gewone dorpspastoor was, maar een man in vele opzichten van beteekenis.

«Pastoor Brouwers was ondanks zijn geestelijk ambt allereerst een man van liet publieke leven, hartstochtelijk journalist en vurig congresredenaar, met een zuidelijken gloed, die zijn hoorders soms bizar scheen.

ocr page 145

- 129 —

Er waren altijd bewegingen , waarbij hij vooraan was ; litterarische (ijverig Vondel vereerder,) taalkundige, historische, (waarbij gloeiende liefde voor ons vorstenhuis,) militaire, politieke; en dan vooral de kwestie van de zelfstandigheid van

' o

Nieuwer-Amstel, in welks gemeentelijke politiek hij met zijn weekblad De Amslelbode een voor dorpen ongewone beweging heeft weten te brengen.

Het laatst noic de Nederlandsche Coluinbus-beweginsr ver-

«J O O

leden jaar.

In alle dingen, waarmee hij zich afgaf, ging hij geheel op met weldadige toewijding. Men kreeg den indruk als van een man van buitengewone energie, in een te kleine ruimte beperkt.quot;

De Tijd, de Nieuwe Ihuni. Courant, het Zuiden, de Zoom en andere katholieke dag- en weekbladen wijden allen min of meer uitvoerige artikelen aan den edelen en hoogbegaafden Brouwers.

Allen zonder onderscheid, ook zij , die met hem in gevoelen verschilden, brengen hulde aan zijn eerlijk en open karakter, aan zijn voorbeeldige werkzaamheid, aan het edele zijner bedoelingen, aan de onbaatzuchtigheid van zijn hart.

Nog eene herinnering aan Pastoor Brouwers.

t Is luttel, lezer, wat ik u ga mededeelen. Ternauwernood was liet bekend geworden , dat Bovenkerks herder te Maastricht was overleden , of roomsch en onroomsch prees den man, die in liefde voor de wetenschap, in gehechtheid aan koning en vaderland , in eerbied en bewondering voor onze groote voorzaten, doch vooral in onkreukbare liefde tevens trouw aan ons katholiek geloof, voor niemand week. Willem Brouwers was geleerde , was redenaar , was Neer-

L. P. UK. 9

ocr page 146

— 130 —

lands geestigste causeur, was litterator, maar bovenal: hij was priester. »Gij hadt hem te Warmond op de jaarlijksche retraite moeten zien,quot; zeide nog onlangs een priester. »Hoe hij allen voorging in godsdienstige overweging; hoe hij allen stichtte door zijne nederige, devote houding bij conferentie en predikatie.quot; En wat in dien priester nog wel het meest uitblonk, was zijne groote liefde voor Jezus in het H. Altaar-Sacrament. — Hoe hij op verschillende Eucharistische congressen , te Parys en te Antwerpen, allen begeesterde door zijn machtig woord! Dit alles is bekend, bekend bij duizenden in den lande en den vreemde. Hoe hy te vinden was voor elk grootsch werk! Wie by hem aanklopte, kreeg gehoor: pastoor Brouwers was gereed. Altijd en overal nam hij de uitnoodiging tot eene spreekbeurt aan. Zijn optreden, ja, wie dat eens zag, vergeet het niet. De zaal, waar de spreker zal optreden, is alreeds gevuld met eene schare. Het bestuur der vergadering betreedt de zaal; voorop gaat de president; de spreker volgt en be-stygt den katheder. Een daverend applaus begroet den lezer, die reeds enkele werken doorbladert. Het is hem aan te zien , dat hij slechts noode den president aan het woord laat, die toch eerst aan het geacht auditorium moet mede-deelen, dat het hem een genoegen is, den gevierden redenaar andermaal voor te stellen.

Na eene geestige »repliekquot; gaat de redenaar tot zijn onderwerp over. En niet lang duurt het, of het publiek is onder zijn sim. Met steeds stijgende geestdrift behandelt hij zijn onderwerp. En geheel enthousiast wordt hij, als hij de zaak van Pius of Leo, die de zaak van God is, bespreekt. Dan rollen zijne zinnen voort; dan stapelt hij beeld op beeld en stort zijn geestdrift over in de harten zijner hoorders. Dan zoudt gij, die onder zijn gehoor zijt, naar Rome snellen en de wapenen opvatten voor Leo, hoop der Kerke Gods!

ocr page 147

— 131 —

Ik zie hem nog staan in de Nieuwe Kerk te Delft bij gelegenheid van den drie-honderdsten gedenkdag der geboorte van Hugo de Groot. De officiëele rede is gehouden. Ijverig hebben de aanwezige reporters der groote liberale bladen , bij deze feestelijkheid uitgenoodigd, in het officiëele opschrijfboekje hunne hiëroglyphen geteekend. Men waant de plechtigheid reeds geëindigd, als pastoor Brouwers van Bovenkerk vooruittreedt en in het protestantsche bedehuis den lof verkondigt van het Delftsche orakel. Aller oog schittert van

O O

geestdrift. Het beeld van den grooten Delftenaar neemt voor uwe oogen een andere gestalte aan. Gij hadt hem te voren reeds geëerd als geleerde , reeds bemind als mensch, gehuldigd als christen, nu zijt ge in geestdrift geraakt voor den man, die den ernst van den geleerde aan de beminnelijkheid van den mensch paarde; die de practijk van het Christendom vooral in beoefening bracht.

En gaarne herinneren wij ons hier den trek van hulpvaardigheid , den edelen pastoor eigen. Uit alle macht hadden de aanwezige verslaggevers zooveel mogelijk gedicteerd en gehiëroglypheerd. Daar wordt na afloop dei-plechtigheid pastoor Brouwers , die zich naar het station spoedt, (hij moest naar Antwerpen of Brussel) aan boord geklampt door den redacteur der Nieuwe Delftsche Courant.

»Een leelijk geval, pastoor!quot; zegt deze, die de eer heeft zich in de vriendschap van den pastoor te verheugen, »dat ik er ook geen syllabe van weten moest, dat U hier onzen Huig zoudt komen gedenken. De groote liberale bladen zullen nog heden te lezen geven , wat pastoor Brouwers heden heeft gesproken, terwijl het locale katholieke orgaan ... Zou ik niet'voor enkele uren uw manuscript mogen hebben; morgen hebt u het weer.quot;'

»Mijn goede vriend, ik heb geen letter schrift. Maar, komaan, neem retour Rotterdam, en ik zal zien, wat ik in negentien minuten doen kan.quot;

ocr page 148

— 132 —

Het station is spoedig bereikt; het loket gevonden. De trein uit 's-Gravenhage arriveert. Pastoor Brouwers is reeds gezeten. Papier en potlood worden voor den dag gehaald, en nu zoo spoedig mogelijk opgeschreven, wat de redenaar zich herinnert gesproken te hebben: En als het station Rotterdam is bereikt, staat de hoofdinhoud van de rede op het papier. Een duizendvoudige dank vergezelt den pastoor, die zijne reis vervolgt. De redacteur is te vier uur op zijn bureau. Half zes is de proef gezet, zes uur de correctie geschied, een kwartier later heeft de laatste revisie haar beslag gekregen en kan het afdrukken al spoedig beginnen. En ten half acht leest het katholieke Delft textueel, wat de gevierde redenaar van Bovenkerk tot lof van den grooten Delfteuaar had gezegd.

Zoo was hij. Altijd gereed eenieder te helpen, niet het minst ongetwijfeld de huisgenooten des geloofs. Voor al wat van katholieke zijde werd ondernomen, kon men op den steun van pastoor Brouwers rekenen. En die steun was de kracht van zijn machtig woord, maar ook menigwerf die van zijn milde hand. Wat goeds hij in zijn twee-en-twintig-jarige pastorale bediening te Bovenkerk heeft verricht, is gedeeltelijk bij de menschen , maar in zijn geheel alleen bij God bekend. Hopen en vertrouwen wij, dat hij, die op aarde van geen rust wist, hierboven de eeuwige rust heeft gevonden. Hij heeft gearbeid, zoolang het dag voor hem was. Dat de Heer der talenten Zijn trouwen dienstknecht, die over weinig getrouw was, over veel stelle!

B. J. P.

3^

ocr page 149

VÏIL HOOFDSTUK.

Over der Vaderen roem in de Toonkunst.

e laatste algemeene vergadering van het XIVde Ned. Taal- en Letterkundig Congres, op 26 Augustus, als een dapper debating-club • niet weinig tijds was reeds verstreken , toen schrijver dezes het woord werd ge-gegeven om te spreken over der vaderen roem in de Toonkunst.

Ik wist dat ook nog na mij moesten optreden de dichter Ten Kate , uit Amsterdam , en Mevrouw Lina Schneider , uit Keulen.

Liever dan onbescheiden te willen zijn niet wat veel tijds voor de uiteenzetting mijner stellingen in aanspraak te nemen, heb ik verkozen mijne voorbereidde rede voor een groot gedeelte tot een chronijk-verhaal samen te dringen; veelvuldige bewijzen heb ik in een enkel woord moeten laten opgaan. Ik had gerekend op een uurtje tijds; hadde ik dat gehad, ik zoude hebben gezegd wat ik nu heb geschreven, en wat met een warm hart en kinderlijke verknochtheid bij deze, over der vaderen roem in de Toonkunst , aan Limburg , aan Maastricht wordt toegewijd door den spreker.

ocr page 150

— 134 —

Onder alle schoone kunsten is er in onze XIX6 eeuw ééne de hoogst gevierde en tevens de meest beoefende, alhoewel de meest onstoffelijke; die niet in zichtbare gestalte voor ons optreedt, maar eerder als louter geest boven en rondom ons zweeft, zoo dat wij slechts als h^t rui-schelen van hare wieken hooren wanneer van haar vleugelschachten ons in het harte dalen melodiën en harmoniën ; en die ééne is de toonkunst.

Hoe hoog de glorie van het voorgeslacht op velerlei gebied ook zij gestegen; op welk helden-tijdvak door het tegenwoordige geslacht ook worde terug gewezen; onder geen opzicht is Neerlands roem hooger gerezen, noch hebben de Nederlanden Europa meer overmeesterd en de natiën begeesterd dan wel op het gebied, in het rijk der toonkunst. Over dat onderwerp zoo glorierijk voor de Nederlanden, ons aller vaderland, wilde ik — om een onwaardig vooroordeel dat nationaal dreigt te worden, als of ons volk onmu-ziekaal van aard ware, tegen te gaan en te bestrijden — hier in Maastricht spreken; in Maastricht, het oord, de stad waar binnen de grenzen van ons Koningrijk, de toonkunst haar eerste zangen zong, haar eersten zetel had. In drie tafereelen wilde ik der vaderen roem in de toonkunst ten toon spreiden, en in eiken kring is het Neerlands haan die Koning kraait, terwijl aan Limburg — dit zal later blijken — eene eereplaats in den vorstelijken stoet der Koninginne Musica toekomt. Neerlands roem moet, ter bevordering der toonkunst, uwe harten verblijden eerstens, in het rijk van den eeuwigen lente der zielvolle menschen-stem; tweeden8 in het rijk van het zielloos stof door 's menschen genie tot muziek-instrumenten herschapen en bezield, voornamelijk in de kringen van orgel en klavier; en dan in de sferen van den klokkenklank. Driemaal zijn de Nederlanden de hoogste roem van Europa. Vreest niet, Mijne Heeren, dat ik den vaderlandschen roem te hoog schat. Het congres, ik meen

ocr page 151

— 135 —

deze laatste algemeene vergadering , heeft wel iets gehad van een disputeer-collegie, waar men het niet eens wordt; maar over onzer vaderen onvergelijkelijken roem in de toonkunst zijn alle volkeren van Europa het eens. Eenparig is hunne getuigenis, van de Noordzee tot Sicilië toe; op de oevers der Seine als op de boorden van den Tiber; te Berlijn als te Rome: geheel Ttalië, niet minder Frankrijk, niet minder Duitsehland, ja tot Spanje toe, ze hebben allen den invloed ondergaan, de opperheerschappij erkend van de Nederlandsche muziek-geniën.

Wat een lust voor het vaderlandsche gemoed , liet de tijd ons toe , der vaderen glorie-titels, op de schitterendste bladzijden der wereldgeschiedenis van de muziek door de hand van den vreemdeling geboekstaafd, breedvoerig te ontrollen. Slechts op enkele glanspunten mag ik wijzen , doch genoeg zal het zijn om der vaderen opperheerschappij over Europa te doen blijken.

Meer dan de Romeinsche Cesars Europa overheerschten door de overwinningen hunner staatkunde en moordkunst, hebben de Nederlanden Europa overheerscht door hunne zegepralen der toonkunst.

Moge de glorie der Vaderen een voorbeeld en spoorslag voor hun nageslacht worden.

Sprekende over toonkunst, mag ik wel mijn best doen om in harmonie te blijven met de hoffelijkheid der stad die ons zoo broederlijk onthaalt, en met de erkentelijkheid die de geëerde gasten bezielt: derhalve wil ik bij het ontvouwen van den vaderlandschen roem inzonderheid aan Maastricht, aan Limburg laten recht wedervaren.

Aan den kamergeleerde en aan het scrupuleuse chronijk-verhaal laten wij over te vermelden, op hunne rollen of op hunne velletjes papier, alles wat er gebeurd is bij de wieg der muziek in de voorchristelijke Aloudheid. Doch ook wie dat wil melden, moet Neerlands roem verkonden , want de

ocr page 152

— 136 —

eerste die uit het stof der vergetelheid de handschriften der oude grieksche schrijvers aan het Latijnsche licht bracht, was een Nederlander, een Noord-Brabander, uit Grave aan de Maas, met name Antonius Herman Gogava, die in Venetië heeft geleefd en gewerkt. De baan was gebroken , en wie tot hoogere volmaaktheid stijgt, en het eerst aan het muziek-lievende Europa den oorspronkelijken tekst bezorgt, is weer een Nederlander, de taalkundigde Meursius. Om onzen roem onder dit opzicht te kroonen, was het Marcus Meiboom, die in eene uitmuntende vertaling, met verbetering van den griekschen tekst, door schrandere aanteekeningen opgeluisterd, de zeven oudste grieksche schrijvers die over toonkunst handelden, liet optreden.

De wereldherschepping door het christendom , waarvan onze muziek de telg is, werd door en met zang- en toonkunst, als ingeleid en geopend. Den zang van de Engelen des Hemels bij de geboorte van Christus, zwevende over de velden van Bethleëm, noem ik de ouverture van de muziek der volgende eeuwen. Door het christendom ging voor de toonkunst een nieuw tijdvak open ; onder hoe vele opzichten, kan te dezer stonde niet worden uiteengezet; alleen dit zij gezegd, de toonkunst werd algemeen.

Het christenvolk leerde zingen over de heele wereld, van zonne opgang tot zonne ondergang; ja , wat wereld noch zon ooit hadden gehoord, de nieuwe volkeren zongen bij hunne altaren, zelfs te midden der vervolgingen. Elke christenkerk had, even als haar offerdienst ook haar toonkunst.

Hun eerste muzikale stelsel was het Ambrosiaansche, dat al het weeke van der Grieken Enarmoniek en Chromatiek verwijderd hield ; geene halfheden maar slechts geheelheden, de diatonische toonen, tot dienaren van het woord aannam , en aldus met die sterk en scherp geteekende karakteristiek en levendige rythmiek , den eersten grondslag voor eene nieuwe muziek heeft gelegd.

ocr page 153

— 137 —

En waar elders in de Nederlanden dan in Limburg zou die eerste christenmuziek hebben weergalmd ? In Tongeren, in Maastricht, waar de groote, de heilige Servatius, uit het Oosten gekomen, in Italië hoog gevierd, zijn Bisschopszetel, zijne kerk, zijn zangkoor had, meer dan drie eeuwen voor dat Willebrord aan het nog hcidensche Noorden nieuwe zangkunst en nieuwe woorden, nieuwe waarheid leerde.

Twee honderd jaren gaan middelerwijl voorbij; Rome en het westersche Keizerlijk, verzwakt door tweedracht en vervolging, bezwijkt onder de aanrukkende horden van Barbaren, die het beschaafde Europa: Italië, Spanje, Gallië gt; ook Tongeren en Maastricht verwoesten. Niet op muziek , slechts op zelfbehoud waren de volken bedacht; de schoone kunsten verdwenen, »la musiquequot;, het woord is aan den beroemden Fétis, zijnde professor au conservatoire dc Paris 1), »de muziek vond geen toevluchtsoord dan in de kerk en in de kloostersquot;. En wat voor ons nog meer zegt en van grooter belang is, »die toevluchtsoorden hebben de muziek niet slechts tegen hare verdelging beveiligd; zij werd er het voorwerp der studiën van tal van Pauzen, van Bisschoppen, van priesters en monniken die , door hunne werken , van lieverlede vorm en voorwerp der toonkunst gewijzigd, veranderd, en voor de moderne muziek de hoogte waartoe zij gestegen is, voorbereid hebben.quot;

Te midden van die oude bezwijkende staat voor die nieuwe onbeschaafde volkeren een génie organisateur op, zooals er de wereld nog geen had aanschouwd; dat génie begint de nog overige ketens van slavernij, waarin het

1

»La musique n eut plus d'uutre asyle que réglise.... et les cloitres.quot; En wat voor ons van nog grooter bolang is: »non seulenient cot asyle la préserva de toute destruction , ninis clie y devint l'objet des meditations d'üne i'oule de Pontifos, d'évêques, de clercs et de moines qui par leurs travaux cliangèrent insensiblement sa forme et son objet, ut preparer ent (i la musique moderne ce dégré de perfection oü clle est par-venue.quot;

ocr page 154

— 138 ~

grieksche juk de melodie gekluisterd hield , té slaken; — want bij de Grieken was de toonkunst niet dienaresse maar slavin, niet slechts van het denkbeeld des dichters maar zelfs vau het lichaam des woords, van de Prosodie, — dat Génie wil, niet de muren van Thebe, maar de elkander verdelgende volken in banden des vredes , door krachtvolle melodiën verbroederend samenstrengelen; zijn zienersblik kent het alvermogende middel, dat van de Engelen bij Sions heuvelen , cZe zang is het:

Quelle Jerusalem nouvelle Sort du fond du désert brillante de clartés.

Et porte sur le front une marque immortelle?

Peuples de la terre , chantez!

En de volkeren der aarde hebben gezongen, gezongen de hoogste liederen, de heilige zangen van dat heilig génie: de christenwereld zong den Gregoriaanschen zang.

Waar in ons Nederland heeft die zang het eerst weergalmd, waar heeft die toonkunst haar eersten troon gehad, dan wel te Maastricht met zijne toen reeds beroemde school, waar de zoo hoog geprezen Amandus zijnen Bisschopszetel en zijn zangkoor tot nog hoogeren luister en grootere volmaaktheid opvoerde.

Nog eenmaal twee eeuwen voorbij, en daar rijst de eerste heldenfiguur van duitschen bloede die Europa zal over-heerschen , en de toonkunst meer en meer zal bevorderen. Die reus, hier in Maastrichts nabijheid geboren, van hier uitgegaan en zoo aanhoudend teruggekeerd , hij , Keizer , begreep den Paus: Karei de Groote begreep Gregorius den Groote , en schrijft de Gregoriaansche toonkunst voor , en sticht scholen, en beveelt dat in zijn eigen huis, niet verre van hier, zijne dochters drie uren per dag aan de toonkunst wijden, terwijl hij zelf menigmaal in het koor heeft meé-

ocr page 155

— 139 —

gezongen in zijn Dom te Aken, in de door hem dikwijls bezochte Sint-Servatius kerk te Maastricht

Benijdenswaardig is het leeuwendeel dat U, o zonen der Nederlanden, is weggelegd ter beschaving van Europa door de toonkunst!

Nieuwe hemelen gaan zich ontsluieren.

Tot nog toe was alle zang homofoon, eenstemmig; wat een nieuw licht en leven; wat een opwekking, lust en liefde voor de toonkunst moet er niet over Europa zijn opgegaan toen een zoon der Nederlanden, de kiem geheimzinnig in het Gregoriaansch als berustend, deed opluiken tot de polyfonie, de muzikale veelstemmigheid 1

Al kan men niet juist den tijd bepalen, waarin men tot de vinding kwam om het Gregoriaansch meerstemmig te behandelen, aan geen twijfel kan het thans nog onderhevig zijn , dat — een vreemdeling zei het nog onlangs in zijne »Vorlesungen am Victoria-Lyceum zu Berlin, D' Naumann: alles liisst uns vermuthen, dasz die musikalische vielstimmig-keit von den Niederlanden ausgegangen ist.quot; Aan geen twijfel is het onderhevig dat de Nederlander, de Vlaming Hucbald de eerste is, die het beginsel van de moderne polyfonie duidelijk uitgesproken en de kunst van het veelstemmig gezang theoretisch gegrondvest heeft. De mannen van groote talenten , de grootste zelfs , waren , gedurende eeuwen , slechts de leerlingen en navolgers van den alom gehuldigden Hucbald, monnik van St. Amand. Van zijne onsterfelijke werken kan ik niet hier, maar elders gewagen. De ylrs canlus mensurabilis, de regeling en bevestiging van de tijdmaat in de toonkunst, voor de muziek wat het stoom-vermogen voor onze congres-reis is, heeft de wereld te danken aan een' die te Keulen, gelijk Vondel, is geboren, en volgens deskundigen zijne muzikale opvoeding, bij onzen toonkundigen monnik Adelman ontving, in de Nederlanden leefde en werkte; van dien onsterfelijke meld ik slechts den

ocr page 156

— 140 —

naam: Francon , en ik laat tot de XVe eeuw toe , alle duitsche, fransche, italiaansche schrijvers over toonkunst optreden als commentators van Francon's werken 1).

De monarchie universelle der Nederlanders in Europa op het gebied der toonkunst, zoude ik u willen laten getuigen door de voornaamste schrijvers over toonkunst in Duitscli-land, in Frankrijk, in Italië, ja, in Engeland; de 15®, de 16e, de 17e, de 18®, de 19e eeuw, ze hebben slechts eene stem om die opperheerschappij te erkennen. Doch liever dan zoo vele vreemde namen alhier te laten weergalmen , wil ik Nederlanders noemen, die de scheppende geniën zijn geweest.

Wie uwer kan in een vierdel uurs, hoe kort en bondig hij zij, uit een zetten wat elk generaal van Napoleon I merkwaardigs heeft verricht? Dan nog zoudt gij niet kunnen schetsen wat de meer dan oOO groote toonmeesters der Nederlanden , in Frankrijk, in Italië , in Duitschland, in Spanje hebben gesticht. Ik doe slechts enkele grepen. Ik begin met Frankrijk.

Toen het rijk van den grooten Karei in onze naburige stad Aken werd verdeeld in drieën, en nogmaals werd gedeeld in het hier op een uur afstands gelegen Meerssen , toen het rijk der Franken, Carlovingie genaamd, zich tot zelfstandig rijk verhief, toen was daar koning der toonkunst en heerschte er 2) gedurende 65 jaren een Nederlander, de reeds geprezene Hucbald.

1

Evenwol moet ik hier met name vermelden den schrijver van een der belangrijkste documenten «De Arte Musicesquot; die in deze eeuw aan het licht zijiy gekomen Denis Lewis van Rijckel bij Maastricht. Hij schreef in de/XIle eeuw en was Karthuiser te Roermond.

Ook bhjYC niet ongenoemd Matthceus Herben, van Maastricht, XVe eeuw.

2

II est a remarquer , getuigt Fétis , que lorsqu'on voulait établir quelque nouvelle école, on s'adressait au moine de St. Amand pour pre-

sider a son organisation..... Hucbald allait partout oil la science récla-

mait son appui, de même que les preux de son temps couraient la oü Ton tirait l épée.....

ocr page 157

— 141 —

Toen later Frankrijk had gezegepraald over Engeland, toen zegepraalde in Frankrijk aan het hoofd der Kapel van Frankrijks Koning, Charles VII, de Nederlander, princcps rnusicorum, Jan Okeghem ').

Niet dan met eerbied worde gesproken van de gouden eeuw van Frankrijk, onder Louis XIV. Toen heerschte er als koning der toonkunst, gedurende 30 jaren , alweer een Nederlander, een zoon van Maastrichts naburige stad Luik, de groote üumont. Tussehen die twee koningen is er geschil gerezen, en terwijl doorgaans heel Frankrijk boog, en boog tot in het stof, voor wil en gril van Louis-le-Grand, is er een man gevonden die, zonder aan den eerbied der koninklijke Majesteit verschuldigd te kort te doen, niet zwichtte voor Lodewijk's verlangen, en zijner eigene overtuiging trouw bleef; die man was de Nederlander Dumont; hem zij eere!

Uit de gloriën van Frankrijk's koninkschap stappen wij over tot op de vulkanen der Fransche revolutie.

De 14 legers der Republiek hebben meer legermuziek noodig; eene nieuwe school wordt opgericht en wie staat er aan het hoofd? Een Nederlander, een Antwerpenaar, van der Haegen.

Nog schrikwekkender stijgt de gloed.

Het zijn de dagen van Robespierre; de republiek wil hare feesten, haar eeredienst regelen; zij wil un compositeur ojficiel de la république francaise, en kiest een Nederlander, gewezen koorknaap en leerling van Antwerpen , de ware man voor die taak, de als toonkunstenaar zoo groote Gossec. Ook heeft men Gossec geprezen , omdat hij koning en revolutie kon dienen: »sans être royaliste ni révolutionnaire, il

(1) Jean Okeghem, zegt Fétis, a fondé en Franco une école de mu-sique d'oii sont sortis les meillems musiciens francais et gallo-belges.

»Die Herrsehaft der Niederlander auf musikalischem Gebiet is nun sclion (mit Okenhoim und dor von ihm beherrschten Schule) eino un-bestrittenequot;, zei pas nog in zijne voorlezing aan de Hoogeschool van Tübingen, H. Ad. Kostlin, Geschichte der Musik 1875.

ocr page 158

fut musicien.quot; Ik ben er verre af hem daarom eere te brengen. Dat men koningsgezind zij , wie onzer zal het gispen; dat men republikein zij, ik vel geen oordeel; maar wat ik aan niemand kan vergeven dat is, dat hy niets is; als burger van den staat niets dan een machine is.

En ook toen meer vreedzame tijden naderden en te Parijs het Conservatoire werd gesticht, en het Institut werd opgericht, toen werd er een Triwnvirat van kunstenaars tot vormers en leiders dier instellingen verheven, en van die drie, waren er twee Nederlanders, Gossec en de zoon van Luik, Gretry.

Zoo hebben ten allen tijde Nederlandsche muziek-geniën geheerscht in Frankrijk; en wat die eeuwen en de revo-lutiën ook veranderden, die Nederlandsche opperheerschappij hield stand.

Nog ruimere , nog glansiijkere velden gaan voor ons open aan gindsche zijden der bergen. Frankrijk moge Italië hebben overmeesterd en bij korte wijlen overheerscht door verwoestend wapengeweld , de Nederlanden hebben Italië overmeesterd en gedurende eeuwen overheerscht, weldadig en ter opbouwing, door de toonkunst. De eerste groote veroveraar uit de Nederlanden over de Alpen getogen, is de groote vertegenwoordiger der eerste Nederlandsche Muziekschool, Willem Dufay, die gedurende 52 jaren de toonkunst leidde en opleidde in de Pauselijke Kapelle. 's Mans lof worde u bewezen door het eeuwdurend feit, dat zijne werken, wet en regel, voorbeeld en toonbeeld waren voor tijdgenoot en nageslacht.

De weg, dien Dufay had geopend, werd door schier alle onze veroveraars gevolgd: naar Rome togen ze heen, omdat Rome en het overige Italië hun schonk een veld van eer, waarop de geheele beschaafde wereld de oogen hield gevestigd; hun schonk meer vorstelijke erkenning in goud vertaald ; hun schonk den zoelen hemel en de onbeschrijfe-

ocr page 159

— 143 -

lijke toovers en invloeden van Italië's zonnige natuur en maatschappelijke kringen; en zoo werd de ernst, de stam, de eik van het krachtige ruwere Noorden, omzweefd en omzwierd, doorspeeld en doortinteld van den kleurenglans en het geurengewemel en de dartelende golven van het Zuiden. Hunne toongewrochten verecnigden de eigenschappen van het Noorden en van het Zuiden ; geen wonder dat zij heerschten èn over het Zuiden èn over het Noorden.

Aan den zetel, aan de bronnen van Rome en het overige Italië gingen de natiën waarheid en schoonheid vragen en leeren, en het waren Nederlanders die er leeraarden wat waarheid en schoonheid was in het rijk der toonen. Dat leeraren ze van geslacht tot geslacht, gedurende 175 jaren, in de Pauselijke kapelle van het Vaticaan of van St. Jan van Lateranen, van Dufay tot Palestrina, »dien erfzoon der Nederlandsche Meestersquot; ; dat leeraren ze in en aan de fiere republiek van Venetië, die jaarlijks aan den kerkdienst van ~ haar Dom van San-Marco 18,000 ducaten wijdde. De Leeuw van San-Marco was niet in hooger mate meester over de Adriatische zee als de hoog vereerde Adriano, de Vlaming, over de toonkunst in de stad der gondels.

Om enkele zijden van dat breede genie in bizonderheden te waardeeren, zouden een paar uren niet te veel zijn; hier evenwel vergenoegen wij ons met een paar regels, uit Italië's grooten toonkundige , Zarlino, zijn schets van onzen stamgenoot, beginnende met deze woorden: Ne ha conceduto gratia Iddio de far nascere a nostri tempi Adriano Vuillaert etc. : ons heeft God de genade geschonken van in onze tijden te laten geboren worden Adriaun Willaert, een der bewonderenswaardigste vernuften die ooit de toonkunst beoefend hebben. Basta! Hij heerschte te Venetië 30 jaren.

Begroet, als zijnen opvolger, een ander genie in het rijk der toonkunst, Cypriano a Rore, den Brabander dien Italië, in zijne bewondering voor 's mans scheppingen, doorgaans

ocr page 160

niet anders aanduidde dan met het woord van il Divino , den Goddelijke. Die twee Nederlanders hebben de Muziekschool van Venetië later zoo beroemd, gesticht en beleven-digd. Hun geest bleef de ziel van hunne opvolgers.

De school van Panna, welke zooveel groote toonkunstenaars voortbracht, had insgelijks haar kunstleven te danken aan eenen Nederlander. Niet minder het kunstlievende Florence.

En Gij dan, Napels, die op Uwe bloemenheuvels bij den golf van Baja als tusschen twee hemelen ten troon zit, den hemel der lucht die u kroont en den hemel die in de solven zich nog eens voor uwe voeten ten toon spreidt, wie heeft u opgevoed en ingeleid tot een hemel van zang en toonkunst ? De stichter uwer school, de groote Tixctoris , God dank, alweer een Nederlander, aan wien de wereld ook het eerste woordenboek der Muziek te danken heeft. ')

Wij groeten nog even te Rome, onze beroemde landge-nooten Jacob Arcadelt, een Brabander; d'Ankers, een Zeelander; Jan Monti uit Aken euvele anderen; bij den hertog van Milaan, aan het hoofd der Kapel, Willem Guinand en Simon Qucrcu (van der Eycken), den eersten zanger, en Caspar van Weerbeke, en Jacob Cordier, en wij verlaten Italië, terwijl de wereldberoemde Florentijner Guicciardini, die onze geschiedenis schreef, ons ten zegelied toeroept — luistert, o gij die onzen volksaard voor minder muzikaal durft houden ;

»Questi sono i veri maestri della musica, e quelli che sl'hanno restaurata e ridotta a perfezzione; perchè l'hanno »tanto propria e naturale, che uomini e donne cantan' na-»turalemente a misura, con grandissima grazia e melodia, etc.quot;

»Zij, de Nederlanders, zijn de ware meesters der toon-

1) Hem volgden op te Napels, Willem Garner en llernard Hycaert.

ocr page 161

— 145 —

»kunst; zij zijn het die de toonkunst hersteld en tot vol-smaaktheid hebben opgevoerd, daar zij zoo muzikaal van »aard en natuur zijn, dat mannen en vrouwen er zingen »als van zelf in de maat, met de grootste lieftalligheid en »melodie. Aan die gelukkige natuur hebben zij gepaard de »studie der kunst: van daar dat zij bij den zang der men-»schelijke stem en bij het spel van alle soorten muziekin-sstrumenten die toonkunst voortbrengen, welke men alom gt;hoort en ziet aan alle de vorsten-hoven der christenheid.''

Gelijk de Florcntijner Guicciardini spreekt de Romein Zarlino, en — om kort te wezen — alle de Italianen, die nooit miskend maar steeds hoog geroemd hebben wat zij aan de Nederlanders verschuldigd zijn. Zij, de door ons gevormden waren het die na ons , door hunne toonkunst heerschten alom in Europa en verder. — Ik vraag verschooning daar ik Italië wilde verlaten, zonder op het hooge feit te hebben gewezen dat de groote vervolmaking in de solmisatie , die, sedert Guido van Arezzi, vijf eeuwen niet hadden weten te bereiken, eindelijk werd bereikt, alweer door een Nederlander, en allermeest door een Limburger : de invoering der zevende noot si, zegt professor Fetis — a donné naissance ü la tonalité moderne: mag men houden voor de moeder der nieuwere tonaliteit. Door wien ') is ze in de wereld begonnen? Door wien verspreid en alom verkondigd in Italië? Door den wereldberoemden Ericius Pu-teams, Hendrik van de Putle, uit Venlo.

»On con^oitquot;, verklaart verder dezelfde gezaghebbende stem uit Parijs, »que cette revolution ') fut conséquem-

(1) .... La musiqne moderne prenant en quelquo sorte naissance dans les Pays-Bas, et les artistes Néerlandais répandus dans toute l'Europe, instruisant leurs contemporains dans eet art divin, et servant de modèles aux compositeurs lea plus habiles des nations les plus favorisées par les circonstances, le langage et le climat.quot; Fétis.

2) Die Franschen zijn zoo gewoon aan dat woord van revolution L. p. Bit. 10

ocr page 162

— 146 —

ment une des plus important es que Tart musical ait eprou-vees.quot;

Gelijk de Italianen, wijzen ook de Franschen op de Nederlanden , als de bakermat der moderne muziek, en op de Nederlandsche toonkunstenaars over geheel Europa verspreid, overal optredende als de leeraars hunner tijdgenooten, overal tot toonbeelden verstrekkende voor de bekwaamste toonzetters der natiën, welke overigens het meest begunstigd zijn door taal en hemelstreek en andere omstandigheden. 1)

Niet anders schrijven de Duitschers van Noord en Zuid.

Mag ik er eenige als sprekers, — ik beloof u, ze zullen zeer kort zijn — bij dit Congres binnen leiden? Het zij dan de heer Rafaël Georg Kiesewetter, uit Weenen: hy verklaart »zu der niederliindische Schule gehören alle Auto ren in Deutschland, Frankreich, Spanten uud in Italiën, welche bis gegen Ende des XVI Jahrhunderts geblüht haben.quot;

Onzen dank aan den heer Kiesewetter.

Uit Midden-Duitscliland, de Heer For kei, in zijne »J//-gcmeine Litteratur der Musikquot;, schrijft ons; »die berühmten Tonkünstler des XVI Jahrhunderts sind Niederlilnder ge-wesen.quot; Insgelijks zij den Heer Forkel dank.

Het woord is aan Mijnheer Amhros uit Berlijn:

»Die Niederlande galten für die Hochschule der Musik, selbst noch dann als Italiens musikalischer Ruhm schon in vollem Glanze strahlte.quot;

Gesloten worde de rij door C. von Winterfeld, uitroepende 2): »Die Niederlande galten noch immer für die hohe

1

Eenigen, o. a. Zaconi, geven de eer dier vinding aan Anselme, Nederlandschen toonkunstenaar aan het Hertogelijk Hof van Beieren; weer anderen , aan den Nederlander Hubert Waerlant of aan David Mostaerd. In alle geval blijft de eer aan Nederland.

2

In § I. Die neue Richtung der Tonkunst zu Anfange des XVII Jahrhunderts.

ocr page 163

- 147 —

Schule der Tonkunst, selbsfc unter den Stiinnen der Kriege gegen Spaniens Zwingherrschaft.

»Noch Kaiser Rudolf II unterstützte ^ regelmilssig auf ein Jahr diejenigen seiner Singeknapen, welche erwachsend ihre Stimme verloren und Anlagen zeichten um die Setzkunst in den Niederlanden zu erlernen.quot;

Dewijl nu reeds verschillende natiën , onzen vaderen hulde brengend, ,zich rondom ons scharen, dien ik te gewagen van een der buitengewoonste geniën, die God ooit over de wereld der toonkunst heeft laten schitteren: Josquino a Prulis of Prulensis : Josken van der Weijde.

Italië, Frankrijk, Duitschland hebben zich weleer de eer toegeëigend het vaderland te zijn geweest van dat genie-wonder. Slechts hen bestrijden wij hier die als Forkel beweren dat Josquino mag worden beschouwd als tot Duitschland behoorende, »omdat de Nederlanden een deel zijn van Duitschlandquot;. Hun roepen, hun schreeuwen wij toe: neen neen; geen voet grond van onzen bodem, geen druppel bloed van ons hart behoort tot Duitschland. Wat onze vaderen waren, blijven ook wij: Nederlanders in het leven, Nederlanders in het graf.

Men heeft U zoo vaak gesproken van eene Spaansche overheersching hier te lande , laat ik U eens spreken van eene Nederlandsche overheersching in Spanje, en deze onze overheersching is er niet van korten duur en is er alleen tot heil cn zegen geweest, want ze bestond in en door de geniën onzer toonkunstenaars. Ter bondige staving van deze stelling wil ik drie bewijzen van verschillenden aard overleggen.

Voor eerst gingen vele uitgelezene spaansche toonkunstenaars ter school naar Italië, naar Rome, en daar ondergingen

i) Een Nederlander, :oon van Roermond, Jakob Chimarrhceus, wegens zijne buitengewone verdiensten tot den adelstand verheven, stond aan liet hoofd der Hofkapel bij Maximiliaan en bij keizer Rudolf 11.

ocr page 164

— 148 —

zy den invloed en de macht van de ook Italië overheer-schende Nederlanders: aldus hun Bartolomeo Escobedo, aldus hun Salinas, aldus hun ontvlammende Christofano Morales, aldus hun klankrijke Guerrero en anderen.

Meer dan dat: te Madrid zelfs werd, tweedens, de zetel onzer overheersching gevestigd door de Nederlanders, die aan het hoofd der koninklijke Kapel als kapelmeesters elkander opvolgen. En niet slechts de kapelmeester ook vele van de voornaamste zangers waren Nederlanders. Tal van oir-konden zijn nu reeds aan het licht gekomen , waarbij de Heerschers van Spanje zangers aan de Nederlanden vragen. Doch ook dit moeten wij al dadelijk dien vorsten nageven, dat zij op koninklijke wijze de uitstekende gaven en kunstvaardigheden dier Nederlanders wisten te vergelden. Het

o o

zal uwe harten goed doen eenigen van de Nederlanders die^ als kapelmeesters elkander opvolgend, te Madrid heerschten, bij name te hooren vermelden, b. v. Nicolaas Gomberl, Cornells Canis, Thomas Crequillon, Gerardus Ihurnhout, George de la Helle, Pierre de Manchicourt, Philippe Rogier, Géry de Ghersem, met wien wij reeds de XVII eeuw hebben bereikt.

Maar moesten wij aldus voortgaan de Nederlanders, die als kapelmeesters in Europa schitterden, voor dit Eerege-richt te verheerlijken, wij zouden moeten beginnen aan de Middellandsche zee, in den Dom te Palermo, met Jeaif Taisnier, en zouden niet kunnen eindigen aan de Baltische zee, te Dantz-ig met onzen Jan Wanning; niet eindigen met Burgrevinck aan het Hof van Denemarken. Slechts een groet wuiven wij toe aan de vele Nederlanders, kapelmeesters en zangers aan het Aartshertogelijk Hof in lyrool; een groet uit de verte den kapelmeester bij het Keizerlijk hof te Weenen, aan U, Alexander Untendal.

Spanje onderging onze heerschappij niet alleen door onze zangers en onze kapelmeesters, ook nog door onze organisten.

ocr page 165

— 149 —

En nu zij de vraag gesteld; heeft misschien ook Duitsch-land op het gebied der toonkunst, den invloed, de opperheerschappij der Nederlanden ondergaan ?

Mag ik ter beantwoording voorloopig den duitschen Forkels droge feiten voorleggen, bij wijze van vragen?

Een algemem feit: reeds genoeg getuigenissen hebben wij aangeroerd om te doen blijken dat de Nederlanders, in de bedoelde eeuwen, geheel het vaste land van Europa hebben geleerd, hebben beheerscht: was Duitschland destijds ook een deel van dat beschaafde Europa?

Een bizonder feit: waar gingen de Duitschers vooral ter school om de toonkunst aan te leeren, om zich te volmaken ?

Te Venetië, te Rome. En — dit antwoorden ons de pas verschenen voorlezingen aan de Universiteit Tubingen: (bl. 87) »Im Zusammenhang mit den Niederlilndern, jedenfalls ganz unter ihrem Einflusz stehen die sogenannte venetianische und die römisclie Schule.quot;

Nog uitdrukkelijker getuigenis worde vernomen uit het Victoria-Lyceum te Berlijn: luisteren wij naar

Een Duitsch feit: Welk man van génie beschouwen de Duitschers over het algemeen als den grootsten Meester der Nederlandsche school? Het is Orlando Lasso, die op 21 jarigen leeftijd reeds kapelmeester te Rome was, en 20 jaren later door Albert V, Hertog van Beieren, werd geroepen naar Munchen. „Das Jahr 1562 schuf ihm (Orlandus Lassus) eine Heimat in dem Volke, das in der Musik bisher

noch weniy Glanzv oilc s geleistet halte____in D eutsch-

land. 1)

En wat gebeurde, toen dat Nederlandsche Muziekgenie zijne stralen over Duitschland uitstortte? Een Duitscher zegge het ons uit Berlijn, C. von Winterfeld:2) »eineMenge

1

H. A. Köstlin. Geschichte der Musik, 1875.

2

Joannes Gabricli und sein Zeitalter. D. 11. 1.

ocr page 166

— 150 -

Schüler zog sein grosser Ruf zu ihm, und sie verbreiteten seine Art und Kunst (lurch alle Theile Deutschlands, und darüber hinausquot;: en ') »durch seine geniale Persönlichkeit bat er direct und indirect, als Lehrer und Vorbild, einen nacbhaltigen Einfluss auf die deutsche Musik ausgeübt.quot;

Dit thema vindt nog nader betoog in de twee volgende sferen van de Instrumentaal-Muziek, orgelspel en klokken-klank; twee nieuwe titels van den roem der vaderen. Deze glorie-titels zal ik evenwel niet ontvouwen; ik kan slechts — met het oog op hetgeen ons nog staat te wachten — als op enkele schilderijen van een Muzeüm wijzen. Het worde mij dus niet euvel geduid als ik stellingen vooruitzet, zonder ze met kracht van bewijsgronden aan te dringen.

INSTRUMENTAAL-MUZIEK.

Wanneer de Duitschers erkennen, dat de instrumentale muziek met het tooneel in verband , het eerst tot hooge ontwikkeling kwam in Italië, dan voegen zij er dadelijk bij: »die Ausbildung der Königin der Instrumente, der Orgel »war einzig den Deutschen vorbehalten.quot; Of ook de voorstanders van die stelling, gelijk straks de gemelde Forkel, de Nederlanders onder hun «Deutschenquot; rangschikken, weten wij niet, maar wij voor ons ontzeggen hun het recht zich dat leeuwenaandeel te annexeeren , hetwelk ons in het rijk van clavecymbel en orgelspel toekomt. Om kort te gaan , wijzen wij slecht op enkele hoofdfeiten.

Dat het instrument wat men voor bijna twee duizend jaren orgel noemde, naar ons Westen gekomen was uit het Oosten , mag voor zeker doorgaan: dat er weer uit het Oosten een orgel naar bet Westen werd gezonden door Keizer Konstantinos Copronymos, ten geschenke aan den machtigen Pepijn, hier in Maastrichts nabijheid geboren en getogen, is zeker.

1) H. A. Küstlin. Geschichte der Musik. 1875.

ocr page 167

— 151 —

Dat het orgel voor den allereersten keer in dienst dei-Kerk werd gebracht — is dit niet het groote feit, het uitgangspunt, de grondslag van des orgels heerlijkheid en ontwikkeling?— welnu, dat feit werd volbracht, ook in Maastrichts nabijheid, in de naburige zusterstad, in Aken. Ook weer daar werd het eerste nieuwe orgel in het Westen gemaakt, door een Griekschen priester, Georgius. Om welke redenen zou men betwijfelen, dat ook Maastricht spoedig zijn orgel had? Hoe het een Nederlander was, Rudolf Agricola, die de Duitschers het eerst met de oude Klassiken bekend maakte, en het eerst »Rohrstimmenquot; in het orgel bracht, waaronder vooral de cox humana , als wonder liefelijk uitmuntte , melden ons de Duitschers zeiven.

Zoo niet het eerste , gewis een der oudste monumenten van toonkunst, compositiën voor het orgel geschreven en tot ons gekomen, heeft men te danken aan twee Nederlanders, Adriano en Cypriano, welker leerlingen Claudio Me-rulo en Joannes Gabriëli, vaak geëerd worden als de stichters onzer nieuwere zelfstandige instrumentaal-muziek. Breedere en hoogere roem komt ons toe.

Duitschland heeft als twee orgelscholen gehad: de eene, genoot hare opleiding bij de Italianen, scholieren van Zuid-Nederlanders; de andere, de moderne, werd rechtstreeks en onmiddelijk gevormd in en door een Noord-Nederlander, Jan Pieters Sweelinck, zoon van Amsterdam , tot wien ter vorming uit Duitschlands gouwen kwamen :

uit Halle , de later zoo hooggevierde Samuel Scheidt; uit Hamburg, de later niet minder hooggeprezene Heinrich Scheidenau, meester van Reincke en van de heele Ham-burgsche school;

uit Hannover, Melchior Schild; uit Dantzig, Paul Syfert en tal van anderen.

Is het niet diezelfde Nederlander, betrekkelijk wien Robert Eitner te Berlijn verklaart, »dass ein Seb. Bach vind Handel

ocr page 168

— 152 —

nie erstehen konnte, wenn ihnen nicht ein Sweelinck mit seinen zahlreichen Schülern, die gerade in Deutschland iliren Sitz batten, vorausgegangen ware.quot; 1)

Dezelfde toonkundige uit Berlijn laat ons recht wedervaren, met dien zelfden Nederlander te erkennen, als »den Begründer des modernen Orgelspielsquot;, en »sein er Zeit als leuchtendes Vorbild vorangeschritten, und mit Begeisterung durch seine Kunstgenossen gefolgt.quot;

Doch niet slechts Duitschland, schier geheel Europa heeft ons voor het orgelspel der XVIde eeuw te danken. Hoort aan gindsche zijden der Pyreneën, het machtige orgelspel te Madrid: de kunstenaar die er op het orgel regeert, 35 jaren lang, is een zoon der Nederlanden, Michel de Bock; die er opgevolgd wordt door eenen anderen Nederlander.

Hoort op datzelfde oogenblik aan gindsche zijden der Alpen , in den Dom van de kunstlievende Republiek van Venetië het tooverend spel van het eerste orgel: de kunstenaar die allen in verrukking brengt, is een Nederlander: Jachet van Berghem. Bij den Koning van Frankrijk , aan het Hof te Parijs, wie wordt er geprezen als des Konings organist? Een zoon der Nederlanden, Mr. Jan Langhedul. Zelfs te Rome , naast Palestrina, wie staat te boek als de prins der toonkunstenaars op het orgel? Een Nederlander, Marcus Houtermans.

In het land der Denen, aan het Hof des Konings , wie zit er, als koning des klaviers, aan het orgelspelen? Een zoon der Nederlanden Arnold van den Ende. Bij Erik, den Hertog van Brunswijk en Luneburg, wie is des vorsten organist? Een Nederlander, een zoon van Maastricht, An-tonius Joncker.

Nog heb ik slechts van Vorsten en Hoven gewaagd,

1

Vereeniging voor Nederlandsche Muziekgeschiedenis. 1869—1872. — Bouwsteenen. Blz. 39.

ocr page 169

— 153 —

waar zou het heen, moest ik de Nederlanders aan de orgels der Kathedralen, in het buitenland nagaan? Doch nu stel ik de vraag en zeg tot die Duitschers: is het orgel »die Königin der Instrumentequot;, welk volk in Europa regeerde dan, door het genie zijner zonen, over die Koninginnen van Europa? Dat was het volk der Nederlanden.

Deze woorden, dit antwoord, had ik waarlijk niet noodig zoo langzaam en met stemverheffing te verkonden, daar een ieder zich alreeds dat antwoord had gegeven, mag de eene of andere uwer bij zich zei ven zeggen ; en zoo is het. Dat was niet noodig ter verduidelijking voor uw geest en uw begrip , maar dat was noodig voor mijn hart, voor mijn Nederlandsch gemoed, zich gaarne lucht en lust gevende in het luide betuigen, dat het de Nederlanden waren die door het genie hunner zonen , over alle die Koninginnen van Europa heerschten, de Nederlanden , ons aller vaderland.

Niet alleen in de tempels aan God gewijd, niet slechts aan de Hoven waar vorsten tronen, ook in den huiskring der familie zou de toonkunst haar zetel hebben. Wat het orgel was voor de kathedralen , zou het clavecymbel zijn voor het huis. De kortere snellere trillingen der moderne muziek hadden behoefte aan andere geluiden dan die het statige orgel verspreidt. En van waar stijgt glansrijk de naam op, wat voor een landsman is hij die der toonkunst nieuwe middelen schept en het speeltuig opvoert tot eene volmaaktheid welke zijne werken , als boven alle mededinging verheven, in de hoogste kringen ziet plaats nemen, in Duitschland , in Frankrijk , in Spanje , in Engeland, ja tot in het verre Oosten ? Het is een geslacht, een kunstenaarsfamilie der Nederlanden , Hans Ruckers en zijne zonen te Antwerpen. Bijna honderd jaren beheerscheu zij dat gebied in monopolie over Europa. Zelfs toen de piano het clavecymbel verdrong en overwon , had de naam en de kunst van Ruckers nog macht genoeg om zelfs tot in de volgende

ocr page 170

— 154 —

eeuw zijn speeltuig te doen eeren en roemen. De tijd, dien men tevergeefs »pih lentoquot; toeroept, wil niet meer geheugen dat wij hier de orgelkunst-werken, gemaakt door Nederlanders in Nederland en door geheel Europa geroemd als onovertroffen, naar verdienste prijzen; noch dat wij de glorierijke schreden der Nederlandsche orgelbouwers in het buitenland nawijzen. Toen zag men niet, gelijk thans, uit Amsterdam naar het buitenland om er een orgel te vragen voor een Amster-damsch Paleis van Volksvlijt. Doch laat ik niet vergeten dat ik over de Nederlanden van weleer, over den roem der vaderen heb te spreken. Maar ook die vaderen wijzen op den Feniks van het klavier, het machtigste muziekgenie der XIX0 eeuw; op hem die 't werk voltrok door Gregorius den Groote begonnen, den toon tot zelfstandigheid bracht; door wien de toon is woord geworden, en idealen schetst en karakters teekent zoo scherp, zoo duidelijk, dat men ze ziet en aanschouwt, en met hen zich verblijdt of lijdt, met hen voortrukt en aanvalt, of rust en geniet, tot geestdrift opstijgt , of wegkwijnt in wee en smart, Lodewijk van Beethoven , in één woord, is hij niet van Nederlandschen stam en van Nederlandsch bloed ? Hier te Maastricht woonden in de vorige eeuw tal van naamgenooten; doch hij zij uit Maastricht of uit Leuven gesproten ; toonkunstenaars , ook reeds in Nederland, waren Lodewijk's vader en de vader van zijn vader.

Op orgelspel en klavecimbel volge

KLOKKENKLANK

EN

KLOKKENSPEL.

En nu: »kent gij het land Waar de citroenen bloeienquot; ?

Dat mag Itaalje zijn; doch menig ander strand Ziet ook nog gouden appels gloeien,

ocr page 171

— 155 —

Zooals de wereldkunde ons meldt.

Maar wordt de vraag gesteld:

O O

Kent gij het land der klokkenspelen?

Dan roepen alle werelddeelen

En over alle stranden heen;

Dat land is Nederland, en Nederland alleen.

Zoo er één kunstvak is dat bij uitstek , dat uitsluitend aan de Nederlanden eigen en eigenaardig is, dat hier ontstaan is, dat hier verspreid is, dat hier ontwikkeld is, dat zijne hoogste bekende volmaaktheid hier en hier alleen bereikt heeft, dan is het voorzeker het klokkespel.

Ik moet mij thans bepalen met de stellingen: 1° dat de Nederlanden de eerste klokkespelen hebben gehad. Of dit te Aalst is geweest of te Tongeren of te Maastricht, moge te dezer stonde sub judice lis onbeslist blijven. Geen land der wereld betwist die eer aan de Nederlanden. Toen Berlijn, toen Hamburg, toen Dantzig, toen Darmstad een klokkenspel wilden bezitten, kwamen ze naar de Nederlanden om dat kunstwerk te erlangen. Ze kwamen naar Amsterdam , waar vroeger de Vondel der klokkenspelen zijn zetel had gevestigd. Dien kunstenaar zal ik u dadelijk aanmelden met nog niet bekende bizonderheden uit Limburg's archieven geput; eerst nog de tweede stelling: de Nederlanden hehhen de meeste klokkespelen; ja, hebben er meer dan alle de overige landen der wereld te zamen. Amsterdam alleen heeft er vijf; Maastricht had er drie; en welke groote stad der Nederlanden heeft of had er geen?

Derde stelling: de Nederlanden hebben de beste klokkespelen der wereld. Ook dit wordt luide, zelfs door de buiten-landsche schrijvers, eenparig erkend.

De naam nu van dien Vondel der klokkenspelen is Hemony, het broederenpaar Frans en Petrus, die niet in Nederland geboren en van elders gekomen , maar eens Ne-

ocr page 172

— 156 —

derland gezien en gekend hebbende, in Nederland zijn gebleven , en na een glorierijk leven, door Vondel zoo schitterend bezongen, in Nederland hun graf wilden vinden. Nu moge niemand tot nog toe in Nederland weten hoe die kunstenaar het eerst in aanraking kwam met ons voorgeslacht , noch waar hij het eerst werd geroepen om bewijs zijner kunst te geven, het worde nu hier voor het eerst gemeld , dat dié kunstenaar naar de Nederlanden werd geroepen door Limburg, door Venray, waar Petrus Hemony, zijn eerste kunstwerk in de Nederlanden heeft gewrocht. 1)

Slechts op één trek van Hemony's glorie wil ik hier roemen. Wie uwer heeft niet gehoord van de keizersklok, van de Duitsche keizersklok in Frankenthal gegoten ? De toon van dat klokgevaarte, zoo heeft de dagbladpers alom gemeld, was niet zuiver, was niet in harmonie met het klokkenkoor. Welk middel wist het groote kuituur volk aan te wenden , om den gewenschten toon te bereiken ? Het middel dat het geleerd heeft van onzen Hemony, het kunstgeheim door Hemony gevonden en door twee eeuwen nog niet overtroffen. In die vinding van Hemony ligt het geheim van de groote volkomenheid onzer klokkespelen ; en in die volkomenheid ligt het antwoord op de vraag: hoe zich het feit heeft voorgedaan dat schier alle groote steden van ons land zelfs hunne oudere spelen naar den smeltoven zonden, om door de bizondere kunst en kunde van de He-mony's een nieuw stafmuziek des volks — dat zijn de klokkenspelen — te verkrijgen.

Nu mogen er enkele steden des lands niet hebben weten te profiteeren van de dagen dier kunstenaars, eenig in hun vak — wat later om te veel redenen moest betreurd wor-

1

Het authentiek bewijs, het handschrift, berustend in het Archief te Venray, zal worden nagedrukt in mijne Voorlezing over het klokke-spel en de liemony's.

ocr page 173

— 157 —

den — doch niet alzoo Maastricht. Uit de archieven dezer stad zij het mij geoorloofd een feit mede te deelen dat ik, als vergoedenden tegenhanger stel van het ongunstige, ons gisteren terecht medegedeeld tegen de mannen die Kessels kunstwerk van de hand wezen. Dit stadhuis, waarin wij nu vergaderd zijn, was in aanbouw; de toren bestond nog pas op het papieV, of de Burgemeester snelde reeds naar Amsterdam en sloot zijne overeenkomst met Petrus Hemony voor het gieten van het klokkenspel, dat ons ook ook nog heden hier met zijne toonen omzweeft. Het gilde der hoteliers bood zich aan, om zonder vergoeding van onkosten naar Dordrecht te varen, en die schare van klokken af te halen. Bij hunne terugkomst was heel Maastricht op de been , meer nog dan bij onze aankomt voor het congres. Uit dankbaarheid bood hun de stad een feestmaal aan. De toren was nog niet volbouwd; doch om niet langer de muzieklievende ingezetenen verstoken te laten van het klokkenspel, richtte de stadsregeering een provisoire houten beöroi op; de klokken speelden en de stad juichte. Zij jniche ook nu daar ze nog in bezit is van het klokkespel van Sint-Servaas en van het klokkespel op het stadhuis. Maastricht jniche ook nu, dewijl een nieuwe vinding 1) binnen hare muren, door een harer burgers gedaan, de kroon gaat zetten op de vinding der XVlIe eeuw. Ik mocht die vinding gisteren aanschouwen, en weldra zal ze te Amsterdam worden ten toon -) gesteld. Het zwoegende slafelijke werk van den klokkenist heeft uit; de zwakke vingertoppen van het kind zweven over het gladde klavier, en de klokken , groot en klein , slingeren en strengelen hun getingel of hun gebrom tot volksbede of vreugdelied te zamen.

1

Tusschen het «gebrekkig vuistklaver van gegoten ijzer te Gentquot; en de vinding van den Heer Smulders, moet een hemelbreed verschil liggen.

ocr page 174

— 158 —

Maar had Nederland vóór het klokkespel en vóór de Hemouy's nog geen roem in klokkenklank behaald? Dit antwoord is het laatste punt, heden en hier, tot der vaderen roem in weinige woorden te hooren; en dit kan, nu wij eens weten waar de klepel hangt.

Dat Maastricht het eerst in ons koninkrijk der Nederlanden Christen-klokkenklank heeft gehoord, daar het de eerste kathedraal heeft gehad, eeuwen voor dat Willebrord in Holland, en Bonifucius in Duitschland verschenen, lijdt geen twijfel.

Dat aan der Franken Koning het grootste klokgelui werd ten geschenke gegeven door den Abt van St. Truyen, hier in de nabijheid; dat Maastricht in 1131 een gelui van verschillende klokken had, toen de monniken van St. Ser-vaas met die van St. Amand een verdrag van liefdadigheid

O O

sloten en deszelfs aanvang cum signorum pulsatione bij het luiden der klokken verkondigden , is ook een feit der geschiedenis. » Der deutsche Wissenschaftquot; mogen wij dankbaar zijn waar zij vermeldt dat de eerste klokgieters »welche — wie es heutiges Tages hiiufig vorkomt — ein Kompagnie-Geschaft hattenquot; — en die kunstenaars, wie waren het?... »Johan und Gerhard von Venlu, und Johann von Straelen, welche in Holland, im sogenannte Limburgerlande eine Gies-serei hattenquot;.

Nog hooger opklimmende, heeft men gevonden dat er in ons land eene andere klokkengieters-familie te Veyhel heeft gebloeid. De Dom van Keulen verkondigt ook heden nog Neerlands roem in klokkenklank, daar zijne tweede klok het werk is van Johan van Veghel.

Naar het glanspunt willen wij heen. De gouden eeuw der klokgieterij-kunst valt samen met de eerste helft der gouden eeuw van onze overheersching in Europa door de toonkunst. Dit is een punt van der vaderen roem nog nooit in Nederland ter sprake gebracht. De naam van den Neder-

ocr page 175

— 159 —

lander die Dultschlaud heeft overlieerscht, bij de verscheidene natiën verschillend gemeld en verschillend geschreven, is Geert van Wou.

Ik weet het, voor Beieren wordt de eer gevraagd het vaderland diens kunstenaars te zijn. Ook het Noordelijk Duitschland heeft op die eer aanspraak doen gelden, of heeft dien kunstheid uit Engeland laten komen, daar evenwel aan Nederland alleen het recht toekomt om op dien klokkenheld, zijn zoon en burger , te roemen.

Zou het niet genoeg zijn om eens kunstenaars verdiensten in één woord te schetsen , als men van hem kon zesden :

' Oo

hij heeft den Dom van Keulen, hij heeft den Dom van 's Hertogenbosch gebouwd? Zoo ook zij het genoeg hier te zeggen: toen destijds Duitschland de grootste en schoonste klok van Europa wilde bezitten, zond het naar onzen held, en Geert van Wou ging naar Thuringerland en goot de Gloriosa Lieve-Vrouwe klok van Erfurt, eene klok, die eene heele littérature heeft, en tot op den huidigen dag nog niet is overtroffen. Wilde ik ü de steden en de kerken opsommen waar nu nog de meesterstukken van Geert van Wou weergalmen, van St. Maarten's Dom te Utrecht tot de St. Pieterskerk te Hamburg ; van St. Bavo te Haarlem tot den St. Blasius-Dom te Brunswijk ; van St. Ludgerikerk te Munster tot St. Plechelmus te Oldenzaal; van St Michaël te Luneburg tot den grooten St. Pieter van Recklinghausen; — ik zou den schijn op mij laden de Litanie van alle Heiligen te willen voorbidden, en dat is mijn plan niet. Mijn plan is eene nationale eigenaardigheid te bevorderen; een karaktrek van ons volk , wel wat ingesluimerd, op te wekken; gebruiken waar onze vaderen zoo hoogen prijs op stelden, en waarvoor zij schatten gelds over hadden, weer aan te wakkeren. Laten wij ons ten plicht maken in de tegenwoordige tijden alles te bevorderen wat , uitsluitend Nederlandsch, de Nederlanders ten goede nader te zamen

ocr page 176

- 160 -

brengt. Eiken waarlijk nationalen karaktertrek moeten wij kracht en leven bijzetten. Derhalve heb ik drie voorstellen aan de goedkeuring der vergadering te onderwerpen:

I. Het congres spreke den wensch uit dat de stedelijke Besturen de melodie, de wijze die de trommel speelt minstens eens of tweemaal in het jaar doen veranderen, versteken. Blijft jaar uit jaar in hetzelfde deuntje dreunen, dan kan het volk onmogelijk genoegen scheppen in dat koekoek één zang. Ik wil geen steden noemen waar drie, vier jaren lang dezelfde wijs alle uren van alle dagen en van alle nachten den burgers om de ooren rommelde.

II. Het Congres spreke den wensch uit , dat de stedelijke regeeringen gelieven te zorgen, ten einde Neer-lands klokkenspelen ook slechts Nederlandsche wijzen en nationale liederen den volke voordragen; en niet gelijk ik honderdmaal tot mijn bitteren spijt in Neerlands Hoofdstad, het klokkenspel van I)e Munt hoorde spelen het annexatie-lied van: Bas ganze Deulschland soil es sein. Het klonk mij in het oor als de taal van een landverrader, die Neerlands zonen meer en meer wilde vertrouwd maken met de gedachte die reeds zoo vele weleer onafhankelijke kleine staten onder den knie van Pruisen bracht.)

111. Dat er voortaan elk jaar en bij beurte, dan in deze, dan in gene Nederlandsche klokkenspellievende stad , een algemeen Nederlandsche wedstrijd met eere-prijzen worde uitgeschreven voor alle Nederlandsche klokkenspelers Laat die eerste wedstrijd geopend, dat eerste voorbeeld gegeven worden door Maastricht, de stad die in St. Servaas een der grootste klokkenspelen van Europa, en op zijn stadhuis een der beste van Europa bezit. Dixi.

NALEZING.

N.B. De President gaf lezing van deze voorstellen aan

ocr page 177

— 161 —

de vergadering, die door algemeen handgeklap telkens van hare goedkeuring deed blijken.

De Gemeente-Raad van Maastricht heeft, in zijne vergadering van 17 December, den heer Smulders, die op de tentoonstelling te Amsterdam (na het Congres), de gouden medaille verwierf voor zijne uitvinding, van stadswege een premie toegekend van ƒ 400.

Ook werd besloten om het carillon met 9 nieuwe klokken te verrijken.

Eere aan Maastricht.

De Keizer der Klokken.

De lof van Dietschland koom' het Dietsche hart verrukken ') Als Dietsche vingeren de lierdichtsnaren drukken Met forschen greep, gelijk des dichters hand dien kent. Die ons aan bloed en gloed der Schelde heeft gewend. Ook ik dacht, toen 't Program van dit Congres ons meldde, De lof van Dietschland wordt dooreenen zoon der Schelde Te Kampen ingeleid, bij 't spel der Vlaamsche luit: »Wat 'k Kampen zeggen wil, zij in een vaers geuit.quot; 'k Heb trouwens uit de mijn van dorps- en stads-annalen Een nieuwen glorieschat voor Neêrland op te halen. 1) 'k Laat Kampen's Bovenkerk getuige van de kunst

1

Ter opsporing van de werken des Nederlandschen Kunstenaars, heb ik meer dan een verkenningstocht in Hoog- en Midden-Duitachland ondernomen, en torens beklommen, en Archieven doorzocht, van den Dom te Utrecht tot den Dom te Brunswijk.

L. P. BR. 11

ocr page 178

— 162 —

Der Va'dnjn ') —on 't Congres— get.uige van de gunst, De hoflijkheid des zoons, — aan Zuid eu Noord bewijzen. Dat, Kampen nader zien, is. Kampen hooger prijzen. Meer lofs komt Kampen toe, meer lauwerkronen dan Een spreekbeurt hier met kracht van reed'nen strenglen kan. 'k Wensch heden d'Usselstad in één van hare helden Te kronen met den roem. dien Duitschlands gouwen melden. Verhoogd nog met den glans der werken van zijn hand, Een half eeuw door volbracht in 't eigen vaderland, Maar hier, drie eeuwen lang, helaas ! te diep vergeten, 's Mans naam en faam herleeft, maar werd vaak toegemeten Den nabuur, die met recht ons land den lof benijdt Dat Gij, o Geert van Wou, een Nederlander zijt; Gij, die in 't rijk der kunst, waar reuzenklokken hooren. Tot Koning zi)t gekroond door alle klokkenkoren , Gekroond op Erfurt's rots, gekroond in Erfurt's Dom,1)

1

Dr. Musurg Univers, — in folio I p. 522 — zegt ons, na de grootste en schoonste klokken van Europa te hebben besproken, aangaande de reuzenklok van Erfurt: Has omnes inerito superat Erfurtensis,

ocr page 179

— 163 —

Beschildwaeht op uw troon door Severs heiligdom. ^ Hebben zeven steden Met elkaar gestreden

Om de eer ,

Wie toch aan Homeer 't Leven Had «ïegeven :

O O

Als op 't Grieksche strand,

Zag het Duitsche land Meer dan zeven namen -)

Duchtig strijden samen,

Daar elk Wou wezen Als maker geprezen,

Van 't luidend wonderwerk Van Erfurt's Lieve-Vrouwe Kerk.

Uit diepte, hooggeprezen,

0 Duitsche wetenschap,

Kon met een enklen stap Naar Erfurts toren op, den naam des kunst'naars lezen:

omnium campanarum regina .... totius non dicam Germanife, sed totius mundi maxima, longe lateque celeberrima, tuin magnitudine ac pondore, tum sono, tum formse elogantia, ac artiticio.

1) Ook voor de kerk van den H. Severus goot onze Nederlandsche kunstenaar een luidend meesterwerk. Onlangs is er te Erfurt een handschrift der XVe eeuw gevonden , wat -wij zullen completeeren door een oirkonde van Utrecht.

2) De maker van deze wereldberoemde klok wordt genoemd : bij Gudenus, Hist. Erfurt: Eccardus Kempensis.

bij Zach. IIofjeL, Chr. der Stadt Erfurt: Ehrhardt von Campen. bij Falkenslein, [list. v. Erfurt: Gerhardus Juon von Campen. bij Dominicus, Erfurt und Gebiet, en bij Arnold: Eckard Kempen, bij Maijer en liilschl. v. Hartenbach: Erhard Kempen, en Gerhardus Juan de Cempis, en Gerhard v. Kempen.

bij Schmerbauch, Geschichte und Beschreibung des Doms zu Erfurt: Eckard Wou von Kompten, en ook Ehrhard Wou von Kempten; bij Bierslaed: Gerhardus Wou de Campis. Elders heet die Meester, Gerhard Kami ook Gerhardus Juon etc. etc.

ocr page 180

— 164 —

Of heeft de vuurgloed niet in 't bronzen klokkeschrift, Dat kenmerk van dien held verheven, of gegrift? 1) Doch neen, die waarheidsweg, voor kind en knaap te vinden. Bleef lang een hoog geheim voor 't diep vernuft der vrinden ;') Maar wat wordt niet bereikt door 't oog der wetenschap, Die van geen rusten weet vóór d' allerlaatsten stap. 2) Doch laten wij, door 't al te spoedig waarheid vinden. Den kindren onzer eeuw de vleugelen niet binden.

Maar langer niet geschertst! De Duitscher ging ons voor. Het verder gaan valt licht op 't aangewezen spoor; *) Laat Schmerbauch zoeken naar des kunst'naars vaderland, In 't klokkenrijke dal van 't Beiersch Illerstrand; 3)

Laat hem, vergetend zijn Latijn, van Frankrijk spreken.4) Een andre penne mag naar England oversteken, En roepen daar van daan, met Brunsvvijk's landskronijk. Den grootsten klokkenheld van 't gansche Christenrijk.') Wellicht liet hem ook daar de keur der Kathedralen, Ter schepping van een choor van zeven klokken halen;

1

Inderdaad staat er te lezen op den mantel der reuzenklok : Ger-HaRdus Wou de Campis me fecit anno Domini •1497.

2

Lang voor dat er in het Gildeboek, Tijdschrift voor Kerkelijke Kunst en Oudheidkunde, iets over Geert van Wou verscheen, heb ik, na eene reis door Duitschland, eene voorlezing over Geert van Wou gehouden, in den Katholieken kring te 'sGravenhage. Op dat artikel van het Gildeboek van Utrecht komen wij later terug.

3

Schmerbauch in zijne Geschichte und Beschr. des Doms zu Erfurt. De stad Kempten ligt in Beieren aan de 111.

4

Kempten is in het Latijn Campodunum; en de provincie van Frankrijk die Champagne genoemd wordt, heet in het Latijn Campania. Ware onze held daar van daan, hij zou hebben geschreven: Campo-dunensis of Campanienais ; nu echter schreef hij Campensis of de Campis.

ocr page 181

— 165 —

Zag Eng'land hem niet pas te Hamburg1) aan het werk? Hoe lofgalmt hem de Dom , en hoe Sint-Petruskerk! 2) Kwam Engeland reeds toen, gelyk in laatre dagen, Aan 't strand der Zuiderzee een schat van klokken vragen ? En waarom niet? stond in het rijk der tonenkunst, Door heel Europa ooit één land in hooger gunst Dan Nederland, in die zijn gouden eeuw van glorie?3) Waar 'k ook mijn blikken wend, 't is Neerland in viktorie: Van 't kunstbekronend Hof van Koning Ferdinand Bij Etna's gloed, tot aan het ijs van 't Noordzeestrand. Gelukkig dien het lot nog verder blijft beschoren, Om door Europa heen, 's lands glorie op te sporen. Daar waar ze zinrijk straalt op mantels van metaal, 4) En, waar ze in kunst van vorm, 't geheim legt van haar Taal.s) Hebt gij die taal herkend in Schotlands berglandouwen , Toen ge er in Gods natuur Gods almacht mocht beschouwen, Eu meer dan koningspracht in de oude koningsstad , En burcht gezeteld op de rots te Stirling? Had,

1

Hamburgische Zeitschrift Neue Folge ii. 312. In het jaar 1487 was de groote Nederlandsche kunstenaar werkzaam te Hamburg.

2

Hij goot er »eene zeer groote klok voor den vroegeren Domquot;, en buitendien nog zeven andere groote klokken voor de St. Petri-Kirche aldaar.

3

«Das Jahrhundert von 1450 bis 1550 verdient in der Musikge-scbichte recht eigentlich den Namen des Jahrhunderts der Nieder-lander. — Die Niederlande galten für die Hochschule der Musik, selbst noch dann, als Italiens musikalischer Ruhm schon in vollem Glanze strahltequot;, zegt A. W. Ambros. »Die Herrschaft der Niederlander auf musikalischem Gebiet, ist nun schon (1470) eine unbestrittenequot;, zegt 71. Ad. Köstlin, p. 85, Geschichte der Musik. (Tübingen, 1875.)

4

De mantels der klokken in de torens melden zoo dikwijls heel wat anders , als de bladen der stadsbeschrijvingen.

ocr page 182

- 166 —

Voor veertien zomers, daar de stadsmacht niet besloten Dat er een nieuw gelui in Schotland moest gegoten, Nooit ware nit Stirling ons het roemrijk nieuws vermeld Dat vroegre klokkenklank aan d' Amstel werd besteld. •) Toch moeten wij de pen van Brunswijk heeten dwalen, Wil men haar »Mester Gerdtquot; uth Eng'land laten halen, Als uit zijn Moederland , als uit zijn vaderstad.

Wie niet naar Neerland komt, vindt niet het ware pad. Europa, geef gehoor! voor eeuwig zij bewezen, Dat Duitschlands klokkenheld, vier eeuwen reeds geprezen, Uit Nederlandschen stam Zijn oorsprong nam.

Gij, taalgeleerden . tot wie alle talen spreken ,

Slaat vergelijkend acht op alle hemelstreken :

Er is een taal, doch ook slechts één, die 't woordje van, Als zegel van haar recht, rechtsgeldig maken kan.

Laat Bonn, laat Washington mn Beethoven vrij prijzen. Zij moeten, om zijn van, zijn stam naar Neerland wijzen. Al zwichtte hier dit van, 't aan Nederlands landouw Geeigend merk der o, eischt d' eigen naam van Wou. Europa, geef gehoor! aan Duitschland wordt bewezen, Hoe Erfurts klokkenheld, van eeuw tot eeuw geprezen, Niet slechts uit Nederlandschen stam Zijn oorsprong nam,

Maar ook aan Neerlands borst de kunst heeft ingezogen. En bij geen vreemdeling ooit is ter school getogen. In Brabant, bij den Bosch, te Hyntham, is de zon

1) In October 18fi4, werd de groote klok van het stadhuis te Stirling, in Schotland, naar beneden gelaten, en wat las men op den mantel der klok ? Neerlands glorie; want het opschrift der klok luidde : «Sit nomen Domini benedictum : Petrus Hemony me iecit Amstelodami, anno Domini 1609. Te Amsterdam, in het jaar des Heeren l(ifi9 heeft mij Petrus Hemony gegoten.quot; De Laam des Heeren zij geprezen. De mantel der klok was versierd , ook met het wapen der stad en het onderschrift: Oppidum Stirlini.

ocr page 183

— 167 —

Zijns levens opgegaan. Daar stond zijn school, maar kon Ook hoogre en beetre school de kunst der klokken leeren Dan Xanten, Keulen, in de zoons van Brabant eeren? — ^ Den meester van het vak riep tot zich de IJsselsstad, Die eerst zijn hart, daarna zijn huis en kroost bezat. Geen zweem van twijfel blijve in Duitschland opgestoken, Of heden worde alhier het laatste woord gesproken: Te Hyntham stond zijn wieg, te Kampen is zijn graf. Tot waarheidsborg, die ons zijn hand en zegel gaf , Treedt voor Europa op, de tolk van onze archieven, Als riddren strijden hier vele oude en echte brieven Uit Kampen, Utrecht, uit den Bosch en Harderwijk, Tot nog toe niet bekend aan 't duitsche klokkenrijk. 1)

1

Ik zal hier niet mededeelen de vele bijzonderheden over Geert van Wou, aanbelangende zijn leven-en werken te Kampen. Het bestek van dit boekdeel laat zulks niet toe. Prachtig moet 's mans graftombe geweest zijn in de Bovenkerk, waaraan de groote kunstenaar, in 1517, met Geert van Hengelen een venster van gebrand glas had ten geschenke gegeven. Jteer dan eens heeft hij ook aan de stad geld voor-

ocr page 184

— 168 —

Werd Neerlands Kampen pas nog met een schijn van reden Die eer betwist, en werd voor Kempen nog gestreden, Dat Duitschland aanbehoort en pronkte in 'tKeulsche Sticht, Waar menig punt zijn glans ontleent aan Neerlands licht» Thans is dat pleit beslist. Uit Dnitschlands documenten Rees de uchtendgloor, de zon, uit Neerlands monumenten. Verhef uw schedel fier, o Kampen, Neerlands stad, Waar Erfurts Meester, Geert van Wou, zijn zetel had. o Dierbre stad, wier naam, zijn werken ingedreven. Als door den echt verknocht, in glorie samenleven; Als Geert van Kampen staat in boek en klokkenschrift, Dat innig naamverbond onsterfelijk gegrift, ')

geschoten, en in den den oorlog dienst bewezen. Waarlijk de stad Kampen mag wel wat doen voor haren held.

Ter staving van onze stelling zal het voldoende zijn hier mede te deelen:

A. uit het Archief van 's Hertogenbosch , waar het Poirtersboek of inschrijving van gemaakte burgers der stad 's Hertogenbosch getuigt, dat aldaar is ingeschreven op den 27 October 1472, Wilhelmus de Woude, klokgieter van Hyntham , en op den 6 September 1474, Meester Gerardus de Woude, zoon van Willem den Klokgieter.

B. Uit het Archief van Harderwijk, een stuk thans berustend in de Archieven van Kampen, van 4 Juli 1480, dat luidt als volgt; Wij burgermeisteren Scepenen ende Rait der Stat van Herderwyck doen kont ende bekennen mit desen onsen openen brieve dat wij ter be-gheerten der eerberen Stat van Campen gegonst ende gegeven hebben ende geven mit desen tegenwoerdigen brieve Geert van Wou, Klockengheter van 's Hertogenbusch self seste, synen knechten ende dieneren in onse Stat to comen van dair toe reysen na Amstelre-damme dair to copen sulcks hem noyt sy to hebben totten clocken hy angenomen heft to Campen to gheten..... enz. Ook in de overeenkomst, van 31 Januari 1481, tusschen die Kerckmeisteren van onze lieve Vrouwen Kercke in Campen, en den Klockghieter meister Geert van Wou, staat de naam van onzen kunstenaar reeds zoo gespeld gelijk wij dien voortaan onveranderd zullen aantreffen.

Door andere oirkonden , die wij elders mededeelen , wordt bewezen

dat Geert van Wou zich sinds dien tijd te Kampen heeft gevestigd.

1) Hij werd later niet zelden genoemd Geert van Kampen. Bleek dat reeds bij de duitsche schrijvers, hiervoren genoemd, één voorbeeld ten onzent zij genoeg. C. de Koning, D. I. bl. 141: Tafereel der stad Haarlem (1807) schrijft: »De eerste klok, zijnde de Brandklok, is op

ocr page 185

— 169 —

Moest 't oord van zijn geboort, moest Kampen zelf geheugen Dat hij van land tot land zijn roeping ging volbrengen, Tot eer van Neerlands kunst'); hij spoedde keer op keer, Met nieuwen moed verrijkt, naar dit zijn Kampen weer. Zoo mocht dan dit Congres en land en stad bepalen Om te zegepralen Met dien zoon,

Die de kroon

In 't rijk der reuzen , sinds vier eeuwen blijft behalen. Vreest niet, dat wij met een hoogen toon In Kampen's burger, de eer der Nederlanden prijzen. Wij hebben heel Euroop voor 't leevren der bewijzen. Vier honderd jaren lang roept het als uit één mond , Wat kort en bondig zij vertolkt te dezer stond :

Er is in 't rijk der kunst, waar keizersklokljen hooren. Slechts Keizer Hij alléén! Laat dit geen Duitscher storen. Die waarheid werd zoo vaak in 't Duitsche land vertaald. Eer 't jongste klokgevaar't naar Keulen werd gehaald. Beslisse 't tweegevecht in open strijdperk ;

Getuige zij de Dom, getuige zij de Rijn!

De kampioenen staan niet te ongelijk in 't wapen , Neen! De eene is wel ten strijd voor d'anderen geschapen. Mijn oog verlustigt zich aan beider reuzenbouw, Aanschouwt de Keizersklok naast die van Geert van Wou. Uw oog zal rechter zijn voor schoonheid van gestalte En maat van grootte; uw oor , voor beider toongehalte. Doch eerst een zedig woord, opdat het zonklaar blijk'

den 26 September 1503, binnen deze stad gegoten door Gerrit van Carnpeii, en weegt elf duizend ponden. Het opschrift der klok zelve zegt in een kreupelvaers : Gerijt van Wou die mij goot.quot;

I) Destijds werden de klokken gegoten aan den voet, of in de onmiddellijke nabijheid van den toren, waarvoor zij besterad waren: onze onvermoeibare klokkengieter was dus veel buitenslands.

ocr page 186

— 170 —

/

Dat wij geen aanslag doen op 't Duitsche klokkenrijk Met dezen reuzenstrijd van keizers aan te tergen.

Pas toog, langs Rolandseck met zijne zeven bergen Naar 't hooggeleerde Bonn , een Sedan's leger van Geleerden: 't gold er eer en feest van Winkelmann. Geleerd was het gehoor: geleerd ook was de spreker; Geleerd en wel doorkneed was ook zijn woord, voorzeker. Het sprak van Duitsche kunst, van schoonheid en van smaak; 't Sprak ook van Geert van Wou: en 'tvond geen tegenspraak Bij toongeleerden, noch bij Klok- of Oudheidkundigen, Toen 't onzen Klokkenreus waardeerde met uitbundigen En onverg'lijkbren lof, die hier wel mag herzegd. Hy worde in de eigen taal ter keuring voorgelegd.1)

Tot vijftienhonderd twee? Gij dwaalt van 't rechte spoor. Er moeten zomers bij van jong'ren glans en gloor, Er moeten werken bij van uitgelezen schoonheid En praclit van vorm en klank, die verder zich ten toon spreidt Dan Calcar's landstreek en de Munstersche landouw: Nog verder dan het rijk der Duitschers, heerscht van Wou!

Freiherr von Tettau had in zijn »Vortrag gehalten im Verein für die Geschichte und Altertliumskunde von Erfurt; Der Meister und die Kosten des Gnsses der grossen Dom-glocke zu Erfurtquot;, moeten zeggen: »Ob sich in den Nieder-landen von ihm gegossene Glocken befinden, hat sich nicht

■l) »Vortrag gehalten auf dem Wine kelmannsfeste zu Bonn, am 9 December 1872, von Dr. L. H. Nordhoff. Daar zegt de feestredenaar op blz. 24 , na tal van groote Meesters te hebben laten recht wedervaren :

Grosser als diese , vielleicht der grösste Glocken kü nstl er der Geschichte, war der als Schöpfer der grossen Gloriosa zu Erfurt weltbekannte Gerhard de Wou aus Campen. Etwa dreissig Jahre bis 1502 hat er mit seinen Prachtwerken bezeichnet, und davon besitzt der Landstrich von Calcar bis Münster die meisten.quot;

ocr page 187

- 171 -

ermitteln lassen; es isfc diesem Zweige der Archaologie dort bisher wenig Berücksichtigung gewidinet.quot;

Welzeker zyn er in Nederland zelfs nog na »der klokken rampjaar,quot; zooals het opschrift van een belangryk hoofdstuk luidt in de Bijdragen tot de Oudheidkunde van Zeeuwsch-Vlaanderen, er zijn in Nederland nog werken van die Meesterhand.

Zoo vele zijn er ons al bekend, dat de sneltrein van den tijd ons niet toelaat bij alle stil te staan. Slechts enkele stip ik aan tegenover Duitschland, en zeg den Duit-schers: noemt gij uw Ahaus met een werk des Meesters uit 1493, wij noemen ü Arnhem met twee klokken, die ik er heb bezocht, uit het jaar 1477, en gegoten door Gerardus de Wou met Wilhelmus Moer. Het zijn twee meesterstukken van den eersten rang. Zijn hand alleen wrocht te Amersfoort de groote klok van Sint Joris.

Noemt gij Hamburg, wy noemen Haarlem, die ik heb bezocht; noemt gij Calcar, wg noemen Kampen, waar gij Wou moogt begroeten omgeven van Hemony. Ik mocht er hooren den val van den hamer des tijds, en kon er in een te vluchtigen klank de twee meesters te gelijk vernemen. Noemt gij Munster, wij noemen Oldenzaal; noemt gij Xanten, wij noemen Zwolle; noemt gij Recklinghausen met zijn «grosse Peterquot;, en wat gij ook al noemen wilt, wij noemen Utrecht's Dom, met zijn Salvator, dien ik te midden van zijn Koninklijke omgeving mocht aantreffen. Toen ik daar op den toren van Utrechts Dom , naast den Salvator stond, juichte mijn hart van innige vreugde. Fier op onze nationale glorie, richtte ik in mijn geest het woord tot de Dnitsche schrijvers en riep hun toe: meer kunstschatten dan Gij bezit, (aan klokken van den grooten Meesterj bezitten wij. Waar is het land, waar staat de Dom, die Utrecht naar de kroon wil staan? Ziet, hier kan uw blik als in één oogopslag, nog zeven werken van den grooten

ocr page 188

— 172 —

Meester aanschouwen. Talrijker nog was vroeger dit koor *) maar ook zooals het is op den dag van heden, geen Dom in Duitsche landen kan roemen op zeven klokken van Geert van Wou.

Hoort dan, o Duitsche gouwen, hoe deze zeven kunstgewrochten getuigen, ook nu nog na 373 jaren, dat wij Nederlanders meesterstukken hebben van nog rijpere ervaring des grooten Meesters; getuigen, dat onze held niet bij uw Dom van Hendrik den Leeuw zijn werkkring heeft gesloten; dat hij , ten jare waarin Freiherr von Tettau voor hem een treurend de profundis wilde aanstemmen , daarentegen in Nederland het blijde Te Deum , bij Utrechts Dom door meer dan twaalf nieuwe torenklokken hoorde weergalmen. Erfurt veronderstelde des Meesters dood omdat niet hij het vroeger begonnen werk voltooide in den Sint-Blasius-Dom, doch Utrecht weet hoe Geert van Kampen van dat roemrijk werk in het buitenland afzag, om zijne kunst te wijden aan het land, waarvoor zijn boezem sloeg, aan Nederland. Heb dank, onsterfelijke Meester, heb dank daarvoor! Voor die daad van vaderlandsliefde brenge u dit dankbaar nageslacht eere en hulde ! Maar weldra riepen u weer tal van steden en dorpen naar nieuwe zegepralen.

Het huidige Duitschland meent te moeten gelooven dat

Immers vinden wij in het Archief te Utrecht handschriften van die dagen, welke vele bijzonderheden betreffende die klokken van den Meester mededeelen. Bij de Statutn Ecclesicc Traj. (15e eeuw) is ons een stuk bewaard gebleven dat aldus begint: Anno Domini 1505, re-novatse fuerunt omnes campanee ecclesiee trajectensis a majore ad mi-norem, numero 13 = in 1505 zijn hier 13 nieuwe klokken gegoten. Te zamen wogen de klokken 62,1 '28 pond. Andere uittreksels zullen wij aan de Rekening van Gerardus Zoudcnhalch, canonicus trajectensis de bonis fabricee ejusdem ecclesia; trajectensis, de anno domini 1505 in-choante prima die mensis Martii, usque ad anni revolutionem, ontleenen en ten bewijze van andere stellingen aanvoeren, bijv. bij het vergelijkend examen dat wij zullen instellen tusschen de klepels van Frankrijk, van Duitschland, van Nederland etc.

ocr page 189

- 173 -

zeker in den jaarkring van 1506 Geert van Kampen was bezweken; en ziet, Utrecht verheft de oirkonde, het bewijs, dat, zelfs in 1507, Lubeck en andere Noordduitsche oorden, nog vele werken aan den Nederlandschen Meester te danken hebben.

Nog twintig jaren lang zal Nederland zijn held bezitten. Niet eerder dan in de laatste helft van December van het jaar 1527 zal voor den Keizer der klokkenkunst, hier te Kampen , het graf zich openen. Het prachtige Monument van Nederlands Bouwkunst, de Bovenkerk dezer stad, is de waardige rustplaats van dien gloriezoon der Nederlanden, aan wiens onvergelijkelijke verdiensten, hier nog slechts onder één opzicht beschouwd,') het hier ter plaatse, te dezer stonde, pas gaf hulde te brengen; daarmede betuigend onze gezindheid jegens de stad van dit Congres ; daarin verheffend de eer der kunst, den roem der Nederlanden, ons aller dierbaar Vaderland. En zouden wij dan niet, als blyk dier hulde, eerbiedig naderen tot het te verheerlijken graf van dien held van Kampen en Nederland? Aan hem die overwon in alle Duitsche landen: aan hem, die in het Europa der XVe en XVI6 eeuw, te Erfurt al verre heeft overtroffen wat het zegepralende Duitschland in de laatste helft der XIXe eeuw te Keulen2) heeft beproefd. Zouden wij niet

ocr page 190

— 174 —

de lauwerkroon toekennen die zijn graf verdient? Onder de tempelgewelven, waar zijn assche rust, zou daar heden zijn naam niet weergalmen met den kreet onzer dankbare hulde en nationale fierheid? Dat is de vraag, die thans aan het oordeel der alhier zoo talrijk tegenwoordige schare wordt onderworpen. Dat eene juichende stad het antwoord zij, of Nedei-land, of Kampen, of het XVIa Neierlandsch Taal- en Letterkundig Congres weet te waardeeren, weet te eeren den landgenoot, die in zijn kunstvak was en is wat Vondel is voorde Dichtkunst: de eerste van allen; wat Rembrandt is voor de Schilderkunst: de eerste van allen; watQuilinus is voor de Beeldbouwkunst: de eerste van allen; wat Sweelinck is voor het Orgelspel: de eerste van allen; wat Hemony is voor het Klokkenspel, dat zijne melodiën en harmoniën door de straten der stad , over de golven van den frisschen IJssel als bloemen strooit; dïit ook was in zijn tijd en is nog, na vier eeuwen , die burger van Kampen, die zoon der Nederlanden :

GEEBT VAN WOU,

GEEBT VAN KAMPEN.

(Uil de Handelingen van hel XVI. Nederl. Taal- en Lelterk. Congres, gehouden le Kampen 1878.,/

De Gloricsa heeft een omvang, beneden en van buitenom genomen, van 14' \» el: in het midden U'/ie el en boven 8' ƒ,„ el.

De klepel is 4 el lang en l3/» el dik bij den aanslag.

Zij wordt geluid door 24 man aan het touw en 2 man bij de klok, om den klepel te vangen en aan te slaan.

Men kan ze gemakkelijk hooren drie mijlen ver tot Gotha, tot Weimar. Bij gunstigen wind werd ze al 4 mijlen ver gehoord. (En hoe verre de Keizersklok ?) Haar toon, de lage D, met de consonans der terz F, is plechtstatig en overheerlijk. Het Lieve-Vrouwenbeeld, dat er opstaat in relief, is een meesterstuk van beeldkunst. De andere versieringen zijn insgelijks alle even volmaakt.

ocr page 191

Ivlinliei't bij het GJ-raf van Greei't van quot;Won.

Daalt neer uit hooger sfeer; snelt toe van alle stranden Die U aan de eeredienst der toonkunst hebt gewijd! Geen volk ter aarde of 't kent dit veld van ed'len strijd, Waar Eene eeuw zit ten troon als de eeuw der Nederlanden.

Dit zang- en klankgebied telt vele lustwaranden,

Waar stam en bloei en vrucht zich stemt naar land en tijd. En ongelijk aan kleur en geur en smaak gedijt;

Maar zucht naar klank en zang leeft voort op alle standen.

En in dit wereldrijk is er niet ééne stem,

Die van de wieg tot aan het graf met zooveel klem

Paleis en hut doorklinkt, als die der torenklokken.

Wie dat ontkent, trede op! Wij vragen recht, geen gunst. Aan Rome en aan Parijs moet Erfurt voorgetrokken: Wij kronen Geert van Wou tot prins der klokkenkunst.

ocr page 192

ÏX HOOFDSTUK.

Het Orgel en de Orgelist.

iet eene volledige geschiedenis wordt hier samengebracht, doch er worde in bepaalde lijnen een algemeen overzicht geschetst, dat voor ons doel, opwekkend en aansporend, kunne volstaan. Ik ga dus hier niet bewijzen, dat er 130 jaren vóór de geboorte van Christus een toonwerktuig bestond , hetwelk wij zouden moeten noemen water-orgel; noch dat er in de I V° eeuw na Christus reeds wind-orgels bestonden , wat ons onloochenbaar blijkt èn uit het dichtstuk sorganonquot; van den dichter Porphyrins Optatiaan (begin der IVe eeuw) èn uit de beschrijving door den H. Augus-tinus in zijne uitlegging van den 56quot; psalm gegeven, alsook uit de nog niet lang ontdekte obelisk te Constantinopel, aldaar onder Keizer Theodosius den Groote opgericht. Die orgels hadden zooveel, neen , nog minder van onze tegenwoordige orgels, dan het schreeuwende kind in de wieg heeft van den zang der prachtvolle Basso-stem die hier, bij het laatste Piusfeest, zegepraalde.

Eeuwen en eeuwen van langzamen vooruitgang zijn noodig geweest, alvorens het orgel kon worden beschouwd als het eigenlijke toonwerktuig der Kerk. Van de weinige gegevens, die uit de eerste zeshonderd jaren der middeneeuwen tot ons zijn gekomen, stip ik slechts aan de mede-deeling over het orgel van den bisschop Elfeoe , in de

ocr page 193

— 177 —

kerk van Winchester, tegen 't midden der Xe eeuw. Zooals wij lezen in een gedicht van Wolstan, monnik en zanger in de abdij te Winchester, had dat orgel alreeds blaasbalgen, maar om ze te trekken waren 70 (zegge zeventig) sterke kerels noodig. Het getal der blaasbalgen was 26 , dat der pijpen 400. De gedaante der blaasbalgen was, gedurende langen tijd, niet ongelijk aan de smidsblaasbalgen. Elke treder gaf de persing der lucht met in de holte van eiken sleutel zijn voet te steken , en dan door de zwaarte van zijn lichaam, de persing der lucht te weeg te brengen. Soms werden de blaasbalgen van buiten de kerk door windmolens gedreven. Wat zulke ongelijke drukking moest uitwerken, laat zich licht vermoeden. De klavier-toetsen waren en bleven langen tijd twee, drie. ja lot vijf duim breed, zoodat er geen sprake kon zijn om een akkoord te spelen. Maar wat spreek ik van spelen, destijds sprak en kon men slechts spreken van het orgel slaan; met de vuist of met den elleboog werd de breede , zware, soms vierkante toets neergedrukt, geslagen, gelijk-men nu nog doet bij het klokkespel. Negen toetsen naast elkander, met de noodige tusschenruimte, moesten de breedte beslaan van circa anderhalf el. Op elke klaviertoets antwoordde een verbazend groot aantal pijpen ; werd er hooger gezongen dan de toetsen liepen, dan vatte de speler zijn toonen een oktaaf lager. Die ongelegenheid wekte de gedachte, de toetsen te vermenigvuldigen en te versmallen. Doch gedurende eeuwen bleef het orgel zeer onvolmaakt. Een denkbeeld daarvan kan ons geven het oudste voorbeeld ons bekend in de Nederlandsche Historie, en bij Lootens medegedeeld: »dp orgelmaker Albertüs van »Os, uit Vlissingen, heeft, bij het uitnemen van een orgel gt;in de Nicolaï-kerk te Utrecht, gevonden op de windladen »van het groot Manuaal het jaartal 1120, hebbende geen »registers of sleepen , maar twaalf rijen pijpen, waarvan de «grootste was prestant 12 voet, sprekende op iedere toets L. P. Uli. 1'2

ocr page 194

— 178 —

»alle pijpen te gelijk , zonder dat men een eenige konde »afsluiten, zoodat niet anders dan een schreeuwende mix-»tuur gehoord werd.quot;

Het mag dus niemand verwonderen dat een toonwerktuig gelijk destijds het orgel nog was, niet in alle kerken, niet in alle bisdommen, niet bij alle geestelijke Orden denzelfden bijval vond. Er bestonden redenen vóór en tegen, 't Was eerst in de XVe en XVIC eeuw dat het orgel tot grootere volkomenheid kwam, door de uitvinding van het voetklavier, door de onderscheiding der registers en door de uitvinding der springladen. De XVIIe eeuw voegde daarbij de windwaag of windproef, zoodat men in het begin der XVIIIe eeuw waarlijk goede orgels bezat, al hadden zij nog niet deze of gene volmaaktheid van onze tegenwoordige orgels. Terecht kon dan ook Praktorius schrijven van »de «voortreffelijkheid des orgels, en hoe hetzelve alleen en «afzonderlijk tot kerken en godsdienst gericht boven alle »andere instrumenten den voorrang heeft.quot;

Het uitgangspunt, de grondslag van des orgels wijding, ontwikkeling en heerlijkheid moet gezocht worden in het feit, vóór duizend jaren geschied op de grenzen van ons tegenwoordig koninkrijk, nabij Limburg, te Aken, waar het orgel, voor den allereersten keer in dienst der Kerk werd gebracht. Ook daar werd het allereerste nieuwe orgel in het Westen gemaakt door een Griekschen priester Giorgios. Trouwens al de oudste orgelmakers waren kloosterlingen of wereldgeestelijken, alhoewel reeds in 1250 te Keulen als factor orcjanorum een leek, met name Joannes, voorkomt; maar vinden wij, in 1260, den maker van het eerste orgel voor de Munsterkerk van Straatsburg vermeld, dan is het weer een Dominikaner monnik, met name Ulrich Engel-breciit , een leerling van Albertus den Groote.

Wat üuitschland te danken heeft aan de Nederlanden betrekkelijk den kerkzang is elders aangewezen; dat het

ocr page 195

— 170 —

zijne grootste en schoonste klokken der midden-eeuwen verschuldigd is aan Noord-Nederlandsche kunst, is even zeker als dat Keulen een Dom heeft, en zal bij eene aanstaande gelegenheid door feiten worden bewezen. In welke verhou-

o o

ding, van meester of leerling, Nederland tot Duitschland staat op het gebied van orgel en orgelkunst, mag hier in het kort worden aangestipt, al moeten wij al dadelijk bekennen, dat dit vak van Neerlands kunstgeschiedenis nog bitter weinig, nog slechts in de laatste jaren is beoefend geworden. Desniettemin hebben wij gegronde redenen om te vertrouwen, dat meer volledige studiën het roemrijk betoog zullen vestigen , hoe Nederland in zijn gouden eeuw der toonkunst het hoogste stond, ook op dat gebied. Ondervraagt de mannen van het vak, tot voor eenige jaren, en welk orgel wordt als het meest volmaakt geprezen in heel Europa? Het orgel van Haarlem. Tal van vakkundigen uit Engeland

o o o

en uit Frankrijk zou ik hier kunnen aanvoeren , den palm der overwinning aan ons toekennend. Dat evenwel zou ons te ver voeren. De eer van dat wereldberoemde orgel te hebben gemaakt, werd onlangs nog door Duitschland geannexeerd ; zelfs in het zoo prachtige werk: Encyclopédie i/c.i Arts Plastiques. Dat die eer toekomt aan Chr. Muller, don beroemden orgelmaker van Amsterdam, getuigt ons de zoo gunstig bekende Nederlandsche organist en schrijver J. Hess. En hoe Neerlands kunst ook in buitenland heerschte, mogen wij vermoeden uit feiten als de volgende. Als een der belangrijkste stukken voor de orgelkunde, in de laatste tijden verschenen , mag voorzeker gelden : Dia ehemalige Orgel in der Pfarrkirche z-um hl. Lambert in Munster. Wie dat groote werk had gemaakt was niet bekend; nu echter is gebleken uit het opschrift in een der windladen aangeplakt gevonden, dat die kunstenaar was een Nederlander , met name A rent van Myl uit het land van Cuyk Dat was in den jare 1579. Het groote nog bestaande orgel »im Dome

ocr page 196

— 180 —

zu Schwerinquot; van clienzelfden tijd (1555), is alweer onlangs gebleken het werk te zijn van een Nederlander , Antonius Morss uit Antwerpen , die verder in dienst bleef bij den hertog Johann Albrecht I von Mecklenburg, en stellig tal van andere orgels, waarschijnlijk die der Schlosskapelle ook, gemaakt heeft. Hannover biedt ons insgelijk een werk aan van den Nederlandschen orgelbouwer Andreas de Maze.

De kunst der Nederlanden moet onbetwistbaar de hoogste in Europa geweest zijn. Hoe zou men anders kunnen uitleggen, dat Filips II, niettegenstaande zijne voorliefde voor de Spanjaarden, zelfs in Spanje, zelfs in de kathedraal van Toledo, zeven orgels die het werk van Nederlanders waren, deed plaatsen. Zoodanig een feit staat niet op zich alleen; dat is slechts een fragment, dat is slechts eene bladzijde; maar waar zulk fragment is, is ook meer, is een geheel geweest. Hoe zou men anders kunnen verklaren , dat de groote orgelbouwer van Frankrijks koning, Mr. van Langhedul,

alweer een Nederlander was ? ...

* *

*

De Kerk, gesticht en door alle eeuwen gesteund en gehandhaafd door het Eeuwige Woord des Vaders, verkiest het intellektueele woord van 's menschen ziel boven het werktuigelijk geluid van tooninstrumenten. Van den beginne af aanbiddend in geest en in waarheid, dat is met geest en hart, heeft zij het intellektueele tot den geest sprekende woord der heilige gebeden ten deele ook uitgesproken in tot het hart sprekende klanken, in gezangen. Heilige en heiligende gezangen waren een deel van den kerkdienst, van den offerdienst in de drie eerste eeuwen, en toen het kruis zegevierde over de heidensche keizerskroon, toen rijkdom eu pracht en kunst konden worden toegelaten tot opluistering van het huis des Heeren, het huis des gebeds, kwam ook de instrumentale toonkunst. Wil men weten, hoe groote

ocr page 197

- 181 -

genieën , ook in de toonkunst; hoe groote mannen , ook in de Kerk ; hoe helden van vooruitgang, ook in de heiligheid ; hoe mannen van gezag, door God gekozen om zijne Kerk te bestieren, hoe een heilige Ambrosius , hoe een heilige Augustinus dachten over het al dan niet toelaten van die toonwerktuigen in de Kerk van het Woord des Vaders? Zij waren er tegen, en wenschten ze niet toegelaten te zien. Elders werden ze van lieverlede hier en daar geduld, doch ook soms weer verboden. Zoo oud, zoo kerkelijk, zoo eerbiedwaardig, zoo gezagvol is het verbod dat ook Neerlands eerste Provinciaal Concilie na de herstelling der Hierarchie, met klem haar eenstemmig gevoelen uitsprak. Wat Ambrosius , wat Augustinus deden , dat ook , alhoewel met verzachtende bepalingen, deden onze eerste bisschoppen. Desniettemin is er in den loop der eeuwen een werktuig van toonkunst allengskens in eere gekomen, dat meer dan eenig ander »in overeenstemming is met den aard en de natuur van den kerkzangquot; '), namelijk het orgel. Algemeen werd de meening , dat bijaldien er één instrument bestaat hetwelk uit zijn aard deftig, ernstig, godsdienstig, indrukwekkend , kerkelijk, majestatisch mag worden genoemd, het orgel een zoodanig is. »Het orgelquot;, zegt een beroemd toonkundige, »werd erkend als het eenige ware instrument van «toonkunst voor de kerk.quot; Door Paus en Bisschoppen, door het bijna algemeen gebruik werd dan ook het orgel gewijd tot het eigenlijke instrument van den katholieken eere-dienst: „oryano utitur Ecclesia lamquam instrumento sibi proprio'' ii) en waarom ? — De verhevenste vraag : tot welk doel is de mensch geschapen ? is niet van meer be-

1) Synodus Provincialis UUrajectensis, Tit. V. De culta divino, Cap. VI: de ecclesiis. Zie boven blz. 1 —3. Datzelfde had ook reeds Z. II. Pius IX gedaan in 1856.

2) Neerlands eerste Provinciale Kerkvergadering t. a. pl.

ocr page 198

— 182 —

slissenden invloed op 's menschen handel en wandel, als voor orgel en orgelist de vraag: tot welk doel is het orgel door de Kerk aangenomen, in de Kerk opgenomen?

Om in verzet te komen met het altaar? om den heiligen offerdienst te overweldigen, te verminken, te stremmen ? om te heerschen, in plaats van te dienen? om te onderdrukken, in plaats van te ondersteunen? om het huis des gebeds te hervormen tot een Paleis van Volksvlijt, tot een concertzaal, tot een tempel van toonkunst, waar jood en heiden vinden wat zij er zoeken, doch niets van Christus of'zijn Kruis of zijn Kerk en hare gezonden gebeden?

O O O

Het eerste en opperste doel van het orgel is, het intel-lektueele woord, den zang te ondersteunen, »is alleenlijk 5'(zoo spreekt Benedictus XIV) om door den zang de kracht »der woorden te beter uit te drukken, en zoodoende den zin »dier woorden dieper en dieper in het gemoed der hoor-»deren te prenten, ten einde de geloovigen te bewegen tot »de overpeinzing der geestelijke dingen , en aan te sporen »tot liefde jegens God en al wat goddelijk is.quot; Zoo spreekt, met de wijsheid van de goddelijke bestiering van Christus' Kerk , de Paus van Rome. Doch hoe spreekt en handelt menig orgelist? Ik moet kort zijn; ik kan my dus geene lange, verzachtende voorbereidingen voor harde maar noodzakelijk te zeggen waarheden veroorloven. Ik verdeel de orgelisten die in de kerken orgelspelen in drie klassen : in orgelspelers die katholieke, die protestantsche en die Bismarcksche beginselen in praktijk brengen.

De katholieke orgelspeler speelt datgene wat de Katholieke Kerk voorschrijft; hij speelt ook naar best vermogen zóó als de Kerk wil dat gespeeld worde; en h ij speelt of speelt niet, lang of kort, zooals de Kerk voorschrijft of wil. Aldus hij speelt, wat door Paus en Bisschop, wat door de algemeene Kerkvergaderingen als die van ïrente, en door

O O O 7

provinciale en synodale, als «die van Utrecht en van het

ocr page 199

- 183 —

Bisdom waartoe de katholieke orgelist behoort, staat voorgeschreven of wordt ffewenscht.

o o

De andere orgelist gaat uit, zonder zich daarvan rekenschap te geven, van het protestantsche beginsel, dat eigen oordeel en eigen wil stelt boven het oordeel en den wil der Kerk. Hi] speelt dan ook wat hem bevalt, die muziek welke hij goedkeurt, zich niet het minst bekreunende wat de Kerkverordeningen al dan niet goedkeuren of aanbevelen. Hij vraagt zich ook niet af, hoedanig de geest is van 't feest dat de Kerk viert; hij volgt zijne individueele willekeurige stemming. Soms, naarmate hij zich zeiven meer toonkunstenaar oordeelt, geeft hij zich over aan zijne wezenlijke of ingebeelde inspiratiën, en verlustigt zich in zijn spelen, te weinig of geen acht gevende op den gang der Heilige Offerande. Hij handelt als of onze kerken gelijk waren aan protestantsche tempels , waar geen altaar althans geen offerande is te vinden, hij doet als of zyn orgelspel hoofdzaak was.

De derde orgelist is verwant aan den tweeden , gelijk het protestantisme , dat het individu stelt boven de kerk , verwant is aan hem die den Staat stelt boven de Kerk. De scheiding van Staat en Kerk is in Pruisen niet meer groot, dan de scheiding van dit orgelspel met zijne muziek het is van den waren kerkzang en diens ernstig waardig orgelspel. Hij schaft de verordeningen der Kerkelijke Hierarchie af; hij is man van zijn tijd; laat Pastoor en Bisschop en Paus praten van dat oude üregoriaansch; verbant van het choor de heilige toonkunstenaars, door de Kerk als de haren erkend, en stelt aan de orde van den dag de directeurs van deze of gene kapel van keizer of koning of hertog; hij is kunstenaar en de kunst laat zich aan geen priestersbanden leggen ; opera's en theaters zijn de Kerkelijke Raad dien hij erkent, en die muziek welke zijn geest en hart vervult, welke hij met en in zich draagt, zit ook niet hem aan het orgel in de

ocr page 200

— 184 —

kerk, en aldus heeft de secularisatie, de profanatie plaats van Gods Huis, zoodat Christus, wanneer hij in tal van kerken binnentrad, als in den tempel te Jerusalem ongetwijfeld me'' de geeselroede den orgelist zou verdrijven , hem wellicht toeroepende: weet gij dan niet dat mijn huis is een huis des gebeds, en gij maakt er van een lustoord van dartelheden en wereldszin.

Wie meent dat ik hier aan eenige overdrijving toegeef, draagt zeker geen kennis van de daadwerkelijkheid die tal van kerken, in meerdere of mindere mate, door staats- en straatmuziek ontheiligt, noch van zoo vele 'verbiedende of waarschuwende documenten door het kerkelijk gezag uitgevaardigd. Trouwens het zijn dikwijls dezelfde kunstenaars en dezelfde kunst, die theater en concert en ook de kerk bedienen uit dezelfde bron, met dezelfde maat, in denzelfden geest, die evenmin de geest van Christus of van zyne Kerk is, als Bismarck de trouwe dienaar van Pius IX.

Hoedanig moet het orgelspel zijn':' Natuurlijk, zoo goed mogelijk; maar wat wil dat zeggen? Slechts enkele punten, die niet de techniek maar den bezielenden geest betreffen, kunnen wij hier aanstippen. »Het orgelspelquot; — ons Provinciaal Concilie1) zegt het zoo duidelijk—»mag de stem-»men der zangers niet onderdrukken;quot; het moet ze slechts leiden, wel meer kracht en klem bijzetten, maar niet over-heerschen. De generaal moet niet alleen den veldtocht willen ondernemen. De zang moet altyd zijn en blijven de hoofdzaak; orgel en orgelspel zjjn slechts nevenzaak. Aan die over-heersching, door de Kerk zoo afgekeurd en verboden, maakt zich als van zelf schuldig een orgel, dat al te groot is voor de kerk waarin het speelt. Terwijl er somtijds vele duizenden guldens aan het werktuigelijk geluid worden besteed, wordt

1

Even als het Document uitgevaardigd op 's Pausen uitdrukkelijken wil, 20 Nov. 1856.

ocr page 201

— 185 -

het intellektueele geluid , de zang , het zangkoor verwaarloosd. Alleen de rente van het kapitaal, ten koste gelegd aan het grootere en grootere orgel, zou voldoende zijn, om, jaar uit jaar in, het zangkoor te oefenen en den goeden zang aan te kweeken, te versterken en te beloonen. Zoo handelend zouden ook wij tot dien voortreffelijken kerkzang opstijgen, die bij onze voorouders , in de glorierijke eeuwen vóór de zoogenaamde Hervorming, in ons land zoo algemeen was. Nu is het orgel al te dikwerf als de dekmantel van het ellendige gezang, als het groote ^reddingtoestel van al die stemmen — drenkelingen, lamme en kreupele, die—worden ze eens bij toeval niet door liet orgel gedragen — wankelen en struikelen en dompelen van den eenen toon tot den anderen, als vallend of klauterend van de eene sport tot de andere der toonladder. Zoo wordt het orgel en het orgelspel eerder eene hindernis dan eene bevordering van wat de Kerk wil en wenscht. Mij bevreemdt het in geeneu deele, dat de Pauselijke Kapel tot op den huidigen dag van geen orgel wil hooren. Ook in Duitschland zijn er kathedralen, welker flink geoefend zangerskoor volstrekt niet van een orgel belieft gediend te worden. Waar het zangkoor kreupel is, bewijze het orgel aan den zang den dienst van drager en redder ; waar het zwak en klein is, biede het orgel bijstand en leiding; doch waar het koor talrijk en flink is, daar verstrekke het orgel voorspel en naspel en tusschenspel, maar overigens wijke het kunstlicht en schittere de zon; daar zwijge, zoo mogelijk, het werktuig , daar spreke de menseh , daar trille de toon van 's menschen mond , daar ziuge des menschen ziel , in geest en in waarheid; want de stem des menschen is door God geschapen, en het instrument, zelfs het orgel, is slechts door den mensch gemaakt. Het orgel is het eerste, de koningin van alle instrumenten, maar de stem is van eene orde, hooger verheven boven het orgel dan de Engel boven den mensch. Hoedanig moet het orgelspel zijn? Laten

ocr page 202

— 186 —

wij antwoorden met Benedictus XIV, in zijne Encyclica van 19 Febr. 1749, en met den beroemden Kardinaal Bona, in zijn werk De Dioina psalm. c. 17; »het doelmalige gebruik gt;des orgels in de kerk behoeft niet te worden verworpen; »de harmonische tonen des orgels helderen het bedrukte »gemoed op , wekken de tragen , verkwikken de ijverigen, »stemmen de zondaars tot berouw , de rechtvaardigen tot »liefde.quot; Edoch, wat zouden de meeste orgelisten kunnen antwoorden met de hand op het hart, als men hen vraagde: hoe dikwijls hebt gij u ten doel gesteld om door uw spel de zondaars tot berouw, de rechtvaardigen tot liefde Gods op te wekken? Hoe dikwijls hebt gij zelf het eerst uw gemoed gesterad volgens het feest en den geest der Kerk, om alsdan ook uw orgelspel in harmonie te brengen met het objekt van het Kerkfeest. De katholieke orgelist moet zijn objektief, de protestantsche mag zijn , zooveel hij wil, subjektief; de katholieke moet de bewegingen en gemoedsgesteltenis der Kerk, de protestant kan zich zeiven spelen en de eigene bewegingen van zijne ikheid.

Wat ons Provinciaal Concilie van den zang zegt, is insgelijks toepasselijk op en vereischt voor het orgelspel , wil het in harmonie zijn met den zang, met de Kerk. Gezegd mag er dus worden : dat ook het orgelspel door den geest der Kerk bezield zij, gelijk met dien geest de gansche Kerkelijke Liturgie bezield is; dat het naar verschil der tijden, of wel feestelijk en opvoerend tot blijdschap zij, of wel vol droefenis en eene heilige vermorzeldheid des harten inboezemend. De geloovigen aan wie het orgelspel is toevertrouwd , moeten zorg dragen , dat deze regel streng onderhouden worde. Geen ander orgelspel worde dan ooit in de kerk ten gehoore gebracht dan wat met het voorschrift der christelijke kunst volkomen overeenstemme, en derhalve door ernst en waardigheid, zuiverheid en majesteit zich onderscheide en uitblinke, opdat het niet afwijke noch ver-

ocr page 203

— 187 —

wijderd blijve van het karakter van den kerkelijken zang. Het orgelspel, zoo gebiedt het Cceremoniule Episcoporum , moet deftig zijn in zijne ontwikkeling en bewegingen, rein en kuisch in zijne melodie; het mag het gemoed geen aanstoot geven; het moet vrij zijn, geheel en al, van alle kunstenarij, van alle wuftheid, van alle nabootsen van den theaterstijl, van alle opwekken van gevoelens die in de kerk niet te pas komen. Niet anders sprak de eerste synode van het Bisdom Haarlem, voor drie eeuwen, in 1564, onder Haarlem's eersten Bisschop, Nicolas van Nieulant: sdat »het orgelspel niets hebbe van wereldsche, van wulpsche »muziek; het zij zoodanig dat ook de schare des volks be-»grijpe dat het hier godsdienstigheid en vroomheid geldt.quot; En is dat hoofdbeginsel niet eveneens gesteld geworden door het Congres de Paris, van 1860, art. 9, aangehaald in dit blad, op bladzijde 24 ?

Wanneer moet of' mag het orgel spelen? Het provinciaal Concilie van Utrecht noch de Synode van Haarlem hebben daaromtrent eenig voorschrift gegeven. Wij hebben dus de bestaande gebruiken aan den toets van het gezond verstand bij het licht der christelijke leering te onderwerpen. Onderscheiden wij het orgelspel in verband met den kerkdienst in voorspel, in naspel, in tusschenspel en in begeleiding.

Zeer gepast kan, naar mijn bescheiden meenen, het orgel de inleiding der godsdienstoefening op zich nemen en door een geschikt voorspel de gemoederen der geloovigen reeds in overeenstemming brengen met de heilige plaats, welker drempel men heeft overschreden, met de heilige plechtigheid die staat te beginnen. Wat doorgaans zoo ontstichtend plaats heeft bij eene instrumentale Mis-uitvoering, het stemmen der instrumenten, dat kan in stichting de orgelist doen met zijn voorspel: de harten , de gemoederen stemmen tot eerbied , tot vroomheid , tot ingetogenheid. Zijn orgelspel moest zijn voor de menigte, nog pas in het gewoel der

ocr page 204

— 188 —

wereld, wat voor den priester is het voorbereidend gebed en het aankleeden met de gewijde dienstgewaden. Voor dat de priester aan het altaar verschijnt, moet het gepaste orgelspel reeds den geloovigen zijn te hulp gekomen , om zich tot ernst en godsdienst op te wekken. Dit Prceludium moet bovenal den bizonderen geest van het kerkfeest teruggeven en verspreiden. Het moet in eensgezindheid zijn met den zang die volgen gaat.

Betrekkelijk het naspel, na den dienst, schijnt menige orgelist van meening 'te zyn, dat dan de menigte al lang genoeg godsdienstig en ingetogen is geweest, en hij maakt spoed om er met een wereldsch muziekstuk weer den geest der wereld in te spelen, alvorens zij nog den drempel der kerk bereikt hebben. Het naspel des orgels moest zijn als de sluitrede van de predikatie: eene samenvatting, eene zaakrijke bekorting van al het voorgaande, eene laatste opwekking; in elk geval, eene bevestiging en niet eene tegenspraak , niet eene bestrijding van wat in de geëindigde plechtigheid geest en hart aandeed, opwekte en versterkte.

Omtrent het tusschenspel is nog meer op den voorgrond te handhaven. Vooral door de tusschenspelen heeft, sinds eeuwen her, het orgel, de orgelist zich bezondigd — ik gebruik dit woord in zijn eersten en waren zin — met die tusschenspelen zoo lang te rekken en dan voorgeschreven gezangdeelen te verkorten of weg te cijferen. Bij eene kerkvisitatie in 1571 werd de vraag gesteld of ook Epistel en Evangelie en Credo geheel gezongen werden ? En wat was het antwoord ? Sinds het orgel uit de kerk is , wordt alles in zijn geheel gezongen. Pius IX heeft een uitdrukkelijk verbod uitgevaardigd tegen zoodanige tusschenspelen, die of een deel van den zang doen overslaan of den priester beletten voort te gaan in de heilige offerande, den priester doen wachten. Om soortgelijke buitensporigheden der ijdel-heid van den orgelist die zijn spel in plaats van de woor-

ocr page 205

— 189 —

den, den zang der Kerk geeft, te beteugelen, schreef art. 12 der verordening van den Kardinaal-Vicaris Patrizi eene eerste geldboete uit van vijf romeinsche kroonen; en wie zich voor den derden keer schuldig maakte, dien werd voor tijd en wijl eenvoudig verboden het orgel nog te bespelen. Hoevele plaatsen zijn er niet hier te lande waar de orgelist er maar op aan speelt en toespeelt en voortspeelt, en de Dienaar Gods in het offeren, als ware hij des orgelspelers dienaar, moet staan wachten?

Wat aanbelangt de hegeleiding van den zang is het duidelijk, dat het orgelspel het koorgezang enkel begeleiden en daarmede in tempo, in melodie en in harmonie moet overeenstemmen. Moet het harmonieeren altijd diatonisch zijn, of mag het soms chromatisch wezen? — Deze vraag werd bg het Congres te Mechelen beantwoord in diatonischen zin. Dat er orgelisten met gezond verstand de speelzucht en de onbedachtzaamheid zoo ver kunnen drijven, dat zij zelfs onder het zingen van de Oraties, van Epistel en Evangelie blijven doorspelen en vaiüëeren is my een raadsel; dit gebruik bestaat dan ook alleen in ons land, en daar nosr niet

7 o

in alle bisdommen. Men late toch de protestantsche meening varen , dat het orgel van den beginne tot aan het einde der plechtigheden moet gehoord worden, als of er geen godsdienst was als er geen orgelspel is !

Vele vraagpunten betrekkelijk orgel en orgelspel zouden nog dienen besproken te worden ; ik eindig echter met den wensch, dat deze algemeene wenken iets mogen bijdragen tot verbreiding van een meer ernstig en waardig, een meer kerkelijk orgelspel. J. W. Brouwehs, Past.

B o ve n k e r k, feestday v. St. Eduard.

(St. Greg onus-Blad le Jaargang 1876.)

ocr page 206

— 190 —

CATVTATE. gt;)

VERHAAL.

Ginds bruischt de fiere golf van Duitschland's vrijen Rhijn In schaduw van den Dom, bij 't kamp van Agrippijn; Daar moest de bakermat van onzen Vondel zijn. 1)

Ginds laaft de Vlaamsche Schelde 'et rijkbevolkte strand; Daar vond het ondrenpaar weleer zijn vaderland.

ARIA.

En zij komen , zij komen De kindren dier zoomen Met jubelenden geest,

Naar 't groote Vondelsfeest.

VERHAAL.

Tot Vondel's woonstee had God onder alle steden Onze Amstelstad bestemd. Daar heeft de Bard bemind Al wat een aadlaarsblik der ziele waardig vindt;

Daar heeft hij kroon en kerk , ais christenheld, beleden; Voor volk en vrijheid, daar, een halleve eeuw gestreden. Met zulke' ontembren moed en onverbreekbre kracht, Dat wie voor hem niet buigt toch huldigt zijne macht.

1

Die meermaals met den eerenaam van «Agrippijnsche Zwaanquot; wordt aangeduid.

ocr page 207

— 191 —

CHOOR.

En wij komen, wij komen Met jubelenden geest Van Schelde en Rhijn, en Maas en Waal naar Amstels zoomen, Naar 't groote Vondelsfeest.

Wij brengen eer en hulde Aan Vondel die het gantsche land vervulde Met lierzang of met hekeldicht,

Als 't recht triomf behaalde of ergens 't overwicht Van vorst-geboren staatstirannen Of opgestegen volleksmannen,

Den godsdienst of de burgerij Verdrukte met hun dwinglandij.

VERHAAL.

De liefde gaf zijn hand én harp- én vedelsnaren.

Zijn warm gevoelend hart zong huis- en echtgezin ,

Waar 't edel harte vindt een troon, een koningin,

O quot;

Waar vreugde en vrede, lief en leed, twee harten paren. Al wat des menschcn ziel in eedlen gloed verheugt.

Zong Vondel, zangenrijk, voor ouderdom en jeugd.

KWARTET.

Laat ons reien Met lauwerkroon, met mirtenkrans In jubelenden dans Zich verder {(er) uitbreien,

Alom verspreien Den broederlijken geest Van 't groote Vondelsfeest.

ocr page 208

— 192 -

VERHAAL.

Zwaar zucht 'smans borst: bang klopt hem 't hart; grauwe

onweersvlagen Bedreigen vorst en volk of dondren in het hart,

Die oceaan van liefde, of haat., of nijd, of smart; En Vondel's treurtooneel weergalmt die donderslagen, Die 't worstelend gemoed met schrik en meelij slaan,

Daar wêer een Paradijs in tranen is vergaan.

AilTA.

Met een krans van mirt en cypressen In de los gereten tressen Treurt de vrouwenschaar van 't Noord.

Bonzend klopt in mannenboezem,

Die het Vondel's treurspel hoorfct 't Edel hart, daar 't tot den droesem Door zoo menig edel hart Zwelgen ziet den kroes der smart.

VERHAAL.

Geboren om de zon met open oog te aanschouwen In 't glansrijk aangezicht, al stijgt haar gloed ten top, Voert de adelaar zijn kroost naar hooger sferen op! Zoo voert ons Vondel in zijn leerdicht naar landouwen , Waar niemand in de schaauw des doods gezeten is;

Waar ieder zich verheugt aan Godes bruilofsdisch.

KWINTET.

Laat ons dan den feestzang leeren

Van zijn lier,

En zijn choor uit hooger sferen Al te gader nabootseeren Ginds en hier.

ocr page 209

— 193 —

Wilt ge op aard een hemel stichten, Volgt zijn spoor.

Elke stem erken haar plichten;

De één moet stijgen, de ander zwichten In het choor.

En de Meester mag niet falen.

Of 't is uit.

Ach! de stemmen aan 't verdwalen

Zijn, in stede van choralen ,

Wangeluid.

Maar waar Hij is, die onfalend 't Choor bereidt;

Voor een elk zijn taak bepalend,

Allen met zijn oog omstralend,

't Choor geleidt;

Volgt getrouw de knapste zanger, 's Meesters hand.

Kort geen tijdmaat, rekt niet langer,

Galmt niet luider, trilt niet banger; Houdt zijn trant.

DUBBEL CHOOK.

lste CHOOR,

Wij kwamen.

CHOOR.

Ode

Wij kwamen.

lste CHOOR.

Te zanien.

CHOOR.

9de

Te zamen. 13

L P. BR.

ocr page 210

— 194 —

beide chore.v.

Naar 'et Amstelstrand ,

lst0 chooe.

Uit 'et Zuiden

2de chook.

en 'et Noorden

beide chorex.

Van Nederland.

Laat ons dan op Amstels boorden ,

lste choor.

Hand aan hand,

2de choor.

Hand aan hand,

lste choor.

In blijde kringen,

2de choor.

In blijde kringen,

lste choor.

Juublen

2de choor.

Juublen,

lste choor.

en zingen

2de choor.

en zingen

beide chorex.

Met opgetogen geest,

Bij 't groote Vondelsfeest.

Vondel heeft ons voorgezongen,

Met verstand:

En verstandig , ongedwongen,

Zinge als Hij, met frissche longen,

Nederland. J. W. Br.

ocr page 211

X HOOFDSTUK.

Een woord over de werken van J. W. Brouwers.

et Weekblad voor Ned. bevat een biographische beschouwing over pastoor Brouwers z. g., waarin de overledene op meesterlijke wijze door't onkatholieke blad geteekend wordt. De schrijver, de heer A. J. Flament, blijkt wel bijzonder met den pastoor bekend geweest te zijn. Wij ont-leenen eenige brokstukken aan zijn degelijke studie:

gt;Indien een uitgever het zou ondernemen, al wat nu reeds over pastoor Brouwers is geschreven in de verschillende dagbladen, tot een bundel te vereenigen zooals men o. a. voor wijlen mr. C. Vosmaer en prof. Heremans te Gent heeft gedaan, en dan in later dagen een snuffelaar of een aanstaande schrijver van een »geschiedenis der wetenschappen, letteren, enz. in de Nederlanden gedurende de laatste helft der 19de eeuw ,quot; dezen bundel in een onzer bibliotheken mocht vinden, dan meen ik, dat hij verwonderd zou staan over zooveel lof, zooveel sympathie van zooveel, in richting en beginselen verschillende bladen, door zooveel schrijvers van de meest uiteenloopende denkwijze op gods-

ocr page 212

- 196 —

dienstig, maatschappelijk, staatkundig en aesthetisch gebied, aan pastoor Brouwers betoond. Zeker zou dan die navor-scher zich geprikkeld gevoelen, om eens met de werken, de geschriften van den zoo hooggeprezene kennis te maken.

»Ik moet weer eene onderstelling maken: al de werken zijn zoo volledig mogelijk verzameld en de uitgevers zijn hierbij zoo angstvallig te werk gegaan , uit vrees van iets te vergeten, als die van Potgieter's geschriften, dat is: die verzameling verdient ten volle den titel »opera omniaquot;, nagelaten werken, brieven, verslagen van lezingen enz. niets is vergeten. Voor een uitgever van Brouwers' werken zou zulk een verzameling bijna noodzakelijk zijn; verschillende lezingen toch zijn nooit in druk verschenen, in tal van Fransche en Belgische tijdschriften, als Le Journal de l'Art en andere is nog zooveel verspreid, waarmede men in «Hollandquot; geheel onbekend is , en een groot pak onuitgegeven handschriften berust nog bij de familie des overledenen.

»Nu zal de onderzoeker door mij bedoeld in die groote verzameling van Brouwers werken, die tot nu toe slechts onder de »possibiliaquot; is te rangschikken, veel schoons vinden, stof voor een heele bloemlezing »pierres précieuses et perles finesquot;, — die Fransche titel niet zonder reden, want Brouwer's Fransche geschriften , redevoeringen en verzen steken verre uit boven de Nederlandsche; hij was dan ook met het Fransch zoo vertrouwd, dat het gemak en de sierlijkheid, waarmede hij zich in het Fransch, zoo proza als poëzie, uitdrukte, onze bewondering verdienen.

»Maar met dat al en trots al die schoonheden in die geschriften verspreid, zal men tevergeefs een uitsluitsel zoeken op de vraag: van waar die lof, die sympathie voor pastoor Brouwers ? Want ontveinzen wij het niet — mijn doel is het niet hier een lofrede te schrijven — ondanks al de goede hoedanigheden, de voortreffelijkheid zelfs zoo men wil, die hem als schrijver kenmerkten, ondanks zijn groote geestes-

ocr page 213

gaven en zijne bewonderenswaardige werkkracht, is het alsof hy nooit aan de »storm- en drangperiodequot; ontworsteld is ; hem ontbreekt die klassieke kalmte, of hoe men de eigenschap noemen wil, zelfs voor een volbloed romanticus onmisbaar.

»En toch v/as hij een man van beteekenis, met wien men rekening moet houden ; maar men moet hem dan ook niet alleen beoordeelen enkel uit zijne geschriften, zelfs niet in de eerste plaats uit deze, want dan handelt men onjuist en onbillijk, zelfs onrechtvaardig jegens zijne nagedachtenis.

»Neen, zijne groote verdienste, zijn lof, zijn recht om door het nageslacht te worden gekend, dit alles heeft geheel andere titels; de rol, hem toegedeeld, was eenc geheel andere dan die eens schrijvers of iemand, wien men gewoon is, dien naam te geven.

»Er zijn op het gebied der letteren en kunsten zoowel als op godsdienstig , maatschappelijk en staatkundig gebied nog andere menschen noodig dan schrijvers en kalme geleerden ; ook enthousiasten , die anderen voorgaan, die de slapenden wakker schudden, apostelen of ij veraars, hoe zal men hen noemen, vooral in tijden van onverschilligheid en slaperigheid. Zulk een enthousiast was pastoor Brouwers; anderen ontvonken voor wat hij waar, edel en schoon achtte, en dat steeds vol actualiteit, was zijn levensdoel en levenstaak tevens. Daaruit laat zich het oratorische karakter van bijna al zijne geschriften verklaren.

»Dat hij, die aan zulk een levensdoel zich heeft gewijd, als hinderpalen den weg versperren, deze met alle kracht poogt te verwijderen, dat hij polemisch wordt, wien zal dit verwonderen ?

»Een noodzakelijk gevolg was dan ook een langdurige, hardnekkige strijd tegen hen, wier opvatting tegen de zijne aandruischte, maar ook tegen hen, die hij uit den slaap der onverschilligheid wakker schrikte; menschen, die

ocr page 214

— 198 —

men op zulk een wijze wakker maakt, zijn nu eenmaal altijd knorrig en lastig.

»Als Brouwers in geestdrift ontstak dan moest hij spreken. Van al de teksten der H. Schrift schijnt hem het bekende »noa possumus non loqui,quot; wij kunnen niet zwijgen, het meest te hebben getroffen.quot;

ocr page 215

GESCHRIFTEN

VAN

J. W. BROUWERS.

i8ül. Joost van den Vondel, Dichtwerk met levensbeschrijvende, karakterschetsende en letterkundige aanteekeningen, met een plaat door Cuypers.

» Drie helden van Italië. (Dichtstukken).

1863. Het Nationale Monument 1813—63. Wederlegging of Toe

lichting van »De Nederlandsche Spectatorquot; enz.

» Derde brochure over het Nationaal Monument. Antwoord aan den schrijver van den leelijken »Open briefquot; tegen de »mooije brochurequot;.

1864. Wetenschap en Schilderkunst (Fragment).

» Neerlands keizerlijk kapittel, Neerlands eerste christenkerk, Neerlands oudste cathedraal met hare XlX'-eeuwsche Muurschilderingen. Een woord gesproken in »Regt voor allenquot;, te Amsterdam.

» Nationaal Monument. Do twee bekroonde ontwerpen.

» Nationaal Gedenkteeken. Wat de volgende Nederlandsche bouw- en beeldende kunstenaars zeggen over de keus tusschen Ebenhaezer N. O. (Anoniem).

» Antwoord aan de 63.

1866. Naamlijst der 651 Nederlandsche Zouaven in liet Pauselijk leger.

» Een Nederlandsch Pauselijk Zouaaf vóór zijn vertrek naar Rome. Gedicht.

ocr page 216

— 200 —

1866. Zeventien Hoogleeraren van Nederland in de kwestie van

den dag.

1867. Nederland en Pius IX.

» La Situation du Catholicisme en Hollande. Discours pro-

noncé au Congrès de Malines, 6 Sept. 1867. » Neerlands eerste Vondelsfeest voor het op te richten standbeeld, gevierd te Roermond, op 5 Februari 1862. Feestrede van J. W. Brouwers. — Dichtstuk van H. J. H. Pieters.

1868. De Nederlanden en de gevierden te Heiligerlee. Redevoe

ring op den 300en verjaardag van den slag bij Heiligerlee. » Wat nu te doen? Een broederlijk woord aan mijne synodale en anti-synodale medeburgers, met den Apostolisclien Brief van Z. H. Paus Pius IX. aan alle Protestanten en niet-Katholieken.

» Wederwoord aan den Heer B. ter Haar Bzn. in »Nieuw en Oudquot;.

ygt; Antwoord aan den Heer Groen van Prinsterer op zijn

«Heiligerlee en Ultramontaansche Kritiekquot;.

» Open Brief aan den Schrijver van eene Brochure, getiteld: J. W. Brouwers, R. C. Priester, Ridder der Eikenkroon enz., om zijn »De Nederlanden en de Gevierden te Heiligerleequot;, voor de vierschaar der historische waarheid gedaagd, door Mr. D. E. Hey.quot; (get.: V. St. Mariëngraat). » Toelichting voor de Eeerevaan, een geschenk van Nêer-landsch Katholieke Vrouwen aan de Pauselijke Zouaven. » Het antinationale Nationale Monument. Lierzang, (get.:

een zilversmidsjongen).

» Het antinationale Nationale Monument. Vijf Roskam-ge-dichten (get.: een zilversmidsjongen).

1869. De Heeren Fruin in »de Gidsquot;, Jonckbloet in de Tweede Kamer

en Groen in zijn Derde Brochure over Heiligerlee. III. » Mengelingen op Staat- en Letterkundig gebied. » Een groot Nederlander, Hoogleeraar en stichter van Hooge-scholen, gnoot schrijver, groot redenaar in Duitschland, in Italië- in Polen, en groot burger: Canisius. (Redevoering gehouden te Gent).

1870. Nederland aan Z. H. Pius IX, op den llen April 1869.

Pius Album. Dichterlijke bijdragen enz.

» Fidei et Virtuti Nederlandsche Pauselijke Zouaven (2, naamlijst enz.).

» Gedenkboek van de Pius' Jubilaeums in Nederland, 1869 en 1871.

1873. Feestrede bij de inzegening van de kerk in de Vondelstraat, toegewijd aan het Heilig Hart van Jezus.

ocr page 217

— 201 —

1874. La Patrie. Sermon de charilé, prêché a Bruxelles. en faveur de l'ocuvre des Ecoles Allemandes, Ie l'i Mars 1874. Bruxelles.

» Het Vaderland. Een liefdadigheids-preek . geliouden te

Brussel. Vert, door A. Buys.

» Hulde aan den Koning. Voorlezingen naai' aanleiding der jubelfeesten van 12 Mei 1849—74, gehouden te Amsterdam of te Rotterdam.

» Hulde aan den Koning. Neerlands Mannenkoor aan Z. M. Willem III bij dei- Kroning zilveren jubelfeest en Nieuwer-Amstels jubelzang.

4876. Bijdrage voor het Nederlandsche Taal- en Letterkundig

congres te Maastricht.

'1877. Marnix van Sint-Aldegonde te Breda. Verdediging mijner spreekbeurt enz.

» La Néerlande a Victor Hugo. (Darwin et Spinoza). Poème

comique-sérieux par J. W. Br. de Saint-Mariëngrat. » Nog eens met »Réplique au critique francais de »la Néerlande a Victor Hugoquot;, dans »de Gidsquot; (dit ook afzonderlijk) en: «Wederwoord. in verzen en in proza, aan de twee personen in »de Gidsquot; en »de Nederlandsche Spec-tatorquot; over »La Néerlande a V. H. (üarwin et Spinozaquot;), (ook afz. 2e druk.)

» Openbare brief aan »Minervaquot; over het verslag en over de rede, gehouden den i7 Dec. i. 1. voor »Vrije studiequot; ^ te Delft.

1878. Staatkundige Harmoniën van Neerlands Grondwet.

» Een woord over Pius IX, gesproken te Haarlem, in den

Katholieken Kring.

» Een woord over Pius IX onsterfelijke!' gedachtenis, (hetzelfde uitgebreider).

1879. Iets nieuws over Vondel.

1880. Joannes Baptisla, naar Vondel's Epos. Drama in vijf Be

drijven door J. W. B. van Sint-Mariëngraat. Haarlem. Küppers en Laurey.

1888. Le centenaire du Poète hollandais Vondel. (Discours pro-noncé a Lille).

1890. Nederland en het internationaal Hoogheilig Sacraments-

Congres te Antwerpen. Redevoering. 3 drukken.

1891. De Votief-Kapei der Nederlandsche Katholieke dankbaar

heid in de XIXe eeuw.

1893. Het IVe Eeuwfeest der ontdekking van de Nieuwe Wereld, door J. W. Brouwers (overgedrukt uit de Oprechte Haarlemsche Courant). Haarlem. Joh. Enschedé en Zonen. (Na des schrijvers dood verschenen).

ocr page 218

— 202 —

In 1863 werd Br. verbonden nan de redactie van liet dagblad Dn Tijd; in 1^80 richtte liij liet weekblad De Amstelbode, in 1881 het halfmaandelijksche tijdschrift De Wetenschappelijke Nederlander op; beide uitgaven werden grootendeels door hem zei ven geredigeerd.

Voeg hierbij :

De oorlog (Koning, veldheer, soldaat). Redevoering, uitgesproken bij de plechtige inbezitneming van 't nieuwe gebouw der Zouaven-broederschap te Rotterdam, 26 Sept. 1870.

Constitutioneele Nederlandsche Wedstrijd, 1 April. Redevoering gehouden te Nieuwer-Amstel 1872.

Feestrede bij de nationale feestviering «Oranje Rovenquot;, 15 Nov.

1888.

Discours au Journalistenkring (a l'occasion de l'exposition 1883).

La Relgique et la Hollande dans l'Antiesclavisme.

La Hollande et trois Frangais.

Jongelingsgedichten, waarin onder anderen een oproep voorkomt tot de Hollandsche en Belgische jongelingschap gericht, ter verdediging van den pauselijken stoel. Met woord en daad werkte hij de vorming van het Zouavenleger in de hand.

Geert van Wou. De keizer der klokken. Een vrij lang gedicht met belangrijke kantteekeningen. (Congres te Kampen, blz. 279.)

•lste Discours de Li lie, 1888.

Discours d'Anvers.

ocr page 219

INHOUD.

Bladz,

Titel

en woord vooraf......

III—VII

I.

HoorosTiiK.

,1. W. Brouwers als IJmbtirger

1—15

Gouden priesterfeest van Mgr. Hoermans

11

Wittem ......

12

't Jjitnburgsohe Geuldal

12

II.

Hoofdstuk.

.1. W. Brouwers als menscli, vriend,

gastheer, zielenherder .

16—36

Eerste woordje aan Amsterdam .

34

Amsterdainsehe politie

35

III.

Hoofdstuk.

Nagalm der Vondelfeesten

37—44

Aan do Jonge v. Ellemeet .

43

IV.

Hoofdstuk.

J. W. Brouwers als priester .

45—71

l!ij den dood van pastoor Brouwers

60

Aan den liemelschen Vader .

61

Aan de moedermaagd ....

62

De mensch ......

62

V.

Hoofdstuk.

,1. W. Brouwers als letterminner,

Vondelvereerder en vaderlander .

72—108

Aan tijd en vlijt te Leuven .

99

Raadgeving eener roze ....

101

Aan het Belfort .....

105

Heilbede voor don Koning .

107

Op Leo's jubelfeest ....

108

ocr page 220

— 204 —

Vf. Hoofdstuk. Bij het portret van wijlen J. W Brouwers .... Lijkrede (fragment) .

De pers bij Brouwers' overlijden Over der Vaderen roem in de Toon

kunst.....

De keizer der klokken Klinkert bij 't graf van G. van Wou Het orgel en de orgelist.

Cantate ..... Een woord over de werken van

J. W. Brouwers .

Lijst zijner geschriften .

VII. Hoofdstuk. VIII. Hoofdstuk.

IX. Hoofdstuk.

X. Hoofdstuk.

ocr page 221
ocr page 222
ocr page 223

jiGsa

; vi.ï'a

■F/ ,

ocr page 224

.•..'ri;'-'1, !t;' 1 .■

y' n 'i' j

quot;'i''|

■■:.y r i:

'x, . ■: :ï

''/'j '■■'-■yy ■ ■' ■-■'l

■;■■ ■■ ■' ■ : ■■■' - ':l

■ ' 'lt;i

'■ • .quot;j, ■ 'i V. 1 •••. . .. ' 'Ji

. ^yy syyy . .;v

r;:.

/r;::-,,: .-i

i'- ''yy li?'

■ \ '• '•■ ' V-,

\::iy:::y^^r:^:4

v ■■ t

y'yy

^; ...■■ .. ■-.. y? ■■ . quot; ''r ;

'#Pgt;