ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

ÜW lEYENSSTAAT

JONGELINGEN

gehouden door

J. rX\ J. Ï^ILBXIY,

Pastoor te Oud-Beierland.

TWJKEDE ÜKTJK.

Rotterdam, G. W. VAN BELLE, 1890.

ocr page 6
ocr page 7

m t?8. ^

UW LEVENSSTAAT.

JOnderi^ichtingen

voor

JONGELINGEN,

gehouden door

J. T. J.

Pastoor te Oud-Beier land. Siazkamp;tljb gce?ge4eu^9.

TWEEtgt;E Igt;m iv. /

—----—

Rotterdam , G. VV. VAN BELLE. 1890.

Bib'ici jak yiNDERB^OEDERS WEERT.


ocr page 8
ocr page 9

h- - ■ 1

imprimatur.

Hablemi, 19 Aprilia 1888.

J. A. VAN DEN AKKKR,

Libr. Ccns.

gt;

f

- quot;h ■-

imprimatur.

Voorschoten , Die 21 Aprilis 1890.

M. BERNSEN,

Libr. Censor.

'!

i

ocr page 10

V -'-C

1

.

' ÏL-I#

■

'••fö

ocr page 11

-

—

i x i r () i: d.

Bladz.

V00BBEDEN...................VII

O n d e r r i c h t i n g e n.

i. de keus van eexen levensstaat............1

]r. De vebheveneb levensstaten.......15

III. De wereldlijke staat..........24

IV. Oude Kaatje in het Gesticht.......33

V. Hoe koppige' Trui oi' haken ouden dag nog

stbaatventstee weed?.........44

YI. Het beste middei............55

VII. Redenen, waarom gij nu ijvkbige jongens moet zijn 66

VIII. Luie Jaap..............80

IX. Wilt niet te vroeg aan trouwicn denken . . 88 X. Waarom men het huwelijk niet te lang moet

i'itstellen.............95

XI. Eene twekde reden, waarom men het huwelijk

niet te lang moet uitstellen......100

XII. Laatste bedenen, om niet op te latex leeftijd

tot een huwelijk over te gaan.....107

XIII. Huwelijksbeletselen..........114

XIV. Het huwelijksverbod „Gemengd huwelijk . 120 XV. Waarom verbiedt de II. Kerk de huwelijken

tusschen bloedvebwanten ?.......128

XVI. Vervolg...............136

XVII. Het gemengd huwelijk.........142

XVIII. De dood van een onboetvaabdige.....156

XIX. De opvoeding der kinderen in een gemengd

huwelijk..............168

XX. Het verschil des geloofs een gevaar voor het

huwelijksgeluk...........178

XXI. Over de keus van een meisje.......189

XXII. De toestemming der ouders. De Militiewet. . 199

XXIII. De verkeeking.............209

XXIV. 'Laatste vermaningen..........219

-

■•v

ocr page 12
ocr page 13

Voorrede van den eersten druk.

Deze Onderrichtingen werden door mij gehouden voor de jongelingen der Sixt Josephs-Vereeniging , gerestigd te Kralingen. Dewijl ik ze hield in het lokaal der Vereen!ging, xoas ik niet gebonden aan den gewonen vorm, die in acht genomen wordt, wanneer in onze kerken de onderrichtingen over de Geloojs- en Xedcleer fiehouden worden. Zij zijn dan ook geen preeken; deze zouden in de zaal der Vereeniging niet op hare plaats zijn geweest.

De hoop, dat zij, door den druk in wijderen lering verspreid, nog voor andere jongelingen nuttig zouden zijn, bracht mij er toe, om deze onderrichtingen onder den naam „Uw Lerens-staat,quot; uit te geven.

Dat deze hoop vervuld worde is de hartelijke wensch van

DE.v Schrijver.

Voorrede van den tweeden druk.

De geachte uitgever van „Uw Levensstaat,quot; heeft den moed, om quot;an dit werk een tweede en wel een volksuitgave onze Hollandsche wereld in te zenden. Ik wensch van harte, dat hij nimmer spijt zul hebben over de offers, die hij zich voor deze uitgave getroost heeft.

Weinig is er in deze tweede uitgave veranderd; een tweetal nieuwe verhaaltjes, hij wijze van voorbeelden, heb ik er tusschen gevoegd en den stijl ran het geheel gepoogd een weinig te verbeteren.

llannecr deze Voorrede iets uitvoeriger mocht zijn, dan zou, ik zeker een hartelijk woord van dank zeggen aan (dien, die „Uw Levensstaatquot; ^'J 'ijne ierschijning in hunne welwillende bescherming hebben genomen. Toch moet het mij van het hart: „ik was er blijde mede!quot; Mijne vrienden, voor. wie ik deze onderrichtingen hield. vrkregen door de openlijke gunstige beoordeelingen, die „Uw Levensstaatquot; ten deel vielen, te meer vertrouwen in de vermaningen, die in deze onderrichtingen gegeven worden. Hij vooral, die jongelingen met rrucht wil vermanen, moet hun vertrouwen bezitten. Als nu „Uw Lerens-staatquot; in nog wijderen kring nuttig zal zijn, moge dan God de Vergelder zijn can allen, die gewerkt hebben, om dit nut te stichten!

J. T. J. FILBRY,

Pastoor.

Oud-Beieeland,

22 April 1890.

ocr page 14

■S4an

9e Zeden de-z Sint afoócpfa-GVezecniyiny,

te fcralingen.

fë/f/óryiic tylreiif/m/

Gij hebt mij wel eens uw wensch geuit, om de verschillende verhaaltjes te kunnen lezen, die ik voor de gezellige bijeenkomsten uwer Vereeniging had samengesteld en u voorlas. Ik hoop niet, dat gij teleurgesteld zult zijn, wanneer gij deze in dit boekje niet zult terug vinden. Het was, naar mijn inzien; nuttiger, wanneer gij nog eens met ernstige aandacht de conferentiën zoudt kunnen lezen, die ik voor u gehouden heb. Het gesproken woord gaat voorbij, maar een boek blijft een vriend, die telkens vermaant en raad geeft, dien gij immer kunt raadplegen.

Het ging bezwaarlijk om mijne verhalen aan deze onderrichtingen toe te voegen; de omvang van dit boekje zou dan te groot zijn geworden. En wanneer er spraak kwam, wat voor u het nuttigste zou zijn, dan moesten de verhaaltjes wijken, die op de eerste plaats waren samengesteld, om u in de uren van uitspanning aangenaam bezig te houden.

Als gij nu in de verdere jaren van uw jongelingschap deze onderrichtingen dikwijls ter hand neemt en van tijd tot tijd nog eens hartelijk bidt voor hem, wiens hart u imme. „mijne vriendenquot; blijft noemen, dan zal ik ruimschoots beloond zijn voor den arbeid, dien ik mij voor de bewerking dezer onderrichtingen gaarne getroost heb.

Mijne vrienden! moogt gij gelukkig zijn in den levensstaat, waartoe God u roept, gelukkig voor tijd en voor eeuwigheid! Het is een vriend, die u dit toewenscht.

J. T. J. FILBRY, Pr.

Schiedam, 22 April 1888. Op hel Bescherm feest van den 11 . Joseph.

ocr page 15

UW LEVENSSTAAT.

EERSTE 0NDEREICHTIS6.

De kens van eeueii levensstaat.

Moge de titel van dit boek, mijne Vrienden, U niet afschrikken om het te gaan lezen. Misschien zult gij denken: „ ik ben eerst veertien, vijftien jaren oud, wat behoef ik reeds te gaan denken aan mijnen levensstaat?quot; Laten wij daarom deze bemerking voorafgaan. Deze onderrichtingen zijn niet gemaakt, om zoo eens doorgelezen en verder als een doorgelezen boek weggeborgen te worden. Het doel, waarom U dit boek wordt aangeboden, is vooral, om Katholieke jongelingen, die niet langer het onderricht der Kathechismus behoeven bij te wonen, gaandeweg eenige gewichtige verplichtingen te leeren kennen, die zij nu en in hun verder leven zullen moeten vervullen. Let wel op het woord „gaandeweg,quot; dat wij hier met opzet gebruiken. Misschien zult gij in deze onderrichtingen het een of ander lezen, waarvan gij de strekking, wellicht den zin zelfs niet zult begrijpen, wijl Goddank! uw hart nog zoo onschuldig is. Naar gelang gij echter ouder wordt, zal U dit als van zelf duidelijker worden. Intusschen zullen nu reeds deze onderrichtingen U vele vermaningen en nuttige lessen geven, en U tevens vertrouwd maken met vele goede beginselen, die, goed opgevolgd, U later krachtig zullen helpen, om eene goede keus van levensstaat te doen.

Deze onderrichtingen zijn niet in eene kerk gehouden; van daar dat hare vorm een geheel andere is dan die, welke zou gekozen zijn, wanneer zij in eene kerk moesten voorgedragen worden. Maar moge dan ook al de vorm verschillen, de waarheid blijft dezelfde. In een meer gemeenzamen toon tot U het woord richtend, vinden wij daarenboven beter gelegenheid, om uwe aandacht te Levenssi. 1

ocr page 16

vestigen op vele bijzonderheden, die bezwaarlijk kunnen besproken worden, wanneer in onze kerken over de kens van eenen levensstaat en voornamelijk over de keus van den staat des huwelijks wordt gesproken.

Beginnen wij nu aanstonds met de beantwoording dezer vraag; Wat verstaat men door zijne roeping?

Stellen wij ons, mijne vrienden, een jongeling voor, die tot zijn drie en twintigste levensjaar is gekomen. Zijne schooljaren zijn lang voorbij; hij heeft zich een bedrijf, een ambacht, een werkkring naar zijne neiging gekozen, en door zijnen ijver en vlijt kan hij met rechtmatige fierheid uitroepen: „Goddank! ik „bén mijn brood waard! onder Gods zegen zal ik mijn brood „kunnen verdienen!quot; Hij kan nu de hulp zijner ouders of voogden ontberen en vraagt zich af: „ welken levensweg moet ik „inslaan, welken staat moet ik gaan kiezen?quot; Hij ziet in de toekomst, zal zijn leven gelukkig of wel ongelukkig, voorspoedig of wel vervuld van tegenspoed zijn?

Voor een groot gedeelte hangt het geluk zijns levens af van de goede keus eens levensstaats. Doet deze jongeling eene slechte keus , dan is het maar al te zeer te vreezen, dat hem ongeluk en smart, ja niet zelden ellende en schande in de toekomst wachten.

Hij nu doet eene goede keus van levensstaat, die dien staat kiest, waartoe God hem roept. Gelukkig de mensch, die zijne roeping volgt; ongelukkig de mensch, die eenen levensstaat ingaat, waartoe hij door God niet is geroepen: rampzalig bet leven van den mensch, van wien de wereld getuigt; „hij heeft zijne roeping gemist.quot;

Wij noemen de goede keuze van eenen levensstaat „roepingquot; en dit woord vindt zijne beteekenis in hot ware denkbeeld, dat wij ons vormen moeten van de leiding der Goddelijke Voorzienigheid. God is niet alleen de Schepper, Hij is ook de Bestuurder van hemel en aarde. Als een goede, liefdevolle Vader bestuurt Hij met Zijne oneindige Wijsheid alles, wat Hij heeft geschapen. Zoowel het geringe plantje in de diepe vallei, als de hooge ceder op den Libanon neemt de plaats in, waar God wil, dat het' staan en groeien zal; en niet minder het nietigste vischje op den diepen bodem der zee, dan de trotsche adelaar, zetelend op de hernelhooge rots, vervult de ruimte, waarin God wil, dat het zich zal bewegen, ademen en leven.

Op gelijke wijze handelt God met den mensch. Hij stelt ons op die plaats en in die omstandigheden, waarin Hij wil, dat wij zijn zullen; en Hij geeft aan een ieder de kracht en de gaven, die noodig zijn, om Zijnen heiligen Wil te kunnen vervullen. Van daar het woord „roepingquot;, wijl God als bij den naam een iedfer oproept, om de plaats in te nemen en het werk te verrichten, dat Hij voor een ieder heeft aangewezen.

ocr page 17

8

Zien wij nu, welke de verschillende staten zijn, waartoe God de menschen roept.

Zij kunnen tot deze drie staten teruggebracht worden, en wel:

1. de geestelijke, de priesterlijke staat;

2. de kloosterlijke, de religieuse staat;

3. de wereldlijke staat, beleefd in en buiten het huwelijk.

De priesterlijke staat, die door middel van het Sacrament des

Priesterschaps wordt medegedeeld, schenkt de goddelijke voorrechten, maar legt te gelijk de zwaarwichtige verplichtingen op van het H. Priesterschap.

De kloosterlijke, de religieuse staat, verplicht tot getrouwe naleving der drie Evangelische raden, namelijk: de volstrekte gehoorzaamheid, de vrijwillige armoede en de altijddurende zuiverheid.

De wereldlijke staat is de staat van hen, die, te midden van de wereld levend, zich meer bijzonder wijden moeten aan de vervulling der verplichtingen, die het stoffelijk heil van de men-schelijke samenleving beoogen. Deze wereldlijke staat is gegrond op de onderhouding der goddelijke geboden.

„Deze staten,quot; zegt Pater Duhayon in zijn werk „de Ware Goudmijn,quot; „zijn slechts drie verscheidenheden van het Chris-„telijk leven; drie wijze om Christelijk te leven; drie wegen langs „welke men zijne ziel kan en moet zalig maken, als men de voetstappen van Jesus Christus volgt. Ook kan men deze staten „noemen, het Christelijk leven in de wereld, het Christelijk leven in den priesterlijken stand, het Christelijk leven in het klooster.quot;

Gij zult reeds opgemerkt hebben, mijne vrienden, dat wij, sprekende over den levensstaat , onder dit woord niet verstaan de verschillende beroepen, ambten, bedieningen, maatschappelijke betrekkingen, door de menschen uitgeoefend in dit leven. Slechts in een oneigenlijken zin kan de staat van rechters, geneesheeren, advokaten, militairen, van werklieden en handelsschrijvers, levensstaat genoemd worden. Wanneer wij in deze onderrichtingen spreken van den levensstaat, dien gij geroepen zult zijn eenmaal voor u te kiezen, dan bedoelen wij een der drie straks genoemde levensstaten, die in den waren, eigenlijken zin, levensstaten moeten genoemd worden, wijl zij de drie staten zijn, die voorde christelijke tijden, door den Goddelijken Verlosser der wereld ingesteld zijn geworden.

Uit deze instelling door Christus volgt aanstonds dan ook, dat deze drie levensstaten noodzakelijk alle drie goed moeten zijn in zich zeiven. Toch zijn daarom niet alle drie even verheven, even waardig. Is de wereldlijke staat goed en volgens Gods geboden beleefd, verheven; de priesterlijke staat volgens den wil van Christus beleefd in de wereld, is beter en verhevener; en de kloosterlijke, de religieuse staat is de beste en de verhevenste

ocr page 18

4

omdat deze verplicht tot de naleving van hetgeen Christus wel niet heeft bevolen, maar toch als het beste en volmaaktste aan de Zijnen aangeprezen heeft.

Toch moeten wij opmerken, dat, ofschoon de eene levensstaat verhevener is dan de andere, daarom juist niet zij , die tot een verhevener levensstaat zijn geroepen, de meeste verdiensten voor God zullen hebben. De meerdere verdiensten van ons leven hangt af van de volkomenheid waarmede wij de verplichtingen van onzen levensstaat vervullen. Zoo kan een beeld, uit hout gesneden, meer waarde hebben, dan een beeld dat uit het kostbaarste marmer, of goud, of ivoor is vervaardigd geworden. Het komt er slechts op aan, dat een ieder den heiligen wil Gods zoo goed, zoo volkomen mogelijk vervult. De H. Kerk vereert als heiligen op hare altaren menschen, die hunne heiligheid en heldhaftige volmaaktheid beoefend hebben te midden der wereld, in en buiten den staat des huwelijks, door de vervulling dikwijls van schijnbaar weinig beduidende verplichtingen. Bedelaars en slaven, werklieden en soldaten, zoowel als vele pausen, koningen en bisschoppen roepen wij als onze vrienden bij God aan.

Wanneer wij nu, met het oog op iederen mensch in liet bijzonder, de vraag stellen: „Welke is de beste levensstaat?quot; dan kunnen wij antwoorden; Voor iederen mensch is die levensstaat de beste tot welken hij door God is geroepen. En dit waarom? Omdat die staat des levens hem past, omdat hij voor dien staat door God geschikt en bekwaam gemaakt is geworden, omdat hij van God voortdurend de hulp en de genade ontvangt, die hem noodig zijn, om dien levensstaat goed te beleven. Het gaat hiermede als met het materiaal, dat een werkman gebruikt. Voor een timmerman is hout het beste materiaal, dat hij kan gebruiken en bewerken; geef dien timmerman een kostbare staaf goud, hij zal uit dit kostbare materiaal geen goed, geen nuttig voorwerp kunnen voortbrengen. Geef aan den bekwaamsten steenhouwer een stuk van het fijnste laken, hij zal uit deze stof, hoe schoon en kostbaar op zich zelve, geen draagbare jas kunnen samenstellen. Waarom niet? Omdat hij niet geschikt, niet bekwaam is om met deze stof om te gaan. Evenzoo is het met den levensstaat. Plaats den besten jongen, die er in de wereld is, in een klooster; dwing hem den religieusen staat te aanvaarden, wanneer hij door God voor het kloosterleven niet is geroepen, dan zal hij spoedig toonen, in het klooster niet op zijne plaats te zijn en tot de wereld terugkeeren. En dit wederkeeren in de wereld zal hem ten heil zijn. Want indien hij — laten wij het een oogenblik veronderstellen — zonder roeping toch tot de beloften der Evangelische raden overging en in het klooster bleef voortleven, het klooster zou hem spoedig eene hel worden, en aan zijne geloften gekluisterd, zou hij iederen dag moeielijker het juk zijner verplichtingen dragen. lederen dag zou liet juk hem zwaarder op de

ocr page 19

5

schouderen drukken, ongelukkip zou liij zich gevoelen te midden van eene omgeving, waarin zoovelen reeds een voorsmaak genieten van het geluk des hemels, en in het grootste gevaar zou hij komen van tegelijk met zijn tijdelijk geluk ook zijne eeuwige gelukzaligheid te verliezen.

Gij ziet hieruit, m. V., van welk een groot gewicht het is voor iederen mensch, om tot den levensstaat te komen, waartoe hij geroepen is geworden door God.

Vragen wij ons nu af, wat gij doen moet, om tot uwe roeping te komen ?

Wij willen u vooral drie middelen hiertoe aan de hand geven en wel:

1. Gij moet u uwe roeping waardig maken.

2. Gij moet haar leeren kennen.

8. Gij moet krachtig medewerken, om uwe roeping te bereiken.

Vooreerst, gij moet in de jaren van uwe jongelingschap u de roeping waardig maken, waartoe God u in de toekomst roept.

Ja, m. V., er is u alles aan gelegen, dat gij toch de jaren, waarin gij nu leeft, goed, dat wil zeggen: godsdienstig, braaf en onschuldig doorbrengt. Het zij God u roept voor den wereldlijken staat, het zij gij voor een meer verhevener levensstaat zijt geroepen, slechts door een braaf, onschuldig en godsdienstig leven zult gij u uwer roeping kunnen waardig maken. Vergeet het niet, m. V., ook al zijt gij voor den wereldlijken staat bestemd door God, ook voor dien staat kunt gij u uwer roeping onwaardig worden. Denkt niet: „O, wat mij betreft, ik zal eenmaal als man te midden der wereld loven, gelijk ik er zoo-velen als gehuwden zie leven; voor mij is zulk een bijzonder braaf leven niet noodig om tot mijnen levensstaat te komen.quot; Want vooreerst, gij kent de bedoeling Gods met u niet. Waarom kan God ook u niet, na eenige jaren, roepen tot een moer vol-maakteren staat / gelijk Hij zoovelen reeds vóór u bij hot einde der jongelingsjaren tot den geestelijken, tot don kloosterlijken staat heeft geroepen ?

Maar ook dan, wanneer gij tot don wereldlijken staat zijt ge-roepon , kunt gij u uwer roeping onwaardig maken. Wie zal u vooruit verzekeren of gij tot den staat dos huwelijks zijt geroepen, dan wol in den ongehuwdon staat oen bijzonderon weg van heiliging zult moeten bewandelen?

In beide gevallen kunt gij do bedoeling Gods met u teleurstellen. Hoevelen zijn er reeds geweest, die door God geroepen waren om, bij het intreden van don mannelijken leeftijd, den staat des huwelijks in te gaan en zich aldus een gelukkig loven te bereiden, maar die als jongelingen, op den weg van zonde en ongerechtigheid, hunne roeping, waarvan hun levensgeluk afhankelijk was, bobben verloren , en als mannen, op dertig-, veertigjarigen leeftijd, ja, misschien tot een huwelijk kwamen, maar niet om er het

ocr page 20

6

geluk te vinden, dat God voor hen bestemd had, wanneer zij in de jongelingsjaren den weg der deugd hadden blijven bewandelen.

Een jongeling heeft van God de schoonste gaven van geest en hart ontvangen; door ijver en vlijt moet hij die gaven van zijnen geest ontwikkelen, opdat hij, man geworden, nuttig zijn moge te midden der wereld in den kring, waarin God hem zal plaatsen. Door de beoefening van verschillende deugden moet hij de edele hoedanigheden van zijn hart, waarmede God hem verrijkte, veredelen, bevestigen en versterken. God roept hem om eens in de omgeving, waarin hij zal leven, een weldoener, een steun voor armen en ongelukkigen, een trooster voor bedrukten, een held van naastenliefde te zijn. Ziedaar waarom zijn hart zoozeer vatbaar is gemaakt door God voor een diepgevoeld medelijden bij het ongeluk van anderen. Ziedaar waarom in zijn hart reeds nu die kracht van zelfverlochening, die zucht naar zelfopoffering woont. Ongehuwd moet bij blijven leven, opdat hij, niet gebonden door de zorgen voor de zijnen, zich vrij zal kunnen toewijden aan de belangen van anderen. Tot dat verheven doel is hij geroepen; in de bereiking van dat doel heeft God zijn levensgeluk gesteld. Wee hem, wanneer hij dat doel zal missen. Hij zal als man naar geluk zoeken, maar het niet vinden; en wat zijn hart hem aandrijft te doen, zal hij, onder don druk der omstandigheden, die voor hem niet bestemd zijn, niet kunnen volvoeren. Ontevreden zal hij leven, en een pijnlijk gevoel van onvoldaanheid zal hem bijblijven al de dagen van zijn leven.

Ach! hoevele jongelingen zijn er, helaas! die hunne roeping verspillen door de ondeugden, waaraan zij zich overgeven, en die zich een ongelukkig leven bereiden, wijl zij niet tot het bezit der deugden komen, die het noodzakelijk vereischte voor het geluk van hun verder leven zijn.

Maakt u dan nu, m. V., uwer roeping waardig door een godsdienstig en braaf leven. Oefent u in de verschillende deugden, opdat gij, man geworden, in staat zult zijn, om den wil Gods te vervullen. Zoo zult gij u de zegeningen Gods in uw leven verdienen.

Een tweede middel, om tot uwe roeping te komen is haar te leeren kennen.

Hoe zult gij uwe roeping leeren kennen?

Vooreerst door gebed.

„Heeft iemand uwer, zoo schrijft de H. Jacobus in zijnen brief, behoefte aan wijsheid, hij vrage haar van God, die aan allen mildelijk geeft en niet verwijt; en zij zal hem gegeven worden.quot; l)

Onnoodig is het, u er op te wijzen, hoezeer gij deze wijsheid

•) J;iC. I, V. 5.

ocr page 21

7

behoeft, om te weten, welke de levensstaat is, waartoe pij geroepen zijt door God. „Van God moet de welberadenheid en de rechtmatigheid, de voorzichtigheid en het vermogen komen om uit te voeren, wat God van ons verlangt.quot;1) Daarom smeekte David tot God: „Toon mij, o Heer! Uwe wegen, en leer mij Uwé paden kennen, die gij wilt, dat ik zal bewandelen.quot; -)

„Loof God ten allen tijde,quot; aldus vermaande de rechtvaardige Tobias zijnen zoon, „en smeek den Heer, dat Hij uwe wegen geleide.quot; :i)

Eene der gewichtigste daden van uw leven is de keuze van uwen levensstaat; van die keuze hangt uw geluk in tijd en eeuwigheid af. Indien nu het gebed de noodzakelijke voorwaarde is om Gods weldaden te ontvangen, hoezeer dan zal het noodig zijn, dat gij in den leeftijd, waarin gij nu zijt, vurig bidt, opdat God uwen geest verlichten moge bij de keuze van uwen levensstaat.

Dat vurig gebed moet voortkomen uit een rein en zuiver hart. Wilt gij hopen, dat God uw gebed zal verbooren en uw verstand zal verlichten, om eene goede keuze van levensstaat te doen, dan moet gij in de jaren van uwe jeugd en jongelingschap den goeden weg, het pad van deugd en gerechtigheid bewandelen. God toch zal geen behagen vinden in uw gebed, wanneer het voortkomt uit een hart bezoedeld door zonden, vervuld van booze neigingen en onzuivere, schandelijke begeerten.

Hoort, m. V., op welke wijze God spreekt in het boek der Spreuken, over liet gebed van den zondigen mcnsch ; „ Zij zullen Mij aanroepen, maar Ik zal hen niet verhooren; vroegtijdig zullen zij opstaan om Mij te zoeken, maar zij zullen Mij niet vinden, omdat zij van geen tucht wilden weten en de vreeze Gods verwierpen, omdat zij Mijnen raad niet opvolgden en alle Mijne vermaningen versmaadden , daarom zullen zij de vrucht eten van hunnen weg.quot; ') dat wil zeggen: de gevolgen van hunne booze daden moeten dragen.

„Zoekt eerst,quot; aldus vermaant onze Goddelijke Meester, „het rijk Gods en Zijne gerechtigheid, en dit alles — wat gij voor dit leven noodig hebt — zal u toegeworpen worden.quot; 1)

„Die zijne ooren afkeert om de wet niet te hoóren — dieniet luisteren wil naar God en Gods gebod hardnekkig versmaadt — diens gebed is een gruwel0) — God heeft een weerzin voor zulk een gebed; hoe zou Hij zulk een gebed verhooren?

Volgt dan getrouw, m. V., de vermaning Gods, in het boek der Spreuken ons gegeven; 7) en maakt een recht pad, een pad van godsvrucht en deugd, voor uwe voeten, dan zullen al uwe gangen geregeld zijn. Wijkt niet af noch ter rechter-, noch ter

1

'•) Prov IV, v. 2()—27.

ocr page 22

, 8

linkerzijde; houdt uwe voeten terug van het kwade, want de Heer kent de wegen, die aan de rechterhand zijn; die aan de linkerhand zijn, dat zijn verkeerde wegen. Doch Hij zal maken dat uwe paden recht zijn en uwe gangen gelukkiglijk besturen.quot;

Een laatste middel, om uwe roeping te leeren kennen, is het inwinnen en opvolgen van den raad van ouderen en wijzeren.

Vooral bij de keuze van eenen levensstaat loopt de mensch groot gevaar, misleid en bedrogen te worden door zijn eigen hart. De mensch wikt, maar God beschikt, en wat wij somtijds vurig wenschen voor ons zeiven, is de heilige wil van God niet. „Vertrouwt, zoo vermaant God, ') op den Heer, uit geheel uw hart en verlaat u niet op uw eigen doorzicht; denkt aan Hem op al uwe wegen en Hij zul uwe schreden bestieren. Weest niet wijs in uwe eigene oogen, vreest den Heer en mijdt het kwade.quot;

Derhalve God vreezende en u onwrikbaar vasthoudend aan het beginsel van geheel ons geestelijk leven; „dat wij aan God meer moeten gehoorzamen, dan aan de menschen,quot; moet gij bij de keuze van uwen levensstaat te raden gaan bij hen, die God als uwe raadgevers in deze gewichtige zaak aan uwe zijde gesteld heeft. En daar de keuze van eenen levensstaat vóór alles eene zaak van het geweten is, zoo zal op de eerste plaats uw geestelijke bestuurder, uw biechtvader, die u kent, aan wien gij in volle oprechtheid al de geheimen van uw geweten en geheel den staat uwer ziel zult hebben blootgelegd, uw trouwe raadgever zijn, door wien God u zijn heiligen wil openbaren zal. Zeker, ook door den mond uwer ouders of voogden, kan God u Zijnen heiligen wil openbaren. Maar, m. V., wat ik u smee-ken wil, aanvaardt nimmer eenen levensstaat, zonder den raad van uwen biechtvader ingewonnen te hebben, en tracht nimmer een levensstaat in te gaan, waarvan uw biechtvader u getuigt, „gij zijt voor dien levensstaat niet geroepen.quot; Door zulk eene eigenzinnigheid hebben helaas! velen zich later bitter bedrogen gezien; of wel als zij te laat inzagen, dat zij aan een staat des levens waren gebonden, di'e niet hun levensstaat moest zijn, of wel, als zij gelukkig nog niet te laat, maar toch bitter ontijdig, na vele opofferingen zich getroost te hebben, terug moesten keeren op eenen weg, dien zij eigenzinnig waren ingeslagen, om te komen tot een levensstaat, waartoe God hen niet riep.

Ten laatste, m. V., gij moet met een standvastigen moed arbeiden om uwe roeping te bereiken. Terwijl gij door een braaf, godsdienstig en onschuldig leven u uwer roeping waardig maakt; met een rein en zuiver hart bidt tot God, opdat Hij u Zijnen heiligen wil openbaren moge; terwijl gij, niet steunend op uw eigen doorzicht, den raad inwint van hen, die God als

0 Prov. III, v. 3.

ocr page 23

9

uwe raadgevers bij de keuzo van uwen levensstaat u aanwijst — moet gij met standvastigheid aan de bereiking van uwe roeping arbeiden.

Ik zeg arbeiden. Iedere levensstaat legt de vervulling van groote en moeielijke verplichtingen op. In de jaren. waarin gij nu zijt, moet gij leeren die verplichtingen eenmaal te kunnen vervullen. Gij zijt nu nog in den leertijd van uw leven, in den tijd, waarin gij u bekwaam moet maken om eenmaal te kunnen uitoefenen, wat gij in den levensstaat, waartoe God u roept, zult moeten verrichten, om aan uwe verplichtingen te beantwoorden.

Er zijn menschen, die nimmer tot den levensstaat komen, waartoe God hen geroepen beeft, omdat zij onbekwaam zijn om de verplichtingen op zich te nemen, die aan hun levensstaat zijn verbonden. Denkt bijvoorbeeld, slechts aanhcn,m. V., die geroepen voor den huwelijken staat, gedwongen worden ongehuwd te blijven, omdat zij niet bij machte zijn om de zorgen voor een eigen huisgezin op zich te nemen. Welk een bitter zelfverwijt voor zulke mannen, als zij later zullen moeten erkennen : „had ik iets nuttigs geleerd, had ik leeren arbeiden in de jaren van mijne vervlogene jongelingschap, ik zou nu, gelijk de vrienden van mijne jeugd, in den kring van een eigen huisgezin gelukkig en tevreden leven.quot; De jaren uwer jeugd en jongelingschap zijn de jaren van voorbereiding voor den staat, dien gij als mannen zult moeten beleven. Die voorbereiding, reeds begonnen voor u, toen gij als kinderen de school bezocht , moet gij als jongelingen met een waren ernst voortzetten, u ijverig toeleggende op de beoefening der verschillende deugden, die voor uw verder leven noodzakelijk zullen wezen. Nu moet gij u gewennen aan den arbeid en u bekwaam maken voor dien werkkring, waarin gij later, nuttig voor anderen geworden, in een passenden staat zult kunnen leven.

Misleidt u niet, m. V., denkend de jaren van mijne jongelingschap kunnen zorgelooze, onbekommerde jaren zijn; nog lang genoeg zal ik moeten arbeiden en mij inspannen. Want allerwaarschijnlijkst is het, dat gij, tot den mannelijken leeftijd gekomen, niet meer zult kunnen aanleeren, wat gij u als jongelingen hadt moeten eigen maken, en als gij u nu niet gewent aan arbeid en uw geest en uw lichaam niet oefent in het doorstaan van inspanning en vermoeienissen, dan kunt gij u verzekerd houden, dat gij als mannen voor geen ernstige inspanning uwer krachten in staat zult zijn. Gij zult als man niet kunnen arbeiden, omdat gij het als jongeling niet zult geleerd hebben.

En daarom, m. V., beijvert u met alle kracht, die in u is, om de kennis u te verwerven, die u bekwaam zal maken om eenmaal den levensstaat in te treden, door God voor u bestemd. Bekwaamt u en rekent het van een groot belang voor u, telkens

ocr page 24

10

ervarener te worden in het ambacht, in het bedrijf, in de werkzaamheden, die gij u uitgekozen hebt. Ziet niet op tegen de moeielijkheden, die aan uwen arbeid zijn verbonden. Schrikt niet terug voor de bezwaren, die gij ondervindt bij het aanleeren van uw ambacht, van het'bedrijf, dat ge u hebt gekozen, maar bestrijdt met moed al die moeielijkheden en bezwaren. Dooide hulp van (rod gesteund, dien gij dagelij les om Zijne zegeningen over uwen arbeid zult bidden, kunt gij verzekerd zijn, dat gij alles zult te boven komen, wat u nu als bijna onoverkomelijk in den weg komt. Volgt hen niet na, die telkens van ambacht, van bedrijf veranderen, wanneer zij een meer dan gewone moeielijkheid ondervinden. Zij schrikken terug, omdat zij den moed missen, om offers van zich zeiven te brengen. Zij willen een kruis ontvluchten en gelijk het spreekwoord zegt: zij ontmoeten telkens meerdere en zwaardere kruisen. On-gelukkigen worden zulke jongelingen, die, mannen geworden, niets degelijks en niets grondigs zullen kennen, en daarenboven zoo lafhartig van wil zullen zijn, dat zij de kracht missen om aan de stormen des levens het hoofd te bieden. Oefent u, m. V., in deze jaren van uwen leeftijd in het dragen, in het overwinnen der moeielijkheden, die gij nu ondervindt. Indien dan straks voor u de groote strijd des levens begint, dan zult gij sterk zijn te midden van velerlei beproevingen. In de geoefende kracht van uwen wil zult gij een schat bezitten, die u gelukkiger zal maken, dan geld en goed het u zouden kunnen doen.

Cornells was een jongen van achttien jaren, die zijnen vader immer papa en zijne moeder immer mama noemde. Nu hij was dan ook, zooals hij meende, iemand van goeden huize. Zijn vader bewoonde een groot bovenhuis van twee verdiepingen in cene der nieuwe wijken van de stad en verdiende op het kantoor van een groothandelaar duizend gulden in het jaar; een inkomen overigens, dat hij goed kon gebruiken; want om met eene vrouw en acht kinderen altijd knap voor den dag te komen, moet men in onzen tijd vooral, menige gulden uitgeven.

Het was op een Zondag namiddag. Papa was het rumoer van den huiselijken kring ontvlucht; want zijn .jongste, een mollig wichtje van nog geen vijf maanden, was op dien middag mét niets tot bedaren te krijgen. Het geschreeuw van dezen jongste werkte aanstekelijk op de ouderen, zoodat het vaderlijk gezag te kort schoot. Papa had daarom het wijste deel gekozen en stelde mama aansprakelijk voor do handhaving der goede orde. Cornelis was zijn vader naar de voorkamer, die voor de visite aan kant werd gehouden, gevolgd. Hij had dien ochtend met zijne vrienden eene afspraak gemaakt en hij moest beproeven, of hij den ouwe nog niet een pop kon afzetten.quot; Dit ging

echter dten namiddag niet naar wehscli. In het oog van Cornelis

gt;}

ocr page 25

11

had de ouwe op dit oogenblik eene kwade bui en was hij vervelend ernstig. En hoe ondoordacht ook! Alsof liij het helpen kon, dat hij alweder van dat lamme kantoor was weggezonden. Nu hot was dan ook wel de moeite waard, om er zooveel lawaai over te maken! Vijftig pop in het jaar, dat kon hij altijd nog wel verdienen.

„Ik wou, sprak papa, dat gij die vijftig gulden maar vast verdiendet. Je bent nu achttien jaren; zeg op welke wijze zijt gij voornemens, om door de wereld te komen? Je smaalt altijd óp neef Piet; de jongen is nog geen vijftien jaren; toch brengt hij reeds iederen Zaterdag avond vier gulden bij zijne moeder thuis. Maar wat meer zegt: Piet leert intusschen zijn vak en zal straks, als hij een man is, zijn brood waard zijn. Maar gij loopt als de zoon van een baron den gehoelen dag langs de straten. Ik wou, dat arii maar vast in het werkbuis van neef Piet liep.quot;

„Papa, riep Cornelis op spottenden toon uit, dat vind ik een prachtig idee! Verbeeld u: uw oudste zijn carrière als krullenjongen beginnend; met een plank of balk op zijne schouders, bijvoorbeeld langs uw kantoor voorbijstappend. Wat zouden de heeren van het kantoor lachen, als zij uw zoon met zijn blauw boezeroentje in de gaten kregen! En wat zouden hier in de straat de koppen voor de ramen komen, als uw Cornelis met een zak op den nek onze trap opklauterde, om mama de krullen te brengen, die zij voor het fornuis noodig heeft. Ik kon dan ook zoo langzamerhand aan het vrijen gaan met Griet, ons dagmeisje, en des Zondags op de koffie komen, bij mijne aanstaande schoonmoeder, gij kent haar wel, vuile Bet, die hierachter dat snoepwinkeltje heeft. Gij kwaamt dan tegelijk in eene allernetste familie, en ik had mettertijd eene vrouw, die opperbest boenen, schrobben en plassen kan.quot;

Cornelis wist wel, hoe hij het best zijn vader in zijn zwak kon tasten. De man was goedhartig, best en ijverig voor zijn kantoor, maar ijdel en het ingebeelde fatsoen van zijn stand plaatsend op een voetstuk, te hoog om er niet af te tuimelen. Hij had geene kosten gespaard, om zijn oudsten zoon goed te laten leeren. Cornelis schreef dan ook, wat men noemt, een fraaie hand. In het rekenen was hij minder geoefend geraakt. Zijn Fransch was hij reeds lang vergeten en het Hollandsch had hij immer een tc vervelende taal gevonden, om nu zonder schreeuwende fouten een eenvoudigen brief te kunnen schrijven. Toen Cornelis met deze kennis toegerust, op zijn vijftiende jaar de school had verlaten, kwam de groote vraag: Cornelis, wat wilt gij nu worden? Hij twijfelde geen oogenblik; hij moest op een kantoor. Natuurlijk, om te beginnen, als volontair.

M. V., het is maar een woord; toch wil ik wel bekennen, dat mijn humeur uit zijn goed fatsoen geraakt, wanneer ik zoo tel-

ocr page 26

12

kens in onze kranten die advertentiën lees, als bijvoorbeeld: „ men verlangt op een kantoor als volontair een jongmensch of „ een jongmensch biedt zich aan als volontair op een handelskantoor.quot; Dat een vader uit den meer aanzienlijken stand, het spreekwoord gedachtig: „vreemde oogen dwingenhet beter vindt voor zijn zoon, dat deze begint met onder leiding van vreemden te leeren werken, en daarom voor hem als volontair eene plaats zoekt op het kantoor van een zijner vrienden, kan ik mij begrijpen. Het baantje van jongste bediende moet voor zulk een jongeling toch iet of wat verguld worden. Maar dat een burgerjongen, wiens voorland het toch is, om met hard werken dooide wereld te komen, zijn leven begint als iemand, die eigenlijk niet noodig heeft te werken en do wijde wereld inzeilt onder de vlag van een vrijwilliger van den arbeid, ziet, m. V., dat vind ik treurig en in de meeste gevallen verkeerd ook. Het is een woord van onzen tijd, een titel, als gij wilt, maar een titel waarvan velen misbruik maken en waardoor vele jongelingen van den beginne af zich tot hun onheil plaatsen in een kring, waarin zij niet thuis behooren.

Hoe het overigens wezen moge, zeker is het, dat Cornelis stellig minder verwaand zou geworden zijn, wanneer zijn vader zich boven eene kleingeestige ijdelheid had weten te verheffen en zijn zoon als een loontrekkenden jongsten bediende de wereld had binnengevoerd. Hij kwam op zijn vijftiende jaar als volontair op een groot handelskantoor. Hij bezat een innemend uiterlijk en in zijn omgang wist hij zich geestig voor te doen. Al spoedig sloot hij vrienschap met een jongeling van zijn leeftijd, wiens vader zelf een voornaam handelshuis dreef, maar het beter gevonden had, om zijn zoon in de eerste jaren op het kantoor van zijn handelsvriend te plaatsen. Voor dezen was het douceurtje van vijftig gulden, op den oudejaarsavond hem door het kantoor aangeboden, werkelijk een icmewa-yr,. Bij wijze van aardigheid schreef hij het dan ook als postscriptum in zijn nieuwjaarsbrief aan zijn vader en kreeg tot antwoord, dat hij er maar iets voor koopen moest. Nu, dat deed de jongeheer dan ook. Hij kocht zich eene prachtige meerschuimen sigarenpijp van in de dertig gulden, die helaas! na drie maanden in stukken viel. Dit ongeluk maakte onzen jongeheer voor een dag erg bedroefd, niet zoozeer om het verlies van de dertig gulden als wel om het belangrijk feit, dat de pijp reeds zoo prachtig begon door te rooken. Het douceurtje van Cornelis werd verslonden door een gouden cyünder-horloge, dat zijn papa als een onontbeerlijke behoefte van een volontair beschouwde. Jammer was het, maar de kashouder van het kantoor had op dienzelfden oudejaarsavond tegenover den patroon beslist, dat het kantoor niet veel had aan Cornelis; zelden kwam hij op tijd, vraagde telkens vrijaf en toonde volstrekt geene belangstelling voor de werkzaamheden

ocr page 27

13

van hot kantoor. „ Het zou, aldus besloot deze man van zaken, voor het jongmensch nuttiger zijn, wanneer hij tegen Februari eens uitzag naar eene andere positie.quot; Aldus verliet Cornelis zijn eerste kantoor en op gelijke wijze vertrok hij uit zijn tweede en derde positie. Wij hebben reeds gehoord, dat hij voor het oogenblik zoekend was naar zijne vierde betrekking. Voel kennis had hij zich in die drie jaren niet verworven. Hij was echter in dien zin gunstig ontwikkeld, dal hij op straat als een fijn heertje zich kon voordoen en een gezellig bezoeker van sommige bierhuizen was geworden.

Dit alles echter was oorzaak, dat de vader zich over de toekomst van zijnen zoon ernstig ongerust begon te maken. Het was op dien namiddag dus volstrekt geene ondoordachte vraag, op wat wijze Cornelis voornemens was door de wereld te komen. De aardigheid, waarmede Cornelis zich van die vraag poogde af te maken, stemde den vader wel voor een oogenblik minder ernstig, maar de man had toch doorzicht genoeg om in te zien, dat het zot) niet langer gaan kon.

„Hebt gij er wel eens ernstig over nagedacht, mijn jongen, sprak hij gemoedelijk, wat gij zoudt moeten aanvangen, als de dood mij eens opriep en uwe moeder hulpbehoevend achterbleef?quot; Zijne stem beefde, toen hij deze woorden uitsprak, want zijn hart hing aan zijne vrouw en kinderen.

„O, papa, antwoordde Cornelis op luchtigen toon, dat is duidelijk. Ik solliciteerde aanstonds om in uwe plaats te treden. Mij dunkt, dat het kantoor zedelijk verplicht zou zijn om mij niet voorbij te zien, al was het slechts om wille van de vele jaren, waarin gij met ijver voor het kantoor gearbeid hebt.quot;

De vader was blind voor de gebreken van zijnen zoon; maar toch zulk eene domme snoeverij stuitte hem al te zeer tegen de borst. Hij verbleekte en met de vuist op de leuning van zijn stoel slaande, viel hij uit:

„Dwaashoofd, waar denkt gij aan? Twintig jaren lang heb ik moeten werken, om eerste boekhouder te worden. Het is nu zestien jaren, dat ik mijn post vervul. Goddank! de patroon kan over mijn werk tevreden zijn. Maar gij , gij in mijn werk komen! Domoor! daar is iets anders voor noodig, dan den luiaard te spelen en langs de straten te slenteren. Leer werken, opdat gij geen bedelaar moogt worden. Ga heen nu en laat mij alleen; mijn drift zou mij te ver voeren. Hoor echter mijn laatste woord: gij moet veranderen van levenswijze, zoo niet, ik zal u dwingen.quot;

Nog nimmer had Cornelis zijnen vader zoo driftig gezien. De altijd kalme man was op eens veranderd.

„Ik wist niet, dat de ouwe zoo kwaad kon wordenquot;, met deze bemerking in zijn geest gaat Cornelis verlegen en bedremmeld de kamer uit. Hij zoekt zijne moeder op, die van al hare

ocr page 28

14

kinderen veel houdt, maar eene bijzondere voorliefde heeft voor haren Cornelis. Spoedig heeft zij alles vernomen, wat er heeft plaats gehad in de voorkamer. Het gevolg van deze samenspraak is, dat mama den geheelen avond boos is op papa, terwijl Cornelis binnen het half uur vroolijk te midden van zijne vrienden in het bierhuis zit. Als hij bluffend den rijksdaalder op de tafel werpt, om zijn gelag te betalen, prevelt hij nog eens in zich zeiven; „het oudje is een goed wijf, daar kan men wel mede opschieten, maar de ouwe was woedend dezen avond.quot;

Hoever nu heeft deze Cornelis het in de wereld gebracht? Hij is op het oogenblik vijf en dertig jaren oud. Op te noemen wat hij zooal gedaan heeft om aan de kost te komen, is niet doenlijk. Eerst op vijf, zes kantoren; toen agent, vervolgens depothouder van bijna onverkoopbare waren. Hij heeft van alles gedaan, maar vooral sinds zijne ouders gestorven zijn, dikwijls honger geleden. Want verwaand zijn en niets kennen, en op den koop toe er nog lui bij wezen, ziet, m. V., dat zijn slechte riemen, om door het leven te roeien.

Op het kantoor deugde Cornelis niet, omdat hij te dom was en daarbij zich de zaken zijner patroons niet aantrok. Voor den handel was hij te verwaand; wie wilde met zulk een bluffer zaken doen? Als conducteur op een tram kreeg hij al spoedig zijn congé, want van tijd en orde kon hij geen begrip krijgen. Zijn laatste betrekking was knecht in een bierhuis, daar kreeg hij die ziekte, waarmede hij op dit oogenblik in het algemeen ziekenhuis ligt. Zijne familie hoopt, dat hij daar maar blijven mag; het beste toch voor hem is, dat hij, verzoend met God, maar spoedig goed afsterft , want voor deze wereld deugt deze Cornelis niet.

Tot slot, m. V., nog deze vermaning. Om iets goeds in deze wereld te volbrengen, moet gij beginnen met eene kleine gedachte van uzelven te hebben. Er is niets, wat uwe toekomst in deze wereld meer in den weg staat , dan als jongeling uw staat en uwe krachten te overschatten. De hoogmoed maakte velen dom, ook hen, die van goeden aanleg waren. Die meent, dat hij zonder inspanning zich de noodige kennis zal verwerven, zal zich later deerlijk bedrogen gevoelen. Een verwaande jongeling heeft groot gevaar als man een luiaard te zijn; want verwaandheid kweekt traagheid. Het is gemakkelijk om zich als jongeling in te beelden, dat een goede aanleg eene ernstige inspanning, van geest en van krachten overbodig maakt. Maar eene treurige Averkelijkheid zal deze inbeelding beschamen. Niemand wordt geboren met de kennis, die hij noodig heeft voor dit leven; maar die kennis wordt slechts verkregen door inspanning des geestes, door eene degelijke oefening van al die krachten, welken God naar lichaam en naar ziel ons kan gegeven hebben. Overschat dan uzelven niet in die gaven Gods, maar oefent ze en spant uzelven ijverig in, terwijl gij nog in de jaren van uwe ontwikkeling zijt; zoo

ocr page 29

15

zult gij werkzame en ervarene mannen zijn. als gij zelfstandig in de wereld zult moeten optreden.

TWEEDE ONDERRICHTING.

De verhevener levensstaten.

In onze eerste onderrichting, m. V., spraken wij over de gewichtige daad van het leven, de keus van eenen levensstaat. Wij noemden U de drie verschillende staten des levens op en gaven U eenige middelen aan, om tot den levensstaat te komen, waartoe (rod U roept.

Ofschoon wij het nu met het oog op het doel van dit boek, minder noodig vinden, om in deze onderrichtingen uitvoerig den priesterlijken en kloosterlijken staat te behandelen, zoo mogen wij toch niet geheel en al over deze verhevene levensstaten zwijgen, terwijl wij U over de keus van eenen levensstaat spreken. Immers, het is zeer goed denkbaar, dat God ook den een of anderen jongeling, die deze onderrichtingen lezen zal, tot een der verheven levensstaten roepen kan.

De groote zaak blijft voor een ieder, om zich van zijne roeping te verzekeren, en zich door deugd en werkzamen ijver zijner roeping waardig te maken. Wijl echter de roeping tot den priesterlijken en den kloosterlijken staat boven alles eeue teedere zaak van het geweten is, daarom zal een ieder in geval van twijfel hieromtrent, de raadgevingen en de wijze leiding van zijnen biechtvader ten hoogste noodig hebben en naar zijne beslissing een keus van levensstaat moeten maken.

Deze beide regels heb ik gemeend in dit gewichtig punt te moeten vaststellen.

Vooreerst, God spreekt vooral bij de roeping tot den priesterlijken staat, tot het hart. Wanneer derhalve een jongeling, gedurende een geruimen tijd, een ernstig en blijvend verlangen in zijne ziel gevoelt, om tot één van deze levensstaten te komen; als het hem wordt alsof God klopt aan zijn hart en hem als kwelt door een telkens vuriger en heviger wordend verlangen, dan is deze jongeling in geweten verplicht, om aan zijnen biechtvader dat ernstig verlangen van zijn hart bekend te maken, zich aan diens leiding te onderwerpen en hem te gehoorzamen gedurende den proeftijd, waarin de priester pogen zal om Gods heiligen wil te leeren kennen.

Een tweede regel, dien ik u nog stellen wil in deze gewichtige zaak, is deze. Hij, die door God tot het meerdere, tot het

ocr page 30

16

verhevenere geroepen wordt, moet deze goedgunstige uitverkiezing van de zijde Gods, met eene edelmoedige en offervaardige liefde beantwoorden. God heeft een afkeer van kleinmoedigheid, Hij haat het mistrouwen op Zijne Goddelijke hulp. Wanneer Hij iemand tot den priesterlijken of religieusen staat roept, dan geeft Hij ontwijfelbaar ook de middelen en de krachten om tot de bereiking ■ van die roeping te komen. Het zou eene godslasterlijke gedachte zijn te denken, dat God iemand roepen zou tot eenen levensstaat, dien de geroepene, om welke redenen dan ook, niet zou kunnen bereiken. Denken derhalve en in het geheim van zijn hart ernstig zeggen; „ik zou gaarne kloosterling willen worden, maar die roeping kan ik niet opvolgen, zij is voor mij onbereikbaar,quot; is eene gedachte, waardoor wij te kort schieten aan het vertrouwen op de allesvermogende hulp van God, die een ieder in de gelegenheid stelt om zijne roeping te bereiken. Wanneer God wil, dan is er niet één beletsel, dat niet met een ernstigen wil uit den weg kan geruimd worden. Noch aanleg, noch staat, noch welke omstandigheid ook, kunnen een bezwaar opleveren, dat onoverkomelijk is, bij de vervulling van dien heiligen wil Gods. Er zijn te allen tijde in de H Kerk ijverige en nuttige priesters en kloosterlingen geweest, wier arbeidzaam en heilig leven de schoonste en heilrijkste vruchten hebben voortgebracht, en toch wier roeping tot die verhevene levensstaten gepaard ging met schier onoverkomelijke bezwaren. Gij allen kent den beminnelijken Heilige, den grooten Vincentius a Paulo. Deze gevoelde Gods roeping tot den priesterlijken staat, toen hij op de heide, die zijn arm dorpje omgaf, de kleine kudde van zijne behoeftige ouders hoedde. Hij is niet alleen priester geworden, maar de buitengewone ontwikkeling van zijnen geest is geheel en al in de schaduw gesteld door de bewonderenswaardige liefdewerken, die hij tot stand bracht. Ook nu nog, na meer dan drie honderd jaren, leeft zijn naam in glorie voort, in de tallooze stichtingen van ware christelijke weldadigheid, waarvan den H. Vincentius de eerste grondslagen gelegd heeft.

De nederige pastoor van Ars, die door zijne uitstekende heiligheid duizenden en duizenden van alle oorden der wereld tot zich trok, was bij het einde zijner studiën nog zoo middelmatig in wetenschappelijke kennis, dat zijne leermeesters bezwaar maakten, om hem tot het H. Priesterschap toe te laten. „Bij afwezigheid van den kardinaal-aartsbisschop, die door staatkundige omstandigheden van zijne kudde verwijderd werd gehouden, stond aan het hoofd der metropolitaansche administratie een man, wiens herinnering allen, die hem gekend hebben, is bijgebleven, als een type van doorzicht en gezond verstand. De eerwaarde heer Courbon , de groot-vicaris, deed aan hen, die hem kwamen raadplegen omtrent de toelating tot de heilige wijdingen van den seminarist Vianney, de volgende vragen; „ Is de jonge Vianney

ocr page 31

17

vroom? kan hij goed zijn roze krans bidden? heeft hij devotie voor de H. Maagd?quot; „Hij is een voorbeeld van godsvrucht,quot; antwoordden de directeuren van het seminarie van St. Irenée eenparig. „Welnuhernam de groot-vicaris „ dan zal ik hem aannemen, de goddelijke genade zal het overige doen.quot;') En de uitkomst heeft bewezen, hoe waar dit woord was. Weinige priesters zijn er aan te wijzen, wier invloed op de menschen zoo groot is geweest, als die van den eenvoudigen pastoor van Ars. Honderdduizenden zondaren gingen aan zijne voeten raad. troost en redding voor hunne zielen zoeken. Zoo groot was de aandrang der menigte, dat men zich gedwongen zag om uren en uren ver, wegen aan te leggen naar liet vroeger schier onbekende dorpje Ars, waar deze heilige pastoor zijne herderlijke zorgen uitoefende. In de meest belangrijkste zaken werd zijn raad en beslissing ingeroepen, niet enkel door eenvoudige menschen, maar meerdere malen ook door hooggeplaatste en geleerde mannen. Dit alles ver wondere ons niet, m. V., het is God, die de wijsheid uitdeelt aan wien Hij wil en op den tijd, die Hem goeddunkt. En wat is de ware wijsheid anders, dan datgene goed te volbrengen, waarvoor God ons in dit leven geroepen heeft?

De gelukzalige Clemens Maria Hofbaucr, uit arme maar brave ouders geboren , gevoelde van zijne prilste jeugd af eene vurige neiging in zich, om in den geestelijken staat, aan God zich geheel en al toe te wijden. Maar wijl de geldelijke middelen hem ontbraken, om zijne studiën, ua het verlaten der school, voort te zetten, zag hij zich genoodzaakt om een ambacht te kiezen; want zijne moeder, die reeds vele jaren weduwe was, en een talrijk gezin moest verzorgen, zag zich niet in staat om de kosten zijner verdere opvoeding te dragen. De godvruchtige jongeling koos het bakkers ambacht en verliet op vijftienjarigen leeftijd het ouderlijke huis en zijne geliefde moeder, om het bedrijf van bakker te gaan aanleeren. Nog geen drie jaren daarna meldde hij zich aan in een klooster, om daar als bakker dienst te doen. Al spoedig bemerkte de abt van dit klooster de buitengewone godsvrucht van den jongeling, en vernomen hebbende, hoezeer hij naar het H. Priesterschap verlangde, stond hij hem toe in zijne vrije uren de latijnsche school van het klooster te bezoeken. Na gedurende twee jaren zich met allen ijver op de studiën te hebben toegelegd, verliet (lemens dit klooster, wijl hij geene neiging in zich gevoelde, om in de Premonstreits-Orde te treden. God riep den ijverigen jonkman tot een geheel anderen werkkring. Hij was inmiddels reeds 2quot;) jaren oud geworden, zijn leeftijd werd hem nu werkelijk een beletsel om nog toegang tot de openbare scholen te vinden, een jaar in volkomen afzon

dering geleefd te hebben, vinden wij hem in het jaar 1778 in

') Leven van den Pastoor van Ars. 's Gravenliage bij T. C. 1gt; ten Hagen 1864. Levensst. 2

ocr page 32

18

Weenen terug, waar hij weder werkzaam is in een bakkerij , juist gelegen tegenover het klooster der Ursulinen, alwaar hij na eenige jaren de geestelijke zielenzorg zal uitoefenen. Tot tweemaal toe deed hij in deze jaren een pelgrimstocht naar Rome, leefde als kluizenaar in strenge en volkomene afzondering gedurende anderhalfjaar in een woud in de omstreken van de stad Ti vol i en keerde in het jaar 1783 naar Weenen terug, om zijne onderbroken studiën weder op te vatten. En eerst nu was naar den wil Gods de tijd gekomen, waarin hij zijne studiën zou kunnen voleindigen.

Een op zich zelf onbeduidend voorval was in de hand van God het middel, om den heiligen jonkman tot de bereiking van zijne verhevene roeping te brengen.

Clemens was gewoon des Zondags in de hoofdkerk van Weenen de heilige Mis te dienen. Drie zusters, die gewoon waren ter zelfder ure in de kerk de H. Mis bij te wonen, waren gesticht over de godsvrucht, waarmede Clemens gewoon was aan het altaar den priester bij het opdragen der heilige Offerande behulpzaam te zijn. Op een dier Zondagen, toen de H. Mis geëindigd was, viel er zulk een lievige regen, dat de drie zusters gedwongen waren in het voorportaal der kerk te wachten. Als Clemens de kerk verliet zag hij de verlegenheid, waarin de drie zusters zich bevonden. Bescheiden naderde hij haar en vroeg of hij haar van dienst konde zijn om een rijtuig te zoeken, waarmede zij naar huis zouden kunnen rijden. Als zij dit toestemden, liep (lemens haastig heen en was spoedig met een rijtuig bij haar weder. Om hem hare dankbaarheid te toonen noodigden de zusters Clemens uit om mede in het rijtuig plaats te nemen. Onder weg vraagden zij hem of hij zich aan de studiën wijdde. Clemens vond nu gelegenheid om haar het verlangen zijner ziel te openbaren, maar tevens ook om haar op de onmogelijkheid te wijzen, waarin hij zich bevond, om zijne studiën voort te zetten. Deze edele vrouwen nu werden in Gods hand het werktuig om den later zoo beroemd geworden man tot de voleindiging zijner studiën te brengen.

Ondersteund door deze zusters studeerde nu Clemens te Weenen met den grootsten ijver. Hij zegt zelf van dezen tijd zijns levens: „ik moest iederen vrijen tijd, zelfs den nacht, aan de studiën wijden. Om niet door den slaap overmand te worden en tijd uit te winnen, nam ik des nachts het boek in de eene en het licht in de andere hand en ging op die wijze studeerende, de kamer op en neer.quot;

Nadat Clemens aldus een jaar te Weenen gestudeerd had, voelde hij zich aangetrokken, om weder een pelgrimstocht naar Romö te ondernemen. In de Eeuwige Stad aangekomen, besloot hij den volgenden ochtend de kerk te bezoeken, wier klokkengelui hij het eerst hooren zou. Als de morgen was aangebroken, hoorde hij het eerst het klokje van de kerk van St. Giuliano. Aanstonds stond hij op om in deze kerk vurig te gaan bidden tot

ocr page 33

19

(rod, opdat hij tot de kennis van zijne roeping mocht komen. Al dadelijk werd zijn hart getroffen door de godsvrucht en eerbied waarmede hier eene vereeniging van kloosterlingen de ochtendoefeningen des gebeds verrichtte. Zijne ziel gevoelde zich op eene bijzondere wijze aangetrokken worden tot deze priesters, die hier biddend bijeen waren.

Bij het verlaten van de kerk vroeg Clemens een knaap, dien hij bij de uitgang der kerk ontmoette, wie deze priesters waren? „Het zijn,quot; antwoordde de knaap, „priesters van den Allerheiligsten Verlosser en gij zult één van dezen zijn.quot;

Dit woord van den knaap maakte een geweldigen indruk op Clemens. Het werd hem, als had God door dezen knaap tot zijn hart gesproken. Hij meldde zich aanstonds bij de overheid van dit klooster aan, om nadere inlichtingen omtrent deze Congregatie te ontvangen. Hoe verrukt werd Clemens, toen de Overste zelf, na het doel en de inrichting der Congregatie uiteengezet te hebben, hem het voorstel deed, om toe te treden tot haar. Hij was een vreemdeling, zonder vermogen, reeds drie en dertig jaren oud. Hij had gehuiverd om met dit aanzoek voor den dag te komen, en zie, nu werd hem het aanbod van zelf gedaan! Met recht zag Clemens hierin den vinger Gods en niet de innigste dankbaarheid jegens God nam hij het aanbod van den Overste aan.

In het klooster getreden, werd, om de zichtbare teekenen zijner roeping, de gewone proeftijd voor Clemens aanmerkelijk verkort. Reeds in het jaar 1785 legde hij in de handen van den Generaal-Overste zijne heilige geloften af. Tien dagen later reeds werd Clemens priester gewijd en aldus zag hij vervuld worden waarnaar zijne ziel, zoovele jaren lang, te vergeefs verlangd had.

Zoo bracht God eenen man tot de roeping, waarvoor Hij hem had uitverkoren. Clemens was geroepen om het werk van den heiligen Alphonsus in de noordelijke landen van Europa uit te breiden en te bevestigen. Terwijl hij zich nu met allen ijver toewijdt aan de heiliging der zielen, zien wij hem, den ambachtsman van vroeger, te Weenen de ziel worden van een kring van wetenschappelijke mannen, die door zijn bezielend en leerrijk woord en door het schitterend voorbeeld zijner deugden gesterkt worden, om moedig het hoofd te bieden aan de eigenaardige dwalingen van den tijd, waarin zij leefden.

Wat leert ons het leven van dezen heiligen man Gods, mijne vrienden? Het leert ons in alle omstandigheden een onbeperkt vertrouwen op God te hebben; van onze zijde krachtig mede te werken aan de vervulling van den heiligen wil Gods, aan God overlatend om den tijd. te bepalen, waarin Hij wil, dat wij ons werk, onze roeping zullen vervullen. „Bidden en werken,quot; was do leus van dezen grooten Heilige. Dit zij ook onze leus. Vluchten wij de ledigheid, de oorzaak van zoo veel kwaad onder de menschen. De gelukzalige Clemens Maria Hofbauer, was nog slechts een

ocr page 34

20

knaapje van acht jaren, toen hij eens met zijne godvruchtige moeder was uitgegaan, om eenigen zijner bloedverwanten te bezoeken. Bij hen gekomen, werd aan dezen gevraagd „wat zij verrichtten?quot; Zij antwoordden: „Wij verdrijven ons den tijd.quot; De achtjarige Clemens kon den zin van dit antwoord niet vatten. Hij ondervraagde zijne moeder, die hem den zin van dit tijdverdrijven verklaarde. Verbaasd riep de knaap uit: „Hoe! wanneer zij uiets te doen hebben, laten zij dan bidden!quot;

Zijn werkzaam leven leert hoezeer hij dit beginsel beoefend heeft. Te midden van den zwaren arbeid, die zijn geheel leven kenmerkte, vond hij gelegenheid om veel ook te bidden , en meer nog door zijn gebed, dan door zijnen onvermoeiden arbeid is deze Heilige tot de bereiking van zijne roeping gekomen. Doet ook gij zoo, m. V., bidt en werkt, dan kunt gij verzekerd zijn, dat gij op den tijd, waarin God het wil, tot den levensstaat komen zult, dien God voor u bestemd heeft.

In hot heilig Evangelie van den 11. Marcus vinden wij het volgende verhaald: „ Goede Meester, zoo sprak eens een jongeling tot Christus, wat moet ik doen, om het eeuwig leven te verkrijgen? En Jesus zeide tot hem: gij kent de geboden: „gij zult geen overspel doen, gij zult niet doodslaan, gij zult niet stelen, gij zult geen valsche getuigenis geven, gij zult geen ongelijk aandoen , eer uwen vader en uwe moeder.quot; En de jongeling antwoordde en zeide tot Jesus; Meester, dit alles heb ik onderhouden van mijne jeugd af. En Jesus zag hem aan, en had hem lief, en zeide tot hem: één ding ontbreekt u, ga en verkoop al wat gij hebt en geef het den armen, en gij zult een schat hebben in den hemel, en kom en volg mij! Doch deze jongeling, treurig geworden om dit woord, ging bedroefd heen; want hij had vele goederen. En Jesus zag in het rond en zeide tot Zijne leerlingen: „hoe moeielijk zullen zij, die geld hebben, het rijk Gods ingaan.quot;

„En de H. Petrus begon tot Jesus te zeggen: Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn U gevolgd. Jesus antwoordde en zeide: Voorwaar zeg ik u, er is niemand die huis of broeders en zu'sters, of vader of moeder, of kinderen', of akkers om mijnentwil en om het Evangelie zal verlaten hebben, of bij ontvangt honderdmaal zooveel, nu in dezen tijd, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven.quot;

M. V., mocht ooit iemand uwer de stem van Jesus hooren, die tot hem roept: „Kom, volg mijquot;; o, hij gedenke dan de geschiedenis van dezen jongeling. Hij wete dan, dat Jesus hem aanziet en hem lief heeft. Hij zie niet om naar hetgeen hij moet verlaten, om den armen Jesus te volgen; maar moedig sla hij den weg in, dien God hem aanwijst, den weg zijner roeping! Aan de zijde van Jesus zal ieder offer zoet, iedere last ■ licht worden, en al zouden er ook bergen van zwarigheden en moeielijkheden oprijzen voor hem, hij boude zich verzekerd, dat

ocr page 35

21

hij deze allen zal te boven komen, voortgeleid aan de hand van Jesus. Hij stelle zich voor, dat hoe grooter de offers zijn, die wij brengen voor God, ook de belooningen Gods overvloediger zullen wezen. Wij dienen eenen God, die zich nimmer in grootmoedigheid laat overwinnen, en die honderdvoudig wedergeeft, wat wij Hem in de liefde van ons hart opgeofferd hebben.

Laat ik u ten slotte nog een voorval verhalen, dat wij maar zeggen zullen, te hebben plaats gegrepen aan een der Xoord-Brabantsche spoorwegstations. In Noord-Brabant vindt men vele kloosters, waaronder ook enkelen van de Orde der Paters Capu-cijnen. Gij heht zeker reeds een Capucijn ontmoet in uw leven. In zijne harde, bruine pij gekleed, maakt de verschijning van een Capucijner-monnik te midden van onze weeke, zinnelijke wereld, een eigenaardigen indruk. Met zijn kaal geschoren hoofd, immer ongedekt, gaat de Capüeijner-monnik, barvoets te midden van eene weelderig gekleede menigte voort, als een stille vermaning Gods, om zich niet te veel te hechten aan de aarde, waarop wij slechts een korten tijd leven, maar ons oog op te heffen naar boven, naar God, bij W'ien wij in eeuwigheid hopen te leven in den hemel.

De trein, die naar België zou vertrekken, liet nog een half uur naar zich wachten; er was dus in de wachtkamer der tweede klasse eene groote drukte en bedrijvigheid van menschen, die eten en vooral die drinken wilden. In een hoek der wachtkamer stond een Oapueijner-pater geduldig naar het vertrek van den trein te wachten. Geheel zijne houding duidde aan, dat hij het liefst maar zoo weinig mogelijk opgemerkt wenschte te worden door de menigte, die hem omgaf. Zoolang de drukte aan het buffet aanhield, ging alles voor den pater naar wensch; niemand scheen erg in hem te hebben. Maar zooals het in zulke gevallen gewoonlijk geschiedt , toen de honger gestild en de dorst gelaafd was, zag een ieder zoo eens het gezelschap, dat in de wachtkamer wachtende was, in het rond. Het spreekt van zelf, dat nu spoedig een ieder eens onzen pater met de oogen opnam. Nu, hij mocht gezien worden. Hij was een forsche man, mei een schoon, innemend gelaat. Zijn lange,.reeds grijzende baard gaf aan geheel zijn uiterlijk iets eerbiedwekkends, maar vooral zijne heldere lichtblauwe oogen, die hij slechts enkele malen bescheiden opsloeg, om zijne naaste omgeving te beschouwen, boezemden vertrouwen en rechtmatige achting in.

Het was gemakkelijk om uit deze menigte de goede Katholieken te herkennen, die den pater op de gebruikelijke wijze groetten, terwijl de Noord-Brabanters met zekere ongekunstelde vrijmoedigheid hem eens toeknikten. Er waren echter ook blijkbaar vele „andersdenkendenquot; in de ruime wachtkamer bijeen; althans meerderen gaapten vol verbazing den pater aan, als ware hij een beeld, dat ter bezichtiging naar een museum werd opgezonden.

ocr page 36

Ja zelfs was een fijn gekleed heertje, met een groezelig bleek, ik zou haast zeggen, echt vies gezichtje, onbeschaamd genoeg om zijn lorgnet op zijn stomp neusje te zetten, en op deze wijze met zijn tietsche oogjes den eerwaardigen man een geruimen tijd te blijven aanstaren.

Slechts weinige schreden van den pater verwijderd, stonden drie „ aangekleedequot; heeren, met hooge zwarte cylinderhoeden op hunne stijfgeplakte hoofdharen. Zij smoeselden schertsend met elkander en wierpen, van tijd tot tijd een spottenden blik op den armen kloosterling. Zooals ik later hoorde, waren zij drie afgevaardigden van een werkmans-bond op reis, om eene internationale vergadering te gaan bijwonen, die in eene der Belgische steden door de Internationale was uitgeschreven. Al voortspot-tende schenen deze drie mannen langzamerhand moediger te worden, althans één der drie wendde zich eensklaps tot den pater en sprak hem onbeschaamd op deze wijze aan:

„Wel, patertje, wordt ge niet haast moe van al dat leegloopen; ga eens zitten, man, en rust wat,quot; en dit zeggend bood bij den pater een ledigstaanden stoel aan.

„Ik dank u,quot; sprak de pater op zachten toon, „liever zal ik blijven staanquot; en tegelijk hief hij zijne rijzige gestalte in hare volle lengte omhoog, zoodat hij gemakkelijk over den hoogen hoed van het onbeschaamde mannetje heenzag. De beide kameraden schenen verstandiger dan hun vriend te zijn, althans terwijl de een hem veelbeteekenend eens in de zijde stiet, trok de andere hem aan de mouw van zijne glimmende, zwarte jas, als wilden zij hem aanmanen, om het met dien monnik maar niet aan te leggen. Maar hun vriend had het er nu eenmaal op gezet, hij zou dien dommen monnik eens zijne bekomst geven. Het was zichtbaar, hoezeer het den man speet, dat hij met zijn hoogen cylinderhoed en al, nog nauwelijks tot de breede schouders van den pater reikte. Op de breede neuzen van zijne glimmende laarzen heen en weder wippend , hernam hij — en nu werd werkelijk zijn tanig bleek gezicht een vluchtig opgenblik erg lichtrood, want ons manneke werd boos — „Wanneer zal de wereld toch eens verlost worden van al die leegloopers, die nooit werken en van bet zweet des volks leven!quot;

„Ik geloof,quot; antwoordde de pater kalm, „dat het uwe bedoeling is mij te zeggen, dat wij kloosterlingen leegloopers zijn en uw brood eten, en van uwen arbeid leven, niet waar?quot;

„Gij raadt het juist,quot; sprak spottend het manneke en knikte eens triomfantelijk zijne vrienden toe, als wilde hij zoggen: „ik durf het met dien luien monnik wel aan.quot;

„Gij zoudt,'quot; hernam de pater, „mij veertig jaren geleden, een leeglooper hebben kunnen noemen. Ik was jong toen en rijk; in ledigheid bracht ik mijne dagen door cm zocht slechts de vermaken en de genietingen van dit leven. Doch op zekeren dag stond

ocr page 37

ik aan hot sterfbed van een mijner vrienden. Toen vormde ik het plan om mijn leven wat ernstiger te gaan opnemen. Ik verliet de wereld en liet al mijne bezittingen voor de armen achter. Ik ging mij toeleggen op de studiën en werd kloosterling en priester. Ik wilde armer zijn, dan de armste onzer werklieden, op een hard bed slapen, blootvoets gaan, een ruwe pij dragen en mij toewijden aan de redding van schuldige en ongelukkige menschen. Ziedaar op welke wijze ik een leeglooper ben en het brood des volks eet. Maar kom aan, vriend, rekenen wij eens te zamen, hoe laat staat gij op?quot;

„Om half zes,quot; antwoordde het manneke, „soms wat later, als ik wat laat 'savonds van mijne vrienden naar huis ben gekomen.quot;

„En oj) wat bed slaapt gij? Wat eet gij? Hoevele uren werkt gij daags?quot;

„O, mijn bed is niet slecht, mijn bed is van goede veeren, en mijne dekens zijn 's winters warm genoeg. Als ik tien uur daags werk, dan eet ik goed, en kan er nog genoeg voor een extraatje overschieten.''

„Welnu, maken wij thans onze rekening eens op. Wat mij betreft, ik sta iederen dag ten vier uur op; ik slaap op stroo; mijne pij is mijne dekking; ik heb 's winters veel koude; wij eten zelden vlecsch; in onze vastendagen eten wij zelfs geen boter en melkspijzen; gij werkt tien uren , ik vijftien uur per dag.quot;

De kalme en vriendelijke toon waarop de pater sprak, maakte toch indruk op den dwazen man, en niet zoo onbeschaamd als daar even zeide hij; „Ja maar pater, het is er dan ook een werken naar; ik zwoeg dagelijks tien uren op een stoomfabriek, maar wat doet gij?quot;

„Wat ik doe, ga ik u zeggen. Des morgens ten vier uur werp ik mij op mijne knieën, om te hidden voor mij zeiven en voor hen, die dien dag niet zullen bidden, maar misschien God zullen lasteren en hoonen, en wij doen dit in eene kerk, die 's winters zeer koud is. Daarna zetten wij ons neder in den biechtstoel, waarin wij dikwijls uren achtereen, somwijlen tot laat in den avond, de zuchten der zondaars aanhooren, die hunne zonden en hun berouw in ons hart komen' uitstorten. Gij kunt u niet voorstellen hoe vermoeiend dat langdurig spreken in den biechtstoel is, fluisterend, met gespannen oor, opgewekte aandachten met bewogen hart. Wij gaan dikwijls uit ons klooster om Missiën te geven, waarvan wij afgemat en uitgeput in onze cel weder-keeren. Zijn wij in ons klooster, dan verdeden wij den tijd, die ons van het gebed en het zitten in den biechtstoel overblijft tusschen studie en handenarbeid. Vele uren in de week breng ik door met spitten en met het vruchtbaar maken van onze heigronden, en als wij ons eenvoudig middagmaal genomen hebben, dan is de poort van ons klooster al gevuld met armen en

ocr page 38

24

ongelukkigen, om don overvloed te ontvangen, waaraan wij voor ons geheel leven verzaakt hebben.quot; ')

Het was nu tijd voor den trein geworden. De pater tikte ons manneke vriendelijk op de schouders en met hem de wachtkamer uitgaande zeide hij: „kom mij eens in mijn klooster bezoeken, en als gij een paar dagen ons leven hebt nagegaan, dan zult gij ons nimmer meer „ leegloopersquot; noemen.quot;

Onze vriend was tot betere gedachten gekomen, en alvorens naar den waggon te stappen, waarin zijne vrienden hem reeds waren vooruitgegaan, greep hij de hand van den pater, en haar hartelijk schuddend, sprak hij Huisterend: „gij vergeeft mij mijne dwaasheid, niet waar? bid eens voor mij.quot;

„Bart! Bart!.quot; klonk het uit den mond zijner vrienden, die reeds een goed plaatsje in den waggon gevonden hadden, „je

wilt toch voor den bl..... niet hier blijven staan?quot; Fluks ijlde

ons manneke het perron van het station af en in zijn spoed vloog hem de glimmende cylinderhoed van het hoofd. De goedhartige pater haastte zich om hem te helpen; raapte 's mans edel hoofddeksel met zekeren eerbied van den stofïerigen grond op, reikte hem den afgevaardigde van den werkmansbond toe, en nu ten minste groette deze met ongedekt hoofd den eerbied-wekkenden kloosterling. Weg ging de trein op reis naar België, waar straks ons ventje opnieuw in zij ne meening werd bevestigd, dat de monniken luie leegloopers zijn, en dat alle kloosters uitgeroeid en hunne bezittingen onder de internationale werkmansbonden verdeeld moeten worden.

DERDE ONDERRICHTING.

De wereldlijke Staat.

Ofschoon wij, m. V., u nog zeer veel zouden kunnen zeggen, wilden we uitvoerig spreken over de roeping tot en de verhevenheid van den religieusen en van den priesterlijken staat, zoo moeten wij ons toch bepalen tot hetgeen wij in onze vorige onderrichting over deze verhevene-levensstaten tot u gesproken hebben, wijl wij ons, bij de behandeling van dit onderwerp in het bijzonder ten doel gesteld hebben, om u te spreken over den wereldlijken staat, tot welken de meesten uwer waarschijnlijk zullen geroepen zijn door God.

Dubavon. Wiire Goudmijn.

ocr page 39

Herinneren wij ons, met welke woorden wij in onze eerste onderrichting den wereldlijken staat omschreven hebben. De wereldlijke staat, zeiden wij met pater Dnhayon, is de staat van hen, die te midden van de wereld moeten leven, en zich toewijden moeten aan de vervulling van verplichtingen, die meer in het bijzonder het stoffelijk heil der menschelijke samenleving beoogen.

Het is de wil van God, dat de menschen met en naast elkander zullen leven hier op aarde, en dit op zulk eene wijze, dat de een den ander door arbeid, zoo van geest als van lichaam, zal helpen en voorzien in datgene, wat wij noodig hebben in ons leven. Van daar in den wereldlijken staat de verschillende ambten en standen en de verschillende beroepen. Terwijl de een door geestesarbeid zijne medemenschen voorlicht en onderwijst in wetenschap en aldus in de vermeerdering van kennis hun het leven nuttiger maakt; zal een ander door de beoefening der schoone kunsten bij zijne medemenschen het gevoel van schoonheid aankweeken en aldus het genot des levens verhoogen. Terwijl een derde door zijne wetenschap den zieken en lijdenden mensch poogt te genezen of zijne smarten zoekt te lenigen, zal een vierde door zijne wijze kennis het recht onder de menschen handhaven, of het noodzakelijk gezag in den naam van God uitoefenen. Anderen daarentegen maken door bunnen lichamelijken arbeid het mogelijk dat hunne medemenschen op voegzame wijze wonen, zich voeden en kleeden, zich van de eene plaats naar de andere bewegen, in één woord, zoo behagelijk mogelijk kunnen leven hier op aarde.

De verschillende beroepen en ambachten zijn noodzakelijk. Het maatschappelijk leven zou onmogelijk worden, wanneer er geen landbouwers meer waren om den grond te bebouwen en vruchtbaar te maken; wanneer er geen timmerlieden en metselaars meer optraden om te bouwen, geen bakkers of slachters om brood en vleesch te bereiden, geen kleedermakers of schoenmakers om voor de kleeding der menschen zorg te dragen; wanneer geen voerlieden de paarden, geen machinisten de machines meer geleidden , om menschen en dieren, lasten en vrachten naar de plaats hunner bestemming over te brengen.

Meent echter daarom niet, dat die verschillende beroepen en ambachten, de eenigste noodzakelijke vereischten voor ons maatschappelijk leven zijn. Immers verwijdert uit de menschelijke samenleving de geneesheeren en heelkundigen, wat zou er van de zieken en lijdenden worden? Verjaagt uit ons midden de rechters en rechtsgeleerden, de overheden en die allen, welke de noodzakelijke wetten geven, handhaven en uitvoeren, hoe zal dan een ordelijk samenleven mogelijk zijn; wie dan zal recht doen, als er onrecht gepleegd wordt, wie dan zal raadgeven en beslissen te midden van twijfel en twisten, die onvermijdelijk voorkomen, wijl de mensch op de eerste plaats geneigd is om zijn eigen

ocr page 40

26

belang en voordeel te zoeken ? Verdrijft de beoefenaars der schoone kunsten uit ons midden, en wie is er, wiens oor nog gestreeld zal worden door de liefelijke, bemoedigende en opbeurende tonen van muziek en zang, wiens hart nog in verrukking komen zal door het begeesterd woord van dichter of redenaar? En als er geen bouwmeesters meer waren, die door de kracht van hunnen geest machtig zijn, om voor den Heer en Schepper aller dingen voegzame tempels, en voor de machtigen en grooten der aarde luisterrijke paleizen op te richten, wat zou ons samenwonen met elkander dor en zielloos worden! En als de schilders ophielden met hun penseel ons het schoone af te malen en de beeldhouwers niet langer onder hunne bezielende handen het leem en de klei als tot levende beelden vervormden, wat zou ons leven aardsch zijn en hoezeer zouden onze geest en verbeelding immer verder afwijken van den hemel, waar de volmaaktheid aller vormen zulk een groot deel onzer gelukzaligheid in eeuwigheid zal uitmaken.

ij hebben dan elkander noodig in ons leven hier op aarde. Alle waardigheden en ambten, alle wetenschappen en kunsten tegelijk met alle beroepen en ambachten, zij werken allen te zamen om ons niet enkel het leven mogelijk te maken, maar ook om dat leven behagelijk en gelukkig te doen zijn in die mate, waarnaar wij ook na de zonde mogen streven.

De wereldlijke staat nu, die geheel dezen aangewezen werkkring omvat, kan op eene tweevoudige wijze beleefd worden, en wel in het huwelijk en buiten het huwelijk. Met andere woorden: er zijn menschen geroepen door God om in de wereld gehuwd te leven, en er zijn menschen geroepen door God om temidden der wereld ongehuwd te leven.

In deze onderrichting beginnen wij met te spreken over den ongehuwden staat te midden der wereld, in den wereldlijken staat, beleefd. Ik beken echter openhartig, dat ik mij de moeie-lijkheid om over zulk een onderwerp tot u te spreken, niet zóó zwaar had voorgesteld, als ik bij de samenstelling dezer onderrichtingen ondervonden heb. Over een zoo teeder onderwerp, dat zoo gemakkelijk aanleiding geven kan tot kwetsing der heilige deugd van zuiverheid, moet ik spreken op eene gemeenzame wijze. Zielstoestanden, wel niet noemen, maar toch op zulk eene wijze, als uit de verte aanduiden, dat zij, die ooit deze onderrichting zullen noodig hebben, er hun voordeel mede doen zullen, terwijl door geen enkel woord de blanke onschuld van iemand uwer moge bezoedeld worden. En toch , m. V., het is van een dringend belang voor uw aller geestelijk en tijdelijk heil, u niet zonder onderricht en vermaning te laten in deze gewichtige vraag van uw leven.

En daarom stellen wij deze vraag: „is de ongehuwde staat voor hen, die te midden der wereld moeten leven, loffelijk en daarom in bijzondere gevallen aan den jonkman aan te prijzen

ocr page 41

en aan te bevelen? Met andere woorden: kan het voor iemand in de toekomst goed en loffelijk zijn, om niet te trouwen, maar ongehuwd te midden der wereld, in den wereldlijken staat, te blijven leven?quot;

En als algemeen antwoord op deze vraag, wil ik u de uitspraak van den grooten Apostel Paulus in zijn eersten brief aan de Corinthiers doen hooren '), „ik wilde wel, zoo spreekt de Apostel-, — met het oog op uw meerder geestelijk heil — dat gij allen waart, gelijk ik zelf ben — de Apostel zelf was ongehuwd, gelijk wij weten, — maar, zoo gaat hij voort, een iegelijk heeft zijne eigene gave van God, de eene dus, en de andere zoo, — de eene om God te dienen in den maagdelijken staat, de andere om God te dienen in den staat des huwelijks. — En de Apostel besluit aldus: „Aan de onget rouwden nu zeg ik: het is hun goed, indien zij blijven, gelijk ik zelf; maar indien zij zich niet onthouden, dat zij trouwen, want het is beter te trouwen, dan te branden.quot; Door dit branden verstaat de Apostel niet enkel het branden, de straf der verdoemden in de hel; maar vooral ook het vuur der begeerlijkheid, waarmede zij in hun leven hier op aarde gekweld worden, die zich niet kunnen onthouden. Hij wil ons dan leeren, 'dat, hoe schoon en verheven de maagdelijke staat op zich zelf ook wezen moge, het beter is dien staat te verlaten en te trouwen, dan door het vuur der begeerlijkheid verzengd te worden, en in een naast gevaar te komen om tot ontucht te vervallen.

Deze waarheid drukt pastoor Van Campen, in zijn boek „het huwelijk'' aldus uit: „Na de zonde van onze eerste ouders, is er nog een derde reden ontstaan, waarom men het huwelijk soms kan of moet aangaan, namelijk, om de kwade begeerlijkheid te beteugelen en ontucht te voorkomen.quot;

Nadat wij deze leer van den Apostel voorop gesteld hebben, willen wij eenige voorname beweegredenen aangeven, waardoor een jonkman kan geleid worden om in den wereldlijken staat ongehuwd te blijven leven.

Hespreken wij met elkander deze drie beweegredenen:

1. Vooreerst een jonkman kan besluiten ongehuwd te blijven, wijl hij in den ongehuwden staat beter gelegenheid zal kunnen vinden, om God met groot ere toewijding en vuriger liefde te dienen.

2. Een jonkman kan genoodzaakt zijn ongehuwd te blijven, om wille van zijne ouders, die hij verzorgen moet.

3. Een jonkman kan gedwongen zijn ongehuwd te blijven, wijl hij zich niet in staat gevoelt om voor een eigen huisgezin het voegzaam onderhoud te verdienen.

Beginnen wij aanstonds met deze eerste beweegreden te beschouwen.

Luisteren wij naar het woord van den Apostel: „die geene

I C'or. vu. r.

ocr page 42

28

vrouw heeft, zegt hij, „ is bezorgd over hetgeen den Heer betreft, hoe hij God zal behagen; maar die eene vrouw heeft, is bezorgd over hetgeen de wereld betreft, hoe hij zijne vrouw zal behagen, en hij is verdeeld.quot; ') Met andere woorden, de Apostel wil zeggen: die ongetrouwd is en leeft gelijk hij behoort te leven, is bezorgd over hetgeen God aangaat, namelijk, hoe hij God zal behagen; de zorg, voor zijne ziel en voor zijn eeuwig heil houdt hem, om zoo te spreken, gedurig bezig, en geene zorgen voor vrouw, kinderen en huishouding behoeven hem af te trekken van de zorg voor zijne zaligheid.

Niet zoo is liet gesteld met hem, die eene vrouw heeft, die gehuwd is; hij is bezorgd over hetgeen de wereld aangaat. Dit kan niet anders. Zijn toestand van echtgenoot en huisvader brengt het mede; hem drukken vele en gedurige zorgen voor wereldsehe zaken, die zijn huishouden betreffen, en onder andere zorgen, de zorg hoe hij zijne vrouw zal behagen, hoe hij haar genoegen zal geven, en zoo is hij als verdeeld tusschen God en de wereld. 5)

Wij moeten echter goed in 't oog houden, dat de Apostel, aldus schrijvend, niet ineenen kan ons een (jehud te geven. Immers het huwelijk is reeds in het paradijs door God ingesteld geworden. „God schiep den rnensch,quot; zoo lezen wij in de heilige Schrift, „man en vrouw schiep hij hen, en God zegende hen en zeide: Wast en vermenigvuldigt u en vervult het aardrijk.quot; Christus zelf heeft het huwelijk tot de waardigheid van een Sacrament verheven in Zijne heilige Kerk; en ook dezelfde Apostel noemt in zijnen brief aan de. Ephesiers het huwelijk een groot geheim: „dit geheim,quot; zegt hij, „is groot, ik zeg in Christus en in do Kerk.quot;

Het is de wil van God, dat de aarde voortdurend zal bevolkt blijven door mensehen. De dood maait met zijne onverbiddelijke zeis dagelijks meer dan tachtigduizend menschen weg van de aarde. Het is derhalve noodig dat er dagelijks ook nieuwe menschen geboren worden om de dooden van iederen dag op te volgen en hunne plaatsen in te nemen. Tot de instandhouding derhalve van het menschelijk geslacht hier op aarde is het noodig, dat er voortdurend ook gehuwde menschen zullen leven, die op wettige wijze, naar den heiligen wil van God, kinderen zullen voortbrengen en dezen voor God zullen grootbrengen en opvoeden.

Dwaas zou het dan wezen uit de aangehaalde woorden des Apostels te willen besluiten, dat het huwelijk, met het oog op ons geestelijk heil , af te raden of te misprijzen is. De Apostel bedoelt slechts aan te toonen, dat de maagdelijke, ongehuwde staat verhevener is; dat voor hen, die van God de genade ontvangen om den ongehuwden staat goed te beleven , de weg naar hoogere volmaaktheid en overvloedige verdiensten voor het eeuwig

') I Cor VU, 32 cn -) Prof. Boelen, t. a. p.

ocr page 43

•29

leven gemakkelijker is. Waarom dit? Omdat hij, die den ongehuwden staat naar behooren beleeft, niet verdeeld is in zijne liefde voor God; omdat de ongehuwde mensch bevrijd is van vele aardsche zorgen, waaronder zij, die gehuwd zijn, gebukt gaan; omdat hij gemakkelijker zich zal kunnen toewijden aan de werken van naastenliefde en aan andere goede werken. Maar een ieder heeft zijne gave ontvangen van God, zegt de Apostel en daarom besluit hij: „voor ongehuwden is het goed, indien zij zoo blijven, als ik zelfben; maar indien zij zich niet onthouden, dat zij dan trouwen, want liet is beter te trouwen dan te branden.quot;

In eene onzer hoofdsteden woonde eenige jaren geleden een ongehuwd heer van middelbaren leeftijd. Hij stond aan het hoofd van eene bloeiende, winstgevende handelszaak en reeds meer dan ééne mama, in het bezit van huwbare dochters, had in haar hart den stillen wensch voelen opkomen: „indien die soliede, gulhartige mijnheer, met zijne bloeiende zaak en zijne goed gevulde effectentrommel eens op eene mijner dochters verliefd raakte, zie, dat zou mij wel een extra-Rozenhoedje waard zijn.quot; Maar tot verbazing en tot teleurstelling van velen bleef onze heer ieder jaar wie hij was, en nu hij reeds zijn veertigste jaar was ingetreden, begon een ieder te begrijpen, dat hij niet zeer trouwlustig was. Op een der deftige grachten van de stad bewoonde mijnheer Petrus van Dal, zoo zullen wij hem maar noemen, een paar prachtige kamers, die hij binnenshuis huurde van een nog slechts enkele jaren gehuwden jonkman, wiens tweede kind een lief jongetje was, juist tien maanden oud.

Het ging dezen jongen huisvader in zaken juist niet zeer voor-deelig. i)e tijden waren maar slecht, kwijning in alle handelszaken, maar vooral „in de granen,quot; in welk handelsartikel hij zooveel als koopman was. Maar gelukkig voor hem, hij had een goed huurder gevonden voor zijne prachtige kamers op de eerste verdieping. Goed was zijn huurder, niet enkel om de promptheid, waarmede deze maandelijks zijne hooge huur betaalde, „maar zie je, vrouw, het is verbazend, zooveel als die mijnheer van Dal van onze beide kinderen houdt.quot; In dien geest had de huisheer reeds dikwijls tot zijne vrouw gesproken. En dat liefhebben van die beide kindertjes — die overigens des nachts vooral, nog al eens lastig konden zijn, en luid genoeg konden schreeuwen, om beneden op de eerste verdieping, meer dan noodig was, gehoord te worden — was niet alledaagsch. Uit den spaarpot toch der lieve kleinen kon mama, in dagen van nood, nog wel eens ruim putten, als de rekening- van kruidenier of slager op afdoening wachtte en pa-lief nu juist niet eens goed bij kas was.

Luisteren wij eens een vertrouwelijk gesprek af, dat tusschen ma- en pa-lief op de bovenverdieping gehouden wordt. Misschien leeren wij hieruit mijnheer Petrus van Dal, den bewoner dei-eerste verdieping, beter kennen.

ocr page 44

30

„ George, vraagt het nog jeugdig vrouwtje aan haren man, wat antwoordde de notaris over de aflossing en do rente?quot;

„Ja Marie, antwoordt zuchtend haar man, wat de aflossing der hypotheek betrof, was hij spoedig gevonden, maar de rente, die moet er wezen, dat kon, dat mocht geen uitstel dulden. De rente was zoo goed als onze huur, zeide hij; „u woont, mijnheer, u moet dus betalen.quot; Hij kon zich niet begrijpen, dat wij vóór al het andere, niet voor de rente zorgden.quot;

„Ach! die akelige vent, roept het vrouwtje uit, denkt dan zoo'n notaris, dat wij rente kunnen betalen, als wij niet eten, en ons niet kleeden en geen belasting betalen ?quot;

„Hoe het zijn moge, Marie, de drie honderd gulden moeten er morgen ochtend zijn; kunt gij nog wat bijéén zoeken? ik heb nog geen vijftig bij elkaar.quot;

„ Grut, neen, George! gij weet, tot den spaarpot van de kinderen toe, is voor de rekening van dien brutalen behanger eergisteren leeggeschud. Ons lief jongetje heeft dringend een nieuw pakje noodig; hoe zal het ventje er aan komen!quot; En na een oogenblik van droevige stilte, gaat het vrouwtje voort met vragen: „heeft mijnheer van Dal nog gesproken van die laatste vijfhonderd gulden, je weet wel, George, toen wij al onze rekeningen van het vorige jaar eens uit de voeten hebben gemaakt?quot;

„O neen, geen woord; hij betaalt maandelijks de huur dei-kamers, alsof hij niets te goed heeft en sinds dien ochtend is hij, zoo mogelijk, nog voorkomender dan vroeger.quot;

„George, gij ziet er zeker erg tegen op, om nog eens bij mijnheer van Dal raad te vragen. Als ik hom eens onze oogen-blikkelijke zorg te kennen gaf?quot;

Met beslistheid schudt op dit laatste woord de jonge' man liet hoofd, en na zich een oogenblik bedacht te hebben, zegt hij: „maar gij weet toch wel Marie, dat het nu reeds vijftienhonderd gulden is, die hij ons heeft voorgeschoten, en dat zoo maar los

weg, zonder eenig onderpand, zonder een bewijs zelfs; maar,____

maar____ een bewijs moet ik geven, daarmede heb ik al veel

te lang gewacht. Is mijnheer van Dal reeds op zijne kamer, Marie?quot;

„Ja, George, hij is zoo even thuis gekomen; nog eens, George, wil ik hem eens toespreken?quot;

„Maar, vrouwtje, gij kunt toch de schuldbekentenis niet schrijven!quot;

„Ach ja,quot; zucht het vrouwtje, het is waar ook, gij spraakt van het bewijsje.quot;

Met moeite staat de jonge man op van zijn stoel, wandelt een paar malen met een bezorgd gezicht de kamer op en neder, ziet eens in den spiegel, of boord en das nog in goede orde zitten, en met een diepen zucht stapt hij naar de deur, terwijl hij uitroept: „in 'shemels naam, het moet dan maar!quot;

Tik, tik, aan de deur van mijnheer van Dal's woonkamer.

ocr page 45

31

„ Binnen, binnen!quot; klinkt liet vroolijk uit den mond van mijnheer van Dal.

„Mijnheer Jansen, hoe vaart gij? ga zitten, ga zitten,quot; en tegelijk schuift hij den grooten fauteuil nader bij, en dringt zijnen huisheer zich eens gemakkelijk neder te vleien. „Wel dat vind ik nu eens goed van u,quot; gaat hij voort, „dat gij uquot; over uwen kluizenaar ontfermt en hem eens gezelschap houden wilt. Wacht ik heb nog een extraatje,quot; en uit een fijn gesneden sigarenkistje , komt een puike havanna te voorschijn. „ J k weet het, mijnheer Jansen, gij zijt liefhebber, damp maar eens flink op, de geur zal mij troosten, wijl ik zelf het rooken laten moet. Dat mijn keel ook zoo nufferig blijft! Steek op mijnheer Jansen, hier hebt gij de lucifers.quot;

Terwijl de jonge man de echte havannasigaar aansteekt, heeft mijnheer van Dal gelegenheid om hem eens even met zijne zwarte oogjes opmerkzaam aan te zien.

„Heerlijk! heerlijk!quot; roept Jansen uit, en laat de geurige rook door mond en neus een uitweg zoeken.

„De beurs weer lusteloos dezen middag, mijnheer Jansen;quot; zoo begint van Dal, „bijna geen affaires; in de granen ook slap, niet waar?quot;

„Alweder dalend, antwoordt Jansen met een zucht; waar het heen moet, weet ik waarlijk niet: het wordt op zoo'n manier een groote toer, om te blijven, wie men is. Volstrekt geen handel, en toch de schoorsteen rookt maar immer voort; het is om er den moed bij te verliezen.quot;

„Kom, kom, mijnheer Jansen, het hoofd recht gehouden, alle tijen hebben weertijen,quot; en van Dal vestigt zijne oogen nogmaals aandachtig op zijnen huisheer, die met gebogen hoofd bedrukt daar tegen hem over zit.

„A-propos, mijnheer Jansen, van zaken gesproken, zegt van Dal eensklaps van toon veranderend, ik zoek plaatsing voor een sommetje van 500 gulden, die renteloos in mijne kast liggen. Als gij eens iemand weet, die het in zaken plaatsen kan, zult gij mij verplichten. Of zou u somwijlen mij van dienst kunnen zijn? De effectenbeurs vertrouw ik maar weinig tegenwoordig, in solieden handel is het geld nog het veiligst voor het oogenblik.quot;

„Maar mijnheer, gij weet, het is reeds vijftien honderd tus-schen ons____quot;

„Geen bezwaar, geen bezwaar,quot; valt van Dal in, „noodig?quot; en met dit laatste woord versprak hij zich. Hij haastte zich dit woord, dat hem ontglipt was, te verbeteren eu sprak: „ u kunt het in zaken plaatsen, niet waar? ik blijf u wel dankbaar,quot; en opstaande ontsloot hij zijne brandkast, en spoedig telde hij de vijf bankjes van honderd gulden op de tafel voor zijnen huisheer uit. Als Jansen bedremmeld van zijn stoel opstaat en hem zenuwachtig de hand toesteekt — want de woorden blijven hem in de

ocr page 46

82

i

keel steken — dan schudt van Dal hem hartelijk de hand en herhaalt nog eens; „ ik dank u zeer voor den goeden dienst, dien gij mij hiermede bewijst.quot;

Zoo half verstaanbaar prevelt Jansen van een bewijs: „jawel, aceoord,quot; antwoordt van Dal; en Jansen weder: „van de geheele twee duizend in eens?quot; „O, charmant,quot; zegt van Dal. „Rente?quot; „Ja, drie percent is overvloedig in den handel; maar ééne conditie, de eerste tien jaren geene aflossing, mijnheer Jansen.quot;

Des avonds vinden wij mijnheer van Dal te midden van een twintigtal heeren gezeten, allen leden van de Vincentius-vereeni-ging, waarvan van Dal een gewoon, maar ijverig lid is. Mot warmte bepleit hij op dit oogenblik het belang van eeno ongelukkige vrouw, door haren boozen man verlaten en met vijf hulpbehoevende kinderen in zorgzamen staat achtergebleven. De jaarlijksche kas der vereeniging is reeds lang uitgeput.

,, Ik ben er tegen, zegt een goed doorvoede slager, die ofschoon reeds een zestiger, nog onlangs voor de derde maal een jong meisje getrouwd heeft; „die extra-collecten, die tegenwoordig op iedere conferentie wederkeeren, worden voor ons burgermenschen bezwaarlijk. Mijnheer Van Dal heeft goed praten; hij houdt er geen huishouden op na, en zal er geen glaasje minder om drinken, al verdubbelen ook de collecten. Maar ik voor mij moet weten wat mij past; nog eens, ik bén er tegen.quot; Het is den slager niet aan te zien, dat hij voor zich er een glaasje minder om gedronken heeft. Maar de rekeningen van zijne laatste bruiloftspartij zijn in het geheel niet medegevallen en liggen hem loodzwaar op de maag. Blijft onze man misschien daarom onverzettelijk tegen alle verdere extra-collecten ?

De keel van mijnheer Van Dal is waarlijk, gelijk hij zelf zegt, een echt nufje. Die keel kan niet velen dat hij rookt, dat hij wijn drinkt, dat hij zalm eu kreeft eet, dat hij op zijne kamer des winters stookt, dat hij paard rijdt, dat hij reist — alle zaken, waarvan hij vroeger een dolle liefhebber was geweest. — Het schijnt dat die keel maar immer preutscher wordt. Bij het naar huis gaan zegt hij glimlachend tot zich zeiven: ,, ik geloof dat liet voor mijne keel beter is, om het oesterpartijtje in de andere week maar niet te houden — gij moet weten, dat dit partijtje het laatste feestje is, dat mijnheer Van Dal voor zijne vrienden nog heeft aangehouden — ik zou dan tevens die veertig gulden, die er mede gemoeid zijn, voor dat ongelukkig wijfje kunnen ter zijde leggen. Ja dat zal beter zijn; voor mijne keel' natuurlijk,quot; zegt hij lachend, en tegelijk kucht hij eens om een bewijs van belangstelling aan zijn nuff'erig keeltje te geven.

Op zijne kamer wedergekeerd, vindt mijnheer van Dal een brief van zijn vriend, den Regent van het klein Seminarie. De lezing van dien brief brengt hem in eene opgewekte stemming: „het gedrag en de studieijver van zijne beide beschermelingen,quot;

ocr page 47

33

zoo schrijft de Regent, „zijn uitmuntend, en beide jongelingen beloven eens waardige en nuttige priesters in Gods Kerk te zullen zijn.quot; „God zij geloofd,quot; zegt de reine ziel van den lieer van Dal, en hij knielt op zijn bidstoel neder en bidt eens vurig voor zijne beide studenten, die deugdzaam en zoo gelukkig in hunne studie zijn.

Ziedaar u, m. V., een enkelen blik doen slaan in het leven van eenen man, die om wille van God, besloten heeft ongehuwd te blijven. Ware hij gehuwd geweest en misschien omringd van een talrijk huisgezin, hij zou geene gelegenheid hebben gevonden om op zulk een edelmoedige wijze aan anderen wel te doen. Terwijl men hem nu dagelijks in de Mis van zeven uur vinden kan, en hem teu minste twee malen in de week aan de communiebank ziet aanzitten, zou hij als gehuwd huisvader waarschijnlijk des morgens laat zijn opgestaan en zich nog hebben moeten haasten, om vóór tien uur bij zijne zaak te zijn. Nu deelt hij onbezorgd met milde hand aan armen en aan hen, die in stillen nood zijn , van zijnen ruimen overvloed mede. Aan zich zeiven onttrekt hij dien overvloed en uit liefde voor God en voor zijne naasten is hij spaarzaam voor zichzel-ven. Hij bekrimpt zich in een leven, dat hij zich genotrijk en weelderig kon maken door de rijke middelen, die hem ten dienste staan. Het is het edelmoedig leven van een oprecht geloovige, die alleen wil blijven op deze wereld, en vrijwillig het genot van een huiselijken haard wil ontberen, om zich de onvergankelijke rijkdommen van het eeuwig leven te verzekeren. Het is bet leven van eenen rechtvaardige, wiens goede werken hem volgen in den hemel, waar hij eenmaal hoog verheven zal zijn aan de zijde van zijnen God.

Indien gij ooit, m. V., zulk een man in uw leven zult ontmoeten, schat hem hoog, want deze is een bijzondere vriend van God.

VIERDE ONDERRICHTING.

Oude Kaal.jc in hot Gesticht.

In onze vorige onderrichting hebben wij u drie redenen genoemd, m. V., waardoor een jonkman kan geleid worden, om in den wereldlijken staat ongehuwd te leven. In een voofbeeld hebben wij de eerste beweegreden beschouwd en u aangetoond, hoe een jonkman besluiten kan te midden der wereld, ongehuwd te blijven leven , om God op eenc volmaaktere wijze te dienen, Leveksst. 3

ocr page 48

34

en in staat te zijn zich vrijer aan de werken van naastenliefde toe te wijden.

Heden willen wij beginnen met de tweede reden te beschouwen, en wel deze: een jonkman kan besluiten ongehuwd te blijven, om wille zijner ouders, voor wien hij zorgen moet.

Herinnert u, m. V., wat God ons in het vierde gebod gebiedt, wanneer Hij zegt: „eer uwen vader en uwe moeder, opdat gij lang moogt leven hier op aarde.quot; Stellen wij deze vraag: Kan een kind, krachtens dit Goddelijk gebod, verplicht zijn, ongehuwd te blijven leven? Stellen wij ons een jonkman voor, die de cenigc kostwinner is van hulpbehoevende ouders; kan deze verplicht zijn ongehuwd te blijven, dm zijne ouders te verzorgen?

Wij willen niet aarzelen op deze dringende vraag onze overtuiging onbewimpeld uit te drukken. Een jonkman kan verplicht zijn, om wille zijner ouders ongehuwd te blijven, wanneer hij niet in staat is om op eene andere wijze te voorzien in den nood, waarin zijne ouders zich bevinden; en alleen dan, wanneer door zijn ongehuwden staat het hooger belang zijner onsterfelijke ziel in gevaar zou komen, kan hij van die dringende verplichting ontheven zijn.

Wijl de uiteenzetting van dit antwoord van zelf eenigzins uitvoeriger zal moeten zijn, daarom zal het nuttig zijn, wanneer gij deze drie punten goed in uw geheugen prent.

Opdat voor een jonkman deze regel gelde, is het noodig:

1. dat hij voor de verzorging zijner ouders in den werkelijken zin noodzakelijk zij;

2. dat hij op geene andere wijze in staat zij voor zijne hulpbehoevende ouders zorg te dragen;

8. dat zijn ongehuwde staat hem niet in het gevaar stelle, om voor ecuwig verloren te gaan.

Op welken grond nu steunt het antwoord, dat wij op de gestelde vraag gegeven hebben?

Vooreerst op het Woord van God. Het is de uitdrukkelijke wil van God, dat kinderen hunne ouders zullen bijstaan en hen in hunnen nood zullen te hulp komen.

In het Oude Verbond vjnden wij deze verplichting met de ernstigste woorden opgelegd aan de kinderen. In het boek der Spreuken ') noemt God een ondankbaar kind „ een schandelijken, rampzaligen mensch.quot; Het zal wel overbodig zijn u nog te herinneren, dat een kind tegenover zijne ouders — van wie het, naast God, alles, het leven, de eerste zorgen zijner kindschheid, zijne verdere opvoeding en de treffendste bewijzen van edelmoedige en belangelooze, ja dikwijls van heldhaftige liefde ontvangen heeft, — tot de heiligste plichten van dankbaarheid gehouden is.

„ Mijn kindzoo vermaant God, ,, trek u uwen vader aan,

xix:, ac.

ocr page 49

35

als hij oud wordt, cn bedroef hem niet, zoo lang hij leeft. Neemt hij af in verstand — en hieronder mogen wij zeker ook wel verstaan, neemt hij af in licliainclijkc krachten, zoodat hij voor zijnen arheid langzamerhand ongeschikt quot;wordt — zoo duidt hem dit ten goede en veracht hem niet in uwe kracht; want de weldaad, welke gij uwen vader betoont, zal niet in vergetelheid geraken, en het onaangename, dat gij van uwe moeder te verduren hebt, wordt u met goed vergolden.quot; ') Eu wederom op eene andere plaats der heilige Schrift zegt God: „eer uwen vader uit geheel uw hart en vergeet de smarten uwer moeder niet, gedenk dat gij zonder hen niet geboren waart, en doe hun goed gelijk zij ook u bewijzen.quot; -)

Van den jongen Tobias vermeldt de heilige Schrift, dat zijne ouders hem noemden: „het licht hunner oogen, dén staf van hunnen ouderdom, den troost van hun leven, hunne hoop.quot;

O, m. V., moge ook in u immer vervuld worden de wensch, uitgedrukt in liet boek der Spreuken: 3) „ mogen uw vader en uwe moeder zich verheugen en moge zij zich verblijden, die u gebaard heeft.quot;

In het Nieuw Verbond heeft Christus op de meest uitdrukkelijke wijze ons de verplichting opgelegd, om onze ouders te eeren en te beminnen en hen in hunnen nood edelmoedig ter zijde te staan. Wij vinden hiervan een treffend bewijs in liet Evangelie van den H. Matthaeus. *) Op zekeren dag kwamen de huichelachtige pharizeën en schriftgeleerden tot Jesus, om zich er over te beklagen, dat Zijne leerlingen de overlevering der ouderlingen overtraden en vóór en na den maaltijd hunne handen niet wieschen. Dat wasschen d't handen vóór en na de maaltijden behoorde niet tot de voorschriften van de wet van Mozes, maar het was eene nog zeer jonge en beuzelachtige verordening der Joodsche leeraren. Jesus geeft hun toe, dat Zijne leerlingen die verordening omtrent deze handwassching niet onderhouden hadden. De reden daarvan zal Hij hun opgeven, wanneer zij Hem gezegd zullen hebben, waarom zij het groote gebod van kinderliefde overtreden.

„Waarom, zoo vraagt Jesus op zijne beurt zijnen boozen ondervragers, „waarom overtreedt ook gij het gebod van God om uwe overlevering? Want God heeft gezegd: Eer uwen vader en uwe moeder, eu wie vader of moeder vloekt, dat hij den dood sterve. Doch gij zegt: Al wie tot vader of moeder zal gezegd hebben: Wat u ook van mij nuttig zou kunnen wezen, zij een offer, en hij zal zijnen vader of zijne moeder niet eeren. Eu verijdeld hebt gij het gebod van God om uwe overlevering.quot;

Om deze woorden van Jesus goed te begrijpen verbeelde men zich behoeftige ouders, wier zoou in staat is, om hun onder-

') Sir. Ill, U. 2) Sir. VII, ■gt;% •■') XXIII, 25. 4) XV, 3 v.

ocr page 50

30

stand te verleenen. Doch in plaats van zijne ouders bij te staan, doet die zoon eene belofte, dat hij alles wat hij ter ondersteuning zijner ouders zou kannen afzonderen, tot een gift aan den tempel zal maken. Zoo iemand was, volgens de overleveringsleer dier snoode pharizëen en schriftgeleerden geheel ontslagen van de verplichting, om zijne ouders te eeren; dat wil in dezen zin zeggen: hen naar zijn vermogen in hunnen nood bij te staan. Deze valsche overleveringsleer verijdelde alzoo het gebod der liefde voor ouders; en zij die dit gebod aldus leerden overtreden, overtraden liet daardoor ook zelf 1).

Wij zien uit deze woorden, dat Christus op uitdrukkelijke wijze het vierde gebod handhaaft, en uit dit gebod de verplichting aantoont , hulpbehoevenden ouders bijstand en hulp te verleenen.

Niet alleen trekt Christus uit dit gebod de verplichting, om onze ouders te helpen en in hunnen nood bij te staan, maar uitdrukkelijk verklaart Hij, dat deze plicht der kinderen boven ieder ander liefdewerk gaat, ja zelfs boven de offergaven, die in den tempel aan God worden opgedragen. Want zij, die ten koste van hunne ouders offergaven beloven en opdragen aan God, zij verijdelen het gebod van God „Eer uwen vader en uwe moeder.quot;

Er is dus geen twijfel over, m. V., God verplicht ons, om onze ouders in hunnen nood, naar ons vermogen, zoo goed mogelijk bij te staan en te ondersteunen.

Thans echter de vraag, tot hoever strekt zich deze verplichting uit? of liever, in verband met de vraag, die ons nu bezig houdt, strekt zich deze verplichting zoover uit, dat een kind verplicht kan zijn ongehuwd te blijven, om zijne hulpbehoevende ouders te helpen en te ondersteunen?

Wij antwoorden; Een kind kan hiertoe verplicht zijn, en wij zeggen dit op gezag van don grooten Kerkleeraar, den H. Alphonsus, die in zijn beroemd zedekundig werk aldus schrijft: „Indien de ouders om redelijke en gewichtige redenen zich tegenover hunne kinderen verzetten in de keus van eenen levensstaat, dan zijn dezen gehouden zich aan hen te onderwerpen.quot; En de H. Kerkleeraar geeft dit voorbeeld aan: „ Indien, zegt hij, de ouders in een ernstigen nood zijn en de hulp van hun kind behoeven en het kind op geene andere wijze zijne ouders kan ondersteunen, dan is het kind verplicht bij hen te blijvenquot; 2).

Lichten wij dezen regel nader toe: Vooreerst moeten de ouders in een ernstigen nood komen, wanneer hun kind, trouwend, hen verlaat. Die nood moet niet beschouwd worden in den strikten zin; een nood, namelijk, waarin aanstonds broodsgebrek voor de ouders begint, wanneer het kind zijne ouders aan hen zeiven overlaat; maar die nood moet beschouwd worden naar de om-

') l'rol' JJoelen t. a. p. -) S. Aljili. L IV, 336.

ocr page 51

37

standigheden, waarin het huisgezin der ouders zich bevindt. Nemen wij als voorbeeld het huisgezin van eene weduwe, moeder van vele kinderen. Alleen haar oudste zoon is in staat door zijnen arbeid het huisgezin staande te houden. Hij is de kostwinner, zooals men zegt. Trouwt hij, dan komt het huisgezin in verval, en armoede en gebrek komen langzamerhand het ouderlijk huis binnen, m. V., ik zal het nooit gelooven, dat een zoon, die onder zulke omstandigheden huwt, den wil van God vervult. Het is mijne heilige overtuiging, dat zulk een zoon, door zijn ontijdig huwelijk, zich vergrijpt aan het goddelijk gebod, dat zegt: „Eer uwen vader en uwe moeder.quot; Het is de plicht van dien zoon, te wachten, tot dat zijne broeders en zusters, ouder geworden, door hunnen arbeid hun aandeel kunnen dragen in de behoeften; van het huisgezin.

Stellen wij een ander voorbeeld. Een vader heeft door jaren langen arbeid zijn huisgezin in eere groot gebracht. Achtereenvolgens hebben zijne kinderen liet ouderlijk huis verlaten, om een ieder zijnen weg te gaan door dit loven. De brave man is intusschen oud geworden. Zijne krachten verminderen, zijne oogen vooral beginnen hem „te foppen,quot; hij kan zijn ambacht slechts gebrekkig meer uitoefenen. Een sommetje sparen voor den ouden dag is hem niet mogelijk geweest. Het wil wat zeggen, vooral in den kleinen stand, om op eerlijke wijze zeven, acht kinderen fatsoenlijk groot te brengen. Gelukkig voor den ouden man, zijn jongste zoon is nog aan zijne zijde gebleven, .en waar zijn oude hand beeft, als hij zijn trouw gereedschap hanteert, daar staat zijn jongste met volle kracht aan zijne zijde en vult aan, wat aan vaders telkens minder wordende krachten gaat ontbreken. De oude man is gelukkig, hij houdt zijn dagelijksch brood en blijft in zijnen eerzamen stand door den arbeid van zijnen zoon, die ongemerkt de kostwinner is geworden van zijnen ouden vader, van zijne grijze moeder. Zoudt gij meenen,m. V., dat het God welgevallig zal zijn, wanneer die zoon op zekeren dag tot zijnen afgewerkten vader zal zeggen: „Vader, ik heb nu mijne jaren en lang genoeg heb ik aan uwe zijde gearbeid, ik ga thans, gelijk mijne broeders en zusters, voor mij zeiven zorgen; ik wil getrouwd zijn, en ga voor eigen huisgezin het brood verdienen.quot; Ik zal het nimmer gelooven, m. V., indien door zulk een huwelijk, die oude vader, die grijze moeder, op hunnen ouden dag tot bittere zorgen en dreigend gebrek zullen komen. Zeker het is gemakkelijk gezegd, de armbesturen zijn op de eerste plaats voor de ouden van dagen. Maar gevoelt gij liet niet, hoezeer het knaagt aan het hart van den fleren grijsaard, boe het zijn dood verhaast, als hij op den avond van zijn leven, zijne trouwe vrouw naaide zitting van het armbestuur ziet voortstrompelen, om de hand uit te steken voor de aalmoes, die hij nimmer noodig heeft gehad, zoolang zijne hand krachtig was, om zijn gereedschap te hanteeren.

ocr page 52

38

Zoo zouden wij u nop; vele andere voorbeelden kunnen bijbrengen, om u den zin te doen gevoelen van dit woord „ernstige nood,quot; waarin ouders kunnen komen, door bet ontijdig huwelijk van hun zoon, die bun kostwinner is. Maar hetgeen wij zeiden zal voldoende zijn, om u te doen begrijpen, dat een jonkman, al is bij zijn brood waard, en al zoude hij ook in staat zijn , om voor een eigen huisgezin bet brood te verdienen, toch verplicht is, alvorens hij besluit met een meisje een oprecht gemeende verkeering aan te paan, zich ernstig de vraag te stellen: „Welke gevolgen zal mijn aanstaand huwelijk voor mijne ouders hebben ?quot;

Ziedaar dan, waarom wij als regel gesteld hebben, dat een jonkman om wille van zijne ouders, voor wier ondersteuning hij noodzakelijk is, kan gehouden zijn , om in den wereldlijken staat ongehuwd te blijven.

Maar deze regel geldt slechts dan, wanneer zulk een jonkman op geene andere wijze zijne ouders ondersteunen kan, dan door ongehuwd bij hen te blijven. Het doel toch van den regel is geen ander, dan om te voorzien in de hulpbehoevendheid , waarin ouders kunnen komen. Is derhalve een jonkman, die de kostwinner zijner ouders is, ook als gehuwd man in staat, om zijne ouders op voegzame wijze te blijven verzorgen, dan kan hij zonder vrees voor Gods straffen den staat des huwelijks ingaan. Nogtans mogen wij niet nalaten om op te merken, dat er in zulk een geval dikwijls groot gevaar voor opzettelijke zelfmisleiding is. Wat toch is vaak het geval? Die jonkman heeft het er eenmaal op gezet, om tot zijn trouwdag te komen. Het groot bezwaar voor zijn huwelijk ziet hij in de hulpbehoevendheid zijner ouders. Hij zoekt naar middelen, om tot de vervulling van zijn vurig verlangen te komen. Het gevolg nu is , dat hij maar al te dikwijls middelen uitkiest, die somwijlen reeds spoedig blijken geen ware , geen doeltreffende middelen te zijn geweest. In zulk een geval wordt het lot der ouders gewoonlijk nog beklagenswaardiger.

Wij willen eens eenige dier middelen nader beschouwen.

Vooreerst, en dit kan een zeer schoon en aanbevelenswaardig middel zijn, een jonkman, wiens inkomsten overvloedig zijn, kan zich tegenover zijne hulpbehoevende ouders verplichten, om gehuwd zijnde, voor hen te blijven zorgen. Is hij hier werkelijk toe in staat en vast besloten om zich, zoo lang zijne ouders leven, aan zijn woord te houden, dan is er van deze zijde geen bezwaar voor zijn huwelijk en kan hij derhalve met een gerust hart zijnen levensstaat ingaan.

Een tweede middel willen wij aldus noemen; „bij vader of moeder introuwenquot; of „vader en moeder komen bij ons in.quot; Dit middel, op zich zelf beschouwd, is zeker van alle andere middelen die uitgekozen kunnen worden, het meest aanbevelenswaardig. Immers, wanneer dit middel in zijne uitvoering niet faalt, dan aanschouwen wij de volkomenheid van het Christelijk

ocr page 53

39

huisgezin, waarin kinderen van jongs af in het voorbeeld hunner ouders zullen leeren, hoe zij hunne ouders moeten beminnen en hoogachten. In zulk een huisgezin vinden wij op lt;le eereplaats, in het beste hoekje van den huiselijken haard den vergenoegden, gelukkigen grootvader, als weder jong geworden, lustig spelend met de lieve kleinen zijner kinderen; of de oude, nog altijd bedrijvige grootmoeder, door allen geëerbiedigd en gelukkig in hare verschoonbare ijdelheid, waarmede zij gelooft nog niet gemist te kunnen worden.

Wel treurig echter is de ondervinding, die zoo luide leert, dat zulke gelukkige huisgezinnen, waarin grootvader of grootmoeder hunnen blijden, gelukkigen ouden dag vinden in de liefde en den eerbied, waarmede zij omringd worden, helaas! zoo klein in getal zijn. Gelukkig zijn zij nog niet geheel en al verdwenen. Toch behoeven wij slechts een oogenblik te denken aan de behoefte, die vooral in groote steden bestaat aan inrichtingen voor de verpleging van oude mannen en vrouwen, om aanstonds in te zien, hoe groot het getal van huisgezinnen is, waar grootvader en grootmoeder niet in het hoekje, van den huiselijken haard hunner kinderen zijn gezeten.

Misschien zal iemand uwer denken: „Zijn dan deze gestichten voor ouden van dagen, door de Christelijke weldadigheid opgericht en in stand gehouden, geen hoog goed, geen verhevene weldaad te noemen?quot; Zeker, m. V,, die oude mannen-en vrouwenhuizen zijn heerlijke vruchten der Christelijke liefde, en in het bijzonder de inrichtingen, welke door onze religieusen bestuurd en bediend worden, zijn een zegen voor zoovele oude lieden, die daarin een toevluchtsoord vinden op den avond van hun leven. Maar wilt een enkel oogenblik uwe ernstige aandacht vestigen, m. V., op den zin van het woord „toevluchtsoord,quot; waarmede wij deze inrichtingen bij voorkeur noemen .willen. Die gestichten zijn toevluchtsoorden voor menschen, die na een langdurig leven, verlaten zijn van allen, en gedwongen zijn, om zich in de armen te werpen der algemeene weldadigheid. En als wij nu onder hen er zoovelen vinden, die buiten de poort van het gesticht, waarin zij liefderijk opgenomen zijn geworden, nog hunne zonen en dochters hebben achtergelaten, in welk licht verschijnt dan de verlatenheid dier oude armen, die bij de liefderijkste verzorging, welke zij genieten, toch tot hun laatsten snik zich teleurgesteld moeten gevoelen in de liefde, waarmede zij hunne kinderen opgevoed en verzorgd hebben? Ik beoordeel hier de redenen nu niet, waarom kinderen, door de omstandigheden, waarin zij zijn, gedwongen worden, om hunnen ouden vader, hunne grijze moeder over te geven aan de algemeene weldadigheid. Er kunnen gevallen, ja meerdere gevallen zijn, waarin kinderen, met bloedend hart afscheid nemen van hunnen ouden vader, van hunne, grijze moeder, als de poort van het gesticht zich opent voor dezen. Maar worden wij niet

ocr page 54

40

gedwongen te klagen over het toenemend gebrek aan oprechte kinderliefde, als wij die vele gestichten voor oude lieden overbevolkt vinden en vaak hooren, dat er geene plaatsen genoeg zijn, om aan nieuwe aanvragen van opneming te voldoen; als wij regenten en regentessen immer zien arbeiden aan uitbreiding en vergrooting der gestichten, die aan hun wijs en liefderijk bestuur toevertrouwd zij n ?

Het is nu reeds enkele jaren geleden , toen ik eens bij een bezoek aan een Gesticht voor oude mannen en vrouwen, in ééne onzer hoofdsteden, ecne oude bekende van mijne kinderjaren ontmoette.

Kaatje zoo heette onze oude schoonmaakster had haren man vroegtijdig verloren. Hij liet haar zeven kinderen na, van welke de oudste vijftien jaren en de jongste een jongentje van acht maanden was. Kaatje had hare kinderen fatsoenlijk grootgebracht. Op welke wijze? ja, wie zal het geheim ontdekken „hoe eene arme weduwe hare kinderen groot brengt!quot; Zij zag cr nog kranig uit, het brave oudje, met haar helder katoenen jurkje aan en de wit geplooide muts op het grijze hoofd. „Wel, Kaatje, riep ik uit, wat ben ik blij je nog eens te mogen zien! quot;

„Wel Heeremijntijd! sprak de goede ziel, toen zij mij herkende, zijt uwes nouw die kleine jongen, dien ik zoo dikwijls aan lt;le hand heb medegenomen, als ik voor uwe moeder om een boodschap ging!quot;

„Ja, die kleine jongen was ik. Dat is al wat jaren geleden Kaatje,quot; zeide ik; „heel wat gebeurd sedert dien tijd, he!quot;

„ Dat mag meheer wel zeggenantwoordde zij, en na een oogenblik zwijgend voor zich gestaard te hebben, als liet zij nog eens al die jaren in hare herinnering voorbijgaan, schudde zij met een droevig gelaat haar grijs hoofd en sprak; „ Och, ziet u, meheer! wij hebben het hier goed, best, beter dan ik het ooit

fehad heb. Die goede Zusters passen ons in alle liefde nacht en ag op. Maar ziet U, als men eigen heeft, voor wie een mensch zoo'n geheel leven getobd heeft, dan valt het toch hard, érg hard meheer!quot; en groote tranen sprongen uit hare goedige oogen, toen Kaatje dit zeide.ehad heb. Die goede Zusters passen ons in alle liefde nacht en ag op. Maar ziet U, als men eigen heeft, voor wie een mensch zoo'n geheel leven getobd heeft, dan valt het toch hard, érg hard meheer!quot; en groote tranen sprongen uit hare goedige oogen, toen Kaatje dit zeide.

„ Ziet U, meheer, aldus ging Kaatje voort, uwes weet, toen Piet, mijn jongste, trouwen ging, toen moesten en zouden ze bij mijn in — ach, meheer, was ik maar op mijn eigen gebleven! — maar afiin, het is nu te laat. Piet kwam met zijne vrouw bij mij in. De eerste jaren ging alles vrij goed, bij Piet in huis, zal ik maar zeggen, want spoedig werd het, alsof mijn knap inboeltje al z'en leven van Piet's vrouw was geweest. En toen wij in het derde jaar verhuisd waren uit mijn lief woninkje, waar ik twee en dertig jaren achtereen gewoond had, cn waarin Piet nog geboren was, toen mocht ik niet eens meer van mijn stoel en van mijn kastje praten. — Zij was toch met niks,

ocr page 55

41

rneheer! bij mij ingekomen. — Doch dat is alles nu nog niets; maar toen de vijfde kleine gekomen was, kon het toch niet 'langer. Met Piot zon het nog wel geschikt hebben — de jongen heeft altijd aan mij gehangen — maar Piet's vrouw ziet u, och! meheer begrijpt mij wel; wel niet te veel, maar je schiet er toch over, als een mensch oud en pruttelig wordt.quot;

De klok sloeg, het was half zeven uur'savonds. De tijd, om naar bed tc gaan was voor de oudjes gekomen. Kaatje drukte mij hartelijk de hand en strompelde met haar krom gewerkten rug den langen gang in. Drie en tachtig was zij. Maar was het Piet's schuld niet, dat deze trouwe moeder op het commando van dat ijzeren klokje haar bed moest opzoeken, niet om er gretig den slaap te vinden, maar om uren nog naar dien slaap te zoeken. O had Piet, — die toch altijd aan moeder gehangen had, zeide immers het oudje —eens kunnen zien, hoe zij liggend op haar bed, zoovele avonden, hare slapelooze uren doorbracht met hot onzinnig, bijgeloovig tellen van de kleine vierkante ruitjes van haar helder katoenen nachtjak. „ Of ik hier nog lang zal liggen? ja — neen — ja — neen — jaquot;, en zij schudt droevig haar grijs hoofd. „Of dit liet laatste jaar zal zijn? ja — neen — ja — neen — ja; ha! nu komt het uit!quot; en dan weder verder; „Of dit de laatste maand zal zijn?quot; en met haren langen dunnen vinger telt zij langs de vierkante ruitjes: „ja—neen — ja — neen — jaquot;, en dan nog eens: „Of dit de laatste week zal zijn?quot; — maar het is al Vrijdag en zij is nog zoo fiksch, en zij eet nog zoo gezond!.... Toch telt zij:'„ja — neen — ja — ja. Ziet nu dommelt zij in, het brave oudje, en gaat zij den slaap vatten; ja — ja — zoo prevelt zij nog in hare eerste sluimering, en ziet, nu slaapt zij eindelijk, de goede ziel, en zij droomt: dat zij dood is. Een vergenoegde glimlach verspreidt zich op haar gerimpeld gelaat, en zij waant zich aan de zijde van haren man, die haar reeds zoovele jaren gewacht heeft. En daar boven spreekt zij met haren man niet over het verdriet van haren ouderdom, maar beiden smeeken zij Gods barmhartigheid, opdat toch Piet's vrouw niet in hare eigene kinderen ondervinden moge, wat zij geleden heeft op haren ouden dag. Want hard is het, ook onder de liefdevolste zorgen van liefdezusters in een fraai en best gesticht te leven — „als men zijn eigen heeft, voor wie 'n mensch zoo'n geheel leven getobd heeft.quot;

„ Ik hoop, m. V., dat gij u immer het verhaaltje van oude Kaatje in het liefdegesticht zult blijven berinneren. Nog eens Kaatje zelve getuigde het in alle dankbaarheid: zij had het best in het gesticht; hare voeding, hare ligging, bare kleeding was beter dan zij het ooit in haar leven gehad had. Nacht en dag werd zij liefderijk en zorgzaam bewaakt en verpleegd door die goede liefdezusters, en toch zij wilde de dagen tellen, die haar

ocr page 56

42

noquot; overbleven liior op aarde. Waarom? Vooral om deze redenen. Zij, die geheel haar leven vrij was geweest en zoo vele jaren zelfstandig haar huisgezin bestuurd had, moest zich nu schikken naar het noodzakelijk, onvermijdelijk reglement van een volkrijk gesticht. Dat ijzeren klokje, waarmede do noodzakelijke dagorde geleid en gehandhaafd werd, was voor het goede oudje „iets,quot; waaraan zij maar niet kon gewoon worden; zoo dikwijls gebood dat klokje „iets,quot; wat zij op dit oogenblik liever niet zou doen. Zij wist en gevoelde wel, dat het in zulk een gesticht, waar honderden met elkander bijeen moesten wonen, niet anders zijn kon. Haar nog zoo helder vérstand deed haar klaar inzien, dat die vastgestelde dagorde noodzakelijk was, dat hier onmogelijk een ieder zijn eigen zin kon opvolgen. Maar met dit alles schudde zij droevig haar grijs hoofd en in haar hart treurde zij in stilte, wijl zij, na zeven kinderen met hard werken in eere te hebben groot gebracht, nu op haren ouden dag in de noodzakelijkheid was gekomen, om zich aan dat reglement van orde te onderwerpen.

Zij telde des avonds, in hare slapelooze uren. de vierkante ruitjes van haar katoenen nachtjak. Waarom? Omdat zij zich verlaten gevoelde door hen, voor wie zij nacht en dag, zoovele jaren lang gezwoegd en getobd had. Zeven kinderen stonden hulpbehoevend aan het sterfbed van haren goeden man. De grijze priester, die haren man in zijne laatste uren had bijgestaan, kwam in den eersten tijd vooral, dikwijls eens inloopen bij de arme weduwe. „Hoe zij liet toch wel stolde met haar zeven kinderen? of zij het wel redden zou, om dagelijks voor die zeven brood te hebben?quot; Die goede priester meende het zoo oprecht goed met haar; maar toch, eens had pastoor haar niet naar het hart gesproken. Het was op dien kouden winterochtend, toen de ijsbloemen op de ruitjes van hare tochtige ramen maar niet ontdooien wilden. Zij zou dien ochtend nooit vergeten, want toen was zij waarlijk een oogenblik boos geworden op den goeden priester. „Moedertje!quot; zoo had hij haar op dien ochtend gevraagd, „hoe redt gij het toch in zulk een strengen winter met de kinderen? de kleine stumpers mogen toch geen gebrek lijden?quot;

„God zorgt nog iederen dag voor hen,quot; had zij geantwoord. Maar de goede pastoor scheen maar niet tot zijn doel te kunnen komen. Hij draaide er telkens om heen. Ten laatste toch kwam het verlegen uit den mond van den liefderijken priester: „als dat kleine zevenjarige Betje en die Jan, die al bijna negen jaar oud is, eens buiten uwe verzorging waren, dat zou eene groote verlichting voor uw huisgezin zijn,.... gij weet wel, sprak de zorgzame priester, er zijn van die gestichten voor halve weezen; zij hebben het er goed hoor, en worden best en zorgvuldig opgevoed; als moedertje wilde, zou hij haar den weg wel wijzen.quot;

Zie, toen was Kaatje boos geworden; „ Wat ineheer pastoor wel van haar dacht? of zij dan geen hart had? God heeft ze mij allen

i l liÉiii'

I1 ï : -ill:'

Üi

lil

iv '' ü 1! 11 1 il

ocr page 57

43

zeven gegeven, riep zij uit , Hij alleen mag ze mij afnemen.quot; En als vreesde zij dat, men reeds kwam om haar hare lievelingen te ontrooven, trok zij haar Betje en haren Jan naar zich toe en drukte beiden vast aan haar hart. De goede priester stond verlegen haar aan te staren en wist niet wat te antwoorden. Kaatje kreeg dadelijk medelijden met zijn zichthare verlegenheid, en dankbaar sprak zij: „God zal u uwe liefde vergelden; ik dank u duizendmaal pastoor, gij meent het zoo goed met ons, maar gij weet niet half, hoezeer mijn hart aan mijne kinderen hangt.quot;

Dat Kaatje zich op haren ouden dag dien kouden winterochtend nog zoo levendig herinnerde! Toen zij zoo boos werd op den goeden priester was Piet nog pas één jaar oud en nu was hij reeds een veertiger; en dat Betje, dat men toen in een gesticht wilde plaatsen, was nu ook al grootmoeder. Zij had het nog al goed getroffen in haar leven. Maar sinds haar huwelijk was Betje zoo langzamerhand geheel en al „afzijdigquot; van moeder geworden. Zij hield het maar liever met haar man's familie. Niet omdat deze een paar sporten hooger stond op de ladder der maatschappelijke standen. O heer, neen! Maar zie je, moeder was slechts een eenvoudig vrouwtje — aan hen, die haar toch eenmaal kenden, zeide Betje fluisterend, met een* verlegen lachje, „maar een schoonmaakster, weet uquot; — en het gaat toch maar niet. om moeder, die goede, oude ziel, in gezelschap te brengen met. Louis, een eigen broer van mijn man, die commies aan het Rijks-entrepöt is, on natuurlijk veel te fatsoenlijk is, om met moeder aan ééne tafel te zitten.quot;

En met Jan, dien Kaatje op dien kouden winterochtend zoo vast aan haar hart drukte, opdat men hem toch niet naar het gesticht voor halve weezen zoude brengen, met dien Jan was het niet veel beter gesteld. Kinderen had hij niet, maar de vrouw van Jan was aan den „zuinigenquot; kant. Ilaai- eigen vader was door zijn patroon voor vijfhonderd gulden in een gesticht voor oude mannen ingekocht, omdat hij, na vele jaren trouw gediend te hebben, voor zijn arbeid ongeschikt was geworden. Alsof de vrouw van Jan bij die gelegenheid haar laatste spaarpenningen had bijeengezocht, — de waarheid was, dat zij zich maar doodarm gehouden hadden, toén de patroon hun gevraagd had, „of zij ook niet iets van die vijfhonderd gulden konden bijbrengen?quot; — had zij haren man vermaand, toch maar zuinigjes aan te doen: „want, als ge het op je ouden dag van de menschen hebben moet, nouw, dan komt er wat kijken! je ziet het aan vader, overal hebben zij rondgcloopen, om hem er in te krijgen.quot;

Hoevele jaren waren er sinds dien kouden ochtend niet al hoengevlogen, en toch, zooals wij zeiden, de twee en tachtigjarige Kaatje wist bet nog zoo goed, alsof het pas gisteren gebeurd was, toen zij boos werd, omdat die goede priester een oogenblik dacht, dat zij hare kinderen zou willen afstaan. En nu,... nu hadden

ocr page 58

44

diezelfde kinderen haar afgestaan aan de algemeene liefdadigheid; nu was zij zelve in zulk een gesticht gekomen, waarvoor zij voor hare kinderen zulk een afschrik had gevoeld. Zie, dat zij arm was gebleven, dat kwelde haar niet; maar dat zij nu verlaten was door hare eigene kinderen, ach! dat griefde haar, dat had zij nimmer kunnen denken, toen zij zoovele jaren lang voor hare kinderen dag en nacht gezwoegd had, om hen toch maar knap door de wereld te brengen. Ziet, m. V., daarom telde Kaatje mot een pijnigend ongeduld, zoovele avonden de ruitjes van haar katoenen nachtjak; dat kwelde haar en deed haar wenschen, dat zij nu maar spoedig in het laatste uur mocht komen van haar verdrietig leven.

Mijne vrienden, wat ik u bidden mag, blijft toch uw geheel leven 'gedachtig, wat uwe vader, wat uwe moeder voor u gedaan hebben. Misschien zult gij eenmaal gehuwd zijn; denkt er dan aan, dat uwe vrouw jegens hare hulpbehoevende ouders dezelfde verplichtingen te vervullen heeft, als gij jegens de uwen te vervullen hebt. Denkt niet: „O, die gestichten zijn eenmaal opgericht, waarom zou vader of moeder er ook niet van profiteeren ? quot; Want die gestichten zijn opgericht, niet om kinderen te ontheffen van de verplichtingen, die uit bet Goddelijk gebod; „Eer uwen vader en uwe moederquot; voortvloeien; maar, om op de eerste plaats de ouden van dagen te helpen, die geene natuurlijke verzorgers bezitten op aarde. Die gestichten zijn opgericht .als eenc droevige noodzakelijkheid voor zulke vaders en moeders, die helaas! kinderen hebben voortgebracht, onmachtig om hen in hunnen hulpbehoevenden ouderdom te ondersteunen. Voor ouders, die het zielsverdriet moeten dragen op hunnen ouden dag, kinderen te hebben opgevoed, bij wie dankbare kinderliefde jammerlijk schipbreuk geleden heeft op de klippen van beschamende zelfzucht en laaghartig eigenbelang.

En, m. V., wilt ook dit niet vergeten. Als gij ooit aan uwe zijde eene vrouw zoudt hebben, van wie ge ondervinden gaat, dat zij hare liefde en verschuldigde dankbaarheid voor haren ouden vader of grijze moeder verloren heeft, mistrouwt dan ook hare liefde voor u. Vroeg of laat zult gij zelf ondervinden, dat hare liefde voor u niet bestand is tegen de rampen en wederwaardigheden des levens, die ook eenmaal nog uw deel kunnen worden hier op aarde.

ill

itlii.-;;

• III!

mm I lli: : M :

1 quot;if

llMl

,1

VIJFDE ONDERRICHTING.

Hoe koppige Trui op haren ouden dag: nog- straatventster werd J

Wij zijn bezig, m. V., met u den zin te verklaren van den regel, dien wij aldus omschrcvcn hebben: ., Een jonkman kan

m.

I-

I:

' li '

■ i' ■

I

ff:

ocr page 59

45

verplicht zijn, om wille van zijne hulpbehoevende ouders, ongehuwd te blijven, wanneer hij niet in staat is, om op eene andere wijze te voorzien in den nood, waarin zijne ouders zich bevinden; en alleen dan, wanneer door zijn ongehuwden staat het hooger belang zijner onsterfelijke ziel in gevaar zou komen, kan hij van die dringende verplichting ontheven zijn.quot;

Reeds hebben wij gezegd, wat onder dit woord „ noodquot; moet verstaan worden; en wel, niet enkel broodsgebrek, aanstonds komend voor hulpbehoevende ouders, wanneer hun kostwinner hen verlaat , maar ook de achteruitgang, het verval van hun huisgezin, niet op eens, maar langzamerhand komend, wanneer zij zonder kostwinner achterl)]ijven.

Reeds zijn wij begonnen met u deze beperking in den gestelden regel uiteen te zetten; „Indien het kind op geene andere wijze zijne hulpbehoevende ouders kan bijstaan, dan door bij hen te blijven.quot;

Twee middelen gaven wij reeds aan, die een kind, kostwinner van hulpbehoevende ouders, kan te baat nemen, om, getrouwd zijnde, toch deze zware verplichting der kinderliefde te blijven vervullen.

Als eerste middel gaven wij aan, een voortdurende en voldoende geldelijke ondersteuning, waartoe zulk een jonkman bij zijn huwelijk zk-li tegenover zijne hulpbehoevende ouders verbindt; eene verbintenis, die hij natuurlijk in staat moet zijn te kunnen houden, en die hij met allen ernst voornemens moet zijn ten uitvoer te brengen.

Het tweede middel noemen wij: „ Bi j vader of moeder introuwenquot; of „vader of moeder komt bij ons in.quot; En dat middel prezen wij u, als zeer aanbevelenswaardig, dringend aan. Immers, wordt dit middel goed uitgevoerd, dan aanschouwen wij de volkomenheid van liet Christelijk huisgezin, waarin het Goddelijk gebod: „Eer uwen vader en uwe moeder,quot; het best vervuld wordt. Maar wij mochten niet verzuimen u er op te wijzen, dat het groot aantal volkrijke gestichten voor behoeftige oude lieden, die tegenwoordig meer en meer noodzakelijk worden, ons het treurig bewijs zijn, dat dit middel, ook al wordt het dikwijls met den besten wil gekozen en aangegrepen, vaak in zijne uitvoering faalt, en dat liet introuwen bij ouders, of het inwonen van ouders, vooral bij hunnen gehuwden zoon, helaas! dikwijls voor hulpbehoevende ouders de treurige overgang is van hun gelukkig, zelfstandig huishouden, tot een droevigen ouden dag, doorgebracht in een openbaar gesticht van Christelijke weldadigheid.

Een derde middel nu, dat meerdere malen gekozen wordt, wanneer een jonkman tot zijn trouwdag wil komen , maar zich met de zorg van hulpbehoevende ouders belast ziet, is aldus te omschrijven; „De verschillende kinderen verplichten zich, om gezamenlijk hunne hulpbehoevende ouders te onderhouden. In een voorbeeld zal het u duidelijk worden. Eene oude moeder

ocr page 60

46

ziet haren jongsten zoon op het punt van te huwen en haar te verlaten. Zij heeft drie zonen, alle drie mannen, die door hunnen arbeid in zekeren welstand zijn. Daar de jongste nu trouwen gaat, zijn de drie broeders liet gezamenlijk eens „moeder moet geen gebrek hebben.quot; Nu, een man, die geregeld'sweeks twaalf, veertien, bij de lange dagen soms zestien gulden verdient, kan wel één, twee gulden in de week voor moeder missen; dat maakt met hun drieën vijf, zes gulden, waarmede moeder, als vrouw alleen, goed de week kan rondspringen. Bovendien: „ons huis staat voor moeder altijd open; als gij wekelijks niet een dag bij mij zijt, dan word ik boos op u, hoor moeder,quot; zoo spreken de drie broeders, een ieder op zijne beurt, en alles is in der minne geschikt, en moeder zelve is waarlijk ook met de schikking tevreden. Want dat vrijen van haren jongsten zoon begint haar erg te vervelen, naar haren zin heeft het reeds veel te lang geduurd. „ Als het dan toch eenmaal tot een trouwen moet komen, dan maar hoe gauwer, hoe liever,quot; denkt moeder, en zij is blijde, wijl zij op zich zelve kan blijven. Want bij één der jongens ingaan, neen, dat nooit! „Vrijheid, blijheid en je vrijigheid is toch maar alles!quot; met die leus heeft de moeder den familieraad geopend en sluit zij dien nu ook, want nog eens „je vrijigheid boven alles!quot;

Zoo werkt alles te zamen , om er een vroolijke bruiloft van te maken. Op den ochtend van den trouwdag is de trouwkoets statig de straat ingereden. De geheele buurt is uitgeloopen om den jongen bruidegom te zien wegrijden; en in een tweede statige koets is moeder, prachtig opgeschikt, naar het stadhuis gereden. In de kerk heeft de pastoor het zoo mooi bijgebracht, „wat kinderen aan eene brave moeder verschuldigd zijn; zij mogen nimmer vergeten, dat de plicht van kinderliefde en kinderlijke dankbaarheid immer op de kinderen blijft drukken,quot; en onze broeders, die wel denken kunnen, dat moeder hun plan van die vijf, zes gulden in de week aan den pastoor heeft uitgelegd, kijken onder de preek verlegen voor zich; want, zie je, het is wel streelend voor het hart, om in het openbaar eens een pluimpje te krijgen, „maar een mensch wordt er toch even raar van,quot; denken onze broeders, — en zij hebben in het geheel niet begrepen, dat pastoor met dat pluimpje eigenlijk bedoeld heeft, hen nog eens ernstig te vermanen, om toch, zoo lang moeder leeft, in hun gemaakt plan getrouw te volharden. Na eene vroolijke bruiloft wordt moeder in eene prettige stemming, door de beide oudste zonen, laat in den avond naar hare nieuwe woning gebracht. Haar kamertje ziet er lief en vriendelijk uit, en de oude vrouw is te vermoeid, om er lang over na te denken, dat zij nu voor goed alleen is. Maar in haar eersten dommel speelt toch door haar doezelend brein de vraag; „Waarom toch eigenlijk een mensch verlangt, de kinderen groot te zien?quot;

ocr page 61

47

Wat nu zullen wij van dit middel zeggen? Dit middel op zich zelf beschouwd, is goed en zelfs aan te prijzen, ja kan somwijlen de voorkeur verdienen hoven het tweede middel, dat wij besproken hebben. Door dit middel toch behoudt de moeder hare eigene woning. Zij kan, zooals zij haar geheel leven gewoon was, haar eigen potje blijven koken, in één woord zij blijft haar huishoudentje zelfstandig besturen en staat niet bloot aan het kwaad humeur van schoonzoon of schoondochter. Voor haar zelve blijft zij buiten gevaar van een al te pruttelige grootmoeder of eene al te bemoeizieke schoonmoeder te worden. Op haar kamertje is zij op haar eigen grondgebied, en als /.ij dan des avonds weder tb nis is, dan kunnen eigene en aangetrouwde kinderen, — die het toch goed meenen met moeder — misschien eens klagen: „Wat was moeder toch weer pruttelig! het houdt wat in, om het moeder naar den zin te maken!quot; maar, het gaat dan toch gemakkelijker, Om welgemoed er bij te voegen: „enfin, bij een oud mensch, moet men veel door de vingers zien!quot; En de moeder, alleen op haar kamertje rustig op haren stoel gezeten, kan weder bij haar eigen pruttelend kofliepotje, vrij adem schoppen, „want lief en aardig zijn de kleintjes van Willem, doch woelig, erg woelig; het is jammer! maar ^lie geeft ze veel te veel toe.quot; — Gewoonlijk echter heeft grootmoeder de grootste schuld; zij heeft de kinderen bedorven, want zij is er veel te mal mede.

Toch leert de ondervinding, dat ook dit middel dikwijls faalt. Waarom? Wij willen hier eenige redenen aangeven, ter waarschuwing tevens voor hen, die dikwijls later op zulk eene wijze eene hulpbehoevende moeder of schoonmoeder moeten onderhouden.

V-ooreerst speelt de jaloerschheid dikwijls hare kwade rol bij de uitvoering van dit middel.

„Ik zou wel eens willen weten,quot; vraagt Mie, de schoondochter, aan haren man, „waarom moeder liever bij Ka, dan bij ons schijnt te komen? Zij zit er bijna den geheelen dag.quot;»

Een anderen zoon moet telkens de klacht zijner vrouw aanhooren, dat moeder meer hangt aan de kinderen van Jan, dan aan zijne kinderen.

En bij een anderen zoon weder kan men hooren: „'t Is geen wonder, dat moeder bij Hein de deur plat loopt; het is me ook maar geen roijale boel bij Hein! het zit er aan bij hem met zijn veertien gulden in de week! Nu wat mij betreft, als Hein zin heeft, raag hij mijn twee gulden wel overnemen. Wij zijn dagelijks met ons negen en kunnen ze dus best zelf gebruiken!quot; Dit laatste doet de deur dicht, en honderd tegen één, dat eer er twee maanden voorbij zijn, moeder een derde gedeelte van haar inkomen verloren heeft.

Uit do jaloerschheid volgen gemakkelijk het kwaadspreken, de laster en het verderfelijk kwaadstoken. Ziehier een voorbeeld. Moeder komt, naar den zin van hare schoondochter. Mie, veelte

ocr page 62

4S

druk quot;bij Ka, een andere schoondochter van liet oude moedertje: „Hoe dat toch mogelijk is! denkt Mie. Zij zal moeder toch bij gelegenheid eens over die Ka mot hare valschc vriendelijkheid inlichten; de oude ziel moet het toch weten.quot; Nu die gelegenheid vindt Mie spoedig.

„Zoo, moeder, zijt gij daar; kom er in, hoe gaat het? koud buiten, he? ga hier zitten in het hoekje, bij de kachel.quot;

Moeder ontdoet zich van haren dikken, warmen doek en kruipt in het aangewezen hoekje.

„ Dat bakje zal u goed doen, moeder,quot; zegt Mie, eh schenkt tegelijk een kopje kokende koflie in met veel suiker, want moeder houdt van veel zoetigheid.

„Moeder, laat ik u nog eens een lekker boterhammetje maken; diit zal smaken!quot;

„Dank je kind,quot; antwoordt het moedertje; ik heb juist bij Kaatje een stukje moeten eten; heusch! .Mie, op het oogenblik blief ik niet.quot;

„Zoo, moeder,quot; zegt Mie op minder vriendelijken toon, „zijt gij eerst weder bij Ka aangeland; ik dacht liet wel, moeder komt weer laat, zij zit zeker weer bij Ka.quot;

„Och! kind, wat zal ik je zeggen, ik moest er toch voorbij, en was benieuwd, of zij gisteren avond goed thuis gekomen was.quot;

„Zij was zeker weder erg vriendelijk, niet waar, moeder? Toch....quot; zoo gaat Mie voort, na een oogenblik gewacht te hebben, „toch moet ik u eens iets zeggen, wat ge al lang hadt moeten weten. Ik ben een Pietje-recht-uit, en met den strooppot loopen kan ik niet. Ge weet, moeder, veel houd ik van je, al wil ik ook soms wel eens zeggen, waar het op staat; achter den rug praten kan ik niet. Maar ik zeg u, moeder. Ka heeft ze achter de mouw. Daar hebt ge nu niet langer dan gisteren avond geleden, wat was ze dol hartelijk en vriendelijk, toen zij u goeden nacht .zoende! Maar toen wij zamen naar huis gingen, hadt gij haar eens moeten hooren! Wat heeft moeder weder uitgehaald! zei zij, kaas en rookvleesch, en koek en eieren, alsof het een bruiloft was!quot;

Waarheid was het, dat de goede hartelijke Ka dit gezegd had, maar in een geheel anderen zin, dan die nu werd voorgesteld. Ka had er dan ook bij gevoegd, „je mot van haar houden, of ge wilt of niet, zoo'n in-goedig mensch, als zij is,quot; maar die laatste woorden bracht de jaloersche, kwaadsprekende Mie aan moeder niet over.

„Dat kan ik van Kaatje niet gelooven,quot; roept het moedertje driftig uit, „dat zou valsch zijn,quot; en verontwaardigd draait zij haar grijs hoofd naar het raam, want .Mie kijkt haar nu veel te scherp in de oogen.

„ En ik zeg u, antwoordt Mie, dat Ka een valsch mensch is, die gij niet te veel moet vertrouwen. Ik wilde het nu gisteren

ocr page 63

49

avond eens voor goed weten, hoe Ka over u denkt, en daarom zeide ik, zoo lachend weg: „Nu Ka, het is goed riemen snijden uit het leer van een ander.quot; En wat antwoordt zij , denkt gij ? Hot is schande, dat ik het zeggen moet, maar met haar valschen mond zeide zij: „ het is maar jammer Mie, dat onze manslui er zoo hard voor werken moeten.quot; Ook dat had Kaatje gisteren avond bij het naar huis gaan gezegd, maar niet als antwoord op dat spreekwoord van leer en riemen. Toen Mie dat zeide, had de goede Kaatje een boos guzicht gezet in de donkere straat, en maar gezwegen, want zij wilde dezen avond geen ruzie maken met die babbelachtige Mie. Maar Kaatje had van het harde werken barer mannen gesproken, toen Mie haar in hare ij delheid dien nieuwen gouden ring getoond had, dien zij aan haren vinger droeg, en dien zij haren man had afgeperst, alleen om dien Ka eens den loef af te steken. .

Moeder gelooft er niets van, dat Ka, die hartelijke, oprechte Ka, oen valsch mensch zou zijn, maar toch, wanneer zij tegen den avond naar huis wederkeert, loopt zij een ander straatje in en is op haar kamertje terug, zonder de woning van Kaatje voorbij te zijn gegaan.

Kaatje vindt het dien avond vreemd, dat moeder nog niet gekomen is. Zij heeft de test van moeders stoof reeds tweemaal moeten voorzien, opdat deze goed heet zou zijn, wanneer moeder eens even rusten komt.

„Acht uur, denkt Kaatje, op de klok ziende, waar moeder blijven mag? het is zoo glad op straat; kom, ik loop even naar Mie heen.quot;

Als Ka op straat voortgaat, denkt zij aan dien gouden ring van Mie: „Ik had dat eigenlijk toch niet moeten zeggen, het is wel waar, maar zij voelde den zet toch.quot;

Bij Mie binnen gekomen staat Ka er waarlijk verbaasd over, zoo hartelijk als Mie haar dezen avond ontvangt. „ Dat vindt Mie nu waarlijk eens recht zusterlijk. Grut, als zusters elkander niet liefhebben en troosten, wie moeten het dan in 's hemelsnaam doen. Ga toch gauw bij de kachel zitten, mensch! je zal wel koud zijn,quot; en na dit gezegd te hebben, slaat zij haar arm om den hals van de verbaasde Ka en zij kust hare blozende wangen wel vijf, zes malen, als had zij haar in geen tien jaren gezien.

Kaatje begrijpt niets van die hartelijkheid, zoo ongewoon in hare zuster Mie, en terwijl zij zoo ten halve op den bijgeschoven stoel zitten gaat, vraagt zij „of moeder reeds naar huis is?quot;

„O, al vóór dat de klok zes uren sloeg, was zij weg,quot; zegt Mie op schamperen toon. en alsof zij zich niet langer kan bedwingen, valt zij Ka andermaal om den hals en na haar nogmaals over-dre ven hartelijk gekust te hebben, barst zij eensklaps in een luid gehuil uit en legt haar hoofd up den schouder van Kaatje neder. Door die zenuwachtige kuur van Mie raakt Ka geheel en al in Levensst. 4

ocr page 64

de war. „Lieve Mie, kom beste zus, zegt zij troostend, wat is er? stort uw hart maar uit voor uwe trouwe zus; zeg, waarmede kan ik je troosten eu helpen?quot; Maar Mie heeft nog geen zin, om hare komedie te eindigen en harder nog wordt haar huilen, zoodat de goede Ka geheel van haar stuk geraakt.

„ Zou zij zich, denkt zij, den zet over dien ring zóu erg aangetrokken hebben; dat zou mij bitter spijten----ja, ja, zegt zij in

zich zelve, dat zal het wezen.quot; En nu nog meer bedremmeld, daar zij gelooft de schuld te zijn van de droefheid barer zuster, spreekt zij vol liefde. „Ach Mie! ge moet u dat zoo niet aantrekken; een mensch zegt wel eens meer iets, wat verkeerd is; uw goede man weet het beste, wat een goed wijfje gij voor hem zijt en met geen duizend gouden ringen, zou hij een tweede vrouw, zooals gij, kunnen koopen.quot;

Zoo vleit en liefkoost Kaatje hare ziTstcr in de hoop, dat deze getroost moge worden en haar hare ondoordachte woorden van gisteren avond vergeven zal.

„Zie zoo, denkt Mie nu, nog immer met baar hoofd op Kaatjes schouder liggend, dat woordje van gisteren avond hebt ge dan toch met je schijnheilig mondje terug moeten nemen; en nu je straf!quot;

Het goede oogenblik ziet Mie nu gekomen. Zaj heft haar hoofd ten halve op van den schouder barer zuster en roept zuchtend uit: „Dat wij vrouwen toch zoo ongelukkig moeten wezen!quot;

Ka begrijpt daar niets van; zij is aan de zijde van haren man zoo gelukkig, als zij maar wenschen kan. ,, Ja maar, herneemt Mie, en zij droogt haar gelaat nog eens af— want tranen als tuiten heeft zij gehuild — en gaat nu rechtop naast bare schoonzuster zitten, „ja maar, beste Ka, is het voor jou niet bitter, dat moeder over je spreekt, als of ge eene slechte vrouw voor uw man waart? Kijk! wat zij van mij achter den rug zegt, wil ik niet eens weten. Ik heb mijne gebreken en mijn man moet er maar geduld mede hebben; maar jou, zoo'n engel van een mensch, aldus te bekladden, alsof gij door en door slecht waoxt, zie, dat vind ik laag van moeder, dat gaat mij door het hart als een mes; dat mag ik je niet zwijgen, opdat de duivel niet tusschen jou en je goeden man- kome. Het is waar, zoo gaat Mie langzaam voort, God heeft je geen kinderen gegeven — en dit zeggend ziet zij heen naar de bedstede, waarin haar zevende jongste gerust slaapt — maar zijt gij daarom slecht, en is uw goede man daarom ongelukkig en niet zoo tevreden als mijn man; is hij daarom zoo stil en afgetrokken, zooals moeder meent, terwijl mijn man altijd opgeruimd en vol kluchten is ? Ka, lieve Ka, zoo besluit Mie hare giftige woorden, laten wij goed blijven voor moeder; zeg uwen man toch nooit, wat ik u heb moeten openbaren — in een armhuis zou zij nog te recht komen! — maar wat ik u bidden mag, houd moeder

ocr page 65

51

zooveel mogelijk van den vloer; gij kunt haar niet vertrouwen; zij is in staat om uw man, met wien gij zoo gelukkig zijt, voor altoos van jc af te trekken.quot;

Alsof een adder haar gestoken heeft, zoo bloedt het hart van de zoo gevoelige Ka; geen woord kan zij sproken; bevend, als was een koude koorts haar op bet lijf gevallen, is zij opgestaan van haren stoei; hare tanden klapperen op elkander; zwijgend lenst zij de wangen van hare trouwelooze, afgunstige en laster-zieke zuster. Zij ijlt de straat op, terug naar hare woning, tot nu toe voor baar aan de zijde van haren man een paradijs, maar nu voor haar een hel wordend; want haar man is de gelukkige man niet, zooals bij zich aan haar voordoet ; „moeder alleen kan het weten! quot;■

En Mie, do snoodo lasteraarster wrijft zich tevreden de handen en oen booze lach komt op haar gelaat te voorschijn. „Wij zullen zien, zegt zij in stilte, of moeder nu nog zoo welkom bij haar zal wezen. En gij Ka, moogt het nog eens probeeron, om op mij to smalen, als ik voor mijn dag en nacht tobben, eens oen ringetje meer aan den vingar heb dan gij. Beproef het vrij; ik zal dat je fijn hartje wel afloeren.quot;

V\ at nu is liet gevolg van die jaloerschheid, van dat lasteren en kwaadstoken? Moeder blijft bet niet gelooven, wat Mie van die goede Kaatje gezegd beeft, maar zij zal er toch eens op letten, of Kaatje het werkelijk zoo goed meent, als bet wel schijnt ; zij zal vooreerst eens een poosje wegblijven en afwachten, hoe zij zich intusschen houden zal? Ziedaar hot besluit van do misleide moeder.

En Kaatje, hoe zij ook nadenkt, zij is gedwongen om te gelooven, dat hot toch waar is, wat Mie haar van moeder gezegd hoeft. „Hoe is hot mogelijk? roept Kaatje droevig uit, uiterlijk altijd vriendelijk en hartelijk, en altijd mijn liefste vóór en mijn liefste na, en toch zij gelooft, dat ik hot ongeluk van haren oudsten, van haren oogappel, van mijn liefsten man ben. „O moeder, roept zij in stilte uit, dat is niet braaf van u gesproken, dat kunt gij bij God nimmer verantwoorden, moeder!quot;

Moedor komt niet bij Ka en Ka komt niet bij moeder. Zoo verloopon twee, drie weken, waarin Mie baar best doet, om liet vuurtje in beider hart nog meer aan te blazen.

„Daar moet een einde aan komen,quot; denkt Karei, de man van Kaatje, en als hij op dien avond te huis komend alweder zijn eertijds zoo vroolijk vrouwtje met een treurig gezicht daar ziet zitten, dan zegt hij eensklaps op oen toon, dien hij niet gewoon is tegenover zijne zachtzinnige vrouw aan te slaan: „Vrouw, spreek! wat zit or tusscben u en moeder? Hot is nu lang genoeg; gij zult je nog geheel en al doodkniozen. Spreek, wat hebt ge met moeder gehad? ik wil liet weten!quot;

Kaatje, die baron man nog nimmer zoo bar tot haar heeft hooren sproken, wordt bij die woorden geheel onthutst. Zij kan

ocr page 66

52

het op haren stoel niet uithouden, maar werpt zich in de armen van den man, dien zij zoo zielsveel bemint. Zij slaat haren arm om zijn hals en kust hem op zijn goedig gelaat wel vijf, wel tien malen en tusschen hare luide snikken door weeklaagt zij aan zijn oor over haar zelve, wijl God haar niet geelt, wat het geluk van haren liefsten man zou zijn.

„Mijn schat! roept Karei uit en hij drukt dc vrouw, die hij bemint meer dan zich zeiven, aan zijn hart. Hoe, zou ik niet gelukkig zijn , als gij mijn best wijfje de mijne zijt? Geen ander geluk verlang ik en vraag ik van God, dan dat gij altijd blijft aan mijne zijde,quot; en hij wil de tranen wegkussen, die immer blijven stroomen op haar schoon en aanvallig gelaat.

„Maar gij weet dit sinds jaren, zoo gaat Karei op zachten, vleienden toon voort, en dit is het niet, wat mijn liefsten schat zoo droevig maakt in de laatste weken. Kom, laten wij zamen naar moeder gaan. Ik weet hoezeer zij u altijd als haar helste kind bemind heeft. Spreek openhartig met haar en alles zal weder goed komen tusschen u beide.quot;

Doch het engelachtige vrouwtje denkt aan het woord van Mie: „zeg toch nimmer aan uw man, wat ik u nu heb moeten openbaren; in een armhuis zou zij nog terecht komen.quot; „Wat zou hij boos worden, als hij liet hoorde, wat moeder over haar gezegd heeft tot Mie; en een kind mag immers geen wraak nemen op eenc moeder?quot; Zoo denkt de waarlijk godvreezendc Kaatje. Neen zij gaat niet mede met haren man naar moeder; zij vertrouwt zich zelve niet; als het eens tot woorden kwam met moeder! Zij mocht zich eens een oogenblik vergeten, en moeder verwijten, wat zij over haar gezegd heeft tot Mie?

„Ik kan nu niet mede gaan naar moeder, spreekt Kaatje, maar ga gij er heen. Karei, en vraag haar, waarom zij in de laatste weken zoo veranderd is? Als ik schuld heb, o, op mijne knieën zal ik haar vergiffenis vragen!quot;

Karei gaat dan alleen naar zijne moeder. Hij komt bij haar binnen en vindt moeder stroef en bitter dien avond. Moeder is eene vrouw van een standvastig karakter, maar daarom is zij dikwijls ook stijfhoofdig. De buurt, waar zij vroeger zoovele jaren gewoond heeft, noemde haar „koppige Trui.quot; Mie, die haar goed kent, heeft haar in de laatste dagen zeer behendig en ongemerkt opgezet, ook tegen Karei, die altijd moeders lieveling is gebleven. Zij heeft in het verbitterde hart van moeder gefluisterd, dat die Karei zich wel wat veel op zijn geld liet voorstaan, waarmede hij moeder ondersteunde; „alsof het genadebrood is, moeder,quot; zoo heeft de slechte Mie aan het oor der moeder gesist. Dat woord heeft haar hart diep gestoken en als Karei nu zitten gaat tegenover haar, en wel wat stug is dien avond, want hij weet niet, hoe het aan te leggen, om moeders gedrag tegenover zijne vrouw aan te roeren, zie, dan denkt de oude vrouw: „ Mie heeft

ocr page 67

53

gelijk, hij is de beste jongen niet meer van vroeger.quot; Maar dat duldt zij niet. „Voor hare kinderen huigen, dat nooit!quot; zoo bonst het in haar hart; en als Karei haar de drie gulden zwijgend toeschuift, dan stuift zij eensklaps op van haren leuningstoel en werpt de guldens terug naar Karei, en wat zij niet had moeten zeggen, want dit kon Karei niet verduren, dat schreeuwt zij nu uit met bevende stem: „vort, vort met je geld! maak er je valsche vijl blijde mede; liever sterf ik van den honger, dan dat ik nog één cent zou willen aannemen van haar.quot;

eg ijlt Karei uit het kamertje zijner moeder, hij heeft geen woord geantwoord; maar diep grieft liet hem, dat moeder zijn best vrouwtje voor „een valscli wijfquot; heeft gescholden. „Een valsch wijf,quot; zóó beeft het op zijne lippen , zóó trilt het in zijn hart bij iedere schrede, die hij op zijn weg naar huis voortgaat. Hij zal dat woord zwijgen voor zijne vrouw, en morgen zal hij nadenken, wat hij doen zal. Morgen zal moeder misschien anders, misschien handelbaarder zijn.

En de morgen komt voor de bedrogen moeder, maar de morgen vindt haar niet veranderd. Vi®g in den ochtend is zij opgestaan; koppig is zij en zij zal nog vele jaren koppig blijven. Zij schudt zich hare kinderen af, want van hare kinderen wil zij het „genadebrood ' niet eten. Zij zoekt het mandje op, waarin zij reeds meer dan dertig jaren de boodschappen voor haar huisgezin gehaald heeft; en het oude zwarte zeiltje, dat reeds zoovele jaren op hare taiel dienst deed, vouwt zij in vieren, zoodat het als een deksel past op het oude mandje. En uit haar kamertje tredend, sluit zij hare deur nu op het slot; want de kinderen mogen niet langer vrij oploopen op moeders kamertje. Zij gaat de straat op cn slaat den weg in naar het kantoor, waar men een klein patent als roijdventstèr kan koopen, en van hare laatste twee gulden schalt zij zich wat lucifers en zeep aan; en zij begint haar nieuw beroep als straatventster ?.... neen als bedelaarster! liever dan uit de hand barer kinderen „het genadebroodquot; te eten.

Het is slechts ecu voorbeeld, m. V., u voorgesteld, opdat gij immer in uw later leven zoudt gedachtig blijven, welk een groot kwaad de jaloerschheid tusschen broeders en zusters uitwerken kan.

Hoedt u immer voor de kwaadstokende tong in uwe naaste omgeving. Denkt er altoos aan, dat de jaloerschheid dikwijls verderfelijk heerscht onder broeders en zusters; en dat voor een jaloersch mensch niets heilig is, indien hij voor zijne afgunst zijn slachtoffer zoeken gaat.

Opdat derhalve dit derde middel, waarover wij nu spreken, in zijne uitvoering niet fale, is een hechte band van ware broederlijke liefde en eensgezindheid noodzakelijk. En die onderlinge lietde moet, zoo noodig, bestand zijn tegen iedere voorliefde, waarmede eene moeder het eene huisgezin boven het andere.

ocr page 68

54

de eene schoondochter boven de andere, de kinderen van den eenen zoon boven die Aran den anderen stellen zou.

Indien gij ooit, m. V., in de noodzakelijkheid zult komen, om op zulk eene wijze, in vereeniging met andere broeders of zwagers, eene hulpbehoevende moeder of schoonmoeder te onderhouden, zoekt dan nimmer in iets anders de voldoening voor de offers, die gij brengen zult, dan in het blijde bewustzijn van een hoogen plicht jegens uwe ouders te vervullen. Beschouwt die offers, die gij brengen zult aan uwe hulpbehoevende ouders , nimmer als eene weldaad, die gij aan hen doet, maar als de vervulling van een heiligen plicht, waarvoor gij noch uit den mond uwer ouders, noch uit hun goede gezindheid jegens u ooit een blijk van dankbaarheid wilt ontvangen. Wordt nimmer boos op uwe oude moeder, m. V., als zij niettegenstaande uwe offervaardigheid, soms knorrig en pruttelend blijft tegenover u en uw huisgezin; maar neemt immer den schijn aan van boos te worden, als uwe hulpbehoevende moeder u dankbaar wezen wil voorden plicht, dien gij vervult jegens haar. Eene moeder behoeft slechts tegenover hare kinderen dankbaar te zijn in haar gebed aan God. Het kind vervult jegens haar slechts een plicht , dien God beloonen zal, gelijk Hij de onderhouding der overige geboden zal vergelden. God zegt: „Eer uwen vader en uwe moeder, opdat gij lang moogt leven hier op aarde.quot; Is deze tijdelijke belooning, die God aan dit gebod verbindt, ook niet eene aanduiding, dat God zelf als de dankbare wil optreden in de plaats der ouders, wijl de verhouding, waarin ouders staan tegenover hunne kinderen, geene plaats laat voor die dankbaarheid?

Hoe schoon overigens het middel, waarover wij nu spreken, moge zijn, en hoe gemakkelijk zijne uitvoering ook moge schijnen, immer blijft het spreekwoord waar: „Dat ééne moeder gemakkelijker tien kinderen kan onderhouden, dan tien kinderen eene moeder.quot; Wat is dikwijls het geval? In het begin gaat alles goed en met een blij hart brengen de kinderen hun wekelijksch aandeel voor het onderhoud van hun hulpbehoevenden vader of moeder; maar die wekelijksche bijdrage is in de meeste gevallen een offer, en dat offer komt telkens, iedere week terug. Eene week is zoo spoedig omgevlogen! \\ anneer de verdiensten van de week binnenkomen moet er aanstonds reeds zooveel at voor eigen huisgezin: huishuur, begrafenisfonds, ziekenbos en „dan nog die gulden, die daalder voor moeder.quot; M. V., op den duur is er eene edelmoedige, zich zelve vergetende kinderliefde noodig, om op zulk eene wijze hulpbehoevende ouders te blijven ondersteunen. Daarbij komt nog, dat het zoo gemakkelijk kan voorkomen, dat er nu eens voor den eenen, en dan weer voor den anderen zoon weken komen, waarin er niets of weinig verdiend is geworden. Deukt maar eens aan de tijden van ziekte of van weinig of geen werk. Hoe gemakkelijk kan het dan voorkomen, dat ook een

ocr page 69

goede zoon uitroept: „waarachtig! ik kan dat iedere week met moeder niet volhouden! quot;

Om al deze genoemde redenen kunnen wij ook dit middel slechts zeer voorwaardelijk aanprijzen. Wil oji den duur aan hulpbehoevende ouders een zorglooze oude dag verzekerd zijn, dan wordt er van de zijde der verschillende kinderen vereisCht eene edelmoedige , offervaardige liefde en eene hechte onderlinge eensgezindheid; twee vereischten, die hoe wenschclijk ook, maar al te dikwijls gaan ontbreken wanneer jaloerschheid, eigenbelang en zorg voor eigen huisgezin in het spel gaan komen.

ZESDE ONDERRICHTING.

Het beste middel.

Wij hebben u dan, m. V., drie middelen aangegeven, die een jonkman kan te baat nemen, wanneer hij, verplicht om een hulpbehoevenden vader of moeder te verzorgen, tot een huwelijk wil overgaan.

Welk dier drie middelen nu zal hij moeten kiezen?

Alvorens wij deze vraag beantwoorden, willen wij met u de uitzondering bespreken, die bij den vastgestelden regel is aangegeven. Een kind, zeiden wij, kan verplicht zijn om ongehuwd te blijven, om wille zijner hulpbehoevende ouders, wanneer hij op geene andere wijze in den nood zijner ouders voorzien kan, en alleen, wanneer het hooger belang zijner onsterfelijke ziel er mede gemoeid wordt. kan het kind van die dringende verplichting ontheven worden.

Er kunnen bij een jonkman toestanden der ziel voorkomen, waarin het voor hem zoo al geen plicht, dan toch het beste redmiddel wordt, „te huwen.quot; Het zou niet mogelijk zijn u hier deze toestanden ook slechts te noemen. Herinnert u, m. V., wat wij in een onzer vroegere onderrichtingen zeiden, toen wij u het woord van den Apostel verklaarden: ,, Het is beter te huwen dan te branden.quot; Dit is eene zaak van het geweten ; een biechtvader kan gehouden zijn, om een jonkman op de meest dringende wijze aan te manen, om tot een huwelijk over te gaan. Hij zal zeker eerst tot deze dringende aanmaning besluiten, wanneer meerdere andere middelen te vergeefs tot zedelijke verbetering van zulk een jonkman beproefd zijn geworden. In zulk een toestand der ziel zal voor den jonkman de zaak zijner zaligheid rechtstreeks en in onmiddellijk gevaar komen, en zal een huwelijk het beste middel

ocr page 70

zijn, om dit hoogste gevaar af te wenden van hem. Dan zal de nood zijner onsterfelijke ziel moeten gaan vóór iederen lichame-lijken nood , waarin zijne hulpbehoevende ouders door zijn huwelijk zouden kunnen komen. Hij zal dan niet alleen mogen, maar zelfs moeten trouwen. Nogtans ontheft hem deze verplichting niet van dien anderen plicht, om zijne hulpbehoevende ouders bij te staan en te ondersteunen. Integendeel, zoo goed en zooveel hij zulks vermag, zal hij voor hen zorg moeten blijven dragen, ook wanneer hij gehuwd is. Hij zal dan moeten uitzien naar een middel, om zoo goed mogelijk aan die beide verplichtingen, die op hem drukken, te voldoen. In de meeste gevallen zal zulk een jonkman geen ander middel kunnen kiezen, dan bij zijn huwelijk zijne hulpbehoevende ouders op te nemen in zijn huisgezin.

Hier nu vooral is het de plaats, m. V., u er op te wijzen, dat zij allen, die dergelijke verplichtingen te vervullen hebben, niet genoeg kunnen vermaand worden, om bij de keuze van eene aanstaande vrouw ernstig toe te zien, welk eene schoondochter zij aan hunne ouders zullen geven. Meer nog dan anders, zal zulk een jonkman bij de keuze van eene vrouw moeten toezien, dat hij aan zijne hulpbehoevende ouders eene schoondochter geve, in staat en bereid om in eene edelmoedige en offervaardige liefde met hem den plicht van kinderliefde te deelen; cenc vrouw, die welgevallig zal wezen, ook aan hen; want ook zij zullen moeten leven met haar, en in hunnen ouderdom misschien liefdediensten behoeven, die de hoogste toewijding van de zijde der vrouw zullen vorderen.

Onverantwoordelijk zou zulk een jonkman handelen, indien hij in dergelijke omstandigheden alleen letten zou op zijne persoonlijke genegenheid en het belang zijner hulpbehoevende ouders geheel en al uit het oog zou verliezen. Immers op hem dan zou geheel de zwaarte drukken van de schuld, wanneer het later in zijn huisgezin tusschen zijne ouders en zijne vrouw niet goed zou gaan, en uit de ontstane oneenigheid volgen zou, dat zijn vader of moeder zijn huisgezin verliet, om armlastig te worden en zich aan de openbare weldadigheid over te geven.

Nadat wij dit over de gemaakte beperking van den vastge-stelden regel vooropgesteld hebben, komen wij terug op de vraag: Welke der drie aangewezen middelen als het beste is aan te prijzen, om in den staat des huwelijks hulpbehoevende ouders te ondersteunen en te verzorgen.

Ofschoon, m. V., het waarheid is, dat het menschelijk leven, zoozeer verschillend bij ieder, vol is van uitzonderingen en wat voor den eenen mensch goed is, vaak voor oen ander slecht moet genoemd worden, terwijl wat voor den een minder goed en dienstig is, voor een ander uitmuntend en heilzaam zal zijn, zoo aarzelen wij toch niet, om als het beste middel het inwonen van hulpbehoevende ouders bij hunne gehuwde kinderen, u aan

ocr page 71

•■}lt;

te geven. Hot is mijne heilige overtuiging, dat op die wijze een kind het meest en het best zal beantwoorden aan het gebod van God: „Eer uwen vader en uwe moeder, opdat gij lang moogt leven hier op aarde.quot; De plaats van eenen ouden hulpbehoevenden vader of moeder is in het huisgezin van hun kind, m. \ . Daar waren zij in do tijden van levendig geloof, toen er nog geeno inrichtingen noodig waren om hulpbehoevende ouden van dagen bijeen te vergaderen. Wij vinden hen nog lieden in dio waarlijk Christelijke huisgezinnen, waar dikwijls do deugd van kinderliefde zoo schoon en treffend geloerd wordt uit het voorbeeld van edelmoedige liefde, waarmede ouders hunne eigene ouders eerbiedigen en bijstaan. Zeker ook door geldelijke ondersteuning kunnen kinderen op verschillende wijzen hunne hulpbehoevende ouders onderhouden. Maar hoe schoon en hoe kiesch overigens ook de vorm moge wezen, waarin die geldelijke ondersteuning hun verschaft wordt, blijft zij niet in vele gevallen de aalmoes, waarmede kinderen, om zoo te spreken, den last willen atkoopen, dien de verzorging en verpleging van een ouden vader of moeder noodzakelijk met zich brengen? Of is het niet treurig te moeten getuigen, dat er maar al te veel oude, gebrekkige vaders en moedors zijn, die toch nog eigen kinderen bezitten, en die op hun bed van smarten alleen daar nedeiiiggen en van de willekeur van vreemden moeten afhangen. De kinderen gevoelen zich van alle verdere verplichtingen jegens vader of moeder ontheven, als zij mot hun geld gezorgd hebben, dat do huishuur en het noodige levensonderhoud hun verstrekt worden. Zoo nu en dan eens inloopen bij moedor; als zij ziek is, een uurtje troostend bij haar ziekbed zitten. Maar dan haastig weder weg, want de drukte van eigen huisgezin gaat voor en moet inderdaad ook voorgaan, en moeder, die ziek en oud is, en voortdurend kleine, maar toch dringende liefdediensten behoeft, blijft alleen daar nederliggen op haar eenzaam kamertje en is blijde, als de buren haar niet geheel en al vergeten.

Soms vindt men aan hot ziekbed van zulk een oudje, een Hef en aardig kleindochtertje, dikwijls zulk een, die om op hot zieke oudje te passen, uit do school mag blijven. Het is waar, zoo'n lief, klein ziekenoppassertje wordt dikwijls zeer schoon in versjes en in boekjes beschreven. Ik ben echter reeds meerdere malen in de gelegenheid geweest, om zulke lieve ziekenoppassertjes aan het ziekbed van oude grootmoeders te beschouwen. Maar wat was dan de werkelijkheid? Eene grootmoeder, die veel van de kleine hield en eene kleindochter, die o zoo lief en aardig voor grootmoeder wezen kon. Maar daarom was het oudje niet minder ontevreden, en, naar mijn oordeel, niet geheel ten onrechte pruttelig. Een kind blijft een kind, een lieve speelpop voor eene goedhartige grootmoedor. Maar eischt geen ernstige zaken van een kind. Denkt niet dat oen kind in staat is, om bij eene oude,

ocr page 72

58

gebrekkige vrouw, de taak van ziekenoppaster te vervullen. Het kind mist er de kracht, de kennis en den ernst toe. Den eersten dag is het blijde met de taak, door hare ouders haar opgelegd. Onbewust is het er mede gestreeld, dat men haar zulk een belangrijke zaak toevertrouwt. Op dien eersten dag kan het nog het lieve kleinkind zijn, zooals de dichters het ons afschilderen met eene naieve bedrijvigheid alles beschikkend en met zoete, kinderlijke bezorgdheid alles regelend aan het ziekbed van het oude grootje. Maar op den tweeden dag is de aantrekkelijkheid van het ongewone reeds aan het verminderen. Spoedig wordt het voor de levenslustige kleine toch wel wat ecntoonig, zoo voortdurend op het stille kamertje van de zieke, somtijds grommige grootmoeder te moeten zijn en op den derden dag zegt het oudje reeds: „ik heb niets aan dat kind, zij is meer op straat dan bij mij.quot;

Weet gij, m. V., waartoe zoo'n kleine meid goed is aan het ziekbed van grootmoeder? Ik heb tegenzin om het te zeggen, maar het is goed toch, om u mijne gedachten openhartig te verklaren. Meerdere malen kreeg ik den indruk, dat die lieve, kleine meid eigenlijk aan het bed der zieke grootmoeder moest blijven, om toe te zien, als somwijlen — „men kan het niet weten, grootmoeder is een oud menschquot; — het ergste met de oude vrouw ging gebeuren. Het zou toch al te akelig zijn, als moeder zoo geheel alleen was als zij stierf. Zoo denken hare kinderen, „en daarom Doortjequot; zegt de bezorgde moeder van het meisje, „ let goed op, kind! en als grootmoeder soms eens erg wit of erg benauwd mocht worden, roep dan aanstonds de buurvrouw, en loop dan zoo hard als gij maar kunt, naar huis, om ons te waarschuwen....quot; Wat, m. V., is akeliger, het bang zijn voor of het wachten op zulk een boodschap?

Mijne vrienden, .wilt het uw geheel leven door in uwe gedachtenis houden, dat in de meeste gevallen oude, hulpbehoevende ouders in de huisgezinnen hunner kinderen behooren te zijn. Daar leven zij mede in den kring der hunnen en voelen zich opnieuw jong worden te midden hunner kleinkinderen, die voor hen de dagen terugroepen, toen zij zelf hunne ouderlijke liefde uitoefenden. Daar is de ondersteuning en de verzorging, die zij genieten, geen aalmoes, maar eene dankbare vergelding voor de otfei's, die zij zelve eenmaal liefderijk voor hunne kinderen gebracht hebben. Daar deelen zij mede in het huiselijk geluk en in de vreugde van het huisgezin. Daar hebben zij de kracht, om de dagen van kommer en zorg, om de dagen van rouw en verdriet, die over hunne kinderen komen, door te staan. Daar troosten zij door mede te lijden. Daar houden zij vaak den moed levendig door de zelf doorgestane beproevingen, uit lang vervlogen dagen, in herinnering te brengen. Daar leert en vermaant hunne wijsheid, door de ondervinding van vele jaren rijp geworden, en zijn zij dikwijls de aangewezen raadslieden in moeielijkheden en be-

ocr page 73

■59

zwaren, waarin hunne kinderen besluiteloss zijn, niet wetend hoe zij handelen zullen. Neen, zij is daar nog niet nutteloos in het huisgezin van haar kind, die oude, brave grootmoeder, ook dan niet, als zij slechts met moeite des avonds uit haar hoekje kan opstaan en naar bed moet geholpen worden. Al kan zij niets meer mededoen in den huiselijken arbeid van het drukke huisgezin, al zou zij zelfs als een kind, dagelijks geholpen en verzorgd moeten worden; zij brengt immers biddend hare laatste dagen door, en zegt God niet van het gebed der rechtvaardigen: „Veel vermag het gedurig gebed eens rechtvaardigenquot; ') en roept God zelt het niet uit bij den profeet Isaïas; „ Oj) wien anders zal ik nederzien, dan op den arme, die vermorzeld is van geest en met siddering Mijne woorden aanhoort?quot; =) Wie zal het zeggen, hoeveel rampen het gebed eener godvreezen de oude moeder afweert; hoevele zegeningen het afroept van den hemel over liet huisgezin, waarin zij, rustig en tevreden. te midden barer kinderen, den dag afwacht, waarop God haar zal oproepen, om het loon des hemels te gaan ontvangen. Ziet, als zij dan sterven gaat, omringd van hare kinderen en kindskinderen, die haren ouderdom verblijd hebben, dan zal zij voor het laatst hare bevende handen nog zegenend opheffen en de laatste glimlach op haar stervend gelaat zal de vreugde barer ziel verkondigen, wijl God goed was voor haar, en den troost haar geeft te mogen sterven in de armen dier kinderen, die straks hare oogen zullen sluiten, als zij voor den troon van God zal getuigen, dat aan haar vervuld is, wat God bevolen beeft: ,, Eer uwen vader en uwe moeder, opdat gij lang moogt leven hier op aarde.quot;

Indien gij dan ooit, m. V., een ouden vader of eene oude moeder zult moeten verzorgen, gelooft mij, in den regel zullen zij het best en het gelukkigst leven in uw huisgezin. Dit zal voor uw eigen huisgezin, voor uw eigene kinderen ten heil en ten zegen zijn. Ik weet wel, vooral in onzen tijd, is het voor vele huwelijken een waar schrikbeeld, een schoonvader en vooral eene schoonmoeder „over den vloer te krijgen.quot; Maar ook weet ik, dat nu juist onze tijd )iiet als een voorbeeld van ware kinderliefde en kinderlijke dankbaarheid behoeft gesteld te worden. Men klaagt, en dit met allo recht, in onze dagen over die verderfelijke opstand tegen ieder gezag, over de minachting, die zij vaak ondervinden moeten, die door rang en staat boven anderen zijn verheven. Van waar dit verschijnsel, m. V.? Zullen wij niet moeten erkennen, dat dit, zoo niet uitsluitend, dan tocli voor een groot gedeelte, is toe te schrijven aan het slechte voorbeeld, dat kinderen van hunne vroegste jeugd af, in hun ouderlijk huis ontvangen van hunne ouders zelf. God, in Zijne oneindige wijsheid, 1 leeft het met ons menseben aldus verordend, dat wij als

•) Jiic. V, Ki. ■) LXV1, 2.

ocr page 74

60

kinderen moeten leeren, wat wij als mannen in beoefening moeten brengen. Als kinderen moeten wij leeren eerbiedigen wat hooger is dan wij, wat eerbiedwaardig is, om den staat, om den rang, waarin het boven ons is verheven. God geeft aan hut kind zijnen vader, in wien het van jongs af het gezag moet leeren eerbiedigen en huldigen. God geeft aan het kind zijne moeder, in wie het als gedwongen wordt teedere liefde hoog te achten en wederkeerig te beminnen. Maar ik vraag n, zullen kinderen werkelijk dit ouderlijk gezag leeren beminnen, eerbiedigen en hoogachten; zullen zij leeren dankbaar zijn voor de zorgen der teedere, ouderlijke liefde, waarmede zij omringd worden , wanneer zij van hunne jeugd af in hun eigen huisgezin zullen opmerken, dat hunne ouders zelf te kort schieten in datgene, wat zij vorderen van hen; als zij bij het toenemen hunner jaren ondervinden, dat vader en moeder jegens eigene ouders geheel anders handelen, dan zij geleerd worden te doen jegens hen. Meent gij, m. V., dat kinderen, die van hunne jeugd af bemerken, dat grootvader of grootmoeder niet zeer in aanzien, laat ik het zeggen, in tel zijn bij hunne ouders, den indruk in hunne harten zullen ontvangen van eerbied en liefde, die men jegens een weldadig gezag moet oefenen? Wie zal het durven beweren ?

In het ouderlijk huisgezin is geen gebrek, er heerscht een zekere overvloed. Moeder schikt hare kinderen veel knapper en kostbaarder op, dan voor haar stand juist wel noodig is. Vader komt Zaterdags- en Zondagsavonds altijd drie, vier uren later te huis, dan op de overige avonden van de week. Aangeschoten? dronken misschien? De hemel beware! neen. Maar Jan, die al tien jaren wordt, weet toch zeer goed, dat vader op die avonden in de herberg komt, en hij beeft moeder wel eens hooren klagen, dat het toch eigenlijk veel te veel is, om telkens voor die herberg van het weekgeld een gulden, een daalder soms, te moeten missen. Ook weet Jan, dat die oude grootmoeder, die op dat kleine , donkere achterkamertje hier in de buurt woont, met veel moeite maar één gulden in de week van het armbestuur ontvangt, en dat zij hier voor een dubbeltje en daar voor een stuivertje, de geheele week door, of zij moe is of niet, „boodschappenquot; moet doen. Toch zegt moeder: „het is gelukkig, dat de menschen nog zoo goed aan grootje denken.quot; Zoudt gij meenen, m. V., dat die Jan een hoog denkbeeld zal krijgen van kinderliefde en van eerbied voor meerderen, als hij ziet, dat vader voor grootmoeder, die toch vaders eigen moeder is, niet eens die akelige herberg wil uitblijven, waarvan moeder zegt; „vader moest er niet komen.quot; Wilt het toch niet gelooven, m. V. Kinderen , die zulke voorbeelden zien van hunne ouders, zullen later, als zij ouder zijn geworden, jegens hunne ouders in beoefening brengen, wat zij in hunne jeugd gezien hebben van hen. Zoo straft God het kwaad door hot kwaad zelf. Op hunne beurt

ocr page 75

61

zullen die liefdelooze kinderen ondervinden, dat hnnne eigene kinderen er gemakkelijk toe zullen besluiten, om hen, wanneer zij oud en hulpbehoevend zijn geworden, aan de verzorging van een armbestuur, aan de verpleging van eene weldadigheids-inrichting over te geven.

Wij zeiden daar zooeven, dat het vooral in onzen tijd voor vele huwelijken een waar schrikbeeld is een schoonvader, en vooral eene schoonmoedar „over den vloer te krijgen.quot; Nu wil ik volgaarne toegeven, dat er zich somwijlen toestanden kunnen voordoen, waarin het waarlijk onmoyelijk is een hulpbehoevenden vader of moeder bij zich in huis op te nemen, of op den duur van tijd bij zich te houden in het huisgezin. Schoonvaders en vooral schoonmoeders kunnen somwijlen tegenover hunne kinderen op zulk eene vreemde wijze handelen, dat bun komen of blijven in het huisgezin hunner kinderen werkelijk ten verderve wordt voor dezen. Maar wat toch immer uitzondering blijft, mag toch niet als regel gelden gaan?

Welaan, laten wij ook dit punt eens van nabij gaan beschouwen. Ik geef al aanstonds toe, dat voor aangehuwde kinderen de taak niet licht is, om hulpbehoevende ouders in eigen huisgezin gelukkig en tevreden te doen leven. Naar gelang deze aangehuwde ouders in jaren toenemen, nemen de zorgen toe, waarmede zij verpleegd en omringd moeten worden. De lichamelijke gebreken van bun ouderdom ontwikkelen zich dikwijls al erger en erger; vaak komt de lange tijd van voortdurende bedlegerigheid, waarin zij in volstrekten zin hulpbehoevend worden en als kinderen opgepast en verzorgd moeten worden. De kinderliefde nu van aangehuwde kinderen is een geheel andere liefde dan die, welke kinderen voor een eigen vader, voor eene eigene moeder gevoelen moeten in hun hart. Van daar dat do liefderijke verzorging en verpleging van schoonouders veel meer offers en veel grootere zelfverloochening vorderen van aangehuwde kinderen, dan van kindereu tegenover hunne eigene ouders. Maar, gelijk het met alles is, wat God eischt van ons, zoo ook is het hier niet de vraag, of de verpleging en verzorging van schoonouders, in eigen huisgezin, moeielijk is en tot groote zelfsver-loochening en zware offers dwingt. Hier is slechts de vraag: of die verzorging en verpleging mogelijk en dus plichtmatig is of niet? Een kind is verplicht, op de best mogelijke wijze, zijne hulpbehoevende ouders te verzorgen en te ondersteunen. 1 )ie verplichting wordt in het huwelijk voor de gehuwde kinderen niet opgeheven. Wijl nu de gehuwden in den staat des huwelijks elkanders lasten en verplichtingen moeten dragen en elkander helpen moeten, opdat de man zijne verplichtingen en de vrouw de haren zoo goed mogelijk moge vervullen, daarom — het moge al verdrietig en somwijlen zeer lastig zijn „om schoonouders over den vloer te hebbenquot; — het kan plicht zijn, m. V.,

ocr page 76

62

en waar God plichten stelt, daar kunnen zij vervuld worden, en de mensch, die geen kracht gevoelt, om de verplichtingen, welke op hem drukken, naar behooren te vervullen, hij bidde, en wat hem ontbreekt, zal hein overvloedig gegeven worden door God.

Laat ik u, m. V., een oorzaak aangeven, waarom helaas! zoovele hulpbehoevende ouders in de huisgezinnen gemist worden.

Bij de keus van eene vrouw ziet de jonkman dikwijls te veel naar het bekoorlijk uiterlijk, dat zoo spoedig voorbijgaat, en helaas! te weinig naar het hart van het meisje, waaruit toch zijn bestendig huwelijksgeluk moet voortspruiten. Wat is het gevolg van zulk eene lichtzinnige keus? Maar al te dikwijls komt de klacht uit den mond van den gehuwden man; „Mijne vrouw is goed, is bedrijvig en zorgzaam voor mijn huisgezin, maar toch, „ik zou nog iets anders wenschen.quot; Wat zou hij nog wenschen? Dat zijne vrouw een hart bezat in staat om hem zoodanig te beminnen, dat zij met edelmoedige liefde en ware zelfverloochening hem zijn plicht hielp volbrengen, dien hij jegens zijne arme, hulpbehoevende moeder te vervullen heeft. „Mijne vrouw kan het met moeder niet eens worden, zegt hij , en rust en vrede moet ik, boven alles, in mijn huisgezin handhaven.quot; Maar hoe komt het, dat de rust en de vrede van het huisgezin bedreigd worden door het inwonen van eene hulpbehoevende, oude moeder? Omdat zij bemoeiziek, lastig van humeur, grommig en pruttelend en ontevreden van aard is?

Och! m. V., dat is dikwijls slechts het voorwendsel, waar achter zich de vrouw in de meeste gevallen verschuilt. De ware reden blijft maar al te dikwijls, dat de vrouw voor haren man die ware liefde mist, waarmede zij in hare liefde voor hem, ook de liefde voor zijne arme moeder heeft opgenomen. Zij ziet op tegen de waarlijk zware en moeielijke offers, die van haar gevorderd worden bij de verzorging en verpleging van eene oude, gebrekkig wordende schoonmoeder, en in haar hart, dat niet genoeg bemint, vindt zij geen kracht, om die offers te brengen. Als het zoo gesteld is met het hart der vrouw, dan zoekt zij naar een voorwendsel, waar achter zij zich voor haren man en voor de wereld kan verschuilen en zij vindt dat voorwendsel gaarne in het lastig humeur, in het gemelijk, ontevreden karakter van de oude.

Mijne vrienden, als gij ooit naar eene aanstaande vrouw gaat uitzien, bidt dan tot God, opdat Hij er u eéne geve, wier hart uit liefde voor u, grootmoedig genoeg is, om u te willen helpen in de vervulling van dit onherroepelijk gebod van God: „ Eer uwen vader en uwe moeder, opdat gij lang moogt leven op aarde.quot;

Alvorens wij van dit punt afstappen, m. V., wil ik u nog eenige nuttige wenken geven, die misschien u later zullen kunnen helpen, om uw plicht jegens hulpbehoevende ouders goed te blijven vervullen.

ocr page 77

63

Spreken wij eerst over uwe eigene ouders. Stellen wij, dat gij later verplicht zult zijn, om uwe oude, hulpbehoevende moeder in uw eigen huisgezin op te nemen en te verzorgen. Begint in zulk een geval, met u levendig de eigenaardige moeielijkheden voor den geest te stellen, die voor uwe vrouw uit dit „ samenwonen met moederquot; zullen voortkomen. Maar, nadat gij dit ernstig gedaan hebt en u levendig zult doordrongen hebben van de offers, die uwe vrouw zich voor u op dit punt zal moeten getroosten, maakt dan dit vast en mannelijk besluit: „Zoolang ik er nog iets aan doen kan, gaat moeder er nimmer uit, maar blijft zij tot haren dood bij mij in.quot; Houdt dit besluit vast en komen er dan van de zijde uwer vrouw, of van de zijde uwer oude moeder moeielijkheden, bevestigt u dan en versterkt uwen wil in het vastgestelde besluit, door te denken aan den plicht van kinderliefde, dien gij jegens uwe oude moeder te vervullen hebt. Maar dit is nog slechts het eerste, wat gij zult moeten doen; dan zal voor u nog het zwaarste en het moeielijkste aankomen. Het is immers niet genoeg om een besluit te nemen en standvastig dit besluit te houden, gij moet ook aan de goede uitvoering van dat besluit uwe beste en edelste krachten wijden. En hier zult gij nimmer iets goeds bewerken door geweld, maar alles winnen door eene uitgestrekte liefde jegens uwe vrouw, die den grootsten last van uwe verplichting zal moeten dragen. Gij zult dikwijls, als ik het zoo noemen mag, een heilige listigheid moeten gebruiken, en met veel wijsheid en doorzicht, immer inschikkelijker, immer liever moeten zijn voor uwe vrouw, naar gelang zij inschikkelijker en toegevender voor uwe moeder zal moeten wezen. Toont haar uwe blijdschap, ik zou willen zeggen, uwe dankbaarheid, als het met moeder in uw gezin goed gaat. Wijst uwe vrouw er dikwijls op, wat zij zelve zal mogen hopen van God, „als zij oud en onze kinderen groot zullen wezen.'quot; Bemoedigt haar, als haar moed wankelt en zij verdrietig zal uitroepen: „Ach, moeder is ook nimmer eens tevreden, altijd kwaaddenkend, immer bemoeiziek, nooit eens waarlijk hartelijk voor mij.quot; In één woord, m. V., steunt met liefde uwe vrouw in de vervulling van den plicht, dien zij om uwentwil dragen moet. Ook hier zal het waar zijn, dat de liefde alles vermag, dat de liefde alles zoet en licht maakt, ook daar waar de grootste offers zullen gebracht worden.

Pastoor van Campen schrijft in zijn handboek „het huwelijkquot; over dit punt het volgende: .. De ondervinding leert, dat het zelden of nooit goed gaat in het huisgezin van jongehuwden, wanneer de moeder van den man daar geheele inwoning erlangt. Welke liefde ook de vrouw voor hare schoonmoeder heeft, het schijnt dat altijd aan eene van beiden genoegzaam verstand ontbreekt, om in de dagelijksche samenleving iedere botsing te voorkomen. Daarom zij het den man geraden, om zulk eene

ocr page 78

64

inwoning nooit toe te staan, tenzij in groote noodzakelijkheid, en dan nog moet hij alle maatregelen van voorzichtigheid in acht nemen.quot;

Uit deze aangehaalde woorden ziet gij, dat hetgeen ik u als het beste heb aangewezen door de ondervinding „als zelden of nooit goed gaandequot; wordt geloochenstraft. Ik hoop, m. V., dat, wanneer gij ooit als gehuwde mannen voor de verzorging van uwe oude, hulpbehoevende moeder zult moeten optreden, gij deze ondervinding zult beschamen. Zult gij dan ook al uitzonderingen in dit punt zijn, uw voorbeeld zal ten goede werken en anderen, die voor dezelfde verplichtingen staan, aansporen, om u na te volgen in de heldhaftige vervulling van het groote gebod van kinderliefde. Daarom m. V., zoekt u eeue vrouw, die bij hare uitgestrekte liefde voor u, „genoegzaam verstand zal hebben, om in de dage-lijksche samenleving iedere botsing te voorkomen.quot; .Moge deze vrouw dan met haar geduld, hare liefde en wijsheid aanvullen, wat aan de wijsheid uwer oude moeder gaat ontbreken, gedachtig met welk een geduld, liefde en wijsheid onze moeders ons onverstand verdragen en geduld hebben, toen wij nog kinderen, toen wij reeds jongelingen waren.

Pastoor van Cam ten besluit zijne woorden met een schoon voorbeeld van kinderlijke liefde voor schoonouders, genomen uit de H. Schrift, uit het boek Ruth.

Elimelech, uit den stam van Juda, verliet met zijne vrouw Noëmi en twee zonen het Joodsche land ten tijde van hongersnood en vestigde zich in Moab. Daar stierf hij en zijne kinderen trouwden mot Moabietische vrouwen. Ook deze zonen stierven en de verlaten weduwe, die gehoord had, dat de hongersnood in haar land geweken was, besloot naar Kanaiin terug te keeren. Op dien tocht werd zij begeleid door hare beide schoondochters, Orpha en Ruth. Toen zij aan de grenzen van haar land gekomen was, zeide zij haar; Gaat nu naar uwe moeder terug, en dat de Heer u barmhartigheid bewijze voor hetgeen gij aan mij en mijne overleden kinderen gedaan hebt, en zij kuste haar. Maar deze begonnen bitter te weenen en zeiden: Wij gaan met u naar uw volk. Doch Noëmi hernam: Ziet wij zijn aan elkander niet meer verbonden, mijne kinderen, uwe mannen zijn overleden, bovendien ik ben arm en kan niet meer zorgen voor u; daarom keert terug naar uw eigen land. Daarop kuste Orpha hare schoonmoeder en keerde terug, maar Ruth bleef bij haar en wilde haar niet verlaten. Ik zal met ,u gaan, zoo sprak zij, waar gij ook verblijft, uic volk zal mijn volk, mv God mijn God zijn, ik zal u nooit verlaten; en beiden reisden zij voort naar Bethlehem.

Ook verhaalt de H. Schrift hoe God die kinderliefde beloond heeft. Want Ruth deed een zeer goed huwelijk in het Joodsche land, en uit haar geslacht is later koning David gekomen.

Dit alles geldt, m. V., wanneer gij ooit uw eigen vader of uwe

ocr page 79

65

eigene moeder, wijl zij hulpbehoevend zijn, in nw huisgezin zult moeten verzorgen. Zult gij daarentegen eenmaal om wille uwer vrouw, gehouden zijn, om een schoonvader of schoonmoeder in uw huisgezin ter verzorging op te nemen, stelt u dan levendig voor den geest, dat uwe vrouw jegens hare ouders dezelfde verplichtingen te vervullen heeft, als gij te vervullen zoudt hebben, wanneer uwe ouders hulpbehoevend zouden zijn. Gehuwden moeten elkanders lasten dragen, en elkander helpen, opdat beiden hunne verschillende verplichtingen, volgens den heiligen wil van God, mogen vervullen. Hoe grooter nu de liefde zal wezen, waarmede de man zijne vrouw bemint, hoe getrouwer hij ook wezen zal om haar hierin behulpzaam te wezen en hoe gemakkelijker het hem worden zal om de offers te brengen, die bij dit hulpbetoon zullen geëischt worden van hem.

Wanneer de man, die een schoonvader of schoonmoeder in zijn huisgezin heeft, daarbij denkt aan zijne eigene kinderen en zich levendig steeds blijft herinneren, dat de belooningen Gods, vooral wat de trouwe opvolging van het vierde gebod aangaat, door de ouders verdiend, van hen overgaan op hunne kinderen, dan zal hij zeker een groote sterkte putten, om geduldig en tevreden te blijven, ook dan, wanneer er misschien in zijn huisgezin al iets zijn zal, dat hij in andere omstandigheden zeker anders zou ondervinden. Zulk een man stelle zich tot regel, moeder en dochter hunne eigene kleine geschillen te laten uitmaken. Hij bemoeie zich zoo weinig mogelijk met de wijze, waarop zij omgaan met elkander, en hij zij tevreden, wanneer de groote zaak van zijn huisgezin, de goede orde , niet verstoord wordt. Hij zij in den waren zin des woords een ■man, en stappe heen over de kleine beuzelarijen, die wel oj) den duur hinderlijk en lastig kunnen zijn en anders konden en ook moesten wezen, maar die in ieder geval niet waard zijn, om daarvoor den huiselijken vrede in gevaar te brengen. Hij late af, om over die kleinigheden telkens nu eens met zijne schoonmoeder, dan weder met zijne vrouw te kibbelen, en hij wachte liever eene goede gelegenheid af, om op eene bedaarde wijze een zacht woordje in bet midden te brengen. Hier zal zeker het spreekwoord zijn nut kunnen hebben: „Een goed woord vindt een goede plaats.quot; Gewoonlijk worden die kleinigheden „grootheden,quot; omdat zij te hevig aangegrepen en bestreden worden. Daarenboven, een man, die in zijn huisgezin op al die kleinigheden vit, verliest zijn gezag en zijn invloed op den goeden gang van zijn huisgezin en heeft zijne macht verloren, wanneer hij tegen een gewichtig misbruik of een groot euvel zou moeten optreden.

Wanneer de man zich verplicht ziet om tegen een werkelijk euvel op te treden, dan beginne hij niet met de schoonmoeder, maar met zijne eigene vrouw. Deze moet hij met liefde en wijsheid pogen over te halen, om het misbruik weg te nemen. Hij Leveksst. 5

ocr page 80

öö

bespreke de zaak als hij alleen is met haar en hij make van zijn gezag als huisvader slechts dan gebruik, als zijne vrouw door zijne liefderijke betoogen niet te overreden is. Wanneer het noodig wordt voor hem om krachtdadig op te treden, dan valle hij het misbruik zelf aan, terwijl hij de personen zooveel mogelijk spare, en hij doe gevoelen, dat slechts liet belang van zijn huisgezin hem tot dit verzet komt dwingen.

Somwijlen kan het voor het heil van zijn huisgezin noodig worden, dat de huisvader verder ga en een ander middel zoeke, om de onhandelbare schoonmoeder, buiten zijn huisgezin , verder te onderhouden. Deze beslissende daad volvoere hij niet, dan na veel geduld te vergeefs geoefend te hebben en na rijp beraad. Dat zijn hart er dan over treure, wijl de droevige noodzakelijkheid hem, in het belang van zijn huisgezin, gedwongen heeft om tot dezen maatregel over te gaan.

Ziedaar, m. V., wat ik gemeend heb u te moeten voorstellen omtrent dit gewichtig punt in uw leven, uwe verhouding tegenover uwe ouders, wanneer gij mannen geworden zijt en zij hulpbehoevend mochten zijn. Denkt er immer aan , dat de kinderliefde eene deugd is, die bij God groote waarde heeft; dat Jesus, onze beminde Verlosser, ook hierin ons ten voorbeeld heeft willen zijn en Zijne heilige Moeder hoog verheven heeft in den hemel, na haar op de innigste wijze hier op aarde bemind te hebben. Vergeet nimmer, dat God u gebiedt uwe ouders te blijven eeren en te beminnen — ook dan, als zij tot hoogcn ouderdom zijn opgeklommen en gij reeds tot een gevorderden leeftijd zult gekomen zijn.

ZEVENDE ONDERRICHTING. *

Redenen waarom gij 1111 ijverige jongens moet zijn.

Wij moeten nog de derde door ons gestelde oorzaak bespreken, waardoor een jonkman kan geleid worden om in den wereldlijken staat ongehuwd te blijven. Wij omschrijven deze oorzaak aldus: „Een jonkman kan gedwongen zijn ongehuwd te blijven, wijl hij zich niet in staat gevoelt, om voor een eigen huisgezin het onderhoud te verdienen.quot;

Let wel op, m. V., dat wij hier niet spreken over de onmogelijkheid om tot een huwelijk te komen, die voortkomt uit een bepaalden stand, dien iemand zich vrijwillig heeft gekozen en waaruit het verbod van te mogen huwen voortvloeit.

Over deze onmogelijkheid nemen wij ons voor u later te Spreken,

ocr page 81

wanneer wy wijzen zullen op het ongeoorloofde, om een ontijdige verkeering aan te gaan.

Wij spreken nu sleehts over den toestand van een man, die ongehuwd moet blijven, omdat hij niet in staat is, om het brood voor vrouw en kinderen te verdienen. Waaruit kan deze toestand voortkomen? Wij willen hier twee oorzaken aangeven, en wel:

1. uit eene beschikking Gods;

2. uit ongeschiktheid, uit onbekwaamheid voor een werkkring, waarin het den man mogelijk zou zijn, om het voegzaam onderhoud aan eigen huisgezin te verschatten.

Spreken wij over deze beide oorzaken afzonderlijk.

i it eenc beschikking Gods. Geheel en al onafhankelijk van den wil des inenschen, zullen er voortdurend menschen zijn, die ongehuwd blijven, wijl God het aldus wil. God geleidt de bestemming van iederen mensch door de omstandigheden, waarin Hij hem doet geboren worden, zijne opvoeding regelt en een ieder plaatst in dien staat, waarin hij zijn moet, om zijne roeping hier op aarde te vervullen en zijne onsterfelijke ziel zalig te maken. Er moeten ook te midden der wereld menschen zijn, die ongehuwd leven. Die noodzakelijkheid volgt uit het eigenaardige van sommige diensten, die verleend, van sommige verplichtingen, die vervuld moeten worden. Zoo kunnen wij als voorbeeld stellen een trouwen huisknecht, die bij zijnen heer inwonend, bezwaarlijk gehuwd zal kunnen zijn. Zonder zich juist reeds, bij zijne komst als knecht in het huis van zijn heer te hebben voorgesteld, ongehuwd te blijven leven, is hij in het verloop van tijd bij zijnen heer gebleven; hij heeft zich aan zijnen heer gehecht en wederkeerig heeft zijn heer zich gehecht aan hem. Het komt den trouwen knecht niet in de gedachte om zijnen heer te verlaten; hij blijft bij hem, en zou brengt zijn dienstbare staat hem er toe, om ongehuwd te blijven.

Onnoodig is het, m. V., u te herinneren, dat zulk een staat slechts dan beschouwd kan worden werkelijk de heilige Wil van God te zijn, wanneer hij zonder een naast gevaar voor de eeuwige gelukzaligheid kan beleefd worden. Zoodat wanneer zulk een huisknecht door zijnen ongehuwden staat het slachtoffer worden zou van ongeregelde begeerlijkheden, hij verplicht zou kunnen zijn om den dienst van zijnen heer te verlaten en naar eene andere betrekking uit te zien, waarin hij als gehuwd man zou kunnen lev en, opdat hij op die wijze zijne onsterfelijke ziel zou bevrijden van het naaste gevaar, om voor eeuwig ongelukkig te worden.

Zoo zouden wij u nog vele andere voorbeelden kunnen aangeven van verschillende betrekkingen, die in de menschelijke samenleving moeten vervuld worden en den ongehuwden staat als onvermijdelijke voorwaarde met zich brengen. Voor ons doel echter is het voldoende u op deze beschikking Gods gewezen te hebben, u in den naam van Christus smeekend, toch immer.

ocr page 82

68

in uw later leven, liever do schoonste betrekkingen en de meest aanlokkende vooruitzichten op te offeren, dan uwe zielen in gevaar te brengen om voor eeuwig verloren te gaan.

2. Als tweede oorzaak, waardoor een man kan gedwongen zijn om ongehuwd te blijven, noemden wij de ongeschiktheid, de onbekwaamheid, waarin een man zijn kan om het voegzaam onderhoud voor eigen huisgezin te verdienen.

Deze ongeschiktheid en onbekwaamheid kunnen voortkomen of wel uit eigene schuld, of wel uit het ongeluk, waarmede God iemand in dit leven kan beproeven. Er zijn menschen, die niet, of slechts ter nauwernood geschikt en bekwaam zijn, om voor zichzelven liet noodige onderhoud te verdienen. Inderdaad ongelukkige menschen, met wie wij dan vooral het grootste medelijden moeten hebben, wanneer zij zonder hunne schuld in ilieu treurigen staat zich bevinden. En onder deze laatsten rangschikken wij vooreerst hen, wier verstandelijke ontwikkeling slechts uiterst gering is en die om die reden onbekwaam zijn, om hun brood te verdienen, menschen, die nog juist genoeg verstand hebben, om het niet noodzakelijk te maken, dat zij in gestichten voor idioten of krankzinnigen opgenomen worden.

Ook rekenen wij onder deze ongelukkigen, de doofstommen, de blinden en anderen, wier lichamelijke gebreken het onmogelijk maken, dat zij voor zich een voegzaam onderhoud verdienen; ofschoon, wat de blinden en doofstommen aangaat, de Christelijke liefde reeds velen heeft in staat gesteld, om door de uitoefening van een ambacht, dat zij zich in gestichten hebben aangeleerd, op een behoorlijke wijze niet alleen voor zich, maar zelfs voor vrouw en kinderen het onderhoud te verdienen.

Voegt hierbij de verminkten en hen, wier krachten te zwak zijn om een geregelden lichamelijken arbeid te verrichten, en het zal u duidelijk zijn, dat er velen ongehuwd blijven, omdat zij niet in staat zijn een voegzaam onderhoud voor eigen huisgezin te verdienen. In waarheid ongelukkige menschen, die wanneer zij naar Gods heilige geboden, in oprechtheid des harten, tevreden leven, op een groot loon na dit leven mogen hopen. Want terwijl zij weinig genieten hier op aarde, zal de rechtvaardige God hun overvloedig in het eeuwig leven vergoeden, wat zij in hun leven hier op aarde minder dan de overige mensehen ontvangen en genoten hebben.

Wij mogen niet nalaten, m. V., u hier te herinneren, aan den plicht van dankbaarheid, dien gij te vervullen hebt jegens God, voor de weldaden, die Hij u heeft geschonken. Gij allen hebt van God een lichaam ontvangen, vrij van gebreken, lichamen van wier ontwikkeling wij hopen mogen, dat zij eenmaal krachtig en als gestaald zullen zijn voor den arbeid, dien gij zult moeten verrichten. Gedenkt steeds, m. \., dat dit alles gave is van God. Dat gij niet doof, niet stom, niet blind

ocr page 83

69

zijt, hebt gij evenmin door uw toedoen bewerkt, nis gij liet den blindgeborenen, den doofstommen kunt verwijten, dat zij niet zien, of niet hooren, of niet spreken. Dat gij niet verminkt van hand of voet zijt, dat gij niet verlamd van ledematen zijt, dat gij geen krachteloos lichaam moet ronddragen, gij hebt het niet aan u zeiven gegeven. God is het, die u dit alles geschonken heeft, die het n nog blijft schenken. Dat uw verstand in staat is zich verder te ontwikkelen, dat naar do mate, waarmede gij u nu inspant en oefent, uwe kennis zich uitbreidt — ziet: m. V., God is liet, die er u in de gelegenheid toe stelt, God, aan W'ien gij nimmer genoeg dankbaarheid voor Zijne milddadige goedheid jegens u zult kunnen bewijzen. Weest dankbaar jegens God, m. V., en vergeet niet, dat, wat God u nu nog geeft. Hij door niets gehouden is u te blijven geven, dat Hij het n kan ontnemen ieder oogenblik, waarin Hij het u nu nog blijft schenken.

Mat ir er is ook eene ongeschiktheid, eene onbekwaamheid om voor eigen gezin een voegzaam bestaan te verdienen , die voortkomt int eigen schuld. Wij willen u drie oorzaken van die ongeschiktheid en onbekwaamheid aangeven, en wel:

1. onverschilligheid in den tijd der leerjaren;

'2. traagheid;

3. gebrek aan do noodige zorg, om in de wereld vooruit te komen.

Laten wij deze drie oorzaken achtereenvolgens eenigszins nader beschouwen.

Vooreerst dan onverschilligheid in don tijd der leerjaren. Gij zijt m. V., op dit oogenblik nog in don leertijd van uw loven. Gij hebt naar de omstandigheden, waarin uwe ouders zich bevinden, u volgens uwe neigingen een ambacht, een beroep of een bedrijf uitgekozen, waarmede gij hoopt, man geworden, een eerzame plaatsin de wereld in te nomen. Blijft u, m. V., ernstig voorstellen in deze jaren, dat gij in uw leertijd zijt, dat wil zeggen, dat gij nu, met al do krachten n geschonken, arbeiden moet om u te bekwamen in datgene, waarmede gij hoopt later uw brood te kunnen verdienen. Hoedt u toch voor de onverschilligheid , eene ondeugd, die gij niet minder in u moet bestrijden, ook al wordt zij wel eens oen gebrek van uwen leeftijd genoemd. Wat is die onverschilligheid, waartegen wij u hier moeten waarschuwen? Wij kunnen haar aldus omschrijven: „een zucht, eene streving in don jongeling, om zich ongevoelig te maken of althans zich ongevoelig te toonen, voor alles, wat tot nu toe indruk opzijn hart heeft gemaakt.quot;

Laat ik u eens een jongen, die onverschillig wordt, aanduiden. Wij zullen hom Simon noemen. Simon dan is do vijftienjarige zoon van bravo ouder» en de oudste van een talrijk huisgezin. Het is hem aan te zien in geheel zijn uiterlijk, in zijne houding.

ocr page 84

70

in ziju giing, liij doet zich geweld a.in, om onverschillig te worden. Let wel op hetgeen ik zeg: „ hij doet zich geweld aan, om onverschillig te worden.quot; In de meeste gevallen toch kost het hem moeite, vooral in het begin nog, om onverschillig te zijn. Waarom trekt hij zoo onbehagelijk en toeli zoo geheel noodeloos, die schouders in de hoogte, als hij de straat opgaat; waarom zwaaien die armen, altijd krom gewrongen, voortdurend langs zijn lichaam op en neer; waarom sleept hij die beenen achter zich aan ? Zoo niet, dan om bij iedere schrede, waarmede hij voortgaat, zijn tegenzin in alles, wat hij doen moet, te toonen. Waarom moeten die gelaatstrekken, van natuur vriendelijk, met geweld verwrongen worden in die onnatuurlijke, onbehagelijke plooien, ten eene male misplaatst op het gelaat van een jongen, die nog zoo vol hoop zijne blikken in het leven werpen kan. Waarom die oogen, nu niet meer vrijmoedig, maar onbescheiden en brutaal, op alles heen gericht en zonder terughoudendheid op alle zaken en personen gevestigd, bij allen weerzin wekkend, omdat zij eertijds ongedwongen maar bescheiden, nu onbeschaamd beginnen te worden? Van waar, m. \., die geheele verandering in het uiterlijk van Simon? Hij heeft het er nu eenmaal op gezet: „niets kan hem meer schelen.quot; Zijn goede vader niet, zijn teedere moeder niet, zijne broeders en zusters niet, zijn patroon, zijne mede-knechten, zijne makkers en zijne vrienden niet. Niemand en niets wil hij zich meer aantrekken. Waarom niet? Simon meent, dat het nu voor hem tijd is geworden, om zich boven al die kinderachtige gevoelens van liefhebben en vreezen te verheffen. „Ik ben lang genoeg bang voor vader geweest,quot; denkt Simon, en de liefkoozingen van moeder vindt hij „ eene flauwigheidquot; bij een jongen van reeds viji-tien jaren. Als zijn vader hem bestraft, doet hij zijn best om door geen enkel teeken te toonen, dat hij er nog gevoelig voor is. Wil zijne moeder hem nog eens vermanen, hij glimlacht eens en draait haar den rug toe, en loopt fluitend heen, en vergeet niet de huisdeur zoo hard mogelijk dicht te werpen. Met een jongeren broer nog eens een spelletje spelen, hij denkt er zelts niet meer aan. Aan Mietje, de zuster, die op hem in jaren volgt en die altijd zooveel van hem heelt gehouden, eemge vriendelijkheid toonen en haar eens bedanken, als zij hem een dienst heeft bewezen, heeft hij geheel en al verleerd. Hij gaat van den eenen baas naar den anderen, nu eens uit eigen beweging wegloopend, dan weder weggejaagd. „Wat kan het hem schelen!quot; Een goed gesteld werkman worden, „wat kan het hem schelen.quot; Arm worden, zijn brood later niet kunnen verdienen, „wat kan het hem schelen! daar zijn er wel meer arm,' zegt Simon. Een vader, die vol zorg wordt over hem; eene moeder, die treurt en kwijnen gaat over zijn gedrag, „dat moeten zij zelf maar weten,quot; denkt Simon, „hem kan het niet schelen,quot;

ocr page 85

cn gevoelt hij er soms nog iets van in zijn hart, dat gevoel moet er uit; want onverschillig wil Simon zijn; hij meent dat dit passend is voor zijn leeftijd.

Wanneer in den lieven lentetijd de alles verkwikkende zon hare stralen op het helder water van een vijver schiet, dan is er vreugde en spel in het anders zoo stille water, en spelend en dartelend onder elkander zwemmen ïij dooreen de zilveren en gouden visschen. Dan wagen zij het telkens hunne kopjes met de opene bekjes, hoven de oppervlakte van liet water uit te steken, als zongen zij hun lied van dankbaarheid tot lof der zou, die ook van hare weldadigheid aan de zwijgende visschen mededeelt. Maar wanneer in den winter de vorst haren alles verstij venden adem over water en velden laat gaan en de tengere grashalmpjes verdorren en afsterven; als het water van beken en vijvers stolt en de harde ijskorst al dikker en dikker wordt en loodzwaar drukken blijft op het koude water; ziet, dan dartelen en spelen zij niet langer in hunnen vijver, die vroeger zoo speelzieke vischjes, maar zij zoeken den bodem, en als sliepen zij hunnen doodslaap verbergen zij zich in de slib van den moeras-sigen grond. Ziet, als eene zorgzame hand niet dagelijks opnieuw in de harde ijskorst, aan de oppervlakte des waters, de bijt houdt geopend, ja, dan sterven zij allen, die zilveren en gouden vischjes; dan toch missen zij de versche lucht, waarin zij hun kwijnend winterleven moeten voortzetten.

Zoo is het ook met het hart van den jongeling, voor wien in de bloeiende lente des levens de zon ondergaat van liefhebben en hopen; over wien de ijskoude vorst van onverschilligheid haren verstij venden adem komt uitademen, om ieder teeder gevoel te verdooven en de hoopvolle belangstelling in het leven als te verstijven. Ach, als die koude onverschilligheid gaat heer-schen over het hart van den jongeling, dan wordt die edele kracht van te kunnen beminnen verlamd; dan wordt dat hart onbekwaam voor ieder goed, dat uit hoopvol beminnen wordt geboren; dan sterft dat hart voor het goede des levens, wanneer God niet door geweldige slagen die ijskorst open houdt, opdat niet het laatste teeder gevoel geheel en al wegkwijne en sterve.

O, m. V., ja gij allen — ik wil het mij niet anders voorstellen — gevoelt het in u, hoe de liefde en de hoop dartelend spelen in uwen geest, in uwe reine verbeelding, in uwe schuldelooze harten. Die liefde en die hoop doen u belangstellen in alles, wat u omringt, wat gij in eigen kring opmerkt en wat gij waarneemt buiten den kring, waarin God u geplaatst heeft. Want gij bemint het leven, dat u zooveel zoets aanbiedt in deze uwe jongelingsjaren, en hoopvol ziet gij uit naar de toekomst, die u lachend te gemoet treedt. Die liefde voor het leven, die hoop voor de toekomst doen u liefhebben, wat God beminnelijk aan uwe zijde gesteld heeft; doen u blijde zijn in de oefenschool der

ocr page 86

72

gehoorzaamheid; doen n met vurige belangstelling opmerken en aanleeren, wat gij gelooft noodig te hebben tot verwezenlijking uwer hoop, het levensgeluk, dat u toelacht in de toekomst.

O, m. V., blijft die liefde en die hoop koesteren in uwe harten en moge nimmer die koude onverschilligheid komen over u en uwe belangstelling in het leven verstikken. Spiegelt u de toekomst schoon en liefelijk voor; doch weest geen ij dele droom ers, maar slaat dagelijks opnieuw moedig en met volharding uwe hand aan den arbeid, opdat gij zelf, onder de hoede en de zegeningen van God, u uw toekomst zoo gelukkig moogt maken, als een milddadige God haar beschikt heeft voor u.

„Bezorg, aldus spreekt God, in het boek der spreuken, ') bezorg eerst uw werk daarbuiten en bearbeid met alle vlijt uwen akker, om naderhand uw buis te kunnen bouwen.quot; Met andere woorden, m. Vr., werkt thans met allen ijver aan de ontwikkeling van uwen geest, aan de vermeerdering uwer kennis, aan de bekwaming van u zeiven in het bedrijf, in het ambacht, dat gij later wilt uitoefenen; opdat gij eenmaal man geworden, uw eigen gezin, uw eigen huis zult kunnen opbouwen , wijs geworden door de inspanningen, die gij u als jongeling nu zult getroosten.

„Ik ging eens, zoo spreekt Salomon, de wijze koning, !) voorbij den akker van een luiaard en voorbij den wijngaard van eenen onverstandige. En zie, hij was overal vol distelcn, en doornen bedekten zijne vlakte en zijn steenen muur lag omver.quot;

„Toen ik dat gezien had, nam ik het ter harte en trok uit dit voorbeeld deze leering: Slaap, sprak ik, nog een weinig, sluimer nog een weinig, leg nog voor een oogenblik de handen over elkander om uit tc rusten en dan overvalt u het gebrek als een roover en de armoede als een gewapend man.quot;

Traagheid, m. V., voert tot gebrek, tot armoede, waaraan de luiaard geen wederstand zal kunnen bieden.

Wij willen u tegen die traagheid waarschuwen, die do oorzaak is, waarom meerderen, man geworden, onbekwaam zijn en dikwijls geheel hun leven onbekwaam blijven, om hun brood naar behooren te verdienen.

Er is namelijk nog eene andere reden, waarom gij nu met allen ijver arbeiden moet. Gij moet niet alleen in deze jaren, werken, om later in staat te zijn om door uw ambacht, door uw bedrijf, door het beroep, dat gij nu aanleert, uw brood waard te zijn. Het is nu voor u de tijd, om uw lichaam te gewennen aan den arbeid, dien gij later zult moeten verrichten; nu moet gij uw lichaam oefenen in het dragen van vermoeienissen. Laat mij het zeggen, m. V., in deze jaren moet gij leeren „moequot; te kunnen zijn. Wanneer gij nu opziet tegen de vermoeienissen, die uit uwen arbeid voortkomen, en daarom den last van uw

') l'rov. XXIV, 27. 2) 1'rov. XXIV. v. 30.

ocr page 87

73

werk poogt te ontvluchten, gelooft mij, gij zult later, als mannen,

den last van den zwaarderen arbeid, die tocli van u zal geëischt worden, niet kunnen dragen; men zal u misschien beklagen en medelijden hebben met de geringheigt;! uwer krachten, met de zwakte van uw lichaam, maar met dat al loopt gij groot gevaar geheel uw leven behoeftig, arm te zijn en te lil ij ven, wijl gij uw volle dagloon niet waard zult zijn.

„Spitten kan ik nietquot;, riep de onrechtvaardige rentmeester van het Evangelie uit. Hij bad zich de kennis van liet spitten spoedig en gemakkelijk kunnen verwerven; maar zijn lichaam, ongewoon aan de inspanning zijner krachten, kon den last, aandien arbeid verbonden, niet op zich nemen, omdat hij niet geleerd had lichamelijke vermoeienissen te dragen in de jaren van zijn jongelingschap. Velen bevinden zich in een gelijken toestand. Zij worden gedwongen naar den bedelstaf te grijpen en al zijn de eerste stappen op dien weg pijnlijk en al siddert hunne ziel van schaamte, de honger dwingt hen, want wat anderen dragen en torsen kunnen, vermogen zij niet te torsen, noch te dragen.

Noemt zulk een toestand „zwaktequot;, noemt het „traagheidquot;, — de waarheid is, dat zij niet geleerd hebben te werken en het brood, dat zij eten moeten, dus niet waard zijn. M

Daarom, m. Y., weest werkzaam in deze jaren van uw jonge-lingschap; stelt er prijs op, dat zij, die u kennen, u roemen zullen als onvermoeide, lustig werkende jongens. Weest niet bevreesd om eens moe te worden. Een verstandig aanwenden van uwe lichamelijke krachten zal aan uwe gezondheid niet schaden; uw vermoeid lichaam zal in een verkwikkenden slaap lederen nacht nieuwe krachten putten , om met vernieuwden ijver lederen ochtend uw arbeid te hervatten.

Als derde oorzaak, waardoor zoo menig jonkman, uit eigen schuld, niet tot een huwelijk kan komen, wijl hij geen voegzaam bestaan voor eigen huisgezin kan verdienen, noemden wij:

„gebrek aan de noodige zorg, om in de wereld vooruit te komen.quot;

Het is er ver van af, m. V., dat ik u zou willen aansporen,

om dwaze en schadelijke verlangens naar grootheid en rijkdom in u op te wekken. Gij kent het woord van den Apostel Paul us aan zijn leerling Thimotheus: „Die rijk willen worden, vallen in de bekoring en in een strik des duivels, in vele onnutte en schadelijke begeerlijkheid, die de mensehen in ondergang en verderf dompelen. Want een wortel van alle kwaad is de geldzucht,

waarop sommigen belust zijnde, van het geloof zijn afgedwaald,

en zich in vele smarten gewikkeld hebben.quot; ')

i

„Sloof u niet af,quot; vermaant de wijze man, -) „om rijk te worden, maar matig uwe nijverheid. Hef uwe oogen niet op naar rijkdommen, die gij niet kunt bezitten, want /.ij maken

■

') Tim. VI. •). s) l'rov. XXIII. 4.

ocr page 88

zich vleugelen als vau een arend en vliegen hemelwaarts!quot; Met andere woorden; Streeft niet naar rijkdommen, die gij niet kunt bezitten, die boven uw bereik liggen; want jaagt gij deze rijkdommen na. zij zullen als met arendsvleugelen van u wegvliegen en te vergeefs zult gij u afsloven.

De H. Augustinus haalt in zijne geschriften meer malen het spreekwoord der heidenen aan, waarmede dezen het ijdel pogen der eerzuchtigen hebben uitgedrukt. De eer, zoo spraken zij, is als het schaduwbeeld, dat ons lichaam door de werking van het licht vormt. Wilt gij dat schaduwbeeld grijpen, dan ontvliedt het u. Wilt gij het ontvlieden, dan volgt het u op al uwe schreden. Zoo ook is het met de eer, met den lof en het aanzien der raenschen. Zoekt gij dezen, dan ontvluchten zij u; wilt gij hen ontvlieden, dan volgen zij u in uw leven.

De ondervinding leert, dat maar al te dikwijls zij, die er op uit zijn om rijk te worden, arm worden, en dat vaak zij rijk worden en vooral rijk blijven, die zich weinig om de rijkdom men en goederen dezer wereld verontrusten en bekommeren.

Maar iets anders is het, m. V., op eene ongeregelde wijze naar rijkdommen en ijdele grootheid te streven, iets anders, om naar de mate der gaven ons door God geschonken, ons best te doen, om in de wereld vooruit te komen. Dit laatste kan aan God slechts welgevallig zijn. Immers God geeft den mensch zijne gaven, opdat zij zullen benut en dienstbaar gemaakt worden voor het goed, dat de mensch er mede kan bereiken. En daarom, m. V., vermanen wij u, vooral in den tijd van uw jongelingschap, te woekeren met de gaven u geschonken door God. Is door de zorgen voor uwe eerste opvoeding uw natuurlijke aanleg ontwikkeld geworden, valt het u misschien gemakkelijker dan eenen anderen, om uwe kennis te vermeerderen en volkomener en vaardiger uw ambacht, uw bedrijf uit te oefenen, gebruikt dan deze gaven met zorgzamen ijver, aan God de beschikking van den uitslag uwer pogingen met edelmoedige onderwerping overlatend. Vele jongelingen, helaas! zijn zorgeloos in dit punt; zij stellen zich tevreden met den arbeid te verrichten, die hun wordt aangewezen en zouden zeker grootere vorderingen in hun gekozen bedrijf of beroep maken, wanneer zij bezorgd waren, om de gaven, die zij bezitten, zoo goed mogelijk te gebruiken en zich te benutten. Zij blijven middelmatige menschen, terwijl zij met grootere zorg bekwame en kundige mannen hadden kunnen worden. Een jongeling moet een gepast vertrouwen in zich zeiven stellen, hij moet vooruit willen komen in de wereld door met lust en ijver zijne gaven goed te gebruiken. Steunt, m. V,,niet te veel op de liefdevolle hulp, waarmede nu nog uwe ouders u bijstaan en helpen op den weg des levens, (lij moet er op bedacht zijn, dat zij niet immer aan uwe zijde zullen blijven. Uw vader, die u nu nog helpt, kan u ontvallen, alvorens gij tot den

ocr page 89

mannclijken loefijd zijt gekomen. Gij moet u haasten vaardige, kundige mannen te worden in den werkkring, dien gij u hebt uitgekozen, opdat gij, sterk door uwe kennis, eenmaal met gerustheid en vertrouwen zult kunnen ingaan in den levensstaat, dien God voor u bestemd heeft.

Vatten wij, m. V., nog eens te zamen, wat wij u over dit punt gezegd hebben. Door hunne eigene schuld worden mannen gedwongen ongehuwd te blijven, wijl zij niet geschikt en bekwaam zijn, om voor een. eigen huisgezin het brood te verdienen.

Die ongeschiktheid en onbekwaamheid komen voort of uit de onverschilligheid, of uit de traagheid, öf uit de zorgeloosheid, waarmede zij hunne jongelingsjaren hebben doorgebracht. Zij zijn mannen in leeftijd geworden, maar jongens in kennis gebleven. Misschien kan bun weekgeld vier, vijf gulden balen; maar om te trouwen en niet arm te zijn heeft men toch in onzen tijd, minstens acht, negen gulden in de week noodig; en zij weten wel dat een patroon niet gaarne een gehuwd werkman, die maar hoogstens vier, vijf gulden verdienen kan, in zijn werk houdt. Zoo zou de trouwdag wel eens spoedig de eerste dag van „niets meer verdienenquot; van „geen werk hebbenquot; kunnen worden. „Dan in 'shemels naam maar niet trouwen!quot; zucht zulk een jonkman, en in stilte treurt hij over de voorbijgevlogen jaren van zijn jongelingschap, waarin bij, gelijk zijne makkers, een bekwaam werkman had kunnen worden, wanneer hij niet zoo onverschillig , niet zoo traag, niet zoo zorgeloos was geweest.

„Er zijn toch mannen, die op een weekgeld van vier, vijf gulden, en nog minder soms, trouwen,quot; zult gij mij zeggen. Ja, zulken zijn er helaas! m. V., mannen, die niet tevreden zichzelf ongelukkig gemaakt te hebben, nog hard genoeg zijn om eene vrouw, die zij zeggen te beminnen, ongelukkig te maken; mannen wier hart koud en onverschillig blijft, ook al komt de gedachte bij hen op, dat na enkele jaren misschien, hunne kinderen om brood zuilen schreien, dat zij hun niet kunnen geven. O, m. V., ik zou u beloedigen, als ik bet noodig oordeelde u tegen zulke hardheid en onversehilligheid te waarschuwen. Ik ben er zeker van, niemand uwer zal ooit tot een huwelijk overgaan, zonder de redelijke zekerheid te hebben, dat hij zijn brood op passende wijze voor eigen huisgezin kan verdienen. En deze zekerheid zal gcene zelfmisleiding zijn, maar steunen op de werkelijke verdiensten, die gij door uwen arbeid, door het beroep of bedrijf, dat gij zult uitoefenen, wekelijks te huis brengen zult.

Wij hebben u, in deze onderrichting gewaarschuwd tegen de onverschilligheid, eene ondeugd, die men wel eens het gebrek van den jongenstijd noemt. Laat ik u ten slotte nog eens de geschiedenis van eenen onverschilligen jongen verhalen.

liet was o]) eenen laten namiddag in de herfst, toen een man aan de pastorie eener landelijke gemeente aanschelde, „om den

ocr page 90

76

pastoor tc spreken.quot; De man was blijkbaar ontsteld en hield vol kommer liet hoofd diep voorover gebogen onder den zwaren last, die op zijn hart drukte. Binnengelaten in de spreekkamer zette hij zich op den stoel neder, dien de pastoor hem aanbood en begon aldus te spreken:

„Pastoor, ik kom tot u, om uw raad te vragen. Wat toch moet ik in 's hemelsnaam met mijn Simon, mijn oudsten jongen, aanvangen? Ciij weet, pastoor, dat hij weder sinds veertien dagen bij mij thuis zit en niet werken wil. Veel moeite heb ik gedaan, om hem hij mijn neef, den smid, in de smederij te krijgen cn toen mij dit eindelijk gelukt was en neef Piet hem nemen zou, heeft de jongen het vlakweg geweigerd, zeggend dat hij geen zin had, om onder zoo'n baas te werken. Mijne handen jeukten mij, pastoor; maar gij hebt mij bevolen, om hem niet te slaan. Ik had hem anders gaarne eens geducht willen afstraffen, want bij verdient liet dubbeld en dwars, pastoor!quot;

De man zweeg een oogenblik en het was duidelijk, dat hij zich geweld moest aandoen, om bedaard te blijven. Met bevende stem ging hij voort met spreken.

„Dezen middag echter is liet toch al te erg geworden. Verbeeld u, pastoor, terwijl ik op mijn werk was, heeft de deugniet zijne eigene moeder een gat in liet hoofd gegooid. De goede ziel wilde hem vermanen cn smeekte hem, om toch een beter leven te beginnen en aan het werk te gaan. Hij is daarop zoo driftig geworden, dat bij den kolenschepper van den grond nam en dien naar haar hoofd heeft geslingerd. Dc schurk! Hij had haar wel dood kunnen gooien. Om Gods wil, pastoor, geef mij toch raad, alvorens ik nog een ongeluk aan den jongen bega! Toen de kleine Griet, het lieve kind, het bloed zag stroomen uit de wond, is zij schreiend naar mij toegeloopen. Ik was gelukkig dicht bij huis. Binnenkomend, zag ik hoe de vlegel bezig was met een natte doek het bloed van haar goedig gelaat af tc wisschen. in plaats van hem te schoppen, gelijk hij verdiende, nam mijne vrouw hem nog in bescherming, toen ik binnenkwam. Maar ik was mij niet langer meester, pastoor, en bij zijne haren hch ik hem de trap opgesleept en in een hoek van den zolder nedergesmeten. Daar zit hij nu opgesloten, en ik ben blijde, dat ik hem niet doodgeslagen heb, want, waarachtig pastoor! ik kende mij zeiven niet meer. Mijne goede vrouw echter hield niet op met mij te dwingen, dat ik toch naar u zou gaan, om te weten, of het wel goed was, dat de jongen opgesloten bleef. Zij is voor alles bang, pastoor. Ik kan mij niet begrijpen, hoe het mogelijk is, dat mijne vrouw nog zoo gehecht is aan dien deugniet.quot;

De pastoor heeft den lievig ontstelden man laten uitspreken , wetend, dat dit het beste middel is, om hem tot bedaardheid en kalmte te brengen.

„Vader,quot; zoo zegt hij , „dat is hot verschrikkelijkste wat gij reeds

ocr page 91

i I

van den jongen beleefd heM. Verschrikkelijk! verschrikkelijk!quot; zoo herhaalt hij en peinzend schudt de pastoor, die reeds zooveel ondervinding in het menschelijk leven heeft opgedaan, het grijze hoofd. ,, Jlet is erg, vader, ik begrijp uwe oogenblikkelijke drift. De jongen heeft uwe kastijding meer dan verdiend. Toch zult gij, ook onder de hardste kastijdingen, dit karakter niet plooien. Geloof mij, vader, de teederheid en zachtheid uwer vrouw zijn alleen nog in staat, om den jongen te redden. Maar ik ga met u mede en wil hem toespreken, als nog iets zijne koude onverschilligheid kan genezen, dan moet het de schaamte over zulk een vergrijp zijn.quot;

Na weinige oogenblikken ging de eerbiedwaardige priester aan de zijde van den diep geschokten vader de pastorie uit, om den rampzaligen jongeling op te zoeken en zoo mogelijk nog te redden.

Als de moeder den grijzen herder hare woning zag binnenkomen, lachte zij hem dankbaar toe. „ Indien iemand haren verbolgen man tot zachtheid stemmen kon, dan was het de pastoor.quot; Zoo had zij aanstonds na dit misdrijf van haren zoon gedacht.

De pastoor vraagt vol deelneming naar de wonde, die vrij diep, maar gelukkig niet gevaarlijk is. Troostend vermaant hij haar, toch veel voor haar kind te bidden en zegt dan: „Ik wil den jongen alleen spreken. Blijft gij allen hier. Misschien dat deze zonde het begin wordt van een gunstige verandering in den misdadigen jongen.quot;

De pastoor vindt Simon schreiend op den vloer des zolders nedergezeten. Als de ongelukkige het luik van den zolder ziet opengaan, beeft hij, want hij vreest dat zijn vertoornde vader opnieuw zal komen, om hem te slaan.

„Simon, Simon,quot; zoo klinkt het uit den mond des priesters, zacht, maar toch bitter verwijtend, „Simon, moest het dan zóó ver met u komen!quot;

Als Simon de stem des priesters hoort, gaat er eene huivering over al zijne leden. Hij antwoordt niet, maar van schaamte krimpt hij ineen en na een oogenblik barst bij in luide snikken uit. Dan kruipt hij over den vloer tot voor de voeten des priesters en stamelend vraagt hij: „Pastoor, zal God mij ook dit kwaad nog willen vergeven?quot;

De pastoor heft hem op van den grond, en wat er toen verder gesproken is tusschen deze beiden is alleen bekend aan God. Lang duurde hun onderhoud en eerst na verloop van een half uur daalde de priester de trap des zolders af en voerde aan zijne hand den berouwvollen Simon mede. Luide smeekte de schuldige zoon om vergiffenis, weenend wierp hij zich aan de voeten zijns vaders en sloeg daarna zijn arm om den hals zijner moeder en hield niet op haar goedig gelaat te kussen. Toen smolt voor een oogenblik de harde ijskorst, waarmede de onverschilligheid zijn hart bedekt had, toen gevoelde zijne ziel, hoe zoet de liefde eener teedere moeder is.

ocr page 92

78

Er kwam voor eonige maanden cene gelukkige verandering in het gedrag van Simon. Hij was naar de smederij van zijn neef Piet gegaan, en gewillig en gehoorzaam zoowel in zijn ouderlijk huis, ais op zijn werk geworden. Helaas! voor eonige maanden slechts. Het moet gezegd worden, edelmoedig was Simon begonnen aan de verbetering van zichzelven, maar hij miste den wil, die weet te volharden. Reeds na een half jaar was hij onverschilliger, dan hij nog ooit te voren was. Hij was inmiddels achttien jaren oud geworden. Xu was zijn tweede val veel erger dan de eerste. Hij vond een losbandigen vriend. Zijne traagheid en onverschilligheid ontaarden thans in losbandigheid. Aan God alleen is het bekend, welk een hartzeer Simon in de twee jaren, die nu volgden, zijne ouders aandeed. Zijn vader vergrijst onder hut verdriet van zijn losbandig leven. Nu vloeit liet bloed niet meer uit eene wond, in drift in haar hoofd geslagen; nu kwijnt zij, want het bloed teert weg in het hart dezer moeder. In koude onverschilligheid ziet Simon het aan, dat haar gelaat dagelijks magerder wordt, dat zij wegkwijnt en zichtbaar uitteert. Het was op een Zondag na den middag, als zijn vader hem zeide: „Simon denkt er aan, dat de dokter dezen ochtend je moeder ernstig voud.'quot; Zonder een enkelen groet haar te geven heeft Simon zijn ouderlijk huis verlaten. Het is reeds twee uur in den nacht, als hij tierend , waggelend op zijne beenen huiswaarts keert. Dronken staat hij aan het sterfbed zijner moeder en als hij des morgens, nuchter geworden, ontwaakt is en zich bewust wordt, dat zijne moeder in dien nacht is gestorven, dan sluipt hij heimelijk de ouderlijke woning uit, want dat huilen van vader en dat misbaar maken van zijne zuster kan hij niet uitstaan. Met de handen diep in zijne broekzakken gestoken, slaat hij den rijksweg op naar de naastbijzijnde stad en al gaat het hem niet zoo van harte als anders, toch fluit hij nog zijn liederlijk deuntje, „want — zoo denkt Simon — nu zij dood is, zal vader het niet langer tegenhouden, dat hij dienst neemt.quot; Waarheen? Och, wat hebt gij er aan, om te weten onder welke troepen Simon dienen wil! Zijn vader heeft er niets op tegen. Drie weken na den dood zijner moeder is alles geregeld. Zijn vader heeft zijne toestemming gegeven. Het handgeld heeft Simon in tien dagen verbrast. Het is hem niet der moeite waard geweest, om nog afscheid van zijnen vader en van zijne zuster te nemen. Het schip, dat Simon zal overbrengen naar een vreemd gewest, vaart af. Simon verbaast er zich over, dat het zijne schepelingen nog zoo moeielijk valt het vaderland te verlaten. Hij zelf gaat naar het vooronder van het schip, en als het schip de vaderland-sche haven gaat uitstoomen, dan werpt Simon zich langsuit op een bank en heeft slechts spijt, dat op de zeereis het rantsoen jenever zoo schraal gaat toegemeten worden. Had Simon met de wuifende manschappen op het verdek van het stoomschip gestaan, dan zou hij onder de achterblijvende menigte aan den

ocr page 93

wal, nog het bedrukte gelaat van zijnen vader gezien hebben, die hem nagereisd is, om bij zijn vertrek uit bet vaderland den laatsten vaderlijken zegen aan zijnen zoon te geven. Maar Simon denkt niet meer aan zijnen vader; hij poogt zich in slaap te fluiten, want in schroomelijke losbandigheid gingen de uren dei-laatste nachten voorbij.

Hoort nu nog m. V., bet treurig einde van dezen Simon.

Zes jaren gingen er voorbij sinds Simon uit ons vaderland was vertrokken. Op eenen ochtend trof ik een der makkers aan, die met hetzelfde schip als Simon waren vertrokken. Deze bad zijnen diensttijd volbracht en was blijde, zijne ouders in bet vaderland nog weder te vinden. Nieuwsgierig vraagde ik dezen, of hij mij eenig bericht over Simon geven kon. Bij het hooren van dien naam trok zich het gelaat van den wedergekeerden soldaat pijnlijk zamen. Op een verachtelijken toon antwoordde hij: „Gij vraagt mij nog, mijnheer, naar dien verrader? Wij hebben den schurk met onze kogels doodgeschoten. Wij dienden te zamen in het vreemden legioen. In het derde jaar van zijnen diensttijd liep hij naar den vijand over en verraadde de stelling, die wij verdedigen moesten. Gelukkig viel hij spoedig in onze handen en het krijgsvonnis was weldra aan hem voltrokken. In dien kerel zat het hart van een slang. Op den laatsten avond van zijn leven moest ik hem bewaken. Wat raadt gij, dat hij mij op kouden toon nog zeide, in het laatste uur van zijn leven? Ik ben er zeker van, sprak de ellendeling, dat de kogel, die mij den dood zal brengen, mij hier zal raken.quot; En met zijn vinger wees hij op zijn voorhoofd, boven zijn rechteroog. Ik vraagde hem, waarom hij dit dacht? Xa eenige aarzeling antwoordde hij, terwijl zijn gelaat somber werd: „daar wondde ik eens ook mijne moeder,quot; en toen hij dit zeide rilde hij over zijn geheel lichaam.

„Het is uitgekomen, mijnheer,quot; aldus besloot de soldaat, „aan zijn rechterslaap doodelijk getroffen, is hij des anderen daags onder de kogels van ons peloton bezweken. Moge God zijne ziel genadig zijn geweest , voor ons menschen blijft hij een verachtelijke verrader.quot;

Laat ik u, m. V., alvorens deze onderrichting te eindigen, nog deze vermaning geven. Hoedt u toch voor de onverschilligheid, vooral in den leeftijd, waarin gij nu zijt. Beschouwt die ondeugd toch niet, als een gebrek, waarover gij u niet bekommerd behoeft te maken. Ziehier eenige middelen, die u tegen die ondeugd kunnen wapenen:

1. Koestert in uw hart eene teedere liefde voor uwe ouders, voor uwe broeders en zusters.

2. Hebt een open en een medelijdend hart voor het lijden van uwe medemenschen, en weest zooveel gij het vermoogt, gedienstig en hulpvaardig jegens allen.

ocr page 94

ti!quot; quot;

80

ill

•'}. Stelt een levendig belang in alles wat gij goeds opmerkt in den kring, waarin gij leeft.

4. Sluit geene vriendschap met den konden, onverschilligen jongeling, wiens spreekwoord is: ,.Wat kan het mij schelen!quot; maar maakt n hen tot vrienden, die vol levenslust niet moed heenzien naar de toekomst, waarin zij hopen de vruchten te zullen plukken van den arbeid en de inspanningen, die zij zich in den leertijd van hun leven met blijde harten getroosten.

ISi1

ACHTSTE ONDERRICHTING.

Luie Jaap.

Wij hebben u in de vorige onderrichting opgewekt, om toch in de jaren, waarin gij nu zijt, ijverig te zijn bij den arbeid, dien gij te verrichten hebt, opdat gij eenmaal werkzame en kundige mannen in de wereld zijn zult.

Laat ik u in deze onderrichting eens in kennis brengen met een luien jongen, die door zijne traagheid een ongelukkige, ja het woord is niet te hard, een verachtelijke man is geworden.

Jaap was een sterke, dikke jongen van achttien jaren; zijn breede, stevige rug niet minder dan zijne vleezige, hoogroode wangen lieten geen twijfel over: hij was een gezonde knaap, met eene lichamelijke kracht, die men hem benijden kon. Toch was Jaap de frissche, levenslustige jongen niet, van wien men alles voor de toekomst hopen kan. Jaap was vadsig van aard. Men kon het hem aanzien, als hij daar met loome schreden rondslenterde langs de straat, zijn dik hoofd voorover gebogen, als droeg hij een onzichtbaren, maar zwaren last op zijne breede schouders. Hij zou op school niet achterlijk zijn gebleven, als hij' maar niet lui was geweest, want in natuurlijken aanleg was hij zijne schoolmakkers verre vooruit. Maar in de school was zijn hoogste genot geweest, als hij het gemakkelijkste plaatsje kon meester worden, en hij verkneukelde zich van pleizier, als de meester hem maar stil in zijn hoekje ongemoeid liet. Ja, dan kon Jaap zoo echt voldaan zijne dikke handen onder de schoolbank wrijven en grinnikte hij van pret, als ten minste de slaap hem niet al te veel plaagde.

Na de schooljaren was Jaap bij eenen metselaar in de leer gezonden, om zich het vak van metselen eigen te maken; een vak, dat zijn vader hem ten laatste maar had opgedrongen; want uit zichzelf zou Jaap waarschijnlijk nimmer tot de keus van een vak

ocr page 95

zijn gekomen. In dien tijil van zijn leven was liet voor hem een waar genot, om gedachteloos met zijne zielloo/.u oogen naaide menschen te staren, die hem voorbijgingen, terwijl hij, aan den voet van de ladder staande, den opperman de steenen aangaf. Slapen deed hij echter het liefst van alles; en iederen ochtend kwam hetzelfde liedje uit den mond zijner moeder; „Jaap, Jaap! kom er toch uit, het is al lang zeven uur geslagen, denk toch, dat gij reeds op karrewei moest zijn.quot; Soms bleef hij nog langer liggen en dook hij diep weg onder de warme dekens, roepend: „ Fk wil niet, ik wil niet!quot; In dat geval moest grootvader er aan te pas komen. Vader was natuurlijk al lang op zijn werk. Jaap nu had eerbied voor de nog sterke handen van den ouden man. Deze hield niet veel van praten; hij had hem reeds enkele malen met een forschen greep uit de dekens opgedoken en met een ruk hem lang niet zacht op den grond nedergezet. Aan zulk een wekken had luie Jaap toch een hekel. Als hij dus grootvader de trap hoorde opkomen kroop hij maar dadelijk uit zijn bed te voorschijn, zoo wat morrend van „oude ventquot; en „wat mot die hier,quot; maar erg binnensmonds, want vader kon het minste niet velen, wat in het nadeel van grootvader was.

Jaap had een schrikkelijkon afkeer van werken, hij haastte zich nooit en kwam altijd overal te laat, behalve bij etenstijd, dan was hij een man van de klok en kon hij soms heel leelijk doen, als moeder eens een kwartiertje te laat was. In zijn hart was hij blijde, als zijn baas, zijne luiheid moede, hem voorgoed zijn afscheid gaf. Zelf zocht hij nooit naar een anderen baas en het waren zijne gelukkige dagen, als hij niets om handen had en zijne uren met plagen van zijne moeder en met sarren van zijne broertjes en zusjes kon doorbrengen.

Jaap hield er een eigen redeneering op na; „Ik weet toch eigenlijk ook niet, waarvoor dat werken goed is; ze zeggen; „werken is noodzakelijk.'' „Allemaal praatjes, riep Jaap uit, de rijken werken ook niet, en als het waar is, dat hij, die niet werken wil, ook maar niet moet eten, laten dan de rijke jongens maar eens het voorbeeld geven en niet eten; als dat hun goed bekomt, dan probeer ik het ook en geef ik het eten op. Ik zou wel eens willen weten, zoo redeneert luie Jaap, waarom ik mijn geheel leven lang hard zou moeten werken, terwijl die jongen van onzen huisbaas met zijn rieten rottinkje in de hand, zoowel op werkdagen, als op Zondag, gelijk een fijn heertje langs de straten zou mogen slenteren. Is werken noodzakelijk, dan moeten er de rijken, zoowel als de armen aan gelooven; en zij moeien het voorbeeld geven, want zij worden immers „beterquot; genoemd dan wij ? quot;

Kees, de metselaar, tot wien luie Jaap in den schafttijd deze redeneering houdt, is een vlijtig werkman van nog geen dertig jaren.

Levensst. g

ocr page 96

82

„Hoor eens Jaap, antwoordt Kees, wilt gij weten, wélke rijken beter zijn, clan luie, altijd ontevreden werklieden? Die rijken, die hun goed en hun geld dienstbaar maken aan liet algemeen belang eu dikwijls „met den kopquot; harder werken, dan wij het met onze handen ooit doen kunnen.quot;

Daar begrijpt luie Jaap niets van. „ Ik geef aanstonds een kwartje, roept hij uit, als gij mij zulk een rijke i ionen kunt.quot;

„Jaap, bewaar jij je kwartjes maar; want als ge niet meer lust in het werk krijgt, dan kunt ge uw kwartjes nog eens erg hard noo-dig hebben, jongen. Maar rijken, die hard werken , kan ik je niet één, maar wel twintig tegelijk, alleen uit onze stad opnoemen. Beginnen wij maar met de pastoors en met onze dokters, die niet alleen allo uren van den dag, maar ook alle uren van den nacht klaar moeten staan, om zieken en stervenden ter hulp te komen. Zeg eens Jaap, ge kunt niet eens 'smorgens uit bed komen, om tijdig op het werk te zijn ; wat zondt ge er van zeggen, als ik midden in den nacht aan je bed kwam met de boodschap: „Kom er uit, Jaap, er is haast bij het werk, ge moet helpen aan het opperen.quot; Ge zoudt er voor danken en zeggen: „Haast je maar niet, de dag van morgen is lang genoeg.quot;

„Nouw, sprak Jaap, de pastoors en de dokters verdienen dan ook een aardig daggeld. Zij kunnen er maar goed van leven en houden nog een aardige duit over.quot;

Kees werd bij het hooren dezer laatste woorden heftig en zeide: „Hoe durft gij nog zoo spreken? Het is nog geen jaar geleden, toen je vader dat ongeluk op den steiger kreeg. Wie heeft gedurende de drie maanden, dat je vader plat te bed lag, het meest voor jou eu je ouders en voor je broeders en zusters gezorgd. Je moeder zal liet best je kunnen zeggen, waar die aardige duit blijft, die gij zegt, dat pastoors zoo al kunnen overhouden. En wat de dokters aangaat, als zij van de paar dubbeltjes bosgeld in de week, die je ouders bun betalen, rijk moeten worden, dan mogen zij wel zoo oud worden als Methuzalem, en dan komen zij er nog niet.quot;

„ Ik zeg maar, sprak luie Jaap vinnig, zij werken n^et, het is maar drommels gemakkelijk te bidden, zieken op te zoeken en in koetsjes te rijden, zulk een vak zou mij ook bevallen.quot;

„Gij zijt te lui om met je handen te werken, hoe zoudt gij den moed gehad hebben, om tien, twaalf jaren te gaan studecren. Als jongen was het je zelfs te veel, om iedere week ééne les uit den Catechismus van buiten te loeren, en gij zoudt donken, dat gij zoovele jaren ingespannen zoudt hebben kunnen leoren, om een pastoor of dokter te worden?quot;

„Nouw heb ik jo, riep luie Jaap uit, wij hebben bet niet over menschen, die studeeren, maar over priesters en dokters, die reeds hun tijd van loeren achter den rug hebben. Ik houd hot er bij , deze hel then een drommels gemakkelijk leventje.quot;

ocr page 97

S8

„Hoor eenm Jaap, sprak Kees, wanneer ge nog eens in je vluggen tijd mocht komen, dan raad ik je aan, waag er eens een uurtje van den nacht aan, en ga eens voorbij de pastorie of voorhij do woning van den dokter. Honderd tegen één, dat ge daar om twaalf, één, ja twee uur soms, nog het licht door het raam zult zien schijnen. Dat licht zal u leeren, dat die mannen , na den geheelen dag gearheid te hebben, ook de uren van den nacht nog nemen, om ons arme tobbers, naar ziel en lichaam helpend ter zijde te kunnen staan.quot;

Luie Jaap zweeg een oogenblikje. Eensklaps begon hij weer aldus: „Gij spraakt straks van een twintig rijken uit onze stad, die harder werken dan wij, maar het schijnt dat gij het niet verder dan tot den pastoor en den dokter kunt brengen?quot;

„Er wonen, antwoordde Kees, in onze stad vele deftige menschen, die natuurlijk niet geroepen zijn om gelijk wij, met hunne handen te arbeiden. De één gaat dagelijks naar zijn kantoor, om zijn handel te drijven; de andere naar zijn fabriek; een derde lokt door zijn wijs overleg de schepen van andere landen, rijk bevracht, naar onze haven, of zendt onze schepen met de waren van ons land en met de werken onzer nijverheid naar alle landen der wereld heen. Zoudt gij denken, dat al die dagelijksche bemoeiingen maar een spelletje waren? Ik voor mij gelooi, dat liet vrij wat gemakkelijker is, om dagelijks de ladder O]) te klauteren, al is het ook met een zwaren kalkbak op de schouders en op den steiger te metselen, dan geroepen te zijn tot het werk van die rijken, die gij zoozeer benijdt. Met is waar, als ik zoo n geheelen dag door gemetseld heb, dan voel ik 'savonds geducht mijne leden. Ik ben dan dikwijls dood moe; maar des te geruster slaap ik ook in en als ik 's morgens vroeg weder opsta, zie, dan ben ik weder je man, geheel en al uitgerust, en met nieuwe kracht begin ik mijn dagwerk weder. Hebt gij het wel eens gehoord. Jaap, dat een mensch tienmaal meer afgemat wordt door het werken „met den kopquot; dan door handenarbeid?

ilt gij het bewijs? Zie dan maar eens rond. Onder wie vindt gij de sterkste en de oudste menschen, onder de rijken of onder den werkmansstand? Onder ons zijn er meerderen, die zeventig jaren oud en nog zoo sterk en krachtig als zestigers zijn. Van waar zou dat komen, denkt ge? Ik voor mij, zie er een bewijs in, dat de heeren, die met hun verstand moeten werken, veel meer de krachten van hun lichaam uitputten, dan wij, die met handenarbeid ons brood moeten verdienen. Arbeid „met den kop is zwaarder dan handenarbeid, mijn jongen; wij kunnen des nachts van onze dagelijksche vermoeienissen uitrusten en verkwikt staan wij des morgens op. Maar zij, die met „den kopquot; moeten arbeiden vinden dikwijls door overspanning van hunnen geest den verkwikkenden slaap niet, zoo noodig tocli om het lichaam krachtig en gezond te bewaren.quot;

ocr page 98

84

1 •• i

„ Dan zijn die rijken wel groote ezelssprak Jaap, „ dat zij

met al hun geld, zich nog zooveel moeite geven om hunne zaken te drijven. Als ik rijk was, ik zou wel wijzer zijn en zocht een rustig en gemakkelijk leventje.quot;

„Ik dacht,quot; hernam Kees, „dat gij zoo even van luiheid spraakt en nu zegt gij zelf, dat gij, rijk zijnde , een lui leventje zoudt leiden. Jaap gij vergeet één ding; Eén is er, die aan ieder mensch zijn werk aanwijst, en die ééne is God. Maar onthoudt liet goed, alle menschen moeten werken, dat is, moeten nuttig zijn voor elkander; dit is de wil van God. Hij duldt geen luiaards in zijn oog; nietsdoeners zijn Hem een gruwel, en de mensch, die bij zijn dood voor liet oordeel komt en niet gewerkt heeft, dat is, op welke wijze dan ook, nuttig voor andere menschen geweest is, zal als een nutteloos mensch strenge straf voor zijn ijdel leven ontvangen.

„Nu,quot; riep Jaap uit, „dan zullen de renteniers het kwaad te verantwoorden hebben; die lui ten minste voeren, soms het grootste gedeelte van hun leven , niets uit.quot;

„ Ik wil u hierop dit antwoord geven; Vooreerst is het niet waar, dat alle renteniers een lui leventje leiden. Ik heb wel eens gelezen van graven en baronnen, van groote heerschappen, die onmetelijke bosschen en landerijen bezaten en groote weldoeners van hun vaderland zijn geweest, wijl zij hun geheel leven aan de verbetering van den landbouw gewijd hebben. Anderen waren een krachtige steun voor schilders, bouwmeesters en dichters. Weder anderen brachten welvaart in hun land, door met hun geld de nijverheid des volks te bevorderen. Nog anderen maakten door hun geld vele nuttige uitvindingen mogelijk, die tot heil der geheele menschheid kwamen.quot;

„Ten tweede zijn er onder alle standen luie, nuttelooze menschen. Ongelukkige menschen, die voor niets en voor niemand nuttig, ook voor zich zeiven een last en een kwelling zijn. Zij mogen dan zoo rijk zijn, als gij maar wilt, wie niet op eenige wijze nuttig tracht te zijn voor anderen verveelt zich en onder alle menschelijke ellende vind ik de verveling liet ergste. Ik ken luie menschen onder de rijken; maar Jaap, ik ken zulke luiaards ook onder ons, en als er eens iemand opstond, die in staat was om onder alle standen de luie menschen op te tellen, weet ge, wat ik zou vreezen, Jaap? Dat het grootste getal aan onze zijde zou zijn. Het is gemakkelijk genoog, om overal hard te schreeuwen over de luiheid en vadsigheid der rijken, maar onder al dat geschreeuw kan men toch niet verbergen, dat tegenzin in den arbeid, vooral in onze dagen, een groote kwaal is der mindere standen. Velen willen het liefst maar heeren worden, waarom? Niet, om door inspanning van hunnen geest zich nuttig voor anderen te maken; maar wijl zij in hunne dwaasheid meenen, heer geworden, een vrijbrief te zullen hebben voor een zorgeloos

- El

fï:

an

ocr page 99

85

i i

en gemakkelijk leven. Jaap, lt;le schafttijd is voorbij, maar nog dezen raad wil ik je geven: Gij zijt nog jong; schvid die luiheid van ii af en doe uw best om liefde voor je werk te krijgen. Honger is een scherp zwaard, maar die niet werkt moet niet eten, en al zoudt gij die stale wet willen ontduiken, tegen uw wil in, zult gij bet moeten ondervinden: De luiaard is zijn loon niet waard. en zonder verdiend werkloon, ontvangt bij slechts het genadebrood, dat is het brood des gebreks, bet brood van den honger, zoo wrang en bitter voor hem, die door eigen schuld tot den bedelstaf is gekomen.quot;

Luie Jaap droop zwijgend af, trok achter den rug van Kees, die vlug de ladder opklauterde, een leelijk gezicht, — wat voor een aardigheid moest doorgaan — zocht zuchtend één voor één' de steenen bij elkander, waarop de ijverige Koes reeds ongeduldig wachtte, en besloot het morgen ochtend nog eens te beproeven, oi hij, door zich ziek te houden, er zijne ouders toe brengen kon om hem warmpjes in bed te houden.

Zoo was Jaap op zijn achttiende jaar en zoo bleef hij tot zijn vier en twintigste. Zijn vader was in dien tusschentijd gestorven. Gelukkig was het voor zijne moeder, dat baar tweede zoon heel anders was dan haar oudste, en reeds sinds jaren een aardig weekgeld tehuis bracht; want luie Jaap kon het in de weken, waarin hij werkte, nooit verder dan hoogstens tot vier gulden brengen. Jaap bad nu groote plannen in het hoofd, hij was op zijn manier erg slim geweest en was verliefd geworden op een meisje, dat wel vijf jaren ouder was dan hij, maar door spaarzaamheid en zuinigheid in haren goeden dienst een paar honderd gulden rijk was geworden.

A\ ij vinden hem in gezelschap van Kees terug in de loods van een huis, dat in aanbouw is, bezig om bij het einde van den dag de ladders en de kalkbakken op te bergen en beiden gereed om huiswaarts te keeren.

„Keesquot;, vraagt luie Jaap, „kom je ook van daag over veertien dagen op de bruiloft?quot;

„Op welke bruiloft?quot; antwoordt Kees, die nog niet gehoord heeft, dat Jaap „ter aanteekeningquot; is geweest.

.,W el, op mijn bruiloft; ik wil er een joligen avond van maken.quot;

„Wat zegt ge Jaapquot;, roept Kees verbaasd uit ,„ ga je trouwen!quot;

„Hi, biquot;, grinnikt Jaap! „sta je daar zoo verbaasd over!quot;

„Ge zult toch wel wijzer zijn. Jaap; waarop moet jij trouwen? als ge je moeders buis niet had, dan leedt ge nu reeds honger.quot;

„Kees, zegt Jaap op schamperen toon, jij schijnt nog al dikwijls van honger lijden last te hebben, tenminste je heb er den mond vol van.quot;

„Goddank niet! antwoordt Kees, maar dat wil ik je wel zeggen, dat bet bij mij thuis op eene uitrekening moet gaan. Ik heb gelukkig het geheele jaar door vast werk; maar wij zijn tegen-

I li

|

: 'A ü

: ■

I

11

■

:

ocr page 100

8H

woordig al met ons zessen en liet moet alleen van mijn handen komen. Jongen, ze zijn zoo gauw geblazen die tien gulden, die ik iederen Zaterdag thuis breng!quot;

„Een andermans rekening is slecht te maken, zegt Jaap, maar ik heb zóó gerekend: het eerste jaar heb ik geen krimp, het wijf brengt een aardigeu spaarpot mee; geeft de baas geen opslag

als ik getrouwd ben, dan zoek ik wat anders.....quot;

„Reken daar maar niet op. Jaap,quot; valt Kees hem in de rede. „VTeet je waar ik bang voor ben, als de patroon morgen hoort, dat ge trouwen gaat, dan krijgt ge de bons, kameraad. Het is wel schande voor je, maar het is toch goed, dat gij het eens hoort: hij heeft je gehouden voor je moeder. Ge kent niks en je wilt een beetje. Twee lastige dingen om brood te verdienen. De vier gulden, die je nu krijgt, kan een vlugge jongen vrij wat voordeeliger verdienen; als wij liet druk hebben, moet er voor jou altijd nog een mannetje ''ij-

„Ja wel, altijd het oude liedje,quot; spreekt Jaap spijtig, „maar dat begint me te vervelen; ik groet dien schrielhans van een baas en ik ga op los werk.quot;

„ Dat hebt ge reeds meermalen gejirobeerd, maar wat was altijd het einde? Straatslijpen, en iederen avond met een leege zak naar huis. Ze kennen luien Jaap al overal in de stad. Kom je aan de booten om een daggeld te verdienen, anderen zijn je al voor geweest en hij, die nog een mannetje noodig heeft, wacht op een beteren. Als de sjouwers je in de verte aan zien komen, roepen ze al aan den vrachtmeester „niet aannemen, baas!quot; Je staat je man niet Jaap, en denkt te veel „het werken is voor de dommen.quot; Als je goede vader mij niet zoo goed vooruit geholpen had, toen ik nog een jongen was, had ik er al lang den brui van gegeven om met jou te werken. Ge zijt te langzaam en kijkt te veel buiten het werk om; dat is voor mij lastig werken en onvoordeelig ook, als het in aanneming gaat.

„Zie zoo,quot; riep Jaap uit, „nu hebben we het sermoen weer. Kees het is jammer, dat je geen pastoor zijt geworden, wat zou je ze Zondags raken op den preekstoel! Maar al preekt ge nu nog zoo lang en nog zot) mooi, trouwen gaat Jaap. Ik waag het er op; lukt het niet met de centen, enfin, dan ben ik nog even ver als nu.quot;

„Waarachtig niet Jaap, dan raakt ge verder van honk dan nu. Lijdt ge nu honger, dan doet gij het alleen; maar zijt ge eenmaal getrouwd, dan lijden er aanstonds twee honger. En zijt gij één, twee, drie jaren getrouwd, dan lijden er waarschijnlijk drie, vier, vijf honger, en dat is liet ergste. Jaap; want dat moet vreeselijk zijn voor een vader, als de kleinen om brood schreeuwen en vader niks heeft om ze te geven! Groote God! dat mij dat toch nooit overkomen moge!

Luie Jaap zweeg een oogenblik en draaide zijn dik hoofd eens

II '' i||: iill1

-

;

;:;K ; i ■

ocr page 101

87

om, want hij kon toch niet goed hebben, dat de oogen van Kees daar in eens zoo nat werden.

„Kees,quot; zegt Jaap na een poosje weder, „je neemt het veel te zwaar op en vergeet een ding. fn onzen tijd moet men al erg dom zijn, om waarachtig honger te lijden. Weet je wat ik maar denk, er staan hier drie groote Iiuizen in de stad. Vooreerst het armhuis, waar ze de hongerigcn moeten spijzigen. Verveelt het je daar, of verveelt gij de heeren daar, dan hebben we nog het werkhuis, waarin zij, die zonder werk langs de straten moeten loopen, gemakkelijk onder dak kunnen komen, als zij willen, en een goede ligging en een beste tafel vinden. Lukt dat ook al op den duur niet, dan is er nog een spinhuis, waar een mensch in i/uicl, als hij neemt, wat hij eigenlijk niet hebben mag en gesnapt wordt,.... nouw kijk me maar zoo kwaad niet aan. Kees, ik zeg maar wat kan....quot;

Kees was goedig van aard, maar kon toch boos driftig worden soms. Dat werd hij nu, reeds te lang had hij zich ingehouden: „Ellendige schurk!quot; viel-bij uit, en tegelijk hief liij zijne sterke hand op en gaf den luien Jaap een slag op het dikke gezicht, zoo hard, dat het bloed hem uit den neus sprong. „Pakje weg, luie doodvreter, pak je weg! nu ken ik je als een schaain-teloozen schurk, op wicn ik voortaan passen zal.quot;

Kees ging en liet den verbluften Jaap aan zich zeiven over. Langzamerhand tot bezinning komend, wiesch luie Jaap zijn bebloed gezicht af, en met bet koude water zich van den harden klap een weinig hersteld hebbend, sprak hij grijnzend: „Die klap zal je heugen, fijne preeker, onthoud je dag, of ik ben Jaap niet.quot;

Na veertien dagen trouwde Jaap en haastte zich de spaarpenningen zijner vrouw op te maken. Na oen jaar was hij vader, en zijne vrouw reeds opgeschreven op de lijst van de kraamvrouwen, die bedeeld moesten worden. In het tweede jaar van zijn huwelijk werd luie Jaap voor twee jaren veroordeeld. Hij had bekend voor de rechtbank, uit wraak, de touwen te hebben losgemaakt, waarmede de steiger in elkander gehouden werd, en waarop Kees metselde, toen deze dat schrikkelijke ongeluk kreeg, en voor dood werd weggedragen. — Zijne vrouw stierf spoedig van verdriet en zijn kind wordt opgevoed in een gesticht van verlaten kinderen. Hij zelf is tegenwoordig landlouper, en is een goede bekende in de Ommerschans.

Hoedt u, m. \ voor de luiheid. Ledigheid is des duivels oorkussen, traagheid de grondslag van allerhande ondeugden.

ocr page 102

88

NEGENDE ONDEKIÜCÏÏTIKG.

Wilt niet te vroeg aan trouwen denken.

Wij hebben, m. V., in onze onderrichtingen de drie gestelde redenen besproken, waardoor een jonkmitn kan geleid worden om in den wereldlijken staat ongehuwd te blijven leven. Laten wij nu de vraag stellen; „Welke is voor een jonkman de geschikte leeftijd om te huwen?quot; Nemen wij als voorbeeld een jonkman, die in staat is door den arbeid, dien hij verricht, of door de betrekking, waarin hij geplaatst is, of door den handel, dien hij drijft, of door het bedrijf, dat hij uitoefent, oen eigen huisgezin te onderhouden. Hij heeft geene hulpbehoevende ouders te verzorgen, of wel hij is in staat dezen op voegzame wijze te ondersteunen. Welke is voor zulk een jonkman de geschikte leeftijd om te huwen?

Sprekend over de keus van den staat des huwelijks, schrijft pastoor van Campen aldus: ') „Het is voor het huwelijksgeluk van belang, dat men niet te vroeg aan trouwen denkt of het niet te lang uitstelt. De eerste lichtzinnigheid der jeugd moet geweken zijn , opdat men zich niet blootstelle aan een dwazen stap en tot het ernstig vervullen der vele plichten van het huwelijk in staat zij. Maar het zou ook niet goed zijn te wachten, totdat de frisch-lieid der jeugd geheel vergaan is, tot men in karakter en levenswijze zoo gevestigd is, dat men zich moeielijk in de samenleving buigen kan, of tot dat men door ondervinding al te zeer de illusiën des levens verloren heeft. De leeftijd van omtrent vijf-en-twintig jaren schijnt het beste tijdperk voor het trouwen te wezen, en het is een groot gebrek van onzen maatschappelijken toestand, dat de meeste mannen op dien leeftijd nog geen voldoend bestaan hebben om te kunnen trouwen.quot;

Wij zien uit deze woorden, m. V., dat een jonkman zoowel te laat, als te vroegtijdig tot het huwelijk kan komen.

Te vroegtijdig, dat wil zeggen op te jeugdigen leeftijd. Wij spreken hier natuurlijk slechts van jongelingen uit ons volk, van jongelieden uit ons vaderland. Herinnert u, wat gij zeker wel reeds elders zult gehoord hebben, dat in landen, waar het klimaat warmer is dan in onze noordelijke streken, de mensch veel spoediger tot zijne ontwikkeling komt. Wilt ook in het oog houden, dat de leeftijd van omtrent vijf-en-twintig jaren gesteld wordt als een algemeene regel, die in het bijzonder meerdere uitzonderingen kan toelaten. Er zullen ook in ons vaderland jongelingen zijn, wier lichamelijke en verstandelijke ontwikkeling spoediger tot

') „Het huwelijk,quot; p. 94.

ocr page 103

.S9

haren eisch zijn gekomen. Als algemeene regel echter kan voor ons blijven gelden, dat de leeftijd van omstreeks vijf-en-tvdntig jaren voor jongelieden de beste is om tot een huwelijk over te gaan. Waarom juist die leeftijd?

Vooreerst, volgens het getuigenis van kundige geneesheeren is de leeftijd van vijf-en-twintig jaren het tijdperk, waarin ons lichaam tot krachtigen bloei komt. ,.AVast en vermenigvuldigt u,quot; zoo sprak God in het paradijs tot onze eerste ouders. Het is de wil van God, dat voor zoover dit van ons menschen afhangt, de aarde voortdurend zal bevolkt zijn met menschen, die krachtige en gezonde lichamen zullen bezitten hier op aarde.

Maar ten tweede, is deze leeftijd gesteld, als een waarborg om bij de keus van eenen levensstaat en vooral om bij do keus van eene vrouw geen onberaden, geen dwazen stap te doen.

Het is eene treurige, maar toch helaas! geene zeldzame ondervinding, hoe onvoorzichtig ouders in de znnk des huwelijks met hunne kinderen somwijlen handelen. Er is voor het ouderlijk hart iets streelends in gelegen , te kunnen mijne dochter gaat trouwen.quot; Een zekere zal meerdere malen bewerken , dat ouders om een passenden, geschikten leeftijd voor het huwelijk hunner kinderen af te wachten. Zij stellen bij ben de groote levensvraag des huwelijks op den voorgrond in een leeftijd, waarin hunne kinderen werkelijk nog niet in staat zijn, om met den noodigen ernst over zulk eene gewichtige zaak, gelijk het huwelijk is, een grondig eigen oordeel te hebben. Ouders, die aan hun zoon niet gaarne de vereffening van een belangrijke zaak, waarvan geldelijke winst of verlies afhangt, zouden toevertrouwen, die er bijvoorbeeld, zelfs niet aan zouden denken, om hunnen zoon uit te zenden, opdat hij eigenmachtig een huis of een paard of zelfs maar een meer dan gewoon kostbaar gereedschap zou aankoopen, zien er geen bezwaar in, dat diezelfde zoon eene voor het leven bindende beslissing neme, wanneer het zijn huwelijk betreft. Hoe geschiedt het somwijlen? Ziehier een voorbeeld. -Tan is do oudste, bijna achttienjarigen zoon van fatsoenlijke ouders, hij is vroegtijdig op zijn ambacht gegaan en is nu een flinke, goed opgeschoten jongen, niet dom en niet lui, maar vlug en vaardig in zijn werk. Jan is, wat men noemt, een voorspoedige knaap, nog wel wat speelsch en lichtzinnig in den goeden zin, „maar, denkt vader, dat zal er wel afgaan, als de jongen maar spoedig tot zijnë bestemming komt.quot; En moeder meent: „Als eenmaal een jongen acht, negen gulden 's weeks kan verdienen, dan mag men hem van zijn geluk niet afhouden.quot; „Het is wonder, zegt moeder, maar er zit in onzen Jan zoo nog niets van de wereld in; dat maakt dat hij nog zoo kinderachtig spelen kan met zijn broertjes en zusjes. Moeder zal hem toch eens ernstig onderhanden nemen. Jan is juist bezig om den grooten vlieger tót

i 1

1 ï

zesgen; ,,Mijn zoon, verkeerlt; 1 e (?i gent i efcle geen iiedulil hel)ben,

ocr page 104

90

ecne voorspoedige reis op te tuigen en heeft met veel overleg den staart van den vlieger op de passende zwaarte en lengte gebracht. Hij overziet nog eens het geheele werk en tevreden roept hij uit tot Kees, zijn twaalfjarigen broer: „Drommels! Kees, juist wind genoeg! als nu ons touw maar niet te kort is!quot; Moeder is even naar den zolder gegaan , om de dakvenstertjes te openen , want de frissehe koelte van huiten zal de natte wasch spoediger doen opdroogen.

„Dag moeder, dag moeder'quot; klinkt liet uit den mond van Jan,' heneden aan de zoldertrap, „wij gaan (gt;|i het land van Sijmen den vlieger oplaten.quot; Sijmen is de melkboer, die even buiten do stad woont en iederen ochtend met den melkwagen in de huurt komt.

„Jan, wacht eens even,quot; klinkt liet antwoord van bovenaan de trap, en moeder klimt haastig naar beneden.

„Kees,quot; zegt moeder tot haren twaalfjarige, „ga gij maar met den vlieger naar Sijmen; maar met u, Jan, moet ik eens oen woordje apart hehhon. Kees, niet te laat thuis! Vóór den donker terug, Piet van Sijmen zal je wel helpen met den vlieger.quot;

Het is voor Jan eenc grooto teleurstelling; maar moeder heeft nog al directie in huis en van jongs af heeft Jan geleerd, om maar niet tegen te stribbelen als moeder iets wil, om de eenvoudige maar afdoende roden, dat dit toch niets uithaalt. Hij is er nu toch wel wat wrevelig over, ten minste, hij smijt zijn pet veel harder in den hoek, dan dit trouwe hoofddeksel aan hem verdiend heeft. Moeder sluit zorgvuldig de buitendeur, want zij wil nu eens door goene enkele buurvrouw in dit half uurtje gestoord worden. Jan mag in vaders hoekje op den leuningstoel gaan zitten, en moeder haalt tot grooto verbazing van Jan uit de schuiflade van de oude mahoniehouten chiffonnière een van de „bestequot; sigaren, die zij zuinig bewaart voor het geval, dat mijnheer do houtkoopor om zijn geld komt en zich gewaardigt eens op te steken bij een oenvoudigen timmermansbaas, gelijk de vader van Jan is.

Jan begrijpt zijne moeder in hot geheel niet. Hij heeft gedacht, dat hot verbod van moeder, om op het land van Sijmen den vlieger op te laten, zooveel als eene straf was, wijl hij verleden week liet ongeluk.heeft gehad van tot zijne schouders in eene sloot terecht te komen. Toen straks zijn pet het moest misgelden, dacht Jan, dat het Hauw van moeder was, om hom dit nu op zulk eene manier „ in te peperen.quot;

„Kom aan. Jan,quot; zegt moeder, hem de extra'sigaar aangevend, „steek er nu den brand maar eens in, en vergeet nu voor goed dien vlieger; een mooi spelletje voor uw kleinen broer, maar voel te kinderachtig voor oen jongen van uwe jaren. In de volgende maand wordt ge al achttien jaren; ge moet nu eens al die kinderachtigheid uit hot hoofd stellen.quot;

ocr page 105

91

Het is Jan onbegrijpelijk, waarom het kinderachtig zon zijn, om zulk een grooten vlieger, als hij nu gemaakt heeft, in de vrije lucht op te laten.

„Gij moet,quot; zoo gaat zijne moeder voort, „nu eens verstandig gaan worden en aan ander vermaak, aan degelijker dingen gaan denken.quot;

Ecu ander vermaak, een ander spel, zoo denkt Jan, wat zou dat moeten wezen? „ Maar moeder,quot; zoo vraagt hij, „welk ander vermaak wilt u dan, dat ik zoeken zal. I heeft nooit gaarne gehad, dat ik er kameraads op na hield. Ik hen er nimmer rouwig om geweest, want met Willem en Kees — zijne jongere broers —■ heb ik altijd schik genoeg gehad. Nu schijnt u het in eens anders te willen ? quot;

„Ja, Jan. hierin hebt gij gelijk, mijn jongen, maar gij zijt nu eenmaal tot een leeftijd gekomen, waarin gij aan ernstiger dingen moet gaan denken. Hebt ge er wel eeus aan gedacht. Jan, dat er vele mannen zijn, die al sinds lang getrouwd zijn, en die reeds drie, vier kinderen hebben, en nog niet eens zooveel verdienen als gij? Acht, negen gulden heeft iedereen niet in de week. Gij zult zeggen, ik moet nog loten; maar gesteld, gij loot er in, gij weet toch wol, dat uw vader en ik voor geen geld van de wereld zouden willen, dat gij als-soldaat weg moest. Heb daarover dus maar geen zorg, wij koopen u stellig vrij, mijn jongen, vader heeft het dezen ochtend nog gezegd. Daarenboven kunnen wij nog wat missen. Jan; wij zetten u knapjes in uw huishouden, al zoudt gij ook een meisje kiezen, dat niets medebracht. Gij zijt goed met uw baas, als gij trouwt, geeft deze al licht nog één cent meer in het uur; dan wordt uw weekgeld al spoedig over de tien gulden. Willem, onze oude knecht, met zijn groot gezin, heeft nooit meer dan twaalf gulden gehad en hij is er altijd knap mede voor den dag gekomen.quot;

Jan weet niet of bij een ernstig gezicht moot zetten, dan wel lachen zal. Zoo in eens van den vlieger, die al zijn gedachten innam, door zijne moeder vóór de vraag gesteld, „of hij nu maar niet trouwen zal?quot; Ken oogenblik denkt Jan er aan, of moeder hem misschien eens beet wil nemen. Maar neen, daarvoor praat moeder nu veel te ernstig.

„Zoudt u werkelijk willen,quot; vraagt hij, „dat ik aan trouwen ging denken?quot;

„Waarom niet, mijn jongen?quot; zegt moeder; „wel niet aanstonds, maar toch, als gij zoo tegen de twintig jaren liep, zou uw vader en ik wel wenschen, dat gij op uwe bestemming waart. Nu een jaar is spoedig voorbij; gij dient toch vooraf wat te verkeeren met een meisje. Gij hebt keus genoeg, ik ken er verscheidenen, die geen „neenquot; zouden zeggen, als gij haar vragen kwaamt. Jan, hebt gij nog nooit zoo eens gedacht bij u zeiven: „ Dat meisje zou mij aanstaan?quot;

ocr page 106

92

„Ja, moeder,quot; viel Jan eensklaps in, „Grietje van hierover, die zou mij zinnen.quot;

„Ach! die malle Griet,quot; sprak moeder wrevelig, „is nog een kind, hoe kunt gij aan zoo'n schaap denken?quot;

„Och,quot; sprak Jan, „dat weet ik niet moeder. Griet en ik, wij verschillen nog geen twee maanden met elkander.quot;

„En ik zeg je,quot; antwoordt do moeder spijtig, „dat Griet een malle meid is. Neen, dan zal ik u eens een andere noemen, die u vrij wat beter passen zal dan die onnoozele Griet,quot; en na een oogenblik gewacht te hebben, ging de moeder aldus voort; „wat zegt ge van Klaartje? Zie, Jan, dat zou een beste vrouw voor u wezen; niet zoo'n malle spring-in-'t veld. maar een bedaard, verstandig en stemmig meisje. .Met zulk eene kunt gij door de wereld komen; wel een paar jaren ouder dan gij , maar dat maakt niet uit, mijn jongen; ik en uw vader verschilden wel zes jaren, en toch is het best uitgekomen.quot;

„Zoo, moeder,quot; sprak Jan, „zou u denken, dat Klaartje beter was? Zij is anders erg stil en gij weet, ik houd van vroolijkheid.quot;

„Och kind, de vroolijken zijn de zorgzaamsten niet, en toch eene zorgzame vrouw brengt de welvaart in huis. Wat hebt gij aan eene vrouw, die maar altijd giegelt en lacht, maar in wie geen greintje zorgzaamheid zit? niets, kind, niets,quot; aldus besloot moeder haar pleidooi voor Klaartje, die zij nu eenmaal als de beste vrouw voor haren zoon hield.

O, onwijs moedertje! waart gij nog maar oen poosje boven op zolder, bij uw natte wasch gebleven, en hadt gij de frissche koelte aan den nog speelzieken jongen op Sijmen's land gegund. Zijn hart en zijne ziel waren dan hoog op met den vlieger mede-gegaan in de lucht, en vermoeid van de pret zou hij t'huis zijn gekomen, en 'snachts zou hij gedroomd hebben van de vogeltjes, die in de hooge lucht om den vlieger heenvlogen, dartelend in hunne vrijheid, terwijl de vlieger toch, hoezeer hij aller oogen ook tot zich trok, immer bleef vastgebonden aan het lange touw, dat daar beneden stevig in de handen werd gehouden.

Hoe geheel anders gaat het nu worden met den levenslustigen Jan! Moeder krijgt natuurlijk haren zin; en Jan is nog geen twintig jaren en reeds zit hij in zijn eigen huisje aan de zijde van Klaartje, nu zijne vrouw geworden. Alles gaat goed, gaat best de eerste vijf, zes maanden; maar als Jan nu,goed begrijpt, wat het eigenlijk zeggen wil: „getrouwd te zijn,quot; en gaat inzien, boe eene vrouw voor hem, en hoe hij voor eene vrouw moet zijn, dan komt de gedachte bij hem op: „Ja, als ik dat alles vooruit had geweten, zou ik toch moeders zin niet gedaan hebben. Klaar, zijne vrouw, is zorgzaam, is proper, is goedig voor hem.... alles best! maar enfin, het is nu te laat.... doch ik had liever nog wat gewacht.quot;

ocr page 107

Gij weet, m. V., met welk eene gestrengheid wij immer blijven aandringen op dc vervulling van hot goddelijk gebod; „ Eer uwen vader en uwe moeder.quot; Toch mogen wij niet nalaten u te herinneren , dat dit gebod u nimmer kan verplichten om tegen uw zin te trouwen, of u eene vrouw te kiezen, die uwe ouders misschien gaarne voor hunne schoondochter wenschen te hebben, maar die gij liever niet voor uwe vrouw wilt kiezen. In deze gewichtige zaak behoudt gij te allen tijde uwe volle vrijheid. Uwe ouders mogen en moeten u met hunne wijze raadgevingen ter zijde staan, zij mogen u een huwelijk afraden, ja zij kunnen verplicht zijn met al hun gezag tegen u op te treden, wanneer gij eene slechte lenze zoudt doen, of eene keuze, die gij voor uw geweten niet doen moogt. Zonder de verkregen toestemming uwer ouders moogt gij in de meeste gevallen tot uw huwelijk niet overgaan; maar nimmer mogen uwe ouders u dwingen eene vrouw te kiezen, die met de genegenheid van uw hart niet overeenkomt. Wacht u daarom, m. V,, om naar een meisje uit te zien in een leeftijd, waarin gij nog zoo weinig zelfstandig oor-deelen kunt, omtrent de zware verplichtingen, die het huwelijk oplegt, waarin gij nog niet de hoedanigheden onderscheiden kunt, die een meisje moet bezitten, om u, als man, gelukkig te maken. Ouders handelen in dit punt somwijlen verkeerd uit eene teedere bezorgdheid voor hunne kinderen. Zij vreezen de verleiding, de gevaren der wereld; zij willen hunne zonen vroegtijdig gehuwd zien, opdat dezen toch niet komen in een bederf, waarin zij zien, dat andere jongelingen komen. Dit alles is schoon in zijne bedoeling, maar daarom nog niet altijd wijs en lofwaardig te noemen. Ook hier geldt het woord van God: „Wie niet beproefd werd, wat weet hij?quot; ') Hij, die als jongeling niet geleerd heeft overwinnend te strijden tegen de gevaren en de verleiding der wereld, zal hij als man in dien strijd geoefend zijn en is zijn val niet dieper en wordt zijn bederf niet grooter, als hij in den staat des huwelijks door dc verleiding en dc gevaren der wereld overwonnen wordt ?

O, m. V., leert den goeden strijd strijden in de jaren van uwe jongelingschap, waarin gij nu zijt. Maakt u sterk, bijgestaan door God en door de macht zijner krachtige genade. Doet de wapenrusting Gods aan, opdat gij geheel uw leven bestand kunt zijn tegen de listige aanslagen des duivels; opdat gij op den kwaden dag, waarop uw vijand u zal aanvallen, wederstand zult kunnen bieden en in alles volmaakt, stand zult kunnen houden. Weest waakzaam te allen tijde en bidt, immer gedachtig blijvend, dat onze vijand rondloopt als een brieschende leeuw, zoekend, wien hij zal verslinden. 2) Aldus als jongelingen strijdend, te midden van de gevaren van uwen leeftijd, zult gij als beproefde,

M Ecel. XXXIV, 9. 2) I 1'etr. V, 8.

ocr page 108

94

als sterke mannen uwen levensstaat ingaan, en machtig door uwe beproefde deugd, bekwaam zijn om te vervullen, waartoe God u zal roepen.

Koeren wij uu terug tot liet punt, waarvan wij in deze onderrichting zijn uitgegaan. Wij vermaanden u, niet te vroegtijdig tot een huwelijk over te gaan en stelden als algemeenen regel voor ons vast, dat de leeftijd van omstreeks vijf-en-twintig jaren als de beste kan beschouwd worden voor een jonkman, om te trouwen. Wij waarschuwden u tegen eene dwaze eigenliefde , waardoor ouders kunnen vervoerd worden, om aan hunne jonge zonen oen huwelijk als op te dringen, terwijl dezen zelf nog niet in staat zijn, om over zulk eene gewichtige levensvraag een zelfstandig oordeel zich te vormen. Wij smeekten u, moedig het hoofd te bieden aan de verleiding en aan het bederf dor wereld, opdat uwe standvastige deugd het hart uwer bravo ouders zal bemoedigen en verblijden, en gij u zeiven in den tijd uwer jongelingschap zoudt oefenen en sterk maken in de deugden, die gij als mannen zoozeer zult behoeven, om de zware verplichtingen van uwen levensstaat naar den heiligen wil van God te vervullen.

Nog een laatste reden wil ik u aangeven, waarom gij niet te vroegtijdig aan een huwelijk moet gaan denken. Zij, die op jeugdigen leeftijd trouwen, beginnen gewoonlijk met eene verkeering aan te knoopon in oen tijd, waarin zij al hunne krachten moeten inspannen, om zich te bekwamen voor het werk, dat zij later zullen moeten uitoefenen. Het gevolg dier vroegtijdige verkeering kan zeer schadelijk zijn voor hen en een ernstig beletsel worden, om in hun bedrijf, of in het ambacht, dat zij zich moeten aanleeren, kundig en ervaren te worden. Nog niet wijs genoeg om in te zien, dat wat hoofdzaak is, ook do meeste zorg moet baren, en nog de noodige zelfbeheersching missend, over do neigingen van hun hart. beginnen zulke jongelingen van zeventien, achttien jaren hunne vorkeering als do hoofdzaak van hun leven te beschouwen. Het werk van iederen dag moet verwrongen worden naar de gelegenheden „ om het meisje te zien, om met haar te spreken, om uit te gaan met haar.quot; Een jongen, die tot nu toe veel lust en ijver getoond hooft voor zijn werk, voor zijn ambacht, begint dien lust, dien ijver te verliezen, en als hij niet ernstig op zijne hoede is, dan gaan zijne gedachten spoedig geheel en al van zijn werk af en wordt hij een droomer, die misschien nog werktuigelijk zijn gereedschap hanteer en blijft, maar wiens geest Ver afdwaalt van zijn werk, om zich misschien toestanden te verbeelden, die, al zijn zij dan nog rein en schuldeloos, toch flauw en te onbeduidend zijn, om daarvoor den zoo kostbaren tijd op te offeren. In den besten leertijd zijns levens blijft zulk een jongen in hot gunstigste geval voor zijn ambacht, wat hij was, hij oefent zich niet verder, hij loert niet verder aan. Gij zult begrijpen, wat er het gevolg van is. Hij wordt

ocr page 109

95

geen ervaren, geen kundig man in het vak, waarmede hij gedurende geheel zijn leven zijn brood zal moeten verdienen. Hij loopt gevaar een brekebeen te blijven, en gij weet, m. V., ik heb het ii reeds meerdere malen voor gehouden, er zijn in onzen tijd zoovele kundige werklieden in allerlei vakken en ambachten , er zijn zoo vele ervarene mannen in allerlei bedrijven , dat de werkgevers hen „te kust en te keurquot; hebben. Het gevolg is dat de middelmatige werklieden de eersten zijn, die werkeloos, dat is spoedig broodeloos achterblijven. Daarom, m. V., begint niet te vroeg aan een meisje te denken. Nu moet uwe eerste zorg zijn, om bekwame en ervaren mannen te worden, voor wie de arbeid een lust des levens zijn zal. Doet gij dit, dan zult gij u nimmer te verwijten hebben, dat gij uwen leertijd verwaarloosd hebt. Wacht met eene verkeeriug aan te gaan, totdat gij gekomen zijt in die jaren, waarin gij kracht genoeg zult hebben over u zeiven, om te voorkomen, dat uwe verkeering u den lust en den ijver voor den arbeid ontroove. (lij zult dan tevens wijs genoeg zijn geworden , om eene goede keus van eene aanstaande vrouw te doen en u niet behoeven te beklagen van eene slechte keus te hebben gedaan, van een dwazen, onberaden stap oj) uwen levensweg gezet te hebben.

TIENDE ONDERRICHTING.

Waarom men het huwelijk niet te lang- moet uitstellen.

Wij hebben u, m. V., in onze vorige onderrichting gewaarschuwd, om toch niet te vroegtijdü/ tot een huwelijk over te gaan, en u den leeftijd van omstreeks vijf-en-twintig jaren als den besten leeftijd aangewezen, om tot dezen gewichtigen levensstaat over te gaan.

Maar, gelijk wij aanhaalden: „Het zou ook niet goed zijn met trouwen te wachten, totdat do frischlieid der jeugd geheel vergaan is; totdat men in karakter en levenswijze zóó gevestigd is , dat men zich moeielijk in de samenleving buigen kan, of totdat men door ondervinding al te zeer de illusion des levens verloren heeft.quot; Drie redenen worden ons aangegeven, om het huwelijk niet te lang uit te stellen. Laten wij ook deze redenen achtereenvolgens met elkander nagaan.

Vooreerst, zij die op eeu lateren leeftijd huwen, hebben die aantrekkelijke, mannelijke jeugd verloren, die zooveel bijbrengt, om de harten der gehuwden onverbreekbaar aan elkander te verbinden. De zaak des huwelijks mag niet enkel eene berekening

ocr page 110

96

des verstands zijn. Het huwelijk steunt op de liefde, waarmede man en vrouw elkander oprecht en met de daad liefhebhen; zonder die liefde houden geene verstandelijke berekeningen op ■den duur van tijd stand, ook dan niet, wanneer een erkend wederzijdsch belang man en vrouw bij elkander zouden gebracht hebben. Wilt mij goed begrijpen, m. V. Een wederzijdsch belang kan er toe bijbrengen, om een huwelijk tusschen een man en eene vrouw tot stand te brengen; maar dat wederzijdsch belang moet steunen op, moet voortdurend gedragen worden door de liefde, welke man en vrouw bij elkander gebracht heeft. Het is waar, de liefde tussehen man en vrouw moet in het huwelijk eene bovennatuurlijke liefde zijn, wil zij op den duur van tijd stand houden. Maar dan ook op den dag des huwelijks moet de genade Gods eene oprechte, natuurlijke liefde vinden, waarmede zij, die huwen gaan, reeds één zijn van hart. Deze natuurlijke liefde zal door de genade, die het Sacrament des Huwelijks mededeelt, tot eene bovenmituurlyke liefde vervormd worden.

Een man nu, die zijn besten leeftijd heeft laten voorbijgaan, en op een leeftijd van veertig, vijf en veertig jaren, ja nog latei-soms, ruor het eerst aan een huwelijk denken gaat, liij moet vreezen, dat hij niet meer in staat zal wezen, om aan zijne bruid een hart te schonken, vervuld voor haar met eene oprechte, belangelooze, offervaardige liefde. Er kunnen, ik wil het gaarne gelooven, meerdere uitzonderingen zijn, want het hart des menschen is, naar het woord van God, onnaspeurlijk; maar te vreezen blijft het, dat vele huwelijken op een lateren leeftijd aangegaan, ongelukkige huwelijken zijn, wijl niet de liefde, maar de zelfzucht en het eigenbelang het grootste aandeel hebben gehad aan hunne voltrekking.

Hoe toch gaat het helaas! dikwijls bij zulke huwelijken?

Een man, die op lateren leeftijd aan een huwelijk denken gaat, wordt maar al te dikwijls tot het huwelijk geleid door de verdrietelijkheid van het alleen zijn. Zoolang hij jeugdig en nog vol kracht was, gevoelde hij die verdrietelijkheid niet. Hij kon zijn hart hechten aan genot, het zij dit dan eeu geoorloofd, of helaas! eeu zondig genot was; of wel al zijne neigingen werden beheerscht door de zucht naar geldelijk winstbejag, waarvoor hij bereid was al zijne andere verlangens op te offeren. Nu is voor hem de tijd gekomen, waarin hij zijn beoogd doel bereikt, of wel gemist heeft. In beide gevallen begint hij het alleen zijn pijnlijk te gevoelen. Wat zoovele jaren de neigingen van zijn hart heeft aangetrokken en in werking heeft gehouden, verliest nu langzamerhand iedere aantrekkelijkheid. Daarenboven, de eerste beginselen van lichamelijke gebreken, die de smarten van zijnen ouderdom dreigen te worden, openbaren zich aan hem; hij begint te vreezen voor de jaren waarin hij hulpbehoevend zal zijn; hij vreest, dat hij dan zonder hulp zal wezen. Hij ziet uit naar eene vrouw,

1 \

ocr page 111

niet om haar gelukkig te maken, maar om zichzelven te helpen. Misschien brengt hij geld en goed aan haar ten offer, maar ware liefde brengt hij haar niet. Hij kan haar die liefde niet offeren, want geheel zijn leven is tot nu toe in eene zelfzuchtige eigenliefde voorbijgegaan. Hij heeft steeds alleen zich zeiven ge-z«cht bij alles wat hij genoot, bij alles waarnaar hij streefde; zijn hart is onmachtig geworden om met eene belangelooze, opofferende liefde zijne vrouw te beminnen. Maar het ware huwelijksgeluk is onbestaanbaar, wanneer die belanglooze, opofferende liefde tusschen man en vrouw gemist wordt.

Zoekt een man in zulke omstandigheden zich eene vrouw, die van gelijken leeftijd is met hem, dan zal hij er in vele gevallen eene vinden, die hem huwen wil xüt berekening. Zij ziet, op welke wijze dan ook, haar voordeel in zulk een huwelijk. De geheime teleurgestelde neigingen, die haar hart, misschien jaren lang, in een nimmer geuiten wrevel en verbittering gestort hebben, wil zij toch nog eenige bevrediging geven. Zij huwt dien man, niet om hem gelukkig te maken, niet in oprechte liefde, maar alleen om haar eigen hart eenigen troost, eenige voldoening bij zooveel innerlijke bitterheid te schenken. Zal het ons nog verwonderen, dat huwelijken, aldus gesloten, maar al te dikwijls rampzalige huwelijken zijn; dat zij den man geen rust, maar ongekenden strijd brengen; dat zij helaas! vaak tot openbare ergernis worden, waarin de man de vrouw, of wel de vrouw den man verlaat, en er niets meer komt van de vervulling der verplichtingen , die de gehuwden tegenover elkander voor God op zich hebben genomen.

Gelukt het echter zulk een man, om op lateren leeftijd eene nog jeugdige vrouw te vinden, dan zal het geluk of wel het ongeluk van zulk een huwelijk geheel en al afhangen van de beweegredenen. Waardoor de nog jeugdige vrouw geleid is geworden , om haar leven te verbinden aan een man, ver in jaren boven haar uitstaande. Wij stellen ons eene jeugdige vrouw voor, die vrij van lederen dwang, uit eigen wil tot zulk een huwelijk heeft besloten. Welke kunnen de beweegredenen zijn, die haar tot zulk een huwelijk brengen?

Wij willen dezen edele en onedele beweegredenen noemen.

Edele heweejjredenen. Wij kunnen ze slechts aanstippen: diepgewortelde dankbaarheid jegens eenen weldoener, edelmoedige, opofferende liefde voor ouders, heldhaftige liefde.

Bij de overdenking van 'deze edele beweegredenen roepen wij uit; Wie zal naar waarde kunnen uitdrukken, tot welke ver reikende offers eene jeugdige vrouw in staat is; tot hoever haar de dankbaarheid voeren kan; tot welk eene hoogte -Van edelmoedigheid zij de liefde voor eenen vader, voor eene moeder kan opdrijven; tot welk eene heldhaftigheid de eerste liefde eener vrouw zich kan verheffen!

Levêxssi.

ocr page 112

Â¥ 98

Zulke huwelrjkeu kunnen gelukkig zijn, omdat het edel hart eener vrouw alle moeielijkheden door hare liefde kan overwinnen.

Denkt echter niet, m. V., dat zulke voorbeelden regel zijn. Zij komen gelukkig voor, oni met. den dekmantel der liefde, zoovele andere dergelijke huwelijken te bedekken, die onder onedele beweegredenen gesloten worden.

Onedele beweegredenen noemen wij de zucht naar grootheid en verheffing van stand, winstbejag, waarbij de jeugdige vrouw helaas! maar al te dikwijls de waarheid ondervindt van het woord des Apostels; „Die rijk willen worden vallen in den strik dés duivels.quot; Het redden van zich zelve na zonde, na misdaad! Dwaasheid ten laatste, waarbij het meisje zich blindelings werpt in haar eigen ongeluk, en waarbij zij doof blijft voor iedere vermaning,' voor iedere waarschuwing en eenen ouden man huwt alleen om gehuwd te wezen, voortgejaagd door een dwaze vrees, dat zij misschien ongehuwd zal blijven in haar leven, indien zij deze-gelegenheid laat voorbijgaan. O, m. V., huwelijken uit zulke beweegredenen voortgekomen zijn voor het grootste gedeelte ongelukkige huwelijken. Hoogmoed komt voor den val. Die rijk willen worden, storten vaak neder in ondergang en verderf. De schuldigen vinden de straf der zonden in de niet uit te roeien jaloerschheid, waarmede zij elkander, ook al wordt het nimmer genoemd tusschen hen, hunne schuld blijven herinneren.

Is de vrouw niet gelukkig, de man zal het evenmin aan hare zijde zijn. Te vergeefs zal hij pogen haar te bevredigen met zijn geld, door haar de middelen tot verheffing en om te schitteren in de wereld te geven. Zijne jaloerschheid zal hem dag en nacht pijnigen en hem nimmer rust laten. Bestaat er voor den ouden man geen gevaar voor de pijnlijke vrees, dat zijn dood als eene uitkomst voor zijne vrouw zal beschouwd worden, en zal die gedachte, in tijden van ziekte vooral, hem niet veel smartelijker pijnigen, dan het lichamelijk lijden? Ach! m. V., bidt voor zulke ongelukkigen, zij behooren onder do rampzaligste menschen , die mijn geest zich kan voorstellen.

Mijne vrienden! ik heb u een vluchtigen blik doen slaan in het menschelijke leven, opdat gij uw gedachtenkring zult verwijden en het bedriegelijk voorbeeld van anderen u nimmer zal misleiden.

Een laatste vermaning nog. Reeds in het paradijs sprak God: „Het is niet goed, dat de menach alleen zij.quot; Zonder eene bijzondere roeping van God, zich openbarend, gelijk wij vroeger zeiden, of wel door eenen inwendigen aaudraflg der ziel tot een offervol en volmaakter leven; of wel door de uiterlijke omstandigheden , waardoor God het leven van den mensch geleidt en bestuurt, zonder eene bijzondere roeping van God, zeg ik, is de man geroepen om hier op aarde niet alleen te blijven; en die roeping moet hij vervullen in den beaten bloeitijd van zijn leven.

Wat ik u bidden wil, m. V., laat dien bloeitijd van uw leven

ocr page 113

99

niet ij del voor u voorbijgaan. Werkt nu en legt er u mot ijver en met al uwe krach.tcn op toe, om eenmaal uwe roeping te hunnen vervullen. Wij moeten bidden tot God; „ Geef ons heden ons dagelijksch brood.quot; Wanneer gij eenmaal tot uwen mannelijken leeftijd zijt gekomen en uw dagelijksch brood kunt winnen, bidt dan tot God en zoekt u eene vrouw van uwen leeftijd, die gij in oprechtheid kunt beminnen; eene vrouw, die in staat is en edelmoedig bereid zal zijn, om met u in liefde zoowel de lasten als de genietingen des levens te deelen. Ziet, dan zult gij in voorspoed en in geluk eene deelgenoote uwer vreugde hebben; maar ook in tegenspoed en in droefheid aan uwe zijde een troostende engel vinden in de vrouw, die hef en leed met u wil dragen. 0, als gij dan oud zijt geworden en God u goedgunstig is geweest, zult gij, bij de gebreken van Uwen ouderdom, de vrouw aan uwe zijde hebben, die met n oud is geworden en door de kracht van hare liefde en toewijding uwe zwakheid zal schragen; dan zult gij aan uw sterfbed de trouwe hulp zien, die gij in den tijd van uw eerste geluk aan uwe zijde naamt; zij zal u de oogen sluiten en in uw stervensuur u troostend heenwijzen naar den hemel, waar gij, na eene korte scheiding , voor eeuwig met elkander zult her-eenigd worden.

Het mag uwe aandacht niet ontsnapt zijn, m. V,, dat wij aldus sprekend over den meest geschikten leeftijd voor den man om tot een huwelijk over te gaan, in het bijzonder zijn eerste huwelijk op het oog hebben. Geheel anders toch worden de omstandigheden, wanneer een man, door den dood zijner vrouw, weduwnaar geworden, in de kracht van zijn leven tot een nieuw huwelijk wil overgaan. Want vooreerst, gelden voor hem de redenen niet, die wij aangaven, en die de oprechtheid zijner liefde twijfelachtig zouden kunnen maken. Immers niet in een heillooze zelfzucht zijn de beste jaren van zijn mannelijken leeftijd voorbijgegaan. Integendeel, wanneer hij oprecht bemind heeft, dan is hij gewoon geworden, om niet voor zich zeiven alleen te leven, maar mededeelzaam te zijn in al het goed, dat hij geniet. Daarenboven kan een man, die door den dood zijner vrouw zijne nog hulpbehoevende kinderen zonder moeder ziet, dikwijls op geeneandere wijze de groote verplichtingen vervullen, die uit zijn vaderschap voortvloeien , dan door God vurig te smeeken, dat Hij hem eene vrouw wedergeve, die in zoover dit mogelijk is, de plaats vervange der moeder, die zijne kinderen verloren hebben.

Het ligt niet in ons plan, om met u over dit punt verder uit te weiden. Toch mogen wij niet verzuimen u hier in herinnering te brengen, dat een man in zulke droevige noodzakelijkheid gekomen , bij de keuze eener tweede vrouw, een open oog moet hebben voor het heil zijner kinderen en nimmer tot een tweede huwelijk moet overgaan, zoolang hij niet de meest mogelijke zekerheid heeft, dat de vrouw, waarmede hij zich gaat verbinden. een ware

ocr page 114

100

en goede moeder voor zijne kinderen wezen zal. Niet op de eerste plaats zal hij lgt;ij zijne keus aan zich zeiven moeten denken, maar boven alles eene wijze, zorgvuldige, liefderijke opvoeding voor zijne kinderen moeten zoeken. Met zijne kinderen moet hij bidden en roepen tot God, opdat Hij hem in zijnen grooten nood te hulp moge komen; want hier vooral is het waar: „Eene brave huisvrouw, wie vindt haar? hare waarde overtreft alles, wat kostbaar is, het hart van haren man kan zich op haar verlaten.quot; ')

ELFDE ONDEKRICHTING.

Eeue tweede reden, waarom men het huwelijk niet te lang moet uitstellen.

Eene tweede reden, waarom huwelijken, die op een later en leeftijd worden aangegaan, dikwijls ongelukkige huwelijken zijn, wordt met deze woorden aangegeven: „Het zou niet goed zijn met het trouwen te wachten, totdat men in karakter en levenswijze zoo gevestigd is, dat men zich moeielijk in de samenleving buigen kan.quot;

Ook deze reden willen wij nader beschouwen.

Het huwelijk, m. V., is een ernstige en gewichtige zaak; wederzij dsche , oprechte liefde en de huiselijke vrede, die noodzakelijk uit deze liefde moet voortspruiten, zijn in het huwelijk noodzakelijke vereischten , om naar ziel en lichaam, voor tijd en eeuwigheid , man en vrouw gelukkig te doen zijn. Waar die liefde en huiselijke vrede gemist worden, daar bloeien geene deugden; daar ontbreekt eene trouwe plichtsvervulling; daar heerscht onrust; daar komen de afgunst en de nijd, de tweedracht, ja zelfs soms de haat grijnzend optreden tusschen den man en de vrouw. Waar vrede is, daar is God, m. V., maar waar twist en tweedracht heerschen, daar woont de duivel met al de ondeugden, die hij in zijn gevolg mede voert.

Denkt echter niet, dat de genade, die het Sacrament des Huwelijks uitwerkt, van dien aard is, dat gehuwden niet noodig hebben zich in te spannen, om de deugden van hunnen levensstaat te beoefenen en zich eigen te maken. Met andere woorden, denkt niet, m. V., dat zij, die huwen, op het oogenblik, waarop zij door het Sacrament des Huwelijks met elkander worden verbonden, door do genade Gods tot volmaakte echtelieden worden gevormd.

i) Prov. XXI. lü.

ocr page 115

101

Zeker, de genade van het Sacrament des Huwelijks staat gedurende de gehcelen duur van het huwelijk man en vrouw krachtdadig tor zijde en steunt hen, om de deugden, aan hunnen levensstaat eigen, te beoefenen. Zij is een krachtige, bovennatuurlijke hulp, die God aan de gehuwden geeft, op hunnen moeiehjken weg naar den hemel. Maar bedenkt het wel, die genade blijft toch slechts eenc hulp, zij stort de deugden van den huwelijken staat niet in.

Wat nu volgt hieruit? Dat man en vrouw, wanneer zij de echtelijke woning binnengaan, nog beginnen moeten de verschillende deugden van hunnen staat te gaan beoefenen. Dan eerst kunnen zij aanvangen de ware, oprechte liefde, als de bovennatuurlijke deugd van hunnen levensstaat te leeren beoefenen. Dan eerst kunnen zij leeren de wederkeerige verplichtingen, die zij op zich hebben genomen, naar den heiligen wil van God te vervullen. Dan eerst kunnen zij leeren jegens elkander zachtmoedig te zijn , elkanders gebreken te verdragen, elkander in wijsheid op den weg van het goede te geleiden en te bevestigen. Dan eerst kunnen zij leeren in ecne grootmoedige liefde, met opoffering van eigene verlangens en neigingen, den huiselijken vrede te handhaven en immer te bewaren.

Denkt niet, m. V., dat dit alles een licht, een gemakkelijk werk is. Meent ook niet, dat in den tijd van verkeering, die gewoonlijk het huwelijk voorafgaat, deze oefening van deugden, zoo noodzakelijk voor het geluk des huwelijks, reeds begint.

Het ware te wenschen , dat dit mogelijk ware; maar juist het tegenovergestelde wordt helaas I maar al te dikwijls in den tijd van verkeering bereikt. Erkennen wij het, m. V., zij het dan ook met droefheid, de tijd van verkeering, die volgens onze zeden vóór het huwelijk gesteld wordt om elkander te leeren kennen, is voor zeer velen een tijd van wederzijdsche misleiding, ja, het woord is niet te hard, van wederkeerig bedrog. Noemt dit, zoo gij wilt eene misleiding, een bedrog, die vergoelijking en verontschuldiging verdient, die verkeeringstijd is er niet minder een tijd om, waarin ên de jongeling, èn de jonge dochter, èn de volwassen man, èn de volwassen vrouw, maar al te veel zich voor elkander verbergen in hunne ware geaardheid, in de gebreken , die hunne inborst aankleven. Zij doen zich in dien tijd geheel anders voor, dan zij inwendig werkelijk gevoelen en denken. Zij verschijnen voor elkander in het gunstigste licht. Zij tooien zich met de deugd van zachtmoedigheid en zijn in alles inschikkelijk voor elkander. Zij voegen zich gemakkelijk naar elkanders grillen on luimen; want het is in dien tijd hun eenigst doel, om aan elkander te behagen, opdat zij tot het beoogde huwelijk zullen geraken. Blind zijn zij in den tijd van verkeering en niet to raden door wijzeren en rijperen in ondervinding, die hen wijzen op ernstige fouten en gebreken van karakter, duidelijk zichtbaar dikwijls voor anderen, maar die zij zelf niet zien in

ocr page 116

102

elkander, alleen omdat zij ze niet willen zien. Ook dan nog, wanneer een of ander gebrek zich opdringt aan hen, en zij dit niet langer onopgemerkt kunnen laten, ook dan nog wordt zulk een gebrek vergoelijkt en verontschuldigd, toegeschreven aan te groote liefde, of wel geduld met de dwaze hoop, dat zij , eenmaal gehuwd zijnde, dit gebrek wel zullen verhelpen en uitroeien.

„Boortje! Doortje! hoe durft ge het toch wagen met zulk een jongen; er gaat geen week voorbij , waarin hij niet veel te veel gedronken heeft!quot; „Geen nood,quot; antwoordt Doortje, „als wij maar eerst getrouwd zijn, dan doet hij dat nooit meer; als wij samen uitgaan, drinkt Piet nooit te veel.quot;

„Klaartje! Klaartje! pas toch oj) met dien jongen; luiheid voert tot armoede en allerlei ondeugden. Jaap loopt veel te veel leeg, aan werken heeft hij een ergen hekel.quot; — „Jaap is immers nog bij zijn vader thuis,quot; antwoordt het dwaze Klaartje, „zijne ouders zitten er goed bij; hij zou wel mal wezen, als hij zich zoo hard uitsloofde.quot;

„Piet, wat is je meisje toch een modepop, een echte ijdeltuit.quot; „O,quot; antwoordt Piet, „dat is zij alleen om mij, zij weet hoe graag ik haar netjes en proper zie, en daarom schikt zij zich op en maakt zij zich gaarne mooi.quot;

„Kees pas toch op, je meid lacht veel te veel tegen allerlei slag van jongens.quot; „Geen nood,quot; antwoordt Kees, „dat is de jonkheid; ik mag wel die vroolijkheid, beter dan zoo'n zemel-knoopster, die nooit eens hartelijk lachen wil.quot; En in zich zelf denkt Kees: niets dan jaloerschheid, alle jongens benijden mij de meid.

„Jan, wat is je meisje,toch drommels jaloersch; zij kan zelfs niet velen, dat ge met je eigen zuster eens lacht.quot; „O, dat maakt niet uit,quot; antwoordt Jan, „ik ben er blij om; zie, zooveel houdt zij van mij ! quot;

„Simon, ik kan me in de wereld niet begrijpen, dat pij uw meisje zoo telkens den zak vult met al die snoeperijen.quot; „Wel,quot; zegt Simon-, „zij is er dol op en ik ben blij , dat ik er baai-plezier mee kan doen.quot; „Dat is het ergste,quot; herneemt Klaas, wat moet ge later met zoo'n snoepende vrouw uitvoeren; snoeien en snoepen leidt tot dieverij, en meer dan een man verdrinken kan, versnoept en versnoeit een snoepend wijf.quot;

„Ik dank je voor je compliment,quot; roept Simon kwaad uit; „als ik niet wist, dat gij het goed met mij voor hadt, dan rekenden wij samen af; maar ééne waarschuwing toch, voortaan een beetje opgepast met die zwartgallige praatjes.quot;

„Zoo Hein, scharrelt ge nu hier in het park, niet uit met de meid van avond?quot; „Nouw, dat zou ik denken, Willem! ik ben op weg er heen. Mietje is verhuisd en dient tegenwoordig bij mevrouw Pieters.quot; „Zoo,quot; zegt Willem, „al weer verhuisd, dat is zoo wat ieder jaar tweemaal; zij weet weg er meê,quot; „Nouw,quot;

ocr page 117

103

antwoordt Hoin , wel iet of wat wrevelig, „wat maakt dat uit; die mevrouwen hebben tegenwoordig ook zooveel prutlut op der lijf, • dat een fatsoenlijke meid het bij haar onmogelijk kan uithouden.quot;

„Ge moogt dat wel goed onthouden, Hein,quot; herneemt Willem. „Zorg maar, als gij getrouwd /.ijt, dat ge alle prutluttigheid hebt afgeleerd; want liij jou zal zij zoo gemakkelijk niet meer kunnen verhuizen.quot;

Hein voelt den zet en wordt kwaad; gelukkig zijn zij vóór de stoep van mevrouw Pieters gekomen. „Flauwerik,quot; roept hij Willem toch nog na en verontwaardigd trekt hij aan de bel, om zijn overal verhuizend Mietje te voorschijn te roepen. „Wel, Mie', hoe gaat het hier?quot; vraagt Hein al spoedig.

„Och! mensch, zwijg er van, het is om weg te loopen; commando hier, commando daar; gecommandeerd door mijnheer, ge-^ eommandeerd door mevrouw, gecommandeerd door dé oudste jongejrfrouw, door de kinderjuffrouw, door de feeks in de keuken. Tienmaal in het kwartier aan de bel. Ik houd het hier onmogelijk uit,quot; zegt Mietje, die al tien dagen bij mevrouw Pieters woont, twee en twintig jaar oud is, reeds vier jaren dient en nu aan haar zevenden dienst is.

Geluk Hein met uw Mietje! Wil het eenmaal goed gaan met u beiden, dan moogt gij wel uw eigen wil aan den kapstok hangen, arme jongen!

Hein denkt er anders over; hij vindt dat in zijn Mietje fermheid, cordaatheid; zij durft haar volk aan. En de arme jongen gaat er grootsch op zulk een meisje te hebben!

Wij zouden aan geen einde komen,- m. V., wilden wij in verschillende voorbeelden u de verblindheid aantoonen, waaraan zoovele personen lijdende zijn, die met elkander eene verkeering hebben aangeknoopt. De gegeven voorbeelden zullen echter voldoende zijn, om u te overtuigen, dat de tijd van verkeering niet de tijd is, om aan du verbetering van gebreken bij elkander te denken. Men is in dien tijd opzettelijk blind voor elkanders grove gebreken en ingrijpende fouten van karakter. Hoe zullen zij, die verkeeren, er dan toe kunnen komen, om die eigenaardigheden van karakter te leiden en te vervormen, die niet zoozeer fouten, maar eerder eigendommei ij kheden van karakter zijn, welken gehuwden in bunnen staat veeleer moeten dulden en verdragen, dan trachten moeten uit te roeien bij elkander.

Onder die duizenden en duizenden van menschen, die met ons leven bier op aarde, zullen wij er zelden twee vinden, die lichamelijk geheel en al gelijken op elkander. Dat verschil van gelaatstrekken, van kleur, van vorm en bouw des lichaams, is een wijs middel, door God uitgekozen, om aan iederen mensch zijn onderscheidend, beslissend kenteeken te geven. Welk eene schromelijke verwarring zou er heerschen onder de menschen, wanneer dit.

ocr page 118

104

onderscheidend kenteeken niet bestond ? Zou niet de menschelijke samenleving schier onmogelijk zijn? «

Aanschouwt een boom, rijk uitgedost in zijn tooi van duizenden en nog eens duizenden bladeren; gij zult er geen twee kunnen vinden, die volstrekt in vorm, in grootte of in kleur gelijken op elkander. Zoo is het ook, ra. V., met de inborst, met het karakter der verschillende menschen. Onder die duizenden en duizenden, die met ons leven hier op aarde, zijn er geen twee menschen te vinden, die in inborst en karakter juist op elkander gelijken. Verscheiden en verschillend van elkander zijn de inbor-sten, de karakters der menschen. Gemakkelijker zult gij twee menschen kunnen aantreffen, die uiterlijk juist op elkander gelijken, dan twee menschen te vinden, die van gelijke inborst, van een gelijk karakter zijn.

Man en vrouw nu moeten in den staat des huwelijks één zijn van geest, één zijn van hart; zij moeten als ééne gedachte, als éénen wil hebben, want zij moeten, naar den wil van Christus, als één lichaam, als ééne ziel zijn. Gij zult begrijpen, m. V., dat die eenheid van geest en hart, die eenheid van zin en van wil, niet het gemakkelijkst gedeelte van het huwelijksleven is. En toch die eenheid is do noodzakelijke voorwaarde, om op den duur in den staat des huwelijks gelukkig te leven. In het huisgezin, waar de man iets anders wil dan de vrouw en de vrouw iets anders beoogt dan de man, daar is spoedig de eensgezindheid,, de vrede verbroken, de grondslag van ieder huiselijk geluk.

Wat nu doet God? en met de beantwoording van deze vraag komen wij op het punt, waarvan wij zijn uitgegaan, namelijk, „men moet niet wachten ora te huwen tot den leeftijd, waarin men in karakter en levenswijze zoo is gevestigd, dat men zich moeielijk in de samenleving buigen kan.quot; W'a't nu doet God? Hij brengt een jongeling bij eene jonge dochter in een leeftijd, waarin beiden nog in staat zijn, om zich in neigingen en in verlangens, in eigenaardigheden en hebbelijkheden van inborst en karakter naar elkander te vormen en te plooien; in een leeftijd, waarin gewoonten en eigenaardigheden nog niet zulke diepe wortels in hunne harten hebben geschoten, of zij kunnen gewijzigd en, zoo noodig, verbeterd of uitgeroeid worden.

Er is in de liefde, ook in de huwelijksliefde, tusschen jeugdigé personen iets kinderlijks nog. Jeugdige personen beginnen hun huwelijksleven als een spel, waarin zij zich gemakkelijk voegen naar elkanders neigingen en verlangens. Wat dc jonge man in zich bemerkt minder aangenaam te zijn voor zijne jonge vrouw, wijzigt hij gemakkelijk en verandert hij als van zelf onder den dwang der liefde, die hem voor zijne jeugdige vrouw bezielt. Onder scherts en welgevallig plagen wijzigt hij in zijne jeugdige vrouw sommige eigenaardigheden , die op den duur misschien onvereenigbaar zouden zijn met hun huiselijk geluk. De jeugdige

ocr page 119

105

vrouw van haren kant put zich uit, om den jongen man te behagen. Zij gevoelt in haar hart-, welk eene zoetheid er in gelegen is, om zich onbeperkt aan den steun van haren beminden man te kunnen overgeven. Zij vertrouwt hem in alles. In haar oog is hij de beste en de wijste man der wereld. Zoo is het ■haar gemakkelijk en valt het haar licht, om sommige verkeerde hebbelijkheden te onderdrukken en langzamerhand te verbeteren iii zich. Zij bemint en wederkeerig ondervindt zij, dat zij bemind wordt, en hare liefde duldt alles, omdat zij alles gelooft en alles hoopt van de liefde van haren man.

Zoo voeden jonggehuwden, als ongemerkt, elkander op, plooien zich en vervormen zich naar elkanders neigingen en eigenaardigheden van inborst en karakter. Zóó worden zij gemakkelijk één van zin , één van hart en vervullen op deze wijze, geheel bun leven dooi', zonder groote moeite of althans bereidwillig, de zware verplichtingen aan den staat des huwelijks verbonden.

Zoo geschiedt het gewoonlijk niet, m. V., met hen, die op lateren leeftijd een huwelijk aangaan. Ook zij , die met de beste bedoelingen op lateren leeftijd den staat des huwelijks aanvaarden, missen die gemakkelijkheid om zich naar elkander te voegen, welke jeugdige personen bezitten, en die, gelijk wij zeiden, hun het huiselijke leven zoo zoet kan maken.

Er bestaat, m. V., een gulden regel, die voor iedere samenleving van menschen onderling geldt, maar die vooral zijne waarde heeft in den staat des huwelijks. Tn iedercn omgang met menschen „moet men weten te geven en te nemen.quot; Om goede buren te hebben en vooral te behouden, „moet men weten te geven en te nemen.quot; Een baas met zijnen knecht, een overheid met zijnen onderdaan, een vriend met zijnen vriend „moeten weten te geven en te nemen,quot; wil het op den duur, in hunne innerlijke betrekkingen met elkander, goed en eendrachtig blijven gaan. Maar dit is vooral waar in den staat des huwelijks tusschén man en vrouw. In een huisgezin, waarin de man immer stokstijf blijft staan op zijne rechten en waarin de vrouw onwrikbaar is in liet handhaven van hare rechten, daar is geen vreedzame samenleving, derhalve geen geluk op den duur bestaanbaar. En ziedaar, m. V., de groote moeielijkheid, die zich dikwijls al spoedig openbaart bij hen , die op lateren leeftijd tot een huwelijk komen. Wat toch is dikwijls het geval?

Vooreerst herinnert u, wat wij in onze vorige onderrichtingen gezegd hebben over de huwelijken, die op lateren leeftijd gesloten, dikwijls meer „uit berekeningquot; dan wel uit oprechte liefde tot stand zijn gekomen. Gij zult aanstonds begrijpen, dat bij zulke huwelijken er weinig spraak van kan wezen, dat man en vrouw zich schikken, zich voegen zullen naar elkanders eigenaardigheden van inborst cu karakter en allerminst nog pogen zullen elkander door oprechte liefde ten goede te verbeteren en te geleiden.

ocr page 120

Waar niet de liefde, maar de zelfzucht de groote beweegreden van hot huwelijk is geweest, hoe zal daar de macht aanwezig kunnen zijn om zich voor elkander op te offeren in de neigingen en verlangens van eigen hart? Maar daarenboven, huwelijken op lateren leeftijd gesloten, hebben ook nog deze eigenaardige moeielijkheid. Voor den mensch, die eenmaal tot een gevestigden leeftijd is gekomen, wordt het allermoeielijkst, zoo niet geheel en al onmogelijk, zich te voegen, zich te plooien naar den wil, naar de neigingen, soms naar-de willekeur van een ander, en dikwijls zijn de hoogste beweegredenen, uit het bovennatuurlijk leven des menschen genomen, nauwelijks in staat, om met rtioeite zich naar de neigingen van anderen te schikken, wanneer zulks eenmaal tot bereiking van een hooger goed noodzakelijk is geworden. Hoe moeiolijk dan zal 'het in vele gevallen, voor .gehuwden, die in lateren leeftijd tot elkander zijn gekomen, wezen om den huiseliiken vrede te bewaren! De man heeft in de meeste zaken reeds een gevestigde meening; komt die meening in strijd met de meening zijner vrouw, dan verschijnt al spoedig, ook daar, waar dit volstrekt niet noodig is, die halstarrigheid en onbuigzaamheid, dat noodlottig „niet opgeven,quot; waartegen de liefde niet bestand kan blijven. Hunne liefde mist de kracht, om te dulden en eigen meening, waar dit mogelijk en geoorloofd is, te wijzigen, zoo noodig op te offeren, omdat zij niet alles hopen van elkander. ïusschen hen wordt het maar al te geleidelijk vaak een strijd, wie het winnen zal. Overwint de man en verkrijgt hij genoegzaam overwicht over zijne vrouw, om zijne meening in alles door te drijven, dan komt spoedig de hardheid der overheersching, die de ware huwelijksliefde doodt. Overwint de vrouw, daii treedt de zwakheid aan het bestuur des huisge-zins, eene zwakheid, die gewoonlijk de wijsheid en de kracht ontbeert om het huwelijksbootje in gelukkige en veilige haven te voeren. Overwint noch de man, noch de vrouw, dan is er voortdurend strijd tusschen beiden, waarvan nog de gelukkigste uitslag is een gewapende vrede, eene wederzijdsche overeenkomst, waarbij de man zijne meening en de vrouw de hare houdt, waarbij zij elkander zooveel mogelijk uit den weg gaan, alleen omdat beiden het kibbelen en het strijden moede zijn geworden.

Gij begrijpt, m. V., wat er van zulk een huwelijksgeluk komen gaat. Een dwingerig, ontevreden of gemelijk man, eene kijvende, pruttelende of zuchtende vrouw, gedwongen om met elkander onder één dak te wonen, aan ééne tafel te eten, tegen elkander voortdurend mokkend en naar rust zoekend, die de dood alleen brengen kan. Ongelukkige menschen zijn zij, die elkander in den weg zijn, die, geroepen om elkander het leven zoet te maken en elkanders lasten te dragen, integendeel zich het leven verbitteren, geen medelijden hebben met elkanders beproevingen, maar vaak • bij rara)) en tegenspoed inoeielijk hun leedvermaak kunnen ver-

ocr page 121

107

bergen en honend en spottend tegen elkander optreden, gelijk de geduldige Job moest ondervinden, die zittend op den aschboop, nog vervolgd werd door den hoon en den spot van zijne kwaadaardige huisvrouw.

Herinnert u, ui. V., geheel uw leven door den gulden regel: „men moet weten te geven en te nemen.quot; „Men vangt,quot; zegt de heilige Franciscus van Sales, „met één druppel honingjneer vliegen, dan met een geheel vat azijn.quot; „ Weten te geven en te nemen,quot; dat wil zeggen, bereid zijn, waar dit mag geschieden, eigene rechten voorbij te zien, om wille van den vrede en do liefde, die zulk een hoog goed zijn in ons leven hier op aarde. Wat baat ons een recht, dat wij handhaven en toch zonder schade zouden kunnen voorbijzien, wanneer wij dit recht handhaven voor den prijs van onmin en tweedracht, ten koste van liet levensgeluk. O, door de liefde en de zachtmoedigheid komt de mensch het verste in de samenleving met elkander. Waar hij het met zijne plichten overeen kan brengen, wijke de man voor de eigenaardige zwakheden zijner vrouw. Eene vrouw geeft het zelden op, wanneer haar man met geweld haar tegenstreeft en bestrijdt, maar wanneer hij haar met zachtheid geleidt, zonder dat zij zijne leiding bemerkt, dan zal hij haar, natuurlijk binnen de grenzen van het goede, kunnen voeren waarheen hij wil en een rustig, vreedzaam leven zal zijn deel aan hare zijde zijn. Op den duur is de vrouw niet bestand tegen den invloed van liefde en zachtmoedigheid, want haar hart is door God gevormd geworden, om bemind en geleid te worden onder het wijs gezag van een liefderijken man.

Die liefde nu is het krachtigst èn dat geduld en die zachtmoedigheid ziju het gemakkelijkst te oefenen in den leeftijd, waarin man en vrouw in den krachtigen bloei van hunne beste jaren zijn; vandaar dat die bloeiende leeftijd dan ook de beste tijd voor het aangaan van een huwelijk is. Dan vooral is de liefde nog offervaardig en niet zelfzuchtig, dan vooral is die liefde bereiden in staat om te leiden en te vervormen, wat op den duur een gevaar voor het geluk des huwelijks zou kunnen worden.

TWAALFDE ONDERRICHTING. quot;

Laatste redenen, om niet op te laten leeftijd tot een huwelijk

over te gaan.

„Het zou niet goed zijn met het aangaan van een huwelijk te wachten, totdat men door ondervinding al te zeer de illusiën des levens verloren heeft.quot;

ocr page 122

108

Laten wij ook deze derde reden eenige oogenblikken met u bespreken.

Om een gewichtig werk , van welks goeden uitslag veel afhangt, naar behooren ten uitvoer te brengen, moet men het met moed en vertrouwen beginnen. „ Fortuna jnvat audaces,quot; zoo spraken reeds de oude heidenen, dat wil zeggen: „ de fortuin helpt de stoutmoedigen.quot; Met andere woorden: zij die moedig de hand aan het werk slaan en door geen vrees voor mislukking hun ijver verzwakken en hun werkkracht als verlammen, zien hunne pogingen dikwijls met den pesten uitslag bekroond.

Toch is voor vele menschen het leven eene aaneenschakeling van teleurstellingen. Het moet u niet verwonderen, m. V., wanneer gij later in uw leven dikwijls menschen zult ontmoeten, die door de ondervonden teleurstellingen ternedergeslagen, het vertrouwen in het aardsche leven hebben verloren en als zonder veerkracht geworden, zich moedeloos nederleggen bij de rampen, waaronder zij gebukt gaan. Iedere poging, die zij nog zouden kunnen aanwenden, om zich uit hunne beproevingen op te heffen, beschouwen zij als ijdel. Wilt mij niet verkeerd begrijpen, m. V. Wanneer ik u op deze moedeloosheid wijs, dan wil ik haar niet goedkeuren, ook zelfs niet haar vergoelijken of verontschuldigen, maar ik herinner u slechts, wat voor vele menschen het gevolg is van ondervonden teleurstellingen en geleden rampen.

Neen, m. V,, voor ons, die gelooven en hopen op een beter leven aan gene zijde van het graf, voor ons, die op de eerste plaats voor het eeuwig gelukkig leven moeten arbeiden en onze beste krachten moeten inspannen, om dat geluk ons te verwerven, voor ons mag er geen spraak zijn van moedeloosheid, van een somber, onvruchtbaar mistrouwen op eigen krachten. De rampen des levens kunnen ons pijnlijk aandoen, zij kunnen in onze zielen smarten opwekken, die slechts eindigen zullen met onzen dood; zij mogen ons echter niet ter nederslaan en ons werkeloos maken, als ware ons leven, door het ongeluk van dezen tijd, eene mislukking. O, wij weten wie Hij is, die ons leven hier op aarde geleidt en bestuurt. Wij kennen Hem, als onzen Vader en Weldoener, die ons goed is en ons liefheeft, ook dan, wanneer Hij ons slaat en kastijdt. Wij loven Hem als onzen wijzen God, die aan eeu ieder der Zijnen uitdeelt, wat goed en nuttig, wat noodzakelijk is, om tot het eeuwig gelukkig leven te komen: God, die enkelen der Zijnen op de wegen van aardsch geluk en aardsche vreugde voert naar de eeuwige vreugde, maar het grootste aantal der Zijnen onder de slagen van velerlei beproevingen tot de hemelsche gelukzaligheid heenleidt.

Toch blijft het waar, m. V., dat het voor hen, wier leven reeds verbitterd is door allerlei teleurstellingen, moeielijk is, om met moed de verplichtingen des levens te blijven vervullen, die hun door hunnen levensstaat aangewezen worden. Er behoort

ocr page 123

109

een krachtige Wil toe, om moedig voort te gaan op den levensweg, als ondervonden tegenspoed en misrekening het gepast zelfvertrouwen ondermijnd en aan liet wankelen hebben gebracht. En ziedaar waarom men u ernstig aanraadt, m. V., den tijd, om tot een huwelijk over te gaan, niet te lang uitte stellen. Ziedaar, waarom men u leert, dat de beste tijd, om tot een huwelijk over te gaan, zeker de tijd is van de eerste mannelijke jeugd, waarin het gepast vertrouwen op eigen kracht nog niet geschokt is; waarin de ondervinding van het ongeluk, dat bet deel van anderen is geworden, nog geen te beslis-senden invloed heeft uitgeoefend op eigen hart; maar waarin de jonkman, sterk door zijne kracht, hoopvol, met een blij vertrouwen de toekomst nog tegemoet kan zien en met krach-tigen wil aan de bereiking van zijn tijdelijken voorspoed kan werken.

Wilt u niet misleiden, m. V., de staat des huwelijks, waartoe de meesten uwer waarschijnlijk geroepen zijn, zal u gewichtige verplichtingen ter vervulling opleggen. U zullen ter behartiging belangen van anderen worden toevertrouwd, die tegelijk ook uwe belangen zullen zijn; belangen, die zoo zeer één zullen zijn met uwe eigene belangen, dat uw persoonlijk geluk van den goeden uitslag dier behartiging afhankelijk zal zijn. En welke zijn die belangen, wier behartiging aan gehuwden in het huwelijk worden toevertrouwd? Het geluk, de welvaart van het eigen huisgezin, de voorspoed van wezens, die hun dierbaarder zijn dan hun eigen leven. Denkt niet dat dit geluk, die voorspoed, die welvaart aan gehuwden medegedeeld worden door God, zonder hunne krachtige inspanning. Het is waar, ook bij de beste zorgen en bij de krachtigste inspanningen zullen zij misschien toch moeten ondervinden, dat geluk en voorspoed hun deel niet zijn op aarde. Waarom niet? Omdat God eenmaal als het beste deel voor ben en de hunnen gesteld heeft, dat zij langs den weg van kommer en bange zorgen hun hemelsch geluk zullen moeten bereiken. Eén troost zal hun dan toch immer blijven, dat hun tegenspoed niet het gevolg van eigen schuld, van gebrek aan ijver, van gemis aan krachtige inspanning is; maar dat het slechts do heilige wil is van God, die hun goed is en weet wat hun het heilzaamste en het beste is. Maar vergeet nimmer, m. V., zonder eene ijverige en eene krachtige medewerking zullen gehuwden nimmer, ook niet het tijdelijk heil en welzijn van hun huisgezin bewerken, ook dan niet, wanneer God hun tot het genieten van welvaart en voorspoed zou geroepen hebben.

Er zal dus van u geeischt worden, dat gij met lust en ijver, vol vertrouwen op Gods goedheid, vol rechtmatig zelfvertrouwen op de krachten, u geschonken door God, uwe hand aan het werk zult slaan, om voorspoed en welvaart in uw huisgezin binnen te brengen en vooral te bestendigen. Met een ernstigen

ocr page 124

110

wil zult gij er naar moeten streven, om een goeden, dat is een voorspoedigen weg door het leven te maken.

Het best en het meest zult gij dien ernstigen wil bezitten. m. V., in dien eersten mannelijken leeftijd, wanneer gij nog die krachtige hoop zult koesteren in uwe harten uw levensgeluk te kunnen bereiken. Wanneer gij u nog in uwe volle sterkte in staat zult gevoelen, om voor het welzijn van uw huisgezin, u de zwaarste offers te getroosten. Dan, als gij nog een ongeschokt vertrouwen zult hebben op het vermogen van uwe krachten, van uwe kennis en van den aanleg, u geschonken door God. Onze zedewet gebiedt ons nederig te zijn , dat wil zeggen, geene dwaze en hoogmoedige eigenliefde in onze harten te koesteren. Maar nederigheid is geene zwakheid de ' nederige heiligen zijn menschen van de krachtigste wilsoefe-ningen geweest. De oprechte nederigheid is waarheid; zij moet ons geleiden, om het werk, dat God ons toevertrouwd heeft, te volbrengen hier op aarde, zoo goed als het onze krachten zullen vermogen.

Wij moeten bij alles nederig zijn, dat wil zeggen, wij moeten onze krachten niet overschatten en de gaven, ons door God geschonken, niet beschouwen en ook niet aanwenden, als hadden wij ze aan ons zeiven gegeven, maar de eer geven aan God en met die gaven woekeren, opdat God in onze werken moge verheerlijkt worden. Maar het is geene nederigheid, m. V., om de gaven, ons geschonken, te begraven, dat is: doelloos voor ons en voor anderen te laten. Denken wij aan de gelijkenis dei-talenten; als de Zoon des menschen zal komen om de wereld te oordeelen, zal'het gaan, zegt onze aanbiddelijke Verlosser, gelijk het ging in de volgende gelijkenis van een mensch, die buitenslands gaande, zijne dienstknechten riep en hun zijne geldschatten toevertrouwde, opdat zij, tijdens zijne afwezigheid, te zijnen voordeele daarmede zouden handelen en winst doen. En aan den eenen gaf hij vijf talenten, aan den anderen twee, aaneen derden een: aan een iegelijk volgens zijne bekwaamheid, en hij vertrok terstond. Terwijl nu zij, die vijf en die twee talenten ontvangen hadden, daarmede gingen arbeiden en een dubbele winst maakten, groef de derde, die één talent ontvangen had, in de aarde en verborg het geld van zijnen heer. Maar toen de heer was wedergekeerd en rekening hield met zijne dienstknechten, ziet, toen werden zij, die de dubbele winst gemaakt hadden, als goede en getrouwe dienstknechten geprezen en over veel gesteld, nadat zij over weinig getrouw waren geweest; zij mochten binnengaan in het vreugdefeest van hunnen heer. Maar, die het ééne talent, hem geschonken, had begraven en er geen winst mede had gemaakt, moest uit den mond van zijnen heer hooren: „Gij kwade en luie dienstknecht,quot; en ais een onnutte dienstknecht werd hij in de duisternis daar buiten geworpen, waar geween

ocr page 125

Ill

zal zijn en geknars (Ier tanden, dat wil zeggen, spijt en wroeging over de nutteloosheid van zijn leven. ')

De gaven, die de mensch kan bezitten, m. V., zijn op zich zelf beschouwd weinig, dat is onbeduidend. Do dienstknecht, die zelfs vijf talenten ontvangen had, was in de schatting van zijnen heer over weinig getrouw geweest. Die gaven schenken ons geen recht derhalve, om een hoogen dunk van ons zei ven te hebben, ook dan niet, wanneer wij zelfs vijf talenten zouden ontvfingen hebben van God. Het blijft het weiiiige, waarover God wil, dat wij getrouw zullen zijn. In het goed gebruik maken van die gaven is hare waarde , gelegen. Hij, die twee talenten overgewonnen had met de twee, hem door zijnen heer toevertrouwd, ontving denzelfden lof en dezelfde belooning, als hij, die vijf talenten had overgewonnen; en de schuldigheid vanquot; den derden dienstknecht bestond niet in het weinige, dat hij ontvangen had, maar in zijne werkeloosheid. Had hij ook slechts één talent overgewonnen met het ééne talent,'dat hij had ontvangen, hij zou, evenals de beide andere dienstknechten , lof en belooning ontvangen hebben van zijnen heer.

De gaven derhalve, m. V., ons geschonken, goed gebruiken, ze - met de hulp vaii God nuttig maken voor ons zeiven en voor anderen, woekeren met de vermogens, ons gegeven, en ze dienstbaar maken voor het doel, waartoe God ze ons geschonken heeft; ziedaar, wat wij ernstig móeten beoogen, waarnaar wij met allen ijver moeten streven; dit moet onze eerzucht, de roem van ons leven zijn. En derhalve, in. V., wanneer God u roept, om in den staat des huwelijks de gaven , u naar geest en hart geschonken, te gebruiken, aanvaardt dan dien levensstaat, terwijl gij nog de volle kracht van uwen eersten mannelijken leeftijd bezit. Laat die krachten , u geschonken, niet werkeloos in een doelloos leven, maar neemt moedig, steunend op Gods hulp, de lasten des levens op u, er hoopvol naar strevend, om anderen gelukkig te maken door het ijverig aanwenden van de krachten en de gaven, die gij ontvangen hebt van God. „

Een man, die op lateren leeftijd.tot een huwelijk overgaat, heeft dikwijls reeds dat krachtig vertrouwen op hetgeen hij l:nn bereiken, verloren; te veel reeds heeft hij vaak ondervonden en aanschouwd, wat aan anderen mislukt is; en die ondervinding breekt dikwijls zijn kracht en verlamt de quot;eerkracht van zijnen wil, zoo noodig voor hem, om zijn levensdoel te bereiken. Komen er in den leeftijd, waarin hij met rassche schreden nadert aan het einde van zijnen mannelijken leeftijd, op zijnen levensweg, onvoorziens moeie-lijkheden opdagen, die als een berg dikwijls oprijzen en zich tegen zijn beoogd geluk aankanten, dan verliest hij vaak den moed en laat hij zich gemakkelijk medeslepen door de moedeloosheid, in

Matth XXV, v. 14.

ocr page 126

112

plaats van zich ernstig en krachtig in te spannen, om die moeie-lijkheden te boven te komen. Hier baat gewoonlijk geene meerdere wijsheid, door rijpere ondervinding verkregen; hier is moed en een passend zelfvertrouwen noodig, die de man van gevorderden leeftijd dikwijls verloren heeft onder de slagen, waarmede zijn leven reeds is beproefd geworden. Reeds meerdere malen heb ik in mijn leven zulke mannen ontmoet, die op te laten leeftijd gehuwd, moedeloos hunne handen in den schoot nederlegden, en door niets er meer toe gebracht konden worden, om tegen den stroom van tegenspoed op te zeilen. Zij lieten zich geheel en al door hun ongeluk medeslepen, en bestendigden aldus voor zich zelf en voor de hunnen „het ongelukkig zijnquot; voor immer.

Daarom, m. V., wanneer God het wil, gaat over tot uwen levensstaat in den leeftijd, dien God als den meest geschikten heeft aangewezen, dan, wanneer uwe harten nog vol hoop en vertrouwen zijn , en gij rechtmatig zult kunnen steunen op het vermogen van uwe mannelijke krachten; in den leeftijd, waarin gij uwe beste vermogens zult kunnen aanwenden voor hen, die u hier op aarde het dierbaarst zullen zijn. Wilt thans met allen ijver uwen leertijd benutten, en legt er u met al uwe krachten op toe, om der/elijk te kennen, wat gijquot; op een leeftijd van vier-, vijf en twintig jaren grondig zult moeten kennen, om in staat te zijn uw eigen weg door het leven in te slaan. Houdt nu, wat ik u smeeken wil, uwe gezondheid, uwe krachten en de vermogens uws lichaams op hooge waarde, en vergeet niet, dat een sterk en gezond lichaam voor uw toekomstig levensgeluk eene noodzakelijke voorwaarde, een door niets te vervangen vereischte is. In zoover het dus van u afhangt, draagt zorg voor eene goede gezondheid. Spaart uwe lichamen voor dwaze buitensporigheden en denkt er aan, dat een leven, naar de heilige geboden van God ingericht, voor u een krachtig middel is, om eenmaal in den mannelijken leeftijd, een sterk en gezond lichaam te bezitten. Velen, helaas! moeten in den mannelijken leeftijd zwaar boeten voor de misslagen hunner jeugd en jongelingschap. Vele jongelingen, helaas! verliezen op den weg der zonde de beste krachten van hun lichaam, welke zij vooral dan zullen missen, wanneer zij die het meest zullen noodig hebben en het minst zullen kunnen, ontberen.

Als laatste reden, m. V., waarom men het aangaan van een huwelijk niet tot een te laten leeftijd moet uitstellen, wil ik nog deze aangeven. Het valt zoo bitter hard voor eenen vader zijn sterfbed omringd te zien van nog hulpbehoevende, van nog kleine kinderen!

Stellen wij terstond voorop, dat wij niet mogen treden in de wijze beschikkingen Gods, die zoo vele mannen in het best van hunnen leeftijd oproept van de aarde, en nog jeugdige kinderen berooft van de liefde en de hulp van hunnen vader. God doet

ocr page 127

113

immer alles goed, m. V., ook dan, wanneer wij in onze kortzichtigheid dat goede niet inzien of begrijpen.

Maar iets anders, m. V., is voor den mensch eene bijzondere beschikking Gods, iets anders zelf eene daad stellen, waaruit bijna noodzakelijk zulk een droevig gevolg moet voortkomen.

Een man, die tot een huwelijk overgaat op een leeftijd, waarin de ouderdom reeds in het verschiet is. moet zioh niet verwonderen, als zijn sterfbed omringd zal zijn van kinderen, die zijne vaderlijke zorgen ten zeerste zullen noodig hebben. Integendeel, zulk een man moet er zich op verwachten, moet er zich op voorbereiden, dat deze omstandigheid één der grootste smarten van zijn sterfuur zal wezen. Op veertig, vijf en veertigjarigen leeftijd tot een huwelijk overgaan, heeft ten gevolge, dat op zestig, vijf en zestigjarigen leeftijd het oudste kind eerst den leeftijd van achttien, twintig, twee en twintig jaren bereikt heeft, en dat de leeftijd der overige kinderen afdaalt tot vijftien, tot tien, tot nog minder jaren. Nu moge men meenen, dat de leeftijd van zestig jaren nog geen ouderdom is, dat er meerdere mannen zijn die zeventig, tachtig jaren oud worden. Toegegeven, m. V.; maar dit feit is onloochenbaar, dat een groot aantal sterfgevallen plaats heet't tusschen het zestigste en vijf en zestigste levensjaar. Meer dan dwaasheid is het derhalve zich in zulk eene gewichtige levenszaak te vleien met eene hoop, die op niets gegrond is, maar integendeel door de ondervinding wordt geloochenstraft. Een man, die denkt: „Ik zal wel zeventig, tachtig jaren oud worden,quot; denkt even dwaas, als een kind, dat er groot op zou gaan van te hopen honderd jaren oud te zullen worden, op grond dat dit weieens voorkomt onder de .leeftijden der menschen. Wij weten van onzen leeftijd niets, quot;m. V., maar wijs zal het zijn, wanneer wij het einde van ons leven laten in de kennis van God, terwijl wij voor ons zelf er op bedacht zullen zijn, dat wat de meeste menschen geschiedt, ook ons waarschijnlijk zal geschieden. Zoo zullen wij ons de smarten van ons sterven niet vermeerderen door de droevige bekentenis, dat wij gedwaald hebben in onze vermetele hoop op eenen langeren levensduur, dan dien wij zagen, dat de meeste menschen bereiken.

Ziedaar u dan, m. V., de verschillende redenen uiteengezet die een jonkman moeten bewegen, om op een geschikten leeftijd tot een huwelijk over te gaan. Zonder de mogelijkheid van meerdere uitzonderingen te willen uitsluiten, stelden wij als algemeerien regel, dat voor ons volk de leeftijd van omstreeks vijf en twintig jaren de geschikte leeftijd is om te huwen. In dien leeftijd is de jonkman in staat eene goede, zelfstandige keuze van eene vrouw te doen; dan ook zal hij in den besten bloei zijns levens den huwelijken staat ingaan.

Zij, die op een te laten leeftijd huwen, zeiden wij, hebben de frischheid der eerste mannelijke jeugd verloren, die zoozeer Levesssi. 8

ocr page 128

114

medewerkt, om de oprechte liefde tusschen gehuwden blijvend te bevestigen. Hun karakter en levenswijze is op een lateren leeftijd reeds zoodanig gevestigd, dat zij zich moeiehjk in de samenleving met elkander voegen. Daarenboven heeft de ondervinding hun dikwijls reeds de illusiën des levens ontnomen en missen zij vaak eten noodigen moed, om met krachtigen wil aan de vervulling hunner levensverplichtingen te blijven arbeiden.

Als laatste reden voegden wij er nog aan toe, dat zij, die op een geschikten leeftijd huwen, hopen mogen in staat te zullen zijn, om, onder Gods goedgunstige beschikking, hunne ouderlijke plichten tegenover hunne kinderen te kunnen voleindigen.

Welaan, m. V., overdenkt, bij het toenemen uwer jaren, immer ernstiger al deze aangevoerde redenen, opdat gij , wanneer God u voor den staat des huwelijks roept, het huwelijk zult ingaan op den meest geschikten leeftijd. Werkt en spant u nu met ijver in, om op den goeden tijd uwen levensstaat te kunnen ingaan. Weest braaf in uwe jongelingsjaren, opdat gij, voor geheel uw volgend leven, u Gods rijkste zegeningen zult hebben waardig gemaakt.

DERTIENDE ONDERRICHTING.

Huwelijksbeletselen.

Wij zijn nu, m. V., aan het laatste gedeelte der onderrichtingen gekomen, die wij ons voorgesteld hebben voor u te houden over de keus van den staat des huwelijks.

Twee vragen willen wij in dit laatste gedeelte voor u ter beantwoording stellen en wel; Vooreerst, wat moet een jonkman, die gelooft door God voor den staat des huwelijks geroepen te zijn, vooral in acht nemen, om eene goede keus van eene aanstaande vrouw te doen? En ten tweede, hoe moet hij den tijd van verkeering door) irengen ?

Beginnen wij aanstonds met dc quot; eerste vraag over de goede keus van eène aanstaande vrouw. \\ ilt echter goed in het oog houden, m. V., dat wij onder dit woord cjocde keus voornemens zijn u niet enkel eenige nuttige wenken te geven, waardoor gij geleid kunt worden, om eenmaal, als God het wil, eene geschikte persoon voor uwe aanstaande vrouw te kiezen; maar op de eerste plaats willen wij u waarschuwen, om toch nimmer een keuze te doen van een meisje, dat gij niet kiezen moogt, wijl God en Zijne H. Kerk u die keuze verbieden. En vandaar, dat wij in deze onderrichting beginnen willen.met u nog eens in herinnering te bren-

ocr page 129

115

gen, wat gij allen reeds vroeger in de katechismus geleerd hebt. Wilt eens met eene ernstige aandacht volgen, wat wij u nu zullen uitéénzetten. Hetgeen wij u nu toch gaau zeggen, is niet enkel eene goede raad, gelijk wij in onze verschillende onderrichtingen reeds meerderen u gegeven hebben, opdat het u in uw verder leven toch goed moge gaan; het geldt hier een plicht, die rechtstreeks

Iuw geweten raakt, het geldt hier lietuw geweten raakt, het geldt hier liet waardig, ja somwijlen het geldig ontvangen van een Sacrament. Het huwelijk toch is een Sacrament, en wel een Sacrament der levenden, dat derhalve in staat van genade, dat is, vrij can doudzondc, moet ontvangen worden. Gij kent het onderscheid, dat bij de Sacramenten gemaakt wordt | tusschen de woorden geldig ontvangen en waardig ontvangen. Verklaren wij dit onderscheid nog eens door een voorbeeld. Het Sacrament des Vormsels is een Sacrament der levenden, dat wij slechts eenmaal geldig kunnen ontvangen. Welnu, hij die zich voor de tweede maal het Sacrament des Vormsels zou laten toedienen , zou dit Sacrament ongeldig ontvangen, dat wil zeggen, hij zou dit Sacrament des A ormsels voor de tweede maal niet ontvangen. Daarentegen, wanneer iemand voor de eerste maal zou gevormd worden, maar terwijl zijne ziel in staat van doodzonde verkeert, hij zou wel geldig, maar niet waardig het Sacrament des Vormsels ontvangen, wijl het H. Vormsel een Sacrament der levenden is en de Sacramenten der levenden, gelijk wij allen weten, in den staat van heiligmakende genade moeten ontvangen worden, zullen zij do genaden mededeelen, die Christes aan de Sacramenten der levenden heeft verbonden.

Een ander voorbeeld nog. Wanneer een ongedoopte met melk , in plaats van met water gedoopt werd, dan zou hij ongeldig gedoojit worden, dat wil zeggen, hij zou niet gedoopt worden. Daarentegen , wanneer een mensch, die tot de jaren van verstand is gekomen, op geldige wijze gedoopt werd. maar in staat van doodzonde, waarover hij geen oprecht berouw heeft, dan zou hij wel icerkelijl' gedoopt worden , maar hij zou op onwaardige wijze het H. Doopsel ontvangen.

Op gelijke wijze is het ook met het Sacrament des Huwelijks. Men kan namelijk het Sacrament des Huwelijks ongeldig, men kan het onwaardig ontvangen. Hebben man en vrouw een ongeldig huwelijk aangegaan, dan zijn zij niet getrouwd, dan bestaat tusschen hen het Sacrament des Huwelijks niet. Hebben daarentegen man en vrouw een geldig huwelijk aangegaan , maar zijn beiden of een van beiden in staat van doodzonde, dan zijn zij wel gehuwd, maar hij of zij, die in doodzonde was, heeft het Sacrament des Huwelijks op onwaardige wijze ontvangen. Het huwelijk toch is een Sacrament der levenden, dat men derhalve in staat van heiligmakende genade moet ontvangen, om aan de vermeerdering der heiligmakende genade deelachtig te worden, die Christus aan de Sacramenten der levenden heeft verbonden.

ocr page 130

Wat nu wordt er vereischt, opdat het Sacrament des Huwelijks geldig ontvangen worde; met andere woorden, wat wordt er vereischt, opdat een man eu eene vrouw waarlijk met elkander getrouwd sullen zijn?

Wij willen op deze vraag dit tweevoudig antwoord geven:

1. Zij moeten met elkander kunnen trouwen;

2. Zij moeten met elkander trouwen op de wijze, die de H. Kerk voor ons heeft vastgesteld.

Vooreerst dan, zij moeten met elkander kunnen trouwen.

Niet ieder man kan met iedere vrouw trouwen. Er bestaan namelijk hmeelijksbeletselen, welke het huwelijk tusschen een man en eene vrouw of wel ungeoorloojd, of wel ongeldig maken.

Van deze huwelijksbeletselen, zegt kanunnik B. Daxkelmax, in zijne Verklaring der Katholieke Geloojs- en Zcdeleer het volgende: „Gelijk er reeds in de wet van Mozes onderscheidene oorzaken voorkwamen, welke verhinderden liet huwelijk aan te gaan, zoo vindt men (lie ook in de christelijke wet. Zulke oorzaken, welke verhinderen het huwelijk te sluiten, noemt men huwelijksbeletselen. Maken die huwelijksbeletselen het huwelijk enkel ongeoorloofd, dat is, zijn zij van dien aard, dat degene, die -in weerwil daarvan een huwelijk aangaat, het wel geldig sluit, maar zich daarbij bezondigt, dan worden zij zeer juist Imwelijks-verboden genoemd; maken zij daarentegen het huwelijk ongeldig, dat is, zijn zij van dien aard, dat men daardoor buiten staat gestold wordt, het huwelijk geldig aan te gaan, dan heelt men de eigenlijk gezegde h uwe lij ksbc letsclcn.quot;

„Het huwelijk,quot; zegt Pastoor van Campen, „tusschen Christenen is een Sacrament, en gelijk van alle Sacramenten is bepaald door wie ze mogen ontvangen worden en onder welke voorwaarden, zoo ook van het Sacrament des Huwelijks. De macht over het huwelijk werd door God aan Zijne Kerk gegeven en daarom is liet de Kerk, en Zij alléén, die de macht heeft om de beletselen vast te stellen, om aan te geven, wie kunnen en wie mogen huwen, met wie, en met wie niet.quot;

„De verschillende beletselen, die de Kerk heeft vastgesteld, rusten deels op natuurlijk, deels op goddelijk, deels op bloot kerkelijk gezag en in het bepalen dier laatste soort ging de Kerk niet willekeurig te werk, maar zij gaf hare voorschriften om noodzakelijke of althans billijke redenen. Ook hier kan men zien, hoe de H. Kerk wordt voorgelicht door den H. Geest, hoe zij alles met goddelijke wijsheid regelt en niets beoogt dan het tijdelijk en eeuwig geluk van hare kinderen.quot;

Het ligt niet in ons plan, m, V., u hier eene volledise uiteenzetting te geven der verschillende huwelijksbeletselen en huwelijksverboden, door de H. Kerk voor ons vastgesteld, loch meen ik dat het voor u, zoo niet nu reeds, dan toch voor de toekomst nuttiof kan wezen, u eenigen dier beletselen en verboden des huwe-

ocr page 131

117

lijks aan te wijzen, en enkelen meer uitvoerig met u te bespreken. Gij hoort vaak in onze kerken de afkondigingen van voorgenomen huwelijken. Deze afkondigingen moeten, volgens het voorschrift der H. Kerk, op drie achtereenvolgende Zondagen of feestdagen in de kerk, onder de plechtigheden der II. Mis, voor de vergaderde gemeente gedaan worden. Waarom schrijft de H. Kerk dit voor? Opdat hij, die zou weten, dat er eenig huwelijksbeletsel bestond tusschen hen, die voornemens zijn te huwen, dit huwelijksbeletsel tijdig aan den pastoor zou bekend maken. Deze bekendmaking nu verplicht in geweten; vandaar dat het nuttig is, al zouden er ook voor niemand uwer ooit nog andere redenen kunnen zijn, u op enkelen dier huwelijksbeletselen hier te wijzen.

Een eerste huwelijksbeletsel dan is de hmceUJkuband. „ De goddelijke wet,quot; zegt kanunnik Daxkelmax, „belet het geldig sluiten van een tweede huwelijk tijdens het leven van den eersten christelijken echtgenoot, of de eerste Christelijke echtgenoote, wijl Christus, toen Hij liet huwelijk tot de waardigheid van een Sacrament verhief, de eenheid en levenslange onverbreekbaarheid er van, gelijk zij in den beginne bestond, weder ingevoerd heeft.quot; Zoolang derhalve de dood tusschen twee met elkander gehuwde personen, die beiden gedoopt zijn, geene scheiding gebracht heeft, zoolang ook kan geen van beiden een ander geldig huwelijk aangaan. De burgerlijke wet laat echtscheiding en volstrekte ontbinding van een huwelijk toe, zoodat een man, l)ijvoorbeeld, wiens huwelijk voor de burgerlijke wet is ontbonden, wat de burgerlijke gevolgen betreft, een nieuw Imwelijk kan aangaan voor den burgerlijken rechter, ook dan, wanneer de vrouw nog in leven zou zijn , met wie hij reeds gehuwd is geweest. Zulk eene ontbinding van het huwelijk kan voor het geirctcn nimmer van kracht worden. De man of de vrouw kan, tijdens het leven van de vrouw of van den man, met wien of met wie een fjeldiy huwelijk is gesloten geworden, nimmer een ander wettig huwelijk aangaan, dat in geweten recht zou geven op de voorrechten van het huwelijksleven. De dood kan alleen voor God een huwelijk ontbinden en zoolang de dood het eerste huwelijk, tusschen gedoopten aangegaan, niet heeft ontbonden, blijft ieder huwelijksleven met een ander eene zondige, eene overspelige daad. Dit beletsel, de huwelijksband, is door God zelf vastgesteld, en bijgevolg kan de H. Kerk voor niemand «leze wet opheffen. Ook dan, wanneer de H. Kerk onder allergewichtigste redenen gedwóngen wordt, om tusschen twee gehuwden eene scheiding uit te spreken, geeft ook die kerkelijke scheiding in geen enkel geval, noch aan denman, noch aan de vrouw recht, om zoolang de andere nog in leven is, een ander wettig huwelijk aan te gaan.

Een ander huwelijksbeletsel, dat wij echter slechts ter loops willen aanstippen, is ver-schil van ciodsdienst, dat goed te onderscheiden is van het huwelijksverbod, dat gemengd, huwelijk

ocr page 132

118

genocmil wordt en waarover wij straks uitvoeriger zullen spreken.

Door dit huwelijksbeletsel verschil van godsdienst, heeft de H. Kerk vastgesteld, dat een Christen, derhalve iemand, die gedoopt is, hetzij dan als Katholiek of als Protestant of in welken godsdienst ook, mits hij slechts gedoopt zij, geen geldig huwelijk kan aangaan met iemand, die niet gedoopt is, hetzij een Jood, een heiden, een Mahomedaan of een Mennoniet. W ilt er uwe aandacht op' vestigen, dat onder de benaming gemengd huwelijk verstaan moeten worden huwelijken, die gesloten worden tusschen een Katholiek en een Protestant, van welke sekte of kerk ook, mits hij gedoopt zij. Die huwelijken, ook al worden zij zonder dispensatie, alleen voor den burgerlijken rechter, gesloten, zijn geldige huwelijken, maar zulke huwelijken zijn aan de Katholieken ten strengste verboden door dc H. Kerk. Gemengde huwelijken zijn dus geldig, maar ongeoorloofd. Slechts na verkregen dispensatie kan de Katholiek, zonder doodzonde te bedrijven, zulk een huwelijk aangaan.

Een derde huwelijksbeletsel is bloedvenmntschap. Twee personen zijn in den bloede aan elkander verwant, wanneer de een van de andere afstamt, gelijk bijvoorbeeld, een zoon of dochter van hun vader, een kleinzoon of kleindochter van hunne grootmoeder; of wanneer zij beiden, hetzij langs vaders of moeders zijde, in hun geslachtsopvolging opklimmen tot dezelfde ouders.

Personen, die rechtstreeks door geboorte van elkander afstammen, kunnen nooit te zaaien een geldig huwelijk aangaan: do vader kan nooit trouwen met zijne dochter, of kleindochter, of achterkleindochter. Dit wordt genoemd „bloedverwantschap in de rechte lijn of rechte linie.quot;

Broeders en zusters, neven en nichten, achterneven en achternichten en zoo verder, bestaan elkander in bloedverwantschap in de zijtak of zijlinie.

Personen nu , die langs zijtakken afstammen van dezelfde ouders, kunnen niet met elkander huwen, wanneer zij elkander bestaan in den eersten, tweeden, derden of vierden graad.

Om de telling der graden u duidelijk te maken, willen wij het volgende aangeven: broeders en zusters, hetzij natuurlijke, hetzij wettige, bestaan elkander in den eersten graad; de verschillende kinderen van dezen bestaan elkander inden tweeden graad; neven en nichten dus, broeders en zusters kinderen, oornzeggers, gelijk zij ook wel genoemd worden, zijn van elkander bloedverwanten in don tweeden graad der zijlinie. Gij begrijpt dat tusschen dezen evenmin, als tusschen broeders en zusters onderling, een wettig huwelijk mogelijk is, tenzij, voor dezen tweeden graad, met kerkelijke dispensatie, die echter zelden cn slechts om zeer gewichtige redenen gegeven wordt.

Achterneven en achternichten bestaan elkander in den derden graad; de verschillende kinderen uit deze verschillende achterneven

ocr page 133

119

en achternichten voortgekomen, bestaan elkander in den vierden graad. Personen nu, die elkander in bloedverwantschap bestaan in dezen derden, en ook in dezen vierden graad, kunnen met elkander geen geldig huwelijk aangaan. Ook dit beletsel van bloedverwantschap in den derden en vierden graad, kan om gewichtige redenen, door kerkelijke dispensatie opgeheven worden.

Vatten wij het gezegde nog eens te samen: een grootvader staat in bloedverwantschap tot zijne kleindochter in den tweeden graad van de rechte linie. Broeders en zusters bestaan elkander in den eersten graad van de zijlinie; oom en nicht in den tweeden graad met eersten gemengd; neven en nichten in den tweeden, achterneven en achternichten in den derden graad, de kinderen vtyi dezen onderling in den vierden graad.

liet kan voor u nuttig zijn te weten, dat ook onze Neder-landsche wetgeving een huwelijk verbiedt tusschen bloedverwanten; maar in het tellen der graden volgt het burgerlijk wetboek een anderen regel dan de Kerk, waarop gij wel zult moeten letten, wanneer gij ooit er belang bij kunt hebben. Hetzelfde geldt ook voor het volgende huwelijksbeletsel, dat wij nu gaan bespreken.

Aanverwantschap, vermaayclscluip, zwagerschap ziju verschillende benamingen, die alle drie hetzelfde huwelijksbeletsel aanduiden, en dat in het burgerlijk wetboek uitsluitend genoemd wordt „ zwagerschap.quot;

Door het huwelijk worden man en vrouw zoo innig verbonden met elkander, zoo één, dat zij ook in zeer nauwe betrekking komen tot elkanders bloedverwanten. Deze betrekking wordt zwagerschap, aanverwantschap genoemd, eu bestaat tusschen den man en al de bloedverwanten van zijne vrouw,, en tusschen de vrouw en al de bloedverwanten van haren man. Ook deze aanverwantschap is een kerkelijk beletsel voor het huwelijk, zoodat de man, na den dood zijner echtgenoote, geen geldig huwelijk kan sluiten met eene bloedverwant zijner overleden vrouw, en de vrouw na den dood van haren man geen geldig huwelijk sluiten kan met een bloedverwant van haren overleden man. En dit beletsel strekt zich even ver uit als het beletsel van bloedverwantschap; zoodat de weduwnaar nooit kan huwen met de grootmoeder, moeder of dochter enz. van zijne overleden vrouw, noch ook niet iemand barer bluedverwanten, die haar bestond tot in den vierden graad der zijlinie. Hetzelfde is waar voor de weduwe in betrekking tot de bloedverwanten van haren overleden man.

Wanneer echter de aanverwantschap ontstaat uit eene onycoor-loofde samenleving, dan strekt zich dit beletsel slechts uit tot den eersten en tweeden graad.

Een man derhalve kan, na den dood zijner vrouw, niet met hare zuster huwen; waarom niet? Omdat de zuster zijner vrouw hem aanverwant is geworden en wel in den eersten graad der

ocr page 134

120

zijlinie. Evenmin kan hij de nicht of de achterrticht zijner gestorven vrouw huwen. Waarom niet? Omdat hij met de nicht in den tweeden graed, en met de achternicht zijner vrouw in don derden graad aanverwant is, en aanverwantschap tot en met den vierden graad in de zijlinie een beletsel is voor een geldig huwelijk.

Er bestaat ook eene geestelijke verwantschap, die insgelijks een beletsel is voor een geldig huwelijk. Deze geestelijke verwantschap ontstaat door het H. Doopsel en door het II. Vormsel. Hij, die het H. Doopsel of het H. Vormsel toedient, komt in een geestelijke verwantschap met dengenen, dien hij gedoopt of gevormd heeft en met do ouders van den gedoopte, of gevormde. Insgelijks is liet met de peters en meters, die liij het H, Doopsel en bij het H. Vormsel gebruikt worden; zij komen in geestelijke verwantschap met dengenen, dien zij ten doop gehouden of tot-het H. Vormsel geleid hebben, en met de ouders van dezen. Zonder kerkelijke dispensatie kunnen derhalve noch de dooper, noch de peter en meter een geldig huwelijk aangaan met hen, die zij gedoopt of ten doop gehouden hebben of met de ouders van dezen gedoopte.

Ziedaar, m. V., de voorname huwelijksbeletselen, die wij nuttig oordeelden in liet bijzonder voor u hier in herinnering te brengen. In onze volgende onderrichting zullen wij voortgaan u over dit belangrijk onderwerp te spreken. Wilt, m. V., met allen ernst overdenken, wat wij u over de huwelijksbeletselen zeggen. Treurig is de ondervinding, hoe groot dikwijls de onwetendheid bij velen is over zulk een gewichtige zaak van onzen heiligen godsdienst!

VEERTIENDE ONDERRICHTING.

Het huwelijksverbod „Gemengd huwelijk.quot;

Keeren wij terug-, m. V., tot de vraag, die* wij in onze vorige onderrichting gesteld hebben. Wat wordt er vereischt opdat het Sacrament des Huwelijks gcldif/ ontvangen worde? Wij antwoordden: 1. opdat het Sacrament des Huwelijks gi'ldig ontvangen worde, moeten man en vrouw met elkander kunnen' trouwen.

Zij, die met elkander eenig huwelijksbeletsel hebben, kunnen niet trouwen met elkander, ziedaar, waarom wij de voornaamste huwelijksbeletselen met u nu besproken hebben.

2. Om een geldig huwelijk te kunnen aangaan , moeten man en vrouw op die wijze met elkander trouwen, als de H. Kerk voor

ocr page 135

121

ons. heeft vastgesteld ; en zoo komen wij tot een laatste huwelijksbeletsel, dat wij nog met u moeten bespreken, en wel het huwelijksbeletsel dat clandestiniteit genoemd wordt.

Om dit huwelijksbeletsel goed te begrijpen is het noodig, dat gij u een goed denkbeeld vormt over het Sacrament des Huwelijks.

Ieder Sacrament is, gelijk gij weet, een uitwendig teeken; het Huwelijk is een Sacrament, vandaar' stellen wij de vraag: Welk is. liet uitwendig teeken van hel Sacrament des Huwelijks?

„Het uitwendig toeken,quot; zegt kanunnik Üaxkklmax , „van het Sacrament des Huwelijks, is de wettige overeenkomst, waardoor twee ongehuwde, door geen hinderpaal gebonden personen, zich tot cene onverdeelde, onscheidbare levensgemeenschap verplichten. Immers tot eene dusdanige overeenkomst, zal zij geldig zijn, behoort noodzakelijk eene onderlinge, door woorden of andere uiterlijke teekenen geopenbaarde toestemming, daar in het algemeen eene verbintenis onder menschen, zonder dat de toestemming van weerskanten wordt uitgedrukt, zelfs niet denkbaar is.quot;

Het uitwendig teeken van het Sacrament des Huwelijks is dus de openbare verklaring van het verbond, dat bruidegom en bruid met elkander aangaan. Het christelijk huwelijk is eene overeenkomst, een contract, waarbij een man en eene vrouw elkander verklaren tot eene on verbreekbare levensgemeenschap over te gaan. Het uiterlijk aangaan van deze overeenkomst is het uitwendig teeken van dit Sacrament.

„Het is, zegt Lirs in zijn „Katechetisch Handboek,quot; eene geheel eenige overeenkomst en verschilt van alle andere soorten van contracten, die menschen onderling met elkander kunnen aangaan. De huwclijksovereenkomst betreft geene zaken, maar personen en hunne neigingen; terwijl in andere verbintenissen de contractanten de uitwerkselen en lasten hunner overeenkomst met onderling goedvinden wijzigen en het contract zelfs geheel ontbinden, wordt bij de huwelijksovereenkomst de veranderlijke wil der echtgenooten door de wet Gods zoodanig vastgelegd, dat zij zich van het eenmaal gesloten huwelijk niet meer kunnen losmaken.quot;

Om wijze redenen nu, heeft de H. Kerk op het Concilie van Trente vastgesteld, dat Christenen geen geldig huwelijk kunnen sluiten, dan alleen vóór den parochie-pastoor en minstens twee getuigen. Zij nu, die op plaatsen, waar dit besluit van het Concilie van Trente geldt, gelijk bijvoorbeeld in ous vaderland, met elkander een huwelijksovereenkomst sluiten, die niet aangegaan wordt vóór den parochie-pastoor en minstens twee getuigen, zouden, volgens deze wet der H. Kerk, geen geldig huwelijk sluiten, omdat liet huwelijksbeletsel, clandestiniteit, zich tegen hun huwelijk verzet; zij zouden dus onwettig, dat is, op zondige wijze samenwonen, wijl hun huwelijk ongeldig en geen christelijk huwelijk zou zijn.

Maar bij dit huwelijksbeletsel, clandestiniteit, moet gij het

ocr page 136

122

volgende goed in het oog houden, en wel, vooreerst: Het Concilie van Trente heeft dit huwelijksbeletsel gesteld voor de Christenen, dat is voor hen, die gedoopt zijn, hetzij zij dan Katholiek, hetzij zij Protestant gedoopt zijn geworden. Derhalve treft dit huwelijksheletsel hen niet, die niet gedoopt zijn; een Jood bijvoorbeeld, die met eene Jodin trouwt, valt niet onder deze wet. Zij hebben oen geldig huwelijk met elkander, wanneer zij volgens de natuurwet met elkander een huwelijk hebben gesloten, alhoewel geen Sacrament, daar iemand, die niet gedoopt is, geen Sacrament kan ontvangen.

Maar wat dan te zeggen vau de huwelijken, die Protestanten met elkander aangaan en die gelijk in ons vaderland geschiedt, alleen vóór den ambtenaar van den burgerlijken stand hunne huwelijken met elkander sluiten?

Haasten wij aanstonds te verklaren, dat deze huwelijken, aldus door Protestanten gesloten, wettige, geldige huwelijken zijn , althans indien er tusschen hen, die aldus trouwen, geen ander huwelijks-beletsel bestaat; want ook voor de Protestanten en voor alle anderen, die door het H. Doopsel de Kerk van Christus zijn ingegaan, blijft de H. Kerk hare huwelijksbeletselen immer handhaven. Hoe dan zijn de huwelijken der Protestanten onderling geldige huwelijken? Zij trouwen toch niet voor den pastoor en minstens twee getuigen, gelijk het Concilie van Trente toch voor alle gedoopten heeft vastgesteld? Ziehier, m. Vr., het antwoord, dat gij goed in uw geheugen moet prenten.

Paus Benedictus XIV heeft voor ons vaderland in het jaar 1741 het volgende bepaald en vastgesteld:

1. Indien geen ander huwelijksbeletsel in den weg staat, moeten in deze Nederlandsche provinciën voor geldig gehouden worden de huwelijken door de ketters inet elkander gesloten of nog in de toekomst te sluiten , ook al woidt door hen de wijze van trouwen niet gevolgd, die door het Concilie van Trente voorgeschreven is geworden.

2. Hetzelfde geldt in deze landen voor de huwelijken op zulke wijze aangegaan door een Protestant met eene Katholiek, of met andere woorden: voor de gemengde huwelijken.

Wat volgt derhalve uit deze beslissende verklaring van Benedictus XIV?

1. Vooreerst dat de huwelijken, die Protestanten en andere dwalenden, mits zij gedoopt zijn, onderling met elkander sluiten, geldige huwelijken zijn, indien er geen ander huwelijksbeletsel in den weg staat, ook al worden die huwelijken alleen gesloten voor de burgerlijke wet.

2. Dat ook de gemengde huwelijken, dat zijn huwelijken tusschen een Katholiek en een Protestant gesloten, geldige huwelijken zijn , wanneer er tusschen hen geen ander huwelijksbeletsel bestaat, ook al zouden zij alleen huwen voor de burgerlijke wet en niet vóór den pastoor en minstens twee getuigen.

ocr page 137

128

Gij ziet hieruit, in. V., welk een groot verschil er tusscheu zulke burgerlijke huwelijken hestaiit en tusschen de burgerlijke huwelijken die Katholieken onderling met elkander sluiten. Immers voor do Katholieken onderling blijft, ook in ons vaderland, de wet van het Concilie van Trente van volle kracht; zoodat bijvoorbeeld, wanneer twee Katholieken, om welke reden dan ook, alleen voor de burgerlijke wet een huwelijk sloten, en niet vóór hun parochiepastoor en minstens twee getuigen, zij voor God en hun geweten niet zouden gehuwd zijn. Hunne samenleving als gehuwden zou hen schuldig maken bij God ann de zwaarste zonden en zij zouden met elkander als gehuwden niet mogen samenleven, alvorens zij vóór hun parochie-pastoor en minstens twee getuigen hun huwelijk met elkander gesloten hadden.

Maar zult gij vragen, zijn dan de gemengde huwelijken alleen voor de burgerlijke wet gesloten, cjcoorloofdc huwelijken? Volstrekt niet, m. V., en hier ziet gij het groot verschil, dat er bestaat tusschen een liuirelijksbeletsel en een huwelijksverbod; tusschen het geklift ontvangen van het Sacrament des Huwelijks en tusschen het imardig ontvangen van dit 11. Sacrament. Er zijn helaas! Katholieken, die de wet Gods en der H. Kerk niet tellend, vóór den burgerlijken rechter een gemengd huwelijk sluiten. Let wel op, m. Y., dat zulke huwelijken geldige huwelijken zijn, dat zij, die aldus gehuwd zijn, een geldig huwelijk met elkander hebben gesloten, een huwelijk, dat alleen door den dood van een van beiden kan verbroken en ontbonden worden. Maar deze gemengde huwelijken worden door de H. Kerk ten strengste verboden; van daar dat het gemengd huwelijk een huwelijksrerhod. is, en de Katholiek, die tegen dit verbod der Kerk in, zonder kerkelijke dispensatie, zulk een huwelijk sluit, doet eene groote doodzonde alleen reeds door zijn daad van trouwen te stellen. De Katholiek aanvaardt dus den staat des huwelijks in staat van doodzonde, het huwen zelf is voor de Katholieke partij eene zondige daad. Gij begrijpt gemakkelijk, m. V., hoezeer het te vreezen is, dat huwelijken aldus aangegaan, de onmisbare zegeningen Gods zullen derven, zegeningen zoo onontbeerlijk, om de zware verplichtingen van den huwelijksstaat goed te vervullen en om het geluk des levens, dat God alleen kan geven, te genieten.

Wij nemen ons voor, m. V., u in afzonderlijke onderrichtingen uitvoeriger de nadeelige gevolgen, die uit een gemengd huwelijk voortvloeien, aan te toonen. Hier echter willen wij de vraag beantwoorden, die zeker reeds in uwen geest is opgekomen, en wel deze: „heeft de H. Kerk dan geen middel gesteld, waardoor ook deze gemengde huwelijken geoorloofd kunnen worden?quot;

Wilt, m. V, de beteekenis van dit woord geoorloofd niet overschatten. Wanneer wij antwoorden; „Ja, de TI. Kerk heeft een middel gelaten. waardoor ook de gemengde huwelijken geoorloofd

ocr page 138

12-4

kunnen worden,quot; dan is de zin van dit woord geen ander dan deze : De H. Kerk laat ten laatste, wanneer er geen ander middel meer over is, om zulke gemengde huwelijken bij hare kinderen te beletten, den weg open, om althans te voorkomen, dat hare kinderen dien gewichtigen staat des huwelijks niet in vijandschap met God, niet in doodzonde ingaan. De li. Kerk bemint al hare kinderen met eene teedere, moederlijke liefde; zij weet met welk eene oneindige liefde haar Goddelijke Stichter Zijn heilig, kostbaar Bloed voor allen heeft vergoten; op Zijn vérheven voorbeeld wil zij redden, wat nog te redden is, en daarom maakt zij, er toe geleid door de gewichtigste redenen, somwijlen gebruik van de macht haar door Christus geschonken, en maakt zij geoorloofd, wat zonder hare hulp ongeoorloofd en dus zonde zon wezen; zij heft alsdan voor de bijzondere personen hare wet op, gelijk zij in de huwelijksbeletselen somtijds mogelijk maakt, wat door hare wetten onmogelijk is gemaakt geworden.

En de H. Kerk doet dit door middel van dispensatie. Het is noodig, dat wij ook over dit middel met u spreken; daarom stellen wij de vraag: Wat is de dispensatie, gelijk de 11. Kerk haar gebruikt bij de wetten, die de huwelijken barer kinderen regelen?

„De H. Kerk, zegt Pastoor van Campex, die het recht beeft om huwelijksbeletselen vast te stellen, heeft ook daardoor de macht, om in bijzondere gevallen, voor bepaalde personen, die wetten en verboden oji te heffen. Gelijk soms door de kerkelijke overheid deze of gene persoon om goede redenen van de vasten-wet ontslagen wordt, hetzij voor een bepaalden dag, hetzij voor bepaalde omstandigheden, zoo kan dit ook geschieden met de wetten op liet huwelijk. Deze opheffing wordt in de kerkelijke taal „ dispensatioquot; genoemd.quot;

Zooals wij reeds gezegd hebben, rusten de verschillende huwe-lijksbeletselen, deels op natuurlijk, deels op Goddelijk, deels op bloot kerkelijk gezag. De H. Kerk nu kan alleen dispenseeren in die huwelijksbeletselen, welke zij zelve gesteld heeft; zij kan derhalve bijvoorbeeld, niet dispenseeren in de eenheid en onverbreekbaarheid van het huwelijk , door God reeds in liet paradijs vastgesteld, en door Christus opnieuw met Zijn Goddelijk gezag bevestigd. Volgens het Goddelijk gebod derhalve is de bestaande huwelijksband een beletsel voor ieder ander huwelijk, en de 11. Kerk zelve kan in dit huwelijksbeletsel nimmer dispenseeren. „Evenmin kan zij dispenseeren,quot; zegt kanunnik Daxkklmax, „in die huwelijksbeletselen, welke in de nietigheid van het natuurlijk contract, in gebrek aan toestemming liggen, of in huwelijksbeletselen, die bunnen grond hebben in eene natuurlijke onwelvoegelijkheid, gelijk bloedverwantschap in de rechte lijnquot;

Wanneer nu is de H. Kerk te bewegen, om in sommige huwelijksbeletselen of huwelijksverboden te dispenseeren? Alleen

ocr page 139

125

onder den drang van gewichtige redenen, die hot nuttig, somwijlen noodzakelijk kunnen maken, om de dispensatie te verleenen; en deze redenen moeten gewichtiger en dringender wezen, naarmate de beletselen ernstiger zijn, die zich tegen het aangaan van een huwelijk verzetten.

De macht, om deze dispensatie te geven, bezit alleen de Paus en bezitten zij, aan wie de II. Kerk die. macht heeft willen mededeelen. Zoo hebben ook de Bisschoppen de macht ontvangen van de H. Kerk, om in sommige huwelijksbeletselen te kunnen dispenseeren.

Wanneer iemand zulk een dispensatie voor een voorgenomen huwelijk noodig heeft, behoort hij zich in den regel te vervoegen bij den pastoor, voor wien hij zijn huwelijk zal moeten sluiten, tenzij het huwelijksbeletsel voortkomt uit geheime misslagen. In dit geval toch moet hij zich bij zijnen biechtvader vervoegen, opdat deze bij den Bisschop, of zoo noodig, bij den Paus de vereischte dispensatie aanvrage.

Wij hebben reeds gezegd, dat de H. Kerk slechts om gewichtige redenen in de huwelijksbeletselen hare dispensatie verleent. Het spreekt van zelf, dat deze redenen, die voor de verwerving der dispensatie worden aangevoerd waar moeten zijn, en naar waarheid moeten worden opgegeven. Wanneer iemand, om dispensatie te verwerven, een valsche, een onware reden zou aangeven, dan zou het kunnen geschieden, dat de aldus verkregen dispensatie ongeldig was en derhalve het huwelijk met zulk eene ongeldige dispensatie gesloten, onwettig zou zijn.

Wat nu werkt eene geldige dispensatie uit? Dat het huwelijksbeletsel, hetwelk het geldig sluiten van een huwelijk in den weg staat, door de verkregen dispensatie wordt weggenomen, krachtens de macht der 11. Kerk, en dat zij, die anders niet met elkander konden trouwen, nu een geldig huwelijk met elkander kunnen aangaan. En wanneer niet een huwelijksbeletsel, maar slechts een huwelijksverbod het huwelijk tusschen twee personen ongeoorloofd maakt, dan wordt door de verkregen dispensatie dit huwelijksverbod opgeheven door de H. Kerk, zoodat het aan deze personen dan geoorloofd wordt om hun huwelijk met elkander te sluiten, wat anders, zonder doodzonde, niet zou kunnen geschieden.

Maar, m, V., dit is ook het eenigste, wat de dispensatie uitwerkt; en dwaas zou iemand handelen, die zonder gewichtige redenen eene verboden verkeering aanging, denkend: „Ik kan toch dispensatie aanvragen.quot; Vergeet nimmer, m. V., dat de H. Kerk, als eene teedere en bezorgde moeder ons hare verschillende wetten oplegt; dat zij in niets willekeurig handelt, en dat zij hare huwelijksbeletselen en hare huwelijksverboden met Goddelijke wijsheid en met eene zorgzame liefde voor hare kinderen vastgesteld heeft. Een huwelijk, dat zonder dispensatie kan gesloten worden, is altijd beter, dan een huwelijk, waarvoor de

ocr page 140

126

dispensatie noodig ia. En dat woord „beterquot; moet gij vooral ook opvatten in dien zin, dat een huwelijk, hetwelk zonder dispensatie kan worden gesloten, meer hoop en meer zekerheid geeft van een „gelukkig huwelijkquot; te zullen zijn, en dat een huwelijk, waarvoor dispensatie noodig is geweest, veel meer vrees overlaat van een ongelukkig huwelijk te zullen worden. De kerkelijke dispensatie maakt een huwelijk mogelijk, maakt het geoorloofd; maar de kerkelijke dispensatie neemt de redenen niet weg, die de 11. Kerk er toe gebracht hebben, om de huwelijks-beletselen en de huwelijksverboden voor hare kinderen vast te stellen. In onze volgende onderrichting zullen wij u spreken over de redenen, die de 11. Kerk bewogen hebben om het huwelijksbeletsel „bloedverwantschapquot; tot in den vierden graad der zijlinie vast te stellen. Wij zullen u aantoonen, hoe wijs en zorgvol de H. Kerk handelt, met dit huwelijksbeletsel te handhaven; hoe zij door dit huwelijksbeletsel vele rampen van hare kinderen wil afweren. Zooals het met dit huwelijksbeletsel is, zoo is het ook met alle andere huwelijksbeletselen en huwelijksverboden; in ieder van dezen kunnen wij gemakkelijk de wijze redenen en de zorgzame liefde der H. Kerk opsporen, die haar geleid hebben, om aldus de huwelijken barer kinderen te regelen. Het is hiermede evenals met de geboden, die wij rechtstreeks van God hebben ontvangen. Wat zouden de menschen gelukkiger zijn hier op aarde, van hoevele rampen zouden zij bevrijd blijven, die zij nu moeten lijden, wanneer een ieder zijn leven inrichtte naar den heiligen wil van Grod en zich gehoorzaam boog onder het juk van Gods geboden! God heeft ons zijne geboden niet willekeurig gesteld. Hij is voor ons menschen een goede Vader, die ons kent in al onze behoeften, beter dau we ons zeiven kennen, en die Zijne geboden ons gesteld heeft, opdat wij den weg zouden kennen, dien wij moeten bewandelen, om het geluk te vinden, dat Hij, ook na den zondeval, ons wil doen genieten hier op aarde. Even zoo, m. V., is het met de geboden en de wetten, die de li. Kerk, in alles voorgelicht en bijgestaan dooiden H. Geest, ons oplegt. Voegen wij ons gehoorzaam naar hare moederlijke leiding, o, het kan niet uitblijven, wij zullen in ons leven hier op aarde gelukkig leven en bevrijd blijven van zoovele rampen en smarten, die zij moeten dragen, wier onwil zich tegen hare wijze leiding blijft verzetten.

„Moet men dan, zoo vraagt Pastoor van Campen, alle personen veroordeelcn, die dispensatie vragen, of alle huwelijken, die met dispensatie gesloten werden? Dit zij verre; er kunnen soms gewichtige en dringende redenen bestaan, om zulk een huwelijk aan te gaan, en al worden dan door de dispensatie al de gevaren van dit huwelijk niet weggenomen, naarmate de reden grooter is, mag men zich aan meer gevaren blootstellen. Intusschen de algemeene regel blijft-waar, dat een huwelijk, waarvoor geen

ocr page 141

127

dispensatie noodig is, ver te verkiezen is, en het zal van groote lichtzinnigheid getuigen, wanneer iemand, zonder gewichtige reden, eene verboden verkeering aangaat niet de gedachte: „Ik kan toch dispensatie krijgen.quot; Hij zal door zijn gedrag misschien van de H. Kerk dispensatie afdwingen, maar de Kerk zal treuren over zijn huwelijk, en het is zeer te vreezen, dat het niet gezegend zal worden door God.quot;

Keeren wij terug, m. V., tot het huwelijksverbod, waarover wij bezig waren te spreken, toen wij u den zin van het woord „dispensatiequot; gingen verklaren. Door middel der dispensatie maakt de H. Kerk, om gewichtige redenen, somwijlen een gemengd huwelijk geoorloofd, zoodat, in zulk een geval, dit huwelijk kan gesloten worden zonder dat hij, die zulk een huwelijk sluit, zich aan doodzonde schuldig maakt.

Maar, opdat deze dispensatie verleend worde, stelt de H. Kerk de volgende eischen, die de uitdrukkelijke voorwaarden zijn, waarop de dispensatie in een gemengd huwelijk kan verkregen worden.

Lips zegt hierover het volgende in zijn Katechetisch Handboek;

„ De Kerk heft het verbod van een gemengd huwelijk in sommige gevallen, om zwaarwichtige redenen op, maar steeds onder de uitdrukkelijke voorwaarden:

1. dat aan de katholieke partij de vrije uitoefening van haren godsdienst worde gewaarborgd, en zij zich verbinde naar haar vermogen de onkatholieke wederhelft van de dwaling af te trekken; en

2. dat de katholieke opvoeding van al de kinderen verzekerd zij. Bestaan er gewichtige redenen om dispensatie in een gemengd huwelijk te vragen, dim moet de akte, waarbij genoemde voorwaarden worden vastgesteld door bruid, bruidegom, twee getuigen en den pastoor onderteekend, en van het parochiezegel voorzien, aan den Bisschop worden toegezonden. Wordt de dispensatie dan verleend, dan moet het huwelijk buiten de kerk, zonder huwelijkszegen of zonder eenige kerkelijke plechtigheid, {en dikwijls) in tegenwoordigheid van den pastoor en twee getuigen worden gesloten. Wordt er geene dispensatie gevraagd of verkregen, dan mag de pastoor bij het sluiten •niet tegenwoordig zijn, en in de verste verte geen zweem van goekeuring er aan hechten.quot;

Gij ziet uit deze bepalingen, m. V., hoe noode de H. Kerker toe overgaat, om somwijlen, door zwaarwichtige redenen gedwongen, in gemengde huwelijken dispensatie te geven; en hoe zij alle mogelijke middelen gebruikt, om ten minste de noodlottige gevolgen, die uit gemengde huwelijken voortkomen, door hare dispensatie zooveel mogelijk af te weren. Zij eischt een gewettigd bewijs, onder twee getuigen, niet enkel door de Katholieke, maar ook door de protestantscho partij geteekend, dat alle kinderen, die uit dit huwelijk zullen geboren worden, katholiek gedoopt en opgevoed

ocr page 142

128

zullen wordeil; dat de Katholieke partij in niets zal belemmerd worden, wat de vrije uitoefening van haren godsdienst aangaat, en de Katholieke, naar haar vermogen, zij het dan ook met wijsheid en groote voorzichtigheid, zal beproeven, om de onkatholieke partij van hare dwaling af te trekken.

M. V., ik koester de hoop, dat hetgeen wij in deze onderrichting, over de huwelijksbeletselen in het algemeen en over het huwelijksverbod „gemengd huwelijkquot; in het bijzonder gezegd hebben, nimmer voor iemand uwer persoonlijk noodzakelijk zal wezen. Toch was het vooral met het oog op de bijzondere omstan-digheden, waarin gij verkeert, noodzakelijk, om voor u deze onderrichting te houden. Zij het dan ook niet voor u zeiven, het is toch goed, dat gij een juist begrip hebben zult over de gemengde huwelijken , waarvan gij getuigen zijt in uwe omgeving. Overdenkt dikwijls met ernst, wat wij u nu geleerd hebben, opdat gij later, vooral wanneer gij in den kring, waarin God u zal plaatsen, op anderen invloed kunt uitoefenen, gij dien invloed zult aanwenden, om anderen af te houden van huwelijken, die om wijze redenen door de H. Kerk immer verfoeid zijn en slechts noode, somwijlen door haar mogelijk en geoorloofd gemaakt worden.

VIJFTIENDE ONDERRICHTING.

Waarom verbiedt dn H. Kerk de huwelijken tusschen bloedverwantenJ

Wij willen u in deze onderrichting spreken over de redenen, waarom de H. Kerk immer zich blijft verzetten tegen de huwelijken, die in de verboden graden tusschen bloedverwanten gesloten worden. Wilt u bij de behandeling van dit onderwerp herinneren, wat wij u in onze vorige onderrichting zeiden, dat ook dan, wanneer de H. Kerk somwijlen, om gewichtige redenen, zulke huwelijken door middel van dispensatie mogelijk maakt, deze kerkelijke dispensatie toch niet de redenen opheft, die de H. Kerk er toe gebracht hebben, om dit huwelijksbeletsel vast te stellen.

Pastoor van Campex geeft vooral drie redenen aan, waarom de H. Kerk het huwelijksbeletsel van bloedverwantschap heeft vastgesteld , en wel:

1. „Vooreerst,quot; zegt hij, „wordt het door de natuur zelve aangegeven, en daarom vindt men bij joden, bij heidenen en bij alle beschaafde volken wetsbepalingen, die huwelijken tusschen sommige bloedverwanten verbieden.quot;

2. „ Eene andere reden voor christenen is deze: om door

ocr page 143

129

huwelijken met vreemde personen de liefde onder de menschen uittebreiden, welke anders onder den engen kring van ééne familie zou beperkt blijven.quot;

3. „ Ook dient dit beletsel ter bewaring van goede zeden: neven en nichten toch zijn gewoon van jongs af meer vertrouwelijk met elkander om te gaan, en die omgang kan zeer nadeelige gevolgen hebben voor hunne deugd, wanneer hun de hoop op een huwelijk met elkander overbleef.quot;

Wij willen deze drie redenen nader beschouwen; wat ons gemakkelijk zal vallen, wijl Pastoor Ruscheblatt, oud-Professor van bet Seminarie Hageveld, in het tijdschrift de Katholiek, ') eene zeer belangrijke studie over „de huwelijken tusschen bloedverwantenquot; geleverd heeft.

De eerste reden dan, waarom de H. Kerk liet huwelijksbeletsel „bloedverwantschapquot; heeft vastgesteld is deze: „de natuur zelve geeft dit huwelijksbeletsel aan.quot;

„Welke,quot; zoo vraagt Pastoor Ruscheblatt, „zijn de afdoende redenen, waarom de Kerk het huwelijk tusschen bloedverwanten verbiedt en nimmer toelaat, dan alleen als gewichtige gronden haar tot het toelaten eener uitzondering stemmen?quot;

En hij antwoordt , dat deze redenen zeer verscheiden en talrijk zijn, en dat onder velerlei opzicht het onraadzaam en ook bijna onmogelijk is, ze allen te bespreken en in haar geheel voor te stellen.

De aanhalingen van meerdere geleerde mannen, die wij in deze onderrichting, ter bevestiging der drie redenen, door Pastoor van Campen gesteld, zullen doen, nemen wij uit deze belangrijke artikelen van Pastoor Ri'sciikp.i.att, terwijl wij , in zooverre wij meenen, dat het voor u nuttig kan zijn, ook een dankbaar gebruik zullen maken van de krachtige betoogen, die door den geleerden oud-Professor worden gedaan tegen de heillooze huwelijksverbintenissen tusschen bloedverwanten aangegaan. Hiermede hopen wij mede te werken tot het doel, dat hij zich bij zijnen arbeid heeft voorgesteld, waar hij schrijft: „het ware een groote stap in de goede richting van werkelijken vooruitgang, zoo de menschkundige raadgevingen van ervaren mannen een gewillig oor vonden bij de familiëu; het zou een waarborg voor de gezondheid der toekomstige geslachten zijn, zoo de waarschuwende stem van eene zoo bedroevende ondervinding, ingang vond bij alle belanghebbenden.quot;

Het doel, waarom God hot huwelijk heeft ingesteld is onder anderen de wettige voortplanting en vermenigvuldiging van het menschelijk geslacht. Het is de heilige wil van God, dat voortdurend uit huwelijken, op wettige wijze gesloten, nieuwe krachtige menschen zullen geboren worden, om de aarde te bevolken en

*) Zie de nflevenngen Juli en October 1884. LEVENSST.

9

ocr page 144

130

het getal der uitverkorenen in den hemel voltallig te maken.

Deze liefdevolle wil van God wordt tegengewerkt en dikwijls geheel en al verijdeld door huwelijken, die tusschen bloedverwanten gesloten worden.

God wil dat de aarde, voor zoover het van de menschen afhangt, zal bevolkt zijn met krachtige menschen. De Engelsehe natuurkundige Com bic schreef het volgende, wat wel verdient onder het oog gebracht te worden, vooral van hen, die eenige neiging in zich zouden gevoelen om een huwelijk met bloedverwanten aan te gaan: „Als eene al gemeene wet moet aangemerkt worden, dat huwelijken tusschen bloedverwanten zonder eenigen twijfel moeten bijdragen tot verbastering van de stoffelijke en zedelijke eigenschappen der nakomelingschap. I)eze wet geldt reeds voor het plantenrijk. De landman acht het nadeelig hetzelfde koren dikwijls achtereen op een zelfden grond te zaaien. In enkele gevallen, wanneer de grond zeer vruchtbaar is en de planten vol kracht zijn, kan het koren twee, driemaal achtereen op dezelfde plaats geteeld worden, zonder dat de vermindering even merkbaar wordt, als wanneer de grondstoffen zwak en onvoldoende waren. Ditzelfde verschijnsel doet zich in het dierenrijk voor, en ook onder de menschen wordt het aangetroffen. Indien de nabestaanden, welke huwelijken met elkander sluiten, zeer krachtvol zijn en eene voordeelige verstandsontwikkeling bezitten, zal hun nakomelingschap niet zooveel onder den gewonen maatstaf van het land hunner inwoning dalen, dat het dadelijk in het oog springt, en men is in dergelijke gevallen allicht geneigd te gelooven, dat de natuurwet hier van hare rechten afstand doet. Toch doet zij hare rechten gelden; eene natuurwet kent geene uitzondering. De kinderen staan altijd op lageren trap, dan zij gestaan zouden hebben, als de ouders zich vereenigd hadden met niet-bloedverwanten van gelijke lichaamskracht en van gelijke geestvermogens. Waar bij ouders, door bloedverwantschap verbonden , een of ander gebrek bestaat, zal dit bij de kinderen zich iii den duidelijksten en ergsten vorm vertoonen. Deze omstandigheid is zoo bekend, en een ieder kan zoo gemakkelijk zich daarvan overtuigen, dat ik mij daarmede niet langer wil bezighouden.quot;

Kr bestaat een oud spreekwoord, dat op een ware en kernachtige wijze het onheil uitdrukt, dat uit huwelijken, met bloedverwanten gesloten, voortspruit: Geen erven, vroeg sterven of bederven. Wij kunnen dit spreekwoord aldus omschrijven: Huwelijken met bloedverwanten gesloten, brengen of wel geene kinderen voort, of wel kinderen, die zwak, misvormd of mismaakt zijn, of wel kinderen, die vroegtijdig sterven.

Reeds in de zesde eeuw wees de H. Paus Gregorius de Groote er op, dat huwelijken, tusschen bloedverwanten gesloten, dikwijls kinderloos blijven. In het jaar 597 schreef deze heilige Paus aan

ocr page 145

181

den H. Augustinus in Engeland: „Wij hebben uit de ondervinding geleerd, dat er uit zulk een huwelijk geene nakomelingschap pleegt voort te spruiten.quot; Met alle gestrengheid dan ook heeft de H. Kerk, in den loop der eeuwen, hare wetten blijven handhaven, die zij tot heil barer kinderen gemaakt heeft. In het jaar 1875 schreef de Groote Paus Pius IX over dit punt het volgende: ') „Laat mij u eene kracht aanwijzen, welke zal strekken om een ontzettende wanorde te verminderen, die sinds de revolutionnaire woelingen zeer is toegenomen. Ik wil spreken van de huwelijken tusschen bloedverwanten, welke sedert twintig a vijf-en-twintig jaren niet verdubbeld, maar verviervoudigd zijn. Ik wensebte, dat gij, gebruik makende van geschikte gelegenheden, spraakt tot uwe vrienden, tot uwe, voor dusdanige huwelijken neiging gevoelende bloedverwanten, ten einde hen er van terug te brengen. Het is waar, het kan soms gebeuren, dat eene dispensatie moet worden toegestaan tegenover den samenloop van vele kano-nieke redenen; doch de buitengewoon talrijke verzoeken, welke gedaan worden, zijn te veroordeelen, dewijl die huwelijken strijdig zijn met de gezondheid des lichaams. Ik beroep mij op liet getuigenis der geneesheeren. Strijdig ook dikwijls met de zedeleer. Ik zelf zoude hier desaangaande veel kunnen aanhalen en openharen. Ik weet liet wel, men zal zeggen, dat eene dergelijke wanorde gemakkelijk kan worden weggenomen door de weigering der dispensatie. Maar daar zit juist de groote nioeielijkheid, sedert de gouvernementen zulke daden begunstigd en veroorloofd hebben, die de zwakke zielen in slaap wiegen; dewijl, hetzij wegens het vuur van den hartstocht, die verblindt; betzij door de zucht naar het geld, die medesleept; hetzij, wat nog erger is, wegens het gebrek aan geloof, verseheidenen liever in eene zondige samenleving, zelfs iu bloedschande leven, dan het Sacrament des huwelijks te ontvangen. Indien er alzoo verseheidenen in zonde, ja zelfs in bloedschande leven, die toch in sommige gevallen -dispensatie kunnen erlangen; hoe groot zoude dan liet getal der zonden zijn , indien er nooit dispensatie zou worden verleend?quot;

Robert van Mohl, oen Duitsch geleerde van onzen tijd, schreef in het jaar 18(50: „Volgens natuurkundige wetten, waarvan ons de laatste grond wel verborgen is, maar welke evenwel als ontwijfelbaar zeker gelden moeten, hebben de huwelijken tusschen bloedverwanten niet zelden slechte gevolgen ten opzichte der lichamelijke en verstandelijke ontwikkeling.quot;

In het jaar 1862 heeft een beroemd geneesheer van Parijs, Francis Devay geheeten, een belangrijk werk geschreven, ten titel voerend: „Over bet gevaar der huwelijken met bloedverwanten. uit het oogpunt van de gezondheid.quot; Pastoor van

') „De ware Goucliniju ^ p. 99; Eerste deel.

ocr page 146

132

Cami'EN zegt van dit belangrijk work: „Ouders, wier kinderen over dergelijke huwelijken denken, zouden zeer verstandig doen, als zij zich dat boekje aanschaften, want eene aandachtige lezing van dit werkje zal hunne kinderen eerder van besluit doen veranderen, dan de beste lessen en vermaningen.

„Het uitsterven,quot;' merkt Devay cp, „van vele adellijke geslachten, vooral in de zeventiende eeuw, heeft zijn grond in de ongeoorloofde echtverbintenissen, welke aangegaan worden, om den uiterlijken glans der familiën te verhoogen en hare bezittingen te vermeerderen.quot;

Dr. H. Kleine, schreef aldus in het jaar 1880: „Van de 1029 adellijke geslachten, welke in 1870 nog in Duitschland, Oostenrijk en Hongarije bestonden, konden niet meer dan 99 den oorsprong van hun stamboom vóór het jaar 1650 aanwijzen; de overigen waren van jongere dagteekening. Verder gaf bij nog deze aanmerking ten beste: „In de laatste 80 jaren zijn 318 adellijke familiën uitgestorven, eu houdt de sterfte in gelijke mate aan, dan zullen de graven en baronnen weldra niet meer genoemd worden.quot;

Een Fransch Bisschop schrijft aldus in oen zijner herderlijke brieven: „De ondervinding bewijst ons, dat de huwelijken, welke door de katholieke wet verboden zijn, niet minder afgekeurd worden door de natuurwet. Men ziet dikwijls, dat zij door eene bedroevende onvruchtbaarheid getroffen worden, en zoo zij zich vermenigvuldigen, zoo zij in dezelfde familiën worden herhaald, brengen zij, na eenige geslachten, als een natuurlijk gevolg verzwakking in de lichamelijke gesteldheid der kinderen te weeg, dikwijls ook eene nog betreurenswaardiger vermindering der geestelijke vermogens en eene verbastering der zedelijke krachten. De natuurwet is hier in volkomen overeenstemming met het verbod der Kerk, en deze wet — merken wij dit wel op — is niet alleen aan het menschelijk geslacht eigen; zij behcerscht alle levende wezens in alle graden en in alle sferen der schepping, zelfs bereikt zij die, wier leven op den laagsten trap staat en slechts in wasdom zich openbaart. .Volgens de wet des Scheppers mag de levensstroom niet altijd over denzelfden bodem vloeien, zijn loop moet voortdurend onderbroken worden, om voortdurend in een nieuw gewest en onder van elkander verscheiden luchtstreken met nieuwe kracht voort te stroomen. Onder die voorwaarde alleen kunnen de levende wezens hunne oorspronkelijke, hunne eerste levenskracht behouden. Zoodanig is de algemeene wet, door God voor het voortplanten van Zijne werken vastgesteld. Mocht het kwaad, hetwelk wij bestrijden, aanhouden en al verder en verder zich uitbreiden, dan zou de nadeelige invloed daarvan, gedurende een langen tijd, inwerken op de bronnen, waaruit de geslachten zich telkens hernieuwen, de toekomende eeuwen zouden de bittere vruchten van die ordelooze afwijkingen inoogsten en geene andere geslachten van menschen voortbrengen, dan zedelijk en lichamelijk ontaarden.quot;

ocr page 147

133

Hoe ernstig en dreigend de waarschuwingen dezer geleerde mannen ook klinken mogen, zij worden, helaas! bevestigd door de ondervinding, door de waargenomen feiten.

Enkelen dier waargenomen feiten willen wij hier aanhalen.

De bovengenoemde geneesheer Devav geeft ons de volgende verklaringen, die hij als zeker kan getuigen. Reeds in zijn eerste werk „ hygiène des familiesquot; vermeldde hij, dat zijne opmerkingen omtrent huwelijken tusschen bloedverwanten het getal 39 bereikten, waarvan 13 binnen den kring van zijne eigene kennissen. Van die 39 hnwehjken bleven 8 kinderloos, 4 daarvan brachten kinderen voort, welke aan klierziekte leden; 1 dier huwelijken bracht 1 kind voort, hetwelk door eene afzichtelijke melaatschheid aangetast was.

Van de 26 andere hnwelijken, hem door gezaghebbende getuigen medegedeeld, waren ]1 huwelijken onder verscheidene opzichten ongelukkig: één dier huwelijken bracht 1 kind voort, lijdende aan vallende ziekte; 3 andere huwelijken brachten kinderen voort, die of met waterhoofden geboren waren of in stuiptrekkingen een vroegtijdigen dood stierven; onder de zeven overige van die huwelijken waren 2 zonder kinderen, en de andere vijf brachten kinderen voort, wier gezondheidstoestand veel te wenschen overliet. In het geheel bleven er van die 89 huwelijken slechts 4 over, waarvan de kinderen een middelmatigen gezondheidstoestand genoten. Sinds het jaar 1846 tot aan 1862 had liij 82 aanteeke-ningen gemaakt. Het treurig resultaat daarvan was als volgt: 14 huwelijken bleven kinderloos; daarenboven telt hij, als gevolg van deze 82 en van de bovengenoemde 39 huwelijken, 17 familiën op, waarin de kinderen door veelvingerigheid misvormd waren.

Volgens Devav is do hazelip evenals de misvormde voet een niet ongewoon verschijnsel bij de kinderen uit verboden huwelijken gesproten. Tot besluit van zijn hoofdstuk over de lichamelijke misvormdheid, geeft hij deze samenvatting: op 121 huwelijken, tusschen bloedverwanten gesloten, vinden wij niet minder dan 52 afwijkingen van den gewonen regel der natuur.

Hoogst leerzaam is ook dit voorbeeld: in het Zuiden van Frankrijk leefde eene familie uit 2 zonen en 4 dochters bestaande, allen gezond en krachtig gebouwd; 3 dezer kinderen gingen huwelijken aan met bloedverwanten, 3 mot vreemden. Het lot van de kinderen uit die huwelijken gesproten, geeft ons de hier volgende tabel:

Huwelijken met bloedverwanten.

1 dochter had 11 kinderen, van deze stierven vroegtijdig 11

1 zoon » 8 „ „ „ „ „ 6

1 dochter „ 5 „ „ „ „ „ 3

24

20

ocr page 148

134

Deze 20 kinderen stierven aan waterhoofden of aan hersenschudding.

Huwelijken met vreemden.

1 zoon had 6 kinderen, van deze stierven vroegtijdig 2 1 dochter „ ' ,, jj j, •• 0

1 9 1

^ quot; 11 7) ?gt; 55 55 A

22 3

Een der meest gewone gebreken van kinderen uit huwelijken tusschen bloedverwanten geboren, is de doofstomheid.

De Pim-Blfittcr van liet jaar 1859 geven de volgende statistiek van huwelijken onder bloedverwanten: Op 20 inillioen blanke bewoners in Amerika zijn 6321 huwelijken tusschen bloedverwanten opgeteekend, waaruit 1116 stomme, 1864 idiote en 209 zinnelooze kinderen voortsproten. ')

Duvav haalt een sprekend voorbeeld van doofstomheid aan: een huwelijk, tusschen neef en nicht gesloten, bracht 8 kinderen voort; van dezen waren 4 doofstom geboren, 1 was zeer zwak van verstand, 2 leden aan verregaande hardhoorigheid.

Chazaeaix, geneesheer in het doofstommeninstituut van Bordeaux, deelde aan Devav het volgende mede: van de 39 mannelijke doofstommen waren er 11 uit huwelijken met bloedverwanten geboren: van de 26 vrouwelijke doofstommen waren er 9 uit zulke huwelijken geboren.

Van de 29.500 doofstommen in Frankrijk behooren de ineesten tot die departementen, waar het verkeer met andere streken het meest belemmerd is en bijgevolg de huwelijken tusschen bloedverwanten menigvuldiger zijn.

Van de 100 doofstommen te Lyon stammen er 25 uit huwelijken met bloedverwanten; te Parijs zijn 28 op de 100 doofstommen uit zulke huwelijken geboren.

De Chineesche wetgeving verbiedt ieder huwelijk tusschen bloedverwanten van welken graad ook. In China worden niet meer dan honderd familienamen gevonden. Het huwelijk tusschen personen,'die denzelfden naam voeren, is verboden, ook dan zelfs al bestaat er tusschen hen geen bloedverwantscha]) meer. Er worden in China bijna geen doofstommen gevonden.

In de Vereenigde Staten van Xoord-Amerika huwen de kleurlingen veelvuldig in bloedverwantschap met elkander; op de 47 kleurlingen vindt men 1 doofstomme; daarentegen bij de blanke bevolking 1 doofstomme op de 4292 blanken.

Howe, een Amcrikaanscb geneesheer, gaf acht op 17 huwelijken met bloedverwanten: 95 kinderen werden uit deze huwelijken geboren; 35 dier kinderen waren in hun verstand gekrenkt; 12

II. Wki.toïs, „Vorlmlen, enz.'

ocr page 149

13ó

leden aan klier- en huidziekten, 1 was dnof en 1 dwergachtig.

Dr. Remiss verklaart, dat in Amerika op de 100 krankzinnigen er lö waren voortgekomen uit huwelijken met bloedverwanten gesloten, en Darwin bewees in eene voorlezing, te Londen gehouden, dat de helft van alle waanzinnigen en krankzinnigen, die in krankzinnigengestichten van Engeland en Schotland verpleegd werden, uit dergelijke huwelijken geboren waren: in Engeland en Wallis waren van de 8170 krankzinnigen er 4308, in Schotland 541 van de 1178 krankzinnigen uit zulke huwelijken gesproten.

In^het jaar 1861 werd te Berlijn als waarheid bevestigd, dat op 673 huwelijken van Joden — die zeer dikwijls met bloedverwanten huwen — één krankzinnige voorkwam; daarentegen oj) de 2173 huwelijken van Protestanten 1 , en op de 3173 huwelijken van Katholieken 1 krankzinnige.

Het verwondere ons derhalve niet, ra. V., dat vele beroemde geneesheeren al luider en luider hunne stem verheffen tegen de huwelijken met bloedverwanten; zij eischen, dat de wetgevende macht in de Staten, tot heil der menschheid, zal tusschenbeide komen, om die huwelijken te verbieden en onmogelijk temaken.

In ons land zijn de volgende wetten gesteld op de huwelijken tusschen bloedverwanten en aanverwanten; wij willen u deze artikelen van het Burgerlijk Wetboek hier aangeven:

Art. 87. Het huwelijk is verboden tusschen alle personen, die elkander bestaan in de opgaande en nederdalende linie, hetzij door wettige, hetzij door onwettige geboorte of door aanhuwe-lijking; en in de zijdlinie tusschen broeder en zuster, wettige of onwettige.

Art. 88. Ook is het huwelijk verboden:

1. Tusschen schoonbroeder en schoonzuster, wettige of onwettige.

2. Tusschen oom of oudoom, en nicht of achternicht, mitsgaders tusschen moei of oudmoei en neef of achterneef, wettige of onwettige.

De Koning kan, om gewichtige redenen, het verbod, in dit artikel vervat, door het verleenen van dispensatie opheffen.

Verder strekt het verbod van onze burgerlijke wet zich niet uit, zoodat bijvoorbeeld, een neef of nicht, die elkander, volgens de kerkelijke wet, bestaan in den tweeden graad der zijdlinie, volgens onze wet met elkander een burgerlijk huwelijk kunnen aangaan.

Besluiten wij deze onderrichting, m. V., met dit woord van ('hazak.u.v, geneesheer van het doofstommen-instituut te Bordeaux;

Dewijl huwelijken tusschen bloedverwanten ook de droevige eigenaardigheid hebben, dat zij de kinderen, welke daaruit geboren worden, aan de ernstigste ziekelijkheid blootstelt, is het ons zeker veroorloofd, die huwelijken te beschouwen als een inbreuk op den algemeenen gezondheidstoestand, en onze plicht gebiedt ons, daarop de waakzaamheid van den wetgever te vestigen.

ocr page 150

136

Hoe! de Wet neemt met zooveel zorg de belangen der kinderen ter harte, en zij zou zich niet vóór alles bezighouden, om hun het voornaamste van alle goederen, de gezondheid, te verzekeren? Waarom zou onze wetgeving geen voordeel trekken uit de leer der Katholieke Kerk? Waarom kan zij de wijze verbodsbepalingen niet overnemen, welke de Katholieke Kerk vastgesteld en algemeen gehandhaafd heeft, zoolang de kerkelijke wet niet door de burgerlijke wet overheerscht werd. De slachtoffers van de echt-vereenigingen tusschen bloedverwanten zijn, helaas! talrijk genoeg, om de regeeringen eindelijk te doen begrijpen, dat het haar plicht is, om een einde aan zulk een misbruik te maken en om in hare wetten de bloedverwantschap als een huwelijksbeletsel op te nemen en te handhaven.quot;

„Onze Moeder de H. Kerk, zegt DriiAr.iox, heeft soms wettige redenen om te dispenseeren; deze redenen pleiten dikwerf niet voor degenen, die de dispensatie aanvragen; want geld, eer, zingenot zijn doorgaans de eigenlijke drijfveer dier aanvragen. Maar waren zelfs uwe redenen tot bet verzoeken der dispensatie zoo billijk mogelijk, dan nog, verzint eer gij begint, want de gevolgen zijn daarvan, evenals wij gezegd hebben, te bedroevend. Neemt dan het besluit van nooit zulke dispensatie te vragen, die de 11. Kerk tot uw eigen welzijn zoo ongaarne verleent. Beijveren wij ons , om aan het vurig verlangen van onze Moeder de H. Kerk te voldoen; vragen wij niet alleen zulke dispensatie niet, maar doen wij ook ons best, om anderen daarvan terug te houden, vermits de gevolgen hiervan zoo dikwijls betreurenswaardig zijn.quot;

ZESTIENDE ONDERRICHTING.

A'ervolg.

Eene tweede reden , waarom huwelijken tusschen bloedverwanten door de H. Kerk immer verboden en afgekeurd zijn geworden, is deze: door huwelijken met vreemden. dat is met personen, die elkander in bloedverwantschap niet raken, wordt de liefde onder de menschen uitgebreid, eene liefde, welke anders al te veel binnen den engeu kring van ééne familie zou beperkt blijven, en deze tweede reden geldt tevens ook voor huwelijken, die tusschen aanverwanten zouden gesloten worden, wanneer de H. Kerk ook dit huwelijksbeletsel niet gestreng handhaafde.

Beschouwen wij ook deze reden.

Reeds van het begin af, was het de heilige wil van God, dat alle menschen, levend hier op aarde, door den band van onder-

ocr page 151

linge liefde zouden verbonden worden. Van daar dat God, uit één menschenpaar geheel het menschelijk geslacht liet voortkomen, opdat allen, kinderen van dezelfde stamouders, elkander als broeders en zusters zouden beschouwen en liefhebben. Gods heilige wet, in aller harten gedrukt, en later op twee steenen tafelen geschreven, door middel van Mozes aan de Joden gegeven, kan, naar het woord van Christus zeiven, tot deze twee geboden teruggebracht worden; ,, Bemin God bovenal en uwen naaste als u zeiven om God.quot;

Die onderlinge liefde dor menschen is door onzen aanbiddelijken Verlosser als een kenteeken gesteld geworden van het ware Christendom : „ Hieraan,quot; zoo sprak Hij , „ zal de wereld erkennen, dat gij Mijne leerlingen zijt, indien gij liefde hebt voor elkander.quot;

Om deze onderlinge liefde der menschen zooveel mogelijk te bereiken, heeft God verschillende middelen willen stellen: denken wij slechts aan het maatschappelijk leven der menschen met elkander, waardoor, wijl de een van den anderen , zoowel in het geestelijk als in het lichamelijk leven, afhankelijk is, de onderlinge liefde zich krachtiger kan uitbreiden, naar gelang velen zich beijveren, om voor elkander op eenigc wijze nuttig te zijn. Denken wij verder aan het te zamen wonen van velen op eenen gemeenschappelijken, vaderlaudschen bodem, waar zoovelen dezelfde belangen te behartigen, dezelfde gevaren te deelen, dezelfde moeie-lijkheden te bestrijden hebben.

De beide groote middelen echter voor die onderlinge liefde der menschen, door God gesteld, zijn do bloedverwantschap en het huwelijk.

Die onderlinge liefde toch der menschen zou niet bereikt worden, wanneer het huwelijk gesloten werd binnen den engen kring dei-bloedverwanten, die reeds door de natuur zelve en door het bloed met elkander vereenigd zijn. „Wat dan ook,quot; zegt de H. Augus-tinus, „in de eerste tijden geschieden moest, dat namelijk de naaste bloedverwanten met elkander huwden, dit werd later door den godsdienst als iets afkeurenswaardigs verboden.quot;

„Een ondergeschikt doel van het huwelijk is,quot; aldus leert de H. Thomas, „de menschen onderling te verbinden en de vriendschapsbanden te vermenigvuldigen, terwijl de man tot de bloedverwanten van zijne vrouw in dezelfde betrekking staat als tot zijne eigene verwanten. En daarom zou iemand aan het uitbreiden van die vriendschappelijke betrekkingen afbreuk doen, zoo hij eene vrouw, reeds door bloedverwantschap met hem vereenigd, huwde; dan toch werd door dat huwelijk geen nieuw vriendschapsverbond gesloten.quot;

De liefde, door het huwelijk voortgebracht, zal van zelve hen aantrekken, die tot nu toe vreemd aan elkander waren. „ Het doel des huwelijks is,quot; zegt een Duitsch geleerde, „door het vormen en kruisen van familiën, de geheele menschheid tot

ocr page 152

138

éénc éénheid te verbinden. Op dien grond werd ook overal, waar het idéé van familie in het bewustzijn der menschen ingeworteld was, het huwelijk tusschen bloedverwanten als ongepast beschouwd, omdat het de familie buiten de gemeenschap met anderen stelt en de liefde, op zelfzuchtige wijze, tot den engen kring der verwanten beperkt.quot;

God wil dat de menschen door den band eener onderlinge liefde met elkander zullen verbonden zijn. Alles derhalve wat die algemeene liefde der menschen kan schaden of beletten, moet zooveel mogelijk voorkomen worden. Welnu, als de hoofdoorzaken van de huwelijken tusschen bloedverwanten worden de geldzucht en de eerzucht genoemd. Beide hartstochten zijn de groote hinderpalen, die de algemeene liefde der menschen inden weg staan. Met recht derhalve verzet zich de H. Kerk, die het heil en de liefde van allen beoogt, tegen de huwelijken met bloedverwanten.

,, De zelfzuchtige,quot; zegt pastoor Rusciterlatt, „zal trachten al de goederen en bezittingen, waarover hij kan beschikken, zooveel mogelijk in ééne familie te behouden, en geen meer afdoend middel daarvoor dan de huwelijken tusschen bloedverwanten. Zelfs de goederen, welke voor tijd en wijle verdeeld waren, zouden allicht, werden die huwelijken niet verhinderd, door erfopvolging bij versterf weder in dezelfde handen terugkeéren. Dat zulk een drijven even anti-sociaal als anti-christelijk is. moet voor een ieder zonneklaar zijn.... Het kan gebeuren, dat door het opeen-hoopen van goederen in de handen van ééne familie, niet alleen haar kapitaal buitensporig aangroeit, maar dat het ook aan het algemeen nut onttrokken wordt; en dit heeft het schadelijk gevolg, dat anderen in evenredigheid verarmen, als zulke familiën hare bezittingen vermeerderen. Maar met den rijkdom vermeerderen het aanzien, de macht en de invloed; in gemeenten en in den staat wordt het aanzien van zulke familiën gaandeweg overheer-schend en allicht doodend voor de persoonlijke vrijheid. Zoo ontstaat allengs ook dit groot nadeel, dat zulke familiën niet zelden zich als eene kaste, afzonderlijk van alia anderen, afsluiten, en in plaats van den geest der alle menschen omvattende liefde aan te kweeken, een scheuring in het maatschappelijk geheel te weeg brengen.quot;

Wij zouden u. m. V.. nog meerdere aanhalingen uit de belangrijke studie van Pastoor Husciieblatt willen doen, om u de wijsheid aan te toonen, waarmede de H. Kerk ook hier handelt, wanneer zij op gestrenge wijze hare wetten op de huwelijken, tusschen bloedverwanten en aanverwanten, blijft handhaven; wij moeten ons echter voor ons doel, bij het aangehaalde bepalen, u ten slotte nog het woord van den geleerden kardinaal Gousset mededeelend, die zegt; „De zedeleer veroordeelt dergelijke echtverbintenissen. Het is waar, dat het huwelijk tusschen schoon-

ocr page 153

139

broeders en schoonzusters tijdens de Fransclie revolutie niet verboden was; maar heeft het niet allen schijn, dat God dit toeliet, evenals Hij zoovele onzinnige dwaasheden toelaat, om de wijsheid van den wetgever, die geen anderen gids erkent dan de mensche-lijke rede, van ongerijmdheid te overtuigen?quot;

En zoo komen wij tot de laatste reden, waarom de H. Kerk de huwelijken tusschen bloedverwanten en aanverwanten veroordeelt , en wel deze;

Deze huwelijksbeletseleni strekken tot bewaring en handhaving der goede zeden.

Beschouwen wij ook deze reden.

Vooreerst, uit de natuurlijke liefde, waarmede bloedverwanten en aanverwanten elkander beminnen volgt een vertrouwelijke, gemeenzame omgang met elkander, een omgang, die zoolang hij onschuldig blijft, door niemand zal gelaakt worden, maar integendeel door allen aangeprezen en bevorderd zal worden, wijl het geluk des levens door dezen onschuldigen omgang ten zeerste verhoogd wordt. Denken wij hier slechts aan de onschuldige liefde, waarmede niet enkel broeders en zusters, maar ook aangehuwde broeders en zusters elkander troosten en helpen en ondersteunen kunnen. vaak bij de zwaarste beproevingen. De reine , onschuldige liefde, die tusschen oom en nicht van nature bestaat, voert dikwijls tot de edelste daden, ja somwijlen tot éene heldhaftige edelmoedigheid, waarmede een oom bij ouderlooze neven en nichten de plaats inneemt van den vroegtijdig gestorven vader, of waarmede eene nicht bij haren oom de plaats vervult van eene dochter, en hem bij gemis of bij smartelijk verlies van een kind. als een engel ter zijde staat, om de steun des levens en de troost en de hulp van zijnen ouderdom te zijn. En is de schuldelooze omgang van neven en nichten onderling voor velen, vooral in de blijde jeugd, niet eene weldadige bron van ongekunsteld vermaak, weldadig niet enkel, wijl uit dien omgang zooveel reine vreugde voortkomt, maar ook wijl hieruit zoo geleidelijk kan voortvloeien die ongedwongen manier, om met anderen om te gaan, te spreken en te schertsen, zonder aan de vormen te kort te doen, die in alle standen steeds tot hun recht moeten komen?

Maar, m. V., dit alles veronderstelt de getrouwe opvolging der wetten door de heilige Kerk op de huwelijken tusschen bloedverwanten gesteld. Reeds de H. Ambrosius zeide in de vierde eeuw: „Waren huwelijken tusschen bloedverwanten geoorloofd, dan zouden de meest gewone bewijzen van toegenegenheid jegens verwanten reeds verdacht zijn.quot; En de H. Thomas van Aquinen zegt; „Dat er te veel gevaar en gelegenheid tot verleiding voorhanden zou zijn en dat het menschelijk geslacht door onzedelijkheid verweekelijkt zou worden, als de huwelijken geoorloofd waren tusschen personen, die in een innig familieverkeer tot elkander staan.quot;

ocr page 154

140

„Binnen de muren van het heilig familieleven, zegt Pastoor Ruscheblatt, ook binnen het gezellig verkeer der bloedverwanten, moet cene eerbare terughoudendheid de teugel tegen uitspattingen zijn, moet de onmogelijkheid van een onderling huwelijk met elkander eeue beveiliging voor de deugd der zuiverheid wezen.quot;

Besefl'en wij het goed, m. V., al het goede en het edele, al het weldadige, dat uit de natuurlijke liefde, waarmede bloedverwanten onderling verbonden zijn kan.voortvloeien, veronderstelt eene reine, onschuldige genegenheid. Waar die liefde ophoudt rein te zijn en schuldig en onzuiver wordt, daar vergaat aanstonds al het edele, al het goede, al het weldadige; daar brengt zij voort verderf en ongeluk naar ziel en lichaam bij hen, die haar misbruiken om tot de bevrediging van do lage driften des menscheu te komen.

Goblet, een Frausch rechtsgeleerde, zegt in zijn rapport, bij de wetgevende macht te Parijs ingediend, het volgende: „Het is in het belang der maatschappij, dat de vertrouwelijkheid in de familiën geene aanleidingen worde voor misdadige verleidingen, voor aanslagen en voor ijverzucht; maar dat integendeel de eerbaarheid in de familie als in haar eigenaardig toevluchtsoord rust vinde.quot;

Op gelijke wijze spreekt een ander Fransch geleerde, Montesquieu geheeten, zijn gevoelen over dit punt uit; „Willen de vaders en moeders, zegt hij. de zeden van hunne kinderen hehoedeu, hunne huisgezinnen rein van alle besmetting houden, welnu, dat zij dan aan hunne kinderen een afschrik inboezemen voor alles, wat zou kunnen leiden tot eeue vefeeniging der beide geslachten. Het verbod van te huwen met volle neven of volle nichten heeft denzelfden oorsprong Een onoverkomelijke hinderpaal moest opgericht worden, om elk soort van bederf te weren.quot;

Voegen wij hier nog bij, m. V., dat huwelijken, tusschen bloedverwanten gesloten, dikwijls ongelukkige huwelijken zijn, wijl zij niet met de noodzakelijke vrijheid van keus des persoons gesloten worden. De goede zeden eischen de onverbreekbaarheid en de onschendbaarheid van het huwelijk. Waren huwelijken tusschen bloedverwanten mogelijk en geoorloofd, dan zou de heiligheid en de eenheid des huwelijks maar al te dikwijls in gevaar komen.

Zien wij slechts onder welke omstandigheden zulke huwelijken dikwijls gesloten worden. Familiebelangen, tijdelijke aangelegenbeden, geldelijk voordeel, baatzucht of welke andere lagere beweegredenen ook, sporen dikwijls de wederzijdsche ouders aan, om hunne kinderen, nan elkander verwant, nog daarenboven aan elkander te verloven en uit te huwelijken. Zij verhinderen daardoor dikwijls, dat hunne kinderen eene vrije keus, een keus naar hun eigen hart doen; zij verbinden soms hen met elkander, die nimmer gelukkig zullen zijn, wijl de ware wederzijdsche liefde tusschen hen gemist wordt. Gedwongen huwelijken derhalve

ocr page 155

141

rampzalig voor hen, die aldus gehuwd zijn, wijl zij gebonden zijn aan elkander met kluisters, die slechts door den dood verbroken kunnen worden.

Ziedaar u dan, m. V., de drie redenen ontvouwd, waarom de H. Kerk de huwelijken tussehen bloedverwanten verbiedt en veroordeelt. Vatten wij nog eens in het kort deze drie redenen te zamen;

1. Do natuur zelve geeft dit huwelijksbeletsel aan. Eene treurige ondervinding leert de waarheid van het oude spreekwoord: huwelijken niet bloedverwanten gesloten, brengen dikirijIs of wel geene kinderen voort, of wel kinderen, die zwak, mismaakt, op eenige wijze misvormd zijn, of wel kinderen, die vroegtijdig sterven.

'2. Huwelijken tussehen bloedverwanten aangegaan, zijn een beletsel voor de uitbreiding der liefde, waarmede God wil dat de menschen onderling zullen verbonden zijn.

o. Dit huwelijksbeletsel bpschermt en handhaaft de goede zoden. Door dit huwelijksbeletsel toch vindt de gemeenzame vertrouwelijke omgang, die van zelf uit de bloedverwantschap voortspruit, eene heilige beschutting, opdat de liefde tussehen bloedverwanten immer rein blijve en niet ontaarde in een zinnelijke en zondige genegenheid. Tevens bevordert dit huwelijksbeletsel de noodzakelijke vrijheid dor kinderen bij do keus van don persoon, met wion zij een huwelijk willen aangaan.

Bosluiten wij deze onderrichtingen met dit woord van Pastoor Ruscheblatt; „IJdel en nietswaardig is do opwerping, die wel eens door onze tegenstanders gemaakt is, dat namelijk de gronden, boven door ons ontwikkeld, niet bij alle familiën gevonden worden. Wij geven hot feit volgaarne toe; maar wordt daardoor het doelmatige der kerkelijke voorschriften weggecijferd? De Kerk beoogt in al hare wetten niet het welzijn van den een of ander, maar hot belang van de geheele maatschappij. Al vindt dan ook de -o of gene verordening niet bij elk individu in haar geheel met al hare beweegredenen toepassing, zij is daarom niet minder doeltreffend voor het waarachtig heil der volkeren en voor de zedelijkheid dor maatschappij in het algemeen. Al zullen soms in een bijzonder geval de gevaren, welke de Kerk wil vermijden of voorkomen, niet in werkelijkheid bestaan, zeker zullen zij in de meeste omstandigheden zich dreigend voordoen en de wetten dor Kerk dringend oischon.quot;

ocr page 156

142

ZEVENTIENDE ONDERRICHTING.

Het gemengd huwelijk.

Toen wij u, m. V., in een onzer vorige onderrichtingen spraken over de huwelijksbeletselen en u het groote verschil aangaven, dat er bestaat tusschen een huwelijksbeletsel en een huwelijksverbod, zeiden wij u, dat een huwelijksbeletsel, zoolang het niet door kerkelijke dipensatie is weggenomen, een huwelijk onmogelijk, dat is, onbestaanbaar maakt voor hen, tusschen wie zulk een huwelijksbeletsel bestaat. Een huwelijksverbod daarentegen verbiedt een huwelijk tusschen sommige personen, maakt hot huwelijk tusschen sommige personen ongeoorloofd, en zij, die, niettegenstaande zulk een huwelijksverbod, toch met elkander huwen, ontvangen wel werkelijk het Sacrament des huwelijks, maar maken zich schuldig aan doodzonde, tenzij do H. Kerk door hare dispensatie het huwelijk voor hen zou geoorloofd gemaakt hebben. Eene daad toch, die in zich ongeoorloofd is, kan niettemin een geldige daad zijn; zoo kunnen wij als voorbeeld stollen, dat een priester, zonder gekleed te zijn mot de voorschreven misgewaden, de 11. Mis zou opdragen. Zulk eon priester zou zeker eene ongeoorloofde, dat is, eene zondige daad doen, maar toch zou hij wel werkelijk, wanneer door hem in de II. Mis de verhevene woorden dor Consecratie werden uitgesproken, hot brood en den wijn veranderen in het H. Lichaam en Bloed van onzen Heer Jesus Christus. Hij zou eene ongeoorloofde daad verrichten met aldus de H. Mis te lezen, maar niettemin zou Christus op het woord van den priester nederdalen van don Hemel, om onder de gedaanten van brood en wijn Zich zeiven voor ons op te dragen aan Zijnen Hemelschen Vader. Xog eens, die priester zou zondigen met aldus de H. Mis op te dragen. Waarom? Wijl de H. Kerk ten strengste verbiedt de H. Mis zonder do voorgeschreven misgewaden op te dragen. Maar die [triester zou toch eene geldige daad stellen, en met hetzelfde geloof en met denzelfden eerbied zouden de geloovigen, die bij de H. Mis, aldus opgedragen, tegenwoordig waren, Jesus Christus, op hot altaar nedergedaald, moeten aanbidden, gelijk zij dit doen moeten, wanneer op de voorgeschreven wijze de H. Mis wordt opgedragen.

Eene ongeoorloofde daad dus kan eene geldige daad zijn; zoo nu is het met een huwelijk, gesloten tusschen hen, die met elkander een huwelijksverbod hebben, hetwelk door middel der kerkelijke dispensatie voor hen niet is opgeheven geworden.

Zulk een huwelijksverbod is, gelijk wij reeds vroeger verklaard hebben, het gemengd huwelijk, dat is een huwelijk, aangegaan tusschen twee gedoopten, van welke de een Katholiek is, de

ocr page 157

143

andere Protestant of Calvinist of Lutheraan, of van welke andore kettersche sectc ook, mits deze andere een gedoopte zij. De H. Kerk verbiedt ten strengste zulke gemengde huwelijken, en derhalve is de Katholiek, die dit streng verbod der li. Kerk noodzakelijk weten moet, schuldig voor God, wanneer hij zulk een gemengd huwelijk sluit zonder de kerkelijke dispensatie ontvangen te hebben. ^laar wijl voor ons vaderland, volgens de vroeger door ons aangehaalde verklaring van Paus Benedictus XIV, ook de gemengde huwelijken, alleen gesloten voor den ambtenaar van den Burgerlijken Stand, geldige huwelijken zijn, daarom zondigt de Katholiek wel op eene groote wijze, wanneer hij, tegen het streng verbod der H. Kerk in, aldus een gemengd huwelijk sluit, maar zijn huwelijk is toch een wettig, een fieldig huwelijk, dat hij nimmer kna verbreken en alleen door den dood van één van beiden ontbonden wordt. Dit altijd in de veronderstelling, dat er tusschen hen geen huwelijksbeletsel bestaat. Want ook voor de huwelijken, die alleen vóór den ambtenaar van den Burgerlijken Stand worden gesloten, blijft de H. Kerk hare huwelijksbeletselen ten volle handhaven; zoodat, bijvoorbeeld, een katholiek man nimmer eeu geldig huwelijk sluiten kan met eene protestantsche vrouw, wier man, uit een vorig huwelijk nog in leven is, ook al zou voor de burgerlijke wet haar huwelijk voor altijd ontbonden zijn.

Evenmin kan een Katholiek voor den ambtenaar van den Burgerlijken Stand een geldig huwelijk sluiten met zijne protestantsche nicht, die hem in bloedverwantschap of in aanverwantschap bestaat in tweeden, of derden, of vierden graad en zoo met alle verdere huwelijksbeletselen. Om derhalve een juist oordeel te hebben over de geldigheid van een gemengd huwelijk, dat alleen voor de burgerlijke wet is gesloten, zal dus wel ernstig onderzocht moeten worden, of er misschien geen huwelijksbeletselen aanwezig waren, die dit huwelijk toch onmogelijk maakten.

Nadat wij u dat alles nog eens in herinnering hebben gebracht, gaan wij u nu do beweegredenen aangeven, waarom de H. Kerk met zulk eene gestrengheid de gemengde huwelijken verbiedt en slechts om gewichtige redenen somwijlen zulke huwelijken door hare dispensatie geoorloofd maakt.

Waarom heeft de H. Kerk dit huwelijksbeletsel vastgesteld?

De provinciale Synode van Utrecht, in het jaar 1865, door do gezamenlijke Bisschoppen van Nederland, te 's Hertogenbosch gehouden, geeft de volgende redenen aan, die wij achtereenvolgens ieder afzonderlijk , nader willen uiteenzetten. Nadat de Bisschoppen vooraf er op gewezen hebben, dat de H. Kerk immer de gemengde huwelijken verfoeid heeft, gelijk blijkt uit de oudste canons der Kerkvergaderingen en uit de telkens herhaalde uitspraken der Pausen, en derhalve nimmer heeft opgehouden, om

ocr page 158

144

hare kinderen af te schrikken, zulke gemengde huwelijken te sluiten, zeggen zij, dat deze heilige gestrengheid der Kerk steunt op de gewichtigste gronden. En onder deze gewichtige gronden noemt de Synode vooral de volgenden;

1. Gemengde huwelijken noemt zij; een heilloozen omgang in het godsdienstige met dwalenden.

2. Zij leveren een groot gevaar op vi^pr het zielenheil der katholieke partij.

3. Kinderen, die uit gemengde huwelijken geboren worden, loopen groot gevaar van in de dwaling te worden opgevoed, of althans ten opzichte van het geloof in eene noodlottige onverschilligheid te geraken.

4. De vierde reden kunnen wij aldus omschrijven: Wijl het verschil des geloofs een hinderpaal wordt voor den voortduur der wederkeerige liefde, daarom strijdt niets meer tegen den aard van den huwelijksband, dan dat geloovigen eene echtverbintenis sluiten met hen, die niet van hetzelfde geloof zijn.

Wij zullen, om het gewicht der zaak, die het hier geldt, ieder dezer vier gronden uitvoerig met u bespreken.

Vooreerst dan: een gemengd huwelijk is een heillooze omgang in het godsdienstige met een, die in dwaling is.

Het huwelijk is eene heilige zaak, het is één der zeven heilige Sacramenten, door Christus aan Zijne 11. Kerk gegeven. Ook zij, die een gemengd huwelijk met elkander aangaan, ontvangen een Sacrament en wel een Sacrament, waarvan zij zelf de 1 )edienareu zijn, dat zij derhalve elkander toedienen, lloe zou de H. Kerk onverschillig kunnen zijn omtrent zulke huwelijken, zij, die om wijze redenen haren kinderen iederen omgang niet dwalenden in godsdienstige zaken ten strengste verbiedt? Een Katholiek, die de godsdienstoefeningen in eene protestantsche kerk op zulk eene wijze zou bijwonen, dat hij werkelijk gezegd kon worden mede te doen met haar, zou zondigen. Hoeveel zwaarder zal de zonde zijn van iemand, die het Sacrament des huwelijks toedient aan en ontvangt van iemand niet wien de H. Kerk niet wil, dat wij in godsdienstige zaken eenigen omgang zullen houden?

Gij weet, in. V., dat zij, die een Sacrament op onwaardige wijze ontvangen, eene groote zonde van heiligschennis plegen; derhalve kunt gij hieruit gemakkelijk afleiden, hoezeer zij zich aan het eerste gebod vergrijpen, die op heiligschennende wijze het Sacrament des huwelijks ontvangen; heiligschendi;/ namelijk:

1. Omdat zij dit Sacrament tegen den wil der H. Kerk toedienen ,

2. wijl zij in staat van doodzonde het huwelijk, dat oen Sacrament der levenden is, wagen te ontvangen.

Hoevele zonden van heiligschennis dus komen uit die eene daad van trouwen voort; hoe zal zulk een huwelijk, onder zoovele groote zonden gesloten en tot stand gekomen, kunnen gezegend

ocr page 159

145

worden doov God, van Wicn toch alleen ieder levensgeluk komen moet.

Dat het verbod, om godsdienstige gemeenschap met dwalenden te houden, van de zijde der H. Kerk geen bewijs van „onverdraagzaamheidquot; is, behoeven wij voor u, m. V., niet aan te toonen. Doen zij, die de H. Kerk van onverdraagzaamheid beschuldigen, niet even zoo? Wanneer, bijvoorbeeld, onze kerken bij plechtige processiën met het allerheiligste Sacrament gevuld •zijn met eene groote menigte van geloov^gen, kunt gij dan niet gemakkelijk die enkele „ andensdenkèndenquot; onderscheiden, die uit nieuwsgierigheid, of om welke andere redenen dan ook, getuigen van die heerlijke plechtigheden willen zijn? Zij staan daar te midden van die godvruchtig biddende menigte, in den letterlijken zin van het woord te hij ken, en zullen zich wel wachten — ik zeg niet van neder te knielen — maar ook zelfs van door een enkel gebed zich aan te sluiten bij het eenparig gebed der ge-loovigen. En de H. Kerk, met hare onwankelbare waarheid van cm alleen zalniimjcend geloof, zou onverdraagzaam zijn, wanneer zij ons verbiedt in godsdienstige zaken omgang met dwalenden te houden!

,, De Kerk, zegt Ltps , 1) veroordeelt de dwaling, maar niet den (hralende, dat is, zij is onverdraagzaam opzichtens iedere dwaal-leering, maar verdraagzaam en vol liefde voor hem, die in dwaling verkeert.

„Verdraagzaam in leering noemen zich allen, die den godsdienst plooien naar hunne denkbeelden en met iedere godsdienstige meening vrede hebben onder de leus: Wij dienen toch allen éénen God.quot;

„Verdraagzaam in leering noemen ook zij zich, die de Goddelijke Openbaring nog niet geheel hebben verworpen en daarom allen , die min of meer van deze aannemen, zonder zelfs de Katholieken uit te sluiten, op den weg der zaligheid achten, onder de leus: „ Er bestaat tusschen ons slechts verschil van vorm.quot; Zulke verdraagzaamheid is beleedigend voor God; zij gaat er van uit, dat de God van Waarheid gelijktijdig behagen schept in waarheid en logen. Hoe! de Katholiek aanbidt Jesus, tegenwoordig onder de gedaantg van brood, de Protestant daarentegen ontkent die tegenwoordigheid en verfoeit die aanbidding als afgoderij. Is dit enkel verschil van vorm , en maken niet wij of zij zich aan schromelijke zonde plichtig: wij. aan afgoderij; of zij, aan ondankbare miskenning van de goddelijke liefde? Neen de verdraagzaamheid opzichtens • de dwaling, waardoor dwaling gelijkgesteld wordt met waarheid, zij verre van ons! Neen, geene gemeenschap tusschen Christus en Belial, tusschen waarheid en leugen, maar verdraagzaamheid , of beter, liefde voor onze dwalende broeders. zij mogen

') Kuteclietisch TEjindboek p. 49. lkvensst,

10

ocr page 160

14«

ongeloovigen, Joden of ketters zijn, zij onze lens____ Christus

toch heeft Zijn Bloed gestort voor hen, gelijk voor ons; zij kunnen uitmuntende hoedanigheden hebben, meer dan wij, en om vele redenen onzen eerbied overwaardig zijn.quot;

De provinciale Synode legt aan de pastoors de verplichting op, om zooveel het in hun vermogen is, de Katholieken van beider geslacht, van de gemengde huwelijken af te schrikken en naar best vermogen zich te beijveren, om het sluiten van zulke huwelijken te voorkomen. Zoowel in het openbaar als in het bijzonder moeten zij vermanen en tegen de gemengde huwelijken waarschuwen, opdat toch zulke huwelijken door de geloovigen nimmer zullen beschouwd worden, als niets afkeurenswaardigs in zich bezittend. „Deze vermaningen,quot; zegt de Synode,„zullen niet te vergeefs zijn, wanneer slechts diep in de harten der geloovigen deze waarheid geprent zij; Dat de ware dienst van God alleen in den Katholieken godsdienst wordt gevonden, en dat de weg des heils bestaat, in het geloof en de Katholieke eenheid ongeschonden te behouden en te bewaren.quot; „Het zij er verre van af,quot; zegt zij, „dat wij hen, die metons in het geloof verschillen, niet met oprechte liefde zouden beminnen; maar aan de geloovigen moet geleerd worden, dat deze liefde, die in zich algemeen is, hare grenzen heeft, door God vastgesteld; grenzen, die niet overschreden kunnen worden, zonder dat deze liefde zelve in ondeugd ontaarde.quot;

De grenzén dezer liefde worden overschreden, m. V., wanneer wij hen, die in dwaling des geloofs zijn, gaan beminnen met opoffering van onze eigene godsdienstige overtuiging; als wij in hen de dwaling zelve gaan vergoelijken, en langzamerhand in onze meening liet beginsel der dwaling opnemen, dat „Ieder geloof even goed is; mits de mensch maar braaf zij.quot; Wij weten beter, m. V.; er kan maar ééne waarheid zijn, want er is maar één God, die ons eenmaal oordeelen zal, volgens de waarheden die Hij ons geopenbaard heeft. Wij matigen ons geen oordeel aan over hen, die in dwaling zijn; wij hopen alles voor hun eeuwig heil van de barmhartigheid Gods, die ook de c/oeclc trouw, als middel ter zaligheid voor den misleiden mensch heeft willen aannemen. „Vader, vergeef het hun,quot; zoo bad Jesus aan Zijn kruis, waarop Hij voor allen stierf, „want zij weten niet wat zij doen.quot; Datzelfde bidt Hij ook nu nog, zonder ophouden aan de zijde Zijns Vaders, „Hij, die verhoord wordt om zijne eerbiedwaardigheid.quot; Maar, m. V., hoeden wij Katholieken ons immer, om in onze godsdienstige overtuiging eene meening op te nemen , die in strijd zou zijn met de openbaring door God ons gebracht. Eén geloof, ééne waarheid heeft Christus ons gepredikt, ééne Kerk slechts heeft Christus gesticht hier op aarde, waarin alleen allen zalig kunnen worden. Indien wij anders zouden gelooven, dan zouden wij dwalen, en onze dwaling zou onze verwerping in

ocr page 161

147

eeuwigheid na zich slepen; want wij zouden in kwade trouw, tegen beter weten in, dwalen; Jesus zou voor ons bij Zijnen Vader niet kunnen bidden: „Vader vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.quot; Een Protestant moge ter goede trouw gelooven en belijden: „ieder geloof in Christus is voldoende om zalig te wordenquot;; deze overtuiging moge bij hem voortkomen uit het hoofdbeginsel zijner godsdienstige leer het vrije onderzoek; wij Katholieken, die geheel anders moeten belijden, wij die slechts ééne Kerk, ééne Waarheid, door Christus gebracht, mogen en kunnen aannemen, wij kunnen nimmer in goede trouw gelooven: „Dat iedere godsdienst, mits steunende op de openbaring van Christus, voldoende is tur zaligheid,quot; Vooral in onzen tijd is het goed deze waarheid van ons II. Geloof in al hare kracht staande te houden, opdat niet, ook te midden der Katholieken, de noodlottige onverschilligheid in godsdienstige zaken doordringe, die één der hoofdoorzaken is, waarom onder de Protestanten het volstrekte ongeloof, helaas! zulk een schromelijken voortgang maakt. De bewering: „Ieder geloof is even goed, mits de mensch maar braaf zij,quot; baart van zelf onverschilligheid voor eigene godsdienstige overtuiging; en dit gevaar zou voor ons Katholieken des te grooter zijn, wijl er in onzen godsdienst geene plaats voor godsdiensthaat is. Onverschilligheid nu voor eigene overtuiging voert geleidelijk tot ongeloof; innige overtuiging en onverschilligheid omtrent die overtuiging sluiten elkander uit. Een mensch han niet onverschillig zijn voor eene meening, waarvan hij levendig overtuigd is. Ziedaar dan ook, waarom het Protestantisme in het levendig houden van vooroordeelen de groote kracht van zijn voortbestaan zoekt, en de duizend malen wederlegde beschuldigingen tegen de Katholieke Kerk, immer opnieuw als onomstootbare waarheden aan zijne volgelingen voorstelt. Zoolang de haat tegen Rome maar blijft voortwoelen in hunne harten, zoolang ook zal door onverschilligheid in het godsdienstige het Protestantisme niet tot volkomen ondergang komen. Die godsdiensthaat, die strijd tegen de ééne ware Kerk van Christus, met de meest onedele wapenen gevoerd, is het noodzakelijk tegenwicht, dat de dwaling behoeft, om in eigen boezem het verval tegen te houden, dat vanzelf moet voortkomen uit het beginsel: ,, leder geloof in Christus is even goed, mits men maar braaf zij.quot;

Wij zien hieruit, m. V., om welke verheven redenen de H. Kerk onverdraagzaam blijft ten opzichte van iedere godsdienstige dwaling. Zij kan en mag zulk eene verdraagzaamheid niet oefenen, want, krachtens hare instelling door Jesus Christus, is zij alleen gesteld geworden, om de waarheid aan alle menschen te leeren. Die waarheid moot zij ongeschonden bewaren, door alle eeuwen heen, tot aan de wederkomst van haren Goddelijken Stichter, als Rechter over levenden en dooden. Indien in de H. Kerk eene vergoelijking der dwaling mogelijk ware, dan zou zij ophouden onvergankelijk

ocr page 162

148

te zijn, zij zou niet langer de onneembare vesting wezen, waartegen de machten der hel niets zullen vermogen. Maar dan ook, wanneer wij met ernst dit alles overwegen, wat wij u nu over de H. Kerk gezegd hebben, zal het u duidelijk zijn, waarom de H. Kerk de gemengde huwelijken immer verfoeid heeft. Zij kan onmogelijk goedkeuren, wat zoozeer strijdt tegen de taak, door Christus Haar opgelegd. Zij moet de Waarheid, den schat des Geloofs verdedigen tegen iedere dwaling. Zij moet van hare kinderen alles afweren, wat hen in het gevaar zou brengen, om het Geloof te verliezen. Daarom verzet zij zich tegen iedere gemeenschap met de dwaling in het godsdienstige, daarom verzet zij zich tegen ieder gemengd huwelijk, dat gesloten wordt, en slechts noode gaat zij er toe over, om in bijzondere, gewichtige omstandigheden, somwijlen zulke gemengde huwelijken door hare dispensatie geoorloofd te maken.

Als tweeden grond, waarom de H. Kerk de gemengde huwelijken verfoeit, geeft de provinciale Synode deze aan; „ Gemengde huwelijken leveren ecu groot gevaar op voor het zielenheil der katholieke partij.quot;

Wij behoeven slechts met enkele woorden op dit gevaar te wijzen. Immers bij eenig nadenken zal het u aanstonds duidelijk worden, dat de Katholiek in een gemengd huwelijk vooral een tweevoudig gevaar loopt, eu wel: of om het geloof geheel en al te verliezen, of om in het geloof onverschillig en ongodsdienstig te worden.

Vooreerst om hot geloof geheel en al te verliezen. In het huwelijk moeten man en vrouw één zijn van geest, één zijn van hart; dat wil zeggen: zij moeten er naar streven, om in alle zaken hetzelfde te denken en hetzelfde te willen. Gehuwden, die in hun huwelijksleven gelukkig willen zijn, zoeken dan ook op alle wijzen die eenheid van geest en hart met elkander te bereiken. Die eenheid zoeken zij op de eerste plaats in hunne godsdienstige overtuiging. Wanneer nu de godsdienstzin bij een man en eene vrouw, die in een gemengd huwelijk te zamen moeten leven, slechts flauw is — wat maar al te dikwijls, helaas! reeds blijkt te zijn uit hun trouwen zelf, — dan zoeken zij die eenheid van geest en hart in eene noodlottige onverschilligheid, waarover wij aanstonds zullen spreken. Is daarentegen die godsdienstzin bij beiden of althans bij één van beiden levendig, kan het dan wel uitblijven, dat die eenheid van geest eu hart gezocht wordt in de pogingen, die aangewend worden, om de godsdienstige overtuiging bij den andere ingang te doen vinden? Stellen wij als voorbeeld een man, die volgens zijne heilige overtuiging Protestant is. Ingoede trouw leeft hij in de dwaling. Hij is zijn huwelijk ingegaan met eene Katholieke vrouw, terwijl hij door zijne opvoeding vervuld is met alle vooroordeelen en valschc begrippen, die Protestanten tegen de Katholieke Kerk en hare leer koesteren. Het allerhei-

ocr page 163

149

ligste Sacrament is, volgens zijne opvatting, eene schandelijke-afgoderij. De biecht is hem een gruwel. De vereering der heiligen, in het bijzonder de devotie tot de allerheiligste Maagd en Moeder Gods Maria, is naar zijne meening, slechts beeldendienst. Hij begrijpt niet, waarom de Katholieken zulk eene vergaande bezorgdheid aan den dag leggen, waar het geldt de toediening van het H. Doopsel aan kinderen, ook reeds in hun vroegsten levenstijd. Het Sacrament van het H. Oliesel heeft voor hem niets geene waarde, en vervult hem van de dwaze vrees, dat de zieke, op het gevaarlijkste oogenblik zijner ziekte, noode-loos verontrust en daarom geschaad zal worden. Een zieke, die bewustloos is, „te bedienen,quot; vindt hij een geheel vruchte-looze daad. In de Katholieke kerkhoven ziet hij een bewijs van do onverdraagzaamheid der Katholieken. De leer van het vagevuur en het gebed voor afgestorvenen is volgens hem een uitvindsel der ] mesters, waarmede zij hunne inkomsten vestigen. Wij zouden aan geen einde komen, m. V.. wanneer wij alle vooroor-deelen en wanbegripiKn wilden opsommen, waarmede Protestanten tegenover de li. Kérk, tegenover hare leer en hare middelen ter zaligmaking der zielen vervuld zijn. Zulk een Protestant nu, met zulk eene meening, met dergelijke gevoelens bezield, ziet aan zijne zijde eene vrouw, die dit alles, wat hij minacht, wat hij misleiding en bedrog gelooft, in de hoogste eer houdt. Met geheel zijn hart bemint hij die vrouw; voor haar werkt en zwoegt hij iéderen dag opnieuw met lust en met den grootsten ijver. Alles wat hij denkt, dat haar gelukkig kan maken, zoekt hij te doen; in alles, wat niet strijdt, tegen zijne godsdienstige overtuiging, wil hij haar ter wille zijn; haar geluk is het doel zijns levens. Zal het ons nog verwonderen, m. V., wanneer zulk een man, die in goede trouw aldus denkt over de Katholieke Kerk, al spoedig spijt gaat gevoelen, dat zijne vrouw tot zulk eene Kerk behoort? Zal uit die spijt niet van zelf bij hem het verlangen voortkomen, dat zijne vrouw toch nog eenmaal „tot beter inzichtquot; komen moge? Zal bij hem dat verlangen allengs niet werkdadig worden en zich langzamerhand gaari uiten in pogingen , die hij geleidelijk zal aanwenden, om zijne vrouw tot zijne godsdienstige overtuiging over te halen? Wie zal er nog aan twijfelen, dat die vrouw weldra in het naaste gevaar zal komen van haar Katholiek geloof te verliezen en over te gaan tot de dwaling, waarin de man, die zij wederkeerig het meest bemint hier op aarde, zoo godsdienstig en niet zulk eene heilige overtuiging leeft?

Misschien zult gij vragen, zijn dan alle Protestanten met zulke vooroordeelen tegen de Katholieke Kerk bezield, dat zij op die wijze over haar denken en gevoelen?

En wij willen antwoorden, dat het hier de vraag niet is, of allen het zijn in die mate, als wij in het voorbeeld hebben aangewezen , maar of zij, wier godsdienstig gevoel hen langzamerhand

ocr page 164

l.-,0

medesleept, om den Katholieken man of de Katliolieke vrouw van „ de Roomsche Kerkaf te trekken, niet gemakkelijk tot die vooroordeelen komen kunnen, al hebben zij dezen nog niet in die mate in hun hart?

Immers, wanneer zij in hunne Protestantsche leerboeken en tijdschriften naar bewijsgronden tegen de Katholieke Kerk gaan zoeken, of persoonlijk raad en onderrichting gaan vragen bij voorgangers en dwepende „huis-bezoekers,quot; bij diakens of Evangelisten en hoe zij verder heeten mogen, zullen dan die vooroordeelen niet als met geweld opgewekt en de „Roomsche Kerkquot; in hun oog niet immer hatelijker worden gemaakt?

In uw verder leven zult gij het ondervinden, hoe geleidelijk een Protestant een dweper en een felle hater der Katholieke Kerk worden kan, dan vooral, wanneer hij zijn godsdienst daadwerkelijk gaat voorstaan tegenover de Roomsche Kerk.

Gij zult de opmerking maken, dat een Katholiek, die godsdienstig is en zijn Katholiek geloof op hoogen prijs stelt, evenzoo op de godsdienstige overtuiging van de Protestantsche partij kan inwerken en derhalve even goed haar tot de Katholieke waarheid kan brengen, als de Protestantsche partij de Katholieke tot de dwaling kan overhalen.

Beginnen wij aanstonds met toe te geven, dat dit mogelijk is. In gemengde huwelijken komen inderdaad bekeeringen voor; maar m. V., wilt, wat deze bekeeringen betreft, het volgende goed in het oog houden. Vooreerst stellen wij voorop, dat wij hier niet spreken van bekeeringen, die slechts in schijn bestaan. Schijnbare bekeeringen noemen wij zulke bekeeringen, die met de innige overtuiging van den bekeerden niets gemeens hebben; menscben, die enkel Roomsch worden, om wille van de Katholieke partij, met wie zij gehuwd zijn. Zulke bekeeringen houden in verloop van tijd geen stand. m. V.! Het geloof is geen kleed, dat men naar willekeur aflegt of aantrekt. Zulke bekeerlingen worden, ofwel enkel Katholieken in naam, die zich spoedig onttrekken aan de beoefening van den Katholieken godedienst en dan weldra geheel en al ongodsdienstig worden; ofwel Katholieken, die, na korteren of lageren tijd, tot hunne eerste dwaling terugkeeren, en dan dikwijls op 't hevigst verbitterd worden tegen de Katholieke Kerk, die zij lafhartig bedrogen hebben.

Wij spreken bier van oprechte bekeeringen, van zulke bekeeringen namelijk, die niet door menschelijke invloeden, maar door Gods genade worden uitgewerkt, en waarbij bij, die in dwaling is, verlicht wordt door het licht van den II. Geest, om de waarheid te kennen en door de kracht Gods versterkt wordt, om de waarheid aan te nemen en oprecht te belijden. Zulke bekeeringen komen werkelijk voor ook in de gemengde huwelijken. Maar wat ik u bidden mag, wilt toch, m. V., het getal van zulke oprechte bekeeringen niet overschatten. Er zijn Katholieken, die roekeloos

ocr page 165

lól

een gemengd huwelijk aangaan, en l)ij al de opwerpiugen en bezwaïen, die tegen hun huwelijk worden aangevoerd, hun verwijtend geweten tevreden stellen met dit antwoord: „O, ik zal spoedig mijn man, ik zal spoedig mijne vrouw wel katholiek maken, dan zijn alle moeielijkheden in mijn huwelijk van zelf uit den weg geruimd.quot;

Een waagstuk derhalve, m. V., maar een waagstuk, waarvan ik u vrijmoedig mijne berekening openbaren wil. De kans is veel grooter, m. V., dat de Protestant de katholieke partij tot zijne dwaling zal overhalen, dan dat de Katholiek de protestant-sche partij tot de waarheid zal zien komen. Waarop steunt deze berekening? Het kan niet liggen aan de Katholieke waarheid. Immers de katholieke Kerk is de stad, die op den berg gebouwd is; aan de kenteekenen, die Christus haar gegeven heeft, is Zij voor allen te herkennen, als de Kerk door Christus hierop aarde gesticht. Die kenteekenen vallen zoozeer onder het begrip van alle mensehen, dat een Katholiek van de meest gewone verstandsontwikkeling, die slechts het eenvoudig onderricht in de godsdienstleer heeft genoten, ze gemakkelijk, niet alleen zien kan, maar ze ook zonder moeite aan een ieder kan aanwijzen en uitéénzetten. De beweegredenen, waarom wij gelooven, dat de katholieke Kerk de waarheid, door Christus geopenbaard, ongeschonden bewaard en tot ons overgebracht heeft. kunnen zonder moeite door iederen Katholiek in het Katechismusboekje, dat voor kinderen bestemd is, aangewezen en geleerd worden, pok aan hen, wier verstand slechts vatbaar is voor de meest eenvoudige redeneering. De verdediging van ons katholiek geloof kan met een gerust hart ondernomen worden ook door den knaap, die nog pas de banken van den katechismus heeft verlaten. Nog eens derhalve, aan de katholieke waarheid kan het niet liggen, dat het gevaar voor den Katholiek, om van zijn geloof af te vallen, in een gemengd huwelijk grooter is dan de kans, om den Protestant tot het katholiek geloof over te halen. Waaraan dan is dit toe te schrijven? O, m. V., het geloof is eene gave, eene genade, die wij nooit, ook niet onder de meest dringende redeneering uit eigen kracht kunnen meester worden. Door valsche redeneei-ingen, door een handig gebruik maken van de moeielijkbeid, die de beoefening van den katholieken godsdienst met zich brengt, door den Katholiek ongemerkt af te trekken van het gebed, kan een Protestant somwijlen een Katholiek in zijn geloof aan het wankelen brengen, ja hem afvallig maken; maar een Katholiek kan nimmer door redeneeriny en bewijsvoerin;/ 'illeen een Protestant tot de katholieke Kerk brengen. Met het hart moet men gelooven; om te gelooven, moet men willen gelooven; maar dien wil kan een ménscli niet instorten , God alleen kan dien wil instorten in het hart des mensehen. Door eigen schuld kan een Katholiek de gave des geloofs verliezen, maar God alleen kan de gave des

ocr page 166

102

gelóofs geven aan den mensch, die deze kostbare gave niet bezit. De genade om tot het ware Geloof te komen of het ware Geloof te behouden, weigert God aan niemand. Maar God ook wil, dat de mensch niet Zijne genade zal medewerken, om het Gelqof aan te nemen, indien hij het nog niet bezit; of te behouden, wanneer hij zoo gelukkig is , die kostbare gave reeds te bezitten. Wat dan moet de Katholiek doen', die in een gemengd huwelijk leeft met een Protestant?

Vooreerst zal zulk een Katholiek, meer nog dan anders, zich moeten beijveren om zijne kennis der waarheden van het katholiek geloof levendig in zich te houden en naar best vermogen immer voor zich degelijker te maken. Zijn omgang met Protestanten, noodzakelijk voortkomend uit zijn gemengd huwelijk, brengt hem van zelf in de gelegenheid, om dikwijls opwerpingen tegen de katholieke Kerk te hooren; hij moet deze met vaardigheid kunnen beantwoorden, niet zoozeer om den opwerper te overreden, maar veeleer om het katholiek Geloof tegen den laster en de logen te verdedigen. In een gemengd huwelijk komt de Katholiek meer dan anders in gevaar om zijn geloof te verliezen; hij moet zich tegen dit gevaar zooveel mogelijk wapeuen, door eene grondige kennis der katholieke Geloofsleer. Onwetendheid baart afval; hoe zal men beminnen, wat men niet, dan gebrekkig, soms slechts uiterst oppervlakkig kent? De kennis nu der katholieke waarheden zal do Katholiek in zich moeten levendig houden en volmaken door een getrouw en ijverig vervullen van zijne godsdienstige verplichtingen. Het hooren der H. Mis, het tegenwoordig zijn bij de onderrichtingen en .predikatiën, een dikwijls godvruchtig ontvangen der II. Sacramenten, zijn de middelen voor den Katholiek, om zijne kennis van de waarheden des geloofs levendig te houden in zijnen geest én immer beter en nog grondiger te maken. Hij, wiens hart niet leeft in het geloof, dat hij belijdt; wiens beoefening des geloofs slechts flauw is, verliest ongemerkt dat katlioUeh gevoel, zoo noodig, om de groote geheimen van ons geloof met eene kinderlijke onderwerping des geestes te belijden.

Hieruit kunt gij afleiden, m. V., van welk een hoog belang het is voor een Katholiek, die in een gemengd huwelijk leeft, dat hij een ijverig, een vurig beoefenaar van zijn geloof zij. Maar dan ook kunt gij zelf gemakkelijk het antwoord geven, wanneer wij vragen, wat wij vreezen moeten van zulke Katholieken, die in een gemengd huwelijk levend, de plichten ver-waar loozen , door de H. Kerk opgelegd? En'toch, m. V., wat leert de ondervinding? Zeker er zijn vele voorbeelden van gemengde huwelijken, waarin de Katholiek een ijverig beoefenaar van den godsdienst is; maar hun aantal wordt jammerlijk in de schaduw gesteld door het veel grooter aantal gemengde huwelijken, waarin de Katholiek nalatig is in het vervullen zijner godsdien-

ocr page 167

153

stige verplichtingen. Kan het ons verwonderen, m. V.? Waaier bij de protestantsche partij bijna geen ééne werkelijke ver-plichting bestaat voor de uiterlijke beoefening van den godsdienst, komt daar ook voor de katholieke partij niet een groot gevaar om ongemerkt te' gaan verflauwen in de beoefening van den godsdienst? Voor den Protestant is alles een reden om des Zondags niet naar de kerk te gaan ; hoevelen gaan er bijna nimmer meer heen! Hoe- gemakkelijk kan een Katholiek in zulk een gemengd huwelijk er toe komen, om evenals de protestantsche partij, in alles een reden te gaan zien, om op de verplichte Zondagen en feestdagen het hooren van de II. Mis te verzuimen? Ik heb er gekend, m. V., die langzamerhand zoozeer den aard dier verplichting uit het oog hadden verloren, dat zij zich voorstelden even goed aan hunne verplichtingen van den Zondag te voldoen, met in plaats van naar de II. .Mis. zoo nu en dan eens des middags naar de Vespers, des avonds naar een Lof te gaan: „Ik houd toch Zondags mijne kerk, mijnheer; het komt mij 's morgens nog al ongelegen, mijn man is Protestant, weet. u!quot;

Gij begrijpt, m. V., wat er komen zal van de bekeering, waar de Katholiek op zulke wijze over zijne zware verplichtingen denken gaat. Door een nauwgezet, godsdienstig leven van de katholieke partij kan bij de protestantsche partij eerbied opgewekt worden voor hare godsdienstige overtuiging. Het goed voorbeeld, dat de Katholiek geeft, kan voor de genade Gods den weg bereiden, om aan de protestantsche partij de aanneming des geloofs gemakkelijk te maken; het godsdienstig leven der katholieke partij, hare levendige belangstelling, die zij toont te bezitten voor den godsdienst, kan het hart van den protestantschen man, van de protestantsche vrouw ontvankelijk inaken voor de genade des geloofs; en andaar dat de katholieke partij van een gemengd huwelijk nog .1 uirom in het bijzonder de zware verplichting heeft, om toch een voorbeeldig, godsdienstig leven te leiden. Met redetwisten wordt do protestantsche partij in een gemengd huwelijk nimmer Katholiek, m. V.. maar door het goed voorbeeld, door de beoefening der deugden, door een heilig leven in het huisgezin, kan de katholieke man. kan de katholieke vrouw krachtig medewerken met de genade Gods aan de bekeering van den man, van de vrouw, die in dwaling is. Maar daarom juist zeiden wij, dat de kans, om de protestantsche partij in een gemengd huwelijk te bekeeren, zoo weinig vertrouwbaar is; want in een gemengd huwelijk, een meer dan gewoon godsdienstig leven leiden en bijzondere deugden beoefenen, is mogelijk en komt gelukkig meerdere malen voor, maar blijft met dit al zeer moeielijk; waarom? Omdat juist het gevaar van ongodsdienstig te worden voor de katholieke partij in een gemengd huwelijk maar al te veel dreigend is. En toch, m. V., na de genade Gods zijn het gebed, een godsdienstig, een deugdzaam,

ocr page 168

154

een heilig leven de groote middelen, 0111 de bekeering in een gemengd huwelijk te bereiken.

Het gebed, m. V. Hier vooral is het waar: „Vraagt en gij zult verkrijgen, zoekt en gij zult vinden, klopt en u zal worden opengedaan.quot; Het geloof is eene gave, die wij door gebed voor ons zeiven moeten bewaren, die wij door gebed voor anderen moeten pogen te verwerven. Hoe noodzakelijk dan is voor de katholieke partij van een gemengd huwelijk het dringend, het volhardend gebed! Zulk een gebed kan slechts voortkomen uit een hart, dat de noodzakelijkheid van het geloof ter zaligheid, levendig in zich gevoelt. Zulk een gebed is het hulpgeschrei der ziel tot God, opdat toch niet, wat vereenigd is op aarde, zal gescheiden zijn in eeuwigheid; het is het klagen der ziel zonder ophouden tot God, waarom Hij niet komt met Zijne genade? het is het angstgekrijt der ziel, die siddert bij de gedachte niet genoeg te doen om de bekeering van den dwalenden man, van de dwalende vrouw te bewerken. Zijn er, m. V., velen in de gemengde huwelijken, die aldus bidden en roepen tot God? Wie zal die vraag kunnen beantwoorden, wijl God alleen in staat is de ziel des menschen te doorschouwen? Toch moeten wij vreezen, dat er velen in gemengde huwelijken leveii, die niet zoo bidden tot God. Letten wij slechts op de onverschilligheid, waarin zoovelen, die in een gemengd huwelijk leven, verkeeren omtrent de noodzakelijkheid van het alleenzaligmakend geloof. Herinnert u , m. V., wat wij u bij het begin dezer onderrichting gezegd hebben , over de verdraagzaamheid in de zaken des geloofs. Welnu, in een gemengd huwelijk vooral bestaat er groot gevaar, om verdraagzaam met de dwaling te worden. Een Katholiek, die meteen Protestant gehuwd is, komt er zoo geleidelijk toe, om te gaan meenen, dat ieder geloof toch eigenlijk even goed is, als men maar braaf leeft. Die goede trouw, waarin de dwalende verkeert en die alleen hoop geeft, dat hij in zijne dwaling kan zalig worden, moet zoo omzichtig behandeld worden; zij mag door niets geschokt worden, opdat niet zonder gegronde hoop van een goed gevolg, bij den dwalende liet bewustzijn van in dwaling te zijn ontwake en hij dus schuldig worde door zijn hardnekkig blijven in haar. Welk eene wijze voorzichtigheid is er noodig, om een geheel leven lang zóó te spreken over het geloof, dat de Protestant niet in zijn goede trouw aan het wankelen gebracht worde en toch de waarheid van èène ware Kerk slechts niet aangetast worde. Er hlijft gewoonlijk maar één raad over, dien de Katholiek opvolgen moet: „maar zoo weinig mogelijk spreken over het geloof in het huisgezin en vooral het antwoord ontwijken, dat de katholieke Kerk de eenige ware Kerk van Christus is.quot; Is het te verwonderen, m. V., dat er in gemengde huwelijken groot gevaar is, om onverschillig te worden in de zaken des geloofs? Man en vrouw moeten elkander helpen naar ziel en lichaam in het huwelijk;

ocr page 169

155

miiar de ziel moet boven liet lichaam gaan; en toch, de ziel van den dwalenden man, van de dwalende vrouw kan in de meeste gevallen slechts geholpen en gered worden in eeuwigheid, wanneer de hoofdzaak, het geloof, maar buiten spraak blijve; zoolang de dwalende zelf geen twijfel omtrent zijn geloof openbaart, moet de dwaling maar dwaling blijven! Hoe gemakkelijk wordt deze gevorderde voorzichtigheid, bij duur van tijd, onverschilligheid, waarbij het dienen van den ééuen God op twee verschillende wijzen, ook voor de katholieke partij een beginsel worden gaat.

Ik bezocht eens een oud vrouwtje, die reeds in het veertigste jaar was van haar huwelijk'met een protestantschen man. Hare kinderen waren lang reeds volwassen en in den protestantschen godsdienst opgevoed; „haar man,quot; zeide het oudje, „had er op gestaan, dat de kinderen in zijne religie bleven. Nu leven wij zoo maar tevreden voort met ons beidjes,quot; sprak zij; „duur liggen zijne boekeu en hier liggen de mijnen; bij bidt uit zijn bijbel en ik bid uit mijn boek, totdat het God behagen zal ons op te roepen, en dan.... dan zal de Heere ons beiden wel barmhartig zijn, gelijk er in den bijbel staat,quot; en zij zeide dit met zulk eeue overtuiging, dat ik dacht: Ik hoop, dat haar man zóó overtuigd is als zij, dat een ieder in zijn geloof kan zalig worden, dan is deze ten minste zeker in goede trouw. Hat ik het al te gemoedelijk geworden oudje eens duchtig de les gelezen heb, behoef ik u idet te herinneren.

Nog eens, m. V., in een gemengd huwelijk is het gevaar grooter, dat de Katholiek, zoo niet zijn geloof verliest, dan toch onverschillig wordt in de beoefening van zijnen godsdienst , dan dat de Protestant tot de erkenning en belijdenis der katholieke waarheid zal komen. Alleen dan, wanneer de katholieke partij door een heilig voorbeeld haren godsdienst eerbiedwaardig en beminnelijk maakt, kan er hoop zijn, dat door haren invloed de dwaling overwonnen worde. Ziet, dan vooral gaat de Katholiek bidden tot God met dat zielsgebed, dat opstijgt voor den troon van God en daar niet wijkt, totdat het verhooring heeft ontvangen. Dan wordt dat gebed een kloppen zonder ophouden aan de deur van Gods barmhartigheid, totdat God komt, om de genade des geloofs aan die in dwaling is te geven. Zij, die zóó bidden, mogen hopen tegen iedere hoop in, en ook al zouden zij nimmer hier op aarde de vervulling hunner hoop aanschouwen, machtig is Gods genade! in één oogenblik kan zij, ook in de verborgenheid der ziel, bij hem , die in dwaling is, uitwerken, dat hij één wordt in geloof en in liefde met Jesus Ghristus en in eeuwigheid gered zij.

Maar, m. V., wat ik u smeek, belast uwe ziel toch nimmer met zulk een gewicht van verplichtingen; stelt uwe ziel nimmer in zulk een gevaar des geloofs. Zoekt u, als God u roept voor den staat des huwelijks, eene Katholieke, godsdienstige vrouw.

ocr page 170

1 •quot;Hi

niet wie gij één zult zijn van hart op den weg naar uw eeuwig vaderland. Dan zult gij mogen hopen, eens in den hemel eeuwig te zullen leven met de vrouw, met wie God u hier op aarde zal vereenigd hebben.

ACHTTIENDE ONDERRICHTING.

De dood van een onboetvaardige.

Wij hebben u, m. V., met de woorden van de provinciale Synode van Utrecht, reeds twee redenen aangegeven, waarom de H. Kerk de gemengde huwelijken immer heeft verfoeid en zich immer tegen het aangaan van zulke huwelijken zooveel mogelijk blijft verzetten. Het sluiten van een gemengd huwelijk is op zich zelf reeds eeue daad, waardoor de Katholiek in een innig deelgenootschap komt met de veroordeelde dwaling, en is eene zware zonde van heiligschennis, wanneer de H. Kerk, om gewichtige redenen, door hare dispensatie zulk een huwelijk niet geoorloofd heeft gemaakt.

Maar ook het gemengd huwelijk, wanneer het eenmaal hetzij dan met of zonder kerkelijke dispensatie is gesloten, blijft voorde katholieke partij immer een tweevoudig gevaar des geloofs opleveren, en wel, het gevaar van — door welke invloeden dan ook — het ware geloof te verliezen en tot de dwaling over te gaan; of, zoo dit ook al vermeden wordt, het gevaar, dat de Katholiek onverschillig wordt in zijn geloof on in de beoefening van den katholieken godsdienst.

In deze onderrichting, m. V., willen wij u de derde reden voorstellen, door de Utrechtsche Synode aangegeven, om de Katholieken van het sluiten dezer huwelijken af te schrikken.

Deze derde reden dan betreft de opvoeding der kinderen, die uit een gemengd huwelijk geboren worden. Die opvoeding is, helaas! maar al te dikwijls noodlottig voor het zielenheil dier kinderen; immers:

Vooreerst, loopen zij groot gevaar in de dwaling te worden opgevoed, en ten tweede, ook dan, wanneer zij katholiek opgevoed worden, is het maar al te zeer te vreezen, dat zij langzamerhand, op het punt van godsdienst, in een allerdroevigste onverschilligheid komen, en dit wel door de wijze, waarop zij door hunne ouders worden opgevoed en door het tegenstrijdig voorbeeld, dat zij in hunne ouders aanschouwen.

Wij willen u deze beide gevaren voor eene slechte opvoeding der kinderen nader toelichten.

ocr page 171

Vooreerst dan het gevaar, dat de kinderen in de dwaling opgevoed zullen worden.

Wij kunnen ons verschillende omstandigheden voorstellen, waarin kinderen, uit gemengde huwelijken geboren, zich kunnen bevinden. Zoo kunnen zij geboren zijn uit een protestantschen vader en uit eene katholieke moeder, of omgekeerd uit een katholieken vader en uit eene protestantsche moeder. Hunne ouders kunnen met kerkelijke dispensatie gehuwd zijn en dan vóór hun huwelijk, volgens het voorschrift der H. Kerk, zich onder gewettigde getuigen schriftelijk verbonden hebben, om hunne kinderen in den katholieken godsdienst, naar best vermogen, op te voeden. Of wel hunne ouders kunnen zonder dispensatie, alleen voor den ambtenaar van den Burgerlijken Stand gehuwd zijn, maar met de voorafgegane overeenkomst onder elkander: „onze kinderen zullen katholiek,quot; „onze kinderen zullen protestantsch zijn,quot; of, „de jongens zullen den godsdienst van den vader, de meisjes den godsdienst der moeder belijden,quot; of nog; „wanneer het eerste kind een jongen is, dan alle kinderen aan de zijde van den vader; is het eerste kind een meisje, dan alle kinderen aan de zijde van de moeder.quot;

Ik behoef u niet te zeggen, m. V., dat er slechts ééne overeenkomst der ouders in dit punt geld if/ en geoorloofd kan zijn, hetzij de ouders met of zonder kerkelijke dispensatie gehuwd zijn, hetzij de vader Katholiek of Protestant is en wel deze overeenkomst: alle kinderen zullen in den katholieken godsdienst opgevoed worden.

Er is nog eene andere overeenkomst, die bij het toenemen van het volstrekte ongeloof in de protestantsche kerk, meer en meer, helaas! begint te verschijnen en wel deze:

„Wij laten onze kinderen ongedoopt voortleven, totdat zij zeiven in staat zijn, om keus te maken, tot welken godsdienst zij willen behooren.quot; In deze schandelijke overeenkomst verplichten zich de ouders jegens elkander, om hunne kinderen als heidenen op te voeden. Bij zulk eene opvoeding komt er geen spraak van God, van gebed, van zedelijk goed en kwaad, van een leven na dit leven. Bij zulk eene opvoeding gaan de ouders niet verder, dan hunne kinderen lichamelijk op te voeden en tot „fatsoenlijkequot; menschen groot te brengen.

Gij begrijpt, wat er van het zielenheil der kinderen, aldus opgevoed, moet terecht komen. Bij zulk een stelsel van opvoeding kan alleen een wonder van Gods genade uitwerken, dat zulke kinderen in hun later leven geen heidenen blijven. Ook onder de heidenen zoekt God Zijne uitverkorenen.

Voor het doel echter, dat wij ons bij deze onderrichtingen hebben voorgesteld, is het voldoende, wanneer wij over het gemengd huwelijk spreken, waarvan de vader Katholiek en de moeder niet-Katholiek is. Zuik een huwelijk kan met of zonder

ocr page 172

158

kerkelijke dispensatie zijn aangegaan. Veronderstellen wij een huwelijk zonder dispensatie aangegaan en herinneren wij ons, wat in zulk een toestand de onherroepelijke plicht van den katholieken vader is ten opzichte van de opvoeding zijner kinderen.

Er is geen twijfel mogelijk , m. V. , een katholiek vader is verplicht, ten koste van alles, zorg te dragen, dat al zijne kindereu katholiek gedoopt en in den Roomsch-Katholieken godsdienst opgevoed zullen worden. Wanneer hij in deze verplichting, de zwaarste van zijn vaderschap, mocht te kort schieten, dan zal hij schuldiger zijn dan een ongeloovige, en waardig zijn buiten de gemeenschap der H. Kerk gesloten te zijn. Wij zien dan ook, hoe zulke ontaarde vaders — misschien een enkel, schier ondenkbaar geval uitgezonderd — van het ontvangen der heilige Sacramenten geweerd worden. „ Zi j kunnen niet geholpen worden, zegt de stem des volks, omdat hunne kinderen niet Katholiek zijn.quot; Alleen dan, wanneer de zonden van zulke vaders in hare gevolgen onherstelbaar zijn geworden; bijvoorbeeld, wanneer hunne protestantsche kinderen gestorven zijn , of wanneer deze kinderen tot zulk een leeftijd zijn gekomen, dat de vader zijne vaderlijke macht over hen niet meer kan uitoefenen, alleen dan kunnen zulke vaders zich met God verzoenen en tot het ontvangen dei-heilige Sacramenten worden toegelaten.

Van zulk een vader, die zijne kinderen buiten den katholieken godsdienst opvoedt, schrijft pastoor van Campen in zijn handboek aldus; „ Hoe kan hij met een gerust geweten de H. Sacramenten ontvangen ? Hij toch , als het hoofd van het huisgezin, kan en moet beslissen over de godsdienst zijner kinderen, en de burgerlijke wetgeving zelve geeft hem daartoe het recht in handen; maakt hij van dat recht geen gebruik, en laat hij toe dat zijne kinderen buiten het waar geloof worden opgevoed, dan is hij schuldig aan plichtverzuim in de grootste en allerbelangrijkste zaak, en hoe zal hij waardig zijn tot de H. Sacramenten te naderen, alvorens hij dat verzuim heeft hersteld? Slechts in één geval wordt dit mogelijk, namelijk als al zijne ongeloovige kinderen gekomen zijn op een leeftijd, waarop zijn vaderlijk gezag, in het punt van godsdienst, weinig meer kan uitrichten; ja, dan kan hij zich bekeeren, dan is het voldoende dat hij zijne kinderen goeden raad geeft en hun gedurig zijn verlangen openbaart; maar dan moet hij ook een groot berouw hebben over zijn vorig gedrag. En ik vraag het u, wat moet men denken van dat berouw? hij, die tegen beter weten in, het voor zijn eigene kinderen bedorven heeft, die zoovele jaren achtereen hoogst onverschillig was voor zijn geloof, die zijne godsdienstige plichten verzuimde, hij komt dan op laten leeftijd betuigen, dat hij groot berouw heeft over zijn gedrag.quot;

„ De biechtvader, die over het innerlijk gevoel niet kan oordeelen, geeft dan soms de absolutie over zijne zonden. maar God weet, of

ocr page 173

159

deze wel altijd bekrachtigd wordt. De Kerk leert ons, dat de mensch zich op laten leeftijd nog goed bekeeren kan; wij zien het in de arbeiders van het Evangelie, die het laatste uur van den dag in den wijngaard des Heeren binnengaan; maar deze vader, waarvan hier spraak is, heeft jaren lang gezondigd tegen het geloof, en deze soort van zonden wordt niet zoo licht vergeven als andere.quot;

Uit deze strenge, maar, helaas! moeielijk te verzachten woorden, ziet gij , m. V., wat er uit zulk eene verwaarloozing van het ouderlijk gezag voortkomt en wat zulk eene ontaarde vader heeft te vreezen voor het oordeel van God.

De ondervinding leert, hoe moeielijk het is voor zulk een vader, om over deze zonden een oprecht berouw te hebben. Velen dan ook komen niet tot dat berouw, ook dan niet, wanneer hunne kinderen aan hunne vaderlijke macht zijn ontwassen en de weg van berouw hun open geworden is. Er moeten vele jaren voorbijgaan , alvorens het jongste kind van zulk een vader tot den leeftijd is gekomen, waarvan men zeggen kan: „ De vader heeft geene macht meer op hem.quot; Wat volgt er intusschen voor zulk een vader uit dien duur van vele jaren? Dat hij, geheel en al verstoken zoovele jaren lang van de heilvolle vruchten der heilige Sacramenten, allengs hardnekkig wordt in de boosheid; eene der zonden tegen den II. Geest, waarvan onze barmhartige Verlosser zelf zeide: „Voorwaar ik zeg u: al de zonden zullen aan de kinderen der menschen vergeven worden en de lasteringen, waarmede zij gelasterd zullen hebben; maar wie den H. Geest zal gelasterd hebben; zal in eeuwigheid geene vergiffenis hebben, maar schuldig wezen aan eene eeuwige zonde.quot; ')

„De H. Geest,quot; zoo verklaart Lirs, „laat het zondig geweten niet met rust. De zondaar, in plaats van gehoor te geven aan de Goddelijke stem, die tot hem spreekt door de wroeging van het geweten , wordt er door verbitterd.quot; God zendt telkens Zijne dienaren tot zulk een vader, om hem te herinneren aan zijnen hoogsten vaderlijken plicht, maar hij minacht deze vermaningen; hij ontvliedt iedere samenkomst, die hij voorzien kan, met den priester. Zoo verzet hij zich tegen de genade van den H. Geest; hij wordt allengs onvatbaar voor de vergiffenis zijner zonden, wijl hij opzettelijk in eene voortdurende verstoktheid van geweten blijft verkeeren.

De bekeering ook van zulk een vader is mogelijk. Er is geene zonde, hoe zwaar ook, die niet kan vergeven worden, wanneer de schuldige mensch de genade, door Christus voor hom verdiend en door God hem aangeboden, aanneemt en ten goede gebruikt. Zoolang wij leven hier op aarde is God ons allen barmhartig, om wille van Zijnen welbemijiden Zoon, die zich voor ons opge-

gt;) Mare. nr, 28, 20.

ocr page 174

160

offerd heeft. Maar, m. V., deze onuitputtelijke barmhartigheid van God helpt hem niet, die de noodzakelijke genade Gods afstoot, en hoe langer de mensch haar blijft afstooten, hoe moeie-lijker het hem wordt haar aan te nemen. Zulke ontaarde vaders sterven vaak onboetvaardig, wijl hun verstokt hart als onbekwaam is geworden, om de genade Gods aan te nemen.

Het is zulk eene zware zonde, m. V., de vrijwillige en opzettelijke oorzaak te zijn, dat een geheel geslacht, misschien honderden jaren lang, in de dwaling, buiten de eenheid der alleen zaligmakende Kerk geboren en opgevoed wordt! De kinderen van den vader, die zijne kinderen aan de dwaling heeft overgegeven, worden op hunne beurt de stamouders van nieuwe geslachten, die buiten de katholieke Kerk opgevoed worden. Zot) breidt zich voor het alziend oog van God het onheil, uit de zonde van zulk een ontaarden vader voortgesproten, immer verder in de toekomst uit. Ziet gij hieruit niet, m. V., hoe groot en uitgestrekt het berouw behoort te wezen, waarmede zulk een gesticht onheil beweend en verfoeid moet worden, om eene gegronde hoop op vergeving te kunnen opleveren. Vraag het, m. V., aan die eerbiedwaardige priesters, die vergrijsd zijn in een veeljarigen arbeid aan het heil der zielen, wat hunne ondervinding is omtrent zulke bekeeringen. Dezen zullen u antwoorden: „Velen van zulke ontaarde vaders zagen wij onboetvaardig sterven, anderen stierven voor het uiterlijk verzoend met God en met de H. Kerk, maar hun berouw was dat aangrijpend berouw niet, dat wij na zulke zonden zoo gaarne zouden gewenscht hebben; enkelen slechts weeklaagden over hunne verre afwijking en stierven in een berouw, dat eene meer zekere hoop gaf op de vergiffenis hunner zonden.quot;

Laat ik u een enkel voorbeeld van zulk een onboetvaardig sterven verhalen. Een katholiek man was sinds tien jaren gehuwd met eene protestantsche vrouw. Uit dit huwelijk werden hem vijf kinderen geboren. Hij had zijn onvervreemdbaar vaderlijk recht miskend en zijne kinderen aan den protestantschen godsdienst overgegeven. Door verschillende priesters was hij in die jaren meerdere malen op de ernstigste wijze vermaand geworden, om toch te doen. wat als een onherroepelijke plicht hem opgelegd werd door God. Maar te vergeefs; de ernstigste vermaningen waren afgestuit op den onwil, waarmede hij telkens verklaarde; „Mijne vrouw moet tie kinderen opvoeden, zij kan dit alleen goed doen in haren eigen godsdienst.quot; En immer voegde hij er bij ; ,, Hoven-dien, ik moet mijn woord houden; ik heb vóór mijn huwelijk aan mijne vrouw beloofd, dat al onze kinderen Protestant zouden worden.quot;

De man was nog slechts 37 jaren oud, toen hij in eene hevige ziekte viel, die hem, na weinige dagen reeds aan den rand des grafs bracht. De seneesheer, die hem behandelde, verklaarde zijn

ocr page 175

Kil

toestand hopeloos; hoogstens nog twee of drie dagen kon de dood uitblijven.

Het godsdienstig gevoel der vrouw verzette zich er tegen, om haren man zonder eenige geestelijke hulp te zien sterven. Zij waarschuwde den priester, die bij het laatste huisbezoek haren man nog zoo dringend vermaand had. De priester kwam spoedig aan bet ziekbed van den ongelukkige, toonde hem zijn innig medelijden, maar mocht niet verzwijgen, dat hij in de laatste dagen van zijn leven hier op aarde was, dagen, beslissend voor zijne onsterfelijke ziel in eeuwigheid. Hij noodigde hem uit om gezamenlijk te bidden, opdat God hem genadig mocht zijn in dit uur en hem de vergiffenis zijner zonden geven. „Kunt gij, zoo vroeg de zieke, mij nu geven, wat mij reeds zoovele jaren geweigerd is geworden?quot;

„Gelijk God,quot; antwoordde de priester, „immer bereid geweest is, om te vergeven, zoo is Hij ook nu bereid u de vergiffenis uwer zonden te geven, indien gij herstellen wilt, wat ook nu noodzakelijk door u hersteld moet worden.quot;

„Nog immer dan dezelfde voorwaarde,quot; sprak de zieke man mistroostig, en zich eensklaps omwendend in zijn bed, riep hij uit: „U kunt heengaan, mijnheer, ik zal mijn woord niet breken; mijne kinderen blijven in den godsdienst hunner moeder.quot;

Hoe dringend de priester hem ook wees op de noodlottige gevolgen, die voor zijne ziel uit deze weigering zouden voortkomen; hoe aanlokkelijk hij het bezit des hemels, boe afschrikwekkend hij de straf der hel hem ook afschilderde, het mocht alles niet baten. De zieke hield hot hoofd afgewend van den priester en bleef verder in een hardnekkig stilzwijgen volharden. Na een vurig gebed voor dezen .onboetvaardige gestort te hebben, verliet de priester liet ziekbed en verzocht de vrouw, dat zij hem even in een ander vertrek zou volgen. Daar stelde hij haar voor oogen, wat voor haren man uit zijne hardnekkigheid volgen moest; hij bad en smeekte haar, om wille van de liefde, waarmede zij haren man beminde, hem toch behulpzaam te willen zijn, en aan haren man de vervulling van zijnen godsdienstigen plicht gemakkelijk te maken.

„Wat kan ik doen?quot; vroeg weenend de vrouw, „indien mijn man gewild had, zoude ik een mijner leeraars geroepen hebben, om hem in zijne laatste uren te troosten. Maar hij weigerde dit volstrekt, zeggend, dat hij in zijn katholiek geloof wilde sterven. Hij wilde echter niet, dat ik zou waarschuwen , verklarende, „ dat hij toch niet geholpen kon worden.quot; Ik heb u toch gewaarschuwd, mijnbeer, hopend, dat in het uur van sterven uwe Kerk wel genadig zou zijn! Wat kan ik voor mijnen man nog meer doen in dit oogenblik?quot;

„Toch,quot; antwoordde op dringenden toon de priester, „kunt gij nu voor uwen man nog meer doen. Gij kunt hem eene weldaad Levknsst. 1 1

ocr page 176

162

bewijzen, grooter dan gij hem ooit nog bewezen hebt. Ik weet het, gij hebt uwen man bemind met eene oprechte en innige liefde; gij bemint hem op dit oogenblik inniger nog, nu het uur van scheiden gaat naderen. Ach' om wille van de liefde, waarmede gij hem nu bemint, geef hem het woord terug, dat hij u eenmaal tegen zijn geweten in heeft gegeven. Zeg hem: „Gij hebt mij beloofd, dat onze kinderen van mijnen godsdienst zouden zijn,_ maar om uwe ziel te redden, geef ik u dit woord terug; zij mogen tot den roomschen godsdienst overgaan.quot;

„Neen, mijnheer,quot; sprak de vrouw, „gij moogt mij dien eisch niet stellen. Zoudt gij meenen, dat ik ooit aan mijnen man die voorwaarde zou gesteld hebben, wanneer ik niet overtuigd was, dat dit voor mijne kinderen het beste is; en zou ik nu niet tegen mijn geweten handelen, wanneer ik aan uw verlangen zou voldoen en mijnen man zou vragen, dat hij zijn woord brak, en onze kinderen aan uwe Kerk overgaf?quot;

„ Gij zoudt,quot; hernam de priester, „ dit doende, niet tegen uw geweten handelen. Ik eerbiedig de goede trouw, waarmede gij gelooft de waarheid in uw geloof te bezitten. Maar dan ook doe ik nu een beroep op uw geloof. Volgens uwe overtuiging kan een ieder, ook een Katholiek, in zijn geloof zalig worden; dus ook uwe kinderen zullen, volgens uwe overtuiging des geloofs, als Katholieken zalig kunnen worden. Uw man daarentegen kan als Katholiek niet gelooven, dat een ieder in zijn geloof kan zalig worden. Indien hij dit gelooven zou, dan hield hij op Katholiek te zijn en, gelijk gij zoo straks zeidet, uw man heeft u uitdrukkelijk verklaard, dat hij in zijn katholiek geloof wil sterven. Welnu, maak hem dit mogelijk; uw man heeft den zwaren plicht, om zijne kinderen op den zekeren we;/ naar den hemel te plaatsen. Die weg is volgens zijne overtuiging alleen in de katholieke Kerk te vinden. Volgens uwe overtuiging moge de beste weg naar den hemel in de protestantsche Kerk te vinden zijn, er is dan toch ook volgens uwe leer een goede weg naar den hemel in de katholieke Kerk te vinden. Welaan dan, heb medelijden met uwen man en plaats uwe kinderen op dien weg, die in het oog van uwen man de eenigst zekere weg moet zijn.quot;

„Indien,quot; vroeg de vrouw, „mijn man den eenigsten weg naaiden hemel ziet in de roomsche Kerk, hoe heeft hij dan ooit kunnen besluiten, dat zijne kinderen op dien weg niet zouden komen. Hoe dan heeft hij vooral kunnen toelaten, dat die kinderen, die hij zoozeer bemint, op ecnen weg geplaatst en voortgeleid werden, waarvan hij gelooven moet: Hij is do ware weg niet?quot;

„Ziedaar de zware schuld van uwen man,quot; antwoordde de priester, „eene schuld, eene zonde, waarvan hij bij God geene vergiffenis kan bekomen, zoolang hij haar niet goed gemaakt heeft door zijn berouw en hersteld heeft met de middelen, die hij

ocr page 177

163

nu nog kan aanwenden. Ziedaar, waarom hij u nog pas gezegd heeft, dat het niet noodig was een katholiek priester hij hem te halen. „ Hij kon immers toch niet geholpen wordenzeide hij u. Zijn geweten getuigt het hem, hij kan zich niet verzoenen met God, wijl hij niet herstellen wil, wat hij kan en dus moet herstellen.

„Gij antwoordt mij niet,quot; hernam zij, „op de vraag, die ik u gesteld hel). Indien mijn man overtuigd is, dat zijne kinderen alleen in de katholieke Kerk kunnen zalig worden, waarom dan laat hij toe, dat zij op eenen verkeerden weg zijn?quot;

„Ik wilde,quot; sprak de priester, „u sparen en ik vermeed dit antwoord; maar meer en meer doorschouw ik de oprechtheid van uw hart. Welnu, ik zal u het antwoord geven: Uw man heeft deze zware schuld op zich geladen en hij is bereid met die schuld beladen te verscbijnen vóór het oordeel van God, omdat hij u te veel bemind heeft, omdat hij tot zijn laatsten snik u blijft beminnen met eene liefde, die zijne eeuwige verwerping zal na zich slepen.quot;

„Mijn God!quot; riep zij uit, „maar hij mag mij zoo niet beminnen; hij moet God, bij moet zijne ziel meer beminnen dan mij. Ik wil niet, dat hij mij meer dan onze kinderen zal beminnen. Straks als ik alleen zal zijn in het leven, zal ik het niet kunnen dragen, als ik denken moet: Mijn dierbare man heeft mij tot in zijn laatste uur meer bemind, dan hij als vader zijner kinderen mij mocht beminnen.quot;

„Edele vrouw! Oprechte moeder! riep de priester op zijne beurt uit, spreek zóo tot uwen man en gij zult zijne ziel redden. God zal u zegenen voor die daad uwer liefde; Hij alleen zal kunnen schatten, hoe groot de waarde uwer edelmoedigheid is.quot;

„Komt gij nog weder, mijnheer?quot; vroeg zij den priester; en op diens antwoord, dat hij tegen den avond -nog zou weder-keeren tot haren zieken man, sprak zij: „ik dank u, mijnheer; intusschen zal ik doen, wat ik reken mijn plicht te zijn. Mijnen dank voor de goedheid, waarmede u mij dien plicht hebt aangewezen.quot;

De priester keerde tegen den avond bij den zieke weder. Na liem vol deelneming naar zijne lichamelijke smarten gevraagd te hebben, bood bij hem opnieuw de geestelijke hulp aan, die bij zoozeer behoefde. Maar ook nu te vergeefs; niet zonder bitterheid sprak de ongelukkige man: „Mijnheer, ik hoop dat dit uw laatste bezoek zal zijn; mijn besluit blijft onveranderlijk; mijne kinderen zijn en blijven Protestant; ik wil het niet anders.quot;

„ ()ngelukkige! riep de priester uit, gij stort uwe ziel in het eeuwig verderf!quot;

„Het zij zoo, was het hardnekkig antwoord, liever dan mijn woord te breken jegens haar, die mij geen oogenblik ontrouw is geweest.quot;

ocr page 178

164

Hij wendde zich ora in zijn bed, en weigerde om langer den priester aan te hooren. Deze wierp zich op de knieën neder, en terwijl hij bad tot God om barmhartigheid voor dezen onboetvaardige, bedekte hij met zijne handen zijn gelaat, om de tranen te verbergen, die hij over dezen zondaar schreien moest.

Na zijn gebed geëindigd te hebben, volgde de priester de vrouw naar het ander vertrek, waar zij dien middag met elkander gesproken hadden.

„Ik heb,quot; sprak de vrouw, „gedaan, wat u mij gezegd hebt. Ach! mijnheer! het ligt niet aan mij meer; ik heb mijnen man gesmeekt, zich met God te verzoenen, hem het woord teruggegeven, waarmede hij mij eenmaal beloofd heeft, dat onze kinderen tot mijnen godsdienst zouden behooren. Ik heb hem vermaand, dat hij God en do zielen zijner kinderen meer dan mij moest beminnen. Hij glimlachte, toonde mij kussend zijne liefde, en zeide slechts: „Mijn wijfje, moet niet met onze priesters redeneeren, zij zullen mijn goed vrouwtje slechts in de war brengen; zorg maar dat onze kindereu zoo braaf worden als gij.quot;

Do ongekunstelde toon, waarop zij deze woorden sprak, trof den priester. „Ga voort,quot; sprak hij, „met uwen man te vermanen; gij zult tot het laatste toe uw plicht vervullen; bid voor uwen man, gij kunt Gods genade voor hem verdienen! Mocht zijn toestand dezen nacht verergeren, zend dan om mij; zoo lang hij looft, wil ik blijven hopen.quot;

„ Moet ik u,quot; zoo vroeg zij eenigszins aarzelend, „ ook in de uren van den nacht ontbieden, als ik hot ergste vroezen ga?quot;

„Zonder schroom,quot; antwoordde do priester, „ik steun op uwe hulp; door u alleen kan Gods genade uw man nog redden.quot;

Reeds vroegtijdig was de priester don volgenden dag aan het ziekbed van den ongelukkigen man. De laatste dag was voor hem gekomen. Hij sprak nog, maar zijne stem word reeds flauw, zijne ademhaling immer korter en telkens afgebroken. Als hij den priester zag, glimlachte hij en schudde zijn hoofd, terwijl hij met zachte stem zeide; ., U blijft wel lang hopen, mijnheer! maar het is te vergeefs, terwijl do smeekingon mijner goede vrouw mij van mijn besluit niet kunnen afbrengen, kunt u veilig'alle verdere moeite opgeven. U heeft uw plicht gedaan, mijnheer! ik wensch nu verder alleen met mijne vrouw te zijn.quot;

„Maar wilt ge dan werkelijk zoo sterven,quot; riep de priester uit; „misleid u niet, nog slechts enkele uren en uwe ziel is verschenen voor Gods rechterstoel; vreest gij dan Gods oordeel niet?quot;

„Ik bon voor dit oordeel reeds jaren lang bevreesd geweest,quot; antwoordde hij, „maar ook de angst, dien ik nu gevoel, kan mij van besluit niet doen veranderen.

„Ach, goede Frits,quot; viel de vrouw in, „waarom uw hart in uw laatste uur mot dien angst nog gepijnigd? Verzoen u met uwe Kerk, opdat God u genadig zij.quot;

ocr page 179

16')

„Mijne Kerk,quot; sprak de ongelukkige, „heeft mij om u ver-stooten. Gij weet wat er geschied is, toen wij onze verkeering begonnen; gij weet wat ik toen beloofd heb.quot;

„Ik zou,quot; antwoordde de edele vrouw, dit niet van u geëischt hebben, als ik toen begrepen had, wat ik nu inzie en begrijp. Ach, Frits! ik zou u nooit oprecht bemind hebben, als ik u nu niet smeekte; Red uwe ziel, alvorens het te laat is!quot;

„Als gij zelve Roomsch waart, mijn goed wijfje,quot; sprak de zieke, „zoudt gij niet beter kunnen spreken. Heb echter geene zorg voor mij, u zal ik niet behoeven te beschuldigen, als ik aanstonds sta voor liet oordeel van God.

„Maar uwe vrouw,quot; sprak de priester, „zal u eenmaal beschuldigen , als zij gered en gij verworpen, voor eeuwig van elkander zult gescheiden zijn.quot;

„ Zij zal het niet! zij zal het niet!quot; riep de zieke uit; eu eensklaps in zichzelven keerend, fluisterde hij : ,, gescheiden.. .. van haar gescheiden.... in eeuwigheid!.... maar dat zou vreeselijk zijn!quot; riep hij eensklaps luide uit, en na een oogenblik gezwegen te hebben, wendde hij zich tot den priester en vroeg; „Wat eischt de Kerk van mij?quot;

„Uw wil, dat uwe kinderen Katholiek zullen zijn! quot; antwoordde de priester.

„Ik heb er vijf,quot; sprak de zieke met zekeren drift, „als ik er twee afsta, zal dan de Kerk tevreden zijn?quot;

„ De reden, waarom God eischt, is voor al uwe kinderen dezelfde. Gij moet willen , dat alle vijf uwe kinderen Katholiek zullen zijn.quot;

„Nooit! nooit!quot; riep de ongelukkige uit; en eene poging doende om op te rijzen, strekte hij zijn hand uit en sprak; „Vertrek nu, mijnheer! mijne krachten nemen af; nimmer zal ik liet willen.quot;

Met moeite wendde hij zich om in zijn bed, trok de wollen deken over zijn hoofd, zoodat zijn gelaat onzichtbaar werd en bleef onbewegelijk in die houding liggen.

„Laten wij,quot; sprak de 'priester tot de ontstelde vrouw, „nog eens te zamen bidden tot God; het is het eenigste, wat wij nog doen kunnen voor hem.quot;

Na een vurig gebed voor den onboetvaardigen man opgezonden te hebben tot God, stond de priester op en zich heenbuigend over den zieke, fluisterde hij hem toe; „Vriend, ik ga, u verlaten, wilt gij mij nog aanhooren? '

De ongelukkige sloeg even de oogen op naar den priester, schudde het hoofd en bleef zwijgend in dezelfde houding liggen. . De priester verliet het vertrek en zeide tot de vrouw, die hem gevolgd was; „Goede moeder. God zal u beloonen. Blijf bidden voor uwen man; als hij sterven gaat, fluister hem dan toe; „Jesus, barmhartigheid! God ontferm u mijner!quot;

ocr page 180

](■.(gt;

Het is nauwelijks twee uren later. Het oogentgt;lik van sterven is voor dezen onboetvaardige gekomen. Hij rust in de armen zijner trouwe vrouw, die zich uitput om de benauwdheid van zijnen doodstrijd, zooveel mogelijk te verlichten. Het koude doodzweet parelt zich op zijn kil voorhoofd. Nu en dan strekt hij vol angst zijne hand uit naar den linkerhoek zijner bedstede, als wil hij zijne vrouw beduiden, wat schrikkelijk gezicht zijne oogen daar aanschouwen. Hij wil «preken nog, maar hij is niet meer in staat om de woorden te uiten, waarmede hij wil uitdrukken, wat hij in dit vreeselijk uur gevoelt. „Jesus, barmhartigheid!quot; zoo fluistert zijne diep bedroefde vrouw hem in de ooren. Hij hoort deze verzuchting; verbaasd ziet hij haar aan, maar tegelijk schudt hij wanhopig het hoofd, en staart vol angst naaiden hoek der bedstede. „God, ontferm u mijner!quot; bidt de vrouw aan zijn oor; en op dat woord poogt hij zich los te rukken uit hare armen, hij slaat zich het voorhoofd en rukt verwilderd aan de haren van zijn hoofd.

Ongemerkt is de priester wedergekeerd en staat op dit oogenblik van woeste vertwijfeling aan het voeteinde van dit vreeselijk sterfbed.

„Mijn vriend,quot; zoo spreekt hij vol deernis met het vreeselijk lot, dat dezen stervende wacht, „mijn vriend, nog is het niette laat, nog is God vol ontferming, nog is Jesus barmhartig.quot;

Als de stervende de stem des priesters hoort, heft hij zijn hoofd op en staart met woesten blik hem aan.

„Vriend,quot; zegt de priester, „ nog eenige oogenblikken en God zal u oordeelen; nog is liet niet te laat. Indien gij ook nu nog berouw hebt en wilt, dat al uwe kinderen Katholiek worden. God zal u uwe zonden vergeven, ik zal de PI. Absolutie over u uitspreken, en u het Sacrament des H. Oliesels toedienen. Indien gij u verzoenen wilt met God, knik slechts met uw hoofd, en Gods barmhartigheid zal aanvullen, wat gij nu niet meer kunt volbrengen.quot;

Het was duidelijk, dat de stervende moeite deed om antwoord te geven, maar de woorden op zijne lippen waren niet verstaanbaar meer. „Wilt gij?quot; vroeg hem de priester. De stervende hief zijn hand een weinig naar boven en stak, met vragenden blik, twee vingers omhoog.

„Niet twee, maar uwe vijf kinderen eischt God van u;quot; sprak de priester met diepen ernst.

M aar de stervende schudde met beslistheid het hoofd; hij sloot zijne oogen en wierp zich terug in de armen zijner ternedergesla-gen vrouw. Hij opende zijne oogen niet racer. Do dood trad thans met snelle schreden toe, al korter en korter werd de ademhaling, op en neer ging het laken onder het zwoegend hijgen van zijne bezwijkende borst. Eens nog deed hij eene poging om zijne hand op te heffen; drie vingers stak hij nu op naar boven, een diepe

ocr page 181

zucht____ een luide gil nog____ en deze rampzalige stierf zijn

onboetvaardigen dood, aan den priester den angst achterlatend, dat de duivel overwonnen had en zijn veeljarigen prooi behield in eeuwigheid.

Denkt niet. m. V., dat dit voorbeeld eene verdichting is, hoezeer wellicht het gedrag dezer protestantsche vrouw u ook moge verwonderen. Maar dan ook maakt zelf uit dit voorbeeld deze gevolgtrekking; „Indien een katholiek man, aangespoord, ja gesmeekt in het uur van zijn sterven door zijne protestantsche vrouw, om zich met God en de H. Kerk te verzoenen, nog hardnekkig blijft volharden in zijne onboetvaardigheid, wat is er dan niet te vreezen voor een katholieken vader, indien hij in dit uur door zijne protestantsche vrouw wordt aangespoord en gesmeekt, om toch zijn woord niet te breken, maar hare kinderen in den protestantschen godsdienst te laten? En toch, m. V., ziedaar wat het meest voor de hand ligt en wat maar al te dikwijls in zulke treurige omstandigheden geschiedt. Wij maken nu niet eens de veronderstelling, dat zulk een vader, wanneer zijne ziekte levensgevaarlijk wordt, van de ernstige vermaning eens priesters kan verstoken blijven; hetgeen echter, vooral in groote kerkelijke parochiën, zeer goed denkbaar is; bijvoorbeeld, indien de protestantsche vrouw niet, of althans niet tijdig genoeg den priester met de ziekte van haren man bekend maakt. Maar veronderstellen wij , dat een priester zulk een vader nog tijdig kan vermanen, om toch zijnen vaderlijken plicht tegenover zijne kinderen te vervullen. Hoe dikwijls helaas! blijkt het, dat die vermaningen te vergeefs zijn, omdat de invloed, dien de vrouw en hare protestantsche familie op den zieke uitoefent, hem in zijne hardnekkigheid en onboetvaardigheid doet volharden. Een hartelijk woord van de ternedergeslagen vrouw, eene bedreiging van schoonouders hebben in die omstandigheden zulk een grooten invloed op den man, die toch reeds op het punt van godsdienst zoovele treurige bewijzen van verregaande zwakheid en onverschiligheid heeft gegeven. Komt ook al de angst voor Gods oordeel zijne ziel kwellen, de vrouw kan met zulk eene ernstige overtuiging haar best doen om hem gerust te stellen omtrent de onboetvaardigheid, waarin hij sterven gaat. „De Heer zal u wel genadig zijn, ook al zijn uwe priesters zoo onbarmhartig, om u ongetroost te laten sterven. Vertrouw op God, Hij zal u niet verwerpen, omdat gij onze kinderen laat in den godsdienst, waarin ik zoovele jaren braaf geleefd heb aan uwe zijde. Het zou wel erg wezen, als alle Protestanten verworpen werden door God.quot; Dergelijke woorden zullen den stervenden man wel niet geruststellen, maar toch in dat beslissend uur van den dood hem gemakkelijk kunnen bevestigen in zijne onboetvaardigheid. Zulke woorden storten telkens nieuwe gedachten in zijnen geest, waarmede hij pogen zal, om de wroeging van zijn geweten te smoren. Zóó stoot hij jam-

ocr page 182

ins

merlijk de laatste genade van God af en sterft hij in zijne onboetvaardigheid.

NEGENTIENDE ONDERRICHTING.

De opvoeding der kinderen in eeu gemengd lnmelijk.

In onze vorige onderrichting hebben wij u, m. V,, gewezen op de schrikkelijke gevolgen, die voor de ziel van een katholieken vader kunnen voortkomen, uit de onverschoonbare zwakheid, waarmede hij heeft toegelaten, dat zijne kinderen buiten de katholieke Kerk opgevoed werden.

Laten wij nu verder gaan en spreken wij over het gemengde huwelijk, waarvan de man katholiek is en waarvan alle kinderen katholiek gedoopt en opgevoed worden. Welke zijn de rampen, die helaas! ook voor deze kinderen, uit zulk een huwelijk gesproten , te vreezen zij n ?

Vooreerst blijft er voor zulke kinderen immer een gevaar bestaan, dat zij alvorens tot den volwassen leeftijd te zijn gekomen, tot de dwaling zullen overgaan. En dit gevaar is vooral gelegen in de mogelijkheid, dat de vader sterft, alvorens zijne kinderen volwassen zijn. Een man, die een gemengd huwelijk aangaat, kan hopen, wel zoo lang te zullen leven, dat hij zijii jongste kind volwassen ziet; maar niemand is er, die hem zekerheid kan geven, dat hij die hoop zal vervuld zien. Wat nu is het gevaar, als de man in de eerste jaren van zijn huwelijk sterft en zijne kleine kinderen, katholiek gedoopt, aan zijne protestantsche vrouw zal moeten achterlaten? Gij kunt gemakkelijk het antwoord geven. De dikwijls nog jeugdige weduwe komt al spoedig in de eigenaardigste moeielijkheden met hare katholieke kinderen. Zoolang haar man leefde was deze haar beschermer en haar raadgever bij de Katholieke opvoeding harer kinderen. Nu staat zij alleen voor de vervulling van dezen toch reeds zoo moeielijken plicht. Is zij geneigd en vindt zij gelegenheid om tot een tweede huwelijk te komen, wat kan er dan worden van de katholieke opvoeding dei-kinderen, als haar tweede man niet katholiek is? Of, indien zij weduwe blijft, maar gaandeweg geldelijke ondersteuning behoeft, hoe licht geschiedt het, dat zij van protestantsche weldadigheidsinstellingen aanlokkingen ondervindt, om hare kinderen maar in haren godsdienst over te brengen en op te voeden? En ook al heeft zij geeue geldelijke ondersteuning noodig, aan hoevele aansporingen staat zij bloot van de zijde harer familie en vrienden, en van de zijde van belangstellenden en belanghebbenden. ,,oni

ocr page 183

irti»

toch de kinderen niet in do verfoeielijke roomgche Kerk te laten, maar hen op te voeden volgens eigen overtuiging, in den godsdienst, waartoe hare geheele familie behoort?quot; O, hoe gemakkelijk kunnen zulke nog jeugdige kinderen, ook al zijn zij katholiek gedoopt, in de dwaling opgevoed worden, en hoe folterend moet deze vrees voor den katholieken vader zijn, die in het uur van zijnen dood het gevaar, de mogelijkheid van dit onheil voorziet, terwijl hij zoo weinig doen kan, om dit gevaar in werkelijkheid van zijne kinderen af te weren. Zeker het Burgerlijk Wetboek biedt hem een laatste hulpmiddel aan. In art. 401 geeft hij den vader liet recht, om aan de langstlevende moeder eencn hijzonderen raadsman toe te voegen, zonder wiens toestemming de moeder geene daad, de voogdij betreffende, zal kunnen verrichten. De vader zal dezen raadsman kunnen benoemen, hetzij bij uiterste wilsbeschikking, hetzij bij alle andere authentieke en bijzonderlijk daartoe ingerichte akten. Dit middel dus zul zulk een katholieke vader tijdig, niet eerst als hij ziek wordt, maar reeds in zijne gezonde dagen wijs doen te kiezen. Maar wat vermag ook de beste raadsman op den onwil der moeder, waar zij toch op de eerste plaats hare kinderen moet opvoeden en grootbrengen, en voor de burgerlijke wet, bij den dood van harén man, als voogdes over hare kinderen optreedt?

Gij ziet hieruit, m. V., met hoeveel recht de H. Kerk do gemengde huwelijken verfoeit, die zulke noodlottige gevaren voor de kindoren opleveren.

Maar veronderstellen wij, dat een katholiek vader van een gemengd huwelijk al zijne kinderen volwassen ziet, alvorens hij sterven gaat. Ook van zulk een gemengd huwelijk zegt de synode van Utrecht; Dat het maar al te zoor te vroezon is, dat de kindoren, ook al worden zij katholiek gedoopt, op het punt van godsdienst, in eene allerdroevigste onverschilligheid zullen komen; eu do synode geeft voor deze vrees eene tweevoudige reden aan, en wel: de wijze, waarop zulke kinderen door hunne ouders opgevoed worden, en het tegenstrijdig voorbeeld, dat zij in hunne ouders aanschouwen.

Vooreerst de wijze, waarop zij worden opgevoed. Wij veronderstellen nog immer oen gemengd huwelijk, waarvan de vader katholiek en de moeder niet-katholiek is en waarvan de kindoren in den katholieken godsdienst worden opgevoed. Beginnen wij met voorop te stellen, dat er nu en dan gemengde huwelijken voorkomen, waarin do niet-katholieke moeder wonder wel haar best doet, om haren plicht jegens hare katholieke kinderen goed te vervullen. Waaraan dit toe te schrijven is? Wie zal er de ware redenen van kunnen aangeven ? Zeker is het, dat een katholiek vader, die zich in zijn geweten levendig bewust is, welke de bijzondere verplichtingen zijn, int zijn gemengd huwelijk voort-vlooiend , in zulke omstandigheden veel kan aanvullen, wat bij de

ocr page 184

170

opvoeding zijner kinderen door zijne niet-katholieke vrouw onmogelijk kan verschaft worden.

Maar ook die zorgzame ijver van den vader voor eene goede katholieke opvoeding zijner kinderen, verklaart slechts ten deelo, hoe het mogelijk is, dat uit de opvoeding cener niet-katholieke moeder nu en dan kinderen groot worden, van wie men zeggen moet: Zij zijn goede, ijverige Katholieken.

Hij, die tip deze vraag het ware antwoord wil geven, zal wel moeten erkennen, dat God bij zulke kinderen rechtstreeks de taak der opvoeding op zich heeft willen nemen. God moge hiertoe bewogen zijn geworden door het voortdurend gebed des vaders, door diens goede werken, door de deugden, die hij in zijn huwelijk beoefent en waarmede hij God genadig heeft gestemd, om in zijne kinderen goed te maken en aan te vullen, wat hij doorzijn gemengd huwelijk in zulk een groot gevaar van mislukking gebracht heeft; of wel, het moge geschieden door de kracht der voorbede van een ander, wiens gebed, wiens goede werken en gerechtigheid veel vermogen bij God; of wol door andere onnaspeurbare beweegredenen, die de genade Gods drijft, om zulke kinderen tot godsdienstige en ijverige Katholieken te vormen: zeker is het, m. V., dat zonder buitengewone genade van God, uit de opvoeding van eene niet-katholieke moeder geene katholieke kinderen voortkomen, van wie men getuigen kan, dat zij in bun verder leven ijverig in hun geloof, standvastig in de beoefening van hunnen katholieken godsdienst zijn. „Niemand geeft, wat hij zelf niet bezitdeze stelregel is vooral ook hier van toepassing. De opvoeding van kinderen en vooral de vorming van hunne harten, is op de eerste plaats het werk der moeder. Hoe zal zij, die zelve niet katholiek is, hare kinderen als Katholieken kunnen opvoeden, in hunne harten dat katholiek gevoel genoegzaam kunnen ontwikkelen, dat vooral in hunnen lateren leeftijd bun zoo noodzakelijk zal zijn, om als oprechte Katholieken te leven, die gehecht zijn aan de katholieke Kerk, en met eene kinderlijke liefde zich aan hare leiding zullen onderwerpen en hare wetten getrouw zullen naleven? „Het hart van den mensch,quot; zegt Pastoor van Campex, „is de zetel van zijn godsdienstig leven, en dat hart wordt gekneed en gevormd door de moeder; zij is het, die in de eerste jaren zich bijna alleen met haar kind bezig houdt, die het kind het eerst spreekt van God, bet leert bidden enz. Is nu de moeder niet katholiek, en veronderstellen wij, dat zij hare kinderen nooit over godsdienst spreekt, dan missen die kindereu iets, wat door niets ter wereld kan worden aangevuld. Zij missen die eerste opleiding tot God, zij leeren God niet beminnen in die gelukkige jaren der onschuld, en wie weet of de duivel niet heerschen zal in hun hart, alvorens het bewustzijn van God daarin leeft.quot;'

Maar zult gij zeggen, wij kunnen toch meerdere niet-katholieke

ocr page 185

171

moeders aanwijzen, die groote zorg toonen in de katholieke opvoeding harer kinderen. Zij leeren hen ,, op ze'n Roomschquot; bidden; brengen hen vroegtijdig naar den katechismns; zij geven zich moeite, om hen de lessen van het katechisrausboekje in liet ge-hengen te prenten; zij maken van den eerste H. Communiedag een schoon en huiselijk feest; zij zijn stipt in hare zorg om hen op Zondagen en op de geboden feestdagen naar de 1L Mis te zenden en om hen de vasten- en onthoudingswetten der H. Kerk getrouw te doen naleven.

Zeker, m. V., zulke protestantsehe moeders zijn er, maar wilt n toch nimmer door den schijn laten misleiden. Wat gij voor hel uiterlijk van zulke moeders ziet, is nog niet de katholieke opvoeding , die kinderen behoeven, om later godsdienstige en ijverige Katholieken te zijn. Een jas, een pet, een jurk kan eene moeder koopen en maken, juist zooals een vader zulke kleedingstukken voor zijn kind verlangt. Maar de opvoeding van een kind is niet een kleed. dat eene moeder naar den zin van haren man zoo maar Samenstelt en het kind omhangt. Een kind katholiek opvoeden, wil niet zeggen: het kind toerusten met eenige uiterlijke teekenen, waaraan men zien kan dat het Roomsch is. Het is wel aardig, om zoo'n kleinen dreumes een mooi kruisje te zien maken; te hooren, hoe hij het „Wees gegroetquot; zonder haperen kan afbidden; hem een besten jongen te noemen, omdat moeder hem zoo knap het geheele kleine katechismusboekje van buiten heeft geleerd. Maar hoe zal die niet katholieke moeder den verheven zin van het kruisteeken langzamerhand instorten in den geest, in het hart van haar kind, terwijl zij zelve niet gevoelt, waarom de Katholieken zich telkens teekenen met dit verheven teeken van onzen aanbiddelijken Verlosser? Hoe zal zij in het hart van haar kind die innige, ik zou willen zeggen, die Katholieke liefde voor Jezus opwekken, zij die, in het gunstigste geval toch op eene geheel andere wijze Jezus bemint, dan wij, Katholieken, die Mem bezitten en in ons hart ontvangen in Zijn aanbiddelijk Sacrament? Hoe zal zij haar kind liefde en vertrouwen kunnen instorten voor Maria , de gezegende Moeder des Heeren, zij, die zelve nimmer bidt tot Maria en niet begrijpt en zeker niet gevoelt, waarom de Katholieken telkens bij hun gebed „het Wees gegroetquot; voegen en dit verheven gebed zoo dikwijls herhalen?

O, wilt gij weten, wat het zeggen wil, .een kind Katholiek opvoeden, ziet dan die Katholieke moeder daar met dien kleinen van zeven jaren aan hare zijde. Vader is nog niet te huis van zijn werk, en de twee jongste slapen als rozen. Fransje is ook al uitgekleed, maar Fransje is al een groote jongen, hij moet zijn avondgebed nog bidden. Op de stoof van moeder geknield, houdt hij het koperen kruisje, dat moeder aan haar rozenkrans heeft hangen, in zijn samengevouwen handjes. Moeder heeft er wat mede te stellen, om die handjes gevouwen en die guitige

ocr page 186

oogjes gesloten te houden! Want Fransje is een lief, maar levendig en zeer bewegelijk ventje. Nu eens vliegen die oogjes naar de oude poes heen, die zoo welgedaan naast het vuur van den haard ligt te snorren en maar niets geen spijt toont, wijl het rumoerig spel der kinderen uit is. Dan weder naar zijn sijsje, dat daar boven de deur in zijn kooi heen en weder springt en van tijd tot tijd tegen de tralies invliegt, evenals zijn kleine meester boos tegen hot licht der lamp, dat een einde maakt aan de luidruchtige vroolijkheid der huiskamer en onbarmhartig „het kinderenbedtijdquot; aankondigt. Iloevele malen moet moeder met hare zachte hand over zijn voorhoofd strijken, om die rustelooze oogjes eerbiedig gesloten te doen zijn, terwijl hij bidt!

Zoo heeft Fransje „het „Onze Vaderquot;, „het Wees geroetquot;, het: „Ik geloof in God den Vaderquot;, zonder te haperen afgebeden. Fransje ziet op naar het goedig gezicht zijner moeder, die zoo hartelijk met hem medebidt. „ Boven al bemin éénen God,quot; zegt zij, om haar kind tot verder hidden aan te sporen.

„Moederquot;, zegt Fransje, „houdt zeker heel veel van onzen lieven lieer, niet waar?quot;

„Zeker kindquot;, antwoordt de moeder met vuur, „alle menschen moeten veel van God houden. Fransje moet ook, zoolang hij leeft, onzen lieven Heer het meest liefhebben.quot;

„Waarom,quot; vraagt de kleine, „moeten de menschen God het meest beminnen ? Wij zien onzen lieve Heer niet eens, hoe kan ik dan het meest van Hem houden?quot;

„Al ziet gij God niet met uwe oogen, kind, gij kunt Hem toch altijd zien in hetgeen Hij u dagelijks geeft.quot;

„Ik krijg alles van u en van vader; van u houd ik het meest.quot;

„ Oquot;, zegt de moedor ernstig, ■„ zoo mag Fransje niet spreken; alles krijgt gij van God, en wat vader en ik u geven, komt van God; Hij geeft het ons, om het aan u te geven.quot; En na even nagedacht te hebben, gaat de moeder aldus voort; „Waarom bidt gij dagelijks voor uwen vader en voor mij?quot;

„ Opdat onze lieve Heer u toch altijd bij mij zal laten en u alles zal geven, wat gij maar verlangt.quot;

„Dat zegt gij goed, mijn kind,quot; spreekt zij, „maar als onze lieve Heer nu eens kwam, om u uwen vader en mij af te nemen?quot;

„Neen, neen, dat mag onze lieve Heer niet doen,quot; roept Fransje uit, „ ik wil zoolang bidden, als gij maar wilt, maar gij moogt nooit van mij weggaan.quot;

„Zie nu eens, Fransje, hoe goed onze lieve Heer voor u is. Dat uw vader en ik van daag bij u zijn gebleven, heeft alleen God u gegeven; alle menschen blijven leven, zoo lang God het wil. Ziet gij nu wel, hoe goed onze lieve Heer voor u is, die u van daag weder gegeven heeft, wat gij het liefste hebt! quot;

„Gaan dan de menschen alleen dood, als God het wil?quot;

ocr page 187

17H

„ Ja, Fransje, God alleen maakt, dat de menschen leven; zij sterven, wanneer Hij het wil,quot;

„Waaromvraagt hij weder, laat onze lieve Heer dan alle menschen niet leven?quot;

„Omdat Hij de brave menschen in den hemel wil beloonen. Gij nioet geheel uw leven braaf zijn, dan komt gij ook eens in den hemel.quot;

„Dat zal ik,quot; roept Fransje uit, „want in den hemel is het erg mooi, veel mooier dan ergens hier, zooals u laatst verteld hebt. .(), ik wil ook eens met u bij onzen lieven Heer zijn!quot;

„Hiervoor zullen wij iederen dag bidden, mijn kind,quot; sprak de moedeu. „Maar bedenk nu eens hoe goed onze lieve Heer is voor ons. Gij houdt daar in uwe handen mijn kruisje. Weet gij wel, wat dit kruisje ons zegt? Luister nu eens goed; dit kruisje is het beeld van onzen lieven Heer, die eenmaal als een klein kind op de aarde is gekomen en die, toen Hij man was geworden, aan een kruis heeft willen sterven, om den schoonen hemel voor ons te openen. Als Hij voor ons menschen niet op Zijn kruis was gestorven, dan zou nooit iemand in den hemel zijn gekomen, want alle menschen hadden kwaad gedaan en den hemel verloren. Telkens nu als gij met uwe hand een kruisje maakt en zegt: „ In den naam des Vaders, en des Zoons en des H. Geestes, amen,quot; dan vraagt gij aan God, dat Hij u den hemel geven moge, wijl God de Zoon voor u aan een kruis is gestorven. Ziet gij nu wel, mijn kind, hoe onze lieve Heer u meer bemint, dan iemand anders u lief heeft hier op aarde? Gij moet ook geheel uw leven onzen lieven Heer het meest, boven alles beminnen. Bid nu nog, alvorens gij slapen gaat, de tien geboden van God. lu dit gebed noemt gij alles op, wat gij doen en laten moet om onzen lieven Heer altijd boven al lief te hebben en belooft gij tegelijk nooit eenig kwaad te zullen bedrijven.quot;

Met zijne oogjes op het kruisje gericht , bidt Fransje nu het „Boven al bemin eenen God,quot; en als hij dit gebedje heeft afgebeden, zegt zijne moeder- „Maak nu een kruis, mijn kind, dan zal ik u in bed helpen.quot;

Fransje rijst op van de stoof, waarop hij geknield heeft, slaat zijne armen om den hals zijner moeder en kust haar op beide wangen zoo hartelijk, dat de poes er jaloersch van wordt en met kronkelende staart naar de vrouw heenstapt om haar „ kopjes te geven.quot; Goeden nacht, lieve moeder, goeden nacht! klinkt het vroolijk uit den mond van den lieven jongen, en terwijl het sijsje in de kooi zijnen kleinen meester nog eens naoogt, huppelt Fransje naar zijn ledekautje, steekt zijne hand in het wijwater, maakt eerbiedig het kruisteeken en legt zich neder in zijn bedje, Vroolijk en blijde „wijl onze lieve Heer in den hemel, en zijne lieve moeder hier op aarde zooveel houden van hem.quot; En' terwijl hij daar nederligt en nog eens goed toegedekt is ge-

ocr page 188

worden, ziet hij, hoe zijne brave moeder nederknielt voor zijn ledekantje en hare handen samenvouwt en aan zijne zijde bidt. Fransje blijft haar aanzien zoolang hij kan, maar spoedig sluiten zieh zijne ocgjes en het duurt niet lang of hij sluimert in en droomt van den mooien hemel, waar overal engeltjes zijn, de een al schooner dan de ander. Een engel ziet hij staan aan het hoofdeinde van zijn bedje, waarop hij nederligt, en deze engel heeft zijne schoone vleugelen over hem uitgespreid. Een anderen engel ziet hij nedergeknield voor zijn bedje , en hoe vuriger deze engel bidt, hoe meer de andere engel zijne vleugelen over hem uitspreidt. Die biddende engel gelijkt het meest op zijne lieve moeder. Hij glimlacht in zijn slaap, want de biddende engel staat op van den grond, waarop zij geknield lag en buigt zich over hem heen, om hem te kussen. Zij zegent zijn voorhoofd en besproeit hem met wijwater. Het is alsof die engel niet scheiden kan van hem, zoolang blijft zij nog mot gevouwen handen hem aanstaren. Zij bidt en het is, als hoort Fransje haar smeeken tot den engel, die daar staat aan hare zijde, dat hij haren lieveling toch immer moge bewaken en beschermen in dit leven, hem in onschuld moge bewaren en hem eens binnenvoeren moge in den hemel, bemind door God.

Ziedaar, m. V., eene brave, katholieke moeder, die het avondgebed bidt met haar kind. Zij, die geen begrip en geen gevoel hebben voor de godsdienstoefeningen der katholieke Kerk, hebben wel eens met minachting gesproken over het bidden van kinderen. „Waartoe kan het nuttig zijn, dat een kind gebeden opzegt, waarvan het den zin en den inhoud onmogelijk nog kan vatten? Welk begrip, vraagden zij, kan een kind zich vormen van dat kruisteeken, dat het gedwongen wordt telkens door den dag te maken. Is het geen onzin, die geloofsbelijdenis der Apostelen, die tien geboden van God, als de dagelijksche gebeds-oefeningen aan kinderen aan te wijzen en hen af te richten, om dezen zoo juist mogelijk uit het geheugen op te zeggen?quot;

Die zoo spreken , m. V., zouden tot zekere hoogte in hun recht kunnen wezen, als -#gt;*t kind deze gebeden slechts werktuigelijk van buiten leerde en bij de ontwikkeling van zijn verstand het onderricht miste, dat naar zijn verstandelijk begrip is berekend. Eene wijze moeder kan tot haar kind de taal spreken, die het begrijpt en die ingaat zoowel in zijn hart als in zijnen geest, en vandaar, dat het voor een kind zulk een hooge zegen is eene godsdienstige en verstandige moeder te bezitten; vandaar ook, dat de opvoeding, die eene brave, katholieke moeder aan haar kind geeft, zulk een on uit wisch baren indruk maakt op zijn hart. Leert de ondervinding niet, dat mannen, zelfs na een leven van ongeloof en allerlei ongerechtigheid, terugkeeren tot de waarheid en de deugd, die zij jaren lang als dwaasheid verworpen hebben, door de kracht, die de eerste opvoeding van hunne brave moeder

ocr page 189

ontvangen, bleef uitoefenen op hen? Zulk eene katholieke opvoeding echter kan eene niet-katholieke moeder onmogelijk geven aan hare kinderen. Zij kan misschien vol zorg zijn om hare katholieke kinderen op roomsche wijze te doen bidden, maar zij kan niet medebidden met hen, zij kan hun onmogelijk mede-deelen die toewijding, dien waren godsdionstigen zin, lt;ïat kafholkk gevoel, hetwelk het onderscheidend kenmerk der katholieke waarheid is. Vandaar waarom wij boven zeiden, dat uit eene niet-katholieke moeder in den regel slechts Hauwe Katholieken voortkomen. Xog eens, ook hier zijn loffelijke uitzonderingen, maar die uitzonderingen nemen den algemeenen regel niet weg. Gods alvermogende genade kan alles aanvullen, wat aan zulk eene opvoeding zal ontbreken. Of God zulke wonderen van genade dikwijls werkt, valt buiten onze nasporing, maar de ondervinding leert, dat zeer velen, die van eene protestantsche moeder hunne opvoeding hebben ontvangen, slechts flauwe Katholieken blijven, en dat slechts weinigen in hun later leven toonen oprechte, ijverige Katholieken te zijn.

Er is nog eene andere reden, door de Synode van Utrecht aangegeven, waarom kinderen, uit een gemengd huwelijk voortgekomen, ook al zijn de ouders katholiek opgevoed, groot gevaar loopen, in hun lateren leeftijd flauwe, onverschillige Katholieken te worden. Deze reden noemt de Synode: „het tegenstrijdig voorbeeld, dat kinderen, in een gemengd huwelijk opgevoed, van hunne ouders ontvangen.quot;

Na hetgeen reeds gezegd is, behoeven wij niet lang bij deze reden stil te staan. In een gemengd huwelijk is het bij na onvermijdelijk, dat de katholieke partij in het punt van geloof en godsdienst, althans niet den schijn van onverschilligheid aanneemt. Veronderstellen wij dat de vrouw niet Katholiek is. De katholieke vader zal in dit geval, vooral tegenover zijne opgroeiende kinderen, de godsdienstige overtuiging zijner niet-katholieke vrouw maar onbesproken moeten laten. Wordt hij door eene vraag zijner kinderen in het nauw gebracht, dan zal gewoonlijk een ontwijkend antwoord nog het liefst gezochte middel zijn, om zich uit de moeielijkheden te redden. Hij zal toch bezwaarlijk tegenover zijne kinderen de godsdienstige overtuiging der moeder kunnen aanvallen en hoe zal hij aan zijne nog jeugdige kinderen in een leeftijd van tien, twaalf jaren, een duidelijk begrip kunnen geven van „de goede trouwquot; waarmede de moeder in hare dwaling voortleeft? Er zal voor dien vader geen andere weg open zijn dan deze: „In huis niet spreken over het verschil van godsdienst.quot; Wij hebben reeds vroeger gezegd, dat uit deze gedragslijn eene treurige onverschilligheid in het godsdienstige voortkomt. Maar is die gedragslijn op den duur wel vol te houden tegenover kinderen, wier verstand zich gaandeweg ontwikkelt; die door het onderricht, dat zij in de godsdienstleer

ocr page 190

176

ontvangen, telkens wijzer worden, en derhalve zeer gemakkelijk vragen gaan stellen, wier beantwoording voor den katholieken vader steeds lastiger worden, naar gelang zij telkens wederkeeren en immer dringender worden ? „Waarom gaat moeder des Zondags niet met ons naar de kerk ? Vader, gaat moeder ook met u ten Hoogtijd? Waarom is er in moeders kerk geen altaar? Waarom zijn er in moeders kerk niet zulke mooie heelden? Waarom maakt moeder geen kruis als zij bidden gaat?quot; Zijn dit allen geen vragen, die al spoedig opkomen bij een kind, dat zooveel opmerkt en zoo grif is, om bij alles, wat het hoort en ziet, naar het waarom te vragen? Blijft de vader op zulke vragen het ontwijkende antwoord geven, moet dan van zelf niet in den geest der kinderen immer de indruk dieper worden, dat toch eigenlijk ieder geloof goed is, als de mensch slechts zijn plicht doet en maar braaf leeft? Wordt echter de vader gedwongen, om voor zijne kinderen de noodzakelijkheid der ééne katholieke Kerk te handhaven, zal dan zijn woord, dat toch immer tegenover zijne niet-katholieke vrouw verschoonend en voor zoover het maar even gaan kan , verdraagzaam zal moeten wezen, met genoegzame overtuiging gesproken worden, om in het hart der kinderen den verkeerden indruk weg te nemen, die hun door het tegenstrijdig voorbeeld der moeder noodwendig wordt gegeven?

Voegt hierbij, m. V., dat een kind, vooral bij de beoefening van den uiterlijken godsdienst, het voorbeeld zijner moeder zoozeer behoeft , en gij zult begrijpen, wat kinderen missen moeten, die hunne katholieke opvoeding van eene niet-katholieke moeder ontvangen. Ook al verbeelden wij ons eene moeder, die haar best doet om hare kinderen aan te sporen en te dwingen, tot eene nauwgezette volbrenging van alle kerkelijke geboden, zij gaat hen toch niet voor met haar goed voorbeeld; en toch dat goede voorbeeld der moeder behoeven do kinderen. Zonder haar voorbeeld zijn hare vermaningen en aansporingen veeleer slechts een dwang, die in plaats van den katholieken godsdienst aantrekkelijk en behagelijk te maken, integendeel in de meeste gevallen het „Roomsch zijnquot; tot een last voor hare opgroeiende kinderen maakt.

„Moeder zelve hecht er niet aan.quot; Hoe spoedig komt bij zich ontwikkelende kinderen die gedachte op; eene gedachte, die zoo gemakkelijk bij hen zekerheid kan wórden door de woorden, die zij opvangen uit de gesprekken, die hunne moeder met hare niet-katholieke familie, met hare geloofsgenooten houdt. De schoonste dag van hun leven, de dag der eerste H. Communie, kaia in het oog der niet-katholieke moeder niet veel meer dan een „plechtige belijdenisdagquot; zijn, waarop zij zich misschien voorbeeldig beijvert, om haar kind zoo netjes mogelijk aan te kleeden en op te sieren en zich vele opofferingen getroost om

ocr page 191

11 t

er een huiselijk feest van te maken, „wijl de I'uomsclien aan dien dao; zooveel hechten.quot;

Gelukkig nog mag het genoemd worden, als een kind, op dien onvergetelijken dag, niet hooren moet uit den mond zijner moeder, wat zij in haren geest denkt en wat zij zoo gemakkelijk gelegenheid vindt op dien dag te uiten aan een of ander harer niet-katholieke familieleden: „Dat het toch eigenlijk ongerijmd is, om een kind van elf, twaalf jaren reeds zijne belijdenis des geloofs te laten doen.quot;

En nu denken wij nog niet eens, m. V., aan eene brave katholieke moeder, die dagen en weken te voren reeds begint, om haar kind voor dien gewichtigen dag der eerste H. Communie voor te bereiden; die naar gelang die dag nadert, vuriger wordt in haar gebed en immer welsprekender wordt in de wijze, waarop zij uit de volheid van haar geloovig en minnend hart spreekt tot het hart van haar kind over de liefde, waarmede Jesus ons bemint in Zijn aanbiddelijk Sacrament. Wij denken nu niet eens aan dien vooravond van dien allergelukkigsten dag, waarop het kind, na zijn Biecht gesproken te hebben, bij zijne moeder is wedergekeerd; als de moeder het dankbaar jegens God, die haar voor de tweede maal haar kind in staat van onschuld wedergeeft, vol geestdrift aan haar juichend hart drukt en het smeekt met tranen in hare zachte oogen, om toch nimmer de-liefde te verliezen, waarmede Jesus het nu bemint. Geen onderricht, geene opwekking, door wie ook gegeven, kan het gebed vervangen, dat eene brave moeder vol geestdrift bidt met haar kind, op den voomvond van den dag der eerste heilige Communie. Dan stort zij de innigste liefde, waarmede hare ziel voor Cod vervuld is, uit in het hart van haar dierbaar kind, opdat als Jesus morgen binnengaat in dat hart. Hij liet vervuld moge vinden van de heiligste gevoelens van dankbaarheid en van liefde, ü, dan leert zij haar kind, hoe het morgen bidden, dat is spreken moet met den aanbiddelijken Verlosser, wat het vragen moet aan hem, als Hij rust in zijn hart; hoe het aan Jesus goddelijke liefde beantwoorden en zijn vertrouwen Hem toonen moet. En als dan de ochtend van den grooten dag is aangebroken, dan vindt het gelukkige kind weder de biddende moeder aan zijne zijde, vol zorg, opdat de ingestorte heilige gevoelens niet zullen verdrongen worden door de verstrooiingen , die zoo licht door de kleeding en den tooi des lichaams opgewekt worden in den nog kinderlijken geest. Dan drukt zij het nogmaals diep in zijn hart, dat al die tooi en al die sieraden, waarmede zijn lichaam nu gesierd wordt, slechts eene uiterlijke eerbewijzing is, die aan Jesus gebracht wordt, en dat veel meer door de inwendige godsvrucht en liefde, dan door ieder uiterlijken tooi Jesus wil geëerd en verheerlijkt worden door hem. Welk een zegen, m. V., voor een kind, vooral op dien dag aan zijne zijde eene brave moeder te Levknsst. 12

ocr page 192

17s

hebben! Dit alles en zooveel meer nog moet van zelf een kind missen , dat zijne opvoeding van eene niet-katholieke moeder ontvangt. Hoe waar dan is het, wat de Synode van Utrecht zegt: Groot is het gevaar, dat uit gemengde huwelijken onverschillige, flauwe Katholieken zullen voortkomen.

Moge deze onderrichting, m. V., u bevestigd hebben in den plicht, die oj) alle Katholieken drukt; en wanneer God u roept tot den staat des huwelijks, bidt dan tot Hem, opdat Hij u eene vrouw geve, die krachtig is door haar katholiek geloof en die in staat zal zijn in uw toekomstig huisgezin den geestdrift op te wekken, welken de liefde van Jesus Christus zoozeer waardig is te ondervinden in de harten van hen, die Hem als hun Verlosser kennen , aanbidden en verheerlijken in Zijn allerheiligst Sacrament.

TWINTIGSTE ONDERRICHTING.

Het verschil des geloofs een gevaar voor liet huwelijksleven.

Er blijft ons nog over, m. V., om met u de vierde reden te beschouwen, door de Synode van Utrecht aangegeven, waarom de H. Kerk immer de gemengde huwelijken blijft afkeuren en verfoeien. Zooals wij reeds zeiden, wij kunnen deze vierde reden aldus omschrijven: „Wijl het verschil des geloofs een hinderpaal wordt voor den voortduur der wederkeerige liefde, daarom strijdt niets meer tegen den aard van den huwelijksband, dan dat ge-loovigen eene echtverbintenis sluiten met hen, die niet van hetzelfde geloof zijn.quot;

In zijne Encycliek van den 10 Febr. 1880 spreekt Zijne Heiligheid Leo XIII aldus: „Ook moet er voor gewaakt worden, dat de huwelijken tusschen katholieken en onkatholieken niet gemakkelijk begeerd worden. Wanneer inderdaad de zielen het over den godsdienst oneens zijn, is het zeker moeielijk, dat zij het lang over andere punten eens blijven. ')

„Een gemengd huwelijk,quot; zegt Pastoor van Campen, „zal een ongelukkig huwelijk wezen, omdat het wordt gesloten tegen den wil van God. Goede huwelijken worden in den hemel gesloten. Reeds de keuze, die een Katholiek doet, wanneer hij tot een gemengd huwelijk toestemt, wordt veroordeeld door God, omdat zij veroordeeld wordt door de II. Kerk, die voor ons de plaats van God op aarde bekleedt. En ziet, hoe de wil van God hier volkomen overeenstemt met ons eigen gezond verstand. Het is

') G. Peters, lleilzanip wenken.quot;

ocr page 193

it;»

in de wereld aangenomen cn ieder zal hot erkennen, dat er tot een gelukkig huwelijk gevorderd wordt eene zekere gelijkheid van

stand, van opvoeding, van denkwijze tusschen man en vrouw____

Men gelooft, en dikwijls terecht, dat verschil van stand en afkomst een beletsel is voor een gelukkig huwelijk. Maar zal dan het verschil van geloof niets afdoen ? O, zeer veel, want er is niets ter wereld, wat zoo diep ingrijpt in 's menschen hart en in zijne geheele vorming als juist het geloof, dat hij belijdt. En hoe zullen dan twee personen, zoo verschillend gevormd, gelukkig zijn met elkander, hoe zullen zij eenstemmig denken en handelen, als hun geloof zoozeer verschilt? De Apostel Paulus zegt: „De rechtvaardige leeft uit het geloof,quot; dus dat leven moet wel zeer verschillend wezen, als het geloof van een Katholiek en van een Protestant zoo hemelsbreed verschilt.quot;

Wilt u, m. V., door den schijn niet laten misleiden. Zeker gij zult in uw later leven dikwijls in de gelegenheid zijn, om gemengde huwelijken meer van nabij te beschouwen. Gij zult er dan misschien aantreffen, waarin alles oogenschijnlijk in vrede en geluk gaat. Verstandige menschen zijn zoo wijs, om hunne huiselijke moeielijkheden maar zooveel mogelijk bedekt te houden, en slechts de dwazen hangen hunne huwelijksrampen aan de groote klok. Maar daarom dan ook, m. V., al is misschien in vele gemengde huwelijken voor het uiterlijk alles in goede eensgezindheid en in de beste orde, al schijnt die katholieke man aan de zijde van zijne niet-katholieke vrouw ook gelukkig, die schijn kan nog zeer goed eene bittere spijt verbergen over een huwelijk, dat man en vrouw liever nimmer hadden willen sluiten met elkander.

Het kan ons niet verwonderen, m. V. Wat blijft er niet veel te wenschen over voor den Katholiek, die in een gemengd huwelijk leeft! Ook in het gunstige geval, waarin beiden op den duur in liefde blijven leven met elkander, zal toch immer voor den Katholiek, die gehecht is aan zijn katholiek geloof, deze smart aan zijn huwelijksgeluk knagen, dat de niet-katholiek in de dwaling volhardt. Maar ook afgezien van deze smart, die dan toch altijd nog kan gelenigd worden door de Iioojj op eene latere bekeering, welk een groot gevaar bestaat er niet voor huiselijke oneenigheid in vele dingen, daar waar man en vrouw het niet eens zijn over de gewichtigste levenszaak, over den waren weg naar den hemel? Welk vertrouwen kan de man stellen op het goed doorzicht zijner vrouw, welk geloof kan de vrouw hechten aan de wijsheid van haren man, terwijl zij elkander wederkeerig in dwaling zien over de hoofdvraag des levens: „Op welke wijze God moet gediend worden door den rnensch?quot; En als. de liefde, waarmede twee menschen elkander beminnen, gedragen wordt door het onbeperkt vertrouwen, dat zij in elkander stellen; als zonder dat vertrouwen geen ware liefde tusschen menschen bestaanbaar is, hoe kan er dan huwelijksliefde denkbaar zijn tusschen

ocr page 194

180

twee zielen, die elkander niet gelooven in het antwoord op deze vraag; „Hoe moet ik mijne onsterfelijke ziel in den heruel brengen ? quot;

Maar er is nog meer, m. V.; in het huwelijk moeten man en vrouw elkander behulpzaam zijn en met raad cn daad troostend ter zijde staan. Er komen in het leven van gehuwden tijden van beproeving, soms dagen van de bangste zorgen, dagen van bittere smarten, van pijnlijke slagen; dagen, waarop aardsche vertroostingen niet in staat zijn, om genoegzame bemoediging aan te brengen, maar waarop het menschelijk hart geen anderen troost aanneemt, dan die komt van God. Sombere dagen, waarop gehuwden één moeten zijn in gebed, willen zij de noodige kracht behouden, om met moed het hoofd te bieden aan de stormen der beproeving, en niet door het ongeluk overwonnen te worden. Zeker de katholieke man, de protestantsche vrouw kunnen te zamen bidden tot den éénen God, Dien zij beiden in zulke tijden vooral, zullen aanroepen en vreezen. Maar hoe geheel verschillend bidt hun beider ziel in zulke oogenblikken ? Terwijl de Katholiek zijne ziel vervult van vertrouwen op de ontferming van God, die zich laat verbidden en Zijne dreigende hand, om wille van het vertrouwvol en ootmoedig gebed, terugtrekt om niet te straffen, is het gebed van den protestant meer het hopeloos berusten in hetgeen God over hen heeft voorbeschikt. Het is het troosteloos zuchten en klagen der ziel, die zich Gods straffen waardig erkent, maar ook de hoop mist, dat wat wij hier met Jesus geleden hebben, zal afgetrokken worden van de schuld, die wij in het vagevuur zullen moeten uitboeten aan de strenge rechtvaardigheid van God.

In dagen, waarop rampen dreigen en waarop alleen de hoop op Gods hulp troost en bemoediging geeft, o, dan gevoelt de Katholiek levendig, wat het zeggen wil niet één te zijn in geloof en in vertrouwen met de vrouw, die aan zijne zijde zijne zorgen deelen, zijne rampen dragen moet. In het huwelijk, waarin man en vrouw beiden Katholiek zijn, wordt de godsdienstige vrouw voor haren man de troostende engel, die zijn wankelenden moed schraagt en zijn hart vervult van hoop op de reddende hulp van God. Dan vooral openbaart zich hare godsvrucht en stort zij hare weldadige vroomheid over in het hart van haren beproefden man. Dan houdt zij dagen en weken achtereen zijne hoop levendig, zoo noodig voor den man, die kampen moet tegen de stormen des levens. Dan wekt haar woord hem opom te steunen op de machtige voorspraak der allerheiligste Maagd en Moeder Gods Maria. Dan komt zij telkens' het vertrouwen van haren man verlevendigen door in zijn hart hare hoop over te storten op de tusschenkomst van die andere Heiligen, die in de verschillende rampen, waaraan wij bloot staan in ons leven, een ieder, om zoo te spreken „zijn ramp, zijne ziekte, zijn onheilquot; heeft, waartegen hij afwerend of helend voor ons optreedt voor den troon van God.

ocr page 195

1S1

Dit alles eu nog zooveel meer mist lt;lc katholieke man. die aan zijne zijde eene niet-katholieke vrouw heeft. Zegt niet: „O, hoe-vele katholieke mannen zijn er niet, die zich weinig om de ver-trouwvolle godsvrucht hunner vrouwen bekommeren.quot; Want ook ongodsdienstige mannen toonen zich in tijden, van zorgen en dreigende of werkelijke rampen dikwijls geheel anders, dan zij zijn in de dagen van voorspoed .en vreugde. Nood leert bidden, m. V., en in tijd van nood bidt ieder mensch, volgens de overtuiging van zijn geloof. In tijden van nood bidt de Katholiek op katholieke wijze; dan kan slechts dat gebed hem bevredigen en bemoedigen, wat overeenkomt met lt;le gevoelens, die het katholiek geloof heeft ingedrukt in zijne ziel. Teder ander gebed laat hem koud en onbevredigd, en vandaar welk eene leegte de Katholiek gevoelt in zijn huisgezin, als hij bij smart en bij tegenspoed aan zijne zijde eene vrouw ziet, die niets begrijpt en nog minder gevoelt, wat zijne ziel alsdan noodig heeft, om het vertrouwen en den moed levendig te houden in hem. Zal die leegte hem niet gemakkelijk kunnen voeren tot ontevredenheid, tot gemelijkheid, en dat wel juist in die oogenblikken, waarin wederkeerige, hartelijke liefde de grootste kracht moet geven, om aan do stormen des levens moedig het hoofd te bieden?

Maar gaan wij verder, m. V., en noemen wij andere redenen nog, waarom bet verschil des geloofs een hinderpaal wordt voor den voortduur der wederkeerige liefde tusschen gehuwden. In het huwelijk zijn twee menschen tot de innigste eenheid met elkander verbonden. Opzettelijk leggen wij den vollen nadruk op het woord menschen. Het huwelijk is do innige vereeniging van twee menschen, dat wil zeggen, van twee wezens, die hoezeer beiden ook van goeden wil mogen zijn, toch beiden hunne gebreken, ja somwijlen hunne ondeugden hebben. Gehuwden moeten aan elkander veel kunnen vergeven, m. V., en de hoop op verbetering moet hen krachtig bewegen, om edelmoedig de hand der oprechte verzoening elkander toe te reiken. Laat mij u duidelijk zeggen , wat ik hier bedoel. Eene protestantsche vrouw, m. V., gaat nimmer „biechten.quot; Gevoelt gij niet wat dit zeggen wil? Zij hoort dus nimmer eens de stem van hem, die in den biechtstoel zit, ja, om op de eerste plaats, in den naam van Jesus Christus, de zonden te vergeven, maar die daar ook is , om voor de toekomst te vermanen, om de middelen aan de hand te geven, ten einde in de zonden niet te hervallen, en door de ernstigste en dringendste beweegredenen den wil te bevestigen in het voornemen, van nimmer meer het kwaad te bedrijven.

Het geschiedt niet zoo zeldzaam , m. V., als gij misschien wel meenen zult, dat protestantsche vrouwen voor hunne katholieke mannen den raad en do hulp komen vragen van den katholieken priester. „Mijn man biecht hij u, mijnheer, als u hem eens wildet toespreken; hij is onder slecht gezelschap geraakt; hij heeft

ocr page 196

1 S-_gt;

dat vroeger nog eens gehad ; en toen brak hij spoedig dien kwaden omgang af, nadat een priester hem toegesproken en vermaand had.quot; Of wel eene andere vrouw, die bij een katholieken priester komt en aldus vraagt: „Ach, mijnheer, het gaat tegenwoordig bij ons in huis niet goed, mijn man handelt verkeerd; ik wil er verder niets van zeggen, maar als u hem eens wildot opzoeken en hem aanraden, om eens „te biechtenquot; te gaan, ik geloof dat dit goed zou zijn; hij is sinds Paschen niet meer geweest.quot; Hecht zulk eene protestantsche vrouw aan het Sacrament der Biecht? O, volstrekt niet voor zich zelve, maar de ondervinding heeft haar toch geleerd, dat haar man, als hij weder eens de Sacramenten heeft ontvangen, met nieuwen ijver bezield is, om zijne verplichtingen als echtgenoot en vader getrouw te vervullen; dan wordt hij weder tevredener en zachtmoediger, dan komt hij weder tijdiger des avonds te huis, dan wordt hij hartelijker weder voor haar én voor zijne kinderen.

Maar dit alles is nu zeer schoon van de zijde der vrouw gezien; doch wat niet zoo schoon kan genoemd worden is, dat de katholieke man voor de gebreken, voor de zonden zijner protestantsche vrouw zulke middelen ter zedelijke verbetering mist. Welke afdoende middelen moet hij kiezen, wanneer zijne vrouw hare verplichtingen als echtgenoote en moeder gaat vergeten, als het hare schuld wordt, dat het in zijn huisgezin verkeerd gaat. Gij zult meenen, dat toch ook de Protestant in zijn godsdienst de middelen vinden kan tor zijner zedelijke verbetering. Zéker, m. V., ook de Protestant vindt in het weinige, wat hij van den waren godsdienst overhield , nog eenige middelen en opwekkingen, om wat kwaad en verkeerd is te verbeteren. Maar die middelen moet de Protestant voor het grootste gedeelte zoeken in zijn eigen hart. Het levendig bewustzijn kwaad gedaan te hebben en de spijt en het berouw over zijne kwade handelingen, moet voor het meest zijn eigen werk zijn. Zeker hij kan bidden en vurig smeeken tot God, en God kan met Zijne alvermogende genade uitwerken, dat de ziel ook van don meest schuldigen mensch wordt aangegrepen door dat volmaakt berouw, waardoor met de vergiffenis der zonde ook de krachtigste verfoeiing van het kwaad haar mode-gedeeld wordt. Maar, terwijl do werking van Gods genade op de ziel des menschen, voor ons onder de grootste geheimen moet gerekend worden, blijft toch de groote vrees bestaan, dat voor hen, die het Sacrament der Biecht missen, eene vergiffenis van zonden en eene oprechte bekeering, zeker wel mogelijk zijn, maar met dit alles toch dikwijls twijfelachtig blijven zullen. Laten wij immer, m. V., alles blijven hopen van de barmhartige genade Gods, voor het eeuwig heil onzer dwalende medemenschen, maallaat die hoop ons nimmer zoo ver voeren, dat wij, waar het ons eigen heil geldt, zouden gaan meenen, dat in iederen godsdienst de middelen, om braaf te leven en zijne ziel zalig te maken,

ocr page 197

even doeltreffend zijn. Wanneer wij ooit zulk ecne meening gingen koesteren, dan zouden wij schipbreuk lijden in ons geloof en ophouden dankbaar te zijn jegens onzen aanbiddelijken Verlosser, die ons de verschillende Sacramenten hoeft gegeven, opdat oen ieder, in zijnen levensstaat, ilie genade zou ontvangen, die hij telkens in zijne bijzondere gesteltenis der ziel behoeft, om zijne verplichtingen des levens te vervullen en braaf en godsdienstig te midden der veelvuldige gevaren te leven hier op aarde. Er worden brave en godsdienstige menseben onder de Protestanten gevonden, gelijk er vele brave en godsdienstige mensehen onder de Katholieken zijn. Maar gelijk er helaas! ook slechte Katholieken zijn, zoo vindt men dezen ook onder de Protestanten, en wanneer iemand nu de vraag wilde stellen bij wie van dezen is er meer hoop op zedelijke verbetering, op waarachtige bekeering, bij de Katholieken of bij de Protestanten? dan zou de Katechismus het antwoord kunnen geven: „In de Katholieke Kerk alleen is bet waar gebruik der heilige Sacramenten te vinden, die ons heilig maken.quot;

Wat volgt nu uit hetgeen wij gezegd hebben? Dat in gemengde huwelijken immer een groot gevaar bestaat , dat op den duur van tijd de wederkeerige liefde tusscben man en vrouw verloren gaat. Van waar dit gevaar? Omdat in een gemengd huwelijk de Protes-stant de ware middelen mist, door Christus ons geschonken, om zich te heiligen in eene getrouwe vervulling der plichten van zijnen levensstaat. Is hij zwak tegenover sommige gevaren, waaraan hij bloot staat, dan kan hij de kracht niet zoeken in de middelen, door Christus ons gegeven, om ons sterk te maken. Valt hij in eenig misdrijf, dat rechtstreeks indruischt tegen do heilige verplichtingen, die bij als gehuwde moet vervullen, wanneer zal bij opstaan en tot God, zijnen barmhartigen Vader, weder-keeren, hij, die niet biecht en dikwijls zoo weinig aansporing ontvangt, om zich met don beleedigden God te verzoenen? Geraakt bij verward in den strik der verleiding, wie zal in staat zijn, om hem tijdig te waarschuwen en bij alles, wat heilig is, te smeeken, om toch dien strik te verbreken, opdat hij toch geen onherstelbaar wee over zijn buisgezin brenge en zichzelven naar ziel en lichaam in het verderf storte?

En behoef ik u nog te zeggen, dat wanneer eenmaal de plichten, die gehuwden tegenover elkander te vervullen hebben, worden verwaarloosd; als zij hunne wederkeerige rechten gaan minachten en schenden, dat dan het huwelijksgeluk is vervlogen en de band der wederkeerige liefde voor immer is verbroken?

Maar dit zoo zijnde, is het dan niet voor den Katholiek onverantwoordelijk, wanneer hij hel waagt zijn leven te verbinden met iemand, die boe braaf en zedelijk bij ook wezen moge op don dag des huwelijks, toch immer een mensch blijft, en die, als op den duur van tijd, moeielijkhedon, gevaren en verleidingen zich

ocr page 198

m

opdoen, in zijn godsdienst niet de middelen zal vinden, die hij weet, dat de katholieke godsdienst aanbiedt, om den mensch sterk te doen zijn in iederen strijd, om hom tijdig op te heffen, als hij in een zwak oogenblik struikelde, om bij hem, die van goeden wil is, te voorkomen, dat het schenden van rechten en het ver-waarloozen van heilige plichten nimmer een gevestigde toestand worden zal?

Maar er is een laatste reden nog, die wij hier echter slechts willen aanstippen. Krachtens de onwrikbare wetten van zijn H. Geloof is de Katholiek onwankelbaar in zijne overtuiging, dat liet huwelijk slechts door den dood kan ontbonden worden. Voor den gehuwden Katholiek is er maar céne werkelijke ontbinding van zijn huwelijk denkbaar en wel de ontbinding, dio bij den dood van één van beiden plaats heeft. Welke kracht deze overtuiging mededeelt, om veel te dulden, veel te hopen, veel te vergeven en schier alles te dragen, behoef ik u niet verder aan te duiden. Voegt hierbij dé overtuiging van den Katholiek, dat hij bij zijn huwelijk den plicht op zich heeft genomen, om niet enkel voor het lichaam, maar vóór alles voor de ziel bezorgd te zijn van diegene, met wie hij gehuwd is, en gij zult begrijpen, dat de Katholiek in zijn geloof de krachtigste aansporingen vinden zal, om in het huwelijk de liefde voor elkander te bewaren en telkens te verlevendigen.

•Bij hen, die in dwaling zijn daarentegen, bestaat de wet van den onverbreekbaren huwelijksband niet. Bij hen blijft immer de mogelijkheid bestaan, dat het huwelijk, ook bij het leven dei-beide gehuwden, ontbonden kan worden. In het ongunstigste geval, wanneer zij, die gehuwd zijn met elkander, niet tot eensgezindheid kunnen komen, is hun liet vooruitzicht opengesteld, om voor immer van elkander te scheiden, zich vrij te maken van den band, waarmede zij door hun huwelijk zich verbonden hadden met elkander en, van dien band bevrijd, blijft hun de vrijheid, om tot een nieuw, tot een ander huwelijk over te gaan.

Maar dan ook hier deze vraag, m. V., kan er eene ware eenheid zijn tusschen gehuwden . die over dit hoogste punt, over de ontbindbaarheid van het huwelijk, eene verschillende overtuiging hebben. Kan er eenheid zijn in een gemengd huwelijk tusschen den man, die overtuigd is, dat zijn huwelijk slechts door den dood kan ontbonden worden, en tusschen de vrouw, die ook de mogelijkheid aanneemt, da.t haar huwelijk, tijdens hun beider leven, kan ontbonden worden?

Het zou ons te ver voeren, m. V., wilden wij de verschillende gevolgen aanwijzen, die uit dit verschil van godsdienstige overtuiging kunnen voortkomen. Genoeg echter is het voor ons doel, u er op gewezen te hebben, hoe ook om deze reden het verschil van geloof een hinderpaal wordt voor den voortduur der weder-keerige liefde.

ocr page 199

ISö

Ziedaar n dan, m. V., de vier gronden uiteengezet, waarop de Provinciale Synode van Utrecht tie gemengde huwelijken op de meest dringende wijze afkeurt en aan de Katholieken verbiedt. Zij noemt een gemengd huwelijk „een heilloozen omgang in liet godsdienstige met hen, die in dwaling zijn.quot; Gemengde huwelijken , zegt zij , leveren een groot gevaar op voor het zielenheil der katholieke partij , zoo niet door den afval van het ware geloof, wat tocli immer meer of minder dreigend is in een gemengd huwelijk, dan toch door het gevaar, dat altijd bestaat van in de beoefening van den katholieken godsdienst onverschillig en dus ongodsdienstig te worden.. De derde grond is het gevaar, dat de kinderen loopen, uit gemengde huwelijken geboren, van ofwel buiten de eenheid der II. Kerk, in de dwaling opgevoed te worden, öf althans tot lauwe, ongodsdienstige Katholieken op te groeien. Als vierde grond geeft de Synode aan; Dat het verschil des geloofs in een gemengd huwelijk een hinderpaal wordt voor den voort-duur der wederkeerige liefde; waarom zij dan ook zegt: „Niets -strijdt meer tegen den aard van den huwelijksband, dan dat ge-loovigen eene echtverbintenis sluiten met hen, die niet van hetzelfde geloof zijn.quot;

Bij de nadere uiteenzetting dezer vier gronden heb ik geen ander doel kunnen hebben dan uw geestelijk en tijdelijk welzijn. Wanneer liet de noodzakelijkheid eischte, dat ik over hen, die in dwaling zijn, sprak op eene wijze, welke hun misschien hard kan schijnen, dan deed ik dit, wijl het mij eene dure plicht scheen, om u niet zonder onderricht in zulk een gewichtige zaak van onzen godsdienst te laten; terwijl ik u ten slotte smeek, om van alle gemengde huwelijken, die gij kent en in uw verder leven nog kennen zult, het beste te denken en het beste te 1 gt;1 ij ven hopen, maar immer slechts onder deze eene voorwaarde: Hun voorbeeld mag nimmer op uw eigen hart, op uw eigen geest dien invloed uitoefenen, dat gij anders zoudt gaan denken en gevoelen over de gemengde huwelijken , dan de H. Kerk, die dezen immer verfoeid heeft, en altijd op de krachtigste wijze afkeurt en aan hare kinderen verbiedt.

Wij zouden nu, m. V., onze onderrichtingen over de gemengde huwelijken kunnen eindigen, ware het niet, dat wij nog een laatste woord over de dispensatie in het huwelijksverbod „gemengd huwelijkquot; spreken moesten. Wij hebben u uitvoerig gesproken over het onheil, dat uit gemengde huwelijken pleegt voort te komen, en wij deden dit niet zoozeer, wijl wij vreesden, dat iemand uwer ooit genegen zou zijn, om zulk een huwelijk aan te gaan, als wel om u verschillende beweegredenen aan de hand te geven, waardoor gij later in staat zult zijn om anderen van het aangaan van zulk een huwelijk af te houden.

In deze meening nog deze vraag. Hoe zult gij moeten handelen, wanneer gij later iemand, op wien gij, hoe dan ook, invloed

ocr page 200

ISfi

kunt uitoefenen, aantreft, die besloten is om een gemengd huwelijk aan te gaan? Veronderstellen wij, dat gij zulk een Kalholiek op alle wijzen hebt vermaand, om zulk een huwelijk nimmer te sluiten. Gij hebt, naar gelang uw invloed op hem grooter is, alle mogelijke middelen aangewend, om hem van zijn heilloos plan af te brengen. Helaas! al uw beste en wijste pogingen hebben niets gebaat en zijn afgestuit op zijn onwankelbaar besluit, dat hij zijn gemengd huwelijk zal aangaan. Welnu, dan zult gij uw laatste pogingen moeten aanwenden, om hem te bewegen niet voor den ambtenaar van den Burgerlijken Stand zijn huwelijk te sluiten, alvorens hij zijne zaak voorgesteld heeft aan den Pastoor, tot wiens parochie hij behoort. En dezen raad, dien ik u nu geef, moet gij niet licht tellen. Integendeel, van de uitkomst toch van dezen raad kan veel afhangen. Ziehier waarom ?

1. W anneer hij , die besloten is een gemengd huwelijk te sluiten, zijne zaak aan zijn Pastoor gaat voorstellen, dan kan deze zijne laatste krachtigste pogingen aanwenden, om zoo mogelijk nog dit gemengd huwelijk te keeren.

2. Lijden ook deze pogingen schipbreuk op den onverzette-lijken wil van hem, die besloten is liet gemengd huwelijk te sluiten, dan zal toch do Pastoor, door voorzichtige vragen te stellen, tot de kennis kunnen komen, of er misschien nog een of ander huwelijksbeletsel aanwezig is, waardoor toch het trouwen voor de burgerlijke wet voor God en het geweten eene ongeldige daad zou zijn, wijl zij met elkander niet kunnen trouwen.

3. Opdat de Pastoor zelf zal kunnen beslissen, of er zwaarwichtige redenen aanwezig zijn, om dispensatie voor dit gemengd huwelijk aan te vragen, en of het in de omstandigheden van plaats en personen, nuttig of niet nuttig is, om de aanvraag van dispensatie te doen.

Herinnert u, m. V., wat wij u vroeger gezegd hebben over de dispensatie en over de uitdrukkelijke voorwaarden, die de H. Kerk eischt, wanneer zij haar verbod opheft van een gemengd huwelijk aan te gaan. Wat werkt de dispensatie in een gemengd huwelijk uit?

De dispensatie neemt wel niet do redenen weg, die de H. Kerk er toe gebracht hebben, om dit huwelijksverbod voor hare kinderen vast te stellen , maar zij bewerkt toch: 1. dat het geoorloofd wordt om zulk een huwelijk te sluiten, wat anders zonder doodzonde niet zou kunnen geschieden.

2. Door de voorwaarden, wier vervulling de 11. Kerk eischt, alvorens zij de dispensatie verleent, poogt zij, zooveel mogelijk, de noodlottige gevolgen af te weren, die uit gemengde huwelijken voortkomen. Herinnert u deze voorwaarden. De H. Kerk eischt : een gewettigd bewijs onder twee getuigen, niet onkel door de katholieke, maar ook door de protestantsche partij onderteekend, waarin verklaard wordt, dat alle kinderen, die uit dit huwelijk

ocr page 201

1S7

zullen geboren worden, katholiek gedoopt en opgevoed zullen worden; dat de katholieke partij in niets zal belemmerd worden , wat de vrije uitoefening van haren godsdienst aangaat en de katholieke partij naar vermogen, zij het dan ook met wijsheid en groote voorzichtigheid, zal beproeven, om de niet-katholieke partij van hare dwaling af te trekken.

Welnu, bij een gemengd huwelijk eigenmachtig te beslissen; „ik geef mijne toestemming nooit,quot; is eene beslissing, m. V., die, naar mijne heilige overtuiging, zelfs niet door ouders tegenover hun kind mag genomen worden. In de meeste gevallen behoort die beslissing uit te gaan van den Pastoor der parochie. Hij is als herder gesteld over de kudde, hij moet weten en beslissen voor ieder geval in het bijzonder, tevens rekening houdend met het algemeen belang zijner kudde, of er voldoende gewichtige redenen aanwezig zijn, om de dispensatie aan te vragen. De ondervinding leert, hoe ouders, ook met de beste en heiligste bedoelingen, het onherroepelijke voor bun kind bederven kunnen, wanneer zij tegenover hun kind onwrikbaar blijven vasthouden aan hun besluit: „Trouw dan maar zonder mijne toestemming.quot; Wat is dikwijls het noodlottig gevolg van zulk een besluit? Dat zulk een kind, verbitterd tegen zijne ouders, die hunne toestemming voor zijn huwelijk bleven weigeren tot het laatste toe, en verbitterd tegen de Kerk, van wie het gelooft afgestooten te zijn, in staat van doodzonde zijn huwelijksleven ingaat. Onder zulke omstandigheden sluit hij zich gemakkelijk aan bij zijne protestantsche familie, die dikwijls des te hartelijker zullen wezen, naarmate de moeielijkheden grooter zijn geweest, die overwonnen moesten worden, om tot het huwelijk te komen. Reeds aanstonds dan rijzen dikwijls de eigenaardigste gevaren voor het geloof op. Hoe hatelijk wordt dan vaak de H. Kerk afgeschilderd en hoezeer wordt dan dikwijls de protestantsche partij van het huwelijk opgehitst tegen „die Roomsche Kerkquot; en tegen „die Roomschen, die zich zoo verzet hadden tegen haar huwelijk.quot;

En toch, m. V., in een gemengd huwelijk is het van zulk een hoog belang, dat de protestantsche partij gunstig gestemd zij voor de Katholieke Kerk. Dit hoog belang geldt vooreerst voor de katholieke partij des huwelijks, die veel gemakkelijker en rustiger hare katholieke verplichtingen, in het gemengd huwelijk zal kunnen vervullen, wanneer de Protestant goed gestemd is jegens de Katholieke Kerk, dan wanneer het tegendeel het geval is. Maar dit hoog belang geldt vooral ook voor de kinderen, die uit zulk een gemengd huwelijk zullen geboren worden. Welk een groot gevaar bestaat er niet voor zulke kinderen, dat zij in de dwaling zullen worden opgevoed, wanneer hunne ouders om wille van het katholiek geloof, zoovele moeielijkheden bij het sluiten van het huwelijk ondervonden hebben!

ocr page 202

iss

Is daarentegen de protestantsche jjartij van liet gemengd huwelijk, reeds vóór het sluiten van het huwelijk in aanraking gekomen met den Pastoor — wat van zelf geschieden moet wanneer er sprake komt van dispensatie aan te vragen — hoeveel grooter dan is de kans, dat zij, getroffen door de minzaamheid van den priester, gunstig denken gaat over den katholieken godsdienst en vele indrukken ontvangt, die haar zullen bijblijven haar geheel leven en aan de katholieke partij de vervulling barer godsdienstige verplichtingen zooveel te gemakkelijker zal maken. Ook dan zelfs, wanneer de Pastoor geene genoegzame redenen zou kunnen vinden, om de dispensatie aan te vragen, of wanneer hij, om andere gronden bet niet mogelijk of niet dienstig zou achten, om haar aan te vragen, zou toch immer eene minzame en liefderijke bespreking met de protestantsche partij vóór het sluiten van bet gemengd huwelijk, de heilrijkste gevolgen voor de toekomst kunnen hebben. De Pastoor zal van dan af ook dit schaap zijner kudde persoonlijk kennen en wederkeerig zal de Protestant den Pastoor kennen. De toenadering zal én voor den Pastoor én voor de protestantsche partij gemakkelijker zijn, als straks de groote vraag oprijst: Of de kinderen Katholiek gedoopt en opgevoed zullen worden? De invloed van den Pastoor op dit huisgezin zal grooter zijn, als bij waken zal, opdat rooide katholieke partij het gevaar voor het geloof of voor ongodsdienstigheid zooveel mogelijk afgewend worde, en hij bij ziekte spoedig geestelijke hulp erlange.

Daarom, m. V-, indien gij ooit in uw verder leven iemand in uwen kring zult aantreffen, op wien gij, hetzij door bloedverwantschap of aanverwantschap, hetzij door vriendschap of gezag, invloed kunt uitoefenen en die onherroepelijk besloten is, om een gemengd huwelijk te sluiten; wanneer gij te vergeefs alles beproefd hebt, om hem van zijn besluit af te brengen, stelt dan al uwe pogingen in het werk, om hem te bewegen tijdig vóór bet sluiten des huwelijks, zich met de protestantsche partij bij den Pastoor te vervoegen en aan dezen zijne huwelijkszaak voor te stellen. Gij zult een grooter goed doen, dan gij misschien wel zult inzien, wanneer gij deze laatste pogingen met ijver in het werk zult stellen.

Eindigen wij, m. V.. deze onderrichtingen over het gemengd huwelijk, met u aan te sporen, geheel uw leven door in het bijzonder te bidden voor hen, die in gemengde huwelijken leven. Zoowel de Protestanten als de Katholieken verkeeren in een bijzonderen geestelijken nood, wanneer zij in gemengde huwelijken leven. Is het niet de heilige wil van God, dat wij bidden zullen voor allen, die in nood zijn, en die wij dikwijls op geene andere wijze zullen kunnen helpen, dan door ons vurig en volhardend gebed?

ocr page 203

IS!)

EEN EN TWINTIGSTE ONDERRICHTING.

Over de keus van eeu meisje.

Herinneren wij ons nog eens m. V., wat wij vooropgesteld hebben, toen wij u over de keus van eene aanstaande vrouw spreken gingen. Wij vermaanden u om toch nimmer eene keus te doen van een meisje, dat gij niet kiezen mooyt, wijl God en Zijne H. Kerk u die keus verbieden. Zoo vonden wij gelegenheid, om u te spreken over eenige huwelijksbeletselen en huwelijksverboden, die, wanneer zij tusschen twee personen bestaan, het huwelijk ongeldig of wel ongeoorloofd maken. Niet ieder man kan met iedere vrouw trouwen, zeiden wij; niet ieder man mag met iedere vrouw trouwen. En na u eenigen dier huwelijks-beletselen en huwelijks-verboden uiteengezet te hebben, stelden wij u in het bijzonder de ernstigste redenen voor oogen, die do H. Kerk bewogen hebben om liet huwelijksbeletsel „bloedver-wantschapquot; en het huwelijksverbod „gemengd huwelijkquot; onder hare wijze wetten op te nemen.

Thans, m. V., willen wij u nog eenige goede wenken geven, die u heilzaam kunnen zijn, wanneer gij, door God geroepen tot den staat des huwelijks, eene keus zult moeten doen van eene aanstaande vrouw.

Stellen wij derhalve de vraag: Wat moet een jonkman in acht nemen, om eene goede keus eener aanstaande vrouw te doen? Wij veronderstellen, dat hij zijne roeping tot het huwelijk erkend heeft, dat hij in staat is om te kunnen trouwen, dat wil zeggen: dat hij, zoo niet reeds aanstonds, dan toch, na een niet te lang gerekten tijd van verkeering, in staat zal zijn een eigen huisgezin te onderhouden, volgens den stand, waarin hij leeft. Wij veronderstellen, dat hij tegenover zijne hulpbehoevende ouders geene bijzondere verplichtingen te vervullen heeft, die het raadzaam, zoo niet plichtmatig maken, om staande deze verplichtingen, zijn huwelijk uit te stellen; dit laatste in den zin en onder voorbehoud van alles, wat wij u uitvoerig in onze vroegere onderrichtingen over dit gewichtig punt gezegd hebben.

Boven alles dan zal zulk een jonkman moeten beginnen met God vurig te bidden, en dit gebed zal zich niet bij enkele malen moeten bepalen, maar het zal een dringend en een volhardend gebed moeten zijn, telkens met nieuwen aandrang opgezonden tot den hemel, totdat het God behagen zal hem bij deze gewichtige keus voortelichten en te helpen. „Huis en have krijgt men van zijne ouders, maar eene brave huisvrouw komt eigen-

ocr page 204

190

lijk van den Heer.quot; ') En „.als de Heer het buis niet bouwt, dan arbeiden de bouwlieden daarvan te vergeefs.quot; '-) God bestuurt en regelt alles, Hij beschikt over ons lot; in Zijne weldadige macht zijn alle harten der raenschen; Hij stort iedere goede geneigdheid, ieder heilig verlangen in. Door een vurig en volhardend gebed moeten wij God bewegen, om ons Zijne gunsten en weldaden te geven. Eer.e goede vrouw is eene der groote weldaden, waarmede God den man verrijkt, die door Hem voor den staat des huwelijks bestemd is. Bidden dus moet de jonkman, die voor de keus gesteld is eener aanstaande vrouw, en door de vurigheid en door de volharding waarmede hij Gods hulp afsmeekt, moet hij toonen, hoezeer zijne ziel doordrongen is van zijne eigen onmacht, om eene goede keus te doen. In het volle bewustzijn van het groote gewicht dezer keus, moet hij hulp zoeken bij Gods vrienden in den hemel en zijn heiligen engelbewaarder aanroepen, zijne hoop stellen op de alvermogende voorspraak van Jesus' allerheiligste Moeder, op de machtige bescherming van den H. Joseph, den patroon van het christelijk huisgezin, op de voorbede van die beschermheiligen, aan wier hoede hij is toevertrouwd geworden, toen hij het Sacrament des Doopsels ontving.

In dien tijd vooral moet de jonkman er zich op toeleggen, zijne ziel van de smetten der zonden vrij te houden, opdat hij , biddend met een zuiver en rein hart, bekwaam moge wezen om de heilige indrukken op te vangen, die God zich gewaardigen zal in te storten in zijne ziel en waardoor al zijne verlangens heilig, al de neigingen van zijn hart zuiver en kuisch zullen blijven.

Op deze wijze zich sterk en voorzichtig makend door het gebed, moet deze jonkman de onschuldige gelegenheid zoeken, om in kennis te komen met zulke meisjes, die hem in leeftijd en in stand nabij komen, en onder wie hij vertrouwen kan, dat God de vrouw hem zal aanwijzen, die Hij voor hem bestemd heeft. „Men moet,quot; zegt Pastoor vax Campex , „zich bij het doen dei-keuze meer laten leiden door het hart, dan door het verstand. Het huwelijk is gegrond op liefde, en de liefde zetelt in het hart; daarom moet het hart meer dan het verstand bij de keuze geraadpleegd worden. De jongeling, die tot het huwelijk besloten is, ontmoet een meisje, voor wie hij eene zekere genegenheid, eene aantrekkelijkheid gevoelt, welke hij niet altijd verklaren kan, maar die hij niet moet versmaden, die zich misschien allengs tot ware liefde verheffen zal. Maar men moet ook noodzakelijk zijn verstand raadplegen, dat is, men moet de persoon, tot welke zich het hart getrokken gevoelt, toetsen met zijn verstand, en nauwkeurig toezien, of zij de hoedanigheden bezit, die een man voor zijn volgend leven gelukkig kunnen maken.quot;

1) Prov. XIX, 14. 2) Ts. CXXV1, v. 1.

ocr page 205

191

Wilt toch nimmer, m. V., u bij deze keus enkel laten geleiden door het behagelijk voorkomen van een meisje. Zeker, ook bij deze kens gebruikt God de natuurlijke middelen, die Hij gesteld heeft, om Zijne doeleinden met iederen mensch in het bijzonder te bereiken; maar ook hier geldt de wet: Dat wij nimmer het middel met het doel moeten verwarren.

„Jongeling,quot; zoo waarschuwt Pastoor van Campen, „laat in geen geval uwe keuze zich bepalen alleen door uiterlijke schoonheid. Niets is zoo vergankelijk als dat; eene ziekte, een val of een ongeluk is voldoende, om van de schoone vrouw die gij getrouwd hebt, eene misvormde te maken; maar ook al blijft zij schoon, de schoonheid is altijd zeer betrekkelijk, en door hem, die ze dagelijks ziet, wordt ze spoedig niet meer opgemerkt. Bovendien, 't is een christen onwaardig, wanneer hij zich alleen door lichamelijke schoonheid in zijne keuze zou laten leiden. Gij moet verder zien en letten in de eerste plaats op de hoedanigheden der ziel van haar, met wie gij een huwelijk sluiten wilt.quot;

Ach! hoe beklagenswaardig zijn zij, die zich in hunne keus van eene vrouw, enkel lieten leiden door uiterlijke schoonheid en eenmaal gehuwd zijnde, helaas! ondervinden moeten, dat dit behagelijk uiterlijk een hart verbergt, hetwelk zoo weinig beminnelijk is en ondeugden omvat, die de liefde uitdooven, een korten tijd door uiterlijke schoonheid opgewekt in hun hart! Welk huwelijksgeluk kan een man verwachten van eene vrouw, die hoe schoon en bekoorlijk haar uiterlijk ook moge wezen, onbestendig en grillig, of zorgeloos en verkwistend, of afgunstig en twistziek, of zonder ernst en immer lichtzinnig, of ijdel en trotsch en hoogmoedig is? Welk bitter wee brengt de vrouw, met al hare bekoorlijkheden over den man, als zij niet standvastig is in de deugd; als het hart van haren man zich niet langer op haar kan verlaten; als zij haren plicht als echtgenoote schendt; als zij ontrouw wordt aan het woord, dat zij hem heeft gegeven op den dag, toen hij zijn leven onafscheidelijk met het hare verbond! O, m. V., het zijn allen zulke verheven plichten, die eene vrouw met (le grootste toewijding in hot huwelijk moet vervullen. Als haar hart beheerscht wordt door ondeugden, die rechtstreeks ingaan tegen het heil, dat in het huwelijk beoogd wordt, hoe bitter beklaagt dan de man de lichtzinnigheid, waarmede hij zich door uiterlijke schoonheid liet vervoeren, zonder ernstig acht te slaan op het hart der vrouw, waaruit alleen zijn huwelijksgeluk kon voortkomen!

Daarom, m. V., als gij ooit eene keus gaat doen van eene aanstaande vrouw, wilt dan, alvorens uw hart gewonnen te geven aan uiterlijke bekoorlijkheid, een ernstigen blik trachten te slaan in hot hart van het meisje, dat gij kiezen wilt. Wat ik u smeeken wil, verbindt nimmer uw leven aan eene vrouw, van wie gij ondervinden zult, dat zij beheerscht wordt door zedelijke gebreken,

ocr page 206

die gcene op zich zelf staande zwakheden, maar werkelijke en ingrijpende ondeugden zijn. Eene volmaakte vrouw vinden, welke man zal zoo gelukkig zijn? Maar m. V., er ligt nog een breede weg tusschen de volmaaktheid en de ondeugd, die diepe wortelen geschoten heeft in het hart des menschen. Kiest u nimmer tot vrouw een meisje, van wie gij ondervinden zult, dat haar hart zedelijk bedorven is en door eenigen boozen hartstocht, welke dan ook, beheerscht wordt.

Zoekt naar een c/udsdienstig meisje. I)c godsdienst moet ons menschen, met de hulp van Gods genade, braaf, dat is: zedelijk goed maken. Welk mensch kunnen wij naar waarheid braaf en goed noemen? De mensch, die zijn geheel leven regelt naar den heiligen en oppersten wil van God, en die om wille van God er voortdurend naar streeft, om de verplichtingen van zijnen levensstaat zoo nauwgezet mogelijk te vervullen. Zulk een mensch klimt op van deugd tot deugd en streeft geheel zijn leven naar heiligheid en volmaaktheid, gelijk Christus het heeft bevolen: „Weest volmaakt, gelijk uw hemelsche Vader volmaakt is.quot; En van daar, m. V., waarom het van zulk een hoog belang is voor den gehuwden man, dat hij aan zijne zijde eene godsdienstige vrouw heeft, wier godsdienstig gevoel haar voortdurend aanspoort, om met nauwgezetheid al hare gewichtige plichten als huismoeder en echtgenoote te vervullen, die met edelmoedige liefde alles voor haren man wil zijn, zichzelve telkens verloochenend, om hem gelukkig te maken voor tijd en eeuwigheid. Schrikt er niet voor terug, m. V., een meisje te kiezen, dat zich in de schoone jaren barer jeugd beijvert, om door bijzondere werken van godsvrucht zich te heiligen en aangenaam te maken aan God. Het is een verkeerd begrip te denken, dat meisjes, die gaarne in de kerk zijn en er hun geluk in vinden, om dikwijls tot de H. Sacramenten te naderen, door dit vroom en godsdienstig leven bewijs geven ongenegen te zijn, om tot den staat des huwelijks te komen. Weest ook niet bevreesd, dat zulk een meisje geene goede huisvrouw voor u kan zijn, omdat zij in de jaren barer jeugd zeer godsdienstig en vroom leeft en gaarne veel bidt; want indien haar godsdienstig leven in die jaren oprecht en degelijk is, dan zal zij juist door haar godsdienstig gevoel er het eerst toe gebracht worden, om al het overvloedige van hare godsdienstoefeningen achter te laten, zoodra de trouwe vervulling van de plichten baars levens haar andere eischen stellen gaat. Wij zeiden het u reeds: De ware godsvrucht is den heiligen wil Gods zoo nauwgezet mogelijk in alles te vervullen!

Gelukkig zult gij zijn, wanneer gij eens aan uwe zijde eene vrouw zult hebben, die in de jaren van hare jeugd, door haar onschuld en godsvrucht behaagd heeft aan God, eene vrouw, die door haar veelvuldig gebed en door hare vele goede werken, zich de rijkste zegeningen Gods Voor haar verder leven zal waardig

ocr page 207

193

gemaakt hebben. Want dan zult gij ondervinden, hoe zij in die jaren van bijzondere godsvrucht zich voorbereid heeft voor den staat, waartoe zij geroepen werd door God; hoe zij zich in die jaren sterk gemaakt heeft voor de beoefening der deugden, die in den staat des huwelijks haar eigen zullen moeten zijn.

O, hoe groot is voor den man du waarde eener vrouw, die bidden kan, die geleerd heeft met hare ziel te spreken tot God, van Wien alleen alle goeds ons moet toekomen. Door haar gebed zal zij zegen brengen in het huisgezin, haren man troost en kracht geven in tijden van beproevingen en zich zelve sterk maken, om al hare verplichtingen, zoo noodig, met heldhaftige toewijding te vervullen. Door hare weldadige vroomheid zal zij haren man bevestigen in de deugden, die ook hem in zijnen staat eigen moeten zijn. Zij zal de sterke vrouw zijn, van wie God zelf zegt in de H. Schrift: „ Die cene goede vrouw bezit, heeft een schat, eene hulp aan hem gelijk, een steunsel om te rusten.quot; ')

Nog eene laatste reden willen wij u aangeven, waarom gij een godsdienstig meisje kiezen moet, wanneer gij voor de keus van eene aanstaande vrouw zult staan. Toen wij, handelend over het gemengd huwelijk, u over de opvoeding der kinderen spraken, wezen wij u er reeds op, van hoeveel belang het voor een kind is eene godvruchtige moeder te bezitten. De opvoeding van het kind rust voor het grootste gedeelte op de moeder. Zij moet, vooral in de eerste jaren, het kind opvoeden, aan zijn hart de eerste indrukken geven, het vormen en plaatsen op den weg van het goede, dien het later zal moeten bewandelen. Kan niet, gelijk wij zeiden, eene niet-katholieke moeder haar kind katholiek opvoeden, ook eene ongodsdienstige moeder kan,haar kind geene waarlijk godsdienstige opvoeding geven. Niemand kan geven, wat hij niet bezit. Eene moeder, die geene deugd, geene godsvrucht bezit, kan onmogelijk liefde voor de deugd en voor het goede instorten in het hart van haar kind. Eene ongodsdienstige moeder zal misschien op de ernstigste wijze, haar opgroeiend kind kunnen vermanen, om toch immer braaf, godsdienstig en godvruchtig te zijn, haar woord zal de kracht missen, om liefde voor de deugd op te wekken in zijn hart. In geene boeken staat het geschreven, met welke woorden eene moeder de liefde voor het goede moet opwekken en ontwikkelen in het hart van haar kind. Haar eigen godsdienstig hart moet haar die woorden ingeven. Komen deze woorden voort uit de ziel van eene vrome en godsdienstige moeder, o, dan zullen zij niet nalaten hunnen heilzamen invloed uit te oefenen op geheel het verder leven van het kind. De heilige indrukken, die een kind van zijne brave, godsdienstige moeder heeft ontvangen, gaan nimmer

') Eccl. XXXVI, 2G. Leteksst.

13

ocr page 208

194

geheel en al verloren; zij blijven den mensch bij, ook dan, wanneer hij in lateren leeftijd op den weg des verderfs mocht komen. Ook al zou hij blijven op dien boozen weg geheel zijn leven door, ja, al zou hij tot den dood volharden in het booze, de eerste opvoeding zijner godvruchtige moeder zal hem behoed hebben voor ernstiger uitspattingen nog dan waartoe hij is gekomen; want te midden ook van groote boosheid zal hij liefde voor het goede blijven gevoelen in zijn hart. Hoevelen danken de redding hunner ziel in eeuwigheid aan de heilige indrukken, door de eerste opvoeding eener godvruchtige moeder ingestort in hunne harten!

Gelukkig dan de man, die eene vrouw heeft gevonden, op wier godsvrucht en deugd hij steunen en zich verlaten kan bij de vervulling der gewichtige verplichtingen, in don staat des huwelijks hem opgelegd. Meer dan schatten en rijkdommen hem kunnen aanbrengen, zal de beproefde deugd zijner vrouw hem schenken; de schoonheid barer ziel zal ver gaan boven iedere uiterlijke bekoorlijkheid, die door den tijd zoo gemakkelijk vergaat en die, ook al blijft zij , slechts dan het hart van den man kan verblijden, wanneer zij door de innerlijke schoonheid barer ziel wordt geheiligd.

Ziedaar dan, m. V., waarop gij vóór alles moet bedacht zijn , wanneer gij ooit eene keuze van eene aanstaande vrouw zult moeten doen. Ziet en onderzoekt met groote bezorgdheid, of het meisje, dat gij u voorstelt te huwen, werkelijk godsdienstig en deugdzaam is, of zij ware liefde voor God draagt in haar hart. Vleit u nimmer roekeloos met de hoop , dat zij, eenmaal gehuwd zijnde, wel zedelijk, wel godsdienstig zal worden. Velen hoopten het reeds, maar velen ook hebben zich reeds bitter bedrogen. Het hart van een meisje, dat in hare schoonste jaren des levens koud is geweest voor God en voor godsdienst, wordt, als zij vrouw is geworden, zoo moeielijk godsdienstig; zulk een hart wordt zoo moeielijk deugdzaam, wanneer het in de schoonste jaren dor jeugd, door boozen hartstocht en ondeugd is bedorven geworden. Er hangt te veel voor uwe geheele toekomst van af, m. V., om op die verandering van hart uw levensgeluk te wagen. Kiest u dan een deugdzaam en godsdienstig meisje, hare vroomheid en deugd zal u een waarborg zijn, dat zij als vrouw al hare verplichtingen met nauwgezetheid en edelmoedige liefde zal vervullen.

Gaan wij nu over, m. V., tot eene tweede eigenschap, die gij goed zult doen in een meisje te verlangen, dat gij trouwen wilt.

Zoekt u een geestig, een verstandig meisje. Gij zult aanstonds begrijpen, dat wij onder deze eigenschap juist niet verstaan een geleerd meisje, dat door wetenschappelijke kennis uitschittert, dat misschien veel dingen weet, wier kennis haar later in eigen huisgezin overbodig zal worden en wellicht datgene, wat eene goede huisvrouw behoort te kennen en te weten, niet zal kennen en niet zal weten; nog veel minder een meisje^, dat leesziek is en

ocr page 209

195

beter den weg zou kennen naar allerlei leesbibliotheken, dan naar de winkels, waar men de beste zeep en de sterkste sajet voor uwe stukkende kousen kan koopen. Zulk een geleerd meisje zou u vooral in de omstandigheden, waarin gij u bevindt, allerminst passen.

Als ik u aanraad: Kiest een geestig en verstandig meisje, dan bedoel ik zulk een meisje, dat een goeden, levendigen en gezonden geest in zich geeft. Kiest, als ik het zoo eens uitdrukken mag, geen doetje, ;u. V., niet zoo'n onbeholpen wezentje, dat voor iedere moeielijkheid als voor een berg staan blijft en zich door niets eens kan heenslaan; dat aanstonds huilt en pruilt, al plagen haaide jongens ook nog zoo onschuldig, en nooit eens een zet bij de hand heeft, waarmede zij op hare beurt de plaagzieke jongens eens troeft. Laat haar pruilen, m. V., en gaat haar voorbij, al heeft zij misschien een aardig gezichtje, want met zulk eene komt gij bezwaarlijk de moeielijkheden des levens te boven. Zulke meisjes worden de vrouwen, aan wier zijde de mannen zich spoedig gaan vervelen, omdat zij over het minste klagen en zich bij het geringste, wat tegenslaat, diep ongelukkig gevoelen. Zulke meisjes worden de vrouwen, aan wier zijden de mannen stroef èn gemelijk èn stilzwijgend worden, omdat zij aan hunne zijde de vrouw missen, met wie zij spreken kunnen over hetgeen hun aanbelangt, met wie zij raadplegen kunnen over de dingen, waarover zij in twijfel zijn.

Zoekt gij, m. V., naar een geestig meisje, dat al is zij vroolijk en levendig van aard, toch bij al haar zucht tot scherts, ook belang toont in de ernstige zaken, die u aangaan. Zoekt u een meisje, dat belang stelt in uw werk, in het bedrijf, dat gij uitoefent ; dat gaarne naar u luistert, ook al spreekt gij over uw ambacht, ook al vertelt gij haar misschien meer, dan zij nog begrijpen kan, over de wijze, waarop gij die deur hebt getimmerd, of dat lek hebt gestopt, of dat slot hebt hersteld, of die waar hebt verkocht, of die berekening hebt gemaakt. Zoekt u een meisje, dat u gaarne vragen stelt over uw werk, over uw arbeid, en nieuwsgierige belangstelling toont over dat alles, waaraan gij uw geheel leven zult moeten toewijden. Een man, die met ijver arbeidt en met lust iederen dag opnieuw de lasten van den arbeid draagt, spreekt zoo gaarne in de uren van rust over zijn val:. Waarover kan hij beter spreken, dan over dat vak, waarnaar zijn geest zich geheel en al heeft gevormd, waaraan zijn hart van zelf hangt, omdat hij zijn dagelijkschen arbeid bemint! O, het is zoo verdrietig voor den man, als hij wil uitweiden over zijn werk van den dag, maar telkens van zijne vrouw het snauwend bescheid ontvangt: „Wat kan mij dat schelen! — Wat begrijp ik daarvan!quot; — Het is toch voor haar ook, dat hij dagelijks in het zweet zijns aanschijns werkt; zij eet toch het brood, dat hij met zijne eerzame handen in noeste vlijt iederen dag verdient!

ocr page 210

19«

Het zou ons to ver voeren wilden wij u nog zoovele andere redenen uiteenzetten, die het van groot belang maken om een geestig, een verstandig meisje, tot eene aanstaande vrouw te kiezen. Denkt bijvoorbeeld, slechts aan het onheil, dat voor het huisgezin voortkomt uit eene onverstandige bestiering; aan den weinigen tact, dien eene onverstandige moeder heeft, om hare kinderen op te voeden en om te gaan met hen; aan de moeie-lijkheden, die telkens. oprijzen uit de praatzucht van eene onverstandige huisvrouw, die niet weet, wat zij spreken, maar vooral dikwijls niet weet, wat zij zwijgen moet; aan zoovele andere moeielijkheden, die zoo gemakkelijk voortkomen uit de wijze, waarop eene onverstandige vrouw omgaat met hare buren en anderen, met wie zij telkens in aanraking komt.

Wij willen echter dit alles slechts ter loops aaanstippen, wijl wij nog een laatste reden willen aangeven, om u te doen inzien, van welk een hoog belang het is voor een jonkman, om zich een verstandig en geestig meisje tot zijne aanstaande vrouw te kiezen.

Het kan, m. V., misschien wel beschouwd worden als een al te zwaarmoedige raad aan een jonkman gegeven, die in de volle kracht van zijn leven den staat des huwelijks ingaat. Maar die raad is toch heilzaam, want de ondervinding bewijst, dat hij niet doelloos kan genoemd worden. Ziet eens rond, m. V., en telt eens de nog jonge weduwen op, die gij kent in uwe omgeving. Hoevelen zijn er, die bij den dood harer mannen met drie, vier en meerdere kleine kinderen onverzorgd achterbleven. Onverzorgd, dat wil zeggen, zij moeten hare kinderen door eigen beleid, door eigen arbeid groot brengen; zij staan alleen voor de vervulling der gewichtige en moeielijke taak, om hare kinderen lichamelijk te verzorgen, hen zoovele jaren lang te voeden en te klëeden, hen tot brave en oppassende menschen op te voeden. Welk een moed, welk eene wijsheid en doorzicht behoeven dan deze ongelukkige huismoeders, om hare groote verplichtingen goed te vervullen, tegenover de eigenaardige gevaren, waaraan zij als jeugdige weduwen blootstaan! En als nu de ondervinding het aantoont, dat de vervulling van die verplichtingen de roeping is van meerderen, is dan de raad doelloos, dat een jonkman, bij do keuze van eene aanstaande vrouw, ook eens aan die mogelijkheid denken moet? Wat aan anderen geschied is, kan dit ook hem niet geschieden? Kan ook hij niet, na eenige jaren gehuwd te zijn, sterven, gelijk reeds zoovele mannen in den bloei der jaren stierven ? W ie waarborgt hem, dat hij niet na vijf, zes jaren zal opgeroepen worden door God en de taak der verdere verzorging en opvoeding zijner kinderen aan zijne vrouw zal moeten overlaten? W elk ccn zegen zal hot dan zijn voor die kinderen, wanneer zij, beroofd van hunnen vader, eene godsdienstige en verstandige moeder zullen bezitten, die

ocr page 211

197

berekend zal wezen voor de zware taak, haar dan op de schouderen gelegd! Welk een troost zal het dan zijn voor zulk een vader, als hij stervend zal kunnen getuigen: „ Goddank! ik laat voor mijne nog zoo jeugdige kinderen eene moeder achter, die met Gods hulp in staat zal zijn, om hen groot te brengen en op te voeden.quot;

Hoopt alles geheel uw leven door, m. V., van Gods liefde en goedheid; maar gebruikt van uwe zijde alle middelen, die gij aanwenden kunt., om uw geluk en het heil der uwen te bevestigen. Kiest u eene godsdienstige en verstandige vrouw, als God u voor den staat des huwelijks zal roepen. Ziet, dan zult gij mogen hopen, dat gij aan hare zijde gelukkig zult leven; door uwe godsdienstige, verstandige vrouw zal zegen cn geluk in uw huisgezin binnenkomen, en hetzij gij lang zult leven of vroeg-tijdig misschien sterven zult, de vervulling uwer hoogste verplichtingen zal in goede handen berusten, welk ook uw verder lot zal zijn. Gij zult steun vinden in de deugd en in de wijsheid der godsdienstige vrouw, die gij hij uw huwelijk aan uwe zijde zult genomen hebben.

Zoekt u op de derde plaats eene zindelijke en ordelievende vrouw.

„Jongeling,quot; zoo vermaant Pastoor van Campex, „liet meisje, voor wie gij genegenheid gevoelt, is niet zindelijk en in een wanordelijk huisgezin groot gebracht; zij kan misschien eenig vermogen hebben en andere goede eigenschappen, maar kies haar niet voor uwe gemalin. Zij zal als huisvrouw nog meer onzindelijk worden; zij zal in slordige kleeding voor u verschijnen, zoodat gij eenen afkeer van haar krijgen moet, zij zal uw huisgezin en uwe kinderen verwaarloozen en u in groote ongelegenheid brengen.quot;

Kiest geen slordiy meisje, m. V. Als gij maar eens goed toeziet, dan zult gij gemakkelijk liet slordig meisje leeren kennen. Let er maar eens op, hoe een meisje zich in het openbaar of op straat vertoont; maar denkt er dan aan, dat de zindelijkheid van een meisje niet bestaat in de vriendelijke hoedjes, die gemakkelijk genoeg kunnen gekocht worden, of in de lintjes en strikjes van allerlei kleuren, die de mooie kleedjes en zwierige jurken zooal kunnen opsieren. Als gij zoo'n sierlijk opgeschikt meisje des Zondags of op uitgangsdagen op straat ontmoet, geeft dan eens goed acht, bij voorbeeld, op hare handen, ook al steken zij in glacé-handschoenen — want ook deze dingen zijn tegenwoordig goedkoop genoeg — en wanneer zij met al hare drukte om zich eens mooi op te schikken, toch nog vergeten heeft om hare handen eens flink en frisch te wasschen, als deze vuil en groezelig uit het glacé te voorschijn komen, dan kunt gij veilig bij u zelf besluiten: zij kan misschien gaarne eens mooi zijn, maar zorg voor haar lichaam toont zij niet. En als gij daarbij , tusschen de bloemen cn de mooie linten en veeren. van die losse haren

ocr page 212

nis

ziet rondwaaien, die met eenige zorg zoo gemakkelijk naar behoo-ren konden vast zitten , dan kunt gij gerust tot u zeiven zeggen: het is mijne schuld niet, dat ik dit meisje voor een sloddervos aanzie. En wanneer gij verbaasd staat, hoe liet hagelwit boordje het op zoo'n groezeligen hals nog zoo lang kan uithouden, of wanneer gij banden en bandjes ontdekt, die volstrekt niet gemaakt zijn, om uit hals of uit rokken te hangen, besluit dan veilig, m. V., tot de slordigheid van hot meisje en huwt haar niet.

Een slordig meisje wordt eene ordelooze vrouw en welk een onheil brengt eene ordelooze vrouw over liet huisgezin, dat zij besturen moet! Uit dat gemis van orde volgt van zelf ontevredenheid van den man, die het recht heeft van zijne vrouw te eischcn, dat alles op tijd in zijn huisgezin geregeld zij. Slordige meisjes worden huisvrouwen, bij wie alles immer overhoop ligt; vrouwen, die nimmer klaar zijn, die telkens de late uren van den avond behoeven, om het hoogst noodige voor den volgenden ochtend gereed te hebben, en die eerst slapen gaan, als de man reeds in diepe rust nederligt. Slordige meisjes worden vuile huisvrouwen, bij wie men te vergeefs zoeken zal naar die properheid, naar die netheid, die het groote sieraad van de vrouw moet zijn. Slordige meisjes worden dure huisvrouwen, die, omdat zij geen orde kennen, nimmer voor iets tijd hebben en dan ook telkens maar nieuw koopen, bij wie men in hoeken van diepe kasten en op zolders en vlieringen hoopen van stukkend goed en ongestopte kousen kan vinden, vrouwen aan wie de voddenkoopman goede klanten heeft en bij wie de lombardbriefjes op de plaats liggen, waar bij andere huisvrouwen liet spaarbankboekje ligt. Slordige meisjes worden de huismoeders, wier kinderen met gehavende, met stukkenke kleertjes langs de straat loopen, wier kinderen niet voorspoedig opgroeien, omdat zij van jongs af niet rein genoeg worden gehouden en op wier gele, tanige, groezelige gezichtjes gij het lezen kunt, wie hunne moeders zijn. Slordige meisjes worden vrouwen, die de oorzaak zijn, dat er zoovele mannen naar ziel en lichaam ongelukkig worden; bij wier ordelooze huishouding de man den moed verliest en zijn heil gaat zoeken daar, waar hij slechts verderf vindt. Geeft er eens acht op, m. V., in uw later leven vooral, hoevele vrouwen van dronkaards vuile, morsige vrouwen zijn, en gij zult mij begrijpen, als ik beweer, dat meer dan de wet der „Vergunningquot; eene strafwet op slordige meisjes, indien dit mogelijk was, tot heil van ons vaderland zou zijn.

Nog eens dan, m. V., kiest u nooit een slordig meisje, als gij eene aanstaande vrouw gaat kiezen, en als gij eenmaal gelooven zult, dat gij een goed meisje gevonden hebt, beslist uwe keuze niet, alvorens gij eens goed in het huisgezin barer moeder heht rondgezien. Het komt wel eens niet uit, maar toch mag men gerust als regel stellen, vooral waar het de ordelijkheid en zin-

ocr page 213

199

(lelijkheid betreft, „zooals de moeder is, zoo zal de dochter zijn.quot; Daarom, m. V., bedenkt u wel ernstig, alvorens gij uwe keus bepaalt tot een meisje, dat in een ordeloos, onzindelijk huishouden is grootgebracht en opgevoed.

Ten laatste, m. V., zoekt u een gezond meisje. „ Eene zwakke en ziekelijke vrouw,quot; zegt Pastoor van Campen , „ is eene groote ramp voor den man en voor het huisgezin, en zal ook zwakke en ziekelijke kinderen voortbrengen. Daarom, jongeling, geef de voorkeur aan het meisje, dat de blos van gezondheid op haar gelaat draagt. Zeker, ook zij kan ziek worden en vroeg sterven, maar dit is eene mogelijkheid, die gij niet kunt voorzien; en al sterft zij ook in jeugdigen leeftijd, zij zal u geen ziekelijke kinderen nalaten, zooals gij van eene zwakke vrouw te wachten hebt.quot;

' Wij zouden u nog meerdere andere eigenschappen kunnen opnoemen, die gij goed zoudt doen in het meisje te verlangen, dat gij voor uwe aanstaande vrouw u kiezen zult. De meeste eigenschappen echter kunnen gemakkelijk tot de nu genoemden worden teruggebracht. Toch moet gij niet uit het oog verliezen, dat een jonkman, die naar een volmaakt meisje zou willen zoeken, misschien al te lang zou moeten wachten, alvorens hij zulk een vond. Een meisje, dat niet praalziek, dat niet driftig, dat niet praatziek, dat niet afgunstig is, dat mild en toch niet verkwistend, zorgzaam en toch niet te zuinig is — ik hoop van ganscher harte , dat gij allen, m. V., die eens huwen wilt, zulk een volmaakt meisje vinden moogt. Of er echter vele zulke volmaakte meisjes over zijn, wil ik niet beslissen. Maar wat ik u ernstig aanraad is dit: Wanneer gij naar een meisje uitziet en gij ontmoet er een, die u behagelijk is, als zij braaf en godsdienstig, wijs en geestig, ordelijk en zindelijk en gezond van lichaam is, vraagt haar en doet u best, dat zij „jaquot; zegt, want dan vindt gij een schat, waarvoor gij jegens God uw geheel leven dankbaar zult moeten zijn; verblijdt u en juicht als zulk een uwe vrouw wil worden en haar leven aan het uwe wil verbinden.

Éi

TWEE EN TWINTIGSTE ONDERRICHTING.

I)e toestemming der ouders. De militlewet.

Alvorens wij u, m. V., over den tijd der verkeering spreken gaan, moeten wij u eerst nog op twee gewichtige zaken wijzen, die wij in deze onderrichting met u willen behandelen. En wel vooreerst over de toestemming der ouders, die gevorderd wordt.

IF

ocr page 214

200

om te mogen trouwen, en ten tweede over de militiewet, die den milicien verbiedt om te trouwen, voordat hij aan zijn dienstplicht voldaan heeft.

Vooreerst dan over de toestemming der ouders. Stellen wij ons een jonkman voor. die zijn keus van een meisje gemaakt heeft én besloten is, om na kortoren of langoren tijd te trouwen. Welke verplichtingen heeft hij in deze zaak jegens zijne ouders te vervullen?

Beginnen wij met u in herinnering te brongen, dat ook onze burgerlijke wet de toestemming der ouders voor de voltrekking van hot burgerlijk huwelijk vordert.

Ziehier, m. V., eonige bepalingen onzer burgerlijke wet, wier kennis wij meenen, dat voor u nuttig kan zijn:

Art. 92. Echte kindoren kunnen, gedurende hunne minderjarigheid, goon huwelijk aangaan, zonder do toestemming van hunnen vader en hunne moeder te hebben verzocht en dezelve te hebben verkregen, hetzij van beiden, hetzij van don vader alleen, indien de moeder zich niet verklaart, of met den vader in gevoelen verschilt.

In het laatste geval, is do vader gehouden, hetzij bij akte van toestemming, hetzij ten overstaan van don ambtenaar van den Burgerlijken Stand, te verklaren, dat de toestemming van de moedor is gevraagd geweest.

Wanneer do vader overleden is, of zich in do onmogelijkheid bevindt, om zijnon wil te verklaren, wordt de toestemming van de moeder voroischt.

Art. 93. Indien do vader en do moeder beiden overleden zijn, of zich in de onmogelijkheid bevinden om hunnen wil te vorklaren, vervult do grootvader van vaders zijde hunne plaats.

Rij gebreke van den grootvader van vaders zijde, wordt de toestemming van don grootvader van moeders zijde voroischt.

Art. 94. Wanneer zoowel de grootvader van vaders zijde, als die van moedors zijde ontbroken, wordt de toestemming voroischt van de grootmoeder van vaders zijde, en bij gebreke van deze, de grootmoeder van moeders zijde.

Art. 95. Wanneer de vader en do moedor, mitsgaders de grootvaders en grootmoeders ontbroken, of wanneer zij zich al-Ion in de onmogelijkheid bevinden om hunnen wil to verklaren, kunnen echte kinderen, zoolang zij minderjarig zijn, goon huwelijk aangaan, zonder toestemming van hunnen voogd en hunnen tooziendon voogd.

Art. 99. Echte kinderen, die meerderjarig zijn, doch den vollen ouderdom van dertig jaren nog niet bereikt hebben, zijn insgelijks verplicht om tot het aangaan van een huwelijk de toestemming van hunnen vader en hunne moeder te verzoeken.

Uit deze bepalingen van hot Burgerlijk Wetboek ziet gij m. V., hoe de toestemming der ouders, ook tot het aangaan van een

ocr page 215

201

bloot burgerlijk huwelijk, noodzakelijk vereischt wordt. Het is waar, de burgerlijke wetgever heeft bij deze bepalingen de mogelijkheid moeten voorzien, dat ouders zonder ernstige redenen aan hun kind de vereischte toestemming voor een huwelijk zouden kunnen weigeren, en daarom heeft hij in zijne wetten aan een kind, dat op dit punt door zijne ouders verongelijkt zon worden, de gelegenheid moeten openlaten, om zich tegeu deze willekeurige weigering zijner ouders te verdedigen, (rij zult echter begrijpen, dat de wetgever door deze bepalingen te maken, niet den wil kan gehad hebben, om een weerbarstig kind de gelegenheid te geven, zijne ouders tot toestemming te dwingen, of tegen hun wil in, zijn huwelijk door te drijven, wanneer dezen gewichtige redenen zouden hebben, om zich tegen het aangaan van het huwelijk huns kinds te verzetten.

Er zijn zoovele wetten, die misbruikt kunnen worden tegen de bedoeling in, waarvoor zij gemaakt zijn geworden! De burgerlijke wetgever kan niet anders, dan de oprechte toepassing en de ware aanwending van zoovelen zijner wetten overlaten aan de eerlijkheid en het geweten zijner onderdanen. Zoo ook bij deze bepalingen over de toestemming der ouders. Als een heilig beginsel heeft de wetgever dit recht der ouders in zijne wet opgenomen en gehuldigd. Maar hij moest het kind beschermen tegen eene willekeurige uitoefening van dit ouderlijk recht. Van daar dat de wetgever in zijne wet ook bepalingen moest opnemen, opdat het kind niet weerloos staan zou tegenover den onrechtmatigen onwil zijner ouders. Wee echter liet kind, dat het ouderlijk recht durft schenden en aan zijne ouders, die zich met recht tegen zijn huwelijk zouden verzetten, eene toestemming afperst! Wee het kind, dat om de vereischte toestemming te verkrijgen, zijne ouders dreigen zou, van hen voor den kantonrechter te zullen dagen. Wee het kind, dat zijne ouders de versmading zou aandoen, om hunne toestemming bij rechterlijk vonnis niet langer gevorderd te maken! Die schuld zal zwaar wegen in de weegschaal van Gods strenge gerechtigheid en onheil brengen over een huwelijk, dat door zulke laaghartige middelen is tot stand gekomen!

„Eer uwen vader en uwe moeder, opdat gij lang moogt leven hier op aarde.quot; Wanneer God ons gebiedt, onze ouders te eerbiedigen, hun te gehoorzamen en hen te beminnen, dan zal Hij zeker wel op de eerste plaats eischen, dat het kind het gezag zijner ouders daar vooral zal erkennen en huldigen, waar het eene daad geldt zoo gewichtig, als het kiezen van een levensstaat, als de keus eener aanstaande vrouw is. De ouders, die van God de zware verplichting ontvangen hebben , om hunne kinderen op te voeden, hebben het recht, om gekend en gehoord te worden, als hun kind een levensstaat wil kiezen. Het kan aan ouders niet onverschillig zijn, wie zij als een schoonzoon, wie zij als eene schoondochter zullen moeten aannemen. .Tegenover hunne aange-

ocr page 216

202

huwde kinderen moeten de ouders nieuwe verplichtingen van liefde op zich nemen. De goddelijke en de mensehelijke wetten verplichten de ouders tot de naleving en opvolging van verschillende wetten, die gemaakt zijn geworden, opdat het heil der zich opvolgende geslachten zooveel mogelijk zal bewerkt worden. Hoe dan zouden ouders onverschillig kunnen wezen , jegens wie zij die zware en ingrijpende verplichtingen zullen te vervullen hebben? In het huwelijk der kinderen leeft het geslacht der ouders voort, de naam des vaders gaat over op de kinderen zijner zonen, hun goed, hun geld en wat zij bezitten, moet bij hun dood overgaan ook in dc geslachten hunner gehuwde dochters; is het niet billijk en rechtmatig dan, dat het ouderlijk gezag zal erkend en gehuldigd worden, wanneer een kind door zijn huwelijk zijnen ouders deze nieuwe verplichtingen opleggen gaat?

Ernstig dan ook is de vermaning, die de Provinciale Synode van Utrecht over deze vereischte toestemming der ouders geeft. „ Indienzegt zij, „ de kinderen in iedere zaak gehoorzamen moeten aan het gebod; „Eer uwen vader en uwe moeder,quot; dan zullen zij dit zeker doen moeten, wanneer zij een huwelijk willen sluiten. En derhalve zou hij, die zonder voorkennis zijner ouders of terwijl deze op redelijke gronden er zich tegen verzetten, een huwelijksovereenkomst sloot, zijn huwelijk noodlottige gevolgen bereiden. Wat toch zijn oorsprong vindt in een slecht begin, kan bezwaarlijk met een goed gevolg bekroond worden, en wat zonder den zegenwensch van den aardschen vader tot stand komt, blijft ook verstoken van den zegen des hemelschen Vaders.quot;

Dit alles, wat wij u hier in herinnering gebracht hebben, moge voldoende zijn, om n te overtuigen hoe billijk en rechtmatig de goddelijke en mensehelijke wetten zijn, die het kind verplichten, om alvorens den staat des huwelijks in te gaan, de toestemming zijner ouders voor zijn huwelijk te vragen. Een zware schuld laadt het kind op zich, dat buiten de voorkennis zijner ouders of tegen hun wil in, den staat des huwelijks zou ingaan, indien hij voor die handelwijze niet de allergewichtigste redenen zou hebben.

Dit echter, m. V., immer in de veronderstelling, dat de ouders niet willekeurig , maar op degelijke gronden zich tegen het huwelijk van hun kind zouden verzetten; want de eerbied en de gehoorzaamheid , aan ouders verschuldigd, strekken zich slechts zoover uit, als God wil, dat een kind aan zijne ouders zal gehoorzamen. Er kunnen zich namelijk gevallen voordoen, waarin ouders willekeurig of buiten hun ouderlijk recht om, zich tegen ieder huwelijk van hun kind verzetten, die bijvoorbeeld, pogen te bewerken, dat hun' kind ongehuwd zal blijven. In zulk een geval gaan de ouders in hunne macht over het kind te ver. Wanneer namelijk, een kind voor zich geene redenen heeft, om ongehuwd te blijven, dan mogen zijne ouders hem niet beletten, om te huwen. Kinderen toch hebben recht, om zich den levensstaat te kiezen,

ocr page 217

203

waartoe zij gelooven geroepen te zijn door God. Pogen in zulk een geval de ouders hun kind van den staat des huwelijks af te houden, omdat zij, bijvoorbeeld, eene overdreven bezorgdheid voor hunne eigene toekomst, of voor de toekomst van hun kind hebben , dan behoeft het kind zijnen ouders in dit punt niet te gehoorzamen.

Een ander geval is, als ouders zich tegen het huwelijk van hun kind verzetten of zijn huwelijk op de lange baan willen schuiven, omdat zij niet gaarne zien,. dat het met deze of geene in liet bijzonder huwen zal. In zulke omstandigheden moeten de redenen gewogen werden, die de ouders hebben, om zich tegen het huwelijk van hun kind te verzetten, en dit wel tegenover de redenen, die het kind heeft, om die persoon wel te willen huwen. Zijn de redenen, die de ouders hebben, overwegend , dan moet de wil der ouders gaan boven den wil van hun kind. Zijn echter de redenen van het kind overwegend, dan behoeft het zijnen ouders niet te gehoorzamen; tenzij er uit zijn huwelijk voor zijne ouders zulke rampen zouden dreigen, dat het kind dezen niet lijdelijk zou mogen aanzien. In zulk een geval zal bet immer aan te raden zijn, dat het kind van een huwelijk met zulk een persoon afziet, vooral daarom, wijl de ondervinding leert, dat huwelijken, die tegen den zin der ouders zijn aangegaan, zelden gelukkige huwelijken zijn.

Een laatste geval kunnen wij ons nog voorstellen, namelijk, dat ouders hun kind willen dwingen om een bepaalden persoon te huwen. I n het algemeen gesproken, behoeven kinderen niet dien persoon te kiezen, dien hunne ouders hun aanwijzen. Het kind behoudt zijn volle recht, om niet te huwen met iemand, dien het niet huwen wil. Toch zou het misschien kunnen voorkomen, dat een kind, uit liefde voor zijne ouders, gehouden zou zijn, om iemand te huwen, hem door zijne ouders aangewezen; dan namelijk, als het kind huwen wil en niet afkeerig is van den persoon, dien zijne ouders het aanwijzen, en uit zijn huwelijk een groot goed zou voortkomen, bijvoorbeeld, liet ophouden van familietwisten, of do leniging van een grooten nood, waarin zijne ouders verkoeren, of het redden van de eer der familie, door de misdaad van het kind in gevaar gekomen en door zijn huwelijk slechts te behouden.

Ziedaar, m. V., wat wij gemeend hebben u over de toestemming der ouders te moeten zeggen. Maar alvorens wij hierover eindigen, nog deze opmerking: Om welke reden ook een kind moge meenen in zijn recht te zijn , om zonder de toestemming zijner ouders een huwelijk te sluiten , bet zal die beslissing niet op eigen gezag mogen nemen. Pastoor van Campex zegt hierover het volgende; „ Soms gebeurt het, dat onverstandige ouders zich zonder reden verklaren tegen de keuze van hun zoon of hunne dochter; vooral kan zulks geschieden door ouders, die

ocr page 218

204

hun eigen belang boven dat hunner kinderen stellen, die vergeten, dat zij zich voor het heil hunner kinderen moeten opofferen. In dergelijke gevallen zal het oordeel der ouders niet altijd verbindend wezen voor de kinderen; maar kunnen zij dan gerust hun eigen oordeel volgen? O neen, maar dan zijn zij ver-plieht den raad van andere wijzequot; mensehen in te winnen, vooral van den biechtvader, die hen voor dit geval als eerste raadsman wordt aangewezen; aan hem moeten zij hunne verlangens te kennen geven, hem bekend maken met de weigering der ouders, en met de reden, welke deze daarvoor aangeven, opdat de biechtvader met kennis van zaken een oordeel vormen kan, en dat oordeel zal in den regel voor den jongeling verbindend wezen.quot;

De Synode van Utrecht heeft voorgeschreven, dat de Pastoor aan den Bisschop de geheele zaak moet blootleggen, wanneer ouders blijven weigeren hunne toestemming tot het huwelijk van hun kind te geven en het kind toch besloten blijft, om zijn huwelijk te sluiten.

Ik wensch u toe, m. V., dat gij nimmer voor zulke moeielijk-heden staan zult, wanneer gij tot een huwelijk wilt overgaan. Knoopt geen kennis aan, ra. V., met een meisje, van wie gij te voren reeds weet, dat zij , om welke redenen dan ook, niet welgevallig aan uwe ouders zal wezen. Zoekt u een meisje, dat met open hart door uwe ouders zal worden aangenomen, dan zult gij u veel verdriet besparen, en veel voldoening smaken in de liefde, waarmede gij ondervinden zult, dat uwe ouders haar beminnen zullen, die gij voor uwe aanstaande vrouw u uitgekozen hebt.

De tweede zaak, die wij gezegd hebben in deze onderrichting raet u te zullen bespreken, is deze; De railitiewet verbiedt den milicien, om te trouwen, voordat hij aan zijn dienstplicht voldaan heeft.

Geven wij vooraf eenige artikelen uit de wet betrekkelijk de nationale militie aan, wier kennis u nuttig kan zijn.

Art. 15. Jaarlijks worden voor de militie ingeschreven alle mannelijke ingezetenen, die op den Isten Januari van het jaar hun 19de jaar waren ingetreden.

Art. 16. De inschrijving geschiedt:

1quot;. Van een ongehuwde in de gemeente, waar de vader, of, is deze overleden, de moeder, of, zijn beiden overleden, de voogd woont.

2'. Van een gehuwde en van een weduwnaar in de gemeente, waar hij woont.

3°. Van hem, die geen vader, moeder of voogd hoeft of door dezen is achtergelaten, of wiens voogd buiten's lands gevestigd is, in de gemeente waar hij woont.

4quot;. Van den buiten 's lands wonenden zoon van een Nederlander, die ter zake van 's lands dienst in een vreemd land woont,

ocr page 219

'205

in de gemeente, waar zijn vader of voogd het laatst in Nederland gewoond heeft.

Art. 27. De loting der in het vorige jaar voor de militie ingeschrevenen geschiedt jaarlijks tusschen den Tden Februari en den 7den Maart.

Art. 33. De ingeschrevenen, in alphabetische orde op te roepen, trekken zeiven hunne nummers.

Voor den ingeschrevene, die niet is opgekomen, kan het nummer getrokken worden door zijn vader, moeder of voogd.

Is ook deze niet opgekomen, dan geschiedt het trekken dooiden burgemeester of het lid van de raad der gemeente, waar de loteling is ingeschreven.

Nadat het getrokken nummer door den militie-commissaris overluid is voorgelezen, wordt het den loteling teruggeven.

Art. 34. De opgekomen ingeschrevene wordt dadelijk na het trekken van zijn nummer gemeten en geeft de redenen van vrijstelling oi3, die hij meent te hebben.

Het opgeven van deze redenen kan door zijn vader, moeder of voogd geschieden, zoo deze tegenwoordig en de ingeschrevene niet opgekomen is.

Art. 47 geeft de redenen van vrijstelling aan:

1. die kleiner is dan 1.55 el;

2. die door ziekelijke gesteldheid of gebreken voor den krijgsdienst ongeschikt is;

3. die eenige, wettige zoon is, onverschillig of de ouders in leven of overleden zijn.

Art. 48. Vrijstelling van den dienst bij de militie wordt insgelijks aan een loteling verleend, wanneer zijn wettige of halve broeder in een lageren rang dan dien van officier dient of gediend heeft, hetzij bij de militie, hetzij als vrijwilliger bij de zeemacht, bij het leger hier te lande of bij het krijgsvolk in 's Rijks over-zeesche bezittingen.

Art. 49. De vrijstelling wordt zoo verleend , dat van een even getal broeders de helft en van een oneven de kleinere helft diene.

Art. 112. Jaarlijks tusschen den Isten en den loden Mei geschiedt de aflevering van de in dat jaar door den militieraad voor den dienst aangewezen en in de lichting begrepen lotelingen, van hunne plaatsvervangers of nummerverwisselaars en van de vrijwilligers voor de lichting van dat jaar.

Art. 119. Zoodra de manschappen, die ter aflevering worden opgezonden, hunne woonplaats verlaten, komen de kosten van hunne reis, voeding en huisvesting en de reis- en verblijfkosten hunner geleiders ten laste van 's Rijks kas.

Art. 4. Het staat elk vrij, zijnen dienst bij de militie, volgens de bepalingen dezer wet, door een ander te doen waarnemen.

Art. 6. Voor de ingelijfden bij de militie te land duurt de dienst vijf, voor die bij de militie ter zee vier jaren.

ocr page 220

Is de Staat in oorlog of in andere buitengewone omstandigheden, zoo kan eene wet, jaarlijks te vernieuwen, hen tot lan-geren dienst verplichten.

Terwijl wij meerdere malen reeds ondervonden hebben, hoe groot de onwetenheid van jongelingen was, wat deze voorschriften der militiewet aangaat, meenden wij goed te doen u deze artikelen hier in herinnering te brengen.

Wat nu zijn de bepalingen omtrent het huwelijk van den milicien? Art. 8 bepaalt dat hij, die op den lequot; Januari van het jaar zijn 19lt;lu jaar was ingetreden, derhalve hij, die, zooals wij gewoon zijn te zeggen, op den lcquot; Januari 18 jaren oud was, niet tot het aangaan van een huwelijk wordt toegelaten, dan na te hebben bewezen, dat hij tot geen dienst bij de militie gehouden is.

Het Burgerlijk Wetboek bepaalt in zijn Art. 86 , dat een jonkman, die den vollen ouderdom van 18 jaren niet bereikt heeft, geen huwelijk mag aangaan. De Koning kan echter, om gewichtige redenen, dit verbod door het verleenen van dispensatie ophefien.

Art. 128 der militiewet bepaalt dat zij, die bij de militie te land ingelijfd zijn, tot het aangaan van een huwelijk niet worden toegelaten zonder schriftelijke toestemming van wege den Minister van Oorlog.

Die toestemming wordt in gewone tijden niet geweigerd aan hen, die hun vierde dienstjaar hebben volbracht.

In deze bepalingen nu is bij beschikking van den Minister van Oorlog, van 24 Mei 1884, de volgende verlichting gebracht. Zie hier deze beschikking van den Minister Weitzicl;

„ De kommandeerende officieren der korpsen en inrichtingen van het leger zijn bevoegd, om met inachtneming van het hierna voorgeschrevene de toestemming tot het aangaan van een huwelijk, namens den Minister van Oorlog, schriftelijk te verleenen, aan iederen tot het korps onder hun bevel of de inrichting onder hun beheer behoorende verlofganger der militie te land, die zijn eerste dienstjaar heeft volbracht, gerekend van den dag zijner inlijving.

Het verzoek strekkende tot het erlangen van bedoelde toestemming, moet worden ingediend per request, waarbij aan de bepalingen der wet op het recht van zegel is voldaan, althans indien de milicien zijn vierde dienstjaar nog niet heeft volbracht. Is hij zijn vijfde dienstjaar ingetreden, dan kan de aanvrage ook op ongezegeld papier geschieden.

In het schriftelijk bewijs van toestemming moet er uitdrukkelijk op gewezen worden, dat de verlofganger door zijn huwelijk in geen geval wordt ontheven van het volbrengen der verplichtingen, welke hij, krachtens de militiewet heeft te vervullen, zoodat hij uit dien hoofde ook niet zal worden vrijgesteld van de opkomst in werkelijken dienst, waartoe hij wordt opgeroepen, onverschillig voor welke der navolgende gevallen die opkomst moet plaats hebben.

ocr page 221

20?

a. Bijwoning van herhalingsoefeningen.

b. Wegens overtreding van de voorschriften der militiewet.

c. Tot samenstelling van het blijvende gedeelte der militie.

d. In geval van oorlog of andere buitengewone omstandigheden, bedoeld bij art. 184 der Grondwet.

Aan den verlofganger der militie, die zijn lsle dienstjaar heeft volbracht, doch zijn 56 dienstjaar nog niet is ingetreden, mag in gewone tijden bedoeld schriftelijk bewijs worden uitgereikt, indien hij vooraf de schuld, welke hij ten laste van het kleeding- en reparatiefonds mocht hebben, heeft aangezuiverd.

Is hij daartoe onvermogend, dan kan hem dit bewijs niet te min worden verleend, mits van zijn onvermogen tot die aanzuivering behoorlijk blijke uit eene door den burgemeester zijner woonplaats afgegeven verklaring.

Aan den verlofganger der militie, die zijn 4quot; dienstjaar heeft volbracht, moet in gewone tijden meer bedoeld schriftelijk bewijs steeds worden toegezonden, zoodra door hem of te zijnen behoeve daartoe aanvrage wordt gedaan en zonder dat hij gehouden zij , daarvoor eenige verdere formaliteit te vervullen.

Gij ziet, m. V., dat door deze ministeriëele beschikking, de militiewet, wat het aangaan van het huwelijk betreft, aanmerkelijk verzacht is.

Of het nu dienstig kan wezen voor een jonkman, om als milicien eene verkeering aan te gaan, of zelfs te huwen, is eene vraag wier beantwoording zoozeer afhangt van de persoonlijkheid des miliciens en van de omstandigheden, waarin ieder milicien in het bijzonder zich bevindt, dat het onmogelijk is hierop een algemeen antwoord te geven. Wij willen dan ook alleen op deze vraag dit antwoord geven, dat de milicien zich wel ernstig moet bedenken, alvorens hij, in dienst staande, eene verkeering beginne. Afgezien nog van zijn jeugdigen leeftijd, van zijne vermoedelijke ongenoegzaamheid, om voor eigen huisgezin het noodige levensonderhoud te verdienen, en van al het andere, waarop wij u in onze vroegere onderrichtingen gewezen hebben, toen wij u over een te vroegtijdig trouwen spraken, immer zal de milicien bij zijne ouders en bij zijnen biechtvader ernstig te rade moeten gaan, alvorens hij er toe besluite, om eene verkeering met een meisje aan te knoopen. En dit te meer, wanneer het een meisje zou gelden, wier kennis hij gemaakt heeft in de plaats, waar hij in garnizoen ligt. De verleidingen, waaraan een milicien blootstaat, zijn zoo groot en zoo veelvuldig; tijdens dat vrije militaire leven kan de jeugdige milicien zich zoo gemakkelijk bedriegen in de keuze van een braaf en voor hem geschikt meisje, dat hij dan ' vooral meer nog dan anders, den wijzen raad zijner ouders en de voorzichtige wijsheid des priesters zal noodig hebben, om in zijne keus zich niet jammerlijk te bedriegen.

Daarenboven moet men niet uit het oog verliezen, dat de tijd

ocr page 222

•i08

van verkeering, toch immer reeds zoo gevaarlijk, voor den miliciens nog bijzondere gevaren heeft. Gewoonlijk buiten toezicht zijner ouders, in eene vreemde stad levend, zal zijn omgang met een meisje, hem meer nog dan anders bijzondere gelegenheden tot het kwaad opleveren. De overvloedige vrije tijd-, dien een milicien heeft, zal hem telkens in de gelegenheid stellen, om met het meisje uit te gaan en bij haar bezoeken af te leggen, die voor zijne deugd op den duur allernoodlottigst kunnen worden.

Al is derhalve door de bovengenoemde ministeriëele beschikking de mogelijkheid, om, na één jaar diensttijd, te kunnen huwen, voor den milicien opengesteld geworden, toch blijven er vele gewichtige bedenkingen over, die het noodig kunnen maken, om den milicien het aangaan van eene verkeering vóór zijne loting of tijdens zijn eerste dienstjaar ten sterkste af te raden, ja zelfs uitdrukkelijk te verbieden. Ook nu nog kan zulk eene verkeering ontijdig en. dus ongeoorloofd zijn. De milicien dus zou onverantwoordelijk . handelen, wanneer hij, zonder den raad zijner ouders en zielsbestuurders te hebben ingewonnen, eene verkeering beginnen zou. Dat hij dit nimmer doen moge, opdat hij niet misschien te laat tot de droevige ondervinding kome, dat hij door zijne schuld verward is geraakt in de strikken der verleiding, cn gekomen is tot eenen val, waarover hij zijn geheel leven door, de bitterste wroeging en het smartelijkst zelfverwijt zal gevoelen in zijn hart.

Wilt ten slotte, m. V., goed in het oog houden , dat de militie-wet aan miliciens, omdat zij gehuwd zijn, geen bijzondere voorrechten verleent; zij vallen onder de algemeene wetten en worden tot alle diensten opgeroepen, gelijk al de overige miliciens. De soldij nu van een milicien is volstrekt niet berekend op den plicht, die een gehuwd man heeft, om het brood voor eigen huisgezin te verdienen. Hoe zwaar moet het een gehuwd milicien vallen, die een eerlijk hart bezit en een oppassend huisvader is en met zijnen arbeid het dagelijksch brood voor zijn huisgezin moet verdienen, wanneer hij voor meedore weken achtereen, opgeroepen wordt, om de herhalingsoefeningen bij te wonen; en zal hij zich niet bitter verwijten onverstandig gehandeld te hebben met zoo ontijdig te huwen, wanneer hij alsdan vrouw en kind aan de verzorging, aan de barmhartigheid van anderen zal moeten achterlaten?

Gij ziet uit dit alles, m. V., dat de meest geschikte leeftijd voor een jonkman, om tot een huwelijk over te gaan, ook om reden van den dienstplicht, de leeftijd van omstreeks 25 jaren is, wijl hij alsdan aan al zijne verplichtingen als milicien voldaan heeft en geene vrees behoeft te hebben, zoolang er zich geene buitengewone omstandigheden voordoen, dat hij nog voor zijnen dienstplicht opgeroepen en aan de verzorging van eigen huisgezin ontrukt zal worden.

ocr page 223

209

Besluiten wij onze onderrichting met deze artikelen der militiewet:

Art. 196. Elk bij de militie te landingelijfde ontvangt, vijf jaren na den dag zijner inlijving, een bewijs van ontslag uit den dienst.

Art. 148. Het bewijs van ontslag wordt gezonden aan den burgemeester der woonplaats van den ingelijfde en aan dezen door hem uitgereikt.

Bevindt de ingelijfde zich op het tijdstip van zijn ontslag in werkelijken dienst, dan wordt hem het bewijs door zijn bevelhebber uitgereikt.

Dm EN TWINTIGSTE ONDERRICHTING.

De t«rkeering.

In de zeden en gewoonten vooral van ons volk is het opgenomen , dat zij, die voornemens zijn een huwelijk aan te gaan, vooraf eenigen tijd „verkeeren.quot; In dien tijd gaan zij , die ver-keeren, met elkander om en pogen door dien omgang elkander beter te leeren kennen.

Gij zult reeds aanstonds begrijpen, m. V., dat deze omgang slechts kan gewettigd zijn, wanneer het huwelijk hiermede beoogd wordt. Zooals wij u aanstonds meer in het bijzonder zullen aan-toonen, er zijn aan dien omgang eigenaardige gevaren verbonden, waartegen zelfs do wederkeerige hoogachting, die tot een gelukkig huwelijk leiden moet, niet altijd bestand is. Vandaar, dat eene verkeering, waarmede geen huwelijk bedoeld wordt, een ongeoorloofde , een zondige omgang moet genoemd worden.

Wij vinden hier aanleiding om u met een enkel woord te waarschuwen tegen verkeeringen, die aangegaan en aangehouden worden zonder den ernstigen wil, om tot een huwelijk te komen. Beginnen wij aanstonds met voorop te stellen, dat er meerdere gewichtige redenen kunnen wezen, waarom zij, die met goede bedoeling eene verkeering hebben aangegaan, die verkeering afbreken. De tijd der verkeering is een proeftijd, en juist daarom is de verkeering gewettigd, wijl zij aan hen, die voornemens zijn om te huwen , de gelegenheid geeft tot ernstig beraad en tot degelijk onderzoek naar elkanders inborst en hoedanigheden van geest en hart. Beter ten halve gekeerd, dan ten lieele gedwaald, zegt het spreekwoord. Een jonkman, bijvoorbeeld, die met goede bedoeling een meisje ten huwelijk gevraagd heeft en met haar den tijd van verkeering is ingegaan, maar, naar gelang hij haar beter leert kennen, inziet, dat hij zich in zijne keus vergist heeft en gegronde vrees gaat koesteren, of hij met haar in het huwelijk wel geluk-Levenbst. 14

ocr page 224

210

kig zal wezen, doet wijs, wanneer hij nog bijtijds van zijn voornemen afziet en zijne verkeering afbreekt. Maar, m. V., hoe wijs hij hierin ook handelen moge, hij zal dan toch moeten erkennen in zijne keus gedwaald te hebben. Hij zal daarom des te voorzichtiger moeten zijn, wanneer hij een nieuwe keus doen gaat.

Denkt er immer aan, m. V., dat de geheele toekomst van een meisje er zoo gemakkelijk mede gemoeid kan zijn, wanneer hare verkeering wordt afgebroken. In de meeste gevallen is een meisje, dat reeds eene verkeering gehad heeft, in de schatting der openbare meening minder. Die openbare meening moge ook in dit opzicht dwalen, het is eenmaal niet anders; wij zijn wel gedwongen, om de menschen te nemen, gelijk zij nu eenmaal zijn en niet zooals zij moesten wezen. Al heeft ook het meisje het ongeluk gehad het oog te trekken van een lichtzinnigen jongeling, die zonder ernstig nadenken haar gevraagd en eene verkeering met haar heeft aangeknoopt; al is ook het afbreken der verkeering geheel en al te wijten aan de onbezonnenheid van den jongeling, aan diens lichtzinnigheid en wispelturigheid, gewoonlijk is voor het oog der wereld zulk een meisje minder geworden. Laat mij het zeggen, m. V., zulk een meisje wordt in het vervolg moeie-lijker gezocht en gevraagd door een jongeling van haren stand; zij loopt grooter gevaar, om alleen te blijven in de wereld.

Maar indien nu, m. V., in vele gevallen het afbreken eener verkeering voor een meisje een ramp is, dan zult gij zelf gemakkelijk inzien en gevoelen, hoe laaghartig een jongeling handelt, die eene verkeering aanknoopt en een meisje een vooruitzicht opent van haar te zullen trouwen, terwijl hij in zijn hart geen huwelijk beoogt, maar slechts bedoelt om eenigen tijd haar op te houden en besloten is haar af te zeggen, na een poos het vermaak van haren omgang genoten te hebben. Zulk eene yerkeering is eene zondige verkeering, m. V., zondig: wijl hij, die voornemens is, om niet te huwen, zich aan de gevaren eener verkeering niet mag blootstellen; zondig ook; wijl zulk een jongeling door zijn bedrog, door zijne valsche voorspiegelingen een meisje bittere teleurstellingen bereidt en haar in den regel afhoudt van de gelegenheid, om een jongeling te vinden, die haar werkelijk zou willen huwen. Ik behoef u niet te zeggen, dat een jongeling, die aldus speelt met de geheele toekomst van een meisje, een karakter toont, dat wij veilig slecht en gevaarlijk noemen mogen. Hij moge dan den schijn aannemen slechts lichtzinnig te zijn, gelooft het niet, m. V., hier is meer dan lichtzinnigheid, hier is verdorvenheid van hart en indien gij ooit zulk een jongeling ontmoet, gaat uit den weg voor hem, want hij is tot ander, tot grooter kwaad nog in staat. Twijfelt er niet aan. God komt te Zijnen tijde, om ook zulk een te straffen. Wanneer? Somtijds laat, maar dan ook des te zwaarder; dan, namelijk, als zulk een

ocr page 225

211

jongeling, vroeg een grijsaard geworden, alleen zonder liefderijke hulp , te midden van ziekte en ellende, op zijn bed van langdurige smarten nederligt.

Maar laat ons verder gaan en spreken wij over de gevaren, die aan de verkeering verbonden zijn. Waarom is de tijd van verkeering, inzonderheid voor jongelieden, zulk een gevaarlijke tijd?

„De menseh is zwak,quot; aldus schrijft Pater F. Peters in zijn werkje „Heilzame wenken;quot; „dit bekent een ieder. Ja, de mensch is zeer zwak, de zwakheid zelve, 's Menschen natuur is bedorven en zeer bedorven, 's Menschen hart is altijd ten kwade geneigd, vooral tot het verboden zingenot. Verreweg de meesten, die verloren gaan, gaan verloren om de zonde des vleesches. Ja, de H. Kerkleeraar Alpi-ionsus zegt, dat deze zonde de hel met rampzalige zielen vervult. Als dan de mensch in dit punt zoo uiterst zwak is, dan is reeds de onderlinge omgang alleen van jeugdige personen van verschillend geslacht niet zonder gevaren. Grooter echter wordt het gevaar, als zulke omgang van een meer vertrouwelijken aard is, zooals doorgaans tijdens de verkeering.quot;

„Dat de tijd van verkeering,quot; zegt Pastoor vax Cam pen , „een hoogst gevaarlijke tijd is, ook voor brave en godsdienstige jongelieden , behoeft niet eens bewezen te worden. Beiden zijn in jeugdigen leeftijd, in jaren, waarin de hartstochten in hun volle kracht zijn; beiden zijn bezield met de gedachte op het aanstaande huwelijk , en het kan niet anders of de duivel moet daarmede zijn voordeel doen en hen met groote bekoringen bestormen, en stelt men zich zonder reden langen tijd aan die bekoringen bloot, dan zal de rampzalige zonde niet uitblijven.quot;

Zooals wij reeds gezegd hebben, het nut, dat uit de verkeering voortkomt, maakt, met inachtneming der noodige voorbehoedmiddelen tegen de gevaren, de verkeering geoorloofd. Het huwelijk is zulk een gewichtige staat, er hangt zooveel van af, dat twee menschen, die met elkander gehuwd zijn, ook elkander goed zullen kennen en begrijpen, dat zij bereid zullen wezen, om in oprechte liefde elkanders lasten te dragen, liet is zulk een onherstelbaar ongeluk, wanneer zij, die gehuwd zijn, ondervinden, dat zij mot elkander niet in vrede en in liefde kunnen samenwonen. Al deze en nog zooveel meer andere redenen pleiten voor het groote nut, dat uit de verkeering voortkomt en wettigen het gevaar, waaraan zij zich, blootstellen, die met elkander eene verkeering hebben aangegaan. Maar bedenkt het wel, m. V., dat nut der verkeering wordt slechts bereikt, wanneer die gevaren met een volhardenden moed worden bestreden. Dat nut wordt voorbijgestreefd , wanneer die gevaren hen, die verkeeren, medesleepen in de zonde. Dat nut wordt onheil en die gevaren baren verderf, wanneer de zonde gaat heerschen, wanneer de hartstocht den geest gaat verblinden en het hart in vuur zet, als onder den verzengenden adem van den duivel der ontucht de schoone bloem

ocr page 226

212

der liefde verdort en uit hare asch de giftplant der onknischheid weelderig opschiet. O , m. V., de tijd der verkeering is zulk een beslissende tijd voor het toekomstig geluk van hen, die zich voor den staat des huwelijks voorbereiden! De hartstocht, wanneer hij het verbodene najaagt, verblindt den geest des menschen. Maar in welken tijd heeft de jongeling grootere wijsheid noodig,' dan in den tijd der verkeering, waarin hij beslissen moet in zijne keus van de vrouw, met wie hij zich, misschien tot aan zijn dood, onherroepelijk gaat vereenigen? Wanneer de booze hartstocht eenmaal streven gaat naar het zinnelijke, naar hetgeen verboden en schandelijk is, ja, m. V., dan gaat zelfs de natuurlijke liefde verloren, die tusschen hen, die verkeeren, bestaat; dan treedt onder den schijn van liefhebben en beminnen, de verachtelijke zelfzucht, de snoode eigenliefde op in hare meest schandelijke verschijning; dan vergaat de laatste glans van het heilige, dat als een schitterend kleed iedere ware vriendschap en oprechte liefde steeds siert; ach, m. V., dan is de liefde tusschen deze beiden de liefde niet meer, die God, om de zielen te verblijden, van den Hemel op aarde heeft afgezonden, dan wordt zij het vuur, dat de helsche vijand in de zielen uitstort, ombaar te verderven en bekwaam te maken voor alle zonden en geschikt te maken voor alle ondeugden.

Maar dan ook, m. V., welk huwelijksgeluk kunnen zij verwachten, die in den tijd der verkeering, in plaats van eene heilige liefde aan te kweeken voor elkander, er naar gaan streven, om het vuur van boozen hartstocht voedsel te geven? Zal de man in zijn huwelijk op geluk kunnen hopen, hij , die als jongeling, ten tijde zijner verkeering, de verleider der onschuld is geworden en die om bevrediging te geven aan de boosheid van eigen hart, niet teruggeschrokken is voor de euveldaad, om den kostbaarsten en schoonsten schat te ontrooven aan het meisje, dat hij voorgaf te beminnen — haar kleed van onschuld, misschien nog nimmer te voren door doodzonde bezoedeld geweest! Is het, m. V., geene laaghartigheid, aldus onder den schijn van vurige liefde, het hoogste onheil te brengen over het meisje; misbruik te maken van het goed vertrouwen, dat zij in de deugd van den jongeling stelt, die haar zijne liefde betuigt? Zal zij later als vrouw, wanneer hare deugd opnieuw hare kracht heeft herkregen, niet in het diepst van hare ziel zich versmaad gevoelen door al die zonden, waaraan zij wel medeplichtige is geworden, maar waartoe zij toch nimmer zou gekomen zijn, wanneer de duivel op haren levensweg geen helper gevonden had in den man, dien zij als jongeling te groote liefde getoond heeft? Is het in de vrouw, die als meisje zulke ondervindingen heeft opgedaan, wel niet te vergoelijken, maar toch gemakkelijk te verklaren, wanneer zij op den duur van tijd haren man gaat mistrouwen, als zij achterdocht koestert, daar, waar deze misschien nog zonder grondige redenen wordt gekoes-

ocr page 227

213

terd, als zij jaloersch wordt en ondanks zich zelve, in die jaloersch-heid haar eigen straf vindt, maar ook tegelijk de straf bereidt, die haar man om vroegere boosheid zich verdiend heeft.

O, m. V., er zijn zoovele huwelijken ongelukkig, tengevolge van zonden, die in den tijd van verkeering zoo roekeloos en onbezonnen gepleegd zijn! Het is ons onmogelijk, om voor u den sluier op te lichten, waaronder de oorzaken van zoovele ongelukkige huwelijken verborgen zijn; dit zou ook niet dienstig zijn, m. V. Maar wat ik u smeeken wil, indien gij ooit den tijd der verkeering zijt ingegaan, wilt u dan in alles zuiver bewaren. Het huwelijk is zulk een heilig en zulk een allergewichtigst Sacrament. In den staat des huwelijks heeft de mensch voortdurend zoovele genaden noodig, om de groote verplichtingen des levens goed te vervullen. Ieder levensgeluk moet van God komen en als God 's menschen pogingen niet zegent, dan is iedere poging ijdel, dan treedt teleurstelling op teleurstelling in do plaats van iederen wensch naar geluk, dien de mensch zich vormt in zijn hart. Indien God tegen ons is, m. V., wat zullen ons dan ook de meest zekere vooruitzichten helpen, die wij voor ons verder levensgeluk kunnen hebben!

De ware liefde , waarmede menschen elkander kunnen beminnen, steunt op wederkeerige achting, op eerbied voor elkander. Het is geene achting, geene eerbiediging meer voor elkander, als om wille van boozen hartstocht, het zedelijk goed, het hoogcre, het edele in den mensch, wordt geminacht, wordt geschonden; als zij, die zeggen elkander te beminnen, hunne liefde oefenen, als bestond de mensch enkel uit een lichaam en niet ook uit eene ontsterfelijke ziel, het waardigste deel des menschen, kostbaar in het oog van God, wijl zij met het H. Bloed van Jesus Christus is vrijgekocht geworden. Kan het wel anders, m. V., dat eene liefde, die aldus in den tijd der verkeering ontaard is in eene snoode en schandelijke eigenliefde, geene ware huwelijksliefde zal zijn, en dat zij, die aldus verkeerd hebben, in hun huwelijk niet de liefde voor elkander zullen hebben, die in staat is, om uit bovennatuurlijke beweegredenen de zware en gewichtige verplichtingen, aan den staat des huwelijks verbonden, met edelmoedige zelfverloochening te vervullen? En met welk een diep berouw en met welk eene groote boetvaardigheid zullen deze zonden door gehuwden betreurd en geboet moeten worden, alvorens zij in hare schuld en in hare gevolgen zullen weggenomen worden door God; alvorens de huwelijksliefde eene heilige bovennatuurlijke liefde zal zijn , die gehuwden tot de beoefening der vele deugden zal voeren, wier bezit het noodzakelijk vereischte voor een gelukkig huwelijk is.

Vandaar, m. V., waarom zij, die verkeeren, zich vooral in dien tijd op godsvrucht en op de beoefening van deugden moeten toeleggen. In den tijd van verkeering vooral moeten zij veel

ocr page 228

214

bidden tot God. Het is een tijd van de grootste gevaren; door een vurig en een volhardend gebed moeten zij, die verkeeren, de genade afsmeeken, om braaf en onschuldig, om kuisch te blijven leven te midden van zoovele groote bekoringen. In dien tijd van verkeering vooral moeten zij door vurig gebed en door een godsdienstig en braaf leven, Gods zegeningén zich waardig maken voor hun verder leven/ Zij moeten een veelvuldig en waardig gebruik maken van de HH. Sacramenten, eene bijzondere liefde toonen voor Maria, de onbevlekte Moeder des Heeren, de hulp en bescherming van hunnen H. Engelbewaarder, van den H. Joseph, van hunne HH. Patronen telkens afsmeeken, opdat, waar de gevaren groot zijn en de zwakheid overvloedig, Gods hulp en barmhartigheid des te milder hun tocstroomen mogen. Zoo moeten zij de naaste gelegenheid van zonde, die dikwijls aan de verkeering eigen is, zooveel mogelijk verwijderd maken voor zich.

Voorzichtig moeten zij met elkander omgaan; bij hunne samenkomsten niet de eenzaamheid zoeken, maar integendeel naar de tegenwoordigheid van oudere en van brave en deugdzame men-schen verlangen. Die de eenzaamheid zoeken, m. V., zoeken de zonde! Zeker, zij die verkeeren, kunnen hunne geheimen hebben, die zij elkander wederkeerig willen en mogen mededeelen. In de meeste gevallen hebben zulke geheimen, op zichzelf beschouwd , weinig te beduiden. Maar hoe het zij, zoolang die onschuldig zijn, is er geen reden, om de mededeeling aan elkander achter te laten. Door die vertrouwelijkheid kweeken zij bij elkander de liefde aan, wat een der voordeden is, uit de verkeering voortvloeiend. Maar er is geen onschuldige reden denkbaar, waarom die geheimen op eenzame plaatsen, buiten het oog van een ieder, zouden toevertrouwd moeten worden, en zij, die zoo iets begeeren, hebben andere geheime bedoelingen, die niet meer onschuldig, maar zondig en schandelijk zijn. In den kring dei-familie , te midden van volkrijke straten, op wegen en pleinen, waar meerdere menschen zich bewegen , kunnen zij, die verkeeren, elkander gemakkelijk al hunne geheimen toevertrouwen, zonder dat zij een oogenblik bevreesd behoeven quot;te zijn, dat een onbescheiden oor hunne vertrouwelijkheid zal afluisteren. Maar geheimen, die het oog van anderen niet mag zien, mogen er niet bestaan tusschen hen, die verkeeren. Ziet, m. V,, dat worden de geheime daden, die het licht schuwen en de duisternis zoeken, wijl zij verleidelijke, wijl zij zondige daden zijn.

Een laatste middel nog, m. V., dat ik wil aangeven, om dien gevaarlijken tijd der verkeering goed en onschuldig door te brengen, is kort verkeeren. Het is niet mogelijk, om in een algemeenen regel den bepaalden duur der verkeering aan te geven. Dit hangt af van de verschillende omstandigheden, waarin zij, die verkeeren, zich bevinden; van de wijze, waarop zij dien tijd

ocr page 229

215

doorbrengen; van de middelen, die zij hebben en aanwenden, om dien gevaarlijken tijd braaf en onschuldig door te brengen. Toch kunnen wij veilig aannemen, dat iedere te lanyc verkeering reeds om den te langen duur alleen hoogst gevaarlijk is en derhalve ongeoorloofd wordt. Daarom mogen zij geene verkeering aangaan, die geene gegronde vooruitzichten kunnen aangeven, waarop zij, na een voegzamen tijd van verkeering, een huwelijk hopen aan te gaan. Zij dus, die niet weten, waarop zij in de toekomst kunnen trouwen, zijn gehouden die verkeering af te breken; voor hen bestaat het doel en derhalve het nut der verkeering niet.

In het algemeen zouden wij kunnen zeggen, dat zij, die bijna gedurende een jaar verkeerd hebben, beginnen moeten met ernstig hun huwelijk voor te bereiden, opdat zij omstreeks het volle jaar van hun verkeering gehuwd en in eigen huisgezin gevestigd zullen zijn.

Overigens zal de duur der verkeering in vele gevallen van de beslissing des biechtvaders afhangen, en aan het wijs oordeel van dezen zal het gewoonlijk overgelaten moeten worden of de aangegeven tijd bekort of wel verlengd zal kunnen worden.

Wij zouden u nog veel meer over dezen gevaarlijken tijd der verkeering kunnen zeggen; toch gelooven wij goed te doen, wanneer wij over dit allergewichtigst, maar tevens ook allerteederst punt voor u niet uitvoeriger uitweiden. Wanneer gij, m. V., den tijd van verkeering ingaat, herinnert u dan en herleest met aandacht, wat wij u over de verkeering gezegd hebben. Ik twijfel niet, of het zal u eene aansporing te meer zijn, om u met kinderlijke gehoorzaamheid te voegen naar de leiding van den vasten biechtvader, dieu gij vooral in dat tijdvak van uw leven, zoozeer zult noodig hebben, om tot ecu gelukkig huwelijk te komen.

Alvorens wij deze onderrichting eindigen, m. V., moeten wij u nog spreken over het huwelijksverbod, dat huwelijksbelofte genoemd wordt.

Geven wij eerst dit huwelijksverbod nauwkeurig aan. Wanneer twee personen op geldige wijze de belofte hebben gedaan van met elkander te zullen huwen, dan is het zoowel aan den eenen als aan de andere verboden, om met een ander persoon in het huwelijk te treden.

Dit verbod wordt opgeheven: 1. door den dood van ecne der partijen,

2. door den ontrouw van een van beiden,

3. met wederzijdsch goedvinden, dat wil zeggen, als zij, die elkander beloofd hebben te zullen trouwen, aan elkander hunne belofte teruggeven en aldus elkander wederkeerig van die belofte vrijmaken.

Ook staat het aan ieder van beiden vrij de belofte van trouwen te verbreken, wanneer de andere partij zonder reden aanhoudend of voor langen tijd het sluiten van het huwelijk verschuift, of

ocr page 230

216

wanneer deze in omstandigheden geraakt, waarin een gelukkig huwelijk bijna onmogelijk wordt.

Uit deze geldige trouwbeloften ontstaat daarenboven een huwelijksbeletsel, dat openbare eerbaarheid genoemd wordt.

Uit geldige trouwbeloften toch ontstaat eene zekere verwantschap met de wederzijdsche bloedverwanten van hen, die aan elkander geldige trouwbeloften hebben gedaan. Twee personen nu, die aan elkander ware en geldige trouwbeloften gedaan en van elkander ontvangen hebben, kunnen geen huwelijk aangaan met elkanders bloedverwanten in den eersten graad, ook zelfs niet wanneer de trouwbeloften door den dood of door andere wettige redenen mochten verbroken zijn.

Merken wij op, dat volgens art. 113 van ons Burgerlijk Wetboek , in onze wetgeving trouwbeloften geene rechtsvordering geven tot het aangaan des huwelijks, noch tot vergoeding van kosten en schaden, uit hoofde der niet vervulling van de belofte, en dat alle afspraken tot schadeloosstelling, die te voren bij huwelijksbeloften mochten gemaakt zijn, voor onze burgerlijke wet als nietig, dat wil zeggen, van geen kracht beschouwd worden.

In de provinciale Synode van Utrecht waarschuwen onze Bisschoppen tegen trouwbeloften, die in liet geheim, zonder getuigen , worden afgelegd door hen, die voornemens zijn met elkander een huwelijk aan te gaan. Van zulke trouwbeloften zegt de Synode: „Deze belofte van elkander te zullen huwen is zeker eene geldige belofte, ook al wordt zij zonder getuigen en zonder gewettigd bewijs afgelegd, wanneer zij slechts niet om andere redenen ongeldig is. Maar de ondervinding leert, dat groot onheil en vele gevaren voor de zielen uit deze geheime trouwbeloften voortkomen. Bij dergelijke trouwbeloften toch kan het gemakkelijk geschieden, dat het noodige rijp beraad niet aanwezig is, wijl de toestemming en de raad van ouders en van anderen, die vooral moesten geraadpleegd worden, niet gevraagd zijn geworden. Ook is het niet zeldzaam, dat zij , die God den Rechter niet vreezen, deze geheime trouwbeloften, die voor den wereldlijken rechter niet kunnen bewezen worden, misbruiken, om jonge dochters te bedriegen en te misleiden.quot;

In het algemeen genomen is het, m. V., aan jongelieden zeer te ontraden , om zich in de dagen van verkeering door trouwbelofte te verbinden; want heeft men zich door belofte eenmaal verbonden, dan mag men zonder gewichtige redenen die belofte niet breken, maar is men onder groote zonde verplicht zijn woord te houden. Toch kunnen er in den tijd der verkeering vele zaken plaats grijpen, die de vervulling der belofte moeielijk en verdrietig maken.

Wanneer nu de tijd der verkeering ten einde loopt en zij, die huwen willen, den dag van hun huwelijk bepaald hebben, begeven zij zich ongeveer drie weken vóór hun huwelijksdag naar

ocr page 231

217

den Pastoor, voor wien het huwelijk moet voltrokken worden, en deze zal in den regel de Pastoor der parochie zijn, waartoe het meisje behoort.

Volgens art. 186 van ons Burgerlijk Wetboek zullen geene godsdienstige plechtigheden mogen plaats hebben voor dat de partijen aan den bedienaar van hunnen eeredienst zullen hebben doen blijken, dat het huwelijk ten overstaan van den ambtenaar van den Burgerlijken Stand is voltrokken.

Met dit artikel verbiedt onze burgerlijke wetgeving het trouwen in de kerk, zoolang dit niet op het raadhuis is geschied. Maar dit verbod slaat natuurlijk niet op den zoogenaamden ondertrouw, en in den regel zal het noodig zijn, om bij den Pastoor den trouwdag vroeger aan te geven dan aan het raadhuis, omdat de kerkelijke wet drie afkondigingen op drie achtereenvolgende Zondagen of feestdagen vraagt, terwijl op het raadhuis slechts twee zulke afkondigingen het huwelijk moeten voorafgaan. Om derhalve geene vertraging te ondervinden bij het sluiten van een huwelijk, zullen zij, die voornemens zijn om te huwen, wijs doen met eerst zich aan te geven bij den Pastoor, die het huwelijk moet inzegenen, alvorens zij aangifte gaan doen van hun voorgenomen huwelijk op het raadhuis. De H. Kerk toch eischt drie huwelijksafkondigingen en slechts om gewichtige redenen geeft zij ook in deze wet somwijlen dispensatie.

Nog eene andere reden is er, waarom zij, die huwen willen, zich tijdig bij den Pastoor moeten aanmelden. De Pastoor is verplicht, om een ernstig onderzoek in te stellen naar den vrijen staat, naar de godsdienstige kennis, naar het vrij zijn van huwelijksbeletselen of huwelijksverboden bij hen, die zich aanmelden om te huwen. Hij moet zorgen, dat de huwelijksafkondigingen in die parochiën zullen geschieden, waar zij volgens de wet der Kerk moeten plaats hebben. Voor dit alles is een voegzame tijd noodig. Het kan voorkomen, dat de godsdienstige kennis door nieuw onderricht aangevuld moet worden; dat de Pastoor naar verre plaatsen moet schrijven, om onderzoek in te stellen naar den vrijen staat van hen, die huwen willen, of naar omstandigheden, waaruit blijken moet, dat zij mogen en kunnen huwen met elkander. Daarenboven zullen zij dan vermaand worden, om tijdig tot het Sacrament der Biecht te naderen, ten einde, gelijk dit in den regel zal moeten geschieden, eene generale Biecht te spreken.

Al deze redenen maken bet noodig, dat zij, die huwen willen, ongeveer drie weken vóór hun vastgestelden huwelijksdag zich zullen aanmelden bij den Pastoor, om hem van hun besluit in kennis te stellen.

Besluiten wij deze onderrichting, m. V., met u te vermanen, toch deze drie laatste weken vóór het huwelijk immer als de naaste voorbereiding tot een heilig huwelijk te beschouwen. In

ocr page 232

218

die weken moeten zij, die huwen gaan, op bijzondere wijze zich door gebed, door oefeningen van godsvrucht, door braafheid heiligen. In die laatste weken moeten zij de grootste zorg in acht- nemen, om hun geweten te zuiveren van alle zonden. Dan vooral moeten zij hunne zielen trachten vrij te houden van iederen smet van zonde, opdat zij zich Gods overvloedige zegeningen zullen waardig gemaakt hebben op den allergewichtigsten dag van hun leven, op hun huwelijksdag, zoo beslissend voor hun heil in tijd en in eeuwigheid.

Er blijft ons nog over, om met een enkel woord te spreken, over een gebruik, dat bijzonder in vele buitengemeenten van ons vaderland, heerschend is.

Zij, die voornemens zijn om te huwen, gaan in de dagen, waarin zij in ondertrouw zijn opgenomen, bij hunne wederzijdsche familie bezoeken afleggen. Met het doel, om de gasten voor hunne bruiloft uit te noodigen, rijden zij bijna dagelijks met elkander naar alle zijden heen, buiten toezicht hunner ouders, buiten toezicht van ieder ander, geheel en al aan elkander overgelaten.

Na hetgeen wij over de gevaren van den verkeeringstijd gezegd hebben, mogen wij gerust den wensch uiten, dat deze gewoonte, hoezeer dan ook ingeworteld, uitgeroeid moge worden. Welke ouders, die het oprecht meenen met de ziel van hun kind, zullen althans niet vreezen voor de groote gevaren, waaraan onder zulke omstandigheden hun kind in die dagen is blootgesteld.

Is het te verwonderen, dat de zielzorgers voortdurend met groote beduchtheid deze gewoonte gadeslaan en vurig verlangen, dat zij uit de hun toevertrouwde kudde moge weggenomen worden ?

Maar ook dan, wanneer wij alles zouden vertrouwen van de deugd van hen , die in ondertrouw zijn opgenomen , en voor een oogenblik ieder gevaar, dat aan die gewoonte onvermijdelijk verbonden blijft, voor een ieder zouden voorbijzien, dan toch zou immer deze vpaag billijk zijn : Kan zulk eene gewoonte gepaard gaan met eene ernstige voorbereiding voor den nabij zijnden dag des huwelijk; is zulk eene handelwijze berekend op de naaste voorbereiding, die toch het gewichtig Sacrament des Huwelijks zoozeer vordert? Zij wier harten braaf en nog onschuldig zijn en die het gewicht van hun huwelijk voor tijd en eeuwigheid gevoelen, mogen zelf het antwoord geven. Zij zullen de eersten zijn, om te erkennen, dat zulke verstrooiingen allerminst passen in een tijd , die zich kenmerken moet door ingetogenheid, door vurig en aanhoudend gebed, door een ernstig navorschen der geheimen van hun geweten.

ocr page 233

219

VIER EN TWINTIGSTE ONDERRICHTING.

9

Laatste vermaningen.

Wij zijn aan het einde gekomen, m. V., van de onderrichtingen, die wij met u over den levensstaat hebben gehouden. Alles wat wij u voor oogen gesteld hebben, had slechts ten doel om u naar ziel en lichaam, voor tijd en eeuwigheid, gelukkig temaken. Wij zouden nu gevoeglijk deze 'onderrichtingen kunnen eindigen, want het lag niet in ons plan, om u over den staat des huwelijks zelf verdere vermaningen te geven. Met het oog op den leeftijd van de meesten uwer zou dit niet dienstig zijn.

Toch willen wij u in deze laatste onderrichtingen nog enkele vermaningen geven, die u voor nu en voor uw verder leven heilzaam kunnen zijn. Wij hebben reeds gelegenheid gevonden, om u aan te sporen toch ijverig en vlijtig te zijn in den arbeid, waartoe God u nu reeds en vooral in de toekomst roept. Dit zal voor u een krachtig middel zijn, om onder Gods zegen gelukkig te zijn.

Maar, m. V., wat ik u hier nog eens met den meesten aandrang bidden wil is dit: Houdt toch geheel uw leven God voor oogen. Vergeet het nooit: Buiten God zult gij nimmer gelukkig zijn. Gods geboden moeten u in alle omstandigheden, waarin gij komen zult, boven alles heilig en dierbaar zijn. Bemint immer God boven alles, meer dan u zeiven, meer dan eenig schepsel, meer dan iets hier op aarde, en als gij ooit kiezen moet tusschen God en wien of wat ook, aarzelt niet, m. V , God te kiezen , al zoudt gij voor het oogenblik ook met God te kiezen de zwaarste offers moeten brengen. Vergeet 'nimmer, dat alle wegen, die van God afleiden, niet enkel zondige, maar ook heillooze wegen zijn, waarop gij onverinijdelijk ook tijdelijk onheil en ellende ontmoeten zult. W'eest dagelijks dankbaar jegens God voor de weldaden, die Hij u naar ziel en lichaam schenkt; roept dagelijks met een heilig vertrouwen Zijn gezegenden Naam aan en blijft een heiligen afschrik in uwe harten aankweeken voor alles, waardoor de Goddelijke Naam wordt gesmaad en verguisd. Een vloeker, m. V., vindt den vloek Gods in zijn leven reeds hier op aarde. Gods Naam wordt nimmer ijdel afgeroepen van den hemel en hetzij dan ten zegen of ten vloek. God strekt Zijne hand uit over hem, die Zijnen H. Naam afroept.' Let er op, vooral in uw verder leven, en gij zult bij den vloeker de straffende hand Gods zien in de slagen, waarmede hij wordt geslagen.

Houdt den Zondag, m. V., in hooge eer; viert dien, naar het gebod der H. Kerk getrouw, door het godvruchtig bijwonen der H. Mis en door te rusten van uwen slafelijken arbeid. Om het H. Geloof, dien kostbaren schat, te bewaren, moet gij godsdienstig

ocr page 234

220

leven en uw uiterlijk godsdienstig leven zal getuigenis moeten afleggen, dat gij gelooft in den God, van Wien alleen ons heil komen kan.

De arbeid op den Zondag verarmt, m. V.; het geld op den Zondag gewonnen is geen winst maar verlies; het brengt grootere schade aan dan het oogenblikkelijk voordeel, dat het schijnt op te leveren.

Eerbiedigt het gezag in iedere wettige overheid. Gehoorzaamt aan God in hen allen, die God in hoogeren en lageren rang boven u geplaatst heeft. Wilt gij zelf geëerd worden in den stand, waarin God u zal plaatsen, begint dan zelf met te eerbiedigen ieder gezag, dat over u gesteld is.

Weest immer gedachtig, dat de toorn des mans Gods gerechtigheid niet werkt, dat wat in drift in een oogenblik gezegd of gedaan wordt, met al de schatten der wereld niet ongezegd of ongedaan kan gemaakt worden, en dat reeds velen met bittere tranen het onheil hebben beweend, hetwelk door hun drift gekomen is over hen.

Leeft zuiver, leeft kuisch, m. V., in den staat, waarin God u zal plaatsen. God is bij de zuiveren van hart, en waar God is, daar is vrede, het hoogste goed van den mensch hier op aarde. Bij den onkuischen mensch is de duivel, en waar de duivel is, daar is onrust, onbevredigdheid, kwelling en zwaarmoedigheid.

Geeft steeds aan een ieder het zijne, m. V., eerlijkheid duurt het langst; onrechtvaardig goed gedijt niet. Het geld en goed waarop het geweten zijn naam, als wettig eigenaar, niet schrijven kan, ligt als een zware last op het hart van den onrechtvaardige en brengt geen blijdschap, maar wroeging en angst. Recht door zee, m. V., dit zij uw leus geheel uw leven door. Niet op slinksche wegen kan de mensch heil vinden, slechts op de rechte paden kan hij komen tot de gelukkige uitkomst van datgene, wat hij onderneemt of beoogt.

Zoekt, m. V., in eene oprechte liefde voor de menschen, blijvende vreugde voor uw hart. Zij, die om wille van God hun medemensch liefhebben, zooals Hij het wil, smaken zooveel blijde vreugde voor hun hart! Naar ons best vermogen hulpvaardig zijn voor hen, die onze hulp vragen; met den mantel der liefde de zielewonden van anderen zooveel mogelijk bedekken; aan een ieder doen, wat wij wenschen, dat aan ons zal gedaan worden; van een ieder het goede blijven denken, totdat het kwaad zich aan ons opdringt en wij het niet langer kunnen voorbijzien; niet veroordeclen, waar wij het niet moeten, en waar het onze plicht wordt tegen het kwade op te treden, het voorbeeld volgen van God, die het kwade haat en straft en vervolgt, maar voor den boetvaardige hier op aarde immer vol medelijden en barmhartigheid blijft; bij ons oordeel over anderen immer denken:

ocr page 235

221

„die staat, zie toe, dat hij niet valle,quot; en derhalve uit den val van anderen nieuwe aansporingen putten tot eigene waakzaamheid en voorzichtigheid; ziet, m. V., dit alles is christelijke deugd, is de wil van Jesus Christus, die zeide: „Dit is mijn gebod, dat gij elkander liefheht, gelijk Ik u heb lief gehad. ') Maar, m. V., in zulk eene liefde is tevens zooveel vertroosting, zooveel reine vreugde te smaken. Die aldus zijn medemensch bemint, verheft immer meer de edelste gevoelens van zijn hart; hij zal in een ieder het goede zoeken en zich verheugen bij de ondervinding, dat de meesten van hen, die als slecht worden aangewezen , ook naast grove gebreken en ingrijpende ondeugden, toch nog het goede hebben, waardoor zij aanspraak blijven houden op ons liefderijk medelijden en overvloedige hoop laten op hunne zedelijke verbetering. Er zijn gelukkig slechts weinige menschen, zóó slecht en bedorven, dat men het goede in hun hart niet meer terug kan vinden. Velen hebben de gebreken van hunne deugden , de meesten misdoen uit zwakheid, bij enkelen slechts komt het kwaad voort uit liefde voor het booze. Er zijn vruchten, m. V., die wanneer wij ze in onze handen nemen, door hare zachtheid ons gevoel aangenaam streelen, maar wanneer wij haar aan onzen mond gebracht hebben en ze eten, ziet, dan proeven wij een wrangen, bitteren smaak en het berouwt ons haar gegeten te hebben. Evenzoo gaat het den rechtgeaarden mensch, die kwaadspreekt. Hoe vreemd het ook klinken moge, het kwaadspreken heeft iets verleidelijks in zich. Zonder het rechtstreeks te beoogen of ook zelfs te willen, vindt onze eigenliefde in het kwaadspreken gelegenheid, om eigen goed in het licht te stellen. Dit is het zachte, het streelende in het kwaadspreken. Maar hij, die het hart op de rechte plaats draagt, smaakt al spoedig het wrange en bittere van zijn kwaadspreken, en in zich zeiven gekeerd schaamt hij zich over den lof, dien hij zocht ten koste van een ander; hij gevoelt zich minder mensch geworden en benijdt in zijn hart den zwijger, die misschien geen aangename prater is, maar toch toont een heter mensch te zijn. O, m. Y., kweekt in uwe harten eene ware liefde voor de menschen aan. In de weldadigheid, die gij zult oefenen, in den troost, dien gij den lijdenden en bedroefden medemensch zult brengen, in het liefderijk medelijden, dat gij zult koesteren in uw hart jegens hen, die naar ziel of lichaam ongelukkig zijn, zult gij zoo gelukkig voor u zei ven zijn. De dag, waarop men goed gedaan heeft aan een, die lijdt, heeft steeds zulk een zoet einde. Men vertrouwt zooveel te veiliger op Gods barmhartigheid in eigen schuldigheid, als men barmhartigheid geoefend heeft jegens anderen. Men vraagt in eigen behoefte des te vertrouwvoller aan God, als men een open hart voor de behoeften van anderen heeft. Staan wij allen niet als bedelaars

') Joës XV, 12.

ocr page 236

222

voor den troon van Gods barmhartigheid en genade? Wij weten het: met dezelfde maat, waarmede wij gemeten zullen hebben, zal ons teruggemeten worden. Laten wij dan immer barmhartig zijn, gelijk God, onze Vader, barmhartig is. Oordeelen wij niet en wij zullen niet geoordeeld worden; veroordeelen wij niet, en wij zullen niet veroordeeld worden. Geven wij en ons zal gegeven worden; eene goede en neergedrukte en geschudde en overloopende maat zal God in onzen schoot uitstorten. ')

Een andere vermaning nog, die wij u op uwen levensweg willen geven is deze: Weest tevreden, m. V., met datgene, waartoe God u heeft geroepen. Begeert in de wereld niet meer te zijn, dan wat God wil, dat gij zijn zult. Wij hebben reeds vroeger gezegd, dat de nederigheid niet bestaat in het ongebruikt laten van de gaven, die God heeft gegeven, opdat wij er ons nut mede zouden doen. Als wij u dan nu vermanen, om tevreden te zijn in den staat, waarin God wil, dat gij leven zult, dan kan het onze bedoeling niet zijn, om u aan te sporen, zonder passende eerzucht te zijn op den levensweg, dien gij moet afleggen. Integendeel, m. V., gebruikt Gods gaven, zoo goed gij kunt, opdat zij voor u en voor anderen tot nut zullen zijn. Maar, terwijl gij u zeiven zoo goed mogelijk inspant, zult gij, om gelukkig te leveu aan Gods H. Voorzienigheid de beschikking van den goeden uitslag moeten overlaten. Weest tevreden in den staat, waarin gij zijt. Spant u in, om zoo best mogelijk dat alles te doen en te behartigen, wat gij verrichten nioet. Stelt u nimmer een doel ter bereiking voor, dat met het oog op de krachten en gaven, die gij bezit, voor u onbereikbaar is. Gij kent het spreekwoord van de apen, die hoog willen klimmen. Wacht u, om hen na te volgen, die meer ondernemen, dan zij volbrengen kunnen. Zulke menschen berokkenen zich zelve vele teleurstellingen, soms bitter verdriet en worden gewoonlijk nog minder, dan zij waren. Die de kennis en de middelen mist, om baas te wezen, moet knecht blijven, m. V. Menigeen reeds, die een goede, uitstekende knecht was, werd een slechte baas, wijl hij de gaven miste, die hem tot een goeden baas moesten maken. Gij kent de fabel van den ezel, die meende, dat zijn stem nog zoo slecht niet was. Voorbij de tent stappend, waar muzikanten aan het spelen waren, mengde hij zich in hun midden en hief zijn overbekend lijfdeuntje aan. De muzikanten vlogen op en sloegen hem bont en blauw met hunne zware koperen instrumenten en de paukenist trommelde zoolang op de lange ooren van den ezel, totdat hij in galop het hazenpad koos.

Wilt niet meer zijn, m. V., dan gij zijn kunt, maar weest tevreden , als gij goed doet, wat gij in uw levensstaat doen moet.

') Luc. VI, 36 v.

ocr page 237

223

Meer wordt er van ons niet geëischt en al zijn wij dan heer of knecht, de rechtschapenen en wijzen zullen ons hoogachten en wij zullen voor ons zeiven gelukkig zijn. Wilt u zeiven niet overschatten in de krachten en gaven, die gij bezit, opdat gij u veel bitterheid in uw leven moogt besparen.

Uit den tijd, toen het harpenspel nog in hooge eer was onder de menschen, verhaalt men ons, dat er eens een belangrijke wedstrijd werd uitgeschreven, wie het schoonste en het meest behagelijk spelen zou^ Van alle zijden stroomden op den bepaalden tijd de menschen te zamen in de schouwburg, waar de wedstrijd zou gehouden worden. Spoedig trad de eerste mededinger op. In kostbare, schitterende kleederen had hij zich uitgedost en in zijne hand droeg hij eene gouden harp, van alle zijden belegd met fonkelende edelgesteenten. Geen wonder, dat de verwachting aller toeschouwers op het hoogst werd gespannen, en dat allen met ongeduld het oogenblik verbeidden, waarop hij de hand aan de snaren van de harp zou slaan en de eerste tonen aan het kostbare speeltuig zou onttokkelen. Eene ademlooze stilte heerschte er onder die duizenden toeschouwers, toen de ij dele man voor het voetlicht trad, en een daverend gejuich steeg op uit hunne rijen, toen hij met eene afdalende welwillendheid voor hen boog. Aanstonds is de stilte wedergekeerd, want zie, daar slaat hij de hand aan de snaren. Hoort! daar ontvlieden de eerste tonen aan de kostbare harp. Maar ach, wat bittere teleurstelling! In plaats van een heerlijk snarenspel worden de ooren der toehoorders pijnlijk aangedaan door een valsch en schril geluid van snaren, met de onbedreven hand van den ij delen snoever in trilling gebracht. Nog speelt hij voort, maar de teleurstelling wordt steeds zichtbaarder. De speler windt zich op en poogt door tartende blikken de verontwaardigde menigte te trotseeren. Met geweld slaat hij zijne vingers op de snaren; onder harde, schreeuwende tonen wil hij zijne onbedrevenheid verbergen. Maar de snaren bieden niet lang weerstand aan de ruwe stooten, waarmede zij in trilling

•worden gebracht; drie der snaren bezwijken en breken af____ Nu

is het geduld der bedrogen menigte ten einde. De heftigsten onder hen springen op van hunne plaatsen en ijlen woedend op het tooneel. Zij grijpen den ij delen pocher aan, rukken hem de harp uit de handen en vertrappen haar onder hunne voeten. Zij sleuren den onbeduidenden speler voort, scheuren hem de kostbare kleederen van het lichaam en werpen hem onder algemeen hoongelach buiten den ingang van de schouwburg.

Nu trad de tweede speler op en spoedig was de kalmte onder de toehoorders wedergekeerd. Hoe geheel anders was de verschijning van dezen! Het nederig kleed, waarmede hij zich gekleed had, schitterde door eenvoud. Zijne harp was reeds oud en slechts uit hout gevormd. Met nedergeslagen oogen, bedeesd en schuchter buigt ook hij voor de talrijke menigte. Maar als deze speler zijne

ocr page 238

224

geoefende hand aan de snaren brengt, hoort, welke hemelsche klanken er spoedig door de zaal weerklinken. Rustig speelt hij voort naar de regels, die zijne kunst hem geleerd heeft, en hoe langer hij speelt, des te meer stort hij zijne ziel uit in de snaren van zijn wonderbaar schoone harp. Zijn bezielend spel trekt aller harten tot zich. Als zijne ziel juicht, juichen alle zielen mede; als zij treurt, treuren alle zielen mede; als zij bidt, bidden allen mede, en reeds is zijn spel geëindigd en nog luisteren die duizenden in stille bewondering naar de hemelsche tonen, die langzaam uitsterven. De nederige man is reeds uit hunne oogen verdwenen, alvorens zij uit hunne verrukking zijn wedergekeerd. Nu barst hij los die storm van goedkeuring; daverend handgeklap en onafgebroken gejuich stijgen op uit die opgetogen menigte. Men voert den nederigen kunstenaar terug op het tooneel; op hunne armen dragen zij hem; zij kronen zijn hoofd met de gouden kroon der overwinning. Maar alsof hij die hulde niet verdiende, neemt de nederige man de gouden kroon af van zijn hoofd en hecht haar vast aan zijne harp. Hoog boven zijn hoofd heft hij zijne harp naar boven, aan God de eer gevend van zijne schitterende overwinning.

Leeren wij hieruit, m. V., nimmer iets te ondernemen, wat boven onze krachten is. Als wij zoo dwaas zijn, dan zullen wij ons veel verdriet, spot en schande op den hals halen. Om gelukkig te zijn in ons leven is het-niet noodig, m. V., om in den kring, waarin wij geplaatst zijn, de eerste viool te spelen. In een meer ondergeschikte rol kunnen wij even goed gelukkig zijn, wanneer wij slechts tevreden leven.

En wanneer u in uw verder leven iets boven anderen gelukt, m. V., doet dan gelijk de nederige harpspeler, en geeft aan God de eer van den goeden uitslag uwer pogingen. Zonder God kan de mensch niets goed tot stand brengen, en wanneer wij aan ons zeiven gaan toeschrijven, wat Gods hulp alleen in ons heeft uitgewerkt, dan zullen ook wij het ondervinden, dat zelfs een gelukkige uitslag nog bitterheid en smarten kan baren, als God ons alleen laat, om onzen hoogmoed te beschamen en ons te leereh oprecht nederig te zijn.

Ten slotte, m. V., nog deze laatste vermaning. Gij staat allen nog vóór de gewichtige keus van uwen levensstaat. Smeekt God dagelijks, opdat Hij uwen geest verlichten moge en gij eenmaal tot dien levensstaat komen moogt, waartoe God u roept. Bidt dagelijks tot den H. Geest, en roept de machtige voorspraak in van de gezegende Moeder van onzen aanbiddelijken Verlosser. Moogt gij op uwen levensweg, gelijk de jonge Tobias, door uwen heiligen Engelbewaarder geleid worden naar de woningen van ons aller Vader in den Hemel, om uit te rusten van uwen arbeid en volmaakt gelukkig te zijn in het eeuwig bezit van God!

ocr page 239
ocr page 240
ocr page 241

■ ■gt;- ■■■;i .■**£jgr---4r ■■ '■***' quot;•• ï ■ -

gt; zi'S'j.' 1 '}■ r lt;* Juxma.,'. i'f- ' ƒ?-, jpa-#*-

*?gt; 'v- *•'» -VS--'

i€* - -quot;'P . gt; 5 E - f /^gt;0

S^:::r:' amp;a êéê

ocr page 242