209 ;
1893. 1898.
/X 2 Jfcbvuam. /a
r -â ' j '
MAE! IA,
HOEDBl VAN GOEDEN RAAD
DOOR
FR. PROSPER
F. J. H. JANSEN,
ORD. S. AUG.
Stoomörxjkkerij J. C. F. VEEN MAN, Amsterdam.
T
vlt; ^ f'1. iPj
S FEBRUARI. â
,00- ______ ^0(S
MARIA,
MOEDER VAN GOEDEN RAAD.
DOOR
FR. PROSPER
F. J. H. JANSEN,
ÃKD. S. AUG.
Bibliotheek UUDEKBROEOERS
W6ÃRT.
AMSTERDAM. 1898.
VERKLARING VAN DEN SCHRIJVER.
Alles, wat dit boekje behelst, onderwerpen we overeenkomstig het voorschrift van Pans Urba-nus VIII aan het oordeel der H. Kerk.
VOORWOORD.
Dit boekje maakt allerminst aanspraak volledig te willen zijn, of, wat men noemt, âeen afgerond geheelquot;.
Wat hier te lezen wordt aangeboden is een verzameling van op zich zelf staande stukjes, welke op verschillende tijden van de hand des schrijvers in het licht verschenen en waaraan goedgunstig een plaatsje werd vergund in het âMaandschrift ter eere vanO. L. Vrouw van Goeden Raadquot; of in de âOfficiëele Kerklijst van Amsterdamquot;.
Het doel, waarvoor deze losse blaadjes tot één bundeltje zijn saamgegaard, is om allen die zich wijden â of belangstellen in den meerderen bloei der schoone devotie ter eere van de Moeder van Goeden Raad tot kleine handwijzing te dienen.
Met name bied ik dezen bundel â ter plechtig Kroningsfeest dier Goede Moeder te Amsterdam â aan de leden der Propa-ganda-club, maar vooral aan de dames Zélalrices als blijvende onderrichting der teedere Godsvrucht, welke zij voorstaan; maar niet minder ook om eere te geven en waardeering uit te spreken voor zóóveel moeitevollen arbeid, door de dames Zèlatrices betoond vanaf den dag der stichting onzer «Godvruchtige Vereenigingquot;.
In diezelfde goede stemming zullen zij dan ook gemakkelijk de feilen en leemten verontschuldigen, welke dit boekje aan-
VOORWOORD.
kleven, wijl voor grooter werk dat op breederen grondslag, in hooger vlucht, in vollediger vorm, in warmer gloed deze godsvrucht verheerlijkt, de schrijver zich noch toegerust noch geroepen acht.
Moge de Moeder van Goeden Raad ook aan de regelen, welke hier volgen Haar zegel hechten en wasdom geven aan dit zaadje!
IV
OVERZICHT.
a. Maria is Moeder van Goeden Raad. Hoofdstuk IâII. Igt;. Maria vereerd als Moeder van Goeden Raad. Hoofdstuk III-IV-V.
c. Maria zegepraalt als Moeder van Goeden Raad. Hoofdstuk
VI-V1I.
d. Maria, Moeder van Goeden Raad, onze Koningin. Slot.
INHOUD.
MARIA IS MOEDER VAN GOEDEN RAAD.
I. Maria, Moeder van Goeden Raad, om Haar uitverkiezing
van God
II. Maria, Moeder van Goeden Raad, om Haar wonderwerken
in het oog des menschen.
MARIA ALS MOEDER VAN GOEDEN RAAD, VEREERD.
111. Maria, Moeder van Goeden Raad, vereerd door Pausen en Heiligen.
OVERZICHT, INHOUD.
IV. Maria, Moeder van Goeden Raad, naar het voorbeeld van
Paus Leo XI11 en der Augustijnen, vereerd over de geheele aarde.
V. Maria, Moeder van Goeden Raad, vereerd door vele
middelen van devotie.
DE MOEDER VAN GOEDEN RAAD ZEGEPRAALT.
VI. Maria, Moeder van Goeden Raad, in betrekking tot de
strijdende, lijdende en zegepralende Kerk.
VU. Maria, Moeder van Goeden Raad, en de godvruchtige Vereeniging van dien naam.
DE MOEDER VAN GOEDEN RAAD ONZE KONINGIN.
Slot.
Aanhangsel.
VI
INLEIDING.
1S03 2 ETEBirCT-A-IFBI ISSS.
Jaartallen en datum hierboven vermeld, bevatten voor de kinderen van de Moeder van Goeden Raad een blijde herinnering.
Het was op den feestdag van Lichtmis, dat de Hoogeerw. Pater Provinciaal J. V. Eert, Pastoor der Sint-Augustinuskerk te Amsterdam, ten jare 1893 de godvruchtige Vereeniging ter eere dier goede Moeder daar stichtte onder de hooge goedkeuring van Z. D. H. Mgr. Caspar Bottemanne, Bisschop van Haarlem, nadat ZHoogeerw. te voren den zegen van Paus Leo XIII over de beeltenis van de Moeder van Goeden Raad, in die kerk geplaatst, verworven had.
Nu bij het aanbreken van dienzelfden dag vijf jaren sinds zijn heengevloden, mogen alle dienaren van die nooit volprezene Moeder â Haar roem en eere gevende â zich vermeien in het stichtend schouwspel, hoe zeer velen in die korte spanne tijds Haar leerden eeren en dienen als slechts een kind eeren en dienen kan.
Diep gevoelde genegenheid en levend vertrouwen gaven den stoot, dat de stichting dezer godvruchtige Vereeniging te Am-
8
sterdam, plechlig werd herdacht in eene driedaagsche feestviering, en daarnaast hebben kinderlijke dank en warme erkentelijkheid voor zoo ontelbare genadegaven zich willen uitspreken bij dit eerste lustrum-feest, zich vertolkt in heerlijke offers van een kunststuk, of beter, â van een verzameling van kunststukken tot één harmonisch geheel â in gedreven, rijk verguld koperwerk en een massief gouden kroon.
Wie dan ook dit jaar ter blijde viering van Maria-Lichtmis opging naar de Sint-Auguslinuskerk te Amsterdam, werd, bij zijn intrede aldaar, getroffen door den luister en schoonheid van het altaar der Moeder van Goeden Raad, ter rechterzijde van het hoogaltaar alsof ook hier het woord des koninklijken Harpzangers in zijn 44stel1 psalm gelden mag: âastitit regina a dextris tuis, in veslitu.quot; âAan Uwe rechterhand â o verborgen God in het IJ. Tabernakel â zetelt de Koninginne in gouden gewaad.quot;
Waarlijk de gulden schittering âvan de omlijsting der beeltenis, â van de engelen, die dezelve torsen, van de indrukwekkende, machtige tafereelen daaronder en der gouden kroon daarboven, schitterend van edelgesteenten â alles saamgebracht door armen en rijken, door dienstdoenden en meesters, o dat alles doet ons wederom met David instemmen: âHoor, o Dochter en zie en neig Uw oor tol ons!quot;
âNiet alleen de Koning verlangt Uw luister, maar ook wij âvereeren IT met geschenken en offeranden; van geslacht tot âgeslacht zullen we Uwen naam gedenken, en allen ook U, o âMoeder van Goeden Raad, in eeuwigheid prijzen!quot;
In zoo heilige ontboezeming, in vreugde en zielsverrukken â âin laetitia et exultationequot; â stamelen wij dien 44sten psalm na.
9
Nog meer! Wie den geest richt naar die vijf verleden jaren en den blik vestigt op de glansrijk getooide beeltenis, hem verrijst in schaduvve, wat Joannes bij goddelijk licht genieten mocht: âSignum magnum apparuit in coelo!'quot; ')
âEen groot teeken verscheen aan den hemel, eene Vrouwe, gehuld in het gewaad der zonne, de maan onder Hare voeten en om Haar hoofd een kroon van twaalf sterren!quot;
Mogen ook wij hier niet, â wel âin spiegel en gelijkenis,quot; maar toch heerlijk dit aanschouwen?
Zien ook wij niet de beeltenis dier Vrouwe in het gouden gewaad der gulden versiering van kunstig gedreven koper; aanschouwen ook wij niet de maan onder Haren voel in deduizende vereerders geknield voor Haar in genegenheid en liefde; en is ook niet orn het hoofd de kroon, de gouden kroon, glansend van edelgesteenten, waarmede die tallooze vereerders eere en glorie geven aan Haar, wier beeltenis eens aan den hemel verscheen, door Engelen gedragen?
Herinnert ons dat alles niet aan de Moeder van Goeden Raad ? Waarlijk: âSignum magnum apparuit in coelo!quot; âEen groot teeken verscheen aan den hemel, toen deze beeltenis gedragen werd door de Engelen, maar ook vanuit den hoogen hemel kwam deze godsvrucht tot ons en â van daaruit werd dezelve duurzamer dan koper, geplant op aarde. Maar ook uit den hemel spreekt de Moeder van Goeden Raad tot ons en bij dit Jubelfeest, wijzende op het zegenisvol verleden, hooren wij wat God de H. Geest vertolkt in het achtste hoofdstuk van het boek der spreuken: âNu, mijne kinderen, luistert naar Mij!quot; âZalig de mensch, die Mij aanhoort!quot;
Dat begreep ook de H. Alphonsus de Ligorio, die in zijn âHeerlijkheden van Mariaquot; schrijft: âdat er onder alle oefenin-
(') Apoc. c. 12.
10
âgeu van godsvrucht geene is, welke de Moeder Gods meer ,behaagt, dan dikwijls Hare voorspraak in te roepen en in bijzondere behoeften Hare hulp te vragen, bijzonder wanneer âmen raad moet vragen, of anderen raad moet geven!quot;
Maria zelf bevestigde de waarheid van deze woorden zoozeer, dat, toen de beeltenis dier Hemelsche Raadgeefster wonderbaar was overgebracht, nauwelijks de mare daarvan konde deed, of âgeheel Italië diep door het wonder getroffen, vergaderde bij het wonderbaar Mariabeeld, en trok processie-gewijze naar Genaz-zano, gelijk de geschiedenis vermeldt. ')
Zoo komen wij dan gereedelijk tot de behandeling van ons eerste hoofdstuk, dat n.1. Maria door Gods uitverkiezing onze Moeder is van Goeden Raad.
') Ad quam visendam tola Italia commota est, ita ut proces-sionaliter illic oppida et civilates confluerent.
Hist. Did. Gap. Ill P 2.
I.
MARIA IS MOEDER VAN GOEDEN KAAD OM HAAR UITVERKIEZING VAN GOD.
I.
MARIA TS MOEDEB VAN GOEDEN RAAD OM HAAR UITVERKIEZING VAN GOD.
Wanneer een kunstenaar een schoon tafereel op doek wil brengen, zweven al de personen, die hij schilderen wil, levendig voor zijnen geest. Alvorens te beginnen heeft hij reeds overlegd welke plaats, welke gedaante, houding en kleeding hij elk der figuren geven zal, doch bovenal houdt hij zich met den hoofdpersoon bezig. Alle anderen moeten zich schikken naar den hoofdpersoon en deze moet zelf de anderen in houding en kleeding, in waardigheid en voorkomen overtreffen.
Zóó stond Maria, de Moeder van Goeden Raad Tgt;van den beginne en vóór alle eeuwenquot; in het plan des Scheppers, gelijk de H. Kerk ons duidelijk leert wanneer zij deze woorden des H. Geestes toepast op Maria: âab initio et ante saecula creata sumquot; van den beginne en vóór de eeuwen ben Ik geboren. (Eccl. 24.)
De Moeder van Goeden Raad is derhalve het pronkjuweel, de vorstin der schepping, de Moeder met Wie God van eeuwigheid verkeert en, is Zij niet de eerste in Hare schepping. Zij was toch de eerste in het plan des Scheppers.
Daarom noemen de H. H. Vaders Haar: âhet werk van den
14
Eeuwigen Raadquot; en wordt op Maria toegepast het woord der H. Schriftuur. âVan mij is welberadenheid en rechtmatigheid.... bij schrandere overleggingen ben ik tegenwoordig.quot; (Prov. VIII, 12, 14.)
Maria is derhalve Moeder van Goeden Raad, van eeuwigheid door God zeiven daartoe verkozen.
Hoe hebben, toen de lijden een aanvang namen, de eeuwen ook Haar niet begroet?
Vóór Christus aanschouwen wij de H. Maria reeds door God in het paradijs voorspeld als de âSterke Vrouwe,quot; die door Haar moederlijke raadgevingen het menschdom ééns veilig zoude henenleiden naar zijn eeuwige bestemming, den duivel het zoude ontrukken en Satan den kop verpletten.
Sinds verkondigde elke eeuw Haar glorie als Moeder van Goeden Raad in de voorspelling of voorafbeelding van het Oud Testament of in breed uitgehaalde lonen van Davids harpe getokkeld.
Dan, zichtbaar hechtte God Zijn welbehagen aan den eerenaam van Moeder van Goeden Raad, toen Zijn Eéngeborene zich aan Haar overgaf en Haar onderdanig werd â maar ook onder Maria's raadgevingen opgroeide in welbehagen bij God en menschen!
Zoo rijst nu ook Haar beeltenis ons voor oogen. In de tee-derste uitdrukking van moederlijke goedheid stuit Zij â als Moeder van Goeden Raad â Jezus in Haar armen en, terwijl Zij al âZijne woorden bewaarde in Haar hart,quot; werd die goede Moeder ook ons gegeven wanneer het klonk op Calvarie: âZiedaar uwe Moeder!quot;
Toen ontving Zij derhalve de opdracht om van den schat Harer moederlijke wijsheid â welke Zij in Haar harte draagt â ons mede te deelen!
Maria is dus Moeder van Goeden Baad door God zeiven daartoe verkozen!
Na Christus hebben de Heiligen éénparig in Haar erkent de
15
uitverkiezing Gods en met die uitverkiezing gaf de Heer Haar alle genaden om ons in eiken nood te zijn een goede Moeder van Goeden Raad. Daarom:
1.
is Maria door God uitverkoren tot Moeder van Goeden Kaad, als het Kanaal aller genaden.
Alle genaden, welke ons noodig zijn om den hemel te bereiken, zijn door God toevertrouwd aan de Moeder van Goeden Raad. Dit is het gevoelen van een groot getal H.H. Vaders en verdienstvolle godgeleerden: ,0, gelukzalige Maagd, roept de âH. Ephrem uit, zoo Gij wilt dat ik mijn ziel zalig make, neem âmij onder den mantel Uwer bescherming; want zie slechts âdoor U kan ik hopen de eeuwige verdoemenis te ontkomen.quot; âGij zijt met genaden vervuld geworden, o Maria, zoo bidt de ,H. Antonius; opdat Gij de weg zoudet worden langs welken âmen tot het hoogslgelukkig vaderland moet komen!quot;
De H. Bernardus zegt, dat de godsvrucht lot Maria het allerzekerst teeken is van zaligheid. â âDeze godsvrucht, leert de H. Bonaventura, is als het merkteeken dal al degenen, die in het boek des levens geschreven staan, op hun voorhoofd geprent dragen.quot; â âSchep moed, roept dezelfde Heilige uit, gij allen die den hemel betracht; dient en eert Maria, gij zult het eeuwig leven zeker vinden!quot;
Wil ik, zegt de H. Alphonsus, de troostelijke verzekering mijner zaligheid hebben, dan heb ik mij maar te vragen of ik een godvruchtige dienaar van Maria ben.quot;
Wat al deze Heiligen zeggen over de godsvrucht tot Maria onze Moeder van Goeden Raad, is geheel overeenkomstig met de gedachte van Gods H. Kerk die op Haar deze woorden toe-
16
past: ,Die Mij gevonden heeft, zal leven vinden en heil verwerven van den Heer.quot; (Prov. VIII.)
2.
Maria is door God uitverkozen tot Moeder van Goeden Raad voor de Reclitvaardigen,
Voor de rechtvaardigen gaf God Maria tot Moeder van Goeden Raad in dezen zin, dat de godsvrucht tot Maria een teeken is van voorbeschikking en een der beste middelen om in den hemel te komen.
De Heiligen zeggen, dat het onmogelijk is, dal een dienaar van Maria, die Haar getrouw dient en zich aan Haar aanbeveelt, verloren ga.
âGelijk het onmogelijk is, zegt de H. Antonius, dat zij van âwie Maria hare barmhartige blikken afwendt, zalig worden â âzoo is het noodzakelijk dat zij tot wie Maria hare blikken âricht, en voor wie Zij ten beste spreekt, gerechtvaardigd worden âen tot de hemelsche heerlijkheid geraken.quot;
Zoo spreekt ook de H. Bonaventura; âWie zich aan Haren âdienst toewijden, blijven verre van de hel verwijderd.quot;
âOngetwijfeld, verzekert de H. Alphonsus, zal Maria indien âwij Haar geen beletsel in den weg stellen, door de krachten âvan Hare gebeden ons de gelukzaligheid der uitverkorenen âbezorgen; zoo onfeilbaar dat hij die Maria dient en voor wien âZij Hare bemiddeling doet gelden even zeker is van den hemel âalsof hij dien reeds bezat.quot;
Daarom koesterde diezelfde Heilige een zóó groote godsvrucht tenopzichte van de Moeder van Goeden Raad, dat altijd Hare beeltenis bij hem was geplaatst.
17
De H. Bernardus noemt die Moeder: âeen koninklijken wagen die ons ten hemel voert.quot;
Houden wij dan vol zoete hope het oog gevestigd op de Moeder van Goeden Raad, door God zeiven uitverkozen en ons gegeven als een schitterende zeesterre, welke de rechtvaardigen veilig doet aanlanden in de haven der Zaligheid.
Daarom huldigen wij de Moeder van Goeden Raad als die geheimzinnige ladder van Jacob, langs welke God is neergedaald en langs welke wij ten hemel klimmen en verzuchten wij vol vertrouwen:
O, Maria â Moeder van Goeden Raad â wij nemen onzen toevlucht tot U!
3.
Maria is door God uitverkozen tot Moeder van Goeden Eaad voor de Zondaren.
De Moeder van Goeden Raad is moeder nog voor de zondaren, omdat Zij door de kracht van Hare moederlijke bescherming, aan de zondaren, die van goeden wil zijn, de genade van een oprecht berouw en eene rechtzinnige bekeering, de genade der volharding in het goede en een zaligen dood verwerft. De H. Methodius verzekert ons dat âoponhoudelijk eene ontelbare menigte zondaars door de gebeden en verdiensten van die goede Moeder hunne bekeering bekomen.quot;
,0 Maria, bidt de H. Chrysostomus, daartoe werdt Gij van alle eeuwigheid van God verkozen, opdat den ongelukkigen zondaar aan wien, volgens de wet der rechtvaardigheid de zaligheid moest geweigerd worden, dezelve nog gegeven wordt door Uw barmhartige voorspraak!quot;
2
18
âHoevelen,quot; zegt de goedvruchtige Thomas a Kempis, âzouden âvoor eeuwig veroordeeld of in wanhoop versteend gebleven âzijn, indien de allergoedertierendste Maagd niet voor hen bij âHaren Zoon ten beste had gesproken.quot;
Schept dan moed, arme zondaars! God zelf gaf u de Moeder van Goeden Raad. Hoe groot en talrijk ook uwe zonden mochten wezen, gaat tot Haar, die Jezus in Haar armen draagt. Zij zal voor u genade verwerven, u verlichten door Haar raad en steeds u blijven bewaken!
4.
Maria is door God uitverkozen tot Moeder vau Goeden Kaad in twijfel en angsten.
In alle duisternis van geest; in angst of twijfel is Maria ons door God gegeven ten goeden raad. Zij is dezelfde Moeder, die Haar goddelijk kind immer verblijdde door Hare teedere toespraken en dezelfde blijft Zij in eeuwigheid. Alle Heiligen vluchtten tot Haar in kommer en druk, maar bijzonder is Maria onze Moeder van Goeden Raad in het doen kennen van onze roeping of levensstaat. Dit laatste heeft Paus Pius IX uitdrukkelijk ons geleerd in zijn breve van 16 December 1854.
De geschiedenis vermeldt ons, dat vele Heiligen hunne roeping leerden kennen, verlicht door den raad dier getrouwe Moeder; zoo was het o. a. de H. Alphonsus de Liguorio, die in eene kerk van Napels zijn ridderdegen op het altaar dier Hemelsche Vrouwe nederlegde, zich voor altijd daar wijdde aan Haren dienst, maar ook nooit Haar raad heeft ontbeerd.
De H. Johanna van Valois had een overgroote devotie tot de Moeder van Goeden Raad.
19
Tc midden van wereldsche lichtzinnigheid bleef zij aan het hof van Frankrijk zedig en deugdzaam, maar ook in elke aangelegenheid vluchtte zij tot die goede Moeder; en geen dag liet zij voorbijgaan zonder Haar raad te vragen in de roeping, welke zij te volgen had.
Heerlijk werd deze godsvrucht beloond, toen eens de Moeder van Goeden Raad haar zeide: âJohanna! Mijn kind. God wil dat gij de wereld verlaatquot;.... Zij werd de stichteres van de orde der Annunciaden.
Te Antwerpen wordt een schoone afbeelding bewaard van de Moeder van Goeden Raad, sprekende tot den H. Aloyslus, die Haar smeekt zijn levensstaat te mogen kennen, met dit opschrift: âDe H. Maria van Goeden Raad, die te Madrid in het keizerlijk college aan den gelukzaligen Aloysius den raad heeft gegeven om de societeit van Jezus in te treden.quot;
Ook de H. Rosa van Lima vroeg aan de Moeder van Goeden Raad haar roep te mogen kennen; zij meende voor het kloosterlijk leven bestemd te zijn, maar na vurig gebeden te hebben, gaf de Moeder van Goeden Raad haar te verstaan dat zij in maagdelijken staat in de wereid moest blijven, zij deed het en ontving zóóveel genade, dat zij heilig werd.
Bidt dan tot de Moeder van Goeden Raad in twijfel en bedruktheid, vraag Haar licht vooral in die moeielijke aangelegenheid van een toekomstigen levensstaat, want daarvan hangt grootendeels onze zaligheid af.
En overal, in elke roeping kunnen we zalig worden als Maria ons deze heeft aangeraden ; als overheidspersoon en rechtsgeleerde gelijk een H. Ivo, als hoveling gelijk de H. Elzearus, als koning gelijk een H. Lodewijk, als soldaat gelijk een H. Mauritius, ja als bedelaar gelijk een lienedictus Labre, die uren voor Haar beeltenis bad te Genazzano.
20
5.
Maria is door God uitverkozen tot Moeder van Goeden Eaad voor de Stervenden.
De duivel, terwijl hij weet dat een stervende op het punt is de eeuwigheid binnen te gaan, gebruikt alle middelen om zich van diens ziel meester te maken en haar te doen storten in de eeuwige hel. Dan â de Moeder van Goeden Raad staat altijd aan het sterfbed Harer kinderen. In het laatste uur beschermt Zij Hare dienaren met bijzondere liefde. Zij verijdelt de listen en lagen des duivels en bedwingt zijne woede door Hare bemoedigende inspraken en goeden raad.
Zoo stond Zij op Calvarie Haar dierbaar goddelijk Kind te vertroosten, maar zoo doet Zij nog.
De H. Joannes de Deo, die zoo vurig Haar beminde, mocht het als een goed kind van Maria ondervinden. Toen hij op het punt was te sterven en het ijskoud zweet bij stroomen gutsten langs zijn aangezicht, zag hij, hoe de Moeder van Goeden Raad zich plaatste aan het hoofdeinde zijner sponde, hem met eigene hand het doodszweet afdroogde en zeide: âJoannes, vertrouw. Ik verlaat nooit Mijne kinderen in het laatste oogenblik!quot;
6.
Maria is door God uitverkozen tot Moeder van Goeden Kaad voor de Zielen in ket quot;Vagevuur.
In het bange uur van sterven bewaakt Maria ons opdat we, door Haar moederlijken raad verlicht en bemoedigd, niet vallen ten prooi van duivel en hel.
21
Doch als Gods gerechtigheid ons nog iets ter uitboeting vraagt, blijft ook Maria ons de Moeder van Goeden Raad in het Vagevuur.
Volgens het gevoelen van den H. Bernardinus van Senen bezit de Moeder van Goeden Raad eene, om zoo te zeggen, onbegrensde macht om de zielen, die in het Vagevuur zijn opgesloten, te troosten.
âHoe zoetaardig en goed is de H. Maagd voor de zielen in âhet Vagevuurquot; roept de H. Vincentius Ferrerius uit.
Godvruchtige schrijvers beweren, dat zij op den dag van Haar hemelvaart, van Jezus de genade bekwam der verlossing van alle zielen, die toen in het Vagevuur verwijlden.
De H. Petrus Damianus en anderen houden staande, dat een dergelijke gunst op Hare feestdagen wordt vernieuwd.
Ook de H. Kerk is van gevoelen dat Maria hare afgestorven kinderen volkomene verlossing bezorgt. Men leest hieromtrent in de getijden van O. L. Vrouw van den Carmel dat: âmen âgodvruchtig gelooven mag dat de H. Maagd Maria zich haast âom de zielen van Hare dienaren uit den Kerker des Vagevuurs âte verlossen en naar het hemelsch vaderland te geleiden.quot;
Terecht dus zegt de H. Bernardus dat allen in het Vagevuur de blikken houden gericht op Maria, door God zelf uitverkozen tot Moeder van Goeden Raad.
Dan, deze uitverkiezing Gods bleef niet onder den korenmaat, maar spreidde in heldere glansen haar licht in de harten der geloovigen, zoodat de H. Maagd Maria ook wonderbaar werd erkend als Moeder van Goeden Raad in het oog des menschen.
II.
MARIA IS MOEDER VAN GOEDEN RAAD OM HAAR WONDERWERKEN IN HET OOO DES MENSCHEN.
BEELTENIS DER MOEDER VAN GOEDEN RAAD WONDERBAAR IN HET OOG DES MENSCHEN.
1°. Om de wonderbare overbrenging.
2°. Om de voortdurende verandering des gelaats.
3°. Om de zwevende houding en ongedeerden staat.
I.
Wonderbare Overbrenging der H. Beeltenis van 0. L. Vrouw van Goeden Eaad naar Gennazzano.
De koninklijke profeet David zegt in een zijner psalmen: âdoor den Heer is dit geschied en het is wonderbaar in onze oogen, â a Domino factum est islud, et est mirabile in oculis nostris.quot;
Zouden wij ditzelfde niet kunnen toepassen op heigeen hier een punt van onze aandacht gaat uitmaken?
Want, â is het waar dat God zelf Maria uitverkoos ons een ,Moeder van Goeden Raadquot; te zijn, niet minder duidelijk blijkt ook, hoe de nooit volprezene Maagd door tastbare wonderen toont deze opdracht te willen vervullen en waarlijk ons een Moeder van Goeden Raad te wezen.
Reeds het wonderbaar overbrengen van Haar H. Beeltenis getuigt hiervoor.
Genazzano is een niet onbelangrijke stad in het diocees Palestrina, ongeveer 30 mijlen zuidoostwaarts van Rome, zeer schoon gelegen links van den straatweg naar Napels. Sedert
26
onheugelijke tijden werd het feest van den H. Marcus, den Evangelist, aldaar met bijzonderen luister gevierd; het was tevens de dag van de groote jaarlijksche mis of jaarmarkt. De stad bezat een zeer oude, aan Onze Lieve Vrouw van Goeden Raad gewijde Kerk, die, naar het schijnt, voor een gedeelte op den grond stond, welken Paus Sixtus III aan de kerk van Santa Maria Maggiore in Rome bij gelegenheid barer herbouwing tot altijddurenden eigendom geschonken had. Deze kerk bevond zich in het midden der 15e eeuw in het bezit van de Augustijnen, aan wie zij door een lid der familie der Golonna's, de leenheeren dier plaats, in 1350 was afgestaan. Zij was noch groot, noch schoon; doch omstreeks den genoemden tijd verklaarde een vrome oude vrouw, Petruccia da Jeneo geheeten, teGenazzano geboren, en lid van de derde orde van den H. Augustinus, dat zij besloten had, deze kerk met grootere pracht nieuw op te bouwen. Deze onderneming was echter grooter dan hare middelen reikten; maar zij gaf wat zij had, en begon het werk. Hare vrienden en buren bespotten haar, als iemand, die begint te bouwen, zonder te berekenen of hij den bouw kan voltooien. Hare bloedverwanten, van wie men echter vermoeden kan, dat zij zich uit eigenbelang in de zaak mengden, berispten haar zeer over hare onvoorzichtigheid, om zich zoo vrijwillig van hare middelen van bestaan te berooven; want, zeiden zij, wie zal zich met haar willen belasten, oud en ziekelijk als zij is, wanneer zij, door het dwaze opvolgen eener luim, arm geworden is. Doch Petruccia had steeds hetzelfde antwoord op al deze opwerpingen: âHet werk zal tot stand komen en zeer spoedig, want het is niet mijn, maar Gods werk; onze Lieve Vrouw en de H. Augustinus zullen het tot voltooiing brengen vóór ik sterf.quot; Zij herhaalde voortdurend met een gebaar vol vertrouwen, hetwelk degenen, die haar hoorden voor waanzin moesten houden: ,0, welk eene Gran Signora (voorname vrouw) zal weldra aankomen en bezit nemen van deze plaats!quot;
27
Het werk ging intusschen zijn gang, en de muren verhieven zich reeds hoog boven den grond, dicht om de oude kerk welke zij moesten insluiten, heen, toen de werklieden langzamerhand hunnen arbeid begonnen te staken, en zich een veel grootere hinderpaal voordeed, dan de ontoereikendheid der hulpmiddelen. Petruccia had namelijk verklaard, dat zij de onderneming begonnen was en den moed had gehad, om haar voort te zetten, in vertrouwen op eene geheime ingeving, of visioen of openbaring. Nu was door de Kerk, om de misbruiken te stuiten, welke soms uit het voorgeven van bovennatuurlijke boodschappen van deze soort ontstaan waren, eene wet uitgevaardigd, welke verbood er gevolg aan te geven, wanneer zij niet door eenig ander uiterlijk en onafhankelijk getuigenis gesteund werden; aan de bloote bewering van een droom, een gezicht of eene openbaring zoude in geen geval gehoor worden verleend. Petruccia's werk werd aldus niet alleen om gebrek aan middelen, maar ook om dit verbod gestaakt. Haar eigen vermogen was uitgeput en de kerkelijke overheid kon haar geen beroep op de hulp van anderen veroorlooven.
Zoo stonden de zaken, toen in de lente van het jaar 1467, op Zaterdag 25 April, de gewone jaarlijksche markt gehouden was. Eene ontelbare menigte volks was de oude kerk en de onvoltooide muren der nieuwe voorbijgegaan, en men kan wel begrijpen, dat eenigen van hen, die de laatste zagen, al spottende zullen gezegd hebben: âDie vrouw is begonnen te bouwen en heeft niet kunnen voleindigen! Het begon avond te worden; het vroolijkste, schitterendste uur, waarop na volbrachten arbeid het genoegen van den dag begint, brak aan. Allen hadden zich naar hartelust aan de vreugde overgegeven, toen plotseling eenigen, die op de markt stonden, iets in de lucht gewaar werden, als eene lichte wolk, welke zich op een der muren van het onvoltooide gebouw nederliet. Hier scheen de wolk zich te verdeelen en te verdwijnen, en op den muur bleef een beeld
28
van de allerzaligste Maagd met het H. Kind achter, hetwelk daar te voren niet geweest was â een beeld, dat voor alle aanwezigen nieuw was, en welks plotselinge verschijning zij volstrekt niet verklaren konden. Te gelijkertijd begonnen de klokken van deze en 'alle andere kerken der stad te luiden, zonder dat eene menschenhand ze in beweging bracht. De lieden liepen uit hunne huizen om de oorzaak van dit algemeene gelui te vernemen, en snel verbreidde zich het gerucht, dat op de Piazza della Madonna iets wonderbaars was voorgevallen. Zij, die het naastbij woonden kwamen juist van pas om te zien, hoe de oude Petruccia uit de kerk kwam en, even als de overigen, vroeg wat er gebeurd was. Toen Petruccia het beeld zag, wierp zij zich op de knieën en begroette het met uitgestrekte armen; daarna stond zij op en wendde zich tot het volk. Met eene door tranen van vreugde en dankbaarheid half verstikte stem, verklaarde zij, dat dit de Gran Signora was, welke zij zoo lang verwacht had, en welke nu de kerk, die reeds lang had moeten klaar zijn, in bezit wilde nemen, en dat de klokken alléén ter eere der Madonna op zulk eene wonderbare wijze luidden. Op dit woord viel het volk op de knieën en begon voor het aangezicht van het wonderbeeld te bidden. Zij wisten het niet beter te noemen, dan Madonna del Paradiso (Onze Lieve Vrouw van het Paradijs.)
Verontrust door het ongewone klokkengelui en door het afschieten van geweren (zooals in vele deelen van Italië bij feestelijke gelegenheden nog heden gebruikelijk is,) meenden de bewoners der omliggende dorpen, dat er oproer in de stad was ontstaan, en werden ongerust over hunne bloedverwanten en vrienden, die zij wisten dat op de markt waren. De reeds teruggekeerden waren evenzeer in 't onzekere als de overigen; want zij hadden zoomin voorboden van een nabijzijnden opstand, als aanleiding tot eene bijzondere vreugde bemerkt, toen zij de stad verlieten. Anderen hoorden het geraas op hun weg naar huis,
29
en diegenen onder hen, wier voorzichtigheid grooter was dan hunne nieuwsgierigheid, ijlden nu zoo veel te sneller naar huis, terwijl sommigen terugkeerden, om de oorzaak van het geraas te vernemen. Doch deze laatsten lieten zich door het gezicht van het wonderbeeld, alsook door hel aanhooren van zijn geschiedenis en door de mirakelen, die er reeds plaats hadden, zoolang ophouden, dat de naburen niet zoo ras van hunne onrust bevrijd werden. Laat in den nacht keerden eindelijk eenigen terug en verhaalden zulke wonderbare dingen, dat vóór het aanbreken van den morgen eene menigte lieden, gebruikmakende van den rustdag (het was de vierde zondag na Passchen), naar de stad ijlden, om zeiven te zien, wat er van was. En niet alleen de sterken en gezonden, maar ook de ouden, zieken, de stommen, blinden, lammen en kreupelen kwamen naar dezen nieuwen vijver Bethesda, of werden er heen gedragen; want zij hadden reeds gehoord, dat velen in tegenwoordigheid van het beeld op wonderbare wijs van hunne kwalen waren genezen geworden. Het getal dezer wonderbare genezingen vermeerderde zoo zeer, dat geheel tegen de gewoonte van dien tijd, toen er nog geen protestanlismus was, met bijzondere voorzichtigheid en wijsheid gehandeld en een notaris aangesteld werd, die de merkwaardigste gevallen te boek stelde en ze door de onderteekening van geloofwaardige getuigen en van de bevoorrechten liet bekrachtigen. Dit register werd op den tweeden dag na de verschijning, d. i. op 27 April begonnen en tot op 14 Augustus, dus 110 dagen, voortgezet. Het bevat de beschrijving van 171 gevallen, die als wonderen beschouwd werden. Toen sloot men het register, niet omdat de wonderen hadden opgehouden, maar omdat er genoeg geschied was, om de hardnekkigste tegenpartij den mond te sluiten en het wonderdadige van dit beeld te bewijzen.
Maar, het is tijd, om nauwkeurig te onderzoeken, op welke wijs dit beeld aldaar in werkelijkheid gekomen was. De in-
30
woners van Genazzano waren in hunne vreugde bereid te ge-looven, dat het een werk van de engelen was en van den hemel kwam, waarom zij het den naam van Madonna del Paradise gegeven hadden. Het was hun daarom geen welkomen boodschap, toen zij eenige dagen later vernamen, dat twee reizigers uit een vreemd land zoo juist van Rome waren aangekomen, die beweerden, het beeld en zijne geschiedenis te kennen. Een dezer vreemdelingen was een Slavoniër, de andere een Albanees ; zij verhaalden de volgende geschiedenis.
In Scutari, eene Albaneesche stad aan de oostkust der Adriatiscbe zee, ongeveer 20 mijlen landwaarts in, hadden zij beiden gewoond. Op een kleinen heuvel builen de stad bevond zich eene kerk, in welke deze op den muur geschilderde Madonna wel bekend was, en onder den naam van Madonna del buon Officio (van goeden bijstand) hoog vereerd werd. Het was een beeld, voor hetwelk men steeds een groote devotie had gehad; in den laatsten tijd hadden de inwoners, wegens den onrustigen en bedreigden toestand, waarin het land zich bevond, hun bedevaarten daarheen verdubbeld, en de Moeder Gods om haren bijstand gebeden, opdat zij tegen hun gevaarlijkslen vijand, de Turken bewaard wierden; zij hadden namelijk reden om te vreezen, dat deze een nieuwen inval in hun land beraamden, zooals zij dan ook inderdaad weinige jaren later het geheele land verwoestten en vele steden te vuur en te zwaard vernielden. Velen der burgers waren reeds voor het dreigende gevaar gevlucht en hadden, zooals tijdgenooten ons verhalen, zich in Venetië en in verschillende steden der Romagna nedergezet. Onze beide vreemdelingen, die onder het getal der teruggeblevenen waren, besloten eindelijk om, even als hun medeburgers, het land te verlaten. Voor zij dit plan nochtans uitvoerden, gingen zij naar hun lievelingsheiligdom om het een laatst vaarwel te zeggen. Zij baden de Moeder Gods, dat zij, die zelve gedwongen was geweest, met haren goddelijken Zoon voor de booze plannen van
31
een aardsclien koning te vluchten, ook hen, hare ootmoedige vereerders, genadig op hun niet minder gedwongen vlucht zou voeren en geleiden. Terwijl zij nog baden, verdween de schilderij voor hun oogen en op de plaats, waar zij geweest was, scheen een witte wolk zich van den muur los te maken, door de lucht te zweven en door de kerkdeur naar buiten te trekken. Zij volgden, als door een onweerstaanbare macht gedreven en zagen zich weldra op een geheimvolle wijze, mede opgeheven en voortgedragen.
Wie zou kunnen verklaren, hoe de reis geschiedde?.....
Slechts Hij, die ook alleen zeggen kan, op welke wijze de engel Habakuk in Babylonië boven den leeuwenkuil, waarin Daniël opgesloten was, âin de kracht van zijnen Geestquot; nederliet en hem weder naar zijn woonplaats in Judea terugbracht; of, op welke wijze âde geest des Heeren Philippus wegnam, nadat deze met den gesnedene uit het water gestegen was, en vroolijk zijn weg vervolgde, terwijl Philippus intusschen te Azotus gevonden werd.quot;
Die beide mannen konden niets verklaren, dan dat zij, zonder te weten hoe, van de eene plaats naar de andere voortgevoerd waren, dwars over de Adriatische zee, wier golven hen juist zoo gedragen hadden, als het meer van Galilea den H. Petrus droeg, toen de Heer hem beval, over de wateren te gaan. Als de avond gekomen was, zeiden zij verder, was datgene, wat te voren een wolk geweest was, als het ware in een vuurzuil veranderd, en eindelijk, toen zij tot aan de poorten van Rome gebracht waren, was de wolk geheel verdwenen.
Na hunne aankomst in de eeuwige stad hadden de reizigers zorgvuldig de sporen van hun verdwenen geleider opgezocht; zij waren van de eene kerk tot de andere gegaan om naar het beeld te vernemen, wat zij zoolang gevolgd hadden, en zoo plotseling uit het oog hadden verloren. Maar alle navorschingen waren te vergeefs. Na twee of drie dagen hoorden zij eindelijk,
32
dat te Genazzano op een zonderlinge wijze een beeld verschenen was, op welks verschijning wonderen gevolgd waren. Nu hadden zij zich aanstonds op weg begeven, om dat beeld te zien; zij herkenden het en verklaarden het voor hetzelfde wat zij zochten.
Het volk van Genazzano verleende deze vreemde geschiedenis geen gewillig oor. Zij weersprak eenigermate den hemelschen oorsprong, welken men den nieuw verkregenen schat zoo gaarne zou toekennen; ook vreesde men, dat het bezit ervan de stad kon betwist worden, want, als deze geschiedenis waar was, dan kon allicht het beeld den een of anderen dag opgevorderd en weggenomen worden. Na verloop van eenige dagen echler, als de tijding der gebeurtenis zich altijd meer verbreidde, kwamen anderen in Italië verspreid levende Albanezen aan, om het beeld te zien; zij betuigden evenzeer, dat het de muurschildering uit Scutari was. Later werd het feit nog meer geloofwaardig door het getuigenis van lieden, die met een eed verklaarden, dat niet alleen de vorm en de grootte van het beeld nauwkeurig met eene witte plaats, welke nog aan een der wanden van de kerk van Scutari te zien was, maar ook het koloriet en de wijze van uitvoering juist met den stijl der schilderijen in de overige deelen dier kerk overeenstemden. Nu moet men wel in het oog houden, dat deze schilderij niet op hout of linnen uitgevoerd was, zoodat zij hadde knnnen weggenomen worden, zonder sporen er van achter te laten, maar dat zij op eene dunne laag kalk al fresco geschilderd is, zoodat geene menschelijke bekwaamheid haar in één stuk van den muur had kunnen losmaken en nog minder zonder beschadiging naar eene verwijderde plaats had kunnen overbrengen.
Om de feiten beter in chronologische orde te volgen, moeten wij nu onzen blik weder naar Rome wenden. Eene zoo opvallende gebeurtenis in de onmiddelijke nabijheid des H. Stoels moest, zoodra zij bekend werd, de opmerkzaamheid van deze, altijd waakzame, ijverige rechtbank tot zich trekken. De aankomst
33
van het beeld had plaats gevonden laat in den avond van 25 April. Op 15 Mei en de volgende dagen vinden wij in het reeds gemelde protocol de namen van verscheidene Albanezen, die bijzondere gunsten door het beeld hadden bekomen; het waren juist diegenen, welke een deel der geschiedenis van de beide vreemdelingen door herkenning van het beeld bevestigd hadden. Vóór het midden van de maand Juli zien wij echter Paus Paulus II reeds aan twee bisschoppen den last opdragen, de nadere omstandigheden der geschiedenis op de plaats zelve te onderzoeken. Het waren Monseigneur Graucer, bisschop van Gap in Dauphiné en Monseigneur Niccolo de Grucibus, bisschop van Lesina (een der eilanden van de Adriatische zee, aan de kust van Dalmatië). De zending van deze bisschoppen wordt niet slechts door gelijktijdige schrijvers, maar op eene bijzondere wijs ook door oorkonden van de pauselijke schatkamer bevestigd, welke nog voorhanden zijn. Daarin bevindt zich onder dagteekening van 24 Juli van hetzelfde jaar een post van 22 Florine en 60 Bolognini, als âbetaald voor onkosten van twee naar Genazzano gezonden bisschoppen.quot;
Het is zeer te betreuren, dat het bericht, dat deze beide bisschoppen bij hun terugkeer te Rome overlegden, ons niet bewaard bleef; de aigemeene inhoud daarvan is intusschen ontwijfelbaar uit de volgende feiten op te maken. Ware dit bericht niet gunstig uitgevallen dan had men de wonderen niet verder in het protocol opgenomen; wij weten echter dat zulks tot in het midden der volgende maand geschiedde en het geheel toen opnieuw door een anderen notaris werd overgeschreven in één band onder een titel, waarin uitdrukkelijk van de wonderbare verschijning des beelds gewaagd werd. Ware het bericht niet gunstig uitgevallen, dan zouden ook de beide vreemdelingen, van bedrog overtuigd, het niet hebben durven wagen, zich in de stad, welke zij hadden zoeken te bedriegen, neder te zetten, zooais ontwijfelbaar vast staat; want de familie van den Albanees
3
34
bestaat daar nog heden; die des anderen is sinds lang gestorven. Na een ongunstig bericht der bisschoppen zoude eindelijk zeker de bouw der nieuwe kerk niet meer voortgezet zijn. Dit geschiedde echter en de kerk werd in minder dan drie jaren voltooid. Zij verkreeg tot hare versiering opschriften, schilderijen en beeldhouwwerken, van welke er nog vele beslaan, die allen duidelijk de herinnering aan deze wonderbare verschijning vereeuwigen.
De geheele geschiedenis van dit heiligdom en van de daar gewrochte wonderen, van de vrome bedevaarten daarheen van de zijde der Pausen, kardinalen en andere vorsten, en van de giften, die zij hebben gezonden of achtergelaten, is zeer belangwekkend. Hel bezoek van Paus Urbanus VIU moet bijzonder vermeld worden, wijl deze Paus het geloof aan wonderbare geschiedenissen zonder voldoende gronden zoo bepaald verwierp, en toch in 1630 naar Genazzano trok, om voor dit beeld de afwending der pest, die in de overige deelen van Italië woedde, voor zijn stalen af te smeeken. In het jaar 1777 ten slotte keurde de Congregatie der Riten voor de geheele orde der Augustijnen een bijzonder officie goed, waarin dit wonder genoemd wordt.
Ook is de vereering van dit beeld geenszins in onbruik geraakt, zooals zulks menigmaal in den loop der tijden voorkomt. Het was steeds eene geliefkoosde bedevaartsplaats voor de studeerenden in de theologie aan het Engelsch College le Rome; Kardinaal Acton droeg het eene bijzondere vereering toe. Toen hij in 1845 Genazzano bekocht, trof hem een ongeval, dat hem en zijn reigezellen hoogst gevaarlijk had kunnen worden. Hij reisde van Palestina daarheen met zijn kapelaan, zijne bedienden en drie studenten van het Engelsch College, in 't geheel acht personen; op eene zeer gevaarlijke plaats van den weg sloeg de wagen om en stortte met paarden en reizigers van eene helling van 20 voet hoogte. âDoch niemand,quot; schrijft een hunner, âniemand van ons had ook slechts eene schram, voor zoover ik
35
weet en niemand klaagde over iels met uitzondering van den huismeester des kardinaals, welke zeer ontsteld en verschrokken was. Natuurlijk werd hij, zoowel als de anderen, die in het voorste gedeelte des wagens gezeten hadden, een eindweg in het veld geslingerd; wij die binnen zaten vielen de een over den ander; de kardinaal lag onder mij. De portieren sprongen door den val open, doch waren onbeschadigd. Het rijtuig was weinig beschadigd; eenige ijzeren deelen waren gebogen en de disselboom was gebroken, waardoor een der paarden eene diepe wonde in het vleesch bekomen had. Wij allen zetten onder het bidden van den rozenkrans onzen weg te voet voort tot de naaste stad, waar de bisschop ons opnam en ons naar Genaz-zano liet rijden. Bij onzen aankomst aldaar zongen wij met den rector en zijne studenten en de kloostergemeente het Te Deum en herhaalden het den volgenden morgen tot dank voor de wonderbare redding door God ons verleend. De kardinaal liet een kopie van het beeld vervaardigen, voor welke hij steeds zijn bijzondere godsdienstoefeningen verrichtte; zij bevindt zich tegenwoordig in de sacristie der kerk van O.L.V. ter Engelen te Stoke upon-Trent. Een andere copie of liever eene schoone schilderij van Seitz, die in het algemeen het idee en de houding van de Moeder en het Kind wedergeeft, bevindt zich in de kapel van het klooster der H. Gatharina in Clifton. Men ontmoet dikwijls kopieën van het beeld, niet slechts in de kerken te Rome en op andere plaatsen in Italië, maar ook in Nederland, Spanje en Portugal, Istrië, Dalmatië, ja zelfs in Afrika en Amerika. Over de benaming van het beeld heerschte langen tijd groote verscheidenheid van meening, daar velen den naam van Madonna del Paradiso, die het eerst door het vrome volk gegeven was, wenschten te behouden; terwijl anderen op geschiedenis lettende het Madonna da Scutri wilden noemen. Doch sedert het begin van de 17e eeuw heeft de oude naam weder algemeen den voorrang verkregen, en diegenen onzer lezers, die het beeld in eene
36
zijner kopieën kennen, zullen met ons de keus gelukkig noemen. Er is iels in de houding van moeder en kind dat de eerste benaming âvan het paradijsquot; buitengewoon passend en beteekenis-vol maakt.
n.
Voortdurende Gelaatsverandering der H. Beeltentis van 0. L. Vrouw van Goeden Kaad, te Genazzano.
In de H. Schriftuur vinden wij deze woorden uit den mond van âGod, die Liefde isquot;: âIk heb u met een eeuwige liefde bemind, daarom heb Ik u vol mededoogen tot Mij getrokken.quot;
Maar, wien zweeft deze uitspraak, vol teedere genegenheid, nie: voor den geest, wanneer hij denkt aan de Moeder van Goeden Raad, die, niet alleen door een wonder van eeuwen herwaarts maar ook nu, maar ook in onze dagen ons trekt door een voortdurend mirakel en ons toeroept; ,Meum est consiliumquot; â âBij Mij is raad.quot;
Weinig monumenten van Gods grenzenlooze Voorzienigheid prediken zoo luide van Maria's grootheid en macht als hel wonderdadig beeld te Genazzano. Den lezers ligt hel nog versch in het geheugen, wat hieromtrent werd medegedeeld, met name betreffende de wonderbare overbrenging door de Engelen van Scutari in Albanië naar Genazzano, en hoezeer worden we niet in kinderlijke genegenheid ontvlamd bij het vernemen hoe deze beeltenis â een muurschildering â nog heden ten dage een voortdurend wonder toont. Ja, alleen het bestaan zelve van dit
37
dun laagje pleisterkalk, niet veel dikker dan een stevig papier, waarop heerlijk de Moeder van Goeden Raad is afgebeeld, is onweersprekelijk een bovennatuurlijk bewijs hoezeer krachtens Gods plan met de voortduring van dit wonder ook de godsvrucht diene verspreid tot Haar, die zoo zichtbaar onze Raadgeefster is.
In het kleine en nederige openbaart zich menigmaal Gods majestueuze grootheid en macht. Aldus getuigt deze brooze muurschildering, welke meer dan vier volle eeuwen â en wie weet hoe lang te voren? â in altijd frissche kleur, in immer levenden gloed en tint, ongeschonden blijft bewaard, wat heerlijk wonder hier werd gewrocht ter eere van de Moeder van Goeden Raad.
De doorluchtige Bisschop van Sidney, Mgr, F. Dillon heeft zich op dit stuk een onsterfelijken naam verworven door hetgeen hij als blijvende vrucht achterliet van zijne pelgrimsreize naar Genazzano, nl. een lijvig boekdeel âDe Maagd, Moeder van Goeden Raad.quot; Menige bladzijde van dit schoone werk wekt in ons hemelsche blijdschap als wij â gestaafd door onwraakbre getuigenissen â daar vernemen hoe deze wonderbare beeltenis nog ten huidigen dage in de kerk van Genazzano zich bevindt geheel los aan den muur, zonder eenigen steun, zonder eenige dracht, tenzij de almacht Gods, die ze daar in zwevende houding bewaart.
Wél een monument van Gods peillooze liefde is deze beeltenis; â en moge den gewonen pelgrim wonder niet duidelijk te aanschouwen gegeven worden, wijl thans het altaar om de zwevende beeltenis is opgetrokken, onweerstaanbaar spreekt lot uwe ziel de innige vreugde, de onvermengde blijdschap, welke u tegenstraalt uit elk woord, ais deze eerbiedwaardige prelaat van Gods Kerk u meldt, wat zoete gewaarwording zijn ziel overstelpte toen hij getroffen werd door den aanblik van een nog wonderbaarder aanschouwen. Hoe kort en toch hoe treffend lezen we niet op blz. 80: âG'est beaucoup dire, mais
38
ce n'est pas trop!quot; âIk zeg veel â erkent hij â maar ik zeg niet te veel.quot;
âAllen â zegt deze doorluchtige schrijver â die gedurende vier honderd jaren vol godsvrucht het heiligdom bezochten, waar deze miraculeuze beeltenis rust, zijn getuigen van dit feit.quot;
Welk dit feit is, door dezen eerbiedwaardigen Bisschop met zooveel overtuiging aangeduid, met zoo grootsche getuigenis bevestigd?
Hij zelf zal 't ons melden als hij zegt:
âDe pelgrims naar dit heiligdom zijn er zoodanig van doordrongen, dat een groot getal onder hen zich richten tot Maria alsof zij Haar persoonlijk aanschouwden, en allen die haar vurig smeeken ter verkrijging van eenigerlei gunst, bevinden zich zeiven alsof zij daar weeenlijh waren in de tegenwoordigheid van de Koningin der Engelen.quot;
De oorzaak hiervan? O! De ontzaglijke openbaring van deze treffende gevoelens is volgens eigen zeggen van dezen achlens-waardigen Prelaat gelegen in de wonderbare verandering â âchangement positif et par conséquent miraculeux â welke plaats heeft in de verwisseling van kleuren en van aanzien, in de trekken van het gelaat en de beweging der oogen. Allen, zoo zegt Hij, die daar een bovennatuurlijke hulp verkregen, spreken er van!quot; De oogen openen zich, ja schitteren U tegen, het gelaat weerkaatst blijdschap en zoete vreugde om plotseling weer met neergeslagen ooglid een somberder aanschouwen Ie geven. âNoch de pen eens schrijvers, zegt Mgr. Dillon, noch het penseel des schilders kunnen u Haar weergeven gelijk Zij is. âSedert Haatten hemelopneming is het aan eenigen harer bevooorrechte dienaren vergund geweest Haar te zien gelijk Zij waarschijnlijk op aarde was, maar behoudens deze omstandigheden â waar zij werkelijk werd aanschouwd â gelooven wij dat niets zulk een oprechte kennis geven kan van datgene wat zij werkelijk was, als het beeld dat zij gewaardigde te geven te Genazzano.quot;
39
âDaar â zoo vervolgt hij â daar scliijnl zij niet alleen uitwendig weergegeven te zijn maar zelfs te leven, zich te bewegen en te antwoorden op elk gebed, op elk verlangen van hen, die daar komen om aan Haar voeten raad te zoeken, 't Is wel veel, wat ik zeg â zegt deze Prelaat, maar toch is 't niet te veel! C'est beaucoup dire, mais ce n'eft pas trop!
Zóózeer werd genoemde Bisschop door dit wonder getroffen dat hij bij de samenstelling van zijn werk verbaasd werd door de éénstemmigheid met welke alle schrijvers deze verandering des gelaats verhaalden.
Moge dan de godsvrucht tot de Moeder van Goeden Raad meer en meer bloeien!
III.
De zwevende Houding in ongedeerden Staat der H. Beeltenis van 0. L. Vrouw van Goeden Raad, te Genazzano.
Behalve dat het bewaard blijven der kleuren van de schildering der beeltenis iets wonderbaars genoemd mag worden, schijnt het den voornaamsten onderzoekers niet zonder mirakel mogelijk te zijn, dat eene zoo breekbare zelfstandigheid als het laagje pleisterkalk, waarop de H. Beeltenis is voorgesteld, zonder in het stof te vallen, van het jaar 14C7 â en reeds lang te voren te Scutari â behouden kon blijven ; bepalen wij ons echter een plaatsje in te ruimen voor hetgeen we als een noot vinden toegevoegd op blz. 129 van het standaardwerk âLa Vierge, Mére de Bon Gonseilquot; van Mgr. Dillan.
Om het gewicht der zaak laten we woordelijk de vertaling volgen.
Wij lezen daar: âOfschoon in de getijden van O. L. Vrouw
40
van Goeden Raad duidelijk wordt gezegd, dat de H. Beeltenis ,wonderbaar verscheen aan den muurquot;' â âmirabiliter apparuit in parietequot;; bestaat er een standvastige overlevering, door meerdere schrijvers vermeld, dat de Beeltenis daar zich bevond dicht hij den muur zender dezelve eenigerwijze aan te raken.quot;
âIn deze bewering is niets tegenstrijdigs, want het heeft zeer goed kunnen gebeuren, dat de H. Beeltenis niet terstond rustte op den muur, ofschoon dezelve dezen later heeft kunnen raken.quot;
âDe archivaris Cajetanus en Caüxtus Marini, die zoo veel moeiten aanwendden om elke omstandigheid te onderzoeken, welke betrekking had op de overbrenging en verschijning hebben hierop geen acht geslagen, evenmin werd er melding van gemaakt door den advocaat, die de bewijzen voor beide miraculeuze feiten â overbrenging en verschijning â bracht voor de H. Congregatie der Riten ten jare 1789.quot;
âVolledig zeker is het echter, dat:
1quot;. de H. Beeltenis nooit is veranderd van de plaats, welke zoo wonderbaar werd gekozen; 2°. dat allen, die in den loop der eeuwen de H. Beeltenis hebben kunnen onderzoeken, (examiner) hebben beweerd, dat zij gelooven dat de Beeltenis geheel los is, zonder eenigen steun.quot;
Buonanno zegt: (Hoofdstuk I, blz. 43) â na bewijzen te hebben aangehaald van verscheidene wonderen betreffende deze H. Beeltenis â âEn al deze wonderen eindelijk zijn besloten in het voortdurend mirakel, dat men nog ten huldigen dage deze Beeltenis aantreft op dezelfde plaats en op dezelfde wijze, waar zij verlaten is door de wolk op den dag der verschijning in tegenwoordigheid van een geheel volk, hetwelk toen het geluk smaakte dezelve voor het eerst te zien.quot;
âDe Beeltenis â zoo gaat hy voort â plaatste zich niet ver van de aarde op ongeveer een vinger afstand van den nieuwen en zwaren muur der Kapel des H. Blasius en zij verbleef daar zonder eenige ondersteuning.'quot;
41
Daaronder maakt Buonanno de volgende opmerking:
«üat de H Beeltenis zich heden bevindt in dezelfde positie in welke deze het eerst verscheen is een historisch bewezen feit Een feit van zoodanige klaarblijkelijkheid, dat het is opgemerkt geworden door ieder, die het heiligdom bezocht.quot;
.Ieder moet duidelijk opmerken, dat de beeltenis zich niet bevindt in het midden van den muur, die de kleine beuk van de kerk afscheidt en bijgevolg is de kapel niet kunnen gevormd worden op een overeenstemmende en regelmatige wijze quot;
«Ofschoon dit nu niet voor ieder zichtbaar is en niet gemakkelijk te zien dat namelijk de H. Beeltenis niet rust op den muur ter oorzake van de versierselen, welke dezelve op bewonderenswaardige wijze geheel en al omgeven, is het echter heden een onweersprekelijk feit:
1°. omdat een onafgebroken overlevering het bevestigt-- . omdat wi, persoonlijk overtuigd zijn geworden door personen, die alle vertrouwen waardig zijn, die ter gelegenheid an het eeuwfeest in 18C7 verplicht waren de beeltenis schoon te maken, dat dezelve afweek bij den minsten druk der handen als een voorwerp vrij en los van den muur.quot;
âBovendien is dit feit bevestigd door zeven zeer geloofwaardige
getuigen m eene gedrukte en gepubliceerde verklaring, gedateerd: 11 Juni 1747.quot; b
âEindelijk vinden wij er een schitterende getuigenis van in den volgenden brief, welke tot heden nog niet openbaar gemaakt was van den Eerw. Pater Fulgentius Ricitelli, Prior van het klooster te Genazzano, en gericht aan den hoogeerw. Pater ominicus Ricitelli, Generaal van de Orde des H. Augustinus om vers'ag mt te brengen nopens de solemneele kroning der ee en is. ( itreksel van het 4de register der âArchieven van de geheele Ordequot; blz. 48).
42
Zeer Eerw. Vader!
Het kapittel van Sint Pieter heeft een Kanunnik afgevaard.gd belast met twee gouden kronen, eene voor de Allerhevigste aag â¢
de andere voor het Kind.
Dingdag den 17den dezer, met assistentie van gr.
able (vele ande.e K.n.nnik» «aren me. 1.⢠, en .aâ e, volk nam genoemde Kanunnik, na hel van alver selooid Ãto betwelk de Beettenis dekt, .e hebben opg.heb. - de kâ. nen' welke de beel.enie draagt en terzelfder tijd toonde h» een
âiet gerinse ont.telten» omdat hij »g, dat de
Hlor waren gevormd op een dun laagje pleisterkalk, het-rrt» I»: - teâ.S .«een aan het bovenâ
' fequot; had betwelk bewezen word, doordat,
toen genoemde Kannnnik de beeltenis aanraakte aan denvo ⢠kan. en overal elders, het pleister plooide en .I..I
het een stuk lijnwaad was zonder eemgen steun.
Dit feit veroorzaakte hem, evenals bij degenen, ie ic i hem waren een groote ontsteltenis, beschouwende dat natuurlijkerwijze de pleister alleen, zonder eenige ondersteuning zie niet kon houden; vandaar kwamen zij openhartig tot het beslu. ,
dat de Beeltenis wonderbaar werd gestut.
Om nu de gouden kronen, hierboven vermeld, te plaatsen, was het noodig koorden te gebruiken en deze le bevesügen aan Tspi kers, welke boven de Beeltenis in den muur waren aangebracht, want het was niet mogelijk deze ^onegan de Be quot; Lis zelve te bevestigen, welke niets anders ^dan een laagje pleister zonder eenige soort van ondersteuning.
Ik ben de nederige en toegenegen dienaar van , oog
Eerw. Vader: ^ Fulgenzo Ricitei.li Agno.
Genazzano, 22 Nov. 1082.
43
Gaarne zouden wij hier melding nog willen maken van eene reeks van treffende mirakelen, waardoor Maria duidelijk den menschen loonde een Moeder van Goeden Raad te willen zijn doch het klein bestek van dit boekje laat zulks niet toe; genoeg zij het, ons te herinneren wat wij meldden bij de wonderbare overbrenging dat vanaf den dag der verschijning dezer miraculeuze Beeltenis tot op 14 Augustus daaraanvolgende reeds 170 mirakelen waren geschied. Geen wonder dan dat Maria, ook als Moeder van Goeden Raad, werd vereerd.
III.
MARIA, MOEDER VAN GOEDEN RAAD VEREERD DOOR PAUSEN EN HEILIGEN.
III.
Maria, Moeder van Goeden Raad, vereerd door Pausen en Heiligen.
a.
PAUSEN.
Maria door God zeiven tot Moeder van Goeden Raad uitverkozen, Wier beeltenis door de Engelen werd gedragen, toonde zich door de tastbare wonderwerken in het vorig hoofdstuk vermeld, evenzeer een Moeder van Goeden Raad in het oog der menschen.
Zóó mag de Moeder van Goeden Raad het woord des Apostels tot het Hare maken, n.1. âeen schouwspel geworden te zijn voor God, voor de Engelen en de menschen.''
Het kon niet anders, of waar zoo klaar de vinger Gods te zien was, moest die Moeder van Goeden Raad ook de treffendste vereering te beurt vallen.
In de eerste gelederen der vereerders van de Moeder van Goeden Raad zien we dan ook de stedehouders van Christus op aarde, de Pausen in kinderlijke genegenheid, ten voorbeeld der gansche Christenheid, voor Haar beeltenis neergeknield, vanaf het oogenblik der wonderbare overbrenging tot in onze dagen.
48
Paus Paulus II, die het onderzoek gelastte naar de waarheid van de miraculeuze verschijning der H. Beeltenis te Genazzano, was ooggetuige van Coriolanus' getuigenis: âdat geheel Italië processie-gewijze opging om het heiligdom te bezoekenquot;; onder zijn regeering werd ook de kerk van de zalige Augustines Pe-truccia voltrokken.
Paus Sixtus IV was zóó door de wonderdaden van de Moeder van Goeden Raad bewogen, dat hij een klooster voor de Paters Augustijnen, de bewakers van het heiligdom, in deszelfs onmiddellijke nabijheid liet bouwen.
Dezelfde Paus was zoo getroffen door de ontzaggelijke wonderen te Genazzano geschied, dat hij twee kerken voor hen te Rome liet bouwen, n. 1. âSan Agostinoquot; en âMaria del Populoquot;.
Paus Urbanus VIII deed een bedevaart naar de woonstede der goede Moeder van Goeden Raad, naar Genazzano; de vorstelijke pracht welke zijn stoet ter dier gelegenheid ten toon spreidde, getuigt genoeg welke warme devotie hem bezielde voor die hemelsche Raadgeefster.
Ja zelfs de geschiedschrijver, die dezen bedevaartstocht vermeldt, teekent hierbij aan dat deze Paus bij het zien der miraculeuze beeltenis tot tranen toe bewogen was.
Paus Innocentius XI, zijn opvolger, bezat van zijn prille jeugd, evenals zijn gansche familie een groote devotie voor de Moeder van Goeden Raad en zijn neef Kardinaal Albi verzuimde niets om den luister van haar Heiligdom te Genazzano te ver-hoogen. Het prachtig altaar, de marmeren vloer, de ornamenten, alles in marmer van verschillende kleur; de kolommen welke de miraculeuze beeltenis omsluiten, zijn geschenken van hem.
Met innige vreugde ontving zijn oom Paus Clemens XI eene processie, welke van Genazzano te Rome kwam en gaf deze Paus alle bijzondere voorrechten, welke door den H. Stoel aan de pelgrims van Lorette zijn toegestaan, ook aan die van Genazzano.
49
Paus Gregorius XIII, Benediclus XIll, Clemens XII en Clemens XIV verrijkten het heiligdom met de schoonste voorrechten en gunsten, gelijk de archieven van ons klooster aldaar melden ; o.a. dat telkenmale als eene H. Mis aan het altaar der miraculeuze beeltenis wordt gelezen eene ziel uit het vagevuur kan worden verlost. ')
Het bleef echter aan Paus Benedictus XIV voorbehouden de godsvrucht jegens de Moeder van Goeden Piaad door zijn Apostolisch gezag over geheel de aarde te verspreiden.
Door zijn bemoeiingen werd bij Apostolische breve de âGodvruchtige Vereeniging ter eere van O. L. Vrouw van Goeden Piaad ' opgericht, en zelf schreef deze beroemde Paus zich in het register of naamlijst der leden als het eerste lid dezer godvruchtige vereeniging.
Om niet te uitvoerig te worden, gaan wij stilzwijgend de andere Pausen voorbij, die dezen grooten vereerder van de Moeder van Goeden Raad opvolgde, en onder wier goedkeuring een eigen officie en Mis ter eere van O. L. Vrouw van Goeden Raad, werden toegestaan, om aldus te komen tot hen, die nader bij ons zijn, en we ontmoeten den onstervelijken Paus Pius IX, die, op bet voorbeeld van Paus Urbanus VIII, in koninklijke praal tot stichting en in het oog der gansche Katholieke wereld, omstuwd door al wat edel was en grootsch aan het Pauselijk Hof, een bedevaart ondernam naar Genazzano.
Vanaf zijn vroegste jaren had Paus Pius IX een onovertroffene liefde jegens de Moeder van Goeden Raad, zoo zelfs dat bij aan een altaar te Rome aan Haar toegewijd, zijn eerste H. Mis heeft willen opdragen! Sedert had deze groote Paus altijd Haar beeltenis in zijn onmiddelijke omgeving.
Maar, evevenals zijn roemruchtige Voorganger, is de thans glorievol regeerende Paus Leo Xlll een toegenegen zoon van de Moeder van Goeden Raad.
') Mgr. Dillon, biz. 216 en 322
4
50
Moge de vijand dien edelen grijsaard gevangen houden binnen de muren van het Valicaan, zijn liefde jegens die Moeder vlamt over de geheele wereld â wordt door geen vijand of muur ingesloten !
Onder geen Pausschap werd deze devotie zoo verspreid.
Deze groote dienaar Gods kent de twijfelzucht en het ongeloof onzer dagen met al de verschrikkelijke gevolgen daaruit voortspruitende ; daarom put hij wijsheid aan de voeten van de Moeder van Goeden Raad en bemint hij Haar zoo teeder.
Niets vuriger wenscht Paus Leo XIII dan dat ook wij naar zijn vaderlijk voorbeeld luisterende die gezegende Moeder van Goeden Raad vereeren, gelijk hij te kennen gaf toen hij onder Haar beeltenis te Rome schreef: âFilii acquiescite consiliis Ejus!quot; dat is: Kinderen, berust in Hare raadgevingen!
Wie zoude, nu Christus Stedehouders op aarde al hun vertrouwen in Haar stelden, niet voor de Moeder van Goeden Raad in diepe godsvrucht nedervallen en in eiken nood, in eiken strijd, in elkm angst, twijfel of druk tot haar niet verzuchten ;
,0 Maria! Moeder van Goeden Raad, wij nemen onze toevlucht tot U!quot;
b.
HEILIGEN.
âMeum est consilium.quot; âBij Mij is raad.quot;
Dit woord des H. Geestes, wat Maria zoo machtig ons toeroept in Haar heerlijke wonderwerken; dit woord, dat door de Roomsche Pausen zoo zegenisvol ter Harer eer werd verspreid, dit woord ook werd door Haar ware dienaren â door de Heiligen begrepen.
Nadat de H. Alphonsus de Ligorio zijn verheven roeping tot het H. Priesterdom door Maria's wijze raadgeving had mogen
51
leeren kennen, liet hij geen dag voorbij gaan zonder de Moeder van Goeden Raad vurig te bidden.
De geschiedenis staaft, dat deze groote Heilige altijd een afbeelding van O. L. Vrouw van Goeden Raad in zijn cel had en dat hij, om dezelve altijd voor oogen te hebben, ook zulk een beeltenis op zijn tafel voor zich plaatste.
Op het voetspoor van den Vader volgden de zonen â de Redemptoristen !
In het leven van den gelukzaligen Clemens Hofbauer, Vica-rius Generalis der Congregatie van den Allerheiligsten Verlosser, geschreven door Kardinaal C. de Reisach leest men:
âDe bescherming der Allerheiligste Maagd Maria, onder den naam van Moeder van Goeden Raad, mengde hij in al de gebeden welke hij stortte en hij trachtte de godsvrucht tot de Moeder van Goeden Raad zoo veel mogelijk te verspreiden.quot;
Een andere vrome dienaar van Maria van de Societeit van Jesus, Pater Nadasus, schrijft: âGroot teeken van voorbeschikking tot den hemel is de godsvrucht lot de H. Maagd Maria, Moeder van Goeden Raad.quot;'
De gelukzalige Benedictus Labre bezocht zeer dikwijls de wonderbare beeltenis der Moeder van Goeden Raad te Genaz-zano. Gansche uren bleef hij voor het beeld dier goede Moeder in gebed verslonden en daar, daar ontving hij de rijkste genaden!
De H. Joanna van Valois, die aan het koninklijk hof van Frankrijk verbonden was, bad eiken dag tot de Moeder van Goeden Raad.
Te midden van grootheid mocht zij allijd onder Maria's raadgeving en leiding hare deugd ongerept bewaren niet alleen, maar zelfs inwendig de stem van haar hemelsche Raadgeefster vernemen, die haar tot den religieuzen staat riep en met zóóveel genaden verrijkte, dal zij stichteres eener geestelijke orde op aarde en een heilige in den hemel werd.
De H. Aloysius mocht voor de beeltenis van de Moeder van Goeden Raad in de Koninklijke Kapel le Madrid ten jare 1573 de stem dezer goede Moeder vernemen, die hem raadde in de societeit van Jezus te gaan.
Evenzoo bad de H. Rosa van Lima tot die hemelsche Raadgeefster en werkelijk haar gebed werd verhoord; op Maria's inspraken bleef zij in de wereld, ofschoon zij aanvankelijk dacht voor het klooster geroepen te zijn en leefde en stierf in geur van heiligheid.
In lateren tijd aanschouwen we in de Orde van den H. Augustinus twee dienaren van de Moeder van Goeden Raad door de H. Kerk eerbiedwaardig verklaard, de venerabele Paters Menochio en Bellesini.
De eerstgenoemde was Pastoor van het Vaticaan, de vertrouwelijke raadsman en lijdensvriend van den roemrijken Paus Pius VIII; de tweede leefde eenige jaren als novicen-meester in het klooster der Moeder van Goeden Raad te Genazzano en was tevens Pastoor der parochie aldaar.
Het zoude een gansch boekdeel vorderen alles le vermelden, wat deze laatste vooral heeft gearbeid voor de devotie ter eere van de Moeder van Goeden Raad.
In het kort diene, dat geheel Genazzano vol is van de wonderen door hem daar gewrocht op de voorspraak dier goede Moeder, hij voorzegde het uur en de omstandigheden van zijn naderenden dood, zoo had de Moeder van Goeden Raad hem verlicht!
En zijn lichaam, dat bij zijn eerbiedwaardigverklaring nog in geheel onbedorven toestand verkeerde, ligt begraven in dezelfde kerk onmiddelijk bij de H. Beeltenis van de Moeder van Goeden Raad.
IV.
MARIA, MOEDER VAN GOEDEN RAAD, NAAR HET VOORBEELD VAN PAUS LEO XÃI EN DER AUGUSTIJNENORDE VEREERD OVER GEHEEL DE AARDE.
ln. Paus Leo XIII.
2quot;. De Auguslijnen-Orde.
3°. Verecring over geheel de Aarde.
1.
Maria, Moeder van Goeden Kaad, vereerd door Paus Leo XTII.
De H. Kerk, onfeilbare bewaakster van goddelijke Waarheid, doorleefde zelden rampvoller tijden als die van het huidig oogenblik. De vorst van duisternis en logentaal gaat voort in ongetemden haat, zoekende wien hij zal verslinden; in haat die beurtelings zich uitspreekt in sluw overleg en fijn verraad of losbarst in ruw geweld en helsche vernieling; in haat die, hoe uiteenloopend ook in middelen, toch al die stroomen van duivel-sche list te zamen voert in één gemeenschappelijke bedding, tot het ééne doel: aan 's menschen hart het dierbaarste te ontnemen namelijk het Geloof, de Liefde, de Godsvrucht, ja te verstompen elk zedelijk gevoel en aldus den hoeksteen te verpletten der van God gewilde orde in het maatschappelijk, zedelijk en godsdienstig leven.
âGode zij dank, ja eeuwige dank,quot; is onze vreugdehymne, als we zien, dat ook nog in onze dagen, naarmate het euvel en misdaad hooger klimmen, nog eindeloos meer stroomen nederdalen uit den overvloed van Gods erbarming en mededoogen. Dit voorzeker is de onuitwischbare indruk van ieder, die in dezen hachelijken tijd zijn blik betrouwvol richt naar Hem, die ontegenzeggelijk den stempel draagt van Gods alwijze Voorzienigheid om allerwege heil te brengen en vrede en geluk. Nie-
56
mand zal het ontgaan wien we hier herdenken â 't is de groote onvergetelijke, roemrijke Paus Leo XIII.
Leo Xlll! Wie kent Hem niet dien tengeren, dien afgeleefden en toch dien sterken, dien machtigen, dien alles verwinnenden leeuw, wiens forsche stem de wereld daverend overdreunt, wiens machtig woord duizendvoudig wordt herhaald, wiens hemelsche woorden met eerbied worden vernomen over de gansche breedte dezer aarde!
Waar schuilt de geheime kracht, de onbedwingbare en heldhaftige moed van dien eerbiedwekkenden Grijze? Waar put Hij zijn onvergelijkelijke wijsheid, die alle Wijzen doet verstommen in heilige en geestdriftwekkende verbazing? Zeker ook aan de voeten van de Moeder van Goeden Raad.
Geen Paus overtrof deze in liefde tot die Moeder; geen Paus ook bracht meer werkdadige vruchten dezer devotie hervoor. Of zijn het geen heerlijke â neen laat ik zeggen â geen hemelsche vruchten, die dit Pausschap teelt en voortbrengt onder de wijze voorlichting van de Moeder van Goeden Raad. Laat weiden uw oog over de aarde en doordring u van deze waarheid bij de aanschouwing, hoe volkeren en vorsten zich gelukkig rekenen Leo's raad te mogen erlangen.
Onder Leo's opperste leiding is over gansch de wereld de adem van nieuw leven, van verkwikking, van bezieling, herscheppend heengevaren. Godsdienst en Geloof; Liefde en Godsvrucht bracht Hij op heur voetstuk; maakte Hij, wederom ten grondslag van alle onderwijs in lagere en hoogere school; schiep Hij wederom tot hoeksteen voor gezag en Koningschap; opende Hij tot zegenisvolle bron, waar meester en gezel, waar heerscher en onderdaan heil zullen putten en verkwikking. Zijn encyclieken ademen en leeren het!
Vanwaar die wijsheid in zijn leer ; die godsvrucht in zijn taal, die kracht in zijn hand, waarmede hij het schip van Petrus zoo veilig bestuurt, zoo vaardig henenleidt langs rots en klip?
57
Wie zal hier twijfelen aan de zichtbare hulp, die Leo ten dcele valt, nu Hij zoo vurig bidt, nu Hij zoo betrouwvol smeekt voor de beeltenis der Moeder van Goeden Raad ! En dit doet Hij !
Mgr. Don Filippo Vanutelli, een achtenswaardige grijsaard, die met Leo mocht medeleven in dagelijksch verkeer, verzekert ons dat deze groote en wijze Paus reeds als jeugdig priester onuitsprekelijke liefde koesterde voor de Moeder van Genazzano en aldaar meerniaien het wonderbaar heiligdom bezocht. Zijn gansch leven bleef hem deze godsvrucht bij, en toen Hij, vergrijsd in 's Heeren dienst en liefde tot Maria den Stoel van Petrus beklom, schreef Hij met eigene hand, bevend van ouderdom, onder de beeltenis dier lieve Moeder deze gedenkwaardige woorden, wier invloed zoo machtig werkte op de harten van ons allen : âKinderen, berust in Hare raadgevingen.quot;
Nog staan ze die woorden tot eeuwig gedenkteeken van Leo's devotie tot de Moeder van Goeden Raad, in de sacristy van Santa Maria te Rome. 1)
Wie zal dan zeggen, wat al vurige verzuchtingen opstegen uit het godminnend hart van Leo lot zijn verhevene Raadgeefster? Beteekenisvol ten dezen is de uitspraak van Z. Doorl. Hoogw. Mgr. Pifferi de geestelijke leidsman van onzen roemvollen Paus en een der sieraden der orde van St. Augustinus â die ons niet nadruk verzekert, dat hij menigmaal Paus Leo zag neergeknield voor de beelteni? dezer goede Moeder en getroffen werd door de aanschouwing van zooveel godsvrucht voor de Moeder van Goeden Raad.
Wien verwondert het dan nog dat zoo machtig een stroom van wijsheid uit Leo's pen is gevloeid over de aarde nu Maria zijn Raadgeefster is?
1
Mgr. Dillon, biz. 223.
58
2.
Maria, Moeder van Goeden Kaad vereerd door de Augustijnen-orde.
Aan den glorievollen titel van Maria, welke zooveel liefde en vertrouwen wekt en onder welks aanroeping wij 's Heeren vlek-kelooze Moeder als onze Raadgeefster vereeren, is onafscheidelijk verbonden de naam van Augustinus' H. Orde. Te midden toch van allen, die krachtens de verhevene uitverkiezing des Heeren werden voorbestemd en opgeroepen om de godsvrucht tot de Moeder van Goeden Raad te leeren hoogschatten, te verkondigen, te verlevendigen, is er geen Orde, welke op dit stuk die van St. Augustinus â welke verre van te overtreffen â kan evenaren. De godsvrucht der Moeder van Goeden Raad hield dan ook ten allen tijde gelijken tred met den voortgang en bloei dezer H. Orde; niet anders kwam ook deze devotie van uit het verre Genazzano tot ons, en zoo nam zij grootscher vlucht, wekte zij levendiger belangstelling, groeide zij in weidscher omvang en vertakking, naarmate de zonen van St. Augustinus talrijker werden en meer verspreid.
Het lust ons dan eenige regelen te wijden aan hen, die blijkens een bijzondere voorliefde der nooit volprezen Moedermaagd tot wachters van haar heiligdom zoo zichtbaar werden uitverkoren, toen Maria's wonderbaar afbeeldsel op Engelenschouderen naar de Augustijnenkerk van Genazzano werd overgedragen.
Zouden we het volle licht doen schijnen op het verkwikkend tafereel van godsvrucht en arbeid, van geloof en wetenschap, die deze Orde alom te aanschouwen gaf in de dagen harer grootheid en roem; zouden we hier melding maken van haar glorievol strijden en lijden voor God en Kerk ; wat al grootsche, wat al reuzenfiguren, wat al heldhaftige strijderen tijzen dan
59
niet voor onzen geest; wat al mannen van geloof, van geesteskracht van brandende liefde tot God en den naaste vermeldt ons niet de eeuwenlange historie van Augustinus' H. Orde?
Glorie en adeldom van den Vader straalden in onvergelijke-lijken luister neder op zoovelen zijner edelste zonen. , Was Augustinus,quot; gelijk Bossuet, Frankrijks grootste redenaar zegt, âwas Angustinus een reus in wetenschap, een koning door het geloof en alles door de liefdequot;; diezelfde geest, diezelfde gloed bezielden door alle eeuwen heen deze heldhaftige legerschaar van Christus' Kerke. In den lichtenden glans van Augustinus'heiligheid en wetenschap ontsproten, â als onder weldadig verkwik-kenden zonnegloed de edelste bloemen, â een weerspiegeling van het woord der H. Schrift: Justus ut palma jlorehit: âDe rechtvaardige zal Moeien gelijk de palmboom en als de Ceder aan den Libanon ivorden vermenigvuldigd.''' â Wie kent ze niet de alleszeggende namen van Nicolaas v. Tolentino, van St. .lohannes a S. Facundo; van Thomas a Villa Nova? Zij waren het, die als hun Vader, verslonden in ijver voor Gods eer in heiligheid en wetenschap geen andere bruid kenden dan de zuiverheid, geen andere levensgezellin dan de armoede en door tallooze wonderen den stempel van Gods welgevallen drukten op Augustinus' roemrijke Orde. De gelukzalige Sanctis de Cora in haar begeesterende en zielverheffende godsvrucht tot den verborgen God in het H. Sacrament; de H. Clara van Montefalco in haar verteederende liefde voor den lijdenden Jesus, zij hadden geen anderen geest dan van zoovelen harer broeders en zusters dezer Orde, die niet alleen in het verre China en Japan, maar ook op eigen vaderlandschen bodem zweet en bloed stortten voor Gods meerdere eer.
Onschatbaar is dan ook de verdienste van deze Orde ten opzichte van Kerk en Maatschappij ; niet vruchteloos was die deugd, die ongerepte heiligheid ! Initium Sapientiae â want deze deugd was die vrees des Heeren die het beginsel is der wijsheid;
60
aan heiligheid paarde zij dan ook wetenschap. Aegidius Colonna dwong den eerbied af en hel ontzag van gansch de wereld wegens de diepte zijner kennis. Om Seripandus, met het purper van het Kardinalaat omhangen, vergaderden de Vaderen in het H. Concilie van Trente; hij de nederige Augustijner monnik was voorzitter. Ontelbaar zijn de prelaten en geleerden in den boezem dezer H. Orde gevormd. Nog in den laatsten tijd waren de kardinalen Martinelli en Sepiacci om deugd en wetenschap de sieraden daarvan.
En die wetenschap, welke deze Orde kweekte onder haar eigen zonen, werd even gretig door hen wederom aan anderen medegedeeld; de wereldvermaarde universiteit van Leuven ruimde dan ook twee leerstoelen in voor professoren dezer orde, en nog ten huidigen dage heeft zij nog een vasten zetel aan de universiteit Sapienza te Rome en een vaste plaats als consultor in de Rom. Congegratie der Ritussen. Van de hoogte der universiteitstudiën brachten Augustinus' geleerde zonen hun wetenschap over in alle standen en rangen; het naburig België bijv. kende een tijd, waarin bijna elke stad onder hare scholen een stichting van onderwijs telde door Paters dezer Orde bestuurd. De vrees des Heeren, de deugd en heiligheid hier betracht, die zoo klaarblijkelijk in deze Orde het begin harer wetenschap en kennis was, bracht duizend vruchten voort.
Zij vormde Apostelen, heldhaftige strijders voor Gods Kerk, die hun weldadigen invloed deden gelden op de Philippijnsche eilanden, zoowel als in Mexico, Peru, Japan en de Indiën, waar tal van Augustijnen de glorie hunner H. Orde hoog hielden. Zonder overdrijving - het leven en streven dezer Orde zoude een gansch boekdeel vullen. Intusschen mogen we uit dit weinige besluiten en dat met volle overtuiging â dat al dat werken zichtbaar werd beloond toen binnen de enge ruimte der Augus-tijnenkerk van Genazzano de heerlijke beeltenis van de Moeder van Goeden Raad wonderbaar nederdaalde, en sinds de Augus-
61
tijnen werden verkoren tot uitgelezene strijders voor Maria's meerdere eer, tot onversaagde kampioenen voor Haar onvergankelijke glorie als Raadgeefster der volkeren.....
Ten jare 1401 schreef Paus Bonifacius IX deze onvergetelijke woorden: 1) âDe Orde der Augustijnen schittert zóódanig door toenemende deugd, dat zij wel verdient verheven en gevoed te worden door bijzondere genaden en gunsten.quot; Bezield door den geest huns Vaders â Magister orhis maximus, â gestaald in godsvrucht en geloof, doorkneed in wetenschap, dragers van die wijsheid, welker hoogste wit en diepste grond de Vreeze is des Hecren, was den Augustijnen dit Pauselijk woord een lied van glansvolle victorie; âzoete belooning tevens in kloeken, manhaftigen strijd, in dien strijd, die den bodem van Heiden-sche landen drenkte met hun bloed en in Apostolisch vuur in kerk en maatschappij, in hoogere en lagere school een kroon van parelen om hun slapen vlocht â een kroon van het zweet in de hitte van den dag! Roma locuta! Aldus had de Paus gesproken.
Zoude dit Pauselijk woord niet de echo wezen en weerklank van hetgeen 'sHeeren Moeder te aanschouwen gaf in datzelfde tijdsgewricht â in 1467 â toen namelijk op Engelenschouderen Hare wonderbare beeltenis werd gedragen tot onder de gewelven der Augustijnenkerk te Genazzano?
Judicia Dei abyssus multa! Vele oordeelen Gods zijn een afgrond, en wie het wagen zou deze te onderzoeken, zal door Gods Majesteit in overweldigende kracht worden verplet.
Zeker is het, dat aan de Orde der Augustijnen, welke, volgens Paus Bonifacius, om haar deugd diende geprezen, geen groot-scher roem, geen glansvoller verheffing ten deele kon vallen.
1
Bullarium Ord. Erem. S. Aug. ex Typ. Rev. Camerae Apost. 1628.
62
Allo volkeren toch roemden hare wijsheid, en 's Heeren Kerk zelve verkondigde haren lof! Sapientiam ipnorum narrant populi Het éénstemmig getuigenis der volkeren, wier leven deze Orde medeleefde; het onvergankelijk gedenkstuk â ,m perpetuam rei memoriamquot; â geschreven door de hand van Paus Bonifa-cius, maar bovenal het heerlijke wonder door Maria gewrocht, had deze Orde met lauweren getooid â eeuwig jeugdig als het beeld le Ganazzano. âGloria et bonore coronasti eos Domine.quot;
âIn omnem terram exivit sonus eorumVan nu af aan klonk over de gansche aarde hun hemelsche uitverkiezing. Maria immers verbond aan Haren wonderdadigen naam ook die van St. Augustinus' Orde! Wat sinds dat heilig uur het leven en streven, lijden en strijden was dier onafzienbare reeks van mannen en vrouwen, die, in heiligheid en wetenschap, duizendvoudige vruchten droegen, vermeldt ons het onwraakbaar gericht der historie. Maria was hun Raad! Hier rijzen zij voor onzen geest al die duizenden â van wie we eenigen meldden die voor de beeltenis dier lieve Moeder baden in kloeke kracht en kinderlijke genegenheid, telken dage. âInsanctitateetjustitiacoram Ipso omnibus diebus nostrisTe wandelen voor 't aanschijn van die Moeder geheel hun leven in gerechtigheid! Hoe moest die orde bloeien! Zij kende dan ook een tijd, waarin zij meer dan 3000 kloosters lelde, maar ook buiten deze godgewijde muren leefden Augustinus' kinderen.
De âDerde Ordequot;' kweekte evenzeer onthechting aan de wereld, navolging van den Heer en â allen was de beeltenis der Moeder van Goeden Raad hun oogappel en hun centrum of middenpunt tevens.
Belangrijk is het te weten hoe sedert onheugelijke tijden de Augustijnen te Rome zelf een voorname plaats innemen zoowel
03
aan het Pauselijk Hof als aan de hoogere scholen en vanuit dit middenpunt der Christenheid huu zegenisvolle werkkring over de gansche wereld hebben uitgebreid.
Twee der belangrijkste parochiën der eeuwige stad, van welke we boven reeds melding maakten âSan Agostinoquot; en âMaria del Populoquot; worden bediend door Paters dezer H. Orde.
Omtrent den oorsprong van het bezit dezer beide kerken lezen wij, dat Paus 1) Sixtus IV ten jare 1475, slechts acht jaren dus na de wonderbare verschijning der miraculeuze Beeltenis van O. L. Vrouw van Goeden Raad, op een gansch bijzondere wijze zijn diepe godsvrucht voor die Moeder wilde toonen en door dit wonder getroffen, met medewerking van Kardinaal dquot; Estouteville, twee kerken te Rome liet bouwen en den Augustijnen ten geschenke gaf, namelijk die van den H. Augusünus en Maria des Volks.
De herderlijke bediening als Pastoor van het Vaticaan aan welk ambt de bisschoppelijke waardigheid is gepaard, wordt altijd waargenomen door een Augustijn; eveneens waren eeuwenlang de Augustijnen aan verschillende Europeesche Hoven verbonden.
De leerstoel der H. Schriftuur aan de Sapienza is altijd bezet door een Augustijn.
De vrome en geleerde Kardinaal Martinelli â broeder van den tegenwoordigen Generaal der Orde â die zelf ook een zoon van Augustinus was, heeft verscheidene jaren deze hoogleeraars-plaats ingenomen, bovendien was hij â sinds enkele jaren is
1
Hoe miraculo cominoti Sixtus IV et Cardinalis Estoutevillas Gallus, certatim ordini Eremitarum Sancti Augustini addicti, duas in urbe Romana ecclesias eidem ordini erigendas deliberant, eisque Ilberaletn manum apponunt, unarn gloriosae Virgini Mariae de Populo, quam suis expeusis Sixtus Pontitiex el alteram Divo Augustino, quain Cardinalis affabre longe majoribus erexit, ad invidiam et aemulationem sanctam. (N'ie. C.rusento Hist, p III c. 29).
G4
hij overleden â Prefect van de H. Congregatie van den Index en Jid van verschillende andere Congregatiën.
Pater Sepiacci door Paus Leo XIII eerst tol Bisschop, later tot Kardinaal verheven en evenzeer ons door den dood reeds ontvallen, werd beschouwd als een der uitstekendste godgeleerden van onzen tijd te Rome.
Kardinaal Sepiacci had aan bovengenoemde Universiteit den leerstoel genaamd: âde locis Theologicisquot;, in publieke mededinging of concours verworven.
Een der eerste geleerden, doorkneed in de kennis der Ooster-sche talon, is Mgr. Ciasca een Augustijn, die weldra, volgens allerjongste berichten, door Z. H. den Paus tot Kardinaal zal worden verheven.
De hoogeerw. Pater Neno, die gedurende vele jaren in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika verwijlde, bekleedde daar achtereenvolgens het ambt van professor, van missionaris, president van hel college Sint Thomas a Villanova en van provinciaal : eindelijk mocht hij, onder den groolsten bijval van Paus Leo XIII, de hoogste plaats der Orde als Generaal innemen.
De geleerde geschiedschrijver zijner H. Orde Lanteri, evenals de vrome Marinelli, de vertrouweling van Paus Pius IX, roemrijker gedachtenis; de bekende Italiaansche dichter Balzofiori, de vermaarde kanselredenaar Pater Semenza; de geleerde Pater Ferrata professor in de Hebreeuwsche taal aan het College van de Propagande, zijn allen Augustijnen.
Den tegenwoordigen Generaal dier roemvolle Orde, Mgr. Mar-tinelli, die lange jaren professor was in de theologie, philosophic en H. Schriftuur, mocht de zeldzame eer te beurt vallen door onzen H. Vader Paus Leo XIII uitverkozen te worden om een der gewichtigste plaatsen in te nemen der Pauselijke delegatie. Aartsbisschop van Ephese gewijd, werd hij Pauselijk afgevaardigde in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika.
In den boezem dus dezer H. Orde worden ook nog, gelijk
65
ndex uit deze reeks van verdienstvolle mannen blijkt, in onzen tijd
waardige wachters gekweekt van het heiligdom der Moeder van ster Goeden Raad.
'eds ______
3er-
Millioenen hemellichamen ontvangen van de zon hun pralen-^en den glans, hun glansende majesteit, hun majesteuse pracht en
lng allen te zaam verkondigen zij Gods lof en het uitspansel Zijner
handen werk; niet anders ontleenden de Augustijnen hun glan-2rquot; sende en ongerepte deugd van Haar â âde opkomende Dage-
ns raad'' â Hun glorie was de afstraling van Maria's luister in
het wonderwerk te Genazzano, daar, daar werden de grootsten hunner Heiligen gelaafd in hun godminnend harte aan den 'e peilloozen stroom van Gods peillooze liefde, zich vertoonend in
lr het beeld der Moeder van Goeden Raad.
Beproeven wij echter geen bovenmenschelijk werk om hier namelijk het volle licht te doen schijnen op het tafereel van liefde 3 in die H. Orde tot deze Moeder.
Afgezien nog van de enge omlijsting, binnen welke het zoude ' moeten gemaald, gaat het 's menschen pogen te boven.
Wie kan in menschelijke taal naar volle waarde in hemelsche bezieling melden, hoe de zonen van St. Augustinus, al die eeuwen door, waakten en baden voor die beeltenis, zoo heerlijk, zoo schoon? De Moeder van Goeden Raad beloonde deze Orde. Door alle eeuwen schonk zij haar groote Heiligen â Gods lievelingen ; ook nog in onzen tijd !
Wie 't ooit gegeven was neder te knielen op den killen grafsteen van een daar sluimerend in den dood, wordt eveneens door sombere kilte overstemd; een mengeling van gedachten aan verleden en toekomst, doortrilt hern lot in de fijnste roerselen des harten.
5
GO
In den linkerbeuk der kerk te Genazzano is ook een graf. Eenige passen afstands van het wonderbaar beeld vinden wij een steen, een stillen, eenvoudigen grafsteen. Maar wie hier nederknielt, o voor hem rijzen geen sombere schaduwen; â neen hier voelt men zich verjeugdigd, gesterkt, gestaald om den strijd des levens aan te binden in ongeschokt vertrouwen.
Eenvoudig als de man, wiens stoffelijk omhulsel daar de verrijzenis wacht, eenvoudig is dat graf, eenvoudig ook de steen daarboven, die u zijn naam vermeldt.
Niet veel jaren liggen achter ons, toen deze man pastoor was
dezer kerk, wachter van dit heiligdom en thans?....... Thans is
hij gelukzalig! Venerabilis Bellesini. Zijn naam is de naam van een Heilige, van den âEerbiedwaardigen Bellesini.quot; Zijn lichaam ligt begraven â kon hem grooter eer geschieden? â in de schaduwe der wonderbare beeltenis van Haar, die hij immer als zijn Raadgeefster vereerde. Zijn tijdgenoot en medebroeder Menochio is evenzeer âvenerabilisquot; eerbiedwaardig. Dan beide beoefenden in verhevener adeldom en godsvrucht, wat al hun broeders en zusteren der H. Orde eigen is, liefde tot de Moeder van Goeden Raad.
De tallooze mirakelen door hun beider voorspraak geschied, zijn als zoovele aansporingen, even vurig deze liefde te betrachten. Daarom is dan ook met hun verscheiden niet heen gegaan de diepgevoelde warme genegenheid tot de Moeder van Goeden Raad.
Wie onzer weet niet, hoe, onder de hoogste auspiciën van den onsterfelijken Leo XIII, de dragers der hoogste waardigheid van deze Orde in alle landen hun onderhoorige medebroeders hebben aangezet deze godsvrucht allerwege te ontsteken in de harten der Christenen ?
Meer nog dan het welsprekendst woord is de enkele voorstelling van Paus Leo XIII, die, wijzende op Haar beeltenis, sprak: ,Kinderen, berust in Hare raadgevingen !quot; voor de Orde
07
van St. Augustinus een groofere spoorslag geweest, naarmate in deze dagen twijfel en ongeloof veld wonnen, ook de Moeder van Goeden Raad meer te doen kennen, beminnen, innig lief te hebben. Verkwikkend schouwspel, ook nog in onze dagen diezelfde Orde, in een zelfden ijver te zien werken voor hetzelfde doel â de eer der Moeder van Goeden Raad. Te ver zoude het ons voeren dit in den breede aan te toonen. Eén naam zij hier echter genoemd, het geldt een sieraad der Augustijnen-Orde: Mgr. Pifferi te Rome.
Waardige bekleeder van hetzelfde ambt als wat eens de gelukzalige Menochio torschte â pastoor van het Vaticaan en geestelijke leidsman des Pausen â munt ook hij uit in godsvrucht tot de Moeder van Goeden Raad. Enkele jaren geleden doorreisde hij â schoon gebukt onder den last der jaren â geheel westelijk Europa, ook ons vaderland. Het doel dezer
reize?...... Niels anders dan de liefde en godsvrucht, waarvan
zijn harte blaakte, ook hier te doen gloeien.
Zoo dan do vereering der Moeder van Goeden Raad in ons dierbaar Nederland telken dage grootscher omvang neemt, mag deze Apostel niet vergelen worden, die, gezegend door Paus Leo, deze godsvrucht tot ons bracht. Zoo hier, zoo elders. Waar deze Apostel van Maria verschijnt, daar wordt terzelfder tijd de Moeder van Goeden Raad niet slechts gekend â maar hartelijk zelfs bemind. Getrouwe zoon zijner H. Orde kent hij ook geen grootscher doel. Door zijn bemiddeling wordt in geheel Frankrijk aan lederen pasgewijden priester een zilveren medaille uitgereikt, waarop het beeld der Moeder van Genazzano, en werd in elke kapel der Seminariën van de verschillende Fransche bisdommen een beeltenis geplaatst der Moeder van Goeden Raad.
Zoude dit grootsch begin dezer schoone devotie in Frankrijk â la tille ainée de l'Eglise â niet met zich voeren de herleving in vroegeren luister van deze Orde binnen die schoone land-
68
palen? Onafscheidelijk loch verbond de Moeder van Goeden Raad haar glorie aan die van St. Auguslinusquot; Orde!
Door de nevelen van het verre verschiet, rijst in blijde schittering een hoopvol gesternte : de stichting van het nieuwe Augustijnen-klooster te Nantes. Onder Maria's schutse zal niets deze glorierijke Orde deeren. Maria's roem is ook haar roem, Maria's grootheid ook haar grootheid, en in allen nood is en blijft Zij de Moeder van Goeden Raad.
3.
Maria, Moeder van Goeden Eaad, vereerd over de geheele aarde.
Het voorbeeld van Paus Leo XIII en der Augustijnen bleef niet zonder gevolg. Allerwege werd deze devotie verspreid.
Bij het zien van de ontelbare zegeningen, met milde hand, door die goede Moeder uitgestort, en het dagelijks aangroeien van het getal der vereerders dezer schoone devotie, aarzelen wij dan ook niet hier te herhalen, wat een godvruchtige schrijver â Mgr. Dillon â ons meldt, namelijk dat âde Almachtige âmet welbehagen neerziet op de vereering Zijner H. Moeder âals onze Raadgeefster in alle omstandigheden, en naarmate de âMoeder van Goeden Raad meer en meer wordt vereerd, ook ârijkelijker Zijn goddelijken zegen verspreidt.quot;
Het éénstemmig gevoelen van gansch het Katholieke volk bevestigt deze uitspraak, en een eeuwenlange historie staaft ze bovendien.
Zoo meldt de geschiedenis der stad Genua haar treffende bevrijding, toen de Oostenrijkers ten jare 1774 het beleg om die stad geslagen hadden. Geheel uitgeput, was Genua toen
69
een wissen ondergang nabij. Het vijandelijk kanon dreunde onheilspellend dag en nacht, dood en vernieling in het ronde spreidend en zoo te land als ter zee was deze machtige stad eertijds bloeiend door levendigen handel, van eiken menschelijken bijstand beroofd.
Een Pater der Augustijnen-orde te Rome nam het godvruchtig voornemen de tusschenkomst af te smeeken van de Moeder van Goeden Raad; hij deelde dit plan mede aan een vermaarden schilder, Luigi Tosi, die evenals hij in de zoo zwaar beproefde stad het levenslicht had ontvangen.
Deze laatste nu haastte zich zijn machtig talent daartoe te leenen en vervaardigde een heerlijke copie der wonderbare beeltenis van O. L. Vrouw van Goeden Raad.
De Pater intusschen mocht onder Maria's moederlijken raad de gelegenheid vinden de inwoners zijner geboortestad, ondanks de bespiedende oogen van een waakzamen vijand, van zijn komst en godvruchtig plan te verwittigen.
Onder de hoede zijner goede Moeder mocht hij werkelijk Genua ongedeerd bereiken, belast met zijn kostbaren schat.
Onbeschrijfelijk was de geestdrift, waarmede deze beeltenis daar werd ontvangen. Alle inwoners van Genua gingen in plechtige processie den Pater tegemoet. Met ontroering ontvingen zij die heerlijke afbeelding en droegen haar in diepe godsvrucht langs de bres geschoten muren, langs de ontzaglijke ruïnen en rookende puinen van machtige torens en paleizen in het gezicht van de vijandelijke vloot en, te midden van vreugdezangen en smeekgebeden, werd vol diepen eerbied deze schilderij, in tegenwoordigheid van een onafzienbare menigte, in gebed en
tranen verzonken, geplaatst in de kerk der Augustijnen.......
Dienzelfden nacht zonder dat iemand de redenen kende, â zweeg plotseling het kanon, de vijandelijke vloot heesch de zeilen, de belegeraars trokken zich terug van de muren in het legerkamp en, toen de morgen gloorde, waren alle vijandelijke
70
slandaars verdwenen, welke van de hoogle der omringende heuvelen ondergang en dood zoo lang verkondigden aan de beangstigde inwoners.
Sinds wordt te Genua, in onvermengde vreugde, het feest herdacht van de Moeder van Goeden Raad.
Veel overeenkomst met de schoone beeltenis te Genua heeft de afbeelding van de Moeder van Goeden Raad te Modena, ofschoon deze beeltenis van veel ouderen datum dagteekent. De Orgie meent, dat dezelve, kort na de wonderbare overbrenging te Genazzano, is vervaardigd; want sinds'onheugelijke lijden wordt te Modena de Moeder van Goeden Raad op treffende wijze vereerd, onschatbaar ook zijn de gunsten aldaar verkregen, gelijk de ontelbare ex-voto's, welke de dankbaarheid daar offerde, vermelden.
Ten jare 1713 bracht een vrome priester, geboren in Albanië â waar, vóór de overbrenging naar Genazzano, de wonderbare beeltenis zich bevond, â een afbeelding van de Moeder van Goeden Raad naar de kerk van San Benedetto Ullano in Cala-brie, in Midden-Itahë.
Niet lang duurde het, of allen verkondigden den lof dier Hemelsche Moeder, allerwegen verrezen in deze landstreek kapellen en heiligdommen ter Harer eer, zoodat in waarheid, Galabrie de provincie van O. L. Vrouw van Goeden Raad genoemd mag worden.
Nog meer. Op den beroemden Monte Gassino werden zoovele gunsten verkregen door de voorspraak van de Moeder van Goeden Raad, dat het verzoek van geestelijke en burgerlijke overheid werd ingewilligd en de Moeder van Goeden Raad, bij breve van 4 Augustus 1875, bevestigd werd door den H. Stoel als bijzondere Patronesse dezer uitverkoren plaats.
Niet minder vermeldenswaard is ook de afbeelding dezer Moeder in de kerk van den H. Benedictus te Frosinone, de godsvrucht der inwoners dier plaats is zoo groot, dat men bijna
71
in elke woning een beeltenis aantreft van O. L. Vrouw van Goeden Raad; en te Rome, het middenpunt der Christenheid heeft deze devotie een ongewone vlucht genomen.
Op vele hoeken der straten prijkt de afbeelding van de Moeder van Goeden Raad, voor sommigen dier voorstellingen branden altijd lampjes, terwijl de kosten daarvan gedragen worden door de bewoners der wijk, waaronder de armsten met vreugde hun penningske offeren.
In verscheidene kerken der eeuwige stad wordt Haar beeltenis stichtend vereerd. .Zoo in de Paulijnsche kapel van hel Vaticaan, in de kerk van S. Augustinus, in die van Maria del Populo; van S. Laurentius in Lucina; en het register der wonderdaden op Hare voorspraak gewrocht alléén in de Basiliek van S. Marcus is buitengewoon. Niemand derhalve zal ontkennen dat Italië de Moeder van Goeden Raad op treffende wijze vereert.
De eerw. Pater Ruananno, priester van het Oratorium, die gedurende vele jaren te Napels woonde, meldt ons dat er in die groote stad niet een kerk of heiligdom is, waar niet de afbeelding van de Moeder van Goeden Raad wordt vereerd.
In de kerk aldaar bekend onder den naam âla Sanitaquot; is de toevloed dier vereerders buitengewoon groot.
Doch, niet alleen is Italië getuige van den wonderbaren bloei dezer godsvrucht; want sinds het uur der miraculeuze overbrenging hebben de zonen van Sint Augustinus deze devotie onvermoeid verspreid.
Met Italië verkondigen ook Frankrijk â waar ieder nieuwge-wijde priester een medaille dier goede Moeder ontvangt â en Duitschland, Spanje en Amerika Haar smettelooze eer!
Wie herinnert zich niet, hoe de H. Aloysius zijn verheven roeping vernam, toen hij, neergeknield voor de beeltenis van de Moeder van Goeden Raad, Hare stem zelfs mocht vernemen in de koninklijke kapel te Madrid ?
In Reieren werd deze devotie door de Augustijnen zoo diep
72
in de harlen der geloovigen geplant, dat de Beiersclie prinses Maria Antoinette zelf een verzoek indiende bij Z. H. Paus Clemens XllI om de oprichting der godvruchtige vereeniging ter eere van de Moeder van Goeden Raad aan alle huizen der Augustijnen toe te staan.
In Oostenrijk is deze devotie een der voorname oefeningen van godsvrucht der keizerlijke familie. De kostbare lamp, welke dag en nacht te Weenen voor de beeltenis brandt dier Hemel-sche Moeder, is een ex-voto der Aartshertogin, uit dankbaarheid voor de genezing van haar eerstgeborene. ^
In Noord-Amerika verschijnt sinds lang een maandschrift ter eere dier goede Moeder, en in Zuid-Amerika, in het Aarts-dio-cees Santa Fé di Bogota, is een stad van 10.000 inwoners, welke den naam draagt: âGenazzano van Goeden Raad.quot;
Ook in Australië, bijzonder te Melbourne en Sydney, wordt de Moeder van Goeden Raad eerbiedig vereerd.
In België wordt nog met dankbaarheid herdacht, hoe duizenden hun behoud aan Haar te danken hadden, toen ten jare 1859 de verschrikkelijke cholera een ontzettend getal offers eischte; en wien is het onbekend met hoeveel vertrouwen de Moeder van Goeden Raad in ons Vaderland wordt aangeroepen.
Naast Amerika, Frankrijk en Italië heeft ook Nederland een ,maandschrift ter eere van O. L. Vrouw van Goeden Raadquot; en het wapen van Neerlands hoofdstad prijkt op een schoone banier te Genazzano.
Ook in ons land hebben duizenden het oog op die moeder gevestigd en hun vertrouwen wordt niet beschaamd.
Hoevele zondaren zijn door Haar inspraken niet verlicht en tot God teruggevoerd, hoevele zieken danken Haar geen stille berusting of genezing? In hoevele tijdelijke en geestelijke aangelegenheden gaf Zij geen raad? Ja, mogen we niet in navolging van de leerlingen van Emmaus zeggen: Was ons eigen hart zelf niet dikwijls brandend als Zij tot ons sprak ?
73
Zoo moge dan de vereering over geheel de aarde van de Moeder van Goeden. Raad ons vertrouwen verlevendigen en bij liet aanschouwen van zóóveel godsvrucht ter Harer eer, in liefde tot Haar ontstoken ons doen smeeken:
âO, stort met moederhanden
Uw zegen op ons neer,
Verbreek des zondaars banden En voer tot God hen weer!quot;
V.
MARIA, MOEDER VAN GOEDEN RAAD, VEREERD DOOR VERSCHEIDENE MIDDELEN VAN GODSVRUCHT.
1°. Bedevaart naar Genazzuno.
2°. Exâvotovaandel.
3quot;. Het Scapulier.
4quot;. De Médaille.
5quot;. Het Maandschrift.
6quot;. De Gebeden en Aflaten.
7°. Het Bijwonen der Oefeningen.
8quot;. De H. Communie en H. Mis.
9quot;. De Offergaven en het Bezoek aan het Altaar.
10°. Het Apostolaat.
1.
Een Bedevaart naar Genazzano.
Laetatus sum in his, quae dicta sunt mihi. âIk ben verblijd over hetgeen mij werd gezegd: in domum Domini ibimus. Wij zullen ingaan in het Huis des Heeren.quot; Heerlijke en bezielende ontboezeming van het jubelend hart des koninklijken Harpzangers; konden ook wij in geen anderen lof onze vreugde vertolken. Nooit steeg voor ons de zon in gloedvoller praal, nooit koesterden we ons blijder in heur verkwikkend licht dan op dezen dag, dien de Heer ons maakte. Was de Moeder van Goeden Raad niet het doel, het grootsche doel dezer verre reize? Parijs gaf ons te zien, wat grootsch en majestueus is op aarde; toongeefster van beschaving, is het hier, dat het menschelijk bestaan zich opvoert in een wereld, die nergens ter aarde wordt aanschouwd ; en daarbij, wat gemoedelijke vriendschap, wat vriendelijk leven, wat levendige afwisseling boeien en verpoozen u
De blauwe, kabbelende golven der doorschijnende wateren van Nizza tot Genua eenerzijds, en de grillige koppen in onovertroffen schoonheid zich verheffende als kronen op reuzengebergten aan den anderen kant; de palmboomeu, die, door zéfirs bewogen, ons vriendelijk groetten in hun wuivenden bladerentrots; de natuur in heiligen wedstrijd zich beijverend ons niet haar rijkdom, maar haar weelde te toonen, wal was dit alles in vergelijking met den glans van dezen dag? Ons werd het vergund den
78
Thabor op te gaan, â te bestijgen den berg der gedaanteverandering van Maria!
Reeds bij het krieken van den dag werden we per as heengevoerd naar het âStazione della Ferroviaquot;' â naar het station; de biljetten geverinëerd en per wiekslag ging het langs bloeiende akkers en wijngaarden, langs en door ten hetnelreikende bergen, die zich in den beginne op een eerbiedigen afstand hielden om even later dreigend vooruit te schrijden en ons den doortocht te betwisten; het menschelijk genie overwon hen en baande zich door deze duizenjarige steenmassa's een vrijen weg. Voor ons, die reeds zoovele uren ter spoortrein hadden doorgebracht, maar, op dit stuk, in de eeuwige stad ter ruste waren geweest, was deze tocht bovendien een vriendelijke verscheidenheid.
In Rome en daarbuiten wordt ge dikwijls geschud en geschokt als ge rijdt, zelfs op den heirbaan der oude Romeinen. Op de via Appia ten minste, waar hun groote helden zoo menigmaal hun victorieuze tochten vierden, zouden zij nu moeite hebben hun zegepralenden Caesar, getrokken en omringd door zijn verwonnenen. te begroeten.... en te zien; â wolken zand zouden hun geen uitzicht gunnen. Hier was gladder baan, en zoo spoorden we voort, al biddend en keuvelend, circa anderhalf uur.
Nauwelijks te Valmentone aangekomen â dit is de spoorhalte voor Genazzano â en het vriendelijk station binnengegaan, of daar stond het te lezen in groote letters op de postillon: âGen-zanoquot;. Eerst ons goed vergewist en binnen een oogenblik zaten we in den omnibus â wel een doorluchtige om de vele kieren en opene vloer â voor ons toch een zegewagen.
De tocht schijnt niet te gemakkelijk, ten minste er zijn vijf vlugge paarden voorgespannen; langzamerhand stijgt de eene passagier na den andere binnen; jawel het duurde niet lang, of de niet al te groote rnirnte was geheel gevuld. Inmiddels schoot de zon in verdubbelden warmtegraad bijna loodrecht
79
heur gouden flonkerende stralen rondom is; boven ons werden met gewone hardhandigheid allerlei pakjes en koffers geordend en eindelijk nam de koetsier zijn heerschersslaf, alias zijn vier el lange zweep, monsterde kar en paarden, en besteeg zijn troon. Op het punt af te varen, klimmen als echte ,janmaatsquot; twee maréchaussées aan weerszijden op den hoogen bok, 't liefst met revolver aan den gordel en karabijn in de hand. Dat was voor rustige Hollanders toch wat sterk! Zelfs te Amsterdam rijdt ge vrij, behalve naar een bewust âdorpquot; dat het âroodequot; genoemd wordt, en waarheen u insgelijks twee zulke getrouwen gratis vergezellen! Intusschen we begrepen het; het was de onveiligheid der wegen, die het Ital. gouvernement hiertoe verplichtte. De tocht werd in tamelijken draf aanvaard, en we klommen tegen de bergen. De weg is allervriendelijkst; waaide natuur en rotsachtige bodem maar eenigszins duldden, daar lachten u de heerlijkste landouwen en geurigste wijngaarden tegen; de omstreek van Genazzano levert dan ook besten Ital. wijn en vandaar dat door geheel Italië het âVino di Genzanoquot; met eerbied wordt herhaald. Ook in ons gezelschap schenen zich eenige wijnhandelaren te bevinden; dan â wat interesseerden ons die gasten, â onze geest was de wagen reeds verre vooruit; allerlei gedachten overstelpten ons, verschillend en toch één, nl. de Moeder van Goeden Raad ter eere! Ook langs den weg waren vele dienaren van Hermandad geposteerd, maar geen zweem van vrees kwam in ons op; wie toch zoude nu ons kunnen verontrusten ? nü, nu we waren onder de scha-duwe des heiligdoms van Haar, die geroemd wordt en vereerd als âmuiier fortisquot; de Sterke Vrouwe! mille clypei pendent ex ea! duizend schilden dekken Haar en heur kinderen. Aldus rolden we voort langs en over bergen; âhet duurt nogal langquot; ontsnapte ons; geen wonder, we verlangden zoo!
De tijd liep harder dan ons voertuig, want schoon we met het morgenkrieken waren opgetrokken, wees ons klokje reeds
80
over tien. Doch met dat al de weg was vroolijk en het vooruitzicht eiken wielslag dichter bij onze Moeder te zijn, gaf elk oogenblik de heerlijkste bemoediging. Eindelijk halt! âZou hier Gennazzano wezen?quot; Een vriendelijk antwoord van een der medereizigers was voldoende ons te doen begrijpen, dat hier een verwisseling der omnibussen plaats heeft, bij aankomst van de eene vertrekt de andere. De maréchaussées stijgen af. Van nu af aan bemerkten wij bij het voortrijden, dat de weg al meer bevolkt werd en nieuwsgierig wendden we den blik, want Genazzano was weldra bereikt. Ja, daar is het! Dat was ons aller vreugdekreet. Daar rees Genazzano op in den vollen zin des woords, want deze uitverkorene plaats ligt boven op een berg ; van verre biedt het een onvergetelijk aanschouwen ; reeds ziet ge daarboven een wijde poort, welker geopende deuren u het welkom toeroepen; de oude vestingwerken lieten nog hun sporen achter in den vorm van oude hechte muurwerken en bastions. Wij reden langzamer; wij klimmen. Halt! en daar staat onze diligence recht tegenover de poort daarboven; en daarboven bleef ons oog gericht en onze geest. De natuur is hier bewonderenswaard; een zacht blauwe hemel koestert hier de beste voortbrengselen op top en helling dier lachende bergen. Dat ge hier en daar stoot en bolst tegen een kei of bergsteen, merkt ge niet; hier en daar wat rusten om ruimer adem te halen is evenmin iets deerlijks; binnen weinig tijds stonden we aan de poort.
Uit aesthetisch oogpunt zouden voor het minst een stukadoor en metselaar goede diensten kunnen bewijzen, als ge ziet, hoe de gepleisterde huizen elkander in die enge straten medelijdend aanzien. Nochtans zien we er verscheidenen, die getuigenis mfet zich voeren van een grootsch verleden; de hooge stoep of bordes zegt het bij het eerst aanschouwen. Inmiddels is ook binnen deze plaats de klimtocht niet opgehouden ; steeds zijn we merkbaar stijgende; hier en daar staan we voor een kruis-
81
punt te overleggen, wijl de enge straten u een ruimer blik ontzeggen en aldus het heiligdom verborgen houden; doch de verscheidene groepjes huismoeders, die wars van vele huishoudelijke zorgen, zich alleen tot het noodzakelijkst schijnen te bepalen en den âschoonmaakquot; niet of niet zoo overijlend schijnen te doen als onze moedertjes, zitten voor haar deur in gezeliigen kout; zij wijzen ons met de hand op de vraag âMadonna del buon consiglio ?quot; Een kleine knaap â blootvoets als elk rechtgeaard inwoner dezer plaats â wijst ons den weg.
Klimmend passeeren we een klein pleintje, waar parochiekerk en school onze aandacht vragen en een eerbiedwaardige geestelijke ons ook den weg toont; hooger altijd hooger â eindelijk, daar rijst zij voor ons op de vriendelijke kerk, het heiligdom der Moeder van Goeden Raad! Geen enkele stonde verzuimd ; den kleinen gids eenige soldi's, en fluks die gewijde muren binnen. Wie denkt nu aan vermoeienis of dorst onder de brandende stralen der Italiaansche zon ? Ginds aan de linkerhand zien we een ijzeren hek, daar, daar is het. Zwijgend vallen we neder; we knikken; ja, hier is het; meer spraken we niet, we konden ook niet meer. Was hier niet de beeltenis dier goede Moeder?
Gedachten â duizendvoud â overmeesterden ons. Hier op deze plek brachten de Engelen des Hemels de beeltenis onzer Moeder van Goeden Raad! En die beeltenis zweeft hier! Gods almacht draagt ze, en dan die gedaanteverandering! Gratias aganius! Dank, lieve Moeder dank! dat was ons jubelend lied, wellend uit ons hart in geheimnisvolle stilte. De eerste mengeling van blijdschap en dank, van genegenheid en godsvrucht tot de beste aller Moedors had ons begeesterd; overgoten met dat vuur zoo heerlijk spattend van Davids harpe: âde ijver voor uw huis ; o Moeder, heeft ons verslonden!quot; Nu durfden wij het wagen vrijmoedig ons oog tot haar op te slaan ; edoch de beeltenis was niet zichtbaar ; een ijzeren hek
6
82
hield ons op een afstand en bovendien een fijn bewerkte koperen plaat hield ze verborgen.
Een oogenblik werden de recommandatiebrieven gesorteerd, die â hier zoowel als te Rome â ons onvergetelijk veel deden genieten, en in het saeristy verlof gevraagd te mogen celebreeren. Naar verluid van deze brieven mocht hier de H. Mis thans gevierd worden âdetecta imaginequot; â de beeltenis moest zichtbaar worden gesteld den ganschen duur van dit H. Officie. Allervriendelijkst werden we daarna binnen het hek toegelaten, en zichtbaar waren we getroffen, toen we van aanschijn tot aanschijn dat wonder mochten genieten. In onnoemlijke blijdschap, in ongeschokte hoop baden we voor allen en alles ; wie zoude hier, waar zóóveel stroomen neder golven van genade en ontferming, iemand kunnen vergelen ?
Onbeschrijfelijk wat nu volgde. Diep bewogen zagen we onder de H. Mis hoe de oogen dier goede Moeder leefden; hoe het gelaat dier Vlekkelooze hemelsche blijdschap weerspiegelde in de trekken ; hoe die oogleden zachtkens zich sloten om straks in weergaloozen glans ons tegen te schitteren ! Te lang kan nooit worden herhaald en overwogen, wat dit half uur tijds aan dat heilig Altaar werd genoten! Een warme dankzegging voor die heerlijke openbaring was hier meer dan ooit uit ganscher harte. Nog werd aldus geruimen tijd genoten, geproefd, gesmaakt, gedronken in volle teugen van zalige, van overweldigende stroomen van hemelsch geluk ! terra mihi sor-det! hoe walgde ons hier de wereld! Liever is het den kinderen van Maria één uur door te brengen in haar zalige tegenwoordigheid, dan duizend jaren in aardsch verrukken! Dit jubelden we David na â en uit ganscher harte ! Intusschen werd de beeltenis gesloten en keerden we, allervriendelijkst uitgenoodigd, binnen het klooster, waar we gastvrij ten ontbijt werden verzocht. Het smaakte heerlijk, heerlijker dan ooit; en toch voor Hollanders in het bijzonder was dit ontbijt niet aan-
83
trekkelijk; beproef het maar eens den echten Hollander droog brood en koffie zonder melk toe te dienen. Maar de goede Paters deden hun uiterste best. Allerhartelijkst en allervriendelijkst werden we door hen onthaald en de honger was er, bovenal een onuitsprekelijke zielevreugd! Was deze niet de smakelijkste kruiderij ?
Wat genoegelijken tijd brachten we daar bij die goede Paters door! Onze ziel verblijd, verrukt, als hel kind dat na lange afwezigheid weer rusten mag in moeders woning. Zoo hadden we getoefd, verwijld aan Maria's voet; hoe lieflijk lonkte zij ons tegen, als bracht zij ons een groet uit den hoogen hemel, en nu â nu genoten we in gezellig onderhoud met Hare vrome wachters; we keuvelden wat we konden in onuitsprekelijke vreugde over de Moeder, zooeven aanschouwd; over Holland en zijn godsvrucht tot de Moeder van Goeden Raad, over â ja over alles, soms spraken we allen tegelijk, in één woord we waren thuis, â thuis als kinderen bij hun Moeder, â hier was een hemelsche Moeder, maar ook een hemelsche pret. Verschillende prentjes, gedachtenissen, etc. werden gretig aangekocht en, wijl de Moeder van Goeden Raad in al haar onvergetelijken glans ons bijbleef, was het nogmaals dat we vroegen en dankbaar verkregen het verlof ten tweedenmale die goede Moeder, zoo wonderbaar, te aanschouwen. Thans gingen we Haar vragen met nog vuriger aandrang, met nog inniger warmte; vragen alles wat ten heil verstrekken kan, ook de eeuwige rust voor zóovelen ons dierbaar, opdat de Moeder van Goeden Raad ook hun mocht tegenlonken ter bevrijding uit de knellende boeien des vage-vuurs, zoo zij daar nog verwijlden.
Alvorens we wederom tot dien troon van genade mochten opgaan, werden we hartelijk in de gelegenheid gesteld, eens van nabij te beschouwen, wat al dankbare uitingen zich hadden vertolkt in den loop der eeuwen in den vorra van kostbare
84
kerkgewaden en ornamenten. O. a. bewonderden wij zes kandelaren en kruis van Korinlhisch koper, geheel belegd met allergrootste bloedkoralen â een geschenk van Kardinaal Golonna. Vorsten en Grooten bleven niet ten achter! Keizerin Marianne gaf een monstrans, die het achtenswaardig gewicht hield van 36 pond. En zoo boeiden de grootste schatten, door dankbaarheid hier te zaam gebracht, langen tijd onze blikken. âEen mooi bikje voor het Ital. gouvernementquot;, zeiden we, gedachtig dat even als elders ook hier het grootste en beste deel des kloosters in alle vrijheid was ingepalmd. Het heiligdom trok ons bovenal en met haastigen tred spoedden we ons ter kerke, en binnen geen tijd lagen we neergeknield aan Maria's voet. Wat ongeschokt vertrouwen wekt die Moeder in u op! Wat vurig, wat brandend vurig stort ge hier u smeekend gebed ! Zoo baden we lang in ongestoorde stilte! Een klein groepje
â ook vreemdelingen â waren hier, maar moesten zich, alvorens de beeltenis ontdekt werd, verwijderen. Wij dus alleen bij die Moeder! En die Moeder groette ons zoo hartelijk! Welk een voorrecht! Ach, waren maar meer der onzen hier, ja was geheel Holland hier om met ons te drinken in volle teugen aan die bron van zaligheid! Gelukkig, we konden toch spreken met onze dierbaren in het verre vaderland. Daar waren hier briefkaarten. Fluks eenigen gekocht, en â die goede Paters lieten ons maar kinderlijk henen doen â wij schreven, wat? dat weet ik niet, maar heilige, jubelende vertolkingen van een hart overstroomd van hemelsche blijdschap ; en wij schreven
â ja raadt eens waar ? op het altaar zelf, onder de levende oogen dier Hemelsche Moeder. Zij groette die kaart, zij lonkte haar moederlijken zegen toe, en aldus werd die kaart met zóóveel blijdschap ook ontvangen, dat ge haar nog kunt zien, maar alleen achter glas in een lijstje!
In Italië â heel vertrouwelijk gezegd â laat het propere wel eens wat te wenschen over, niet hier. De kerk is helder.
85
kraakhelder zelfs. Boven de wonderbare beeltenis ziet ge in gedreven koper een heerlijke groep, de wonderbare overbrenging van Scutari naar Genazzano voorstellend ; daarbij eenige groepen in biddende houding. De beeltenis zelve is niet groot. Maar ge moogt het wonder al dadelijk erkennen, alleen reeds in het feit dat het dunne laagje kalk, waarop de Moeder van Goeden Raad werd afgebeeld, overal schilvert behalve waar het beeld geschilderd is: het geheel is bruinachtig, waarschijnlijk van ouderdom, het gelaat van Maria hemelsch en frisch, van het Kindje ook, doch â wonderbaar â niet zoo aantrekkelijk. Een flink rijk bewerkt ijzeren hek sluit dit altaar ter linkerbeuk geheel af. Daarbinnen ziet ge op de muur een heerlijke fresco, de verloving van Jozef en Maria, levensgroot. Het plafond is rijk verguld en van mozaiek kunstig belegd. Vier marmeren kolommen rijzen statig boveh het altaar dier Goede Moeder, en rondom hangen 22 zilveren lampen; de bogen zjjn heerlijk geschilderd in polychromie en twee diademen, broches en halssnoeren, schitterend van juweel en brillant, flonkeren u tegen van het hoofd en hals van Maria en Haar goddelijk Kind. De nis, waarin de wonderbare beeltenis rust, is geheel van kostbaar marmer en rijk aan gedreven koper. Ook de kapel toont u in haar geheelen omvang fresco's en marmer, terwijl het plafond door marmeren kolommen geschraagd, quadraatsgewijze verdeeld en rijk verguld is. De honderde ex-voto's, de graftombe van den âeerbiedwaardigquot; verklaarden Stefanus Bellesini, vurig vereerder der Moeder van Goeden Raad, de heerlijke schilderstukken Haar lof verkondigende, dit alles zoude te veel vorderen voor een klein bestek als deze beschrijving, doch één schilderstuk is bijzonder vermeldenswaard. Hel heeft een plaats onmiddelijk boven het zijaltaar in de rechterbeuk. Een groen gordijn houdt het verborgen; nauwelijks is het weggetrokken of ge ontwaart een kunstvol doek, den aan bet kruis gestorven Meester voorstellende. Drie plaatsen zijn hier echter deerlijk
86
gehavend en bloeddruppelen kleven er aan. Hoe kwam dit? In vroegere eeuwen heeft een soldaat in woeste of duivel-sche drift zijn sabel hierin geslingerd en terzelfder tijd stroomde dat bloed, waarvan ge nu nog duidelijk de sporen ziet. Het zwaard kronkelde zich inéén en hangt daarnaast, van glas overdekt. We waren verplet bij zoo gruwzame aanschouwing en over de wonderbare werking Gods levens. Lang hadden we reeds getoefd en eer we het vermoedden, was de tijd voor vertrek genaderd, terwijl onder hartelijksten dank afscheid werd genomen van onzen onvergelelijken gastheer. Maar.... âeven nog naar Moeder!quot; vroegen we, ja we hadden vergeten onze rozenkransen, souvenirs en medailles aan te strijken. Wal waren we gelukkig, dit wederom werd een rede, waarom wij ten derdemale verlof bekwamen hel wonder te zien en voor het laatst van aanschijn tot aanschijn die Moeder le groeten, te bedanken, ons Haar toe le wijden! Zoo moesten we dan nu deze plaats verlaten, afscheid [nemen van Haar, die we eenmaal nog beter hopen te aanschouwen, om dan nooit van Haar le worden losgerukt. Een mengeling, een zeldzame â oogenschijnlijke tegenstrijdige â mengeling van vreugde en smart tegelijk overmeesterde ons; nu we scheiden moesten van dit onvergetelijk, zalig genot. Vaarwel dan, lieve beeltenis, vaarwel! Het koperen gordijn valt zacht maar gestadig en verbergt dat onvergetelijk en hemelsch aanzien. Als weezen trokken we terug; bij tusschenpoozen den blik richtend naar dat heiligdom, terwijl we bergaf gingen. De diligence stond reeds gereed en weldra klonk het sein tot vertrek. Nog eens, nog voor het laatst den blik omhoog, op dien berg â voor ons een Thabor â wel konden we niet meer aanschouwen, wat we zoo vurig wenschten; maar was deze wensch niet heerlijk vervuld? Ja, verblijd was ons hart, âisetatus sum in hisquot;. Wij waren in het huis, het heiligdom des Heeren bij uitstek, geweest. Langs denzelfden weg werd de terugreis aan-
87
vaard en voleind in beslen welstand ; maar gedurende dezen tocht was het bij eiken wielslag, die ons verder voerde van die Moeder, dat onderlinge vreugde en blijdschap, dat warme en Innige dankbaarheid ons meer en meer bezielden! dat we in heilige geestdrift ons verbonden aan Haren dienst en ook nn nog, ons vermeiend in de zoete herinnering van 't geen ons daar te beurt viel, smeekend tot haar bidden:
âZie Moeder, zie, dit slechts is ons verlangen.
Dat wij aan U, voor 't leven lang gewijd.
Van U den Raad, den goeden raad ontvangen.
Waarvan toch Gij zoo schoon de Moeder zijt.quot;
2.
Het Ex-Votovaandel,
Een welgeordend leger, dat op de roepstem van zijn vorst de wapenen aangordt, verzamelt zich, naarmate de nood hooger klimt en de vijand geweldiger optreedt, in het hitte van den strijd om zijn vaandel.
Hoe ook dood en bedreiging, verwonding of sterven schrikwekkend mogen rondwaren te midden hunner gesloten gelederen, als een muur, â vast en ondoordringbaar â scharen zij zich om hun vaandel, dat in golvende plooien boven hen wapperende, liun, in zijn kleur en letteren, de verdediging der heiligste goederen zonder ophouden aan hun blik vertoont en op het harte drukt. Vandaar in feilen strijd, die moed, die alverwinnende kloeke moed en heldhaftige doodsverachting om dat vaandel te behouden, dat nu van strijd, â straks van zegepraal zal verhalen, allerwege waar het zich bevinden moge.
Zulk een symbool van éénheid en trouw aan de Moeder van Goeden Raad bezitten ook de leden der Godvruchtige Vereeni-ging te Amsterdam.
88
Nauwelijks had de Stedehouder van Christus, onze roemvolle Paus Leo XIII, ook zijn roepstemme doen weerklinken, toen Hij onder de Beeltenis dier goede Moeder eigenhandig schreef: âKinderen, berust in Hare Raadgevingenquot;, of ook hier verzamelde zich een legerschaar om twijfelzucht en ongeloof te bestrijden en allerwege de gezegende Moeder des Heeren als onze Raadgeefster te eeren.
Maar ook deze legerschaar â de ^Godvruchtige Vereeniging ter eere van O. L. Vrouw van Goeden Raadquot; bezit haar vaandel.
Haar vaandel prijkt in gouden glansen bij elk feestgetij in de St. Augustinuskeik te Amsterdam; een ander hopen we daar of elders, waar de godsvrucht de leden dier âGodvruchtige Vereenigingquot; te zamen doet komen, te plaatsen, om ingelijks ook builen deze kerk het symbool voor oogen te hebben, dat hen vereenigt op het woord van Leo aan de voeten van de Moeder van Goeden Raad.
Nog rest een derde vaandel.
Verre over de grenzen van stad en vaderland is ook een vaandel, als zege-trophee geplaatst bij de wonderbare beeltenis van de Moeder van Goeden Raad te Genazzano.
Daar ginds dus, waar de wonderbaar glansende oogen der miraculeuze beeltenis lieflijk en moederlijk groeten een ieder, die daar nederknielt, rusten dag en nacht diezelfde moederlijke oogen vol genegenheid op dat vaandel, hetwelk het roemrijk wapen der stad Amsterdam dragende, ook aan de pelgrims der gansche wereld van onze trouw konde doet; dit vaandel noemen wij ons âex-votovaandelquot; en de beteekenis hiervan laten wij volgen in den vorm van een door ons ingezonden stukje, hetwelk in het nummer van 20 Juli 1896 een plaatsje mocht erlangen in het dagblad âde Tijdquot;, naar aanleiding eener correspondentie in het âNieuws van den Dag van 2 Juli van datzelfde jaar.
89
EEN AMSTERDAMSGH VAANDEL TE GENAZZANO, IN ITALIÃ.
Onder bovenstaand opschrift werd in het nummer van De Tijd van 3 Juli 1.1. melding gemaakt van een particuliere correspondentie, voorkomende in Het Nieuws van den Dag.
De aandachtige lezer zal zich nog herinneren, hoe bedoelde correspondent aangenaam werd verrast, toen hij in het nederige Genazzano, een klein plaatsje tusschen Rome en Napels, een kerk binnentrad en daar een vaandel zag, uit Amsterdam derwaarts gebracht, met het Nederlandsch opschrift: âSt. Augus-tinuskerk Amsterdam. Godvruchtige Vereeniging ter eere van O. L. Vrouw van Goeden Raad.quot;
Even aangenaam was het aan het slot van deze mededeeling te lezen: âWie kan zeggen hoe die banier daar gekomen is?quot;
Een vergelijking met de eigene correspondentie in het Nieuws van den Dag van 2 Juli 1.1. leidde lot de ervaring, dat deze vraag door de geachte redactie van De Tijd zelve was gesteld.
Een bescheiden plaatsje in de gastvrije kolommen van dit geëerd blad werd aldus in het vooruitzicht gesteld; het voegt derhalve bij voorbaat, warmen dank te zeggen voor een zoo hoffelijke uitnoodiging, en beleefdelijk verzoek ik der geachte redactie, mij een klein plaatsje ter nadere toelichting wel te willen inruimen.
Het mag bekend heeten, dat den 2en Februari lb93 in de St.-Augustinuskerk te Amsterdam, onder de hooge goedkeuring van Z. D. H. Mgr. Gaspar Rottemanne, bisschop van Haarlem, door de goede zorgen van den hoogeerw. pater J. v. Eert, pastoor dier parochie, een godvruchtige Vereeniging ter eere van O. L. Vrouw van Goeden Raad is lot stand gekomen.
De bekende godsvrucht van het katholieke Amsterdam verloochende zich niet; het getal der vereerders van de Moeder van Goeden Raad klom niet alleen van dag lot dag, maar ook
90
de oeleningen, welke geregeld eiken Maandag-avond te 7 uren in genoemde kerk geschieden, worden niet innige devotie bijgewoond.
Is het te verwonderen, dat, waar zóóveel liefde was tot en zóóveel gunsten gewerden van de Moeder van Goeden Raad, een plan rijpte, waardoor genegenheid en dank blijvend zouden worden vertolkt.
Een zeldzame gelegenheid werd daartoe aangeboden, toen in September des vorigen jaars (1895) de hoogeerw. pater J. v. Eert, als hoofd der Hollandsche Augustijnen, tot het algemeen kapittel te Rome werd opgeroepen.
Een weldadige hand schonk toen een ex-voto-vaandel, dat door den hoogeerw. pater J. v. Eert, pastoor van St. Augus-tinus, te Genazzano, zou worden geplaatst als blijvende uiting der godsvrucht tot de Moeder van Goeden Raad hier ter stede.
De banier heeft een lengte van twee meter en draagt op blauwfluweelen achtergrond het wapen van Amsterdam, met het opschrift hierboven vermeld, en het jaartal 1895.
Nauwelijks was deze banier bij de wonderbare beeltenis geplaatst, of de inwoners van Genazzano kwamen in grooten getale en algemeene opgetogenheid dit monument van Amster-damsche godsvrucht bezichtigen; dan â de blijdschap daar was slechts een kleine weerspiegeling van de kinderlijke en tegelijk geestdriftvolle vreugde, met welke de banier werd begroet, toen zij den 16en September van het jaar 1895, in de St. Augustinuskerk, plechtig werd ingewijd.
Allen, toen tegenwoordig, begrepen dat deze banier meer was dan een lap fluweel.
Een onweerstaanbare kracht ging daarvan uit en bracht heilige verrukking in aller hart.
Een geheimnisvolle taal sprak uit deze banier, toen zij te midden van groen en bloemen ons laatst vaarwel ontving; een geheimnisvolle taal spreekt nog uit haar, â niet meer tol ons,
91
maar tot de beste aller moeders, in de scliaduwe van haar wondervolle beeltenis in het verre Genazzano. Wie den avond der inwijding deze banier aanschouwde, hem werd verhaald welk éénstemmige 'liefde en genegenheid hier heerscht jegens de Moeder, onder wier heilige raadgeving het Goddelijk Kind is opgegroeid in welbehagen bij God en bij de menschen. In de geschiedrollen van Genazzano staan duizenden wonderen opgeteekend, maar deze banier sprak ook tot ons van veel wondervolle gunsten en genaden van die Moeder ontvangen! Het Meum est consilium â Bij Mij is raad â klonk klankvoller dan ooit, en het âKind, berust in hare raadgevingen'', wat de onsterfelijke Paus Leo XIII, wijzende op haar beeltenis, sprak, werd dieper nog in aller hart gegrift.
Met innige blijdschap werd hier toen die banier beschouwd. Geen wonder! Zij ging vertolken daarginds wat wij gevoelen in liefde en dank jegens de Moeder van Goeden Raad. En nu zij een plaats heeft mogen erlangen onder de wonderbaar glanzende oogen der miraculeuze beeltenis, nu blijft dat blauwe vaan â blauw is de kleur der trouw â gelooid met het zegevierend wapen van Neerlands hoofdstad, getuigenis afleggen van onze trouw en dank.
Nog meer! Het blauw van deze banier voert onzen geest boven het blauw des hemels en stemt ons te vragen, dat wij, die dit als heilig onderpand onzer blijvende genegenheid offeren aan de Moeder van Goeden Raad, onder Haar raadgeving in deze eeuw van twijfel en ongeloof, in het licht van dien âopkomenden Dageraadquot; veilig onzen plicht vervullen.
92
3.
Het Scapulier,
Bij zóóveel genegenheid voor de Moeder van Goeden Raad kwam in de harten van Haar kinderen, naar liet voorbeeld der H. Monica, de heilige begeerte op het kleed dier hemelsche Raadgeefster te dragen.
Gelijk een hoveling het zich tot eere rekent te gaan in de livrei van zijnen koning, evenzoo wenschten ook de talrijke dienaren en vereerders der Moeder van Goeden Raad de glorie van de kleedij te dragen hunner Koninginne, zich te dtkken met Haar schild; in één woord, een scapulier van de Moeder van Goeden Raad was hun aller vroom en vurig verlangen.
In leven en dood Haar beeltenis met zich te dragen en ter Verrijzenis ten jongsten dage, getooid met de livrei van de Moeder van Goeden Raad, door Haar erkend en beschermd te worden in het schrikwekkend oordeel, â welke redenen al niet voor zulk een scapulier!
Deze vurig verlangde gunst werd dan ook door onzen H. Vader Leo Xlll, bij Pauselijk decreet van 21 December 1894, toegestaan.
Tot stichting der lezers laten we hier den vertaalden tekst van dit stuk in zijn geheel volgen.
DECREET,
WAARBIJ DE VOLMACHT TOT HET OPLEGGEN EN WIJDEN VAN EEN SCAPULIER TER EERE VAN O. L. VROUW VAN GOEDEN RAAD AAN DE ORDE DER EERW. PATERS EREMIETEN VAN DEN H. AUGUSTINÃS WORDT GESCHONKEN.
Van de gelukzalige Maagd en Moeder Gods Maria, die dooide heilige vaders als het werk van den Eeuwigen Raad en als
93
algemeene Raadgeefster wordt begroet, is door de Kerk datgene gezegd, wat in de H. Schrift over de Goddelijke Wijsheid wordt gelezen : Mij is de Raad; Ik woon in den Raad en ben tegenwoordig bij de vernuftige overleggingen. ') Daaruit heeft zijn oorsprong de titel, welke door de Christelijke geloovigen reeds van oude tijden aan de Koningin des hemels is geschonken ; Moeder van goeden Raad. De gewoonte om de gelukzalige Moeder Gods aldus te noemen en te vereeren begon vooral te Gennazano te heerschen ten tijde, toen voor vier eeuwen onder de regeering van den Opperpriester Paulus II een schoon beeld der gelukzaligste Moeder daar op wonderbare wijze verscheen. Ja ook werd onder dien titel door de bestuurders van de Kerk der orde van de Eremieten van S. Augustinus, die daar bestond, met toestemming van den Prior generaal der orde eene godvruchtige vereeniging gesticht, die door Benedictus XIV werd goedgekeurd en bevestigd, en door de onschendbare hoede der apostolische vastheid bekrachtigd, en door hem en andere pausen met aflaten verrijkt. Doch in deze onze tijden is deze eeredienst door den drang der behoeften van de Christen-volkeren op eene hoogst wonderbare wijze toegenomen. Dientengevolge hebben de Christen-geloovigen het verlangen geopenbaard een zeker teeken of scapulier te dragen naar de gelukzalige Maagd van goeden Raad genoemd, om des te overvloediger de gunst van de Moeder der goede raadgevingen te verwerven. Om die redenen heeft de Eerwaarde Pater, Frater Aurelius Martinelli, algemeene directeur der genoemde godvruchtige Vereeniging, den apostolischen Stoel door allernederigste beden verzocht, dat aan al de tijdelijke direkteurs van elke plaats de volmacht zou worden verstrekt, om het scapulier tot eer der hoogverhevene Moeder Gods onder den genoemden titel van goeden Raad te zegenen en aan de
') Prov. VIII: 12.
94
geloovigen van beiderlei kunne op te leggen. Deze beden werden door den hoogst Doorluchtigen en Eerwaardigen Heer Vincentius Vanutelli als bevorderaar der zaak voorgedragen in de gewone vergadering van de Congregatie der H. Riten, die op den ondergeteekenden dag aan het Vatikaan gehouden werd. De hoogst doorluchtige en Eerwaardige Vaders, die gesteld zijn om zorg te dragen voor de heilige riten, hebben na rijpe overweging en gehoord den Eerw. Pater D. Augustinus Gaprara, promotor van het heilig geloof, gemeend te moeten antwoorden : dat men zijne Heiligheid moest smeeken om het scapulier toe te staan volgens het schema, door de H. Congregatie goed te keuren en door haar te bewaren, ten gunste der Orde van de Eremieten van den H. Augustinus, met de volmacht om te subdelegcren en met de aflaten die van denzelfden onzen allerheiligsten lieer verworven zullen worden. Wat het formulier der inzegening en oplegging van dit scapulier betreft, moest men zich richten tot den Voorstander der zaak en den promotor van het geloof Den 19den dag van December van 't jaar 1893.
Toen daarna door mij ondergeteekenden Kardinaal prefect van dezelfde heilige congregatie kennisgeving was gedaan aan onzen allerheiligsten Heer, Paus Leo XIII, heeft zijne Heiligheid, terwijl hij bij zoovele en zoo groote verwarringen der zaken en tijden de hulp der allerheiligste Moeder Gods afsmeekte, het voorgelegde scapulier en zijn formulier, dat door denzelfden voorstander der zaak en den Promotor van het geloof herzien en verbeterd was, goedgekeurd volgens den geest van dezelfde H. Congregatie, en heeft tegelijkertijd de volmacht om het te wijden en op te leggen aan de Paters der orde van de Eremieten van den H. Augustinus met de gevraagde aflaten en met de volmacht om te subdelegeren welwillend toegestaan. Den 21sten dag van dezelfde maand en jaar.
G. Gard. Aloisi-Masalla, S. R. G. prafectus.
Vincentius Nussi, S. R. G. Secretarius,
95
De December-aflevering van het Maandschrift ter eere van O. L. Vrouw van Goeden Raad van het jaar 1897 verhaalt de volgende treffende gebeurtenis uit den laatsten oorlog in Abysinië.
Een Itatiaansch officier was krijgsgevangen gemaakt door een der hoofden van Meneliks leger. De overwinnaar vorderde van hem eenigen arbeid op Zondag. De gevangene weigerde en werd nu voor den negus govoerd.
â Zoo, gij wilt u dus niet voegen ? â sprak de vorst â wat mag daarvan de reden zijn ?
â Men gebiedt mij iets, wat met Gods H. Wet in strijd is.
â Hoe dat?
â Door mij te laten werken op Zondag, den dag des Heeren, waarop de arbeid ongeoorloofd is.
â Zeer juist; ik erken het. Maar toch gij komt mij wel wat verdacht voor. Wij zullen zien ! Van het hoofd tot de voeten wil ik u laten onderzoeken.
Het onderzoek nam een aanvang. Alle zakken van den officier werden niet ijver doorzocht. Alles ging men na en niets werd vergeten. Eindelijk vond men op diens borst een kleine beeltenis op witte wol, door een lint om den hals bevestigd. Deze beeltenis trok Meneliks opmerkzaamheid. Hij nam haar in de hand, wendde en keerde haar naar alle kanten en begeerig liet hij er den blik op rusten.
Nu nam de officier het woord en sprak:
â Ik bid u, vorst, geef mij deze gedachtenis weer.
â Wie heeft u die gegeven?
â Mijn broeder, een priester des Heeren.
â En wat is het dan ?
â Een stukje wol, voor u zonder nut, maar dat voor mij groote waarde heeft. Het is eene heilige beeltenis.
â En wat stelt zij voor?
â De H. Maagd met het Kindje Jezus, 't Is het scapulier van 0. L. V. van Goeden Raad, Ook de Paus draagt het, evenals ik.
96
â Uwe oprechtheid en godsvrucht bevallen mij. Ziedaar uw scapulier.
Eerst kuste Menelik met eerbied de beeltenis der H. Maagd en reikte haar vervolgens weer aan den officier over. Groot was de blijdschap van den trouwen vereerder van O. L. V. /an Goeden Raad. Eenige dagen na dit voorval werd hij in vrijheid gesteld en verhaalde later zelf al deze bijzonderheden.
4.
De Médaille.
Een rechtgeaard kind kan moeilijk gescheiden worden van zijne moeder.
Maar wat, als soms die moeder toch verre verwijderd is?....
O, dan weet dat kind de dierbare herinnering aan die moeder niet alleen onuitwischbaar in het hart te griften, maar dezelve altijd nog meer te verlevendigen door de aanschouwing van een welgelijkend afbeeldsel.
Ook op dit punt mogen zich de kinderen van de Moeder van Goeden Raad hier te lande zich gelukkig achten.
Door een onwaardeerbaar voorrecht zijn de Paters Augustijnen van Nederland in het bezit gekomen van een médaille, welke in schoonheid van uitvoering de goedkeuring inoogstte der beste kunstkenners.
Dit kan dan ook geen bevreemding wekken als men weet, dat niemand minder dan de WelEd. Heer Johan Philip Menger, een der beste stempelsnijders aan 's Rijks Munt te Utrecht, dezelve heeft vervaardigd.
Welk een kunsttalent in dezen eenvoudiger! man verborgen was, blijkt wel hieruit, dat hij nog als jongeling door Zijne
97
Majesteit Koning Willem II werd vrijgesteld van militairen dienst, om ongestoord zijn veelbelovende studiën te kunnen voortzetten.
Dan, moge zijn kunst op voortreffelijke wijze spreken uit deze médaille, nog meer de diepe godsvrucht, waarmede dezelve werd vervaardigd.
Protestant van geboorte en opvoeding, kwam hij op rijperen leeftijd tot ernstig nadenken en mocht onder Gods genade een ware zoon worden der ware Moederkerk.
Zijn diepe godsvrucht stichtte sedert allen, die hem mochten leeren kennen en toen hij in grijzen ouderdom zich de krachten langzaam voelde begeven, besloot hij zijn talentvollen werkkring af te breken, maar het laatste stuk van kunst, wat zijn vaardige en aan God verknochte hand zou daarstellen, was de médaille van de Moeder van Goeden Raad, welke den Paters Augustijnen werd geschonken.
Zijn ziel is reeds enkele jaren tot God opgegaan ; maar, bij de gedachte aan hel heerlijk middel van godsvrucht der médaille, leggen we gaarne deze regelen als een eerepalm op zijn graf en bevelen we dezen braven kunstvollen en ongekunstelden man in aller godvruchtige herinnering aan.
5.
Het Maandschrift.
Onze groote Paus Leo XIII kent in deze moeielijke tijden weinige wapenen van zóó groote en alverwinnende kracht als het wapen der Pers.
Niets bovendien is beter bestemd om â gelijk dit lezende geschiedt â druppelsgewijze als het ware, het Goede te genieten.
7
98
Vandaar, dat met den bloei der Godvr. Vereeniging ter eere van O. L. Vrouw van Goeden Raad, zich al meer en meer de behoefte deed gevoelen aan eene lectuur, welke voor de kinderen dier Hemelsche Raadgeefster, â als waren het brieven van Haar uit den hemel, â de heilrijkste lessen zoude bevatten, gepaard aan stichtende verhalen in proza en versmaat.
Den Zeereerw. Pater Dr. F. v. Etten, Prior van het Sint-Monicaklooster te Utrecht, komt de eer toe aan dit omvangrijk werk het eerst de hand te hebben geslagen en tot stand gebracht te hebben een maandschrift ter eere van O. L. Vrouw van Goeden Raad of zooals de titel luidt: âMaanschrift voor Christelijke Gezinnen, door eenige eerw. Paters Augustijnen.quot;
De uitgave van dit maandschrift geschiedt thans in het Augustijnen-klooster âMarienhagequot; te Eindhoven, onder redactie van den Zeereerw. Pater Alph. Glaesen.
Wij meenen, om den lezer dezer regelen op te wekken zich dit maandschrift aan te schaffen, aan de bescheidenheid van den Zeereerw, Pater Dr. v. Etten. niet te kort te doen, wanneer we hier een uittreksel bieden van de voorrede, waarmede deze alom geachte Schrijver dit âMaandschriftquot; bij het Publiek inleidde.
âHet is een onloochenbaar feit, dat de pers een machtig wapen is zoowel ten goede als ten kwade. Het geschrevene woord heeft dit voor op het gesprokene, dat het blijft, terwijl het tweede voorbijgaat; dat het eerste een ieder kan bereiken, terwijl het tweede aan een bepaalden tijd, aan een bepaalde plaats, aan een bepaald getal hoorders gebonden is. Zijne Heiligheid Leo XIII noodigde daarom meer dan eens allen die het vermochten dringend uit, dit machtige wapen ter hand te nemen en de slechte pers door de goede te bestrijden.quot;
âAllerlei drukwerken overstroomen de wereld. Dagbladen, weekbladen, maandschriften, almanakken, novellen, vlugschriften, romantische verhalen, spot- en hekelschriften, illuslraties en
09
zoo meer worden bij duizendtallen verspreid. Het is eene lek-tuur, die heilzaam moest zijn, doch helaas voor het grootste gedeelte hoogst verderfelijk en gevaarlijk is. Het is eene lek-tuur die meestal er op berekend is om de hartstochten te streelen, de nieuwsgierigheid te prikkelen, de verbeelding te boeien, de denkbeelden te verwarren, het geloof te ondermijnen en alle achting voor godsdienst en deugd langzamerhand en ongemerkt te vernietigen. Waarom zouden wij dien ver-derfelijken invloed niet zoeken te verdringen, en door heilzame lektuur de lektuur niet bestrijden, die al wat ons dierbaar is, aanrandt en bedreigt ? Zullen de kinderen der duisternis en des ongeloofs opkomen in grooten getale, en zullen de kinderen des lichts er niet op uit zijn om hun gelederen te versterken ? Bij het vele daarom, dat reeds in ons vaderland bestaat en krachtig ten goede werkt, ondernemen wij dit maandschrift. Moedig, ijverig, krachtig en broederlijk willen wij ons voegen bij hen die reeds geschaard staan rondom de banier van Christus en zijne Kerk.quot;
âDit maandschrift is bestemd, gelijk onze titel zegt, voor het Christelijk gezin. Het zal daarom al datgene behandelen wat het ware geluk kan bevorderen van het Christelijk gezin en zijne leden. Niets van hetgeen dienstbaar kan zijn aan de godsdienst, aan de Christelijke beschaving, aan de maatschappelijke orde, aan de goede zeden sluiten wij uit. Wij willen voedsel zoeken te verschaffen aan geest en hart, en, terwijl wij degelijkheid en nut op den voorgrond plaatsen, het schoone, het afwisselende, liet aangename niet voorbij zien.quot;
âWij stellen dit geschrift onder de bescherming van O. L. Vrouw van Goeden Raad. Willen wij slagen in eene onderneming als deze dan hebben wij behoefte aan Gods machtige hulp, en wie zal ons deze beter en overvloediger verwerven, dan de veelvermogende Moeder des Lichts. Moge zij door de verlichting en genade, welke zij ons verwerft, onze raadgeef-
100
ster en gids steeds zijn bij hetgeen wij schrijven; moge zij bij talrijke lezers liet geschrevene overvloedige vruchten doen dragen.quot;
âBehalve het algemeene doel hierboven omschreven beoogt dit maandschrift dan ook de godsvrucht tot de beminnelijke Moeder des Heeren onder den schoonen titel van O. L. Vrouw van Goeden Raad steeds meer en meer te verspreiden. Het zal dienstbaar zijn om den bloei van twee vereenigingen, die haar onder dien lilel vereeren, in ons vaderland zooveel mogelijk te bevorderen, namelijk de godvruchtige vereeniging tot vereering van Onze Lieve Vrouw van Goeden Raad, waarvan de hoofdzetel gevestigd is te Genazzano in Italië.quot; enz.
Moge dan dit maandschrift, dat voor den geringen prijs van slecht één gulden, franco per post f 1.25 per jaar, wordt aangeboden, in elk huisgezin, waar de Moeder van Goeden Raad wordt vereerd, een gunstig onthaal vinden !
Voor belanghebbenden is het adres: Redactie van het Maandschrift ter eere van O. L. Vrouw van Goeden Raad, Augus-lijnenklooster. Eindhoven.
Bovendien, behalve dat iedere Zélatrice gaarne abonnementen aanneemt, heeft zich een aantal Jongeheeren gevormd tot een propaganda-club om dit maandschrift meer en meer te verspreiden.
6.
Gebeden en Aflaten.
De H. Chrijsostomus leert, dat gelijk een lichaam dood is, wanneer het gescheiden is van de ziel, zoo ook de ziel als dood kan beschouwd worden en als beroofd van leven, wanneer zij het gebed verlaat. âWaakt en hidtquot;1 was de laatste vermaning
101
des Heeren; en niet ééns maar ontelbare malen zoo in het Oud als Nieuw Testament spoort de Heer ons aan tot bidden.
Daarom verbinden zich de Leden der Godvr. Vereeniging ter eere van O. L. Vrouw eiken dag tot drie Wees Gegroetjes en vele vereerders verzuchten dikwijls in den loop van den dag: âo Maria, Moeder van Goeden Raad, wij nemen onze toevlucht tot U!quot; Alles zullen we verkrijgen, wat ons ter zaligheid voordeelig is, wanneer we bidden met ootmoed, â want âGod wederstaat den hoovaardigenquot; â met aandacht. âIndien wij goed willen bidden, moeten wij met het hart biddenquot; zegt de H. Augustinus, â met volharding. âVraagt, zegt Jezus, zoekt, klopt aan!quot;
De H. Kerk heeft dan ook aan de Leden onzer Godvr. Vereeniging vele aflaten vergund om hen aan te sporen veel te bidden tot de Moeder van Goeden Raad.
VERLEENDE AFLATEN.
Volle.
De Christen-geloovigen van beiderlei geslacht kunnen een vollen aflaat gewinnen, die ook toegevoegd kan worden aan de zielen in het Vagevuur, op de volgende dagen, mits zij behoorlijk biechten en de H. Communie ontvangen.
1. Op den dag, dat zij het Scapulier van de gelukzalige Maagd Maria, Moeder van Goeden Raad, ontvangen of op den Zondag of den feestdag, die er onmiddelijk op volgt.
2. Op den 26sten April of een dag onder het octaaf van het feest der gelukzalige Maagd Moeder van Goeden Raad.
3. In het sterfuur, mits men behoorlijk gebiecht en het allerheiligste Sakrament des Altaars ontvangen hebbe, en ten minste met het hart, bijaldien het niet mogelijk is met den mond, den allerheiligsten naam Jezus aanroepe.
4. Op de feestdagen der Onbevlekte Ontvangenis, der Ge-
102
bporte, der Boodschap, der Zuivering, der Hemelopneming der gelukzalige Maagd Maria; alsmede op het feest van den H. Augustinus, bisschop, belijder en leeraar der Kerk.
Gedeeltelijke.
1. Een aflaat van zeven jaren en zeven quadragenen, eveneens toevoegelijk aan de zielen lijdende in het Vagevuur, kan door de geloovigen van beiderlei kunne verkregen worden op de feesten der Opdracht en van het Bezoek der gelukzalige Maagd Maria, mits zij met een rouwmoedig hart eene kerk of openbare kapel bezoeken en daar eenigen lijd tot God godvruchtig bidden volgens meening van den Opperpriester.
2. 100 dagen aflaat, zoo dikwerf zij met hart of mond den Raad van de Maagd en Moeder Gods afsmeeken.
3. Eveneens 100 dagen aflaat zoo dikwerf zij met rouwmoedig hart en tot bekeering der zondaren eenig goed werk verrichten.
Noodzakelijke voorwaarden om ingeschreven te worden in de Godvruchtige Vereeniging en om deel te hebben aan de aflaten en aan de geestelijke gunsten:
1°. Men late zich inschrijven in de Broederschap bij de Paters Augustijnen.
2quot;. Men bidde dagelijks het Wees Gegroet.
3°. Men drage bij zich of hebbe in zijn huis een afbeeldsel der heilige beeltenis van Onze Lieve Vrouw van Goeden raad en stelle alle pogingen in het werk om deze vereering altijd meer en meer uit te breiden.
4°. Jaarlijks drage men eene Mis op of late die opdragen in eene kerk of aan een allaar naar verkiezing, of, zoo men dit niet kan, stelle men daarvoor eene H. Communie in de plaats. Met verlof van Benedictus XIV is het altaar geprivilegieerd voor deze Mis.
103
5°. Men passe de bovengenoemde werken op alle leden der Broederschap toe.
Aflaten en geestelijke gunsten aan de leden verleend:
lü. Volle aflaat op den dag zeiven der inschrijving of op den volgenden Zon- of Feestdag, wanneer men biecht en de H. Communie ontvangt.
2°. Volle aflaat toepasselijk op de zielen in het vagevuur op de vijf feesten der onbevlekte Ontvangenis, der Geboorte, der Boodschap, der Zuivering en der ten Hemelopneming der Allerheiligste Maagd Maria en op vier Zaterdagen van het jaar voor elk lid naar verkiezing.
3°. Volle aflaat in het uur des doods.
4°. Aflaat van zeven jaar en zeven quadragenen toepasselijk op de zielen in het vagevuur op de feesten der Visitatie, en der Presentatie der Allerheiligsle Maagd Maria.
5n. Volle aflaat toepasselijk op de overledene leden den dag waarop men de voorgeschreven Mis zal opgedragen of er eene H. Communie voor in de plaats zal stellen.
6quot;. Volle aflaat toepasselijk op de zielen in het vagevuur voor alle leden, waar zij zich ook bev;nden, op den 26 April of op een anderen dag waarop men met verlof der wettige overheid, een feest zal vieren van Onze Lieve Vrouw van Goeden Raad, mits men tenminste vijf maal bij de openbare noveen is tegenwoordig geweest of bij de drie dagen van het triduum.
7quot;. Volle aflaat (toepasselijk zooals boven) voor alle leden, die verblijven in plaatsen, waar men de openbare noveen ol het triduum niet houdt, zoo zij een van beiden voor zich zeiven houden, en zoo zij den 26 April, na met waar berouw gebiecht te hebben en na de H. Communie godvruchtig te hebben ontvangen, de parochiekerk bezoeken of eene kerk bijzonder aan de H. Maagd toegewijd.
104
8quot;. Aflaat van zeven jaar en zeven cinadragenen (toepasselijk zooals boven) eiken dag, waarop de leden, ten minste met een rouwmoedig hart, de noveen of het triduum zullen bijwonen, of een van beiden voor zich zeiven zullen houden.
9°. Volle aflaat toepasselijk zooals in § 5, als men, na gebiecht en gecommuniceerd te hebben, de plechtige H. Mis bijwoont, die elk jaar aan het altaar van het heiligdom voor alle leden wordt opgedragen, op een der dagen van het octaaf der Verschijning, welke gevierd wordt 2G April.
lOquot;. Aflaat van CO dagen zoo dikwijls men eene processie of het H. Sacrement naar de zieken vergezelt of de dooden naar hun graf, of zoo men vijfmaal het Onze Vader en Wees Gegroet bidt voor de zielen in het vagevuur; zoo men eenig werk verricht van godsvrucht, van barmhartigheid of van liefdadigheid, zooals vijanden verzoenen, berispen en onderwijzen, een aalmoes geven aan zijn naaste en andere dergelijke werken.
11quot;. Elk lid heeft deel aan de zoo talrijke liefdevverken, die gedurende het jaar in het bovengenoemde heiligdom beoefend worden.
Al deze aflaten zijn genomen uit de brieven der oprichting uit Apostolische brieven en uit een dekreet der H. Congregatie.
In alle Augustijnen-kerken kan men zich als lid aanmelden.
In de St. Augustinuskerk te Amsterdam wordt men contri-bueerend lid door jaarlijks het geringe offer te storten van 50 ets. Men verkrijgt hierdoor het recht op drie H. H. Missen, welke na overlijden zullen gelezen worden.
De overblijvende offers zullen worden aangewend voor den bloei dezer godvruchtige Vereeniging alsmede voor de volgende H. H. Missen, welke voor alle leden zullen worden opgedragen.
Ie 2(3 April Feestdag van 0. L. Vrouw van Goeden Raad.
105
2e 8 December Feestdag van Maria Onbevlekt Ontvangen. 3e In de maand November een gezongen jaargetij voor hen, die gedurende de laatste vijf jaren zijn overleden.
4e Elke maand twee 11. H. Missen voor de levende leden. De Zélatrices dragen zorg voor het innen dezer offers.
7.
Het Bijwonen der Oefeningen.
Ongeloofelijk is het voordeel, dat voortvloeit uit een getrouw bijwonen der Godvruchtige Oefeningen. Deze geschieden te Amsterdam in de Sint-Augustinuskerk, eiken Maandagavond ten 7 uur.
Hoevelen hebben daar niet door onderlinge stichting, door gebeden en predikatiën aangespoord, zich gesteld onder de wijze leiding en raadgeving van de H. Maria! Hoevelen hebben aldus hun ziel niet bewaard!
Hoevelen zijn niet, daardoor bewogen, opgestaan uit het graf der zonde !
Hoevelen zijn niet meer en meer daar ontvlamd in liefde voor de Beste aller moeders en mogen veilig rekenen honderdvoudig van Haar wederliefde Ie ontvangen in zegeningen voor hen en voor wie daar gebeden werd!
8.
De H. Communie en H. Mis.
De Leden der Godvruchtige Vereeniging verbinden zich jaarlijks céne H. Communie te doen ter eere van O. L. van Goeden
IOC
Raad. Hoe kan 'l ook anders ; wij verbinden ons als Leden op meer dan gewone wijze met de Moeder des Heeren, derhalve voegt het, dat ook wij innig vereenigd willen zijn met Haar goddelijk kind. In waarheid worden wij met Jezus op de innigste wijze vereenigd door de H. Communie. âGij wildet, o God van liefde, roept de H. Laurentius Justianus uit, dat ons hart en Uiv Hart, maar één hart zoude uitmaken!quot; Hoe zal Maria ons niet beminnen als Haar kinderen, wanneer we aldus met Haar Jezus vereenigd zijn !
Om aan het lidmaatschap te voldoen kan men in plaats van te communieceeren ook een H. Mis doen opdragen.
Hoe zal de Moeder van Goeden Raad ons ook dan niet zegenen, wanneer door ons toedoen ter Harer eer Haar dierbaar Kind opnieuw op deze aarde nederdaalt in de H. Mis.
De H. Mis! Wat is de H. Mis? Een God zelf, die daar voor ons bidt, een God, die verzoent, een God, die smeekt!
De H. Mis is het toppunt der volmaaktheid van onzen H. Godsdienst.
Verzamelt de verdiensten der onvergelijkelijke Maagd Maria, de aanbidding der Engelen, de werken der Apostelen, de tormenten der Martelaren, de boel plegingen der Belijders, in één woord alle verdiensten der Heiligen, die ooit leefden of zullen leven; voeg er in den geest nog de verdiensten bij van een duizend werelden, volmaakter dan de onze, dan nog heeft ééne, ééne H. Mis oneindig meer verdiensten. Want alle verdiensten hierboven genoemd zijn van schepselen maar in de H. Mis is het de Schepper Jezus onze God, die voor ons bidt.
Welk een treffende oefening van godsvrucht is dan niet alleen het doen opdragen maar ook het biju-onen der H. Mis ! Met de Moeder van Goeden Raad neer te knielen voor Haar Kind daar neergedaald op het altaar, gelijk Hij eens nederkwam in eene krib te Bethlehem!
107
9.
Offergaven en Bezoek aan het Altaar van 0. L. Vrouw van Goeden Raad.
Wat tot hiertoe als middel van vereering der goede Moeder van Goeden Raad werd voorgesteld, dient gevolgd te worden door een ander middel, waardoor wij niet alleen die verhevene Raadgeefster om uitkomst vragen en licht, maar ook Haar bedanken voor verkregene gunsten.
Hebben wij iets mogen verkrijgen, dan vordert plicht en eer dat wij dankbaar zijn. Wie dan ook de Moeder van Goeden Raad niet tevergeefs gebeden heeft en met David zegt: âWat zal ik vergelden voor al hetgeen de Moeder van Goeden Raad mij bewezen heeft?quot; hij kan niet beter doen dan wederliefde te toonen, dan wederliefde in daden om te zetten van offers ter eere van de Moeder van Goeden Raad.
Toen de oude Tobias van zijn blindheid genezen was door den Engel, sprak deze tot hem: âLooft den God des hemels, want hij heeft U barmhartigheid bewezen .... aalmoezen geven is beter dan schatten van goud op te leggen. Want de aalmoes bevrijdt van den dood, reinigt van zonden en doet barmhartigheid en het eeuwig leven vinden!quot;
Wie zoude dan niet barmhartig willen zijn jegens de Moeder van Goeden Raad ? Wie zoude dan niet aalmoezen willen offeren voor meerderen luister in Haar eeredienst, of voor de lampjes of kaarsen brandende voor Haar beeld om door dat brandend licht Haar onze brandende liefde te toonen.
Nog rest een ander middel van godsvrucht: het bezoek aan het altaar der Moeder van Goeden Raad.
Wie veel van iemand mocht ontvangen, bezoekt dezen dikwijls om persoonlijk ook zich van dien plicht van dank te kwijten; zooook geldt hel hier ten opzichte van de nooit vol-
108
prezene Moeder. Zij verdient dat bezoek, want niemand is er, die niet door Haar geholpen is.
10.
Apostolaat.
âDie Mij zullen hebben doen kennen zullen het eeuwig leven bezittenquot; deze woorden der H. Schrift past de H. Kerk toe op de dienaren van Maria, die Haar overal meer en meer leeren beminnen, en leden aanwerven voor onze godvruchtige Ver-eeniging.
Welk een heerlijke aansporing voor zulk een belooning â het eeuwig leven â te mogen werken. Wanneer de aalmoes aan den minste der zijnen honderdvoud door God wordt beloond, hoe zullen we dan niet door God worden gezegend, wanneer we Zijn vlekkelooze Moeder door velen doen eeren. Hoe zullen wij niet in de plichten van onzen staat worden verlicht en geholpen als wij arbeiden om de Moeder van Goeden Raad overal te doen kennen en anderen op te wekken Haar alle goed te bewijzen !
Daarom werd hierboven het opschrift geplaatst:
APOSTOLAAT.
Toen de Heer Zijn Naam, in welke allen moesten gelooven ter zaligheid, wilde verbreiden tot aan de uiteinden der aarde, verkoos Hij Zich leerlingen, die ook Apostelen genoemd worden, weshalve degenen, die den naam zijner goede Moeder willen verspreiden, evenzeer zich tot een H. Apostolaat verbonden.
Ieder lid kan dit Apostolaat beoefenen en de Moeder van Goeden Raad meer en meer door anderen leeren kennen en
109
beminnen, doch bijzonder zijn daartoe geroepen, degenen, die als Zélatrice zich verbinden, leden voor de Godvruchtige Ver-eeniging aan te werven en de leden der Propaganda-club ter verspreiding van het Maandschrift.
De H. Profeet David zegt in een zijner psalmen : âZelus domus tuae comedit mequot; âde ijver voor Uw huis heeft mij verslonden.quot; Van dit woord, âzelusquot; ijver, wordt Zélatrice afgeleid, dat ijveraarster beteekent.
Mochten dan allen, bijzonder de Zélatrices en Propagandisten dezer schoone devotie, eens David nazeggen : ,0 Moeder van Goeden Raad, de ijver voor Uw eer heeft mij verslonden.quot;
Om Gods zegen te mogen genieten in dezen schoonen werkkring wordt jaarlijks, op den feestdag zeiven van O. L. Vrouw van Goeden Raad, een H. Mis opgedragen voor hel geestelijk en tijdelijk welzijn van Dames Zélatrices.
VI.
MARIA, MOEDER VAN GOEDEN RAAD, IN BETREKKING TOT DE STRIJDENDE, LIJDENDE EN ZEGEPRALENDE KERK.
1.
Maria, Moeder van Goeden Raad, in betrekking tot de Strijdende Kerk.
Op het oogenblik, dat deze regelen onder het bereik van den welwillenden lezer komen, is de gebeurtenis, welke in onvergetelijke blijdschap tot dit schrijven den stoot gaf, voltrokken. Gedenkwaardig toch blijft de oprichting van het rijk verguld koperen versiersel en de plechtige kroning van de beeltenis der Moeder van Goeden Raad in de Sint Augustinuskerk te Amsterdam. Het kunstminnend oog kan daar in echten zin genieten in de aanschouwing van een meesterstuk der edele drijfkunst, proeve bovendien van vaderlandsche nijverheid; 1) maar bovenal mag zich elk rechtgeaard kind van Maria verheugen bij de overweging, wat liefde en genegenheid hier heerscht jegens de Moeder van Goeden Raad. De sierlijke omlijsting aan weerszijden gedragen door een engel in zwevende houding, de heerlijke groep, de wonderbare overbrenging voorstellende, de afbeeldingen der Heiligen, van Paus Leo XIII enz., alles met de hand in koper gedreven en rijk verguld is in vollen zin een gedenkstuk, een monument van koper, nog meer â monumenten aere perennius, duurzamer nog dan
8
1
De vervaardiger is de WelEd. Heer H. v. Gardinge te Eindhoven, wien we gaarne hier onze hulde bieden.
114
Tcoper, omdat die genegenheid, welke zóóveel schoons ton offer brengt, eeuwig leven blijft; â omdat, met hel voortbestaan van dit monument, godsvrucht zal worden ontstoken in de harten van allen, die het aanschouwen; omdat ook door dit monument zal worden geprezen, wat hier een punt van bespreking vormt: het nul dezer devotie in onzen tijd.
De eeuw, welke wij doorloven, wordt genoemd, âde verlichte eeuw.quot; Draagt zij dien naam met eere? Onbetwist verdiende zij op stoffelijk gebied haar sporen, maar .... in het rijk der zeden ? De wetenschap steigerde op adelaarswiek, maar vergat zij niet zich zelve bij hel hooger klimmen ? Verloor zij zich niet buiten de atmospheer van levend en levenwekkend geloof ?
Wetenschap verbasterde in twijfelzucht, welke op hare beurt gevolgelijk ontaardde in volslagen ongeloof. Of is het niet de opgeblazene, de eigenzuchtige, de hoogmoedige wetenschap, welke â als Lucifer â Gode gelijk willende zijn, zich zelve gaat vergoden, als droeg ze heur licht uit haar zelve?
Wal deerniswaardige toestand werd aldus niet hervoor geroepen in het zieleleven der volkeren, voortwoekerend tol in de onderste lagen der maatschappij! Zoekend en wroetend in het slof werd de mensch zóó door hetzelve beneveld, verblind, dal God niet meer werd aanschouwd.
Bedriegen wij ons niet. Deze verkrachting is hel werk van denzelfde, die eenige eeuwen geleden het zaad van tweedracht strooide en vervolging in ketterij en revolutie; van denzelfde, die reeds lang te voren hel Heidendom meende te doen zegevieren in het rookend chrislenbloed, gutsend van de gepurperde toppen der zeven heuvelen, of zich drenkend in de arena van het colliseum; van denzelfde, die Judas zijn goddelijken Meester deed verraden ; van denzelfde, die in het aardsch paradijs onheil bracht en vervloeking; hij is het, die zich thans hult in het gewaad des lichts, maar dezelfde blijft â princeps tenebrarum, de vorst der duisternissen â van vuig verraad, van sombere lagen.
115
Als hel blijde morgenrood, dat rijst aan de oosterkim in gloed en leven, bode van de opkomende dagvorstin, die in matelooze stroomen van gloeiend, goud, verkwikking en bezieling giet in wijdschen omvang; zoo verschijnt aan de transen in klimmende praal, in onweerstaanbare macht als de blijde voorlooper van den âopkomenden Dageraadquot;, het âLicht aan den Hemelquot;: âPaus Leo XIII, wijzende op de smettelooze beeltenis der Moeder van Goeden Raad.
Het woord van den beminden Apostel des Heeren schittert ook hier: âHet licht schijnt in de duisternissen.quot; Van Leo gaat weldadig uit dat leven, hetwelk herscheppend henen vaart om godsdienst en geloof, om liefde en éénheid allerwege te herstellen ; of genieten wij, kinderen van dezen lijd, niet de blijde aanschouwing hoe onze grijze Opperpriester, Gods wegen doorvorschende, hel ongeloof aanduidt als de kwaal onzer eeuw? Maar ook in wat brandenden zielenijver voert Hij zijn getrouwen niet aan de voeten van Haar, Wie het woord des H. Geestes wordt toebedeeld; Meum est consilium, bij Mij is raad!
De leiding der komende historie berust in 's Heeren hand en alle eere behoort aan Hem, den onslerfelijken. den onzicht-baren Koning der eeuwen; maar ook door God is ons de victorie; âde poorten der hel zullen haar niet overweldigenquot;
Op Leo's machtig woord zien wij ze in onze dagen oprijzen â ten heiligen strijd â de heldenscharen, weleer strijdend met het bloedig zwaard, nu mei het zwaard des geestes in éénheid en liefde.
Als een reuzendam zetten zij zich schrap tegen leugenlooze beroering en uil hun mond klinkt het lied â hun zegelied;
âIn Ghrislus' Kerk alleen is heil (*)
âVoor 't leven ginds en hier.
âGods goedheid geeft ze ons zonder feil âGenadeschatten zonder peil.
âHaar bieden wij de gaven veil âVan 't harte, trouw en fier,quot;
116
Een aardsche gebieder moge in de grootheid van keizerlijke macht rede vinden Europa's volkeren op te roepen âter verdediging hunner heiligste goederen,quot; meer dan deze, meer dan iemand behoort dit woord den Balling van het Vaticaan. Niet een werelddeel, maar geheel de wereld is zijn gebied. Paus Leo vervult Christus' plaats op aarde, de plaats van Hem, Wien de volkeren ten erfdeel zijn gegeven.
Paus Leo overstemt den bajert van verwarring; van Rome klinkt zijn vaderlijke stem en de echo trilt van de zeven heuvelen over gansch de aarde in duizend talen, en met wat eerbied en ontzag wordt die stem niet overgedragen over de schuimende zee tot aan 's werelds verste grenzen! En met wal liefde wordt Leo's woord niet ontvangen? Niet het minst in ons dierbaar vaderland, dat getuigt die grijze Vader zelf: Olan-desi sunt boni catholici, optirni. De Hollanders zijn beste katholieken !
Zoo wordt Leo's woord hier verstaan .... en begrepen, hoort slechts dit jubellied;
âVoor God â of in vermeetlen nijd(*)
Het ongeloof Hem hoon,
En hel- en wereldvorst ten spijt, â
Volhardend in den heiligen strijd.
Hem hebben we onzen dienst gewijd,
Van Hem ons eeuwig loon!quot;
Paus Leo spreekt en Holland kent dien Vader, dien tengeren en toch sterken, dien afgeleefden en toch alverwinnenden Leeuw. In vaderlijke liefde had Hij medelijden met de schare â met de heffe des volks, met de machtig breede schare, wier vereelte vuist in trouw Hem was verpand, met die schare, welke een kwart eeuw geleden zich aangordde â hier in grooter getal dan elders â om te verdedigen Leo's land, zijn goed, zijn recht, en tot die schare sprak Hij: âWerklieden, vereenigt u!quot;
117
Daar rijzen ze in het kleine Holland in onafzienbare rijen als een onverwinbre phalanx, pal en onwrikbaar, onder het grove werkpak een hart dragende vol liefde voor al wat heilig is en recht.
âVoor God en Kerk, Vorstin en Land (*)
Verheffen we onze vaan De heilbanier met forsche hand.
Door Willibrord hierin geplant.
Bewaren we als een heilig pand.
Wat vallen moog, wij staan!quot;'
Dit alles is de vrucht van Leo's werken. Dan â waar schuilt de geheimnisvolle kracht, welke Hem onder den druk van zóóveel jaren, meer nog van onnoembare wereldzorgen onverwinnelijk maakt ?
Waar put Hij dien goddelijken genadenstroom, welke als hemelsche dauw zijn arbeid bevrucht? Waar zijn moed en wijsheid ? Hij zelf lost de vragen op. Wijzende op de beeltenis van de Moeder van Goeden Raad, roept Hij der wereld toe: «Kinderen, berust in Hare Raadgevingen!'quot;
Ook dit woord klonk over de gansche breedte der aarde, â en in Holland ? Dit slechts alleen; in de mysterieus zich openende en sluitende glansende oogen der wonderbare beeltenis van de Moeder van Goeden Raad te Genazzano weerspiegelen zich de kleuren van het zegenrijk wapen van Neêrlands hoofdstad, een ex-votovaandel is daar geplaatst onder de levende oogen van Maria en vertolkt den godvruchtigen beschouwer dat ook op dit stuk Leo niet te vergeefs gesproken heeft, en de blauwe kleur van dit vaan â blauw is de kleur der trouw â predikt luide wat wij gevoelen:
,0 Lieve Moeder van Goeden Raad,
Wij wijden U ons zeiven Zoolang ons harte slaat.quot;
118
En dan het prachtig koperwerk in de St.-Augustinuskerk te Amsterdam ! Wat schoonheid van opvalling, wat rijkdom aan lijnen, wat juistheid in uilvoering, maar bovenal, wal diepgevoelde godsvrucht, welke hier zooveel schoons ten geschenke gaf ter eere van de Moeder van Goeden Raad!
Straks zal ook in de koninklijke residentie de sierlijke en ranke torenspils eener nieuw te bouwen kerk den lof verkondigen van die Moeder, heinde en verre!
Nauwelijks wijst Paus Leo op de Moeder van Goeden Raad, of met stoere hand schrijft Holland onder haar beeltenis : Je maintendrai, ik zal handhaven.
Handhaven ? Neen! Verbreiden, vermeerderen in sleigende geestdrift, in geesldriflvollen gloed, in gloeiende liefde, in onbezweken arbeid, in stalen wil de glorie van de Moeder, op wier vlekkelooze school de Ongeschapen Wijsheid is opgegroeid onder Hare raadgeving in wijsheid en welbehagen bij God en bij de menschen, van de Moeder, â ons de Moeder van Goeden Raad. Wat heilig onderpand voor Gods onmisbaren zegen is niet deze godsvrucht!
Alphonsus de Liguorio dankt haar zijn heiligheid in leven, zijn wijsheid in onderrichting. Gewoonlijk ook praalt de beeltenis van de Moeder van Goeden Raad ter zijde van zijn voorstelling. Aloyius de Gonzaga mocht zelf de stem vernemen van die Moeder; door tastbare wonderen toonde Maria aldus vereerd te willen worden, niet alleen in het bevoorrecht Genaz-zano, maar ook te Rome, te Napels, te Genua, te Lucca, te Frosinone, en zouden wij niet in de ongeëvenaarde, spoedige verspreiding dezer godsvrucht een duidelijke vingerwijzing zien uit den hoogen hemel ? Leidt niet tot deze devotie de drang der tijden ?
Waar in onze dagen zóó de heiligste waarheden met voeten worden gestreden, waar zoo driest het van God gegeven gezag wordt aangerand, daar kan geen rein menschelijke vinding heil
119
en redding bieden, alleen uit den hooge kan het ons geworden ; daarom wordt met zooveel vertrouwen hier gebeden O, Maria, Moeder van Goeden Raad, wij nemen onze toevlucht tot U!quot;
De verbolgenheid Gods, de rechtvaardige wraak des Hemels wordt door Maria ons gespaard. Zij is onze hulp, en in onze twijfelzuchtige eeuw, onze Raad. Zoo zag Haar Salomon niet alleen als den opgaanden dageraad toenemende in grootheid en macht, naarmate met het voortspoeden der tijden Haar hulpe meer werd vereischt; zoo zag hij Haar, niet alleen schoon als de zilvren blanke maan ons bemoedigend en troostend in kruis en lijden, zoo zag hij Haar niet alleen schitterend als de blijde van glorie stralende zonne om ons te verlichten, maar ook zag hij Haar; sicut acies bene ovdinata, als een welgeordend leger overweldigend, in onweerstaanbare macht, den vijand verdrijven en voor ondergang ons behoeden.
Een strijd moet gestreden, thans meer dan ooit, maar onze hulp is van boven! Dat was ook in afgeronnen eeuwen de redding, toen de Turken te vuur en te zwaard het christelijk Europa bedreigden. De laatste tegenstand was jammerlijk vernietigd in den heldendood van den even vromen als moedigen Scanderbek, die gedurende 20 jaren in onvergelijkelijk vertrouwen bad lot de Moeder van Goeden Raad en aldus een leger van 100,000 vijanden kon bedwingen.
Hoe zien we in lateren tijd niet de heilige Paus Pius V zijn toevlucht nemen tot die Moeder, loen wederom diezelfde vijand Christus' Kerk bedreigde. Pius V vroeg in prangenden nood raad aan zijn hemelsche Moeder en hij benoemde Marcus Antonius Colonna, die den eerenaam droeg van Heer van Genazzano en Beschermer van het Heiligdom, tot bevelvoerder zijner vloot. In bond met Don Joan van Oostenrijk, vertrouwende op de Moeder van Goeden Raad, aanvaardden zij den strijd, en de golvende baren der Adriatische Zee meldden weldra in bruischenden zang het lied hunner overwinning.
120
Maar ongetemd was de fanatieke haat en de vijand drong door tot onder de muren van het christelijk bolwerk van Weenen. Paus Innocentius XI â kon het anders? â knielt nu op zijn beurt voor de voeten van de Moeder van Goeden Raad; hij beveelt de wonderbare beeltenis te Genazzano plechtig te kronen en Jan Sobieski mocht veilig zegepralen ; âsicut acies bene ordinata /quot; als een leger in slagorde voerde Maria hare kinderen aan. Haar hemelsche raad was het licht, dat weldadig aanvoerder en soldaat bescheen bij het klimmen van den nood, bij het barnen der gevaren.
Een nieuwe vijand is verschenen, meer satanisch dan de Tuik. Geen bloedig zwaard, geen rookend slagveld, geen puinen of luinen, maar verblinde haat, niet doodend het lichaam, maar zielen moordend, ziedaar de kern van den strijd.
Men vindt dien strijd onder alle volkeren, want die haat heeft zich ingekankerd onder allen vorm van menschelijk bestuur; hij overrompelt de rijkdommen; hij benuttigt de kleinste stelling door zijn invloed, door fortuin, door naam of gezag, en alles tot het ééne doel: de ontkerstening der natiën. Waar men Jezus H. Kerk niet kan verdelgen, daar smeedt men boeien, knellende boeien; die haat berooft haar van eiken mensche-lijken steun en van dag tot dag zint hij op middelen om haar te doen kwijnen, te benauwen; hij verdrijft haar van den zetel der regeering of wetenschap tot binnen de enge muren van kerk of huisgezin, om te eeniger tijd haar â zoo mogelijk â den genadeslag toe te brengen.
Paus Leo XHI zag het, en bij het klimmen van den nood volgde hij het voetspoor zijner verhevene Voorgangers, hij nam zijn toevlucht tot de Moeder van Goeden Raad; en zij, die met hem mogen medeleven in onmiddelijke nabijheid, verzekeren ons dikwijls getroffen te zijn bij het zien van de warme godsvrucht van dezen Paus tot de Moeder van Goeden Raad. En dat vuur dier godsvrucht spat van uit dat vaderhart in duizend
121
stralen, in duizend vlammen over het aardrijk, met onweer-staanbaren aandrang smeekt hij ons in deze bange lijden Maria raad te vragen tot hei! van Kerk en maatschappij, gelijk zijn voorgangers, stelt ook Hij ons lot in handen van de Moeder van Goeden Raad.
Met zalige vreugde overzien we de komende zege â ook in ons land, waar zooveel godsvrucht heerscht ter eere van
Moeder, een zege die ons jubelen doet:
%
âEen juichtoon voor ons Nederland, (*)
,Een beê voor Neêrlands lot,
.Zij steeds ons dierbaar Vaderland
âOmstrengeld door den liefdeband,
âDia 't volk van eiken rang en stand âHier leven doet voor God!quot;
2.
Maria, Moeder van Goeden Eaad, in betrekking tot de Lijdende Kerk.
Een mengeling van droevig medelijden en zalige hoop vervult ons in de dagen van November.
De laatste tonen van het jubelend lied der overwinning dier onafzienbare scharen van Martelaren en Belijders, van Maagden en Engelen, â van het lied ter eere van alle Heiligen Gods zijn in zacht geruisch nauwelijks ten onder gegaan, of de H. Kerk â een moeder vergrijsd in liefde voor haar kinderen hult zich in het kleed van sombere rouwe.
Haar treft de pijnlijke herinnering aan het droevig lot van
{*) Lied van den N. R. K. Volksbond.
122
zöóvelen, die ééns hun beste krachten, hun rijkste gaven in kinderlijke edelmoedigheid, in onwrikbare trouw aan die Moeder hadden verpand.
In (ellen strijd stonden zij pal in genegenheid, onkreukbaar en smetteloos; hoe lonkte hun toe de palm der victorie in eeuwig stralend licht! En nu ? Nu staart die Moeder met een blik van teeder mededoogen in hun leven aan gene zijde des grafs, â maar in een leven, niet van schitterenden triomf, maar in een leven doorleefd in een zee van pmmeren en van smart.
Onze tempels dragen dan het kenmerk dier rouwe in het floers en treurgewaad, dat hunne wanden dekt; maar te midden van die zware rouwkleedij schittert in het flonkerend licht het kruis, en dat brengt blijde hope!
Wie in die dagen van pijnlijke herinnering zijn treurenden blik richt naar 't kruis, hem rijst in maagdelijke glansen het beeld voor oogen van de Moeder, die schreiend â aan deszelfs voet â deelde in de smarten van Haar Kind; die nog deelt in de droefheid van hen, die haar op aarde dienden en nu lijden, geklonken aan een kruis van foliering in een zee van vlammen en van vuur.
Wie gevoelt nu niet in treurig medelijden het harte blijder kloppen van blijde hoop, wie verneemt niet in den aanblik van Maria dat zalig woord; âIk bemin, die Mij liefhebben.quot; Maria bemint aldus de zielen in het vagevuur, want zij, zij hadden Haar lief.
De H. Alphonsus de Liguori was vervuld van zalig vertrouwen bij deze gedachte en zóódanig, dat deze bevoorrechte dienaar van Maria eens zeide: âDe Moeder van Goeden Raad troost niet alleen Hare dienaren in het vagevuur, maar bevrijdt hen ook uit deze gevangenis.quot;
Onbeperkt was daarom het vertrouwen, dat deze Heilige stelde in de Moeder van Goeden Raad en werd hij aldus een
m
heerlijk voorbeeld voor ons. De Moeder van Goeden Raad verlost de zielen uit het vagevuur, nemen we dan onze toevlucht tot Haar; om dan des te beter ons zeiven daartoe aan te sporen, behooren we goed door te dringen in het lijden dier arme zielen.
Stellen wij ons voor een zoon, die gedurende een tijdsverloop van vele kommervolle jaren van het ouderlijk huis, waar liefde woont en onuitsprekelijk geluk, verwijderd was. Eindelijk breekt de dag aan, waarop dat kind vol zalige blijdschap naar het huis zijns vaders den terugtocht kan aanvaarden. Naarmate de afstand krimpt, dringen zich beurtelings op voor zijnen geest zijn grijze vader, zijn teedere moeder, zijn dierbare verwanten en vrienden; 't is alsof daar tusschen groenende twijgen en wuivende bladeren oprijst het vriendelijke dak, waaronder de lente zijner blijde jeugd in lach en spel waren voorbij gegaan. De liefde tot al dat dierbare geeft hem vleugelen ; geen vermoeienis kan hem deeren op dien weg naar het huis van vrede en geluk, en zoo is binnen weinig tijds een verre afstand afgelegd. Reeds wordt de weg al meer bekend ; herinneringen duizendvoud, spreken tot hem uit elke woning, welke in het voorbijgaan hem vriendelijk tegenlacht; het golvend graan, het ruischen der bladeren roept hem het welkom toe. Welke gedachten overstelpen hem ! Nog slechts eenige uren en hij zal rusten in de armen zijner dierbaren .. . maar, eensklaps staat hij voor eene breede rivier, de golven, witgepluimd en in snellen vaart elkander verdringend, versperren hem den doortocht, en hoe hij ook zijn zoekend oog richt in wijdschen omvang, alles te vergeefs, nergens een die hulpe biedt. Alléén, verlaten, na een tocht van ontbering en opoffering; verlaten en dat in het gezicht van het huis, hem zoo dierbaar. Wie zal de smart schetsen, welke dit kinderliarte prangt ? Maar wie
124
ziet hier niet een kleine gelijkenis met het droevig lot der arme zielen, die verlangen naar het Huis des eeuwigen Vaders, maar helaas van Hem gescheiden zijn door een zee van vuur?
* *
*
Onvergetelijk blijft ons bij de herinnering aan het verscheiden van zóóvele dierbaren. Met welke diepe godsvrucht en alles offerende liefde baden zij niet met hun goddelijken Meester âniet mijn wil, maar de Uwe!quot; âVader, in uwe handen beveel ik mijnen geest!quot; Ja, hoe vurig begeerden zij niet ontbonden te worden en te zijn met Jezus, was het hun niet een gewin aldus te sterven ?
Het âveni, coronaberisquot; âkom en ge zult gekroond wordenquot; klonk hun als dat hemelsch welkomstlied en een glimlach glansde om de gestorven lippen ! O, mocht iemand vragen, zijn dan die zielen niet rijk te noemen, rijker dan wij, die, onzeker nog van het toekomstig lot, hier zwalken â dikwijls in onnoembare zorgen â op de golven eener gevaarlijke wereldzee ? O zeker, zij hebben den eindpaal bereikt en den strijd vol-streden, maar rijkdom en glorie is nog niet hun deel, het zij verre; armer zijn zij dan de armste der onzen! Ja, terecht mogen wij de zielen in het vagevuur arme zielen noemen. Arm zijn zij in dien toestand van bitterheid, van verbanning, want de onweerstaanbare arm van Gods gerechtigheid stoot haar terug van de heerlijkheid Gods, terug van haar lieve Moeder, die zij hebben bemind, gediend geheel het aardsche leven ! Wie vermag dal leed te melden ? Wij nog omhuld in het stervelijk lichaam, omringd, vervuld van aardsche beslommering, neen, wij kunnen niet genoegzaam bevatten hoe noodzakelijk ons God is, onmogelijk bevatten wat een ziel verduurt, die voor God leefde, die tot God is opgegaan en .... van God
125
gescheiden is! en dan nog te denken, dat hoe reiner, hoe inniger die ziel God beminde, hoe harder ook het lot is van God terug gehouden te worden ! Gepijnigd in wreeden vlammengloed, door dorst en honger, door verlatenheid en smart, geprangd door de brandenste genegenheid, beproeft die ziel op steigeren tot God, maar telkenreize klinkt het: ,terug, terug, totdat de laatste penning is voldaan !quot;
Welk een armoede en verlatenheid! De hoogste graad van droefenis en troosteloosheid in dit leven kan onmogelijk zich meten met de onnoemelijke smarten, welke in het andere leven de ziel gaan treffen verwijderd van God, die zelf het overgroot loon, de kroon, het geluk, ja alles is, voor die Hem beminnen !
Arm zijn de zielen in het vagevuur ! Alles ontbreekt haar, waarnaar zij verlangden ; haar ontbreekt God, die altijd op aarde was beur vrede, heur geluk, heur opperste Goed ! Nog meer. Nu die zielen verwezen zijn tot dien eenzamen kerker, waar niet de minste afleiding of verstrooiing nadert, is dag en nacht, onafgebroken, eenig en alleen haar gedachte gericht naar God, van Wien zij zoo smartelijk zijn gescheiden. Waarlijk het zijn arme zielen. En wat lijden zij niet? âHet vuur van Mijn toorn is ontbrand, zegt God, en branden zal het in de diepte des afgronds. (V Moz. 32, 22).
Verdiep u nu, zoo gij kunt, in het lijden dier zielen. Beproef eens den omvang van dit woord te bevatten ; o, de onpeilbare diepte van jammer en leed kan door geen menschelijken geest gemeten worden ; en dat lijden, zoo vreeselijk, zal duren totdat Gods rechtvaardigheid is voldaan ! Niemand verwondere zich dan, dat de H.H. Vaders ons leeren, dat de kleinste smart des vagevuurs de wreedste ellende van dit leven overtreft.
Arme zielen! Arm, omdat zij bij al dat leed niets bezitten om zich zeiven te helpen. Zij, die gedurende hun aardsche loopbaan zoo groote offers brachten van edelmoedigheid, zij die anderen â ja ons zeiven â zoo offervaardig ter zijde
126
stonden uit liefde Gods, zij hebben nu niets om zich te verkwikken ! Niet de geringste lafenis in brandenden dorst, niet de kleinste troost in een onmetelijken oceaan van lijden, waarlijk dat is armoede!
âDe tijd van verdiensten is voor haar gewekenquot;, leerde onze H. Vader Augustinus aan zijne zonen in de woestijn. (Serm. 44) Slechts lijden en dulden, slechts branden en treuren, eenzaam en verlaten, der bitterste ellende ter prooi, âwant voor haar is de nacht gekomen, waarin zij niet meer werken kunnen.quot; (Joh. 9, 4).
De armste onder de armen der menschen kan voor het minst nog zijn mond openen en verlichting vragen, kan nog zijn hand openen en lafenis ontvangen voor zich zelve, in één woord nog heil en troost gaan zoeken, maar in het vagevuur ? Voor zich zeiven kunnen zij zich niets verwerven âde dooden
hebben verder geen loon meer.quot; (Pred. 9).
* *
*
Daar klinkt nog een stem tot ons, die in diep medelijden deze smarten overdenken. Een stemme van gena, eene stemme van erbarmen. âOntfermt u mijner, ontfermt u mijner, gij ten minste, mijne vrienden !quot; (Job. 19)
Wie is er, die in deze roepstem van God den H. Geest niet verstaat het smeekend roepen van onze dierbaren in het vagevuur ?
Ontfermen wij ons dan over haar, die in nijpende armoede ook onmachtig zijn zich zeiven le verlichten ! Ontfermen we ons dan over haar, die zich in heur leven zoo over ons ontfermden, in genegenheid en offers! Ontfermen we ons dan over haar, die eenmaal gered, onze voorsprekers worden! Ontfermen we ons dan over haar, die in vriendschap met God gestorven, ons honderdvoudig een belooning zullen doen toekomen. Ontfermen we ons dan over haar, die vrienden van
God, ook teedere kinderen zijn van ons aller Moeder, van de Moeder, die aan den voet des kruises weende om de smarten van Haar Zoon en die nu ook nog medelijden heeft met die armste onder hare kinderen. Of is Maria, de Moeder van Goeden Raad, niet de Moeder ook dier arme zielen ?
De H. Bernardinus, deze stoffe overwegende, past op de H. Maria deze woorden toe der H. Schrift; ,Ik heb gewandeld op de golven der zee !quot; (Eccl. VI, 8). De pijnen in het vagevuur, zegt deze Heilige, worden golven geheeten, omdat het voorbijgaande pijnen zijn, in tegenstelling met die, welke eeuwig duren; zij worden âgolven der zeequot; genoemd om hun geweldig smartelijk karakter aan te duiden, en in deze zee van jammer en ellende brengt de Moeder van Goeden Raad troost en redding.
Zijn die zielen, heengegaan in de innigste vriendschap met haar goddelijk Kind, niet bij uitstek de teedere kinderen van die Moeder ? Op Haar richt Zij bij voorkeur Haar troostenden blik âde diepte des afgronds heb Ik doordrongen.quot; (Prov. 49). Daarom zeide, vol zoet vertrouwen, de H. Vincentius Ferre-rius: O, hoe dienstvaardig betoont Maria â de Moeder van Goeden Raad â zich jegens degenen, die in het vagevuur moeten lijden, want door Haar verkrijgen zij onophoudelijk lafenis en sterkte!quot; En niet te veel is dit gezegd, want op zekeren dag sprak de Moeder van Goeden Raad tot de H. Bri-gitta. âIk ben de Moeder van al de zielen, die in het vagevuur lijden.quot;
Maria is dus geen hulpe alleen of troosteresse, maar een Moeder, een Moeder in den breedsten zin des woords ! Welk een troost! Wie gevoelt zich nu niet gedrongen tot Haar te smeeken : âMoeder dier arme zielen, ontfermt u over haar!quot;
Moeder is zij van die zielen ! Maar de liefde van een moeder, wie kan ze peilen ? Heeft niet de almacht van den Schepper een mysterie van liefde neergelegd in het moederhart? In dal harte, hetwelk alles braveert, alles verduurt in nachtwaken
128
en pijnlijke zorgen ? Maar hoe groot is dan de liefde van die hemelsche Moeder ? Maar hoe groot dan de liefde van de Moeder van Goeden Raad ten opzichte van Haar kinderen, die het meest lijden en verduren ? Hoe klinkt niet in dat moederlijk oor de klacht der arme zielen : Oblivioni datvs sum tam-quan mortuus a cor de! Ik ben der vergetelheid prijs gegeven als iemand weggevaagd uit het harte!quot; (Ps. 30, 13).
Weggevaagd uit het harte ! Moet ook deze roep- en klaagstem ons vermanen ?----Is dan niet de Moeder van Goeden
Raad de Moeder dier arme zielen en niet onze Moeder ? Wie heeft Haar gevraagd en is niet verhoord geworden : Zoo dan een waarachtig medelijden ons bezielt, zoo dan de armoede in het vagevuur ons treft, de Moeder van Goeden Raad is de Moeder der geloovige zielen. Aan ons dus is de plicht, de dure, onvergeetbre plicht d:e Moeder te vragen, te bidden, te smeeken: ,Bemin en red die U beminden, o Moeder van Goeden Raad !quot;
3.
Maria, Moeder van Goeden Eaad, in betrekking tot de Zegepralende Kerk.
In het achtste boek der Spreuken lezen wij een woord, dat de H. Kerk heeft gelegd in den mond van de Moeder van Goeden Raad ;
âNu dan kinderen, luistert naar Mij, â zegt die hemelsche Raadgeefster â
«Zalig de mensch, die Mij hoort en dagelijks aan Mijne deur »waakt en wacht houdt aan de posten Mijner deur!quot;
129
Wonderbaar grootsch schetst ons in deze woorden van het boek der Spreuken de H. Geest de beteekenis van Maria als Moeder van Goeden Raad; want, na dengene zalig geprezen te hebben, die dagelijks de Moeder van Goeden Raad om voorlichting smeekt, laat God de H. Geest onmiddelijk volgen : qui Me invenerit, inveniet vitam, d. i. âdie Mij gevonden heeft, zal leven vinden, en heil verwerven van den Heer.quot;
Zalig dus degene, die luistert naar Haar moederlijke inspraken ! Wie zoude dan niet in genegenheid tot de Moeder van Goeden Raad willen blijven volharden en eens willen zegepralen ? Dan â hiertoe geeft de H. Geest in de woorden, zooeven aangehaald, de middelen aan, welke in kortsten vorm teruggebracht luiden; Zalig de mensch, die â naar Mij luisterende â waakt en bidt.
Om derhalve heil en zaligheid te pulten van den Heer moeten wij:
I. LUISTEREN NAAR DE MOEDER VAN GOEDEN RAAD.
De eerste voorwaarde, welke de H. Maagd Maria in ons vereischt om Harer moederlijke raadgeving deelachtig te worden, is luisteren, gehoor geven aan Hare inspraken. Beatus homo, qui audit Me, âZalig de mensch, die Mij hoort!quot;
Door deze woorden vertoont zich de H. Maria aan ons als onze Meesteresse, die Hare voorschriften geeft. Niet anders schetst Haar ons de H. Joannes in zijn tweede hoofdstuk, waar de bruiloft van Gana wordt beschreven.
Toen toch bleek duidelijk, hoe heilzaam het was Haar raadgeving te volgen. âDoet al, wat Hij u zeggen zalquot; sprak de Moeder van Goeden Raad tot de dienaren, schoon de ure van wonderwerken nog niet gekomen was voor Haar goddelijk Kind.
Zoo ook spreekt die goede Moeder tot ons Hare dienaren ;
9
130
gelukkig zullen we zijn als we doen wat de Heer ons zeggen zal, als we volbrengen, wat Hij van ons vraagt.
Hoe gelukkig is niet de Moeder van Goeden Raad!
Maar heeft ook Zij zelve dit alles niet op de hoogst volmaakte wijze volbracht ?
O, nu nog in den hemel herinnert zij zich het onvergelijkelijk offer. Haar gevraagd voor de zonden der wereld, in Haar eenig Kind !
En toch, hoe was Zij niet met dat Kind één van hart en één van ziel!
Zij luisterde zelve zoodanig naar Jezus, dat al Zijne woorden in Haar maagdelijk harte bleven bewaard, maar niet alleen dat hart, maar gansch Haar lichaam en ziel luisterden naar naar Hem en deelden in alle bitterheid en lijden.
In den loop der eeuwen toonde ook de Moeder van Goeden Raad, op wonderbare wijze, hoe zij het luisteren naar Jezus hoogschat; o. a. te Lyon en op vele andere plaatsen, waar men Haar beeltenis tranen zag storten of met bloedzweet bedekt om zichtbaar Haar leedwezen te toonen, dat de inspraken van Haar en heur Kind zoo weinig worden verstaan, zoo weinig aanhoord.
Nog eiken dag acht zij zich, in geestelijken zin, doorwond van dat scherp zwaard, waarvan Simeon eens gewaagde, omdat door de versmading van Haar raad Heur Kind opnieuw wordt verraden, verloochend, gegeeseld, gekruist!
Eens verscheen de Moeder van Goeden Raad aan de H. Lud-gardis. Zij was gehuld in sombere rouwe en in Haar maagdelijk aanschijn droeg Zij diepe trekken van onmiskenbaar leed. De Heilige vroeg naar de oorzaak van die droefheid en de Moeder van Goeden Raad antwoordde : âecce a pseudo chris-tianis rursus crucifigitur filius meus!quot; (Thom. Cantipr. Lib. II) âZie door de ondankbare, door de schijn-christenen wordt Mijn Zoon opnieuw gekruist I
131
O, die niet luistert naar Haar raad valt in de zonde, want de Arke des Verbonds kan niet tegelijk die van Dagon wezen, â Maria en de zonde kunnen niet te zamen zijn in één hart.
Willen we dan gelukkig zijn in tijd en eeuwigheid, houden we dan vast aan de Moeder van Goeden Raad en luisteren wij naar Hare inspraken, want âbeatus homo, qui Me auditquot; âzalig is degene, die Haar aanhoort,quot; dan hierbij voegt een tweede plicht:
II. ELKEN DAG TE WAKEN, VEREENIGT MET DE MOEDER VAN GOEDEN RAAD.
Na den eersten raad van de zonde te vluchten en te luisteren naar Maria's inspraken, wordt ons door den H. Geest ten plicht gesteld, teneinde gelukkig te zijn door de voorspraak van de Moeder van Goeden Raad, van te waken âZalig degene die Mij hoort en dagelijks.... waakt.quot;
Niet alleen de voorschriften aanhooren, welke die goede Moeder, als Meesteresse ons geeft en dezelve volbrengen in orde en regelmaat, maar daarbij Haar vurig vereeren is de les in dezen raad vervat.
Wanneer men zegt de Moeder van Goeden Raad te beminnen, dan zal ook ons hart en onze ziel dagelijks waken aan de deur van Haar moederlijk harte en dan ook verklaart de H. Geest ons gelukkig.
Als toch liefde wederliefde vraagt, zal dan niet de Moeder van Goeden Raad onze liefde vergelden in Haar merkbare leiding en raadgevingen ?
Hoe zal Zij ons niet beschermen als we waakzaam zijn altijd tot Haar te vluchten.
âMille clipei pendent ex eaquot;! âDuizend schilden dekken Haarquot;, of volgens de uitlegging van den H. Ambrosius naaiden Hebreeuwschen text: Mille ostia aperla sunt in ea! Duizend deuren geven toegang tot Haar ! Hoe noemt Haar ook
132
niet in dezen zin Gods H. Kerk: âToren van David.quot; Deze toren was eens met wapenrustingen en schilden overdekt en het voornaamste verdedigingspunt van Jeruzalem ; zoo zal ook de Moeder van Goeden Raad onze beste bescherming zijn, als we dagelijks dien sterken toren binnengaan, dagelijks waken, in godsvrucht die Moeder voreeren ! Hoezeer vermaant niet de Heer Zelf tot waakzaamheid ! âWaakt en bidtquot; waren twee woorden in welke Hij ten laatste al zijne goddelijke lessen samenvatte ; hoe zegt ons niet de H. Petrus âwaakt, want uw vijand gaat rond, zoekende u te verslinden !quot;
Elke akte van godsvrucht ten opzichte van de Moeder van Goeden Raad is dus als een deur, doorwelke wij dien onneem-baren toren binnengaan en alsdan in waakzaamheid aan den vijand ontkomen.
Luisteren we dan naar Maria's inspraken en zijn we waakzaam dagelijks tot haar te bidden, dan zullen we gelukkig zijn,want: âzalig is de mensch, die Mij hoort en dagelijks waakt aan Mijne deur.quot;
Dan â ten slotte laat hier de H. Geest volgen â âgelukkig â die wacht houdt aan de posten Mijner deur,quot; en dit zegt ons de derde voorwaarde om gelukkig te wezen nl.:
III. DE MOEDER VAN GOEDEN RAAD TE RIDDEN.
Zalig prijst de H. Geest den mensch, die, luisterende naar Maria's raad, waakt niet alleen, maar ook de wacht houdt aan de posten van Haar deur!
Wanneer iemand waarlijk onze genegenheid geniet, stellen wij ons niet tevreden dagelijks te waken voor diens geluk, maar we gaan naar zijn woning om hem â onzen vriend â onze hoogachting te betuigen.
Zoo ook noemt de H. Geest zalig dengene, die aldus handelt ten opzichte van de Moeder van Goeden Raad. Niet alleen als de vijand nadert, als gevaar of druk ons dreigt, maar altijd,
133
maar dagelijks moeten we den cijns van oprechte genegenheid nederleggen aan de voeten van die goede Moeder, dan, o dan is ons geluk verzekerd en onze zaligheid !
Wat hier de H. Geest ons leert, staaft de historie.
De Moeder van Goeden Raad doet Hare dienaren zegepralen.
Zoo had de Z. Alphonsus Rodriguez de gewoonte elk uur die goede Moeder te groeten en deze heilige gewoonte was zóó aangenaam aan de H. Maria, dat Zij hem in den slaap wekte telkenmale, als de tijd dier groetenis was aangebroken.
Een andere heilige religieus. Jacobus genaamd, hield niet op den geloovigen het rozenkransgebed aan te bevelen ; op het oogenblik eindelijk van zijn dood zagen de omstanders zijn ziel den hemel binnengaan.
De H. Carolus Borromeus bad eiken dag het klein officie ter eere der H. Maagd. Te midden der grootste en gewichtigste zorgen van zijn uitgestrekt bisdom verzuimde hij nooit deze heilige gewoonte en volbracht het geknield voor de beeltenis zijner vlekkelooze Moeder, maar ook nooit ontbrak het hem aan raad en licht in de grootste moeielijkheden.
Johannes Ximenes bad bij voorkeur den Engel des Heeren. Eens, toen hij bezig was een zeer grootcn steen voorzichtig van een hellend vlak Ie doen afglijden, hoort hij plotseling het luiden van den Angelus; terstond werpt hij zich zonder bedenken, op de knieën en â wonder, bij het einde van zijn godvruchtig gebed lag nog de steen terzelfder plaatse, door Maria s machtige hand tegengehouden.
Groot was ontegenzeggelijk het vertrouwen waarmede de Heiligen tot de H. Moeder des Heeren opgingen om raad in alle moeielijkheid des levens. De H. Catharina van Zweden o. a. wierp zich in elke beslommering voor de beeltenis dier goede Moeder neder en altijd mocht ze de beste raadgevingen erlangen. De H. Joannes de Deo hield niet op te bidden tot Maria, de Moeder van Goeden Raad, niet alleen om de plichten
134
van zijn levensstaat wel te vervullen, maar ook om de genade van een zaligen dood. Toen dan ook het uur van sterven voor hem genaderd was, riep hij in onovertroffen vertrouwen Maria te hulp en hij mocht het aanschouwen, hoe de Moeder van Goeden Raad zich plaatste aan zijn stervenssponde en terwijl Maria zelf het doodszweet afwischte van zijn voorhoofd, sprak Zij tot hem: âVertrouw Joannes, Ik verlaat nooit mijne dienaren in dit laatste oogenblik !quot;
Hendrik I, Koning van Engeland, vastte eiken Zaterdag, alsmede op de vigiliën der Mariafeesten ; hij wilde ook dat zijne onderhoorigen dit zouden navolgen, en gedurende zijn geheele regeering ontbrak het dezen braven vorst nooit aan den moederlijken raad van Maria.
Eens vroeg een jongeling, die zeer dikwijls in onkuischheid viel, aan den H. Bernardus een middel om van die zonde bevrijd te worden. Deze groote dienaar der allerheiligste Maagd raadde hem aan gedurende drie dagen zich van dat kwaad te onthouden ter eere van Maria; en werkelijk verkreeg deze zondaar zóóveel genade, dat hij voortaan eiken aanval dier zonde gemakkelijk overwon.
De gelukzalige Herman had een allervurigste godsvrucht ten opzichte van de Moeder van Goeden Raad, maar overstelpt door allerlei bezigheden, was hij een weinig verminderd in deze groote devotie, toen Maria hem verscheen in de gedaante van een oude, schamele vrouw.
Herman, verschrikt door dit aanschouwen, riep lot Haar: âO, mijn Koninginne, zijt Gij het ?quot; en Maria sprak : âJa, Ik ben het, eertijds was Ik schoon en heerlijk in uw hart, maar thans ziet Gij, hoe misvormd Ik ben!'' Terwijl Zij deze woorden sprak, verdween de H. Maagd.
O, dat dan ook nooit onze liefde jegens de Moeder van Goeden Raad verflauwe ! . .. . Wie volhard zal hebben in Haren dienst zal zalig zijn en zegepralen.
VII.
MARIA, MOEDER VAN GOEDEN RAAD, EN DE GODVRUCHTIGE VEREENIGING VAN DIEN NAAM.
Godvruchtige Vereeniging ter eere van 0. L. Vrouw van Goeden Raad.
Daar is met betrekking tot de godsvrucht tot de goede Moeder van Goeden Raad nog melding te maken van een feit, dat door iederen pelgrim van Genazzano wordt waargenomen.
Dit feit nu bestaat hierin, dat ieder, die de wonderbare Beeltenis van de Moeder van Goeden Raad aldaar bezoekt, zich bij zijn heengaan als het ware mei kracht moet losscheuren van dien troon van genade; door zóó zoete en tegelijk zóó sterke banden wordt men daar geboeid.
Paus Urbanus VIII was, gelijk de geschiedenis vermeldt, bij zijn afscheid tot weenens toe bewogen en toen Paus Pius IX ten jare 1804 zijn goede Moeder te Genazzano kwam vereeren was ook hij diep gornerd ; zoo o. a. gewaagt Mgr. Dillon van een Saksische prinses, die den geheelen dag, waarop zij afscheid had genomen van deze wonderbare Beeltenis, van droefheid was vervuld.
Zóó beminnelijk en zoet is de woonstede der Moeder van Goeden Raad!
Geen wonder dan, dat zich allerwege in den loop der eeuwen een behoefte deed kennen bij allen, die verre van dit minzaam oord gescheiden zijn, om op meer dan gewone wijze toch geestelijk met de Moeder van den Goeden Raad vereenigd te wezen.
138
Aldus werd een middel gezocht, waardoor men zoude worden opgewekt otn zich eiken dag die goede Moeder te herinneren en, van die blijde herinnering bezield, als in Haar onmiddellijke nabijheid te werken en de plichten van den levensstaat wèl te vervullen.
Een' middel werd dan bedacht, waardoor men gescheiden, toch innig met de Moeder van Goeden Raad te Genazzano zoude vereenigd zijn, â vereenigd als kinderen met de Beste aller Moeders.
Dit heilig verlangen werd inderdaad verwezenlijkt, toen in het jaar 1753 Paus Benedictus XIV in de treffendste bewoordingen bij Apostolische breve âInjuncta Nobisquot; oprichtte de âGodvruchtige Vereeniging ter eere van O. L. Vrouw van Goeden Raad te Genazzano.quot;
Talrijke aflaten en geestelijke voordeden werden den leden dezer godvruchtige vereeniging geschonken en, teneinde zooveel mogelijk deze devotie te verspreiden, door de opvolgende Pausen nog vermeerderd.
Ten gerieve der lezers hebben wij op blz. 101 vermeld de verplichtingen en voordeden, verbonden aan het lidmaatschap, der âGodvruchtige Vereeniging ter eere van O. L. Vrouw van Goeden Raad.quot;
1
\
)â¢
*
Maria, Moeder van Goeden Raad, onze Koninginne.
(SLOT j
Door God uitverkozen; wonderbaar in het oog des menschen ; vereerd door Pausen en Heiligen, ja over geheel de aarde werd U in deze weinige bladzijden Maria, de Moeder van Goeden Raad, voorgesteld.
Die Moeder vertoonde zich aldus schoon en heerlijk in onze oogen.
O, dat dan ook altijd de Moeder van Goeden Raad voor ons Uijve dat âgroot teeken aan den hemel,'quot; gekleed in het schitterend goud onzer alles offerende liefde!
Dij Haren troon moeten wij blijven neergeknield, gelijk de maan aan Haren voet, â altijd in voor- en tegenspoed: in lijden en verblijden!
In dit heilig voornemen van trouw aan de Moeder van Goeden Raad offerden wij Haar, bij het vijfjarig bestaan onzer âGodvruchtige Vereenigingquot;, onze kroon, onze blijvende, onze glan-sende kroon van goud en edelgesteenten!
Deze kroon zij der Moeder van Goeden Raad een kroon van eere, van roem, van onvergankelijke glorie !
â Voor ons een kroon van dank en eerherstel!
â Van danh voor zóóveel onverdiende genaden, voor zóó merkbare raadgevingen en voorlichting en hulpe!
140
â Van eerherstel! Ja, ook van eerherstel aan die âgoede Moeder van Goeden Raadquot;, Wier eenig Kind door ons zoo dikwijls werd gekroond, niet met goud maar met..... doornen!
Met scherpe doornen werd door ons dat Kind, wat Zij torst op Hare moederarmen, gekroond, â met doornen van verflauwing en zonde, â met doornen van vergetelheid en ondank!
Den tweeden Februari 1898 naderden wij dan als de koningen van het Oosten.
Terwijl wij de myrrhe, dat is, de beproeving des levens Haar offeren, bieden wij tegelijk aan de Moeder van den Goeden Raad het goud onzer blijvende, standvastige, eeuwigdurende liefde; en in de wolken van zvierook, welke dien dag Haar troon omhulden, erkennen en lezen wij nog de hooger en hooger klimmende jubelzangen en gebeden, welke wij in steigerende geestdrift stierden tot de Moeder van Goeden Raad, nooit volprezen en nooit genoeg door ons bemind!
Met diepgevoelde vreugde en in onvergetelijken dank zien we neer op den dag, â den blijden dag, waarop vóór vijf jaren de Moeder van Goeden Raad Zich gewaardigde Haar zelel te midden van ons te vestigen.
Meer dan ooit brachten wij op dienzelfden dag, na vijf jaren, aan onze thans gekroonde Koninginne eer en diepgevoelde hulde en onzen hartegroet!
En Gij, Dames Zélatrices der Moeder van Goeden Raad, die Haar roemvollen naam in duizende harten hebt overgedragen, ook Gij moogt juichen ; â door Uw arbeid ook is Jezus' H. Moeder verheerlijkt en groot zal ook Uw loon zijn, want: âDie Mij zal doen kennen, zal het eeuwig Leven bezittenquot; zegt de H. Geest en past de H. Kerk op Maria toe.
Aanvaardt dit boekje als blijk van waardeering, maar ook als een boekje dat Ge zult lezen en laten lezen, opdat de zeven kleine hoofdstukken allerwege door Uw toedoen mogen branden en vlammen in de harten der menschen, als waren het zeven
141
lampen brandende en verterende voor de Moeder van Goeden Raad.
Terwijl dan Gij, Dames Zélatrices, bij de Leden onzer Godvruchtige Vereeniging het goud voor de kroon hebt verzameld ') en met hen dezelve aan Uw Hemelsche Koninginne schonk, bied ik U dit bundeltje van saamgegaarde losse blaadjes; leg ik, â terwijl Gij en alle dienaren dier Moeder, Haar met goud hebt gekroond â deze blaadjes te zaam gestrengeld tot een krans aan Hare maagdelijke voeten, vraag ik voor U en voor mij, ja voor allen, dat wij nooit, nooit mogen verflauwen in liefde voor de Moeder van Goeden Raad.
Met deze bede op de lippen scharen we ons in dichte rijen oin Haren troon, ontvlamd in onverdoofbare liefde, ompantserd met het schild van ongeschokt vertrouwen, gewapend met het heilaanbrengend gebed brengen wij met de kroon Haar, ons aller Koninginne, onzen groet en het klinke:
âGegroet uit duizend monden, o lieve Beeltenis âDer zoete lieve Vrouwe, die onze Moeder is,
âBij wie wij raad gaan vinden, als alles ons verlaat,
âGegroet, o lieve Moeder, o Vrouw van Goeden Raad.quot;
') Deze kroon, uil offers van oud goud vervaardigd, weegt bijna één pond; zij is van massief goud en draagt 134 diamanten.
Z. Em. Mgr. Fr. Tarnassi, Pauselijk Internuntius te's-Gravenhage, verrichtte de plechtige kroning.
AA NHANGSEL.
REGLEMENT
voor
DAMES ZKLATRICES
van
0. L. VKOUW VAN GOEDEN RAAD,
in de St. AUGUSTINUSKERK te AMSTERDAM.
Art. 1.
Het doel van iedere Zélatrice van O. L. Vrouw van Goeden Raad is op de eerste plaats de verspreiding dezer zegenisvolle devotie tot meerdere eer van de Beste aller Moeders, en vervolgens door de voorspraak van de Moeder van Goeden Raad de leden, welke zij mocht winnen, te doen deelen, in dit leven, aan de grootste zegeningen welke die goede Moeder verspreidt, aan de H. H. Missen, die tweemaal per maand voor hen geschieden, en aan de geestelijke gunsten en aflaten aan deze devotie verbonden, na dit leven hun leden lavenis te schenken, door drie H. H. Missen en de gebeden der leden.
Art. 2.
Om dit doel te bereiken, neemt iedere Zélatrice op zich de verplichting zoo veel mogelijk leden te winnen, bij dezen ééns per jaar de contributie in te zamelen en voornaam en geboorte-
10
140
naam in de Biechtkapel op te geven, wijl niet ingeschrevene leden geen aflaten verdienen. Ook stelle zich elke Zélatrice bereid offers te ontvangen voor olie in de lampjes bij de beeltenis van de Moeder van Goeden Raad. Die gedurende een geheele maand een lampje wil laten branden, betale Æ1.50.
Ook trachte zij abbonnés voor het Maandschrift te winnen.
Art. 3.
Bij het voldoen der contributie, dus niet bij het gewone inschrijven, geeft de Zélatrice de quitantie aan de leden.
Art. 4.
Alléén op vertoon der quitantie van \\e\loopend jaar, Aus, mei van het verleden jaar, geschieden de H. H. Missen voor de overledenen.
Art. 5.
Iedere Zélatrice begaat dus een groot verzuim, wanneer door hare nalatigheid de quitantie niet wordt voldaan of niet ten bekwamen tijde wordt bezorgd en dientengevolge de H. H. Missen niet geschieden.
Art. G.
Als gewone lijd voor het inzamelen der contributiën gelden de maanden Februari, Maart en April.
Art. 7.
De quitantiën, die niet worden voldaan mogen niet vernietigd, maar zullen den Directeur weder ter hand gesteld worden.
Art. 8.
Voor de goede regeling worden door den Directeur jaarlijks de ledenboekjes der Zélatricen opgevraagd en bij de teruggave ontvangt iedere Zélatrice de geschrevene quitantiën voor het begonnen jaar.
147
Art. 9.
Deze regeling geschiedt onder toezicht van den Hoogeerw. Pastoor der bovengenoemde kerk, en onder de leiding van den Weleerw. Directeur, die wordt bijgestaan door een Raad.
Art. 10.
Deze Raad is samengesteld ais volgt:
Mej. M. Ploner, Presidente.
â H. Parnientier, Vice-Presidente.
â M. Thonett, 10 Secretaresse.
â M. Gocx, 2° Secretaresse.
â M. Langemeijer, Préfectesse.
, T. Overmars van Hees, â
â M. Hunck, â
â C. Sinnige, â
â M. Westerwoudt, Correspondente.
, L. Hamer, â
Art. 11.
In deze Godv. Vereeniging kunnen ook als leden worden aangenomen die huiten de stad wonen, bij overlijden van dezen draagt de Directeur zorg dat twee H.H. Missen worden gelezen in de St. Augustinuskerk alhier, en ééne TI Mis in de parochiekerk van het gestorven lid.
Art. 13.
Om ook huiten de stad leden te winnen, zijn in elke provincie van Nederland Dames Zélatrices aangesteld, wier namen wij achter het Reglement der Propaganda-club laten volgen.
REG-LEHVEEnSTT
van de
PROPAGANDA-CLUB
van het
MAANDSCHRIFT TER EERE VAN O.L.Y.VAN GOEDEN RAAD.
Art. 1.
Het doel der Propaganda-Club is lezers te winnen voor het Maandschrift ter eere van O. L. Vr. van Goeden Raad.
Art. 2.
Om dit doel te bereiken verbinden zich jongeheeren om, als Propaganda-Club, bij alle Katholieken, bijzonder bij de leden der Godvr. Vereeniging, dit Maandschrift aan te bevelen.
Art. 3.
Als middel daartoe ontvangt elk lid der Club een aantal exemplaren, welke hij ter lezing bezorgt met de mededeeling dat hij na veertien dagen een gunstig antwoord hoopt te vernemen.
Art. 4.
Eiken Maandagavond brenge hij de adressen der nieuwe abonnés bij den Directeur.
149
Dames Zélatrices buiten Amsterdam.
|
Assen, Houtstraat............. Mej. G. Kremer. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
150
|
Mej. |
M. Schultze | |
|
â¢n |
El. Wahlen. | |
|
Leeuwarden, Polstraat......... |
T) |
B. Rooda. |
|
â St. Jacobstraat 22.. |
« |
Jos. Minkels. |
|
Leiden, Hooge Woerd.......... |
V |
G. v. Es. |
|
, Haarlemmerstraat....... |
n |
Dames Sanders. |
|
Lisse....................... |
n |
M. LefeberâSchrama. |
|
t) |
M. Herfst | |
|
rt |
M. v. d. Bosch. | |
|
Nijmegen, villa Stadwijk........ |
TJ |
J. van Gent te Hees. |
|
n |
Jeanne Mooijman. | |
|
Nieüwer-Amstel, Noordstraat. |
V |
E. Muller. |
|
0vervees, Tuinlust............ |
n |
VV. Bos. |
|
Ouderkerk a. d. Amstel........ |
T) |
W. Kooten. |
|
n n rgt; ....... |
« |
A. Brands. |
|
Omval a. d. Amstel........... |
n |
A. Muller. |
|
Rotterdam, Mauritsstraal 119.... |
rt |
M. Gaminada. |
|
Schiedam..................... |
yt |
J. v. d. Burg. |
|
n |
W. Sukkel. | |
|
Sloten bij Amsterdam. |
n |
M. Vesseur. |
|
Tilburg, Willem H-straat....... |
n |
G. Allardin. |
|
, Henvelstraat.......... |
n |
A. Horsten. |
|
Uithoorn.................... |
n |
A. v. d. Meer. |
|
Veen weg.................... |
n |
J. Mooijman. |
|
Venraij..................... |
V |
W. Borel. |
|
Vinkeveen.................. |
n |
G. Honkoop. |
|
Weesp...................... |
V |
S. Bastiaans. |
|
n |
H. Ganseboom. | |
|
Zwolle, Diezestraat............ |
n |
A. Brandhoff-Beddink. |
151
PLECHTIGE AANNEMING
van de
ZÃLATRIOES DER GODVRUOHTTGE VEREENIGING
ter eere van
0. L VROUW VAN GOEDEN RAAD.
1quot;. Het diploom en het reglement wordt aan de nieuwe Zéla-trices overhandigd, nadat zij de akte van toewijding met luider stem hebben gedaan. Die toewijding geschiedt in het bijzijn van den Directeur of van een anderen priester, tot het aannemen der Zélatrices te dien einde door den Directeur gemachtigd.
2quot;. Met het diploom geeft de Directeur aan elke der Zélatrices eene onderscheidings-medaille.
3°. De aanneming heeft in den regel plaats voor het altaar van O. L. V. van Goeden Raad, waarbij eenige waskaarsen zijn ontstoken.
4n. De medailles worden te voren op het altaar gelegd, voor hetwelk do Zélatrices geknield zijn. De Directeur, met surplis en stool bekleed, richt vooraf eenige woorden tot de vergadering over de bcteekenis der plechtigheid.
v. Adjutorium nostrum in
WIJDING DER MEDAILLES.
De Directeur zegent vervolgens de medailles en bedient zich daarbij van deze formule:
Onze hulp is in den naam
|
nomine Domini. r. Qui fecit coelum et |
des Heeren, Die hemel en aarde gemaakt |
|
terrain. v. Dominus vobiscum r. Et cum spiritu tuo. |
heeft. De Heer zij met u En met uwen geest. |
152
|
Oremus. Omnipotens sempiterne Deus, qui Sanctorum luorum effigies sculpi non reprobas, ut quolies illas oculis corporis intuemur, toties eorum intue-mur, tolies eorum actus et sanctitatem ad imitandnm memorise oculis meditemur, has queesutnus imagines in hono-rem et memoriam Beatissimse Virginis Marise, Matris de bono Consilio, adaptatas bene^di-cere et sancti-J-ficarc digneris, et proesta, ut quicunque eas gestando Beatissimam Virgi-nem suppliciter colere et ho-norare studuerit, illius meritis , et obtentu a te gratiam in pra;senti et seternam gloriam obtineat in futurum. Per eum-dem Christum Dominum nostrum. Amen. |
Laten wij bidden. Almachtige, eeuwige God, die het maken der afbeeldingen van uwe heiligen niet alkeurt, opdat wij, zoo dikwerf wij ze met de oogen des lichaams aanschouwen, telkens ook ons hunne daden en heiligheid ter navolging met de oogen van het geheugen voor den geest roepen ; wij smeeken U, gewaardig U, deze medailles, gemaakt ter eere en ter gedachtenis van de allerzaligste Maagd Maria, Moeder van Goeden Baad, te zegenen en te heiligen. Verleen ook, dat al wie door ze te dragen, de allerzaligste Maagd ootmoedig wil huldigen en vereeren, door hare verdiensten en voorspraak van U genade voor het tegenwoordige en de eeuwige heerlijkheid voor de toekomst ver-werve. Door denzelfden Christus onzen Heer. Amen. |
De Directeur besproeit de medailles met wijwater. Vervolgens zegt hij:
Ontvangt dit teeken en draagt het op uw hart, opdat het u voortdurend de liefde te binnen brenge, ^waarmede Jezus heilige Moeder u bemint, en u de getrouwheid herinnere, die gij Haar verschuldigd zijt.
153
Ontvangt deze erkenning uwer aanstelling tot Zólatrice van Onze Lieve Vrouw van Goeden Raad. Ontvang tevens dit Reglement, welks trouwe nakoming u dagelijks beter in staat zal stellen, met vrucht voor de vereering der beminnelijke Moeder van Goeden Raad werkzaam te zijn.
Na dit gezegd te hebben, omhangt hij de Zélatricen met de medailles en overhandigt haar het diploom en het Reglement.
Daarna spreekt de Directeur dit gebed;
O allerliefderijkste Moeder van Jezus, Moeder van Goeden Raad, gewaardig U onder uwe moederlijke bescherming deze zielen te nemen, die verlangen zich geheel en al toe te wijden aan de uitbreiding uwer vereering en de bevordering van uwe godsvrucht. Dat het teeken, waarmede gij haar gesierd hebt, haar beziele met ijver, haar diene tot bemoediging, haar vertrouwen ondersteune en haar een onderpand zij der eeuwige overwinning. Amen.
De plechtigheid wordt besloten met het Magnificat.
AKTE VAN TOEWIJDING
VAN DE
DAMES ZÃLATRIOES EN PEOPAGAN DISTEN
AAN DE
MOEDER VAN GOEDEN RAAD.
O gezegende en onbevlekte Maagd Maria, Koningin des Hemels, die alles vermoogt bij Uwen goddelijken Zoon, Moeder van God en Moeder van Goeden Raad, ik wensch mij heden op een geheel bijzondere wijze aan Uw moederlijk hart toe te wijden.
O, Moeder van Goeden Raad, Moeder van Hem, die het Licht
154
der wereld is, ik verkies U heden lot mijne Meesteres, tot mijne Moeder, tot mijne Voorspreekster bij Uwen goddelijken Zoon.
Ook van mijnen kant wijd ik mij geheel aan Uwen dienst toe en wil ik onder Gods onmisbaren zegen en Uwe moederlijke raadgeving V meer en meer als Moeder van Goeden Raad leeren kennen en doen vereeren door anderen. Eiken dag des levens wil ik mij spiegelen aan Uw heilig voorbeeld.
Daardoor gesterkt zal ik trachten anderen voor Uw vereering als Moeder van Goeden Raad te winnen en steeds meerderen aansporen om bij U licht te zoeken in twijfel, raad in noodwendigheden, zegen in alle ondernemingen, uitkomst in alle moeielijkheden, redding in bekoring en gevaren.
O, goede Moeder van Goeden Raad, ik bid U, neem goedgunstig deze mijne toewijding aan. Gij hebt mij de genade verworven te mogen ijveren voor Uw eer, geef dat deze genade niet ijdel in mij moge wezen, dan, o machtige Moeder van Goeden Raad, zult Gij mij met welgevallen gadeslaan en zal het ook mij nooit aan raad ontbreken. Ik smeek U dit door Jezus Uwen Zoon. Amen.
155
LITANIE
VAN ONZE LIEVE VROUW VAN GOEDEN RAAD.
|
Heer, ontferm u onzer! Christus, ontferm u onzer! Heer, ontferm u onzer! Christus, hoor ons! Christus, verhoor ons! God Hemelsche Vader, ontferm u onzer! God Zoon, Verlosser der wereld, ontferm u onzer! God, Heilige Geest, ontferm u onzer! Heilige Drievuldigheid, éen God, ontferm u onzer! Heilige Maria, bid voor ons! Heilige Moeder Gods, Heilige Maagd der Maagden, Moeder van Goeden Raad, Dochter des Hemelsehen Vaders, Moeder van Gods Zoon, Bruid van Jen H. Geest, Tempel der Heilige Drievuldigheid, Deur des hemels. Koningin der Engelen, Sieraad der Profeten, Raadgeefster der Apostelen, Raadgeefster der Martelaren, Raadgeefster der Belijders, Raadgeefster der Maagden, Raadgeefster aller Heiligen, Raadgeefster der bedrukten. Raadgeefster v.weduwen en weezen. Raadgeefster der kranken. Raadgeefster der bedroefden en gevangenen. Raadgeefster der armen, Raadgeefster der noodlijdenden. Raadgeefster in alle gevaren. Raadgeefster in alle bekoringen, Raadgeefster der zich bekeerende zondaars. Raadgeefster der stervenden, In alle aangelegenheden en noodwendigheden. |
In allen twijfel en ongerustheid, In alle droefheden en wederwaardigheden, In alle gevaren en ongelukken, In alle ondernemingen en verrich tingen, In al onzen nood, In kruis en lijden, In twijfel en onzekerheid, In alle bekoiingen en aanvechtingen, In laster en vervolging, In elk ons aangedaan onrecht, In alle gevaren van lichaam en ziel, In alle voorvallen des levens, In bet uur van onzen dood. Heilige Maria, Moeder van Goeden Raad, Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, spaar ons. Heer! Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, verhoor ons, Heer! Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, ontferm u onzer. Heer! Christus, hoor ons! Christus, verhoor ons! Heer, ontferm u onzer! Onze Vader, enz. V. In al onze twijfelachtigheden en bedruktheden, R. Verleen ons goeden raad, o allerhoogste Maagd Maria! a E B E D. O God, Gever aller goede en volmaakte gaven! laat ons, die onze toevlucht lot Maria nemen, in allen nood en ongerustheid en in alle aangelegenheden, door hare moederlijke hand, I goeden raad, hulp en troost verwer-1 ven, ter liefde van Uwen Zoon, onzen Heer Jezus Christus. Amen. |
156
OPDRACHT VAN ZICH ZELVEN
AAN
O L quot;Vrouw van Goeden Raad.
U, o allerheiligste en hoogwaardigste Maagd Maria, Moeder van Goeden Raad, U groet en vereer ik, U verkies ik heden uit geheel mijn hart tot mijne Moeder en Bestuurderes. 0, laat mijne onwaardigheid U toch niet beletten, mij onder het getal uwer kinderen en trouwe leerlingen aan te nemen !
Na God zijl Gij mijne hoop, mijn toevlucht, mijn raad.
Verlaat mij toch niet, o allerzoetste Moeder. Ik offer mij geheel aan U op, ik wijd mij aan U toe en ten allen tijde wil ik uw eigendom blijven. Verlaat mij dan nooit, o lieve Moeder en maak, dat ik altijd en overal getrouw zij aan den heiligen wil uws Zoons. Sta mij bij met uwen goeden raad en moederlijke bescherming in al mijne ondernemingen, in al mijne kwellingen, in al mijne twijfelingen, in alle gevaren en bekoringen, met een woord, sta mij bij in alle noodwendigheden naar ziel en lichaam.
Verdedig mij tegen alle zichtbare en onzichtbare vijanden; en laat mij, vooral in het uur van mijnen dood, de kracht uwer moederlijke raadgevingen ondervinden, opdat ik heilig uit dit leven scheide en het geluk hebbe, met U, o Maria, Moeder van Goeden Raad, God in alle eeuwigheid te mogen loven en beminnen. Amen.
Libellus, cui titulus Maria, Mater Boni Consilii, neerlandice conscriptus a
Fr. Pr. F. J. H. JANSEN,
imprimatur, servatis servandis.
Datum Amstelodami,
2 Februarii 1898.
J. VAN EERT,
Prior Provincialis Ord. St. Aug.
Imprimi potest H. I. H. RUSCHEBLATT.
Libr. Cens,