ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

»« 'ff ■ No. Jl

HET LEVEN

van den

E ANTONIUS VAN PADUA

door

FRANK MULLER.

KERKELIJK GOEDGEKEURD.

VENLO, G. MOSMANS Senior. 1899.

ocr page 6
ocr page 7

fiAN.

DEN BE MINNELIJKEN EN MACHTIGE heiligen ^ntenius van Padua

WORDT DEZE ARBEID TOT DANK

VOOR REDDING U.T DEN NOOD

OPGEDRAGEN

door

ocr page 8
ocr page 9

VOORBERICHT.

Het hoek, dat wij heden aan het publiek komen aanbieden, is met de noodige vrijheid bewerkt naar „Saint Antoine de Padoue, par Mgr. Ant. Ricard, Vicaire général honoraire d'Aix.quot; 1895, waarbij de hulp van den geleerden Capucijn, Pater Hilaire de Paris, niet is versmaad. Deze laatste heeft door de uitgave van de „legende primitive de Saint Antoine de Padoue* een geheel nieuw licht over den heiligen Wonderdoener ontstoken.

De Bollandisten betreuren het, de primitieve en authentieke Legende van Antonius niet te hebben kunnen vinden. Zij warm gedwongen, zich met de verhalen van Surius en Wadingue tevreden te stellen. De elegantie van het Latijn moest bij Surius de vele uitlatingen vergoeden, die hij nuttig oordeelde om den Protestanten geen aanstoot te geven. De Bollandisten merken het zoo juist op: „ars veritatem perdidiL' {„De kunst heeft de waarheid gedood.*) Wadingue of Wadding volgde het spoor van Surius.

ocr page 10

VOOEBEEICHT.

De ^Legende71 door een Franciscaan geschreven, was alzoo door Surius behandeld. De Bollandisten Iconden het oorspronkelijke handschrift niet terugvinden, en vergenoegden zich met een document uit de 15de eeuw. Eenige jaren geleden ontdekte men in Portugal een handschrift uit de 13d* eeuw; de geleerde Pater Hilaire de Paris vond eenzélfde handschrift in de nationale bibliotheek te Parijs en nog een ander in het klooster der Capucijnen te Lucern. Dit laatste Zwitsersche manuscript schijnt de voorkeur te verdienen. Men gelooft dat de legende geschreven is door den H. Bonaventura, den t doctor Seraphicus,quot; en voortgezet of bijgewerkt door diens beroemden leerling Johannes van Pecham in 1274 op last van Generaal F. Hieronymus de Esculo (d'Ascoli).

ocr page 11

INLEIDING.

Voor ons, menschen der 19de eeuw, valt het maar al te vaak moeielijk, ons in vorige eeuwen, in vroegere nu geheel veranderde of verdwenen toestanden te verplaatsen. Hoe moeten gezette studie en langdurige navorschingen te hulp worden geroepen, om ons een juist beeld voor den geest te brengen b. v. van de tijden, toen Grieksche welsprekendheid bloeide te Athene, en Nero in den circus het Romeinsche volk onthaalde op worstelingen van menschen en dieren, toen de Kimbrische vloed volkeren en landen verzwolg en Europa voor Attila's benden sidderde. Maar ook, hoe rijk wordt die inspanning, dat onderzoek beloond! Welk een genot, in dat wijde gebied van oude herinneringen en roemvolle overleveringen rond te dwalen! Voor het christelijk hart is daarenboven een geheel bijzonder genoegen weggelegd, als men het oog vestigt op de tijden van geloofseenheid, op de middeleeuwen, die zoovele christelijke helden te voorschijn riepen in al hun onbedwongen kracht, in al hun fleren trots, mannen vol oorspronkelijkheid, vol karakter en overtuiging, mannen van de daad, die waarlijk geen vergelijking behoeven te vreezen met zoovele woordenrijke imitatie-menschen van onze eeuw, een ontevreden, nooit voldane massa, zonder overtuiging, zonder levenskracht, levensmoed en levensvreugde, omdat zij is zonder offer, zonder geloof, zonder God. Voorzeker voorbij, onherroepelijk voorbij zijn de dagen, toen Venetië onder Europa's grootmachten optrad, toen Genua zijn wereldvlag ontplooide. Voorbijgegaan is de grootheid van het ridderlijk

ocr page 12

INLEIDING.

Spanje, dat de Mooren van zijn dichterlijken bodem verjoeg. Verdwenen is de grootheid van Portugal, dat koningen zag regeeren als Hendrik den Zeevaarder, met zijn schoone leus: „talant de bien faire' d. i. streven naar groote daden. En om die ongewone feiten te volvoeren, snelden niet alleen mannen toe met hoogadellijk blazoen, oorlogshelden, wier kloeke arm roemruchtige daden verrichtte te laad en ter zee, maar ook de mannen Gods, de helden van het kruis, die hun naam vereeuwigden door de verwerping van grootheid, rijkdom en zingenot, en slechts roemen wilden in de vernedering van het kruis van Christus. Wat al heerlijke figuren rijzen voor ons op in den bloeitijd dier middeleeuwen, figuren van de mannen bij uitnemendheid, van Gods roemrijke heiligen. Moeilijk kan men den invloed overschatten, door die edele geesten op hun tijd uitgeoefend. De kracht die van hen uitging, was groot, was liever gezegd onmetelijk als de zee. Die kracht geleek eene vorstelijke heerschappij over landen en volken. Zóo beheerschten een H. Dominicus, zóo een H. Franciscus van Assisi hun eeuw. Zij waren mannen, die als mijlpalen moeten worden beschouwd op den koninklijken weg, dien de geschiedenis van het menschdom aflegt. Die mannen der middeleeuwen op te roepen, is een uitgelezen genoegen, een vermaak van de edelste soort. Wij willen daarom aan onze lezers in de volgende bladzijden éen dier edele ridders van Christus voorstellen, ziju leven, lijden en strijden beschouwen. God tot eer en onze ziel tot troost en navolging. De man, wiens arbeid, strijd en overwinning voor onzen geest gaan rijzen, is de groote wonderdoener, de beminnelijke, en veel beminde vriend van armen, afgedwaalden en veriatenen, in één woord, van alle ongelukkigen, het is de ons allen bekende heilige Antonius van Padua.

ocr page 13

I.

Geboorte en opvoeding.

aude felix Padua, quae thesaurum pos-sides! Juich, gelukkig Padua, dat een schat hezit! Men leest deze woorden rondom den koepel, die het graf van Sint Antonius, Padua's patroon, overwelft. Wel herdenkt Padua ook nu nog zijn stichter Antenor, en den Romeinschen geschiedschrijver Titus Livius, binnen zijne muren geboren; wel is het fier op zijn 600-jarige Universiteit, maar dit alles verdwijnt bij de herinnering aan den H. Antonius, den edelsten zijner burgers, wiens kostbaar overschot zijn grootsten schat uitmaakt. Toch is de heilige niet geboren te Padua. Zijne geboorteplaats was Lissabon; hij behoorde alzoo tot het edele volk van Portugal, een der schoonste landen van Europa. Met deze laatste woorden is niets te veel gezegd. Al denkt misschien iemand aan de misdaden van zoovele barbaarsche Portugeesche ontdekkers van landen en volken, toch was en is nu nog de overgroote meerderheid der bevolking vol medegevoel voor

ocr page 14

10

den lijdenden evennaaste, zacht en voorkomend van aard, beleefd in die mate, dat „onopgevoedquot; de meest beleedigende uitdrukking is naar Portugeesche opvatting. Hun gesprek is beschaafd, hunne taal sierlijk. Gemak van uitdrukking en bijzonder juiste woordenkeus mag inzonderheid geroemd worden. Onnoodig te vreezen voor ver-wenschingen, dubbelzinnigheden en losheid van taal en toon, die bij andere volkeren als een tweede natuur zijn geworden. Geen natie neemt zich, wat deze punten betreft, beter in acht. Het land door de Portugeezen bewoond, wordt met reden door Da Camoëns e. a. om strijd gevierd als betooverend schoon door zijne heerlijke watervallen en kristalheldere bronnen, die uit de met mos bedekte rotsen ontspringen. De schilderachtige oevers der rivieren trekken de reizigers aan. Men mag zeggen dat de Lima niet de eenigste rivier is, die de Romeinsche soldaten de vaderlandsche stroomen kon doen vergeten. De hoofdstad Lissabon, aan den schoenen Taag gelegen, geeft met hare talrijke torens en schitterende koepels een overheerlijk panorama aan de bewonderende blikken des toeschouwers te genieten. Terecht zegt de Portugees met wel te begrijpen trots:

Que nao tem visto Lisboa

Nao tem visto cosa boa.

Dat is;

Die Lissabon niet gezien heeft, heeft niets schoons gezien.

ocr page 15

11

Het klimaat is zacht, zoodat een verwonderlijke plantengroei het oog der reizigers geboeid houdt, terwijl overal de geurigste en smakelijkste vruchten verkwikking bieden. In dat begunstigde land werd de H. Antonius geboren in het jaar 1195, op het feest der ten hemel opneming van Maria, den 15den Augustus. De naam van zijn vader was Martin van Bouillon, dié onder zijn voorvaderen den beroemden Godfried van Bouillon; den eersten koning van Jerusalem, mocht tellen. Zijne moeder heette Teresa Tevéra, wier voorouders eens op den troon van Asturië zetelden.

Waren beiden alzoo roemrijk door hun hooge, oud-adellijke geboorte, hooger luister dankten zij aan hun christelijk leven, aan hun eerbiedwekkende deugd. Het kind, dat hun op dien 15den Augustus werd geschonken, was hun eerstgeborene. Het ontving den naam van Ferdinand. Als zijn broeders worden genoemd Don Velasco

ocr page 16

12

en Don Egidio, en als zijn zusters Dona Feliciana en Dona Maria, van welke de eerste huwde, de laatste reeds op jeugdigen leeftijd als een blanke duif naar de eenzaamheid van het kloosterleven vluchtte.

Don Ferdinand werd gedoopt in de kerk van Onze Lieve Vrouw te Lissabon, een basiliek naast het paleis der Bouillons. Evenals alles, wat aan den Heilige herinnert, is ook het doopvont dier kerk een voorwerp van vrome vereering voor het goede volk van Lissabon geworden. Over de eerste opvoeding van het bevoorrechte kind geeft de geschiedenis slechts sobere inlichtingen. Wij weten alleen, dat zijne godvreezende moeder zich voortdurend met hem bezighield, zoodat uit hare lippen die innige woorden zijn gevloeid, die in het hart van haar kind een zoo brandende liefde tot de H. Maria deden ontwaken. Bekend is het, dat de eerste zang, dien het heilig kind stamelde, een loflied was ter eere van Maria, het bekende „o gloriosa Domina,quot; dat met slechts geringe wijzigingen zoovele malen door de H. Kerk wordt aangeheven, als het schoone: „o gloriosa Vir-ginum.quot; De vertaling luidt aldus :

O roemrijke Vorstin ! verheven boven de sterren! Hem, die U heeft geschapen, hebt Gij aan Uwe heilige borst gevoed. Wat ons door Eva op zoo droeve wijze werd ontnomen, gaaft Gij ons weder in Uw doorluchtigen Zoon. Gij opent de deuren des hemels, opdat zij die treuren, mogen binnengaan. Gij zijt de poort, waardoor de verheven

ocr page 17

13

Koning binnentreedt, Gij Zijn paleis, stralend van licht. Juicht dan, verloste volken! juicht om het leven dat ü door deze Maagd is geschonken. Eere zij U, o Jesus, geboren uit de Maagd ! Eere zij den Vader, eere den H. Geest in alle eeuwigheid.

Men zou dien schoenen zang de strijdleus van den Heilige kunnen noemen. Geheel zijn leven door, was dit zijn meest geliefd gebed: het trilde zelfs op' zijn lippen, toen de dood hem op het sterfbed wenkte.

Geen wonder dan ook, dat de jeugdige Ferdinand, nauwelijks de jaren van verstand bereikt hebbende, voor altijd onder Maria's bijzondere dienaren wilde plaats nemen, en Haar ter eer zijn onschuldig hart aan God toewijden. Zooals eens de Heilige Joachim en Anna in den tempel tegenwoordig waren, toen hun geliefd kind, de H. Maagd Maria, hare maagdelijkheid aan God opdroeg, evenzoo zagen de beide edele ouders van Ferdinand met teedere bewondering het schouwspel aan van hun dierbaar kind, dat zich plechtig als een rein slachtoffer Gode aanbood. Van dat oogen-blik af was de weg des jongelings bepaald. Tee-der van geweten, droeg hij vooral zorg, een ernstig plichtsbesef in zich levendig te houden. Hij vermeed de lichtzinnigheden der jeugd, zoodat 's werelds schijn hem niet vermocht te bedriegen. Het liefst bezocht hij kerken en bedeplaatsen, waar hij aan zijn beminden Zaligmaker, in het tabernakel verborgen, de schatting zijner hulde en zijn van liefde brandend hart offerde.

ocr page 18

14

Op zekeren dag was Ferdinand geknield op de marmeren trap voor het beeld van Maria, in het koor der kerk van Onze Lieve Vrouw del Pilar. Nauwelijks had hij de handen gevouwen tot een hartelijke begroeting van zijne Moeder, als plotseling de booze geest hem verscheen onder de gedaante van een afschuwwekkend monster, dat hem van de heilige plaats wilde verjagen. Onverschrokken maakte het kind met den vinger het machtige teeken des kruises op de marmeren treden; en ziet, aanstonds neemt de duivel de vlucht, terwijl in den harden steen de indruk des vingers zichtbaar was. Nog staat dat kruisteeken gegrift in den steen, voor ieders oog duidelijk te zien. Sinds 600 jaar kussen de geloovigen met eerbied dat heilig wonderteeken, eerste getuigenis van de macht, door den Heilige op de stoffelijke wereld uitgeoefend.

Wij weten, hoe de jeugdige Samuël, gekleed in een linnen ephod, in den tempel den Hooge-priestér behulpzaam was bij het opdragen der offers aan den Heer, en hoe het kind zijn genoegen vond in dien Godgewijden dienst. Ook Ferdinand wenschte niets liever dan God in Zijne tempels te verheerlijken. Wij kunnen ons dan ook zijne vreugde voorstellen, toen zijne ouders hem toevertrouwden aan de kanunniken van Lissabon, die in de „Schola episcopiquot; overschaduwd door de kathedraal, gewoon waren, jonge edellieden in onschuld en reinheid op te voeden, hen toelieten tot den dienst der altaren, en hun zilveren stem-

ocr page 19

15

men aanwendden tot opluistering der plechtige kerkzangen. Weldra had de jeugdige Ferdinand zich eene plaats veroverd in het hart zijner meesters en zijner medeleerlingen. Gehoorzaam aan wet en voorschrift, eerbiedig jegens oversten, priesters en grijsaards, rein en nederig, vijand van leugen, zelfs uit kortswijl geuit, won hij spoedig de liefde van hen, die hem moesten leiden. Maar evenzeer was hij geliefd bij zijn makkers, al barstte hij nimmer in schaterlachen uit, al sprak zijn mond geen enkel nutteloos woord, al bleven ijdele pronk, woeste spelen, afkeer, gemor en ontevredenheid verre van hem. Wij begrijpen dat zijn levensbeschrijver Lelio Poliziano, na het bewonderenswaardige kind met deze trekken te hebben geteekend, aan zijn gevoel lucht geeft met de woorden: „Hoe schitterend zal de volle glans zijn van een zon, die door een zoo stralenden dageraad is voorafgegaan!quot;

ocr page 20

TL

Onder de Kanunniken van den H. Augustinus.

ifjC^ySnjj oo vervlogen de jaren van Ferdinands WJsLM jeugd in onschuld en heiligheid. Hij had zijn 15e levensjaar voleindigd. De tijd om de bisschoppelijke school te verlaten, was aangebroken, en de wereld, de schitterende wereld van Lissabon zou den jeugdigen edelman opnemen. Voorzeker, slechts weinigen mochten verwachten, zoo de algemeene bewondering op zich te vestigen als onze Ferdinand. Geboorte, rijkdom, machtige familiebetrekkingen en persoonlijke gaven waarborgden hem om strijd eene schitterende ontvangst. Meer bevallig dan schoon, paarde hij aan eene ongewone natuurlijke innemendheid, een zekere fierheid, die zich in zijne trekken afspiegelde en een. waarlijk verheven geest verried. Hij bezat naar verhaald wordt, een gewone gestalte, een eenigszins, mager, bruingetint gelaat. Onder een breed voorhoofd schitterden zijne oogen, tolken van levensmoed en van buitengewoon verstand.

ocr page 21

17

Zoo was de jongeling, naar wien het rijke en weelderige Lissabon uitzag. Ferdinand echter verlangde allerminst, in de kringen der edelen te worden opgenomen. Geen andere begeerte bezielde hem, dan die verlokkelijke wereld ten spoedigste te verlaten. Hij besloot, zich in eens van al de aardsche schijngoederen los te rukken; op zekeren dag deed hij een stap, die geheel Lissabon in beroering bracht.

Bij een der poorten had koning Alphonsus I ter eere van den H. Vincentius een klooster gebouwd, dat door de reguliere Kanunniken van den H. Augustinus werd bewoond. Daarheen richtte op zekeren morgen van de maand Augustus ten jare 1210 Ferdinand zijne schreden. Memand zijner verwanten en vrienden had hij met zijn plan in kennis gesteld. De overste van het klooster ontving den jongeling met liefde, want de roem zijner deugden was ook tot hier doorgedrongen, zoodat het onmogelijk bleek, aan een zoo beproefd verlangen te weerstaan, toen hij verzocht onder de kloosterlingen te worden opgenomen. Het ordekleed werd hem dan ook geschonken. Met minachting wierp de edele jongeling zijn schitterende, kleederen en versierselen van zich af, om het witte kleed en koord der Kanunniken daarvoor in plaats te stellen.

Juichte de jonge novice over zijne verlossing uit de boeien der wereld, een geheel ander gevoel beheerschte de adellijke kringen der hoofdstad, toen de mare van Ferdinands intrede in een klooster

H. AKTOBrCS TAN PADÜA. 2

ocr page 22

18

zich had verspreid. Bloedverwanten en vrienden snelden naar de nieuwe woning van Ferdinand. Geen beden, geen smeeken, zelfs geen bedreigingen werden gespaard, om den beminden jongeling uit de cel naar de feestzalen te voeren. Ten slotte bleef de overwinning aan den edelen novice. Om echter de rust en afzondering te vinden, waarnaar hij haakte en die door de herhaalde bezoeken zijner liefhebbende verwanten en vrienden al te dikwijls te Lissabon werden gestoord, verzocht en verkreeg hij verlof, naar het klooster van het Heilig Kruis, gelegen in de stad Coïmbra, te mogen vertrekken.

Hier nu begon Ferdinand het leven van gebed, studie en arbeid, dat nog na eeuwen zijn roem uitmaakt en hem voor altijd stempelde tot den meest waardige onder zijne stichtende medebroeders.

In weinige woorden hebben zijn oversten zijn leven te Coïmbra geteekend, toen zij getuigden, dat hij een man was, befaamd door zijne geleerdheid en godsvrucht, rijk aan letterkundige kennis en beroemd om zijne verdiensten. Zijne levensbeschrijvers stellen hem voor als dag en nacht bezig met de gewijde wetenschap te beoefenen. De H. Schrift was zijn geliefkoosde studie. Daarin vond hij stof voor heilige gedachten en diepzinnige overwegingen. Met tevreden, den letterlijken zin der gewijde bladen te achterhalen, spoorde hij onder de schors van de letter de innigste geheimen op van allegorischen en moreelen zin.

ocr page 23

19

Daaruit ontsproot hem eene wijsbegeerte, die zijn hart bevredigde en verruimde en die het leven van zijne ziel uitmaakte. Daar ook vond hij de wapenen, zoo noodig voor hem, die eens de waarheden van het geloof wil verdedigen, toelichten, ontwikkelen, bewijzen, en alzoo als ridder van Christus' kerk optreden. Later in den strijd met de Albigenzen en de nieuwere Manicheën zullen die wapenen van zijn geweldige kracht getuigen.

Green mindere aandacht wijdde de heilige kloosterling aan de studie der Kerkvaders en van andere bronnen der gewijde Overlevering. Begaafd met een verwonderlijk geheugen, werd alles wat hij las, als het ware zijn persoonlijk eigendom, op elk uur ter zijner beschikking. Het was ook in die dagen, dat hij een boek over de H. Schrift opstelde, dat, eerst in 1653 teruggevonden, de bewondering der geleerden opwekte. Zóo paarde hij, naar het woord van den H. Augustinus, vroomheid aan geleerdheid en geleerdheid aan vroomheid. Hij volgde den regel uit hetRomein-sche recht: eene zaak geeft hare vruchten ten bate van den eigenaar. „Res fructificat dominoquot; : hij liet de wetenschap, door God hem gegeven, geheel en al ter verheerlijking strekken van dien goddelijken Meester.

In het jaar 1219 verschenen in het koninklijk paleis te Coïmbra vijf missionarissen, die op last van den H. Franciscus van Assisi op reis waren naar Marocco, om de Mohammedanen voor Chris-

ocr page 24

20

tus te winnen. De koningin werd niet moede, uit hun mond de laatste vermaningen en zegen-wenschen te vernemen, die de groote Stichter der Franciscanerorde tot zijne kinderen bij hun vertrek had gericht. Met lang daarna verspreidde zich de mare, dat deze vijf edele mannen, reeds te Sevilla wreed mishandeld, bij hun komst te Marocco door den koning gevangen genomen en onder wreede pijnen ter dood waren gebracht. Het gebeente dier bloedgetuigen werd op last van den infant Don Pedro in zilveren relikwie-kasten naar Coïmbra gevoerd, waar de koningin het aan de hoede der reguliere kanunniken toevertrouwde. Bij het zien van dien kostbaren schat, geraakte Ferdinand als buiten zich zeiven. Een zijner levensbeschrijvers vergelijkt hem bij den olifant, die zich door het zien van bloed voelt opgewekt. Zijn hart sprong op van vervoering en blij verlangen, als hij dacht aan die edele mannen, die niet aarzelden, hun bloed voor Christus te storten. O, verzuchtte hij zonder ophouden, mocht men ook mij eens die gunst schenken t Langen tijd bleef die gedachte, dat verlangen in hem levendig. Het was hem, alsof een inwendige stem hem wees op de orde der Minderbroeders, als op de martelaarsschool, waaruit ook voor hem eens de gelegenheid om het offer des bloeds te brengen, zou worden geboren. Eens, God vurig biddend Hem te verlichten, werd hij begunstigd door de verschijning van den H. Fran-ciscus van Assisi, die hem, zooals de Bollandis-

ocr page 25

21

ten verhalen, troostend verzekerde van zijn roeping tot de orde der Minderbroeders. Door deze woorden geheel versterkt, haastte Ferdinand zich, aan deze broeders, toen zij eens brood kwamen bedelen bij de reguliere Kanunniken, te verklaren, dat, zoo hun regel hem toestond het Evangelie te brengen aan de Mohammedanen, hij niets vuriger verlangde dan het kleed hunner orde te mogen ontvangen. Zijn wensch vond verhooring. Reeds den volgenden dag ontving hij de arme pij der Minderbroeders.

Het zal wel niemand verwonderen, dat de reguliere Kanunniken slechts ongaarne een medebroeder, zoo rijk aan deugden en talenten, uit hunne rangen zagen treden. Men begrijpt gemakkelijk, hoe een hunner bij het afscheid den jongen Ferdinand ironisch kon toeroepen: „Ga maar heen, misschien zult ge nog eens heilig verklaard worden!quot; Vele jaren later, toen werkelijk het gebeente van Ferdinand de eer der altaren werd waardig gekeurd, was zoowel bij de reguliere Kanunniken als bij de Minderbroeders zelfs de schijn van minder vriendschappelijke stemming reeds lang verdwenen, en vierden beiden te zamen jaarlijks het feest van den grooten Heilige. Er was hl. bepaald dat alsdan een reguliere Kanunnik een lofrede zou houden in het klooster der Minderbroeders, en den geheelen dag daar het gezag van den overste van het klooster zou voeren.

ocr page 26

III.

Naan Marocco en Poptiuncula.

oo was dan de heilige jongeling het klooster ingetreden van Sint Antonius van Olivarès, d. w. z. der olijfboomen, aldus genoemd omdat het gebouw in een bosch van deze boomen was gelegen. Verlangende geheel onbekend en veiliger te zijn tegenover de nasporingen en bezoeken van adellijke vrienden, verzocht hij, zijn naam te mogen veranderen. Weldra was de telg uit het doorluchtig huis der Bouillons slechts bekend onder den nederigen naam van Broeder Antonius.

Geen oogenblik week het land zijner wenschen, Afrika, uit zijne gedachten. Het was, als wenkte hem de eertijds zoo roemruchtige kerk van Cyprianus en Augustinus, door de barbaren en vandalen geplunderd en verslagen, door Mohammed's woeste volgelingen met den grond gelijk gemaakt.

Nauwelijks had hij zijn plechtige geloften in de orde der Minderbroeders uitgesproken, of hij snelde

ocr page 27

23

naar het land ver over de zee. Hoe gelukkig gevoelde hij zich, toen zijn voet den bodem van het diep gezonken Afrika mocht betreden. En toch, spoediger dan hij had kunnen denken, bleek het hem, dat zijn verlangen om als martelaar op Afrika's grond te worden geofferd, niet door de werkelijkheid zou worden bevredigd. Een kwaardaardige koorts wierp hem op het bed van smarten; en toen beterschap zich altijd door liet wachten, oordeelden zijne oversten beter, hem naar Portugal terug te zenden. Antonius, vóór alles een man van gehoorzaamheid, ging onverwijld scheep naar Lissabon. Reeds was het vaartuig niet ver meer verwijderd van de oevers van den Taag, toen een hevige, plotseling opkomende rukwind het buiten den koers dreef, het steeds verder van Portugal verwijderde en ten laatste op de kusten van Sicilië wierp. Antonius stapte aan land te Tavérna, van waar hij naar Messina vertrok. Zijne medebroeders namen hem daar gastvrij in hun klooster op en verheugden zich, toen zij zagen, hoe het uitgeputte lichaam van Antonius langzaam in krachten toenam. Nog toont men in den tuin van het klooster een citroenboom, door den Heilige geplant in die dagen van herstel.

Heerlijk was het schouwspel, dat op het Pinksterfeest ten jare 1221 het algemeen kapittel der Minderbroeders, te Portiuncula vergaderd, aanbood. Drie duizend leden der orde waren daar bijeen, onder leiding van den kardinaal Ramiero Capocino, die in 's Pausen naam presideerde. Tallooze tenten

ocr page 28

24

en 23 zeer lange tafels waren geplaatst in het bosch, dat bij de bevoorrechte kapel was gelegen. Het was daar, dat Franciscus van Assisi, uitgeput en vermagerd door zijne boetplegingen, aan zijne broeders de schoone woorden van den Psalmist verklaarde: „Gezegend zij de Heer, mijn God, die mijne handen heeft gevormd tot den strijd.quot; Hij mocht van strijd gewagen, nu de ruwe missie van Duitschland, waaruit men zich reeds tweemalen had moeten terugtrekken, opnieuw ter sprake kwam. Het was de heldentijd der orde. Immers, al wist ieder, dat een zending naar Duitschland geüjk stond met een doodvonnis, toch rezen 80 kloosterlingen op, om die missie als een eerepost te vragen. Ook Antonius bewoog zich op dien gedenkwaardigen dag onder die duizenden Broeders. Niemand echter sloeg op den nederigen, bescheiden religieus acht. Toen eindelijk de vergadering uiteenging, naderde Antonius eerbiedig den Provinciaal van Bologna, frater Gratianus, en smeekte dezen, hem met zich te nemen om hem in de wetenschap der heiligen, volgens de leer van Franciscus in te leiden. De Provinciaal, door dit nederig verzoek getroffen, omhelsde hem en nam hem met zich naar de Romagna.

Te Monte Paolo bij Forli op de helling der Appenijnen aangekomen, vroeg en verkreeg Antonius vergunning om zich in een daar gelegen kluis te mogen begeven, als de duif in de rotsholte verborgen, om de stem van den beminden Heer en God beter te kunnen vernemen. Slechts dé Engelen'

ocr page 29

25

zouden kunnen verhalen, welke zoete geheimenissen werden geopenbaard aan Antonius' minnende ziel, in die hooggelegen grot, hangend op de berghelling tusschen hemel en aarde. Slechts dan, als de kloosterregel hem er toe verplichtte, verliet hij zijne geliefde eenzaamheid en vereenigde zich met zijne broeders. Water en brood konden met moeite zijne krachten onderhouden. Geen wonder, dat hij weldra zoodanig was verzwakt, dat hij wankelde bij het gaan, en de arm van een zijner medebroeders hem voor vallen moest behoeden. Die versterving was de prijs, dien hij besteedde om de lelie der zuiverheid in al haar schoonheid te bewaren. Langs dien zwaren weg heeft hij zich den titel der eere verdiend; en terecht mag hij „spiegel der kuischheidquot; worden genoemd.

Wij weten, hoe op de ontoegankelijke bergtoppen, in de velden der eeuwige sneeuw, in volkomen stilte en roerloosheid der natuur, zich de bergstroomen vormen, die weldra vlakten en valleien zullen bevruchten. Zoo was voor Antonius zijne grot, op de kruin der bergen gelegen, ver verwijderd van het gedruisch der wereld, als de bron waaruit welhaast een stroom van weldaden, een vloed van de heerlijkste zegeningen, in onstuimige vaart, zijn loop over 's werelds vlakten en velden zou nemen, alles bevruchtend ten goede, alles tot nieuw leven wekkend. Een schijnbaar geringe oorzaak gaf het teeken.

Het was nl. op den Quatertemper in den Vastentijd, dat de Provinciaal eenige jeugdige kloos-

ocr page 30

26

terlingen van zijn orde, onder wie ook onzen kluizenaar van den Sint Paulusberg, naar Forli geleidde, om er de heilige Wijdingen te ontvangen. De redenaar, die naar aloude gewoonte vóór de Wijding het woord zou richten tot de wijdelingen, was wel aangewezen, maar ontbrak op het bepaalde oogenblik. Daarom verzocht de Bisschop van Forli aan den Provinciaal, zelf den feestredenaar te kiezen. Deze herinnerde zich, hoe Antonius in de zeldzame gevallen, dat de gehoorzaamheid hem er toe dwong, zijn gevoelen in passende bewoordingen had geuit, en koesterde daarom de hoop, dat deze ook nu zich tamelijk goed van een opdracht zou kwijten. Hij wees dus Antonius aan, om het woord te voeren. Deze trad terstond op en nam tot tekst de woorden van Paulus: „ Christus is voor ons gehoorzaam geworden tot den dood.quot;

Reeds na weinige oogenblikken was het gehoor onder de macht van den redenaar geraakt. Het was of het vermagerde lichaam van den heiligen kloosterling met nieuw leven werd bezield; zijne oogen straalden van bovennatuurlijk licht. Zijne breede, schitterende taal bracht de luisterende menigte in verrukking. Ademloos en in de hoogste spanning hoorde men dien stroom van bezielde klanken, die hart en ziel schokten en medevoerden, los van de wereld, omhoog naar God, naar den hemel. Neen, nooit had een mensch zóó tot het volk gesproken, nooit had een redenaar zóó zijn hoorders weten te boeien, te begeesteren, benwals

ocr page 31

27

verrukt medegesleept, en in hen de liefde tot deugd, de liefde tot God doen ontgloeien. Van nu af had de wereld haar prediker, haar leidsman gevonden. Van nu af zou zij eerst zijn bewonderende, daarna zijn volgende en gehoorzame dienaresse zijn.

Ieder verwachtte, dat Antonius zich nu met al het vuur, waarvan zijn apostelhart brandde, aan het predikambt zou gaan wijden. Met lang echter na den dag van de openbaring zijner groote gaven, ontving hij van Franciscus van Assisi een briefje van dezen inhoud: „Aan zijn zeerbeminden Broeder Antonius wenscht Broeder Franciscus heil in onzen Heer Jesus Christus. Ik vind het goed, dat Gij de heilige theologie aan onze Broeders gaat onderwijzen. Draag echter wel zorg, den geest des gebeds niet uit te dooven noch bij U zeiven noch bij de anderen, gelijk het in onzen regel is voorgeschreven. Ik hecht daar veel aan. Vaarwel!quot;

Zoo was aan den gehoorzamen kloosterling een nieuwe werkkring aangewezen. Hij trad op als leeraar der Godgeleerde wetenschap. Een zijner levensbeschrijvers getuigt, dat Antonius onderwees te Toulouse, te Bologna en te Padua. „Zijne lessen, gaat hij voort, waren weldra beroemd. Zij bezorgden hem uitstekende leerlingen, die zijn naam in eere hebben gehouden, ook na zijn dood.quot; Hij was bijzonder ervaren in de mystieke theologie. Hij was, naar het getuigenis van een tijdgenoot, Thomas Gallo, als een brandende en schitterende

ocr page 32

28

lamp. „Door een inwendig liefdevuur ontstoken, straalde hij naar buiteri een onvergelijkelijken lichtgloed uit,quot; Verwierf Bonaventura zich de eer, de grootste Godgeleerde der Minderbroeders te zijn, aan Antonius viel geen mindere glorie ten deel; als „pater Scientiae,quot; vader der wetenschap, staat hij in de annalen der orde opge-teekend.

Vele der nieuwere schrijvers aarzelen zelfs niet den H. Antonius te zien in den grooten onbekende, aan wien zulk een heerlijke lofspraak ten deel valt in het 3® boek 43e hoofdstuk van de „Navolging van Christus.quot; Wij lezen daar: „Ik onderwijs zonder gedruisch van woorden, zonder verwarring van meeningen, zonder weidsche titels, zonder redetwisten .... Want zeker iemand heeft, door Mij innig te beminnen, de kennis van het goddelijke verkregen, en hij sprak eön wonderbare taal. En hij is meer gevorderd door alles te verlaten, dan door het bestudeeren van diepzinnige zaken.quot;

ocr page 33

IV.

Antonius als redenaar.

Is men de geschriften leest van beroemde redenaars, dan kan men soms moeilijk zich een zekere teleurstelling ontveinzen. Is dat nu de redevoering, die duizenden tot de hoogste geestdrift opzweepte ? vraagt men zich af, en men vergeet welk een groot, diep ingrijpend verschil bestaat tusscheri het gesproken en het geschreven woord. Zie eens den waterstraal, die frisch uit de rotsspleet, door het zonnelicht beschenen en dien gloed in de prachtigste kleuren weerkaatsend, te voorschijn springt, en in een stofregen van diamanten nedervallend, uiteenspat. Vang nu datzelfde water op in een schaal. Zeker, nog altijd is het helder en doorschijnend, waar echter is de overspattende en dartele beweging, waar is de kleurschakeering, die u zooeven bekoorde? Zij zijn verdwenen te gelijk met het volle leven: slechts een dood element is overgebleven. Hetzelfde geldt voor den redenaar. Greep zijn gesproken woord u zooeven op machtige wijze in de ziel, de geschreven taal zal minder indruk op u maken, omdat de bezieling,

ocr page 34

30

het vuur aan dat woord ontbreekt. Lees Lacor-daire of welken redenaar ook, om zijne denkbeelden te raden; wilt gij hem echter kennen, ga dan naar hem luisteren. De redenaar neemt het beste gedeelte van zijn redevoering n.l. zich zeiven, mede in het graf. Van daar zullen wij nooit weten, wat eigenlijk Demosthenes, Cicero, Ber-nardus, Bossuet geweest zijn. Noem de welsprekendheid in den mond van een machtig redenaar een stroom van vlammen. Diezelfde welsprekende woorden, aan het dorre papier toevertrouwd, zijn slechts afgekoelde lava. En al hebt gij tienmaal lava gezien van Pompeji, gij hebt daarom nog geen uitbarsting van den Vesuvius bijgewoond. Om alzoo te weten of iemand werkelijk de gave der welsprekendheid in uitstekende mate heeft bezeten, moet op de eerste plaats het getuigenis der toehoorders worden ingewonnen. Het geschreven of gedrukte woord beslist slechts op de tweede plaats.

Dit geldt vooral van de redenaars der middeleeuwen. Zij bedienden zich van de taal van hun land, terwijl hunne redevoeringen ons slechts in eene doode taal, het Latijn, in handen zijn gekomen. Lees de predikaties van den H. Vincentius Fer-reri; gij kunt u nauwelijks voorstellen, dat daardoor zulk algemeen enthousiasme werd verwekt. Bestudeer de 5 in-folio's van den H. Bemardinus van Siena; de paarlen ontbreken niet, evenmin diepe gedachten, bewonderenswaardige brokstukken; toch is u de groote roem diens redenaars nog niet voldoende verklaard.

ocr page 35

31

Ook Antonius hanteerde de taal des volks. „Als een ander levend Pinksterfeest, zegt Ozanam van hem, maakte hij zich meester van de verschillende dialecten der boeren van Umbrië, van Venetië, van de Romagna, en slaagde zoo volkomen, dat hij bijeenkomsten voor zich zag van 30.000 menschen. Hij schreef zijne preeken op, na ze eerst in het volksdialect te hebben uitgesproken. Het volk kende nog het alphabet niet en had dus geen behoefte aan boeken. Voor de geleerden, voor de kloosterlingen, zoo mannen als vrouwen, die tot in de 14e eeuw het Latijn spraken, werden de gehouden predikaties in het Latijn geschreven. Men begrijpt nu, hoe Cantu deze geschreven redevoeringen kon vergelijken bij dor en droog kanefas, allerminst geschikt om een beeld te geven van het leven, waarmede de redenaar het geraamte wist te bezielen.

Evenals zijne tijdgenooten, was Antonius moralist. En dat was hoogst noodig in een tijd, toen de ketterij onkruid zaaide in de Christenheid, en de verachting der heilige zaken, de teugellooze zucht naar vermaak, ontucht en burgertwisten de hulp van de besten en de edelsten onontbeerlijk maakten. Voor elke zonde, voor elke wonde had

y 7

Antonius zijn genezend woord van innig mede-doogen. Gelijkenissen en verhalen, fijne satire en geestige schilderingen, waarin de predikers der middeleeuwen uitmuntten, waren ook in de hand van Antonius een machtig wapen. Luister eens, hoe de waardige zoon van Franciscus den woeker.

ocr page 36

32

dien geesel der middeleeuwen, ten toon stelt:

„Geth, roept hij uit, beteekent pers. Geth stelt de gierigaards van deze wereld voor, ware persen, die de armen en de ongelukkigen verpletteren en al het geld doen afgeven, wat zij bezitten. Van dezen spreekt de profeet Micheas: Gij ontrukt hun gewelddadig de huid, die hen bedekt, om daarna het vleesch te eten dat hun gebeente omgeeft. Voor menschen van dat soort is het nutteloos, de bazuin der prediking te doen weerklinken ; geen bazuin zou de hardheid van hun gemoed verteederen, geen tranen het vuur der gierigheid uitdooven, dat hen verteert.quot;

Elders trekt hij te velde tegen de knevelarijen en het bedrog, door advocaten en mannen van de wet gepleegd. Hij gaat uit van het woord van den Ecclesiasticus: „De tanden van de adder zijn verschrikkelijk, evenals de tanden van een leeuw.quot; De tanden, gaat hij voort, zijn bestemd om de spijzen te verdoelen en fijn te malen. De eerste heeten snijtanden, na welke de hondstanden (oogtanden) volgen, de laatste worden maaltanden genoemd. Zij komen overeen met drie categorieën van gierigaards en met drie soorten van dieven. De eersten bijten hunne prooi, want zij nemen er slechts een gedeelte van mede en laten het overige liggen. De tweeden snijden dieper in. Het zijn de wetgeleerden en de wetuitleggers, die om geld te verdienen, als honden blaffen in hunne pleidooien. De laatsten, gelijkend aan de maaltanden, zijn de rijken en de woeker-

ocr page 37

33

aars, die de armen fijnmalen en verslinden. Maar de Heer zal de tanden der zondaars en de maaltanden der leeuwen verbrijzelen.quot;

Driehonderd jaar later zouden Luther en de hervormingsmannen de Kerk gaan zuiveren van misbruiken. Er zijn misbruiken in kloosters, kapittels, bisdommen en in de geestelijkheid. Dus, zoo luidde de dwaze gevolgtrekking, moesten kloosters en geestelijkheid worden afgeschaft. Anto-nius tast wel de misbruiken aan, maar vervalt niet tot de zotte methode om een ontstoken hand te willen genezen, door haar geheel en al af te snijden. Luister nog een oogenblik: „De afgod der gulzigheid is voldaan, als men hem krachtige en afwisselende gerechten ten offer brengt. De prikkelende sausen wekken zijn eetlust op; hij vindt veel genoegen in het babbelen, maar weinig aan-lokkends in de overweging. Daartegenover is hij er zeer op gesteld, lang te blijven slapen. Deze afgod heeft ten zijnen dienste beschermelingen, die eene groote toewijding jegens hem koesteren. Ik bedoel die nietsdoeners, die in Gods kerk een vadsig leven leiden. In hun samenspraken hoort men niet de snikken van berouw en de zuchten van een vermorzeld hart, maar schaterlachen, en ongepaste grappen____quot;

Men zal toegeven, dat de hier bedoelde personen nu juist niet met een „patte de veloursquot; worden geaaid; het openhartige woord, wars van elke bemanteling, rukt doeken en windsels weg, gaat recht op den man af en legt de

H. ANTOW1US VAN PADUA. 3

ocr page 38

34

wonde bloot. Van zachte meesters verwacht Antonius weinig heil. Hij ontmoet de misbruiken op zijn weg, erkent ze en bestrijdt ze, maar nooit of nimmer komt een woord van verzet, van opstand, van schisma over zijne lippen. Hij wil genezen, ten koste van wat ook, hij wil reinigen, schoon wasschen wat bevlekt is, maar niet (gelijk de Duitschers zoo teekenend zeggen) met het badwater ook het kind naar buiten werpen.

Nog een enkele opmerking dient gemaakt, waar sprake is van de kanselreden of liever van de uittreksels en beknopte samenvattingen der predikatiën, door Antonius gehouden. Naar het voorbeeld van Sint Franciscus, toont hij een groote voorliefde voor de geheele schepping. Hij beschouwt ze niet in hare tegenwoordige verlaging, maar als nog prijkende in de oorspronkelijke zuiverheid, komende uit de hand van God. Aan haar ontleende hij zijne schilderachtige vergelijkingen, en zijne dichterlijke beeldspraak. Het licht en de sterren, lucht en wolken, aarde en zee, boomen en bloemen, vogels en visschen, in één woord de geheele bezielde en onbezielde wereld grijpt hij met liefde aan en ontleent aan dat alles eene taal, even bekoorlijk als juist, even dichterlijk als bovennatuurlijk. Voor een niet gering gedeelte lag daarin het geheim van zijn machtigen invloed op de menigte, op het volk, dat zich tot hem voelde getrokken, gelijk de bij als onweerstaanbaar naar de liefelijk geurende bloem henenvliegt.

De tijding van zijn aanstaande komst in een

ocr page 39

35

stad of dorp, werd met vreugde vernomen. Men haastte zich den beminden kloosterling te gemoet te trekken. Geheele scharen kinderen hieven hun schoonste zangen aan, om hun vader te verwelkomen. In een feestelijke stemming begeleidden zij hem tot aan het klooster, waar hij zijn intrek zou nemen. Onnoodig te zeggen dat op het uur, waarop Antonius het woord zou richten tot het volk, allen zich ter plaatse bevonden.

Die plaats was soms de kerk, gewoonlijk echter een of ander uitgestrekt plein of vlakte, daar de kerken de van alle kanten samenstroomende menigte niet konden bevatten. Vrees, dat de regen de predikatie zou onderbreken, behoefde men niet te koesteren. Wat men dan verloor, zou immers worden ingehaald, en de verwenschte Capelluccio, zooals Bernardinus van Siena den duivel noemde, zou niets bij het uitstel winnen.

Tijd en uur waren Antonius onverschillig. Hij schikte zich naar plaats en omstandigheden. In de dagen van den wijnoogst sprak hij des nachts of te vier uur in den morgen voor de landlieden, ten einde hen niet in de werkzaamheden te belemmeren. Was de keus echter aan hem gelaten, dan voerde hij liefst het woord na de H. Mis, door hem zei ven gelezen. Het oogenblik, waarop zijn hart nog brandde van liefde voor den pas ontvangen Jesus, en zijne welsprekende lippen nog gekleurd waren door het bloed van het goddelijk Lam, achtte hij het meest geschikt om het brood des levens voor de schare te breken.

ocr page 40

36

Reeds bij zijn optreden nam hij aller harten onweerstaanbaar voor zich in. Zijne gestalte was middelmatig, het gelaat gebruind van tint, zijn gestel sterk. Nog geen 30 jaren oud, verleende zijne jeugd een nieuwe aantrekkelijkheid aan zijne engelachtige zachtmoedigheid. Alle gaven van den gewijden redenaar vereenigden zich in hem: natuurlijke bevalligheid, onweerstaanbaar vuur, geweldige kracht, diepe kennis van het arme menschenhart en niet minder diepe kennis der gewijde Geschriften. Aan de profeten ontleende hij hun kleurrijke schilderingen en hun onstuimige kracht, aan de evangelisten hun doordringende eenvoud en liefelijke parabels, aan de kerkvaders en leeraars hunne redeneeringen, hunne bewijzen, hunne welsprekendheid. Een goddelijke bezieling straalt in zijne woorden uit: het is als de stem van den wind in de valleien, van den storm op de bergen. Beurtelings zacht, helder, welluidend, doordringend, vol, krachtig is zijn stem. Zij schikt en buigt zich op wonderlijke wijze naar de verschillende bewegingen en stemmingen, die zijne woorden moeten oproepen, gedragen en versterkt door een edel, sober gebarenspel.

Antonius spreekt tot een licht beweeglijk volk. Hij moet de grillige, veranderlijke naturen weten te boeien. Vandaar een levendigheid van uitdrukking en taal, die de aandacht geen oogenblik tijd gunt om te verflauwen. Overvloed van vergelijkingen brengen de hoofdidee op een gelukkige en oorspronkelijke wijze naar den voorgrond. Hij

ocr page 41

37

ontleent ze aan de natuurtafereelen, aan de kleinigheden van het alledaagsche leven, aan de zeden en gewoonten, aan ieders meest gewone bezigheden. Natuurlijk heeft de redenaar nog een ander doel, dan zijn gehoor te boeien: de les komt achteraan. Heeft hij eerst zijne toehoorders overmeesterd, dan gaat hij recht op het doel af en treft hen met krachtige slagen. Niemand, wien de beteekenis van de les ontgaat. Maar al te goed begrijpen zij haar, die wolven welke hij aan de gestrengheid der wet overgeeft, die verslindende roofdieren welke zich met het vleesch der armen voeden, de woekeraars, wien het angstzweet uitbreekt als zij Antonius hooren spreken, die slechte personen, welke jongeheden en onschuldige harten verleiden, die twistzaaiers welke rust en vrede onmogelijk maken. Zij allen begrijpen hem, zij allen gevoelen de zwiepende slagen van zijn felle zweep. Zooeven was Antonius eenvoudig, gemeenzaam, half schertsend. Nu is hij vol leven en kracht, valt aan, slaat neer en gelijkt een beeld van verschrikking. Zijn woord is een vlam, die steeds nader en dichter op u aanvliegt, die u aangrijpt en verteert. Een huivering van enthousiasme vaart den hoorders in het gebeente. En als de redenaar een einde maakt aan zijn rede, dan getuigen de tranen in zoovele oogen, de luide kreten en zuchten om genade en erbarming, wat ommekeer, wat herschepping het machtig woord van den heiligen kloosterling heeft bewerkt!

ocr page 42

V.

Strijd tegen de Albigenzen.

|iet altijd echter slaagde Antonius er in, de harten te breken en te vermorzelen. Soms bleef het gemoed van die hem aanhoorden, koud en onbewogen, hard als de rots. Dan maakte de Heilige gebruik van een gave, die de barmhartige God aan zijn trouwen dienaar had verleend, de gave der mirakelen. Men mag veilig beweren, dat Antonius een groot redenaar was en tevens een niet minder groot wonderdoener.

Het was in het jaar 1224. De reeds beroemde Franciscaan predikte de Vasten te Vercelli. Ofschoon naar gewoonte vele vruchten des heils oogstend, verlangde hij meer, veel meer zielen tot God terug te voeren. Op zekeren morgen sprak hij in de Sint Eusebiuskerk met meer apostolische kracht dan gewoonlijk. Plotseling vernam men uit een zijkapel een jammerlijk geschrei en hartverscheurende kreten. Een jongeling werd naar het graf gedragen, beweend door allen, wien hij dierbaar

ocr page 43

39

was. De menigte was door medelijden bewogen. Ook Antonius gevoelde innig deernis met zoo felle smart. Hij vouwt de oogen, bidt, heft de oogen ten hemel, steekt de hand uit naar de lijkkist en gebiedt den doode op te staan. En aanstonds, wonder nooit aanschouwd door een der hoorders ! licht de jongeling zich in volle levenskracht op, en dankt den goeden God en zijn machtigen dienaar met vurige woorden. Het volk was verplet; als een donderslag bij wolkenloozen hemel had het wonder allen aangegrepen. En niemand bleef over, die nog weigerde, zich aan God en aan Zijn dienaar over te geven.

Zoo steunde en sterkte de goddelijke Meester zijn Hem toegewijden vertrouweling, die niets meer verlangde dan den strijd des Heeren te mogen strijden. En meer dan ooit had deze vurige leerling behoefte aan Gods bijzonderen bijstand, want geweldige, vreeselijke dagen waren aanstaande. De ketterij der Albigenzen had zich baan gebroken, en dreigde de aloude Moederkerk in het Zuiden van Europa met vernietiging.

In de 13e eeuw werden onder den naam van Albigenzen de talrijke secten aangeduid der Mani-cheën, die in de 10e en 1 le eeuw uit het Oosten trekkende, eensklaps de Westersche Kerk overvielen. Elders werden zij Bulgaren, Catharen enz. genoemd. In ondergeschikte punten verschillend, waren zij echter één in den strijd tegen de leer, de tucht, de hierarchie der H. Kerk. Innocentius III vergeleek ze bij de vossen van Samson, wier fakkels,

ocr page 44

40

aan den staart gebonden, den brand verspreidden in 's Heeren wijngaard. De H. Bernardus, die dikwerf had gepoogd hen tot den waren weg terug te voeren, maar altijd vergeefs, noemde hen: schapen om hun uiterlijk, vossen om hun slimheid, wolven om hun wreedheid. Sinds honderd jaar hadden zij zich gevestigd in de streek van de Alpen tot aan de Garonne, en van de Pyreneën tot aan de bergen van Auvergne. De meest volstrekte geheimhouding was onder hen wet. De twee beginselen van het Manicheïsme waren aan al deze secten gemeen en voerden tot de schromelijkste wanorde. Het huwelijk was bij hen veroordeeld, leugentaal geoorloofd; woeker werd op het ongeloofelijkst gedreven, de goederen van anderen, vooral die der Kerk, met verwonderlijk gemak genaast. De Godheid van Christus werd ontkend, de kruisdood een schande genoemd, het kruisteeken verworpen. De gewijde vaten, de beelden, de kerken werden onteerd en vernield. Bij het begin van de 13e eeuw had deze dwaalleer grooten aanhang verworven in het Zuiden van Frankrijk. Zelfs slechte priesters en vorsten begunstigden haar. De toekomst liet zich donker aanzien.

Antónius had juist zijn taak te Vercelli geëindigd en maakte zich gereed, weder zijn leerstoel te Bologna te gaan beklimmen, toen een bevel van Franciscus van Assisi hem aan Italië ontnam en naar Frankrijk zond, om in de provincie Languedoc de Albigenzen te bestrijden.

Reeds hadden de Minderbroeders kloosters op-

ocr page 45

41

gericht te Montpellier, Mirepoix, Toulouse en Cahors. Al spoedig verstomden de smaadwoorden der ketters tegen den buitensporigen rijkdom en de zucht naar weelde der Kerk, toen zij die waarlijk in armoede en ontbering levende kloosterlingen in hun midden zagen. Men weet hoe de moord van den pauselijken legaat Petrus van Castelnau Paus Innocentius III bewoog tot een kruistocht tegen de moordenaars. De dappere Simon de Montfort veroverde Béziers in 1209 en later Carcassonne, en won in 1213 den beslissenden slag bij Muret. Zeker is het, zegt de abbé Le Monnier, dat de ketterij der Albigenzen door geweld is bedwongen; maar even zeker is, dat aan het licht, door Antonius voor de dwalenden ontstoken, geen minder aandeel in het verjagen dier dwaalleer moet worden toegekend.

Antonius toch legde de listen en het bedrog der ketters voor ieder bloot; hij deed hunne voornemens en besluiten mislukken; hij stelde de schande hunner gedrochtelijke leerstellingen ten toon en stempelde hen voor immer met het-brandmerk der veroordeeling. Geen oogenblik rust schonk hij den misdadigen volksverleiders. Zijn machtig woord klopte steeds en altijd krachtiger op hetzelfde aambeeld, zoodat zijne tijdgenooten hem met eenparige stem den titel schonken van: „hamer der ketters.quot; In dit hoofdstuk wenschen wij den H. Antonius van meer nabij gade te slaan en den zwaren strijd, dien hij als Ridder der H. Kerk heeft aangebonden, om eindelijk zijn

ocr page 46

42

overwinnende tochten door het schoone Fransche rijk te volgen.

Geen land ter wereld had zich zoo edelmoedig aan den dienst van God en van den Christus gewijd als Frankrijk. De Franken, wier Salische wet met de verheven woorden aanving: „Leve Christus, die de Franken bemint,quot; geloofden de plaats in te nemen van Joannes, die aan 'sHee-ren borst mocht rusten; in dat vroom vertrouwen sterkte hen Gregorius IX, die niet aarzelde te zeggen: „ God stelde Frankrijk aan tot bijzonderen uitvoerder Zijner beschikkingen, maakte het tot den pijlkoker van den Verlosser, die er de meest uitgelezen pijlen verzameld vond.quot; Nog in latere tijden durfde een genie als Joseph de Maistre zeggen: „Ik voor mij geloof ten stelligste, dat de waarheid behoefte heeft aan Frankrijk,quot; en maakte Lacordaire deze opmerking: „Evenals God tot Zijn Zoon heeft gesproken: Gij zijt mijn eerstgeborene! evenzoo heeft het Pausdom aan Frankrijk gezegd: Gij zijt mijn oudste dochter! Het heeft zoo mogelijk, nog meer gedaan. Om op het krachtigst zijn meening uit te drukken, heeft het een barbarisme sublime geschapen en Frankrijk genoemd: Chris-tianissimum regnum, het allerchristelijkste rijk.quot;

Nooit was Frankrijk zoozeer bedreigd geweest in dien schoonsten zijner eeretitels, als op het oogenblik dat Antonius de Alpen overtrok en zich vestigde in het hart der vijandelijke beweging, nl. te Montpellier.

Tweevoudig was de werkkring, die door Fran-

ocr page 47

43

ciscus van Assisi aan zijn beminden Antonius was aangewezen. Deze had de theologie aan de studenten zijner Orde te onderwijzen en was tevens belast met de prediking voor het volk. Nog bezitten we een „Verklaring der psalmenquot; door hem geschreven, om hem als tot een arsenaal te dienen, dat steeds de voor tijd en plaats meest geschikte wapenen zou verschaffen.

Een novice, door de gestrenge leefwijze der Minderbroeders ontmoedigd, vluchtte op zekeren nacht uit het klooster en nam tevens de aan Antonius zoo dierbare „Verklaring der psalmenquot; mede. Op het punt, een brug, die over een afgrond hing, over te steken, zag hij zich tegengehouden door een afschuwwekkende verschijning, die hem beval, terstond naar het klooster terug te keeren, zoo hij niet zijn leven in dien afgrond wilde verliezen. De novice, bevend van schrik, maakte rechtsomkeert en verhaalde, in het klooster teruggekomen, wat hem geschied was. Men oordeele over de blijdschap van Antonius, die behalve zijn kostbaar geschrift, ook het afgedwaalde schaap weer in het klooster terug zag.

Dit was niet het eenige bewijs van de goddelijke gunst, waarin Antonius zich mocht verheugen. Dicht bij het klooster te Montpellier bevond zich een poel, ruim voorzien van kikvorschen, wier gekwaak de studiën der Minderbroeders niet weinig verstoorde. Antonius herinnerde zich, hoe de Serafijnsche Vader Franciscus eens stilte had

opgelegd aan een vlucht zwaluwen, die tijdens

'

' ' ' ' . . quot; i

ocr page 48

44

zijn predikatie door hun heen en weer vliegen en hunne kreten de toehoerders verhinderden, aandachtig toe te luisteren. Met hetzelfde eenvoudige vertrouwen op Gods goedheid, naderde Antonius den poel en beval den kikvorschen te zwijgen. Even gehoorzaam als de zwaluwen aan Franciscus, waren de kikvorschen aan Antonius. Geen enkele maal werden de studiën door het gekwaak meer gestoord.

Een nog grooter wonder zou God ten gunste van Zijn dienaar verrichten. Op zekeren feestdag voerde Antonius het woord voor een onafzienbare schare, waarbij zich de gansche geestelijkheid der stad had aangesloten. Onder zijne rede herinnerde hij zich, dat het juist in die oogenblik-ken zijne beurt was, om in het koor van zijn klooster het alleluja aan te heffen. De gedachte, een regel, door de gehoorzaamheid hem opgelegd, te overtreden, deed hem verbleeken. Hij zweeg en boog het hoofd als in gedachten verzonken. Plotseling gevoelde hij zich overgeplaatst naar het klooster, hij zong zijn alleluja en zag zich weer teruggevoerd op den predikstoel, waar hij zijne rede voortzette.

Zoo was dan ook aan Antonius het wonder der bilocatie verricht, 1) dat eens den H. Ambrosius te beurt viel, toen hij zich naar Tours zag overgeplaatst om de begrafenis van den H. Martinus

') Bilocatie. Tegelijkertijd aanwezig zijn op twee verschillende plaatsen.

ocr page 49

45

bij te wonen; het wonder, dat den H. Franciscus vergunde, plotseling in het provinciaal Kapittel van Arlès te verschijnen, terwijl Antonius over het opschrift van het kruis predikte.

In het jaar 1225 besloot het kapittel der Minderbroeders, Antonius uit het klooster van Mont-pellier naar Toulouse te verplaatsen, om zich daar geheel en al aan de bekeering der afgedwaal- • den te wijden. De ketters toch waren hard van gemoed, hard van hoofd, hard van taal. Had Antonius de kwakende vorschen tot zwijgen gebracht, de rumoerige ketters waren nog geenszins tot rust gedwongen. In Toulouse, de stad waar sinds eeuwen de fakkel der Godgewijde wetenschap brandde, waar Sint Dominicus nog niet lang te voren de prediking der Aposteltijden hernieuwde, had de ketterij zich bovenmate versterkt, vooral door het schuldige oogluikend toelaten der regeerende dynastie, van Raymondus VI en Ray-mondus VII.

De edele familie de Foudoas had juist een klooster voor de Minderbroeders te Toulouse gesticht, om den voortgang der dwaalleer tegen te werken. Antonius was onder 'de eerste zonen van Franciscus, die het klooster gingen bewonen; terstond werd [de evangelische arbeid aangevangen en overtroffen de Minderbroeders en de Dominicanen elkander in edelen naijver.

ocr page 50

VI.

Antonius en de ezel.

PI Hl

trokken

et woord van den Evangelist Marcus ging hier in vervulling: „De elf ver-zijnde, predikten overal, terwijl de Heer medewerkte en hun woord bevestigde door mirakelen.quot; Onder de voetstappen van Antonius werden de wonderen geboren, als waren zij een geheel natuurlijke uitstraling van eigen heerschappij over het geschapene. Men waant een vergeten bladzijde van de Handelingen der Apostelen voor zich te zien. Het wonderbare weeft zich op zoo eenvoudige wijze met den gewonen loop der dingen ineen, dat men aan fabelen zou gaan denken, indien niet de geschiedenis de onloochenbare zekerheid der wonderbare feiten had geboekstaafd. Geen enkel mirakel heeft zich zulk een algemeene bekendheid verworven bij de meest verschillende volken en talen, geen enkel is door de Christelijke kunst op alle wijzen meer gepopulariseerd dan het wonder van den muilezel, le Miracle de la Mule, zooals de Franschen het noemen.

ocr page 51

47

Antonius was te Toulouse een reeks conferentiën begonnen over den godsdienst. Hij muntte uit in die soort van hoofsche redetwisten, waarbij menschen te goeder trouw anderen van evenzeer onverdachte trouw oproepen, om als in gesloten kring te strijden, waar het woord het wapen is, voor allen gelijk, waar het geweten als de eenige rechter uitspraak doet.

Het woord van Antonius bezat het zout der wijsheid en schonk de zielen overvloed van troost en genade. De ontwikkelden onder de hoorders waren vol bewondering voor de geheel eenige kunst van den nog zoo jeugdigen en eenvoudigen kloosterling, om de zaken des geestes met elkander te vergelijken; de onwetenden stonden als verplet wanneer hij hun de oorzaken en gelegenheden tot zondigen blootlegde, en hun met weergaloozen tact deugd en goede zeden inprentte. Lieden van eiken stand, van eiken rang, van eiken leeftijd toonden zich dankbaar voor de practische lessen, voor ieder geëigend en .als pasklaar gemaakt. Zonder eenig aanzien des persoons te werk gaande, deed de heilige redenaar niet de geringste concessie nóch aan de gunst des volks, nóch aan de heerschende denkwijze, en toonde zich onwrikbaar tegenover lofspraak en vleiende woorden. Hij was volgens de uitdrukking van den profeet, de geheimzinnige wagen, die het stroo kneust en fijn stampt, die de punten en de tanden heeft van de zaag om de harten te doorploegen en te breken, de wagen die al voortrollend, de heuvelen omverwerpt, verbrijzelt, vernietigt en de bergen in stof doet verkeeren.

ocr page 52

48

Bij den dag groeide de invloed aan van den machtigen redenaar, die de edelste geesten, de meest trotsche harten als zijn rechtmatig verworven buit mocht beschouwen. De partij der ketters was ontsteld over de gevoelige verliezen, die haar werden toegebracht. Een hunner meest begaafde aanhangers besloot, zich aan een redetwist met Antonius te wagen, en wel in het bijzonder dezen aan te vallen over de wezenlijke tegenwoordigheid van Christus in de H. Eucharistie. Een onbetrouwbaar man, wordt hij in de kronijken van dien tijd genoemd, waarschijnlijk om aan te duiden dat geen enkele spitsvondigheid of sophisme hem vreemd was.

In die dagen, toen het gezag nog overal eerbied wekte, werd meer acht geslagen op de woorden van de H, Schrift, dan wel op de moeilijkheden, die de natuurlijke rede tegen het aannemen van een zoo geheimvol leerstuk kon opwerpen. Toch greep de ketter deze moeilijkheden aan, die hem beletten, aan Christus' tegenwoordigheid in de H. Communie te gelooven. Antonius antwoordde hem met een zoogenaamd argumentum ad hominem, n.1. met een bewijsvoering, die zijn tegenstander met zich zeiven in tegenspraak bracht.

„Maar hoe!quot; sprak hij, „de Saraceen gelooft aan het getuigenis van Mohammed, de wijsgeer neemt het getuigenis aan van Aristoteles, en gij, die u beroemt een Christen te zijn, gij weigert te gelooven aan de zoo duideüjke bevestiging dezer waarheid door Christus?quot;

Daarna stelde hij de woorden, waarmede de

ocr page 53

49

Zaligmaker het H. Sacrament des Altaars beloofde, aankondigde en instelde, in het helderste licht. Hij wees op de onredelijke handelwijze der Joden, die het woord van Christus hard vonden, en op de vrijwilhge verblindheid, waarmede zoovelen eveneens hun verstand geweld aandeden, om te ontsnappen aan de waarheid, die zoo eenvoudig en helder voor hen stond.

„Dat kan wel zijn,quot; riep de ketter uit, „doch voor mij is gelooven alleen niet genoeg: ik wil zien, duidelijk zien. Men zegt dat gij zoo kwistig zijt met wonderen, welnu, toon mij door een won-derteeken, dat Christus in de Eucharistie tegenwoordig is, zooals gij in uwe sluitrede beweert aan te toonen. Doet gij dit, dan zweer ik u, dat ik mijn partij zal verlaten en uwe leer nederig aanvaarden.quot;

Antonius doorschouwde den strijd in het hart en de ziel van den spreker, en geloofde te mogen vertrouwen op Gods goedheid; verlicht en opgewekt door den H. Geest, antwoordde hij op zachten toon, dat hij een wonderteeken ten gunste van de waarheid zijner leer zou verrichten.

„Welnu dan,quot; hervatte de Albigenzer, „ik zal den muilezel, dien ik bezit, opsluiten en gedurende drie dagen hem niet het minste voedsel geven. Daarna zal ik hem naar het stadsplein voeren, voor de oogen van allen, en vóór hem een maat haver nederzetten. Gij van uwen kant zult daar met een geconsacreerde Hostie verschijnen. Indien dan de ezel de haver weigert en nederknielt voor

H. ANTONIUS VAN PADUA. 4

ocr page 54

50

de heilige Hostie, zal ik mij gewonnen verklaren en word ik katholiek.quot;

De tijding van de uitdaging des ketters, en vooral het aannemen daarvan door den heiligen kloosterling, bracht de geheele stad in beweging: zoowel de katholieken als de ketters, allen waren in gespannen verwachting. Antonius bleef gedurende drie dagen in zijn klooster; hij bracht dien tijd in vasten en gebed door, zijn goddelijken Meester smeekende, zich te openbaren. In vrede wachtte hij het besUs-sende oogenblik af, vertrouwende, dat Hij, die eens het geloof zalig had geprezen, dat bergen kon verzetten, het geloof van Antonius zou versterken, opdat ook hij 's Heeren kracht mocht ondervinden.

Spoedig was de bepaalde dag, en het afgesproken uur gekomen. Eene groote menigte had zich een plaats verzekerd op het plein der stad. De Albigenzer was met zijn muilezel aanwezig. Daar naderde langzaam Antonius, verzonken in gebed en aanbidding van den verborgen God, dien hij onder de gedaante derH. Hostie in zijne handen droeg. Zijne verschijning gebood eerbied aan de woelige en opgewonden menigte. Nog eenige oogenblikken, en alle gedruisch was verstomd, een plechtige stilte was ingetreden. De spanning was. ten hoogste geklommen. Daar klinkt de stem van Antonius over het plein; hij richt zijne woorden tot den muilezel en gebiedt hem; „In den naam van uwen Schepper, Dien ik onwaardige, wezenlijk en waarachtig in mijne handen draag, beveel ik u, terstond voor Hem neêr te knielen, opdat de ketters erkennen, dat geheel de schepping

ocr page 55

51

onderworpen is aan het Lam dat op onze altaren wordt geofferd.quot;

Ademloos staarde de menigte op den muilezel, wien door zijn meester voedsel werd aangeboden. Het dier weigert er iets van te eten, maar keert zich naar den kant, waar Antonius stond, buigt de knieën, en blijft in die houding eenige oogen-blikken volharden.

Door vreugde en dankbaarheid als verrukt, valt de gansche menigte ter aarde voor den in de H. Hostie verborgen God, die zoo schitterend Zijne almacht toonde. De eigenaar Van den muilezel snelt toe, werpt zich aan de voeten van Antonius en is van dat oogenblik in een oprecht geloovig katholiek veranderd; zijn huisgezin volgde hem in zijn bekecring, evenals zoovele honderden, die den vinger Gods gezien hadden en zich nederig onderwierpen.

Sommige schrijvers o.a. Wadding, één der oudsten en de Grèzes, één der nieuweren, wijzen Bourges aan, als de plaats, waar het bovenverhaald wonder zou zijn gewrocht. De meesten der nieuwere auteurs noemen Toulouse als zoodanig, daar zulks meer in overeenstemming is met de handschriften van Lucern, Parijs en Lissabon.

Het was ook te Toulouse, dat Antonius door de H. Maagd Maria met een bijzondere gunst werd vereerd. Evenals zijne medebroeders, geloofde en verdedigde hij steeds de waarheid, dat Maria onbevlekt van elke smet der erfzonde was ontvangen, een waarheid die in 1854 door Pius IX tot leerstuk werd verheven. Bij die gelegenheid boden de Generaal-

ocr page 56

52

Oversten van de verschillende takken der groote Franciscanerfamilie aan den Paus lelietakken aan, als symbool van Maria's algeheele zuiverheid, entevens ter herinnering aan het bekende feit, dat de orde van Sint Franciscus van den beginne af altijd en overal voor het leerstuk der Onbevlekte Ontvangenis had geijverd, zooals ook voor Maria's ten hemel opneming en hare kroning in den hemel.

De 14e Augustus, de Vigilie van het feest van Maria's Hemelvaart was aangebroken. In het klooster te Toulouse moest bij het officie van het breviergebed „ad Primamquot; het Martyrologium van Usuardus worden voorgelezen. Deze, vooropstellende dat de Kerk zich nog niet heeft uitgesproken over Maria's lichamelijke opneming ten hemel, schijnt het tradi-tioneele geloof aan Maria's verheerlijking onder de apocriefe legenden te willen plaatsen. Antonius, die in zijn liefde voor Maria deze meening niet wilde voorlezen of hooren voorlezen, besloot, niet in het koor te verschijnen. Deze inbreuk op den regel vervulde hem echter met angst en onrust. Plotseling ziet hij zich door een schitterend licht omgeven, en aanschouwen zijne verrukte oogen zijn goddelijken Meester, en aan diens rechterhand de H. Maria, die hem met hemelsche zoetheid toewenkt, zijn onrust verbant, en hem aanmoedigt, voor de waarheid Harer ten hemel opneming en kroning te blijven strijden.

Intusschen had Antonius' onvermoeide arbeid, zoo rijk door God gezegend en zichtbaar beschermd, de ketterij langzaam maar zeker uit haar terrein

ocr page 57

53

verdrongen, zoodat zij ten laatste haar toevlucht zocht op de bergen van Auvergne en in de ravijnen van Velay. Terwijl de heilige kloosterling zich gereed maakte de dwaalleer uit hare laatste schuilhoeken te gaan verjagen, werd hem een nieuwe last op de schouders gelegd. Het kapittel der Minderbroeders geloofde in hem den Overste te hebben gevonden, den Bewaarder (gardiaan), die den waren geest van Franciscus in het klooster zou bewaren.

„Ik wenschte, had eens de Gelukzalige Vader gezegd, dat de Oversten vol liefde waren voor hunne ondergeschikten, en aan dezen zooveel goedheid betoonden, dat de overtreders van de tucht en den regel niet vreesden, zelf aan de Oversten hunne fouten te gaan ontdekken. Gaarne zag ik de Bestuurders gematigd in de uitoefening van hun gezag, en vol medelijden voor de zwakheden der menschelijke ellende; laten zij liever de schuldigen verdragen, dan hen door verwijtingen te kwetsen; laten zij, vijanden blijvende van de zonde, toch de geneesmeesters zijn der zondaars. In één woord, ik wenschte, dat hun leven voor de anderen een spiegel ware van regelmatigheid.quot;

Zulk een man werd door het kapittel tot gardiaan aangesteld van het klooster te Puy-en-Velay, n.1. de nederige Antonius, die reeds sinds lang zijn broeders ten toonbeeld strekte. Dat deze aan het in hem gestelde vertrouwen ten volle heeft voldaan, blijkt uit den zang van de Franciscaner-liturgie: „Het huis, door Antonius gesticht, zal rusten op dien on-wankelbaren steen, welke de Heer is. Niets zal dat

ocr page 58

54

huis doen schudden, nóch de golven der zee, nóch de watervloeden, nóch het gedruisch der stroomen.quot;

Het apostolisch hart van Antonius drong hem, zijn onderbroken arbeid zoo spoedig mogelijk voort te zetten. Welhaast doorkruiste hij de bergachtige streken van Velay, altijd en overal de ketters verstrooiende en verjagende. Dezen hadden hun wolvenaard afgelegd en toonden zich nu onder de veel gevaarlijker gedaante van vossen, die een wijngaard vernielen. „Hoe, zeide Antonius met de woorden van den H. Bernardus, hoe die kleine, bedriegelijke dieren te vangen, tenzij door hunne listen te verijdelen, hunne valstrikken bloot te leggen en ze in hunne eigen netten te verwarren ?quot;

Te Velay kon men als met den vinger de sluwheid der ketterij tasten. Hare pogingen zouden tegen het aloude geloof weinig vermogen, indien zij niet een geheel ongewone behendigheid in het werk stelde. Evenals de vos heeft zij een scherp oog, en een fijn gehoor. Slechts des nachts voert deze zijne stoutste stukken uit, na zijn prooi lang bespied te hebben, om haar zoo geheimzinnig mogelijk aan te vallen. Zóó begint ook de ketter stil om de Kerk Gods rond te dwalen ; hij ziet toe en luistert; indien hij gelooft, dat de herders slapen, dan is voor hem het gunstige oogenblik gekomen; bemerkt hij dat de tucht op een of ander punt is verzwakt, dan is daar de bres, waardoor hij zal binnengaan ; schijnt een woord uit de H, Schrift eene beteekenis toe te laten, die aan de menschelijke hartstochten meer vrijheid laat, dan is

ocr page 59

55

die uitlegging voor hem de ware. Denk echter niet, dat hij aanstonds luide zijn dwaalleer predikt: neen, hij fluistert die eerst zacht en stil aan vrienden en verwanten in; dan zoekt hij haar te verspreiden onder de kleinen en de eenvoudigen. En, als dan eindelijk de valsche leer den herders te oore komt, zijn reeds vele zielen verloren, en heeft de vos reeds zijn prooi overmeesterd.

De goedhartige bergbewoners waren reeds een gemakkelijke prooi der ketters geworden. Maar op het woord van'Antonius verlieten zij hunne verleiders en volgden weder met hart en ziel het aloude geloof hunner vaderen.

In die dagen woonde te Puy een notaris, een man van veel verstand en in het bezit van een groot fortuin. Ongelukkig was hij zoodanig aan een zondig leven verslaafd geraakt, dat hij de ergernis was der gansche stad. Eiken keer, als Antonius dien man ontmoette, groette hij dezen met een in het oog vallende beleefdheid, zoodat de voorbijgangers zich ten zeerste verwonderden. Op zekeren dag knielde de kloosterling voor hem neder en boog zich diep ter aarde. De notaris, woedend over hetgeen hem een bespotting toescheen, riep Antonius toe :

„Wat wilt gij toch ? Wat beteekenen die belachelijke plechtigheden tegenover mij ? Indien ik Gods oordeel niet vreesde, zou ik u mijn degen door het lichaam stooten.quot;

„Mijn broeder, antwoordde Antonius, geheel mijn leven lang heb ik gewenscht als martelaar voor Christus te sterven. Dit geluk, dat mij geweigerd is.

ocr page 60

56

zal u te beurt vallen. De Heer heeft het mij geopenbaard. Als gij eens voor ons heilig geloof zult sterven, denk dan, bid ik u, aan hem, die u in dit oogenblik deze boodschap heeft gebracht.quot;

De notaris, na slechts eenige oogenblikken van verlegenheid, lachte hartelijk om die voorspelling en ging zijns weegs.

. Niet lang daarna werd het bekend, dat de bisschop van Puy naar Palestina ging vertrekken, om de H. Plaatsen te bezoeken en het geloof aan de Saracenen te verkondigen. Een geheimzinnige aandrang spoorde den ergernisgevende!! notaris aan, zich bij den bisschop aan te sluiten. Tot groote verwondering zag men later den bisschop vertrekken, vergezeld door den notaris ; in het verre Oosten aangekomen, begonnen beiden Christus te prediken en de valschheid van Mohammed te bewijzen. Spoedig was de notaris gevangen genomen ; gedurende drie dagen werd hij vreeselijk gepijnigd en mocht eindelijk zijn geloof met zijn bloed bezegelen. Nog in zijne laatste oogenblikken herdacht hij den Heilige, die hem zijn gelukkig einde had voorspeld.

Ook bij eene andere gelegenheid toonde Anto-nius, hoe bij zoovele andere gunsten. God hem ook de gave der profetie geschonken had.

Een aanzienlijke dame te Puy, die hoopte dat haar huwelijk met een kind zou gezegend worden, smeekte den heiligen kloosterling, voör haar tot God te bidden. Door den hemel verlicht, antwoordde hij: „Heb vertrouwen, mijne dochter;

ocr page 61

57

verheug u. Uw kind zal eens uw roem uitmaken Hij zal als Minderbroeder, velen als martelaars tot Christus voeren, en zelfs hen in den marteldood volgen.quot;

Alles geschiedde naar de voorspelling van Anto-nius. Het kind, groot geworden, trok als Minderbroeder onder den naam van Broeder Philippus naar het Heilige Land. Een afdeeling kruisvaarders, bij wie hij zich had aangesloten, viel door verraad in de macht der Saracenen, die aan allen het leven wilden schenken, mits zij het valsche geloof van Mohammed omhelsden. Een oogenblik scheen het, alsof de vrees voor een smartvollen dood hen deed aarzelen. „Dierbare broeders,quot; riep toen de waardige zoon van Franciscus uit, „blijft standvastig in het geloof; want den vorigen nacht heeft God mij geopenbaard, dat ook ik martelaar zal zijn, en de hemelsche heerlijkheid zal binnentreden aan het hoofd van duizend overwinnaars.quot; Die vurige woorden verlevendigden den moed der kruisvaarders. Allen bleven trouw aan Christus; allen vielen als offer ter liefde van Christus, en het hoofd van Broeder Philippus was het laatste, dat onder het slagzwaard der Turken rolde.

ocr page 62

VIL

„Si quaeris mipacula.quot;

|n het leven van Anton ius is niets zoo gewoon als het ongewone; als een gouden draad in een weefsel schiet het wonder in dat leven van geloof telkens te voorschijn. Volkomen toepasselijk zijn hier de woorden van den dichter, zij het,ook in een anderen zin dan hij bedoelde: „Das Wunder ist des Glaubes liebstes Kind.quot; Een liefelijk tooneel is de verschijning van den eenvoudigen, zachtmoedigen religieus, wien de machten over dood en leven ten dienste staan, wiens heerschappij al het geschapene erkent. Als de H. Bonaventura dan ook zingt: „Verlangt gij wonderen te zien, komt en aanschouwt wat hier door Antonius geschiedt,quot; dan bevatten die woorden niet de minste dichterlijke overdrijving, maar eenvoudig de meest prozaïsche waarheid. Om de ongewone verspreiding en belangstelling, die dit lied sinds eeuwen heeft gevonden, wordt den lezer hier de latijnsche tekst met de vertaling aangeboden:

ocr page 63

59

BESPONSOBIUM.

Si qnaeris miracnla: Mors, error, calamitas, Daemon, lepra fugiunt Aegvi snrgunt sani.

Indien gij wilt mirak'len vinden : Ellende, dood en ketterij, Melaatsehheid, daiv'len zelfs verzwinden, De zieke wordt gezond en blij.


Cedant mare, vinonla. Membra resqne perditas Petant et accipinnt Jnvenes et cani.

De zee en klaisters vallen neder, En jong en ond vindt door zijn macht Gezonde ledematen weder,

't Verloor'ne wordt ternggebraeht.


Perennt pericnla Cessat et necessitaa; Narrent hi qni sentinnt Dieant Paduani.

Gevaren, nood en ramp verzwinden; Dit melde Padna's geslacht,

En zij die 't mochten ondervinden, Verkonden Inide zijne macht.


De zee en kluisters enz.

Cednnt etc.

Gloria Patri et Filio et Spiri- Eere zij den Vader, en den Zoon en den

tui Sanoto. Cednnt etc.

H. Geest. De zee enz. (*)

Moeielijk echter wordt het verhaal der talrijke wonderen, indien men de gebeurtenissen naar de chronologische volgorde wil rangschikken. Afgezien van tijdrekenkundige opvolging, mogen de drie volgende feiten genoemd worden als zijnde het meest in de herinnering der Zuidelijke volken bewaard gebleven.

Tijdens eene predikatie van Antonius, luisterde eene vrouw met alle aandacht toe. Een persoon dringt plotseling door de menigte heen, baant zich een weg tot de plaats, waar de vrouw gezeten is en reikt deze een brief over. Dit schrijven bevat het bericht, dat de zoon van de vrouw is

(quot;) Paus Leo XIII heeft den 9den Juni 1896 een aflaat verleend van 100 dagen, toepasselijk op de geloovige zielen, en eenmaal op een dag te verdienen, aan allen, die dertien maal het Onze Vader, Weesgegroet en Eere zij den Vader bidden, ter herinnering aan de wonderen, in het Responsorium „Si qnaerisquot; vermeld. (Bevue theol. Oct. 1896).

ocr page 64

60

gedood in een gevecht met den vijand. Antonius ziet de troostelooze moeder, onderbreekt zijn rede en roept de droeve vrouw toe:

„Vrees niets, moeder, vrees toch niet. Uw zoon is nog levend en in volle gezondheid. Hij, die u zooeven de valsche tijding bracht, is niemand anders dan de duivel.quot; De uitkomst bewees de waarheid van de woorden, door den Heilige gesproken.

Op een anderen tijd werd eene predikatie zeer hinderlijk gestoord door een krankzinnige, die door zijne rumoerige bewegingen en kreten het bijna onmogelijk maakte, naar het gesprokene te luisteren. „Kom, mijn vriend, sprak eindelijk Antonius tot den armen dwaas, kom, zwijg nu en wees stil.quot; — „Broeder, antwoordde de krankzinnige, als gij mij uw koord geeft, zal ik gehoorzamen.quot;

Aanstonds maakte de redenaar met den bemin-nelijken eenvoud, die hem kenmerkte, zijn koord los en wierp het den armen vrager toe. Deze kuste het met eerbied, drukte het aan zijn hart en ontving, zooals de oude kronijken ons verhalen, op hetzelfde oogenblik het gebruik van zijn verstand terug. Men begrijpt gemakkelijk de ontroering en de vreugde der menigte, die getuige was van zoo een plotselinge genezing.

Bij eene andere gelegenheid wenschte een vrome vrouw, getroffen door de welsprekende woorden van Antonius, dezen te gaan hooren, toen hij in een naburig dorp zou gaan prediken. Ofschoon de afstand die dit dorp van hare woning scheidde,

ocr page 65

61

ongeveer slechts twee mijlen was, weigerde haar man, waarschijnlijk minder goed geluimd, haar te laten vertrekken. De brave Christin klom op het terras van haar huis, van waar zij de klok kon zien der kerk, waar Antonius het woord zou voeren. Men stelle zich de verbazing voor der vrouw, als zij eensklaps de stem van Antonius vernam, zoo duidelijk alsof deze in hare nabijheid was. Onbewegelijk bleef zij staan en luisterde naar de predikatie. Haar echtgenoot, haar in dien toestand ziende, riep haar toe, aan hare bezigheden te denken. „Wees stil,quot; antwoordde zij, „anders kan ik Antonius hier niet hooren spreken.quot; — „Zijt gij dwaas geworden,quot; riep de man uit, „meent gij op zulken afstand zijn stem te hooren ?quot; — „Welnu,quot; zei de vrouw, „luister dan zelf!quot; En waarlijk, de man vernam nu duidelijk de woorden, door Antonius in die oogenblikken gesproken. Van dien dag af, voegt de kronijk hier aan toe, verzuimden de beide echtgenooten geen enkele predikatie meer van Antonius.

Zoo werkte de heilige kloosterling aan de bekeering en verbetering van velen. Hij gaf zich echter boven alles moeite om de herders van Gods kudde in brandenden ijver te ontsteken. De H. Schrift vergelijkt de herders bij waakhonden, die door hun blaffen de schapen voor het dreigend gevaar waarschuwen. Zoolang de herders waken, zoolang zij hun: „Wachter, wat is er van den nacht?quot; laten hooren, zoolang is ook de kudde, aan hun zorgen toevertrouwd, in veiligheid. De

ocr page 66

62

kerk Gods kan gerust zijn, ook al dwalen de wolven huilend in den omtrek, als slechts de trouwe honden waarschuwen, en niet met stomheid blijken geslagen te zijn. Meer dan iemand van de waarheid dezer woorden overtuigd, had de Paus den kardinaal de Saint-Ange naar het zuiden van Frankrijk gezonden, om den ijver der herders op te wekken.

Den 30n November 1225 werd door den pauselijken legaat een concilie belegd, waarbij zes aartsbisschoppen en een groot aantal abten en priors van kloosters aanwezig waren. Om den apostolischen geest dezer wachters in Israël te vernieuwen, had hij Antonius uitgenoodigd, voor die doorluchtige vergadering het aloude woord te doen weerklinken: Vae canibus mutis! Wee den honden, die niet blaffen!

Sterk door zijn vertrouwen op de hulp van God, voor Wiens heilige zaak hij streed, trad de nederige zoon van Franciscus op. Eerst schilderde hij de heilige Kerk, onvergelijkelijk in hare schoonheid, groot door hare macht, sterk door hare rechten. Evenals de goddelijke Stichter kon zij aan de wereld haar glans en grootheid toonen; maar tevens moest ook zij wijzen op het grievend leed, haar door zoovele harer kinderen aangedaan. En wie waren het, die zoovelen lieten afdwalen en ellendig vergaan? Dat waren hare bijzondere dienaren, zij, die, als Aaron door God tot het heiligdom geroepen waren, de priesters. „Wee, riep de gewijde redenaar uit, wee den ontrouwen

ocr page 67

63

herder, die de schapen laat afdwalen! Wee den huurling, die ze niet verdedigt tegen de verscheurende wolven!quot;

Eensklaps liet de hemel hem een blik slaan tot in de ziel van een dier ontrouwe herders, van Simon de Sully, den aartsbisschop zelf van Bour-ges, die door betreurenswaardige toegeeflijkheid aan de rechten en belangen der Kerk in groote mate afbreuk had gedaan. Zonder zich, evenals de H. Bernardus, in het minst te bekommeren over het mogelijk verwijt van drieste vermetelheid, keerde Antonius zich naar den aartsbisschop en zeide: „Het is tot U, dat ik mij richt, tot U, die den mijter draagt.quot;

En aanstonds liet hij de onteerende misdrijven volgen, die hij ter uitroeiing aan den doorluch-tigen Kerkvorst voorstelde, waarbij tevens «ulk een overvloed van treffende teksten uit de H. Schrift tot beschaming en opwekking van den zwakken herder werd aangevoerd, dat de aartsbisschop bij het licht, door den apostel ontstoken, zijn fouten inziende en door berouw getroffen, na het eindigen der predikatie zich aan de voeten van Antonius nederwierp, om bij hem genezing zijner zielewonden te vinden. Van dien dag af heeft Simon de Sully een leven geleid, dat het beeld van den trouwen waker voor den geest roept, van den herder, die zijn leven veil heeft voor zijne schapen.

Men begrijpt, welken machtigen indruk deze gebeurtenis op de bevolking heinde en ver maakte.

ocr page 68

64

De stad Bourges verzocht dan ook met aandrang, den gevierden redenaar te mogen hooren. Op het door Antonius bepaalde uur was zulk een menigte bijeengekomen, dat het onmogelijk bleek, den meesten, laat staan allen, een plaats te verschaffen. Er werd dus besloten, in de open lucht te vergaderen, ondanks de vele moeilijkheden, die zich er tegen verzetten. Terwijl de redenaar sprak, werd de hemel verduisterd door zwarte wolken; onheilspellende bliksems doorkliefden de lucht, de donder weerklonk met dof geluid, zware regendroppels begonnen te vallen. Verschrikt wilden de toehoorders wegvluchten; maar het woord van Antonius hield hen tegen :

„Blijft rustig op uwe plaats ; gij behoeft niet bevreesd te zijn voor den regen. Ik stel mijne hoop in Hem, die nooit beschaamt, al wie op Hem betrouwt. Geen enkele druppel water zal op u neder vallen.quot;

Het volk gehoorzaamde aan het woord van den man Gods, en zag zich in zijn verwachting niet bedrogen, Hij, die de wateren in de wolken geboeid houdt, hield den vallenden regen boven het hoofd van de geloovige menigte tegen. Stroomde ook elders het water als in beken op de aarde neer, niemand der hoorders had zich over een enkelen druppel te beklagen. Bij het einde van de predikatie hoorde men dan ook slechts dank en zegenwenschen voor de gunsten, die God door Zijn trouwen dienaar aan Zijn volk wederom had geschonken.

ocr page 69

65

Intusschen zagen de ketters te Bourges niet zonder leedwezen en bezorgdheid den grooten invloed van Antonius bij den dag toenemen. Eén hunner voornaamste leidslieden was zekere Gruiald, een kind Israels, die om zijn geleerdheid en scherp-zinnigen betoogtrant zeer gezien was bij zijne partijgenooten. Deze man wilde in een openbaar dispuut den Minderbroeder beschaamd maken, tot groot voordeel van de zaak der ketters. De redetwist liep echter eenigszins anders af, dan door hem verwacht was. Want getroffen door de overtuigende bewijzen, die de nederige Franciscaan hem voor oogen stelde, gaf hij zich aan dezen over, verzaakte zijne dwalingen, en werd een trouw zoon dierzelfde Kerk, die hij vroeger gekweld had.

Het was ook omtrent dezen tijd (1226), dat het wonder plaats greep, dat den zonen van den Seraphijnschen Vader altijd tot bijzonderen troost heeft gestrekt. Zooals reeds verhaald is, had Fran-ciscus van Assisi nog geen gelegenheid gehad, Antonius van nabij gade te slaan; alleen tijdens het kapittel van 1220 waren beide Heiligen te zamen geweest. Onzeker echter is het, of Fran-ciscus toen met Antonius heeft gesproken. Zeker is, dat hij dezen nooit had hooren prediken. Begrijpelijk alzoo was zijn verlangen om, vóórdat hij stierf, eerst nog de vreugde te smaken van Antonius te mogen hooren, die bazuin van het Evangelie, dien hij zelf „mijn bisschopquot; noemde. Hij bad tot God, hem die gunst te verwerven, en zij werd hem geschonken.

H. ANTONIUS VAN PADUA. 5

ocr page 70

66

In de maand September 1226 bevond Antonius zich te Arlès, waar de in provinciaal-kapittel vergaderde Minderbroeders hem uitnoodigden, hun redenaar te willen zijn, gelijk hij het op het concilie te Bourges geweest was. Den 14en September, het feest van Kruisverheffing, hield Antonius te Arlès een toespraak tot zijne medebroeders. Zijn onderwerp was, gelijk de H. Bonaven-tura heeft opgeteekend, het lijden van Christus, en meer in het bijzonder het opschrift van het kruis: Jesus van Nazareth, koning der Joden. De H. Franciscus wist, dat op dien dag het kapittel zijner zonen daar vergaderd was, en dat Antonius tot aller opwekking zou spreken. Als naar gewoonte stortte hij vurige gebeden voor het welslagen van deze kapittelvergadering, en smeekte Gods zegen af over de Broeders, vooral over Antonius, wiens woord hij zoo gaarne zou hooren voor zijn dood, die slechts eenige dagen later voorviel en waarvan hij een voorgevoel had. Plotseling gevoelde de Heilige zich als opgenomen en verplaatst naar Arlès, waar hij zijn beminden zoon Antonius voor het laatst aanschouwde, voor het eerst en voor het laatst zijn apostolisch woord aanhoorde.

Een der Minderbroeders, Monaldo genaamd, die eveneens de vergadering bijwoonde, had het geluk, bij de deur van de kapittelzaal den Seraphijnschen Vader te aanschouwen, zwevend in de lucht, de armen als een kruis uitgestrekt en de vergadering zegenend. De verklaring zoowel van Fran-

ocr page 71

67

ciscus zeiven als van Monaldo stellen het wonder der bilocatie O buiten eenigen redelijken twijfel.

Weinige dagen later gaf de veelbeminde Vader den geest, bezwijkend onder den drang der liefde, die hem als een vuur verteerde, wegkwijnend onder zijn gloeiend verlangen naar algeheele slachtoffering van zich zeiven, en bedekt met de teekenen der H. Wonden van Christus, glorievolle lijdensmerken, door de liefdeschichten van Jesus' Hart hem ingebrand. Zijn schoone ziel steeg als een blanke duive den hemel tegemoet, onder het welluidend maatgezang zijner broeders, de Engelen Gods, terwijl hij als eens Elias aan Eliseüs, den mantel zijner deugden, vooral van ijver en zachte nederigheid, aan de door hem gestichte Orde achterliet.

') Bilocatie: Het gelijktijdig aanwezig zijn van eeiizelfden persoon op twee plaatsen.

ocr page 72

VIII.

In het land van Limousin.

lien, die ooit ernstig kennis hebben genomen van de geschriften des H. Antonius,

gevoelen zich bovenal aangetrokken door het bekoorlijk zoete der innemendste devotie, door den zoeten geur van heiligheid, die de edele zoon van Franciscus, als een viooltje van nederigheid, als een roos van geduld, als een lelie van maagdelijke blankheid, aan zijn geschriften heeft meegedeeld. Hij was naar het woord van den Apostel, de zoete geur van Christus, die ieder hart naar het geestelijke, naar het goddelijke als onweerstaanbaar heenvoert. Als hij over het kloosterleven spreekt, gevoelt en tast men als het ware, hoe zijn hart brandende was van verlangen, om, gebonden door de zoete banden van armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid, als een slachtoffer van Christus' liefde te leven, te lijden, te sterven. Wat van zijn geschriften nog tot ons is gekomen, mag niet meer dan een zeer beknopte samentrekking heeten; nochtans is

ocr page 73

69

deze bekorting van de hand des Heiligen zelf; men gevoelt er terstond zijn hart in kloppen, dat hart, door liefde tot Christus vervoerd.

„0, roept hij uit, wie zal mij vleugelen geven, als van de duif, om heen te vliegen naar mijn schuilplaats, en daar in vrede te rusten. Dit is de kreet van een ziel, die de wereld moede is, en slechts verzucht naar de eenzaamheid en de heilige rust van den kloosterstaat.

„O religieus leven! van u sprak de Koninklijke Profeet, toen hij zeide: Verlaat uwe steden, bewoners van Moab, gaat wonen in de rotsen en weest als de duif, die haar nest maakt in de diepste holte van het gesteente. Verlaat uwe steden, dat is, de ondeugenden, die haar onteeren, het gedruisch, dat de zielen belet zich tot God te verheffen, of zelfs aan Hem te denken.

„Bewoners van Moab, dat is, van de wereld, evenals Moab vol trotschheid! Alles is hoogmoed in de wereld; hoovaardij van den geest, die weigert zich voor God te vernederen, hoovaardij van den wil, die zich niet aan Gods wil onderwerpt, hoovaardij der zinnen, die opstaan tegen de rede en haar beheerschen. Maar is het genoeg, de wereld te verlaten ? Neen, zich van het gedruisch der wereld verwijderen, en zich van hare ondeugden onthouden, moet voor eene religieuze ziel niet voldoende zijn.

„Bouwt uwe woning in de steenrots. Welnu, die rots is Christus. Vestigt uwe woonplaats in Hem. Hij zij het doel van uwe gedachten, het voorwerp uwer genegenheid. Jacob rustte in de woestijn op

ocr page 74

70

een steen en sliep in; hi] zag in zijn slaap den hemel geopend, sprak met de Engelen, en werd door God gezegend. Zoo zal het elke ziel gaan, die in Jesus haar eenige rust vindt. Zij zal de heerlijkheid zien des hemels, met de Engelen verkeeren, en gezegend worden evenals Jacob, in het Noorden en het Zuiden, in het Oosten en het Westen. De ziel echter, die niet rust op dien steen, heeft geen enkele zegening te verwachten.

„ Weest daarbij als de duif, die haar nest bouwt in de diepste holte van de steenrots. Indien Christus de steen is, de holte van den steen, waarin de religieuze ziel haar toevlucht moet nemen, is de wonde in de zijde van Onzen Heer. Is het niet naar die uitgelezen schuilplaats, dat de goddelijke Bruidegom de ziel uitnoodigt, als Hij in het boek der gezangen zegt: „Sta op, mijne duive, mijne vriendin, haast u te gaan naar de rots in de diepte des steens?quot; Hij spreekt van de verschillende holten van den steen, maar ook van de diepe grot. Christus toch kon in zijn H. Lichaam ons vele wonden aanwijzen, en ééne in Zijn Zijde, Deze laatste leidt tot Zijn Hart, en daar is het, dat Hij de beminde ziel noodigt. Hij heeft Zijne Zijde en Zijn hart geopend, opdat de ziel zich daar zou komen verschuilen.

„Trekt de duif zich terug in de diepten van den steen, dan is zij ook beveiligd tegen de vervolging van roofvogels, en verheugt zich in het bezit van een rustige woning, waar hare dagen in vrede voorbijgaan. Zoo vindt de ziel in het hart van Christus een veilige burg tegen de aanval-

ocr page 75

71

len van den duivel, en tevens een allerzoetste afzondering.

„Blijven wij dan toch niet staan bij den ingang van de grot, dringen wij dieper naar binnen. Bij den ingang, als vormde deze de lippen van de wonde, vinden wij wel is waar het Bloed, dat ons heeft vrijgekocht, dat voor ons spreekt en voor ons genade vraagt; maar daar moet een Godgewijde ziel niet bij staande blijven. Als zij de stem van het goddelijk Bloed heeft vernomen, snelle zij voort naar de bron, waar dat Bloed ontspruit, n.1. het Hart van Jesus. Daar zal zij licht vinden, troost, vrede, en onuitsprekelijke geneugten.

„Laat ons, in de diepste holte van den steen, het voorbeeld volgen van de duif, die haar nest bouwt. De duif maakt haar nest met de stroohalmen die zij hier en daar vindt. Hoe zullen wij nu onze woning bouwen in het hart van Jesus? Die goddelijke Zaligmaker zelf geeft ons de stoffen aan, voor den bouw benoodigd, 0 ziel, aan God voor immer toegewijd! Duif, door Christus bemind! Ziehier de stroohalmen, die de wereld met voeten treedt. Het zijn de werken van deugd waarvan uw Bruidegom en Verlosser zelf u het voorbeeld geeft: nederigheid, ootmoed, armoede, geduld, versterving. De wereld veracht die acten van deugd als onnutte stroohalmen, en toch zijn deze het, die een altijddurende woning zullen vormen in de diepste holte van den steen, in het Hart van Jesus.quot;

ocr page 76

72

Om wille der beknoptheid moeten we deze aanhaling afbreken. Zij was in ieder geval lang genoeg, om eenig denkbeeld te geven van de eigenaardige bekoring, die u tot een herlezing dwingt. Welk een zoete uitnoodiging! met wat zachte banden boeit hij de ziel, om haar als de gevangene van Christus tot voor den troon van dien hemelschen Bruidegom te voeren. Men kan zich gemakkelijk voorstellen, hoe de kloosterlingen deze bezielde taal aanhoorende, beefden van heilige vervoering. Sint Bernardus heeft niet schooner het zalig genot bezongen van de gelukkige eenzaamheid, die hij terecht de eenigste zaligheid van ons tranendal noemde.

Zooals wij reeds zagen, was Antonius benoemd tot gardiaan van het klooster te Arlès. Het eveneens reeds genoemde kapittel der Minderbroeders, te Arlès vergaderd, had Antonius benoemd tot Custos te Limoges, de hoofdstad van Limousin. Als zoodanig' had de nieuwe Overste het toezicht over al de kloosters, die afhankelijk waren van Limoges. Evenals de titel van gardiaan, wijst ook het woord „Custosquot; op de voorname taak, den overste opgelegd, om nl. den geest der orde in de onderhoorige kloosters te bewaren {Custodire).

Voorwaar, een post van gewicht, door de heiligen gevreesd, soms zelfs ontvlucht. Nog zwaarder werd de last van dat oppertoezicht in die tijden van onrust en verwarring, toen daarenboven de kloosterregels nog vrij onbepaald waren, en meer steunden op den ijver der religieuzen, dan op de

ocr page 77

73

kracht der constituties, zoodra het gold de volharding in het goede en het weren van misbruiken. Waarvan echter wordt in deze wereld al geen misbruik gemaakt? Men misbruikt geld, genoegen, talent en genie, maar ook de genade. Was alzoo Antonius bekommerd over de moeilijkheden, aan zijne nieuwe waardigheid verbonden, de inwoners der stad Limoges wisten niet, hoe hunne ingenomenheid te betuigen met de komst van den grooten wonderdoener. Onder het vreugdegejuich van het gansche volk werd deze naar het midden der stad gevoerd, waar hij de gelukkige inwoners toesprak. Op dringende uitnoodiging der Benedictijnen van de Abdij van Sint Martinus, kwam hij reeds den volgenden morgen in hun klooster, om er de van vroom verlangen brandende religieuzen door zijn woord te verkwikken. Vooral echter voor zijne medebroeders toonde Antonius zich den goeden herder, die de zonen zijner Orde als zijne kinderen opbeurde, troostte, leidde en bewaarde als een ware Custos. Ook zij mochten meermalen getuigen zijn van de kracht des hemels, die in hun Yader woonde.

Een jeugdige novice. Broeder Petrus genaamd, was eens ter prooi aan een hevige bekoring van moedeloosheid, zoo zelfs, dat hij er ernstig aan dacht, de Orde te verlaten. Antonius kende door bovennatuurlijke verlichting den toestand diens jongelings. Hij liet hem roepen en hem den mond openend, blies hij over hem, zeggende: „Ontvang den H. Geest!quot; Terstond stortte de novice ter

ocr page 78

74

aarde neer en scheen eenige minuten als dood. Daarna richtte de Custos hem op, en luisterde naar den jongeling, die verzekerde dat hij in de oogenblikken, dat hij als dood terneder lag, als in verrukking ten hemel was opgenomen en daar te midden der engelenkoren een onbeschrijfelijke zaligheid had genoten, zooals geen woord kan uitdrukken, geen mensch zich zelfs kan voorstellen. Onnoodig hier bij te voegen, dat de jeugdige kloosterling geen enkele maal meer door genoemde bekoring werd gekweld.

Op een anderen tijd gebeurde het, dat de kok van het klooster niet wist, welken maaltijd voor de Broeders gereed te maken, om de eenvoudige reden, dat er niets eetbaars voorhanden was. Antonius maakte eene aanzienlijke vrouw met zijn hulpbehoevenden toestand bekend. Deze gelastte hare dienstbode, uit den tuin eenige groenten te halen en die naar het klooster te brengen. Deze vrouw weigerde eerst, omdat de regen in zware buien neerstroomde, maar gehoorzaamde toch eindelijk, op aandringen van hare meesteres. Eerst • naar den tuin en vervolgens naar het eenigszins afgelegen klooster en van daar wederom naar huis gaande, altijd onder een plasregen, was zij niet weinig verwonderd, toen zij tehuis komende zag, dat geen enkele druppel haar geraakt had.

De meesteres, die deze dienstbode had uitgezonden, heeft dit feit meermalen aan haren zoon Petrus verhaald, terwijl deze, later Kanunnik der collegiale kerk van den H. Leonard ge-

ocr page 79

75

worden, er een bijzonder genoegen in vond, dit wonder als een ontwijfelbare gebeurtenis voor te stellen.

Met lang daarna was de stad Limoges getuige van eene herhaling der bilocatie, zooals den Sera-phijnschen Vader voor eenigen tijd was te beurt gevallen. Antonius predikte namelijk in den nacht van Witten Donderdag der Goede Week in de kerk van Sint Pieter, ten aanhoore van velen, die uit devotie bij het Allerheiligste Sacrament des Altaars hadden gewaakt en gebeden. Op hetzelfde uur zongen de Minderbroeders in hun klooster de Metten van het Breviergebed, waarbij ook Antonius één der zoogenaamde „lessenquot; zou reci-teeren. Toen het juiste oogenblik daarvoor was aangebroken, zagen de Broeders Antonius in het koor verschijnen, waar hij met luide stem het hem aangewezen gedeelte van het Officie zong. Toch bleek later, dat de heilige Custos op datzelfde uur onafgebroken gepredikt had in bovengenoemde kerk.

Op een zijner tochten bezocht Antonius ook de Abdij van Solignac in het diocees van Limoges, en zou daar blijven overnachten. Een der monniken van dit klooster was reeds sedert geruimen tijd gekweld door velerlei bekoringen tegen de heilige deugd van zuiverheid. Tevergeefs had hij gebeden, gewaakt, gevast en zich gekastijd, om zijn lichaam onder bedwang te houden. De duivel liet den armen kloosterling niet de minste rust. Vernemende, dat de Heilige van Limoges was aange-

ocr page 80

76

komen, begaf hij zich tot dezen, openbaarde hem den toestand zijner ziel en smeekte om diens vermogende voorbede in de ellende, die hem bezocht. Antonius ontdeed zich van zijn kloosterpij, en gaf deze aan zijn bezoeker. Nauwelijks had deze het kleedingstuk aangetrokken, of aanstonds was de bekoring verdwenen, rust en kalmte vervingen de aloude kwellingen, en van dien dag af ondervond hij niet het geringste verzet der zinnen meer.

Het zal wel geen verwondering baren, te vernemen dat de duivel, aan wien Antonius zoovele zielen ontroofde, zich van tijd tot tijd op zijn vijand wreekte, zij het dan ook zonder eenig voordeel voor hem zeiven, ja zelfs tot zijn groo-tere beschaming.

Op zekeren dag maakten de Broeders zich gereed om, na de Completen van het Officie te hebben gebeden, hunne gewone overweging aan te vangen. De Broeder, belast om met de kloosterbei het teeken voor de meditatie te geven, bemerkte, dat boosaardige personen bezig waren, den oogst van een hunner vrienden te vernielen. Terstond ging hij hiervan kennis geven aan Antonius, die hem tot zijn groote verwondering zeide:

„Begin maar gerust uwe overweging, en wees niet bekommerd over de schade, onzen vriend aangedaan. Zij die daar buiten zijn oogst vertreden, zijn duivelen die u aldus den kostbaren tijd der overweging willen ontrooven, door u ter hulp te doen snellen. Morgen zult gij zien, dat de oogst nog even schoon staat, als den vorigen dag.quot; En

ocr page 81

77

werkelijk bleek den anderen dag de waarheid dezer woorden, en tevens, hoe ijdel de kinderachtige list des duivels geweest was.

Een ander maal zou Antonius in de kerk van den H. Junianus prediken. Toen hij zag, dat dit gebouw de saamgestroomde menigte onmogelijk kon bevatten, liet hij een estrade in de open lucht optimmeren, om er zelf met de geestelijkheid en de voornaamsten der stad op plaats te nemen. Op het oogenblik, dat hij zou beginnen te spreken, werd hem geopenbaard, dat de duivel de vergadering zou verstoren; hij bereidde dus de menigte daarop voor, en voegde er bij, dat men voor geen enkel ernstig ongeval behoefde te vreézen. Het gebeurde juist, zooals de Heilige voorzegd had. Nauwelijks toch had deze gedurende eenige minuten het woord gevoerd, als eensklaps de geheele houten estrade onder vreeselijk gedruisch inéénstortte. De schrik en ontsteltenis waren algemeen. Toen men echter zag, dat niemand eenig letsel had ontvangen, veranderde de bekommering in blij gejuich en dank aan Gods grooten dienaar, op wien de macht des duivels geen invloed had.

Toen Antonius eenigen tijd daarna zijne apos-tolische tochten aanving langs de ravijnen, en over de plateau's der bergen trok, om zielen voor Christus en Diens kerk te winnen, stroomden van alle kanten de bewoners toe, om den beroemden prediker te zien en te hooren. Hoe waren zij getroffen, als zij den nederigen kloosterling met bloote voeten door sneeuw en ijzel zagen voort-

ocr page 82

78

schrijden, om tot in de verst verwijderde en meest afgelegen hutten den arme troost en opwekking en den zegen Gods te brengen. Onwillekeurig vestigden zich de gedachten op den goddelijken Verlosser, die eertijds vlekken, steden en dorpen al weldoende doortrok, en de liefde won der kinderen, der geringen, der lijdenden, der bedroefden, der armen. Ook Antonius was de vriend der kinderen, de vriend der ongelukkigen. Zijn woord, uit het hart tot het hart gesproken, was hun als een zonneschijn op het donker pad van hun alledaagsch leven en van hunne dagelijksche ellende.

Met minder dan in de steden, deed God de heiligheid Zijns dienaars schitteren ook voor de oogen dier eenvoudige bergbewoners.

Eene vrouw had op zekeren dag door allerlei kleine diensten de taak van Antonius helpen verlichten. Te huis teruggekeerd, ziet zij haar kind vallen in een ketel, met kokend water gevuld; geheel buiten zich zelve van schrik, staat zij als wezenloos het ontzettende schouwspel aan te staren, zonder er zelfs een oogenblik aan te denken, haar arm kind te redden.

Op de doordringende kreten van het kind, komen eenige personen uit de naastbijgelegen huizen toegesneld. Men haastte zich het arme gefolterde kind uit het heete water te trekken. Hoe stond ieder verbaasd, toen men het kind zonder het minste spoor van eenige wonde, glimlachend uit het kokende bad zag te voorschijn treden. Aan wien anders zulke wonderbare gunst toe te schrijven, dan aan

ocr page 83

79

den H. Antonius, die de kleine diensten hem bewezen, op zoo schitterende wijze vergold?

Eene andere vrouw was vol vroom verlangen, eene predikatie van Antonius gaan bijwonen. Wie beschrijft echter hare ontsteltenis, als zij in haar kamer binnentredende, haar eenig zoontje, dat gerust sliep bij haar vertrek, nu dood in zijn wieg vond liggen. In haar wanhoop neemt zij haar toevlucht tot Antonius, en verhaalt hem snikkende, welk vreeselijk ongeluk haar had getroffen. Vol medelijden keert zich de heilige kloosterling tot haar en spreekt haar deze vertroostende woorden toe: „Ga, mijn dochter, de Heer zal medelijden met u hebben.quot; Yol vertrouwen keert de brave moeder huiswaarts, en vindt daar haar kind op den grond zitten, spelend met eenige kleine steenen. Hoe hartelijk dankte de gelukkige moeder den goeden God en naast dezen den H, Antonius, die haar zoo wonderdadig had bijgestaan.

Op één zijner reizen bezocht de ijverige zoon van Franciscus een kleine stad, genaamd Cha-teauneuf-la-Forêt. Getrouw aan het voorschrift van Christus, nam hij overal de gastvrijheid aan, die hem werd aangeboden. Hier was het de rijke en vrome eigenaar van een kasteel, die hem in zijne woning noodigde, en hem een kamer aanwees, geheel afgescheiden van het kasteel, opdat de Heilige rustig en ongestoord zich aan het gebed zou kunnen wijden.

Gelukkig in deze afzondering, gaf Antonius zich weldra over aan zijn geliefkoosde overweging; uur

ocr page 84

80

op uur ging voorbij in de zoetste vertrouwelijkheid, in het hartelijkste verkeer met zijn godde-lijken Meester, zijn beminden Zaligmaker. Plotseling overstroomde een geheel ongewoon gevoel van hemelschen troost zijn van liefde brandende ziel. Een schitterende lichtglans bestraalt de kamer; te midden van die zee van stralen, wordt het goddelijk Kindje Jesus zichtbaar; het lacht den nederigen Antonius toe, steekt de handen naar hem uit, en wil eindelijk in diens armen rusten. O goddelijk schouwspel! Aan het laatste avondmaal mocht de maagdelijke Joannes aan de borst des Heeren rusten: hier rust Jesus aan de borst van den maagdelijk reinen kloosterling. Geen pen zal het wagen te beschrijven, wat er in die oogenblikken van hemelsche zaligheid in het hart van Antonius omging. Maar wie beschrijft ook de schaamte van den nederigen religieus, toen hem later door den heer van het kasteel werd medegedeeld, dat deze getuige was geweest van dat goddelijke gunstbewijs. Deze toch zag door de reten der wanden van Antonius' kamer een onge-kenden lichtglans stralen, zoodat hij, begeerig de oorzaak hiervan te weten, zich naar dat vertrek begaf en daar nieuwsgierig naar binnen glurende, een schouwspel zag, dat hem met eerbiedige bewondering vervulde. Antonius bezwoer den edelman, het geheim over die wonderbare gebeurtenis te willen bewaren. Eerst na den dood des Heiligen werd die schitterende gunst des hemels tot stichting der volkeren en tot eer van Antonius bekend gemaakt.

ocr page 85

81

Men weet, hoe de schoone kunsten verschillende tafereelen uit het leven des Heiligen hebben vereeuwigd. Nu eens wordt Antonius afgebeeld met een Bijbel onder den linkerarm, ter herinnering aan den lof, dien Paus Gregorius IX aan zijn ongewone kennis der H. Schriftuur schonk; dan weêr draagt hij een visch, liggende op een boek, om te wijzen op den kostbaren ring, die in een zalm werd teruggevonden, en ook op het wonder van Rimini, Soms houdt hij in de hand een kelk, waarboven een H. Hostie, of een Monstrans, dien hij opheft boven den kop van een gekniel-den muilezel, ter gedachtenis aan het mirakel van Toulouse. Elders omvat zijne hand een lelie-tak als zinnebeeld der kuischheid, die hij ongeschonden bewaard heeft. Ook vindt men hem afgebeeld met een boek, waarop een hart in vlammen rust, om zijn brandenden ijver voor het geloof en de bekeering der zondaars uit te drukken.

Maar geen enkele voorstelling wordt door schilders en beeldhouwers met zoo geheel bijzondere voorliefde behandeld als de hierboven verhaalde verschijning van het goddelijk Kind Jesus. De beroemde Murillo stelt den Heilige voor met een boek in de hand, ten teeken zijner wetenschap, en op dat boek het kind Jesus, dat de armen opent om Antonius te omhelzen. Deze voorstelling is de meest algemeene. Men ontmoet haar in de meest bekende verzamelingen en galerijen van kunst, onder de onsterfelijke fresco's die kloosters en basilieken versieren, op de prach-

H. ANTONIUS VAN PADUA. 6

ocr page 86

82

tige gravures in de salons der rijken, zoowel als op de eenvoudige prenten in de hutten der armen. Antonius verschijnt ons daar zegevierend bij al zijn zedigheid, beladen met zijn kostbaren last, dien hij den beschouwer aanbiedt, zeggende: Aanschouw en smaak, hoe zoet Jesus is, hoe zoet Zijn juk, hoe licht Zijn last.

Na Chateauneuf bezocht te hebben, trok Antonius voort, achtereenvolgens Saint-Julien, Solig-nac, Saint-Pierre des Queyroif, Pierre-Buffière, Mas-seret, TJzerche en Douzenac verkwikkend, zuiverend en tot God terugvoerend. Hij had nu den leeftijd van den Goddelijken Verlosser bereikt, en mocht meermalen deelen in Diens macht. Zich zeiven vergetend, was hij den Meester steeds meer gelijk geworden. God had hem de eereplaats geschonken in Zijn hart, en weigerde hem evenmin de eereplaats in de almacht Zijner handen. Hem gehoorzaamden de elementen zoowel als de bezielde wezens; verstand zoowel als blinde kracht was hem onderdanig. Hij gebood over de harten; hij bekeerde niet enkele personen, hij neigde de gemoederen van gansche volkeren. De hel was machteloos tegen zijn in het vuur geharde deugd. Was het dan wonder, dat de duivel, niet meer wetende hoe den zegevierenden tocht van dien zielenveroveraar tegen te houden, eindelijk besloot, den Heilige van de aarde te doen verdwijnen en hem te dooden, en aldus het rijk des kwaads van den machtigsten bestrijder te verlossen?

Het was in de nabijheid van Brive, dat de aan-

ocr page 87

83

slag beproefd werd. Autonius had in deze kleine stad een klooster van Minderbroeders gevestigd; hij zag het volk, door zijne deugden en groote daden tot hartstochtelijke vereering vervoerd, in zoo talrijke scharen tot hem naderen, om troost, om hulp, om de bezieling van zijn woord te vragen, dat hij evenals Christus naar de eenzaamheid der woestijn moest vluchten om ongestoord zich aan het gebed en den zoeten omgang met God te kunnen wijden.

Ongeveer een kwartier uur gaans van de stad verhief zich een heuvel, zwaar begroeid met lommerrijke kastanjeboomen. Aan deeene zijde bespeurde het oog een nauwen ingang, die naar een uitgestrekte grot voerde, door de natuur als in drie ongelijke zuilen verdeeld. Een dezer vormde een soort van nis of cel, juist groot genoeg om aan een enkel persoon de noodige ruimte te kunnen verschaffen. Deze cel nu koos Antonius zich uit, om des avonds na den harden, onverpoosden arbeid van den dag, eene schuilplaats te hebben, waar hij door gebed, boetpleging en overweging zich kon voorbereiden op den strijd, die hem den volgenden dag wachtte, en die aan den heiligen kloosterling telkenmale de overwinning, aan den duivel slechts de nederlaag aanbracht.

Woedend over de geleden verliezen, besloot de duivel het leven van den man Gods aan te randen. Hij verscheen op een avond in menschelijke gedaante voor Antonius, en vroeg hem rekenschap van de zielen, die hem ontrukt waren. Te gelijk greep

ocr page 88

84

hij als in razernij Antonius aan, en zou hem gedood hebben, indien niet de Heilige zijn toevlucht had genomen tot de machtige hulp van Maria. 0 glo-riosa Domino,! 0 roemrijke Vorstin! riep hij uit, en herhaalde de bede, die hij eiken dag vele malen op de lippen nam, en die hij in die hachelijke oogen-blikken als een noodkreet ten hemel zond. Op die bede ontsprong plotseling in de grot een verblindend licht. Eene Vrouw verscheen, tredende op de wolken, terwijl eene zon haar als een aureool om-glansde. Het was Maria, die haar dienaar vriendelijk aanzag, het was het goddelijk Kind, voor welks blik de helsche vijand overhaastig vluchtte.

Fugite partes adversae ! riep Antonius uit, toen hij zijn belager zag verdwijnen. „Vlucht, vijanden van onze zaligheid.quot; Deze woorden werden als het ware de wapenspreuk van onzen Heilige, die nog dikwerf den duivel en diens aanhang met deze machtige woorden verdreef; in den loop der tijden zijn zij een algemeen verspreid gebed geworden, dat bekend is onder den naam van Breve Sancti Antonii, kort gebed van den H. Antonius, en door Paus Leo XIII den 21n Mei 1892 verrijkt is met een aflaat van 100 dagen, toepasselijk op de zielen in het Vagevuur, eenmaal op een dag te verdienen. Ter wille van de lezers laten we het hier volgen: „Ziet het kruis des Heeren!

Vlucht, vijanden van onze zaligheid! Verwonnen heeft de Leeuw 'uit Juda's stam, De telg van David.

Alleluja! Alleluja.

ocr page 89

85

V. H, Antonius, verjager der duivelen, bid voor ons! R. Opdat wij waardig worden de beloften van Christus.

Laat ons bidden.

Laat, o Grod! de gedachtenisviering van den zaligen Belijder Antonius Uwe Kerk verblijden, opdat zij altijd door geestelijke hulp worde gesterkt en de eeuwige vreugde verdiene te genieten, door Christus onzen Heer. Amen.

Yan de lagen des duivels, verlos ons, H. Antonius!

Dit gebed heeft zijne verspreiding vooral te danken aan een merkwaardig feit, welks geloofwaardigheid door de Bollandisten boven eiken twijfel is gesteld.

Eene arme vrouw was door den duivel, onder de gedaante van Christus verschijnend, zoo dikwijls aangespoord om zich in de rivier den Taag te gaan verdrinken, indien zij volledige vergiffenis van hare zonden en het geluk des hemels wilde deelachtig worden, dat zij eindelijk besloot, aan die vermanende stem gehoor te geven. Zij begeeft zich op weg; toevallig eene kapel der Minderbroeders voor-bijgaande, treed zij binnen, knielt voor het beeld van Sint Antonius, en vraagt den Heilige haar te helpen, om de eeuwige zaligheid te verwerven. Na dit gebed viel zij in een diepen slaap. In die oogenblikken verscheen haar Antonius, die haar voornemen afkeurde en haar een stuk perkament gaf, dat zij voortaan altijd bij zich zou moeten dragen. Ontwakend, vond zij aan haren hals een

ocr page 90

86

blad hangen, waarop het hierboven vermelde gebed te lezen stond, behalve het vers en de daarop volgende oratie. Sinds dat oogenblik was de bekoring verdwenen, en vertrouwde de vrouw op het woord van den H. A.ntonius. Het kort gebed bad zij dagelijks en altijd droeg zij het bij zich. Velen hebben het voorbeeld dezer vrouw gevolgd, het gebed met vertrouwen bij zich gedragen, en hebben eveneens de kracht daarvan tegen de bekoringen des duivels ondervonden. Men kan het gebed, op linnen gedrukt, aan het scapulier of in de kleederen naaien.

Paus Sixtus V heeft het „kort gebed van den H. Antoniusquot; op het voetstuk van de Obelisk van Sint Petrus laten graveeren. Leo XIII heeft het met aflaten verrijkt en daardoor ons aangespoord, het te dragen en te bidden, overtuigd dat in en door het kruis heil te verwerven is.

ocr page 91

IX.

Van Frankrijk naar Italië.

|n de eerste dagen van October 1226 werd | een geweldige tijding aan de Minderbroeders van Brive gebracht. Een bode overhandigde aan Frater Gregorius, als gezag voerende over de Broeders in geheel Frankrijk, een schrijven, dat met dezen smartkreet aanving:

„Voor ik de zaken ga behandelen, die onze aandacht eischen, stort mijn hart zich in zuchten uit. En waarlijk, daar is overvloedige, reden voor. Als een stroom, die buiten zijne oevers treedt, bruist mijne smart op; want de ramp die gevreesd werd, is over u en over mij gestort. Hij die ons troostte, is niet meer; hij, die ons als een lam in zijne armen droeg, is heengegaan naar verre gewesten.''

Aldus schreef Frater Elias, die in plaats van den H. Franciscus van Assisi, voorloopig met het bestuur der Orde was bekleed. „Onze Broeder en Vader Franciscus,quot; ging hij voort, „is op Zondag den 4en October te één uur overleden. Zoodra deze brief

ocr page 92

88

u ter hand is gesteld, zult gij, dierbare Broeders, het voorbeeld navolgen van Israel's volk, dat zijn roemrijke leiders Mozes en Aaron beweende. Laat vrij uwe tranen vloeien, want de troost van zulk een Vader te bezitten, is verloren. Wij zijn weezen. Er staat echter geschreven, dat de arme aan den Heer is toevertrouwd, en dat de Heer den wees tot hulp zal verstrekken. Wenden wij ons dus allen tot den Heer, en vragen wij, na den ondergang van dit eerste kostbare vat, dat Hij, die nieuwe vaten kan vervaardigen, ons een nieuw, uitgelezen vat schenke, dat Hij ons een Opperhoofd aanwijze, die als een andere Machabeër ons tot den strijd zal aanvoeren.quot;

Hetzelfde schrijven bepaalde, dat het algemeen kapittel zou bijeenkomen den 30en Mei van het volgende jaar. Reeds aanstonds bleek het buitengewoon belang, dat verreweg de meeste leden der Orde stelden in de keuze van een nieuwen Generaal-Overste, die toch eerst over zes maanden zou plaats vinden. Velen duchtten, dat een niet onwaarschijnlijke keuze van Frater Elias gelijk zou staan met eene verandering en een verslapping van het werk, door Franciscus gesticht. Antonius, de glorie en de kroon der Orde, werd daarom door zijne medebroeders uitgenoodigd, zich naar Paus Honorius III te begeven, den toestand bloot te leggen, diens raad in te winnen.

Deze Paus stond bekend als een begunstiger der Minderbroeders en vriend van den H. Franciscus. Op verzoek van dien Heilige, had hij den aflaat

ocr page 93

89

van Portiuncula toegestaan, ondanks de moeilijkheden, door zijne raadgevers daartegen ingebracht. Hij had ook den kardinaal Hugoline tot bijzonderen Beschermer (Protector) der Orde benoemd, en eindelijk plechtig de kloosterregels goedgekeurd.

Met belangstelling of liever met ongeduld zag de edele Opperpriester naar de komst uit van An-tonius.

De Paus toch had den kruistocht tegen de Al-bigenzen georganiseerd, Simon de Montfort gesteund, Lodewijk VIII koning van Frankrijk, tot den strijd opgewekt en den legaat Saint-Ange gezonden, om de pogingen der kruisridders op het terrein zelf van den oorlog te steunen.

Antonius verliet het veld van den strijd, na met vreedzame wapenen, doch niet minder krachtig, de ketterij te hebben aangevallen en achteruit gejaagd. Zijn roemrijke naam van welsprekendheid, heiligheid en wonderbare macht was over de bergen tot den Stedehouder van Christus doorgedrongen. Wat wonder dan, dat het vurige en ijverige hart van den Paus dezen heiligen bestrijder der ketters met ongeduld verlangde, om uit diens mond het verhaal zijner kloeke daden, en het verloop en de kansen van den veldtocht te vernemen?

Toch zou het vroom verlangen van den Opperpriester slechts voor een klein gedeelte in vervulling gaan. In Februari 1227 verliet Antonius Limoges, en kwam in Maart te Rome aan, waar hij den Paus zijne nederige hulde aanbood, terwijl deze hem op de hartelijkste wijze ontving. Reeds den

ocr page 94

90

18den Maart echter ontsliep Honorius III zacht en kalm in den Heer, na Antonius, het heil van Israël, gezien en gehoord te hebben.

De reis, door Antonius gemaakt van Frankrijk naar Italië, was een ware zegetocht. Van alle kanten stroomden stedelingen en landlieden toe, om den beminnelijken Heilige te aanschouwen en zijne woorden aan te hooren. De geschiedenis verhaalt ons, hoe ook op deze reis de wonderbare macht van Gods dienaar uitschitterde.

Op zekeren dag kwamen Antonius en een zijner medebroeders in een kleine stad van Provence, het land waar Martha, de zuster van Magdalena en van Lazarus en de gastvrouw van onzen Heer zei ven, gewoond heeft en waar de wetten der gastvrijheid in eere zijn gebleven.

Eene vrouw, bewogen met hunne armoede, bood hun in haar huis vriendelijke opname en onthaal aan. Zij leidde hare gasten naar binnen, en zou brood en wijn op de tafel nederzetten. Zij tapte wijn uit een vat, dat in den kelder lag, maar vergat bij het heengaan de kraan te sluiten, zoodat weldra het vat geheel was leeggeloopen. Een ongeluk komt zelden alleen; dit bleek ook hier. De broeder, die Antonius vergezelde, greep den glazen drinkbeker, door de gastvrouw op tafel gezet, zoo onhandig aan, dat hij hem tegen de tafel aan stukken stiet. De voet van den beker rolde den eenen, de kelk den anderen kant uit.

Men kan zich de droefheid van de arme vrouw voorstellen, toen zij in den kelder afdalende om

ocr page 95

91

opnieuw wijn te halen, geen druppel meer in het vat vond. Zij snelde naar Antonius, en verhaalde hem weenende welk verlies zij geleden had. De Hei-lige was bewogen. Evenals eens de H. Scholastica in haar laatste onderhoud met den H. Benedictus, verborg hij zijn hoofd tusschen de handen en begon met vuur te bidden. De gastvrouw zag oplettend toe. Plotseling verhief zich de voet van het glas, door den broeder stuk gestooten, en vereenigde zich met den kelk van den beker, zoodat wederom een ongeschonden geheel gevormd was. Het wonder aanschouwende, liep de vrouw terstond naar den kelder, hopende dat de Heilige, wiens gebed den drinkbeker had hersteld, ook zijne macht zou tonnen tegenover het verhes, dat zij door het weg-stroomen van den wijn had geleden. Wie beschrijft hare vreugde, toen zij het vat ten boorde toe met wijn gevuld zag. Slechts met moeite kon Antonius zich aan de herhaalde dankbetuigingen der brave gastvrouw onttrekken.

De laatste rustplaats op Franschen bodem was Marseille. Reeds toen bezat deze stad een zeer levendige haven, de verzamelplaats van de geheele bekende wereld. Hare schoone gebouwen waren in den al te nauwen kring van hare met schietgaten voorziene muren ineengedrongen. Als dé koningin der onderworpen Middellandsche zee, zond zij naar alle kanten hare schepen heen, om inlandsche producten over te voeren, en ze rijk beladen met vreemde voortbrengselen naar hare talrijke bevolking terug te brengen. De H. Antonius aanschouwde de schoone

ocr page 96

92

stad. wier heuvelen een indruk wekkend amphitheater vormen; daar rees de aloude Benedictijnerabdij van Sint Victor omhoog; daar ook lag de kleine berg, waar weleer in een heilig woud de Druïden aan de goden offerden, nu in onze dagen beroemd door het heerlijke Lieve Vrouwebeeld, dat de onmetelijke zee beheerscht en als Notre Dame de la Garde, door ieder vereerd wordt, vooral door de zeelieden. In de 13e eeuw onderscheidde zich Marseille, de stad van Maria, eveneens door hare devotie voor de H. Maagd, toen vereerd in de crypte van bovengenoemde abdij, onder den naam van „la Vierge Noire,quot; de Zwarte Maagd.

Ook de Minderbroeders bezaten in deze stad een klooster, gelegen bij den ingang van de straat Tapis-vert, en later als klooster van den H. Lodewijk beroemd geworden. Slechts korten tijd kon de H. An-tonius bij zijne medebroeders doorbrengen, daar de reis naar Kome spoed eischte.

Slechts weinige dagen vóór het overlijden van Paus Honorius III, kwam de heilige kloosterling te Rome aan. Op den dag na dat overlijden (den 19en Maart 1227) vergaderden de kardinalen, en kozen met eenparige stem den kardinaal Hugolino tot paus, onder den naam van Gregorius IX. Deze had wel is waar reeds den leeftijd van 85 jaar bereikt, maar zijn moed en onbezweken kracht waren in zijn voordeel. Gedurende de 14 jaar van zijn bestuur, zou de Kerk Godsin hem den werkzamen en onverschrokken stuurman ontwaren, die haar veilig door een der vreeselijkste stormen henen-voerde. Voor de Franciscanerorde in het bijzonder

ocr page 97

93

moest de verheffing van haar Beschermer een welkom bericht zijn, daar hij zooveel mogelijk de oorspronkelijke gedachte van Sint Franciscus in diens stichting wilde bewaren. Frater Elias, het tijdelijk hoofd der Orde, had reeds als Vicaris van Franciscus de orde willen wijzigen naar het toonbeeld van de rijke abdij der Benedictijnen, machtig in staatkundigen en maatschappelijken invloed, en niet steeds het armoedige Portiuncula als ideaal blijven beschouwen. Hij geloofde, dat de gestrengheid der armoede niet kon worden volgehouden, en men vroeg of laat toch tot verzachtingen zou moeten overgaan. Hij wenschte dus een andere wending te nemen, tegen den geest der oorspronkelijke stichting in. Antonius, dien hij terecht als een der krachtigste voorstanders van dien oorspronkelijken geest beschouwd, en daarom steeds stelselmatig van de zijde van Franciscus had verwijderd gehouden, was nu in Italië teruggekeerd, om de hangende kwestie voor den troon des Pausen te brengen.

Het eerste gebruik, dat Gregorius IX van zijne macht maakte, was de benoeming van Antonius tot prediker der Goede Week, en van den kruistocht tegen de ongeloovigen. De naam van Antonius was reeds wijd en zijd bekend. Van alle kanten, van stad en land stroomde het volk toe om hem te hooren. Ofschoon vreemdeling, sprak de Heilige het Italiaansch zuiver, zoodat ieder hem duidelijk en gemakkelijk kon verstaan. De uitwerking zijner woorden was buitengewoon. Als hij tegen de werken der zonde was te velde ge-

ocr page 98

94

trokken, ging er onder de menigte een luid geschrei op, men klopte rouwmoedig op de borst en zocht door biechten, vasten en versterving de goddelijke rechtvaardigheid te voldoen.

De Paus, verheugd over dien goeden uitslag, gaf den heiligen kloosterling den naam van „Ark des Verbondsquot;. Een zeer juiste naam! Want Antonius was den tekst der H. Schrfit, zoowel van het Oude als van het Nieuwe Verbond, zoodanig meester, dat hij wanneer alle afschriften zouden verdwenen zijn, als een nieuwe Esdras, letterlijk de gewijde Boeken zou hebben kunnen herstellen. Daarenboven bezat hij een wonderlijk talent, om den zin en de be-teekenis der teksten te verklaren en bloot te leggen. De aflaat aan het Paaschfeest te Rome verbonden, was oorzaak, dat duizenden uit alle landen en streken naar de Eeuwige Stad als pelgrims henentrokken. Antonius moest op bevel des Pausen, aan al deze pelgrims de voorwaarden van den aflaat en de te verdienen gunsten uiteenzetten. Hij gehoorzaamde, en zijne volgzaamheid beloonde God door een schitterend feit, door de hernieuwing van het Pinksterwonder. Ofschoon toch de Heilige slechts ééne taal sprak, verstonden al die verschillende hoorders volkomen de woorden, die hij tot hen richtte; zoodat allen in de hoogste bewondering geraakten voor den door God zoo rijk begunstigden en toch zoo nederigen dienaar der menschen.

In de streken van Languedoc en Provence had Antonius de werking gezien dier bewonderens-

ocr page 99

95

waardige broederschappen van boetvaardigen (Confréries des Pénitents) die zelfs nu nog in onze dagen de stichting der ware Christenen uitmaken, o. a, te Marseille, Avignon, Montpellier etc. Een dergelijke vereeniging stichtte hij te Rome onder den naam van „Flagellantiquot; of Geeselbroeders, die ten doel hadden, de Geheimen van Christus' lijden te vereeren, en te boeten voor de zonden der menschen. Toen aanschouwde de Heilige Stad voor het eerst de processie der geeselbroeders, die onder het aanheffen van boetezangen de straten doortrokken.

Deze prijzenswaardige instelling vond ook elders navolging, vooral in Duitschland; maar zij was welhaast van het heilig doel ontaard, zoo zelfs dat de Geeselbroeders ten laatste slechts een misdadige sekte vormden, die door de H. Kerk werd veroordeeld. De H. Vincentius Ferrieri hervormde en herstelde die vrome gewoonte, tijdens zijn missies; op den raad echter zijner vrienden maakte hij er zelf een einde aan, uit vrees voor mogelijke misbruiken.

Na de Paaschfeesten begaf zich Antonius op weg naar de plaats, waar de Seraphijnsche Orde haar oorsprong had genomen, naar Assisi.

De H. Vader schonk hem zijnen zegen; de reis werd aangevangen in gezelschap van Broeder Lucas, naar de streken van ümbrië.

Als men Rome verlatende, naar het Noorden gaat, trekt men de vlakte der Romeinsche Cam-pagna door, steekt den Tiber over, een weinig

ocr page 100

$6

voorbij Civita-Castellana, waarna men zich door een bergachtige streek ziet omgeven, die als een amphitheater hooger en hooger rijst, van de boorden des Tibers af tot aan de bergkammen der Appenijnen. Deze afgelegen, schilderachtige, gezonde landstreek heet TJmbrië. Zij bezit de woeste schoonheid der Alpen: trotsche bergkruinen, wouden, ravijnen en luidklinkende watervallen; haar klimaat echter lijdt geenszins onder de nabijheid der eeuwige sneeuw; daar heerscht al de rijkdom van een zuidelijken plantengroei, zoodat in dit gelukkige land de eik aan den olijfboom, de mastboom aan den wijnstok huwt. De natuur is er even zacht als grootsch; zij boezemt slechts bewondering in, geen vrees: indien alles hier wijst op de macht van den Schepper, alles getuigt ook van Zijne goedheid. Gelukkig heeft de hand des menschen de schoonheid dezer natuurtafereelen nog niet aangetast. Aloude steden, als Narni, Terni, Amelia en Spoleto hangen aan de rotsen, of rusten in de valleien, nog vervuld van klassieke herinneringen, trotsch op de heiligen, daar geboren, wier gebeente eerbiedig wordt bewaard, of op groote meesters der Christelijke kunst, wier arbeid nog heden bewondering wekt. Slechts weinige bergtoppen zijn zoo ruw en ontoegankelijk, dat niet een kluizenaarsgrot of heiligdom de pelgrims tot een bezoek uitnoodigt. Het hart van het land wordt gevormd door een uitgestrekte vallei, omringd door heerlijk schoone bergen, en doorsneden van stroomen en beken, die den goed bebouwden grond rijkelijk besproeien.

ocr page 101

97

De beide toegangen tot dit aardsche paradijs worden bewaakt door de steden Perugia in het Noorden en Foligno in het Zuiden. In het Westen verrijst het kleine Mevania, waar Propertius, de dichter van het zingenot, werd geboren; in het Oosten op een berghelling, die het landschap be-heerscht, verheft zich Assisi, dat Franciscus, den zanger van de verheven liefde, heeft voortgebracht.

Door dat gezegende land reisde Antonius voort, God verheerlijkende bij het gezicht dier heerlijk schoone natuur. Hoe echter de ontroering te beschrijven, toen hij het doel van den tocht bereikte, en de helling van den berg zag hangen ? Daar toch was de beminde Vader Franciscus geboren, daar leefde, bad en weende hij, daar had hij geleden, bemind en den dood met blijdschap begroet. Daar leefde het kloosterlijk huisgezin, waarvan hij zich ook een kind mocht noemen. Daar verhief zich de armoedige kapel, met de grootste der aflaten verrijkt, als een kostbare reliek van de armoede, waarvan Franciscus de hartstochtelijke minnaar was, volgens de kernachtige uitdrukking van Bossuet: „Vamateur désespéré.quot; Ook Antonius had zijn hart geschonken aan de heilige armoede, door de groote menigte versmaad, maar bewaard voor de engelen dezer aarde.

Den 30n Mei 1227 werd in de stad Assisi het in Februari bijeengeroepen Algemeen Kapittel der Franciscaner-Orde gehouden. Eén der candidaten voor de waardigheid van algemeen Overste was Johannes Parenti, een man van ongewone gaven.

H. AHTOICIDS VAN PADUA. 7

ocr page 102

98

Deze was op een eigenaardige wijze tot de orde der Minderbroeders gebracht.

Toen hij namelijk nog, in zijn vaderland Citta-Castellena, in den omtrek van Florence, het ambt van rechter bekleedde, ontmoette hij eens op zijn wandeling door het veld een varkensdrijver, die het te kwaad had met zijne knorrende kudde. Welke pogingen de man ook aanwendde om de varkens in hun stal te drijven, het was alles tevergeefs: de onwilligen ontsnapten rechts en links, zoodat de drijver eindelijk in woede ontstak en uitriep: „Er in, ellendige beesten ! gaat er dan in, juist zooals de advocaten en de rechters de hel ingaan.quot; Wonderlijk genoeg, de dieren gingen op dat woord haastig den stal binnen. Het los daarheen geworpen woord van dien drijver, die wat stekelig van aard, misschien een kleinen wrok had tegen de justitie en hare dienaren, trof den rechter. Hij dacht ernstig na, hoe waar dit woord ten zijnen opzichte kon worden, indien hij niet van leven veranderde. Hij begaf zich tot Franciscus en omhelsde, op diens raad, het leven der Minderbroeders. Zijn eenige zoon volgde zijn voorbeeld, verkocht zijne goederen, en trad eveneens in de Franciscaner-Orde.

In het klooster behield Parenti al den ernst en de waardigheid, die hem als rechter onderscheidde. Hij scheen geboren om gezag uit te oefenen, was een voorstander der strenge armoede, en door ieder om de heiligheid zijns levens hooggeschat.

Toen dan ook het Algemeen Kapittel te zamen kwam, werd Joannes Parenti tot Generaal-Overste

ocr page 103

99

gekozen. Ook Antonius had zijne stem aan den waar-digen kloosterling gegeven, die van 1227 tot 1233 de orde bestuurde volgens den geest van haren stichter.

Het Kapittel had tevens Antonius van zijn waardigheid als Custos in het land van Limousin ontlast, en vertrouwde hem de provincie Bologna toe, die hij als Provinciaal zou moeten besturen.

Dit gewest was een der rijkste en vruchtbaarste van geheel Italië, maar eischte tevens meer dan andere de zorg en den ijver van apostolische predikers. Nergens waren twist en vijandschap, zedeloosheid en onverschilligheid tegenover God en godsdienst, hooger gestegen. Daar had de groote ketterij dier tijden, het Manicheïsme, de schromelijkste verwoestingen in de zielen aangericht. De belijders dier afschuwelijke leer droegen hier niet den naam van Albigenzen, maar noemden zich in de Romagna Catharen, in het Milaneesche Patarinen, in de Sardi-nische Staten Waldenzen, allen echter in den grond gelijkende op de Albigenzen van Frankrijk.

Antonius kende hen maar al te goed, en besloot ook hier den vijand terstond in het hart aan te tasten. Hij trok naar het bolwerk der ketterij, naar Rimini.

Rimini, hetoude Ariminium, in den zuid-oostelijken hoek van de uitgestrekte Po-vlakte gelegen, was de sleutel van de nauwe kuststreek, tusschen de Adriatische zee en den voet der Appenijnen. Daar was ook de toegang van Noord-Italië. De Flavi-niaansche weg, van de bergen dalend, bereikte daar

ocr page 104

100

de zee. De weg van Aemilius, nu nog de groote verbindingslijn tusschen Piémont en de Adriatische Zee, had te Rimini zijn uitgangspunt. Daar begon ook de weg langs de kuststrook in de richting van Ravenna.

Op al deze wegen waren de sporen zichtbaar van de apostolische mannen, die in de eerste eeuwen deze gewesten tot het Evangelie van Christus hadden gebracht. Nu helaas, zuchtte het schoone land onder ketterij, tweedracht en misdaad.

Antonius had den ouderdom van 32 jaren bereikt, den tijd van den edelmoedigsten en vurigsten ijver. Hij brandde van verlangen, zich met de leiders en hoofden der ketterij te meten, en de stad Rimini voor God en de H. Kerk te herwinnen.

Hoe echter stond de welsprekende Franciscaan door verbazing getroffen, toen hij zag dat zijne gloeiende woorden hier voor het eerst op een kouden, gevoel-loozen grond vielen, door rijkdom en wellust als een onbeweegbare rots geworden. Wel toonden de inwoners, vatbaar als zij steeds waren voor de schoonheid der producten van geest en van verbeelding, eenige nieuwsgierigheid; maar gelijk liefhebbers, die een schoone muziekuitvoering gehoord hebben, gingen zij weer heen, om zich aan hunne zaken en. genoegens te wijden. Tegen deze versmaders van Gods woord, die met trotsche minachting glimlachten over de straffen, waaraan de hardnekkige zondaars zich blootstellen, besloot Antonius het wapen te gebruiken, dat de hemel hem nog nooit geweigerd had, en door een wonderteeken

ocr page 105

101

deze gevoellooze rampzaligen tot inkeer te brengen.

Wij willen bij de beschrijving van het grootsche mirakel te Rimini gewrocht, den tijdgenoot van Antonius, den schrijver der „Fiorettiquot;, het woord geven. Elke verandering of eigen voorstelling van het gebeurde zou aan het verhaal van den mid-deleeuwschen schrijver zijn eigenaardigen geur, zijn beminnelijken eenvoud ontnemen. Wij laten dus de met liefde geschreven bladzijde, die de bewondering van Ozanam uitmaakte, hier in al haar zoeten eenvoud volgen:

De gezegende Christus, aldus vangt de schrijver aan, wilde door middel van redelooze dieren de groote heiligheid toonen van zijn dienaar Antonius, en tevens, hoe men godvruchtig naar diens predikatie en heilige leer moest luisteren. Zoo bediende Hij zich eens van de visschen, om de dwaasheid der ongeloovige ketters te berispen, op dezelfde wijze als Hij eertijds in het Oude Verbond, door de stem eener ezelin, de onwetendheid van Balaam had bestraft.

De H. Antonius bevond zich te Rimini waar een groote menigte ketters bijeen was; daar hij hen wilde terugbrengen tot het licht van het ware geloof en tot den weg der deugd, predikte hij voor hen gedurende meerdere dagen, en redetwistte met hen over het geloof aan Christus en aan de H. Schrift. Zij echter gaven zich geenszins aan zijn heilige woorden over, maar bleven verhard en halsstarrig. Toen begaf zich op eenen dier dagen de H. Antonius door een goddelijke ingeving naar

ocr page 106

102

het strand, daar, waar de rivier zich in de zee stort; alzoo geplaatst tusschen de rivier en de zee, begon hij te spreken, alsof hij predikte uit naam van God tot de visschen, en hij sprak;

„Luistert naar het woord van God, gij visschen van de zee en van de rivier, omdat de ongeloo-vige ketters zich niet verwaardigen, er naar te hooren.quot; Zoodra hij had gesproken, spoedde zich naar den kant, waar hij was, zulk een menigte visschen, groote, kleine en middelsoort, dat men nooit in die zee en in dien stroom zulk een hoeveelheid had gezien. Alle hielden hun kop buiten het water, en alle schenen het gelaat van den H. Antonius aan te staren, alle in de grootste orde en in een grooten vrede. Want vooraan, het dichtst bij den oever, hielden de kleine visschen stand; achter deze verscheen de middelsoort en daarachter, waar het water dieper was, plaatsten zich de grootste. Toen 'de visschen zich in deze orde hadden geschaard, begon de H. Antonius op plechtige wijze te prediken;

„Gii visschen, mijne broeders! gij zijt zeer verplicht om, voor zoover dit in uwe macht is, uwen Schepper te danken, die u een zoo edel element heeft geschonken tot uw verblijf, want naar het u behaagt, hebt gij zoete en zoute wateren. Hij heeft u vele schuilplaatsen bezorgd, om aan de stormen te ontkomen; Hij heeft u een helder en doorschijnend element bereid en voedsel waarvan gij leeft. God, uw milddadige en goede Schepper, heeft u, toen Hij u deed geboren wor-

ocr page 107

103

den, geboden te groeien en u te vermenigvuldigen en schonk u zijn zegen. Toen de algemeene zondvloed plaats greep, toen alle andere dieren den dood stierven, bewaarde God u alleen zonder schade. Vervolgens heeft Hij u vinnen gegeven om te gaan, waar het u behaagt. Aan u werd op Gods bevel toegestaan, den profeet Jonas te bewaren, en hem na drie dagen gezond en wel op het land te werpen. Gij waart het, die den cijns voor Onzen Heer Jesus Christus hebt geschonken, vóór en na de Verrijzenis. Om wille van al deze zaken zgt gij ten zeerste verplicht. God te prijzen en te zegenen, die aan u zoovele en zoo groote weldaden, meer dan aan de andere schepselen, heeft bewezen.quot;

Bij deze woorden en bij de andere onderrichtingen, die de H. Antonius er aan toevoegde, begonnen de visschen den mond te openen, den kop te buigen, en door deze teekenen en andere bewijzen van eerbied, loofden zij God naar hunne manier en naar hun vermogen.

Toen verheugde zich Antonius in den geest, bij het zien van al den eerbied der visschen voor God hun Schepper, en met luide stem sprak hij: „Gezegend zij de eeuwige God, omdat de visschen van het water Hem beter vereeren dan de ketters, en de redelooze dieren beter naar Zijn woord luisteren dan de ongeloovigen.quot;

Hoe meer nu de H. Antonius sprak, des te meer nam de menigte der visschen toe, en geen enkele van hen verliet de plaats, die hij had uitgekozen.

ocr page 108

104

Naar dit mirakel kwam het volk van de stad toeloopen, en daaronder de ketters, van wie hiervoor is gesproken. Dezen waren op het gezicht van een zoo verwonderlijk en zoo duidelijk mirakel, tot in hun hart bewogen, en allen wierpen zich aan de voeten van den H. Antonius, om zijn woord te hooren.

Toen begon de H. Antonius het Katholieke Geloof te prediken; hij sprak op zoo verheven wijze, dat alle ketters zich bekeerden en tot het ware Geloof van Christus terugkeerden, en alle geloovigen groote blijdschap en troost gevoelden en gesterkt bleven in het Geloof.

Daarna gaf de H. Antonius aan de visschen hun afscheid met den zegen van God, en allen gingen heen, terwijl zij ongewone teekenen gaven van vreugde, evenals het volk zelf. Verder bleef de H. Antonius nog meerdere dagen te Rimini, predikende en veel geestelijke vruchten in de zielen verzamelende.

De geleerde Ozanam merkt op, hoe bij meerdere heiligen diezelfde heerschappij van den mensch op de natuur voorkomt, evenals vóór den zondeval de geheele natuur aan den mensch gehoorzaam was. De Vaders der woestijn van Thebe werden gevolgd door raven en leeuwen. Sint Gallus gaf den beren der Alpen zijne bevelen; toen de H. Columbanus het woud van Luxeuil doortrok, kwamen de vogels, die hij riep, met hem spelen, en de eekhorens daalden van de boomen, om op zijne

ocr page 109

105

hand te rusten. Het leven van Franciscus van Assisi is vol van dergelijke feiten, door ooggetuigen gestaafd, die men moet aannemen, hoe men ook overigens de feiten wil verklaren. De H. Franciscus en zijne leerlingen beminden wat arm, zwak en gering was. Hunne overvloeiende liefde voor Gods schepselen was een schoon voorbeeld in het Italië der middeleeuwen, dat zich onderscheidde door de buitensporigheid en de hardnekkigheid van twisten en haat, door den strijd van allen tegen allen. De man, die in zijn eenvoud sprak tot de bloemen en de vogelen, predikte ook het woord Gods aan de steden der Welfen en der Gibellijnen, die voor elkander een voortdurende doodsbedreiging waren; hij riep de burgers op de openbare pleinen van Padua, Brescia, Cremona en Bologna bijeen en ving zijne rede aan, met hun den vrede toe te wenschen, en wekte hen op, hunne vijandschap af te leggen. Velen omhelsden dan elkander, vol rouw over het vergoten bloed. Zoo verscheen Franciscus als de Orpheus der middeleeuwen, die de woestheid der dieren en de hardheid der men-schen bedwong. Is er dan iets wonderlijks in, dat zijne stem de wolven der Appenijnen verteederde, dat zij de wapenen deed nederleggen door de Italiaansche wraakgierigen, die zich nooit hadden ontwapend ?

Het wonder der visschen is door het verheven penseel van Guerchino vereeuwigd op een doek, dat nu het paleis Borghese te Rome tot luister strekt. Dit mirakel vormt met de verschijning van

ocr page 110

106

het Goddelijk Kind en de aanbidding door den muilezel, een schitterende trilogie, die voor altijd in de gedachtenis van landen en volkeren is gevestigd.

Te Rimini waren zeer vele ketters o. a. een hunner voornaamste hoofden, Bonvillo, tot het ware geloof teruggekeerd. De weinigen, die zich niet wilden onderwerpen, behoorden tot de felste haters van Sint Antonius.

In hunne woede, die onmachtig was de vaart der bekeeringen te stuiten, besloten zij den Heilige van het leven te berooven. Het plan werd weldra ten uitvoer gebracht.

Eenigen van hunne partij te Rimini, noodigden Antonius uit, met hen op een bepaalden dag te komen middagmalen. De Heilige gaf aan hun verzoek gehoor. Aan tafel werd hem onder meerdere gerechten een schaal voorgezet, welks gebruik den dood moest ten gevolge hebben, daar het voedsel met een sterk vergif was toebereid. De H. G-eest openbaarde hem terstond het gruwelijk plan zijner gastheeren. Antonius verweet hun in zachtzinnige termen de boosheid, waarvan zij blijk gaven, waarop een hunner antwoordde: „Wij hebben alleen een proef willen nemen van de waarheid van het Evangelisch woord: Indien zij een doodelijk vergif drinken, het zal hun niet schaden. Gij moet dus, ging hij voort, van dezen schotel eten. Indien u niets kwaad overkomt, dan zullen wij het Evangelie aannemen. Vreest gij er van te gebruiken, dan besluiten wij hieruit, dat gij niet gelooft aan

ocr page 111

107

het woord des Evangelies, of wel, dat het Evangelie valsch is.quot;

Terstond greep Antonius den schotel en sprak: „Ik zal doen, wat gij van mij verlangt, niet om God te beproeven, maar om u te toonen, hoezeer uwe zaligheid en de zegepraal van ons Evangelie mij ter harte gaan, en hoe ik voor geen enkel gevaar terugdeins, waar het die twee groote belangen geldt.quot;

Daarop at hij van de vergiftigde spijs, als altijd kalm en rustig. Geen enkel oogenblik was iets van ongewone werking te bespeuren. Toen dan ook den volgenden dag het vreeselijke vergif nog altijd machteloos bleek te zijn, erkenden de ketters het wonder, door Antonius verricht, en wierpen zich aan zijne voeten, verklarende onderwezen te willen worden in het Katholiek Geloof.

Niet lang daarna verliet Antonius Rimini en ging, de Adriatische zee overstekende, het Evangelie prediken langs de kusten van Illyrië. Achtereenvolgens bezocht hij Gorz, Udine, Gemona en Cone-gliano, altijd de ketterij bekampend, en de tragen tot nieuwen ijver opwekkend. Ook op dezen tocht gaf de Heilige een bewijs van de macht, die Gods goedheid hem in zoo schitterende mate verleend had.

Het wonder had plaats te Gemona, een kleine stad, aan de Tagliamento gelegen, slechts eenige mijlen van Udine verwijderd. Antonius was begonnen aan den bouw van een klooster voor zijne medebroeders. Hij zelf nam persoonlijk ijverig deel

ocr page 112

108

aan de werkzaamheden. Voortdurend bewoog hij zich onder de werklieden. Evengoed als de minste van hen, kruide hij steenen, en maakte kalk tot mortel. Het gebeurde nu, dat een boer voorbij kwam rijden, gezeten op een wagen, door ossen getrokken. Antonius verzocht hem even dien wagen te mogen gebruiken, om eenige metselsteenen naar de stelling over te brengen. De voerman, minder goed gestemd, gaf voor, dat dit bezwaarlijk ging, „want, zeide hij, ik breng een doode over. Zie slechts!quot; daarbij wees hij met de hand op zijn zoon, die lang uitgestrekt op den wagen lag te slapen.

De Heilige hield niet langer aan; onze boer reed verder, smakelijk lachend over den welgelukten toer, dien hij den kloosterling had gespeeld. Toen hij eenigszins uit het gezicht was, wilde hij zijn zoon wekken, om hem in zijne pret te doen deelen. Hoe stond hij echter aan den grond genageld, toen hij bespeurde, dat hij werkelijk een doode overbracht. Plotseling toch was zijn zoon gestorven. In wanhoop keert hij naar Antonius terug, werpt zich aan de voeten van den metselenden Minderbroeder, en bezweert hem bij al wat heilig is, zijn zoon weder in het leven terug te roepen. Door de tranen van den ongelukkige getroffen, volgde Antonius hem naar den wagen. Daar maakte hij het kruisteeken over het lijk, en aanstonds was de jongeling tot het leven teruggekeerd.

Heinde en ver verspreidde zich de faam van dit schitterend wonder. De nederige kloosterling zag zijn naam gevierd en geroemd in steden en dorpen.

ocr page 113

109

en ontving overal de blijken van diepe, onbegrensde vereering; toch bleef hij voor dit alles gevoelloos. Christus was hem genoeg; zielen winnen voor Christus was zijn roem en glorie.

ocr page 114

X.

Padua.

erder trok Antonius voort, overal zegenende, overal weldoende, overal de ketterij uit hare schuilhoeken verdrijvende. Boven anderen was het beroemde Padua aangetast door de dwaalleer, en op de dwaling der geesten was maar al te spoedig het bederf der harten gevolgd. De rijke en kunstlievende stad, de^zetel van een wereldberoemde hoogeschool, mededingster van Venetië, in het genot van een zacht klimaat onder een schoonen hemel, twee zaken die een overspattend vroolijke levensopvatting begunstigden, het eenige Padua, had de kroon van geloofstrouw en daarmede den schat van Gods genade verloren; zijne misdaden schreiden ten hemel, om de wraak des Almachtigen af te roepen. Zeker, hier was troost, opbeuring, en tevens een krachtige, vaste hand noodig, die het mes in de wonde zette, en toch om de felle pijn niet wrevelig door den lijder werd versmaad.

Het was de 9e Februari 1228, toen Antonius

ocr page 115

Ill

»

Padua binnen trad. De Vastentijd was nabij. Zonder verwijl begon hij derhalve zijne predikatie. Opmerking verdient het, dat de groote Franciscaan hier een nog rpeer teederen, nog hartelijker toon aansloeg, dan zoovelen in andere steden reeds tot de gevangenen van Christus had gemaakt. Hier gaf hij aan zijn dorst naar zielen lucht in uitdrukkingen, die het volk onweerstaanbaar boeiden en in verrukking brachten. Het woord, door een welsprekend redenaar later aan Florence toegeroepen: io son pazzo di te! ik ben als dwaas van liefde voor U, scheen Antonius te bezielen. Padua, Fadua! ik ben dwaas van ijver, dwaas van goddelijke liefde, dwaas van begeerte om IJ te redden. Ziedaar den grondtoon van al zijne predikaties.

Arme zondaar, riep hij uit, waarom aan uwe zaligheid gewanhoopt? Alles spreekt u van barmhartigheid en liefde! Aanschouw toch die twee advocaten, uwe voorsprekers. Hoe goed bepleiten zij uwe zaak voor de rechtbank van de goddelijke rechtvaardigheid. Eene Moeder en een Verlosser! Maria,^die aan haar Zoon haar hart vertoont, door het zwaard van droefheid doorboord; Jesus, die aan Zijn Vader de wonden Zijner handen en voeten voorstelt en Zijn Hart, door de lans van een soldaat doorstoken. Neen, neen, Gods barmhartigheid zal u niet verstoeten, gesteund als gij zijt door zulk een Middelaar en zulk eene Voorspreekster.

Om aan de vrome begeerten van de velen, die toesnelden, te voldoen, wees Antonius bepaalde uren aan, waarop hij in de verschillende kerken der

ocr page 116

112

stad zou spreken. Maar spoedig waren de kerken te klein om de samengestroomde menigte te bevatten. Men moest in de open lucht vergaderen. Van steden, burgten en hoeven kwamen allen naar Padua, allen overtuigd, dat het woord van Antonius hun tot zaligheid zou strekken.

Midden in den nacht stonden velen van hunne legerstede op, en liepen bij het licht van toortsen en fakkels zoo spoedig mogelijk naar de plaats der prediking, vol vromen naijver, om zich boven anderen eene plaats te verzekeren, die het best het volle gezicht op den redenaar en het onverdeeld gehoor der bezielde apostelwoorden vermocht te verschaffen. In de nachtelijke duisternis, verhelderd door de fakkels, zag men soldaten zoowel als edele vrouwen, grijsaards en jongelieden, mannen en vrouwen uit eiken stand, van eiken rang voortspoeden. De eerbiedwaardige bisschop der stad, een waar voorbeeld voor de hem toevertrouwde kudde, volgde met de geheele geestelijkheid trouw de predikaties van Antonius.

Verwonderlijk waren de ingetogenheid en de stilte die de schare beheerschten, zoolang de redenaar voor hen het woord voerde; zelfs de kooplieden en de handelaars, die op de markt hunne koopwaren wilden uitstallen, wachtten daarmede, tot de preek was afgeloopen. Men zegt soms, om den graad van stilte en dus van aandacht eener luisterende menigte aan te geven: „men kon een speld hooren vallen;quot; deze uitdrukking moet, naar de kronieken van dien tijd ons verhalen, letterlijk worden opgevat.

ocr page 117

113

Als daarbij in het oog wordt gehouden, dat meermalen het gehoor van Antonius op ongeveer 30 duizend personen werd geschat, dan stijgt het wonderbare van de stilte dier ingehouden menigte in niet geringe mate.

De vervoering des volks was na de predikatie dan ook niet te bedwingen. Ieder haastte zich om den Heilige Gods van nabij te naderen, en van aanschijn tot aanschijn te mogen aanschouwen. Gelukkig werd degene gerekend, die het kleed van den weisprekenden kloosterling had kunnen aanraken. Vele vrome vrouwen gingen zelfs zoover, dat zij stukjes uit het kleed van den Heilige knipten, om die als kostbare relieken te bewaren. Om hem tegen dien godvruchtigen aandrang te beschermen, werd een sterke wacht van gewapende mannen aangesteld, die den man Gods bij het gaan naar de markt, en bij het terugkeeren van de plaats der prediking moesten omringen, en tegen de opgetogen menigte beschermen.

Waar een zoo opgewekt verlangen bestond om Gods woord te vernemen, mocht gewis de zegen des hemels worden verwacht tot heil van velen. De oogst in dien Vastentijd gemaaid, mocht inderdaad buitengewoon genoemd worden. Het aanschijn der stad onderging een algeheele verandering.

Vrede en broederlijke eendracht vervingen de jarenlange vijandschappen, de ingewortelde wraakzucht; gestolen goederen werden teruggegeven, roof hersteld, zoo zelfs dat de schuldigen hunne huizen en velden verkochten, en den prijs aan de

H. ANTONIUS VAN PADUA. 8

ocr page 118

114

voeten van Antonius nederlegden, opdat deze zou beslissen, hoeveel moest worden besteed, om gepleegde onrechtvaardigheid goed te maken; woekeraars kwamen, vol schaamte hunne afpersingen bekennen, en gaven het te veel geëischte terug. Eoovers, door hunne misdaden berucht, kwamen tot inkeer, legden hunne booze woestheid af, en lieten zich door Antonius met de zachte boeien van Gods geboden ketenen. Vrouwen, die door haar gedrag eene openbare ergernis waren geweest, verzochten vergiffenis, en wilden, na Magdalena in hare fouten gevolgd te hebben, ook hare boetvaardigheid nastreven. Verkeerde gewoonten en gevaarlijke vriendschappen werden afgebroken, de teugellooze zucht naar weelde, vermaak en velerlei uitspattingen werd aan banden gelegd. In één woord, Padua, vóór de komst van Antonius vreemd aan God en de H. Kerk, had in die veertig dagen vrijwillig en met vreugde weder het zoete juk van Gods geboden op zich genomen, en zich als een rein offer aan den hemel aangeboden.

Overbodig is het, te vragen naar wonderbare teekenen, door Gods hand ten gunste van den trouwen dienaar gewrocht. Wij zouden een boekdeel noodig hebben, om alles te verhalen, wat het „Liber miraculorumquot; heeft opgeteekend. Mag men die verzameling van Antonius' wonderdaden vergelijken met een korf vol heerlijke bloemen, in de tuinen van het paradijs ontloken, dan willen we een enkelen greep doen om er haastig eenige van te rooven, en hart en ziel er aan te verkwikken.

ocr page 119

115

Het leeuwendeel dier wonderteekenen komt den armen, den ongelukkigen en lijdenden ten goede. Hier is het eene moeder, die haar verlamde kleine aan den Heilige voorstelt en het kind plotseling hersteld ziet; daar draagt een vader zijne aan vallende ziekte lijdende dochter naar Antonius, en voert haar genezen huiswaarts. Elders stort eene voorname vrouw, door het gewoel der menigte den goeden weg missende, in een moeras; beschaamd om het walgelijke vuil, dat hare kleederen heeft besmeurd, bidt zij den Heilige haar te helpen, en — geheel gereinigd zet zij haar weg voort.

Ben eenvoudig man, met name Leonard, beschuldigde zich bij Antonius, zijne moeder zoo hevig te hebben geschopt, dat zij omver was gevallen. „O, riep de biechtvader droevig uit, een voet, die een moeder heeft getroffen, verdiende te worden afgehouwen.quot; Leonard nam, in zijn ruwen eenvoud, die woorden letterlijk op, greep te huis gekomen een bijl, en hakte met één slag den misdadigen voet af. De moeder, hevig ontsteld, ijlt naar Antonius, en doet hem de bitterste verwijtingen over de penitentie, die hij haren zoon had opgelegd. De nederige kloosterling buigt het hoofd bij dien stortvloed van uitgelezen scheldwoorden; eerst als de woedende vrouw ongeveer heeft uitgeraasd, volgt hij haar naar den verminkten zoon, brengt de bloedige stomp bij het been, maakt er een kruisteeken over, en ziet, het been is genezen.

Nog leeft in de herinnering des volks een verhaal, dat niet minder onvergetelijk mag genoemd

ocr page 120

116

worden, namelijk de geschiedenis der twaalf struik-roovers. De geschiedschrijver Wadding verhaalt ons daaromtrent het volgende:

In het jaar 1292 kwam een grijsaard aaneen Minderbroeder de mededeeling doen, dat hij An-tonius zeer goed gekend had. „Het was, ging hij voort, in den tijd, dat ik niets meer of minder dan struikroover was van beroep. De bende, waartoe ik behoorde, bestond uit twaalf mannen; het bosch was onze woning, reizigers uitplunderen onze bezigheid. Toevallig hoorden we op zekeren dag spreken van den roem, dien Antonius zich door zijne predikaties had verworven; nieuwsgierig om den buitengewonen man zelf te hooren, besloten wij alle twaalf, op een bepaalden dag naar de naastbij gelegen stad te gaan, waar Antonius zou spreken, en onder zijn gehoor plaats te nemen. Zoo gezegd, zoo gedaan. Op den vastgestelden avond slopen wij verkleed de stad binnen en zagen den man Gods voor ons optreden. Zulk een taal hadden wij nog niet gehoord. Ons hart werd getroffen, en toen de predikatie geëindigd was, gingen wij ons nederwerpen aan de voeten van Antonius ; allen spraken wij een rouwmoedige biecht, en legden de belofte af, ons ongeregeld leven te verlaten, en voortaan naar Gods geboden te wandelen. De Heilige beloofde aan hen, die het roovers-leven nu wilden verlaten, de eeuwige zaligheid, maar voorspelde hun, die zouden hervallen in de vorige misdaden, een ongelukkige eeuwigheid. Als penitentie legde hij ons op, twaalf maal den pel-

ocr page 121

117

grimstocht af te leggen naar het graf der Heilige Apostelen. En nu is het juist de twaalfde maal, dat ik deze bedevaart heb gedaan.quot;

Zoo was dan de H. Antonius aan allen ten zegen geweest. Vruchtbare kiemen had hij te Padua in des Heeren wijngaard doen ontspruiten, kiemen vol levenssap, die eens den balsem der deugden, eens den zoeten geur van Christus zouden verspreiden. Gemakkelijk begrijpt men, dat de vernietiging van het onkruid onder 's Heeren tarwe, en het zaaien van zoovele deugdelijke kiemen, die een rijken oogst beloofden, de woede van den vijand van het men-schelijk geslacht moest opwekken. Evenals vroeger te Brive, wendde ook in Padua de duivel een poging aan, om zijn onvermoeiden vijand van het leven te berooven.

Toen nl. Antonius op zekeren nacht aan zijn afgetobd lichaam een weinig rust wilde geven, en reeds eenige oogenblikken slapende was, trad de duivel plotseling de cel van den Heilige binnen, greep hem vast bij de keel, en zou hem geworgd hebben, indien God zijn dienaar niet had bijgestaan. Nauwelijks van zijn vijand bevrijd, laat Antonius het lied weerklinken, dat hij dagelijks op de lippen nam, en „O gloriosa Domino.! Gij roemrijke vorstin!quot; is de kreet, die uit zijn dankbare ziel ten hemel naar Maria opstijgt.

Op het Paaschfeest van dat jaar weergalmde een overwinnend alleluja in de kerken en op de openbare pleinen van het schoone, nu bekeerde Padua. De geestelijkheid en de aanzienlijkste inwoners smeekten

ocr page 122

118

Antonius met aandrang, bij hen te blijven wonen. Toen al hunne pogingen vruchteloos bleken, verzochten zij hem, om dan ten minste zijne predikaties te willen opschrijven, opdat zij de zoo heilzaam gebleken lessen meermalen zouden kunnen overwegen. Antonius gaf aan dat vroom verlangen gehoor, en bracht voor hen zijne predikatiën op schrift. Deze zijn ons bewaard gebleven onder den titel van „Leerredenen op verschillende tijden van het jaar, en op de feesten der Heiligenquot; Sermones de Tempore et de Sanctis, en vormen met de „Leerredenen over de psalmenquot; de twee eenige, zeker authentieke verzamelingen, die ons de Heilige heeft nagelaten.

ocr page 123

XT.

Florence, Milaan en Alvenno.

n den zomer, volgende op het Paaschfeest van 1228, sloeg Antonius den weg in naar Bologna, dat hem als Provinciaal tot standplaats was aangewezen. Slechts korten tijd verbleef hij te Ferrara, bekend als de woonplaats van Ariosto en het tooneel der gruwzaamheden van het huis van Este. Tijdens de missie, die hij in de diep bedorven stad predikte, redde de Heilige de eer en den goeden naam van een zwaar belasterde vrouw, door een sprakeloos wicht, slechts zes maanden oud, plotseling met heldere stem getuigenis van de onschuld dier vrouw te laten afleggen. Met moeite slechts kon hij zich aan de toejuichingen van de geestdriftige toeschouwers onttrekken. Eeeds spoedig echter moest Antonius Ferrara verlaten, om zich aan zijne met ongeduld wachtende broeders te Bologna te wijden. Nauwelijks daar aangekomen, ontving hij van den Generalen Overste bevel, zich naar Florence te

ocr page 124

120

begeven, waar, zooals wij weten, Joannes Parenti geboren was, die nu Antonius in de droeve omstandigheden van zijn vaderstad tot hulp uitzond.

Het bloeiende Florence, Firenze la bella, „de schoonequot;, zooals de Italianen haar noemen, was als hoofdstad van Toscane bekend om den nijveren zin zijner inwoners. Waren Pisa, Genua en Venetië de meesters ter zee, Florence beheerschte de groote handelsbeweging door zijn rijkdom en industrie, terwijl het op het gebied van kunst, met het Athene van 2000 jaren te voren mocht worden gelijk gesteld. Het welluidende dialect der Florentijnen werd zelfs, als de meest beschaafde uitdrukking der schoone Italiaansche taal, over het geheele schiereiland aangenomen. Van daar de zegswijze: lingua toscana in hocca romana d. i. Toscaansche taal in Romeinschen mond.

Antonius bereikte omstreeks het einde van November 1228 de stad der bloemen. Een vreese-lijke burgeroorlog woedde daar zonder ophouden voort. Twee aanzienlijke families, de Buondelmon-ti's en de Amedia's waren in vijandschap geraakt, die slechts met den ondergang van één der beide partijen scheen te kunnen eindigen. Onverwijld begon de Heilige zijn zwaren arbeid, om de beide families, die slechts voor hun haat leefden, met elkander te verzoenen. Wat geen enkele Floren-tijn mogelijk achtte, zag men gebeuren. De beide strijdende partijen reikten elkander de hand van vrede, de stad herademde na zoovele tooneelen van bloedigen strijd, en algemeene vereering was

ocr page 125

121

het deel van den edelen kloosterling, die zoo goed den weg tot de meest verbitterde harten wist te vinden. Den geheelen advent bracht Antonius door in de dankbare stad, die met de hoogste opgewektheid zijn predikaties in de Vasten van 1229 volgde. Langer echter mocht hij daar niet toeven.

Milaan, het grootsche Milaan, „la grandequot; had nog meer behoefte aan de reddende hand van den missionaris. Daar toch hadden de Waldenzen een middelpunt gevestigd, van waar zich hunne ketterij naar alle zijden baan brak. Hun gestreng uiterlijk, hun voortdurend schimpen en kwaadwillig uitvaren tegen de rijkdommen der Kerk, had op velen indruk gemaakt. Toen echter de armoedig gekleede en in de hoogste armoede levende Franciscaan in Milaan verscheen, joeg het felle woord van dezen de in slaap gewiegde menigte uit haar noodlottige sluimering op: „Wacht u voor hen, die in schaaps-kleederen tot u komen, maar inwendig grijpende wolven zijn.quot; Niet alleen in Milaan, maar ook in Verona, aan de boorden van het Garda-meer, en te Mantua, werkte Antonius met zijn gewone voortvarendheid.

Dank zij dien wondervollen ijver, mocht hij er in slagen, duizenden misleiden van den dwaalweg af te brengen, en had zelfs den troost, vele der wolven te temmen, en onder het zoete juk van ' Christus te brengen. Hij zag dus het woord van Isaias vervuld: „De wolf en het lam zullen te zamen rusten.quot;

ocr page 126

122

Te Venetië en te Brescia stichtte de onvermoeide Heilige een klooster voor leden zijner Orde, geheel in overeenstemming met de eischen, die de strengste armoede kon stellen. Altijd toch stond hem de arme verlaten hut nabij Assisi voor den geest, waarin Franciscus en zijne medebroeders leefden, altijd bezig met den arbeid, en tevreden met weinig. In het klooster te Varese liet hij een put graven, die van den eersten oogenblik af, de kracht bezat om de hevige moeraskoortsen, die het land maar al te veel teisterden, te genezen. De kloosterlingen van Yercelli verzochten hem daarop, dezelfde kracht te schenken aan het water van hun regenbak, waaruit de inwoners kwamen putten. Antonius gaf vol goedheid aan deze laatste bede gehoor; hij maakte het kruisteeken over het water, dat daarna inderdaad vele genezingen heeft bewerkt.

Een geheel jaar was op deze wijze in apostolische reizen voorbijgegaan. Op den 25n Mei 1230 smaakte Antonius het geluk, de feesten bij te wonen, die bij de plechtige overbrenging der relieken van Sint Franciscus plaats hadden. Nog leefde in de harten de herinnering aan den Serafijnschen Vader voort. Nog was zijn eeuw vol van zijne groote en verheven werken. Met vervoering greep men dan ook deze gelegenheid aan, om den Heilige der 13e eeuw zijne hulde te bieden en op de plechtigste wijze diens heldhaftige deugden te eeren. Gemakkelijk is het, zich de vreugde en het zalig gevoel voor te stellen, dat Antonius vervulde bij het aanschouwen

ocr page 127

123

van zooveel dank en zooveel eerbied, als aan zijn beminden Vader werd bewezen.

Slechts een enkele wanklank stoorde die feestelijke stemming. Frater Elias, wiens meening omtrent het nut eener verzachting der Regelen van Franciscus reeds vroeger is vermeld, trachtte opnieuw die zienswijze ingang te verschaffen. Het was bij deze feestelijke gelegenheid, dat de heilige ijver van Antonius zich met kracht verzette tegen elke wijziging van de Orde-regels. Op het voorbeeld van den aartsengel Michaël, die overwon onder den kreet: Quis ut Deus, Wie is gelijk God ? riep ook Antonius in vervoering uit: Wie is gelijk Franciscus? en overwon eveneens. De overgroote meerderheid der Minderbroeders schaarde zich onder de vaan, door hem zoo fier omhoog geheven. Het algemeene kapittel zond hem naar Rome, om aan Paus Gre-gorius IX een authentieke verklaring te verzoeken aangaande het zoogenoemde „testamentquot; van den H. Franciscus, en om in naam der geheele Orde plechtig vergiffenis te vragen voor de beleediging, den Apostolischen Stoel aangedaan door de meer dan onregelmatige handelingen van Frater Elias.

De hoogbejaarde Opperpriester was zeer verheugd, den gezant der Franciscanen, reeds vroeger door hem zeiven „de ark des testamentsquot; genoemd, te zien naderen. Hij aanschouwde den jeugdigen apostel, beladen met een rijken oogst van verdiensten en lauweren zonder tal, als zoovele herinneringen aan de duurgekochte zegepralen over dwaling en zedenbederf en velerlei verbastering van Christus'

ocr page 128

124

geest. Met vaderlijke teederheid boog zich de grijze Kerkvorst naar den heldhaffcigen strijder, en omhelsde hem met innige liefde. Alles wat Antonius verzocht, werd gereedelijk toegestaan. Ten laatste gaf de Paus zijn plan te kennen, om den nederigen zoon van Franciscus met het purper van de kardinaalswaardigheid te bekleeden. Men begrijpt de ontzetting van den heiligen kloosterling, die juist te voren verzocht en verkregen had, het ambt van Provinciaal te mogen nederleggen. De paus eerbiedigde den afschrik, dien Antonius koesterde voor alle eer en grootheid, en liet hem naar zijn vredig klooster teruggaan.

Met haast verliet Antonius de wereldstad, en ging rust zoeken op den Alverno, den berg der wonderen, beroemd in de annalen der Franciscaner Orde. De Alverno is juist in het midden der Tos-caansche Appenijnen gelegen, waarvan hij den hoogsten top vormt. Het oog aanschouwt een uitgestrekt plateau, bekroond door eeuwenoude beuken, en omringt door steile rotsen van zeer verschillende hoogte en huiveringwekkende afgronden. Drie zijden van den berg zijn zoo steil, dat men wanen zou, rechte muren voor zich te zien; zij mogen gerust ongenaakbaar genoemd worden. Een smal voetpad leidt naar den top, en vormt een urenlangen weg, die niet zonder gevaar is. Doch eens boven gekomen, ziet men zijne moeite meer dan beloond. Een onuitsprekelijk genot is het, de beide hellingen der Appenijnen te aanschouwen, en de beide rivieren Arno en Tiber, die zich uit den berg als uit

ocr page 129

125

een granieten vaas storten, en haar onstuimigen loop dwars door de Umbrische vlakte nemen. Als de lucht doorschijnend genoeg is, wat op eenige dagen voorkomt, dan bespeurt men aan den onme-telijken horizon zoowel de Adriatische als de Mid-dellandsche zee.

Is alzoo de natuur niet karig geweest, om den Alverno pracht en luister bij te zetten, ook de genade heeft zijn naam groot gemaakt, toen zij in den vorm van de heiligheid des Serafijnschen Vaders daar nederdaalde. Vrij mag men den Alverno vergelijken met de beroemdste bergen van Juda en Israël, die door God zelf bezocht, en door de profeten bewoond werden, en nog altijd gekroond zijn met de schoonste herinneringen der bijbelsche geschiedenis. Naast den Horeb, den Sinaï, den Carmel, den Thabor, den Sion en Calvarië, staat de Alverno, waarlijk naar het woord van den Psalmist mom Dei mons pinguis, de berg Gods, de vruchtbare berg, waar Gods welbehagen woont.

De H. Franciscus koos den Alverno uit, om zich op een eenzame plaats aan een nauweren omgang met God te kunnen wijden, en het stof af te schudden, dat de omgang met de menschen aan zijne ziel gehecht had.

De Fioretti deelen ons een wonderbare gebeurtenis mede, die bij de komst van den Serafijnschen Vader aldaar plaats greep. Van verschillende kanten kwamen ontelbare vogels aangevlogen. Hunne kreten, hun tjilpen en vleugelgeklepper waren de uitingen van ongemeene blijdschap. Zij fladderden om den

ocr page 130

126

Heilige heen. Eenige zetten zich op zijn hoofd, andere op de schouders, weer andere op armen, borst en voeten. In beschouwing verzonken, geraakte Franciscus als buiten zich zei ven. Daar was het, dat hij den verheven zang der hemel sche liefde heeft gezongen: „De liefde heeft mij in een brandenden oven gelegd.quot;

Dat verheven gedicht, in het vuur der goddelijke verrukking geschreven, stond Antonius weder helder voor den geest. Het herinnerde hem aan de geestverrukking, waarin zijn gelukzalige Vader in gebed op den Alverno verzonken, uit de hooge hemelen eene verschijning zag nederdalen, van zes vleugelen omgeven en vastgehecht aan een kruis. Bij de beschouwing van dien hemelschen Serafijn smaakte de serafijn der aarde een hemelschen troost, maar gevoelde tevens een ontzettende smart; hem toch waren door God de pijnen en de kenteekenen der vijf heilige wonden geschonken.

Wie zal ten volle begrijpen, welk genot de ziel van Antonius smaakte in deze overpeinzingen, op die plaatsen, eens getuigen van zoo verheven wonderen? Helaas, slechts korten'tijd mocht hij die hemelsche zaligheid genieten. Nieuwe strijd, de laatste, de zwaarste, wachtte hem.

ocr page 131

XII.

Padua voor de laatste maal.

p de kapittel-vergadering ten jare 1230 had Antonins zijn ambt als Provinciaal van Bologna neergelegd. De Generale Overste liet hem de keus der plaats, waar hij zich wenschte te vestigen. Zonder aarzelen klonk het antwoord: „Laat het Padua zijn.quot; — „Waarom Padua?quot; werd hem gevraagd. „Padua is mij lief, sprak hij, om het oprechte geloof zijner inwoners. Ik bemin hen, gelijk zij onze heilige Orde beminnen.quot; Padua mocht alzoo zijn veelgeliefden Antonius terug zien. Gelukkig Padua, dat zulk een schat van den hemel ontving! Opnieuw toch zou Antonius voor de stad een helper zijn in den nood, de eenige steun en toeverlaat in de droeve dagen, die voor geheel Italië waren aangebroken.

Het schoone land was voortdurend ter prooi aan de hevigste burgertwisten. Het scheen, dat de ongelukkige bewoners bij het partij kiezen genoegen vonden in dien heilloozen strijd. Laten we een

ocr page 132

128

oogenblik luisteren naar den beroemden geschiedschrijver Cesar Cantu, die in meesterlijke trekken ons een beeld schetst van den toestand dier dagen.

„De koortsige hartstochten van het Zuiden, kokend van trots en nijd, verwierpen zelfs den meest wijzen raad, zoodra men dezen door de tegenpartij zag gegeven. Ieder oogenblik zag nieuwe samenspanningen gesmeed, en tevens gansche families uiteen gescheurd, omdat de vader en de kinderen of de broeders verschillende vaandels volgden. - Bij de geringste aanleiding sloeg men tot uitersten over, alsof men tegenover zijn meest verbitterden vijand stond. Ontplooide de volkspartij de vaan des op-stands, terstond luidde men de alarmklok, maakte het verkeer op de straten onmogelijk door het opwerpen van barricaden, die vooral den paarden der adellijken den doortocht beletten. De versterkte paleizen werden aangevallen, de torens er van beklommen. Slechts met moeite slaagden de opgejaagde edelen er in, zich een weg te banen, die hen buiten de stad voerde. Dan trokken de overwinnaars naar de kerken, en zongen vreugdeliederen, om hun zege over broeders te vieren.

„Nauwelijks echter waagden zij zich in het open veld, of de edelen hadden het voordeel in de hand, omdat dezen met hun paarden daar vrij konden manoeuvreeren. Dan snelden de overwonnenen naar de eigenaars der naburige kasteelen of naar andere steden, die hunne partij waren toegedaan; of zij haalden de naijverige steden over, aan de overwinnaars den oorlog te verklaren.

ocr page 133

129

„Dan belegerden zij hunne vaderstad, bedwongen deze door uithongering, en noodzaakten haar zich over te geven. Nu eens traden zij de stad binnen, tengevolge van een bezworen overeenkomst, die den vrede voor eenige jaren waarborgde, dan weder werden de huizen en eigendommen der tegenstanders verwoest en met den grond gelijk gemaakt. Gelukte het aan de tegenpartij om de macht in handen te krijgen, dan werd het schouwspel herhaald.

„Had de haat zich te diep ingeworteld, zoodat alle middelen tot verzoening faalden, dan kwam de godsdienst, als het algemeene redmiddel in alle rampen der tijden, tusschenbeide. Dan zond deze zijn ongewapende keurbende te midden der oorlogen, en in de rangen der strijders zei ven, om hun in naam van God te gelasten, een eind aan de broedertwisten te maken.quot;

Die herauten van den godsdienst waren veelal de zonen van Franciscus en van Dominicus. Zij waren het, die de hartstochten van het heidendom in het hart der Christen volkeren verwonnen Zij verspreidden zich over het uiteengescheurde Italië, om de partijen te verzoenen en de dwaling weg te vagen, terwijl zij zich zeiven als de opperste rechters aanstelden, die slechts naar de wet der liefde oordeelden.

Men ziet hen in 1233 geheel het Schiereiland doorloopen, met het kruis, met wierook, met^olijftakken, vrede zingende, vrede verkondigende. En steden en vorsten, burgers en edelen luisterden,

H. ANTONIUS VAN PADUA. 9

ocr page 134

130

als het verwijt hunner verkeerdheden luide weerklonk ; allen bogen zich, zij het ook soms slechts gedurende korten tijd, voor de Verheven lessen der priesters van Christus.

Met allen echter waren jegens de hand, die vrede bracht, dankbaar gezind. Buiten de steden woonden vele voorname edelen, die als ware despoten en tirannen het omliggende land verdrukten, en slechts voordeel trokken uit den ouderlingen strijd der burgers. Zij waren het, die zich over de vredelievende tusschenkomst der kloosterlingen beklaagden. Zoo schreef een dier gewetenlooze twiststokers de volgende haast ongeloofelijke woorden: „De Franciscanen en Dominicanen verheffen zich vol haat tegen ons. Zij keuren openlijk onze manier van leven en spreken af; zij vertreden onze rechten, en brengen ons terug tot niets. En om ons nog meer te verzwakken, en ons de gehechtheid van het volk te ontnemen, hebben zij twee nieuwere broederschappen opgericht, die de massa der mannen en der vrouwen zal omvatten, zoodat men nauwelijks een man of eene vrouw aantreft, die zich niet aan een dier broederschappen heeft aangesloten.quot;

Die woorden zijn het meest vleiende getuigenis van de gezegende werkzaamheid der heilige vredestichters. Ook Cantu legt de verklaring af, dat een groot aantal verzoeningen en vredestractaten aan den H, Franciscus van Assisi te danken zijn, terwijl geen geringer cijfer bereikt werd door den invloed van Antonius.

ocr page 135

131

In die dagen was Frederik II, de Duitsche keizer, de man, wiens scepter een deel van Italië be-heerschte. Paus Gregorius IX heeft hem in eenige teekenende uitdrukkingen voorgesteld, die hem meer dan voldoende doen kennen. „Hij is, aldus schreef de grijze Opperpriester, het beest van den Apocalypsus, dat uit de zee opstijgt onder vervloekingen : het woeste dier, dat de pooten heeft van een beer, den kop van een leeuw en overigens den luipaard gelijkt; hij opent den mond slechts om verwenschingen tegen den naam van God uit te braken, en zijne pijlen te werpen tegen Gods woonstede en tegen de Heiligen die de hemelen bewonen.quot;

De landstreek van Treviso zuchtte toen onder de dwingelandij van een bevelhebber van Frederik, in de geschiedenis genoemd Ezzelino de Romano. Deze had zich door strijd, sluwheid en moord meester gemaakt van eenige steden o. a. Verona, Vicenza en Brescia. Als schoonzoon van den Duit-schen keizer, geloofde hij de gunst zijns meesters niet beter te kunnen winnen, dan door de navolging van diens wijze van regeeren. Het verhaal der gruwelen, door dien Nero der middeleeuwen gepleegd, doet de haren te berge rijzen. Op zijn bevel werden edelen en voorname burgers bij ge-heele troepen te gelijk op de openbare pleinen ter dood gebracht: daarna hieuw men de lijken in stukken en wierp ze bijeen om verbrand te worden. Vrienden, broeders en verwanten leverden elkander over aan den tiran, meenende diens goede

ocr page 136

v quot; ■ —

132

gunsten aldus te verdienen, terwijl toch gewoonlijk na eenigen tijd hetzelfde lot hun ten deel viel.

Den kinderen der edelen deed hij de oogen uitsteken, om ze vervolgens den hongerdood in de gevangenis ter prooi te geven. Ontelbaar waren de adelüjke vrouwen en meisjes, die in den kerker den dood vonden. Eiken dag waren zij aan folteringen ter prooi; dag en nacht stegen de mach-telooze smartkreten der ongelukkigen ten hemel. En toch, ondanks dat God tergende bloedvergieten, had niemand den moed zich in het openbaar daarover te beklagen; men moest Ezzelino prijzen als den rechtvaardigen en wijzen beschermer van het vaderland, hem gezondheid en zegepraal toe-wenschen. Ondanks deze vleitaal, bleef de tiran tegenover wien ook onverbiddelijk. Ouderdom noch waardigheid werd ontzien. De priesters ondervonden geen beter lot dan het gewone volk; de kloosterlingen leden gelijkelijk met de anderen. Ezzelino roofde de goederen der bisdommen, der abdijen en der overige beneficiën met opmerkenswaardige „onpartijdigheid.quot; Geen predikatie werd meer gehouden, geen biecht gesproken, geen bedeplaats bezocht: elke uiting van godsdienstig leven was verdwenen.

Op zekeren dag gaf de stadhouder-beul, in een aanval van satanische woede, het schoone Verona prijs aan al de gruwelen, die een verdierlijkte soldatenbende vermag aan te richten.

Men huivert bij het lezen der bijzonderheden van die afschuwelijke moordpartij.

T

ocr page 137

133

Eene onbeschrijfelijke vrees beving de stad Padua, toen het gebeurde in het ongelukkige Verona bekend werd. Waarom zou ook Padua niet te eeniger dage eenzelfde lot ten deel vallen ? Reeds had de tiran het kasteel Fonte, bij de stadspoorten gelegen, in bezit genomen en verschillende personen als gijzelaars weggevoerd, onder wie ook een jongeling van edel karakter, Willem Tiso genaamd, den zoon van den eigenaar van Castel-Fonte.

In hun angst namen de inwoners der bedreigde stad hun toevlucht tot Antonius, gelijk in lang vervlogen tijden hunne vaderen zich hadden neergeworpen aan de voeten van den heiligen Leo, toen Attila, de geesel Gods, op hen viel.

De dienaar Gods toonde zich terstond bereid. Vertrouwende op de hulp van den Almachtige, die hem nooit had verlaten, begaf hij zich naar Verona, en vroeg gehoor bij den gevreesden Ezzelino. Hij werd toegelaten. Kalm naderde Antonius de plaats, waar de wreedaard was gezeten. Hij hief het hoofd op, en zich overgevende aan de ingeving van een heiligen toorn, riep hij hem toe:

„Gij, vijand van God! wreede dwingeland! woedend beest! hoe lang nog zult gij het onschuldig bloed der Christenen blijven vergieten? Weet het wel: het zwaard des Heeren hangt u boven het hoofd, uwe straf zal hard en vreeselijk zijn!quot;

De omstaande soldaten waren als verplet over deze ongehoorde stoutmoedigheid. Zij kenden hun woesten bevelhebber, en hielden hunne wapenen gereed, om op het eerste teeken den kloosterling

ocr page 138

134

neer te stooten. Een geheel ander tooneel wachtte hen.

De tiran, aldus verhaalt het Liher miraculorum, was getroffen door het vurige en stoutmoedige woord van Antonius. Zijne buitensporigheden schenen hem te berouwen. Hij legde zijne natuurlijke woestheid af, en werd zachtmoediger dan een lam. Zijn bandelier hing hij om den hals, en zich aan de voeten werpend van den man Gods, beleed hij tot verwondering der aanwezigen zijne zonden, en beloofde zich te zullen beteren, volgens den hem gegeven raad. Opstaande, las hij in de oogenzijner trawanten, hoezeer dit gedrag hen griefde. Daarom gaf hij hun de verklaring, zeggende:

„Waarde vrienden, weest niet verwonderd. Ik zeg u naar waarheid, en ik ben er zeker van, dat ik een goddelijke vlam zag stralen uit het gelaat van den priester, terwijl hij mij toesprak. Dit vree-selijk gezicht joeg mij zulken schrik aan, dat ik geloofde plotseling in het diepste der hel te zijn geworpen.quot;

Tegeüjk gaf Ezzelino het kasteel en den als gijzelaar meegevoerden jongeling terug.

Niet lang daarna viel hem de gedachte in, de deugd en de belangeloosheid van Antonius op de proef te stellen. En wel op de volgende wijze: Hij zond een gezantschap, bestaande uit een menigte zijner dienaren, naar Antonius om hem met een rijk geschenk te vereeren. „Gij moet, zeide hij hun, met allen mogelijken eerbied en uiterlijke achting hem dit geschenk aanbieden. Indien hij het

ocr page 139

135

aanneemt, zult gij hem terstond doorsteken. Weigert hij, dan keert gij, zonder hem leed te doen, terug.quot;

De waardige dienaren van dien sluwen meester deden zooals hun was ^opgelegd. Onder een gehuicheld vertoon van diepen eerbied naderden zij Antonius, zeggende: „Uw zoon, Ezzelino de Romano, beveelt zich in uwe gebeden aan. Hij smeekt u dit geringe geschenk aan te nemen, dat hij u zendt als een zwak onderpand van zijn algeheele toewijding, en vraagt u, tot God uwe vurigste gebeden voor het heil zijner ziel te willen opzenden.quot;

Terstond richtte zich de Heilige met fierheid op. „Gaat heen, riep hij hun toe, en neemt uw geschenk met u. Ik wil met uw meester geen deel hebben aan den roof van het arme volk. Al uwe schatten zullen vergaan en gij met hen. Gaat, en bezoedelt niet langer deze heilige plaats door uwe tegenwoordigheid.quot;

Beschaamd trokken de gezanten terug. Zij verhaalden Ezzelino het gebeurde. Deze vergenoegde zich met te antwoorden: „Hij is een man Gods; laat hem met rust, hij c moge zeggen van mij wat hij wil.quot;

Toen Antonius, na het dreigend gevaar te hebben afgewend, in de stad Padua terugkeerde, juichte de vervoerde menigte haren redder op het hartelijkst toe. Die dankbaarheid was inderdaad wel verdiend door moed en opoffering. Evenals Judith had hij zijn volk gered, en evenals de Israëlieten bij haren terugkeer in Bethulië haar hadden toegejuicht met de jubelende kreten: Tu gloria Je-

ocr page 140

136

rusalem, tu laetitia Israël, Gij zijt de eer van Jerusalem en de vreugde van Israël! zoo ook mocht Padua zijn bevrijder verwelkomen, hem toeroepend:

Tu honorificentia populi nostri, Gij zijt de roem van ons volk!

De herfst was reeds ingetreden, toen Antonius de verloste stad terug zag. De bisschop, de gees-telijkheid en het volk kwamen hem bidden, het werk voort te zetten, dat hij twee jaar geleden onder hen verricht had, en hen met zijn onderrichtingen te blijven troosten en sterken. Wellicht zou hij hebben toegestemd, indien niet zijn vriend en beschermer, Raynald Conti, kardinaal van Ostia, later Paus Alexander IV, hem dit had ontraden. Deze toch smeekte hem, om al wat hij vroeger geleeraard en gepredikt had, en de ondervinding van zijn veelbewogen leven, te boek te stellen. Deze raad getuigde van verstand en doorzicht. Immers, indien de stukken der kleederen, eens door heiligen gebruikt, als kostbare reliquieën worden beschouwd, die men met vromen naijver elkander betwist, geen minderen eerbied vorderen hunne gedachten die als het ware een deel mogen genoemd worden van hun genie, van hunne groote, edele ziel. Aan den raad van dien kardinaal danken we het behoud der predikaties over de feesten der heiligen. Toch liet de Heilige zich door den bisschop der stad Conradus overhalen, zijn schriftelijken arbeid te onderbreken, en nog eenmaal de Vasten te prediken.

Nog herinnerde men zich de Vasten van 1228.

ocr page 141

137

De goede uitslag der vastenmeditaties werd overtroffen door de predikaties van 1281. Inderdaad, deze mochten de schoonste genoemd worden; zij waren zijn zwanezang. Antonius wist, dat hij voor de laatste maal daar optrad, maar zweeg er over. Allen echter hadden er als een voorgevoel van. Nooit had hij indrukwekkender gesproken. Men zou hem, zijn laatste woorden sprekende, willen vergelijken met onzen Heer, die op Zijn laatsten levensavond Zijn Hart uitstortte in de heerlijke woorden, aan het laatste Avondmaal gesproken, het testament en het gedenkteeken der liefde van een God. Nooit ook ontsproten de wonderen met meer aandrang bij elke zijner schreden, dan toen de apostel reeds door den dood was geteekend, tengevolge van de overmaat van liefde en der bovenmensche-lijke inspanning van ijver.

De predikaties namen den 5n Februari 1231 een aanvang, en duurden tot het feest van Pinksteren, te midden van ongehoorde zegepralen, van ontelbare wonderen en een onbegrijpelijke geestdrift, die steeds grooter werd, naarmate de krachten des Heiligen verminderden.

ocr page 142

XIII.

De Dood van een Heilige.

etende, dat de Heer weldra zou komen, om hem uit deze wereld op te roepen, wenschte Antonius zich door een laatste retraite of afzondering voor den grooten stap meer onmiddellijk voor te bereiden. Als altijd kind der gehoorzaamheid, vroeg hij in een schrijven aan den Provinciaal, verlof om zich in deze afzondering te mogen begeven. Hij het den brief op de tafel van zijn armoedige cel liggen, en ging aan de deur van den Pater Gardiaan kloppen, om verlof te vragen den brief te mogen verzenden. Terugkomende in zijn cel, vond hij er den brief niet meer. Hij besloot te wachten, en niet opnieuw te schrijven. Na eenigen tijd kwam een bericht van den Pater Provinciaal, die, juist alsof hij op den door Antonius geschreven maar verdwenen brief antwoordde, hem verlof gaf, om zich op de gevraagde plaats in afzondering te begeven.

Op ongeveer twee mijlen afstand van Padua, te

ocr page 143

139

Campo-Sam-Piero lag in een bosch de plek verscholen, die Antonius' laatste retraite zou aanschouwen. Het bosch was eigendom van den heer van Castel-Fonte, denzelfden Tiso, aan wien de Heilige zijn dierbaar kind uit de gevangenschap van den tiran Ezzelino had teruggeschonken. Tijdens de laatste Vastenmeditaties had Tiso zich geheel met God verzoend, en was lid geworden van de derde Orde der Minderbroeders. Hij gevoelde zich nu gelukkig, zijn geestelijken vader een geschikte plaats tot afzondering te mogen aanbieden. Gezamenlijk doorhepen zij het uitgestrekte terrein, totdat Antonius diep in een bosch, een reusachtigen note-boom ontdekte, die aan ontelbare vogels een aangename beschutting bood tegen de hitte en den regen.

Hier werden met behulp van de ineengeslingerde takken drie hutten gevormd, tamelijk hoog boven den vlakken grond, Een zou Antonius herbergen, de beide anderen waren bestemd voor Broeder Lucas Belludi, den onafscheidelijken reisgezel van den Heilige, en voor Broeder Rutgerus. Met vreugde stegen zij omhoog naar de nieuwe cellen in de lucht. Even verheugd toonden zich de vogels, aan welke de Heilige zoo dikwijls zijne genegenheid had doen blijken. Misschien vraagt men, waarom juist de vogels zich in de bijzondere gunst van Antonius en van diens meester Franciscus mochten verheugen ? Zou wellicht als antwoord niet op de overeenkomst mogen worden gewezen, die tusschen kloosterlingen en vogels wordt opgemerkt?

ocr page 144

140

Beiden toch zijn arm, en moeten zich verlaten op de goddelijke Voorzienigheid, die aan de monniken de kruimels dèr liefdegaven, en de eervolle kloosterpij, versierd met het goud der deugden, schenkt, en die tevens voor de vogels de door den wind verstrooide graankorrels en een rijk gescha-keerden vederen dos heeft gereed gemaakt. Beiden zijn de zangers van het menschdom; de vogels zingen Gods lof over dag te midden van de schoone levende natuur, de monniken beantwoorden die zangen gedurende den nacht, in het stille klooster, als de wereld rust, en hare aanbidding van den Schepper heeft geschorst. Beiden eindelijk wonen op de grenzen van de aarde, maar hun vlucht is gericht naar den hemel; de vogels heffen zich hemelwaarts op hunne lichte wieken, de monniken zweven met hart en ziel opwaarts, gedragen door hunne vrome verzuchtingen, door hun zielsverlangen en hun heimwee naar het eeuwige Vaderland.

Te midden zijner geliefde vogels bracht Antonius zijne dagen door. Geheel afgescheiden van de volksmenigte, was hij slechts bezig met de lezing der Heilige Schrift, met overweging en gebed. In die laatste dagen van zijn verblijf op aarde, zuiverde hij zijne ziel van de kleine smetten, die aan den omgang met de menschen der wereld te wijten waren, en zelfs door den heiligste niet kunnen vermeden worden. Over die fouten weende hij overvloedige tranen, als hij neergebogen voor de voeten van den Zaligmaker om vergeving en liefde bad, gelijk eens Magdalena. Gezuiverd van elke

ocr page 145

141

vlek, zelfs van de geringste, wenschte hij gereed te worden bevonden bij de komst van Zijn Meester. Hij zorgde, de lamp met olie gevuld en brandende te hebben, evenals eens de wijze maagden, tegen het nachtelijk oogenblik waarop het geroep zou worden vernomen: De Bruidegom komt, gaat hem te gemoet!

Toen Franciscus van Assisi den dood nabij was, liet hij zich op een draagbaar den berg afbrengen. In de vallei gekomen, sprak hij; „Wend mij naar den kant van de stad.quot; Dan hield hij geruimen tijd den blik op zijn dierbaar Assisi gevestigd, zegende het en riep uit: „Wees gezegend door den Heer, gij Godgetrouwe stad! In u en door u zullen vele zielen zalig worden. In u zullen vele dienaars van den Allerhoogste leven en vele van uwe burgers zullen de eeuwige zaligheid deelachtig worden. Vrede zij met u!quot;

Men mag gelooven, dat Antonius zich dit voorbeeld van zijn geestelijken Vader herinnerde. Ook hij wilde de stad, die hem zoo dierbaar was, zijn zegen schenken, vóór hij de wereld ging verlaten.

Het was de 30ste Mei, twee weken voor het sterven. Van den top des heuvels, die Padua be-heerscht, aanschouwde hij de stad met haar woud van blanke koepels, met hare marmeren paleizen en geurige tuinen, met hare vlakten, bedekt met den rijpenden oogst en bloeiende wijngaarden. Hem werd in die oogenblikken het uur van zijn dood geopenbaard en de schoone toekomst der stad, die zijn gebeente zou bezitten. Toen richtte hij zich op, en zegende de stad, zeggende:

ocr page 146

142

„0 Padua, wees gezegend! Wel zijt gij heerlijk schoon gelegen, wel zijn uw velden rijk, maar de hemel bereidt u een schooner en rijker glorie.quot;

Broeder Lucas begreep den zin dier woorden niet. Eerst later werd deze hem duidelijk, toen hij het kostbaar overschot van den Heilige het voorwerp der algemeene vereering zag, en duizenden pelgrims jubelend den feestzang herhaalden:

O Padua, stad zoo dierbaar aan het hart van God, eertijds zoo gelukkig toen Antonius in u verbleef, wel hebt gij reden tot blijdschap en tot overvloedige vreugde. Blijf altijd den zegen waardig van uwen Antonius, die u zulk een roemvol erfdeel heeft verworven. Houd tot het einde toe, met heiligen naijver de wacht bij den kostbaren schat, dien God u te bewaren heeft toevertrouwd.

Het was op den 13den Juni, omstreeks den middag, dat de drie Minderbroeders in de afzondering te Campo-Sam-Piero zich aan tafel nederzetten, om het sobere maal te gebruiken. Nauwelijks was Antonius gezeten, of hij zakte plotseling ineen, en begon te sterven. Haastig legden zijn gezellen hem neder op een bed van wijngaardranken.

„Mijn broeder, sprak de stervende tot Broeder Kutgerus, indien gij het goedvindt, zal ik, om u veel last te besparen, mij laten overbrengen naar Padua, naar onze broeders.quot; Terstond werd aan zijn verlangen gevolg gegeven. Men legde hem met de meeste behoedzaamheid op een wagen, en ging met den dierbaren zieke stadwaarts. Bij de poort der stad werd de kleine stoet staande ge-

ocr page 147

143

houden door pater Vinotus, die juist Antonius wilde gaan bezoeken. Deze drong er op aan, niet verder voort te trekken, ten einde door den te verwachten toeloop der menigte niet gehinderd te worden.

Er werd alzoo besloten, de gastvrijheid in te roepen der Broeders, die in den omtrek woonden van het klooster der arme Clarissen, op dezelfde plaats, alwaar de gelukzalige Helena En-selmini raad en troost had gevonden bij den heiligen kloosterling, die nu stervende werd binnen gedragen.

In dit klooster der Franciscanen kwam Antonius een weinig tot zich zeiven: hij haastte zich te biechten, en ontving met een nederigheid, die allen ontroerde, de H. Absolutie. Toen hij voor het laatst de H. Teerspijze had genuttigd, scheen de stervende eensklaps te herleven. Met een welluidende, helder klinkende stem hief hij zijn geliefden lofzang aan, Maria ter eer: „o gloriosa Domina /quot; Zijne oogen staarden op iets, dat hem in verrukking scheen te brengen.

„Ziet gij iets?quot; vroegen hem zijn medebroeders. „Ik zie mijn God,quot; was het antwoord.

Dan strekte hij zijne leden uit om de zalvingen van het H. Sacrament des Oliesels te ontvangen. Schitterend wit werd daarna zijn lichaam, wit als sneeuw. Een glimlach toog over zijne lippen; nog een zucht, en de heilige ziel van Antonius had hare aardsche boeien verbroken, en aanschouwde Ood van aanschijn tot aanschijn.

ocr page 148

144

Het was op den 13den Juni 1231, tegen het vallen van den nacht.

Antonius had den leeftijd van 36 jaren bereikt.

De abt van Vercelli was dien nacht in zijn cel bezig met de studie der H. Schrift. Plotseling stond voor hem de H. Antonius, die als naar gewoonte zijn trouwen vriend begroette. „Heer Abt! sprak hij zacht, ik heb mijn ezel te Padua gelaten: ik vertrek haastig naar mijn vaderland.quot; De Heilige sprak over zijn lichaam, naar het voorbeeld van Sint Franciscus, die gewoon was zijn lichaam, dat hij onder het juk der ziel wilde buigen, „mijn broeder den ezelquot; te noemen. De abt echter vatte de woorden in letterlijken zin op, en dacht aan eene reis naar Lissabon. Hij wilde hem gastvrijheid toonen; de Heilige echter raakte de gevaarlijk ontstoken keel aan van den abt, die zich terstond genezen gevoelde, en te gelijk Antonius verdwenen zag. Hoe hij echter ook overal liep en zocht, geen spoor van den Heilige was ergens zichtbaar. Nauwkeurig teekende hij het oogenblik aan, waarop deze gebeurtenis voorviel, en kwam weldra tot de overtuiging, dat de Heilige op het tijdstip van het bezoek reeds overleden was, en hij dus met een buitengewoon bewijs van genegenheid door zijn zaligen vriend was begunstigd geworden.

Nog droeg, behalve de kloosterlingen, niemand in Padua kennis van den dood van Antonius. De bewoners van het klooster, een buitengewonen toe-

ocr page 149

145

loop van het volk vreezende, besloten vooreerst nog het overlijden van hun medebroeder geheim te houden. IJdele besluiten! Eensklaps begonnen de kinderen in groepen de stad door te loopen, roepende: „De heilige Vader is dood, de heilige Antonius is overleden!quot;

Eene algemeene ontsteltenis verspreidde zich binnen Padua's muren. Ieder verliet zijne bezigheden, zijn zaken en arbeid, en haastte zich toe te snellen, om een blik te werpen op het stoffelijk overschot van den beminden Vader.

Het tooneel, dat in het klooster de toestroomende menigte aanbood, was onbeschrijfelijk. Daar aanschouwde men rouw en droefheid, waaraan alleen het hart en geheel het hart deelnam. Onvergetelijk moet de indruk geweest zijn van een treurbedrijf, zooals de wereld slechts zelden te zien geeft. Een gansch volk in rouw, staande aan de baar van hem, die zijn weldoener, zijn troost, zijn geluk, zijn vader was. Het koudste hart gevoelde zich bewogen, bij die ongeveinsde kreten van smart, bij die teekenen van hooggaanden jammer en diep gevoeld leed. Onder die duizenden waren zoovelen, die aan Antonius gunsten en zegeningen te danken hadden. Hier stond een jongeling, van een pijnlijke kwaal genezen, daar een jongedochter, reeds een prooi des doods, aan het leven teruggeschonken. Ginds knielde een vader, die de gezondheid van zijn echtgenoote had verkregen, daar bad een moeder, wier eenig kind door Antonius behouden was. Hoe-velen dankten den armen kloosterling hun for-

H. ANTONIUS VAN PADUA. 10

ocr page 150

146

tuin en hun tijdelijken voorspoed; hoevelen waren den Heilige de onschuld hunner harten, of de genezing van verouderde zielewonden verschuldigd. Hoevelen begrepen het maar al te wel, dat zonder Antonius de hoop op de eeuwige zaligheid hun voor goed zou zijn ontzonken. Die allen, staande en knielende bij het stralende lichaam des Heiligen, herdachten, wat die nu verstijfde hand goeds en machtigs voor hen had gewerkt. Was het dan wonder, dat het hart behoefte gevoelde aan zuchten, de mond aan weegeklaag, het oog aan tranen? Als het geruisch van wateren verhief zich de stem van gansch het volk, droeve kreten stegen van alle kanten omhoog, een gemurmel van medelijden en leedgevoel rolde voort over die tallooze hoofden, allen in eenzelfde klagen medeslepend. Toen kon men aanschouwen en zeggen: zie hoe een volk schreit, zie hoe een volk rouwt, zie ook, hoe een volk bemint.

Die liefde zou zich nog op een andere wijze uiten. De Heilige namelijk was overleden, niet in het Maria-klooster van de Minderbroeders, maar in een gebouw, dat eigenlijk op het terrein van het Clarissen-klooster was gelegen. De arme Zusters verlangden niets vuriger, dan dat haar het bezit van het kostbaar overschot des Heiligen zou worden vergund. De bewoners van de aan het Clarissenklooster grenzende straten wenschten eveneens het dierbaar overschot daar te behouden. '

Weldra verschenen de Minderbroeders van het Maria-klooster, dat aan de andere zijde der stad

ocr page 151

147

gelegen was, en quot;eischten het lichaam van hun medebroeder.

Daartegen kwamen de gezegde bewoners met kracht op. Gewapende mannen omringden het Clarissen klooster, ten einde elke ontvoering van An-tonius' lijk te verhinderen. Er werd alzoo voorgesteld, de beslissing van den Provinciaal der Orde af te wachten.

Men leefde in de dagen, toen het geloof nog brandende was in de harten, en het volkskarakter zich nog in al zijn primitieve kracht deed gelden. Tegen den nacht was de menigte het wachten moede, men liep te hoop en stortte zich op het gebouw der Franciscanen, dat op het terrein van het Clarissen-klooster was gelegen. Deuren, venstei's en poorten werden opengestooten en verbrijzeld. Nu men op deze krachtige wijze zijne zienswijze had duidelijk gemaakt, werd de terugtocht aanvaard. Homerus heeft eens den strijd der Trojanen en der Grieken bezongen, die elkander het lijk van Patroclus betwistten. Hij zou het tooneel te Padua hebben begrepen en gewaardeerd met al de belangstelling, die de strijd verdient tusschen de Franciscanen en de Clarissen, om het bezit van het kostbaar overschot van den held van Padua, een strijd, door twee machtige en slagvaardige scharen volks gedeeld, die het koud gebeente des Heiligen als dat van een vader beminnen, en zelfs ten koste van hun bloed verdedigen willen.

Den volgenden morgen trokken geheele scharen volks, uit de dorpen en gehuchten van den omtrek

ocr page 152

148

de stad binnen. Allen wilden het lichaam van den beminden vader aanschouwen. Het te mogen aanraken, achtte ieder een buitengewoon voorrecht. Den meesten echter was dit wegens de samengepakte menigte ondoenlijk. Yelen namen daarom de gelegenheid waar, om ringen, sleutels, armbanden, koorden, gordels en allerlei versierselen aan lange stokken gebonden, tegen het heilige lichaam aan te drukken, om zoo een kostbaar aandenken van Sint Antonius te bezitten.

De Provinciaal deed zich wachten. Het was in den zomer, een tijd min gunstig voor het bewaren van lijken. De Franciscanen legden dus het lichaam in een houten kist, en begroeven die in stilte op een geringe diepte in den grond. Daar weerklinkt een stem onder het volk, roepende: het lichaam is verdwenen! Terstond snellen allen toe, en ijlen naar de plaats van het graf. De kist wordt opgedolven, geopend, men overtuigt zich van de aanwezigheid van het kostbare lichaam en blijft nauwgezet de wacht houden.

Eindelijk des Zaterdags tegen den avond was de Provinciaal aangekomen. De partij, die zich tegen elke wegvoering verzette, bepleitte met vuur haar zaak in den breede, en verklaarde ten slotte, in geen geval het overbrengen te zullen toelaten, ook al zou het strijd en bloed kosten. Hun recht weigerde de Provinciaal te erkennen; hij stond hun echter toe, het heilig lichaam te blijven bewaken, tot de definitieve beslissing zou vallen.

De beraadslagingen duurden vier volle dagen.

ocr page 153

149

Don Conradus, Padua's bisschop, had zijne geestelijkheid te zamen geroepen, die niet ongenegen scheen, aan het vroom verlangen der Clarissen gehoor te geven. De Provinciaal wees er echter op, dat Antonius een lid was der Franciscaner-Orde, dat hij in de kloosters der Orde had gewoond en geleefd, dat hij zeker zelf zou verlangd hebben in het Maria-klooster te worden begraven, en eindelijk, dat hij als kind der gehoorzaamheid zich in alles naar het verlangen zijns Oversten zou hebben willen schikken, en dat nu zijn Overste d, w. z. de Provinciaal het lichaam van zijn onderhoorigen kloosterling opeischte in naam der rechtvaardigheid, overeenkomstig den natuurlijken loop der dingen.

De bisschop besliste ten gunste van den Provinciaal.

Overeenkomstig die beslissing werd de overbrenging met alle mogelijke pracht en praal volvoerd. Zij die het volk aanspoorden om zich tegen de wegvoering te verzetten, werden door de krachtige maatregelen van den magistraat der stad tot rust gebracht. De lijkkist werd door de aanzienlijkste burgers gedragen, terwijl de Bisschop zelf den grootschen stoet leidde. Slechts uiterst langzaam kon de onafzienbare processie voortschrijden, te midden van de duizenden die biddende volgden.

Vele zieken en gebrekkigen, lijdenden en ongelukkige misvormden trachtten de lijkkist te bereiken, en raakten die vol vertrouwen op de macht

ocr page 154

150

van Antonius aan. Zooals de kronijk van Johannes van Pecham ons verhaalt, ging tijdens dien laatsten tocht, een wonderbare genezende kracht uit van het lichaam van Padua's beschermer. Blinden, dooven, lammen zagen zich plotseling hersteld, en uitten in geestdriftige lofprijzing en zegekreten hun innigen dank aan den grooten wonderdoener.

Sinds dien gedenkwaardigen dag, ving de nooit onderbroken reeks aan van processiën en bedetochten, die de verst ver wij derde volkeren naar het graf van den H. Antonius voerden.

Het eerst trokken de Paduanen uit, die zich zoo heftig tegen de overbrenging van het lichaam des Heiligen hadden verzet. Blootsvoets, ten teeken van hun berouw, traden zij voort, hun medeburgers ten voorbeeld. Achtereenvolgens kwamen de religieuze Orden der stad, de geestelijkheid, het kapittel, de bisschop, de magistraat, de studenten, in één woord, alle corporatiën hun eerbied betuigen aan hun beschermer. Iedere groep voerde een kaars met zich, meestal versierd, buitengewoon hoog. en zoo zwaar, dat men ze op de schouders moest dragen, of zelfs een wagen noodig had, om ze naar het graf te brengen.

Niet lang daarna zag men de Venetianen ter bedevaart gaan. De bewoners van de omliggende steden volgden. Eindelijk trokken van alle kanten de volkeren op. Franschen, Duitschers, Hongaren, allen vermengden zich met de bewoners van het land, en wedijverden, wie het meest Antonius zou vereeren.

ocr page 155

151

Op zekeren dag trad een soldaat, genaamd Alear-dino, die tot de ketterij was overgegaan, op zijn reis door Padua eene herberg binnen, waar hij de gasten hoorde spreken van de talrijke wonderen, door Padua's Heilige gewrocht. Hij lachte luidkeels over hetgeen hij vernam, nam een glazen drinkbeker in de hand en zeide; „Ik voor mij ben zoo lichtgeloovig niet. Gij allen ziet hier dit glas; welnu, indien uw Antonius kan verhinder én, dat het breekt, dan zal ik gelooven.quot; Tegelijk wierp hij met kracht den beker op den steenen vloer.

Als een veerkrachtige bal sprong het brooze glas van den grond terug, en bleef volkomen ongeschonden. De afvallige soldaat hield zijn woord, en verzoende zich vol berouw met God.

Niet lang daarna kwam dit wonder in een zekere vrij talrijke bijeenkomst ter sprake. Een uit het gezelschap verklaarde, die gebeurtenis moeilijk te kunnen gelooven, „maar, voegde hij er ironisch lachend aan toe, indien Antonius aan deze dorre rank, die ik hier in de hand heb, zoovele druiven doet groeien, dat ik ze kan uitpersen en dezen beker met wijn vullen, dan geef ik mij gewonnen.quot; Terstond zag men de rank groen worden; bladeren en druiven verschenen en waren rijp; men perste ze uit, en het drinkglas was gevuld.

Op bevel van Conradus, Bisschop van Padua, moesten allen, die door een wonder op voorbede van den H. Antonius waren begunstigd geworden, daarvan aan het bisschoppelijk paleis getuigenis komen afleggen. Een der schrijvers, Wilhelmus van

ocr page 156

152

Anguillara, lachte heimelijk, als hij de verhalen der ooggetuigen opteekende. Plotseling gevoelt hij een stuiptrekkend beven in geheel zijn lichaam, en leed zulke pijnen, dat hij zijne vrome moeder te hulp riep, en haar verzocht, zoo spoedig mogelijk naar Antonius' graf te gaan, vergiffenis te vragen voor zijn ongeloof en boete te beloven. Terwijl de moeder in haar angst voor het leven baars zoons aan het graf geknield en biddend nederlag, werd deze van zijn smart en stuipen bevrijd, en toonde daarna meer geloof aan de wonderteekenen, door zoovelen gezien en bevestigd.

Laat ons dit hoofdstuk eindigen met de merkwaardige woorden van den schrijver der aloude annalen, bekend onder den naam van „Handschrift van het klooster van Ancona,quot; en door de Bollandisten aangehaald. Aan het slot van die belangrijke mededeelingen zegt hij : „Dit zijn de mirakelen, die de Heer van Majesteit zich heeft gewaardigd, voor zijn dienaar Antonius te verrichten. Er zijn er nog vele andere, die niet in dit boek staan opgeteekend. Uit den overstelpenden overvloed heb ik slechts eenige gekozen, om materiaal te leveren aan de schrijvers, die de glorie van den Heilige door hun werk willen bevorderen; ik heb slechts de voornaamste opgeteekend, en ze beknopt verhaald, opdat ze met genoegen zouden worden gelezen. Indien een geschiedschrijver al de wonderen verhaalde, zou het te vreezen zijn, dat hun aantal de lezers vermoeide, en in zwakke geesten twijfel voortbracht.quot;

ocr page 157

XIV.

Verheerlijking van Antonius.

wee commissie's werden door paus Grego-rius IX ingesteld, eene te Padua onder leiding van den bisschop don Conradus, ter zijde gestaan door twee Dominicanen, Jordanus Fozzati en Johannes van Viena, en een tweede commissie te Rome, waarbij de fransche kardinaal Jean d'Abbeville een werkzaam aandeel had. Eenige der uitstekendste kardinalen te Rome waren met het proces ter heiligverklaring geenszins ingenomen, omdat de tijd sinds den dood van Antonius ver-loopen, veel te kort was, om volgens aloud gebruik der H. Kerk de canonizatie te kunnen voorbereiden.

Een dezer kardinalen zag in een droomgezicht, hoe de paus in plechtgewaad, omringd door de vorsten der Kerk, een altaar en tempel ging wijden. Toen deze echter op het bepaalde oogenblik naar het voorschrift reliquieën in het altaar wilde neerleggen, maakten de kardinalen de opmerking, dat deze er niet waren. De paus, overal rond-

ocr page 158

154

ziende, bemerkte dicht bij hem een doode, die zoo juist was overleden, nog gehuld in het lijkkleed.

„Breng mij, sprak de paus, deze nieuwe reliquie-en, om ze in het altaar te leggen.quot; De kardinalen antwoordden: dat daar geen reliquieën waren, wel een doode. „Zoekt slechts onder het lijkkleed,quot; hernam de paus. Toen lichtten de kardinalen het kleed op, zagen het lichaam van een doode, zonder eenig teeken van bederf, en zoo kostbare reliquieën, dat zij die aan elkander betwistten.

Ontwakend, vernam de kardinaal, dat gezanten van Padua aan zijn deur wachtten, en hem wensch-ten te spreken. „Ziedaar den droom en zijne uitlegging !quot; zeide de kardinaal tot eenige geestelijken. Sinds dat oogenblik was hij van meening veranderd, en ijverde uit alle macht voor de canonizatie van Antonius, waartoe dan ook reeds spoedig kon worden overgegaan.

Den 30n Mei 1232, nog geen jaar na den dood van Padua's grooten weldoener, was een ontzag-lijke menigte vergaderd in de kathèdraal van Spo-leto, waar paus Gregorius IX bij den dienst van het Pinksterfeest tegenwoordig was. Een uitvoerig verslag werd aan het volk voorgelezen, en de 50 voornaamste wonderen vermeld, die na een canoniek onderzoek waren aangenomen, en de heiligverklaring meer dan voldoende motiveerden. In die lijst namen 19 verminkten eene plaats in ; daarenboven 5 lammen, 5 gebochelden, 3 dooven, 2 lijders aan vallende ziekte, 3 stommen, 2 koortslijders, die allen volledig herstel van gezondheid en ledematen

ocr page 159

155

hadden verworven, terwijl 2 dooden ten leven waren opgewekt.

Ten aanhoore van gansch het volk en van Padua's afgevaardigden, verklaarde de opperpriester, na aanroeping der Allerheiligste Drievuldigheid, in naam der Apostelen Petrus en Paulus, krachtens hun en zijn gezag, dat Antonius, priester en belijder van de Orde der Minderbroeders, op de lijst der Heiligen was geplaatst, en als zoodanig moest vereerd worden, terwijl als de dag van diens feest, de 13de Juni, zijnde de sterfdag des Heiligen, werd aangewezen.

Daarna hief de paus de antiphoon der kerkleeraars aan, welke door de aanwezige kardinalen en prelaten werd voortgezet. 0 doctor optime! klonk het door de ruime gewelven. „O verheven Leeraar! licht der heilige Kerk! zalige Antonius, minnaar der goddelijke wet, smeek voor ons bij den Zoon van God.'

*

De bulle der Canonizatie van Antonius weergalmde als de klank van de koperen klaroen na een schoone overwinning. De stedehouder van Christus prijst Padua gelukkig, en stelt de edele stad als een lichtende fakkel aan hare zustersteden voor, opdat deze in dat licht zullen wandelen. In de bulle, tot de geheele Kerk gericht, wijst de grijze,opperpriester op de heiligheid en de wonderen zonder tal van den kloosterling, dien hij zelf met eigen oogen als priester had zien arbeiden, allen tot zegen. God tot lof.

„Nu, o Heer!quot; zongen de dichters der middel-

ocr page 160

156

eeuwen als een echo van het woord des pausen, „nu juicht Antonius vol vreugde, en springt hij op van geluk in Uwe tegenwoordigheid, in het paradijs, waar hij het licht geniet, dat Gij zelf zijt, dat hem aan U gelijkend maakt. Hemel, aarde en zee, alle schepselen van het heelal, zegent den Heer, die de wonderen van Antonius vermenigvuldigt, en in de ziel de hoop van het toekomend leven doet aangroeien. Zegen, mijn hart! den Heer, die Antonius aan Zijne Kerk schonk. Neem trompet en harp, grijp het psalter en de cimbalen. Meng snarenspel en bazuinen in eenzelfde harmonie, om uwe hemelsche blijdschap in sterfelijke klanken te vertolken.quot;

Op den dag dat Spoleto de koninklijke eer aanschouwde, waarmede de Pontifex Maximus den nederigen kloosterling voor het aanschijn der wereld bekroonde, zag de stad Lissabon een geheel spontane uitbarsting van blijdschap, waarvan toen niemand zich rekenschap wist te geven. Plotseling toch verlieten mannen, vrouwen en kinderen hunne huizen, verspreidden zich over de straten en pleinen der stad, en hieven liederen aan, juichend en dansend, als buiten zich zeiven van vervoering. De klokken der stad begonnen te luiden, zoodat een enkel gevoel van vreugde allen bezielde. Het was een tooneel, dat men zich moeilijk zou kunnen voorstellen, ware het niet, dat de annalen der Portugeesche geschiedenis het feit buiten allen twijfel stellen.

Toen eindelijk de tijding der canonizatie Lissabon

ocr page 161

157

bereikte, steeg de feestelijke stemming ten top. Een luister als nooit te voren was aanschouwd, drukte de geestdrift uit, die allen bezielde. Tijdens de plechtigheden zag men op de eereplaats twee zusters van Antonius: dona Feliciana en dona Maria. Voorwaar, een zeldzaam schouwspel in de geschiedenis der heiligen. De kronijken zwijgen van Antonius' vader, maar maken uitdrukkelijk gewag van de tegenwoordigheid van zijne moeder, dona Teresa Tavera. Gelukkige moeder, die haar zoon op het altaar verheven zag! Gelukkige moeder, op wier graf eens zou gebeiteld worden: hic jacet mater sancti Antonii. Hier rust de moeder van den heiligen Antonius (1).

Te Padua had de blijdschap zich zoozeer van allen meester gemaakt, dat alle twist en tweedracht verdwenen was, en de geheele bevolking slechts een enkel huisgezin scheen te vormen. Eén van hart en één van ziel, snelden allen ter plechtige vereering naar het graf van hun geliefden Heilige. Wat een getuige in 1600 nog mocht nederschrijven, dat n.1. een zoete geur als van balsem rondom het graf zweefde, werd ook reeds in de dagen der heiligverklaring door alle bezoekers opgemerkt. De wonderen vermenigvuldigden zich in die mate, dat het voor den geschiedschrijver eene hopelooze taak zou zijn, die allen te willen

1

Volgens het reeds besproken werk van den Dr. Theol. Pater Hilaire de Paris p. 118, is dit opschrift in de taal des lands te lezen in de aan Antonius toegewijde kapel van het klooster van den H. Vincentius te Lissabon.

ocr page 162

158

vermelden. Laat alleen hier gezegd worden, dat verschillende wonderbare genezingen werden verkregen door de devotie der negen Dinsdagen, ter herinnering aan den triomftocht van het heilig lichaam, bij gelegenheid van de begrafenis op een Dinsdag, den 17den Juni 1231 in de kerk van de H. Maria.

Trok het graf te Padua gansche scharen pelgrims uit alle streken van het Schiereiland, van de Appe-nijnen en van de Alpen, in Frankrijk toog de menigte vertrouwend naar de grot van Brive, door Antonius' verblijf geheiligd. Limousin, Languedoc, Provence gingen in edelen wedijver de plaats vereeren, getuige van de heldhaftige deugd des beminden Heiligen. De grot had in 1565 de woede der Calvinisten, in 1793 de razernij der zoogenoemde „ Septembriseurs quot; te verduren. Den 9n Augustus 1874 werd zij door Mgr. Berteaud, den bisschop van het diocees, aan de hoede der Franciscanen toevertrouwd.

Lissabon wijdde aan den Heiligen Antonius een monument, waarop de stad trotsch is, en richtte hem een standbeeld op. Padua en Napels kozen hem tot patroon, terwijl de studeerende jeugd in Portugal hem tot haar toonbeeld en beschermer koos.

In 1263 werd het stoffelijk overschot van den wonderdoener in het heiligdom overgebracht, dat de liefde van Padua had opgericht. De Generaal der Franciscaner-Orde, de beroemde heilige Bova-ventura leidde de plechtigheid. De kronijkschrijver

ocr page 163

159

verhaalt ons, dat het vleesch van het lichaam was vergaan, alleen de tong was zoo rood en frisch, dat de eerbiedwaardige Bonaventura haar in zijne handen nam en onder een vloed van tranen aan het opgetogen volk vertoonde, terwijl hij uitriep: „0 gezegende tong, die zoo dikwijls den Heer hebt gezegend en hem door zooveel anderen hebt doen zegenen! Nu zien we allerduidelijkst, welk een schat van verdiensten gij bij God hebt verworven.quot;

Als de pelgrim het heiligdom bezoekt, aanschouwt hij de tong, met de punt naar boven gericht, als om te herinneren, dat zij slechts van en voor den hemel heeft gesproken; dan komen de schoone woorden van den vurigen lofredenaar van Antonius, den Jezuïet Mendoza hem als vanzelf op de lippen: „Indien ik honderd tongen had en honderd monden, zooals de dichter van Mantua zingt, indien alle deelen van mijn lichaam zich in tongen veranderden, volgens de uitdrukking van den H. Hieronymus; indien ik evenals de Apostel, de taal sprak der Engelen en der menschen, dan nog zou ik onmachtig zijn, om de heilige tong van Antonius naar waarde te prijzen. Als die tong zwijgt, dan spreekt zij toch; als zij sterft, dan blijft zij levend; als men haar begraaft, verrijst zij weêr; als men haar gelooft tot asch te zijn vergaan, dan verschijnt zij in al de schoonheid der jeugd voor ons oog.quot;

De hand van Giotto bouwde de drie heerlijke tempels der Franciscanen te Assisi, te Florence en te Padua. De geheele Christenheid nam op uit-noodiging van Paus Alexander IV deel aan den

ocr page 164

160

bouw der basiliek van Sint Antonius te Padua. Een wonderschoon monument moet dit gothieke gebouw genoemd worden. De koepels, aan den byzantijnschen stijl herinnerende, de standbeelden en bas-reliefs van Donatello, de onsterfelijke fresco's van Giotto, en de vier groote orgels, in één woord alle kunsten sluiten zich harmonisch aaneen, om den nederigen zoon van Franciscus met de hoogste aardsche eer te bekronen. De kapel van den Heilige, il santuario, toont een frontispice, geheel uit wit marmer opgetrokken. In het midden zijn op een kostbaar marmerblok de woorden gegrift: „De Republiek van Padua aan den heiligen Belijder Antonius.quot;

Naast deze kerk verheft zich de „Scuola del Santoquot; een gebouw, waar de uitstekendsten der burgers vergaderen, die tot de broederschap van den H. Antonius behooren. Hunne vergaderzaal vertoont zeventien fresco's, even zooveel wonderen voorstellende, waarvan verschillende door het hoofd der Venetiaansche School, den beroemden Titiaan zijn geschilderd.

Omstreeks 1570 verzocht Sebastiaan, koning van Portugal, een reliquie van zijn heiligen landgenoot. De Senaat van Venetië, onder welks gebied Padua gerekend werd, verleende zijne tusschenkomst, om aan het verzoek te voldoen.

Eenigen tijd later vroegen en ontvingen de keizerin van Oostenrijk en de aartshertog Ferdinand een dergelijk gunstbewijs.

In 1609 verkreeg Margareta van Oostenrijk,

ocr page 165

161

.

koningin van Spanje en Portugal, een klein gedeelte van de huid. In 1652 ontving de Eepubliek van Venetië in hachelijke tijdsomstandigheden een gedeelte van den arm. Te gelijk echter nam de Senaat van Venetië op het verzoek der Paduanen het besluit, dat voortaan de reliquieën van den H. Antonius onvervreemdbaar waren, en zelfs niet aan een Vorst of aan een Staat konden worden geschonken.

De voornaamste reliquie was reeds twee eeuwen te voren weggeschonken aan een onbeteekenend stadje in Frankrijk. In het midden der 13® eeuw werd Europa geteisterd door een ontzettende bezoeking, namelijk door de zwarte pest. In sommige landen werden negen tienden van de bevolking weggemaaid. Toen nu in 1349 de vreeselijke plaag in kracht afnam, schreef paus Clemens VI ten teeken van vreugde na zoo felle verdrukking, een algemeen jubilé voor het volgende jaar uit. Het was de eerste maal, dat deze feestelijkheid, die men gewoonlijk om de honderd jaar vierde, reeds na vijftig jaar werd toegestaan. De toen te Avignon resideerende Opperpriester zond een kardinaal naar Rome, om daar de jubilé-feesten op plechtige wijze te openen. Deze kardinaal was de beroemde Guy de Montfort, legaat van den H. stoel, afstammeling van Lodewijk den Heilige, en verwant aan het koninklijke huis der Valois,

Hij begaf zich op reis, maar werd door ziekte gedwongen, te Conil, op het grondgebied van Cuges in Provence rust te nemen. Weldra scheen

H. ANTONIUS VAN PADUA. 11

ocr page 166

162

de dood nabij. De kardinaal beloofde de plechtige overbrenging der reliquieën van den H. Antonius te zullen gaan bijwonen, indien hij door de voorspraak van Padua's wonderdoener genas. Zijn wensch werd vervuld, en kort daarna zag de stad van Antonius den kardinaal naderen aan het hoofd van een groeten stoet, waarbij ruim 300 paarden.

Den 14n Februari 1350 werd het gebeente van den Heilige uit de marmeren tombe uit het midden van de Basiliek naar de kapel overgebracht, onder welker altaar het voortaan zou rusten. De kardinaal volgde het voorbeeld, in 1263 door den H. Bonaventura gegeven, en liet ten tweeden male de tombe openen. Hij schonk een zilveren reüquieënkast, rijk met edelgesteenten versierd, waarin het beneden kakebeen en een arm van den Heilige werden gesloten. Waarschijnlijk is de zilveren kist, die men toen in de marmeren tombe plaatste, eveneens aan zijn vromen zin te danken. De schedel werd verdeeld, en een der gedeelten door den kardinaal aan de inwoners van Cuges geschonken, waar hij zulke liefdevolle opneming en verpleging had gevonden. De devotie tot den H. Antonius heeft sinds dat oogenblik zich als vastgeworteld in de harten dier brave bevolking, die bij meer dan ééne gelegenheid de krachtige hulp van haar Beschermer heeft ondervonden. De tegenwoordige pastoor van Cuges, met name J. M. Arnaud, bespreekt in een werkje, door hem over de genoemde reliquie uitgegeven, de verhalen, die ongeloovigen en zwakgeloovigen op spot-

ocr page 167

163

tenden -toon verspreiden over de gehechtheid zijner gemeentenaren aan Antonius, ten einde er een beetje den gek mede te steken. Zoo zou een boer tot zijn zoon gezegd hebben; „Gij moogt, wat mij betreft^ werken op de Zondagen en feestdagen, zelfs op Paschen en Kerstmis; maar zoo gij het ongeluk hadt, te gaan werken op het feest van Sint Antonius, dan zou ik u aan den hoogsten balk van de hofstede ophangen.quot; Der-gelijke fabeltjes geven in ieder geval genoeg te kennen, hoe de kinderlijke vereering van den grooten Heilige door de inwoners van Cuges, in hooge mate de aandacht van allen heeft getrokken.

ocr page 168

XV.

De patroon voor verloren zaken en het Antonius-brood.

|og een enkel woord moge hier volgen over de meer bijzondere gevallen, waarin de hulp van Antonius werd ingeroepen en verhooring volgde. Wendt men zich tot den Heilige in elk geval van nood, van kommer en droefenis, meer bijzonder nog hebben de volkeren zich tot hem begeven in gevallen, waarin het verlies van voorwerpen en zaken, hoe gering en hoe onaanzienlijk ook,, den bezitter ter harte ging. Het geluk van een verloren zaak terug te vinden, heeft Antonius zelf genoten, toen hij het psalmboek, dat hij voorgoed verloren waande, weer mocht terug ontvangen.. Aan vele anderen, aan duizenden heeft hij datzelfde geluk verleend, zoodat niet ten onrechte de naam van patroon van verloren zaken, aan hem door de stem des volks is geschonken. De Bollandisten hebben ongeveer vijftig voorbeelden gekozen, uit de duizenden, die hun ter beschikking konden staan^

ocr page 169

165

Daar wordt het terugvinden vermeld van ringen, geldbeurzen, boeken, schuldbrieven, dieren en andere zaken, te veel om te noemen. Zelfs naainaalden en dergelijke geringe voorwerpen ontbreken niet. Terecht luidt dan ook de conclusie der geleerde schrijvers: „Ieder weet, dat Antonius van Padua door Ood is voorbestemd, om zaken, die bij toeval waren verloren of door dieven weggenomen, aan hare eigenaars terug te schenken.quot;

Daarom kon, steunende op de algemeeneovereenstemming van landen en volken, Guillaume Pépin van de Parijsche hoogeschool, even welsprekend als waar uitroepen: „De H. Antonius heeft van God liet voorrecht der verloren zaken ontvangen, die tallooze malen door zijne verdiensten werden teruggevonden, gelijk ik uit eigen ondervinding kan getuigen. Met recht mag ik daarom aan den H. Bernar-■dus de woorden ontleenen, die hij tot de Moeder Oods richt, en zeggen: Dat diegenen aan U, o H. Antonius! hunnen lof weigeren, die godvruchtig uwe hulp in hunnen nood hebben aangeroepen, en moeten bekennen, dit tevergeefs te hebben gedaan.quot;

Slechts enkele voorbeelden willen we in de weinige ons nog toegestane bladzijden aanstippen.

Een inwoner van Avila in Spanje, Mcolaas Al-phonso genaamd, had van zijn oom en tante, Juan Alphonso en Aldonzo Gonzalez, niet slechts de goederen en bezittingen geërfd, maar ook dezer tee-dere godsvrucht tot Antonius was op hem overgegaan. Volgens hunne aanbeveling, bood hij telken jareden Franciscaner-kloosterlingen op het feest van

ocr page 170

166

den Heilige een maaltijd aan. Eens had hij het ongeluk, een kostbaren ring, waaraan hij zeer gehecht was, in zee te laten vallen, een onherstelbaar verlies alzoo, dat hem treurig stemde. Toch lieb hij op het eenige dagen later invallende feest van Antonius, als naar gewoonte een maaltijd naar het klooster brengen. Daarbij waren ook eenige vis-schen. Hoe verbaasd stond de broeder, die als kok de visschen zou gereedmaken, toen hij bij het opensnijden den verloren ring terugvond. Het was vreugde voor het klooster, vreugde ook in het hart van Alphonso, die het gebeurde door een schilderstuk voor het nageslacht heeft bewaard.

Het zou natuurlijk dwaas zijn, de devotie tot den H. Antonius alleen tot onze stoffelijke belangen te willen beperken. De feiten daarenboven zouden zulk een beperking weerleggen. De voorbede van den Heilige heeft evenzeer belangen van hoogere waarde gered. Hij heeft aan gevangenen de vrijheid geschonken, zwakken in hun verdrukking bijgestaan, de belasterde onschuld gewroken, de aan gevaar blootgestelde reinheid der maagden beveiligd. Antonius heeft dwalenden in den schoot der waarheid teruggevoerd, de stormen in zoovele harten bedaard, evenals de woede der zee op zijn bevel zich intoomde ; aan zoovele zielen schonk hij het verloren leven weder, gelijk de zieken hem de gezondheid, de dooden hem het leven danken. De hoop laat hij stralen voor de blikken der hope-loozen, eendracht wordt op zijn woord in twistende huisgezinnen geboren. Herinneren wij het

ocr page 171

167

ons wel: dit alles zijn zaken, die evenzeer als stoffelijke voorwerpen, kunnen verloren worden en die toch van het grootste belang zijn. Helaas, men verliest ze zoo gemakkelijk! en zooveel moeite kost het, er weer bezitter van te worden!

Op zekeren dag legde een brave Franciscaan, pater Bernard, als naar gewoonte een geschreven verzoek neder aan de voeten van Antonius' beeld. Het duurde hem wel wat te lang, eer hij verhooring vond. Hij wordt boos en, (wat doet al niet een mensch, die boos is) hij zendt een misdienaar met een steen naar Antonius. Volgens den hem gegeven last, legt de knaap den steen neder op het altaar van den Heilige, en spreekt aldus: „Pater Bernard beweert, dat uw gemoed nog harder is dan deze steen, want gij hebt hem nog de gunst niet toegestaan, die hij van u verwacht. De liefde toont zich door daden. Waarom dan zoo lang gewacht, als er haast bij de zaak is?quot;

Terstond ziet de knaap de figuur van een Franciscaan voor hem oprijzen, die aldus antwoordt: „Neem uwen steen weder terug! Ga naar pater Bernard, en zeg hem dat niet ik, maar hij een hart van steen schijnt te hebben, omdat hij, wetende hoe goed ik altijd voor hem was, zoo lang heeft gewacht, om zich te verzekeren van de weldaad, die reeds lang hem is toegestaan.quot;

Werkelijk was de voor een arme gevraagde gunst reeds sinds eenigen tijd ontvangen, maar men had den hulpvaardigen pater tot nu toe geen kennis daarvan gegeven.

ocr page 172

168

Een andere trek.

Te Catana was eens dezelfde pater Bernard in den tuin van het Franeiscanerklooster bezig zijn brevier te lezen; toen hij geëindigd had, naderde hij eenige broeders, die zich met het visschen van palingen bezighielden.

„Hoe gaat het met de vangst?quot; was zijn vraag. „Wij vangen wel veel visschen,quot; luidde het antwoord, „maar geen enkelen paling.quot;

„Welaan,quot; zeide de pater, terwijl hij zelf een lijn uitwierp, „mijn goede heilige Antonius, breng mij een flinken paling uit het water hier!quot;

Terstond had de haak een paling aangeslagen, maar het was een bedroefd kleine.

„Maar wat is dat nu?quot; riep de visscher uit, „mijn beste heilige Antonius, zie nu eens wat gij mij geeft ? .. . uitschot! Dit geschenk is u onwaardig. Ik geef het u dan ook terug.quot;

Tegeüjk wierp hij den paling in het water. Weer sloeg hij den haak uit, en nu was een zware paling het loon van zijn kinderlijk vertrouwen.

Men kan veilig dezen Franciscaan als type van het gansche volk beschouwen. Die treffende gemeenzaamheid geeft duidelijk te kennen, hoe onbegrensd de liefde is van het volk voor zijn Heilige. Nu nog, evengoed als in de middeleeuwen, en in den tijd der Eenaissance, wordt de heilige Antonius even gemeenzaam behandeld door de brave vrouw der Abruzzen en den visscher van Napels, door den boer van de Campagna Romana en de waterdraagster van Venetië.

ocr page 173

169

Een voorbeeld uit onze dagen moge nu den lezer stichten. Een inwoner van Chambéry had een dag op zijn villa, dicht bij de stad gelegen, doorgebracht. Des avonds laat huiswaarts keerende, bemerkt hij zijne sleutels te hebben verloren. Op raad van zijn dochter, bidt hij den volgenden dag onder de H. Mis een Onze Vader en Wees gegroet ter eere van den H. Antonius, aan wien hij zijn verloren sleutels aanbeval. Hij toefde eenige oogenblikken op de binnenplaats der Eerw. Paters Capucijnen, toen hij plotseling een stem vernam, die hem zeide: Ga uw sleutels halen bij J____Daar op de binnenplaats niemand te zien was, kon hij van aandoening bij de gedachte aan een zoo duidelijke tusschenkomst van den Heilige, zich bijna niet bedwingen. Hij ging naar het aangegeven adres, trad binnen, en vroeg op stelligen toon zijn sleutels terug, die hem terstond werden overhandigd. De vinder verklaarde, ze den vorigen dag op den weg te hebben opgenomen.

Laten we den heer Etienne Jouve, redacteur van den „Croix du Varquot; een voorval hooren verhalen, dat even sterk voor de hulp van Antonius pleit.

Ongeveer vier maanden geleden was Mevrouw X.... die een buitenplaats bewoonde, zeer onsteld, toen zij tot ontdekking kwam, dat 1400 franken waren verdwenen. Zij bewaarde die som in bankbiljetten, in een glazen kast onder een hoop linnen. Had hier diefstal plaats gehad? Wie was de dief? Wanneer was er gestolen? Altemaal vragen, waarom-

ocr page 174

170

trent het nauwkeurigste onderzoek niet het minste licht gaf. Zoo gingen twee maanden voorbij, en mevrouw X. begreep maar al te wel, dat het geld voor goed verdwenen was.

Op zekeren dag wordt in haar bijzijn gesproken over de wondermacht van Antonius. Zonder aarzelen belooft zij 50 franken aan de armen, indien ook zij van den Heilige hulp ontvangt. De laatste dag van een novene, door haar ter eere van Antonius gehouden en met eene H. Communie besloten, was aangebroken. Uit de kerk huiswaarts keerende, zag zij bij de poort van den tuin vóór haar buiten, in het zand een hoopje ineengedraaide lompen liggen. Zij wilde haar weg voortzetten, toen een plotselinge ingeving haar deed stil staan. Zij

raapt de lompen op, ontvouwt ze in haast en____

vindt er 1200 franken aan bankbiljetten tusschen. Slechts 200 franken ontbraken.

Nauwelijks is zij een half uur in huis teruggekeerd, als een barer kennissen haar wenscht te spreken. Deze viel binnentredende op de knieën, beleed den diefstal, en vroeg vergiffenis. Zij had reeds 200 franken uitgegeven, die zij bij gedeelten wilde terug betalen. Zoo had Antonius de teruggave van het gestolen geld en de bekentenis van de schuldige dievegge bewerkt.

Ten slotte nog een welsprekend bewijs voor de macht van den grooten Wonderdoener van Padua. Het wordt ons medegedeeld door Charles d'Héri-cault, een vriend van den bekenden schrijver Mgr. Ant. Ricard:

ocr page 175

171

Op een kouden Decemberdag van 1870, aldus verhaalt hij, deelde mijne moeder mij op treurigen toon mede, dat haar vijf bankbiljetten, elk van 100 franken, waren ontstolen. In die dagen waren die 500 franken de voornaamste schat in onze geldkist. De verdenking kon alleen vallen op onze keukenmeid, die wij wel wat lichtvaardig zonder onderzoek hadden in huis genomen. Toch had Vic-toire, onze keukenprinses, sinds dat oogenblik d. i. sinds vier maanden, geen reden tot ontevredenheid gegeven. Mijn moeder onderzocht het geheele huis, snuffelde in alle hoeken en gaten, ook in de kamer van genoemde juffer, maar helaas, de vurig begeerde papiertjes waren weg en bleven weg.

Zonder mij iets te zeggen, begon zij een novene tot den H. Antonius. De laatste Zondag van de maand, de dag, dien Victoire gewoonlijk bij hare familie ging doorbrengen, was nabij. Vrijdags voor dien Zondag doorzocht mijne moeder het huis nog eens, van onderen tot boven, en hield alweder een nauwkeurige inspectie (misschien wel voor de twintigste maal) in een leeg kamertje, dat mijne zuster Fina voor haar huwelijk had bewoond. Vooral een chiffonnière, die daar stond, gold het onderzoek, waarbij deze haar geheelen inhoud moest afgeven, zoodat zij eindelijk totaal ledig was.

Den anderen morgen schrok, ik wakker, en vernam de stem van mijne moeder, die bevende en fluisterend mij toesprak: „Sta op en ga met mij mede.quot; Ik vloog haastig naar mijn revolver. „Neen, fluisterde moeder weder, die is niet noodig.quot; Het

ocr page 176

172

was nog vroeg, zoodat men nauwelijks iets kon onderscheiden. Ik ging op het bed zitten, wreef mij de oogen uit, en vroeg, wat er dan eigenlijk aan de hand was, „Gij weet nog niet, klonk het antwoord, dat ik een novene gedaan heb ter eere van den H. Antonius. Ik wilde er niet met u over spreken, want ik weet welke dwaze denkbeelden ge op dit punt hebt.quot;

Ik protesteerde hiertegen, door mijn hoofd in het dons te steken, en liet een duchtig brrr! ! hooren. Dat kwam natuurlijk van de kou, en geenszins uit gebrek aan eerbied. „Dezen nacht, ging mijn moeder voort, zag ik in een droom den H. Antonius, Driemalen wees hij met de hand naar de chiffonnière. Ik ontwaakte, ben opgestaan en nu kom ik u roepen om met mij te gaan zien.quot;

De brave vrouw scheen in eenigszins opgewonden stemming. Ik poogde haar te bedaren door over haren droom te lachen en op te merken, dat de kast, die den avond te voren volstrekt niets meer bevatte, nu moeilijk van bankbiljetten kon voorzien zijn. „Die dingen, zei ik, niet zonder eenigen spot, komen zoo maar niet uit den grond op, evenals champignons,quot; Toch gevoelde ik mij door dit voorval meer getroffen, dan ik wel bekennen wilde.

Een oogenblik later stonden wij voor de chiffonnière. Ik trok de lade open en waarlijk, daar lag het pakje van de vijf bankbiljetten, met een band tezamengebonden. Wij konden onze ontroering niet bedwingen, tranen van dankbaarheid sprongen ons

ocr page 177

173

uit de oogen en een hartelijk: „dank, goede Heilige Antonius!quot; trilde op de lippen mijner moeder, een hulde, waarmee ik terstond met diep gevoel instemde.

Wat was er gebeurd? Victoire had de bewuste biljetten weggenomen, en ze onder de pannen van het dak verborgen. Des Vrijdagsavonds had zij mijne moeder de chiffonnière zien ledig maken, en besloot hieruit terecht, dat daar wel niet meer zou gezocht worden. Daarom legde zij de papieren juist in die lade, om ze den volgenden dag bij haar vertrek onopgemerkt te kunnen medenemen. Haar plan zou zeker gelukt zijn, indien de H. Antonius zich niet in de zaak had gemengd.quot;

Ten slotte wenschen wij nog in eenige trekken het werk te schetsen, dat aan zooveel armen brood heeft verschaft en als het liefdewerk van het An-tonius-brood bekend is geworden.

Eene brave Christenvrouw, Louise Bouffier genaamd, woonachtig te Toulon, schreef den 25n Februari 1898 eenige bijzonderheden over deze zaak aan Mgr. Ant, Ricard: „Ongeveer vier jaar geleden, aldus luidt haar verhaal, was het mij op zekeren morgen- onmogelijk, mijn winkel te openen ; het slot was gebroken. Een slotenmaker werkte ongeveer een uur lang om het slot te openen, en zeide toen ongeduldig: „Ik ga eenig gereedschap halen om de deur open te breken, er blijft mij niets anders over,quot; Nadat hij vertrokken was,

ocr page 178

174

dacht ik aan den H. Antonius en riep zijne hulp in. Zoodra mijn slotenmaker met een helper was teruggekomen, verzocht ik hem de deur niet open te breken, maar eerst nog eens den sleutel te beproeven, daar ik vertrouwde op den H. Antonius, wien ik brood voor de armen had beloofd. De eerste sleutel, die beproefd werd, paste juist in het slot, en zoo volkomen, alsof hij er bij behoorde, zoodat de deur terstond geopend was. Ieder stond verbaasd, en wist geen andere verklaring te geven dan den zichtbaren bijstand van den Heilige.

„Sinds dien dag vereeren eenige brave vriendinnen met mij den Wonderdoener van Padua; alle onze verlangens en behoeften leggen wij aan hem bloot, en beloven telkens brood aan de armen, als hij ons helpt. En werkelijk, wij zijn vol bewondering voor de gunsten en genaden, die hij voor ons verwerft.

„Eene mijner vriendinnen beloofde eiken dag van haar leven een kilo brood te zullen geven, indien een familielid van een gebrek werd verlost, dat hem reeds 23 jaar pijnigde. Zij werd verhoord. De kwaal is verdwenen. Uit dankbaarheid kocht zij een beeldje van Sint Antonius, dat wij in een hoekje plaatsten van mijn achterwinkel. Het is er zoo donker, dat wij een groote lamp noodig hadden, om voldoende licht te hebben.

„Langzamerhand kwamen anderen daar bidden, en tegenwoordig is bijna den geheelen dag door, die kleine kamer gevuld met menschen van allerlei

ocr page 179

175

stand en betrekking, die de hulp van den H. Antonius inroepen. Nu is het een soldaat of zeeofficier, die vijf franken per maand belooft, indien de reis, die hij gaat ondernemen, gunstig afloopt; dan weder eene moeder, die de genezing van haar kind vraagt. Heden bidt iemand om den goeden uitslag in een examen, morgen wordt door een geheele familie de bekeering van een dierbaren stervende afgesmeekt. Dan eens is het een werklooze, dan weder een arme dienstbode, die door de menschen verlaten, hulp bij den beminden Heilige komt zoeken.

„Een spottend artikel in onze stadscourant, die mij aanwees als de verspreidster van dom bijgeloof, heeft den toeloop nog aanmerkelijk doen toenemen.

„Een meisje beloofde 20 franken, indien haar vader, in gevaar van sterven, en toch hardnekkig weigerende, zich met God te verzoenen, mocht be-keeren. Wat gebeurt? Den daarop volgenden nacht springt de zieke plotseling op, en vraagt om een priester. Haastig wordt de priester ontboden; de zieke spreekt zijn biecht onder groot berouw, en sterft een uur later.

„Ongeveer drie maanden geleden, werd ik bij een bejaarde zieke dame geroepen. Zij had, levende van een kleine lijfrente, zooveel met armoede te kampen gehad, dat zij ten einde raad, 200 franken aan de armen beloofde, indien de H. Antonius haar wilde helpen. Kort daarnaar wordt zij onverwacht erfgename van 45.000 frank. Toen toonde zij, niet

ocr page 180

176

alleen een godvruchtig hart, maar ook een edelmoedige hand te bezitten.

„Een paar dagen geleden, stort iemand 3 5 franken voor de armen, om te verkrijgen, dat een huis van zeven verdiepingen huurders vinden zal. Terstond komen zich personen aanmelden, en de verdiepingen zijn reeds alle verhuurd.

„Indien ik u alle wonderbare -feiten wilde verhalen, die hier dagelijks voorvallen, dank aan onzen H. Wonderdoener, dan zou een boekdeel nog niet voldoende zijn. Maar de aalmoezen ? zult gij vragen. Daarover nog een enkel woord.

„In 1892 werd het cijfer van 15743 franken bereikt. Daardoor hebben onze armen, onze ouden van dagen, en onze weezen 13788 kilo's witbrood ontvangen. Het jaar 1893 schijnt rijker oogst te beloven. Alleen in de maand Januari werd 1072 franken geofferd, en 2680 kilo's brood uitge-rijkt........................quot;

Tot zoover het welsprekende schrijven van de vrome vereerster van den Heiligen Antonius. Al is het waar, dat eeuwen te voren de belofte van aalmoezen er veel toe bijdroeg, om een gunst van den grooten Wonderdoener te verkrijgen, het kan niettemin geenszins ontkend worden, dat het liefdewerk van het Antonius-brood zich eerst in onze dagen op bijzondere wijze heeft georganiseerd.

Het blijft eene eer voor Provence, dat uit een armen winkel in Toulon de grootsche beweging is aangevangen, en een vurige en edelmoedige Pro-

ocr page 181

177

ven^aalsche vrouw het eerst de nieuwe vaan ter eere van Sint Antonius heeft ontplooid.

Met snelheid heeft zich het liefdewerk verspreid. Na Toulon, dat in het jaar 1894 ruim 100.000 franken offerde, volgden Parijs (Montmartre), Brive, Avignon, Genève enz.

De bekende schrijver Mgr. Ant. Ricard verhaalt eene treffende gebeurtenis, hem persoonlijk overkomen, welke wij willen vermelden pour couronne-ment de Vedifice, dat wil zeggen tot een waardig slot en sierlijke kroonlijst van het gebouw der wonderen, door den H. Antonius gesticht.

Op een avond in December 1894 was de Hoog Eerwaarde schrijver in zijn kamer met studie-onderwerpen bezig, toen hem dekomst werd geboodschapt van een dame, die het volgende mededeelde:

„Sinds vele jaren had ik het ongeluk, verwijderd van den goeden God te leven. Sinds 27 jaren had ik niet meer gebiecht. In dien tijd had de hartstocht tot het spel mij zoodanig medegesleept, dat ik aanzienlijke sommen gelds aan mijn huisgezin onttrok, om buiten weten van mijn echtgenoot aan mijne speelzucht te kunnen voldoen.

„In het vorige jaar hoorde ik eens in een salon, waar gewoonlijk een zeer ongodsdienstige toon heerschte, spreken over de wonderen, die door tusschenkomst van den H. Antonis geschiedden, ten gunste van hen, die brood offerden ten voor-deele van de armen. Ik was getroffen door hetgeen verhaald werd.

„Des avonds tehuis gekomen, was het mij on-

B. ANIONICS VAN PADUA. 12

ocr page 182

178

mogelijk, in slaap te komen. Den geheelen langen nacht bleef ik wakker, zonder een enkel oogen-blik mijn oog te sluiten. Eene plotselinge wroeging over het leven, dat ik sinds jaren leidde, had mij aangegrepen. Een grenzenloos berouw vervulde mijne ziel. Ik zag uit naar eene reddende hand.

„De herinnering van de dien vorigen avond gehoorde gesprekken, bracht mijn gefolterden geest aan de voeten van Antonius.

„Een goede ingeving volgende, bad ik: „Heilige Antonius! indien Gij de verliezen herstelt, die ik door mijn speelzucht heb geleden, zoodat ik de schade kan vergoeden, die ik aan mijn huisgezin heb veroorzaakt, dan beloof ik U: vooreerst niet meer te zullen spelen, vervolgens eene som gelds aan de armen te geven, en eindelijk mij te zullen bekeeren.quot;

„Den volgenden nacht zag ik in een droom duidelijk drie nommers, zoo helder zelfs, dat ik des morgens bij het ontwaken ze nog goed. in het geheugen had. Haastig werden drie loten met de bewuste nommers gekocht. Verbeeld u mijn ontroering, toen ze alle drie reeds bij de eerste trekking prijzen behaalden, die te zamen zooveel bedroegen als de door het spel geleden verliezen.quot;

Moeilijk zal het, dunkt ons, zelfs den meest voorzichtige, den minst lichtgeloovige vallen, in deze gebeurtenis, van wier waarachtigheid genoemde schrijver zich heeft overtuigd, de hand

ocr page 183

179

van den steun en helper der noodlijdenden te miskennen.

Laat ons met een dergelijk brokstuk geschiedenis van den dag mogen eindigen.

Wij danken deze belangwekkende bijdrage aan den ijverigen priester, den abbé Dumaine,, den bestuurder van het werk der jongelingschap, te Marseille, waar het beeld van den H. Antonius in de kapel der Eerw. Broeders, Rue d'Hozier, door vele jongelingen getrouw wordt vereerd. In het voorbijgaan zij gezegd, dat in het jaar 1894 ongeveer 40 duizend beelden van den H. Antonius te Parijs zijn verkocht. Een model, door het huis Daniël, Rue Bonaparte 76 te Parijs, in den handel gebracht, mag bijzonder worden aanbevolen,

Abbé Dumaine nu verhaalt de volgende treffende gebeurtenis.

Den vorigen Zondag, zegt hij, wilde ik mij juist in de sacristie der kerk met de misgewaden bekleeden, ten einde den plechtigen Hoogdienst te gaan opdragen, toen ik eene dame zag binnentreden, die mij eenige dagen te voren verzocht had, voor haar den H. Antonius te willen bidden. Zij was zeer opgewonden, en kon met moeite en slechts langzaam tot zich zelve komen. Eindelijk vernam ik de oorzaak van hare ontroering.

„Gij weet, Eerwaarde! sprak zij, tot welke uitersten mijn echtgenoot en ik waren gekomen. Na alles verkocht te hebben om de schuld te betalen, waarvoor mijn man borg was gebleven, om anderen uit den nood te helpen, werd ons nog

ocr page 184

180

een laatste wissel gepresenteerd, een bedrag van 20.000 franken. Onze laatste meubelen hebben wij daarop verkocht, maar de opbrengst kon in de verste verte de schuld niet dekken.

„In mijn bitteren nood kwam ik voor eenige dagen bij u om te vragen, den H. Antonius voor ons om uitkomst te willen bidden. En luister nu eens, wat er gebeurd is!

„Dezen morgen, zooeven ten 9 ure, schelt een dame, die ons onbekend was, bij ons aan, en spreekt binnengelaten aldus tot mij: — „„Reeds sinds langen tijd wenschte ik een aalmoes te kunnen geven aan menschen, die werkelijk in armoede verkee-ren. Ik ken nu uwen toestand die medelijden verdient. Neem dit dan van mij aan.quot;quot; —Terstond verdween zij. Ik opende de enveloppe, die zij mij ter hand had gesteld en vond er twintig bankbiljetten, elk van 1000 franken in. — Zie slechts!quot;

Wij hebben geen enkel woord aan dit verhaal toe te voegen. Het zij genoeg te zeggen, dat een lamp, brandende voor het beeld van den H. An-tonius in de rue d'Hozier, den innigen dank getuigt van dat uit reddeloozen nood geredde huisgezin. —

Een oud Duitsch rijmpje drukte den wensch van een vroom schijver uit, dien hij voor het begin van zijn boek plaatste:

ocr page 185

181

Mit Gott sei dieses Buchs Beginn,

Mitt Gott sei auch das Ende;

Wir bitten dass er fèrner hin Uns seinen Segen spende.

Welnu, ook wij zijn met Gods hulp en onder Zijnen zegen begonnen, en wenschen onder Zijne schuts en hoede te eindigen. Wij zagen hoe wonderbaar de Heer is in al zijn heilige werken, wat wel bepaaldelijk zichtbaar wordt in de redelijke schepselen, die zich geheel en onverdeeld aan God hebben gewijd, en in die overgave de volmaaktheid hebben bereikt. Hoe heerlijk straalde de glorie van den Heilige, wiens leven in korte trekken is weergegeven, voor de oogen van het verbaasd Europa. Van hem geldt het woord, eens van denH. Johannes den Dooper gesproken: „Hij was een brandende en lichtende fakkel.quot; Hij rees in den duisteren nacht op, als een licht tot verlichting der volken. Hij, het voorwerp van Gods bijzondere liefde, overstelpt door de meest buitengewone gaven der goddelijke goedheid, werd door God bestemd, om de troost en de hulp te zijn, niet van één enkel volk, maar van de geheele wereld, niet ter leniging van een enkele smart, van een enkel lijden, maar als de geneesheer naar ziel en lichaam voor alle tijden, alle plaatsen en alle geslachten. — De aarde zag de pest vluchten voor den H. Rochus, de keelpijn wijken voor den H. Blasius, de razernij voor den H. Hubertus. — De H. Agatha bluscht vuur en vlammen uit, de H. Sigismond verjaagt de koorts,

ocr page 186

182

de H. Nicolaas bedaart de woede der zee. Tot de H. Apolloriia verzucht de lijder aan tandpijn, de vrouw in nood roept den H, Ignatius, de arme stervende wendt het oog tot de H. Barbara. Om licht en verstand vraagt de student den H. Thomas van Aquine; de jongeling met vurig bloed in de aderen smeekt een rein hart af van den H. Stanislaus en den H. Aloysius. Zoo is er verscheidenheid van gaven aan de heiligen geschonken, verscheidenheid van door hen beoefende deugden, verscheidenheid van werkkringen, aan hunne hoede toevertrouwd. Straalt het firmament in den schoonsten glans door de afwisselende grootte, kleur en vonkeling der sterren, heerlijker verscheidenheid van lichtscha-keering biedt ons de hemel der heiligen aan.

quot;Welnu, de H. Antonius schittert aan dien wonderbaren hemel als een zon, die den glans en de schoonheid van vele sterren in zich vereenigt. Hij bezit de gaven, aan anderen afzonderlijk toegekend, in zich alleen. Voor hem vluchten de pest, de pijnen, de razernij. Hij bedwingt den gloed der hooggaande vlammen, stilt de luidbruisende golven. De bede om licht, om reinheid, om een zalig sterfuur hoort en verhoort hij met liefde. Op hem is in den volsten zin de schoone lofzang „Iste confessorquot; toepasselijk, dien de H. Kerk op de feestdagen van heilige belijders aanheft, en welken wij hier in de volgende vertaling durven aanbieden:

ocr page 187

183

Wel heeft hij het verdiend, Belijder hij des Heeren,

Wien overal op aard' de volkeren vereeren, En vroom'lijk prijzen, blij op dezen dag te stijgen Naar 's hemels zetel;

Die vroom, voorzichtig, kuisch en needrig beide,

Een zoo verstorven, vlek'loos zuiver leven leidde, Zoo lang des levens kracht zijn stoffelijk omhulsel Met geest bezielde.

En dikwijls, om zijn zoo verdienstenvolle dagen Zijn menschen, die waar ook, in krankheid nederlagen.

Nadat de woeste kracht der ziekte was bedwongen.

Aan 't heil hergeven.

En daarom juicht ons koor, om waardig hem te vieren Zijn lof en glorie toe en heerlijke laurieren.

Opdat door zijn gebed wij hulpe mogen vinden Door alle eeuwen.

Zij heil en eer en kracht aan God, wiens gloriestralen Zijn troon omvonkelen in 's hemels hooge zalen, Aan Hem, die 's werelds loop bestuurt naar zijn behagen, Eén en Drievuldig.

Nadert dan vrij tot den grooten Wonderdoener van Padua! gij allen, die belast en beladen zijt, gij allen, wien de strijd des levens zoo onzeggelijk hard en bitter valt, gij allen, door bange zorgen gekweld, door uwe hartstochten als een slaaf voort-gezweept, door knagend berouw vaneen gescheurd! Niemand aarzele, niemand wijfele, niemand schame zich, om den zachten, beminnelijken Antonius te voet te vallen. Slechts hij moge ongeloovig het

ocr page 188

184

hoofd schudden, en zijns weegs gaan, die in nood ooit oprecht den H. Antonius heeft aangeroepen en onverhoord is gebleven.

Frank Müllee.

ocr page 189

AANHANGSEL

•s» «s.

Illlll

«®x

nnn *»lt;

iinn *amp;

itmi ❖

iniii ❖

H quot;rn If E m

TEE EERE VAN DEK

H. flNTONIUS VflN PflDÜfl.

ocr page 190

Hymne ter eere van den H. Antonins door den H. Bonaventnra.

O proles Hispaniae, pavor infidelium,

Uova lux Italiae, nobile depositmn XJrbia Paduanae.

Per Antoni, gratiae Christi patroeininm. Ne prolapsis Teniae tempns, breve creditnm Defluat inane. ,

Hymne ter eere van den H. Antonins door den Kardinaal Gny de Montfort.

[1350]

O Sidna Hispaniae I

Gemma panpertatis,

Antoni, pater scientiae Forma puritatis.

Tu lumen Italiae 1 Doctor veritatis,

Ta sol nitens Paduae Signis claritatis.

Lofzang aan den H. Antonins door Abraham Bzovis.

[1232]

1. Dignis ad astra vooibns Landes feramus maximi Antonii, et nrbis inclytam Nostrae canamns gloriam.

ocr page 191

Hymne ter èere van den H. Antonins door don H. Bonaventnra

Gij Spaoje's zoon! en schrik der heidenscharen, Itaalje's firmament roemt ü zijn nieuwe ster! En U blijft Padna als eêlsten schat bewaren!

Antonins! moojf Christus' genade U hooren,

God laat tot boete ons nog korten tijd.

Zij hij voor ons, slechts zondaars, niet verloren.

Hymne ter oere van den H. Antonins door den Kardinaal Gny de Montfort.

[1350]

Gij ster aan Spanje's hemelboog!

Der armoe parel mag 'k ü noemen.

Gij, vader van de wetenschap.

Laat ra' U model van kuischheid roemen.

Itaalje waart G' een schitfrend licht ! U, waarheidsleeraar! bood men eere; quot;■ Uw roem, hel glanzend als de zon.

Heeft Padna zien triomfeeren.

Lofzang aan den H. Antonins door Abraham Bzovis.

[1232]

1. Laat nu op waard'gen toon de lof Des Heiligen ten hemel dringen!

Antonins en onze stad,

Zoo rijk aan roem, gaan wg bezingen, —

ocr page 192

188.

2. Hie ille natas ultimas Tagi qui nndas, nobili Domo, paternis commodis Mendicitates praetalit.

3. Qui ChriBti amore saacias In mille se discrimina Conjecit, ut coelestium Choro adderetar martyrum.

4. Eic singnlari praeditas Linguae eloquentis manera Quacamque adivit urbium,

Mores fugavit improbos.

5. Orci fugavit agmina Infanda, et aegris artubu»

Salubre robur indidit,

Pacemqae la orbem retulit.

6. O nostra felix civitas

In qua sapremis vocibas Confessor almas elarait,

Et sancta membra condidlt,

7. Sit Trinitati gloria,

Summoqae Patri et Filio, Simulque Sancto Flamini In eaecnlorum saecula.

Amen.

Hymne ter eere der vrengden ran dea H. Antonins.

1. Sancti Antonii Paduensis Celebremus gaudia.

Qui aetate Juvenili Coeli scandit palatia.

2. Gande, Antoni, serve Christi,

Quod aetate tenera

Planus gratia fuisti Ut ires ad aethera.

ocr page 193

189

2. Uit eed'len stam, daar waar de Taag

Aan zee voor 't laatst nog golft, geboren, Heeft Sint Antoon den bedelstaf Ver boven 's vaders schat verkoren.

3. Gewond door Christus' liefdepijn.

Zoekt hij in duizenden gevaren Slechts ééne zaak: hij zoekt een plaats Bij 't koor van 's hemels martelaren.

4. Hem was een wonderbaar geschenk,

Een tong, zoo wel bespraakt, gegeven. En elke stad, waar hij in trok Zag slechte zeden ras verdreven.

5. Hij joeg de zwarte benden voort

Der hel; hij geeft aan zwakke leden Gezonde krachten weer terug.

En brengt de wereld weer tot vrede.

6. Gelukkig dan zijt gij, mijn stad!

In u weerklonken toch de tonen Van 's Heeren dienaar voor 't laatst. En 't heilig lijk bleef bij u wonen.

7. Zij der Drieëenheid roem en eer,

Den Vader en den Zoon te zamen,

Gelijk ook aan den heil'gen Geest!

Zoo zij 't in alle eeuwen. Amen. _

Hymne tor eere dar vreugden van den E. Antonins.

1- Antonins van Padua!

Uw vreugden willen we bezingen.

Van ü, die in des levens bloei 't Paleis van God mocht binnendringen.

2. Verheng ü dan, Gij Christus' knecht!

Dat Gij sinds Uwe jongste jaren

Steeds vol waart van des hemels gunst, En zoo ten hemel op mocht varen.

ocr page 194

190

3. Gaude, qnod martyrium Tanto ardore flagitasti Et regnlam taam mntaati, • Ut irea ad auppUcium.

. 4. Gaude, qnod in sapientia Eras tanti momenti, Ut a Papa dicereris Area novi Testamenti.

5. Gaude, qnod zelo suecensus Jnatitiae, redargnebas Omnes, et propter boo eras Mnltis vitiosis offensns.

6. Gaude, qnod miracnlorum Fnlges virtute praecelsft; Hoe testantur conversornm Corda per Te conversa.

7. Gaude, qnod prophetizandi Dona plene possedisti,

Et fntnra praedixisti.

Done Spiritus praegrandi.

8. Gaude, quod a Deo sublatus Tandem ad sublimia,

Apnd Christum laureatus Sedebis in saecula. Amen.

ocr page 195

191

3. Verheng ü over 't heilig vuur,

Dat U naar 't martlaarsohap deed haken;

Den kloosterregel ruildet Gij,

Dit zucht om pijn en dood te smaken.

' Verheug ü, dat Uw wijsheid klom En zooveel in de schaal mocht gelden,

Dat zelfs de Eoomsche Paus Uw naam Als d' Ark van 't Nieuw Verbond vermeldde.

5- Verheug U, dat üw gvergloed

Tan allen 't strenge recht verwachtte. Al werd üw naam daardoor gehaat Bij velen, die het recht verkrachtten.

6. Verheug ü over Uwe macht,

Hel schitt'rend in Uw wonderdaden.

Getuige 't der bekeerden schaar; Hoe danken z' ü Gods gunst en g'nade!

7. Verheug U. dat de volle gaaf Der profetie U was gegeven;

Voor u lag vaak de toekomst bloot, Als Godes Geest U kwam omzweven.

8. Verheug U eindlijk ook, dat God

U voerd' omhoog naar 's hemels kusten.

Gij zult naast Christus, op Uw troon Gelauwerd, eeuwig zalig rusten.

Amen.

IMPRIMATUR.

Edhaemund^,

22 Januarii 1897.

Dr. P. MANNENS. Librorum Censor.


ocr page 196

INHOUD.

Binds.

Opdracht..........................................^

Voorbericht.........................5

Inleiding..........................................'

I Hoofdstuk. Geboorte en opvoeding..................9

II , Onder de Kanunniken van den H. Angus-

tinus................................1®

UI , Naar Marocco en Portiuncula ...... 22

IV , Antonius als redenaar....................29

V , Strijd tegen de Albigenzen................38

VI , Antonius en de ezel....................46

VII , „Si qnaeris miraculaquot;..........'58

'V.I1I , In het land van Limousin................68

IX , Van Frankrijk naar Italië................87

X , Padua.................110

XI „ Florence, Milaan en Alverno.......119

XII , Padua voor de laatste maal.......127

XIII , De Dood van een Heilige........138

XIV , Verheerlijking van Antonius.......153

XV , De patroon van verloren zaken en het An-

tonius-brood.............164

Aanhangsel van eenige Hymnen ter eere van den

H. Antonius..............185

ö. MOSMANS bkniob, Venlo. Uitgever.

ocr page 197
ocr page 198
ocr page 199
ocr page 200